DA COSTA'S
KOMPLEETE DICHT WEEKEN.
3k 15/
DA COSTA'S V;f
KOMPLEETE DICHTWERKEN
UITGEGEVEN
J. P. HASEBROEK.
Achtste Druk.
I^STBUÃT A % fi COHV. W»lf-^ f ft f ** *
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
IN ES DE CASTRO.
Contra buma Dama, 5 peitos carniceiros Ferozes vos mostrais, e cavalleiros?
Cauoens.
DON PEDRO. REI VAN HOPJONKVROCTWEN.
Men verbeelde zich het tooneel in een zaal van des Prinsen Paleis te Coïmbra.
DON PEDRO.
O dierbaar oogenblik, met zoo veel vuur verbeid,
dat my de smart vergoedt der lange afwezigheid!
Ik keere dan in 't end in de armen der geliefde
te rug! De teêrate min, die ooit een boezem griefde,
blaakt heden in dit hart met nooit gekenden gloed;
en 'k ijle.. Maar hoe dus? 6y, eedle jufïrenstoet!
hoe staat gy dus bedrukt, en treurende, en verlegen?
Met wankelende sohreên treedt gy mijn aankomst tegen!
Ontfangt my dus mijn huis, daar 'k vol verlangen keer?
Gy zwijgt â en schreit â en slaat het oog weemoedig neêr! â
Zou Ines?... zou mijn kroost?... Ik sidder 't uit te spreken...
meldt, meldt, om Gods wil, my de waarheid...
DE REI.
Ons ontbreken de moed, de kracht, de stem! O! dat ik 't geen ik zag vergeten kon, mijn Prins! â Een doodelijke slag bedreigt u! En gy eischt dat ik hem toe zal brengen?
DON PEDRO.
't Is vruchtloos, verder nog mijn twijfel te verlengen! II. i
INES DE CASTRO
'k Doorzie den donkren zin van 't uitgesproken woord S Mijne Ines is niet meer! Mijne Inesâ
UE REI
Werd vermoord!
DON PEDKO.
Vermoord? â En ik, ik leef? Ik overleve een mare,
die voor een koeler hart, dan 't mijne, moordend ware! â
Ja! 'k leef! voor eeuwgen rouw! voor eeuwig pijngevoel!
en 't aanzijn heeft voortaan voor Pedro slechts één doel!
Maar wenschlijk is 't mij nog! â Zult gy dien wensch misduiden?
Beseft gy niet mijn hoop, gy, dochters van het Zuiden?
De wraak, de troost der wraak! â Neen! vreest mijn wanhoop niet!
Vreest niet dat ik hezwijke in 't folterend verdriet!
Hy, die my Ines schonk, en afnam, zal my sparen,
tot de aard verzadigd zy van 't bloed der moordenaren!
Maar gy, getrouwe rei, zoo teêr aan haar verknocht!
maar gy, getuigen van haar jongsten ademtocht!
onthoudt my 't schrikverhaal der gruwlen hier bedreven
uit ijdle deernis niet! Doet gy 't gevoel herleven,
dat door zoo fel een slag verdoofd werd in mijn hart!
Wekt mijn versteende ziel tot levendige smart
weer op! Doet 't bloedig vocht ontschieten aan mijn oogen,
waarvan, in de overmaat van ramp, de bi'onnen droogen!
Meldt my wat duivlenhand zich verwde met haar bloed!
Zegt my haar laatsten wensch, zegt my haar laatsten groot!
Zegt my de teedre zucht, die ze aan de bleeke lippen
voor echtgenoot en kroost zieltogend liet ontglippen!
Wroet moedig in de wond van dees verscheurde borst!
Ik smeek 't, als haar gemaal: 'k gebied het als uw quot;Vorst!
DE BET.
'k Gehoorzaam: maar zoo 't bloed, by 't gruwzaam wee-verhalen, te rug springt naar mijn hart, en my de krachten falen,
om 't geen ik tuigde op nieuw voor mijn geschokte ziel te voeren, o! verschoon! De bloem der vrouwen viel!
De roem van haar geslacht, des hemels uitverkoren als de uwe, zag ik hier verraderlijk doorboren!
2
INES DE CASIEO
Ik overleefde naauw zoo pletterend een schrik;
en dien (gy eischt het, Prins!) vernieuwt dit oogenblik!
Gy hadt nog pas één dag dit stil verblijf verlaten,
wanneer op eens de maar zich doot Coïmbraas straten verspreidt, dat zich de Vorst uw Vader herwaarts geeft. Die tijding treft ook ons. üw minlijke Ines beeft!
Zy weet het, wat die komst voor onheil aan moet voeren 1 Maar o! niet voor haar-zelf voelt zy haar hart beroeren, van rustlooze angst en zorg! Zy siddert voor haar ga: zj siddert voor haar kroost: helaas! het is te spa!
Eén hoop welt by haar op âIk moet een poging wagen, (Dus spreekt zy) âvan behoud; en dan . ! Uw welbehagen âgeschiede, Almachtige!quot; Die korte taal ontlast haar boezem, schenkt haar moed, en 't stout besluit staat vast! Met haar onnoozel kroost den vader van haar gade te smeeken voor haar recht, ol (moet het) om genade, is 't eenig wat haar rest en redding brengt misschien!
Zy ijlt naar 't vorstlijk hof, stort zich aan 's konings kniên, en spreekt hem, die nog naauw hare aankomst heeft vernomen, met deze woorden aan, terwijl haar tranen stroomen;
âMijn koning! zie my hier gebogen aan uw voet, âmy, 't voorwerp van uw toorn, dien ik onschuldig boet! .Of dwaalde ik, laat dit kroost gena voor ray verwerven, âdat in hun aderen uw bloed voert! Moet ik sterven,
âom dat Don Pedro my, om dat ik hem aanbid?
âEischt dit de glans der kroon? Beveelt 'slands welzijn dit? âOf moet mijn onschuld dan den nijd ten offer sneven âvan hovelingen, aan mijn afkomst, aan mijn leven âvijandig, en wier haat mijn gade zelf niet spaart?
âDoch voor hun woeste drift was Ines nooit vervaard!
âMaar gy, wien 'k eer als vorst, en lief heb als een vader, â(en echter met een hart, van angst gepijnigd, nader!)
âdeelt gy mede in dien haat, zoo onverdiend, zoo wreed? âen maakt zich ook uw hand tot mijn verderf gereed?
âZijt ge op my, zwakke vrouw, zoo gruwzaam dan verbitterd, âom dat geen diadeem haar om de slapen schittert,
âdie aan den Prins, uw zoon, haar trouw verbinden dorst? âVergeef het aan de drift, die in ons beider borst âonwederstaanbaar sloeg! Niet tembaar was de liefde!
3
INES DE CASÃBO.
âdie Pedroos edel hart voor droevige Ines griefde!
,'k Zag, wien mijn ziel aanbad, wanhopig aan raijn voet â âom weêrmin smachtend â 'k zag hem twijflen aan mijn gloed! âwas langer wederstand hier mooglijk'? â 'k Werd 2ijn gade! ,'k Werd moeder .. o mijn vorst! schenk op dien naam genade! âMaar is mijn afkomst dan onwaard een vorstlijke echt? ,'t Is waar, geen koningskroon is aan mijn stam gehecht;
âmaar Spanjes edelst bloed vereent zich in mijn aadren! âCastielje en Arragon getuigen van mijn vaadren!
âWie kent niet Castroos naam, door deugd en adel groot.. âAch! licht welhaast befaamd door Ines vroege dood'?
âDie dood, die vreeze ik niet! â voor 't minst niet voor mij-zelv âzoo slechts mijn sterven niet 't graf van mijn gade delve! âVerhoed dit, groote Vorst! spaar my niet, spaar uw zoon, âden dierbren erfgenaam van uw roemruchten troon!
âOf is mijn straf bepaald? â 'k zal langer om het leven âniet smeeken! zij my slechts één bede toegegeven!
âDat u mijn dood verzoene, on dat mijn schuldloos bloed âde bittre veete blusch', die tegen Pedro woedt! â
âEn voor dees lieve twee. . Zoo zy hun moeder derven,
âlaat niet uw ongenade op dit ons kroost versterven!
âAch! zy misdreven niets! Zy hebben, schoon onze echt âu haatlijk moge zijn, op uw bescherming recht!
âHun vader is uw zoon; wees hem, wees hun een vader, en breng' mijn ondergang u aan uw kindren nader!
âO! dien vergeve ik u, zoo 'k u misdadig schijn:
âwant aan dees laatste beê zult gy gevoelig zijn!quot;
Dus spreekt zy, met een stem, die rotsen had bewogen! Nog galmt ze my door 't hart; nog perst ze my uit de oogcn een vollen tranenstroom. â Den vorst zelf zag 'k ontroerd, en mooglijk op dien stond schier tot gena vervoerd!
Hy richt de smeekende op. In zijn ontstelde trekken is 't zichtbaar, welk gevoel haar rede mocht verwekken!
Zijn hart voelt deernis, â Ach! hij doet zijn hart geweld, bedwingt zich, en de plooi der strengheid is hersteld! en, machtloos evenzeer tot straffen en verschoonen,
te fier, om zich voor ons besluiteloos te toonen,
verdwijnt hy haastig uit onze oogen. Ines keert,
Van zorg om uwentwil thands meer dan ooit verteerd!
Maar wisslende angst en hoop verdoelen onze harten!
4
1NES DE CASTRO.
'i Waat mooglijk, dal dees dag het eind zag onzer smarten; quot;t waar mooglijk, dat de Vorst, geroerd door zoo veel deugd, ontwapend door haar beê, gevoelig voor haar deugd,
(want wie kon Ines zien, en onvermurwbaar wezen?) verraderen ten spijt, de seliand der Portugeezen,
vergeving sprak! â Doch zelfs die pijnelijke staat van twijfel was te kort; en de eerste dageraad moest onzen schrikbren rouw doen tot het uiterst klimmen!
De schaduwen der nacht verbleekten aan de kimmen: een woeste mengeling van stemmen treft ons oor!
Men dringt in dit paleis, in naam des konings, door! De wachten staan ontzet; wat zou hier weêrstand baten? En wy, bedrukte stoet, van alle hulp verlaten, van doodelijken schrik bewusteloos, verward,
wy naderen, en. God! wat schouwspel voor ons hart! o gruwelijke stond, dien 'k nimmer zal vergeten! dat hatelijke paar, dat, felst op u gebeten,
hun razernij in 't hart des Konings overbracht,
die bittre vijanden van Ines braaf geslacht,
Pacheco, Alvares, staan voor ons! 't Is verloren! Een eindelooze rouw is aan dit huis beschoren!
Zy eischen Ines op: het vonnis van de dood is uitgesproken, en hun zwaarden zijn ontbloot om 't uit te voeren! Neen! 'k beschrijve u niet hun woede! niet, hoe de felle haat, dien steeds hun boezem broedde,
zich lucht gaf op dit uur! De koninklijke macht steunt hun vermetelheid, die met ons lijden lacht!
Maar Ines ziet haar uur met englenkalmte naken!
Is 't lot geworpen, dat haar reine ziel moet slaken; zy onderwerpt zich, ja! biedt zich haar moordren aan!
maar vraagt een kort verwijl, â het wordt haar toegestaan! Nu knielt ze, en heft het oog gelaten naar den hemel rOntfang mijn ziel, o God! van uit dit stofgewemel ,genadig! schenk den ga, voor wien 'k alleen bestond, âversterking in zijn leed! Druip balsem op zijn wond!
âBreng zijn gefolterd hart aan dat zijns vaders nader! rVergeef mijn vijanden, en wees mijn kroost een vader!quot;
5
INES DÃ CASTRO
Zy zegt, en buigt het hoofd. Der beulen euvelmoed ontzet. Zy aarzelen en. waar 't geen tijgrenbloed,
wat door hun aders vloeit, uwe Ines bleef in 't leven!
Maar neen! zy schamen zich hun opzet op te geven, en vatten nieuwen moed, en keeren 't aanzicht af!
Pacheco grijpt het hoofd, dat zy hem overgaf,
en 't zwaard van Alvares... Des hemels goedheid spaarde my 't verdere gezicht des gruwels. 'k Zonk ter aarde, of 't ware dat my zelve een doodelijke slag verpletterd had! â Maar toen 'k herrees en om my zag, was alles stil en doodsch! 'k Zag slechts de breede stroomen van 't bloed! â Uwe èga was ten hemel opgenomen!
DON PEDBO.
Zoo is dan 't bloedontwerp van 't zwartst verraad gelukt! Zoo werd dan door het zwaard mijn echtknoop losgerukt! Mijn vader! dat ge u dus door monsters liet omringen! Dat dus hun helsche raad in uw gemoed kon dringen!
Geen deernis trof u met een weerelooze vrouw,
noch 't denkbeeld van uw zoon, en van den bittren rouw, waarin 't ontmenscht besluit der staatszucht hem moet storten, en die (o hemel! stem 't!) mijn dagen zal verkorten.
Maar laat my (kan het zijn) vergeten, dat ook gy,
mijn vader, schuldig zijt aan 't schriklot, dat ik lij! Op a, gevloekte twee, laf harte moordenaren!
(o! moog 't rechtvaardig lot u tot dat tijdstip sparen!) op u slechts vlamt die wraak, waar voor ik eenig leef!
Beef, schendige Alvares! en gy, Pacheco, beef!
Viert, viert den zege, dien de hel u deed verwerven! Verduizendvoudigd wacht de straf u! Gy zult sterven, of voegen by het bloed van Ines ook het mijnl Mijne éga, ja, ik sneve, of 'k zal uw wreker zijn!
Verfoei' my 't nageslacht, gelijk het zal verfoeien den naam van 't monstrenpaar, wiens staal uw bloed deed vloeien, verfoeie my ons kroost, verfoei' my 't gantsch Heelal, zoo heel het aardrijk van die wraak niet ijzen zal!
En verder â kwijn, kwijn weg in tranen, o mijn leven! Wat uitzicht bleef my meer? Wat hoop, om naar te streven? De wereld, die me omringt, is my een wildernis:
mijn rang zal me eindeloos aan 't bloedige gemis
INES DE CASTBO.
herinn'ren! Neen! de kroon, die eens mijn hoofd moet drukken, zal nimmermeer mijn hart aan 't knagend wee ontrukken! Geen zorg van staat zal ooit uw beeld verflaauwen doen, O Ines, in dees borst! de daavrende klaroen,
die in de prille jeugd het ridderbloed doet koken,
en die zoo menigmaal mijn boezem heeft ontstoken in heldenroemzucht, die de ziel ten hemel heft,
vindt Pedro doof voortaan! Mijn stervend hart beseft een enkle nooddruft nog: die, van uw dood te wreken, te treuren zonder end, en smert met smert te kweeken!
Maar gy, zoo 't geestendom mag neerzien op deze aard,
blijve u de teerste ga nog zorg en deernis waard van uit het englenrijk, waar toe gy werdt verheven!
O! dat me uw dierbre schim nog somtijds moge omzweven! Verschijn my, als de nacht mijn mat getreurde leên 't üedriegelijk genot des slaaps brengt! Hoor mijn beên!
Daal slechts één oogenblik voor de oogen van uw gade ter neder, treffendst pand der hemelsche genade,
by al wat 'k lijden mag; maar welkom bovenal,
wanneer me uw komst het uur der dood verkonden zal!
Maar 'k ga! 'k wil op het lijk den traan der wanhoop plengen! 'k Wil aan de wreed vermoorde een laatste groete brengen! Dan voer' men 't lijk naar 't graf! De ziel vloog hemelwaart; keer 't zielloos stofkleed weêr in 't rustig stof der aard! Eens echter, als de loop der wentelende jaren mijn schedel met den last der rijkskroon zal bezwaren,
wordt mooglijk nog dit stof aan de aard te rug gevraagd! Dan zal dat dierbaar hoofd, zoo gruwzaam eens belaagd, nog met den diadeem, dien 'k haar bestemde, pralen, en, zielloos, nog triumf op 't beulenrot behalen,
dat de eer der heerschappij aan Pedroos gemalin benijdde! Heel mijn volk zal haar als koningin een sombre hulde biên! Verraders! moogt gy leven,
en zien, voor eerste straf, haar op den troon verheven, wie uw gevloekte hand de reine borst doorstiet,
en 't koude lijk, vorstin van 't Portugeesch gebied!
Dien naam, dien kenne haar, by al baar hemelglorie,
deze aarde toe! Dien naam bevest' haar 's lands historie! En roem' haar 't nageslacht, in dood en leven groot, in 't leven wreed vervolgd, gekroonde na den dood!
7
1NES DE CASÃHO.
DE BEI Welk een akelige kreet vult Coïmbraas sombre wallen?
Welk een noodlot, gruwzaam wreed, heeft haar vesten overvallen?
Waarom rolt Mondegoos vloed met een dof gemurmel bloed door haar jammerende boorden? Waarom roept liet al tot God wraak op 't helsche beulenrot, dat een zwakke vrouw kon moorden?
Ines, Ines is niet meer!
Zy is 't voorwerp van die klachten!
Heel een volk vraagt Ines weêr aan de monsters die haar slachtten! Haar, die meer dan vrouwendeugd by het tederst schoon der jeugd in het vlekloos harte paarde!
De eêlste bloem van Spanje viel! â Ach! de aan God gewijde ziel was te zuiver voor deze aarde!
De eerste dood, die 't aardrijk zag, was de dood des schuldeloozen!
Wat deze aard te tuigen plag,
is de zegepraal der boozen!
Hier regeert noch recht, noch God, hier, geen ander plichtgebod,
dan de vaste wil des sterken!
Wie zal 't dwingend algeweld,
daar 't zich-zelf geen palen stelt, in zijn dollen loop beperken?
Hoe ik keere mijn gezicht,
'k zie de misdaad triomfeeren!
Troonen, door geweld gesticht,
laffe vleiers, die regeeren!
Muichelmoord en snood verraad, aan het eervol roer van Staat,
IN ES DE CASTRO
in den purperglans gehuldigd!
En der ondeugd schaam tloos hoofd met het lauwerblad omloofd, aan rechtaarde deugd verschuldigd!
Wat dan heeft dit aardsch tooneel, daar 't die gruwelen onteeren,
dat een edel harte streel',
dat hem 't leven doe waardeeren? Wat genoegen heeft het in,
macht en gouddorst, wrevelzin,
driften, toomloos losgebroken,
worstlend met elkaar te zien â
maar vereend op 't hart gebiên,
dat zy rusteloos bestoken?
Onschuld! wat zult gy hier doen? Nederige, wapenlooze!
wat vermoogt gy tegen 't wo6n van den onbedwongen booze?
Weerstand bieden vreest gy niet,
noch, wanneer de plicht gebiedt, 't heerschend onrecht te vervolgen?.... 't Alomvattende geweld,
dat zich hier ten meester stelt,
heeft uwe onmacht reeds verzwolgen!
Lijden, lijden is uw lot!
't Lastig leven door te zwoegen
met de hoop gevest op God,
dit is. Onschuld, uw genoegen!
Maar ook dit wordt u misgund!
Zoo gy 't hoofd niet buigen kunt voor d' Afgodendienst der snoodheid â haat, vervolging staan gereed,
laster, moord en al het leed,
waar uw zwakheid steeds voor bloot leit!
Waarom dan de dood betreurd,
die geen leed brengt, maar bevrijden!
de onschuld uit de klaauwen scheurt van haar haatren, van haar lijden!
1NES DB CASTRO.
Ach! de wil der Almacht spreekt, en de band des lichaams breekt,
en de ziel stijgt op ten hoogen!
Daar herstelt een eeuwge rust,
daar verkwikt een eeuwge lust 'n den schoot van 't Alvermogen !
Dierbre, koninklijke vrouw,
om wie onze tranen stroomen!
Eeuwig voorwerp van den rouw die ons hart heeft ingenomen!
Dit, dit noodlot is het uw!
Monsters van wier naam ik gruw, snoeiden uw onschuldig leven!
Maar de woede van den haat,
die zijn prooi ter nederslaat,
heeft tot de Englen u verheven!
Bloei dan welig in Gods hof,
bloem, zoo jeugdig afgesneden!
Bloem, zoo vroeg, zoo wreed in 't stof door een vloekbren voet vertreden!
Daar herademt ge, en vergeet al het doorgeworsteld leed,
al de broze vreugd der aarde,
die één dag ontluiken ziet,
één dag omwerkt in verdriet;
vreugde, niet voor u van waarde!
Maar het naar u smachtend kroost zult ge omzweven en bewaken!
Maar den éga, wien geen troost in 't verscheurde hart durft naken,
zult ge onzichtbaar gadeslaan,
en de wanhoop doen weêrstaan, die ons 't uiterste doet vreezen!
Ja, gy zult, ofschoon dees grond,
door geen weldaan u verbond, Portugals beschermgeest wezen!
Immer blijft de vlek van 't bloed op Coïmbraas bodem kleven!
INES DB CASTRO.
Immer zal Mondegoos vloed klachten murmlen om uw sneven! Van uw schoonheid, van uw deugd, van uw droef verwelkte jeugd, zal geheel de wereld wagen! en 't ontmenschte beulenrot,
by de strenge wraak van God, ook den vloek der menschneid dragen!
HELDENPLE1T.
't Sigeisch strand zag nu den vorstelijken kring des Griekschen Raads vergaard tot slechting van 't geding. Van uit hun midden treedt met grimmig vlammende oogen krijgshaftige Ajax op, en heft ze norsch ten hoogen,
terwijl hy uitbarst in dees woorden: âGroote Goön!
Hier, in 't gezicht der zee, hier durft Laëites zoon met Ajax naar één prijs, Achilles wapens, dingen!
Hier, hier, op de eigen plek, waar onze schepelingen hem vlieden zagen voor de toorts, waarmee de hand van Hector heel dees vloot ging steken in den brand;
daar ik alleen dorst staan, en d' aanval deed mislukken! Of moet wellicht de kunst zich listig uit te drukken in fijn gesponnen taal, op heldendapperheid de zege winnen? zoo is mij de zege ontzeid!
Ik heb de gaaf mijn recht met klanken op te sieren zoo min, als hy die van den degen te bestieren gelijk het krijgsliên past! Doch 't komt op daden aan! De mijne kent gy! Wat deze arm hier heeft bestaan, getuigde 't licht des dags! Hy moog zijn krijgsbedrijven wijdloopig voor het oor van 't Grieksche heir beschrijven, om, 't geen hy mooglijk eens in sombre schaauw der nacht en eenzaam ondernam, met valsche woordenpracht te voeren in het licht! Maar zouden laffe listen den schitterenden prijs, dien by my durft betwisten, verdienen? Roem genoeg verstrekt het hem, met my te kampen om één prijs. Hoe dierbaar die me ook zij, hy waar my dierbrer nog, betwist door andre helden!
Doch 'k doe, by meerder deugd, nog hooger rechter gelden: die van mijne afkomst! 'k Ben de zoon van Telamon,
11
HELDEN PLEIT.
die onder Hercules de Trooische muren won,
en met Thessaaljes jeugd den stouten tocht dorst wagen
om 't gulden wondervlies aan Colchos weêr te vragen.
Zijn vader was de Vorst, die in het helgebied
de Sisyphussen voor zijn aanblik siddren ziet,
en wien der goden Vorst niet schroomt zijn zoon te noemen.
Zoo na mag Ajax zich op hemelsche afkomst roemen!
een afkomst, hem gemeen met Peleus grooten zoon.
'k Heb tot geen kampstrijd van verdiensten me aangeboön!
maar 'k eisch hier de erfenis eens broeders! Waar't rechtvaardig,
zoo 't kroost van Sisyphus, dien stamheer overwaardig,
het erfrecht meester werd van Eacus geslacht?
En wordt het heiige recht eens stamgenoots misacht?
Of heb ik dit verbeurd, om dat ik vrij en moedig
my aanbood tot den tocht, die Griekens schande bloedig
ging wreken? Zoo geeft hem, die in het harnas beeft.
en 't zwaard al siddrend voert, Achilles wapens! Geeft
de wapens van een held, als Peleus zoon, aan dezen,
wien Palamedes van een dolheid moest genezen,
geveinsd uit laffen vrees voor 't roemrijk krijgsgevaar!
En o! dat hem die list gelukt mocht zijn! Hy waar
dit leger niet gevolgd, om 't in zijn gruweldaden
meê in te wikklen, en zijn helden te verraden!
Gy zoudt nog met ons zijn, rampzaalge Peas zoon!
die aan 't verschriklijkst leed (ons allen tot een hoon)
ten prooi gelaten werd in Lemnos woeste bosschen,
en van het roofgediert, en van de doode rotsen
een medelijden vergt, door Grieken u ontzeid!
Helaas! thans kwijnt gy weg in de aakligste eenzaamheid.
en richt, half stervende, die wijd geduchte pijlen,
waarmeê we u tot verderf der Trojers zagen ijlen,
op wild gevogelt af, tot voedsel van uw wee;
en heiligt aan de wraak (o goón! verhoort zijn beê!)
Laértes valschen zoon! En echter blijft gy leven,
door 't leed zelf, waar ge in zwoegt, aan zijnen haat ontheven.
Maar Palamedes! Ach! wie geeft dien held ons weêr,
die door des monsters list zijn leven met zijn eer
verbeurde, toen de wraak om 't schrander listontdekken
(het geen den lafaart dwong met ons te veld te trekken)
op dat onschuldig hoofd zoo gruwzaam werd verzaad!
12
HELDEN PLEIT.
ülysses dorst den held van 't schandelijkst verraad
betichten, en hy-zelf (ja! 'k durf de waarheid spreken!)
had in des Vorsten tent den goudschat doen versteken,
bedriegelijk bewijs van een verdichte schuld.
Van zulk een dapperheid is zijn gemoed vervuld!
Met ballingschap en moord woedt hy op Gneksche helden,
gevaarlijk in den raad en niet op de oorlogsvelden.
Dit tuige Nestor, die, door 't storten van zijn paard,
onweerbaar in 't gevecht neêrtuimelend ter aard,
Ulysses, dien hy bad hem in dien nood te hoeden,
tot eigen lijfsbehoud zich ijlings weg zag spoeden,
doof voor des grijzaarts stem. Dit tuige Diomeed,
die hem op d'eigen stond zoo laf een vlucht verweet!
Doch 't Godendom doet recht! Ook hy zag zich in 't strijden
ontbloot aan alle kant; en had mijn medelijden
hem niet gered, hy waar bezweken in den nood!
Doch 'k zag den killen schrik der naderende dood
zijn kaken bleeken, en ontfermde my des snooden!
Ik zwaaide 't zwaard in 't rond: de Trooische drommen vloden,
en deze beukelaar bedekte heel den held.
Betwist' hy my den zege op 't eigen oorlogsveld,
indien hy 't wagen durft! En als des vijands klingen
hem wederom zoo na ten lijve zullen dringen,
zoo oordeel' heel het heir, wie zegepralen moet,
hy, die geen andre kracht dan in den vluggen voet
op 't slagveld overhoudt, of die, toen Hectors naderen
niet slechts ölysses 't bloed verstijven deed in de aderen,
maar onzen dappren meê, te midden van zijn vaart
den grooten oorlogsman neêrbonsde tegen de aard,
en 't vijandlijk geweld te rug stiet! Wapenbroederen!
getuigt het! Welk een wensch vermeesterde uw gemoederen,
toen 't lot beslissen moest, wien onzer 't tweegevecht,
door Hector aangeboón, zou worden toegezegd,
by zulk een overvloed van helden? Hooptet ge allen
niet dat die hachlijke eer aan my te beurt mocht vallen?
Die hoop vervulde zich, ik streed, en keerde weêr
onoverwonnen in uw midden, en met de eer
der legers ongekrenkt. Doch 'k durf op meerder bogen!
Dien schrikbren onheilsdag voer' zich uw geest voor oogen,
toen Troje, en Juniter, met Troje bondgenoot,
13
HELDENPLEIT.
in plettrende overmacht losbarstten op de vloot
met vuur en staal! Eén uur ging onze duizend kielen,
de hoop des wederkeers naar 't vaderland, vernielen,
had ik niet in 't gevaar dees borst vooruit gezet,
en tegen menschen beide en goden u gered!
'k Heb op erkentnis recht voor zulk een dienstbetooning!
Achilles waapnen zijn me een billijke beloning:
ik ben die waard; zj my! Hetgeen ik heb verricht
is meer dan Pallas beeld in 't duister weggelicht,
of wichlaar Helenus verwonnen, een bespieder
betrapt en omgebracht, en Rhesus moord, daar ieder
zelfs hiervan 't allermeest aan Diomedes wijt.
Sta af dan, weekeling! van d'ongelijken strijd,
dien ge ondernemen dorst! Tot loos bedrog geschapen,
voegt u 't sieraad geenszins van 't al te schittrend wapen!
U zou de gouden helm verraden by de nacht,
terwijl gy lagen spreidt: terwijl gy zelfs de kracht
om hem te dragen mist. Bespotlijk zou het wezen
de zware lans, gedrild door Peleus zoon voordezen,
in uwe hand te zien, en aan uw arm het schild,
waarop die godenzoon de wereld droeg! Te mild
waar 't Grieksche leger wis voor Priams onderzalen,
indien 't in uw bezit dien wapendosch kon laten,
op dat ze dadelijk des vijands prooi zou zijn.
Neen, Grieken! Neen! Aan my dat heldenschild! Het mijn
werd tot uw dienst doorboord door menigte van schichten!
Aan my... Doch tusschen ons kunt gy gemaklijk richten!
Werpt deze waapnen in 't vijandelijke heir!
en die ze wederbrengt keere als hun eignaar weer!quot;
Dus eindigt Ajax, en een gunstig volksgevoelen volgt murmlend op zijn reên. Te midden van dit woelen treedt thans Ulysses op. Het neêrgeslagen oog verheft hy nederig en statig naar om hoog,
weet kaim met schrandre kunst hun aandacht eerst te spannen, voldoet die eindelijk, en spreekt: âHeldhafte mannen!
zoo onzer aller beê verhoord waar by Jupijn,
dit hachelijk verschil zou niet gerezen zijn!
Ach! deze wapendosch zou nog Achilles leden ('t Geheugen van den held kost my dees traan!) bekleeden!
14
HELDENPLEIT.
Doch heeft de onwrikbre wil des Noodlots ons beroofd
van dien doorluchten vorst, van dat onschatbaar hoofd;
dan mogelijk doet hy het zekerst erfrecht gelden,
door wien die groote man zich op deze oorlogsvelden
bevonden heeft! en aan wiens kloekheid en beleid
gy menig zege dankt, aan grove kracht ontzeid!
Want, Grieken! 't strakke toch den woestaart niet tot voordeel,
dat hy zich weet ontbloot van schranderheid en oordeel,
en op zijn dwaasheid roemt! Wie nuttigst was in 't heir,
dien kroone uw dankbaarheid met de overwinningseer!
Niet wat ons voorgeslacht, maar wat wy-zelven deden,
beslisse! Schoon 'k ook dan niet achteruit zou treden!
want ik ben evenzeer van godlijke geboort',
geboorte, niet bevlekt door gruwbren broedermoord;
maar door mijn moeders bloed, uit Majaas zoon geboren,
nog heeilijker misschien! Of wilt gij de eischen hooren
der bloedverwantschap, dan heeft Ajax meê geen recht!
dan word' dees wapendosch aan Pyrrhus toegezegd,
des afgestorvnen zoon, of aan zijn grijzen vader!
dan is hem Ajax ook niet meer dan Teucer nader,
meê zoon van Telamon! Maar neen! verdienste alleen
beslechte ons wichtig pleit! Wel aan dan, wat ik meen
sints meer dan negen jaar in 't aanschijn onzer helden
te hebben uitgericht, zij 't my vergund te melden!
6y weet hoe in het eerst een schrandre moederzorg Achilles fieren moed in vrouwendracht verborg,
en aan den tocht onttrok, door uwe deugd begonnen.
Wie heeft dien forschen arm voor 't Grieksche heir herwonnen ? Was 't Ajax? Of was ik 't? die, midden in een stoet van vrouwen, onder wie hy kwijnde, 't heldenbloed zich zelf verraden, en van oorlogzucht deed zieden,
door d' aanblik van het zwaard, dat ik wist aan te bieden; en die op d'eigen stond hom toeriep: âGodenzoon!
âOp u wacht Trojes vest, om Menelaüs hoon âte boeten: Op! ten strijd! Gy brengt den Griek viktorie.quot; Ik sprak: hy volgde. Hoort een deel sints van zijn glorie niet my? Zij strekken my tot onvergeetbren roem,
zoo velen door zijn hand van Trojes heldenbloem en Phrygiaansche steen vernield zijn. Lesbos wallen.
15
HELDEN PLEIT
Chryse, Tenedos, en Cylla zijn gevallen
door my! Dien Hector meê, der oorlogsvelden schrik,
Achilles schittrendste triumf, vermeesterde ik!
Mijn wapens dan, die 't eerst Achilles lijf omgordden,
die kunnen niet betaald, dan met de zijne, worden!
Zie daar mijn eerste dienst, bewezen aan dit heir.
Nog voor onze aankomst op dees stranden, deed ik meer.
Der duizend schepen vloot, gereed m zee te steken,
om de eer van Atreus kroost op Priams huis te wreken,
verbeidde aan Aulis strand der winden gunst alleen.
Doch vruchtloos waren hier geloften en gebeên
Diana, fel vergramd op d' Oppervorst dor Grieken.
verbiedt den vluggen wind in onzer kielen wieken
te zwellen, zoo men niet haar ongenade boet',
en op haar outer plenge Iphigeniaas bloed!
Nu moet door kracht van taal eens vaders hart bewogen,
het slachten van zijn kroost op 't outer te gedogen!
Ik waag dit voor 't belang der Grieken, 'k overreed
(tuig, Agamemnon! tuig 't, wat strijd ik toenmaals streed!)
den vader zich de plicht des konings toe te wijden,
en wist den weerstand zelfs der moeder te vermijden,
die, onbewust, van 't al, my 't offer overgeeft.
Diana wordt voldaan. Iphigenia sneeft.
De winden zijn ontboeid. De Phrygiaansche stranden
betreedt der Grieken heir door mijn beleid. Wy landen.
Ik waag voor aller zaak my aan een nieuw gevaar,
begeef me in Trojes wal, en, moedig redenaar,
ontwikkel in den Raad van Priam Gnekens klachten,
bedreig hem met den krijg, dien onze schepen brachten,
en eisch Heieen te rug, met boete voor den hoon,
die haren Ega trof. Mijn taal, en stem, en toon
doordringt der grijzen hart, en lenigt hun gemoederen,
terwijl een woeste jeugd, en Paris, en zijn broederen,
zich nauw ontzien hun staal te doopen in mijn bloed.
Nu was de hoop op vreê verloren! de oorlog woedt,
doch niet op 't open veld. De Grieksche en Trooische lansen
beproeven zich nog niet. De vijanden verschansen
zich binnen hunne veste; en 't duurt ruim negen jaar.
eer we onze zucht voldoen naar ernstig krijgsgevaar.
Wat deedt gij, woestaart! toen, die niets verstaat dan vechten?
HELDENPLEIT.
Terwijl ik zorgde, en waakte, en onze legerkneohten
by 't lastige beleg volharding aanbeval,
den vijand lagen spreidde en 't leger met een wal
en vestingmuur omgaf, en voor verrassing hoedde.
'k Was nuttig: gy verteerde in vruchtelooze woede.
Het leger middlerwijl, door Agamemnons droom
bedrogen, dreigt een schand, die ik alleen voorkoom.
Men wil aan 't grootsch ontwerp, aan wraak en eer verzaken,
om weer de rust der vrede en 't huislijk heil te smaken!
Heeft Ajax, die zoo grootsch op vaste deugd braveert,
heeft Ajax toen die vlucht volijverig gekeerd?
Heeft hy door raad of daad, voor 't minste door zijn voorbeeld
de krijgren aangevuurd, en hun gedrag veroordeeld?
O neen! daar 't al den rug aan Trojes muren bood,
getroostte hy zich meê die lafheid, en hy vlood!
Niet ik! Die 't vluchtend volk in 't harte weet te treffen,
en met een scherp verwijt de schande doe beseffen
van na een lang beleg te keeren onvoldaan,
en op den Griekschen naam der eeuwen smaad te laan.
Mijn ijver overwint: men wendt beschaamd zijn schreden
naar 't leger: Ajax meê keert weder op mijn reden!
Nu wordt door d'Oppervorst het gantsche heir vergaard!
Ik voer op nieuw het woord: de onstuimigheid bedaart.
Ik straf een muiteling, zoo nietig als vermeten,
en spoor de krijgren aan dien dag te doen vergeten
door nieuwe wonderen op 't bloedig veld van eer!
Zoo strekt dan al 't geen sints en Ajax en dit heir
verrichtten, my tot lof! Doch 't is genoeg gebleken
wat denkwijze over my alle onze helden kweken!
Ik ben 't, als Diomeed een stouten aanslag waagt,
wien deze dappere tot medehelper vraagt!
't Is vleiender voorwaar aldus te zijn verkoren,
dan door een blinde kans ten strijd te zijn beschoren.
Voor 't minst, ik wachtte niet dat my het lot gebood,
om me in de holle nacht te wagen aan den dood;
toen ik den Trooischen spie, daar hy ons kwam verrassen,
de zijnen deed verraan, en in zijn bloed deed plassen:
en, daarmeê niet vernoegd, in Rhesus tenten drong,
hem met geheel zijn stoet 't zwaard door den gorgel wrong,
en, tot een schittrend blijk mijns krijgsbedrijfs, zijn paamen,
17
HELDENPLEIT.
die zy als 't waardig loon van Dolons tocht bewaarden, in 't Grieksche leger bracht. Maar ook by zonnelicht in openbaren strijd heb ik niet min verricht.
Dit heeft Sarpedons drom te droevig ondervonden, op 't flikkren van mijn staal door 't slagveld half verslonden. Dit tuigden Prytanis, Alastor, Chromius,
Noëmon, Halius, Alcander, Ceramus,
en zoo veel minderen, naar 't schimmenrijk gezonden ten koste van mijn bloed! Gy ziet het aan dees wonden, versiersels van mijn borst, gelijk die groote man,
hoe trotsch zijn rede klinkt, n niet vertoonen kan.
'k Beken het, hy deed veel in 't hachlijk vlootverweeren.
Maar was hy de eenige, die 't Trooiache vuur dorst keeren? En heeft Patroclus niet, in wapens nitgedoscht van zijn doorluchten vriend, den schepeling verlost?
Of was hy de een'ge, die met Hector zich dorst meten, en heeft hy 't aanbod van acht anderen vergeten,
waaronder ge Atreus zoon, en ook Ulysses zaagt?
Het lot bestemde hem. Hy streed: wel onvertsaagd, ,wel onverneêrd! doch is de zege hem gebleven?
Hoe smert het me in uw hart de smert te doen herleven der dood van Peleus zoon. Doch 'k moet u aan den dag herinnren, toen uw oog dien krijgsmuur storten zag. 'k Ontvoerde, niet ontroerd door klachten, kreten, tranen, te midden van den drang der juichende Trojanen het dierbaar overschot aan 't vijandlijk geweld,
en deze schouder droeg het lichaam van den held met de eigen wapenen, waarnaar wy heden trachten!
Neen, by verlichter geest ontbreken me ook geen krachten! Mijn leden zijn 't gewicht der oorlogsdracht gewend,
niet minder dan mijn ziel de hooge waarde kent van d' opgehangen prijs. Hoe! zouden kunstgewrochten, die godenhanden slechts te voorschijn brengen mochten, ten sieraad strekken eens onwetenden soldaats?
Ach! of dit kostlijk schild naar eisch van orde en plaats de beeldtnis voert ten troon van hemel beide en aarde,
noch kunst, noch kennis heeft voor zulk een woestling waarde Doch dat ik in het eerst de kans des- krijgs vermeed, beschimpt hy, als of dit Achilles meê niet deed?
18
HELDENPLEIT.
Hem wilde voor 't gevaar eens moeders angst beschermen,
my een aanbidbre ga! Doch 'k rukte me uit haar armen;
en zegg' hy of ik ooit, aints meer dan negen jaar,
me om harentwil onttrok aan cenig krijgsgevaar!
Dan. waar spreekt Ajax van? Kon hy my herwaarts brengen,
gelijk ik Peleus zoon? â Vermoogt gy 't te geheugen,
o Vorsten! welk een taal hy zich veroorelooft?
Hy wijt u openlijk dat ge een onschuldig hoofd
ter dood veroordeeld hebt; omdat ge een daad moest wreken
van schandelijk verraad, op 't duidelijkst gebleken.
Ja! Palamedes moest de doodstraf ondergaan!
Ik bracht zijn vuig ontwerp den Griekschen krijgsraad aan,
gy doemdet hem, te recht! Van Philoctetes smarte
beschuldigt hy slechts my. Zy gaat my diep ter harte!
Doch heb 'k daar meerder deel dan de andre helden aan
Gy, Grieken! gy volbracht, wat ik had aangeraan,
op dat een stille rust, onmooglijk in dit leger,
hem redding schenken mocht! Licht waar zijn toestand veeger,
ja, mooglijk waar hy reeds bezweken, in 't gewoel
dat de oorlog met zich brengt! zoo was zijn heil mijn doel!
Wel aan! daar thands de goön verklaarden, dat de wallen
van Troje zonder hem onmooglijk konden vallen,
spoede Ajax naar hem toe! Laat Ajax taal zijn woên,
ten oirbaar van dit heir, met kunst bedaren doen!
Vloei rugwaarts, Simoïs! naar d' oorsprong uwer stroomen,
schud, Ida, van uw top de kroon af' uwer boomen,
wanneer ooit zijn vernuft zoo grootsch een taak verricht',
wanneer ooit zijn beleid hier 't minste voordeel sticht'!
Neen! ik zal Philocteet (hy moog' my thands vervloeken!)
in Lemnos eenzaamheid kloekmoedig gaan bezoeken,
zijn drift, zijn haat, zijn wrok doen zwichten voor mijn réén;
en 'k voer hem uit zijn rots ten val van Troje heen!
Dit zal ik! zoo gewis, als 'k Helenus deed spreken,
en 't middel van hem leerde ons op zijn stad te wreken,
en uit de Trooische burcht in der beleegraars macht
't noodlottig Pallasbeeld, haar sterkste weering, bracht!
En waant hy nog, dat ik in dezen kamp zou wijken, .
wien gy 't verschuldigd zijt, dat ïroje kan bezwijken?
Waar was hy? waar zijn moed en grootspraak op dat uur,
toen ik het stoutst ontwerp met meer dan heldenvuur
19
HELDEN PLEIT.
tan uitvoer brengen dorat, de stad wist in te dringen, de wachters van 't kasteel tot da overgaaf te dwingen, en duizendmaal den dood te tarten, om dees schat,
(die eenig u 't bezit verzekert van de stad,
en zonder wien hy zelf zijn kracht slechts zou vermoeien, in eindloos langs dees grond een nutloos bloed te sproeien), te voeren in uw macht. Voldappre Diomeed verzelde me op dien tocht; 'k erken het, ja! ik weet dien Vorst een deel des iofs van d' uitslag toe te wijzen. Is onzer beider moed te minder des te prijzen?
Of, Ajax! waart ge alleen by 't redden van de vloot? ü strekte een gantsche stoet tot bijstand in den nood,
maar my een enkel held! Noch deze, noch zoo velen,
die met u in den roem des hoogsten krijgsmoeds deelen, beweren eenig recht op d' eerprijs, waar 'k naar ding. Zy weten dat beleid meer uitricht dan de kling;
zy weten dat de kracht nog nooit deed zegevieren,
waar 't aan verstand ontbrak, haar werking te bestieren. Wie zijt gy, die alleen een woest gevecht verstaat,
by my, die nuttig ben met wapens en met raad?
Zoo veel de vlugge ziel is boven 't lichaam te achten, gehoorzaam aan haar wil in 't oefnen van zijn krachten: zoo veel de stuurman meer. dan die den riem voert, geldt de veldheer meer dan 't heir, dat op zijn wenken snelt: zoo veel beroem ik my dien woestaart te overtreffen, die, buiten 't strijdperk, geen verdienste kan beseffen! Wel aan dan! eedle Raad! Gy kent het geen ik deed; gy acht my in 't vervolg steeds evenzeer gereed,
om, moet er iets verricht met stout- en wijsheid worden, en wapenen en list om lijf en ziel te gorden,
en 't al te wagen voor uw dienst en voor onze eer!
Bedenk het, wie van ons onmisbaar is voor 't heir! Wie onzer met meer trouw voor zijn belangen waakte!
Wien Troje meerder ducht, wie Troje winbaar maakte! Of, kunt gy aars'len in 't beslissen van ons pleit,
en heb ik voor mijn recht nog niet genoeg gezeid;
zoo schenk ze der Godes Iquot;
Hy stelt hun 't beeld voor oogen van Pallas, door zijn hand aan Trojes vest onttogen.
20
CAIN.
CAIN.
Heil! geest der poëzy! wien 'k aan 't welluidend ruischen der vleugelen erken, en aan het felle bruischen mijns boezems, wien uw komst ontzet, en wellust baart;
Heil! voor mgn oog, vermoeid van dees verouderde aard,
voert ge uit de diepe nacht van 't dichterlijk voorleden tooneelen, waar de praal van al haar ijdelheden bij wegzinkt, weder op! tooneelen, vol van gloed,
(schoon meê bevlekt met zonde, en overspat met bloed) uitvoerig, weeldvig en getrouw! Want wat Geschichtkunst met flauwe trekken schetst, voltooit uw hand, o Dichtkunst, met verwen, gloeiende van waarheid! Ja! mijn oog aanbidt die in 't tafreel, dat ge uitrolt van om hoog!
Wel aan dan! dat mijn mond dit stoute beeld verkonde! Den eerstgeborene der menschheid en der zonde bezinge ik! 't gruwelstuk van Adams oudsten zoon en Abels vroegen dood, der Onschuld heerlijk loon!
Maar gy! verlaat my niet, en schenk me een tweede leven, dat ik geheel mijn ziel zoo zuiver weêr mag geven in klanken, als die ziel, gelouterd van deze aard,
het ideaal weerkaatst, dat gy haar openbaart!
Het eerste menschenpaar, verbannen van Gods Eden, en zuchtende in de straf van 't roekloos overtreden,
sleepte in zijn nieuw verblijf, langs d' onbebouwden grond,
zijn bitter naberouw en dorre wanhoop rond,
en droeven ouderdom by onvergrijsde haren.
Want ach! gelijk in ons, by 't voortspoên van de jaren, der spieren kracht verslapt, de gloed van 't oog verschiet, de moed des harten krimpt, de vlugge geest vervliet,
ja! alles, wat ons eens den boezem hoog doet dragen,
de harten winnen doet, en aan het oog behagen,
uit één valt, dat de mensch zich-zelv' onkenbaar wordt: zoo diep (neen! eindloos meer!) was Adam neergestort uit dien verheven staat van ongelijkbre schoonheid,
die 't voorhoofd, dat haar-glans voor 't schepslendom ten toon spreidt, den luister doven doet des konings van den dag,
en eens, uit Adama oog, den Cherub-zelv' ontzag gebood, en uit het oog van Eva, hemelliefde. â
21
CAIN.
Met die herinnering, die steeds hun boezem griefde,
betrad het treurig paar zijn nieuwe levensbaan,
nu, macht- en krachteloos het onheil te weêrstaan;
dan weer, een oogeublik, vol moeds, het te bestrijden;
maar 't leven was hun steeds, het geen het ons is â lijden!
Eén zegen wachtten zy, te midden van die zee van ramp, één flikkering van heil in 't sombre wee! Het aardrijk, waar en West en Oost, en Noord, en Zuiden twee menschenstemmen slechts zich by de wangeluiden der dieren, hemelwaart verheffen hoorden, moest zich éénmaal zien versierd met een gezegende oegst van wezens, naar den aart, in man en vrouw gescheiden als Adam en zijn ga, en voortgebracht door beiden;
bezield door zijnen geest, gevormd in haren schoot: van menschen, wel in 't eind (verkochten aan den dood!)
't van de aarde ontfangen stof aan de aarde wedergevend,
maar in hun kroost op nieuw vermenigvuldigd levend!
Dien zegen wachtten zy, die was hnn toegezegd!
Maar ach! een nieuwe vloek ook daarby opgelegd! Des menschen kroost moet zich den weg des levens banen, ach! door de foltring van een moeder! kreten, tranen,
zijn welkomstgroete zijn by d' intreê van deze aard;
en hy, tot wee en smart, met wee en smart gebaard!
Dit tijdstip was nu daar voor Eva! üit den hoogen zag 't Englendom, dat steeds met medelijdende oogen ons lot volgt, voor het eerst het rijp gedragen wicht zich storten in den stroom van 't scheemrend levenslicht! âGod heeft aan de aard door my een tweeden man geschonken!quot; riep Eva tot haar kind, van moedervreugde dronken,
en Caïn werd zijn naam. Maar Adam heft zijn zoon om hoog, als stelde hy 't heelal zijn heil ten toon!
Maar â siddert op 't gezicht der kinderlijke trekken; en, hemel, waar hy blind voor 't geen zy hem ontdekken,
blind voor de toekomst van dat kind, op wiens gelaat, hoe onontwikkeld nog, eene inborst zich verraadt van woest- en dierlijkheid, op ruwe lichaamskrachten gevestigd! âO mijn God! ik dorst te veel verwachten!quot;
22
CAIN.
riep Adam op zijn beurt, ,'k Dorst hopen dat dit Kroost âzijn' Oudren in hun straf mocht strekken tot een troost! âDat mooglijk nog ons bloed, in onschuld weêr geboren, âuw zegen erven mocht, door onze schuld verloren!
âIets anders spellen my dees trekken, en 't heelal âziet Adam in hun weêr, maar Adam na zijn val!
,Vergeef me, o God! mijn hoop en al te stout betrouwen! âMaar ook dees traan van smart, die ik niet kan weêrhouên!quot; Hy zegt, en keert zich af, en baadt zijn aangezicht in tranen! Maar zijn blik was niet ontsnapt aan 't wicht! De waarheid van gevoel kan 't kinderhart bevroeden, en eindloos dieper dringt hun oog, dan wy vermoeden;
en in dat kinderhart, zoo vatbaar voor den haat,
sloop mooglijk op dien stond des wrevels eerste zaad!
Maar Caïn groeit vast op. De vruchtbre moederborsten ontwikklen met de melk, waar naar zijn lippen dorsten, de kracht des eerstelings van 't eerste huisgezin.
Maar niet de moederborst alléén: Een tijgerin,
wie vaak het wonderkind met forsche vingers streelde,
bood hem uit dankbaarheid haar woeste speen, en deelde het voedsel en den aart van haar vervloekt gebroed aan 't kroost van Eva meê. Doch Caïns hard gemoed verheugde zich by haar, en speelde met haar jongen,
of, als zy soms te vast hem in hun klaauwen wrongen, 't ontzag vergetende, verschuldigd aan hun heer,
die nog zijn voorrecht voelde, ofschoon geen engel meer,
wist hy d' oproereling den gorgel dicht te smooren! Zoo schildert de Oudheid ons Alcides, pas geboren!
Zoo groeide Caïn op, en oefende zijn moed in d' omgang van 't gedierte, en 't storten van zijn bloed! Helaas! hy was bestemd een eedier bloed te plengen!
Rampspoedige Adam! ja! een leed moet zich volbrengen, onoverzienbaar voor uw smeltend vaderhart,
dat van dien dierbren naam nog niets kent dan de smart! Doch! vóór zich 't wreed geheim des noodlots zal onthullen, moet ook een tijd van heil zich voor uw ziel vervullen;
een tijd van hemelsch heil, lang afgebeên van God, verkwikkend balsemend; maar vluchtig, als 't genot
23
CAIN.
des slaaps, die 't matte lijf, van felle pijn gebeten,
het leed vergeten doet, te spoedig zelf vergeten;
of als een zomerzon en helderblaauwe lucht
by d' afloop van den herfst, die voor den winter vlucht.
Uw echtkoets bloeit op nieuw, en rijpt in 's hemels zegen!
Gy juicht! 6y hebt in 't eind een erfgenaam verkregen,
een bode van herstel in 't Paradijsgenot,
in Abel, 't evenbeeld des evenbeelds van God!
Der Englen glimlach zweelt op 't teder aangezichtjen;
de hemel spiegelt zich in 't blaauwend oog van 't wichtjen,
dat, vreemdeling op aard, en nieuwling in zijn stand,
te rug ziet naar om hoog, als naar zijn Vaderland.
Maar de aarde schijnt, verjongd, op zijn bezit te roemen,
en stort haar rijkdom uit in weelderige bloemen,
die, waar het ademhaalt, getuigen van haar lust:
of. als 't op moeders schoot het hoofdjen neigt ter rust,
omwelft ze 't met een wieg van lachend groen en rozen,
die, als zijn lief gelaat, van schuldeloosheid blozen,
en uit wier frissche kelk het bietjen schatten gaart,
die 't aan zich-zelf onthoudt, en voor de lippen spaart
van 't slapend Engeltjen. Het tijdstip schijnt herboren,
toen Adam in een dosch (helaas! sints lang verloren)
van aardsche majesteit, de hemelsche verwant,
ten blijk van 't vorstlijk recht, ontfangen uit Gods hand,
het sidderend gediert voor by zich heen deed trekken,
om met een enklen blik eens ieders aart te ontdekken!
Het bracht ook thands zijn hulde aan 't menschdom. Voor den voet
van Abel neêrgekromd, scheen 't, vreedzaam van gemoed,
te smeeken om de gunst, zijn heerschappij te dragen!
Dit was de tooverkracht der Onschuld, in de dagen
van 's menschdoms kindschheid. Zelfs de ziel van Caïn boog!
Ook hy trad naderbij, en liet het sombere oog
met welgevallen gaan op zijn onnoozlen broeder,
wiens lachjen tot hem spreekt uit de armen van zijn moeder!
En Caïn antwoordt hem! Een traan van weemeed welt
naar boven uit zijn borst, die van aandoening zwelt!
hy strekt zijn armen uit, en voelt zich telkens nader
tot Abels wieg gevoerd. Maar de onbedachte vader
mistrouwt zijn tederheid, treedt tusschen beiden in,
en, voor het wicht beducht, dat heel zijn vadermin
24
CAIN.
beait, weert Cain, 't Kind, een oogenblik vertederd,
maar op dat oogenblik miskend, versmaad, vernederd,
schaamt zich zijn weemoed: maar hy voelt dieu reeds niet meer, en keert, verstoten, tot zijn tijgerwelpen weêr!
Zoo is het wuft geslacht der zwakke stervelingen,
wier hoogmoed zich verbeeldt den loop van 't lot te dwingen! Blind voor de weldaad Gods, die onder 't onheil broeit;
of, bot die weldaad uit, en is ze rgp gegroeid,
dan, als in zegepraal, bedwelmd en weeldedronken,
het hart in één gevoel verloren, weggezonken en afgetrokken van 't geen verder hen omgeeft!
Zoo was ook Adam, die geene oogen langer heeft,
geen hart, geen leven, dan voor Abel; en zijn broeder vergeet! De tederheid der meer bedaarde moeder,
noch Abels kusjens, wiens van liefde gloeiend hart een voorrecht schier versmaadt, geboet met Caïns smart, vermogen de ongena eens vaders te vergoeden:
Maar wee dien vader! o, de jammertijden spoeden!
Hy snelt ze tegen; en verhaast het oogenblik,
dat de Englen naadren zien met nooit gekenden schrik!
In beiden middlerwijl ontwikkelden de jaren den vollen levensbloei, waar voor zy vatbaar waren,
wie de allereerste gloed der Oosterzon bescheen en onverbasterd bloed doorstraalde. Maar in d' een verbreidde, met de kracht der grove lichaamspieren (den geestelijken mensch min eigen dan den dieren!)
zich ook die woeste zucht, die wrevel van 't gemoed,
dien Adam reeds zoo lang gekend had en â gevoed; in d' ander, met de vlucht der Goddeüjke rede,
een nooit voldane trek naar hooger welzijn mede. Een onbestemd gevoel van de ijdelheid der aard,
en 't heil des levens, na dit leven ons gespaard.
Doch forsche Gain, die zijn droefheid wil verdringen door 't onverpoosd geweld van lichaamsoefeningen,
verovert, naar den vloek des hemels, met zijn zweet des levens onderhoud, het voedsel van zijn leed!
En Abel hoedt het vee; en, in zijn zachter leven,
dringt telkens dieper in een toekomst, meer verheven,
25
CAIN.
voelt telkens minder zwaar de keten van het stof,
en heiligt God geheel zijn aanlijn, stort den lof
des Allerhoogsten uit in stroomende gezangen,
die al wat ademhaalt doen aan zijn adem hangen;
dat meer dan eens de Rei der heilige Englenwacht,
die om het aardrijk zweeft, in stilte van de nacht,
de melodyen van hun gouden harpakkoorden
(wier ruischen voor dien tijd alléén de heemlen hoorden!)
in één smolt met den toon van Abels poëzy!
En 't diep geroerd Heelal deelde in de harmony
van mensch- en Englendom, door Adams schuld verloren,
maar thands, een oogenblik, herlevende in hun koren. â
Aldus werd Abel rijp voor 't hemelsche gebied!
Maar de Aartsverleider van het menschdom rustte niet! De ontaarde Lucifer, wien, van Gods gunst verstoten, en neêrgebliksemd uit dien eenmaal mild genoten en glorievollen staat van heil, geen andre wensch,
geen andre troost bleef dan de zonde van den mensch! Hy, werktuig in Gods hand, die, door de kronkelingen van wegen, nooit doorzien, (zelfs in de hoogste kringen van 't vlekloos Geestendom, dat aan Gods voeten leit,
door de eindloosheid verblind van Zijn voorzienigheid,) de duisternis van 't kwaad te rug brengt tot een luister,
waar in ze wegsmelt; die den Satan met een kluister regeert, wiens uiterste eind zijn razernij beperkt,
en dienstbaar maakt aan 't Goede, ook als hy gruwlen werkt. Die vijand, zoo geducht, wiens Godgehate listen de vrucht des kennisbooms aan Evaas lippen wisten te brengen, en haar ga te slepen in haar schuld;
die vijand waakte ook nu met knagend ongeduld.
Reeds had zijn valsche ziel, zoo afgericht in loosheid, het werktuig van zijn haat bestemd in Caïns boosheid.
Zijn scherpziend oog doorzag wat onuitroeibaar zaad van jammer voor 't Heelal, en afschrikbarend kwaad, in 't treffende verschil der broeders lag besloten:
zijn hand houdt zich gereed, hen in 't verderf te stoten.
't Noodlottig uur breekt aan. Een plechtige offerand,
o hemel! geeft het sein, en 't helsche vuur ontbrandt!
Want Adam, door een zucht, die hy niet kan verklaren.
26
CAIN.
gedreven, dat God-zelf zijn gunst mocht openbaren
aan Abel, en de keus, lang door hem-zelv' gedaan,
van onrecht zuiveren, spoort bei zijn zonen aan,
hun offer op één tijd te brengen aan den Heere!
Twee outers, op zijn stem, verrijzen. God ter eere.
Het eene ontfangt van 't vee, door Abels hand geslacht,
en ingewand en vet. Het andre wordt bevracht
met de eerstlingen der aard, van boom- en grondgewassen,
wier overvloed en geur des kwekers ziel verrassen,
en Caïn heiligt ze in dees woorden: pMachtig God!
âBron onzes levensaams, en Meester van ons lot!
âGy, op wiens hoog bevel de wisslende saizoenen
âhun orde houden! die den boom op nieuw doet groenen
âen rijpen, en den grond met zwellende aren dekt,
âwier rijkdom tot het loon mijns zuren arbeids strekt!
âontfang de hulde, die mijn hand U wijdt, genadig!
âSterk de aarde, en die haar bouwt, in krachten; en verzadig
âmijns lichaams nooddruft steeds met 't my geëigend brood,
âdat 'k afdwing van den grond, wier eerstlingen ik bood!quot;
Maar anders steeg de beê van Abel naar den hoogen:
âOntzachlijke, wiens glans het licht is onzer oogen!
âDie d' adem van Uw geest doet wandlen in ons bloed,
âen 't bloed met brood, de ziel met hemelkennis voedt!
âDie ons in 't leven riept, en in de vreugd van 't leven,
âen niet te rug neemt, dan om dubbel weêr te geven!
âGenadige! verwerp mijne offerhulde niet,
âhoe diep de stam verviel des stervlings, die ze ü biedt!
âMijn handen durven U, 't geen de Uwen schiepen, wijden!
âEn o! dat ik mijn bloed van 't schuldmerk kon bevrijden,
âgeweven in mijn ziel; 'k had mooglijk met dat bloed,
âgestort voor Uw altaar, der Oudren schuld geboet;
âen Gy wellicht schonk nu, rechtvaardig beide en teder,
âmijn' Vader en zijn huis het Paradijsheil weder!quot;
Hy spreekt: de donder gromt, de bliksemvuurpijl daalt. Het offer is verteerd! 't altaar cm ver gehaald!
Een blanke Seraph drijft in 't blaauw der hemelbogen, en leidt den loop der vlam, die opgolft, naar den hoogen en voert den offergeur en 't offerbedewoord van Abels hart tot God, aan wien het toebehoort!
27
CAIN.
Maar de Engel en de vlam zijn uit het oog verloren, 't gekraak des bliksemslags doet zich niet weder hooren, en Caïns offer bleek onaangeroerd. Zijn oog ontbrandt van spijt en woede, en blijft van wanhoop droog. Zijn aangezicht vervalt. Hy keert met looden stappen naar 'teenzaam woud te rug; maar laat geen klacht ontsnappen geen zucht, die hem verrade, en zijn rampzalig lot voor de aarde, die hy haat, ten voorwerp maak' van spot! Beweeg- en sprakeloos slaat hy zijn blikken neder,
verzonken in zich-zelv'. â Maar naauwlijks heft hy weder het neevlig hoofd om hoog, of voor hem staat een man, in vleugelen gekleed, ontzagverwekkend van gedaante, en van een meer dan sterfelijke schoonheid.
Alléén de diepe wrok, die zijn gelaat ten toon spreidt, verkondigt Satan! ,'t Is een vriend die U genaakt, (dus spreekt hy Caïn aan, die uit zijn droom ontwaakt)
âwaan niet, dat alles deelt in 't onrecht van uw Vader, âdat God-zelt ondersteunt. Neen! Gain, ken my nader!
riiijn ziel voelt levendig den onverdraagbren hoon, ,u aangedaan voor 't oog van Adams jonger zoon!
,Gy, by een nietig kind, in ouderdom, in krachten, âin onbetemden moed zoo eindloos hooger te achten;
âgy! als uw fiere ziel zich voor een outer buigt,
âontmoet niet dan een smaad, door Adam toegejuicht?
âNeen, neen! een ander lot moet Caïn zijn beschoren!
âHy kan van mijnen mond en raad en troostreên hooren. ,'k Was éénmaal in de vreugd der heemlen deelgenoot: ,'k was éénmaal onderdaan dier Godheid, en ik bood âmijn hulde meê aan Hem, die 't hemelrijk regeerde!
âMaar de onrechtmatigheid Zijns gunstbedeels vemeêrde âmijn vrijheidamend hart; en, worstlend met mijn lot,
âzag my de hemel-zelf krijg voeren tegen God!
âDoor de overmacht in 't eind besprongen, overrompeld, âverviel ik uit mijn rang, in ballingschap gedompeld!
âMaar in die ballingschap bleef ik my-zelv' gelijk,
âen Satan stichtte zich een onafhanklijk rijk!
âZie daar de pogingen van onverlaagde zielen!
âVoor wie den moed bezit, en voor geen God wil knielen .bestaat een toeverlaat! Die toeverlaat ben ik!quot;
Hy zegt! een mengeling van vreugd, verwondring, schrik,
28
CAIN.
bestormen Caïns hart, en woelen er door éénen. â
Hy vindt geen antwoord. â Maar de jongling is verdwenen,
en op den zelfden plek, waarin zijn voetstap stond,
verrijst een sulfervlam uit d' opgespleten grond,
wiens blaauwe wederschijn het bleek van Caïns wangen
doorwemelt, en wiens damp, met d' adem mee ontfangen,
zijn geest benevelt en van belsch vergif vervult.
Geheel zijn lichaam schokt, gelijk zijn ziel. Hy brult
van bloeddorst, die zijn keel verdroogt; zijne oogen branden
gelijk de hondster aan de dorre hemelwanden,
en 't opgestoven bloed spreidt op de ontsparde kaak
een purperroode vlam. Het is de koorts der wraak,
die uitbreekt; en slechts God kan no* den voortgang stuiten
der lang verkropte drift, thands vooitgezweept naar buiten!
Zoo woedt hy heel den dag door woud en velden rond,
en rukt de stammen met hun wortel uit den grond,
verbrijzelt in zijn vaart de schuldelooze hinden,
wier voeten lichter zijn dan de adem van de winden,
en slingert door de lucht haar lillend ingewand!
of keert zijn blinden loop naar Abels grazig land,
en breekt de horens af der vreedzaam weidende ossen;
of, door de vrolijkheid der huppelende rossen
getergd, strooit langs den grond hun wreed verscheurde leén:
Het aardrijk schrikt en dreunt van d' indruk van zijn schreên,
de hemel, van zijn stem, als 't noodgeluid der wolven,
of 't loeien van den storm, die worstelt met de golven,
ontzettend; tot in 't eind, met bloed en zweet bedekt,
de ontmenschte, voor den voet eens heuvels neergestrekt,
getemd wordt door den slaap, waarin zijn leden zinken.
De sterren middlerwijl, die aan den hemel blinken, verkondigen den tijd, waarop de geest zich scheidt van 't logge lichaam, dat in rust gedompeld leit,
om op den vlerk des drooms te stijgen naar den hoogen, en (onze onwetendheid noemt die verheffing logen!) een voorsmaak van de gaaf der heldre profecy,
de hoogste zaligheid der uitverkoren Ry,
te proeven. In dien staat van meer dan stoilijk leven,
in die begoocheling van zinnen, zoo verheven,
bevond zich Caïn thands. 't Vermoeide lichaam viel
29
CAIN.
een' schijnbren dood ten prooi: de losgemaakte ziel vernam de stem van God. die hüm zijn lot verkondde: âsta, Caïn! gy betreedt den ingang van de zonde!
,verwin u! smoor de vlam van oproerzucht en haat!
vertrap de laatste vonk! of 't uur des misdrijfs slaat!quot;
Dus waarschuwt de Almacht-zelf, den zondige verschenen, voor Satans invloed. Maar het droombeeld is verdwenen! De morgenstond verrijst, wiens middag haast getuigt,
of Caïn voor een God zijn harden nek nog buigt!
âJa! (roept hy, wien de nacht de ontzonken levenskrachten ,hergeven kon, maar niet den bittren wrok verzachten!) â'k Ben meester van mijn drift, en diep gehoond gemoed! âIk zal mijn hand niet meer bezoedelen met bloed,
ânoch 't my bestemde leed op andre wezens wreken!
âMijn ziel is rustig! â Maar vertoeven in dees streken? âNeen, neen! die lafheid pleegt verdrukte Caïn niet! âAan Abel blijv' 't bezit van 't vaderlijk gebied!
âDe grond, die Abel draagt, moet zeker Caïn haten!
âen ik, ik ga een grond, die my verstoot, verlaten!quot;
Hy spreekt, en treedt met één zijn' broeder in 't gemoet die nadert, en voor 't eerst een minder norschen groet bejegent. Dadelijk ontsluiten zich zijn armen,
om Caïns steenen hart (waar 't mooglijk!) te verwarmen nan 't zijne. Hy treedt voor, en argeloos, geleidt zijn broeder naar het veld, waar hy zijn kudden weidt.
âMijn afscheid brenge ik u (dus doet zich Caïn hooren); âu zij het vol genot van dit gewest beschoren,
âu, Adams tederheid, ü heel de gunst van God:
âmy, niets dan eigen kracht! Met die zoeke ik mijn lot! âEer heden deze Zon in 't Westen zal verdwijnen,
âzal zy, waar Abel staat, geen Caïn meer beschijnen!quot; â âHoe! (antwoordt Abel hem, van weemoed diep geroerd) âhoe dus vervreemd van geest, en aan u-zelf ontvoerd? âIs dit het geen van u een moeder heeft te hopen? âAch! Caïn! staan u niet eens vaders armen open,
âaan wien gy mogelijk nog eindloos dierbrer waart,
âzoo gy, by zoo veel moed, de strengheid van uw aart âdie langzaam opengaat voor teerheid, kost verzachten.
30
CAIN.
âen 't geen zijn ziel betreurt, niet toondet te verachten?
âTrek in dat wreede woord, dat schrikkelijk besluit,
âdie, zoo de rede niet den uitvoer by u stuit,
âde rust van Adams huis misschien voor eeuwig stoorden!quot;
Dus zegt hy, naar zijn hart; en ondersteunt zijn woorden
met d' uitdruk des gelaats, waar op een glimlach speelt
van liefde en met een oog, dat in zijn lijden deelt;
maar groote hemel! met wat uitslag! Caïns oogen,
door d' invloed van de hel begoocheld en bedrogen,
zien in dat smeltend oog, dien glimlach, dat gelaat,
geen deernis, geen gevoel, maar spotternij en smaad!
En, toen de onschuldige hem toeriep: âO mijn broeder!
âoneindig is de gunst van onzen Albehoeder!
âBreng, breng hem de offerand van een ootmoedig hart,
âen de oorzaak zal vergaan van uw, van mijne smart!quot;
Op die herinnering van d' oorsprong van zijn woeden
sprong de oude wond weêr los, en' raakte op nieuw aan 't bloeden,
onheelbaar thands, en met een donderend geluid
barst zijn ontaarde ziel, die Satan innam, uit!
âGevloekte huichelaar, en schaamteloos verrader!
âgy, roover van mijn recht by God en by mijn vader!
âverachtelijke worm, dien 'k worden zag uit niet!
âgy durft dan in den troost, dien my uw valschheid biedt,
âden angel van uw trots op dien triomf verbergen,
âwaar meê het gansch Heelal niet ophoudt my te tergen?
,'t is tijd, 't is meer dan tijd, dat ik u nederbons
âvan uit dien hoogen stand! Beproef thands, wie van ons
het voorrecht meer verdient, dat God a weg deed dragen!
âEn, kon het offer, dat gy slachttet, Hem behagen,
âook ik, ik offre bloed! maar aan een ander Heer!quot; â
Hy zegt, en ieder woord, dat uitgaat, blaast al meer
de helsche vlammen aan, die uit zijn boezem wellen!
Zijn woede steeg in top, zijn ruwe spieren zwellen,
zijn reuzenlichaam rijst, zijn forschgestrekte hand
rukt Abel op by 't haar, en smakt hem tegen 't land!
En de opgeheven voet gaat hem de borst verpletten!....
De Zon treedt achteruit! De hemelen ontzetten,
en overfloersen zich met wolken! De aarde dreunt,
en poogt te ontvallen aan den voet, die op haar steunt!
De Reien, uit wier borst de hemelhallels stijgen.
31
CAIN.
verstommen, sidderen, en doen hun harpen zwijgen!
Een schrikkelijke kreet is door 't Heelal gehoord!....
'tWas de eerste menschendood!'t Was de eerste menschenraoord!
âWeigren we aan den broedermoorder geen meêdoogenvolle traan, âby den afschuw onzer zielen voor den gruwel, hier begaan! ,quot;t Bloed des zondigen is 't onze! Zijn vergrijp is opgegroeid ruit het eigen zaad van driften, dat in onze harten broeit! âWie van ons zal zich beroemen, dat hy instaat voor zijn lot? âWie van ons op onschuld roemen buiten d' invloed van een God! â âMedelijden, geen verfoeiing, met de diep gevallen ziel! âEn verfoeiing, geen verschooning, voor den trots, waar door zy viel! âEn Gy, zondaar, die in Caïn eigen schuldbesef betreurt!
âdeelt gy mede in zijn verneedring? Alle hoop is niet verbeurd' âAarde en hemel spraken vloek uit by 't vernemen van den moordâ âmaar de hand van God verzachtte by het eerste boetewoord!quot;
DE TOCHT ÃIT BA13EL.
De schep ter zal van Juda niet wijken.
gen. XLIX. 10.
Vaart wel, ontzachelijke muren,
vorstinnen van dit werelddeel!
Uw enklen aanblik te verduren
is reeds voor Isrels kroost te veel!
Vaart wel, vaart wel! Hy is gekomen,
die zaalgej onvergeetbre dag,
dat het uw lang ontwijde zoomen
Eufraat, in 't eind ontvlieden mag!
Wie siddrend kruipe voor de voeten
van uw verwaten dwingeland,
gelukkig reeds zijn wenk te ontmoeten;
het is voor Jacobs bloed een schand,
de lucht, de pestlucht in te zuigen,
waarvan dees streken zwanger gaan,
waar 't vrijgeboren hoofd moet buigen
voor 't aartsgeweld van aardschen waanj Vaart wel, gy, koninklijke transen!
wier fiere top den hemel kust,
32
DE TOCHT UIT BABEL.
Blaar op wier ongewisse glansen
de aloude toorn der Godheid rust! Nog één-, nog eenmaal zinkt gy neder
in 't Westen, schitterende Zon! En wy zien nooit de spitsen weder
van 't hemeltergend Babyion! Met wat wy in haar vesten leden
werd onzer Vaadren God begaan!
Niet ijdel waren onze beden;
wy hebben 't ergste doorgestaan! Helaas! wat zagen daar mijn oogen, dat niet mijn tranen vloeien deed? Hier, krijgstrofeen, en eerebogen om Judaas onherstelbaar leed;
daar, Sions tempelkostbaarheden,
voor Isrels God, aan helsohe goón met ommegangen en gebeden
en schendige offers, aangeboón! Wy zagen dit, en moesten 't dulden!
want Jacob kwijnde in slavernij! Den komm'ren, die ons hart vervulden, stond zelfs de jammerklacht niet vrij! De Eufrates zag Gods uitverkozen',
gebannen uit hun heilig Land geprangd in 't slavenkleed der boozen,
in rouw verkwijnen aan zijn rand. En als dan midden in die jammeren ons hart zich ophief tot zijn God, die ons, zijne afgedwaalde lammeren,
niet hulploos opgeeft aan ons lot, en onze dotfe klaagzangtonen
zich mengden aan het atroomgeklots; dan zagen we een van Babels zonen,
nog op den val van Sion trotsch, met wellust luistien naar ons klagen,
in zegepraal om onzen rouw, en spottend naar de Godheid vragen,
die ons van 't juk verlossen zou? De stem bestierf op onze lippen! De spijt versmoorde ons zielsverdriet!
DE TOCHT UIT BABEL.
Wy lieten ons geen galm ontglippen,
voor 's vijands oor een zegelied!
maar voelden de opgekropte zuchten
nog feller drukken op het hart, bedroefden, wien in vreemde luchten het alles voorwerp was van smart! Heb dank! heb dank! God onzer Vaderen!
Gy zaagt met deernis op ons neêr! Het bloed, dat opbruischt door onze aderen,
is 't vrije bloed van Jacob weêr! Wy zondigden; en Gy kastijddet!
Wy zonken weg in 't leed â Gy redt! 't Volk, dat Gy tot het Uwe wijddet,
stort U geen vruchteloos gebed! Van Sions heiligdom gescheiden,
beroofd van de oude heerschappij,
wat ons de toekomst moog bereiden,
wy zijn gelukkig, wy zijn vrij!
Door woestenij en Oceanen
zal ons Uw zegenende hand een wonderweg ter uitkomst banen,
en tot een tweede Vaderland! Dat Vaderland, o God! dat smeeken
wy van uw Oppermajesteit;
en late ons bloed den bodem weeken,
die naar zoo schoon een landstreek leidt! Of rust de vloek van vroeger dagen
nog op dit droevige geslacht,
dat Gy, na zoo veel felle slagen,
ons zulk een heil onwaardig acht?
Het zij zoo! laten wy het derven, en sterven, in uw wil getroost!
Moog slechts het offer van ons sterven
den zegen winnen voor ons kroost! zoo trekken we uit dit oord van smarté,
wy, zwakke, wapenlooze stoet!
De hoop op God heerscht in ons harte,
en kweekt er onbetembren moed'
Vaar wel! vaar wel! verblijf van boosheid, getuige en oorzaak van hot leed.
de tocht uit babel.
â¢waar dwinglandij en Goddeloosheid ons jaren lang in zwoegen deed!
De glans, die afstraalt van uw tinnen,
is nog ondraaglijk aan ons oog!
en brengt ons 't schrikbeeld weêr te binnen
der slavernij die op ons woog!
Maar haast zult ge aan den kim verzinken,
en ons te lang getergd gezicht niet meer hoogmoedig tegenblinken,
als zich ons hoofd ten hoogen richt. In 't verre Westen neergezeten,
op d' ons door God bestemden grond, zal Judaas kroost welhaast vergeten,
dat er een Babel ooit bestond!
Van waar dan voelt by al den zegen,
dien ons dit blijd vaarwel voorspelt,
't hart zich op d' eigen stond verlegen,
en van een doffe smart bekneld? Ach Sion! Sion! Uw landouwen,
het wettig erf van Jacobs kroost zal nimmermeer hun oog aanschouwen!
En heel dit mild gezegend Oost, dat Vaderland van onze Vaderen,
die rustplaats van hun overschot, mag nimmermeer de voettreê naderen
van de uitverkorenen van God!
En Gy! o dierbren, wie de keten
nog om den droeven boezem prangt!
zoude TJ ons brocderhart vergeten,
als 't God om zijn verlossing dankt? Zou niet een traan ons oog bedaauwen,
als 't smertlijk uur der scheiding slaat? het denkbeeld niet ons hart benaauwen, van 't geen ü nog te wachten staat? Ach! in uw kommer, in uw boeien te deelen, was ons hart zoo zoet! De traan, die Ge uit ons oog zaagt vloeien,
schonk troost aan Uw, aan ons gemoed! En dus ons van elkaêr te scheiden,
waar geen tirannenarm gelukt
85
DE TOCHT UIT BABEL.
dan met den ondergang van beiden, hoe diep, hoe jammerlijk verdrukt. Een ander, machtiger vermogen
riep Juda uit zijn slavernij; het Godsbesluit klonk uit den hoogen:
âtrek uit, huis Davids, en wees vrij!quot; God, onze Vader! ja! wy zegenen
uw onherroepelijk bevel!
Maar laat uw toorn ons niet bejegenen,
zoo by dit roerende Vaarwel ons hart, nog omziend naar zijn broeders,
van zorg en angsten zwanger gaat,
als of het oog des Albehoeders
zich toe zou sluiten voor hun staat! Neen! laat die zorg ons niet meer knagen I
Erkennen wy het heilgenot,
ons aller noodlot op te dragen
o Israël! aan Isrels God!
Eén blik, gewend naar dit beneden,
vereffent Babel met het slijk,
vergruist de ketens om hun leden, en sticht een tweede Davidsrijk:
terwijl 't ons, weêrloos uitgeweken',
tot steun, tot licht strekt en tot wacht! Wat, anders, hadt ge, o Westerstreken, waar 't sombre rijk begint der nacht, waar 't zonvuur een vergeten aarde
slechts toewenkt met een laatsten groet, ons, die het welig Oosten baarde,
ons, in zijn volheid opgevoed, dan kwijning in uw dorre luchten
met al de plagen aan te biên,
voor d' ongelukkige te duchten,
die zijner Vaadren erf moet vliên!
Maar Hy zal voor zijn kinders waken
in heerlijkheid en ballingschap,
zijn aam uw velden vruchtbaar maken,
zijn hand ons leiden stap voor stap; wie wagen durve ons aan te vallen aan onze voeten nederslaan.
36
DE TOCHT UIT BABEL.
en onze pas geveste wallen
onwrikbaar voor den haat doen staan! Ohb hart, o God, zal eindloos gloeien
van dankbaarheid voor Uwen naam! Uw lof van onze lippen vloeien,
tot onzen allerjongsten aam! Met duizend duizenden van monden
aan heel het menschdom onzen God, Zijn leer. Zijn weldaan te verkonden,
zij steeds ons deel, ons hoogst genot! Dat dan Zijn vijanden zich toonen, en nooden ons met helscb beleid Zijn dienst verraderlijk te hoonen
voor aardschen dwang of ijdelheid! Tot zulk een gruwel ons te dwingen beproev' de saam vereenigde aard, met de uitgezochtste pijnigingen,
met hongersnood, met vuur en zwaard; of (nog verachtelijker lagen!)
met hoop op rijkdom, grootheid, macht 1 Moog slechts onze ijver U behagen.
Uw volk van Israël veracht des aardrijks schatten en zijn troonen,
zijn pijnigingen en den dood!
Zoo zijn we, wy en onze zonen, ontrefbaar in den felsten nood voor Heidnen laster, haat en smalen, en voor de wuftheid van 't geval, tot Silo de Verlosser dalen,
en zich Uw rijk verkonden zal!
Dus klonk in Isrels taal en Godgewijde maat de stem van Elihu, den jongling, uit het zaad van Jnda; en zijn lied wekte in zijn stamgenooten, van Sions heerschappij en tempeldienst verstoten,
doch in hun ballingschap van Babels dwang bevrijd, het zoet gevoel van hoop op een min wreeden tijd, met sombre treurigheid verwisslend. Babels transen weêrkaatsten d' eersten gloed der morgenzonneglansen,
DE TOCHT UIT BABEL.
en Judaas Vorstenstam mocht op Sennaars veld,
voor 't eerst niet meer bespied, belemmerd door 't geweld,
uit onbeklemde borst den bede- en lofzang plengen,
die de ochtendwinden voor den troon der Godheid brengen.
't Was daar, dat Elihu zijn dichterlijke stem
verhief om in den nood, met vroom vertrouwen. Hem
die Abrahams geloof nog zegent in zijn zonen,
te aanbidden; en zijn stem doorslingerden de tonen
der harp, wier melody in 't licht aandoenlijk hart
het beeld te rug riep van den Koninklijken Bard!
Hy heeft geëindigd! Met den nagalm van zijn zangen
verliest het amen zich, waar door hy wordt vervangen,
in 't golven van de lucht. Daar heerscht een statigheid
van rust, die 't hart verheft en als van 't aardsche scheidt!
Dus stonden ze, in 't gevoel der Godheid opgetogen!
Op eens treedt uit zijn tent Nahasson voor hun oogen,
Nahasson, de oudste telg van Davids nageslacht,
wiens zwaard in vroeger tijd met mannelijke kracht
de vrijheid staande hield van Sions heiige muien:
maar ach! zijn grijsheid moest den bittren hoon verduren
van Babels zegepraal; zijn vorstelijke hand
de ketens dragen van den vreemden dwingeland;
tot 's hemels weldaad, met de keur van Judaas loten,
ook Hem verlossing schonk, zijn droeven lotgenooten
ten leidsman, door zijn deugd en door beproefd beleid!
Hy is 't, die op dees stond met dubbele achtbaarheid
van ouderdom en rang, tot in het midden nadert
der ballingen, ten dienst van Sions God vergaderd.
Te lang gebogen op een borst, van smart verscheurd,
heeft thands zijn hoofd zich weer ten hemel opgebeurd.
In 't oog, waar uit sints lang de gloed der rijpe jaren
gedoofd was, laat zich thands een nieuwe glans ontwaren,
die heil verkondt; en aan de diep geroerde ry
spelt heel de houding van den krijgsman profecy!
De mannen dringen zich met rusteloos verlangen
dicht om hem, dat hun ziel zijn klanken op mag vangen.
Hy spreekt: âDit uur is 't laatst, mijn broeders, van de elleml.
âdie onze schouders heeft gedrukt. De Heere zendt
âzijn kinders op dees dag een boo van heil, een teeken,
âdat hun Zijn vaderhart, Zijn hand niet zal ontbreken.
38
DE TOCHT UIT BABEL.
rhoe ver verwijderd van den Goddelijken grond!
âGy Juda! hoor my en verheug u! Want mijn mond
âzal U een uitzicht op vernieuwde zegeningen
.onthullen, die 't mijn oog vergund werd door te dringen.
âDe koelte van den slaap blies spelend over 't veld:
âuw rustend hoofd vergat het doorgestaan geweld,
âen heel dees wereld. Ik-alléén, ik waakte, ik treurde,
âgeheel ten prooi aan 't wee, dat steeds mijn hart verscheurde,
âsints ons de Heiden uit het Godsgebied versloeg,
âverkwijnende op de sponde. Een tergende onrust joeg
âin 't end my uit de tent, getuige van mijn klachten,
âom in een ruimer lucht den morgen af te wachten.
,'k Treed uit. Mijn hoofd voor't eerst, door't lange leed bezwaard,
âverheft zich tot den troon der Godheid, en ontwaart
âin 't West een beeld van vuur, voortachietende uit het duister,
âvoorteeken van uw heil, mijn broeders! van een luister
âvoor Juda, die reeds thands mijn ziel herleven doet.
âHet beeld vertoonde een leeuw, vol jeugd, vol kracht, vol moed,
âen glinstrend als de zon, pas uit het nat herboren.
âDe gouden diadeem, voor 't koningshoofd beschoren,
âblonk op zijn fiere kruin, en in zijn klaauw de staf,
dien God ten blijk van eer aan Zijn gezalfden gaf.
âIk zag het, en mijn geest verhief zich boven de aarde:
âde lucht bezielde zich, die om my henen waarde,
,en lispelde my toe in zachte melody:
ââGedenk, gedenk aan Jacobs profecy!
ââde schepter zal van Judaas stam niet wijken!quot; âIk zag en hoorde; ik zag het vuurbeeld weêr bezwijken. âMaar aints dat oogenblik is 't leven in mijn bloed âvernieuwd; ik aam geen lucht, maar Goddelijken gloed.
âMijn rustloos kloppend hart gaat van orakels zwanger! âOntvangt ze, Davids bloed! 'k weêrhoude my niet langer! âDe Geest der Godheid grijpt my aan! De Tijd verdwijnt ,van voor mijn oogeu, en 't Toekomstige verschijnt: âEen hemelsche, onbevlekte glans âgloeit aan den Westelijken trans,
âen spreidt zijn stralen over de aarde!
âDaar, waar de zon haar loopbaan stuit,
âdaar rijst een grond de golven uit,
âwaar 's hemels gunst geen zegening aan spaarde.
39
DE TOCHT UIT BABEL.
âDe dun gewiekte balsemlucht,
âwier lieflijke adem hem bevrucht âzal helden 't hart doen zwellen.
âWie dien betreedt, diens edel bloed âzal zich in 't fier en vroom gemoed tot duizenden vermenigvuldigd tellen!
âU ia hy, Juda! aan uw kroost,
âde harde ballingschap ten troost,
âdoor de Almacht Gods beschoren!
âHier wordt de koninklijke staf,
âdien God U tot een erfgoed gaf,
âmet d' ouden roem herboren,
âaan Davids huize toegezeid.
âDe volken zullen haar vereeren!
âDe Vorsten zullen zich verneêren âvoor zoo veel macht en majesteit!
â't Ontzag zal van hun zwaarden blikkeren, de rijkskroon op hun schedel flikkeren,
geschraagd door eer en dapperheid! âBeschermheer onzer trouwe Vaderen!
âdie glorie zal Uw heemlen naderen,
âen vreugd verspreiden aan Uw hof! âGy! schaduwen van Davids zonen,
âherkleed in 't afgelegde stof!
âomzweeft die glorierijke troonen;
âherinnring aan Uw oppermacht,
en beeldtnis van het rijk, dat ons met Silo wacht....' âMaar hoe! de dagglans is verdwenen! âDe grommende aarde scheurt van éénen!
âDaar stroomen zeeën inenschenbloed âDaar rijst een vlam van helschen gloed! en honderdduizenden vergaan! Het zijn Uw telgen, ,o Juda! Dweepzucht zwaait haar zwaard, âen blaast haar vlammen over de aard,
âom de oude Godsdienst te verdelgen!
Haar trouwe kinderen verstikken in den nood; âzy kiezen ballingschap en dood,
âeer dat hun hart zich zal verzaken!____
âWaagt iemand thands de profecy te wraken? Waant iemand Juda thands van Gods belofte ontbloot?
DE TOCHT UIT BABEL.
, âDe sohepter zal van Judaas stam niet wijkenquot;! âEén broeder moog' voor d' andoren bezwijken! âDe één zwaaie d'ouderlijken staf!
âdie, aan zijn plichtbesef geheiligd,
vinde op bet pad der Trouw zijn graf, âof zwerv', door ballingschap beveiligd, âmet God in 't hart, de wereld rond! âIn beiden leeft de kiem, waar Helden-,
âwaar Vorsten-giootheid uit ontstond.
O! doet die kiem van glorie gelden!
âgy Judaas Koninklijk geslacht!
âWie IJ miskenn', wie U veracht';
«laat nooit hun trots uw oog verblinden!
âMaar laat de lang gewenschte dag,
âdie Siloos komst begroeten mag,
,u trouw aan God, en aan üw afkomst vinden!quot;
INLEIDING
TOT DE
HYMNE VOORZIENIGHEID.
De harmony der schallende trompetten,
wanneer Homeer zijn forsche krijgsluit slaat,
wien zal ze 't hart niet in verrukking zetten,
daar ze Ilium doet siddren op de maat?
Meoonsche zwaan! verheven is uw zingen, zieltreffend stout, en hartinnemend zacht,
gelijk de hand, die Hector kon bedwingen,
gelijk de traan der weduw, die hem wacht!
Maar hoe ge ook praalt in 't Rijk der dichtgeluiden, hoe eeuw aan eeuw ter neer knielt voor uw lied: (wil, achtbre schim! my niet dit woord misduiden!)
ook gy voldoet den eisch mijns boezems niet! Ik ben geen zoon der laauwe Westerstranden!
Mijn vaderland is daar de Zon ontwaakt!
En als de gloed der Libyaansche zanden,
zoo is de dorst naar Dichtkunst, die my blaakt! Wat is me een krijg, gevoerd door menschenzonen, en ondersteund door machtelooze goon?
41
INLEIDING.
Wat, heel deze aard, en 't geen zy nog kan toonen?
't Misvormde lijk van 't uitgebloeide Schoon! Wat zijn my uw verganklijke idealen,
gy, Grieksche Bard, of wie zijn voetspoor drukt? De hemelen, de heemlen moeten dalen,
zoo de echte geest der Dichtkunst u verrukt! Vermoogt gy dit, Helleensche Puikpoëten?
Vermoogt gy dit, gy. Barden van het Noord?
Neen! Gy-alleen, Jerusalems Profeten,
verkondigers dor Godheid en haar woord!
bevoorrecht kroost van uitverkoren Vaderen!
Gy, Jesses Zoon, tot wiens doorluchten stam dat bloed behoort, dat lof bruischt door mijn aderen en nog verkondt van waar het d' oorsprong nam! Gy, Koningskind, verengelde Isaïas!
van 't Godsbesluit ontzachelijkste tolk! die, Wraakheraut, maar Bode des Messias,
doodschrik en hoop door één strooit over 't volk; en de Engelen het heilig, heilig, heilig,
waarmee hun koor God op zijn' troon begroet, in vleuglenschaauw voor 't vuur zijns weêrschijns veilig,
in uw gezang voor de aard herhalen doet! Gy, Heiligen! Gy zijt de ware Dichters!
uw taal is ziel in zielenmelody!
Verheft ge uw stem, gy, aardsche hemelstichters?
het Heidendom wijkt sidderend op zij!
Mijn hart springt op, en wil zijn boei ontglippen,
en golven met uw hymnen hemel waart.
De kou der koorts bevangt mijn bleeke lippen,
rondom mijn hart is 't brandend bloed vergaard.
Mijn Vaderen! geeft me adem, krachten, woorden!
Kn storte ik uit het geen mijn borst doet gloên! Verhoort gy my? Zoo zullen mijn akkoorden
den psalm van 't Oost in 't West weergalmen doen! Bezielt gy my? Zoo zal ik de aard bezielen,
en hupplen doen ter glorie van haar Heer!
In assche zal de Godverloochnaar knielen,
en Hallels op doen stijgen God ter ser,
wanneer mijn mond d' Almachtige zal zingen, den Opperheer van Eeuwigheid en tijd,
42
INLEIDING.
den Legervorst, die vlammende Englenkringen tot wachters heeft, en op do wolkon rijdt!
Slaat u dan uit, mijn dichterlijke vleugelen!
al moet ik ook neêrtuimlen in uw vaart!
'k Vermag het niet, u langer in te teugelen!
Ik ben vermoeid van 't kruipen over do aard!
Mijn lier! hef aan, en doe de snaren bruischen!
Verhef! verbaas! sleep weg! doordring! doorgloei!
Mijn zielsgevoel! breek open uwe sluisen!
en. Goddelijke Hymne! vloei!
VOORZIENIGHEID.
GKX. XXII : U.
Gy ziJT, en 't geen wy zijn is onzon, o mijn God! Gy zijt! De wereld, en het mensohdom, en hun lot,
zijn 't denkbeeld, dat Gy uit, en weèr te rug kunt halen! Gy ziit de zon des zijns; wy, uw vergankbre stralen!
Ãén enkel oogenblik, één wil, één wenk, één woord bracht heel een wereld, brengt geheel een toekomst voort! Ãén woord bevolkte 't Niet, toen myriaden zonnen hun voorbestemden dans op hemelmaat begonnen; Ãén woord bepaalde heel de werking dier Natuur, die schijnbaar aan zich-zelf vijandig, sints dat uur tot dat het gantsch Heelal in God te rug zal keeren, zich-zelf vernietigt en herteelt. Ãén woord des Heeren roept Adam uit het stof, en vormt hem tot Gods beeld! Maar 't eigen woord van God, dat hem uit de aarde teelt, doemt hem op d' eigen stond ten val; noemt hem te gader tot koning van dees aard en aller zonden vader;
verdeelt zijn schuldig bloed tot millioenen van vervallen engelen, afbeeldsels van één man;
verstrooit die over de aard, en deelt hen af in standen en rangen, wisselend, gelijk het zand der stranden;
om met der eeuwen loop, door één volzaalgen keer,
waar hemel, hel en aard toe medewerkt, hen weèr te voeren in Zijn schoot, die overvloeit van leven,
en aan het leven-zelf het leven weèr zal geven!
43
VOORZIENIGHEID.
Dit 's de Alvoorzieniglieid! Haar looft het Englenkoor in hymnen, nooit gestaakt, en aangeheven voor den aanvang van dien kring, waarin de tijden hollen! Die lofzang zal ook eens van onze lippen rollen,
en dien der hemelen ontmoeten, als het uur zal daar zijn, dat een nieuwe en Godlijke Natuur den dood verdelgen zal naar luid der Godsverbonden, en 't Englendom, langs de aard als boden afgezonden, de graven oopnen, en de dooden wekken zal,
en God verkondigen aan 't daverend Heelal!
âVerwinnaars van den dood! Staat op, en looft den Heere! âDoorwandelt tot Zijn roem de sterren! tot Zijn eere âde heemlen! Broederen, herboren uit het stof!
âstreeft onze vlucht vooruit, en psalmzingt tot Gods lof!quot; Die dagen zullen zich, zy zullen zich vervullen,
als ge uw verborgenheên voor 't menschdom zult onthullen, gy, werelden van stof! gy, werelden van geest!
en toonen ons in Hem die Is en Is geweest en Zijn zal, ons en u, in wederschijn der klaarheid die uitgaat van dat Oog, wiens Wezen eenig waarheid,
wiens Alvoorzienigheid volmaakte poëzy,
wiens schepping licht is, en wiens wetten harmony!
En Gy, o afgod der Godlasterendste ontzindheid!
Gy, Toeval! nietig spook, verdicht in onze blindheid! versmelten zult ge in 't licht, dat onze ziel verwacht!
gelijk in 't morgenuur de vele damp der nacht!
Bespoedig, groote God! dien heilrijksten der dagen! Almachtige! Gy, die de tijden kunt vertragen of haasten, met één zwaai dier ongeziene Hand,
die heel de wereld in beweging houdt en band!
Wy leven in de hoop op Uw beloftenissen!
Wy kwijnen van verlangst naar 't Godslicht, dat wy missen! En in de vlam van die verbeelding, die ons plaagt en in het leven houdt, ons foltert en behaagt,
van die verbeelding, die een voorsmaak is der dagen,
waarop de weldaad van Uw schepping vrucht zal dragen, verslinden wy den tijd, die tusschen beide staat!
Ontferm, ontferm, ontferm U onzer zwakheid! Laat
44
VOORZIENIGHEID.
het uur zich spoeden, dat onze oogen zich verzaden (indien het zijn kan) aan Uw schoonheid! dat we ons baden in 't licht, dat uitgaat van Uw aangezicht, o God! O Koning! in de schaauw des schepters! dat het lot der wereldbollen, die op Uw bevelen wandelen, der wereldzielen, die naar Uw bestiering handelen,
in al zijn omvang, al zijn kronkelingen, al de Wijs- en Ãénheid, die 't bezielen, als kristal doorzichtig, ons den God, uit wien het is, doen kennen! Op eindloos sneller nog dan Cherubynenpennen spoed aan, volzalig uur, en voer ons op tot God!
Ontdoe ons van ons-zelf! versmelt ons in genot!
Laat ons bewustzijn-zelf in dat genot verzinken!
Wy waken weder op by 't Hallelujahklinken!
En thands, nu onze ziel, nog balling uit Gods hof, en vastgekerkerd in de duisternis van 't stof,
haar oorsprong niet meer kent, in 't straf- en schandverduren verhard, of, voelt zy zich, vergeefs die ijzren muren poogt weg te breken, in wier engte haar de hand des noodlots houdt vervreemd van de Englen, haar verwant: o! laat een enkle straal, gedrongen door de reten van 't sombere gewelf, haar somtijds nog doen weten, wat oogen Gy haar schiept, om meer dan zonnen aan te blikken, als het uur der slaking eens zal slaan!
En laat nog soms een bode, uw diamanten zalen verlatend voor een wijl, tot dees woestijnen dalen,
en brengen ons bericht van 't dierbaar Vaderland,
en leeren 't droef geslacht, dat Ge uit Uw bijzijn bant, het boetende geslacht van Adam, den gevallen,
wie öy is, die een koor van millioenentallen,
door eeuw en eeuwen heen, bewierookt, liefheeft, looft: de Schepper van 't Heelal, der schepslen Heer en Hoofd!
Die straal van licht breekt door! die bode is afgezonden! â Aanschouwt de hemelen! De hemelen verkonden de glorie van hun God, wiens troon geen hemel vat. Wie houdt het blaauw gewelf, met vonken overspat
45
VOOEZIENIGHEID.
van oogverrukkend goud, te rug van in te horten?
Of wie zijn werelden van plettrand saam te storten?
Ily zendt zijn geesten uit, in vleugelen gehuld
van ethervlam. Want heel de schepping is vervuld
van dienstdoende Englen, die, ontelbaar en verscheiden,
ontspringen uit Zijn schoot, om zegen te verspreiden.
Der hemelkloten loop staat onder hun bestier!
Zy golven d' ether door met goddelijken zwier,
en stuwen zonnen en planeten met hun vinger
door d' Oceaan der ruimte, en, hangende aan den slinger
der Godheid, kruissen en doorkruissen ouderling
elkanders wegen en steeds weêr begonnen kring;
en vormen met den zwaai der tallelooze bollen,
die in d' azuren stroom om onze hoofden rollen,
een heiige mengeling van dansen, op 't geluid.
Jehova! van üw stem. Maar andre Geesten uit
den Hemel neêrgedaald, den ballingen van Eden
ten broederlijken hulp, bevolken dit beneden,
volvoerers van den wil van 't hemelsch Albestuur,
en stichters in Zijn naam dier stoflijke Natuur,
wier rijkdom ons omvloeit. Zy blinken in de droppen
der zacht ontbonden wolk, die, rustende op de knoppen
der bloemen, geur en kleur ontwikklen uit haar schoot!
Zy schittren in den straal der zon, die 't levend brood
in 's aardrijks boezem stooft. Zy drijven in de walmen
der liefelijke daauw, die 't veld besproeit. Zy galmen
in 't stormgebulder, dat den hemel zuiver vaagt
en pest- en ziektedamp van voor ons henen jaagt.
En in den donder, die des aardrijks ingewanden
doet schudden, dat het vreest te ontvallen aan zijn bandco
hergeven ze, ongezien, een naklank van de stem
des Ongezienen, die zich kenbaar maakt; van Hem,
die Isrel tot zich riep, en zich den Uitverkoren
in bliksemen deed zien, in donderen deed hooien!
Gezegend zij Zijn naam in eeuwigheid! Geloofd Zijne Al voorzienigheid! Roeme Isrel aan het hoofd der volkeren van de aard Hem Wreker, Rechter, Koning, en 't helverstommend lied der wachters van Zijn woning.
VOOHZIENIGHIill).
God! een nog teedrer naam welt op van uit het hart
tot ü, o Vader! die de vreugd der ziel uit smart
te voorschijn brengt; neen! uit wiens eenig wijze handen
smart-zelve wellust is, en 't knellen van de banden
waarmeê Ge ons hecht aan ü, gevoel van vrijheid! Gy,
o Vader! slaat ons gê. in werelds woesteny,
met dieper teerheid dan de slapelooze moeder,
die over 't ziekbed hangt aan 't wichtjen. Albehoeder!
wat zaligheid ons treff, het is op Uw gebiên!
Wat leed ons dreigen mag, het is door U voorzien,
en reeds geweerd! of, geeft Ge ons over aan de slagen
van 't leed? heil! driemaal heil die 't tot Uw glorie dragen!
De dag, die 't grootsch gebouw der werelden zag staan, zag tevens aller lot bestemd, geregeld, aan elkaér geschakeld: 't lot der tallooze geslachten,
die Adam en zijn ga den dood ten offer brachten,
het lot der troonen en der volken, en het lot van al wat adem haalt, of onbezield is. God heeft ieder haar geteld, op onzer hoofden schedel geworteld; en geen worm, geen stofjen, zoo onedel,
waar niet Zijn wijsheid over uitgeademd is!
Zoo loof Hem, raensehenkroost! En gy, geschiedenis der zichtbare natuur! gy, letters der historie van 't menschdora! spreekt en looft! en tuigt ons van Gods glorie 1 herhaalt ons wie wy zijn, en wie die Schepper! Toont aan 't onerkentlijk volk, dat in Zijn goedheid woont, dat zielverrukkend, hart- en ingewandverteedrend.
dat voor den duiveltrots onloochenbaar verneedrend, dat dichterlijk Geheel der Schepping! Legt ons uit dat Treurspel, met wiens loop de Tijd den zijnen sluit; dat Treurspel, met de jeugd der wereld aangevangen,
toen één, één enkel paar, met de onschuld op de wangen, het grootsch tooneel betrad; door zonde en stervenssmart en veroneindiging van beiden sints verward;
om eindlijk zich, o God! door en in U te ontknoopen,
als Gy, Genadige! dees stervende aarde slopen,
en, by 't herrijzen van haar doón, herbouwen zult!
il
VOOKZIEKIGHEID.
Mijn ziel! wees van het heil dier waarheid steeds vervuld! 6y leeft, gy denkt, gy wilt niet door u-zelve. Uw leven, uw denkkracht, en uw wil zijn u van God gegeven!
En gy! wat zijt gy, dan het lijdelijk papier,
waarop de Geest van God in letteren van vier zich uitdrukt? O mijn ziel! doorpeins het ieder stonde; by 't streelen van de vreugd, by 't snerpen van de wonde! in 't bloeien van de jeugd, en aan den rand van 't graf! Bestier niet, maar voer uit! en wensch niet, maar wacht af! Ja! geef aan d'invloed Gods geheel u-zelven over!
Gelijk aan d'avondwind het ritselende lover;
gelijk het wrakke schip, van mast en roer ontzet,
aan de ongestuime zee en aan des nooddwangs wet;
gelijk aan 't vuur der liefde een hemelzaalge minnaar, en 't teedre meisjen aan den dieibren overwinnaar!
Dan zult gy, met de kracht van die u schiep vervuld,
in den verblindbren glans des diamants gehuld, een oromvatbren kring van schittrende idealen,
en deugden zonder tal, van om u heen doen stralen!
En gy, gy bovenal, ontzachlijk Tweetal, één in wezen, en op de aard éénstemmig aangebeên! Standvastigheid en moed! Verhevenste der deugden,
die ooit een edel hart ontgloeiden en verheugden!
moogt ge ook van uit het mijn regeeren over 't Lot, my grooter wezen doen, dan lijden of genot,
en voor het speeltuig, dat mijn vingeren bezielen,
ter eer van God, mijn Heer, geheel een aard doen knielen!
Moed en Standvastigheid! Wat zijt ge? Hoop op God, het zy ge met een wenk het weiflend oorlogslot beslist, als ge op den wiek der viervoets toegevlogen den wederstand ontwricht met d'opslag uwer oogen! Het zwaard deinst voor u weg; de kogels in hun vaart ontwijken u; en gy, almachtig over de aard,
streeft als de stormwind voort, en de Engel der viktorie is met u! Maar uw kracht is in geen zucht naar glorie; de Godheid is uw kracht, uw zege en uw behoud!
Het zy ge, onwrikbaar als de ceder in het woud des Libanons, den eisch van 't vrij geweten voorstaat.
VOORZIENIGHEID.
vervolging, laster, haat, met hemelkalmte doorstaat,
en op uw vijanden ter neer ziet, als de rots op de opgezwollen zee en 't machtloos golfgeklots,
dat om zijn voeten woelt! Der goddeloozen schichten verstompen op uw borst, en de omloop van de plichten gaat ongehinderd voort, te midden van 't geweld,
te midden van het leed, dat u bestormt en kwelt!
En gy, gy staat daar! 't is de God der legerscharen,
die in uw zelfkracht aamt! Ja! Godverloochenaren!
bestrijders van den God, wiens weldaan gy niet kunt ontgaan! indien het ooit uw boezem werd vergund, die zelfbewustheid van een overmacht te ontwaren, die veiligheid belooft in 't barnen der gevaren,
en over 't lot triumf; zoo hebt gy op dien stond in 't hart den God erkend, belasterd door uw mond!
Doch zalig, wien het hart, in heldenmoed verheven,
zich door den adem Gods erkent te ziin gedreven!
die op zijn zegepraal zich-zelven niet verheft,
maar Hem verheerlijkt, wiens gewijsde zeker treft!
Volzalig, die op Hem, op Hem-alléén vertrouwen,
en drijvende op Zijn zorg de zee des levens bouwen,
ofschoon het noodweêr aard an hemel dreigt door één te schokken; zy, wier oog, door alle nevels heen,
den arm ontwaren blijft, die 't noodweêr zal verlammen:
Zoo waart gy, vroome Vorst, en Hoofd dier Gosterstammen wier spruiten, de eeuwen door, geboren vorsten zijn (â¦), schoon ook de zonde, die den kostelijken wijn der uitverkiezing in hun aderen ontaardde,
de in 't slijk vertrapte kroon van uiterlijke waarde ontblootte in 't oog der aard! Gezegende, wiens deugd de wereld heiligt en de hemelen verheugt!
Aartsvader Abraham! zoo waart gy! God beloofde,
en gy geloofdet! God beval; uw boezem doofde de liefde tot uw bloed in die des Heeren uit!
Den in den ouderdom uit u ontbloeiden spruit
49
VOORZIENIGHEID.
zult ge in zijn frissche jeugd aan God ten offer brengen I Gy zult met eigen hand zijn bloed op 't outer plengen! En gy! gy, aarzelt niet! en grijpt het staal, vol moed, dat heel uw ziel moet weg doen vloeien in het bloed diens zoons, het eigendom van die het uit uw aderen tot een nieuw aanzijn riep, den Vader aller vaderen!
Het offer van uw trouw, verheven Abraham! was aangenomen, en het bloed van 't offerlam gespaard! De heilgena, in 't streng gebod verborgen,
ging open voor uw oog, toen ge uitriept: âGod zal zokges! âZoo zij, gezegend oord! in eeuwigheid uw naam!quot;
En god zal zorgin! god zal zorgen! galmden saam de hemelen en de aard. De Cherubynenkringen, verkondende aan elkaêr den God, dien zij omringen, verheerlijkten, dat uur, met dubbel psalmgeschal den God van Abraham! den Meester van 't Heelal! en riepen: ht regeert! Der Uitverkoornen reien herhaalden: ht regeert: De hemelsche schalmeien doorklonken de eindloosheid der ruimte, en wekten stof en onstof tot één lied, één harmony van lof!
Het god zal zorgen walmde uit éénen mond naar boven, den mond van heel 't Heelal, geloovig in 't gelooven van Abram, op dien stond. â Herhaalt het aan elkaêr gy, eeuwen! en aanbidt den Alverzorgeraar!
Nacht! meld het aan den dag! En, schitterende morgen! getuig die waarheid aan den avond: god zal zokgbn ! Spreidt, oppervlakten van het aardrijk! haar ten toon! Het god zal zorgen meld' de vader aan zijn zoon! en onderwijst het aan uw dochters, teedre moeders! en, stervelingen! wilt ge in schaauw des Albehoeders als goden nevens hein op de Engelen gebiên,
en geesten voor uw blik, vermeesterd, buigen zien?
Voor 't god zal zorgen, dat, by 't innig boezemblakcn, uw lippen, vloeiende van hymnen, zullen slaken,
ontsluit de hemel zich! â Zoo stort, planeten! stort! en, zonnen! dat uw gloed tot stuivende assche word'! Krijgt, elementen! krijgt! vernietigt uw verbonden!
Geest der verdelging! sla uwe armen om de gronden
50
VOORZIENIGHEID.
der wereld, dat zy knakke, en inzakke, en verdwijn'! Die baaiert zal voor ons de wieg eens Kdens zijn! Wy wachten uit die nacht een onvergaukbren morgen! Valle alles om ons heen! Wy loven! God zal zoboek!
EEN TOONEEL
van
LORD BYRON'S CAIN,
VRIJ GEVOLGD
eh
MET OORSPRONKELIJKE REIEN DOORVLOCHTEN.
Eet Tooneel onderstelt den ochtendstond.
een bei van engelen.
âHet morgenlicht der hemelen verflaauwt!
âHet bloemgewas der velden, pas bedaauwd,
âschijnt als van angst te krimpen en te kwijnen! â
âDe Geest des Kwaads gaat in dit oord verschijnen:
âde Balling, die, in oorlog met zijn God,
âin zijn geweld, in zijn wanhopig lot
âden mensch, den Geest, de Schepping, en God-zelven
âte domplen tracht; en in de nachtgewelven
âvan 't strafpaleis, waar hy zich Meester heet,
âhet vloekontwerp der Alverdelging smeedt:
âDe Vleier, die zijn boosheid buit in schoonheid,
âen, in 't verraad, onnoozelheid ten toon spreidt:
âDe Booze, die het Godlijk evenbeeld
âbezoedelde, en in 't zijne had herteeld,
âzoo niet terstond de Hemelsche genade
âden levensboom voor Adam en zijn gade
âommuurd had met de vlam van 't Cherubzwaard,
âde boetenden verwezen tot deze aard,
âen zondigheid van ebuwighbid gescheiden!
âdie nadert weêr. Hy nadert tot verleiden.
âNiet meer gehuld in den geleenden dosch
âdes slangenhuids, waarin hem Edens bosch
FEAGMENT.
âhet kennisgif aan Eva toe zag dienen;
âmaar onvermomd, als toen hy d' Ongezienen
âden afval van het Duivelenheelal
âverkondigde met vloekend krijgsgeschal!
âHy streed! hy viel! Toch waant hy zich almachtig,
âen vrij op nieuw, aan anders niets indachtig,
âdan aan den dag, toen de evenbeelden Gods
âden schijntriumf getuigden van zijn trots!
âThands waant hy zich een dubblen rang en waarde:
âVORST VAN DB HEL! VEROVERAAR DEB AABDE!
âen de Almacht heeft geene almacht, geen beheer,
âgeen rechtsgebied, dan in Zijn hemel, meer!
âHy droomt, hy juicht, hy roemt zich onafhanklijk,
âen lijdt nochthands, en wenschte zich verganklgk,
âen vloekt zich-zelv', gelijk hy 't al vervloekt!
âDolzinnige! â Het heillot dat hy zoekt,
(âmaar vruchtloos zoekt in gruwbre kwaadverspreiding,
âin vrijheid, haat, in oproer en verleiding,)
âdat heillot reikt hem de armen toe in God!
rDat heillot is der onderworpnen lot!
âDat heillot is het onze, Keurgenooten!
âwy dragen 't hart voor d' invloed Gods ontsloten!
âEn, als Hy wil, dan willen wy als Hy,
âmet Hem, in Hem, in ééne harmony,
âdie 't Godsbestaan afspiegelt in ons wezen,
âen almacht geeft aan wie Zijne Almacht vïeezen!
âWee over u, eens onze Deelgenoot!
âdie 't heil van onze afhanklijkheid verstootl
âWee over u, die door u-zelv' wilt leven,
âen bannen God van 't geen slechts God kan geven,
âen, vloekende op uw onmacht. Hem verwijt
âdat ge in dien vloek zoo diep rampzalig zgt!
âWat baatte 't u, die woede meê te deelen
âaun Adams bloed? Het zal uw leed niet heelen,
âindien hy viel, en 't kwaad op de aarde bracht,
âdat erflijk kwaad, dat ieder nieuw geslacht
âvermillioend aan 't volgende zal laten!
âWat baatte u dit? Of thands, wat zal 't u baten,
âzoo Caïn, in wiens hart gy reeds regeert,
§2
fragment.
âu openlijk met gruwlen hulde zweert?
âEn, in de zee der zonde u nagesprongen,
âen om uw leên geklemd en vastgewrongen,
,u dieper in den afgrond zinken doet.
âOf waant gy dus de dorst van uw gemoed âin wederwraak op wat gy haat te koelen? âVerblinde! als of dat lasteren, dat woelen, âdie wapenkreet, waarmeê gy 't ruim vervult,
âiets anders waar', dan 't blijk van Gods geduld! âAls of u niet Zijn donder kon verpletten!
âAls of Hy niet dien krijgsmoed neêr kon zetten, âen siddren doen met ingezakte kniên âden schijnheld, dien de Duivelen ontzien!
âWy-zelve, wy, in naam van 't Alvermogen, âwy kunnen met een opslag onzer oogen âu duizlen doen in 't Niet, dat ge eenmaal waait!
âwy kunnen in uw teugellooze vaart----
âdoch neen! volvoer uw plannen, hemelbasterd! âzy dienen God, terwijl gy Hem belastert ,en tegenwerkt! 't Is zegen, als gy vloekt!
âHet is herstel, als gy verdelging zoekt!
âEn wy, wy daalden neêr om levende te aanschouwen âwat heerlijk lotbestier de wegen zal ontvouwen,
âwaar door der zonde kroost, gelouterd in zijn straf, âte rug keert tot zijn God! Wy wachten lijdlrjk af! âDe hoogste zaligheid der zaalgen is â vertrouwen!quot;
cain alleen.
Dit is het leven dan! Eén zwoegen om te lijden!
Mijn vader was te zwak, om 't Noodlot te bestrijden, en â 't leven werd zijn straf! Maar wat heb ik misdaan ? quot;k Bestond niet: en werd toen genoodzaakt te bestaan,
toen dat bestaan een staat van wanhoop was geworden! â Maar ook mijn vader! waarom viel hy, en omgordden de dienaars Gods hem niet met forscher kracht van ziel? Waarom weerstond hy geen verleiding? Waarom viel zijn gades onschuld, toen do Slang sprak? Of gevallen, waartoe die pijniging? â Waartoe in Edens wallen dien sohoonen V^om geplant, 't oog met zijn ooft getergd, en meer dan Englendeugd van d'eersten menach gevergd?
FRAGMENT.
Ãén antwoord geeft men my: hy wilde 't! hy is machtig! Hy, goed! Ja! Hy heeft macht! Wy ondervinden 't krachtig! Maar goed! Die goedheid is my bitter, als mijn bloed en lot is, om een schuld, die 'k niet beging, en boet!
DE BEL.
âHoort gy 't. Heeralen? Aarde! hoort gy 't? Hoort gy 't, duizlend
[wereldal?
,Hoort gy d'opstand-, wraak- en vloekkreet van Gods beeldtnis
fin zijn val,
âen gy stort niet uit elkander in verwarring en in schrik? âNeen! Gy schokt niet, vast gehouden by des Al voorzieners blik! âHy aanschouwt het, Hy voorzag het, wat ons oog gebeuren ziet! âHy regeert! en Caïns lastring, Caïns lastring wordt een lied, âwordt een lied, gelijk het onze, tot verheerlijking van God, âden Ontwerper, den Geleider, den Volvoerer van het Lot! âHeemlen! stort niet! Aarde! zink niet! Uitgespannen wereldal! âvrees niet dat de klank des oproers u in duigen knallen zal! âLoven wy met harpgezangen, met uw wentelingen, gy;
âook die toon is onontbeerlijk in de wereldharmony!
âLicht en duister, vrede en oorlog, hel en hemel, liefde en haat âmaken één muzyk voor God uit, onderworpen aan één maat; âen de duivel is een wanklank, die zich oplost in 't akkoord, âdat bet laatste Laatst der dagen in zijn volle ontwikkling hoort!quot;
gain vervolgt, terwijl lucifer nadert.
Wie nadert? â Een gestalte, als die, waarin de Zonen des hemels zich aan ons gewoon zijn te vertoonen;
maar droeviger van blik, en sombrer van gelaat!
Ik sidder! â Maar waarom? â De geest, die voor my staat, heeft in zijn aanblik niets, dat meerder schrik moet wekken, dan de Englen, die de wacht om Edens poort betrekken in de avondschemering, wanneer het vlammend zwaard my dreigend tegengolft, daar 'k, dwalende over de aard,
onwillig naar den Hof (den onze eens!) wordt gedreven;
en boven 't bolwerk, dat zy nacht en dag omzweven in wapenrustingen van vuur, de toppen uit zie steken van den boom, wiens toegang men ons sluit!
Doch deden zy den moed van Caïn nimmer vallen,
ook deze zal het niet! â Hy nadert! â Meer dan allen,
die 'k ooit aanschouwen mocht, spreidt hy een macht, een schoon
54
FRAGMENT.
(maar dat nog schooner eens geweest moet zijn!) ten toon, waar alles weg by zinkt. Maar o! de trek van wrevel, iny eigen, spreidt ook hier op 't fier gelaat een nevel, en overschaduwt zijn onsterflijkheid! Kan 't zijn'?
Zijn Englen zelfs niet vrij van onze levenspijn?
de bei.
âDe vijand stapt vast aan met vliegende banieren,
âom over 't mensohlijk hart op nieuw te zegevieren!
,Ach! 't zal geen weêrstand biên! â O Caïn! Caïn! waar âvoert u de krijgslist heen van d' Aartsgeweldenaar?
âO! dat gy hem bestreedt, gelijk gy -wenscht te strijden âmet God, uw wettig Heer! En thands â Zijn medelijden âzij met u!quot;
lucifer in het opkomen.
Sterfling!
caïn.
Geest! wie zijt gy?
lucifeb.
'k Ben een Heer
van geesten!
cain.
Zijt gy dit? en daalt ge op de aarde neêr, om met het stof te zijn?
lucifer.
Het stof en zijn gedachten ken ik! Ik ken ook u, en 'k deel in uw betrachten!
cain.
't Geen ik betracht, kent gy?
lucifer.
Gy denkt, wat alles denkt dat denken waardig is! Dat, wat geen sterfuur krenkt,
werkt in u, als gy denkt.
cAm.
Ach! wat is ons gebleven dat hoop zou mogen voên op een onsterflijk leven?
De boom des levens is voor Adam en zijn bloed
55
FRAGMENT.
niet meer! De kennisvrucht, in Bvaas oog zoozoet,
bracht voort de bittre dood!
LUCIFER.
Neen! neen! geen God ontzeide u een eeuwig voortbestaan. Leef, Cain! men misleidde u!
CAIN.
Ik! leven? Ja! o ja! een wijl nog op dees grond verkwijnen, treuren, tot het stof, waar 'k uit ontstond,
zich weêr ontbinden zal, en ik een aanzijn derven,
waar niets me aan vasthecht, dan die afschuw van te sterven, dien 'k niet vermeestren kan; schoon ik my-zelv' veracht' en hate, om dat mijn hart nog naar een leven tracht, zoo haatlijk, zoo vervuld van jatnmren, die 't verstoren! ondraaglijk! levenloos!.... O! ware ik nooit geboren!
LUCIFER.
Gy werdt het, en gy leeft! Dat leven eindigt nooit!
Gelijk de tijgerhuid, die ge om uw leden plooit en weder afschudt, zoo ontstijgt gy eens die aarde,
wier schors uw geest omsluit! Dan wordt ge in kracht en waaide niet minder dan gy zijt!
CAIN.
Niet minder! ook niet meer?
DE REI.
âJa! meer! ja! eindloos meer, en nader aan den Heer
âuw God, indien gy 't wilt! indien gy wilt beminnen,
âniet haten! loven, niet vervloeken! en verwinnen
âden wrevel, die uw ziel verdierlijkt en verslaaft!
âKlaag 't lijden, dat gy torscht, aan God! en word gelaafd!
âKeer van den weg ter helle een oogenblik slechts weder!
âEén poging hemel waart! Wy allen dalen neder,
âen voeren in triumf u aan de voeten Gods!
âOntwortel uit uw hart dien monsterlijken trots,
âwiens vrucht Gods vloek is! Of, ontbreken u de krachten?
âSla 't oog naar boven, en een heir van hemelmachten
âstaat op uw wenk gereed hem neêr te vellen! Ja!
,hy valt (begeer het slechts!) door Godlijke gena!
âHy valt, en gy! gered uit 's lichaams kerkerwallen,
âwordt meer dan Adam! meer dan Adam, de omgevallen!quot;
FRAGMENT.
LÃOIFEB.
Wellicht wordt gy als wy!
CAIN.
Zijt gy gelukkig?
LUCIFER.
Wy
zijn machtig!
CAIN.
Machtig! maar gelukkig?
LUCIFER.
Neen! en gy?
CAIN.
Hoe! Ik, gelukkig? Ik! â Aanschouw my!
LUCIFER.
Kind der aarde! Gy ongelukkig? Wat vermeten! 't Lot bespaarde den doem des ongeluks voor hooger dan gy zijt!
Maar gy, wie zijt gy dan, die, daar ge als 't menschdom lijdt, u zoo veel hooger roemt?
Die God onttroonen wilde,
maar aan dat grootsch ontwerp vergeefsche krachten spilde, die ben ik! Waar 't gelukt, de werelden had ik geschapen, en gy zoudt gelukkig zijn!
CAIN.
üw blik
is van een Godheid, en----
LUCIFER.
Ik ben 't niet! Hy regeere! En ik! in 't geen ik ben, stel 'k even groot een eere, als Hy, in God te zijn, en Schepper van dees grond,
en van uw vader!
57
FBAGM13NT.
CAIN.
En van heel het wereldrond!
Zoo zingen (zegt men my) de zaalge Serafijnen,
en zoo herhalen't hier mijn vader en de mijnen!
LUCIFER.
Ja! zoo verkonden zy 't, al siddrend voor den dwang! Te bloode om meê te zijn, 't geen ik ben sedert lang, en 't geen gy wordt welhaast!
CAIN.
En wat dan zijn wy?
LUCIFER.
Zielen,
die Goden durven zijn, en voor geene Almacht knielen!
Die Waarheid durven zien en spreken; en 't Heelal
verkonden, dat, zoo Hy (en niet een bloot geval)
ons in het aanzijn riep, Zijn Schepping Kwaad, geen Goed is!
Dat straffen Hem vermaak, dat folteren Hem zoet is!
Dat Hy geen heil verspreidt, noch zelf geniet! Hy roemt
zich goed? En wy zijn kwaad die hy zijn schepsels noemt?
Zoo zijn wy niet uit Hem, of 't Kwaad is in Zijn wezen!
Wat zijn die werelden, op Zijn bevel gerezen?
Boos- en rampzaligheid! Hy wekte ze uit de dood,
de kalme sluimering der dood, om deelgenoot
te worden aan den last van een ondraaglijk leven!
Hy schiep ze, om zonder end te lijden, en te beven,
en af te smeeken van d' Oneindigen Tiran
't geen Hy niet geven wil, 't geen Hy niet geven kan:
't geluk! Hy derft het zelf, dat voorwerp onzer wenschen,
zoo vruchtloos uitgestort! â Spitsbroeders! Geesten! Menschen
wy zijn gewroken! Want ook Hy kent heil noch rust!
Wanhopig, en zich-zelv' geen andere troost bewust,
dan 't overstorten van Zijn leed in andre zielen
(door steeds te scheppen, te herscheppen, te vernielen!)
leeft Hy, nog eindeloos wanhopiger dan wy.
Wy vormen één verbond! wy, eene harmony
van jammer, woede en wraak! Ons blijft nog één genoegen:
ons onheil, onze ellende, ons nooit volstreden zwoegen
te wijten aan Zijn wil! en dien vervloeken wy!
Wy eischen recht van God! maar wien beschuldigt Hy?
fbagment.
de bei.
âOntzinde! zwijg! o zwijg! elk vloekwoord, dat gy slaaktet, ,verdubbelt d' afstand van het heil dat gy verzaaktel! âWat zoekt gy in de taal van mensch- of Englendom ,een wapen tegen God? Godlasteraar! verstom!
âDe talen zijn uit God! Haar saamgehuwde klanken âvermenigvuldigen zich niet, dan om te danken,
âte loven! en, als gy in dronkenschap van haat,
Thaar te misbruiken tracht tot boden van het Kwaad, âzoo vormt gy onzin! Maar die onzin.... Harpenaren âdes Hemels! staakt uw lied! Het geen uw gouden snaren, âwier trilling heel 't Heelal met hymnen overspat, âhet geen uw steramen, als zy galmen; wie bevat âden god, die 't al bevat? nooit sterk genoeg herhalen, âdit. drukt hier Satan uit met daden! Laat hem smalen âop d' Onbegrijpbren, uit Wiens licht hy-zelf zich bant! âHet is bekentenis van onmacht! â Geen verstand âvan schepsels ('t zijne, 't onze, of dat van stervelingen!) âvermag nog in 't geheim van 't scheppingsplan te dringen, â't Gordijn rolt langzaam op, waar achter 't God verbergt. âEens zal het openstaan. Maar wee, die meerder vergt! âWee, die als God wil zijn! Wee die in heiligschennis âzichzelv' bedeelen wil met onbeperkte kennis!
âWee u! gewezen Vorst der Morgenster! Gy blonkt âvan glorie, toen ge, als wy, verbeiddet! Gy verzonkt âin waanzin, sints ge u woudt verheffen tot het weten âder wetenschap van God! Ach! zijn zy gantsch vergeten, âdie eeuwen, doorgebracht in schaduw van Gods troon,
âtoen heiligdommen zich ontsloten voor uw toon?
âToen ieder vleugelslag, waar meê gy d' ether kliefde, âu nader aan de bron van de uitgestroomde Liefde âdes Onbereikbren voerde, en ieder hemeldag âu nieuwe werelden van kennis intreên zag?
âToen.... maar zy zijn verbeurd, die Goddelijke dagen! âZy is te niet gegaan, die glorie! Durft gy vragen ânaar de oorzaak van uw val? Gy spraakt uw vonnis uit! âHet is uw keus, uw wil, die u den hemel sluit! âOf â werd die keus, die wil bestierd door hooger wetten? â(Almachtige! laat ons uw gramschap niet verpletten, âindien we ons, al te stout, te buiten gaan in 't perk
59
PEAGMBNT.
âdoor d' ijver voor uw naam, by 't loven van uw werk!) âZoo zijt ge, o Lucifer! geschapen tot een voorbeeld der Wijsheid, die het Kwaad te voorschijn brengt, veroordeelt, ,en Goed maakt, en (wellicht!) door 't zaligendst geweld, ,wordt ge onderworpen eerst; dan â in uw rang hersteld!!!quot;
CAIN.
Hoe vaak zijn in mijn geest gedachten opgekomen,
die zwemen naar uw taal, in nevelige droomen,
of in de mijmring van een sombere eenzaamheid!
Maar 't geen my hier omringt, stremt mijn verstand, en leidt
my van een denkspoor af, hier te edel, te verheven!
Mijn vader en zijn ga zie 'k op de erinnring beven
en blozen van de Slang, de Eennis en haar ooft!
De Godstrawanten, met den Cherub aan het hoofd
die 't vlammend wraakzwaard zwaait, bewakende de wallen
van 't ledig Paradijs, zien neer met welgevallen
op onze ballingschap, en schijnen voor altijd
ons van een hooger weg te weeren! ik, ik lijd',
en werk, en zwelg de vrucht van 't zweet mijns aangezichten
Een wereld, waar ik niets in ben of uit kan richten,
omgeeft me, en kwelt mijn ziel, in 't vruchteloos gewoel
van overpeinzingen, die 'k in mijn boezem voel
vergaadren tot een heir, dat heemlen te bespringen,
't lot te overmeeatren dreigt, en 't wereld-al te dwingen,
en (louter ijdelheid!) nochtands onwerkzaam is!
Mijn vader is versuft in 't onheil; en 't gemis
der Paradijsvreugd sloeg den moed neêr van mijn moeder,
die eens des hemels vloek braveeren dorst. Mijn broeder
kent geen verheevner lust, dan hoeder van zijn vee
te wezen, en den God, die voedsel geeft voor wee
en arbeid, 't offer van zijn eerstlingen te slachten!
Mijn zuster Zilla paart, by 't vlieden van de nachten,
haar stemklank aan den zang der schelle vooglenrij,
en lofgalmt heel den dag. En Ada!.... Ada!----zy,
mijn zuster en mijn bruid, mijn hart- en zielsvriendinne, zy, de een'ge, die my mint, zy, de eenige, die 'k minne, ook zy miskent de zucht, die in mijn boezem woelt, die brandende onrust, die noch tijd noch arbeid koelt!
Neen! 'k ben voor meer gemaakt, dan 't kruipen met de menscben 1 Met geesten om te gaan, en geest zijn, is mijn wenachen!
FRAGMENT.
LUCIFER.
Indien ik in uw ziel niets eediers had ontwaard,
dan 't geen uw stam verknocht aan een ongeestige aard, zoo ware ik voor uw oog niet in den dosch verschenen des Engels; en een slang had thands, gelijk voorhenen, 't woord tot den zoon gevoerd van een verachtlijk stof!
CAIN.
Waart gy de slang dan? de Verleider in den Hof?
LUCIFER.
'k Verleidde nimmer! maar ik deelde waarheid mede!
Of was de vrucht, die 'k bood, de vrucht niet van de Rede?
Of zijn uw Ouderen door my verzocht? Heb ik
hun lusten ieder stond geprikkeld met den blik
van een verleidend ooft, dat zy niet mochten smaken?
O neen! in tegendeel! ik wilde u Goden maken!
En Hy, die 't my belette, erkende dit in 't woord,
dat Adam uitsloot van het lust- en levensoord!
Wel aan dan! wie van ons heeft waarlijk u mishandeld?
Die voor u staat, of Hy, die op de sterren wandelt?
Hy, die by de eeuwigheid des levens, u 't genot
der kennis schenken ging, of Hy, wiens wreed gebod
u beide ontzegd heeft?
CAIN.
Ach! wy hadden niets te duchten, indien mijn moeder in één zonde, bei de vruchten gegrepen had!
LUCIFER.
Wel nu? de eene is reeds in uw macht; en de andre kan het zijn!
CAIN.
Hoe? nog?
LUCIFER.
Zoo ge aan de krachl van d' onverzaden geest, die n ten opstand prikkelt, en, zonder dat gy 't weet, zich meer en meer ontwikkelt,
61
FRAGMENT.
den vrijen teugel viert. Een onomstootbre wil
van door zich-zelf te zijn, vormt in den geest een spil,
waarom de wereld zwaait!
OE REI.
âJa! roem op eigen waarde, .verleider van 't Heelal! De Satans dezer aarde âontvangen blij te moê 't vergif dat gy hun biedt!
âJa! door zich-zelven zijn, en door Jehova niet! âJa! onafhanklijk zijn, en zelf zijn lot regeeren!
âzie daar de leus der hel: zie daar den vloek des Heeren! âZoo lang de Tijd in 't perk der eeuwen rennen zal, âzoo lang zal deze kreet weêrgalmen door 't Heelal.
âKroost des gevallenen! wil naar die kreet niet hoeren! âZoo zy uw ziel bekoort, zoo is uw ziel verloren!
CAIN.
O! leer my dus te zijn!
LUCIFER.
Ik zal het, zoo gy zweert
't geen ik van u begeer!
CAIN.
Wat is 't, dat gy begeert?
LUCIFER.
Indien gy mijn geheim, mijn moed, mijn macht wilt leeren. zoo moet ge als Vorst en Heer my eerst uw hulde zweeren!
CAIN.
Gy zijt de God niet, dien mijn vader aanroept?
LUCIFER.
Neen!
CAIN.
Maar Zijn gelijke?
LUCIFER.
Neen! 'k Heb niets met Hem gemeen! Ik ben niet boven Hem, noch onderdanig voor Hem! noch oefen mijn gebied in Zijnen naam, of door Hem!
FRAGMENT.
'k Bewoon een ander rijk! Ãarr heersche ik: ik ben groot en machtig in dat rijk! Gy wordt de lotgenoot van groote wezens uit de toekomst en 't verleden,
indien gy 't onder my den moed hebt in te treden?
CAIN
'k Boog nimmer nog de knie voor mijn oudren God; 'k weerstond het voorbeeld van een broeder, en 't gebod eens vaders, om mijn ziel van hulde vrij te weeren!
Ik, die de toornigheid eens Scheppers durft braveeren,
'k zou knielen voor een Geest?
LUCIFER.
Gy boodt geen hulde aan God? Zoo ben ik daardoor reeds de meester van uw lot!
Kom! volg my in het rijk der onbeperkte vrijheid!
Kom! volg my in den hof der ongebonden blijheid,
waar troost voor jammer is in onverbloemden haat en veroneindiging van 't ons verteerend kwaad!
Of.. . blijf de slaaf van Hem, die, fel op u verbolgen, u foltren wil en kan. â Kom! volg my!
CAIN.
'k Zal u volgen.
DE KEI.
âGaat, ongelukkigen! verdiept u in die nacht ,van straf en onheil, die niet onze aanschouwingskracht .kan door- of overzien, maar die door God bepaald is. ,zoo wel als 't licht des dags, waarvan ons hoofd bestraald isl âAan Hem verblijv' de loop der tijden. Hem het rijk âder Zaalgen, Hem 't gebied der kindren van het slijk âder aarde, zondig als de vader, die hen teelde!
âons 't zeegnen van den Naam, die Goed en Kwaad verdeelde; âons, 't lofgegalm, de hymne, en 't hartverscheurend lied âdes danks, waar in de ziel steeds hooger waarheid ziet, âsteeds teedre liefde voelt, in d' invloed van den Vader âsteeds diep en dieper voelt, en aan zijn Godheid nader! âOp! hemelbroeders! op! ter lofzang! 't Gruwzaam woord âder lastring van de Hel werd hier te lang gehoord!
âKomt! zuivren wy de lucht van haar besmette klanken! âKomt! leeren wy deze aard te aanbidden en te danken!
63
fragment.
âEen lichtstraal van de Hoop, die onze ziel beschijnt, âverkwikke op nieuw dit oord, dat van vertwijfling kwijnt!
âIn den aanvang was Jehova! Hy bestond en Hy-alléén!
âMaar Hy riep u, en gy waart er, grootste der verborgenheên! ,geestenwereld, die uit Niet werd! Gy waart God niet, en â
[bestondt!
âMillioenen Cherubs leefden! 't Was het aadmen van Zijn mond! âMillioenen Serafs loofden! 't Was het golven van Zijn hand! âMillioenen Geesten zweefden in één liefderijk verband âom den troon des Glorierijken, uit wien alle glorie straalt! â't Was de wil des Liefderijken, uit wien alle liefde daalt!
âZoo was alles in de Schepping éénheid, liefde, harmony!
,'t Wist zich alles onderworpen, en in de onderwerping vrij!
âIeder kende 't, ieder prees het: god te dienen, is tb zijn!
âOnafhanklhkheid is NIET ZIJN! Die tb wensohen, fol-
[terpijn!
,'t Was de Vorst der morgensterre, die zich 't eerst dien wensch
[vermat!
,'t Was de Vorst der Morgensterre, die zijn oorsprong 't eerst
[vergat!
,Gods rechtvaardigheid verstiet hem uit d' oorspronkelijken staat!
âGods genade spaart hem't aanzijn, â en aldus ontstond het Kwaad.
,Maar het Leger der Getrouwen zong zijn' God een nieuwen lof: ren daar rees een nieuwe wereld uit het onbezielde stof!
,Over de onverdeelde waatren wandelde de Geest van God, ,en de baaiert werd één leven, ééne aanbidding, één genot! ,Aan het hoofd stond Godlijke Adam, als een Godheid onder God, ,tot den dag der overtreding van 't noodlottige gebod!
âWant ook Hy, Hy wilde als God zijn, niet in God zijn â en
[hy viel,
,en de trotschheid van den Satan overmeesterde zijn ziel!
,Nu verbreidt zich, nu verspreidt zich 't menschdom en des
menschdoms straf!
,Nu wordt de aarde, die zijn wieg was, hem een kerker en een graf!
64
FRAGMENT.
,De Englen Gods en de Afgevallen voeren oorlog in zijn hart: ,daar is hoop met wanhoop worstlend; hemelvreugd met helsche
[smart;
âkracht en rechtheid, kalmte, liefde, met verzoeking, wroeging, haat; ,'t zaad der hemelsche genade met het helsche zelfheidszaad! ,Maar de God der Legerscharen richt den kampstrijd van 't gemoed. ,0! Zijn wegen zijn rechtvaardig, en Zijn einden eindloos goed!
,Wegen Gods! hoe duister zijt gy! â Maar we omvleuglen ons het
[hoofd
«voor 't verblindend licht der toekomst, die 't verrukte hart gelooft!
âBlijve 't middel ons verholen! God verkondigt ons het doel
âin de onfeilbre profecyen van het zegenrijkst gevoel!
âAan den eindpaal van de Tijden ziet ons oog den geest van 't kwaad
âmoêgeworsteld en ontwapend, tot geen afval meer in staat!
âAls de Heere God in allen, en in allen alles is,
âzal het licht zijn, eeuwig licht zijn, licht uit licht en duisternis!
ALEXANDERS ZEGEFEEST.
I.
Het feest der overwinning klonk door Perziës verslagen steden,
door 't zegepralend heir betreden,
waar voor Darius macht verzonk.
Te midden van de pracht der Vorstelijke zalen zat op den hoog verheven troou Philippus nooit verwonnen zoon.
Met roos en myrt om 't hoofd en om de gouden schalen omringde hem zijn wapenbroedrenstoet;
en aan zijn zij zat schittrend in den gloed der jeugd, der schoonheid, en der liefde de vrouw, die 't minnend harte griefde van den Veroveraar.
Heil u, heil u, zalig paar!
Heldenmoed en deugd te kroonen,
past de hand alléén der schoenen!
Past de hand alléén der schoenen!
Past de hand alléén der schoonen!
65
ALEXANDERS ZEGEFEEST.
KOOE.
Heil u, heil u, zalig paar! enz.
II.
Timotheus, aan het hoofd der zangeren,
't bezielend speeltuig in de hand,
heft aan! De heiige vlam ontbrandt om aller zielen te bezwangeren
van hemelwellust! 't Lied begint van Jupiter, van minnesmart ontzind.
De liefde voerde hem op aarde:
de vlammende opperhuid eens draaks verbergt den Vorst der goon! Hy wringt zich aan de borst der Koningin, die Alexander baarde,
en lescht zijn heete liefdedorst,
en schept een beeldtnisvan zich-zelf, een'Wereldkoning! De Dichter zwijgt; de vorstenwoning weêrkaatst het juichen op zijn godenmelody,
en alles waant de godheid zelf nabij!
De Koning hoort en wordt verheven,
verheven tot een god,
zijn bloote wenk tot een gebod waar aarde en hemel voor moet beven!
KOOB.
De Koning hoort en wordt verheven, enz.
III.
Nu stroomt de lof des Wijngods met zijn toon, de lof van Bacchus, eeuwig jong, en eeuwig schoon! Daar komt de godheid aangereden!
in zegepraal! Trompet en trom
en rinkelbom begroet zijn wagen van rondom!
Met vuur de godheid aangebeden!
De blij-, de zachtheid van 't gemoed spreekt in den tintelenden gloed van 't jeugdig bloeiend wezen!
Zij zijn weldaad steeds geprezen!
Onuitspreeklijk is haar zoet,
, onuitputbaar de overvloed van zijn gaven.
ALEXANDEKS ZEGEFEEST.
die het fel ontstoken bloed van den kri|gsman laven!
KOOK.
Zij zijn weldaad steeds geprezen! enz.
IV.
Die toon ontvlamt des Konings bloed! De hoogmoed groeit in 't fier gemoed, en voert hem voor den geest die wijd befaamde dagen toen voor zijn schrikkelijke slagen
wat vijand was met siddring boog. De kunstnaar ziet die woede stijgen,
hy ziet den Vorst naar wapens hijgen,
't gefronseld voorhoofd, 't vonklend oog, dat aarde en hemel daagt tot strijden! â Die hoogmoed moet gesmoord, die drift bedaard! Nu ruischt een toon, aandoenlijker van aart, van uit de snaren des gewijden.
Hy zingt Darius, groot en goed,
den Vorst, die eens heel Azië regeerde,
wiens eer- en braafheidvol gemoed het onrechtvaardigst Lot verneêrde!
Vervallen van den koningstroon,
door een ontmensohte hand verraden
ontelbre weldaan tot een loon,
ligt hy in 't vlietend bloed te baden,
alléén op ?t naakte strand, in 't stervensoogenblik! Daar is geen mensch, zelfs om den laatston snik des eedlen Konings op te vangen.
Daar zit uu de Veroveraar.
verwonnen door den Kunstenaar,
geketend aan zijn zangen!
Zijn ziel doorzag 's Lots wispelturigheêü: een zucht is aan zijn borst ontgleên!
een traan gloeit op zijn wangen!
KOOB.
Daar zit-nu de Veroveraar, enz.
V.
De Dichter zegepraalt! zgu hand zal malscher tonen nog doen hooren!
alexanders zegefeest.
De deernis is aan mingevoel verwant!
De treurzang zweeg: de zang der liefde wordt geboren! âDe oorlog is een schakel jammren; roem, een fiikkring die niet baat,quot; dartelde het lied des Dichters in zijn Lydiaansche maat! âWaartoe steeds de vuist te klemmen om dat moordgeheiligd zwaard ? âIs 't tot eindeloos verdelgen, of veroveren van de aard?
âIs zy, aan uw wet gekluisterd, u niet waardig het genot? âO! versmaad ze niet, de volheid van 't u zegenende Lot!
,Naast uw boezem prijkt een Thaïs, en uw boezem bleef nog koel?quot; De min, de toonkunst zegevieren in 't ongekend gevoel,
dat de oorlogszucht versmoort in 't hart des fleren! Den Koning baat geen wederstand!
zijn adem brandt!
Hy zucht, en laat de gloeiende oogen onwillig op de schoone gaan!
Hy zucht en ziet haar nog eens aan,
en zwicht voor Liefdes alvermogen,
en minnedronken zinkt de Vorst op Thaïs aangebeden borst!
koor;
Den Koning baat geen wederstand, enz.
VI.
Die weekheid verdwijne en de krijgsmoed herrijz'1 Dus wil het de dichter! Zijn brommende snaren,
gestemd tot verhevener krachtiger wijs,
verkonden zijn wil aan de weeldrige scharen!
De Vorst ontwaakt op d' eigen stond,
en heft het hoofd ten hoogen,
als aan den dood onttogen,
en ziet getroffen rond!
âOntwaak, (dit hoort hy, fel bewogen)
âontwaak, ontwaak!
âZie om u heen! De schrikgodinnen waren!
âDe slangen sijfflen in beur haren!
âIn beider oogen vlamt de wraak!
âEn langs de koninklijke wanden .houdt, met een heitoorts in de handen,
âeen bleeke drom van geesten wacht!
68
ALEXANDERS ZEGEFEEST.
âGe erkent hen? 't Ziin Grieken, 't zijn eerlijke helden, âtot uw dienst, tot uw roem, op de bloedige velden, âten prooi aan het hongrig gevogelt' geslacht!
âZie de vlam van den somberen fakkel der doodeng âhoe zy dreigt op de tempels der Perzische goden.
âop heel 't haatlijk gewest, dat hun schirarnen bespot!quot;
Alles juichte, alles vloog op des dichters gebod!
En de Koning nam een fakkel, en hy snelde woedend heên!
en een latere Heieen ging hem voor met rassche schreên, om met hem een tweede Troje tot een puinhoop te vertreên.
KOOR.
En de Koning nam een fakkel, on hy snelde woedend heên, enz
VII.
Dus zong in lang verloopen tijden,
eer nog de tooverkunst bestond den Zefier een metalen mond te vormen, waar zijn aam welluidend door mocht glijden, dus zong Timotheus! Naar zijn lied ontsprong de kittling van 't verlangen,
de bijtende angel van 't verdriet.
Maar later eeuw zag zijn gedachtenis vervangen door grooter wonder, hooger macht.
Cecilia betrad deze aarde,
wier geest met nieuwe scheppingskracht de melody des orgels baarde,
en, stout, het rijk der kunst tot wijder grenzen bracht! Timotheus lauwer moet verteeren,
of deelen beiden éénen lof!
Hy voerde de aard ten hemelsfeeren,
en zy verhemelde dit stof!
KOOR.
Cecilia betrad deze aarde, enz.
Naar het Engelsch van Dbyden.
AAN BILDEEDIJK.
AAN BILDERDIJK.
Ooó' ei /hol óêxa utv yXöiaaai, óéxa óh tnóuat' eUv lt;ïgt;to vt]ó' agQqxto;, öh uol èïpi');.
HOMEBUS.
Mijn gloênde borst verlangt naar lucht!
mijn kloppend hart, om uit te spatten!
Van echte dichterdrift bevrucht,
kan haar mijn geest niet meer omvatten!
Leer, leer me, o groote Dichtrenvorst,
wiens beeld geprent in deze borst die poëzy verwekt, wier vlammen my verslinden!
leer me in de galmen van mijn lier,
leer me op 't bezielde dichtpapier mijn hart, en wat dit hart voor u gevoelt, hervinden!
Mijn ziel, geschokt, aan de aarde ontvoerd, en boven eigen kracht verheven,
vindt, by den God die haar beroert,
en taal en versmaat zonder leven!
hoe zal een menschelijk geluid,
als 't rijk der Englen zich ontsluit, en 't Godaanbiddend paar van Schoon- en Waarheid dalen, den toestand van 't verrukte hart,
dat in de louterende smart van eigen nietigheid zich baadt en wegsmelt, malen?
Hy moog dit, hy, wiens forsche moed voor onze galmen, onze woorden een nieuwe zieltaal leven doet,
een nieuwe wereld van akkoorden!
Gy moogt dit, Bilderdijk, ja, gy!
gy, enkel hart en poëzy!
die, koning onzer dichterwereld,
een kroon draagt, met den blanken gloed der deugden van uw vast gemoed op 't Godgetrouwe hoofd bepereld!
Vervuld van 't hemelsch ideaal,
dat in u de oorsprong is van 't leven.
70
AAN BILDERDIJK.
moogt gy aan melody en taal dien Goddelijken indruk geven!
Gy moogt het wederspannig stof ontstoffelijken, God ten lof,
en, oppermachtig, 't rijk van klank en zang regeerenl Wie niet dien gouden schepter torsoht,
dien moet de dichtvlam in zijn borst,
daar zy geen uitkomst vindt, uitblaakren en verteeren!
Wat zal ik dan, als mijn gevoel zich-zelf herscheppen wil in zangen?
Ik heb geen uitdruk, dan te koel,
om 't vuur mijns harten op te vangen!
Moet dan die hartevlam versmoord? â
Neen! dringe u 't onvermogend woord op d'adem van den wind, o Bilderdijk, in de ooren!
Daar vormt het zich tot poëzy!
Gy leent het kracht en melody,
en leest in 't gloeiend hart, waaruit het werd geboren!
Ja, lees, lees in uws kweeklings borst,
in echte waarheidzucht ontsteken!
Zie daar zijn doel, zijn heil, zijn dorst,
en 't eenig voorwerp van zijn smeeken!
En o! die Godgewijde drift,
wat is zy me anders dan uw gift,
meer groot, meer koninklijk dan alle wereldtroonen? Ge ontwikkeldet die hemellust in 't hart, zich-zelf nog niet bewust,
en 't zwol van grootschen moed op 't zwellen van uw tonen
Ja! 't zwelt van moed! van dankbaarheid!
't Voelt zich verdubbeld in zijn leven!
'k Besef, ik weet het, wat het zeit,
't geen God door ü my heeft gegeven !
My, balling van zijn zalig Oost,
my, sprank van Juda, Jacobs kroost,
eens bloeiend nog in 't Zuid, maar uitgedord in 't Noorden, hebt gy hersteld van 's noodlots woên,
van 't lang verval heramen doen,
my-zelf erkennen, en----o hemel! zijn er woorden?
71
AAN BILDEEDIJK.
Vergeet' my mijner vaadren God,
zoo 'k ooit uw weldaad zal vergeten!
Vervolg' my menschdom beide en lot;
ik zal me uw kweekling immer heeten! 0! brandend, kokend hijgt mijn jeugd,
om op uw spoor voor Waar en Deugd (verleen' my God de kracht, en blijve aan Hem de glorie!) in dien ontzachelijken strijd,
dien de Afval aanheft van dees tijd,
den dood te zoeken, of een heilige viktorie!
Neen, Teisterbantsche krijgsbanier!
niet vruchtloos zult gy u ontplooien!
Een on verdoof baar helden vier doet uwer scheptren gloed ontgloeien!
Waarheen ge ons voorgolft, volgen wy,
wy, door de helsche razerny van 't lastrend volksgeschreeuw nog onverleid gelaten! wy, door een andren trek bezield,
dan 't geen deze aard nog overhield voor hen, die, dit ter eer. God en zich zelf vergaten!
Leere ik het dichterlijk rapier met onverwrikte hand regeeren!
Leere ik met wijs doordacht bestier het Recht van Schoon en Waar verweeren.' En dan op 't monster aangerukt,
den Waan, die deze onze eeuw verdrukt,
en al wat hart heeft daagt te wapen!
En dan, den lofgalm afgewacht van een verbeterd nageslacht,
ter eer van Bilderdijk, den dichter, den rechtschapen.
U, u, o teergeliefde Vriend,
n zij de lauwertak geheiligd,
zoo ooit mijn schedel hem verdient,
die voor vergetelheid beveiligt!
TJ. u behoort mijn poëzy,
die ik aan Waarheid wijde, als gy,
H, 't diep erkentlijk hart, dat lucht zoekt in haar tonen! O! als dat hart zich-zelf ontschiet,
AAN BILDEEDIJK.
en u zijn gloênde hulde biedt,
't uwe, o Bilderdijk! zijn onmacht niet versohoonen?
ISRAÃL.
â dabit Deus his qnoque fineml
VIRGILIDS.
Ja! duldt, vertrouwt, volhardt in 't hopen!
mijn broeders van 't verkoren zaad!
wiens naam geen eeuwen konden slopen,
wiens heiige glorie nooit vergaat!
Vernielt der Ongodisten lagen!
Beschaamt de pogingen der hel!
Verfoeit de koelheid onzer dagen!
gy zijt het kroost van Israël!
6y voert dat heilig bloed in de aderen,
met wien de Heer verbonden sloot,
en, hoe vervallen van uw vaderen.
nog zijt gy door uw afkomst groot!
U noemde God Zijn uitverkoren.
Zijn volk. Zijn deel. Zijn schat op aard.
Zijn lieveling. Zijn eerstgeboren----
O! worden we eens dien heilnaam waard!
O droef verneêrden, (liep verslagen!
gy hebt gezondigd â lijdt en boet!
Herwint in zure ballingsdagen het wettig erfdeel van uw bloed!
Gods voorgebaauden weg verliet ge;
thands, zweeft ge, vreemden, de aarde rond!
Zijn vaderlijke hand verstiet ge;
thands zijt gy hulploos telken stond!
Vervuld is 't wraak woord der profeten;
vertrapt, de kroon van onze kruin;
onze eer en roem en rang, vergeten;
het Godlijk koninkrijk, in puin!
Wy, keurlingen der keurelingen,
wy, thands der volken smaad en spot!
ISRAÃL.
Bloot voor des minsten woestaarts dwingen, wy, onderdanen eens â van God!
Ach! wat kan redden, wat kan troosten, daar God ons uit Zijn erf verbant?
Wat bleef ons van dat heerlijk Oosten, «ms waar, ons éénig Vaderland!
Ver van de beenders zijner vaderen verkwijnt het kroost van Abraham!
Zijn bloed, verbasterd in onze aderen,
kruipt door een uitgedorden stam!
Verlosser! Vader! o! zie neder!
ontferm u onzer! schenk gena!
Geef Isrel aan zich-zelven weder,
of, dat zijn droeve naam verga!
Neen! neen! de wenteling der eeuwen verzwolg niet onze hoop op U!
Wy zijn het volk nog der Hebreeuwen, Gy der Hebreeuwen God â ook nu!
Ja! üw Messias gaat verschijnen,
en onze boeien zijn geslaakt!
Uws gramschaps nevels gaan verdwijnen, de dag van onze glorie naakt!
Van achter de aardsche jammerwolken verrijst een Goddelijke gloed!
Juich, Israël! en jubelt, volken!
uw' Vorst uw' Redder te gemoet!
Rul, leeuw van Juda! brul Hem tegen, Hem. in wiens naadring gy herleeft!
Ãn, nageslacht van Adam! ;egen die u des Englen rang hergeeft!
Verkondt hem, donders uit den hoogen! buigt, bergen, buigt de ontstelde kruin!
en stort, verfoeilijk rijl. der logen!
op ons bazuingeschal in puin!
Zie daar der eeuwen heilverwachting! Zie daar de hoop van Israël!
74
i
ISRAÃL. 75
De prijs van lijden en verachting!
De borstweer voor den wrok der hel! Die hoop te leven, die te sterven,
is plicht, is vreugde, is heilgenot!
Eer dat die onze ziel zou derven,
vernietig' haar de hand van God!
Wat dan, verwaten duisterlingen,
op uw rampzaalge wijsheid trotsch! vermeet gr u hun op te dringen,
die uitzien naar den heilboó Gods? Wat preêkt ge, oproergen, over de aarde
een nietige verdraagzaamheid?
Zij heeft voor 't Joodsche hart geen waarde, dat op een andre redding beidt!
O! wat uw waan ons durft beloven,
ten prijs van 't heiligst zielgevoel (dat kracht noch list ooit uit zal doven)
in ons zoo vloekbaar als uw doel! De vlam der Inquisitievuien,
ja, heel een werelds bittre hoon, is eindloos beter te verduren,
dan weldaan, door u aangeboón!
De tijden naadren van Verlichting,
de tijden naadren van herstel!
Die van de blijde Godsrijkstichting,
die van de nederlaag der hel!
Het vonnis wordt weldra geslagen,
wie heerlijk zijn moet, wie veracht; de philosophen dezer dagen,
of Jacobs lijdend nageslacht!
AAN LAM ART INE.
(TOT INLEIDING VOOR DB HIERNA VOLGENDE VERTALINGEN NAAR DEZEN DICHTER.
Bevallig Dichter, die uit snaren, week van tranen in zachte -mijmering zoo malsch een toongalm slaat!
07T:-L. CO-.'V.
O. F. M.
W 'iJCHE N S
AAN LAMAETINB.
Diep in 't aandoenlijk hart weet ge u een weg te banen,
als Philomeles stem, voor wie haar taal verstaat!
Ja! de echte dichtergeest heeft uwe borst bevangen!
Wat ze uitstort, is gevoel, is gloed, is melody! Een Morgenlandsche lucht doorademt uw gezangen,
en Frankrijks koude spraak herschept ge in poëzy!
Zoo moog dan niet uw zang een dwazen hoop bekoren,
die Dichtkunst toetsen durft aan 't zinloos volksgeschreeu wl Apolloos lier mishaagde aan Koning Midas ooren;
en gy vindt geen gena by de afgoön van uw eeuw!
Als gy 't bereik ontschiet van hun kortzichtige oogen,
en tot het Englendom uw stouten geest verheft;
wat is de blaam van hen, wier stoflijk geestvermogen
van die verheven gaaf 't bestaan-zelf niet beseft;
Daar zijn, daar zijn er nog, wier harten met u gloeien,
als gy den lofgalm plengt voor God, en Deugd, en Schoon! Daar zijn er, uit wier oog des weemoeds tranen vloeien,
als ge uwen mingroet richt naar 't rustverblijf der doon! â Dus trof ook my uw toon! Eenstemmig slaat mijn harte
met wie voor Godsdienst, Eer, en Liefde 't speeltuig roert! En deelend in uw zucht, gevoelig aan uw smarte,
en op uw vleugelen ten hemel opgevoerd,
stortte ik uw geestdrift uit in Nederlandsche klanken,
steeds de echte tolken van het levendig gevoel!
Aan U, en Hollands taal (niet my) is 't dan te danken,
vindt hier mijn dichtmaat geen rechtschapen boezems koel! U, die het denkbeeld schiept, zoo treffend, zoo verheven;
haar, die den uitdruk leent, dat grootsche denkbeeld waard! u, die in 't Westersch lied des Gostens ziel doet leven;
haar, van haar afkomst uit dat Oosten niet ontaard!
EENZAAMHEID.
In schaauw van d' ouden eik, die op 't gebergte praalt, verrast my vaak de zon, die neêrzijgt in het Westen;
wanneer mijn kwijnend oog, daar 't rustloos ommedwaalt, geen enkel voorwerp vindt waarop 't zijn blik kan vesten!
Hier tuimelt, blank van schuim, de gramme rotsstroom neêr, en spoedt zich weg voor 't oog in duizend kronkelpaden;
EENZAAMHEID.
daar spiegelt de avondster zich in het gladde meir,
dooi- 't scheurend wolkenrood aan 't luchtazuur verraden!
Het statig eikenbosch, der bergen fiere kroon,
heeft d' allerlaatsten wensch van 't stervend licht vernomen
en 't aardrijk heeft zijn hulde in neevlen aangeboön aan 't heir der Nachtvorstin, verwinnend opgekomen!
Nu galmt het hol gebrom der plechtige avondklok den wijden luchtstroom door, in 't diepst des boezems weder!
De wandlaar staakt zijn schreên, en in den heilgen schok van 't Godsdienstómend hart werpt hy zich biddend neder 1
Maar ach! niets van dit al treft mijn verstompte ziel!
Niets heeft zy met deze aard, niets met haar schoon, van nooden!
'k Waar rond, gelijk een schim, wie 't wrakke lijf ontviel! O Zon der levenden! gy schittert voor geen dooden.
Van 't stormenkwekend Noord tot aan het milde Zuid,
en van het dorre West tot aan het welig Oosten,
ziet vruchteloos mijn oog naar troost of redding uit! â
Voor my bestaat er niets, dat redden kan of troosten!
Wat is er dan voor my bekoorlijks in dit dal?
Wat, in 't gemengd tooneel van rotsen, bosschen, stroomen?
Eene enkle zoek ik, en die enkle----! Van 't heelal
werd voor mijn droeve ziel het leven afgenomen!
Wat is 't my, of de zon met onbewolkte pracht de transen optreedt, of omhuld met neveldampen?
Wat brengt my 't daglicht? wat, de duisternis der nacht? Ik hope op heil noch heul, en 'k vrees geen nieuwe rampen!
Al mocht ik ook de zon verzeilen in haar loop,
en wat deze aarde draagt met éénen blik omvatten;
niets van wat de aarde heeft verlokte ooit meer mijn hoop! Het geen mijn hart behoeft, is meer dan al haar schatten!
Dan slechts, wanneer mijn ziel, gelouterd en ontboeid,
haar wieken uit kon slaan door 't ruim der etherstroomen,
tot waar een andre zon aan andre heemlen gloeit, verwezenlijkte ik eens het voorwern van mijn droomen!
EENZAAMHEID.
Dan zou 't herlevend hart, zoo lang getergd door 't lot, het onbegrensde heil van liefde en hoop verslinden!
Dan, zinken in 't volop van 't Goddelijk genot,
waarvoor dit doode stof geen naam zelfs weet te vinden!
O! dat ik op den wiek vervoerd werd door Auroor naar dat onnoembaar oord, waarvoor 'k my voel geboren!
Ben 'k nog de harde straf der ballingschap niet door? Of heeft mijn leven iets, dat de aard kan toebehooren?
Het loof valt rimplend af, in 't najaar uitgebloeid;
maar de avondwind steekt op, en 't is van de aard verdwenen!
Ook ik, ik ben een blad, verwelkt, verdord, verschroeid.
Voer, woeste Noorderstorm, voer me in uw dwarling henen!
Naar het Frausch van
LAMARTINE.
GEESTDRIFT.
Als de Aadlaar van den Vorst der Goden
op Ganymedes nederschoot;
was 't vruchtloos tegenweer geboden,
vergeefs gestreden met den nood! In 's vogels klaauwen vastgewrongen, en tot zijn hemelvlucht gedwongen, doorsnelde hy 't verblijf der goön; en moê geworsteld, moê gekreten,
zag hy zich siddrend neergesmeten voor 's Donderaars ontzachbren troon!
Dus weet gy onze ziel te teugelen,
gy. Geestdrift, die den Dichter maakt! wanneer ge op vlammende Englenvleugelen
de fel beroerde borst genaakt,
zoekt zy uw aanval te vermijden,
zich van uw invloed te bevrijden,
door 't vreeslijk denkbeeld overmand, dat, zet zy u haar poorten open,
uw gloed ons ziel en lijf zal slopen,
niet tegen zulk een schok bestand!
GEESTDRIFT.
Maar hier ook mag geen weerstand baten!
Het weigrend hart zwicht voor de kracht der Godheid, in ons losgelaten,
en geeft zich over aan haar macht! Nu voelen we in de ontstoken aderen het heilig dichtvuur zich vergaderen!
Nu moet het bange hart ontboeid!
Maar, als die kokende volkanen zich donderend een uitweg banen,
wordt meest onze eigen borst verschroeid!
Dit tuigen de eenmaal schitterende oogen,
in 't end ontluisterd, uitgedoofd,
hoe. God der dichters, uw vermogen
ons bloei en rust en leven rooft!
Mijn voorhoofd draagt niet meer de blijken eens welvaarts, dien gy deedt bezwijken
voor een gewijden dichtersmart;
maar 't toont nog d'indruk van die schichten, waar door gy 't alles dwingt te zwichten, en u te koestren zelfs in 't hart!
Gelukkig hy, wiens zangen vloeien
van uit een boezem, altijd koel,
die niet verteert van innig gloeien,
niet overstelpt wordt door 't gevoel! Hy mag bevallig, zangrig kwelen,
het oor met zoete klanken streelen,
die, 't noodlot schuwend van Ikaar,
zijn hiel geen schachten aan durft binden, om 't schitterende spoor te vinden van hartendwingenden Pindaar!
Maar wy, die boezems schokken willen, en hartstochtsvlammen op doen gaan, ons moeten de ingewanden trillen,
ons 't hart van eigen driften slaan! Wy moeten voelen, 't geen wy malen, wy, gloeiender dan bliksemstralen vergaren in het bruischend hart!
GEESTDRIFT.
Wy moeten proeven, 't geen wy zingen: der weelde fijnste kittelingen,
de nijpendste angels van de smart!
Neen, neen! een boezem, zacht bewogen,
by kalmen omloop van het bloed, had nooit dat goddelijk vermogen,
dat de aarde voor ons buigen doet! Als, om een haatlijk bloed te plengen, uw goón zich aan den kampstrijd mengen.
Homerus! heeft dan niet hun vuist dat staal, dat alles overrompelt, in 't borrelende nat gedompeld,
dat om het rijk der schimmen bruischt?
Weg van Parnassus godendieven
bedaard gestemde melody!
Van 't hart, ten halven slechts verheven,
verwachten wy geen poëzy!
De drift, die dichtrenzang doet zingen, moet heeter de aderen doordringen,
dan ooit Egiptes zonnegloed,
als hy uit Memnons grafsteenblokken een smeltend harpgeluid komt lokken, ten antwoord op zijn ochtendgroet!
En 'k zou den avond van mijn leven,
dat reeds zoo lang zijn offer was,
weêr aan dien vuurgloed overgeven,
nog heimlijk smeulend onder de asch! Genoeg zijn invloed ondervonden'
Genoeg is van de bloem verslonden van mijn verflenstan jonglingstijd!
'k Heb alle glorie opgegeven!
Wat my nog overbleef van leven zij aan de vlam der min gewijd!
Naar het Fransch van
LAMABTINE.
AAN EEN DICHTER IN ZIJNE BALLINGSCHAP.
AAN EEN DICHTER IN ZIJNE BALLINGSCHAP.
Wien het oog der Zanggodesse met een straal van gunst bescheen, ziet een dubbel pad zich oopnen voor zijn eerste levensschreên! 't Een is werkeloos genieten, 't ander, glorie â met verdriet! Hachlijk, wichtig is de keuze; maar de Dichter aarzelt niet!
Gy ook, wien des noodlots gramschap erf en vaderland ontzeit!
voor laf harte rusten voorspoed koost ook gy de onsterflijkheid! Om uw schedel wringt de lauwer zijn met leed doorweven kroon! maar geen tranen!.. Wees u-zel ven, wees uw keus waard, en haar loon!
Zou het onbeduidend voorrecht van een ongewijden stand nijd verwekken in een boezem, die den hemel is verwant?
Laat aan hen den glans der aarde, laat aan hen haar overvloed! Ons behoort de lier der Dichtkunst; ons, de schepter van 't gemoed!
De eeuwen zullen u onthalen, en uw vaderland is â de aard! Marmer zal op 't plekjen rijzen, dat uw boenders eens vergaart! O! de toekomst is rechtvaardig, en het strenge nageslacht vloekt de erinnring van het onrecht, aan den Dichter toegebracht!
De Adelaar ontplooit zijn vlerken tot geen naauw beperkte vlucht: Boven berg en wolk en ether voert hem de ingeschapen zucht! Wat verbindt hem aan het einest, dat hem eens heeft uitgebroeid? O! zijn vaderland is daar eerst, waar het vuur der Zon ontgloeit!
Maar herdenkt het, o gy allen, die der Dichtkunst aandrift voelt, als een onbestemd verlangen nog uw aderen doorwoelt!
In den tempel, ja! der Muzen groeit een onverwelkbre Roem,
maar zijn prijs is al te dikwerf 's levens eêlste vreugdebloem!
81
Tuig het, schim des heldendichters van 't ondankbaar Griekenland, dien 't meêdoogenloos zag zwerven van ongastvrij strand tot strand, wien de Goden zangen schonken, en het menschdom brood ontzet, tuig het, wat het zij, te pralen in den dichterlijken Rei!
Gy ook, Krijg- en minnedichter, gy, Itaaljes Hoofdpoëet, treurig offer van een hartstocht, die uw jeugd bezwijken deed! II. 6
AAN EEN DICHTER Hf ZIJNE BALLINGSCHAP.
Ketens waren de eêlste hulde, die uw vaderland u bood,
en den lauwer, dien 't u toekent, onderschept de hand der Dood.
Diep bedroefden, wreed vervolgden, zwoegende offers van hun deugd, maakten 't rijk uit van de Dichtkunst, van zoo ver 't den Tijd geheugt! Aan de grootheid hunner zielen is des noodlots toorn gelijk:
die ook is hun toegewezen, als een nieuw verheffingsblijk!
ȉ
Dat de klaagzang dan verdwijne van uw hooggespannen lier, Dichters! op dat lijden-zelve toone uw eedle geest zich lier! Hemelvreugde moest uw deel zijn, en uw deel is â leed en smart; derf uw recht, miskende koning, maar behoud het koningshart!
Doch wat zegt het, of u 't vonnis van een u onwaardig land uit die oorden, die uw grootheid zal vereeuwigen, verbant?
Om een sprankjen van uw glorie zal het beedlen by uw asch, en het plekjen grond benijden, dat voor u herbergzaam was!
Heeft Athene niet den brave, dien zij doemde tot den dood, overstelpt van zelfverwijten, in bedaarder stond, vergood?
En gy, Sulraoos minnedichter! schoon ge in ballingschap vergaat, eischt oud Rome niet een deel op in de glorie, die gy laat ?
Naar het Fransch van
LAMARTINE.
DEN HBERE
W. DE CLERCQ,
IN ANTWOORD OP EEN VOORTREFFELIJK V E H 3 MY BY DE UITGAVE DER âPOEZYquot; TOEGEZONDEN.
Weggesleept door hooger kracht doen wy onze snaren galmen,
niet om glorie, niet om macht,
niet om aardsche wierookwalmen!
Wat gaat ons het oordeel aan van ondichterlijke menschen,
die, in hun bekrompen wenschen,
onze harten niet doorgronden, onze zielzucht niet varstaar. ?
82
DEN HEEBE W. DE CLEECQ.
Slechts de hulde van een hart,
zelf voor 's hemels indruk vatbaar,
oefent invloed op den Bard,
is hem dierbaar, ja onschatbaar!
Diep gevoelige de Clercq!
dus heeft my uw toon doordrongen,
en uw lof, my toegezongen,
kroont met meer dan lauwerbladen mijn onmachtig dichterwerk!
Ja! uw boezem heeft gevoeld,
wat mijn zang niet uit kon drukken:
welk een dichtvlam my doorwoelt,
welke driften my verrukken,
welk een lot mijn ziel begeert,
welk een doel my straalt in de oogen,
en wat kwellend onvermogen my van stage rusteloosheid merg en ingewand verteert!
Neen, het was mijn uitdruk niet die my,kenbaar aan U maakte!
'k Stortte nooit nog in mijn lied half den gloed uit, die my blaakte!
Dat gy dien te erkennen toont uit in 't wild verspreide spranken,
is aan 't vlammend oog te danken Tan den levendigen dichtgeest, die uw aderen bewoont.
Als gy ons verweekt geslacht in 't besef weet in te wijden
der ontzachbre dichterkracht van des menschdoms vroeger tijden!
Als ge, ontzettend in uw moed,
heel uw boezem, heel uw leven aan de Godheid op durft geven,
'in op eens geheel dees wereld van u afstoot met den voet!
Als gy, voor geen val beducht,
boven Pindus top durft rennen,
83
onbelemmerd in de vlucht van uw breed gespreide pennen.
\
DEN HEEBE W. DE CLEECQ
en op 't naar u starend volk melodyen neêr doet dalen,
krachtig als de bliksemstralen,
overvloedig als de regen uit de ontboeide donderwolk!
Spreekt dan 't reeds verouderd Oost naauwlijks kenbaar meer in de aderen
van het droef vervallen kroost mijner uitgebloeide Vaderen;
daar de rijpe jeugd van 't West,
in uw frisschen boezem bloeiend,
in uw maatgezangen gloeiend,
op de orakels uwer geestdrift aller harten houdt gevest?
Ãén, één zelfde zielsgevoel is de dichtaar toch van beiden!
Eén is onzer beider doel!
en geen tweedracht zal ons scheiden
om het geen een nietige aard,
vol verschrikbre wisselingen die zich onderling verdringen,
in dees tijden van misleiding en van waanverlichting baart!
Lust het u, bezing den val van bloeddorstige tirannen!
Juicht voor 't luisterend Heelal d' eedlen naroem toe dier mannen,
wier door God gesterkte moed voor des volks vertrapte rechten tegen de overmacht dorst vechten,
en aan ware burgervrijheid 't offer brengen van hun bloed!
'k Vloek met u den dwingeland,
die den staf, van God ontfangen,
met een ijzerharde hand tot verderf slechts weet te prangen!
'k Huldig meê den stouten arm,
die zijn trots dan durft verneêren!
Ja! de dwaling-zelf zal'k eeren van het onbaatzuchtig harte, voor gevoel en braafheid warm!
DEN HEEEE W. DE CLEECQ.
Maar wanneer de zinloosheid van verwaten duisterlingen,
door een helschen geest geleid,
6od-zelv' naar de kroon durft dingen,
troonen en altaren schokt,
's werelds loop dreigt om te zetten,
krijg verkondt aan orde en wetten,
en op alles wat de menschheid eenmaal heilig achtte wrokt;
Als een monsterlijke leer onder snood verdichte namen,
't menschdom nooden durft tot de eer zich Gods naam en wet te schamen;
en, steeds verder voortgespoed,
denkkracht en gevoel ontgeestlijkt,
heel de menschlijkheid verbeestlijkt,
en den laatsten vonk des hemels in haar borst verstikken doet!
Dan, dan grijpe ik naar mijn luit,
als de krijgsman naar zijn degen,
daag den sterken Eeuwgeest uit,
en betwiste hem de zegen!
en mijn borst, vervuld van vier,
voelt zich krachts genoeg, de kreten,
die de woestaarts zich vermeten,
met de galmen te verpletten van mijn bliksemende lier!
Broeder! Kunstgenoot! Ook gy voelt uw wezenlijke waarde!
Wat is Dichtkunst? harmony tusschen hemelen en aarde!
De adem Gods in onze borst brengt geen aandrift om te slopen,
maar om banden aan te knoopen tusschen mensch en mensch en Engel, tusschen 't schepsel en zijn Vorst!
Toonen we ons de dienaars Gods,
om in 't oproer dezer dagen tegen Wijsbegeertes trots Zijn gezegend Rijk te schragen!
83
DEN HEBRE W. DE CLEECQ.
Welk een glorie, dierbre Vrind!
als die Duivel van ontbinden,
die heel 't aardrijk wil verslinden,
slechts d' aan God getrouwen dichter vrij en onomstootlijk vindt!
AAN Jhr. WILLEM VAN HOGENDORP,
BY ZIJNE BEVORDERING TOT DOCTOR IK DE RECHTEN.
Gewapend met een zwaard, uit Themis hand ontfangen, om plicht, en recht, en eer manhaftig voor te staan, streeft gy uw loopbaan in met toomeloos verlangen;
en 't eeuwig bloeiend loof der glorie lacht u aan! Met eedier wapens, dan die moord- en plondertuigen,
wier glans de ziel behaagt, maar al te vaak verleidt,
zult ge Onrecht en Geweld den snooden kop doen buigen,
en smaken in hun val een hemelzaligheid!
O! dat de galm der Faam my steeds uw grootheid melde!
O! melde zy my steeds dat gy gelukkig zijt!
'k Zal juichen in bet lot dat u mijn vriendschap spelde,
by al de wisseling van afstand en van tijd!
Van hogendorp ! mijn hart werd aan het uw verbonden, van dat uw hart het mijn, mijn hart het uw doorzag! Wat blijve, wat verga, die band blijft ongeschonden,
die band blijft beiden waard tot onzen jongsten dag!
Maar 't oord, waar ons die band het hoogste heil deed smaken, moet thands vaarwel gezegd, en 't uur der scheiding kwam! U vergt het Vaderland, om voor zijn heil te waken,
my roept dier vaadren bloed, waaruit ik d' oorsprong nam! Maar één, één zelfde zucht blijft beider borst bezielen,
één zucht naar hooger doel, één zucht voor Schoon en Waar! Geen scheiding, geen geval kan deze zucht vernielen!
Vaar wel, op 't pad der eer hervinden wy elkaêr!
AAN BILDERDIJK.
MET HET EERSTE DEEL MIJNER ,P0EZY.quot;
Aan U behoort het rijk der Nederlandsche zangen! â
Bezit ik mooglijk daar een enkel plekjen grond.
86
AAN BILDERDIJK.
ik heb dat edel goed van ü in leen ontfangen:
met vreugde erkennen dit mijn boezem en mijn mond! Met verzen uit mijn hart (geen bloote plechtigheden!)
verheergewade ik U het dichterlijke leen,
outfang mijn hulde dan! Ontfang op nieuw mijn eeden,
uw baanders trouw te zijn door alle tijden heen,
het zij een nietige aard my toejuicht of veroordeelt,
't zij roem mijn deel moet zijn, of een roemwaarde vall cn huidige ik aldus, op uw doorluchtig voorbeeld, den Opperleenheer van 't Heelal!
1821.
DE STEM.
Een speeltuig ia het hart, een luid, en 't zijn de tonen, die zy uit,
als wy gevoelen, willen, handelen!
Ja! wordt de ziel zich-zelf gewaar, het is het trillen van een snaar, waarover Englenvingren wandelen!
Een toon gegrepen! Levenssmart! Een tweeden! Heiliging van 't hart! Een derden! Dichteridealen! Een vierden! Dreunende oorlogsmoed, die weergalmt in het bruischend bloed, en overgaat in zegepralen!
En of de toon, die hier ontspringt, verheffend of weemoedig klinkt, verkondigen gelaat en oogen!
Geheel het lichaam houdt de maat, die 't Goddelijke kunsttuig slaat waar door ons leven wordt bewogen!
Maar, als die wondre cither speelt, en aan het stofkleed mededeelt den indruk door den geest ontfangen, wie drukt den trouwsten nagalm uit van dat betooverend geluid,
waar aan de Geesten-zelve hangen?
87
DE STEM.
Gy zijt het, adem onzer borst! gy, stroom van lucht, die door de dorst des vuurgen harten ingezogen, en, gloeiend weder uitgestort,
zijn Echo over de aarde wordt, op zilvren wieken uitgevlogen!
Gy, Stemgeluid, op wien de Taal,
gelijk een held in wapenpraal,
hervoort treed uit haar donkre woning t Gy zijt het, rijk begaafde Stem! Gy, koninklijkst geschenk van Hem, die Adam schiep ten wereldkoning!
Geen hand volvoert den wil zoo snel, 'geen oog vertoont de vlam zoo fel, die in den boezem is verrezen! In u vertoont zich heel de ziel,
als of ze in eens zich-zelve ontviel! in u, het wezen van haar wezen!
O zachte, teedre, lieve maagd,
wier schuldloos hart in stilte klaagt, by 't eerst ontluiken van de liefde! 't Is de enkle stem, die u verraadt, voor wie haar melody verstaat, ofschoon gy zwijgt van 't geen u griefde!
Zoon van den bliksemenden krijg! dat slechts uw stem ten hemel stijg'! en alle weêrstand is verdwenen!
Achilles heft den krijgskreet aan â de Grieksche vluchtelingen staan, en 't Trooische leger stuift uit éénen!
En gy! verheven Dichtrenrij!
o! van uw lippen wenschen wy de hemelstreelende gezangen!
Geen onbezielde strook papier is waard de klanken van uw lier, is waard uw adem op te vangen!
DE STEM.
Men zinge uw Ilias, Homeer,
geen gouden stift, geen zwanenveêr vermag haar in het hart te schrijven.
gelijk de zwervende Rhapsood haar in de boezems overgoot,
en boven 't eeuwgegolf deed drijven!
Maar gy, die u geroepen voelt om, waar de Geest des afgronds woelt, voor 't recht der hemelen te strijden!
Kent gy de kracht, die in deze eeuw verlammen moet het helgeschreeuw en 't helsch verbond der Ongewijden?
Gy zijt gewapend door Gods Macht
met een ontzachelijker kracht, dan bajonetten en kanonnen!
Verbreed de borst! sla 't oog naar Hem! en met de levendige stem wordt heel een aardrijk overwonnen!
NAPOLEON.
God riep Napoleon, om 't Ondier te verdelgen,
dat, zwellende van roof, en rood van Koningsbloed,
met d' opgesparden muil Europa in ging zwelgen,
daar 't machtloos nederviel voor 't Fransche helgebroed! Napoleon verrijst. Hy temt dien schrik der aarde,
't omwentlings-wangedrocht, dat voor zijn blikken zwicht I Maar, dwaas als Isrels Vorst, die vloekbren Agag spaarde,
doorrijgt zijn lans hem niet, maar laat hem 't levenslicht! Het monster biedt den held zijn scherp gewette dolken
en aardbedwelmend gif, die weldaad tot een loon! Ja! 't gaat met hem ter jacht op koningen en volken
en rust in schaduw vau den keizerlijken troon!
Gods Almacht spoedt ter wraak. De schittrende viktorie verlaat hem. Juich! Euroop! onthef u aan den schrik! aan uw tiran ontviel zijn kroon, zijn macht, zijn glorie â maar, wraakgeschreeuw der aard! zwijg by zijn laatsten snik!
89
PABUS.
P A R IJ S.
Lorsqu'ils contemplerout cette orgueilleuse Babel qui aemble insulter a rimpuissance de la Justice et qui défie la vengeance de Dieu.
LES SEDUCTIONS POLITIQDES.
Die Stad, wier schittrende trofeeën zoo prachtig rijzen tot den trans,
die over de uitgestrekte zeeën
den weêrschijn afzendt van haar glans;
die Stad, de zetel aller kunsten,
de bakermat van zoo veel roem,
200 rijk (in schijn!) van 's noodlots gunsten; zy, aller wereldsteden bloem!
Die Stad, in weelde groot geworden,
in weelde, en moord, en krijgsgeweld,
door 't woên van Jacobijnsche horden
en een gewetenloozen Held tot Stedenkoningin verheven,
ontzachlijk, machtig over de aard,
en wie geen Almacht-zelf doet beven,
wier zwavelregen haar nog spaart!
Die Stad is quot;t Babel onzer dagen!
Als Babel stort zy eens in puin!
De grond is moede haar te dragen!
De Hemel haat haar trotsche kruin!
Die Stad is t hedendaagsch Gomorrhe,
't verbeestlijkt Sodom van Euroop,
dat, schoon de donder om haar knorre,
geen God vermoedt, wiens macht haar sloop'!
Wie stichtte u. Stad van goddeloosheid?
Wie vestte uw gronden, ijzren troon,
waar zich Onzeedlijkheid en Boosheid
verkondigen als Wereldgoón?
Wat hand, met Lucifers verbonden,
(ijs, droef misleide wereld! ijs!)
bouwde op hun Godgehate gronden dat hartverlokkende Parijs?
PAEIJS.
Wie plantte u, boom van Ongenade,
om op te groeien tot verderf,
voor d' al te licht verleidbren zade,
die zonde en dood ontfing ten erf? Wat gruwzame aard houdt u omsloten?
Wat gif is 't, dat uw wortels voedt? Wat pestwolk regende op uw loten? Wat helvuur rijpte u met zijn gloed?
Trouwloosheid nestelt in uw bladen!
en wie zijn' God vijandig is,
â¢wie Recht en Waarheid wil verraden,
vindt in uw schaduw lafenis!
Uw bloesems zijn verboden weelden,
en lusten, waar de Deugd in smoort! De vruchten, die uw takken teelden,
zijn heiligschennis, koningsmoord!
En echter (o rampzaalge ontzindheid!
o dwaasheid, 's Hemels gramschap waard!) n huldigen in droeve blindheid,
de laffe volkeren der aard!
Zij strekken onbedachte handen
naar 't hart- en zielverdervend ooft,
waar in des Satans prikkels branden,
terwijl het enkel heil beloofd!
Reeds krimpen Duitschlands ingewanden,
gefolterd door dat doodlijk vocht!
Het doet Itaaljes aders branden,
dat in uw vrucht verkwikking zocht! Reeds heeft zy 't half ontzenuwd Spanje
van kennis en verstand beroofd,
en zelfs het sterk gespierd Brittanje stijgt zy bedwelmend naar het hoofd!
Maar wacht u. Stam zoo vol verleiding!
uw takken reiken al te hoog!
En beef voor verdere verspreiding,
hoe welig 't loof ook bloeien moog'!
PAKIJS.
want aan uw voeten, trotsche ceder!
ligt de ongeziene bijl der straf!
Eén wenk! â Gods wraakheraut daalt neder, en hakt u van den wortel af!
Eén woord zal uit den Hemel donderen!
en, Stad der steden! gy stort néér!
Met al uw gruwlen, al uw wonderen,
uw ijdelheên en bloedige eer!
En de al te lang verbaasde volken
bezingen d'ondergang der Stad,
die, 't hoofd verbergend in de wolken, den naam van God met voeten trad!
Ontwaak van uit den slaap der zonde,
ontwaak, Verleideres! ontwaak!
eer zich het schrikgeluid verkonde der eindlijk los gebarsten Wraak!
Stoor die bedriegelijke droomen,
waar uw verbeelding zich aan boeit! â nog is het lijfsgevaar te ontkomen,
ofschoon het ieder oogwenk groeit!
Die God verloochnen, zijn uw goden!
Uw Vorsten, wie den Vorst verraan! die zijn 't, wier heillooze geboden van plicht en eeden u ontslaan!
Weg met die Godverloochenaren!
Weg met uw Staatsliên zonder eer!
Keer tot uw half verwoeste altaren,
keer in uws Konings wetten weêr!
Verwoest die tergende trofeeën,
waar in uw hoogmoed zich vergoodt! Wat zijn zy, dan de stem der weeën,
de aard overdekkende uit uw schoot? Hun pracht doe 't hoofd des dwazen buigen
die hart en zelfgevoel verzaakt,
zy zullen tegen u getuigen in 't uur des Oordeels, dat genaakt!
PARIJS.
Bekeer, verneêr u, smeek genade!
De keus is licht, de tijd is kort! De wereld slaat angstvallig gade
wat van uw hachlijk noodlot word'! Hoe zal de toekomst van u wagen gy, tbands der Duivlen Paradijs? Zijt gy het Ninive onzer dagen, of 't aan den Vloek gewijd Parijs?
HET ZWAARD.
Ich ware gern dem ewigen Gut, als dem Meuschen seine Hand.
* * *
Dat oogverblindend staal, dat machtig zwaard, waarmede
de dappre troonen sticht, en troonen weêr verwoest,
wat is het, als het rust in de opgehangen schede,
dan 't werkloos voedsel van den hongerigen roest? Dan eerst, wanneer de held, in 't woelig krijgsgewemel,
met zijn ontbloten kling des vijands drommen maait, dan blinkt het, als een ster gevallen uit den hemel,
of als een bliksem, uit de wolken neérgezwaaid!
Dan doet zijn aanblik reeds de ontstelde harten sidderen,
voor de overmacht der hand, die 't in haar spieren prangt, «n 't deelt den zegepraal der onverwinbre Ridderen,
van wier verheven moed het al zijn kracht ontfangt! Zoo zijn ook wy, mijn God! Des menschen eêlste gaven,
zijn krachten, zijn bestaan, wat zijn zy? IJdelheid!
Neem in Uw hand het hart der U getrouwe braven,
en 't zal een zwaard zijn, dat den roem uws Naams verbreidt!
HET PAARD.
The just mean lies in obedience, which both waits for the signal to start, and obeys it when given,
* * *
Het krijgspaard, in wiens aam de roode dampen snuiven
van d' opgezwollen moed, die hem de borst vervult,
doet met zijn ijzren hoef den grond rondom hem stuiven,
daar 't uit te breken poogt in prikklend ongeduld! Met vaste hand en knie bedwingt hem zijn Berijder,
tot dat de schelle klank der krijgstrompetten stijgt!
93
HKT PAAED.
Maar 't teeken wordt gehoord! nu viert de forsohe Strijde
de teugels aan het dier, da: naar de ontmoeting hijgt! Het voert zijn meester, als op vleugels, ter viktorie,
springt tegen kogels in, en over lijken heen;
en, door gehoorzaamheid deelachtig aan de glorie,
is 't ooilogshafte ros met zijn Berijder één! â
Mijn God, mijn ziel verlangt voor U ten strijd te spoeder
maar gaat die zucht te ver, o! tem mijn ongeduld! Het klemmen van Uw toom zal my de hoop doen voedev dat Ge in den dag des strijds mijn Ruiter wezen zultl
AAN JONKVBOTJWE
HANNA BEL M ONT E.
OP HAAR VEROAARFEEST.
MET EEN AFDRUK VAN HET EEltSTE DEEL MIJNER âPOEZTquot;,
Eeu en twintig jaar vervlogen
sints den heugelijken dag,
die uw dierbie levensloopbaan
op deze aard beginnen zag!
Lieve, wier toekomstig leven
zich ineensmelt met het mijn, en wier heil voortaan en vreugde
ook de mijne moeten zijn! Kransjens, aan uw onschuld voegend,
strikten zich by ieder jaar,
dat uw jonkheid kwam volmaken,
heil verkondend, in uw hair!
In die lieflijke schakeering
mengde een hooger noodlot thamls een welriekender, een zachter,
een gewijder bloemenkrans! 't Is de aandoenelijke bruidskroon,
die uw minlijk hoofd versiert,
pand der trouw, die wy ons zwoeren,
en die dra ons echtfeest viert! Kroon, u door mijn hand gevlochten,
en met wie zich heel mijn hart aan het uw heeft toegeheiligd,
tot ondeelbre vreugd en smart!
9,4
AAN JONKVBOCTWE HANNA BELMONTB. 95
Van dat albeslissend tijdstip,
van dien cnvergeetbren dag is 't uw eigendom geworden
wat dit hart omvatten mag;
en op 't feest van uw vergaring
vinde ik naauwelijks nog iets,
dat ik u op nieuw kan .schenken
tot verbreiding uws gebieds!
Doch kan 't aanbod u behagen
van de trouwe beeldtenis, van datzelfde vurig harte,
dat door u gekluisterd is;
beeldtnis, trouwer dan ooit schilder
overbracht op zijn paneel,
door mijn eigen hand geteekend
met het dichterlijk penseel? Zoo aanvaard dit handvol veraen,
tot een ruiker saamgesnoerd,
en gy zult de zucht doorkennen,
die mijn ziel steeds heeft vervoerd! Lieve, ja! neem deze bladen
als een klein verjaargift aan!
dring' hun inhoud door uw harte!
en gy zult het mijn verstaan.
1821.
AAN EEN DICHTER (1)
BT DE GEBOORTE VAN ZIJN ZOON.
Dichterlijke lier! verhef u
tot den hoogsten vreugdetoon, en stort wellust in de harten,
aan uw somberheid gewoon! Zegegalming, heilvoorspelühg,
godgewijde vrolijkheid,
zijn het thema, door de vriendschap
aan den Dichter voorgeleid!
Door de vriendschap ? Do ir ?en andre
(is het mooglijkj eedier plicht!'
1
W. DE CLERCQ.
AAN EEN DICHTER.
Werd ooit koning ingehuldigd
zonder statig feestgedicht?
Koning zijt gy my geworden
nu ge een zoon drukt aan uw borst: Was niet de eerste Vorst een Vader?
Is, wie Vader werd, niet Vorst?
Heil dan met dien dag van zegen,
voor uw stamhuis opgegaan!
Heil met d' eerstling van uw liefde!
met uw eersten onderdaan!
Dat hy groeie, dat hy bloeie
tot een sieraad van zijn bloed! Dat hy Vaders beeldtnis uitdrukk',
in de oprechtheid van 't gemoed; in de gaaf der eedle Dichtkunst,
op reohtaarde deugd geplant;
in de zwelling van dat harte,
aan de liefste ga verpand!
Ja, mijn broeder! moog dat telgjen,
opgegroeid in 's hemels gunst, uw gebied steeds meer verbreiden
in het Godlijk Rijk der Kunst!
Moog hy strijden voor de Waarheid!
voor het heilig Recht van God!
Moog hy strijden en verwinnen!
en de gunstling zijn van 't Lot!
Moog hy, overdekt met lauwren,
moeders boezem kloppen doen,
en by 't grijzen uwer haren,
nog uw wang van fierheid gloen, in het hemelsch vergenoegen,
dat de glorie van een Zoon,
die den luister van zijn deugden
voor den hemel spreidt ten toon,
in het oudrenhart doet rijzen,
dat in 't dierbaar kroost herleeft! â
Maar gy, teedre, zachte Moeder!
aan wier knieën hy nog kleeft!
vrouw, vol vrouwelijke liefde!
gy misschien verlangt iets meer.
96
AAN EEN DICHTEH.
voor het aangebeden wichtjen,
dan de schittering der eer,
dan den glans der overwinning,
dan den roem der poëzy! Oy verlangt, dat hy zijn dagen
aan de dienst van braafheid wij'; lijdzaam, vol van mededoogen,
vol van zucht om wèl te doen, om zijn naasten troost te bieden
en voor onheil te behoên!
dat hy minlijk zij, bevallig,
en door gaven zonder tal 't hart van 't lieve meisjen winne,
dat zijn gade wezen zal!
Ook die wensch zal zich vervullen!
Voor uw teedren echtgenoot zal uw beeldtnis zich verdubblen
in den troetling van uw schoot, zoo als gy in hem van weêrzy,
't beeld erkennen van uw Ga!
Bloei dan welig, lieflijk knaapjen!
en groei op in Gods gena!
Open gy een rij van telgjens
in uws Vaders huisgezin,
moedig als zijn dichterharte,
lieflijk als zijn gemalin!
zoo bevallig als het roosjen,
zoo standvastig als de rots!
helden tegen 't Rijk van Ondeugd!
lammren in de kudde Gods!
1821.
AAN Ds. EGELING.
Herboren door het Woord, uit wien de wereld werd,
uit der zonde nacht voor 't hemelsch Licht gewonnen, gewasschen door den Doop op 't voorhoofd en in 't hert in 't vlekkelooze bloed van 't Lam des Onbegonnen, â
Wien hoort de dank van 't hart, dat van verrukking smelt? Wien, dan aan Hem-alléén, wien de Englen driemaal loven,
II. 7
97
AAN DS. EGELINK.
als Schepper van 't Heelal, ais zegepralend Held ep d'Afgrond, en ala Geest, die 't harte trekt naar boven??
Den Vader, die 't geen is, vóór 't was, heeft voorbepaald. â wiens eeuwig Raadsbesluit, slechts voor den Zoon ontzegeld,
der schepslen lotbedeel, wiens wijsheid uimtner faalt,
eer Tijd of Ruimte was, met één trek heeft geregeld!
Den Zoon, die. God uit God, als vleeschgeworden Woord,
voor 't zondige Adamskroost zijn bloed verkoos te plengen,
Hy, Vorst van 't Jodendom, door 't Jodendom doorboord, om Jood en Heiden bei tot God te rug te brengen!
Den Geest, die, waar Hy wil, naar vrije keuze werkt,
geen aardsche wijsheid acht, noch aardsche deugdbetooning.
maar naar Zijn wijsheid 't hart geloovig maakt en sterkt, en heiligt uit gena, niet tot verdienstelooning!
Aan U behoort de dank, U ziel en zin en bloed,
Jehova! Jesus! Geest! aan u zijn wy geheiligd!
Aan U de lofgalm van het overstelpt gemoed,
dat Uw verlossingsdoop voor 's Afgronds macht beveiligt.
Maar o! gy wraakt het niet, volheerlijk Wereldvorst!
zoo in het dankgebed, dat we in verrukking zingen, de heilwensch mede stijg' uit de opgekropte borst voor hem, door wien wy 't pand van Uw genade ontfingen.
O! zegen de achtbre hand, die 't zoenbloed van Uw Zoon neêrdruppelde op ons hoofd, als vruchtbren zomerregen,
ja! als het zalfsel, dat ons de onvergankbre kroon verzekert____o mijn God! bewaar ons op Uw wegen!
Ja! zegen Gy die hand, en zegen Gy den mond,
die van geen andren roem, dan die Uws Naams, kan spreken!
Geen harte, zoo versteend, als U zijn naam verkondt, of 't moge voor 't geloof des heilwoords openbreken!
Rechtschapen Egeling, getrouwe dienstknecht Gods!
wees lang nog op deze aard een werktuig van Genade.
S8
aan ds. egeling.
Meld aan heel Israël zijn Koning en de Rots zijns heils, en sla de God van Abraham U gade!
En wijs den volken op hun heerlijke banier,
op Jesses Wonderspruit, tot 's werelds heil geboren!
Verkondig lang dat heil, verlicht door 't hemelsch vier van Liefde, Hoop, Geloof, den schat der Uitverkoren!
quot;Wees ons nog lang een gids op 't pad der zaligheid, hoe vreemd uw ziel ook zij aan 't ijdel stofgewemel,
tot dat de zegekroon, den Christen weggeleid,
aan d' eindpaal van uw baan u toeblinke uit den hemel!
O! mogen wy ons daar uit 's werelds duisternis, in 't licht van 's Heilands troon, gezaligd wedervinden!
in dat Jerusalem waar Jesus Koning is,
en waar geen vreemde macht ons oog meer kan verblinden!
Bid voor ons, dat de Doop, ontfangen van uw hand,
niet opdorre in ons hart, maar 't immer blijf besproeien,
en, als een morgendaauw de pas ontloken plant,
in liefde door 't geloof voor 's Hemels hof doe bloeien!
1822.
AAN BILDE RD IJK.
Een lofzang, Bilderdijk! een lofzang tot den hoogen verkondige onze stem de glorie onzes Gods!
De zegepraal genaakt van chkistus Alvermogen op menschlijke ijdelheên en aardsche wijsheidstrots!
De Vorst des levens heerscht, Zijn rijk op aarde nadert, het valsche licht bezwijkt, de nacht der logen vliedt!
De kudde, door Gods Geost onzichtbaar t' zaamvergaderd, verwacht den Herder, die Zijn leven voor haar liet.
Vergeefs verloochnen Hem ontaarde Sadduceën,
wier waanverlichting thands de wereld overheert,
wier haat, afschuwlijker dan die der Phariseën,
het kruis van Jesus hoont, en schijnbaar triumfeert!
Ds Hemel zal 't gejoel dier tegensprekers storen: we ontwaren reeds van verr' de ontzachlrjke bazuin,
99
AAN BILDEEDIJK.
wier vollen klank weldra de Duivlen zullen booren, en storten, dol van schrik, hun eigen rijk in puin!
Wy zien den ochtendglans, die d' aakligsten der nachten
vervangt, en zwanger gaat van hemelheerlijkheid.
Bespotte, vloeke de aard! Wy weten wien wy wachten!
Wy weten, wat triumf den Christen wordt bereid.
Heil ons! wy zien de wolk der toekomst zich ontplooien.
De strijd beslist zich, 't bloed der martelaren vloeit, de Zoon des raenschen komt! Tien duizend Heilgen strooien
den palmtak voor Hem heen, in 't Paradijs gegroeid.
Heil my! dat ook mijn hart in de Evangeliebladeren
de stem erkennen mocht des Konings van 't Heelal!
Heil my! dat ook mijn geest de tijden mag zien naderen
van Jesus weêrkomst en des Aartsverleiders val;
de Profecy zich in de teeknen zien verklaren
van ieder nieuwen dag, die aan de kimmen rijst,
ja zelfs de heemlen dat Jerusalem zien baren,
op wiens geboortestond de hoop des Christens wijst.
Mijn Vader! kan het zijn? Was my dat heil beschoren,
Gods Zoon te erkennen in het Wicht van Bethlehem?
My, in de dwaling van dat Israël geboren,
sints achttien eeuwen doof voor eens Verlossers stem? My, my onwaardige sloot zich die hemel open,
die hemel van geloof in Jesus Christus naam?
'k Mag op de heerlijkheid der TLnglenwereld hopen,
ik, aardworm, die me 't licht zelfs dezer aarde schaam? Ja! 'k mag het! 'k Zie den tijd, den tijd van glorie naderen,
die heil moet brengen aan heel 't kroost van Abraham! God wil het overschot dier droeven woêr vergaderen,
die afgehouwen zijn van d' allereêlsten stam!
Ja! 'k roem op Uw genu, gezegend Alvermogen!
(o! dat dit roemen door heel de aarde werd gehoord!) de schel des ongeloofs viel eensklaps van mijn oogen â
'k werd Christen... God van heil! bezegel dit mijn woord! 't Was daartoe, dat dé hand der alvoorziende Goedheid
van de eerste kindschheid af mijn dagen strekken deed! want ach! die kindertijd, voor andren zoo vol zoetheid,
was my een bronwel van verteerend boezemleed; en 't rusteloos gevoel, dat toen mijn ziel bezwaarde,
bleef, drukkender dan ooit, mijn sombre jonkheid by:
100
AAN BILDEEDIJK.
ik vroeg om laafnis by den hemel en by da aarde â
den hemel kende ik niet, eu de aarde haatte my!
Toen leidde my Gods gunst tot U, mijn Vriend! mijn Vader 1
Ik zag ü, en mijn hart ging open voor de hoop. üw wijsheid vormde my verstand en hart te gader,
uw hand ontsloot voor my een nieuwen levensloop. Gy leerdet me uit de lier een nieuwen zangtoon lokken,
doch niet voor de aarde! Gy, voor Schoonheid,Waarheid,Recht, met enkel poëzy gewapend, onverschrokken
ten strijd gaan, schoon ons de aard haar lauwer ook ontzegt! Gy, bovenal, de list des Ongeloofs verneêren,
terwijl het om ons heen zijn helsche zaden strooit, het bloed, waaruit ik spruit, beminnen en waardeeren,
en Isrels Heilgen God aanbidden, meer dan ooit!
âMijn zoon! blijf aan de hoop op uw Messias kleven,
âde hoop des Christens is, als de uwe, uit Israël! âuit Israël ons licht, en zaligheid, en leven,
âder heemlen glorie, en de nederlaag der hel.quot;
Dit zeidet ge, en niet meer! noch drongt my 't woord van 't Leven
voorbarig op! Uw taal schoot wortels in mijn ziel!
Maar o! (gy wist het) God-alleen kon wasdom geven
aan 't hemelzwangre zaad, dat in die aarde viel!
Nu voelde ik 't Oostersch bloed ontvlammen in mijn aderen
van ijver voor mijn stam. 'k Sloeg zijn ontwikkling ga; 'k doordacht het noodlot van mijn Palestijnsche vaderen,
hnn glorie by 't genot der hemelsch^ gena;
hun droeve ballingschap in jammer en verachting,
sints zich het Christendom ontwikketóe uit hun grond; hun door alle eeuwen heen standvastige Verwachting
op Hem, die komen moest naar luid van 't Godsverbond; 'k doorzocht de Schriften; 'k drong den geest in dier Rabbijnen,
vol Oosterwijsheid, maar oraneveld met een nacht van tegenstrijdigheên, â doch die by 't licht verdwijnen der blijde Boodschap, door 't hardnekkig volk veracht. â
En 'k vond----in 't Vorstlijk Kind der needrige Maria
den Godlijken Propheet, door Moses mond beloofd,
den God en Vredevorst, voorspeld door Esaïa,
den Zoon van Adam en van David, beider Hoofd!
Ik vond mijn Heiland, mijn Messias en mijn Koning,
mjjn Schuldverzoener en den Rechter van mijn lot,
101
AAN BILDEEDIJK.
wien de Englen heil'gen in de driemaal heil'ge woning,
als d' Eengeboren Gods, één met den Vader, God,
God, die gekomen is in al de smert der aarde,
die wederkomen zal in volle heerlijkheid,
om 't Rijk der Waarheid, dat Zijn woord ons openbaarde,
te stichten op den Tijd, wiens volheid zich bereidt!____
Een lofzang, Bilderdijk! een lofzang tot den hoogen!
verkondige onze stem de glorie onzes Gods! Ga, Dichtkunst! oefen hier uw goddelijk vermogen!
Verstomme 't Ongeloof en siddre 's werelds trots!
Schept moed, gy Christnen, wie dees nietige Eeuw durft honen 5
Den spot des spotters zal der dichtren voet vertreên! Schept moed, gy schapen! voor den donder onzer tonen
vliedt reeds de oneedle wolf met hangende ooren heen. Zweeft om ons, Englen van den hemel! leert ons zingen!
Dat onze poëzy, door hooger geest bestuurd,
die korst van aardschheid mag doorweken en doordringen,
waar helsche twijflarij de harten in bemuurt.
Leent de ooren aan ons lied, gy afgedwaalde Joden!
gy, broeders naar het vleesch van wie ons heiligst is! Ja! wy verkonden U dien zelfden God der Goden,
die eens op Sinai daalde in heil'ge duisternis.
En gy, o voedstrares dier Joden in hun zwerven!
gy, Neêrland, rijk bedeeld met Christus heilgena!
het geen de machtigsten der wereldrijken derven,
dit schonk de hemel ü! O! sla u-zelven ga!
ü schonk Hy de edelste der talen van het Noorden,
(zie toe, en luister, noch misken uw overvloed!) u de onvervalschte leer dier Kerk, die in alle oorden
onzichtbaar opgroeit voor den dag, die tot ons spoedt. Nog meer! genaakt de tijd, dat over half deze aarde
die taal, die leer zich uit uw schoot verbreiden zal,
en de uitverkoornen Gods haar beider heil'ge waarde erkennen zullen, en belijden voor 't Heelal?
En gy, o Bilderdijk?----Mijn hoop! gy moogt niet spreken!
Mijn oogen! sluit u voor een toekomst, zoo vol glans. O! blijve slechts dat hart zijn heilverwachting kweken,
en trooste 't schoon wbldea voor 't jammerdragend thavds! Maar wy, volharden wy de dichterlijke tonen te waapnen tegen de Eeuw, tot dat haar laster zwijg'!
102
AAN BILDEEDIJK.
Wie ons miskennen moog, bespotten, haten, honen;
VBEDE IN DES HEBREN NAAM! AAN DB OuGODISTEN KRUG! 1822.
DEN HEER Mn. S. IPSZN. WISELIUS.
Non auferetur sceptrum de Juda.
Niet op d' onzeekren grond van wereldsohe belangen
is 't hecht gebouw gesticht der Vriendschap, die ons bindt. Die van den wenk Zijns oogs het noodlot af doet hangen, die bracht ons tot elkaêr! Die maakte ons eensgezind! Thands kennen wy elkaêr, en door Zijn wijs bestieren
omarmt de balling van het Oost den zoon van 't Noord, volgt met hem den gelei van eenerlei banieren,
en ijvert met hem saam voor Gods gezegend Woord. Wenscht gy van dit verbond een blijk in lettertrekken?
Wiselius! Ziedaar mijn naam! ziedaar mijn hand!
En met die eedle spreuk, die 't leven weer zal wekken
in mijn verdorden stam, uit Judaas erf verplant!
De spreuk, in wier geloof de Aartsvaders hoop verkonden,
geheel de wereld heil, en Isrel glorie vindt;
op haar beroemen we ons! op haar onfeilbre gronden
is 't hecht gebouw gesticht der Vriendschap, die ons bindt.
1822.
AAN DR. A. CAPADOSE.
Daarom neemt aan de geheele wapenrustinge Gods.
PATJLU3.
Dat de waarheid zegevier!
Ondergang aan 't rijk der logen!
Onder Jesus krijgsbanier riep ons de Almacht uit den hoogen!
Met zijn vlekloos bloed besproeid,
zijn wy ridders Gods geslagen,
om voor d' eernaam, dien wy dragen, d' allerlaatsten drop te wagen,
die onze aderen doorgloeit!
103
AAN DR. A. CAPAUOSE.
Wel! te wapen dan! te paard! Met het machtig woord des Heeren
eindeloozen krijg verklaard in den naam, dien we éénig eeren,
(van den God van Israël,
van den God der twee Verhonden, van den Kruisheld, in wiens wondea we onze zielsgenezing vonden)
aan de in oproer staande Hel!
Jesus is ons Legerhoofd!
Jesus-zelt ontfing onze eeden!
Al wie in Zijn macht gelooft, zal met Hem de slang vertreden!
Volgen we onzen leidsman na!
Geen gewold kan ons verneêren, en geen aanslag kan ons deeren, en wy zullen triumfeeren!
Gods genade slaat ons ga.
Als Hy sprak, verstomde 't Al, 't woest geweld van storm en zeeën,
't Pharizeesche wraakgeschal,
en de list der Sadduceën!
In 't bestemde lijdensuur heeft Hy, als een lam, gezwegen, en dat zwijgen heeft Gods zegen over 't zondig kroost herkregen der ontgodlijkte natuur!
Wel dan! waar Zijn wil ons zendt, spreken, onverschrokken spreken;
waar de wereld Hem ontkent, hem belijden, onbezweken;
en als alles (moet het) zwicht, onverwonnen, schuldloos lijden, in dat lijden ons verblijden,
en het Hem ter glorie wijden:
dit is Christen Ridderplicht!
AAN DR. A. CAPADOSE.
Geest van God en van Gods Zoon! doe ons deze plicht vervullen!
Daal van d' ongenaakbren troon, om ons met uw kracht te omhullen!
Wapen onzen aardschen geest tegen 's Boozen rijkverbreiding,
tegen valschheids zaadverspreiding, tegen 's werelds alverleiding! in ons-zelven allermeest!
Zonder U, wat kunnen wy,
dan ons heilig kruis beschampn,
dan, des Satans heerschappij met ons zwakke hart beamen,
dan, verdwalen meer en meer in der zonde donkre wegen, en verloochenend den zegen,
door des Heilands bloed verkregen, geven aan Zijn vijand de eer?
Maar met TJ, wie tegen ons? Wie zal opstaan in zijn woede,
dien onze arm niet nederbons'
in den afgrond, die hem voedde ?
Wie onz' ijver nederslaan,
als wy 't woord der waarheid spreken. Hoop, Geloof en Liefde kweken,
en den smaad des Hemels wreken? Wie zal onze macht weerstaan ?
U
Licht zal uitgaan van ons oog, en den Twijfelaar verblinden!
en, als vuur van 's hemels boos, de ongodisterij verslinden!
en de Baals van dees tijd zullen siddren, zullen beven,
en den Oppervorst van 't leven al de glorie wedergeven,
die hun onmacht Hem benijdt!
105
AAN DK. A. CAPADOSE.
Maar, voor alles, geef ons dit, gy. Verdelger onzer zonden!
Dat ons harte niets aanbidd',
dan den Naam, dien wy verkonden!
Dood in ons dien eigen trots,
dien we U klagen, niet verbloemen! Dat we in ü slechts mogen roemen, dat we in U ons mogen noemen,
schoon heel de aarde ons wil verdoemen, ridders, knechten, kindren Gods!
1823.
AAN EENEN VRIEND.
Sta, moedig strijder, pal op 't bolwerk, dat Gods hand gebouwd heeft voor het heir van zijn verkoren helden,
niet op de golving van een onstandvastig zand,
maar op de Rots van heil, wie hel noch wereld velden!
Hoe ook de wereld dreigquot;, hoe ook de helvorst woed', zy zullen geen van bet uw zielskracht overheeren.
Het is de Vader zelf, verzoend door Jesus bloed, Wiens uitgestrekte hand hen van u af zal wecreu.
1824.
AAN DE POÃZY.
Volzoete geest der poëzy!
keer in mijn doffen boezem weder!
Beziel op nieuw de ziel in my,
en in mijn hand den zwanenveder!
Met traagheid klopt mijn smachtend hart, wanneer gy 't opgeeft aan de smart van een ondichterlijke wereld!
Mijn hoofd hangt moedloos op mijn borst, terwijl ik naar den dauwdrop dorst, die, waar gy treedt, den dorren grond beperelt!
Keer weder, en begeef my niet,
maar onderhoud dat hemelsch leven, dat zich ontwikkelt uit het lied
106
AAN DE POÃZY.
door uwe omzweving ingegeven!
Gelijk een hemel zonder zon,
een vlakte zonder waterbron,
zoo is my zonder u deze aarde!
'k Zink in de sluimring van den dood, en 's hemels licht noch 'saardrijks brood Leeft (keert gy niet) noch kracht voor my, noch waaide!
Vergeefs vermoeit zich mijn verstand in wetenschap- en kenniszoeken;
daar is geen orde, geen verband,
in al den wijsheidsschat der boeken!
Al wat het zwoegende vergaart is vormloos, als de drijvende aard voor dat Gods Geest haar overzweefde ;
koud, als de klei, waaruit Gods Macht den eersten mensch heeft voortgebracht,
voor dat Zijn adem in hem leefde!
O! dat uw kracht weêr in my woon'!
O poëzy! o troost mijns levens!
gy, moeder van het zichtbre schoon, en waarheidsleeraresse tevens!
vergader gy tot één geheel elk nog onzamenhangend deel der bouwstof, die 't verstand vergadert.
En rijze er op uw harpgeluid een tempel voor den hemel uit,
van levend zielscement dooraderd!
Keer tot me uw lieflijk aangezicht,
en 'k zal het leven weêr ontfangen!
Mijn oog ontsluit zich, en 't ziet licht.
mijn oor, en 't hoort de hemelzangen!
Mijn borst verbreedt zich vol van moed,
mijn hart ontvlamt in heldengloed,
(wie zal my in mijn geestdrift krenken?)
Mijn ziel verbreekt haar engen band,
en voelt zich aan dat oord verwant,
waar 't leven loven is, geen denken!
107
AAN DE POÃZY.
De vorstelijke Dichterlier schijnt zich mijn vingren op te dringen!
En 't in mijn boezem vlammend vier dwingt heel dit stofgewaad tot zingen! Ik leer van Waarheid en van God, 'k voorzie des werelds naadrend lot, 'k ontzie geen wereld, en zy luistert 1 Uw haters, Goël, o mijn Heer! Uw haters siddren, storten neer, en liggen aan Uw voet gekluisterd.
En ik, te midden van de wolk der uit mijn lier gerezen walmen, 'k ontstijg het geestelijke volk, en zoek by de Englen hymnegalmen! Met die ik liefheb hand aan hand, vinde ik een ander vaderland, een door geen zonde ontheiligd Eden; en 'k snel den Heiland te gemoet. Die my gekocht heeft met zijn bloed, en Dien 'k voor de aarde heb beleden.
1824.
AAN BILDERDIJK.
De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zyn
8AL0M0.
Neen, Bilderdijk! wy siddren niet,
schoon hel en wereld woede!
Schoon Satan knarstande om ons lied,
wy zingen 't in Gods hoede!
Schoon de aard vervloeke wie haar wekt,
om God, haar Heer, te loven,
de stem, die ons ten hemel trekt,
zal 't woest gejoel verdoven!
Verbinde zich èn aarde èn hel,
om onzen moed te smooren.
God heeft Zijn geestlijk Israël
tot zegepraal verkoren.
Met wapenen van vleesch en bloed
108
AAN BILDERDIJK.
moog ons de haat bestrijden! Wy wachten ze af met Christenmoed;
God heiligt door het lijden!
Of zendt ons onze Vorst in 't veld.
Zijn geest zal ons verzeilen,
lt;en ieder onzer is een held,
die Goliaths zal vellen.
Ons schild in Gods Voorzienigheid,
ons zwaard, het woord der Waarheid, Jat 't binnenste der harte scheidt, en glinstrend is van klaarheid! Zoo dringen wy het heir terug
van 't helgche bondgenootschap, «n God maakt onze voeten vlug door de Evangelie boodschap.
De zege, dierbre Christnsknecht!
de zege kan niet falen!
2e is ons door God-zelf toegezegd,
Hy zal ze ons doen behalen!
Behalen, schoon hun overmoed
ons 't lijf ter dood moog prangen, als onze ziel den welkomstgroet
der Englen zal ontfangen! o Bilderdijk! van op den Rots,
dien de Almacht voor ons bouwde, galm uit de donder onzes Gods,
dien U Zijn Geest vertrouwde!
Galm uit dien schellen oorlogskreet,
den kreet der hemelridderen, die, dringend door des afgronds spleet,
Beëlzebul doet sidderen!
Op dezen kreet ontstak mijn bloed,
mijn bloed uit Davids aderen, cn 'k voelde me in gewijden moed,
tot Jesus heir vergaderen.
Hoort niet mijn hart ver in de lucht,
de hemeltrommen rommen?
Is niet der Kerkbruid droeve zucht tot 'sBruigoms troon geklommen? Daalt niet der legerscharen God,
109
AAN BILDEEDIJK.
om aan ons hoofd te'strijden?....
Beslist is 't hachlijk oorlogslot 1
Stort neder, ongewijden!
Hy, die de sterren roept by naam,
by naam Zijn Englenorden,
Hy, Hy herschiep ons door Zijn aam.
Zijn heil zal ons omgorden!
O! welk een glorie! welk een heil!
den kruisvaan mag ik dragen!
'k Heb alles voor mijn Heiland veil,
ik durf den aanval wagen!
Zwak is mijn arm, maar God is trouw,
en Hy zal niet gehengen,
dat ik behouden blijven zou,
waar ik mijn bloed moest plengen.
Neen! 'k plant den vaandel op het slot,
dat de Eeuwgeest dorst bezetten!
Of moog', ter eere van mijn God,
't geweld mijn hoofd verpletten,
dan blikk' my, met dien dierbren vaan
geklemd in stervende armen,
de gloriedag van Christus aan,
en 't uur van Gods erbarmen! 1824. _
RANDSCHRIFT
VAN EEN ZILVEREN BEKER.
AANGEBODEN AAN DEN WEL-EERW. HEER CHEVALIER,
NA DEN DOOP VAN MEVR. BELMONTE EN HARE DOCHTER.
De ziel gedenke en love in ieder droppel wijn
den Wijnstok des behouds, van Wien wy ranken zijn.
19 Deo. 1824. _
AAN DEN HEER BOWRING,
TE LONDEN.
Laat andren zee en land doorkruisen en doorzoeken,
om de inborst van den mensch in d' omgang door te zien!
Laat andren wetenschap vergaadren uit de boeken.
110
AAN DEN HEER BOWSING.
die vaak zoo luttel vrucht voor noesten arbeid biên! Gy, Bowring! ondervraag het spraakgebruik der volken!
Dit zij u 't zekerst blijk van heel des menschdoms aart! De talen feilen niet; zy zijn de ware tolken van alle kennis, die ons de Almacht openbaart.
1825.
GEESTELIJKE WAPENKREET.
Niet door kracht, noch door geweld, maar door münen Geest zal het geschieden, zegt de Heer der heirscharen.
zach. IV : 6.
Wanneer God opstaat van Zijn troon,
om 't werk des Hoogmoeds te verstoren,
dan daveren de hemelkoren
van een gewijden oorlogstoon!
God schaart Ziin krijgsliên om zich henen.
God is Zijn heiligen verschenen,
gezeten op een etherwolk!
God wil op 't aardrijk nederdalen,
om 't recht der Waarheid te verhalen op 't aan Zijn vijand offrend volk!
De hemel, die dat leger ziet,
ontzet, schoon onbesmet van boosheid!
maar 't aardrijk in zijn goddeloosheid
slaapt dóór, en hoort den krijgsgalm niet. Gy, gy-alléén in geestverrukking,
Gy ziet te midden der verdrukking,
o uitverkoren Bruid van God!
den Geest van uit Zijn boezem schieten,
die eens heel de aarde zal doorvlieten,
en reinigen van 't lastrend rot!
Een storm gaat vlammende vooruit,
om Zijne wegen te bereiden!
Bekeer, bekeer u, harde Heiden!
of val de gramschap Gods ten buit?
Hoogmoedigen, gy wordt verslonden!
Goraorrhaas, in den droom der zonden
Ill
GEESTELIJKE WAPENKREET.
verrast u de aankomst van Gods kracht! en, saamgezworen Waanverlichters! met Baaisprofeten, Babelstichters,
verzinkt ge in één verwarringsnachtï
Ja! ook deze eeuw van helsche trots zal 't wraakgerichte Gods getuigen!
Zy zal den ijzren schedel buigen voor de opgeheven roede Gods!
Te lang reeds zuchten Zijn getrouwen, by 't hemeltergend outerbouwen
aan d'Oppervorst der duisternis!
Te lang reeds heerschen de onverlaten, die Jesus bloedverzoening haten,
en wien Zijn kruis een gruwel is.
Ach! Christenstaten zagen wy zich uit des Heilands teugels rukken 1 â¢de leer der Waarheid snood verdrukken
met onweêrhouden razernij!
Leviet en Priester afgevallen,
bemoedigend de duizendtallen van 't Godverlatend Israël,
om op onreine koe-altaren met Heidnenbijgeloof te staren,
en heil te wachten van de hel!
De macht des afgronds heeft haar tijd, maar de eeuwigheid is van den Heere! Hoe Satan ook door list regeere,
hy is verpletterd, als hy strijdt. Hy worde dan tot krijg gedwongen, de schepter aan zijn vuist ontwrongen,
hy, van 't geroofde licht ontbloot, «n 't geen hy is, dat zal hy blijken, die voor mijn Heiland moest bezwijken, de afzichtbre Koning van den dood.
Wel aan, geloovigen! ziet rond! 't Is plicht in Gods geduchte werken
GEESTELIJKE WAPENKKEET.
der tijden teeknen op te merken,
waar zich Zijn naadring door verkondt 1 Ziet hier de twijfelaars verstommen,
daar rustverstoorderen by drommen
in band gehouden en ontzag!
Hier, zondaars, beidnen, tollenaren,
daar, stoute Godverloochenaren,
ontwaakt voor d' Evangeliedag.
De godsdiensthater durft niet meer zijn gruwelleer zoo stout belijden! Hy plooit, hy zoekt den strijd te mijden, hy wijkt, hy vliedt; of, keert hy weêr, zoo huichelt de onmacht van zijn woede een vrede, dien zijn hart nooit voedde,
en neemt een laffe list te baat,
om gif te mengen in Gods woorden, gericht om in 't geheim te moorden,
doch reeds verijdeld in Gods Raad.
Maar Jesus vrienden scheppen moedl Zy doen op nieuw de kruisbanieren met hartbezielend golven zwieren, en branden weêr van ijvergloed! Zy voelen zich door God gezonden, om 't aan elkander te verkonden,
om 't te verkonden aan 't heelal! Ja! Jesus is voor ons gestorven,
Hy heeft ons met Zijn bloed verworven, gered van d'eindeloozen val!
Europe! schud de kluisters af van goud- en machtzieke onverlaten!
Breng weêr uw Kerken en uw Staten
aan Christus opperherderstaf.
Breekt de outers af der vreemde goden, herboren Evangelieboden!
En Vorsten, staaft zoo grootsch een werk Vreest, vreest geen volksverleiders langer, hoe ook van schrikontwerpen zwanger! God maakt op nieuw de Zijnen sterk!
GEESTELIJKE WAPENKREET.
o Nederland! Gy zult eens weêr het Israël van 't Westen worden! God zal uw Kerk met licht omgorden,
uw Koningen met Davids eer! Uw Nassaus zullen weder blaken van ijver voor uw tempeldaken,
en Sions voedsterheeren zijn, de wrekers der verdrukte vroomen op de afgodsdienst van 't trotsche Komen, en 't slangenbroedsel van Socijn.
Schud af de stof der droefenis, getrouwen, die het hoofd laat hangen, om dat Judéaas maagd gevangen,
haar tempel uitgeplonderd is!
Die u gevanklijk weg deed voeren, kan Hy de heidnen niet beroeren.
en weg doen smelten voor Zijn stem? Klinkt triumfeerend, heiige galmen der steeds op nieuw vervulde psalmen 1 De Heeke bouwt Jerusalem!
Nog eens zal Vorst en onderdaan de wondren van Zijn arm getuigen! Nog eenmaal zal zich alles buigen voor Holland, onder Jesses vaan! Nog eenmaal zal het woord der waarheid, in al zijn kracht, in al zijn klaarheid
verkondigd worden aan dit volk;
haar bronnat van de predikstoelen het slijk der lasteringen spoelen,
hier aangeslibd uit 's afgronds kolk!
Nog éénmaal, ja! zal 's Herders stem ons Neêrlands lammrenwei regeeren, wy, weêr de Oranjehelden eeren
als trouwste wachters onder Hem! 't Land, in der kerken boezem bloeiend, van melk en honig overvloeiend,
gesterkt door d' echten hemelwijn,
114
GEESTELIJKE WAPENKREET.
zal, wederom, als in de dagen van 't snood verbeurde welbehagen, een wonder op het aardrijk zijn! 1825.
AAN MIJNE EGADE.
OP DEN 26sten DECEMBER DBS JAARS 1825,
TBR EERSTE VERJARING VAN ONZEN EERSTELING WILLEM DANIÃL.
Dierbre teergeliefde Gade,
door des Heilbesohikkers hand my geschonken tot een pand dier aanbidlijke genade,
die, waar ze echtgenooten paart,
hemel mededeelt aan de aard,
in een weêrschijn van die Liefde,
die zich-zelv' niet heeft gespaard,
toen in 't lichaam geopenbaard,
onze zonde Hem doorgriefde!
Hoe verrukt die traan my 't harte,
waar uw minlijk oog in smelt,
als ge ons telgje in de armen knelt, d'eerstling van uw moedersmarte,
wien dees feestelijke dag 't eerst voor 't licht ontluiken zag, en, bevrucht van nieuwen zegen,
d' eersten heilverjaargroet uit over d' afgesmeekten spruit,
kroon der ecbt, van God verkregen.
Met dat hart, dat hy verheugde,
dat van weemoed glinstrend oog,
thands gestegen naar omhoog tot den Oorsprong aller vreugde!
Zonder dankgebed tot Hem,
psalmgejuich van hart en stem,
zoude er heil zijn voor den Christen?
Onze blijdschap is van God!
115
AAN MIJNE EGADE.
Wat ware ons het schittrendst lot,
Lieve, zoo wy dit niet wisten?
Naar den Hoorder der gebeden met een offerhand van lof uit dit levenlooze stof in des Heilands naam getreden!
Ja! Hy hoorde, toen gy badt in verzuchting om den schat,
dien uw schoot me in 't end mocht schenken! Zoo Hy af te wijzen scheen,
't was tot voller zaligheên,
boven bidden, boven denken!
Vreugde van mijn levensdagen!
welk een hemelzoete plicht,
voor Zijn zeegneud aangezicht thands dat spruitjen op te dragen!
Aan die hoedende Englenwacht,
die met heel des afgronds macht geen Verder ver kan verdrijven,
onder 't zegel van dien Geest,
die op Isrel is geweest.
die met Isrels zaad zal blijven.
Schat noch rijkdom op deze aarde,
roem noch aanzien by den mensch,
is der Christen moeder wensch voor den lievling, dien zy baarde!
Hy zij de Uwe, groote God!
O! bestier geheel zijn lot,
dat hy 't rijk van Jesus erve!
Dat hy nederig en klein,
in Zijn bloed van zonde rein,
Christus leve, Christus sterve!
Leer, mijn zoon! vroegtijdig vreezen,
wiens gezegend merk gy draagt,
die uw kinderschreden schraagt,
die uw Leidsman steeds zal wezen!
116
AAN MIJNE EGADE.
Wees den Herder steeds nabij,
die uit 's werelds heerschappij in Zijn schoot ons wil vergaderen! die, vóór 's werelds grondzuil stond, uw gezegend lot verbond aan de ellende van uw vaderen!
Beurtlings slaven, beurtlings vorsten, beurtlings zwervers over de aard.
voor verdelging steeds gespaard, schoon zy öod verwerpen dorsten, â heeft uw voorgeslacht gedwaald, schoon door ongeloof verstaald toch geleid door d' Ongezienen,
om in 's aardrijks laatsten tijd van der logen boei bevrijd,
Jesus eeuwiglijk te dienen!
't Zag den val van Sions vesten, 't bracht van de oevers van d' Eufraat 't diep verneêrde koningszaad naar de verste kust van 't Westen! 't Voerde 't ridderlijk rapier onder Portugals banier,
en, de afgodendienst ontvloden,
week het van 't Hesperisch strand naar 't herbergzaam Nederland,
in de duisternis der Joden.
In dees streken uitverkoren als een tweede volk van God,
mocht (o nooit volprezen lot!)
uit de duisternis herboren, uw bevoorrecht oudrenpaar dan na tweemaal honderd jaar u aan Jesus voeten brengen;
en den heilgen Christendoop (pand der goddelijke hoop)
op uw dierbaar hoofd zien plengen.
117
AAN MIJNE EGADE.
Blijf een zoon uit Jacobs lenden,
thands niet meer door vleesch en bloed,
maar door 't hopende gemoed,
waar die vaadren God door kenden !
Dien den Hoop van Abraham,
dien den Heiland van uw stam,
leef ter eere diens Ontfermers!
Strijd, in Zijne roeping sterk,
voor de Nederlandsche Kerk!
voor het Huis der Kerkbeschermers!
O mijn telgjen ! in ons leven,
in ons sterven zijn wy Gods!
Hy is onze vaste Rots!
't zij we in vree te Hemwaart streven,
of (indien ik uiten mag,
't geen deze onvergeetbre dag (1),
voor het oog der ziel doet stralen)
langs des heilgen Jonglings spoor,
dien der Heilgetuigen koor de eerste bloedkroon zag behalen. 1825. _
JERICHO.
Door het geloof zijn de muren yan Jericho gevallen als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest.
Heb. XI; 30,
Zoo de kracht van 't zwaard zal gelden,
Caleb is een bloem der Helden,
Josua, een machtig Hoofd,
wien de glorie is beloofd;
over den Jordaan getrokken,
staat heel Isrel onverschrokken
tegen 't Cananeesche rot;
doch, o Jericho! uw wallen,
zullen voor geen wapens vallen,
maar voor d'adem-zelf van God!
De Arke Gods vooruit gedragen,
118
den bazuinklank aangeslagen.
1
De aloude Ohristenheid herdacht den marteldood van Stephanus op den tweeden Eersdag.
JERICHO.
zevental uit Arons zaad!
tot de trotsche stad vergaat.
Zesmaal zullen deze muren d' aanval van 'i geheel verduren,
en de heerlijkheid weêrstaan:
by het zevende ochtendriizen zal hier God zijn kracht bewijzen, en de hoogheid nederslaan!
Zevendubbele ommegangen, ramsbazuingeschal, vervangen
door den kreet van 't juichend heir, stormen ijzren wallen neêr!
Ziet! de ontzette gronden knakken! Ziet! de ontwrichte muren zakken!
't Is Jehova, Hy-alléén;
Hy, de in Israël bekende.
Die den slavernijdag wendde,
heeft de vesting plat getreên!
Nu staat Jericho u open,
Israël! Gy zult haar slopen;
haar gedachtenis verga!
En vermeet' zich, vroeg of spS,, niemand ooit haar torenspitsen, die Jehovaas bliksemflitsen
tergend lokten door haar trots, uit baar puin weêr op te trekl.en, want geen stadsmuur zal hem dekken tegen 't wraakgerichte Gods!
Hiëls eerst- en jongstgeboorne tuigden de afgedreigde toorne, en betaalden met hun bloed vaders gruwbren overmoed! *) Al wie Jericho herbouwen,
119
door hun voorbeeld onweêrhouen, zullen meê ten afgrond gaan!
'â¢) 1 Kon. XVI: 31.
JERICHO.
Waar Gods gramschap uitgestort is,
waar des Scheppers recht verkort is, kan geen Schepsels werk bestaan!
Ook uw vesten zullen beven,
ook Uw stichters zullen sneven,
Jericho van 't ongeloof,
voor de heilvermaning doof!
Rukt gy aan, gewijde scharen,
wien zich God wil openbaren,
als uw Krijgshoofd in het veld!
wien Hy 't woord wil toebetrouwen, dat geen woede kan weêrhonen van 't vereenigd helgeweld!
In 't gebed voor uit getreden.'
In 't geloof den strijd gestreden! De Evangelische bazuin stormt het duivlenrijk tot puin!
Predikt Jeaus den Gekruisden,
den om onze schuld vergruisden menschgeworden Wereldheer!
Durft Zijn naam, Zijn kruis belijden,
durft u Zijn versmaadheid wijden!
en de Palmstad berste weêr!
Zij 't heelal u ongenadig!
dat de vijand zich verzadig'
aan uw tranen, aan uw bloed! die verdrukking is zoo zoet! Onverbitterd, onbezweken,
zult gy Recht en Waarheid wreken
door de kracht van 't Geestlijk zwaard, 't levenswoord der hemelboden tot ontwapening der snooden, tot verlossing van heel de aard!
Neen! geen zichtbre stalen zwaarden! Neen! geen pijlen! Neen! geen paarden! aardsche wapens baten niet,
waar Gods stem den strijd gebiedt!
JEEICHO.
't Volk van God zal overwinnen over wereld, hel en zinnen;
en, veréénigd als één man,
zonder krijgsmacht paden banen voor zijn wapperende vanen door 't verbaasde Canaan!
Maar gy, Rachab! uitverkoren! in de duisternis geboren van een afgevallen stam!
loof den God, die tot u kwam! Onder 't dondren der bazuinen,
toen uw vaderstad in puinen,
en haar macht in onmacht viel, bracht Hy, zwevende op de wolken, slachting aan de ontaarde volken, maar verlossing aan uw ziel!
Dien Verlosser zult ge aanbidden, en uw naam in Isrels midden zal beroemd zijn by 't geslacht, waar u God in overbracht! Salmons gade zult ge wezen, (*) tot een moeder uitgelezen
van den Spruit, die komen zal, die, gezegendste aller loten,
die uit Jessé opgeschoten 't aardrijk overschauwen zal!
Diamant, uit de aard gedolven, parel uit het diepst der golven, neem uw plaats in aan de kroon der verlosten van Gods Zoon! In de nacht van 't wereldsch duister flonker met ondoofbren luister als een Leidstar in de wolk, tot een teeken aan den Heiden, dat zich 't Godsrijk uit zal breiden tot op 't afgelegenst Volk!
JERICHO.
o Mijn God! hoe menige oogen zijn in 't Jericho der logen afgesloten voor het Licht,
waar der zonde nacht voor zwicht! Tegen 't Heil, uit U gevloten, hoe veel harten nog omsloten
met een meer dan ijzren muur, die Uw liefde vrij zal maken, die Uw adem door zal blaken, op 't welras voldragen uur!
ISRAEL EN NEDERLAND.
Toen Israël uit Egypte toog. Ps. OXIV.
KEER.
Toen Isrel uit Egipten toog,
den wreeden slavendwang ontkomen,
toen liet de Zee haar diepten droog;
Jordaan! men zag u rugwaart stroomen!
toen daverde der bergen top van schrik: de heuvlen sprongen op,
gelijk een lammrenkudde,
voor Falestinaas naadrend lot!
voor 't aangezicht van Jacobs God!
en de aarde beefde en schudde.
TEGENKEER.
Toen de Almacht tegen 't Spaansch geweld den kamp van Nederland bewerkt had,
en voor de Kerk, door God hersteld.
Oranjes heldenarm gesterkt had;
toen daverde geheel Euroop:
de stroom veranderde zijn loop
in Rhijn, en Seine, en Iber!
Hoe kromp Castieljes aartstiran!
Hoe schokte er Satans zetel van,
aan de oevers van den Tiber!
TWEEDE KEER.
Jordaan! wat was U, dat gy vloodt? En zeestroom! dat uw waatren stonden?
ISRAEL EN NEDERLAND.
Wat schoktet ge, als in angst en nood, o Canans bergen! op uw gronden?
Omdat een wapenlooze stoet met een nog ongewissen voet
zich op uw erf dorst wagen?
En zelf van 't dwangjuk naauw bevrijd, de sterkste muren, zonder strijd, aan Reuzen op komt vragen?
TWEEDE TBGENKBEB.
Waarom veranderdet ge uw loop, gy, Ibervloed? gy, Tiberstroomen?
Wat davert met geheel Euroop de zetel van 't vrijmachtig Bomen? Omdat van dien ontzachtbren Staat, waar nimmer 't zonlicht ondergaat, een plekjen wier zich scheidde? en, half in 't zeeschuim weggespoeld 't Bisschoppelijke Kerkgestoelt' gehoorzaamheid ontzeide?
DERDE KEER.
o Israël, God-zelve voert n in 't beloofde land der Vaderen!
Daarom is Canaiin ontroerd;
hy voelt in u Gods oordeel naderen!
Daar valt by siddrend u le voet!
en gy, gy wandelt in zijn bloed?
wat zoude uw vaart vertragen? Van eeuwen moord en overspel, en samenspanning met de hel,
is 't uur der wraak geslagen!
DERDE 'fEGENKEER.
o Nederland! God maakte u sterk, om uw verdrukkers uit te roeien,
om dat Zijne uitverkoren Kerk in uw moerassen moest herbloeien! De uitheemsche zielendwingeland merkt duizelend, wat hooger hand zijn Dagons neêrgestormd heeft;
123
ISRAEL EN NEDERLAND.
en 't Sadduceesche slangenzaad ontwaart met machtelooze haat, wie Nederland hervormd heeft!
VIERDE KEER.
Wat glans is, Isrel! u bereid! bewaarder der beloftenissen
en zetel van een heerlijkheid,
die heel een aarde nog moet missen! 't Was op uw onbemerkten grond dat God Zijn godlijk heilverbond,
zijn rechten openbaarde;
't was daar, dat Hy 't profetisch zont, dat nog 't heelal in wezen houdt, van 't zelfverderf bewaarde.
VIERDE TE6ENKEER.
o Neêrland! tot wat schittrende eer â¢wil God uw needrigheid verhoogen!
Zijn Kerk daalt op uw beemden neêr, aan 't Babelscbe geweld onttogen!
Zy kwam den Heldraak, die zich voedt met harer kindren dierbaar bloed, in uw woestijn ontvluchten! (1) en 't eêlste van 't Hervormingszaad, waardoor Europe nog bestaat,
schoot op uw bodem vruchten!
VIJFDE KEER.
God wilde in Isrel Koning zijn! Hy gaf haar Helden, Priesters, Vorsten!
Beve Ammoniet en Philistijn,
â wie ooit Zijn volk versmaden dorsten! De glorie van uws nazaats kroon, o Bethlehemsche herderszoon!
124
zal Vorsten 't hart verblijden! Het verre Tharsis biedt hem goud, en Libans kruin het tempelhout, dat zich God-zelf wil wijden.
1
Onenb. XII; 6.
ISRAEL EN NEDERLAND.
VIJFDE TEQENKEER.
Ja! God regeerde u, Nederland!
Zijn stedehouder was Oranje;
voor deze ontzachelijke hand boog Frankrijks trots, als die van Spanje! Geworteld op de onzichtbre Rots der onvernielbre Eerke Gods,
kon niets uw bloei verhindren;
u bracht de ontketende Oceaan den schat van 's aardrijks einden aan, ten dienste van Gods kindereu.
ZESDE KEEK.
't Ondankbre Jeschurun werd vet,
't sloeg achteruit en rebelleerde;
't vertrad en heilgenade en wet des Hemelkonings, die 't regeerde! Uw tempeldienst, o Davids God!
week voor ontuchtige Astaroth,
voor Molochs raoordaltaren;
aan afgoon, werken hunner hand,
bracht volk en vorst zijn offerand,
Profeet- en Priesterscharen!
ZESDE TEOENKEEB.
Ook Nederland, o Heer! werd groot door weldaan, van Uw hand geschonken;
maar 't ademt naauw uit ramp en nood, of 't is van weelde en hoogmoed dronken! 't Vergeet Uw wet. Uw hoede, Uw werk; 't vertreedt zijn naam, zijn taal, zijn Kerk,
en de eer der oude dagen,
om met godlasterlijk geschreeuw aan al de goden dezer eeuw zijn telgen op te dragen!
ZEVEÃDE KEEE.
De tijd des duldens is vervuld;
de dag des Rechts is aangebroken!
In kleederen van wraak gehuld,
heeft God het vonnis uitgesproken!
ISRAEL EN NEDEBIiAND.
Te wapen, Babylon! voer uit des Allerhoogsten Raadsbesluit.
Doe Sions hoogten beven!
Storm neêr d' ontwijden tempelwand!
Voer de overspeelster uit haar land, van God en goon verlaten!
ZEVENDE TEGENKEBK.
Dus kwam ook Neêrlands boetedag!
't Riep tegen 's Heilands zoenaltaren,
't riep tegen Nassaus erfgezag,
de hand van Koningsmoordenaren!
Haar eigen afgod brengt haar straf!
Zakt, Vrijheidshelden! herwaart af!
en. Keizerlijke benden!
Delgt Neêrlands naam uit met haar bloei, en prangt haar telgen in een boei,
als nooit hun Vaders kenden!
ACHTSTE KEER.
Maar op Zijn diep vernederd volk ziet de Almacht weêr meêdoogend neder!
Breek, zielbenevelende wolk!
't licht van Gods aangezicht keert weder! Verheug u, Jacobs boetend kroost!
De hand, die strafte, brengt nu troost,
die wondde, wil genezen!
Loof God, Zijn toorn is afgewend, uw slavernijdag is gewend,
uw Tempel is herrezen!
ACHTSTE TEGEHKEER.
Zoo zag hy ook op Holland neêr,
hoe ze in des Aadlaars klaauwen zuchtte,
ontfermde zich, en redde weêr â het bloedig roofgevogelt vluchtte! Ja! Neerland zij op nieuw weêr vrij,
vrij onder Nassaus heerschappij,
van wond en wee genezen!
Maar ach! de ondankbre vraagt niets meer!
126
ISRAEL EN NEDEELAND.
Zy vraagt naar de eêlste gaaf niet weêr â haar £erk is niet herrezen!
SLOTZANG.
o God! zal nooit zoo schoon een dag
hier 't hart uws volks verblijden,
als 't vrijgekochte Juda zag,
by 't tweede tempelwijden ? Is 't raadsbesluit onwankelbaar?
En moet de gouden kandelaar van dees gewesten wijken? Is Neerland gantsch van heil ontbloot? En is 't geen ziekte meer, maar dood, waarin wy 't zien bezwijken?
Ontferm u. God van Neêrland! keer,
keer weder in ons midden!
om diens Gezalfden Naam en Eer,
door wien Uw kindren bidden!
Hergeef aan 't diep vervallen bloed den ootmoed en den heldenmoed
der vroome voorgeslachten! Dat langer niet uw vijand juich',
maar machtloos den triumf getuig' van die Uw komst verwachten!
Der Heidnen hoogmoed steeg ten top!
Doe hun Uwe Almacht weten! Wek Neêrland uit de dooden op,
zend IJvraars en Profeten!
Gebied uit Nassaus heldenzaad een Zerubbabel voor den Staat, een voedsterheer der Kerken!
Wil tot een nieuwen tempelbouw (dat Rome siddrend hem aanschouw!) de hand der vorsten sterken!
Hersteller van oud-Israel Beschermheer onzer Vaderen!
127
ISBAEL EN NEDERLAND.
ja! Gy, Gy zult, ien 8pijt der hel, het overschot vergaderen!
Want Gy zijt onveranderlijk! en 't Schepter van uw Koningrijk zal van Uw volk niet wijken,
dan om aan d' opgeklaarden trans met duizendvoud vernieuwden glans den Satan blind te prijken!
VREDE- EN KRIJGSZANG.
Ik formeer het Uotat, en schep de duisternis. Ik maak den Vrede, en schep het kwaad. Ik de Heer doe al deze dingen,
Jüs. XLV: 1
I.
O! hoe lieflijk is uw klank,
zielverblindend woord van Vrede!
't Aardrijk smelt in lof en dank,
waar gy neerdaalt op zijn bede!
Hermons daauwgeur ademt daar,
waar haar kindren samenkomen!
Uemelolie zalft de zoomen van haar heiige Priesterschaar!
II.
Hoe verheffend en hoe grootsch is de galm der krijgstrompetten,
die van d' ijdlen schrik des doods 't edel heldenhart ontzetten!
'k Zal u loven over de aard,
God mijn Leidsman! die mijn vingeren d' onontwijkbren steen leert slingeren,
en m^jn arm den zwaai van 't zwaard 1
L
God bemint der Vrede rust!
Is niet God een God van Vrede?
D' oorlogsfakkel uitgebluscht!
't Staal voor eeuwig in de schede!
128
VEEDE- EN KRIJGSZANG.
God keert weêr, daar Vrede naakt, zy, de hoogste heilgenade,
daar zich ooit een hart in baadde, dat van hemelliefde blaakt!
II.
God, der hemelvrede God,
is een Heer der Legerscharen,
die zijn Wet- en Heilgebod met ontblooten kling bewaren!
Ziet! van Parans hoogen top komt Hy blinkende aangetogen,
met van bliksems vlammende oogen! en Hy daagt Zijn strijdren op!
I.
Jesus Christus door Zijn bloed bracht ons Liefde, bracht ons Vrede!
Tuig het, Bethlems Englenstoet!
Isrels ziender! tuig het mede!
't Vredelied golfde uit uw borst! âVrede op aard!quot; dus liet ge u hooien! âwant een kind is ons geboren!
âen zijn naam is Vredevorst!quot;
II.
Jesus is een Heilbanier voor de verste Heidnenstamraen;
en Zijn godlijk liefdevier moet de harten doen ontvlammen
tot dien godgewijden krijg tegen wereld, hel en zonde,
dien zijn reine mond verkondde,
tot de Satan nederzijg!
I.
Heiige Leerling! zag uw oog,
toen 't de heemlen door mocht dringen,
den smaragden regepboog niet uws Meesters troon omkringen? (*)
(quot;) Johannes. Zie Openb. IV: 1â3.
II. »
129
VREDE- EN KBIJGSZAKG.
O! hoe lieflijk tuigt het al,
dat, wat ooit zich 't hart verbeeldde, de allerhoogste hemelweelde,
vrede, vrede wezen zal!
II.
Maar gy zaagt het tevens aan,
hoe de Heiligen zich schaarden
om de Heidenen te slaan,
op de hagelwitte paarden !(1)
Aan hun hoofd, o Zoon, waart gy! strijden gingt ge en triumfeeren!
Vorst deb vorstek, heek dbb hbeken, was geschreven op Zijn dij.
I.
Vrede, vrede, vrede in 't huis,
waar die Naam wordt aangebeden!
Vrede wrocht Hy door zijn kruis,
en Hy heeft den Draak vertreden!
aan de voeten van het Lam,
is het vreugde, lieven, loven, in 't Jerusalem daar boven,
waar nooit onrust binnenkwam!
II.
Maar op aarde strijdt de Kerk!
Oorlog aan wie God bevechten,
dat is hier-beneên uw werk,
Jesus uitgezonden knechten!
Wie zich niet door 't bloed van 't Lan» 't zondig hart liet overstelpen,
dat hy siddre voor de welpen
130
Voor den Leeuw uit Judaas stam!
SLOTZANG.
Krijg en Vrede! paart u saam, om Gods glorie te verbreiden, boden van één zelfden Naam,
1
Openb. XIX: 11-16.
VEEDE- EN KRIJGSZANG,
telgen van één hemel beiden!
beiden voert ge ons in Gods rustl Uit te rukken en te planten is de last der Godsgezanten, (*) en der Opperwijsheids lust,!
Oorlog aan den Cananiet in 't beloofde land dor vaderen! en, in Isrels erfgebied,
wraak en oordeel aan verraderen! Krijg aan Babels hoererij!
en in eeuwigheid geen Vrede met de afgodendienst der Rede, en des Oproers hovaardij!
Vrede aan 't einde van den baan! Dat zy rusten van hun werken^
wien de maaidag op mag gaan van de in bloed gezaaide Kerken!
Vrede aan U, o kindren Gods! hongerigen, zielsvermoeiden,
en van liefdedorst ontgloeiden!
vrede in Christus, onzen Rots!
Heil den Leeuw uit Jesses stam, die den heilstrijd heeft begonnen!
Lof aan 't uitverkoren Lam, dat door lijden heeft verwonnen !
Krijg, tot dat van Satans rot de allerlaatste zij vertreden!
Vrede tot in de eeuwigheden!
en in beiden â eer aan God!
GOD MET ONS.
Een Iegelijk van n, heeft hy eenen psalm, heeft hy eene leer, heeft hy eene taal, heeft hy eene openbaring, heeft hy eene uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting,
Paulus.
In diepten verzonken van leed en ellende, ___het hart in bedwelmende droomen verward,
(*) .Ier, 1:10,
131
GOD MET ONS.
door prikkels van onrust, wier bron ik niet kende,
gedreven, gefolterd tot eindlooze smart,
heeft de aarde my lang in mijn dorheid gedragen,
in morrende wanhoop aan wereld en lot:
een knagend verlangen verteerde mijn dagen,
een woede van honger naar zielengenot!
Ik zocht het, ik riep wat dit hart zich verbeeldde,
in alles wat de aarde verlokkendst belooft; in brandende driften, in bruischende weelde,
in Ridderverdienste, die 't maagdenhart rooft, in palmen, gewassen voor wereldbedwingeren,
in zangen, bewonderd door 't luistrend gewelf----
Maar 't schaduwbeeld vluchtte voor d' indruk der vingeren
't was ijdelheid, ijdler dan de ijdelheid-zelf! â In diepten des onheils verzonken, verloren,
versmachtte mijn ziel naar den levenden God!
Maar ach! in de blindheid der zonde geboren,
bleef rustelooze woeling mijn pijnigend lot!
Hoe zoude ook het schepsel zich nog onderwinden,
den Schepper te zoeken in 't afgekeerd hert!
En waar is het licht, dat Hem weder doet vinden,
Wiens beeld door de zonde in ons uitgewischt werd? Dat licht kan geen Heidenscho wijsheid doen schijnen, geen stelsels, verganklijk als 't wegsnellend Thands, geen boeteverordning van Wet en Rabbijnen,
geen eigengewillige dienst des Verstands----
O God des ontfermens! Gy zaagt op my neder,
en 'k werd tot een nieuwe bevatting herteeld! In d' Eeniggeboren keert God tot ons weder, in d' Eeniggeboren, Zijn uitgedrukt Beeld!
Die Een'ge .... Zijn hand heeft mijn oogen bestreken,
en 't hartenbewindsel des ongeloofs viel.
Ik zag Hem, ik gaf my! De hel is geweken;
de hemel ging op uit üw woord in mijn ziel!
Ik zag Hem, beloofd aan den balling van Eden,
als 't vlekkeloos Zaad der vernederde Vrouw;
die 't dwangjuk der zonde te pletter zou treden,
den kop van den Heldraak verbrijzelen zou!
Ik zag Hem, voorzegd in den stam der Hebreeuwen, uit Abrahams lenden, uit Koninklijk bloed,
132
GOD MET ONS.
den Spruit, die volbloeid in de rijpheid der eeuwen,
den scheidsmuur der Heidnen uit één storten doet! Ik zag Hem, geschaduwd op Sions altaren,
in offer en wetboek van Horebs Verbond!
Ik zag Hem, den Godmenach, die 't Al moest verklaren,
door Israëls Zienders aan 't aardrijk verkond!
Ik zag Hem, den Wortel van Davids geslachte,
zijn Heer en zijn Koning, en tevens zijn Zoon!
den God van den hemel, d' op aarde Verachte,
geheiligd, verheerlijkt door lijden en hoon,
mensch met ons geworden voor menschenbehoefte,
voor mijne overtreding tot zonde gemaakt,
geslagen, gesmaad door dolzinnig geboefte,
aan 't vloekhout doorboord, van God-zelven verzaakt!.. .. Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,
mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God!
mijn Onheil verwinner, mijn Levensbezieler!
Gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!
Voor ü wil ik strijden, voor U wil ik lijden,
voor TJ wil ik de aarde doorgalmen van lof!
Aan U wil ik adem en levenskracht wijden,
tot de Epgel des levens my slake uit dit stof!
Zijt Gy, o mijn Koning! (Gy!) tot my gekomen?
Hebt Gy hem gezocht, die naar ü niet en zag? Zoo wasch my, zoo baad my in loutrende stroomen des Geestes, dien Ge uitzondt ten Vijftigsten dag! Ja! stort in mijn aadren die kracht van gelooven,
die hoogten ter neêr stort, en marmer verbreekt, die hemelvuur inroept en afdwingt van boven,
en ijskoude harten in liefdebrand steekt!
Ja! geef my te galmen met loven en danken, in vlammenden ijver, in worstlenden moed,
in lieflijke psalmen, in dondrende klanken;
vall' hemel en aarde voor Jesus te voet!
133
GOD MET ONS.
GOD MET ONS.
HYMNE.
Ziet, de maagd zal zwanger worden, en eenen zoon baren, en gy zult zynen naam heeten Emmanuel, hetwelk is, overgezet zynde, God met ons.
Matth. 1:23.
De verborgenheid der Godzaligheid ia groot. God is geopenbaard in het vleesch.
I Tim. 111:16,
Ik ben de eerste en laatste, en die leeft, en ik ben dood geweest, en ziet, ik ben levendig in alle eeuwigheid. Openb. I; 17, 18.
God met ons! God op de aard! God uit de heerlijkheden des ontoegankbren lichts in 't stofgebied getreden!
God, van de Majesteit, die Englen siddren doet,
zioh-zelv' ontblootend, om uit menschlijk vleesch en bloed een tempel, waar geheel Zijn volheid in wil wonen, te vormen, zich als mensch aan menschen te vertoonen, en menschensmart, en angst, en lijden, vloek en dood te dragen voor den mensch die zich Zijn Eden sloot: en, vlekloos in Zijn recht, in liefde nooit volprezen, de Wreker van het kwaad, des zondaars Heil te wezen!
o Almacht van verstand! o diepte van gena!
o Voorwerp voor de lier des Zangers, zonder ga!.... Wat zeg 'k?...voor eeuwigheên van Serafijnengalmen, om 's werelds eindloosheid met lofgejuich te omwalmen! o Openbaring, voor 't geschapene gezicht verblindend, duizlend, ja, verpletterend van licht.
zoo de Almacht-zelf niet sterkt uit steeds vernieuwde krachten! O heilgeheimnis, die de hemelgeesten trachten te ontdekken, maar, ontzet, 't verheerlijkte gelaat verbergen, om niet straks in d' afgrond van Gods raad zich-zelv' te ontvallen, en verderving te ondervinden! o Siddring van de hel! o Vreugd der Godsbeminden! De Vorst des levens wordt geboren uit een maagd!
134
De Heer der heerlijkheid aan 't kruis genageld, (*) draagt in de eigen zelfkracht Gods het vloekgewicht der zonde.
{*) 1 Oor. II: 8. Hand. III: 15.
GOD MET ONS.
en heel de schepping, die Zijne Almacht eenmaal grondde;
Hy, in ééne offerand, geheiligd, vlekloos Lam,
«n priester; God uit God, en Spruit uit Jesses stam!
Veroordeeld tot der dood, en Rechter van heel de aarde!
En man van smerten, wien geen zielsverbrijzling spaarde, en tevens de Opperheer, Beschikker van het lot!
In Godlijke Almacht mensch, in knechtgestalte God! (*) Is 't waarheid? of een droom, uit half verwarde zinnen gerezen, die heel de aard in staat was te overwinnen?
Neen! aarzel niet, mijn ziel! â mijn heilhegeerig hart!
geen twijfel uit de hel houd' langer u verward!
Die wondren zijn gezien door hemel beide en aarde!
Wie kon ze ontwerpen, dan God-zelv'? Die ze openbaarde betuigt ze nog in kracht, met water, bloed en Geest! 't Is waarheid, wat heel de aard in Zijn orakels leest!
't Is 't scheppingsfundament, de Psalm der geestenorden! 't Woord was by God, was God en 't Woord is vleesch
[geworden, (t) Ãén zijt Ge, o Isrels God! maar, in Uwe Ãénheid, Drie! Ãén Heer, één Naam, één Macht, maar driemaal Heilig! Wie der kindren van het stof, van gistren opgerezen,
vermeet zich wederspraak, terwijl Gods heilgen vreezen,
ja, ook de hemel by den naam van 't wonder beeft,
dat Hy alleenig kent, die uit zich-zelven leeft!
God zijt Ge, o Vader! Bron en Oorsprong aller dingen,
uit wiens verborgen bron al 's werelds krachten springen! Onmededeelbre, dien we in Christus hulde biên als kindren, dien geen oog gezien heeft of kan zien! (§)
God zijt Ge, o Zoon van God! Verlosser, Heiland, Koning, en Troonbekleeder in de zichtbre hemelwoning!
Van voor alle eeuwigheid Gods uitgedrukte Beeld,
in al de volheid uit het wezen zelf geteeld!
God zijt Ge, o Geest des Zoons, die uitgaat van den Vaderl Herschepper! Trooster! Kracht-, Geloofs- en Levensader! Onzichtbre Leidsheer van de worstelende Kerk!
en Zegel Gods, in 't hart, van Zijn verlossingswerk!
135
Ãén God, één Heer, één Geest, in drie zelfstandigheden één wezen! door het heir der Zaaigen aangebeden
(*l PhU. II: 6, 7. (t) Joh. 1:1, U. (§) Joh. 1:18.
GOD MET ONS.
met namen, van wie elk Oneindigheid getuigt,
en voor wie Satan zelf de knieën siddrend buigt I
Volheerlijke! eer het woord; baar zij licht! nog gezegd was, eer de allereerste grond der werelden gelegd was,
waart Gy! Van eeuwigheid hestondt Ge in 's Vaders schoot, Gegenereerde, in wien de Vader 't Al besloot!
Door U was 't dat Hy sprak, en heel het schepsel stond er, getuigend van zijn God, en uwer handen wonder! (*)
Ja! ook de mensch, de inensch, der schepping heerlijkst weck, werd naar üw beeld gevormd, ontfing üw geest tot merk zijns voorrechts!... ach! hy viel! in 't hemeltergend pogen om boven schepslenmaat zich-zelven te verhoogen,
en geen gelijknis meer te zijn, maar Medegod!
Hy stort, hy is ontkleed van heerlijkheid: zijn lot en 't lot van heel de teelt, die in zijn aadren zondigt, is uitgesproken, en den schuldige verkondigd:
,'t gebod zij hem ten dood! de moederaard zijn graf! âen levenseeuwigheid worde eeuwigheid van straf!quot;
't Was in Gods Raad beschikt! 't moest zijn dat ook de zonde den rijkdom, aan 't Heelal, der deugden Gods verkondde!
Vóór 'swerelds grondslag was 't onstraflijk Lam geslacht, op wien èn Adam èn heel 't schepsel zuchtend wacht,
en dat als 't Zaad der vrouw reeds in den hof van Eden ten voorwerp is getoond van offers en gebeden!
Gy waart het. God en Mensch! ontzachtbre Emmanuel, Ontzondiger der Kerk, Verpletteraar der Hel!
Beloofde Goël! U mocht Abraham begroeten aan Mamres eikenbosch, en wasschen ü de voeten, van Hemelwezens thands een gastheer. Mond aan mond vernieuwdet Ge in zijn Zaad 't gezegend heilverbond,
toen Ge uittrekt op 't geroep der tweelinggruwelsteden! Ge ontdektet hem Uw raad, Gy, hoordet naar zijn reden, gy wandeldet met hem, gelijk een hartevrind in d' omgang met zijn vriend het zielsbehagen vindt.
136
Met U droeg Jacob eens zich vorstlijk, en het teeken des wondren worstelstrijds by 't eerste nachtverbleeken bleef in de ontwrichte heup. De Aartsvader boog de kniên, en riep: Ik heb God-zeiv' van aangezicht gezien! (t)
(â¦) Heb. 1:8-10.
(t) Gen. XXXII: 20.
GOD MET ONS.
IJ zag op Sinaï, van honderdduizend Helden
omschitterd, Araram's zoon, daar heuveltop en velden
van 't dondren daverden des strengen Wetgebods,
dat ge eenmaal zelf voor ons vervullen zoudt. De Rr.s
van Israël waart Gy. De Tabernakelglorie,
aan 't uitverkoren volk ten teeken van viktorie
en gids verordend, was Uw aangezicht. U boog
vorst Josua zijn kniên, toen Ge U aan 's Krijgsmans oog
met uitgetogen zwaard als Vorst der Hemelscharen
vertoondet, om den bloem van Isrel te vergaren,
en Jericho te slaan. U zag de strijdbre man,
geroepen door Uw stem ten schrik van Midian! (1)
U bad Manóah (*) aan, toen Ge opvoert in de vlammen
des offers, U geslacht. (*) U kenden Isrels stammen
als d' Engel Gods, God-zelv', wien de aarde aanschouwen mag
in 't Englenlichtkleed, in de menschheid! Wie U zag,
u zichtbren God uit God, zag d' ongezienen Vader! (f)
Lof zij ü, Mensch voor ons, en God met ons te gader!
Der eeuwen zwangerheid vervult zich. 't Tijdsgewricht
van verr' verwelkomd in 't profetisch heilgezicht,
is rijp geworden; en de zaligheid, den Heiden
uit Israël verkond, zal opgaan haast voor beiden.
Nog staat Jerusalem; nog is de scbepter niet
van Judaas stam vergaan; nog, Davids erfgebied
van de overheersching vrij, ofschoon een Idumeër
op 't rijksgestoelte pronkt van d'eedlen Machabeër!
De tweede tempel spoedt ten nooit herstelbren val,
en wacht slechts op den Heer, die snellijk komen zal
naar 't vastbesloten woord (§). Reeds zegent Zacharia
d' uit hem in kracht en geest herrezenen Elia, (2)
den Boetgezant, wiens naam genabeloften draagt, (ff)
den Wegbereider van zijn Heiland. Ziet! de Maagd
ia zwanger! 't Wonderkind is van den Geest ontvangen!
De strijd des heUs vangt aan. De machtigste Englenrangen
zien vol van siddring uit de vreugd des hemels neêr,
of zweven in den kring dier aarde, waar hun Heer
gaat lijden voor de schuld van schepsels, 's Werelds machten
137
1
(*! Rich. VI en Xin. (t) Joh. 1:18. XIV: 8, 9. (§) Ma]. III: 1.
2
Luo. 1:17. (tt) Johannes of Joohanan, d. i. van God genadig geschonken
GOD MET ONS.
zijn als in barensnood; en alle schepsels wachten.
Ja! zelfs het Heidendom, in wondre harmony
met heel de orakelreeks van Isrela profecy, (1)
ziet naar den Koning uit, die komen moet van 't Oosten!...
Hy is gekomen! maar om needrigen te troosten,
en needrig zelf te staan in Godskracht zonder glans!
Hy is gekomen, om 't geweld des Dwingelands
van wereld, zonde en hel, door sterven neêr te vellen,
voor de overtredingen het offer daar te stellen,
en, in gehoorzaamheid aan heel den eisch der Wet,
gebroken aan dat kruis, door God ten vloek gezet,
't vervloekte Slangenhoofd voor eeuwig plat te treden!
O zalig Bethlehem! Gy, onder Judaas steden de kleinste! maar by God meer dan de heemlen groot! O diep verneêrd verblijf, waar de ongerepte schoot der koninklijke Bruid des werelds Heiland baarde!
Hy, die den hemel heeft ten troon, ten voetbank de aarde, gaat, menschenkind! u voor in zelfvernietiging,
en openbaart zich arm, zachtmoedig en gering!
Aanbid de vrucht Uws buiks, gezegendste der Vrouwen! Komt, Oosterwijzen! hier den Hemelgod aanschouwen! Spoedt, Herders! werpt u neêr voor Davids Heer en Zoon, niet in de schittring van d' Aartsvaderlijken troon,
maar liggende in de krib, met doeken omgewonden, in 't schaamle Bethlehem! Doch de Engelen verkonden '
zijn glorie! 't Geestendom, daar 't op onze aarde staart,
looft in de heemlen God in 't lichaam geopenbaard!
God met ons! God gezien! God onder menschen wonend, en in de zwakheid zelf des lijdens Almacht toonend!
Wie is Hy, die daar komt van 't schaamle Nazareth?
Het is de Heilprofeet, voorzegd in 't Boek der Wet!
Wie is Hy, die daar komt, ontbloot van machtvertooning ? op 't veulen rijdende des jokdiers? Ziet, uw Koning o Juda! ziet. uw Heil! o Sion! ziet den Mensch! den Godmensch, Isrels Hoop, en aller Heidnen Wensch! Hosanna, Davids Zoon! Hosanna in den hoogen!
Gezegend die daar komt Bethanië uitgetogen!
138
Hosanna! uit den mond der kindien stijgt Uw lof,
1
Virc. Ecloga IV. Tac. Hist. V Suet. In Vespas,
GOD MET ONS.
en mengt zich aan 't gejuich van 't blinkend hemelhof.
6y kwaamt! de hel verschrikt; de duivelen verlaten hun prooi, en brengen U, dien ze in hun afval haten, 't getuignis van een hulde, onheilig, niet geveinsd!
Miskend, gehoond, belaagd, en zonder aanzien, deinst voor d' opslag van üw oog 't geweld der moordenaren te rug! ja zelfs de kreet der saamgedrongen scharen roept U ten Koning uit. 6y weigert hulde en staf, en. Heiland, gaat het land in armoê door! Aan 't graf herneemt Ge met één wenk den prooi, reeds half verzwolgen, 't Geweld der stormen en de oproerigheid der golven bestraft Ge met één woord, en alles zwijgt en zwicht. Gy zalft des blinden oog, en 't opent zich voor 't licht Voor 't zonlicht? ook voor 't licht dat nimmer zal verduistren, 't licht der onsterflijkheid in U. De dooven luistren, ontbonden, naar üw stem. De kreuplen zijn versterkt en wandlen. 't Is de stem der Godheid die hier werkt, (helaas! steeds onerkend by 't kroost, eens uitverkoren!)
niet schrikbaar, als die eens den schrik der Wet deed hooren op Horeb, bliksemend en dondrend om ons heen,
dat bergen schudden, en de steenrots borst van één!
Neen! zacht en vreedzaam is de komst des Welbeminden, (1) maar ook die zachtheid-zelve is sterker dan èn winden èn bliksemschichtvuur! 't Is hier meer dan berg en rots, dat voor zijn aanblik breekt! 't is Phariseesche trots en Sadduceesch geweld: 't zijn harten, in de zonde verhard, maar op het woord, dat boete en vreê verkondde, ontsloten voor 't Geloof door de eigen scheppingskracht, die in den aanvang heel 't heelal heeft voortgebracht!
Gezalfde! tegen ü zijn volken t' zaam en Vorsten vergaderd. Zy staan op, die eens Jehovah dorsten verwerpen, en den mensch te plaatsen op Zijn troon, (t) thands tegen Davids huis weêrspannig, thands den Zoon vijandig. Welk een reeks van saamgespannen snooden! 't Verdwaasde Heidendom, de hardgenekte Joden,
de onheiige Priesterstand uit Arans heilig zaad,
de schendige Overheên, de Phariseesche Baad,
139
Herodes, met het bloed des Doopers nog bedropen.
(t) 1 Sam, VIII: 7.
1
Matth. XII: 18-21.
ÃOD MET ONS.
Pilatus, voor de gunst eens Keizers steeds te koopen.....
doch o ontzettend! o volheerlijk Godsbestuur!
o nacht van strijd en angst! o schrikdag! 't Is het uur der macht der duisternis. Op! Satans lijftrawanten!
Stort heel uw hel woede uit op 't hoofd der Godsgezanten! Valt aan! verdrukt! benaauwt! verguist, terwijl gy 't moogt' 't Is u gegeven! Hy, de Midd'laar, wordt verhoogd,
volmaakt, geheiligd door Zijn lijden, door het plengen
zijns bloeds! Gy triumfeert?----Wat kunt gy, dan volbrengen
dien vast besloten Baad, voor dat gy-zelf bestondt,
op waarheid en gena van eeuwigheid gegrond?
Ja! zy, zy hebben zelf de aloude profecijen
vervuld! â Aanschouwt hun eind, verheven Englenrijen!
Aanschouw het, heiige schaar in Vader Abrams schoot,
eer Christus leed in 't vleescb, reeds zalig door Zijn dood!
Aanschouwt het, heemlen! en, getuig het, o gy aarde!
De Heilige Isrels is verkocht voor zilverwaarde,
de Onzondige is doorboord aan 't zondevloekhout. God
wreekt aan Zijn eigen Zoon 't geschonden Wetgebod!
De Christus lijdt! voor u! voor u werd Hy geslagen,
voor u bespot, gesmaad, uw last heeft Hy gedragen,
o gy, gezegenden des Vaders! Hy voldoet!
Hy, in uw plaats verkocht, Hy koopt u met Zijn bloed!
Zijn handen zijn doorboord, Zijn voeten zijn doorgraven!
Zij deelen door het lot Zijn kleedren, en zy laven
de dorst Zijns stervens met hun edik.... 't Is voorzegd!
't Is onzer zielen prijs, 't is de eisch van 't hemelsch Recht!
Hy heeft de straf getorscht van Adams overtreden,
voor de overtreders heeft Hy boetende geleden!
Triumf! op 't kruisaltaar is 't Lam van God geslacht!
't Is 't eeuwig offer der Verzoening... 't Is volbracht!
't Is volbracht! Hy zegepraalt! â Zondeschuld! gy zijt betaald.
Dood! gy zijt verslonden. Slangenkop! gy zijt vergruisd, wy, met Christus u gekruisd, heilloos rijk der zonden!
140
GOD MET ONS.
Jesus Christus gaf den geest!
't Uur des lijdens is geweest,
de oude mensch, gestorven !
Leggen we in des Heilands graf zielenangst en doodvrees af!
Heil is ons verworven!
Ja! de Heer is opgestaan!
AU' gy Englen! bidt Hem aan!
Looft Hem, Uitverkorenen!
Juicht in Zijn verrijzenis,
â wien Zijn bloed ten losprijs is,
Gode weêrgeborenen!
Oy zijt opgestaan, o Heer!
't Treurend Godsvolk zag U weêr!
Gy zijt opgevaren by 't triumfbazuingeklank,
by den daverenden dank aller hemelscharen!
Gy zijt opgevaren. Heer!
's Dwinglands sterkten wierpt Gy neêr,
om Uw volk te slaken!
Zijn gevanknis werd Uw buit!
Stort Uw kracht. Uw gaven uit, om ons vrij te maken!
Onze Heiland! onze God!
in Uw Midd'laarshand is 't lot
aller wereldmachten!
tot bewaring van Uw Kerk,
boven al de woede sterk aller hellekrachten!
Tot verzeekring in den strijd,
aan Uw heilgen Naam gewijd,
krachtig ter viktorie!
tot Ge in 's Vaders heerlijkheid, Eechter vol van Majesteit,
wederkeert in glorie!
141
GOD MET ONS.
God met ons, Ãmmanuël!
overwinnaar van de hel!
allen schrik verdrijft Gy!
Raze Satan! stijg' de nood!
dage de onverbidbre dood!
God met ons, die blijft Gy!
God met ons, in 't vleesch op aard!
Thands onzichtbaar geopenbaard
door den geest des levens!
In elk harte, dat versmacht naar die zielsvervullingskracht,
moê des aardschen strevens!
Ja! de Heer is opgestaan!
't Licht van God is opgegaan!
spoed ü, hemeltijding;
uit Judéaas moederkerk tot der verste Heidnen perk,
de aarde tot verblijding!
Hemelsch Sion! Gy verschijnt!
't Aardsch Jerusalem verdwijnt!
Vliedt, ondankbre Joden!
tot ge u nederbuigt voor Hem,
quot;Wiens door u miskende stem opwekt uit de dooden! 1826. _
AAN MIJNE BGADE,
TBR HARER VERJARING,
den Tweeden April 1826.
Laat (ons) alzoo onze dagen tellen, dat wy een wijs hart bekomen. Ps. XC:12.
Ik vond benaauwdheld en droefenis. Maar ik riep den naam des Heeren aan, (zeggende): Och Heer, be-vryd m\jne ziel. De Heer Is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermend. â Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den naam des Heeren aanroepen. Ps. OXVI.
Wederom een dag van zegen,
onzen harten opgegaan!
Nieuwe vreugd, van Hem verkregen,
voor wiens aangezicht wy staan.
142
AAN MIJNE EGADE.
om Hem eer en dank te brengen, om Hem stroomen lofs te plengen
uit een overstelpt gemoed!
Hem, die nimmer zeegnensmoede my voor d' ergsten slag behoedde, vloei' de zangtoon! Hy is goed!
Ja! Hy hoorde, toen uw sponde me in de zielsverzuchting zag van de siddring voor een wonde,
die geen balsem heelen mag!
Zijn verhooring mocht ons blijken! Dood en ziekte moest bezwijken!
Uit de duisternis rees licht!
Hy, de Heiland, de Albehoeder sterkte, redde, maakte u moeder .... van een thands verengeld wicht.
Dierbre! een traan bedaauwt uw oogen
'k Schrei met u! weêihoud ze niet! maar het harte steeds ten hoogen!
vol van weemoed, geen verdriet! 't Geen Zijn liefde ons heeft gegeven voerde Hy niet uit het leven,
maar ten leven zalig in!
?t Geen één uur ons hier verheugde, heeft thands eeuwge hemelvreugde, zielsbedroefde hartvriendin!
O! wat weldaan, by het lijden van het angstig oudrenhart!
O! wat goddeljjk verblijden,
by de zielverscheurbre smart! Ach! wy zagen 't telgjen leven!
Onze lippen mochten kleven
aan zijn nog bezielden mond!
en wy mochten in zijn trekken 't onbeschrijfbre merk ontdekken, dat een kind van God verkondt!
't Oudrenharte zag hem leven,
zag hem lijdend, stervend, dood!
AAN MIJNE EGADE.
maar het mocht hem wedergeven
met een hoop, die God-zelf bood! 't Engeltjen verliet zijn hulsel,
dat van onder 't kerkverwulfsel opstaan zal ten jongsten dag;
uit het zelfde grafgesteente,
waar ook eenmaal ons gebeente den bazuingalm wachten mag!
Wel! de knieën dan gebogen in den tempel onzes Gods! Lof gebracht aan 't Alvermogen!
lof in Christus, onzen Bots!
Dank gebracht voor angst en lijden! dank voor redding en verblijden
in dit vreemdlingsland der stof!
Dank voor 't spruitjen, kort van dagen, dat onze oogen naauwlijks zagen,
of God plantte 't in Zijn hof!
God van heil! God onze Vader!
Onbegrijplijke! immer goed!
breng ons steeds Uw liefde nader
door des Een'gen zoenend bloed!
Stort Uw volheên van genade op de teergeliefde Gade,
op het dierbre huwlijkspand,
die Uw gunst my liet behouên,
die 'k met kinderlijk vertrouwen veilig wete in Uwe hand!
Moge ons steeds Uw Liefde laven!
Heilig ons in vreugde en smart! Heilig ons Uw milde gaven!
Heilig d' echtknoop van ons hart! Leer ons onze dagen tellen,
dat ze niet daar henen snellen met des werelds ijdlen schijn,
maar in zonde- en zelfverzaking, in geloof en heiligmaking,
aan Uw dienst verbonden zijn!
144
AAN DS. L. H. BAHLEE.
AAN Ds. L. H. BAHLER.
Getrouwe, wien geen eeuw van ongeloof en laster
in d' ijver van Gods Kerk geschokt heeft, of ontzet.
maar die, in 't heilgeloof van 't Godlijk woord steeds vaster, zijn vijand weer bood met de waapnen van 't gebod!
Hoe doet Gy 'sjonglings hart, aan 's Heilands dienst geheiligd.
door 't voorbeeld, dat Gy geeft, van krijgsdrift opengaan! Wanneer 't Uw aohtbre kruin, steeds door zijn hand beveiligd, nog onbezweken ziet in Zijn geleedren staan.
Ja! menig vuurgen strijd hebt Ge in Zijn kracht gestreden,
van dat Uw eerste jeugd zich op dien baan begaf!
Maar immer was Hy trouw, wiens Naam Gy hebt beleden; de vuurpijl van de hel stuit op 't geloofsschild af!
Uw leeftijd zag d'orkaan zich over de aard-vergaren,
die mensch- en duivlendom door één verwarren moest; uw leeftijd zag den val van troonen en altaren,
en Kerk en Vaderland in 't stormgeweld verwoest.
Door de Almacht dier Gena, wier eer Gy mocht verkonden,
bleeft Gy voor d' ijdlen klank dier Alverdraagzaamheid, die niets wil dulden, dan den gruweldwang der zonden, by d'afval om U heen, verzekerd, onverleid!
In tranen by 't geweld der Kruisverloochenaren.
maar moedig in de hoop op 't eeuwig levend Woord,
bleeft Ge op de onfeilbre Ster van Judaas Koning staren, en wandeldet Uw weg in 's harten eenvoud voort.
O! hebt Ge ook jaar aan jaar op 't pad door U verkoren,
van d' ochtend tot de nacht bevochtigd en gezaaid,
geen arbeid op dit veld gaat immermeer verloren â
de vrucht wordt eens wellicht nog door Uw kroost gemaaid!
Ja! meer nog! uit dien vloed van gruwelen en logen,
die 't ondergaand geslacht zal storten op 't heelal, n. 10
145
AAN DS. L. H. BAHLER.
ontwikkelt zich een plek, reeds zichtbaar voor onze oogen, dien 's hemels reine daauw op nieuw bevruchten zal.
Neen! Vroomen! wanhoopt niet, om dat die velden dorden, die 't dankbaar voorgeslacht zoo heerlijk bloeien zag!
Uy leeft, die aarde en zee en hemelen deed worden,
Hy schept uit jammer heil; Hy uit den duister, dag!
Hy doet de levenden ter helle nederdalen!
Hy roept de dooden, dat zy leven â 't is volbracht!
Hy, laat Hy op Zijn kerk een blik van zegen stralen,
geeft duizendvoudig weêr wat ge onherstelbaar acht!
Elia bad tot Hem: de regen daalde neder
op d'uitgeblaakten grond van Achabs schendig rijk:
Eliaas kracht, o Heer! keere in Uw kindien weder,
en, ja! de Godsrivier stort over dam en dijk!
Ziet daar! een kleine wolk is uit de zee gestegen,
nog door geen oog gezien, nog door geen hoop vermoed!
Weldra! en heel de lucht giet plassen uit van regen, van regen, die het zaad der Godskerk rijpen doet!
Geloovigen, grijpt moed! met wierook van gebeden den wederkeer verhaast van d'onweêrstaanbren Geest!
Met d'ijver voor Gods eer den Baalsdienst bestreden! en 't hemeltergend juk van d'Eeuwgeest zij geweest!
Spreekt, predikt, dondert! rukt den afgrond van zijn zetel, die 't afgekeerd verstand van Neêrlands volk verblindt!
Geen trouw aan Christus naam was ooit voor God vermetel; laat smalen, wie Hem haat! Gy! strijdt en overwint!
Getrouwe dienstknecht Gods! wellicht!---- en ook Uwe oogen,
voor dat hen 't morgenrood der Eeuwigheid bestraal',
aanschouwen den triumf van Jesus Alvermogen,
in de aldoordnngbrs feiacht der heiige Pinkstertaai!
Verkondig, sterk ia Hem, Zijne eeuwig rechte wegen!
in spijt van hel en haat en laffe spotternij!
Op 't Herdersampt verblijft Gods steeds vernieuwde zegen! waar uiet des Schepsels naam verheerlijkt wordt, maar Hy 1825.
146
PAASCHZANGEN.
PAASCHZANGEN.
I.
HET KRUIS.
Gaat het ulieden niet aan, gy allen, die over weg gaat? Schouwt het aan, en ziet, of er eene smart zij, gelyk myne smart die my aangedaan Is, waarmede de Heer my bedroefd heeft ten dage der hlttlgheld z\jns toorns.
Klaagl. 1:12.
(Wyze: Fr. Cant. 13.)
o! Hoe duister, hoe ontzettend,
ziel verscheurend, hartverplettend was dat schrikverwekkend uur,
toen het vlekloos Lam geslacht werd,
en de losprijs aangebracht werd,
der gevangen creatuur!
Toen de losgelaten Booze aan deu Schuld- en Zondelooze
zijn verwoede klaauwen sloeg,
toen de Godmensch voor de Zijnen, doodshenaauwdheid, hellepijnen in 't geheiligd lichaam droeg!
Toen Gethsemane Zijn klachten in dien aakligsten der nachten,
in dien bangsten strijd vernam;
daar de Paasclimaan somber lichtte op dat hemelsch aangezichte,
van 't verzoenend bloedzweet klam!
Toen de snoodste der verraderen zijn verkochten Heer dorst naderen,
met een kus gevangen nam;
toen de Christus zich liet vinden,
zich liet grijpen, zich liet binden,
als een weerloos offerlam.
Toen de vierschaar der godloozen de Vergadering der boozen,
147
PAASCHZANGEN.
tegen Hem ten oordeel zat,
ivien de Wet Gods Zoon verklaarde, wien als Richter van heel de aarde vader Abraham aanbad!
Toen Pilatus zijn geweten,
in zijn Gabbatha gezeten,
uit laf harte vrees verried;
aan den moedwil der soldaten,
aan den eisch der onverlaten, den Rechtvaardige overliet.
Toen de Koning, Davids Zone,
met de scherpe doornenkroone,
in het spotkleed, buitenkwam,
al den smaad droeg van die snooden, en den bloedkreet van de Joden, overdekt van smart, vernam!
Toen de Heilige der heilgen,
wien Zijn Almacht kon beveilgen,
't alleruiterste onderging;
en, by 't lasteren der scharen,
tusschen raauwe moordenaren
aan 't vervloekte kruishout hing!
Toen de Man, by wien geen zonden, geen bedrog ooit werd gevonden,
uit de diepten van zijn hert, dat ontzettend woord deed hooren, en de Zone, d' Eengeboren van Zijn God verlaten werd!
Gy, aanschouwers uit den hoogen! Englenscharen! dekt uwe oogen voor die aartsverborgenheên! Wereld, hoor het met verschrikking! Hoort het, zondaars! met verkwikking. Wie dat alles heeft geleên!
148
PAASCHZANGEN.
Die Gekruiste, die Verwonde,
die tot vloek gemaakte en zondo
is de Temmer van de hel,
is de Vorst der hemellingen,
is de Schepper aller dingen,
is de God van Israël!
Ja! verneemt het, heel gy aarde! Wat der tijden volheid haarde;
nienschenzonen! komt en ziet! 'tls Gods woord, dat hier vervuld wordt! 't Is Gods raad, die hier onthuld wordt! 't Is Gods wil, wat hier geschiedt!
Voor de zonden der Verkoornen,
jn hun strafschuld gantsch verloornen,
levert God Zijn' eigen Zoon;
en Hy stelt op d' eigen stonde,
al den grouwel van de zonde,
al Zijn zondaarsmin ten toon!
't Recht van God, op 't felst geschonden, eischt voldoening van de zonden,
maar zijn bloed koopt zondaars vrij! Ziet! Gerechtigheid en Vrede stemmen hier tot vrijspraak mede,
naar de aloude prof'ecij. (*)
Daartoe kwam dat Woord op aarde, dat de Maagd te Bethlem baarde,
spruit en Hoofd van Davids huis! om te dienen, om te lijden,
om ten bloede toe te strijden,
om te sterven aan het kruis.
Ach! die oogen, die 't aanschouwen!
Ach! die teedre, zwakke vrouwen, die van verre staan en 't zien! Ach! wat tranen! ach! wat klagen! want de Herder werd geslagen,
149
en de ontstelde schapen vliên!
(') Ps. LNXXV:ll.
PAASCHZAKGEN.
By het kruis stond Jesus moeder, zonder Zoon meer, zouder hoeder,
en het zwaard ging door haar ziel! (*) O, gy heemlen! zaagt ge ooit smarte, als die aan dat moederharte op dien stond te beurte viel?
O! hoe duister, hoe ontzettend, zieldoordaavrend, hartverplettend, was dat schrikverwekkend uur, dat den Zoon van God Zijn leven voor 't behoud zag overgeven der gevallen creatuur!
De aarde siddert, rotsen kraken,
dooden in het graf ontwaken!
Jesus Christus geeft den geest!
En de voorhang van den tempel scheurt in tweeën lot den drempel! â De eerste schepping is geweest!
Golgotha! gy zaagt dat wonder!
't Licht der heerlijkheid gaat onder,
en het daglicht keert tot nacht!
Maar die nacht weldra wordt klaarheid, at wat schaduw was, wordt waarheid! 't Is vervuld, het ia volbracht!
Ja! volbracht zijn al de woorden,
die de Godspropheten hoorden!
Ja! vervuld is 't Recht der Wet! Onze wonden zijn verbonden,
onze zonden zijn verslonden,
en de slangenkop verplet!
In het kruis zal 'k eeuwig roemen! en geen wet zal my verdoemen;
Christus droeg den vloek voor my! Christus is voor my gestorven,
heeft gena voor my verworven!
'k ben van dood en zonde vrij!
PAASCHZANGEN.
Zalig, die in Hem gelooven! O! bestraal ons hart van boven,
Geest der Waarheid! God van heil! Dat mijn ziele zich verlieze,
(dit's het deel, dat ik verkiezo!)
in die liefde zonder peil!
Looft, o Sion! prijst uw Heere! De aarde luister', 't Lam ter eere, naar uw heilig psalmgebruisch! Looft Hem, die de hel verplette!
Looft Hem, die Zijn volk ontzette! Looft uw Koning aan het kruis!
II.
DE RUST IN HET GRAF.
En op den Sabbath rusteden zy naar het gebod.
Luo. XXIII: 56.
A.
Op den Zevenden der dagen heeft de Almachtige gerust van den arbeid Zijner handen, Zijner oogen vreugde en lust!
Aard en hemel stond geschapen, man en gade, dag en nacht! De eerste Schepping! 't eerste Menschdom! de eerste Sabbath! â
't Was volbracht.
B.
Op den Zevenden der dagen rustte Jezus in het graf van den arbeid Zijner ziele, die Hy willend overgaf!
In de zwakheid van den kruisdood werkt een nieuwe Scheppingskracht :
't Is Vervnlling! 't Is Verzoening! 't Is Verlossing! â 't Is vol-
[bracht!
III.
(Wyze: Psalm 66.)
o Rustdag, lieflijkste der dagen! hoe welkom was uw stilte aan 't hart van Jesus vrienden, moê van klagen, en schier verslonden in hun smart! Gy waart hun eerste troost na 't lijden
151
PAASCHZANGEN.
van hun Verlosser, Heer en God!
en de eerste lichtglans van verblijden ging uit van 't Vierde Wetgebod!
Dit is de Sabbath van Gods kindren!
dag van veraadming, hoop en troost!
dien al de gramschap niet zal hindren,
van 't Phariseeuwsch verbasterd kroost! (*!
Nog is de raad van woede aan 't koken, die Gods Gezalfden overgaf!
Den Sabbath hebben zy verbroken â
de Heer des Sabbaths rust in 't graf!
Gy Volk, wien 't Leven werd verworven! brengt by dat graf uw Heiland lof!
De Vorst des Levens is gestorven!
De Heer der Glorie ligt in 't stof!
Aanbidt dat wonder der genade!
Ziet, waar uw Meester werd gelegd!
Slaat Zijne onfeilbre wegen gade!
Hoort wat het Godsorakel zegt!
Zy hadden wel by moordenaren 't deel des Onzondigen gesteld;
maar Hem, wiens kruis ons heil moest baren, was in Zijn dood reeds eer voorspeld!
De Raadsheer van Arimathéa neemt Zijn doorstoken lichaam af!
De dochteren van Galiléa zien Jezus in des rijken graf! (t)
Ja! 't heilig lichaam rust in de aarde, en, nederdalend in haar hert,
neemt weg den vloek, die haar verzwaarde, sinds de eerste mensch gevonnisd werd!
Komt! laat ons Josephs hof bezoeken!
Daar werd begraven onze schuld !
Daar ligt in graf en hoofdzweetdoeken de hoop der heerlijkheid gehuld!
l') -Mattb. XXVII; 62-66.
It) Jes. LUI: 9. Matth. XXVII; 57 en volg. Luc. XXIII; 50-55.
L52
PAASCHZANGEN.
Daar is uw zegepraal begonnen,
o Gods verkoren Israël!
De leeuw van Juda heeft verwonnen!
Hy neemt de poorten in de hel!
Hy heeft volstreên! Hy legt zich neder!
Hy rust, wie zal Hem op doen staan? (1) Hy-zelf, Hy neemt zijn leven weder! En â dat de kerkers opengaan!
Ja! nog een weinig! en de Waarheid
zal spruiten uit des aardrijks schoot! (f) Een nooit geziene zonneklaarheid
stijgt uit de diepten van den dood! Het Jubeljaar is thands voldragen,
door de oude schaduwwet verkond! Versmelt, o Zevende der dagen!
In d'Eersten dag van 't Nieuw Verbond.
IV.
DE OPSTANDING.
God zal ze helpen in *t aanbreken des morgenstonds.
Ps. XLVI: 6.
A.
Op den eersten dag der dagen bracht Jehovah en Zijn Woord hemel, aarde, en al haar heiren, uit het niet ten aanzijn voort. Duisternis bedekte d' afgrond en des aardrijks aangezicht! Maar God sprak het woord der Almacht, Daar zij licht, en
daar was Licht!
B.
153
Op den eersten dag der weke, voor den daauw des morgenroods rees de Godmensch uit de banden des te niet gebrachten doods! Onverderflijkheid en Leven werden aan het licht gebracht! en de Zon der Nieuwe Schepping brak d' aloude zondenacht!
(t) Pa. LXXXV: 12.
(Wijze: Gez. 39.)J In den vroegen morgenstond heeft Gods Woord Zijn Sioniten,
1
Gen. XLIX; 9. Openb. V : 5.
PAASCHZANGEN.
redding uit de ellend verkond,
waar hun tranen overvlieten!
't Werd beloofd, en 't is voldaan! Onze Heer is opgestaan!
Vrijgekoohten uit den dood!
staakt uw schreien! wilt niet zorgen!
ziet naar Hem uit in uw nood, als de wachters op den morgen! 't Licht moge op- en ondergaan! maar de Heer is opgestaan!
O mijn ziel! wanneer de nacht des vertwijflens, des bestrijdens,
u bestormt en aanvecht, wacht! 't Allerdonkerst uur des lijdens zal in blijdschap overgaan!
want de Heer is opgestaan!
Uitverkoren kerk van God!
wil voor 't helgeweld niet schroomen!
Veilig, zeker blijft uw lot,
schoon uw Heer schijnt weggenomen! Ook uw morgenstond spoedt aan! Sions Vorst is opgestaan!
't Onverganklijk Levenslicht rees met gantsch ontdekten luister
uit de smaadheid van 't gericht, (*) uit der graven sombren kluister! 't Nachtuur is voorbij gegaan! 't Licht des Heils is opgestaan!
Hemelglans en gloed bestraalt 't graf, bezegeld door de Joden!
De Englen Gods zijn neêrgedaald, de aardsche wachters zijn gevloden! Beving grijpt de wereld aan!
Onze Heer is opgestaan!
154
(»j Jes. r.III: 8.
PAASCHZANGEN.
't Graf is ledig! nadert! ziet!
o door trouw gedreven vrouwen!
zoekt Hein bj de dooden niet,
dien geen doodsgeweld kon houên! De Engel-zelve kondt het aan:
dien gy zoekt, is opgestaan!
Kloeke, teedre Magdaleen!
gy, gy mocht Hem 't eerst aanbidden!
Hoog bevoorrechten! spoedt heen! meldt het in der broedren midden!
zegt vooral het Petrus aan,
dat zijn Heer is opgestaan!
Maar ook hy zal nog dees dag aan des Meesters voeten weenen,
dien hy schuld belijden mag, die vergeving wil verleenen!
Jesus neemt den boetling aan! daartoe is Hy opgestaan!
O! op Emmaus pad te zaam,
diep bedroefde wandelaren!
u, vereenigd in Zijn naam, (1)
komt Hy-zelf de Schrift verklaren! Welk een blijdschap grijpt u aan! Isrels Heil is opgestaan!
Heiige schaar! gelooft ge nu? Jesus-zelve brengt U vrede!
Jesus ademt over u,
en Hy deelt Zijn Geest U mede! (t) 't Is geen droom, geen ijdle waan! Hy is waarlijk opgestaan!
Thomas! neen! geen twijfel meer! zie die handen! zie die zijde!
't Is de Meester! 't is uw Heer! 't is uw God, die u bevrijdde!
1
Lac. XXIV; 15. Matth. XVIII; il). (t) Joh. X£ : 22.
PAASCHZANGEN.
Staar Hem met aanbidding aanl Waarlijk! Hy is opgestaan!
By het Galileesche meer, (*)
zagen honderden van oogen
den verrezen Heiland weêr;
en voor Hem in 't stof gebogen, hieven zy den juichkreet aan: ja! de Heer is opgestaan!
Ook uw oog aanschouwde Hem, o der jongren jongstgeboren,
en uw oor vernam Zijn stem!
Laat het tot Damaskus hooren,
kondig het der wereld aan:
'k zag Hem! Hy is opgestaan!
Isrel! gy ook zult Hem zien,
dien uw Vaadren hopend wachtten!
en aan 't Gods Lam hulde biên, dien uw Overpriesters slachtten! Neen! uw zaad zal nooit vergaan! Davids Zoon is opgestaan!
Eens zal aller oog Hem zien!
Alle zondaars, alle volken!
alle knie Hem hulde biên,
als Hy weêrkomt op de wolken! Beeft, verharden! schouwt het aan! Ja! de Heer is opgestaan!
0! die dag van heil en loon! dag van jubel, dag van glorie!
als de in God ontslapen doón, zullen opstaan in viktorie!
't Eeuwig Licht is opgegaan!
Onze Heer is opgestaan!
156
0 die dag, die dag van loon! 0 die dag, die dag der wraken!
I*) 1 Cor. XY : 6. Matth, XXVIII: 7.
PAASCHZANGEN.
als de Richter op den troon van den vollen toorn zal blaken!
't Rijk der zonde moet vergaan!
't Lara van God is opgestaan!
Ja! de Heer is opgestaan!
Gods bazuinen zullen klinken!
de eerste dingen zijn vergaan,
nieuwe heemlen zullen blinken!
Nieuwe tijden vangen aan â
God is scheppend opgestaan!
V.
LOFZANG.
Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontTangen de kracht en rykdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. Openb. V : 12.
(Wijze: Gez. 1.)
Hallelujah! Lof zij het Lam!
die onze zonden op Zich nam!
wiens bloed ons heeft geheiligd!
Die dood geweest is, en Hy leeft! (*)
Die 't volk, dat Hy ontzondigd heeft,
in eeuwigheid beveiligt!
Den Koning op des Vaders troon den Eerstgeboren uit de doön,
den Bloed- en Heilgetuige! (t)
der Vorsten Vorst, der Heeren Heer, zij heerschappij, en dank, en eer!
dat alle knie Hem buige!
Lof zij het Lam, Gods Medgezel, (§)
uit Davids Zaad d'Immanuël!
God, in het vleesch verschenen!
In Hem, die wederkomen zal,
In Hem aanbidde 't gantsch Heelal Jehovah den Drieéénen!
(*) Oponb. 1:17, 18. (t) Openb. 1:5.
(§) Zach. xm; 7. Matth. XXVI; 31. Openb. V: 13.
157
PAASCHZANGKN.
Aanbidt den Vader in het Woord!
Aanbidt den Zoon, aan 't kruis doorboord!
Aanbidt den Geest uit beiden!
Van Zijn gemeenschap. Zijn gena,
Zijn liefde en trouw, Hallelujah!
zal ons geen schepsel scheiden.
HEMELVAARTSLIED.
God vaart op met gejuich, de Heer met geklank der bazuin. Ps. XLVII: 6,
(Wijze: Ps. 33.)
De dag der krooning is gekomen!
O all' gy Vorsten! kust den Zoon!
Hy heeft de helburoht ingenomen!
De Triumfeerder stijgt ten troon!
Aarde en Hemel galmen!
Sion! van uw psalmen
davert het Heelal!
God is opgevaren!
met gejuich der scharen!
met bazuingeschal!
Dien dag reeds groette met verlangen
het heil verbeidend voorgeslacht!
Dien riepen ze uit met ommegangen,
toen de Arke Gods werd opgebracht! (1) met gewijde reien,
trommels en schalmeien vierde reeds dit feest,
dezen dag der eere van zijn Zoon en Heere(t),
David in den Geest!
De schaduwbeeldtnis is verdwenen,
die Isrel door 't geloof verstond!
En in zijn Tempel is verschenen de Levende Ark van 't Godsverbond. (§)
158
1
2 Sam. VI; 10 en volg.; Pa. XLVII. Ps. LXVIII.
(t) Marc. XII: 37. (§) Openb. XI: 10.
hemel vaaetslied.
Buigt n voor den drempel van dien hemelterapel,
Kerke Gods op aard!
Looft Hera in den hoogeu,
Heilgen, voor wier oogen God zich dus verklaart!
Ge ontsloot u voor den Vorst der eere,
o poorten der gerechtigheid! (*) Ge ontfingt der legerscharen Heere in Zijne Middlaaismajesteit!
Jesus daalde neder!
Jesus keerde weder
in Zijn heerlijkheid,
daar Hy voor de zijnen,
tot Hy zal verschijnen,
bidt, en plaats bereidt!
De Heeke sprak tot mijnen Heere:
âZit aan mijn rechterhand met mij!'quot;(f) Dat alle hoogheid zich verneêre voor 't schepter dezer heerschappij! Leg de waapnen neder voor dien Draakvertreder,
overwonnen hel!
Schuddet Hem uw palmen,
wierookt Hem met psalmen,
Geestlijk Israël!
De glorie straalt uit dien Behouder,
dien 't bloedig zweet werd uitgedrukt! De Heerschappij rust op dien schouder, die onder 't kruishout ging gebukt! Dien de Heidnen hoonden,
en met doornen kroonden,
heerscht als aller Heer!
Dien de wereld smaadde,
dien de vloek belaadde,
159
leeft, gekroond met eer!
(â¦) Ps. XXIV ; 9, 10. (t) Ps. CX :1. Openb. III: 21.
HEMELVAARTSLIED.
In U verheugt zich thands die Koning, o Kerk, Zijn uitverkoren Bruid!
Op U,. tot eeuwge trouwbetooning.
strooit Hy de gaven zeegnend uit! (*) Vier met Hem viktorie op den dag der glorie
van des Menschen Zoon,
op den dag der krooning van den Vredekoning,
Priester op zijn troon! (f)
Ge ontfingt die gaven, blijde scharen,
thands geen verlaten weezen meer! (§)
Gy zaagt uw Heer ten hemel varen â de Heiige Geest daalde op U neêr! De Engelen daarboven,
met de Heilgen, loven »
God, op aard geweest!
en de Kerk beneden ziet Zijn plaats betreden door Zijn eigen Geest!
Laat ons steeds hopen, bidden, waken, en ons versterken in ons Hoofd!
Ook heden wil Hy vreugde maken aan al wie dezen Geest gelooft! (1) Gy werdt opgenomen,
Gy zult wederkomen,
onze Hemelvorst!
Gy stort uit den hooge stroomen op het drooge,
laving aan wie dorst! (ff)
Laat aarde en hemel zich verbinden,
thands door Zijn bloed verzoend te zaam,
om voor dien Name lof te vinden, die hooger is dan alle Naam! (§§)
160
1
(tt) Jes. XLIV : 3. (§§) Phil. II: 6-11.
HEMELVAARTSLIED.
Van triumfzanggalmen, van Hosannapsalmen,
davere 't Heelal! God is opgevaren! met gejuich der scharen I met bazuingeschal!
PINKSTEEZANGEN.
I.
Niemand kan zeggen Jesns den Heere te zü« dan door den Heiligen Geest.
1 Cor. XII: 3.
Een Pinkstergaltn, ontsprongen aan de snaren
van d' Isrelliet, die zijn Messias vond!
Eer zij den Geest, die 't alles kwam verklaren,
wat de Oude Schrift van 't Rijk des Heils verkondt! Eer zij den Geest, door wien wy 't licht ontfingen,
die levend maakt, en levendigen sterkt!
O! dat van Hem Hy-zelve ons leer' te zingen,
die 't heilgeloof in onze harten werkt!
't Is deze Geest, die op de waatren zweefde,
aleer het licht zich afscheidde uit den nacht. (1) God sprak, Hy blies! en alle schepsel leefde,
dat door het Woord te voorschijn was gebracht! (t) Dat is de Geest, die op de Apostlen daalde
op 't Pinksterfeest van Sinaïs verbond!
Dat is de Geest, wiens vuurdoop hen bestraalde; (§)
Hy kwam; Hy blies! De Christenkerk bestond! o wonderdag! o dag der Eerstelingen
van gaven, hier des hemels, niet der aard! o hoogtijdsdag, waarvan de Zienders zingen,
aan wie de Geest Zijn toekomst heeft verklaard! (2) hoe zaagt gy dus op éénen stond volbrengen,
wat eeuwen lang verlangd werd en voorspeld!
en over 't volk de volle stroomen plengen der heilfontein, die uit de Godsstad welt? (ft)
161
1
Gen. 1: 2. 3. (t) Ps. XXXIII: 6. (§) Luc. III: 16.
2
Hand. II: 16 en Tolg. (tt) Openb. XXII: 1. Zaoh. XIII: 1. XIV : 8.
II. 11
PINKSÃEBZANGEN.
God heeft Zijn Zoon verheerlijkt, en de Bede
des Voorspraaks aan het arme volk volbracht? De Koning legt op Zijn Gezanten vrede,
en heerlijkheid, en wetenschap, en kracht!
Zijn zalving is 't, ten hemel uitgegoten,
die 't hart vernieuwt, en hart en mond ontsluit; en ziet! de zaal, nog korts door vrees gesloten, (1gt;
gaat open, en de Apostelschaar treedt uit!
ïhands is het uur der zielenvangst verschenen,
waartoe de Heer de visschers tot Hem riep! (t) De twijfel is uit aller hart verdwenen!
De Geest getuigt, dat hen de Geest herschiep! (§) Die voor het oog der dienstmaagd driemaal beefde,
betuigt het thands met teeknen keer op keer, dat Jesus, dien zy kruisigden, herleefde,
en leeft en heerscht, Messias, Vorst en Heerl Wiens Koninkrijk Profeet en Wet verkonden,
Hy, Zone Gods, en Davids Zaad te zaam!
in Hem alleen vergevinge der zonden!
De zaligheid is in geen andren naam! (2)
Die stem verneemt in allerhande talen,
uit allen oord vergaderd naar de Wet, (ft)
heel Israël in Sions tempelzalen!
Jerusalem getuigt het en ontzet!
De duizenden zijn in hun hart verslagen, {§§)
en Sion wordt van kinders als benaauwd! (3) God zond Zijn Woord, God doet het vruchten dragend
Het huis van God wordt zonder hand gebouwd! Van kracht tot kracht, genade tot genade,
verheerlijkt God de heilboön, die Hy zendt! Wat wonderen slaat hier Judéa gade,
Samarië, en des werelds uiterste end!
De kreuple springt, bezeetnen zijn genezen!
De kranken, wie hun schaduw overzweeft, (ttt) herademen! en dooden zijn verrezen! â
De vijand zwicht, en knarsetandt en beeft!
162
1
(») Joh. XX: 19, 26. (t)Matth. IV : 19. (§) 1 Joh. V :6.
2
Hand. IV: li. (tt) Exod. XXIII: 16, 17. (§§) Hand, II: Jï,
3
(**») Jes. XLIX: 19, 20. (ttt) Hand. V: 16.
PINKSTEEZANGEN.
't Is vruchteloos, dat tegen hen vergaarde
de Priestersecte, en 't Phariseeuwsche rot, de menigten, de Machtigen der aarde â
hun woede zelf vervult den raad van God! (*) God doet alom Zijn helden triumfeeren
Des Heeren woord werpt alle hoogten neer!
Ook zelfs de wolf zal met het Lam verkeeren, (f) en â Saulus knielt voor Zijn vervolgden Heer! De Jood valt neêr voor d' aan het kruis Doorstooknen,
en 't Heidendom aanbidt der Joden God!
Heil over TT, verslaagnen, hartverbrooknen!
de heerlijkheid der heemlen is uw lot!
Weest blijde, o gy, wier lasten Jesus torschte,
die op u naamt Zijn' liefelijken last!
Ja! wordt gedrenkt, gy, voor wie Jesus dorstte! (§)
door Zijnen Geest, die op U nederplascht!
De Heiige Geest daalt neder uit de wolken,
doorstroomende den uitgedorden hof!
De Heiige Geest blaast over alle volken,
opwekkende de dooden uit het stof! (**)
O Heiige Geest! dooradem ons de harten,
uitbrandende 't vergif der zondevrucht!
O Heiige Geest! breng troost voor Sions smarten,
doorklievende, gelijk een duif, de lucht!
Eer zij den Geest, die uitgaat van den Vader!
Eer zij den Geest, gezonden door den Zoon!
Eer zij den Geest, den Liefde- en Levensader!
Hem zij Zijn gaaf ten offer aangeboön!
II.
Bidt dan den Heer des oogsteg.
Matth. IX: 38.
(Wijze: Uez. 38.)
Ja! de Trooster is gekomen,
Jesus ging van de aarde heen! Jesus, van u opgenomen,
liet, o Kerk! u niet alléén!
163
|
Ps. II. Hand. IV: 24â30. (Sj Joh. XIX: 28. |
(t) Jea. XI. (**) Ezech, XXXVII: 1â14. |
PINKSIEEZANGEN.
De Beloofde werd gezonden,
en de Kracht ait God kwam neSr! (*) 't Past ons juichend, keer op keer, zijn verschijning te verkonden!
Heden is het Pinksterfeest!
Looft en dankt den Heilgen Geest!
Looft den Geest! Hy is de Heere God door God uit God gegaan!
Zingt Hem psalmen! geeft Hem eere!
Roept Zijn Naam uit! bidt Hem aan' Hem, die gaaf en Gever tevens uitzendt, en gezonden wordt,
God is, en wordt uitgestort!
Looft, o volk! den Geest des levens. Hem, die schept en wederschept,
dien ge in 't hart ontfangen hebt!
Looft den God der heilprofeten,
Christus Geest, die in hen wrocht! (t) door wien Isrel heeft geweten
wat verlossing 't wachten mocht! Die de steenen heeft beschreven van 't tientallig Wetgebod; d' onontwijkbren eisch van God! Die de schrift heeft ingegeven,
die haar opent en verklaart,
die ons Jesus openbaart!
Looft Hem, die met vunr gekomen, die met storm verkondigd is! (§) Die met licht zal overstroomen 's werelds dikste duisternis! Wonderkrachten, talen, monden, (**) wijsheid schonk Hy! 's Heeren zin stortte Hy den Jongren in,
om den volken te verkonden (allereerst aan Jacobs huis!)
164
vrede door den smaad van 't kruis!
(* Lno. XXIV: 49. (t) 1 Pet. 1:11. (§) Hand. 11:2, 3. (â¢Â») Lno. XXI:
PINKSTERZANGEN.
Looft den Géést! Hy zal niet wijken van de Kerk, met bloed gekocht.
Zijn nabijheid zal steeds blijken,
hoe de Vijand woeden mocht!
Vreest niet, o gezochte schapen,
vrees niet weergevonden ziel,
zoo de nacht u overviel!
Zou de Geest des Heeren slapen?
Waakt Hy, schoon geen oog Hem ziet, voor de kleine kudde niet?
Geest der kennis. Geest der waarheid, der genade, der gebeên!
leer ons wandlen by uw klaarheid (*) in de heilverborgenheên!
Doe ons Abba Vader bidden, (t)
zeggen Jesus onzen Heer, (§)
geven U in alles de eer!
Zweef in der Gemeenten midden,
om te heilgen de offerand van hun hart, en mond, en hand!
Maak ons ook in donkre tijden hier toch steeds indachtig aan,
dat door strijden, druk en lijden,
't volk met Jesus in moet gaan!
Breek de hardheid onzer harten,
en onze aardsche duisternis!
Voer ons op, waar Christus is!
Bid, verzucht, in vreugd en smarten, Gy, die Jesus Adem zijt!
voor ons, in ons, t' allen tijd! (**)
Wil ons tot een tempel maken,
dien Uw heerlijkheid vervult,
165
dat we eens uit het graf ontwaken, in onsterflijkheid gehuld!
(*) Ps. XXXVI: 10. (S) 1 Cor. XII : 3.
(t) Rom. VIII; 16. Gal. IV; 6. (**) Bom. VIII: 26. Gal. IV ; 6.
'
PINKSTEEZANGEN.
Ook de kwijnende Gemeente wacht van U het leven wéér!
Daal op 't overblijfsel neêr, op 't verstrooid en dor gebeente, dat uw blazing slechts verbeidt, (*) en 't herrijst in heerlijkheid!
Wees vooral dat oord gedachtig,
eens de woonplaats Uwer eer,
door Uw invloed eertijds machtig â
thands Uw Nederland niet meer! Ja! keer weder tot die dreven,
die Gy tot Uw erf herschiept,
waar Ge een volk in 't aanzijn riept, dat in heilgen bloei mocht leven, van Uw vleuglen overschaauwd, , van Uw honig overdaauwd!
Ach! de Heidnen in hun woede hebben 't heiligdom vertreên!
Sions Maagd, van smaadheên moede,
ademt nog door hoop alleen! Ach! Gods gramschap is ontsteken over een ondankbaar land, dat, verzadigd uit Zijn hand,
van Zijn dienst is afgeweken,
van Zijn banden zich ontsloeg, met Zijn vijand zich verdroeg!
Maar die God wil ook vergeven! ââ
Levenwekker! keer! o keer! wil opnieuw de lucht doorzweven,
en de vijgeboom wordt teêr!(t)
Zend Uw maaiers in de velden,
Heer des oogstes! (§) Geef den groei.' Neerlands Eerk en grond herbloei'! Gord in Land en Kerk weêr helden met Uw wapenrusting aan,
om voor de eere Gods te staan!
1G6
f*) Beech. XXXVII: 1-14. (t) Matth. XXIV: 32.
(i) Matth. X: 83. Hand. XIII: 2.
p1nksteez an gen.
Trooster! Zalver! Gy zult komen op 't gebed, door U verwekt!
Tan Uw regens, van Uw stroomen wordt eens de aarde gantsch bedekt!
Liefde en ijver zullen blaken,
waar reeds alles scheen verkwijnd, als de Pinksterzon verschijnt!
Noordenwind! o wil ontwaken!
Zuidenwind! doorwaai den hof! (1) â Heiige Geest! U zij de lof!
SLOTZANG.
Genade u en vrede van Hem, Die Is, en Die was, en Die komen zal: en van de Zeven Geesten die voor zijnen troon zijn. Openb. I: i.
(Wjjze: Psalm 36.)
Den zeven geesten (t) voor den troon zij, met den vader en den zoon,
aanbidding, lof en eere!
Het Zevengeestental is Eén,
oneindig in verscheidenheên,
maar steeds één Geest, één Heerc!
By donderslag- en stemgeluid schiet Hy in zeven stralen uit (§)
op de allerhande scharen!
Van Hem is 't vloeibre olijvengoud dat d' eeuwgen lichtglans onderhoudt der zeven kandelaren! (**)
Ontzettende geheimenis!
Die was. Die wezen zal. Die is,
is Een en Drie te gader!
God is een Geest, dien niemand zag,
167
1
Hoogl. IV : 1G.
PINKSTERZANGEN.
geen schepsel immer naadren mag.'
lof zij d' onzichtbren Vader! â
God is in 't vleesch geopenbaard! (*) gehoord, gezien, getast op aard! (t) Hosanna onzen Heere! â
God is een God, die 't Al behoudt met geest en leven zevenvoud! Den Heilgen Geest zij de eere!
O Geest! geleid ons tot den Zoon! Breng ons, o Heer! voor 's Vaders troon!
Schenk ons den Geest, o Vader! By de overzaalge wenteling in dezen Goddelijken kring
koom 't hart U immer nader,
tot dat we, ontheven van dit stof, uitgalmen in Uw hemelhof
met al uw Dienaars samen: Den zeven geesten voor den troon zij, met den vader en den zoon,
lof en aanbidding! Amen!
KERST- EN N1EUWJAARSINTREÃZANGEN.
Want een Eind is ons geboren, een Zoon ia ons gegeven. Jes. XI: 5.
Wat heerlijkheid straalde over Bethlehems velden! Wat hemelsche tonen doorgolven den trans!
In de eenzame nachtwaak der kudden ontstelden de herders, omschenen van Godlijken glans!
De boodschap des beils wordt aan armen gezonden, die waken by 't sluimren der dartelende aard!
En juublende heiren van Seraphs verkonden
de Godspraak der eeuwen: De Maagd heeft gebaard!
Maar niemand vernam het, in Israels Grooten,
geen Wijze vermoedt het, volleerd in de Wet,
wat wonderbedeeling zich hier heeft ontsloten, wat wondergeboorte hier Englen ontzet!
I-
(*) 1 Tim. IU: 16. (t) 1 Joh. 1:1.
168
KERST- EN NIEUWJAAESINTEEÃZANGEN. 169
Alleen in de verte der Oosterluchtkimmen,
zien Wijzen van vreemden, van onjoodschen stam,
de sterre des Konings uit Jacob ontglimmen (*) â
ja! de eeuwlang Gewenschte der Heidenen kwam! (f) De Zoon werd gegeven, het Kind werd geboren,
en de Opgang van Boven sproot uit, en verscheen! (§) En herders! o gy, tot Zijn schapen verkoren,
wat hoordet, wat zaagt ge, waar spoeddet gy heen?
Naar Bethlehem Ephrata, de erfiijke woning
van Boöz, en Jesse, en Davids geslacht!
aldaar is geboren de Herder, de Koning,
te Bethlem, in Juda de minste geacht!
Daar zaagt gy het Kindeke, in de doeken gewonden.
een kribbe. Zijn leger, â Zijn woning, een schuur!
(Daar was op heel de aarde geen andre gevonden
voor de Erfdochter Davids in 't barensnoodsuur!)(1)
Maar daarom vernamen Uw vreedzame velden
die hemelsche stemmen, by d' afloop der nacht,
die Isrel de komst des Gezegenden meldden,
en 't heil, door God-zelven op aarde gebracht!
Zy loven den Heiland, den Christus, den Heere,
den Zoon zonder aanvang, den Hemelschen spruit! Zy brengen den Vader aanbidding en eere!
Zy roepen den raad van Zijn vreêverbond uit:
genade voor zondaars, in afval verloren,
behagen in 't schepsel, dat weerkeert tot stof!
Het Woord openbaart zich! het Kind is geboren!
Het Zaad is voldragen, voorzegd in den hof!
Gaat uit dan, o gy, de allereerste getuigen
der zaligheid Gods, die in 't vleesch is gezien, â
die 't eerst voor dat Kindeke uw knieën mocht buigen,
die 't eerst dien Emmanuel hulde mocht biên!
Gy allen, tot trouw- en genadebetooning
van God, tot dien heildag verwachtend bewaard,
verkondigt aan Sion: uw God is uw Koning!
1
Voor de Moeder baars Heilands In 't barendsnoodsuur!
170 KEEST- EN NIEUWJAAKSINTREÃZANGEN.
uw glorie, o Isrel! uw heillicht, o Aard!
Getuigt, het gy volken! van 't uiterst der aarde,
en brengt dien Verwinnaar uw schatten ten buit! Gy, Wijzen van Oosten, wien 't God openbaarde!
zijn sterre geleidt U, spoedt benen, trekt uit!
Belijdt hem te Salem, in spijt der Heroden!
Aanbidt hem te Bethlem, met wierook en goud! Aanbidt den geborenen Koning der Joden,
die de einden des Heidendoms roept tot behoud! En gy, kleine lammren, ten bloeddoop verkoren,
waar Rachels gebeente zoo klaaglijk om treurt! (*) in plaats van dat Kind, u ten Losser geboren,
aan 't moederlijk harte ter slachting ontscheurd! Getuige ook dat bloed, door den Vreemdling vergoten,
dat de Overste Leidsman uit Vorstlijken stam, de Herder der schapen, uit David gesproten,
naar 't woord der Profeten, uit Bethlehem kwam. Hy komt, om Zijn Isrel voor eeuwig te troosten!
Springt op, o gy volken! met Jacob te zaam! Gy Noorden en Zuiden, gy Westen en Oosten,
roept uit dien Ontzag-, dien Genavollen Naam! Een kind, ons geboren! een Zoon ons gegeven!
God-zelve ons verschenen in 't zichtbare stof! Verheerlijkt dien heildag, zoo schoon, zoo verheven
met immer vernieuwde verrukking van lof! met duizend gemengelde klanken en galmen van cymbel en orgel, en trommel en fluit!
van Sions zich telkens vervullende psalmen,
ter eere van Bethlems gezegenden Spruit!
En gy, o gy zoetste, gy schoonste der nachten,
veel schooner dan de ochtendstond zelve der aard! O Kerstnacht! verwachting der vroegste geslachten,
by 't rijpen der eeuwen in vreugde gebaard! By 't smeltende licht van uw sterrengewemel
ontwake de Kerkbruid met Hallelujah!
En zegge: Hosanna zij Gode in den hemel:
en Vrede over de aarde! door vrije Gena!
Aiuitu. 11: 16-18.
KEBST- EN NIEUWJAARSINTEEEZANGEN. 171
En men noemt zynen naam Wonderlik, Raad.
Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst.
Jes. IX; 5,
(Stem: Ps. CXLVI)
Op quot;t geluid der hemelchoren,
op 't gelei van Jacobs ster,
dat wy 't Kindeke, ons geboren,
biddend naadren, schoon van verr'I Gods- en Menschenzoon te zaara,
Wonderlijk! dat is Zijn naam!
In die nederige woning
ligt, van zichtbren glans ontbloot,
Gods Gezalfde, Sions Koning!
de Eéngeboorne in 's Vaders schoot!
die van ouds genoemd werd Raad,
't Woord, door Wien de wereld staat!
Laat ons blijde, maar met beven,
lof, en prijs, en hulde biên aan dien Zoon, van God gegeven,
arm en klein, op moeders kniên! â
want Zijn hand bestiert ons lot,
en Zijn Naam'is sterke god!
In den tijd werd Hy geboren,
aan Zijn eigen woord getrouw;
de Eerstgeboren, de Uitverkoren,
als 't beloofde Zaad der Vrouw aan de Vaadren toegezeid,
Vader, zelf, der eeuwigheid.
Eeuwig moet dat Kind regeeren,
spruit en Hoofd van Davids Huis!
Alles zal Hy overheeren,
door de zwakheid van een kruis!
Schoon Hy aanstoot brengt, en 't zwaard, (1) Vredekohing toch op de aard!
1
Matth. X: 31.
KERST- EN KIEUWJAAESINTBEÃZANGEN.
Wonderlijke! Raad! Almachtig!
Eeuwenvader! Vvedeheer!
aan den nacht des heils gedachtig,
vallen we in aanbidding neer voor den Meester van 't heelal in den Bethlehemschen stal!
Ja! 't betaamt ons daar te aanbidden Gods in 't vleesch gezienen Zoon! In der arme herdren midden d' Erfgenaam van Davids troon! Op Mariaas moederschoot, d' Overwinnaar van den Dood!
Die, na drie en dertig jaren,
aan een vloekpaal vastgehecht,
zich ook daar zal openbaren.
Zoon van God, in macht en recht! Van de kribbe tot aan 't kruis volgt en looft Hem, Jacobs huis!
Doch, wie zal Zijn woord gelooven!
Dit verstaat geen vleesch en bloed, dat de Levensvorat van boven voor verloren zondaars boet,
mensch, ja! kind wordt, lijdt en sterft, en ons met Zijn bloed verwerft!
Maar Gods Englen in den hoogen,
die hem dienen dag en nacht,
steeds vervuld van mededoogen,
over Adams nageslacht,
zien het wonder, roepen 't uit, en aanbidden 't Godsbesluit!
Maar het kuddeken op aarde,
't Israël van God bemind,
dat Zijn woord in 't hart bewaarde,
heeft, in 't pasgeboren Kind,
zijn Verlosser in de ellend,
zijn verborgen God herkend!
KERST- EN NIEUWJAAKSINTHEÃZANGEN.
Een verborgen God, een Heiland,
is de God van Israël! (1)
't Heilgeloove, nimmer feilend,
merkt Zijn wonderbaar bestel!
Dat heel 't schepsel tuige zij: een verborgen God is hij!
Tuigt het heemlen! tuig het, aarde!
uit het niet hervoortgebracht!
Sints het Godsbesluit U baarde, onderhouden door Zijn kracht!
Doch de hand, die 't alles werkt,
blijft bedekt en onbemerkt !
Tuig het in Uw wisselingen,
o der eeuwen wentlend lot,
wiens door één gevlochten kringen u zijn afgeperkt van God!
Maar Zijn wegen, Zijn beleid,
zijn omhuld in donkerheid!
Tuig het, Isrel! wien Hy stelde
tot een toonbeeld van gena!
wien Zijn aangezicht verzelde,
dien Hy weidde, vroeg of spa! Ge ondervondt Zijn heilgebied,
maar het Wezen zaagt gy niet!
En gy, voorwerp Zijner zorgen,
Godskerk, over de aard verspreid!
in üw Heer en Hoofd verborgen,
spreidt ook gy geen heerlijkheid, aardschen glans, noch macht ten toon! â gantsch inwendig zijt gy schoon! (t)
Kleinste van Judéaas steden!
ja, ook gy getuigt hiervan!
want uit U is voortgetreden die alléén verlossen kan!
die van ouds is uitgegaan,
173
die nooit aanving te bestaan! (§)
1
Jes. XLV : 16, (t) Ps. XLV : 14. (§) Mich. V: 1.
KEKST- EN NIEUWJAARSINTREÃZANGEN.
Loof dien Spruit, gy uitverkoren,
gy verborgen Bethlehem!
Looft dien Heerscher, U geboren, burgers van Jerusalem!
Looft gy, heemlen! loof gij aard! God in 't vleesch geopenbaard!!
LOFZEGGING.
(Stem: Ps. LXXXIX.)
Wy loven U, o God! o Vader! Gy, wiens schoot den Raad des Vreêverbonds van eeuwigheid besloot!
Gy geeft Uw eigen Zoon, ten Vorst en Eerstgeboren van 't volk, door smaad en kruis, tot zaligheid verkoren! Op dat aan 's hemels lof 't gebed der Kerk zich huwe: het koninkrijk, de kracht, de heerlijkheid, is uwe!
Ook Uwe, o eeuwig Woord, Zijn uitgedrukte Beeld!
Verlosser, Schepper, Heer! en God uit God geteeld 1 ja. Uwe is 't Koninkrijk, Gy Bouwheer-zelf des huises! uw Kracht verheerlijkt zich in 't smaadlijk zwak' des kruises! en 's Vaders Heerlijkheid, uit U gestraald, U eigen,
doet voor Uw Bethlehem zich alle heemlen neigen!
U mede aanbidden wy, der Kerke onzichtbaar Hoofd, Gy Zalver van dien Heer, door wien Gy wordt beloofd! 't Is in Uw nederkomst, dat ons de Godheid nadert! Het Koninkrijk des Zoons wordt door Uw wil vergaderd! Gy zijt des Vaders Kracht, o Geest en Bron des levens! en beider Heerlijkheid woont in Uw volheid tevens!
Wy loven U, o Heer! en God des heilverbonds!
o Vader van genade, o Koning God met ons!
o Trooster vol van liefde! o trouwe God der vaadren,
die ook de kinderen vergunt tot U te naadren!
U, Vader, Zoon, en Geest, God, drie en Eén te zamen,
zij 't rijk, de kracht, en de eer, tot in geslachten, amen.
slotzang.
(Stem: Ps. xl.)
Looft den Vader, looft den Zoon, looft den Geest, op Englentoon!
174
KEEST- EN NIEUWJAARSINTEEÃZANGEN.
Dat de stem der Bruid zich paar' aan 't geiuich der Geestenschaar! Laat de Kerk alom gewagen van 't Besluit, aan haar verklaard! Eere aan God, en Vrede op aard, en in menschen Welbehagen!
NIEUW JA ARS BOET- EN BEDEZANG.
Mijne dagen zyn als eene afgaande schaduw, en Ik verdor als gras. Maar Gy, HkereI blijft In eeuwij»-held: en uwe gedachtenis van geslachte tot geslachte. Gy zult opstaan, Gy zult u ontfermen over Sion: Want de tijd, om haar genadig te z^jn, want de bestemde tyd is gekomen. Want uwe knechten hebben een welgevallen aan hare steenen, en hebben medelyden met haar gruis. Dan zullen de heidenen den naam des Heeren vreezen, en alle koningen der aarde uwe heerlijkheid. Als de Heer Zionzal opgebouwd hebben, in zyne heerlijkheid zal verschenen zyn, zich gewend zal hebben tot het gebed des genen, die gantsch ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed.
Ps. CII; 12-18.
(Stem; Ps. XLVI.)
O God, ontzachlijk Alvermogen,
óie, met in 't binnenst vlammende oogen, by 't henenwentlen van den Tijd,
terwijl Gy steeds Dezelfde zijt,
ver boven alle hemelkringen,
den keer en weêrkeer aller dingen,
naar 't plan bewogen van Uw Raad,
met heilgen lankmoed gadeslaat!
By U, wiens wegen nooit doorgrondde,
noch wie op aard Uw heil verkondde,
noch die 't. daarboven kennen mag,
zijn duizend jaren als één dag,
by U, één dag als duizend jaren,
terwijl zy zwanger gaan, en baren de volle ontwikkling van dat woord,
dat van den aanvang werd gehooid!
Hebt Gy, geduchte God der goden!
in heilbeloften en geboden
175
KEEST- EN NIEUWJAABSINTBEÃZANGEN.
alzoo bekend gemaakt Uw lof aan broos, en zwak, en zondig stof? Zie mét ontfermende ingewanden op 't maaksel neder Uwer handen,
daar 't als het gras des velds verkwijnt, daar 't als een schaduwbeeld verdwijnt!
Want ach! onze ongerechtigheden, ach! ons gestadig overtreden.
wat ooit verschijne, wat verga,
vervolgt en drukt ons, vroeg en spa, en onze dagen smelten henen in zondeschuld op schuld-beweenen,
die Ge ons ontdekt, o God! by 't licht van Uw verbolgen aangezicht!
Ja! dit betuige, dit belijde,
van jaar tot jaar, by elk getijde,
op ieder dag, en telken stond, eenstemmig hart, en ziel, en mond! Wy zijn strafschuldig, zwaar misdadig â maar Gy, o Heer! Gy zijt genadig! Gy hebt ontferming toegezeid,
o Koning der gerechtigheid!
O God! Gy hebt een woord gesproken, en 't hart, van zondesmart verbroken, vernam, ontfangt het, en geneest,
daar 't U aanbidt, en dankend vreest! Daar is, daar is by U vergeving,
daar is uit zonde en dood herleving; en meer dan Edens zaligheid is thands den boetling toebereid!
Daar is behoudnis in de wonden van 't Offerlam, door U gezonden, van dien Emmanuël, gebaard tot vreugd van hemel beide en aard! Die, op den achtsten dag besneden,
aan 't kruishout bloedig heeft geleden! en voor de schuld, door ons begaan den laatsten penning heeft voldaan!
176
KERST- EN NIEUWJAARSINTREÃZANGEN. 177
Ja, 't Volk, dat 6y, o Heer! bevrijddet,
dat Gy vernieuwdet, en verblijddet met onvergankelijke hoop,
sla, by der tijden snellen loop,
in die ontfangen heilgenade de naadring, zonder angst meer, gade diens jongsten dags, die aan 't heelal den toorn des Lams betuigen zal! (1)
Doch, o rechtvaardig, heilig Vader!
schoon thands dat volk vrijmoedig nader'
tot Uw verborgen hemeltroon,
op de offerande van Uw Zoon!
Schoon van den doodvrees vrijgevochten,
van hel en wereld vrijgekochten,
nog is er jammer en geklag,
voor Uw verlosten, dag aan dag!
Van droefheid is ons hart verbroken,
van smert ons ingewand doorstoken,
om Sion, onder 't vloekgeschreeuw van een van God afvallige eeuw,
om Sion, onder 't Babelbouwen van Gode en Heiland snood ontrouwen,
door Antichristisch aartsgeweld verdrukt en schier ter dood bekneld!
Om die bevoorrechtsten der landen,
waar de Evangeliekandlaars brandden,
uit Babyion teruggebracht!
Die landen, ach! in eenen nacht van schrikbrer duister weêr gedompeld,
door helscher afgoön overrompeld,
verwaten Wan- en Ongeloof,
voor al wat Gods is blind en doof!
Om Neerland, Neêrland boven allen,
het land, eens, van Uw welgevallen,
alwaar Ge Uw volk zoo schoon een stad,
o Jacobs God! gegrondvest hadt!
1
Ofenb. VI: 16.
KEBST- EN NIEUW JA ABSINTREÃZANGEN.
Alwaar Uw Kerk zoo heerlijk bloeide, en 't land met zegen oversproeide,
op wiens van God gewijden grond De kruisvaan triumfeerend stond!
Toen Uw profeten profeteerden,
toen Uw getrouwen 't land regeerden,
naar de uitspraak van Uw Woord en Wet toen voor der Kerken smeekgebed de vijand met verschrikking vluchtte, en Neêrlands vastendagen duchtte,
meer dan de scherpte van het zwaard, gevoerd voor 't dierbaarst goed op aard!
Toen de achtbre Raadsvergaderingen met Isrels God te rade gingen,
en 't heil van stad en vaderland verbeidden uit eens Heilands hand!
Toen 't dankbre volk Gods ordning eerde, de jeugd geen andre wijsheid leerde,
dan die in 't Woord haar oorsprong nam en 't land ten top van welvaart kwam!
Toen boven al die keurgeslachten,
die in Gods huis hun offers brachten, de Oranjestam de kruin op stak in weelderigen tak op tak,
met hemeldauw en vruchtbren regen besproeid, heel Nederland ten zegen,
dat in zijn schaduw heil genoot, de Kerken voedstrend in zijn schoot! Gedenk, o God! aan 't welbehagen,
betoond aan Neêrlands jonglingsdagen! Gedenk, o Heer! aan Nassaus huis, dat voor de smaadheid van Uw kruis des werelds heerlijkheid verzaakte, van liefde voor uw heilwoord blaakte,
voor de eere van Uw Naam en Kerk, en van 't door U gewrochte werk!
Gedenk aan Willem van Oranje,
den schrik van 't oppermachtig Spanje,
178
KEBST- EN OT-EUWJAARSINTKEÃZANGEN.
niet in zijn eigen kracht, o Heer! Gedenk die meer dan Vorstlijke eer, die hem Uw heilgunst deed verwerven! Gedenk den dood, dien hy mocht sterven, het volk, waarvoor hy stervend bad,
zijn stam, dien Gy geheiligd hadt!
Helaas! hoe is het goud verdonkerd! Hoe heeft die glorie uitgeflonkerd,
die 't needrig Nederland omscheen! Waar ging de hoop der Vaadren heen! Is dit dat Volk, weleer verkoren, een Israël in 't West herboren,
verlost met krachten van omhoog, ten wonder in der volken oog?
Helaas! de Heidnen zijn gekomen, zy hebben 't Heilige ingenomen! De tempel van Gods heiligheid werd door hun woede in asch geleid! O dochter Sions, wreed gevangen! met klagelijke lofgezangen
meld de overtreding van Uw stad, hoe ze Isrels Bondsgod snood vergat!
De altaren liggen neergesmeten!
De aloude Godsdienst is vergeten! Het land, door Christus groot gemaakt, heeft Zijn gezegend juk geslaakt! Gy zaagt, o droeve Christenscharen! na drie en dertig jubeljaren, (*)
de zen van Neerland ondergaan! â en wie in Neerland trekt zich 't aan?
Gy echter weet ze, o Hartdoorgronder! Gy kent ze, die öy tot een wonder, b-y d' afvai van geheel een aard,
door Uw genade hebt bewaard!
Gy weet het, of er, schoon zy zwijgen, nog tranen vloeien, zuchten stijgen.
{*) Van ongeveer het jaar 1666 tot dat van 1796.
KEEST- EN NIEUWJAARSINTREÃZANGEN.
voor Kerk en Vaderland te zaam,
en yoor d' Oranjeheldennaam!
O! raag die hoop ons hart verblijden, en naderen wellicht de tijden,
dat Uw genadig machtbevel uw Sion wederom herstell'?
Leer slechts Uw knechten om haar steenen met smertlijk welgevallen weenen,
Geef medelijden met haar gruis!
zoo is er hoop door Christus kruis!
Ach! om die Vaadren, by 't verduren van plondring, dood en martelvuren, in onophoudlijke gebeên,
door Uw ontferming vrijgestreên! Zoo immers Uw gelrouwigheden,
naar 't Woord, met bloed door hen beleden, ook aan hun zaad zijn toegedacht tot in het duizendste geslacht!
Ach, om die tranen, om die zuchten,
toen 't huis van David, sints, moest vluchten, toen de Arke Gods genomen werd,
geslaakt in overmaat van smert!
Ach! om dien dag der slavernije,
dien donkren nacht der dwinglandije, van uitheemsch wettelooze macht,
waaruit Gy-zelf ons wederbracht!
Zie in ontferming op ons neder!
Keer tot Uw volk, Uw erfdeel weder,
dat Gy niet overgaaft ter dood,
maar zelfs in d' allerergsten nood, ontfermend gadesloegt, bewaardet, en (raooglijk zelfs!) tot beter spaardet,
dan zoo Gy op Uws volks gebed 't land op dat tijdstip hadt gered.
Of zou 't vergeefs zijn, dat na jaren van vrees en schrik en zielsbezwaren, uw hand op nieuw verlossing wrocht, en Nederland heraadmen mocht?
180
KERST- EN NIEÃWJAAESINTBEÃZANGEN.
Ja! verre boven 't vurigst bidden Oranje weerkeerde in ons midden, en 't veld besproeide met dat bloed, dat Neerland steeds herbloeien doet!
Helaas, hoe hebben onze zonden,
na zoo veel redding, ondervonden,
na zoo veel zegen, snood verbeurd, op nieuw ons van U afgescheurd! Hoe heeft dit volk, door U beveiligd, 't verbond zijns Gods terstond ontheiligd, (door vrees noch liefde in 't hart geraakt!) en 't schepsel zich ten God gemaakt!
En daarom steeg zelfs uit haar kolken, ten oordeel over Neérlands volken,
de door Gods stem bewogen zee! En ziekte en pest getuigden 't mee, op 't volk in gramschap uitgegoten, dat zich van God heeft afgesloten,
en, van het zoenbloed afgekeerd, nog steeds zijn blinden Eeuwgod eert.
Ja! daarom zijn van deze streken de aloude zeegningen geweken,
en al haar bronnen dorren op â
om dat de wrevel rees ten top!
In hun ontwerpen blaast de Heere,
door eigen kracht, tot eigen eere met ijdelspreking opgericht,
terwijl Zijn huis in woestheid ligt. (*)
Verwacht, o Neêrland! geen herstelling, maar dreiging, schrik en oordeelvelling, zoo lang ge u-zelf en heel uw lot niet opgeeft in de hand van God! Van God, den God van Uwe Vaadren, die mooglijk zich van ons liet naadren, (na zooveel afval, nog!) op grond van 't met hen opgericht verbond!
KERST- EM NIEUWJAABSINTEEÃZANGEN.
Ja! om Uws zelfs wil, Heer der Heeren! bekeer ons, dat we ons cot ü keeren! Ach! is er voor dat Israël nog redding mooglijk en herstel,
't zal zijn door kracht, noch machtberoeming, en (weg onzaalge schuldverdoeming!)
door werken, noch gerechtigheên,
maar door Uw Heilgen Geest alleen! (*)
Op dat de vijand niet meer roeme,
noch 't wormken Jacobs stout verdoeme! Sta op, o Heere, richt Uw zaak!
Verwar der torenbouwren spraak! Beschaam den raad der goddeloozen! Verijdel 't vloekverbond der boozen! en handhaaf zelf Uw woord en werk in Uw met bloed gekochte Kerk!
Vervul weêr Priesters en Levieten, en 't gantsche heir der Isrellieten met Christen heldenijvergloed in 't tot U weêrgebracht gemoed! om Sions muren op te richten,
en 't tweede tempelhnis te stichten, met aan hun hoofd den Koningsspruit, aan 't zuchtend Godsvolk voorgeduid! (t)
Dan zullen, by het tempelrijzen,
de volken Neêrland zalig prijzen
aan wien zich God op nieuw betuigt, zoo dra 't voor Hem de knieën buigt, in zegeningen, afgegoten uit 's hemels venstren, wijd ontsloten! in zegenstroomen, thands ontzegd,
omdat die steen niet werd gelegd! (§)
Dan zullen alle volksgeslachten, ja! Koningen en Oppermachten,
verblijd zijn in de heerlijkheid,
(*) Zach. IV: 6. (t) Hagg. 1: 8, lï. U.
(§) Bdgg. II: 19, 20. Mal. ill; 10.
182
KEEST- EN NIBUWJAAESINTEEÃZAKGEN.
den wederopbouw toebereid!
O God! verhoor ons, als wij bidden in aller donkerheden midden;
zend uit het Woord! de Geest daal' neêr! en kome üw koninkrijk, o Heer!
1829.
Ja, komen zullen deze tijden
van licht en heerlijkheid na lijden, â
doch by geen eenig volk bepaald, â als 't heil opnieuw uit Sion straalt,
Gods kennis 't aardrijk overdekken.
Zijn stem de dooden op zal wekken. Waak op, gy wereld! Christnen, waakt! want ziet! de Koning-zelf genaakt.
1858.
TEE
BRÃILOFTSVIERING
VAN
Dr. a. capadose
EN
Jonkvrouwe a. van der houven.
Op d'onvergeetbren daff, aan hunnen echt gewoel' de vriend des bruidegoms, die 't ziet, en zlcU verblijdt,
flezegend zij dees dag van d' allerhoogsten God,
die aarde en hemel heeft geschapen, die 't gebod
van d'onverbreekbren echt aan 't menschdom gaf in Eden,
en, komende, op deze aard, om voor ons overtrederi
te boeten, Ganaas disch met heerlijkheid bezocht,
en 't kuische bronnat keerde in glinstrend druivenvocht!
Gezegend zij dees dag van Isrels God en Koning,
geliefden, door Zijn hand tot nieuwe trouwbetooning
aan 't kroost van Abraham, aan Japhets nageslacht,
ten Christlijk echtverbond met heil te zaam gebracht!
Gezegend zij hy u, bevoorrechte Echtelingen'
een ingang tot dien reeks van aardsche zegeningen.
183
TBR BRUILOFTSVIERING.
die Jacobs God beloofde aan wie Zijn naam belijdt;
een voorsmaak van dien stond, als, van dit stof bevrijd,
die ziel, door Jesus bloed gewasscben van de zonde,
zal ingaan in de vreugd, die ons Zijn mond verkondde,
waar liefde zaligheid, en loven 't leven is!
Gezegend zij ook daar u zijn gedachtenis,
wanneer gy, lang gespaard in 't u verdubbeld leven,
't verblijf der vreemdlingscbap voor 't hemelsch zult begeven,
van weldaan overstelpt, van levensdagen zat,
daar ge in de dienst des Gods, die nimmer u vergat,
door nakroost, afgesmeekt met Hem gewijd verlangen,
op de aarde, die ge ontstijgt, gevolgd wordt en vervangen.
Wees blijde, o Bruidegom, mijn broeder! juich en loof den God, die voor de zucht der Zijnen nimmer doof,
uw beê verhoorde----Neen! wat zeg ik? boven denken
of bidden, u dat heil verwaardigde te schenken,
waarvan geen wereld ooit den rijkdom schatten kon.
Die God, Wiens rechterhand ons greep, en tot de Bron
des eeuwgen Levens leidde, en tot de Hoop der Vaderen,
met harten, door Zijn Geest heropend, weêr deed naderen,
en Jesus kennen deed in onze duisternis;
die God, Wiens naam getrouw, Wiens liefde oneindig is,
na zeven jaren van steeds nieuw ontloken zegen,
van wondren van gena, door wondervolle wegen,
ja ook van tranen, ook van klachten, vaak gezucht
in stilte aan Jesus voet, maar nimmer zonder vrucht,
die God volbracht den wensch, gevoed in 't welbehagen
zijns Eaads, in dezen dag op 't zegenrijkst voldragen!
£n thands, ge ontöngt het pand, door Hem u toegezegd!
Wy vieren lovend feest, mijn broeder! by uw echt;
en ik, 'k mag met de ga, met wie my God verblijdde,
met haar, die neêrgeknield aan mijne, aan uwe zijde
den Heiland, nevens ons, aanbiddende beleed.
Wiens bloed ons reinigde. Wiens dood ons leven deed;
'k mag, dankend voor een reeks van vier paar dankbre jaren,
in 't heilgenot, dat thands u toewenkt, heengevaren,
'k mag, juichend in 't bezit, in d' onuitspreekbren troost
van 't vaak hernieuwd behoud van gade en teder kroost,
terwijl we in Jesus naam als t' zaam verlosten roemen,
u broeder in de hoop ook dezes levens noemen.
184
VAN DB. A. CAPADOSE.
en groeten Bruidegom, ja Christen Echtgenoot,
en galmen met u uit: Mijn ziel, maak de Almacht groot!
Ja! de afgehedene hebt gy van God ontfangen!
Ze is de uwe! Meer dan ooit in menschelijke zangen kon worden uitgestort, bidt u mijn broederhert by dezen feestkelk, die u volgeschonken werd van ongemengde vreugd, met tranen toe! De Heere,
de God van Israël verleen', Zijn Naam ter eere, vernieuwden wasdom aan 't geplante van Zijn hand! Hy heiige dag voor dag uw heilgen huwlijksband in steeds herlevendigd vertrouwen en gelooven,
door d' immer verschen gaaf der zalvinge van boven. Hy maak' de teedre maagd, wier liefde u toebehoort, een blijde moeder eens in Isrel, naar Zijn Woord, een vruchtbren wijnstok aan uw zij, versierd met ranken, vermenigvuldigd om uw disch. O! laat ons danken, en juichen by 't verschiet, dat heden zich onthult voor 't oog der hope, die ons hart, als 't uw, vervult.
Verheug u, Bruidegom! in de u geschonken gade; mot haar zal u de troost der hemelsche genade,
daar zich haar hart aan 't uwe in d' eigen heilroem paart, als uit een dubblen wel toestroomen op deze aard!
Zy zal u onder 't kruis, waartoe wy zijn verkoren, waaronder 't heillot rijpt, aan Jesus volk beschoren, ten zalfster zijn, terwijl zy lieflijk op u leunt, ten moedverwekster, daar uw hand haar ondersteunt, by alles, wat ge u ooit met God zult onderwinden,
by alles, wat uw hand van dag tot dag zal vinden,
om voor Zijn naam en zaak en heiige dienst te doen, om kranken hulp te biên, om d'ouden stok te voên, om over weeuw en wees, ellendigen en armen,
van uit de volheid van Zijn weldaan, u te ontfermen,
daar zal zy met u zijn, daar zal ze in vreugde en smart, eenzelvig naast u staan, één vleesch, één ziel, één hart!
Maar gy, o Bruid! verlaat uw vader en uw moeder, en volg ('t is Gods bevel) uw man, uw Hoofd, uw Hoeder! Hy zal u, onder God, geleiden op dat pad,
dat 's Heilands bloed ontsloot naar de eeuwge hemelstad! Uws Egaas liefde zal u sterken te allen tijde!
Gy zult, in God gerust, niet vreezen aan zijn zijde.
185
TER BRUILOFTSVIERINCr.
Gy zult met hem, als hy, des Heeren kruis en smaad,
ja, zoo het noodig is, des werelds hoon en haat,
voor de eer van Zijnen naana, een hooger voorrecht schatten,
dan alle heerlijkheid die de aarde ooit kon bevatten!
Gy zult, door Zijn gena, 't zij zaalge gemalin
of moeder, boven al, in allen u Christin
betoenen, roemen, en in 't echtheil, u beschoren,
zal 't hart steeds onverdeeld aan Jesus toebehooren,
die u den Ega schonk, voor wien gy leven gaat.
Bn dan â de maagdenschaar van Sion prijst uw staat,
zy zullen in de poort den man welzalig noemen,
die u de zijne, zich uw Bruidegom mocht roemen.
Gelukkige ouders, o! wat blijdschap moet uw hart hier overstelpen, schoon niet onvermengd van smart, van weemoeds zoete smart; als, met een kroon omgeven van dochtren, rijk begaafd, de vreugde van uw leven,
ge een zoon ziet toegevoegd by 't teergeliefde kroost, voortaan een zestal voor uw hart. Wat dierbrer troost zou 'k op dees dag van heil u bieden in mijn zangen voor 't afscheid van de maagd, die, uit uw hand ontfangen, het heilvol lot volmaakt des zoons uit Abraham,
aan wien Gods gunst haar schonk? Wat zegen op uw stam afsmeek en? Over 't huis, thans daavrend van de klanken der reine bruiloftsvreugd, waarvoor wy de Almacht danken? Buigt, buigt slechts, achtbre twee! voor Jesus steeds de kniên, en dat Hem alles hier als Heer en Heiland dien'!
Hy zal uw grijsheid door Zijn gave groenend maken,
Hy wil u op deze aard reeds hemeltroost doen smaken, gy zult (het is Zijn woord!), zoo gy Zijn vrees betracht, 't kroost van uw nakroost zien, en vrede op uw geslacht!
Of zou mijn zegenbede u by dees kelk vergeten,
aanminnig viertal, aan dees echtfeestdisch gezeten met harten, keer om keer vervroolijkt en ontroerd by 't lot der zuster, aan uw liefdekring ontvoerd door hooger liefdewet? God maakt haar vrouw en gade op heden. Dank met haar de aanbidlijke genade,
waarin zy 't leven vond, en 's levens ware vreugd. Beminnelijke rei, door gaven, en door deugd voortreflijk (neen! gy wacht geen vleitaal van mijn lippen, en waarom zou 'k de vraag, die 'k my hier voel ontglippen,
186
VAN DE. A. CAPADOSE.
verbergen?)! hebt ge uw deel, als zy, reeds by dien Heer
gevonden, die u roept, en noodigt keer op keer,
om aan Zijn voeten rust en vrede voor uw harten
te vinden, onvervreemd ook in de grootste smarten!
Ach! wat de wereld geeft is enkel ijdelheid!
Ook 't geen de jeugd belooft ten ondergang bereid:
maar u! een beter zucht werd u in 't hart gegeven!
Ãén ding is noodig! slechts by Jesus is het leven
des levens, slechts by Hem, die zondaars met Zijn bloed
verlost, en door Zijn Geest het needrig zacht gemoed
van d' eenig waren weg des heils wil onderwijzen!
Naar Hem te hooren, Hem te dienen. Hem te prijzen,
Hem 't onverdeelde hart te geven, dat 's de roem,
't onvergelijkbre deel van Sions joffrehbloem'
Met dezen blijve uw keus. Hy zal de gaven heilgen,
ten hulde aan Hem gebracht, Hy, 't maagdlijk hart beveilgen,
tot dat hier door Zijn gunst de feest- en huwlijkspsalm
met steeds vermeerde vreugd ook u ter eer weêrgalm'.
Tot u ook richt mijn zang den feestwensch! o gy allen, vergaderd in dit uur met heuchlijk welgevallen in de onuitspreekbro vreugd van 't Godbehaaglijk paar! gy, magen, vrienden, en gy, eedle vrouwenschaar! gy, grijzaart! gy veoral uitstekend in ons midden als Boet- en Vreêgezant des Konings, dien we aanbidden, gy wiens eerwaarde hand, wiens herderlijke mond den echt mocht zeegnen en verzeeglen naar 't verbond des Gods van Isrel, in Wiens heil de volkren roemen!
En gy, geliefde vriend, (1) dien 'k broeder juich te Hoemen met meer dan broederschap des vleesches, Gy, door God zoo teêr, zoo na, zoo naauw verbonden aan mijn lot,
aan 't lot van heel mijn huis, aan 't lot der echtelingen, met wie we op dezen stond eenstemmig Hallel zingen! TJ allen zij dees dag tot heilgedachtenis!
tot tuige, wie die God, de Heilige Isrels is,
dk) om Zijn vreêbanier verzoenend Jood en Heiden ook heden samenbracht wat zoo veel eeuwen scheidden, en juTcbt hier ook met hen, die Hy uit Jacobs huis te rug leidde in Zijn gunst door huns Messias kruis;
187
1
Se Heer WHlem Se Cleroq.
TER BRUILOFTSVIEBING ENZ.
en bidt voor 't overschot van Isrel! Wy ook bidden, o dierbren! voor wie nog ook in uw eigen midden,
schoon met Zijn doop besprengd, schoon naar Zijn naam genoemd, de zoensgena miskenn', waar onze ziel in roemt!
Mijn broeder! by dat woord voelt gy uw hart ontroeren! zou niet dit plechtig uur voor beider aandacht voeren dat volk, zoo heerlijk eens, wiens ongeloof ons grieft,
dat Isrel, in beljfte ook nog van God geliefd?
Die maagschap, uit wier kring Zijn Vaderhand ons leidde, die moeders, in wier liefde onze eerste kindschheid weidde, die zuster, die u eens een zuster worde in Hem,
wiens zaligmakend Woord, wiens Herderlijke stem zy nog niet onderscheidt? Doch achten we onze beden voor hen niet onverhoord, schoon onvervuld nog heden... Wat zeg ik? ja! vervuld in 't geen ons eens op aard door banden dierbaar was des bloeds, thands reeds vergaard in 't huis der levenden, thands juichende eerstelingen.
die 't Lam, voor ons geslacht, reeds voor Zijn troon bezingen!
Maar wy, o zalig paar! op dit volheerlijk feest vernieuwen wy te zaam, in 't smeeken om Zijn Geest, 't verbond der broederschap in Christus, onzen Heere, 't verbond der liefde in Hem, 't verbond om Hem ter eere te loopen, niet ons zelv' te leven, op deze aard,
maar in Zijn heilgen naam, en Zijner roeping waard,
te roemen in Zijn kruis, en eenmaal Hem te sterven,
wiens borggerechtigheid ons 't Koninkrijk doet erven!
O onze broeder! God-zelf gaf ons deze leus!
O onze zuster! God bevestig' deze uw keus!
Wy zullen met ons huis, en 't zaad, van God gebeden, Hem dienen eeuwigiyk, en in Zijn mogendheden de dankgeloften, die ons hart hier brengen mag,
door Zijn Genade rijk, betalen dag voor dag.
Wat dreige, wat verschrik', wat sluimer', wat verander',
o! laat ons wakende steeds bidden voor elkander,
voor Neêrlands Israël, voor Nassau, voor die Kerk,
des Heeren oogen lust, en Zijnor handen werk!
voor alles, waar Hy-zelf ons hai-t aan bond, te zamen! â O Heere! geef genS! en 't sal vervuld zijn! Amen.
1829.
188
DEN HEEEE J. J. F. WAP. 189
DEN H E E R E J. J. F. W A P,
TEN ANTWOORD OP DB TOEZENDING VAN ZIJN
UIT HET LATIJN OVEKGEBRACHT DIOHTSTDK: AAN DE BELGEN.
Vereenigd in den grond, dia beider volkstam voedde,
door zusterlijke taal en eigen poezy,
eens in den zwaai omvat van Kareis schepterroede,
thands onder Nassaus schaaüw van 't vreemde dwangjok vrij, scheen Belg en Batavier, dus tot één volk herboren,
een zegenvolle roem van nieuwen bloei verkond,
had slechts 't ondankbre volk dien Rots ten heil verkoren,
waarop Oud-Nederland eens zoo ontzachlijk stond!
Maar neen! een andre Geest blies over deze streken;
des Oproers Tuimelgeest, met dwang- en dweepzucht één, daagde op, en dreigt vol woede in stormen los te breken,
om wat nog Neêrlandsch scheen, of heilig, plat te treên! Ga voort, o wakkre Wap, door dichtvuur aangedreven!
Neem taal en dichtkunst, neem 't historieblad te baat! Bestrijd den opstandkreet, reeds luidkeels aangeheven,
en waarschuw België voor 't broeiend slangenzaad!
Maar weet! een hechter band moet Noord- en Zuiderstammen
omvatten, eer hun vreê, hun redding mooglijk zij!
Een meer dan aardsche hulp het eedgespan verlammen: â
neen, Neêrlands erfgrond kan gelukkig zijn noch vrij, dan door 't aloud Verbond, dat Willem van Oranje
in 't Christenheilgeloof met d' AUerhoogsten sloot,
«n, tot den wissen val van meer dan Flips en Spanje,
betuigde met zijn bloed, en inriep in zijn dood!
30 Uaut 1830.
190 TER ECHTVIERIN G
TER ECHT VIERIN G
VAN
den Heer MATH1LE JaCQÃES CHEVALLIER
EN
Jonkvrouwe ESTHER BELMONTE.
Want zie, de winter Is voorbij, plasregen la over, hy Is overgegaan:
de bloemen worden gezien in den lande, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord In onzen lande. Hooglied II; 11, 12.
In den Naam des Gods van Jacob, onze hulp en onze schild, die de heemlen schiep en de aarde, die van d' aanvang heeft gewild, dat de rnensch niet zoude alleen zijn, maar veréénd als man envronw, in verdubbeling van aanzijn, Hem den Schepper, dienen zou, hem, als t' zaamverlosten eeren en beminnen met een hart, » van den zondedood behouden, door eens Heilands krnisdoodsmart! In den Naam van dien Verlosser, die in 't lichaam geopenbaard, als de Bruigom der Gemeente, die Hem zuchtend beidt op aard, haar gezocht heeft, haar gekocht heeft, zich geheiligd en getrouwd, en met eigen bloed en lichaam immer laaft en onderhoudt,
en met ziels- en hartversterking, en met gaven zonder tal vergewist van trouw en liefde, tot Hy weèr verschijnen zal!
In dien heilnaam, aangeroepen over dezen bruiloftsdisch,
die door Zijn getrouwe ontferming ons te beurt gevallen is,
heiïen we, o bevoorrecht Bruidspaar! den verlossingsbeker op met tot Hem gerichte harten, die uw vreugde voert ten top: drinken wy den wijn des feestheils, die u vol geschonken wordt uit dien rijkdom van genade, die ook 't zoenbloed voor u stort: psalmen wy de heilbeloften, aan Gods Isrel toegezeid,
aarde- en hemelzegeningen, voor 't geloove toebereid!
Neen! geen lied der dartle vreugde, neen! geen wijn der overdaad, neen! geen beker der bedwelming past by 't feest van Abrams zaad, past by 't feest der Echtelingen, door geen aard of wereldzin,
maar door éénheid van verwachting, maar door reine zielemin saam verbonden, één geworden voor het aangezicht van God,
wien zy ziel en hart betrouwden met geheel hun weg en lot!
Hoog gezegend, rijk in hope, vol des geestelijken goeds is, o broeder onzes huizes! is, o zuster onzes bloeds!
VAN M. J. CHEVALLIER.
't Heilig echtverbond te roemen, waar dees feestkelk van gewaagt! 't Geen van weêrzij in elkander uwe zielen heeft behaagd,
was geen aardsche schat, noch eere, geen verganklijk schijngenot, maar 't beginsel van een leven, niet voor 't schepsel, maar voor God! 't Geen uw paan tot één deed loopen, 't geen uw zegen samenbracht, was geen menschelijk beramen, uitgevoerd in eigen kracht!
't Was de hand des Heilands zelve, die, genageld aan het kruis, schuld en schuldbrief uitgedelgd heeft voor 't geloovig Jacobshuis, die den scheidsmuur heeft verbroken tusschen Abrams nageslacht en de volkeren der aarde tot hun Silo toegebracht.
Die, o Bruigom! reeds als zoogling u verzegelde in den doop, 't nimmer wankelende rustpunt van der oudren dierste hoop; die ook ons van uit den doodslaap, die het deel des zondaars is, ter gemeenschap opgewekt heeft van Zijn heilgeheimenis;
die de dochteren van Juda, voor Zijn voetbank neêrgeknield,
met de vreugd des nieuwen levens overstort heeft en bezield, op dien dag van heilherinn'ring, toen des achtbren dienaars mond over dochter beide en moeder God met Isrels heilverbond in den naam van Jesus uitriep in de vastigheid der hoop,
daar 't ter aard gebukte voorhoofd opgericht werd in den doop; 't is dezelfde, ja diezelfde steeds getrouwe rechterhand,
die ook heden op u rustte by uw heilig echtverband.
Waar de schaar der uitverkoornen, door 't verzoenend bloed gekocht, God en 't Lam aanbidt en lofzingt voor het heillot, hier volwrocht; waar dat volk uit alle volken, dat waarachtig Israël,
't nimmer eindigend Hosanna toebrengt aan d' Immanuël;
waar Hem reeds de palmen schudden met steeds nieuwe hemellust onze dierbre voorgeganen in huns Heeren eeuwge rust,
(ook ons ingewand, mijn lieve! 't vroeg in hem ontslapen kroost, o by alle smert. des vleesches onuitdrukkelijke troost!)
daar vereent zich thands die moeder, nog ter elfder uur gezocht, en den weêrgevonden schapen door den Herder toegebrocht, met dien Vader, dierbre Bruigom! die Hem diende van der jeugd, en wiens avondstond verlengd werd tot de dierst begeerde vreugd! Daar, zoo 't oog der reeds volmaakten uit die hoogten nederziet. op hetgeen hun, na 't verscheiden, in hun afkomst nog geschiedt; daar, zoo 't oog der onvoldraagnen in die diepten blikken mag,
daar verheugen zich hun zielen in den feestzang van dees dag, en zy loven d' Eenig Wijzen, die uit éënen Christendoop zoo veel heerlijkheid deed stralen ook voor d' aardschen levensloop.
191
TER ECHTVIEBING.
en zy prijzen d' Eeuwig Trouwen, die het kroost van Abraham wederinent met de volken op hun nooit verworpen stam,
en de maagd van 't Joodsohe stamhuis tot den Christenjongling voert, en in de eeuwge heilverwachting hun gezegend echtheil snoert.
Maar op aarde, (ja! gy moogt het, o des weemoeds volle Bruid! stort te midden dezer blijdschap vrij uw hart in tranen uit!)
maar op aarde mist gy heden in dit plechtigst levensuur die gezaligde, u een moeder door de banden der natuur,
u een dierbre zuster tevens, onzes heildoops deelgenoot,
thands bezitster reeds van 't leven uit den slaap der kalmste dood! Neen! die Heiland, die ons opzocht, laat ons nimmer weezen staan; neen! Hy liet niet van uw zijde die beminde henengaan,
eer haar oog den man aanschouwd had, die u heden alles werd, wat het schepsel kan of mag zijn voor 't naar Jesus uitgaand hert, meer dan vader, meer dan moeder, of heur nagedachtenis,
meer dan alles wat van teêrheid, wat van liefde denkbaar is!
Gun dan. Bruigom! dat ons 't voorrecht op dees heildag vall' te beurt, dat we in naam als van die moeder, waar ons kinderhart om treurt, u het pand in handen geven, dat u onverdeeld behoort!
En gy, dochter dezes huizes, dierbre zuster! hoor het woord, 't woord van ouderlijk vermanen, dat de broederlijke mond,
dat het zusterlijke hart u met vrijmoedigheid verkondt!
Hoor het woord der Godsverordning, Jesus heiige liefdewet,
naar des Geestes heilgetuignis onzer harten zielsgebed!
Aan den man, met wien ge u heden voor Gods heilig aangezicht ingewijd zaagt tot de teêrste, tot de ontzachelijkste plicht,
zijt ge, o zuster! niet uw hand slechts, niet uw trouw slechts en
[uw min,
maar in Christus, dien gy liefhebt, heel uw aanzijn, wil en zin tot gehoorzaamheid verschuldigd, ja! tot liefdevolle vrees!
Dit is 't woord der heilgeheimnis, waar u deze dag op wees! Christus, 't Hoofd van Zijn Gemeente, stelt den man der vrouw
[ten Hoofd,
En gy wist het, en gy hoort het, en gy hebt het hem beloofd, en gy zult het ook volbrengen. De eigen Almacht van gena,
die u Christenmaagd deed worden, make u heden Christenga!
Wees alzoo in God volzalig met den man, dien Hy u gaf,
all' de dagen uwes voorspoeds, tot en over dood en graf!
God zal zorgen voor uw zielen, voor uw nooddruft, voor uw huis! Hy zal vrede en heil vermeerdren, Hy zal sterken onder 't kruis'
192
VAN M. J. CHEVALLIEB.
Aan uw ega onderworpen, zult ge als Saraas waardig kroost voor verschrikking nimmer vreezen, maar door 's Geestes kraclit en
[troost
't hart uws echtgenoots verblijden door een heilgen vrouwenmoed, ondersteunend die u voorgaat, en verkwikkend die u hoedt.
En gy Bruigom, die de weerhelft, u van God ten deel bestemd, met een heiige zielsverukking aan uw dankbren boezem klemt! neen! geen aandrang is er noodig voor 't van God geleerd gemoed tot de plicht, u voorgeschreven; maar ook de uitdruk is ons zoet van de dierbre heil verwachting, die ons juichend hart vervult! Broeder! thands in vollen nadruk ook der maagschap! ja, gy zult 't u geschonken pand bewaren met beproefde Christentrouw,
en tot lof en prijs uws Scheppers, die den mensch schiep man en vrouw, haar beminnen, haar beschermen, haar verzorgen, haar behoên,
haar uit Jesus voorraadschuren als uw eigen lichaam voên,
als uw hulp, uw vreugd, uw weerhelft, als uw eigen vleesch en beea ondersteunen, onderhouden, niet meer twee met haar, maar één, één van hart en zin van uitzicht, één in levenszorg en lot,
één in 't, binnenste uwer zielen, één voor 't aangezicht van God'
Ja! de zegeningen Josephs zijn op zulk een echt beloofd: zegenregens, uit de wolken, lieflijk druipend op uw hoofd! Zegenstroomen, van de bergen nederstortend langs uw paan! Zegenbronnen, die uit d' afgrond, waar ge uw voet zet, opengaan 1 Groen, o Bruigom! als aan d' oever van een klaterenden stroom een met sappig ooft beladen altijd bladerrijke boom!
Bloeie uw Bruid gelijk een wijnstok, die de muren overdekt,
en de hoop der gaardenieren door de schoonste ranken wekt!
Groeie vijgstam en olijfplant om uw tafel, om uw huis,
alle wortel, die besproeid wordt met het bloed van Jesus kruis! Dierbaar echtpaar, dat dien Jesus op gebogen hartekniên eeuwge liefde hebt gezworen, eeuwge hulde wenscht te biên! mochten alzoo onze huizen t'zamen bloeien, Hem ter eer!
Mochten alzoo onze harten t' zamen gloeien voor dien Heer! Mochten alzoo onze lippen overvloeien van Zijn lof!
Mochten alzoo onze zielen t' zamen rijpen voor dien hof,
waar Hy-zelf, de Boom des levens, 't leven geeft in eeuwigheid, waar geen traan meer zich zal mengen onder 't heil, ons toebereid
Broeders! zusters! feestgenooten! aan dees bruiloftsdisch geschaard, die de stemmen uwer harten met mijn dichtakkoorden paart,
wien de heilhoop van dit echtpaar 't liefdeamend harte streelt, II. 13
19»
194 TER ECHTYIEEING
lt;lie met hen dezelfde keuze tot een hooger leven deelt! Ja! voorzeker, gy gedenkt het, door wiens lijden, door wat dood quot;t geen de pelgrim op dees aard reeds van Gods hemel ooit genoot, werd verworven, wordt geheiligd, en een bron op nieuw gemaakt van verkwikking voor die ziele, die van ware heildorst blaakt! Ja voorzeker, gy gedenkt het (o! wat denkbeeld is zoo zoet?) dat die Vader in de heemlen, van Wien afdaalt alle goed,
dat die Heiland, die op aarde vreugdewijn uit water schiep,
(ot een andre brailoftsviering Zijn met bloed gekochten riep!
Ja! tot eeuwge vreugdgenieting, maar door kruis en vaak doorramp! Tot een eeuwig zegepralen, maar na worsteling en kamp!
Tot een eeuwgen bruiloftshoogtijd, maar, vóór d' ingang, tot een wacht, die wellicht zich uit moet strekken tot in 't donkerste der nacht! Doch geen nood voor de aangedanen met het vlekloos bruiloftskleed; 't woord des Heiligen verklaarde 't: Alle dingen zi)n gereed!
En de Geest van uit het binnenst (roepe ons hart Hem immer aan!) zal met allen, die Hy opriep, tot in 't uiterst medegaan!
O! zoo iemand onder ons nog om die Gave nimmer bad,
o! zoo iemand onbekend is met dien onvergankbren schat, die bewaard wordt in de heemlen voor de ziel die Jesus mint,
wiens genieting reeds op aarde voor 't geloovig hart begint,
mocht hy leeren op dees feestdag, mocht hy leeren by dees disch, dat die vreugd, die voor de wereld zoo dra weggevloten is,
voor Gods kindren in hun strijdperk blijvend pand en teeken werd lt;Jer volkomen hoopvervulling van 't ten hemel opziend hert!
Mocht dit uur ook u dit leeren, dochter Isrels, achtbre vrouw! dubbel achtbaar in ons midden door uw weduwlijken rouw,
maar veel meer beklagenswaardig door den afstand nog van 't kruisr waar de hoop uws zoons op vast staat, en 't behoud van heel zijn huis! Mocht die Christus, in wien Abram, in wien Moses heeft geloofd, mocht die Koning, aller Heidnen eeuwig triumfeerend Hoofd, ook uw Heiland, ook uw Redder, uit èn duisternis èn pijn,
ook uw Hoop, uw Licht, uw Leven, uw volkomen Rotssteen zijn! Koep Hem aan, Hy hoort de klaagstem! Bid Hem aan, Hy is naby! Geef u over aan Zijn lieflijke, aan Zijn zoete heerschappij!
Blinden hoort Hy, blinden roept Hy, blinden geeft Hy 't zielgezicht van een zevenvoudig hooger dan 't volheerlijkst zonstraallicht!
Geest des levens, die aan alles kracht en geest geelt door uw aam, die, waar twee of drie vergaard zijn in diens Heilands dierbren naam, u aan zielen komt betuigen, waar Zijn vrees en liefde in woont.
VAN M. J. CHBVALLIEB.
en ü Trooster in hnn lijden, Oorsprong van hun vreugd betoont' O verwezenlijk den zegen over Bruidegom en Bruid,
boven alles wat de bidpsalm onzer zwakke lippen uit,
boven alles wat die liefde, waar we uit spreken op dees dag,
zich van hemelzaligheden op deze aard verbeelden mag!
Hef ook 't hart der feestgenooten met het hunne boven 't stof tot des Gevers, des Verwervers, des Verzeegiers eeuwgen lof, ons bereidend voor dit Avondmaal der Bruiloft van dat Lam, dat tot zonde- en vloekwegdraging in de wereld voor ons kwam; en, ons sierend met de gaven van dien Bloedzoenbruidegom,
leer ons zuchten met de Kerkbruid: Heere Jesus, kom! ja, kom! 1830.
AAN MIJNE GADE,
OP DEN EERSTEN GEBOORTEDAG VAN ONZEN ZOON ABRAHAM.
Aanvaard, Geliefde! by 't herdenken van den dag.
die u ten vierden maal een blijde moeder zag,
aanvaard den kelk des heils, om Jesus naam te loven voor 't tweetal uit uw schoot, dat Hem aanschouwt daar boven, voor 't tweetal hier beneên, ons in Zijn gunst gespaard. Ontfang hem uit de hand van 't kindeken, gebaard in Zijner vleuglen schaafiw met zoete moedersmarte, gekoesterd cn gelaafd aan 't dankend moederharte!
God-zelf vervulle u dien van dank en vreugde en troost in 't met ons in Zijn naam ten doop verwaardigd kroost! Hy, Abrama God en schild, storte over 't spruitjen zegen naar Abrams naam genoemd, en heilige Zijn wegen;
en make ons in die hoop, als 't pas gespeende kind,
dat stil en zonder vrees zich by zijn moeder vindt!
1830.
NE HE MI A IV.
AAN MIJN VRIEND, DEN THEOL. STUD. H. P. SCHOLTE,
UITGETROKKEN MET DE LEIDSCHE STUDENTEN, OCT. 1830.
Op des noodbazuins geluid trek, mijn broeder, ja trek uit,
195
NEHEMIA IV.
met het oog op God gewend,
die de zielsbegeerten kent;
met den psalm in mond en hart, dat de krijgsgevaren tart.
God zij met U, dierbre Vrind! aan wat oord ge u ook bevindt! in den dubbel heilgen strijd,
waar ge ü-zelf aan hebt gewijd; strijd met tranen en gebeên over Sions smert en weên;
voor Oranje en Ne'iland saam,
in des Gods der vaadren naam;
tegen 't vloekverbond der hel met den God van Israël.
Ga Zijn aangezicht slechts meê! 't Zal triumf zijn, lofzang, vreê, wat, de dag, die aanspoedt, baart, by het schudden van heel de aard. Dierbre broeder! eedle jeugd!
trekt met Christen-heldendeugd 't heir der tijgren te gemoet.
dorstig naar oud-Hollandsch bloed. Ziet op 't kruis! en van omhoog slaat de Wraak ze voor uw oog, en gv keert met vrede weêr, overdekt met krijgsmanseer,
tot den strijd van 't geestlijk werk, van den opbouw Zijner Kerk,
tot do dienst van 't levend Woord, dat, verkond, verbreid, gehoord. Neerland eenmaal nog herstell' tot een geestlijk Israël! God Nehemja's! o Zie neêr!
dje 't gul ukken! U zij de eer.
1830. -
SCHOOLLIED.
VOOEZAKG.
O Jesus, die door 't bitterst lijden voor zondaars 't leven hebt verdiend!
196
SCHOOLLIED.
wel mag ook ons hart zich verblijden! om dat Uw Naam is Kindervriend!
Ja! uit den mond der zuigelingen hebt ge U den lofspraak toebereid!
Leer ons dan blijde medezingen van Uw genade en heerlijkheid!
Om U te prijzen, dienen, eeren, vernieuw ons 't kinderlijk gemoed!
Schenk ons een zegen by het leeren! Blijf die ons weldoen, mild en goed!
Bekwaam ons eenmaal hier beneden elk voor 't hem toebedeelde werk,
vooral tot levendige leden van uwe vrijgekochte Kerk!
Gy vondt in 't zwakke een welbehagen o! zie ook ons ontfermend aan!
En 't geen wy psalmend van U vragen, o! doe Gy-zelf ons dat verstaan.
Ons staamlend bidden heeft geen waarde toch hebt Ge ons gunsten toegezeid!
Gy! zelf eens Kind voor ons op aarde, Gy God met ons in eeuwigheid!
SLOTZANG.
Aan onzen God en Vader, den eeuwgen levensader,
zij dank en eer en prijs!
Zijn liefelijke zegen besproei' gelijk de regen
't genoten onderwijs. Vergeving aller zonden zij ook voor ons gevonden
in 't bloed van Jesus Kruis! Zijn goede Geest geleid' ons, bekeer ons, en bereid' ons voor 't Vaderlijke huis.
1830.
tee bruiloft van mb. h. j. koenen.
TER BRUILOFT
VAN
MB. hendrik jacob koenen
EN
Jonkvr. dionisia cathabina van halteren.
Heil, Bruidegom en Bruid, elkaêr van God gegeven
voortaan in lief en leed voor altoos lotgemeen!
Heil by den ingang van uw nieuw, verdubbeld leven,
gy, door Zijn Woord verklaard niet langer twee, maar één! Moogt ge ieder nieuwe zon, aan éénen disch gezefen,
door d' eigen drank gelaafd, en door één brood gevoed, uw harten vol van heil. God lovend, welkom heeten, en roemen daarin 't meest â 't Is vrucht van Jesus bloedl 28 Wijnmaand 1831.
OP HET NA DEN DOOD GEMAAKTE
AFBEELDSEL VAN BILDEBDIJK.
Wie rust daar? â Bilderdijk, thands in zijne eeuwge woning! Hoe leefde hy? Miskend. Wat was hy? Dichterkoning.
In al wat weetbaar is, aan Waarheid slechts gehecht, doorvorscher by haar licht, en strijder voor haar recht! Het wonder van zijne eeuw, ofschoon haar tegenstander! In alles â zich gelijk, in alles â Nederlander!
en die, schoon roem op roem zijn voorhoofd overlaadt,
geen roem verlangde, dan in Christus bloedzoensmaad!
BT HETZELFDE OP ZIJN DOODBED.
Ziin leven was een strijd: arbeiden, al zijn lust.
De tijd van beiden werd vervuld. Hy leeft en â rust!
1833.
198
AAN JONKH. J. .C SMISSAERT.
AAN Jonkhe. J. C. SMISSAERT,
BY ZIJN VERTREK
ALS STUDENT IN DE GODGELEERDHEID
NAAR
DE LEYDSCHE HOOGESCHOOL.
Waarmede zal de jongeling zjjn pad zuiver houdend Als hy dat houdt naar üw woord. Ps. CXIX: 9.
Ja, Smissaert! op het pad, dat gy betreden zult,
zij immer van dat woord èn hart èn mond vervuld!
Is 't Christus, Wiens wy zijn, Wiens rijk, Wiens eer wy zoeken, zoo vorsch naar wetenschap by Leeraars en in boeken,
maar wat voortreflijkheid in menschenwijsheid zij,
en wat ge leest of hoort, één zij uw Meester â Hy!
1832.
A AN Mn. J. W. WILLEK ES.
â fugaces â Labuntur anni.
HOBAT1US.
Wat immer, Will'kes! met der jaren stroom varvliet', het graf, het huis, de les vergeet ons harte niet van Bilderdijk, ons meer daa ongelijkbre Dichter, des Vaderlands sieraad, en groote gloriestichter!
Moog zijn gedachtnis ons nog daar tot zegen zijn,
waar geen herinn'ring meer aan 't harte vreugd kan geven, dan die betrekking had op 't Onverganklijk Leven,
en wat al 't wereldsche is naakt openbaar wordt â schijn! 1832.
OP HET 60RKÃMSCHE HEIDENDOM. (â¦) Hoe! op den achtbren grond van 't oude Nederland de Grieksche drievoet, en onheiige wierook vieren?
Op dees alouden plek een nieuw altaar geplant beneden 't Godsdienstlicht zelfs van zijn Batavieren!
199
Op dit geheiligd erf, van Rome en Spanjes dwang en Fransche gruwelleer door de Almacht vrij gestreden;
Zie de aanleiding tot dit gedlchtjen In de Aanteeïeningen,
OP HET GOEKUMSCHE HEIDENDOM.
in plaats van de eer aan God in Sions psalmgezang cn de aan het dankbaar hart oatstvoomde lofgebeden;
't Helleensche feestgebaar voor 's Hemels oog hersteld, 't onreine Heidnendom herroepen voor de zinnen,
sints veertien eeuwen reeds door .Jesus kruis geveld met aller valsche Goön gevloekte tempeltinnen?
O gruwel eener eeuw, van Christus afgekeerd! â
zijt Ge ook dan reeds zoo verr' hare afgoön toegetreden,
Gy, zoo gantsch anders van uw Vaderen geleerd, o Neêrland! Gy, om hen, bevoorrecht zelfs nog heden!
O! mocht dier Vaadren God ook dees rampzaalgen smefe afwasschen, en den ban die op ons drukt doen wiiken!
Zoo buige Neêrland weêr voor Christus Koningswet,
en doe als Christenvolk zijn hooge roeping blijken! â
En gy, o dappren, gy uit duizendvouden nood met zielenvreugdgejuich weêr onder ons verschenen!
o! looft den Redder, die uw kerderdeur ontsloot,
en spoedt van de ijdelheid naar andre altaren henen!
Ja! stoot de hulde weg van een Godtergende eer!
En, geen bekranste Griek, maar vroome Nederlander,
werp, o geredde held! u voor Gods voetbank neêr, u voegend tot Zijn dienst, als by uw oorlogstander!
En geef aan Neêrlands volk, ja! aan geheel Euroop een voorbeeld, dat gy 't kroost dier Worstlaars zijt gebleven wier keus (van eeuwen reeds), wier roem, en sterkte, en hoop was â Christus heel hun hart, en Gode de eer te geven! 1833.
GRAFSCHRIFT
VOOB EEN KIND.
Een bloemtjen, vóór den tijd van 't oudrenhart gerukt â neen! door der Englen hand voor 't Eden Gods geplukt! Voor wie in Jesus stierf, is dood geen dood, maar leven; en 't pand, aan Hem betrouwd, moet zelfs dit graf hergeven 1834.
LODEWIJKVAN NASSAU.
Gedenk, o Nederland! by 't tellen van die helden,
waar ateeds het Nassansch zaad zoo welig in ontlook,
200
LODEWIJK VAN NASSAU.
die voor Gods zaak en do uwe èn lijf en leven stelden,
gedenk aan Heilgerleê, en Jemraingen, en Mook!
Ja! dat van Lodewijk de nagedachtnis leve
by Neerland, Nassaus stam, en Neêrlands Kerk te zaam! Echt-Duitsche Gravenspruit, echt kweekling van Geneve,
echt Ridder zonder vrees, en Christen zonder blaam; met Willem van Oranje uit éénen echt geboren,
was hy één hart met hem, en kriigs- en kampgenoot,
zijn rechterhand, maar ook zijn voorbeeld lang te voren
in beider keus en deel tot aan en in den dood.
O, blijft dan immer dier aan vaderlandsche harten
de jongste raad en zucht van Vader Willems mond; âom 's vijands algeweld met kalmen moed te tarten,
âbewaar, o Nederland! uw Godsdienst en uw Bond,quot; â
niet minder heilig zij ons, Christen Vaderlanders,
de leus, waar Lodewijk meê aanvalt of verbeidt!
Hy voerde dien in 't hart als op zijn oorlogstanders:
voor Godsdienst, nu of nooit! â In onschuld lijdzaam-
[lieid!
Maar mag des nazaats oog met dankbren eerbied staren
op 's grooten Zwijgers beeld in 't Delftsche praalgrafsteen, zijn broeders overschot mocht Neerland niet vergaren.
De held der helden viel, zijn lichaam zelf verdween. â
Nooit stond een Vorstennaam, sints vijfmaal vijftig jaren,
in welbemindheid met den WiLLEMsnaam gelijk;
maar wat herinn'ring ook zich aan dien naam moogquot; paren, aandoenelijker nog luidt die van Lodewijk.
1S34.
JOHAN VAN NASSAU.
Graaf Jan van Nassau strekt, aartsvaderlijk omgeven
van 't Vorstlijk tachtigtal, dat uit zijn lenden sproot, en juichende in de hoop van 't onverganklijk leven,
der dagen zat, en kalm, zijn leden uit ten dood. â Hoe! broeder van Oranje, en vriend der Nederlanders,
en als zijn broeders niet gesneuveld of geveldquot;? â
Neen! wel had ook dees held Gods Evangeliestanders gevoerd, ja die het eerst in Willems hand gesteld; wel had hy voor 't behoud van Neêrlands Christenscharen
201
JOHAN VAN NASSAU.
het vaderlijke goed ten broederdienst verpand;
wel mocht ook hy beleid en moed en wijsheid paren,
aan 't roer hem toebetrouwd in 't edel Gelderland; wel mocht hy 't achtbaar Hoofd dier heilvolle Unie heeten,
waar, sedert, storm op storm vergeefs op heeft gewoed; niets voor de zaak van God en 't Godgetrouw geweten
scheen ook van hem gespaard, behalve alleen zijn bloed. Zijn bloed? neenl ook dat bloed werd voor u prijs gegeven,
o Neêrlands Kerk en Land! in heldenzoon op zoon,
die d' ouder Prinsentak in roem op zijde streven,
kampstrijders al te zaam om de onvergankbre kroon! Of was het niet zijn bloed, dat Koeverden, dat Santen,
dat Bislich vloeien zag, Roermonde, en veld aan veld,
waar Johans kindren meê hun leeuwenbaander plantten
trotseerend Spanje en Rome en Frankrijks algeweld? â Prins Willems mannenoir bereikt slechts vier geslachten;
Graaf Johan! uit uw zaad verrijst hun 't tweede huis,
wien (licht!) verheevner glans dan 't eerste, staat te wachten, wanneer 't, als Gy, voor eer, den smaad verkiest van 't kruis.
1834.
WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU.
O achtbaar Dillenburg! wat heeft uw schoot al strijders
gekweekt voor Neêrlands heil en Jesus heilbanier! Gy zaagt daar 't eerste licht, gezaligde Bevrijders,
Prins Willem! en, met hem, zijn broeders, vroom en fier! En gy, gelijk een ster in donkre nacht verschenen.
Vorst Maurits! als voor 't oog van 't zinkend Nederland uw Vader, en de hoop, voor altoos scheen verdwenen,
gy, van die hoop voor beide op nieuw het onderpand! Ook hy, wien Johans zaad en Willems kweekling t' zamen,
het Christen-Nederland als beider zoon vereert,
zoon, zulke vaders waard, en broeder, al die namen,
met wie verbroederd ook zijn roem den tijd braveert.
Graaf Willem Lodewijk had Dilles oevers mede ten bakermat; zijn' lof bevat dit ééne woord:
waar Maurits de eerste stond, daar was die held de tweede,
wien, was geen Maurits daar, de hoogste plaats behoort! Maar ook naast Maurits vaak was dees zijn hals vriend de eerste.
202
WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU.
door zeden, zilverblank,; in d'ijver, trouw en sterk, den ijver voor Gods huis, die vroeg zijn hart beheerschte;
in 't vorstlijk voedsteren van Christus volk en kerk! Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte
o Neêrland' in de dienst, tot uw behoud verricht! Gy, Friesland, 't allereerst, met Groningen, met Drenthe,
zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verplicht! Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zijn doorluchte neven,
van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!
Gy, uit zijn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven,
o Koning, op wiens keus meer dan Europa let!
En gy, naast Vaders troon ons meer dan eens hergeven!
geroepen erfgenaam van 't Nederlandsche rijk,
in wien we op 't oorlogsveld een Maurits zien herleven! gedenk aan Maurits en aan Willem Lodewijk.
1835.
JOHAN WILLEM FR1SO.
O Friso! voedsterling dier Staats- en oorlogshelden,
waarop de Fransche trots stuitte en te rug moest treên; held voor dezelfde zaak en op dezelfde velden
met Hessen, Ouwerkerk, en Marlb'rougb, en Eugeen! Doorluchte Prinsentelg, wien op vergankbre goederen
het erfrecht werd betwist, dat aan uw stamnaam kleeft, maar nimmer op den roem dier twee verheven broederen, wier naam, wier bloed, wier ziel, in u vereend herleeft! Gy, wien het moordend lood by 't hachlijk Oudenaarde,
voor Rijssel, by het schoon maar bloedig Malplaquet, in 't nooit ontzien gevaar vergeefs ontzag en spaarde!
de diepte des Moerdijks strekte u ten eerebed.
Moest dan ook Gy zoo rasch aan Neêrlands hoop ontvallen,
(die hoop, met Nederland door heel Euroop gedeeld!) ook in dien vroegen dood, tot rouw der duizendtallen,
uws oudooms Lodewijks en tweeden Willems beeld? â 't Was in Gods wegen steeds, dat Neêrland en Oranje in tranen beurtlings smolt van zielevreagd of smert; dat Neêrland met dien stam, die 't jok verbrak van Spanje,
door snoeren van gebed tot één verbonden werd!
Want dus, dus steeg de beê, van eeuw tot eeuw, ten koogeii
203
JOHAN WILLEM FEISO.
van uit het hart des volks en Neêrlands kerk te zaam: âGod des Verbonds! zie neêr met zegenstralende oogen
âop Nassaus vorstenstam, ter eere van üw naam!
âGeef dat het uit dat huis nooit aan een man onthreke,
âwien de ijver voor Uw huis met meer dan moed beziel'; âdie in de kracht Uws woords vertrapte rechten wreke,
âdie aan de spits des volks voor Christus nederkniel'!quot;
Prins Johan Willem sterft. Maar God hoort Neêrland smeeken,
en, vorstelijke Weêuw! üw schoot voldraagt een zaad, dat, nog op dezen dag, ten hoop verwekkend teeken
voor Neêrland, voor Euroop, voor Christus Kerk, bestaat!
1835.
STERKTE IN GOD.
(HABAKÃK, Hoofdstuk HL)
't Gebed des Zienders â 'k Heb Uw reden, o allerhoogste God verstaan.
Op 't woord van Uw gerechtigheden greep my een bange siddring aan!
Maar o! by 't naderen dier tijden, van oordeel, toornigheid en lijden,
spaar Uwer handen werk, o Heer!
en zie, als voor Uw strafgerichten uw vijanden vertwijflend zwichten,
genadig op Uw erfvolk neêr
God kwam van Theman aangetogen,
in louter heiligheid gehuld!
Van Zijnen glans zijn 's hemels bogen,
van Zijnen lof is de aard vervuld! Op Parans top is Hy verschenen; (1) een stroom van glans gaat voor Hem henen(
en hoornen lichts, van Zijne hand. De dag des Rechts is aangebroken! eu 't pestvuur, in Zijn toorn ontstoken, verspreidt zich blakend over 't land.
5J04
Hy staat, ziet neêr, en meet de gronden, ten erve aan Isrel toegezeid;
1
Dent. XXXII: 2.
STEEKTE IN GOD.
â
205
der Heidnen gordel is ontbonden, hun bergen, zonder vastigheid! De heuvlen hebben zich gebogen voor 's Heeren machtwoord uit den hoogcn,
zijn raadsbesluit van eeuwigheid.
'k Zag Riscbataïms trots verdwijnen! (1) 'k zag Midian! uw tentgordijnen
geschud, verstrooid, in 't stof geleid, (t)
Op snelle paarden bracht Gy zegen,
o God! Uw wagens waren heil. Gy kwaamt met macht den vijand tegen â
de diepe waatren stonden steil!
Was dan Jehova op de golven van Schelfzee of Jordaan verbolgen?
Neen! 't is om d' eed van ouds gedaan, dat op d' ontblooten grond der stroomen, â waar Pharao in om moet komen, de stammen Isrels veilig gaan.
Om die ontzachtbre trouwbetooning,
greep barenssmert de bergen aan.
De zon stond stil in hare woning,
de maan, by Ajalon, bleef staan.
En Gy, o God van Alvermogen,
met uw gezalfden uitgetogen
aan Isrels legerscharenspits!
Gy sloegt, by hagelsteengekletter,
't hoofd Uwer vijanden te pletter met donderslag en bliksemflits! (2)
Ik heb dien dag van verr' vernomen,
die aarde en hemel schudden zal.
als ge op de wolken af zult komen,
o Heer en Richter van 't heelal! Ik hoorde 't en mijn krachten zonken; 'k werd aan mijn standplaats vastgeklonken;
mijn beendren smolten; ik verging.... en toch, wanneer Hy op zal trekken
I
1
Richt. III; 8 - 10. (n Rlotit. VII: 13 en volg.
2
(S) Josua. (**) Josna X: 11.
STEEKTE IN GOD.
en de aard met duisternis zal dekken;
zoo wacht my rust, geen siddering.
Wanneer de vijg niet uit zal botten,
geen druif meer zwellen zal van wijn,
de olijf haar kwekers zal bespotten,
en alle vruchtboom kaal zal zijn;
als nergens graanveld meer zal rijpen,
de herder te vergeefs zal grijpen
naar ooi of rund op veld of stal;
zoo weet ik nog, dat onder 't lijden mijn ziel in God zich zal verblijden,
mijn hart in Hem opspringen zal.
God is mijn heil! ik zal niet vreezen,
Hy is mijn rots! ik wankel niet.
God zal altoos dezelfde wezen,
die nooit Zijn volk, Zijn werk, verliet!
De Heere Heeke is Isrels sterkte;
Hy, die van ouds Zijn wondren werkte,
zal my aan 's werelds dreigend lot gelijk een hinde doen ontsnellen,
en op des aardiijks hoogten stellen! â Zangmeester! stem dit lied voor mijne Neginotli! 1835.__
LOFZEGGING.
(openb, 1:4â7.)
Nu vall' alles te voet voor het Lam dat geslacht werd, in wiens bloed voor de Zijnen de losprijs gebracht werd! Aller Koningen, Englen en werelden Heer zij de sterkte, de rijkdom, de dankzegging, de eer!
Hy die dood was en leeft, ziet! Hy komt met de wolken! Eoept Hem uit, alle Heemlen! verwacht Hem, gy volken! En ook gy zult Hem zien, die Hem eenmaal doorstaakt. Israël ziet, Hy komt en â uw hart wordt geraakt!
Lof, aanbidding en eer zij aan 't Lam dat geslacht is,
aan d' onzienlijken Vader, wiens heilraad volbracht is, aan den Geest, van den aanvang steeds Schepper geweest Hallelujah den Vader, het Woord en den Geest!
206
IN EENEN BIJBEL.
INEENEN BIJBEL. By 't openslaan van 't Boek der boeken
gedenk, o Christen! dag aan dag, dat wie dat Woord wil onderzoeken, geen eigen licht vertrouwen mag.
Geen menschenwljsheid zou hier baten,
geen vlijtige arbeid hier volstaan;
alle eigenwijsheid dient verlaten â een ander oog moet opengaan. *
Voor dat ge u dan begeeft tot lezen, val. Christen! val uw God te voet! en dat een heilig, heilzaam vreezen
zich meester maak' van uw gemoed! Vraag, eer gy verder gaat, een zegen!
Vraag oogen, ooren en een hart! En â Jesus-zelve kome u tegen
in dit Zijn woord by vreugd en smart.
1835.
AAN DEN DICHTER CALISCH,
IN ANTWOORD OP EEN AAN MY GERICHT VERS. Neen! 'k ben geen dwaalspoor ingetreden,
als 'k door Gods waarheidswoord geleid, in 't stof der aard heb aangebeden voor des Gekrnisten heerlijkheid!
Als ik den Goël hulde bood,
Verwinnaar over zonde en dood.
o Calisch! zoo mijn krachten zonken,
mijn ader stolde vóór den tijd,
mijn allerlaatste levensvonken
zijn aan een hooger zucht gewijd!
Sints Davids harplied voor mijn hert geen dichtkunst bleef, maar waarheid werd. Neen! 'k ben niet levende gestorven,
'k ben stervend levendig gemaakt,
als door genade, ook my verworven,
mijn boezemketen werd geslaakt;
als aan mijn oog de schei ontviel,
als ik een God vond voor mijn ziel!
20?
AAN DEN DICHTEE CALISCH.
o Dichter, uit den stam gesproten,
waaruit ik mee den oorsprong nam! o! Werden we eens uog heilgenooten
in 't heilgeloof van Abraham!
Vraag naar den God van ons geslacht! Aanbid den Zoon, van ouds eerwacht!
o! Moog Zijn geest uw' geest bestralen!
o! Dat die Zon uw hart bescheen! gy zoudt in blinkende idealen
geen grootheid zoeken als voorheen. Des werelds heerlijkheid verdwijnt,
waar Isrels Hoop voor 't oog verschijnt.
Laat dan mijn zwakke snaren zwijgen!
en vaart gy-zelf het speeltuig aan; maar zij 't om galmen te doen stijgen,
die met geen eeuwgetij vergaan. Het lied der Waarheid slechts is schoon in 't oor der Englen voor Gods troon.
1836. _
UITBOEZEMING.
Neen! 'k was geen Zanger, stout en sterk, wien eigen kracht naar 't ruime zwerk op breede vleuglen uit deed schieten.
Ik ben een wormke, zwak en klein,
in eigen, in Gods oog onrein!
En, zoo mijn zangen indruk lieten,
hy wete 't, wie dit ondervond,
dat, zoo ik ooit als Dichter stond,
de galm, geslaakt op dezen grond, een naadring was van hooger waarheid,
eerst dichterlijk mijn' geest verkond,
maar op een onvergeetbren stond uit d' eigen vaderlijken mond mijn hart naby gebracht met onweêrstaanbre klaarheid. Zoo wensch noch bied my eer of lof, my, armen kruiper in het stof;
maar blijf, voor palm of eereloover.
208
UITBOEZEMING.
slechts deze naam van my bestaan,
(zij ook mijn dichtervonk vergaan!)
slechts dit getuignis van my over:
lijn Dichtkunst had haar tijd â dien van een lentebloem; â maar Waarheid bleef zijn deel â de Levensboom zijn roem! 1836.
DE EENJARIGE HANNA
AAN
HARE LIEVE MOEDER EN MIN.
Gelijk gy, Moederlief! uw Hanna hebt gevoedsterd,
met eigen melk gelaafd, en op uw schoot steeds koestert, zoo lave u door Zijn woord de moederliefde Gods, met water uit de Bron, met honig uit de Bots!
1836.
AAN EEN KAPITTELSTOKJE.
Klein staafje, ontdekk' me uw hulp in ieder blad en boek den vinger van mijn God, Wiens weg en wil ik zoek!
1838.
AAN EEN SCHBIJFPEN.
Smaak, o mijn hart, meld, o mijn pen,
de waarheid en de trouw des Heilands, Wiens ik ben! 1838. __
SOYONS COMME L'OISEAU.
Soyons comme l'olseau, posé pour un instant
sur des rameaux trop frêles,
qui sent ployer la branche et qui chante pourtant, sachant qu'll a des ailes.
VIOTOB HUGO.
Zijn we als de vogel, wien in schommelende abeelen
een onbezorgde wiegling lust;
die 't takjen trillen voelt, en evenwel blijft kwelen â zich-zelf zijn vleugeleu bewust. W 14
209
SOYONS COMME L'OISEAU.
(Anders.)
Aan den zanger van 't woud mag de dichter zich spieglen,
by het schudden des loofs onvervaard.
't Is zijn lust, zich al zingend op 't takjen te wieglen â o! ten wolken heen drijft hem zijn aart.
De nachtegaal ontziet zich niet te zingen,
ofschoon de boomtak schudd' en trill':
zy geeft zich meê aan al zijn schommelingen â en wijkt naar boven als zy wil.
(Anders.)
Het vogeltjen op 't golven van de takken
zingt ongestoord den toongalm die hem lust; de brooze twijg dreig', daar hy kweelt, te knakken â hy is zich-zelf zijn vleugelen bewust.
1839.
AAN DEN OUDSTEN ZOON
VAN
EEN GELIEFDEN VRIEND,
OP DEV DAG VAN ZIJNK AANNEMING EN DOOP IN DE OHBISTELIJKE GEMEENTE
(met een bondel van bildebdijk).
De Poëzy aanbidt! zy kiest voor gloriepalmen
het needrig heilsieraad van kruis en doornenkroon, Ons Neêrland zoog den dauw der Palestijnsche psalmen,
en Golgotha bevrucht des Dichters hoogsten toon.
Neem in dit plechtig uur een bundelken dier takken,
met levensooft bevracht, geliefde jongeling!
ten pand aan van een zucht, die nimmer mag verzwakken,
en die ik, zeegnend, u ten afscheidsheilgroet zing.
Leev' Dichtkunst in uw ziel! voel Waarheid met uw harte!
en, by de wisselpaan van d' ingetreden loop,
gedenk, hoe om u heen verleiding lokk' of tarte, het ouderlijke huis â Gods roepstem â en Uw Doop! 1839.
210
AAN EEN NAAMGENOOT VAN B1LDERDIJK.
AAN EEN NAAMGENOOT VAN BILDERDIJK
TER GELEGENHEID VAN ZIJNE EERSTE AVONDMAALSGEMEENSCHAP.
Die overwint. Ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen Naam, dien niemand kent, dan die hem ontfangt.
Openb. II: 17.
Gy draagt een schoonen naam, o jonge Bilderdijk!
O! draag hem nederig! maar waardig, door het streven om in beroep en kunst voor hooger doel te leven,
door meer, dan d' overvloed van goud of zilver rijk. Gy draagt een schoonen naam! en toch! gy moest begeeren
een nieuwen, â een', waar God Zijn' hemel aan verbond! Voer dezen, in de kracht eens u gekruisten Heeren, op 't vooihoofd, in uw hart en Hem gewijden mond!
1889.
OP EKNE
VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTGEDACHTENIS. Half een vijftigtal van jaren t' zaam gedragen op de baren van de ruime levenszee,
met verwisslend wel en wee!
Dat het feest zij in uw huis,
hoe ook vaak beproefd in kruis!
Is het vreugde? â
God verheugde!
Waren 't tranen? â God verzoet!
En voor allen die gelooven,
maak' het Jesus-zelf daarboven alles â en oneindig â goed!
1810.
DE PARIA.
(FRAGMENT.)
Daar lag een mensch in 't stof gebogen,
in zielsvertwijfeling versteend.
Geen traan besproeide meer zijn oogen, sints lang reeds had hy uitgeweend.
211
DE PARIA.
O, 't was een lot, dat hy verduurde!
waarop hy lange dagen tuurde,
waaraan hy eeuwge nachten sleet,
in dat zich-zelf verslindend denken,
dat merg en been verraag te krenken,
maar tot geen uitkomst leidt van 't leed!
't Was een dier schepslen, voor wie de aarde
niets dan het naakte leven heeft;
een. wien van de ure af, die hem baarde
een eeuwge vlek aan 't leven kleeft, 't Was een dier wreed, dier fel versmaden, wien Bramaas heiligen beladen
met aller godheèn ongena;
wien met zijn bodemlooze plassen de Ganges-zelf niet rein raag wasschen â het was een arme Paria.
Niet echter. Paria te wezen
is zulk een onverduldbre pijn.
niet, â hoe ook schrikbaar en te vreezen.
van kind tot. kind een ban te zijn. Een mensch, een stam wordt aan het lijden, wordt, onder 't mokeren der tijden,
ook aan het smaadlijkst lot gewend: het hart verstompt zich onder 't zwoegen, ja, vindt in 't einde zelfs genoegen in zijn verdierlijkende eilend.
Maar uit een stam, zoo diep vertreden.
een hart te voelen in de borst,
bewerkt met. andre vatbaarheden,
verteerd van hooger levensdorst!
Onwetend van den dichtgeest blakend.
naar grootsche mannendaden hakend.
die hy niet eens beproeven mag,
gevormd voor liefde, grootheid, waarheid, â en wat wellicht, met minder klaarheid, nog dieper in zijn boezem lag!
En dan, â een wereld saamgezwoten in 't onmeêdoogendste geweld.
212
DE PARIA.
om eiken eedlen kiem te smoren,
waar dat rampspoedig hart van zwelt; en dan, â het hart gegriefd, doorstoken, getrapt, gefolterd en gebroken
met schand- op schandnaam, hoon op hoon! O! dat is levend 't leven derven!
O! dat is lijden, dat is sterven,
dat sterven duizenden van doön!....
Aan deze dood dan gaat hy sneven,
de Paria, in 't leed versteend,
wien â moog' hy sterven, moogquot; hy leven â
geen nevenmensch een blik verleent. Ach! zelfs by 't naderend zieltogen staat hem de vloek zijns naams voor oogen,
die leeft en voortleeft met zijn bloed; zielmoordende herinneringen gaan eindloos voort zich op te dringen aan 't half bewusteloos gemoed.
Hy droomt zich in zijn kindsche jaren,
reeds toen afschuwlijk in elks oog â een knaapjen worstelde in de baren ;
hy greep, en hief het naar omhoog en bracht het juichend aan de moeder, â maar deze, op d' aanblik veel verwoeder van wie haar 't jongsken heeft gered, hergeeft het gillend aan de stroomen,
waaraan het naauwlijks is ontkomen;
de greep eens Pariaas besmet!
VIJF EN TWINTIG JAREN. BEN LIED IH 1840,
VOOKZANG.
Kan het zijn dat de lier, die sints lang niet meer ruischte,
die sints lang tot geen harten in dichtmuzijk sprak,
weêr op eens van verrukking en hemellust bruischte,
en in stroomende galmen het stilzwijgen brak?
213
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Knn het zijn dat een ader, verstikt en vergeten,
schoon eens mede van jeugdige zangtonen vol.
thands op nieuw, door een stout maar gelukkig vermeten, in den zandgrond geraakt, weder uitschoot en zwol?
't Mochte zijn, dat een winter voorby waar gevaren,
en haar ijs by de stralen der lentezon smolt; â dat â een reeks van onvruchtbaar vervlotene jaren door één oogst voor het minst al die dorheid vergold!
Neen! de mensch mag zijn lente geen tweedemaal smaken;
op zijn winter volgt nooit weêr herleving en groei! â dan alleen als dit stof eens zijn dooden zal slaken voor een eeuwige zon, voor een eindloozen bloei!
Evenwel heeft wellicht onze Dichtkunst haar tijden. â o! De harp van mijn stam heeft de wissling gekend van gejuich en geklag, van verheffing en lijden, van bevrijding en lange â verdorrende ellend.
Heeft ze in glansrijker eeuw niet de hymnen doen rijzen,
waar de Dochter van Sion by opsprong in lof?
Waar nog heden de Volken haar Koning in prijzen, schoon Jerusalems kroon ligt gedoken in 't stof?
En Jerusalem viel! en, Buphraat! aan uw boorden
hing het speeltuig ontsnaard in de wilgen verward! â Werd van daar ook niet nog in vermogende akkoorden prophecy en vertroosting gebracht tot het hart?
En nog later zong Juda, daar 't, balling, zijn staf voert, of het waar' met een zweem van den vroegeren zwier, waar de Taag langs Lisbóa zijn goudkorrels afvoert,
waar zich Cordua baadt in den Guadalquivir!
Ja, ook daar nog deed Isrel zijn liederen stijgen,
op zich huwende Westersche en Oostersche wijs.... de Inquisitie daagde op, en de harptonen zwijgen, aan verstrooiende stormen geslingerd ten prijs!
Zoete boorden des Amstels! gy deedt ze herleven.
Op den toon van uw Vondel, uws Bilderdijks stem, ving de snaar weder aan van vervoering te beven,
en des Jongelings greep had een oogenblik klem.
214
E1SN LIED IN 1840.
O! hy zong â uit de zucht, die nog leeft in zijn aadren,
schoon met mindere snelheid van dichterlijk bloed, â dan eens Dichtkunst en Min, dan eens 't lot ziiner Vaadren, of het land, eens dien Vaadren zoo gul en zoo goed.
Of, den strijd tegen afgoOn, uit d' Eeuwtrots gesproten,
of, den lofzang den God aller heemlen ter eer; â
en (de hand van dien God had mijn zielsoog ontsloten!) den Emmanuel, eindlijk, mijn Heiland en Heer!
Zweeg die lier voor altoos? En indien zy herleefde,
door de deining der Eeuw uit haar sluimring geschokt, of omdat weêr een Adem de snaar overzweefde,
die heur zilveren tonen ten wederklank lokt.
Wat dan nog zou zy zingen? wat voorwerp zich kiezen
uit Verbeelding en â Waarheids onmetelijk veld,
daar zich aandacht en geest in den maalstroom verliezen van wat telkens de dag aan zijn opvolger meldt?
Ziet! het vierde eener eeuw heeft zijn stonden doorvlogen,
sints ik aanving mijn hand aan de cither te slaan! â Weggevlotene jaren! herrijst voor mijne oogen!
o! geeft gy my de stof voor mijn maatgezang aan!
Ja, een stof voor mijn verzen, een grond voor mijn voeten,
van waar verder mijn oog in het rond moge gaan,
om aan d' eindpaal der tijden een toekomst te ontmoeten, die alleen van die tijden den loop leert verstaan!
't Zijn vijf en twintig jaar! â 't Kanon van Waterloo bromt in mijne ooren nog, als toen de vlugge Boo, met losgelaten toom van 't slagveld afgezonden,
door Hollands steden rende; â en duizenden van monden herhaalden wijd en zijd de ontzachelijke maar:
,'tTJur, dat der Volken lot beslissen moet! is daar! âDe honderdduizenden ontmoeten zich, en botsen. âDe Pruissen naadren en de Britten staan als rotsen. âMaar de Adelaar bezielt zijn benden, dol van moed. âOranje leeft, maar op de velden stroomt zijn bloed!quot; En straks: âTriuraf! geeft lof den God der legerscharen!
215
VIJF EN TWINTIG JABEN,
âHy heeft des Drijvers arm, den moedwil der Barbaren âten spot gemaakt, ontwricht. â Tot hier toe. Aartstiran! âUw kroon, uw staf, nw ster heeft uitgeschenen. Van âuw ban herademt de aard Jb. de afgod is gevallen.
,o stad der weelde! stad des bloeds! Ontsluit uw wallen âten tweedenmale voor Euroop! Hergeef den roof,
,o Babel! Voor de stem der wraakvermaning doof.
âontkwaamt ge een tweedemaal die wraak: houd op te wroeten âin 'smenschdoms ingewand (daar komt een tijd van boeten!) âen 't zij weêr vrede op een te lang geteisterde aard!quot;
Het zij zoo! ja: de storm hebhe uitgewoed; het zwaard, verpozingloos gezwaaid, ruste eindlijk in de schede; en 't heilig Vorstenbond verzeegle 't! â Is het Vrede,
om dat de donder zweeg van 't moordverspreidend kruid?
Is de Oorlog, in zijn vaart, ook in zijn bron gestuit?
En viel de Omwentling in de macht der Dwangbezweerdere? Zy, met haar bloedig rot van orde- en rechtschoffeerders! Zy, telg en moeder van onzaalge Tiranny,
ontfangen en gekweekt by 't leugenlied van: Vbij!
Neen! kroost van Adam! wacht niets anders dan vertooning van vrijheid, orde of rust, tot dat die Vredekoning komt heerschen over de aard, in wien de hemel juicht,
en voor wien eenmaal al wat leeft de knieën buigt!
Neen! wacht, Euroop! geen heil van waapnen of verbonden! Uw moederschoot heeft nog den vuurberg niet verslonden,
wiens ingewand van 't zaad des opstands woelt en blaakt'; en, schoon het ook niet steeds de lavavloeden braakt,
zijn gisting toch verraadt in trilling, rook en steenen die 't oprispt! â Zij de krijg der volkeren verdwenen;
de kiem werd niet gesmoord, maar kruipt en woelt in 't rond, en dreigt als tijdgeest meer, dan ze ooit als krijg bestond.
Het zeventiende JAAR der eeuw! â Wat jubeltonen joordaavren oud Germanje, en wakkren in haar zonen herinneringen op, waar Rome tegen wrokt,
het Ongeloof voor staat, en Laauwheid-zelf van schokt? Wat zingt men? welke daan? wat mannen? Zijn het vorsten, die tegen 't Vatikaan hun zwaard ontblooten dorsten?
216
EEN LIED IN 1840.
217
!
:f:ll
Is 't Keizerlijke trots en 't Vorstlijk wangedrag, ten tegenwicht beproefd van 't Pauselijk gezag?
Neen! Vierde Hendrik boog! de Hohenstaufen vielen! en zelfs dat Koningswoord: â'k Zal Babyion vernielen!quot; verwoei, gelijk de stem van Kerkvergadering en menig Kerkvoogd in onvruchtbre klacht verging, met raad- op raadslag, naauw gescherpt, of weêr bezworen door d' eeuwenouden Staf. â Wat Almacht had verkoren, was zwakker werktuig! 't Was een boetling, arm en klein, een monnik zonder glans van vaadren, als onrein verworpen by zich-zelv', â maar hijgend naar vergeving, naar waarheid, naar de kracht van Boven, naar herleving, naar zielsbevrijding uit der zonde nacht en hel! 't Is Luther! â Worstelend in de engte van zijn cel, of zwervend door de stad der Cesars, vraagt hy beide wat geen van beide heeft te geven!.... En God zeide: âdaar zij licht!quot; en het licht verrees hem uit dat Woord, op Erfurts kloosterstof heroverd! Ja, hy hoort als uit Gods eigen mond den Evangeliezegen:
âgeloof! â De zaligheid wordt door geen doen verkregen âvan menschen. Ze is Gods werk. Gerechtigheid en heil, âvoor schat noch wijsheid, voor geen boete of aflaat veil, âis gave van Zijn liefde aan Zondaars, 't Eeuwig leven â(Geloof in Christus en Zijn zoenbloed!) is gegeven.
Dat woord werd leven in zijn ziel, wordt in zijn mond een overwinnend zwaard .... Hervorming! 't was uw stond. De Monnik, in de kracht van 't Heil, hem aangebroken, heeft op den dag te Worms 't getuignis uitgesproken!
Daar staat hy! ja. God hielp. Daar knielt hy, keer op keer! Onweders drijven af, en zegens plasschen neêr;
gevaarten storten in, die de eeuwen reeds trotseerden, en waarheden staan op, die als in 't graf verteerden. In 't huis des Heeren is de Kandelaar geplaatst, en schittert van een licht, dat Rome-zelf weerkaatst.
En thands! drie eeuwen, sints, zijn in de zee der tijden verdwenen, â en gy deelt dien jubel, dat verblijden, o zonen eener eeuw, zoo rijk, zoo hoog verlicht?
Neen, Luthers vrijheidszin was de Uwe niet. Gy sticht
VIJF EN TWINTIG JAREN.
een ander werk, eu op een andren grond. De kennis, ontworteld aan 't geloof, werd trots, werd heiligschennis. Een andre geest stuwt thands de stoute raadren voort! 't Is geen doorvorschen meer, maar richten van het Woord des Heeren, â God gedaagd ter vierschaar van de Redo, â Zijn Waarheid, veil gesteld voor ingeheelden vrede of wijsheid uit het stof! 't Is Heldendeugd en kracht, gepredikt aan de ziel die naar vergeving smacht!
't Is uit het Christendom den Christus weggenomen. Is 't wonder, zoo een Eeuw, verzonken in haar droomen cn grondslag èn banier van 't grootsche werk vergat, on 't jonge Duitsohland joelt waar eenmaal Luther bad? Maar 't overblijfsel leeft! Trots Wet- en Woordverkrachting daar is een toekomst voor 't geloof! een heilverwachting voor onze zuchtende aard ! Daar is een Christuskerk,
niet in de gunst des Tijds, maar in haar Heiland sterk.
't Jaar twintig. â Onder de aard zijn schuddingen vernomen De vuurberg rookt en ronkt, en dreigt weêr uit te stroomen; de volken zijn op nieuw verbolgen; en de toorts des oorlogs walmt van ver. De Constitutiekoorts doorwandelt half Euroop, van Portugal en Spanje tot Napels cn Piéraont; â ja, 't moederlijk Germanje: â en Koningsbloed rookt weêr in Frankrijk! â Alles wacht, of 't monster pas getemd door Noordsche heldenkracht, den band ontspringen zal van legers en verdragen: â
Tien jaren uitstel nog! De zon der julijdagen is aan den hemel nog niet opgegaan! â Maar ziet!
een ander Godsgericht vertoont zich in 't verschiet.
De Ster, voor veertig jaar uit Corsica verschenen,
is in uw rotsen. Sint Heieen! voor de aard verdwenen.
Gy waart een Morgenster, Napoleon! uw blik straalde èn de Omwentling èn haar vijanden ten schrik! O! Eenmaal stond Gy groot. Onsterfelijke glansen ontglommen bliksemend aan uwer helden lansen!
en Gy, bewelkomd door een gloriedronken Volk,
zweeft, Aadlaar, over hen, â als op een donderwolk van rcok, een zee van licht, den golvenden helmetten en borslkurassen uitgestraald, en bajonetten,
218
EEN LIED IN 1840.
ter brijzeling geveld van wat ook weerstand bied',
naar 't vast berekend punt, waar Gy de zege ziet!
Ja, eenmaal stondt Gy daar, een beeld van alvermogen!
De koningen der aard ornkringden, ü, en bogen.
De wil van Frankrijk was Euroop de wet. Uw wil
aan Frankrijk' Op uw wenk vloog alles of stond stil. â
Maar neen! Gy waart de man van God niet, Werelddwingcr'
gy werdt het speeltuig van dat Lot, dat,, aan den vinger
der hooge Godheid drijl't, toen Ge in uw hoogheid trad,
en een verdwaasd geslacht U als een God aanbad I â
Gy vleit! â Gy sterft! â De rij der Aarts veroveraren,
die eenmaal, als Gy-zelf, des werelds geessels waren,
ontmoet U met dees L-ial iquot; 't vale doodenrijk:
,o Zoon des dageraads: hoe werdt Gy ons gelijk!
âGy vleit! â Rust eindlijk. rust in 't verre grafgesteente!
âzoo rusten mooglijk is zelfs aan uw koud gebeente.quot;
't Jaar dbie en twintig rees. â 't Is feest in Haarlems wal.
De menigte vlood saam op 't schel trompetgeschal.
't Is wel haar tijd niet meer van blinkende tournooien,
waar duizend Edelen de heirbanier ontplooien
voor Hollands Liebaart en den Henegouwschen Leeuw!
't Geldt echter hier een dag der bonte Middeleeuw.
Een man ('t was in den tijd, toen Beijeren reeds taande
en 't stout Borgondiê den weg der grootheid baande,)
een man, in Haarlems hout, sneed op den beukenstam
een vorm, die in den grond als letter nederkwam!
Maar op die letter zeeg een stemgalm uit de blaêren:
âvermenigvuldig u!quot; en 't was zoo. Vijftig jaren
had de Eeuw nog niet geteld, als 't Aartsbisschoplijk Stift
den troon der Drukkunst op zijn bodem zag! De Schrift,
het eerste, ging van toen vertienmaalduizendvuldigd
naar 's aardrijks hoeken uit! O wonderen verschuldigd
aan 't toeval van één' dag! Hier is de vinger Gods.
Wat ook ontheiligd werd door menschelijken trots
of wrevel: hier was God! 't Was, wat ge ooit sedert werkte,
o drukkunst! 't was, het bleef, met nooit gekende sterkte,
vermenigvuldiging! â van licht, van wetenschap,
van woord, van wil, van macht. Het was een reuzenstap,
ten hemel â en ter hel. Ja, menschdom! ook ter helle.
219
VIJF EN TWINTIG JABEN,
O! wie in arren moed' dat woord in twijfel stelle,
zie om zich! zie die Pers, die ie haar jonge kracht den dag des Bijbels aan 't verduisterd menschdom bracht,
sints, tegen God in kamp, verharde zondekweekster,
verboden lust- en haat- en oproervlam-ontsteekster! Zie spottend Ongeloof aan waarheid, hemel, deugd, als opgedrongen door haar dienst aan 't hart der jeugd,
aan 't oog der kindren! zie haar legioen romannen gezondheid beide en schaamt' van maagdenwangen bannen, en met haar sluipen in het eenzaam slaapsalet,
en in den droom, of in de nachtwaak op het bed,
gedachten mengen, die, in 't woelend bloed gevloten,
d' echt verontreinigen, eer dat hy werd gesloten!
Hy zie die Drukpers, als verwaten koningin gezeten op haar koets, de Meeniug als slavin in teugels klemmen, en aan 's Afgronds macht verraden, ja, ongeduldig, met een zwerm van vlugge bladen, vermenigvuldigd dag by dag, en uur voor uur,
onze aard bezwangeren van ondermijnend vuur,
de Majesteit weerstaan, Gods ordeningen honen,
de tempels pionderen, en koningen onttroonen.
't Jaar dbbtig ! â Julij. 'k Zag uw kroon in 't slijk gesleurd
Bourbon! â September?____'t Rijk der Nederlanden scheurt!
Nu was 't een worstelen van langgerekte vrede
en wrevel; 't zwaard, of 't waar, bezworen in de schede;
in schijn van middlaarschap, geweld en hoogheid heer;
aan 't Recht zijn recht, en aan de zegepraal haar eer
ontkend! â En Talleyrand in de onderhandlingswijsheid
der eeuwen â en der Eeuw â volleerd, plaatst in zijn grijsheid
met afgerichte hand de Vrede in evenwicht
op Staatsomkeering, en het Wanrecht dat zy sticht. â
Europa! Nederland! Verbonden triumfeeren,
gesponnen onder de aard. Maar zie ook God regeerenl
God, met Zijn cholera de volken schuddend; God,
hoe hel en wereld woel', bestemmer van ons lot;
God, nog uw God, o van uw Vaadren afgeweken,
o in de omklemmingen der Vreemde schier bezweken,
o om dien afval diep vernederd Nederland!
Ja! 't is der Vaadren God, die d'onbestaanbren band
220
EEN LIED IN 1840.
in 't eind verscheurde; die èn roem èn verschen zegen
deed rijpen voor dit volk, uit alles wat ons tegen,
ja, ter vernieling scheen bestemd te ziin. GT eert,
als alles samenspant en ons vertrapt. GT weert
d' omwentlingsstortvloed van ons af, o Neêrlands Herder!
Antwerpens citadel sprak dondrend Uw: âNiet verder!quot;
tot Galliër en Belg. En om d' Oranjestam
(uw heilgeschenk op nieuw!) schaart Neèrland zich. Hykwam,
hy zag, hy overwon. Tien afgeperkte dagen
door Uwe almachte hand! â de legers zijn verslagen,
en 't onze keert gestuit, maar overwinnaar weêr! â
O roem der Ridders! geef als Christen Gode de eer!
Als Christenridder! neen, van nu aan Christenkoning! o zoon der Willems en der Friaoos, op wiens krooning het Nederlandsche Volk in deze wallen wacht! vertegenwoordiger van 't dierbaarst Voorgeslacht!
heil zij dien dag! heil U, in 't hart reeds ingehuldigd der duizenden, met liefde en eeden, U verschuldigd en aan dier Vaadren stam! Maar o! vergun de vraag.
aan wie haar in den naam des hoogsten Konings waag':
hebt ge aan dien Heer aireede Uw kroon en troon verbonden, die, in Zijn eigen bloed Verzoener onzer zonden,
het hart der Vorsten als der Volken proeft; den weg van Volk en Koning in 't aanbidlijk overleg zijns nimmer feilbren Raads omvat; die met Uw Vaadren (wier bloed, voor Christus veil, van Hem spreekt in Uwe aadren!) oud-Neêrland samensmeedde in snoeren, sterker dan partijschap breken kon, of dolle-Omwentlingsban?
Die God iHy zij ook de uwe in rijkdom van genade,
als op uw stamhuis lag!) sloeg steeds uw paden gade!
Zijn oog was op U, 't zij Ge, als pas gegeven Kind, ten teeken waart van heil, toen 't Fransche moordbewind voor Neêrlands vestingen de hoop vast gaf verloren, en deinsde; â of, toen de Spruit des Czaars U werd geboren, terwijl Gy dobberde op de waatren der Noordzee ('t gebed van Nederland ging op die golven meê!),
verdreven Prinsentelg! â het zij Ge in 't grootsch Brittanje den degen gordde voor het heidenteelend Spanje, â
of straks by Quatrebras en Waterloo! â of toen,
221
VIJF EN TWINTIG JABEN,
in sombrer tijdsgewricht, by 't Godvergeten woên
van 't Bruaselsohe verraad, betaalde kannibalen
u tegengrimden! â of, tot nieuwe zegepralen,
by 't bachlijk Bautersem! â of eindlijk, als die maar
het land met doodschrik sloeg: krank! zorglijk! in gevaar!
o Koning! welk een schat van zielsherinneringen,
die wat ü lief heoft naar de3 Heilands voetbank dringen!
Geef eer dien Heiland! Hem, den God gezien op aard,
behoort Gy, met uw ziel en lichaam, â met uw zwaard
en schepter! â Tot dien God moet Vorst en volk zich wenden,
met al de zonden, al de nooden. al de ellenden!
Geen kracht, geen wijsheid, hoe door menschen ook betrouwd,
geen Grondwet, hoe oprecht bezworen, geeft behoud,
ten zij der vaadren God het menschlijk woord verzegel',
de zondeschuld verzoen', den Staat geneze en regel',
zijn Woord in eer zij, van Zijn vrees de daad getuig',
en voor Zijn zaalgen Naam heel 't Land aanbiddend buig'! â
Kniel, Koning! met uw volk! â En nu, de Koning leve!
Oranje voor altoos! â Dat elke vijand beve
voor d' opslag van Zijn oog, de liefde van Zijn volk,
en 't heil des heeren', dat Hem toestraalt uit de wolk!
En ondertusschen bleef een tijdperk van tien jaren,
steeds oorlogszwanger, steeds onmachtig dien te baren,
zijn loop vervolgen, 't Is rumoer van krijgsgerucht,
en tevens vrede, rijk in onafzienbre vrucht.
Beschaving breidt zich uit met nooit beproefde spanning, gescherpt als door de vrees voor plotslinge verbanning door 't losgerukt geweld der dolle woestaardij.
Een nieuwe levenskracht doorstroomt de Maatschappij der volken: kunst aan kunst, door ijvervuur geprikkeld en mededinging, die geen grens kent, wordt ontwikkeld in duizend richtingen met steeds versnelden spoed!
Natuur, tot in het diepst haars heiligdoms doorwroet,
legt voor het vorschend oog geheimenissen open,
verbanden, spelingen, die telkens samenloopen tot nieuwe bronnen voor 't Vernuft. De Wetenschap verstout zich niet alleen een steeds verwijden stap,
maar paart en huwt zich, de eene aan de andre en geeft zich spruiten, vertalrijkt dag aan dag. Dan treedt zij, fier, naar buiten,
222
EEN LIED IN 1840.
in 't leven, en verlaat het stoffig boekvertrek
voor ruimer dampkring en voor schittrender bestek;
en streeft al verder van ontdekking tot ontdekking,
tot telkens dieper kracht- en levenslust-verwekking,
en richt verbonden met den Wereldhandel op,
en voert de wonderen der Nijverheid ten top.
Het menschdom spiegelt zich, betooverd, in de weelde,
die vereenvoudiging der werktuigschepping teelde,
in woning, in kleedij, in levenswijs en staat
verjeugdigd, ja kan t zijn, in houding en gelaat.
Een nieuwe loopkring is voor heel deze aard begonnen!
Uit kool- en ijzermijn ontsprongen haar de bronnen
van snelheid, macht en licht. Het helle koolvuurgaz
vervangt de tinteling van 't maagdelijke was.
Het zeegevaarte voelt zijn ingewanden leven,
en roept geen drijfkracht meer van buiten, om te zweven.
Ja meer! de vrije zee, waarin de stoomboot zwemt,
en 's aardrijks vaste korst in ijzren band geklemd,
waarop de spoortrein gonst, wedijvren met elkander.
Zie langs zijn tweelingslijn dien feilen Salamander!
Vuur sist het uit zijn buik, die rammelt over de aard.
Hy voert bevolkingen en legers in zijn staart,
metalen tenten, die met bliksemende wielen
wat stand houdt, waar hy schreeuwt, verplettren en vernielen
Hy runt, hy vliegt, hy rukt, verwaten en verwoed,
afgronden in 't gezicht, en bergen te gemoet,
die wijken, of, doorboord, een open heirbaan laten.
De steden naadren tot elkander; Volken, Staten
doorkruisen, mengen zich, Eén zelfde stoomkrachtvaart
sleept heel ons menschdom voort, en effent heel onze aard,
by 't ruischen van een zee muzijk- en zangakkoorden,
waar 't lied van Strauss meé stemt, en invalt met dees woorden
âzie hier uw goden: Kunst en Kracht en Industrie!
âen voorts! geen eerdienst meer dan de eerdienst van 't Genie!quot;
Erken uw wegen, kroost van Japheth! Neen, het teeken der afkomst van uw geest is nooit van u geweken!
gy zijt van Goddelijk geslacht! de heerschappij der schepping hoorde aan u, â maar aan haar Schepper, gy! nog heeft Natuur in last haar Ondergod naar de oogen
223
VIJF EN TWINTIG JAREN,
te zien; of, biedt zy 't hoofd, en spot zy met uw oogen,
nog zijt gy met een gaaf gewapend van verstand,
van moed en geestkracht, die weldra u de overhand
verzekert, 't zij ge dringt naar 't hoogst der sterrekringen,
of kennisschatten aan de diepte wilt ontwringen!
Nog zijt ge koning, ja! â maar ach! wat baat een kroon,
gedragen niet meer God tot heerlijkheid, maar hoon?
In opstand tegen 't licht uit Hem, wat baat verlichting?
Wat baat, o praalzieke Eeuw! uw grootsche Babelstichting,
uw opgetaste schat van wetenschap en kunst,
en roemverheffing in Beschavings hoogste gunst?
Wat baat het, als uw schoot met de eigen sapverkwisting
de zaden onderhoudt van woeling, wrevel, gisting,
van ontucht, gif, en moord, en zelfmoord, en geweld,
en slaafsche aanbanklijkheid aan de oppermacht van 't Geld?
Als heel de Maatschappij te midden der verrukking,
die uw ontwikkling wekt, door de ongelijke drukking
van 't machtig raderwerk, zeeplassen van ellend'
ter zijde ontwaart van 't spoor, waar langs uw wagen rent:
hier weelde ontwassen aan zich-zelf, van buiten bloeiend
en schitterend van jeugd, maar innerlijk verschroeiend
en sapverdervend als een kanker, en, of 't waar,
der standen evenwicht met moedwil brekend, â dadr
gemor by d' arbeid die geen brood geeft, jokdierbanden
geworpen om den hals van vrijen, waar de wanden
van hitte blaakren dag en nacht, en eeuwge rook
de steden zwart verwt, en de ziel verstikt in smook?
Of, wilt ge in hooger kring? Verantwoord die tooneelen
(de tempel onzes tijds!) herschapen in bordeelen,
waar Dichtkunst zich verlaagt tot vuige boeventaal;
terwijl voor 't wuft geslacht zelfs de achtbre Rechtspraakzaal
een schouwplaats werd, waar 't oog met wellust leert te staren
op eiken gruwel, dien uw vorderingen baren!
o Machtige Eeuwgeest! in uw hoogheid moogt gy staan!
maar spreek! wat hebt gy met uw heerlijkheid gedaan?
Ach! in die mengling, in dat misbruik, voelt ge u leven! en zelfvolmaking, zelfvergoding blijft het streven,
ten koste van wat deugd of heiligheid het zij!
Doch op den bodem der ontwijde Maatschappij
224
EEN LIED IN 1840.
ligt tevens de éénheidszucht! Tot éénheid drijft de klemming der opgespannen veêr, â tot éénheid, de bestemming maar, buiten God, den vloek der raenschheid. Ja, de Man die in het middelpunt zich eenmaal wringen kan van 't weefsel zonder ga, dat onze leeftijd baarde,
is meester van Euroop, is meester van heel de aarde!
Asch van Napoleon! Wat brengt ge aan Frankrijk? Wat aan 't ondermijnd Euroop? â Verbeidt de Wereldstad in U den vonk in 't eind, die de opgeladen stoffen in 't lang gedreigde vuur weldra moet doen ontploffen?
En is de voorboö reeds gezien, het sein gehooid voor Beyruth? â te Parijs? â Werd reeds de droom gestoord des Vredes? Is de krijg, van al zijn Razernijen omstuwd, of die nog veel vernielender Harpijen van oproer, burgertwist, onttrooning, klubsgeweld,
reeds ingespannen? â Werd het vonnis reeds geveld dier niet meer vreemde straf, eerst van Regeeringloosheid en straks van Tiranny, elkaar gelijk in boosheid,
waarmee de horizon bewolkt is? Of blijft rust,
blgft: ,Vrede! Vrede! en geen gevaar!quot; de leus, de lust der Eeuw? en is een reeks van Staatsverwikkelingen,
waaruit de kracht ontbreekt zich weder los te wringen, op nieuw voor luttel tijds op handen? â- o! Wie gist wat van des menschdoms lot daar Boven is beslist?
Wie heeft Gods raad gekend ? â Doch neen! de orakels spreken: die Schriften, van wier woord geen tittel mag ontbreken, zoo lang de zon haar glans, de maan haar wederschijn zal geven! â Ja, voorzegd is de ingeschonken wijn der gramschap, de onrust van de volken, de geruchten van oorlog, de ijzren arm eens Heerschers, en de zuchten van 't schepsel dat, vermast, het oog ten hemel richt, â voorzegd, de donkre nacht; voorzegd, het Morgenlicht.
Op 's hemels wolken zal Hy komen,
die aan die nacht een einde maakt!
die, in Zijn heemlen opgenomen,
het troostwoord uitsprak: âWacht My! waakt!quot;
EL 16
225
VIJF EN TWINTIG JARENT
Hy komt, naar wien Gods schepslen smachten, wie 's werelds eeuwen tweemaal wachtten,
wien de Aard reeds eenmaal heeft gebaard 1 Het Lam, wiens bloed hier heeft gevloten, de Leeuw, uit Isaï gesproten,
de Man der smart, de God der aard!
De aloude prophecyen zweven
met deze galmen de eeuwen door; des aardrijks vloek wordt opgeheven â
maar de offerlijdenskelk gaat voor!
Is God een mensch, dat Hy zou liegen? Of konden de eerstlingen bedriegen?
die Golgotha gedragen heeft?
Voorzeggingen der Zoenverwerving! voorzeggingen der Rijksbeërving!
ondeelbaar zijt ge, als God die leeft!
Ja, 't woord is uit den mond des Hoeren
naar 's werelds einden uitgegaan.
't Zal nimmer tot Hem wederkeeren,
ten zij voldragen en voldaan:
âMijn Koning, ziet! Hy zal regeeren! âHem zullen alle Volken eeren,
âHem, alle Vorsten hulde biên.
âHem, allen die Zijn smaadheid droegen, âdie om behoudnis naar Hem vroegen, âin Zijne aanbidbre schoonheid zien.quot;
In Zijne dagen daauwt het vrede;
in Zijne schaduw lofzingt de aard! 't Gedierte-zelve jubelt mede,
weer onder Edens wet geschaard. Een jongske zal den leeuw beheeren!
de wolf zal met het lam verkeeren â
en de Englen Gods weêr met den mensch! Het zijn de lang verwachte dagen van 't aangekondigd quot;Welbehagen,
en aller hemelingen Wensch!
Is 't wonder, zoo de heuvlen rooken? de bergen wagglen als van schrik?
226
EKN LIED IN 1840.
des Afgronds ingewanden koken,
verbeidende het oogenblik,
als van Zijn heiligen omgeven,
die Zijn bazuin herroept in 't leven,
de groote Koning komen zal,
om voor der eeuwen eeuwigheden den kop der Helslang plat te treden, by 't hemelsche triumfgeschal?
Uit Patmos hoordet gy ze schateren,
de Hallelujahs voor Gods troon,
gelijk een stemme veler wateren
lof ruischend den gezalfden Zoon! âDe Koninkrijken en de Machten .zijn voor altoos aan den Geslachten,
âwien heel het schepslendom aanbidt! âDe laatste hoogten zijn gevallen! âen met Zijn duizend-duizendtallen âneemt Hy de wereld in bezit!quot;
Looft Hem, gy Natiën te zamen,
op een van God gelouterde aard!
Looft Hem, gy Volken aller namen,
tot J esses heilbanier vergaard! En gy! sints twintig eeuwen zwervers, eens weêr beloftenisbeërvers!
naar Davids troon! naar Davids Heer! Van uit dat hart, door ons verbroken, van uit die zij', door ons doorstoken, stroomt Zijn vergeving op ons neêr!
Brengt aan dien Koning op uw knieën,
o Koningen! uw heerlijkheid!
Zij voor Zijn voetbank, o Genieën!
uw schatting needrig neèrgeleid! Gy wetenschappen en gy Kunsten! gy krachten, machten, gaven, gunsten, door d'Adem Gods in ons verwekt! weg met de dienst der heiligschennis; gy hoort den Goël toe, wiens kennis eerlang het aardrijk overdekt!
228 VIJF EN TWINTIG JABEN, BEN LIED IN 1840.
Gy, o vooral! gy Harpenaren,
die de aandrift voelt tot hooger lof!
voor uwe aan God gewijde scharen
wat ongelijkbre zingensstof!
Laat â wat de wentelende jaren van worstelingen of gevaren,
van dreiging of verleiding baren, â
trots Eeuwgeest en Algodendom, â
laat met de galmen van uw snaren het wachtwoord van Gods Geest zich paren, en lovende ten hemel varen:
âkom, Koning Jesus! kom, ja kom!quot;
AAN Ds. J. J. W. VAN STAVEREN,
met een bouillonkop,
UIT NAAM VAN EENE ZUSTER UIT ISRAEL, TEB GELEGENHEID VAN HAREN DOOP.
De Dochter Abrahams, van heilvreugd opgetogen
om 't zegel, op haar hoofd in 's Goëls naam gedrukt,
biedt uit een dankbaar hart, schoon uit gering vermogen
een pand van haar gevoel, zwak maar onopgesmukt.
Drink, Vaderlijke Vriend! aan dezen dag gedenkend,
drink uit dees aardschen kop gezondheidskrachten in.â Uit veel verheevner bron, genad ekrachten schenkend,
stroomt leven in uw ziel, en zaalge hemelzin.
De Heiland, die u roept Zijn lammeren te hoeden,
wien eindloos toekomt eer, aanbidding, lof en dank, wil met Zich-zelf de ziel van Zijn getrouwen voeden;
Zijn vleesch is hemelbrood, Zijn bloed is levensdrank.
AAN MIJNE DIERBARE EGADE,
op haren vebjaarüag EENIGK DAGEN NA DEN DOOP ONZER JONGSTGEBOEENE.
Neen! ik bied u goud noch paerlen, of wat kostbaarst vloeien mag
uit de schatten dezer aarde voor een feestelijken dag.
Neen! uw keus is niet de weelde van een rijk bewerkt geschenk,
of wat uitgezochte gaven 't blij verjarend hart bedenk'! â
Met een toongalm mijner snaren, met een uitgestorte beê,
uit de diepte mijner liefde, houdt zich de uwe wel te vreè; â
en daar is, daar is tot zingen in erkentnisvollen lof.
AAN MIJNE DIEKBABE EGADE. 229
o! daar is voor dankend bidden, en aanbidden, volle stof.
Lieve weêrhelft van mijn leven! teedre moeder van mijn kroost! in de smerten dezes levens steeds me op nieuw behouden troost! rijke gunst des Allerhoogsten, ray, de minste zelfs onwaard,
eens gegeven, vaak hergeven op een doornenteelende aard!
'k Zag ook thands u als herleven uit zoo menig worsteling.
weêr de moederplaats hernemen in den huisselijken kring. â Welkom, welkom aan die plaats weêr! Welkom met het dierbaar kind, waar ons hart een tweetal spruitjes, reeds verengeld, in hervindt! waar ons hart een pand in zien mag van den God die slaat en heelt, en in ondoordenkbre wegen rouw- en troostpaan toebedeelt.
o! Het feest van uw verjaren is me een blijde zonneschijn;
schoon er nevels, sombre nevels, aan den hemel mogen zijn;
schoon er wolken mogen hangen over kerk en land en huis,
en zoo veel van rondsom toeroept: âBuig uw schouder onder'tkruis!quot; Wel dan! o! die toekomst wenke! met dat kruis bestaat de Hoop, die ons zondaars werd verzegeld in den dierbren Christendoop. â Dierbre! wat die doop verzekert ook aan 't zwakgeloovig hart. zij de beê van onze zielen, in 't gezicht van vreugd of smart,
zij de beê van onze harten voor elkander, voor ons kroost,
zij, in worstling of verzoeking, onze toevlucht, onze troost.
zij, in leven en in sterven, onze rust en vaste rots;
,'t eigendom te zijn voor eeuwig eens Genadevollen Gods;
âja, des Vaders die ons lief had; ja, des Zoons, voor ons geslacht, rja, des Geestes, die ons vrij maakt. â Hy is Liefde, Waarheid, Kracht.quot;
1841.
BY DE RIVIEREN VAN BA BEL.
Daar zaten wy en weenden wjjj Ps. CXXiVII.
Aan Babels wateren gezeten,
denk ik aan Sion, en verteer.
Jerusalem! hoe zoude ik U vergeten?
mijn rechterhand vergeet' zich zelf veeleer!
En in des vreemdiings land gevangen ,
vergt gy zijn overmoed nog zangen,
een lied der feestvreugd van voorheen'? een overwinningspsalm den Heere?
een tempellied mijn' God ter eere?....
Ween, Sionite! ween!
BY DE BIVIEEEN VAN BABEL.
'k Heb mede, o schand! in blijder stonde,
genot, verjeugdiging en kracht (in mijne ellend gedenk ik aan mijn zonde!) van Babyion, mijn' stam ten hoon, gewacht.
Mijn vijandin heb ik ontboden,
mijn' God verloochend voor haar goden!
Zy kwam, en bracht meêdoogenloos haar toortsen voor mijn tempelwanden,
haar ketenen voor deze handen. â
Bloos, Sionite! bloos!
Ja, bloos, en leeg in zak en assche den bittren kelk der slavernij!
tot eenmaal weêr een heilmaar u verrasse,
een dag van troost, een woord uws Gods: Wees vrij! Wanneer U tienmaal zeven jaren het heerlijk bedehuis herbaren;
wanneer, veranderend zijn' loop, (1) de Euphraat een' vreemden Koning huldigt, ter straf, aan Babyion verschuldigd. â
Hoop, Sionite! hoop!
Die Koning, door Gods raad gedreven,
spreekt tot uw' tempel; Word gegrond. Do volkeren zijn in zijn hand gegeven,
en 't woord der vreugd voor Juda in zijn mond. (t) Een nieuwe tijd is aangebroken,
een nieuwe voorspoedszon ontstoken na nieuwen smaad en worsteling.
Weest welkom, kloeke Machabeeuwen!
en gy, by 't opstaan van die leeuwen,
zing, Sionite! zing!
Maar eindloos heerlijker vervulling wordt aan uw zielzucht voorbereid.
De tijd is daar der groote Heilsonthulling:
230
het is de Heer, van ouds door U verbeid! In needrigheid, ofschoon als Koning, in hemelmajesteitsbetooning.
1
Cyras nam Babylon in by verrassin â¢, door het afleiden van het wakr olt den Euphraat. (t) Esra 1: 2, 3. Jes. XLIV: 27, 28.
by de rivieren van babel.
by 't overgeven van Zijn ziel. Voorafgegaan door Zijn' Elia, (*)
zie hier uw' Goël en Messia! â
Kniel, Sionite, kniel!
Hy wordt verworpen! ⢠â ⢠â Maagdenscharen! quot;treurt by die Godsverwerping, treurt! tot dat eerlang de klaauw der Adelaren
u van de plek, waar Hy U toesprak, scheurt.(t) En thands! geen tienmaal zeven jaren, die wederom bevrijding baren!
Op dezen jongsten wanhoopskrijg volgt geen gevangnis, maar onterving, geen kwijning langer, maar versterving â
zwijg, Sionite! zwijg!
Maar neen! Gy zult weer ademhalen.
Maar neen! Jerusalem sterft nooit. Gy zult haar zien van uit den hemel dalen, gelijk een Bruid, haar' Bruidegom getooid. Van vrede zal men tot ü spreken; de nacht des afvala is geweken,
en weggenomen is de kloof.
Daar' is verzoeninge gevonden ook voor die schrikbaarste uwer zonden. â Loof, Sionite! loof! 1841. _
BEURTZANG
voor een drietal kinderen op db kopeken bruiloft hunner ouders.
a.
Het koper zelf brengt feesten mede,
daar waar de Heer Zijn gunst gebiedt. Wy mengen dankbaar onze bede
by 't ouderlijke vreugdelied,
voor zes paar jaren volgemeten
van heil, hun hier reeds toegeleid; voor zegens nimmer te vergeten.
231
en in verband met de eeuwigheid!
(â¢) Loc. 1:17.
(t) Lno. XXIII ;27-Sl.
BEUKTZANG.
B.
God wil dat koper nog verklaren
tot zilver, glinstrend van rondsom, tot zilver, achtbaar, als de haren
van een gewenschten ouderdom! â
En dan, dat zilver weêr doen rijzen
tot goud, gelouterd in de vlam,
waar de Engelen den glans van prijzen, omdat die van Gods liefde kwam.
o.
Maai- koper, zilver, goud op aarde versmelten eenmaal in het niet.
Daar blinkt een feest van rijker waarde
uw harten tegen in 't verschiet.
Eens viert gy eeuwig (zij het spade!)
in 't onveiderflijk Vaderland een bruiloftsfeest (door Gods genade!) van onverbreekbaar diamant! 1841. _
O R L Ã A N S.
Van 't Noorden is een stem vernomen, en 't Zuiden antwoordt: Ondergang! 0 Seine! o Elbe! langs uw stroomen
wat noodgeluiden, fel en bang! Wat boetbazuinen in dat kraken van Hamburgs prijsgegeven daken,
aan wier doorblakerd ingewand zich vitrioolrivieren voeden,
en storten roode lavavloeden voor plassend water in den brand!
Of waar Meudon met handenwringen
op honderd lijken nederblikt by 't dolle tijd- en snelkrachtdwingen verschroeit, verkrompen en verstikt.
Terwijl van d' overkant der zeeën een bode van nog schrikbrer weeën de korst verdacht maakt, waar we op staan,
232
ORLEANS.
berucht Haïti! om uw gronden,
in duizend opgesparde monden verzwolgen en te niet gegaan.
De God der goden heeft gesproken:
Mijne is de bodem, waar ge op drukt! Mijne is die damp, die gy doet rooken,
en in wiens kracht gy voorwaarts rukt! M ij n e is die schepping vol van wondren, die gy doorwroeten moogt en plondren:
ja, wil de rijkdom der natuur uw weet-, uw heersch-, uw roemdorst streelen, zich dienstbaar stellen aan uw spelen, â Mijne is de dag, de maat, de duur!
Verneemt het. Machtigen der aarde!
en gy, Verstandigen! geeft acht!
Zoo een lankmoedige Almacht spaarde,
hy heeft geen lust in Uwe kracht.
En ziet! op eens â de velden schudden, de heuvlen huppelen als kudden, â
daar boort een ongeziene schicht door ether heen of zwangre wolken,
dat voor het oog van 's werelds volken de hoog verheven ceder zwicht!
Wat nieuwe woeling op uw wallen.
Parijs? Wat taant uw Julijglans?
Hoe? de eerstgeboren Zoon gevallen?
Gekromd de staf der Orleans?
De hoop van vastigheid en vrede,
die de uitgezochtste Staatkunst smeedde
voor Frankrijk en Euroop, geknakt?
De last van Staat- en Rustbehouder van op den mannelijken schouder op een vierjarig kind verzakt?
Hoe ligt de Koningstelg ter aarde!
Hoe is de held in 't stof gelegd!
wien 't wrekend citadelvuur spaarde
by 't tergen, Neerland! van uw recht; die waar de hel haar Fieschis braakte.
233
ORLEANS.
waar 't Barbarysche zonvuur blaakte,
slechts lauwren opving voor zijn hoofd.... Twee sprongen van een ros in 't hollen, â één schok â men zag hem suisebollen, den schedel doodelijk gekloofd.
Wie heeft, Hertogelijke Weduw!
niet met u by zijn lijk geweend,
daar naast die armelijke peluw
de Koningin in 't leed versteent?
Wie niet met u, geslagen Koning!
die thanda geen woordenpraalvertooning,
geen zinnen, kunstrijk saamgesnoerd,
maar jammers overstelpend nokken,
waar hart en ingewand van schokken,
voor de opgedaagde Kamer voert.
Doch gy, wat spreekt gy tot dien Koning
dien Koning eenmaal van uw wensch, ten dage van uw smartbetooning,
volk tot dien Vorst, mensch tot dien mensch? Wat vindt ge in 't eind tot God te zeggen? wat. voor Zijn voetbank neêr te leggen by 't snerpen van zoo diep een pijn? Ik (antwoordt Frankrijk onder 't rouwen) ik door onbuigzaam zelfvertrouwen,
wil vrij, wil sterk, wil eeuwig zijn!(1i)
Zijt gy het. Spreker zoo verheven,
zijt gy het. Zanger, zoo vol ziel!
wien, door 't getij der eeuw gedreven,
zoo roekeloos een woord ontviel?
En liet gy dan die zijden snaren,
o Lamartine! daarom varen,
die eenmaal golfden hemelwaart,
om in uws volks vergaderzalen tot heel den onzin af te dalen,
234
dien dorre zelfvergoding baart?
1
Woorden van het Adres der Gedeputeerden, volgens de dagbladen, opgesteld door den Heer de Lamartine.
ORLEANS.
Doorluchte Pelgrim uit die streken,
van waar het Heil onze aard bescheen!
van 't eeuwig Frankrijk kost gy spreken,
die, waar gy 't aardrijk hebt betreen,
slechts puinhoop zaagt en barre gronden!
waar wereldmonarchijen stonden?
waar Babyion het gouden hoofd ten hemel, prachend, plagt te beuren:
âik â zal als weduw nimmer treuren! âik â word van kindren niet beroofd!quot;
O! zoek by 't gapen van de graven,
als u de mensch, o mensch! begeeft, uw drieste zelfheid niet te staven
door 't denkbeeld dat de raenschheid leeft. Die menschheid-zelf â wat is haar leven? Een wijder kring? een straffer streven?
een wederkeeren tot het stof!
met alles wat haar geestkracht werkte, met alles wat haar hoogmoed sterkte,
met al haar schande en al haar lot!
En toch! niet eeuwig ligt zy neder:
daar komt een Rijk, dat niet vergaat.
Zoek slechts zijn kiem in eik noch ceder,
maar in 't verborgen mostaardzaad.
Van uit de nederige dalen zal 't 's aardrijks hoogten nederhalen,
terwijl de jongste ramshoorn schalt.
Knst, volken! kust den Eengeboorne,
en schuilt by Hem, dat Hy niet toorne, wanneer Zijn dag u overvalt.
1842.
235
AAM VKüUWE ÃKOEN VAN PK1NSTERER.
AAN VROUWE GROEN VAN PRINSTERER.
geboren van dkb hoop.
IN HAAR ALBUM.
En gy zult Zgnen naam Jesus heeten, want Hy zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden.
Matth. 1:21.
Vijf letters!,, maar Gods liefde â ons heil â daarin besloten! â
O leeft het in ons hart? Wat zal ons onderstooten
van de onuitspreekbre hoop, wier vastheid dan recht blijkt,
als 't zichtbre wegzinkt, als ons vleesch en hart bezwijkt?
1842.
AAN WILLEM DE CLERCQ,
BY 6ELEGBNHEIlgt; ONZER VERJAARDAGEN (Jan. 13 en 14) IN 1843. De hand van God verbond ons lot.
Wie zal het rukken van elkaêr?
Wat eenmaal stond,
door Hem gegrond,
blijft eeuwig vast, blijft eeuwig waar.
Eens Heilands trouw kent geen berouw.
Wie zal ons scheiden van dien Heer?
Geen tegenspoed,
geen overvloed,
geen smaad, geen haat, geen gunst of eer.
Geen volkgedruisch,
geen Ridderkruis,
geen leed, geen nood, geen dood of graf, â
staat Hy naby en ons ter zij,
die zich voor ons ten losprijs gaf.
âDat Hy bewaar!quot;
blijf voor elkaêr 't gebed des harten tot aan 't end;
't gebed tot Hem,
die naar de stem des toevlucht zoekenden zich wendt.
236
AAN WILLEM DE CLEECQ.
Wy hebben 't Woord!
Het word' gehoord,
geloofd, bewaard, doorzocht., onthuld.
en in gena,
't zij vroeg ot spa,
aan 't geen ons hart bemint. Zijn Naam ter eer, vervuld!
1843. _____
AAN MIJN OUDSTEN ZOON,
OP DEN DAG ZIJNER BEVESTIGING ALS LID DER
CHRISTELIJKE HERVORMDE GEMEENTE.
Mijn zoon, mijn eersteling heeft zich een lid beleden,
werd als een lid begroet van Jesus Kerk op aard.
Heil hem! heil dezen dag! met tranen en gebeden
ga stille lof en dank in onze ziel gepaard!
Ja, dank en lof aan Hem, die 't oudren wilde geven
het kind, voor achttien jaar met Zijnen doop besprengd, als jongling aan hun zij' den stond te zien beleven,
die aan 't geschokte hart een nieuwe roepstem brengt. Ja, tranen by het zien op schuld, ellend en zonde,
maar tranen, waar de blik op 't Godslam heen door dringt; wien aan het hout des vloeks die schuld het hart doorwondde,
maar aan dat hout geboet, in liefdes diepten zinkt.
Mijn zoon! hoor onze beê, en hoor' haar God van boven!
De God des levens, der genade, des herstels;
Wien slechts de levende, de levende zal loven,
de God van Abraham, de Goël Israels!
,o! laat ook dezen voor uw aangezichte leven,
âook dezen spruit des volks, door u gekend weleer!
,Hy leve een lid dier Kerk, die steeds u de eer zal geven, .veroverd op den dood door 't sterven van haar Heer!quot;
1843. _
LOFZEGGING.
Ja, Hem, die ons heeft lief gehad, zij de eer,
het Lam van God en aller heeren Heer!
en aan den Geest, te zamen Een en Zeven, (1)
237
uit Wien de volheid stroomt van Liefde en Leven!
1
Openb. 1:4.
LOFZEGGING.
en aan Die is, Die was, Die wezen zal!
drieëenig God, die. Schepper van 't Heelal,
zich inenschen kocht ten scheppings-eerstelingen, om voor den troon Zijn Godheid lof te zingen: een lof, die nooit een Engel brengen mocht! â door 't bloed des Lams zijn zondaars vrijgekocht.
AAN EENE VRIENDIN,
IN DANK VOOR EENE DOOE HAAR VERVAARDIGDE KOPIJ EENS GETEEKENDEN PORTRETS DOOR
COÃWENBERG.
âJa, 't is de Clercq! Hy spreekt, hy leeft!
zijn binnenste gedachte zweeft op deze stout geschetste trekken.
't Is meer dan houding of gelaat,
't is 't hart dat in den boezem slaat,
wat hier de Kunst vermocht op 't blank papier te wekken.
Hy is 't, zoo als hy denkt aan God,
by een bevoorrecht levenslot,
by 'slevens ernst en zoetheid tevens;
zoo als hy ziet op gade en kroost,
zoo als hy nadenkt, tucht en troost,
cn 't zalig zielsgeheim van d' engen weg des levens.quot;
Met de opgetogenheid eens kinds stond zoo de vriend voor 't beeld zijns vrinds, dat 's kunstnaars potloodstrepen teelden,
en gaf den God des hemels lof,
die 't door Zijn adem levend stof 't vermogen scheuken kon om leven na te beelden.
Maar meer! een vlugge vrouwenhand voelt zich bezield, voelt zich bestand!
Zy grijpt de stift, en zet zich neder.
En ziet! ook haar genieblik had eens broeders ziel diep opgevat, â
zy geeft hem op 't papier ten tweeden male weder.
238
AAN EBNE VRIENDIN.
En 't werk dier stout bestierde stift zend zy den boezemvriend ter gift! â Wat heeft hy om naar recht te danken voor d'eedle kunst- en vriendschapsvrucht? Niet half genoeg waar' 't voor zijn zucht, al plengde hy een stroom van frissche citherklanken.
Neen! hier volstaat slechts 't echt gevoel van mildheid, zonder ander doel dan 't lieflijk voorrecht van verplichten! Uit zulk een bron een zulke gunst is meer dan eerbewijs of kunst.
Gedwee erkent de mijne in dezen kamp te zwichten. 1843.
AAN DEZELFDE,
IN ANTWOORD OP EEN GESCHENK VAN PIJNEN WIJN.
Wat voert het edel druivenbloed uit vriendschaps milde hand ontvangen, (den lof wel waard van dichterzangen!)
voor beeld of denkbeeld me in 't gemoed, opdat ik met een trek der pen 't vereerend dichtgeschenk erkenn'?
Een sap, van allen smaak beroofd,
de als waterdroppel neergezegen,
ten wortel ingezogen regen wordt, door den zonnegloed gestoofd, tot malschen wijn. Aan Canaas disch hernieuwt zich die geheimenis.
Zoo is wat de aard verkwikkendst biedt, waar 't hart zich voelt, slechts smaakloos water, dat met gemurmel of geklater in d' Oceaan der eeuwen vliet.
Maar heiligt Christus eens ons zijn, zoo wordt dat water hemelwijn.
Wordt zelfs de traan, tot Hem geschreid, hoe zilt, niet zoet en balsemvloeiend,
en ja (Zijn bloed ons hart besproeiend!)
AAN DEZELFDE.
een voorsmaak van de zaligheid? â
Zijn bloed? de vrucht der wijngaardplant, werd van dien zoen het onderpand.
Waardeeren we, edele Vriendin! elk voorrecht, hier van God gegeven,
en zij de bittre kelk van 't leven aanvaard met d' eigen' dankbren zin! â De reine hemelbruiloftswrjn zal, voor 't geloof, de Liefde zijn.
1843.
AAN Dr. D. J. A. ABNTZENIÃS.
latQÃq yaq ttvijQ noXXcbv èevtdt^iog HX/Lwi homebus.
Den Arts, den Vriend, wien met de zorg zijns kranken
de wetenschap vereenigd weegt op 't hart,
moog door dit blad een vriend gevoelig danken
voor trouwe hulp by ziektes strijd of smart.
Hem, die natuur in haar geheim bespiedend
haar beurtlings volgt, en bijstaat, en geleidt,
en weer betoomt, ja (God zijn kracht gebiedend!)
den reddingsweg of voorschrijft of bereidt,
gaf ook mijn zang nog, met der Dichtren vader.
lof als één man, die tegen velen geldt, (1) lag niet aan 't hart des Christens nog iets nader
dan menschenlof, hoe billijk ook vermeld.
Arntzenius! neen! gy bedoeldet meerder!
gy hebt gevoeld, dat elke wetenschap steeds schooner wordt, en heiliger, en teêrder,
naarmate zy 't erkent van stap tot stap,
hoe heel natuur den God der Heiige Schriften
getuignis geeft en 't zelfde Godsmerk draagt,
dat van 't begin Zijn Geest wist in te griften aan alle werk, waar Hy zich in behaagt. â
Zoo vlieg' zy uit met onbedwongen pennen,
die wetenschap, mits ze aan geen gier ten roof van valschen waan, by 't hoogst gestegen kennen zich neerwerp voor, zich oplosse in 't geloof! â
240
1
Deze woorden vertolken het bovenstaande motto naar Homerus.
AAN DR. D. J. A. ARNTZENIUS.
Wat lofzang zal het zijn, waar arts en leek gewagen
ter eer van Christus, Heil- en Licht- en Levensbron, die, aller artsen Arts, aan 't lijdenshout geslagen zelf onze krankten droeg, en zonde en dood verwon! 1843.
DICHTREGELEN DEN Hr. en Mevr. W. DE CLERCQ
TOEGEZONDEN op dek morgen van hun zilveren feest,
met ben kristallen bokaal.
Met uwen God ontwaakt, by d' aanvang van een dag, die in zijn scheeraring zoo veel dankstof bergen mag, zij 't, Bruidegom en Bruid! aan Vriendschaps hand gegeven den kelk U aan te biên, die, lovend opgeheven,
op dit gezegend feest aan Hem geheiligd word',
die voor uw zielen eens Zijn ziel heeft uitgestort,
die van Zijn liefde en trouw u steeds opnieuw verzeker', die tot in eeuwigheid het deel blijv' van uw beker!
1843.
TER VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTVIERING
van den heer
WILLEM DE CLERCQ
en vrouwe
CAROLINE CHARLOTTE BOISSEVAIN,
29 ju lij 1843.
Waak op, waak op, spreek een lied.
Boek der Richteren V : 12.
Langs uw breede lindetoppen, Heemsteês beemden! keer op keer, langs uw bochten, kalme Gliplaan en waar Haarlems gulzig meir reeds zijn watertemmers naadren, reeds zijn bed berennen ziet, ruischten stemmen in mijne ooren: ,Waak, waak op, en spreek
[een lied!quot;
Zouden die geen weêrklank vinden, op mijn harp als in mijn hart, die my 't blijde feestuur melden, dat hier 't al tot zanglust tart. die my 't zalig feest verkonden van den broeder, dien 'k bemin, en mijn boezem reeds doen tintien van een' zelfden dank bren zin
li 16
241
242 TEE VIJF EN TWINTIGJAEIGE ECHTVIEBING
met de Godgewijde vreugde van het dierbaarst Christenpaar,
by het ronden van hun echtheil tot zijn vijf en twintigst jaar!
Weder vijf en twintig jaren! Op dien klokslag vond reeds meer mijn schier nitgebluschte dichtkracht nieuwe levensvonken weêr. En ik greep op nieuw de cither, van een hooger vuur bevrucht, ja, ik dreef weêr op uw golven, ja, ik zwom weêr in uw lucht, poêzy, my eens zoo dierbaar! poëzy, my weêr vergund!
poëzy, die in uw toonen alles wedergeven kunt wat de ziel gevoelt in 't binnenst, 't zij ze aanschouwt, hetzij ze aanbidt» of by 't woord des Eengen Meesters luistergretig nederzit.
Was die dichtvlucht slechts het afscheid van een vroeger levenszucht ? Is de dichtgaaf slechts een bloesem, onbestaanbaar met de vrucht? Zullen hymnen nog eens stijgen, uit mijn weêr herleefde lier? Of besloot veeleer voor altoos zich mijn dichterloopbaan hier? Hooger wil zal dat beslissen, wat ik zelfs te wenschen schroom! Geef my waarheid!slechts, o Hemel! weg met d'ijlen dichterdroom!
Doch wat verder ook moog worden van mijn neêrgelegde luit, op uw feestdag, dierbre Bruigom! by uw echtheil, achtbre Bruid! zou my zwijgen mooglijk wezen? â Eer bewogen zich van zelf deze snaren, zegegalmend, onder 't groenende gewelf,
dan dat deze heilgedenkdag, dan dat dit bevoorrecht feest door des Bruigoms boezem broeder onbezongen waar geweest! â Laat my met U mogen loven! 'k Zag sints meer dan twintig jaar wat U God gaf voor elkander, wat U God gaf in elkaar.
'kZag Uw huis van vrede bloeien, gallen zin, herbergzaamheid; 'k zag het vette der beloften aan Gods Isrel toegezeid,
toegeworpen aan uw zieldorst naar Zijn heilgeheimenis;
'k zag de olijvenplant ontbotten en zich kronklen om uw disch. Wat uw handen ondernamen, liep door 's Heeren hand ü meê. Dreigden stormen? Hy sprak kalmte. Staken doornen? Hy gaf vreê. â Josephs zegeningen daalden op uw mild bevoorrecht hoofd.
Zij met beving en aanbidding Zijn weldadigheid geloofd!
Ziet dien zegen nog vermeerdren; ziet uw heil steeds opgebouwd van die Liefde, wie geen mildheid aan de Zijnen ooit berouwt. Zie uw zonen, blii'de'Moeder! als zes stampilaren staan.
Zie üw dochter, dankbre Vader! tusschen Sions maagden gaan. Zie ze groeien, zie ze bloeien, zie ze zegenrijk gepaard.
VAN DEN HEEE WILLEM DB CLEECQ.
Zie de spruiten van uw spruiten om uw feestdisch eens geschaard, als na vijf en twintig jaren weêr uw echtheil wordt gevierd, als een gouden bruiloftseerkroon eens uw zilvren haren siert.
Maar by alles, waar Gods vrijmacht uwe ziel meê overgiet,
houdt Ge uws harten schat voor oogen in een hooger heilverschietl
Daar zal 't eeuwig bruiloft wezen, eeuwig blijdschap, eeuwig lof, waar voor Hem, die overmocht heeft, alles neerbuigt in het stof. Waar de Hemelharpenaren, waar de schaar die niemand telt op de gouden cithersnaren baars Verlossers Naam vermeldt.
Waar het bliksemt in hun handen van het schudden van den palm, waar het dondert in hun keelen van den daverenden psalm; âzij aan 't Lam dat voor ons bloedde lof en dank in eeuwigheid, âdie tot koningen ons heiligt, ons tot priesters heeft bereid.quot;
Waar by 't knielend nederwerpen aller kroonen voor den troon van d' op Golgotha Geslachten, van den ongeschapen Zoon, opengaan al uw fonteinen, eeuwge Liefde, liefde Gods,
all ar liefde en alles levens eeuwge Bron en eenge Rots!
Daar, daar zingt men van die liefde, die zich willig overgaf aan de smerten van den kruisdood, aan de diepten van het graf, aan den eisch van 't Godlijk strafrecht, aan den banvloek van die Wet, tusschen God en d' overtreder onverbrekelijk gezet.
Daar, daar zingt men van de wegen, door den Herder toebereid aan de schapen Zijner weide tot hun volle zaligheid;
van de paden, afgewogen naar 't onfeilbaar heilbestek;
van die schapen, tevens zondaars, tevens heilgen zonder vlek; van het manna dat zy aten, van de tuchtroê die ze sloeg,
van de tranen die zy schreiden, van de ontferming die ze droeg; van het voorgenot des Hemels, hun gegund soms op deze aard, met de smart van 't vreemdlingswezen wondergoed en wijs gepaard: â maar van God steeds in dat alles, van Zijn grootheid, van Zijn Naam, van des Vaders, van des Goëls, van des Troosters lof te zaam.
Ook uw stem eens zal daar juichen, dierbre Bruidegom en Bruid! ook uw dankgalm eens zich mengen aan der heemlen maatgeluid. Daar, zoo 't Boek der Heilbesluiten van d' oneindig wijzen God, voor zijn Zaligen ontsloten, al de gangen van hun lot voor hun oogen zal onthullen in hun speling en verband,
op zal heldren in 'hun diepten voor een zondenvrij verstand,
zal de stond, herdacht op heden, met geen eeuwen ondergaan,
243
TER VIJF EN T WINTIGJAEIGE JSCHTVIERING
maar volheerlijk in het midden uwer levenswegen staan.
Daar dan ziet gy die twee namen van de clercq en boissbvain (ook de stamnaam dien \ry voeren was voor 't Godsplan niet te klein) opgeschreven in dien raadslag tot een eenig levenslot, â uw geslachten uit vervolging om het levend woord van God,
hy het licht der Kerkhervorming aan Zijn vaderlijke hand,
om in U elkaar te ontmoeten, heengevoerd naar Nederland. Uwe harten saam verbonden, saam gesmolten, één gemaakt in de vlammen van dat minvuur, dat noch mensch, noch Engel wraakt; uwe handen, uwe wegen voor des Heeren aangezicht t' zaam gevlochten, t' zaam verwaardigd tot een zelfde liefdeplicht,â straks uw beider zielsgedachten by een zelfde vraag bepaald,
beider oog te zaam geopend, en door 't eigen licht bestraald;
't voor geen menschenkracht bereikbre, voor geen deugd of boete veil, 't door Gods Liefde en Recht en Waarheid eenig uit te werken heil u in Christus vrij geschonken, U in Christus gantsch volbracht, als geen eeuwen nog bestonden U in Hem reeds toegedacht. Van toen af steeds sterker zielzucht, by 't verhoogde levensdoel, lager schatting van al 't aardsche, dieper zonde- en heilgevoel; hooger streven by 't bewegen ook in nederiger kring,
feller strijd en hooger blijdschap, hooger bruiloftsnoodiging.
Waar de Hemelharpenaren, waar de schaar die niemand telt op hun gouden cithersnaren des Verlossers Naam vermeldt,
waar voor 't Lam, dat overmocht heeft, alles neerzinkt in het stof, daar zal 't eeuwig bruiloft wezen, loutre blijdschap, louter lof.
Feestgenooten! lotverwanten! gy misduidt den Zanger niet, dat hy midden door de galmen van het zilvren bruiloftslied,
dat hy midden in uw vreugde diepe doodsgedachten mengt,
en de roepstem van den Hemel in zijn beê voor de aarde brengt. Wordt niet morgen afgesneden, ook wat heden bloeiendst was? met de bloemtjes van de velden, met de halmen van het gras? Laat d'Egyptenaar misbruiken, wat den Christen opwaarts trekt! Laat zijn mummie aan de tafel, voor den dartlen dwaas gedekt, tot brooddronken weelde prikkien met de spotspreuk: âEet en drinkt, âeer uw leven, kort van stonden, in de nacht der eeuwen zinkt!-' Planten wy aan alle plaatsen de Evangelieheilbanier,
daar by 't gapen van de graven, â by den gullen feestklank hier.
244
VAN DEN HEEE WILLEM DB CLJSECQ.
Feestgenooten! lotverwanten! trouwe vrienden onzer jeugd, die met ons U in den zegen van dit dankbaar paar verheugt! gy, vooral, van God gebeden, aan God opgedragen kroost,
by den avond van ons leven, uwer oudren zoetste troost!
tot ons allen kwam de roepstem, ook aan dezen feestvreugddiaoh. Heeft ons hart den God gevonden, die alleen een Rotssteen is? Wil ons hart den weg des levens, met de doornen van dat pad, dat door wondre kronkelingen opleidt naar de Hemelstad?
Werd de Christus Gods ons dierbaar met Zijn smaad en met Zijn kruis, schoon de wereld Hem verwerpe, schoon Zijn viiand ons verguis'? Zegt een stem in onze zielen op die Levensvragen: Ja?
Gaan wy deze levensvragen aan Gods voeten-zelve na?
Dan, o dan! door worstling zij het, door verdrukking, moeite of pijn, dan hervinden we allen eenmaal ons gezegend samenzijn aan het Avondmaal der Bruiloft van dat vlekkelooze Lam, dat voor hulpelooze zondaars alles, alles op zich nam.
AAN MIJN HEDEN ELFJARIG DOCHTERTJE.
Rebecca, dierbaar kind! ontfang by uw verjaren uws Vaders zegening op 't kinderlijke hoofd.
En moog zich aan die bede eens Heilands deernis paren;
hoe wordt dan ook voor u Zijn naam eens hoog geloofd! Uw elfde jaar vervloog. Een nieuw is ingetreden!
Wat toeft ge? doe de keus, twaalfjarig maagdelijn!
Zy word' niet uitgesteld, maar uitgebracht nog heden:
âik wil der wereld niet, maar jesus eigen zijn.quot;
Rebecca, dierbaar kind! dien Heiland opgedragen,
en in Zijn Kerk op aard door 't doopbad ingelijfd!
wat in dees wereld ooit der jonkheid moog' behagen,
't mag schittren, maar vergaat! Slechts wie God aankleeft, blijft.
8 November 1843.
BILDERDIJK.
(bene herinnering.) (1)
o Aller Zangren schitterendst voorbeeld,
door tijd en tijdgenoot veroordeeld!
245
1
Zie over de aanleiding tot dit Gedicht, de uitzetting van Bilderdijk uit den lande, in de Aanteekeningen.
BILDEKDIJK.
hoe zal een billijk nageslacht van uw verheven dichterkracht,
van uw verheevner ziel gewagen,
en 's lands geschiedrol ondervragen voor 't geen dit Neêrland voor U was, by uwer dagen leed, by uwer beendren aschl
De naneef, ja! hy zal het lezen,
tot welk een zwerversleed verwezen,
met welke taal, gesleept door slijk, der dichtren koning, Bilderdijk,
een pest gelijk, werd uitgesloten,
een ban gelijk, werd uitgesloten van Neêrlands duur gekochten grond,
omdat hy trouw aan God en d' eed der Nassaus stond.
De naneef, â blozend moog hy 't lezen!
toch mag hy niet verwonderd wezen dat, waar onzaalge burgertwist in de ongestuime boezems gist,
de driften, eenmaal dol aan 't rennen,
voor palm noch lauwer eerbied kennen, en Ridderlijke dichtermoed met smaad en ballingschap en afkeer werd geboet.
Of zoo hy 't, verder, vindt beschreven,
hoe meer dan eenmaal in een leven,
zoo rijk aan tranen, foltring, nood,
door zijner kindren vraag om brood dat leeuwenhart werd opgereten,
en 't schor geluid van wanhoopskreten die keel ontperst, by wier muzijk de nachtegaal van 't woud, de zwaan der fabel wijk'.
Laat hem ook dit geen opzien baren!
Een lot zoo menigwerf ervaren door Dichtkunsts fierste puiksieraan!
van aller hoofd. Homerus, aan,
tot wat. Homeer der Portugeezen,
246
Camoëns(1)l uw eereloon moest wezen.
1
J Men spreke alt: Oamolus.
BILDERDIJK.
die, Dichter, Edelman, Soldaat,
een brood at, by den nacht gebedeld langs de straat.
Of mogen dit die nageslachten in 's Dichters lot bevreetndbaar achten,
dat hy geen juichtoon vond, maar smaad, miskenning, laster, hoon en haat,
als, niet omstuwd van strijdgenoten,
noch zichtbre wapens aangeschoten,
hy onder 't snerpendst levensleed voor de eer der Waarheid brandde, en afgoón nedersmeet?
Niets van dat alles blijft vergeten.
Niets van dat alles zij verweten!
Het werd verwacht, het werd voorzegd,
het is der keurelingen recht.
Geen' Bilderdijken by hun leven wordt de eerekrans naar eisch gegeven, en worstelaren, zoo als hy,
valt vaderland en volk eerst na hun uitgang by.
Doch dat een vreedzaam grafgesteente des Dichters afgelegd gebeente reeds sedert zes paar jaren dekt,
en nog dat graf geen aandrift wekt tot leed-, tot schuld-, tot dankbelijdmg,
ten zoen der bitterste bestrijding,
die meer dan vijftig jaren lang in Neerland weêrklank gaf op zijn doorluchten zang; â
Doch dat de heerlijkheid dier zangen, met zooveel koelheid vaak ontfangen,
verguisd of naauwlijks opgemerkt,
zelfs door geen dood verzoening werkt,
noch al die taal- en Waarheidsschatten.
die 't stoutst vernuft wist saam te vatten,
maar aan de voeten bracht van Hem, die Neêrland tot zich roept ook door der dichtren stem; â
Ja, dat wel Nederlandsche knieën zich nederbogen voor genieën
op uitheemsch grondgebied geteeld;
voor Byrons glans, voor Goethes beeld;
BILDERDIJK.
maar Neêrlands volk geen stem doet hooren; âZij menschvergoding afgezworen!
âmaar, waar van Dichtkunst spraak mag zijn, âzoo roemt niet, volkeren! want Bilderdijk is mijn!quot; â
Zie daar, waarvan de nageslachten eens zullen rekenschap verwachten,
waar 't jonge Holland bovenal eens voor verdagvaard worden zal;
dat jonge Holland, aan zijn streven verschuldigde eer bevoegd te geven,
bestond er eenmaal zielsgevoel ook voor des Dichters kunst, maar meer nog voor zijn doel.
Zijn doel? zijn zucht? â Van uit die oorden waar stroom op stroom van waarheidswoorden zich uitgiet in de zee van lof,
die tot God oprijst uit het stof; â
van daar, zoo ooit herinneringen nog 't hart der zaligen doordringen,
vraagt u de Dichter roem noch recht.
maar dat ge aan dit woord toch geen gehoor ontzegt T
Aan dit zijn woord, o Neêrlands zonen! a toegeaamd in duizend tonen van meer dan aardsche poëzy,
van ziel- en Englenmelody:
âUw taal, uw Godsdienst (wat verander'!)
âziedaar uw heil- ea zegestander!
âverzaak ze voor geen god der Eeuw, âen voorts, blijf wakend op de stem van Judaas Leeuw! '' En ook tot U, doorluchte Koning!
sprak, niet met ijdle praalvertooning,
de Dichter, gloeiend voor uw huis,
van Christus komst, van christus kruis!
Tot ü, wiens wieg hy heeft bezongen,
wien, als uw roem zweefde op de tongen, van Taag-, tot Theems- en Sennesboord,
zijn hart steeds heeft verzeld met bede en harpakkoord!
Met bede en harpakkoord, â met liefde,
die, wat des Dichters hart ook griefde,
248
BILDEHDIJK.
niet bloedender ooit heeft betreurd, dan Neerland en Oranje elkander afgescheurd. â o! Zoo wat hy zich van ü spelde,
aan ü, van ü, voorzeggend meldde,
uw keus, uw deel, uw roeping zij, â
geen Vorst, o Neêrlands Vorst! bevoorrecht meer dan Gy! 1843.
AAN EEN JONGEN VRIEND,
OP ZIJN VIJFTIENDEN VERJAARDAG.
Verheug u, Jongeling! ten dage van uw jeugd!
geen ouderlijk gemoed wraakt argelooze vreugd.
Ja, gulle scherts kan vaak den geest weldadig wetten,
gelijk de Lentewind het jonge gras verfrischt.
Maar wen u te gelijk op d' uitgang streng te letten van 't hart dat, onbewaakt, zich-zelf zoo licht vergist, 't Hart, o mijn jonge Vriend! dan vroeg gekeerd naar Boven! Men zoekt zijn Heiland nooit of te ijvrig öf te vroeg.
Van dat uw moeder u naar 't heilig doopbad droeg ontfingt gy stof en wenk, om biddend Hem te loven.
Wees vrolijk, jongeling! ten dage van uw jeugd.
Maar meng' zich de ernst dier vraag, beslissend voor het leven: âwien hoor ik? wie alleen kan my behoudnis geven?quot;
by de u van gantscher ziel gegunde levensvreugd.
1843.
AAN DEN HOOG EDEL GBSTRENGEN HEER
H. C. VAN DER HOUVEN,
OP DEN BERSTEN DAG DES JAARS 1844.
Ik zal u ruste ge ven I
Matth. XI: 18b.
Vergrijsd en steeds verjongd, by 't onvermoeide streven
voor plicht en volksbelang op d' aangewezen post, wie gunde u niet uw rust op d' avond van uw leven?
wie ziet u niet met leed van de eerbaan afgelost?
Maar wat ons op deze aard als werkkring zelfs moog lusten 't wordt werkzaamheid by rust, 't is rust in werkzaamheid in 't geen Gods hand beschikt, blijmoedig te berusten, in 't heilgeloof gegrond, en naar Zijn wil geleid.
249
AAN DE LEDEN ENZ.
AAN DB LEDEN DER TWEEDE KLASSE
VAN HET
KONINKLIJK-NBDEBLATOSOHB INSTITUUT.
BY DE OPENING DEH EERSTE ZITTING IN 1844.
Weest my gegroet, in dank aan Gods algoedheid,
aan deze plaats die ons wéér samenbrengt, op dezen stond, die tevens ernst en zoetheid
by 't achterwaarts- en voorwaartsblikken mengt! Het jaar vloog heen: een nieuw is ingevallen!
Wat toekomst bergt zijn vale dageraad? Wat toekomst wacht den weg dier duizendtallen,
met wie de rust van Neêrland valt of staat? Wat toekomst rijpt voor Vaderland en Koning,
ons volksbestaan en zorgen, klein en groot, ja, voor de dienst, (geen bloote plichtbetooning) die dienst van üod, waar alle heil uit vloot? En, â maakt ook dit een deel uit van Zijn gunsten,
van wien alleen ons toestroomt alle licht, â wat toekomst daagt voor Wetenschap en Kunsten,
waarvoor we ook hier een zetel zien gesticht? Ook wy toch zijn hier tot geen ijdle glorie;
ook aan dees kring werd toebetrouwd een pand: de taal des volks, de rol van zijn historie,
die gift van God, dat wonder van Zijn hand. â Aan ons de taak, om voor die spraak te waken,
van menig kamp het blijvende gewrocht, vol hemelvuur, om harten te doen blaken
(o dat zy steeds haar roeping kennen mocht!quot;
voor plicht, voor recht, voor elke reine liefde,
door God, voor God en Christus kruis te zaam, vol balsemzoets, waar zonde of onspoed griefde,
tot zalving door het roemen van dien Naam! â Aan ons de taak, om 's lands historiebladen
te louteren van elke dwalingsmet, tot spiegelrein-hergeven van die daden,
waar heden nog de weerglans van ontzet; van eeuw tot eeuw herhalend door wat wegen,
by 't koesteren der Evangeliezon,
dit plekje wier, ten golven uitgestegen.
250
AAN DE LEDEN ENZ.
aan Koningen eens wetten geven kon;
dit plekje wier, bewassen met Oranje,
by d' aanloop van den vollen Oceaan van Galliër of Brit als van heel Spanje,
bewaard bleef op den noodkreet: âWy vergaan!quot; â En wy ook thands, wy schudden op de baren
(o! 't zij nog zoo!) dier Gallileesche zee.
Zoo heff zich dan, by Nederlands bezwamp;ren,
ook van dees plaats in stilheid onze bee: Oud-Neêrlands God, by welk een last het kwijne,
delge allereerst voor Hem uit onze schuld!
En dan â dat goud, dat zilver, â het is Zijne, dat ooit naar eiech de breede bressen vult. â Der Vaadren God zij onzes Konings Koning,
Zijn vrees de schat, de wijsheid van den Staat. Ja, maak Hy nog in Neêrlands harten woning,
wiens naam is Heil en Wonderlijk, en Raad! â En ook aan U, o Grijzaarts in ons midden!
heil, heil in Hem, terwijl uw avond daalt,
terwijl een jeugd, waarvoor wy met u bidden,
reeds onze jeugd in frischheid overstraalt!
Voorts, Medeleên! zoo Vaderlandsche plichten
verbonden zijn aan d' arbeid dezer plaats,
zoo ook van hier een wapen is te richten
ter weering èn der dwaling èn des kwaads, zoo Kunst en Smaak, zoo Onderzoek en Weten
zich aan de dienst der Hoogste Waarheid huwt, zoo zij dit snoer niet roekloos losgereten,
en ruste er heil op Neêrlands Instituut!
3 Jan. 1814.
AAN NEDERLAND,
IN
DE lente van 1844.
O GodI geef den Koning Uwe rechten.
De Psalmist.
Hooge waatren, zijn, o Neerland! dikwerf over u gegaan, â
van de Zuiderbergrivieren, van den Noorderoceaan!
Hooge waatren, neen! meer dreigend dan of ijsklompschots op schots,
251
252 AAN NEDERLAND, IN DE LENTE VAN 1844
of het donderend by Petten landdoordaavrend zeegeklots:
hooge waatren van verdrukking dooi verwaten Tiranny,
of door opgedrongen Vrijheid, slechts van God en waarheid vrij! â
Zeeën tranen u verzekerd onder vanen, beurt om beurt
of met koningstrots geslingerd, of met koningsbloed gekleurd!
Spaansche haters, Fransche vrienden, Britsche mededingers, ja,
eigen Landgenooten zelve (de herinnering verga!)
dreigden midden in de welvaart u den wissen ondergang, â
't werd den Leeuw der zeven pijlen voor die waatren dikwerf bang!
Hy, die hoog zit in de heetnlen, laag op de aarde nederziet, hy, die watervloed en stormen èn beteugelt èn gebiedt,
sprak tot al die oceanen, tot die stroomen hol en hoog!
.Treedt terug! zij Neêrlands bodem onbeschadigd, vruchtbaar, droog!quot; Stuitte d'overmoed der Alvaas, brak den trots van Lodewijk,
stelde tegen bandeloosheid 't kleine Neêrland tot een dijk!
En het werd, steeds uit zijn nooden door die Hoogste hand gespaard, van geslachten tot geslachten als een wonder voor heel de aard.
Lente van een jaar dat, somber, zijn gedrukten loop begon!
gy op nieuw getuigt van redding uit diezelfde Reddingsbron, Kiemden bittre burgerveten, mompelde onwil, wrevel, haat, broedden slingerende orkanen in den dampkring van den Staat, â wederom schoot door de wolken een verhelderende straal,
en de zeehoos in de verte stoof in domp weg andermaal.
âLof en dank den God der Vaadren!quot; zegg'het volk zijn Koning na! maar dat Neêrland by Gods werken ook Zijn wenken gadesla Dat wy 't vragen zonder uitstel, dat wy 't vragen voor Zijn troon, welke weg en wat beginsel door deze uitkomst wordt gehoon! Wat thans plicht is, wat behoefte, â voor de Natie, â voor 't geslacht, dat weldra ons gaat vervangen, en eene erfnis van ons wacht. Dicht omwikkeld in den mantel van een angstig zelfbehoud, in gaan sluimren op de stapels van het aangebrachte goud? Ons verschansen achter muren van vooroordeel of belang ?
Zoeken wijsheid tegen d' Eeuwgeest in de scholen van den Dwang? Of wel, â dienaars van dien Heerscher, sterk door damp en door papier, voor zijn stelsels, zijn beloften blakende van ijvervier,
medevliegen op zijn stoomschip, medehollen voor zijn kar,
zonder reiskaart of bestemming, zonder Noord- of Morgenstar?
AAN NEDERLAND, IN DE LENTE VAN 1844.
Geen van beiden! â Geen van beiden waarborgt immer Neêrlands lot Neen! geen sluimren! â neen! geen stilstaan! âal wat leven mist,
[mist God.
't Zij dan leven! 't zij beweging! maar beweging zij hier kracht, geen verplaatsing slechts, door 't schudden van den bodem voortgebracht;
geen vervoering door den prikkel van een smaaklijk zwijmelgift; geen verbloemde goud- of staatszucht; geen gehate factiedrift! Ja, 't zij leven, 't zij herleven voor dit weêr gespaarde volk!
maar een leven niet van dvoomen, stout gegrepen uit de wolk,
niet ontvoerd aan vreemde zeden als een nuttelooze roof, â
neen! ontwikkeld uit den wortel van Geschiednis en Geloof!
In zijn wezen, vrucht der tijden, â in zijn vorm, van dezen tijd! Nederland, aldus herboren, aan een roeping weêr gewijd,
zal zich toonen waard de Vaadren. Zij het needrig, zij het klein, zoo slechts telkens als oud Isrel van zijn volksschuld weder rein! God te vreezen, waarheid te eeren, vroom te handlen, zij de keus! âMet Gods woord voor Vorst en Vrijheid!quot; de onveranderbare leus!
Vaderlandsche jongelingen! deze leus is waard den gloed,
die zich uitdrukt in uw blikken, en die ombruischt in uw bloed! Kweekt dien gloed, maar met geen voedsel uit onreinen wortel ooit, hoe de vrucht ook voor uw oogen zich met valsche kleuren tooit. Werd Gods Woord, of Recht, of Vrijheid, ooit een spot voor 't
[jonge Euroop, â 't jonge Neêrland, in God moedig, zij voor beter zaak de hoop!
Voorts wy allen! kleinen, grooten! 's Konings dienaars en zijn Raad! Afgevaardigden en Oudsten van den Nederlandschen staat!
heel gy Natie! Ook voor volken is er heil slechts in één naam (dat geen Neerland, geen Europa, zich dienStatenschepper schaam!); Jesus Christus â (schrik niet, Isrel! 't is uw Koning, Judaas
[Leeuw,) â
de Eeuw vergaat, maar Zijn regeering is van eeuw door eeuw tot eeuwl
Maar gy! Spruit van vijftig Nassaus! zelfs Oranjeheid en Vorst! in uw boezem blaakt (wy weten 't) een uw stamnaam waarde dorst. Ja, u wenkt een hooge roeping, â ons, een zielverheffend lot. Stormen weken, zorgen bleven. Plaats u-zelven voor uw God!
Elke vraag, waar menschenwijsheid zich onvruchtbaar in verkwist.
253
AAN NEDERLAND, IN DE LENTE VAN 1844.
koninklijk ter hart genomen, worde daar door u beslist.
Elke vraag en haar beslissing wijze in 't hart naar Gibeon,
naar den Hoorder der gebeden, en de vraag van Salomon.
Opwaarts, Zoon van zoo veel Christnen! aangebeden en geloofd! en gy zult als Koning wezen, 't geen gy zijt als Legerhoofd.
Neen! geen Grondwet zal behouden, hoe vergood eens of vertreên, zoo geen raad by God gezocht wordt, met verneedring en gebeên. Vruchtloos anders elke Grondwet! quot;t Blijft een levenloos papier, speelbal, daar, van ijdle vonden, bron van nieuwe driften, hier!
Maar wat Staatswet ons beheersche, zij dit Opschrift het begin, onbeschreven, zoo het zijn moet, maar geprent in hart en zin: ,'k Ben die God, die eens uw Vaadren uit het Spaansch Egipte bracht. âDie met Willem van Oranje Neêrland scheppend heb gedacht! âDie door Maurits veertig steden aan uw Staatskroon heb gesnoerd âen door hem en Fredrik Hendrik 't groot bevrijdingswerk volvoerd. âDie uw koopliên vorsten maakte, van uw waatren vasten grond; âDie vier werelden door schepen aan dat visschersdorp verbond, âwaar paleizen zich verhieven, zegens zegen vroeg en spa,
âby den weerklank der kartouwen van Parnese en Spinola; âDie voor (wederom!) een Willem, 't zij hy neerlag of verwon, âstilstaan deed en achteruitgaan Frankrijks koninklijke Zon; âDie aan Frankrijk en zijn Keizer u rechtvaardig overgaf;
âDie, als 't volk in 't graf gezonken, u weêr opriep uit het graf; âDie by Waterloo en Leuven uw Oranje vaan bescheen;
âen de jongste lotsbevrijding uit uw Staatsverlegenheên âAchttien honderd vier en veertig tot haar jaarmerk voeren
[doe.quot;
Ja! wy treden, God der Vaadren! tot die hoogste Grondwet toe. Wees gy Neêrlands Opperkoning, Gy het Erfdeel van ons zaad! En dan! â kome tegen Neêrland haat, verleiding, afgunst, smaad! Dreige Dwangzucht of Omwentling weêr ons volksbestaan den dood! â Wil de Bondgenoot des Zwijgers ook nog de onze zijn?
[geen nood!....
Zy zullen het niet hebben,
ons oude Nederland!
Het bleef by alle ellenden
Gods en der Vaadren pand!
Zy zullen het niet hebben.
254
AAN NEDERLAND, IN DE LENTE VAN 1844.
de goden van den tijd!
Niet om hun erf te wezen,
heeft God het ons bevrijd!
Zy zallen ons niet hebben,
zoo lang deze Ystad staat;
zoo lang in Neêrlandsche aadren één polsslag Neêrlandsch slaat; zoo lang er heldenzielsgloed
in Nassaus Telgen blaakt; â zoo lang de geest des Zwijgers op 't Delftsche praalgraf waakt!
Zoo lang één Friesohe bodem op Noordsche waatren drijft, zoo lang van Utrechts ünie
nog één gedenknaam blijft,
zoo lang niet al de pijlen
verstompt zijn van den leeuw, â zoo zullen ze ons niet hebben, de goden dezer Eeuw.
Wilt Gy ons slechts nog kennen,
God van het voorgeslacht!
Hoe zal de Schildleeuw brullen
van moed, van vreugd, van kracht! Hoe zal de Zeeleeuw plassen
in 't welbekende sop,
en dagen vriend en vijand tot stoute sprongen op!
Hoe zullen zy te zamen,
waar 't Recht en Waarheid geldt, gestand doen tegenover
Schijnvrijheid en Geweld! Of, vreedzaam maar vol ijver,
van Oost- tot Westerboord aan de aarde licht verkonden door 't Evangeliewoord.
Den Negerslaaf, by 't zwoegen, de vrijheid door het kruis!
256 AAN NEDERLAND, IN DE LENTE VAN 1844.
Aan Israël zijn Koning,
beloofd uit Davids huis!
Gods heil aan alie Heidnen, â
Maleier en Javaan de zon der volle Waarheid,
voor nacht of halvemaan!
Of zijn het andre tijden,
die God voor ons bewaart? Een donkrer lotsbedeeling,
waarvoor wy zijn gespaard? Gy zult ons toch niet hebben,
gy goden van den tijd!
Wy blijven ook by 't zinken der vaadren God gewijd!
Een Natie kan ook vallen
met eer, ter eer van Hem, en houden, heilgeloovig,
zijn standaart vast met klem.
Daar zijn ook martelaren
op Neêrlands grond geweest!
Geen Lodewijk, (1) geen Willem, heeft ooit die keus gevreesd.
Met al hun schoone woorden,
met al hun stout geschreeuw, â zy zullen ons niet hebben,
de goden dezer Eeuw!
Tenzij het woord des Zwijgers
moedwillig werd verzaakt:
'k heb met den beee der heerek een vast verbond gemaakt.
AAN DEN HEER JOHANNES MULLER.
IN HET MY AANGEBODEN EXEMPLAAR VAN 'T VERS âAAN NEDEBIjANDquot; ENZ.
De Drukkunst schenk' der taal, in maatklank neêrgeleid, vermenigvuldiging, verspreiding, duurzaamheid!
1
Ik dacht aan Graaf Lodewijk, broeder en rechterhand van den grooten Zwgger.
AAN DEN HEER JOHANNES MULLEB.
Toch is eens menschen woord weldra in lucht vervlogen. Maar had mijn needrig lied iets goeds in 's Heeren oogen, zoo prent het Zijne kracht in 't hart van klein en groot' Dit, Muller! was de wensch, die uit uw boezem vloot. Wy willen ons ook hier dat zielsgevoel niet schamen, maar griflen op dit blad uw en mijn beê te zamen.
29 April 1844. _
FEESTDRONK,
TEB GELEGENHEID DER ECHTVIEBING VAN DEN HOOGGELEERDEN HEEK
J. BOSSCHA
EN
Vrouwe M. C. BOISSEVA1N, Wed. PAULY.
Geen schaatrend feestgeschal, maar vreugd, van ernst omtogen,.
voegt by den heildronk hier voor Bruidegom en Bruid! De weemoedstraan glimt schoon ook in gelukkige oogen.
Geen huwlijksfakkel ooit sloot dezen daauwdrop uit!
Dank-, maar herinn'ringsvol omvatten hier de harten
in één gemengd gevoel, by één gewijden toon,
de zaligheên der echt en weduwlijke smarten,
den balsem en de wond, â ja, levenden en doón!
Tot Hem dan zij de kelk aanbiddend opgeheven.
Die doodt en levend maakt. Die slaat en troost en heelt; Die by den grafsteen stond en dooden deed herleven, â
en aan den bruiloftsdisch uit water wijn beveelt.
Hy make u. Bruidegom! dien beker overvloeiend!
huismoederlijke vreugd vervulle u dien, o Bruid! â
't Kroost, dat eens Vaders heil met tranen zacht besproeiend,
een moederhart op nieuw in dankbare armen sluit, â de maagschap, die met u by menig sterfbed weende,
de vriendschap, die u volgde in lief en snerpend leed, â wenscht niet, dat by het heil, waar God u in vereende.
gy ooit een enkle zucht, in smert geslaakt, vergeet;
neen! maar dat elke traan, die eens uw hart ontwelde, beschenen door den blik eens Heilands van omhoog,
u van Zijn liefdeweg, u van Zijn hemel melde!â,
Geen zonlicht zonder wcJk gaf ooit den regenboog.
257
10 July 1844.
17
11.
IN HET ALBUM VAN DB. A. DE VBIES.
IN HET ALBUM VAN Db. A. DE VRIES.
Evig ion ynpia.
Een vriend van Bilderdijk vraagt van mijn pen een woord, een grijzaart, hoog vereerd, wil van mijn hand een teeken.. gewillig! zoo mijn ziel zich-zelf hier uit mag spreken,
en vieren aan haar zucht een loop, door niets gestoord. De Vries! zie daar de zucht. By 't rijpen van de grijsheid
geeft deugd noch wetenschap de ware kracht aan 't hart. o! Klemmen we ons aan 't Woord der ongeschapen Wijsheid, tot wier verkondiging ook Gy geroepen werdt.
.2 Jan. 1815.
AAN Dn. G. E. V. SCHNEEVOOGT,
MET EEN EXEMPLAAR MIJKEK âPOEZYquot; DES JAARS 1821
EN
MIJNER âVOORLEZINGEN OVER DE EVANGBLIENquot; VAN 1840.
Herinn'ring aan een dag van noodstorm en verschrikking, â gedachtnis aan d'ons hart dien dag geboren vrind, â erkentnis voor elk woord, voor iedre hulpverkwikking, gewisseld in ons leed, bewezen aan ons kind.
De dichtkunst van mijn jeugd, de zucht van vroeger dagen, vervlogen, ja! en toch, meer dan verwezenlijkt! â
Het woord van rijper dag, aan wie het me ooit moog vragen hoe, in den Christus, God my bleek en eeuwig blijkt.
Zielseedle! Gy, wiens hart het mijne wil waardeeren! is 't eigen licht uw deel? die Christus, ook uw hoop,
Zoo ja, dat wy te zaam van hem de wegen leeren, volbrengend, in Zijn kracht en 't hart by Hem, den loop.
Zoo neen! Welaan den blik ten hemel opgeheven,
dan, in ons-zelv' gekeerd, en naar der Boeken Boek!
Ik gun u, door wat zee van zorg en werk omgeven,
geen rust, o Schneevoogt! maar rustbarend onderzoek.
Febr. 1845.
258
AAN DE. M. J. VEEKOUTEREN.
AAN Db. M. J. VERKOUTEREN,
MET BEN AFBEELDSEL VAN WILLEM HE CLERCQ.
Gy ook hebt hem gekend, dien trouwen boezembroeder,
op eens ten hemel opgeroepen van mijn zij'.
maar door een liefdegunst van God, den Alvergoeder,
hoezeer voor 't oog bedekt, toch steeds mijn geest naby. O! zoo hy, uit de plaats der Overwinningszangen,
ter eer van 't vlekloos Lam, wiens bloed de losprijs is,
mijn zoon, by 't smertvol leed, dat hem en ons moest prangen,
gezien heeft in uw arm, aanschouwd heeft aan uw disoh, hy heeft op d' eigen stond, in vaderliefde ontstoken,
(de liefde stoort zich aan geen afstand, aan geen dood,) Verkout'ren! ook op U den zegen uitgesproken,
die voor zijn kroost en 't mijn' steeds uit zyn boezem vloot.
Febr. 1846.
AAN DE. D. J. A. ARNTZENIUS,
MET EEN PBACHTBIJBEL.
Donarem pateras?
Hob.
Voor trouwe moeite en zorg by dagen of by nachten,
voor bystand, aangesneld by snerpende oudrensmart,
hoe zou zich 't zielsgevoel geen lucht te geven trachten?
Wat biedt â neen! wat gebiedt het gaarne dankbaar hart? 'k Bood, zoo de schittring zelfs van steenon of metalen
den Dichter stond ten dienst, van beide schaars bedeeld, ik bood geen diamant, gestrooid op gouden schalen,
by keur van zilverwerk, naar d'eisch der kunst geheeld, ter weêrvergelding ooit of vriendschapsdienst-belooning,
maar als erkentenis van onmacht by de schuld.
Neen! voor den dank van 't hart blijft edeler betooning,
is levendiger blijk der zucht die ons vervult.
Ontfang dien in een gift, aansprakeloos van waarde,
maar afdruk voor 't gemoed van d' allerrijksten schat, die ooit door mensch aan mensch werd voorgesteld op de aarde,
die in zijn klein bestek den hemel-zelf bevat.
Arntzenius! Gods Woord, â van daar straalt ons het wezen van liefdedienst en dank, daar buiten slechts een schijn.
259
AAN DB. D. J. A. AENTZENIÃS.
Daal op ons, Geest van God, terwijl we aanbiddend lezen, en 't zal ons waarheid, kracht en zielsbehoudnis zijn!
13 Febr. 1846. _
BY HET GEAF
van
mr. DIRKGkaapVANHOGENDORP 22 maakt 1845.
Onze dooden zullen leven,
deze graven opengaan,
en de rechterstoel van Christus op des hemels wolken staan.
Zalig, wie dien Rechter wachten,
zich Zijn vrijspraak reeds bewust,
door 't geloof in Zijn beloften,
in Zijn offerdood gerust.
Deze mond, die by het leven
zich niet roekloos opensloot,
heeft Hem tot den dood beleden,
spreekt van Hem nog na den dood.
Tot ons allen roept hy zwijgend:
âGrijpt het heden aan van 't heil! âin gerechtigheid en vrede,
âslechts voor 't bloed eens Goëls veil.quot;
Tot de weduw die hem nastaart,
tot de weezen aan haar zij':
âGod is Man! en God is Vader! âEen getrouwe God is Hy.quot;'
En tot u, der zonen oudste!
heeft hy nog een plechtig woord,
dat by de erfelijke plichten eens u op te laden, hoort:
Dirk van Hogendorp! Uw vader
liet u na een eedlen naam,
naam in Neerland onvergeetbaar, â
dat hy nooit zich uwer schaam!
BY HET GEAF VAN D. VAN HOÃENDOEP.
Naam, door hem als niets gerekend bij dien hoogen nieuwen naam, die in 't oog van deze wereld
vaak met smaadheid gaat te zaam.
Ja, voor allen die zicli schaarden
om dit opgedolven graf,
legt zijn afgelegde loopbaan dit getuignis blinkend af:
onberispt door medemenschen,
trouw in ambt en huis en plicht, wist hy zich verloren zondaar voor des Heilgen aangezicht.
Hoort de vastheid Zijner hope:
't Heil, voor zondaars weggeleid! Hoort den rijkdom zijner erfnis: Christus, mijn Gerechtigheid.
En nu! â Zalig zijn de dooden
in den Heer gestorven! Ja!
want zy rusten van hun arbeid^ en hun werken volgen na.
GEDACHTEN BY HET GRAP
VAN
DEN TWAALFJARIGEN
HENDRIK CHRISTIAAN CAPADOSE,
28 MAART 1845.
De kleinen gaan ons voor in 't koninkrijk des Heeren: door kindren wil ons God Zijn diepe wegen leeren!
Hier rust het stof eens kinds, in 't midden van de pijn gegrepen, om eerlang voor eeuwig vrij te zijn.
o Hendrik Christiaan! vrij is uw geest daar boven,
daar 's Hemels Englen 't Lam, dat voor u bloedde, loven terwijl in 's aardrijks schoot uw lichaampje uitgestrekt! den Engel sluimrend wacht, die eens Gods dooden wekt! o Kind van rouw en vreugd, van tranen en gebeden! hoe zijt gy dus de rust al lijdend ingetreden!
261
262 GEDACHTEN BY HET GRAF VAN H. C. CAPADOSE.
Hoe dus van 's levens last en zoetheên losgesnoerd, en als op vleugelen aan 't oudrenhart ontvoerd? U maakte Christus vrij door eigen lijdensbanden.
Zijn liefde deed uw hart in heilbegeerte ontbranden.
Zijn Geest waa daar, â gy leedt, beleedt en overwont, gy â thands van zonde en pijn voor eeuwig zielsgezond.
AAN MIJN TEDER GELIEFDE EGADE,
OP HABEN AANDOENLIJKER VEEJAABDAG den 2(len apbil 184S.
Dierbre! sints uw teedre liefde, van ons vijftal blijde omschaard, met verrassing op verrassing mijn geboorte heeft verjaard,
hebben weder donkre wolken zich ontladen op ons hart,
zijn ons weder zilte tranen afgeperst door oudrensmart;
hebben dagen, hebben nachten van ontzetting en verdriet ons vereend doen ondervinden dat ons God nog nooit verliet; hebben tranen, hebben smarten, hebben uitkomst, zegen, troost, hebben zorgen, vragen, wegen, voor ons huis en hart en kroost, ons, by 't vordren onzer dagen, immer dieper doen verstaan, wat ons God gaf in elkander op de Christenlevensbaan.
En verrijst ons thands de morgen, lieve Gade! van uw feest, feest, dat jaar aan jaar mijn' boezem zaalge dankstof is geweest, by de tranen onzer naasten over gade en kroost geweend,
en, of 't ware, by de rustplaats van het nat beschreid gebeent'; o geliefde! (is het God niet, die het denkbeeld in u werkt,
ja, die God, die in de nooden u zoo dikwerf heeft gesterkt?) Teêrgeliefde! neen, gy weigert, waar ge een broeder weenen ziet, die verbroedring van uw feestvreugd met geween en rouwklacht niet-Neen! Gy kiest het huis der droefheid voor den feestelijken disch, en te proeven uit den beker, die daar ingeschonken is,
boven d' ongemengQen feestkelk, dien, wat zegen God ook schonk, ook uw mond, gelijk de mijne, zelden zonder tranen dronk.
Heil dan, dierbre! met dees morgen! heil en vrede, waar gy gaat, en den eenzame en zijn weesjen, helpende ter zijde staat!
Heil! een zegen zal nog druppen op het hart dat zich ontsteelt aan het vreugdgejuich van kindren, en in 't leed des lijders deelt.
AAN MIJN TEDER GELIEFDE EGADE.
Ja, in 't huis des diep beproefden geve ons God in volle kracht, in gezegende gemeenschap aan het hart te zien gebracht,
hoe, met Christus, heil en lijden, grafgewelf en paradijs,
zich ontmoeten, zich verklaren op aanbiddelijke wijs,
in die keuze: 't zij wy leven (God verleng' ons 't uwe lang!)
't zij wy sterven (komt eens de ure, niemand onzer zij die bang!) 't zij wy leven, 't zij wy sterven, 't zij er feestvreugd is of pijn, 's Heeren volgers, 's Heeren eigen, voor een eeuwigheid te zijn.
AAN Jonkvrouwe W. L. VAN LOON,
BY HARE ECHTVEREENIGINQ MET
Jhr. Mr. P. J. ELOUT VAN SOETERWOUDE.
MET MIJNS BROEDERS CAPABOSE'S VERHAAL VAN HET STERFBED ZIJNS ZOONS.
De glans der jeugd,
de dag der vreugd,
waar 't hart op Jesus Christus ziet,
schuwt d' aanblik dezer rouwkleur niet.
God maakt zich groot aan Canaas Bruiloftsdisch, en in der Zijnen dood.
20 April 1845. _
AANDENHEERH. KRIEGERSCHUMER
OP DEN GEDENKDAG ZIJNER VIJF EN TWINTIGJARIGE AMBTSVERVULLING,
Men belt! â deez' dag voor 't minst word'knaap noch maagd geboren,
zoo ver zich de oever strekt van Amstel, Spaarne of Vecht!
Geen rijtuig, aangehold op onze steenen sporen,
geen klinglen met de schel van d' ademloozen knecht!
Geen echtgenoot twee, drie, om Schumer ongeduldig,
en zich dat wakker hoofd betwistend in hun vuur,
maak' zich op dezen dag aan rustverstoring schuldig
van 't zilvren feestgerecht, zoo vluchtig toch van duur!
Gantsch anders een vertoon, dan versch geplukte wichtjes, â
een schooner galm, o Vriend! werd heden u bereid,
dan 't krijten of gekreun van nuchtren aangezicbtjes,
in deez' hun vreemde lucht pas door u ingeleid.
Wat zeg ik? Juist die kreet was immer in uw ooren
welluidend als muzijk voor 't plichtgetrouw gemoed;
gy zoudt ze niet versmaan, indien ze ook thands by koren,
263
AAN DEN HEER H. KBIEGER SCHUMEB.
van tienmaal honderden u brachten hunnen groet, en riepen: âOnze kreet, by de intreê van deze aarde,
âwaar 't oog naar hooger blikt, heeft haar beteeknis me5; âindien 'door weeën ons een aardsche moeder baarde â âontsluit ook de eeuwigheid zich niet met barenswee?quot; 29 Jnnij 1846;
FRAGMENTEN UIT HET BOEK VAN JOB.
HOOFDSTUK IV : 12â22.
Daar is een woord tot my gekomen;
mijn oor vernam zijn stil geruisch;
't was een dier wondre nachtgezicliten
in schaduwen des diepen slaaps.
Daar overviel my schrik en beven,
mijn gantsch gebeente schudde er van. En zie! een geest trok voor my henen â
(het hair mijns vleesches rees te berg) een vluchtig beeld, een Inchtgestalte,
ik zag, maar onderscheidJe niet,
en in de stille van dat duister
hoorde ik de fluistring eener stem: hoe! meer dan God een mensch rechtvaardig?
Het maaksel, boven die hem schiep? Zie! op Zijn dienaars in den hemel
vertrouwt Hy niet, Hy vindt gebrek in de Englen, die Zijn stoel omgeven,
zoo 't aankomt op volkomenheid.
En die in leemen hutten wonen
wier grondslag in het stof berust,
zy, van den avond tot den morgen,
eer 't iemand merkt, verwelkt, vergaan, wier vleesch het voedsel isTder maden, â die zouden vaststaan voor Zijn oog?
hoofdstok v: 8â27.
Voorwaar! tot God zoude ik my wenden,
en tot d'Almachtige mijn reên! Die wondren uitricht, â wie doorgrondt ze? Ontzachlijkheden zonder tal!
264
FRAGMENTEN UIT HET BOEK VAN JOB.
Hy geeft den regen aan de velden,
het water giet Hy op de hei.
Verneêrden stelt Hy iu do hoogte,
verdrukten zendt Hy hulp en heil. Der wijzen raad maakt Hy tot dwaasheid,
hun raad volbrengt een ijdel niets.
De list verstrikt zich in haar netten, de sluwheid loopt zich-zelv' voorby.
Vnor hen wordt dag tot nachtlijk duister,
de middag tastbre donkerheid.
Aan 't zwaard ontrukt Hy den verdrukte,
den hulpeloozen uit hun muil.
Zoodat er voor de ellend verwachting,
verstomming voor den boozen is.
Welzalig, wien die Almacht tuchtigt, â
verwerpt de roê niet van Zijn hand.
Want Hy doet smeit aan, en Hy hoelt wéér
hy wondt, en Zijne hand verbindt.
In zes benauwdheên brengt Hy redding,
de zevende genaakt u niet.
De honger zal u niet verslinden,
het deert u niet, als de oorlog woedt.
Zelfs met de steenen van de velden,
zelfs met de dieren van het woud,
zult gy verbond en vrede hebben
Ja, waar het zwaard u tegenblikt, de honger grijnzend op u aanvalt,
het wild gedierte u tegenbrult,
daar zult gy lachen en gerust zijn;
in uwe teut zal 't vrede zijn. Vermenigvuldigd zal uw zaad zijn,
uw spruiten, als het kruid der aard! In ouderdom, verzaad van dagen,
zult gy in 't graf ter ruste gaan,
gelijk de rijpgestoofde koornair wordt a!gesneên en weggelegd.
hoofdstuk ix: 2â12.
Voorwaar, ik weet, het is zoo! zou de mensch rechtvaardig zijn voor God, die hem gemaakt heeft
FBAGMENTEN UIT HET BOEK VAN JOB.
Niet één uit duizend vindt een antwoord, als God lust heeft in het recht jnet hem te treden! Hu slechts is wijs van hart, Hu groot van kracht. Wie kende ooit in zijn binnenste den vrede wanneer hy aan Zijn wegen weêrstand bood? De bergen merken 't niet, en Hy verzet ze; zy worden in Zijn gramschap omgekeerd. Het aardrijk wankelt, en haar zuilen schudden. Als Hy 't gebood, de zon ging niet weêr op, â de sterren, als verzegeld, werden duister. Hy breidt de heemlen uit, en op de zee maakt Hy een effen pad voor Zijnen voettred. Den Wagen, en d' Orion, en 't gestarnt van Noord en Zuid formeert Hy aan de transen, die groote dingen doet, en zonder tal zijn Zijne wondren. Ziet! Hy zal voorbijgaan, en ik bemerk Hem niet: â en voor my staan, en ik, ik weet het niet: â Hy zal berooven, en wie zal tot Hem zeggen: Geef my weêr! of vragen van Hem rekenschap: Wat doet Gy?
hoofdstuk xix: 23â27.
Ach! werden nu mijn woorden opgeschreven, en opgeteekend in de rol eens hoeks!
Graveer' men ze ter eeuwige gedachtnis in steen en rots met ijzren stift en lood!
Ik weet, mijn Goël leeft, Hy zal ten laatste verlossend opstaan over deze klei.
Als dees mijn huid geheel doorknaagd zal wezen, zoo zal ik God aanschouwen uit mijn vleesch, â aanschouwen my ten goede, niet een vreemde. Mjjn nieren in mijn schoot verlangen zeer.
HOOPDSTOK xxvi: 5â14.
Het doodenrijk ligt voor Hem open, de Afgrond ontbloot. Hy spant de polen over 't ruim
266
FRAGMENTEN UIT HET BOEK VAN JOB.
en hangt het aardrijk aan een niet. De waatren
bindt Hy te zamen in de wolk op; evenwel
zy scheurt niet. Voor Zijn troon spreidt Hy tapijten
van wolken. Aan de wateren op aard
stelt Hy hun perk. Hy scheidt het licht en duister,
en doet ze dan weêr smelten in elkaar.
Op Zijne stem bewegen zich de zuilen
der wereld en zy siddren van Zijn toorn.
Hy klooft de zee tot golven, en haar branding
verslaat Hy in het hoogste van haar drift
door Zijn verstand. Zijn geest versiert de heemlen.
Zijn hand doet aan de pool den Noorderslang
bezwijken, als de morgenglansen rijzen.
Ziet! dit is slechts een stukskeu van de zaak,
het uiterst eind Zijns werks. En wie dan onzer
verstaat de donders van Zijn mogendheên?
HOOFDSTUK XXIX : 2â'25.
Och of my iemand wederbracht die dagen,
thands verre, toen nog God mijn Hoeder was,
toen 'k by Zijn licht de duisternis doorwaadde, en Hy Zijn lamp deed lichten om mijn hoofd! Die dagen, toen nog Gods verborgen omgang mijn deel, en op mijn tent Zijn vrede was;
toen met d' Almachtige aan mijn zij', mijn kindren zich schaarden om mijn disch. Mijn gangen wiesch ik in de melk, en uit den rotssteen vloot my olie. Als ik ging, als ik mijn voeten de stad door richtte naar de plaats des rechts, zoo zagen my de jongeren en scholen zich weg; de grijzaart zelf rees op en stond. De Vorsten schroomden zich te laten hooren, zy legden hunne hand op hunnen mond. De aanzienlijken weêrhielden hunne woorden, hun tong was aan 't verhemelte gekleefd.
Het oor, dat naar my hoorde, hield my zalig, en de oogen, die my zagen, prezen my.
Want den verdrukte, als hy riep, verloste ik, den wees en die geen helper had in 't land.
267
FRAGMENTEN UIT HET BOEK VAN JOB.
De zegen des bevrijden uit vertwijfling, de vreugdestem der uitgeredde weeuw,
kwam op my. Met gerechtigheid bekleedde, en met barmhartigheid bedekte ik my als met een kleed en Vorstelijke tulband.
Ik was des blinden oog, ik was de voet des kreuplen, den nooddruftigen een vader. Ik onderzocht de rechtzaak die 'k niet wist, en brak de tanden des godloozen en ontvoerde aan zijnen muil den roof. Ik zeide: zacht op mijn bed zal ik den geest eens geven, na dagen verveelvoudigd als het zand.
Mijn' wortel blijft de waterbeek besproeien, de daauw vernachten op mijn tak. Mijn eer zal zich verjongen met den last der jaren,
en in mijn hand de stevigheid mijns boogs,
Naar mijne stem werd in den raad geluisterd, en niemand sprak tot dat ik was gehoord. Ja, niemand sprak ook dan nog, want mijn reden drupte als de daauw hun op het hart; hun mond verwachtte mijne woorden als den regen, waarnaar het dorrend kruid der velden smacht. Lachte ik hen toe, zy dorsten 't niet geloovcn. Mijn' oogblik ondervingen zy, vereerd.
Zy stelden hunnen weg naar mijne meening. Ãn in hun midden zat ik boven aan,
gelijk een Koning, die regeert op velen,
gelijk een man, die treurenden vertroost.
HOOFDSTUK XXXI : 1â40.
'k Heb een verbond gesloten met mijne oogen! Hoe zou mijn blik zich wenden naar een maagd? Hoe hadde ik dan gewandeld voor Gods aanschijn, en met d' Almachtige mijn deel gehad?
Wacht niet de boozen 't oordeel, en verschrikking de werkers van het onrecht? Ziet Hy niet mijn gangen? telt Hy niet mijn treden? Wege mijn God my in de weegschaal, of ik ooit het pad der ijdelheden mijnen voeten
268
FRAGMENTEN UIT HET BOEK VAN JOB.
vergund heb, of bedrog of list gekweekt!
Zoo zal de oprechtheid van mijn wegen blijken,
Of, zoo mijn gang is afgeweken, zoo
mijn hart de lust gehoorzaamd heeft der oogen,
en aan mijn handen onrecht heeft gekleefd,
zoo moet hetgeen ik zaaide een ander eten,
en uitgeworteld worden mijn plantsoen.
Indien mijn hart verlokt werd tot de huisvrouw
mijns naasten, en 'k geloerd heb aan zijn deur
(afgrijslijk is die misdaad voor mijn Rechter,
ten snoode schenddaad, der verfoeiing waard,
een vuur, het merg verteerend in 't gebeente,
en have en goed vernielend tot den grond!)
zoo moog mijn huisvrouw malen voor een ander,
zoo kromm' zich over haar een vreemde man!
Indien ik van mijn knecht of van mijn dienstmaagd
het recht verkort heb of den eisch versmaad,
(want wat zou dan mijn deel zijn, als God opstond?
Als Hy bezoeking deed, wat antwoordde ik?
Heeft niet die my gemaakt heeft hem geschapen?
Bracht niet een zelfde moederklei ons voort?)
zoo ik aan d' arme ooit zijn broodsbegeerte
onthield, of de oogen van de weduw liet
versmachten, of voor my alleen mijn bete
gesneên, en niet gedeeld heb met den wees â
neen! 'k was hem van mijn jonkheid aan een vader,
en van mijn moeders schoot af aan een vriend. â
Zoo 'k ooit een mensch liet trantlen van de koude,
en my de naakte ooit vond meêdoogenloos!
Gezegend hebben my veeleer zijn lenden,
die mijner lammren vacht verwarming schonk.
Zoo quot;k ooit, die weerloos was, ben aangevallen,
om dat het strenge recht my gunstig was,
zoo vall' mijn schouder uit van zijn gewrichten,
zoo vall' mijn arm te pletter uit zijn pijp.
Want Gods gericht was my een schrik. Zijn hoogheid
steeds voor mijn oog, en Zijn geduchte toorn!
Indien ik 't goud gezet heb tot mijn sterkte,
of tot het zilver heb gezegd: mijn hoop!
Zoo 'k ooit mijn hart verheven heb in blijdschap.
263
270 FRAGMENTEN UIT HET BOEK VAN JOB.
om dat mijn hand rijk ingezameld had, â
of zoo, wanneer de zon scheen in haar luister,
de maan haar stillen gang ging aan den trans,
mijn hart zich in 't geheim ooit liet verlokken,
om 't schepsel deel te geven in Gods dienst, â
want ook dat waar' een misdaad voor mijn Rechter,
verzaking van den God der eer geweest, â
indien ik me in het onheil van mijn hater
verblijd heb, of gejuicht wanneer hy viel,
of aan mijn tong veroorloofd heb te vloeken
de ziel des genen die my lagen wrocht, â
indien niet van mijn spijz' verzadigd werden
nooddruftigen en vreemdlingen te zaam,
voor wie ik steeds herbergzaamheid bereidde,
de deur steeds openzette van mijn tent, â
of zoo 'k, in overtredingen gevallen,
mijn schuld voor God, als Adam, heb verbloemd,
door zelfbedrog mijn misdrijf heb vergoelijkt,
door zelfverheffing niet beleden heb, â
zoo blijve ik tot een schrikbeeld uitgeteekend,
en treff' my aller nageslachten smaad!
Och of ik éénen hadde, die my hoorde!
'k Heb mijn geding vrijmoedig afgepleit.
Ja, dat de Almachtige my antwoord geve!
Dat mijne weêrpartij zijn aanklacht schrijf!
Ik zal ze op mijnen schouder gaarne dragen,
ik zal ze voeren als een kroon op 't hoofd!
'k Zal ieder mijner stappen voor Hem leggen,
'k zal naderen voor Hem gelijk een Vorst.
Indien mijn akker onrecht ooit getuigde,
indien mijn voren riepen tegen my,
omdat ik zonder loon de vrucht genoten,
omdat ik d' arbeidsman mishandeld heb,
zoo moog mijn land voor tarwe distels geven,
en giftig kruid voor voedzaam gerst!
1847.
HET LIED VAN MOSES.
HET LIED VAN MOSES.
âEn ik zag een glazen zee, met vuur gemengd, en die de* overwinning hadden van het Beest en van zjjn beeld, en van zijn merkteeken, en van het getal Zyns Naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods; en zy zongen het gezang van Moses den dienstknecht Gods, en het gezang: des Lams.quot; Openb. XV: 2, 3.
'k Zal van Jehovah, mijn Bevrijder,
het lied doen galmen uit mijn mond.
Hy heeft het paard en Zijn berijder ter neêr geslingerd tot den grond.
Hy is mijn God, mijn Roem, mijn Zege,
de God mijns vaders! 'k Geef Hem eer.
Dat de aarde zich van schrik bewege!
Zijn Naam is Held. Zijn Naam is Heer.
Het volk van Cham met ros en wagen het zeepad dreigend ingetreên, â
zy zijn gevallen, daar wy 't zagen,
zy zijn gezonken als de steen.
Ik zal van hulp en uitkomst spreken. Uw rechterhand heeft ze verplet.
Gy hebt hun lijken tot een teeken aan de oevers der Schelfzee gezet.
De wateren, in twee gekloven,
de waatren stonden op een hoop
by 't licht des vuurkoloms van Boven, â
en zie! de Zon hernam haar loop----
daar sprak de vijand: ,'k Zal vervolgen!
,'k Zal koelen aan dat volk mijn moed.
âMijn zwaard is dorstig en verbolgen.
,Opslorpen zal myn zwaard hun bloed.quot;
O God! Gy bliest! 't Zijn golven weder,
en â der Egiptenaren dood!
Zy stortten in de diepte neder!
Zy kleefden aan den grond als lood.
Wie is als Gy, o God der goden?
Wie is als Gy, geducht in macht?
271
HET LIED VAN MOSES.
Die wind en waatren hebt geboden, het werk, het werktuig van Uw kracht.
En thands! Gy zult ze verder weideu,
wier boei Uw Bondstrouw heeft geslaakt;
ze door de steenwoestijnen leiden naar 't land, den Vaderen vermaakt.
De volken hoorden het. Zy trillen.
Heel Palestina dreunt en kraakt.
Wie zal uw angst, o Moab! stillen, of weeren 't volk, dat u genaakt?
Ja, 't volk trekt op, door U verkregen, o God des eeuwgen erfverbonds!
Gy voert het aan op wonderwegen, gedenkend aan den eed Uws monds.
Gy zult ze nestien in de steden,
Gy zult ze wortlen in den grond,
nog door der Reuzen voet getreden,
tot wier verdelging Gy ze zondt.
Van eeuw tot eeuw zult Gy regeeren! Gy zijt mijn God, mijns vaders God!
Wie zal Uw legerbenden keeren?
Gy zult ze voeren in hun lot!
Zingt, zingt Jehovah den Bevrijder!
zingt Hem met rei en rinkelbom.
Hy blies! Het paard en zijn berijder kwam in de diepe waatren om.
Dus, aan de oevers van die baren, eens geëffend tot een pad, zongen Mirjams maagdenreien 't heil, dat God gegeven had,
waar de nagalm van blijft ruischen aller eeuwen loopkring door â dan, op nieuw wordt opgevangen door een maagdelijker koor,
door het koor van uw verlosten, sterke Held Enunanuël!
daar zy uw triumfen zingen over zonde, dood en hel.
Aan den oever van geen golven meer, door stormen opgeruid, maar dier spiegelzilvren vlakte, die by 't hemelharpgeluid afbeeldt slingerende kampen, onder worstlend zielsgebod,
vaak met paarlende angstzweetdroppen doorgestreên en neergezet,
272
HET LIED VAN MOSES.
neêrgezet thands, en voor eeuwig, opgelost in eeuwge vree, â aan den oever dier kristallen, maar met vlam gemengde zee, die Joannes van op Patmos met des geestes oog vernam,
zingt men nog bet lied van Moses, maar ter eere van het Lam, van het Lam, den Leeuw uit Juda, Offeraar en Lam te zaarn. 't Heil van God, in 't vleesch gekomen, is Zijn nooit volprezen naam.
Van dien Heiland, dien Bevrijder, zingt de hemel, zinge de aardt Lof, aanbidding, alverloochning, is Hy hier en eeuwig waard.
Goël, Hy, uit zwaarder dwangjuk dan Kgiptes dienstbaarheid, die geduchter dan de golven der Schelfzee ten voetpad scheidt; die een pad vond voor verloornen door de diepten van den dood; die door moeilijke woestijnen laaft met waatren, zelf het Brood. Dat we ü volgen, goede Herder! groote Leidsman, Koning, Heer! (trek ons met genadekoorden!) op de schudding van het meir, hy Uw zielstrijd in d' Olijfhof, Uw verbooging aan het kruis,
door den nacht der doodsvallei eens naar het Vaderlijke huis.
1846.
H A G A R.
Wat wondren zaagt ge al niet, woestijnvorstin van 't Oosten!
een grond vereeuwigen, dien *s hemels vuren roostten
tot ééne onoverzienbre, één waterlooze zee
van golven steen en rots, tooneel van schrik en wee,
verlatenheid en dorst en zonder laafnis sterven! â
Wat hebt ge al in die lucht, die d' ademtocht doet derven
aan wat daar adem zoekt, den stormwind vaak gezien
zich als aan ketenen ontwringend; niet slechts dien.
waarvoor de reiziger 't gelaat verbergt in de aarde,
tot dat de gruiskolom, die wervlend zich vergaarde
by 't loeien van den reus, voorbijgerold zal zijn!
Nog andre schuddingen bestookten uw woestijn,
aloud Arabië! 't Zijn zulken, die de scharen
opdreven, uit uw schoot, van landveroveraren.
Hier, langs uw noordergrens, trok Israël weleer,
omstuwd van teeknen Gods, naar 't erfland op en neêr,
de veertig jaren door; â daar, twintig eeuwen later,
verhief de Saraceen met dweepend knjgsgeschater
zijn wapens, om aan de aard een half gekenden God
te brengen, en een keer in heel der volkren lot.
n rt
273
HAGAR.
Maar in het hachlijk unr, bier voor des Dichters oogen herroepen, is het stil, van stormen onbewogen,
in deze wildernis, en eenzaam. Slechts één vrouw, met fierheid, diep verneêrd, in 't oog, â met naberouw en kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden, â
richt op den sombren weg haar ongewisse schreden. De waterflesch klopt op haar borst, eerlang geleegd, het brood ontbrak aireede, en dubbel klemmend weegt de last haar onder 't hart, waarop voor weinig dagen haar blik zoo onbedacht naast Sara roem dorst dragen. Verwatene! waarheen? De tent van Abraham wierp tuchtigend n uit! Keer tot geen land van Cham, maar tot de schaduwen van Mamres eiken weder,
en dat zich 't hart voor God aan Saraas voet verneder'! Voor u ook is daar brood en water, heul en troost en Goddelijke trouw! Wees dienstmaagd, â en uw kroost zal groot zijn! meer dan één belofte omvat die woning, en wat uit Abrams heup geboren wordt, is koning.
De moeder Ismaëls!
Maar Sara mede staat,
op Gods gezetten stond, de moeder van een zaad, een zoon, waaruit de Zoon eens menschlijk wordt geboren! En nu â die Abram 't eerst den vadernaam deed hooren, die veertien jaren op de aartsvaderlijke kniên geen tweeden nevens zich gekoesterd had gezien,
moet thands dien tweeden als zijn' meerdere gehengen, en, man in zelfgevoel en krachten, hulde brengen een weenend kindeke! Gelijk den pijl zijn boog,
schiet op den zuigeling zijn verontwaardigd oog den Wik des wrevels en des spots. De moederzonde herhaalt zich in dien spot en slaat een versche wonde in 't hart der meesteres; â en deze blik beslist. Het woord des Heeren handhaaft Sara. Neen! geen twist van broeders onder 't oog van Abram! Twee vorstinnen gedoogt de tentgordijn van Mam re niet, noch binnen haar plooien deze twee, schoon spruiten van één stam: den herder en den held, den woudstier en het lam.
De moeder Ismaëls!
274
HAGAB.
Een moeder veler volken ook zy! â Wel dekten eens verwarrende onheilswolken de ster der moeder en des zoons, wanneer de dorst der schroeiende eenzaamheid het leven in de borst des jonglings, reeds ten grave als uitgestrekt, ging doven. Maar neen! des Engels stem spreekt deernis uit van Boven. Gy zult riet sterven, zoon uit Abram! De woestijn heeft zich een oogenblik uw graf gewaand te zijn, â die woesteny zal eens uw gloriën getuigen!
Voor u zal stam aan stam het hoofd met eerbied buigen by 't gonzen van uw boog, o Schutter! Vrij en fier plant, kennende zijn bloed, de zwervende Arabier uw naam voort en uw beeld, Zijn hand is tegen allen.
Geen mensohlijk bondgenoot, die hem te beurt zal vallen, â het dier slechts in zijn dienst! geen koutertrekkende os,
geen jacht- of huishond, â maar zijn kemel en zijn ros.
Zijn kemel! â 't Levend schip, dat door de zandzeebaren zijn koers houdt, rijk bevracht met keur van Oosterwaren, â 't woestijnpaard, dat in 't zaal, hem door natuur gewrocht, zijn ruiter rustig voert door d' eindeloozen tocht, hem knielend afwerpt en weêr opvangt, en, waar de oogen vergeefs een waterdrop als uit te lokken pogen,
de karavane met zijn reuk ten dienste staat,
en wellen opspoort, die nog laven. Op de maat,
van dat de zon herrijst, vervolgt het dier te vrede met onvertraagden vaart, met onverhaasten trede,
gelijk de kloknaald tikt, zijn' weg, ten zij zich 't lied versnelle, waar ook hy gevoelig 't oor aan biedt: de klaagzang, niet altijd eentonig, van den drijver,
of wel, de lofzang van den pelgrim, vol van ijver maar lijdzaam, die aan 't eind van 't onverkwikkend pad Jerusalem zal zien, de onsterfelijke stad.
Zijn ros! â de roem van ouds, de vriend van zijn berijder dat ros steeds, waar de spreuk van d' Idumeeschen lijder ter eer zijns Gods van zong: âWie gaf het paard zijn kracht, âzijn heldenhart? Wie heeft zijn hals bekleed met pracht âvan manen, golvende op den wind? Men ziet hem dansen âgelijk een sprinkhaan, by de bliksemende lansen,
275
HAGAK.
âde pijlen, raatlend in hun koker, en het zwaard âdat flikkert in zijn oog, voor galm noch glans vervaard; âeen wolk gaat opwaarts van zijn snuiven, â met zijn hoeven âverslindt hy 't slagveld of hy trappelt het tot groeven âen ijlt het harnas te gemoet, of schuimt en woelt,
âterwijl hy aan 't gebit zijn krijgsdrift bloedend koelt, âen antwoordt brieschend op den donder der trompetten, âwaarby de vaandelen zich in beweging zetten.quot;
De moeder Ismaëls!
Hoe schudt en schokt die schoot! 't Zijn volken, â stroomen van veroovraars, die den dood (een paradijs in 't oog!) met waanzins lust verbeiden,
ja, tot des aardrijks eind uitdagen en verspreiden, 't Schiereiland goot hen uit, Egiptes Zevenmond gelijk, wen hy zijn bed als opheft, en den grond met waterdiepten dekt waar bergen in bezwijken;
of zoo zich de Oceaan een baan veegt door de dijken, en 't land in zee herschept, of uitbijt met zijn zout.
Geen hoogte die weerstaat, geen glooiing die weerhoudt!
Geen kracht of kunst by macht den aanloop te verduren! Zy stappen zeeën door en springen over muren,
en vielen ze in een lans, de lans verwondt ze niet.
Half de aarde werd op eens Arabisch grondgebied.
En, als een veld in 't rond bezaaid met hagelsteenen, de donderwolk ontperst, zoo zien van Hagarenen drie werelddeelen van den Indus tot den Taag hun breedten overstelpt. Buig, Syriër! en waag geen weêrstand, Palestine! en torsch by al uw weeën,
stad Davids! nog den last der Omarsche moskeeën.
Zink, Oosterchristenheid, dien naam sints lang onwaard! onredbaar, voor den zwaai van 't Damasceensche zwaard.' Ach! werd het Bijbelwoord voor fabelen en beelden en menschenvonden, die uw zinlijke ooren streelden,
te lang te rug gezet? aanvaard den Koran thands,
wiens halve waarheid in haar duizelenden glans nw afgoón wel kan slaan, maar u geen God hergeven, â en overmogen moest, waar Christendom voor leven een vorm werd, â schijn, geen zijn. Egipte! ontfang de wet, u weêr in dezen tijd van den Nomaad gezet!
276
HAGAB.
Neig 't hoofd, Alexandrië! en geef dien woestijnieren
de boektresoren prijs, die uw paleizen sieren,
met al de wijsheên van uw scholen! Laatste bloed
van Oud-Numidië! laat varen uwen moed.
Carthager of Vandaal! spaar 't slagzwaard in de schede!
Het geldt heel Africa; het geldt Europe mede!
Zie! Calpes rotsen zijn beklommen, overheerd
ligt Spanje, diep ook daar de Christennaam verneêrd!
De fiere Westgoth heeft zijn kerken zien ontwijden,
en, dolende in 't gebeigt, wacht op den eb dier tijden.
Maar neen! nog wast de vloed. De Pyreneën staan
geen gieren in don weg, geen Muzelmansche vaan.
Waak op, gy Noordenwind! en drijf die sprinkhaanzwerme:i
te rug! rijs, Earel! rijs, om 't Westen te beschermen;
en wees in hooger hand een Hamer die verplet,
en wat nog kruis belijdt van Mekkaas dwang ontzet.
De moeder lamaëls!
Wie heeft der krijgren klingen tot dezen kamp gescherpt, en de aarde leeren dwingen van uit hun eenzaam zand en vesten, naauw bekend voor dezen? Wie dat volk uit de armelijke tent verplaatst op troonen? Wie de toekomst en het leven der wereldnatiën als in hun hand gegeven? ââ
Een man, als uit het niet gebiedend opgetreên,
in aart en levensloop vol tegenstrijdigheên;
veehoeder, handlaar, held, straks Staat- en sectestichter, wel ongeletterd, maar in 't diepst zijns wezens dichter,
voor Godsdienst brandende, voor Waarheid koel van zin, en (zoon van Abram en de Egiptische slavin!)
zich voelende beheerscht door Israëls propheten,
voor Issa bovenal gedrongen in 't geweten tot eerbied en ontzag, toch in onbuigbren trots zich-zelven predikend als opperzendling Gods, â
hervormer, ja (wellicht!) zijns tijds, en voorbereider van beetre, maar weldra slechts zelf- en volksmisleider om strijd zich vleiende en gevleid, gewaand Propheet, en lasterlijk in 't eind begroet als Paracleet.
Mohammed! o, wat kracht, wat wijsheid waren de uwen? Slechts deze: een waarheid Gods den logen uit te huwen
27
HAGAB.
en teelen uit dien echt een monsterachtig kroost
van dweepend zingevlei en ingebeelden troost.
Ach! uwe niet alleen was 't opzet om één waarheid
met al haar hemelglans en goddelijke klaarheid
te spannen in 't gareel ten dienste van een Macht
van menschenvonden en verfoeisels; â of de kracht
van ééne zondedrift met ijzren wil te breken
om de andren ongestoord te koestren en te kweken.
Maar uwe, o Koreischiet! was de Oostersche natuur,
't bezielend krijgsgenie, 't betoovrend dichtervuur,
waardoor ge een fakkel werdt, die wijd en zijd de stammen
in lichterlaaien gloed vermogend waart te ontvlammen, â
een gloed, nog niet gebluscht, maar blijvend, tot die Zon,
die eens by 's menschen val zijn wondren loop begon,
en nacht èn fakkelglans èn dwaal- en flikkerlichten
in zijn volheldren dag verzwonden zal doen zwichten.
Yerhaast, o God! dien stond, en laat van oord tot oord,
tot dat hy daar zal zijn, uw Evangeliewoord,
klaar als de feestbazuin, het menschdom vergewissen
van wat er volgen zal op zoo veel duisternissen;
ja, van dat koninkrijk, dat over 't wijd heelal,
wat dreige of tegensta, eens zegevieren zal,
niet door toegeeflijkheên aan menschelijken logen,
noch door verbindingen met menschlijk alvermogen,
maar enkel Waarheid, enkel Leven, enkel Licht,
op vastigheid van kruis en lijden blijft gesticht.
De moeder Ismaëls!
God heeft een woord gesproken! Geen stof ken heeft er ooit by de uitkomst aan ontbroken; 't zij oordeel, lang getergd, 't zij heerlijkheên beloofd voor de aarde of de eeuwigheid, en neergelegd op 't hoofd het zij van Jacob of van Edom. Aan uw zonen,
o Hagar! was de glans beloofd van koningskroonen, â ziet! de eeuwen wentelden! En honderd troonen zijn ten buit geleverd aan de kindren der woestijn. Wat schittring! welke gloed of 't waar van regenbogen, robijn en esmerald en diamanten, de oogen verblindend! wat muzijk van waterval by val in lustspelonken, als getooverd uit kristal;
278
HAGAE.
Caïro, Balsora, Granada, paradijzen,
â wie geen Geschiedenis maar Fabel schijnt te prijzen,
wanneer zy aanheft van uw wondren, wier geraamt'
of ingestorte puin steeds Morgenluchten aamt!
Van uit uw scheppingen verhieven, ja, tirannen
hun ijzren roede vaak, maar andre Muselmannen
een schepter, 't Recht ter eer, of Wetenschap en Kunst,
geleerdheid, onderzoek en letteren ter gunst.
Alraschid, gy hier 't eerst, gy Bagdads Charlemagne!
Of Abderahman! gy! sieraad van 't Moorsche Spanje!
hoe slaat het nageslacht uw prachtig Cordua
niet om zijn bouwkracht slechts en duizend zuilen ga,
maar om die scholen meê, waar studiën herleven,
den Noordlijken Barbaar sints eeuwen prijs gegeven!
Hier boogt Geneeskunst op Averroiis genie,
en kiemde Scheikunst reeds in 't slijk der Alchymie,
en wenkte 't sterrenheir met vriendelijk geflonker
heur banen te bespiên by 't Andalusisch donker.
Gy Dichtkunst, gy vooral, der woestijnieren lust
van ouds! gy vondt hier stof in ridderfeiten, rust
in schaduw van den troon des Arabiers, herschapen
in kunstenkwekend Griek. â De Christenvolken slapen
hun middeneeuwschen slaap, 't Is nacht. Maar juist dien nacht
beheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht.
De moeder Ismaëls!
Ja moeder, in geslachten,
-van koningen, die de aard aan hunne voeten brachten, â en toch! by al dien roem Egiptische slavin,
geen evenboortige der achtbre Tentvorstin,
5ie in haar ouderdom den Vreugdverwekker baarde! â
Neen, welk een uitstel 't hart der Meesteres bezwaarde,
ay zou niet altijd by de dienstmaagd achterstaan â uw waarheid niet altoos by d' Islam en zijn waan,
verneêrde Christenheid! als overschaduwd treuren.
Ook 't Noorden wordt zich-zelf bewust. De nevels scheuren van d' eeuwenlangen nacht. Een nieuwe morgen naakt; een nieuwe wereldtijd, een nieuwe kamp ontwaakt. Wat stormen! welk een reeks van nieuwe worstelingen, onvruchtbaar lang, zoo 't scheen, maar kiem van grooter dingen!
279
HAGAB.
Zie! 't Westen werpt zich op het Oosten by den kreet,
van Clermont uitgegaan: âGod wil het!quot; lens en eed
dier in gestalte en hart onovertroffen Ridderen,
(voor wie de Bondgenoot het eerst moest leeren sidderen!)
gekleed in ijzer, en van ijzer-zelf. Naar 't graf
des Heilgen trekken ze op, het zwaard voor pelgrimstaf
geheven, om dien grond, vóór 't rijpen van Gods tijden,
(by- tegen Wangeloof!) van d'Islam rein te strijden!
Ai! zoek den Levende niet by de doón! noch wacht
van 't ijdel zelfgekwel, van de ijzren heldenkracht,
triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen.
Het Oosten staat u nog. Uw negen tochten falen!....
God had iets beters voor u weggelegd, Euroop!
in Zijner mogendheên aanbiddelijken loop:
der talen sleutel weêr-, de Drukkunst uitgevonden,
de Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,
het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,
van 't aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid....
uw tijden gaan te rug, uw geestdrift vlam men kwijnen,
een tering schijnt allengs uw krachten te ondermijnen,
Mohammed! wien ge ook nog (een jongste flikkerschijn
van stervend nachtlamplicht!) ontzachlijk dreigt te zijn.
Constantinopel vall', sints eeuwen reeds zieltogend,
den Muselman in d' arm! die arm werd onvermogend
in Spanje. Brenge straks, een enkel oogenblik,
aan Weenen en Euroop het Turkscbe kromzwaard schrik! .. ..
Gy, negentiende reeks van dubble jubeljaren!
getuig gy wat er werd van 't rijk dier Oostbarbaren!
De Janitsaar verdween. Het zwaard van Mahomet
viel in den Bosporus. Vergeten wordt zijn wet.
De Sultan aan den disch drinkt Griekschen wijn met Franken
hy baadt zich in 't genot van Franache zangspelklanken.
't Is Westersch, wat de Turk nog tot zich nemen mag
van leven, en de dag bevestigt aan den dag,
wat Navarino eens met luid kanongedonder
aan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder!
De moeder Ismaëls!
Hy heeft ook u herdacht,
o zoon der dienstmaagd, u tot in uw verst geslacht.
280
HAGAB.
de Aartsvader, â als hy riep, voor God in 't stof gebogen;
âAch, dat ook Ismaël gena vinde in Uwe oogen
âen leve!quot; Heeft die God van Abrahams gebed
ooit delooren afgewend? De tijden zijn gezet,
waarin ook Ismaël den schedel diep zal buigen,
en van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen.
6e ontflngt, o Salomon! van dien vernieuwden zin
een eerstling uit den mond van Schebaas koningin!
Straks bracht Arabiën in Bethlems herderwoning
zijn [wierook, myrrhe, en goud aan hooger Vredekoning, â
ook dit een eerstling slechts van ruimer heilverschiet,
wanneer, om Jesus naam en koninklijk gebied
te vieren, Sions stad van volkeren zal weetnlen,
ja, van uw rammen mee, o Kedar! van uw keemlen,
Nebajoth, Midian, en Hefa! Welk een dag,
waarop ook Ismaël met Isaac hopen mag!
Wat tijden, vast voorzegd, van groote schuldvergeving,
van voor geheel deze aard volzalige herleving!
Wen Israël zal zien Wiens hart zijn hardheid brak.
Wiens zijde 't met de speer der Heidenen doorstak,
en dan â den Christusmoord beschreiende aan Zijn voeten,
zich uit dien eigen mond op eenmaal hooren groeten
als d' eerstgeboren weêr der volken; â wen zich daar,
voor de eigen voetbank Gods ontmoeten zal Barbaar
en Griek, Romein en Parth, het Zuiden en het Noorden,
en van den Ganges af tot Missisippis boorden
door elke natie, eiken tongval, elk geslacht,
met daverenden dank de lof wordt uitgebracht:
Verzoening! Vrede op aard! In menschen welbehagen,
't besluit van eeuwigheid voor de eeuwigheid voldragen!
Lof zij den Vader! lof aan 't onbevlekte Lam,
dat, even groot. Zijn sterkte èn aflegde èn hernam!
En aan den Heilgen Geest, die de aard met heil beregent,
en uit de volheid Gods met levensstroomen zegent!
De moeder Ismaëls!
Op u een laatste blik!
Op u, te midden van dier steenwoestijnen schrik, gy ongetrooste, gy door onweer voortgedrevene, aan zielsmart en ellende en wanhoop prijs gegevene!
281
HAGAE.
Gy ook â gy gaaft in 't eind den God des hemels eer! Hy kwam, Hy sprak tot u. De hoogten vielen neêr. Gy gaat voor Saraas voet uw dwazen trots bekennen; gy wilt in Abrams tent u aan Gods ordning wennen! Ja! (roept ge en voelt, met één, geheel uw aanzijn vrij!) ,o God des Wens! Gy zaagt neder ook op my.quot;
1847.
AAN N. BEETS,
BY DB TEltüGZENDING VAN BEN VAN HEM GELEEND KAARTJE VAN HAARLEMS OMSTREKEN.
Wijs Herder! wijs nog lang aan zoekenden den weg. Dat de Opperherder op uw arbeid Amen zegg'! Haamstede 1817.
AAN MIJNE LIEVE EGADE,
OP HAAR VERJAARDAG.
INVALLENDE OP GOEDEN VRIJDAG, 2 APRIL, DEZES JAARS 1847.
Meer dan eens, geliefde Gade! by het vieren van den dag,
dien ik heden met ons vijftal dankend weder groeten mag, â
meer dan eens was, by de vreugde, die uw jaarfeeststonde ons brengt, leed en rouw op onze harten, weedom rondom ons, gemengd!
Meer dan eenmaal trokken nevels voor dat lentezonlicht heen, dat om uw geboorteviering dubbel welkom my bescheen.
Ja, wy loofden en wy weenden; en de doornen dezer aard griefden vaak ook onder 't stijgen van den dankpsalm hemelwaart.
Gade, my van God behouden tot mijn trouwe hulp en troost! gade, levend voor uw ega! moeder, levend in uw kroost!
heden, als ik God mag danken voor uw leven, uw bezit, â
als mijn ziel weêr op uw jaarfeest om een nieuwen zegen bidt, â heden â spaarde ons Zijne Algoedheid nieuwe tranen onder 't kruis, dat Hy in Zijn liefdewegen opgelegd heelt aan ons huis â
lost zich wederom de feesttoon van het diep geroerde hart in 't herdenken op ééns lijdens, â ééner ongelijkbre smart!
Ãéne smart, de bron voor eeuwig van een vreugde zonder peil! Ãénen dood, den prijs van zondaars voor het onuitspreeklijk heil!
282
AAN MIJNE LIEVE EGADE.
't Is de Vrijdag (in aanbidding noemt de Christenheid hem goed!) 't Is de Vrijdag, waarop éénmaal algenoegzaam werd geboet door den Zoon, ten zoen gegeven voor de doodschuld onzer ziel, om nog hooger op te heffen als zy laag en grondloos viel.
Lieve! wat u toegesproken, toegezongen, toegebeên,
op den kruisingsdag nws Heilands, dan de vrucht diens dags alléén? Al wat kostlijk, al wat troostend, zalvend, heelend, reddend is,
ligt verborgen in den rijkdom van de kruisgeheimenis.
't Zii uw deel van jaar- tot jaarkring, dag aan dag, en stond aan stond, steeds meer ingeleid te worden in de vastheid van 't Verbond, dat in 't zoenbloed onverbreekbaar eenes nienschgeworden Gods, vaststaat voor ons, zwakke rieten, als een schaduwrijke rots.
't Zij ons deel, geliefde Gade! daar geplaatst van onzen God,
daar te geven in Zijn handen ons en onzer kindren lot,
by het klimmen van de jaren, by het klemmen van de zorg, starend op de hartewonde van een eindloos trouwen Borg,
op die voorspraak, waar elke aanklacht van den Vijand by verstomt, opwaart ziende naar die wolken, op wier wagenen Hy komt. Hem te leven. Hem te sterven, 't Amen voeg' Hy-zelve er toe, die gesproken en volbracht heeft! Dat Hy 't geve! dat Hy 't doe!
AAN VROUWE ALE1DA BEETS,
by het afscheid na ons tweede verblijf te heemstede, in den zomer van 1847.
Lieve Echtvriendin des Herders dezer dreven,
eens in Gods gunst en milde menschenmin ten levenshulp, ten levensheil gegeven, â
straks in Zijn dienst ter medestrijderin! Hoe ruischt hier 't woord der Evangelieboodschap
te zoeter om die zoete harmony,
dat Englen-zelf gevallig bondgenootschap
van man en vrouw, van kerk en pastory, dat schoon akkoord van 't heilbevel: âGelooven!quot;
gelijk het daar zoo zieldoorschuddend klinkt, met liefde en vreê die, uitgestort van Boven,
283
AAN VROUWE ALEIDA BEETS.
hier zal vin gs vol door merg en nieren dringt. Neen! ook ons hart zal nimmermeer vergeten â
dien morgenpsalm, zoo kalmend en zoo goed, die Geestestaal, ontblootende 't geweten,
en drijvende naar Christus offerbloed.
Neen, nimmermeer (God, onzen God zij de eere!)
die plaats, die kerk, dien stoel, dat huis, dien disch, dien omgang als in schaduw van den Heere,
die voor het hart èn zout èn balsem is.
En thands! wy gaan. By zegening of smarten
wy laten u, gy ons, dat hart in pand.
Wat zeg ik? neeu! den Rotssteen onzer harten, â
in Hem de kracht van onzen zielenband.
Voorts! o Vriendin! terwijl de zangen rijzen,
waarmeê nog steeds door 't zoekende gemoed de vaste hoop der vroome Paltzerwijzen
van uit den mond uws Eohtsvriends wordt begroet, zag vaak dat uur u op een zoogling starend, of zwevend om heel 't viertal met uw oog,
en stil uw zucht met Beets gebeden parend,
dier lieven hart als ligten naar omhoog. â o! Voor hen meê, wie vaak uw huis verkwikte,
stijgt dan uw bede om licht, om kracht, om troost, naar dat Gods hand èn kruis èn strijd beschikte â gedenk ook onzer daar, gedenk ons kroost!
AAN DEN HEER EN MEVROUW
DE MAREZ OYENS-WALLER,
BY HUN KOtERBN BRUILOFT.
Ps. cm. Openb. XIX : 9.
Ook 't koper heeft zijn glans. Ook 't koper heeft zijn waarde. Maar 't koopren bruiloftsfeest, waarvoor Gods gunst u spaarde, voert weldafin u te rug en kostelijker goed,
dan goud of zilver geeft of afbeeldt voor 't gemoed.
't Was echtheil mild vermeerd door ouderlijken zegen, â
284
AAN DEN HEEB EN MEVB. DE MAREZ OYENS-WALLER. 285
't was voorspoed, soms ook smart, rijk aan genadewegen, â 't was 't achtste van een eenw, maar daarin neêrgeleid voor beider kostbre ziel het zaad der eeuwigheid!
18 Aug. 1847.
AAN MEVKOUW DE DOUAIBIÃRE
VAN WEEDE VAN DIJKVELD, GEB. VAN LENNEP,
IK ANTWOORD OP EEN GESCHENK VAN BLOEMEN.
Schoon zijn, o Meer- en- Bosch! uw mild gekweekte rozen! baar edelaartig bleek, haar zacht aanspraakloos blozen; zoo lieflijk voor het oog haar saam gehuwde kleur als voor den ademtocht uw versche lindengeur!
Die kleur, â niet voor altoos blijft zy een lust der oogen. Die geur, â hy is weldra tot enkel niet vervlogen!
Maar wat tot hart en geest de bloemschakeering zegt,
door zusterlijke hand in Ruimzicht neergelegd,
verschiet niet noch vervliegt, â 't is blad en bloem van vruchten by 't ruischen van Gods Woord gekweekt voor hooger luchten. 1847.
AAN MEVROUW DE DOUAIBIÃBB
CALKOEN, GEB. VAN DE POLL,
IN ANTWOOBD OP EEN GESCHENK VAN VEUCHTEN.
Neen! den druif van Ipenrode streeft geen moerbei van het T noch de heuschheid barer Vrouwe Ruimzichts zwakke zucht op zy. Maar geen kampstrijd, zelfs van heuschheid, werd van weêrzy ook
[bedoeld.
Slechts by 't uiten van een vriendschap, vast gegrond en diep gevoeld, t' zaam genieten van den rijkdom van eens Scheppers heerlijkheid, t' zaam verheffen van de liefde van een Heiland, neêrgeleid in 't omhulsel van den wijngaard, van den wijnstok, van den wijn, die van hooge heilgeheimen teedre zinnebeelden zijn.
1847.
AAN EEN KUNSTENAAR.
AAN EEN KUNSTENAAR,
HET EEN AFDRUK VAN MIJKE âVIJF EN TWIKTIG JAREN.quot;
6y roept het beeld der ziel op 't menschlijk aangezicht! Het is des kunstnaars recht, het is zijn schoonst vermogen. Maar wie ooit op de gaaf van dichter wenscht te bogen, die drukke zelf zijn ziel in 't lied uit, dat hy dicht!
Zie daar u dan de mijne in verzen weergegeven!
Haar zucht, haar hoop voor dit en 't onverganklijk leven. Wacht, Kunstnaar! wacht ook gy van roem-noch kunstgenot wat niet gevonden wordt dan in het Woord van God.
1847.
286
TOELICHTINGEN.
Bladz. 1.
[ines de castro. In dit dramatisch fragment hoort men den oorspronkelijken Nederlandschen Dichter, maar kennelijk door den Portugeeschen Hoofddichter Camoëns, altijd een zijner lievelingszangers, als aangeblazen en bezield. Het is, even als de Alfon-sus I, een laatste nagalm van de harpe Sions, gelijk zij in het land van Camoëns en van Cervantes klonk;
En nog later zong Juda, daar 't, balling, zijn staf voert,
of het waar' met een zweem van den vroegeren zwier,
waar de Taag langs Lisboa zijn goudkorrels afvoert,
waar zich Cordua baadt in den Guadalquivir.]
Bladz. 11.
[heldenpleit. Deze vertolking volgt het oorspronkelijke van Ovidius, in het XlII^e Boek zijner Metamorphosen, getrouw, en toch zonder eenig spoor van drang, op den voet. Het beloont de moeite wel, de vertaling van Da Costa met die van Vondel te vergelijken: een wedstrijd als die van de beide Helden in 't gedicht, waarin men somtijds niet weet, wien de palm te reiken. De weglating door Da Costa van den uitslag van den kamp, en de gevolgen daarvan in Ajax zelfmoord en zijne gedaante-verandering in een bloem, die bij Vondel niet gemist wordt, is karakteristiek. De Israëlitisch# dichter kon zich wel in het dramatisch Helden-pleit, maar niet in de kinderachtige echt-Heidensche mythe vinden, waarmede de Romeinaohe Zanger, naar luid der gewone legende, dit zijn treffelijk lied besluit.]
Bladz. 75.
[aan lamabtine. Opmerkelijk is de sympathie, die den toenmaals jeugdigen Dichter Da Costa omtrent dezen Franschen Meesterzanger bezielde, en die uit onderscheidene vertolkingen van zijn
TOELICHTINGEN.
gedichten, zoowel als uit den warmen toon van de daaraan voorafgaande poëtische Inleiding blijkt. De reden van die overeenstemming echter is niet ver te zoeken: de Hollandsche Dichter geeft haar zelf aan:
Een Morgenlandsche lucht doorademt uw gezangen.
En later:
U, die in 't Westersch lied des Oostens ziel doet leven;
Haar, van haar afkomst uit dat Oosten niet ontaard!
Zoo is het dan ook in het oog vallend, hoe beide Zangers zich door een zelfde dichterlijke aandrift voelden opgewekt om de schoone, maar in een zedelijk en godsdienstig opzigt soms bedenkelijke poëzy van Byron als op den voet te volgen en te wedersproken te gelijk: Lamartine in zijn laatsten Zang van den Childe-Harold, Da Costa in zijn meesterlijke oorspronkelijke Reien, tusschen de navolgingen van fragmenten uit Lord Byrons Gain ingevoegd. De sympathie der jeugd begaf echter later den man, toen Lamartine als letterkundige niet minder dan in andere opzigten de schoone verwachting bleek te leur te stellen, die zijne eerste optreding bij velen had verwekt. Toch bleef ook toen, naar des Hollandschen Dichters grootmoedigen aard, billijke waardeering in den toon der afkeuring gemengd:
Zijt gy het, Spreker, zoo verheven,
zijt gy het. Zanger, zoo vol ziel!
Wien, door 't getij der eeuw gedreven,
zoo roekeloos een woord ontviel?
En liet gy dan die zijden snaren.
o Lamartine! daarom varen,
die eenmaal golfden hemelwaart,
om in uws volks vergaderzalen tot heel den onzin af te dalen,
dien dorre zelfvergoding baart?
Zie bladz. 234.
Bladz. 82.
[DEN HEERE W. DE CLERCQ, IN ANTWOORD OP EES VOORTREFFELIJK VERS. MT BY DE UITGAVE DER âPOEZYquot; TOEGEZONDEN-
Het hier bedoelde vers werd in de eerste uitgave medegedeeld, zooals het in een der bundels van de Mnemosyne gedrukt voorkwam. Sedert verscheen een werk, dat wel niet in den handel kwam, maar
288,
TOELICHTINGEN.
nochtans in beperkten kring onder vrienden verspreid werd. Het voert den titel van: Willem de Clercq naar zijn Dagboek 1811â1824, en behelst Aanteekeningen nit De Clercqs van zijn vroege jeugd tot aan zijnen dood toe trouw bijgehouden Dagboek, die geordend en toegelicht zijn door Dr. Alard Pierson, thans Buitengewoon Hoogleeraar te Heidelberg, die zoo door de betrekking, waarin hij door zijn huwelijk tot de familie De Clercq staat, als door zijne hooge waardering van zijnen beroemden Aanverwant, de aangewezen persoon was om zich met deze gewichtige, maar kiesche taak te belasten. Wat men aangaande de kennismaking en latere vriendschapsbetrekking van De Clercq met Da Costa, zoowel als omtrent vele gewichtige levensbijzonderheden van Da Costa zeiven uit deze bladen verneemt, kan niet genoeg gewaardeerd worden. Het is nu aan het slot van dezen bundel, dat men behalve het vers van Da Costa zeiven, in de Kompleete Dichtwerken voorkomende, nog twee verzen van De Clercq vindt. Het eerste, reeds door overneming uit de Mnemosyne in de eerste uitgave bekend geworden, het andere voor het groot publiek geheel nieuw, dat, met vergunning der familie, hier mede opgenomen wordt. Wjj volgen ook bij de mede-deeling van het eerste gedicht de redactie van het handschrift, dat in het âDagboekquot; is gevolgd.
Het eerste lied luidt dus:
AAN MIJNEN VRIEND I. DA COSTA,
NA DE LEZING ZIJNER GEDICHTEN.
Heil zij den telg uit Juda's stam.
Die toont waar hij zijn oorsprong nam,
Den gloed van 't Morgenland deed schittren in zijn zangen, Den kluister van zijn eeuw verbrak,
Zijn Dichtvuur aan dien toorts ontstak.
Dien de achtbare oudheid voor haar lievling op bleef hangen.
Treê verder op dit roemrijk spoor.
Treed ons met hooger geestkracht voor,
Dat de uitspraak van uw ziel zich uitstorte in uw toonen; Hergeef ons 't echte dichterlied,
Daar 't hart verheven beeldspraak ziet En 't geen verbeelding schiep, met aanzijn durft bekroonen.
Hij, die zich waarlijk dichter voelt,
Weet wat dit levensperk bedoelt, li. 19
289
TOELICHTINGEN.
Verbeuzeld door den Mensch, oneindig toch van waarde; Als hooger geest zijn zang geleidt,
Ziet hij uw hand, onsterflijkheid,
Die hem den laafdronk reikt, bij 't scheiden van deez aarde.
Ja, bliksem met uw geestdrift rond.
Doorgloei wie ooit uw lied weerstond,
Wees d' Adlaar die 't gebied des hemels ons doet naadren. Herroep weer uit der eeuwen nacht.
Homerus rijkdom, Hiobs kracht.
Den Psalm van 't Oosten, eens het erfdeel van uw vaadren.
IJ toch werd Isrels lier vertrouwd,
Als gij den ramp uws stams aanschouwt.
Maar nog tot Sions God 't geloovig oog durft heffen.
Voor d' onderdaan van 't spoor gedwaald Het heilig regt der vorsten maalt.
En godlijk' oorsprong in hun pligten leert beseffen.
Zie mij betooverd door uw lied.
Maar slinger ook den banvloek niet Als vrijheid in mijn hart haar achtbaar beeld bleef drukken; Zoo in den Westersch' avonddosch.
Niet in Auroraas ochtendblos 't Bezielend licht des daags mijn boezem kon verrukken.
Voert gij me in 't rijk van Davids Zoon,
Dan kniel ik voor zijn leeuwentroon En zal hem aan uw zij mijn hart ten offer brengen;
Maar daar, waar 't bijgeloof gebiedt,
De trouw den wanklen troon ontvliedt,
Daar blijf ik d' offerkelk ter eer der vrijheid plengen.
Nog schittert Hellas vrijheidszon Op 't heilig veld van Marathon,
'k Hoor bij Thermopylé het zwaard der helden klettrcn; Nog toont mij Hermans heldengraf Wat les Germanje aan Rome gaf.
Ik zie ons voorgeslacht nog Alva's trots verplettren.
'k Heb nooit den volkstriumph gevierd, Die Parthenopes volk ontsiert.
Maar 'k zie een hooger glans op Rutli's bergen stralen;
290
TOELICHTINGEN.
Een Van der Werf, in wanhoop kloek,
Een eerste Willem, Spanjes vloek,
Een Franklin, Washington, ziedaar mijn liberalen.
Ja, welke vorm ons heilig scheen,
In 't heerlijkst doelwit zijn wij een;
Ziet van der Alpen kruin twee beken nederschieten;
Dees stort in 't Middellandsche zout,
Daar die de Noorderzee aanschouwt.
Doch eens doet de Oceaan hun stroomnat samenvlieten.
Zoo zijn het godsdienst, vriendschap, deugd.
Waar beider ziel zich in verheugt,
En schoon ge uw vlucht verheft met onnavolgbre krachten. Staar ik verrukt dien luister aan En waar met mijnen roem voldaan.
Zoo 'k naar een enkel blad van uwen krans mocht trachten.
Dit zij dan ons verheven doel.
De kunst zij tolk van 't echt gevoel.
Dan strooit ze op 't levenspad haar onverwelkbre bloemen; Als de avondzon des levens blinkt,
De lier der stramme hand ontzinkt,
Zal nog ons zwanenlied het lot des dichters roemen.
Het tweede gedicht, dat, na Da Costa's bezielde Ode, die ten tegenzang aan De Clercq's lied strekt, ons diens wederantwoord op de uitboezeming zijns vriends vernemen doet, luidt als volgt:
Mijn vriend stort op uw heldre luit Den lof van Sions bergen uit.
Of schep uw hymne vreemd aan koele wester stranden; Verhef voor 't vaderlandsch gemoed Den vorstenstam van Nassaus bloed Zooals zijn ideaal uw boezem doet ontbranden.
Schoon ge u met adlaarsvlucht verheft.
Ik weet dat u de zangtoon treft Die uit den borst des vriends voor uw geluk blijft vloeien; Stijg in uw geestdrift hemel waart.
Gij voert mijn boezem ook van d' aard,
En 'k zie weer Abels lied zelfs de Englen aan zich boeien
291
TOELICHTINGEN.
Neen niet verscheiden ia ons doel,
Een band verbindt ons, 't is gevoel,
Dat hoog gevoel der ziel, dat opgroeit voor den Hemel; Dat, wie ook 't oog ter aarde wendt,
Een hooger levensdoel erkent,
Een andre rustplaats zoekt, hoe hier de stervling wemel.
Ja, 'k zie de toekomst openstaan.
Een nieuwe reistocht lacht u aan.
Ik zie voor 't levensperk een nieuwe reis ontsloten. Op nieuw de vlag in top gehaald.
De fel geschokte ziel verstaald En weer in ruime zee de vrije lucht genoten.
Ik ken de noordstar die u leidt,
'k Aanschouw de haven die u beidt,
Moog de ongestuime plas uw kiel ten hemel voeren. Dan beukt een nieuwe golfslag weer.
Zij voere uw schip ten afgrond neêr Dan speelt de Zefir weêr, na 't hevig stormbezweren.
Ja, als de golven van de zee.
Voert ons de storm des boezems meê. Wij zwichten als het riet, gebeukt door noordenwinden. Gelukkig die dien stormwind tart,
Bekend met d' afgrond van zijn hart.
De bron van 't heil in God en in zich zelf kan vinden.
Ja, menig zeegning lacht ons aan.
Wij zien twee dierbren bij ons staan,
Wij zien in daad en hoop, ons in ons kroost herleven. Wij weten dat ons God aanschouwt.
Wij weten wat de hoop vertrouwt.
Dat zelfs de zandwoestijn een waterbron kan geven.
Zag niet het aardrijk Sions held.
Zijn legervaan vooruitgesneld,
Yan °t Idumeesch gewest, zijn oog naar 't noorden voeren. En 't schoone Canaaneesche land,
Door vlijt en vruchtbaarheid beplant Des zieners kalm gelaat door heiige vreugd ontroeren?
292
TOELICHTINGEN.
Ook wij, wij, wij heffen 't danklied aan.
Wij zien een toekomst voor ons staan Ook door Gods gunst bestraald, ook rijk aan grootschen zegen. Wel trekken wij vereend van moed Schoon ook die toekomst stormen voed.
Vereend van hart en zang, den storm der tijden tegen.
Stel gij uw eernaald in uw lied.
Die 't nakroost nog met eerbied ziet.
En huw aan Neerlands eik de morgenlandsche palmen;
Uw zang doorzweve d'ouden tijd,
En, aan der vadren glans gewijd,
Doe hij Jesaïas moed of Josephs deugd weergalmen.
Voor mij, hoe spoedig sterft mijn lied,
Het leeft in eeuwge zangen niet,
En zoekt in 't menschhjk hart zich slechts een weg te banen; 't Versterft als 't ongeziene kaf.
Zoo valt het dorre herfstblad af,
Of dwarrelt langs den grond by 't loeien der orkanen.
Doch vriend, vraagt eens het nakroost af.
Wat mij den moed des zangers gaf.
Wat mij dien geestdrift schonk, zelfs door geen ramp te dooven: Dan tuigt de rol, die Clio leest,
Hij is Da Costaas vriend geweest En 't wonder is beslist, het nakroost zal geloovenl 1821.
Het vers van Da Costa echter, waarop deze liederen van De Clercq terugwijzen, is niet het eenige, dat aan dezen Dichter werd toegewijd: nog later zullen meer andere aan hem gerichte dichtstukken voorkomen. En geen wonder! Beide dichters waren vrienden op grond van menigerlei zamenstemming zoowel van godsdien-stigen en staatkundigen, als van aesthetischen en poëtischen aard. De Dichter-profeet met zijn geestdrift voor het Oosten, en De Dichter-improvisator met zijn fijn gevoel voor uitheemsche, vooral zuidelijke poëzy, waren er als voor gemaakt om elkander te verstaan, lief te hebben, en, ais Christenstrijders, in den gemeen-schappelijken strijd te sterken. Onverbroken bleef die band tot ket einde: ja, Da Costa richtte nog na diens verscheiden aan De Clercq een klein vrienden-monument in zijne Herinneringen uit het leven en den omgang van Willem De Clercq op.]
293
TOELICHTINGEN.
Bliuiz. 94.
[aan jonkveotrwe ii anna belmonte. Later des Dichters innig geliefde Gade.]
Bladz. 95.
[aan ben dichter bt db geboorte van zijn zoon. De Dichter is W. De Clercq; de zoon, de eersteling des Dichters, die later onder den naam van Mr. G. De Clercq, als letterkundige, zoowel als in belangrijke politieke en administrative betrekking den vaderlijken naam allezins tot eer verstrekte, en bii zijn aandoenlijk vroegtijdig afsterven den zijnen eene herinnering naliet, die hun te gelijk eene verdubbeling en verzachting hunner droefheid over zijn betreurd verscheiden werd. Men vergelijke over Mr. G. De Clercq de belangrijke levensschets van zijnen vriend Mr. J. Heemskerk Bz., achter do Handelingen der Jaarlijksche Algemeene Vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden van den jare 1858 geplaatst.]
Bladz. 97.
[aan ds. bgeiing. Dit vers behelst eene hulde aan den waardigen Evangeliedienaar te Leiden, Lucas Egeling, die aan de twee vrienden uit Israël, Da Costa en Capadose, den doop toediende, en met wien later, bij niet onbelangrijk verschil van karakter en inzicht, nogtans overeenstemming van godsdienstige overtuiging in hoofdzaken, zoowel als dankbaar aandenken aan de vroeger bestaan hebbende betrekking, de beide doopelingen uit Israël steeds min of meer verbonden hield.]
Bladz. 103.
[den heer mr. s. ipszn. wiseuus. Dat Da Costa met den vriend van Bilderdijk, Wiselius, ook zelf vriendschappelijk verbonden was, blijkt uit dit vers; al blijkt tevens uit de uitgegevene Brieven van Bilderdijk, dat het vriendschappelijk verkeer tusschen Da Costa en Wiselius later onder den strijd dier dagen leed.]
Bladz. 103.
[aan de. a. capadose. Dit gedicht werd door Da Costa als dichterlijke opdracht van zijn proza-geschrift getiteld: De Sadduceën aan fijnen vriend en medestrijder toegewijd.]
Bladz. 108.
[aan bilderdijk. Dit vers werd door den Dichter geplaatst als opdracht voor zijn proza-geschrift: Prins Maurits.]
294
TOELICHTINGEN.
Bladz. 110.
[bandschrift van een zilveren beker, aangebodbn aan den wel-eerw. heer chevalier. Diep en innig was de vereering, door Da Costa voor dezen waardigen Evangeliedienaar bij de Waalsche Gemeente te Amsterdam gevoeld. Ten teeken er van sta hier het woord van herinnering, door den Zanger van dit tweeregelig vers aan de nagedachtenis des geliefden Voorgangers gewijd in de Opdragt van de Voorlezingen over de waarheid en waardy der Schriften van het Oude Testament aan des Leeraars zoon, Da Costa's schoonbroeder, M. J. Chevalier:
âWy gedenken hier beiden (kan het anders?) aan Uwen Vader, den getrouwen en liefderijken Voorganger, die met zoo velen van üwe maagschap en van mijne Stamvaders nu reeds lang voor den troon juicht des Lams. Gy stelt hem ü altijd levendig voor, zoo als Gy als kind aan zijne hand de straten en wijken doorwandeldet. alwaar nog, na drie en dertig eeuwen, de nederige loofhut van den Israëliet getuignis geeft van de inzetting van Moses en de wonder-, voering door de woestijn. Voor mijne oogen staat hy, zoo als ik insgelijks nog kind of jongeling, hem de Synagoge zag bezoeken, om dien grooten Verzoendag belangstellend en meêwarig te aanschouwen, aan welken, zoo lang het deksel op Israels oogen ligt, het wezen zelve der zaak, de Verzoening op Golgotha aangebracht, helaas! steeds ontbreekt. Hooren wy beide niet nog gelijkelijk uit een later tijdvak onzes levens (toen dat deksel genadevol ook van mij was weggenomen!) de indruk makende stem, waar mede die zelfde Vader en Voorganger een woord meermalen uitsprak, van hetwelk ik gaarne erken, dat het de kiem uitmaakt mijner meeste gedachten en geschriften over Christelijke Waarheid in deze laatste jaren: Het Christendom is een feit?quot;
Later zal een huwelijks-dicht aan dezen zwager des Dichters, bij zijne vereeniging met Jonkvrouwe Esther Belmonte, voorkomen.]
Bladz. 110.
[aan den heer bowring, te londen. Deze geleerde bevond zich in die dagen in Nederland, en maakte persoonlijk kennis met vele Nederlandsche letterkundigen, door hem bij zijn volks- en taalgenooten bekend gemaakt in zijn âBatavian Anthologyquot; en âSketch of the language and litterature of Holland, being a sequel to the B. Anthology.quot;]
295
TOELICHTINGEN.
Bladz. 111.
[geestelijke wapenkreet. Ook dit gedicht behoort bij een prozawerk, met denzelfden titel uitgegeven, hetwelk het als slotzang besloot.]
Bladz. 115.
[aan mijne egade, op den 26sten december des jaars 1825, ter
eerste verjaring van onzen eersteling willem daniel. Deze eer-Steling van des Dichters echt droeg zijnen naam Willem naar Bii-derdijk. De Dichter zag zijn verwachtingen en wenschen te zijnen opzichte slechts gedeeltelijk vervuld. Zijn Willem Daniël werd hem reeds in jeugdigen leeftijd na ettelijke jaren lijdens en kwijnens door een vroegen dood ontrukt. Hij stierf in 1848.]
Bladz. 118.
jekicho. Deze en de twee volgende dichtstukken maakten den inhoud uit van eenen bundel, getiteld: Dichterlijke krijgs-muzijk.]
Bladz. 131.
[god met ons. Dit gedicht werd in 1826 afzonderlijk, later in 1848 vereenigd met een ander dichtstuk getiteld: Zit aan mijne rechterhand, onder den naam van Lijden en Heerlijkheid, twee hymnen, uitgegeven. Bij deze laatste uitgave werden beide zangen voorafgegaan van een opdracht aan des Dichters vriend Dr. Nicolaas Beets, toen predikant te Heemstede, waar Da Costa den zomer van 1843 sleet; een verblijf, waarop de aanvang van het gedicht van Beets, getiteld: Herinnering, ter gedachtenis van De Clercq aan Da Costa op zijn zilveren bruiloft toegezongen, terugwijst. Het is ons aangenaam, ook hier dit schoone lied, met toestemming des Dichters, in zijn geheel en door hem herzien te mogen mededeelen.
Ons hart zal nimmermeer vergeten Dien aangenamen zomertijd,
Dien ge in ons midden hebt gesleten,
Toen gy ons lief geworden zijt;
Toen gy by 't geuren onzer linden.
En bij onze eiken, door wier groen 't Sintjans-lot vlocht zijn geel festoen,
296
TOELICHTINGEN.
Verademing en rust kwaamt vinden Voor kloppend hoofd en bruisend bloed, Voor dat aamioenelijk gemoed,
Verfijnd door alles te ondervinden:
Voor 'thart, aan niemands zorgen vreemd, Dat een verterend aandeel neemt In al wat onze tijden baren;
Dat wat er kiemt en wat er woelt Snel en nadrukkelijk gevoelt;
En, diep bewogen met de scharen,
Wat land en volk beweegt en raakt Meelijdig tot het zijne maakt:
Een geest te groot om zich te sparen,
Om zich te onttrekken aan den vloed Die op hem aanstormt met zijn baren.
En die met koninklijken moed De boosheên, die de lucht doorwaren, Om hart en hoofden in te varen.
De kracht op zich beproeven doet; Een geest die, in de drift der jaren.
En in der dingen wervelkring. Onwankelbaar op 't punt blijft staren,
Van waar hy al zijn licht ontving: En zonder voor den storm te buigen,
Die alles meesleept in zijn vaart. Van ééne waarheid blijft getuigen, Die zegevieren zal op de aard!
In wiens triomf reeds de Englen juichen.
Ons hart zal nooit den dag vergeten, Gevierd aan d'oever van ons meer; Den schoonen dag, waarop de Heer U sierde met die huwlijksketen.
Die al uw heil maakt en uw eer. Hoe heerlijk ging de hemel open,
En liet het licht diens uchtends door; Hoe schittrend trad de zon hervoor. Een held gereed om 't pad te loopen. Een bruidegom in 't bruiloftskleed, Die blinkende uit zijn slaapzaal treedt;
297
TOELICHTINGEN.
Hoe glansrijk kaatsten toen haar stralen Terug van 't stralende aangezicht, Des Echtpaars, dat by hooger licht Dan op zijn bruiloftskoets mocht dalen Den weg gezien had van zijn plicht; Dat met een andre zon zich troostte, Dan daaglijks opgaat uit den Ooste, Dat op een andren morgen wacht, Dan die weêr ondergaat in nacht! Hoe lieflijk woei u 't koeltjen tegen, Het koeltjen van den morgenstond. En wapperde in dien kring van zegen
Met zuchtjens van genoegen rond; Uw kindren strooiden voor uw voeten De bloemen die hun liefde vond: Wy kwamen u, door hunnen mond. Met zangerige wenschen groeten.
Waarin gy heel ons hart verstondt;
En gy, gaaft antwoord met gebeden____
Ja, uw gebeden stroomden uit. Als waatren aan bun wel ontgleden.
Klaar, overvloedig, vol en luid. Gy stondt met opgeheven banden,.... Ja, uw gebeden walmden op.
Als eens op uw Moriaas top De rook der morgenofferanden:
Nog vangt ons hart uw smeeking op. En God sloeg acht op dien gebede.
Ja Hy verhoorde! Schoon de nacht U na dien dag van vreugde en vrede
Een persende beproeving bracht;
Ja Hy verhoorde! Sloeg hy wonden,
Waarby ons hart bezweek van schrik, Zijn vingren hebben ook verbonden,
En doen het tot dit oogenblik.
Ja Hy verhoorde! Vreeslijk wiessen De waatren, maar hy sterkte uw voet. En deed u wandlen op den vloed.
En veel, maar niet 't geloof verliezen____
Loof, loof den Heer! want Hy is goed.
298
1
TOELICHTINGEN.
Ach! wy gedenken onder tranen, Den dag, waarop by 't overschot Van Heemstees omgeworpen slot, Do nagebleven vijverzwanen
Den hals verlengden en den strot, En wenschten over 't huis te planen, Waaruit hun tegenwoei de klank Van een hun onbekend gezang.
Het was geen toon van smart of weelde. Als dikwijls over 't Sparen hong,
Dien 't dartel op zijn golfjens vong, Waarmee de wind vrijmoedig speelde; Het was het onnavolgbaar lied Van d'Agrippijnschen stroomzwaan niet; Geen nagalm van de grootsche zangen. Van d'ongelijkbren Dichtervorst, Uit wiens in 't eind verdorde borst Het had den doodsnik opgevangen.
En nauw de mare melden dorst1); Het was een toon die hooger zweefde
Dan ooit hun blanke wiek hen droeg, Waarvan hun hart eerbiedig beefde
En met een vrome ontroering sloeg; Een lied dat ze in de taal vernamen
Die steeds hun harten had gestreeld, Met klanken die van verder kwamen,
En hemelscher muziek doorspeeld. Een lied, dat zoo plechtstatig ruischte
Als galmde 't door eens tempels koor. En dat door de oeverrieten bruischte.
Als had het palm en ceder voor; Dat was het klinken van uw snaren,
Profetenzoon van 't morgenland! Met oostersch dichtervuur in de aren
Heet als het Libyaansche zand ;): Dat was uw harp, de Godgewijde! En dezer wijding zich bewust.
299
1
) Bir.DKiiDi.JK overleed te Haarlem; 18 Dec. 1831.
TOELICHTINGEN.
Ook eerbiedwaardig in haar rust.
Maar nu ontwaakt ten feestgetijde!
Maar nu ontwaakt met blijden galm!
Maar uu ontwaakt ten bruiloi'tspsalra
Wien zong zy? Ach, den vrind der vrinden; Den broeder aan het hart zoo waard.
Die nu reeds sluimert onder de aard, Beschreid door alle Gods beminden;
Den man en vader, wien de kroon Van 't zilvren echtfeest 't hoofd mocht sieren.
Maar die welhaast, voor Godes troon, Een goddelijker feest zou vieren;
Den dichter, uit wiens overvloed En springende fontein van zangen,
Ook toen door ons ontroerd gemoed Een zachte toon werd opgevangen;
Maar die bestemd was, binnen kort, De gouden harp in d'arm te klemmen. En 't halleluja aan te stemmen,
Waarin het Lam verheerlijkt wordt; Den Christen, die zoo diep gevoelde,
Zoo vurig dankte voor het lot, Hem toegeworpen door zijn God,
Maar in wiens borst behoefte woelde
Aan onbezoedelder genot;
Wiens harte licht werd, als zijne oogen
Zoo hongrig staarden hemel waart,
Maar zwaar, gedrukt en neêrgebogen.
Wanneer 't geen hemel vond op de aard. Wy hebben onder de eikenboomen,
Wy hebben in der linden schaauw Wel menigmaal de klacht vernomen,
Dier ziele die naar boven wou;
Wy zagen 't smachten van dat harte.
Het worstlen van die teêre ziel.
En menig ondoorstrijdbre smarte.
Die loodzwaar op haar nederviel;
Wy zagen 't; onze boezem treurde;
Maar onze blindheid merkte niet
300
TOELICHTINGEN.
Dat God haar strakke windsels scheurde, Dat God haar vleuglen wassen liet....
Daar voer zy op! En wy â verschrikten;
Daar vloog ze in de armen van haar Heer! En onze schreiende oogen blikten Op 't afgelegde hulsel neer....
Neen! zagen naar omhoog. Wij loofden
Hem die haar tijden had bereid.
Daar klonk een stem om onze hooiden, Die sprak van groote heerlijkheid.
Da costa, schoon uw oogen heden Den teergeliefden vrind niet zien Met tintlende oogen tot u treden,
En u den druk der handen biên;
Zoo aan Uw feestdag moet ontbreken. Wat aan zijn feest geschonken werd.
Het is een blijdschap voor uw hart, Een troost indien wy van hem spreken,
Die, waar hy nog op aard geweest. Zoo vurig u had toegesproken, â
Maar heeft zijn stem u wel ontbroken? En zaagt gy hem niet in den geest?
En wy, wie God de vreugd wil gunnen
Uw dankbaar aangezicht te zien, Wy brengen alles wat wy kunnen En wat wy hebben aan te biên: Een handvol van herinneringen.
Wier geur uw hart verkwikken mag; En beden die ten hemel dringen
Om zegen over dezen dag;
Om zegen over uwen hoofde,
Om zegen over gade en kroost.
Van Hem, in wien uw hart geloofde.
En die genoeg bleef tot uw troost.
Hy is genoeg. Zijn gunst besproeie
Uw weg, uw werk, uw huis, uw hart. Uit zijn genadevolheid vloeie U balsem toe in iedre smart!
TOELICHTINGEN.
Zijn hand bevestige op uw haren,
De kroon waarin ge u thans verblijdt,
En zoo ge een kroon voor Neêrland zijt, Hy moge ons lang dat sieraad sparen.
NICOLAAS BEETS. (Gedichten, 3e Druk, bl. 186 en volgg.)
Wat nu de opdracht van de twee hymnen van Beets betreft, waarvan boven sprake was, deze luidt aldus:
AAN BEETS.
Gy hebt er ook ondervinding van, mijn zeer beminde Vriend en Broeder! op wat wijze ons dichtergevoel pleegt te worden aangedaan, wanneer voortbrengsels van dien bodem uit vroegere jaren ons weder onder de oogen komen, of, door wat aanleiding dan ook, by anderen eenige aandacht verwekken op nieuw. Zelden en noode berusten wy dan wel in het voor ons liggende drukblad, Wy zouden het immers thans zoo veel dieper, of juister, of krachtiger van ons-zelve eischen â in elk geval zouden wij het thans zoo geheel anders weder willen geven, ja opvatten. En levendig wordt dan meer dan ooit de behoefte aan nieuwe woorden, nieuwe vormen, nieuwe ruimte voor hetgeen, sedert wij schreven, zich nader of ontdekte óf ontwikkelde in onze zie).
Zoo ging het my dan ook, toen tot my kwam de wensch eener nieuwe uitgave van mijne in 1826 uitgestorte Hymne: God met ons. Als ik dien Lofzang schreef op de eerste komst van den Godmensch (hoog geloofd!) in de wereld, was my de rijkdom der nog onvervulde prophecy, de dierbaarheid en heerlgkheid van des Emmanuels glorierijke wederkomst als Koning, nog zoo geene zaak geworden, gelijk later, van lartvervullend en geheel de ge-loofshoop des Christens als vervolledigend belang. Ik liet dan nu elke gedeeltelijke overwerking, die ik in het samenstel mijner Hymne van voor twee en twintig jaar wenschelijk zoude hebben geacht, volgaarne over; en zocht bevrediging der even uitgedrukte behoefte in het schrijven eener nieuwe, dat is, eener zulke, die op den grondslag van het: Zit aan mijne rechterhand! van den Psalmist, als eene tweede afdeeling, een vervolg en voleindiging van het vroeger aangeheven Lied mochte zijn. Beide vereenigd verschijnen hier thands onder den titel van: Lijden en Heerlijkheid.
De toon, dien ik in het latere Dichtstuk aansloeg, (van het onderwerp
302
TOELICHTINGEN.
spreek ik niet, waarmede uwe ingenomenheid wel geene melding behoeft,) vond weerklank in uw hart. Gy atemdet de uitgave. Daar is zy. Zy drage uwen naam aan het hoofd, ten teeken onzer innige vriendschap, onzer in zoo menige overtuiging en wat men intuitie noemt, vereenigde geestesrichting.
Dat gy lang nog, voortgaande steeds van licht tot licht, van kracht tot kracht, velen blijven moogt ten zegen, ten vreugde, ten voorbeeld, â Hem, die u in de bediening gesteld heeft een geheiligde zanger, een levenvolle verkondiger, een standvastig getuige beide van Zijne volbrachte verzoening en van de nog aanstaande heerlijkheid Zijner wereld- en erfregering! met dezen wensch en bede, zoo wel als met de toeëigening van de versch geplukte Dichtvrucht, waarin gy eenig behagen vondt, zij het my gegund u heden te groeten en te verjaren.
quot;EQgojaamp;f.
Amsterdam, 13 Sept. 1848.
[âDe eereplaats, die het Lied God met ons onder Da Costa's schoonste dichtstukken inneemt by alle kenners en liefhebbers van poezy, wordt haar mede aangewezen door het oordeel van Bilder-dijk in zijne nagelaten Brieven, Deel IV, bl. 239, die er van schrijft: âWelk een overheerlijk vers zondt ge my, en met welke aandoening hebben wy 't gelezen en herlezen! 't Heeft, zoo ik 't gevoel, geene wederga. O hoe vol, hoe rijk, hoe innig, hoe diep treffend,
en hoe harmonieus en gespierd!----De Voorzang zelf-alleen is een
onvergelijkelijk meesterstuk in allen opzichte, en het lichaam van 't vers gloeit als een vlammend zonnevuur.quot;]
Bladz. 145.
[aan ds. l. h. BaHi.er, Leeraar bij de Waalsch-Hervormde Gemeente te Zwolle. Het lied werd uitgegeven voor eene leerrede des eerwaardigen Voorgangers, tot opschrift hebbende: De kleine wolk, waarop in enkele koupletten gezinspeeld wordt.]
Bladz. 147.
[paaschzangbn. Deze zangen behooren, even als het daarop volgend Hemelvaartslied en Pinksterzangen, te zamen tot een kleinen dichtbundel, tweemaal uitgegeven, die den algemeenen titel van Feestliederen draagt.]
303
TOELICHTINGEN.
Bladz. 168.
[kekst- en NiEüWJAARSiNTREÃz.iNGEN. Ook deze liederen vormden zamen een kleinen dichtbundel, waarvan een herdruk in het licht verscheen met de hier volgende.]
VOORREDE.
De heer Kruseman, onlangs eigenaar geworden zijnde der kopy van ook deze mijne Zangen uit vroegeren leeftijd, achtte thands een nieuwe oplage daarvan wenschelijk. Op de heusche mededeeling van dit zijn voornemen had ik gaarne van het plan, door herziening en verbetering, een nieuwe uitgaaf gemaakt. Doch als ik my daartoe wilde verledigen, bemerkte ik al spoedig, dat zonder een algeheele omwerking, â waarby het denkbeeld van herdruk dan schier geheel moest verloren gaan, â toch in geen geval miin tegenwoordig standpunt ten aanzien van meer dan één onderwerp geheel zou aan te geven zijn. Dat het dan eenvoudig een nieuwe oplage zij van eenen uitverkochten vroegeren Bundel, even als die der Feestliederen uit hetzelfde tijdvak van mijn dichterlijk streven! Zoo blijft in beide gelijkelijk het karakter van het oogenblik der samenstelling onveranderd bewaard. Indien hiermede als van zelve te kennen gegeven is, dat by name mijn Nieuwjaarsboet- en bedezang op dit oogenblik van eene eenigszins andere opvatting zoude uitgaan, zoo zal hierby toch we niemand, die mijne latere schriften in dicht of ondicht kent, aan^ een soort van te rug neming, maar des te meer aan ontwikkeling, en slechts in zoo ver aan wezenlijke wijziging, denken. Van den aart dier wijziging geeft een enkele strophe, aan het slot van den laatsten Gelegenheidszang toegevoegd, een voor deze plaats genoeg-zamen wenk.
De verandering (bloot poëtisch, of rhythmisch beschouwd, misschien geene verbetering) van r. 16 op bladz. 169 van den eersten Kerstzang mocht intusschen, zij het dan ook slechts in eene soort van variante onder de bladzijde, niet achterblijven, na mijn later gevestigd gevoelen over de betrekking der Maagd Maria tot het Huis van David, gelijk ik dat in mijne Verscheidenheid en Overeenstemming der vier Evangeliën (II, 488â499) heb uit een gezet. Van dergelijke wijzigingen in overtuiging en opvatting is men, zoo ik achte, ten allen tijde, by het op nieuw ver-
304
TOELICHTIKGEN.
schijnen van vroegere voortbrengselen, de rekenschap, althands ia eene eerste plaats de herinnering, aan zijnen Lezer verschuldigd.
Amsterdam, 8 Dec. 1858.
Bladz. 189.
[den heebe j. j. f. wap. Bij het opmerkelijk verschijnsel, hoe weinig Da Costa als Dichter deel nam aan de uitstrooming en overstrooming als het ware van vaderlandsche poëzy, die de jaren 1830 en 1831 kenmerkte, is het niet onbelangrijk, uit dit dichtstukje, aan den toenmaals in de zuidelijke provinciën verblijvenden letterkundige Dr. J. J. F. Wap gerigt, zijne beschouwingen aangaande den door hem hier voorzienen en voorspelden opstand dier gewesten te Jeeren kennen.]
Bladz. 195.
[aan mijne gade, op den eersten geboortedag van onzen zoon abraham. Deze Abraham was de eenige, die van zijne zonen den Dichter overbleef en bijbleef tot aan zijnen dood. Na in 1852 het meesterschap in de rechten te Leiden verkregen te hebben, waar hij zijne dissertatie De Face Rysvicensi verdedigde, stond hij, èn bij andere gelegenheden, maar ook meer bepaaldelijk bij de uitgave van Bilderdijks Kompleete Dichtwerken, zijnen Vader getrouwelijk ter zijde, gelijk door dezen onder anderen vermeld wordt in zijne Rekenschap, bladz. 595 van Deel XV der Bilderdijksche Dichtwerken te vinden.
Na 's Dichters dood trad deze zijn zoon in het jaar 1865 in den echt met Mejonkvrouw C. J. S. De Bordes, waaruit hy, behalve eene dochter, ook twee zonen heeft, waarvan de oudste den naam zijns beroemden grootvaders Isaac draagt.]
Bladz. 195.
[nkhemia iv. aan mijn vriend, den thkol. stud- h. p. scholte.
De toenmaals naar het leger vertrekkende Student-Jager werd later predikant der Hervormde Gemeente te Gendringen in Noord-Braband. Van daar ten gevolge van ontzetting van zijn ambt in verband met de kerkelijke onlusten dier dagen vertrokken, plaatste hij zich later aan het hoofd der Hervormden, die, mede uithoofde van die geschillen, zich naar Noord-Amenka begaven en zich te Fella in Iowa vestigden. Hy is sedert aldaar overleden.] ti. 20
305
TOELICHTINGEN.
Bladz- 198.
[ter bruiloft van mr. hbndkik jaoob koenen enz. Dit dichterlijk woord van huwelijksgelukwenaching bij een echt, die sedert dooiden dood van de gade des Heeren Koenen verbroken werd, herinnert aan de veeljarige vriendschap, die den Dichter met den hier bezongen Bruidegom, van de dagen van beider jongelingschap af, verbond. Menigerlei overeenstemming en geestverwantschap knoopte den band, die door latere medewerking van beide Schrijvers aan de uitgave der âNederlandsche Stemmenquot; nog naauwer toegehaald werd, en tot den dood des Zangers bleef voortduren. De heer Koenen richtte aan die vriendschap een gedenkteeken op, niet alleen door de bezorging der uitgave van Da Costa's godgeleerde opstellen uit genoemde Stemmen bijeengebracht, maar ook en vooral door het uitvoerig en belangrijk Levensbericht van Da Costa, door hem in de Handelingen van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden geplaatst.
Behalve door deze proza-opstellen gaf Koenen ook in het open baar op dichterlijke wijze getuigenis van zijne waardeeiing van Da Costa in een lied, dat, in der tijd in een der vaderlandsche jaarboekjes opgenomen, met de goedkeuring des Dichters, hier volgt:]
TER NAGEDACHTENIS VAN ISAAC DA COSTA.
hulde aan 1gt;bn verhoogden zanger DOOR
ME. H. J. KOENEN.
Een groote en heilige Gedarhte
Is de onverganküjkste erfenis. Ten Kate, Aan Bllderdyk.
Uw Davidsharp heeft niet vergeefs geklonken,
Gij Isreiliet die uw Messias vondt:
Al is uw zon ter avondkim gezonken,
AI zwijgt voor ons uw rijkbespraakte mond! Nog ruischt een galm, de weergalm van uw zingen.
Profetenzoon van 't Oosten! ons in 't oor. Het dichterlied dat spreekt van de eeuw'ge dingen. Gaat met den loop der eeuwen niet te loor.
306
ÃOELICHTIKGEN.
Het ceedrenwoud van Libans hooge kruinen
Week voor den akst der tijden, â- werd veratoord: Zelfs Sioiis heiige muurtrans stortte in puinen!
Maar Davids lied leeft onverganklijk voort.
Wat uit liet stof geboren is, moet zinken:
Wat uit den geest ontsproot, duurt de eeuwen door; En als de laatste zon voor de aard zal blinken,
Verrijst de Zon des Heils in eeuw'gen gloor.
Gy hebt den strijd met riddermoed gestieden,
die 't ongeloof bestookte op eigen grond;
Den naam van uw Immanuël beleden
in roem en smaad tot op uw stervensspond'! Uw Ziendersoog zag Hem, uw Heer, verschijnen
aan 't einde van der jaren lange baan,
by 't scheuren van der heemlen tentgordijnen,
die voor den Vorst der glorie opengaan!
Dat zaagt Ge, en riept het, uit met donderwoorden
Weergalmend als een schel bazuingeluid, op 't leergestoelt, in dichterlijke akkoorden,!
gekeerd naar Oost en West; naar Noord en Zuid! Het Maranatha ruiste van uw snaren,
hoe meer die stond genaakte, in voller kracht,
die 's Goëls rijk aan 't aardrijk zal verklaren,
als de Englenstem verkondt: â't is al volbracht!quot;
Gy werktet niet voor dees verganklijke aarde,
die dorrend rijpt voor 't naadrend Godsgericht! Wanneer uw oog op aardschen luister staarde,
verhieft gy 't straks naar 't jongste morgenlicht! Voor de eeuw'ge kroon uws Konings moest verbleeken
de stralenglans van elke wereldpracht:
u gold zy slechts als zinnebeeld en teeken der heerlijkheid die ons in Salem wacht!
Neen, niet vergeefs heeft ons uw lied geklonken: 't woord des geloofs blijft eeuwig als God zelf! Ofschoon geen zon meer scheen, noch sterren blonken,
geen maan meer glansde aan 't uitgedoofd gewelf, wie in den Zoon gelooft, beërft Zijn Eden,
ook als geen licht meer aardschen luister spreidt.
307
TOELICHTINGEN.
Jehova leeft in 't onverganklijk heden; de Imraanuël heerscht tot in eeuwigheid!
De doornekroon beschaamt de lauwerkransen:
by 's Hemels licht verbleekt de roem der Aard; maar van uw Davidsharpe stralen glansen,
wier godlijk recht op hulde nooit verjaart! Aanvaard ze dan, die Godgewijde hulde,
u toegebracht schoon in een kruipend lied; en, nu Ge omhoog uw grootschen loop vervulde, vergeet ook daar uw aardsche broeders niet!
BI adz. 199.
[aan jonkhr. j. c. smissaert. De hier bezongen kweekeling der Leidsche school werd later predikant te Jukwert in Friesland, van waar hij na het nederleggen zijner bediening in 1847 naar Amsterdam terugkeerde.]
Bladz. 199.
[aan mk. j. w. willekes. Het vers zelf wijst op de aanleiding, waarnaar het vervaardigd werd: het zamentrefïen van den bezon-gene met den Zanger aan het huis van Bilderdijk; van hem, dien de heer Willekes inzonderheid in zijne laatste levensdagen en later bij de bezorging van zijne nalatenschap eene deelneming wijdde, die van de andere zijde ook door Bilderdijks dichterlijken zoon â het blijkt hier â met warmte werd erkend.]
Bladz. 199.
[op het gobkumsche heidendom. De aanleiding tot de vervaardiging van dit dichtstukje werd bij de afzonderlijke uitgave door den Dichter zeiven in een uittreksel uit de âAmsterdamsche Courant-' aldus opgegeven:]
,Dordrecht, den 24 Juny. De alleszins vereerende receptie, welke een gedeelte van de in het Vaderland terug gekeerde dappere verdedigers der Citadel van Antwerpen voorgisteren in het naburig Gorinchem genoten hebben, ons door een ooggetuige medegedeeld, is te onderscheidend, dan dat die niet zoude verdienen, meer te worden bekend gemaakt.
De stad was, enz. â Ter wederzijde was eene graftombe geve?-
308
TOELICHTINGEN.
tigd met het opschrift: Ook wy waren op de Citadel; symbolisch herinnerende aan de gesneuvelde helden op dezelve; welke Tombes, zeer treffend, door levende treurwiliigen worden overschaduwd. Op kleinen afstand voor dezelve zag men twee Grieksche Drievoeten, op welken later het offervuur gebracht werd.
Kortheidshalve, enz. Vervolgens werden de 8 andere jonge Jufvrouwen, met de bloemmandjes opgeleid, en plaatsten deze zich ter zijde van den Heer Opperkommandant, terwijl de twee eerst opge-tredene jonge Dames zich achter de opgerichte en nu ontsto-kene outers plaatsten, en zich gereed maakten, om by het defileeren der dappere Verdedigers van de Citadel kort langs de Estrade, den wierook te plengen voor dezelve, die tevens dan ook ter nagedachtenis van de roemvol gesneuvelden opklom. Weldra nu begon het défilé en nu zag men de offers branden, enz'quot;
Amsterdamsche Courant van Woensdag den 20stcn Junij, 1833.
Bladz. 200.
[Bij dit viertal Bijschriften, gewijd aan de gedachtenis van even zoovele Oranje-vorsten, schreef Da Costa in de Zangen de volgende;]
AANTEEKENINGEN.
LODEWIJK VAN NASSAU.
Van de vijf zonen van Graaf Willem van Nassau den Oude handhavers en kampstrijders voor de zaak der Christelijke Godsdienst en der Nederlandsche Vrijheid, waren Prins Willem van Oranje en Graaf Johan van Nassau de oudsten, Graaf Adolf en Graaf Hendrik de jongsten, Graaf Lodewijk de derde. Met zijnen broeder Graaf Hendrik en Hertog Christoffel van de Paltz liet hy op de Mooker-heide het leven, zonder dat men ooit heeft kunnen te weten komen op hoedanige wijze. Van geen der drie edele wapenbroeders zijn de jijken op het slagveld gevonden.
Bladz. 201. v. 6.
een Ridder zonder vrees, en Christen zonder blaam;
De Gezant van Koningin Elisabeth in Frankrijk, Walsingham, schreef van hem; âGraaf Lodewijk is de volmaakste Edelman, dien ik gezien heb, zoo lang ik in Frankrijk ben geweest; â ik wenschte dat gij dien man kendet, welsprekend, zinrijk in woorden, maar, dat
309
TOELICHTINGEN.
het voornaamste is, in het stuk van Godsdienst zulk een eerlijk man en onbesproken van leven, als rondborstig en te goeder trouw in de onderhandelingen.quot; Men leere hem ten aanzien van leven en karakter nog naauwkeuriger kennen uit zijne Brieven in de Ar chives de la maison d' Orange Nassau, en de onderscheidene aantee-keningen, hem betreffende, door den even onpartijdigen als bezielden Uitgever, Mr G. Groen van Prinsterer, (T. I. 180,2« Edit.) en elders.
Bladz. 201. v. 18.
voor Godsdienst, nu of nooit!
Nunc aut numquam! was de leus op Graaf Lodewijks vaandels by den inval in Groningerland, aquot;. 1568, en Recuperare aut mori. Zijn personeel devies was: Patiense et innocence.
JOHAN VAN NASSAÃ.
Men zie ook van dezen voortreflijken broeder van Willem van Oranje het Godsdienstig en staatkundig karakter in do uitgegevene Archives de la maison d'Orange Nassau, waarvan het laatst verschenen (Achtste) Deel, 1581â1584, behalve 's Graven treffende Brieven in de laatste levensjaren en na den moord van den Prins, ook nog een zeer belangrijke Opgave (Nu. 1182quot;) behelst van de diensten door den tak van Nassau-Dillenburg aan Oranje en de Nederlanden bewezen. On le retrouve partout (zegt de Heer Groen te recht van Graaf Johan in de Inleiding van dat Deel, p. xi) avec ses excellentes qualités, sou activité infatigable, son zèle, sa constance, sa piété, encourageant les uns, exhortant les autres, montrant a tous la voie dans laquelle il était urgent de marcher; sincere et naif (p. 187); assaisonnant de mots piquants ses discours; parfois dans une juste indignation; sachant manier le sarcasme (p. 182); ramenant toute chose au service de Dieu et se soumettant, en chaque circonstance, aux dispensations du Seigneur, Hy overleed a0. 1606.
Bladz. 201. v. 29.
Van 't Vorstlijk tachtigtal, dat uit zijn lenden sproot.
Zijne moeder Juliana, geb. Gravin van Stolberg, in haar zeven en zeventigste jaar overleden, had een getal van honderd zestig Graven en Gravinnen, kinderen, klein- en achterkleinkinderen, uit haar gesproten, beleefd.
310
TOELICHTINGEN.
Bladz. 202. v. 13.
Dat Bislich vloeien zag, Roerraonde, en veld aan veld,
Graaf Willem Lodewijk, Johana oudste zoon, Maiirits bekende wapenbroeder, ontfing by de belegering van Koeverden (a0. 1580) een zware wond aan het linkerbeen, waaraan by sedert levenslang kreupel ging. Graaf Philips sneuvelde by Bislich; Graaf Ernst Casimir (stamvader in den rechten manlijken lijn van ons regeerend Koniiigshuis) bleef in de loopgraven voor Roermonde (aquot;. 1632J; Graaf Adolf de jonge, des Ouden Johans kleinzoon door Graaf Johan den jonge (die ook de vader was van Johan Maurits, den Gouverneur van Bnizilië en van Graaf Willem, den Veldmaarschalk gesneuveld aquot;. 1641 voor Gennep), overleed in twee en twintigjarigen ouderdom, aan zijne talrijke wonden (aquot;. 1608) by Santen in het Kleefsche.
WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU.
Hy was de oudste zoon van Graaf Johan van Nassau, de kwee-keling en schoonzoon van Prins Willem van Oranje. Men zie over zijne verdiensten, met betrekking tot de nieuwe door Maurits ontwikkelde en ingevoelde krijgskunst, Bosscbaas Heldendaden van Nederland te land, Afd. Maurits, bl. 275, 276, 292. Hy overleed zacht en zalig a0. 1620, zestig jaren oud.
Bladz. 203. v. 1.
door zeden, zilverblank;
âHy was van zeden uitstekend kuisch; betoonende in daden en woorden zijnen alkeer van alle wellust en onreinheid;quot; zegt van beru zijn levensbeschrijver Ubbo Emmius.
Bladz. 203. v. 7.
zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verplicht!
De Hoogeschool te Franeker werd aquot;. 1583, die te Groningen aü. 1614, onder zijn Stadhouderschap en op zijnen aandrang ter bewaring der zuiver Hervormde Kerk en Kerkleer gesticht. Van de vele gewichtige diensten, door ⢠Graaf Willem Lodewijk aan de Kerken in die Provintiën bewezen, kan men zien Brucherus, Geschiedenis van de opkomst en vestiging dei-Kerkhervorming in de Provintie Groningen, bl. 311 en volg.; Ypey en Dermout, Geschiedenis der Nederl andsche Hervormde Kerk, II. 103, 107 en volg.
311
TOELICHTINGEN.
JOHAN WILLEM FRISO.
Bladz. 203. v. 20.
mei Hessen,
Do in den successie-oorlog met roem overdekte Prins Fredrik, Erfprins van Hessen-Cassel, Veldmaarschalk (a0. 1708) in dienst der Republiek, en later (a0 1720) Koning van Zweden.
Bladz. 203. v. 20.
Ouwerkerk,
Hendrik van Nassau (zoon van I odewijk, natuurlijke zoon van Prins Maurits), Heer van Ouwerkerk. Hy had by St. Denis het leven gered van Willem III. Zijn lange loopbaan (hy stierf aquot;. 1708 in zeven en zestigjarigen ouderdom) was een voorbeeld van edelmoedigheid zoowel als van heldenzin.
Bladz. 203. v. 22.
het erfrecht werd betwist, dat aan uw stamnaam kleeft,
In 1711 uit het leger naar den Haag geroepen ter zake van het rechtsgeding met den Koning van Pruissen wegens de nalatenschap van den tak van Nassau-Oranje, verloor hy het leven door het omslaan van den schouw, die hem over den Moerdijk voerde
Bladz. 203. v. 24.
wier naam, wier bloed wier ziel, in u vereend herleeft!
Graaf Johan de Oude. van wien hy in de manlijke, Prins Willem van Oranje, van wien hij in de vrouwelijke lijn afstamde. De lof van den in ziels- en lichaamsgestalte even edelen, in Godsvrucht en heldenmoed, in openbare en huisselijke deugden even uitnemenden Friso zie men. onder anderen, by van Kampen, Vaderlandsche Karakterkunde, II. 528; Collet d'Escury, HoilandsRoemII.365; van Effen, Misanthroop, II. 24.
Bladz. 204. v. 9-en, vorstelijke Weêuw!
Maria Louisa, geborene Prinses van Hessen-Cassel, en zuster van den boven vermelden Erfprins. Hare nagedachtenis is om teedere Godvrucht en allerlei in tegenspoed vooral geoefende deugden nog heden ten dage in Friesland in zegening.
312
toelichtingen.
Bladz. 207.
[aan den dichter calisch, in antwoord op een aan my gericht vers.] Het vers van den Dichter Calisch, waarop dit antwoord terugslaat, is te vinden in den bundel Gedichten van E. M. Calisch (1839). Wij hebben de vergunning ontvangen het hier in zijn geheel te^ laten volgen;
AAN Mb. ISAAC DA COSTA.
Waar zijt Gij, die op gouden cithersnaren
't Oorspronklijk schoon der poëzij herschiept,
Het bruisend lied van Salems harpenaren
Mot d'oude kracht en gloed te voorschijn riept:
Gij, door natuur bestemd tot meer dan zanger,
Tot eindloos meer, tot ziener en profeet:
Wiens borst, van 't vuur der echte dichtkunst zwanger
Den psalm van 't Oost in 't West weergalmen deedt:
Waar zijt ge? waar ontboezemt ge in akkoorden,
Verteedrend zacht, wegslepend, grootach en stout.
Hetgeen uw hart, uw ziel als waarheid hoorden
Sints ge uwen geest tot denken hebt ontvouwd?
Wat zegt het of ge in 't onbetembaar streven.
Toen gij de vlugt der groote zielen naamt.
Als zij zoo hoog, zoo duizlend hoog verheven,
(Als zij veelal), ook op een dwaalspoor kwaamt!
Dat vrij Homeer van valsche goden zinge,
Wen davids harp voor God en englen klinkt;
Dat BTKONS hand de snaar voor Satan dwinge,
Wen Lamartine in 't licht der godsdienst blinkt;
In allen leeft de waarheid van het schoone,
Eenvoudigheid en kracht en harmonij,
En dit, in welk een vorm het zich vertoone,
Is altijd kunst, is eeuwig poëzij.
Geen kunstgenot wacht hem, wien zelfverblinding
Het oog en 't oor voor geestgewrochten sluit.
Als niet de vorm en 't wezen hunner vinding
Zijn zedelijk geloof, zijn denkwijze uit.
!t Was mij genoeg, da costa, uit uw zangen.
Dien adem Gods, dien meer dan aaidschen gloed.
Die melodij des Hemels op te vangen
Die tolken van uw dichterlijk gemoed.
313
TOELICHTINGEN.
Dan scheen 't of nooit de klank der dichtgeluiden Mijn oor gestreeld, mijn hart getroffen had; De Noordsche Bard, de zanger van het Zuiden Verdwenen, als Gij 't speeltuig hieldt omvat, De snaren greept met o bedwangen vingren, Uw ideaal aan haar te ontwringen zocht.
En elke borst verbazen, schokken, slingren En elke ziel tot God verheffen mogt.
TMijn hart springt op en wil zijn boei ontglippen ,Kn golven met uw hymnen hemel waart;
âDe kou der koorts bevangt mijn bleeke lippen âRondom mijn liart is 't brandend bloed vergaard.quot; Dus zsngt gij tot Jeruzaletns proleten,
Betooverd door hun alvermogend lied;
Maar toen gij zeil' hun hymnen deedt vergeten. Vergat men wis uw geestvervoering niet.
En nu, gelijk bij 't plegtig avondduister. Als filomeel gezongen heelt in 't. woud. De wandlaar 't oor nog spant voor 't mingefluister. En wacht en hoopt in 't stil en eenzaam hout; Zoo staan wij daar, o Dichter! wachten, hopen. Of weêr een klank, een trilling van uw luit.
Voor ons gevoel de bron der wellust open, Een hemel voor het kunstgevoel ontsluit.
Maar ach! vergeefs! de stem der nachtegalen, Verhef zich weêr op de inspraak der natuur; Gij, mensch! kunt op die inspraak zegepralen, Uw koud verstand verdoolt het godlijk vuur. Of ook de vlam, den dichter ingedreven. Een zonlicht zij, dat de aard beschijnen moet. Aan alles kracht en vreugde schenke en leven, Een gids in voor-, een tioost in tegenspoed;
Of hij die eens tot dichter uitverkoren.
Bij 't roekeloos bedwingen van die vlam.
De stralen doof die 't aaidrijk toebehooren. Een schat verspil, die van den Hemel kwam; Of 't Vaderland, wegzinkend onder rampen, Op 't felst geschokt door afval en verraad,
Zijn barden roep om bij het bloedig kampen.
314
TOELICHTINGEN.
Een heldenschaar te vormen voor den Staat; Gij zwijgt; de kunst voor zulk een doel is dwaling, Is aurdsch bejag, verdient des Hemels straf. Oij onderdrukt des dichters ademhaling,
En uw genie daalt levend in het graf.
Is 't God, de bron, de hart- en levensader.
Het brandpunt van het goede en 't ware en 't schoon,
Hij aller kunst en aller kennis Vader,
Is Hij 't die u het zwijgen heeft geboön?
o Twijfel dan of wel het roosje bloeijen,
De lieve zon rondschijnen bij den dag,
De maan des nachts ons troosten, 't water vloeijen.
Des aardrijks schoot haar schatten geven mag.
Gehoorzaam aan de wet, hun ingeschapen,
Volbrengen zij het doel van hun bestaan;
En gij, gij met een lichtkrans om de slapen,
Randt roekloos in u zelv' de schepping aan.
Uw roeping was: niet lauweren te beedlen.
Verdorrend in de hand, die er om vraagt;
Maar door de kunst de zielen te vereedlen.
Zelfs dan als ge in den schijn het wezen zaagt.
Des dichters troon is altijd hoog verheven,
't Zij 't licht der rede en waarheid hem bestraal,
't Zij duisternis en dwaling hem omgeven;
Zijn zetel staat in 't rijk van 't ideaal.
Eerst dan, wanneer hij 't speeltuig heeft verbroken,
Zijn toon onttrekt aan 't oor der luistrende aard,
Vergeten blijft in sluimring weggedoken.
Eerst dan is hij zijn naam, zijn rang onwaard.
Niet langer dus gedompeld in het duister,
Gij die den glans bezit der poëzij!
Ontwaak! ontwaak! herneem den ouden luister. En dat uw ziel weêr klinke in melodij!
Gij zijt geen zoon der koele westerstranden. Uiv vaderland is daar de zon ontwaakt;
En als de gloed der Lybiaansche zanden,
Zoo is de dorst naar dichtkunst, die u blaakt. Verkondig weêr bij 't ruischen van de snaren
315
TOELICHTINGEN.
't Gevoel waarin, waarvoor gij ademhaalt; Gij zult het schoon der kunsten openbaren, De waarheid, die uit haar ons tegenstraalt. Verrijs! schud af de langgetorschte keten; Wij juichen toe hij ieder schoon akkoord, Ook dan wanneer 't geloof van ons geweten. Vaak in uw leer een droeve wanklank hooit, Grijp aan de harp en Iaat uw zangen vloeijen! Verhef u in de bovenaardsche sfeer!
Doe hart en ziel in heilige aandrift gloeijen! Verbaas, sleep weg! en wees da costa weêr!
Bladz. 208.
[tjitboezeming. Dit aandoenlijk dichterwoord is mede in de kleine dichterlijke nalatenschap gevonden, op een stukske papiers, zonder hoofd, zonder jaartal, ofschoon het uit den tijd van 1836 of daaromtrent afkomstig schijnt te zijn. Het is dus niet alleen nooit gedrukt, maar blijkt ook voor den druk niet beatemd te zijn geweest. Het ia eene verzuchting des Dichters als by en voor zich zeiven, vluchtig op het papier geworpen, maar die ons toch een diepen blik in zijne ziel vergunt. Welk een geest des ootmoeds, vreemd aan alle zelfverheffing en dichtertrots. in die weinige regelen! Hoe verre verwijderd van het Monuihentum exegi aere perennius des Romeinschen, en van zoovele andere dichters!]
Bladz. 209.
[de eenjarige hahka enz. Ook deze dochter werd in den jeugdigen leeftijd van 19 jaren in 1854 aan het ouderhart door den dood ontrukt. De treurende vader wierp een dichterlijke bloem op haar graf in de Hesperiden, in het gedicht getiteld; ,By het afleggen van den uiterlijken rouw over onze onvergetelijke Hannaquot;, blz. 668, 675.]
Bladz. 209.
[aan een kapittblstokje. Beide deze kleinigheden werden mede tnsschen de ongedrukte en voor den druk blijkbaar niet bestemde dichtproeven gevonden. Ook zij schijnen minder om hooge dichterlijke waarde, dan als bijdrage tot de kennis van den mensch en dichter belangrijk, wiens geest en stemming, onder zijn poëtischen en anderen arbeid, uit zulke al spelend daarheen geworpen, en toch hoogernstige, ia, biddende uitboezemingen blijkt.]
316
TOELICHTINGEN.
Bladz. 209.
[soyons comme l'oisbau. Het was, indien wij ons niet vergissen, eene der gewone vergaderingen der Tweede Klasse van het voormalig Koninkliik Nederlandsch Instituut, die door onzen Dichter steeds met genoegen werden bijgewoond, welke aanleiding gaf tot deze proeven van vertolking van het bekende gedicht van Victor Hugo. Met toestemming van den Dichter Mr. Jacob van Lennep volgt ter aanvulling de vertaling door hem bij die gelegenheid vervaardigd ;
Zijn wy als 't Sijsjen dat rust op de twijgen:
Buige ook het takjen zich met hem ter aard,
't Blijft zonder kommer en 't zingt onvervaard;
't Weet, het heeft vlerkjens om opwaart te stijgen.]
Bladz. 211.
[db rAitiA. Dit gedicht ziet thans voor het eerst het licht. Het is, helaas! slechts een Fragment, maar zulk een, waarop alleszins het bekende woord past: Ex ungue leonem. In den dichterlijken aangreep van het onderwerp, in de zielkundige teekening van den toestand, in de gespierdheid van den versbouw, maar vooral ook in den krachtigen en forschen geest, die dit dichtstuk dooradert en doorademt, openbaart zich de groote Dichter. De tijd, waarin het gedicht vervaardigd werd, is niet bepaald aangeduid, maar er bestaat reden, om dien in den omtrek van het jaar 1840 te plaatsen.]
Bladz. 213.
[vijf en- twintig jaren. Het zal naauwelijks noodig zijn bij de opneming in den kompleeten dichtbundel van dit meesterstuk des Dichters, dat de Politieke Poëzy opent, op te merken, dat de eerste regels van den Voorzang als een nagalm bevatten van den bekenden Duinzang van des Dichters leermeester en vriend Mr. D. J. van Lennep.
De bundel Politieke PoSzy werd ingeleid door de volgende:]
VOORREDE.
Men heeft verlangd de eenigszins samenhangende reeks mijner verzen van lateren leeftijd over onderwerpen van maatschappelijk, vaderlandsch, christelijk belang, in een enkelen bundel verzameld op nieuw het licht te doen zien. Volgaarne heb ik daartoe mijne medewerking verleend, ook door bet toelichten, bij wijze van aan-
317
TOELICHTINGEN.
teekeningen of inleiding, zoowel van de algemeene strekking als van plaatsen of détails in deze Dichtstukken, die, om wel verstaan te worden, een enkele historische herinnering hier en daar schenen te behoeven. En inderdaad! gelijk deze verzen, onder den indruk achtereenvolgens van den dag geschreven, op allerlei gebeurtenissen van meer en min voorhijgaanden aart telkens zinspeelden, zoo behoefden zy dergelijke oiihelderingen des te meer in eenen tijd als de onze met nieuwe verschijnselen, als ware het, steeds overstelpend en overstelpt.
Reeds zijn verre achter ons de dagen, waarin de val der Orleansche tusschenregeering, de herleving van een Napoleontisch Keizerrijk, onder de toekomstigheden behoorden; â de dagen, waarin Homes Paus als een Opperhoofd van vrijzinnigen bezongen, of van Lamartine als van eene Mogendheid gesproken werd; â die kritische dagen van 1847 en 1848, in wier weder op hunne beurt zoo snel vei vangene tooneelen de horizon 'van 1830 spoorloos op meer dan één punt verdween. By altijd dezelfde overspanning in rustloozen stoflijken en verstandelijken vooruitgang, â by altijd dezelfde spanning eener verwachting van telkens nahy schijnende en dan wederom achterwaarts wijkende uitkomsten, â by altijd denzelfden onrustvollen vrede en onophoudelijk dreigenden volken- en burgerkrijg, â by altijd denzelfden kamp tusschen Omkeering en Behoud, (waartusschen in telkens het Woord van God zijn getuigenis tegen beider verkeerden grondslag inbrengt!) â zijn vooral op dit oogenblik wederom nieuwe bewegingen en verwikkelingen aan de orde van den dag: Het brandpunt verplaatst naar de grenzen van Asië en Europa; Frankrijk en Engeland de Dardanellen doorgevaren: het Turksche zwaard (niettegenstaande het by den Mohammedaan sedert lang als noodlottig gevreesd 1853) tegen Rusland uit de schede getrokken; alle stoflijke zoowel als geestelijke, kerkelijke zoowel als politieke belangen betrokken in den gang en uitslag van dezen meer dan immer beteekenenden kamp!
Zoo vermenigvuldigen, zoo versnellen te gelijk, zich de teekenen van onze wondere en gantsch byzondere eeuw. De Dichter, na ze met de tonen van zijn snarenspel eenigen tijd bijgehouden, en als begeleid te hebben, eindelijk buiten adem geraakt, werpt zich liever, als in zijnen mantel gewikkeld, in een hoek van het vaartuig neder waarin wy allen op de snel en fel bewogen wateren drijven, met den blik naar een kustlicht gericht, dat onbedrieglijk en zeker op een veilige haven wijst.
318
TOELICUTIKGEN.
Dat kustlicht! het werd ons door geen feilbare menscbelijke hand ontstoken in het Woord van God, waarvan prophecy met historie de groote licht- en levens-elementen zijn. Spoedig weggespoeld met den eh der tijden mogen ook de treffendste toestanden, de belangrijkste wereldgebeurtenissen zijn, â het laatste einde van al dit eindige, ook met betrekking tot onze voor hooge heerlijkheid bestemde aarde, is voorzegd. Op dat einde telkens gewezen te hebben zal, ik weet het, wel altijd een der groote aanklachten (zoo niet redenen van ignoreeren) tegen mijne dus gehetene politieke poëzy by sommigen ook van zeer onderscheiden godsdienstige en staatkundige richting blijven; voor anderen, als voor mij zelven, ligt misschien juist hierin de ziel en eigenaartigheid van het verschijnsel op Christel ijk-dichterlijk gebied.
Over deze zelfde betiteling mijner gezamenlijke Tijdzangen met den naam van politiek, vraag ik intussihen ten besluite dezer Voorrede nog even het woord. Ik zoa om meer dan ééne reden de combinatie niet gekozen hebben. Nu zy eenmaal in zwang kwam en daar is, blijf ik niet alleen buiten verzet of protest, maar ben ik zelfs met eenig genoegen inschikkelijk voor eene benaming, die toch niet in allen deele zich aan een onjuiste opvatting schuldig maakt. Daar is toch inderdaad (daargelaten elke toepassing op den inhoud dezes bundels) tusschen den blik des Staatsmans en dien des Dichters niet altijd een zoo essentieel verschil. In elk geval heeft ook de politiek hare dichterlijke zijde, en heelt van wederzijde voor den waren Staatsman ook de poëzy in de beschouwing der tijden hare stem en beteekenis. Vooral mogen Staatsman en Dichter elkander ontmoeten in de in acht neming dier door Gods woord geopenbaarde toekomst, waaraan niet minder dan aan de waardeering van het verleden der geschiedenis het juiste inzicht in de behoefte van het tegenwoordige hangt. By alle miskenning en verguizing, in onzen tijd en in ons land, van ook dit element der Hoogste Waarheid, zal toch hier en daar nog wel ook onder onze landgenooten een woord ingang of weerklank vinden, dat dezer dagen in Duitschland door een vermaard Godgeleerde aan een niet min beroemden Staatsman (door Dr. Lücke aan den Ridder B u nsen) gericht werd: âGerade zu einem wahren Staatsmanne gehort eine gewisse prophetische Gabe, ein Hinaus-schauen in die Zukunft des Staates und der Kirche, ein prophetisches Erkenntniss der guten und bösen Machte und Zeichen der Zukunft in der Gegenwart. 1st der
319
TOELICUTIKGEX.
Staatsmann, wie er doch seyn soil, zugleich ein christ-licher Mann, ao steht er vor allem im Dienste des Reiches Christi und soli nach Gottes Wort Gegenwart und Zukunft verstellen und richten. Dies kann er aber uur wenn er die Gesetze, Ordnungen und Wege Gottes in der Geschichte aus der Schrift recht erkennt und sich auf die Prophetie des Evangeliums versteht. â Gebe Gott, (dus spreekt nog ten slotte, uit zijn individueele opvatting der Apocalypse, de geleerde Duitsche Theoloog) dass alle Fürsten und Staatsmanner in diesem rechtnen Sinn und Verstand auf die apokalyptischen Stimmen, Siegel, Posaunen und Zornschaalen des göttlichen Gerichtes in unserer Zeit horen und darnach sich und die Völker regieren, auf dass Staat und Kirche je langer je mehr sich zu jener Gottestadt vom Himmel zusammenbauen, in welcher alle Völker in demselbigen Lichte wandeln, in welche die Könige der Erde ihre Herrlichkeit brin-gen, und in deren Thöre nicht eingeht ein Unreines und das da Greuel thut und Lügen.quot;
AANTEEKENINGEN
OP DE r VIJF BN TWINTIG JAEEN.quot;
Bladz. 214. v, 25.
En nog later zong Juda.
Men zie over de poëzy der Joden in het Spaansche Schiereiland de Nederlandsche Stemmen, Dl. IV, 23ö, en Stemmen en Beschouwingen, Dl. II. 374â376.
Bladz. 217. v. 3.
Neen! Vierde Hendrik boog! enz.
Kwalijk deed waarlijk de Protestant, als hij, soms allerlei bondgenootschap tegen het Pausdom aangrijpende, zich meende te mogen scharen aan de zijde van het Vorstelijk wangedrag, als b. v. van eenen Keizer Hendrik IV van Duitschland, tegenover wien althands de ontzachelijke Hildebrand wel van zich-zelven mocht getuigen, gerechtigheid lief gehad, en ongerechtigheid gehaat te hebben. â Edeler en grooter waren ongetwijfeld de fiere Hohenstaufen. Doch wat was de strijd ook door dezen, en bepaaldelijk door Keizer Frederik den lie tegen de Pausen gevoerd? â Die de tweevoudige beteekenis van het Pausdom in die
320
TOELICHTINGEN.
ecuwen begrepen heeft, en uit dat standpunt den kamp tusschen Keizers en Pausen leerde beschouwen, zal het gewis onzen edelen Graaf Willem II van Holland minder kwalijk nemen, dan het gros onzer historieschrijvers pleegt te doen, dat hy het Roomsch-Koning-schap en den kamp tegen den afgezetten Keizer, ter gunste en als door de gunst van Paus Innocentius III, aanvaardde.
Bladz. 217. v. 4.
en zelfs dat Koningswoord : enz.
Dat de Kerk van Eorae in hoofd en leden bedorven was en volledige hervorming behoefde, was eene lang vóór Luthers optreden algemeen bekende en erkende waarheid. De Koning van Frankrijk, Lodewijk XII, beschreef ten jare 1511, in gemeenschap met Keizer Maximiliaan en met eenige Cardinalen, eene Kerkvergadering te Pisa, om de hand aan het werk van hervorming te slaan, doch die, als zoo vele anderen, tot geene uitkomsten leidde. By die gelegenheid wordt gemeld, dat Koning Lodewijk, vooral op de heerschzucht van den krijgslievenden Paus Julianus II gebeten,, eene munt liet slaan met dit opschrift Perdam nomen Ba-bylonis.
Bladz. 217. v. 29.
Daar staat hy! ja. God hielp.
De bekende woorden van Luther, waarmede hy zijne verantwoording op den Rijksdag te Worms besloot: «Hier sta ik! âik kaa niet anders! God helpe mij, Amen!quot;
Bladz. 218. v. 12.
en 't jonge Duitschland joelt, enz.
Op den Wartburg, in 1521 en 1522 het Patmos van Luther, alwaar hy ook het nieuwe Testament in het Hoogduitsch overzette, â in 1817 de plaats, waar de beruchte samenkomst van Duitsche jongelingen gehouden werd, uit wier midden Karei Sand is opgestaan.
Bladz. 218. v. 23.
en Koningsbloed rookt weêr in Frankrijk!
De Hertog van Berri (tweede zoon des Graven van Artois, later Karei X) werd in dat jaar (13 Februarij 1820) te Parijs vermoord.
II. 21
321
TOELICHTINGEN.
Bladz. 218. v. 29.
De Ster, enz.
Op St. Helena overleed Napoleon den 5 Mei 1821.
Bladz. 219. v. 2.
naar 't vast berekend punt, enz.
âDe groote Veroveraar, voor wiens adelaars geheel Europa eerlang zou sidderen, had geleerd, dat de kunst des Veldheers gelegen is in de oplossing van dit strategisch vraagstuk: zoo vele strijders mogelijk in eenen bepaalden tijd op .een beslissend punt by één te brengen.quot; Bosscha, Neêrlands Heldendaden te Land, Dl. Hl, hl. 82.
Bladz. 219. v. 11.
De rii der Aartsveroveraren, enz.
Jesaia XIV: 3â12. âDan zult gy deze spreuke opnemen tegen don Koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de Drijver op? Hoe houdt de Onverzadelijke op? De Heere heeft den stok der goddeloozen gebroken, den schepter der Heerschers. Die de volkeren plaagde in verbolgenheid met eene plaag zonder ophouden, die in toorn over de Heidenen heerschte, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweeren kan. De gantsche aarde rust, zy is stille: zy maken groot geschal met gejuich. Ook verheugen haar de dennen over u, en de cederen van Libanon (zeggende): Sints gy daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. De helle van onder was beroerd om uwentwille, om u te gemoete te gaan als gy kwaamt: zy wekt om uwentwille de dooden op, alle de bokken der aarde, zy doet alle de Koningen der Heidenen van hunne troonen opstaan. Die al te maal zullen antwoorden en tot u zeggen: Gy zijt ook krank geworden, gelijk wy; gy zijt ons gelijk geworden. Uwe hoovaardij is in de helle nedergestort, met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. Hoe zijt gy uit den hemel gevallen, o morgensterre, gy Zoon des dageraads! Hoe zijt gy ter aarde nedergehouwen, gy die de Heidenen krenkte?quot;
Bladz. 220. v. 28.
En Talleyrand, enz.
Toespeling op het woord van den Prins De Talleyrand aan den Dichter De Lamartine, tijdens de Londensche Conferentie.
S22
TOELICHTINGEN.
Bladz. 221. v. 31.
Zijn oog was op ü.
De klemtoon, niet alleen in poëzy maar ook in de gewone taal, behoort op het voorzetsel, niet op het voornaamwoord gelegd te worden: Zijn oog was óp ü; gelijk men ook zeggen moet; mét «, mét hem, waarvoor men oudtijds schreef, en het volk nog zegt: mettom.
Bladz. 221. v. 31.
't zij Ge, enz.
De 6ae December 1792 â en de krijgsgebeurtenissen in Febrnarij en Maart van 1793. â Men zie deze laatste treffend opgehelderd door Bosscha t. a. p. bl. 7â40. Doch het bleef den Dichter vrijstaan aan de verdediging van de Willemstad door den braven Baron van Boetzelaer, hier bepaaldelijk te denken.
Bladz. 221. v. 35.
terwijl 6y dobberde op de waatren der Noordzee Op den 18len Januarij 1795.
Bladz. 222. v. 21.
en 't heil des heeren, enz.
Inwoners der Residentie konden hierbij gedenken aan bet doorbreken der zon tusschen donkere wolken in den morgen van den gsien October 1840.
Bladz. 225. vs. 29.
de onrust van de volken, enz.
Openb. XI; 18. âEn de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen.quot; â Matth. XXIV: 6. ,Gy zult hooren van oorlogen, en geruchten van oorlogen.quot; â 2 Thess. II: 3â8. âDe dag van Christus komt niet ten zij dat de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de Mensch der zonde, de Zoon des verderfs, die zich tegen-stelt en verheft boven al dat God genaamd of als God geëerd wordt, alzoo dat by in den tempel Gods zal zitten, zieh-zelven vertoonendo dat hy God is. â De ongerechtige zal geopenbaard worden, den welken de Heer verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst.quot; â Eom. YIII: 19â22. âDe schepping als met opgestoken hoofde verwacht de openbaring der kinderen Gods, â op hope dat ook de schepping-zelve zal vrij-
323
TOELICHTINGEN.
gemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kindaren Gods. â Want wy weten, dat de gantsche schepping te zamen zucht, en te zameu als in barensnood is tot nu toe.quot;
Bladz. 226. v. 14.
Voorzeggingen der Zoenverwerving! enz.
Niet daarin dwaalden de Joden, dat zy eenen Messias in heerlijkheid wachtten, maar daarin, dat zy, naar de Schriften, Hem niet erkenden, als Hy eerst in Zijne vernedering en tot het werk der verzoening kwam. Zoo spreekt Jesus-zelve (Luc. XXIV: 26): Moest de Christus niet deze dingen lijden, en in Zijne heerlijkheid ingaan? Tot die heerlijkheid behoort noodwendig Zijn heerlijk koninkrijk: âHy moet als Koning heerschen.quot; â Hy is rde Zone Gods, de Koning Israëls.quot; (1 Cor. XV: 25. Joh. 1: 50). Doch de Christenen uit de volken loopen gevaar, uit vrees voor Joodsche begrippen, de dierbaarste verwachtingen beide van Oud en Nieuw verbond te laten varen. Men zie tegen deze soort van panische vrees eenige geruststellende woorden in de Nederlandsche Stemmen Dl. VI 49 en volg.
Bladz. 227. v. 23.
En gy! sints twintig eeuwen zwervers, enz.
Hosea III: 4, 5. âDe kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder Koning en zonder Vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder Ephod en zonder Teraphim. Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeeren en zoeken den Heere hunnen God, en David hunnen Koning; en zy zullen vreezende komen tot den Heere en tot Zijne goedheid, in het laatste der dagen.quot; Openb. 1:7. âZiet! Hy komt met de wolken, en alle ooge zal Hem zien, ook de genen, die Hem doorstoken hebben.quot; Rom. XI: 2 en volg, âHeeft God zijn volk verstoten? Dat zij verre! God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hy te voren gekend heeft. â Indien hun val de rijkdom der wereld is, en hunne vermindering de rijkdom der Heidenen, hoe veel te meer hunne volheid? â Indien hunne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de dooden? â De verharding is voor een deel over Israël gekomen, tot dat de volheid der Heidenen ingaan zal, en alsdan zal geheel Israël zalig worden, gelijk geschreven [is; De Verlosser zal uit Sion komen, en zal de godloosheden afwenden van Jacob; en dit is hun een verbond van My, als
324
TOELICHTINGEN.
Ik hunne zonden zal wegnemen. â âDe genadegiften en de roeping van God zijn onberouwlijk.quot;
Bladz. 228.
[aan ds. j. j. w. van staveren. De ga'Te, aan dezen in 1852 overleden leeraar bij de Hervormden te Amsterdam, als blijk van dank voor zijne bediening van den doop aan eene dochter uit Israël aangeboden, werd grootelijks in waarde verhoogd door de haar begeleidende dichtregelen van Da Costa, die tevens van zijne warme deelneming in eiken overgang zijner voormalige broeders of zusters in Israël tot de Gemeente van Christus getuigen.]
Bladz. 236.
[aan vrouwe groen van prinsterer, geboren van der hoop. Een klein blijk van dichterlijk aandenken, door Da Costa gewijd aan de vriendschap, die hem aan dit edele echtpaar, en vooral aan Mr. Groen van Prinsterer verbond, met wien hy bijna den ganschon tijd van zijn openbaar leven in de innigste zamenstemming en zamenwerking op allerlei gebied verkeerde. Nog in de latere dagen zijns levens bleek zijne ingenomenheid met dezen christelijken staatsman en geschiedschrijver in de uitgave van zijnen openbaren Brief aan Mr. G. Groen van Prinsterer in 1854, terwijl wederkeerig onder de vele vrienden-stemmen die bij des Dichters graf klonken, de welsprekende stem van den tot in den dood getrouwen broeder en medestrijder niet werd gemist.]
Bladz. 238.
[aan eene vriendin enz. De âVriendinquot; in dit en het volgend gedicht bezongen, was met De Clercq, wiens portret door Gouwen-berg zy voor Da Costa zoo talentvol kopieerde, door banden van maagschap verbonden: De Clercq's gade was hare zuster. Eerst echtgenoote van den Heer Pauly, trad zij later na diens overlijden in den echt met den oud-Hoogleeraar, thands oud-Minister Dr. J. Bosscha, die ook zelf door banden van vriendschap met Da Costa verbonden was, en wiens hier vermeld huwelijks-verbond Da Costa met een Bruiloftszang verheerlijkte.]
Bladz. 240.
[aan dr. d. t. a. arntzenius. Gelijk Da Costa in 't algemeen een hoogst gevoelig en dankbaar hart bezat, gevoelde hy zich met name
325
TOELICHTINGEN.
aan de mannen, die bem in krankheden van hem of de zijnen met geneeskundigen raad of hulp bijstonden, innig verplicht en verbonden. Verscheidene blijken daarvan zijn in zijne nagelatene papieren gevonden in dichterlijke dank- of huldebetuigingen, waarvan de heilgroet aan Arntzenius (die zich vooral door zijne kunde en opoffering in de dagen van het heerschen der cholera in 1831, gunstig kennen deed) de eerste is, maar welke later door nog meer andere proeven zal worden gevolgd.]
Bladz. 241.
[dichtregelen enz. De hier en in het volgend gedicht bezongen zilveren bruiloft werd naar aanleiding van het gelijktijdig verblijf van De Clercq en Da Costa in de liefelijke streken van Heemstede gevierd. Ook Beets was mede aan dien disch tegenwoordig, waaraan hy dichterlijk in zijne boven medegedeelde âHerinneringquot; gedacht.]
Bladz. 245.
[aan mijn heden elfjarig dochtertje. Terwijl aan den teederen vader zoo menig dierbaar pand zijner huwelijksliefde ontviel, werd het hier bezongen dochtertje ,Rebeccaquot; gespaard, mocht met haar moeder, broeder en jongo'-e zuster, den dierbaren lijder op zijn langdurig krankbed en bij zijn sterven bijstaan, en trad eenigen tijd na zijnen dood in den echt met den Heer C. J. W. Ramann, welke echt-verbindtenis op den 21 November 1861 in de Nieuwe Kerk in de nabijheid van des onvergetelijken graf kerkelijk ingezegend werd. De eersteling ,uit dezen echt geboren, ontving (om met Borger te spreken;)
een dubblen naam, dien ik met eerbied noem.
Hy werd naar Da Costa, Isaac, naar Mr. G. (Guillaume) Groen van Frinsterer, Willem genoemd.]
Bladz. 245.
[bilderdijx. Dit gedicht werd aan Da Costa ingegeven door zijn gevoel van verontwaardiging bij gelegenheid dat hem onder het oog kwam het in de Zangen als motto daarvoor geplaatste: âExtract uit het Reces van den Extraordinairen Landdag in Maart en April 1795 bij continuatie binnen de stad Zutphen gehouden,quot; waarbij Bilderdijk uit den lande uitgezet werd, en dat luidt als volgt:]
Dingsdag, den 14 April 1795.
Op de Missive van Hun Hoog Mog, geschreven in 's Hage den 26 Maart laatstl., ter geleide van een Extract uit het Register der
326
TOELICHTINGEN.
Resolutiën van Hun Hoog Mog., van dienzelfden dag, neevens een request, door zeekeren Willem Bilderdijk aan de Provisioneele Representanten van 't Volk van Holland op voorsz. datum geprae-senteerd, daar by te kennen geevende, gemoedelijke bezwaaren te hebben teegens den Eed by Hoogstdezelve op den 9 van die Maand vastgesteld, en houdende eene doorstralende verkleefdheid aan het vernietigd stelsel van list en geweld, voords eene ontkenning der â wettigheid Onzer gezegende revolutie, en der eeuwige waarheden waar op zy steund; Gedelibereerd zijnde, Is goedgevonden en verstaan, dat gem. Willem Bilderdijk, als een zeer gevaarlijk sujet, ingeval zig binnen deze Provintie mogte komen te bevinden, het verblijf binnen dezelve zal worden ontzegd, gelijk ontzegt word bij deze.
Wordende ten dien einde het Hof Provintiaal gelast, de respective Municipaliteiten aan te schrijven, om op de executie van dien naauwkeurig te letten.
Ten welken einde Extract dezes aan welgem. [Hove zal worden ingezonden.
Bladz. 249.
[aan den heer h. c. van deb hoüven. Van de innige hoogachting, door den Dichter steeds toegedragen aan den Heer Staatsraad Van der Houven, Voorzitter der Nederlandsche Handel-Maatschappij, hem ook als vader van Capadose's eerste gade en vriend van De Clercq van naderbij bekend, bestaan buiten dit woord van nieuwjaars-heilgroet by zijn eervol ontslag uit genoemde betrekking, nog andere blijken. Zoo werd ook in Da Costa's Toespraak by het graf van De Clercq, zoowel als in het Huwelijksgedicht by de Echtvereeniging van Capa-dose, eervol en deelnemend aan hem gedacht en van hem gewaagd.]
Bladz. 250.
[aak de leden der tweede klasse van het koninklijk nederlandsche instituut, enz. De intrede van dit jaar 1844 werd bewolkt door finantiële bezwai en van 's lands schatkist, waarin door de bekende Vrijwillige leening werd voorzien, tot wier welslagen DaCosta grootelijks het zijne toebragt door het schrijven en uitgeven van zijn opwekkings-wooid, getiteld; Landgenooten! met het oog op God, blijft Nederlanders, en vereenigd! Men zie hierover vooral Het Leven van Willem 11 boschreven door J. Bosscha, tweede uitgave bl. 676 en volg. Na deze gelukkige uitkomst gaf hij het volgende lied: Aan Nederland in de lente van 1844 uit.
3Ã7
TOELICHTINGEN.
De slotzang neemt den toon en gang over van een in die dagen veel gezongen lied, het zoogenaamde Rhijnlied van Becker, waarin tegenover de vrees voor Fransche veroveringsplannen door de Duit-schers gezongen werd:
Sie sollen ihn nicht haben Den freien Deutschen Rhein, enz.
Overigens spreekt in dit gedicht, aan des Dichters medeleden in het Instituut toegezongen, duidelijk genoeg zijne ingenomenheid met dit geleerde lichaam, van welks Tweede klasse hy sedert 1839 lid, en meermalen Voorzitter was. In eene openbare vergadering van die klasse, in 1840 gehouden, las Da Costa zijne Vijf en twintig jaren voor, het gedicht waarin, zooala hy zelf het uitdrukt, zijne lier na lange rust het stilzwijgen weder verbrak: later werden bij soortgelijke gelegenheid op gelijke wijze ook andere dichtstukken voorgedragen. Over zijne werkzaamheid en ijver als medelid des Instituuts zie men de Levensschets van Koenen. Hij zette de kroon op zijne bemoeijingen ten behoeve dier inrigting door de warmte, waarmede hij, bij hare bedreigde en straks gevolgde slooping, hare zaak tot het einde toe hielp bepleiten. Na de herleving van die Instelling in gewijzigden vorm niet als medelid in baren boezem te zijn opgenomen, was Da Costa eene wezentlijke grieve, voor welke hij in hem van elders toekomende blijken van waardeering en bewondering naauwelijks vergoeding vond.]
Bladz. 256
[aan dbn heer johannïs muller. Groot en innig was de achting, door Da Costa aan dezen waardigen en eerwaardigen man, even geleerd boekenkenner als bekwaam boekha i delaar, en in de laatste betrekking uitgever van enkele zijner boekwerken, steeds toegedragen en betoond: eene achting die op meer dan bloot letterkundige sympathiën berustte. Geen wonder, dat de Dichter de gelegenheid aangreep om van die waardering ook in eene kleine dichterlijke hulde te doen blijken.]
Bladz. 257.
[feestdronk enz. Men vergelijke de Toelichtingen op bladz. 325.
Bladz. 258.
[in het album van dr. a. de vries. De hoogbejaarde sedert overleden, leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem, mocht, èn als
328
TOELICHTINGEN.
broeder van Jo. De Vries, en als vriend van Bilderdijk, zich mede in de genegenheid van diens Dichters dichterlijken zoon verheugen, waarvan deze regelen de eenvoudige, en toch door christelijken ernst en getrouwheid treffende uitdrukking zijn.]
Bladz. 258.
[aan bb. 6. e. v. scheevoogt. De hier bezongen Hoogleeraar, toenmaals eerste Geneesheer aan het Buitengasthuis te Amsterdam, stond onzen Da Costa bij de zware lichaams- en zielskrankheid van zijnen eerstgeborene Willem Daniël met vriendschappelijke deelneming en ijvervolle zorg bij. Met toespeling op de eerste droevige aanleiding dezer vriendschap bevat dit gedicht de uitdrukking van het warm gevoel van erkentenis omtrent dezen geneesheer, dat Da Costa tot zijnen dood behield.]
Bladz. 259.
[aan db. m. .t. veekotjteeen. Ook aan den geneesheer Verkouteren, in den laatsten tgd zijns levens den gewonen arts van hem en de zijnen, wijdde de dankbare Dichter een woord van hulde en erkentenis. Had hij hem opentlijk zijnen dank voor diens onvermoeibaren ijver in zijne jongste ziekte kunnen betoonen, deze zou nog luider en hooger hebben geklonken. Dr. Verkouteren verplichtte het daarin belangstellend gedeelte des publieks aan zich, door de mededeelin:; in Koenens Levensbericht van des Dichters historia morbi, welke den loop zijner stervens-ziekte beschrijft.]
Bladz. 259
[aan db. d. j. a. arntzenius. Zie over dezen en zijne betrekking tot Da Costa de Toelichtingen op bladz. 325.
Bladz. 260.
[by het graf van mb. bibk graaf van hogenbobp. Dit gedicht werd reeds in de Zangen gedrukt, maar, bij vergissing, met weglating van hetgeen hier het tweede couplet is. Door de vriendelijke tusschenkomst der Gravinne-Weduwe is hier die vergissing hersteld. Overigens, hoe warm de in dit gedicht aangeslagen toon is, bijgeeft van verre niet weder den gloed van het vurige vriendschapsgevoel, dat Da Costa steeds bezielde voor dezen vriend zijner jeugd, die als 'Raadsheer in den Hove van Zuid-Holland, onder rouwbetooning en rouwbeklag van velen in den lande en vooral in de hoofdstad, overleed. Dirk van Hogendorp, de zoon, in het gedicht vermeld, deed
329
TOELICHTINGEN.
aan den vaderlijken en grootvaderlijken naam grootelijks eere, en maakte zich zelfs als student aan de Leidsche Hoogeschool door het behalen van een gouden eerprijs ook naar buiten gunstig bekend. Des te droeviger was het, dat ook deze veelbelovende jonge man in den jare 1857 door eenen vroegtijdigen dood zijnen vader in het graf volgen moest. De zorg over dien jeugdigen kranke, die Da Costa, toen zelf tot aan den dood toe krank, op zijn ziekbed geen rust liet, blijft allen, die dat ziekbed naderen mochten, onvergetelijk.]
Bladz. 261.
[gedachten by het graf van h. c. capadose. Naast het doodbed van den edelen graaf, zelf vader van een talrijk kroost, verrees â treffend en aandoenlijk, ook reeds in de Zangen, het grafteeken voor den twaalfjarigen zoon van Capadose, maar die door de betooning eener vroegere godsvrucht op zijn ziekbed zijnen ouderen en hunnen vrienden de beste vertroosting voor zijn vroegtijdig afsterven naliet.]
Bladz. 262.
[aan mijn teder geliefde egade, enz. Dit lied werd gedicht op den dag der begrafenis van Mevr. Chevalier, de tweede echtgenoote van den schoonbroeder des Dichters.]
Bladz. 263
[aan jonkvrouwe w. l. van loon. De hier bezongen bruid ontving dit gedichtje bij gelegenheid van haar huwelijk met Jhr. Mr. P. J. Klout van Soeterwoude, thans lid van den Raad van State. Ook hij behoorde tot den kring van innige vrienden van Da Costa, met wie deze door overeenstemming in menig opzicht, maar vooral ten opzichte van het hoogste en heiligste gevoel en overtuiging des harten, verbonden was.]
Bladz. 263.
[aan den heeb h. kriegeb schdmer. De wakkere en algemeen geachte Heel- en Vroedkundige, aan wien deze regelen zijn gewijd, mogt zich, ook op grond van eene vroegere kennismaking als tijden studiegenooten aan het Athenaeum, even als onderscheidene zijner kunstbroeders, in Da Costa's erkentelijke vriendschap verheugen. Hij volgde sedert den Dichter in het graf. Aan den Da Costa anders in zijne poëzy minder eigen toon van humor, zoowel als aan de hoogst onverwachte en treffende ernstiger wending aan het slot zal het dichterlijke gevoel des lezers, ook zonder opzettelijke aanwijzing,
330
TOELICHTINGEN.
wel weten recht te doen. â Dit gedichtje werd afgedrukt naar een handschrift niet van den Dichter zeiven, maar van een ander' jeugdiger zanger. De Génestet, die als jongeling aan Da Costa's huis verkeerde en op wien de omgang met den grooten Dichter voor de ontwikkeling van zijne eigene dichtgave zeker niet onvruchtbaar zal zijn geweest. Toen De Génestet het versje van Da Costa aan Schuiner gehoord had, was hij er zoo mede ingenomen, dat hij verzocht het te mogen afschrijven, waarna hij op zijn uitdrukkelijk verlangen het manuscript des Dichters in eigendom behield en zijn afschrift daarvoor in de plaats gaf. Thans â aandoenlijke herinnering! â zijn beide reeds niet meer, daar de jonge Zanger den Meester, dien hij bij alle verschil op godsdienstig en kerkelijk gebied steeds hoog vereerde, reeds in het graf gevolgd is. Tot eene proeve hoezeer de poëzy, en geheel het dichterlijke voorbeeld van Da Costa op de dichterlijke vorming ook van De Génestet van invloed is geweest, sta hier een verjarings-gedicht (1846) van den laatsten aan zijnen bewonderden Vriend, dat wij hier in zijn geheel laten volgen:
Angstig treedt de bloode Muze tot U met een needrig lied, De eerste Zangen, die ze U blozend op Uw schoonen feestdag biedt; Dichter... neen, hoe rein de geestdrift ook moog gloeijen in mijn borst, Al te stout, zoo ik mijn Zangen, ü, den Zanger, brengen dorst! Zachter is het zoet gevoelen, min verheven klink mijn toon.
Maar de stoffe, die ik zinge. Dichter, is niet minder schoon.
O hoe juiche ik, dat zoo spoedig mij dit feest heeft uitgenood U te danken voor de schatten, die Uw vriendschap mij ontsloot; U te danken voor uw liefde, die tot mij is neergedaald Als de zon die hoog verheven, 't nietigst bloempje nog bestraalt; U te danken, n, die kennis in het jeugdig harte kweekt.
Of de ziel in reine geestdrift, zaalgen dichtergloed ontsteekt!
Waar Euripides zijn zangen ons ter leering hooren doet.
En door u verklaard, met studie ons begeerig luistrend, voedt. Waar Catullus dartle accoorden, lieflijk, geurig, naamloos rijk Zoeter ruischen nog bij 't zingen van Uw dierbren Bilderdijk! â O hoe juiche ik in Uw liefde, die mij zooveel schoons voorspelt Als de bron, den berg ontschietende, eens tot volle stroomen zwelt.
O hoe juiche ik, o hoe danke ik, o hoe bidde ik in dit uur Zegen, zegen op Uw paden van Gods zegenrijk bestuur.
Streven zal ik, vurig streven, eens uw vriendschap waard te zijn,
331
TOELICHTINGEN.
En het rechte spoor te volgen, niet verblind door valschen schijn. Dat ik eenmaal â kan het wezen! eenmaal, (ach! de dankbre zucht Van een diepgetroffen boezem neemt misschien te stoute vlugt! Zoete droomen der verbeelding, en betoovrend schoon verschiet!....) Eenmaal treê de dankbre Muze tot u met een waardig lied!
Dat de namen der beide Dichters nog eens in het buitenland, in een letterkundig-theologisch artikel, als die van twee dichterlijke tolken van twee onderscheidene theologische richtingen zouden worden vereenigd, gelijk dezer dagen in het geachte tijdschrift âProtestantische Monatsblatter für innere Zeitgeschichte herausge-geben von Dr. Heinrich Gelzerquot; geschiedde, had de jeugdige Dichter zich toenmaals wel niet kunnen voorstellen.]
Bladz. 264.
[pragmentkn uit het boek van job. Deze fragmenten zijn ontleend uit de Voorlezingen over de Waarheid en Waardij der Schriften van het Oude Testament.quot; Ze zijn aldaar te vinden Deel II, bl. 139 en v. Zij werden gebruikt bij de Vrijdagsche Voorlezingen van Da Costa, deels tot afwisseling met het op zich zelf reeds zoo dichterlijke proza des Sprekers, deels om te dienen (even als de latere uittreksels uit Milton, Tasso enz.) als proeven van rijmlooze poëzy, waarvan Da Costa vooral in het laatst zijns levens (wel een weinig in strijd met Bilderdijks voorgang en voorbeeld), een groot vriend en voorstander was.]
Bladz. 273.
[hagar. Dit kleine, maar prachtige gedicht, dat, van do min schitterende figuur der Egyptische slavin van Abraham beginnende, den geheelen loop der geschiedenis van het Ismaëlitisch ras dichterlijk â a vol d'oiseau, ja, a vol d'aigle â doorloopt, werd vervaardigd op verzoek van den uitgever Kruseman, om opgenomen te worden in den bekenden Dichtbundel, getiteldr âBijbelsche Vrouwen.quot; De Hagar is het eerste gedicht, in den Kompleeten Bundel opgenomen uit de Hesperiden, welke in het licht zijn gekomen met het motto: Wer den Dichter will verstehen,
Muss in Dichters Lande gehen.
en het aandoenlijk, bijna profetisch opschrift:
quot;O tl Tl q o s ia négav ia tiv,
Luc. 24; 29.
En met de volgende.]
332
TOELICHTINGEN.
VOORREDE.
AATf MIJNE VRIENDEN.
Den titel, onder welken deze Dichtbundel tot U komt, zal wel niemand eenige toespeling op den mythe der gouden vruchten van het Zuiden verdenken. Kon, op den blooten klank af, eene dergelijke gedachte ergens oprijzen, het talent des vervaardigers van het vignet 1) zou al dadelijk, ook zonder woorden, de meening toelichten. Wat U deze bladen aanbieden, is een weinig Avondge-bloem te, dat, zoo het nog eenigszins geuren raag, of aan de onderwerpen, of aan den grond waar het uit overgeplant werd, dat voorrecht danken zal.
Eenige bloemen alzoo uit den avond van een leeftijd, waarvan het veelszins sombere met des te starender en levender verlangen moest doen uitzien naar dat licht, hetwelk, reeds eenmaal uit de diepste duisternis over de aarde opgegaan, door welken nacht of middernacht het ook zijn moge, wel voorbereid maar niet vertraagd, en iu geen geval verhinderd worden zal te komen.
Avondtonen zijn voor het grootste deel de hier by een gebrachte Zangen in den tweederlei zin, medegebracht door de levensjaren des Dichters, en door de aanschouwing eener wereld, die tot de bede: Blijft met ons, want de dag is alreeds gedaald, als van zelve opwekt en dringt. Menigeen wellicht, die dergelijke beschouwing ten aanzien van wereld en menschheid voor hetgeen zy overdreven noemen houdt, is er niet ver van daan, om dat avond en nacht worden met betrekking dan toch wel tot ons verouderend Europa te erkennen. Wat ons betreft, met het woord van God voor oogen en in het hart, meenen wij dat geen zon van Californië of van Australië, tegen den avondtijd dien wij hier bedoelen, aan het overige der wereld ook buiten Europa waarborgen geeft.
333
Wien bied ik dan nu deze bladeren aan, â wien mag ik ze zonder zekere onbescheidenheid met de verwachting van een niet ongunstig onthaal opdragen? Wien anders dan U, mijne Vrienden, die ook. waar gy van den Dichter hier en daar kunt verschillen, hem voor het minst in dezen zijnen eigenen taalvorm wel zult willen gehoor verleenen, â of wien, met hem in gantsch dezelfde hoop en verwachting, als in deze verzen wederom uitgedrukt zijn, verbonden, de volhardende herhaling daarvan in allerlei vorm niet verdrietig kan zijn?
1
[Het vignet, door Rochussen geteekend, stelt voor een struik met bloemen, staande by eenen stroom, waarin de ondergaande zon nederzinkt.]
TOELICHTINGEN.
Staat in alles, wat hier gegeven is, onderwerp en strekking in het hart des Dichters op den voorgrond, â mengen zich ia deze uitstortingen van gevoel en gevoelens niet slechts persoonlijke en huisselijke, maar ook voorvaderlijke herinneringen die ik noch uit. mijn gemoed noch uit mijnen zangtoon vermag te bannen, â ook deze hebben by ü geen onwelwillende ontfangst te duchten. Allerminst vrees ik van U een al te strenge beoordeeling of ongunstige opvatting van mijn vreemd-zijn van ouds aan dat modewoord der eeuw; de kunst om de kunst! een begrip, waarvan het zoo wel historisch als zedelijk en psychologisch onware my steeds duidelijker en ook zelfs uit het esthetisch standpunt (laat ik het mogen zeggen) een soort van ergernis werd.
Niemand meene evenwel, dat in dezen mijnen levensavond poëzy als poëzy, poëzy als kunst, my onverschillig konde worden. Vorm en stof maken tot op het gebied der hoogste waarheid één geheel uit. En waarom zoude ik het ontveinzen, dat my thands misschien even zeer, als by mijne eerste bekendwording met de krachten der poëzy, praktische oefeningen en wat men studiën noemt in dat vak, altijd grootelijks aantrekken. Van dergelijke studiën, zoo niet veel meer spelingen, met de dichterlijke pen zijn enkele proeven of vruchten in dezen bundel opgenomen. Inzonderheid behoort hiertoe een handvol als op den tast gegrepen uit een ruimeren voorraad van overzettingen in onberijmde versmaat, meest by gelegenheid van Voorlezingen over oudere en nieuwere poëzy uit den vreemde, beproefd.
De uitvoerigste van dergelijke overbrengingen in rhythmisch onrijm werd onder deze proeve het Scheppi ngs ver ha al uit Miltons Verloren paradijs (ik geloof, in het voorbygaan, dat men in den regel beter doet te zeggen: het Paradijs v erloren, doch niet wanneer door den voorafgaanden tweeden naamval het artikel wegvalt, en dus vooral niet: Miltons Paradijs verloren.) Van mijne kindschheid af, en sedert steeds meer en meer, trok my deze Hoofddichter, door het te gelijk antieke en toch zoo echt en oorspronkelijk tevens Engelsche van zijnen lieren stijl, boven al wat ik hier beschrijven kan, aan. Vooral is my steeds dat ongelijkbaar plechtige en gespierde, en, mag ik het zoo uitdrukken, sa van te van zijne versmaat een dichterlijk genot, waaraan men zich naauwlijks verzadigen kan. By de overzetting was het my dan ook wel eens eerder of ik musiceerde, althands onder den indruk schreef der statig golvende Scheppingsmuzijk van Haydn, dan op het gebied der go-
334
TOELICHTINGEN.
sprokene moedertaal. Hoe episch grootsch en tragisch edel toch ook hier de Britsche Homerus is, hoe rijk en schilderend zijne voorstelling, hoe verheven en verheffend zijn toon, by het Scheppingsverhaal van den Bijbel verbleekt iedere poging om het in een anderen vorm weder te geven. Waarin dat gantsch eenige van het eerste Hoofddeel van Genesis bestaat, en hoe het, onafhankelijk van alle mensche-lijke toestemming of tegenspraak uit den tegenwoordigen stand der wetenschappen, zijnen goddelijken oorsprong alleen reeds door zijnen toon, door zijne wonderbare ineensmelting van poëzy en historisch getuigenis handhaaft, laat zich in eenige weinige regelen niet aanwijzen. Het doet by elke overlezing en by elke vergelijking met de bearbeiding van het onderwerp ook door de verhevenste (bloot) menschelijke pen zich zooveel te sterker gevoelen.
Doch eenmaal op het terrein van bespiegelingen over waarheid en poëzy, over poëzy en hare muzijk, het rhythme, gekomen, waar zal men eindigen indien men de pen haren vrijen loop vergunt? Liever breken wy af met een welmeenend heil! en met den wensch, dat onder het nederig gebloemte in dezen Bundel de gedachte, die er geur en leven aan geven moet, haren weg tot het hart vinden moog.
Amsterdam,
25 October 1855.
AANTEEKENINGEN OP âHAGAU.quot;
Bladz. 27.3. v. 28.
by 't loeien van den reus,
De woestijnwind of Sammum.
Bladz. 275. v. 35.
ter eer zijns Gods van zong:
Job XXXIX : 22â28.
Bladz. 276, v. 39.
u weêr in dezen tijd van den Nomaad gezet!
De Hyksos, die omstreeks 1800 jaren vóór de Christelijke tijdrekening Egipte vermeesterd hadden, waren insgelijks Nomaden of Herdersvolken.
Bladz. 277. v. 7.
Zie! Calpes rotsen zijn beklommen,
Gibraltar.
335
336 toelichtingen.
Bladz. 277. v. 14.
te rug! rijs, Karei!
Karei bijgenaamd Martel (d. i. H am er), die A0. 732 deSaracenen tusschen Tours en Poitiers versloeg.
Bladz. 277. v. 31.
voor Issa De naam van Jesus in den Koran.
Bladz. 277. v. 37.
en lasterlijk in 't eind begroet als Paracleet.
Hy liet het zich gaarne beduiden dat de Evangeliebelofte van den Paracleet of Trooster (Joh. XIV: 16) van hem te verstaan was.
Bladz. 278. v. 9.
Maar uwe, o Koreischiet!
Mohammed behoorde tot den stam van Koreisoh te Mekka.
Bladz. 279. v. 9.
Alraschid, gy hier 't eerst, gy Bagdads Charlemagne!
Harum al Raschid, vijfde Kalif uit het huis der Abassiden (A0.
786-809)- Bladz. 279. v. 10.
Of Abderahman!
Van het uit het Oosten verdreven maar in het Westen gehuldigd stamhuis der Omijaden A0. 756.
Bladz. 279. v. 30.
die in haar ouderdom den Vreugdverwekker baarde! â 1 Mos. XXI: 1â7.
Bladz. 280. v. 4.
(voor wie de Bondgenoot het eerst moest leeren sidderen!) Alexius'Comnenus, Grieksch Keizer, Aquot;. 1081â1118.
Bladz. 280. v. 30.
viel in den Bosporus.
Een voorval, onder de regeering des vaders ran den tegenwoor-digen Sultan by de Turken voor een zeer treurig voorteeken gehouden.
TOELICHTINGEN.
Bladz. 280. v. 36.
aan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder! Reminesoentiën uit W. De Clercqs treffend overzicht: het Oosten in de Nederl. Stemmen, III. 118â120.
Bladz. 281. v. 15.
Nebajoth, Midian, en Hefa!
Jesaia LX : 6, 7.
Bladz. 283.
[aan vrouwe aleida beets. De teedergevoelige Dichter bragt aan den Heemsteêschen leeraar, zijnen kunst- en hartsvriend Beets, aan wien ook de regelen op Bladz. 282 gewijd zijn, na zijn onvergetelijk verblijf in die streken, voor menig blijk van gastvrijheid en genegenheid zijne dankerkentenis in de Opdracht van Lijden en Heerlijkheid: maar ook aan de gade des Dichters drong hem zijn hart eene hulde te brengen in het dichtgebloemte, dat sedert als eene affo-dille â om met Bilderdijk te spreken â op het graf der jong ontslapene, onvergetelijke gade en moeder werd.]
Bladz. 284.
[aan den heer en mevrouw de marez oyens-waller. In deze regelen bezong de Dichter het koperen feest van een teeder beminden vriend, aan wien hij ook als zoon van den heer Hendrik Oyens verbonden was, welke laatste met Bilderdijk door trouwe vriendschap vereenigd, dezen vooral in zijne geldelijke aangelegenheden hulpvaardig ter zijde stond. Ook de zoon, in dit opzicht de voetstappen des vaders drukkende, verplichtte Da Costa door menig dienstbetoon, met name bij het houden zijner Vrijdagsche Voorlezingen, daar den Dichter voor zulk soort van zorgen ten eenemale alle geschiktheid zoowel als alle lust ontbrak. Het koperen-bruiloftsversje is lief, maar haalt overigens in belangrijkheid voor de kennis van Da Costa's geest en karakter niet bij het aandoenlijk blijk van deelneming, waarmede de Dichter in een schoon geschreven brief, als van zijn stervenslegsr aan het jubelend paar gericht, in de jongste dagen zijns levens, hun zilveren huwelijksfeest verheerlijkte.]
Bladz. 285.
[aan mevrouw de douairière van weede van dijkveld. â aan mevrouw de douairière calkoen. Onder de aanzienlijkste familiën II. 22
337
toelichtingen.
die het zich eene eere achtten den Dichter bij zijn verblijf op Ruimzicht te Heemstede te begroeten en te onthalen, behooren ook de leden van den huize Van Weede en Calkoen. Reeds uit hoofde van de vermaagschapping van beide met de familie Van Lennep, gevoelde Da Costa op hen betrekking: nog inniger echter was de band, die hem op grond van gemeenschappelijke godsdienstige overtuiging met de bewoonsters van de landhoeven Meerenbosch en Ipenrode verbond. Ook voor haar bleef dus het aangeboden blijk van aandenken in vergankelijke bloemen en vruchten niet zonder duurzamer dichterlijk tegengeschenk.]
Bladz. 286.
[aan ben kunstenaar. Waar de uitheemsche kunstenaar, toenmaals in Nederland toevende, zijn potlood ter hand nam om nevens vele andere ook de trekken van Da Costa weder te geven, erkende de Dichter het werk van den teekenaar met de schenking van een zijner dichtwerken, begeleid door een Neêrduitsch vers, maar dat Lij zelf met eene overbrenging in 't Fransch den vreemdeling vertolkte, die later wordt meegedeeld.]
338
INHOUD.
Bladz.
Ines de Castro.................. 1.
Heldenfeit.....................n.
Caïn......................21.
De tocht nit Babel.................32.
Inleiding tot de hymne: Voorzienigheid.........41.
Voorzienigheid..................43,
Een tooneel van lord Byron's Caïn...........51.
Alexanders zegefeest..................................65.
Aan Bilderdijk...................70.
Israël . .....................73
Aan Lamartine...................75.
Eenzaamheid...................76
Geestdrift....................78
Aan een dichter in zijne ballingschap..........§1.
Den heere W. De Clercq..............82
Aan Jhr. Willem Van Hogendorp, hy zijne bevordering tot
doctor in de rechten...............86.
Aan Bilderdijk..................86.
De stem.....................87.
Napoleon. . . ' . ................89.
Parijs......................90.
Het zwaard....................gg
Het paard....................93
Aan jonkvrouwe Hanna Belmonte, op haar verjaarfeest... 94.
Aan een dichter, by de geboorte van zijn zoon......95
Aan Ds. Egeling....................
Aan Bilderdijk....................
INHOUD.
Bladz.
Den heere Mr. S. Ipszn. Wiselins...........103.
Aan Dr. A. Capadose................103.
Aan eenen vriend.................106.
Aan de Poëzy...................
Aan Bilderdijk..................108.
Randschrift van een zilveren beker..........110.
Aan den heer Bowring...............HO.
Geestelijke wapenkreet...............Hl-
Aan mijne egade, op den 26sten December des jaars 1825, ter
eerste verjaring van onzen eersteling Willem Daniël . . 115,
Jericho.....................H®-
Israël en Nederland.................122
Vrede- en krijgszang.........'......128.
Inleiding tot de hymne: God met ons..........131.
God met ons. Hymne................134-
Aan mijne egade, ter harer verjaring, 2 April 1826 .... 142.
Aan Ds. L. U. Bahler................145.
Paaschzangen...................147-
Hemelvaartslied..................158.
Pinksterzangen..................161-
Kerst- en nieuwjaarsintreêzangen...........168.
Ter bruiloftsviering van Dr. A Capadose en jonkvrouwe A.
Van der Houven................183.
Den heere J. J. F. Wap, ten antwoord op de toezending van
zijn uit het latijn overgebracht dichtstuk: Aan de Belgen. 189. Ter echtviering van den heer M. J. Chevalier en jonkvrouwe
Esther Belmonte................190.
Aan mijne gade, op den eersten geboortedag van onzen zoon
Abraham...................195.
Nehemia IV. Aan mijn vriend, den theol. stud. H. P. Scholte. 195.
Schoollied....................196
Ter bruiloft van Mr. Hendrik Jacob Koenen en Jonkvr. Dionisia
Catharina Van Halteren.............198.
Op het ua den dood gemaakte afbeeldsel van Bilderdijk . . 198.
By hetzelfde op zijn doodbed..............198.
Aan Jonkhr. J. C. Smissaert, by zijn vertrek als student in
de godgeleerdheid naar de Leydsche Hoogeschool. . . . 199.
Aan Mr. J. W. Willekes...............199-
Op het Gorkumsche Heidendom............199-
340
INHOUD.
Bladz.
Grafschrift voor een kind............................200.
Lodewijk van Nassau................................200.
Johan van Nassau.................201.
Willem Lodewijk van Nassau..........................202.
Johan Willem Friso................................203.
Sterkte in God....................................204.
Lofzegging........................................206.
In eenen Bijbel....................................207.
Aan den dichter Calisch, in antwoord op een aan my gericht vers. 207.
Uitboezetning......................................208.
De eenjarige Hanna aan hare lieve moeder en min .... 209.
Aan een kapittelstokje....................209.
Aan een schrijfpen..................................209.
Soyons comme l'oiseau..............................209.
Aan den oudsten zoon van een geliefden vriend.....210.
Aan een naamgenoot van Bilderdijk..........211.
Op eene vijf en twintigjarige echtgedachtenis.......211.
De Paria. Fragment................211.
Vijf en twintig jaren. Een lied in 1840 ..................218.
Aan Ds. J. J. W. Van Staveren, met een bouillonkop. . . . 228.
Aan mijne dierbare egade, op haren verjaardag............228.
By de rivieren van Babel............................229.
Beurtzang voor een drietal kinderen op een koperen bruiloft. 231.
Orleans..........................................232.
Aan vrouwe Groen van Prinsterer, geboren Van der Hoop. . 236.
Aan Willem De Clercq..............................236.
Aan mijn oudsten zoon..............................237.
Lofzegging........................................237.
Aan eene vriendin..................................238.
Aan dezelfde......................................239.
Aan Dr. D. J. A. Arntzenius..........................240.
Dichtregelen den heer en mevrouw W. De Clercq toegezonden ....................241.
Ter vijf en twintigjarige echtviering van den heer Willem De
Clercq en vrouwe Caroline Charlotte Boissevain .... 241.
Aan mijn heden elfjarig dochtertje Rebecca..............245.
Bilderdijk. Eene herinnering..........................245.
Aan een jongen vriend..............................249.
Aan den hoog edel gestrengen heer H. C. Van der Houven . 249.
341
INHOUD.
Bladz.
Aan de leden der tweede klasse van het Koninklijk-Neder-
landsche Instituut................250.
Aan Nederland, in de lente van 1844 ....................251.
Aan den heer Johannes Muller . . . .................256.
Feestdronk, ter gelegenheid der echtviering van den hooggeleerden heer J. Bosscha en vrouwe M. C. Boissevain,
wed. Pauly....................................257.
In het album van Dr. A. De Vries......................258.
Aan Dr. G. E. V. Schneevoogt.................258.
Aan Dr. M. J. Verkouteren, met een afbeeldsel van Willem
De Clercq. ...................................259.
Aan Dr. D. J. A. Arntzenius, met een prachtbijbel..........259.
By het graf van Mr. Dirk graaf Van Hogendorp..........260.
Gedachten by het graf van den twaalfjarigen Hendrik Chris-
tiaan Capadose.................261.
Aan mijne teder geliefde egade, op haren aandoenlijken verjaardag 2 April 1845..............................262.
Aan jonkvrouwe W. L. Van Loon......................263.
Aan den heer H. Krieger Schumer......................263.
Fragmenten uit het boek van Job......................264.
Het lied van Moses................271.
Hagar............................................278.
Aan N. Beets......................................282.
Aan mijne lieve egade, op haar verjaardag 2 April 1847 . . 282.
Aan vrouwe Aleida Beets............................283.
Aan den heer en mevrouw de Marez Oyens-Waller, by hun
koperen bruiloft................................284.
Aan mevrouw de douairière Van Weede van Dijkveld, geb.
Van Lennep.........................285.
Aan mevrouw de douairière Calkoen, geb. Van de Poll . . . 28:).
Aan een kunstenaar................................286.
Toelichtingen...................28
342
i.
In de VIJFTIG-CENTS-EDITIE zijn vekschenen:
No.
1. Mr. J. Van Lennep, De Pleegzoon.
2. â Ferdinand Huyck.
3. â De Koos van Dekama.
4. â Elizabeth Musch.
5. â Novellen en Vertellingen.
6â 8. â Onze Voorouders.
9â11. â De lotgevallen van Klaasje Zevenster.
78. â Vertellingen van vroeger en later tijd.
12. J. J. Cramer, Dokter Helmond en zijn Vrouw.
13. â Daniels Sils.
14. â Tooneelspelers.
15. â Eanna de Freule.
16â17. â Anna Rooze.
18. â Overbetuwsche Novellen.
19â20. â Novellen-en Vertellingen.
21. â Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.
22. â De Lelie van 's-Gravenhage.
23. â Emma Berthold. â Boer en Edelman.
24. J. J. L. Ten Kate, Stichtelijk Huisboek.
42* J. Van den Vondel, 1605â1616. Het Pascha. â
Den Gulden Winckel. â De Vaderen.
43* â 1617. Vorstelycke Warande der Dieren.
44* â 1618â1620. Hierusalem verwoest. âDeHeerlyck-
heyd van Salomon. â Helden Godes.
45* â 1621â1626. De Amsteldamsche Hecuba âPala-medes.
46* â 1626â1629. Hippolytus.
47* â 1630â1636. Sofompaneas.
48* J. Van den Vondel, 1637â1639. Gysbr. v. Aemstel. â Elektra. â Maeghden.
49* _ 1639â1640. Gebroeders. â Joseph in Dothan. â Joseph in Egypten.
50* â 1641â1642. Peter en Pauwels. â Heldinnebrieven
51* â 1642â1645. Brieven der Heilige Maeghden. â Grotius' Testament.
52* â 1645. Altaergeheimenisser.
53â54* â 1646. Publius Virgilius Maroos W ercken.
55* â 1646â1647. â Maria Stuart. â De Leeuwendalers.
56* - 1648â1651. Salomon.
57* â 1652â1653. Horatius' Lierzangen.
58* â 1654â1655. Lucifer. â Inwydinge van't Stadthuis 1' Amsterdam.
59* â 1656â1657. Salmoneus. â Koning Davids Harpzangen.
60* â 1657. Koning Davids Harpzangen.
61* â 1657â1660. Koning Davids Harpzangen. â Jeptha.
62â63* â 1660. Publius Virgilius Maroos Wercken in Keder-duitsch dicht vertaelt.
64* â 1660. Koning Edipus. â Koning David in Balling schap. â Koning David Herstelt.
65* â 1660â1662. Samson. Adonias. â Bespiegelingen.
66* â 1662. Bespiegelingen II. â Joannes de Boetgezant.
67* â 1663. Batavische Gebroeders. â De Heerlyckheid der Kercke. â Faëton.
68* â 1664â1667. Adam in Ballingschap. â Ifigenie.â Zungchin.
69* â 1667â1671. Noah. â Feniciaensche. â Herkules in Trachin. â Ovidius' Herscheppinge I.
70* â Ovidius' Herscheppinge II.
71* â 1671. Ovidius III.
72â75. Nicolaas Beets' Dichtwerken.
76â77. Bernard Ter Haar, Dichtwerken.
106* Mr. J. Van Lennep, De vermakelijke Spraakkunst.
opgehelderd door een aantal 111. van Alfrbd Bonner.
107* â De vermakeljjke Latijnsche Spraakkunst, opgehelderd door een aantal Ulustratiën van Alfred Ronner.
108â110. Da Costa's Complete Dichtwerken.
Ill* A. G.L. Westenberg, Nationaal Kookboek, samengesteld door Nederlandsche Vrouwen. 2e druk.
112â113. Dr. Jan Ten Brink, De Schoonzoon van Mevrouw de Roggeveen.
114. â Het vuur, dat niet wordt uitgebluscht.
115â116. â Oost-Indische Heeren en Dames.
117. â Nederlandsche Dames en Heeren.
118. â Drie Reisschetsen. Op de grenzen der Preanger.-
Drie dagen in Egypte. â Van den Haag naar Parijs
119. â Jeannette en Juanito.
120. â Het verloren Kind.
121. â De familie Muller Belraonte.
122. â Eene âschitterende Carrièrequot;.
123â124. G. Keiler, Van Huis.
125-126. â Novellen.
127. â Gederailleerd.
128â129. â Novellen.
180. â Het Testament van Mevrouw De ïonnette.
131. â Novellen.
132. â Het Huisgezin van den Praeceptor.
Geïllustreerde boeken, met ' geteekend, kosten SO Cents ingenaaid en 90 Cents gebonden.
-
.quot;-.v ⢠- : r â â â : ' â '
I