ocr page 1

58

ocr page 2
ocr page 3

*

a

1

i

-

■j

J

i

I

f

]

_

_

ocr page 4

I

ocr page 5

DA COSTA'S

KOMPLEETE DICHTWERKEN.

ocr page 6

'h

ocr page 7

T* .

DA COSTAS

KOMPLEETE DICHTWERKEN

UITGEGEVEN

DOOR

J. P. HASEBROEK.

Achtste Druk.

j CQWV.WilC^LNS I

t o F n. ^ « . lt;• i w

x - .-Jr

LEIDEN. — A. W. SIJTHOPF.

ocr page 8
ocr page 9

WACHTER! WAT IS ER VAN DEN NACHT!

HEN LIED DES TlJDS, VOOEGEDRAGEN IN DE HOLLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN FRAAIJE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN, OP 13 DECEMBER 1847.

Men roept — Wachter 1 wat Is er van den nacht? Wachter 1 wat Is er van den nacht? De Wachter zegt: de morgen Is gekomen en het Is nog nacht.

Jes. XXI: 11, 12.

De wereld onzes tijds, met weten ingenomen zoo als geen vroegere ooit, zuigt in haar dorst by stroomen de vrucht der drukpers in, die gistend tot ons komt en hoofd en hart om strijd of prikkelt of verstompt.

Geen boeken evenwel die deze dorst verzaden!

Neen! op der stormen vlerk, gelijk de orakelbladen der Pythonis, gevoerd, of liever, over volk aan volk van uit den schoot der bliksemzwangre wolk by vlagen neergedaald, brengt Kennis en Beschaving, ons menschdom, uur aan uur, in 't Vlugschrift versche laving!

Een breede plas van licht, die de oogen scheemren doet! Een even snel vergaan als weer gewassen vloed!

Een zee van letters, waar, by 't zweepen van de winden, steeds vreemder schaduwen op rijzen en verzwinden in allerhande vorm, — en dan 'op eens één beeld (het uwe, o Geest des tijds!) zich afdrukt en herteelt vollediger, dan of Daguerre 't onder 't zweven bespied had, aangelokt en op zijn vlak doen kleven.

Is 't waar? en wordt bij 't'zweet der rustelooze pers door Vlugschrift en Journaal naar 't leven steeds en versch het beeld, de stem des Tijds herbaard? zijn zin, zijn pogen, beloften, dreigingen, vermeten en vermogen,

ons ieder dag verhaald? van ieder nieuwen stap in. i

ocr page 10

WACHTER! WAT IS EK VAN DEN NACHT ?

die ter volmaaktheid voert, verslag en rekenschap gebracht'? zoo sta het vrij die godspraak te ondervragen! Ja, by het kroost der Pers zich met de vraag te wagen, die uit het binnenst roept: .Wat is er van den nacht, ,o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?quot;

't Is licht, 't is schittering, waar oog of oor zich wende! 't Is overschittring van wat leemte ook of ellende door glans en gloed van Kunst, betoovring en Muziek, triomfgeschal van Rede en Wijsgeerte en Kritiek en Wetenschap, wier hand Natuur in 't jok geslagen,

en aan de luim eens kinds, eens stervlings welbehagen, dienstplichtig houdt, 't is roem op werklijkheid en — schijn, 't is onafhanklijk, zoo nog niet onsterflijk, zijn!

Bezweering, zoo nog niet bemeestring aller kwelling! 't Is voortgang, die zich zelf vooruitstreeft; 't is versnelling des levens, met de vaart waartoe de stoom pers prest; — beweging, onverpoosd, naar Zuiden, Oost en West,

met spoed steeds aangezet, indien nog niet op pennen van Dédalus door 't ruim, of met vertrouwbaar mennen van 't golvend luchtpaard door de wolk 't Is ongeduld, getergd door 't geen den wil 't zij hindert, 't zij vervult; straks, proeving van een kracht tot maatschappijontwrichting, zij 't ook onmachtig nog tot stichting of herstichting, — 't Zijn banen steeds verwijd, tot kennis, grootheid, eer!

't Zijn goden altemaal, — zoo niet die Godheid meer, die Edens onschuld schiep. Wiens Wet op Horeb straalde. Wiens liefde op Golgotha verzoenend zegepraalde, —

toch goden, mild van gunst, en niet te streng van tucht voor wie zich zelf ten god wil zijn, noch voor die zucht naar goud, nog immer, dat — voor ijzer afgewogen of door een strook papier vertegenwoordigd — oogen betoovert, zwaarden temt, en de Aarde wetten geeft.

En toch? hoe hoog. hoe stout de Tijdgod zweeft en streeft, een vruchtloos jagen naar bevrediging! een stemming van onvoldaanheid by 't bezit! een zielsbeklemming op 't steeds bekorte pad naar de einden van onze aard. by 't vorschen naar het doel dier teugellooze vaart!

En toch! by eiken stap van vordring in de streeling

ocr page 11

wachter! wat is eb van den nacht?

van trots en zinlijkheid, dat schrikgedrocht: Verveling!

Zy, dochter van de Weelde, en Wanhoops moeder, om

wier greep (of aanblik zelfs) te ontkomen, wellekom

gegroet wordt elke zweem van nieuwe lustverfijning

en puntverscherping van den prikkel, by verdwijning

van Schaamtes laatsten blos in 't droomen van genot

of grijpen naar een schijn van schitterender lot!

Ja, welkom elk geweld gepleegd aan hooge wetten

van spraak of kunstsmaak zelfs, niet strafloos om te zetten

voorheen, maar thands vertrapt, zoo slechts des Kunstnaars stift

zijn beelden scherp genoeg in 't weerloos harte grift.

Getuig het Poëzy des Tijds! die om nog scharen

te schokken, aan 't argot van raauwe moordenaren

een nieuwen hefboom dorst ontleenen, en die les

tot op de sophaas bracht van hertog en prinses.

Als of, — wen door Parijs met moord vertrouwde straten

de keten rammlend schuift van 't schuim der onverlaten. —

geen naamloos roofgebroed alleen gewaarschuwd zijn,

maar ook de zaal der Pairs weergalmen moet: „Praslin!quot;

Ha! dochter van de Pers, die d'adem dus doet trillen

en schokken in de borst, is reeds dat aaklig rillen

een antwoord op de stem; „Wat is er van den nacht,

o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht'?quot;

Een chaos! oud en nieuw in gisting met elkander! verandring, wat ook vall'! behoud, wat ook verander'! De Omwentling in haar kiem gekoesterd — in haar vrucht verafschuwd! 't Bijgeloof belachen — en geducht,

hetzij met Ongeloof hier kampend, daar verbonden! 't Geloof, zoo 't mooglijk waar', in twijfel van zijn gronden! Het Recht niet heilig, dan als noodzaak of geweld,

de zeden losgesnoerd, de liefde klein geteld,

de kennis wijd verspreid, 't zij tijdig of ontijdig,

maar, door miskenning van den zusterhand, éénzijdig en vaak verbrokkeld door het missen van een doel van hooger aart, voor 't minst, dan eindloos stoomgewoel en fluitend spoorgesnor. En toch! die stoom geeft wetten van ijzer, die weldra des werelds stand verzetten.

Die stoom is de adem van een nieuwe Heerschappij,

wier onbegrensde kracht elke andre werpt op z:;'.

3

ocr page 12

■wachter! wat is er van den nacht?

Een kracht, niet langer thands om 't woedend samenhorten der raderen gevreesd, maar om het nederstorten van bergen zilver in den afgrond dien ze ontsluit.

Voorts — trillingen alom, als met een dof geluid van Titans, onder de aard hun ketenen beklagend,

of aan die ketenen met woeste wanhoop knagend; vertwijflende Armoê, die geen God meer aanroept. Roof en Opstand, Burgerhaat om Wan- en Ongeloof, en 't honderdarmig kroost van Staatsveranderingen, het menschdom teisterend terwijl ze elkaar verdringen. Wy hoorden reeds van ver na- tegen nagebuur en bondgeno )t in 't veld, en — de Alpen spogen vuur! Een chaos: strijd alom van worden en ontworden, van duisternis en licht, van stilstand en wanorden!

Orakels van den tijd! Wat wordt er van dien nacht? en Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?

Wat dageraad breekt aan voor volkeren en kroonen?

Voor u (het eerst), voor u, mijn Vaderland? Betoonen de teeknen dezes tijds zich gunstig voor 't bestaan van 't plekjen duin en wier, den Westeroceaan ontworsteld? o! Wat oord van 'shemels welbehagen weleer! wat plek van God gekoesterd, in de dagen van 't Hem govallig pleit, met Spanje tachtig jaar, met Frankrijk keer op keer, gekampt! Toen elk gevaar, ja! dreigende ondergang dees natie werd ten teeken,

dat God stond aan haar zijde om 't heilig recht te wreken der vrijheid van 't Geloof, — der vrijheid door 't Geloof! En is dat pand nog 't uwe, o Neerland? of een roof der Wijs- en Vrijheid van gantsch andre dan die tijden,

toen al de vogelkens des hemels zich verblijdden en by u nestelden in schaduw van den boom geplant in martlaarsbloed by d'Evangeliestroom?

o Volk, in vroeger eeuw Hervormings Eerstgeboren? wat werdt, wat zult gy thands? Wien wilt gy toebehooren? den God des hemels en des Bijbels — of der Eeuw? Van waar verwachten wy 't ontwaken van uw Leeuw? den geest dier Vaderen, betemmers van de baren,

en, met Oranje aan 't hoofd, van aartsgeweldenaren? Van waar herleving? Ach! zal 't baten of de Wet,

ocr page 13

wachter! wat is er van den nacht?

die Vorst en Volk verbindt, herzien wordt en verzet,

en Voortgang en Behoud hun eisch doen ? zal het baten....

zoo Voortgang en Behoud het eens zijn in 't verlaten

van 't geen de rotsgrond was, waar Neêrlands Staat mee stond:

het met der Heeren Heer betracht geloofsverbond?

Zal 't baten? zoo het volk (de kleinen met de grooten)

der Vaadren erfenis laatdunkend blijft verstoten, —

ach! in wat school gevormd, wat leering opgevoed!

van schriften, druipende van walgend slijk en bloed!

van dagblaan, uitgeleerd in waarheids schijn of lastring,

hun feuilleton gericht op zede- en zielsverbastring, —

van schouwtooneelen, steeds tot lager peil gedaald!

van gruwelen vertoond! van walglijkheên verhaald!

Hoe? is voor 't lichaam reeds in aanleg, bouw en krachten, wat in den stroom zijns bloeds de voedingstoffen brachten door menging en gehalt bestemmend? zoo onthoud dan ook des menschen geest geen spijs, die voedt! Geef zout, geen gif, geef brood, geen drank, gestookt in helledampen! Of gaat ook voor ons volk de Tijd niet zwaar van kampen, waar de oude geestkracht by ter proef komt? Toont die tijd voor Staten, klein van rang, zich vriendlijk? Is de nijd van England uitgedoofd? Gaat Frankrijks hart niet langer, zoo ver de Rijn zich strekt, van de oude ontwerpen zwanger ? Dat Frankrijk, dat nog steeds van d' eigen bloedlust zwelt, 't zij de aandrift Koningen of Hugenooten geldt, —

't zij in den Barthelsnacht by bruiloftstoortslicht Guise, of voor 't Septemberfeest Marat zijn offers kieze!

Tlln slaat ook Duitschland niet op Neêrlands Noordzeezand ien blik bewondrend en belust? en biedt de hand van broederschap met minder dwang; en vindt het landschap beminlijk toch! en wenscht den band van stam ver wan tscuap gehandhaafd op 't gebied van Spraak, Philosophie,

Muzijk en Wetenschap en Vaart en Industrie;

ja, wil tot d' Oceaan één zelfde Kunstvereering,

één Duitsche Vaderland, één zelfde Lichtregeering!

Maar in dat Duitschland-zelf — wat is er van den nacht, o Wachter! welk een dag wordt aan de kim verwacht?

Neen! de eeuwen zijn niet meer, toen Zendeling en Herder in daaglijksch lijfsgevaar zijns Konings rijk steeds verder

5

ocr page 14

WACHTER! WAT IS EK VAN DEN NACHT?

in 't woest Germanje bracht, en 't, eeuwenheugend woud

tot steden, rijk bevolkt, tot velden, dicht bebouwd

herschiep; ja naar Gods woord: lusthoven uit woestijnen!

Nog min wellicht de tijd, die Luthers zag verschijnen,

gevolgd en voorgegaan van 't eêlste kennislicht,

maar dienstbaar, niet dat licht, aan 't Waarheidsrijk, gesticht

op de eeuwge liefde Gods en zijn gerechtigheden! —

De tijd, toen voor Euroop, bij psalmen en gebeden,

die leei ontsluierd werd, dat Woord herlevendigd,

waarvoor èn duisternis èn waanlicht eindlijk zwicht!!...

't Zijn nieuwe Apostlen thands, Spinosaas graf ter glorie!

't Zijn Strauss en Krause en Baur, herscheppers van historie

uit eigen Rede en Wil, en — goden van hun goön!

't Is Gutzkow, Duitsch Pindaar en Fransche Omwentlingszoon

de volken dagende ter kruistocht tot volbrenging

der leus van Diderot (1). 't Is Heine, uit de eigen menging,

van Fransch en Duitsch vergif op heel den Duitschen Bond

vuurschichten slingerend als uit Voltaires mond.

Ach! Duitsch lands diepten meê gaan zwanger: zwarte wolken

vergaadren; en ook daar ontroeren zich de volken.

Aloude wijsheid van het Weener Kabinet,

aan al wat is getrouw, ook zelfs aan Mahomet!

zult gy ze stillen'?.... of zult gy het, Pruissens Koning!

door al wat Christen was ten dage van uw krooning

met weemoed toegejuicht, als gy 't belijden dorst;

„Mijn schepter en mijn volk zijn van der Vorsten Vorstquot;...

Of vond by koningen of volken deze stemming

een weerklank V Alles zweeg! in toorn of hartbeklemming.

Uit Frankrijk roept de stem: „Wat is er van den nacht, o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?quot; De Julijschepping staat, 't Zijn achttien zomerzonnen van dat de lelie knakte in 't stamhuis der Bourbonnen, — Hoe zaagt gy dus van ouds, Bourbon en Orleans!

6

(twee staken van één stam, niet meer hereenbaar thands!) elkander dreigend aan, op 't wonderlijkst veroordeeld ■elkaar ten ban te zijn, ten vijand, en ten voorbeeld?

1

Het bekende: Et des boyaux enz. in welken geest Outzkow nog onlangs een vers schreef, van geen dabbelzinnlge beteekenls.

ocr page 15

wachter! wat is er van den nacht?

o! Schuldloos zeker, toch ontzettend stond reeds daar Philips van Orleans by 't half' gesmoord misbaar aan 't hof van Lodewijk den Trotsohe, om Frankrijks Kindren op één na weggesnoeid; — rechtvaardig, in 't verhindren van 's Konings jongsten wil by Frankrijks Parlement,

zat daar, een nieuwen tijd ten teeken, de Regent. —

Eerlang.... o! ziet gy hen?.... op de eigen bloedzeegolven gaat Orléans Bourbon naar 't moordbijlwerktuig volgen!

Philippe Egalité en Lodewijk Gapet!----

God van gerechtigheên! 't Is Uw vergeldingswet.

En straks! de Omwentlingskolk door 't Keizerszwaard verslonden,

het Keizerrijk ontstaan, het Keizerrijk ontbonden!

En weêr een Orléans geplaatst naast deu Bourbon!

en weêr Bourbon gedaald, en de Orléaiische zou

gestegen! welk een zon, omschitterd van wat stralen!

AH' koningskinderen: Joinville en Aumalen,

Nemours en Montpensiers, en — Orleans?.... verdween!

Graaf van Parijs! zult gij uws Grootvaêrs plaats bekleen?

Of, — schept Bordeaux nog moed, — zult gy, van Orléannea

omstuwd, gelijk weleer de Leenvorst vau zijn mannen,

de Fransche Julijkens gestand doen? tegen hem?

en Bonapaites schim ? en — de oude Omwentlingsstem,

weêr brullend uit haar graf? Hoor, luider dan de wetten,

heel de oppervlakte langs van Frankrijk, met banketten

den weergalm toegejuicht, en 't daverend onthaal

van Kobespierres leer in Lamartiues taal!

Moet dan de vraag in!bloed weêr opgelost? de twisten die in de Wetenschap als in de boezems gisten,

door 't vallen van de bijl weêr,doorgehakt? — die vraag zoo diep, zoo roerend, en ontroerender gestaag, der Maatschappij gesteld: Wat wordt er van uw Armen? — Het Evangelie roept; Eens Heilands vol erbarmen! Het Communismus eischt: Door my het evenwicht! De Revolutie dreigt: Aan my het eindgericht!

En op dien laatsten galm rinkinkelen de ketenen der moorders in hun hol, volvaardig te verrekenen met heel de maatschappij, en vragende inkt en bloed voor de aanklachtsacte, die zy voeren in 't gemoed.

7:

ocr page 16

wachter! wat is ee van den nacht?

De gronden schudden, 't Is de hand des Ongezienen, — Wiens recht, Wiens raad, Wiens weg ook die ze ontkent moet

dienen, —

loo de ordeningen nog in stand zijn. Toch is 't nacht, o Wachter! welk een dag wordt aan de kim verwacht?

Een stem van d' overkant! De krijtgebergten schaatren: „Leef, Groot-Brittanje! leef, en heersch op alle waatren!quot; Brittanje! ja, gy staat grootsch aan der volken hoofd!quot;

terwijl die grootheid-zelf nog aan een God gelooft,

zijn Evangelie eert, het woord van Godshistorie en Heilsleer, meer dan ooit, verbindt aan elke gloiie,

die om uw schedel speelt. Uit uwer zonen hand,

uit uwer dochtren mond, ontfangt het verre land van Hindostan dat woord, aan tijd noch plaats gebonden,

eens Heilands, Paria geworden voor de zonden der duizend duizenden ook daar. o! Sints den dag,

die aan uw Luipaards voet den Aadlaar storten zag,

wat natie nog als gy? Des aardrijks einden bieden uw' koopliên koningseer; een volk van edellieden erkent u heel Euroop, en eert tot in uw taal van waardigheid en kracht een vorstlijk ideaal.

Wat natie nog als gy? de wereld, van uw plannen, uw vloten, uw ontzag, uw staatkunde, als omspannen,

biedt half in duizeling u hulde, en wie u haat,

slaat de oogen voor u neer, en vraagt uw wijsheid raad, — die wijsheid, in nog meer dan de oppermacht der zeeën zich zelf behagend, in dees meer dan krijgstrofeeëu; Op Wilberforces stem de Negerslavernij in boei! op Cobdens woord de Britsche handel vrij! De onmooglijkheid beproefd, maar 't mooglijke ook gevonden Aan rustloos onderzoek steeds vleuglen aangebonden en vrije vlucht gegund in 't ruime kennisrijk,

mits — cijnsbetaling van Bespiegling aan Praktijk.

Wat natie zoo als gy? Het zonlicht in uw Staten weet van geen ondergaan, en toont u onderzaten van 't uiterst Canada tot d' ingebogen muur van Chinaas hemelrijk, onthemeld door uw vuur.

En toch! ook gy ontzet en voelt by oogenblikken uw binnenste aangedaan door nooit gekende schrikken.

8

ocr page 17

WACHTER ! WAT IS EB VAN DEN NACHT ? 9

Want aan den wortel van uw wonderboomen groeit

een worm, en knaagt een vuur aan dieper kolk ontgloeid.]

Niet lerlands honger slechts, met aaklig knarsetanden

haar levenden en do5n uitwerpende op uw stranden!

Niet Londens armoe zelf, beklagelijk gedrocht

met kronkelende pijn zich wentlend in zijn krocht!

Neen! Londens grootheid eer, zich-zelve steeds ontzwellend,

zich zelf geen andre grens dan half eSn wereld stellend!

Weldra geen England meer dan Londen, dien abyss

van ontucht-, valschheid, roof- en bloedgeheimenis,

die zich in nacht omhult, of wel, met Satansgrootheid,1

zich toont in 't openbaar, en al haar diepten bloot leit.

Ziedaar de felle slang, die aan den wortel wast]

van 't gadeloos Brittanje! o Bergen opgetast

op bergen! goud op goud! gebouwen op gebouwen!

Wie durft de schittring van uw koepelglans vertrouwen?

De zwaarte van uw top, die reeds de wolken raakt?

Diep is der Weelde slaap, en toch —ook zy ontwaakt

en schrikt by wijlen van haar koets op, als de stoffen

van gaz, van stoom, van trots, reeds hier en daar ontploffen, -

als bank- op bankbreuk met den aardschok die ze baart

de pijlers van de Beurs doen siddren, — als de Aard

door Englands dagbladpers de vraag hoort overwogen:

„Is England rijk of arm? Dat reuzig volksvermogen

een sterkte op rots gebouwd, of op bezwijkend zand?quot;

En dieper schuilt het vuur, en feller dreigt de brand.

Uit Oxford is een stem, niet fluiatrend meer, vernomen,

die naar den voorhof roept van 't afgezworen Romen! (1)

en dan, Brittanje! en dan?....Wat wordt er uit dien nacht,

o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?

America daagt op, bewelkomd steeds met kreten,

maar andte, als toon Columb, van golf op golf gesmeten, in 't eind haar kust omhelsde, en 't hem verschenen land verzekerde aan de Kerk en Koning Ferdinand!

Onze eeuw, sints tachtig jaar, ziet aan die Westerstranden met heilverlangend oog, met uitgebreide handen,

een andren glamp;ns van roem, een andre ster vau hoop

1

Het Puseylsma

ocr page 18

WACHTER ! WAT IS EE VAN DEN NACHT ?

voor 't oude en afgetobde en overvolle Euroop!

Des werelds loop keerde om. Dat Westen werd ons 't Oosten

eens heiltijds, die onze aard van al de smart moet troosten,

geleden eeuw aan eeuw van de oude Dwinglandij!

Daarheen! van waar het eerst die versche klank van „Vrijquot;

Euroop doordaverde. Daarheen! wie lucht en leven

behoeft, wie boven stof en maatschappij wil zweven,

op meiren oeverloos, op bergen sterrenhoog,

op velden, eindloos vlak en 't onbeneveld oog

door geene oneffenheên beleedigend. Daarhenen!

Wie van historie en ruïnen zich kan spenen

voor enkel rnenschheid en natuur; — wie arbeid wil,

't zij voor een bete broods, die slechts den honger stiü',

hetzij om overvloed en schat. Rukt uit de pinnen

van de Europeesche tent, wie God en vrijheid minnen!

de vrijheid van de Kerk, en vrijheid van den Staat,

der pen, der pers, des wils, naar ieders lust of baat! —

maar naast die vrijheid, — hier, de Lynchwet (de Inquisitie

dier wereld) (*), daar de kreet van: dood aan de Abolitie!

en, naast dien volkswil en haar meesterenden blik,

in stelsel en praktijk de heerschappij van 't Ik, —

voor recht, de ontwikkling van den enkling, — samentrekking,

van Staat- en zielskracht op dit hoofddoel, deze strekking!

Ach! de appel ook aldaar meer d' oogen dan den mond

voldoening schenkend, en meer blozend dan gezond!

De driften, ook aldaar als in Europa gistend,

het schepsel ook aldaar met zijn Formeerder twistend!....

En toch! America! dat u geen Christen smaad'!

geen Protestant miskenn'! Een zaad, een kostbaar zaad

van Godsvrees, Christendom, Geloofstrouw, hebt ge in dagen

van vijandschap ten bloede uit England meegedragen;

een zout, een licht, een kracht, door't Waarheidswoord dat sticht

Dat zout werd op uw grond niet zoutloos, en dat licht

niet uitgedoofd; die kracht bleef aan uw kroost gedijen,

niet krachtloos ooit gemaakt, zelfs door geen dweeperijen

als door de weligheid uws bodems voortgebracht.

Welaan, gy andre helft van 't Britsche voorgeslacht!

10

wat aardsch of volksbelang uw kindren nog moog scheiden,

lquot;) Het Amerikaansche Volksgericht zonder vorm van proces.

ocr page 19

WACHTER! WAT IS EE VAN DEN NACHT ?

voor 's werelds hoogst belang waakquot; 't heilgeloof van beiden! Volhard, America! in 't brengen van de stem.

des Redders aan de doón in 't droef Jerusalem,

en voorts, van pool tot pool, van 't Westen tot het Oosten, om hoogten te vertreên en needrigen te troosten.

En nu! de tijden spoên! Wat is er van den nacht,

o Wachter! welk een dag wordt aan de kim verwacht?

Zal 't jonger werelddeel Europa blijven leeren om vrijheid, orde en licht naar 't Westen zich te keeren? Werd voor ons nakroost daar de vrijheidseeuw gebaard?

Of zal 't, een vrijheid wars, te ras in dwang ontaard, eer vluchten in zijn angst by d' Arend van het Noorden,

waar, by het somber licht der scheemrende IJszeeboorden, de zoon der Westerkust den Oosterling ontmoet,

en 't vrije America 't vrijmachtig Rusland groet?

Wie zou uw greep weêrstaan? wie zal uw vlucht baperken? Tweehoofdige Adelaar, die met uw breede vlerken twee werelddeelen dekt! ontzachlijk, 't zij ge uw blik op Polen neerslaat of den Caucasus! Uw schrik klopt in den boezem nog dier schaars getemde Gallen,

wier legers gy het eerst deedt waggelen en vallen.

Geen Westermogendheid, maar Oosterheerschappij spreekt uit de ontplooiing van uw Keizersmantel! Gy,

sints Moscow, niet gewoon dan aan triumfen vieren.

Gy, waar gy 't schreeuwen hoort der Revolutiegieren,

gereed te dalen uit de hoogten van uw nest,

en de aard te zuiveren voor 't minst van deze pest!

Wat is 't dat u weerhoudt? — O! de Eeuwgeest kent zijn krachten en gy spilt de uwe niet, te krachtiger door wachten, te zekerder door kalmte en eedlé matiging,

11

als toen van Balkans kruin uw blik den Othman ging vernielen.... en zich wendde! (1) — o Grootheid, opgewassen nog sneller, zoo 't kon zijn, dan in onze IJmoerassen 't genie van Peter-Baas ze dacht! En wat zult gy in dezen barensnood of wisslend zeegetij van tijden? wat zult gy beslissen voor de vragen, der menschheid opgeleid in deze wondre dagen?

1

A°. 1829.

ocr page 20

wachtee! wat is eb van den nachï?

Gy, met uw honderden van stammen, tot één kracht

in de onderworpenheid vereenigd aan één Macht?

Gy, met uw duizenden steeds versch gevonden bronnen

van legers, vloten, goud, — by wijsheid, diep bezonnen?

Wat gaat ge ons zijn? een rots die schaduw geeft en laaft?

of — in zijn holligheên een werelddeel begraaft?

Europe, wie nog pas van uit het strenge Noorden

de slaking werd gebracht uit Dwangzuchts hardste koorden

moet nog een tweede maal dat Noorden opgewekt

ter wraak, door 't tergen van een Vrijheid, overdekt

met bloed, en ras verkeerd in louter tijgerwoede?

En dan — niet langer meer ter redding, maar ten roede, —

ten oordeel, — dan wellicht om niet het mom alleen

van vrijheid, maar haar-zelf voor altijd plat te treên,

ja, Asië op Euroop ten zondvloed los te laten.

Moet dit nog 't einde zijn der Europeesche Staten

na eeuwen Christendom, Beschaving, Overmacht? —

Vreest, Volken! vreest den God des hemels, en veracht

het woord der Almacht niet, die tot dit Heden spaarde!

En ook gy koningen! gy goden dezer aarde!

aanbidt den Zoon! Heil u en ons, zoo ge in dien naam

èn recht èn vrede zoekt! Wee n en de aard te zaam

van hoog- en overmoed! Hy laat zich niet bespotten!

't zij 's werelds Mogendheën, 't zij volken samenrotten.

En dringend wordt de stem: „Wat is er van den nacht,

o Wachter! welk een dag wordt aan de kim verwacht?quot;

Doch ook het Zuiden nog toont teekenen van leven! Wat seinen zijn van daar den volkeren gegeven? Wat vreemde trilling des Vesuvius! Hoe dus?

regeert in 't Vatikaan een nieuwe Julius?

Een krijgsman, onderricht by Bonapartes vanen? Een kerkhoofd, opgestaan voor 't recht der Italjanen?

Neen! aangebeden met den naam van Liberaal, om overleggingen op nog veel grootscher schaal dan ooit de twistzaak stond van Guelf en Gibellijnen?

Zijn lof doorgalmt het Zuid, ja, over Appennijnen en Alpen, 't vaderland van Luther, Ronge en Strauss, en — Groot-Brittanje hoort de hymne van den Paus.

Hoe nu! nit Homes lucht het lichtwoord van Hervorming?

ocr page 21

wachter! wat is er van den nacht?

Welaan des! geen geweld als van kasteelbestorming! 't Is Staatsveibeetring, 't is herstel van orde en recbt!

Maar dan ook aan de Kerk haar zuivring niet ontzegd!

Maar dan ook aan het licht ten onverganklijk leven,

aan 't woord der Godheid-zelf, haar hoogen eisch gegeven! Maar dan ook op die stem niets wankelends, niets flaauws, en... 't Pausdom langs dien weg vernietigd door den Paus?.. Of wel, geldt deze roep, by Zuiderdriftenkoeling,

slechts dienstbaarheid aan de Eeuw, slechts aardsche vrucht-

[bedoeling,

slechts doornen ? j a, misschien by alles wat hy baart voor 't Ongeloof een vaan, voor 't Bijgeloof een zwaard? Spreek, Wachter! welk een tijd ligt in den tijd verborgen? Maar, blijft de duistre nacht, o! zeg ons ook den morgen!

Van 't Oosten komt de zon. Daar is, o Adams kroost! uw bakerraat. Van daar het licht! van daar de troost!

Maar ach, dat Oosten!.... Van zijn Godgewijde streken, van al zijn wereldmonarchijen, is geweken de wortel mét den tak, het leven en de zon.

't Werd vormloos als onze aard, eer dat de Geest begon te broeden over 't Ruim. 't Zijn huilende ruïnen,

paleizen voor schakals en stroopende Bedwienen.

Het zaad van Japhet nam de tenten in van Sem.... Het Oosten spreekt niet meer. Alleen Jerusalem, —

ook zy een tombe.... maar Prophetenadems zweven en lisplen om dat graf: Uw dooden zullen leven! Wie zijn ze, die dit puin met lijkmisbaar en klacht sinds achttienhonderd jaar beleegrend dag en nacht in 't slavenkleed, met hartverscheurend kleederschcuren,

dien negenden van Ab onafge'mat betreuren,

waarop de Tempel viel? — 't Is Israël, bekend door ballingschap en ban van 's werelds end tot end 't Is 't volk, door d' eigen smart verworplijk en verheven; 't volk, dat den volkeren een Redder heeft gegeven, en — voor zich-zelven derft, tot Gods gezetten stond; het volk, der Heidnen smaad, maar dat des Christens mond met deze taal begroet, met deze zegenzegging:

„Uw Jesus is mijn Heer! De krachtigste weerlegging ,van 't machtigst ongeloof is ons uw voortbestaan!

13

ocr page 22

14 wachter! wat is ee van den nacht?

„Ons heil, wat Abraham geloofd heeft, gy misdaan!

,Een zon van heerlijkheid zal 's werelds nacht doorbreken, „wanneer gy knielen zult voor wien gy hebt doorsteken 1 „Uw Koning, de onze, komt. Herleef, Jerusalem!quot;

Reeds oopnen ooren zich en harten voor die stem,

en vallen achellen ook aan Israël van de oogen!

En voorts! daar is een strijd; een worstelen en pogen naar 't geen weêr de Eeuwgod toont van uitgelezen gunst aan Rijkdom en Vernuft, aan Wetenschap en Kunst! Een worstling, om den berg van tweemaal duizend jaren zich af te schudden van den hals! Wat zal zy baren, die worstling? en ook hier: Wat is er van den nacht, o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?

De Wachter antwoordt: Hoort het woord des Heeren Hee.

ren! (1gt;

De dag breekt aan, dat ziet! een Koning zal regeeren,

een Rots, een Schuilplaats voor den hoogen waterstroom!

En Hy zal zijn een Scheute uit d' afgehouwen boom

van Jesse, die den troon van David zal bekleeden

en richten Jacobs huis met heilgerechtigheden.

Hem staren als hun Hoop de verre Heidnen aan.

Met d' adem van zijn mond zal Hy de boosheid slaan,

het jok verbrijzelen van 's werelds aartstirannen,

de Macht der duisternis in 't eeuwig duister bannen,

en vestigen op aard zijn eeuwig koninkrijk

van Waarheid, Recht en Rust. Daar zal geen ongelijk

noch haat zijn. Ephraïm zal Juda niet benijden,

geen volkren meer elkaar, geen wolf het lam bestrijden.

Aan alle plaatsen zal Gods kennis zijn en vreê,

en overdekken de aarde als wateren der zee.

Een nieuw Jerusalem gaat van den Hemel dalen,

van waar op al wat leeft de Heerlijkheid zal stralen:

een meer-dan-Paradijs, van uit den Liefdestroom

der hemelen gedrenkt, — met d' eeuwgen Levensboom,

wiens blaadren voor altoos der volkren smart genezen!

God-zelf zal daar het Licht, zal daar de tempel wezen,

daar zal geen vloek meer zijn, geen zonde meer, geen nacht.

De Morgenster gaat op! Hy, Wortel en Geslacht

1

Jes. XI. Openb. XXI en XXII.

ocr page 23

wachter! wat is eb van den nacht?

van David! — Vredevorst, naar wien Gods schepslen zuchten Hosanna! 't is Uw rijk! 't zijn van Uw bloed de vruchten; — van al wat de aarde leed sints de eerste zonde-ellend,

van al wat de aard misdeed, de ontknooping en het end!

1847.

DE S T 15 M DES HEEREN.

VILK EN TWINTIG FEBRUARI 1848.

De stem des Heeren is op de wateren, de God der eere dondert. — In zynen tempel zegt hem een legelyk eere. — De Heer heeft gezeten over den watervloed, ja! de Heer zit, koning In eeuwigheid. Ps. XXIX: 3, 9, 10.

De Eeuw hernam het geen zy gaf,

Orleans naar alle kanten schudt zijn koningsdiamanten

als onrijpe druiven af!

By het zwijgen der kanonnen

voor den schorren vrijheidsschreeuw;

by den weekreet der Bourbonnen,

en de snikkingen der Weeuw;

by het baldrend handgeklap en der gram geworden volken en der hoogst gevierde tolken

van Vernuft en Wetenschap;

by het staren van den Christen, —

wien de orakels van zijn God van het einddoel vergewisten, —

op de gangen van het lot.

God is koning! de aarde beeft.

Bergen slonken, dalen rezen,

alle wereldhoogten vreezen, —

God is 't, die gedonderd heeft!

die de breed getakte boomen

van den Libanon verplet!

die bevel geeft aan de stroomen of de branding nederzet!

God is koning! de aarde dreunt.

Ziet! een Machtige is gevallen,

15

ocr page 24

DE STEM DES HBEREN.

hoop en steun der duizendtallen

i-'.ooi tienduizenden gesteund.

Jlitar bet Godsuur had geslagen,

ea de menschenschepping viel!

't Zij gy roem of rouw moogt dragen, menschheid! schouw het aan en kniel

God is Richter! de aarde wacht. De aarde ontroert en staat verwonderd, als de God der eere dondert

en den dag verkeert in nacht.

Over de opgedreven waatren wandelt Zijne koningstem!

Zeeën schuimen, scharen schaatren, — en de storm verheerlijkt Hem.

En te midden van d' orkaan geeft Hij vrede aan wie gelooven! Hierbeneden en daarboven

in Zijn tempel bidt Hem aan! Tusschen al die onweêrsgaltnen

rollende over berg en rots.

ruischt het daar verlossingspsalmen, daar genadewegen Gods!

Zanger (*), eenmaal opgevoed by gewijde Bijbelwoorden,

straks, door kracht van taalakkoorden,

tot een heerscber op 't gemoed, tot een heerscber over scharen,

die ge op één gegeven stond op doet bruischen en bedaren naar 't bezweeren van uw mond!

Wat gy waart en wat gy deedt,

toen ge op eens uw idealen iu het leven af deedt dalen,

en een troon in duigen smeet,

toen Gy meer dan koningsplichten op uw schouders overnaamt, —

ocr page 25

DE STEM DES HEEBEN.

zal de God der waarheid richten,

die des aardworms waan beschaamt.

Dichter! Volksheld! Wie ge ook zijt, roekloos Wet- eu eedverhreker,

of van God verwekte Wreker,

vloek of redder van uw tijd!

'k Wil geen glorie u betwisten,

slingren op uw hoofd geen blaam:

maar de toekomst hooit den Christen, — gy, maakt ge aanspraak op dien naam V

[Dichter! Volksheld! en gy vicli! \quot;) voor een andren rosbeklemmer,

voor een driester monsteitemuier

zaagt ge straks dat volk geknield. Als de vrijheidswaatren holden

over Frankrijks paradijs,

klonk een stem, en ziet! zy stolden,

en de stortvloed keerde in ijs.

Is 't op nieuw des Aadlaars tijd? Is Napoleon herrezen met die vlucht die ze allen vreezen? —

Consul! Keizer! wat ge ook zijt!

k Zal geen stoutheid u betwisten, ' werpen op uw hoofd geen blaam;

maar de toekomst hoort den Christen, — maakt gij aanspraak op dien naam?]

Wie dien voert, hy gaat te raad met geen wijsheid dezer aarde!

't Woord dat God eens openbaarde,

is de rota, waarop hy staat.

Tegen de Eeuwleus: „zelfvolmaking!quot; [tegen Romes Schriftverzaking]

antwoordt zijn banier: „Gena!quot;

aller wereldsmerten staking gaat hem op uit Golgotha!

ocr page 26

DE STEM DBS HEEBEN.

Ja! op Golgotha onthuld staat ook 't raadsel dezer dagen!

op den bodem aller vragen

ligt des werelds zondeschuld.

Waait ge in staat die weg te dragen,

menschenkindren, aardsche goón? Zoo bestijgt den zegewagen —

maar zoo niet, aanbidt den Zoon!

En verwacht het heil van Hem,

grooten, kleinen, zondaars, volken!

In dat kraken Zijner wolken

dreigt een oordeel, roept een stem. Dat Hem alles hulde geve,

hymnen brenge, knieën buig'!

Hem, den Richter! de aarde beve!

Hem, den Koning! de aarde juich'!

Plascht het tranen, ruischt het bloed, dondren woede en lasterkreten?

God als koning is gezeten over d'opgezetten vloed.

Wederkaatst door hemelpsalmen,

antwoordt uit het heiligdom,

midden onder de onweêrsgalmen,

't jongste woord Zyns Woords: Ik kom.

1648 EN 184 8.

UITGESPROKEN IN DE

OPENBARE VERGADERING,

PEB TWEEDE KLASSE VAN HET KONINKLIJK NEDERLANDSCH INSTITUUT

VOOR WETENSCHAPPEN, LETTEREN EN SCHOONE KUNSTEN,

OP DEN 258ten APRIL 1848.

Op dat men wete van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten My geen God Is. Ik ben de Heer en niemand meer. Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede en s\ïhep het kwaad. Ik de Heer doe alle deze dingen. Jes. XLV;G, 7.

Zestier.honderd acht en veertig!

Doorgeworsteld was de kamp,

en ten eind de schriktafreelen

van een dertigjaar'gen ramp.

18

ocr page 27

1648 en 1848.

en vergaan de laatste vonken

van den tachtigjaar'gen brand! Vrede! Vrede! galmde Europe, —

vrede, Duitsch- en Nederland! Uit de graauwe kruiddampwolken

steeg een koesterende zon!

Nieuwe tijden zijn voldragen,

en een nieuwe loop begon.

Achttienhonderd acht en veertig

en de band der Staten sprong, en de dam werd doorgebroken,

die de Omwentlingszee bedwong! Oorlog! oorlog! davert de aarde,

oorlog! de oorlog, schier verjaard, lang door weeën aangekondigd,

thands in vollen dosch herbaard! In d' orkaan van Februarij

werd gebluscht de Julijzon! en daar rezen nieuwe tijden

en een nieuw Euroop begon.

Te midden van 't rumoer van omgeworpen troonen, paleizen neergehaald, en aangegrimde kroonen,

't gedeun der volkeren, in gramschap opgestaan,

den knal van glansen, uur aan uur te niet gegaan, en 't openbersten van den vuurberg, die de kimmen der toekomst dekt met rook, of als van bloed doet glimmen, heeft Duitschland, heeft Euroop, heeft Nederland nog voor herinneringen uit een vroeger dag gehoor?

Zoo zij 't voor dezen galm: de vrede van Westfalen! Geschiedkunst op dien naam wijst hemelwaart. Haar zalen slaan open, waar vergaard een talloos voorgeslacht de wanden overdekt met daden, lang volbracht,

van eedle koningen, van aartsgeweldenaren,

van helden, wijzen of regenten, martelaren,

of wrekers, natiën en stammen. Osnabrug en Munster keeren hier op de eb des tijds te rug; onsterflijke aardplek, waar twee vuurrivieren stolden,

die in elkaSr gevloeid reeds zoo veel jaren holden,

wijd over berg en dal de gronden zengend! Ziet

ocr page 28

1648 en 1848.

de sporen van hun loop in 't eindeloos verschiet

van wegen, dicht bezaaid met blanke beendren, — steden,

verpletterd of ontvolkt by duizend iislijkheden;

hier Naarden, Haarlem en Ostende, of waar verwoed

de Spanjaard afstuit op een uitgevasten stoet, —

ginds, gruwzaam boven al wat ooit kronyken meldden,

den moord van Maagdenburg! maar links en rechts uw velden.

o Nordlingen! uw' kamp, o Leipzig! en den slag

dien, Maurits! Nieuwpoorts zon u winnen hielp en zag.

Ha! op dat bloedig zand, die platgeschoten muren,

wat scheemring, weeralend van ontzachlijke figuren,

krijgshoofden, aan elkaar in stoutheid en genie

gewaagd, maar ongelijk in grootheid! daar, Tilly

en Weimar, — Wallenstein, nog wijzende op de wonde

ontfangen op geen bed van eer, maar op zijn sponde

in nachtelijk geheim! en, óver hem, de Held

van :t Noorden, in den arm der zegepraal geveld!

Hier, tegen Spinola en Al va en Farnese,

het Graaflijk twintigtal, in hunnes Ueeren vreeze

tot aan den jongsten snik uw krijgsdevies getrouw,

vliesridder EngelbrechU „Ce sera moi, Nassau!quot;

Maar in geheel die rij, wier schaduwen hier zweven, wie achtbaar meer dan Gy, wie nevens u verheven, doorluchtig Prinsenhoofd! wien na driehonderd jaar dit Neerland nog vereert, als d' eêlsten martelaar der vrijheid, die 't u danktV Beleid- en krachtvol Krijger en éénig Staatsheid! diep maar ongekunsteld Zwijger en zielvol spreker! in wiens nooit bekrompen borst één zelfden adem schept de Volksvriend en de Vorst! — Wat vijanden, zoo koen, die hem de kroon betwisten van Staatsbezieler en bevrijder? Maar de Christen eert eindloos meerder nog in hem; in hem dat hart,

zoo sterk in eigen leed, zoo week voor andrer smart; dat hart, ten worstelkamp met Kareis zoon bewogen het eerst door deernis met verdrukten, mededoogen met bloedgetuigen van Gods Woord! Straks greep dat Woord hem-zelven in de ziel. Ach! voor die zaak doorboord,

was ook zijn laatste zucht een bede van ontferming voor 't volk. in allen nood, van hoogere bescherming dan aardsche mogendheên verzekerd door zijn mond.

ocr page 29

1648 en 1848.

Gedenk, God van genade, aan dat geloofsverbond!

Gedenk het nog, kan 't zijn, hoe ook van onze zijde geschonden en verbeurd! Gedenk het f allen tijde,

't zij Dwangzucht persende van boven ons bedreig', of opdage, even snood, van ondren! Neig, o! neig het hart van Vorst en volk, om raad by ü te vragen voor d' eisch, de schuddingen, de krankheén onzer dagen! De wijsheid, die Uw gunst aan d' Eersten Willem gaf, strale op het moedig hoofd eens Tweeden zeegnend af!

'j Zijn viermaal vijftig jaar. — Oranje had zijn leven as' ■ 't diep geworteld werk groothartig prijs gegeven; zi i bloed, zijn goed, zijn zaad! Twee nieuwe Wrekers treén Toroovrend in zijn plaats! Een kroon van vijftig steên lankt Utrechts Unie aan hun zwaard. Hun zegepralen voltooit, of stuit veeleer, de vrede van Westfalen.

De Maagd van Neerland hief haar hoofd op, en zag rond! Wat zag zy? enkel puin op uitgeblaakten grond door Spanjes steeds op nieuw als opgeschoten horden? Of wel — den lavastroom reeds vruchtbaar veld geworden? Neen! onder 't barnen zelf van 't tachtigjarig wee een 8taat volwassen, en reeds Mogendheid! de zee ontzagvol deinend voor den donder van die vloten,

die 't ijs des Noorderpools haast hadden doorgestoten,

maar straks langs zeekrer weg der Oceanen kloof doorsnelden, om Filips zijn Portugeeschen roof te ontscheuren, ook in de Oost geen Spanje te geheugen, en Javaas Paradijs een nieuwe wet te brengen.

De Maagd van Neêrland hief het hoofd op; ja! zy zag,

lang nog vóór d' eersten straal van Munsters vrededag, den wereldhandel met zijn honderden haar steden,

voor 't stormen onvervaard des oorlogs, ingetreden; Antwerpen, Lissabon, Venetië, aan het IJ verplaatst, dat sints omgord met zijn vierdnbble rij (het Raadhuis volgde eerlang) van prinselijke grachten, de wonderen dier eeuw nog zegt den nageslachten — den zegen van een grond, die d' armen voedzaam brood, den arbeid overvloed, den balling 't welkom bood! De Maagd van Neêrland looft. Gods wateren besproeien haar zevenvoudig erf, en al haar velden bloeien

21

ocr page 30

1648 en 1848.

in schaduw van de rots der vreeze van Zijn naam!

De krachten des Vernufts gaan met dien bloei te zaam:

de kunst, die 't water keert of d' uitweg aan zal wijzen;

de kunst, die 't klei bezielt, die 't marmer op doet rijzen; —

het doek van Rembrandt, forsch en somber; 't bruischend lied

van Keulens Zangzwaan met zijn vlammend koloriet,

zijn vollen orgeltoon. Maar ook de Wetenschappen

beraamden hier alreeds haar stoute reuzenstappen,

om nieuwe werelden te ontdekken of te ontleên

in d' ether boven, in den waterdrop beneên.

Een trits van Scholen, bron en brandpunt van beschaving,

(ook zy, by krijgsalarm geplant!) stort licht en laving

aan al wat kennis zoekt op 't aardrijk wijd en zijd,

die kennis bovenal, die van de zonde vrijdt.

De Kerk van Christus slaat dees tijden dankend gade,

en geeft haar Koning de eer, — Zijn Vriimacht, Zijn genade!

Neen! roept ze. Uw gangen zijn als de onze niet, o Heer!

uw wegen boven de onze èn hoog èn heerlijk, meer

dan boven dit ons stof en d' aardklomp, waar we op weemlen

de glans en majesteit van Uwer heemlen heemlen!

Wat menschlijk overleg zou hebben toegedacht

aan vredesjaren, lang en koesterend en zacht,

dat voert uw wijsheid uit door tusschenkomst van schokken,

die uit de sombre wolk den malschen regen lokken!

Hoe nu? de krijg voortaan niet vreeslijk meer den mensch ? Geen kalme vrede meer zijn uitzicht en zijn wensch? —

't Zij ver! Maar 's menschen geest, verslingerd aan deze aarde heeft vaak ook deze gaaf en wat haar weldaad baarde, gemisbruikt en miskend, de rust verkeerd in lust, ten doodelijken slaap zich-zelven ingesust,

of wel den stroom des bloeds, die vrij en frisch moet bruizen, bevriezen laten of vermoddren in zijn buizen.

Neen, meer! des menschen ziel in eigen wil verstrikt, in 't zondenet verward, moet somtijds opgeschrikt van Boven, om den God der heerlijkheid te vreezen,

te zoeken! Is dan 't hart nog vatbaar voor genezen,

dan zijn die schuddingen behoudend, zelfs de krijg,

het zij der volken of der geesten, op dat zwijg'

begoochling, — opengaan gewetens, — afgoön vallen,

Gods Woord zijn werking doe door 't kruis, — den duizendtallen

ocr page 31

1648 en 1848.

der opgeschrevenen ten leven, tot een stof

van aller eeuwen loop doordaverenden lof!

Dan eerst, als van haar ban deze aarde zal bevrijd zijn,

de mensohheid aan den Heer, die haar herschiep, gewijd zijn,

geen zee meer wezen zal, waaruit de zonde welt,

Geweld en Onrecht in hun eeuwgen boei gekneld, —

dan eerst zal 't vrede zijn, waaraan geen wormen knagen,

dan eerst is, naar den raad van 't hemelsch welbehagen,

geen strijd meer noodig, — maar Gods heil te zien, de lust.

en in alle eeuwigheid Zijn werk te doen, de rust.

Zestienhonderd acht en veertig!

en doorworsteld was de kamp, -en ten eind de schrlktafreelen

van een dertigjaar'gen ramp, en vergaan de laatste vonken

van den tachtigjaar'gen brand! Vrede, vrede! galmde Europe —

Vrede! Duitsch- en Nederland! Achter graauwe kruiddampwolken

stijgt een koesterende zon!

Nieuwe tijden zijn geboren,

en een nieuwe loop begon!

Achttienhonderd acht en veertig

en de band der Staten sprong, — cn de dam werd doorgebroken,

die de Omwentlingszee bedwong! Oorlog! oorlog! davert de aarde,

oorlog! de oorlog, schier verjaard, lang door weeën aangekondigd,

thands in vollen dosch herbaard! Onder ging de zon van Julij

in den loeienden orkaan!

cn daar rezen nieuwe tijden

en een nieuw Euroop brak aan!

't Was vrede, wat Euroop sints tweemaal negen jaren (zij 't mooglijk blozend soms!) zich voornam te bewaren, als waar 't een talisman en waarborg van behoud,

geroemd, gevierd, gekust, — toch! in 't geheim mistrouwd.

23

ocr page 32

1648 BN 1848.

't Was vrede, zwoel en zwaar, als wen by zomerdagen een straal, van tijd tot tijd, en doffe donderslagen het onweer spellen aan de zwoegende natuur,

en dan op nieuw de lucht verheldert, maar het vuur des dampkrings mensch en dier belaadt met dubble zwaarte 't Was vrede, maar die vrede een waggelend gevaarte, met eiken nieuwen steen zijn storting nader by!

Dan, neen! zoo lang de staf van Frankrijks heerschappij gevoerd wordt door het Hoofd der wakkere Orléannen,

geen nood! Dus meent de vrees zicli-zelven te vermannen. Die vrede (Algiers alleen meldt nog van krijgsgeweld!) broedt menigten alom, met klimmende angst geteld,

slechts hier en daar gedund door koene landverhuizing, en voorts, by zwermen, met van onrust zwangre zuizing verstikkend opgetast in vesten, Babelhoog.

't Is spanning, dreigende als de spanning van een boog!

want aan die menigten, om werk en brood verlegen,

benijdt hel werktuig, aan des menschen plaala gestegen, den arbeid en zijn loon. De Maatschappij gevoelt haar evenwicht gestoord. Haar lichaam kwijnt en woelt by beurten: 't is de plaag van kankrend pauperisme, onredbaar evenzeer voor breinloos Communisme,

als voor Bespiegling, die in fijn geweven taal verdoving, sussing, maar geen heeling brengt der kwaal.

Verlichting middlerwijl vervolgt haar loop veroovrend ook zy ontdekkend meer dan heelend, en meer toovrend dan stovend, — zy, die naam en schittring al te vaak. eenzijdig en ontrouw, ten dienst leende aan de zaak van heilloos Ongeloof, natuur of menschvergodend, of 't menschdom openlijk tot vleesch- eu stofdienst noodend, — hoe 't zij, de volken eer vervreemdend van den God, de ontkenning van Wiens woord en éénig goed gebod van ouds de welbron was van 's werelds diepste ellenden!

't Was vrede! vrede, wien te storen of te schenden geen Mogendheden meer bestonden in dees tijd,

maar onder wiens fluweel, of donzig moschtapijt de brandstof tot een kamp broedde in verborgen holen, een kamp veel schiikbrer dan met Hunnen of Mongolen als de aarde teisterden in dagen lang verleen, —

de krijg (verhoed hem nog, God van weldadigheên!

ocr page 33

1648 en 1848.

en keer den vloed die wast voor reeds geschokte dijken!) de onoverzienbre krijg dor Armen en der Rijken.

Parijs, de polsslag steeds van Frankrijk en Euroop,

spelde in dees laatsten tijd der krankte een nieuwen loop. Napoleons gebeent vond by zijne Invaliden de aloude geestdrift nog wellicht! De Franschen bieden in 't eind geen hulde meer zoo daavrend aan dat lijk,

noch aan de gloriën van 't machtig Keizerrijk,

zoo aangebeên weleer, 't Is de oude Revolutie,

die thands de harten trekt, — de Auroor der Constitutie,

wier vlekken men vergeet, wier weldaên alles prijst,

wier weörglans de oogen boeit, en die als jong verrijst. Een Staatsman, rijk omstraald van dichterlijke glorie,

staat op, en kiest zich zelf de veder der historie,

om Frankrijk, om heel de aarde, een groote heerlijkheid te melden, schoon in draf van gruwlen toebereid.

Hy zingt: den moed, den kamp, den dood der Girondijnen, den stalen burgerzin der starre Jacobijnen!

Hy zingt: de donderkracht der stem van Mirabeau, de stoutheid van Danton, de smarten van Vergniaud, Jean Jacques ideaal, de diensten van Voltaire,

de woede van Marat. de deugd van Robespiere!

Heel Frankrijk luistert toe (reeds trilt de troon!), hy spreekt: „De Omwentling! — mi n het bloed, dat de aarde heeft doorweekt „De Omwentling! min de schuld der woede van haar vrinden „ziedaar wat de aarde rust en grootheid zal doen vinden! „De heilvolkaan die, heeft ze vroeger vuur gebraakt,

„thands — tot beregening met enkel vrede ontwaakt!quot; Vermeetle, die den storm al spelend dus ontketent, en, reeknende op den mensch, geen driften mederekent,

geen zonde! — ach! al te zeer dfen kunstenaar gelijk, die, ingespannen op het brengen in praktijk eens werktuigs ingeiiclit op eeuwig zelfbewegen,

zich de eischen van de wet der slijting had verzwegen. Beklagenswaardige veel meer nog, voor wiens oor de stem des Levenden in d' Eeuwgod ging te loor!

Ach! die op d' eigen grond met martlaars en propheten van 't kruis, den Bijbel van uw moeder hadt vergeten!

Maar Lamartine spreekt, en Frankrijk luistert toe! Lichtzinnig weggesleept, of dien bewogen? hoe

ocr page 34

1618 EN 1848.

het zij, de zee zette op, en 't werd een hoorbaar ruischen

der waatren, 't is eerlang een oaheilbarend bruischen!

En ziet! één nacht, één uur, één oogenblik, één schot!....

gevallen is de slag! geworpen is het lot!

De stam der Orléans, de troon der barricaden,

by barricaden of verloren of verraden,

is weggevaagd, en by het siddren van den grond

een Fransch Gemeenebest op nieuw aan de aard verkond!

Geheel Euroop ontfangt den schok; de kreet der volken gaat op, gemengd van schrik en gramschap tot de wolken. De kracht der legers zwicht, de band der Staten springt.' Sicielje is ver reeds van Itaalje, Itaalje wringt van Oostenrijk zich los. Heel Duitschland door ontladen zich bliksemschicht op schicht, van Holstein tot aan Baden, van Keulen tot Berlijn; ja — 't wonder steeg ten top, — de stille wateren van Weenen bruischten op!

Straks of 't een Keizerrijk of een der Republieken zal zijn, vraagt Duitschland zich by stervende fabrieken, geschonden Overheên, en sloten afgebrand.

Één legerkamp weldra wordt half het Vasteland,

terwijl aan de overzij Repealers en Chartisten hun echo mengen aan den roep der Communisten. —

Maar Neêrland (zie 't, o God, met zeegnende oogen aan!) houdt aan zijn Koning vast, en de oude Oranjevaan!

En wederom een stap gevorderd tot de ontknooping. Het einde werd voorzegd. Met de algeheele slooping van 't rijk der duisternis. Uw riik aan de aard beloofd, Verlosser, Leeuw en Lam! der schepping Hoop en Hoofd! De Christen weet dat eind, maar ook de weeën, 't lijden, ten teeken meê voorzegd van 't rijpen dezer tijden!

Hy weet, dat eer de zon zijns vredes op zal gaan, een Mensch der zonde aan 't hoofd der wereld nog moet staan. Hy voelt by iedren schok van 't woelend Anarchisme de wegen toebereid van 't gruwzaamst Despotisme. De Christen wacht, maar loopt die tijden niet vooruit. Hy weet, dat elke dag, die nog den voortgang stuit,

elk uur, elk oogenblik van uitstel voor onze aarde by God zijn oogmerk heeft, voor ons zijn doel, zijn waarde, zijn vragen en zijn strijd, zijn roeping en zijn plicht.

ocr page 35

1648 en 1848.

Ook by, schoon starend op een hooger vergezicht,

gaat voor het volksheil uit naar heetring, naar hervormen, ja zoekt, te midden juist van dezer tijden stormen,

de stem te erkennen van behoeften, waarheen, recht.

Zij voor dien eisch aan de eeuw zijn bijstand niet ontzegd! Toch mag hy met haar geest niet in 't beginsel deelen,

noch voor die dubble leus zijn. afkeer ooit verheelen: ,gelijkheid van nature en Oppermacht van 't Volk!quot;

Gelijkheid, ijdler spook dan 't schijnbeeld van de wolk! u zoeke, wien het lust, waar de opgewroete graven hun lijken leveren den gieren en den raven, —

op 't puin van wereldsteên, in assche neergelegd,

of, liever, met de ploeg tot enkel niet geslecht!

Nooit daar, waar heerlijkheid, beweging is, of leven!

Niet by dier zonnen heir, die aan de heemlen zweven,

niet by het grasgebloemt, door 's wandlaars voet betreen, niet (hoe veel minder nog!) in 't samenstel dier leên van 't lichaam, die, bestemd elkander te onderschragen, elkander dienst te doen, elkanders last te dragen, hun roeping door t verschil vervullen. — Wie u roemt, gelijkheid! roemt den dood. — Maar wie u waanzin doemt, hy late een andren eisch, dien onze tijd doet hooren, te meerder ruimte toe, en wacht' zich dien te smoren! Toenaadring eischt Gods orde en dezer tijden nood. Toenaad ring (waar ze ontbreek') van vorsten volk, van groot en klein, van arm en rijk, van standen en belangen! God wilde 't onderscheid van gaven, rijkdom, rangen, — maar ook dat onderscheid bebeeisch' Zijn Woord en Wet, Zijn Wijsheid! en ook hier is 't voorbeeld ons gezet in de ordning der Natuur, waar zich twee krachten paren die, strijdig slechts in schijn, hét Wereld-al bewaren van in te storten of, verspat, uit één te slaan....

Eén zelfde wijs beleid stoot van zich en trekt aan!

Dus ook de maatschappij in 't tijdperk ons verschenen.

Waar Orde op afstand plaatst, moet Liefde op'tnaauwstveréénen.

Ga, Staatsman! ken uw tijd! doe elke vordring recht op vereenvoudiging, op vrijheên, nog ontzegd!

zoo ver die eisch niet strijdt met Wet en Woord des Heereni Dat Woord — het kan u veel en groote dingen leeren van volksplicht beide en recht, van volksstem, invloed, keus!

27

ocr page 36

1648 en 1848.

maar geen gemeenschap met een lasterlijke leus!

Hoe hoog de hoogheid rees van d' Eeuwgeest en zijn tolken, de Machten zijn uit God! — en de Oppermacht der volken? Historisch is ze een waan, den Christen is ze een ban,1 waarvan geen menschlijk woord een land ontheffen kan.

Neen, Neêrland, op geen ban wilt Ge u een Grondwet stichten maar de oogen allereerst .naar 's hemels bogen richten, — dan, vorschend nederslaan op uw historierol,

een rol, van zoo veel heil, van zoo veel wondren vol,j als God hier wondren deed in 't midden van uw plassen, en vastigheên gebouwd in schuddende moerassen: — een vrijheid, bloei en roem, als zelden de aarde zag, by 't hemelsch Waarheidslicht, hier schittrend als de dag! — voor Godsdienst, vrede en recht, en tegen aartstirannen,

Oranje 't puik, door God. van vroorae vrijheidsmannen! — Neen! Neêrland! zonder Hem, die u dees weldaan wrocht, (hoe de Eeuwgod smale of spott') geen Staatswet onderzocht! Maar als uw Vaadren weêr met al uw duizendtallen,

voor d' onbevlekten troon aanbiddend neergevallen! —

die in Zijn hand het lot van Staat en Maatschappij,

het hart, het recht, de macht der Machten houdt, — is Hy de God van Isrel en der Christnen! — Zijn er troonen geveld? zy werden quot;t niet, dan om aan de Aard te toonen, dat, waar een hooger raad der volken toorn gehengt, die kracht geen recht bewijst, maar slechts een straf volbrengt

o Koning! by den galm der doorgebroken tijden treedt Gy, — met dat voor- God- behoefte- en- schuld-belijden van ouds den Vaadren zoo gezegend, vorstlijk voor!

En dring' die stem heel 't land als met bazuinkracht door! zoo keere op u (het eerst!) uw hart, uw huis, uw wegen, de aan 't vragen naar Zijn wil steeds vast verbonden zegen! Buroop zie op uw kroon verdubbeld neergedaald den glans, die, nooit getaand, uw krijgszwaard heeft omstraald 't Zie, •— by uw Vorstenmoed, die aller moed steeds wekte, — uw blik, die steeds zoo wis 't beslissend punt ontdekte waar zich de zegepraal op 't slagveld grijpen liet, voorspoediger dan ooit gericht op 't Staatsgebied,

om met dien blik, dien moed, niet twijflend te onderscheiden! waar handlen wordt vereischt, voorkómen, of verbeiden! wat losgelaten moet, — omdat het God gebood!

28

ocr page 37

1648 en 1848.

of, naar de Oranjeleus, gehandhaafd tot den dood!

Tot in den dood? o! dat met Neerland Nassau leve!

Maar welk een stikdamp ook den tijdloop nog omgeve, wat toekomst ons bedreig', daar is voor Nederland een roeping, voor Oranje een aangewezen stand te midden van den schok, waarby de troonen trillen. Ja, vrijheid zal het zijn voor die Gods waarheid willen ja, vastigheid voor die Hem vasthoudt! Loope 't Lot zijn banen! geen ding zal ons tegen zijn — met God!

Zestienhonderd acht en veertig!

doorgeworsteld was de kamp,quot;— en ten eind de bloedtafreelen

van den langen oorlogsrarap! Met aanbidding, met ontzetting,

zag de Maagd van Neêrland om! Hoe ze als opwaakte uit een droombeeld,

hoo de aanbidding hooger klom! — 't Had geschuimd op al die waatren,

't had gedonderd en gestormd! maar by 't. kraken der kartouwen

was het Handelsvolk gevormd! en het nestjen was behouden

van de Oranje-Halcyon op het hobblen van de baren, •

by het koestren van de zon! en het Hollandsch visscherscheepjen,

onder vlaag op vlaag behoed,

was de haven ingeloopen

zinkend, — maar van overvloed!

Achttienhonderd acht en veertig!

en de band der Staten sprong, — en de dam werd doorgebroken

die de Omwentlingszee bedwong!

Legioenen volksvertreders

zijn gewapend 'opgestaan!

Troonen vielen, Vorsten' vloden,

schatten smolten en [vergaan.

29

ocr page 38

1648 en 1848.

Dreigend blikt op 't aardrijk neder

't rood dar ondergaande zon! 't Menschdom vraagt zich, welk een toekomst

by dien blik haar loop begon?

O! die toekomst — door den Christen

wordt zy glorievol verwacht!

„Als de God der eere dondert

„en den dag verkeert in nacht, „antwoordt onder de onweêrsgalmen

„diep van uit het heiligdom,

,by een koor van hemelpsalmen,

„'t jongste woord Zijns Woords:Ik k o m!quot;

AAN ROYER,

IN ANTWOOBD OP ZIJN TBEFFEND GESCHENK VAN EEN BOB8TBEELD VAN

WILLEM DEN EERSTEN.

Waar Staatslist en Geweld wanhopend op bezweken, vermocht Uw kunst, Royer! Gy deedt den Zwijger spreken. 1848.

AAN MIJN ZOON ABRAHAM,

BIJ ZIJNE AANNEMING TOT LID DEB WAALSOHE GEMEENTE, MET EEN BIJBEL.

Mijn zoon! van d' eeuw'gen God werd deze schat gegeven aan 's werelds volkren t' zaam met Jacobs nageslacht.

Heb in dat woord ook gy uw heul, uw heil, uw leven. Geen zilver of geen goud haalt by zijn duur en kracht.

Zoo vestig oog en hart steeds op dat Boek der boeken, doorgrond zijn diepen zin in eenvoud en gebeên,

en leer' der vaadren God u daar Hem-zelven zoeken. Die 't eerst ons heeft gezocht in Zijn barmhartigheên.

U laat ons ouderhart voor schat of kostbaarheden het somber uitzicht slechts op een geschokten tijd!

Is Jesus en Zijn liefde het uwe eens ingetreden

zoo zegge u, o mijn zoon! dit Boek — hoe rjjk gy zijt.

Dit myn eigen Fransch.

so

ocr page 39

DE LEEUW UIT JUDA.

DE LEEÜW ÜIT JUDA.

KRUISLIED.

O Hoofd, om 's werelds zonden

met bloed en zweet gesprengd! Hoofd, overdekt van wonden,

die U een spotkroon brengt! Om onze schuld gebonden,

aan 't kruis geoiferd Lam!

hoe zijt ge ook daar bevonden de Leeuw uit Koningsstam!

Hoe blonk, by al die smarten,

by al dien smaad en spot, by 't breken zelfs Uws harten,

en 't verr' zijn van Uw God, (*) Uw zalving en Uw krooning.

Uw hoogheid en Uw eer,

als Gods verloren Koning,

als aller schepslen Heer!

In diepten neergezonken

van waatren zonder grond,

aan 't vloekhout vastgeklonken —

daar heeft Uw bleeke mond van Gods heropend Eden vrijmachtelijk beschikt,

en Uw: „Voorwaar, nog heden!quot; des boetlings ziel verkwikt, (t)

0 Liefde zonder gade,

die, daar Gy 't al volbrengt, (§) den moordenaar genade,

den vriend Uw moeder schenkt! (**) Die, waar ze Uw lippen laven

met snerpend edikvocht, des Geestes levensgaven

voor Uwe haters zocht! (ft)

(* Matth. XXVII: 46. (t) Luc. XXIII: 40.

(§) -Joh. XIX: 30. (**) Joh. XIX: 26, 27. (tt) Joh. XIX : 28.

31

ocr page 40

DE LEEUW UIT JUDA.

Die in der moordren midden,

en aan des kruises voet,

voor Israël blijft bidden,

de schuld des gruwels boet! (1) O Hoofd, bedekt met wonden!

o Hoofd, van 't doodzweet klam! hoe zijt Ge ook dus bevonden de Leeuw uit Judaas stam!

Dat Koningshoofd — het boog zich!

het lei zijn leven neer! (t) Gebergte en rots bewoog zich.

't Graf gaf zijn dooden weêr. Hergeeft ook gy uw dooden,

O Isrel, op Zijn stem!

en val, o zaad der Joden! aanbiddend neer voor Hem.

Hosanna! all' gy volken,

met Israël te zaam!

tot boven 's hemels wolken

roept uit dien wondernaam: De Leeuw, die overmocht heeft,

uit Jesse voortgebracht! (§) Het Lam, dat ons gekocht heeft, voor onze schuld geslacht!

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

HYMNE.

De Heer heeft tot mijnen Heer gesproken: Zit aan m\jne rechterhand, tot dat ik Uwe vijanden zal gezet hebbben tot een voetbank Uwer voeten. Ps. GX:1.

Nadat Hy de reinigmaking onzer zonden door Zich zeiven te weeg gebracht heeft, is Hy gezeten aan de rechter der Majesteit Gods in den hoogen. — Voorts verwachtende tot dat Zijne vjjanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.

Heb. 1:3. X: 13.

Een psalm! — Gesproken heeft de Heer tot mijnen Heer: „Zit aan mijn rechterhand, o Koning! en regeer.quot;

o2

1

Luc. XXIII: 34.

ocr page 41

ZIT AAN MIJNE EECHTEEHAND.

Gy zijt gestegen uit het graf! Gy zijt gevaren omhoog, waar U de zang van duizend Englenscharen bewelkomde en aanbad! De grendelen der hel verbraakt Gy, sterke God en Held Emmanuël! Het Allerheiligste tradt Ge in. Apostlen loofden,

nastarende dien gang met opgeheven hoofden,

tot waar de wolk zich sloot, Gy uit hun oog verdweent, en — heerlijker dan ooit sints in hun zielen scheent,

dat de opperzaal niet dan van vreugde langer galmde,

en in den Tempel zelf 't hart Uwer jongren psalmde (1).

Sjeb Limini! ft) het woord van ouds U toegebracht! Gy hebt U neergezet ter rechter van Gods kracht!

Daar naamt Gy rust! daar, in de Vaderlijke woning,

gehuldigd Englenhoofd en Hoogepriester Koning,

o van alle eeuwigheid Gods eengeboren Zoon!

en wat Ge aan 't kruis volbracht, voleindigt Ge op dien troon! quot;V an daar stondt Ge op weldra om d' Eerstling te begroeten (§) die, komende uit den strijd, de kroon legde aan Uw voeten! van daar daalt Ge eenmaal af by 't jongst bazuingeschal, den schepter heffend, die ons aardrijk richten zal.

Sjeb Limini! Gy zette U neder in Uw glorie,

en aarde en hemel deelde in 't vieren der viktorie,

behaald op zonde en dood. De kerker werd uw buit,

en Gy, Volheerlijke! Gy deeldet gaven uit op menschenkindren, wederhoorigen, verlorenen,

maar door Uw kruissmert wederlevenden, herborenen! Gy deeldet gaven uit. 't Was olie neêrgevloeid,

't was regen stroomende van Boven. Zie, hoe bloeit de dorre woestenij naar 't Woord! (2) De kreuplen springen,, de stomme ontfangt een mond, om Uwen naam te zingen, de blinde ziet U en de doove hoort Uw stem.

Een nieuwe heerlijkheid doorstroomt Jerusalem!

Gy doopt met Geest en vuur. Verdeelde tongen dalen en golven over 't hoofd der Jongeren. De talen

1

Lac. XXIV : 63.

2

III. 3

ocr page 42

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

geboren uit de twist van Babel, worden één

in 't lofverkondigen van Uw grootdadigheên

aan 't Pinkstervierend volk te Sion. Welke krachten,

gewrocht sints dezen stond, die ook uw moorders brachten

tot de ondervinding, in het omgezet gemoed,

der heelkracht van Uw naam, der heilkracht van uw bloed!

Vervolging woedt vergeefs. Hy zal geen vlammen doven,

die storm! maar drijven ze eer nog schittrender naar boven,

en breiden ze uit op aard veroovrend wijd en zijd.

Ha! martlaar Stephanus! schoon was uw levensstrijd

voor Christus, rijk in vrucht van Evangeliezegen;

maar (groot is onze God, en wondervol in wegen!) (1)

nog vruchtbrer was Uw dood. Der weérpartijdren haat

had aan Uw bloeddoop zich gekoeld, het levenszaad

van uit Jerusalem als weggevaagd, — daar vielen

de korrels met de kracht, die ze eenig kan bezielen,

op Samaria en het omgelegen land!

Hoe breidt het zaad zich uit! Hoe klemt de liefdeband,

veerkrachtig uitgerekt, ze saam! ja, met die beiden,

Samaritaan en Jood, eerlang Romein en Heiden!

Hoe zien de heemlen-zelf hun zaligheid vermeêrd,

om ééne zondaar tot eens Heilands naam bekeerd!

Want voor zijn haters had de Martelaar gebeden, —

en ook voor Saül had des Martlaars Heer geleden, —

daar rijpt het uur! Daar stort de wolf ter aard voor 't Lam,

en huldigt Benjamin den Leeuw van Judaas stam.

Sjeb Limini! Gy waart ter rechterhand verheven der Majesteit! de kleine kudde zaagt Gy beven,

en 't woeden van den wolf uit Tarsus, d' ijveraar, verdrukker van Uw volk en van U-zelf. (t) Van waar die wrevel, dat geweld, gepleegd aan weereloozen, in samenspanning met het raadsgestoelt der boozen, in samenspanning met luchtharte Sadduceên,

door dezen stuggen spruit van Phariseën? (§) Neen!

Geen huichlarij is hier, — in naam van Godvereeren,

geen menscheneerbejag, — geen onmeêdoogend teeren op 't huis der weduw onder schijn van lang gebed! (2)

34

1

Hand. d. Apost. VIII:1, 4 en volg. (t) Hand. d. Apost. IX: 4.

2

(§) Hand. d. Apost. J.X : 1, 2. XXIII: 6. (**) Matth. XXIII: 14.

ocr page 43

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

quot;t Is plichtvolvoering, 't ia volmaaktheid naar de Wet, gerechtigheid gezocht in eigen deugd en daden,

verdienen van Gods gunst op zelfgekozen paden, — wat dezen Jongling, aan de voeten opgevoed van Rah Gamaliel, dus drijft! Geen dorst naar bloed is eigen aan dat hart, dan waar in bloed te plasschen hem nood werd als in 't spoor dier oude Pinehassen, (*) waarin ook hy voor God behaaglijk meent te gaan,

gelijk hy zonder blaam by menschen weet te staan. Zoo streeft hy tegen 't volk, dat Isrels Heer en Herder zich eigende, aangegord, en ach! van God al verder verwijderd en verdwaald, naar dat hy in zijn woên den God der vaderen meer waant een dienst te doen; (f) het zij op Stephans dood met woeste blikken starend,

en van zijn moordenaars de kleederen bewarend als in gemeenschap met den gruwel God ter eer!

't Zij, opgetrokken straks Judéa op en neêr,

de lamm'ren, waar zijn haat er slechts een uit mag vinden, verwondend, bindende, — hy zal ze eerlang verbinden!

Zoo, doodslag snuivende en vervolging, streeft hy voort, en Syrië ingestormd, bereikt Damascus poort weldra! ook daar by macht de aloude Synagogen te ziften, en geen plant van Christus te gedogen,

waar hy den voetzool zet. — Gy zaagt van op den troon dien Saül! Gy stondt op, o Davids Heer en Zoon! en — donders ratelden, om d' overste Uwer haatren te treffen? Neen! een stem als 't ruischen veler waatren daalde uit uw hemel neêr; „Waarom vervolgt gy My?....-' De ontembre wetzeloot legt af zijn razernij!

„Wat wilt Gy dat ik doe, o Heer!quot; is aan Uw voeten zijn antwoord. Hy gelooft. Gods heiligen begroeten het nieuwe voorwerp van Uw zegepraal, o Held,

verwinnaar door Uw dood. Uw lijden, geen geweld!

Zoo rijd voorspoedig op Uw waarheidswoord! Uw schichten, o Koning! raken 't hart der vijanden, (§) die zwichten en loven! Saül leeft by 't licht uit Nazareth.

Hy boog. Hy bidt. Hy kent voor kracht, voor heil, voor wet,

I

35

||

- .■|ï

vs ' fjj

r

r

(§) Ps. XIiV:4-6.

(*) Nnmerl XXIV

(t) Joh. XVI; 2.

ocr page 44

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND-

't geloof voortaan in ü; niets buiten die genade!

Haar slaat van oord tot oord de wereld in hem gade;

haar brengt hy wijd en zijd den Heiden, haar den Jood;

met haar bezegelt hy zijn leven en zijn dood;

met haar die erfenis van onvergankbre letteren,

wier bliksems eeuw aan eeuw de hovaardij verpletteren

van wetgereohtigheid, die 't offerbloed verzaakt,

van zelfvolmaking, die de volheid ijdel maakt

eens Goëls! Ja, gena steeds door gena vervangen;

dit 's Paulus, dit zijn Heer. o God! Zie daar üw gangen!

't Kruis uitgeroepen door den lasteraar-voorbeen, —•

de wet der vrijheid door het hoofd der Phariseên, —

der Heidnen licht, gelegd in 't Twaalftal uitverkoornen,

ter middagzon verhoogd in dees hun jongstgeboornen!

Looft, hemel heiligen! met harp en stemakkoord

uw Heer! en antwoord gy met Saulus eigen woord, (♦)

klein kuddeken op aard! ,o Diepte, o wonderwegen!

o Rijkdom! Wie, o God! is immer opgestegen

tot de onnaspeurlijkheên van Uw aanbidbren raad?

of heeft de baan bepaald, waar langs Uw oordeel gaat?

of heeft het pad voorzien, waar langs Uw zegens kwamen?

Uit U, door U, tot U zijn alle dingen. Amen.quot;

Sjeb Limini! G5' waart gezeten. Zoon en Heer,

aan 's Vaders rechterhand, en blikte op Patmos neêr, op 't schraal en eenzaam strand, waar, om Uw woord verwezet de Jonger U verbeidt, steeds brandend als voordezen en groenend, schoon hy thands na tienmaal zeven jaar zijn Boanergeshoofd met zilverglans voor hair om hoog heft, — die van ouds in Uwen schoot gelegen, geheimenissen uit de wondien van Gods wegen werd ingeleid, en in de diepte van wiens ziel uw stem met kiemen steeds .van openbaring viel!

Lang heeft hy aan de zij van Jonaas zoon gestreden, — met heel de Apostelschaar gebeden en geleden, —

naast zichèn Stephanus èn Paulus op zien staan,

getuigen, en de rust zijns Heeren binnengaan.

36

Jacobus onder 't zwaard zien vallen der Heroden, —

ocr page 45

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

Jerusalem omringd van legers, en de Joden

geslagen met den ban, eens door üw heilgen mond

van op de hoogten des Olijf bergs heu verkond.

Thands, tot des levens grens verlangend voortgetreden,

thands, op die naakte kust van 't kuddeke afgesneden,

de jongste vreugde op aard zijns ouderdoms, verlaat

o Jesus! Gy hem niet, die daar verlaten staat.

Maar schenkt de Trooster (Hy, de kracht uit U gevloten)

in 't hart des ballings geestverjeugdigend geschoten,

de vlucht hem weder van den aadlaar, — en hy schrijft,

terwijl zijn geest IJ ziet, terwijl Uw geest hem drijft,

zijn Evangelie neêr: des Woords in 't vleesch gekomen,

der zonde op 't Lam gelegd en van ons afgenomen!

Daar stondt Gy vóór hem in Uw hemelmajesteit,

Gy-zelf! bazuingeluid Uw tegenwoordigheid verkondend van naby. Hy zeeg als dood ter neder.

Want ja, Gy waart het! U, den Meester, zag hy weder, den Leidsman zijner jeugd, den Heer die hem bemind en uitverkoren heeft ten heilgezant, ten vrind!

U, zoo als d' aanblik geen verganklijken vermogen te dragen, U met heel- uw- Godheid-vlammende oogen, de doorgeboorde hand almachtig uitgebreid,

de voeten gloeiende van loutre heiligheid,

doorwandlende allereerst de zeven kandelaren! (*) —

U, straks, by 't lofgeschal der hemellegerscharen de Leeuw uit Jesses stam, het Lam van God verklaard, die met zijn bloed ze kocht tot koningen der aard! — (^) U, op het witte paard der zegepraal gereden in bloedrood heilgewaad, de macht van 't Beest vertreden, der heilgen heir, gerijpt ter wereldheerschappij,

in 't blank gewasschen kleed U volgende in de rij! — (§) U, eindlijk, Vredevorst op aard, voor alle volken gerechtigheid en heil gebieden uit de wolken,

by 't nederdalen van een nieuw Jerusalem,

en 't wederleven van Gods dooden op Uw stem. (**)

Zoo zag, zoo hoorde van uit Patmos aakligheden de Apostel is den geest U Davids troon betreden.

(*) Openb. 1:13-15. (t) Openb. V:5—10.

(§) Openb. XIX; 11—10. (**) Openb. XX: 11-18.

37

ocr page 46

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

en zegepralen in den hemel en op de aard.

Voorts, eer der eeuwen loop dien heilstond heeft gebaard, aardschuddingen van uit den afgrond, — bliksemslagen en ijssteenklorapen, — pest en oorlog, — felle plagen als van 't aloud Egypte op 't later Babyion, —

verduistring van het licht der sterren en der zon, — by hemelstemgeluid de zegelen gebroken,

fiolen uitgestort, bazuinen opgestoken, —

rook, sulferdamp en vuur, in bloed verkeerde zeên, — verschrikking, angsten en niet uit te spreken ween, van Logen en Geweld Godslasterende akkoorden!

Dat alles opgelost, by 't ruischen van Gods woorden en 't zuchtend wachten van geheel het schepslendom,

in één, een éénig woord van uitkomst: „Kom, ja kom!quot;

Sjeb Limini! Gy zijt verheerljikt in het midden van al Uw vijanden, die veinzend U aanbidden!

Ja, tegen U vereend, bracht Jood en Heiden t' zaam, U smaad en haat en dood! Straks de Uwen, om Uw naam, vertredend, nam de Stad op 't Capitool gezeten de plaats dier andere in, vervolgster der Propheten. De Cesars folterden met scherp verfijnd vermaak, wie uitkwam voor Uw woord, wie vast stond voor Uw zaak. Heel Rome's volk riep uit: „De Christnen voor de leeuwenI'' en zy, in Uwe kracht, zy zegenden. — Drie eeuwen!

daar wierp zich Rome, moe geworsteld, voor het kruis, en Christnen noemde zich haar Keizer en zijn huis;

was 't Staatkunst, (Gy, o Heer! Gy weet het!) en geen waarheidquot;? hoe 't zij, daar bogen zich met glansrijke openbaarheid des werelds Machten voor des werelds Ergernis, des Nazareners naam! De Gapitoolgod is gevlucht met heel d'Olymp van zijn bespotte altaren!

de leer van 't kruis dringt] door by West- en Noordbarbaren en ook aldaar weldra plaatst zwaard en koningskroon zich onder 't needrig kruis. Vorstinnen, van haar troon, o Jesus! voedsteren de Kerk, naar U geheeten. De wereld-zelve tracht Uw smaadheid te vergeten en gaat U achterna, wien ze eenmaal heeft geslacht!

Straks keert ze, in weerwraak van de hulde die ze bracht, tot gruwelen te rug, nog naauwlijks afgezworen:

ocr page 47

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

de goon van 't heidendom verschijnen als herboren

by beeld- en doodendienst! en bijgeloovigheên,

als eenmaal Israël met Juda zinken deen,

bedekken 't licht der zon met zwarte sprinkhaanzwermen,

of binden 't leven af in geestverstikkende armen.

Sjeb Limini! van om uw Vuurvlam witten troon

gaan ook de donders uit, die gruwelen ten loon.

Het Oosten zag de straf van zijn verbastring rijpen:

het kroost van Ismaël naar boog en pijlen grijpen,

hem eerlang de oppermacht belovende der aard!

De Koran triomfeert by 't zwaaien van een zwaard,

Gods Evangelie niet, maar dwazen menschenvonden

te sterk! en wederom leedt van des schepsels zonden

Gy, Heiland! Gy den smaad! waar de islam met zijn sneeuw

(licht!) kiemen overdekt, bestemd voor beter eeuw.

Dus zonk de Christenheid in 't Oosten; maar ook 't Westen-zag menschenscheppingen zich op den grondslag vesten der eeuwen! Gy zaagt neêr, o Koning! de afgrond beeft, de grafrots scheurt, en zie! Uw waarheidswoord herleeft, gelijk Gy-zelf eens, uit den dood. In slaap gezonken en nachtdamp hoorde de aard een stem! daar wederklonken gewetens, en Gods Geest gaf zijn getuigenis,

dat in geen naam dan de Uwe, o Jesus! leven is, gerechtigheid en kracht; en 't heilbevel van boven geen werk eischt als der Wet, maar in Uw naam geloovenl En 't was een stem op nieuw des roependen: ,Bereid den weg des Heeren en verbeid Zijn heerlijkheid!

Bekeer ü tot den God des hemels van de goden der aarde, — tot Zijn' wil, van penschlijke geboden!quot;

Maar nog was 't einde niet! de wonde toegebracht aan Rome heelt zich, en daar rijst een nieuwe macht (des Ongeloofs!) die mee haar tijden moet doorloopen,

tot dat Uw toekomst beider Babelbouw zal slopen!

Sjeb Limini! Gy zijt gezeten op den troon des hemels! maar op de aard bewegen zich de goón der wereld en der hel met versch beproefde woede.

De zonde wreekt zich aan de zonde, die haar broedde, de omwentlingstoortsvlam op de middeleeuwsche nacht.

39

ocr page 48

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

De menschheid by dien gloed rijst op en proeft haar kracht

aan werken des gewelds, aan werken der ontbinding!

Verlichting zonder U, wat wordt zy dan verblinding,

o Licht der wereld, Zon van waarheid en van heil!

Of 't menschdom 's hemels ruim of 's afgronds diepten peil',

en beiden ondervraag om 't Godsgeheim te weten,

het moge Uw woord, Uw naam. Uw rijk, Uw komst vergeten!

die komst zal daar zijn als de nachtdief, onverwacht!

dat Rijk zal komen als de bliksem, ongedacht!

die Naam zal heerschen en dat Woord zal overmogen!

en reeds bewegen zich de krachten uit den hoogen,

en woelt in heuvlen en gebergten barenssmart,

en grijpt die schok des Werelds Machtigen in 't hart.

De volken duizlen van zich-zelf. De Wijzen vragen

elkander naar het eind van deze vreemde dagen.

Js dit de morgen, die ons aanbreekt, van een tijd

aan volksbevrijding, menschvergoding toegewijd?

Of keeren we eer te rug ten bajert der verwarring?

En is dat somber licht, die vlam, slechts de opensparring

een hollen afgronds, ter verslinding toebereid

van al wat ordning heet, en recht, en menschlijkheid ?quot;

Sjeb Limini! — Hy is ter rechterhand gezeten der glorie, wien van ouds de schaar der Godspropheten als Isrels Koning aan heel 't aardrijk heeft beloofd! Wat natie, Israël! als gy? van God ten hoofd,

straks om uw misdrijf tot een staart gesteld van allen! (1) Toch zal er van Gods woord geen stip ter aarde vallen, dat, o vernederd volk, waar eenmaal 't heil uit sproot!

door U herstelling spreekt, ja, 't leven uit den dood! (t) Gy werdt verstrooid, gy'wordt geschud. Geschud als koren? Zoo gaat geen korrel voor den groeten oogst verloren! Verstrooid als schapen? Die u ziet en kent by naam,

brengt uit de streken der vier winden u eens saam!

40

Hoore Israël! en hoort, gy volkeren! de woorden der Zienders, ons bewaard, 't Gezicht, dat aan de boorden des Chebars Buzis zoon (§) voor oogen stond, en dat

{ ) Rom. XI: 15.

1

Deuteron. XXVIII: 44. »§) Ezechiël 1:1. 3 en XXXVII.

ocr page 49

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

gy, Daniël! vernaamt in 't hart der wereldstad. (*)

„De hand des Heeren was op my. De geest beroerde het merg in 't binnenste mijns lichaacis, en Hy voerde my over in het dal der dooden. 'k Zag het vol aan beenders, lang verdord; en 't was of de aarde zwol om haar begravenen aan 't zonlicht weêr te geven.

Toen sprak Hy: Menschenkind! zal dit gebeente leven ? En 'k zeide: Gy-alleen, Gy weet het, Heer mijn Heer!

Toen sprak Hy wederom, en zeide: Propheteer,

en zeg in Mijnen naam, dat deze dooden leven!

Want zie Ik zal den geest des levens in hen geven, hekleedend hun gebeent met zenuw, vleesch en huid. En 'k deed en sprak alzoo: en met een vreemd geluid verbonden zich allengs de beenderen te zamen (maar nog geen geest was daar om 't lichaam te beamen!) en 'k zag de zenuwen zich vlechten, vleesch en bloed zich weven, de opperhuid van 't hoofd tot aan den voet zich strekken; en ik riep: Waak op, o Geest des Heeren! en doe de levenskracht in deze dooden keeren!

En ziet! Hy kwam. Hy blies. Een onafzienbre schaar van levenden stond op. Hy sprak: Die dooden daar,

zijn 't huis van Israël. Ging niet hun heilverwachting te loor? Werd niet hun hoop tot wanhoop en verachting? En liggen niet verstrooid hun beenderen? — Maar Ik,

'k zal oopnen, o Mijn volk! nw graven. Ik beschik u 't leven. Ik het land gewaarborgd aan uw vaadren!

Ik zal uw stammen van des werelds einden gaadren, en geven Israël en Juda zonder end van dagen Mijn' Gezalfde uit David. Ja, ik ben 't,

de God der krachten, die de dooden op doe rijzen,

en Israël de trouw van Zijn ontfermer prijzen!quot;

Aldus Ezechiël! hem antwoordde in de rij der Zienders Beltsasar (t) met droom en prophecy,

als zijn verhelderd oog in verre nachtgezichten vier wereldrijken ■v.ew.jjamp;en, straks zag richten, — den troon des Eeuwigen, een vonklend vuur gelijk, des Schrikdiers hoorn ten val (§) zich zetten, — 't koninkrijk den Zoon des Menschen en Zijn heiligen gegeven, —

41

|

cl

■

(§) Dan. VII: 8-27.

( ) Dan. YII:!.

(t) Dan. IV : 18.

ocr page 50

ZIT AAN MIJNE BECHTEKHAKD.

der Goddeloozen macht het aardrijk uitgedreven, verstrooid, verplet, verteerd, — by Goddelijk gericht den Draak (*) geketend en het Vrederijk gesticht!

Sjeb Limini! Gy leeft, wiens naam de hooge plaatsen van hemel beide en aard lofzingende weêrkaatsen! Gy heerscht. Gezalfde Gods en, vóór alle eeuwen. Zoon! Sjeb Limini! Gy zijt gezeten op den troon,

dien Ge eenmaal dalen doet op een gelouterde aarde! Het Godsbestuur, van voor des werelds grondslag, baarde de volheid van dat woord, van eeuw tot eeuw herhaald, terwijl de hater woedt, terwijl de spotter smaalt! En zeggen zal men 't, dat èn heuvelen bezweken èn bergen slonken, ja, dat heemlen-zelve weken,

maar aan 't Sjeb Limini, dat eens de Vader sprak,

geen enkle heerlijkheid van eeuw tot eeuw ontbrak!

Of hoogten slingren heen en wéér,

of de aarde-zelf van plaats verander',

by elementen keer om keer in bond of gisting met elkander, —

daar blijft een licht, een kracht, een pand,

wat ook ontvall', gegeven,

dat Woord; „Zit aan mijn rechterhand en dat Uw haters beven!quot;

Gy spraakt het, God van Isrel! uit,

en de oude harppropheten psalmden

by Sions tempelkoorgeluid,

wat later eeuwen dus weêrgalmden:

„Houdt Christus Zijne kerk in stand,

„dan moog de hél vrij woeden!

„Gezeten aan Gods rechterhand,

„zal Hy haar wel behoedenquot;'

42

Die Koning van Gods heerlijkheid blijft heerschen zonder eind van dagen! En gy, o volk, dat Hem verbeidt!

(♦) Openb. XX : 2.

ocr page 51

ZIT AAN MIJNE RECHTERHAND.

Ily ziet u worstlen, lijden, klagen.

Houd moed, klein kuddeke! houd moed!

't Heelal is hem gegeven!

En Hy, Hy gaf voor u Zijn bloed; Hy leeft, en gy zult leven.

Hy heeft voor u den dood geproefd, voor u den vloek getorscht der zonden,

voor u in 't doodendal getoefd!

Voor u is zonde en graf verslonden!

Herleven gaat.gy op Zijn stem?____

Neen! Wie in Hem gelooven,

reeds zijn zy levende met Hem, met Hem gezet daarboven! (*)

Toon' dan der kruisbestrijdbren macht zich in dees sombren tijd steeds driester!

Gesproken blijft het woord in kracht tot dezen Koning-Hoogepriester naar Melchisédeks ordening;

„Gantsch versche legerscharen „zal tot een laatste worsteling „de dageraad U baren!quot; (f)

Door lijden wordt het heerlijkheid Licht, eerst na middernachtlijk duister!

Bezwijk, mijn ziel! niet, maar verbeid! Hy zal verschijnen vol van luister. En reeds bestraalt een morgenster

het onweêr dat zich gadert,

en reeds vertoonen zioh van verr' de teeknen, dat Hy nadert!

Maak' berg op bergen opgetast den zoon van Babel dan vermetel!

Sjeb Limini! die berg staat vast, en vast staat Sions Koningszetel!

43

En vast, o Christnen! ook uw kroon, en vast gantsch Israëls herleving!

(') Eph. 11:0

(t) Ps: CX : 3 —5.

ocr page 52

ZIT AAN MIJNE RECHTEHHAND.

Alleen! blijf stareu op den zook, met juichende overgave en beving!

1848.

UIT PALESTINA.

Zy hebben my dlkwyla benaauwd van mijne jeugd af, zegge na Israël; zy hebben my dikwijls van mijne jeugd af benaauwd,

Ps. CXXIX.

Het was de tijd, toen edelhuis by huis zijn mannen zond, den schouder onder 't kruis. Des Keizers vaan, met Frankrijks lelieglansen, met Englands leeuwen gingen voor, — de lansen der Ridders zich verbroedrend in den stoet met Bisschopsmuts en breeden pelgrimshoed.

Toch was 't de tijd niet m eer dier eerste kreten vernomen door de volgers der Propheten met schrik en spot, by beurten, uit Euroop! —

In rook vergaan was menig stoute hoop op glorie, op veroovring in die streken,

waar, heimweekrank, reeds duizenden bezweken onovertroffen sedert, en geen zon meer opging over Godfrieds van Bouillon.

Diep was, na hem, de Christenheid verbasterd,

cn fel, om haar, de Christennaam gelasterd in de overheerde woningen van Sem.

De toon van Clermont was gedaald. Jerusalëm droeg nog wel hoog de kruisvaan op haar muren, (hoe ook verbaasd een schepter te verduren naar leenrecht uit het West!) en forsch en fier stond in haar midden steeds de Tempelier,

het zwaard op zij, verplegende haar kranken.

Toch meer en meer begon de tent der Franken te schudden in dat verre Morgenland,

onveilig en ontbloot. Want aan den kant van 't Noorden was Edessa reeds ontvallen;

en wel had weêr Euroop zijn duizendtallen geleverd, maar geen taal zelfs van Bernard vermocht, die te bezielen met een hart

44

ocr page 53

UIT PALESTINA.

genoegzaam tot herovering van rijken.

Weldra — en zelfs de hoofdstad gaat bezwijken.

De Olijfberg in die dagen zag zijn top bestegen door een Dichter. Hy zag op. De weduwstad lag voor hem, — hy versteende, en schiep weer aam, en riep het uit, en weende! Wat tranen, eeuwen in en eeuwen uit,

bevochtigden dien grond al! Wat geluid van weegeklaag, van onweerhoudbaar [snikken,

werd daar niet al gehoord, by de eerste blikken op Sions overschot. Wat borst, zoo fier,

wat hart van ijs of ijzer, dat niet hier brak en versmolt en smart had van zijn zonde, en daden van den God der goón verkondde?

De Vreemdling op d' Olijfberg stapte voort, wie was hy? van wat maagschap? uit wat oord? Geen trots hier, als des krijgsmans, is te lezen in oog of tred. Geen pelgrim kan hy wezen, — met rozenkrans noch kruis aan hals of hand, — geen vreemdeling, maar eigen zoon van 't land! De donkerbruine huid, het vuur der blikken,

deed d' Arabier herkennen zonder wikken,

sprak niet wat anders nog op dat gelaat,

dat, neen, geen kroost van Ismaël verraad,

maar stamver wan t. 't Zijn de onmiskenbre trekken die langs heel de aard den Isrelliet ontdekken.

Dat was hy! van zijn tweeden moedergrond, van Spanje, kwam hy, om waar Sion stond, in heerlijkheid sints eeuwen uitgeschenen, ie aanschouwen met zijn oogen, en te weenen. 't Was zijner jeugd gelofte lang geweest.

Thands duldt zijn geest geen' uitstel meer, bevreesd of mooglijk hem voorkwam de ban der jaren;

want, vóór den tijd, besneeuwden hem de haren en weefden voor zijn oogen reeds een wolk de droefheid over 't noodlot van zijn volk, — de studie in den doolhof der Rabbijnen, — de dichtgeest, die ook sterken weg doet kwijnen.

45

ocr page 54

UIT PALESTINA.

Daar treedt hy van den bergtop af, en voort! Daar staat hy voor de Benjaminsche poort.

Daar zal hy Salems straten in gaan treden.

Maar neen! hy trekt te rug de vlucht der schreden. Hy wil nog meer genieten van zijn smart, nog eerst van rouw verzadigen zijn hart hy d' aanblik van die moeder der Propheten, die stad, des grooten Konings eens geheeten. Hy wil de dorheid prooven van dien grond, waarover de Aard al haar geweldnaars zond,

en kust dien grond, hem als in de armen knellend, en drinkt de bittre wateren, hem wellend uit hart en oog, en wentelt zich in 't stof,

en rijst weêr op, om Gode een lied van lof, — een lied der klacht ala voegt aan bannelingen, — voor d' ingang van de weduwstad te zingen! Het was dat lied, gelijk hy-zelf, vermaard, in Spanjes Synagogen lang bewaard,

en aangewend waar immer Joden zwerven of by der vaadren graven komen sterven.

De Maagd van Sion klaagt er 't onderscheid van toen het uit Egipte werd geleid,

gehoed door haar van God gezonden mannen, of — toen de haat dier meer dan aartstirannen; Nebucadnezar, Titus, Hadriaan,

voor eeuwen Isrels zon deed ondergaan:

„Een vuur, een vuur gloeit in mijn aadren,

wanneer ik opvoer in mijn lied dien blijden uittocht mijner Vaadren uit Pharaoos verbaasd gebied! —

Een koorts van schaamte verwt mijn wangen,

De krachten weigren zich mijn stem, wanneer ik meld in rouwgezangen mijn uitgang uit Jerusalem!quot;

,o Lied, door Moses aangeheven,

by Mirjams rinkelbom en trom,

toen ik' Egipte mocht begeven

en zijn verworplijk godendom! — Ach zangen, druipende van tranen.

ocr page 55

UIT PALESTINA.

op Jeremias harp gesproeid,

toen 'k heentrok onder vreemde vanen de handen smadelijk geboeid!quot;

„Hoe vriendlijk wenkte me uit de wolken

de glans des vuurkoloms by nacht,

toen me uit de hand der vreemde volken de hand mijns Gods had uitgebracht! — Maar by 't bestormen van den tempel,

wat zwarte wolken van rondsom, — met wat verfoeisels op den drempel van Gods ontheiligd heiligdom!quot;

„De wateren der Schelfzee ruischten

op dat ontzachlijk uitgangsuur, de wateren der Schelfzee bruischten....

straks rezen ze op my tot een muur. — Ach waatren slechts, die overstelpen,

met stekend zout, met stikkend zand, geen golven langer om te helpen —

toen 'k balling uitging 'uit mijn land.quot;

„Van uit den hemel — mannaregen, verkwikkend bronnat uit de rots;

toen ik mijn vrijheid had herkregen

by 't tusschentreden mijnes Gods! — Absinth en gal en bittre waatren,

toen ik ter naauwernood ontkwam, by 't hoongeschater mijner haatren om Salems stad- en tempelvlam.quot;

„Toen ik Egipte was ontkomen, met Moses staf en heilgebed,

zag 'k eerlang Horebs top omzoomen

van 't volk, verbeidende Gods wet. — Ach samenscholing by de stroomen

van 't onmeedoogend Babyion,

toen my de vrijheid was ontnomen, —

mijn lange vreemdlingschap begon!quot;

„Des Heeren zwaard, het oog verblindend, ging ter bevrijding voor my heen.

47

ocr page 56

UIT PALESTINA.

mijn trotsche viianden verslindend,

toen 'k uit Egipte ben getreên! — Dat zwaard, ach! tegeu my gegrepen,

ach! tegen ra ij n e bovst gewet,

toen ik mijn kindren heen zag sleepen van Sions hoogten, wreed verplet.quot;

,o Feesten, Sabbaths, wonderteeknen,

toen 'k uit Egipte was geleid!

ach vasten, tranen, ijzren keetnen,

my in de ballingschap bereid! — o Jubel-, rust- en vredejaren,

my na Egiptes dwang beloofd!

ach felle ellenden en bezwaren,

sints Sions onheil, op mijn hoofd!quot;

,o Kamp van strijdbare Isrellieten,

na dat Egipte ons vrij zag zijn,

en heilig dienstwerk der Levieten!

hoe heerlijk zag u Sins woestijn! —

Maar toen wy Judaas erf verlieten,

berooid van uitzicht en van troost, ach heir van smalende Edomieten!

ach koopers van mijn kermend kroost!quot;

„Ach pijnigend verschil van namen! —

toen Phardos woede ging te loor,

hier, Moses en Aaron t' zamen

ons weidend in Jehovaas spoor,

en daar (o schrik) Nebucadnezar,

straks, met my minder nog begaan, Tiberius en Cajus Cesar,

Pompejus, Titus, Hadriaan!quot;

To Heiligheid der heiligheden!

o Hoogepriesterlijke kroon! o Wierookoffers en gebeden,

op gouden schalen aangeboón! o Reinigende waterplassen

waarin, naar de ordening der Wet.

mijn volk gantsch zuiver werd gewasschen van heel Egiptes smaad en smet!quot;

ocr page 57

UIT PALESTINA.

„Ach gruwlen en afschuwlijkheden

en enkel spot met Gods bevel! Ach beeldendienst en snoode zeden,

afgoderij en overspel!

Ach, by verdrukking, ergernissen

ontmoet, verduwd by eiken stap!,

Sints ik Jerusalem moest missen in steeds gerekte ballingschap!quot;

„Waak op, o God der legerscharen!

Keer tot ons weder, — (ach, hoe lang?) als in die ver vervlogen jaren,

als, eenmaal, by Egiptes dwang.

Keer tot ons woder. God der vaadren!

hoor weêr naar 't klagen onzer stem, en wil eerlang Uw volk vergaadren in een hersteld Jerusalem.quot;

De Dichter had zijn lied voleind. Hy zweeg. Zijn stem, zijn geest scheen uitgeput. Hy zeeg bewegingloos ter aarde, als in bezwijming door 't smerten van de diepe zielsdoorvlijming, -of — nog in overpeinzing en gebeên,

als waar hy met zich-zelf hier sfeeds alleen! Alleen? neen! op de plek, dus ingenomen, was forsch en norsch een krijgsman afgekomen, een ruiter, die van op zijn trapplend paard den treurig neêrgeslagene ter aard bespieden bleef, 't Was een dier Beduienen, de schrik niet slechts der eenzame ruïnen,

maar in hun stouten strooptocht in het rond zich wagend vaak op dicht; bevolkten grond. „Spreek op (dus riep en spotte hy!) wie zijt gy? „Verworpen Jood of Kelb! Zoo niet, belijdt gy „ook Allah en Mohammed zijn Propheet „met ons? Wat dreef u hier? dat ik het weet'! „En brengt gy goud voor Frankische gestichten „of Jodenbuurt, 'k zal u den last verlichten!quot; En zwijgend en als doof voor 't geen hy hoort maar in 't verstand niet opneemt, gaat hy voort, -de Dichter, — zich steeds dieper in gedachten

ocr page 58

UIT PALESTINA.

te doniplen, — schijnt de toespraak te verachten,

en slaakt op eens dien galm met veegen mond:

„Hoor, Israël!'- De Beduien verstond!

„Zoo sterft gy, basterdkind der Wet, rechtvaardig,

„niet door mijn hand, — uw bloed waar de eer onwaardig

„het edel staal te verwen van dit zwaard, —

„maar als de worm, vertrapt!quot; Hy rukt zijn paard

naar achter met den toom, dat beide hoeven

van 't steigrend ros hun kracht in 't vallen proeven

op 't hart des vreemdelings. Het brak. Ai zie!

zoo (zegt men) vond zijn eind de dichter Hallevi.

Zy hebben, zegge Isrel, van ouds my gekweld, benaauwd van der jeugd aan, geploegd als een veld. Toch hebben zy tegen my niet overmocht.

Maar rouw blijft mijn deel en mijn leed onbezocht.

Neen, antwoordt het Godswoord, dat nimmer vergaat, niet altijd blijft Isrel der volkeren smaad.

Voor hem bad zijn Koning aan 't smadelijk kruis.

Haast komt de Verlosser tot Israels huis.

1848.

TER GELEGENHEID DER

JUBEL-FEESTVIERING

VAN HET

ZENDELING-GENOOTSCHAP

DER

ENUELSCHE EPISCOPALE KEEK.

Daar is een jubeltoon gehoord!

Zijn weergalm reikt van oord tot oord. Dat al wie God vreest en Zijn woord zich voege by het feestakkoord!

KOOR.

Looft den Heer! want Hy is goed. Alle volken, tongen, talen,

moeten Zijnen roem verhalen!

want Hy kocht ze met Zijn bloed.

ocr page 59

JUBEL-FEESTVIERING.

De mensch geschapen naar Gods beeld,

heeft zijns formeerders eer gedeeld met zon en maan, met dier en plant, ja, 't maaksel van zijn eigen hand.

KOOR.

Looft den Heer, enz.

Sints kende 't Heidendom geen God,

geen heiige Wet, geen heilgebod.

De zonde leeft by 't Godsgemis,

de hel regeert by duisternis.

KOOR.

Looft den Heer, enz.

Maar in de diepte dier ellend heeft God zich tot den mensch gewend. Het woord van redding werd bekend tot aan des werelds uiterste end.

KOOR.

Looft den Heer, enz.

Zijn Heilgezanten gingen uit.

Geen spraak, waarin hun stemgeluid aan duizenden den naam niet bracht van 't Lam voor hunne schuld geslacht.

KOOR.

Looft den Heer enz.

De Heer wrocht mee. Zy gingen uit,

naar 't Noorderijs, — naar 't schroeiend Zuid, — van waar de Zon in 't Oosten straalt,

tot daar ze in 't Westen nederdaalt.

KOOR.

Looft den Heer, enz.

Gewijde schaar! ga uit, ga voort.

En all' gy Heidnen! hoort het woord.

Brengt thands Uw eerstelingen aan;

eens zal de volheid binnen gaan!

KOOR,

Looft den Heer, enz.

61

ocr page 60

JUBEL-FEESTVIERIN O.

Eens zal Uw volheid binnengaan!

Bidt, aardsche volkeren! bidt aan, met Isrels stammen eens te zaam èén kudde, één kerk, één volk, één naam!

KOOR.

Looft den Heer, enz.

ROEM DER HOPE.

(GEZANG CCLXXX1II DEK HERST. EV. LUTH. GEMEENTE).

Jesus, mijn Verlosser, leeft!

en ook ik zal met Hem leven,

daar waar Hy zijn zetel heeft.

Wat zou my dan nog doen beven,

nu het Hoofd, reeds opgewekt,

al de leden tot zich trekt?

Door een onverbreekbren band hen ik aan dat Hoofd verbonden;

mijn van God gegrepen hand worde in Zijne hand gevonden;

en vergeefs grijnst dood en hel:

'k zie op Jesus! 't is mij wèl.

't Geen ik afleg is de ellend;

't geen ik wachte, kracht en leven;

't leven, hier nooit recht gekend,

wordt my eeuwig dan gegeven:

de aardsche korrel wordt gezaaid, 't hemelsch lichaam wordt gemaaid.

'k Zal dan wonen hy mijn Heer!

Dit is mijn geloofsvertrouwen —

ik zal Jesus in zijn eer,

in zijn koninkrijk aanschouwen;

ik, ik-zelf, verlost van 't vleesch vrij van zonden, vrij van vrees.

Richt uw geest dan heraelwaart,

heft uw zielen op naar boven,

van de lusten dezer aard

ocr page 61

ROEM DER HOPE.

tot waar ge eeuwig wenscht te loven; woont met hoop en hart en zin thands reeds by uw Heiland in!

EOUW EN TROUW.

En ie gantsche Vergadering maakte een verbond in het huis Gods met den Koning, •n hy zeide tot hen: Ziet, de Zone des Konings zal Koning zjjn, geljjk als de Heer van de Zonen Davids gesproken heeft.

2 Chron. XX111: 8.

Het klokgebom van oord tot oord plant voort het zieldoorvlijmend woord:

rAan de overzij van den Moerdijk daar ligt des Konings dierbaar lyk!quot;

De doodklok dreunt, heel Neêrland weent,

en om het Delftsche grafgesteent pleegt het den tweeden Willem rouw,

zweert het den derden willem trouw.

Een donder, plotsling afgekomen,

heeft Neêrlands hoogsten boom geveld.

De kroon is van ons hoofd genomen!

Gevallen is der helden held!

De dag der smart is aangebroken;

gesproken heeft der heeren Heer!

Wy krommeu 't hart, van leed doorstoken, wy buigen 't hoofd verslagen néér.

Geen Fransche heirschaar in slagorde,

tuk op verplettende overmacht,

geen bloed- en oproerdronken horde

had ons die wonde toegebracht;

geen kogels, langs de heuvlen fluitend

of d' ijzren monden uitgebraakt,

doch op den stouten oogblik stuitend van 't heldenhoofd, door God bewaakt!

En waar dan hy is aan bezweken,

de Oranje, dien ons hart betreurt?

Hoe is de levensgeest geweken?

58

ocr page 62

ROUW EN TROUW.

Hoe 't stoflijk hulsel afgescheurd? — Ach! handen klemmend om het harte,

ach! leed door zelfbedwang vergroot, ach! Vaderrouw by Koningssmarte,

zijn wapens te over voor den Dood!

En, of het waar, het uur voorziende,

lei hy de hand nog op zijn kroost,

en zorgde teêr voor wie hem diende,

en schikte d' arme nog zijn troost.

Daar zonk hy neder op zijn sponde,

daar gaf hy, worstlensmoê, den geest.

Zij God Almachtig in die stonde zijn Herder en zijn Licht geweest!

Het klokgebom van oord tot oord plant voort het zieldoorvlijmend woord:

„aan d' oeverzoom van Maas en Rot,

daar voert men 's Konings overschot.quot; De doodklok dreunt, en Neêrland weent,

en roept by 't Delftsche grafgesteent:

„De Koning stierf! aan 's Konings Zoon behoort ons hart by staf en kroon!quot;

Weemoedvol ziet Gy het. Dochter der Czaren!

nevens u knielend by 't lijk van zijn Vorst, beelden herroepen uit de ebbe der jaren,

laafnis maar voedsel voor 't leed dat Gy torscht! Vroeg werd uw weg in den zijnen geweven, spa blonk uw ster op zijn stormige baan,

zuster des Czaars, onzen Nassau gegeven,

waardigste prijs voor roemruchtige daan!

Zagen wy, sedert, de kimmen betrokken?

Rezen de golven der volksheerschappij?

Wat ook Oranje bestond by die schokken,

Anna paülowna stond vast aan zijn zij! Nederlands zonen, Nederlands vrouwen,

smaken een bittere zoetheid in 't leed,

met Haar te treuren, met Haar te rouwen,

met Haar te gaan in het nachtzwarte kleed. Konden zy troost voor Haar zielesmart vinden!....

u

ocr page 63

rouw en trouw.

IJdel vermeten! machtlooze wensch!

God heeft geslagen! wie zal verbinden?

God wil genezen! zwijge de mensch!

Aardsche vertroosting wordt distel en alsem;

stemmen van Boven fluisteren zacht;

,Christus op Golgotha! daar is de balsem!

Chbistus is opgestaan! daar is de kracht!quot;

Het klokgebom van oord tot oord plant voort het zieldoorvlijmend woord!

Daar roept een stem plechtstatig af,

dat tweede willem daalde in 't graf!

De doodklok zwjigt, maar Neêrland weent en roept by 't Delftsche grafgesteent:

„De Koning stierf. De Koning leef'!

en dat hem God Zijn zalving geef!quot;

Nederland ontfangt zijn Koning uit die Vaderlijke hand,

door wier weldaad sints drie eeuwen hier de Oranjeboom geplant voor de goudkleur zijner vruchten 't bloedrood aller tirannij deed verbleeken, deed verschieten, tot der zeeën overzij!

Neêrland heet zijn Koning welkom, dubbel welkom van dat strand, waar een andre derde willem uit het hart van Nederland met de vrijheid van 't geweten al die vrijheên overbracht, ongelijkbaarste aller glories van het Nassausch Voorgeslacht!

Nederland begroet zijn Koning, by quot;t gebrul van beider Leeuw, als den spruit dier vijftig Helden, die elkander eeuw aan eeuw steunend, volgend, of vervangend aan de spits van Neêrlands kroost streelden, sneefden, kampten, duldden, onvermoeid en onverpoosd.

Nederland begroet zijn Koning als het Hoofd thans van dien stam die, gerukt uit onzen bodem, ziel en welzijn met zich nam,

maar geworteld in de harten, maar gegrondvest in de Macht,

steeds ten teeken was en werktuig van bevrijding, uitkomst, kracht 't Vaderland ontfangt zijn Koning als diens Zwijgers stamverwant, die, Ontwerper, Kweeker, Vader van 't verbonden Nederland,

voor dat Neêrland en zijn vrijheên, onder God door Hem gewrocht, heeft geleden, heeft gebeden, tot zijn jongsten ademtocht, —

als den zoon des fleren Veldheers, die bij Quatrebras gebood,

en by Waterloo den eindstrijd met zijn gudsend bloed begoot, en, niet enkel op het slagveld in der volken oogen groot.

55

ocr page 64

BOUW EN TROUW.

ook als Vorst bezielend daarstond tot aan d' oever van zijn duod.

AH' dier Helden, Vorsten, Vaders Naneef, Plaatsbekleeder, Zoonl Stijg by 't heil- en welkorajuichen onzer duizenden ten troon, met bet oog op hen geslagen, op hun onverwelkbre faam, onvergeetbre zelfverzaking, onbevlekten Riddernaam, —

met het hart van ijver blakend voor een natie, wier geluk u het loon zij van der zorgen zielsmoed-oefenenden druk, —•

met de knie voor Hem gebogen, van Wien alle gave daalt,

alle kracht en wijsheid afkomt, alle macht en luister straalt. Koning! neem Uw staf in handen, naar 't op nieuw bezworen recht dat weldadig nog zal wezen, zoo slechts biddend neergelegd op den grondslag der Geschiednis, op 't beginsel van Gods Woord ja, ten overstaan dier Almacht, die de weêrzijdsche eeden hoort, en den meineed van de volken en des dwingelands geweld plotsling tusschen beide tredend in gerechtigheid vergeldt!

Heer! behoud den derden willem! schenk Hem uw gerechtigheid! Geef Hem koningskracht in zachtheid, — by oprechtheid wijs beleid! Keer in gunst tot loutre blijdschap zijn' in rouw begonnen loop! Voor de Gade hem ter zijde, voor zijn Spruiten, Neêrlands hoop, voor geheel het Nassausch Stamhuis, voor gantsch Nederland te zaam, overstort zijn hoofd met zegens in de vreeze van Uw Naam!

Onder zijn regeering blijve tot aan 't uiterste der aard 't plekje grond bevoorrecht heeten, steeds zoo wondervol bewaard, — bloeie wijsheid, kennis. Godsvrucht, die door liefde, recht en plicht, de eerplaats heilige der groeten, en der mindren last verlicht', — rijze hoog de Oranjestandert, — breng' de Nederlandsche vlag, van het verste Westen wapprend tot aan d' Opgang van den dag, handelschatten, welvaartsbronnen onze havens in en uit,

en den Heidnen, verre en heinde, 't Evangelieheilgeluid!

Heer behoed met Neêrlands Koning heel het Nederlandsche volk! En verzwaart zich om on s henen de opgepakte donderwolk, die verwoesting dreigt en sloping aan 't aloude Vasteland; —

onze schuddende moerassen, met Oranje steeds beplant,

zijt Gy machtig. God der Vaadren! te doen vast en veilig staan! Dat alleenlijk, wat onze oogen ooit zien worden of vergaan,

deze bede nooit van Neerland onder Nassaus schepter wijk'! „Worde uw naam, o God! verheerlijkt! kome, o Heer! uw koninkrijk!''

1849.

ocr page 65

ELISABETH.

ELISABETH.

De dochter Arons (*) zit en treurt. Zy zit verslagen, zy zucht in de eenzaamheid. De middag harer dagen, zoo vreedzaam vroeger in de vreeze van haar God, zoo zalig in Zijn dienst en lieflijk heilgehod, (f)

is met een nevel van onoverkoombre smarte en tranen overfloersd, die nooit een vrouwenharte in Isrel heeft gewraakt, Aan haar volzalige echt werd de onuitspreeklijke eer der vruchtbaarheid ontzegd! De moedertitel is uw' ooren vreemd gebleven,

Elisabeth; als uw ten avond neigend leven van 't afgesmeekte zaad reeds 't kroost had kunnen zien, zacht koestrenfaan uw hart, en zeegnen op uw kniên. Ach! tusschen vrees en hoop ontsnellen u de dagen, tot van den ouderdom 't beslissend uur geslagen uw lang gerekte zucht onmooglijk maken moet!-.. Neen! ook dan nog leeft Isrels God, die wondren doet!

De zoon uit Aron, aan haar zijde, staart met de oogen naar Boven, beurtling, en op tijden lang vervlogen. Hy denkt zijn voorgeslacht van vijftien eeuwen na, — hy slaat den rijkdom van hun breeden stamboom ga, de ontelbre schaar dier aan Jehovaas huis gewijden, die zonder onderscheid van wisselende tijden,

sints Moses in Gods plaats zijn' broeder overgoot met olie, (§) — 't heiligdom bedienden, en den dood der millioenen raillioenen offerdieren (onnoozle lammeren of vlekkelooze stieren) (**) ten waarborg brachten van dat éénig offerbloed,

dat in de volheid van Gods tijden heeft geboet. Ach! moet in hèm dan een dier Vier en twintig orden, (ft) in haar volledigheid nog niet gestoord geworden, vervallen? ondergaan? als kleefde een ban van God ook op Abiaas huis, en de uitroep: Ikabod! (§§)

57

Zoo peinzen zij te zaam, by 't klimmen hunner jaren.

(*) Luc. 1:6. If) Luc, I :6 (§) LeTlt. VIII; 2-13. f**) Habr. IX: 13. X ; 4. (tt) Luo. 1: 5. 1 Ohron. XXIV : 10. (§§) I Sam. 111:10-14. IV: 21-22

ocr page 66

ELISABETH.

en 't-lang nog vóór den tijd verzilvren hunner haren,

van zielssmart om hun smaad in Israël. Maar met

die zielssmart wisselt af — neen! huwt zich — zielsgebed

opklimmend dag en nacht uit worstelende harten

naar Hem, die zaligheên uit jammer schept en smarten, —

die 't licht doet opgaan uit stikdonkre duisternis, —

wiens naam van eeuw tot eeuw Baad en Ontfermer is, —

die Hanna hoorde, toen zy, leed- en levensmoede,

geloften uitgoot, die geen Heli zelf bevroedde,

en straks in de eigen tent te Silo aan den God

der eere d' eerstling bracht van haar veranderd lot, (*) —

naar Hem, die op de rots (t) Manóach en zijn gade

het schier bezwijkend hart van hemelvreugd verzaadde

in 't uitzicht op den spruit, aan lee»v en Philistija

tot in zijn jongsten stond bestemd ten schrik te zijn, —•

naar Hem, die Abraham op reeds verstorven jaren

een' schoot, verstorven als hy-zelf, dat volk deed baren

ontelbaar als het zand aan d' oever van de zee,

en onverdelgbaar ook door eeuwenwegend weel

Zoo klemmen zy zich vast aan al die wonderwegen beschreven in Gods woord, het schild van ouds èn tegen des ongeloofs geweld, èn tegen wat in 't oog van menschen zekerst schijnt, ja lang beslist omhoog. Zoo kampt het zielsgebed dier onbezweken vroomen,

als de arm des zwemmers, die door branding heen en stroomen hem naar de haven der behoudnis paden baant,

te rug gedreven, beurt om beurt, wanneer hy waant de kust te grijpen, die reeds toelacht, of, de slagen herhalend, door den vloed als in triumf gedragen!

Maar ook de krachtigste arm wordt worstlensmoede en mat lt;Je moedigste houdt stand voor de overmacht, tot dat 't bereik des adems faalt. Ja, ook van worstelingen.

vaak machtig van Gods trouw een teeken af te dwingen, als Jacob worstelde by Jabboks eenzaam veer, en overwinnaar werd geprezen van zijn Heer, (§)

zal 't eind bezwijken zijn, indien geen Geest van Boven, geen nieuwe kracht van tegen-hoop-op-hoop-gelooven.

Sam I. 11:1—21. (t) Riohteren XIII : 19. (§) Gen XXXII: 21—30.

ocr page 67

ELISABETH.

wordt ingestort. — Ach! zal het God-behagend paar,

in d' ongelijken kamp steun zoekend by elkaêr

stand houden? wen om strijd verwarrende gedachten

't gemoed belegeren met saamgezworen krachten, —

wen in des harten diepst de twijfel overmag,

niet of Jehova kan, maar of Hy telken dag

wel zal de onvruchtbaarheid van droeve Hannaas wenden,

of aan Manóachs troost door godlijke Englen zenden.

Of was, wat Abraham te beurt viel, iu Gods raad

niet eenig? Zal op nieuw, zal voor een doelloos zaad

de weg, verweigerd door natuur, op smeekgebeden

van menschen opengaan; Is: wondren in dit heden

verbeiden, geen bestaan vermetel eer dan goed

in de oogen van dien God, die ook zijn wondren doet

naar de orde door Hem-zelf Zijn' wegen voorgeschreven?

Neen, liever van die hoop de stoutheid opgegeven,

en uit de hoogten van een al te koen gebed

zich-zelf in lager kring beschaamd te rug gezet!

Dus stormt het in de ziel dier fel bestreden vroomen,

in de uwe, Elisabeth! hel minst. Want ziet, zy komen de dagen, als de vrouw in nooit gekenden glans verhoogd zal worden voor het aangezicht des mans, in krachten van 't geloof den man zal overtreffen,

ja, voor der heemlen oor lofgalmen aan zal heffen meer hemelsch eindloos dan üebóraas oorlogslied,

maar, als dat lied, ontstaan op Zienders-grondgebied.

Gy zult, Elisabeth! van hoog verheven dingen eerlang de dorpels van uw woning op doen springen,

terwijl uw gade zich in roekloos ongeloof de tong gebonden voelt, de twijflende ooren doof.

Jerusalem! eer dat de dagen zich vervullen van 't oordeel, dat vast spoedt, — eer Romes aadlaars zullen te zamen scholen by het aas, hun toegedacht in 's hemels ongena op een verdwaasd geslacht,

om naar des Heeren woord het heiligdom te ontwijden, dat eens des Heeren was! eer dat de nacht dier tijden uw stad, uw volk, uw heerlijk Huis, verslinden zal,

moet nog die stad, dat volk, moet ook dat Huis vooral

59

ocr page 68

elisabeth.

een reeks yan wondren zien, nog niet. aanschouwd op aarde,

een reeks van teeknen, die der eeuwen volheid baarde, —

den Godmensch, wien Gods volk eerlang aan 't vloekhout slaat,

ten voor- en achterhoede. En ziet! hun dageraad

gaat op voor 't reukaltaar, waar Zachariaas handen

den wierook, by den galm der voorhofzangen, branden

in 't statig avondofferuur. Wat godlijk licht

verrast zijn oog en schokt zijn ziel? Wat aangezicht

van meer dan menschlijk schoon bestraalt hem? — 't Is verblijding

van Boven, 't is van God een Engel met die tijding:

,Verhoord werd uw gebed!quot; —• Ga, Zacharias! ga

in de opgelegde stilte uw twijfel boeten, ja!

maar ook verbeiden 't uur, waarop gy uit zult breken

in lof, en met de stem, u weergegeven, spreken,

op een na eeuwen voor het eerst herleefden toon,

van 't geen dat kind zal zijn, die schier ontgeven zoon. —

uw' gade een Samuel, der wereld een Elias!

van onder moeders hart heraut van Gods Messias!

Van onder moeders hart aireede! Wien geen ding onmooglijk zijn zal sprak — de onvruchtbre vrouw ontfing.

Vijf maanden zwijgt zy van het zielsheil haar beschoren;

de zesde rijpte, en o! wat groet verrast hare ooren?

wat wel bekende stem? — Het is uit Nazareth de Maagd, aan Davids huis ten teeken eens gezet,

thans als op vleugelen der duiven heengedragen naar Hebrons bergland, — thans verschijnend voor haar magen, (1) als Bruid des erfgenaams van David! — neen, veel meer!

als de ongelijkbre in genade by den Heer!

Want de ure sloeg, — des Eeuwgen woord vertoeft, niet langer, de kracht des Eeuwigen kwam af! de Maagd is zwanger, volbracht de ontzachlijkste der aartsverborgenheên,

en vleesch geworden 't Woord. Maar wien dan Gode alleen was 't heilgeheim bekend? Ook niet aan u, Maria!

60

Wellicht! Voor 't minst nóg niet, toen 't echtpaar uit Abia den tred uws voets vernam, en straks, o diepten! uit zijns moeders ingewand een half voldragen spruit het sein gaf van de komst, des Heilgen, — als, gedreven

1

Luc. 1:36-40.

ocr page 69

ELISABETH.

door d' eigen geest van God, reeds aan het kind gegeven,

de moeder 't uitriep tot de moeder: „Heil is (J!

omdat gy hebt geloofd, Gebenedijde! En nu —

hoe is het, dat tot my de moeder komt mijns Heeren?''

En beurtlings stijgt de lof ten hoogen ethersfeeren

uit beider moeders dankbaar samensmeltend hart,

tot Hem, die nederzie op needrigheid en smart,

geringen opheft uit het stof, en wie vermetel

op sterkte of rijkdom bouwt, ter neer stoot van zijn zetel,

met Zijner heemlen spijs den hongerige voedt,

en ledig wegzendt wie zich baadt in overmoed, —

aan Jacobs zaad getrouw, aan Abraham gedachtig

in eeuwigheid. Zijn naam is Heilig en Vrijmachtig (1)

Loof, loof, Elisabeth! den Hoorder der gebeên,

die eindloos meerder gaf, die niet uw smaad alleen heeft afgewenteld, maar uw moederlijk behagen in d' overdierbren spruit, in eigen schoot gedragen, zoo eindloos hooger voert — om 't geen die andre schoot omvat voor Israël, voor heel een wereld. Groot zal voor Zijn aangezicht dat kind zijn, dat uw gade, ten zegel van door God verwaardigde genade,

op d' achtsten dag, naar 't oudvoorvaderlijk verbond, het woord bevestigend vernomen uit uw mond,

Johannes noemen zal. (f) Gy zult van de eerste jaren der kindschheid in zijn geest een groote sterkte ontwaren, een sterkte in 't lichaam mee, doch van geen wijn ontleend (waarvan hy naar den wenk des Engels blijf' gespeend!) maar uit den Heilgen Geest, wiens drijving hem zal voeren van menschenstemmen ver en wereldsche rumoeren,

naar de afgelegen paan der zwygende woestijn,

om eenzaam met zijn God en 't woord zijns Gods te zijn!

o! Zult gij leven, of van verr' slechts en in droomen aanschouwen 't oogenblik, wen de opgetogen stroomen aan de oever des Jordaans zgn grootheid zullen zien, — wen, met zijn doop gedoopt, de Godmensch op de kniên den boog der heemlen zal zien scheuren voor Zijne oogen.

(t) Luc. I; 57-80.

1

Luc. 1:46—55.

ocr page 70

ELISABETH.

den Geest gelijk een duif neerschieten nit den hoogen en blijven op dat Hoofd, door 's Wegbereiders mond als 't Lam voor 's werelds zonde aan Israël verkond?

En te dien dage zal het zijn, dat aartstirannen,

op erflijke eerzucht slechts en wellust ingespannen,

de stem des roependen vernemen en ontzien,

ja, voor een korten stond gedwongen hulde biên; (1)

tot dat Herodias zijn bloed en hoofd zal vragen ten loon voor wulpschen dans en schendig welbehagen, en in de duisternis eens kerkers met het zwaard de Vriend des Bruidegoms (t) wordt afgemaaid van de aard, om op te gaan ter plaats, waar Moses met Elias 't getuignis huldigen huns Goëls en Messias:

dat, onder heel 't geslacht met Evaas schuld besmet,

geen grooter opstond dan uw zoon, Elisabeth! 1849. _

AAN MIJNE EGADE

OP HAAR VERJAARFEEST.

Wederom, geliefde Gade!

wordt de luister van een dag,

waar het hart van die u lief heeft.

God op nieuw voor danken raag, dan getemperd door een onweêr,

over huis en land gebracht,

maar, wat zielesmart ons drukke,

door uw leven my verzacht!

Ja! wy loven in de tranen,

onder 't somber van een tijd,

ernst- en jammer-, schoon ook hoopvol

in zijn teeknen wijd en zijd. — Ja, wy zwijgen en aanbidden

by 't herdenken van een zoon, ingegaan na bange worstling

in de rustplaats van Gods doón, — van een zoon, die, was zijn leed ons

lang een bron van zielsverdriet, in dat woord: ,Hy is mijn Heiland!quot;

ons zoo vol een troostbron liet, —

1

Marc. VI: 20. (t) Joh. III; 29.

ocr page 71

AAN MIJNE EGADE. 63

van een zoon, die, door uw zorgen

vier en twintig jaar gekweekt

om volzalig te herleven

in uwe armen is verbleekt! (*) Ja, wy zwijgen en berusten

by 't ontvallen van een Vorst, (f) van wiens leven onze liefde

zich zoo veel beloven dorst by verwachting en verzuchting,

thands verijdeld hier beneên, — nooit vergeefs toch neergeworpen

voor den Hoorder der gebeên. Midden in den diepen weemoed,

in den dubblen harterouw,

geeft ons God nog feest te vieren.

Uw verjaarfeest, dierbre vrouw. Weder dan een jaarkring verder

op dees doornenteelende aard,

onder wiss'lend leed en vreugde

voor het lievend hart gespaard van het teder, aan uw zijde

zich steeds vaster klemmend kroosf. van den gade, wien uw aanblik

steeds bemoedigt, staag vertroost,

lieve levensgezellinne

naar een hooger levensdoel!

Ach! tot kwijting van 't aandoenlijkst,

hartvervullend vreugdgevoel, wat beteekent keur van woorden,

wat, geschenken rijk en schoon, ter erkenning van{ die liefde, '

of die moederzorg ten loon,

(neem dit luttel feestvereering

toch met welgevallen aan!)

by een enkle zucht des harten

door het uw' zoo wel verstaan. — by een enkle zucht des harten

tot den Gever alles goeds,

f*) Onze oudste zoon, Willem Daniel, ontslapen 5 Dec. 1843.

(1) 17 Maart 1849.

ocr page 72

AAN MIJNE EGADE.

tot dien Gever van Zich-zelven

en van alle vrucht Zijns bloeds?

Zulk een zucht, geliefde Gade!

rijst op dezen vreugdedag,

rijze op eiken dag des levens,

die ons hier beschijnen mag,

by de dankstof onzer zielen

uit mijn binnenst op tot God!

't zij wy leven, 't zij wy sterven,

kalm of stormig zij ons lot,

vast te blijven, wat ook schudde,

met elkander, met ons zaad,

in den Heiland, die ons vrijkocht.

en wiens liefde nooit vergaat.

2 April 1849. _

AAN MARGARETHA ELIZABETH DE CLERCQ.

TER HERIHNERING AAN HARE AAMNEMING EN BEVESTIGING.

Margaretha, (1) wat nw doopnaam in de taal des Bijbels zegt,

zij de keuze, reeds nw jonkheid van den Hemel toegelegd!

Ja, de parel groot van waarde, maar verkrijgbaar slechts om niet by wier nederige blankheid 's werelds hoogste gloed verschiet, wil het deel zijn der Mariaas, door wie eenmaal recht begeerd, nooit de gave tot den Gever als herroeplijk wederkeert,

maar een schat blijft, by de wentling van het leven, van het lot, in des harten binnenst veilig, onder 't zegel zelf van God! 1849. _____

UIT PORTUGAL.

„Naar Afrika, naar Afrika!quot;

sprak Don Sebastiaan,

„aan d' overkant van 't middelmeir ,Plant' Portugal zijn vaan!

„Mijn adel, op! weêr 't zwaard aanvaard,

64

„waarmeê van 't Moorsch gebroed „uw voorgeslacht en 't mijn van ouds „vervlieten deed het bloed!

1

In het Qrieksch: Parel.

ocr page 73

UIT PORTUGAL.

„Nog moet,op Marokkaansch gebied

„ons schilden vijftal staan!

„Voor 't bloed waarop dit wapen wijst,

„bezwijm' de Halvemaan!quot;

De ridderkreet vervangt zijn taal:

„Heil, vorst Sebastiaan!

„En wee, en wee, en wee, en wee,

„en wee de Halvemaan!quot;

Die kreet doordavert Portugal —

des Konings moeder mee,

wier somber voorgevoelend hart spreekt van een dieper wee:

Töy delft u-zelf, uw ridderschap,

„uw koninkrijk een graf,

„mijn vorst, mijn zoon! Wat vleie of lokk',

„sla 't doodlijk opzet af.

„Wat trekt uw brandend heldenhart

„naar 't dor en dorrend Zuid?

„het bloeiend West en Oost der aard „bood verscher roem en buit!

„Maar beter, in dit tijdsgewricht,

„dan buit en krijgsgeschal „wacht van het kroost van Manuel ,'t bevoorrecht Portugal.

„Het smeekt, by schittring, duurzaamheid

„voor 's Konings heerschappij!

„'t Wenscht, wie 't |n hoop reeds welkom juicht, „een bruid aan 's konings zij.'quot; —

„Ik acht mijn hand, mijn hart, mijn kroon

„geen koningsdochter waard,

„voor dat in 't ongeloovig bloed „gebaad hebb' dit mijn zwaard!

„Voor dat op eigen moedergrond

„de Muselman bezwijk'!

„voor dat ook daar in d' aanvalskrijg „ons kruis de meerdre blijk'!

65

ni.

6

ocr page 74

UIT PORTUGAL.

„Tot zoo lang, eedle Koningsweeuw!

, voegt Portugal geen rust,

„zijn' fleren ridders geen bestand, „aan mij geen levenslust.quot;

De Koning spreekt, de Koning staat,

onwrikbaar vast van zin!

De Weduw snikt, de hofzaal zwijgt, de ridderkieet valt in:

„Naar Moorenland! naar Moorenland!

„en leef' Sebastiaan!

„En wee, en wee, en wee, en wee, „en wee de Halvemaan!quot;

Daar voert men 's Konings moeder weg,

bezweken aan zijn kniên!

Haar oogen zullen voor het minst den jammerdag niet zien. —

Wie ondertusschen zet het pleit

voor de eigen voeten voort,

schoon bevend van der jaren last, vol vuur in blik en woord?

't Is in 't scharlaken kerkgewaad

de Infant van Portugal,

't is, die den kinderlooze, als hy, een wijl vervangen zal.

Het is van Koning Mannel de laatst gebleven zoon,

do laatste meester, uit diens heup, der Lusitaansche kroon!

„Ik weet, o Vorst en hoofd mijns stams!

„het kenmerk van ons bloed:

„dquot; in 't ijveren voor kerk en kruis „onbluschbren riddermoed.

„Ook gy hebt, sints uw vroegste jeugd,

„naar uwer vaadren aart,

rOriques roemrijke erfenis „met vroome drift aanvaard!

66

ocr page 75

UIT POKTUGAL.

„Maar leeft Alfonsus zegepraal

„op d' ongedoopten Moor „in volkskronijk en volksgezang „der jaren volgrij door, —

„Een zelfde vijand roept niet steeds

„ons stamhuis op ten strijd, „en nieuwe plichten, nieuwen kamp „baarde ons een nieuwe tijd!

„Wat blikt ge, o Koning! Zuidwaart af,

„daar 't onweêrt uit den Noord,

„waar 't losgebroken oproervuur „zich voedt aan 't kettersch woord?

„Wat laat ge uw Oom van Oostenrijk

„in dees zijn kamp alleen?

„en snelt niet met uw duizenden „naar 't muitend Neerland heen?

„Of zien wy van ons wettig deel

„aan dezen kruistocht af?

„Men vreez' voor 't minst het overwicht „ook hier van Spanjes staf!

„En o! dat niet ons Portugal,

„zes eeuwen glans ter wraak,

„uit d' Africaanschen gloriedroom „Spaansch wingewest ontwaak'!quot;

De Kerkvoogd zwijgt, de spanning stijgt

een siddering gaat rond!

De Koning hoort, de Koning spreekt, een glimlach om den mond:

„Eerwaardste zoon van Portugal!

,'t woord, dat gy spraakt, is waar! „Verwarren we, in 't belang des rijks, „geen tijden met elkaêr!

,Neen! tusschen Spanje en Portugal

„in eeuwigheid geen twist! „De wederzijdsche onwinbaarheid „werd overlang beslist!

ocr page 76

UIT PORTUGAL.

„Hen waarborgt Toroos zegepraal,

„Algibarrota ons,

„en verder! staan wy t' zaam voor't heil „ééns vaderlandschen gronds!

„En verder! dat voor 't ijvrénd zwaard

„van beider stam verdwijn'

„de ketter op ons grondgebied, „de Muselman op 't zijn'!

„Met koning Phlips van Oostenrijk

„ga 'k deze deeling aan:

„de ketter van het Noord aan hem, „aan ons de Halvemaan!quot;

En wederom weergalmt de zang;

„Leef vorst Sebastiaan!

„En wee, en wee, en wee, en wee,

„en wee de Halvemaan!quot;

Maar weder, op dien luiden kreet

bracht nog een derde stem voor 't oor der helden tot den Vorst een dreigend woord met klem ;

,Wat richt ge uw vloot naar 't Zuiderland,

,o Koning, zoo gerust?

„daar ligt een ban voor Portugal „op de Africaansche kust, —

„De ban om Isrels kinderkens,

„geslingerd van dit stiand „naar de eilanden der Westerkust „en 't Barbarijsche zand!

„Gedenkt men nog den gruwel wel?

„En vreest niet dat de wraak,

„de wraak, verdiend aan Israël,

„uit Ismaël ontwaak?quot;

De Koning stampt in ongeduld,

des Konings oog schiet vuur,

en vaster dan het immer stond staat zijn besluit dit uur.

68

ocr page 77

UIT PORTUGAL.

„Wie neemt hier 't pleit op voor den Jood,

,al3 voor onschuldig bloed?

„Zoo vaak zijn trots voor quot;t kruis zich buigt, „zij hem mijn schepter goed;

.Maar koestert hy, verstaald van zin,

„de bloedschuld van zijn stam,

rzoo wachte hem met Ismaël „één doem, één zwaard, één vlam!

„En nu! trots vrouwlijk angstgeschrei,

„trots ingebeelde ban,

„mijn adel! op! den kamp aanvaard! „het geldt den Muselman!quot;

En dweepend keert het antwoord weêr:

„Leef vorst Sebastiaan!

nEn wee, en wee, en wee, en wee,

„en wee de Halvemaan!quot;

Uit Lisbon steekt de vloot in zee, met de eer bevracht van 't land, met wat het fierst en vorstlijkst heeft ter kwader uur bemand.

Straks biedt het Spaansche zusterrijk

uit Cadix haar zijn groet,

en met dien groet een schaar ter hulp van zijn doorluchtigst bloed.

Daar drijft zy de Oceaanbaan af

met eedlen zwanentrots,

ter zij Trafalgars vocjrgebergt',

ter zij Gibraltars rots.

Met galmen van den oorlogsdeun

en van de scheepsklaroen, — met glansen van metaal en kleur van 't ridderlijk blasoen:

Der Silvaas leeuw gevat in groen

Almeidaas adelaar,

de sterren van Coutinhoos huis, der Sousaas wassenaar.

€Q

ocr page 78

UIT PORTUGAL.

Der Costaas zilvren beenderen,

Pereiraas kruis van kee),

en menig schild van vorstenrang met streep of barensteel; —

Maar 't wapen van den Koning-zelf

op de ongerepte vlag,

bekend van de uiterste avondkust tot d' opgang van den dag!

Daar treedt hun, dondrend toegejuicht,

Arzila in 't gemoet.

Haast zet des Konings heldenstoet op Moorsch gebied den voet.

Haast hoort heel Moorenland den kreet

van: „Leef Sebastiaan!

„En wee, en wee, en wee, en wee, „en wee de Halve maan!quot;

Reeds schudt er half het kustland van-

maar 't luchtazuur betrekt;

der sterren goud wordt met een gaas van dampen overdekt.

Een vreemde trilling stoort de rust

der breede waterbaan;

en bloedig rood schijnt op haar af het volle rond der Maan.

Te Lisbon zag de zomermaand des Konings wil vervuld, — de herfstmaand zag in zwarten rouw heel Portugal gehuld!

Gevallen was de zware slag,

geplengd de bloedrivier, en weggemaaid de bloem des rijks by Alcazarkebier!

Geworsteld was van wederzij'

met leeuwenwoede en moed!

maar oveiniacht hield de overhand, en waanzin werd geboet.

70

ocr page 79

UIT PORTUGAL. 71

En aan 't verlaten roer van Staat,

bestookt door wind en weer,

zat, nog een somber oogenblik,

de veege Kerkvoogd neêr.

Plaats zal hy ruimen, eer het jaar

zich tweemaal heeft herbaard,

voor 't recht van Vijfden Kareis zoon,

bepleit door Alvaas zwaard.

Ach! kampte en bleef de ridderschaar

met. eer, met glans, met zwier, —

Toch had de Moor gezegevierd by Alcazarkebier!

Hoe was 't in dat noodlottig uur,

hoe met het Hoofd gegaan?

in 't midden der gevallenen,

met vorst Sebastiaan?

Men had hem, van zijn dapperen

omgeven — straks ontbloot,

aan 't Moorsche zestigduizendtal zien weer biên tot den dood, —

In 't eind, van wonden overdekt,

met opgelicht visier,

ter neêr zien storten in den slag van Alcazarkebier!

Men had het lijk herkend, geschouwd,

in 't woonhuis van den Jood,

Jat aan den vorst van Portugal een laatste rustbed bood!----

Toch bleef van eeuw tot eeuw de maar,

bewaard van mond tot mond,

dat Don Sebastiaan den dood in Africa niet vond!

Dat Don Sebastiaan bestaat,

en eerlang keeren zal,

hersteller of heroveraar van 't oude Portugal.

ocr page 80

uit poetugal.

Sints, of de Spanjaart 't land regeert

en weder ruimen moet,

of na eens Keizers ondergang Miguel verrijst en woedt, —

Een zelfde woord leeft fluistrend voort,

ontrefbaar evenzeer door spot en Inquisitievuur:

„Sebastiaan keert weer!quot;

Dns toont van ouds een volk zijn trouw,

die trouw haar bijgeloof,

voor elke tegenrede blind,

voor eiken twijfel doof? ..,.

Neen! dieper is der Sage zin

en hooger heen gericht,

omwoeld van wondre vreemdigheên als vaak een waarheid ligt!

Wat in dien waan verborgen leeft

van 't suffend Portugal,

is, — aller volken voorgevoel van Eén, die komen zal!

Die van den hemel keeren zal,

die op Zijn wereldtroon de aard vau haar ban ontheffen gaat — de niensch geworden zoon!

Werpt, volkren! by die naadring weg

uw goón van hout en steen, met opgedrongen waangezag en schijngerechtigheên !

Want brengen komt die Koning u

gerechtigheid en vree!

Maar By-, maar On-, maar Wangeloof en Waanverlichting web!

ocr page 81

TEE, ZILVEREN BRUILOFT.

TER ZILVEREN BRUILOFT

VAN DEN

Wel Eerw. Heer J. B. H. BRUINIER en Vrouwe BONEBAKKER.

MET EEN EXEMPLAAR VAN MESSCHEBT'S „GOTTDEN BRUILOFT.'*

In zachte zielevreugd, bevoorrecht echtlijk paar!

vervult zich op dees dag uw zilvren bruiloftsjaar.

Moog' zich die zilverglans tot gloed van goud verhoogen, op kroost met kroost van kroost uw dankbre grijsheid bogen, aartsvaderlijk gestemd tot hooger bruiloftsdisch,

waarop wie Jesus eert van Hem, genoodigd is.

1849.

FEESTZANG

TER GELEGENHEID DEB VIERING VAN HET VIJFTIGJARIG HOOGLEERAARSAMBT VA^

Mr. D. J. VAN LENNEP.

De jubelstonde sloeg! De beker, opgeheven,

bracht aan 't bedwongen hart het sein zich lucht te geven. Zoo ge immer van het mijn de tolken zijt geweest,

mengt, zilvren snaren! mengt uw weergalm aan het feest!

Bekoorlijk langs den arm der pas ontboeide stroomen en opwaart tot de spits der blanke popelboomen,

is, lente! uw lachend groen, het beeld van hoop en]jeugil, van eedlen mannenroem en reine levensvreugd!

Maar schoon ook, over 't vlak der kaalgeschoren velden, wier schatten, ingebracht, des landmans zweet vergelden, is 't oogverblindend blank van 't sneeuwveld zonder vlek, waaronder, 't zij de beek zich met een ijskorst dekk',

of aan het gure zwerk de winterstormen loeien,

een nieuwe lente rijpt en nieuwe herfsten broeien! En schoon vooral, de twee vereenigd; sneeuw en groen, — van Noordschen den of spar een altijd versch plantsoen, uitkomend op een veld in zwanendons herschapen';

of — om de in 't perk van eer met wit bestrooide slapen een breede lauwerkroon, die afvalt noch verdooft,

gelijk Uw grijsheid ons die voorstelt, achtbaar hoofd!

Neen! wie zich van den druk der grijsheid moog beklagen.

73

ocr page 82

FEESTZANG.

gy niet! wiens vlug gemoed, bij 't lengen uwer dagen,

niet daalt maar opziet, en, by kalmte, niet verkondt. Uw groen behield zijn gloed, uw zilver, zie! werd goud.

De jubelstonde sloeg! De beker, opgeheven,

bracht aan 't bedwongen hart het sein zich lucht te geven! Zoo ge immer van het mijn de tolken zijt geweest,

voegt, gouden snaren! ook uw trilling by dit feest!

't Zijn vijftig jaren dan, sints met beschroomde stoutheid uw jonkheid zich omgordde, om de eêlste vrucht der oudheid aan d' Amstel ga te slaan met zijner zonen bloem.

ja, buit te maken voor den schat van Neêrlands roem!

Sints smolt de helft der Eeuw! Een wereld om u henen veranderde niet slechts, maar is, of 't waar, verdwenen in schuddingen der aard by 't woén van dwinglandij en oproer, — straks, nog meer, by vredes heerschappij, in nieuwe scheppingen en staêge wisselingen,

waar de oude vastigheên by schokten of vergingen.

Doch dankbaar looft uw hart! Te midden van een loop van jaren hachlijk vaak voor Neêrland, voor Euroop, wat stroom van weldaan u van Boven toegevloten;

in huis, met gade en kroost, en kroost van kroost genoten! In 't perk van wetenschap, van kunst en poëzij! Als vaderlander mede en voedsterzoon van 't IJ!

Gy zaagt dat vaderland, verslonden en verloren,

na bange ellende en druk als uit het graf herboren!

Gy zaagt de Vrijheidsmaagd geboeid, getrapt in 't slijk, de nieuwe Republiek, straks Hollandsch koninkrijk, in ' keizerrijk vergaan met Hamburg en met Romen! Oud Neêrland door het schuim van slaven ingenomen! Te 's Hage en Amsterdam de Celles en Stassart de moeders folteren en wroeten in het hart!

Maar eindlijk in het Noord 't verlossingsuur geslagen, uit Spanje en Engeland Oranje reddend dagen,

als voor de aloude leus aan Neêrlands volk zoo dier, de doodschrik in het hart. Prefect en Douanier verzwond, als op de stem en 't sein der Hogendorpen met daverend gejuich het jok werd afgeworpen.

74

ocr page 83

FEESTZANG.

als onder schrikgerucht van Woerdens sombre vlam

gy mede uw post betrokt aan 't roer van Amsterdam!

En later, toen de toorn der opgeruide Belgen

zich vleide, een oogenblik, ons Neerland te verdelgen,

verlaten op dat pas van 's werelds Mogendheên,

ontzag uw griisbeid niet gewapend op te treên

voor de eer van 't Vaderland en van do Oranje vanen,

de leeuw van uw geslacht vast schuddende zijn manen,

als denkende aan de schand, door 't Hollandsch voorgeslacht

aan Vlaamschen overmoed by 't Manpad toegebracht.

De jubelstonde sloeg! Van Staats- en oorlogszaken te veel reeds! 'k Wensch van nu een andren toon te slaken'. Zoo ge immer van mijn zucht de tolken zijt geweest,

zingt, gouden snaren! zingt van dichtkunst op dit feest!

Hoe ruischt hier in ons oor de nagalm van die zangen, met daavrend handgeklap sints vijftig jaar ontvangen, in 't rijke Nederlandsch, in 't statelijk Latijn,

wedijvrend wie van beide u grooter lof zal zijn. Van Lennep! 't zij uw stem met huivrend welbehagen de schim van Hannibal uit de Alpen op deed dagen,

dat de echo van dien naam vervulde berg en dal, en 't Sparen op zijn beurt weêrgalmde, Hannibal; (*) — 't zij 't bloed, dat Waterloo voor Neêrland zag vergieten, met zooveel sterker stroom uw feestzang uit deed schieten; (f) — 't zij rijper leeftijd u dat lied gaf in 't gemoed,

door zooveel lieflijkheên in Hollandsche ooren zoet, dat duinlied, (*) in wiens maat of 't waar de nachtegalen van Floris Vooglenzang de zielsgeneuchten malen des vaderlanders by den aanblik van zijn land,

verdedigd en gevoed door golvend stuifzeezand.

Straks werd, hoog in die lucht, op nieuw een galm vernomen, — het lied des grijzaarts aan de lommerrijke boomen zijns erfgronds (*) in een taal, voor meer dan zestig jaar door 't knaapjen afgezien aan Romes dichtrenschaar, —

(*) D; Herder op 't Slagveld van Cannae.

(f) Ne Ierland hersteld, 1814. (§) Duinzang.

(**) A d arbores vlllae Manpadicae.

BIPL. CO NV.

75

C. F. M.

wujer; n s

ocr page 84

FEESTZANG.

het lied des grijzaarts nog niet zat van levensdagen,

toch met een zacht gevoel van vrede en welbehagen met zacht gebogen hoofd, by 't leunen op zijn staf,

zijn weg bewandelend den blik gericht naar 't graf!

Zegt, Manpads eiken, Manpads beuken, Manpads linden!

Zegt! is er voor dees dag met d' adem van de winden geen lichtglans in uw loof verkwikkend afgestraald?

Geen fluistrend antwoord in uw toppen neergedaald, die, weergalm op zijn lied, daar 't hart en ooren boeide, den Dichter dankte voor den toon die hem ontvloeide.

en, na drie vierden van een eeuwkring, sprak van rust,

als ook den wakkre voegt, zich-zelv' den tijd bewust?

Maar neen! van hooger af is 't antwoord neergekomen, van hooger dan de wind die ritselt door de boomen. — Dat, zilvren snaren! u een andre toon vervang'!

De jubelstonde sloeg. Ik boor bazuingeklang!

Als in Palestinaas steden, onder 't volk uit Abraham,

van de zeven Sabbathweken 't jongste jaar zijn aanvang nam, vierde 't land en zijn bewoner voor Jehovaas aangezicht een verheven, buiten Isrel ongekende, hoogtijdsplicht.

Heel het zespaar zijner stammen hoorde quot;t loeien der bazuin, op wiens wonderdoende slagen eens de Palmstad viel in puin. Heel het zespaar onzer stammen, op dien dag, vernam een toon, als op Sinai eenmaal vóórging de overgaaf der Wetgeboön! Maar geen wet op nieuw der werken, wet van zwaren last op last, in de dagen dier bedeeling d'Israëller opgetast,

lag by 't feest der vijftig jaren in die schallende trompet.

Blijder, ruimer, voller, zaalger, was het doel der jubelwet.

't Was bevrijding, 't was ontheffing, 't was herleving,'t was herstel, wat de beeldspraak hield besloten van het Godlijk feestbevel. 't Was aan de oude voorgeslachten d' Evangelieklank gespeld, die gevangnen vrijheid predikt en verlossing van 't, geweld, — die den levendigen troost brengt en het leven aan de doön, by 't bazuinen des Archangels en 't verschijnen van Gods Zoon!

Heil den zondaar, in wiens ooren deze toonval lieflijk klinkt: heil den stervling, in wiens boezem deze boodschap binnendringt. Wie op tollenaarsgenade zich den Redder overgaf,

wie behagen leerde voelen in Zijn Herdersstok en staf;

76

ocr page 85

FEESTZANG.

wie voor 't aangezicht der wereld Hem ala Heer en God belijdt, wie met bevend zielsverlangen zich aan Hem wenscht toegewijd: grooter voorrecht is hem wachtend dan'een kalme levensrust:

andre zaligheên dan de eêlste, dan de teêrste levenslust,

in het koninkrijk dieas Heilands, die, ten dage van zijn strijd, van zich-zelv' als van|zijn Vader heeft getuigd: Ik werk altijd.

Achtbre Grijzaart, met wiens lessen in uw mannelijke jeugd mijn nog ongewisse jonkheid als met kinderlijke vreugd d' eersten indruk mocht ontfangen van de waarheid van dat woord, dat uit Isrel door de volken van heel de aarde werd gehoord; — lt;le eerste zelfbewustheid voelde van de roeping van mijn stam; de eerste trekking (licht!) mijns harten tot den God van Abraham, o! By 't woord dier hoogste waarheid, zielsverlichting, heilgena, op wier noodiging ten leven ook Uw ziel zegt: Amen, ja!

By den nagalm van een feeststond, die van 't eeuwig jubelfeest u het voorbeeld, u de voorsmaak, u de waarborg zij geweest! Wandel lang nog aan de zijde van een ongezienen God,

onder Manpads eikenlommer. Hem den nazaat en diens lot. Hem uw eigen geest bevelend, en, het oog op kroon en kruis. Hem verbeidend in den voorhof, tot gy ingaat in het Huis.

19 November 1849.

BIDDEN.

Des harten binnenst overleg,

gezegd, gezucht, gedacht!

Het trillen van een stille vlam die naar de wolken tracht.

Het slaken van een ademtocht,

het vallen van een traan,

de blik naar boven van een oog door God-alléén verstaan.

De eenvoudigheid, het kunstloos waar

der kinderlijke taal,

maar aan wie plaats gegeven wordt by 't Englenlofkoraal.

77

ocr page 86

BIDDEN.

Des Christens kracht, des Christens lust

des Christens levenslucht zijn levenskracht in 't uur des doods,

by dood en hel geducht.

Des zondaars eerste stemgeluid,

die Jesus valt te voet.

By aller heemlen vreugdgejuich

door 't: ziet hy bidt! begroet. (*)

Tot 's Vaders eer, tot lof des Zoons,

in zin en wil en woord het door den Heilgen Geest gewrocht volzalig zielsakkoord!

Want bidden doet geen hart alléén,

één Geest dringt ze allen door;

en op zijn Priesterlijken troon

gaat Jesus-zelf ze voor.

Gy-zelf, de Waarheid en de Weg!

ziet biddend op ons neêr,

hebt biddend onzen strijd volstreên, —

leer Gy ons bidden. Heer!

Vi:ir 't Engelsch. _

BIJ EEN AFBEELDING

VAN

HET GRAF VAN VOLTAIRE.

Ik hebbe gezegd; — „gy zijt goden. —' Nogtbands zult gy sterven als een menscb Pu. LXXXII : 6, 7.

Wat komt ge op deze plek? bewondren of beklagen? — Een toonbeeld was de god, wiens rif dit graf verslond, der grootheid, aan het stof, bestemd Gods beeld te dragen,

by d' aanvang ingestort met d' adem van zijn mond. Een toonbeeld van de keus, geguqd aan slijk der aarde. God met de ontfangen gaaf te dienen of te smaan, — met de Englenschaar te zijn, die Zijn gebod bewaarde,

of tegen Zijne kroon met Satan op te staan.

Ach! in dien weidschen dosch van rijk verscheiden kenr.is, dut toovren met de pen, dat vonklen van genie

*) Hand. der Apost. IX: II.

78

ocr page 87

BIJ EEN AFBEELDING VAN HET GRAP VAN VOLTAIEE. 79

en —'t wijden dezer drie aan wulpsche heiligschennis,

wat dichtervorst was ooit Voltaires evenknie?

Bedenkt het by zijn graf, waar dampen uit verrezen

verpestender dan gif, dat slechts in 't lichaam woedt, — bedenkt, en leert den God, door wien gy ademt, vreezen,

gy goden van de kunst, beheerschers van 't gemoed!

Neen! door wat stoutheid ooit Gods maaksel overtrede, —

geen lastring zoo ontaard als 't lastrend dichterwoord! Krijg in den naam der rede aan de Allerhoogste rede,— geen wanklank die zoo raauw het lied der Schepping stoort.. Wien van zijn heerlijkheid de wormen hier ontkleeden,

heeft eens dien krijg verklaard aan Christus en zijn zaad, met schuim van geestigheên, met zout van beestlijkheden,

met tot den laatsten snik nog uitgebraakten haat. Wat kiest ge op deze plek? den spotter en zijn glorie, —

of die het voorwerp was van zijn verwoeden spot?

Op een verlicht geslacht des Ongeloofs viktorie,

of — d' aan 't miskend Geloof beloofden dag van God? Kiest! maar geen midden meer om de uitersten te weeren van licht en duisternis! — Kiest! maar van tweeën één: de wijsheid van den mensch, of de ergernis des Heeren! aan .Tesus of Voltaire een stellig ja of neen!

1849. ____

„MEN ROEPT VAN GROENLANDS BERGEN.quot;

Men roept van Groenlands bergen,

men roept van 't Indisch strand,

van Africaas woestijnen

en geel geblakerd zand,

van stroomen, ver gelegen,

van velden, wijd gespreid,

om bijstand ter bevrijding uit doodscho donkerheid.

Wat keur van specerijen,

doorgeurende 't azuur.

wat rijkdom van tooneelen

der prachtigste natuur,

zal Ceylons eiland baten by 's menschen gruwzaamheên.

ocr page 88

„MEN ROEPT VAN GEOENLANDS BEEGEN.quot;

zoo lang hy, blinde heiden,

zich buigt voor hout en steen?

En wy, wier zielen leven

by 't Godslicht van omhoog,

wy zouden 't licht onthouden

aan 't naar ons starend oog! Bevrijding, ja. bevrijding

in des Gezalfden naam, —

die brenge aan alle volken ons aller stem te zaam!

Voert, winden! op uw vlerken

dat Evangelie mee,

tot dat het de aard bedekke

gelijk een diepe zse.

Eens komt aan alle volken

het Lam, voor ons geslacht,

als Goël, Schepper, Koning,

zich toonen in zijn kracht.

yaar 't Engelsch.

PEESTWENSCH.

AAN MIJNE DIERBARE VROUW OP HAREN VERJAARDAG

18; 50.

Voor ieder jaar Uws levens,

my in Gods gunst gespaard, —

voor eiken dag en stonde

van onzen band op aard, —

voor iedere ademhaling

der moeder van mijn kroost, der trouwe Gezellinne,

naast God mijn steun en troost. —

Voor ieder straal van vreugde —

voor ieder teug van smart,

te zamen opgevangen

in 't saamgestrengeld hart, —

voor ieder van die weldaan

aan leven, ziel en huis,

gevloten uit zijn volheid ten prijs des bloeds van 't Kruis, —

80

ocr page 89

FEESTWEKSCH.

Voor elke nieuwe leiding,

genoten op het pad, dat onder licht en duister

ons voert ter hemelstad, — zij onze Uod en Heiland

met hart en mond geloofd, en moge een versche zegen beregenen Uw hoofd!

AVy heffen jubelvierend

den dank- en feestkelk op, geliefde gade en moeder!

en dat by ieder drop ons hart die liefde proeve,

die ieder liefdeblijk quot;wil heilgen tot een voorsmaak van Zijn gezegend rijk!

TEK NAGEDACHTENIS VAN MI.IN JONGEN VRIEND

HERMAN GILDEMEESTER,

IN' DRIE EN TWINTIGJABIGEN OUDERDOM VAN OP DE BABEN DES OCEAANS OPGENOMEN IN DE BUST ZIJNS HEEBEN.

Een frissche en fiksche jeugd, in wier beminlijk schoon van een rechtschapen hart de kloekheid lag ten toon! Een ziel in 't oog van God door reinigende plassen van Christus dierbaar bloed van allen smet gewasscben! Een liefderijken zoon, een bruidegom, een vriend,

die van wat God hem gaf zijn broedren heeft gediend! — Ziedaar wat van eene aard, vol schuddingen of doornen,

Gods vrijmacht afriep tot de rust van Zijn verkoornen!

Voor schreien, zielsstrijd, zelfveiloochning, welke stof!

Voor lange droefheid, ja! maar ook voor eeuwgen lof! —-Weent, Gildemeesters! weent! en wilt geen tranen sparen, om met verhelderd oog uw voorrecht aan te staren. 1850. ___

AAN ISRAELS VERSTROOIDEN.

(tOEËIGENING VAN HET WERK: „ISBABL EN DE VOLKEN.quot;)

Wien biede ik ze aan, dees bladen vol geschreven van smart en smaad, en wederwaardigheên.

81

ocr page 90

AAN JSEAËLS VEESTROOIDEN.

onpeillaar diep, toch wonderhoog verheven? —

Wien huiten u, mijn volk, mijn vleesch en been? Ja, Israël! aan u, Gods eerstgekende,

sints, toonbeeld van Zijn toorn, van land tot land, by 't schetsen van wiens lange, lange ellende,

mijn broedren! schier verstijfd waar' deze hand, bezwemen 't oog, dat onze ban aanstaarde,

bezweken 't hart, dat de oorzaak overdacht,

stond over u, verstotenen der aarde,

niet nog een woord der toekomst uitgebracht: „zy zullen zien. Wiens wet, Wiens hart zy braken, —

(verbreken doet Hy nimmer Zijn verbond!) „en kussen zullen ze eens, Wien zy doorstaken!' Genade komt ons tegen uit de wond.

AAN BEN VRIEND MIJNS ZOONS,

BY ZIJN VERTREK NAAR EEN VERAFGELEGEN LAND.

MET EEN BUNDEL POEZT.

U geleide langs de sporen van het hobblend pekelveld

Hy, Wiens alziend oog de droppels van zijn baren heeft geteld

en de hairen van ons hoofd!

Blijve op 't deinen van die golven, blijve aan 't oostereind der aard 't ïieeld en voorbeeld van een moeder in uws harten diepst bewaard,

die gezocht heeft en geloofd.

En vertrouwt ge soms een heilgroet aan de vleuglen van den wind, geef van de eigen ke s een teeken aan den zanger, aan den vrind,

die dit bondelken u biedt,

niet tot streeling van de zinnen door een weeke melodij,

maar om 't woord dier hoogste waarheid, die zijn deel en 't uwe zij, en het doel was van zijn lied.

ZENDELINGSLIED.

In nachtelijke droomen

werd eens de stem'gehoord: „Wil tot ons overkomen,

en help ons met het Woord!quot; En, uit Euroop vernomen.

82

ocr page 91

ZENDELINGSLIED.

loen nog in nacht gehuld,

heeft de overzij der stroomen den nooddruft straks vervuld!

Thands komt in alle richting

de noodkreet tot Euroop. En 't woord der Godsrijkstichting

neemt uit het West zijn loop naar de Africaansche zanden,

naar Groenlands langen nacht, ja, naar die morgenlanden

wier kroost het tot ons bracht.

Die 't alles kunt vervullen,

o Trooster, vol gena!

help Gy, die helpen zullen,

en met wie Ge uitzendt, ga! opdat met 's hemels wolken

Zijn weerkomst word' verbeid, die 't Licht is aller volken en Isrels heerlijkheid.

bt den dood van het jongste kind van onze vrienden

GREGORY PIERSON-OYENS.

Verhuld in 't kleed van ziekte en leed,

trad in een godgeliefde woning een Engel, vragend voor den Koning,

een zijner schaapjes, dier gekocht.

Hy waarde rond in 't huis; hy zocht — hy zocht en vond.... een kind dat vroeg reeds had vernomen de stem des Herders: Laat de kleinen tot mij komen.

En de Engel kwam en naar den lusthof van het Lam nam hy den kleinen heemling mede —

ondanks eens vaders sterke bede,

eens moeders vast geloof in worstelende smart!

Is Jesus bard?

en in zijn hemel nog niet heden de hoorder van Jaïrus smeekgebeden?

83

ocr page 92

AAN ONZE VRIENDEN G. PI1SRS0N-0YENS.

Zijt stille en hoori de stem des troosters in het woord:

Geschokte moeder, en gy diep bedroefde vader.

in 't hart gegriefden, maar bevoorrechten te gader: Dat het vleesch zich verloochen', de geest zich verblij'!

Mijn genade is met u, en uw kind is met My.

1850. _

TER GEDACHTENIS

VAN

PRINS WILLEM FREDERIK MAURITS ALEXANDER HENDRIK KAREL DER NEDERLANDEN.

Het Neêrlandsch volk, op nieuw met tranen langs de wangen,

verzelt den stoet van ver naar 't graf, dat zich ontsluit, ach! om uw overschot thands in zijn schoot te ontfangen,

beminlijk Koningskind en teedre Oranjespruit!

Gy, slechts een oogenblik voor onze hoop verschenen, —

een vriendelijke ster aan Neêrlands horizon, —

toch met uw schoonen naam niet uit ons oog verdwenen,

voor dat uw lief gelaat nog harten voor zich won!

Rust zacht, geplukte bloem! in 't midden van de helden,

aan wier roemruchten stam gy pas ontloken waart. En moge omhoog uw geest den lof van Hem vermelden,

die ook van daar zich kiest de kleinen dezer aard! Zij voorts uw droet gemis, met buigend hoofd geleden,

met lijdzame overgaaf in tranen nabetracht,

voor Nassaus huis een bron van vruchtbre hartgebeden,

in dezer tijden drang, in dezer dagen nacht!

Dat op uws Vaders hoofd de kroon, van God gegeven,

blijv' vast staan in Zijn gunst, moog' blinken tot Zijne eer! Dat in uws Moeders wonde een versche zalf ten leven

moog' druppen uit het woord van een gekruisten Heer! Dat in uws Broeders hart diens Heeren vrees moog' wonen,

die moed geeft in den storm en rust schenkt op den troon; en hem, de plaats voortaan vervullend van twee zonen, God, zijner vaadren God, met dubblen zegen kroon !

Juli) 1850.

ocr page 93

AAN JONKVEOUWE ESTHER CAPADOSE.

AAN JONK VROUWE ESTHER CAPADOSE.

Een Esther, voor haar volk besloten 't al te wagen,

vond by den koning gunst en deernis met haar smart,

volle oorlof gaf hy haar te spreken en te vragen uit de allerbinnenste bekommring van haar hart.

Eerlang! en van dat hart werd smart en angst genomen de duisternis in licht, en de asoh verkeerd in glans, in 't uitzicht op den dood, tot 's Heerschers troon gekomen was leven en behoud haar psalm- en danklied thands. O jeugdige vriendin! in honderd voorgeslachten van Abigails kroost nog volks- en naamgenoot!

een hooger Vorst voor u had zaalger vreêgedachten. dan die aan Esther eens den schepter reikend bood. U noodigde en ontvangt aan Zijn doorboorde voeten die koning die, getrouw tot in de nacht van 't graf, aan wie als Sions vorst Hem boetende begroeten geen helft eens koninkrijks, maar heel Zich-zelven gaf. Blijf aan diens Konings dienst uws levens lente wijden, steeds toevend aan Zijn deur tot ge ingang by Hem vindt! en mag Zijn dierbre gunst u dan de ziel verblijden denk aan uws vaders volk, denk aan uws vaders vrind.

1850,

BEDE.

O Vader der Lichten! ik roep om genade,

uit mijn stikdonkren zielenood!

Gy, slaat Ge in zijn vallen het muschken nog gade, o! weer van my den zohdaarsdood!

Gy regelt den loop van de dolende starren, —

Gy kunt uit hun krijg de elementen ontwarren, — Uw sterremantel dekt het Al!

O! wil my, by 't stilstaan weldra van mijn leven, mijn daden, mijn spreken, mijn denken vergeven en, leer my hoe ik sterven zal.

Naar het ICngelsch van Lord Byron.

85

ocr page 94

86 het wooed tot tyeus.

HET WOORD TOT TYRUS.

(Ezech. XXVII.)

Hef aan een klaagzang (spreekt de Heer tot Zijn propheet), op Tyrus hoogheid en zijn val een jammerkreet:

„Gy hooggezetelde op uw troonrots, wie de volken als handelskoningin begroeten! tot de wolken des hemels rees uw woord: „Mijn schoonheid is volmaakt.' En wie die 't tegenspreekt of dees uw zelfroem wraakt?

„Uw bouwliên bouwden u van alles wat hun de aarde in kostbaarheid en glans onvergelijklijkst baarde! De boorden van Uw kiel zijn van cypressenhout, — uw masten, ceders uit het Libanonsche woud, —

uit Basans eiken werd de roeiriem u gesneden,

de banken uit ivoor, met busboomhout beneden kunstkeurig ingelegd uit Chittim, en voor zeil was 't fijnst Egiptisch doek uit byssus voor u veil;

terwijl de Grieksche kust, het land der Pelopiden,

voor 't weeldrig tentverdek u hun scharlaken bieden, met hemelsblaauw verzacht. Uw scheepsvolk is gemengd uit kroost van Arvad en van Sidon, — Gebal brengt u keur van timmerliên. Van stuurlién en van wijzen,

wiens handelsschranderheid des aardrijks volken prijzen, voorzaagt ge op eigen grond u-zelve, machtig Tyr! Soldaten, op de kracht huns zwaards en beuklaars fier, beveelt ge uit het hart van Persië, of, in 't Westen,

van 't brandend Lybië. Uw wel versterkte vesten bewaken onbezorgd voor krijgs- als zeegevaar,

de zoon van Arvad en uw kloeke jonglingschaar.

Van 's werelds einden, voor uw scheepvaart wijd ontsloten, brengt machtig volk by volk zijn waren u by vloten.

„Zijn zilver, ijzer, tin biedt Spanje, — Griekenland zendt schepen, rijk bevracht met kunstwerk, en bemand met voor uw slavendienst geroofde menschenzielen. De Cappadociër belast voor u zijn kielen met muildier beide en paard, waarvoor u Dedan schikt zijn prachtig zadeltuig en dekken, rijk gestikt.

ocr page 95

HET WOOED TOT TYRUS.

Een ander Dedan zendt zijn elefantentanden

€n glimmend ebbenhout. Het uiterste der stranden

van 't blijde Arabië geeft ijzer gepolijst,

en puik van specerij, die heel het aardrijk prijst,

met, uit het binnenst des schiereilands, Kedars rammen,

den rijkdom en den roem dier afgelegen stammen, —

by pracht van kleederen en kostbaar lijfsgewaad, —

by wat er weligst tiert aan Tigris en Euphraat.

Uit Aram stroomt koraal met vonklende juweelen

«n 't fijnste druivenbloed, dat Chelbons hoven teelen,

on blanke wol als sneeuw, in Tyrus haven saam;

uit Isrels landpaal de eêlste honig, waard haar faam,

en 't geurig riekend zweet van Judaas balsemboomen.

Wat half het aardrijk draagt, moet aan uw voeten komen...

Gy hebt het uiterste bereikt! — 't Is afgedaan. Uw roeiers voerden u te ver op d' Oceaan!

De orkanen zijn ontwaakt, die u verbrijzlen moeten. Gy nesteldet u hoog; die hoogheid gaat gij boeten! Uw wakkre krijgs- en scheeps- en stuur- en timmerliên, — men zal ze eerlang in 't diep der kolken storten zien. 't Gejammer van hun stem zal de omgelegen kusten doen schudden. Al wat ooit uw rijkdom of uw lusten ten dienst stond, neigt ten val. Die van uw overdaad bestonden, staan op 't strand in asch en rouwgewaad, en strooien zich met stof de kaal gerukte hoofden, weeklagende over haar, wier glorie ze onlangs loofden, en handenwringende by 't roepen van hun: „Wee! Wie was, o Tyrus! wie als gy, vorstin der zee'? die volken onderhieldt en koningen verrijktet,

die de aarde omvaderadet, en met haar schatten prijktet! Verbrijzeld, in den vloed der zee te niet gedaan,

met uw bevolkingen in 't eind te grond gegaan,

zal haast uw handel zijn. Te berge staan de hairen van schrikontsteltenis aan uw bewonderaren,

terwijl de volken zich te goed doen by uw val cn voor altoos uw rijk voorbijgegaan zijn zal.quot;

87

ocr page 96

UIT MILTONS VEELOBEN PARADIJS.

UIT MILTONS VERLOREN PARADIJS.

AANHEF VAN HET DICHTSTUK.

Van 's menschen eerst vergrijp, en van de vrucht van dien verboden stam, wiens heilloos sap den dood op 't aardrijk bracht, by ballingschap uit Eden, tot een tweede, een hooger Mensch ons 't all' herstell' en 't zalig hof herwinn',

zing, Zangster, die op Sinais heilgen top of Horeb den doorluchten Herder leerdet,

die voor 't verkoren zaad het eerst beschreef hoe in den aanvang Aarde en Hemel rezen van uit den chaos, — of heeft Sions heuvel,

heeft, by de orakels van Gods heiligdom,

Silóaas beek uw voorkeur, schenk van daar uw bijstand aan mijn stout gestemden zang,

om met een nieuwe vlucht zich onbedwongen ver boven Pindus top te wagen met een stof, in rijm noch onrijm ooit beproefd.

Of liever Gy, o Geest, die boven tempels van menschenhanden 't hart verkiest, oprecht en rein! leer Gy my, want Gy weet het, Gy,

die by den aanvang tegenwoordig waart, met vleugelen van almacht als een duif broedend op d' onbegrensden afgrond, en het leven in zijn diepten rijpen deedt.

Bewerk wat in my duister is tot licht,

mijn laagte tot verheffing, naar den eisch van dit grootsch onderwerp, op dat, gesteund door ü, mijn lied verheerlijke Gods raad, rechtvaardigend Zijn wegen met den mensch.

UIT MILTONS VERLOREN PARADIJS.

DES ENGELS VERHAAL VAN DE SCHEPPING.

't Besluit der schepping was vernomen uit Gods mond. Hoe juichten op dat pas de Hemelmogendheden,

-S8

ocr page 97

DES ENGELS VERHAAL VAN DE SCHEPPING.

lof, dank en heerlijkheid uitgalmend aan Zijn naam, en welbehagen in den mensch, nog ongeschapen, met vrede op 't aardrijk, hem ter woonplaats toegedacht. Ja, lof weergalmde 't en aanbidding, al de koren der ethersfeeren door, ter eer van Hem, wiens raad zijn ondoordenkbaar goed van uit der schepslen kwaad te voorschijn roept, wiens hand rechtvaardig uit den rang der heilgen nederstiet de oproerigen, en thands ging vormen in de plaats dier uitgevallen geesten een ongekend geslacht van wezens, om zijn heil aan eindlooze eeuwigheën en werelden te schenken. Dit zongen, toen de stond der schepping aan ging breken, de Morgensterren van Gods hof, de Hierachyen daarboven, by 't gezicht van d' eengeboren Zoon,

omgord met almacht eu gekroond met gloriestralen van majesteit, en liefde, en onbegrensd verstand,

waarmee Hy uitging tot het werk der wereldschepping, — en heel de Godheid van den Vader blonk in Hem.

Straks gingen voor Hem uit, verzelden Hem en volgden, by honderdduizenden, de Machten en de Krachten en Troonbezitters van den Hemel, al te gaêr als waar 't ten strijd geschaard op wagenen van vuur, gevleugeld als zy-zelf, en tusschen koopren bergen,

als in hun stallen, lang tot dezen dag bewaard,

maar thands gedreven door den Geest, die in de raderen beweging blies. En ziet! de poorten sloegen open van 't Heiige, by wier draai op hengsels van lijn goud 't heelal der hemelen van loutre harmony trilde en doordaverd werd. De poorten sloegen open vim 't Heiligste, om den Heer der glorie plaats te maken In zijn almogend Woord en levenszwangren Geest afdalende om een nieuw, een aardsch heelal te stóchten, terwijl der geesten schaar, als van op hooger strand op 't Godlijk grondgebied gerangschikt, in d' abys nieuwsgierige oogen sloeg, — in dien onpeilbren baaiert, waaruit een wereld stond te rijzen, maar die toen nog enkel ledigheid en woestheid, donkerheid en dwarling was, — een zee van wanorde en van slijk, met golven door den wind, by doffe vlagen woedend,

80

ocr page 98

UIT MILTONS VERLOREN PARADIJS.

van op den bodem opgejaagd naar boven om, of 't waar, den burcht der Englen te bestormen, en de palen der hemelsfeeren in beur afgrond te verzwelgen.

„Houd stand, gy dwarrelstorm! en zwijgt, gy diepten!quot; klonk de stem van 't scheppend Woord, „en eindige uw verwarring Iquot; — En op de vleuglen van Zijn Cherubs hoog gedragen zet Hy zijn gangen voort, in al Zijn heerlijkheid den chaos naadrend, waar een ongeboren wereld,

zijn wenk verbeidend, ging ontkiemen voor het oog der hemelscharen, die zich dringen om hun Heer!

Daar nam Hy in Zijn hand den gouden passer uit de schattresooren van Gods eeuwigheid, en schreef het aardrijk zijn bestek en ruimte en omvang voor, verzeeglend met Zijn woord; „Tot hiertoe!quot; 's werelds grenzen; en als zijn hemelen, zoo was deze aard gegrond,

«en stof nog zonder vorm, voor 't oovrig, en nog gantsch van duister overdekt, maar langs wier oppervlakte de Geest van God Zijn vleuglen broedend en bevruchtend straks uit zou breiden, en in heel dien dooden klomp beweging, levenskracht en levenswarmte wekken;

terwijl naar onderen in diep verholen kolken teruggedreven werd der elementen draf,

een hel in 's aardrijks hart. Straks nam deze aardbol zelf; omspannen van een gaas, uit lucht en damp geweven,

haar vlucht de ruimten door, zich slingrend om een niet.

En God Almachtig sprak; ,Daar zij licht!quot; en daar werd licht. Licht, eerstgeschapene aller dingen, uit de diepte hervoort geroepen of tot golvende beweging gewekt! de fijnste stof, indien zy stof mag heeton,

die door de ruimte speelt, beginnende haar loop van 't Oosten en van daar als tot een etherdamp te zaamgetrokken. Want de zon bestond nog niet;

maar in haar plaats bewoog zich 't pas ontwikkeld licht als in een wolkenzuil. — En God aanzag zijn. maaksel, en prees het goed; en in twee helften over de aard verdeelde Hy 't gebied van duisternis en licht,

en noemde Dag het licht en Nacht de duisternis.

Zoo was het avond en was 't morgenstond geweest

ocr page 99

DES ENGELS VEEHAAL VAN DE SCHEPPING.

voor 't eerst, verwelkomd door het loflied aller Englen des hemels, die dit uur, geboortestond der wereld, begroetten met den galm van Goddelijke hymnen en gouden harpen tot huns Scheppers roem besnaard, en tot verheerlijking dier werken, nooit genoeg sints d' eersten nacht-en-dag gevierd en groot gemaakt.

En wederom sprak God: „Dat uitgespannen tusschen de waatren boven en de wateren beneên een vloeibre ruimte zij, ontastbaar, klaar, doorschijnend, en over heel den bol zich welvende der aard!quot;

Want op het kristallijn der zeeën had Zijn hand de vastigheên gegrond der wereld, toen de chaos bezield werd en bewerkt, en zijn wanstaltigheden voor 't hooge machtwoord van Gods ordeningen weken. En hemel noemde Hy die uitgespannen tent. — Het koor der Engelen bezong den tweeden dag.

Het aardrijk was gevormd, maar als een kern nog eerst, naakt, onontwikkeld, en met windselen omwonden van waatren zonder tal. Want enkel oceaan was de oppervlakte van dit aardrijk by zijn wording. Doch ook die oceaan, bezielend en bevruchtend den diepen moederschoot met sappen, tot een kracht van wasdom en van bloei, straks openbaar geworden, als God ten derdenmale sprak: „Dat zich de waatren vergaadren onder 't blaauw des hemels in één plaats, één uitgeholde kom, en 't drooge zichtbaar worde!quot; En aanstonds op dat woord verhieven breede bergen hun naakte schouders en nog onbegroeiden rug omhoog, verstekende d' ontzachelijke kruin als in der wolken graauw, en tot naby de loopplaats der sterren. Breed en diep daartegen zonk de grond naar onder of het ware, en stortten zich de waatren met donderend gejuich in 't hen verbeidend bed.

Daar, tot één plas vergaérd, onpeilbaar, onafzienlijk, verdeelen zy zich weêr met rijzen, vloeien, stroomen, en koken, eens voor al in eeuwige beweging door 't machtwoord Gods gezet, op wiens bevel zy ijlden als legerbenden (ik beschreef ze u in den strijd, die tusschen Lucifer gevoerd werd en Gods heiren!)

91

ocr page 100

UIT MILTONS VEELOREN PARADIJS.

op één gegeven klank der klaatrende trompet

den standaart volgende, voor allea opgeheven.

Zoo rollen ze onder de aard, of tusschen in, of over

haar vastigheden, dan eens voorwaarts by miljoenen

van golven, die elkaêr als wandelende bergen

voortstuwen op en af', of wel met kronkelingen

als bochten van een slang, of als een zilvren gordel

zich klemmende om het dal, dan weder van de hoogten

van rots en heuvel, naar beneden deels zich welvend

en deels verstuivend in hun daverenden val,

bier vonklend diamant, daar spiegelglad kristal.

Zoo bleef het, sints Gods woord den grond bevolen had geen waatren buiten 't bed en diepten, hun gegraven, te dulden, en den naam gegeven had van aarde aan 't drooge, en dien van zee aan 't aardomzwalpend nat.

God zag het. en 't was goed. „Het aardrijk brenge thanJs,quot; dus hoorden wy op nieuw de Godsstem, „groenend gras, en kruiden in wier zaad, en boomen in wier vrucht hun duur van eeuw tot eeuw verzekerd zij, te voorschijn!quot; En de aarde, tot dien stond onvruchtbaar, dor en bar, behing en tooide zich met groen van teder gras en frisch gebladerte van struiken, opgerezen met d' overvloed te zaam van allerhande kleur en geur van bloemen, overdekkende den grond.

De ranke wijnstok hier, d e hooge korenhalmen,

gelijk een leger in slagorde, staken elders ten bodem uit, terwgl de koningen van 't woud de bergen kroonden met hun statelijke rijen,

als tot den dans geschaard, — in eens volwassen stammen, bekranst met bloesems, of met vruchten rijk belast,

en aan hun wortel, door den daauw der hemelwolken en de aan der bergen kloof ontspringenden fontein,

of langs hun breeden voet zich wentlende rivieren, bevochtigd en gevoed. — Zoo werd dit aardrijk aan Gods hemel schier gelijk, een woonplaats Englen waard en heilgen, om in schaüw van 't ongerepte bosch,

of over veld aan veld te mijmren en te aanbidden.

ocr page 101

DES ENGELS VERHAAL VAN DE SCHEPPING.

En ondertusschen had geen regen nog den grond besproeid, en evenmin had een geschapen hand den bodem omgewroet, maar over 's aardrijks vlak een blanke nevel slechts de planten in zijn schoot en de in het binnenste verholen kiem bewaassemd.

God zag hel en 't was goed! en de avond had voor uchtend ten derdenmale plaats gemaakt — de derde dag.

Op nieuw sprak God; „Dat in het uitgespannen ruim der heetnlen, lichten zijn om tusschen nacht en dag het onderscheid voortaan door op- en nedergang te reeglen. en den loop van jaren en saisoenen!quot;

En 't was alzoo! en aan 't azuren firmament hing God twee lichten op, en gaf de heerschappij aan 't ééne van den dag, en van den nacht aan 't andre. Het eerst formeerde Hy van alle hemelbollen de zon, uit etherstof; maar by de onmeetlijkheid baars omvangs in den stand, waaruit zë op aarde neerziet, nog gansch ontbloot van licht. Straks volgde haar de maan bol desgelijks, en als met schaduwen van dalen en bergen zacht gevlekt, — in 't eind, als korrels zaad, in alle richting langs de breede hemelsporen gestrooid, de sterren. Van een vloeistofstroom des lichts verzadigde Hy toen de holligheid der zon,

een zamelplaats voortaan en goddelijk paleis van overstelpend licht, waar andre hemelsfeeren als uit steeds versche bron uit putten en zich laven, en, onder dezen, ook die morgenster, wier hoornen, zoo zichtbaar in uw oog als die der zilvren maan,

zich ledig beurt om beurt vèrtoonen en gevuld.

Van uit den Oostertrans, met vlammen overgoten van goud en van robijn, begon de koning van den dag zijn fleren loop, gelijk een bruigom vrolijk,

of als een oorlogsheld strijdlustig, voor hem heen de schaduwen des nachts en 't licht der zeven sterren by 't stijgen van den geur der morgenwinden drijvend; de maanschijf middlerwijl met haar geleenden glans iü 't westen zinkend, om met wisseling van beurten weldra, gelijfstaffierd van duizend starrevonken,

weêr op te gaan in 't Oost, beheerscheres der nacht. —

93

ocr page 102

UIT MILTONS VERLOREN PARADIJS.

En avond was 't geweest en morgen wederom, en nieuwe heerlijkheên van goddelijke schepping verkondden wijd en zijd des werelds vierden dag.

God zeide: „Dat de vloed der watren een gewemel te weeg brenge, overal, van ademende wezens, en met ontploken vlerk en uitgespreide veedren 't gevogelte uit de lucht zich nestele over de aard.quot; En op dat woord ontstond van levendige zielen een wereld in den stroom der waatren en der lucht, — der visschen menigte, 't gevogelt' groot en klein. En God aanschouwde ze en Hy zegende ze en zeide) „Weest vruchtbaar, en bevolkt de wateren der zee; en in der heemlen ruim vermenigvuldigt u!quot;

En in de diepten van rivieren, zeeën, meiren,

tot in de holligheên van klippen, in de wieling der kolken, overal waar waatren samenvloeideu of tusschen de oevers van den bodem zich verdeelden, verscheen de menigte dier wemelende zwermen met roode vinnen en met schubben, blank en blaauw, hier, sporen trekkend en doorwandelend de paden, of glijdend over 't vlak, of onder 't zeegroen duikend; daar, dartiend in de zon, die met het zilver speelt der golf en mot het goud des weefsels van hun vel. Gy ziet ze grazen, nu verbroederd, dan alleen, in 't wier, en dolen om in bosschen van koraal en maken op hun prooi met scherpe blikken jachl aaneengeschakeld soms en met vereend beleid, of wel, met kalme rust besloten in het eng der parelblanke schelp, hun vochtig aas verbeidend Weêr elders op 't gebied der zilten watervlakte plascht zeekalf en dolfijn met omgebogen rug, en zeilen, tusschen door, die reuzen, wier gevaart in staat is als een storm de golven te beroeren, de Leviathan aan hun hoofd, die al wat leeft in omvang overtreft, zich als een voorgebergte uitstrekkende over 't diep wanneer hy rust, of, in beweging eens gebracht, een zwemmend land gelijk, inslurpende de zee by beurten en ze brakend in springfonteinen door de holten van zijn kop.

ocr page 103

DBS ENGELS VERHAAL VAN DB SCHEPPING.

Op 't drooge, intusschen, kwam uit grotten, uit moerassen en langs alle oevers, met geen minder óvervloeiing van leven, uit het ei, dat onder 't woelen berst,

gevogelte, in getal oneindig als in soorten,

te voorschijn, 't Jong, eerst kaal, maar spoedig overdekt met vlerk en vederdosch, beproefde nu zijn pennen in luchtruim, met een kreet van welbehagen en triumf den vasten grond minachtende, en de wolken ten doelwit kiezend van zijn eersten levenstocht.

En ijlings was op quot;t steilst der hoog gerezen klippen voor d' aadlaar zijn kasteel, en in des ceders toppen voor d' ooievaar een huis, gevonden en bezet.

Van de oovrigen begeeft een deel zich zonder plan naar alle hoeken heen des hemels; andren, met meer wijsheid, vormen zich tot ordelijke zwermen,

steun vindend aan elkaêrs als aan hun eigen vleugels, waarmee zy 't wolkendons doorklieven en doorstreven, by karavanen in de blaauwe luchtwoestijn volbrengende hun reis met voorgevoel van streek en jaargetijde, daar hen de adem van de winden ver boven zee en zand naar verre landen voert.

Een kleiner onderdeel gevleugelden betrekt de bosschen en verrukt, van boom- tot boomtak huppend, 't oog door schakeeringen van kleuren honderdvoud,

't oor door de trilling van hun orgelende keelen de dagen door. Alleen in scheemring van den nacht maakt nog de nachtegaal aan haar welluidend klagen geen einde, maar gaat voort haar smeltend lied te slaan, Weêr andren vatten aan de boorden der rivieren en zilvren meiren post, en baden in den stroom hun donzen kroppen. Boven allen heft de zwaan haar slangerigen hals bevallig naar omhoog,

en drijvende over 't vlak ontplooit met majesteit den blanken mantel van haar wieken. Dan op eens het vloeibaar element ontstijgend, klappert ze in de lucht en schijnt van zins de wolken in te varen.

Maar op den vasten grond bewegen zich weêr andren; de roodgehelmde haan, die de aankomst van den dag met schel trompetgeluid te kennen geeft, — de paauw, de duizend oogen van haar staart en regenbogen

95

ocr page 104

UIT MILTONS VERLOKEN PARADIJS.

met opgetogen waan uitspreidend in bet rond.

En avond was 't geweest en morgen — lucht en water verheerlijkten, bezield, den v ij f d e n scheppingsdag.

De zesde dag begon, der schepping laatste, by het harpgetokkel aller Englen, als God zeide;

„Dat de aard by menigte bezielde schepsels bare! Oedierten tam en wild, en kruipende gedaanten van allerhande vorm.quot; En 't was zoo! aan 't bevel gehoorzaam van Gods mond, ontsloot de schoot der aarde haar vruchtbre diepten, en daar rezen op één stond ontelbre, gantsch volmaakte en reeds volwassen schepsels, bezield en levensvol als met een sprong te voorschijn gekomen, 't Wild gediert' stond op van uit den grond, als ware 't reeds zijn hol, en wandelde in het woud, en over 't veldgroen heen, of in de schauw der bergen, naar de afgelegen grot, terwijl by gantsche kudden het versch geschapen vee zich uitzette op de velden. De beemden kalverden, de bosschen wierpen jongen;

en in hun diepten werd gezien de rosse leeuw, ter halverlijf noch slechts erkenbaar, met zijn klaauwen den bodem splijtend om zich eindelijk los te wringen, straks vrij en onverlet het hoofd naar boven heffend en schuddend met gebrul zijn manen. Luipaard, losch en tijger volgden straks als mollen uit den aardhoop,

doch met een forschen zwaai, waarby het stuift in 't rond. Maar de oppervlakte van het weiland, te gelijk,

scheen als met wol begroeid van lammren, blatende en by kudden opgestaan. Weêr elders boorde 't hert zich met de scherpe punt der breed getakte hoornen een uitgang door den grond, en wrong zich Behemoth, de zwaarst geborene aller beesten, uit het stof, — en welde, tusschen land- en stroomgebied onzeker, het grof rivierpaard op en de ijzren krokodil. En tegenover die gestalten, tegenover heel 't wandlende geslacht, dat op vier voeten treedt, bezielde en vormde zich een stofwolk tot insecten en wormen zonder tal, de schakels van hun lijf voortslepende in een spoor van kronkelende lijnen, of zwevende in de lucht op naauwlijks merkbre vlerken.

96

ocr page 105

DES ENGELS VERHAAL VAN DE SCHEPPING.

maar schittringvol bespat met vlekken van azuur «n purper, goud en groen, des zomers prachtlivrei.

In rang van kleinte, maar van kloekheid tevens, de eerste, verscheen de nijvre mier, ten voorbeeld nog wellicht aan 't menschdom van een vrij en wijs gemeenebest: — straks gonzend ook de bij, die met het sap der bloemen haar luien echtgenoot de kost geeft, en de cellen van haar welriekend wasch met vloeibren honing vult.

Niet allen evenwel van 't kruipende geslacht zijn by het wondre van hun kunstig samenstel zoo wonderklein te gaêr; 't gewormte meer dan eens neemt forscher vormen aan, ontzettender gestalte, het glibberige lijf met vleugels als begroeid.

Wat zal ik hun getal en namen u herhalen?

Oy-zelf, gy kent hun aart; gy-zelve gaaft hun namen, ook aan die kromme slomme slang, wier brandende oogen en schrikbaar schrandre blik niet u verschrikken mogen, voor wien zy zwichten moet en onderdanig zijn.

De heemlen dan alsnu in al hun heerlijkheid den loop vervolgend, eens voor al hun ingedrukt, aanschouwden 's aardrijks vlak in vollen dosch gehuld van bloei en vruchtbaarheid en leven en, of 't ware, den glimlach op 't gelaat van schoonheids zelfbehagen.

Want water, lucht en aard, 't werd alles thands doorwandeld, doorvlogen en doorwaad van levendige zielen.

Eén pronkstuk slechts ontbrak, des Scheppers meesterwerk, van heel de schepping kroon en einddoel en volmaking: een schepsel, dat alleen het voorhoofd opgeheven ten hoogen, — dat, begaafd met Goddelijke rede en zelfbewustheid, over de aarde heerschen mocht, en onderhouden met den hemel ommegang,

en geven eer aan Hem, die al deea wondren schiep,

die al dees gaven schonk, verheffende oog en stem met dankbre aanbidding en verheerlijkende spraak tot God d'Almachtige, God d'Allerhoogste, die hem stelde tot een hoofd en ondergod op aarde.

Ill 7

97

ocr page 106

UIT MILTONS VERLOKEN PAEADIJS.

En wederom sprak God, en de Engelen vernamen het woord des Vaders tot den Zoon: „Laat ons den meusch formeeren naar Ons beeld en Godsgelijkenis!

En dat zy lieerschen op de visschen van de zee,

en op de vogelen der lucht, en over 't vee en over al wat leeft, dat op het aardrijk woont.

Hy sprak; en uit het stof der aarde nam Hy stof,

en vormde, o Adam! vormde, o mensch! u, in uw borst don adem blazende des levens, en gy waart,

een levendige ziel, gelijkenis van God zelf.

U schiep Hy, man! het eerst, en uit uw vleesch en been de vrouw uw wederga, om uit uw beider wezen de aard te overdekken met uw afkomst. En Hy zeide: „Weest vruchtbaar en vervult de wereld, en hebt macht op alles wat daar leeft en zich beweegt en is op de aarde, en in de lucht, en in der waatren kom.'

Toen bracht Hy aan de plek, waar ge eerst geschapen werdt, u over naar dees hof, naar dit verrukkend Eden,

beplant met boomen Gods, zoo prachtig van aanschouwing, als smakelijk van sap; en gaf u vrijheid om to nemen van hun vrucht en te eten onbejiaald van alles wat u lust in dees volschoone dieven, —

alleenlijk niet van 't ooft, wiens beet van goed en kwaad de kennis mededeelt. Gy zult daarvan niet eten!

Ten dage dat gy daarvan eet, zoo zult gy sneven.

Houd dan uw lusten wel in toom, opdat de zonde u niet verrasse, en haar bezoldiger, de dood.

Hy zeide, en overzag al wat Hy had gemaakt,

cn sprak daarover uit zijn Godd'iijk Tob Meod. (*)

En op denzelfden dag (een avond en een morgen op nieuw, de zesde dag') voer in Zijn heerlijkheid de Schepper naar omhoog, om uit der heemlen hemel dees nieuw geschapene aard, toevoegsel aan Zijn rijk daarboven, ga te slaan, en lust te scheppen in dat werk, zoo schoon, zoo groot, zoo goed, waarin Zijn wijsheid het plan van eeuwigheid by aanvang had vervuld.

98

Ten hemel voer Hy op by Engelengejuich

(») Zeer goed, In het oorspronkelijk. Gen. 1:81.

ocr page 107

DES ENGELS VESHAAL, VAN DE SCHEPPING.

en bij de akkoorden der tienduizendmaal tienduizend

met trillend hemelgoud besnaarde Serafsbarpen,

waarby zich aarde en lucht (gy weet het, want geschapen

aireede waart ge en u des aanzijns wel bewust!),

waarbij zich aarde en zee met alle hemelsfeeren

weergalmend voegden, door elkander als beluisterd

en met elkander in een zelfden kreet van lof

en jubel saamvereend: .Ontsluit u, eeuwge deuren!

en laat uw Koning in, laat in uw Schepper, daar

Hy weerkeert van Zijn werk in volle majesteit.

Ontsluit u thands en nog oneindigmaal na dezen!

Want om de woningen van die Zijn rechten houden

te zeegnen, zal nog vaak Zijn engel nederdalen

met mededeelingen van vrede, ja Hy-zelf

't verblijf bezoeken van den mensch, Zijn gunstgenoot.quot;

Zoo loofde, begeleid van aard- en hemelgalmen, de glorierijke stoet van Englen, die den Zoon,

tot dat Hy op Zijns Vaders zetel plaats hernam,

verzelden naar omhoog, dien breeden Melkweg op,

dien we aan den trans van hier aanschouwen, een plaveisel van smeltend licht, een pad met louter goud bestrooid.

De zevende avond dekte de aard en Edens dreven thands met zijn schemerschijn; en ziet! de Almachtige sprak op dien zevenden der dagen zegen uit,

waarmee Hy rust nam van den arbeid Zijner handen. En heilig bleef die dag, maar tot geen ledigheid bestemd of zwijgen, gantsch integendeel! de harpen en wat al verder in de hemelen daarboven met instrumenten van ons aardsche feestmuzijk gelijknis heeft, begon zijn werk en werkzaamheid, en ondersteunde met zijn volle symphoniën de zangkoralen van het Englendom, terwijl de reukwalm opsteeg uit hun gouden wierooksehalen.

Zy zongen: „Groot, o Heer! en heerlijk zijn Uw werken, en eindloos groot Uw macht. Wat uitspraak van de tong, wat denkbeeld van 't verstand kan Uw verhevenheid bereiken? grooter nog, dan toen Gy wederkeerdet

99

ocr page 108

100 UIT MILTONS VERLOKEN PAEADIJS.

van 't slaan der Englen, die Uw hemelburcht bestormden, maar die Gy bliksemdet ten afgrond, toont Ge U heden, niet meer verdelgende, maar scheppende, en den raad dier wederspannigen beschamend door 't vervullen van hun verbeurde plaats met nieuwe aanbidders, die Uw grootheid zoo veel meer en glorierijker gaan verkonden! Ja, Gy werkt van uit hun zonde Uw goed! Getuige 't aan den voet van deze Uw hoogste heemlen, die nieuwe wereld, zelf een hemel, eindloos ruim met sterren overdekt, ook die bestemd wellicht om woningen te zijn van levendige wezens!

Doch Gy-alleen, Gy weet de tijden. — In hun midden intusschen schiept Ge een grond, met oceaan omgord,' ten koningszetel voor den mensch. Uw evenbeeld. Welzalig driemaal, o gy mensch en menschenkindren, dus van uw God gesteld, om Hem te aanbidden. Hem te dienen allereerst, dan tevens op uw beurt te schittren onder Hem, en over al Zijn werken in aarde, zee en lucht te heerschen! Blijft alleen, o! blijft gelukkig, door te blijven onderdaan,

en naar geen hooger staat, dan deez'uw rang te staar.quot;

UIT HOMERUS ILIAS.

HET APSOHBID VAN HECTOR.

Zy klemt zijn handen in de hare, en smeekt en spreekt: „Ach, overmoedige, wien haast die heldenmoed gaat voeren in den dood! ge ontziet daarby geen kind dat nog niet spreken kan, geen ega die weldra uw weduw wezen zal. Der Grieken overmacht, u overweldigend met saamvereende kracht,

zal meester blijven; ach! my arme ware 't beter de eerste onder de aard te zijn. Voor my bestaat geen troost, geen heul meer, als gy sneeft! 'k Heb vader meer noch moeder. Mijn vader vond den dood in 't zwaard van Peleus zoon, die evenwel met eer zijn wapenrusting spaarde,

en 't lijk den vlammen gaf in vollen kriigsmansdoach.

Mijn zeven broeders, met my opgevoed in 't huis,

zijn allen op één dag gevallen, door de hand

ocr page 109

UIT HOMERUS ILIAS.

van d' eigen Peleuszoon, in 't midden van de kudden

der ossen breed van voet en lammren zilverwit.

Mijn moeder, nog gespaard en voor een grooten schat

ten losprijs vrij gemaakt, deed straks Diana vallen

met een dier pijlen, die zy afzendt ongezien.

Gy, Hector! zijt my nu èn vader beide èn moeder,

en broeder, gy mijn teedre en zielsgeliefde ga.

o! Heb dan deernis, en begeef u niet in 't veld,

en maak uw kind geen wees, uw echtgenoot geen weduw,

maar geef veeleer bevel aan Trojes oorlogsvolk

dien post te sterken by den vijgeboom, alwaar

de wal het zwakste en onze stad beklimbaar is.

'k Zag derwaart Ajax reeds en d' andren Ajax naadren,

met Atreus zonen, Diomeed, Idomeneus,

het zij een godheid hun dien raad gaf, of zy-zelf

het merkten, dat aldaar de kans hun 't schoonste staat.quot;

Haar antwoordt Hector: „Ach, ik weet het, dierbre vrouw! en my ook gaat uw vrees ter harte! maar wat zou heel Troje zeggen van uw gade, wen hy laf het slagveld schuwde? hy, gewend aan 't hoofd te zijn der dappren, tot een roem voor 't huis mijns vaders en my-zelv'! En toch! ik weet, ik weet het al te wel,

daar komt, helaas! daar komt een dag, dat Troje zal bezwijken, en het huis van Priam moet vergaan.

Maar wat is my die ramp, hoe fel ook? wat de smart, hoe grievend, van den Vorst mijn vader, en zijn gade mijn moeder Hecuba, en heel mijn broedertal,

geliefdste! by uw leed, als een dier wreede Grieken n schreiend voeren zal naar 't land der slavernij,

en gy in Argos wal aan 't weefgetouw zult zitten,

of water dragen uit de bron voor Griekens vrouwen,

slavin? — En als gy dan in tranen weg zult smelten, dan hoort gy licht een stem: „zie daar de vrouw van Hector, die aan der strijdren hoofd voor Troje heeft gestaan,

toen 't door het Grieksche heir belegerd werd.quot; Ja, dus zal 't woord zijn, dat gy hoort, en 't zal u versche smart zijn by 't missen van den man, die dit uw lot nog weerde!

Maar eerder moet my de aard verbergen in haar schoot, dan ik uw' jammer zie, en deez uw' kreet verneem.quot;

101

ocr page 110

HET AFSCHEID VAN HECTOB.

Zoo sprekend nam de held het kind op in zijn armen, dat krijtende zich buigt naar zijner voedster schoot,

bevreesd voor d' aanblik van zijn lieven vader, ora het glinstren van den helm en om de paardenmanen die van de helmkuif langs zijn schouders schrikbaar golfden. Het perst den vader en de diep bedroefde moeder een lach af, daar zy 't zien. En Hector zet zijn helm vast naast zich op den grond, en kust en koost den jongen, de goden biddend, dat van hem nog word' gezegd:

„Hier ziet gy Hectors zoon, nog dapprer dan zijn vader.quot; Zoo sprekend, gaf hy 't kind der moeder weer in de armen, en zy ontfangt het aan haar boezem, met een glimlach in tranen (1). Diep begaan zag Hector hoe zy leed,

en strookt haar met de hand, en spreekt op nieuw haar aan.

DE KLACHT VAN HELENA BV HECTORS LIJK.

Hector, o mijner zwaagren de liefste, de trouwste, de braafste! ja, tot mijn sehand heeft my Paris (o! waar' ik veel vroeger gestorven!) herwaart geschaakt en gevoerd reeds voor twintig rampvolle jaren. Ach! had een onweêr dien dag, toen mijn moeder my, heillooze, baarde, weg naar de bergen gevoerd, of gejaagd in de diepte der waatren! Maar uit uw mond heb ik nimmer een woord van verwijting vernomen. Neen! maar zoo iemand der zusters, of Hecuba-zelve by wijlen (Priam was altijd voor my in sparende goedheid een vader!)

bittere woorden deed hooren, dan was het uw mond, die my troostte. Daarom betreur ik in u ook my-zelve, treurig verstootne!

want in heel Troje voortaan zal niemand meer worden gevonden vriendlijk welwillend voor my! — van my hebben ze allen een afschuw.

UIT GOETHES TORQUATO TASSO.

DE AANBIEDING VAN DES DICHTERS -VERLOST JERUSALEMquot; AAN DEN HERTOG VAN FERRARA.

TASSO.

102

Ik kom met schroom en schaamte dit mijn handschrift u bieden, dat ik huivrend. overreik.

1

Het onvertaalbare: Jccy.qvóe vyeXamp;aaoa.

ocr page 111

UIT GOETHES TOBQUATO TASSO.

Ik weet het, ach! voleindigd, blijft het onvolkomen; maar ook dus voor mijn gevoel waar' langer uitstel ter volmaking, slechts ondankbaarheid. Doch is 't een' mensch vergund te smeeken: „neem my aan gelijk ik ben!quot;

zoo doet dit zelfde hier mijn dichtstuk thands,

en spreek' tot u, zijn vriendlijke beschermers!

„Hier ben ik! neem ook my aan en verschoon.quot;

DE HERTOG.

Met uw gewenschte gaaf verrast gy my,

en maakt my dezen schoonen dag ten feest.

Zoo tast ik 't dan, en klem het in mijn hand het lang verbeide lied, in zoo ver 't mijn,

als mijn zijn dichter ia. 'k Wensch ons geluk dat ge eindlijk het besluit genomen hebt,

en tot uw strenger eischen spraakt: „genoeg!quot;'

TASSO.

Voldoet mijn dichtwerk n, zoo is 't volmaakt.

Want ja, aan u behoort het onverdeeld.

Zie 'k op de moeite en tijd, daaraan besteed,

zie 'k op de stift, die deze verzen schreef,

zoo zoude ik zeggen kunnen: 't is het mijn.

Maar zie ik op wat aan het dichtstuk-zelf zijn waarde en (mag het) waardigheid verleent,

dan is het, dankbaar zij 't erkend! het uwe.

Mij schonk Natuur haar dichtergave mild,

maar weigerde te meer Portuin haar gunsten.

Van dat het oog des knaaps werd aangetrokken door 't schoon, werd ook zijn hart verknaagd door smert. Wat jammer trof mijne ouders niet alreeds!

En openden mijn lippen zich ten zang,

't was treurigheid wat aan mijn lied zich opdrong:

eens vaders ballingschap, eens moeders lijden----

Gy waart het, die my vrijheid van die banden,

en met die vrijheid het bewustzijn bracht.

Van daar, indien in zangerige tonen zich ooit mijn ziel mocht wedergeven, — en dit werk, voleind, u aangeboon mag worden.

Nu hoort het u, ja! 't is geheel het uw.

103

ocr page 112

uiï goetiies toequaïo tasso.

de hertog.

Gy maakt u dubble hulde, o Taaao! waardig en uw bescheiden taal vereert èn ons èn u.

tasso.

o! Kon ik 't onder woorden waarlijk brengen,

hoe ik door u ontfing wat ik u bied.

Ik, jongling zonder roem van heldendaden,

had ik mijn heldendichting van my-zelf?

Heb ik de kunst des oorlogs my geleerd?

of zelf bedacht de kloekheid van mijn Godfi ie;l en mijner Riddren moed? Of, waar zich list en waakzaamheid bekampen in mijn lied,

in wien zag ik het voorbeeld mijner helden dan, dierbre Vorst! in u, mijn' genius,

behagen scheppend in mijn dichterwerk een schaduw af te werpen zijns genies?

de prinses (des Hertogs zuster).

Geniet nu zelf het werk dat ons verblijdt.

de hertog.

En loone n aller braven bijval ruim!

de prinses.

Ja, van geheel een nageslacht de lof!

Tasso.

Ik heb aan dezen oogenblik genoeg.

ü had ik, u-alleen voor oogen; u behagen was, daar ik schreef, mijn doel, mijn wensch en hoop. Hy is onwaard dat hem de wereld kenn',

die in zijn vrienden niet een wereld heeft.

Hier is mijn vaderland, hier is de kring,

waarin niijn ziel èn ademt èn geniet.

Hier geef ik leerzaam acht op eiken wenk.

Hier leeft voor my ervaring, wetenschap,

gevoel en smaak, en zie ik nageslacht en wereld voor my staan vertegenwoordigd. De menigte begrijpt den kunstnaar niet, en maakt

104

ocr page 113

UIT GOETHES TOEQUATO TASSO.

hem schuw veeleer. Alleen wie u gelijkt

verstaat en voelt hem. Van geen andren dan van dezen,

verlang ik of het oordeel of den lof.

de hertog.

Welaan! zoo wereld hier en nageslacht vertegenwoordigd zijn, zoo voegt ons ook geen bloot ontfangen, maar vergelden evenzeer.

Bn nu! op 't standbeeld van uw grootsoh model (*) ontwaar ik quot;t eerloof dat den Dichter voegt,

ja, dat de krijgsheld zelf, die hem behoeft,

hem slingert om de slapen zonder nijd.

Hoe? heeft het toeval, of een eedle hand die krans gevlochten en gebracht op deze plek?

't Is of tot ons de Mantuaan het woord richt: „Wat huldigt gy de dooden! by ons leven „weervoer ons loon en vreugde van ons werk.

„Vereert gy en bewondert gy ons streven,

„zoo geeft ook aan den tijdgenoot zijn deel.

„Genoeg reeds werd mijn marmren beeld bekranst, „de groene lauwer past op 't levend hoofd.quot;

(de prinses nadert tasso met de kranst, hi/ treedt te rug.)

gravin leosore.

Gy weigert! zie de hand, die u de krans,

de lofkrans der onsterfelijkheid aanbiedt.

tasso.

o! Laat my hier vertoeven! Hoe te leven na zulk een oogenblik begrijp ik niet.

de hertog.

In 't vol genot van de eigenste eer en lof,

die in dit oogenblik u schrik verwekt.

de prinses.

105

Gy gunt my 't zeldzaam voorrecht, Tasso! u te zeggen zonder woorden mijn gedachte.

(♦) VIrgilius, wiens hoofd even te voren door de Prinses met een lauwer bekranst was.

ocr page 114

UIT GOETHES TOEQUATO TASSO.

TASSO.

Uit deze handen drukt de schoonste last min zwaar. Kniebuigend neem ik aan wat zy my schenken.

GRAVIN LEONOBE.

Zoo leve de voor 't eerst aldus bekranste! Den nederigen staat het eerloof dubbel schoon.

DE HERTOG.

Het ia nog slechts een voorsmaak van de kroon, die op het kapitool den Dichter wacht.

DE PRINSES.

Daar mogen luide kreten hem begroeten,

hier lispelt slechts de vriendschap haren lof.

TASSO.

o! Neemt haar van mijn hoofd terug, die krans 1 Neemt haar te rug! zy brandt my op den schedel, als waren 't stralen van een zon, die my de kracht des denkens wegneemt en doet duizlen. 't Is te veel! o, spaart my, spaart mijn onvermogen.

GRAVIN LEONOBE.

't Zij ver! Veeleer bekoel' dit lauwerblad het voorhoofd van den man, als gy geroepen op 't pad des roems te wandlen en te kampen.

TASSO.

Ik Lju 't niet waard een koeling te ondervinden, die slechts om 't hoofd der helden waaien mag —

UIT GOETHES IPHIGENIA IN TAURIS.

DE GODEN DER GRIEKEN.

Ontzie toch de goden, gy menschengeslacht.

Zy houden het noodlot in de ijzeren hand,

en stieren 't vrijmachtig

106

ocr page 115

UIT GOETHES IPHIGENIA IN TAUBIS.

naar eigene keus.

Wien ze eenmaal verhieven,

die vreeze vooral! Op rotsen en wolken zijn zetels geplaatst voor sterflijke menschen ten disch van de goón. Maar rijzen er twisten,

't is uit met dien glans. Daar storten de gasten, gesmaad en gehoond, in diepten des afgronds,

en wachten vergeefs in duistere kerkers

een rechtdoend gericht. De machtige goden verblijven intusschen

gerust aan hun disch, of laten van boven langs hergen op bergen

grootmachtig zich af. — Daar stijgt uit de diepte

der vijanden klacht als oiferandswierook

hun walmende toe____

Maar blikken die zeegncn

wendt immer hun oog van alle geslachten dier vijanden af, als vreesden ze in 't kroost een trek te hervinden van wien zy beminden

in vroegeren tijd. Zoo zongen de Parken. — In nachtlijke diepte

hoort Tantalus toe. En denkt over kindren en kindren van kindien hoofdschuddende na!

107

ocr page 116

UIT TASSOOS VKHLOST JEEUSALKM.

UIT TASSOOS VERLOST JERUSALEM.

DE EERSTE AANBLIK DEE HEILIGE STAD.

Reeds was de dagbodin ontwaakt. De morgenkoelton verkondigden Auroor aan 's hemels grauwe kim.

Zy-zelf verschijnt eerlang, het blonde hoofd versierd met rozen, versch geplukt in Eden. Maar het leger,

voorlang ontwaakt en toegerust, gaf met een stem, welluidend luid, aireede 't ongeduld te kennen,

waarmee de schettring der trompetten wordt verbeid.

Straks geven dezen 't sein met schaterende galmen.

De wijze Veldheer aan hun hoofd juicht toe, en tempert alleenlijk de eedle drift der helden. Die te smooren waar meer onmogelijk geweest, dan van Charybdis de waatren in hun drang te keeren, of den adem van Boreas, wen hy den rug der Apennijnen doet trillen en op zee de kielen slingert in de diepte, door geweld te teuglen. Godfried slechts bestiert en ordent en geleidt, op dat de marsch wel snel zij en bezield, maar ook geregeld tevens.

Elk krijgsknecht had dit uur aan hart en voeten vleugels zich-zelven naauw bewust de snelheid van den tred.

En zie! toen nu do zon met volle lichtvuurstralen van uit den blaauwen trans het dorre veld beschoot,

daar staat hun plotseling Jerusalem voor oogen!

Daar wijzen zy elkaêr met de uitgestrekte hand Jerusalem! daar groet de t' zaam vereende stem der honderdduizenden 't gewenscht Jerusalem.

Dus, wen een stoute groep van zeeliên, op de reis naar ver gelegene gewesten, de ontrouw moede van 't woelig element der wateren en van den wisselzieken wind, het lang begeerde land in 't oog kreeg in het eind, dan heft van op het dek een stormend vreugdgejuich zich opwaart, — dan, of 't wanr uitzinnig, wijzen zy elkander op de plek,

wier aanblik reeds alleen 't geleden leed vergoedt.

Maar op dat heilgenot van de eerste aanschouwing volgde weldra in Godfrieds heir een ander zielsgevoel, — verbreking, brijzeling van 't hart. vrees en ontzag.

108

ocr page 117

UIT TASSOOS VERLOST JERUSALEM.

vermengd met teedre smart en snerpend schuldbesef. Men durft ter naauwernood den blik meer richten naar de stad, waar eens de Heer gewandeld en geleerd heeft, aan 't kruis geslagen werd en uit het graf herrees.

Van daar, in 't plechtig uur van aantocht, in de rangen die mengling van gejuich en droefheid, van genot met zuchten en geween en overstelpend snikken,

bij krijgsliên lang gehard, maar uit wier midden thands een zacht gemompel en gefluister opwaart stijgt,

als vaak vernomen wordt, wen tusschen 't loof der wouden de bergwind zachtkens zucht of door de blaadren fluit, of — tusschen quot;t rotsig strand en de omgelegen klippen de zeegolf murmelend zich naar den oever spoedt.

Maar nu, ontbinden ze elk het schoeisel hunner voeten, om met ontblooten hiel den heilgen grond te raken. De aanvoerders gaan ook hier hun mannen voor, en geven het voorbeeld. Wat in goud en franje, zijde of pluimen gedoscht is, werpt het al dat oogenblik ter zij en van zich, om te zaam de grootsohheid van kleedij en glinstrend wapentuig met die van 't hart te wraken. Men weent en zucht en klaagt en werpt zich snikkend neór, en van zich-zelven verontwaardigd, klaagt zijn hart van ongevoeligheid, van marmren hardheid, aan.

„Waar Gy (dus roept men 't uit), waar Gy, o Heer! met tranen met bloed in angst gezweet of van Uw kruis gedropen, den grond bevochtigdet, daar kunnen menschenoogen ophouden, van geween steeds vlietende fonteinen te wezen? o Mijn hart! hoe zijt gy dus verhard,

en smelt niet op de plek en,vloeit niet weg in rouw? Hoe zijt gy dus van staal, ja steen, en niet verbrijzeld? Wel mag, wie hier niet weent, eens weenen zonder einde.quot;

Maar van de zijde van de stad intusschen liet de wachter wijd en zijd zijn oogen over velden en hoogten gaan in 't rond, en werd een wolk gewaar gevormd uit stof, en uit de wolk van tijd tot tijd een weerlicht. Straks ontdekt en onderscheidt hy klaar van harnas en heimet het vlammende metaal,

en op den fleren rug der trappelende rossen de ridders aan de spits van 't naadrend heldenheir----

103

ocr page 118

DE CHAOS EN HET LICHT.

DE CHAOS EN HET LICHT.

EEN HALVE-EEUWS-LIEI).

Maak u op, wordt verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. Want ziet, de duisternis zal de aarde bedekken, en de donkerheid de volken; doch over u zal de Heer opgaan, en Zijne heerlijkheid zal over u gezien worden. Jes. LX: 1, 2

De harpon trillen reeds. De wondereeuw eerlang,

half pralend half bedeesd, viert jubel, eischt een zang!

Het lied des Wachters, dra verwezenlijkt, ging onder in vlam van volksgeweld, in damp van schutgedonder. Een zang, op nieuw, een zang des tijds, die ons vertell'

zijn teeknen, die hun loop als op de maat verzeil'!

Geef, Dichter! geef ons dien. Neen! geef üw' dienstknecht woorden van trouwe waarheid. Heer! in zuivre dichtakkoorden.

De storm ging liggen. By een waterbleeke zon (die vuurrood aan de kim haar trotschen gang begon!)

vertoont het oppervlak der nog ontroeide golven,

vertoont de vastegrond, nog half in zee bedolven,

de wrakken wijd en zijd des Staatsorkaans, — door één geworpen kroonen en eerwaarde vastigheên,

naast kunst- by kunstgewrocht, en honderd welvaartsboomen ontworteld of geknakt; — en op dezelfde stroomen het recht der grooten en der kleinen weggespoeld,

met menig vrijheid, in verheevner zin bedoeld,

dan om den logengod van 't Volksgezag te dienen,

toch tusschen zee en rots verpletterd. Ach! ruïnen alom voor scheppingen! een baaiert, by wiens poel ontwakend zelfbedrog met vruchtloos pijngevoel zich beurt om beurt verwijt in 't ondoordachte streven te ver gegaan — of neen! te rug te zijn gebleven.

Van op zijn zegekoets, aan enkel lofgegalm,

vergoding allerwege en wolken wierookwalm gewoon, ziet de Eeuwgeest, zelf by 't treurtooneel verbleekend op aangezichten thands maar al te zeer welsprekend,

wier blik (als waar' 't een stem) hem 't:wreed teloorgesteld! verwijt, — straks even nog, terwijl hy voorwaarts snelt, een blos jaagt op 't gelaat met de enkele vraag: waar henen?

O

ocr page 119

DE CHAOS EN HET LICHT.

Wat weet hy 't? — en beschaamd wendt hy den blik met ëenen naar elders, en verdrinkt der volken jammerkreet in plassen van muzijk en Meijerbeers Propheet!

Toch laat hem, hoe ook wuft, en onbedacht, en grillig, dat snijdend woord; ,waarheen?quot; niet altoos onverschillig; — wat Maclit, kan 't wezen voor de toekomst, die haar beidt? En de Eeuwgeest is een Macht, een hooge Mogendheid! — Welaan! indien by 't feest der volle vijftig jaren ook deze koning van zijn troon de wichelaren van Oud-Chaldeën riep, en vroeg ze naar het lot dier werken, waar hy hoog, gelijk een scheppend god,

op roem draagt, — naar de vrucht van zoo veel kennisplanten, vervoerd van dag tot dag, verbreid naar alle kanten, — van zoo veel boeken, zoo veel bladen, vol van merg en moedwil, — naar den top van dien verheven berg: volmaking, — naar het eind dier trotsche samenhooping van wondren, vruchtbaar steeds in nieuwe wondren.... „Sloping! „zou 't antwoord wezen (roept een stem), of zaagt ge niet „de hand reeds aan den muur, die 't Europeesch gebied „ten prooi vervallen schreef aan 't oude Vandalisme, „als Meed en Pers vereend met bloedig Communisme? „Zaagt gy den vinger niet by 't feestbanket, die aan „den vier en twintigsten der Februarijmaan „het sein tot oopning gaf der sluizen? En beneden „uit d' afgrond spoten ze op om nooit te rug te treden, „de waatren van dien vloed, slechts voor een wijl gesust!.... „'t Is met beschaving uit en wereldorde en rust,

„bedreigd, neen! thands niet meer door ridderhafte Gothen, „of ruiters uit de heup van Ismaël gesproten,

„als in vervlogen eeuw de aard overstroomden maar „ververschten; de eeuw des Hchts kent doodlijker gevaar „voor heel die maatschappij, in voorspoed lang volprezen,

„voor 't afgeleefde Euroop, wien zijn verwoesters rezen „uit eigen schuim en slijk, uit eigen bastaardzaad,

„de vrucht, de schand, de straf, van zonde en eigenbaat.

„Neen! geen geschapen Macht kan 't dreigend onheil wenden „de kern verbrijzelend dier steeds herteelde benden,

„waartegen schrootvuur en bebloede bajonet „slechts voor een dag vermag, geen menschelijke wet „is opgewassen, ja geen Godsdienst zelf bestand is,

111

ocr page 120

DB CHAOS EN HET LICHT.

„gelijk ze aan dweepzucht bier, daar 't Heidendom verwant is, „daar 't Godswoord onderdrukt, en hier, in eigen schoot „dat Pantheïsme voedt, der gruwlen bondgenoot.

„De Maatschappij vergaat? Zult gy den storm bezwoeren, „groot Frankrijk! of den slag van eigen schedel weeren? „Gy, voor Europes oog Chiméraas beeld gelijk,

„van voren Republiek, van achter Keizerrijk,

„in 't midden Anarchie, — in 't binnenst zat van stoffen, „gereed op d' eersten vonk met belsch geknal te ontploffen „en 't hoofd te treffen van den man Napoleon,

„uw pas gerezen en reeds ondergaande zon!

„Zal 't Duitschland, door het zwaard van zijn Radetsky's machtig? „tweedrachtig overal, en meer dan ooit tweeslachtig,

„sints de éénheid, hoog geloofd, van al wat Duitscher heet, „in leus van moord verkeerd, die bloedzee ruischen deed,

„uit de aderen gestroomd van burgers en soldaten,

„onnoozle dweepers of verleidende onverlaten,

„op 't slagveld neergelegd, ter slachtbank heengesleurd. „De band der Staten als der stammen is verscheurd.

„De vete kankert voort, die, tusschen Israëliër „en Duitscher eeuwenoud, in vlammen zoo veel feller „hervoortbrak by den kamp van dezen jongsten tijd. „De tusschen oud en nieuw ter dood bedoelde strijd,

„dien Overmacht vergeefs zich sterk dacht te bedwingen;

„woelt in de diepte voort, door duizend zendelingen „gekweekt en aangehitst, tot dat de dag verrijst,

„die aan 't verschrikt Euroop met nieuw geweld bewijst „wat sombre dweeperij uit nakroost van Germanen „nog schrikbrer Soïds vormt dan Frankrijks Bergtitanen! „En waan niet, allerweeg bestookte Maatschappij!

„dat England, in dien dag, een Pella voor u zg,

„door hoe veel golven ook en onverwinbre vloten, „by d' Europeescheti brand, omheind en afgesloten, —

„door welk een geestkracht nog, terwijl de driften woên, „in staat aan d' eisch des volks en vorstlijk te voldoen èn manlijk weêr te biên. Maar de eens gezette tijden „vermag geen hoogheid zelfs van Brittenland te ontmijden, „al stond geen Ierland baar ter zijde, al wierp geen rota „van binnenlandsche schuld, van Palmerstonschen trots, „van volks- en Staats vergrijp, geboekstaafd door historie,

J 12

ocr page 121

DE CHAOS EN HET LICHT.

„een schaduw over 't licht ook van des Luipaarts glorie,

„zijn opgerichten hoorn, zijn nooit vermoeid geluk!

„De paalworm knaagt in 't end de hechtste balken stuk.

„De pest ontziet geen klove of grenstol tusschen volken,

„maar overschrijdt de zee, of kiest den weg der wolken.

„Neen! in d' ontbreidelden Omwentlingsoceaan

„zal heel de maatschappij, moet England meê vergaan; —

,vergaan beschaving, licht, en kunst, en wetenschappen,

„schoon vordrend dag aan dag by louter reuzenstappen,

„schoon door begoochlingen, vertalrijkt uur aan uur,

„het menschdom vleiend met een eindeloozen duur.

„Helaas! als of de zon, die Babels doodsnacht vóórging,

„met minder schittring toen het spoor der heemlen doorging.

„En Babel viel, en op den bodem, waar zy stond,

„daar huilen wolven thands en hupplen satyrs rond!

„Zie daar uw beeld, Enroop! Barbaren en Vandalen,

„van alle kant gereed uw hoogten om te halen!

„Dat schittrend werelddeel, waar heel onze oovrige aard

„zich in verbazing, eerbied, siddring, blind op staart, —

„die bodem, overdekt van zoo veel wonderheden,

„(Gewrochten dezer eeuw of erfnis van 't voorleden!)

„waar Keulen met zijn dom zijn faam heft tot den trans,

„Versailles zalen nog den naam van Orleans

„weergalmen, Alberts wenk voor al de nijverheden

.der aarde een renbaan schept in Englands stad der steden, —

„'t moet al geëffend tot één barre woestenij,

„één bouwval, waar geen kunst, geen wetenschap meer zij,

„geen licht, geen geest, geen God, — maar roode Communisten

„elkaêr de laatste buit, de laatste beet betwisten!quot;

„Neen! (spreekt een kalmer steih ten antwoord) voor dien vloed „van Staatsomkeering, Volksverbijstering, hoe verwoed,

„zal 't diep gegrondvest werk van eeuwen niet bezwijken. Alleen men wake en sta! en wapene de dijken (met nieuwe kracht van glooiing', en bewijz'

dat weêrstand mooglijk is voor 't minst, noch geef' zich prijs aan ingebeeld gevaar, aan panische verschrikking,

.noch trede met den geest der woestaardij in schikking, „die wat hem heden half verleend werd, morgen gantsch als 't zijne vordert! hy, door blooten naam en glans, III. 8

113

ocr page 122

DE CHAOS EN HET LICHT.

„door louter zelfroem sterk en waanzin, niet in 't wezon,

„maar zeker sterk het meest voor wie zijn sterkten vreezen.

„Wat schuwt men tegen hem den aanvalskreet: Te rug!

„als roekloos en barbaarsch, terwijl hy, stout en vlug,

„met eiken nieuwen stap tot nieuwe rechtsverkrachting,

„tot nieuwe gruwlen voert van plundering en slachting,

„vernieling, algeweld? Wat dempt men van dat vuur,

„geboet met rampen reeds van onatzienbren duur,

,'t bedriegelijke licht, de valsche warmtestoving,

„door kracht van waatren niet, ter onherroepbre doving?

„Wat schaamt zich ons geslacht naar 't voorbeeld om te zien

„van dagen minder groot van schitterschoon misschien,

„maar eerbiedwaard voor 't minst door eerbied voor de banden

„van orde, herkomst, recht, die vastigheén der landen?

„Onschatbre schatten, niet te duur gekocht (kon 't zijn)

„voor dezer tijden roem op ijdlen vrijheidsschijn

„of (zij 't!) oprechten glans van kennis en verlichting, —

„neen, niet te duur zelfs voor mislukte vrijheidsstichting

„by diep beklaagden Pool of eedlen Madgyaar, —

„zelfs voor die vrijheên niet, de vrucht van tachtig jaar

„van worstling, met den Leeuw der gouden Nassaustanders

„verwinnend doorgestaan door 't Volk der Nederlanders, —

„ja, voor geen voorrecht (moet het zijn!), aan heel deze aard

„by 't licht van Drukpers en Hervorming eens gebaard! —

„Ach! aan de uitsporigheèn der zinnelooste factie,

„onze aard verwoestend door Omwenteling en Reactie

„(twee beulen, even hard, van vrijheid, rust en recht,

„by beurten), wordt vergeefs ons 't einde toegezegd

„door Constituties, nauw verschenen aan de kimmen

„of weêr in 't niet gedaald als wezenlooze schimmen.

„Eéne uitkomst bleef ons slechts, één toevlucht in 't] verschiet;

„de aloude rotssteen der alleenregeering. — Ziet!

„een Noorderlicht gelijk, dat met zijn purpren vlammen

„den nacht in dag verkeert, op honderden van stammen

„de kroonglans stralende van Ruslands Opperheer!

„Voor dezen, dezen slechts slaat Opstand de oogen neêr.

„Zie daar u 't ideaal, Euroop! van volksbeheering,

„de haven des behouds, het eind der Staatsomkeering!

„Één heerscher, één gezag voor wereld en altaar!

.Één Godsdienst, in de trouw belichaamd aan den Czaar!

114

ocr page 123

DE CHAOS EN HET LICHT.

„En in de schaduw van dien schepter, zoo ontzettend,

„voor 't wangedrocht des tijds, zoo dreigend, zoo verplettend, „verdiensten, koninklijk erkend, — eens Keizers gunst „verzekerd aan 't belang van Wetenschap en Kunst; — „Siberiës woestijn, met al zijn koude en kommer,

„en waar de schoonste naam zich oplost in een nommer,

„ten hel gesteld (o ja!) voor wie met wenk of woord „de wet schendt des gezags, de rust des rijks verstoort; — „maar, waar zich verder 't oog des onderzoekers wende, „beschaving, vordrend en bevorderd, — voor de ellende „van allen, 't meelij van een Vaderlijke macht, — „een Staatkunst, die niet licht der zwakken recht verkracht, „maar rustig, waardig en rechtvaardig, in 't Verleden „haar vasten waarborg heeft voor 't glorierijke Heden,

„ja voor een toekomst van nog grooter heerlijkheid,

„die 't rijk van Peter, 't huis van Nicolaas, verbeidt! —-„Dat de aarde, zoo zy hijgt naar vrede en heil en orde, „of Ruslands evenbeeld öf Ruslands erfdeel worde!quot;

Een stem op nieuw, de stem, in Neerland wel bekend,

dier wijsheid die de paan van 't midden houdt: „Hoe! 't end „uit zoo veel streven ons beschoren, Anarchisme?

„Hoe! de eenge redding uit die klaauwen, Despotisme?

,'t Zij ver! Geen tijd van schijn- of wezenlijken nood „geeft tot die uitspraak recht, een vonnis tot der dood „gelijk! Onze aarde schudde, en dat haar slingeringen „zelfs d' onverschrokkensten een kreet van angst ontwringen! „Ook van den felsten schok herstelt zich ras de grond. „De vuurberg koke, en brake uit d' opgesparden mond,

„terwijl de hemel loeit, des afgronds holen ronken,

„die zee van gloeiend slijk, waar steden in verzonken,

„niet haar bevolkingen tot asch of steen vergaan —

„eerlang! en lachend ziet de zon die voren aan,

„door 't bergvuur zelf bevrucht, dat over de akkers holde, „straks in zijn vaart gestuit, tot gouden meststof stolde. „Der zee, die 't menschdom d. aagt op 't schijnbaar wrakke hout „zij zonder zoo veel angst de toekomst aanbetrouwd!

„Zy voert ons, wat ook dreig', de lang begeerde boorden „naby, de haven in, al spookt het uit den Noorden „by beurten en te rug, al loeit het even zwaar

115

ocr page 124

DE CHAOS EN HET LICHT.

„uit Oost en West om strijd, al worstlen met elkaêr

„orkanen om ons hoofd. Wy, hoe het vaartuig slinger',

„wy blijven naar de pool met onverwrikbren vinger

„het menschdom wijzen! wy, wat bloed er stroomen moog,

„wat onrust onze rust gestaag te storen poog',

„wat onspoed onzen spoed, — wy streven zonder zwichten

„steeds voorwaarts, vinden uit, verbeteren, verlichten.

„Wy richten niet alleen het scherp gewapend oog

„op duizend werelden, aan onzen hemelboog

„haar dansen mengend naar door ons berekende orden,

„of in de diepten van den Melkweg nog aan 't worden; —

„wy domplen niet alleen in 't binnenste der aard

„om uit te vorschen in wat beenders, daar vergaard,

„een ouder eeuwvak spreekt dan't vroegst ontstaan van menschen:

„wy streefden niet alleen de stoutst gestemde wenschen

„naar nieuwe wonderheên te boven, in de gaaf

„van stoom, van spoor en van dien toovertelegraaf,

„onzichtbaar langs zijn draad door lucht- en zeestroom borend

„en de evenredigheên van tijd en plaats verstorend

„met de onweêrstaanbre vaart des bliksems, hem verwant; —

„maar we oefnen ook den geest en spannen ons verstand

„om 't overtalrijk heir der ondermaansche ellenden

„te ontwaapnen, te verslaan, te mindren, af te wenden.

,Men dreig' ons menschen vrij een kerker of een graf,

„wy schaffen slavernij, wy krijg en wreedheid af.

„Ons, vrij van weifling of oneedle moedverzaking,

„blijft zelfontwikkling, zelfregeering, zelfvolmaking

„der volken, hoop en doel. Mag 't in geen rechte lijn

„onafgebroken steeds en zonder buiging zijn?

„Spiraalsgewijze dan en na miljoenen bochten, —

„zoo slechts de zege des vooruitgangs blijft bevochten!quot;

Dus streeft in gissingen, uit blikken diep en waar, en — droomen saamgesteld, voorts strijdig met elkaêr naar de onderscheidenheid van stelsel, vrees, vertrouwen, het menschdom t' aller tijd zijn toekomst te doorschouwen. Vergeefs en buiten 't perk, den stervling toegestaan?

Of, als een kenmerk nog van hooge roeping, aan den zondaar, eens het beeld zijns Scheppers, bijgebleven? Ja Gy hebt onze ziel di n grondtrek ingeweven,

116

ocr page 125

DE CHAOS EN HET LICHT.

hoe diep verbasterd ook, ontheiligd en verkracht,

zoo vaak 6y-zelf, o God! aan 't boetende geslacht

uit Adam 't vergezicht der eeuwen niet ontvouwdet,

en 't woord der toekomst aan geen Zienders toebetrouwdet,

als die, wier naam, wier schrift, in Israël bewaard,

met Isrels ballingen nog meetrekt over de aard.

Ontsluit u, Godlijk woord! Propheten van den ouden

maar nooit veröuden dag, op wie de Apostlen bouwden!

Verlicht ons, maar door hulp dier valsche Wetenschap

(hoe hoog verheerlijkt) niet, wier waan by eiken stap,

terwijl zy 't Ongeloof met nieuwe ilaauwheên huldigt,

zich-zelven nieuwen lof en lauwren meent verschuldigd; —

dier doode kennis niet, die ja! maar al te wèl

met ijskoud oog en hand en scherp gewet scalpel,

gelijk ra' een lijk ontleedt, in 't Godswoord weet te wroeten

maar dan ook in dat woord geen polsslag zal ontmoeten,

geen levensadem meer, geen hemelharmony

van waarheen, geen geheel volbouwd uit prophecy.

Bestraal Gy-zelf ons. Geest van waarheid en. van leven!

die in den aanvang over d' afgrond wildet zweven

en broeden, tot weldra, op 't machtwoord van Gods mond,

van uit de duisternis 't bezielend licht ontstond, —

en geef ons oogen voor de roeping van het Heden,

de hoop der Toekomst en de raadsels van 't Voorleden.

God schiep Zijn eersten mensch, rechtvaardig, vlekloos, goed; maar met de vrijheid in het ongekrenkt gemoed om tusschen Gods gebod en Satans stem te kiezen.

Hy koos. Gods uitspraak volgde. Ach! weinig was 't verliezen van Edens dreven en niet uit te spreken lust, en heerschappij der aard in bnverstoorde rust, — by 't onafschudbre juk der eens ontfangen zonde, by 't rustloos dreigen van dien dood, dien God verkondde 't weêrspannig menschdom tot bezoldiging en loon,

en Adam 't eerst doorstónd in 't sterven van een zoon. Van die weêrspannigheid, die schuld, uit één tot allen gekomen, van dien doem op al wat leeft gevallen,

ellende, tranen, dood, door alle tijden heen,

is zonder onderscheid het wezen, de oorzaak, één.

't Ia de onverzaakte trek by alle stervelingen

117

ocr page 126

DE CHAOS EN HET LICHT.

naar onaflianklijkheid van die hen schiep te dingen,

en, met of zonder God, ons-zelven. hoe 't ook zij,

ten God te zijn. Van daar, in heei de maatschappij

als in den enklen zoon van Adam, die wanorden,

die tegenstrijdigheên, steeds strijdiger geworden,

naar dat het mensohlijk kroost zich veroneindigde of

ontwikkelde over de aard: Onkennis, ruw en grof,

of, in verfijnder vorm, nog schuldiger onteering,

van de Almacht, van Zijn wet en wezen en regeering,

by 't beeld, het maaksel van Zijn Geest. — Geschiedenis

der volken! daag, daag op! zeg gy het, wat er is

geworden van Gods beeld, waar 't God geldt en Zijn kennis

het eerst! het zij de Griek, in vrome heiligschennis

zijn hoogen schoonheidszin, zijn ongelijkbre kunst

aan schepslendienst verpandt, afsmeekende de gunst

en zingende den lof van schendige godinnen

en goddelooze goön, de slaven hunner zinnen;

het zij de Egiptenaar zijn wijsheid, hoog vereerd,

in dwaasheids toppunt, ja waanzinnigheid verkeert,

kniebuigend voor een os en voor een huiskat vastend,

't zij voor zijn Godsdienstzin naar hooger voorwerp tastend,

de Perser uitziet naar de werken der natuur,

zijn tempels afbreekt en aanbidder wordt van 't vuur, .

terwijl Chaldeën rookt voor sterren en planeten,

't zij Israël (o God! Uw Israël)! Propheten

en vaderen ten hoon, den nabuur één voor één

zijn Astaroths benijdt of Thammuz vuiligheên, —

't zij straks de Christenheid, in Isrels plaats getreden,

ook zy dien God ontrouw, haar bijgeloovigheden,

verval en afval, beeld- en zelfdienst, ja! in 't end

haar Algodisterij, der afgoon afgod, kent.

Zie daar dan, — de eeuwen door van mensch- en volkshistorie, met hoe veel glansen ook van allerhande glorie omwoeld, — die ééne kwaal, in talloosheden van verschijnslen, beide mensch en menschlijkheid ten ban; des menschen scheiding van zijn God, des menschdoms zonde Wat zoeken wy dan nog voor de onverheelbre wonde van de in haar smerten half bezweken maatschappij in heulsap, die slechts dooft, genezende artsenij?

Voor zelfontwiklding, zelfregeering, zelfvolmaking.

ocr page 127

DE CHAOS EN HET LICHT.

(ach! holle galmen voor steeds nieuwe Godsverzaking!) was nooit de reddiiig van of mensch of menschdom veil. Hereeniging met God! daar slechts is beider heil.

God wil ze. Ja, Hy sprak van vrede, van verzoening.

Zijn wijsheid in den weg van volle rechtsvoldoening vond voor Zijn liefde een werk, waarvoor by beurten stijgt of van bewondring en aanbidding zwichtend zwijgt der Englen loflied in den tempelhof Daarboven!

Gods Eden hoorde reeds dien Menschenzoon beloven, der menschheid Wreker en Verlosser, die de wet van zonde en dood ontbindt en Satans kop verplet, — dat zaad van Abraham, door al de nageslachten uit Adam als Inm Licht en Zaligheid te wachten, —

dien spruit uit Juda, Rijske uit Jesse, Heer en Zoon van David, afgebeeld in Isrels wetgeboön door offerdienst en bloed en in voorspiegelingen van hooge, reeds volbrachte en nog aanstaande, dingen; — dien Heiland, uitgedrukt in 't Goddelijk akkoord van aller Zienders en Psalmisten waarheidswoord, als Leeraar, die Gods wet vervullen komt en leeren,

flls Koning, door Zijn dood bestemd te triomfeeren, als Hoogepriester, die met eigen smetloos bloed voor de ongerechtigheid van heel een wereld boet.

Hosanna den Propheet uit Nazareth! den Koning op 't jong der ezelin in stille machtbetooning!

Hosanna 't Gods-Lam, dat Zijn haters niet verklaagt,

maar voor Zijn moorders bidt, en hunne zonden draagt! Ja! ook ons Pascha is geslacht! kom, volk der Joden! en vier het met ons mede in de ongezuurde brooden van vrede in waarheid. Dat ons feest zich aan het uw, uw Paaschvreugd zich aan de onze in dankbre aanbidding huwquot;! het beiderlei verbond, alle onze erinneringen,

van wederzijde elkaêr omhelzen en doordringen!

Neen, wy vergeten niet, hoe met een sterke hand en viitgestrekten arm God uit Egipteland u uitvoerde en door 't pad van zee en wildernissen in Jacobs erfland bracht naar Zijn beloftenissen.

Gy dan, ai! ken dien Heer, naar 't vleesch uw Stamverwant, den Goël, dien gy wacht! Aanschouw die sterke hand, ach! die zoo menigmaal herstel gebood en leven.

119

ocr page 128

DK CHAOS EN HET LICHT.

ter oaagling aan het]kruis den Heidnen prijs gegeven!

dien arm, zoo onvermoeid tot zondaars uitgestrekt

in liefde, om dees Zijn liefde aan 't vloekhout uitgerekt!

Waan niet, dat in dat |kruis de kroon van uw Messias, —

die kroon, met zoo veel glans in 't lied der Jesaïas,

den] psalm der Ethans (*) u getoond — zij opgegaan.

Neen! Smadelijk gedood, maar vorstlijk opgestaan,

wacht Hem de Christenheid, naar 't woord van Zijn getuigen,

ten dage, die ten laatste u rouwend zal zien buigen, (t)

straks jubelzingen, voor den glorierijken troon

van d' over Sions berg ten Vorst gezalfden Zoon

van d' over alle vleosch van daar beloofden Koning,

ten dage van zijn komst in hemelkrachtbetooning

om de aard te zuivren van haar ban en van haar wee,

en 't rijk te vestigen der onverstoorbre vreê!

Hoort, volkeren der aard! hoor, nakroost der Hebreeuwen 't gezicht door Daniël voor zes en twintig eeuwen vernomen en verklaard aan de oevers van d' Euphraat: (§) der Wereldmachten lot en volgreeks naar den raad des Allerhoogsten! tot de dag zal zijn voldragen dier vijfde Monarchij, waaraan geen eind van dagen en heerlijkheid zal zijn, 't Rijk van den Menschenzoon,

die de aard ten voetbank en de wolken heeft ten troon!

Het groote Babel sliep of zwelgde, als in zijn drooraen een schrikgestalte door den Koning werd vernomen: een beeld, het menschenbeeld gelijk, groot, forsch gebouwd, en schoon, — het edel hoofd van uitgelezen goud,

de borst en armen van rein zilver, de ijzren beenen,

die 't koper van den buik en dijen steun verleenen, op voeten rustend deels van ijzer, deels van aard.

En 't bleef, tot dat een steen, als in de lucht gebaard, op eenmaal nederkwam om 't alles te vermalen tot verr' verstuivend kaf: het beeld, zijn vier metalen en kleistof! maar de steen, gehouwen zonder hand,

werd over de aard een berg, voor de eeuwigheid bestand.

120

De Koning zag den droom. De Geest der Godspropheten deed Zijn verheven zin aan die Hem vreezen weten.

Q Dan. IT en Vil.

I's. LXXXIX. (t) Zach. XII: 10 —H,

ocr page 129

DE CHAOS EN HET LICHT.

Dat hoofd, van goud gewrocht, en sohittrend als de zon,

was Nimrods erfrijk-zelf, 't ontzachlijk Babyion.

Het zilver was de macht der Persen en der Meden,

met minderenden glans in Babels plaats getreden,

dien nacht van Beltsasars verschrikking, toen de Euphraat

door Coresch en zijn heir verrast werd en doorwaad.

Maar ook dat zilvren rijk moest wijken voor een ander

(het koopren), door het zwaard gesticht van Alexander,

wiens monarchij, weldra ontbonden en verdeeld,

voor Rome ruimte maakte, in 't ijzer afgebeeld,

als ijzer sterk en hard, — sints, voor een deel verdwenen,

doch voor een ander deel voortlevende in — (de teenen

van 't beeld!) — ons oud, ons nieuw, ons tusschen vrees en hoop

by 't stormen dezes tijds reeds waggelend Euroop.

Maar de afgehouwen steen, die ze alien zal verpletten,

die over 't aardrijk onbegrensd zich uit zal zetten,

wie is, wie kon die zijn, dan gy, gezegend Hoofd!

der wereld uit een Maagd, geen zaad eens mans, beloofd

van ouds! — dan Gy, de steen, die door de tempelbouwers

verworpen, by 't gejuich der hemelsche beschouwers,

uit al uw smaadheên van de kribbe tot aan 't kruis

gezet werdt tot den Hoofd- en gevelsteen van 't Huis! —

dan Gy, die ('t is Uw woord!) eerlang zult nederdalen,

der zonde heerlijkheên tot stuivend stof vermalen,

en heerschen met Uw volk op heel dit wereldrond,

den op den Heldraak met Uw bloed herwonnen grond.

En nu! de Toekomst sprak, de raadsels van quot;t Verleden onthulden zich! zeg ons de roeping van het Heden,

o Dichter! geef een woord, dat in de duisterheên der vragen van den dag een leiddraad onzer schreên, een vastigheid moog' zijn by zoo veel slingeringen,

waar duizend volks- en Staats- en heilsbelangen dringen om antwoord op 't gebied van handeling en plicht____

Met te allen tijd het oog op 't Godlijk vergezicht,

zich door geen Tijdgeest en zijn dwaallicht laten leiden,

doch van den Tijdgeest steeds den tijdloop onderscheiden! Met dezen aan Gods hand vertrouwend medegaan,

maar d' andren in Gods kracht weêrspreken en weêrstaan! En voorts! daar is eenquot;stem voor die Zijn rijk verbeiden.

121

ocr page 130

DE CHAOS EN HET LICHT.

een roeping om den weg des Konings te bereiden.

In 't allerbinnenste des harten allereerst!

(Zijn komst is welkom slechts, waar Zijn genade heerscht.)

Van daar dan welgemoed naar buiten uitgetreden!

Eens Heilands naam en woord verkondigd en beleden!

Betuigd, van ver en van naby, het woord van God:

Aan Neger en Javaan, Bramien en Hottentot,

aan die ten leven uit de dooden uitverkoornen,

thands afgedreevnen nog, gevangenen, verloornen!

Gord, Christen! gord u! ja, schiet ijzervleugels aan

om, op uws Heeren stem, naar de einden op te gaan

der aarde, of niet uw hart, uw schatten, uw gebeden,

den dienstknecht van uw Heer in liefde op zij' te treden,

te dienen, ja, of 't waar, van verr' naby te zijn, —

't zij 't kroost, van Zinzendorf uit Groenlands ijswoestijn

naar 't heet Guiana trekt, om zielen te bevrijden

ook daar, en aan den slaaf zijn vrijheid toe te wijden, —

't zij Gutzlaff, ongedeerd door moord- en zeegevaar,

zich wegen opent tot Japanner en Tartaar.

en inrukt met Gods woord op Chinaas millioenen,

des Tarsers bede in 't hart: „laat u met God verzoenen!quot; — (1)

't zij elders Casalis, bezield door Pinkstergloed,

zijn tent bouwt in 't bereik van brullend roofgebioed,

en de Afrikaansche kaap op 't hart van kannibalen

het woord des kruises, dat Hy sprak, ziet zegepralen!

Of wilt gy uaderby? betoon aan Jacobs zaad

uw uitzicht op de Hoop zijns voorgeslachts, en laat,

vernomen uit uw mond, het onderscheid der tijden

van zijn Messias rijk, van zijn Messias lijden,

klaar worden voor zijn oog! — Gun aandacht aan de stem.

van Wichern uitgegaan met de onmiskenbre klem

dier herderliefde, die in holen en in hoeken,

nog nooit bezocht misschien, 't verdwaalde schaap gaat zoeken —

Bouw scholen, in wier schoot het Evangeliezout

uit By- en Ongeloof een dierbre jeugd behoud'!

Aan 't roer van Staat, in Staats- en Raadsvergaderingen

geroepen, in de rij van die den troon omringen

122

geplaatst, of op de baan van wetenschap en kunst.

1

2 Cor. V: 20.

ocr page 131

m

DE CHAOS EN HET LICHT.

verloochen voor Gods zaak der menschen lof of gunst

Ontdekt 't ongoddelijk en onhistorisch woelen

van wie, met half verward of reeds bestemd bedoelen,

de bron verplaatsende van Recht en Majesteit,

öods ordning omkeert en de natiën verleidt.

Op alle 'hoogten, alle sterkten, alle bergen,

wier stoutheid in onze eeuw den hemel schijnt te tergen,

plant, op geen voorrecht meer dan Christus smaadheid fier,

met onbezweken trouw alom Zijn heilbanier!

Schenk ons, onmachtigen, o God van Alvermogen! lt;3e krachten des geloofs. Uw geest van uit den hoogen, by 't daavren van de stem, terwijl Uw rijk genaakt: „Ontwaakt, gy slapendon! en, reeds ontwaakten! waakt.quot;

1850.

123

li'

^ i ■li

AAN Dk. K. GUTZLAFP.

Eïg naaav rljv yf/v igfjZamp;ev ó (pamp;óy/o: autamp;v. Hom. X: 18.

Neem aller Christnen zegebede,

by d' afscheidsdruk der broederhand,

van 't moederlijk Europa mede

naar 't aangenomen Vaderland!

En moog' het liggen in Gods wegen,

dat onder 't daar hervatte werk,

't gebed uit Neerland meê gestegen

uw hart verkwikke, uw handen sterk'!

Dat voorts Zijn Englen u geleiden

naar :t 'uiterst eind op nieuw der aard,

om Hem de wegen te bereiden,

die reeds Zijn heir ten strijd vergaart.

Neen! dank dien koning, dien wy vreezen

door onuitspreeklijke genaê,

uw arbeid zal niet ijdel wezen;

gy zult zijn vrucht zien, vroeg of spaê,

maar zeker op dien dag der dagen,

waarheen Gods woord en weg ons wijst,

als de oogst zal rijp zijn en voldragen,

het lang verkondigd uur verrijst,

dat, onder licht- en kennis-stroomen,

1'^ i

m

'h

]

T':

r

■ I-

i

ocr page 132

AAN Dr. K. GUTZLAFF.

bazuingeschal en Englenstera, de Zoon van God zal nederkoraen, en 't nieuw Jerusalem met Hem!

1850.

AAN EEN GEDOOPTEN ISRAELIET

met een bijbel.

Van Gods onfeilbaar Woord dit afschrift aangeboón aan d' in zijn Goëls naam gedoopten Abrams-Zoon, met deze uit aller hart gevloten zegenbede:

Genade zij uw deel, barmhartigheid en vrede, by 't lichten dezer lamp op 't enge levenspad, dat over Bergen heen voert naar de Hemelstad. 1850.

OP EEN AFBEELDSEL VAN BILDERDIJK.

in 1787.

Onorate raltissimo poeta.

DANTE.

Geef eer den Strijder, in den vroeg verwoesten bloei zijns levens, toen met God en Nassaus recht in 't harte,

zijn onverschrokken geest, by 't dreigend stormgeloei, de omwentlingsdwinglandij en heel den Eeuwgod tartte, 't Is 't beeld van Bilderdijk, eer Ondank en Geweld hem uitwierp van dit strand en prijs gaf aan de baren;

straks op den moedergrond, hem weder vrijgesteld,

een krans van smaadheên vlocht voor zijn vergrijsde hairen. En hy, hy wreekte zich met lauwren, in zijn leed gekweekt voor 't Vaderland; ja, met dien oogst van zangen, wier onafzienbren schat hy Neêrland erven deed,

met hoeveel flaauwheid ook door Neêrland vaak ontfangen. Om al dier zangen wil, om al dier lauwren glans,

vergeeft hem 't ongelijk, zoo in zijn kamp op aarde des Dichters vlammend zwaard, zijn afgerichte lans,

zijn scherp gewette pijl, geen hoogheén miste of spaarde van drieste willekeur in 't rijk van kunst of taal, — van aangematigd recht op ongestaafde glorie, —

van brallend ongeloof in ijle woordenpraal, —

124

ocr page 133

OP EEN AFBEELDSEL VAN BILDEBDIJK.

van afgoön op 't gebied van Godsdienst of historie! — Vergeeft hem 't ongelijk! reeds dekt sints twintig jaar het Haarlemsch kerkverwulf zijn afgetobd gebeente. O! spreek' geen vreemdling, spreek' geen nageslacht aldaar, met weemoed stilgestaan by zuil en grafgesteente,

dees strenge erinnring uit, der dooden recht ten zoen; „Op Dante tot der dood stiefmoederlijk verbolgen,

„kwam by zijns Dichters lijk Florence hoete doen; —

maar Bilderdijk ontsliep, en Neerland bleef vervolgen.quot;

GELUKWENSCH

AAN ONZE HOOG GESCHATTE VRIENDEN

DEN HEER J. BOSBOOM

EN

MEJONKVROUW A. L. G. TOUSSAINT,

OP DEN DAB HUNNEK ECHTVERBINDTENIS.

Geen roem aan roem gehuwd, geen stoute schildergeest aan schildrend dichtgenie in naam der kunst verbonden, zou hier aan d' eisch voldoen van 't zalig huwlijksfeest, wiens fakkels louter heil voor hart en huis verkonden. Neen! hooger steeg de wensch en dieper reikte uw zucht, en gelden deed uw hart hier veel verheevner rechten dan te oogsten onverdeeld een dubblen glorievrucht,

of tot éénzelfde krans uw lauwren saam te vlechten. Waar liefde 't hart beheerscht, smelt liefde ziel aan ziel te zamen in een vlam, die verder wil dan d' aarde; en ook de hoogste kunst, waar deze liefde viel,

biedt slechts haar diensten aan, vergetende eigen waarde. Toch blijft er nog één plaats voor hooger gloed en goed; de plaats die Hy-alleen kan heilgen en vervullen,

die wijn uit water schiep te Cana, uit Zijn bloed het niet verganklijk heil op Golgotha. Zy zullen van deze zaligheid, by 's levens hoogst genot,

by 's levens bangsten strijd, al roemende getuigen, die hongerend naar vrede en dorstende naar God,

voor Christus ééngen naam des harten kniën buigen!

Met dezen zij uw deel, o Bruidegom en Bruid! —

IS

ocr page 134

GELUKWENSCH.

Van Oosterzee. dees dag by plechtige orgelgalraen, gezuis van stil gebed, en roerend psalmgeluid,

legt in zijns Meesters naam mee uitgebreide palineu, dien zegen, zeegnend, op uw hoofd! —

Aanbidt alleenlijk en gelooft!

18J51.

DAVID.

2 Sam. XX1II:1. David de zoon van Tsaï *egt, on de man, die hoog is opgericht, de gezalfde des Gods van Jacob en de liefelijke in psalmen Israels zegt:

'k Ben jong geweest, 'k werd oud. Uw goedertierenheden, o God! zijn in; mijn hart, de toekomst en 't voorleden omvattend, 'k Zal ze t' zaam tot aan mijns levens end verhoogen. Maak' mijn tong ze stervend nog bekend aan 's werelds laatsten dag, aan 's aardrijks verste perken! 'k Zong, jongeling en man, de grootheid van Uw werken, de wondren van Uw arm, Uw schepping, Uw gebód, — Uw heilgeheimenis, o mijner vaadren God!

Naar U mijns harten dorst, o Hoorder der gebeden! Uw wegen, by het licht van Uw weldadigheden,

Uw paden in den nacht van rampspoed, smart en schanil. o! Laat in d' ouderdom, laat, galmend van den rand des grafs, mijn jongste lied nog van Uw daden spreken en koninklijke gunst, nooit van mijn hoofd geweken van dat Gy zegendet mijn slinger en mijn zwaard,

en deze harp vooral, my meer dan schepters waard.

Ik leerde vroeg Uw naam, o God mijns levens! loven. Grootvader Obed wees mijn kindschheid reeds naar Boven, nut de onvermengde melk en honig van Uw woord my lavende op zijn kniên. 'k Heb uit zijn mond gehoord het eerst — straks naverteld, hoe op Uw woord de gronden der wereld, op Uw wenk de aloude bergen stonden, —

boe ge Adam vormdet tot een levendige ziel,

gelijknis van zijn' God, en hoe hy, schuldig, viel.

Maar, ook gevallen, had Uw hand hem niet begeven, in 't Zaad der vrouw doet Gy zijn heerlijkheid herleven!

Daar komt een Goël voor het kroost uit Abraham,

126

ocr page 135

DAVID.

der volkren Silo in een Leeuw uit Judaas stam,

als dit Ephrata mee, zy onder Judaas vlekken de kleinste, (zy, kan 't zijn?) der volkren oog zal trekken. — En ik, ik overdacht in de eenzaamheid Uw wet,

'k vernam haar diepen zin by kinderlijk gebed,

en — licht en troost en moed en onbeschrijfbre krachten doorstroomden me uit die bron, als allerlei gedachten, vermenigvuldigd in mijn binnenst, vaak de rust verbanden van mijn sponde, — als op Uw dienst belust mijn hart zich wegen dacht om zich Uw volk te wijden,

voor de eer mijns Gods, voor de ark mijns Konings, smaad te lijden getroost, verheugd. — Wat hoorde ik, om die droomen, van mijn broeders niet al schimp? Ach! als mijn Vader dan (ook hy!) den driesten knaap te rug wees naar de weide der schapen met een wenk, — ja, als my vader beide en moeder tegen was, ontflng uw oor mjjn klacht,

en 6y, ten antwoord, gaaft my psalmen in den nacht.

Dan zong ik — van een glans ver boven deze heemion waarin de maanhol drijft en gouden sterren weemlen, den glans dier grootheid, die zich inlaat met onze aard en uit der zuigelingen mond zich lof vergaart.

Heer, onze Heer! Uw liofde, Uwe almacht, kent geen palen. Gy doet ze aan al wat leeft door al wat is verhalen.

En wie zijn wy? wie zijn Uw menschenkindren, dat ons gadesla Uw zorg. Uw gunst ons waardig schatt'

een lot en heerlijkheid, slechts voor een wijl beneden uwe Englen, straks verhoogd voor glansrijke eeuwigheden ver boven 't Englendom. — Gy hebt dat Koningsrecht hem in de verten van Zijn toekomst toegezegd,

wien Ge over 't maaksel van Uw handen hoog zult zetten, wen, aan de voeten van dien Menschenzoon, Zijn wetten zal eeren al wat leeft en ademt en bestaat,

van waar de zon ontwaakt tot daar zy ondergaat. (1)

127

Ik zong, en 't was my vaak of 'k Englen hoorde luisteren en over Bethlehem by harpgetokkel fluisteren

1

Psalm VIII naar de opvattiDg van den Apostel Hebr, 11:6—9 en 1 Cor. XV: 27.

ocr page 136

DAVID.

in wondren weêrgalm op mijn tonen: „Vrede op aard!quot; En ziet! op oens — ik had mijn oogen moé gestaard op 't lichtend firmament, by beurten, en de kudde mijn zorgen toebetrouwd! — daar ritselde 't en schudde in 't naastgelegen woud, en 'k zag — een ruigen leeuw zich duikend storten op het ooilam, met een schreeuw die me opdaagde als de kreet der wakkre dagherauten den landman, of gelijk Gods helden zich verstouten, by 't knallen der bazuin van krijgsmoed overstort.

Mijn hart sprong op, ik voelde op eens my aangegord met Simsons wonderkracht! en dees mijn armen braken (de sterkte is Uwe, o Heer!) de wijdgesparde kaken des roovers, tot hy lag. Straks op gebogen kniên den God der krachten, die Zijn heil my had doen zien, aanbiddend, riep ik uit: „o! Wie voor Isrels schapen, wie voor Uw kudde, o God van Jacob! eens te wapen geroepen, in dien strijd met meer dan leeuw en beer zich nieten mocht, en aan de spits staan by het heir van Judaas duizenden! of dienst doen hem ter zijde,

wien van uit Benjamin Uw heilige olie wijdde!

Ja, wie van Saul mocht een wapendrager zijn,

en onder zijn banier verwaten Philistijn en wreeden Ammoniet nog helpen nedervellen,

of zijner zonen een' op tocht aan tocht verzeilen!quot; Dus sprak ik in een vlaag en mengeling van smart en dankbaarheid en hoop. En 'k zweeg, diep in mijn hart bewarend, met nog meer mijns zielsgeheims te zamen,

mijn zege op leeuw en beer — tot dat Gods tijden kwamen

Zy kwamen — met wat eer en schittring nooit gedacht, wat Godlijk trouwbetoon aan Boiiz nageslacht! —

Op my, van Boöz huis den minste, herdersjongen nietswaardig in het oog van allen, en doordrongen van nog veel dieper niet in eigen oog, voor God, — op my, wien naast mijn harp en herdersstaf geen lot begeerlijk scheen, dan ja! een zwaard hanteeren, om slavernij en smaad van Jeschurun te keeren,

maar niet met koningen, met grooten in den Staat mijn deel te hebben of te zitten in hun raad.

En toch! het was aldus, het bleek Uw welbehagen

128

ocr page 137

DAVID.

weldra, dat David eens de herderskroon zou dragen en weiden in Uw gunst, — gelijk de schapen van zijn vader, — zoo Uw volk van Berseba tot Dan.

Hoe staat die wondre dag nog voor mijn scheemrende oogen, toen op het eenzaam veld, aan aller blik onttogen en zuchtende tot God mijn Kotssteen, Jesses hand my t' huiswaart wenkte op eens ter plechtige offerand en feestmaal, straks verbaasd tot Romaas Ziender leidde; en 'k hoorde als in een droom zijn woorden als hy zeide: „De Heer heeft dezen zich verkoren uit uw zaad.quot; (*)

Daar stond ik voor den man, Uw dienstknecht, — zijn gelaat den worstlaar teeknend, die met tranen en gebeden gena zocht nacht by nacht voor de ongerechtigheden van 't volk dat hem verstiet, — den Richter zonder blaam, wien Ebenezer prijst en Gilgals hoogten t' zaam. (f)

En hy, hy zag my aan met vaderingewanden of 't waar, en strekte lang de palmen zijner handen omhoog en over my. Toen zalfde hy mijn hoofd met olie, in den naam zijns Zenders hoog geloofd,

met zalf, niet slechts mijn baard en kleederzoom besproeiend, maar, als des Hemels daauw van Hermons toppen vloeiend, des harten binnenst overstelpend met een zaclit en zalig zelfgevoel als van des Heeren kracht; — en 'k kende me op dien stond volwassen man en koning, doch koning, tot geen glans vooreerst van machtbetooning geroepen, maar tot kamp en menig zuren gang in lange ballingschap en doodsnood jaren lang, —

tot dat me, o Heer! üw trouw en Godlijk alvermogen als Uw gezalfden knecht opiSion zou verhoogen.

Tot Bethlem middlerwijl kwam menig vreemd verhaal van Saüls somberheên en ondoorgrondbre kwaal en boozen kwelgeest, die de plaats had ingenomen van heldenblijdschap als zijn hart plach te overstroomen in 't barnen van den strijd, of wen met dankbren groet de stammen al te zaam hem juichten in 't gemoet,

voor wiens gevelde spies hun haters bevend vloden.

(») I Sam. XVI; 12. III.

(t) I Sam. Vilt: 8—12 eu XI: 15, XII; 1—5

9

129

ocr page 138

DAVID.

Doch welk een oogenblik op nieuw, als koningsboden

verschenen in ons vlek en Jesses jongste spruit

bevel kreeg in der ijl te volgen! Harpgeluid

en zang (dus spelde een stem aan 's konings hof) zou de ooi

des lijders voor een wijl verkwikken en bekooren

niet enkel, maar zijn leed bemeestren, en den nacht

gevallen op zijn ziel doen wijken voor de kracht

van 't loflied God ter eer. En 'k ging, meer opgetogen

van stille blijdschap dan verbaasd, dat dees mijn oogen

den Koning zouden zien in 't midden van zijn stoet.

Ja 'k ging, de vreugd der hoop in 't biddende gemoed,

verzekerd, o! dat op den toongalm van mijn snaren

de vijandlijke macht haar prooi zou laten varen.

Mijn harp! gy waaktet op. Gy loofdet, o mijn lied!

den Heilige Isrels in Zijn wondermacht. En ziet!

gy mocht Gods gunstling uit zijn starre dofheid wekken

en zetten in zijn toorn hem neder, 'k Zag zijn trekken

ontspannen, 'k zag voor 't eerst den vorstelijken blik

van 't naamloos angstgevoel, den onbestemden schrik

weêr vrij, aan huis en heir bevel en richting geven.

Ik zag den koning in zijn schoonheid, hoog verheven

met heel zijn edel hoofd en schouders boven al

wat óm hem zich bewoog. Der jaren klimmend tal

doet nog het grootsche beeld niet aan mijn ziel ontglippen.

Nog staat het vóór my, als ten dage toen de slippen

zijns mantells in mijn hand al d' eerbied, al de trouw,

verschuldigd aan dat hoofd, met kloppend naberouw

herleven deden in dees boezem, steeds doordrongen

van 't lot des Eedlen, in zijn dood door my bezongen! (1)

„hoe zijn de machtigen gevallen, — hoe, een smaad

by Gath en Ascalon geworden ons sieraad!

Gilboa! aan uw kruin zij nooit meer daauw of regen

gegund, waar in hun bloed de helden nederzegen,

waar 't schild van Saül den gezalfde werd onteerd,

het zwaard des veldheers, ach! naar eigen borst gekeerd, —

de boog van Jonathan voor altijd ligt ontspannen!

Te zamen sneefdet gy, o bloem der oorlogsmannen!

130

Vereenigd in den dood, beminden! ligt gy daar,

1

2 Sam. 1:17-27.

ocr page 139

DAVID.

die ge in uw leven waart, een moedig leeuwenpaar of tweetal arenden, de schrik der duizendtallen.

Hoe zijn de machtigen in Isrel, ach! gevallen!quot;

Maar de onvergeetbre tijd, die me aan des konings hof voor 't eerst naby bracht, had nog eindloos ruimer stof van weemoed aan mijn hart, van diepe nagedachten gelaten aan mijn jeugd. Mijn slapelooze nachten hernieuwden telken reis de droomen van den dag voor mijn ontsteld gemoed, en alles wat ik zag;

het zij mijn oog van verr' die minlijkste aller vrouwen, des konings dochteren bewondrend mocht aanschouwen,

't zij met des konings zoon mijn ziel, van d' eersten stond aireede, in wensch en zucht zich in 't geheim verbond tot wapenbroederschap, die eerst met later tijden zich openbaren moest in voorspoed, kamp en lijden, — een liefde sterker dan de dood! Maar op dat pas gaf niemand acht nog op den herdersknaap, en was slechts kort in Saüls huis zijn harp en zangvermogen der grooten aandacht waard. Het wèl geslaagde pogen werd met een woord erkend van hoofschen lof en eer. Des konings lijden week. De jongling keerde weêr naar 't ouderlijke veld, en weidde op nieuw zijn schapen.

Hoe Was 't me aldaar te moe, wen door zijn vorst te wapen gevorderd, Israël zijn weerbre mannen zond uit al de stammen in oud-broederlijken bond den vijand te gemoet, Pasdammim (1) ingetrokken; —

toen van mijn broeders mede een drietal onverschrokken en juichend naar hun aart, zi,ch spoedde tot het veld. Wat tranen smoorde ik by dat afscheid! wat geweld deed 'k worstelend my aan, om niet mijns vaders woning en weide en kudde en 't al te ontsnellen, en den koning de dienst mijns arm te biên. Hoe gretig ving mijn ziel straks alle tijding op die ons te beurte viel van Sochoos legerkamp, o Leidsman van mijn leven!

131

Was 't niet van U, als voorts de boden achterbleven?

1

Het Ephes Dammln T»n 1 Sam. XVII; 1 schijnt 1 Chron. XI ; 13 P as 3 a m-m i m genoemd te zijn.

ocr page 140

DAVID.

van ü niet, als me in 't eind (o nooit vergeten stond!)

mijn vader in zijn angst naar 't dal der Eiken zond (*)

naar mijner broedren en des legers welstand vragen?

Geen voeten schenen my maar vleugelen te dragen,

als 'k ijlde op dat bevel. Ik voelde, een nieuwe dag

was me opgegaan van U, mijn Levenszon! en 'k zag,

als in een vergezicht, Uw aartsweldadigheden,

een Godsrivier gelijk, haar strooming reeds verbreeden,

en als de golven van een vollen oceaan

my dragen, my ter zijde en voor- en achtergaan.

Wie zal ze zeggen? wie heur menigte vermelden,

van toen die vreeslijkste der Philistijnsche helden

door 't steentjen van de beek geraakt werd uit een hand,

te nietig in zijn oog, en reutiend zonk in 't zand;

van dat op Saüls wenk, in telkens nieuwe tochten,

met telkens nieuw geluk besprongen of bevochten

de aloude vijand-zelf voor Davids prinslijke echt

den bruidschat leevren moest, een koning voorgelegd, — (f)

tot wen des jonglings lof, vermetel en ontijdig

in 't vrouwlijk lied verhoogd, als met zijn rechten strijdig

den Heerscher argwaan gaf, des Veldheers toorn ontstak,

in 't vorstlijk huisgezin de liefdeketen brak.

Eerlang, en 'k moest, miskend en weerloos, om mijn leven

èn huis èn gemalin èn Jonathan begeven,

en zoeken, zwervend, heil by norsche vreemden, neen!

by d' eigen Philistijn, zoo roemvol eens bestreen.

Gy zaagt, o Heer! wat in die nachtelijke dagen

uw fel vervolgde knecht van jammer om moest dragen,

van Isrels tenten, van Uw tent en heiligdom

en offerplechtigheên verwijderd, — met een drom

van uitgestootnen, als hy-zelf, het land doorkruisend,

dan eens van plek tot plek door Saül met zijn duizend

benaauwd of opgespoord; dan kampend met gebrek,

met oproer, met verraad, dan wéér op Amalek,

dien hater Israels van ouds, den aanval wagend,

of wel den Gesuriet met staagen oorlog plagend;

maar Isrels herders steeds beschermend met ons zwaard.

132

In allen dezen heeft me Uw rechterhand bewaard,

(i:) 1 Sam. VII: 10.

(t) 1 Sam. XVIII: 25-27.

ocr page 141

DAVID.

o Heer! geen haar mijns hoofds ter krenking prijs gegeven

aan Saüls lagen, als hy dorstte naar mijn leven,

aan Doëgs snooden haat, aan Nabals steenen hart;

veeleer, na eiken smaad of doorgekampte smart

mijn hoorn verhoogd te meer, mijn haters laag doen zinken

of van Uw heiige wraak den beker ledig drinken.

Engédi, Maon, Ziph, getuigen van dien God

mijns heils! en gy vooral, gy Ziklag! waar mijn lot

een keer nam onverwacht, als zelden de eeuwen zagen,

of schrijvers boekten ter gedachtnis, in de dagen

toen deze kruin, den dood nog pas der steeniging

ontgaan, uit Judaas hand de koningskroon ontfing. (*)

Heel Isrel volgde eerlang! ik zag de heirbanieren

van 't twalefstammig volk mijn troonsbestijging vieren.

'k Zag al wat Saüls was geweest, met heel zijn zaad

gegeven in mijn hand. 'k Zag, meester van den Staat,

te midden van een staf van drie en dertig helden,

wier wedergade licht geen natie meer zal melden,

onze oorlogsfaam gevest, — door wapenfeit aan feit

de grenzen van het land versterkt en uitgebreid,

den Syriër verneerd, — met Edotn aan mijn voeten

den Moabiet in 't stof de aloude vete boeten, —

onteigend Jebus stam, en Salem in mijn macht, —

op Sions hoogten de ark des Heeren opgebracht,

en, als mijn hand dien God een tempel dacht te stichten,

(voor Salomo, mijn zoon, thands de eerste zijner plichten,)

het voorrecht my ontzegd, maar tot in eeuwigheid

een Redder uit mijn huis aan 't menschdom toegezeid.

En daarom zullen U verheerlijken mijn psalmen en van Jehovaaa naam een wereld doen weergalmen,

neen! by geen tent van Sem, geen spraak van Canaan beperkt, maar uitgebreid tot eindloos verder dan ooit Tyrus heeft vermoed. Een volk, nog ongeboren, zal door zijn harplied Uw verheven daden hooren,

en met my zingen van de wondren die Gy wrocht,

133

li'

.quot;Vi '■ i:}j ■li

'14

■ A

li

..t

M'f fa ■

If

li-li t. al ■ wjr'j

tis

als Ge aan Mitzraïms goón Uws volks ellend bezocht, of Isrel vestigdet in Palestin aas steden, —

r quot;■

♦) 1 Sam. XXX en 2 Sam. II: i.

ocr page 142

DAVID.

en van Uw wondren ook aan my, die tot dit heden,

met TJ, geen berg ontzag, door dichte benden drong,

door diepe waatren ging en over muren sprong.

Ja, hooren zal heel de aard en millioenenmalen

haar einden, eeuw aan eeuw en dag by dag, herhalen

't akkoord der hoogten van Uw heilgedachten, en —

der diepte van mijn val en misdrijf. Ja! ik ben

in ongerechtigheên geboren, en in zonde

ontfing mijn moeder my. 'k Voel 't snerpen van de wonde

(ook by de heelkracht van Uw balsems, trouwe God!),

de wonde die Uw knecht in schuldig zingenot

en zondes dronkenschap zich-zelven heeft geslagen

op dien onzaligsten, dien grouwzaamsten der dagen,

toen de oorlogsman, verstrikt in zelfgekozen rust,

aan sterker vijanden zich prijs gaf onbewust,

dan waar voor Rabbaas vest zijn helden tegen streden, —

toen op het dak, ter sluik, de wandlaar ingegleden

in de onbewaakte borst zijn schrikbren intrek nam! .,.

ach! om den valschen gast te onthalen, werd het lam,

het ooilam van den vriend, den eedlen wapenbroeder,

geroofd; straks door dien roof te stouter, te verwoeder,

dwong de overweldiger een tweeden gruwel af,

des overspelers soband ter dekking en ter straf.

Neen! woorden zijn er niet voor wroegingen en smarten

als die ik sints doorstond. Doorgronder van de harten!

Gy kent ze die ik leed! rechtvaardig, neen, te zacht

veeleer — maar in Uw toorn hebt Ge aan gena gedacht!

Gy weet het, Gy-alleen, zoo lang dees lippen zwegen

mijn ongerechtigheid bedekkend, wat al wegen

ik uitdacht om, kon 't zijn, te ontkomen aan die vraag;

„Waar zijt gy, Adams zoon?quot; en dan eens, in een vlaag

van krankte of razernij mijn doodschuld om te keeren,

dan weder, opgegaan in 't heilig huis des Heeren

met ongeheiligd hart, by psalmen en gebeên,

by tabernakeldienst en offerplechtigheén,

te ontkomen aan my-zelf, my-zelven te vergeten,

of mooglijk! by die taal eens Satans mijn geweten

te harden: — dat de man, wien God verheven had,

uit kracht van koningsrecht Gods ordning overtrad!

voor 't minst, geen moorder was als andre moordenaren!

ocr page 143

DAVID.

Maar mijner beendren merg verouderde, mijn haren vergraauwden middlerwijl, mijn sappen droogden op, de krankheid mijner ziel steeg kankerend ten top; —

toen deedt Ge in Davids oor, o God! den donder knallen van dat verplettend, ja! dat op den diep gevallen' ter brijzling neêrgeslingerd woord: ,Gy zijt die man!quot;

mijn vonnis te gelijk en 't einde van mijn ban.

Want de ader was geraakt, des zondaars tranen vloeiden van uit des harten wel by stroomen, en besproeiden den voetbank van dien troon, door eeuwig recht gestaafd. Mijn nieren in mijn schoot beleden! — Gy vergaaft.

o Liefde, o heiligheid, die d' overtreder spaarde,

maar aan zijn zonde-zelf een eeuwgen krijg verklaarde! Laat eeuwen zonder eind d' ontzachelijken stond verhalen, hoe 'k aanbad, — hoe door een zelfden mond my aangekondigd werd vergifnis en kastijding,

vergifnis onbegrensd, maar tevens van de ontwijding der gaaf, der gunst, des volks, des naams van .Taoobs God een onverdelgbre vrucht voor heel mijn oovrig lot op aarde, 't Bloedig zwaard zou van mijn huis niet wijken, mijn vaderhart van rouw, van schande, vaak bezwijken, by 't sterven, neen! veel meer by 't leven van een zaad, om ontucht, om geweld en doodslag, om verraad,

befaamd in Israël, tot dat ik zelf moest vluchten,

meer dan van Saül ooit, veroordeeld thands te duchten van u, mijn Absalom! o nog te dierbre zoon,

ter kwader uur, helaas! zoo schittrend en zoo schoon! van u, op wien mijn recht zoo schrikbaar moest gewroken, toen met uw hart het mijn ,door Joab werd doorstoken, den wreedaart, die my dwong met opgeklaard gelaat te staren op den zoon, het, offer van zijn haat!

o Heer! Gy hebt ook dus Uw boetling niet begeven! Gy, eeuwig trouw, tot in dien avond van zijn leven zoo dreigend somber soms, zijn rechterhand gevat,

zijn klachten niet versmaad, wanneer by tot U bad en riep uit diepten van ellenden! Gy, zijn paden verhelderd keer op keer! Gy, door steeds nieuwe daden beschaamd zijn haters, en geen kroost van Jemini

135

ocr page 144

DAVID.

doen juichon over hem, — den vloek van Simei', (1)

den raad van Bichri's zoon (f) niet aan zijn ziel volbrengend.

Neen! maar zijn levensdag en heerschappij verlengend,

hebt Qy zijn hoofd, zijn troon, van d' ondergang bewaard,

de aloude zege steeds doen kleven aan zijn zwaard, —

voorts, op zijn loopbaan, voor te vaak ontvallen vrinden

Barzillais (§) in den nood en Ornans (2) hem doen vinden;

en, zoo ten jongsten schok in mijn bestormde ziel,

met Joab aan de kroon ook Abjathar ontviel,

Benaja my voor d' een', voor d' ander Zadoks wijsheid

der jeugd van Salomo en Davids late grijsheid

ten stut en steun verleend; (ff) toen van Adonia,

zijns broeders Absaloms beklaagbre wederga,

de stoutheid werd gefnuikt. — Bij al die wisselingen

bleef steeds mijn harp besnaard, 'k Vond krachten om te zingen

in dees mijn levensherfst, min glansrijk, als te zeer

mijn lente was misschien! maar vruchtbaar des te meer

in zielsbevinding van Uw gadelooze wegen.

Uw wijsheid in de diepte, o! Lof en dank Uw' zegen,

dat in des konings leed de zanger niet bezweek,

en' nooit Uw Heiige Geest van zijn akkoorden week.

En thands! daar schonkt Ge op nieuw by d' uitgang van mijn leven, o God, me in liefde en trouw dezelfde steeds gebleven!

loftonen aan mijn harp. Had lang genoeg een kroon mijn hoofd omschitterd, vaak omklemd? ik zag mijn zoon (Jedidja, lievling Gods, (§§) was naar Uw welbehagen zijn toenaam van der jeugd), in spijt van hinderlagen en haters om hem heen ten koning ingewijd,

de stammen met gejuich U lovend wijd en zijd. (3)

'k Heb voor Uw aangezicht of 't waar tot aan den drempel van d' op Moriaas top haast op te trekken tempel zijn jonglingsschreên geleid, mijn schatten in zijn hand,

uw zegen op zijn hoofd gelegd, ten onderpand voor hem, voor heel zijn volk, van Uw beloftenissen, .

waarvan geen sprank, geen stip, haar uitkomst ooit zal missen.

136

1

2 Sam. XVI: 1—14. t) 2 Sam. XX: X en volg.

2

(g) 2 Sam. XIX: 31 en volg. (•*) 2 Sam. XXIV: 18 en volg.

3

(tt) I Kon. I: 5—8. (§§) 2 Sam. XXII: 24 en 25. (•»») i Kon j.

ocr page 145

DAVID.

Doch welk een wedergalm uit hooger streken spreekt van dingen tot mijn geest, als nimmer afgesmeekt door menschen, of in 't hart eens stervlir.gs opgestegen?... By geen verganklijk zaad eens zondaars, by geen zegen voor Isrel, by geen troon voor Palestyne alleen,

bepaalt de rijkdom zich dier heilverborgenheên!

Een meer dan Salomo, gesproten uit mijn lenden,

gaat op, het licht gelijk, des werelds uite'rste enden bestralend met een zee van heerlijkheid. De ster van Jacob wijst het pad aan volkren. die van ver zich haasten om de komst diens Redders te begroeten, en meer dan Schebaas goud te leggen aan Zijn voeten! Een schaar van koningen en wijzen werpt zich neêr.

Zijn wet aanvaardend of verstommend voor Zijn leer.

Maar d' onderdrukten zal Hy zijn gelijk een regen,

die 't late gras begiet, verkwikkend neergezegen! En zeegnen zal men Hem, zoolang van zon en maan aan 't hemelsch firmament de wissling zal bestaan.

Neen! aan geen andre aldus van Uw gezalfde knechten, geen' menschenzoon als Hem, gaaft Ge ooit, o God! Uw rechten En toch! by al dien glans van goedheid, grootheid, eer, ook lijdenskelken, Davids Zoon en Davids Heer!

Uw deel? Ja, 'k zag den held in diepe waatren zinken en bodemlooze slijk, 't Zag, afgemat, Hem drinken op 't slagveld uit de beek (*) na 't slaken van een kreet van meer dan jammer, meer dan overstelpend leed,

gelijk in 't felst der smart geen David immer kende,

maar (mooglijk!) in een stond van namelooze ellende slechts voorgevoelen kon. (f) 'k Zie straks na dezen nood Hem neêrgelegd in stof en banden van den dood; —

maar ook aldaar zal geen verderving ondervinden Gods Heiige, graf noch hel Zijn overschot verslinden,

wien vreugdverzading aan Gods rechterhand verbeidt, en lieflijkheden zonder eind van heerlijkheid, — (§)

waar, neêrgezeten in gewijde krachtbetooning naar Melchizedeks wijs als Hoogepriester-koning,

Zijn schepter over de aard Zijn vijanden beheerscht.

Looft, looft dien Heerscher! Loof Hem, Isrel! gy het eerst

(•l Ps. CX: 7. (t) Ps. XXII :1. Matth. XXVII: i6. (§) Pa. XVI: T

ocr page 146

DAVID.

op tempelcithers en cimbalen! Looft, o volken

der wereld! met Zijn volk, Hem wien Ge op 's hemels wolken

(Zijn wagen!) op den dag Zijns heils aanschouwen zult. —

De psalmen Davids, des zoons Jesses, zijn vervuld!

* * *

De Geest des Heereo heeft door my gesproken en Zijne rede is op myne tong geweest. 2 Sam. XII: 3.

Ja, zanger! ziener in den geest!

Gods rede is in uw mond geweest tot by uw jongste harpakkoorden!

Met hen werd heel het aardrijk rond aan 't menschdom vrede en heil verkond tot aan des werelds verste boorden.

En wijken zal het wijd heelal eer dat een stip ter aarde vall'

van 't geen beloofd werd uit uw lenden.

En meer dan zevenvoudigmaal zal heel de aloude orakeltaal uit die belofte zich volenden!

Aan Davids Zoon, aan Davids Heer lof en aanbidding, eeuwige eer,

by heel Zijns volks Hosanna-galmen,

waarvan in Bethlehem der Englen vreugdestem den aanhef hooren deed in loutre hemelpsalmen!

1851.

STILTE.

Geen wolkje dreef er aan den hemel, geen windje suisde er in de blaSn, en als een spiegel glad en effen,

stond de onbewogen Oceaan.

Daar streefde 't vaartuig onbekommerd

de blaauwe baan der baren door, by wier door niets gestoorden vrede

ocr page 147

STILTE.

het weekste hart zijn vrees verloor, het moedigste vergeefs een voorwerp

ter koeling van zijn strijdlust zocht. Ik luisterde, en vernam geen murmling,

geen zuchtjen op het zilten vocht,

geen aanval, neen! van kokend zeeschuim

op de onverzettelijke rots;

maar louter vrede en samenstemming,

by staking van het golfgeklots,

had overal den kamp vervangen

der elementen met elkaêr,

en stil was 't strand, waarop de vloed wies

met naauwlijks opgezette baar.

My dacht, geen dag was immer schooner,

geen gouden zonneschijf bescheen met rijker stralen ooit te voren

het lachend landschap om ons heen. . . . Daar lette ik eensklaps op den zeeman,

die voor- op voorzorg nam aan boord, — de lange kalmte van den hemel

had hem — verschrikt meer dan bekoord, die door geen zucht gestoorde stilte een dreigend zeegevaar voorspeld, dat luchtazuur, door niets beneveld,

een onvermijdbaar stormgeweld! —

De les drong door tot in mijn binnenst,

ik zuchtte diep, want ik verstond! Hoe! aan den zeeman had die lichtglans

aanstaande donkerheen verkond?

En my — een oogenbJik verheldring

had me aller stormen vroeger woên, als waar 't in overmoed, vergeten

ja, niet meer mooglijk wanen doen? Ik dacht alreê mijn boezem veilig

voor 't bloeden van een nieuwe wond, na al de jammren die 'k doorleefde,

na al de smerten die 'k doorstond, 'k Vertrouwde 't schijnsel, zonder aarzling

van een my vreemde voorspoedszon, ik waande dat na zooveel woelens

ocr page 148

STILTE.

de dag der rust voor my begon!

Mijn hulk voortaan zou veilig drijven,

tot [ze eenmaal havende in het graf.... ach, anders leerde my het voorbeeld,

dat my de ervaren zeeman gaf. —

Heer! vind' in U mijn hart de ruste,

eer 't weder duister om my word'!

Heer! zoek' by U mijn ziel de toevlucht,

eer haar de branding overstort'!

Te koen, te ruimschoots dorst ik hopen!

o! Dat ik, needriger te moê,

in U alleen de sterkte zoekend van 't zelfbetrouwen afstand doe !

Kaar 't Engelsch.

1861.

DE BARRE ROTS.

Met het hoofd in de wolkenj den voet in de kolken,

staat by golvengeklots naakt en eenzaam de rots.

Te vergeefs op zijn toppen zijgen morgendaauwdroppen!

Te vergeefs ziet de maan lieflijk starend hem aan!

En geen zomerluchtzwoelte en geen avondwindkoelte vermag iets op den aart van het ijskoud gevaart',

waar zich bloemen noch bladen noch moschgroen op toonen,

en geen plant wordt gezien,

om des kruidkenners vlijt met een schat te beloonen,

of den zeemeeuw een nest voor zijn jongen te biên!

Sombre steenrots! de lente keert weder,

't dorre veld wordt bestrooid,

wordt bekleed, wordt getooid, —

maar op u blikt zy vruchteloos neder!

op uw kruin past, voor krans.

een verhevener glans

140

ocr page 149

DE BARRE KOTS.

'k Zag een leger van golven den aanval beginnen! Zy liepen u aan,

met schelden en slaan,

met schuimende woede! Maar zouden zy 't winnen? Of ook over u heen heel haar menigte gaat, zy breken, — gy staat.

Zy breken, zy wijken,

van veêrkracht beroofd.

Daar verheft gy het hoofd;

statig ziet men het prijken met paarlen van 't zeenat, met edelgesteent'

als van ziltige tranen by 't zonlicht geweend.

Dus ook menig in God vastgeworteld gemoed! wen der tegenheên vaak overstelpende vloed

voor een oogenblik tijds is geweken,

zij de bloesem van vroegere weelde vergaan,

zij 't voor altijd op aarde met vreugde gedaan,

voel' zich 't hart by herhaling nog breken; — toch verheft zich in vrede de geest naar omhoog, by den daauwdrop der smeltende smart in het oog, en men beurt uit ons wereldsch gewemel,

als die eenzame rots uit het golvengeklots,

naakt maar blinkend de kruin op ten hemel.

Naar 't Engelsch.

1851. ___

DE HULK VAN STAAT.

O navisl referent In mare te novl , Flactus ? HOEAT.

Met telkens sneller vleugelslag doorrent de tijd des hemels bogen,

en zwaait den sikkel nacht en dag,

by wiens geflikker uit den hoogen

afgronden beurtling opengaan en weêr metlacbend groen zich dekken,

terwijl langs de oude wereldbaan de ontelbre schaduwbeelden trekken. — de grijzaart, leunende op zijn staf, verwondert zich hoe weinig dagen

141

ocr page 150

DE HULK VAN STAAT.

ook zijn wieg afstond van zijn graf,

maar van hoe veel zy heugnis dragen.

Zag niet zijn leeftijd van Bourbon het koningsbloed den moordbijl verwen,

op Sint-Heleen Napoleon,

Philippe in England balling sterven?

Zag niet één leeftijd, naast den stroom van honderd Staatsomwentelingen,

de wonderheên van licht en stoom olkaêr voltooien en verdringen?

Het vlugst gewiekte ros gedwee by de ijzren wagens achterblijven,

en naast het blanke zeil op zee de zwarte kooldamp bovendrijven?

Ja, als een nachtlijk droomgezicht,

door duizend krachten, t' zaam verbonden,

een nieuwe wereld opgericht,

reeds door nog nieuwer half verslonden?

Uw grijzaarts mede, o Nederland!

omvatten 't naauwlijks, wat ze al zagen

zich achtervolgen op dat strand,

waar in hun jeugd of kindsche dagen

de Zoon eens Vierden Willems stond gehuldigd beurtling en verdreven, —

waar thands, uit aller braven mond het volksgebed wordt aangeheven

voor 's Konings hoofd, voor 's Konings zoon, die zoon, een vierde Willem weder!

Dale op den erfgenaam der Kroon de zegen zijner vaadren neder!

Vijf kroonen op- en afgelegd, (1)

tien Constitutiën versleten, (f)

met België een bezworen echt ontbonden wéér en reeds vergeten,

142

getuigen met hoe fel een vaart

1

Koning Lodewvjk en diens zoon, — Napoleon, de Koningen Willem 1 ei. Ti. (f) Yan 1795 tot 1848.

ocr page 151

Is

DE HULK VAN STAAT.

het zij we waakten, 't zij we sliepen,

op Neêrlands grond, als op heel de aard, de losgelaten tijden liepen.

Wat zal de toekomst, die vast naakt, u, mijn geboorteland! nog baren?

Geslaakt uw scheepvaart, of gestaakt? ten zetel voor uw handelaren

den Helder ginds of d' Amstel hier? — Oud Java u of d' Engelander?

de Fransche bloedvlag uw banier, of onverwrikt de Oranjestander?

Wy waren t Harelemmer meir vol moed beleegrend en bestokend,

en 't zeeveld, Flevoos kom weleer, zag, van vergeefsche woede kokend,

ons de oogen wenden naar het strand hem met dien zelfden blik bedreigend,

waarmeê zich 't Hollandsch Vasteland den zusterkolk reeds heeft geëigend! —

Als ziet! een vreeselijker vloed, die, Frankrijks bergen afgekomen,

des werelds hoogten zinken doet, ook Neerland aangrimt met zijn stroomen,

by Sprokkelmaanlicht opgezweept,

door Maartsche vlagen voortgedreven,

dat half de grond wordt meegesleept, dat aan het roer de stuurliên beven.

o Scheepken, dierbaar Vaderland,

door 't woên bedreigd van zoo veel golven!

o Scheepken, dank zij hooger hand,

nog in dat schuim niet gantsch bedolven!

Ach! op dien dollen Oceaan wiens waatren donderen en slopen,

hoe zal het verder met u gaan?

Voor alle winden ligt gy open!

't Zij 't uit den Westen vrijheid blaast, of kille dwangzucht uit den Noorden!

Zij 't by- of ongeloof, dat raast,

gebroed aan Seine- of Tiberboorden,

143

'ïft

.:è:; ■Tw ■.'UV

.:1

. m

:|f

ocr page 152

14:4 DE HULK VAN STAAT.

O Scheepken! veilig zult gy zijn op deze dobberende bareu,

meer dan waar ijdle wijsheidsschijn op hoogten wijst, die niet bewaren.

Zoo slechts, als voortijds, aan uw boord (waar ook een dwaas geslacht zich keere!)

de naam, het bloed, de Geest, het woord van dien Bevrijder blijft in eere,

die op der Zijnen: Wy vergaan,

het noodweêr wendde, hooggeklommen,

d' ontboeiden bergwind stil deed staan en de opgezette zee verstommen. 1851. _

AAN jonkvbouwe E. H. LUDEN,

IN ANTWOORD OP EEN AAN MY GEBICHT VEBS.

Jonkvrouw! was de harp des Dichters,

op de wijs zijns volks besnaard, u een wederklank, zoo zuiver,

uit uw eigen dichtgeest waard?

Heil zij U, dat van dien harptoon

neen! geen schoonheid, maar de stof op de schatting aanspraak maakte

van uw zusterlijken lof!

Heil ook hem, zoo ooit zijn zangen,

waarlijk ruischend God ter eer,

zielen schokten voor zijn Heiland,

harten lokten tot uw Heer! —

Jonge mededichteresse!

't zij uw voorrecht en. het mijn, van dien Meester vol genade

't zeker eigendom te zijn!

aan Zijn voeten neêr te zitten,

neêr te zinken by Zijn kniên! en, verwaardigd Hem den danklof

onzer zangen aan te biên! Ik, — met eerlang grijze haren,

van diens Konings zegetocht den bazuingalm op te vangen,

dien ook Gy vernemen mochtI

ocr page 153

AAN JONKVEOUWE E. H. LUDEN.

Gy, — met maagdelijke teêrlieid

tegen elke levenssmart hemelstemmen in te fluistren

aan 't ten hemel opziend hart!

1852.

AAN Ds. O. G. HELDRING,

bt de 25-jabige viering van zijn evangeliedienst.

Geen prediking van 't woord aan saamgevloeide scharen,

geen huis- en hutbezoek met trouwe vlijt verricht,

geen weiding van de jeugd sints vijf en twintig jaren.

voldeed aan ü w besef van hooge herdersplicht!

Veel ruimer bleek üw kring, veel wijder streefde uw pogen,

en dieper drong uw blik in onze volksellend,

o Heldring! wien Uw land (zoo dichters spellen mogen),

eens deel geeft in den lof van Wichekn toegekend. En thands! van gade en kroost, van vrienden en Gods zegen

omschaduwd en omstraald, viert Hemmen's leeraar feest! Zoo ademe ook van my hem aan den drankdisch tegen

een feestdronk uit de verte, een handdruk in den geest! Ja, uit eens broeders hart een broederlijke bede.

ten weerklank van zijn bede in Hemmen's kalme kerk: Barmhartigheid van God, en heilgenade, en vrede ruste op U w hoofd en huis, ruste op CJ w kudde en werk, van waar des Herders staf naar 't welgevallig setten verloornen lokt en trekt van uit den muil der hel, tot Neêrlands op zijn stem reeds uitgeworpen netten op de Afrikaansche kust en Javaas Archipel!quot;

1852.

EZECHIËL.

Aan de oevers van een nederigen vliet, met stillen gang d' Euphraat in de armen loopend, zit eenzaam en verdiept in 't zielsverdriet,

toch op den God van Isrels toekomst hopend, Ezechiël, de balling, Buzis zoon, (*)

Ver uit zijn oog, blijft in zijn boezem leven

145

10

ocr page 154

EZECHIÊL.

de Tempelstad, om naar Cbaldeeuwsche goon 't Cbaldeeuwsche zwaard reeds eenmaal prijs gegeven, weldra op nieuw, om volks- en koningsschuld, ter plundering, ter plettering verwezen,

omdat de maat des grouwels werd vervuld,

in priester en propheet ten top gerezen.

Aan d' oever van den Cheber zit de man, op Babylonisch erf van God geheiligd ten priester en propheet, en van den ban,

op Palestina wegende ach! beveiligd door 't zout — der vreemdlingschap, waarin hy zucht.

Op eens! zie daar, de heerlijkheid des Heeren omschittert hem. (1) De Noorderstreek der lucht scheen zich een oogenblik in nacht te keeren! Een wolk, van vuur bezwangerd en verlicht,

snelde aan op vleuglen van den storm, — een wagen, door wonderwezens, vreemd van aangezicht en vorm, in 't ruim bewogen en gedragen.

De raadren van dien wagen in zijn vaart doordaveren met donderende wieling de vastigheên des hemels en der aard.

Toch dreigen zy, maar brengen geen vernieling. Het wolkgespan zijgt statig van omhoog;

en ziet! een troon, en op den troon, met vuren omvonkeld van saffier en regenboog,

een man met majesteit omgord. Verduren vermocht geen sterflijk oog den gloed en glans,

die om die lenden speelde, en half bezweken by d' eersten blik, ontfangt de Ziender tbands gezichten in den geest, en woorden om te spreken.

Wat zag hy? zonde en afval van rondsom!

Gods Israël in wedstrijd met de volken,

wie onrecht, snoodheid en afgodendom godtergender zal staaplen tot de wolken!

Wat zag hy? dan eens Sidon, hoog van macht, en Tyrus in den rijkdom van haar sckoonheid,

146

1

Ezech. 1: 4—23.

ocr page 155

EZECHIËL.

terwijl haar Vorst iu volle Cherubspracht

als in een Eden Gods zioh-zelt ten toon spreidt; —

straks Tyrns beide en Sidon in het stof,

een schriktooneel, een schande en smaad geworden; (*) —

dan weêr Jerusalem, niet meer een lof

op aarde, maar een moordkuil van wanorden,

Adonisdienst en vuile afziohtlijkheên,

van uur tot uur ten oordeel aangeschreven, —

geen maagd, geen huisvrouw meer der jonkheid, neen!

maar overspeleres, van God begeven, (f)

Wat sprak hy? over Judaas stad en stam, Gomorrhaas vloek en Sodoms zwavelregen! (§)

van uit den hemel zengend vuur en vlam van pest, met schrik, uit d' afgrond opgestegen! Van Babyion, een uitgetogen zwaard,

een zwaard ter wraak, ter slachting blank geslepen! Geen vrouw verschoond, geen zuigend wicht gespaard, maar als door beulshand ten gericht gegrepen! Beleegring en benaauwdheid allerweeg, —

bestorming en vernieling, ongeduldig naar prooi, — het land van zijn bewoners leêg! Verstrooiing en ellende duizendvuldig!

Doch over Ammon mede 't strafgericht,

en over Moab, Edom, Philistijnen,

en wie nog meer by 't roerende gezicht van Isrels straf, van Judaas stervenspijnen de lip vertrok tot vreugde of hoongelach;

en over dat Egipte, by wiens paarden (**)

Gods volk van ouds zijn heil te zoeken plnch,

als zich Chaldéaas oorlogsbenden schaarden.

Ja, oordeel, straf en wraak, naar 't recht van Hem, by wien geen onrecht werkelijk is of denkbaar,

vernam het oor, verkondigde de stem des mans, in God onwankelbaar, onkreukbaar.

Maar toch nog meer dan louter strafgericht op tot den hemel schreiende schandalen.

(*) Ezech. XXVI, XXVII, XXVIII. (t) Ezech. VIII.

(§) Ezech. XVI. (**) Ezech. XXV, XXIX, XXX.

147

ocr page 156

EZECHIËL.

werd hem getoond in 't hemelsch vergezicht,

werd aan zijn stift vertrouwd om af te malen.

Neen! in geen pest en krijg en wraakbetoon voleinden zich de Godsverborgenheden.

Daar is, daar komt een dag van schrikbaar loon voor 't in Zijn weg volhardend overtreden,

maar ook van heil, hoe ook uit smart gebaard, — van vrede zonder stoornis, zonder menging, — een dag van glorie van den Heer op aard,

en ook voor Isrel eens van wederbrenging.

De chaos van dit wereldsch stofgebroed wordt eens, wordt voor altoos, door licht vervangen van heiligheid en heerlijkheid, begroet door aller schepslen hulde en heilleestzangen. De zondvloed wijkt, de regenboog breekt door!.... De zoon van Buzi zag ook deze tijden. Aardbeving, vuur en stormwind gingen voor;

straks werd het stilte, en, in die stilte, uit lijden het woord van deernis en vergeving, — 't woord van redding, van heraadmen na versmachten. De ziener hoorde en zong en plantte 't voort in prachthebreeuwsch tot verre nageslachten: (*)

„Hoor, menschenkind! en propheteer, „en dat het Isrels bergen hooren,

„wat tot u spreekt der Heeren Heer, „die zich ten tolk u heeft verkoren.

„De spotkreet komt Mijne eer te na,

„door Isrels haters aangeheven:

„„zijn eenwge heuvelen werden, ha!

„zijn hoogten ons ten erf gegeven.quot;

„Zoo hoor, o Israëls gebergt'!

„En hoort, gy stroomen en gy dalen!

„het woord des Konings fel getergd, „en 't reik' tot 's aardrijks verste palen!

148

„Ja, hoort het, vesten lang verwoest! „en niet meer kenbre stadsrumen.

(») Ezech. XXX.

ocr page 157

m

EZECHIBL.

„wier ramp en roof getuigen moest „van 't ijvervuur des Ongezienen!

„Zie! 'k geef Mijn liefde weder lucht. „Voleind zij ballingschap en kommer!

„Uw hergen dragen weder vrucht, „uw boomen schenken weder lommer.

„Beroofd, geschonden, afgeplukt .werd lang de Libanonsche ceder,

„zijn wortels werden uitgerukt,

„zijn breede takken smakten neder!

„Maar op dien eigen Libanon „doe Ik een hoofdstuk wortel schieten;

„de koestring zal hy van Mijn zon, en van Mijn daauw het vocht genieten.

„Dat 's hemels vooglen immermeer „in schaduw schuilen van dien ceder! —-

„Dat zal Ik geven, spreekt de Heer, „Ik die verhoog, Ik die verneder! (*)

„Ge ontheiligdet Mijn dienst en naam, „gy hebt uws afvals loon verkregen.

„Het oog der volkren al te zaam „zag u een toonbeeld Mijner wegen.

„Doch eens (om uwentwille niet,

„maar 't rommlen Mijner ingewanden!)

„voer ik naar eigen grondgebied „uw stammen op uit alle landen.

„Gevonden wordt gy in uw bloed,

„rein water zal Ik op u plengen!

„van zonden, nooit naar eisch geboet, „zal Ik, Ik-zelf, u zuiver sprengen.

„'k Neem van u weg het hart van steen; „een vleeschen hart zal Ik u geven,

„waar 't heilgebod, steeds overtreên, „dan door Mijn Geest wordt ingeschreven.

149

'«Ei

(*gt; Ezech. XVII: 22-24.

ocr page 158

EZKCHIËL.

,Ja, geven zal ik u dien Geest ,ten liefdebond, als nooit voordezen!

„De voorge dingen zijn geweest!

„Het zullen nieuwe tijden wezen.

,Ik weêr uw God, en gy Mijn volk,

,u-zelf ten walg om zondevlekken,

„die als een nevelende wolk „Ik, uw Ontfermer, op doe trekken,

„Uw woestenij wordt weêr een hof, . „een Godewelgevallig Eden!

„Uit reeds vergeten puin en stof „herrijzen hemelschoon uw steden.

„Zaagt gy die graven opengaan? (*)

„Zaagt gy die beendren zich bewegen?

„Die dooden op hun voeten staan, „hun lange rustplaats uitgestegen?

„Die beenderen zijn Isrels zaad!

„Ik heb Mijn' Geest in hen gegeven!

„Hun naam, hun eer, hun kroon, hun siaat, „'t zal alles uit den dood herleven!quot;

1852.

ECCE HOMO.

Zié den Mensoh! Des menschdoms zonden

vlochten dezen Menschenzoon,

onder smarten, slagen, wonden,

een nooit meer aanschouwde kroon. Doornen, uit den vloek geboren,

prangen dat gezegend Hoofd,

glorie, stralende uit wiens poren,

al wat zon heet haast verdooft.

Zie die oogen, neSrgesJlagen

onder 's werelds hoongericht! Smaadheên, koninklijk gedragen, oversluieron hun licht,

. (*) Ezeoh. XXXVII: 1—U.

150

ocr page 159

ECCE HOMO.

oversluieren die blikken

die door hart en nieren gaan, al wat schuld belijdt verkwikken, al wat hoog staat, nederslaan.

Zie die schouders, hier omhangen

met de purpren spotkleedij,

door 't triumfkleed eens vervangen

van de Christusheerschappij; (*) als de rietstaf zal verandren

in een schepter, nooit veroud,

ijzer voor zijn tegenstandren,

voor zijn lijdend volk, van goud!

Toen de hoonkreot zich ontlaadde

uit der moordenaren mond,

zie die lippen vol genade,

o! zy zwegen op dien stond! Straks ontspanden zy zich weder

in een gadeloos: .vergeef!quot;

Aarde! hoor het en zink neder! luister, Sion! en herleef!

Zie de handen: haast doorgraven

haar de naaglen aan het kruis! Eerlang regenen zy gaven

uit het Hemelsch Vaderhuis!

Eens van op de hemelwolken,

by bazuin- en stemgeluid,

breiden ze over alle volken vrede- en zegevol zich uit!

Zie den Mensch! den Afgedaalde

van den Vader die Hem gaf!

wien Onzondigheid omstraalde van de kribbe tot het graf. Englenmachten, hemelkoren!

151

geeft den Mensch, Gods eengoboren, onbeperkten lof en eer!

(*, Opeub. XIX; 11—13.

ocr page 160

ECCE HOMO.

En gy, mensch door schuld veslagen!

zie het Lam dat haar kwam dragen,

zie den Mensch, uw God en Heer! 1852. __

AAN DEN WELEEBWAARDEN HEER

P. J. J. M O U N I E R.

MET EEN EXEMPLAAR TAN HET DICHTWERK „APOSTELEN EN PROFETEN.quot;

Den Prediker, die 't woord hem van zijn God vertrouwcl, en by des levens strijd steeds zekerder bevonden, met warmte nooit verzwakt, met ijver nooit verkond, den volke week aan week volhardend mag verkonden, — den Herder, die den wenk by 't Galileesche strand vernomen, steeds zoo trouw, zoo ernstig blijft gedenken en wakend voor de hoop van Kerk en Vaderland, der kudde lammerkens met eedle voorkeur drenken,— den Medestrijder, die een deel als overnam van d' ouderlijke plicht nooit straffeloos vergeten,

wanneer hy aan ons kroost de hoop van Abraham en 't woord ontvouwde van Apostlen en Propheten.

1853. _

VOOR IERLAND.

In duisternis gezeten

en schaduw van den dood,

brak Erin uit in kreten

van krankte en hongersnood. Geloofsgebeden stegen

voor Erin op tot God;

en onze God gaf zegen begaan met Erins lot.

Begaan met Erins nooden

zond Hy zijn heeleml woord.

Zijne Evangelieboden

doortrokken oord aan oord.

Daar lenigden zich smarten,

daar brak der oogen schel,

daar openden zich harten,

daar weken haat en hel.

152

ocr page 161

VOOR IERLAND.

Doe over Erin lichten

CJw aanschijn inimenneer!

Laat in den kamp niet zwir-.hten Britlanje en Neerland, Heer!

Straks, wen bazuinen schallen

by Uwer englen stem,

zal quot;t groote Babel vallen, —

herrijst Jerusalem!

1853.

SLOTLIED

ACHTER DE ,HESPEKIDEN.quot;

Onze dooden gaan ontwaken,

met geruisch van dank en lof! Daauw, als Eden eens besproeide,

zal beregenen hun stof.

En deze aarde, fel bewogen,

als by 't sterven van haar Heer, by bazuingeschal en donder

geeft haar lijken eenmaal weêr. Waar is dan, o Dood! uw prikkel?

waar, o Helle uw overmacht? Aan het Lam, uw Overwinnaar,

zij de glorie toegebracht!

Was het hoogtijd Hem ter eere

over heel de Christenheid, hoogtijd biijve 't in de harten

op Zijn toekomst voorbereid! —

In de Vrijdagmiddagsure

kwam onlangs een woord tot my in de Paaschdagmorgenstilte

bleef het feestelijk my by: „ Aardsche zorgen, aardsohe twisten

„om genot, geweld, gewin! „honderdarmige overheersching!

onbesuisde vrijheidszin!

,Vrees voor Staatsveiwikkelingen!

„steeds herboren oorlogsschrik! ,wijkt by 't feest van deze dagen. —

zwijgt voor 't minste oogenblik!

ocr page 162

SLOTLIED ACHTEE DE „ HESPEEIDEN./

„om dat woord alleen te hoeren,

in zijn diepten na te gaan,

„in zijn volheid aan te grijpen:

„„onze Heer is opgestaan!quot;

Hoor, o strijdende Gemeente!

lijders, zondaars, hoort de stem!

Hoor haar! Israels gebeente!

't geldt ook u, Jerusalem!

Uwe dooden gaan ontwaken,

met gejuich van dank en lof!

Daauw, als Eden eens besproeide,

zal beregenen hun stof!

Waar is dan, o Dood! uw prikkel?

waart o Helle! uw overmacht? Aan het Lam, dat overmocht heeft, dat verlossingen gewrocht heeft,

dat ons met Zijn bloed gekocht heeft, zij aanbidding, lof en eere tot in eeuwigheid gebracht! 1853.

AAN EENE JEUGDIGE VRIENDIN,

MET MIJNE „POLITIEKE POËZY.quot;

Neem, jeugdige Vriendin, die van uw kindsche dagen standvastig achting boodt den Dichter dezer blaan! ten dankbetoon voor 't hart, hem door u toegedragen,

dees vruchten van zijn herfst met welgevallen aan! Hoe? (zegt hier iemand licht) hoe? voor zoo jeugdige oogen

dien bondel neergelegd van sombre politiek?

Had in zijn ouderdom dan 's Dichters zangvermogen

geen tonen over van meer streelende muziek?

Geen dergelijke vraag heeft hy van u te vreezen.

Vriendin en Zuster, wier tot God gekeerde blik niet licht een wenk, een zang, een woord heeft afgewezen,

by uwes Heeren heil, ook tuigend van Zijn schrik!

Waar immer voor Zijn oog de Marthaas dienend waren, of rust gezocht werd door Mariaas aan Zijn kniên,

daar was die toon: Hy komt! heej 't aardrijk zal Hem zien van ouds een welkom woord by Judaas dochtrenscharen! 1853.

154

ocr page 163

TER BRUILOFTSFEEST.

TER BRUILOFTSFEEST

van

G. E. baron VAN ASBECK

EN

jonjcvrouwe CAROLINE VAN HOGENDORP.

In den naam des Gods van liefde,

die by d' aanvang heeft verklaard aan 't boetseersel dat Hy vormde

tot Zijn evenbeeld op aard: „hooger beil dan heel dit Eden

u ten erfdeel toegezegd,

nog een leven in het leven

werd van My u weggelegd.

Uit de hand van uw Formeerder,

uit uw eigen vleesoh en been zij eene egade u geschonken,

met u zalig, met u één.quot;

In den naam des grooten Konings,

die aan Canaas bruiloftsdisch in de wondren zijner Godheid

't allereerst verheerlijkt is; die uit water wijn gebiedend

voor zich-zelf den beker kiest, in wiens diepten zich de diepte

onzer zondeschuld verliest.

In den naam diens grooten Konings,

Bruigom-zelve van die kerk, Zijner oogen lust en glorie.

Zijnes Geestes schoonste werk!

In den naam des Heilgen Geestes,

aan de leden van dat Hoofd tot een Raadsman, tot een Leidsman,

onveranderlijk beloofd,

èn langs frissche waterbeken,

waar de palm en ceder tiert, èn door 't dal der moerbelboomen,

of wen storm en noodweêr giert, naar een onverganklijk leven,

waar geen vijand meer belaagt.

ocr page 164

TEE BRUILOFTSFEEST.

en de levensboom van Eden

louter levensvruchten draagt.

In dien naam van driemaal heilig,

driemaal heilig, driemaal goed, zij de dag, het feest, de feestdisch

door ons jubelend begroet!

Zij de beker dien wy heffen,

dierbaar Echtpaar! u ter eer,

tot een dankgebed geheiligd

voor uw heillot van den Heer! Ja! de Bondsgod van uw vaadren,

uw Verbondsgod in den doop wil de God zijn van uw echtknoop,

van uw hart, uw sterkte, uw hoop.

God in leven. God in sterven,

onder 't loflied, onder 't kruis! „'k Wil hem dienen (zegt de Bruigom),

„met mijn gade, met mijn huis!quot; — , Noordwijks rozen mogen blozen

„of verbleeken en vergaan!

'k blijf mijn egade in die keuze,

„(zegt de Bruid), ter zijde staan!quot; — Moeders, broeders, zusters, vrienden

juichen weemoedvol te moê,

edel Bruidspaar! die gelofte

met hun Amen! zeegnend toe

1854!

DEN HEER J. A. VAN EYKEN,

BY ZIJN VERTREK NAAR ELBERFELD.

Van Eyken! met uw gaaf van poëzy in tonen,

neem Neêrlands heilgroet meê naar 't vriendlijk Elberfeld, waarhenen 't broederhart van Maas- en Amstelzonen

met deze stille beê u zegenend verzelt:

Dat ook aldaar de vlucht van uw geleerde akkoorden, geheiligd aan de bron der hoogste waarheidswoorden, nog menig ziel verrukk', bevrijd door Christus bloed,

en als op vleuglen voer' den Heiland in 't gemoet.

156

ocr page 165

'

IN DEN BIJBEL VAN EEN JEUGDIG ECHTPAAE. 157

IN DEN BIJBEL VAN EEN JEUGDIG ECHTPAAR.

^ 1

Van God bevoorrecht paar, in 't bloeien uwer dagen vereenigd om te zaam Zijn zalig jok te dragen!

Een lamp zij voor uw voet, een zon blijve op uw pad,

langs 't u gegunde spoor naar de eeuwge vredestad,

dat Woord, voor eeuw aan eeuw onfeilbaar neergeschreven, die Schrift, door d' eeuwgen Geest Zijn' heiligen ingegeven! Het zout by vreugde en vreê, het zoet by kamp en kruis, de vraagbaak van uw hart, het wetboek van uw huis, de noordstar, die op aard uw weg en gangen regelt,

't bewijs der erfnis, u verzekerd en verzegeld,

't getuignis van den Heer, wiens vlekloos offerbloed voor hart en huis by God gestaag verzoening doet!

Met door Zijn Woord en Geest steeds versch hergeven krachten welzalig die Hem dient! welzalig die Hem wachten!

1854.

IN HEI ALBUM DEK BEWAARSCHOOL

SOPHIA

TE VOORBURG. (*)

Jonkvrouwlijke ijver sticht; en Neêrlands Koningin schenkt aan den bouw Haar gunst en d' eêlsten Harer namen. (*) Zoo moog Gods eigen Geest den schoonen wensch beamen:

de wijsheid, hier betracht, zij de echte Christuszin!

Zoo moog zijn Vaderoog der kleinen schaar bewaren!

Zoo mogen 't op die plek volwass'nen mede ervaren,

dat 's werelds Heiland, neen!'geen kindren van zich weert, maar in wie Hem behoeft, 't gemoed eens kinds begeert. 1854. _

LUTHERS PSALMLIED.

Een vaste burcht is onze God,

een machtig schild en wapen.

{*) Gesticht door Jonkvrouwe Hoffman, thauds Baronesse van Wassenaer van Catwöok. (t) Sophia, wysheid.

ocr page 166

LUTHERS PSALMLIED.

Hy redt ons uit het bangste lot,

hoe donker 't sta geschapen.

Den ouden vijand mist zijn weêrgalooze list,

en sterke wapenkleeding,

beproefd, ons ter vertreding.

Door onze macht wordt niets besteld,

wy zijn gantsch zeer verloren Maar voor ons strijdt de rechte Held dien God-zelf heeft verkoren.

En vraagt gy wie Hy is?

't Is Jesns, ja gewis de Heer der legerscharen,

die zal ons wel bewaren.

Al maakt het ons de wereld bang,

met duivlen die ons drukken, in c

toch blijft ons blij triumfgezang: Op

God doet het ons gelukken. voo:

Wat dezer wereld vorst ,By

ook overleggen dorst,

zijn oordeel is gesproken,

zijn rijk en macht verbroken.

Het woord van God zal blijven staan,

hoe zy de vuist ook ballen;

Hy-zelf, Hy houdt de hand daaraan en zal 't niet laten vallen.

En nemen zy ons goed,

en vrouw en kind en bloed,

het zal hun toch niet baten,

. zy moeten 't rijk ons laten.

153

vors

met

op i

Sch(

van

die

met

dien

en i

die

Ede

gy.

die

NAAR SCHOTLAND.

Met uw statelijke heuvels, met uw bergen oud en hoog,

staat ge, o Schotland! voor des dichters, voor des Christens starend oog als een beeld van zielsgedachten, niet behoorend tot deze aard en reeds hemelluchten aadmend by het stijgen hemelwaart. Achtbaar Schotland, wiens geschiedrol een zoo schoone lijn doorzwierf der verhevenste figuren door den naneef steeds gevierd:

ocr page 167

NAAR SCHOTLAND.

vorsten, ridders, dichters, hoofden uwer hoogelandsche clans, met nog honderden van namen, wier schakeeringen haar glans op u-zelve nederwerpen, — op heel England en Euroop!

Schotland! moeder, boven alles, in dier eeuwen grootschen loop, van een andre, nog verheevner teelt van helden, — mannen Gods, die geworteld op des waarheid onomstotelijke rots met het zwaard Zijns Geestes streden en volbrachten't machtig werk, dienaars, martelaars, bevrijders van Zijn duur gekochte Kerk en van d' erfgrond hunner vaadren, op de roepstem van dien Heer, die het hoofd is aller Heidnen, Isrels Koning en zijne eer!

Edel Schotland, land van geestkracht, dichtvuur, waarheid, waar-

[heidzin!

gy, vooral, op Schotlands hoogten fiere Stedenkoningin,

die van Edwin d' Angelsakser uw doorluchten naam ontfingt!

gunt ge een vreemdling, wien de erkentnis uws gastvrijen bodems

[dringt,

in den voorspoed uwer poorten, uwer kindren vrede, een stem? Op dit blad u toegeademd, legt de dichter zoon van Sem voor uw schoone Japhethsstranden den bescheiden heilwensch neêr ,By wat minder Oostenwinden, van dea Oostens hoop steeds meer!quot; 1855.

Naar mijn Engelsoh.

HEIMWEE.

Kennst dn das Land? Kent gy het land, waar hoog de ceder wies'? een adem Gods door 't moerbeiboomdal blies? van 't eêlste bloed de bruine druiftrots zwol? de olijftak glom, van malsche koornen vol?

Kent gy dat land? daarheen, daarheen, o leidsman mijner vaiadren! voer mijn schreên!

Kent gy de stad? Haar hoog en heerlijk huis maalde, eenwen door, by palm- en lofgeruisch, met offerbloed, in 't heiligdom gebracht, den Redder af, door eigen volk geslacht.

Verstrooide schaar, daarheen, daarheen! de Rijkstad ligt niet voor altoos vertreên.

Kent gy het volk? Zijn dooden leven weêr!

Zijn stammen gaan weêr opwaart. God ter eer.

159

ocr page 168

heimwee.

Zijn oog aanschouwt wiens hart zijn misdrijf brak. Vergeving stroomt uit d' ader, dien 't doorstak.

Daarheen, o aard, den blik! daarheen.

Uw heil vangt aan by 't einde zijner weên!

1855.

BY HET AFLEGGEN VAN UITERLIJKEN ROUW

over onze onvergetelijke

HANNA.

Neen, over haar geen rouw meer, teer geliefde!

die, steeds zoo diep in hart en huis betreurd,

slechts door haar dood die ingewanden griefde

waaraan haar jeugd zoo schokkend werd ontscheurd. Slechts voor een tijd betaamden deze kleederen

de moeder, voor wier geestesoog zy staat, in 't vergezicht der heraelsehe gelederen,

met haar van God verwaardigd wit gewaad. Wy hebben tot aan 't voorhof van die oorden ons kind, mgn dierbre! aanbiddend begeleid. Wy vingen op de honigzeem dier woorden,

waarmee zy in de vreugd trad, haar bereid. Wy zagen haar den jongsten adem gevend,

in een bevriende hand de hand geklemd,

en met dien Naam haar op de lippen zwevend,

wiens macht den koning der verschrikking temt. Zoo blijf' de traan steeds wellen, — van geen alsem

maar zachten daauw doortrekt zy ons gemoed! En leken blijf' de wonde, — daar is balsem,

herinneringen! in uw bitter zoet!

Herinn'ring aan die stem meê, die zoo teder

aan 't vaderlijk Daarheen! haar zang verbond! Vernemen wy op aard die stem niet weder,

zy stijgt tot God thands van op hooger grond. Met d' angel van den dood is weggenomen

de rouw, die niet verpoost. Wy gaan tot haar.

Maar zal ook zij niet eenmaal wederkomen met Koniug Jesus en de ontelbre schaar?

Oct. 1855.

160

ocr page 169

MILTONS KLINKDICHT.

MILTONS KLINKDICHT

OP DEN MOORD DER WALDENSEN A0. 1656.

Zie neêr en wreek, o God! het uitgespreid gebeent'

dier langs der Alpen rug geslachte martelaren,

wier vaadren eeuwen lang üws Woords belijders waren, als de onzen nog voor hout en levenloos gesteent'

zich bogen. In uw boek zal nooit de schuld verjaren van 't bloed der schapen daar geplengd, het bloed geweend van moeders met haar kroost tot in den dood vereend of van haar kroost gescheurd door wreede moordenaren, —

toen voor des kerktirans onzalige gehoon de blinde Piemontees den noodkreet uit de dalen ten bergen op, en van die bergen tot Gods troon deed stijgen, die het bloed en de assche Zijner doon nog honderdvoudig eens zal zaaien, en verhalen,

zoo ver Italië zich strekt, in zegepralen Zijns Woords op Babyion en haar driedubble kroon.

I O N A.

Op uw hooggetopte torens reden felle stormen aan,

en de vuurschicht uit hun midden deed uw gevels ondergaan, statig eiland, lang een tempel van den levendigen God,

waar miljoenen leerden luistren, naar Zijn Wet- en heilgebod! Heeft verwoesting als een doodskleed zich geslagen om uw leest, blijven moet gy to ch een wonder om wat ge eenmaal z ij t geweest. Onder 't puin van uw gebouwen molmen onvergankbre doón,

voor wier heiige denk- en zielskracht half een wereld, met den zoon van het ijzervaste Noorden, zich in dankbren eerbied boog. Eer moest Godsdienst, braafheid, waarheid zijn verdwenen uit het oog, eer lona uitgewischt werd uit het eereboek der faam, of vergetelheid kan doven een zoo schittringvolien naam.

Naar 't Engelsch.

161

11

ocr page 170

op een afbeeldsel van prins willem.

OP EEN AFBEELDSEL VAN PRINS WILLEM.

Hoe menigwerf gemaald, hoe menigmaal bezongen,

van Vader Willems beeld heeft Neêrland nooit te veel,

't zij weder, telkens versch, verbreid op dankbre tongen,

of door reohtaarde kunst herboren op 't paneel.

Aanschouw het hier opnieuw, dat oog, zoo goed, zoo schrander

dat Prinselijk gelaat, waar 't eêlste Ridderbloed gevierd van eeuw tot eeuw door Duitsch- en Nederlander,

in leeft, by stout beleid en stillen martlaarsmoed.

Aanschouw hem in dat Delft, pas door hem uitverkoren

ten Vorstenzetel, neen! ten eerebed en graf!

Ziet gy den hoftrap, voor den bloeddoop reeds beschoren waar hy voor God en 't Land zijn jongsten adem gaf?

Daar klimt hy vriendlijk af, de borst vervuld van vrede. —

daar stort hy, laag belaagd door moordpistool en dolk, in 't eind den moord in d' arm, met de onvergeetbre bede

voor eigen zielsbehoud, en voor Gods arme volk.

Wien hier zijn aanblik roert, het antwoord op die woorden,

dien doodsnik, die triumf, zij een verheven traan,

een traan, die sprekende voor Maas- en Amstelboorden,

aan Rome, aan heel Euroop, deze uitspraak doe verstaan: ,'t Waar mooglijk, dat dit land, op d' Oceaan gewonnen,

„in d' Oceaan verdween of onzer stroomen slijk!

't Waar mooglijk dat dit volk, na vijfmaal zestig zonnen

„te rug viel tot het peil der eeuw van Oostenrijk,

„maar mooglijk nimmermeer dat Neêrland Neêrland bleve,

„voor 't minst gedachtig nog hoe Neêrland Neêrland werd, en dat niet van dit hoofd de lof en liefde leve

„in 't binnenst heiligdom van Kerk en School en hart,quot; 1856. _

AAN JONKVEOUWE

HOOFT VAN VREELAND.

Frisch blijft de krans van Drossaart Hooft èn wapenschild èn schedel sieren.

Maar, zoo we ook laauwren eeren, vieren, —

voor wie by lief en leed gelooft in Dien met doornen eens Gekroonde,

162

ocr page 171

AAN JONKVROUWE HOOFT VAN VREELAND.

Die tot op 't kruis zich Liefde toonde, is de onverwelkbre kroon bereid van eindelooze heerlijkheid!

In lief en leed dan 't hoofd naar boven, — naar 't Hoofd, dat we eeuwig willen loven! 1857.

AAN MIJNE LIEVE FRANCISCA,

op den 23sten febuuarij 1857.

Lieve Dochter, op dees feestdag ons een zestienjaarge spruit! neem de bede biddend tot u, die een vader dankend uit,

wien op nieuw de God zijns levens voor uw liefde heeft gespaard, om van u ook (o! Hy geve 't) nog zijn wensch te zien op aard! Om aan u ook veel te melden, welk een Heer uw vader dient, al der zijnen God en Koning, rijke Ontfermer, eeuwge Vriend! Welk een liefde in angst en zorgen op uw moeder nederzag, en van vreugd haar geeft te schreien op dees liefelijken dag! Kind! wees kind nog lang van harte, blij en kinderlijk gezind, kind, vooral, gelijk ze Jezus heeft beschreven en bemind!

kind, dat volgzaam en gevoelig op Zijn liefdewoord en stem, uit uw spelen, uit uw arbeid, altijd opziet weêr tot Hem.

Groei en bloei, o mijn -'rancisca! by het meer dan zonnelicht van Zijn heilig, van Zijn vriendlijk, van Zijn zeegnend aangezicht. Kroon, ook gy, van onze grijsheid; jongste spruit van ons gezin! treed met deze onze oudrenbede dees uw nieuwen jaarkring in.

TER

ECHT VI ERIN G-

van

Mb. ISAAC CAPADOSE

en

Mejonkvrouwe A. G. VAN HOYTEMA.

3 JtrNU 1857.)

Nog ruischen ons in 't hart de hooge Pinksterzangen! En waagt het de aardsche harp die galmen te vervangen met tonen, liefde en echt en bruiloftsvreugd gewijd? 't Gaat samen. Ook de vreugd der aarde heeft haar tijd, haar recht, haar heiligheid. De feesttoon, dien wy slaken

163

ocr page 172

TER ECHTVIER1NG.

viert aan dees huwlijksdisch geen luchtige vermaken,

uit stof en ijdelheid te zaam geweven, neen!

maar weldaan van Gods liefde, in doel en oorsprong één. Was 't geen de Pinkstergaaf bracht aan een lydende aarde niet mede een liefdeband, die volken samenpaarde voor eeuwig blijvend heil? En is ook 't bruiloftfeest geen hoogtijd Gods, die hart aan hart, en geest aan geest, en ziel aan ziel verbindt? tot hooger eind voorzeker dan deze wereld kent by 't schuimen van haar beker Ja, echt- en pinksterfeest zijn aan elkaêr verwant.

In beide spreekt een beeld, in beide ligt een pand,

in beide leeft een kiem van hooger zaligheden,

dan nog het deel kon zijn in 't versch geschapen Eden.

Heil Bruidegom! heil Bruid! Wy dragen met u roem in 't geen Gods gunst u schonk, uw echtheil is geen bloem die eerlang weer verwelkt, maar vrucht, bedaauwd, beregend door stille zielsgebeên, en zóó van God gezegend,

(dus zij 't) niet voor een tijd, maar voor eene eeuwigheid, waarvan de hechte grond wordt in den tijd geleid.

Heil Bruid! heil Bruidegom! het uitzicht op een leven van God u voor elkaêr en voor Zijn dienst gegeven,

maakt van dees vreugdedag de wezenlijkheid uit, —

en van mijn feestlied meê; geen streelend harpgeluid dat wegsterft in de lucht by 't blusschen van de lichten, geen spel van poëzy, waarbij we een lot ons dichten,

maar echte prophecy, gewaarborgd door Gods woord aan die 't geloovig, die het heilbegeerig hoort.

Heil Bruidegom! heil Bruid! laat bergen beide en dalen, waar ge in of uit mocht gaan, u van dat heil verhalen, en van uw dankbre vreugd getuige en echo zijn!

Van 't Scheveningsche strand, tot d' oorsprong van den Rhijn, en weêr te rug van 't meir, naar 't eenmaal vrij Geneve genoemd, tot Wiedemaand u aan den grond hergeve,

waar eigen huis en haard u wachten, en het werk waarnaar ge dan weêr haakt, door jeugd en ijver sterk, om 't vorst en volk ten dienst, kloekmoedig uit te richten, o Bruidegom! terwijl huismoederlijke plichten u roepen, lieve Bruid! door 't voorbeeld opgeleid ten voorbeeld, en een taak vol zoetheid u verbeidt.

Heil Bruid! heil bruidegom! van ouders beide en vrinden

164

ocr page 173

TEE ECHTVIERING.

verzelt de zegen u op d' adem van de winden,

niet slechts, terwijl ge vlug van berg- tot bergtop snelt, en van bewondering 't aandoenlijk hart u zwelt, by d' aanblik van uatuurs ontzachtbre schouwtooneelen en heel het lachend dal uw vreugde schijnt te deelen;

maar voor geheel die reis des levens, met het oog aanvaard op God, uw God, en op dien regenboog wier kleuren ons juist dan van trouw en liefde spreken, wanneer de zomerzon een oogwenk schijnt geweken om dóór te breken straks, van achter 't wolkgordijn met steeds verhoogden, steeds verkwikkelijke!- schijn.

Heil Bruidegom! heil Bruid! heil ouders, vrienden, magen! Uw zorgen, uw gebeên, zij hebben vrucht gedragen; zy zullen 't immer meer in 't geen uw oog reeds zag on in het schoonst verschiet nog slechts vermoeden mag. o! Ziet het dierbre paar des levens waatren bouwen met een op Isaacs God onwankelbaar vertrouwen.

Ja, met die dankbre vreugd, die uit uw oogen blonk,

mijn broeder, sprint met mij uit den alouden tronk! die vreugde, die ons hart zoo wonderbaar bezielde,

toen tusschen u en my mijn gade in tranen knielde en 't lovend drietal werd bedropen met dien doop,

het pand ook voor ons kroost van onbedriegbre hoop! Gy mede, o dezer Bruid zoo teêrheidvolle Vader!

beleef haar aardsch geluk, haar weg en gang te gader naar hooger streken, waar wie God in Christus kent, een vreugde kennen zal, het eind van alle ellend!

Gy, aan die vaders eens in gunst hergeven Moeders voor 't wederzijdsche kroost! Gy zusters en gy broeders! gy vrienden aan dees disch feestvierend saam geschaard! verzelt hun beê tot God, getuigt hun heil op aard!

Ja heil! driedubbel heil! den beker opgeheven!

Bij de intree van dit u voortaan verdubbeld leven,

spreekt met uw vreugd, uw dank, ook uw geloften uit! Des Heeren wilt gy zijn. Heil Bruidegom! heil Bruid!

Pinkstergalmen, hemelhallels,

bruiloftshymnen, zy zijn één!

Is één grondtoon aan de akkoorden van die allen niet gemeen?

165

ocr page 174

TER ECHTVIEEING.

Liefde is van den God, dien we eeren,

de onverlooohenbare naam;

liefde is 't wezen van Zijn wezen, liefde en heiligheid te zaam.

Liefde vormde de eerste schepping

tot één zegenrijk gezin;

liefde gaf in 't zalig Eden Edens koning zijn mannin.

Liefde bracht dien Heer op aarde,

Zegenaar aan üanaas discfa. Levenswekker in Bethanie uit der graven duisternis.

Liefde bracht Hem voor de Zijnen

op het zondedelgend kruis!

liefde brengt ze, die hem lieven, in des Vaders heerlijk huis.

In de vlam der wondertongen, op 't gezegend pinksterfeest daalde weder liefde neder,

spreekt de liefde van den Geest.

Wat den hemel maakt tot hemel

is die liefde. Liefde maakt ieder woning hier reeds hemel waar dat hemelsch vuur in blaakt.

Eens zal liefde de aard vervullen,

maken aard en hemel één,

als het koninkrijk daarboven 't Godsrijk wordt ook hier beneên.

Liefde in Christus zij en blijve ook reeds nu de heiige keus! In beproeving steun en sterkte,

in den goeden strijd de leus.

En gy, Isaac, met uwe Anna!

liefde uit God en liefde in God zijn voor aarde beide en Hemel 't u van Hem verzekerd lot!

168

ocr page 175

IN HET ALBUM.

IN HET ALBUM VAN HET TIENJARIG DOCHTERTJE

VAN MR. F. J. J. BARON VAN HEEMSTRA.

Één ding is noodig Luk. X : 42a.

O dochter van een huis, waar Jezus naam in eer is! Steeds blijke 't ook aan u, dat Hy u w deel, u w Heer is. Belijd Hem, dien Hem, hang hem aau!

Nooit werd die keus te vroeg gedaan.

1857.

TER vur EN TWINTIGJARIGE ECHTVIERING

VAN

C. J. P. BARON DE CONSTANT REBECQÜE

EN

J. F. BARONNESSE D'ABLAINGr VAN GIESSENBURG.

OP DEN 12 OCTOBER 1857.

Twee alouwde Ridderstammen

eens op Franschen grond geplant schoten later nieuwe wortels in het needrig Nederland. Wat verzaakten zy? — De glansen

van de koninklijke zon! Wat ontkwamen zy? — Den zondvloed

over Frankrijk en Bourbon! Wat hervonden ze aan dees boorden van den Rhijn en Noordzeestroom? Nieuwe glansen, versohe vrijheên,

vruchten van d' Oranjeboom.

By de vriiheid, van 't geweten voor Gods vrijgekochte kerk nieuwe banen om te streven naar een God gevallig werk. —

Voor twee takken dier twee stammen

was dat heil dan weggelegd, saamgevlochten als zy bloeiden

in een zegenrijken echt —

echt, na vijf en twintig jaren tot een zilvren band hersmeed,

167

ocr page 176

VIJFENTWINTIGJARIGE ECHTVIEEING.

naar steeds groenend van de weldaan, die er God op reeguen deed.

In den snellen loop der jaren,

wat ontviel u, edel Paar?

't IJdel eener ijdle wereld

ver en vreemd van 't eeuwig waar En wat vondt ge ter vervanging

van die wereld en haar lust?

In het bloed des kruises vrede, in eens Heilands liefde rust! met een kroon nog daar benevens van twee zonen (kostbaar pand!) en twee dankbre kweekelingen,

hoop, als zy, van 't vaderland.

Zie ze groeien, zie ze bloeien,

zie ze rijpen, God ter eer,

voor de dienst van Neêrlands koning voor de dienst van Hooger Heer!

Jonge vrienden, feestgenooten!

kwijt uw harten, vrij en blij,

maar dat de indruk, die u nablijft

tevens ernst en waarheid zij!

Wilt ge erkentlijkheid vergelden

voor de liefde van dit Huis?

Kiest, als eens uw vrome moeder, Christus vaan en Christus kruis!

En gy zonen-zelv' des Huizes!

draagt ook gy een schoonen naam, naam, gevierd van Oost tot Westen

met dier vorsten roem te zaam, die don Vlaamschen schedel dekten

met de Constantijnsche kroon of by Leuven trinmfeerden

hunner helden moed ten loon?

Leert vooral de plicht waardeeren

die zich vasthecht aan uw naam! Leert hem voeren ridderaartig,

zonder trots en zonder blaam: —

168

ocr page 177

TER VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTVIERING. 169

ja, gewillig van u werpen

bij dien eindloos kostbrer naam dat de glorie aller vorsten,

aller Engelen te zaam!

Naam dien Hy-alleen kan geven

die de lelie mint van 't dal en geen lust heeft aan een hoogheid,

oorzaak eens van aller val!

Hy, God-zelf in 't vleesch verschenen,

Koning eerst in needrigheid dan — en haast! — in al de volheid Zijner hemelmajesteit!

Zijne aanbidding. Zijn verwachting, dierbre Bruidegom en Bruid! zij van't dankfeest, u verwaardigd. Aan van g. Midden en Besluit.

EEN GEBED VOOR DEN „HERAUT.quot;

Die tot Slon zegt: üw God is Koning, Jes. Lil: 7.

Bij de intree van een nieuwen jaarkringloop wat wensch, wat beê, wat aangename hoop vervult, te midden hunner diepe smarten,

Heraut van blijde tijdingen! de harten,

die by uw stem voor Jesus en Zijn zaak,

Zijn kerk. Zijn volk, een troostwoord vonden vaak? Wat anders dan dat, toegeaamd van Boven,

die stem, steeds trouw, belijden mag en loven,

en galmen met steeds zekerder geluid de daden van den gropten Koning uit;

ontdekkende der wereld hare ellenden.

En hoe — waarheen ook de onmacht zich moog wenden der wetenschap, der wijsheid van dit stof —

één naam alleen (Hem zij der eeuwen lof!)

in de ergernis van 't kruiswoord is gegeven,

om God in God te erkennen, en — te leven?

De kamp zij zwaar! voizalig is de keus.

Volharding tot het einde! blijft de leus.

In onze zwakheid worde ze ons geschonken!

De zoete wijn van menschengunst maak' dronken;

ocr page 178

BUN GEBED VOOK DEN ;jHERAUT.

van Christus smaad is zelfs het bittre zoet, en sterkt het hart en steunt der moeden moed! Heraut van Koning Jesus en Zijn waarheid!

In deze uw kracht ga uit, en breng met klaarheid (de klaarheid eens geloofs, op 't Woord gerust, en met dat Woord zich des triumfs bewust!) 't getuignis van Apostlen en Propheten tot hart, verstand, erkentnis en geweten!

Zeg ook Zijn wondien, eens aan Nederland tot, slaking van een dubblen slavenband gewrocht! Betuig van zonde en van vergeving, van krankte en dood, genezing en herleving. Hallelujah! het Lam voor ons geslacht brengt zelf den dag na d' allerbangsten nacht! Maar van dien nacht meld' hoe zich reeds verzwaarde de donkerheid. Europa, heel onze aarde, der maatschappij, verdiept in stoflijk heil, der Christenkerk, voor wereldwijsheid veil, der menigte van lang gedoopte volken vergaat het licht, geweerd door sprinkhaanwolken van By-, en On-, en Wan- en Waangeloof! —

En Neerland!____wie dan Neêrland minder doof,

wie meer geneigd om oor en hart te leenen aan 't vleiend lied der ijdele Sirenen van ongerijpte of valsche wetenschap,

vervoerend en vervoerd van stap tot stap,

tot waar de Christus gantsch wordt afgezworen of tot een klank werd voor begoochelde ooren om in den damp eens denkbeelds op te gaan, van Godheid, wezen, werklijkheid ontdaan! Den Christus, ach! tot feilbren mensch verneêren, dat kunt ge, o Isrel! thands by Christnen leeren, by meesters, voor orakelen erkend, —

by kinderen, de schooltucht pas ontwend, — 't akkoord van Gods getuigen ruw ontwrichtend, en tegen Schriftgezag het hunne richtend.... helaas! hoe werd het goud verkeerd in lood,

de dag in nacht, de levensgloed in dood! —

Heraut van Jesus Godheid en Zijn waarheid.

Zijn koninkrijk en komst in openbaarheid!

ocr page 179

EEN GEBED VOOR DEN „HEEAUT.'

Troost, troost Zijn kerk, en zeg haar welk een dag en Isrel èn zy-zelf nog wachten mag:

dag van oneindig licht uit eindig duister, — van heel onze aard verhemelenden luister, by 't zinken van den laatsten Antichrist, die Davids Zoon en Heer Zijn kroon betwist, — dag, lang begroet door Zijn aloude tolken hy Jacobs huis, by de allerverste volken! — Het licht van Vorst Messias heerschappij is, midden in dees duisternis, nabij!

1858.

TER VERJARING MIJNER LIEVE EGADE.

OP GOEDEN VRIJDAG

2 APRIL 1858.

Gunt de God van heil en leven ons op nieuw dan, dat een dag steeds met zielsgejnich verwelkomd ons weêr vriendlijk opgaan mag met zoo rijke erinneringen èn van zegen èn van strijd;

't zoet en zout van beider aanzijn in dees voorbereidingstijd? o! Wat brengen wy dien Heiland voor oprechten dank en lof diep gebogen voor Zijn voetbank, needrig knielend in het stof,

voor een leven zoo vol liefde, zoo vol zorg in vreugd of smart,

voor een leven, telken jare dierbrer, kostbrer aan ons hart? Wat vergelden wy den Gever van het zaligst huisgenot,

voor zoo menig vrucht en voorrecht van ons saamgestrengeld lot? Voor bewaring, voor behoudnis, voor beproeving en voor troost, voor weldadigheen zoo talloos over ons en aan ons kroost, uit ontferming, in getrouwheid door den Goël Wiens wy zijn, ons bevestigd, hun gebleken tot by doodsgevaar en pijn.

Nemen wy den kelk des Heeren,' dankbaar en aanbiddend, aan, zoo als Hy dien gaf te drinken, zoo als Hy ons dien voortaan mengen zal naar 't welbehagen van die Liefde, die aan 't kruis ook voor ons de Paradijspoort, ook voor ons des Vaders huis heeft ontsloten met Zijn machtwoord, heeft herwonnen door Zijn bloed!

Lieflijk paart zieh, dierbre Gade, wederom in ons gemoed,

dank- en lof- en heilgemeenschap met geheel de Christenheid, die ter viering van het Pascha zich aan alle plaats bereidt; van den feesttoon, dien uw feestdag by gezin en kroost verwekt gaan wy op, waar 's Konings tafel voor Zijne armen is gedekt!

171

ocr page 180

TEE VEEJAEING JIIJKEB LIEVE EGADE.

Gaan wy op, om daar te danken by het breken van het brood, by 't zeegnen van den beker, Hem verkondigend, Wiens dood ons het leven heeft verworven en een eeuwig koninkrijk! Zitten we aan, het oog naar boven, hart en bede te gelijk over kroost, gezin en Isrel, over Kerk en Volk gestrekt, in 't geloof des grooten Goëls, uit de dooden opgewekt.

IN HET ALBUM VAN

DEN WELEERW. HEER A. VERSTEEGH,

BEBOEPEN PREDIKANT TE NIGTEVECHT, OP PEN DAG ZELVEN DEB TIJDING VAN ZIJNE GEVAABLIJKE EBAJNEHEID.

5 April 1868.

Versteegh, van God geleerd wat in geen aardsche scholen,

verneembaar, geen vernuft, geen wijsbegeerte geeft,

maar voor verstandigen by eigen licht verholen,

in 't hart der kinderkens. gewekt van Boven, leeft! Versteegh, van God begaafd om met bazuinenklaarheid

't van Hem ontfangen Woord te spreken. Hem ten lof, en Jesus, d' een'gen Weg, het Leven en de Waarheid

bekend te maken aan den balling op dit stof!

Hoe is ons quot;t hart te moê, als tusschen hoop en schrikken

verdeeld om 't geen in u al wat u lief heeft, treft! — Hoe zien wy starend uit wat van u zal beschikken

de Heer, tot Wien ons oog in tranen zich verheft! — Vrees niet (dus fluistert ons een zachte stem in de ooren)

dees krankheid, nooit ter dood, bewerktuigt hem te zaam om 't Lam in heerlijkheid te zingen met de koren des hemels, of op aard te kampen voor Zijn naam.

AAN MEJUFVROUW E. D. C. DE BORDES,

BY HAAR VERTREK UIT AMSTERDAM.

Vriendin en Dochter! want dus acht u 't vriendenhart om 't geen ge in lief en leed ons altijd zijt bevonden, sints 't eerst u aan ons huis één zelfde zoete smart, om Hanna, tot haar Heer geroepen, heeft verbonden.

Neen, 't zy rondom Gods Woord in éénen kring vereend, of aan één zelfde disch gezellig aangezeten.

172

ocr page 181

AAN MEJÜÏVEOUW E. D. C. DE BORDES.

't zy voor een tijd op nieuw van 't samenzijn gespeend, — geen zegen t' zaam gesmaakt blijft waar we ook gaan vergeten,

noch zonder dat de vrucht, vertrouwend afgebeên,

op Gods gezetten tijd, daarvan zal achterblijven.

Zoo ga, het hart gesterkt door zijn weldadigheên,

die voor een eeuwigheid u Jesus doe beklijven.

Ga met Zijn woord in 't hart. Zijn Hemel in het oog,

steeds by dat hart te zaam en bij dien Hemel nader,

naar 't huis, waar zich God-zelf steeds zichtbaar toonen moog' den man der Weduw, en der weezen trouwen Vader!

31 Mei 1858.

DE SLAG BY NIEUWPOORÏ.

EENE BLADZIJDE UIT DE GESCHIEDENIS VAN

NEÊELANUS ROEM EN GROOTHEID.

Gtrandiaque effossis mirabitur ossa sepulcrls.

Hoe zag in Nederland de zon zoo rood, de straten zoo doodsch! Kasteel en burcht van Edelliên verlaten! der burgren voorhoofd bleek en klam, terwijl de lucht van 't zwaaien van het zwaard, den val der bijlen zucht, de houtmijt riekt en rookt, — het lied der Martelaren, gestemd in ballingschap en bange doodsgevaren,

tot op ?t schavot niet zwijgt van God en van het Lam, tot dat het stikt in 't koord, of wegsterft in de vlam!

Hoe viel een nacht zoo zwart op Nederland, na dagen als sints de aposteleeuw geen latere eeuwen zagen!

Want ook tot Nederland was doorgedrongen 't Woord uit Wittenberg herleefd, en 't had van oord tot oord, van Henegouwen en Artois tot aan de stroomen des Amsteis voortgesneld, de harten ingenomen, — uitwendigheden, door der eeuwen duur versteend, ontworteld, — plechtigheên van ^t Heidendom ontleend, of opgegraven uit de schaduwwet der Joden,

geheel haar grond betwist van menschlijke geboden, — voor schitterschoon of schijn de rechten van „het Waarquot; gehandhaafd, — 't licht der Schrift op zijnen kandelaar herplaatst, — de zuivre bron ontzegeld van het Leven, — den eengen Middelaar Zijn eeuwige eer hergeven!

173

ocr page 182

4 DE SLAG BY NIEUWPOORÏ.

Het nieuw ('t aloud!) Geloof had, eiken dwang ten spijt,

conscientiën geschokt, consoientiën bevrijd!

't Had volle vijftig jaar, door Kareis bloedplakaten

«edreigd, gedrukt, gevoed, vervolgren en soldaten

in lange duldzaamheid het weerloos hoofd geboön;

straks, in den grooten naam van Gods gezalfdeu Zoon,

Zijn smaad en kruis getroost, dat hoofd omhoog geheven

om van zich-zelf voortaan een rekenschap te geven,

waaruit niet de onschuld slechts, maar de eisch der Waarheid bleek

by middagzonnelicht, in de openbare preek!

En op die prediking, die versche wedergeving van 't levend Bijbelblad, was in het Land een beving en koking als der zee vernomen, en een schaar,

men weet niet door wat geest gedreven of van waar vergaderd, had op eens bewustelooze handen aan beeld en kunst gewaagd van Kerk- en kloosterwanden, en 't zii haar ijver of haar plonderlust gekoeld als met der stormen vaart. De daavring was gevoeld tot in Segovia en 't koninklijke klooster naar 't streng model geraamd van foltertuig en rooster,

weleer door Heidnen van Laiirentius, maar toen voor Cristentn bereid door Christenen, ten zoen der nieuwe ketterij, — het eigen Woord des Heeren.

Om 't misdrijf met één slag zijn Volken te verleeren,

van 't pestgif eens voor goed te zuivren heel het Land,

zond weer de Koning 't zwaard, het zwaard in Alva's hand, en met dat zwaard, het vuur. Van edel en onedel,

van Roomsch en Onroomsch, trof de blijksemstraal den schedel, uit de onheilzwangre wolk van 't Zuiden aangesneld.

De steden zijn vemaauwd tot kerkers, 't verre veld met vluchtelingen als bezaaid, wier herten bloeden om have, om gade en kroost, verbleven aan het woeden van 't Spaansche Veeingericht. Een wijl nog! en het woord van Vrijheid, 't woord van Heil is door 't geweld versmoord, ■— maar niet die liefde, die geen waatren knnnen blusschen,

geen graf verslinden, die ook nu de Juniussen ontsteekt, en drijft om, meer dan immer onvervaard,

't geloof te prediken, dat harten wederbaart,

ocr page 183

DE SLAG BY NIEUWPOOET. , 175

in huizen, van den gloed der markt- en martelvuren beschenen, — onder 't dak van afgelegen schuren, — in katakomben, afgesloten voor het licht,

waarin de herder zijn verstrooielingen sticht.

Wie maalt, doorluchte prins! in de aakligheid dier tijden het grievend boezemleed, het naamloos zielelijden,

waarin, — had niet de Heer van Boven u behoed, —

verzwonden ware uw hart, verslonden ware uw moed,

die moed zoo hoog, het hart zoo week, en sterk te gader,

ook waar u alles schijnt te ontzinken? Teedre Vader van Neerland, op dien trap te Delft niet enkel, maar geheel een leeftijd dóór, gekoren Martelaar!

o! zoo Gy, balling thands, den bijstand van een' broeder op 't vroome Dillenburg behoeft, ook nog een moeder (u lang van God gespaard) was noodig, waar uw hart zich aan ontlasten mocht van nog gantsch andre smart, •—

naast al die kwellingen, die bannen en die banden waarin de bloem vergaat van 's Konings Nederlanden, —

de smart des kankers van een huiselijk zielsverdriet,

zelfs voor geen Zwijger meer verzwijgbaar. Neen! hy ziet geen teedre Montpensier, geen Anna meer Van Buren, met hem óen ziel, één zin, zich in die hachlijke uren ter zij staan, maar wie thands de Oranjekroon en eer en stamnaam naast hem voert, ach! eene die veel meer zijn stam een schande werd, zijn eedle borst een doren!

Straks wordt, tot overmaat der vuurproef hem beschoren,

zijn zoon, zijn eenge, — pand van onvergeetlijke echt in schier vergeten jeugd, — met schending van het recht van Brabants Hoogeschool, van d' erfrang van Oranje, —

door Vargas opgedaagd om, gijzelaar in Spanje,

zijn Vader dag aan dag een pest te zien verklaard,

heel 't Neêrlandsch volk een bent, 't licht van Gods zon onwaard

o! Was 't in Neêrland nacht, van uur tot uur verdikking der tastbre duisternis, en van rondom verschrikking, —

ook over Nassaus erf en Dilles oeverslot scheen op dien nacht van leed en ongena van 't lot geen morgen denkbaar meer, — voor tranen en gebeden de naadring tot Gods hart, waar 't mooglijk, afgesneden.

tl

ocr page 184

DE SLAG BY NIEUWPOORT.

en op herademing de laatste hoop verbeurd.

Als, ziet op eens! aan 't, zwerk een open wordt bepeurd;

de dampen allerweeg verdeelden zich en weken;

een vriendlijk sterrelicht (dat Neerland, schier bezweken,

èn adem scheppe ën juich'!) begroette met een glans

van welkomst en van heil d' alouden burchtslottrans!

Wees welkom, teedre scheut ten hoogen eik geboren!

Een zoon, op nieuw een zoon, was Willem's stam beschoren!

Gy zult Graaf Maurits zijn! de Vrijheid, in 't gemoed

ontkiemd uws Vaders, straks met kostbaar burgerbloed

beregend, wacht van u haar grond om op te bloeien,

en in de ruimte Noord- en Zuidwaart uit te groeien.

Wees welkom aan de spits diet Machabeesche teelt

van Wrekers, in Gods gunst aan Neerland toebedeeld!

Want ja! om Neêrlands zaak met Nassaus zwaard te helpen, stond heel het Stamhuis op, de Leeuw met al zijn welpen ontvlamde, en wenkte, of 't waar, van op zijn blaauwend veld den rossen Liebaart toe, om 's Vreemdlings aartsgeweld,

zijn vloten en zijn vloek, zijn donders en zijn klingen, te trotsen en te staan. Daar brulden zy en gingen met statelijken stap, vereend van zin, op buit,

op buit van oorlogsroem en heiige vrijheid, uit!

Zoo was het, toen de kamp werd opgevat met Spanje op dood en leven, zege of ondergang. Oranje door eigen broeders, eerst en teerst, iu eiken nood gevolgd, of voorgegaan, bevond tot in den dood zijns vaders huis getrouw. Had niet een zelfde moeder in nachtlijke gebeên aan der verdrukten Hoeder heel 't Vijftal toegewijd, ten dienste van Zijn rijk?

Dien Hendrik nog zoo jong, dien een'gen Lodewijk, van wie de Mookerhei de lijken met het leven verslond, na dat voorlang „Graaf Adolf was gebleven in Friesland in den slag.quot; Met zijner vaadren goed verbond Graaf Jan zichzelf, en zijner zonen bloed!

Ziet gy die zonen zich om 't nieuwe Stamhoofd scharen? By 't aadlijk jachtvermaak ? — In de ernst der doodsgevaren van slagveld en beleg? — Een uitgelezen stoet.

6

ocr page 185

DE SLAG BY N1EUWP00ET.

all' Ridders zonder vrees, all' Nassaus hoog van bloed,

maar nederig van hart, — voor 't minst, wie u geleken, u, Maurits trouwste vriend, en meer dan vriend gebleken, in 't kamp als in den raad u-zelven steeds gelijk in vroomheid, ootmoed, deugd. Graaf Willem Lodewijk! o Plonkerster, zelfs naast dien Maurits niet veibleekend, maar vaak door zuivrer gloed nog boven hem uitstekend! o! Zie ze t' zaam in 't veld, twee Duitsche Scipioos, of Dioscuren, maar wie hooger hand verkoos ten dienst van beter zaak en Vaderland. De harten der volkeren gaan meê, waar dees den vijand tarten, verrassen, fnuiken, slaan, te scheep, te paard, te voet, met uitgezocht beleid, met teugelloozen moed.

De Spanjaard geeft zich lucht in smalen, dreigen, brallen, met Parma-zelf aan 't hoofd of plotsling overvallen of schrander afgeleid, maar overal bestookt,

van Schelde, Maas en Waal, tot waar de Dollaart spookt. — Straks, als na tocht op tocht de lang geworden nachten tot schorsing van den kamp Natuurs bevelen brachten,

gunn' 't Winterleger vrij aan Overste en soldaat voor 't afgerende lijf by stilte of feestvreugd baat, —

voor 't jeugdig Heldenpaar heeft geen verpoozing waarde, waarby hun 't rustloos brein geen nieuwe plannen baarde van schade en nederlaag, den vijand toegedacht,

en op de kaart reeds daar! Men ziet ze, dag en nacht,

zich oefnen in de taal en krijgskunst van Oud-Romen, de tafel, lang en breed, door strijders ingenomen uit volgzaam lood gebootst, om aan Quiriet of Griek, by 't licht der Wetenschap, geheimen van taktiek of legerleidingskunst te ontwringen. Op de dreven van 't Haagsche ridderplein wordt de Oudheid in het leven herroepen, schild en speer hanteerend, naar 't bevel in nieuw-Teutoonsche spraak. Het manlijk kinderspel (waar was ter wereld ooit een scheppende gedachte,

die niet een wufte hoop voor hal ven waanzin achtte?), begroet met schampren spot, of glimlach hoog en koel, rechtvaardigde weldra de diepten van zijn doel:

geplant was de ooilogsschool, wier kloeke kweekelingen der Middeleeuwen glans en glorie gaan verdringen door 't huwen van heur kracht aan regel, orde, tucht, III 12

ocr page 186

DE SLAG BY NIEUWPOOHT.

bereekning, -wetenschap, ja, -wiskunst die, bevrucht door d' adem van 't genie, 't bereik vermenigvuldigt van 's Veldheers scheppingen. Geheel Europe huldigt den Stedendwinger, door wiens oog en staf bezield het heir, geen rotsklomp meer die neêrploft en vernielt,

maar levend lichaam werd. Zie met hoe rappe leden het op- en afwaarts streeft trots duizend tegenheden,

straks op het slagveld zelf èn dicht èn keert èn zwenkt,

zijn wendingen volvoert, zich inkrimpt of verlengt,

en aanvalt of ontwijkt naar de aangeleerde wetten; of, stroomen langs en door, hier opdaagt om te ontzetten, daar ijlings aangerend als met een vlaag of ruk van storm of wervelwind, de panden stuk voor stuk van Neêrlands kostbaar erf op Spanje weêr komt winnen. Niet anders dan wanneer met ingespannen zinnen twee spelers worstelen op 't vorstlijk schaakvierkant: het paard in dol galop, de toren langs haar rand of strakke rechtelijn, neemt man voor man gevangen. De vorstlijke Amazoon doorzwiert en dunt de rangen des Tegenkonings, wien, naar alle zijden bloot,

geen keuze langer rest, dan overgave of dood!

Maar by geen schaakstrijd, neen! tot meer dan dertigmalen beproefd aan vest by vest, aan stad op stad, bepalen die zegetochten zich, steeds blinkerder gelukt,

waarvan de weergalm nog het nageslacht verrukt,

en 't hart in vlammen zet van dichters en van helden! Onovertroffen Hoofd! men zag op de open velden uw krijgskunst even diep, uw krijgsvolk even'stout.

Getuigt het, Thieltsche heide, en torens van Turnhout!

waar Varax ruitren eens zoo hoog de borsten droegen, straks Maurits honderden hun duizenden versloegen; en Neerland riep; ,Hy zag, Hy kwam, God overwon!quot; het was de Morgenster van Nieuwpoorts gulden Zon!quot;

Ontzachlijk Guldenjaar! aan wat herinneringen uit twee en dertig maal voltogen jubelkringen sloot zich de duinzang aan, gehoord van Vlaandrens kust! — Was Vlaandren, was de Kerk, zich 't uurquot; nog wel bewust, toen 't opgetogen Gent met luide lofgezangen

178

ocr page 187

DE SLAG BY NIEÜWPOOET.

het vijftiende eeuwslot vierde, en op zijn schoot ontfangen

en welkom juichen mocht d' aanstaanden Erfgenaam

van grooten Kareis kroon, en van dit Neerland t' zaam

met Spanjes op één hoofd gedaalde Koningshoeden!

Toen, wen zich groot en klein op dezen hoogtijd spoedden

naar hofpoort of kapel, tot hulde of dankhetoon,

in naam van Romes kerk aan haren nieuwen Zoon

door Neêrlands Abtenschaar de rol werd aangeboden

der Schriften, met dat woord van Jesus, door de Joden

in 't veeg Jerusalem vernomen: „Onderzoekt!quot;

De stem, voor later stond niet vruchteloos geboekt,

vond reeds in Kareis dag haar wondere vervulling.

Voor 't zwaard des Geestes sloeg het uur van zijn onthulling:

de Bijbel aan den leek hergeven! Door de kracht

van 't doorgebroken licht werd straks tot stand gebracht

die machtige ommekeer, — die gisting, eerst, en scheiding

van elementen, lang verbonden, — voorbereiding

van nieuwe vormingen, — waaruit ook 6y ontstondt,

aloud Gemeenebest van 't Stichtsche Staats verbond!

Op eens volwassen en in vollen dosch geboren

nieuw Neêrland! waart ge een plant tot hoogen groei verkoren ?

of slechts een wolkenbeeld, dat wegstuift'? — Tachtig jaar

van dwars door 't onweer heen en rots- en strandgevaar

voorbeeldeloozen koers beslisten 't, eer nog Vrede

haar olie uitgoot op de branding! En gy mede,

o strand van Nieuwpoort, waar der Helden blinkend bloed

in 's Lands gedenkrol schreef: „Ja, God bleef Neêrland goed!''

Wat pracht van kielen, met wat vracht van oorlogslieden, voor Rammekens, vermoeit zich 't luchtruim te bespieden, of de adem, die de wolk haar richting geeft en vult,

aan der tienduizenden ontstoken ongeduld haar laving brengen mocht van uit een frisch Noord-Oosten, 't Geldt Vlaandren met dat heir !'t geldt, om den Zeeuw te troosten i Duinkerken met die vloot; Hoe gaat zeJoostdeMoor in 't turen op dat nest van waterwolven voor! hoe Warmond, uit den stam dier oude Wassenaren met Hollands varensvolk zoo monter op de baren,

als aan der Eedlen hoofd, sints Holland Holland heet, ter kruisvaart en tournooi en leenmansplicht gereed!

179

ocr page 188

DE SLAG BY NIEUWPOOET.

Helaas! hoe laat de mast zijn blanke vleugels hangen, als moedloos, dat de lacht zich weigert aan 't verlangen van scheepling en soldaat, eu, blazende uit den Zuid, de zeegolf opruit, en met tergend windgefiuit het krijgaontwerp belacht en tegenstreeft der helden, verwinnaars reeds in hoop op slag- en pekelvelden!

Wat spelt die wederstand, zoo kwellend voor den moed die voorwaart dringt en drijft? Van nu aan tegenspoed? En neerlaag? toen, vooral, de jongste Junijdagen 't oatzaggebiedend heir in twee gescheiden zagen.

Het volk, de Schelde langs by Philippines schans ontscheept, vernam op eens het keeren van de kans.

Hy vond geen vijand hier, in eigen krijgsgelederen door muiterij geknakt, en ijlings te vernederen, —

maar eenen, die veelmeer by d' eersten invalskreet om legervaan en Hoofd herzameld en gereed,

en eer verrassend dan verrast, de Staatsche benden te woord stond. Lefflnghem scheen onafzienbre ellenden te spellen, toen Graaf Ernst in Nieuwpoorts ochtendstond den fel bewisten, voet vóór voet bevochten grond,

bezaaid met vaandelen, en achtmaal honderd lijken,

in 't eind ontgeven moest, en naar Ostende wijken.

Zoo was dan 't voorgevoel, aan half het land gemeen,

niet ijdel, toen de schaar met zuchten en geween uit Dordrecht en Den Haag zijn dappren begeleidde,

en, door geen glans verblind van wapenpraal, niet scheidde dan luid' weeklagend, dat een Hoofd, zoo onvertsaagd, zoo kostbaar, aan den raad der Baatzucht wordt gewaagd op avonturen, die èn Prins, èn heir, èn schepen,

èn Vrijheid, èn Geloof in 't wis verderf gaan slepen!

Neen — dat zal God verhoên, de God van Nederland, de God, o Maurits! van uw vaadren, — Hy, Wiens hand het lot der volken stiert, de kans der Legerscharen. Uw moed, steeds kalm en koel, had van des volks bezwaren, door kundig Hoofd aan Hoofd getrouw uiteengezet,

geen enkle zich ontveinsd. Thans was u de eerste Wet gehoorzaamheid. Uw oog, een wijl — wellicht — betrokken by 't hachlijk aanzien van den dag, staat onverschrokken.

180

ocr page 189

DE SLAG BY NIEUWPOOET.

't Had eerlang alles en in alles stout voorzien,

om op den muilen grond den Spanjaard 't hoofd te biên,

die, overmoedig op zijn bloedige ochtendzege

en tuk op nieuwen roem, vast aanspoedt. Allerwege

groeit 's Prinsen leger aan, doorstreeft het zand, doorwaadt

de kil, laat los de stad, bezet de vlakte, en staat

in liniën geschaard, straks op een wenk der oogen

van stelling wisselend, en naar den eisch bewogen

van ieder nieuw bestaan der felle weerpartij.

Daar staan zy, nog zoo korts elkaér van wederzij

een stip of dunne streep in de oogen, — duizendtallen

geordend om, in 't eind, elkaêr op 't hart te vallen,

de krijgskreet op de tong, de zegepraal in 't oog!

Een dubble donderbui gelijk, aan 's hemels boog

met sombre plechtigheid opkomend, de een in 't Zuiden

en de ander uit den Noord. Met angst en schrikgeluiden, —

met stilte banger nog, — verbeiden veld en vee

de botsing, — 't aardrijk zucht of 't ware in barenswee.

Straks, lang genoeg geperst, ontladen zich de wolken

in vuur- op vuurschicht, die met hagelsteen en kolken

van regen, met gedruisch van hoos en wervelwind,

verwoestend neerschiet en de hoop des jaars verslindt.

De zon, wanneer zy keert aan de uitgeraasde transen,

beschijnt het treurtooneel met nog onzeekre glansen,

maar verwt den regenboog, die Noachs lijdend kroost

van uit dat eigen zwerk èn heil belooft èn troost.

Kronijk van d' ouden dag, en overleveringen des gullen tijdgenoots, wel nimmer om te dingen naar Clioos eerlof of den lof der poëzij,

beschreven, maar van praal en ijdlen opsmuk vrij,

of met nog ruwe stift aan magen en beminden,

en onder d' indruk-zelf van eigen ondervinden,

getuigt! Gy, schijnbaar dor, toch in de aanschouwlijkheid van 't zonder kunst van stijl stout neergeworpen feit zoo rijk aan leven, rijk aan dichtstof, voor den dichter verheffend tevens en beschamend, in verlichter misschien! maar, trots zijn trots, niet dichterlijker tijd.

Meldt uit dat schittrendst vak van tachtigjaargen strijd, meiat enklen ons voor 't minst der wederzijdsche helden

181

ocr page 190

DE SLAG BY NIEUWPOOET.

van uit het worstelperk der Vlaamsohe zeezandvelden; —

en hoor' het nageslacht, bewondrend en in dank,

na vijfmaal zestig jaar, dier namen grootschen klank,

der natie lieflijk of barbaarsch, doch waar de glorie van heel een eeuw in spreekt, geheel eens volks historie!

Zegt van der Staten heir, de rangen van den Geus,

het eerst de bloem en keur, — de aanvoerders, die de keus des Veldheers door hun trouw rechtvaardigden, — de mannen wier lange ervaring, met de diepte zijner plannen vertrouwd, den zin begreep, of ried, van elk bevel, —

den wenk voorkwam des noods, — dan pijl- of kogelsnel tot stand bracht, — Oversten van voetvolk, in de krijgen sints Alva, lang gewoon van rang tot rang te stijgen, en Ruiterhoofden, die vooral sints dezen dag den Spanjaard noopten tot erkenning en ontzag.

Geen deel van 't Stichtsch verbond, of 't had op deze velden zijn aandeel in den roem, en leverde zijn helden.

Uit Friesland, aan de spits der vendels van Nassau,

streed Taco Hettinga, wien Grovestins, de Blaeu, Assuerus, Ripperda, op Spaanschen, Walen, Ieren,

by de oopning van 't gevecht reeds hielpen zegevieren.

üit Utrecht en zijn Stift was 't regiment ontboón van Huchtenbroek, Calvaert en Jonker Jan van Loon,

wien 't Vaderland eerlang Ostende toebetrouwde, met Rijsenborgh, gezegd de Maarschalk van Abcoude.

Voor Zeeland, wien de dood op 't Leffinghemsche bed drie Hopliên afsneed, stond van Prince, met Pagnet,

en Rolle en Ingenhave, en beide van der Nooten.

wier vaders, om den bond in Pallandts zaal gesloten berooving, ballingschap en wederspoed getroost,

hun zwaard vermaakten aan een zegerijker kroost!

Van 't oovrig Nederland, aan Zuiderzee of Schelde gelegen, aan den rand van Hunze of IJssel, telde het leger heel een schat van zonen, vaak van naam of afkomst Waalsch of Vlaamsch, maar met Noord-Neêrland t' zaam volhardend in den kamp, verbroederd aangevangen „Voor God en Gideon!quot; — of in dezelfde rangen sints eeuwen t' zaam genoemd: Van Gent, Imbyse, Blois,

182

ocr page 191

Tv

l'j

DE SLAG BY NIEUWPOOBT.

Hertaing en Baertenberg, Ghistelles en Dubois,

met Herauguières, van den Tempel, Rand^rode

en vijftig anderen, die 't lied des Dichters noode

voorbijsnelt, — maar niet u, in voor- of tegenspoed

van Balen! even koen, wiens nooit verlegen moed

voor Nieuwpoorts wallen mede in 't hachlijkst uur besliste,

en, — wie geen evenknie dien voorrang ooit betwistte, —

ontzachlijk driemanschap van Baxen, gaadloos groot

en fabelachtig stout! — Maar ook den Bondgenoot

moog 't Hollandsch nageslacht met wilg- en palmtak eeren!

Gaf niet Brittanje ook hier zijn schittrende De Veren,

Lord Grey de Wilton, en Sir Robert Henderson,

en Edmund, kolonel die van soldaat begon?

Die beiden moest eerlang het heldenmoedig leven

voor Neêrlands zaak en wraak op Neêrlands grond begeven! —

Aan zijner Zwitsren spits vecht als een leeuw of stier

Hans Kriech, — met d' eigen moed, wellicht met losser zwier,

de Fransche strijdgenoot: Dussault, La Simendière,

by d' Ommervilles vaan; en gy — of blijf van verre

voor 't minst nog dezen dag, te wakkre Chatillon!

bloem al te ras verbloeid by de eerste lentezon!

Moest dan in Neerland mee bloed uit de hartaar stroomen

van martlaar Coligny? Moest, Nieuwpoorts storm ontkomen.

Ostende, toen ze in 't end den puinhoop overgaf,

ook afstand doen van u en uw gelauwerd graf?

In 't midden van dat heir, de menigte dier dapperen uit half Euroop vergaard, prijkt, kenbaar aan het wapperen der op den hoogen helm geplante Oranjepluim,

de Prins, op 't blank genet dat,.overdekt van schuim, met brandende oogen en van drift bewogen manen,

de trilling uitdrukt, hem met al die legervanen gemeen, van ongeduld en schier onhoudbren gloed.

Oranje temt dat vuur, en in zijn rijken stoet van Anhalts, Holsteins, Solms, Gebieders, Graven, Heeren, gekomen om naast hem de kunst des krijgs te leeren, — het fnuiken aan te zien der Spaansche hovaardy, —

blikt welgevallig op twee broeders aan zijn zij':

Justinus, d' Admiraal van Zeeland, Willems basterd,

maar om geen andre vlek licht by zijn stam gelasterd.

183

ocr page 192

DE SLAG BIJ NIEUWPOOKT.

en Fredrik Hendrik, die met tranen en gebeên, — dat toch deg Veldheers last zijn prille jeugd niet speen' van dees gérijpten oogst van lauwren en gevaren,

niet weêr te wachten vast in eeuwen of in jaren, — in 't eind zijns broeders hart een hachlijk „jaquot; ontwrong, thands, steigrend naast hem, juicht! Zoo leert het arendsjong op zijner oudren vlerk met liefde en lust gedragen,

het spoor ten wolken in, trots dreigende onweêrsvlagen!

Dees tegenover staat Albertus, Cardinaal Primaat van Spanje, straks èn Bruigom èn Gemaal,

en sints vierdubbel held in 't vuur. Ook hem omkringen veldoversten van naam, doorluchte Vreemdelingen: Montelimar, van ouds de vijand van zijn Vorst; D' Au male die, als hy, naar kamp met ketters dorst, en liever hulde brengt aan Oostenrijk en Spanje, dan, Lotharingens, zoon en bloed van Charlemagne, aan de oude Ligne ontrouw, met klanken flaauw of valsch voor Hendrik van Bourbon te buigen knie of hals. — De Graaf van Reffersheid leidt op zijn kurassieren nit Duitschland, — uil Milaan met keur van Cavalieren Graaf Balbiano zijn vrijwilligers, naast Rho, Pallaviscini, Buongiovanni, Fabio,

der Fabiussen van Oud-Rome — zoo zy melden — nog steeds herkenbaar kroost. — Ook België zendt helden, en namen, rijk aan roem in allerlei bevel of dienst in vrede en krijg: Richardot, Filmorel, en Longueval-Bucquoy, en, die. hem heeft vervangen in 't opperste bevel van zijner Walen rangen.

Vliesridder, Graaf en Heer Lannoy Lamotterie,

met dien ten Veldheerstaf, door kracht van krijgsgenie van scheermes en lancet geklommen La Barlotte, die adeldom en dood met d' eigen lach bespotfe,

schoon by dien adel om zijn opkomst min misschien in arren moed benijd, dan om zijn deugd ontzien.

Ter eer van 's Keizers bloed, ter viering der Infante,

door 't Vaderlijk besluit Voogdes noch Gouvernante,

maar Erfvorstin voortaan der Nederlanden, geeft hier Spanje, of 't waar op nieuw, al wat het kostbaarst heeft

184

ocr page 193

DE SLAG BY NIEUWPOOBT.

van strijders, Oversten en ridderlijke loten:

Toledoos, uit één tronk met Alva voortgesproten,

Monroy, Arosteguy, de Silva, Carvajal,

met Torres, uit het bloed der kroon van Portugal,

met Bracamonte, del Villar en Espinosa,

Zapéna, d'Avalos, — en gy, vooral, Mendoza!

uit glorierijker huis geboren, dan wellicht

het huis uws Eonings zelf, dat voor den praal schier zwicht

uws breeden stambooms en zijn tallelooze zonen

uit twintig takken, met Hertogelijke kroonen

en Gravenwrongen en banieren overlaan,

de prijs van ridderdeugd en oorlogsheldendaan

niet slechts, maar wijsheid mede, aan 't roer der Koninkrijken,

in 't purper van de Kerk bewezen, by het prijken

ook met de palm der Kunst! — Beklaagbre, wien dees dag

geen nieuwe lauweren om 't voorhoofd slingren mag.

Geen afkomst baten zal uit zoo dooriuchte Vaadren,

geen onverbasterd bloed in eigen levensaadren,

geen titels eener Gade, erfdochter van Colon,

dio met America Castielje en Arragon

vermenigvuldigde. — 't Is in dit natte Noorden

ons, zonen van Euphraat-, Jordaan- of Ebroboorden,

te kil, — te kil voor 't minst, wanneer geen schooner zaak

den arm te wapen draagt, dan Inquisitiewraak,

der middeneeuwsche Kerk ter heillooze eerbetooning,

tot eiken prijs gewild door een ontzinden Koning. —

Ga, eedle Arragonees, ga, fiere Castiljaan!

zing van uw Cids den roem, waarvoor de Halvemaan

van uit Asturiës onwinbren hoek bedwongen,

verbleekte en nederzeeg, van, plek tot plek verdrongen

tot Calpes overzij! of brenge later dag

u versche gloriën uit grootschen slag op slag,

by Salamancaas en Toulousen, op de Gallen

behaald naast Wellington, — uit Saragossaas wallen,

het aandeel van wier asch in d' Europeeschen strijd

uw Palafoxen zelfs door Moscow word' benijd!....

Maar in zyn duinen is de koele Nederlander

te huis en meester. Ziet! èn ros èn staf èn stander

en voeten glijden uit in 't doolhof van dit zand.

Gy zult dees avond nog, roemruchtige Adrairant!

185

ocr page 194

DE SLAG BY NIEUWPOOET.

nadenkend aan den disch uws Overwinnaars spijzen, en, eerlijk Edelman, eens vijands krijgskunst prijzen!

Maar vóór het vallen van den avond, en nog vóór dat de Arragonner weg en degen hier verloor,

wat deinend wisslen van de hoop! Wat overspanning van woede, ginds en hier! Wat steeds op nieuw vermanning, in duizenderlei vorm, van duizenderlei dood!

Wat uit de diepten-zelf van lijfsgevaar en nood weêr aangegrepen moed, trots wreede lichaamspijnen! Wat davrend moordmuzijk: geknal van karabijnen, — gekletter van het staal, dat indringt of verplet,

het pantser beukt en deukt, — geknetter van 't musket, — waaronder 't schutgevaart uit zijn ontsloten kelen,

uit zee, van strand, op 't veld, begonnen in te spelen, of dondrend uit het zand, door Maurits kunst bevloerd,

zijn grove basstem mengt. De waatren zijn ontroerd, en rijzend met den vloed bezetten en beëngen de ruimten van het strand en worstelperk, en brengen den strijd steeds dieper in het duin. De zon, — de zon van uit haar loopplaats, sints het vreeslijk pleit begon,

streed meê en blindde 't oog der Spaansche .tegenstanderen, door diep beleid belet hun stelling te veranderen. De ontknooping draalt, neen! wijkt. Een pijnigend verlangst naar de eindbeslissing, een van weèrszij zeldzame angst bevangt en overmant de harten, niet om leven of lichaam, sedert lang het krijgslot prijs gegeven,

maar om de zege of smaad van Spanjes kroon en vaan! de vraag: zal Nederland stand houden of vergaan?

Heel Neêrland, Zuid en Noord, deelt in de hachlijkheden van d' ongelijkbren dag, door hoop en vrees bestreden by beurten! naast en meest Ostende, waar het zwerk aan oog of oor van verr' den gang van 't oorlogswerk laat gissen of verstaan, — of 't enklen vluchtelingen,

dwars door den vijand heen, gelukte door te dringen, met weiflend antwoord op der fel bedreigden vraag naar dezen eb en vloed van zege en nederlaag.

Daar 't eerst is de uitslag dood of leven. Daar vergaadren, benepen en benard, 's Lands uitgetrokken Vaadren,

186

ocr page 195

DE SLAG BY NIEUWPOOET.

met Oldenbarnevelt, de wijsheid van den Staat! —

of met een hart, dat thands niet slechts van onrust slaat, maar ook van naberouw in 't end? — Hoc 't zij, met oogen bedaauwd, met knieën voor Gods Almacht neêrgebogen, — gy in hun midden, vroome en eedle Casimir,

met handen, hier niet meer zich klemmend om rapier,

of staf van Veldheer, maar gevouwen, opgeheven ten hemel, om, ook Gy dien Josua in 't streven te sterken, die nu draagt de hitte van den strijd,

tot de overwinning door uw moeiten ingewijd!

Maar ook nog elders in des Spanjaarts Nederlanden stijgt uit een boezem, door nog andre dan de banden van eenerlei belang en haardstee aan het lot van Maurits volk verhecht, een smeekgebed tot God! — Ziet ge in dat rijk kwartier van Brabants hoogen adel dat hofplein? — op dat plein die knechten, toom en zadel aanbindende aan een stoet van rossen, als ter vlucht gereed gehouden op het eerste schrikgerucht? —

En ziet ge in dat vertrek, dat bidvertrek, dien Grande en Ridder van het vlies, pas met gejuich ten lande verwelkomd by den trein van 't Aartshertooglijk paar? — En ziet ge op dat gelaat die Nassaustrekken, maar meer Spaansch, meer somber, met een schaduw overtogen van lijden, doch beheerscht door manlijk wilvermogen? — 't Is, — twee en dertig jaar na d' onvergeetbren roof van Leuven, — 't is diezelfde, in Spanjes Kerkgeloof en hofdwang en den boei zijns eigen rangs omsloten,

Phlips Willem van Oranje! ook hy, een leeuw gesproten uit leeuwen, en zich-zelf het leeuwenhart bewust, —

maar ach! als een wiens aart kunstmatig werd gesust,

wiens oog verdofte, die het tergende beletsel van 't houten traliewerk en splinterig staketsel verafschuwt, en ontziet; dan weêr een oogenblik zijn staat vergetende, den tuin vervult met schrik,

wanneer hy ver in 't rond dat diep gebrul laat hooien, waaruit de Woudvorst blijkt. Dus ook de Vorst, geboren uit zoo verheven stam tot zoo verborgen kamp.

Maar neen! op dezen dag verschrikt geduchter ramp dat prinselijk gemoed. Wien zullen de oorlogskansen

187

ocr page 196

DE SLAG BY NIEUWPOORT.

in dit ontzachlijk uur met de overwinningsglansen begunstigen? Wien 't hoofd doen bukken in bet zand? — of Spanje of Habsburg, of Oranje en Nederland?

Dat Spanje bracht hem groot, dit Neerland was zijn moeder? Albertus is zijn vriend, en Maurits is zijn broeder,

zijns vaders zoon, zijn naam, zijn bloed, — dat bloed, die band, behoudt in 't barnen van den zielskamp de overhand.

En zie, ook deze, by een kruisbeeld neergevallen,

smeekt voor eens broeders hoofd met Hollands duizendtallen.

En weder elders werd gebeden, — werd geroemd, — te Brussel op dien dag. — Van 't schittrendst hofgebloemt van Staatsjonkvrouwen, rang- en stam- en Eohtgenooten van Brabants Edelen, Paleis- en legergrooten omgeven, voert het woord de fiere Aartshertogin,

met kalme majesteit, met d' opgeruimden zin der blijdste zekerheid. Heeft niet haar moed de muiters voorgister nog getemd, voor de opgezeten ruiters verschenen in den dosch van 't mannelijke staal met mannelijke klem in vrouwelijke taal?

En zou dat leger, meer dan immer aan zijn plichten herinnerd, in zijn trouw geen wondren thands verrichten? Of mag zy minder van de ster van haar Gemaal verwachten dan èn heil èn volle zegepraal op 's Geuzen overmoed? „Houdt vast uw hart. Mevrouwen! „gy zult aan deze plaats weldra den leeuw aanschouwen, „en 't welpjen aan zijn zijde, in banden. Hoe de Held, „den Stedendwinger, eens voor goed in 't open veld „ontfangen, hier zal staan? hooghartig, of verslagen? „Men zal zich, hoe het zij, geen hoflijkheid beklagen,

„na de overwinning aan een weerpartij betoond!

„doch worden deugd en trouw in d' onderdaan beloond, „het Recht, het hoogste Recht eischt straf van dit Oranjel „dat voor den dank en gunst van Keizerrijk en Spanje, — „mijns vaders hooge dienst in krijg- en Landsbevel, — „de oneedle rol verkoos van ketter en rebel.

„De aartshertog temt ze vast.quot; — En of het Maurits hoorde en of het schampre woord zijn eedle ziel doorboorde, een blik, bezielender dan ooit, ontschiet zijn oog eerst stil, doch openlijk, geslagen naar omhoog!

188

ocr page 197

DE SLAG BY NIEUWPOOET.

En vrolijk rolt zijn stem door rangen en gelederen:

„Houdt, mannen! houdt het pad, dat deze Oranje vederen

„u wijzen, 'k Ga u voor! heel 't bloed van Nassau meê! —

„Te bijten in dit zand, te drinken deze zee,

„of dat de Spanjaard ons den ijzren nek toekeere!

„Zie daar de keus. Gy hoort de mijne. Ik sneed met eere

„de toevlucht af der vloot. Wie onzer denkt te vliên?

„Wy willen, wel te moê, den dood in de oogen zien,

„wil 't God! zoo zij voor eb het bloedig spel gewonnen!quot; —

„Graaf Gun th er! voorwaarts met uw paarden!quot;--De escadronnen

des vijands schudden van den schok. Zy houden stand

een wijl. Een tweede stoot verzekert de overhand

op Alberts ruitery, die nu by honderdtallen

in 't duinzand zuizelt en tot onder Nienwpoorts wallen

de wijk zoekt, — dan, door schaamt bekomen van den schrik

een vaart neemt op haar beurt en inhouwt, straks door blik

en degen van den held op nieuw teruggeslagen

terrein en kracht verliest. Ten koste van wat wagen,

en schier ontzinden moed! — Ritmeester Cloet, ruk aan!

De Ridder ('t is zijn zwak!) is weêr te diep gegaan

in dezen dichten drom van speeren. Hoe zijn veder,

met helm en paard en al, daar wiegelt heen en weder,

en 't tiental om hem wuift en wenkt als om ontzet!

Stoot-in de sporen! — Stout gedaan! zy zijn gered!

Zie hoe zy zich met glans door heel die menigt sloegen,

en mot vereende kracht nu weèr den vijand joegen

steeds verder, verder, en weêr verder achterwaart. —

Dan kentert weêr de kans. —- Maar 't vlammenspuwend paard

trapt ondertusschen, met de woede van een strijder,

wat in den weg staat plat, of sleept van zijn berijder

de leden, opgescheurd door lans- of sabelwond,

en hangende in het zaal, het rookend slagveld rond;

totdat het in zijn vlucht doorstoken of doorschoten

met streepen van het vocht, uit eigen borst gevloten,

de sporen teekent, half aamechtig doorgehinkt,

189

en pijnlijk siddert, en bezwijkend nederzinkt.

De linker draagt den last, waar zich de keurkohorten van voetvolk naar den top opstuwen, of weêr storten en slingren van de hoogte in 't glibberige duin.

ocr page 198

DE SLAG BY NIEUWPOOBT.

by beurten hinderlaag, verweeringschans, of puin,

dat zich de vechtenden, verward door één gemengeld,

betwisten, voet by voet als in elkaêr gestrengeld,

en klevend in één slijk, of plassend in één vloed van Spaansch, van Schotsch, van Fransch, van Duitsch, van Neêr-

[landsch bloed.

De Veldheer overschouwt de weifelende kansen,

en peilt het slagveld, dat geen wemeling van lansen,

geen rook of sulfervlatn onttrekken aan den blik

diens aadlaars, even vrij van aarzling als van schrik

Wat ziet by? in den drang der allervoorste lijnen

De Vere zelf, verwond, op pieken van de zijnen

verwijderd, —• 't strandgesohut, zoo zorgelijk geplant,

haast door een stouten greep den Spanjaard in de hand

gevallen. Fries en Brit naar zee te rug gedrongen,

en — nog een oogenblik! — de zege zich ontwrongen.

Geen nood! hy geeft bevel. De benden snellen aan

tot op dit uiterst uur als opgespaard en slaan

den vijand blinkend af. „Viktorie!quot; roept — voorbarig! —

heel de opgetogen schaar die 't aanziet. Ach! te karig

heeft nog der helden bloed geborreld aan dit oord! —

De Uurwijzer aan de kim schrijdt middlerwijle voort

en waarschuwt, dat de tijd vast inkrimpt, en het spannen

der laatste krachten vergt van de afgestreden mannen.

De stem des Veldheers geeft weêr steun. Zy staan in gloed,

van wederzij'. Want ook Albertus houdt zich goed,

en, aan de onthelmde kruin herkenbaar, gaat zijn scharen

vóór, op zijn tieren hengst, voor wonde of lijfsgevaren

gevoelloos in zijn vaart, 't Geldt Spanje en Duitschland saam!

't Geldt Isabella, 't geldt den aangeërfden naam

diens Alberts, Rudolfs zoon en Habsburgs Rijksstoelstichter

die Keizer Adolf sloeg, den hooggeboren Dichter

uit Nassaus oudste bloed, hem sleurde van het zaêl

en neêrplofte in het zand, by 't rampvol Rosendaal,

en op de nederlaag des doodelijk verwonde

de vastheid van zijn kroon en Keizerstitel grondde, —

,Val aan, val aan, val aan!quot; 't zal Nassau zijn ditmaal!

Geen kroon voor Oostenrijk, geen dag van Rosendaal!

Oranje is aan de spits en stort, met losse teugels,

met heel de zwaarte van de beide legervleugels

190

ocr page 199

1

DE SLAG BY NIEUWPOOET.

op Alberts zwermen af. — Één laatste mengeling en schok der menigten beslist het grootsch geding.

De zon, eer ze in den schoot van d' Oceaanvloed dompelt, ziet redloos allerweeg den vijand overrompeld,

en 't heir, by d' opgang nog zoo roemrijk, zoo geducht, zich-zelf ontbindend in een ordelooze vlucht.

Men zegt, dat op dien stond, by 't dondren der bazuinen twee groote schaduwen gezien zijn op de duinen,

de een, prinslijk van gestalte, en met de rechterhand geslagen op het hart, en die voor God en 't land door 't opgetogen oog zoo wel erkenbre wonde,

terwijl de linker aan den halsvriend (Aldegonde in zweem en zwier gelijk!) zich vasthield, beider oog met dankbren weemoed, dan geheven naar omhoog, dan weêr omlaag gewend naar 't strand, en naar die velden pas van het bloed doorweekt der Nederlandsche helden, 't Bazuingeschal, op eens, ging over in een lied dat de echo opving uit het roerend wolkverschiet:

„Wilhelmus van Nassouwe „was hy van Duitschen bloed!

„Den Vaderland getrouwe

„bleef hy tot in den doet!quot;

By leven en by sneven

in God, zijn Heer getroost,

is Neêrland nagebleven

zijn zegen — en zijn kroost.

Straks volgden stemmen als in antwoord, die daar loofden, een koor van geesten, met den bijl voorheen onthoofden, of versch verslaagnen met het zwaard, hun God in 't hart, thands vrij met éénen dood van heel eens levens smart:

Hy heeft geen welgevallen

aan de eigen kracht des mans, —

de macht der duizendtallen, —

de scherpte van de lans, —

de menigte der paarden

die met den oorlogsheld zich in slagorde schaarden, —

der wagenen geweld!

191

t.'

É

ocr page 200

DE SLAG BY KIEUWPOOHT.

Den Heer der legerscharen

zij eenig lof en dank!

Dat velden, bergen, baren

■weêrgalmen dezen klank!

Die rt heir doet zegepralen,

is Isrels God en Hoer!

Met orgels en cymbalen

verbreidt in 't rond Zijne eer!

Van uit der heemlen glorie slaat Hyde wereld gê,, —

geeft aan Zijn volk viktorie,

d' ootmoedigen gena, — de nederlaag aan Spanje.

wiens Rijksmacht de aard omspant, de zege, door Oranje,

aan 't needrig Nederland!

Verkondigt het, gy duinen,

gy duinen van Nieuwpoort! en zegge 't uit zijn puinen,

Ostende verder voort!

Reeds houden zich èn Noorden

èn Oosten op dien kreet,

straks Theems- en Boyneboorden ten wedergalm gereed.

Verneemt hem. Wereldrijken!

en Vorsten, aardsche go5n! gy Frankrijks Lodewijken, gy Stuarts op uw troon! Beheerschers van de Volken, en Machten van den Tijd! uit hooger dan de wolkan verneemt hem wijd en zijd!

Hooghartigen weerstaat Hy,

en nu, en t' allen stond.

Zijn hateren verslaat Hy

met d' adem van Zijn mond! 't Geheim van allen zegen (Oranje en Neêrland! hoor 't!)

192

ocr page 201

DE SLAG BY NIEUWPOORÏ,

is in Gods vrees gelegen,

Zijn dienst, Zijn gunst, Zijn woord 1

„Tot God wilt u begeven!

„Zijn zalig juk neemt aan! „Als vroome Christnen leven,

,'t zal hier haast zijn gedaan!quot; Wie zich aan God wil geven,

zijn dienaar wezen mag,

„diens ziel in 't eeuwig leven verwacht den jongsten dag.quot;

Des werelds zwijmelkelken

vergallen in den nood! De laauweren verwelken

by d' adem van den dood!

Te niet gaan koninkrijken

en sterren vallen uit;

ja, deze heemlen wijken by 't jongst bazuingeluid!

Maar heil den Heldenscharen

wie 's Heeren vrees bekoort!

maar heil den Martelaren

die kampten voor Zijn woord! Hun wordt van God gegeven,

193

om 't zoenbloed van den Zoon, voor dit verganklijk leven een onvergankbre kroon.

Dus 't lied naar Marnix hart. — Met wapperende veder keert Maurits ruiterij van 't eenzaam slagveld weder. Geen vijand zag zy meer op dees haar laatsten rid! — Maar de Overwinnaar in het stof gebogen, bidt.

AAN MIJNE JONGSTE DOCHTER

OP DEN DAG HAEER EERSTE AVONDMAALSVIERING.

Volei rHomme.

St. Jean XIX: 5 b.

Voici votre Roi.

St. Jean XIX: 14 b.


o Dierbre dochter, wie voor tweemaal negen jaren eens moeders biddend hart ter doopsbesprenging bood!

13

ocr page 202

AAN MIJNE JONGSTE DOCHTER.

Wilde onzer vaadren God ons dan nog 't voorrecht sparen

om aan eens Efeilands disch ook u als feestgenoot te aanschouwen — ook dees telg in 't midden der gemeente

begroet te hooren met den zoeten zusternaam?

Hoe dringt die zegen ons door ader en gebeente!

Hoe zeegnen we u op nieuw met heel ons huis te zaam, weemoedig tevens 't oog naar die gewesten heffend,

waar reeds een deel ons bloeds ons voorging by den Heer. Hoe zien we u dankbaar aan, met ons de plicht beseffend,

met ons den liefdedrang gevoelend. Hem ter eer, Hem, volgzaam en getrouw voortaan ter eer te leven,

die, trouwe Herder, om ons leven leed en stierf,

en, door geheel zich-zelf, voor ons ten prijs te geven,

't onmoogTijk mooglijk maakte, en zondaars 't Heil verwierf, o Dochter! dat uw hart, steeds voor Gods waarheid open,

de panden van dat Heil geen enkel uur vergeet':

noch 't water dat als kind u 't voorhoofd heeft bedropen noch wat ge op dezen dag by brood en wijn beleedt! 1859. _

EEN ALOUD PINKSTERLIED.

Veni creator Spiritus.

Daal, Schepper Heiige Geest! daal af!

Uw adem, die ons 't aanzijn gaf.

herschepp', beziel', vervuil' de borst die naar Uw waterstroomen dorst!

Die in der waarheid Parakleet,

Vertrooster, Zalver, Voorspraak, heet!

Gy eeuwig versche Levensbron!

Gy ongeschapen Liefdezon!

Bestraal, o zevenvuldig Licht!

den tempel Gods, door U gesticht.

En, Vinger van Gods rechterhand!

besprong den stam, door U geplant.

Van eeuw tot eeuw Belofte en Tolk des Vaders aan zijn Kerk en Volk!

Verkregen gaaf, verworven loon van d' aan het kruis geslagen Zoon!

194

Vra: Verf Wac

waai Wen Zijn zond Wel Uwe leef hoof aller

..

ocr page 203

EEN ALOUD PINKSTERLIED.

Laaf met Uw regens ons gemoed!

Stort in onze aadren Uwen gloed! Wie naar üw komst en roering smacht, ontfangt in de onmacht hemelkracht.

Loopt als een stroom de vijand aan, o! hef Gy-zelf omhoog de vaan!

't Zal waarheid zijn, waar Gy ons leidt, en vreugde en vrede in eeuwigheid.

Leer ons den zaalgen Vadernaam uitroepen, met den Zoon te zaam, en met U-zelf in 't Godsbestaan, van beiden eeuwig uitgegaan.

1859.

AAN EENE JEUGDIGE VRIENDIN,

IN HAAR ALBUM.

Één ding 13 noodlg.

Vraag den landman naar geen garven van het afgemaaide pad!

Verg den appelboom geen vruchten, als hy afwierp wat hy had! Wacht geen bloemen van den Zanger, nog vermoeid van Nieuw-

[poorts slag,

waar het Album eener Jonkvrouw zich versierd door achten mag! Wensoht gy evenwel een versjen, zonder tooi van taal gerijmd?

Zijn u welkom zwakke regels, ongekunsteld saamgelijmd?

zonder aanspraak dan de oprechtheid van hetgeen ze u doen verstaan? Wel dan! neem de beê welwillend van een Vriend uws vaders aan; Uwer oudren, broedren, zusters, magen, vrienden vreugde en roem, leef voor hemel beide en aarde zegenrijk gekweekte bloem,

hoofd en hart in al uw wegen zacht gebogen naar de Zon aller zegens, vrede en vreugde. Levens-licht- en wanrhoid-Bron!

18 £159.

195

ocr page 204

GELUKWENSCH.

GELUKWENSCH

AAN

MEESTER EN ARBEIDERS

TEE DRUKKER IJ OP HET SPAAENE,

MET HET „IMPBIMATURquot; OP HET LAATSTE BLAD DEE EOMPLEETE DICHTWERKEN VAN BILDERDIJK,

DOOR

EEN CORRECTOR.

Von der Stirne helss Kinnen muss der Schweiss,

Soil das Werk den Meister loben; Doch der Segen kommt von Oben

DAS LIED VON DER GLOCKE.

IJvrig, lustig, onverdroten werd een Klok ook hier gegoten —

't oude Spaarne weet er van, —

onder 't dak van Kruseman;

klok, niet uit metaal geboren,

die van op den slanken toren galmend, bommend, wijd en zijd orde en stem geeft aan den Tijd; —

neen, gesmeed uit dunne bladen (wie ter wereld zou het raden?)

zonder stoom en zonder vier uit met inkt gedrenkt papier.

't Kostte weken, maanden, jaren,

eer wy d' arbeid kosten klaren;

'tkostte zwoegen, zorg en zweet; —

eindlijk kwam het werk gereed.

Corrigeeren, revideeren,

langs de spoorlijn gaan en keeren,

onder kruisband met de post! —

eindlijk zijn wy afgelost.

Neen! Zie daar ons, al zijn leven,

nog een boos Erraat verbleven dat zich schuil hield in een hoek tot na d' afdruk van het boek!

196

ocr page 205

GELUKWENSCH.

Toch daar staat hy, Landgenooten onze Klok, — hy werd gegoten!

Groet hem, Willem Bilderdijk! kent ge een keurnaam, dien gelijk?

't Is in Nederlandsche steden meer gezien in 't grijs Verleden,

dat een klok met reuzenkracht massaas in beweging bracht.

Maar de Klok, in deze dreven statelijk omhoog geheven,

luidt door oproer noch alarm harten bang, noch hoofden warm.

Mogen soms zijn zware tonen ouder Neêrlands jonger zonen kleppen onraad, luiden wraak orfder waan en valschen smaak;

hoor ze liever hooger stijgen,

dwingen wangeluid tot zwijgen,

galmen psalmen in de tent van 't gestemde firmament;

uit de transen hymnen dondren,

dat de menigte van ondren plotsling aanheft 's Heeren lof,

biddend oprijst uit het stof! —

Ja, met lust en onverdroten werd een Klok ook hier gegoten — 't oude Spaarne weet er van, —

onder 't dak van Kruseman.

Leven meester, drukkers, zetters van die overkostbre letters die den zang van Bilderdijk,

vorst van 't Neêrlandsch Dichtrenrijkj

zullen voeren in wat oorden ooit in Nederlandsche woorden hooggestemde hemelval nog gehoor erlangen zal!

197

ocr page 206

GELUKWENSCH.

In den zweet van 't aangezicht \yerd in 't eind verricht de plicht!

Maar de Zegen komt van Boven.

Laat ons loven God den Heer,

Wien, by onze dankerkentnis, eenig toekomt lof en eer!

SOLI DEO GLORIA,

AAN MIJNE GELIEFDE GADE,

BT DE OVEEGAVE TAN HET LAATSTE DEEL DER KOMPLEBTE DICHTWERKEN VAN EILDERDIJK.

Der dierbre Vrouw,

wier liefde en trouw sints driemaal dertien jaren, in eiken strijd,

ten allen tijd,

in zielsbezwaren en gevaren, my stond ter zij;

en nu met my by d'aanblik weêr van deze bladen geeft lof en eer aan haren Heer,

198

van al Zijn ■wegen en Zijn daden.

18 ff 59.

ocr page 207

TOELICHTINGEN.

Bladz. 1.

[Wachter! wat is er van den nacht? Dit overschoone gedicht, dat de reeks der politieke gedichten, met de Vijf en twintig jaren begonnen, gelukkig voortzette, werd voorgedragen in de Hollandsche Maatschappij van fraaie Kunsten en Wetenschappen op 13 December 1847, met de volgende;]

VOORAFSPRAAK.

Ik zie my op dit oogenblik eenigermate als kennis makende met een iny nieuwen leeftijd, een tweede, wellicht derde geslacht van Leden en Toehoorders in deze Maatschappy. Sints ik het laatst by deze Inrichting het woord voerde, zijn ongeveer zes en twintig jaren over de hoofden mijner tijdgenooten gegaan. Veel is er sedert om ons heen — by menigeen onzer hoogstwaarschijnlijk veel niet alleen om hem, maar ook in hem geschied.

De gebeurtenissen van deze naar haren afloop spoedende eeuwhelft waren talrijk en beduidend. De aanleiding tot denken, spreken, en wat dieper en hooger gaat, dan dit, heeft, zoo immer, in dat tijdvak niet ontbroken.

Kort na mijne optreding als jeugdig dichter ontstond in ons Vaderland een groot verschil over de strekking van hetgeen men, met meer of minder bestemdheid van denkbeeld, den Geest der eeuw pleegt te noemen. Men kwam van wederzijde minder in de gelegenheid elkander door het voertuig der levendige stem, dan door de tusschenkomst der drukpers te hooren. Men bleef op een afstand. Het jaar 1880 bracht wijziging te weeg in de stelling der strijders. De gebeurtenissen zoo al niet van Julij, althands van Aug-ustus en September van dat jaar, brachten velen op het vermoeden, of er toch wel niet eenige waarheid kon zijn in het woord, dat by de meesten zeven jaren vroeger met zoo hevige geraoeds-

ocr page 208

TOELICHTINGEN.

beweging tegen den gang en het byzonder karakter dezes tijds vernomen was. En had de vraag niet dieper gelegen dan Politiek of Esthetiek, men was elkander, op dat oogenblik althands, misschien nader gekomen. Doch juist dat dieper liggende der eigenlijke vraag, juist hare betrekking tot de groote belangen van Godsdienst, Christenheid, ja waarheid en leven voor en uit God, werd meer en meer het punt, waarop de belangstelling van veler gemoed en verstand zich te zamen trok.

Intusscben waren van wederzijde de strijders in jaren en ondervindingen toegenomen. Men erkende openbaar of stilzwijgend, dat er in het vuur van den kamp menig woord gezegd, menig denkbeeld gewaagd was geworden, dat zonder oneer of verkorting van het recht der waarheid kon worden te rug genomen. Men was het, by den rusteloozen voortgang van alle dingen in allerlei richting als van-zelve eens geworden dat onze eeuw (de vraag of zy eene goede, of zy eene groote genaamd mag worden, geheel daar gelaten,) in elk geval eene zeer merkwaardige was, zwanger (naar schier aller gevoelen) van een nog merkwaardiger toekomst.

Waartoe deze herinneringen? vraagt wellicht een gedeelte van mijn tegenwoordig hoogst welwillend gehoor. De lezing van dezen avond zal toch wel geen nieuw débat zijn over het aangevoerde onderwerp. — Geheel niet, of liever, niet geheel!

Hetgeen ik op de vereerende noodiging van het Bestuur dezer Maatschappij my gereed maak U voor te dragen, is een Lied, geen Betoog, allerminst een Pleitrede. Toch kan het in eenen tijd, waarin eigenlijk alleen en wezenlijk dat tot hart en verstand spreekt, wat in het practisch leven onzer eigene dagen grijpt, — toch kan het in zulk een veelszins geschudden en geschokten tijd bijna niet anders, of ook dat Lied, even als vroeger de Vijf en twintig jaren, moest betrekking hebben tot de belangrijke wereldbewegingen, welke wy voor onze oogen zien plaats hebben of zich voorbereiden, en in welke een iegelijk onzer in zijne mate en op zijne plaats betrokken is.

Ik wilde u op dezen avond eenige toestanden voorstellen uit den tijd, in verband met hooge belangen voor de toekomst, in verband met de hoogste belangen voor alle tijden, voor alle eeu we n.

Ik wenschte u die toestanden, gelijk reeds te kennen werd gegeven, in de taal der poëzy voor oogen te stellen.

Behoef ik my door eene uitdrukkelijke verklaring te vrijwaren

200

ocr page 209

TOELICHTINGEN.

tegen eene zoodanige opvatting van het woord, als die het denkbeeld van gedicht met dat van dichting zoude verwarren?

Mijne opvatting — of laat ik liever zeggen, uit naam van al wat zich, op welken trap dan ook van gaaf of ontwikkeling, ooit waarlijk dichter gevoelde, — onze opvatting van het denkbeeld, de roeping, van poëzy is ongetwijfeld eene gantsch andere.

Voor ons is de verantwoordelijkheid van hetgeen in den vorm van maatzang en taalmuziek gezegd of beleden wordt, althands geene mindere, dan wat in hare zuaterspraak pros a tot hart en verstand wordt gebracht.

Voor ons heeft die poëzy nog eene andere roeping, dan dat bloote vermaken (delectare), waaraan de Latijnsche Dichter, bij zijne op dat oogenblik niet zeer verheven opvatting der zaak, toch nog voor het minst een nuttig zijn (prodesse) verbond.

Ja, de poëzy had, als zoodanig, van ouds eene byzondere plaats en plicht in de wereld der woordvoering. Hare gave was tevens eene last tot mededeeling van overtuigingen en waarheden aan menschen en volken.

Zelfs de ongewijde Oudheid getuigt het. Ook hare oudste Wetgevers en Volkavormers waren Dichters. De wijsgeeren hebben later veel geredeneerd over den besten Staatsvorm. Maar, voor zoo ver er onder de Wetgevers b. v. van oud-Griekenland wijsgeeren zijn geweest, zoo waren die wijsgeeren ook in eerste plaats Dichters. Plato-zelf, die over de beste inrichting van Maatschappij en Staat zoo veel treffends gedacht en geschreven heeft, (schoon hy noch de zijnen immer Staten op dien grond gesticht hebben, of ondernamen te stichten,) Plato-zelf schreef, het is zoo, prosa, maar een prosa dat, hoe hy-«elf zich wel eens ingenomen toonde tegen dichters, toch inderdaad pofizy is, voor het minst de ziel eens dichters verraadt.

Doch wat vertoeven wy op dat ongewijd, op dat aan velen vreemd en oud geworden grondgebied? Het gewijde, het aan geen Christelijke natie vreemde, voor geenerlei tijd verouderde grondgebied der Schrift leert ons niet anders. Moses gaf aan Israël de Wet, hy was in Israël Richter en Overheid; en wie was immer Dichter meer dan Moses? Ook David! zijne Staatsconstitutie (den honderd eersten Psalm) geeft hy in poëzy van den meest praktischen aart. Ja tot in de taal, die de eenige en eeuwige Wetgever in zijne Bergrede bezigde, is in onze dagen de toon en gang eener Oostersch dichterlijke taal erkend en aangewezen geworden.

201

ocr page 210

TOELICHTINGEN.

Is poëzy verdichting? Het zij verre! Wie van u zal, ook onafhankelijk van het reeds aangemerkte, in onzen tijd vooral, de onderscheiding beamen: het prosa geeft waarheid, de poëzy slechts verdichting, verbeelding?

Daar is voor alles in de ordening der dingen, in de verdeeling der gaven, eene byzondere plaats, eene onderscheiden bestemming; — voor alle de vermogens van den mensch eene roeping naar haren eigenen aart! Aan de rede de nasporing van hetgeen uit een reeds gegeven feit, uit een reeds geconstateerde ondervinding, eene reeds erkende of onwederspreekbare waarheid, noodwendig voortvloeit. Aan de poëzy de als ware het instinctive blik in de combinatiën en harmonyën, waarvan de wezenlijkheid vast staat, eer wijsbegeerte of natuurlijk verstand er nog reden van mag geven. Zoo zag Goethe, als jeugdig Dichter, de wereld in zijnen Götz van Berlichingen vroeger en (naar zgn eigene bekentenis) beter, dan toen hy ze by eigen ondervinding en studie als man van de wereld, als Staatsman, als wijsgeer, leerde kennen. Waardeeren wy elk element des geheels naar zijne eigene inrichting en bestemming! Gunnen wy aan een iegelijk der menschelijke vermogens zijne vrije werking en beweging naar zijnen aart! Anders werkt op het vorstelijk schaakveld Koningin en Toren, Raadsheer en Ridder. Maar om dat de wet op dit gebied aan den loop van het Kasteel de rechte, aan dien van den Raadsheer de schuinsche richting voorschrijft, is daarom die der Koningin onwettig, die zich in beide, of die van het Paard, dat zich in geen van beide beweegt?

Zoo heeft dan Rede en Wijsbegeerte, zoo hebben wiskundig betoog en gezag van geloofwaardig getuigenis, zoo hebben in tui tie en navorsching, zoo insgelijks poëzy en prosa haar eigene roeping, hare eigene wegen, haar eigen grondgebied.

Wy mogen, ook wat dit laatste betreft, ons hier hooger wenden. Zaagt gy wel eens, mijne Hoorders! hoe in het Boek der boeken de grond verdeeld is tusschen prosa en poëzy? Voor het verhaal van gebeurde zaken en gewisselde redenen, voo- de wet, voor de spreuk, voor het praktische leven, voor het dogme, — prosa: het proza van Moses, van Salomo, van Lucas, van Paulus! Voor den lof van God, voor de uitboezeming des harten, voor den blik in de toekomst, voor het vergezicht der eeuwen, — de taal en vorm der poëzy, de taal van David, van Jesaïa, en wederom van Moses (den Propheet zoo wel als Historieschrijver en Wetgever!). Wie zal zeggen dat hier tegenstelling is, als van waarheid en dichting?

202

ocr page 211

TOELICHTINGEN.

Ik stel er prijs op, M. H.! dat het hier door my op den voorgrond gestelde door u in gedachten gehouden worde, en hoe zeer welwillend, toch onbewimpeld toegepast. By het gebruiken van den dichterlijken vorm ben ik er zeer verre van daan, eene verantwoordelijkheid, die anders het prosa meer schijnt op te leggen, te willen vermijden. Ik onderneme dezen avond u eenige toestanden te schetsen van de eeuw, waarin wy leven, in welker beweging wy allen eenigermate deelen, wy allen een hooger dan tijdelijk en maatschappelijk belang hebben. Wanneer ik dit dan ten uitvoer bracht met die vrijmoedige bestemdheid van kleur en uitdrukking, die de aart der zaak my schijnt te vorderen, zoo wensch ik niet dat men in den vorm dien ik daartoe koos eene soort van bewimpeling of verschooning of verzachting zoeke voor hetgeen my hier evenzeer als in het meest dagelijksche prosa, ernst is voor hart en verstand, geloof en leven. Ik brenge u deze uitboezemin-gen niet als spelingen van dichterlijk vernuft, maar als overtuigingen op Christelijk geloofsgebied, als uitkomsten van Christelijk onderzoek. Van dat onderzoek ook in de taal van redebetoog en discussie, d. i. in de prosa der wetenschap, verantwoording en verdediging te leveren, heb ik met de hulpe Gods tot op dezen dag by monde en by schrifte nimmer nagelaten of geschuwd. Ik legge die overtuigingen voor een aanmerkelijk gedeelte dezen avond in den poëtischen vorm voor u neder, maar ik moet het met bescheiden ernst herhalen, niet voor de rechtbank blootelijk van den dichterlijken smaak, maar voor die van het Christelijk geweten. Laat ik, het standpunt alzoo bepaald hebbende, thands uw welwillend gehoor mogen vragen voor het vers-zelve, waarvan de gekozene spreuk uit de Schrift als opschrift moge gelden:

WACHTER! WAT IS ER VAN DEN NACHT?

[Na bet gedicht volgden de onderstaande:] AANTEEKENINGEN. Bladz. 2. v. 20. van 't golvend luchtpaard door de wolk. De uitvinding van Montgolfier.

Bladz. 3 v. 13. aan 't argot

203

ocr page 212

TOELICHTIN GEN.

Eene byzondere liefhebberij van Fransohe en andere Schrijvers van naam was in die dagen, waarin het vers geschreven werd, de aanwending der eigenaartigheden vin de dieventaal of argot.

Bladz. 3. v. 19.

„Praslin!quot;

Men herinnert zich de ontzettende moordgeschiedenis der Hertogin de Choiseul Praslin Sebastiani, weinigen tijd voor het uitbreken der Februarij-omwenteling.

Bladz. 4. v. 12.

de Alpen spogen vuur!

De binnenlandsche Zwitsersche strijd werd bedoeld, die, destijds nog versch in het geheugen, eerlang voor de geruchten van Revolutie en Oorlog op grooter schaal in Europa plaats maakte.

Bladz. 4. v. 33.

Hervormings Eerstgeboren!

In zoo ver de Nederlandsche Republiek, als nieuwe onafhankelijke Staat onder de bescherming van het Huis van Oranje, inderdaad een gewrocht der Kerkhervorming is geweest.

Bladz. 7. v. 6.

zat dddr, een nieuwen tijd ten teeken, de Regent.

Lodewijk de Veertiende zag kort voor zijnen dood alle zijne vermoedelijke opvolgers tot in het vierde geslacht voor hem uitsterven, met uitzondering alleen van het vijfjarige kind, dat straks Koning Lodewijk de Vijftiende werd. Des Konings Neef, Philips van Orleans, stond onder heftige, schoon naar geloofwaardige getuigenissen ongegronde vermoedens van vergiftiging. Met den dood des Konings (aquot;. 1715) was hy Regent van Frankrijk. Een der eerste daden van dat Regentschap was de vernietiging, by Parlementsacte, van Lode-wijks beschikkingen, waarby zijne onwettige nakomelingen, met betrekking zoo tot de regeering gedurende de minderjarigheid, als tot eene eventueele troonsopvolging, bevoorrecht waren.

Bladz. 12. v. 30.

regeert in 't Vatikaan een nieuwe Julius?

Julius de Tweede, Paus v. 1503—1513, bekend door zijn krijgs-en staatszucht.

204

ocr page 213

TOELICHTINGEN.

Bladz. 13. v. 1.

als van kasteelbestorming!

Toespeling, by de tegenstelling, op de inneming der Bastille by den aanvang der Fransche Revolutie.

Bladz. 13. v. 22.

Het zaad van Japhet nam de tenten in van Sem ...

Toespeling op den zegenspreuk van den Aartsvader (1 Mos. 9:27), doch naar eene opvatting, die telkens minder de mijne werd. Niet, gelijk de meest algemeene uitlegging dier woorden aanneemt, van Japhet, maar van God-zei ven schijnt ook volgens my verstaan te moeten worden de hier gepropheteerde woning in de tenten van Sem. De inwoning van God in het midden des nageslachts van Sem, van Abraham, van Israël, van Juda, en door dien weg in het midden eener verloste menschheid, is eene Godsgedachte, wier steeds voortgaande voorbereiding en eindelijke vervulling van Genesis tot Openbaring geheel het woord van God doorloopt.

Bladz. 15.

[de stem des heeken. Dit gedicht werd het eerst geplaatst in het Tijdschrift De Tijd, uitgegeven door Boudewijn, in 1884. Later werd het opgenomen in de Politieke Poezy.]

Bladz. 18.

[1648 en 1848. Weder een lied des tijds, door de tweehonderdste verjaring van het Munstersche Vredejaar ingegeven, en het eerst in het Instituut voorgelezen. Bij dit lied waren de volgende:

AANTEÈKENINGEN.

Bladz. 20. v. 7.

den moord van Maagdenburg!

Alle deze herinneringen beboeren tot het tweede of dus gezegd Zweedsche tijdvak van den dertigjarigen oorlog (1630—1635).

Het voorbeeldeloos bloedbad door den Graaf de Tilly, den Alva van Duitschland, aangericht in het met storm vermeesterde Maagdenburg (a0. 1631), werd nog dat zelfde jaar gevolgd door den slag by Leipsich, op de Keizerlijken gewonnen door Koning Gustaaf Adolf

205

ocr page 214

TOELICHTINGEN.

van Zweden aan het hoofd der Protestantsche Unie. De slag van Nordlingen in Beijeren (a0. 1635) deed, na langdurigen voorspoed der Protestantsche wapenen, de kansen des oorlogs een oogenblik overhellen ten gunste des Keizers (Ferdinand II).

De gruwel van Maagdenburg is treffend beschreven door Schiller, in zijne Geschiedenis van den dertigjarigen oorlog. Der Kaiserliche General (dus besluit hy het verhaal van den ramp met een enkelen alles uitdrukkenden trek) durchritt die Strassen, um als Augenzeuge seinen Herrn berichten zu können das seit Troja's und Jerusalems Zerstörung kein solcher Sieg gesehen worden sey. Und in diesem Vorgeben war nichts Uebertriebenes, wenn man die Grosse, den Wohlstand und die Wichtigkeit der Stadt, welche unter-ging, mit der Wuth ihrer Zerstörer zusammendenkt.quot;

Bladz. 20. v. 8.

den slag

dien, Maurits! Nieuwpoorts zon

Aartshertog Albert van Oostenrijk, in den slag by Nieuwpoortj poogde door eene wel beraamde maar mislukte beweging, de belemmering weg te nemen, voor zijne soldaten daarin gelegen, dat by hunne eerste stelling de zon hun lijnrecht in de oogen scheen, en de wind hun het fijne duinzand in de oogen woei. Bosscha, Neêrlands heldendaden te land, I, 351.

Bladz. 20. v. 13.

Tilly

en Weimar, enz.

Gustaaf Adolf kwam om in den slag by Liitzen, waarby de overwinning aan zijne Zweden bleef (aquot;. 1632). Zijn kweekeling Hertog Bernhard van Saksen Weimar volgde hem op in het opperbevel, maar overleefde hem niet lang. Wallenstein intusschen werd (a0.1634), op vermoeden van verstandhouding met den vijand en verraad tegen den Keizer, te Eger in Bohemen heimelijk omgebracht. Onlangs ontdekte en uitgegevene oirkonden hebben de waarschijnlijkheid van het gevoelen bevestigd, dat er by den merkwaardigen man geen plan van verraad ooit bestaan heeft, maar dat het hooghartige van zijn karakter, gepaard met het raadselachtige dikwerf van zijne woorden en daden, zijnen persoonlijken vijanden recht te stade gekomen is, om zijne, zeker bevreemdende, werkeloosheid in Bohemen tegenover de Zweden aan misdadige verstandhouding te doen toeschrijven.

206

ocr page 215

TOELICHTINGEN.

Bladz. 20. v. 19.

het Graaflijk twintigtal, enz.

Engelbrecht, Graaf van Nassau-Dillenburg, Baron van Breda (overleden a0. 1504), is geweest een der voornaamste Nederlandsche Krijgshoofden en Staatslieden onder de regeeringen van Philips den Goede, Karei den Stoute, en Keizer Maximiliaan. Tot ridder van het Gulden Vlies geslagen, nam hy by die gelegenheid tot devies den uitroep: „Ce sera moi, Nassau!quot; Men vergelijke een kort opstel daarover in de Nederlandsche Stemmen, I. Nr. 8.

Van Graaf Johan, Engelbrechts broeder, stammen al de Nassaus van de Nederlandsche of Ottosche linie af. De poëzy blijft hier eerder beneden het cijfer der geschiedenis, wanneer zy hier slechts een twintigtal Nasaausche Graven vertoont, die in den tachtigjarigen krijg bloed en goed deels waagden, deels lieten, voor de zaak van Godsdienst en Vrijheid in Nederland. Men denke, nevens Prins Willem den Eerste, aan zijne vier broeders: de Graven Johan, Lodewijk, Adolf en Hendrik, allen behalve den eerstgenoemde op het slagveld gebleven, mitsgaders aan de zonen en kleinzonen zoo van dezen Graaf Johan (den Voorvader, in rechte mannelijke linie, van onzen regeerenden Koning) als van zijnen broeder, den grooten Zwijger: en vergelijke voorts de Bijschriften in mijne Zangen uit verschei-denen leeftijd (1847).

Bladz. 20. v. 26.

Beleid- en Krachtvol Krijger

Aan de groote verdiensten van Willem den Eerste, ook als Krijgshoofd, is op meer dan ééne wijze hulde gedaan door mijnen edelen vriend Mr. G. Groen van Prinsterer, zoo in zijn Handboek der Geschiedenis van het Vacjerland, als in zijne onschatbare Archives, en, by wijze van samentrekking, in de Redevoering over Willem I, uitgesproken by de Openbare Vergadering dei-Tweede Klasse van het Instituut, a0. 1842. Men zie voorts Bosscha t. a. p. Afd. Willem I en zijne broeders. Als toelichting van den naam van „zielvol Sprekerquot;, in het Dichtstuk aan den Prins gegeven, moge onder anderen eene belangrijke byzonderheid dienen in de evengemelde Redevoering van Groen (bl. 7 en 8) aangehaald, ten bewijze hoe de Prins met de kunst van zwijgen niet slechts de kunst van spreken vereenigde, maar ook in het byzonder de militaire welsprekendheid in hooge mate verstond.

207

ocr page 216

TOELICHTINGEN.

Bladz. 21. v. 25.

om Filips zijn Portugeeschen roof

Men herinnert zich den opmerkelijken samenloop van omstandigheden, waardoor de Nederlanders in het bezit gekomen zijn van de Oost-Indische vaart en handel, welke oorspronkelijk in de handen der Portugeezen waren geraakt. Ten jare 1580 was Filips die kroon van Portugal machtig geworden; ten jare 1594 sloot hy voor den Nederlandschen handel de havens zijner koninkrijken. De ondernemings-reizen, allereerst door het Noorden, naar Oost-Indie volgden.

Bladz. 22. v. 6.

van Keulens Zangzwaan, enz.

Ik heb elders met een woord opmerkzaam gemaakt op het schilderselement in Vondels dichtgenie, in verband met zijne Antwerp-sche afkomst. (Inleiding op Bilderdijks Epos, hl. 35, 36.) Een dergelijke verwantschap tusschen dicht- en schilderkunst deed Alexander von Humboldt uitkomen in eenige belangrijke bladzijden van zijnen Kosmos (II, 58—61) over Camoëns uitnemendheid als dichter-zeeschilder.

Bladz. 22. v. 11.

Een trits van Scholen, enz.

De Hoogeschool te Leyden door Prins Willem den Eerste, in 1575, die te Groningen door Graaf Willem Lodewijk in 1614, die te Utrecht door de Regeering der stad in 1636 gesticht.

Bladz. 23. v. 5.

geen zee meer wezen zal, enz.

Toespeling op Openb. XXI: 1.

Bladz. 25. v. 19 en volg.

Hy zingt: de donderkracht der stem van Mirabeau,

Ik had hier byzonder, schoon niet uitsluitend, voor den geest die laatste bladzijden der Girondins, waarin de dichterlijke Schrijver op eene eerlang zoo beteekenend gewordene wijze zijne uitkomsten

208

ocr page 217

I OELICHTINGEN.

openlegt, zoo met betrekking tot de mannen als tot de beginselen der eerste Fransche Revolutie. In den zin vooral van Lamartine verstaan, vatte men die woorden: „de deugd van Robespierrequot; niet al te zeer ironisch op. Maar ook van een geheel ander standpunt beoordeeld, zijn de gruwelijkste revolutionairen in Frankrijk niet altijd juist de ondeugdzaamste en zeker de consequentste geweest. In dat opzicht blijft ook heden ten dage de triumf der Jacob ij nen over de Gironde een veelbeduidende les in de geschiedenis. — Van die Gironde, voorts, is naar Lamartines opvatting Vergniaud een der aandoenlijkste hoofdpersonen geweest.

Bladz. 25. v. 24 en volg.

„De Omwentling! — min het bloed, dat de aarde heeft doorweekt]

„La démocratie (het zijn de eigene woorden van den Heer De Lamartine op het banket van Julij 1843 te Macon) a été terrible, débordée, anarchique, coupable prés 89. Mais ce n'était pas son règne alors, c'était sen laborieux enfantement.quot;

Bladz. 25. v. 35 en volg.

Beklagenswaardige veel meer nog, enz.

De treurige ontwikkelingsgang van Lamartines pantheïstisch (hy noemde het in zijn gesprek met Lady Stanhope zijn christelijk) rationalisme werd voor eenige jaren in de Nederland-sche Stemmen nagegaan in eene Beschouwing van onzen onver-getelijken W. De Clercq over den Franschen Dichter in het Oosten (Deel III. 104—107), en van my over zijne Chüte d'un Ange (VI. 257—262).

Bladz. 26. v. 32.

een mensch der zonde, enz.

Men zie 2 Thess. II en de Apocalypse van Johannes, in verband met Dan. II en VIL

Bladz. 27. v. 39 en volg.

Dat Woord — enz.

Het beginsel, dat de Machten uit God zijn, is wel niet by eenerlei regeeringsvorm, of wijziging van dien, beperkt. Het is even wezenlijk by eene republiek als by eene monarchie, by constitutioneele

m. 14

209

ocr page 218

TOELICHTINGEN.

regeeringsvormen als by de onmiddellijke Theocratie van Oud-Israél denkbaar, — die Theocratie, vaak zoo weinig gekend, zoo dwaas miskend, en zoo essentieel en praktisch verschillend van hetgeen men Oostersch Despotisme heet. Zie baar, tot een voorbeeld, op het stuk van volkskeuze! God-zelf roept en zalft zijnen knecht David; maar het orgaan dier keuze is straks ook de keuze door de Oudsten, door het volk. Hetzelfde laat zich op Christelijk-kei-kelijk terrein waarnemen in de oorspronkelijke inrichting der Gemeenten. De Gemeenten-zelve kiezen hare Ouderlingen en Diakenen! zal daarom hun ampt, gezag en roeping, niet meer zijn van God? Ik doe het met een woord opmerken, op dat blijke, hoe de vragen van den dag over Grondwet en regeeringsvorm voor de Christenen in geheel iets anders liggen, dan de vrees voor rechtstreeksche verkiezingen, of wat des meer zij

Bladz. 29. v. 23.

van de Oranje-Halcyon Het ijsvogeltje met de zinspreuk: Saevis tranquillus in u ndi s.

Bladz. 29. v. 29,

zinkend, — maar van overvloed!

Vergelijk Luc. V : 7b.

Bladz. 30. v. 7.

„Als de God der eere dondert Weerklank van het lied: de Stem des Heeren (blz. 15.)

Bladz. 30.

[aan koyer. Bekend is de naam van dezen Beeldhouwer, als aan wiens kunstrijke beitel ons Vaderland de standbeelden van Rembrandt, De Ruyter, Laurens Coster, quot;Willem II, Vondel en anderen verschuldigd is. Royer gaf een nieuw blijk van waardeering van Da Costa in het borstbeeld, dat hy van hem zeiven na zijn overlijden vervaardigde. Hy volgde sedert, kort na de oprichting en inwydiiic van zijn monument op Vondel, Da Costa in het graf.]

Bladz. 30.

[aan mijn zoon abraham. Niet oneigenaardig schreef Da Costi

210

ocr page 219

lp

TOELICHTINGEN.

dit gelegenheidsgedicht bij de opneming van zijnen zoon als lidmaat in de Waalsche Gemeente te Amsterdam oorspronkelijk ia het fransch, waarvan de mededeeling later volgt.]

Bladz. 31.

[de leeuw uit juda. Dit gedicht werd eerst in het Tijdschrift „De Vereeniging, Christelijke Stemmenquot;, geplaatst. Daarna werd het opgenomen in den Bundel Christelijke Gezangen der Hersteld-Evangelisch-Luthersche Gemeenten in Nederland.]

Bladz. 32.

[zit aan mijne bechterhand. Dit lied werd, gelijk vroeger reeds herinnerd werd, door den Dichter voornamentlijk vervaardigd om als aanvulling van zijn God met ons te dienen, en kwam met dien zang onder den titel van Lijden en Heerlijkheid met een Opdracht aan Beets in 't licht. Zie boven.]

Bladz. 44.

[uit Palestina. Dit gedicht werd voorafgegaan door de volgende:] OPHELDEKING.

Juda ben Samuël Hallevi (d. i. de Leviet), geboren in Castilië in 1105, bekleedt een der aanzienlijkste plaatsen in die merkwaardige opvolging van Spaansch-Hebreeuwsche Dichters, die van de tiende tot de vijftiende eeuw in het Schiereiland bloeiden. Hy is behalve door zijne talriike Gedichten ook nog in het bijzonder beroemd door zijn Khusari, een wijsgeerig Godgeleerden arbeid, dien hy oorspronkelijk in het Arabisch schreef. Het verhaal, in de volgende bladzijden berijmd, is eene Spaansch-Joodsche Legende, waarvan het onhistorische in de laatste tijden overvloedig aangewezen werd. Historisch intusschen, en eigenlijk ruim zoo dichterlijk als de Legende, blijft in elk geval de ondernomen bedevaart van den Dichter naar het land zijner vaderen, onder hoogst belangwekkende ondervindingen en wederwaardigheden, schoon het hem niet te beurt viel Palestina-zelf te bereiken. Zie van hem mijn Israël en de Volken, blad. 278—281.

[En besloten door de volgende

aanteekeningen.

Bladz. 44. v. 11.

met Englands leeuwen

211

ocr page 220

TOELICHTINGEN.

regeeringsvormen als by de onmiddellijke Theocratie van Oud-Israél denkbaar, — die Theocratie, vaak zoo weinig gekend, zoo dwaas miskend, en zoo essentieel en praktisch verschillend van hetgeen men Oostersch Despotisme heet. Zie haar, tot een voorbeeld, op het stuk van volkskeuze! God-zelf roept en zalft zijnen knecht David; maar het orgaan dier keuze is straks ook de keuze door de Oudsten, door het volk. Hetzelfde laat zich op Christelijk-ker-kelijk terrein waarnemen in de oorspronkelijke inrichting der Gemeenten. De Gemeenten-zelve kiezen hare Ouderlingen en Diakenen! zal daarom hun ainpt, gezag en roeping, niet meer zijn van God? Ik doe het met een woord opmerken, op dat blijke, hoe de vragen van den dag over Grondwet en regeeringsvorm voor de Christenen in geheel iets anders liggen, dan de vrees voor rechtstreeksche verkiezingen, of wat des meer zij

Bladz. 29. v. 23.

van de Oranje-Halcyon Het ijsvogeltje met de zinspreuk: Saevis tranquillus in u n d i s.

Bladz. 29. v. 29,

zinkend, — maar van overvloed!

Vergelijk Luc. V : 7b.

Bladz. 30. v. 7.

„Als de God der eere dondert Weerklank van het lied: de Stem des Heeren (blz. 15.)

Bladz. 30.

[aan eoyeb. Bekend is de naam van dezen Beeldhouwer, als ann wiens kunstrijke beitel ons Vaderland de standbeelden van Kern-brandt, De Ruyter, Laurens Coster, Willem II, Vondel en anderen verschuldigd is. Royer gaf een nieuw blijk van waardeering van Da Costa in het borstbeeld, dat hy van hem zeiven na zijn overlijden vervaardigde. Hy volgde sedert, kort na de oprichting en inwijding van zijn monument op Vondel, Da Costa in het graf.]

Bladz. 30.

[aan mijn zoon abraham. Niet oneigenaardig schreef Da Costa

210

ocr page 221

TOELICHTINGEN.

dit gelegenheidsgedicht bij de opneming van zijnen zoon als lidmaat in de Waalsche Gemeente te Amsterdam oorapronkelijk in het fransch, waarvan de mededeeling later volgl.]

Bladz. 31.

[de leeuw tjit juda. Dit gedicht werd eerst in het Tijdschrift „De Vereeniging, Christelijke Stemmenquot;, geplaatst. Daarna werd het opgenomen in den Bundel Christelijke Gezangen der Hersteld-Evangelisch-Luthersche Gemeenten in Nederland.]

Bladz. 32.

[zit aan mijne bechteehanu. Dit lied werd, gelijk vroeger reeds herinnerd werd, door den Dichter voornamentlijk vervaardigd om als aanvulling van zijn God met ons te dienen, en kwam met dien zang onder den titel van Lijden en Heerlijkheid met een Opdracht aan Beets in 't licht. Zie boven.]

Bladz. 44.

[uit Palestina. Dit gedicht werd voorafgegaan door de volgende;]

opheldering.

Juda ben Samuel Hallevi (d. i. de Leviet), geboren in Castilië in 1105, bekleedt een der aanzienlijkste plaatsen in die merkwaardige opvolging van Spaansch-Hebreeuwsche Dichters, die van de tiende tot de vijftiende eeuw in het Schiereiland bloeiden. Hy is behalve door zijne talrijke Gedichten ook nog in het bijzonder beroemd door zijn Khusari, een wijsgeerig Godgeleerden arbeid, dien hy oorspronkelijk in het Arabisch schreef. Het verhaal, in de volgende bladzijden berijmd, is eene Spaansch-Joodsche Legende, waarvan het onhistorische in de laatste tijden overvloedig aangewezen werd. Historisch intusschen, en eigenlijk ruim zoo dichterlijk als de Legende, blijft in eik geval de ondernomen bedevaart van den Dichter naar het land zijner vaderen, onder hoogst belangwekkende ondervindingen en wederwaardigheden, schoon het hem niet te beurt viel Palestina-zelf te bereiken. Zie van hem mijn Israël en de Volken, blad. 278—281.

[En besloten door de volgende

aanteekeningen.

Bladz. 44. v. 11.

met Englands leeuwen

211

ocr page 222

TOELICHTINGEN.

Drie leeuwen of luipaarden (lions passants of léopardés) maken nog heden een der quartieren van Engelands wapen uit, thands eigenlijk een combinatie van de twee leeuwen van Nor-mandije met dien van Guienne, na dat laatstgemeld Hertogdom door een tweede huwelijk van Eleonora, gescheidene Gemalin van Lode-wijk VII van Frankrijk, gekomen was aan Hendrik Graaf van Anjou, Eoning van Engeland, den vader van Richard Leeuwenhart.

Bladz. 44. v. 25.

De toon van Clermont was gedaald.

De drift, waarmede op de groote Europeesche vergadering te Clermont ten jare 1095 de kruistocht juichend ondernomen werd (Dien le veut! Dieu le vent!) was reeds binnen de eerste halve eeuw vrij wat verflauwd.

Bladz. 44. v. 28.

naar leenrecht uit het West!

Na de verovering van het H. Graf door Godfried van Bouillon, werden de dusgenaamde Assises de Jérusalem door de Vorstelijke kruisvaarders saamgesteld, eene wetgeving geheel op het toenmaals in Europa heerschend leenrecht gegrond. De Koning van Jerusalem (een titel, dien Godfried weigerde te diagen ter plaatse waar de Heiland eenmaal de doornenkroon had gedragen, doch dien Godfrieds minder kiesche broeder en verdere opvolgers geene zwarigheid maakten aan te nemen) was de Opperleenheer der nieuwe Oostersche verovering, — Edessa, Tripolis, Antiochië vormden leenroerige Graafschappen en Vorstendommen. De beide eerste Vorsten van Jerusalem noemden zich-zelveLeenmannen van hetH. Graf.

Bladz. 44. v. 30.

het zwaard op zij, verplegende haar kranken.

Zoowel de orde der Tempelieren, als die der Ridders van St. Jan van Jerusalem (later van Malta), verzorgden oorspronkelijk hospitalen, waarin voornamelijk kranke bedevaartgangers werden opgenomen.

Bladz. 44. v. 34.

van 't Noorden was Edessa reeds ontvallen;

Edessa in Mesopotamië, door Boudewijn, Godfrieds broeder,

212

ocr page 223

TOELICHTINGEN.

a0. 1097 ingenomen, en beachouwd als de noordoostelijke voormuur van Jerusalem, viel a0. 1144 te rug in de handen der Muselmannen.

Bladz. 44. v. 36.

geleverd, maar geen taal zelfs van Bernard

De Abt Bernard van Clairvaux, de laatste der Kerkvaders geheeten, een der uitnemendste mannen van zijnen tijd, predikte met grooten ijver de tweede kruisvaart, aan welker hoofd zich stelden Keizer Koenraad van Zwaben en Koning Lodewijk VII, bijgenaamd de Jonge, van Frankrijk. Het ongelukkig gevolg van dezen kortstondigsn tocht (a0. 1147—1149) verlamde voor langen tijd alle geestdrift voor de zaak in Europa, tot dat de herovering van Jerusalem door de ongeloovigen die voor een poos weder deed opwakkeren en den derden kruistocht ten gevolge had, onder Keizer Frederik I Barbarossa, Koning Richard Leeuwenhart van Engeland en Koning Philippus Augustus van Frankrijk, evenzeer ongelukkig afgeloopen.

Bladz. 45. v. 2.

Weldra — en zelfs de hoofdstad gaat bezwijken.

A». 1187.

Bladz. 46. v. 2 Daar staat by voor de Benjaminsche poort.

Een poort aan de oostzijde van Jerusalem door Arculfus in de zevende eeuw met dien naaam aangeduid, thands de Bab Sitti Marjam, volgens Dr. E. G. Schultz in zijn Jerusalem, hl. 51.

Bladz. 46. v. 26.

voor eeuwen Isrels zon deed ondergaan;

Het treurlied: Esch Tukad, waarvan hier een vrije, maar aan de hoofdgedachten getrouwe overbrenging volgt, wordt op den vastendag' wegens Jerusaleins verwoesting nog jaarlijks in alle Synagogen aangeheven. Behalve het gedurig contrast, dat de Dichter tracht te doen uitkomen in allerlei meer of min ter zake dienende byzonderheden tusschen de heucheüjke uitleiding uit het diensthuis en den dag van Jerusalems ondergang, valt nog op te merken, tot beter verstand van het lied, dat de overlevering der Joden ééne zelfde dagteekening geeft aan de verwoesting der stad door Nebucad-

213

ocr page 224

TOELICHTINGEN.

nezar, en die door Titus, mitsgaders aan den beslissenden slag die het Joodsche volksbestaan, na den opstand van Bar-Cochba, onder keizer Hadrianus trof.

Bladz. 48. v. 21.

ach heir van smalende Edomieten!

De naam, dien de Joodsche Schriftgeleerden aan de Romeinen plegen te geven.

Bladz. 48. v. 30.

Pompejus, Titus, Hadriaan!

Ik voegde by de combinatie van Nebucadnezar, Titus en Hadriaan des Hebreeuwschen Dichters, nog de namen van Tiberius, Cajus Cesar (Caligula) en Pompejus; den eerste en den tweede, wegens het geweld, waarmede zy den Joden het plaatsen van 's Keizers beeld in den Tempel, vruchteloos evenwel, zochten op te dringen; den derde, omdat onder hem het allereerst de Romeinen Jerusalem vermeesterden en tot in het Allerheiligste doordrongen (a0. 63 vóór Chr.).

Bladz. 49. v. 32.

„Verworpen Jood of Kelb?

Kelb, d. i. hond, is de scheldnaam, waarmede de Muselman by voorkeur den Christen begroet; de Jood is hem meer bepaald een vervloekte.

Bladz. 50. v. 3.

„Hoor, Israël!quot;

214

De uitroep in Deuteronomium (VI : vs. 4), die in de onderscheidene liturgiën der Joden telkens te rug keert.

Bladz. 50.

[ter geiegbnheid der jubel-feestviering van het zendelinggenootschap. Deze en andere zulke zendelings-liederen meer werden vervaardigd op byzonder verzoek van Ds. W. Jamieson, predikant der Engelsch-Episcopale kerk te Amsterdam. Ook deze in al wat Nederland betreft, in zijne geschiedenis en

ocr page 225

TOELICHTINGEN.

letterkunde innig belangstellende Broeder uit den vreemde, mocht in de hartelijkste vriendschap van Da Costa deelen, was steeds een getrouw bijwoner zijner voorlezingen en liet ook in zijn eenigs-zins gebroken Neêrduitsch zijne stem op treffende wijze bij des Dichters graf hooren. Ook hij ontviel sedert zijn treurende gemeente en talrijke vrienden door den dood.]

Bladz. 52.

[Roem dek hope. Dit vertolkte gedicht, iu het oorspronkelijke het werk van Louisa Henriette, Keurvorstin van Brandenburg, werd mede in den gezangbundel der Hersteld-Evangelisch-Luthersche gemeenten opgenomen.]

Bladz. 53.

[kouw en trouw. Dit lijkgedicht bij den dood van koning Willem II werd het eerst in het Dagblad het Handelsblad van den 5den April 1849 geplaatst.]

Bladz. 57.

[elisabeth. Vervaardigd op verzoek van den uitgever Kruseman om opgenomen te worden in den Dichtbundel „Bijbelsche Vrouwen.'']

Bladz. 64.

[aan m. e. de cleecq. De jonge Belijderesse hier bezongen was eenige dochter van des Dichters boezemvriend W. De Clercq. Latei-werd zij door den echt verbonden met den heer A. Gildeineester, zoon van den heer en mevrouw Gildemeester-Boissevain, mede aan De Clercq verwant, en met Da Costa steeds op den voet der innigste vriendschap verbonden.]

Bladz. 64.

[uit Portugal. Dit gedicht werd opgenomen in de Hesperiden met de volgende

TOELICHTINGEN:]

Bladz. 64. v. 29.

sprak Don Sebastiaan,

Don Manuel, bygenaamd de gelukkige, werd op den troon van Portugal (in 1521) opgevolgd door zijn' zoon D. Johan III, die

215

ocr page 226

TOELICHTINGEN.

al de zes Infanten zijne zonen overleefde, en (in 1557) ten opvol ger had zijn driejarigen kleinzoon Don (in het Portugeesch: Dom) Sebastiaan. Het is deze vorst, wiens avontuurlijke tocht tegen den koning van Fez en Marokko (in 1578) den ongelukkigen uitslag had, waaruit geboren werd de welbekende sage, waar het dichtstuk in eindigt.

Bladz. 65. v. 3.

„Voor 't bloed waarop dit wapen wijst.

Het wapen van Portugal bestaat uit vijf kruiswijs geplaatste schildjes, voerende elk op een veld van lazuur vijf hezanten van zilver, met een stip in het midden, ter voorstelling van de vi^f wonden des Heilands.

Bladz. 65. v. 10.

des Konings moeder meê.

Eigenlijk 's konings grootmoeder Dona Catharina, eene zuster van keizer Karei V, weduwe van Don Johan III, en moeder van den Infant Don Johan, Sebastiaans vader. Haar ernstige waarschuwing tegen den Africaanschen tocht, en haar overlijden vóór de uitvoering daarvan, zijn beide historisch.

Bladz. 65. v. 28.

„een bruid aan 's konings zij.quot; —

Daar was vroeger sprake geweest van een huwelijk met Margareta van Valois, dochter van Koning Hendrik II van Frankrijk, later met eene Infante, dochter van koning Filips II van Spanje, doch Don Sebastiaan wilde elke onderhandeling over dit punt uitgesteld hebben tot na den uitslag van zijne geliefkoosde onderneming.

Bladz. 66. v. 22.

de Infant van Portugal,

Koning Manuel had, behalve zijnen opvolger Don Johan III, nog onderscheiden andere zonen, van welke de laatst overgeblevene, Don Henrik, Roomsch Cardinaal geweest is. Ook hy, vroeger Sebastiaans voogd en Regent des rijks, had zich met kracht tegen den Africaanschen tocht verklaard, en deswege het hof verlaten. De dood van Don Sebastiaan bracht dezen prins (bekend onder den naam van den Cardinaal-koning) op den Portugeeschen troon (1578—1580).

216

ocr page 227

TOELICHTINGEN.

Bladz. 66 v. 35.

„Ouriques

By Ourique won (in 1139) graaf Alfonsus, zoon van Hendrik van Bourgondië, den slag op de Mooren, die Portugal voor altijd van hunne heerschappy bevrijdde, en een onafhankelijk koningrijk deed worden, door Alfonsus nazaten in de manlijke lijn tot in onze eeuw bezeten.

Bladz. 68. v. 2,

„Algibarrota ons,

De slag van Algibarrota (doorgaans Aljubarrota) door de Portugeezen onder hunnen koning Johan I gewonnen (in 1385], bevrijdde dat rijk van de aanspraak door den koning van Castilië gemaakt; de slag van Toro (in 1476) door Ferdinand en Isabella gewonnen, maakte op gelijke wijze een eind aan de door koning Alfonsus V van Portugal gesteunde eiscben op Castilië, ten behoeve van Dona Johanna, koningin Isabellaas halve zuster, die hy in dat belang meende te huwen.

Bladz. 68. v. 28.

„en 't Barbarijsche zand!

Toen de uit Castilië in 1492 verdreven Joden een schuilplaats gezocht en aanvankelijk gevonden hadden in Portugal, werden vervolgens wederom, op bevel van denzelfden koning Don Johan II, sommigen hunner wreedaartig behandeld, en, met of zonder hunne kinderen, naar de pas ontdekte St. Thomas- en andere eilanden, en naar de kusten van Noord- en West-Africa, verwezen.

Bladz. 69. v. 24.

van zijn doorluchtigst bloed. ■

Koning Philips, die overigens den tocht ernstig had afgeraden, zond zijnen neef, den koning van Portugal, eenige hulpbenden onder bevel van Don Alonso de Aguilar, insgelijks by Alcazarkebier gesneuveld.

Bladz. 70. v. 4.

met streep of barensteel; —

De dwarsche streep over het schild kenmerkt geboorte bui-

217

ocr page 228

TOELICHTINGEN.

en het huwelijk, — de barensteel op het schild boven de stukken duidt een jongeren familietak aan.

Bladz. 71. v. 8.

bepleit door Alvaas zwaard.

Van de vele mededingers tot de opvolging na den dood van den Cardinaal-koning werd ten slotte de zeer ongelijke kamp alleenlijk gevoerd tusschen koning Filips van Spanje, kleinzoon van Don Manuel door zijne moeder de keizerin, en Don Antonio den Prior do Crato, insgelijks koning Manuels kleinzoon uit diens vroeger gestorven zoon D. Luïz. Had Don Antonio een wettig huwelijk zijns vaders met zijne moeder Violante Gomez kunnen bewijzen, zoo was zijn recht ontwijfelbaar. In elk geval beslisten de wapenen ter gunste van den koning van Spanje by Alcantara, alwaar de nederlaag, dooiden uit Nederland laatstelijk wedergekeerden hertog van Alva aan Don Antonio toegebracht, verpletterend was (in 1580). Voor eenige voortreffelijke bladzijden in haren meesterlijken Alva, leverde ook nog deze laatste tocht van den befaamden krijgsman aan Mevr. liosboom-Toussaint de stof.

Bladz. 71. v. 28.

een laatste rustbed bood!----

Historisch.

Bladz. 72. v. 7.

door spot en Inquisitievuur:

De Inquisitie beschouwde en strafte het Sebastianismus als een aan Joodsche dwalingen verwant Chiliasmus. En inderdaad, het Joodsch-Christelijk element is in geheel deze vreemdsoortige, maar historisch en menschkundig zoo wel verklaarbare verwachting niet te miskennen. Een gedeelte der (nog heden bestaande) Sebastianisten in Portugal, verwacht niet alleen over dat rijk, maar over geheel de wereld de monarchy van dien Vorst. Een belangrijk bericht over de secte en hare zoo wel godsdienstige als politieke beteekenis gaf in het begin dezer eeuw Joseph Augustin de Macedo onder den titel van „Os Sebastianistas,quot; waarvan eene uitvoerige mededeeling (dooide hand van Bilderdijk) te vinden is in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1810, bl. 635—644.

218

ocr page 229

TOELICHTINGEN.

[Op bladz. 70 maakt de Dichter melding van het wapen van de Da Costa's:

Der Costaaa zilvren beenderen, enz.

Men kent den fleren roem, dien Da Costa steeds op den oorsprong van zijn eigen, zoowel als van het geslacht zijner gade uit het edele Spaansch-Joodsche bloed der Da Costa's en Belmontes droeg Nog in zijne jongste levensdagen wijdde hij aan dit onderwerp, in verband met andere onderzoekingen van genealogischen en heraldi-schen aard, de Spaansch-Joodsche uitgewekenen ten onzent betreffende, in onderscheidene artikelen, in den „Navorscherquot; opgenomen, menige bladzijde.]

Bladz. 73.

[ter zilveren bruiloft van den weleerw. heer .t. b. h. bruinier. De bezongen leeraar was Predikant bij de Hervormden te Amsterdam, en overleed aldaar in den jare 1856. Da Costa waardeerde in hem den voormaligen Akademiebroeder, zoowel als den getrouwen geloofsverwant en medestrijder op het gebied zijner overtuiging in het stuk van godsdienst.]

Bladz. 73.

[feestzang tbr gelegenheid der viering van het vijftig-jarig

h00glee1ïaarsambt van mr. d. j. van lennep. Dit dichtstuk werd

21»

voorgedragen op den feest- en eeremaaltijd des jubelenden Hoogleeraars, waaraan Da Costa mede aanzat. (*) De Schrijver dezer aan-teekeningen herinnert zich dit gedicht nog eenmaal, op verzoek, door den Dichter te hebben hooren voordragen bij eene Vriendenbijeenkomst ten huize van Mevrouw de Douairière Calkoen- Van de Poll, boven reeds vermeld, waarop ook Mr. D. J. Van Lennep tegenwoordig was. De lezing van het gedicht werd opgevolgd door eene warme uitboezeming van den dankbaren leerling aan den hoog-vereerden leermeester in welsprekend proza, dat door dezen in gelijken geest en toon beantwoord werd. Voor de deelnemende oog-en oorgetuigen had deze jongste zamenkomst (wellicht) van beide aan den avond van beider leven een aandoenlijk belang. Ook Mr. J. Van Lennep, de zoon des Bezongenen, was onder de gasten, hij, met wien Da Costa mede door banden van dichterlijke en

{*) Zie de schets getiteld: „Het vijftigjarig Hoogleeraarambt van Mr. D. J. van Lennep, gevierd enz,quot; Amst. Fr. Muller, 1850.

ocr page 230

TOELICHTINGEN.

vriendschappelijke waardeering van jongsaf verbonden was en bleef. Ook dezes Dichters luit verstomde sedert, evenals des anderen harp, door den dood, a0 1868.]

Bladz. 78.

[by een afbeelding van het graf van voltaike. Dit gedichtje werd vervaardigd om te dienen als Bijschrift van ééne uit een viertal steendrukplaten, voorstellende het graf van Voltaire, uitgegeven bij J. L. Van der Vliet te 's-Hage. De andere stelden voor de graven van Napoleon, Frederik den Groote en Chateaubriand, waarbij poëzy gevoegd was van de dichters Tollens, Withuijs en Van ■ Lennep.]

Bladz. 79.

[„men hoeft van groenlands bergen.quot; Dit lied werd vervaardigd op verzoek van Ds. Jamieson, voor een bidstond voor de Evangelische zending onder de Heidenen. Zie boven.]

Bladz. 81.

[ter nagedachtenis van herman gildemeester. Deze veelbelovende jonge man, zoon van den Heer H. D. Gildemeester-Boissevain, werd op een tocht naar St. Francisco in Califoruië door den dood weggenomen. Verloofd met eene dochter van den bekenden Geneefschen Christenprediker en zanger César Malan, (thans Mevrouw Scharff te New-York) werd daardoor dit sterfgeval dubbel aandoenlijk, gelijk dan ook de Dichter daarop zinspeelt.]

Bladz. 81.

[aan israëls verstrooiden. Dit gedicht is vóór het boekwerk: Israël en de Volken, uitgegeven bij de Erven F. Bohn te Haarlem 1848, te vinden. Eene Duitsche vertaling er van volgt later.]

Bladz. 83.

[by ben dood van het jongste kind van onze vrienden gregory pierson-oyens. Dit lief, maar bevallig lijkgedichtje werd geschreven ter vertroosting van dierbare vrienden, den Heer en Mevrouw Gregory Pierson-Oyena, met wie Da Costa gedurende vele jaren op het innigste vertrouwd was en tot zijnen dood toe bleef. Wat de betrekking nog te inniger maakte, was de belangstelling, die met name Mevrouw Pierson steeds door woord en daad iu de

220

ocr page 231

TOELICHTINGEN.

zending onder Israël betoonde, gelijk in het algemeen haar talent als stichtelijke schrijfster, vooral ten behoeve der jeugd, door Da Costa hoog gewaardeerd werd. De indruk, door dit veelvuldig verkeer des Dichters ten huize zijner ouders met name op hunnen zoon Dr. A. Pierson gemaakt, blijkt, bij groot verschil overigens in inzicht en gevoelens, uit des laatsten Intimis op eene meesterlijk geschrevene bladzijde ter herinnering van Da Costa, op sterk-sprekende wijze. Zie Intimis. Mededeelingen door Dr. A. Pierson blz. 28 en 29. Vergelijk ook de schoone en warme Gedachtenisrede, door den jonger vriend aan den hoogvereerden zanger, bij de vijfde verjaring van zijnen sterfdag, gewijd onder den titel van Isaac Da Costa, een gedenkrede, 1865.]

Bladz. 85.

[aan jonkveouwe esthee capadose, dochter van Dr. Abraham Capadose, thans echtgenoote van Ds. Bervoets, Predikant te Utrecht.]

Bladz. 85.

[Deze bede, in des Dichters nagelaten papieren niet voorhanden, werd mij in Da Costa's onmiskenbaar handschrift door de goedheid van Mr. H. J. Koenen, medegedeeld. Het heeft mij echter niet mogen gelukken het oorspronkelijke in Byrons werken te vinden.]

Bladz. 86.

[het wooed tot tyrus. Dit gedicht werd uitgegeven in de Hes-periden, met de volgende:]

aanteekeningen.

Bladz. 86. v. 11.

De boorden van Uw kiel zijn van cypressenhout, —

Dat by deze beschrijving het schip zelve van Staat verstaan moet worden, en geen stoffelijk vaartuig, is uitvoerig aangetoond door Van der Palm op dit Hoofdstuk.

Bladz. 86. v. 15.

kunstkeurig ingelegd uit Chittim.

Italië en de eilanden in de nabijheid.

221

ocr page 232

TOELICHTINGEN.

Bladz. 86. v. 20.

uit kroost van Arvad Het eiland Aradus op de PheniciscLe kust.

Bladz. 86. v. 35. met muildier beide en paard, waarvoor u Dedan Een eiland in den Perzischen zeeboezem.

Bladz. 87. v. 1.

Een ander Dedan Een Idumeesche stam.

Bladz. 87. v. 9.

üit Aram

Syrië en haar hoofdstad Damascus, vs. 16 en 18.

Bladz. 87. v. 10. en 't fijnste druivenbloed, dat Chelbons Volgens sommigen, het hedendaagsche Aleppa.

Bladz. 88.

[uit miltons verloren paradijs. Deze en al de volgende vertolkingen uit Homerus, Tasso en Gothe werden vervaardigd om te dienen op de Vrijdagsche Voorlezingen.]

Bladz. 88.

[des bugels verhaal. Voor deze vertolking plaatste de Dichter de volgende:]

toelichting.

Overeenkomstig Epische schikkingskunst, waarvan reeds de Dichter der Odyssea het voorbeeld gaf, heeft ook Milton in het midden der Twaalf Zangen van zijn Verloren Paradijs een plaats gevonden voor de dingen, die zijn eigenlijk onderwerp in orde van tijd of noodzakelijkheid voorafgingen. Hy laat die door den Engel Raphael aan het eerste menschenpaar verhalen, en daaron-

222

ocr page 233

TOELICHTINGEN.

der dan ook de geschiedenis der Schepping, die het zevende boek van zijn onsterflijk Dichtstuk bijna geheel (v. 180—640) vervult.

Bladz. 110.

[ue chaos en het licht. Dit halve-eeuws-lied werd voorgedragen in het Odeon met een weldadig doel. Het werd later in de Politieke Poëzy gedrukt met de volgende:]

vookeede.

De tijd, in welken wy leven, ofschoon in de meeste zijner richtingen meer stoffelijk gezind dan dichterlijk gestemd, heeft evenwel al ware het slechts door zijn rusteloos streven en jagen eene hoogst dichterlijke zijde. Geen dag wellicht gaat er voorby, geen dagblad komt ons voor oogen, of daar is overvloed van aanleiding tot poëtische opvatting, van stof tot poëtischen zang. Treurzang of triumfzang? Het hangt af van het standpunt der beschouwing. Treuren triumfzang evenzeer! daar, waar het standpunt niet bloot de individueele gissing van den Dichter is, maar, aangegeven door het woord van God-zelven met betrekking tot de toekomst der wereld, van uit zijne objectieve vastigheid, op een licht- en troostvol verschiet wijst by de sombere gewaarwordingen zoo voor het naast op handen, als van het tegenwoordige oogenblik.

Het was dit standpunt, dat in het jaar 1840 my den eersteling in de pen gaf van hetgeen men, sedert, mijne politieke poëzy heeft goed geacht te noemen: de Vijf en twintig jaren, waarvan later het Lied des Wachters en dat van: 1648 en 1848 een soort van Tweede en Derde Zang zijn geweest. En ik had het misschien wel by dit drietal voor altoos laten blijven, ondanks da voortgaande en steeds nieuwe zich opvolgende bewegingen in de onderscheidene afdeelingen en elementen der maatschappij, dor menschheid, der Christenheid. Doch voor welken Dichter, die zich eenmaal op deze baan geplaatst 'zag, zou het jaartal, dat wy schrijven, niet iets byzonder opwekkends hebben gehad tot het werpen op nieuw van een blik op den gang der tijden, en het wedergeven van den diepen indruk daarvan in een Lied? Het vijftigste jaar der Eeuw kon alzoo wel niet onbezongen blijven; aan stof althands van buiten, aan eenige beweging inwendig, ontbrak het daartoe nog niet.

De vrucht dezer aandrift deel ik, by de snelle vlucht van dagen en gebeurtenissen zonder veel uitstel aan belangstellenden in deze

223

ocr page 234

TOELICHTINGEN.

mijne latere dichterlijke voortbrengsels mede. De Chaos en het Licht is op nieuw een Lied van den tijd en van de toekomst, dat intusschen van zijne drie voorgangers, zoo ik acht, in vorm en samenstel nog al eenigszins verschilt. Stelde toch het Lied van 1840 ons achteréénvolgens enkele sterk uitkomende oogenblikken in de geschiedenis van Europa en van de Christenheid voor; doorliep het Lied des Wachters in 1847 niet zoo zeer de dagen reeds achter ons, als wel de toestanden der voorname Europeesche Staten, en de teekenen van de tijden zoo in het Zuiden als in het Noorden, zoo in het Oosten als in het Westen, gelijk zich die op dat oogenhlik aan het oog des beschouwers vertoonden; — plaatste een later Dichtstuk tegen over elkander het tijdvak in 1648 besloten, en dat hetwelk met 1848 geopend werd; — het vers dat thands met den titel van Halveeeu ws-lied in het licht treedt, laat zijne voorstelling der naderende toekomst van een eenigszins anders ingerichte inleiding voorafgaan. Ten behoeve eener zuivere opvatting van den samenhang in dit gedeelte des Dichtstuks, is wellicht een woord van voorkomende opheldering hier niet overbodig.

Drie onderscheidene stemmen, die geen van allen de verwachting van den Dichter-zelven uitdrukken, gaan de ontwikkeling zijner eigene overtuigingen in dezen zijnen nieuwen Tijdzang vooraf.

De eerste stem geeft het denkbeeld te rug dergenen, die de tegenwoordige schuddingen in de politieke en sociale wereld als de onfeilbare voorboden beschouwen van eene algeheele vernietiging der wereldbeschaving, van een te rug vallen tot een volstrekten staat van barbaarschheid, by de volken van Europa althands. Dat het gevoelen, door deze stem vertegenwoordigd, niet bloot die eener overdrevenheid van angst wegens de verschijnselen van het oogen-blik, en nog veel minder die der onbedrevenheid in de geschiedenis der volken en der wereld is, kan blijken, onder anderen, uit een veel beteekenend woord, eenige jaren geleden reeds door den beroemden Niebuhr geuit: „dat wv, zoo God het niet als door een wonder verhoedt, te wachten hecben een verstoring, gelijk aan die, welke de Romeinsche wereld onderging in het midden van de derde eeuw onzer jaartelling; eene vernietiging van alle welvaart, vrijheid, beschaving en wetenschap.quot; (1)

224

Do tweede stem in het Dichtstuk erkent het gevaar, in de eerste afgeschilderd, als dreigend maar niet onafweerbaar. Zy wil

1

Römlsche Oeschlülite, II Pref. p. V.

ocr page 235

TOELICHTINGEN.

het middel van bewaring en redding in een krachtig stuiten van den loop der eeuwbewegingen, in een toevlucht nemen tot de meest consequente vormen van een onbepaalde Alleenheersching, gezocht hebben: zy stelt een soort van ideaal daartoe voor: het gebied van den Russischen Czaar.

Tusschen deze beide uitersten: van een pessimisme zonder eenig uitzicht van latere oplossing of herstel, en de wanhopige hoop op een Asiatisch absolutisme, plaatst zich dan vervolgens, als derde stem, die van het juiste midden, hetwelk zich met betere uitkomsten voor beschaving en menschheid uit de woelingen van dit tijdvak blijft vleien, en zich de gevaren van het oogenblik öf vergoelijkt door het denkbeeld, dat het ten allen tijde met de menschheid wel zoo wat meer of min als in onzen tijd gegaan is, en alles ten slotte zonder schipbreuk, veel min ondergang der maatschappij, wel zal te recht komen.

Ik vlei my, dat in het Dichtstuk aan de vertegenwoordiging dei-drie opgenoemde gevoelens niets in den mond gelogd is, dat de voorstandera daarvan niet geredelijk zouden erkennen, in substantie hunne gedachten uit te drukken; ofschoon dan ook hier en daar de wijze of de toon der uitdrukking van een zekere ironie niet moge vrij zijn, die het doet gevoelen, dat de Dichter in die stemmen alles behalve zijne eigene overtuigingen heeft nedergelegd.

Doch ofschoon dan ook het standpunt en de uitzichten, daarin ontwikkeld, wat de laatste resultaten betreft, in lijnrechten strijd zijn met hetgeen de tweede Afdeeling van het vers als de innige geloofsovertuiging van den Dichter-zelven hier op nieuw te kennen geeft, uit één zet, .en belijdt, zoo is het er evenwel ver van daan, dat van de onderscheidene by zon der he de n, in de drie stemmen opgenomen, niet nog veel zoude overblijven, waarvan öf het feitelijk bestaan zonder bedenking erkend, öf zelfs de beschouwing, als op zich-zelvè juist eq waar, toegestemd moet worden. Het is met deze stemmen gelegen (indien de vergelijking ter opheldering geoorloofd is) als met de redenen der vrienden van Job in het Bijbelboek van dien naam, wier verkeerde beschouwing van het eigenlijke vraagpunt niet verhindert, dat hunne redenen eene menigte van groote waarheden bevatten en uitdrukken, die door niemand mogen worden gewraakt of als onnut ter zijde gesteld.

Ik heb met deze toelichting van een nog ongelezen Dichtstuk het (erkend) min dichterlijke van een soort van commentarie op eigen arbeid misschien reeds veel te ver gedreven. Toch mag ik lil. is

225

ocr page 236

TOELICHTINGEN.

het my-zelven niet te zeer verwijten, verlangend als ik was om by slechts eenigszins te vreezen onduidelijkheid of misverstand, al het mijne te doen om, in eene eerste plaats ten aanzien der zaken-zelve, begrepen te worden. Ook hierin ga ik liefst uit van het beginsel, dat, waar ook anders de spreuk moge gelden: „de kunst alleen om de kunst!quot; op het terrein van poëzy, my aangewezen, de Dichter zich de bij ten voorbeeld mag stellen, die haar zeshoek van was niet bouwt om de schoone regelmatige figuur-zelve, maar om de eetbare honig, die het hare bestemming is daarin neder te leggen.

Eenmaal dan nu my zoo ver ingelaten hebbende met de toelichting van samenstel en bedoeling ten aanzien van het Dichtstuk in zijn geheel, zal ik my wel minder behoeven te verschoonen wegens het geven van opheldering omtrent enkele byzonderheden. Ik meen, in elk geval, dat er van déze laatsten slechts zeer weinigen zijn, die hier dergelijke uitlegging vorderen. De meeste feiten, quot;waarop het Dichtstuk zinspeelt, zijn van de meest openbare bekendheid. De volgende plaatsen alleen schijnen my tot eenige herinnering of verklaring te noodigen.

Hetgeen op bl. 112 van de spanning tusschen ,Israëliër en Duit-scherquot; gezegd is, ziet op het wèl bekende deel, dat een' aantal zich by uitnemendheid verlicht noemende Israëliten aan de jongste woelingen in Duitschland op meer dan ééne wijze genomen hebben. Men mag daarby intusschen niet vergeten, dat zich ook in de rangen van het Behoud meer dan één Israëlitische naam onderscheiden heeft, zeer bepaaldelijk in Hongarijë: maar vooral mag hier herinnerd worden, met hoe weinig wederzijdsche trouw den Israëliet, hetzij in Duitschland, hetzij in Frankrijk, zijne aansluiting ook aan de partij der omverwerping vergolden pleegt te worden. Men vergelijke voorts over deze aangelegenheid mijn Overzicht van de Geschiedenis der Joden (IVe Boek bl. 531 en volg.) Aangaande verder hetgeen ter zelfder plaats in het Dichtstuk omtrent de zendelingen van den verdelgenden Omwentelingsgeest in Duitschland gezegd is, zijn schrikverwekkende, maar daardoor juist te gewichtiger byzonderheden medegedeeld in de Bijdragen tot de Geschiedenis van Radicalismus en Communismus, ten jare 1848 in onze taal met een zeer merkwaardig Voorwoord uitgegeven door mijn geachten Vriend Mr. A. Baron Mackay. — De melding van Dr. Gutzlaff in de slotregelen van het Dichtstuk zal, in dit oogenblik vooral, wel

226

ocr page 237

TOELICHTINGEN.

geene toelichting behoeven. Minder algemeen bekend waarschijnlijk ofschoon in zijnen werkkring vooral niet minder belangrijk, is de naam van Casalis, den oudsten Zendeling van de Parijsche Société des Missions Evangéliques, sedert vele jaren onder veel lijden en zegen werkzaam onder de Bassutoos en andere verwilderde stammen in Zuid-Africa. — De Christelijk verhevene gedachten, plannen en werkzaamheden van den Candidaat Wichern te Hamburg (op welke ter zelfder plaats in het Dichtstuk gezinspeeld wordt) ter evangelisatie en redding van diep vervallene inassaas in het midden der Christenheid-zelve, hebben ook door zijn boek: Ueber innere Mission Europeesche bekendheid verkregen. Onze Heldring, die, reeds onafhanklijk van het voorbeeld des voortreflijken Hamburgers, eenige dier denkbeelden in het leven bracht door zijne stichtingen zoo van Hoenderloo als van Steenbeek, zal (hopen wy) door de spoedig gewachte mededeeling van een onlangs door hem volbracht bezoek te Hamburg en te Berlijn, ons nog meer in byzonderheden bekend maken met den man en zijnen veel omvattenden arbeid.

En hiermede, na een welgemeend Heil aan mijnen Lezer ter zake!

1850.

[Het gedicht werd besloten met de volgende:]

AANTEEKENINGEN.

Bladz. 110. v. 25.

met menig vrijheid, enz.

Wat hier bedoeld werd, is straks duidelijker uitgedrukt, bladz 114, vs. 19,20-

Bladz. 112. v. 6.

Chiméraas beeld gelijk.

Het door Bpllerophon in de fabel overwonnen monster, door Homerus beschreven als volgt:

Iloóaamp;s ?.éatv, otTlamp;ev óh ênaxuiv, uloatj ós /tttatna.

„Van voren leeuw, van achter draak, in 't midden geit.quot;

Bladz. 121. v, 22.

Hoofd- en gevelsteen van 't Huis! —

227

ocr page 238

TOELICHTINGEN.

Op welke gronden sommigen meenen door het Hoofd des hoeks (Ps. CXVII: 22), niet een Hoeksteen, maar den Gevelsteen, in toepassing bepaaldelijk op den verworpen, straks verheerlijkten Christus te mogen verstaan, is beschreven in de Ned e rlan ds che Stemmen, Dl, V. 130—132.

Bladz. 123.

[aan db. K. gutzlaff. Welk een vurig vriend en bevorderaar der Christenzending onder de Joden Da Costa ook zijn mocht, dit belette hem niet ook de belangen der zending onder de Heidenen op het hart te dragen. Bleek dit reeds vroeger uit de door hem vervaardigde Zendingsliederen, een nieuwe proeve daarvan geeft dit klein gedicht aan den ijvervollen China-vriend Dr. Gutzlaff, die zich toenmaals in ons midden bevond ]

Bladz. 124.

[op een afbeeldsel van bilderdijk. Bij de opname van dit ge dicht ten geleide van Bilderdijk, in het Album van Schoone Kunsten geplaatst, deed Da Costa dit Dichtstukje vergezeld gaan van de Aanteekeningen, die hier volgen:]

Bladz. 124. v. 19.

Zijns levens,

Het portret van Bilderdijk, onlangs in dit Album verschenen, dankt zijnen oorsprong aan eene schilderij vervaardigd door den kunstschilder Schmidt ten jare 1787. De Dichter was toen drie en dertig jaren oud. Het jaartal, aangeduid door het onder den naam geplaatste cijfer, is ook kenbaar aan het Oranjelint met medaillon van Willem V, hetwelk tot evengenoemd tijdvak in de geschiedenis der Nederlandsche Republiek verwijst.

Bladz. 124. v. 23.

hem uitwierp van dit strand en prijs gaf aan de baren;

De uitzetting van Bilderdijk uit het grondgebied van Den Haag, daarna van de provintiu Holland, en vervolgens van geheel de Bataafsche Republiek, was het gevolg van een alleszins kalm en voegzaam, maar door den aart-zelve der zaken en der redenen scherpsnijdend, Adres aan de Provisioneele Representan ten van het Volk van Holland, waarby vrijstelling van dea

228

ocr page 239

TOELICHTINGEN.

nieuwen Eed, 'ook aan de Advocaten by den Hove van Holland opgelegd, verzocht werd hoofdzakelijk op grond, dat ten eerste naar alle beginselen van algemeen en Staatsrecht van niemand het bezweeren van gevoelens kan gevorderd worden, en dat nog zoo veel te minder, daar de vrijheid van gevoelens van zelve begrepen was in de by openbaar Placaat afgekondigde vrijheid voor ieder om zijne gevoelens te openbaren het zij door den druk, het zij op eenige andere wijze; dat ten twebde de onvervreemdbare rechten van den mensch en den Burger door den Adressant geenszins zoodanig als by placate verklaard waren, in geweten konden erkend worden, en dat wederom te minder, daar de nadere bepaling van rechten later nog eerst zou moeten geschieden, volgens dat zelfde Placaat, by eene nationale byeenroeping van Repraesentanten van het geheele volk; dat ten derde, — een zoodanige eed als thands gevorderd werd, in des Adressants geweten onbestaanbaar was met de vroeger door hem afgelegde van getrouwheid aan de Souvereiniteit der Staten van Holland en West vriesland met het Erfstadhouderschap in het Doorluchtig Huis van Oranje en Nassau. Op dit Request, sedert met andere Echte Stukken daartoe behoorende in het licht gegeven (a9. 1821), werd door Hunne Hoogmogenden (gelijk zich toen nog de Repraesentanten van het Bataafsche volk bleven noemen) in echt revolutionaire taal besloten, aan den „befaamden Willem Bilderdijkquot; door den Procureur Generaal te doen gelasten om binnen den tijd van 24 uren den Haag en binnen dien van acht dagen geheel Holland te verlaten, en voorts, „van dat schandelijk request copie te brengen ter tafel van de Generaliteit, met communicatie van de resolutie by deze vergadering genomen, ten einde men tegen zulk een gevaarlijk sujet in de andere provintiën op deszelfs hoede zoude kunnen zijn.quot;

Bladz. 124. v. 25.

een krans van sraaadheên vlocht voor zijn vergrijsde hairen ,

Onder andere voor het nageslacht ongelooflijke beleedigingen den groeten Dichter en Denker aangedaan staat my nog levendig voor den geest hoe, op zeker oogenblik van buitengewone ergernis, niemand zich in de nabyheid van den Grijzaart wilde plaatsen by zijn verschijnen in eene letterkundige Maatschappij, waarvan liy eender oudste leden was; tot dat de, by alle verschil van gevoelen

229

ocr page 240

2 30 TOELICHTINGEN.

altijd loyale Kemper binnentrad en naast Bilderdijk plaats nam. De buitengewone ergernis was gegeven, als men waarschgn-lijk reeds gegist heeft, door des Dichters in lessen en verzen te veld trekken, destijds, tegen dat beginsel van onhistorische constitutiën, waarvan althands de vruchten in 1830 en 1848 door duizenden ook van zijne hevigste tegenstanders zoo bitter betreurd en hevig veroordeeld zijn.

Bladz. 125. v. 8.

„kwam by zijns Dichters lijk Florence boete doen; —

Men weet dat de Italiaansche Hoofddichter Dante Alighieri door de partij der Guelfen uit zijne geboortestad Florence ten jare 1301 verdreven, te vergeefs by herhaling den te rug keer beproefde, die hem tot op zijnen dood (voorgevallen in 1321) door den onwil des volks onmooglijk werd gemaakt. Hy stierf diensvolgens in de ballingschap en na veel zwervens te Ravenna. Onmiddellijk vaardigde de Republiek van Florence een plechtig gezantschap af naar den Vorst van Ravenna om het stoffelijk overschot van den grooten balling te bekomen. Straks richtten zy standbeelden voor hem op, lieten medailles slaan ter zijner eer, stichtten een openbaren leerstoel in hunne stad met het bepaalde doel om aldaar de Divina Commedia te doen voorlezen en uitleggen, en hielden tot op dezen dag niet af aan de gedachtenis huns Dichters als ware het te vergoeden wat het vaderland hem by zijn leven was schuldig gebleven.

Bladz. 125. v. 9,

„maar Bilderdijk ontsliep, en Neerland bleef vervolgen.quot;

Men zal de uitdrukking misschien wat sterk vinden. In den starren letterlijken zin opgevat is zy bijna ongerijmd. Men is met den dood van alle personeele vervolging immers vrij! en bovendien, heeft niet met betrekking tot Bilderdijk de Dichter W. D-S in den Gids, nog onlangs de aanspraak des overledenen op rust (meer dan roem) doen gelden? Maar indien stelselmatige miskenning van eens grooten mans verdiensten met eenig recht tot eene daad van vervolging mag betrokken worden, zoo laat ik het aan onpartijdiger, dan ik-zelve in deze zaak zijn kan of mag, volgaarne «ver, na behoorlijke kennisneming van hetgeen van Bilderdijk ook na 1831 in ons land geschreven is, te beslissen of de uitdrukking onjuist was. Heeft, om iets te noemen, niet nog onlangs

ocr page 241

TOELICHTINGEN.

de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leyden kunnen goedvinden het jongst uitgegeven Deel haier Werken te openen met een vertoog, in haar midden voorgelezen, om te bewijzen dat Bilderdijk in het politieke niet veel meer dan een weêrhaan is geweest? Men mag zich voorstellen dat in een volgend Deel dier werken ook des Dichters handhaving tegen dit oordeel niet zal ontbreken; doch ook al werd die daar ter plaatse niet gegeven,het stuk-zelve zal wel niet licht iets meer bewijzen, dan de persoonlijke vooringenomenheid des Schrijvers tegen Bilderdijk en zijne Godsdienstig-staatkundige beginselen. In plaats van een historisch, kritisch, psychologisch onderzoek omtrent de verhouding tusschen die beginselen en de praktische toepassing daarvan in het leven des Dichters, is hier althands niets anders geleverd dan eene eenzijdige, onedelmoedige en onmenschkundige acte van aanklacht. Doch by dit enkele voorbeeld bepaalt zich de onbillijkheid jegecs Bilderdijks streven en zijne nagedachtenis niet.

Waarlijk! men doet zijne natie even weinig dienst met de toedichting van deugden, die haar zoo byzonder niet eigen zijn, als met de miskenning van die, door welke zy wezenlijk uitmunt. Ik geloof dat al zeer weinige volken in beiderlei opzicht meer miskend worden dan het Nederlandsche. Men roemt hoogelijk zijne verdraagzaamheid. Het zij zoo (schoon ook te dezen opzichte de jaarboeken van 1834—1840 treurige uitzonderingen hebben opgeleverd) voor zoo ver het openbare en geweldige vervolging geldt! In ons land heeft de onverdraagzaamheid een karakter van voorzichtigheid en overleg doorgaans, dat voor dergelijke uitspatting tot op zekere hoogte beveiligt. Maar het zou de moeite waard zijn te onderzoeken of er wel een land in geheel Europa bestaat waarin, by gelijken roep van verdraagzaamheid en naauwgezetheid, aan vooroordeel en partijzucht meer wordt toegegeven in den weg van anonymiteit, clubistery, bpdekte uitsluiting en al wat meer op dit gebied naar wegen en werken der duisternis voor het minst zeer gelijkt. Hoe dit zij, de onverdraagzaamheid, althands door Bilderdijk in hare beide vormen van openbaar geweld en verborgen overleg ondervonden, behoort tot de onloochenbare feiten dei-geschiedenis.

Amsterdam, 1851.

Bladz. 125.

[geliikweksch aan j. bosboom, enz. Deze feestgroet aan den Heer Bosboom en Mejvr. Toussaint bij hun huwelijk toegezongen,

231

ocr page 242

1

232 TOELICHTINGEN.

geeft getuigenis van de hartelijke en innige vriendschap, die Da Costa steeds aan onze groote Romandichteres verhond, en waarin later de ook zelf als Broeder-kunstenaar door den Dichter hooggewaardeerde Schilder Bosboom mede werd opgenomen. De heeld-tenis van Mevr. Bosboom, in des Dichters studeervertrek opgehangen, strekte bij zoo vele anderen tot een nieuw teeken hoe hoog zijne geniale Vriendin door Da Costa werd geschat.]

Bladz. 126.

[david. Dit gedicht werd vervaardigd om te worden opgenomen in den bundel Apostelen en Profeten, en later herdrukt in de H esperiden.]

Bladz. 144.

[aan jonkvrotjwe e. h. luden. De jeugdige dichteresse, getroffen door de lezing van des Dichters Lijden en Heerlijkheid, gaf dien indruk weder in een gedicht; waarvoor bovenstaand dichtstukje tot dankbetuiging strekken moet. Wij achten ons gelukkig het gedicht, dat daartoe aanleiding gaf, te mogen laten volgen.

AAN Me. I. DA COSTA,

NA HET LEZEN VAN ZIJN DICHTSTUK „lijden en heerlijkheid.quot;

Ja! wèl gevoeld, gedacht, gesproken, Da Costa! Zanger Godgewijd!

öy, lavastroom, wiens aadren koken Van ijver voor Gods majesteit!

Gy hebt het zwaard des Woords geheven, üw God is Hy die krachten schenkt;

U reikt de Vorst van dood en leven Den heilteug, waar Ge üw ziel aan drenkt!

Gy moogt in 't heilgeheimnis dringen. Aan Zijn beminden slechts ontdekt;

Gy moogt van de eeuw'ge liefde zingen. Die „psalmen in den nachtquot; verwekt.

Het blij „Hosanna! looft den Heere!quot;

Is steeds uw dankbre melody;

Dat het ook ons dien juichtoon leere. Herhaald door zalige Englenrij!

1

ocr page 243

TOELICHTINGEN.

Gy hebt gehoopt, geloofd ten leven,

En in den raad Uvvs Gods geschouwd; 'tis U genoeg: „Er staat geschreven;quot;

Het „Amen! ja!quot; hebt Gy vertrouwd! O zalig zy die dus verwachten

Het eeuwig heil hun toebereid,

En hier het lijden zeeg'ning achten, Verbeidend 'sHemels heerlijkheid!

Op nieuw dan 't zondig hart bestreden,

Op nieuw 't in 'sHeilands bloed gedoopt! Op nieuw vertrouwd, op nieuw gebeden,

Op nieuw geworsteld en gehoopt! Op nieuw het vaandel nagedragen Den Overwinnaar en den Held,

Op nieuw den vijand stout geslagen, En doot Gods kracht ter neêrgeveld.

O Leeuw, uit Juda's stam gesproten!

O Vorst van tijd en eeuwigheid!

Uw eer zij op Uw gunstgenooten,

God van volkomen zaligheid!

O hoor de stem van ons verlangen,

Kom met den schepter en de kroon! Wy wachten ü met jubelzangen;

233

Ja, Jezus, kom! Gy Koningszoon! December 1851.

Jammer maar dat de jonge dichteresse (die sedert in den echt verbonden werd met Jonkheer Mr. J. J. De Geer van Rijnhuizen) sedert niet meer zulke welluidende harptoonen in Hollandsche dichtmaat te hooren gaf, ofschoon zij ons als ware het tot vergoeding daarvan in de gelegenheid stelde om van haar speeltuig in het haar zeer vertrouwd en eigen Engelsch eenige dichtproeven ta ontvangen. De liefelijke poëzy, in die taal door haar openbaar gemaakt, draagt den titel van Lays of Hearth and Home, Amsterdam, C. M. Van Gogh, 1862. De schoone verwachting, die deze eersteling opwekte, zou echter niet worden vervuld: hij zou tevens haar zwanenzang zijn. Een vroege dood maakte een einde aan haar jeugdig leven. Zij overleed in den jare 1867.]

ocr page 244

TOELICHTINGEN.

Bladz. 145.

[aan ds. o. g. heldring. Naauw en hartelijk was de band, beide van vriendschap en geloofsgemeenschap, die sedert vele jaren Da Costa met Hollands „Wichernquot; verbond. Daarvan getuigt op welsprekende wijze de dichtergroet aan den feestvierenden Herder.]

Bladz. 145.

[ezeohibl. Dit gedicht werd mede vervaardigd om te worden opgenomen in den bundel Apostelen en Profeten.]

Bladz. 152.

[aan den weleerw. heeb p. j. j. mounter. Deze hooggeachte leeraar bij de Waalsche Gemeente te Amsterdam deelde ook als onderwijzer in de godsdienst van onderscheidene zijner kinderen in de innige achting en genegenheid des Dichters, waarvan dit dichtstukje mede tot proeve strekken kan. Wederkeerig schatte hij van zijn kant Da Costa hoog, deelde bij verschillende gelegenheden in diens huisselijk lief en leed, en liet ook bij het graf zijner Hanna zijne vertroostende stem hooren.]

Bladz. 152.

[voor iebland. Wederom eenige zangcoupletten, ten verzoeke van wijlen Ds. Jamieson voor een bidstond ten behoeve van de bekeering der Katholieke Ieren tot het reine Evangelie der Apostelen en Hervormers gehouden.]

Bladz. 155.

[ter bruiloftsfeest van g. e. baron van asbeck, enz. Op de bruiloft van eene der dochteren van Graaf Dirk van Hogendorp kon een harptoon van den met haren vader en huis zoo innig verbonden dichter niet ontbreken. Daar de Bruidegom toenmaals als Rijksontvanger te Noordwijk gevestigd was, moet daaruit de toespeling op deze plaats worden verklaard.]

Bladz. 156.

[den heer j. a. van eyken. In deze regelen aan den naar Duitsch-land vertrekkende toonkunstenaar en componist blijkt op nieuw Da Costa's warm gevoel voor muzijk, aan welke kunst ook hij allicht met Luther, den dichter van het straks volgend Psalmlied, na de theologie eene eerste plaats zou hebben ingeruimd. Ook van Eykens ,poëzy in tonenquot; zou echter niet lang meer klinken: ook

234

ocr page 245

TOELICHTINGEN.

voor hem sloot alras de dood de bane des roems, die hy met zooveel geestdrift opstreefde.]

Bladz. 157.

[in het album der bewaaksohool sophia te voorburg. Aan de edele stichtster dezer school, gelijk mede aan haren echtgenoot Baron van Wassenaer van Catwijck, thands lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gevoelde zich Da Costa door den band der vriendschap, zoowel als der erkentenis voor betoonde gastvrijheid, mede verbonden. Dit gaf hem aanleiding de school, die zich in de hooge bescherming van Neêrlands Koningin verblijden mag. en die in barer Majesteits tegenwoordigheid met een toespraak van Dr. J. J. Van Oosterzee, mede een van Da Costa's meest geschatte en innigst geliefde vrienden, ingewijd werd, met een dichterlijke bede Gode op te dragen, waarbij echter, naar de hem kenmerkende gewoonte en behoefte zijns harten, de raadgeving ook aan den volwassenen bezoeker der school niet ontbrak.]

Bladz. 157.

[luthers psalmlied. Eerst gedrukt in het Tijdschrift „de Handwijzer.quot; Niet oneigenaardig is het, met deze vertolking van het beroemde Luthers lied de vertaling te vergelijken, die een ander uitstekend vaderlandsch dichter, J. J. L. Ten Kate, daarvan gaf in zijn Luthers harp, bl. 55. Da Costa was met dezen jongeren kunstbroeder niet alleen hoogelijk ingenomen, maar ook persoonlijk bevriend. Ten Kate bracht den zanger na zijn overlijden een schoone hulde in zijn letterkundige studie, ten titel hebbende: „Bilderdijk en Da Costa.quot;

Hij voegde daaraan ook het lied toe, dat hij reeds in zijne dichterlijke lente Da Costa had toegezongen, en dat het mij aangenaam is hier, met vergunning des Dichters, te laten volgen:]

AAN ISAAC DA COSTA.

Neen, 'k waag het niet u de weelde te malen,

't Vlammende, bruisende zielengenot.

Dat ik, verrukt, in het hart voelde dalen.

Als gij uw cither deedt klinken voor God;

Als ge, op de wijs der gewijde Profeten,

d' Eeuwige zongt, in verblindenden glans Hoog op den troon aller eeuwen gezeten,

Waar zich de waerelden scharen ten dans;

235

ocr page 246

TOELICHTINGEN.

Als ge u op wieken verhieft van den morgen, Tot waar 't gordijn van het Heilige blonk, En mij uw hj'mne: „Jehova zal zorgen!quot;

Trillend en schokkend den boezem doorklonk! 'tWas me, als vernam ik het murmlen der psalmen,

Israels Priestren de lippen ontvloön,

Menglend in 't ruischen der buigende palmen

En des Jordaanstrooms, die golfde op hun toon.... Maar o, hoe groeide, hoe klom mijn vervoering,

Hoe daalde een zalige vreugd in mij neêr,

Toen 'k u, ontvlamd in nog heilger ontroering, 't Hallel hoorde uiten voor Jezus den Heer! Toen gij Hem zongt als den Zondenvernieler,

Broeder en Meester en Heiland en Hoop, d' Onheilverwinner, den Levensbezieler,

Die ons Zijn Geest schonk ten loutrenden doop! Toen scheen mijn ziele, bevrijd van haar teuglen,

Op uw gezang in 't Oneindig' gevoerd: 'k Hoorde een geruisch van welluidende vleuglen.

Hymnen en harpen, door de Englen geroerd: Toen heb ik juichend de kniën gebogen.

Daar mij deze Aarde en al 't aardsche verdween. En met den traan der verrukking in de oogen. Leefde ik in God en mijn Heiland-alléén!.... Ja, ik gevoel het, aan u schonk de Heere

De edelste, heerlijkste gave der aard:

Gij zijt een speeltuig, bestemd tot Zijne eere,

Levende harp, door Zijn liefde besnaard.

U is de geest des gebeds en der zangen,

U, de beheersching van :t menschlijk gemoed: Gij hebt de roeping des Dichters ontfangen,

De almacht der Taal, bij den Pinkstervlamgloed! Ach, wat al harten, door jammren gebroken.

Moedloos en morrend om waereld en lot. Die, als een duif in de veêren gedoken,

Naauwlijks de vleuglen meer uitslaan naar God! Ach, wat al geesten, in sluimring gezonken.

Klevende aan 't stof, of begraven in 't slijk, Waarin de hoogre, de Godlijke vonken Naauwlijks nog smeulen, aan sintels gelijk.

236

ocr page 247

TOELICHTINGEN.

Wees hun ten troost en ten heilheraut tevens!

Strek' hun ten heilbede en boete-bazuin!

Blijve ons uw stem die eens Engels des Levens,

Die, ten Geleigeest, ons zweeft om de kruin! Mogen de Machten der Eeuw u niet loven,

Doet de miskenning op distien u gaan.

Palmtak des Dichters! gij bloesemt daar Boven: De Eeuwigheid wreekt wat de Tijd heeft misdaan! En wat zijn lauwren, die 's avonds verkleuren. Als hij er 's morgens het hoofd meê omwindt, Wat, bij de vreugd die hij dan ondervindt. Als bij één hart aan 't verderf mag ontscheuren, Voor God en Haar-zelve ééne ziele herwint'?

1841.

Bladz. 158.

[naar schotland. Dit gedicht, door hem op een reize in Engeland en Schotland, in 1855 vervaardigd, schreef Da Costa oorspronkelijk in 't Engelsch, gelijk blijkt uit de reeds in de Hesperiden gedrukte regels, die later zullen worden medegedeeld.

De ligte scherts in den laatsten regel ziet op den Edimburgschen zeewind, die voor den ingezeten zoowel als voor den vreemdeling het genot der schoone stad wel eens stoort.]

Bladz. 159.

[heimwee. Het zal naauwelijks noodig zijn te herinneren dat men hier een nagalm en tegengalm tegelijk van het beroemde lied van Mignon uit Göthes „Wilhelm Meisterquot; ontvangt. Op het in dit lied voorkomende Daarheen! zinspeelt de Dichter in het hierna volgend vers ter gedachtenis vani zijne dochter Hanna. Aan den voet teekende hij aan: Het Heimwee, voor mijne Dochters op muzvjk van Beethoven door my geschreven.]

Bladz. 161.

[miltons klinkdicht en iona. Beide deze Engelsche dichtstukjes weiden door Da Costa vertaald, op verzoek van den uitgever, als behoorende tot een mede uit het Engelsch overgebragt werkje, getiteld: «Het boek en zijne geschiedenisquot; (Meppel, Wilson en Co. 1855). Wie het eiland Iona, in de hervormingsgeschiedenis van

237

ocr page 248

TOELICHTINGEN.

Schotland bsroemd, wil leeren kennen, leze de schets van Beets in: „De Vereeniging, Christelijke Stemmen,quot; October 1861, en sedeit afzonderlijk uitgegeven.]

Bladz. 162.

[aan jonkvrouwe hooft van vreeland. Bij alle waardering van eigen afkomst uit edel Spaansch-Joodsch bloed, kenmerkte zich Da Costa steeds door prijsstelling ook op het voorregt dergenen, die hunnen oorsprong uit de doorluchtige namen der Nederlandsche Republiek konden afleiden. Nogtans was in dit gedichtje, welks in woordspeling zich behagende vorm aan de Bijschriften onzer oudere Dichters herinnert, de hulde aan „Drossaart Hooftquot; zekerlijk niet beter gemeend, dan do uitdrukking van Da Costa's vriendschappelijk gevoel voor de Jonkvrouw zelve, aan wie en aan wier huis hij zich door een heiligen band verknocht gevoelde.]

Bladz. 163.

[aan mijne lieve francisoa. Teeder Vader voor alle zijne kinderen, klopte Da Costa's hart niet het minst warm voor deze jongst-geborene zijner dochters, van wier liefde en liefdebetoon hij zich tot het einde zijns levens steeds mogt omringd zien.

Niet lang na zijn overlijden werd zij de gelukkige echtgenoot van den broeder haars zwagers, den Heer A. W. Ramann, dien zij begon naar Koppenhagen, de plaats zijner toenmalige bestemming, te volgen, maar met wien zij later in haar vaderland wederkeerde, tot blijdschap van de vele vrienden, die haar noode aan den vreemde hadden afgestaan.]

Bladz. 163.

[ter echtviering van mr. i. capadose, enz. Hartelijk deelende in alles wat het Huis van zijnen boezemvriend Capadose betreft, klonk ter eere van den echt van diens eenig overgebleven zoon, mede Da Costa's dichterlijke lier.]

Bladz. 167.

[ter vijf en twintigjarige echtviering van o. j, f. bakon de

constant eeeecque, enz. De zinspeling op den uitheemschen oorsprong van de beide edele familiën, tot welke de jubelende Bruidegom en Bruid behooren, zoowel als op de omstandigheden, waaronder deze herwaarts kwamen, verklaart zich zelf. Van de

238

ocr page 249

TOELICHTINGEN.

twee „zonen-zelv' des Huizes.quot; is sedert de een als eerste Luitenant der Genie overleden. De ,dankbare kweekelingenquot; zijn jeugdige weezen, spruiten van den stam der De Grovestins, onder het gastvrij dak van hunnen Gora Baron De Constant Rebecque als zonen opgenomen.]

Bladz. 169.

[een gebed voob den „heraut.quot; Dit gebed was bestemd om te dienen tot nieuwjaarsgroet voor De Heraut bij de intrede van het jaar 1858. Welk een deelneming den Dichter omtrent dit Dagblad, onder redactie van zijnen stam- en geestverwant Ds. C. Schwartz, Predikant -bij de vriie Schotsche Kerk te Amsterdam, steeds bezielde) kan behalve uit dit gedicht, uit menige proza-bijdrage van zijne, hand daarin opgenomen blijken. Voor de gemeenzame vriendschap en gemeenschappelijke zamenwerking op meer dan één gebied, die beide Broeders uit Israël jaren achtereen verbond, richtte Ds. Schwartz onder anderen een klein gedenkteeken op in het bundeltje getiteld: Gedachtenis aan Mr. Isaac Da Costa, uitgegeven te Amsterdam bij H. De Hoogh, 1860. Eenigen tijd na 's Dichters overlijden begaf Ds. Schwartz zich metterwoon naar Londen, waar hij met geen minderen ijver de Evangelieprediking aan zijne geloofsverwanten met de behartiging van de Evangelisatie zijner Joodsche stamverwanten verbond, totdat hij den 24sten Augustus 1870 aldaar overleed. De Heraut, waarin zich de stem der beide vrienden Israëls zoo vaak vereenigd liet hooren, stierf niet met hen, maar bleef, in min of meer gewijzigden vorm, thans onder redactie van den Amster-damschen prediker Dr. A. Knijper, voortbestaan.]

Bladz. 172.

[in het album van den wbleeew. heer a. versteegh, enz. Deze jeugdige veelbeloovende prediker werd op den dag-zelven zijner beroeping naar Nichtevecht krank door eene longteering, die eindigde met hem ten grave te slepen. Een schriftelijk aandenken van hem werd zijnen vrienden aangeboden in de uitgave van zijne Nagelaten Leerredenen, met een voorrede van Ds. Couvée, Amst. I860.]

Bladz. 172.

[aan mejufvrouw e. d. c. de bordes. Dit kleine lied was niet alleen een gedachtenis maar tevens een erkentenisblijk des Dichters voor vele en aanhoudende proeven van vriendschappelijke.

239

ocr page 250

TOELICHTINGEN.

toewijding en dienstbetoon, vooral in dagen van beproeving, krankheid en rouw, door de jeugdige vt-iendin aan Da Costa en zijn Huis gegeven. Treffend is het, daarbij het bericht te moeten voegen, dat deze Jonkvrouw den zanger, dien zij bij zijn leven zoo hartelijk had vereerd en liefgehad, ook al spoedig volgde in den dood, daar zij den 4dcn Februari 1866 te Renkum bij Wageningen ten huize van have moeder overleed. Uit haar getroost en blijmoedig heengaan bleek, dat de bede des Dichters aan haar gericht, gelukkig was verhoord.]

Bladz. 173.

[de slag by NiEuwpoonT. Da Costa droeg dit gedicht ter gelegenheid van zijnen twee en zestigsten verjaardag, voor het gehoor zijner gewone Vrijdagsche lezingen, maar ditmaal met een klein getal genoodigde letterkundige en andere vrienden vermeerderd, voor. Later deed hij het op verzoek ook in eene openbare vergadering der Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, en voorts te 's Hage en Rotterdam hooren.

Het gedicht werd door Da Costa geschreven om te dienen als bijschrift bij eene steendrukplaat naar do schilderij van den Vlaam-schen schilder N. De Keijzer en alzoo deel te maken van den poë-tischen bundel getiteld: „Tien Bladzijden uit de geschiedenis van Neêrlands Roem en Grootheid,quot; te Haarlem uitgegeven. Da Costa's gedicht vulde de vijfde bladzijde. Het dichtstuk, met bijzondere naauwkeurigheid ten opzichte der historische bijzonderheden bearbeid, kwam in het licht met eenen grooten rijkdom van Aanteekeningen, die hier volgen, en voorafgegaan door deze:]

INLEIDING.

Gelijk hare zusteren, toon- en schilderkunst, zoo heeft ook de poëzy veelal eenige inleiding of geleide noodig ter hare toelichting. Voor een Hollandsch gehoor of publiek schijnt een dichtstuk op den Slag by Nieuwpoort ten aanzien zeker van het hoofdonderwerp, herinneringen naauwlijks te behoeven. De eenvoudige herlezing van den gedenkwaardigen dag en zijne voorbereidingen by oudere en nieuwere nationale historieschrijvers zou in elk geval genoegzaam zijn, om den lezer geheel op de hoogte en als in het midden der zaken te brengen. — De dichter loopt ten dezen aanzien alleenlijk gevaar, dat de historie, ook waar zy het meest prosaïsch (dat zelden het geval was) werd te boek gesteld, het op-

240

ocr page 251

TOELICHTINGEN.

zetlijk geschreven dichtstuk in poëtisch vuur en leven zal beschamen. En ook aldus mag hy zich verheugen de aanleiding gegeven te hebben tot het wederopslaan van eenige der zegen- en zegerijkste bladzijden der geschiedenis van het Vaderland. — Doch daar kunnen in den loop van het vers plaatsen zijn, die al hare poëzy ontleenen van min of meer rechtstreeksche toespelingen op meer of minder algemeen bekende feiten, voorvallen, byzonderheden, op het gebied van Algeraeene of Kerkelijke, zoo wel als Nederland-sehe geschiedenis. Om den lezer daarby van toelichting of geleide te dienen, zullen wellicht niet geheel overbodig geacht worden de volgende

AANTEEKENINGEN.

Bladz. 174. v. 19, 20.

tot in Segovia en 't koninklijke klooster

naar 't streng model geraamd van foltertuig en rooster,

In de streken van Segovia, niet ver van Madrid, bouwde Koning Philips II een klooster, — tevens paleis en begraafplaats voor het Vorstelijke huis, — het beroemde Escuriaal, Het plan daartoe, reeds door Keizer Karei V gevormd, kwam by zijnen zoon tot rijpheid, na de overwinning by St. Quentin op het Fransche leger in 1557 door den Graaf van Egmond behaald. Het nieuwe pracht-gebouw werd toegewijd aan Laurentius, den Romeinschen Diaken, die ten jare 258 onder de regeering van Keizer Valerianus zijnen Bisschop, Sixtus II, in het martelaarschap volgde De byzonderheden van dezen marteldood, door Ambrosius, Augustinus en Pru-dentius beschreven, gaven aanleiding tot de voorstelling van een rooster, waarop de geloofsheld letterlijk gebraden zal zijn geworden. Van daar dan dat foltertuig, als zinnebeeld van Laurentius' nagedachtenis in de Roomsch-Catholijke Kerk aangenomen, en de aanleg van het Escuriaal naar het model van dien rooster, die ook binnen het gebouw op meer dan ééne wijze vertegenwoordigd wordt. Tijdens den beeldstorm in Nederland, intusschen, was nog slechts zeer aanvankelijk het weidsche plan door Koning Philips verwezenlijkt.

241

Bladz. 174. v. 36, 37.

die ook nu de Juniussen

ontsteekt, enz.

16

ocr page 252

TOELICHTINGEN.

Zoo vóór als in en na de dagen der openbare preêk was Fran-ciscus Junius (Francois du Jon) een der uitnemendste geloofshelden der Hervorming in de Nederlanden. Later een der eerste sieraden der Leydsche Hoogeschool, stond by in zijne jeugd en manlijken leeftijd steeds op de meest beslissende en hachelijke plaatsen in het werk der prediking. Zijne prediking te Antwerpen in een huis, door de vlam van de houtmijt, waarop zijne geloofsbroeders den marteldood stierven op dat zelfde oogenblik, is slechts eene onder de vele daden van Christenmoed, die zijn werkzaam leven onderscheiden. Te Genève studeerende werd hy uit een volslagen Atheïsme tot een levend geloof in Christus bekeerd, toen hy eenmaal krachtig bepaald was geworden by de plaats in het Evangelie van Johannes:!. 1—14.

Bladz. 175. v. 14, 15, 16.

ook nog een moeder (u lang van God gespaard) was noodig, waar uw hart zich aan ontlasten mocht van nog gantsch andre smart, enz, De voortreffelijke Gravin Juliana van Stolberg en Koningstein, gemalin van Willem den Oude, en moeder zijner twaalf doorluchtige spruiten, waarvan de vijf manlijke geweest zijn: Willem Prins van Oranje, Graaf Johan, Graaf Lodewijk, Graaf Adolf en Graaf Hendrik, alle uit de eerste tijden van den tachtigjarigen kamp te zamen bekend en beroemd. De Gravin-moeder overleed in 1580, zeven en zeventig jaren oud, na te hebben aanschouwd .honderd zestigquot; Graven en Gravinnen uit haren schoot afkomstig. Mijn edele vriend, Mr. G. Groen van Prinsterer, die al wat in Europa en America de wetenschappen van historie en staatkunde, en, in Nederland in het byzonder, al wat Godsdienst en Vaderland en Oranje lief heeft, door zijne uitgaaf der „Archives de la Maison d'Orange Nassauquot; zoo uitnemend aan zich verplicht heeft, deed aan de nagedachtenis der Godvruchtige en alleszins uitnemende Christin in hare betrekking van Vorstelijke Gemalin en Moeder op meer dan ééne plaats recht en hulde wedervaren. Het laatst nog, en niet het minst karakteristiek, in het , Avant-propos du Supplémentquot; op zijne .Première Sériequot; (Leiden, 1847), waaruit ik my het genot niet kan weigeren het slot der aangeduide plaats over te nemen: „La mère de Guillaume Premier nous semble occu-per une place parmi ceux, qui, avec des armes plus terribles que la lance et l'épée se sont montrés forts dans la bataille. Elle vécut

242

ocr page 253

TOELICHTINGEN.

et mournt presque ignoree, souvent au milieu des epreuves et de la douleur; mais Celui qui regarde aux humbles avoit fait de cette pauvre et miserable femme (zoo noemde zy zichzelve in een soort van geloofsschaamte over hare moederlijke droefheid na een heldendood harer twee zonen op de Mookerhei) une héroïne de la foi.quot; Hetgeen èn hier èn blz. 176 in het Dichtstuk gezegd is, wordt door deze herinnering, meenen wy, alleszins gerechtvaardigd.

Bladz. 175. 24, 25.

ach! eene die veel meer

zijn stam een schande werd, enz.

Men gevoelt, dat hier Anna van Saxen, Willems tweede Gemalin, bedoeld wordt. Het huwelijk, gesloten in 1561 en na 1571 om Annaas wangedrag ontbonden, heeft als men weet aanleiding tot velerlei ergernis gegeven. Dr. R. C. Bakhuizen van den Brink heeft, in zijn historisch-kritisch Onderzoek van „Het huwelijk van Willem van Oranje en Anna van Saxenquot; (Amst 1853), de onderscheidene vraagstukken, tot die treurige echtverbintenis betrekkelijk, op meesterlijke wijze toegelicht en opgelosl. Hy heeft vooral, met de kalmte van een zuiver wetenschappelijk onderzoek, doch alles behalve zonder de warmte die de handhaving van de goede zaak der waarheid op elk gebied als van-zelve te weeg brengt, zoo wel de grootheid der schuld van Anna van Saxen als hare onschuld aan de bekeering van Oranje tot het Protestantsche Geloof, op eene wijze doen blijken, die ten volle zijne bewustheid rechtvaardigt van „met dit zijn betoog de zaak te hebben afgedaan.quot; (Voorrede bl. VIII.)

Bladz. 175. v. 27.

zijn zoon, zijn eenge, enz. '

Philips Willem van Oranje, des Prinsen oudste, en op dat oogen-blik, eenige zoon. — Zijne moeder was Anna Gravin van Buren, uit den huize van Egmond. Opgelicht van de Hoogeschool te Leuven den 10d,•', September 1567 (hij was toen dertien jaar oud), werd hy in Februarij eerst des volgenden jaars naar Spanje gevoerd. In-tusschen was den Prins te Dillenburg op 13 November 1567 uit zijnen echt met Anna van Saxen een zoon geboren, naar zijnen grootvader van moederszijde, den vermaarden Maurits van Saxen

243

ocr page 254

TOELICHTINGEN.

Maurits genoemd. Philips Willem, opgevoed in Spanje (alwaar hy ook de Hoogeschool te Alcala de Henares, door Cardinaal Xiinenes gesticht, eenen tijd lang bezocht heeft), keerde in 1596 naar de Nederlanden terug, als rechthebbend Vorst van het Prinsdom van Oranje, te gelijk een eersten rang bekleedende aan het Hof van den Aartshertog Albertus, dien hy by den intocht te Brussel op 11 Fe-bruarij van dat jaar verzelde.

Men zie de nog steeds onovertroffen monographie van , Filips Willem, Prins van Oranje, door Johannes Pieter van Capellequot; (Haarlem, 1828), alwaar een menigte belangrijke bijzonderheden over de betrekking tot zijn oude vaderland, over de houding en handelingen van de Staten der Vereenigde Gewesten tegenover dezen doorluchtigen Persoon, en de gedachten, die zijne komst wellicht by Oldenbarnevelt kan hebben doen oprijzen, te vinden zijn. De in vele opzichten belangwekkende en beminnenswaardige Vorst overleed te Brussel ten jare 1618, in het vier en zestigste jaar zijns levens. Zijn huwelijk met eene Prinses van Condé, vaders zuster van den beroemdsten Prins van dien naam in Frankrijk, werd niet met kinderen gezegend. Zoo volgde hem in den titel en het recht van het Prinsdom zijn broeder Maurits op.

Hetgeen verder in het Gedicht (bladz. 187 en v.) tot hem betrekking heeft, is, wat de oorzaak betreft, zuiver historisch en kan in de evengemelde monographie zijne nadere toelichting vinden. De uitdrukking t. a. p. „Zich-zelf het leeuwenhart bewust,quot; ziet op meer dan ééne byzonderheid uit zijn leven, by name zijn hevigen toorn tegen den Bevelhebber van de Spaansche wacht die hem bewaken moest, toen zich deze een onbetamelijke uitdrukking omtrent zijnen vader veroorloofde. Hy smeet hem eenvoudig het venster uit, hetgeen hem, zonder het trouwe getuigenis van den Spaanschen Edelman Don Gabriël Osorio, die tegenwoordig was, hét hoofd zou hebben kunnen kosten. Teder en hartstochtelijk als hy zijnen vader lief had, en diens moord met geheel zijn ziel beklaagde en verfoeide, kan men zich voorstellen hoe hy opstoof en uitborst, toen de President Richardot hem het voorstel kwam doen, dat de overbrenger haast met zijn leven geboet had: de teruggave der bezittingen van zijn Stamhuis in Bourgondië onder voorwaarde eener jaarlijksche uitkeering ten behoeve der erfgenamen van Balthazar Gerards! — Hy was overigens, als zijne broederen en neven, geboren krijgsman, schoon zeldzamer in de gelegenheid zich te onderscheiden. Het beleg van Galais door den

244

ocr page 255

TOELICHTINGEN.

Aartshertog in 1596 bijwonende, begaf hy zich gaarne op de ge vaarlijkste punten, dengenen, die hem drongen zich te sparen, terwijl van drie doodelijk getroffene Spaansche Edellieden in zijne nabijheid bloed en hersenen zijn gelaat bespatten, koelbloedig ten antwoord gevende: „Je suis de trop bonne maison pour craindre la mort.quot; — Te bejammeren is, by zoo vele hoedanigheden, de hem ten laste gelegde losbandigheid in het private leven, aan zijnen broeder Maurits maar al te lang met hem gemeen! „Ik hebbe groffelijk gezondigt,quot;' riep deze laatste op zijn merkwaardig en aandoenlijk sterfbed uit, maar ook: „Ik neem mijne toevlucht tot de genade en de groote barmhartigheid Gods; en ik geloof dat de Heer Jesus Christus voor my aan het kruis gestorven is; daar op stel ik al mijn betrouwen. — Ik ben alleen bekommerd geweest, of mijn berouw over mijne zonde zoo groot was als het behoorde,'' enz. Zie mijne Inlichtingen omtrent het karakter van den Stadhouder Prins Maurits van Nassau, Rott. 1825, bl. 50, 51, 58.

Bladz. 176. v. 7.

teedre scheut, ten hoogen eik geboren!

Toespeling op Maurits bekend devies: „Fit tandem surculus arbor.quot;

Bladz. 176. v. 17, 18.

en wenkte, of 't waar, van op zijn blaauwend veld den rossen Liebaart toe,

Toespeling op het blasoen van Nassau: den Leeuw van goud (verzeld van de blokjes van hetzelfde metaal), op een veld van lazuur (blaauw); en dat van Holland: in goud een Leeuw (Liebaart] van keel (rood).

Bladz. 176, v. 30, 31. 32.

Dien Hendrik nog zoo jong, dien eengen Lodewijk, van wie de Mookerhei de lijken met het leven verslond,

„Van de vijf zonen van Graaf Willem van Nassau den Oude, handhavers en kampstrijders voor de zaak der Christelijke Godsdienst en der Nederlandsche vrijheid, waren Prins Willem van Oranje en Graaf Johan van Nassau de oudsten, Graaf Adolf en Graaf Hendrik de jongsten, Graaf Lodewijk de derde. Met zijnen broeder

245

ocr page 256

TOELICHTINGEN.

Graaf Hendrik en Hertog Christoffel van de Paltz verloor hy (Lodewijk) op de Mookerheide het leven, zonder dat men ooit heeft kunnen te weten komen op hoedanige wijze. Van geen der drie edele Wapenbroeders zijn de lijken op het slagveld gevonden. — De Gezant van Koningin Elisabeth in Frankrijk, Walsingham, schreef van hem: Graaf Lodewijk is de volmaaktste Edelman, dien ik gezien heb, zoo lang ik in Frankrijk ben geweest, — welsprekend, sierlijk in. woorden, maar, het voornaamste is, in het stuk van Godsdienst zulk een eerlijk man en onbesproken van leven, als rondborstig en ter goeder trouw in de onderhandelingen.quot; — Zijn devies was patience et innocence.quot; — „Aanteekeningen op mijn Bijschrift: Lodewijk van Nassau.quot;

Bladz. 176. v. 32, 33.

na dat voorlang „Graaf Adolf was gebleven in Friesland in den slag.quot;

Toespeling op — of liever aanhaling van — twee versregels uit den „Wilhelmus van Nassouwe.quot;

Bladz. 176. v. 34.

verbond Graaf Jan zieh-zelf, en zijner zonen bloed!

Men zie ook van dezen voortreff'el ijken broeder van Willem van Oranje het Godsdienstig en Staatkundig karakter in de uitgegeven .Archives de la Maison d'Orange Nassau.quot; T. VIII. p. XI. — „Hy overleed in 1606, nalatende een tachtigtal Graven en Gravinnen, uit zijne lenden gesproten. — Graaf Willem Lodewijk, Johans oudste zoon, Maurits bekende wapenbroeder, ontfing by de belegering van Koeverden (a0. 1580) een zware wond aan het linker been, waaraan hy sedert levenslang kreupel ging. Graaf Philips sneuvelde (aquot;. 1595) hy Bislich. Graaf Ernst Casimir (Stamvader in de rechte manlijke lijn van ons regeerend Koningshuis) bleef in de loopgraven voor Roermonde (a0. 1682). Graaf Adolf, de jonge, des ouden Graaf Johans kleinzoon door Graaf Johan den jonge, (die ook de vader was van Johan Maurits, den Gouverneur van Brasilië, en van Graaf Willem den Veldmaarschalk, gesneuveld a0. 1641 voor Gennep), overleed in twee en twintigjarigen ouderdom aan zijne talrijke wonden (a0. 1608) by Santen in het Kleefsche.quot; Aant. op mijn Bijschrift: Johan van Nassau [Dichtwerken, Dl. Ill, bl. 17]. Verg. die op Willem Lode w ij k van Nassau fld. Dl. III, bl. 18]. Zoon van Graaf Johan van Nassau, Oranjes

246

ocr page 257

TOELICHTINGEN.

broeder, was ook Graaf Lodewijk Gunther, Generaal der Cavalerie en, naast Maurits, de held van Nieuwpoort. Hy overleed in 1604 voor Sluis, aan de gevolgen van ongemak en vermoeiing in den feilen krijg.

Bladz. 177. v. 8, 9.

twee Duitsche Scipioos,

of Dioscuren,

De beide Scipioos by Virgilius (Aen. VI. 843 en 844) „duo ful-tnina belli (twee oorlogsbliksems)quot; genaamd. — Dioscuren zijn de twee broeders Castor en Pollux, uit mythologie en astronomie bekend.

Bladz. 177. v. 25, 26.

Men ziet ze, dag en nacht,

zich oefnen in de taal en krijgskunst van Oud-Romen,

Men zie van dit alles in byzonderheden, onder onze tydgenooten Bosscha, „Neêrlands heldendaden te land,quot; Dl. I, bl. 271—277, verg. bl. 313—317; Dr. R. Fruin, „Tien jaren uit den tachtigjarigen Oorlog, 1588—1598quot;, bl. 56—62 (beide, zoo wat de zaken als wat stijl en vorm betreft, meesterwerken), en, als schier van-zelve spreekt, de „Archives de la Maison d'Orange-Nassau,quot; II. Série, T. I et II.

Bladz. 177. v. 33.

in nieuw-Teutoonsche spraak.

In eenen Brief van Graaf Willem Lodewijk aan Graaf Maurits van Nassau, [„Archives,quot; II, Série, T. I, Lett. 130. p. 835,] leest men: „V. E. m'a faict dire par Regemorter de désirer les mots Allemands lesquels j'usoy en l'exercice de mes soldats, lesquels sont:

' i sta gereedt,

Assiste ad arma i __

( past op t geweer.

(Ici suit une, série de locutions latines traduites en Hollandais, etc.quot; 8 Deo. 1594).

Bladz. 178. v. 29, 30, 31.

Turnhout!

waar Varax ruitren eens zoo hoog de borsten droegen, straks Maurits honderden hun duizenden versloegen;

247

ocr page 258

248 TOELICHTINGEN.

„In minder dan een half uur waren meer dan 2000 gewonden, waaronder de aanvoerder zelf en. meest al de Officieren waren, doodgeschoten of neêrgesabeld, behalve nog 400 of 500 krijgsgevangenen gemaakt, door 800 ruiters, die — het grenst aan het wonderbaarlijke — met een verlies van 8 of 10 dooden en gekwetsten, op een leger van 6000 man de volkomenste zege hadden behaald, waarvan de teekenen bestonden in 38 vaandelen en de kornet van Alonso Mondragon.quot; Bosscha t. a. p. bl. 332 en 333.

Bladz. 178. v. 32.

„Hy zag, Hy kwam, God overwon!quot;

De gedenkpenningen, ter gelegenheid van de merkwaardige gebeurtenissen van het jaar 1597 geslagen, voerden deze spreuken: „O miranda Dei opera!quot;' en ,Venit, Vidit, Deus vicit.quot;

Bladz. 179. v. 7, 8, 9.

in naam van Eomes kerk aan haren nieuwen Zoon door Neêrlands Abtenschaar de rol werd aangeboden der Schriften,

rToen Karei V, de Erfheer dezer landen, in 1500 te Gent was geboren, en de Edelen en Grooten zich beijverden om den jonggeboren Vorst, op zijnen doopdag, kostbare geschenken te vereeren, zonden de Nederlandsche Abten eenen Bijbel met het opschrift: Onderzoekt de Schriften!quot; Ter Haar, „Geschiedenis der Kerkhervorming in tafereelen,quot; bl. 242.

Bladz. 180. v. 23, 24.

Zoo was dan 't voorgevoel, aan half het land gemeen,

niet ijdel, enz.

Het gevaar was zoo in het oog loopende, dat de gemeenten in de steden, waar hy (Maurits) doortoog, hem met zuchten en tranen navolgden, het ongeval bejammerende waar hy zich in storten ging.quot; Van Lennep, „De voornaamste Geschiedenissen van( Noord-Nederland,quot; 2de Afd. 21« st. bl. 117.

Bladz. 180. v. 34, 35, 36.

üw moed, steeds kalm en koel, had van des volks bezwaren, door kundig Hoofd aan Hoofd getrouw uiteengezet,

geen enkle zich ontveinsd.

ocr page 259

TOELICHTINGEN.

Niemand had zich stelliger of krachtiger tegen het plan van campagne der Staten verklaard dan Graaf Willem Lodewijk. „Ue Stadhouder van Friesland (zegt Bosscha t. a, p. hl. 341) ijverde met kracht van reden tegen eenen tocht waarbij naar zijne meening, het lot van den Staat werd in de waagschaal gesteld. De Staten besloten desniettemin tot denzelven, en Maurits liet zich overhalen, de uitvoering op zich te nemen.quot; Wy bezitten thands van Graaf Willem Lodewijk's eigene hand eene krachtige uitdrukking ten aanzien van de juistheid van zijn gevoelen over het gewaagde, en ook na den meest gewenschten uitslag blijkbaar onvruchtbare, van geheel den tocht. „Und wirdt nhun in der that befunden, auch nach sulcher herlicher victorie, dasz ich niht sonder fundament jegen den hern Statten und jedermans opinie gewesen bin, das man uf solche weys nichts würde auszrichten konnen, und ich fast ein prophet gewesen bin.quot; „Archives,quot; t. a. p. Lett. 120, p. 41. Men zie ook aldaar (Lett. 102, p. 15) den vertrouwelijken brief van den eigen tijdgenoot, van Reid: „Barnefeld und [die] lankrocke haben uns piecipitiert; Gott gleichwol hat uns nit willen lassen verderben, der allein zu dancken ist das er unseren haubtern und soldaten soldi hertz hatt gegeben.quot; Verg. „Introduction,quot; p. XLIII.

Bladz. 180. v. 37, 38.

Uw oog, een wijl —• wellicht — betrokken by 't hachlijk aanzien van den dag, staat onverschrokken.

249

Waarom zou een groot Veldheer zich schamen over gemoedsaandoeningen in oogenblikken, waarin behoud en eer van het aangevoerde leger als aan een dunnen draad hangt, of gelijk de Dichter het uitdrukt, op de snede van een mes ligt? In zijn „Leven van Willem den Tweede, Koning, der Nederlanden,quot; (bl. 109, 110), noemt Bosscha twee omstandigheden op, waarin dergelijke aandoening tot verbleekens toe op het gelaat van den Hertog van Wellington te lezen stond.

Bladz. 181. v. 31, 82, 33.

of met nog ruwe stift aan magen en beminden, en onder dquot; indruk-zelf van eigen ondervinden, getuigt!

ocr page 260

TOELICHTINGEN.

Het behoeft naauwlijks herinnering, dat hier gezien wordt op de belangrijke mededeelingen aangaande den dag van 2 Julrj 1600, in de Brieven der Nassausche helden-zelven, „Archivesquot; t. a. p. Lettre 203 tot 211. Verg. „Introduction,quot; p. XV—XVIII.

Bladz. 181. v. 39.

meldt enklen ons voor 't minst der wederzijdsche helden

Uitvoerig worden de voornaamte Veldoversten en Officieren van onderscheiden rang in beide legers opgenoemd, onder anderen, by van Meteren, in het 22,te Boek zijner „Nederlandsche Historie, Naauwkeurig vooral en belangwekkend zijn de „Verzamelde Berig-ten omtrent de Krijgsbevelhebbers by Nieuwpoort,quot; 2 Julij 1600, uitgegeven (ter gelegenheid van een Feest der ütrechtsche Hooge-schoolj by van der Post in 1836, en (ik meen te mogen zeggen: met recht) toegeschreven aan mijnen hooggeschatten vriend Mr. Schuller tot Peursum door Dr. Swalue, in zijn „Justinus van Nassau,quot; bl. 36.

Bladz. 182. v. 27.

Pagnet,

„Pierre Panier of Pagnet heeft de eer gehad dat het zijne ruiters waren die den vijandelijken veldoverste Mendoza van het paard wierpen en vervolgens gevangen namen.quot; „Verzamelde Bengten, bl, 24 en 25. Verg. van Meteren, fol. 441.

Bladz. 182. v. 28, 29.

en beide Van der Noot en,

wier vaders, om den bond in Pallandts zaal gesloten, enz.

De Ritmeester Lamoraal van der Noot, Heer van Risoir, die de ruiterij der afdeeling van Graaf Ernst commandeerde, en Jonkheer Charles van der Noot, die over zeven compagniën Zeeuwen het bevel voerde, waren zonen van Charles van der Noot, Ridder, Heer van Risoir, die met zijn broeder, den Heer Carlo, aan het Verbond der Edelen deel nam, en deswege de strenge wraak van Alva ondervond. Zy bleven hem ook hunnerzijds, zoo veel in hun vermogen was, niets schuldig, en hadden hem in 1568 bijna opgelicht. Later hebben zy onder de Watergeuzen gestreden. — Men weet dat de grond tot het Verbond der Edelen gelegd is te Brussel in het huis van den Graaf van Kuilenburg, Floris van Pallandt»

250

ocr page 261

TOELICHTINGEN.

op de Paardenmarkt, welk huis door den Hertog van Alva eerst bewoond, later geslecht is.

Bladz. 182. v. 37.

„Voor God en Gideon!quot;

Richteren VII: 18.

Bladz. 183. v. 11.

zijn schittrende De Veren,

De twee Engelsche broeders, Francis en Horatio, hier bedoeld, behoorden tot den Oud-Normandischen stam van De Vere, die vele eeuwen achtereen Graven van Oxford zijn geweest. Beide de evengenoemde broeders hebben zich aan het hoofd der hulptroepen van Koningin Elisabeth in Nederland, en in het byzonder by Nieuw-poort, door ongemeene dapperheid en kloekheid onderscheiden. Te Ostende schijnt later Francis minder geschitterd te hebben, immers als Generaal. Ten jare 1601 althands schreef Willem Lodewijk aan Maurits van hem: dat hij „vieux et bon colonel, comme je le tiens,quot; evenwel nog ter school gaan moest, „quand il veut faire le General.quot; .Archivesquot; t. a. p. Lettre 150. In een verhaal van den slag by Nieuwpoort, later door Francis uitgegeven, vond hy goed niet alleen zijne eigene verdiensten op dien dag nog al sterk op den voorgrond, maar ook den held van den dag tamelijk op den achtergrond te plaatsen, onder anderen ook hoog opgevende van zijne eigene bedaardheid in tegenstelling van de gemoedsgesteldheid van den Prins vóór den aanvang van den kamp, Men zie deze (ongelukkig by onze Engelsche bondgenooten ook in later tijd niet vreemde) miskenning van Nederlandsche militaire diensten op waar-digen toon en wijze opgenomen en te recht gewezen in een Fran-schen Brief (gedagteekend 16 April 1629) van Maurits natuurlijken broeder Justiuus, den Admiraal van Zeeland, later Gouverneur van Breda, aan C. Huyghens. Men vindt dien brief, door den Heer Groen van Prinsteren verstrekt aan Dr. Swalue, in de „Bijlagen op den Justinus van Nassauquot;, bl. 110 en 111. — Horatio Vere heeft nog langen tijd de wapenen tegen Oostenrijk en Spanje gevoerd. Hy was in 1632 een der voornaamste Generaals vaa Frederik Hendrik by de belegering van Maastricht, waarby ook nog zijn neef, de Graaf van Oxford en hoofd van het geslacht, als Luitenant-Colonel onder zijne bevelen diende en het leven verloor.

251

ocr page 262

TOELICHTINGEN.

Bladz. 18H v. 12, 13.

Lord Grey de Wilton, en Sir Robert Henderson, en Edmund, kolonel die van soldaat begon?

Lord Grey de Wilton, een bloedverwant van de om hare Godvrucht en kortstondige titelvoering van Koningin welbekende Lady Johanna Gray, ter dood gebracht onder Maria Tudor. — Sir Robert Henderson sneuvelde aan het hoofd van een Schotsch regiment in Staatsche dienst by de verdediging van Bergen-op-Zoom in 1622,— Kolonel Edmund reeds in 1603 in het belegerde Ostende.

Bladz. 183. v. 20.

te wakkre Chat ill on!

Henri de Coligny, Graaf de Chatillon, kleinzoon van den Admiraal de Coligny, den beroemden martelaar in den St.-Bartelsnacht, was alzoo volle neef van Fredrik Hendrik, wiens moeder Louise de Coligny zijns vaders eigen zuster was. Hy was, even als Graaf Fredrik Hendrik, destijds tusschen de zestien en zeventien jaar oud, aanminnig van gelaat en van een schoone gestalte. Hy werd den lO1™ Sept. 1601 binnen Ostende doodelijk getroffen, terwijl hy op den wal, op een stuk gezeten, met eenige andere hoofdofficieren het plan van eenen uitval tegen den volgenden dag besprak.

Bladz. 184. v. 1.

en Fredrik Hendrik, die met tranen en gebeén, —

Graaf Ernst Caaimir in het postscriptum van een brief aan zijnen broeder Willem Lodewijk van 20 Julij 1600 schrijft; „Son Exc., Ie jour de la bataille, a esté fort en peine pour Monseigneur le Comte Henry, et le voulu contraindre d'aller s'embarquer, mais il a si longtemps prié a mains joincts, qu'a la fin ast obtenu de demeurer auprès Monseigneur son frère lequel nullement il a voulu abandon-ner, mais l'a suivi armé de toutes pieces, tout ce jour de la bataille, et bien passé de hasards avec luy: aussi a fait Monsieur de Scha-stillon a qui ne manque de courage.quot; „Archivesquot; t. a. p. Lett. 209, p. 39, 40.

Bladz. 184. v. 9.

Dees tegenover staat Albertus, Cardinaal

252

ocr page 263

TOELICHTINGEN.

253

De Aartshertog Albertus, op dat tijdstip Opperbevelhebber van de Spaansche krijgsmacht in de Nederlanden, was een jonger zoon van Keizer Maximiliaan II en alzoo ook broeder van twee Keizers Rudolf II en Matthias. Hy was vroeger Aartsbisschop van Toledo en. in die hoedanigheid, Primaat van Spanje. Eerst Landvoogd voor Filips II in het door Alva veroverde Portugal, bekleedde hy later in de Nederlanden denzelfden rang, tot dat de Koning het plan vormde om zijne Dochter Isabella Clara Eugenia aan hem uit te huwelijken, en aan het Aartshertogelijke paar de Souvereiniteit der Nederlanden over te dragen, hetgeen eerlang, na verkregene dispensatie van Rome en ontheffing alzoo van de priesterlijke geloften van den Cardinaal Aartsbisschop, tot stand kwam. In 1596 had de plechtige intocht der Aartshertogin te Brussel plaats. De staatkundige berekening van Filips by deze niet lang voor zijn uiteinde volvoerde overdracht is door Dr. R. Fruin met de hem eigene helderheid van inzicht en uitdrukking uiteengezet in zijn Decennium „Uit den tachtigjarigen Oorlogquot; (Stedelijk Gymnasium te Leyden, 1857— 1858), hl, 217—224. — Aan het personeel karakter zoo van den Aartshertog als in het byzonder van de Aartshertogin, met betrekking vooral tot het lot der Zuidelijke Nederlanden onder hunne regeering, — (na hun kinderloos overlijden keerden die Gewesten in 1633 onder de rechfstreeksche heerschappij van Spanje te rug) — deed meer dan een onzer Historieschrijvers recht wedervaren. Uit het standpunt zijner eigene en kerkelijke overtuiging is door mijn begaafden vriend J. A. Alberdingk Thym nog onlangs aan de deugden en de vroomheid van „Isabella Clara Eugenia, Vorstin der Nederlanden,quot; eene hulde toegebracht, die in vele opzichten op onze Evangelisch-Christelijke sympathieën aanspraak heeft. Ten aanzien van één punt verdiende hier nog de langdurige regeering dezer Vorstin over België eene eervolle melding; het staken dei-vervolgingen om der Godsdienst wille, terwijl, onder de regeering van haren broeder Koning Filips III en diens opvolgers, de Inquisitie in Spanje nog steeds met ongelijke vlagen van woede, en niet zonder eene (haar in de zeventiende en achttiende eeuw bijzonder eigene) aanneming van personen hare vervolgingen en wreedheden voortzette. Niettegenstaande de velerlei aanleiding tot vervolging, het zij om Protestantsche ketterij onder het volk, het zij om bedekt Jodendom aan het Hof-zelve in de Spaansche Nederlanden, dag-teekent het laatste voorbeeld van ter dood brenging aldaar om dei-Godsdienst wille, van het ;aar 1597, als wanneer zekere Anneken

ocr page 264

TOELICHTINGEN

van der Hove, dienstmaagd te Brussel, volgens de oude allengs verouderende plakaten levend in een poel werd versmoord.

[In bovenstaande Aanteekeniug noemt Da Costa den naam van .zijnen begaafden vriend J. A. Alberdingk Thym.quot; Inderdaad behoort het tot een der schoonste karaktertrekken van Da Costa, dat hij in alle oprechtheid des harten, vrienden kon zien en erkennen ook in zulke mannen, die, ten opzichte van hunne geloofsovertuiging, even lijnrecht tegenover hem stonden, als deze vurige katholieke letterkundige en Dichter. Wederkeerig werd die hoogschatting en liefde van den grooten zanger door Alberdingk Thym niet minder warm beantwoord. Een proeve daarvan gaf onder meer de schoone hulde, die hij in een welsprekend woord, getiteld: Mr. Isaac Da Costa, enkele trekken van 's dichters charakterbeeld, Da Costa bij zijn diep betreurd overlijden toebracht. Het is mij hoogst aangenaam met vergunning des Dichters, het schoone Lied hier te mogen laten volgen, dat hij, na het reeds vroeger bij zijn leven den zanger te hebben toegezongen en toegezonden, als bijlage in zijn gedachteniswoord volgen liet.]

AAN Mr. ISAAC DA COSTA.

Da Costa! strijdgenoot! mijn vriend en vijand tevens!

Mijn vriend: om dat één vuur ons-beider borst doorblaakt; Een doel ons leidt: de roem van d'eigen Vorst des Levens:

Om dat ons-beider liefde één zelfden hoogmoed wraakt:

Om dat één Kunst ons drenkt, met waatren klaar en levend,

Al vliegt gij op de baan, het moedig ros gelijk,

En keert den zandgrond om en plet wat — wederstrevend —

Uw hoefslag (fier genet!) uw blikkrend oog niet wijk';

Al kan mijn zwakkren tred, als u, geen roem gebeuren —

Anch' io son pittor en heb mijn plaats verdiend,

Waar 't heerlijk vaandel golft met teisterbantsche kleuren — De plaats en eernaam van uw vriend.

En toch uw vijand! — wie, wie onzer wil 't verbloemen,

Wie galmt niet eerder voor heel Nederland hel uit. Dat strijdigheid van Leer, van Dienst, waarnaar we ons noemen, Weêr- tegen weerstand in zich sluit?

254

ocr page 265

TOELICHTINGEN.

Niet enkel wederstand: üw zwaard trilt in de schede

Ter schending van mijn Heiligdom:

En ik — ik wacht, noch hoop, noch bid voor mij den vrede

Dan met het lijkgewaad des roomschen strijders om.

Wat ik als God aanbid — het dierbaarst pand op aarde

Der liefde van den Eengen Heer —

Het blijk, dat nimmer gift Zijn giften evenaarde.

Het heerlijk middenpunt der Leer —

Het levend blijk, dat God geen logen heeft gesproken

In 't woord: „Ik laat n niet verweesdquot;.

Het „Meer dan manna-zelfquot;, „den kinderen gebrokenquot;,

Gewaarmerkt door Schriftuur en hoorbren Heilgen Geest: Dat ziet ge — en keert u af! — Het weiden van de schapen

Vertrouwt gij eiken vreeindling aan.

Die met den leeraarshoed op de ongewijde slapen De Kerkgemeente voor wil gaan.

Ach, dierf ik wat gij derft — de Heer is mijn getuige —

't Bracht mijn geloof den doodsteek toe:

En daarom — schoon mijn hart niet voor uw dwaling buige —

Gun, dat ik plicht van oodmoed doe!

Want zie! reeds mindre gaaf, reeds minder pand van trouwe

Spoort u tot ijvren voor den Heer:

Wat verg men dies van mij, van mij die Hem aanschouwe Niet slechts in 't minder, maar in 't meer!

0 blonk nog eens Gods Zoon, verrezen, u in de oogen —

O leefdet gij één uur des levens volheid meê —

Hoe gingt ge, o Cleophas, dien Heiland nagevlogen. Die immers op den weg u 't hart reeds branden deê!

Heeft God die Kerk gesticht, waar 't klinkt van alle zijden „Ginds is de Christus!'... 'hier!'... 'neen, derwaart!'... 'ter

255

[woestijn!'? — Keer, kind, tot 's Vaders huis! en tranen van verblijden. Zelfs van den ouder zoon, zij zullen 't welkom zijn.]

Bladz. 184. v. 13. ontelimar, van ouds de vijand van zijn Vorst;

ocr page 266

TOELICHTINGEN.

„De Senechal de Montelimar, eigenlijk Colas genaamd, was een man van geringe afkomst, maar door de gunst van den Hertog de Mayenne en de verwarringen der Fransche burgeroorlogen in hooge betrekkingen gekomen. Hy was een tijd lang Liguistische Gouverneur der stad La Tere, naar welke hy zich den titel van Graaf aanmatigde. Na derzelver overgave in 1596 week hy naar Vlaanderen uit, streed by Nieuwpoort, viel zwaar gewond in handen van den vijand, en overleed reeds des anderen daags te Ostende.quot; ,Verzamelde Berigten,quot; bl. 82 en 83.

Bladz. 184. v. 14.

D'Au male die, als hy, naar kamp met ketters dorst, Charles de Lorraine, Hertog d'Aumale, uit het stamhuis der Guises, de vermaarde Hoofden der R. Catholieke Ligue, en tegenstanders van Hendrik III (van Valois) en van Hendrik IV (van Bourbon), koningen van Frankrijk. Hy was broederszoon van Francois Hertog van Guise, die in 1563 door Poltrot voor Orleans vermoord werd, en volle neef van diens zoon Hendrik Hertog van Guise, die op bevel van Hendrik 111 te Blois werd afgemaakt. — Ook na de toetreding van zijn stamhuis tot de erkenning van Hendrik IV, na diens overgang tot de Roomsche Kerk, als Koning van Frankrijk, bleef hy zynen Vorst wederspannig, week uit naaide Spaansche Nederlanden en overleed a. 1631 te Brussel. — Het huis van Lotharingen roemde zich afkomstig van Charlemagne, en grondde op deze afstamming een recht in de verte op den Franschen troon.

Bladz. 184. v. 20, 21.

uit Milaan met keur van Cavalieren Graaf Balbiano (I Barbiano) zijn vrijwilligers „Jan Jacob, Graaf van Barbiano en Belgiojoso, uit een oude Milaneesche familie, behoorde tot die krijgshaftige Edellieden die men in dien tijd op alle oorlogstooneelen vond, en die ons nog aan de dolende Ridders der Middeneeuwen doen denken. Reeds in 1588 diende hy als vrijwilliger in de Nederlanden, en vervolgens by de Pauselijke troepen in Frankrijk. In 1592 vinden wy hem weder in de Nederlanden als kapitein eener compagnie van het Italiaansche Regiment van Spinola. In het volgende jaar wierf hy in zijn vaderland een compagnie Carabiniers, aan wier hoofd hij vervolgens eenigen tijd den Spaanschen Koning in deze Landen diende.quot;

256

ocr page 267

TOELICHTINGEN.

„Verzamelde Berigten,quot; bladz. 96 en 97. Het is hier eene soort van dichterlijke vrijheid geweest, den naam van vrijwilligers te geven aan de op de gewone wijze geworven troepen van dien Vrijwilliger. Deskundigen zullen ook wel elders in dit vers, en byname in de beschryving van den veldslag-zelven, dichterlijke vrijheden ten aanzien b. v. der rangschikking van voorvallen, bewegingen en andere bijzonderheden kunnen opmerken. Zy zijn uit het standpunt van den dichter niet alleen te wettigen, maar in zekeren zin noodig om het essentieel onderscheid te doen uitkomen tusschen een chronologisch historisch verhaal of militair verslag, en een Dichtstuk, waarin, voorzeker! de vaste grond der historie altijd erkenbaar moet zijn, en de historische waarheid — zelfs naauwkeurigheid tot zekere hoogte — overal moet doorschijnen, maar evenwel de poëzy haar recht van ordonnantie en imaginatie, vooral niet minder dan de schilderkunst, behoudt.

Bladz. 184. v. 26.

Richardot, Pilmorel,

Men versta door Richardot den Heer van Ottigny, zoon van den bekenden President van Vlaanderen van dien naam. Zoowel Ottigny als de Baron van Pilmorel verloren by Nieuwpoort het leven.

Bladz. 184. v. 27, 29.

Longueval-Bucquoy, enz.

Vliesridder, Graaf en Heer Lannoy Lamotterie,

Longueval-Bucquoy is Charles Bonaventure de Longueval, wiens vader, de Baron de Vaux, een van Parmaas beste Veldheeren, dooiden Koning tot Graaf van Bucquoy verheven werd. — Claude de Lannoy, die hem in 1606 opvolgde in het commando over zijn Regiment Walen, was tijdens deri slag van Nieuwpoort nog geen Vliesridder; zoowel deze waardigheid als den titel van Graaf kreeg hy eerst in latere dagen. De oude adel van zijn huis is bekend.

Bladz. 184. v. 30, 31.

met dien ten Veldheerstaf, door kracht van krijgsgenie,

van scheermes en lancet geklommen La Barlotte, enz.

„In het Luxemburgsche van geringe ouders geboren, had hy te Parijs de gunst gewonnen van den Graaf Karei van Mansfeld — m. 17

257

ocr page 268

TOELICHTINGEN.

Uitstekend moeten voorzeker zijne bekwaamheden geweest zijn, om in het Spaansche leger, alwaar niet eens geborene Italianen zonder moeite tot hoogere krijgsposten konden komen, den lof te doen verdienen, dien alle schrijvers hem met milde hand toezwaaien. — Strada verhaalt, dat hy zijne Walen zijne „enfants perdusquot; noemde, daar hy nimmer tegen eenig gevaar opzag. — By Nieuwpoort word hy slechts licht gewond, doch nog in dézelfde maand vond hy zijnen dood by de verdediging van het fort Isabella, De verachting der hoovaardige Spanjaarden had hy steeds met de grootste trotschheid beantwoord.quot; „Verzamelde Berigten, bl. 111—113. Verg. Van Meteren, fol. 442. Men weet dat Prins Maurits de dankzegging in de Kerk te Ostende bijwoonde met de rotting van La Barlotte in de hand. Wagenaar, IX. 86.

Bladz. 185. v. 4.

met Torres, uit het bloed der kroon van Portugal,

By wie, met den Dichter, eenig belang stelt in genealogische berichten en byzonderheden, betreffende stammen en geslachten van het Spaansche schiereiland, zullen misschien deze en de volgende aanteekening niet ten eenenmale als een hors d'oeuvre beschouwd worden. Men zou in het geheel de studie van genealogie op het gebied der wetenschap de kleine geschiedenis kunnen noemen, doch eene kleine geschiedenis dikwerf in het nauwste verband staande met groote lotgevallen van Staten en Vorsten, en waarin niet zelden de wegen der Goddelijke Voorzienigheid op buitengemeen treffende wijze uitkomen.

Om den zin, in elk geval van den aan het hoofd dezer aanteekening geplaatsten versregel volkomen te vatten, is eene korte toelichting noodig aangaande het geslacht de Torres, waaruit twee officieren by Nieuwpoort streden en gevangen gemaakt werden, Don Diego en Don Francisco. De naam van Torres werd in het Spaansche Schiereiland door twee onderscheidene adellijke geslachten gedragen: de Torres in Portugal (ook dezen evenwel uit Cas-tilië afkomstig), waartoe onder anderen in dat Rijk de tak der Graven da Ponte behoort, en de Torres in Spanje, die in de rechte manlijke lijn koningen van Portugal tot voorouders hebben, maar, ten gevolge van het huwelijk van Don Fernando de Portugal met Maria de Torres in de vijftiende eeuw zich genoemd hebben, deels Torres y Portugal, deels enkel Torres. Deze Don Fernando was een zoon van Don Dionis de Portugal, een zoon

258

ocr page 269

TOELICHTINGEN.

■ van Pedro bijgenaamd el Justiciero (Rechtshandhaver), Koning van Portugal, uit diens huwelijk met Ines de Castro, de gekroonde na haren dood. By het overlijden van Koning Ferdinand van Portugal (zoon van denzelfden Koning Pedro uit zijn eerste huwelijk) zonder manlijk oir, zouden de zonen van Ines de Castro hebben moeten in aanmerking komen voor de opvolging; doch zy verbeurden door onderscheidene onvoorzichtigheden en misdrijven de gelegenheid om hun recht te doen gelden. De Portugeezen verkozen oerst tot Regent (a°. 1383), daarna tot Koning (a0. 1385), den Grootmeester van Avis, D. Johan I, bijgenaamd de Wreker (el Vengador) en de Vader des Vaderlands. Deze Vorst was insgelijks een zoon van Pedro, hem na den dood van Ines geboren uit de Israëlitische Jonkvrouw Tareja (Theresia) Lorenzo. Van deze stammen alzoo a in de manlijke lijn alle de volgende Koningen van Portugal, daaronder begrepen het geheele huis van Braganga, mitsgaders talrijke geslachten van den getituleerden en niet getituleerden adel in Spanje en Portugal, — en, in de vrouwelijke lijn, al wat in Europa uit Karei den Stoute, wiens moeder eene dochter van Johan I was, en uit de Catholieke Koningen Ferdinand en Isabella, zijne afkomst rekent.

De van Koning Pedro en Ines de Castro afstammende Torres en Torres y Portugal voerden het wapen van Torres: in rood vijf kas-teelen van goud, gekwartierd met Portugal. Het hoofd des geslacht s droeg den titel van Graaf del Villar Dompardo, met de Grandeza. Nog andere takken uit Koning Pedro en Ines vormden zich uit de veertig eigene telgen van zijn kleinzoon Don Fernando de E9a.

Bladz. 185 v. 6, 7, 8.

en gy, vooral, Mendoza! uit glorierijker huis geboren, dan wellicht het huis uws Konings zelf,'

Een ten aanzien van rang, rijkdom, en overvloed van uitnemende en begaafde spruiten onovertroffen Stamhuis is langen tijd in het Spaansche schiereiland geweest dat der Hurtado's de Mendoza. De hoogste luister van dit geslacht dagteekent van de vijftiende eeuw, gelijk het geval is met ver de meeste geslachten van Span-jes hoogen adel, die niet tot den koningstam-zelven in de manlijke lijn behoorden. liïïgo Lopes Hurtado de Mendoza, zoon van den Admirant van Castiliö Don Diego, en van Maria, dochter van

259

ocr page 270

TOELICHTINGEN.

Koning Hendrik II van Castilië, werd in 1445 door Koning Johan II tot Markies van Santillana verheven. Hy was uitstekend door vele hoedanigheden in den krijg, in den Staat en aan het hof, groot voorstander van wetenschap en poëzy, en zelve goed dichter voor zijnen tijd. Zijne zonen vormden de hoofdtakken van het stamhuis, als volgt: Don Diego (sedert a0. 1475) was de eerste Hertog del Infantado, wiens opvolgers de hoofden van het geslacht der Men-dozaas bleven, tot dat de titel door aanhuwelijking (als veelal in Castilië, ook buiten het geval van ontstentenis van manlijke leden van het geslacht) in een ander stamhuis overging; — Don Lorenzo, de eerste Graaf van Cozuïia en Burggraaf van Torija; — Don Pedro Gonzales de Mendoza, Aartsbisschop eerst van Sevilla, later van Toledo, een van de grootste Staatslieden van zijnen tijd, doorgaans genaamd de groote Cardinaal van Spanje, en bijgenaamd de „derde Koning,quot; van wege zijn machtigen invloed bij de Catholieke Koningen Ferdinand en Isabella; (zijn natuurlijke zoon. Don Rodrigo de Mendoza, was die Markies van Cenete, wiens dochter Mencia, de derde Gemalin werd van Hendrik Graaf van Nassau, den broeder van Willem den Oude en alzoo Oranjes eigen Oom); — eindelijk, Don Bigo, Graaf van Tendilla en Markies van Monde-jar, sedert de verovering van Grenada (a0. 1492), erfelijk Gouverneur Capitein-Generaal van dat Gewest mitsgaders van An-dalusië.

De Admirant Don Francisco de Mendoza, die bij Nieuwpoort streed en gevangen werd, behoorde tot laatstgemelden tak; hy was zoon van den derden, en broeder van den vierden Markies van Mondejar, Graaf van Tendilla. De Admirant Don Francisco, zijnde een jonger zoon, bezat geene Grandeza of titel van hem-zelven. De titels van hoogen adel die hy voert, kwamen hem aan (als wederom veelal in Spanje) van zijne gemalin Maria Ruiz Colon de Cardona, eene dochter van den Markies van Guadeleste uit het beroemde Arragonsche huis der Cardonaas. De titel en waardigheid van Admirant, die in Castilië sedert Ferdinand en Isabella erfelijk is in het huis van Henriquez, Hertogen de Medina de Rio Seco, afstammelingen van den natuurlijken zoon van Pedro den Wreede, werd in Arragon gevoerd door Mendozaas Schoonvader, en kwam alzoo, mede in den weg van aanhuwelijking, aan hem. — De titel van Admirant is (in het voorbijgaan aangemerkt) in den grond geen andere in Spanje, dan die van Admiraal in Nederland en elders, schoon de Admiranten (Almiranten) van Castilië en Arragon

260

ocr page 271

TOELICHTINGEN.

meerrnalen, en Mendoza zoo goed als uitsluitend, te land dienden! doch dit is ook elders, b. v. in Holland met Justinus van Nassau en anderen, het geval geweest.

Tot Christoffel Columbus, in Spanje Colon genaamd, had de Gemalin van Mendoza de volgende famieliebetrekking. Don Diego Colon, zoon van den beroemden ontdekker van America, was door Keizer Karei V tot Hertog van Veragua en Jamaica verheven. By ontstentenis van wettig manlijk oir, werd over de opvolging in den titel en de daaraan verbondene Grandeza lang geprocedeerd tusschen de afstammelingen van Don Diego in de vrouwelijke lijn. Onder deze behoorde de Gemalin van den Admirant de Mendoza, die dan ook onder zijne titels zich dien van Hertog van Veragua eigende, ofschoon na zijnen dood de opvolging is toegewezen aan den Graaf van Gelves uit den huize van Portugal, wiens moeder insgelijks eene Colon was.

Wat verder den persoon van den Admirant, zijn krijgsbedrijven, zijn gevangenschap zoo in den Haag als op het huis te Woerden aangaat, mitsgaders de gesprekken aan den disch van Prins Maurits in den nacht na den slag, — men vindt daarvan by onze historieschrijvers uitvoerige melding tot in byzonderheden. Minder bekend schijnt hier te lande de byzonderheid dat Mendoza, latei-naar Spanje teruggekeerd, en aldaar zijne Gemalin en zijne eenige dochter verloren hebbende, in den geestelijken stand trad, en op het punt was tot Bisschop van Siguenza benoemd te worden toen Lij (a0. 1623) overleed. — Ik doe, ten slotte, nog van den Admirant opmerken, dat hy ter zelfder tijd met Filips Willem van Oranje, den Hertog van Aarschot, en nog andere Nederlandsche Grooten in 1599 te Brussel in de Orde van het Gulden Vlies opgenomen werd.

Bladz. 185. v. 10.

uit twintig takken, met Hertogelijke kroonen, enz.

Het .twintigtalquot; is geen poëtische vergrooting; daar zijn er, alle de takken en takken van takken des huizes van Mendoza (waaronder ook nog die van Don lïïigoos neef, den eersten Graaf van Priego) te zamen genomen, nog veel meer geweest, indien men vooral daarby in aanmerking neemt den stam der Portugeesche Furtado's de Mendoza (Furtado en Hurtado is, uit kracht der welbekende verwisseling van de H met de F, in het oude Spaansch en in het Portugeesch één), waartoe in laatstgenoemd rijk de Graven del Rio, die van Val de Reys enz. behoord hebben. Doch

261

ocr page 272

TOELICHTINGEN.

ook in Castilië bestonden nog Hurtado's de Mendoza, niet van Iligo Graaf van Santillana afstammend, maar van diens tijdgenoot Rodrigo Diaz Hurtado de Mendoza, stamvader der Graven van Castrogeriz, die van Orgaz, die van Lodosa, en der Markiezen de la Hinojosa. De oudere genealogisten zijn evenwel niet zeker van de gemeenschappelijke afstamming, ofschoon (hetgeen in Spanje en Portugal meermalen plaats heeft by verscheidenheid van afkomst) de gelijkheid van naam, adel en rang niet betwijfeld wordt. Ook is het wapen grootelijks hetzelfde. De Mendozaas, waartoe de Admirant behoorde, voerden: gekwartierd en sautoir 1 en 4 in sinopel den schuinbalk van goud in keel, 2 en 3 in goud de letters „Ave Maria'' ter rechter, en „Gratia plenaquot; ter linker, van lazuur; — de andere Mendozaas voerden alleen den schuinbalk, of kwartieren ook anders. Die vau Portugal blasoneereu op meer dan ééne wijze.

Bladz. 186. v. 23. 24.

Een pijnigend verlangst naar de eindbeslissing, een van weêrszij zeldzame angst

„De victorie was aldus langen tijdt twijfelachtig, beyde partijen vermoeit en t'eynden adem sijnde, soo dat de kloekmoedste hun wel hondert mijlen van daar wenschten, en geerne gevlucht hadden, indien Eere en devoir hun niet weerhouden en hadde; want daer geen man soo sterck en was, wiens hair niet te berge en stondt van vreese, alle cholere of gramschappe verteert, het herte soo perplex ende bedwelmt als oft sy den uytersten dagh des Heereu tegenwoordig hadden gesien.quot; Van Meteren, lol. 440.

Bladz. 187. 2, 3.

of met een hart, dat thands niet slechts van onrust slaat.

maar ook van naberouw in 't end?

Het laatste was te wenschen geweest. Het tegendeel evenwel schijnt het geval te zijn, indien althands de opmerking van onze historieschrijvers, waaronder Wagenaar, juist is, dat bepaaldelijk van dat oogenblik de verwijdering tusschen den Prins en den Advocaat, die zoo treurig een gevolg en einde had, dagteekent. — Aan wien de schuld? Ik neem (behalve de jeugdige heftigheid, waarmede die brochures geschreven zijn) niets te rug van hetgeen ik omtrent het goede recht van Maurits in de gebeurtenissen van 1617 tot 1619 in mijn Karakter van Prins Maurits (a0, 1825) eu Rechtspleging van 's Lands Advocaat Johan

262

ocr page 273

TOELICHTINGEN.

263

van Oldenbarnevelt (a0. 1825) uiteengezet heb. Sedert is veel aan het licht gekomen, dat het goede recht zoo wel als het politiek karakter en gedrag van Maurits, en althands de „politiekequot; strafschuldigheid van Barneveld van alle zijden voortgaat te staven eene overtuiging, die by elk rechtschapen gemoed zeer wel gepaard kan gaan met innig medelijden met het lot van den grijzen Staatsdienaar en zijne zelden geëvenaarde talenten. Hy was inderdaad (gelijk hem de aandoenlijke Aanteekening in de „Resolutiën van Hollandquot; 13 Mei 1619 noemt): „een man singulier in alles. Die staet, sie toe dat hy niet valle; ende zy Godt syner siele genadig Amen.quot; — Wat den tocht van 1600 in Vlaanderen betreft, ik voeg bij het deswege aangeteekende op bladz. 181 boven, nog het volgende getuigenis van den Franschen Gezant de Buzanval (4 Julij 1600): „Groyez que ces Messieurs avaient bien joué leur État a un coup de dé, et que Mens, le Prince Maurice avoit fait paraitre sa prudence devant que partir de ce lieu, en remontrant aux États les accideus de cette entreprise et la suite infaillible et forcée d'une bataille. II a bien montré sa résolution quand il a fallu boire la lye de ces indigestes conseils.quot; Men zie , Archivesquot; t. a. p. bl. 41 en vergelijke de „Introduction.quot; — Wanneer de Heer Pruin verder voort zal gaan de geschiedenis met die kalmte en dat doorzicht te onderzoeken, die hy tot hiertoe getoond heeft te bezitten, dan zullen de vrienden van Maurits en van de Contraremonstranten voor hunne goede zaak meer aan dezen trouwhartig liberalen Schrijver hebben, dan aan de Ypey's en soortgelijken, die sedert lang in den boezem-zelven der Nederlandsche Hervormde Kerken er een eer in stelden, de hun toevertrouwde panden ook op historisch gebied prijs te geven en te verloochenen. — Van den Heer Alberdingk Thym had men inderdaad indien al niet het zelfde, althands een onpartijdiger oordeel mogen verwachten, dan zijne uitingen zoo over Maurits als Veldheer (die hem Spinola-zelf, zoo ik meen, niet zou hebben gepfermitteerd), als over de rechtspleging van Oldenbarnevelt en de Groot, zonder eenige notitie te nemen van eene historische bron b. v. als de Tweede Serie der „Archives,quot; vooral T. II en zijn „Introduction.quot; — Doch de Heer Alberdingk Thym zal my veroorloven, hem ook in het openbaar (behoudens mijne hoogachting voor zijne talenten en vriendschap voor zijn persoon) te doen opmerken, dat de wijze waarop in zijne „Isabella Clara Eugeniaquot; (bl. 45 en 46) de nagedachtenis van Prins Maurits beleedigd wordt, tegen alle wet en regel van historische of weten-

ocr page 274

264 TOELICHTINGEN.

schappelijke polemiek inloopt. Het is te wenschen, dat de geleerde Schrijver met iets degelijker voor den dag zal komen dan het geen hier zijne beschuldiging van den voortreffelijken Prins zal moeten staven, — de beschuldiging van uit heerschzucht in het jaar 1621 te hebben onderhandeld over het wederbrengen der Vereenigde Nederlanden onder de gehoorzaamheid van den Koning en de Aartshertogen! Vrienden en hoogschatters van den beroemden Held en Stadhouder zouden dan op nieuw in de gelegenheid kunnen gesteld worden, hem door een bevoegde en onpartijdige pen even glansrijk tegen deze ongehoorde blaam gehandhaafd te zien, als met betrekking tot zijnen Vader, recht en waarheid getriumfeerd heeft door het reeds herinnerd Geschrift van Dr. Bakhuizen van den Brink in 1853.

Bladz. 187. v. 10.

tot de overwinning door uw moeiten ingewijd!

„Het is voor een krijgsman de moeilijkste, — maar tevens een heerlijke taak, geroepen te zijn, tot behoud van velen met weinigen een' strijd te gaan strijden, waarbij bereidvaardigheid tot zelfopoffering ten pligt gesteld, en nederlaag, geene overwinning te wachten is. Dien strijd heeft Graaf Ernst by Leffinghem loffelijk, en met den besten uitslag gestreden. Want Maurits kreeg hierdoor tijd, om zijn gansche leger by laag water door de haven van Nieuw-poort te doen trekken, enz.quot; Bosscha t. a. p. b). 346. Men zie deze opmerking bevestigd door de eigene woorden van Graaf Casimir in zijn relaas van het gevecht van Leffinghem (Archives, 9e Série, Lett, 209, p. 38): Toujours aye empèché l'ennemy l'espace de 5 heures, qu'il ne pouvoit marcher vers s. E. tellement que s. E. par la basse marée, qui entretems survint, avoit encorres loisir, mais a grand peine, de passer le havre et se mestre en ordre de bataille, tellement que messieurs les États, s. Exc., et tont le monde m'en savent bon gré et confessent que par ma défaite ont étó sauvez et gaigné la bataille.quot;

Bladz. 189. v. 6, 7, 8, 9.

Ik sneed met eere „de toevlucht af der vloot. Wie onzer denkt te vliên? ,Wy willen, wel te moê, den dood in de oogen zien,

-wil 't God!

ocr page 275

TOELICHTINGEN.

Dit: „met eerequot; en „wil 't God'' was (natuurlijk by den Dichter) eene reminiscentie van Willem Lodewijks bekend devies: „Will 'sGott, mitt Ehre!quot;

Bladz. 190. v. SO, 31, 32, 33.

diens Alberts, Rudolfs zoon en Habsburgs Rijksstoelsticbter die Keizer Adolf sloeg, den hooggeboren Dichter uit Nassaus oudste bloed, hem sleurde van het zaal en neêrplofte in het zand, by 't rampvol Rosendaal,

Op den 2llln Julij, dag van den slag Jby Nieuwpoort, hadden drio honderd en twee jaren vroeger ook een Nassau en een Albertus van Habsburg tegenover elkander gestaan. Het gold toen de Keizerskroon van Duitschland, door de Keurvorsten in 1292 opgezet aan Graaf Adolf van Nassau in de plaats van Keizer Rudolf van Habsburg, maar door diens zoon Albert wederom betwist, met dat gevolg dat Adolf overwonnen, en met de eigene hand van zijnen mededinger gedood werd. De slag viel voor nabij Spiers of, gelijk het Abraham Saur in zijn „Parvum Theatrumquot; heeft, nabij Gilheim niet ver van het klooster Rosendaal, alwaar de verslagen Keizer ook begraven (later, onder Keizer Hendrik VII van daar opgegraven en in de Keizerlijke graftombe te Spiers bijgezet) is. — De Kronijk meldt, dat ook op dien 2'llt;'n Julij de zon een deel gehad heeft aan de overwinning, toen den Nassauschen held en zijn volk, gelijk by Nieuwpoort den Habsburger, in de oogen stralende. — Keizer Adolf was de oudste zoon van dien Walram Graaf van Nassau naar wien de oudste linie Weilburg, Wiesbaden, üsingen, enz. de Walramsche heet, terwijl die der Nederlandsche Nassaus en Oranjes de Ottosche genaamd wordt naar Otto, Walrams jonger broeder uit Henrik bijgenaamd de Rijke. — Keizer Adolf, by alle hem toegeschreven misstappen, heeft ''en naam nagelaten van een niet slechts dapper en ridderlijk Vorst, maar ook van een beschermer en beminnaar der Wetenschap, „Hooggeboren Dichterquot; noemt hem het vers, van wege de hem toegeschreven hoogachting en misschien zelfs beoefening der poëzy. Het volgende tweeregelig versje, op een venster van het slot Adolfseik gevonden, zal volgens sommigen van hem afkomstig zijn.

„Wenn Sünde auch nicht batte Siinden Nahmen

„Wollt' ich mich doch der Sünde schamen.quot;

265

ocr page 276

TOELICHTINGEN.

Bladz. 190. v. 36.

't zal Nassau zijn ditmaal!

Toespeling op het devies der Nederlandsche Nassaus, sedert Engel-brecht II van Nassau, den Vliesridder: „Ce sera moi, Nassau!

Bladz. 191. v. 19, 20, 21, 22.

„Wilhelmus van Nassouwe „was hy van Duitschen bloed!

„Den Vaderland getrouwe „bleef hy tot in den doet!quot;

De bekende aanhef (met een geringe, door den toestand gebodene wijziging) van Marnix nooit geëvenaard „Wilhelmuslied.quot; Het rijm van „bloedquot; en „doetquot; (voor „doodquot;) ware het te wenschen dat een zuiverder uitspraak der moedertaal ons ook nog heden ten dage veroorloofde. Men behoorde „bloedquot; meer op de wijze van het Engel-sche bloedquot; uit te spraken, als wanneer het met „doodquot; nauwkeurig genoeg in klank zou overeenstemmen. Immers is, meen ik, de klank „oequot; in „bloedquot; niet dezelfde met de ,oequot; b. v. in „koe (cow).quot; — Nog een paar dergelijke toespelingen op het „Wilhelmus van Nassouwequot; zijn ook in deze slotcoupletten met aanhalingsteekenen aangeduid. Dat wy het aandoenlijk verheven lied (bijna geheel ten onzent door het kleurlooze „Wien Neêrlands bloedquot; verdrongen) hier en elders aan van Marnix toeschrijven, behoeft na al hetgeen in de laatste veertig jaren daaromtrent geschreven en aan het licht gebracht is, wel geene rechtvaardiging meer of uiteenzetting. Met den haar eigenen geestvollen tact heeft Mevrouw Bosboom-Toussaint het recht van Marnix door Coornhert-zelven laten erkennen, waar zy hem op haar meesterlijk souper by den Kanselier Leoninus liet vertrek laat instuiven met den uitroep; „De gezondheid van Prinse Mouringk ? die drinkt men niet zonder het lied van den heer van St-Aldegonde!quot; — en daarop dan het Wilhelmuslied. ,De Graaf van Leicester in Nederland,quot; Dl. II, bl. 56, 57.

Bladz. 193. v. 30.

Maar de Overwinnaar in het stof gebogen, bidt.

Historisch.

•26

ocr page 277

TOELICHTINGKN.

Over de voordracht van den „Slag by Nieuwpoortquot; op 14 Jan. 1858, wordt meer gezegd in het straks volgend overzicht van mijne hand. Daarop werd ook gezinspeeld in mijn „Harptoon na des Dichters dood,quot; dien ik mij verstout, na zoovele andere poëtische huldeblijken van begaafder zangers, hier te laten volgen.

ISAAC DA COSTA.

EEN HAKPTOON BIJ ZIJN DOOD,

DOOK J. P. HASEBEOBK.

Davidische psalmen

omruischen het wicht,

dat als onder palmen

van 't morgenland ligt.

Een lichtstraal van 't Oosten, —

als waar 't om den Zoon des ballings te troosten, —

daalt af op zijn koon.

En zaam met de kleuren van 't Oostersche land,

omweemlen hem geuren,

o Taag! van uw strand.

De Davidsharp uite

voor 't jongsken haar lied,

't verdooft hem uw luite,

o Camoëns! niet!

Maar andere zangen

poogt eerlang zijn oor van 't speeltuig te vangen,

dat 't Noorden zich koor.

Hij hoort uw akkoorden,

o Zangzwaan van 't IJ,

en hoor! van uw woorden een weerklank hoort gij!

Straks ruischt langs die zoomen een beurtzang, zoo schoon.

267

ocr page 278

TOELICHTINGEN.

als schaarsch werd vernomen,

van vader en zoon.

Zingt Vondel zijn galmen

Antonides voor?____

Neen, heerlijker psalmen verrukken ons oor!

Maar hoort hij naar 't klinken

uws speeltuigs, o Bard! nog dieper zal zinken

uw woord in zijn hart: 't Woord, dat zijn Messias den Jood heeft verkond; 't Is of Jesaïas hem spreekt door uw mond!

En nu paart, genieën!'

niet enkel uw toon,

buigt zaSm ook uw knieën voor 's Middelaars troon. En Gij, droegt ge uw Dichter

zijn harp achteraan,

zoek thans uw Verlichter ter zijde te staan.

Eliza! treed nader!

Gods stem in uw ziBl roept u naast den Vader, wiens kleed op u viel. De strijd ga ontbranden,

met d' Eeuwgeest aanvaard, gij sterkt hem de handen; één luit en één zwaard!

Laat smaden, wie smaden,

geen kruis maakt u schuw: 't heeft Jezus beladen, het kome ook op u. Gij deelt in het lijden

des Mans aan uw zij', gij blijft hem in 't strijden tot 't stervensuur bij.

268

ocr page 279

TOKLICHTINGEN.

Hoe heft daar het orgel een uitvaartlied aan'? Uit stervenden gorgel

klonk 't doodsüed der Zwaan. Het hert vond de bronnen,

waarnaar 't heeft gehijgd -. zijn ruste is begonnen,

zijn pelgrimslied zwijgt.

Wie zal hem vervangen,

den eenigen Bard?

Hoor, nieuwe gezangen

uit 's Kweekelings hart! Kan 't zijn, dat zijn luite,

lang spraakloos, weêr klinkt, en, toovrende fluite,

elk boeit, waar ze zingt?

Hoe statelijk ruiscben

haar toonen daarheen! Gij hoort in hun suizen

de stem van 't Verleen, De Jaren, zij stijgen

hun graven weêr uit, (1) en de Eeuwen, zij krijgen weêr geest en geluid, (t)

O wonder gemengel

van Oost en van Noord, in 't klankengestrengel van toon en akkoord! O eenig gewemel,

in 't eenige lied,

van aarde en van hemel, ais nergens zich biedt!

Maar hoe? Van die snaren,

wat toon, die daar klinkt? 't Is alsof vóór jaren de jongeling zingt.

Bood hij onzen dapperen

269

1

Vijf-ea-lwlntig jaren. (t) 1C48 en Ui8.

ocr page 280

270 TOELICHTINGEN.

toen 't zegeloof aan, (*)

luid laat hij nu klapperen

de Niauwpoortache Vaan!(**)

Zeeghaftige toonen

der Neêrlandsche luit!

De grootste onzer Zonen

stort in u zich uit!

Stort, waar hij gaat sneven,

in u met zijn geest ook d' adem en 't leven!...

De Bard is geweest.

De Bard moge zwijgen,

de Christen, hij spreekt,

bij 't zuchten en hijgen,

waar 't harte bij breekt;

maar dwars door zijn zuchten,

triumf! rijst zijn kreet,

laat de aard mij ontvlugten,

mijn huis is gereed.

Wie dankbaar, en teder,

biedt ginds hem een kroon?

Maar hij werpt haar neder

voor 'sEeuwigen Zoon!

Geen kroonen, geen kransen

voor 't zondige hoofd!

Den Christus die glansen!

Slechts Christus geloofd!

Maar wat hoor ik ruischen?

Hoe orgelt gindsch koor met hemelzoet suizen

weêr 't tempellied door!...

Een hert weêr ontkomen

aan 't blaakren der zon,

groet juichend de stroomen uit de eeuwige Bron! (ft)

Cl Ter verjaring Tan den veldslag bij Waterloo.

!**) De slag by NIeuwpoort.

'ttl Bij de uitvaart van Da Costa werd, even als vroeger bij die van Eilbeb. dijk, door het orgel de zangwjjze van Psalm XLII gespeeld.

ocr page 281

TOELICHTINGEN.

Bladz. 194.

[een aloud pinksterlied. Een vertolking van het Latijnsohe oudchristelijke kerklied, thans nog onder de liturgische zangen der Roomsche kerk in gebruik, dat aanvangt: „Veni Creator Spiritus. Dit Pinksterlied werd in „de Herautquot; het eerst gedrukt.]

Bladz. 195.

[aan bene jeugdige vriendin. Dit gedichtje werd geschreven als albumvers, weinige dagen voor het uitbreken der doodelijke ziekte, die eindigde mot den Dichter ten grave te slepen. Op het treffende, bijna profetische der uitdrukking van vermoeijenis en afmatting bij den Zanger van „Nieuwpoorts slagquot; zal het naauwelijks noodig zijn den lezer opmerkzaam ts maken.

Bladz. 196.

[gelukwensoh aan meester en arbeiders, enz. De laatste jaren van Da Costa waren ten deele niet het minst vervuld geworden door zijne zorgen voor de uitgave van den „Kompleeten Bilder-dijk.quot; Naanw was de betrekking tengevolge van die uitgave tusschen hem en den Heer A. C. Kruseman als uitgever der dichtwerken ontstaan. Men weet uit de prachtige jubelrede bij de honderdste verjaring van Bilderdijks geboortedag, hoe hoog Da Costa het gedenk-teeken stelde, aan zijnen Meester opgericht „door middel der persen van de Nederlandsche bakermat der drukkunst.quot; Om nu bij de voleinding des werks aan die persen, zoowel als aan de bij haar drukwerk bezig geweest zijnde arbeiders een eigen dichterlijke hulde van dankbaarheid te brengen, werd deze Gelukwensch geschreven, niet zonder kennelijke herinnering aan het bekende „Lied von der Glocke,quot; van Schiller, ter eere van wien in Duitschland juist in die dagen een soortgel ij jc jubelfeest tot aandenken aan diens honderdsten geboortedag gevierd werd.]

Bladz. 198.

[aan mijne geliefde gade. De slotgalm van des Dichters laatste zangen bezingt eigenaardig de dierbare vrouw, welke het voorregt gehad heeft, meer dan iemand of iets (buiten den éénigen Naam die boven allen naam is) de harp des Dichters door zijn geheele dichterlijke leven heen te bezielen en tot het uitstroomen van dicht-galmen op te wekken. Dit kleine lied werd met veege, bijna stervende

271

ocr page 282

TOELICHTINGEN.

hand, voor den laatsten bundel van de Bilderdijks-uitgave geschreven, en draagt geheel den toon eens afscheids, waarvan het, meer dan de Dichter zelf wist, later ook de aandoenlijke beteekenis eu eenige waarde verkreeg.

Wederkeerig was het leven der treurende weduwe na des Geliefden dood een voortdurende rouw, uit- en inwendig, een nimmer rustend verlangen des wederziens, waaraan na een langdurig, met kinderlijk geloof gedragen lichaamslijden, hare eindelijke ontbinding door den dood, of 26 November 1867, de langgewensohte voldoening sohonV.j

272

ocr page 283

TOEGIFT.

[Als een toevoegsel aan de kompleete uitgave der gedichten van Da Costa, dat, naar wij vertrouwen, den lezer niet onwelkom zijn zal, volgen nu ten slotte nog tweederlei soort van gedichten: oorspronkelijke verzen van Da Costa zeiven in vreemde talen, en vertalingen van enkele zijner verzen door dichters uit den vreemde.

Tot de eerste rubriek behoort vooreerst een gedicht in hetPortu-geesch, gericht aan den heer G. J. D. De Roock, later Doctor in de Medicijnen te Alkmaar en aldaar sedert een aantal jaren overleden, bij gelegenheid zijner doctorale promotie te Leiden in 1817. Dit vers werd in der tijd achter zijne dissertatie De Somno geplaatst. Het luidt aldus:]

A' meta de teus studios desejada,

Da destinaijao belle e estendida De conservar a fragil nostra vida,

Ao ten engenho e oora9ao entrada.

Excitara, sem duvida, surpreza,

Nas margems, que humecta o Rheno antigo, A insolita can(;ao de teu amigo!

A feitos nobres, a grandeza,

Ao doce amor, a santa amizade,

A Musa Portugueza he consagrada.

Por vil baijceza nunca profanada;

E, se perdeo nativa venustade Em septentrional aspero céo Meu coraciio ainda nao perdeo Da lingua de meus padres a lembran(;a, Nem sentimentos, degnos de inspirar.

Da lyra sua sonoro modular,

Se a tanto bem a minha mao alcanna.

Que seja entao de ti nao desprezado Este voto simples e nao fingido, III. 18

ocr page 284

TOEGIFT.

Ainda que nao seja exprimido Em verso doutamente decorado:

„Vive felez nos laijos de hymeneo,

„Na esplendida careira da virtude!

„Mas que fique constante, o que se mude „Fortuna concedita-ti do cêo,

„Ta, nao esquece a teu fiel amigo;

„Seu coragao o sentira comtigo;

[Het tweede gedicht is geschreven in het Latijn, en toegewijd aan den heer D. L. F. L. J. G. de Gaiffler, die in 1820 te Leiden more majorum in de rechten promoveerde, met een dissertatie de initiis ei increment ia juris criminalis in Belgio. Zijn inhoud is als volgt:]

Rhenanae exsultant undae, dum murmure laeto Sacra Deae Themidos almae per moenia Leidae Proclamant. Juvat ingenuos meminisse parentum!

Majorum revocare juvat sollennia! cultu Antique insignis, et majestate decora Antiqua. Themis ipsa suum te dicere gestit.

Pelici, Gaiffiere, tibi novus incipit ordo Omine; felici crescit tibi laurus, et olim Extendet late ramos, serique nepotes Non leviore tuum celebrabunt nomen honore,

Quam tu saeclorum coluisti exempla priorum.

Sis, precor o! felix, virtutis laude tenacis,

Vinela que conde nova inter Belgas atque Batavos Fratres, Austriaci Caroli dum regna vigebant,

Jamque tibi nullo rursus discrimine habendos.

Ut jactent civem te Belgae, ut jactet alumnum Leida, ast una tuis ornetur patria palmis!

[Een derde gedicht is in het Fransch. Het strekte met het origineel in het Nederduitsch tot begeleiding van een exemplaar der Vijf en twintig jaren, toegezonden aan den talentvollen teekenaar, die des dichters portret gelukkig had uitgevoerd. Zie de Gedichten bl. 213 en de Aanteekeningen bl. 317. Het gedicht zelf volgt:]

Sur les traits d'un visage évoquer tout une ame.

Artiste! e'est ton droit, ton talent souverain.

Mais oil le coeur connatt Tart des vers et sa flamme, Le poète lui-même, en l'exercjant, se peint.

274

ocr page 285

TOEGIFT.

De mon ame en ces vers regois la ressemblanoe! J'y déposai du moins sa plus sure espérance.

Artiste! croyons-le! la gloire est vanité.

Le bonheur n'est réel qu'en un Dieu révele.

[Een vierde dichtstuk werd origineel in het Fransch opgesteld, en daarnaar de vertaling vervaardigd, die in deze uitgave bl. 30 voorkomt. Vergelijk ook de aanteekeningen bl. 210. Het oorspronkelijk gedicht luidt aldus:]

Du Gardien de Jacob précieux heritage,

Réel plus que l'argent, durable plus que l'or,

Qu'il te soit avenir, jouissance, trésor,

Ce Livre, d'un Sauveur éternel témoignage.

Lis, relis-le sans cesse et médite son sens D'un esprit bumble et simple et d'un coeur en prières. Retrouves-y ton Dieu dans le Dieu de tes pères Dont la iidelite visita tes parens.

Ah! si de ces parens l'impuissante tendresse Ne te lègue ici bas rien qu'un siècle ébranlé,

S'ils te laissent JÉstrs, dans ton ame accepts, Ce Livre, o notre flls! te dira ta richesse.

[Een vijfde vers, tot deze rubriek behoorende, behelst eene vertaling van een oorspronkelijk in het Engelsch geschreven gedicht. De vertaling vindt men bl. 158. Zie ook de Aanteekeningen. Het gedicht zelf luidt als volgt:]

Scotland, whose rising hills and mountains huge Bring to a poet's eye, a Christian's mind Emblems of lofty, heavenbreathing thoughts! Old Scotland, with thy long majestic line Of kings and chieftains, of chivalrous knights,

Minstrels and bards, with hundred names of old Renown'd for skill and genius manifold,

A crown of glory not to thee alone!

Scotland, thou happy mother, above all.

Of that still grander race of warriors, with The sword of Gods almighty Spir't that freed His Church and their own country, in the faith And power of that blessed Head, the Hope

275

ocr page 286

TOEGIFT.

Of Gentiles, and thy King, o Israel!

Fair Scotland, land of poetry and truth! And chiefly thou, bright Queen of cities that From Edwin of Northumbria derivedst Thy classic name! what could the fancy of A stranger owing to thy friendly hearths Kind hospitality, sweet intercourse.

To thy prosperity, thy splendour add?

Allow him only, as a child of Shem,

To wish thy beautiful Japhetic shares Of Eastern breezes less, of Eastern hopes still more.

[Thans volgt nog een tweede rubriek, bestaande in vertolkingen van enkele gedichten van Da Costa, door dichters uit den vreemde vervaardigd;

Het proza-werk van den auteur getiteld; Israel en de volken behelst eene Opdracht: Aan Israels Verstrooiden. Zie bl. 81. Het werd in het Hoogduitsch vertaald door K. Mann en te Frankfort aan den Main bij H. L. Brönner anno 1855 uitgegeven. De vertolking der dichterlijke Opdracht luidt aldus:]

ZUEIGNUNG

AN

ISRAELS ZERSTREUTE.

Wem widm' ich dieses Buch, desz Blatter füllen Nur Schmerz und Schmach und allerliefste Pein.

Drin doch so hohe Wunder sich enthüllen? — Wem ausser dir, mein Volk, mein Pleisch und Bein!

Ja Israel! von Gott zuerst erkoren —

Denkmal des Zornes jetzt von Land zu Land!

Beim zeichnen, wie so lang so lang verloren Ihr Brüder! seid, da starrte mir die Hand!

In Thranen schwamm das Aug aaf dieser Fahrte, Emattet war mein Herz, erwog's den Grund:

V/er,a über euch Verstoszenen der Ercle Nicht noch tin Wort der Zukunft leuchtend stund:

276

ocr page 287

TOEGIFT.

„Sie sollen sehn, wesz Wort, wesz Herz sie brachenquot; — Der dennoeh seinen Bund nicht breohen kann! — „Und einst noch klissen Den, den sie durohstachen!quot;

Denn Gnade strahlt sie aus der Wunden an.

[In dezelfde verzameling vindt men een vertaling van Da Costa's voorzang voor zijn leerdicht: God met ons (bl. 134), die hier mede volgt:]

DA COSTA'S BEKENTNISS.

In Tiefen des Leides und Elends versunken,

In schwindelnde Traume, verstrickend das Herz,

Durch Stacheln der Unruh, vom Taumelkelch trunken,

Getrieben, gefoltert zu endlosem Schmerz:

Hat lang mich, den Thoren, die Erde getragen,

Der murrend verzweifelt, an Welt und Geschick, Von Sehnsucht véizehrt schon in blühenden Tagen, Von wüthendem Hunger nach geistigem Gillek.

Ich sucht' es in Dem, was mein Herz sich ersonnen,

In Alletn, was lockend die Erde uns beut,

In glühenden Trieben, in brilusenden Wonnen,

In Ritter Verdiensten erobernd die Maid,

In Palmen gewachsen fïr Völkerbezwinger,

In Liedern bewundert vom rauschenden Chor: — Das Schattenbild wich von dem Drucke der Finger — Ach eitler als Eitelkeit wars — o ich Thor!

In Tiefen des Unheils versunken, verloren,

Vergieng mein Gemüth nach dem lebenden Gott,

Doch ach, in der Blindheit der Sünde geboren

Trieb rucbloses Jagen in Qual mich und Noth, Wie möchte sich anch das Geschöpf unterwinden,

Den Schöpfer zu, finden, den stets es vergisst?

Und wo ist das Licht, um Ihn wieder zu flnden,

Desz Bild durch die Sünd' in uns ausgelöscht ist ?

In heidnischer Weisheit liat nie es geschienen,

In Satzung vergitnglich, ein fllichtiges Jetzt,

In Busze, wie Moses sie will und Rabbinen,

In Lehren vom eignem Verstande gesetzt!

O Gott der Erbarmung, Du sahst auf mich nieder.

Hast neu mich gezeuget so machtig und mild:

277

ocr page 288

TOEGIFT.

Im Einiggebornen kehrst Du zu uns wieder,

In Ihm, der uns darstelt Dein heiliges Bild.

Dem Einen, desz Hand mir das Auge berührte,

Wioh Unglaub' und Herzensverhartung sofort.

Ich sah Ihn — ergab mich! Wo Holle regierte,

Erschlosz sich der Himmel in mir durch Sein Wort. Ich sah Ihn, der Edens verbannten verheiszen,

Mariens der armen geheiligte Saat;

Der sollte die Bande der Sünde zerreiszen.

Er, welcher der Sohlange den Kopf nun zertrat.

Ich sah Ihn, verheiszen dem Volk der Hebraer,

Den Abrahams Samen, aus Königsgebliit,

Der kam in der Fülle der Zeit, wie der Seher

Geweissagt — durch Den nun der Heid' auch erglüht. Ich sah Ihn — in Schatten auf Sions Altaren,

In Opfern, in Mosis Gesetzbuch und Bund — Den Gott-menschen, Ihn, der das All musz erklaren,

Den Allen verkündigt prophetischer Mund.

Ich sah Ihn, die Wurzel aus David entstainmet.

Sein König und Herr, und zugleich auch sein Sohn, Den Gott aus dem Himmel, auf Erden verdammet,

Geheiligt, verherrlicht durch Leiden und Hohn. Ein Mensch ist Er worden, die Menschen zu stillen,

Für meine Verschuldung zur Sünde gemacht, Zerschlagen, entehrt durch der Rasenden willen, Am Fluchholz von Gott überlassen der Nacht!

Mein Better, mein Goel, mein Tilger der Siinden,

Mein Meister, mein Heiland, mein Herr und mein Gott Mein Lebensbeseeler, — Du halfst überwinden,

Du heiligst mein Leben, beseligst im Tod.

Fiir Dich will ich streiten, für Dich will ich leiden,

Für Dich sei die Erde mit Jauchzen durchhallt, Dir Odem und Leben geweiht, bis im Scheiden

Mein Geist an der Engel Hand himmelan wallt.

Bist Du, o mein König, Du zu mir gekommen?

Hast Du mich besucht, der nach Dir nicht gefragt? So sei mir die Schuld durch das Taufbad genommen Des Geistes, durch welchen einst Pfingsten getagt.

ocr page 289

TOEGIFT.

Geusz Glaubenskraft aus in mein Herz, Dioh zu loben, Die Kraft, welche Höh'n stürzt und Marmor zerbricht, Die Himmelsgluth machtig berabzicht von Oben,

Die Eis noch entzündet in Liebe und Licht.

O Herr, Du mein Heiland voll Huid und Erbarmen,

Du Konig der Ehren, Du Israels Gott,

Das Herz voller Liebe zu elenden Armen,

Voll Gnade ein Relter von Sünde und Tod:

Gib Kraft, Dir zu danken mit Jubelgesangen,

lm flammenden Eifer, in Kampesgenusz!

In lieblichen Psalmen, in donnernden Klangen Pall Himmel und Erde Dir, Jesu, zu Fuss!

[Nog is mij door een - bevriende hand medegedeeld een gedeeltelijke vertolking van Da Costa's zielvol lied aan Dr. Abraham Capa-dose (bl. 205 in het Engelsch. Vijf coupletten zijn er van overgebracht, die hier volgen:]

CHRISTIAN FRIENDSHIP.

Nor for thee, nor for me, was earth's valley decree'd, Nor its visions of tasteless delight;

For our pinions are spread, and our fetters are freed For a higher — a heav'nlier delight,

From the sorrowful scenes of this world and its woes.

From the dungeons and glooms of to-day,

To those regions of hope, whose resplendency throws

O'er the future the past dearest ray.

O! my friend! wat a hope have I mused in this lay,

Wat a joy round our being it throws.

While the path of our hope, where we tranquilly stray.

With the light of eternity glows!

In that path be thbu near me and while I aspire

Thou shalt calm all the thoughts that repine.

One in blood, in belief, one in hope and desire,

And the pinions that waft me are thine.

In the desert that leads to the grave and its rest,

Is thy friendship a moistening shower.

In the tempests which life's rugged pathway molest

Is that friendship a sheltering bower.

279

ocr page 290

TOEGIFT.

[In the Sketch of the Language and Litterature of Holland, being a Sequal to the Batavian Anthology van den bekenden Brilschen letterkundige Dr. Bowring, vindt men mede een vertolking van een klein lied, beboerende tot de Paasobzangen (bl. 147). Zij volgt hieronder aldus:]

On tbe seventh day reposing, lo! the great Creator stood;

Saw tbe glorious work accomplished — saw and felt that it was good. Heaven, earth, man and beast have being, day and night their

[courses run.

First creation — infant manhood — earliest Sabbath — it is done.

On the seventh day reposing, Jesus filled his sainted tomb,

Prom his spirit's toil retreating, while he broke man's fatal doom; 't Was a new creation bursting, brighter than the primal one, — 't Is fulfilment — reconcilement — 't is redemption — it is done.

[Wö achten ons gelukkig, hier thans nog te laten volgen tweo proeven van vertaling van zangen van Da Costa in het Hooduitsch. Wij zijn die verschuldigd aan de pen van Mevrouw Lina Schneider, geboren W. Berg, woonachtig te Rotterdam, die, ofschoon in den vreemde geboren, zich, na hare vestiging hier te lande, op de beoefening ook van onze letterkunde met liefde bevlijtigd heeft, waardoor zij in staat is, althans voor een deel, de verbreidster van onzen nationalen dichtroem in het buitenland te zijn.

Het eerste dichtstuk is een vertaling van Da Costa's heerlijke ode: Parijs (bl. 90.) Zij werd het eerst gedrukt in de Berlinisrfie Nachrichten von Staats- und gelehrten Sachen n0. 628, 17 November 1870, en wordt daaruit hier overgekomen:]

PARIS.

Die Stadt, wo pracht'ge Rubmeszeichen Stolz ragen bis zum Firmament,

Uud deren Abglanz fernen Reichen Die Fülle ihres Prunkes nennt,

Die Stadt, wo Künste Heimath haben Der Gipfelpunkt von vielem Kiihm,

Scheinbar so reich an Glückes Gaben,

Der grössten Stadte schönsto Blum':

Die Stadt, in Wollust gross geworden,

Die Stadt, die Mord und Krieg erhalt,

280

ocr page 291

TOEGIFT.

Die wilde Tacobinerhorden

Und eiu gewissenloser Held

Zur Stiidtekönigin erhoben,

Der auf der Welt an Macht Nichts gleicht:

Sie fiirchtet selbst nicht, Gott ua drobeu,

Eh Schwel'eliegen sie eneicht.

Die Stadt, gleich Babel anzuschauen,

Gleich Babel fiillt sie auch in Staub, Der Erdball tragt sie voller Grauen, Des Himraels Zorn wird sie zum Ranb. Die Stadt, Gomorrha unsrer Tage, Verthiertes Sodom unsrer Zeit,

Alint nicht, trotz lauter Donnersprache,

Dass Gott mit Unlergang ihr draut.

Wer gründete die Stadt der Sünden, Die Festen, ihren Eisenthron,

Wo Bosheit sich und Laster künden Als irdsche Götter, wie zum Hohn?

Wess war die Hand, die im Vereine Mit Lucifer erstehen liess,

(Bethörte Welt, o schandre, weine),

Dies herzberückende Paris?

Wer pflanzte Dioh, den Baum der Schande? Nur zum Verderben wuchsest Du Für die zu leicht vertührten Lande; Du brachtest sie der Slinde zu!

Und welcher Grund halt Dich umschlossen? Welch Gift giebt Deinen Wurzeln Saft? Welch Pesteswolk' begiesst die Sprossen? Welch Höllenfeuer reift die Kraft?

üntreue wohnt in Deinen Zweigen!

Nur dem, der Gott abtrünnig ist.

Der sich der Wahrheit feind wird zeigen: Nur dem Du falsche Labung bist.

Verbotne Lust, das ist Dein Blühen.

Vor dem die Tugend scbnell verdorrt, Und zwischen Deinen Bliittern gllihen Nur Heiligschandung, Königsmord.

281

ocr page 292

TOEGIFT.

ünd doch, — o des Verstandes Schandung Des Wahnes. drauf Gott's Zürnen fallt! — Dir huldigen noch iu Verblendung Die feigen Völker diener Welt.

Sie saugen lüstern, voll Verlangen, Aus Deiner Frucht der Seele Tod,

Denn Satans Stacheln brennend hangen, Wo scheinhar sich Erquicking bot.

Schon wühlt in Deutschlands Eingeweiden Des Todestropfens Folterpein,

Er schuf Italicn's tiefes Leiden,

Gift saugte es, statt Labuug ein;

Schon hat er dem entnervten Spanien Bisinnnng und Verstand geraubt, ünd selbst dem kraftigen Brittanien Steigt er betaubend nach dem Haupt.

Stamra der Versuchung, der Verleitung! Dein Gipfel strebet allzuhoch.

Erbeb' vor weiterer Verbreitung, Wie üppiggrün dein Laub auch flog.

Denn, Stolze Ceder, ungesehen Zu Füssen liegt die Axt Dir schon, Ein Wink! — Des Racheherolds Wehen Zerschmettert Deine stolze Kron'.

Ein Donnerwort aus Himmelshöhen — Du Stadt der Stadte bist nicht mehr! Mit deinen Wundern wird vergehen Die Eitelkeit und blutge Ehr'!

Vor aller Welt, vor allem Volke Verkündet sich der Fall der Stadt,

Die mit dem Haupt in hoher Wolke, Den Namen Gottes frevelnd trat.

Erwache aus dem Sehlaf der Sünde! Verführerin, erwach, erwach!

Eh sich der Schreckenston verkunde Der endlich losgebrochnen Bach'. Auf! Werde wach aus deinen Traumen! Wirf ah dein eingebildet Glück!

282

ocr page 293

TOEGIFT.

Willst du in Todesnoth noch saumen?

Gefahr wachst mit dem Augenblick.

Die Gottesleugner sind Dir Götzen;

Fiirstenverrather Fürsten sind,

Die göttliches Gebot verletzen,

Und deren Wort von Pflicht entbind't.

So sturzt, Staatsmanner ohne Ehre!

Weg init der Gottesleugnerbrut!

Erhebt verwüstete Altare,

Und kehrt in eures Künigs Hut!

Verniohte eitle Siegstrophaen,

Mit denen sich dein Hochmuth blaht!

Sie sind geboren aus den Wehen,

Aus deinem Sohooss der Welt gesiit.

Vor ihrem Glanz lass Thoren beugen,

Denn ihnen fremd ist Herz und Pflicht;

Laut werden gegen dich sie zeugen Am Tag vom nahenden Gericht.

Bekehre beuge Dich zum Flehen!

Die Zeit ist kurz, die Wahl ist leicht!

Die Welt will angstvoll harrend sehen,

Welch traurig Schicksal Dich erreicht.

Wie wird die Zukunft Dich erkennen?

Dich, böser Geister Paradies?

Wird sie ein Ninive Dich nennen?

Nennt sie Dich: fiuchgeweiht Paris?

[Het tweede gedicht van de reeds genoemde Vertaalster is eene vertolking van Da Costa's slotzang van de Vijf en twintig jaren en luidt als volgt:] '

SCHLLTSSHYMNE

AUS

FDNF UND ZWANZIG JAHEE, EIN LIED AUS DEM JAHEE ISiO.

Auf Himmeiswolken wird er kommen.

Der unsrem Leid ein Ende macht,

Der, in den Himmel aufgenommen,

Das Trostwort aussprach: Harret, wacht!

283

ocr page 294

TOEGIFT.

Er kommt, naoh dem Erschaffne schmachten,

Nach dem die Ewigkeiten trachten,

Er. kommt herab zum zweiten Mal!

Das Lamm, dess Blut hier einst gefiossen,

Des Leu, aus Isai entsprossen.

Der Gott der Welt, der mann derQual.

Prophetenworte halleud tünen

Aus alten Zeiten zu uns her,

Des Erdreichs Fluch wir sich versöhnen

Er trinkt den Leidensbecher leer.

1st Gott ein Mensoh, der ons kann lügen?

Kann jenes Opfer uns betrügen,

Auf Golgotha dem Tod geweiht?

Prophetenwort der Sühnerwerbung,

Prophetenwort der Reichsbeiirhung,

In göttlicher üntheilbarkeit!

Das Wort giag aus des Herren Munde, Und wurde durch die Welt gebracht.

Nie kehr' zurück des Heiles Kunde,

Sie sei erfüllt denn und volbracht:

„Mein König kommt mit seinen Heeren, Ihn werden alle Völker ehren,

Ihm alle Fürsten huldgend knien.

Und Alle, die sein Kreuz getragen,

Die um Erhaltung, Gnade fragen.

Die sehn in hüchster Schönheit ihn.quot;

Und Frieden thaut aus seinen Tagen,

Die Welt in seinem Schutz lobsingt.

Die Thiere selbst ihr Preislied sagen,

Weil Edens sanft Gesetz erklingt.

Ein Kindlein wird den Löwen leiten.

Der Wolf spielt mit dem Lamm voll Freuden,

Und Engel mit dem Menschensohn.

O Segen den erharrten Tagen,

Dem langgelobten Wohlbehagen,

Und allen frommen Wünschen Lohn!

Ist's Wunder, dass die Hügel flammon. Der Berg im heilgen Schreok erbangt'?

2S1

ocr page 295

TOEGIFT.

Des Abgrunds Lohe schlagt zusammen, Weil sie nach jenem Tag verlangt, Wen von den Heiligen umgeben, Die seine Stimme rief ins Leben,

Mein König naliet gross und schön, Um dort für alle Ewigkeiten Der Schlange übers Haupt zu schreiten Bei himmlischem Triumphgetön.

Von Padmos hürtet ihr ihn dringen, Den Jubelruf zu Gottes Thron,

Gleich wie der Wasser Stimmen singen, Lobrauschend dem gesalbten Sohn. Die Macht von allen Königreichen Muss dem Geopferten jetzt weichen, Und Alle dienen seinem Ruhm. Die letzten Schranken sind gefallen, Und tausend, tausend Streiter wallen In ilires Meisters Eigenthum.

Lobt ihn, vereinte Nationen,

Ihr Alle, die nun reicher Art,

Die überall die Welt bewohnen, Die unter Jesse's Fahn' geschaart. Und ihr, Jahrtausend schon Verlorne, Nun wieder Glaubens Auserkorne; Zu Davids Heer! Zu Davids Thron! Aus seinem Herz, von uns gebrochen, Aus seiner Seit', von uns durchstochen, Strömt seine ew'ge Gnade schon.

Bringt diesem 'König auf den Knieen, Ihr Fürsten, eure Herrlichkeit! Zu seinem Schemel hinzuziehen,

Seid Geister, ehrfurchtsvoll bereit. Ihr Wissenschaften und ihr Kraus, Ihr Kïmste, Gaben und Geschafte, Die Gottes Athem in uns weekt, — Weg mit dem Dienst der falschen Lelirc; Ihr seid des Goëls. dessen Lehre Mii Segen diese Welt bedeclct.

285

ocr page 296

TOEGIFT.

ünd Ihr, vereinte Sangerschaaren,

Wenn Euch Begeistrung aufwarts zieht, Zum Opferlied an Hochaltaren Beut sich ein unvergleichlich Lied.

Lasst, wenn Euch in den flüchtgen Jahren Viel Streite, Kampfe und Gefahren,

Verführung auch entgegen waren —

Trotz Zeitgeist und Abgötterei. —

Lasst Euren Sang es effenbaren,

Sich mit des Ew'gen Losung paaren,

Lobpreisend auf gen Himmel fahren,

„Komm, König Jesus! Komra herbei!quot;

[Behalve de reeds medegedeelde vertalingen van Da Costa's poczy, bestaan er waarschijnlijk ook nog meer andere soortgelijke proeven van vertolking, waarvan er ons zelfs enkele zijn aangeduid. Het is ons echter niet gelukt, daarvan een afdruk onder de oogen te krijgen. Aangenaam is het ons deze uitgave te mogen besluiten met de bezielde uitboezeming van de talentvolle jonge Dichteres, die zich onder den naam van Geka verbergt, — welke van hare Gezangen, in het licht gegeven door Nicolaas Beets, te Utrecht bij J. Byleveld, 1871, een der voornaamste sieraden uitmaakt:]

DA COSTA'S DICHTWERKEN,

IN VOLKSUITGAVE AANGEKONDIGD.

Vermenigvuldig n,

Koninklijk lied!

Nederland huldig u!

Heersch en gebied!

Blaas gij de geesten aan.

Doe gij de harten slaan.

Juichend ten hemel gaan!

Heersch en beziel!

Neerland, mijn Vaderland,

Hoor dien profeet!

Eer dat gij hand voor hand

Wegzinkt in leed.

Ook waar ge uw God vergat.

Snood zijn gebod vertrad t.

Heeft hij u liefgehad,

■ Vurig en trouw.

286

ocr page 297

TOEGIFT.

Luister,* gij Kerke Gods,

Luister naar hem!

,Christus, de Sterke Rots,quot;

Predikt zijn stem.

Israël hoor hem toch!

Na zijn dood spreekt hij nog! Hij was uw Broeder. Och, Luister naar hem!

Strooide iemand de oude dag

Sneeuw om het hoofd,

Heeft hij met kouden lach

't Vuur hem gedoofd: Wat gloed in asch vergaat. Grijzen! 't is niet te laat:

Isaac Da Costa slaat Vonken uit ijs.

U wien nog moed ontbreekt,

Jonger geslacht,

Dat in geen gloed ontsteekt

Godlijk in kracht!

0 waar Da Costa zingt,

't Volk tot verrukking dwingt, Daar, op zijn beurt ontspringt Bruisend uw zang!

Vermenigvuldig u,

Heersch en gebied!

Oud en jong huldig u.

Koninklijk lied!

Blaas onze dichtkunst aan Tot zij, van 't stof ontdaan^ Bloeiend zij opgestaan,

Machtig als gij

Mei 1870.

2S7

ocr page 298
ocr page 299

INHOUD.

Bladz.

Wachter! wat is er van den nacht?..........................1

De stem des Heeren........................................15

1648 en 1848 ................................................18

Aan Royer..................................................30

Aan mijn zoon Abraham......................................30

De leeuw uit Juda. Kruislied..................................31

Zit aan mijne rechterhand. Hymne............................32

Uit Palestina................................................44

Jubelfeestviering............................................50

Roem der hope..............................................^2

Rouw en trouw..............................................53

Elisabeth....................................................57

Aan mijne egade, op haar verjaarfeest 2 April 1849............62

Aan Margaretha Elizabeth De Clercq........................64

Uit Portugal................................................64

Ter zilveren bruiloft van den weleerw. heer J. B. H. Bruinier

en vrouwe Bonebakker..................................73

Feestzang aan Mr. D. J. Van Lennep........................73

Bidden..........'..................................77

Bij een afbeelding van het graf van Voltaire..................78

„Men roept van Groenlands bergen.quot;..........................79

Feestwensch aan mijne dierbare vrouw, 2 April 1850 ..........80

Ter nagedachtenis van mijn jongen vriend Herm. Gildemeester. 81

Aan Israels verstrooiden........................................81

Aan een vriend mijns zoons..................................82

Zendelingslied................................................s2

Aan onze vrienden Gregory Pierson-Oyens....................83

Ter gedachtenis van Prins Maurits der Nederlanden..........84

ocr page 300

INHOUD.

Bladz.

Aan jonkvrouwe Esther Capadose............................85

Bede......................................................85

Het woord tot Tyrus..........................86

Uit Miltons Verloren Paradijs. Aanhef van het dichtstuk ... 88 Uit Miltons Verloren Paradijs. Des Engels verhaal van de

schepping................................................88

Uit Homerusquot; Ilias.....................100

Uit Goethes Torquato Tasso.................102

Uit Goethes Iphigenia in Tauris...............106

Uit Tassoos Verlost Jerusalem................................108

De Chaos en het Licht...................110

Aan Dr. K. Gutzlaff.....................123

Aan een gedoopten Israëliet.................124

Op een afbeeldsel van Bilderdijk..............124

Gelukwensch aan onze hoog geschatte vrienden, den heer

J. Bosboom en mejonkvrouw A. L. G. Toussaint.....125

David............................126

Stilte............................138

De barre rots........................140

De hulk van staat......................141

Aan jonkvrouwe E. H. Luden................144

Aan Ds. O. G. Heldring......................................145

Ezechiël..........................145

Ecce Homo.........................150

Aan den weleerwaarden heer P. J. J. Mounier........152

Voor Ierland..................................................152

Slotlied achter de „Hesperidenquot;...............153

Aan eene jeugdige vriendin.................154

Ter bruiloftsfeest van G. E. baron Van Asbeck en jonkvrouwe

C. Van Hogendorp...................155

Den heer J. A. Van Eyken.................156

In den Bijbel van een jeugdig echtpaar...........157

In het album der bewaarschool „Sophiaquot; te Voorburg.....157

Luthers Psalmlied......................157

Naar Schotland...........................158

Heimwee..........................159

Bij het afleggen van uiterlijken rouw over onze onvergetelijke

Hanna.........................160

Miltons klinkdicht.....................161

290

ocr page 301

INHOUD.

B]adz.

lona............................161

Op een afbeeldsel van Prins Willem.............162

Aan jonkvrouwe Hooft Van Vreeland............162

Aan mijne lieve Franoisca..................163

Ter echtviering van Mr. I. Capadose en mejonkvrouw A. G.

Van Hoytema......................163

In het album van het tienjarig dochtertje van Mr. F. J. J.

baron Van Heemstra..................167

Ter vijf en twintigjarige echtviering van C. J. F. baron De Constant Rebecque en J. F. baronesse D'Ablaing van

Giessenburg.......................167

Een gebed voor den , Herautquot;................169

Ter verjaring mijner lieve egade 2 April 1858 ................171

In het album van den weleerw. heer A. Versteegh......172

Aan mejufvrouw E. D. C. De Bordes............172

De slag by Nieuwpoort...................173

Aan mijne jongste dochterquot;.................193

Ean aloud Pinksterlied...................194

Aan eene jeugdige vriendin.................195

Gelukwensch aan meester en arbeiders............196

Aan mijne geliefde gade..................198

Toelichtingen......................199

Toegift..........................273

Zueignnng an Israels Zerstreute..............276

Da Costa's Bekentniss...................277

Christian Friendship....................279

Paris...........................280

Schlusshymne aus: Fünf und zwanzig Jahre, ein Lied aus

dem Jahre 1840........................................283

Da Costa's dichtwerken, in volksuitgave aangekondigd . . . 286

Inhoud.......................• . . 288

291

ocr page 302
ocr page 303

In de VIJFTIG-CENTS-EDITIE zijn verschenen; No.

1.

Mr. J. Van Lennep, De Pleegzoon.

2.

—

Ferdinand Huyck.

3.

—

De Uoos van Dekama.

4.

—

Elizabeth Musch.

5.

—

Novellen en Vertellingen.

6- 8.

—

Onze Voorouders.

9-11.

—

De lotgevallen ran Klaasje Zevenster.

78.

—

Vertellingen van vroeger en later tijd.

12.

J-

J. Cremer, Dokter Helmond en zijn Vrouw.

13.

—

Daniels Sils.

14.

—

Tooneelspelers.

15.

—

Hanna de Freule.

16—17.

—

Anna Rooze.

18.

—

Overbetuwsche Novellen.

19—20.

—

Novellen en Vertellingen.

21.

—

Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.

22.

—

De Lelie van 's-Gravenhage.

23.

—

Emma Berthold. — Boer en Edelman.

24.

J.

J. L. Ten Kate, Stichtelijk Huisboek.

42f

J-

Van den Vondel, 1605—1616. Het Pascha. — Den Gulden Winckel. — De Vaderen.

43*

—

1617. Vorstelyoke Warande der Dieren.

44*

—

1618—1620. Hierusalem verwoest. — De Heerlyck-heyd van Salomon. — Helden Godes.

45*

1621—1625. De Amsteldamsche Hecuba —Pala medes.

46*

1626—1629. Hippolytus.

47*

1630—1636. Sofompaneas.

ocr page 304

48* J. Van den Vondel, 1637—1639. Gysbr. v. Aemstel. — Elektra. — Maeghden.

49* — 1639—1640. Gebroeders. — Joseph in Dothan. — Joseph in Egypten.

50* — 1641—1642. Peter en Pauwels. — Heldinnebrieven

51* — 1642—1645. Brieven der Heilige Maeghden. — Grotius' Testament.

52* — 1645. Aitaergeheimenissen.

53—54* — 1646. Publius Virgilius Maroos W ercken.

55* — 1646—1647. — Maria Stuart. — De Leeuwendalers.

56* - 1648—1651. Salomon.

57* — 1652—1653. Horatius' Lierzangen.

58* — 1654—1655. Lucifer. — Inwydinge van't Stadthuis t' Amsterdam.

59* — 1656—1657. Salmoneus. — Koning Davids Harpzangen.

60* — 1657. Koning Davids Harpzangen.

61* — 1657—1660. Koning Davids Harpzangen. — Jeptha.

82—63* — 1660. Publius Virgilius Maroos Wercken inNeder-duitsch dicht vertaelt.

64* — 1660. Koning Edipus. — Koning David in Balling schap. — Koning David Herstelt.

65* — 1660—1662. Samson. Adonias. — Bespiegelingen.

66* — 1662. Bespiegelingen 11. — Joannes de Boetgezant.

67* — 1663. Batavische Gebroeders. — De Heerlyckheid der Kercke. — Faëton.

68* — 1664—1667. Adam in Ballingschap. — Ifigenie. — Zungchin.

69* — 1667—1671. Noah; — Feniciaensche. — Herkules in Trachin. — Ovidius' Herscheppinge I.

70* — Ovidius' Herscheppinge II.

71* — 1671. Ovidius III.

/2—75. Nicolaas Beats' Dichtwerken.

76—77. Bernard Ter Haar, Dichtwerken.

ocr page 305

106* Mr. J. Van Lennep, De vermakelijke Spraakkunst.

opgehelderd door een aantal 111. van Alfred Ronner.

107* — De vermakelijke Latijnache Spraakkunst, opgehelderd door een aantal Illustratiën van Alfred Ronneh.

108—110. Da Costa's Complete Dichtwerken.

Ill* A. G. L. Westenberg, Nationaal Kookboek, samengesteld door Nederlandsche Vrouwen. 2e druk.

112—113. Dr. Jan Ten Brink, De Schoonzoon van Mevrouw de Roggeveen.

114. — Het vuur, dat niet wordt uitgebluscht.

115—116. — Oost-Indische Heeren en Dames.

117. — Nederlandsche Dames en Heeren.

118. — Drie Reisschetsen. Op de grenzen der Preanger. -

Drie dagen in Egypte. —Van den Haag naar Parijs

119. — Jeannette en Juanito.

120. — Het verloren Kind.

121. — De familie Muller Belmonte.

122. — Eene „schitterende Carrièrequot;.

123—124. G. KeUer, Van Huis.

125 — 126. — Novellen.

127. — Gederailleerd.

128—129. — Novellen.

130. — Het Testament van Mevrouw De Tonnette.

131. — Novellen (Overcompleet).

132. — Het Huisgezin van den Praeceptor.

Geïllustreerde boeken, met ' geteekend, kosten 60 Cents ingenaaid en 90 Cents gebonden.

ocr page 306
ocr page 307
ocr page 308
ocr page 309
ocr page 310