|
Instituut De Vooys â¼oor Nrderlandae Ta«\-en Lcttrrkunde aan de RHkauniveraiteit te Utrechï |
X! Y BovToU aio |
Lc-
2
\j
Lxix
Bcs
10
DE DELPTSCHE WONDERDOKTER. 1.
Instituut De Vooys voor Nederlandse '! j en Letterkunde aan Rijksuniveniteit te l'tr
De Delft»
A. L. G. BOSBOOMâTOUSSAINT.
IVI et Illustratiën
Naar teekeningen
VAN
wm. steelink. eerste deel.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1130 0104
Rotterdam. â D. BOLLE.
I
HOOFDSTUK I.
Zoo een Friesche landman, een Zeeuwsche kustbewoner, een burger van de Vlaamsche of Geldersehe grenzen op den 16deu Maart des jaars 1595 het statelijk Delft ware binnengetreden, zonder voorbereid te zijn op 't geen hjj er zien zoude, ware bij wis door de uiterste verbazing getroffen bij 't aanschouwen van Goverts oude stad in vollen feesttooi, te midden van den oorlog ! dien schrikkelijken oorlog, die op het veertigjarige martelaarschap was gevolgd; een oorlog, waarvan het einde niet was te voorzien, en die reeds zooveel bloed kostte, en zooveel tranen en zooveel goud, door den vrjjheidlievenden landzaat niet onwillig, maar even zeker niet uit zijn overvloed voor de algemeene zaak teu otter gebracht; een oorlog, waarvan hij, beklagenswaardige plattelandsbewoner, in zijn verwoesten oogst, in zjjne verbrande schuren, in zijn bedreigd gezin, de loodzware lasten op iedere wijze had te dragen; een oorlog, die de berooide burgers der grens- en kuststeden in gedurige siddering hield onder den slag van brandschatting en plundering, van overvallen des vijands en van invallen der woeste krijgsbenden, die beschermers heetten en maar al te vaak zich baldadige overweldigers toonden; een oorlog in het eind, die alles verarmde en deed kwijnen, wat niet uit dat onvermijdelijk kwaad zelf nieuwe levenskracht vermocht te putten, noch versche bronnen van elvaart vooi' zich zag ontspringen, nu de oude waren verstopt.
Wonderdokter. I. }
2
âZeker, daar moest eenige groote overwinning zjjn behaald!quot; , zou de naïeve huisman, dien wij voor 't oogenblik als opmerker invoeren, bij zich zeiven hebben gezegd; âof wel, was door â's Heeren gunst het onmogelijke geschied, was de vrede gefloten, en had Spanje, afziende van hare rechten en eischen, de âjonge republiek erkend en tot onafhankelijken staat verklaard; âen was het de heuglijke nieuwsmare van deze ongewachte uitkomst, die de stad Delft zich voorstelde dus luisterrijk te vieren; âof hadden Frankrijk en Engeland, beiden met vrijgevigheid, âzonder eigenbaat, en geheel ter goeder trouw, zich eendrachtelijk âverbonden om Spanje openlijk den oorlog aan te doen in ver-âeeniging met de Geünieerde provinciën, en was het de lang âgewenschte zekerheid van dit drievoudig verbond, die do stad âDelft uitlokte om zich in feestdooi te dossen?quot;
Naar diens, eenvoudigen mans inzicht kon het toch niet anders, of het moest eenige groote uitkomst zijn, eenige gewichtige gebeurtenis, waarbij stad en land gebaat waren, die op een tijdstip als dit het vorstelijk Delft zulk een feestelijk aanzien gaf.
Al de huizen op het marktplein en langs het Oud-Delft waren versierd met festoenen en draperiën; het oude St. Aagtenklooster, tot prinselijke verblijfplaats ingericht, was stateljjk uitgemonsterd met sparrenloof, wimpels en wapenschilden, en voerde de Oranjevaan hoog in de lucht, terwijl de oude kerk de geliefde driekleur in breede banen liet wapperen van haar trans.
Men ziet burgers en burgeressen van a;len stand hunne huizen verlaten en zich op straat vertoonen in hun Zondagsgewaad, als ware de dertiende Maart geen werkdag geweest, maar een vierdag, waarop men niets had te doen dan in ledigheid rond te slenteren. Maar toch, Ket blijkt dat de wandeling een doel heeft; dat de schare, die van verschillende kanten komt toegeloopen, naar eene en dezelfde plaats zich heen-wendt, en wel naar het ruime marktplein voor het stadhuis.
Het marktveld zelf is van de bestrating ontbloot, ten bewjjs
i!quot; !at het heden gebruikt moet worden tot een gansch ander einde
ter lan het houden der wekelijksehe markt, waarbjj dorpen en ste- .
oor ielingen belang hebben. Zeker gaat hier eenige vertooning plaats
ge- /inden, die de nieuwsgierigheid der menigte aanlokt. Maar het
, de . order doordringen wordt haar niet toegestaan, zij wordt op een
rd; afstand gehouden door eene omheining, die als een wijden cir-
uit- kei trekt rondom het marktplein, en waarvan de toegangen niet
en; jlechts door hechte balies zijn afgesloten, maar ook bewaakt
eid, worden door de stadssehutters, met piek en hellebaard gewa-
â lijli )end, waarom dan ook de meerderheid zich vergenoegt met
ver- post te vatten rondom het afschutsel, waar de voorsten zeker
a no- de meeste kans hebben om goed te zien, mits ze slechts niet
stad ce veel gedrongen en verontrust worden door de minder begunstigden, die hun dien voorrang benijden.
Iers, âHet âote-toi de la que je m'y mettequot;' zal er. zeker zonder
ge- eenige conscientie worden toegepast. Anderen, wier kleeding
Istip hen kennelijk van het volk en de schamele menigte onderscheidt, wenden zich zjjwaarts af, op verderen afstand van den
aren circus, waar stellaadjes zjjn opgeslagen met zit-en staanplaatsen
ster. ten dienste van zulke toeschouwers, die het recht verkregen
iterd hebben om daar meer op hun gemak te zijn, Xiet weinigen
mje- ook keeren in tot de huizen, die rondom met marktplein liggen,
drie- waar zij de ramen der bovenverdieping bezetten, terwijl minder gelukkigen zich met de zolder- en dakvensters moeten verge-
hui- uoegen en menig hachje er geene zwarigheid in ziet om zijne
Tsge- fortuin te zoeken op de leiendaken.
'eest, Voor de puie van 't stadhuis was ook eene hooge en breede
Pflig- estrade opgericht in den vorm van een balkon met afhangende
cling draperiën, waarop wapenschilden en slingers van groen met kleurige
mten linten treffeljjk uitkwamen. Hier zijn de zitplaatsen met laken
|ieen- bekleed en door een gehemelte overwelfd, hetgeen bewijst dat ze
Ihuis. bestemd zijn voor personaadjes van hoogen rang. Ter weerszijde
lewijs ^an dit balkon zijn nog andere kostelijk bekleede zitplaatsen
4
ingericht voor lieden van aanzien, die als genoodigden en niet als hoofdpersoon het schouwspel zouden bijwonen, dat, naar de voorbereidende maatregelen te oordeelen, moest bestaan in ringsteken, combattementen, en dergelijke krijgshaftige oefeningen te voet en te paard, niet ongelijk aan de oude ridderlijke steekspelen, waarvan de herinnering te dezer gelegenheid nog eens zou worden opgcfrischt, ten genoegen der Delvenaars of van wie verder ter viering van dit feest naar hunne stad waren opgegaan. En dat waren niet weinigen, wij verzekeren hot u.
Het krioelde van vreemdelingen, en daaronder waren personen van naam en van rang uit bijna iedere provincie der Vereenigde Nederlanden. Men zag Statenboden in 't officieel kostuum, ten bewijze dat er leden uit de Staten van Holland en uit die der Generaliteit warén opgekomen in hunne qualiteit.
De garde van zijne prinselijke Excellentie doorkruiste de straten, waaruit bleek dat do stadhouder zich te Delft bevond. Verder wemelde het van pages, lakeien, heidukken, allen in livreien. Staatsche ruiters renden door de stad, en Duitsche voetknechten trokken in rotten op naar de schouwplaats. Palfreniers, die kosteljjk getuigde paarden voortleidden, wagens en draagstoelen, zooals ze destijds bij vrouwen en lieden van hoo-gen rang in gebruik waren, kwamen door verschillende poorten de stad binnen; met een woord, het scheen wel of âalle principale personaadjes uit don Hahequot; en vele aanzienlijke heeren en vrouwen van elders als bij afspraak hier samentroffen.
En zoo was hot ook. Prins Maurits was er voor uit Gelderland gekomen, waar hij ter landdag was geweest, en bracht zijn jeugdigen broeder Hendrik Frederik met zich; de graaf van Hohenlo had er het slot van Buren voor verlaten, waar hij na zijn huwelijk met gravin Maria van Nassau de wittebroodsweken had doorgebracht; zelfs had de advocaat van Holland, Meester Johan van Oldenbarneveld, voor ditmaal zijne drukke besognes in den Haag terzijde gelaten, om te Delft meê feest
te vieren. Hertog Frederik von Lunenburg, de keurvorst van Brandenburg en andere Duitsche heeren waren tet hetzelfde doel herwaarts overgekomen, terwijl de Paltsgraaf en de Landgraaf van Hessen zich lieten vertegenwoordigen door gezanten. Verscheidene kolonels, ritmeesters en kapiteinen, zoo van de Staatsche als der vreemde hulptroepen, hadden het mede van hun plicht geacht hier tegenwoordig te zijn.
Maar al den omslag, alle bezwaren en onkosten, die het verblijf van zulk een aantal Hooggeboren mannen en vrouwen, en doorluchtige vreemdelingen met hun aanzienlijk gevolg noodwendig moesten veroorzaken, had ongelukkiglijk niet tot aanleiding eene gebeurtenis van algemeen belang, zooals de goede huisman, dien wij daareven invoerden, in zijne âsimpelheidquot; zich voorstelde, als alleen de geldige reden te kunnen zijn voor zulk een kostbaar en luidruchtig feestrumoer, te midden van den hangen druk der tijden. Helaas, neen! het land was gt;üet verlost van de harpije des oorlogs; er was niet eens eene groote overwinning behaald, eu na een harden, drukkenden winter, heerschte alom schaarschte van de noodigste levensbehoeften, tot gebrek, tot hongersnood toe. Een deel van de lage landen stond reeds ouder water, terwijl de gezwollen rivieren, waar de ijsschollen reeds tot rotsen waren opeengekruid, het overige ernstig bedreigden. Een enkele Maartsche storm was er slechts noodig, en die bedreiging was tenuitvoergelegd! En dies ondanks stelde men zich voor dus triomfantelijk feest te vieren, en al die pompeuse aanstalten, al dat drukke gejubel en vreugdegebaar had geene andere berechtiging (om eens een ferm germanisme te mijnen) dan
EENE BRUILOFT ! .
Wel is waar eene bruiloft, aangericht ter viering van eene hoog aanzienlijke huwelijksverbintenis, maar toch het was niet eens de jonge stadhouder zelf, die, naar den wensch van alle
6
belangstellenden in vader Willems stamhuis, een echtverbond aanging met eenige minnelijke prinses, die een schitterenden bruidschat en krachtige alliantie aanbracht; ach neen! liet was slechts een zijner aanverwanten, graaf George Eberhard van Solms, heer van Muntzenberg, kolonel in der Staten dienst, die zich in 't huwelijk begaf met de gravin Sabina van Egmond, vrouwe van Beierland, aclitsto kind van de elf, die Lamoraal van Egmond vaderloos achterliet, toen hij ten jare 1568 het schavot beklom als een der eerste hooggeboren slachtoffers van Alba's schrikbewind in do Nederlanden.
Lamoraal van Egmond was gevallen als oen martelaar voor de heilige zaak dor vrijheid; en al was die eerctitel niet volkomen gerechtvaardigd, al was hij allermeest slachtoffer geworden van zijne eigene wankelmoedigheid en overmatig zelfvertrouwen, al levert hij hot bewijs, dat men zelfs in hot wereldsche geen twee heeren kar, dienen; een absoluut koning, en den opkomenden vrijheidsgeest; hij was toch eenmaal medestander geweest van de edele mannen, die zich de zaak van 't verdrukte volk hadden aangetrokken; en al had hij niet met kloekheid en beslistheid partij gekozen, hij had toch aan de zijde gestaan van Willem van Oranje, hij was onder Alba's moordbijl gevallen nevens den graaf van Hoorn, bewijs dat Filips 11 hom voor schuldig had gehouden, al betuigde hij zelf van zijne trouw! Schuld bij Filips gold voor deugd bij de opkomende republiek; diestijds was men er niet op gescherpt om zulke verdiensten al te nauwkeurig te schiften en te wegen. Genoeg, men hield zijne nagedachtenis in hooge vereering, en men bleef belangstelling koestoren voor die leden van zijn geslacht, die naar Holland de wijk hadden genomen en met Span-jes koning haddon gebroken. Dos graven zonen hadden die keuze niet gedaan, en de meesten zijner dochtoren ook waren buitenslands gebleven. Maar de beide jonkvrouwen Sabina en Francoise hadden, na moeitevolle ballingschap in Frankrijk en
Duitschland, voor goed ruste gezocht op Hollandsch grondgebied; en nu de oudste hare hand aan den graat' van Solms schonk, achtten de Staten het gepast, om op schitterende wijze, in naam des volks, hunne deelneming te toonen aan het hooge bruidspaar.
Want ook de hoeren van Solms stonden goed aangeschreven in do gunst der Staten. Hoewel Duitschers van afkomst, werden zjj in Holland niet meer als vreemdelingen beschouwd; en George Eberhard, zoowel als zijne verwanten uit andere takken van zijn huis (Solms-Lich, Solms-Braunfels), hadden goede diensten bewezen in den vrijheidskrijg, hadden zich in de Leyces-tersche voorrangtwisten trouw aan der Staten zijde gehouden, on hunne verwantschap aan het huis van Nassau maakte hen welgevallig aan Maurits en gaf hun aanzien in de oogen des volks, welks levendige sympathie voor alles wat maar een druppeltje Nassau's bloed in de aderen had, het der regeering tot een plicht maakte, om Vader Willem ie eeren ook in de versten graad zijner afstamming.
Maar wij haasten ons het te zeggen, de Hollandsche regenten van dat tijdperk hadden geene aansporing van de zijde des volks noodig, om de aanzienlijke personen, die zich bij de Republiek verdienstelijk hadden gemaakt, of van wie zij nog diensten wachtten, door openlijke hulde van hunne waardeering bewijs te geven. En die hulde bestond niet in holle klanken en ledige betuigingen. Integendeel, het is opmerkelijk, met hoeveel gulheid zij eenparig besloten tot het besteden van zeer aanzienlijke geldsommen voor geschenken en feestvieringen bij zulke gelegenheid, te midden zelfs van de bitterste klachten over de schaarschheid der geldmiddelen; â diezelfde mannen, die geen penning toestonden voor de noodzakelijkste oorlogsbehoeften of regeeringskosten, zonder voorzichtig wikken en wegen, ja, zelfs niet zonder kleingeestig beknibbelen van 't geen ruimte en onbekrompenheid had gevorderd !
Het bruidspaar, van deze gezindheid bewust, had dan ook
8
niet verzuimd om aan alle autoriteiten van den lande, te beginnen met de heeren Staten van Holland en Zeeland, die zij wel wisten den boventoon te voeren in de Generaliteit, solemneel-lijk kennis te geven van hun voornemen, en hen te geljjk uit-tenoodigen om het bruiloftsfeest met hunne tegenwoordigheid te vereeren; eene kennisgeving, die van Statenwege beantwoord werd door hott'elijke betuigingen van deelneming niet alleen, maar ook door rijke schenkaadjen aan bruid en bruidegom, terwijl zij beloofden aan de noodiging gevolg te geven. Eene officiëele deputatie uit de Staten van Holland was, dan ook verschenen, aanbiedende twee gouden competassen een verguld lampet en waschbekken, te zamen eene waarde voorstellende van meer dan achtduizend gulden; verder voor de bruid een halscarkant en een bagge, die ook meer dan vierduizend gulden kostten.
De Staten van Zeeland, die den graaf een commando hadden opgedragen in hunne provincie, gaven een geschenk in geld, ten bedrage van zesduizend gulden. De gedeputeerden van Utrecht boden een paar zilver vergulde competassen aan, terwijl de overigen min vermogende provinciën, die daarbij nog' half onder den vijand zaten, of zich onthielden, öf door min beduidende geschenken simpellijk hun goeden wil toonden. Maar alles te zamen maakte een aardig sommetje, vooral als men denkt aan het groote verschil der geldswaarde tusschen die dagen en onzen tijd. Neemt men daarbij in aanmerking, dat nog kort geleden, in 't begin van Februari, bij 't huwelijk van den graaf van Hohenlo met de oudste dochter van prins quot;Willem I, de Staten zich hadden beijverd om dezen geschonken aan te bieden, geëvenredigd aan hun rang en de genegenheid die men gevoelde voor dat doorluchtig paar; dat aan prins Maurits omstreeks dezen zelfden tijd vijf en twintig duizend gulden werden toegekend, ter tegemoetkoming van schulden in 's lands dienst gemaakt; dat er intusschen nog andere dochters van Willem I waren getrouwd, of op het punt stonden in quot;t
9
huwelijk te treden, wier aanspraak op de vrijgevigheid der Staten geene mindere was, terwijl de prinsesse douairière en haar jeugdige zoon Hendrik Frederik geen minder aandeel hadden in hunne gunsten en gaven, dan zal men moeten toestemmen, dat de gehechtheid, die zij betuigden te gevoelen voor de leden van het Nassau's geslacht geen ijdele klank was; en als men dan overweegt, dat Johan van Oldenbarneveld, als advocaat van Holland, niet slechts de mond maar ook de ziel was van het lichaam, waaruit deze milde resolutiën uitgingen, dan moet men tot de erkentenis komen, dat hij, in dit tijdperk althans, zich met waarheid den vriend en voorstander van Prins Willems nakomelingen heeft betoond, en dat, zoo hij streefde naar een beslist overwicht op het bestier der zaken, hij zeer zeker niet is aangevangen met dien invloed te gebruiken ten nadeele van Maurits. Integendeel, zoo haast de gelegenheid zich voordeed om dezen met een nieuwen stadhouderspost te bekleeden, had hij die aangegrepen. Waarheid is, dat volgens het staatsbeginsel, dat al meer en meer de overhand kreeg, een stadhouder altijd maar was de dienaar der souvereine Staten, en dat, zelfs waar hjj eigen heerschzuchtige plannen beoogde, eene voorzichtige politiek Barneveld nog zou hebben voorgeschreven den Zoon van Oranje op den voorgrond te plaatsen. De gunst en 't vertrouwen van het volk was te verkrijgen noch te bewaren, zonder dat prestige en de Oranjeleus. Daarbij, een eminent hoofd moest er zijn, ook tegenover het buitenland, dat eene zuivere onverbloemde democratie niet dan met wantrouwen zou zien oprijzen. quot;Welnu, Maurits was stadhouder van de vier belangrijkste gewesten en stond aan quot;t hoofd van de krijgsmacht. Het is zoo, ook als krijgsoverste had de jonge held, ondanks de lauweren die hij reeds verwierf, nog met menigerlei belemmerend toezicht te kampen; maar toch, het een als het ander bewijst, dat de grijze staatsman zich in later tijd met recht mocht beroemen, âdat hij altijd het zijne had gedaan voor het avancement van
10
het huis van Oranje,quot; wat er dan ook naast of tusschendoor schuilen mocht. Dan, wij zijn jammerlijk afgedwaald van onze bruiloft, en in stede van ons te verdiepen in beschouwingen over de verhouding van Oldenbarneveld tot Maurits, behoorden wij te vertellen, hoe men tot liet houden van middeleeuwsche spelen was gekomen in een land, dat met het oude leenstelsel en alle diergelijke gewoonten gebroken had of trachtte te breken; in een land, waarin de ridderschap meer en meer op den achtergrond geraakte, om voor de opkomende regeerings- en handels-aristo-cratie plaats te maken. In een land bovenal, waar de gereformeerde religie den rang en de rechten van eene staatskerk had verkregen, waar bijgevolg alles die tint van ernst en strengheid moest dragen, die de protestantsche kerken zoo arm en zoo koud maakt.... in de verwende oogen van het zinnelijk Roomsch-Katholicisme.
Vooreerst moeten wij doen opmerken, dat men nog niet zoo terstond gebroken heeft met hetgeen men aanvangt af te snijden; dat zij die zich uit volle overtuiging tot die Gereformeerde Kerk hadden begeven en met een oprecht hart voor hare stichting en bevestiging ijverden, eene kleine minderheid uitmaakten, te midden van een groot deel besluiteloozen of onverschilligen, dus genoemde Libertijnen, die zich gehaast hadden âhet papismequot;, zooals zij het scholden, den rug toe te keeren, maar die traag en flauwhartig waren als het er op aankwam iets beters te grijpen. Vervolgens was een groot deel der burgers van de Nieuwe Republiek, en daaronder van de rijkste en oudste geslachten, nog in volle beteekenis Roomsch-Katholiek gebleven, al was hun de openlijke oefening van hun eeredienst voorhands ontzegd ; en daarnevens, wel tegeu Rome gekeerd, maar echter niet mei de Gereformeerde Kerk vereenigd, verschillende sekten, uit de reformatie ontstaan, en aan wie evenmin vrijheid van godsdienst was verleend. Vrijheid van conscientie, die vrijheid, waarbij niemand gedwongen werd zich bij de publieke Kerk te voegen, werd genoten en ... zij werd ruimschoots gebruikt.
11
Maar als men dezen staat van zaken dus beziet, wordt het begrijpelijk, dat de ernst van het Calvinisme nog maar op enkelen invloed kon oefenen, en zeer verre was van zijn stempel te kunnen drukken op de geheele bevolking; dat er wel wetten en voorschriften werden gegeven in den geest der hervorming; dat Magistraat en Consistorie, waar zij het eens konden worden, wol het mogelijke deden om de Geünieerde gewesten in onderscheiding van de Roomsche landen tot een hervormden Staat op te bouwen, maar uit voorzegde redenen ging die bouw langzaam en stooterig, en viel er wel eens iets in duigen, dat men gemeend had reeds opgericht te zijn. Ingewortelde zodon en gewoonten van geheel een volk, van een volk waarvan iedere provincie zijne eigenaardigheden, taal en kleeding had, en iedere stad bijna hare eigendommelijke instellingen, usan-tiën en kostumen, zulke ingewortelde zeden en gewoonten verandert men niet met eene omwenteling van zaken. Alleen het herboren hart dat zich naar God keert, heeft de kracht zich op eenmaal te verfrisschen on te vernieuwen, en alles weg te wisschen cn af te sterven, wat hinderlijk kan zijn in de richting die het wenscht te volgen; maar door deze enge poort gingen voorwaar niet allen in, die zich bij de Publieke Kerk hadden gevoegd! En wat baten consistoriale bepalingen, als er niet eene innerlijke gewilligheid is in den geest der gemeente om ze op te volgen; de strenge Calvinistische predikanten ondervonden het, onder anderen, waar zij met volhardende getrouwheid en in alle scherpte van hun ijver predikten tegen het âuitzinnig en ongoddelijkquot; bruilofthouden, tegen mommedansen, maskeraden, optochten, vertooningen van allerlei aard. Zij mochten er eensuur tegen aanwenden en de donderslagen hunner welsprekendheid tegen uitgalmen, het baatte niet; men betaalde de boeten aan gods- en weeshuizen, door de wetten tegen de weelde opgelegd; men getroostte zich de bedreiging van den kerkelijken ban, te druk misbruikt uit aanzien van de
12
*
menigte van overtredingen, om even druk te worden toegepast. De uitzinnige en ongoddelijke bruiloftsfeesten, de overmatig verkwistende doopmalen en de met alle tucht en waardigheid strijdende begrafenis-slemppartijen gingen hun gang; ieder bijkans ging daarin boven zijn staat. Zoo de grooten en rjjken voorgingen, de burgers bleven niet achter, en de huislieden zelf bij al de billijke reden tot klagen die zij hadden over hun ellendigen toestand, 'vonden bij zulke gelegenheid geld of krediet genoeg, om minstens een vier-en-twintig uur in de grofste en onbehouwenste overdaad rond te plassen. Zeker, men was gezind voor 't Gereformeerd geloof te strijden in 't open veld, er* den hongerdood voor in te wachten op de wallen eener belegerde stad, als in den eersten gloed van vrijheids- en religieijver; men had Filips II van harte afgezworen, en niemand, zelfs geen verstandig Katholiek, wensehte hem terug; men haatte den paus van Rome, meer dan den âGrooten Turk,'' en vrij wat meer dan de zonde; maar het viel nog gemakkeljjker (al kostte het bloed en goud) die beiden de gehoorzaamheid op te zeggen, dan de zeden en gebruiken te ontwennen, cïe sinds eeuwen het maatschappelijk leven hadden beheerscht, en die als vereenzelvigd waren niet dat leven zelf; en wie de kermissen (ontstaan van de kerkmissen), de vastenavondpret, het gebruik der paascheieren na de Vasten, op eenmaal had willen afschaffen, zou ervaren hebben, dat de kracht der gewoonte en de macht der zinnelijkheid mogendheden zijn, die zich niet met een enkelen schok van hunne zetels laten stooten. Zeker, er waren van regeeringswege genoeg besluiten en bepalingen genomen tegen de weelde en hare uitspattingen â en vrij strenge zelfs; â maar het ging er mee als met de barre plakkaten tegen de Koomsch-gezinden; zjj werden niet dan uiterst zelden toegepast, en 't een als het ander ging zijn gang; de conscientiën wilden vrij zijn ook in dezen; de nieuwe burger van de opkomende Republiek liet volgaarne het regeeren over aan de eens gekozen
13
magistraten, maai' hij wilde meester zijn in zijn eigen huis, al ware het dan ook om de buitensporigheden te bedrijven, die zijn geweten, evenals zijne beurs hem schenen te veroorloven.
Ook de geschiedenis leert het wat de Bijbel predikt, dat het juk van het vleesch oneindig zwaarder valt af te schudden dan dat van den felsten tiran.
Maar dat alles maakt toch een tournooi in de goede stad Delft ten jare 1595 niet tot een gewoon schouwspel, en wij zullen ons tot het bruidspaar moeten keeren om het minder bevreemdend te vinden.
Uit aanzien van hunne doorluchtige afkomst en den grooten naam dien beiden hadden op te houden, achtteii zij zich verplicht hunne huwelijksverbintenis op het luisterrijkst te vieren. Goede politiek, zoowel als de berekening eener niet onrechtmatige belangzucht bewoog hen, zooals wij reeds zeiden, de hooge autoriteiten des lands op hun feest te noodigen. Daarbij hadden zij van weêrszijden, behalve talrijke relatiën binnenslands onder den adel en de voorname krijgsoversten, ook buitenslands eene macht van bloed- en aanverwanten, in wier bijzijn zij te dezer gelegenheid eene eer stelden. Nu spreekt het wel van zelve dat men zoovele hooge vorstelijke personaadjen, met of zonder hunne gemalinnen, niet voor een enkel bruiloftsmaal uit den vreemde kon laten komen, in een tijd, waarin zelfs het reizen binnenslands van do eene provincie naar de andere geene kleinigheid was, en er allerlei tijdverlies, moeiten, gevaren, om van de kosten niet te spreken, aan verbonden waren, zoo men uit de Duitsche Vorstenstaten tot midden in Holland, tot in de stad Delft wilde komen, waar de étiquette vorderde dat het huwelijk gesloten werd, en waar de jonggehuwden zich dachten te vestigen. Bijgevolg zouden de feestelijkheden duren van den 14dcn Maart, den trouwdag, tot den 18den, toen men heyou te scheiden, zooals Duyck vermeldt, en voor ieder van die dagen moesten aangename en afwisselende tijdkortingen worden uit-
14
gedacht, zou de bruiloft zijn wat het bruidspaar voorgenomen had er van te maken, eene ,soniptueuse, magniflque en liberale bruiloft,quot; daar men nog maandenlang van spreken zou in den lande van Holland, waarvan het gerucht wijd en zijd zou uitgaan, en die de historieschrijver zelfs belangrijk genoeg zou achten om der vergetelheid te ontrukken. Welnu! dan moest er ook iets ongewoons en openbaars plaats hebben; maskeraden, vertooningen en gecostumeerde optochten waren in 't geheel niet ongewoon bij bruiloftsfeesten; geen welgesteld burger trouwde er die niet door een mommedans op zijn bruiloft werd verrast. Hoe natuurlijk moest dus het denkbeeld om een ridderlijk wapenspel te houden opkomen in een krijgshaftig edelman, een Duitschen vrijheer als de graaf van Solms, en eene bruid als gravin Sabina van Egmond, en met hoeveel bljjdschap moest het worden toegejuicht door al die jonge edelen, krijgslieden en doorluchtige heeren, die nu voor een oogenblik aan de lasten en bezwaren van den oorlog ontrukt, nog weêr zich vermeien zouden in ridderlijke spelen en oefeningen, maar zonder de bloedige kansen van den werkelijken strijd. En de magistraat van Delft, die in de eerste plaats moest geraadpleegd worden, en zijne toestemming geven tot het houden van zoodanige publieke spelen, behalve dat hij niet licht iets weigeren zou dat geaccordeerd kon worden aan doorluchtige stadgenooten, overwoog nog daarbij alle de voordeelen, die er voor stad en inwoners konden getrokken worden uit de opkomst van zoovele toeschouwers, als zulke extraordinaire vertooning naar hunne stad moest lokken, en had dus met alle gewilligheid, niet slechts consent gegeven tot het houden van die spelen, twee achtereenvolgende dagen, maar had zich ook met de meeste voorkomendheid belast, zoowel met alle maatregelen van orde en politie, als ook met het gereedmaken van het krijtperk op het stads marktplein, en het laten opslaan van balies en omheiningen ter afzondering van de strijders en spelers. -Maar hiermede achtte hij nog niet
15
genoeg gedaan; en zoowel om bruid en bruidegom te eeren, als te ontlasten van een deel der zware kosten, waarop deze feesten hun moesten te staan komen, nam de magistraat op zich, te zorgen voor de tribunes der hooge genoodigden, prinsen, prinsessen en jonkvrouwen, het bruidspaar natuurlijk in de eerste plaats, en voor eene statelijke ontvangst van die allen op den raadhuize, ter gelegenheid van het tournooi. Dit aanbod was graeelijk aangenomen en kwam hoogst gelegen; want,â om eene waarheid te zeggen, die toch voor mijne lezers niet kan verholen blijven â toen dc graaf van Solms en zijne bruid geloofden aan hun rang verschuldigd te zijn hun bruids-verbond dus luisterrijk te vieren, raadpleegden zij meer met wereldschen familietrots dan met hunne geldelijke middelen; en de uitspraak âdat hoogmoed voor dwaasheid behoedtquot;, mocht hier worden omgekeerd; wij vreezen zelfs, dat hier meer ijdel-heid en schitterzucht in 't spel was dan ernstig besef van 't geen de waardigheid der geboorte voorschreef. Kort te voren was, zooals wjj reeds zeiden, de gravin Maria van Nassau, gravin van Buren, op het slot van dien naam in den echt verbonden met den graaf van Hohenlo, ook een der voorname krijgsbevelhebbers in het Staatsche leger, en het land had gewaagd van de kosteljjke liberale festiviteiten, te dier gelegenheid gehouden, hoewel het bruidspaar had goedgevonden geene vrienden of verwanten uit den vreemde te noodigen. De gravin Sabina was met hare zuster, mogelijk zelfs met haar bruidegom, bij die bruiloft tegenwoordig geweest; er bestond reeds een geheimen naijver tussohen de beide krijgsoversten; te lichter werd dus de ijverzucht geprikkeld tusschen de hooggeboren vrouwen. Zeker is het althans, dat do gravin Sabina had verklaard, dat zij in dezen niet voor de gravin van Hohenlo wilde onderdoen, en dat zij liever geen bruiloft wilde houden, zoo zij die van hare doorluchtige nicht niet kon âsurpasseeren in magnificentie, voor 't minst gelijken!quot;
Dat was gesproken als de echte dochter van den fleren en
i
16
schitterenden Lamoraal van Egmond, die aan het Spaansche ho van zich deed spreken, door de pracht en den luister dien lier tentoonspreidde, en die den Vlaamschen adel in overmatigi weelde placht voor te gaarn; maar dus sprekende vergat dlt; gravin Saliina, dat Maria van Nassau do eenige dochter was vai de schatrijke gravin van Buren, en dat zij, ondanks den onspoet der tijden en de opofferingen door den prins, haar vader, gedaai in den vrijheidskrijg, nóg eene vermogende vorstin mocht heeten terwijl zij zelve slechts eene der dochteren was van een edelman wiens goederen verbeurd verklaard waren, wiens belangrijkste bezittingen onder de macht des vijands lagen; dat zij alleei vrijvrouwe was van een paar heerlijkheden in Holland, en dat wat zij overigens voor inkomsten genoot, haar alleen toekwan bij gunstige beschikking der Staten, maar geenszins als onwraakbaar recht; dat er dus een notabel verschil was in fortuii tusschen haar zelve en de vorstin, waarmede zij wilde wedijveren in praalvertoon !
Zoo verlokte jammerlijke hoogmoed tot uitgaven boven de middelen; zoo mengden de bedenkingen eener kleingeestige ijdelheid zich onder de ernstige en teedere aandoeningen, die bij het sluiten eener verbintenis voor het loven in het hart moeten opkomen. Zou er geen gevaar zijn, dat de laatsten door de eersten verdrongen werden ?
Hachelijke kans, waaraan men zich blootstelde! en ongelukkig was dit bruidspaar geene uitzondering in hun tijd, noch kan het als een verouderd voorbeeld van roekeloosheid en lichtzinnigheid worden aangewezen in den onzen.
Wij hebben reeds van de somptueuse bruiloft, doop- en begrafenismaaltijden gesproken, in de eeuw waarin Sabina van Eg-mond leefde, en zij deed daarin wat zij menigmaal anderen had zien voordoen : en, waren het alleen maar de grooten geweest, die zich ter wille van hun rang verplicht achtten zich in lasten en zwarigheden te zetten, om de waardigheid (?) van
17
a stand en naam op te houden door praalvertoon boven rmogen, men zou hun die werkelijk door familie-tradities jrbonden waren, tot zekere representatie iets kunnen toegeven, en verklaarbaar ashten, wat elders in waarheid onversehoonlijk is. Want bovenmatige weelde is de schrikkelijkste kanker in den burgerstand; daar brengt zij jammeren en onheilen aan, die dieper ingrijpen en smartelijker scheuringen en verwarringen veroorzaken in de huisgezinnen, dan in de hoogere standen, waar de banier der familie nog kan omhoog geheven worden als een standaard des behouds.
En het is juist deze weelde, de weelde die uit den middenstand in de lagere, in de laagste klassen afdaalt, waarin wij, die in de 19de eeuw leven, onze voorvaderen te boven gaan. Ja, zij hadden hunne uitspattingen bij tijden en gelegenheden ; ja! het spreekwoord: âmen kan wel eens teren tegen een burgemeester,quot; drukt de zucht uit van den minderen man, om zich een enkele maal extra te vergasten of op te tooien; maar het was uitzondering; uitzondering, die mogelijk voor de meestemnaar éénmaal in hun leven voorkwam.
In den regel was de gewone burger matig, eenvoudig, huiselijk en overleggend. In den regel was de deftige winkelier, de rijke koopman zelfs, niet uitbundig in zijn tooi, niet onmatig in aijne leefwijze. Spaarzaam, bedachtzaam en voorzichtig, somwijlen tot vrekheid toe.
Werden er, in welken stand ook, kostelijke bruids-en zondags-gewaden toegesteld, ze bleven ook dienen een menschenleeftijd â doov, met geringe wijziging, die niet eens door ieder werd in acht genomen; het was gansch geen vreemd verschijnsel, dat de zoon quot;trouwde in het bruigomspak van zjjn vader, dat de bruid opgesierd werd met de degelijke zijde-lakensche samaar, waarmede hare moeder ten hijlik gegaan was ; de meubels die men had, had men voor eens. Was eens het overvloedige bruiloftsmaal â afgeloopen, dan werd de tafelweelde ter zijde gezet, en de bur-Wonderdokter. I. 2
f
18
german leefde eer beneden dan boven zijne inkomsten; de vrouw bleef in haar huis, hield het oog op kind en dienstbode, haakte niet naar den schijn van een hoogeren staat, en al ging zjj dan Zondags ter kerk in haar pronkgewaad, 's Maandags, was ze weer in 't sergie en zat trouw aan 't spinnewiel.
Maar nu, helaas, nu ! De uitzondering is regel geworden, en bijkans voor allen. Het is de weelde van iederen dag, die elk voor zich begeert en door alle middelen najaagt; bij onvermogen wordt toch nog de schijn er van aangenomen, en om dien schjjn te vertoonen, wordt het wezen van welvaart en geluk opgeofferd! De huiselijkheid is verdwenen, de ruwe uitspattingen van den middenstand vinden zelden meer plaats, maar de zucht om zijn meerderen te gelijken is tot ontrustende hoogte gestegen. Er zjjn geen standen meer; niemand vraagt naar hetgeen hem past, ieder eeniglijk naar hetgeen hij betalen kan, en daarmeê gaat menigeen ver boven hetgeen hij vermag. Maar wat doet er dat toe ? Het gemak van schuldenmaken is dan de hulpbron; wie maar durft is de man en kar. rekenen op de benijding, zoo niet op de toejuiching van zijne meer schroomvallige medeburgers. De aanmatiging wordt niet eens meer belachelijk gevonden. Zij is door het algemeen misbruik tot gewoonte geworden en bijkans gewettigd. Wat wordt er niet voor gelaten, wat wordt er niet voor gedaan, wat wordt er niet voor vergeten om te kunnen meedoen? Om van onderen af te beginnen; wat brengt de eerlijkheid der dienstboden in verzoeking? Wat ondermijnt de degelijkheid en de welvaart der burgergezinnen? Waarom vervalt de nijvere werkman tot den bedelstaf in ziekte of ouderdom ? Waarom legt de kleine winkelier zoo zelden het hoofd neêr, met de gerustheid dat hij den zijnen een aardig spaarpenningje overlaat?
Waarom dat alles? Is 't niet de weelde, is 't niet de zucht tot vertooning, de zucht om zijn meerderen te gelijken, zijn gelijken boven te gaan, die allen dreef om alleen bij den dag
19
te leven, in den minst christelijken zin van dat woord ? Omdat bij allen, voor de begeerlijkheid der oogen en de grootsehheid des levens, vergeten of voorbijgezien werd, zich te richten naaiden geest van dat aandoenlijk voorschrift in het oud gereformeerd trouwformulier: âdat men niet in wereldlijke pracht moet wan-.,delen, opdat men, behalve het noodige voor zijn huisgezin, ook âdaar benevens wat zal hebben om den nooddruftigen mede te âdeelenen al is 't waar, dat er nu nog altijd veel gegeven wordt, en meer gegeven moet worden, naarmate de maatschappelijke kanker zich uitbreidt, toch zjjn ze zeker zeldzaam die eerwaardige uitzonderingen, die terzij deleggen van hun ânooddruftquot; met blijdschap en liefde, om behoeftigen te steunen; toch wordt hetgeen er gegeven, dikwijls afgeperst wordt, meer beschouwd als eene gedwongen heffing, die men al morrend betaalt, dan als een heiligen plicht, dien men niet liefde volbrengt; doch de lange uitweiding onzer pen wordt mogelijk als vervelend en niet ter zake dienende overgeslagen, en men wil weten waartoe dit alles eigenlijk gezegd wordt.
In dezen allermeest, opdat men de gravin van Sohns en haar gemaal niet te hard zal vallen, dat zij meer zeil bijzetten dan hunne kiel eigenlijk konde voeren; en vervolgens, opdat niet in onzen tijd de kleinen zich lucht geven in ergernis over de verkwisting der grooten, zonder eerst ernstig te onderzoeken, of zij zelf niet veel onvoorzichtiger en schuldiger boven hun staat gaan. Van zoodanige ergernis bespeurde men echter onder de menigte der feestgangers niets â zelfs niets van die verbazing, die wij willekeurig onzen huisman in den mond legden.
Integendeel, iedereen was in zijn schik, dat het den graaf en gravinne van Solms behaagde, eene zoo liberale, somptueuse en publieke bruiloft te geven. Te Delft voelde men niet zoo onmiddellijk don druk van den oorlog, en al waren de lasien er, ook de profijten lagen er nevens; waar de eene bron van welvaart gesloten werd, ving een andere aan zich te openen. Het
20
kwam den burgers welgelegen eens feest te houden. De jonge Stadhouder en zijne krijgsoversten mochten zich wel eens ontspannen van het stedendwingen en schansbestormen. Hun krijgsvolk mocht ook wel eens wat verademing hebben, eer het aankomende jaar hun nieuwe vermoeienissen en ontberingen van allerlei aard zoude opleggen. Den staatslieden en hoofschen Heeren was eene aanleiding om eens bij elkaar te zijn en elkaar vriendschappelijk te kunnen onderhouden, zonder opzettelijk in besogne te treden, ganseh niet ongevallig, en zij hoopten op dit neutraal terrein, de âpublieke zakequot; of hunne eigen belangen te bevorderen, terwijl zij schimpelijk schenen hun vermaakte nemen. De hooggeboren vrouwen en jonkvrouwen hadden destijds juist niet zoo dikwerf gelegenheid zich te vermaken en met hare luisterrijke pronkgewaden te schitteren, om deze hier niet volgaarne aan te grijpen. âBruilofthouden was immers gansch geen ongeoorloofde zaak â men behoort blijde te zijn met den blijde; - en sinds dit echtpaar achtte oorzaak te hebben tot zoo luidklinkend vreugdebetoon, stak daar ook niets kwaads in met hen in te stemmen;quot; â met deze en dergelijke redeneeringen verontschuldigden zij, die er over nadachten, voor zich zeiven de schrille disharmonie, die er bestond tusschen den nood der tijden, den ernst van den religie-strijd en dat luidruchtig feestgejubel, gepaard met overdadig zingenot en ten top gevoerde weelde; maar het getal der nadenkenden zal wel zeer beperkt zijn geweest. De meesten volgden gedachteloos de noodiging tot feestvieren, en genoten even gedachteloos en lichtzinnig. En ze zouden vreemd hebben opgezien, als iemand hen was komen vragen of zjj wel wezenlijk oorzaak hadden om zoo vroolijk te zijn, of zij niet in hun binnenste een onbestemd smartgevoel waarnamen, dat ze wel terugwijzen en overschreeuwen konden voor een tijd, maar dat zich hard en pijnlijk zoude wreken over die verachteloozing ter kwader ure zeker zouden ze zulk een ontijdigen en zwarfgalligen betweter met weêrzin
of met spot hebben afgewezen, hem toevoegende: âdat men wel nimmer meer eenig genot zou kunnen smaken in zijn leven, als men bij alles zoo diep ging doordenken, en met alles zoo nauwgezet wilde rekenen.quot;
En als men dan verder had willen vragen: Of dat wel het rechte genot ware, dat men niet meer genieten kon als men er ernstig over nadacht, dan zouden zjj, die nog geluisterd hadden, geëindigd zijn met zich af te wenden en ongeduldig uit te roepen; âLaat ons met rust! Wij willen nu naar het schouwspel kijken!quot; â Inderdaad, daar was veel te zien wat de oogen hun lust kon geven.
De stellaadjes buiten de omheining waren nu reeds met toeschouwers van beiderlei sekse bezet, en al waren de eereplaatsen voor de hooge genoodigden en het doorluchtig bruidspaar nog ledig, alles bewees, dat het oogenblik hunner komst niet verre meer af moest zijn; en daar wij voor ons het niet verkieslijk achten aan eene bepaalde plaats verbonden te wezen, scharen wij ons vooreerst onder het volk, om daar onze opmerkingen te maken, en straks den blik te slaan op de aanzienlijke feestgenooten.
Eer wij echter post vatten, valt ons oog op een man, die dwars door de aandringende menigte heen zijn weg gaat, niet als een die zich rept om op de naastbijstaanden eenig veelbe-geerd plekje te veroveren, maar veeleer als een die niet eens beseft wat al die anderen trachten te bejagen; die geheel vreemd is aan 't geen hen drijft en dus in beweging brengt, en die, in eigene gedachten en beslommeringen verdiept, zich daarvan niet laat afleiden door het gewoel om hem heen, maar die recht op zijn eigen doel afgaat, alle hindernissen ter zijde latende, alle belemmeringen van zich werende; niet met de woeste drift van wie door zijne hartstochten wordt voortgejaagd, maar met den kalmen, regelmatigen gang van een ernstig, bedachtzaam man, die zijne zaken heeft te doen, en die zich niet door ijdele afleiding laat ophouden.
22
Zou liij de weerprofeet zijn, die zoo aanstonds de stem gaat verheffen, om op schellen, harden toon een afkeurend oordeel uit te spreken over de uitbundige bruiloftsvreugd ? Wij gelooven het niet. Wel is deftige ernst, getemperd door eon tint van diepen weemoed, de doorgaande uitdrukking van zjjn sprekend gelaat, maar de rustige trekken getuigen niet van zulken toorn of verontwaardiging, als tot openlijke afkeuring zou prikkelen. Evenmin toont hij ongeduld of ergernis, bij de menigvuldige stoornis in 't gelijkmatig voortgaan, te midden van die bonte, dicht opeendringende menschenmassa; hij gaat eenvoudig zijns weegs, zonder opzien, noch omzien, als bespeurde hij niets van 't rumoer, of eigenlijk als achtte hij niets van dat alles zijne aandacht waard.^Het scheen een man reeds rijp van jaren, maar nog in 't volle bezit van gezondheid en kracht. Hij was lang en forsch, en hield het hoofd met zekere strakke waardigheid opgericht; maar de schrale, hoekige figuur miste ten eenemale die sierlijke vormen, die behaaglijke losheidquot;van bewegingen, die van een man doen zeggen, dat hij eene fraaie gestalte heeft, of zich door eene goede houding onderscheidt. Wij gelooven ook niet dat hij er aanspraak op maakte om door zoodanige uiterlijke voordoelen onderscheiden te worden!] Integendeel, alles in hem duidt aan, zoo niet verwaarloozing, dan toch geringschatting van het uiterljjk voorkomen. Zijn haar en baard zjjn vrij lang en met weinig zorg geordend. Behalve het zwart zijden calotje, bjj lieden van zekeren leeftijd druk in gebruik, is zijnquot;hoofd gedekt door een lakenschen hoed met slap neêrhangende randen, zonder veer of roos, een hood zooals geen ander man van deftigen stand zich veroorloofd zou hebben te dragen op een vierdag als deze. Toch was zijne kleeding noch slordig, noch armelijk: zij was de gewone dracht van een bejaard, stemmig burger, die in het feest van den dag voor zich geene aanleiding vindt om zijne pronkkleêren aan te doen. De effen linnen halsboord over het zwart lakcnsche wambuis
23
omgeslagen, bewees dat hij zich evenmiii had laten medesleepen door de heerschende mode der ruime en hooge rimpelkragen, een artikel van weelde, waarin de pronkzucht zoowel van mannen als van vrouwen zich openbaarde. Maar onze man scheen zich van alle onnutte kostelijkheden vrijgemaakt te hebben, en zich strikteljjk te jbepalen tot het noodwendige. Waartoe ook zou hij zich opgepronkt hebben? |Zijn weg leidde immers niet naar het vrooljike marktplein, het brandpunt van ieders verlangen, en waar men niet alleen kwam om jdo vermakelijkheden te aanschouwen â maar ook en vooral om zelf gezien te worden! Onze vriend had wat anders te doen. De plaats die honderden zochten te naderen, liet hij links liggen, en het ruime plein schuins overstekende, nam hij zijn weg naar eene dier enge, bochtige dwarsstraten, die tot de arme buurten leidden. Wat kon die stemmige burger daar toch zoeken? Zijne woning zou daar toch wel niet staan, en, arm of rjjk, leêglooper of nijvere handwerksman, iedereen was nu toch op straat, en hij zou nergens de lieden thuis vinden om zijn bezoek te ontvangen. Oeen oud vrouwtje bleef er immers bij haar spinnewiel op een dag als deze, (eene geijkte uitdrukking, maar die eigenlijk geen doel treft, daar het bewezen is, dat vooral spinnende oude vrouwtjes op het minste burengerucht komen toeloopen, en zich uit simpele nieuwsgierigheid in drukten wagen, die een kloek, degelijk man liefst zou vermijden), geen zuigeling zelfs bleef in zijne wieg, sinds de moeders uit het volk, al van overoude tijden af, de schandelijke gewoonte hebben, hare kleine kinderen jmet zich meê te sleepen, overal waar iets te zien valt, zij 't bij nacht of ontijde, zij 't bij brand of volksoploop, waar zij ze noodeloos aan allerlei gevaren blootstellen. Maar, voert men mij tegen, thuis zouden die arme hulpeloozen alleen en verlaten zijn, ze moeten wezen waar de moeder is. Dat stem ik toe, alleen met deze omzetting, dat dy moeder blijven moet waar de kinderen behooren te zijn, namelijk in haar huis, en dat ze, noch zich zelve, noch hare aan-
24
vertrouwde panden mag wagen aan nutteloos ongeval door straatrumoer na te loopen, of zich te begeven naar woelige volksfeesten. Haar wereld moet zijn de huiselijke haard, en daar behoort zij vreugde en orde te doen heersehen, naar de mate harer kracht; wat daar buiten ligt moet haar niet verlokken, zoolang zij teêre, hulpelooze wichten heeft te kweeken. Dit tus-schen twee haakjes en in de hoop, dat deze bladen niet alleen mogen komen onder de oogen van gegoede huismoeders, die bij machte zijn hare zorgen door vertrouwde en toch helaas niet altijd betrouwbare dienstboden te laten vervangen, maar ook door zulke moeders uit den geringen stand, die alleen zijn gansch alleen voor de eervolle moedertaak. Dan genoeg, volgen wij den man na, die het zeker vergat, dat er op den 16 Maart 1595 te Delft niemand thuis bleef, die uitgaan kon. Zeker! dat bedacht hij wel; maar toch, men vond er altijd eenigen, die niet konden uitgaan, omdat zij door ziekte of ongemak aan hunne legersteden geboeid waren; en 't was mogelijk, dat hij juist aan dezulken gedachtig was, op het tijdstip dat ieder hen vergat en verliet, en dat hij daarom zijne schreden wendde naar de arme buurten, waar zulke deerniswaardigen zeker in de meest treurige verlatenheid moesten verkeeren. Vermoedelijk werd een dergelijk doel ook door de menigte bij hem ondersteld; want het bleek uit alles, dat hij, ondanks den eenvoud van zijn uiterlijk, gansch geen onbekend, noch ongeacht inwoner was van de stad. Alle Delftsche burgers groetten hem en weken voor hem uit, zooveel de gelegenheid het toeliet, en er werden hier en daar sterke armen gevonden, die zonder bede of vermaan, geheel vrijwillig voor hem den doortocht baanden te midden van 't gedrang, en terwijl hjj dan doorging, werd zijn naam door menigeen uitgesproken op een toon van eerbied en toegenegenheid, of wel hoorde men zekere uitdrukkingen mompelen, die van stille vereering getuigden. âEen degelijk en deugdelijk man hè, die vader Boot!quot; riep een jong burger, ziju buurman aanstootende.
âVromer en vroeder leeft er geen in heel Delfsland ; zou er wel in al de zeven gewesten een zijn die leeft zooals deze Jan Jacobsz.!quot;
âCerteyn, man! die zijn schaarsch.quot;
âDe man is de wet en 't evangelie in een persoon: hard voor zich zeiven, mild voor de anderen. De dominees porren met pree-ken tot de navolginge Christi, deze hier toont het ons bij exempel!quot;
Schoone lofspraken, die zelfs zoo ze verdiend waren, hem wien ze golden niet in de ooren mochten klinken, wars als hij zijn moest van vleierij en mensehenvergoding; ook werden ze slechts gefluisterd en niet tot hem gericht. Maar ook andere stemmen lieten zich hooren, ook wanklanken verstoorden deze harmonie.
âWondere dweper, die Jan Jacobsz.!quot; morde een kolossale bierbrouwersknecht, die, kennelijk weêrstrevig, de minst mogelijke ruimte liet bjj diens doorgaan; âeene mooie brouwerij laten verloopen, om bij de arme luiden voor dokter te spelen.''
âBah ! wat hem het haar over de oogen hangt, en de baard ongekamd, als een jood die over zijn zonden rouwt.quot;
âZe zeggen ook dat hij een groot zondaar is, die zijne oevlen door boete wil goedmaken,quot; sprak smalend een gemeen oud wijf, dat er wel uitzag of zij zelve nooit eenige bewustheid had gehad van hare zonden.
âEi, wat zou dat, Leentje-buur!quot; voegde een andere haar toe; âzoo hij armoe lijdt is 'tsimpellijk uit vrekheid!quot;
âSchaamt u den laster, babbelziek vrouwvolk,quot; riep nu een oud man met schrille stem, trillend van verontwaardiging. âHij een vrek! hij, daar weet ik tegen te getuigen. Wat de man er tot bewijs wilde bijvoegen, werd niet meer verstaan, omdat de goede oude ter zijde werd gedrongen, en nog daarbij overschreeuwd door een spotter, die uitriep: âIk zeg !'t is eene wondere liefhebberij, om als een huilebalk door het leven te gaan, en een gezicht te zetten als een oorwurm, als andere luiden een pretje nemen.quot;
âDe man wil bijzonder zijn, laat hem zijn rust nemen,quot; sprak, op zijne wijze liberaal, een opgepronkt jonkertje met een laat-
26
dunkend schouderophalen, terwijl hij zijn best deed eene juffer, die hij bij de hand leidde, in het spoor te doen treden dat zich had geopend bij den doortocht van Jacob Jansz. Zoo zien we dezen voortgaan, door goed en kwaad gerucht heen, naar het eene niet luisterend, zich aan 't andere niet ergerend; want hij heeft in het hart, wat hem leert op alle deze dingen niet te achten; hjj heeft den blik gericht op wat hoogers, verre boven alle deze hoofden en geesten heen !
Toch leeft hij nog op de aarde, en hjj is niet de onpraktische man die dat kon vergeten: ware het hem mogelijk geweest, op zeer ergerlijke wijze zou het hem worden herinnerd. Juist toen hij de nauwe steeg wilde inslaan, kwam een troepje volks, soldaten, knapen en werklieden, liet taphuis op den hoek uitstormen, in hunne wilde vaart bijkans tegen den ernsthaften Jacob Jansz. aanhortende, zoo deze niet intijds ware uitgeweken; maar zelfs dit ter zijde gaan verschoonde hem niet van alle aanraking met de ruwe gasten. Een der werklieden, blijkbaar door een overmatigen dronk verhit, plaatste zich in zijn weg, en hem aansprekende, met de overmoedige vrijpostigheid aan zijn toestand eigen, vroeg hij âEilieve Bootje! eergisteren braaf mee bruiloft gehouden bij de buurvrouw?quot;
Om de zin van deze vraag te verstaan, moet men weten dat het Huis der gravin van Solnis was gelegen aan het Oud-Delft, en grensde aan de woning van onzen deftigen burger; dat haar huwelijk den veertienden plechtiglijk was ingezegend in de Oude kerk, en dat er des avonds een luisterrijk bruiloftsmaal had plaats gevonden op het Prinsenhof, mede in die buurt, als inleiding tot de feestviering van heden.
Maar de ongepaste aardigheid, die hier blijkbaar bedoeld was, ging verloren, door de onverstoorbare gelijkmoedigheid van den aangesprokene, die ten antwoord gaf, met eene stem doordringend van zachten, waardigen ernst;
âDoor de mildheid van Zijne Excellentie is me althans een
27
ruim deel tpegezegd van de overgebleven schotelen voor mijne kinderkensâ en het bleek, dat de ruwe toespraak hem niet had vertoornd, of wel, dat hij zelfbeheersching genoeg bezat, om zulke opwelling te overwinnen, daar hij er op goedigen toon bijvoegde: âXu ik u voor mij zie, Geurt Dirksz., denk ik er aan, dat uwe vrouw weer in 't kinderbed ligt, en dat ik haar nog niet heb bezocht; wil mijn verzuim ontschuldigen, ik zal't haastelijk goedmaken; het hoeveelste kind is dat nu reeds ?quot;
âHet zevende. Meester Jacob,quot; mompelde Geurt met neergeslagen oogen, blijkbaar beschaamd en getroffen door deze zachtmoedigheid.
âGeurt Dirkz.!quot; vervolgde toen Jacob Jansz., nu hem zelfbij de hand vattende en ter zijde leidende, terwijl hij den blik vol diepen weemoed op hem rusten liet. âGeurt Dirksz., past het wel een vader van zeven kinderen om zijn geld in een drinkgelag zoek te brengen ?quot;
âMet de feestelijkheden valt er toch niet te werken...quot; bracht Geurt uit op een weifelenden toon, reeds genoeg ontnuchterd om te beseffen, dat zijn voorwendsel, niet geldig zou zijn voor deze rechtbank.
âValt er niet te werken...? Zoo hebt ge goede occasie om uwe zwakke huisvrouw gezelschap te houden en bij te staan,quot; luidde het antwoord van Jacob Jansz.
âEen mensch mag toch wel eens wat hebben. Iedereen kan niet leven als een heremiet, iedereen kan niet leven zooals gij, Jacob Jansz.!quot; sprak nu de andere brusk, sinds hij zich in de engte voelde gebracht, en geen andere uitvlucht zag dan zich met barschheid over de schaamte heen te zetten.
âleder wie begeerd heeft een gezin te hebben, en zich veroorloofde gade en kroost aan zijn lot te verbinden, behoort er voor te zorgen en hun het leven te verzoeten naar zijn vermogen. Kom mijn vriend! ga met mij, wij zullen nu voort te zamen uwe vrouw bezoeken en haar een vreugdedag bereiden .. .quot;
âAls gij er op staat... Meester Jacob,quot; antwoordde Geurt ver-
28
ward en aarzelend, en zijn medgezellen naoogend, die zich natuurlijk niet hadden opgehouden om hun makker te wachten.
âIk zal geen dwang over u oefenen; maar mij dacht uw hart moest hier spreken, en de conscientie u zeggen wat uw naaste plicht was..
âMijn vier oudste kinderen zijn al meê op het marktplein om naar de combattementen te kijken, en ik... zou een oog over hen houden !quot; riep op eens Geurt met zekere levendigheid, recht in zijn schik, dat hij op dien inval was gekomen.
âZoo wees dan voor quot;t minst getrouw in die zorge! hernam Jacob Jansz., even het hoofd schuddend, en ging zijns weegs met verhaasten stap; wij volgen hem nu niet, overtuigd dat wij hem wel eens weêr zullen ontmoeten. Reeds hooren wij de feestmuziek ruischen, ten bewijze dat de hooge genoodigden in aantocht zijn. Laat ons zien wat er onder de menigte voorvalt, die zich rondom de balie van het krijtperk verdringt ; allereerst valt ons oog op een troepje soldaten, die elkander in den arm houdende, als in gesloten gelid vooruitdringende door het volk heen, zich de beste staanplaatsen hebben veroverd, vlak tegenover de vorstelijke tribune voor 't stadhuis. Het gezelschap is overigens niet zeer uitlokkend; zo zjjn ruw en grof in hunne uitingenen manieren, en hunne kleeding is zoo morsig en haveloos, hun schoeisel zoo versleten, en geheel hun voorkomen zoo armelijk en ongunstig, dat men ze eer voor eene bende bedelaars en landloopers zou houden dan voor medestrijders in den heiligen vrijheidskrijg, en eene gewaarwording van bevreemding en onwil opwekken tegen 's Lands regeering, die zooveel gouds ten beste had voor geschenken en vermakelijkheden, en zoo slechte zorgen schijnt te dragen voor de moedige krijgers, wier bedrijf in die dagen waarlijk geene sinecure mocht heeten; maar weldra vernemen wij uit hunne woordenwisseling, dat zij ter dezer stond niet meer in 's lands dienst zijn, daar de compagnie waartoe ze behoorden al sinds maanden gecasseerd is; ze drij-
29
ven dus reeds lang op eigen wieken, zooals ze dat noemen; en hoe ze eigenlijk aan den kost komen weten ze zelf nauwlijks te zeggen, althans zou het hun moeilijk vallen zich daarover duidelijk te verklaren ten overstaan van schout en schepenen! Maar genoeg, zjj leven! rzoo 't leven heeten mag,quot; en vertoonen zelfs die loszinnige vroolijkheid, zulken lieden eigen, die zich volkomenlijk hebben losgemaakt van alle zorgen voor den dag-die komt, en zich evenzeer ontslagen achten van alle tucht en van eiken band. Ze dragen nog wel wapenen, maar 't is kennelijk, dat het niet meer dezelfde zijn, die zij in werkelijken dienst hebben gevoerd; de een heeft simpelijk een coetelas in den leeren draagband, de ander is blijkbaar nog tier op een ouderwetsch tweehands zwaard, dat hem aan de zijde slingert, een derde moet zich tevreden houden met de stomp van een officiersdegen, die tusschen het verschoten wambuis is ingestoken, bij mangel van scheede. In hun midden voert het hoogste woord een jonkman, wiens geheele voorkomen den jeugdigen woesteling aanduidt; en wien zij luitenant noemen, hoewel zij met hem omgaan op meer gemeenzamen voet, dan in den regel eener goede krijgstucht veroorloofd moet zijn tusschen een officier en zijne onderhoorigen. Hij echter schijnt die gemeenzaamheid niet euvel te nemen, en praat en schertst met hen als huns gelijke; maar ondanks die gelijkstelling in den staat van verlaging en verarming, waartoe hij schijnt vervallen te zijn, is toch in hem zeker iets, dat hem onderscheidt van die allen, iets dat den man van meer beschaving of hoogeren stand verraadt. Was het werkelijk eene verstandelijke, was het eene zedelijke meerderheid? dit is door ons vooralsnog niet uit te maken; maar dat zij door die ruwaards werd gevoeld, blijkt althans daaruit, dat zij hem het recht schijnen toe te kennen om over hen te gebieden; om een toon van gezag aan te nemen, zoo ras het hem invalt, hoewel zij door geene krijgswet meer onder zijn commando staan. quot;Wat zijne kleeding aangaat, is hij
30
slechts weinig boven hen bevoorrecht; wel is zij nog die van een officier, maar hetzij door langdurig gebruik of' door ver-waarloozing, in zoodanigen vervallen staat, dat geen luitenant van des Stadhouders krijgsbenden hem zonder blozen als kameraad zoude hebben begroet.
Zij bestaat uit eene ruime grijsfluweelen broek en wambuis, maar beide zoo vaal en kaal geworden, dat de eigenljjke tint niet meer is te onderkennen, terwijl het afgesleten en tot de koperkleur verweerde zilvergalon nog slechts hier en daar was vastgehecht, en de oranje-strikken waarmeê zijne hozen waren versierd, verschoten en verfont'aaid neerhingen. De sjerp, waarvan de franje ten deele was afgereten, hing niet meer in sierlijke plooien over den schouder, maar diende bij wijze van gordel tot sluiting van het wambuis, dat verweesd was van alle knoopen; ook slingerden de ruime bovenmouwen, die aan den pols behoorden gesloten te zijn, meer achteloos dan bevallig langs zijne armen, terwijl de rood karmozijnen ondermouwen, met voormaals witte uitsnijdsels versierd, eveneens te weinig van hun vroegeren luister hadden behouden, om wat frischheid bij te zetten aan dit verflenste geheel. Hij droeg zware Spaansche laarzen, maar die reeds veel te lang op de herstellende hand van den schoenmaker hadden gewacht. Hij had zijne kroeze zwarte lokken gedekt met een hoogen grijzen vilthoed, die een roode, liggende veder tot sieraad had : zoo het eene versiering mocht heeten, daar de verkleurde pluim slap langs den rand nederhing. Zijn hals prijkte met een vrij breeden en ridderlijken kraag, die echter de zorg eener waschvrouw en plooister hoog noodig had; in denzelfden staat, waren zijne ponjetten, hetgeen voor hem toch geen reden scheen te zijn om ze af te leggen; het was of hjj zelf niet bemerkte dat er iets aan haperde; gelijk er ook in de eigenaardige wijze waarop hij deze armzalige plunje droeg, eene laatdunkende achteloosheid lag, die getuigde: óf van treurige zedelijke verstomping, of van zekere innerlijke verbittering tegen de maat-
31
schappij. Als een man van dien leeftijd en stand zich zoo gemakkelijk kan heenzetten over den indruk, dien hij door zijn verwaarloosde kleeding moet maken op zijne medemensehen, dan heeft hij verloren, hetgeen men door het respect humain verstaat, hetzij uit besef van eigen onwaardigheid, hetzij uit haat jegens de anderen, â tenzij de ziet geheel vervuld is met zulke gedachten, die haar opheffen boven al wat stoff'eljjk is; â maar al zouden wij dit van den zonderling,quot; Jacob Jansz., mogen onderstellen, bij wien toch de zucht om zich betamelijk voor te doen, tot een maatschappelijken plicht is geheiligd, het bljjkt duidelijk, dat deze jonkman gansch niet behoort lt;x)t hen van wie gezegd kan worden, âdat hun wandel in de hemden is!quot;
Integendeel, alles in hem duidt aan dat hij der wereld toebehoort, in de volste en treurigste beteekenis van het woord, en dat innerljjke wrevel over 't geen zjj hem^ onthield, hem dien schijn van luchthartig overtreden harer voorschriften deed aannemen: een smartelijke logen, waarmeê hij zich zelf pijnigde, zonder er anderen door te misleiden. Zijn lach was luid en schel, zijne houding uittartend en fier, en zeker was het geen vreedzame geraden, hem met een dubbelzinnigen blik aan te zien of met een glimlach zijne havelooze uitmonstering op te nemen.
Hij zelf blikte met zijne grijs-blauwe oogen, waar allerlei lusten in vonkelden, maar die toch reeds veel van hun oorspron-kelijken glans verloren hadden, vrijpostig in 't rond, zich niet onthoudende van zoodanige schampere en spottende aanmerkingen ovej- personen en zaken, als hij zelf zeer zeker van niemand straffeloos zou hebben geduld. Ongetwijfeld had hjj eenmaal aanspraak kunnen maken op uitstekende, mannelijke schoonheid; maar reeds was hij niet meer in den eersten bloei der jeugd, en allerlei lijden [en ontbering had nu reeds haar stempel gedrukt op zijn gelaat, en er als eene sombere schadu w van veroudering en verwelking op geworpen; de oogen zijn omcirkeld met donkerblauwe kringen, het voorhoofd draagt
32
reeds fijne rimpels, eu om de dunne lippen van den welgevormden mond, ziet men een pijnlijken trek, zelfs bij zjjn glimlach. Toch is dat voorhoofd hoog en gewelfd, als zetelde er fierheid en schranderheid ; toch plachten de trekken van dat bleek en vermagerd gelaat edel en regelmatig te zijn, al stonden ze nu hard en verwrongen, terwijl, lange zwarte mutstatsen dat woeste uitzicht nog verergerden. Toch moest hij belangstelling wekken; en wie hem eens met een meer dan oppervlakkigen blik had aangezien, achtte hem licht diepere opmerkzaamheid waard, en do klacht: rAch welk een edele aanleg is hier verwoest!quot; zou dan zeker den menschenkenner ontvallen; maar voor den alledaagschen beschouwer, die hem na een vluchtig aanzien ter zijde liet, was hij een; âwondre snoeshaan, een brutale wildzang, een kale jonkerquot;; benamingen, die in een degelijken Holla,ndschen mond zeer bijzondere minachtende beteekenis hadden, en die zeer zeker overluid op hem toegepast zouden zijn, en zoo men geen ontzag had gehad voor zijn duchtig rapier, dat kennelijk niet tot ijdele vertooning aan zijne zijde hing. Dit rapier, mogelijk zijne eenige bezitting, het eenige stuk van waarde althans dat hij met zich voerde, hing niet eigenlijk in den draagband, maar hij hield het meestal ter halverwege uitgetogen, als wilde hij het fijne, glinsterende staal van het lemmet, of de rijke met zilver ingelegde ivoren greep, den omstanders toonen en doen bewonderen; mogelijk ook is die beweging der hand, dat op en neêr schuiven en doen klinken van zijn kostbaar wapen, eene werktuigelijke beweging, eene hebbelijkheid, die hij in verstrooiing heeft aangenomen, zonder zelf te weten dat hij het doet; maar, opzet of toeval, het was genoeg om hem te midden van het volksgewoel, waarin hij zich met zijne soldeniers had begeven, te vrijwaren van den overlast, dien hij mogelijk van de jolige Delvenaars in hun zondagspak, uit aanzien van zijn vervallen voorkomen, had kunnen lijden. Inmiddels amuseert hij zich op zijne wijze. Hij kijkt de jonge meisjes vrijpostig onder
huik of falie, voegt haar aardigheden toe, die haar doen blozen of in verwarring brengen, laeht de mannen in het aangezicht uit, die zich de zaak der schoonen aantrekken, bespot oudere vrouwen, bast degelijke mannen aan, als een bedorven schoothondje of een kwajongen, en heeft met zijne woeste gezellen dan plei-zier over den toorn, de verlegenheid en de ijdele bedreigingen, waarmede dat alles beantwoord wordt. Ondanks al het vermaak, dat hij zich zeiven op die wijze verschaft, blijkt het toch, dat hij zich eigenlijk verveelt; herhaalde malen heeft hij reeds te kennen gegeven, dat het hem te lang duurt eer de vertooning begint; en nu roept hij een zijner soldeniers toe: âHeidaar 1 lange Michiel, ge zijt een voet grooter dan de anderen en je oogen reiken verder dan de mijne, kijk eens op de wijzerplaat van de Oude kerk, of het niet haast tien gaat slaan... Prinsessen en groote Heeren laten zich gemeenlijk lang wachten, dat weten wij! maar dat de wedstrijders in 't nobele ridderspel de laatste seconde laten verloopen van 't gezette uur, voor ze in 't strijdperk rennen, dat gaat mijn verstand te boven.quot;
âDe vurige geest van Jonker Juliaan zou zich zeker naar geen vertraging schikken, in zulk geval!quot; spreekt een der zijnen hem toe, terwijl hij die Michiel wordt genoemd, lachend antwoordt:
âEilieve, Luitenant! waarom ziet gij niet op uw horloge, dat is het naaste bij.quot;
âDommerik! dat zou juist een omweg zijn tot in't buitenland; het ligt bij mijn erfgoed!quot; hernam de jonker lachende; âen als ik er een had ...quot;
âWil ik er op wedden, dat het niet lang in uw diszak bleef!quot; viel lange Michiel uit, zonder eenig ontzag voor zijn superieur.
Deze was daarover niet gebelgd, blijkens het schertsend antwoord;
âIk ga de weddenschap aan, mits gij mij het tikkertje bezorgt!quot;
âIn ernst. Luitenant! zeg het dan maar en ik sla toe, lang ^al het niet duren of...quot;
Wonderdokter. I. 3
34
âZwijg schoelje! Wat zou Bastiaan zeggen, als ik vrijheid gaf tot zekere handgrepen, die...quot;
âO! wat kan dat schelen; laat Bastiaan een sermoen houden, als wij het maar samen eens waren.quot;
âNeen, daarin zijn wij het niet eens,quot; riep nu de jonker op zulk een toon van hoogheid en gezag, dat de soldenier, die hem dicht genaderd was, om zich zonder stemverheffing met hem te kunnen onderhouden, verschrikt achteruit deinsde, zeer tot nadeel en ergernis van een onschuldigen Delvenaar, die ter zijde stond en van den weêrschok een stoot kreeg, die hem zijns ondanks een âlompertquot; uit de keel perste, dat de ander vrij hoog opnam. Lange Michiel droeg geen zijdgeweer, maar hij had geduchte vuisten, en hij scheen gereed de kracht er van op den burger te willen beproeven, die ongelukkig niet verder terugwijken kon, toen Juliaan op eens tusschenbeide kwam met de vermaning :
âHanden thuis, Michiel, laat den armed drommel met vrede.quot;
âArme drommel, jij zelf!quot; bromde de burger binnensmonds, heel weinig voldaan met dit minachtend predicaat, maar toch te bang om zijn misnoegen overluid lucht te geven. Al had hij het gedaan, de jonker zou het toch niet gehoord hebben; want het sloeg tien ure, en hij keerde zich met levendigheid om en drong tot de balie door, uitroepende: âals ze nu niet komen, dan spring ik zelf in 't krijtperk en verklaag al die pronkridders
openlijk van felonie!quot;
En tegelijk maakte hij de beweging, of hij werkelijk over de lage schutting heen wilde.
âHeidaar! terug!quot; riep de schutterlijke schildwacht hem toe; wie overklimt verbeurt een carolus gulden, en bij mangel van dien het opperkleed!
âPalsambleu! als je 't mijne neemt in ruil van een Karels-pop, ben je bekocht, dappere burgerzoon,quot; schertste Juliaan; âmaar wees gerust, daar hoor ik de klaroenen schetteren, en ik zal blijven waar ik ben, zij komen. quot;
35
rf âJa, zij komen! maar nu pas op het stadhuis, waar ze eerst
nog hun vroegstuk moeten gebruiken,quot; riep morrend een jonge n, pasteibakkersknecht. âIk heb zeivers te ochtend het suikerwerk
en de pasteien helpen brengen.quot;
)p â't Is tergend, dat zjj daar nog eerst rustig zullen zitten
ie smullen, terwijl wjj staan te stampvoeten van ongeduld en te
et rillen van koude, bij dien barren Noordenwind!quot; klaagde een
er lakenwever, die reeds berouw had zijn getouw te hebben verlaten,
er âJa, Keesje! wat de heeren wijzen, dat moeten de gekken
ns prijzen,quot; hernam zjjn buurman, een kleine winkelier; âde Ma-
rij gistraat heeft er nu eenmaal een koud maal op besteld, en het
ad doorluchtig echtpaar zal het zich laten welgevallen, dat haalt
en alweer zooveel uit op de bruiloft!quot;
en âSpreek met achting van het doorluchtig bruidspaar, vilein,
g: of zwijg!quot; duwde Juliaan hem toe op barsehen toon.
âVilein, gij zelf! wie zijt gjj om ons te commandeeren, kale tls, jakhals,quot; was de niet onverdiende repliek.
ich â Wie ik ben doet er niet toe, maar ik zal je leeren respect
hij te hebben voor lieden van rang.quot;
mt âIk wou niet eens je gelijke zjjn en je zoudt mij drillen!quot;
en âVan gelijkheid tusschen ons is ook werkelijk geen sprake,quot;
3n, antwoordde Juliaan, hem opnemende met een hoonenden blik,
ers âzijt ge misschien bedreven in de Heraldiek? dan zal ik mijn
familiewapen voor je blasonneeren.quot;
de âDank je wel! ik wil met jou en je familie niets te doen heb
ben !quot; riep de winkelier en maakte zich weg tusschen de menigte oe; die hen omringde, terwijl Juliaan met luider stemme zeide:
.'an âDe bruid is een dochter uit het edelste en rijkste geslacht
van Holland.quot;
iop, âAls ze zoo rijk is, zal ze niet kwalijk doen met de schulden
aar van haar bruigom te betalen; het crediet van de nieuwe huis-
zal houding zou er bij winnen,quot; merkte de pasteibakkersknecht aan.
âWat je zegt, Joost! zou de graaf van Solms schulden heb-
36
ben,quot; vroeg een burgervrouwtje, met naïeve verbazing, âzoo'n groot Heer?quot;
âIk wou niet dat wij ze samen moesten betalen, Janneke,quot; lachte Joost; âje moêr's erfenis zou er bij inschieten, al zit ze er nog zoo warmpjes in. Mijn baas, die als pasteibakker nogal goed weet wat er al zoo omgaat onder de groote lui, zegt, dat hij maar half gesteld is op de grafelijke klandizie; dat adellijk volkje heeft zoo'n gemak van borgen!quot;
âZwijg, onbeschofte hanenbrander! of ik zal je mores leeren;quot; riep nu wéér de luitenant, die het zich ten plicht scheen te stellen, eerbied jegens de aanzienlijken te prediken onder de volksmenigte.
âEn wat wou jij dan beginnen, kale Brabander met je Span-jools kroeshaar!quot; schold de andere terug, âmeen je dat ik bang ben voor je lange rapier!quot; t
âDat is me ook veel te goed voor do huid van zoo'n linker, ik zal je lardeeren met je eigen priem.quot;
Dit scheen wel geen ernst, want de luitenant wees al lachend â¢op de lederen koker, waarin dit instrument Joost tor zijde hing; maar deze nam de beleediging zeer ernstig op en trok een kort, breed koksmes, dat hjj dreigend tegen den beloediger ophief. Dan, de snelle blik en de tegenwoordigheid van geest van Juliaan, hadden hem dit gevaar doen zien en voorkomen in 't zelfde oogenblik. Zijn rappe, krachtvolle vuist omklemde die dreigend opgeheven hand bij den pols, met zulk een vasten, nijpenden greep, dat de patiënt onder een kreet van smart zijn wapen vallen liet.
âIk sta u toe het op te rapen, onder conditie, dat gij het nooit weêr gebruiken zult dan tegen wild en â uilkuikens als gij zelf zijt!quot; voegde nu Juliaan hem toe, op een toon,.die zulk eene zonderlinge mengeling was van laatdunkende hoogheid cn schalke snorkerij, dat de omstanders begonnen te lachen, en Joost in zijn schulp kroop, beschaamd en morrend, maar genoog overbluft om zich af te keeren zooveel de gelegenheid het toeliet, en zonder eene poging te doen om zijn mes op te rapen.
37
dat nu ook onmogelijk was geworden, daar een der soldeniers zieli gehaast had het met den voet weg te stooten tot onder de balie, die het krjjtveld van het omringende voetpad scheidde; zeker met eene bedoeling die niet precies op de sehale der eerljjkheid zou kunnen gewogen worden, en waarvan het nog onzeker is, of' zjjn luitenant haar zou hebben berispt dan wel toegejuicht; maar deze had zich reeds omgekeerd en vestigde nu geheel zjjne aandacht op een voorval, waarin hij een vermakelijk avontuur hoopte te vinden.
Een rjjk gekleede burger-jonkman, dezelfde die wij zijne opinie hoorden uiten over Jacob Jansz. op het marktplein, bevond zich nu in de noodzakelijkheid, de juffer die hij geleidde, midden door den dichten volksdrom heen, naar eene der tribunen te voeren, al sinds lang door eene menigte toeschouwers ingenomen, die met wijzer overleg, liever te vroeg dan te laat waren gekomen. Alleen dicht langs de balie, waarvoor de berooide soldaten post hadden gevat, kon men nog even door; maar do jonkman scheen geen moed te hebben het te beproeven, want-hij bleef plotseling staan, haalde do schouders op, en sprak tot zjjne schoone met een bedenkelijk gezicht: âIk zie geen kans dat we doorkomen, en er zal toch geene plaats meer wezen.quot;
âDat komt van uw talmen, Antony! Met al dat strikken en kwikken dat gij doet, komt ge altjjd te laat; daar staan we nu,quot; werd hem op spijtigen toon toegevoegd, en de jufter trok in haar misnoegen zelfs haar arm uit den zijnen.
âJa, Belie! hoe je ook knort of niet, we kunnen hier niet blijven staan, we moeten maar terug, aan doorkomen is toch niet te denken... gij zult toch zoomin lust hebben als ik, om langs dien woesten troep verloopen soldeniers heen te schuiven ... en 't is nog niet eens zeker dat ze 't ons vergunnen zouden . ..quot;
âZe zien er barsch en armoedig uit, dat is waar; maar wij zjjn nu in 't geval, en als gij zo met een vriendelijk woordje vermaant om wat ruimte te maken . .
38
âDank je wel! met zulk gemeen volk laat ik me niet in!quot; was het wrevelig antwoord; maar het zou al niet meer aan hem staan dit te vermijden.
Juliaan had liet tooneeltje bespied, had de laatste woorden verstaan, en bromde dreigend tusschen de tanden :
âDat smalen zal je afgeleerd worden, zotte pronker!quot;
Fluks had hij een der dichtsbijstaande soldaten een wenk gegeven, en de overigen begrepen ras de intentie! In een ommezien waren zij tusschen den burger en zijne juffer ingedrongen; oj) hetzelfde oogenblik ook stond Juliaan aan hare zijde, vatte hare hand, en sprak met eene mengeling van ironie en hoffelijkheid: âGun me de eer u door te helpen, schoone juffer! en wees er zeker van, dat vooste soldeniers ridderlijk genoeg zullen zijn om voor een dame uit te wijken.quot;
Haar eenig antwoord was een verlegen zwijgen en de poging om hare hand vrij te maken; maar het laatste gelukte haar niet, en hij scheen het eerste als toestemming op te vatten, want reeds â¢ging hij eenige schreden met haar voort; daarop nam hij, ondanks haar wederstreven, haar arm in den zijnen, zeggende:
âHoe nauwer aaneengesloten, hoe zekerder komen wij door!quot; En werkelijk hij toonde er meester in te zijn, zich behendig door de menigte heen te wringen; terwijl een deel zijner soldeniers hem in die poging steunde, niet slechts door zeiven zooveel doenlijk uit te wijken, maar ook door de omringenden ter zijde te duwen en te verdrukken, in weerwil van alle verzet en scheldwoorden, die zij daarvoor moesten hooren. Intus-schcn omsingelden hunne makkers den jongen burger, die zich tevergeefs tegen hen weerde en blijken gaf van heftigen afschuw, zoo vaak zijn keurige dos, op eenige wijze in aanraking kwam met hunne havelooze plunje, hetgeen juist hun lust vermeerderde om zich, in den eigenlijken zin dos woords, aan hem op te dringen.
âLaat me toch door, mannen! gij verfonfaait mijn gansche gewaad,quot; riep hij hun toe, half smeekend, half bevelend en
39
zijn ziedenden toorn beteugelend, bij de overweging dat hij in hunne macht was: âlaat me die juffer volgen, ik hoor bij haar; trek nu zoo niet aan mijn mantel, hot zijden laken kan wel scheuren!quot; en bij de beweging die hij maakte om zich te bevrijden, liet hij den rijkgestikten handschoen vallen, dien hjj naaide mode van zijn tijd in de hand hield, en onwillekeurig bukte hij om dien op te rapen. Maar reeds de poging bleek ondoenlijk, en werd oorzaak dat zijn fijne vilten hoed van zijn hoofd viel.
âAls je nog eens bukt, verlies je het hoofd!'' beet een dei-soldeniers hem lachende toe; maar, al gloeide hij van ergernis, Antony verduwde den spot, en riep met de beslotenheid der wanhoop:
âAVie mij doorhelpt en mijn hoed terecht brengt zal ik een ruim drinkgeld geven!quot;
âEerst het drinkgeld!quot; eischten de soldeniers, terwijl zjj hem al wat vooruit stuwden.
Een hunner had reeds de behendigheid gehad den hoed op te rapen en den handschoen voort te schoppen, ongeveer in de nabuurschap van het mes. liet drinkgeld werd gegeven nadat er nog eene wijl over het bedrag was geparlementeerd; daarna voelde Antony zich den hoed op het hoofd drukken, en zijn persoon vooruitschuiven, zoo snel vooruit, of zijn eigen voeten hem niet meer droegen; toch achtte hij zich overgelukkig ten laatste tot de stellaadje te zijn genaderd, waar hij door de zorg van den luitenant zijn juffer reeds geplaatst zag; maar tot zijne bittere ergernis dien luitenant zelf, dien aanvoerder van den woesten hoop, waardoor hij gekweld en afgezet, is, achter haar staande, als een die een onbetwistbaar recht had op die eer. Hoe dat zich toegedragen heeft moeten wij even vertellen.
Toen Juliaan met de juffer den slagboom was genaderd, die de tribune afsloot voor de menigte had zij haar lief gezichtje maar te toonen, om door den stedelijken bode, die er als wachter stond, herkend te worden en met een: âBeter laat dan
40
nooit, juffer Graswinckel!quot; goedhartig gemeenzaam verwelkomd te worden, hetgeen door haar beantwoord werd met de klacht: âHet heeft moeite in gehad, Steven! meester Antony is er nog niet door.quot; Hierop had zij willen ingaan, na haar geleider met een beleefd knikje tot dank zijn afscheid gegeven te hebben; dan, dit lag niet in diens bedoeling.
Hij bleef hare hand vasthouden, willens meê binnen te gaan.
âU kenne ik niet! toon uw bewjjs van toegang,quot; eischte de bode op vrij barschen toon.
âEilieve Steven, laat dezen .. . officier toe,quot; sprak de juffer bemiddelend.
âHet mag niet zijn juffer, ik moet de zitplaatsen vrijhouden voor de genoodigden.quot;
âWel! ik ben met eene staanplaats tevreden,quot; verzekerde Juliaan glimlachend.
âDie kost een goudgulden,quot; antwoordde de stadsbeambte altijd bar, en den vreemdeling van 't hoofd tot de voeten opnemende.
âLeen me een goudgulden! juffer Graswinckel,quot; spr8,k Juliaan nu, zoo dringend en gebiedend, dat het meisje in zenuwachtige haast het beugeltasje dat zij op zijde had, opendrukte en er een geldstuk uit te voorschijn bracht, dat het gevorderde in waarde overtrof; toch had hij het met voorname onverschilligheid aan Steven toegeworpen, en zelfs met een ongeduldig hoofdschudden het kleingeld afgewezen, dat de eerlijke man zich verplicht achtte terug te geven. Nu, zijwaarts af achter de juffer staande, scheen de luitenant het er op gezet te hebben, een gesprek met haar aan te knoopen, waarop zij in 't geheel niet gasteld was. Voor een jonkvrouw uit den deftigen stand, waartoe Mabelia Graswinckel kennelijk behoorde, was het dan ook alleronaangenaamst, bij eene gelegenheid als deze, naar hare plaats te worden gebracht door een gelei-jonker, die er zoo berooid en haveloos uitzag; en het was niet vreemd, dat zij schichtig eu verlegen rondkeek, of er ook kennissen en verwanten in hare
41
nabuurschap zaten, die haar optreden hadden kunnen gadeslaan; dan, tot hare geruststelling bemerkte zij slechts onbekenden, en zelfs geen stadgenooten in hare nabijheid.
Niet vreemd! dezen waren vroeger gekomen en hadden de beste plaatsen ingenomen; maar al voelde zij zich daardoor verlicht, ras werd zij getroffen door de gedachte, hoezeer dit isolement zijne nadeelige zijde had, daar zij zich aan niemand konde wenden, in 't geval dat de vreemdeling zich vrjjpostig en gemeenzaam mocht aanstellen; en dat zij hiervan gevaar liep, werd haar al spoedig duidelijk, toen hij, zich tot haar overbuigende, op een lossen, gemeenzamen toon de gewone praatjes aanving, die een cavalier bij gelegenheden als deze tot zijne dame pleegt te richten.
Mabelia behoefde geene preutsche nuf te zijn, om zich gekrenkt te gevoelen over deze stoutheid van den indringer, die reeds door de dichtbijstaanden van ter zijde werd aangekeken âals een schuin heer;quot; maar zij was niet minder verschrikt en ontrust dan beleedigd; zij kleurde en verbleekte beurtelings van spjjt en ergernis, wendde het hoofd af zonder te antwoorden, en maakte zich inmiddels al meer en meer ongeduldig over het wegblijven van Antony, die door zijne traagheid en flauwheid de eerste oorzaak was van de onaangename positie waarin zij zich bevond; ja het scheelde niet veel of zij wierp al de schuld van den overlast dien haar werd aangedaan, geheel terug op de breede schouders van den pronker, die haar niet had weten te beschermen.
Getergd door haar minachtend zwijgen, voegde Juliaan haar toe op een luiden, verwijtenden toon, als wilde hij de omringenden tot getuige maken van zijne grieven:
âWaarom houdt gij u nu zoo stug en preutsch, allerliefste Mabelia! nadat gij zooeven mijne hulp en bescherming hebt aangenomen ? Is het u tegen, dat ik mij het genoegen geef nog wat bij u te blijven, ofschoon het uwe wreede intentie geweest was, mij met een âdankjequot; aan de balie af te schepen?quot;
42
âIk dacht... ik meende, dat gij zelf verlangen zoudt bij uw eigen gezelschap te blijven, heer officier,quot; antwoordde Mabelia, ook met eenige stemverheffing. Hoe weinig zij ook gezind was opzien te wekken, achtte zij het echter niet ongepast deze gedegenheid aan te grijpen, om de naastbjjzittenden te doen verstaan, dat de zonderlinge personaadje voor haar zelve een vreemde indringer was.
âO! ik versta u,quot; hernam hij met onbeschrijfelijke bitterheid, âmijn gezelschap, dat wil zeggen, dien ruwen hoop âverloopenquot; soldeniers! niet waar ? dat is de soort waartoe gij mij acht te behooren.quot;
âMaar hoe kan ik weten dat gij niet met dezulken wilt gerekend worden,quot; hernam Mabelia iets zachter, daar ze schroomde hem al te zeer te verbitteren; âgij zijt mij gansch onbekend, moet ik niet oordeelen naar het uiterlijk aanzien.quot;
âEn dat pleit niec voor mij,quot; hernam hjj met zijn sarcastischen glimlach, âdat moet ik u toestemmen; alleen zou ik meenen, dat een juffer van zoo spitsen gesst als jonkvrouw Mabelia Graswinckel, niet juist op het uiterlijk aanzien zoude oordeelen, en overwegen, of er ook onder schamele kleeding een persoon kon schuilen, die haars gelijke ware in afkomst en rang zoo niet. .. haar meerdere.quot;
Daar was een opmerkelijk verschil tussehen zijne vroegere, dartele plagerijen, en den toon waarop hij nu zijne toespraak eindigde; een verschil dat door Mabelia ook zeer goed werd gevat, hetgeen haar deed antwoorden, met minder schuchterheid, maar tegelijk met meer ernst:
âZekerlijk neen! ik zal geen man om zijn kleed minachten; maar wie van goede geboorte is, toone het ook in zeden en manieren; en het komt mij voor, dat uwe houding en wijze van spreken tegen mij niet eene zulke is geweest, als een welgeboren man past jegens eene dochter van goeden huize, die hem vreemde is . ...quot;
43
âEene vreemde, wie lijj dan toch in ongelogenheid zijn dienst heeft verleend,quot; merkte hjj aan.
âMits hij dien niet in ondienst verkeere, door zich onhoffelijk op te dringen,quot; ging zjj moediger voort. Iets in zijne stem, die dof maar zacht was geworden, gaf haar hoop, dat hare vermaning ingang vond.
En werkelijk, hij antwoordde, wel met een tint van smartelijke bitterheid, maar toch deemoedig: âGij hebt gelijk! ik was daar op den weg om u, die eene deftige, zoetzedige jonkvrouw zijt, een averechtschen dienst te doen . .. Gij hebt gelijk, ik moest aan mijne armzalige plunje, aan mijn verwilderd voorkomen gedacht hebben, eer ik mij in weleerlijk gezelschap begaf. Lacij! men verliest goede manieren en hoffelijke gedragingen, als men gedwongen is, dagelijks met roffianen te ver-keeren, zooals mijn volk! Maar wees gedankt voor de herinnering, zij heeft doel getroffen ; ik zal u niet langer tot ergernis zijn, schenk mij maar een vriendelijken blik, ten bewijze dat gij mij alles vergeeft; meer verlang ik niet.quot;
Dit verlangen was mogelijk niet zoo onschuldig als het zich voordeed. Tot hiertoe had zij met hem gesproken zonder hem aan te zien, had het hoofd veeleer met zeker opzet van hem afgekeerd, daar zijn stoute, sarrende toon haar allen lust had benomen om kennis te maken met de gelaatstrekken van hem, die haar kwelde en in verlegenheid bracht; en toen hij haar eerst den arm bood, had zjj alleen bij zijdelingsche vluchtige beschouwing opgemerkt, dat haar geleider een ridder van de droevige figuur moest zijn. IS'u echter, door zijne gedweeheid verzacht uitgelokt daarenboven door vrouwelijke nieuwsgierigheid, waagde zij het hem aan te zien.
Al sprekende had hij met eene gracelijke beweging den versleten hoed afgenomen, die een deel van zijn gelaat bedekte, maar ook ontsierde; nu vielen de zware, gitzwarte lokken in bevallige achteloosheid over het hooge voorhoofd, terwijl de
44
woeste en grimmige blik zijner oogen zich verzachtte tot eene uitdrukking van diepen weemoed, die in volkomen harmonie was met de fijne, edele trekken van dat vervallen gezicht. De aanschouwing er van scheen Mabelia eerst aangenaam te verrassen, daarna bijzonder te treffen, op zulke wijze, dat zij hem een tijdlang onderzoekend bleef aanzien, als poogde zjj eene gelijkenis uit te vorschen, die zij toch niet recht wist thuis te brengen; eindelijk sprak zij, wat verward en blozende: âVerschoon mij, daar speelt mij eene herinnering door den geest, die... doch neen, neen! het kan niet zijn!quot;
âDien gij meent ben ik niet!quot; viel hjj in, ras en wat brusk, terwijl hij schielijk zijn hoed opzette en een donkere blos hem over het voorhoofd vloog.
âWil mij uw naam zeggen!quot; vroeg zij zacht en dringend; want in dienzelfden oogenblik zag zjj Antony naderen, wien het eindelijk gelukt was door 't gedrang heen te worstelen.
âNoem mij Juliaan!quot; antwoordde hij na eenige aarzeling, terwijl hij er met een tintje van de vroegere ironie op volgen liet: âIs die opgepronkte burgerzoon uw aanstaande, jufter Graswinckel ?quot;
â'tls mijn bloedverwant,quot; hernam zjj met zekere beslistheid, en luid genoeg om door den persoon in quaestie verstaan te worden, die nu aan hare zijde plaats nam, niet zonder zich bitterlijk te beklagen over zooveel oponthoud en al het doorgestane leed, maar bovenal luide zijne ergernis te kennen gevende over 't verkreukelen van zijn kostbaar gewaad.
âZie mij die kanten eens aan, Mabelia! zie eers hoe verflenst mijne poffen en strikken neêrhangen! Ik zie er ontoonbaar uit; die schoeljes hebben wel voor twintig dukaten aan mijne plunje bedorven!quot;
âZooveel alarm over dien opschik? gij zoudt beter doen mij vergiffenis te vragen, dat gjj mij dus lang aan mijn lot overgelaten hebt onder vreemden,quot; voegde Mabelia hem toe.
âVoorwaar gij hebt wel stof tot klagen,quot; sprak hij korzel. âGij
45
waart rustig neêrgezeten, terwijl ik door dat soldatenvolk werd gebousculeerd; en het komt mij zelfs voor, dat de tijd u niet lang moet zijn gevallen, daar ik zag hoe gij dien gekort hebt met naar de praatjes van dien verloopen officier te luisteren.quot;
âSinds hij goed genoeg was om mij bescherming te verlee-nen, terwijl gy mij in den steek liet, paste het mij hem ook niet te slecht te achten om naar hem te luisteren, als hij iets te zeggen had,quot; beet zij hem toe, maar fluisterend. Kennelijk had hare zienswijze omtrent den vreemdeling eene wijziging ondergaan, die haar omzichtig maakte om hem niet opnieuw te verbitteren door geringschatting.
Meester Antony gaf een morrend antwoord, dat echter door niemand kon worden verstaan, zelfs niet door Alabelia, daar het geschal van pauken en trompetten, nu aan de verzamelde toeschouwers verkondigde, dat hun geduld niet langer op de proef zou worden gesteld, maar de gespannen verwachting bevredigd, daar de doorluchtige stoet zich van uit het stadhuis naar de tribune begaf; en welhaast zag men de eerste paren de zitplaatsen, innemen. Hertog Frederik van Lunenburg, die de Prinses Emilia van Nassau opleidde, en de hertog van Brandenburg, die eene üuitsche gravin de hand gaf; zij werden onmiddellijk gevolgd door den Paltsgraaf, Ernst van Solms-Braunsfels, die de zuster der bruid gravin Frangoise van Eg-mond tot cavalier strekte; daar de prinses-douairière op dat tjjdstip in Frankrijk was met hare jeugdige dochters, zou de gravin van Buren-Hohenlo, als oudste dochter van prins Willem 1 aanspraak gehad hebben om hare zuster Emilia voor te gaan; maar om de bestaande jaloezie tusschen de heeren von Solms en Hohenlo niet te verlevendigen, en tegelijk alle andere rang- en étiquette-twisten ter zij te zetten, was er bij deze gelegenheid besloten, de vreemde vorsten te laten voorgaan, met de dames die zij hadden gekozen, waarop dan de graaf van Hohenlo zou volgen met zijne gemalin, terwijl
46
prins Maurits, zijn jeugdigen broeder Hendrik Frederik bij de hand houdende, niet optrad, voordat alle voorname dames, tot zijne verwantschap of die der bruid behoorende, gezeten waren. Maar al scheen hij zelf achteloos omtrent het ceremonieel, en zich niet te bekommeren over de voorrechten van zijn rang, het volk vergat niet, dat hij onder allen de eerste en liefste was, wien men uit het volle hart welkom heette en eere wilde toebrengen ? Luide Hoezee's en daverende Vivats klonken uit duizende monden, zoodra men hem gewaar werd. Want al was hij nog niet de groote overwinnaar van Nieuw-poort, al kende de schare hem nog niet als den schranderen hervormer der krijgskunst, reeds had de jeugdige held zich een waardig zoon van zijn vader getoond, en de partijschap, die later de natie zoo smartelijk zou verdeden, en veler hart van hem vervreemden, had nog geen reden van bestaan. Allen waren hem op dit oogenblik nog oven na, en allen hadden hem nog even lief. üe man die de hoofdrol zoude spelen in het bloedige drama van 1618, Meester Jan van Oldenbarne-veld, was nog de oprechte, al was het niet de onbaatzuchtige vriend en leidsman van den jeugdigen Stadhouder, en niemand, Maurits zelf wel het allerminst, kon zich toen voorstellen, welke eene onverzoenlijke veete hen eenmaal zou scheiden ; en toch ... en toch . . . lag, hoewel bedekt voor 't men-schelijk oog, het tweedrachtszaad reeds in de aarde to kiemen, dat eenmaal zoo welig zou uitschieten, den grooten staatsman in zijne grijsheid op het schavot zou brengen, en den grooten krijgsman bij een deel van Neêrlands volk â ja tot bij de nakomelingschap zou brandmerken, als een bloeddorstigen tiran, als een monster van ondankbaarheid!
Gezegend is de schikking der Voorzienigheid, die den mensch geene voorwetendheid gunt van zijne toekomst.
Hadden deze twee geweten wat er eenmaal zou volgen, niets van al het groote en goede, dat zij te zamen ten bate
47
van 't Gemeenebest hebben verricht, ware dan totstandgekomen. Hoe zouden zij elkaar geschuwd, ontvlucht, gedwarsboomd hebben, terwijl ze nu rustig en vertrouwelijk te zamen deel nemen aan het prinselijk builoftsfeest . . . Maar â wij spreken of wij ze naast elkander zien op dezelfde tribune, en - dat was toch zoo niet. De Raad van State, en de Sta-ten-Generaal met die van Holland aan het hoofd, sinds deze het recht der préséance voor goed hadden overmeesterd, waren gezeten ter weêrszijden van de vorstelijke tribune, en Meester Johan van Oldenbarneveld, die meer hield van het wezen dan van don schijn der grootheid en macht, was do man niet om zich tusschen de doorluchtige genoodigden in te dringen; hij hield zich bescheidenlijk op zijne plaats, te midden van de heeren Staten, wier dienaar hij geacht werd te zijn, schoon deze het zoo goed wisten als hij zelf, dat hij de spil was, die het gansche rad van Staat draaien deed.
Maar laat ons niet vergeten toe te zien naar het optreden van het bruidspaar, «lat nu plaats vindt in alle statigheid, onder het schetteren van pauken en klaroenen. Opgeleid door leden van den Delftschen magistraat, die in dezen als hunne gastheeren fungeerden, traden zjj voort en namen de eereplaats in onder de jubelkreten en heilgroeten der menigte, in verrukking gebracht door de fiere houding van den bruigom, maar bovenal door den oogverblindenden luister van het hoogtijdsgewaad der bruid.
Inderdaad, de dochter van Egmond had het zich ten plicht gesteld, bjj deze gelegenheid getrouw te blijven aan de traditie harer familie, in Spanje als in Vlaanderen, in Duitsehland als in Holland, om hare uitstekende prachtliefde vermaard. Toen hare moeder Sabina van Beieren, dochter van den paltsgraaf, en afstammende uit een geslacht, dat keizers aan het heilige Roomsche rijk had gegeven te Spiers aan den schitterenden Hollandschen graaf. Lamoraal van Egmond werd uitge-
48
huwelijkt, kon zij nauwelijks met kostbaarder bruidskleed zijn getooid, dan dat waarmede Sabina, gravinne van Solms, zich nu te Delft aan den volke vertoonde. Vermoedelijk was het toch niet hetzelfde, hoewel niemand daar iets vreemds in zou gevonden hebben; maar reeds waren oudere zusters haar in den echten staat voorgegaan, en eene van haar had mogelijk het moederlijk trouwkleed meê ten huwelijk gekregen. Nog waarschijnlijker is het, dat de ongelukkige weduwe van Eg-mond, die zoo kwade dagen van berooving en verlatenheid had gekend, die kostbare trofeën van vroegere grootheid zal te gelde gemaakt hebben. Hoe hard het eener vrouwe ook vallen moet zich van zulke herinneringen te scheiden, de fiere paltsgraafdochter was door zulke diepten van ballingschap en armoede heengegaan, sinds zij aan den avond van den dag der terechtstelling haars gemaals met hare elf wezen in rouwe nederzat, dat het offer van goudbrocade en kleinoodiën, haar zeker niet zoo heel zwaar meer zal gevallen zjjn. Hoe dit ook zij, het bleek dat hare dochter nu ten minste aan de laatsten geen gebrek had. Haar kleed van wit zilverlaken stond stijf van borduursel, edelgesteenten en paarlen. Tot de prachtige roodfluweelen schoenen toe waren met blinkende sieraden bezet, en haar borststuk schitterde in de scherpe voorjaarslucht van allerlei glansen en kleuren. Haar kraag was van het fijnste vlaamsche speldewerk, op een zilveren boog gespannen, en naar de nieuwste mode, wijduitstaande als een pronkende pau-westaart, rondom hals en schouders, âecht vorstelijk van far-soen,quot; zooals de dames rondom haar bewonderend en belijdend getuigden. Zij droeg de rijke diamanten halscarkant, haar door de Staten van Holland geschonken, en, als ware uitstalling van alle hare kostbaarheden hare hoofdgedachte geweest bij deze gelegenheid, hing er nog over hare keurs, en neerdalende langs de heupen, een zware, geschakelde gouden keten, dragende een geëmailleerd reukdoosje in den vorm van een
49
ei. Haar onderkleed van rood zijden damast prijkte met de zilveren kepen die de Egmonds in hun wapen voeren, en men vond die weer op de enge ondermouwen, die uit de ruime, als slippen neêrhangende bovenmouwen te voorschijn kwamen. Zij hield de eene hand ontbloot, alleen den fijnen, geparfu-meerden handschoen in de anderen vasthoudende; hoe ook had men anders hare prachtige ringen kunnen bewonderen, vooral dien éénen grooten diamant, mede een Bruidsgeschenk van de Staten, en dat hen ter eere toch wel den volke diende getoond te worden! Zij droeg op het korte, gefriseerde haar een zwart fluweelen kornet of kapertje, ruitsgewijze met gouddraad belegd, en door groote spelden met paarlknoppen ter weêrszijde vastgezet. Het was omgeven door een opstaanden rand van point d'Alencon in ijzerdraad geplooid, en die niet zoo laag nederdaalde, of er was nog gelegenheid om de juwee-len oorbaggen te laten zien, een geschenk der heemraden van Oud-Beierland, waarvan zij vrij vrouwe was. De dienst van twee pages was er noodig geweest om haar sleep te dragen, toen zij statig de trappen van het stadhuis opsteeg! Er zou reden tot verwondering zijn, dat eene dame van wie men reeds weet, dat zij geene schatrijke erfdochter is, eene vorstelijke fortuin aan haar bruidstooi had kunnen besteden, zoo men niet wist, dat zij, behalve aan het regeerend huis van Frankrijk, vermaagschapt was aan verschillende Duitsche vorsten en vorstinnen, die het bij deze gelegendheid van hun plicht geacht hadden hunne verwante met kostbare stoffen en kleinoodiën te beschenken, om haar, zooals men dat noemde, de eer van haar rang en afkomst te helpen ophouden; daarbjj . .. het is al geen goud wat er blinkt, zegt het spreekwoord, en dat kon ook waar zijn van diamanten! Wat de persoonlijke bevalligheid van Sabina van Egmond aangaat, afgescheiden van haar keurig toi-jet, zij had geleden, en het lijden was niet over haar heengegaan, zonder sporen na te laten op hare trekken; maar in Wonj|erdokter. I. 4
50
dit oogenblik waren de âdroefkreukelsquot; weggevaagd, zooals hare tijdgenooten dat noemden, en de glans van zegepraal, die uit hare oogen lichtte, de blos van zelfvoldoening, die de luide toejuiching op hare wangen bracht, deden het vergeten, dat de jonge vrouw van heden, gisteren geene jonge bruid kon genoemd worden. En toch was dat zoo; zij was niet meer in den bloei der jeugd: ziedaar wat de bruidegom op haar voor had, die zijn vijf-en-twintigste nog niet was ingetreden! Maar dat was hem niet aan te zien. Hij was forsch van leden, hoog van gestalte,, en er lag niet slechts ernst, er lag hardheid in de strakke trekken van dit jeugdig gelaat, dat zelfs op een dag als deze, door-geen glimlach werd vervroolijkt en in het klare blauwe oog iets koels en scherps, dat eer terugstootte dan aantrok; maar toch â wat het aan liefelijkheid miste, werd vergoed door iets. opens, dat voor een eerlijk en trouw harte scheen te getuigen. Naar het uiterlijke te oordeelen, mocht hij een man zijn van een echt oud-duitsch karakter, een ridder uit de school van Götz. von Berlichingen, of beter, van den ouderen Johan van Nassau., aan wiens hof te Dillenburg hij waarschijnlijk zijne eerste lessen in de krijgskunst had ontvangen. Hoewel zjjne kleeding, een deftig krijgsmansgewaad, niets te kort deed aan zijn rang en de plechtige gelegenheid, was er toch zekeren eenvoud en soberheid in op te merken, dat in sprekende tegenstelling wa» met den overladen opschik der bruid. Mogelijk had hij plan zelf deel te nemen aan het ridderspel; en daarbij kwam de stalen ringkraagmet de platte, liggende boord beter te pas, dan eenige ellen kants om den hals geplooid. Toch droeg hij een staatsiedegen in een rijk geborduurden bandelier, en eene blauwe, met gouden franje omzette sjerp over den schouder, die smaakvol uitkwam op het zwart fluweelen wambuis. Zoo hij werkelijk deel moest nemen aan het steekspel, was er zeker een page in de nabijheid met zijn helm; want hij droeg een lagen duitschen hoed met gmallen rand, zonder pluimen, en alleen met een strik van
51
paarlen versierd. Hij groette statig in 't ronde zonder dien af te nemen; hij richtte meermalen het woord tot zijne gemalin, maar zonder eenige levendigheid. Hij veroorloofde zich zelfs niet dat zoet en vertrouwelijk gefluister, dat niemand den jonggehuwde zou hebben ten kwade geduid !
Men ziet het: graaf George Eberhard van Solms, hoe jong ook, had in voorkomen en gedragingen al de strakke waardigheid van zijn rang, al den bedachtzamen ernst van den rijperen leeftijd, en al was hij misschien de man die achting zou afdwingen bij nadere kennismaking, geestdrift inboezemen, sympathie opwekken en beantwoorden bij een eerste optreden, was zijne zaak niet.
Ook getuigde de volksstem reeds tegen hem, nadat de eerste hitte der nieuwsgierigheid bekoeld was.
âBijlo! dat 's een stugge potentaat,quot; riep er een.
âHij lijkt de koning van Hispaniën zelf wel! in plaats van een kolonel in dienst der Staten,quot; zei een ander.
âEn dat is er een die een commando in Zeeland heeft! waar de lieden den naam hebben gul en goedrond te zijn.quot;
âDie van Hulst zijn wel te beklagen, dat ze zoo'n zuurmuil tot gouverneur hebben.
âNeen! dan is de graaf van Hohenlo eon ander man! die weet heusch en gemeenzaam te zijn met den burger als met den soldaat!quot; voegde een derde er bij, op dien krijgsbevelhebber wijzende, die juist zich de moeite gaf in alle richtingen te groeten met een lachend en vriendelijk gelaat, en die zelfs met den hoed wuifde, als hij burgers of krijgslieden zag die hij herkende. Ook verzuimde hij niet de dames op de naastbijzjjnde tribunes gezeten, handkusjes toe tc werpen, met al die jolige vrjjpostigheid, waartoe een man als hij zich gerechtigd achtte.
Ook werden er luide hoezee's en vivat's te zjjner eere aangeheven, terwijl men de schitterende bruid en haar gemaal
met stomme bewondering bleef aanstaren ; dit was niet te verwonderen. De graaf van Hohenlo had sinds drie-en-twintg jaren zijn dienst gewijd aan den bevrjjdingskrijg. Al dien tijd had hij, om het zoo eens uit te drukken, lief en leed gedeeld met den soldaat en den burger, en bezat ondanks zijne bekende gebreken, het geheim om zich populair te maken ; ook was hjj meer geliefd bij het volk, dan geacht onder zijns gelijken, die van zijne kwade eigenschappen, niet hot minst van zijne inhaligheid en jaloezie, den overlast leden. Nu hij getrouwd was met de dochter van âVader Willem,quot; was die volksgunst, als men denken kan, niet verzwakt; maar tegelijk was zjjne aanmatigende houding tegenover de heeren en krijgsbevelhebbers toegenomen, en reeds waren er heftige botsingen ontstaan tusschen prins Maurits en zijn schoonbroeder. Een onuitroeibare wortel der bitterheid vooral, waaruit telkens nieuwe uitspruitsels voortschoten, was het beheer en de ver-deeling der moederlijke nalatenschap, bij ontstentenis van Philips Willem, Prins van Oranje, die in Spanje leefde, zoo goed als dood voor de zijnen.
Daar de Staten in dezen hadden beslist ten gunste van Maurits, tot groote teleurstelling van Maria en Hohenlo, liep het gerucht, dat de laatste in 't geheim aanslagen smeedde, om zich zeiven in dezen recht te doen, hetgeen de verhouding tusschen de schoonbroeders natuurlijk zeer gespannen maakte, terwijl de graaf van Solms in gunst steeg, naarmate de onmin met Hohenlo toenam. Voeg hierbij den geheimen naijver en voorrang-twist tusschen de beide gravinnen, die te dieper inkankerde naarmate zij ontveinsd moest worden, dan zal men zich wel kunnen voorstellen, dat er bij deze bruiloftspartij onder de aanzienljjke personaadjes meer uiterlijk feestgebaar plaats vond dan ware feestvreugde.
Evenals het gebruik medebracht dat het jonggehuwde paaide eereplaats innam, eischte het ook, dat niemand der aanwe-
53
I
\
zige dames de bruid in kleederpracht overtrof. Men moet erkennen, dat deze laatste het hare had gedaan om hare gezusters het involgen van dat gebruik licht te maken. De gravin van Hohenlo zelve had er zich naar geschikt, maar op eene wijze, die het voor allen duidelijk maakte, dat zij het alleen deed om zich naar den dwang der étiquette te voegen, en geenszins uit onmacht om allen te overschitteren. Want al droeg zij een kleed van stemmig zwart fluweel, hoog aan den hals gesloten, en alleen voor een sma) geplooid kraagje van goudkant ruimte latende, en zonder ander sieraad dan de rij diamanten knoopen, waarmede het van boven tot onder bezet was, die juweelen waren allen van het zuiverste water en vertegenwoordigden eene ontzaglijke geldswaarde; terwijl zij goedgevonden had een sleep te dragen van zoo ongewone lengte, dat zij vier pages noodig had om dien op te houden. Hare loshangende bovenmouwen waren met hermelijn omzoomd ; haar kapertje was mede van dat vorstelijk bont omgeven, en eenige rijen paarlen van ongemeene grootte en helderheid, hingen neèr tot laag op de keurs. Zij droeg ditmaal geene ringen dan haar trouwring; maar zij hield een waaier van veêren in de hand, welks ivoren steel zoo kunstig met goudsmeêwerk en émail was belegd, dat menige vorstin in Europa haar dien benijd zou hebben. Van de overige prinses-ses en edelvrouwen zullen wij zwijgen ; dat zij zich hadden gekleed naar den eisch \an den dag spreekt vanzeive. De meesten waren in 't zwart damast, met of zonder borduursels, met of zonder rood satijnen onderkleed ; en al scheen al dat zwart wat stroef en stemmig, het werd genoeg afgewisseld door paarlen, gouden knoopjes en edelgesteenten, om geen somber aanzien te geven. Integendeel, al die kostbaarheden kwamen er te beter door uit, en 't geheel moest de toeschouwers aan de overzijde doen denken aan een breede ebbenhouten lijst, met goud en kleurrijke flonkersteenen ingezet. Zeker is het,
54
dat aan de begeerlijkheid der oogoii hier tot verzadiging toe kon worden voldaan, zoo deze ooit te verzadigen is ! Zeker is het, dat in menig harte hier dien lust naar de grootschheid des levens werd opgewekt of' â gevoed, en dat deze ijdel-heidskramerij (vanity fair) schade genoeg kon aanrichten in zoodanige hoofden en harten, die niet gesterkt waren tegen zulke indrukken door een beteren geest, en geen blik hadden om dieper te zien dan 't geen voor oogen lag.
En dat was zeker aanlokkelijk tot bedwelmens toe â maar daaronder ? maar daarachter ? Wij hebben slechts een tipje van de gordijn opgelicht, en de enkele blik dien wij daarachter wierpen, wekte reeds het vermoeden, dat er veel innerlijke ellende schuilde onder al dien uiterlijken glans, en dat er nog vrij wat erger zou op te merken zijn, zoo wij ons achter de schermen begaven, om de keerzijde te zien van deze schitterende vertooning.
Maar, al onthouden wij ons, men behoeft niet eens zooveel dieper te gaan dan de oppervlakte, om stof te vinden tot onrust over den verderen levensweg dezer echtelingen. Die tweespalt in hunne familie, al de eischen en vooroordcelen van den hoogen stand waartoe ze behoorden, bij zeer beperkte middelen om er aan te voldoen ; de hoogmoeds- en jjdelheids-duivel in het harte der jonge vrouw; verschil van smaak, van karakter, van beginsels wellicht, kennelijk bij hun eerste optreden, tusschen den jonge echtgenoot en zijne gemalin, die na een droeve jeugd, en op rijper leeftjjd nog met dubbele gretigheid hunkerde naar de genietingen die haar waren voorbijgegaan . . . .; de lasten en zorgen waarin zij zich wikkelden bij den aanvang van een nieuw levenstijdperk ; de maalstroom van ruischende vermaken, waarin zjj zich wierpen bjj de belangrijkste daad van het leven ; de verplichting om zich zeiven als te vergeten voor anderen; houding, gelaatstrekken, kleeder-praal, het al te moeten berekenen op den indruk dien men
55
heeft te maken op duizenden, waar het innigst verbond van twee harten wordt gevierd; dat alles te zamen, was het wel van goede voorbeduiding voor de toekomst ? Moest het geen stof leveren tot vreeze, voor wie geen onnadenkend toeschouwer was, en die oorzaken en gevolgen wist te wegen ? Onder hen die zich aan den schijn vergaapten, en die bewonderd en benijdend toezagen bij al den luister waarmede men het echtpaar zag omgeven, was meester Antony, de jonge, pronkzieke burger, een der meest verblinden. Met oogen, schitterend van genot, had hij zitten kijken naar het ,wonderheerlijkequot; tafereel, dat zich voor zjjne oogen ontrolde; ten laatste slaakte hij eene' verzuchting, zooals een kind zoude doen voor eene St. Nico-laas-uitstalling, en keerde zich naar zijne juffer met den uitroep:
âWat dat paar zich gelukkig moet voelen! dus lusterrijk en publiekelijk als gehylikte lieden begroet te worden door al het volk en zooveel prinselijke heeren en edelvrouwen ! Zie, Mabe-lia, dit zou ik bij mijne bruiloft ook wel eens op zijn burgers â¢willen nadoen!quot;
âMijnenthalve !quot; antwoordde Mabelia met een spottend schouderophalen en een ironiek glimlachje, âmits ik dan de bruid maar niet zijn moest.quot;
âDat 's nu een antwoord!quot; riep hij verdrietelijk! âgij weet toch wel, dat mij geene bruiloft zou gelusten, zoo gij niet mijne bruid waart.quot;
âZorg dan zediger te worden in uwe wenschen; mij schemert het voor de oogen van al dat gespronk en geflikker, en ik weet wel dat ik, in 't geval der gravinne van Solms wezende, niet zooveel omhaals zou hebben gemaakt.quot;
âOch kom ! in haar geval wezende, zoudt gij gedaan hebben als zij !quot; hernam Antony lachende, en bewees daarmede dat hij een zeer oppervlakkig oordeel had; want de jonkvrouw, die hij toch van nabij moest kennen, onderscheidde zich reeds nu van hare gezellinnen door zekeren eenvoud en stemmigheid in
56
hare kleeding, die voor haar kiesehen smaak getuigde. Meester Antony lette niet eens op dit verschil, toen hij zijne zedige juffer op ééne lijn plaatste met alle andere vrouwen en meisjes; maar hij dacht aan wat anders; hij meende partij te kunnen trekken van haar los daarheen geworpen woord, en daarom voegde hij er bij:
â En wanneer belieft het u in 't geval van de gravin te komen? Wanneer zult gjj toch eens besluiten mijne bruid te worden Mabelia?quot;
Deze question brülante, zoo maar zonder omstandigheden haar naar 't hoofd geworpen, bracht een gloeienden blos op haar voorhoofd; maar geen toeder blosje van zachten, jonkvrouwelijken schroom, veeleer een gloed van toorn of afkeuring, die ook klonk uit den toon waarop zij antwoordde:
âIs 't nu de gelegenheid voor zulk eene vraag?quot;
âWel, hoe kon er gepaster gelegenheid zjjn?quot; hernam hij glimlachend. âIs 't niet een overoud zeggen ; dat uit de eene bruiloft, de andere voortkomt ? Zoo moesten wij, om de aardigheid, de onze bepalen juist op denzelfden dag van dit luisterrijk feest.quot;
âEi zwijg Antony! wie maakt nu eene aardigheid van zoo'n ernstige zaak! Laat ons aandacht geven op de vertooning.. ..quot;
âGjj zoekt ook altjjd uitstel!quot; sprak hij verdrietelijk.
âMij dunkt er kan geen sprake zijn van uitstel, waar niets is vastgesteldquot;, antwoordde â '.ij droogjes.
âNiets vastgesteld! Mabelia! hoe kunt gij nu toch zoo spreken ? Gij weet zoo goed als ik, dat uw voogd het eens is rnet mijn vader ....quot;
âNiet onvoorwaardelijk!quot; viel zjj in met ernst en beslistheid. Zij besefte te goed al het gevaarlijke eener dwaling in dezen, om die niet op hetzelfde oogenblik terecht te wijzen. âGedenk wat de conditie was, neef Antony.quot;
âNu! geene andere dan die vanzelve spreekt, nicht Mabe-
57
lia! dat wij beiden elkander aanstonden. Wat mij belangt, ik heb mij op dat punt geen oogenblik behoeven te beraden ; gij daarentegen gaaft voor, een vol jaar van kennismaking noodig te hebben, aleer gij tot eene beslissing kondt komen.quot;
âWel dan ! dat jaar is nog niet om, zou ik meenen.quot;
âMet Pasehen zal het om zijn, en we hebben over veertien dagen palmzondag!quot;
âZoo rest er nog precies drie weken tijds,quot; viel zij in, âen gij zult wel en wijs doen mij inmiddels niet te kwellen met vragen en dringen,quot; eindigde zij, met te veel koelheid en vastheid dan dat men het voor scherts had kunnen nemen. Ook hield meester Antony zich ditmaal voor geslagen, en zichtbaar gebelgd begon hij opnieuw zijne verkreukte mouwen op te poffen, en liet het zijne kanten ponjetten ontgelden. Zij daarentegen wendde het eigenzinnige hoofdje om naar luitenant Juliaan, wien zij eene inlichting vroeg omtrent het ringspel dat sinds lang in vollen gang was; want men begrijpt wel, dat het niet naar onze uitweidingen en afwijkingen heeft gewacht om aanvang te nemen. Integendeel, zoo ras de bruidegom en bruid waren gezeten, hadden de trompetten en klaroenen het sein tot het steekspel gegeven, waren de rijders het krijtperk binnengesneld en hadden hunne oefeningen en hun wedstrijd voortgezet, onder de daverende toejuiching der aanschouwers, in zooverre dezen zich niet als Antony en Ma-belia door iets anders hadden laten afleiden. Dat de laatste nu uit eigen beweging het woord richtte tot den vreemden officier, zal ons niet verwonderen, als ifrij ons herinneren, dat hij zich na hare âscherpe vermaninge,quot; niet slechts in alle behoorlijkheid en bescheidenheid gedragen had, maar dat hij ook met de meeste civiliteit en eerbiedigheid zich bereid had getoond, haar te onderrichten omtrent de namen en personen der doorluchtige heeren en vrouwen die men zag verschijnen.
Zij was begonnen met eene vraag aan âneef Antony op dat
58
punt, maar deze had er met een nuchter âdaar weet ik niet afquot; op geantwoord. Toch wilde hare vrouwelijke nieuwsgierigheid bevredigd zijn, en daarom had zij zich naar den vreemdeling gewend, van wiens indringendheid zij nu niet meer te vreezen had ; en ziet, h|j wist haar weetlust boven verwachting te voldoen, en toonde daarbij zooveel kennis, juist van zulke menschen en zaken die geheel buiten haar gewone kring lagen, dat zij zich telkens weer tot hem wendde, ter voldoening barer opgewekte belangstelling. Nu eens was het:
âEilieve heer Juliaan, wie mag toch die statige oude heer zijn, in dien tabbaard met bont gehuld en die groote gouden keten met afhangende medaille om den hals ? Is dat ook een Duitsche Hertog ?quot;
âZeker neen, Mejuffer! dat is de kanselier van Gelderland, de eerwaarde Elbertus Leoninus; hij zit nevens zijne collega's de leden van den Raad van State. Had voormaals de Graaf van Leycester naar zijn raad geluisterd, de zaken zouden er niet slechter om gegaan zijn. Er was ernst, weemoed bijna, in den toon waarop deze bijzonderheid werd aangevoerd, hetgeen de juffer uitlokte om verder te vragen: of hij zelf wellicht] den graaf van Leycester had gekend.
âMaar al te goed tot mijne schade!quot; was daarop het antwoord geweest; maar het klonk zoo somber, dat Mabelia, uit kieschheid, van verdere vragen op dit punt had afgezien. Het onderhoud was daarom toch niet voor goed afgebroken, want toen zij eenige oogenblikken later met zekere afkeuring uitriep, terwijl zij hem aanzag» als wachtte zij instemming met hare gevoelens : âWat die bruid opgetooid is! mij dunkt zij draagt wel eene tonne gouds aan kleinoodiën met zich; eene ga-kroonde ^koningin kon de weelde niet hooger ten top voeren!quot; was zijn antwoord ras en heftig : âZij stamt ook af uit voorouderen die de keizerskroon hebben gedragen; haar geslacht is verwant aan verschillende vorsten ; de koningin-weduwe van
59
Frankrijk is hare volle nicht ... en de heeren van Egmond hebben nooit een minderen dan een vorstelijken staat gevoerd.quot;
âIk wil 't gelooven, heer luitenant, maar ziet gij, eene Hol-landsehe burgerdochter, zooals ik ben, komt het toch voor . . . .quot;
âDat ze het wel met wat minder kon doen, niet waar ?quot; sprak hij glimlachend. âGe zoudt dat niet zeggen als gij de hofhouding had gezien van den ouden graaf, haar vader, hoog-loffelijker gedachtenis.quot;
En hebt gij die dan gezien, heer Juliaan ?quot; vroeg zij glimlachend, âgij spreekt er van met een vuur alsof dat zoo ware ; maar toch . . . mij dunkt . . .quot;
âDat er een al te wijd verschil is tusschen zoo'n vorstelijke hofhouding en . . . een kalen jonker als ik ben, niet waar ?quot; vroeg hij met eene poging om te schertsen; maar hij bracht het alleen tot een somber ironieken glimlach, die het meisje met wat verlegenheid deed antwoorden : âVerschoon mij, ik bedoelde alleen . . . dat]. . . uw leeftijd . . . het is immers al zoo lang geleden, naar ik heb hooren vertollen, dat die ongelukkige graaf . . .quot;
âLamoraal van Egmond is onthalsd op den vijfden Juni 1568 ! ik was een knaap van dertien jaar . . .quot;
âGrij hebt dat gruwelijk feit aanschouwd?quot; vroeg zij met diepe belangstelling.
âIk had dat smartelijk voorrecht; sinds ik in zijn dienst was. ..quot;
âIn dienst!quot; vroeg zij met verwondering, âop uw dertiende jaar?quot;
âAls page,quot; fluisterde hij, met eene gesmoorde stem, als voelde hij in dezen oogenblik pijnlijk het schril contrast tus-sehen dit eervol verleden en het jammerlijk tegenwoordige van zijn toestand.
Met de eigenaardige levendigheid der vrouwelijke bevatting, voelde Mabelia het smai'telijke van dit verschil met hem mede; maar juist daarom achtte zjj het gepast er niet op te drukken, en onder voorwendsel van weêr al hare aandacht te geven
60
aan den wedstrijd in het krijtperk, zweeg zij een geruime poos.
Hij zelf verbrak dit zwijgen niet; toch wijdde hij zeer weinig opmerkzaamheid aan het ringspel. Het was hem blijkbaar onverschillig wie de overwinnaar mocht zijn, die een der met groen bekransde prijzen zou machtig worden. Hij richtte den starenden blik voortdurend op de tribune der hooge feestge-nooten, en zijne gelaatstrekken verloren al meer en meer die wilde, kunstmatige vroolijkheid, waarmee hij voor zijne woeste gezellen eenig knagend leed verborg, en namen eene uitdrukking aan van diepen weemoed, onder het strak gepeins waaraan hij zich overgaf. Als plotseling opgeheven uit het slijk, waarin hij zich dartelend bezoedelde, en op eens in reiner sfeer ademend, onder den invloed eener eerbare jonkvrouw, die hem achting afdwong, en door de macht der omstandigheden aan de betere dagen zijner jeugd herinnerd, voelde hij loodzwaac het pak van schuld en schande, dat hij gewoon was zoo luchtig en zoo schaamteloos te dragen. Wie hem met belangstellende aandacht had gadegeslagen, zou gezien hebben aan de snelle wisseling der wezenstrekken, aan het kleuren en verbleeken van voorhoofd en wang, aan het pijnlijk samenklemmen dei-lippen, dat hjj eene sterke, innerlijke ontroering verbeet. Zijne hand had sinds lang vergeten met uitdagenden trots den degen-greep te omklemmen; slap en moedeloos hingen de armen langs de zijden neêr, en alleen bij tusschenpoozen balden de vuisten zich krampachtig. Het spreekt vanzelf, dat deze wijze van naar een lustig volksvermaak te kijken, bij zijne allernaaste buren niet onopgemerkt bleef. De een, een plompe Delftsche winkelier, vond er alleen stof in om meesmuilende tot zijn neven-stander te zeggen: âBylo! die schraalhans had vast meê willen doen, zoo 't hem niet aan een paard ontbrakmaar de ander, een lang, schraal persoon in een grijzen mantel gewikkeld, en de muts, met bont omzet, dicht over het voorhoofd getrokken, sloeg hem gade, met zoo gezette opmerkzaamheid, dat hij zelf
61
vergat aan de vertooning een oog te geven; maar toch, dooi* woord noch gebaar, bewees hij eenige deelneming aan het voorwerp van zijne scherpe waakzaamheid.
Deze schrikte op eenmaal op, als in een zwaren droom gestoord, toen Mabelia weêr haar zwijgen verbrak, en zich plotseling tot hem richtte met de vraag: of' hij haar wist te zeggen, wie die jonkvrouw was in dat blauw damasten kleed met zilveren banderingen, die ter linkerzijde van de bruid was gezeten.
Hij had een oogenblik noodig om tot zich zelf te komen, eer hij den blik heenwendde naar de aangeduide plaats; maar toen ook was hij blijkbaar met geheel zijn hart bij het onderwerp, waarop hare vraag hem had gebracht, want hij antwoordde met levendigheid : âDie jonkvrouw is de gravin Frangoise van Egmond, oudere zuster van de gravin Sabina; zij is nog ongehuwd en zal voorzeker niet licht tot een hylik komen.quot;
rWaarom niet? Zoo ik mij niet bedrieg, van dezen afstand gezien, schijnt zij fraai van gestalte en minnelijk van wezen, meer nog dan de jonge vrouw.quot;
âZij placht voor eene zeldzame schoonheid bekend te staan; dan... zij is niet meer jong; en dat zou nog het ergste niet zijn, maar... zij heeft geen bruidsschat, en in haar stand kan ze niet huwen zonder dezen.quot;
âDat is toch wel ongelukkig,quot; hernam Mabelia met een flauw glimlachje; want de voorstelling van het zoogenaamde oud-vrij sterschap kwam haar juist zoo heel verschrikkelijk niet voor.
âZeer ongelukkig,quot; hernam Juliaan; âwant dus blijft ze levenslang in de afhankelijkheid van hare zuster Sabina en dier gemaal, sinds zij toch hier te lande niet in 't klooster kan gaan, zooals hare zusteren die te Brussel bleven.quot;
âIn een klooster! bedoelt gij daarmeê dat de jonkvrouw Framboise eene Papistische zoude zijn?quot; vroeg Mabelia met dien zekeren onverholen weerzin, die eene ijverige Calviniste kenschetste; âen de gravin Sabina, zou die dan ook nog tot
62
de Roomsehe kerk behooren, zij die voorgisteren haar hylik heeft laten inzegenen, volgens de waxe gereformeerde religie, in onze oude kerk te Delft, en nog wel door den hofkapelaan van Zijne Excellentie!quot;
âStel u gerust, juffer!quot; hernam Juliaan, glimlachend over hare ergernis en ijver, âhet is te vermoeden dat de jonkvrouwen Frarn'oise en Sabina beiden, bij hare omzwervingen door Frankrijk en Duitschland, zich tot de Hugenootsche of Luther-sehe leer hebben begeven; en al ware dat niet, wees zeker dat ze hier te lande door haar geloofsijver geen tweespalt zullen zaaien. Ze zijn niet van quot;t humeur om die zaken zoo zwaar op te nemen.quot;
â âGij schijnt die jonkvrouwen van Egmond van nabij te kennen,quot; merkt Mabelia aan.
âIk meende u reeds gezegd te hebben, als knaap heb ik mijne plaats gehad in de hofhouding haars vaders, totdat deze in gevangenschap geraakte; toen werd er anders over mij beschikt ...quot; en de jonkman zweeg met een diepen zucht, of hij zich plotseling herinnerde dat hij niet voortgaan mocht.
Mabelia wilde geene onbescheidenheid plegen, met het ontbrekende uit te lokken; zij meende echter iets te moeten zeggen, dat van hare belangstelling getuigde.
Sinds gij de gravinnen van zoo nabij kent, moest gij u aan haar wenden om .'..quot;
âOm wat ?quot; vroeg hij met hoogheid.
âOm... de oude bekendschap te hernieuwen,quot; hernam z j gevat, âhet zou u mogelijk te pas kunnen komen.quot;
âLuister, juffer Mabelia, ik houd het u ten goede dat gij mij dit zegt, omdat gij cle gravinnen van Egmond niet kent; maar wat mij belangt, ik at liever mijne duimen op van honger, dan dat ik mij in mijn tegenwoordigen staat aan die dames ging vertoonen! Gij zijt gansch vergeten, welk een indruk mijn armzalig voorkomen op u zelve heeft gemaakt.quot;
63
Inderdaad dat was haar vergeten. Zij had zijne schamele kleeding niet meer voor oogen, daar hij achter haar stond, en al wat hij sprak, was zoo geheel in den toon van een hoffelijk, welopgevoed man, en spande zoozeer hare aandacht, dat zij geheel vergat, hoe zij in 't eerst sidderde bij de gedachte, dat men haar met dezen geleider had zien optreden; hoe het haar ergerde, toen hij zich verstoutte haar gemeenzaam toe te spreken, en wat de omringenden er nu wel van denken mochten, dat zij herhaaldelijk, met kennelijke welwillendheid, het woord richtte tot dezen zelfden âkalen jonker,quot; door wiens bijzijn zij zich in 't eerst zoo gekweld en vernederd had gevoeld. Voor haar was die geheimzinnige personaadje nu een voorwerp van levendige belangstelling geworden, en zij vroeg er niet meer naar, wat hij in de oogen van anderen moest schijnen. Meester Aiitony had de vrijheid genomen op dit punt eene aanmerking te maken, maar zijn gevoelen of welbehagen scheen bjj haar niet veel te gelden, en zij had er zich met een: âHij vertelt me, wat gij mij toch niet weet te zeggen,quot; afgemaakt. Hjj daarentegen had zich getroost met het oogver-lokkend schouwspel van al die prachtige gekleede heeren en vrouwen, en verder met zich vroolijk te maken over de vruch-telooze pogingen der ringspelers, om het gewenschte doel te treffen met hunne staven, of wel met de overwinnaars toe te juichen die den prijs hadden behaald.
Onder dat alles door had de korte, weinig bevredigende woordenwisseling plaatsgevonden tusschen hem zeiven en Mabelia, waaruit de laatste opnieuw het recht nam, zich naar den vreemdeling te wenden.
Het aanvangend tournooi, de strijders in het blinkende harnas, met lansen gewapend, gezeten op rijk getuigde paarden, op wier dekken hunne blazoenen prijkten, spanden veel meer hare nieuwsgierigheid, dan het bekende ringsteken.
Nu eerst zou het eene vertooning zijn, die vóór dezen niet
64
was gezien; nu eerst werd het zaak om zich niet meer te laten afleiden door tussehenspraak met haar nieuwen bekende; maar toch â ja toch even; moest zij hem vragen â hij, die 't zeker wel weten zou, want hij wist alles, of hij de beide ridders ook bij name kende, die nu nog vreedzaam den cirkel doorreden, eer zij den kampstrijd aanvingen; en zoo gebeurde het, dat zij opnieuw haar lief gelaat naar jonker Juliaan toekeerde, om hem die vraag te doen. Dan, tot hare groote verrassing en niet zwakkere teleurstelling, zag zij hem juist in de groote haast zich opeens door de omstanders heendringen, en toen dit niet dan met moeite gelukt was, over de balie heenspringen, onder het gelach van het volk, in welks midden hij welhaast ook voor haar oog spoorloos verdwenen was. Dat dit alles niet voorviel zonder eenige opschudding, zonder menige verwensching, die de hinderlijke rustverstoorder naar 't hoofd kreeg, kan men zich voorstellen; maar hij zelf had zich daaraan niet gestoord, noci laten weêrhouden, evenmin zijnerzijds met tegenverwenschingen geantwoord. Den hoed over de oogen getrokken, de lippee opeengedrukt, had hij zich met zwijgende, onweêrstaanbare vastheid van wil een doortocht gebaand.
De persoon die aan zijne zijde had gestaan, hem gadeslaande en als bespiedende, was hem onmiddellijk gevolgd, gebruik makende van iedere ruimte die de voorganger daar-stelde om zich achter dezen door te wringen. Ten laatste had hij zich met kalme deftigheid de balie laten ontsluiten en was, als een eerzaam burgerman voegde, stülekens zijn weg gegaan. Niemand dan hij wellicht, had de vertnoedelijke oorzaak van Juliaans snellen aftocht kunnen raden. Niemand dan hij had gezien, hoe deze bij het binnenrijden der ridders, als door plotselinge pijn getroffen, de handen op de borst had gedrukt en eene smartelijke verzuchting had geslaakt, terwijl er een sombere gloed uit zijne oogen lichtte. Niemand dan hij ook had de onsamenhangende woorden verstaan, die deze binnens-
65
monds prevelde, toen hij het besluit nam om zich zoo snel te verwijderen, op hetzelfde oogenblik, dat de andere toeschouwers hunne verhoogde belangstelling gaven aan de vertooning.
Mogelijk was deze vreemde den officier daarom gevolgd; mogelijk had hij alleen van de omstandigheid partij getrokken om de stellaadje te verlaten, waar hij slechts eene staanplaats had kunnen veroveren. Hoe dat ook zij, Glabella was alleronaangenaamst getroffen door dit plotseling, onhoffelijk verdwijnen van den cavalier, die eerst met zooveel volharding, het voorrecht van hare nabuurschap had begeerd, wien zij zijne vreemde manieren vergeven en zelfs met hare toespraak verwaardigd had, en die nu aftrok, zonder waarschuwen en zonder afscheid, als werd hij met vervolging bedreigd. Zij voelde zich niet slechts gekrenkt, maar innerlijk diep beschaamd en door zelfverwijt aangegrepen, bij de gedachte dat zij, .Mabelia Gras-winckel, in den ganschen deftigen burgerstand als een zedig, verstandig meisje bekend en bemind, zich had laten verlokken, door welke aantrekkingskracht wist zij zelve niet, om met belangstelling te luisteren naar dien wonderlijken avonturier, die ten slotte nog wel blijken kon erger dan een verloopen officier te zijn! Die overhaaste vlucht wekte haar wantrouwen, en uit spijt over hare eigene onvoorzichtigheid, was haar alle lust in het tournooispel vergaan. Zij ook had nu wel terstond willen vertrekken, maar dat zou nog meer opzien baren ... en wie weet hoe worden uitgelegd.
Neen, nu vooral moest zij blijven ! Antony zou er ook niet licht toe te brengen zijn, een vermaak in den steek te laten, dat hij mot zooveel onbevangenheid genoot. Zij hoopte nu maar dat de snelle aftocht van Juliaan voor hem mocht verborgen blijven, en mogelijk ware die wensch vervuld zoo niet de omstandigheid waarmede de laatste over de balie heen-sprong, de aandacht had getrokken van allen, die in de nabijheid zaten, en Antony was onder hen die hot lachende aanza-
Wonderdokter I. 5 .
66
gen ; ook verzuimde hij niet zich tot Mabelia te wenden, met een vergenoegd gelaat uitroepende : ,,Ziezoo, dien overlast zijn we kwijt!quot;
Mabelia antwoordde niets en bleef voor zich neerzien.
âEilieve nicht! hervatte hij, haar even aanstootende, âziet ge wel, hoe uw kostelijke gelei-jonker daar het hazenpad kiest; niet anders dan of liij een boef of beurzensnijder ware, wien de schoutsdienaren op de hielen zitten ?quot; en daar haar voortdurend zwijgen bewees, hoe weinig zij met die aardigheid gediend was, vervolgde hij plagend : âdenkelijk zal hij ook niet veel beters zijn, en wie weet of hij zijn fraai handwerk niet reeds onder de omstanders heeft geoefend ; zie toch eens naar uw tuigje en beugeltasch, Mabelia; wil eens voelen naar uw oorbaggen, 't zou me geen wonder doen zoo gij ze kwijt geraakt waart onder al die mooie praatjes, waar hij uwe argeloosheid meê paaide.quot;
âSchaam u, Antony !quot; viel zij nu in, terwijl spijt en misnoegen haar de wangen hooger kleurden ; âis dat nobel en christelijk, iemand van kwaad te verdenken, simpeljjk omdat hi; wat sombertjes is uitgemonsterd ?quot;
âKan ik het helpen dat hij zelf de verdenking uitlokt ? Wie loopt heeft schuld, luidt het aloude spreekwoord . . . antwoordde Antony lachende; maar nog vóór hij had uitgesproken, gleed de sierlijke pluim die hij op zijn hoed droeg, van den rand af, en viel op zijn schoot neer.
âAVat is dat!quot; riep hij, zich zelf in do rede vallende, en den hoed afnemende om dien te bekijken. Daarop toonde hij dien Mabelia, met een zegevierenden blik uitroepende: âWelnu, wat zegt gij ? ziehier wat mijne hooze .verdenking rechtvaardigt.quot;
Het zijden snoer, dat de pluim had vastgehouden, was losgeraakt, omdat de rozet met de diamanten gesp, die het eene eind aan het andere bevestigde, daaraan ontbrak.
67
âDat 's me ontfutseld! en dat heeft hij gedaan,quot; riep nu Antony bijkans overluid.
Mabelia werd doodsbleek, en moest haar reukdoosje te baat nemen om zich te herstellen.
âWat zegt ge nu! wie heeft gelijk, wie heeft zijn man gekend ?quot; riep Antony met zelfvoldoening, terwijl hij het diep verslagen meisje zegevierend in de oogen zag.
Zij daarentegen wendde den blik af; zij had moeite do tranen van spijt en beschaming te bedwingen, die zij haars ondanks voelde opwellen.
âEn toch, prijs mijne omzichtige voorzorge, Mabelia,quot; ging Antony voort, zonder op hare ontroering te letten, âik lijd er geon groot verlies bij, en do dief doet er kleine winste meê ; de bedrieger is bedrogen ; ik had er een gesp met valsche steenen ingezet. Overwegende, dat wjj in 't gedrang en gejoel met slecht volk in aanraking konden komen, heb ik er mijn echten diamant niet aan gewaagd! Merk op, welk een abel en voorzienig jonkman hij wezen moet, die zulke kansen wikt.quot;
Doch Mabelia was in dat oogenblik zeer weinig gestemd om de goede hoedanigheden, waarop hij stofte, in hem te waardeeren, en hij had nog lang kunnen voortgaan met zijn eigen lof, zonder dat zij er aan zou gedacht hebben, hem door goed- of afkeuring in de rede te vallen; zij had te veel te doen mot zich zelve, zoowel om hare innerlijke ontroering te verbergen als te bekampen, om acht te geven op zijne dwaze zelfverheffing en armzalige voldoening, bij de ontdekking van eens anders diepe gezonkenheid. Zij bleef zwijgend voor zich zien, in eene warreling van kwellende gedachten rondgevoerd, en onbekwaam om eenige opmerkzaamheid te geven aan het tournooispel, dat intusschen zijn gang ging, onder het gejuich en de bijvalsbetuigingen der minder verstrooide toeschouwers. Ten laatste vermande zij zich, om den schijn aan te nemen van eenige belangstelling; maar zjj keek toe met koelen strak-
68
ken blik, die eigenljjk niets opmerkte. Al die af- en aanrennende ruiters dwarlden haar voor de oogen, zonder dat zij iets begreep van hunne ridderlijke oefeningen, of eenig deel nam in hunne overwinningen of nederlagen ; de schetterende krijgsmuziek, die zich van tijd tot tijd liet hooren, vermoeide het hoofd en prikkelde hare zenuwen, zonder haar uit den kwellenden gedachtenkring op te heffen, waarin zij bleef ronddraaien. Zjj begreep zelve niet, waarom het haar zoozeer ergerde en schokte, dat do vreemdeling, die zich haars ondanks aan hare aandacht had opgedrongen, zich aan een laag misdrijf, aan eene jammerlijke lafhartigheid had schuldig gemaakt, liet is zoo, de eerste indruk dien zij van hem had ontvangen, was gansch niet gunstig geweest; maar toch, later... had zij zich tot zachter oortfamp;el over hem bewogen gevoeld, en, zoo zij een duister verleden bij hom moest onderstellen, tot eenc laaghartige daad als die van het oogenblik, had zij hem niet bekwaam geacht; en toch, al zou zjj met Antony niet openlijk instemmen in de hatelijke beschuldiging, toch was de schijn zoozeer tegen hem, dat zij zelve geloofde, wat zij liefst tegensprak. Zij wist niet waarom, maar zij kon niet meer, zonder eene gewaarwording van toorn en ergernis, den blik heen-wenden naar do hoofdtribune, waar al die vorstelijke, hooggeboren personaadjes in vollen luister schitterden. Had niet die Juliaan over hen gesproken, als ware hij ten naasten met alle hunne aangelegenheden bekend, als ware hij een van de hunnen geweest, terwijl hij bij de uitkomst bleek een ellendige gauwdief te zijn, die zich alleen in de nabijheid van welgo-kleede lieden had gewaagd, om gelegenheid te hebben zihi handwerk uit te oefenen. Een edelman, meende zij in haar burgerlijken eenvoud, een edelman zou zich nooit tot zulke diepte hebben verlaagd; dus was hij niets dan een bedrieger, een looze schalk, die zich zeker nu over hare argelooze lichtge-loovigheid vroolijk maakte; eene onderstelling, die haar een
09
hlos op hot voorhoofd joeg van toorn en diepe beschaming.
J)at echter deze gramschap en spijt niet machtig waren, de edele gemoedsbeweging der deernis in haar echt vrouwelijk harte tot wraakzucht of liefdeloosheid te verharden, bleek uit de woordenwisseling, die er later plaats vond tusschen meester Antony en haar, toen zjj eindelijk, het was al lang over het gewone middaguur, onder diens geleide huiswaarts keerde.
Al de spelen waren toon nog wol niet afgeloopen, maar vele burgers en aanzienlijken, wier nieuwsgierigheid nu was bevredigd, en die bij langer toeven al te groote inbreuk vreesdon op hunne gewoonten en op de regeling van hun dag, of wier bezigheden geen langer oponthoud veroorloofden, begonnen zich zachtjes aan te verwijderen, en Antony, dij; er nu ook âhot zijne van had,quot; zooals hij zich uitdrukte, vond goed Mabelia voor te stellen, dit exempel te volgen. .Mot hoeveel blijdschap zij daarin had toegestemd, kan men nagaan; maar toch, zwijgend en ontstemd ging zjj aan zijne zijde, tot hij eindelijk zich uitsprekende over een onderwerp, waarmeê zij beiden vervuld waren, tot haar zeide:
âZiezoo, melieve! als ik u nu veilig bjj oom Qïaswinckel zal hebben tehuisgebracht, ga ik in eens door naar den onderschout.quot;
âWat hebt gij bij den onderschout te doen, dat zooveel haast heeft?quot; vroeg ze op oen toon, die onverschillig wilde klinken.
âBegrijpt gij dat niet? Wol! ik ga vernemen hoe ik het zekerst en het snelst recht kan verkrijgen tegen dien verweerden gauwdief.quot;
âGij wilt .... jonker Juliaan verklagen?quot; vroeg zij met eene onvaste stem.
âEen fraaie jonker! Meont gij bij geval, dat ik mij doorhem straffeloos zal laten plunderen en nog uitlachen toe !quot;
âIemand verklagen om oen valsche diamant ? schaamt gij u niet!quot; hernam Mabelia kloeker, nu zij don strijd zag aanvangen.
70
âHij kon immers niet weten dat de gesp valseh was, en nog daartoe de daad is al Ãen.quot;
âDat moet ik instemmen ; maar toch het is niet één voor u en zoudt gij dan om zóó klein verlies uw cvenmensch in last en lijden willen brengen J1quot;
âMijn evenmensch ? dankje voor de vergelijking. Doch dat daargelaten; ik ben van oordeel, dat wie een boosdoener aan do justitie overlevert, zijn plicht doet jegens zijne medeburgers!quot;
âZijt gij dan zoo zeker dat hij een boosdoener van professie is, en kan 't niet zjjn, dat liij door dwang van nood geperst, voor de verlokking is bezweken in een zwak oogenbiik ?quot;
âZoo behoort bij gestraft te worden, opdat bij zich voortaan te beter tegen die verlokking sterke!quot;
âIs 't dan juist aan u om hem die harde les te geven? Leert het Evangelisch voorschrift niet, dat men zich wachten moet zijn schuldenaar dus haastigiijk voor den rechter te trekken, en dat men barmhartigheid behoort te oefenen jegens zijne medezondaren ?quot;
âWel nu nog mooier! medezondaar ? houdt gjj mij bijgeval ook voor oen dief? Laat heel de stad Delft, waar ik ben gewonnen en opgetogen voor mij opkomen, en zoo er één Delvenaar is, die een vlekje kan werpen op mijn eerljjken naam en faam, al ware hij mijn doodvijand, dan geve ik u dat gewonnen, maar dan eerst kunt gij mij op céne lijn stellen met dien rabauw.quot;
â't Zou u ook al heel fraai staan niet eerlijk te wezen in handel en wandel, meester Antony; de zoon van deftige, welgestelde lieden, die onder de hoede van zorgzame ouderen veiliglijk zijt opgegroeid, en die, sinds de jaren des onderssheids gekomen zijn, allen nood, allen lust tot verzadens toe hebt kunnen voldoen. In trouwe, stoffen op zoo lichte deugd is u geen eere! Maar in der rijken overdaad ook liggen de strikken der bekoring; en is 't wel zeker dat gij niet in dez3 zijt gevallen?quot;
71
, Ho waar ons, Mabelia! van de biecht zijn we vrij, sinds we â¢den Paus en de inquisitie aan zij hebben gezet.quot;
âVan schuldbelijdenis voor de eigen conscientie is geen Christen vrij, Antony, en naar deze is het dat ik u verwijze!quot; sprak het meisje met hoogen ernst, en daarop zachter, âgij wilt nevens den goeden burgerlijken naam en faam toch ook wel den roem voegen een goed Christen te zijn?quot;
âMijn hemel, ja! ik meene dat te zijn, ik ben tot de ware religie gebracht door den eerwaarden Arnoldus Cornelii, gelijk gij uwe belijdenis hebt gedaan bij Wernerus Helmichius; ik geloof niet dat er tusschen onzer beider kennis in dezen zoo groot verschil zal zjjn.quot;
â't Is ook geenszins de vraag van weten, maar van volgen. ...quot;
âEilieve, zijt gij dan daarin zoo getrouw, wijs jofferken?quot;
âVeel minder dan ik moest, schoon 't mij van harten leed is; maar daarom voelc ik mij ook bewogen tot ontferming met mijn evennaasten, dien ik in faute acht gevallen.quot;
âGij betwijfelt dus zijne schuld al zoo min als ik....quot; viel hij in, met opzet het gesprek weer terugbrengende tot het aanvangspunt, daar afwijkingen in dezen niet van zijn smaak waren.
âTer contrarie, ik ben nog gansch niet overtuigd, eerstehjk lt;lat deze Juliaan, die de taal en de manieren van een welgeboren man weet aan te nomen, werkelijk een lage kwaaddoener zou zijn; en dan nog, zoo hij het ware, is er immers geen bewijs, dat juist hij u dat sieraad heeft ontvreemd.quot;
âEn wie dan anders had het kunnen doen? waren het niet al deftige, welgekleede lieden die ons omringden, zoowel van achteren als ter zijden ?quot;
âKan de rozet u niet ontvallen zijn in 't gedrang?quot;
âIk zou 't kunnen aannemen, zoo de pluim tegelijk verloren ware geweest; maar die komt langs me neêrvallen, nadat lt;le kale jonker met een sprong over de balie heen zijne biezen pakte. Is 't niet klaarblijkelijk ..
72
âJa, ja ! de schijn is tegen hem, ik moet dat toestemmen,quot;' viel Mabelia in, op een gedrukten toon; âmaai1 toch,quot; hei-vatte zij ras en levendig, als wilde zij de verdenking met kracht terugwijzen, âtoch zou hij onschuldig kunnen zijn.quot;
âBah! zijt daarop gerust, dat de onderschout zijn schuld of' onschuld wel fijntjes zal uitvindende Heeren van den gerechte en hunne dienaren hebben daar probate middelen voor. Ik geef hem aan op vermoeden, aan hen is 't hem te vatten en tot bekentenis te brengen .... en .... als dan zijne schuld blijkt, 'zal hij aan de paleie dansen, zoo waar mijn naam Antony van Hogenhoeck is!quot;
âAntony, luister!quot; sprak nu Mabelia, verbleekend van ontzetting, bij do aankondiging van dit booze opzet; want het was voor niemand, een geheim, dat do justitie, om achter de waarheid te komen, zich van zoo wreedaardige middelen bediende, dat do onschuld zelve er door tot bekentenis gebracht werd van â niet bedreven kwaad! evenzeer, dat er met den onderschout en zijne dienaren overeenkomsten waren te treffen, om een vijand, op een los vermoeden, de hardste en willekeurigste bejegening te doen ondergaan, en dat bijgevolg eene bedreiging als deze, in den mond van een jonkman, die met eene volle beurs en het aanzien van deftige maagschap zijne vordering kon steunen, gansch geen ijdele grootspraak was. maar integendeel, een zeer ernstig gevaar voor den boklagens-waardigen vreemdeling, hij mocht dan schuldig zijn of niet.
âLuister, Antony!quot; herhaalde zij met beslotenheid en âhaar arm uit den zijnen wegtrekkende, âals gij dit opzet volvoert, als. gij dien ongelukkige om zoo kleine oorzaak in last en lijden brengt, wees dan van dit ééne zeker, dat ik ook, zoo waar mijn naam Mabelia Graswinckel is, nooit mijne hand zal geven aan den man, die zulke hardigheid des harten toont, cn daarin volhardt, ondanks mijne bede!quot;
âLieve deugd, Mabelia! wat neemt gij dit hoog op,quot; sprak
Antony, nu zelf wat ontsteld over have zichtbare gemoedsbeweging, en over den vasten, ernstigen toon, waarop zij harerzijds die bedreiging uitsprak; .,die kale jonker ligt u dan wel na aan 't harte.quot;
âMij ligt allernaast aar. 't harte, dat er gaen onrecht gepleegd wordt togen wie ook .. .
âMaar wie zegt u, dat ik ietwes anders dan zuiverlijk recht zal eischen ?quot;
âAls gij u dat onderstaat, Antony, voorzeg ik u, dat gij uw naam en den mijnen in zonderlinge opspraak zult brengen, en gaat prijsgeven aan den spotlust van de gansche stad.quot;
â!Nu begrijp ik u gansch en al niet.quot;
âOverweegt gij dan niot, dat de berooide avonturier, geene borgen noch getuigen kunnende aanwijzen om voor zijne onschuld in te staan, zich zal beroepen op mij, als op eene waarmee hij in alle civilireit heeft geconverseerd voor de oogen van al liet volk!quot;
âDat is uwe eigene schuld; wat hadt gij hem te woord te staan!quot;
âHet is nu eenmaal geschied, on zoo er faute in ligt, ben ik er zwaar genoeg voor gestraft, door de beschaming die mij nu treft; maar is liet dan wel aan u, aan mijn neef, aan den jonkman die voorgeeft mij wel genegen te zijn, mij in ongelegenheid te brengen om deze oorzaak, en tegelijk zich zeiven belachelijk te maken!quot;
âBelachelijk?quot;
âJa zeker! of wat denkt gij dat men er van zeggen zal, als het bekend wordt, dat gij om het verlies van oen sieraad zonder eenige waarde, uw eigen nicht en aanstaande blootstelt^ om ingedaagd te worden als getuige in de rechtzaak van een verdacht overtreder ?quot;
âDaar is wel wat waars in 't geen ge nu zegt; maar toch, Mabelia, heb geene zorge, en schik zoo wijd niet van mij af-.
74
do lieden zouden het ons dus doende kunnen aanzien, dat wij 't oneens zijn .... ik zal 't wel weten te middelen, dat gij en ik daarbuiten bljjven; de fielt kan gestaft worden, zonder dat er een haan naar kraait . . .; schout en schepenen zijn wel op onze hand te krijgen; een klein gebrek in de forme van 't recht is licht te overzien !quot;
âAntony ! Antony ! gij neemt hot in uwe gedachten om zulk averechts recht te laten doen! gij dio u daareven beroemdet op uwe eerlijkheid ? Wat is diefstal, zoo omkooping en valsch-heid in den gerichte hot niet is ? En dat alles wilt gij plegen en wagen ter voldoening van uw wrevel, opgevat uit lichte oorzaak tegen een ellendige, die mogelijk alleen uit zwakheid van 't oogonblik in schuld is gevallen !quot;
âGjj althans zoudt in 't pleidooi een uitnemend advocaat zijn,quot; hervatte iuj lachend, âwant gij blijkt bekwaam am de beschuldiging te koeren tegen don aanklager. Doch hot zij, ik ben niot ongeneigd u do zaak gewonnen to geven ; ik althans wil beloven mij tot don avond daarover te bedenken en vóór dien tijd daarin niotwes to doon; maar dan ook roken ik er op, dat gij houden zult wat gij mij daareven hebt beloofd.quot;
âWat zou ik u beloofd hebben, Antony?quot;
âGij hebt gozogd, dat gij nooit uwe hand zoudt schenken aan den man, die de groote hardheid kon oefenen van oen field to verklagen, die hom oen kleinood had ontfutseld. Wel dan, zoo ik van dit voornemen afzie, en al de weekheid van harte, ik mocht liever zeggen, al de smijdigheid van hoofd toone, die gij verlangen kunt. . . dan volgt daaruit vanzelf, naar 't mij voorkomt, dat gij mij uw lief handje zult schenken.quot;
âDat volgt daaruit ganschelijk niot; er ligt een wijd verschil tusschon zeker niet geven, en voor goed accordeeron. Ik houd mij op dat punt aan den voorzeiden tijd van beraad.quot;
âAls het er nu Yiiet mee doorgaat, komt er later ook niets van.quot;
âGij zijt mij al te dringend en gehaast, Antony.quot;
âMeestentijds moet ik van u liet verwijt hooren dat ik te traag ben; ik ... . kan 't ook nooit goed maken.quot;
Dat was zeer waar, en dat had oen man van goed beraad moeten weerhouden om zich op te dringen; maar meeste1 Antony bezat zoomin kieschheid van hart, als de fijne voelhoorns, die hem konden waarschuwen bij do eerste aanraking, dat hij stuitte tegen weerzin en onverschilligheid, waar hij aanspraak maakte op haar hart. Een flauw glimlachje bewoog Mabelia's fijne trekken terwijl zjj hervatte;
âLuister Antony, ik zal u zeggen Imp gij 't goed kunt maken. Doe vooreerst niets in die bewuste zaak. ..; gij zoudt toch bij ons komen kortavonden, wij spreken dan nader; nu ben ik suf van vermoeienis en verlang naar de ruste van mijn kamerken.
âNu goed! dat 's afgesproken, ik zal u ter wille zijn; maar gun me voor 't minst de gunst van een afseheidskusje.quot;
Een kus tot afscheid op de stoep voor de huisdeur, was iets dat een meisje destijds niet weigeren kon aan een vreemde die haar tot geleider had gestrekt; en Antony was een neef, een pretendent mot toestemming van de familie!
Mabelia moest toegeven; maar hot bleek ook wel, dat de gunst alleen werd toegestaan, ter wille van 't gebruik, en om hem des te schieljjker af te schepen. Niet schuchter, niet blozend, maar ijzig koel werd het lieve kopje even naar hem toegekeerd; de kus werd genomen, niet gegeven, ondergaan zou juiste woord zijn geweest, en toch begreep Antony Hogen-hoeck niet, dat hier geen hart voor hem was te winnen !
En juist omdat hij dit niet vatte, nam hij met gretigheid aan wat hem in de plaats daarvan werd toegezegd: den uiterlijken band. Des anderen daags werd het aan vrienden en verwanten bekend gemaakt als eene heugelijke nieuwsmare, dat Mabelia Graswinckel het âjawoordquot; had gegeven aan Antony Hogen-hoeck, den eigen avond van hot statelijk bruiloftsfeest der gra-
76
vinne van Solms, en ilat het hylik was vastgesteld kort na Pasehen. En allen wien quot;t aanging verheugden zich in het schoone vooruitzicht, en daar het nieuwtje als schielijk heel Delft doorliep, sprak menig olijk Delvenaar lachende tot zijne vrouw of dochter :
âJa ! ja ! zoo gaat het, uit bruiloft komt bruiloft voort.quot; En de moeders zeiden ; (want de dochters waren niet gestemd om het uit te spreken).
âVoorwaar, dat 's een aardig paartje! Mabelia mag zich gelukkig prijzen. Antony Hogenhoeck is een knap, braaf jonkman, en zijn vader heeft een mooi stuivertje overgelegd met de lakenververij! De rijke dochters komen niet altijd zoo goed te land, zonderling niet als ze verweesd zijn, en in zoo groote vrijigheid leven als Mabelia Graswinckel, die gewoon is in alles naar haar eigen hoofd te handelend.quot;
1 1 li. ..........tx
t7-
HOOFDSTUK II.
Aan Mabelia Graswinckel ware zeker leedgevoel en ergernis gespaard over het vermeende misdrijf van Juliaan, zoo zij kennis had gedragen van quot;t geen er met Antony was voorgevallen, eer het hem gelukte zijne plaats op de tribune te bereiken. Zij zou dan berekend hebben, dat iemand die zijn hoed verliest te midden van volksgedrang, terwijl hij zijn handschoen wil oprapen, en den eersten niet terugkrijgt uit de handen van woeste soldeniers, dan nadat hij de koorden zijner beurs heeft ontknoopt, gemakkelijk oen kleinood kon verliezen, zonder dat hij het bemerkt had in de haast om voort te komen; maar dat alles had hij haar juist verzwegen. Wel had hij geklaagd over de hindernis door do soldaten hem in den weg gelegd, maar van het verdere had hij niets gezegd. In 't eerst, omdat hij niet zonder reden haar spottend glimlachje vreesde, en weinig hoop had om deernis op te wekken voor do kleine tegenspoeden, die hij zich door eigen linkschheid en traagheid op don hals had gehaald; vervolgens, omdat hij zelf liever bleef gelooven aan de onwaardigheid van den persoon, die zijn achterdocht en ergernis had gewekt, dan met volkomen goede trouw alle voorafgaande omstandigheden na te sporen, die tot twijfel aan zijne schuld konden leiden. En te halsstarriger bleefhijin dit stilzwijgen volharden, naarmate hij zag dat er partij viel te trekken voor hem van Mabelia's geloof aan deschuld van dien Juliaan.
78
âHet zjjn verweerde meisjeskuren,quot; sprak hij bjj zich zeiven toen hij des avonds naar hare woning trok; âwat gaat haar die kale jonker aan, dat het haar zooveel schelen kan of hij aan de paleie danst ot' niet! Maar nu het er eenmaal zoo meê staat, zal ik er mijne winste meê doen, en het preutsche mondje tot âjaquot; zeggen bewegen.quot;
En zoo gelukte het hem, met prijsgeving van een valsehen diamant eene echte parel in tc ruilen. Opgetuigen over zijn goed succès, dacht hij er niet aan, op welken onvasten grond zijn toekomstig geluk was gevestigd, en vroeg er zelfs niet naar, wat Mabelia eigenlijk bewoog om deze zonderlinge overeenkomst aan te gaan. âDe luim van het oogenblik,quot; dieper zag de oppervlakkige jonkman het niet in. Wij meenen er latei-naar te vorschen, maar houden liet reeds nu voor wat anders dan eene âmeisjeskuurzeker was hot een offervermoedelijk zou zij niet zoo gehaast zijn geweest het te brengen, zoo zij geweten had, dat Juliaan, wel verre van to vluchten ah een schuldige, die een misdrijf heeft gepleegd en vreest op heeterdaad te worden betrapt, alleen zijne plaats aan hare zijde had verlaten om er eene op te zoeken, zoo dicht mogelijk bij den uitgang van het krijtveld, waar hij de beste gelegenheid had om de kampende ruiters meer van nabij te zien, en zelfs kans had hen bij liet verlaten van het strijdperk rakelings langs zich voorbij te zien gaan. Zoo zij verder zjjne gedragingen had kunnen gadeslaan, toen hij daar had post gevat, zou ze de volle overtuiging hebben verkregen, dat alleen heftige ontroering en gespannen belangstelling, maar geene vrees voor vervolging, de drijfveer was geweest van zijne zonderlinge handelwijze.
Door Mabelia en Antony te volgen, zijn wij zeiven van het terrein der feestspelen afgedoold; maar niets verhindert ons derwaarts terug te keeren, onze opmerkingen voort te zetten, en een terugblik te werpen op Juliaan, zooals hij daar staat,
79
roerloos, ja ademloos bijkans, den starenden blik gericht op de kampenden, die, daar het slechts een jolyselijk eombatte-ment was met de stompe lancie, het vizier hunner helmetten hadden opengeslagen. Het was blijkbaar niet de strjjd zelf die hem zoo groote belangstelling inboezemde, maar wel een der strijdenden, wiens gestalte en trekken hij had gemeend te herkennen, terwjjl hij cr zonderling veel aan te hechten scheen, om zich te vergewissen van de juistheid of onjuistheid zijner gissing. âHjj moet het zijn, hij is het,quot; mompelde hij tusschen de tanden, en âtoch, neen, neen! hij is het niet; hij kan het niet zijn.quot;
Beurtelings gloeiden en verbleekten zijne wangen onder de sterke aandoening van het heen en weer wentelen eener gissing, die hij ten koste van alles tot zekerheid wilde gebracht zien. Want toen het bleek, dat de ridder die dus zijne belangstelling boeide de overwinning had behaald, en de overwinnaar onder hot geschetter der klaroenen en het gejubel dei-volksmenigte het krijtperk verliet, stelde hjj zich, ondanks de sehutterwacht die het hem beletten wilde, met een beslist, een wanhopig opzet, vlak vóór de opening der balie, zoodat do ridder zijn paard een oogonblik moest terughouden, wilde hjj den vermetele niet overrijden.
Stout legde deze toon de hand op het rijke schabrak, dat tot laag op den grond nederhing, en, naar hot wapen wijzende dat daarop geborduurd was, sprak hjj met eene schrille, scherpe stom: âHoor ridder, gij voert daar een wapen dat u niet toekomt!quot;
De andere, hetzij hij verstaan had of niet, riep luid en dreigend : âUit den weg fielt! of ik jaag mijn paard over jo lijf!quot; âIk heb mijne zekerheid!quot; had Juliaan toen uitgeroepen, en wendde zich af, maar niet zonder een blik gewisseld te hebben met den ruiter, waarin moordende haat gloeide.
Toch had hij zich niet zoo snel kunnen terugtrekken, of de
80
schuttei-waeht, op wier waarschuwing hij niet eens had gelet, kon hem omringen en hield hem voor, dat hij zich schuldig gemaakt had tegen de keur dor vroedschap, waarbij niemand dan wie tot het tournooi was toegelaten, zich begeven mocht binnen de balie, of den uitgang daarvan belemmeren; desgelijks mocht niemand, onder welk voorwendsel ook, den kampvechter overlast aandoen, en bovenal tegen dit laatste punt had hij zwaar en opzettelijk gezondigd. Bijgevolg werd hij gesommeerd de boete te betalen op staanden voet, zoo niet, zij zou onder lijfsdwang worden afgevorderd.
Juliaan, wien zeker gansch andere gedachten door do ziel spookten, cn die nauwelijks bewustheid had van de overtredingen die men hem verweet, trachtte zich los te wringen uit do handen der schutteren die hem gevat hielden, en die eiseli-ten dat hij onverwijld de boete zoude afdoen ten bedrage van drie carolus-guldens.
âLaat me los! ik heb geen geld bij mij, geen penning; ik kan toch niet geven wat ik niet bezit!' beet Juliaan hem toe met eene stem, schor van drift. âLaat mij los ot ik trek mijn rapier.quot;
âWaag dat niet, dan zou het je slechter vergaan; daarbij 't rapier is ons. Uw opperkleed, waarop wc aanspraak hebben, is geen drie carolus-guldens waard; uw rapier... dat 's wat anders!quot;
âMijn rapier overgeven! ik ben toch niet uw gevangene...quot;
âGij zijt boetschuldig; kunt gij niet betalen, zoo leveren wij u over aan de schoutsdienaren, die u in gijzeling zullen houden tot uwe schuld is afgedaan..; maar wij willen uw zijdgeweer te pand nemen, gij kunt het lossen als gij geld hebt.
âLoopt naar do maan! met dat gewawel van lossen en boeten ... mijn rapier sta ik niet af, en ik wil er door ..
âEen kwaadwillige! verzot! hola hei! schoutsdienaren hierheen!quot; riep een der schutteren, ziende dat de kloeke jonkman
81
op het punt stond zich aan de macht zijner vingeren te ontworstelen.
âMet dezen naar den stadskerker !quot; gebood do vaandrig, toen de schoutsdienaren warer; toegeschoten.
Tegen zulke overmacht gaf Juliaan hot op.
âBrengt mij werwaarts gij wilt,quot; sprak hij in de diepste moedeloosheid, âmij is 't al een! Maar om Gods wil, laat mij mijn degen mijn eenigen schat!quot;
âDaarover heeft de onderschout te beslechten !quot; gaf de schut-terofficier ten antwoord.
âGoed maakt moed,quot; zegt het spreekwoord, en niet zonder waarheid; de berooide luitenant, bij mangel van het eerste, verviel na de overspanning van drift en stoutheid tot eene onverschilligheid, die hem lijdzaam en weerloos in zjjn ongeval deed berusten. Toen hij zich aan de âdienaren van den gerechtequot; zag overgeleverd, liet hij de hand slap nederhangen die voormaals zoo moedig en uittartend op den degen had gerust, en die zich in 't eerst tot woest verzet had opgeheven. Daar voelde hij op eenmaal die hand zacht drukken, en die handdruk bleek geen ijdele liefkoozing. Juliaan voelde eenige muntstukken glijden in do zijne. Verrast en gehaast om te zien wat dat zijn kon, bevond hij tot zijne groote blijdschap dat hem vier carolus-guldens waren toegestopt. Kond te kjjken, wie de dienstvaardige zijn mocht, die zoo juist ter snede hulp reikte, was zijne eerste onwillekeurige beweging: maar onder de menigte die hem omstuwde, nieuwsgieriger naar een standje waarbij het gerecht te pas kwam, dan naar den vernieuwden kamp in het krijtperk, onder die menigte zag hij geen bekend gezicht, maar ook geen enkel persoon, wiens voorkomen aanduidde dat hij de middelen had tot zulk eene vrijgevigheid.
Vier carolus-guldens was eene mooie som voor dien tijd, om er zoo maar een geheel vreemde meê te begiftigen! en het waren allen lieden uit de lagere volksklasse die hem omringden ! Maar Wonderdokter. I. tgt;
82
overtuigd, dat de schenker zich welras aan hem zou openbaren, aarzelde Juliaan, wiens kiesehheid op het punt van geldzaken niet teer was, geen oogenblik zich de gift ten nutte te maken.
âIk onderstel dat ik vrij ben als ik de boete betaal?quot; sprak hij tot een der gerechtsdienaren, vragenderwijs.
âHm! hm! als je daarmee begonnen waart, maar nu... we hebben de moeite gedaan u te vatten.quot;
âAls ik die moeite loon met één carolus-gulden boven de drie ?quot;
âDan zullen we de weêrspannigheid van daareven door de vingeren zien,quot; sprak de dienaar der gerechtigheid deftig.
âZoo neem! en met de fiere geste van een groot heer, reikte hij den schoutsdienaar het geld toe, en keerde zich langzaam af, besluiteloos of hij opnieuw zich in 't gewoel rondom den cirkel zou wagen, of wel zich van eene plaats zou verwijderen, waar hij zoomin rust als lust had gevonden. Nog eens hief hij de oogen op naar 't balkon, waar de voorname bruiloftsgasten waren gezeten, en zag daar den overwinnaar staan onder cie edellieden van den prins, fier op den triomf, en mogelijk wel schertsende over het lot van den onbeschaamden soldenier, dia hem in zijn zegevierenden uittocht had willen belemmeren. Hij knarste de tanden en richtte de gebalde vuist naar de tribune; maar die daarboven gezeten waren, zagen deze teekenen van machtelooze woede niet, toch waren ze opgemerkt. Opnieuw, voelde hij zich bij de hand vatten; maar het was nu niet om er eene reddende gift in te zien neervallen, het was om hem opmerkzaam te maken, dat er iemand naast hem stond, die hem spreken wilde. Toen hij zich omkeerde om te zien wie net was, ontwaarde hij dienzelfden eenvoudigen burgerman, die aan de andere zijde van den cirkel ook nevens hem gestaan had, en dien wij reeds hebben aangeduid, als met bijzondere aandacht al zijn bewegingen gadeslaande. Werkelijk was deze hem gevolgd en had hem niet uit het oog verloren.
Juliaan, die gansch niet in de luim was, om zich ongepaste
83
gemeenzaamheid van wien ook te getroosten, vroeg hem op barsehen toon: âWat wilt gij van mij, vriend?quot;
âU waarschuwen, dat men zijne gemoedsbeweging niet dus in 't openbaar moet laten bljjken ; zonderling niet als zij tegen de heeren, daar in de hoogte, is gericht; men kan daardoor in ongelegenheid raken.quot;
â Wat gaat u dat aan, of ik in ongelegenheid kome of niet!quot;
âDat zal ik u zeggen: maar ga eerst met mij van hier, want ik heb geen vijfde carolus-gulden om u vrij te maken uit de handen der schoutsdienaren!quot;
âGij waart alzoo die vriend in den nood, die mij zoo juist van pas te hulp kwaamt ?quot; vroeg Juliaan, met gansch veranderden toon en Ijlik.
âDié was ik, en ik wensch nog wat beters voor u te doen,quot; hernam de andere, die hem reeds in den arm had gevat en buiten het gewoel voerde. Juliaan, zelf nog aarzelend wer-waarts te gaan, liet zich leiden, misschien tevreden, dat een ander met beslistheid den weg voor hem koos. Wij zullen hem op dit oogenblik niet volgen, maar liever naar zijne soldeniers omzien, uit wier handelwijze en gesprekken wij mogelijk betere kennis kunnen verkrijgen van zjjn toestand en karakter, dan door hem zelf te bespieden. Dat ruwe volkje had zich op eigenaardige wijze vermaakt met het schouwspel en de toeschouwers beide. Allereerst hadden zjj hunne vroolijkheid lucht gegeven over âdo gans met den pauwenstaartquot; zooals ze, zonder veel deferentie, Antony Hogenhoeck hadden bijgenaamd.
âTe Droes!quot; sprak er een, âwat een uilskuiken; we hebben kwalijk gedaan, hem niet op zwaarder rantsoen te stellen!quot;
âIn trouwe, neen! het was juist zaak de gans te plukken, zonder dat zo kwekte !quot; viel een ander lachend uit. âZoo hij onwillig ware gebleken een zwaarder eisch te voldoen, en een noodkreet hadde geslaakt, dat men hem wilde afzetten, ware er opschudding gekomen en . .. 't gebrek aan den hoed ware
84
dan lichtelijk dooi- den een of ander bemerkt geworden.quot;
âWolk gebrek'/ is er bijgeval een pluim losgeraakt?quot;
âVrij wat beters dan eene pluim,quot; antwoordde de eerste spreker lachend; âterwijl gijlieden hem mot zammelen op den tuil hield, heb ik er behendiglijk den gesp aan ontfutseld en dc pluim zoo wat luchtigjes rondom de koord vastgedraaid, op zulke manier, dat zij in 't eerste half uur niet los zal raken. De gesp, jongens! moet een kostbaar kleinood zijn; dc edel-steenen schitterden mij in de oogen! Nu, nu... is die glans beloken in mijn dissak!quot; eindigde lijj op zijne zijde kloppende.
âZoo, zoo!quot; bracht een der kameraden uit, op een toon waaruit meer afgunst dan afkeuring sprak.
âTot aller bate! dat spreekt wel van zelf!quot; hernam de andere geruststellend.
âJa, Pietje handgauw! wij weten wol, hoe gij dat verstaat.quot;
âZooals gijlieden zelf het verstaan zoudt in zulk gevallicr-nam deze, âen daarom, geloof me, we hebben hier meer aan, dan of we die armzalige beurs met kleingeld hadden te deelen.''
âNu we zullen zien ! langen Michiel heeft al vast don moeien handschoen, eerst onder den voet, daarna in zijne mouw weten te krijgen.quot;
âAllemaal kostelijk, mits de luitenant er maar niet achterkomt.quot;
âJa die heeft van die siekeneurige buien, zonderling op tijden als deze, als hij aan zijn verloopen adeldom komt te aredenken.quot;
âOch, lijj zelf zou zooveel viezevazerijen niet maken; hij weet toch ook wel, dat men niet van den wind kan leven, en dat er geen serjant-majoor is die ons de soldij komt uitbetalen.quot;
âDaar vraagt hij dan ook liever niet naar; als hij maar op zijn tijd den leeftocht vindt... speurt hij niet al te nauw naaide herkomst.quot;
.Hij niet, dat is waar! maar die verweerde Bastiaan met zijn verwaand gepreek.quot;
85
âJa die is wel in staat hem het hoofd warm en ons het leven had te maken; laat ons maar zorgen, dat hjj 't geval met den ... gesp niet merkt, als je ten minste geen zwak hebt op een ellenlang sermoen.quot;
âDaaraf dan toch de slotsom is, dat Juliaan er zijn deel van neemt, nadat Bast ons vromelijk de zondenles heeft gelezen.quot;
âJa, ja! die fijnman ziet ook zoo nauw niet, als er maar het noodige is voor den jonker!quot;
âEen mooie jonker! Wat hebben wij er eigenlijk aan,quot; riep een ander knorrig.
âJa! wat hebben wij er aan: is hij het niet die 't genadebrood eet van ons? Zou hij daar wel ooit aan denken?quot; vroeg handgauwe Piet.
âZoo hij er aan denkt, neemt hij het of quot;t hem toekomt.quot;
âWel zeker, dus ziet hij het ook! Wij zjjn zijne vazallen, die hem tienden schuldig zijn.quot;
âEn waarvoor dan toch?quot;
âZwijgt, mannen !quot; riep Michiel ; âzoolang er een penning in zjjne beurs was, heeft iuj die mot ons gedeeld.quot;
âBehalve de braspenningen die hij er af verdobbeld heeft voor eigen geneugt.quot;
âEn bij winste deelden wjj toch mee.quot;
âSomma! we zjjn nu eenmaal in 't geval om met den ander de goede en kwade fortuin te deelen, en 7iiet om het hem te wijten, dat de laatste langer aanhoudt dan de eerste.quot;
âWel zeker! 'trad van avontuur is rond; wie nu onder ligt kan morgen naar boven zijn gekeerd! gedenkt er aan. Wat zegt gij er af, wijfkon,quot; en lange Michiel streek zonder omstandigheden eene dikke burgervrouw, die naast hem was komen staan, over de bolle, roode wangen.
âIk heb van jelui koeterwaalsch nietwes verstaan,quot; antwoordde hot vrouwtje, even hoofdschuddend.
Werkelijk spraken deze soldeniers onder elkander eene taal,
86
mengeling van allerlei tongvallen, van het plat Duitsch af tot het Luikerwaalsch toe, en waarin een verbasterd Neêrduitsch wel het zwakste bestanddeel was; maar do gewoonte maakte hen voor elkaar verstaanbaar, al was het abracadabra voor oningewijden. Wij geven liefst de korte vertolking, met weglating van de r/ros mots en schelklinkende verwensehingen, waarmee ze bijkans ieder hunner gezegden doorspekten.
âIk ken ook nog eene andere taal, die alle vrouwkens verstaan,7' hernam lange Michiel, het vrouwtje lachend aanziende en de vorige gemeenzame liefkozing herhalend.
âHanden thuis!quot; riep nu hot vrouwtje uitwijkend. âWees gewaarschuwd, mijn man is een varensgezel, cn een eerste bekkensnijder; hij zou er geen been in vinden om jou lange tronie met een staaltje van zijne konst uit te monsteren.'
âDankje, wijfjelief, ik ben geen vechtersbaas voor pleizier. AVij hanteeren de wapenen niet, tenzij we er voor betaald worden.quot;
âTn wiens dienst ben je op heden?quot; vroeg zij glimlachend.
âHoe vraag je dat zoo, wil je ons aanwerven?quot;
Liever niet, ik zou geen brij hebben voor zooveel monden; ik vroeg 't alleen, omdat het mij voorkomt dat uw hopman een ellendige schraalhans moet wezen of een gierige schraper die zich vetmest met uwe soldij... je plunje is te bijster haveloos, goe lieden.quot;
âOnze hopman was zoo kwaad niet in zijn tijd; maar hjj bevindt zich op eene plaats... vanwaar het hem eenigszins moeielijk valt om voor de compagnie te zorgen; ons vendel is onder de hoede van een vlaamsch edelman, die...quot;
âTn uw geval stond ik liever in de paye van een dikken Delftschen brouwer.quot;
âDat zou voor 't minst goed bier beloven.quot;
âEn goed brood met kaas daarbij !quot; sprak het ronde vrouwtje goedhartig; âdaar zijn hier tot Delft over de tachtig brouwerijen, waarom verhuur jelui je niet ergens als knechts?quot;
87
âWaarom, waarom .. ?, waarom draag jij geen kraag, zooals de voorname Joft'ers ginds ?quot;
âIk zou zoo'n ding niet om mijn hals willen hebben; 't hoofd ligt er op te rusten als dat van Johannes den Dooper in 't Bijbelsch prentenboek op den schotel van Herodes zijn dochter ! En nog daartoe, 't is eene kwistige, 't is eene zondige dracht, dat zeg ik; ge zoudt een huishouden van brood kunnen voorzien van het meel, dat er verkwist wordt aan de stijfsel voor zooveel ellen goed gesteven kant, om niet te spreken van de lobben en ponjetten daartoe. En reken dan nog, wat al die kragen van al die fraaie heeren en dames te zamen moeten uitmaken, en dat in dezen schralen tijd, nu 't koren en 't graan met den dag stijgt, en de kleine luiden al brood eten van gemalen paardenboonen I De magistraat moest er eene keure op zetten, en aan de armen van do boeten hun nooddruft geven, dat zeg ik.quot;
âJa, ja! die weelde van de grooten die weet wat!quot; zuchtte een schrale, magere vrouw, die daarnevens stond. âZie me toch de bruid eens aan; de juweelen zitten der tot op de schoenen; ja, ik wed dat haar bratten kousen met goud zijn doorweven! Wat denk jjj er van Guurtje Groot!quot;
â't Zou heel wel konnen zijn, buurvrouw Fijtje,quot; sprak het bolronde vrouwken, een weinig ter zijde wijkende, of ze geen lust had al te dicht in aanraking te komen met de lange, knorrige gedaante, uit wier kleederen van grove, grijze wol, zich daarbij eene vieze, vunzige lucht ontwikkelde, en wier dor, taankleurig gelaat, haar sinds lang in de buurt den bijnaam van gele Fjj had verworven.
Op een goeden voet met gele Fij te staan, was voor eene degelijke, heldere burgervrouw, zooals Guurtje Groot, ook om andere redenen geene eere; zoodat de laatste, al woonde ze in dezelfde steeg, het toch liever met haar bij een âg'en dag, en g'en n'avondquot; liet.
88
Gele Fjj, die alevel een praatje wilde hebben, wendde zich nu rechtstreeks tot langen Michiel, die wat grootte en schraalte betrof, haar portuur was.
âJa, man! je zult er ook wel van gehoord hebben: de sprake gaat, dat de bruid al die juweelen van de Staten gekregen heeft, tot eene bruidsgave.quot;
âDafs toch wel wat heel druk,quot; sprak lange Michiel meesmuilend, wien de ,0« dit*quot; van gele Fij niet zeer betrouwbaar toeschenen.
âJa! al lach je er meê, ik heb hot luiden, die 't weten konden, hooren zeggen, dat de Staten van Holland alleen voor hunne portie haar wel twee tonnen gouds hebben toegezegd.quot;' Als de Heeren Staten zoo gul zijn mot hunne giften. .. mochten ze in trouwe wel wat ruimer en vlugger zijn met de betaling van 't arme krijgsvolk,quot; sprak Piet met bitterheid. âAls de soldaat uit honger en desolatie aan quot;t muiten slaat, is 't vonnis als gauw gewezen. Hangen de belhamers! gecasseerd het vendel! en wie bij wijze van gratie den strop ontkomen, mogen dan verder zien hoe ze den kost ophalen.quot; 1
âZoo gaat het!quot; riep gele Fij, gespitst op 't aanhitsen van verbitterde gemoederen, zooals uit haar zwartgallig voorkomen licht was te raden; âzijn er feesten! dan is 't of ze hier in Holland het goud maar uit de rivier hebben te scheppen; maar als de pret over is, dan komt de burgerij in last en lijden, want dan moet het den kleinen luiden bij droppels worden uitgezogen.quot;
âWaarheid is!quot; stemde Fiet bij, âdat er maar schraaltjes gezorgd wordt voor proviand en ammunitie, zelfs in de vestingsteden die 't naast aan den vijand liggen. Ik, die indertijd te Sluis ingelegerd ben geweest, weet er van te spreken, en dat komt niet omdat er geen geld is, 0 neen ! dat zie je wel, geld is er in overvloed, dat stuurt men van hieruit wel naar den vreemde, naar Engeland, naar Frankrijk! werwaarts niet,
89
al! maar omdat de eene provincie voor en de andere na niet betalen wil. Ze kibbelen altijd onder elkaar over 't aandeel in de generale oorlogskosten, en daarom hebben de arme soldaten en ruiters het zoo sober, en loopen zoo kaaltjes uitgedost, als jonge spreeuwen in 't vroegjaar, die uit hot nest zjjn gevallen.quot;
âKom, kom! handgauw Pietje, haal nu al die muizennesten niet in je hoofd; met morren kunnen wij de zaken toch niet gebeteren,quot; sprak lange Michiel, die een optimist scheen te zijn. â't Is een kwaad lot, het lot van den soldaat, dat weten wij nu eenmaal; maar wie quot;t koos, had het thuis toch ook niet breed.quot;
âEn wie er bij blijft is een nar, als hij anders kan,quot; sprak Fjj daartusschen; âdaarom zeg ik tegen vele jonge manspersonen die in mijn winkel komen; âallons ! neemt dienst bij de nieuwe compagnie, en 't zeegat uit, daar is buit te halen; daarna mag men ook wat meespreken van vreemde landen en van menschen met drakenkoppen en die den mond midden in de borst hebben.quot;quot;
âNou wijfje! daar zou ik niet belust op zijn dat te zien,quot; viel Michiel in; âdan kijk ik liever naar die mooie bruid, wat zeg jij er af Piet ?quot;
âWat de bruid «aangaat, die... zou ik voor quot;t sloopen wel willen hebben! maar de bruigom... mag jjj hem bijgeval?quot;
âDe bruigom? te droes neen! Fjj van dezen; dien ken ik van nabij. Ik heb hem eens in den krijgsraad zien zitten, en ik zweer je Piet, je bruine krullebol zou tot grijs verschieten, als je zoo'n half uurtje met hom door te brengen hadt, als mij is te beurt gevallen. Ook... ware mijn gewisse niet wit geweest, als eene zwaneborst... ik zou den strop niet ontloopen zijn; en nog... acht ik het mirakel er heelshuids te zijn afgekomen.quot;
âWaarheid is, dat ik niet graag passa-volant zou zijn, als die daar monstercommissaris ware.quot;
j
90
âJe zoudt er ook niet mee doorgaan. Hij zou je het aanzien, lt;iat je niet bij de compagnie hoordet, al had je een mom voor!quot;
âVan een mom gesproken, 't Is of hij zelf een wassen mom voor heeft, zoo strak staat die facie... Mooi wit en rood, dat moet ik zeggen, als een maagdeken dat hare eerste communie doet; maar .. .quot;
âMaar met dat al is hij hard voor zijn volk, als due d'Alf bloediger gedachtenis; neen! dan is Hohenlo een ander heer!quot;
âGewis! die zou er niet zuur om zien, als een arme soldaat eens bij geval een paar hoenders bij den boer uit het hok had gegrepen, of eens wat die]) in de bierkan had gekeken!quot;'
âDat zou hem passen! Hij is zelf niet vies van een braven Dietsehen dronk! Maar wee! wie hem dwars in den weg komt in dien roes. Ik heb dienzelfden gemeenzamen heer zijne soldaten zien mishandelen of het gevangen negerslaven waren . .. Neen! die krijgt me ook niet weer, daar heb ik van geproefd.quot;
âEn hoe staat het met prins Maurits, is die mild en zachtzinnig voor zijne soldaten Yquot; vroeg nu op eens een vreemdeling, in kleeding niet ongelijk aan den persoon die Juliaan zoo voortdurend in 't oog had gehouden, en die zich nu tusschen de soldaten indrong.
âHm! bederven zal hij ze niet... Ik voor mij heb nog geheugen van een kwaad halfuurtje, op zijn bevel doorgestaan, onder pretext, dat ik tegen de krijgstucht had gezondigd,quot; antwoordde Piet gulgauw.
âEn zou je de occasie niet lustig aangrijpen om daarvoor satisfactie te nemen ?quot; hernam de vreemdeling halfluid, met sissende stem, die, als zijne vraag, sterk den Vlaamschen tongval verried.
Op zoo'n malle vraag antwoord ik niet,quot; hernam Piet half toornig, half schuchter, en draaide den vreemdeling den rug toe, terwijl hij Michiel bij den arm trok, en hem toefluisterde.
91
âdat's hier niet pluis ? die vent is een spie van den onderschout, laat ons voorzichtig zijn.,'
âIk merk het wel!quot; hervatte gele Fij, die intussehen een blik met den vreemde gewisseld had, welke den laatsten tot den aftocht scheen te doen besluiten, âhet is met al die kapiteinen en oversten al één pot nat. Laat ze fluiten, kameraads, en gaat naar zee, daar is 't goed leven en fortuin te maken. Mijn man heeft weêr geteekend voor de buitenvaart, en ik zet me schrijn nu al open, om al 't goud en zilver te bcrgen^als hij thuis komt.quot;
âJa, poch maar, poch maar! wij kennen dat. De scheep-vaardij lokt me ook niet aan ; daar komt me te veel van leer-zen en kielhalen,quot; hernam lange Michiel, vrij beslist.
âAltemaal inbeelding en vooroordeel,quot; hervatte Fij; âmaar ik zie 't wel, ik zou u omsonst al liet goed en 't profijt van het scheepsleven optellen, mijne woorden zouden toch geen ingang bij u vinden, â't Is maar oene vrouw die het zegt,quot; meent ge. Xu dan, als je er mannen over hooren wilt, mannen die alle bekende en onbekende vaarwateren bevaren hebben, komt dan te avond of te noen een zoopje bij mij nemen in mijn toebackwinkel. Daar zit er menigeen te toebacken, die van 't Noorden en van 't Zuiden weet meê te spreken, en die er je alles van zeggen zal wat je weten wilt. Ik heb van het eêlste kruid, en bonkesjes, zoo wonder aardig, dat er je de lippen naar jeuken zullen. Komt er eens de proef van nemen, met zooveel kameraden als je maar meebrengen wilt!quot;
âEn dat al voor een godloontje, niet waar?quot; vroeg Michiel ironiek, âof noodt je ons nog, als ik je verklaar, dat wij voor geen penning waard in de beurs hebben?
âWel, er zitten altijd Oostersche schippers of Duinkerksche kapiteinen, die met uitheemsch goudgeld spelen, zooals wij met stuivers en braspenningen. Voor goede gezellen en vroolijke maats betalen ze met gulle hand het gelag, en hierop zeg ik
92
adie; dat draaispel van die jonkers en pronkers te peerde houd ik voor gezien, en op buurvrouw Guurtje heb ik niet te wachten, die zal liefst haar weg gaan; nu denkt er aan; Fytje Martens, in de Stoofsteeg, het eenige toebackhuis, en de bonkesjes hangen voor de vensterruiten.quot;
En gele Fij â- ging haar weegs daar niemand der omstanders lust had haar terug te houden; de soldaten keken haar lachend na.
âDat wijf heeft eene tong in den mond,quot; zei lange Miehiel.
âIk wist wel vooruit waar het op neêr zou komen,quot; zei hand-gauwe Piet.
âEi zoo, snuggere maat! hadt je dat geraden,quot; voegde een der andere kameraads hem toe.
âWel zeker ! uit die muffe lucht, die uit hare bouwen opsteeg,, merkte ik het wel, dat zij met geen puike waar omging.quot;
âZoo, ben jij niet belust om een bonkesje meê te zuigen?quot; vroeg hij, die onder den naam van Duitsche Heinrich bekend stond.
âDaar hoop ik voor bewaard te blijven.quot;
âJe bent tegen je zelf man ! Het verluchtigt zoo, als men zwarigheden in 't hoofd heeft. Ik bon blij dat ik den weg weet,, quot;t is in tijd van nood altijd te beproeven!quot;
âAanmerk Heinrich,quot; waarschuwde lange Miehiel, âdat die toebackskroeg al één zal zjjn met een werf huis voor zeevolk; onder het dampen en drinken ben je licht ingerekend, en mogelijk niet eens voor de Ammiraliteit!quot;
âErger dan bij de Watergeuzen?quot; vroeg Heinrich scherp; lange Miehiel had onder dezen zijne premières armen gemaakt.
âOf ik het uit weelde had gedaan!quot; riep Miehiel, de knok-kige schouders ophalend.
âEn zou 't mijnerzijds brooddronkenheid zijn, zoo ik me aan de zielverkoopers overlever?quot; zuchtte Heinrich; âinaar wees gerust, ik zal 't niet doen zonder waarschuwen.quot;
93
âEn als je dan vriendenraad hooren wilt, doe je 't niet!quot; zei Miehiel ernstig.
âPrefereer jij hongerlijden, 't is je gegund!quot;
âAleer we zoover zjjn, moesten we dunkt mij raad beleggen, hoe te handelen met den behaalden buit,quot; stelde Piet voor.
âWel! daar ben ik bij,quot; juichte Heinrich, âwaar zullen wij gaan ?quot;
âNiet in den toebackswinkel; in de taveerne, daar op den hoek,quot; besliste Miehiel, âgaat het ulieden als mij, dan hebben we genoeg van de pret, en van al die mooie heeren en dames, die, naar 't mij voorkomt, ook al langzamerhand afzakken. Mijn keel is droog, en mijne voeten zijn verkleumd van dat lange staan op een zelfden post. Ik sta liever drie uren te schilderen op een vestingmuur, dan tusschen al dat geduw en gedraai van dat volk, laat ons gaan.quot;
âJa! dat's goed en wel ... maar de luitenant ?quot;
âDenkt je dat die naar ons heeft gewacht om heen te gaan? Of meen je dat hij don weg naar ons logies niet zal weten te vinden, om dat op te zoeken als het hem lust ? Komt allen mee, mogelijk vinden wij den jonker wel onderweegs, of zoo niet, dan verrassen wij hem met een goed noenmaal, dat is meer dan hij recht heeft te wachten.quot;
Het is ons niet noodig die soldaten te volgen; maar wij moeten ons nog even verplaatsen, te midden eener hoogere klasse van toeschouwers, die namelijk, welke als genoodigden tot do âpublieke festiviteitenquot; de zitplaatsen hebben ingenomen ter weerszij deit van de vorsteljjke tribune. Wij moeten ons daar nêer-zetten tusschen deftige mannen en vrouwen, wien het toch is aan te zien, dat zjj niet eigenlijk tot den voornamen stand behooren. De meesten hunner hebben zelfs geen steedsch voorkomen. Het
94
schijnen gegoede landlieden uit Noord-Holland of uit Zeeland, die hunne eigene hofdstede bewonen, en wier vrouwen, in allen luister, de eigenaardige provinciale kleederdracht tentoonspreiden ; â die tusschen welke wij ons bevinden, onscheiden zich door zekere naïeve eenvoud in houding en manieren, â waarin toch karakter zit. Zij zijn geen prinsen, geen edelen, o neen! dit weten zij; zij willen het ook niet schijnen; maar zjj zijn toch fier op hetgeen zjj zjjn : vrije mannen, grondbezitters, die eene stem hebben in de belangen hunner provincie; want het zijn de Ingelanden en Hoogheemraden van Oud-Beierland, waarvan gravin Sabina vrijvrouwe is, en zij zijn naar Delft getrokken met hunne geschenken voor het bruidspaar. Zjj vonden goed hunne vrouwen en dochters mee te nemen, die niet weinig verbljjd zijn geweest in 't vooruitzicht, âzulke somptu-euse bruiloftquot; bjj te wonen. Toch geven zij liet elkander niet onduidelijk te kennen, dat zij een weinig zijn teleurgesteld.
Het is zoo, dat zijn recht prachtige gansch ongewone vertooningen, waarvan ze mede toeschouwsters zjjn; men heeft haar behoorlijke zitplaatsen aangewezen; op den trouwdag hebben zjj ook toegang gehad tot de kerk waar het vorstelijk huwelijk werd gesloten; dat was zeker veel, maar toch, zjj hadden van eene âzonderling liberale bruiloftquot; hooren spreken, en nu, te harent was er geen bruiloft, ook de geringste niet, waarop niet druk werd gegeten en gedronken. Wie dan al niet genoodigd was om bjj het eigenlijke bruiloftsmaal te assisteeren, werd toch schadeloos gesteld door âeen koud maalquot; op den avond, of een degelijk vroegstuk; maar ziet, hare mannen en vaders waren wel bjj het Hoog Grafelijk paar toegelaten om de geschenken aan te bicden, die de krachten van de respectieve collegiën bijkans te boven gingen, maar die zelfs hadden er nat noch droog genoten, en zij zelve zaten hier nu al uren lang in de gure Maartsche lucht, zonderdat er aan gedacht werd haar eenige ververschingen toe te dienen, terwijl zjj toch ver-
95
nomen hadden, dat er door den magistraat een collation was toebereid voor het jonge paar en de voorname gasten! Zie! dat vonden de goede Beierlandsters, in haar dorpschen eenvoud en guldheid, in 't geheel niet liberaal, en zij voor zich hadden dan liever wat minder hoofdsche pracht en wat meer vrijgevige voorzorgen gezien. Zjj waren toch van zooverre gekomen; zij hadden haar allerbest pronkgewaad aangetogen, in 't vooruitzicht, dat ze toch voor 't minst in het Hof van St. Aagten een rondedansken meê zouden doen; maar er was geene kans dat de hofpoort zich voor haar zoude openen: â zij die zich er op gespitst hadden, om de âhuizinge van den Prins te zien! om de spijszaal te betreden, waar de oude Prins voor het laatst had aangezeten, en met huiverlijk ontzag op de plek te staren, waar zijn doorluchtig bloed gevloeid, waar de laatste zucht van den veegen vader des Vaderlands voor zijn volk was gehoord! - niets van dat alles zou haar te beurt vallen.
In gewone tjjden zou het Prinsenhof niet zoo ontoegankelijk zijn geweest, of met een goed woord aan den hofmeester en eene fooi aan den portier hadden vreemdelingen er wel een kjjkje van mogen nemen; maar juist nu, met de feestelijkheden, was het, behalve door den Stadhouder en zijn hofgezin, over en over bezet met al de vorstelijke personen en hooge verwanten uit den vreemde, en strenge maatregelen waren er genomen, om niet dan de gerechtigden toe te laten.
Die teleurstelling, door de goede Beierlandsters bitterlijk gevoeld, was niet geschikt om haar bijzonder ontvankelijk te maken voor die genietingen, welke onder haar bereik waren gesteld, zooals het bij de menschen meer gaat, dat men zich het genot bederft dat voor ons ligt, om te haken naar hetgeen niet is te bereiken.
âNeen, ik kan dat kwasi-vechten nu juist zoo aardig niet vinden,quot; sprak een harer, een frissche, forsche schoone met
96
helder glinsterende oogen, van eene levendigheid getuigende, die zich moeielijk kon voegen naar dat zitten wachten en toekijken bjj eene vertooning, waarvan zij het fijne toch eigenlijk niet kon vatten.
âDat stem ik je toe Merregjen, dan zie ik liever het ringrij-den bij ons, of liet katknuppelen op kennis, daarop volgt ten minste nog een patertje in de herberg!quot;
âEn als hot morgen niet mooier is, dan mogen zij mijnentwege hun tournooi thuishouden; ik wil er niet weêr zoo lang om zitten kou en dorst lijden.quot;
âNu, morgen zal 't al bijzonder fraai zijn, naar ik hoor zeggen. Een gemaskerde ommegank, en daarna een luisterrijk eombatement, waaraan de voornaamste hoeren, ridders, kapitei-nen en kolonellen zullen deelnemen, in vollen ridderlijken dosch, en gemaskerd!quot;
âGemaskerd!quot; herhaalde Merregjen, âdan kan jo immers niet eens zien wie het zijn, en dan kunnen die groote sinjeurs hun knechts wel laten vechten in hunne plaats.quot;
âWel dat's nou een inval,quot; vermaande de echtgenoot zjjn kregel vrouwtje. â Jo vergeet, dat ton slotte liet vizier toch moet worden opgelicht, waar do overwinnaar wel niet tegen zal hebben. Kom wijfje, je moet niet zoo kitteloorig wezen; bedenk dat er hier luiden zijn, die groot geld voor hunne plaatsen hebben betaald, en die niet half zoo goed zitten noch zoo goed zien kunnen als wij. Hebben wij niet den lieelen morgen al die hoeren en grooten, benevens de edele dames, zoo goed kunnen bekijken of we in haar gezelschap waren; hebben wij niet een vrij oog op den Prins en zijn prinselijken broeder op zulke wijze, dat zjj goene beweging kunnen maken die wij niet opmerken ?quot;
âWaarheid is, dat ik zijne prinselijke Excellentie daareven heb zien lachen!quot;
âNu ziet doch ! en als je dat later op 't eiland komt 'oe ver-
97
tellen, mitsgaders van al die staatsie die we hier zien, en van de bruid in haar hoogtijdsdos, me dunkt, dan zal je niet klagen, vrouwlief, de reis naar Delft vergeefs te hebben gemaakt.quot;
âDat zeg ik ook niet; ik zeg alleen maar, dat er hier sim-pellijk voor der oogen lust wordt gezorgd, en dat 't geen men te onzent eene âliberale bruiloftquot;' heet, heel wat anders te be-teekenen heeft. Heer! wat een hammen en tulbanden en eierkoeken met spek worden er bij ons reê gezet, als men bruiloft zal houden, om niet te spreken van al 't zuiverlijke tarwebrood, benevens zoetemelksche kaas en boter!''
âWijf! je doet me watertanden, en nog spreek je niet eens van de tonnen oud Delftseh en, voor de fijne lekkerbekken, van de zoete Spaansche en Rijnsche bleeker, al was 't maar bij kannen,quot; sprak de man met eene geestdrift, door de behoefte van quot;t oogenblik geprikkeld.
âEn dan is quot;t bij ons maar: val in en val aan, al was je wild vreemd.
âMaar vrouw, reken eens uit wat een luiden hier samenzijn. Zoo de gravin die allen naar haar staat traeteeren en te maaltijd nooden moest, mocht ze de schatkist van den koning van Spanje wel hebben en nog ....quot;
âEn wij weten dat de schatkist van de gravin in een klein hoekje kan staan; ja, ik meen onze geldtade zou er toereikend ruim voor wezen. Maar je ziet nu ook wel hoe dat bijkomt: die voorname luiden moeten om heur rang en staat op te houden, zulk een sleep van bedienden in den kost nemen, en zulk eene staatsie voeren, dat ze meest de inkomsten aan heur lijf hebben hangen. Zie 'taan de bruid; heb je ooit zooveel juwee-len en kleinooden bijeengezien ?quot;
âGunst neen! voor dezen dacht ik niet dat er zooveel edele steenen en zulk rijk goud borduursel in de wereld waren, als ik onze vrij vrouwe daar zie dragen. Ik zou meenen, men kon een koninkrijk koopen voor zooveel schats als ze daar meêdraagt.quot;
Wouderdokter. I. 1
98
âZoo blijkt het klaarlijk, dat er ter andere zijde weêr wat uitgezuinigd moet worden; en daar men toch al die grooten en vorsten met hunne gezellinnen niet thuis kan laten, en ook dezen niet bekrompelijk kan onthalen, zoo moeten de kleine luiden, zooals wij, het ontgelden.quot;
âZoo zal 'tzijn!quot; zuchtte het vrouwken, meer overtuigd dan voldaan; âen nog,quot; voegde zij er bij, âzou ik, in quot;t geval dei-gravin wezende, liever wat juweelen minder aan mijn kleed hebben gehecht, en wat meer mildheid en ruimte hebben geoefend jegens de genoode gasten.quot;
Dat zij tot de genoode gasten behoorden, en in die qualiteit een recht hadden gehad op het bruiloftsmaal, was een idee fixe, dat er bij de goede Beierlandsche maar niet uit wilde.
âKom wijfje, wij hebben door Gods zegen zelf genoeg, om straks na 't afloopen van de spelen ons te goed te doen, en ik meen, er zijn tot Delft bekwame herbergen en brouwerijen, waar men voor zijn geld al het noodige kan krijgen,quot; besliste de man, toen zijne dochter op eens uitviel:
âMaar vader, heb je niet gezegd, dat wij graaf Willem Lo-dewijk van Nassau ook zouden zien, dien heb je mij nog niet gewezen, jij kent hem toch?quot;
âJa! maar ik zie hem niet onder de heeren en oversten,, waar hij naar zijn rang zou moeten zitten. Denkelijk zal de stadhouder van Friesland al te noodig zijn in zijn gouvernement, en 't is ook een kwaad eindje reis, uit Leeuwarden naar Delft,, zoo maar de zee over in 't barre stormachtige vroegjaar!quot;
Die verklaring was zeker niet al te gezocht; maar de wakkere stadhouder van Friesland had de gewoonte, om bij mindere aangelegenheid dan deze naar Holland te komen, en dan geenszins een kwade zeereis te ontzien; dus was het werkelijk bevreemdend, dat hij deze aanleiding niet te baat nam, om met zijn neef Maurits en de Heeren Staten te aboucheeren, en wenken te geven, die niet zelden werden opgevolgd, en waarvan
99
liet gemeene Vaderland de goede vruchten oogstte. En zoo do gelegenheid, om met zooveel vreemde vorsten, zooveel leden van zijn huis, zooveel invloedrijke mannen uit de Generale en Bijzondere Staten tegelijk samen te zijn, om met hen op een ge-makkelijken en gemeenzamen voet, als zonder opzet, in 't offi-tieuse, over allerlei zaken te spreken, in dezen niet door hem werd gebruikt, moest het zijn, dat er voor hem eene gewichtige reden bestond om terug te blijven. Uit kieschheid onthield lijj zich ditmaal. Er was namelijk een oogenblik sprake geweest van eene echtverbintenis tusschen hem zeiven en de gravin Sabina. Mogelijk zijn wij later in de gelegenheid om uit te vinden, waarom dit paar elkaar niet leek, en wat hen scheidde. Voor 't oogenblik is het genoeg te weten, dat Maurits zelf met die verbintenis ingenomen was geweest, en indertijd de gravin op haar slot te Oud-Beierland had bezocht, om er over te onderhandelen. Toch was hot afgesprongen, hoewel men geloofde, dat de jonkvrouw, zelve fier van aard, de voorkeur zou gegeven hebben aan een heer uit het Huis van Nassau, boven een kleinen Duitschcn graaf; hetgeen ons versterkt in 't gevoelen, dat het bruiloftsfeest aan uiterlijke praal moest vergoeden, wat een stille, innerlijke voldoening bij de verbintenis ontbrak.
Intusschen was het ridderlijk kampspel geëindigd, en bij hetgeen nu volgen moest, ringsteken, mastklinimen en derge-Ijjke, als napret voor het volk, achtte het bruidspaar zich niet gehouden tegenwoordig te zijn. liet had zich nu lang genoeg vertoond, om aller nieuwsgierigheid bevredigd te achten, en met minzame groeten en statelijke buigingen nam liet zijn afscheid, zoowel van den Magistraat als van de omringende toeschouwers. De vreemde heeren en edelvrouwen volgden onmiddellijk, evenzeer verlangende naar rust en verversching. Maar Prins Maurits en zijn jeugdige broeder bleven, belust op de kluchtige tooneelen, die nu het ridderlijk spiegelgevecht gingen vervangen. Het meerendeel der Nederlandsche krijgsover-
100
sten en edellieden bleef den Stadhouder omringen, hetzij omdat hun plicht het gebood, als behoorende tot zijn staf ot zijn huis, ot wel, omdat zjj bij dezen hun hof wilden maken, of zeiven vermaak schepten in de volkspret. Ken onder allen echter, dezelfde die als overwinnaar het krijtperk had verlaten, en tegen wien luitenant Juliaan iets op het hart scheen te hebben, toonde niet onduidelijk, dat de liefhebberij van den Prins de zijne niet was, al bleef hij het schouwspel meê bijwonen uit courtoisie. Toen het bruidspaar aitrok met jonkvrouw Francois en de speelnooten, wierp hij een blik van leedwezen en benijding op de gelukkige cavaliers, die het recht hadden haar te geleiden en te volgen, en al achtte hij zich zelf door overwegingen van plicht of belang gebonden den Stadhouder bij te blijven, toch deed hij nog eene poging om dezen van zijn voornemen af te brengen.
âUwe Prinselijke Excellentie zal hot gepeupel bederven,quot; sprak hij, met een mengeling van vleierij en bitterheid, âdoor het dus lang het voorrecht te laten genieten van uwe tegenwoordigheid, en door zooveel belangstelling te toonen in de pret van quot;t gemeen.quot;
âBaron!quot; gaf Maurits ten antwoord meteen wenkbrauwfronsen, âgij zijt vrij te gaan en de jufferen te volgen; wat mij betrelt, ik voel mij thuis onder de goede Delftsche burgerij, en ik vermaak mij met hunne ongekunstelde vroolijkheid; maar neem van mij eene waarschuwing aan, zoo gij u hier te lande wilt ophouden, en u wel bevinden: hetgeen men ten uwent het gemeen schijnt te noemen, heet hier bij ons de gemeente, en wil niet als een hoop gepeupel worden geconsidereerd noch bejegend.quot;
De Baron boog zich en knabbelde op zijn mutstatsen, of hij een onvoorzichtig antwoord verbeet; maar hij bleek niet genoeg hoveling om zjjn misnoegen geheel te bekampen, en de ergernis en verveling met gelijkmoedigheid te dragen. Hij wendde het schouwspel voortdurend den rug toe, en gaf teekenen van minachting, bij het gierend gelach en het daverend
101
handgeklap, dat van rondom uit de schare opging, bij de wanhopige pogingen der vermetele mastklimmers, om het onbereikbaar zakmes, of de begeerljjke rookworsten te grijpen, die zoovelen ten oorzaak werden van een diepen val.
Behoeven wij te zeggen, dat onze Oud-Beierlanders, die in confeeientie gemeend hadden te moeten blijven, voor die getrouwheid beloond werden, door het genot dat de volksspelen hun gaven, en dat het luid gejubel en de grappige vertooningen hen schadeloos stelden voor de verveling, bij het steek-spel ondergaan ? Maar dies ondanks waren ook zjj afgetrokken, toen de tribunes en zitplaatsen hoe langer hoe lediger werden, ondanks de tegenwoordigheid van den Prins. Ten laatste besloot ook deze zelf te gaan, en nadat hij zich over de tribune had heengebogen, om de menigte minzaam te groeten tot een vaarwel, nam hij Hendrik Frederik bij de hand en trok af, begeleid door het luid en vrooljjk jubelgeroep uit duizenden monden:
âHoezee! leve de stadhouder!quot;
âLeve de Prins! Prins Mourinck leve!quot;
Toch was er iemand, die, al had hij mede de muts gezwaaid ten teeken van instemming, toch niet met het hart in die heilwensehen deelde. Het was die boersch gekleede man, die zich nu eens onder de soldaten, dan weêr onder de burgers had gemengd, zonder ergens in zjjn doel tot ophitsing te kunnen slagen.
Toen Maurits over de balustrade heenboog, verbleekte zijn gelaat van verbeten grimmigheid, en bromde hij tusschen de tanden: âDaar gaat hij heen, ongedeerd en toegejuicht, welk eene occasie verloren!quot;
|
jlldüljiilljiilï |
lüll | | ||
|
raiiieiair |
HOOFDSTUK 111.
Laat ons naar jonker Juliaan omzien, die door den vreemdeling was meegetroond, veel verder zeker dan liij zelt voornemens was geweest te gaan, tot buiten de Haagsche of zoogenaamde Nootdorper poort. Hier vonden zij een boerenwagen, kennelijk op hen wachtende; want de voerman lichtte oven zijne ronde lakenschcn muts, toen hij den vreemdeling zag, en, als bij zwijgende afspraak, bond hij terstond zijn paard los, dat met den toom aan een hoorn was vastgehecht, terwijl hij zelf, om de verkleuming van de Maartsche lucht te verdrijven, heen en weer had geloopen, de armen over do borst slaande, om het bloed in beweging te houden. De vreemde noodde Juliaan om op te stappen, en toon deze een oogenblik aarzelde, sprak hij lachend: âGij hebt aangenomen het middagmaal met mij te gebruiken; zoo dient go toch mee te rijden naar de boerderij waar het ons wacht. Een klein half uurtje buiten Delft, is 't niet zoo voerman?quot;
âEen straf half uurtje,quot; verbeterde deze kortaf, en logde de zweep over zijn paard.
Juliaan had er eigenlijk niets tegen om meê te rjjden, al vond hij het avontuur wat zonderling, en den vreemdeling wat opdringend. Een stevig middagmaal, zooals dat zich in eene boerderij verwachten liet, was hem in den laatsten tijd maar al te zeldzaam tebeurtgevallen. Voor afzetterij had hij niet te
103
yree/.en, omdat hij niets had te verliezen; eenc bijzonderheid waarvan zijn metgezel was ingelicht. En persoonlijk gevaar?... Wat had hjj te duchten met zijn degen op zijde ? Daarbij welke ook de gebreken van Juli aan mochten zijn, gebrek aan moed en kleingeestige schroom tegen het ongewone behoorden daartoe niet.
âMijne handelwijze komt u wellicht wat singulier en wat suspect voor,quot; begon de vreemde, nadat zij naast elkander op de harde wagenbank hadden plaats genomen,
âï«iet alledaagsch, dat is waar; want het is mij zelden gebeurd, dat wild vreemden zich bemoeiden mij uit ongelegenheid te helpen, uit pure goedwilligheid en zonder eigenbelang.quot;
âVan dat laatste kunt gij nog zoo zeker niet zijn.quot;
âOok sprak ik het uit, om te vernemen hoe het hiermee staat bij u.quot;
âNu, ik wil open met u zijn. Ik heb er mijne wichtige redenen voor, en ik wensch dat de u verleende hulp mij ten goede zal komen.quot;
âWaarin kan ik u van dienst zijn? Gij weet ik bezit niets dan mijn degen.quot;
âGansch geen verachtelijk instrument, en een kapitaal, dat in uwe hand goede rente moet opleveren.quot;
âDit is ironie, bij de conditie waarin gij mij ziet.quot;
âHm! eene toevalligheid! Met een omzwaai der fortuin zijt gij er weer boven op, en in tijden van oorlog als deze, is een goed officier zijn wicht in goud waard.quot;
âWaaruit onderstelt gjj dat ik een goed officier zoude zijn? Gij kent mij niet.quot;
âMogelijk beter dan gij meent; ik heb u lang reeds geobserveerd, en weet onder anderen, dat gij u promptelijk door uwe soldaten weet te doen gehoorzamen.quot;
âIk ben op dat punt minder voldaan dan gij; er hapert wel eens iets aan de subordinatie,quot; zei Juliaan lachende; âmaar toch.... ja, de omstandigheden waarin ik verkeer tegenover hen in aanmerking genomen, kon het erger zijn.quot;
104
âHoe sterk in getal is uw vendel, â ik meen niet op de monsterrol.... maar in de werkelijkheid, op dit oogenblik?quot;
âMijn vendel? Gjj zegt dat gij een en ander van mij weet; mij dunkt, dit zoudt ge dan toch weten, dat ik geen vendel heb. Ik ben hier met eenige soldeniers, de rest van eene gecasseerde compagnie, die zich aan mijne goede of kwade fortuin verbonden hebben, en hun best doen om mij en zich zeiven in 't leven te houden, in afwachting van betere dagen.quot;'
âHoe sterk is deze manschap nu?quot;
âZijt gij monster-commissaris of werf-officier, dat gij mij dus uitvraagt?quot;'
âHoe komt gij op die gedachte. Gij ziet dat ik een heere-boer ben...
âIk zie dat gij u in het gewaad van een huisman hebt gestoken ; maar zoo gij mij niet voor een uilskuiken houdt, kunt gij toch wel raden, dat ik u terstond voor heel wat anders heb aangezien.quot;
âTerstond?quot; hernam de vreemde glimlachend, âdat zou weinig eere doen aan mijne kunst van vermommen.quot;
âWel niet bij den eersten aanblik, dat stem ik toe; maa.r toch .... zoo haast wij buiten 't volksgedrang waren, kwam er zulke verandering in uw toon van spreken, in uwe houding, in uw gang, in dien laatsten vooral, dat het bij mij niet meer twijfelachtig is, of, gij zijt een krijgsman, een officier van rang-uit den vreemde!quot;
âZóó juist een blik verdient, dat ik fu de voldoening schenk van uwe gissing bewaarheid te zien,quot; hernam de vreemdeling, zijn groven lakenschen hoed afnemende, en tegelijk de op zijn boersch gefatsoeneerde pruik, waarvan de roodachtige haren hem tot op de wenkbrauwen hingen, even oplichtende. Het korte, bruine, met zorg afgesneden haar, zooals edelen en krijgslieden het toenmaals droegen, bevestigde die verzekering, door de fijne, schrandere gelaatstrekken niet tegengesproken.
105
âUw naam dan?quot; vroeg Juliaan met zekere levendigheid.
âWaartoe een naam? Gij kent den mijnen toch niet; heb ik u den uwen gevraagd? Later zal het blijken, of nadere bekendheid tusschen u en m.'j ons dienstig zal zijn. Tot zoolang zal het u toeh wel onverschillig wezen, of ik Peter of Paulus heet.quot;
âZoo zal ik u Hopman Peter noemen,quot; hernam Juliaan glimlachend.
âIk heb er vrede meê; doch waarom Peter ?quot;
âDat :s een naam die nogal gangbaar is onder de Duitschers, en bij al uw goeden wil om ons Neêrduitsch te spreken, doet uw tongslag mij telkens op een Zuidduitscher denken.quot;
âBravo! geraden! ik ben een Beiersman, iemand van zulke scherpzinnigheid heb ik juist noodig.... luitenant.... N. N. Hoe wilt ge dat ik u zal noemen ?quot;
âJuliaan,quot; vulde deze aan, âdat's mijn doopnaam.quot;
âGij hebt er geen familienaam bij te voegen?quot; vroeg de Hopman, hem uitvorschend aanziende.
âAls gjj zelf, heb ik mij het recht voorbehouden op die vraag niet te antwoorden, voordat wij beter kennis hebben gemaakt.quot;
âIk erken dat recht, en toch ben ik verplicht u nog eenige vragen te doen, die u mogelijk onbescheiden of nutteloos zullen voorkomen, eer ik ter zake kom.quot;
âVraag naar hartelust, mits gij mij de vrijheid gunt om te zwijgen, waar 't antwoorden mij niet gelegen komt.quot;
âDat spreekt vanzelf; mijnerzijds beding ik, dat hetgeen gij antwoordt naar waarheid zal zijn ; het zou u noch mij verder brengen, zoo wij elkaar met verdichtselen gingen paaien. Dit vastgesteld zijnde, zou ik allereerst willen weten, of gij meent goede kans te hebben, om welhaast in uw vorigen rang te worden aangesteld ?quot;
âVoorwaar neen! die kans heb ik niet.... waartoe het u verheeld. Ik zou te Delft dezer dagen relatiën hebben, protectiën kunnen vinden, zoo ik geld of krediet bezat om mij naar mijn
106
stand uit te rusten; maar, bij mangel daarvan, ben ik te fier om mij in deze bedelaarsgestalte â hij wierp een droeven blik vol bitterheid op zijne verkleurde en versleten plunje â aan te melden bij dezulken, die mij in beteren staat hebben gekend!quot;
âDat zou ik u ook ontraden. Gij zoudt gevaar loopen met minachting bejegend te worden, of â wat nog harder zou zijn â met een aalmoes afgewezen.quot;
âGij kent de menschen. Dat is juist wat ik ducht; ik vind er niets in, op de.... industrie mijner soldaten te teren, tot ik hen zelf paye kan geven; maar.... de hand uit te strekken naar de gift van trotsche verwanten
âDat vermoogt gij niet, ik versta u: gij zijt van hen, die zich liever buit veroveren met den degen in de vuist.quot;
âZoo is het.quot;
âBij dezen stand van zaken mogen wij dus uwe herstelling in uw rang hoogst onwaarschijnlijk achten.quot;
Juliaan knikte toestemmend en zuchtte diep. âTe meer,quot; hernam hij âomdat er antecedenten zijn, die.... hier maar bekend behoeven te worden om .... om .. . .quot; zjjne stem haperde en hij werd bloedrood.
âOm u voor den krijgsraad te brengen? viel de Hopman in, hem uitvorschend aanziende.
âDat niet meer!'' riep Juliaan gulgauw, en met meer bitterheid dan schaamte; âik heb een vonnis van den krijgsraad te mijnen laste.quot;
De Hopman slaakte een kreet, waarvan het onzeker is, of er deernis met den berooiden luitenant, dan wel zekere voldoening voor zich zei ven door uitgedrukt werd.
âNiet altijd is schuldig, wie door strenge of partijdige rechters is veroordeeld,quot; hervatte hij, deelnemend en vergoêlijkend.
âMaar ik was schuldig,quot; bekende Juliaan meer oprecht dan voorzichtig. Naar de strenge krijgswet zooals zij daar lag althans.
107
Ik was jong, vurig van aard, kon mij niet inbinden waar ik getergd werd, vooral dan niet als het point-d'honneur werd geraakt.... en.... en____gij zijt zelf Hopman, mijnheer, en weet
dus hoe licht een superieur zijn mindere tot datgene kan uitlokken wat men .... insubordinatie noemt, vooral dan, als hij er zijn toeleg van maakt dien in 't verderf te brengen.quot;
âIk weet, dat er ongelukkiglijk hardheid en willekeur wordt gepleegd, onder schijn van strenge tucht: ik weet dat er oversten zijn, die hunne jonge officieren tot het uiterste brengen____en
als dan de boog, te strak gespannen, breekt, onderzoekt de krijgsraad alleen scherpelijk naar de uiterlijke feiten, zonder zich te bekommeren om de innerlijke aanleiding, waaruit zjj zijn ontstaan.quot;
âZoo is quot;tjuist het geval geweest bjj mij. Mijn Hopman was een overmoedige avonturier van lage afkomst. Ik droeg het hart hoog en kon noode aanmatiging en vexatie verduren van de zijde eens linkers, die niet eens zjjn naam kon schrjjven, en die alleen aan eene gelukkige oorlogskans zijn rang had te danken. Zoo geviel het, dat ik op zekeren dag, mij door hem beleedigd achtende, satisfactie vroeg en hem uitdaagde ....quot;
âEn hij .... deed u den kwaden dienst, die uitdaging aan te nemen ?quot;
âErger! hij weigerde die, en tergde mij daardoor tot de uiterste woede, op zulke wijze, dat ik hem door stompen en vuistslagen vernederde, om hem te dwingen den degen te trekken, dien hij niet tegen den mijnen wilde meten. Het gevolg daarvan was, dat het tweegevecht, waartoe hij nu gedwongen was, later niet meer geconsidereerd werd als een duel, maar . ... als eeu manslag; want hij werd zoo ernstig gewond, dat er de dood na volgde; gespaard heb ik hem niet, dat moet ik erkennen ; maar toch, de gelegenheid om zich te verdedigen en mij zelf te treffen, is hem ruimschoots gelaten. God gave, dat hij van die laatste gebruik had gemaakt, er zou dan een ellendige minder in de wereld zijn!quot;
108
âIk versta al de desperatie van die klacht, en ik onderstel, dat uwe rampspoeden van toen aan dagteekenen . ..
âLaas, helaas! die zijn al van vrij vroegeren datum,quot; hernam Juliaan, met een pijnlijken glimlach; âdoch, laten we ter zijde wat zoo ver achter ligt. Gij begrijpt, dat de uitspraak van den krijgsraad niet zacht kon zijn. Ook ontkwam ik de smadelijke doodstraf alleen ... .quot;
âBij desertie ?quot; vroeg de Hopman levendig.
âNeen bij gratie! die mijne moeder, mijne innig geliefde moeder, in hare onverstoorbare teederheid voor mij, afsmeekte van den Prins;quot; er trilden tranen in zijne stem, toen hij die laatste woorden uitsprak.
âVan den Prins, gij dankt dus uw leven aan Maurits ?quot;
âNeen, neen! aan de genade van zijn vader, het was in t jaar 79 ik was toen twee en twintig jaar oud, en had al van mjjn zestiende als vaandrig aan Staatsche zijde gediend. Ik zou de beste kans gehad hebben op eene schitterende loopbaan, indien niet...
âDat ongelukkige duel tusschenbeide gekomen ware Yquot; sprak de Hopman vragenderwijs.
âNeen, de voorspraak niijner moeder en harer relatiën was niet ten halve geweest. Hie misstap mijner jonkheid had mij niet het uitzicht op eene betere toekomst voor altijd verduisterd. Ik werd voor een tijdlang buitenslands gezonden, en daarna in mijn vroegeren rang geplaatst bij een ander vendel in eene andere provincie. Ouder en wijzer geworden, wist ik mij beter in te binden, trof het ook minder slecht met mijn overste, en zou welhaast als hopman met eene compagnie zijn voorzien geworden, zoo ik niet een verwenscht ongeluks-kind ware, wien a'les tegenloopt.quot;
âDaar is nog niets van te zeggen; mij dunkt dat gij juist van groot geluk moogt spreken, sinds gij van een jeugdigen misstap als de uwe zoo goed zijt afgekomen; een ander had wis den strop gekregen.. .. maar.... de zoon van een vliesridder mag
109
een potje breken, niet waar?quot; en de hopman zag hem strak en uitvorschend in de oogen.
Juliaan kleurde sterk, maar hernam met zekere heftigheid: âIk ben niet de zoon vat» een vliesridder; wel is mijn vader een van de edelen die het verbond meê heeft geteekend, maar hij is sinds van partij veranderd, en ik - - ben niets meer voor hem, hij â niets meer voor mij! Hij heeft mij zelfs het recht ontnomen zijn naam te dragen; hjj heeft zich een zoon gekozen naar zijn hart, naar zijn beeld, die heeft hij in mijne plaats gesehoven, en de verstooteling is de wijde wereld ingegaan, beladen met zijn vloek, die hem eeuwiglijk zal vervolgen.quot;
âBijgeloof, mijn waarde luitenant, bijgeloof! Als men kloekheid genoeg heeft, om met het dusgenaamde noodlot te worstelen, en niet verzuimt, met rappe en vaste hand de gelegenheid aan te grijpen, op het oogenblik zelf dat de fortuin ons die voorhoudt, dan kan men veilig spotten met dit vooroordeel van vloek, en kwaad gesternte. ...quot;
âNeen, neen!quot; viel Juliaan in, op diep moedeloozen toon, âik weet het beter bij ervaring; ik weet dat er is, wat men niet door stoutheid noch behendigheid kan overwinnen; en al is die vadervloek, die op mijn hoofd rust, een onrechtvaardig vonnis, toch moet het van kracht zijn over mij, want ik heb mijne moeder, mijne edele, waardige moeder in mijn val meêgesleept, en er is voor mij geen zegen van den Hemel te wachten.quot;
âAls gij er zoo over denkt, verkoop u dan aan den duivel, en zoo duur als gij kunt,quot; viel de hopman in, met een lach die wel wat sarcastisch klonk.
âMogelijk ben ik op weg met dien handel,quot; hernam Juliaan koel, en hem scherp en stout onder de oogen ziende.
âMits ge u maar niet door kinderachtige weekhartigheid laat vervoeren om een goeden koop af te wijzen,quot; hernam de hopman gevat.
âIk! ik zie wel dat gij mij nog heel weinig kent; ik heb al
110
een verren, verren omweg gemaakt, sinds ik aan moeders schoot stond om haar uit den Bijbel te hoeren voorlezen----quot;
Uit den Bijbel!quot; herhaalde de hopman met zekere ironie. âWel nu, ja! zoo moest het ook zijn; ge zijt toch immers goed Geus gebleven?quot; eindigde hij op schijnbaar goedmoedigen toon.
âHm! ik maal niet veel om de religie, dat's maar ballast op mijn weg. \Vaai'li(:iid is, dat ik in do lioomsclie keik bon opgevoed, schoon mijne moeder mij wel eens ter sluik ter preek bracht, en sinds, ja, sinds heb ik de papen en de Roomsche mis in afschuw gehouden, zonder mij aan de domine's en hunne sermoenen veel gelegen te laten liggen.
âZoo behoort het ook voor een vrij man; predikanten en priesters zijn al één, hebben te zamen een gelijk doel, to heer-schen over de gemoederen, en een zelfde instrument om hequot; te bereiken; de eersten noemen het: âGods woord,quot; de anderen âde Kerk.quot; quot;
âDafs mij om 'teven; ik begin te verlangen om te weten wat gij mij eigenlijk hebt voor te stellen, hernam Juliaan wat geprikkeld, daar liij zag dat de ander niet ter zake kwam.
âDan zou ik vooraf toch wel met eenige juistheid willen weten waartoe ik u zou kunnen gebruiken, en te dien einde zou het mij noodig zijn nog een en ander van uwe antecedenten te hooren.
âYan die welke mij dwongen buiten mijns vaders huis te quot;â aan zwerven?'' vroeg Juliaan met zekere aarzeling.
âNeen! dat zou ons te veel ophouden; ik meen die welke u gebracht hebben hier te Delit, in den staat waarin ik u nu vind.quot;
âWat zal ik u daarvan zeggen,quot; hernam Juliaan, even de schouders ophalende, âaltijd door mijn kwaad gesternte vervolgd, of gij er aan gelooft of niet. Ik zal niet beweien, dtit ik daarbij zonder schuld ben; ik weet het maar al te goed, ik heb mijne driften, mijne hebbelijkheden, mijne gebreken, die mij dikwerf in leed en last brachten, en mijne bevordering in
Ill
den weg stonden; maar toch, geluk had ik nooit. AVas ik bij een hopman die met mij tevreden scheen, dan raakte die in de klem tusschen den graaf van Leycester en den stadhouder Maurits, en de compagnie werd naar een achterhoek verlegd, uit vreeze dat de hopman verkeerde diensten zou doen. Eens was ik zeer naar mijn genoegen geplaatst bij de Engelsehen, die onder kapitein Morgan in Bergen-op-Zoom lagen, maar hij werd van zijn commando ontzet, en ik raakte dus weer aan zij. In 't kort, ik zwierf zoo wat om, van de eene provincie naar de andere, altijd maar voor korten tijd verbonden en meestal mijn afscheid krijgende of nemende, eer do termijn was verloopen, totdat mij laatstelijk een vendel Dnitsche en Friesche voetknechten werd toevertrouwd als plaatsvervangend hopman, daar de eigenlijke kapitein met een deel volks naar het Luxemburgsche was gezonden, om zich met den hertog van Bouillon te vereenigen. In deze conditie was ik zeer naar mijn zin, en ik mag met waarheid zeggen, dat ik het mijne deed ten beste der goede cause en om mijne oversten te voldoen. Ik zeg niet, dat ik mij van zekere kwade gewoonten gebeterd had, maar erger dan anderen was ik niet; en wat mijn dienst betrof en mijne zorg voor de compagnie, daarin failleerde ik niet. Ook meende ik ditmaal op den weg te zijn eener betere fortuin, en geloofde reeds dat mijn goede engel over mijn kwaden geest getriumfeerd had, toen ik vernam, dat de kapitein in quaestie in Spaansch-Braband gesneuveld was. Ik had grond tot de hoop dat ik in zijne plaats zou worden aangesteld, maar ik leerde 't wel anders, daar ik op eens, dat is nu omstreeks twee maanden geleden, zonder eenige fout begaan te hebben, willekeurig uit mijn rang werd ontzet. Ik mag zeggen onverdiend, en zonder dat ik tot hiertoe de oorzaak van deze cassatie heb kunnen raden.quot;
âDie werd u dan niet aangezegd na gewezen vonnis?quot;
âquot;t Is geschied ganschelijk zonder forme van proces; mij
112
quot;werd alleen mondeling door den maistre-de-camp aangekondigd, dat ik uit mijn dienst ontslagen was, en te zorgen had vóór zonsondergang buiten het leger te zijn, op strafte des doods zoo ik mij daar later nog kwam te vertoonen. Ik wilde in quot;t eerst aan zoo willekeurig en onrechtvaardig een order niet gehoorzamen. Ik eischte verklaring van deze handelwijs; ik beriep mij op de aanwezige officieren, of zij mij van eenigen misstap konden betichten, die zulke harde bejegening had verdiend. Vergeefs; zij die mij het meest genegen waren, rieden mij niet te dralen met mij weg te maketi, daar er een strenge dagorder tegen mjj was uitgevaardigd door den bevelvoerenden kolonel, die mijne apprehentie en parate executie voorschreef, voor t geval dat ik mij verzette, of na den gestelden termijn nog in den omtrek van het kamp werd aangetroffen. Een verrader en moordenaar kon niet in harder termen en met minder verschooning zijn verjaagd, schoon ik tot heden toe onbewust ben gebleven, waarom mij deze onwaardige bejegening is aangedaan. En toch, ik moest gehoorzamen... .quot;
âOp staanden voet, dat begrijp ik: maar waarom u later niet tot de hoogste militaire autoriteit gewend om herstelling van eer, om een geregeld proces althans.quot;
Juliaan zuchtte diep en antwoordde met gesmoorde stem en gebogen hoofd;
âJuist dat kon niet. Ik moest alle onderzoek naar mijne antecedenten schromen, en reeds bij het eerste verhoor zou het gebleken zijn, dat ik.... mij onder een valschen naam op de monsterrol had laten inschrijven!quot;'
âNu begrijp ik, dat onderzoek u niet dienen kon.'
âTe minder, omdat ik wel den naam kon opgeven waarop ik door mijne geboorte recht had, maar niet bij machte zou wezen mijne identiteit te bewijzen met den persoon die het recht had dien te voeren ; nijjn vader had mij dat recht ontzegd, en zou mij verloochend hebben, zoo ik mij op hem had beroepen, ik ben er zeker van. '
113
âEn uwe moeder?quot;
âGode zij dank, zij leeft niet meer om smart en schande met mij te dragen,quot; en de blik waarmede hij dit zeide, wierp een glimp van zielenadel over de verwoeste schoonheid van zijn gelaat; âde naam dien ik had aangenomen was de hare,quot; vervolgde Juliaan zacht en smartelijk, âen die mocht niet worden uitgesproken in een crimineel proces, al kon dat ook leiden tot mijne rechtvaardiging. Neen, ik moest zwijgend het hoofd buigen onder den wreeden slag.quot;
âWie kan u dien hebben toegebracht?quot;
âDe bevelvoerende kolonel had aan een vertrouwd vriend, die het mij overbracht, verteld, dat hij dus handelde op hoog bevel van den stadhouder!quot;
âMaurits?quot; en als een kreet van triomf klonk in den toon waarmeê de vraag werd gedaan.
âNeen, den stadhouder van Friesland en Groningen, in welke laatste provincie wij gelegerd waren.quot;
âWillem Lodewijk van Nassau, den neef van Maurits? die passeert immers voor een vroom, zachtmoedig en rechtvaardig heer ?quot; vroeg de hopman, niet zonder intentie om weêrspraak uit te lokken.
âIk heb ook nooit andere gedachten van hem gehad, totdat ik, tot mijne schade van het tegendeel bewijs heb gekregen.quot;
âMen zegt, dat Maurits van Nassau goede correspondentie houdt met zijn neef op het stuk der krijgszaken.quot;
âOp dit stuk en op alle anderen. Ik heb wel eens hooren zeggen, dat we hier eigenlijk van uit Friesland zouden geregeerd worden; als Mr. Jan van Oldenbarneveld er niet ware....quot;
âHoe kunt gij dan nog eenige hoop koesteren om hier in Holland eene aanstelling te bekomen ?quot;
âIk heb niet gezegd dat ik deze hoop voedde.quot;
âZoo gij voornemens zijt in 't buitenland dienst te nemen, waarom de occasie dan niet eerder aangegrepen ?quot;
âGij meent dat ik wel tot den Spagnool had kunnen over-
Wonderdokter, I. 8
114
loopen! Dat's mijne intentie niet. Gij wilt weten waarom ik mij hier bevind. Dat zal ik u zeggen. Met die statelijke bruiloft zijn hier menigte van vreemde vorsten en krijgsoversten bijeen, bondgenooten der Geünieerde Provinciën, of voor 't minst met deze bevriend. Ook zij hebben krijgsvolk van noode in deze zware oorlogstijden. Licht dat er onder die allen één is, die mij in zijn dienst wil nemen zonder al te scherpe navraag, te eer daar ik een twintigtal kloeke en in den oorlog ervaren mannen met mij breng.quot;
âIk ben quot;t met u eens; zulk een krijgsoverste zal zich wel voor u opdoen.quot;
âDaarom wilde ik met mijne aanbieding wachten tot de heeren op 't scheiden staan, en geen tijd of occasie meer hebben om zich met elkaar te bespreken. ... vooral hoop ik dat Maurits niet van de laatsten zal zijn om weg te trekken.quot;
âJa, juist! Maurits moet eerst uit den weg zijn,quot; stemde Hopman Peter toe, met een lach of hij eene aardigheid wi.de zeggen; maar die aardigheid was niet slechts dubbelzinnig, zjj was boosaardig. Juliaan merkte dat echter niet op, maar vervolgde, met zekere bedoeling: âwas ik nu maar niet in zoo'n uiterste verlegenheid om geld. Zoo ik mij niet voegzaam als een edelman vertoonen kan, zal niemand mij nemen, niemand mij vertrouwen; was er slechts een enkele vriend, die mjj het noodige daartoe zou willen voorschieten . ...quot;
Er was eene aarzeling in de stem, een vraag in den blik, die door den hopman of niet verstaan, of met opzet onbeantwoord werd gelaten, toen hij sprak: âHet zou toch jammer zijn, dat een man van uwe ervaring en bekwaamheid om zulke bijoorzaak werkeloos bleef.quot;
âEn toch begin ik te vreezen, dat het er zoo meê gaan zal!quot; hernam Juliaan mismoedig. âTe eer daar mijne manschap al meer en meer verloopt. Verbeeld u, toen ik de Groninger Ommelanden verliet, voegden zich van eene gecasseerde com-
115
pagnie ruim dertig man bij mij; met dezen trok ik Gelderland door, en ons getal klom tot vijftig, daar vele rondzwervende soldaten zich bij ons aansloten, die, eenzaam dolende, om brood liepen te bedelen, dat zij niet vonden.quot;
âEn hoe vondt gij dan den kost voor vijftig?quot; vroeg de hopman in de uiterste verbazing.
âDat zal ik u zeggen. Er is eene ordonnantie, waarbij de plattelandsbewoners en de magistraat der kleine steden verplicht zijn, soldeniers, die ten getale van veertig of vijftig en tot dertig toe, onder aanvoering van een officier, zelfs van een cornet of vendeldrager, hun dorps- of stadsgebied doortrekken, te huisvesten en den kost te geven, voor den tijd dien zij verplicht zjjn zich daar op te houden. Maar zonder opzicht ronddolend volk, beneden dat getal behoeven zij van niets te voorzien; zo hebben zelfs het recht zich tegen hen te verzetten, als zij zich met geweld opdringen. Dit is zoo gepraktizeerd, om de weg-loopers en weggejaagden xiit het vendel niet tot last te doen komen van de gemeenten, terwijl doortrekkend volk van oorlog moet worden verzorgd. Bijgevolg hebben soldaten, die zich kunnen vereenigen onder 't bevel van een luitenant een groot voorrecht: ze worden dan niet als schooiers aangezien en verjaagd, maar integendeel heuschelijk ontvangen, mits hun aanvoerder voor goede discipline zorgt en het stelen en molesteeren verbiedt. Daarbij, al zou er wantrouwen en kwaadwilligheid bij de boeren zijn. hun getal boezemt eerbied in, en zij worden voorzien van al het noodige. Zoo trokken wij de Oeldersche kwartieren door; maar op Utrechtsch gebied aangekomen, vernamen wij, dat er monstering zou gehouden worden over het volk van overste van Dorp, en ziet, niet minder dan vijftien mijner soldeniers verlieten mij, om als passe-volants de leemten van de compagnieën aan te vullen.quot;
âDomkoppen, die zich aan de galg waagden om eenige stuivers te verdienen,quot; viel de hopman in, die daarmee bewees.
116
dat hij met do boteekenis van den krijgsterm bekend was.
âWat zal ik u zeggen,quot; hernam Juliaan, âzulke lieden zien gemeen!jjk op niets dan op hot voordeel van 't oogenblik; daarbij gebeurt hot wel eens, dat ze den strop ontkomen, zelfs bjj ontdekking, en dat zo in dienst worden gehouden, als het goede, geoefende soldaten zjjn. Anderen verloor ik, omdat ze een ambacht kenden, en gelegenheid vonden zich te plaatsen in eene dor kleine steden die wij doortrokken; sommigen bleven op do boerenhofsteden voor noodhulp, omdat er, bij do schaarschte van jongelui in den lande, gebrek aan arbeiders was; een enkele zelfs vond eene vrouw, die een kloeken boschormor wouschte, en niet tegen zoo'n portuur opzag. Met één woord: toen ik te Delft kwam, was mijn troepje zóó gedund, dat ik allerlei listen en lagen heb moeten gebruiken om er mij door te redden, en de luiden waar ik herberg nam te doen gelooven, dat ik werkelijk bevel voorend luitenant was in Staatsehen dienst. Hierin de stad,' waar zooveel krijgsvolk ligt, is, zooals gij wel donken kunt, 'deze klucht niet meer te vortoonon; ook was het eene uitkomst voor ons allen, toen ik een mijner oude lansknechten ontmoette die een ambacht kondo, uit den dienst was gegaan, en eene kuipersweduwe had getrouwd, hetgeen ons allen vrij logies hooft verschaft, en mij voor doodhongeren beveiligt!quot;'
âMaar dat is toch geen houdbare toestand voor een man als
gà zijt-quot;
âAan wien zegt gij het! Maar wat baat het me, of ik mij do haren uitruk van desporatio en de lippen verbijt tot bloedons toe van spijt en ergernis, zooals me somtijds overkomt; er is niets aan te gebeteren voor 't oogenblik. Gij, weet gij raad, kunt, wilt gij mij helpen?quot;
âZonder dat ware het wreedheid geweest u zoo diepe wonden to laten blootleggen. Ja, jonker Juliaan, sinds ge van edel bloed zijt, mag ik u zoo noemen, en te eer, omdat gij welhaast fortuin genoeg zult bezitten om uw stand eere aan te doen;
117
ja! ik weet raad voor u, en ik heh hulp te bieden. Het staat in mijne macht u hopmans rang te geven, u te voorzien met eene compagnie, en u de noodige gelden te verstrekken om u zeiven en uw volk behoorlijk te mainteneeren...
âGij, zijt dan meer dan waarvoor ik u hield; gij zijt dan ritmeester of kolonel, dat gjj over manschappen en geld hebt te beschikken?quot;
âIk zal houden wat ik u heb toegezegd, dat is alles wat u voor 't oogenblik noodig is te weten. De volle waarheid kunt gij nog niet dragen, en mij is de sluier des geheims nog noodig; mijne daden zullen u bewjjzen dat ik het goed met ,u voorheb. Ik ben zelfs bereid u op dit oogenblik honderd pistoletten als handgeld te geven, mits gij mij uw woord geeft, mij den dienst te doen welken ik van u verlang.quot;
Juliaan kleurde sterk, zijne oogen schitterden.
âLaat hooren wat dienst het zijn moet,quot; riep hij in zekere gejaagdheid.
âIk onderstel dat de veertien of vijftien manschappen die gjj nu nog bij u hebt, volkomenlijk onder uwe obedientie staan, zoodat gij met hen doen kunt wat gjj wilt.quot;
âEr zijn twintig, die gezworen hebben mij te volgen, wer-waarts ik mij wend, en die hunne goede redenen hebben om dien eed te houden; de vijftien andere, en dat zjjn degenen die met mij bij de kuipersvrouw inwonen, zijn geheel mijn, a vendre et a pendre, zooals men zegt. Toch moet ik u doen opmerken, dat de gehoorzaamheid geheel vrijwillig is, want ze zijn niet in mjjne soldjj.quot;
âIk zal u in staat stellen, hen goed te bezoldigen.quot;
Dan.. . . zal er ook niets aan hunne gewilligheid haperen, daar geef ik u mijn woord op; want ze zijn tegen mij alleen uit nood en broodsgebrek somwijlen in opstand.quot;
âIk onderstel dat er enkelen bij zijn die met vuurwapenen kunnen omgaan?quot;
118
âEr zijn vjjf welgeoefende musketiers onder, die den haakbus en het vuurroer hanteeren, als wij den degen; de overige zijn cordate lantzen. Bastiaan, die met de kuipersweduwe is getrouwd, placht onze rondassier te zijn - doch hij werkt nu uit al zijne macht in de zaak zijner vrouw â met hoop eenmaal in 't kuipersgild te worden toegelaten.quot;
âDie valt dus weg; te meer daar men van geen gehuwd man zeker is, die zijn geheim met zijne wederhelft deelt.quot;
âEr is hier dus sprake van een geheim?quot;
âAls ik den dienst die ik van u verlang aan den eersten den besten kon vragen, begrijpt gij toch wel dat ik er geene compagnie met hopmans rang en verdere voordeelen voor zou bieden.quot;
âHm? ja, dat begrijp ik, ook uit den langen omweg dien gij neemt eer gij er voor uit komt; 'tis eene zaak die niet pluis is â en â het daglicht niet velen kan.quot;
âHet is niet waarschijnlijk, dat oen man als gij, die.... zooveel. . .. heeft doorgemaakt, al te nauwgezet zal zijn van consciëntie. ...quot;
âPrecies, over zulke nauwgezetheid ben ik heen.quot;
âGij zult u dus niet door kleingeestige bezwaren laten afschrikken, waar hot een aanslag geldt, die naar sommiger meening, wellicht met een harder naam zou moeten genoemd worden.quot;
âEen aanslag! Voor don duivel, er uit met hetgeen gij van mij wilt; dat sammelen is niet uit te houden. Gij wilt mij met mijn handvol volks toch niet emplojjeeren om eene stad te verrassen?quot;
âVoor 't geval ik u tot zulken dienst gebruiken wilde, zoudt gij er dan bezwaar in vinden ?quot;
âMijn volk braveert hel en duivel, als het maar hope heeft op buit; en ik, ik geef niets om mijn leven! mits er geene sprake is van eene Hollandsche vesting Spaansch te maken, kunt gij op ons rekenen .... want ziet gij, ik ben niet als Willem
119
van Oranje; den koning van Hispaniën heb ik nooit geëerd, en ben ganschelijk niet gezind hem in eenig opzicht te dienen of te obediëren. Ik heb u gezegd, dat ik mij niet veel keerde aan de religie, dat is waar; maar ik heb eene religie op mijne eigene hand, en dat is haat aan de papen, aan de stokers van de inquisitievuren, aan de beulen der edelen, aan de stichters der moordschavotten, en eeuwige, bloedige, onverzoenlijke haat tegen den koning van Spanje en zijne handlangers.quot;
âIk dacht niet, dat een man als gij nog met zulke kleingeestige vooroordeelen behept was; ik meende zeker te zijn, dat de honger dergelijke overdreven sentimenten al lang uit uw hart zou verjaagd hebben.quot;
âZijt gij een huurling van Philips II, dan wil ik niets met u te doen hebben!quot; riep Juliaan met heftigheid en wilde van den wagen springen.
De zoogenaamde hopman Peter weêrhield hem met krachtige hand.
âIk heb u immers gezegd, dat ik een üuitscher ben, en ik zweer u op mijn eer dat de koning van Spanje niets van mij weet, dat niemand zijner handlangers mij een bevel zou durven geven of een dienst vragen, zoomin ben ik zijn huurling.quot;
âDat is wat anders; laat dan hooren wat het zijn kan.quot;
âDe quaestie van eene stad te verrassen, wierp ik maar op om u te beproeven; wat ik verlang komt simpelijk hier op neêr, lt;iat gij u morgen met uwe lieden, wel van vuurwapenen voorzien, naar de plaats begeeft waar de spelen gehouden worden.quot;
âWij waren er heden, wij zullen er morgen zijn; dat is afgesproken.quot;
âDat ge u met hen posteert op de plek die ik u zal aanwijzen .. . .quot;
âGij zult dan zelf meê van de partij zijn?quot;
âIn deze vermomming zal ik ulieden nabijblijven, u gadeslaan, en â des noodig â voor onraad waarschuwen.quot;
120
âHeel goed: en clan verder?quot;
âOp mijn eersten wenk uw volk, door een af te spreken teeken â het commando geven â den persoon neêr te schieten, dien ik u zal aanduiden.quot;
âIemand neêrschieten, die er niet op verdacht kan zijn en zich bijgevolg niet zou verdedigen, een moord!quot; riep Juliaan in verontwaardiging.
âNoem het geen moord! 't is justitie,quot; sprak de andere, op diepen, somberen, beslisten toon.
âEen mooie justitie! Waar ziet gij mij voor aan. Seigneur Justicier, dat gij mij daarmeê zoudt willen belasten.quot;
âIk zie u aan voor 't geen ik hoop dat gij u toonen zult, een man van moed en van kloek beraad, die door tegenspoed iu de diepte is geraakt, maar die zich niet door kleingeestige schuchterheid zal laten terughouden, waar hem de gelegenheid wordt gegeven, zich eene schitterende fortuin te verzekeren.quot;
âIk ben bereid iedere gelegenheid daartoe aan te grijpen, geloof mij....quot; hervatte Juliaan in zekere ontroering, âmits het geene misdaad zij.quot;
Hopman Peter zag den berooiden edelman van ter zijde aan, met een sarcastischen glimlach; hij scheen voldaan met zijne bevinding. De eerste indruk, die de mededeeling van zijn snood ontwerp had gemaakt op zijn toehoorder, was wel geen gunstige geweest, maar het ergste was toch gedaan, naar zijn gevoelen ; de gevaarlijkste stoot was gegeven, en â Juliaan luisterde nog â hij kon zijne begeerlijkheid naar de toegezegde belooning niet ontveinzen, al wees hjj ook met heftige verontwaardiging het middel af om die te bemachtigen. Wie na zulke aanbieding te hebben afgewezen nog blijft luisteren, is niet verre van een verdrag te maken met zjjn verzoeker, zoo deze maar de behendigheid heeft, de zwakke stem der consciëntie te overschreeuwen of te bedwelmen. Vol vertrouwen op zjjne behendigheid om hierin te slagen, hervatte de vreemde:
121
âEilieve, wat noemt ge eene misdaad. Alles is immers maar betrekkelijk. Gij zult toch zeker wel in den loop van uw veeljarig krijgsmansleven uw man hebben neêrgelegd, of anderen daartoe het bevel hebben gegeven.quot;
âZeker heb ik; maar toch....quot;
âEn als gij uwe kans schoon zaagt, niet waar, en zonder waarschuwen .... niet waar .... en hebt gij dat ooit een moord hooren noemen of u zeiven daarover bekommerd ?quot;
âNeen ik! maar dan was het in den oorlog en het gold een vijand.quot;
âGroote gans! meent ge, dat ik u bevelen zal een vriend neêr te vellen? Hij wien ik bedoel is zoomin de uwe als de mijne; gij wacht niets goeds van hem: hij is u in den weg; gij hebt het mij zelf daareven gezegd.quot;
âHelsche verzoeker! riep nu op eens Juliaan, met een kreet zoo schel en scherp, dat de boeren-voerman het hoofd naar hem omwendde; âhet geldt Maurits, het geldt den prins!quot;
âWelnu! wat zegt dat? Waarom zou het zooveel erger zijn op den prins te schieten dan op een ander ?quot; sprak hopman Peter, met een minachtend schouderophalen.
âZulk een boevenstuk voor te stellen, aan mij, aan mij!quot;' riep Juliaan, en tranen van spijt en ergernis sprongen hem uit de oogen; âen men waagt dat straffeloos, omdat ik arm en berooid ben!quot; en die schreiende oogen schoten vlammen van toorn.
âNiet omdat gij arm zijt, mijn beste jonker, maar om uwe antecedenten,quot; hervatte de hopman koeltjes. âHier wordt u, dunkt mij, zooveel ergers niet gevergd, dan ge reeds pleegdet; uw eigen overste door macht van vuistslagen en beleedigingen tot een quasi-tweegevecht te dwingen, en hem dan na luttel verweers af te maken !quot;'
âGij hebt gelijk,quot; hernam Juliaan, verslagen en met smartelijke bitterheid. âSinds ik de onbezonnenheid beging u dat
122
mee te deelen, kunt gij alles van mij wachten; ik weet ook wel dat ik een ellendeling ben . âquot;
âEi neen! slechts zijt gij zwakker van hoofd dan ik had kunnen verwachten. Ik deed u het voorstel, omdat er bij u geen quaestie kon zijn van lafhartig gewetensbezwaar, en 't hier alleen de vraag is, of het u aanlacht en profijtelijk genoeg voorkomt.quot;
âEene profijtelijke aanbieding voorwaar,quot; hernam Juliaan, met een bitteren lach. rwaarbij men de beste kans heeft om als schelm en verrader op het rad te worden gelegd - als dïit mjj kon aanlachen . ...quot;
âIk wist het wel dat gij afsloegt omdat gij eene kwade uitkomst vreest!quot; riep de hopman gevat; rjuist daarom zullen wij het spoedig eens worden, want het is juist mijn voornemen, om het met u dus behendiglijk te overleggen, dat er geene schade, noch apprehensie van uw persoon uit volgen kan, zelfs r.iet bjj mislukking; de ruimste middelen staan mij daartoe ten dienste.quot;
âWel, gij maakt mij nieuwsgierig hoe gij dat zoudt aanleggen.quot;
âGij begrijpt toch wel, dat ik die nieuwsgierigheid niet zal bevredigen, voor gij u werkelijk verbonden hebt mijn plan uit te voeren ?quot;
âEn als ik dat aanneem, zult gij dan goed vertrouwen genoeg op mij hebben, dat ik het ook zal volbrengen?quot;
âHm! neen! Bij aangelegenheden als deze is alle goed vertrouwen onzin; maar als gij 't aanneemt, scheiden wij van nu af niet meer, vóór de zaak is afgeloopen, en onmiddellijk daarna zult gij in quot;t bezit worden gesteld van 't geen wij zijn overeengekomen. Ik zeg niet voor quot;t gelukken, want dat staat niet in uwe macht; maar voor 't ondernemen.quot;
âIk zou toch mijne soldeniers moeten voorbereiden en mij met hen verstaan.quot;
123
âDat spreekt vanzeive; ook zal er gezorgd worden dat zij tot u komen. Wapenen, kogels, vermommingen, geld, alles ligt gereed ter plaatse waar wij heengaan; maar aan een weifelenden bondgenoot heb ik niets; daarom moet gij mij uwe medewerking toezeggen, uit vollen, vrijen wil, . .endaar Juliaanzweeg en de lippen opéénklemde, als een die in zelfstrjjd een overhaast antwoord terughoud, vervolgde zijn verleider op den toon dei-zachtste overreding: ,,ik wenschte maar, dat ik u de overtuiging kon raededeelen die ik zelf heb, dat het hier niets ergers geldt, dan een dier aanslagen, zooals men ze in den oorlog gemeenljjk tegen elkander in praktijk brengt.quot;
âMaar wie zijt gij dan, om met Maurits in oorlog te zijn, zoo ik niet een huurling van den Spaanschen koning in u moet zien?quot;
âHij wien ik vertegenwoordig is een regeerend vorst, die de vijand van Maurits is geworden door diens eigen schuld. Op onzijdig gebied vallen, en bij verraad eene stad en sterkte nemen, of door zijne handlangers te laten nemen, die aan eene neutrale mogendheid behoort, vindt ge dat rechtmatig en geoorloofd?quot;
âWat zal ik u zeggen?.... in oorlogstijd kan men zoo nauw niet zien; wellicht was die neutrale mogendheid niet zoo onpartijdig als dat scheen.quot;
âWel mogelijk; maar ik geef hot u toe, dat men in den oorlog zoo nauw niet kan zien____ heulen met oproerige soldaten, hen steunen en sterken, hen van geschut voorzien, hun eene vrijplaats aanwijzen, en zoo goed als eene ligue met hen aangaan tegen hun wettige Heer, zooals Maurits dat hoeft gepleegd met do Italiaanscho soldaten te Sichem, rangschikt gij zeker ook onder de geoorloofde praktijken?quot;
âIk heb altijd, en door de meest nauwgezette krijgsoversten hooren beweren, dat het in den oorlog geoorloofd is den vijand afbreuk te doen op alle manier, en waarom zou Maurits dat dan ook niet doen?quot;
124
âWaarom zou men dat dan ook niet mogen doen tegen Maurits? Of zoudt gij er bezwaar in vinden, den koning van Spanje te doorsteken, als hij onder 't bereik van uw degen ware ?quot;
âNeen ik!'' riep Juliaan met vuur.
âOf dien anderen, dien vreemden edelman, dien gij hebt toegesproken, met oogen vlammende van haat, en tegen wien gij de gebalde vuist ophieft, op zulke wijze, dat alleen mijne tussehenkomst u voor groote moeielijkheden heeft gevrijwaard?quot;
âO! ja! dezen â tegen dezen heb ik een recht van toorn, een recht hem te haten en te vervolgen, waar ik hem vind, en zijn leven te nemen, ware het met verlies van het mijne, zou mij wellust zijn!quot; antwoordde Juliaan, met eene stem, trillend van hartstochtelijke opwinding.
âNu dan! zoo is quot;t uitgemaakt, dat het bezwaar bij u niet ligt in liet plegen van de daad die ik u voorstel, maar simpel-lijk in den persoon wien het geldt.quot;
âDat stem ik u toe. Gewetensbezwaar zou ik niet kennen, als ik Philips 11 kon doen sterven! de val van dien tyran zou een zegen zijn voor de mensehheid; en zoo ik dien onwaardiger ridder doorsteek, die zich uitgeeft voor 't geen hij niet is, en wiens gansche bestaan op bedrog en laagheid is gevestigd â dan zou ik daarmee den ganschen adel een dienst doen, want hij heeft een vlek geworpen op een der edelste blazoenen; maar zoo ik doe wat gij van mij begeert, pleeg ik willens en wetens een groot kwaad; met Maurits staat en valt de duurgekochte vrijheid van deze gewesten.quot;
âBah! dat werd indertijd ook gezegd van den ouden prins Willem J, en toch, zijn ze nu niet sterker en stouter dan ooit?quot;
âAl ware dat anders uitgevallen, gij zoudt er u niet al te zeer om bekommeren, niet waar?quot; vroeg Juliaan, met een ironieken lach.
âNoch gij, zoo ik meene!quot; hervatte de hopman, een schuin-
125
schen blik op hem werpende; âgij hebt er dan ook geen reden toe. Van Maurits, die alle zaken, bovenal de krijgszaken, met zijn neef Willem Lodewijk overlegt, hebt gij niets te verwachten, op zulke wijze dat gij uw fortuin in den vreemde zult moeten beproeven. ... tenzij de zoon van Anna van Saxen uit den weg geruimd worde, en de rechtmatige erfgenaam van quot;Willem I, de prins van Oranje, in zijne plaats treedt.quot;
âWelken prins van Oranje bedoelt gij,quot; vroeg Juliaan gespannen; âtoch niet Philips Willem, die.... in Spanje gevangen zit?quot;
âNiet zóó gevangen of er is wel loskomen aan.quot;
âIs het u te doen om dezen voorop te zetten?quot;
âDat is de intentie, met de meening er bij, dat de vaneenge-scheurde gewesten zich zullen samenvoegen onder een gouvernement. De geheele Zuidnederlandsche adel is ontevreden over het tyranniek Spaansche bestuur, waarin zij niet gekend worden. Afgescheiden van Spanje, onder een hoofd van hunne eigene keuze, zouden de gezamenlijk vereenigde Provinciën een bloeiende en krachtige staat kunnen worden.quot;
âEi zoo, ziedaar dan dat groote plan!quot; sprak Juliaan, met zekere levendigheid.
âHebt gij lust er toe mede te werken?quot; vroeg de hopman snel.
âIk heb bovenal lust om hem die het mij voorslaat, met mijn eigen hand te verworgen,quot; was het antwoord van Juliaan, die werkelijk een gebaar maakte, of hij aan die dreiging gevolg zou geven.
Maar de andere, die al sprekend de beide handen in de wijde boeren zijzakken had gestoken, hief de arm nu op en toonde twee zakpistooltjes, die er even vinnig als sierlijk uitzagen.
âHm, l'ami! die aanvechting bewijst me te meer, dat gij gansch geen bezwaar hebt tegen een manslag,quot; sprak hij koelbloedig ; maar gij begrijpt toch wel, dat ik de gans niet ben, die den kop weêrloos in den strik zou steken. Met geweld
126
tegen mij te oefenen zoudt gjj niet aan den besten koop zijn, mijn dappere luitenant, geloof mij daarin. Mijn voerman is evengoed gewapend als ik; hij weet zoo ongeveer welk vrachtje hij rijdt, en zoo ik u gelegenheid gaf mij te vermoorden zoudt gij daarbij niets gewonnen hebben; hij weet werwaarts hij mijn lijk zou moeten heenbrengen, en ik ben hier onder de Sauvegarde, die aan vreemde vorsten en hunne gezanten wordt geaccordeerd, om niet te zeggen, dat ik aan 't Hof zelf machtige beschermers, ' bijgevolg duchtige wrekers zou hebben.quot;
âIk had immers maar van uwe nobele voorstellen opening te doen aan den prins, om belooning te verwerven in stede van vervolging,quot; hernam Juliaan, in wiens brein mogelijk reeds een plan rijpte, op dit avontuur gebouwd.
âMeent gij dan dat men u gelooven zou! De meeste kans hadt gjj om zelf suspect gehouden te worden, en gij zoudt zwaar werk hebben om uwe onschuld te bewijzen. ïe meer, daar de onderneming waarvan hier sprake is, ook zonder u en mij zou worden doorgezet, en al uwe inlichtingen niets zouden baten dan om u zelf als medeplichtige aan te wijzen. Mogelijk dfit men u na maanden gevangenschap, en na herhaalde scherpe on-derzoelcinge ten laatste ontsloeg, bij mangel van bewijzen uwer schuld; maar ik zie niet, dat gij daarmee zooveel zoudt gewonnen hebben. En 't kon ook zijn, dat het extra ordinaire verhoor zooals het hier te lande wordt geappliceerd, u wat bijster lastig viel, en u perste tot bekentenissen, of althans tot uitlatingen, die lichtelijk voor schuldbelijdenis konden passeeren, en die u ten laatste aan de galg zouden brengen.quot;
Hopman Peter droeg dit alles voor op een lossen, gemakke-lijken toon, of hij de eenvoudigste zaken der wereld behandelde; doch dat hij zijn toehoorder maar al te goed overtuigde, bewees diens verslagen zwijgen, al trappelden ook de voeten van ongeduld, en al kon hij quot;t niet nalaten, zijn degen met zenuwachtige vingeren uit de schede op en neêr te trekken.
127
âIk hoop u overtuigd te hebben, dat gij geenerlei profijt zoudt vinden bij een der gezegde uitkomsten,quot; vervolgde de verleider, âterwijl ik u ruime winst en een schitterend fortuin verzeker, als gij mij dienen wilt in de zaak die ik u voorstelde.quot;
âNeen, neen! dat wil, dat mag ik niet,quot; viel Juliaan in, met zekere heftigheid, die niet van vastheid getuigde, en bewees dat er een gevaarlijke strijd in zijn binnenste plaats vond. Aan zijn seherpzienden Mephisto ontging die onderscheiding niet. De prikkel van het vroegere afgrijzen was afgestompt, en er volgde eene aarzeling tusschen willen en niet willen, waarover hij zijn slachtoffer spoedig dacht heen te helpen.
âWaarom wilt, waarom moogt gij niet,quot; hervatte hij, op een toon van goélijkheid; âwaarom zoudt gij de fortuin niet aannemen die u tegemoetkomt; meent gij dat ieder ander, in uwe plaats wezende, haar zou terugwijzen? Het spreekt vanzelve, dat gij niet kunt maaien, waar gjj niet gezaaid hebt; maar toch â mag ik u een voorproefje geven van den oogst die u wacht? Wil men een krijgsman aan zich verbinden, zoo biedt men handgeld; ziedaar het mijne.quot; En uit denzelfden zak, waaide hopman vroeger het pistool had verborgen, haalde hij nu eene goed gevulde goudbeurs te voorschijn, die hij Juliaan in de hand wilde drukken. Deze kleurde en verbleekte beurtelings, terwjjl 'hij hot hoofd afwendde en uitriep: âNeen, verzoeker, neen! ik wil deze zaak niet doen; ik wil dit verraad niet plegen tegen het vaderland.quot;
âWat zottelijke gemoedsbezwaren zijn dit!quot; riep de hopman verachtend, het vaderland is waar men fortuin maakt. Gij haat uw vader; waarom zoudt gij dwepen met zjjn land?quot; Met die herinnering beging hopman Peter eene fout.
âHier is het vaderland mijner moeder!quot; viel Juliaan in, met zekere geestdrift, die van goede gehalte was. âZij is er opgevoed, zij is er gestorven, zij heeft het mjj.leeren kennen en liefhebben als het land der vrijheid; voorspoed heb ik er niet
128
gehad, dat is waar; maar de verstoeten balling werd er toch gastvrij opgenomen en vond er heul en steun; ik heb er voor gestreden en .. .
âEn! zijt daar kostelijk voor beloond,quot; hervatte Peter, terwijl hij hem de beurs wilde opdringen. âKomaan! gij zijt een man van verstand, die de wereld heeft gezien, en gij zoudt u door zoo'n bekrompen opvatting van schitterende uitzichten laten afbrengen ? Een goed soldaat bemoeit zich niet met partijschappen, maar kiest het vaandel waaronder hem 't meeste voordeel en glorie wachten. Eer de maand verloopen is, zit gij te paard aan het hoofd eener eigene compagnie ruiters, mits gij nu niet kleingeestig zijt, en u door kinderachtige inbeeldingen laat afschrikken.quot;
âDat wat gjj kinderachtige inbeeldingen noemt, zijn krachtige indrukken, werkelijk herkomstig uit mijne kindsheid, en die machtig genoeg zijn mij voor verlokkingen als de uwe te beveiligen,quot; riep nu op eenmaal Juliaan, forsch en met beslistheid ; toch greep hij de beurs, die hem zoolang reeds verlokkend was voorgehouden.
Hopman Peter liet die in zijne hand glijden met een spot-achtigen blik; maar nauwelijks had Juliaan die gevat, of hij wierp haar over den wagen heen in de vliet, waarlangs zij voorbij reden, terwijl hij uitriep: âZiezoo! met dit geld zult gij u althans geen moorder koopen voor Maurits.quot;
âNoch gij in uwe domheid mijn verrader zijn,quot; sprak de hopman en schoot zijn pistool op hem af; â maar hij schoot mis. Juliaan had zich geen oogenblik bedacht en was van den wagen afgesprongen, zoo ras hij de daad had ^Ãj^racht, die 't symbool was van zijn onherroepelijk besluit. *
âGod lof! dat is den duivel overwonnen,quot; riep hij, eindelijk stilstaande om adem te halen, nadat hij uit alle macht was weggeloopen zonder omzien of opzien. Hij had nog wel gehoord dat er een tweede kogel op hem werd gelost, maar
129
ook aan dezen was hij ontkomen door zijne snelle vaart. Xu zich omkeerende, zag hij den wagen over de vlakke landerijen heen, in de verte reeds niet meer voor zijn oog dan een nauw merkbaar zwart stipje, dat met ongemeene snelheid voortging.
âHet blijkt dat het sukkeldrafje, waarmeê we over het hobbelige kleipad reden, vol gleuven en gaten, nu door een f'or-schen rit is vervangen,quot; merkte Juliaan op; âdie fielt van een voerman zal er nu de zweep over leggen, en dan gaat het maar over land en weide, of dat vrijstond.quot;
âO! die schurken, die mij zoo in hun net hebben getrokken! en in trouwe, de kerel zou mij er toe gebracht hebben, dat zou lijj,quot; ging hij voort, terwijl tranen van spijt en ergernis over zijne eigene zwakheid in zijne oogen opwelden, âtoen hij dat vervloekte goud in mijne oogen deed schitteren, dat mij zoo noodig was! Maar domkop die ik ben!quot; en hij sloeg zich zel-vcn voor het hoofd, âik heb daar weêr eene groote dwaasheid begaan; ik had mij beter moeten houden, ik had moeten aannemen, dan ware ik achter het gansche geheim geraakt, en dan had ik met den schelm op leven en dood kunnen worstelen tot hij onderlag; aan mijn leven was toch zooveel niet verbeurd. Ik had voor 't minst den wagen moeten volgen.... \u, op dezen afstand, is naloopen en afzien waar die zich heenwendt gansch ondoenlijk. Mat en aemachtig als ik mij nu reeds voele, kan ik niet eens meer aan dat onmogelijke denken,quot; en hij liet zich moedeloos neêrvallen onder een der dorre knotwilgen, welks stam zijn hoofd eenigen steun bood.
Werkelijk had Juliaan, eene goede beweging des harten volgende zooals zij opkwam, wel wat onberaden gehandeld, lljj had niets overwogen noch berekend, hij had nauwelijks recht geweten wat hij deed, toen hij van den wagen sprong; hjj Avist alleen, dat hij aan eene verzoeking moest ontkomen, die aanving hem te sterk te worden.
Wonderdokter. I. ''
130
âGodlof! het gedenken aan mijne moeder heeft mij gered,quot; verzuchtte Juliaan, terwijl hij de hand op het hart legde; âmijne vrome moeder, die nu in den Hemel is, want als er een Heinel bestaat moet zij er zijn, en het zou haar de vreugd dei-Zaligen bederven, als zij weten kon, dat haar Juliaan een onverlaat was geworden, die zich liet omkoopen tot moord en verraad! Xeen, neen! ik heb wel en wijs gedaan, dat voele ik duidelijk, want ik was sedert lang niet zoo tevreden met mij zeiven !quot;
Maar die tevredenheid met zich zeiven belette niet dat Juliaan zich in groote verlegenheid bevond. Hjj was doodmoede en hongerig. Hjj herinnerde zich, dat hjj zijne vaart had genomen in tegenovergestelde richting van die, welke door den wagen werd gevolgd. Maar hij kende den omtrek niet, en bij het gesprek, dat zijne aandacht ten sterkste had gespannen, had hij verzuimd zijne opmerkzaamheid te vestigen op den weg dien men reed, en hij begon te gelooven dat het âstijf half uurtjequot; van den voerman wel een anderhalf uur omrijdens was geworden, die hjj alzoo van de stad verwijderd moest zijn. Het was eene schrale, Maartsche lucht, vochtig en kil; de zon die zich den gansehen dag niet vertoond had, moest nu al lang ter kimme zijn gedaald, maar had in geen enkel lichtend streepje, in geen vroolijk gekleurd wolkje haar spoor achterlaten. Een dikke, lage, sneeuwachtige lucht overdekte den ganschen horizont als met een grijsvalen sluier, waarachter men niets kon onderscheiden.
Zich opheffende en tegen den knoestigen stam van zijn knotwilg geleund, staarde Juliaan vorschend rond. Het landschap was volkomen vlak, met kale, verlaten weiden, op wier dor en drassig bruingroen geen levend wezen was te bekennen.
Het laag en schraal geboomte langs den vliet, en wat droog riet, uit het water opschietend, ziedaar alles wat er te zien was. Zeker lagen er wel hier en daar boerenhuizingen, maar zij werden door den grauwen nevel voor den blik verborgen,
131
en Juliaan vreesde, dat het hem verder van de stad zou afvoeren, zoo hij zich derwaarts heenwendde.
âIk moest toch den toren van Delft kunnen zien!quot; sprak hij halfluid, het oog scherpende om door den nevel heen te turen. Hij vergat, dat de wagen al heel spoedig den heirweg verlaten had om binnenwegen te nemen, die hem vermoedelijk snel en ver buiten de richting van de stad hadden gebracht. En nu, men zal zich herinneren, dat het vooruitzicht op een goed middagmaal een der verlokkingen was geweest, waardoor onze berooide edelman zich had laten meêtroonen. Bij do overspanning van het onderhoud met den vreemde, had hij die behoefte onderdrukt, vergeten; nu echter, na de afmatting van zijn gejaagden terugtocht, deed zij zich gevoelen in volle, wreede scherpte, zonder dat de ongelukkige eenige kans zag op hare voldoening.
âEn al lag er een herberg ter zijde van dezen weg,quot; riep hij in vertwijfeling, âik heb immers geen penning in mijn zak om eene snee brood of een kan bier te betalen! en ik ben te wee en te mat om nu een van die vonden te bedenken, waarmee ik mij gemeenlijk uit zulke ongelegenheid red.quot;
En hoewel hij zeker was, gelijk hij zeide, geen penning te bezitten, tastte hij toch werktuiglijk in zijn zak, en voelde tot zijne groote bevreemding daarin een voorwerp, dat hij te voorschijn haalde met den uitroep: âHoezee! daar heb ik de leêren beurs van den verwensehten schelm Peter bij mij gestoken. In de verwarring van het oogenblik, wist ik zelf niet dat ik dit gedaan had; maar het kan mij nu nog te bate komen. Mogelijk is er wel een pistolet of een dubloen in blijven steken, dat zou een uitkomst zjjn; mij dunkt ik had zulke mirakuleuse hulp van den Hemel wel verdiend.quot; Hij stak de hand in de beurs, en hij voelde werkelijk dat zijne vingeren op iets tastten dat wel naar geld geleek; maar toen hij het uithaalde was het niets dan een smal strookje papier, waaraan een zegel
132
hing van harde was, en dat enkele regels schrift bevatte.
Het was te duister om te kunnen zien ; maar Juliaan begreep dat het zijne waarde kon hebben, als aanwijzing en middel ter ontdekking van den naam cn persoon des voormaligen bezitters, en tegeljjk kwam hij op een inval.
â Vivn Ie iiueux/quot; riep hij meer opgewekt. âIk heb tenminste eene beurs! als ik nu maar een herberg of eene boerenwoning mag vinden, dan ben ik gered. Ik kan zeggen dat ik bestolen ben, dat ik mijn geld verloren heb; ik zal de beurs aan mijn gordel hangen, dat geeft krediet voor het eerste oogenblik; en als ik mijn honger en dorst bevredigd heb, zullen wij verder zien! Mogelijk is dit papier groot geld waard! Wie weet of het geene aanbeveling is voor een hopmans brevet aan een van de groote hansen die tot Delft bijeen zijn.quot; De opgewekte phantasie gaf den berooiden edelman weder moed, en sterkte hem don wankelenden voet tot een sneller pas.
Welhaast bereikte hij dan ook een zijpad, waar hij eene boerenhoeve vóór zich zag liggen, die, hij wist niet waardoor, in het voorbijrijden zijn oog had getroffen.
âIk ben op den terugweg naar de stad,quot; juichte hij, âen licht zal men mij hier een half uurtje laten uitrusten en een glas melk reiken, om Godswil!quot;
Besloten trad hij het ruime erf op; reeds trof een geur van gebakken spek op het aangenaamste zijne reukzenuwen, toen hij de huizinge naderde; maar een monsterachtige kettinghond scheen zeer weinig op dat bezoek gesteld, en wekte door zijn schor gebras den argwaan der bewoners, waarvan er drie tegelijk zich naar buiten begaven: een lange, stevige boerenknecht met een dorschvlegel gewapend, een krasse boer van zekeren leeftijd, do meester des huizes, en eene welgedane boerendochter, zeker de melkmeid.
âWat mot jaij deer?quot; werd hem door den meester toegeroepen uit de verte, terwijl de knecht, die de kracht van zijn wapen kende, dichter bij trad.
133
âGoede lieden, ik ben van mijn gezelschap afgedoold en doodmoede, gun mij ten uwent eene wijle vustens;quot;' maar de boerendeerne begon te lachen terwijl zij hem aankeek, en de groote slungel van een knecht riep luidkeels:
âJa, we kennen dat rusten; dool vrij verder fijnman, wij laten ons niet met soldatenvolk in.quot;
âWijs me voor 't minst den kortsten weg naar de stad,quot; en Juliaan stapte stoutelijk vooruit, in de hoop de zitbank voor de huisdeur te bereiken, en vandaar de onderhandeling rustig door te zetten; maar de boer zelf trad hem nu in den weg.
âWou jaij ons wijsmaken, datje den weg niet wist! Van mijn huis en erf af, schooier, landstrijker, scheer je voort of ik laat den hond op je los!quot;
Voor die bedreiging moest de beklagenswaardige edelman zwichten. De hond had maar de tanden in zjjne kleêren te slaan, om ze aan tiarden te rijten; wat zou er van hem worden, als hij met zijn eenig wambuis en opgereten hozen den laatsten schijn verloor van een fatsoenlijk man te zijn. Zoo ging hij dan, maar met onbeschrijfelijke verbittering over de hardheid der mensehen, die hij lucht gaf in een morrend zelfgesprek.
âIk merk het wel, men moet maar goed doen om het goed te hebben. Ware ik met een tiental mijner soldeniers een goed avondmaal komen eischen, ze zouden voor mij gevlogen hebben, en het beste dat keuken en kelder opleverde hebben voorgezet, uit vreeze, dat we het zelf nemen mochten, en hen uitplunderen en mishandelen zouden op den koop toe; nu ik integendeel onverzeld kome, en vriendelijk, ootmoedigljjk smeek om eene rustplaats alleen, word ik verdreven als een schooier en een boef!quot;
Juliaan vergat, dat juist die ontzaglijke schade en overlast die de landlieden leden van bij troepjes omzwervend krjjgsvolk, hen zoo wantrouwend en hard had gemaakt jegens personen van zijn stand; hij zag alleen op zich zeiven en zijne behoefte
134
van het oogeiiblik, en daarom ging hij morrend voort: âIk heb weêr als een dwaas gehandeld; ik had maar stil op dien wagen moeten blijven, tegenover den vreemden gluiper âja en amenquot; moeten spelen, mij door hem laten onthalen en naar de stad terugbrengen, de beurs met pistoletten en al hebben opgestoken, en dan, als quot;t er op aan kwam om de verbintenis te houden, zien hoe ik er afraakte door hom zelf te verraden. Men moet naar geene edele verontwaardiging, naar geene nobele ingeving des harten luisteren, dat zie ik nu klaarlijk in; ze brengen altijd in last en lijden. Had ik bij mijn vader den huichelaar willen spelen, en slaaf willen zijn van mijns meesters beul, ik zou nu onder de hooge edelen van Vlaanderen mijn naam en plaats hebben; ik zou heerlijkheden en staten bezitten, en misschien vliesridder of Spaansche Grande zjjn geworden. God beter 't! de duivel alleen weet waar eene laagheid een mensch al niet toe brengen kan. Ik betoonde mij fier en vast, wilde den nek niet buigen voor den tyran - en kreeg mijns vaders vloek tot eenig uitzet. En nu weêr versmaad ik hopmans rang, om eene zaak, die misschien niet eens zoo zwaar was als ik mij voorstelde. Wat kan het mij eigenlijk meer schelen wien ik diene of wien ik afvalle; de lantzen zouden er geen verschil in maken, mits ze maar goed verzorgd waren. Maar Messer Juliaan was bang de handen uit te steken tegen Maurits, die hem misschien loonen zal met hem te ditfa-meeren en den voet dwars te zetten bij allo uitheemsche Oversten on Heeren, die nu tot Delft zijn, voor 't minst als hij het oor leent aan den Frieschen Stadhouder die mij haat, God weet waarom!
Wondre dag weêr heden, avontuurlijk als gansch mijn leven; begonnen met een wit voetje te krijgen bij een allerliefst meisje, dat mogelijk heel boos op mjj zal zjjn over mijn onhoffelijk verdwijnen; de eer gehad bijkans vertrapt te worden door mijns vaders bastaard!quot; â zijne trekken kregen eene uitdrukking van onuitsprekelijke verbittering â; âtot vorstenmoord aangezocht;
135
geen penning rijk, en honderd pistoletten wegwerpen als slijk; naar de afkomst de gelijke van graven en Heeren, en - als een schooier van een boerenerf gejaagd, en nog zijn wc niet ten einde. Wie weet wat die grillige maartsche dag nog voor treken tegen mij in den tas heeft; ik zie althans niet het einde van mijn weg; ik meende toch op het pad te wezen dat naaide stad leidt, maar die verwenschte kale weiden en sloten Ijjken allen zoo pi-ecies op elkaar, en dit voetpad kronkelt zoo wonderlijk om en om .... Ik ben van den heirweg af, dat 's zeker, en weet niet of ik mij naar de stad toekeere dan wel afdool; de marseh ware nog het minst; maar de dorst, de holle maag! en die boerenvlegels waarvan men geen compassie heeft te wachten. Ik wil er ook niet meer op rekenen; er zijn nog wel andere middelen, ik heb mijn degen op zij en ik ben geen kniezer. De droes hale den eersten dorper den besten die mij tegenkomt; ik zal hem bang maken en een losprijs vergen voor vrijheid en leven ! Ik wil ten minste zooveel geld hebben, dat ik ergens in een herberg wat kan rusten en mij te goed doen !quot;
Men ziet het: de begrippen van recht en onrecht, van goed en kwaad, waren bij den ongelukkigen edelman vrij ongewis en verward. Beginselloos, en toegevende aan eiken indruk, koesterde hij nu eens weer eene goede beweging des harten, om welhaast duizenderlei kwade gedachten en booze overleggingen in zijn hoofd te laten rondstormen, zonder gemoedsbezwaar. Het waren slechts vluchtige invallen, niet altijd ten volle gemeend, maar toch, er is een groot gevaar in, zekere gedachten, als zij opkomen, niet terstond met afschuw van zich te weren en met krachtige geestelijke wapenen te bekampen. De teerheid der consciëntie gaat er onder verloren, en biedt zich de gelegenheid tot zondigen aan op een onbewaakt oogenblik, dan - is men gemeenzaam geworden met de daad, en â zij wordt gepleegd.
Juliaan was de laatste om zulk gevaar in te zien, maar zijne
136
overpeinzingen brachten hem toch het voordeel aan, dat zij hem den weg kortten â en dat hjj de vermoeienis vergat waarover hij had geklaagd. Sneller dan hij wachtte was hij dus het zijpad ten einde, dat hij op de gis was ingeslagen. Tot zijne groote verbazing en niet geringe bljjdschap bemerkte hij toen dat de stad vlak voor hem lag; wel op vrij grooten afstand, maar toch een weinig in de schuinte aan zijne linkerhand zag hij den heirweg liggen, die hij, uit Delft komende, was afgereden, en die bijgevolg derwaarts moest heenvoeren. Een eind ver loopen was voor hem nog zoo erg niet, bjj de zekerheid van het doel te bereiken; en daar een geluk zoomin als een ongeluk zelden alleen komt, ontwaarde hij tegelijk een schamele hut, die hjj voorbij moest, en waar hjj hoopte minder tegenstand te vinden, zoo hij zich aanmeldde, voor eenige oogen-blikken herbergzaamheid. Hier althans was geen waakzame hond, wiens geblaf al vooruit onheilspellend in de ooren klonk; de bewoners hadden zeker genoeg te doen om voor zich zei-ven te zorgen, en hadden zooveel niet te verliezen, om zoo bang te zijn voor dieven of indringers. Twee schapen en eene geit liepen, niet te grazen, want dat woord zou onjuist zijn bij de schraalheid van het terrein, maar stonden te knabbelen op den kalen grond, in de nabijheid van de hut, waar een ongebruikt bleekveld hen de begoocheling eener weide schonk; de geit smaakte dit genot niet eens in volle vrijheid; zij was bezwaard met een touw om den hals, welks eind aan eene ijzeren pin was bevestigd, die men diep in den grond gestoken had. De schapen daarentegen genoten volle vrijheid om zich te bewegen binnen de enge grenzen van bet grondje; dan, zij verkozen bijeen te blijven, hetzij uit ingeboren trek tot gezelligheid, hetzij omdat op die zekere plek de meeste grassprietjes waren te vinden. Terwijl Juliaan deze opmerkingen maakte, kwam er een oud vrouwtje naar buiten, om de geit los te maken en naar haar nachtverblijf te brengen, vermoedelijk niets anders dan een af-
137
schutsel in haar eigen woonvertrek; want het kluisje zag er niet uit of' het meer dan één vertrek bevatte, en zij scheen willens haar beest naar binnen te leiden, toen zij den luitenant zag staan tusschen zich en hare huisdeur, die geopend was gebleven. Hevig verschrikt trad zij eenige schreden achterwaarts; maar zjj had toch de kloekmoedigheid om met eene stem waarin zij eenige vastheid wist te leggen, te vragen: wat hij doen kwam.
âSimpellijk hier wat rust nemen en eene teug waters eischen,quot; hernam hij op barsehen toon, terwijl hij met wat forschheid zijn degen halfweg uit de schede haalde; de zachtmoedigheid was hem te slecht gelukt om er opnieuw meê te beginnen.
âAls gij niets zwaarders vordert, zoo treed binnen, en neem wat ik heb,quot; hernam zij naderkomende. âZoo gij kwaad in 't schild voert tegen de arme, zwakke vrouw, rade ik u er aan te denken, dat de weêrloozen een machtige hulp hebben in den Hemel!quot;
â Wel, vrouwken, spaar u zelve gerust groote woorden en ijdele vreeze, ik heb niets kwaads tegen u in den zin. Ik ben vreemdeling, onbekend met den omtrek van Delft, zocht mijn weg naar de stad en ben aan 't dolen geraakt. Vermoeid en dorstig zoek ik hier eene wijle herberg, ziedaar de zaak.quot;
âNeem uw gemak, heerschap, gij zijt welkom,quot; sprak het vrouwtje; âneen, zet u niet op die harde bank, hier is mijn stoelquot; (het was de eenige in het vertrek en stond bij haar spinnewiel), âdat rust beter; mag ik nu even mijne geit verzorgen? een teugje van haar melk zal u goed doen.quot;
âGa uw gang, moedertje, wij zullen het treffelijk met elkander vinden,quot; sprak Juliaan, die spoedig zjjn barschen toon had laten varen, tevreden dat hij eene rustige schuilplaats had bemachtigd. Hij zag rond in quot;t vertrek, terwijl de bewoonster haar volgzaam beest naar hare bestemming leidde, een vier-
138
kant afgebakend hok, vlak naast de slaapsteê harer meesteres; het leger van de eene was nauwelijks zachter dan dat van de andere. Welhaast had de goede vrouw hare geit van wat overvloedige molk ontlast, en zette die in een houten nap warm en schuimend haar gast voor, die geen oogenblik aarzelde er de smachtende keel mee te laven.
rEen koebeest houd ik er niet op na, dat zou nog beter zijn,quot; ving zjj verontschuldigend aan.
âDit hier is voldoende, en ik neem het dankelijk aan; houd me ton goede, dat ik daareven wat forsch ben aangevangen, maar.... dat is de schuld van uwe rijke geburen, die mijn hoffelijk verzoek om gastvrijheid met hoon en met onwil hebben afgewezen.quot;
âWil hen verschoonen, heer, zij weten niet wat gebrek en moeite is, en daarom kunnen zij er ook geen deernis meê hebben.quot;
âMaar ze weten toch wel, dat het onmenschclijk is, een vermoeiden reiziger, die rusten wil, door den hond van de werf te jagen.quot;
âOnbarmhartigheid is zekerlijk een groot kwaad, sinds de Heere Jezus de barmhartigen zalig spreekt,quot; stemde het oudje toe; âmaar toch, heer, reken die hardheid niet ten allernauwste uit; ons landvolk wordt zoo deerlijk gekweld van stroopende soldenieren, landloopers, boeven en bedelaars; het platteland wordt haast afgeloopen door dezulken of 't vijandeljjk land ware dat men het den huislieden niet al te kwalijk mag afnemen, als ze wat schuw en wat barsch zijn bij 't naderen van .... onbekenden, zonderling .... die de wapenen dragen.quot;
âMaar gij dan.... eenzaam en onbeschermd!quot;
âO! ik, dat is wat anders; ik bezit geen wereldsch goed, dat de begeerlijkheid dier luiden kan opwekken; en wat ik heb, dat deele ik volgaarne met wie 't behoeft. En wat mijn leven belangt.... dat hebbe ik overgegeven aan den Heere God, en
139
geen aardsch geweld zal het van mij nemen, vóórdat Hij oordeelt dat mijn tijd daar is.quot;
â't Is gelukkig voor u, moedertje, dat gij zulk vroom vertrouwen hebt, en voor mij ook; want zonder dat, hadt gij ook mij mogelijk geene schuilplaats verleend,quot; merkte hij aan.
âHet kwam mij voor, dat gij mij op dit punt geene keuze zoudt hebben gelaten,quot;' hernam zij met een glimlach, die in het schemerdonker voor hem verloren ging; âmaar om u te bewijzen dat ik ganseh van harte gastvrijheid oefene jegens u,... . zal ik voorzetten wat ik heb; na zoo'n tocht moet een stuk grof boerenbrood u toch smaken, en ik heb goede boter ook;quot; en al sprekende had zij een en ander reeds voor hem neergezet, met een breed boerenmes er nevens, om hem in de gelegenheid te stellen zich zelf te bedienen, waarvan hij dan ook onverwijld gebruik maakte. Ziende, met hoeveel gretigheid hij toetastte, ging zij voort: âZoo ik u dienen kan met een paar versche eikens, ik houde er kippen op na en, al is 't schraaltjes, met het vroegjaar beginnen zij te leggen.quot;
âNeen, moedertje, neen! daarmeê zou ik u al te veel be-rooven,quot; hernam Juliaan, getroffen door zooveel goedhartigheid, en.... 't hooge woord moet er uit, ik ben onderweg mijn geld kwijt geraakt, en kan u de moeite en kosten niet vergoeden.quot;
âWaar zou de goedwilligheid zijn, zoo ik me liet betalen! Kom, ik zie 't al. het heerschap maakt omstandigheden, maar daar zijn wij buiten niet van thuis; ik zal de eikens tot eene struif kloppen; mijn vuur is nog niet uit, en ik heb wel een stuksken spek voor de pan.quot;
Het vrouwtje scheen de gewoonte te hebben de daad bij het woord te voegen, want welhaast siste haar pan op het vuur, met die eigenaardige braadlucht, die den hongerigen zwerver als nectargeur de reukzenuwen streelde.
Zij had intusschen haar lampje ontstoken, en Juliaan, die reeds bij het schemerdonker vermoedde, dat zij een goed vrien-
140
delijk voorkomen moest hebben, zag nu, dat hij zich niet bedrogen had. De rimpels van den ouderdom waren niet bij machte geweest, dit vrouwelijk gelaat te misvormen; het was bleek, vermagerd, lijdend zelfs, en toch onderscheidde het zich door zekere minzaamheid en zachten ernst, die Juliaan evenzeer had getroffen in hetgeen zij zeide, als in den toon waarop zij zich uitte; dit was nqch de taal, noch de denkwijze van een alledaagsch boeren-grootje. En dat was vrouw Lijsbeth ook niet, zooals wij later zullen zien.
Zij was evenmin eene vermomde prinses of eene edelvrouw, uit haar rang in de diepte gevallen. Slechts had zij eene eenigszins betere opvoeding ontvangen, dan met dochters uit den minderen stand in den regel het geval was; hare vorige leefwijze, de harde lessen van het lot hadden het overige gedaan, en zoowel haar geest als gemoed op eigenaardige wijze gevormd, en daaraan die zekere richting gegeven, die eene hoogere wijding schonk aan alles wat zij sprak of deed, met hoeveel aanspraak-looze eenvoud ook uitgedrukt of verricht.
âZiezoo!quot; sprak zij glimlachend, terwijl zij hem met blijde voldoening de eierstruif voorzette, âdat zal u opknappen! Aan dokter Graswinckel, mijn waardigen vriend, kan ik zoo iets nooit kwijt raken, al komt hij hier juist op het noenmaal aan. Een paar eikens in den dop, ja, die neemt hij wel gaarne, maar meer nog om mij pleizier te doen, en zichzelven het pretext te geven hier nog wat langer te blijven praten.quot;
âZoo, zoo! vrouwken, heb je een dokter noodig, en dat wel een uit de stad,quot; zei Juliaan losweg; want hij had het veel te druk met zijn smakelijk eiergerecht, om veel opmerkzaamheid te geven aan hare woorden.
âGelukkig niet; de Heer geeft mij krachten en gezondheid boven mijn leeftijd; neen, de vriendelijke man doet me de eer aan hier te komen rusten, als hij in den verren omtrek zijne kruiden heeft gezocht.quot;
141
âZoekt hij zelf zijne kruiden? pardi! dat's geen gewone dokter! ' merkte Juliaan lachend op.
âGansch geen gewone, dat mag men niet waarheid zeggen,quot; hernam vrouw Lijsbeth, kennelijk op haar praatstoeltje geraakt bij een geliefdkoosd onderwerp; âook is 't waar, dat zij hemden âwonderdokter 1quot; noemen, en het zijn ook wonderen die hij doet.quot;
âHoe nu! wonderen? ik meende dat wij sinds Dokter Luther, met de mirakelen afgedaan hadden.quot;
âOch, goede heer! met de mirakelen der liefde behoort men nooit afgedaan te hebben, en 't zijn juist deze die hij verricht en van welke ik spreken wilde. Door de liefde die hem bezielt, volvoert hij wat geen ander zou vermogen; dat's eerst een oprecht, een levend Christen. In cel noch kluis vindt men er een, die meer in der waarheid der wereld is afgestorven dan deze: den armen rijk, hem zeiven arm, leeft hij als een Francois de Paula; wat zeg ik, hij beeldt in waarheid Christi gestalte na, zooveel 't een zondig mensch hier op aarde vermag.quot;
Juliaan was te druk bezig om zijn honger te stillen, om veel aandacht te geven aan deze mededeelingen, veel min om er iets anders op te antwoorden dan een verstrooid: âWel zóó, wel zóó;quot; toch viel hij nu in met de vraag: of die bewonderenswaardige persoon haar vriend was ?
âHij veroorlooft mij hem zoo te noemen; maar eigenlijk is hij mijn weldoener, dien ik als een vader eere.quot;
Juliaan keek haar even aan en kon een glimlach nauwelijks bedwingen. Hij schatte het moedertje minstens een stijve zestig, en, hoe oud moest de vriend dan wel zijn in wien zij een vader kon zien.
âDie vriend zal dan ook niet meer in zijne eerste lentejaren wezen ?quot;
âToch maar even in de zestig; doch het is ook niet om zijn hooge jaren, maar om de singuliere achtbaarheid van zijn persoon, dat hij eerbiedenis afdwingt,quot; sprak zij
142
kalm, maar met zekeren ernst zijne neiging tot spot terechtwijzende.
âEn wordt uw vaderlijke vriend er rijk op met de praktijk?quot; vroeg Juliaan nu, met eene poging om zijne belangstelling te toonen.
âIk zie wel, dat het heerschap geen poorter van Delft is, en er ook nog maar weinig bekenden heeft,quot; hernam Lijsbeth met zekeren nadruk; want ware dat zoo, gij zoudt zulke vraag niet doen; gij zoudt dan genoeg van hem gehoord hebben, om te weten dat hij geld noch gave van zijne lijders aanneemt, en dat hij ze in de meeste gevallen zoowel van spijzen als van medicijnen voorziet.quot;
âTe droes? dat's een dokter die mij lijken zou. Gij zult mij verplichten met me zijn naam en woning precies op te geven. Jk ken zekere lieden te Delft, die hem hoog noodig zouden hebben.quot;
âWel! die hem noodig heeft kan hem krijgen; en wat zijn naam betreft, ieder Delvenaar kent hem, schoon de een hem zus noemt en de ander weer zóó; Jacob-oom, vader Boot, cf meester Graswinckel, dat is al één; een kind zal u zijne woning wijzen, zoo gij er naar vraagt.quot;
âIk wenschte dat ik er al was te Delft!quot; sprak Juliaan verdrietelijk; âweet gij bijgeval moedertje, hoe ver uw kluisken van de stad af ligt?quot;
âZoo wat een stijve drie kwartier!quot;
âDat's een kwaad geval voor mij, een kwaad geval,quot; znchtte Juliaan, het hoofd schuddend.
âKom, wat's dat voor een heerschap van uw leeftijd; als gij den heirweg maar houdt kunt gjj niet dolen. Dokter Graswinckel, die eens zoo oud is als gij, doet zulke wandelingetjes tweemaal daags, gisteren nog voor den noen, was hij hier.. ..quot;
âVoor den noen! dat's wat anders. Ik moet door een gure, sneeuwige avondlucht heen, en dat is nog het minste; maar....
143
hoe laat mag het nü zijn. . .. Zou ik de poort kunnen halen voor het sluiten ?quot;
âMijne geit heeft in een jolige bui mijn zandlooper stuk ge-stooten, en ik weet den tijd alleen maar zoo wat bij de gis; maar de poort haalt ge toch niet meer vóór het sluiten, al be-gaaft ge u terstond op weg.quot;
âDat's erg genoeg,quot; hervatte Juliaan in zichtbare verlegenheid; zooals ik zeide, ik ben op den weg mijn geld kwijt geraakt, en.... hoe kom ik nu de stad in.. ..quot;
âVier penningen of een halven stuiver,quot; sprak het vrouwtje vorschend, âhebt gij die niet in een hoeksken van uwe beurs ?quot;
âNeen, neen!quot; hernam hij en frommelde het lederen zakje in zijne handen, of hij nog altijd hoop had er eenig kleine muntspecie in te vinden.
âNu, als ik het heerschap dienen kan met vier of vijf penningen.quot;
âNeen, neen, die zal ik van u niet aannemen; ik zal geen misbruik maken van zooveel gulhartigheid. Neen zekerlijk, zóó'n arme sloof als gij zjjt, zal ik niet van haar penninksken beroo-ven!quot; riep Juliaan getroffen.
âOch! gij berooft mij ganschelijk niet. Ik kan het missen, en gij zijt er meê geholpen. Wat noemt gij mij arm! Ik heb aan geen ding gebrek, ik heb mijn leeftocht voor iederen dag! Ja zelfs, ik heb overdaad, zooals gij ziet, want ik kan nog mede-deelen. Door de tusschenkomst van dokter Graswinckel, woon ik in deze kluis, waaruit niemand mij kan verjagen. Ik heb twee schapen, ik heb mijne kippen en mijne geit, ik krijg van de rijke boeren op de naastgelegen hofsteden, bij beurten, iederen zaterdag een eigen gebakken mik, en van de slacht in 't najaar mijn bescheiden deel; daarvoor doe ik hun boodschappen in de stad, die mij ook nog wel eens een penninksken opbrengen; mijn weldoener koopt mijne eieren en hoenders tot den hoogsten prijs, daartoe verdien ik een aardig stuivertje met
144
spinnen, en boven dat alles schonk God mij gezondheid, vergenoegen en een dankbaar harte; zult gij bij dat alles nog zeggen, dat ik arm ben!quot;
rGoede vrouw! hoe matig zijn uwe eischen, hoe rustig uw lot, hoe welverzekerd uw leven,quot; sprak Juliaan met zekere zwaarmoedigheid, âals ik daarmede vergelijk de wilde onrust, de slingeringen, de woeste ongeregeldheid van het mijne. Mij glijdt het goud en zilver (als ik het heb) door de vingeren als droog zand; gij weet te sparen, als 't u bij penninkskens toekomt.quot;
rEilieve, een heerschap zooals gij, kan zich ook niet vergelijken met een oud vrouwken als ik ben ; daarbij, mijn lot is ook niet altijd dus rustig en welverzekerd geweest. Nadat men tot Delft begonnen is de kerken te reformeeren,... zijn er al wat stormen over mijn hoofd gegaan; ja, ware niet, naar 's Hee-ren raad, mijn weldoener het instrument geworden mijner redding, . .. zoo zoude mij zeker een gelijk lot getroffen heiben als zaligen Joost, mijn... . broeder, ... droeviger gedachtenis.quot;
Wij hebben do goede Lijsbeth laten uitspreken; maar Juliaan zelf had niet naar haar geluisterd, was haar zelfs in de rede gevallen met een schellen kreet dien hij slaakte, en volgen liet door een uitroep: âMijn vader! het is de hand van mijn vader,quot; terwijl hij als machteloos van ontzetting het hoofd tusschen de handen drukte, en tegeljjk het stuk papier liet vallen, dat hem zulke ergernis veroorzaakte.
Toen hij namelijk te vergeefs in die beurs had gezocht, of er niet mogelijk eenig goudstuk in verborgen was, had hij zich het stukje papier herinnerd, waarvan hjj in de duisternis de letters niet had kunnen onderscheiden. Nu haalde hij het te voorschijn, hield het onder hot lampje, en meende de hand van zijn vader te herkennen. Het was een in 't lang gevouwen brief, waarvan het zegel reeds verbroken was, een bewijs dat deze zijne bestemming had bereikt. Zoo hij zich nog in het
145
schrift had kunnen vergissen, het zegel kon niet bedriegen en toonde liet familiewapen. Als men zich nu herinnert, welke voorslagen de man, in wiens bezit zich dat document bevond, hem zeiven had gedaan, dan kan de smartelijke verrassing vati jonker Juliaan niet meer bevreemden; vooral niet, als wij vernemen, dat het niet slechts een brief was, maar een wissel bevatte aan toonder, die er met name in genoemd werd, ten bedrage eener zeer aanzienlijke som, die moest worden uitbetaald door den heere van Lonchyn, een der edellieden van het gezantschap, door den Bisschop van Luik naar 's Hage gezonden, om zich te beklagen over de gewelddadige inbezitneming van 't kasteel van Hoey, in het Luiksche gelegen; en dat de inhoud van den brief in verband scheen te staan, zoowel met het openlijk doel van dit gezantschap, als met een ander, waarover alleen in bedekte termen werd gesproken. De wissel scheen tot dit doel de middelen te moeten leenen, en den heer Lonchyn werd ernstiglijk op het hart gedrukt, dezen te doen toekomen aan den baron de Ghiselles, nu in Holland wezende aan quot;t hof van zijne Excellentie den Stadhouder, om te strekken ter fine, waarover men is overeengekomen, en dat hij daartoe alle zijne vlijt zoude doen, naar den wil zijns vaders, en de verplichting, die hij daarvan voor dezen op zich had genomen.
âMijn broeder! de wissel luidt aan hem; die is dus meê van quot;t complot!quot; riep Juliaan, met eene mengeling van verrassing^ â waarin zekere onedele voldoening sprak. âMaar.... nu is de wissel mijn. ... en ze hebben het geld nog niet,quot; sprak hij, en liet het strookje papiers door de vingeren glijden; dan, op de keerzijde bemerkte hij eene handteekening, die bewees dat het geld in ontvangst was genomen, en een uitroep, met eene grove verwensching gepaard, ontviel hem, die de goede vrouw Lijsbeth met smartelijken ernst deed zeggen :
âWat ik u bidde heer, wil Gods naam niet ijdeljjk misbrui-
Wonderdokter. i. 10
1-16
ken met vei'vloeking van u zeiven en anderen; gij zoudt den zegen uit mijn kluisken wegnemen.quot;
Zonder op die vermaning te achten, riep Juliaan, in zijne eigene overleggingen verdiept: ,Alles is nog te redden; ik heb nu bewijzen, dat is de hand des hemels;... ik zal den verrader ontmaskeren, en in denzelfden slag mij zeiven wreken. ... Vrouw! leen me die penningen, ik zal ze u later met woeker teruggeven; ik moet voort, voort naar de stad.quot;
âOp woeker leene ik niet,quot; sprak Ljjsbeth, hem het geld gevende, wat koel en strak; âalleen ik hoor u spreken van felle wraakneming; overweeg doch of die een zondig menseh past, die, naar Christi voorschrift, het Vader Onze heeft leeren bidden.quot;
âGoede ziel! wees gedankt voor uw goed onthaal, ik meene het te vergelden, maar. ... ik kan mij niet keeren aan uw vroom gesnater!quot; riep Juliaan; âhet belangt hier een wissel van twee duizend pistolen.quot;
âDie u in stad zullen worden uitbetaald?quot;'
âZoo hope ik, of de waarde daarvan,quot; sprak hij met een woesten lach, en stond reeds bij de deur, toen de klink daarvan werd gelicht, en een persoon binnentrad in deftige burger-kleeding, die hem reeds terstond een verwonderden en onderzoekenden blik toewierp, terwijl hij de bewoonster der kluis met een âg'en avond Betteken, nog zoo laat vreemd volk in huis ?quot;' toesprak.
âG'en avond dominé, welgekomen!quot; was de tegengroet van Ljjsbeth, die rechtstreeks, zonder op de plompe vraag te antwoorden, er toch met wat strakheid op volgen liet: ânog zoo laat, en zoover buiten uw dorp, welwaarde heer?quot;
âWat zal ik u zeggen, zusterken; de boer die me naar stad heeft gereden, is met zjjn wagen geprest door een vreemd heerschap, die naar buiten moest; voor meerijden was het toen nog mijn tijd niet, zoo was ik wel genoodzaakt de beenen
U7
op te nemen om verder te komen. Heb je een napken melk voor mij, of wat anders, als deze gast u nog wat gelaten heeft
Dat herhaalde onwelwillende uitvallen over zijn persoon beviel Juliaan in 't geheel niet; ondanks als zijne haast, was deze toch blijven staan om het voorkomen van dezen ^dominéquot; wat nader op te nemen. Eij den eersten blik had hij eene instinctmatige antipathie opgevat tegen deze plompe figuur, die van zijne zijde, met kennelijk mistrouwen, den uitvorsehenden blik op hem hield gericht, terwijl hjj zich aan vrouw Ljjsbeth wendde, juist of hij dien vreemde niet zag.
âWat de gast gebruikt heeft, werd hem vrijwillig aangeboden,quot; viel Juliaan hierin, recht op den dominé toegaande, en dezen zoo veelbeduidend aanziende, dat zijn rood vollemaans gezicht tot krijtwit bestierf.
âHet was .... eene aardigheid, ik bedoelde niets .... onhoffelijks,'1 stotterde de bloodaard, wien het ondanks zijn brutaal uiterlijk geheel aan zedelijken moed scheen te ontbreken.
âZoo! dat is wat anders; in dat geval zult gij mij wel willen verplichten met me eene inlichting te geven.quot;
âWat wilt gij weten?quot;
âOf de vreemde heer, aan wien gij uw wagen hebt moeten afstaan, bij u bekend is ?quot;
âWaarom vraagt gij mij dit; waarom zou ik hem kennen?quot; sprak de ander, die opnieuw van kleur wisselde, en zijn barsche, gejaagde toon verraadde meer onrust, dan hij zelf had gewild, hetgeen Juliaan opnieuw aanmoedigde om voort te gaan.
âIk heb er belang bij, want ik ben zelf met hem meêge-reden.quot;
Plotseling nam de dominé eene geheel andere houding tegen hem aan; wel nam hij hem nogmaals op van het hoofd tot de voeten, maar blijkbaar had welwillende belangstelling voor het vroegere wantrouwen plaats gemaakt.
148
âMoêgeveden, op zjjn verlangen?quot;
âHoe zou 't anders zijn ? hij had mij over zaken te spreken.quot;
De geestelijke heer kwam dicht bij hem, drukte beide zijne handen als met broederlijke hartelijkheid, en hervatte: âAls 't er zoo mee gelegen is, hoe zijt gij dan weer hier ?quot;
.Hij moest nogal heel ver weg, en ...
âEven buiten Voorburg, dat's toch zoo ver niet.quot;
âNeen, maar ik had niet noodig daar te zijn.quot;
âDus heeft hij die zaak al met u besproken; hoe vraagt gij mij dan naar den bekenden weg?quot; voegde hij er bij met eenig wantrouwen.
âWol! om te weten oï gij dien vcg ook kent,quot; hernam Juliaan met zekeren nadruk.
âGij ziet dat het zoo is, en toch,quot; voegde hij er bij, met een blik van verstandhouding, âgij moogt mij gelooven of idet, maar ik ken den persoon in quaestie niet bij name, schoon ik gissen kan wie hot zijn zal.quot;
âGij weet dan toch zeker dat hij niet is, wat hij schijnt. . ..quot;
Schielijk vatte de dominé hem bij dc hand, en met een blik op vrouw Lijsbeth: âniets meer daarvan, wij begrijpen elkander; ik zie wel, dat gij alles van onzo zaken weet.quot;
âNagenoeg alles! alleen wil mij zeggen....quot;
âNoen, neen! ik zeg niets meer, gij zult morgen nieuws hoo-ren, dc zaak is beklonken.quot;
âBuiten hem en mij om?quot; vroeg Juliaan wat getroffen.
âWees er maar niet gebelgd over, ik zal mij bij de vrienden weten te verantwoorden; ik heb eene goede occasie waargenomen en toegeslagen; morgen gaat de affaire door.quot;
âDc affaire belangende Maurits?quot; vroeg Juliaan fluisterend, maar zijne ontroering te weinig meester om geen wantrouwen te wekken; want de ander antwoordde luid en lachend:
âNu raakt ge van de wijs, vriend; ik weet niet meer wat gij bedoelt; ik meen de zaak van de boerderij die hij heeft willen
149
koopen; de eigenaar heeft toegegeven, maar, als hij geweten had wien 't gold, gij begrijpt. . .
âJuist.quot;
âDan zou hij natuurlijk eens zooveel hebben gevraagd.quot;
âDat spreekt vanzelf, iemand als hij
âEn daarom achtte hij 't zaak, zijn incognito te bewaren, heb je 't gevat?quot;
âVolkomen.quot;
âZoo ga in vrede uws weegs, wij zijn zeker bestemd elkaar spoedig weêr te zien.quot;
âDat vertrouw ik ook, de vraag is maar, waar?quot;
âDat spreekt immers vanzeive, op de plaats waar de spelen gehouden worden.quot;
âPrecies, daar vinden wij elkaar morgen, tot zoolang, wees gegroet.quot;
âEn gij, wees gezegend, een vermakelijken terugtocht!quot;
Juliaan hoorde reeds dat laatste niet meer; de zegen van dezen dominé gaf hem gansch geen weldadigen indruk; maar daar het niet de eenige was dien hij in het laatste uur ondergaan had, ging hij zijn eenzaam pad, met den gejaagden tred van iemand, die werktuigelijk voortloopt, door den aandrang zijner gedachten voortgedreven.
Wij volgen hem niet op dien weg.
HOOFDSTUK IV.
âWat is dat voor een man, kent gij hem?quot; vroeg de dominé met zekere barschheid aan Lijsbeth, toen Juliaan de deur achter zicli had laten toevallen.
âMij is hij gansch vreemd; maar het kwam mij voor, dai: uwe Welwaarde zaken met hem hadt,quot; sprak Lijsbeth op een toon, die juist niet van diepen eerbied getuigde; men moet ook erkennen, dat noch de persoon, noch zijne woorden en gedragingen, bijzonder geschikt waren om dien in te boezemen.
âIk ook kenne hem niet; maar het kan daarom tóch wel zijn, dat hij nevens mij tot hetzelfde werk geëmploieerd zal worden.quot;
âDat zullen dan toch goenc kerkelijke zaken zijn,quot; merkte Lijsbeth aan; âwant deze man die een soldaat en een vloeker is, heeft gewis te ruwe handen om het gewijde aan te raken.quot;
âGij weet wel, Lijsbeth, dat wij geestelijken ons ook zoowat mot de politiek inlaten.quot;
âIk heb dat meer hooren zeggen, dan.... ik begrijp niet hoe do consciëntie zulks veroorloven kan aan een waardig evangeliedienaar.quot;
âMeent gij dan, zusterken, dat de dienst van quot;t Evangelie en die van den staat met elkander in strijd zijn?quot;
âZij behoeven niet in strijd te zijn, om toch onvereenigbaar te wezen voor wie ze te zamen wil bedienen.quot;
151
âIn elk geval is quot;t geene vrouwenzaak om over dit verschil te oordeelen. Zeg me liever, hoe die man bij u gekomen is, en wat hij in zijn schild voert.quot;
âIIij was dolende en vermoeid, en kwam dus bij mij om te rusten en zich wat te verkwikken.quot;
âquot;Waarom stoof hij zoo haastig op bij mijne binnenkomst?quot;
âHjj was onderweegs al zijn geld kwijt geraakt en zocht in zijne beurs of hij ook mogelijk een paar penninkskens kon vinden om door de poort te komen; hij vond niets, maar het bleek toch, dat hij nog een wissel van twee duizend pistolen bij zich had, en die ontdekking scheen hem op te schrikken, en aan te zetten tot een haastigen aftocht. Meer weet ik van hem niets; het bleek me alleen, dat hij zijn ruim deel had gehad aan aardsehe rampspoeden eu teleurstellingen, zonder dat het hem gebracht had om naar de rechte hemelsche ruste te zoeken.quot;
âZoo zijn ev meer!quot;
âMaar al te veel; bij dien man vindt het eenigszins verschoo-ning in het losse, wilde krijgsmansleven, dat hij leidt, waarin tijd en ruste om over zijne zielsbelangen na te denkeu hem ontbreken. Hier â is geen moedwillig weerstreven van de genade Gods, naar het mij voorkomt â hier is veeleer ....quot;quot;
âAlle sacramenten, wat riekt het hier naar spekpannekoeken !quot; viel de dominé uit. âWees gezegend, Lijsbeth. dat het geen vastenavond is; ge raaktet wis onder suspicie van paperij.quot;
âAl ware 't vastenavond, dominé, nog zou ik mij niet ontzien een hongerigen zwerver met wat goeds te verkwikken, zonder voor zulke suspicie te vreezen. Ieder die Lijsbeth kent, weet wel hoe zij met volle getrouwheid hangt aan de gezuiverde religie, sinds zij er zich eenmaal toe heeft beleden.quot;
âWelzalige, gezuiverde religie! zoo gezuiverd, zoo schoon geveegd, dat zij er naakt en kaaltjes van geworden is,quot; mompelde dominé halHuid.
âGij spreekt zulke woorden, tot verkleining der ware Gerefor-
152
meerde Kerk, niet in vollen ernst,quot; sprak Ljjsbeth, âmaar omdat gij zelf mij verdenkt, en wacht dat mjjn hart zich aan u zal ontdekken.quot;
âTut! Tut! vrouwken, wat neemt gij dat hoog; ik verdenk u ganschelijk niet; ik sprak slechts uit kortswijl en om u tot omzichtigheid te vermanen; eenzame vrouwkens geven licht aanstoot en ergernis in deze zorgelijke tijden.quot;
âIk zie niet wat aanstoot mijne eenzaamheid geven kan.quot;
âVooreerst lijdt gij overlast, iedereen komt hier maar indringen, wie wil !quot;
âDat is waar!quot; viel zij in, met gulgauwe instemming, die bewees, dat zelfs de bezoeker van dit oogenblik haar dien indruk gaf.
âVervolgens, wij weten hoe quot;t boerenvolk bestaat; die tot de nieuwe religie behooren, houden u voor een klopje; en die van 't oude geloof zijn, zien u aan voor eene tooverheks, allebei gevaarlijke suppositiën in deze tijden.quot;
âKan ik dat helpen? zou ik dan in de zestig nog een man moeten nemen, om te bewijzen, dat ik noch het een noch de andere ben:'quot;
âNeen; daarin hebt gjj gelijk, dat is nu niet te verhelpen; maar gij hadt in den rechten tijd, toen ik het u raadde, een hijlik moeten aangaan, om de luiden te bewijzen, dat gij recht van harte, en niet uit dwang der omstandigheden met de kloostergeloften hadt gebroken, toen gij uw convent hebt verlaten.quot;
âHet convent verlaten.... Welwaarde Heer! dat is niet het juiste woord; en wat mijne kloostergeloften belangt, daarmede heb ik ganschelijk niet gebroken wat het beginsel aangaat, ofschoon ik de reformatie van ganscher harte was toegedaan, al eer wij uit ons klooster werden verdreven. Armoede, kuisch-heid, matigheid, gehoorzaamheid aan wie mijne oversten zijn, en de geheele toewijding vau 't harte aan den Heer Jezus! ziedaar de hoofdsom van de voorschriften, die ik eens voor God
153
heb beloofd naar de mate mijner kracht te houden, en daarmede ik achtte niet gebroken te hebben, al meende ik niet langer gebonden te zijn aan de menschelijke ordeningen en voorschriften, die de kloosterwet daaraan toevoegt; waarom ik dan ook niet heb kunnen besluiten, om gezamenljjk met de overige zusterkens in een geheim conventikel te gaan leven.quot;
âHeel goed; doch dan hadt ge ook wijs gedaan, tegelijk met het menschelijk verbod des hijliks te breken, sinds ge toch vrijheid vondt om in de wereld te gaan leven.quot;
âIk vond die vrijheid, omdat ik mij niet langer tot de Room-schen wilde bekennen; maar sinds ik mij voorgenomen had mij, ondanks het uiterlijk leven in de wereld, aan den dienst van den Heer te wijden, achtte ik mij niet verplicht, nog daarenboven het juk des hijliks op mij te nemen, omderwille van het volksvooroordeel.quot;
âMogelijk bestond daarvoor nog wel eene andere reden, zusjelief, toen gij die keuze deedt.. ..quot;
âWelke andere reden heeft er kunnen bestaan r1quot;
âHm, hm; bij voorbeeld: dat gij den man niet kost krijgen, tot wien uw harte zich getrokken gevoelde.quot;
âIk zou niet weten, wat man dat had moeten zijn.quot;
âWel, mij dunkt die ware niet ver te zoeken; Dr. Gras-winckel was destijds nog in den vollen bloei des levens.quot;
âIk betuige u bij God, dat ik voor dezen waardigen en eerwaarden vriend nooit iets anders heb gevoeld, dan de hoogachting, de dankbaarheid die hem van mij toekomt, en de volheid der Christelijke liefde, die hij mij heeft betoond.quot;
âBah! gij hebt er geen eed op te doen, het zou geene zonde zijn geweest.... Zijt gij zeker, dat hij zelf, in de betooning dier volle Christelijke liefde, zoo gansch onbaatzuchtig is geweest? Gij Betteken waart destijds een appetijtelijk maagdeken, als eene blanke lelie, prijkende in volle zuiverheid....quot;
âSpaar me die aardsgezinde herinneringen, Dominé Blommers.
154
Wat mijn nobelen vriend aangaat, de hooge hemelsgeziftde gedachten, waarin hij steeds verkeert, en de vurige ijver, die liein drijft om zich af te slooven in allerlei Christelijk liefdewerk, heeft hem tijd noch hoofd gelaten, om op zoo iets gerings als zwakke vrouwenliefde te achten.quot;
âIk zal 't niet tegenspreken; ik ken hem niet dan bij geruchte. Zoo is quot;t uwerzijds dan wel zeker tegenzin in 't hijlik, en geenszins heimelijke gehechtheid aan den kloosterregel, uit stille toeneiging tot de oude kerk?quot;
rHoe komt die vraag bij u op. Welwaarde Heer;1quot; sprak zij, in de uiterste verrassing.
âWare 't zoo, weet dan, dat gij hut mij gerust zoudt kunnen biechten; niet juist als aan Doniiné Blommers, maar als aan een oud, vertrouwd vriend.quot;
Zij haalde de schouders op. âIk heb immers uit volle vrijheid de onberouwelijke keuze gedaan.quot;
âJa, ja! dat weet ik wel; maar toen gij den sluier naamt op uw achttiende, heette dit immers ook eene onberouwelijke keuze. Later bleek het toch, dat berouw mogelijk was; en wie zich eens bedriegt, kan het dunkt mij ook tweemaal; in den loop der jaren, bij meerdere levenservaring, ziet en hoort men soms veel wat weêr naar het oude doet omzien, met leedwezen het verzaakt te hebben.quot;
âDat is bij mij niet het geval. Ik haat het Pausdom meteen volkomen haat,quot; sprak zij met forsehheid, met heftigheid zelfs.
âWerkelijk! nu dan ben ik gerustgesteld. Ik vreesde dat de armoede, die gij nu lijdt. .. .quot;
âArmoede! daarover heeft niemand mij ooit hooren klagen.quot;
âDat weet ik wel; edelboortige armoede klaagt niet____ maar
dies ondanks....quot;
âMij heeft nooit iets ontbroken.quot;
âGij leidt al vrij een soberder leven dan voormaals in 't adelljjk convent.quot;
155
âOm aai-dsche genietingen na te jagen ben ik de wereld niet ingegaan.quot;
âGij deelt zelfs niet eens in de voorrechten die de saamge-bleven zusterkens genieten.quot;
âOmdat ik niet mei haar gebleven ben, dat spreekt wel van zelve; maar Dokter Graswinckel, niet willende, dat ik bij den nakenden ouderdom ot' ziekte gansch afhankelijk zoude zjjn, heeft zich op dit punt, te mijnen behoeve, aan de Heeren Staten van Holland gewend met een request, daarop hij hoopt dat het goed gevolg zal hebben.quot;
âOch! wat goed gevolg kan men wachten van die beslissing. De inhalige praatbroêrs zullen toch niet te bewegen zijn ietwat terug te geven van de geestelijke goederen, die zij naar zich gehaald hebben.quot;
âDominé Blommers! is dat nu spreken!quot; viel zij in, niet verwijt en afkeuring; âik meende dat gij beter gezind waart tot uwe overigheid.quot;
âIk ben zoo goed gezind als mogelijk voor mijne overigheid,quot; hernam hij lachend; maar plotseling zich zeiven in de rede vallende : St, st, hoor ik daar niet een wagen rollen.quot;
âDan moet het wel in de verte zijn, want ik hoor niets.quot;
âGij valt wat hardhoorend, zusterken! ik heb hope dat ik mij niet bedriege.quot;
âGij hoopt, dat er volk voorbij zal rijden om u meê naar huis te brengen?quot;
âOm u de waarheid te zeggen, heb ik iemand afspraak gegeven die mij hier zou komen afhalen, om gezamenlijk naar Voorburg terug te rijden; hij zou tegen acht ure hier zijn, tot zoolang doe ik u immers geen overlast?quot;
âAl zou dat zoo zijn, ik wil om een ander te gerieven wel wat overlast dragen.quot;
âHoe zegt gij dat zoo zuinigjes! een ander! kan 't woordje vriend of broeder er niet af?quot;
âMet waarheid en in goede trouw kan ik u niet voor vriend
156
achten, noch broeder noemen, die mij tweeërlei gelaat toont in principale zaken.quot;
âNaar uw gevoelen zou ik van dezulken zijn?quot;
âHet is niet voor het eerst, dat gij tegen mij in uw spreken uitvalt tegen de tegenwoordige regeerders, tegen de religie, die gij zelf bedient.... op zulke wijze, dat ik niet wel scheiden kan, of zulke dubbelheid van tale list en achterdocht bediedt tegen mij, of wel eigen wankelbaarheid toont.quot;
âJa, daarop had ik moeten denken, kortswijl te verstaan hebt gij in uw convent niet geleerd.quot;
âNoch in de wereld, om met ernstige zaken te kortswijlen.quot;
âMaar ieder Christenmensch, zelfs eene non, die te midden der wereld bij de kloosterbeloften volhardt, moet toch zijne gezonde rede gebruiken, en die zal u zeggen dunkt mij : wie er ook moge gewonnen hebben bij 't nieuwe geloof en de ommekeer van zaken het althans niet de geestelijken zijn, die over winste hebben te roemen.quot;
âGeen geestelijke was genooddrukt om in dien stand te blijven.quot;
âMaar viel 't hem dan licht een anderen te kiezen ? O! zeker, de pastoors hadden vrijheid hunne pastorieën te verlaten, of het huikje naar den wind te zetten en mee om te keeren; ik ben van degenen die 't gedaan hebben. Ik deed meer, ik trouwde eene vrouw, dat was de nieuwe mode, of het nieuwe recht.quot;
âGij deedt daar wel aan; want die vrouw was immers reeds moeder uwer kinderen!quot; viel ze in, niet zonder verwijt.
âHeel goed! maar er was niemand die er aan dacht, dat een getrouwde dominé met vijf of zes kinderen, die hij publiekelijk erkent, en moet opvoeden in zijn stand, een heel ander man wordt dan een pastoor, die zich met zulken omhaal niet heeft in te laten; noch dat een schraal predikanten-tractement maar sobertjes een vette pastorie vergoedt met den aankleve van dien. Daarbij, om quot;t ambt quasie in respect te houden, mocht tevens.
157
geen beroep worden gedreven, alsof armoede en berooidheid geschikt zijn eerbied in te boezemen. In 't begin rekende ik op mijne gemeente; maar, jawel! al te blij, van de biechtpenning en van de tienden af te zijn, lieten de boeren dominé fluiten; 't was al veel, zoo zij mij soms bedachten met een zak meel, die dreigde muf te worden, of met een broksken van de slacht. En nog moet men zorgen naar hun zin te preêken, of men komt niet van berisping vrij, en er vallen scherpe aanmerkingen, als toevoegsel van de geschenken; en hoe lichter de laatsten worden, hoe zwaarder vallen soms de eersten uit: de kudde is ten huidige dagen wijzer dan de herders, nu 't een ieder vrij staat zijn bijbol open te slaan.quot;
âMogelijk zijn er onder hen, die daarin den goeden Herder met meer ijver zoeken dan . ...quot;
âHunne leeraars?.... zeg maar uit wat er op de lippen ligt, Betteken! Niet vreemd, wij kennen dat alles op ons duimpje; voor hen is 't nog nieuwe kost; maar daarbij, dit zult gij mij toestemmen, gaat het ontzag verloren. Voormaals moest de leek zorgen, dat hij het wél maakte met zijn pastoor, of... . het verging hem kwalijk bij zekere gelegenheden; nu heeft een
predikant zijn kerkeraad naar de oogen te zien of.....of ze
verklagen hem bij het hooge kerkbestuur, ze maken hem verdacht bij de Staten; en als de beklagenswaardige onder dat alles niet stil is als een muis, en zoo gedwee als een trekpaard, wordt hij ontzet uit zijn ambt en kan gaan hongeren of bedelen. Ik zie niet, dat onze conditie zoo zonderling zeer is verbeterd, bij dat zoogenaamde kerkhervormen.
âMaar lieve heer neef, gij spreekt nu alleen naar den vlee-sche, en wilt deze dingen niet bezien met het geestelijk oog.quot;
âAlle sacramenten! hoe wilt ge dat wij geestelijk zullen blijven, als wij door allerlei wereldsche zorgen worden gedrukt en belemmerd.quot;
âWaart gij dan geestelijk, broeder Bernulphus, toen gij om
158
oorzaken, die ik w niet zal optellen, uit uw ambt als onze biechtvader ontslagen werdt? Waart gij dan geestelijk, toen gij 't pastoorsambt aanvaarddet, niet een twintigjarige deerne als huishoudster? Waart gij dan geestelijk, toen ge....quot;
âEi lieve, waartoe nu al die oude koeien uit de sloot te halen, Lijsbeth-nicht; 'tis geschied en geboet, zwaar geboet, sinds ik dien verwensehten preêkrok heb aangetogen.quot;
âLang heb ik het er voor gehouden, dat gij tevens van zin waart veranderd.quot;
âNu ja! zoo was dan toen ook. Maar____stil! nu hoor ik het
voorzeker, daar is een wagen die op den heirweg blijft stilstaan; ik ga even zien of het is wat ik wacht;quot; en Blommers, de deur van het kluis openende, ging op den drempel staan, roepende:
âIs dat de wagen van Gerrit Evertsen ?quot;
âPrecies! Als de dominé maar blieft op te stappen,quot; was het antwoord.
âMooi zoo! ik kom; g'en avond Lijsbeth, dank voor je her-bergzaamheid en je onderhoud, ik late u aan uwe meditatie.quot;
Maar Lijsbeth zelve was hem gevolgd, en terwijl zij voor hare huisdeur staan bleef, hoorde zij Blommers tot den voerman zeggen ;
âZoo, Gerritbuur, ben je 'tzelf; is je gast niet bij je?quot;
âNeen, domino die wacht je in de abdij,quot; was het antwoord van dezen; en terwijl hij Blommers de hand reikte om den wagen te bestijgen, voegde hij er bij; âals het den dominé hetzelfde is, wil dan naast mij op het voorkrat komen zitten, dan kunnen wij samen nog wat praten.quot;
Toen dit geschied was reden ze voort: maar Lijsbeth schudde het hoofd en sprak bij zich zelve; âIn de abdij ! wat doen ze daar? hoe komen ze er in ? Gerrit Evertsen, dat is er nog een die bij 't oude geloof gebleven is; en die zoo eigen met dominé; daar steekt wat achter.quot;
Denkelijk had Lijsbeth gelijk in dat vermoeden; maar het is voor ons nog het oogenblik niet dat te onderzoeken.
HOOFDSTUK V.
De soldeniers, die wij om het krijtveld zagen rondwoelen, spelen eene te belangrijke rol in ons drama, zij het ook dooide verwarringen die zij aanrichtten, om hen geheel uit het oog te verliezen. Om ze weer te zien, moeten wij hen opzoeken in eene der minst aanzienljjke buurten van de stad, in eene enge, morsige steeg, waar zelfs de zwakste poging tot straatverlichting is verzuimd, hoewel het reeds ver in den avond is, en men geen recht had op de maan te rekenen. Winkelhuizen vindt men er ook niet, waarvan nog het walmende lampje op de toonbank, door de kleine, doffe vensterruiten heen, eenig licht kon verspreiden, om den voorbijganger het troostelijke bewijs te leveren, dat er menschen wonen. In eigenlijken zin wonen er ook geen menschen; men vindt er slechts achterhuizen van brouwerijen en lakenververijen, of wel, bergplaatsen van allerlei soort van kuipers- en brouwersmaterialen, waarin bij dag drukte en werkzaamheid heerschten, maar die met het laatste werkuur verlaten werden. Hoog opgetrokken, blinde muren, ter eener zijde met enkele langwerpig uitgeholde luchtgaten, als de schietgaten eener vesting, en met ijzeren traliën voorzien, of men de verlatenheid zelve tegen indringen beschutten wilde; ter andere, houten loodsen met droogrekken, waarover de versch geverfde stoffen hingen uitgespreid, hetgeen echter van buiten niet was waar te nemen, tenzjj de windgt;
160
door de reten fluitend, zijn spel dreef met het vochtig laken, dat hem door lijdelijken weêrstand tergde. Het verblijf zelf dat wij moeten binnengaan, was niets beters dan eene vervallen brouwerij, ingericht tot een ruim kuipers-pakhuis, met eene smalle deur, die in tweeën opengaat en niet al te best meer sluit. Door de reet in het midden ontwaart men eindelijk eenig licht, dat verlokt om het bovendeel der deur open te duwen, en een blik naar binnen te wagen. Het is een vreemd, maar schilderachtig tafereel, dat zich hier aan ons oog voordoet.
De vijftien soldeniers waren hier ingelegerd, en hielden er huis op hunne wijze.
Ze zaten in een halven kring rondom een hoog opvlammend vuur, waarvan zij den gloed nog van tijd tot tijd aanwakkerden, door er spaanders en oude kuipersduigen in te â werpen. Bij die flikkering kwam er op hunne vermagerde en verwilderde gauwdieven-gezichten een rosse gloed, die de matte, lijdende bleekheid verving, en waarbij zelfs hune doffe, ingezonken oogen glansden; maar die glans was niet enkel kunstmatig en van buiten aangebracht. Eene tinteling van zingenot straalt uit hunne blikken en ontspant de strakke, koude, wezenstrekken. Lang, al te lang, in den laatsten tijd vooral, gespeend van alle levensgenot, zelfs van de voldoening der onontbeerlijkste behoeften, hebben zij er zich met woesten heisshunger op geworpen, nu zij de kans tot verzadiging schoon zien. Zij verkwikken zich in de milde warmte, die het vlammend vuur verspreidt in hun kil en ongeschikt verblijf. Om den rook en walm, die hun in dikke wolken boven het hoofd draait, geven ze niet. Er is geen schoorsteen; zij hebben een haard geïmproviseerd op den steenen vloer, juist waar zjj eene opening in den muur vonden, waardoor een deel van den rook kon optrekken, zoo de wind hun ter wrille is zoo niet, wat bekommeren zij zich om zoo'n kleinigheid? ze hebben wel om wat anders te denken. Een tweetal hunner hebben
161
gToote sneden gerookt spek aan de punt eener spies geregen, en laten ze in de vlam braden. Hunne makkers liebben wéér andere zorg. Ze wisten, met merkwaardige vindingrijkheid, een ijzeren ketel tusschen drie haakbussen te bevestigen, en op die wijze boven 't vuur te hangen; een hachelijke onderneming, die geheel hunne aandacht vordert. Er moet opgepast worden, dat de marmiet haar evenwicht houdt, dat de haakbussen niet wankelen, en het ziedend nat in de vlammen verloren gaat, of hen over het lijf stort. Intusschen heeft die vinding om zich van een warmen, vevkwikkenden drank te voorzien, reeds hare moeite beloond, en de tinnen kroes, de eenige dien zij rijk zijn, is reeds herhaaldelijk rondgegaan in den kring; het verhitte bier, door brandewijn aangezet en met honig verzoet, doet reeds zijne werking, zooals uit de verweerde aangezichten is waar te nemen. Een omgekeerde bierton, waarover een paar planken zijn gelegd, dient hun tot buffet, en prijkt niet een stapel grof brood en eene doorgesneden kaas; een mes ligt er nevens, bij wijze van noodiging om toe te tasten, en de bijzonderheid, dat de meesten hunner een homp kaas in de eene, een sneê brood in de andere hand houden, levert het bewijs, dat die noodiging niet ijdel is geweest. Zij hebben nu eens overvloed, en kunnen hun honger en dorst ten volle verzadigen, al is 't niet met datgene, wat eene verfijnde tong keur van gerechten zou noemen, en wat menig verwende weekeling bepaald zou tegenstaan. Zij hebben zooveel ontberingen geleden in den laatsten tijd, dat zij nu eens in de ruimte goede sier willen maken, sinds zij er de middelen toe hebben. Zij vragen er niet naar, of ze ook in één nacht zullen verbrassen, hetgeen hen, bij matig gebruik, voor dagen had kunnen strekken. De zorg voor den dag van morgen hebben zij sinds lang verleerd; zij leven alleen voor 't oogenblik, zoo hunne leefwijze leven heeten mag. Enkelen hunner, reeds ten deele verzadigd, of nog met gretigheid sta-
Wonderdokter. I. 11
162
rende op het gebraden spek dat hen wacht, veroorloven zich inmiddels de weelde van het âtoeback snygenquot;, en met het bonkesje, de korte, dikgesteelde tabakspijp, zitten ze genoegelijk blauwe, walmende kringetjes om zich heen te blazen, of ze nooit onrecht hadden gepleegd, noch onrust hadden gekend. En toch, als wij omzien naar de bron waaruit deze overvloed vermoedelijk opwelt, komt het ons voor, dat er stof ware geweest tot bezorgdheid en ernstig nadenken. Maar in nadenken, .... vooral nadenken over zedelijk goed en kwaad, lag hunne sterkte niet. Hun onderscheidingsvermogen op dit punt is verward en verstompt, zoo niet volstrekt verloren gegaan, bij het woeste krijgsmansleven dat zij geleid hebben. Ook is het niet zonder aarzeling, dat wij ons in hun midden begeven, daar het te vreezen is, dat hetgeen er onder hen omgaat, ons gehoor even onaangenaam zal treffen als onzen reuk, bij de walgelijke vermenging van allerlei geuren; rook, tabakswolken, ziedend spek, en dampend bier, om niet te spreken van de vunze, bedorven lucht, die er ook zonder deze bijkomstigheden heerschen moet in die bergplaats van kuipen en oude biertonnen, zonder vensters of schoorsteenen, waar vjjftien havelooze soldeniers dag en nacht huis hielden, zoo goed of zoo kwaad als zij konden! Maar toch, wij moeten luisteren, al is 't ook van verre, en al is het slechts naar datgene, wat ons belangrijk voorkomt in betrekking tot Juliaan. Hunne ruwe uitingen van pret, hunne vloeken, hunne verwen-schingen van zich zeiven en anderen, bij de minste aanleiding, verlangen wij op te vangen noch weer te geven, al is zulk realisme ook nog zoo in de mode; maar nu wij één hunner hooren zeggen: â'tls zonde en jammer, dat de luitenant niet hier is!quot; moeten wij toch weten wat er gaat volgen.
âJa! dat zou hem lijken; wis ware hij hier, als hij 't had kunnen raden. quot;Waar hij zijn mag ?quot;
âWel! hij zal zijn, waar hij meent het beter te hebben dan
163
bjj ons, dat staat vast; hij is niet van lion die troef verzaken.quot;
,Daarom zal hij zijn nieuwe liefje gevolgd zijn.... dat mooie juffertje, dat hij ingepakt heeft met onze hulp.quot;
âEn nu zjj hem eens tot gezelschaphouder heeft, zal zij hem niet weer willen missen.quot;
âZe zal hem ten minste niet makkelijk kwijt raken! daar wil ik op zweren,quot; sprak handgauwe Piet, met een ondeugen-den glimlach, terwijl hij zijn bonkesje uit den mond nam; âmaar .... of zij hem uit vollen vrijen wil bij zich zal houden, dat betwijfel ik.quot;
âDat ben ik met je eens,quot; viel een ander in, en reikte hem den kroes over. âZoo'n deftige joffer zal niet gediend zijn met een kalen luitenant als onzen Juliaan tot gelei-jonker. Was zijn fulpen pak nog zoo nieuw, en zijn kraag nog zoo versch in de plooi, als ten dage toen we hem in vollen ernst onzen luitenant konden noemen, dan wil ik het niet zeggen; diestijds heeft menig snoepig bekje haar zinnen op hem gezet. Hij is in quot;t eind een edelman, die met de meiskens weet om te gaan; maar zoo verwilderd als hij er nu uitziet, met vliegende haren en ongekamden knevelbaard, of hij met des barbiers penninck in den zak loopt, neemt geen eerbare joffer hem aan, als ze 't weet te ontkomen.quot;
âEn geweld plegen zal hij toch ook niet; daarvoor is hij te ridderlijk en zijn hart te goed!quot; merkte een der spekbradei-s aan.
â't Zou er ook wat op aan komen! alsof zulke grapjes niet meer gebeuren,quot; klonk het onder een schaterend gelach van de zijde der lantzen, die over de marmiet waakten.
âWat weet jij van zijn hart. Hans? Ik voor mij heb nooit kunnen merken, dat hij wat anders heeft dan een stevige maag en een harden kop,quot; sprak één der jongsten onder hen, maar die zich door een bleek, doortrapt schurkengezicht onderscheidde; âen wat de ridderlijkheid belangt, die moet al overlang zijn versleten, zoo die er ooit ingezeten heeft.quot;
164
âEi zoo, Bernard, waarom ben jij clan bij hem gebleven, als je zoo laag- van hem denkt,quot; vroeg Hans droogjes, maar met de flikkering van toorn in het oog.
âWaarom? Wel, dat zal ik je zeggen: Omdat ik al heel weinig geef om die kostelijke zaken waar jij op stoft. Dat is vrij overbodig voor een aanvoerder van een hoopje volks als wij zijn. Het komt hier aan op zijne abelheid om zich door alles heen te slaan, en die is gebleken !quot;
âWie weet, met welk een proefje daaraf hij ons nu haast komt verrassen,quot; vulde Hans aan met oen welgevalligen lach, waarbij al zijne groote, sterke tanden zichtbaar werden; âmogelijk is hij naar den graaf van Hohenlo gegaan, om de achterstallige soldij te innen!quot;
âDo graaf van Hohenlo zal hem zien komen,quot; sprak zjjn makker, terwijl hij behendig een nieuwen reep spek aan zijn geïmproviseerd spit stak.
âIn oen dronken bui zou Hohenlo er toe te brengen zijn, den degen te trekken togen Juliaan; maar de koorden zijner beurs te ontknoopen, daartoe is hij een te vilein gierigaard,quot; merkte Bernard aan.
âNeen, luistert mannen! de jonker is ter audiëntie bij den prins, om te zien of hij eene compagnie kan krijgen!quot;
âJa! dat's zijn stokpaardje, daar hij altijd op rondrijdt als hij ons paaien wil,quot; bromde er een, terwijl hij eene snede van 't gebraden spek op zijn mik deed; maar ik heb liever dit hier in de hand, dan de heele compagnie in de verte.quot;
âEn ik zie niet dat wij er zoo wel bij varen zouden; voor't minst dienden we dan onze eigene betaalmeesters te zijn; want ik acht hem in staat, om eene maand soldij in één nacht te verdobbelen.quot;
âJe maakt hem erger dan hij is, Bernard! Je hebt daareven zelf erkend dat hij voor ons zorgt, als hij maar kan.quot;
âHij zorgt voor ons zoo goed als â voor zich zelf â dat
165
spreek ik niet tegen; maar wat helpt flat, als hij alles verspeelt wat hij tussehen de vingers krijgt?quot;
âEn toch is hij geen speler van professie,quot; zei lange Michiel niet zekere wichtigheid; ,,hjj speelt alleen om zich het verdriet te verzetten.quot;
âUit welke oorzaak hij dobbelt is mij één, als ik er toch mee om lijden moet,quot; bromde de jonge soldaat; âeergisteren heeft hij mij geprest om zijn fluweelen mantel bij een lombard te be-leenen; ik meende dat we ons eens te goed zouden doen van de acht kronen, die ik er op kreeg; maar jawel, droog brood en dun bier was alles wat er overschoot voor ons, de rest heeft hij gisteravond verdobbeld.quot;
't Is jammerlijk,quot; zuchtte Hans.
âZeg schandelijk,quot; morde Bernard.
âDat hem de duivel hale!quot; bromde er een. terwijl hij den kroes omhoog hief.
âVerwensch hem niet! drink veeleer op zijne goede fortuin,quot; vermaande Michiel, âdie kan ons nog te stade komen.quot;
âMaar heeft hij dan zooveel meer verdriet dan wij, dat hij het met spelen en drinken moet verzetten ?quot; vroeg Hans, Michiel aanziende.
âIk weet er het rechte ook niet van,quot; bekende deze; âmaar is 't al niet erg genoeg, dat zjjn vaders zoon dus in de diepte is geraakt, om met soldatenvolk van onze soort te moeten leven ?quot;
âOm niet te zeggen dat hij meestentijds can ons moet leven,quot; voegde Bernard er bij. âJa makkers! Hij stelt zich altijd aan of hij onze meester ware, en eigenlijk zijn wij het toch maar die het kostje ophalen voor hem !quot;
âEn een zuur verdiend kostje ook,quot; zei Valentjjn, do rondassier van het corps; de duivel verkneukelt zich er nu al aan, hoe hij er ons voor zal laten braden !quot;
âEn dan! moeten wij het nog dragen, dat hij, in zijne sombere
1Ã6
buien, zelfs de eerste is om ons verwijten te doen, en ons rekenschap af te vragen van ons doen en laten, of 't hem niet al een moest zijn hoe we door het leven komen.quot;
vDaarvoor is hij immers ons overhoofd,quot; sprak Hans.
âOverste of niet, hij moest zijn mond houden tegen ons, die weten wat hij zelf is!quot;
âDat's juist wat we niet weten,quot; riepen Hans en Michiel uit één adem. âHij is zóó gesloten over zijn verleden!quot;
âDat zal wel zijn omdat hij er niet veel goeds van te zeggen heeft,quot; sprak Bernard lachend; âmaar mij dunkt we hebben genoeg aan het tegenwoordige, de rest laat zich wel raden.quot;
âVoor zoo'n slimmert als jij!quot;
âAls je er meer van weet, Bernard, zeg het ons dan,quot; drongen Valentijn en Hendrik, hem ter zijde nemende.
âMalligheid jongens, wat maal je over den luitenant achter zijn rug? gij deedt beter zijne absentie waar te nemen om samen te overleggen, wat we doen zullen met de profijten van dezen dag en welk part wij hem zullen afstaan van den res-teerenden buit.quot;
âEr rest geen buit te deelen!quot; grauwde Bernard, en liet de tanden zien als een gesarde bulhond. âHet fortuintje van den Jezuïet houden we onder ons vijven, zooals gij allen voor bil-Ijjk hebt erkend; het heele rantsoen van het uilskuiken is er ingeschoten bij ons festijn van heden.quot;
âEi zoo!quot; sprak Valentijn, met een ontevreden blik; âen die gesp met de mooie steenen, is daar niets van gekomen; of moet jelui die ook onder je vijven houden?quot;
âJa! praat me van die gesp,quot; riep Bernard met heftigheid, âdie mocht geen braspenning gelden; die burger snoeshaan heeft ons schandelijk bedrogen, ja, bestolen heeft hij ons, de kale pronker, valscho steenen te dragen op een bruiloftsdag.quot;
âHet was in elk geval zijn bruiloftsdag niet,quot; zei lange Michiel, die de wijste van de bende scheen.
167
rBon je wel zeker Bernard, dat ze valsch waren?quot; vroeg Valentijn, zijn makker met starren, wantrouwigen blik aanziende.
âJe zoudt dat niet vragen, als je meê bij den goudsmid waart binnengegaan, e.'i gezien hadt welk een gezicht hij trok, toen wij hem zeiden, dat wij de gesp te koop kwamen bieden voor onzen luitenant . . . . r't Is Maart goê mannen, zei hij met een schamperen spotlach, âen de luitenant heeft je om een Aprilsboodsehap gestuurd,quot; en daarmeê drong hij ons zoo wat de deur uit, en die achter ons toe, als had hij verdenking tegen ons gevat. Had het ding waarde gehad, hij zou ons voor 't minst eene kleinigheid geboden hebben.quot;
âDat moet ik bijstemmen; en de vreemde marskramer, die bij gele Fij in het toebackshuis zat, lachte er ook om, dat wij het voor echt hielden, zeggende: âJa! ja! jelui hebt daar eene goede vondst gedaan; het zijn echte Venetiaansche glaskraaltjes, en niet van de best geslepene daartoe!quot; en toen we dat hoorden, namen we maar aan wat gele Fij ons bood, een soopje toeback met een bonkesje, voor wie quot;t gelustte, en de belofte dat wij er nader van hooren zouden, als zij,zelve er wat voor kreeg.quot;
âDat's eene zeepbel in de hand, eene belofte van gele Fij !quot;
âDaarvoor houden wij het ook; maar zoo zie jelui zelf, dat er niet valt af te rekenen; en dat we den luitenant daarbuiten kunnen houden!quot;
âMij is 't wel, Bernard,quot; zei Valentijn; âmaar wij moesten partij trekken van zijne afwezendheid om te overleggen, hoe we nu verder zullen handelen in de zaak van den Jezuïet.quot;
âWel, me dunkt er is geen verder,'quot; sprak Hans lachend âwe hebben de schijven binnen en laten hem fluiten.quot;
âDat zou goed zijn als hij niets meer had beloofd!quot; merkte Bernard aan; maar sinds we het dubbele krijgen als we ons goed hielden in die affaire, dunkt me dat wij het wel in overweging mogen nemen.quot;
168
âHij heeft het dubbele beloofd, als wij met ons allen kwamen,quot;' verbeterde Hans; âmaar daar Miehiel er geen zin in heeft.. .
âDat's te zeggen, als Valentijn wil dat het buiten den luitenant zal omgaan.quot;
âDat rade ik aan uit voorzichtigheid. We zijn niet vooruit zeker hoe hij eene zaak zal opvatten; en als hij weêr in een korsei humeur is en het afraadt, zie ik niet hoe wij het tegen zijn wil zullen doorzetten.quot;
âDat zou ook niet goed zijn,quot; heweevde Michiel. âJuliaan is van goed beraad; hij heeft in de wereld rondgekeken, en daarom zou ik mij niet graag tot iets laten gebruiken, dat zoo duur wordt betaald, en bijgevolg geon zuiver spel is, zonder er hem in te kennen.quot;
âDenkelijk speelt hij zelf altijd zuiver spel, dat hij gewoonlijk verliest !quot; morde Valentijn, âen daarom, als hij meedoet loepen wij ook gevaar.quot;
âDat zeg ik niet! 't Zou een weergaas goed figuur maken, als wij met ons vijftienen kwamen, aangevoerd door onzen luitenant,quot; zei Bernard; âte eer weten we zeker dat de Paap woord zou houden.quot;
Dat's ook mijn gevoelen Berd, en te meer, daar ik niet zie hoe wij alle vijftien tegelijk absent konden zijn, buiten Juliaan om.quot;
âO! wat dat belangt,quot; zei Valentijn, âals hij van nacht nog thuis komt, slaapt hij lang uit, krijgt eene boetpredicatie van Bastiaan op zijn ontbijt toe, en zoo wordt het tien uur eer hij naar ons kan omzien. De samenkomst in de taveerne van gele Fij moets plaats hebben in de vroegte, en zoo zjjn wij al lang op het marktplein, vóór hij er ons komt opzoeken; wij hebben dan den aap binnen, en alles is kostelijk buiten hem omgegaan!quot;
âDat's goed en wel!quot; zet Michiel met vastheid; âmaar ik blijf er bij, dat ik er mij buiten houde, als de luitenant niet van de zaak weten mag.quot;
169
âVan welke zaak niet? wat hebt gij den luitenant te verhelen? waarom is hij niet bij u ?quot;
De drie vragen werden in één adem en op vrij forschen toon gedaan, door een persoon, die liet verblijf binnentrad door eene deur op den achtergrond, die de voormalige brouwerij scheidde van het terrein, belendende aan den kuiperswinkel; het geheele perceel met het woonhuis er bij had vroeger tot de brouwerij de Ruit behoord, en was nog in handen van een zelfden eigenaar, of om juister te spreken, eener eigenares, wier wettige heer gemaal wij bij dezen van de nabuurschap en zijn recht van intrede gebruik zien maken.
Ook verwonderden de soldeniers zich niet in 't minst over zijne verschijning in hun midden, al droeg de man het kuipers-schootsvel en de burgerkleeding. Maar hij zelf was zóó verwonderd hen dus en fête te vinden, dat hij, nog eer er antwoord volgen kon op zijne drie vragen, zich zelf in de rede viel met den uitroep:
âIn volle glorie!quot;
âGij ziet goed, Bastiaan, wij leiden een leventje als de papen in de vasten, terwijl het miserere is in de magen van de leeken!quot; antwoordde Michiel lachende; ,je hebt geen fijnen neus Bastiaan, anders waart ge er al eerder geweest, man! maar je zult er toch nog wils van hebben, als 't je gelust.quot;
âIk hoorde wel joelen en tieren, maar dat kunt gijlieden wel met leêge magen; en er was druk werk in de kuiperij, zonder dat was ik al lang eens naar Juliaan komen vragen, dien ik den geheelen dag nog niet gezien heb. Kon ik wachten hier eene braspartij te vinden, alsof....quot;
âGjj in een convent van Benedictijnen vielt, zooals we ze samen wel bij de ooren hebben gepakt,quot; riepen Hans en Michiel tegelijk.
âSt â st â wij zijn niet meer in de dagen van Lumcy,quot; hernam Bastiaan, het voorhoofd fronsende; wat er toen meê door kon . . ..quot;
170
âIs nu contrabande, en dat's erg genoeg. We zijn in de dagen van Juliaan, en dat zijn voor ons de zeven magere jaren van de Egyptenaars.quot;
âOch! oft gij ii uitleiden liet naar het ware Kanaan,quot; verzuchtte Bastiaan op geestdrijvenden toon; âmaar in stede daarvan zit gijlieden u nog te verkneukelen aan de vleesch-potten der zonde; want die overvloed daar welt niet uit zuivere bron; of hoe komt gij aan 't geld om zoo goede sier te maken, ik kan toch niet denken dat het op krediet gaat?quot;
âNeen Bastje, dat weet je wel beter; ons krediet gaapt zoo wijd niet; je eigen vrouw zou ons voor geen penningwaarde duigenhout verkoopen, zonder reeë duiten!quot;
âEn ik kan haar geen ongelijk geven,quot; stemde Bastiaan toe, terwijl iets als een glimlach zijne grove, harde trekken verwoog.
âDaarom, wees gerust man; 't is alles betaald, en goede waar ook; kom ga bij 't vuur zitten, daar is nog plaats op de kuip. Mich zal den kroes vullen en je zult meê proeven, een welkome gast is een santee waard !quot;
Maar Bastiaan ging niet zitten, en wees den beker af, dien hem geboden werd.
âIk zal mijn mond niet zetten aan dien zwijnendraf,quot; sprak hij met vastheid; âmaar ik wil weten, hoe jelui het aangelegd hebt om zoo te kunnen zwelgen.quot;
âAls je daareven bij ons geweest waart zou je de rekening en verantwoording van Bernard, dien we tot onzen bottelier hebben benoemd, meê hebben aangehoord, en alles zou je haarfijn zijn uitgelegd. Nu heeft Berd geen asem meer om van voren af aan te beginnen, en wij begeeren het ook niet, want de luitenant kan komen invallen, en 't zijn zaken die buiten hem omgaan; maar dat weet gij wel Bastje, als wij een appeltje voor den dorst hebben, dan is 't voor zijn dorst meê!quot;
âEen man als hij! zich te moeten verzaden aan de gestolen
171
wateren,quot; verzuchtte Bastiaan, onder een hoofdschudden van ergernis.
âMis kameraad, er is hier van stelen noch plunderen sprake.; de zaak kan navraag lijden. Je kent zelf nog wel de oude zetten van het handwerk; wij hebben simpelijk eene gans inde klem gehad, en teren nu van haar rantsoen, en voorts â maar dat's een apartje â tusschen vier of vijf van de onzen â hebben wij een Jezuïet om den tuin geleid.quot;
âEen jezuïet! een jezuïet! een van die omzwervende zendelingen uit den vreemde, die niet dan met kwade bedoelingen, met plannen van moord en verraad binnen onze landpalen gezonden worden .... maar .... zijt gjj wel zeker, dat ge met een jezuïet te doen hebt gehad?quot;
âHeel zeker! hij heeft ons ieder drie blanke guldens in de hand gestopt, opdat wij hem met vrede zouden laten.quot;
âGijlieden hadt hem niet met vrede moeten laten, gij hadt hem aan de justitie moeten overleveren, daarmee hadt gij trouw bewezen aan de overigheid, en 't zou zijne belooning ook wel gevonden hebben.quot;
âEen mooie raad, Bastiaan, beter op te volgen door een gezeten burger, dan door lieden als wij!quot; zei een van de soldaten, en een ander voegde er bij:
âMeen je dat wij zooveel haast hebben om met den onderschout in aanraking te komen?quot;
âDat's waar ook, ongelukkigen!quot; hernam Bastiaan niet zekere zwaarmoedigheid, âdie zou u vragen doen . .. het eene woord lokt het andere tiit... en ge zoudt licht niet ongedeerd uit zijne handen zijn geraakt. Zoo jammerlijk zijt gijlieden in de diepte, dat gij niet eens den lande dienst kunt doen, zonder u zelven in het uiterste gevaar te brengen! 't Is God bekend, wat zoó'n zwervend Belialskind voor kwade intenties heeft.quot;
âBah! wees er niet bezorgd over, hij is nog niet van ons af; en wat niet gebeurd is, kan nóg komen,quot; zei Bernard gevat,
172
âwij willen je de zaak wel meêdeelen, maai- de geschichte is te mooi en te lang om haar zóó in der haast te vertellen!quot;
âIk zon ook veel liever hooren, waar Jnliaan is gebleven; het bevalt me niets, dat ik hem niet hier vind.quot;
âOm de waarheid te zeggen, dachten wij dat hij door uwe vrouw ter maaltijd was genood, en dat gij samen hem tot nagerecht nog eens meê had getroond naar de avondpreêk.quot;
âSpotter! mijne vrouw is meê naar de bruiloftspret gaan kijken, en ik heb maar staandevoets een stuk broods gebruikt voor mijn noenmaal; nu is zij uit om hare boodschappen, en intusschen kwam ik hier eens omzien naar den jonker.quot;
âNa zoo'n sober noenmaal zal eene snede gezoden spek u wel smaken,quot; sprak Valentijn, hem die aanbiedende op een houten teljoor met eene homp mik er bij; maar Bastiaan wees het af, evenals vroeger den beker.
âNeen, dankje, ik zal mij niet verzadigen aan de tafelen der ongerechtigheid.quot;
â Wel vast dan, als je dat liever is,quot; gaf Valentijn ten antwoord, het bord knorrig op zij zettende.
âBijlo kameraad, gij waart in vrij beter humeur, toen we samen den kloosterwijn met emmers inzwolgen!quot; sprak Michiel, hem gemeenzaam de hand op den schouder leggend.
âGij behoeft me daaraan niet te doen gedenken; mijne euveldaden staan geduriglijk voor mij; maar God lof, daar is een Losser en ik ben rein gewasschen.quot;
Bernard en de andere jongere soldeniers keerden zich af en scholen bijeen, onder gegichel en half gefluisterden spot; maar Michiel en Hans bleven Bastiaan ter zijde, terwijl de laatste sprak :
âIk hoop toch niet. Bast, dat je er berouw van hebt meê den Briel te hebben ingenomen, en geholpen te hebben om Dordrecht aan des Prinsen zijde te brengen!quot;
âDe Heer beware mij voor dien snooden ondank, Hij, die de uitkomsten verleende en Wiens sterke rechterhand met ons meê wrocht.quot;
173
âNu dan, wat maal je! hebben we niet te land als te water vromelijk onzen plicht gedaan; is 't onze schuld, dat men het land niet met bezemen keeren kan om de onreinheid weg te vegen, zonder zelf de handen vuil te maken ?quot;
âDat zegje met waarheid. Hans; maar toch....quot;
âIk weet het, andere tijden andere zeden; en nu de boel schoon is, worden zij die schoongemaakt hebben met den nek aangezien; de arme soldaten, die voormaals als helden en ridders werden ingehaald, worden nu als rabouwen en fielten nagewezen; men laat ze 't leven, ja, zoolang er geen pretext is om ze op te knoopen; maar niemand bekommert er zich om, in welken hoek ze doodhongeren. Is dat goed recht? en acht je, dat zij die het plegen, zooveel beter zijn dan wij?quot;
âIk zeg daar niets tegen. Hans, maar ik voor mij wete, dat ik de onreinheid heb ingezwolgen als zoeten wijn; en als gij zelf tot beter inzicht zijt gekomen, zult gij 't met mij eens zijn, dat wij het goede werk hadden kunnen doen. zonder onze eigene consciëntie zóó deerlijk te bevlekken.quot;
âKom, kom; laat die naargeestige bijgedachten varen, en spoel ze af met een hartigen dronk; 't zijn oude makkers die 'tje toebrengen.quot;
âNeen, Hans! neen Mich! ik zal 't niet doen,quot; en hij maakte zekere driftige, afwijzende beweging; âmaar ik wil wel met je neêrzitten, in afwachting dat Juliaan komt, als je me velen kunt.quot;
âWel, Bast! dat's een inval! komaan zetje bij den haard, zegge haard! Jongens, zet de marmiet nu maar op den grond, de post bij de haakbussen is opgeheven !quot; viel hij zicb zelf in de rede, âbij een zit, zegge ik, past een bonkesje toeback, als men er van houdt, en ik weet. Bast, dat was je zwak!quot;
âTe droes, Mich, ik weet niet of het er wel door kan.quot;
âMalligheid, je vrouw is er niet bij om er vieze gezichten voor te trekken; lustig op! daar is toeback en het pijpje, dat zal de grauwe nevelen uit je hoofd verdrijven.quot;
174
Was het werkelijk in die hoop, of bleek de verzoeking, om aan de lang onderdrukte behoefte toe te geven, ditmaal te sterk voor zijne wilskracht? Wie zal het uitmaken? Zeker is het dat Bastiaan met kennelijk welgevallen zijn pijpje stopte en er den brand in stak, zooals Hans het schertsend noemde, die hem daartoe het zijne leende.
Terwijl hij nu genoeglijk blauwe wolkjes rondom zich zit te blazen, moeten wij even achter hem omzien, naar zijn verleden en zijn heden, om ons beter in aller toestand te kunnen verplaatsen.
Dat Bastiaan één van die helden was zonder vrees, hoewel niet zonder blaam (gelijk hij zelf getuigt), die zich bij den aanvang van den vrijheidskamp in den mêlée hadden geworpen, hebben wij reeds begrepen. In dat tijdperk kenschetste hij zich zelf het liefst met de betuiging, dat hij: âgoed Geus, maar kwaad Paaps wasquot;. In de beteekenis van deze uitdrukking zal niemand zich vergissen, die eenigermate is ingewijd in de geschiedenis van den grooten vrijheids- en religiestrijd der 1 Ode eeuw, en die weet, op welke wijze deze zich in daden moest hebben getoond, waar zij gebruikt werd door een partijganger van Lumey, die als knaap den kuiperswinkel was ontloopen om de Geuzenvaan te volgen, en wiens eerste wapenfeiten hadden bestaan in beeldstormerij en kloosterbrand.
Wij vermelden deze bijzonderheid om Bastiaan met juistheid te schetsen; geenszins om de zaak die hij diende te verkleinen.
Zoo wij niet schromen in herinnering te brengen, dat de groote worsteling voorvechters heeft gehad van deze soort, is het niet om een vlek op haar te werpen, maar alleen om verwarringen te voorkomen, die voor den ernst en de waardigheid van dien nobelen kamp zelf schadelijk moeten zijn. Evenmin als wij eenig goed Katholiek, goed Nederlander tevens, verdenken van instemming met wandaden van Balthasar Ge-rards en dergelijken, al worden de plegers er van door Over-
175
bergsche pausgezinden gecanoniseerd, even weinig zullen wij ontkennen, dat in de breede rijen van hen, die zich bereid toonden goed en bloed al strijdende te offeren voor de zaak der hervorming en der bevrijding van het Spaansche juk, ook menig strijder heeft gestaan, die, toen hij zich gordde om valsche goden van het altaar te werpen, er niet aan gedacht had, eerst de afgoden in het eigen hart te verbreken. Dezulken, helaas! vertolken het woord vrijheid door: losbandigheid voor zich zeiven en onverdraagzaamheid voor anderen. Zij waren de hervorming niet aangevangen met de bekeering van hun eigen hart, en daarom schroomden ze niet, woesten wraaklust bot te vieren jegens hunne wederpartijders. Zij hadden verzuimd eigen tochten en begeerten ten onder te brengen, eer ze den algemeenen vijand versloegen, en daarom zijn er daden gepleegd en wonden toegebracht, waar de tegenpartij^ nog tot in onze dagen toe, met bitter leedvermaak op wijst, als op onuitwischbare vlekken van dat tijdperk der roemrijkste krachtsinspanning. Daden, die den Prins van Oranje bloedige tranen hebben ontlokt, en waarover zijne edele broeders en geestverwanten niet dan met smart en afkeuring gewaagden, al konden zij die noch voorkomen, noch verhelpen. Schoon door Goddelijken zegen gesteund en ten einde gebracht, is het menschelijk werk geweest, en daarom droeg het den stempel van do eeuw waarin het werd opgevat; en zoo werden dierbare, geestelijke voorrechten, niet zelden door list en geweld veroverd. En toch zijn ze niet weinige geweest, de trouwe navolgers van Christus, die niet streden dan met het oog op Zijn kruis, die zich zeiven Gode hadden gewijd in der waarheid, die liever onrecht leden dan pleegden, en zich juichende tot het martelaarschap bereidden, de vrouwen met mannenmoed in de borst, de mannen met verheven deernis in het harte,, biddende voor hunne beulen. Van enkelen heeft de geschiedenis met eerbied de namen bewaard; van de meerderheid is de ge-
176
dachtenis verstoven met hunne asch, maar hun leven is niet ijdel geweest, en hun bloed heeft niet vruchteloos gestroomd; want zij hebben anderen door exempel gesterkt, en zij hebben overwinningen behaald, waarbij de bloedige triomfen op het slagveld verbleeken.
Onze Bastiaan nu had behoord tot de ruwe schare der geweldenaars, en hij placht het zich tot eere en tot deugd te rekenen. Met onverzettelijke volharding had hij geleden en gestreden voor zijne protestantsche voorrechten, met zijn gansche hart hing hij aan zijn bijbel, omdat hij het recht om dien bijbel te lezen, als met de punt van de lans had veroverd, maar zonder daarom zijn leven in te richten naar deszelfs voorschriften. Integendeel, er was een tijdperk geweest, waarin hij vrouwenschennis pleegde tegen weêrlooze nonnen met teksten uit het Oude Testament in den mond, en aan roof en moordtoo-neelen deelnam, zonder schaamte of zelfverwijt, mits het geene geestverwanten gold, maar alleen Spaansch- of pausgezin Jen.
Sinds er tot zulke uitsporigheden geene aanleiding meer bestond, was teksten aanhalen, om andersdenkenden te verdoemen, en op r(le papenquot; schelden voor hem het wezen van den godsdienst gebleven, zooals Figaro het âgoddamquot; voor le fond van de Engelsche taal hield; en, daar hij zijn haat niet meer in gewelddaden, noch zijne liefde in moeite, ontberingen en gevaren kon toonen, was de eerste bij hem verscherpt, en dreigde de laatste ten eenenmale bij hem te verflauwen, toen eene geheele wending van zijn lot, ook eene gansche innerlijke omkeering in hem teweegbracht. In 1587 werd de compagnie waartoe hij behoorde, en waarover J uliaan als luitenant, het bevel voerde, gecasseerd, om redenen die hier niets ter zake doen, en waar Bastiaan, zoowel als zijn luitenant en zijne kameraden, buiten stond. De onverdiende krenking maakte hem wars van het onzekere en ongeregelde soldatenleven, waarbij hij eer noch voordeel had behaald. Hij begaf zich naar Delft,
177
zijne geboortestad, om te zien of hij er zijn brood kon vinden als ordeljjk werkman. Het bleek welhaast, dat hij zijn handwerk nog niet had verleerd, en dat die eerste poging om zich aan een leven vol verwildering te onttrekken, hare eigene belooning met zich bracht. Als knecht bij eene kuipers weduwe in dienst gekomen, wist hij haar hart te winnen, hare hand te verwerven. Maar daar haar schoonbroer nog zeker aandeel had in de kuiperszaak, en Bastiaan het nooit ver genoeg had kunnen brengen om voor den gildenraad zijn proefstuk af te leggen, dat hem gerechtigde tot het meesterschap, bleef hij altijd slechts de man der.... kuiperin, .... en mocht niet met waarheid baas genoemd worden in de kuiperij; daarmeê is echter niet gezegd, dat hij geen baas was in zijn huis. Integendeel. dat de verlaten brouwerij aan Juliaan met zijn vijftien soldaten ten gebruike was afgestaan, bewijst voor zijn mannelijk gezag; want uit eigen beweging zou vrouw Heilwich zeker zulk wild, morsig, ongeregeld volkje geene schuilplaats hebben geboden, zoo dicht in hare nabuurschap; maar Bastiaan had met zooveel aandrang gesproken ter gunste zijner voormalige kameraden, dat zij eindigde met toe te geven. Vrouw Heilwich had den kloeken, krijgshaftigen zwerveling, toen nog in de volle kracht des levens, liefgeki'egen, zooals Desdemona haar Othello, om zijne avonturen, die hij haar (zeker met de noo-dige reserves) wist op te disschen; maar niet, als de Vene-tiaansehe schoone, hing zij hem aan met afgodische vereering. De degelijke Hollandsche huisvrouw was wel wat strak gereformeerd, maar vol gemoedelijken ernst en oprechte vroomheid.
Zij had een helderen blik geslagen op den zielstoestand van haar echtgenoot, en het had hare liefde niet verkoeld, maar aangewakkerd en haai' tot iets groots bekwaam gemaakt. Zij had hem opgericht uit zijne diepe gezonkenheid, niet slechts, in wereldschen zin, door hem hare hand te reiken en in goeden doen te zetten, maar ook in hoogere beteekenis.
Wonderdokter. I. 1-
178
door hem aan zich zei ven te ontdekken; en hij had ingezien, dat zijn vroeger leven, al noemde hij dat, ,het doen van Gods werk,quot; een leven was geweest van schande en zonde, een, overgeven aan alle booze tochten en lusten. Toen hadden berouw en schaamte hem aangegrepen, en in plaats van de vroegere luchthartigheid, had zich een sombere nevel van strakken ernst over geheel zijn wezen verspreid, en in al zijn doen en laten bewaarheidde hij het beeldrijke gezegde van Vader Cats: ^Als morsige luiden kuisch worden, schuren zij den pot van buiten!quot; Het kon wel niet anders; de voormalige quot;Watergeus, rustig burger geworden en tot zich zeiven ingekeerd, kon niet blijven staan in 't geen men het juiste midden noemt. Hij moest geestdrijver worden en, bij voorkomende gelegenheid, ij veraar zonder verstand. Streng voor zich zei ven, kon hij kwalijk toegevend zijn voor anderen; en bij de richting, die hij kort na zijn huwelijk aan zijn leven had gegeven, was het bevreemdend, dat hij zich de woestelingen, zijne vroegere gezellen, nog had aangetrokken. Maar, de harde bast had weeke plekken en eene milde kern, en daarom kon hij zijne oude krijgsmakkers, zijn voormaligen bevelhebber, niet in verlegenheid laten, toen hij hen in deerniswaardigen toestand ontmoette, en zonderdat zij wisten waar zich te bergen. Om den luitenant, aan wien hij nog zekere verplichtingen had, van den ruwen troep te onderscheiden, had hij hem zelfs eene kleine bovenkamer in zijn huis afgestaan tot slaapvertrek, onderconditie, dat deze overigens voor zich en de zijnen zoude zorgen. Juiiaan, die gewoon was zich niet over den dag van morgen te bekommeren, als hij maar voor 't oogenblik was geholpen, had dit voorstel met blijdschap aangenomen, zonder er over na te denken, hoe hjj de voorwaarde zou vervullen, en de soldeniers,, reeds tevreden een dak boven hun hoofd te hebben, hadden het mogelijke gedaan, om op de hun eigenaardige wijze in het verdere te voorzien. Was er nu niets te eten, dan vond Juiiaan
179
gereedelijk zijn maal aan de tafel van Bastiaan, met wiens vrouw hij zijn best deed vrede te houden, wat hem niet licht moest vallen; want al had zij zich uit liefde voor haai' echtgenoot heengezet over haar burgerlijk, gansch niet ongegrond vooroordeel tegen soldeniers, de gedragingen van het volkje zelf verwekten haar onwil en ergernis, en stemden haar niet gunstig voor hun aanvoerder, die haar intussehen trachtte te paaien met de verzekering, dat hij wel spoedig eene gelegenheid dacht te vinden, om zich met zijne manschap bij eene compagnie te plaatsen, en zij, bijgevolg, van de woelige buren ontslagen zou zij)]. Maar daar hij deze toezegging nu al dikwerf herhaald had, zonderdat zij er de uitwerking van zag, begon zjj het geduld te verliezen, en zij ware geene vrouw geweest, zoo zij niet de kunst had verstaan, iets van haar onwil en toenemen-den tegenzin op haar man over te brengen.
En werkelijk werd zijn oog meer en meer gescherpt voor het zien van hunne gebreken, hetgeen de gevoelens van kameraadschap, die hij zijns ondanks nog had gekoesterd, meer en meer verzwakte. Maar toch was zijn geduld met hen nog niet uitgeput; zijne lankmoedigheid scheen wel grenzenloos, en hij trachtte op zijne beurt zijne vrouw over te halen, nog wat lijdzaamheid te oefenen, al stemde hij zelf met al hare grieven in. Hetgeen hem bewoog dit offer harerzijds van zijne vrouw te vergen, was zijne goede verwachting op de verbetering van de verstokte zondaars. De liefde hoopt alle dingen, en zij gelooft zoo licht den aanvang te zien der gewenschte vervulling, bjj de zwakste voorteekenen, en die meende hij vooral bij den luitenant te onderscheiden. Zekere mate van bekendheid met diens afkomst en lotgevallen, de herhaalde bewijzen die hij had van diens goed hart, zijn innerlijke tegenzin in het leven dat hij leidde, zij versterkten hem in het geloof, dat hij nog zien zoude wat hij hoopte. âWij mogen die zestien zielen, die de Heer ons heeft toegevoegd, niet aan het eeuwig verderf over-
180
geven zonder het uiterste beproefd te hebben om hen te winnen,quot; sprak hij tot Heilwich, als deze, gesterkt door nieuwe bewijzen van hunne verhardheid, of nieuwe uitspattingen van Juliaan, op hunne verwijdering aandrong. âWij moeten den vroegen en spaden regen afwachten; wij zullen nog heerlijke vrucht zien. Het volk zal eenmaal naar God vragen, en zich begeven tot eerlijk bedrijf en hanteering; en de luitenant, hij is van edele afkomst; goed bloed kan niet liegen; de vorstenzoon kan het niet eeuwiglijk in de kroeg uithouden, eens zal hij naar 't vaderhuis weérkeeren, ik ben er zeker van.quot; Of Helwich die verwachtingen deelde, durven wij niet verzekeren; maar toch, na zulke pleitrede, getroostte zij zich weêr het wachten. De voorwerpen van dit Christelijk liefdewerk, deden van hunne zijde niets om het zich waardig te maken, te minder, daar zij nog altijd een recht meenden te hebben, om Bastiaan als een der hunnen aan te merken, /ij konden den man niet scheiden van zijne antecedenten, en hetgeen zij zjjne puriteinsche strakheid noemden, gaf hem telkens aanleiding tot spot, daar zij het niet dan een masker achtten, dat hij zich voorgedaan had ter wille zijner vrouw. Daarin vergisten zij zich: het was hem werkelijk huid geworden, en eene huid waarin zijne colossale gestalte zich volkomen op haar gemak bevond. Maar ondanks alles, lag er nog altijd iets onder van Lumey's vroegeren partijganger, en dat kwam nog wel eens boven, als hij zich liet meêvoeren door het entrain zijner oude kameraden, om zijne sombere strakheid wat af te schudden, en hij den ouden Adam wat toegaf, zooals hij het zelf uitdrukte, vooral dan, als zij voorzichtigheid gebruikten, om zijne puriteinsche vooroordeelen, zooals zij dat noemden, niet te kwetsen. Ditmaal hadden zij het er op gezet hem in eene goede luim te brengen, en trachtten hem gerust te stellen over de afwezendheid van den luitenant, die zij zich zeiven niet verklaarden.
âKom, kom! geene onrust over hem, hij zal in geen twee
181
slooten tegelijk loopen; met een ledigen maag zal hij niet tot den laten avond omzwerven; bijgevolg zou hjj al hier zijn, zoo hij niet in eene goede haven was aangeland.quot;'
âAls die goede haven maar geene taveerne is, waar hij zit te dobbelen en te drinken,quot; zuchtte Bastiaan met een gefronsd voorhoofd.
âDat heeft geen nood; om te spelen moet er duimkruid zjjn, en hij is geen rooien duit rijk!quot;
âHij kan spelen op zijn eerewoord, de ongelukkige! en dat is nog snooder waagstuk dan 't verronselen van zijn geld.quot;
âOch kom! hij heeft op dit punt immers ook niet veel meer te verliezen,quot; spotte Bernard, wiens lust het was Bastiaan te prikkelen en zijne drift op te wekken; ditmaal zou het hem weêr gelukken.
âHij heeft veel meer te verliezen dan gij beseffen kunt, woesteling,quot; grauwde Bastiaan. âHij heeft in elk geval zijne ziel te verliezen.quot;
âHet zal hem een zorg zijn! dat's een verlies, dat wij, meene ik, al te zamen al lang geleden hebben,quot; sarde Bernard.
âWat! loop je daar zóó licht overheen, verharde zondaar!quot; duwde Bastiaan hem toe, terwijl hij zijn bonkesje uit den mond nam en met zekere heftigheid weg wierp, als verweet hij zich zelf reeds dit toegeven aan een zwak. .Is dit niet het zwaarste verlies dat een menschenkind lijden kan, en zoudt gij dat dan al te zamen dus rustig tegengaan, of er geen redden of verhelpen aan ware? Ik zeg ulieden, dat er nog niets verloren is, als men maar niet willens de hoop opgeeft, en, zich verhardende, den Geest bedroeft en wederstaat; dit heb ik die tot u spreke, zelf ondervonden, en moogt gij allen, arme, onbekeerde zondaren, ja, allen! het nog eens ervaren aan het eigen hart.quot;
âWat een onhandige vlegel ben jij, Bernard!quot; duwde Yalen-tjjn dezen toe, terwijl hij hem met een duchtigen ruk aan den
182
arm, van Bastiaan afkeerde, âwat hoef je hem op zijn preekstoel te helpen; al onze pret is uit, als we hem nu niet weten af te leiden.quot; Toon luid en naar Bastiaan gekeerd: âAls je een goed woord te spreken hebt, wacht er dan meê tot de luitenant er bij is, aan ons, botterikken als we zijn, is dit immers maar half besteed.quot;
âOmdat gijlieden de ooren stopt en u verhardt.quot;
âJa, maar doe de uwe nu eens wijd open, en ik zal je de grap vertellen, die we gehad hebben met den Jezuïet; maallaat ons eerst drinken en klinken op de gezondheid van Juliaan, dat's oen beproefd middel om een afwezende op te roepen.quot;
âIn de Santee die gij drinken gaat, stem ik van harten meê in; maar ik zet mijn mond niet aan den beker der bedwelming,quot; antwoordde Bastiaan stroef.
âNu, zooals gij verkiest. Ik verwed mijn ringkraag tegeneen ouden spijker, dat wij hem zullen zien opdagen, eer je een Onze Vader bidden kunt.quot;
âNiet spotten met de religie,quot; bulderde Bastiaan, âdat dulde ik niet. . . .quot;
âIk wil zeggen : eer een paap zijn rozekrans kan afbidden,quot; verbeterde Valentijn.
âAls je het zóó bedoelt .. . .quot;
âDat's een mooie! met de Roomsche religie mag wèl gespot worden,quot; viel Bernard in, die hot plagen niet laten kon.
âDat is geen religie, dat's niets dan papen- en afgodendienst,quot; hernam Bastiaan, die vuur gevat had en op zijn stokpaardje was gebracht. Allen schaterden het uit van pleizier, dat ze Bastiaan gekregen hadden waar ze hem hebben v ilden.
âJelui vergeet altijd, dat ik even goed Katholiek ben, als gij overigen goed Geus!quot; sprak Bernard, gekrenktheid veinzende.
âEven goed, jij even goed in je geloof als ik in 't mijne? dat zou te bezien staan,quot; voegde Bastiaan hem toe; âen je
183
bekent zelf, te hebben meegedaan om een Jezuïet te bedotten.quot;
T0\ dat's wat anders; ik ben tegen die orde!quot; hernam Bernard met kluchtigen ernst.
âKomt, makkers, ztillen we nu twisten over de religie?quot; sprak Michiel er tusschen, die den beker toereikte; âde gezondheid van Juliaan â en â ons soldatenlied aangeheven, dan moet de luitenant komen, dat's eene bezwering.quot;
âHet Wilhelmus! dat zing ik nog meê,quot; dwong Bastiaan.
âNeen, neen!quot; riepen alle stemmen om hem heen, âons eigen oud soldatenlied, uit onze goede dagen.quot;
En zij hieven aan:
Wij zijn heel Friesland door befaamd,
En worden de Dietsche knechten genaamd.
En onze Vaan, zoo we! bekend,
Behoort tot Nassaus regiment.
Wij blijven elkaar als broeders getrouw.
Des veldheers Fortuin is ook onze Jonkvrouw.
âMaar de veldheer zelf is ons ongetrouw geworden,quot; vielen de zangers zich zelf in de rede. âdaarom hebben wij het refrein dus veranderd.quot;
Wij blijven, spijt gevaar en nood,
Elkander getrouw tot in den dood.
âMaar toen de veldheer ons verstiet, werd het de vraag waarheen
Dient men den Keizer, dan krijgt men geen geld;
Dient men den Beier, dan wordt men gekweld ;
Dient men den Spanjaard, dat geeft mij geen dank;
Dient men den Franschman, wij scheiden met stank;
Dient men den Paus, die geeft mij?... zijn zegen!
Dient men den Hes, die laat ons verlegen;
Dient men den Palzgraaf, dan krijgt men geen eten;
Dient men den Sax, die leert het vloeken vergeten;
Dient men den Pool, den Hongaar of den Deen,
Men vindt overal kogels, maar geld bij geen een!
184
Die laatste regels werden als refrein door het koor, onder stampvoeten van pret, met gejubel herhaald, tot de coryphee weer aanhief:
Toch ken ik een enkelen nobelen held,
Dien willen wij dienen, al is 't zonder geld;
Want hij laat ons nemen al wat ons behaagt,
Nooit heeft over hem de soldaat nog geklaagd.
âOf we niet beter wisten!quot; viel Bernard met een mokkend intermezzo uit, maar de anderen vervolgden:
't Is Jonker van Egmond!
âNeen, satanskinderen, neen!quot;' riep Bastiaan uit, met eene basstem, die het koor overschreeuwde, âdie naam moet er buiten blijven, die naam mag hier niet genoemd worden, dat mocht gaan in zijn besten tijd, maar nu.quot;
âOok goed, wij hebben er al lang eene variatie op gevonden. Luister :
't Is Juliaan, Juliaan ! blijft hem getrouw.
Want de Fortuin is zijn schoone Jonkvrouw.
âOch arme! wat een paskwil! zuchtte Bastiaan, met een zwaarmoedig hoofdschudden; âhoe kan jelui het nog zingen.quot;
âWel, om de fortuin het hof te maken; zij is als alle vrouwen nukkig, en zij keert den nek toe wie den moed verliest; daarom kameraden, luistert naar de vermaning van het lied.quot;
Daarom kloekmoedig, stout en wakker.
De rijke buit is onze akker,
Het scherpe slagzwaard onze ploeg;
Daarmeè verdienen wij geld genoeg.
De trommel geroerd, de piek ter hand.
Den tocht ondernomen naar 't Westerstrand,
Wij volgen den eenigen nohelen held,
Dien wij willen dienen al is 't zonder geld.
't Is Juliaan! Juliaan !
185
Men begrijpt, dat het lied met te veel geestdrift werd gezongen, of liever uitgeschreeuwd, dan dat het koor daarbij rustig was bljjven zitten. Sommigen begeleidden het lied met een onzinnigen rondedans, waarbij ze bovenal op luid stampen en trappen bedacht waren; anderen verduidelijkten de woorden door gebaren, als wilden, die den krijgsdans uitvoeren. Bij gebrek aan een trommel rinkinkten zij met een paar oude storm-kappen, die zij uit een hoek haalden, of trommelden, met alles wat hen onder de hand viel, op leège biertonnen. Bastiaan was, in zekere verdooving, op de groote kuip bij het vuur blijven zitten. Het geraas bedwelmde hem, zonder hem mee op te wekken; hij voelde zich niet meer t'huis onder die lieden, en onmachtig om zich te doen verstaan, zweeg hij en zat in 't vuur te staren, met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen. Maar bij het laatste refrein: â't Is Juliaan! Juliaan!quot; sprong hij op, en wees zwijgend, maar met sprekenden blik naar de deur. Op eens schreeuwden allen het uit, of ze een spooksel hadden gezien, en bleven stokstijf staan.
âDaar is hij! Daar is hij!quot;
Inderdaad, over de onderdeur geleund, stond, hing bijkans de luitenant, met doodsbleek gelaat en druipnatte haren, ter-wijl de rand van zijn hoed slap over zijn voorhoofd neêrhing, en de veêr â wel een veter geleek.
Zonder nog binnen te treden, riep hij met een scherpe, van koude en aandoening trillende stem: âNu ja! daar is hij; wat wilt gij van hem? Waarom word ik ingehaald met zulk een getier, dat niemand uwer mijn kloppen heeft gehoord; ik kan die verweerde onderdeur niet open krijgen.quot;
Nog eer hij uitgesproken had, was de dienst verleend. Nu trad hij binnen; in eigenlijken zin strompelde hij naar het vuur, dat hem het meest aantrok, en liet zich neervallen op de kuip naast Bastiaan.
Het bijgeloof, dat men over iemand sprekende hem zal zien
186
komen: was opnieuw door een voorbeeld versterkt. Toch was er niets bevreemdends in. Sinds wij hem verlieten, had Juliaan minstens een uur in de mistige lucht rondgeloopen; terwijl dikke, vochtige sneeuwvlokken om hem heen dwarrelden en hem de kleederen doortrokken. Hoeveel haast hij ook had om onder dak te komen, hij kon de matte leden nauwelijks meer reppen, en reeds bij 't inslaan van de nauwe steeg had hij het gejoel en gejubel gehoord in het welbekende verblijf van zijne soldaten. Dit wekte zijne bevreemding, zijne nieuwsgierigheid, en in plaats van zijn weg te nemen naar het huis van Bastiaau, en zijn eigen kamertje binnen te sluipen, zooals hij zich voorgenomen had, om vragen te ontgaan en uitleggingen te voorkomen, kon hij nu niet nalaten, om door de reet van de half' openstaande bovendeur heen te gluren en te zien wat er onder het volk omging. Hetgeen hij zag lokte hem uit om zich te toonen en binnen te treden. De edele jonker, die in zijne jeugd, als page, vorstelijke edelvrouwen de geparfumeerde handschoenen had gereikt, en die, in de zalen van den hoogen adel, aan den geur van wildbraad en edelen wijn was gewend, deinsde nu niet terug voor den vunzen walm en de verpestende dampen, die zijne reukzenuwen troffen, zoo ras hij het hoofd door de deur stak. Integendeel, dat het hier walmde en smookte, was hem eene gansch niet onbehaaglijke verrassing. Hij had ook al zoolang met al de eischen eener verfijnde weelde gebroken, hij was verkleumd, doodmoede, aemechtig, en het uitzicht op warmte en verkwikking overheerschte alle verdere bijbedenkingen.
De soldeniers, die de eerste behoefte van den zwerveling schenen te raden, haastten zich hem van hun warmen drank aan te bieden in een kleine tinnen beker, dien zij, ter onderscheiding, alleen voor zijn gebruik hielden, en dien hij met kennelijk welgevallen in ééne teug ledigde.
âWel, mannen, hoe vind ik u dus in vastenavondsvreugd,quot;
187
sprak hij, nu wat bekomen en rondom zich ziende: âte droes, wie van u heeft zóó goed gefourageerd in mijne absentie? 't Is toch niet bjj geval mijn cousin van Solnis, die hier tracteert?quot;
âDat kun je denken, jonker! de graai' heeft al genoeg te doen om de bruiloftskosten goed te maken voor dien zwerm vorsten en heeren die hij genoodigd heeft; voor de arme en geringe lieden zal er wel niets op overschieten.quot;
âZooveel te erger. Mijn goede Bastiaan! gij ook hier, mijn waarde hospes? Nu zie ik dat we hier een festijn hebben in alle forme; wij houden dan toch ook bruiloft op onze wijze,quot; eindigde hij met eene mengeling van bitterheid en weemoed, en zweeg een oogenblik; toen hervatte hij meer opgewekt: âNeen, voorwaar! als ik eene dochter van Egmond trouwde, zou hot mijn hartelust zijn, den armen soldaat, in welke conditie hij zich ook bevond, een vroolijken dag te schenken.quot;
âJa gij! dat is ook heel wat anders; Solnis is een vrek en een soldatenbeul,quot; sprak lange Michiel vleiend, âmaar gij zijt de nobele held van ons lied.quot;
âZwijg van dat lied. Mich!quot; beet Juliaan hem toe, met kor-zelen blik, terwijl hij zijn hoed driftig wegwierp; âbegrijpt gijlieden dan niet, dat het een schimplied is, eene bespotting van onze eigene ellende? het kraste mij in de ooren, reeds toen ik het van verre hoorde.quot;
In waarheid, het moest als pijnlijke ironie klinken, welke betere bedoeling voorheen ook die van de vervaardigers ware geweest. Als een soldatenkoor, eenige honderden sterk, roemt van buit behalen op den bloedigen oorlogsakker, en dreigt het scherpe slagzwaard tot ploeg te nemen, dan heeft zulk eene taal eene schrikwekkende beteekenis, want het is duidelijk, dat de wilde hebzucht kan uitvoeren wat zij voorneemt ; maar als vijftien of zestien zwervelingen, die nauwelijks bruikbare wapens bezitten, te midden van eene bevolkte stad, waarin zij als vogelvrije roofbende rondwaren, zulke snoeverijen uitgalmen in
188
den roes van een drinkgelag, waarvoor ze door afzetterij de middelen hadden verkregen, moest het als droeve zelfbespotting klinken. Ook hadden ze, al zingende, zelve het schril contrast opgemerkt; maar het had hun stof gegeven tot aardigheden. Juliaans geprikkelde zenuwen daarentegen waren er smartelijk door aangedaan.
âEens vooral! ik verbied jelui dat lied aan te heffen, voordat wij op zjjn minst honderd man sterk zijn, om er kracht en klem aan bij te zetten.quot;
âHij praat altjjd van verbieden of gebieden, of hij waarachtig wat over ons te zeggen had,quot; fluisterde een der soldaten, die zich op den achtergrond hadden teruggetrokken, zijn makker in.
âEn het staat toch maar aan onzen vrijen wil, of wij hem gehoorzamen zullen al of niet,quot; stemde deze toe.
âAls de luitenant dan maar zoo goed wil zjjn de manschap aan te werven,quot; viel nu een der anderen in, al lachende, en de brutaliteit, met iets als scherts vergoêlijkend.
âDenkelijk heeft de luitenant zich daarmede beziggehouden, dat hij zoo laat eerst huiswaarts keert,quot; sprak Bastiaan vragenderwijs en Juliaan strak aanziende.
Deze manier om hem van zijn doen en laten rekenschap te vragen, en op die wijze zeker toezicht over hem te oefenen, hoe goed ook gemeend van Bastiaans zijde, was den prikkelbaren Juliaan hoogst onwelkom, waarom hjj ook met zekere fierheid antwoordde:
âGjj hebt het geraden, Bastiaan, daar is mij dezen middag eene compagnie aangeboden . . . .quot;
âEene compagnie! klonk het van alle kanten, op eiken toon â van dien van spottend ongeloof, tot dien van blijden triomf â uit vijftien monden, terwijl Bastiaan hem toevoegde met iets als verwijt; âHoe kunt gjj toch zoo roekeloos spotten â met uw eigen ongeluk; â dat aanbod is u immers niet gedaan
189
âHet is mij gedaan, maar â ik heb het afgewezen,quot; hernam Juliaan laconiek.
âAfgewezen! hij heeft eene compagnie afgewezen!quot; riepen allen verward dooreen; maar er sprak afkeuring en ergernis uit die schrille stemmen.
âAls dat waar is; zou ik toch wel eens willen weten om welke reden?quot; vroeg Bastiaan, terwijl ingehouden toorn uit zijne stem trilde.
âOmdat de conditiën mij niet pasten! ziedaar alles wat ik er u van zeggen kan,quot; hernam Juliaan, nog meer droog en fier dan te voren.
âMaar wij willen weten waarom!
âWij willen die redenen kennen.quot;
âDe heer luitenant wijst eene compagnie af, en wil niet zeggen waarom!quot; schreeuwden de soldeniers om hem heen, en de kwaadwilligsten, die zich meest op den achtergrond mokkend bijeenhielden, drongen nu met dreigende gebaren naar voren; maar Juliaan stoorde zich daar niet aan. Hij hief zich op, en sprak met forschheid en gezag: âDat zal ik ulieden zeggen als het mij gelegen komt, maar geenszins als gijlieden het mij met zoo woesten aandrang vraagt. Ik ben hier niemand rekenschap schuldig.quot;
De soldeniers, door blik en toon geïmponeerd, deinsden terug, maar Bastiaan hervatte:
âGij vergist u, jonker. Het komt mij voor, dat deze mannen, die hun lot aan uwe fortuin verbonden hebben, wel degelijk recht hebben om van die zaak meer te weten en dat ik, om andere, u bekende redenen, diezelfde aanspraak heb.quot;
âIk voor mij zie dat anders! In geen geval wil ik een verhoor ondergaan; toch zou ik er niets tegen hebben ulieden allen een en ander van mijn wedervaren mee te deelen; maar 't is een lang relaas, en ik ben wee van vermoeienis en honger.quot;
190
âWel, luitenant, daar is remedie tegen,quot; zei Michiel, terwijl hij van het brood, de kaas en 't gebraden spek voor hem neerzette, en andermaal zijn beker vol schonk.
Dat's gesproken en gehandeld als een wijs man, Mich!quot; hernam Juliaan, die met voldoening toetaste en den beker opnieuw in één teug ledigde.
âHet blijkt dat de z wij nondraf hem toch nogal smaakt,quot; riep Valentijn Bastiaan toe, terwijl hij hem lachend aanstootte. Deze had die opmerking niet noodig, om zich te ergeren aan de onverstoorbare gretigheid, waarmede Juliaan spijs en drank naar binnen liet glijden, zonder eenig bezwaar te maken over de herkomst van dezen overvloed.
Met koude, strakke gelaatstrekken zat hjj daar, en in stede van zich te verplaatsen in den toestand van den aêmechtige, wiens behoeften voldoening eischten, begon hij van innerlijke verontwaardiging te gloeien, over de diepte waartoe de edelman gezonken was, dien hjj in betrekkelijk schitterenden toestand had gekend; eene verbittering, nog gescherpt door heimelijke ergernis over de losheid en fierheid, waarmede deze zich van zijn bestraffend onderzoek had afgemaakt; een gloed, dien hjj zelf hield voor een heiligen ijver, waaraan hij moest botvieren.
Opstaande en zich in postuur zettende als een tweede Modet, die een strafsermoen dacht te houden, en de aanmerking van lange Michiel opvattende, sprak hij: âJa, voorwaar, 't is een klageljjk gezicht, dat de leeuw onder de zwijnen verkeert, en zich aan hun draf verzadigt, zonderdat eenigszins de trek naar het vaderhuis zich in hem vertoont.quot;
âZwijg, Bast, en maal me niet aan de ooren van vaderhuis en dergeljjken; gij kent een deel van mijne geschiedenis, dat moest je voorgoed den mond stoppen om over zulke punten tot mij te spreken!quot; riep Juliaan, ook opstaande, op norschen toon. âKom, Mich, mijn beker is leeg, ik voel dat de hartversterking mij goed doet.quot;
191
âBraaf gezegd, luitenant, zoolang we nog draf van deze gehalte hebben voor te zetten, is er geene vrees, dat gjj groo-ten lust zult krijgen om den tocht te ondernemen dien Basti-aan aanraadt,quot; zei Mich lachend, terwijl hij opnieuw den dampenden beker in zijne hand gaf.
âDat's ook nogal heel ver, en ik zou den weg niet meer weten,quot; gaf Juliaan ten antwoord met pijnlijken spot.
âRoekeloozen!quot; bulderde Bastiaan, âgijlieden weet niets en verstaat niets; de natuurlijke mensch onderscheidt niet de dingen die des Geestes zijn. Ik bedoel het eeuwige Vaderhuis, waarin plaats is voor eiken verloren zoon; ik wil u allen daarheen den weg wijzen.quot;
Juliaan, wien de toeleg van Bastiaan om zich tot zijn geestelijken leidsman op te werpen nooit heel welkom was, verkeerde juist nü in eene stemming, waarin zulke aanmatiging hem bijzonder onaangenaam moest zijn. Hij bediende zich opnieuw van brood en kaas, terwijl hij Bastiaan met tergende koelbloedigheid toevoegde: âIk zou je raden, Bastiaan, om je maar niet als gids op te dringen bij lieden, die zóó besloten zijn hun eigen weg te gaan, als ik en mjjne soldaten. Gij moest ons met vrede laten op dit punt, bovenal op een vroolijken avond als dezen, of â er komt nog onmoeite van.quot;
âDe luitenant heeft gelijk!quot; riep Michiel met hartelijke in-, stemming; âje noemt ons zwijnen; wel mij dunkt, dan zou je wel en wijs doen, je paarlen niet voor de zwijnen te werpen.quot;
âAls de Geest mjj dringt moet ik spreken,quot; hernam Bastiaan,, met een gloed van geestdrift, die mogelijk van minder zuiveren oorsprong was dan hij waande; âmaar niet mijne stem moet gij hooren, neen ganschelijk niet; die is te zwak en krachteloos voor zulke verharde zondaarszielen als de uwe zijn; daar is eene andere taal, eene stem wier roeping onweêrstan-delijk is .. ..quot;
âBaas! de vrouw is thuisgekomen en laat je roepen, er is.
192
haast bij,quot; kwam een jonge kuipersgezel zeggen, terwijl hij even het hoofd door de deur stak op den achtergrond.
Bastiaan schrikte op en bleef steken. Hij sloeg zich voor het hoofd, als iemand wien iets onaangenaams invalt, keerde zich zwijgend af, en ging schielijk weg, begeleid door het woest en spottend gelach der soldatenbende.
âZiedaar wel de onweêrstandelijke roeping,quot; gierde Bernard op sarrenden toon.
âDat zou ik denken, als vrouwlief zich hooren laat!quot; stemde een ander meê in.
Juliaan zelf lachte niet meê, maar nam weêr zijne plaats in bij het vuur, terwijl hij met misnoegden blik rondzag, en Michiel een wenk gaf om bij hom te komen.
De lange soldenier zette zich gemeenzaam naast hem op de kuip, en Juliaan scheen zich aan die vrijpostigheid niet te ergeren; want hij sprak, terwijl hij hem de hand op den arm legde :
âHet loopt hier mis, Mich, Bastiaan begint lastig te worden en____quot;
âEn de luitenant begint zijn geduld te verliezen,quot; vulde Mich aan, âen 't volk wordt er woest tegen in.quot;
âNiet vreemd; ze kennen Bastiaan al te goed om voor die vroomheid respect te hebben.quot;
âWist ik maar waarheen,.... geloof me ik gaf er den brui van ....quot;
âVerschoon me, luitenant, is er ditmaal iets waars aan dat zeggen van u .... van die compagnie ?quot;
âJa, Mich, die voorslag is me gedaan, dat is waar; maar.... ik kon 't niet aannemen, waarachtig niet. Bastiaan moet er niets van weten, en de lantzen ook niet; want er zijn onder hen onverlaten, die .... die in mijne plaats zouden aannemen het te doen.quot;
âWat moest er gedaan worden, luitenant? mij vertrouwt gij toch wel.quot;
193
âJa, Mich! luister, het was zoo iets als....quot;
âLandverraad?quot; vroeg deze, toen hij Juliaan gadesloeg, wiens lippen sidderden toen hij het ging uitspreken.
âErger nog!quot; en Juliaan ving fluisterend zijne mededeeling aan; maar het volk om hem heen ging intusschen voort met zich vroolijk te maken over Bastiaan, waarbij Juliaan zelf ook wel eens een veêr moest laten; zij echter, die zich dit veroorloofden, bleven wat op den achtergrond; het waren Bernard, Valentijn, Christiaan, de laatste een plompe Duitscher, die Bernard met groote, verbaasde oogen aanzag, toen deze sprak:
âIk weet wel waarom de luitenant altijd zoo kwaad wordt, als Bastiaan over dat vaderhuis begint te wawelen.quot;
âZeg op dan, waarom?quot; drong Valentijn.
âAYel omdat er voor hem eigenlijk geen vaderhuis bestaat!quot;
âAVat meen je daarmeê, is hij dan geen jonker van Eg-mond?quot; vroeg Valentijn, terwijl hij met zekere verwondering het oog op Juliaan vestigde, die daardoor opmerkzaam geworden, in zijne vertrouwelijke mededeelingen aan Michiel stoken bleef, en zonder van houding te veranderen scherp toeluisterde.
âHij is geen Egmond dan.... door zijne moeder alleen; en zjjn vader, die, zeggen ze, wil hem niet erkennen: ik heb het voor zeker hooren vertellen, hij is niets dan een bastaard van den baron . ...quot;
âEllendeling! dat's voor je laster,quot; en Juliaan, in woeste drift opgevlogen, drukte Bernard de gebalde vuist op den mond, met zulk eene kracht dat hem de tranen uit de oogen sprongen en het bloed uit neus en mond spatte.
âJonker Juliaan! luitenant! luitenant! om Gods wil, wat begint gij ! laat hem los, laat Bernard los,quot; riepen Valentijn, Christiaan, en een paar anderen, zich in postuur stellende om hun makker te verdedigen, terwijl de aangevallene zoo verschrikt en verbluft was door den onverhoedschen overval, dat hij in 't eerst aan geen verweer dacht; maar toen Juliaan van hem af-
Wonderdokter. 1. 13
194
hield, en met eene schrille, van aandoening trillende stem zeide: âVerklaar voor deze allen, dat gij een lasteraar zijt, die praat van 't geen hij niet weet â of, ik zal je den mond snoeren voor eeuwig!quot; Toen hief Bernard zich op en riep, met forsehe stem: âIk zal niets terugnemen voor ge mij satisfactie geeft:, gij zijt evengoed uit het vaandel gejaagd als ik; zoo staan we gelijk, en als je weigert met mij te vechten, krijg je de muilpeer weerom!quot;
âIk versmaad het niet voor de eer van mijne moeder den degen te trekken tegen wien ook!'' hernam Juliaan; de zijne was reeds uit de schede.
âWat dolheid is dat! Bernard! luitenant, wees toch verstandiger; luistert naar ons, legt het bij, legt het bij!quot; riepen de-soldeniers, toeschietende om hen te scheiden.
Maar beiden waren te zeer verbitterd om goeden raad gehoor te geven.
Zij vochten.
Bernard was de sterkste, maar Juliaan won het hem af in behendigheid; welhaast sloeg hij zijne tegenpartij den degen uit de hand en, met eene vaardigheid eene engelschen boKser waardig, kreeg hij den ontwapende op den grond en onder de knie. Toen, hem de punt van zijn wapen op de borst zettende, dreigde hij hem te doorsteken, zoo hij niet terstond zijn gezegde herriep en voor snooden laster verklaarde.
âWel, laat het dan laster zijn,quot; hernam Bernard met eene rauwe, hijgende stem. â Ik kan alleen verklaren, dat ik dien niet heb uitgevonden. Ik heb het gehoord van een landsquenet, die bij het beleg van Groningen was, en die in Spaansch Bra-band had gediend; hij beweerde dat uw Heer vader. . ..quot;
âOok niets van mijn vader!quot; viel Juliaan in, maar den degen terugtrekkend, en hem de hand reikend om op te staan. âWie vrienden met mij wil blijven, moet maar doen als ikzelf,, en niet achterom zien. Ik ben edelman, ik heb een doopnaam:
195
dien gij kent, dat is voor u allen genoeg; mocht ik eenmaal dien triomf behalen over mijne kwade fortuin, dien ik mij heb voorgesteld, dan zal ik ulieden geenszins verbieden van mijne afkomst te spreken, en het zal niemand berouwen mij trouw te zijn gebleven.quot;
âDat's een nobele belofte, luitenant! daar sla geluk toe,quot; riepen de omringenden, terwijl Bernard, wat beschaamd en nog in stilte mokkend, zijne plaats weêr innam.
âKomt, mannen! de kroes eens gevuld, jonker! Bernard! wij moeten dit al te zamen afdrinken,quot; riep Valentjjn, terwijl lange Mich inschonk, en den grooten tinnen beker aan Juliaan reikte, niet de lachende vermaning; âde luitenant vergete niet, dat hij moet rondgaan.quot;
Zoo gezegd, zoo gedaan; er werd eene santee ingesteld op de toekomstige fortuin van den luitenant, die nu beter gehumeurd en zelfs wat opgewonden, na de herhaalde plengoffers, lachend vroeg, âwelke goudmijn zi] ontdekt hadden, om zóó, splendied te kunnen zijn.quot;
âOch, luitenant! om de waarheid te zeggen, we hebben dat uilskuiken geplukt, den fraaien burgerpronker, wien gij zijn liefje hebt ontschaakt.quot;
âWat wawelt gij nu weêr? ik heb niemands liefje geschaakt,quot; hernam Juliaan misnoegd, âik zit ook al mooi in de veêren om mij nog met de zorg voor eene vrouw te belasten!quot;
âWord maar niet boos, jonker; voor uw pleizier, dat herinnert gij u toch, moesten wij zorgen, dat die pronkende pauw niet te haastig zijn meisje volgde; voor het onze moest hij opdokken te zijner invrijheidstelling. Elk wat wils ! en ik verzeker u dat wij pret met hem hebben gehad: eerst verloor hij zijn handschoen, vervolgens zijn hoed, ten laatste zou hij zeker zijn hoofd verloren hebben . ...quot;
âAartsdeugnieten die gij zijt! sprak Juliaan, onwillekeurig meêlachend bij die voorstelling; maar plotseling van toon wis-
196
gelend, of eene jnjnlijke gedachte hem aangreep, eindigde hij somber en wrevelig: âzoo is 't van die afzetterij dat ik getrac-teerd worde, ik! terwijl die andere ginds aanzit aan't prinselijk banket met vorsten en edelen. O! het lot is wel hard en wel onrechtvaardig.quot;
âBah! als de luitenant zijn zwaarmoedige bui krijgt, is al de aardigheid van ons feest af,quot; verzuchtten de soldeniers.
âGij vergist u, luitenant! de tractatie heeft eene gansch andere herkomst,quot; sprak Valentjjn, terwijl hij de andere toewenkte. âIk ben het die do koorden mijner beurs heb losgemaakt.quot;
âZoo, gij ? ik wist niet eens dat gij eene beurs in eigendom hadt,quot; antwoordde Juliaan, nog onder den indruk zijner smartelijke overwegingen.
âEen welgevulde, zie zelf maar, jonker!quot; Valentijn liet eene beurs zien met blinkende guldens; âen ik kan meer krijgen als ik wil.quot;
âGij hebt dan den hoorn des overvloeds aan Fortuna ontweldigd? of wel, hebt gij een verbond gemaakt mot valsche munters?quot;
âDat's periculeus, luitenant! liever verkoopen wij onze ziel aan Satan, niet waar Bernard,quot; viel Valentijn uit, âmaar 'tis veel aardiger en lang zoo erg niet.quot;
âHet lust me niet langer te vorschen, zeg het in eens uit,quot; hernam Juliaan met wat ongeduld.
âNu dan! wij hebben een verbond gemaakt met een Jezuïet.quot;
âDat zal oen mooi verbond zijn; en zei hij dan zelf dat hij een Jezuïet was?quot; vroeg Juliaan, met gefronste wenkbrauw.
âVoorwaar neen, zoo wijs was hij wel! maar uit zijne redenaties bleek ons, dat hij wat anders was dan hij voorgaf.quot;
âWat gaf hij voor te zijn?quot;
âHij gaf zich uit voor een Wateringschen boer, die met kippen ter markt kwam; maar dat maak je de kippen wijs, dachten wij; boeren zijn zoo happig niet op de vriendschap
197
met soldeniers, en boeren die ter markt gaan hebben liun duiten te lief, om vijftien gulden voor een grapje over te hebben,quot;
,Vijftien gulden !quot;
âWel te verstaan voor ons vijven; wij kunnen meer krijgen als wij met meerderen komen; de man drie gulden voor do moeite, en nog eene douceur toe, als de klucht vertoond is.quot;
âHoe zag die gewaande boer er uit?quot; viel Juliaan in, âeen schrander, sprekend gelaat â diep liggende, zwarte oogen ?quot;
âWel neen, luitenant! Hij had een plomp, boersch voorkomen, een rood, puisterig gezicht en ronde, groene oogen, precies een oude kater!quot;
âZoo! nu, dat's wat anders; en wat voor klucht verlangde hij dat gijlieden zoudt uitspelen?quot; eindigde Juliaan in zekere spanning.
âOch! het heeft niet veel te beduiden,quot; hernam Bernard lachend; âmorgen als de spelen hervat worden, zouden wij ons met zooveel kameraden als er last toe hadden, naar het krijtveld begeven, en zoo wat opschudding maken onder 't volk.....quot;
âIs dat alles?quot; vroeg Juliaan hem strak aanziende.
âAlles wat wij er vooreerst nog van behoefden te weten, zei hij, toen hij ons hot handgeld reikte; morgen, als we weêr samen kwamen in de taveerne, zouden wij er meer van hooren!quot;
âMaar Hans en ik hebben er geen zin in,quot; zei Michiel, Juliaan toewenkende, âen nu nog te minder.quot;
âHet zijn rare boerenkluchten, naar het mij voorkomt,quot; voegde Hans er bij, onder hoofdschudden.
âWel! zoo denken wij er ook over, niet waar Valentijn?quot; zet Bernard; âdaar schuilt wat achter: de Jezuïet wil den een of ander een trek spelen, en wjj moeten een standje maken, opdat, hij in troebel water zou visschen. Wij zien dat wel komen, maar wij hielden ons van den malle, en beloofden prompt op 't appèl te zijn !quot;
198
âOngelukkiger!! gij weet niet wat gij beloofd hebt,quot; viel Juliaan uit.
âMorgen, bjj gele Fij, zullen wij er meer van hoeren, en zoo de zaak ons niet aanstaat, houden wij de handen thuis, dat spreekt vanzelf.quot;
âDan zal het niet meer aan uw wil staan om terug te treden; gijlieden hebt beloofd en - het geld aangenomen,quot; sprak Juliaan in heftige onrust.
âIk zou eens willen zien, wie het niet zou hebben aangenomen,quot; klonk het lachend uit aller mond, terwijl Valentijn vervolgde: âVijf lantzen, die in niemands soldij staan, die geen oort in den zak en voor geen braspenning krediet hebben, zouden vijftien blanke guldens afwijzen, die hun in de hand worden gedrukt! 't blijft nu maar de vraag, hoe we de rest zullen krijgen!quot;
âDie zal u niet ontgaan; het bloedgeld zal u wel worden uitbetaald, als gijlieden morgen geprest wordt om den prins neêr te schieten!quot; riep Juliaan, die onder het afgrijzen, dat hem overmeesterde, zijn geheim niet langer bewaren kon.
âOp den prins schieten, prins Maurinck vermoorden!quot; klonk het nu van alle kanten, op den toon van de uiterste verbazing en verontwaardiging.
âHoe komt do luitenant op dat denkbeeld? daar heeft de fielt ons niets van laten bljjken!quot; hervatte Valentijn, Juliaan ongeloovig aanziende.
âIk ben er zeker van, dat de opschudding, die men ulieden wil doen verwekken, in verband staat met het voorstel dat men mij zelf heeft gedaan.quot;
âOok een Jezuïet of zoo iets?quot;
âNeen, een buitenlandsch krijgsoverste, ook als huisman verkapt, die mij eene compagnie beloofde en honderd pistolen ter hand stelde, om mij tot medewerking aan dat stuk te bewegen!quot;
âHonderd pistolen! de luitenant heeft honderd pistolen, daar-
199
mede zijn we al te zamen rijk!quot; juichten de soldaten ais uit één mond.
âVive le Gueux! daar kan de jonker eene compagnie voor koopen, en wij worden in eens wéér goede, ordelijke lantzen!quot;
âMaar, satansche domkoppen, gij vergeet de eerste conditie van die fortuin: Vorstenmoord!quot; riep Juliaan, verschrikt en verrast door deze opvatting van zijne mededeeling. âIk heb zijn voorstel met verontwaardiging afgeslagen, en het geld voor zijne oogen in het water geworpen.quot;
De woeste toorn, de teleurstelling van de verwilderde bende was onbeschrijfelijk.
âEen kale luitenant, die geen braspenning rijk is, gooit honderd pistolen in 't water!quot; kreten sommigen op sarrenden toon.
âHij wil liever leven van zijne arme soldaten!quot;
âVoor honderd pistolen schiet ik op alle prinsen en potentaten der wereld!quot; schreeuwde Bernard woest.
âMen had niet noodig het stuk uit te voeren; hij kon gedaan hebben zooals wij en voorloopig aannemen, het houden zou nakomen.quot;
âZinneloos geboefte! eerlooze rabauwen!quot; schold Juliaan weérom. âWat let me, dat ik u allen aan uw jammerlijk lot en schandelijke bewegingen overlaat. Met mijn degen in de hand zou ik alleen mijn weg vrij beter kunnen maken, dan met dien nasleep van fielten en botterikken.quot;
âProbeer het dan maar in uw eentje, schrandere bol, fiere edelman, die honderd goudstukken wegwerpt en van soldaten-kost teren moet!quot; beet Valentijn hem toe, zich aan de handen van lange Mich ontwringend, om den jonker tergend te naderen.
âIk zal het! ik zal het!quot; riep Juliaan met heftigheid; âmij walgt sinds lang van het leven met u, een leven van schande, van bedrog, van vernedering .. .quot;
âEn van zonde!quot; viel op diepen, doffen toon eene basstem in. Het was die van Bastiaan.
200
De achterdeur, die de voormalige brouwerij van den kuipers-winkel scheidde, was de eenige weg om, binnendoor, in de eerste te komen, en Bastiaan had dien ook nu weêr gekozen, hoewel hij een geruimen tijd in zijne eigenlijke woning had vertoefd, langer dan hij zelf had gewild, daar zijne vrouw, van hare boodschappen in de stad teruggekeerd, allerlei nieuwtjes en berichten had opgedaan, die zij zich verplicht achtte Bastiaan mede te deelen, eer hij zich weêr tot de âboevenbendequot; begaf, zooals zij, in hare ergernis dat hij dit gezelschap zocht, de voormalige kameraden van haar echtgenoot betitelde. Inderdaad moesten de geruchten, die haar omtrent de gedragingen van die mannen ter ooren waren gekomen, haar op het ongunstigst stemmen tegen de gehate indringers. Een ongewoon heftige woordenwisseling was er dan ook uit gevolgd tusschen de echtgenooten, waarin de vrouwelijke tranen en verwijten een triomf hadden behaald op het mannelijk gezag, en een besluit hadden ontlokt, dat hij hun nu ging aankondigen; maar daar het ondanks alles niet vrijwillig genomen was, en zijn hart niet deelde in den eisch der noodzakelijkheid, die het verstand hem voorschreef, was hij aarzelend aan den ingang blijven staan eer hij binnentrad, en had hij bijgevolg, tusschen het geschreeuw en gesar der soldaten door, de smartelijke verzuchtingen van Juliaan kunnen opvangen, eer hij er zich in mengde op zijne eigenaardige wijze. Hij hield zijn Bijbel onder den arm, als een wapen dat hem sterken moest, om alle booze geesten en kwade invloeden te weêrstaan. Ongelukkig was hij even onhandig om het te hanteeren, als ijverig om het te voeren.
âJa, van zonde!quot; herhaalde hij, nu binnentredende en op Juliaan toegaande, âen daarom mijn edele jonker, sinds de Heer u in deze uren daarvan het besef geeft in het harte, kondig ik u aan, dat het nog niet te laat is, al is het ook ter elfder ure...quot;
âEi zóó! is 't al elf?quot; riep het soldatenkoor spottend; âwat de tijd onder de pret toch snel omgaat.quot;
201
Zonder zich aan dien uitval te storen, vervolgde Bastiaan, tot Juliaan gewend, âom u van deze schandelijke leefwijze af te keeren!quot;
âTe droes! hij heeft den Bijbel onder den arm!quot; sprak Va-lentijn, Bernard aanstootend; âwe zullen een kapitteltje moeten aanhooren, en eene litanie van teksten slikken!quot;
âVoor den drommel, dat wil ik niet, ditmaal niet! wij willen ons niet altoos laten ringelooren,quot; zei Bernard halfluid.
âNeen, zwijgt,quot; duwde Michiel hun toe, âen luistert hoe de oude vos de passie preekt, nu hij zelf een warm hol heeft gevonden en een nieuwe huid heeft aangedaan.quot;
Bastiaan wist vooruit, dat de soldaten zijne vermaningen over hun hoofd lieten heengaan, als lieden die in den regen staan, en er zich niet tegen weten te beschermen, en die bijgevolg geduld nemen, en het water laten atloopen. Een stroef zwijgen, een spottende uitval, door de meesten onder hen tot grove profanatie opgevoerd, was al wat hij van zijne inspanning oogstte; toch werd hij niet afgeschrikt. Met eerbiedwaardigen, Christelijken moed, zou men misschien behooren te zeggen, ware die niet van zooveel plomp onverstand verzeld geweest, liet hij niet af aan het heil hunner ziel te werken, gelijk hij het noemde. Dat onverzettelijk geduld lag vooreerst in den taaien wil van den ouden Watergeus, die met den stormkap gedekt, liever tegen een muur placht te rammeien dan er voor terug te wijken, maar bovenal in de bijzonderheid, dat hij zelf, hij, brandstichter en vrouwenschender, van zijn kwaden weg was teruggekeerd; waarom dan ook niet die anderen, hoe lang en stug ze ook tegenstreefden? Ook nu, in plaats van de spottende opmerking met toorn op te vatten, nam hij er aanleiding uit om Michiel toe te voegen: âdat zegt gij met waarheid, ik h.t'h den nieuwen mensch aangedaan; maar niets verhindert u, Michiel, en u overigen, ook den allerbooste en bedriegelijkste onder u, om dit exempel te volgen. Och, dat gij het wildet!:
202
och dat gij uw hart niet verstoktet tegen de stem des roependen, die door mijn mond tot u spreekt; het is geenszins te laat, voor niemand uwer, sinds de moordenaar aan het Kruis zich nog heeft bekeerd in de uiterste ure .... en deel heeft gekregen aan de vreugd van 't hemelsch paradijs.quot;
âAls het er zóó meê gelegen is, dan hebben wij dunkt me nog tijd van wachten,quot; antwoordde Valentijn in aller naam; want er werd juichend met hem ingestemd, terwijl Michiel hem nog toevoegde:
âLuister, Bast, bezorg ieder van ons eene mooie kuiperij, met of zonder weeuwtje â zooals het uwe, en wij beloven plechtigljjk ons van stonden aan te bekeeren, zooals gij zelf hebt gedaan!quot;
Men zou gewacht hebben, dat Juliaan, van walging bevangen bij het leven dat hij leidde onder deze lieden, nu althans partjj zou gekozen hebben voor zijn goedhartigen gastheer, tegen de woestelingen, die hem zelf zooeven nog hadden bespot en beleedigd; maar het tegendeel vond plaats. De strijd, die in zijn binnenste heerschte, maakte hem juist bijzonder prikkelbaar tegen allo inmenning van buiten, voor die van Bastiaan in 't bijzonder, van wien hij zich afhankelijk wist, en wiens zucht om hem tot de goede keuze te dwingen, hem de onverdraaglijkste aanmatiging toescheen van een heerschzuchtig weldoener; ten andere ging het hier als met do twisten van zekere echtelingen: zoodra een derde er zich meê bemoeit, keeren zij zich vereo-nigd tegen den bemoeial, om dien het hoofd te bieden.
Alzoo ook Juliaan; hij hief zich op, plaatste zich tusschen Bastiaan en de soldeniers, en sprak koel en hoog:
âLuister, Bastiaan, ik begrijp wel, dat gij opnieuw een sermoen van uwe vrouw hebt moeten aanhooren, terwille van ons; dat spijt mij voor u; maar dat's nog geen reden om ons op de nabetrachting te onthalen. Wil uwe vrouw ons niet langer in hare nabuurschap dulden, zeg het dan ronduit; ik ben juist in
203
't humeur, om met al dc mijnen weg te trekken, de duivel weet waarheen. Maar zoo gij ons 't blijven gunt, en oude kameraden niet op een bof op straat wilt drijven, blijf ons dan met je teksten van het lijf; gij wint er niets meê, en geeft zelf stof tot spotternij en lastering, die u ergeren!quot;
âRoekelooze spotters zal God oordeelen! maar gij â scheid u af van hen, en bedenk nog in deze ure wat tot uwen vrede dient. Gij hebt de waarheid getast; mijne vrouw is de dage-lijksehe ergernissen moede, die zij aan dit volk beleeft, en mijn geduld raakt ook aan het einde, waar ik zie, dat zij met opzet hunne ooren sluiten en hunne harten verharden voor al mijne opwekkingen en vermaningen. Gij althans moest hen met beter exempel voorgaan, en zoo ze niet volgden, u scheiden van die woeste bende, die toebereid wordt voor den dag des toorns. Word behouden van die verwoesting, gij, jonker, wien mijne ziele liefheeft, al is quot;t dat gij haar ten diepste bedroeft.quot;
De soldeniers waren niet zóó over hun bier, of zij begrepen waar Bastiaan heen wilde, en hoe er van Juliaan's antwoord voor hen veel zou afhangen. Een dak boven hun hoofd te hebben, was hen te kostbaar een voorrecht, om het door lichtgeraaktheid prijs te geven, zooals hun luitenant in een oogenblik van heftigheid scheen te dreigen. Zij schaarden zich rondom Bastiaan en den luitenant, en bleven den laatste in gespannen verwachting aanstaren, toen hij antwoordde; âIk geloof dat gij mij een goed hart toedraagt, Bast, en - je hebt er ook reden toe, al zeg ik het zelf; ik heb je mijnerzijds in kwade uren bijgestaan; maar, als gij er op rekent mij alleen hier te houden, vergist gij u. Ik ben nu eenmaal aan deze mannen verbonden en zij aan mij, en al is 't dat er veel door hen geschiedt, dat mij tegen de borst stuit, ja, dat mij het bloed van schaamte naar het voorhoofd doet stijgen, toch, tot mijn eigen schande bekenne ik het, weet ik mij wel hun meerdere door rang en opvoeding, maar geenszins zooveel hun betere, om het niet ten
204
laatste moede te worden, dat gij altijd op hen afgeeft, en steeds van scheiden spreekt, alsof dat van mijne zijde niet even onwijs zou gehandeld zijn als trouweloos!quot;
âHoezee! braaf gesproken, leve de luitenant, leve Juliaan!'quot; klonk het nu uit vijftien monden tegelijk.
âZoo dit uwe keuze is, zoek dan van morgen aan met dit volk een ander heenkomen, en God ontferme zich over uwe ziele,quot; sprak Bastiaan, met eene stem die hard en koel wilde schijnen, maar die van innerlijke ontroering getuigde.
âWaarom nog niet vóór den nacht?quot; sprak Juliaan met bitterheid; âkomt, mannen, opgerukt, we willen niet wachten tot men ons verjaagt; wij trekken heen uit vrijen wil.quot;
Maar de soldeniers waren gansch niet gezind om dien wenk te volgen.
âKom, luitenant! Bastiaan maakt den pays, geeft elkaar de hand, oude krijgsmakkers mogen zóó niet scheiden.quot;
Michiel, Hans en Valentijn omringden Juliaan, en voerden hem bijkans met geweld naar zijne vroegere zitplaats bij het vuur terug, terwijl zij hem van zijne opvatting trachtten af te brengen, door hem in te fluisteren: âBedenk, zoo we van nacht als zwervende lantzen worden opgepakt, dat de galg morgen voor ons klaar staat,quot; en meer argumenten van dezelfde kracht. Ter andere zijde bemoeiden Bernard en de overigen zich, om Bastiaan tot toegeefelijkheid te stemmen, die, bleek en met starende oogen, bjj Juliaans heftigheid had toegezien, en zjjn Bijbel vast tegen do borst drukte, als een schild tegen de zwakheid van zijn eigen hart. Dat bracht Bernard, den snoodsten en gevatsten van allen, op een inval, dien hi/ uitvoerde, door te zeggen: âMaar Bastiaan, de luitenant sprak in onzen naam, zonder ons gevoelen te vragen. Wie zegt u, dat wij onbekeerlijk zijn, en ons leven niet beteren willen? Wie zegt u, dat wij naar geene vermaningen willen luisteren, zonderling als die ons met goedheid worden toegevoegd ? Daar moet toch
205
wol eene spreuk of een tekst in uw Bijbel staan, op ons geval toepasselijk.quot;
Bastiaan op het zwakke punt getast, liep in den strik.
âDe geheele Schrift is niets anders dan één luide roepstem, die de zondaren noodt zich van hun doolweg af te keeren,quot; sprak hij, met een gloed van voldoening op het bruine voorhoofd. âIk ben juist tot u gekomen met Gods woord in de hand, om u de laatste noodiging te laten hooren; zoo bidt dan dat gij het moogt vatten, want de natuurlijke mensch verstaat niet de dingen die des Geestes zijn.quot;
Van die waarheid overtuigd, had Bastiaan den tact be-hooren te hebben, om voor deze verstompten niet ten ontijde de woorden des Geestes te spreken. Maar van die kiesche terughouding, die het gewijde tegen ruwe aanraking weet te vei-ligen, scheen hij geen besef te hebben. Hij was al ruim voldaan, toen Bernard en de anderen, in groot betoon van ijver, eene bierton met eene plank daarop vóór hem neerzetten om er zijn Bijbel op te laten rusten, en zich als begeerige hoorders rondom hem schaarden, verzekerend dat zij geheel aandacht zouden zjjn, terwijl zij werkelijk de houding trachtten aan te nemen, die bij die gelegenheid schoen te passen, hoewel zij elkaar van tijd tot tijd aanstieten, en de ernst hun schoen te kosten.
Bastiaan, in zijn aanvankelijkon triomf, dacht aan geen kwaad, maar sloeg zijn Bijbel open, terwijl hij sprak: âAanhoort de gelijkenis van den Verloren Zoon.quot; En hij begon te lezen, op dien zonderling sleeponden, onnatuurlijk zalvenden toon, die lieden van zijne soort zich verbeelden te moeten aannemen, zoodra er van woorden uit de Heilige Schrift quaestie is.
Is er nog bier, Mich, zoo vult mij den kroes!quot; hoorde men Juliaan zeggen met luider stom, terwijl Michiel, aan zijn verlangen voldoende, hom toevoegde op tluisterondon toon: âOch! luitenant neem or wat geduld meê, gij redt or ons allen door;
206
't is nu zijn zwak, en 't is toch zoo'n mooie geschiedenis.quot;
âZooveel te erger; ik kan dat gefemel niet velen van den ouden plunderaar, dien ik zelf van de galg heb gered .... ik word er wee van.quot; Toch sprak hij die woorden op zaehten toon, terwijl hij den beker aan de lippen zette.
De woestelingen intusschen kwamen tot stilte en luisterden. Bastiaan las slecht, dat is waar, maar met de innerlijke ontroering van een overtuigde, voor wien ieder woord doel treft; en er ligt in die eenvoudige voorstelling iets zoo diep aandoenlijks, zij is zoo geheel naar de behoeften eener zondaarsziel ingericht, dat ook de stugste en stompste onder hen zich niet van zekeren indruk kon weren.
Treurig echter was het op te merken, hoe kwalijk zij den zin vatten, of liever, hoe slecht zij de toepassing maakten.
âDie is erger dan ik,quot; mompelde er een; âtoen ik mijn vaders huis verliet, nam ik ten minste niets mee.quot;
En weêr een ander fluisterde zijn nevenman in: âJe hoort niet, dat hij gestolen of gemoord heeft, zooals wij!quot;
âDat komt omdat hij niet in den Spaanschen oorlog heeft gediend; ware hij soldenier geweest, hij zou het licht erger gemaakt hebben dan wij,quot; was het antwoord, op denzelfden tcon.
âJa!quot; verzuchtte Heinrich bij zich zelf: âik ben een Oost-vries, en weet wat het zegt in het vreemde land te zwerven; maar al keerde ik huiswaarts, mijn vader is toch reeds lang dood,quot; en dergelijke opmerkingen meer, die Bastiaan, zoo hij ze verstaan had, duidelijk zoude bewezen hebben, dat hunne koude, onbereide harten, nog doof waren voor de roepstem die tot hen kwam, en dat alleen de vorm, de inkleeding van de gelijkenis hen boeide; maar Bastiaan, reeds tevreden dat hij niet ruw en opzettelijk werd gestoord, las ijverig door.
Juliaan die met zekere drift den vollen beker had inge-zwolgen, als om zich te bedwelmen, had werkelijk dit doel bereikt, en was in een toestand van matheid geraakt, waarin
207
hij met wezenlooze lijdzaamlieid in het onvermijdelijke scheen te berusten. Hij had het hoofd tusschen de handen laten vallen, en scheen ingedommeld. Maar op eens vloog hij op en naar Bastiaan toe; groote tranen vielen hem langs de wangen, die hij zich niet schaamde, waarvan hij zich nauwelijks bewust was; maar door de tranen heen flikkerden zijn oogen van een wilden gloed, en terwijl Bastiaan, die hem dus voor zich zag, bij zich zeiven sprak: âZiedaar de vrucht van mijne volharding, ziedaar het berouw dat hem aangrijpt,quot; werd hij zelf door Juliaan van zijne plaats gedrongen, die met woeste hand den Bijbel toesloeg, terwijl hij uitriep:
âLaat af van die heiligschennis! Ik kan niet dragen, dat gij het boek, door mijns moeders aandacht gewijd, tot een spot maakt van dit gespuis!quot;
Verrast door den onverhoedschen aanval, een oogenblik bedwelmd van verbazing, was Bastiaan teruggeweken, en had zich den Bijbel laten ontweldigen, dien Juliaan trotseerend onderden arm hield; maar, welhaast van den eersten schok bekomen, trad hij op Juliaan toe.
âWat is dat!quot; schreeuwde hij op rauwen toon; âgij! gij zelf, verstokte zondaar, zoudt de schennende hand slaan aan Gods woord, gij mij eerbied leeren voor den Bijbel, mijn bijbel! dien ik met mijn eigen bloed heb gekocht en veroverd? Laat af daarvan, zeg ik u, ik zal daaruit lezen, wanneer en voor wien ik wil, ten tijde â en ten ontijde, zooals de Apostel beveelt.quot;
âJe verstaat geen woord van de heele Schrift, oude rotbaan, zoo je meent, dat die gegeven is om aan schoeljes als dezen voorgelezen te worden bij een drinkgelag; mijne moeder las er in na haar gebed, en ik wil niet, dat dronken volk den draak zal steken met hetgeen zij in zoo hooge achting heeft gehouden;quot; en weêr stroomden de tranen, terwijl oogen en wangen gloeiden van de heftigste drift.
208
âGij zijt zelf dronken, Juliaan; uw overmatig gebruik van hun zwijmeldrank heeft u meer beneveld, dan een van hen; zonderdat, zoudt gij bedenken met wien gij te doen hebt, en mij niet tergen in mijn eigen huis, dat ik je maar heb te ontzeggen, om u ganschelijk over te geven aan Satan en zijne strikken.....quot;
âLoop zelf naar Satan! oude brandstichter, die den hypocriet speelt om zijne vrouw te believen, en meent, dat God zich door zulke mommerij zal laten blinden ! Mij uw huis ontzeggen â meent gij, dat ik er een uur langer in zou willen blijven? De baron de Ghiselles, een Egmond door zijne moeder, heeft zich maar al te diep verlaagd, met de gastvrijheid aan te nemen van een huichelaar, wiens verleden genoeg is om hem tienmaal aan de galg en eeuwig in de hel te brengen, en die meent den hemel te verdienen, door anderen met zijne grimassen te kwellen!quot;
âJonker Juliaan!quot; riep nu Bastiaan, op zijne beurt brieschend van woede, âover mijne zonden en misdaden heb ik mij voor God verootmoedigd, en berouwe mij daaraf nog dagelijks; maar een hypocriet ben ik niet: morgen zult gij het met heete tranen beschreien wat gij mi tegen mij pleegt, mij die u uit zuivere Christelijke liefde de hand boven 't hoofd heb gehouden, u schut en herberg heb gegeven om niet, in hope, dat het strekken zou om u van 't kwade pad af te leiden en tot ware bekeering te brengen.quot;
âBekeer je zelf van malle praat!quot; schreeuwde Juliaan, âof ik stoot je mijn degen tusschen de ribben!quot;
âJonker, Jonker! wees gewaarschuwd; als ge mij dwingt den onderschout in te roepen, staat gij morgen als vechter en dronkaard aan de palei. Kom tot u zelf, geef mij mijn Bijbel terug!quot;
Maar Juliaan, wiens opgewondenheid tot razernij was geprikkeld, antwoordde niet dan met een schaterlach. Den uitgetrokken degen zwaaiende, en zich een weg banend door de soldeniers
209
heen, die hem tevergeefs trachtten te weêrhouden, bereikte hij den haard, altijd met den Bijbel onder den arm, dien Bastiaan hem nog niet had kunnen ontrukken.
âLuitenant! wees wijs! wees voorzichtig! Wat hebt gij er aan, geef Bastiaan zijn boek weêr, hij is driemaal sterker dan gij !quot; waarschuwden de soldaten, terwijl Bastiaan, met snollen, vasten stap tusschen hen doorging en reeds Juliaan was genaderd ; plotseling legde hij hem de forsche hand op den schouder.
âGeef op! of ik spare u niet langer.quot;
â!Neeni het!quot; riep Juliaan met een woesten lach, trad nog eene schrede achterwaarts, en wierp het boek tusschen het vlammend hout! âdaarmeê zal je geen kluchten meer vertoonen.quot;
Doodsbleek van ontzetting, bleef Bastiaan een oogenblik buiten bezinning, wat het eerst te doen; de daad van waanzin te straffen, of zijn schat te redden. Het laatste was niet doenlijk, zoolang Juliaan met zijn zwaaienden degen dreigend in den weg trad. Maar de oude Watergeus liet zich niet langer straffeloos tergen; hij pakte Juliaan om zijn middel, als een weêr-spannigen knaap, dien men meent te kastijden, en slingerde hem van zich af; midden onder de soldaten kwam Juliaan op den grond neer.
Bastiaan redde met sidderende hand, wat er nog restte van zijn verzengden Bijbel.
Met het schuim op den mond van dolzinnige woede, was Juliaan weêr opgevlogen, had zijn degen opgeraapt, en schoot nu als een razende op Bastiaan toe.
âVerdedig je als een soldaat, of ik doorsteek je als een hond.quot;
Bastiaan zag dat hij zich moest verweren; hij ontrukte het zijdgeweer aan een der soldaten, en drong op Juliaan in, willens hem den degen uit de hand te slaan; maar deze, in zijn overprikkelden toestand, noch gevaar ziende, noch vormen achtende, liep als een getergd roofdier, onder een wilden kreet, op Bastiaan toe en stiet hem den degen in de zijde.
Wonderdokter 1. 14
210
De grond dreunde toen de oude Watergeus viel; een breede stroom bloeds gudste uit de gapende wonde, maar geen kreet, geen snik slaakte het slachtoffer, en dit zwijgend neerzinken had zoo iets ijzingwekkends, dat de ruwe soldeniers, bleek als lijken, onder een dof gemompel van ontzetting, den gevallene omstuwden.
Michiel knielde neêr en trok den degen uit de diepe wond. Juliaan zelf zag er niet naar om; hij sloeg zich met onweerstaanbaar geweld tusschen de soldaten door, genaakte de deur, stiet die met een vuistslag open, en ijlde naar buiten.
HOOFDSTUK XL
Het was reeds laat in den avond. De Delvenaars, die zich gestemd gevoelden of' geroepen waren de feestviering van den dag voort te zetten, deden dat nu binnenshuis; de straten waren doodsch, eenzaam en donker, als in eene stad door do pest ontvolkt.
Niet vreemd; de menigte had volop het hare gehad van straatslenteren en zwieren. Ondanks de bekende waakzaamheid van mijnheer den onderschout en zijne suppoosten, wist do rustige burger zich gansch niet veilig op straat, zoo ras do duisternis heerschte; en daarenboven viel de Maartsche sneeuw in groote, vochte vlokken neêr, voortgedreven door een scherpen noordenwind; reden te over om ieder binnen te houden, wie niet buiten noodig had.
Geen nieuwsgierigen zelfs verzamelden zich ditmaal voor het huis der gravin van Holms, op het Oud-Delft, waar dien avond voor een klein maar uitgelezen getal gasten een feestmaal was aangericht.
De Duitsche voetknechten van den graaf, die er wacht hielden, om tegen mogelijke stoornis der orde te waken, doken zoo diep als zij konden in hunne mantels, en keken wangunstig op naar het grillige licht, dat door de kleine, rijk beschilderde ruiten der bovenverdieping heendrong, terwijl de lustige muziek, die het feestbanket begeleidde, hun sarrend in do
212
ooren klonk, van tijd tot tijd afgewisseld door het gegier der rukwinden, dat hun eene gewaarwording gaf, of er reusachtige nachtvogels om hen rondfladderden. Dat was hunne muziek. Die daarboven hadden warmte, hadden vroolijkheid, hadden verkwikking, en zij â hadden de sneeuwjacht, en mogelijk hun sehilderhuis, want ik ben er niet zeker van, dat men te dier dage reeds zulke voorzorgen noodig keurde.
En dat festijn zou tot in den morgenstond voortduren; en al verwisselden de personen der schildwachten â geene verbetering stond er te wachten van de lasten die zij te dragen hadden. Was er dan niemand daarbinnen, die aan den armen soldaat dacht, om hem een warmen dronk of een broksken uit den overvloed der lekkernijen toe te reiken?
Zeker, alle menschen kunnen niet van gelijken stand zijn, noch zich gerechtigd achten tot eene gelijke lotsbodeeling; niet iedereen behoeft te banquetteeren als een vorst in zijn paleis; maar toch, wie deze stoffelijke voorrechten genieten, behoorden eer meewarigheid te toonen met hen, die voor hunne veiligheid, voor hun gemak, voor hun vermaak, voor hunjie ijdelheid wellicht koude en ongemak lijden, en die zich verbijten van verdriet en ongeduld, terwijl zij zich vermeien in behaaglijke ruste of in allerlei zingenot. Was er daarbinnen, onder al die minnende jonkers en minnelijke jonkvrouwen, niet een, wiens goed harte hem deze dingen zeide? Mogelijk was het zoo, maar waarschijnlijk is het niet. Het viel niet in den geest des tijds om zich zóó in eens anders wél of wee te verdiepen, althans niet waar het soldaten gold; hunne oversten zelf zouden het eerst de schouders hebben opgehaald over zulk eene misplaatste weekhartigheid; daar waren zij immers soldaten voor!
Na afloop van het banket, zou er suikerwerk en klein gebak uit de kruisramen worden geworpen, zooals dat bij dergelijke gelegenheden plaats vond; maar daar hadden de arme schildwachten niet veel aan, wier plicht het was orde te houden
213
onder de volksmenigte, die als eene horde wilden kwam aanstormen om den buit te rapen.
En zeker zou de gravin van Solms, naar het vroom gebruik dier dagen, niet nalaten des anderen daags van de overgebleven spijzen de Godshuizen mildelijk te voorzien. Weezen en ouden van dagen konden er op rekenen, ruim hun deel te krijgen van het kostelijk feestmaal; maar niets van dat alles kwam den armen soldaat ten goede, voor wien geene plaats scheen te zijn in den kring, waartoe zich de publieke barmhartigheid destijds bepaalde; en deze rekende daarop ook zoo weinig, dat hij er geen bezwaar in vond, zich door list of geweld schadeloos te stellen voor die verachteloozing, zoo vaak hij er gelegenheid toe vond.
De broodelooze troep van Juliaan was uiterste, maar geenszins treurige uitzondering van de heerschende kwaal onder 't krijgsvolk. Maurits ving wel aan die te bestrijden, en tevelde-trekkende hield hij strenge krijgstucht, maar er moest eene geheel nieuwe orde van zaken worden ingesteld, zou er waarlijk betering komen, en dat ging noch zoo licht, noch zoo snel. Intusschen was voor het meerendeel der burgers het woord lansknecht of soldenier met schelm of boef synoniem; niemand dacht er over na, of de schuld wel het meest lag bij hen, die het beroep dreven, en of niet aan hen, die tegen hunne misdrijven moesten waken en voor hunne belangen behoorden te zorgen, maar die nalatig waren in 't eene als 't andere, een goed deel daarvan moest worden toegerekend. Wie het ook vergat, hij zeker niet, de man dien wij te voorschijn zien komen uit f de zijpoort van het aanzienlijk huis, naast dat van de gravin van Solms gelegen.
Hij had den mantel dicht om het lijf geslagen en droeg eene kleine hoornen lantaren in de hand. Waarom wij hem van de algemeene onmeedoogendheid en onnadenkendheid uitzonderen, zal de opmerkzame lezer begrijpen, als wij zeggen, dat deze
214
man diezelfde Jacsk Jansz. Graswinckel is dien wij in den ochtend het marktplein hebben zien oversteken, vervuld met gansch andere gedachten, gedreven door gansch andere roerselen, dan die der jubelende menigte, slechts bedacht op eigen genot en belang. Uit verschillende opmerkingen, die wij over hem hebben aangehoord, is ons gebleken, dat hij vreemd is van de gewone berekeningen on bejagingen der zelfzucht; dat hij leven en krachten had gewijd aan lijdenden en verdrukten, en dat hij bijgevolg ook die, van koude rillende, van verbeten ergernis stampvoetende soldaten niet kon gadeslaan met voorname laatdunkendheid en koude minachting, maar dat ze zijne stille deernis wekten, al was het ook, dat hij in dezen zelfden oogenblik daarvan niets liet blijken. Hij scheen haast te hebben, liep door met een stevigen stap â en trad toen de stoep op van het eenige winkelhuis, waar nog licht brandde, nauweljjks waarneembaar door de kleine, in lood gevatte ruiten van de reeds ten halve niet buitenluiken gesloten vensters. Het was een huis met een luifel en een steenen stoepbank, waar men bij dag de verschillende attributen van een apothekerswinkel te zien kreeg; onder anderen, een draagbaar koperen fornuis, waarop de artsenijbereider zich destijds niet schaamde, ten aanschouwe van 't publiek en tot verlustiging van straatjongens en slenteraars, een deel zijner geneesmiddelen klaar te maken.
Graswinckel lichtte de klink en trad binnen. Hoewel de medische wetenschap in quot;t algemeen, en de artsenijmengkunde in 't bijzonder, ten jare 1595 nog op een lagen trap van ontwik-koling stond, was het er toch verre af, dat zij in Holland, in Delft vooral, geheel verachteloosd werd, en dat de uitoefening daarvan, zonder toezicht, aan den eerste den beste werd overgelaten. Vooreerst was het gildenbestuur daar, om volstrekt onkundigen te weren. Vervolgens was men niet voor niet in de buurt van de Leydsche Academie, die reeds hoogleeraren had bezeten en nog bezat, die eene Europeesche vermaardheid
215
hadden verworven in hun vak, en de vraagbaken waren van hunne hooggeleerde collega's in het buitenland. Hun invloed â hetzij eene rechtstreeksohe of zijdelingsche â had den naijver opgewekt van liet vorstelijk Delft, dat reeds vóór do reformatie uitmuntte in goed ingerichte gast- en ziekenhuizen, bovenal in zorge voor krankzinnigen en geraakten. De regeering van Delft scheen bekend om hare zucht voor de wetenschap, daar een Petrus Foreest haar reeds in 1584 zijn boek over de koortsen opdroeg; er bestond al reeds lang eene gezondheidspolitie, die in tijden van pest en andere epidemiën doeltreffende maatregelen nam; al vroeg werd er eene school geopend, waar theoretische en practische lessen gegeven werden in de ontleed- en heelkunde, waarvan het bijwonen voor de chirurgijnsleerlingen verplichtend was. Er waren gezworen stads-heel-en geneesmeesters aangesteld, die zeker toezicht oefenden over hunne ambtsbroeders, waaruit later het collegium medieum ontstond. Alles in één woord geeft recht om te gelooven, dat de medische wetenschap, hoe 'primitief ook, te Delft â op de hoogte (misschien moest ik zeggen op de laagte) stond van haar tijd â ja, in sommige opzichten â een paar schreden verder geavanceerd was.
Het Chirurgijns- en Barbiersgilde, dat zich onder het patronaat van St. Cosmos en Damianus had gesteld, en na de reformatie den naam van die schutsheeren bleef voeren, beschermde hare leden tegen indringers van buiten en vexaties van binnen; de artsenijbereiders waren er in begrepen; keuren tegen rondreizende kwakzalvers, en lieden, die .op de bruggequot; ongeoorloofde geneesmiddelen uitventten, bestonden sinds lang, al werden ze juist niet streng gehandhaafd; en ofschoon de chemie zich nog maar langzamerhand uit de mysterieuse windselen der Alchimie begon los te maken; ofschoon een chirurgijn en een barbier een zelfde persoon was, en zelfs bij scheiding van die functiën, nog altijd met elkaar verward werden.
216
genoot toch âde kruidmenger of apothecarius,'1 als onontbeerlijke handlanger van den arts, zekere achting. Hij toch grensde aan den stand der geleerden, al was het ook aan de uiterste limiet; hij was letterwijs in hunne taal, een voorrecht, dat hij, vooral ten aanhoore van philisters luide liet klinken, en de eenvoudige burger trad niet met dezelfde vrijmoedigheid den winkel van een apotheker binnen, als hij dat bij den bakker of den kruidenier zou hebben gedaan.
Een apotheek van die dagen zag er dan ook alles behalve aantrekkelijk uit. Zekere eigenaardige geur nog daargelaten, voor veler reukorgaan soms ondraaglijk, lag een somber drukkend, geheimzinnig waas over alles wat men er opmerkte, van de vreemdgevormde flesschen en potten af tot de dichtgesloten doozen en bokalen toe, wier raadselachtige inhoud voor den oningewijden aanschouwer iets schrikwekkend moest hebben, dat hem een rilling over de leden Joeg,.
âEen krokodil hing aan den zolder af;
Daarbij een schildpad, en een gansehe kraam Van visschen, droog en opgezet; in 't rond Stond hier en daar eene oude pot of doos Gerangschikt, ledig meest, en meer nog, wat Een schijn maar van stoffeering geven kon;quot;
zegt Shakespeare, als hij eene armzalige apotheek schildert, waar zijn Romeo zich heenwendt om zijn vergif te halen; maar hoewel de winkel van meester Cypriaan, die wij met Jacob Jansz. binnentreden, gelijkenis vertoonde met deze beschrijving, was het in tegenstelling daarvan eene bloeiende zaak, dat bleek uit alles.
De koperen vijzels en fornuizen blonken zooveel zij konden, bij het wisselend licht eener walmende lamp, zooals geene keukenmeid die in onzen tijd meer zou willen gebruiken. Esculaap met zijn slangenstaf was in verguld snijwerk afgebeeld
217
boven de kast, waar de potten en fiesschen gerangschikt stonden; als ter waarschuwing was er een grijnzend doodshoofd geplaatst boven een kleiner hangkastje, waarvan de inhoud uit vergiften bestond. Maar de geruststelling, dat er alzoo geene vergissing zoude plaats vinden, weerde toch de huivering niet die het aanjoeg, terwijl ook de zaagvisch, die u boven het hoofd slingerde, zijne verschrikkingen had, bjj de reusachtige proportiën, die zijne schaduw aannam tegen de zoldering, onder het onzeker flikkerend lamplicht. Maar het spreekt vanzelf, dat Jakob Jansz. sinds lang over deze gewaarwordingen heen was, zoo hij ze ooit had gekend, dat niet waarschijnlijk is. Hij was sinds jaren de gewone bezoeker van den vBann-hartige Samaritaanquot;, zooals de Apotheek, blijkens haar uithangbord met inscriptie boven den luifel uitstekend, betiteld was; daarenboven was hij als medicus en scheikundige ingewijd in alle mysteriën van het vak! Of hij juist bij de Leydsche Academie zijn graad had behaald, is twijfelachtig; maar hjj had gewis op eene of andere wijze zijne proeven afgelegd, en er bestond geen geneeskundige wet, noch staatstoezicht, om dezen dilettant-geneesheer in zijne menschlievende pogingen te stuiten. Gelukkig voor zijne armen! want hij practiseerde gratis, en leverde zelf de geneesmiddelen bij het voorschrift.
Geen wonder dus, dat de apotheker bij wien hij goedvond zich van zijne medicamenten te voorzien, als hij niet bij machte was zich die zelf te verschaften, hem bij zijn binnentreden met een welgemeenden avondgroet verwelkomde.
Meester Cypriaan was daarbij niet de door armoede en verdriet uitgemergelde martelaar, dien Shakespeare ons schetst. Hij was een vrij gezet, welgedaan mannetje, van korte gestalte,, met appelronde, blozende wangen, goedige, niet overschrandere oogen, en blijkens het grauwe haar, dat even uit het zwarte calotje te voorschijn kwam, reeds de beste helft des levens voorbij. In een zwart sergie huisjapon gewikkeld, door een.
218
«mal randje vossenbont omzoomd, ten teeken dat hij zich rekende tot den stand der geleerden, en, ongeacht de zijden muts, met een lakensehen hoed op het hoofd, dien hij echter afnam, toen hij Jakob Jansz. begroette.
âGaat dat nog -weer zoo laat op de patiënten los, dokter!quot; «prak hij, aan dezen uit wellevendheid jegens den goeden klant, een titel gevende, die mogelijk niet onbetwistbaar was van de zijde der naijverige faculteit. Maar Graswinckel, jarenlang gewoon aan eene benaming, die hij zich zelf niet had toegeëigend, scheen er noch door gevleid, noch over geërgerd, en antwoordde laconiek:
âZoo is 't meester Cypriaan; kunt gij mij helpen aan deze medicamenten?quot; en hij hield hem het lijstje voor, waarop ze waren aangeduid.
âDat zal heel wel gaan, doetissime! alleenlijk..... is er
haast bij ?quot;
âIk wenschte er op te wachten, zoo gij zo althans in voorraad hebt.quot;
âDat is de zwarigheid niet. ik heb in mijn winkel al wat er in de Delftsche apotheek is voorgeschreven; nog daartoe alle herba, die er in Dodoneus kruidboek staan vermeld, mitsgaders de meeste uitheemsche middelen, die van ver over de zee tot ons worden gebracht; â en wat belangt balsems, elixirs, overgehaalde wateren, ik ben er te allen tijde ruim van voorzien.quot;
âDe artsenijen die ik nu verlang, zjjn ganschelijk niet extraordinair, zooals gij ziet.quot;
âDan zullen ze in een ommezientje gereed zijn; maar ik vrees wel, wat veel van uw geduld te vergen om er op te wachten tot ik de wortels gehakt, de poeders gezift en de siropen onderééngemengd heb; wil ik ze niet liever voor u laten aanreiken? wil slechts opgeven waar.quot;
â't Is mijn lust ze zelf te bezorgen; er zijn lijders bjj, die 't niet nemen dan uit mijne hand.quot;
219
âEen fraaie last, maar.... 't is een gewillige!quot; mompelde meester Cypriaan, niet al te zeker hoe die aanmerking zou worden opgevat; âzoo wil uw gemak nemen, en sta mij toe mijn leerling te roepen; veel handen maken licht werk.quot;
âMaak geene omstandigheden met mij, ik heb geduld en tijd â gij, haast u langzaam, zooals bij ons werk het noodigst voorschrift is;quot; en Graswinckel nam plaats op een met leér bekleed zitbankje, nadat hij zich van den riem had ontdaan, die om zijn midden was vastgegespt, en waaraan verscheidene tinnen potjes en fleschjes bengelden van eigenaardig fatsoen, allen van hengsels en geschroefde deksels voorzien, dip hij op de toonbank neêrzette.
Terwijl de pharmaceut en zjjn adjunct zich bevljjtigden ze te vullen, naar 't gegeven voorschrift, meende de eerste zijn geduldigen begunstiger een praatje schuldig te zijn ter afleiding.
âEen druk dagje geweest voor de lief hebbers, waardige Jacob Jansz., en 't zal morgen niet stiller zijn, met dien gecostumeer-den optocht langs de straten.quot;
Jacob Jansz., die in eigen gepeinzen scheen verdiept, richtte even het hoofd op toen zijn naam werd uitgesproken, en knikte daarop ten teeken van instemming.
âJa, ja! de grafelijke buurtjes stellen het vroolijk in; dat zal een ander leventje zijn dan het uwe, meester Boot!quot;
âIk zegge daartoe: elk moet weten wat hem past.quot;
âWat mij belangt, ik... mag 't wel lijden, mits ze 't maar niet te hoog in top voeren om hot te kunnen volhouden. Ieder wie er van hoort en ziet, vreest dat ze hier boven de maat gaan; daar wordt verteld, dat men zondag eerst zal beginnen te scheiden! Zijne Prinselijke Excellentie, hooglotteiijker gedachtenis, heeft wat korter en zediger bruiloft gehouden, toen hij hier de aanminnige Louise de Coligny trouwde.quot;
âDe tijden waren toen zwaarder en hachelijker dan nu,quot; vergoelijkte Jacob Jansz., op zachten, ernstigen toon.
220
âOm niet te zeggen, dat de gravin van Solms bij de feesten een staat voert, of zij eene koningsdochter ware â ja! eene keizersdochter zon quot;t er meê kunnen doen.quot;
âZe stamt ook uit oud, keizerlijk bloed van moederszijde...quot;
âMaar 't ware haar goed, zoo zij daarnevens eene keizerlijke schatkist te harer beschikking had; met deze vlucht, die ze neemt, zou ik niet gaarne haar borg zijn!''
âEilieve, meester Cypriaan,quot;' sprak Jacob Jansz., zachtmoedig maar met wat nadruk, âlaat ons elkander de rekening niet maken; de adelaar breidt de slagpennen uit en zweeft hoog in de lucht de zonne tegen, de zwaluw veiligt zijn nestje bij 's Heeren altaar. Beide zijn schepselen van één Maker, die 't alzoo heeft gewild. Laat ieder zijns weegs gaan, en beware God elk gezin, dat zijn huis op een zandgrond bouwt, wanende dezen een rots te zijn!
En nu, wil mij zeggen, meester Cypriaan, of gij ook bij machte zijt mij dat befaamde geneesmiddel te verschaffen, dat men het Veneetsche Theriakel noemt.quot;
âHet poeder van Sympathie, hm - hm .... ik heb het wel gehad.... ik heb zelfs nog ettelijke substantiën waaruit het vervaardigd wordt; â maar ik ken ze niet allen â en ik heb ze niet allen ... en . .. bovendien wil ik wel bekennen, dat ik niet ben ingewijd in het mysterie der samenstelling.quot;
âIk, lacij ook niet; en toch acht ik het, wel toegepast, van singuliere kracht. Ik heb er treffelijke resultaten van gezien!quot;
âGij, o gij! dat is niet te verwonderen, dokter Boot! gi' geneest de luiden niet met uwe medicamenten;. . . maar ik voor mij ... ik kan niet zeggen dat ik er veel meê op heb. Ik hoor dat er drakentanden en serpentenvel in gemengd wordt, en ...quot;
âGij hebt het dus niet en kunt het mij ook niet bezorgen?quot; viel Graswinckel in.
âIk heb bevergeil, elandstanden, Mekka-balsem, Jeruzalemsche zeep, aan voorraad van uitheemsche middelen ontbreekt het mij
221
ganschelijk niet; ik heb zelfs het venerabele, tot allerlei mysterieus gebruik dienstige auripigmentum, dat een der ingrediënten is van het Theriakel...
âMaar, hetgeen ik eigenlijk vraag hebt gij niet,quot; viel Gras-vdnckel in; âdat spij: mij, te meer omdat ik er eene goede dosis van noodig zou hebben, niet slechts om voor mijne patiënten te strekken, maar ook om er zekere proefneming mede te doen. Ik zal dan maar jwecr naar Antwerpen moeten schrijven, van waar ik het voormaals heb gehad.quot;'
âMaar zoo gij het absoluut begeerr, kan ik het wel voor u ontbieden langs korteren weg. Ik ben bekend met den Overman van 't Chirurgijnsgilde te 's Hage, die meê in 't geheim is van degenen, die het bereiden. Ik kan mij aan hem wenden om het te verkrijgen.quot;
âGij zult mij verplichten! Mijn vriend de waardige Petrus Coudenberch, meester van den kruidhof tot Antwerpen, die het mij vroeger zond, wilde er van mij geen geld voor aannemen; â dat maakt mij nu huiverig om weêr bij hem aan te kloppen.quot;
âMaar ik voel mij verplicht u vooruit te waarschuwen, dat men het bedoelde poeder gemeenlijk alleen bij kleine hoeveelheden aflevert, en dat het tegen goud wordt opgewogen.quot;
âTracht er zooveel van te krijgen als gij maar machtig kunt worden; afdingen is mijne gewoonte niet, als gij weet.quot;
âNeen, voorwaar! als alle klanten zulke goede betalers waren, zou ik nog kans zien mijne koetjes op droog te krijgen; maar bij patiënten zooals gij ze gemeenlijk bedient, kan het er dan ook wel op overschieten,quot; eindigde hij, lachend over zijne eigene aardigheid.
âDat zegt gij met waarheid!quot; hernam Jacob Jansz.; âde arme schaapkens, die het mij gegeven wordt te bedienen, hebben een rijken en machtigen Heer, wiens rentmeester en schatdrager ik ben â moge het zijn met niet al te veel ontrouw en zwakheid!quot;
222
âOntrouw en zwakheid? kom, kom! dat is versierde zedigheid, waardige Jacob Jansz., iedereen tot Delft weet, hoe gij zelf leeft, schraalder dan de armste bedelaar.quot;
âquot;t Zou me ook niet passen, mij zeiven te goed te doen van 't geen aan Zijne armen behoort.quot;
âZoo denkend en handelend, zijt gij de vriend en weldoener van allen, die leed en last lijden in de gansehe stad; dat is te bekend, dan dat gij 't zelf zoudt kunnen ontkennen, al tracht gij het meest te bedekken.quot;
âNu wat zou dan dat alles, daarin is niets dan mijn schuldige plicht.quot;
âGij verdient er den hemel meê, dat is zeker.quot;
âDen hemel verdienen!quot; en de strenge, wel wat harde trekken namen eene onuitsprekelijke uitdrukking aan van zachtmoedigheid en diepen ootmoed. âOch! wat zouden wij arme zondaars den hemel verdienen, die onze schuld niet kunnen betalen! Ik heb geleerd met den Profeet David te verzuchten: Wie kan merken hoe dikmaals hij feilt. O Heere! vergeef mij mijn verborgen gebreken. Maar ik geloof dat Christi verdiensten mijne verdiensten zijn, en ik hoop in den hemel te komen door Hem, die de weg, de waarheid en het leven is!quot;
Mv. Cypriaan, wat verlegen dat zijn bedoelde lofspraak zoo averechts werd opgenomen, trachtte zich intusschen eene houding te geven, door de laatste hand te leggen aan het vullen en rangschikken der potjes en tleschjes; en niet wetende wat te antwoorden, na zulke uitspraak van zijn achtingswaardige klant, tot wiens diepte van ootmoed hij niet wist door te dringen, zei hij alleen:
âZie nu, dokter! hoe ik mijn best gedaan heb om u spoedig te helpen; daar zijn uwe zaken, genommerd en met de briefjes er aan; wilt gij ook dat ik ze aan den riem hechte?quot;
âGeef u geene moeite, ik rangschik ze liever zelf naar den loop dien ik te doen heb; wees zoo goed en neem hier af
223
wat u toekomt,quot; en zijne beurs uithalende legde hij een gouden dukaat neêr.
, I ii trouwe, daar is driemaal meer dan mij toekomt,quot; sprak meester Cypriaan, nadat hij eenige oogenblikkon voor de leus in zijne winkellade geschommeld had, âen ik heb zooveel kleingeld niet om weêr te geven.quot;
âLaat het dan blijven tot we afrekenen met het Theriakel; als ik mijn kleingeld nu uitgeef, hond ik niet genoeg over; want de patiënten hebben gemeenlijk andere behoeften dan artsenijen alleen, en daarin is 't noodig met eene kleinigheid te voorzien,quot; sprak Graswinckel, terwijl hij zich den riem om het lijf gespte; â't is treurig om te zeggen, maar de meeste armen kunnen de ruimte niet dragen!quot;
âVerschoon de aanmerking, dokter, maar gij hebt daar eene vrij wel gevulde beurs bij u, en dat's periculeus met den avond, als er zooveel kwaad volk langs de straten trekt!quot;
âOch! de straten zijn eenzaam en doodstil met dat barre weêr en de sneeuwjacht!quot;
âToch gansch niet veilig na het luiden van de diefklok. Er zwerven zooveel soldaten rond, en die boeven geven niet om weêr of wind, als ze hun kwade stukken er maar te rustiger om kunnen uitvoeren. Van ochtend, bij het ringspel, hebben ze nog te midden van al de toeschouwers een deftig burger afgezet en gemolesteerd. Iedereen spreekt er schande van ; men hoort dagelijks van aanranding en diefstal, om niet te zeggen van manslag.quot;
âIk ben immers in Gods hand; mij bejegende nog nooit onoverkomelijk kwaad, en zelden lijde ik overlast. Ik voor mij ben ook niet van hen, die zoo laag neêrzien op die arme zwervers; honger en dorst zijn kwade raadslieden, en ze worden slecht betaald en slecht voorgegaan ook; ik denk er bij, dat zij het toch zijn, die ons land van den Spanjaard helpen bevrijden, met de hulpe Gods ... .quot;
224
âHoe nu!quot; riep meester Cypriaan vol verbazing, âtrekt gij u de soldaten ook al aan, mr. Graswinckel ?quot;
âWaarom zou ik niet....?quot; maar hij werd in 't voortgaan gestoord, door het driftig openduwen van de winkeldeur en het binnentreden van een klein meisje, armelijk gekleed en bitterlijk schreiende, die, door hare tranen heen, zich tot den apotheker wendde, met de vraag om een âtleschje geestquot; en voor een oort blauwe bedelaarszalf, waarvoor zij de penningen op de toonbank legde, die de kleine nauwelijks bereiken kon.
rWat scheelt er aan, kindlief?quot; vroeg Graswinckel meêwarig; âis er ten uwent een ongeluk gebeurd, dat gij zulke middelen noodig hebt?quot;
âOch, bestevaêr Boot!quot; sprak het meisje, hem aansprekende met den naam dien hem meest onder 't volk werd gegeven, âmoeder ligt zoo erg! en broertje is ook zoo erg. Och! ze gaan allebei sterven, en vader is van desperaeie het huis uit-geloopen,quot; en het schreien en snikken verdubbelde bij het uitstorten van al dat leed.
âBij zulke desperaeie heeft niemand baat,quot; sprak Graswinckel halfluid â maar zachter tot het meisje:
âZeg Elske, wat mag er gebeurd zijn? Van ochtend, toen ik uwe moeder heb bezocht, was ze nogal vrij wel!quot;
âJa! ze was ook wèl, maar vader is met de broertjes naar de spelen gaan kjjken, en het blijkt dat ze van elkaar afgeraakt zijn, en kleine Willem heeft een trap van een paard tegen zijn hoofd gekregen â en buurman heeft hem bloedend thuisgebracht â want vader was nergans te vinden.quot;
âIn de taveerne!quot; dacht Graswinckel, maar hij sprak die meening niet uit.
âEn moeder is zoo bitter verschrikt, dat zij Willem zoo in eens ijselijk bloedend voor zich zag, dat zij van haar zelve is
225
gevallen, en dat buurvrouw er den heelen middag meê getobd heeft om ze bij te krijgen.quot;
âWaarom zoolang te tobben, gij wist mijn huis toch te vinden, Elsken-lief?quot;
âVader was thuisgekomen en verbood u te roepen,quot; zei het kind, de schouders ophalende, als begreep zij de oorzaak niet van 't verbod; en nu met den avond is moeder bij dei-zelve gekomen, maar zij ijlt en raast, en is niet in 't bed te houden van den angst over Willem; en buurvrouw zei: ik zou maar eens naar de apotheek gaan om wat geest voor de zenuwen, dan zou meester het wel weten;quot; en zij nam reeds het flesehje aan, dat Mr. Cypriaan haar overreikte en strekte de hand uit naar de zalf â armelijk, als voor bede-laarszalf paste â in een papiertje gewikkeld, terwijl Cypriaan al vast de penningen tot zich wilde nemen. Maar Graswinckel wenkte hem, dat hij ze aan 't kind zou laten, en verzocht hem wat balsem van Mekka meê te geven; âdat's krachtiger middel tegen eene kwetsure,quot; zei hij tot Elsje, die groote oogen opzette.
âKom, we gaan samen, kindlief; al is 't ongeroepen, ik wil uwe moeder zien!quot;
Zijne lantaarn opnemende, en zijn mantel wel dicht om de schouders slaande, verliet de goede Graswinckel de apotheek, om zijn tocht aan te vangen door de armen-buurten, doorgaans het doel van zulke avondwandelingen.
De apothekersleerling, die Cypriaan bij het bereiden dei-geneesmiddelen had geholpen, was, zooals de plicht der bescheidenheid voorschreèf, zwijgende toehoorder geweest bij het gesprek tusschen zjjn meester en Dr. Graswinckel; maar des te meer had hij scherp toegeluisterd, al had hij niet alles volkomen verstaan. Ook riep hij uit, nadat hij de deur achter de kleine Elsken had dichtgesloten: âEen singulier man toch, die Jacob Jansz.! Voor zijn eigen heeft hij geen kanne biers over,
Wonderdokter. T. 15
226
en voor zijne armen ontziet hij de duurste middelen niet! Zou 't waar zijn, meester, wat de luiden zeggen, en wat men uit zijne woorden kan opmaken, dat hij een groot zondaar is geweest, die zjjn euveldaden door zware boete en lijfskastijding zoekt goed te maken?quot;
âOch, wel neen, jongen! bij menschen geheugen is er geen poorter binnen Delft geweest, die zoo exemplaarlijk heeft geleefd van zijne jonkheid aan; als die nog een zondaar moet heeten, dan weet ik niet wie voor deugdzaam mag gelden; en als die niet in den hemel komt, waar moet liet dan met ons heen ? Maar weet je waar het hem zit, hjj valt wat dweepachtig. Dominus Arnoldus Cornelii, laatst over hem sprekende, vreesde dat hij een drijver was, die nog wat paapsche gevoelens had behouden van afzondering, onthouding en dergelijke meer.quot;
âDaarom noemen ze hem ook den Delftschen heremiet; â maar ik heb eens een oud man hooren zeggen, dat er op zijn zestiende jaar, toen zijne ouders nog in de Brouwerij de Boot woonden, iets heel bijzonders met hem moet zijn voorgevallen.quot;
âAltemaal praatjes en sprookjes, waar de goê liên malkaar den tijd meê verdrijven, en waar ik niets aan hecht,quot; viel de patroon in, met al de wichtigheid van een meerdere in doorzicht en kennis; âwaarheid is, dat hij opmerkelijke curen doet en weinig patiënten verliest, wat men niet van de andere doctoren kan zeggen,quot; eindigde hij lachend, terwijl hij zijne winkellade ledigde in een leêren zakje.
âDat zal wel waar zijn, patroon!quot; stemde de leerling lachende toe. âYan Jacob Jansz. vertelt men, dat hij soms de luiden met zijne simpele toespraak cureert, ja, dat er zijn, die 'nij met strak in de oogen te zien en de hand op te leggen, van die akelige kwale weet te genezen, die het vulgus de gramschap Gods ofte wel Heilige ziekte noemt.quot;
227
âVan de Epilepsia, meent gij?quot;
âJa! van deze â gelooft ge dat, patroon?quot;
âHm! wat zal ik er van zeggen, mundus vult decipl^ wij weten, dat hjj meest eenvoudige middelen gebruikt, al spaart hij ook de duurste niet als het nood doet, en er altijd van spreekt de natuur haar wil te laten en die te laten werken; maar de patiënten, die hij liefst zoekt, en die het drukst over hem praten, zijn meest geringe luiden, ja! van de allernooddruftigsten, dom volkje, en bijgeloovig nog daar toe. Dezulken roepen al heel gauw mirakel, en Jacob Jansz. is slim genoeg om te weten, dat men wat op de inbeelding moet werken, en dat er veel afhangt van 't goed geloof der patiënten voor 't goed gelukken van de cure. Ietwat mysterie en mommerij van handgebaar komt er dus wel bij te pas; daarenboven, wie zal zeggen van vele geheimzinnige zaken, zonderling in ons vak, waar het natuurlijke ophoudt, en waar het mirakel begint.quot;
âBij dat alles is het dan ook niet vreemd, dat ze hem den Wonderdokter noemen.quot;
âGansch niet vreemd. En quot;t zjjn de ordinaire doctoren, die hierin voorgaan. Ze kunnen niet zonder wat afgunst zien, dat hij de patiënten cureert, die zij opgaven. Als je quot;t mirakel hebt, valt de konst weg. Vat je 't?quot;
âAl goed, meester! en daarbij luidt âwonderdokter*' zoo'n beetje als kwakzalver .... en uitventer van arcana.
âPrecies; daarmee willen, als vanzelve spreekt, de achtbare Heeren, die hunne bullen te Leiden of te Heidelberg hebben gehaald, niets te doen hebben.quot;
âZoo acht ge, dat Jacob Jansz. zelf zijn doktersgraad niet gehaald heeft ?quot;
âBij mijn weten niet; maar hij was al in de praktijk, toen ik van 's Hage hier bij mijn eersten patroon kwam; daarbij wat doet dat er toe. Meen je, dat het recht van den hoed, en het recht van den ring den waren dokter maakt? Kennen wij ze
228
dan al voor goede koks, die lange messen dragen ? Immers neen; maar 't komt op de kunde, op de voorzichtigheid en op het helder inzicht aan â en â in die allen, daar weten wij af te spreken â gaat hij de meeste onzer breed gebefte en getabbaarde heeren te boven. Maar, jongen, de ruimklok heeft al geluid, â we konnen ons licht sparen, ga de luiken sluiten.quot;
-$r
Pv-^w'rrrrr-rrv-rrrrwvrrrr^ww-Trrrr^rr^K
Voortgczweepr door schrik en ontzetting over zijne eigene daad; in eene roes van strijdige aandoeningen, die hem beurtelings bestormden; bedwelmd door de dampen van den verhitten-den drank dien hij had ingezwolgen, was Juliaan weggevloden als een opgejaagd hert, dat de jacht tracht te ontkomen.
Hij wist zelf niet waarheen; hij dacht er niet eens over na, of hij een gevaar ontvluchtte, dan wel in den mond liep; hij zocht alleen verder te komen, altijd verder van de plek, waar hij zooveel geleden had, en zoo onbezonnen aan zijne driften had toegegeven. Geene wroeging over zijn woest bedrijf, geene zielesmart over het verslaan van zijn eenigen weldoener en vriend, geen spijt, dat hij zijne krjjgsmakkers in den steek had gelaten, geene vrees zelfs voor de gevolgen van zijne daad, deed zich nog bij hem gelden, schoon hij sinds een half uur, zonder opzien of omzien, langs de straten van Delft rende, slechts door het idee fixe gedreven, dat hij zich ergens bergen moest, zonder dat hij wist te bedenken waar. Het was zijn geluk, dat de hagel en sneeuwbuien, door loeiende stormvlagen afgewisseld, alle levende schepselen binnenhielden; want een hond zelfs zou hem hebben aangebast, zooals hij er nu uitzag. Blootshoofds, zonder mantel noch degen, met sporen van bloed op zijne verhavende kleeding, de verflenste kraag op zijn rug hangende, en den vermagerden hals slechts door de verwilderde haren gedekt!
HOOFDSTUK VII.
230
Van de politie en hare dienaren geen spoor; zij hielden zich binnen als de rest; 't was geen weêr, voor kwaaddoeners zelfs. Maar weêr of geen weêr, de politie had moeten waken, zou men zeggen. â Voorzeker in onzen tijd â maar zoo dacht men er toen niet over; de nachtwakers en schoutsdienaren zaten liever in 't warme wachthuis bijeen. Werd er kwaad bedreven gedurende den nacht, dat zou te ochtend wel blijken, en dan zou men onderzoeken en straften misschien den verkeerde, dat kwam er zoo precies niet op aan.
Juliaan dacht er niet eens aan, hoezeer het barre weêr hem te stade kwam; alleen, hij begon overmeesterd te worden door zekere weeheid en matheid, die 't verlangen naar een oogen-blik rustens onweerstaanbaar maakte. Het bloed nog verhit, en dien koortsgloed gaande gehouden door zijne forsche lichsiams-beweging, had hij van vocht of koude nauwelijks iets bemerkt; of indien al, de ijzige vlokken, die hem op het hoofd vielen en als stralen langs de haren neêrdroppelden, deden hem goed als een verkoelend bad. Het begon zelfs te werken, en allengs de nevelen weg te vagen, die zijn brein verwarden. Hij voelde, dat zijne voeten onder hem wankelden; hij moest zitten, hij moest het, al zou hij ook den dood vinden op de plek waar hij ruste zocht. Het was eene steenen trap op den kant van den grachtswal, die naar het water afleidde, zeker ten gerieve van lakenververs of velleploters daargesteld; men vond der-gelijken van afstand tot afstand, en er werd wel eens de voorzorg gebruikt vanwege het stadsbestuur, er eene lantaarn nevens te stellen, ter voorkoming van ongelukken. De lantaarnpaal was er werkelijk, maar het lichtgevend element ontbrak; -met zulk weêr ook! het was wel overbodig. Juliaan liet zich hijgend neervallen op de eerste trede, en liet de voeten hangen, tot ze steun vonden op eene andere. Het deed hem goed, de vermoeide leden zoo uit te strekken. Maar welhaast was het hem of hij met ijzel overgoten werd; de reactie was te plotse-
231
ling en te heftig, sneeuwjacht en hagelslag maakten zich nu aan hem kenbaar in volle scherpheid.
âDat's hier niet uit te houden ; 't is of ik geen voeten meer heb. En toch â wat aan te vangend Wat aan te vangen!quot; Om na te denken, wilde hij het matte hoofd ondersteunen met de hand; een lauw vocht gleed hem langs voorhoofd en wangen; het droppelde neer van zijne hand! âHa! ik begrijp het: ik heb mij aan zijn degen verzeerd, zonder dat ik het wist; nu! dat doet er niet toe, bloed om bloed dat is niet meer dan recht! â en toch, wees gevloekt, gij Bastiaan! die mij den dood, de hel hebt ingedreven. De hel! het zal er licht beter zijn dan hier, als het zeggen waarheid is, dat men er brandt,quot; en de ongelukkige lachte met een hollen lach. Toch, als door instinct tot zelfbehoud gedreven, trok hij zijn neusdoek uit zijn zak en wond dien om den pols. âVivat! Ik ben nog een neusdoek rijk!quot; en hij lachte weer, terwijl hij de vuist balde, rdatquot;s nu mijne eenige bezitting. Mijn degen in den steek gelaten, en dat's goed ook; waartoe ik heb gezegd, dat ik alleen, met den degen in de hand, mijn weg beter zou maken dan met dien nasleep van schoeljes als zij zijn; maar toen â toen was alles nog anders â toen . . ..quot;
âToen lag er nog geen moord tusschen u en uwe toekomst, Juliaan!quot; zou zijn geweten hem hebben toegeroepen, als hij het ondervraagd had; hij deed het niet, zijn gedachtenloop nam eene andere wending. âHad ik slechts een draaglijk klee-dingstuk, een mantel of iets dergelijks, dat het gelag waard was, ik zou ergens in eene taveerne schuil zoeken tot den morgen, tot ik weet wat te doen .... Al weer datzelfde gebrek aan eenige stuivers! â en dat goede moedertje, dat mij een braspenning in de hand stopte â ja! dat's waar ook, daar moet ik nog wat van overhebben,quot; en hij tastte rond in zijn zijzak, maar zonder vrucht. Och! wel ja! ik heb immers den grooten heer gespeeld bij den portier; ik heb geen geld weerom
232
gevraagd, ik had te veel haast die verwenschte stad binnen te komen! En te denken, dat ik dezelfde ben, die met fierheid eene compagnie heb geweigerd, dezelfde die honderd pistoletten in 't water heb geworpen uit eergevoel, omdat verraad en schelmerij mij tegen de borst stuitten en het edele bloed zich gelden deed! wat heb ik er mee gewonnen daarnaar te luisteren? De lantzen hadden gelijk; ik heb gehandeld als een dolleman! Hoe wordt mij die dwaze deugd geloond? â Bah! als ik Maurits kon waarschuwen, als ik Maurits kon redden ! maar daar is geen kans op â ik moet voort, ik moet het, en daarbij â wie zou den schooier, die ik nu ben, te woord staan ? Brr . . . .! 't is of de koude koortse dien hittigen brand van straks vervangt, om mij bij beurte te kwellen. Dus â zit ik mij den dood â en ik wil wel af van dit rampzalig leven; â maarzoo â koud âneen. â Ik wil wel sterven, maar niet van koude; ik ben een edelman, laten zij mij rechten!quot;
En, als met plotseling besluit stond hij op, om de verstijfde en verkleumde leden weêr wat warmte bij te zetten door beweging.
âBrr . . .! die rillingen,quot; en klappertandend liep hij voort, de armen over de borst slaande; maar de gekwetste hand deed hem pijn, en hij liet de slinke langs de zijde neervallen, met een naamloos gevoel van verbittering en moedeloosheid. âNu maar één arm ook meer, wel zeker! 't zou jammer zijn, als mij iets ontging! Wel zeker waarom niet â een gevloekte! â als de duivel er nu pleizier van wou hebben, moest hij mijn broer op mijn weg voeren . . .
En hij knarste de tanden van woede, bij de schrikkelijke beelden, die hem nu door het hoofd warrelden.
Daar kraakte voor 't eerst een menschelijke voetstap op de overijzelde straatsteenen. Juliaan zag om, met eene mengeling van schrik en voldoening.
Hij bemerkte een man, die met kalmen, geregelden stap
233
dicht langs de huizen liep, eene kleine lantaarn in de hand dragende, en die zich om wind noch weêr scheen te bekommeren.
âDe duivel hale dien ploert! Hij heeft geen last van de koude; hij heeft een mantel om,quot; sprak de ongelukkige in zich zeiven.
Het bezit van zoo'n kleedingstuk was het idéé fixe geworden van den verkleumde, en werktuiglijk ging hij recht op den peinzende af âHola, sta!quot; riep hij hem toe met eene scherpe, trillende stem: en de andere bleef staan, in de onzekerheid wat men van hem wilde. Daar werd hem met woeste hand den mantel van de schouders gerukt, eer hij op tegenweer kon denken; maar de aangevallene dacht ook niet op verzet; integendeel, kloek en onversaagd behield hij tegenwoordigheid van geest, om als met één oogwenk den gemoedstoestand van zijn aanrander te doorzien, en schielijk zijne beurs te voorschijn halende, drukte hij hem die in de hand, terwijl hij zeide:
âVriend! doet gij dit uit armoede? zoo neem deze gift daartoe!quot; en schielijk keerde hij zich af, als wilde hij noch van de daad, noch van den dader geheugen houden. Deze zag hem na met strakken, starenden blik, en bleef staan als aan den grond genageld. Hij had de woorden niet eens begrepen; maar uit die stem klonk diepe deernis, geen verwijt, en zij drong door tot zijn binnenste, als een scherpsnijdend zwaard. Schaamte en zelfverfoeiing grepen hem aan. â Hij kwam tot bezinning, en in plaats van met zijn buit te vlieden, liep hij den beroofde achterna, dien wij reeds herkend hebben uit zijne handelwijze, haalde hem in, wierp hem den mantel toe, en spraki met eene bruskheid, waaronder hij zijne sidderende ontroering trachtte te verbergen: âDaar â neem uw goed, neem uw geld terug; uwe deernis verdien ik niet.quot;
âDubbel, mijn ongelukkige broeder!quot; en Jacob Jansz. wilde hem meêwarig de hand op den schouder leggen; maar Juliaan
234
deinsde achterwaarts, uitroepende: âIk ben niemands broeder, ik ben een booswicht; ik heb de galg verdiend en â ik zal mij zeiven recht doenâ eu hij vlood weg uit alle macht.
Maai' de wonderdokter was er de man niet naar om zulk een patiënt zóó op te geven. Hij volgde met een stevigen stap, om te zien wat deze in zijn wanhoop ging aanvangen. Dat was niet meer twijfelachtig. Toen Juliaan den steenen trap had bereikt, waar hij had zitten rusten, sprong hij dien af, bij twee, drie treden tegelijk, om den dood te zoeken in het water; doch in zijne onzinnige woestheid stapte hij mis en gleed af langs den killen steen, zonder nog te zijn waar hij wezen wilde; en eer hij de laatste, beslissende wenteling had volbracht, spartelde hij reeds onder de reddende hand van den kloeken, welberaden grijsaard, aan wien hij niet meer zou ontkomen.
âDit opzet zult gij niet volvoeren!quot; sprak deze met gezag, hem nu met beide armen omklemmende en do trap opsleurende, ondanks den tegenstand van den jonkman, die slechts ééne hand tot zijn dienst had om hem af te weren; de vaste wal was al bereikt, en de afgetobde scheen nu zelf het tegenstreven moede.
âWees lijdelijk en laat mij voor u zorgen!quot; sprak Graswinckel, terwijl hij den wankelende hielp zich op te richten.
âIk ben in uwe hand, doe met mij wat gij wilt, lever mij over aan de justitie!quot;
âIk wil u behouden, niet in 't verderf storten; begrijpt gij dat dan niet, beklagenswaardige? Vreest gij den Al wetenden God niet, dat gij dus eigenwillig Zijn oordeel tegen gaat!quot;
âDe desperaeie greep mij aan, ik gruwde van mij zeiven; ik heb niets meer te verliezen, ik wilde er een eind aan maken,quot; stotterde Juliaan met trillende lippen.
âEen eind! gij vergist u, dat ware juist het begin; maar zoo behoeft het niet te zijn; ik zal u redden van u zeiven, mits gjj het wilt.quot;
âIk zeg u immers dat ik in uwe hand ben,quot; herhaalde Juliaan met wat ongeduld.
235
âMaar stoot mij dan ook niet af, waar ik u wil helpen. Laat me u in den mantel wikkelen!quot;
âUit barmhartigheid, niet in dien mantel, die brandt me als vuur op het lijf!quot;'
âGij hebt warmte noodig!quot; was het laconieke antwoord; de wonderdokter was onverbiddelijk, en zijn lijder berustte. Gras-winckel sloeg zijn arm om hem heen, en leidde hem voort. Hij had behoefte aan dien steun, want zijne knieën knikten, en hij waggelde op zijne voeten. Gelukkig viel het tooneel voor op het Oud-Delft, en was men zeer nabij het huis waar Graswinc-kel woonde; zoo nabij zelfs dat de schildwachten, die den huize Solnis bewaakten, iets hadden kunnen zien van de worsteling tusschen die beide mannen, en een enkelen toon hadden gehoord van Juliaans krijschende stem. Maar zij achtten zich niet geroepen tusschen beiden te treden.
âDie twee schijnen te vechten,quot; zei de een tegen den ander.
âDenkelijk zoo wat straatrooverij, of een paar beschonken lieden, die elkaar den weg willen wijzen,quot; werd er geantwoord.
âMaar een beurzensnijder zou zoo niet aangaan, dat loopt op moord uit!quot;'
âWat kan dat ons schelen dat gaat den onderschout en zijne dienaars aan; wij hebben te waken dat men het huis van Solms niet molesteert.quot;
De kameraden werden 't eens, dat de zaak hun niet aanging; toch, toen het paar nu langzaam en zwijgend tot het aanzienlijk huis was genaderd en de schildwachten voorbijging, de grijsaard altijd den wankelenden jonkman steunende, sprak de eerste soldenier weer: âzie je wel, dat een van die twee dronken is? hij kan nauw op zijne voeten staan.quot;
âNu nog maar een paar stappen, en we zijn er,quot; bemoedigde Jacob Jansz. Juliaan, die telkens strompelde. âWij zijn hier bij 't huis van Solms en 't is er vlak naast.quot;
âDat licht! die muziek â o, ja! ze houden daar bruiloft!
236
hjj is er ook bij â hij â de verrader.quot; â En in plaats van voort te gaan, bleef hij staan, de opgeheven hand dreigend naar de ramen richtend. Toen stond de korporaal op, die met nog een paar man op de stoepbank was gezeten, en trad nader.
âHalt mannen, staat! wat zal dat?quot;
âEilieve korporaal, laat me ongemoeid dezen kranke in mijne woning brengen. Hij is in eene ijlende koorts, naar ik vreeze.quot;
âAha, zijt gij het, waardige dokter Graswinckel? ga gerust uws weegs, wie zou u overlast doen? De hartige schotel, dien gij ons laatst hebt bezorgd, heugt me nog.quot;
Juliaan boog nu zwijgend het hoofd en liet zich voortleiden, de zijpoort in, die naar het verblijf van den kluizenaar voerde.
HOOFDSTUK VIII.
Toen zij het achterhuis hadden bereikt, dat Jacob Jansz. Graswinckel tot woning strekte, plaatste deze zijn lijder zorgelijk in zijn armstoel, stak door middel van het licht zijner lantaarn eene lamp aan, legde zijn gordel met fleschjes en potjes af, schikte een kussen onder het hoofd van Juliaan, schoof eene voetbank onder zijne voeten, en wilde hem toedekken met den mantel, die hem ontvallen was, toen hij, bij het meer heldere licht, de vreeselijke wanorde in diens voorkomen bespeurde.
âIk zie overal bloed op uwe kleeding; ook uw gelaat is er mee bezoedeld. Hebt ge een doodslag begaan ?quot; vroeg hij met eene zachte, bewogene stem.
âIk.... ik.... weet het niet zeker; â mijne weerpartij viel en ik .... ben gevlucht!quot;
âDus gevochten?quot;'
Juliaan knikte toestemmend.
âMaar gij zijt zelf gewond, ongelukkige, en dit bloed zal het uwe zijn!quot; hervatte Graswinckel, die de omwoelde hand vatte en den zakdoek wegnam, reeds van het lauwe bloed doortrokken.
âIk.... geloof.... ja!quot; bracht Juliaan uit, en liet het matte hoofd in het kussen zinken.
Graswinckel bekeek de wond nauwkeurig: âde Heer is barmhartig geweest over u â een nagelbreed verder â en de polsader ware doorgesneden!quot;
238
Maar Juliaan gaf geen antwoord. Graswinekel zag op â hij was in flauwte gevallen.
â't Zal uitputting zijn, bloedverlies, misschien honger of dorst daartoe,quot; sprak hij bij zich zeiven en bracht het noodige bijeen om de wond te wasschen en te verbinden.
Eerst nadat hij dit met eene vaste en kalme hand had volbracht, goot hij eenige droppelen geestrijk vocht in een tinnen kroesje, deed er water bij, en bracht het den bewustelooze aan de lippen. De sterke reuk van het geneesmiddel deed reeds eenige werking: Juliaan kwam wat bij, opende werktuiglijk den mond, en liet zich de medicijnen toedienen. Hij sloeg de oogen op, en scheen niet te begrijpen waar hij zich bevond; slechts smakte hij met de tong, als verlangde hij iets te drinken.
âHebt gij dorst?quot;'
âWater T' smeekte de ongelukkige.
âOok honger?'' vroeg Jacob Jansz. meewarig, terwijl hij hem eene kruik frisch water aan den mond zette.
Juliaan schudde het hoofd en liet dat weêr lusteloos neervallen, nadat hij met gretigheid had gedronken.
âGij hebt behoefte aan rust! ik begrijp dat,quot; sprak Graswinekel, terwijl hij hem den pols voelde; âer is wat koorts, het hoofd zal u zwaar zijn; tracht te slapen, alleen sta mij toe uw voorhoofd en gelaat wat te reinigen van slijk en bloed, dat zal u opfrisschen;quot; en terwijl hij dat liefdewerk volbracht, ging hij voort: âik zou gaarne een goed leger voor u spreiden, maar .... ik heb geen bed in mijn bezit, en 't is te laat na middernacht om assistentie te vragen aan mijne buren; morgen zal 't beter zijn, morgen zal ik in alles voorzien ....quot;
Hij kreeg geen antwoord; Juliaan, door den slaap overmand, had niets verstaan !
Graswinekel glimlachte even toen hij het bemerkte. âAls God den slaap wil geven is er geen zacht leger noodig!'' sprak hij; âik weet het immers bij ervaring.quot;
239
En hjj mocht dit zeggen met waarheid, want hij zelf had geene andere rustplaats dan den armstoel met de voetbank, dien hij nu aan zijn gast had afgestaan; het hoofdkussen was eene weelde, die hij zich alleen bij ziekte veroorloofde.
Inderdaad, zoo Juliaan niet als een half bewustelooze ware binnengeleid, maar een helderen blik rondom zich had kunnen slaan, zou hij verbaasd geweest zijn van 't geen hij zag, of liever van 't geen hij niet zag; daar zijn redder naar toon en kleeding te oordeelen, toch tot den deftigen stand behoorde, blijkens het aangeboden geld niet arm was, en diesondanks zich ophield in een verbljjf, zoo berooid, zoo gansch en al ontbloot van alles wat naar gemak of weelde zweemde, dat een bedelaar zelfs zich nog meer a son aise zou hebben ingericht.
Niet aan de ruimte haperde het, dat is waar! want het was geene enge , morsige kluis, zonder licht of lucht, het was eene achterwoning, die voormaals als tuinhuis had gediend, waarom er dan ook geen schoorsteen was, maar zooveel te meer ramen, voor dat tijdperk nogal laag, maar waarvan enkelen met ruwe planken binnenzijds waren dicht gemaakt, en de anderen bij avond door buitenluiken werden gesloten. Maar 't geen u hier aangrimde, was de kille unheimische leegte.
Niets aan de kale wanden dan een hangkastje, waar een paar borden en kannen van het grofste Delftsche aardewerk in geborgen werden. Een kruik voor zijn water, een potteken voor zijne wei of melk, een schotel met wat broodkruimelkens op eene soort van aanrecht, benevens een zandlooper â ziedaar al de meubels. Geen stoel noch tafel, dan die eenige leuningstoel, nu door Juliaan ingenomen. Eene smalle, houten bank, die er voor geschoven stond, moest dienen tot zitplaats bjj den maaltijd. De geringste daglooner had nog zijn vroolijk vuurtje op de haardplaat, en een stoel voor een bezoeker. Jacob Jansz., de afstammeling uit eene oud Delftsche regee-rings-familie, die schatten had gewonnen met hare bierbrouwe-
1
240
rijen 1), gunde zich zulke weelde niet. Een komfoor met aangestoken zaagmeel of wat gloeiende houtskool moest in de barre winterkoude zijne handen en voeten voor bevriezen bewaren, en op vriendenbezoek was in dit ongezellig verblijf evenmin gerekend, als op verwarming en levensgenot.
Een middeleeuwsche kluizenaar, in grot of woestijn voor aller oog verborgen, kon het nauwelijks verder gebracht hebben in zelfverloochening en vrijwillige ontbering, dan deze protestant, die toch niet in cel of kloof de aanraking met de wereld ontdook, maar die zich iederen dag te midden van het aardsch gewoel begaf â alleenlijk zich zeiven vrij houdende van de besmetting die er woelde. Zoo volkomenhjk had hij zich losgemaakt van zinnelijke behoeften, dat hij sinds zijn achttiende jaar geen pond vleesch voor zich zeiven gekocht, geen pint biers gedronken had, en hij moest zich al heel zwak gevoelen, eer hij zich een âeitje in den dopquot; veroorloofde!
Hij zou het recht gehad hebben menigen arme, die hem van gebrek klaagde, op zich zeiven te wijzen, als een voorbeeld met hoe weinig een mensch toe kan; maar zoo deed hij niet. Hij wist maar al te goed dat hij eene uitzondering was, die zich niet als regel mocht stellen, veel min opdringen; en hoe strenger hij het zich zeiven onthield, des te milder wist hij anderen te geven.
Niet vreemd dus, dat hij door de menigte als een wonder werd aangegaapt, zelfs daar waar hij niet als den Wonderdokter werd nagewezen. Het scheen wel iets bovennatuurlijks, dat iemand die zoo schraaltjes leefde, die zich slechter voedde dan de meeste bedelaars, die dag en nacht koude leed, en die diesondanks altijd in de weer was om anderen te dienen en te helpen, zulk eene vaste gezondheid genoot en nu reeds tot over de zestig was gekomen, zonder een der gebreken van
t) Eerst in ile Euit, later in ile Boot, vanwaar vermoedelijk zijn bijnaam.
241
den ouderdom te gevoelen. En toch was het uit natuurlijke oorzaken zeer wel verklaarbaar: strikte matigheid, gehardheid in alles van der jeugd aan, een waakzaam en werkzaam leven, even vrij van de beroeringen der hartstochten als van de vele kwellingen en bekommeringen, die den geest vermoeien en het gebeente verteren, moesten als vanzelve zijn lichaam in een staat van kalmte en welvaren houden, als maar zelden genoten wordt door gewone menschen, die, of door buitensporigheden, of door de slingeringen van vrees en hoop, door overgave aan lusten en driften, door de prikkelen van haat en nijd, door toegeven aan lediggang, door verveling, door de behoeften die zij zich scheppen, door de gewoonten die zij laten inwortelen, in eigenljjken zin een tegennatuurlijk leven leiden, al gelooven zij ook zich te houden aan den gewonen leefregel. Maar jjog buiten en boven dit natuurlijke en verklaarbare, werd [in hem bewaarheid wat er geschreven staat: dat de mensch niet bij brood alleen zal leven, maar bjj alle woord; de geest had in hem het vleesch overwonnen. âAl zijn handel en wandel was zoodanig, dat daarin tastelijk kon bespeurd worden de vreeze en do liefde Gods, die hij geduriglijk voor oogen had/l getuigt de biograaf die zijn tijdgenoot geweest is.
Li lij leefde niet slechts met God, hij leefde ook van God; zijn diep, innig, waarachtig doordringen tot die geestelijke hoogte, waar gemeenschap wordt geoefend met het Heilige Gods, zette hem heen over het aardsehe met al zijne groote en kleine behoeften en ellendighedenj Waar hij metterdaad kon zeggen, dat zijn eigenlijk leven was met Christus, verborgen in God, had het lichaam al zeer spoedig het noodige, daar de ziel zich dus rijkelijk zag gevoed. Toch was hij geen ijskoude stoïcijn; deernis met andere ontlokte hem niet zelden een traan.
Slechts met den schaterlach zijner natuurgenooten, met hunne luide en losse vroolijkheid kon hij niet instemmen; die schrijnde
Wonderdokter. 1. I -
242
hem door de ziel en deed hem pijnlijk aan, hoewel de glimlach van zachte blijmoedigheid om zijne lippen speelde. Wie nu, na al het gezegde meent, dat de Wonderdokter op visioenen en geestverrukkingen teerde, en als de heilige Catharina van Siëne slechts van nachtmaalsbrood leefde, die vergist zich schromelijk. Men heeft daarbij den kloeken, welberaden man reeds zien handelen; het was bij hem niet meer een op en neêr van vurige zielsverheffing en droeve duisternis, het was eene doorgaande, gelijkmatige kalmte en kracht, uit waren zielevrede geboren. Zijn wandel was in den Hemel; maar hij wist dat hij nog op de aarde leefde, en dat hij al de dagen zijns aardschen levens besteden moest ten dienste Gods en, om Gods wille, ten dienste zjjner evenmensehenT\
Indien men hem in zijne kluis bespiedde, was hij de asceet, die in de eerste eeuwen van het Christendom had kunnen leven; indien men hem langs de straten zag gaan, in de huizen der armen zag verkeeren, was hij de practische Relftsche burger â een wijs en voorzichtig arts en een voorzienig aalmoezenier, die precies wist waar en [hoe hij moest geven. Daar zijne gewone slaapplaats was ingenomen door zijn gast, had hij geene keuze, dan den nacht wakende door te brengen of ââ op den vlakken steenen grond te gaan rusten. Hij besloot tot het eerste, te meer nog daar hij 't noodig achtte den patiënt wat in 't oog te houden; de koorts kon zich verheffen, en die slaap wel eens niet zóó rustig blijven.
Staandevoets had hij eene teug water uit zijne kruik gedronken, en scheen nu willens, wat melk te doen bjj het gekruimelde brood dat zijn avondeten daarstelde; maar op eens bezon hij zich, nam maar een paar droge korsten en schoof den schotel ter zijde.
âWie weet hoe het in de vroegte nog te stade kan komen; ik heb niets anders in huis. Een kostelijke nacht voor de studie; ik zal mij maar eens met wat lectuur verkwikken, dat voedt,
243
ook; ik moet toch naar mijn laboratorium om van kleeding te verwisselen. Maar aleer ik ga â wil ik mij overtuigen dat die slaap rustig genoeg is om hem even alleen te laten.quot;
De lezer meene nist, dat de voorzichtige Jacob Jansz. zich in alleenspraken vergat ten overstaan van zjjn patiënt; wij vertolken slechts zijne gedachten in woorden, den lezer ten gerieve.
Hij had zich intusschen naar Juliaan gekeerd, die werkelijk in zoo diepen slaap lag, dat zijn verpleger hem onbezorgd voor eene poos kon verlaten. Toch bleef deze nog bij hem staan, streek de verwilderde haren, die over het voorhoofd neêrhin-gen, zachtkens ter zijde, en kon nu zelfs eerst goed het gelaat onderscheiden van zijn woesten aanvaller, die dus hulpbehoevend in zijne hand was gegeven. Hij bleef er op staren, met een scherpen, onderzoekenden blik, als wilde hij uit de trekken, in dezen staat van rust, diens ware karakter leeren kennen. Juliaan zou dien vorschenden blik, die als tot zijn binnenste zocht door te dringen, zeker niet hebben uitgehouden zoo hij ware ontwaakt; maar hij bleef voortsluimeren, en de Wonderdokter kon zijne physionomie bestudeeren zooveel hij wilde. Slecht in het oog, waaruit meest de ziel spreekt, was nu niet te lezen; toch scheen de uitkomst van zijn onderzoek hem bevredigend.
âHet is wel zooals ik het mij voorstelde, geen ruwe, verharde boef, die zijn handwerk maakt van straatroovenj; evenmin een man uit de volksklasse, die, door den honger gedreven, tot diefstal uitging. De kleeding weerspreekt het, hoe slordig en haveloos ook; zij duidt den man aan van zekeren rang. Ook die handen, fijn en teer, zijn vreemd gebleven aan den arbeid. Bij die rust, onderken ik schoone, edele trekken, hoe ook het gelaat is vervallen en verbleekt; dat is een jonkman van goede afkomst, in de strikken der zonde verward, door wilde hartstochten geslingerd, en altijd dieper gezonken, totdat hij God heeft ver-
244
geton en verlaten. Een edelman, laeij! zooveel te erger, als de inborst liegt togen de geboorte. Zijn wij niet allen oorspronkelijk van Gods geslachte, en toch, over wie onzer heeft Satan geene macht, zoolang wij ons niet aan Christi voeten hebben geworpen, om in zijne armen te woorden opgericht!
âO Gij, goede Herder! ontferm U over dit arme verdoolde schaap; mocht het verderf daar binnen niet ongeneeslijkor zijn dan de wonde aan do hand; Gjj kunt het doen, en zult het doen, op ü is mijn betrouwen. Geef mjj dat wondre vermogen dat Gij mij meer hebt verleend de macht van den Booze te bekampen, te verwinnen in Uwen naam.quot;
Al sprekende, legde hij de hand zachtelijk op het voorhoofd van den slapende, en hief de oogen ten hemel, vanwaar hij de hulpe wachtte, die hij wist te behoeven.
Maar de man, die gewoon was nachtenlang in 't gebed te doorwaken, wist dat hij hier met eene vijandelijke macht te doen had, die niet met eene vluchtige aanroeping Gods is te verslaan.
Ilij liet den slapende ter zijde, wierp zich in een hook van zijne kluis op den killen steenon vloer, en bleef daar geiuimen tijd verzonken in oen innig, vurig gebed, zalige gemeenschapsoefening met zijn God, die wij niet willen ontwijken door haar te beluisteren. Toon hij zich eindelijk daaruit ophief, nam hij zijne lantaarn en verliet het vertrek. Ditmaal had hij niet eens noodig oen blik te slaan op zijn patiënt, om zekerheid te hebben dat deze rustig sliep; want hot bleek uit zijn duchtig snorken, dat niets liefelijks had, maar dat toch aan Jacob Jansz. oen glimlach van voldoening ontlokte.
Wij volgen hem ditmaal niet naar zijn laboratorium, vanwaar hij terugkeerde mot een arm vol boeken, in een ander, meer sober en versleten gewaad, dan het deftige zwarte pak, dat hij buitenshuis droeg, en met muilen of zoogenaamde stillegangers aan de voeten.
Hij gedroeg zich naar het voorschrift: hot hoofd te zalven
245
als hij vastte. Op straat wilde hij er voegzaam uitzien, opdat men hem niet als een gierigaard of aehtelooze nawoze; maar het fijne laken moest gespaard worden zooveel het kon, want hij had er geen geld voor over om het to vernieuwen.
Hij trok zijne bank bij het aanrecht waarop hij de lamp had gezet, ging in zijne boeken bladeren, en verdiepte zich eene wijle in de studie, met een potlood kantteekeningen makend op den rand der pagina's, briefjes en vouwtjes leggende bij plaatsen, die hem belangrijk voorkwamen, en onder dat alles door van tijd tot tijd zjjn patiënt gadeslaande, die echter zijne zorgen niet scheen te behoeven. Toch ging het studeeren hem niet vlot van de hand.
âHet hoofd is er heden niet bij,quot; sprak hij in zich zeiven. âWat vermoeie ik mij ook met bij raenscheljjke wijsheid heul te zoeken: er moet meer zijn om mij ditmaal te boeien;quot; en hij wendde zich naar een hoek van zijne cel, waar, op een staanden lessenaar, een Bijbel in kwarto formaat en in hoornen band, lag opengeslagen, â Wij menschen zijn toch als onleerzame schoolkinderen, die elkaar om raad vragen, in plaats van allereerst naar den meester te luisteren. Licht en kracht, de eerste voorwaarden van alle kennis en wetenschap, vind ik immers het beste hier!quot; En hij ving aan te lozen, zooals Luther zelf voorschreef en voorging: met oratie, met meditatie, en met tentatie. AVjj laten hom aan zijne devotie en gaan een blik werpen in de feestzaal van den huize Solnis.
Als men zoo pas uit de kluis van den Wonderdokter komt, wordt men verblind door de schittering van al dat licht en al den luister daar tentoongespreid; want het jonge paar heeft do uiterste krachte ingespannen om het banket van heden in niets te doen achterstaan bij het bruiloftsmaal in het hof van St. Aagten gehouden. Maar toch, voor oogen, aan het schelle lamp- en
246
gas-licht van de negentiende eeuw gewend, en verwend aan de comforts der moderne salons, valt er niets te zien dan eene zware, drukkende pracht, door kroonluchters met waskaarsen soberlijk bijgelicht, en niet de moeite waard om er bij te blijven stilstaan. Ook zijn wij er niet gekomen om ons meê in 't feestgewoel te verlustigen, maar alleen om zekere personen, waarin wij belangstellen, gade te slaan. En daartoe is nu we! gelegenheid; want het banket is sinds lang afgeloopen, en het eerste vuur van den danslust is al wat afgekoeld, zoodat er in de neven-vertrekken, die op de groote danszaal uitloopen, reeds ettelijke groepjes heeren en vrouwen worden gevonden, die zich wat ter zijde begeven om uit te rusten of te praten, en dat is juist voor ons het goede moment om te luisteren. Zeker zouden wij allereerst naar het bruidspaar omzien, zoo wij niet aan den ingang van eene kleine zaal, waar deftige, bejaarde heeren bij schaakspel en trictracbord zaten, den jeugdigen Oranje-Vorst zelf hadden ontmoet, wien we niet onhoffelijk willen voorbijgaan. Hij zelf is willens de danszaal in te treden, en zijn donkerblauw fluweelen wanbuis, rjjk met zilverborduursel, wit zijden doffen, en nestels met edelgesteenten versierd, zoude ons doen vergeten, dat wij den geharnasten held van Steen wijk en Gcertruidenberg voor ons hadden, zoo niet het litteeken van de wonde aan don mond, bij 't beleg van het eerste ontvangen, ons er aan herinnerde. Maar zijn levendig tintelende oogen, zijne krijgshaftige houding, zijne kostbare degen, die nooit zijne zijde verlaat, zijn oranjesjerp niet gouden franje, doen ons toch altijd Maurits van Nassau, den grooten veldheer der Republiek onderkennen, al wil deze nu niets zijn dan een vroolijk feestgenoot, een opgewekt danser. In het voornemen zich dus te toonen, wordt hij nu tijdeljjk verhinderd door 's Lands advocaat, die hem met eene hoffelijke buiging in den weg treedt, en, na een paar woorden fluisterens, ter zijde voert, om hem onder vier oogen iets mede te deelen, dat hem zeker
247
geen pleizier doet, want een misnoegde trek plooit zich om zijne lippen, en hij antwoordt met zachte stem, maar toch op wat wrevelen toon.
âEilieve, heer advocaat, is er dan zoo dringende haast bij om lieden aan te hooren, wien men toch niet kan toestaan wat zij vragen ?quot;
rJuist daarom, Excellentie; hoe minder men hun kan toestaan wat zij vragen, des te hoffelijker moet men hen bejegenen; men verzwaart hunne grieven door de klachten niet te willen aan-hooren.quot;
âWelnn, we zullen ze aanhooren; maar het komt toch op een dag vroeger of' later niet aan.quot;
âUwe Vorstelijke Genade verschoone mijne tegenspraak, maar het komt er wel degelijk op aan. Hoe meer we ons volvaardig toonen, om naar hunne voorstellingen te luisteren, des te vrijer zijn we om ze af te slaan.quot;
âDat is eene staatswijsheid, waarin ik niet thuis ben. Ik zou liefst willen zeggen, dat zij zich bemoeien met zaken, die hun niet aangaan, en dat' ze konden vertrekken.quot;
âZe zóó botweg - heen te zenden! Uwe Excellentie is in 't humeur om te schertsen en kan dat niet meenen. Zijne Genade considereere, dat het hier geldt de gezanten van den Neder-kreitz, en dat hun grondgebied een deel uitmaakt van het Heilige Duitsche rijk, dat ons krijgsvolk, ten bate des oorlogs, zoo nu en dan een weinig met voeten moet treden;quot; hier meesmuilde de schalke advokaat, en niet het minst om het schichtig ongeduld van den jongen held, die nu voor de ernstige vertoogen van den fijnen staatsman geen hoofd had; âdat ze bij ons komen klagen, is reeds eene erkenning van ons recht en der nieuw ingestelde orde van zaken, die mij veel waard is.quot;
âBah! ik hecht veel meer aan't bezit van Hoey dan aan hunne erkenning, onder allerlei aanmatigende toespraken en omslachtige verklaringen.quot;
248
,lk hecht aan het eerste, zonder het ander te versmaden; daarom heb ik ze tot dusver gepaaid met de noodzakelijkheid, waarin Uwe Excellentie en de meeste Heeren der Generaliteit zicdi bevonden om de Delftsche bruiloftsfeesten bij te wonen.quot;
, Paai ze dan ietwat langer, die feesten zijn nog in vollen gang.quot;
âMet drie dagen bruiloft houden, kon men, dacht me, in deze zware tijden volstaan;... maar... indien niet... Uwe Excellentie is immers vrij om na den afloop van het gehoor naar Delft terug te keeren en deel te nemen aan het banket, dat de gravin van Hohenlo zal geven ....quot;
âGJij weet wel dat het zóó fraai niet staat tusschcn mijn zwager en mij om daaraan te hechten, 't Is me juist te doen om het ongemaskerd tournooi bij te wonen. Kunnen de Heeren morgen dan geen ander uur kiezen, b. v. na drie ure, dan had ik meteen mijn pretext om niet bij Hohenlo te verschijnen.quot;
âDat pretext ligt toch al voor de hand; er zijn besognes genoeg om Uwe Genade ook na den noen te 's Hage te houden ; maar het uur voor de audiëntie kan niet veranderd worden, het is vastgesteld naar de usantiën, en de gezanten zijn geadverteerd.quot;
âEn de reden die ik heb om daarin verandering te brengen moet zulken Ernsthaften en Voorzienigen Heeren zeker wat onbeduidend en ijdel schijnen,quot; hernam Maurits met een glimlach; âmaar daar valt me iets in: Gijlieden kunt de zaak wel buiten mij afdoen!quot;
âOnmogelijk, Uwe Excellentie'. ..quot;
âWaarom onmogelijk? Gij heeren doet zooveel af buiten mij om, dat... â¢quot;
âDat we ons nu althans niet het verwijt op den hals willen halen, van ons te arrogeeren gezanten gehoor te verleenen, die over aangelegenheden van den krjjg komen handelen, zonder daarin te kennen onzen Kapitein-Generaal-Stadhouder over de vijf principaalste gewesten.quot;
249
âHet is wel, mijnheer de advokaat: gij brengt mij in herinnering, dat de plicht van den Stadhouder, aan wien zooveel is opgedragen, voorgaat boven het genoegen van Maurits van Nassau; ik zal mij voegen naar 't geen die heeren geschikt hebben; de Stadhouder is immers slechts de gehoorzame dienaar der Staten.quot;
âDe Stadhouder heeft de belangen der Republiek te dienen, en zóó doen wij allen, ieder in zijn ambt,quot; repliceerde Bar-neveld.
âSufficit heer advocaat,quot; viel Maurits in met zekere hoogheid.
âUwe Vorstelijke Genade neme het vrijmoedig woord van den getrouwen raadsman en voorstander van uw huis niet ten kwade,quot; smeekte Barneveld deemoedig.
âMijne hand daarop, bestevaêr, ik neem het op zooals het bedoeld is; maar laat mij nu wat aan de uitspanning van den avond; ik zie daar den baron de Ghiselles, die mij schijnt te zoeken; ik ben den vreemdeling eenige hoffelijkheid schuldig.quot;
âToch geene gunst en vertrouwen,quot; waarschuwde Barneveld; âwant....quot; doch reeds was de baron zoo dicht genaderd, dat de advocaat voor zich moest houden, wat hij er had willen bijvoegen; ook wendde hij zich af na eene korte buiging tegen den baron, door dezen met de meeste hoffelijkheid beantwoord.
âGij zoekt mij, baron; hebt gij mij iets te vragen ?quot; sprak Maurits.
âOm de waarheid te zeggen, ik zocht uwe Doorluchtigheid om afscheid te nemen; ik wenschte liefst op Fransche wijze zoo maar stillekens te ontsnappen.quot;
âWat is dat, baron! moet ik u aanklagen van hoogverraad ?quot;
âHoogverraad? Uwe Genade!quot; herhaalde de baron met een verlegen glimlach, âik begrijp niet.. ..quot;
âGij begrijpt niet, hoe ik u daarvan beschuldigen kan, terwijl ik u betrap, en flagrant clélit.quot;
250
âMaar Uwe Doorluchtigheid, ik.... ik ben mij van niets schuldigs bewust,quot; bracht de baron uit, met zekere moeite om de scherts als scherts op te vatten.
âDat's de ergste crime. Hoe! ik tref u aan in de speelzaal, terwijl alles daarginds nog zoo lustig aan den dans is, en gij komt mij vertellen, dat gij heengaat, zoo vroeg reeds; 't is even één uur na middernachi. Fausser compagnie aan dit luisterrijk gezelschap, is dat geene crime bij u? Of hebt gij het zoo druk aangelegd met dansen, dat gij nu al naar rust verlangt.quot;
âIk heb in 't geheel niet gedanst, Uwe Genade,quot; antwoordde de baron, zich een weinig herstellende; ik heb een paar prrtijen schaak gespeeld met ritmeester Overstein; maar de dag is heden vroeg voor ons begonnen â en â ik ben geen twintig jaar zooals Uwe Excellentie - ik heb mijne drie kruisen al mooi op den rug en quot;t vierde is zoover niet meer af.quot;
âBah! wat beteekent dat? Gij zijt juist in de volle rijpheid des levens en der kracht, en dan zou die lichte vermoeienis bij het tournooi van dezen morgen u verhinderen te dansen? Dat excuus neem ik niet aan; de overwinnaar behoort niet op zulke lauweren te rusten. Gij begaat crime de Use heanté tegen onze jufferschap, zoo gij niemand harer ten dans geleidt.quot;
âIk zie hier zoovele edele vrouwen en bevallige jonkvrouwen vereenigd, dat ik inderdaad mijne keuze niet weet te doen; daarbij, met eene als de voorkeur te geven, beleedigt men al de anderen .... ik wensch mijne courtoisie te toonen door mij te onthouden.quot;
âMaar gij doet ze allen te zamen een affront aan, als gij ze zoo zitten laat.quot;
âVerschoon mij. Uwe Genade, ik kan niet gelooven, daquot; deze schoone jufferen hare cavaliers behoeven te tellen, en vooral niet, dat het eene harer aan een danser zou ontbreken, omdat een enkele vreemdeling zich onthoudt, daar hij niet in de gelegenheid was hare kennis te maken.quot;
251
âNiet zooveel kennis als er noodig' is, om haar ten dans te vragen? dat's een faux finjant baron, en mijne cousine van Solms zal het u zeker ten kwade duiden, zoo gij u onder zoo'n schraal pretext aan de feestvreugde onttrekt; doch daar valt het mij juist in, dat gij oude bekenden zijt met de gravin van Solms en hare zuster, zelfs verwanten, zooals ik wel heb hooren zeggen; dat geeft u immers een recht om u allereerst aan deze te wenden.quot;
âIk zou niets liever wenschen Uwe Doorluchtigheid; maar... ongelukkig hebben de gravinnen van Egmond preventies tegen mij, die .. .quot;
âDie haar toch niet beletten zullen beleefd te zijn jegens een harer gasten! Kom, ik zal u zelf bij haar brengen;quot; en reeds had Maurits zijn arm gevat en leidde hem voort tot bij den divan, waar de jonge vrouw met hare zuster zat te rusten na haar laatsten dans.
âWat hebben ze eigenlijk tegen u ?quot; had Maurits onder het voortgaan gevraagd; âik moet de grieven kennen, wil ik pays-maker zijn.quot;
âZe keuren het in mij af, dat ik de partij volgde, die mijn vader koos.quot;
âDat ligt toch nogal in de orde dunkt mij!quot; hernam Maurits; maar reeds stonden zij voor de gravin van Solms, die hare nieuwe plichten van vrouw des huizes met zooveel ijver vervuld had, dat zij er vermoeid en afgewonden uitzag, hoewel zij haar best deed om opgewekt te schijnen en zich vriendelijk te toonen, door de beide heeren met eene gracelijke buiging te begroeten. Jonkvrouw Francoise daarentegen, die niet noodig had gehad zich in te spannen, dan voor zoover zij het goed vond, en die er kloek en ferm genoeg uitzag om niet door wat feestvierens afgetobd te zijn, wendde zoo groote vermoeienis voor, toen zij den baron de Ghiselles zag naderen onder geleide van den prins, dat zij zich eenigszins afgekeerd liet neervallen tegen
252
het roodfluweelen ruggekussen, dat den divan scheidde van het eikenhouten beschot. Maurits veinsde niet te letten op die achtelooze houding door de jonkvrouw van Egmond aangenomen, maar sprak, als kon er geene quaestie zijn van tegenstand:
âIk breng u een danser cousine! de baron de Ghiselles beklaagt zich, dat hij zijne nichten den ganschen avond nog niet vertrouwelijk heeft kunnen naderen.quot;
âDe baron is onbillijk met die klacht,quot; sprak de gravin van Solms; âals gastvrouw moet ik hoffelijk zijn jegens iedereen, dat verhindert alle bijzondere toenadering tot enkelen.quot;
âDaarbij is de verwantschap zoo vér,quot; viel nu Francoise in, zich tot Maurits keerende, âdat de baron wèl zal doen met die niet te laten gelden.quot;
âDat s een hard woord, jonkvrouw Francoise,quot; hernam Maurits; âik meen toch verstaan te hebben, dat uw heer vader zaliger er anders over heeft gedacht.quot;
Francoise beet zich op de lippen en zag voor het eerst tot de Ghiselles op, wien zij een snijdenden blik toewierp uit hare felle, zwarte oogen, terwijl Maurits voortging: âzoo gij iets tegen elkander hebt, legt het bij, en geef hem de hand voor de gaillarde, die ginds wordt afgeroepen ... .quot;
âIk dans de gaillarde niet meer, Uwe Genade,quot; antwoordde Francoise stout en beslist.
âUwe Genade ziet nu zelf, hoe de oude veete bij de freule van Egmond is ingeroest,quot; riposteerde de baron; âzij schijnt er stijf en stram door geworden.quot;
âDat is meer scherp dan galant, baron!quot;' antwoordde Maurits. âMaar ik wil mij niet mengen in uw twist, maakt het te zamen uit; mevrouwe van Solms zal toch wel de gaillarde willen dansen met mij ?quot;
âOntwijfelijk, Uwe Doorluchtigheid! en met groot genoegen.quot; Sabina stond schielijk op, of zij haast had om aan het pijnlijk tooneel een eind te maken; de prins bood haar de hand om
253
haar op te leiden, maar eer zij ging wierp zij hare zuster een blik toe, of zij zeggen wilde: âIk offer mij op voor u.quot;
Hetgeen de gravin zich voorgesteld had, als zij hare zuster alleen liet, namelijk, dat de baron zich haasten zou met eene meer of min hoffelijke buiging zijn afscheid te nemen, gebeurde niet: de Ghiselles bleef Francoise ter zijde, en had nu zoo goed als een téte a tête met haar, te middfen van liet feestgejoel. Al wat danste stroomde een anderen weg uit, al wat rusten en praten wilde, wachtte zich wel in de volle danszaal te blijven rondwaren, en Francoise zag zich dus in een volslagen isolement tegenover den indringer, die er wel de man naar was om van dit voordeel gebruik te maken. Toch was het hem aan te zien, dat ook hij niet op rozen trad in dezen oogenblik; en al ware het, dat hij dit samenzijn mocht begeerd hebben, de hostile stemming van zijn partner, waarborgde hem gansch geen zoete herderskout. In dezen kamp met de tong zouden scherper en pijnlijker stooten worden toegebracht, dan dien morgen in het tournooi met de ridderlijke lans. Wij hebben het reeds begrepen: Frangoise van Egmond was geene schuchtere schoone in de vaag der jeugd, maar eene dame, die dat zekere hachelijke tijdstip naderde dat George Sand vergoêlijkend kenschetst als la troisièine jemiesse; maar zij was geestig en levendig, had groote, donkere oogen en sprekende gelaatstrekken, eene fijne, ranke gestalte, en wist zich te kleeden met dien deftigen eenvoud, die aan haar stand en voorkomen paste; daarbij had zij het geheim, door houding en toon indruk te maken; in 't kort, zij behoefde nog niet alle aanspraak op te geven om te behagen, maar zij scheen in dezen oogenblik althans afstand gedaan te hebben van alle zucht om beminnenswaardig te schijnen. Haar gelaat nam eene strakke, onvriendelijke uitdrukking aan, en in den blik dien zij nu op den baron wierp, lag zooveel minachting, en zoo iets dreigends tevens, als hoopte zij hem door schrik te verjagen. Maar de
254
edelman ook was niet licht versaagd; en nu hij eenmaal op het terrein was, scheen hij het er op gezet te hebben alles te trotseeren, om de overwinning te behalen. Zijn uiterlijk was geenszins een zulk, dat het eene jonkvrouw van Francoise's leeftijd afschuw behoefde in te boezemen. Hij was de oudere van Juliaan, maar men kon hem dat niet aanzien; integendeel, de stempel van verval, van lijden, van ongeregeld leven en wilde hartstochten, die het wezen van onzen held verouderde, werd bij hem niet opgemerkt; hij zag er welvarend en opgewekt uit, besteedde de noodige zorg aan zijn fraai krullend haar en fijne mustatsen, en droeg de prachtige kleeding van zjjn rang met losse gemakkelijkheid. Ook hij had het harnas en den ringkraag van het tournooi nu met wambuis en hozen van grijs satijn verwisseld, door zwart fluweel en goud passement afgezet, en het korte roodfluweelen manteltje met zilver-borduursel, dat hem over den linkerschouder hing, droeg hij met edelen zwier; zijn donkere tint kwam sterk en sprekend uit bij de heldere kanten kraag van echt Mechels speldewerk. Hij hield de fluweelen barret met witte pluim in de hand, toen hij zich met zekere opzettelijke gemeenzaamheid naar Frangoise heenboog, terwijl hij sprak op den toon van zacht verwijt:
âWat heb ik toch tegen u misdreven, Francoise! dat gij den ouden speelnoot uwer kindsheid dus wreedelijk verloochent en terugstoot.quot;
âGij zjjt wel vermetel, mijnheer, dus tot mij te durven spreken ; gij zijt nooit mijn speelgenoot geweest,quot; hernam Francoise, terwijl zij hem trof met den bliksemstraal harer oogen, die hem werkelijk de zijne deed nederslaan; toch hervatte hij stout met zekere bitterheid:
âHet is waar, een page wordt gemeenlijk meer als een dienaar geeonsidereerd, dan wel als speelgenoot, en onze leeftijd verschilde ook nog al â maar ik werd toch als bloedverwant, met de kinderen des huizes opgevoed, en . . . .quot;
255
âGij spreekt van voorrechten, mijnheer, die inderdaad aan Juliaan de Ghiselles, onzen neef, zijn te beurt gevallen; maar in den persoon, die zich nu als baron de Ghiselles bij mij voordoet, herken ik dezen speelmakker niet.quot;
Hij haalde even de schouders op. âHet is meer dan vijf-en-twintig jaren geleden, cousine, sinds die blijde spelen onzer jeugd verstoord werden door een noodlottigen slag; ik ben al dien tijd niet rustig op mijns vaders kasteel blijven wonen; ik heb veel, veel ondervonden, ook met veel te strijden gehad â-is het vreemd, dat ik zeer ben veranderd? Gij zelf zijt niet meer het dertienjarige freuletje, dat toen wel van mijne hulde gediend was; uw geheugen moest ongewoon sterk zijn, zoo mijne trekken u niet eenigszins waren ontgaan, en gij mij nog, nadat er wederzijds zooveel in en aan ons veranderd is,, zoo terstond wist te herkennen; maar toch, nu ik het mijne doe om de herinnering bij u te verlevendigen . . . .quot;
âAi, zwijg, mijnheer!quot; viel Frangoise in, op scherpen, gebiedenden toon, terwijl zij hem aanzag met vernietigende ironie; âde trekken kunnen veranderen, dat geve ik u toe; de haren kan men verven, naar den eisch van den personaadje,. die men denkt â te spelen; maar â de oogen â de oogen, mijnheer de baron, veranderen toch niet van kleur, al zou het kunnen zijn van uitdrukking, en mijn geheugen is met den hoogen leeftijd van bij de veertig nog niet zóó verzwakt, of ik weet mij zeer goed te herinneren, dat Juliaan donkerblauwe kjjkers had, die hij levendig en vrijmoedig placht op te slaan,, terwijl de uwe, eilieve! zie maar zelf,quot; en zij hield hem het spiegeltje voor, dat aan hare chatelaine hing, ânaar het donkerbruine hellen, en als wegschuilen tusschen de oogleden, 't geen niets goeds voorspelt; dat listige en geheimzinnige, sire-de Ghiselles! heeft de wilde Juliaan nooit gehad. Het spijt mij voor u, dat ik le défaut de la cuirasse ontdekt heb, mijn nobele ridder,quot; eindigde zij met snijdende schamperheid, terwijl zjj
256
het kleine zilveren spiegeltje weêr langs de zijde liet neervallen. Maar zij had te doen met eene partij, die sinds lang op deze rol was afgericht; wel had hij het bloed niet kunnen verhinderen hem naar het hoofd te stijgen, bij het scherp verhoor dat zij hem deed ondergaan; wel verbleekte hij beurtelings van ingehouden toorn, en verbeet zich de lippen, om niet in woeste drift uit te barsten â want hij wilde, ten koste van alles, datgene vermijden wat men eene scène noemt, die de aandacht had kunnen trekken van ongeroepen toeschouwers maar toch hield hij zich stout en moedig, en bleef volharden in toon en houding van een verongelijkte en miskende.
âDaar is list en schuinschheid in uwe voorstelling, jonkvrouw. Dat gij mij niet meer herkennen wilt, noch de oude vriendenrechten hergeven, late ik daar; maar uw toeleg blijkt nu mij aan te tasten in mijn karakter, alsof ik eene personaadje spoelde, die een naam en een rang usurpeert, welke hem niet toekomen. Weet dus, Francoise van Egmond, dat ik uwe getuigenis niet noodig heb, om door allen erkend te worden in den rang en rechten, mij door mijn vader, den baron de Ghiselles verleend, die gelukkig nog leeft en waakt om mij tegen dergelijke insinuaties te kunnen verdedigen als het zjjn moet.quot;
âGij hebt een voorzienig en goedwillig vader, baron, dat is gebleken; maar ik kan u geen geluk wenschen met den voorrang, waarop gij u beroemt, vóór ik beter ben ingelicht van de middelen waardoor die verkregen is.quot;
âSinds gij zelve erkent niet goed ingelicht te zijn, freule, moest de Christelijke liefde u toch voorschrijven, dacht ine, om op onjuiste kennis geen bloedverwant te veroordeelen en te verdenken.quot;
âChristelijke liefde! O baron de Ghiselles! als dit dan zoo zijn moet, zou ik willen weten, op welke wijze gij die jegens uw broeder hebt geoefend?quot;
257
âGij doelt op dien rampzalige, die reeds als knaap zijns vaders huis is ontloopen, en die sinds in de wereld rondzwerft, men weet niet hoe of waar; ik hoop niet dat de jonkvrouw van Egmond ooit iets met dezen heeft uit te staan gehad, want dat zou haar gansch niet tot eere strekken. Hij moet een losbol, een fielt zijn geworden, die zijns vaders naam niet meer dragen mag, en die wellicht al lang hier of daar aan de eene of andere galg hangt te bengelen.quot;
âVerschoon mij voortaan van het uiten uwer broederlijke gevoelens!'' viel Franeoise in, met onbeschrijfelijke minachting in toon en gebaar, terwijl hare oogen vlammen schoten â en met zekere heftigheid oprijzende, wilde zij hem den rug toekeeren; maar eene vaste, mannelijke hand, die haar bij den arm vatte, Aveérhield haar, op zoo sprekende wijze hare verachting uit te drukken.
Het was graaf George Eberhard van Solms zelf, die zich op die wijze tusschen beiden stelde.
Wat vermoeid van den dans, waaraan hij naar gastheers plicht druk had deelgenomen, was hij een oogenblik neêrgevallen op den uitersten hoek van denzelfden divan, die in den vorm van een hoefijzer langs dit boveneind der zaal liep; in het midden was eene estrade met eenige zitplaatsen voor de hooge vorstelijke gasten, die er nu wel geen gebruik meer van maakten, maar te wier eere het geheel overwelfd was door een verhemelte van purperfluweel met breed geplooide draperieën en kostbare goudfranje.
Zoo was de nabijheid van den graaf door do twistenden niet opgemerkt geworden, die daarenboven met den rug naar hen toegekeerd zat, en evenmin naar hen had omgezien. Maar ongelukkig hing er een kleine, ronde spiegel, waaraan twee luchters waren vastgehecht, eenigszins in de hoogte tegen het eikenhouten beschot; en zoo ras de blik van den graaf zich daarop vestigde, had hij zijne schoonzuster opgemerkt ttte u
Wonderdokter. I. 1- 7
258
tHe met den baron de Ghiselles; daarin was nu niets dat hem verdacht of ergerlijk kon toeschijnen, en al ware hij in de gelegenheid geweest hun gesprek te beluisteren, hij zou er zich als ridderlijk edelman niet toe gerechtigd hebben geacht.
Maar de fiere laatdunkende houding van Francoise, de snijdende minachting die er sprak uit de felle blikken, die zij onder dit gesprek op den baron vestigde, diens kleuren en ver-bleeken, dat knabbelen op zijne mustatsen, als om innerlijke woede te verbijten, bracht hem tot de onderstelling, dat het hier geen dier schertsende kibbelpartijtjes gold, waarbij dames en heeren onderling met hun vernuft trachten te schitteren;, geen galante joute, met courtoisie ter eenere, met vrouwelijke fijnheid en schalkheid ter andere zijde gevoerd, maar integendeel een tweegevecht in vollen ernst, waarbij de scherpe lans werd gebruikt, en de tong tot puntige pijl gespitst, en hij wist al bij ervaring, hoezeer zijne schoonzuster in zulk comhattemmt maitresse (Tannes was.
De baron de Ghiselles was een notabel vreemdeling, herwaarts overgekomen om met den stadhouder over wichtige familie-zaken te onderhandelen, in den naam van den Prins-van Oranje (Philips Willem); een zulke moest zich niet over onhoffelijke bejegening te beklagen hebben, waar hij als gast in zijn huis was ontvangen, oordeelde de graaf. Hij wilde dus weten wat er gaande was, en Francoise zou hare excuses moeten maken, zoo het bleek dat het ongelijk aan hare zijde lag. De jeugdige gemaal van Sa bi na van Egmond was, als wij reeds, zeiden, een edelman van den echten, oud-Duitschen stempel^ billijk maar streng, zeer naijverig op zijn mannelijk gezag, en vast besloten dat te handhaven, ondanks de doorluchtige af komst zijner gemalin en hare vorstelijke vermaagschapping; en hij achtte het niet overbodig, reeds terstond, ook waar het zijne schoonzuster gold, die orde van zaken in te stellen. Ook, toen hij deze als op de daad betrapte eener zoo grove onhoffelijkheid,.
259
achtte hij zich gerechtigd haar daarin onverwijld en met kracht tegen te gaan. Hij verplichtte haar volte face te maken, waardoor zij in eens weêr vlak tegenover den vijand stond, wien zij willens was den rug toe te keeren, terwijl hij op wat forschen toon vroeg: âWaarvan is hier quaestie, Fraulein Schiriiyerin? Al zoudt gjj ook verschil hebben met uw cavalier, is het toch niet behoorlijk op zoo bitse wijze te scheiden.quot;
âDe baron de Ghiselles is mijn cavalier niethernam Francoise stug en hoog - en zij trachtte te ontkomen aan do hand die haar arm hield gevat.
âIk zou mij zeiven aan felonie schuldig maken,quot; viel de Ghiselles in, âzoo ik niet guluit bekende, dat de fout hier allereerst bij mij ligt. Steunende op de rechten onzer verwantschap en vroegere bekendheid, die ik niet verjaard waande, hoopte ik van de jonkvrouw de gunst te verkrijgen haar ten dans op te leiden; doch die werd mij geweigerd, met meer verbolgenheid dan waartoe ik meende door dat verzoek aanleiding te hebben gegeven. En ik ... lacy, te weinig aan diergeljjke weigeringen gewend, had niet genoeg zelfbeheersching, om haar met losse onverschilligheid op te nemen, maar bleef aanhouden, wellicht wat al te stout en te hartstochtelijk, op de vervulling van een wensch, die zoozeer den toorn van de freule had gaande gemaakt; ziedaar de oorzaak van onzen twist. Uwe Genade . . .quot;
âNu, zoo begeer ik dat er terstond verzoening navolge, die Francoise bezegelen zal door u dat verzoek toe te staan,'' hervatte graaf George Eberhard, Francoise streng en dreigend aanziende, en wilde tegelijk hare hand in die van de Ghiselles leggen; maar Francoise, zich vrij gevoelende, trok die snel terug en sprak luid en heftig, zoodat het door de gansche zaal klonk:
âIn der eeuwigheid niet! daar kan niets gemeens zijn tus-schen mij en dezen.... vreemdeling,quot; voegde zij er langzaam achter, doch met eene stembuiging, of zij de ware qualificatie binnenhield: maar zoo doorborend was de blik, dien zjj daarbij
260
op den baron richtte, oer zij zich haastig afwendde, dat deze als vernietigd staan bleef met gebogen hoofd.
De graaf van Solms was zelfs zoo verrast en verbluft door dezen barschen uitval, dat hij verzuimde haar nogmaals den pas af te snijden.
âLieher Herr Gott! welches FrauenzimmerT riep hij, haar naziende, toen hij wat van zijne verrassing bekomen was.
âZij speelt de vertoornde Juno!quot; merkte de baron aan, zijne innerlijke woede ontveinzend onder een smadelijken lach, âen zij weet wel waarom...''
âMaar waarom dan? om 's Hemels wil zeg mij waarom?quot; drong van Solms, heftig in zijne ergernis over eene kwetsing der wellevendheid, waarmee hij zich als in 't aangezicht geslagen achtte.
âOch!quot; hervatte do baron met eene ironieke uitdrukking van gelaat, simpolljjk om eene crime, die geene vrouw kan vergeven â ik beging de onhandigheid haar in herinnering te brengen, dat zij zoo wat over do veertig is.quot;
â Wehe! wehe dir! is het dat!quot; en de graaf barstte in een schaterend gelach uit; âhad ik kunnen raden dat daar de angel stak!quot;
âMaar na zulk eene scène te hebben doorgestaan, zal Uwe Genade mij ten goede houden, dat ik mijn afscheid neme mijne zaak is hier nu toch bedorven.quot;
Solms trachtte hem nog tot blijven te overreden, dan de baron liet zich niet bewegen en haastte zich weg te komen.
âUw zuster heeft om eene onbeduidende krenking den baron de Ghiselles eene grove beleediging aangedaan,quot; sprak de graaf later tot zijne gemalin; zij heeft hem zoo goed als weggejaagd â want hij is toornig heengegaan, ondanks mijne noodiging tot blijven daar steekt zeker meer achter; wat kan zjj tegen hem hebben?quot;
261
âHoe kan ik dat weten? Ik geloof dat die twee altjjd gekibbeld hebben; maar ik was toen ze samen waren een kind van even vijf jaar, en herinner mij niets meer van die lang verleden tijden en voorvallen,quot; gaf de jonge vrouw ten antwoord, wat gekrenkt door die ondervraging.
Zij herinnerde zich niets van dien ouden tijd! niets van het schavot haars vaders! niets van den algemeenen rouw en weeklachten om haar heen! niets van datgene wat een wee-geroep deed opgaan uit geheel een volk! niets van datgene wat haar vader een onsterfeljjken naam had gegeven in de geschiedenis!
â Weiherfleisrh ! Weiherf eisch^' verzuchtte graaf George Eber-hard, âmaar ik wil en zal er toch eens het mijne van hebben.quot;
HOOFDSTUK IX.
Daarin had do graaf van Solms zeker goed kunnen slagen, zóó hij in de gelegenheid ware geweest den baron de Ghiselles te volgen tot in diens logies, een ruim bovenkwartier in een gesloten huis, waaraan de weelderige Belgische edelman de voorkeur had gegeven boven het onvrij en ongemakkelijk verblijf in een dor weinige Delftsche logementen, nu voora: opgepropt met gasten van allerlei rang en soort.
Hij had don sleutel van de huisdeur bij zich, vond zijne lantaarn brandende aan den voet van do trap, steeg dien op in alle haast, on vond reeds eon bezoeker, hem wachtende, bij don haard zitten, waar het vuur lustig brandde; want de gast scheen zieli den tijd gekort te hebben mot or trouw voor te zorgen on or telkens nieuwe blokken op te werpen.'
Die persoon is voor ons geen onbekende. Hot is diezelfde Hopman Poter, die Juliaan zoozeer in verzoeking had geleid en hem zoo deerlijk in do lij bracht. Hij had nu de boeren-vermomming afgelegd en droeg den degen en het gewaad van een deftig edelman, en zoowel in houding als manieren bewees hij, dat hjj zich ditmaal niet buiten of boven, maar in zjjn stand had gekleed. Hij zat voor eono tafel, waarop eene grooto koperen lamp stond te branden, en scheen gelezen to hebben, maar zooals iemand leest, die onrustig of ongeduldig is; want zoo ras hij de Ghiselles zag binnenkomen.
263
wierp hij zijn boek weg en liep hem te gemoet, zeggende:
âZijt gij eindelijk daar, baron? op mijn eerewoord, ik begon te gelooven, dat gij den ganschen nacht met banketteeren zoudt doorbrengen!quot;
âIk vrees wel, dat gij langer zult gewacht hebben, dan u aangenaam kon zijn, Freiherr von Grimswald!quot; hernam de Ghiselles, terwijl hij zijn mantel aflegde; âmaar geloof me, ik kon niet eerder weg komen! Ik moest toch afscheid nemen van den stadhouder!quot;
âJa, dat was noodig!quot; herhaalde de andere met een ironieken glimlach.
âMij dacht het zoo; ik kon niet wegsluipen als een hoen-derdief.quot;
âDat geef ik u toe; in cas run désastre zou dat zeker suspicie doen vallen op u. Maar moest dat afscheid dan zoo lang duren ?quot;
âGraaf Maurits was gracieus, en bracht mij daardoor in een moeilijk parket,quot; hervatte de Ghiselles, terwijl hij een armstoel innam tegenover dien, waarop de Freiherr zich wéér had neêr-gezet.
âVerbeeld u: ik had er den ganschen dag al op gepeinsd, hoe ik een kort gesprek onder vier oogen zou kunnen houden met de gravin Francoise van Egmond, de zuster der jonggehuwde; maar telkens wist de jonkvrouw dat te ontgaan, of kwam er het een of ander tusschenbeide om het mij onmogelijk te maken; want er lag mij veel aan gelegen, om niet ten overstaan van het gansche gezelschap door deze miskend of verloochend te worden. Telkens teleurgesteld, hield ik mij ter zijde, totdat ik voeglijk meende te kunnen gaan; toen kwam Maurits op den zotten inval, om mij zelf aan mijne nichten voor te stellen; ik moest met Francoise dansen, begeerde hij, en hoe ik mij ook excuseerde, ik moest den storm trotseeren. Ik vreesde wel, dat ik niet liefderijk zou ontvangen worden, maar terugtreden kon mij bij Maurits verdacht maken; en dus maar in
264
eens den aanval gewaagd, en de oude hekendschap hernieuwd met een front d'airain, dan was ik er ook in eens door. Maar de dame was pénétrant en recalcitrant in den hoogsten graad; zij wist precies bij mij le dépt ut de la cuirasse uit te vinden; wjj hadden een aparte, dat lang niet malseh was, en waaruit ik mij niet met eere wist terug te trekken, toen de graaf van Solms zelf het conflict nog kwam compliqueeren; maar hare heftigheid gaf mij ten laatste het recht misnoegd heen te gaan, den graaf in eene stemming latende tegen zijne schoonzuster, die, zoo ik hoop, de harmonie in de familie niet zal bevorderen. Gij ziet, dat, zoo ik u heb laten wachten, het althans niet voor mijn pleizier is geweest.quot;
âWaarom hebt gij u ook dan zelf in de mêlee begeven, door die bruiloftsfeesten te gaan bijwonen?quot;
âPalsambleu! dat's eene mooie vraag; ik zie niet hoe ik er mij van had kunnen verschoonen! Vooreerst, omdat ik niet hier in Holland ben gekomen om mij in een hoek schuil te houden, maar integendeel om relatiën aan te knoopen met zooveel aanzienljjke en invloedrijke luiden, als ik maar griipen en vangen kan, om te observeeren â zoowel de opiniën des volks, als de particuliere levens- en denkwijze van den adel en der patriciërs. Nu kwam het mij voor, dat eene openlijke feestviering als deze, daartoe nog al vrij goede occasie opleveren moest; vervolgens gingen alle lieden van qualiteit, die het hof van Maurits frequenteeren, meê naar Delft, en de stadhouder had mij zelf uitgenoodigd om aan het tournooi deel te nemen â ik geloof een weinig uit ijdelheid â opdat ik er getuige van zou zijn, hoezeer hij de liefde en de geestdrift des volks opwekt alleen maar door zich te toonen! Ziet gij nu in, hoe ik tehuis had kunnen blijven?quot;
âMoeilijk, dat geef ik u toe; maar daarom begrijp ik toch niet, waarom gij er zooveel aan hecht door die prude demoiselle als haar bloedverwant erkend te worden. Ik meende uit een
265
vroeger gezegde van u te moeten opmaken, dat uwe betrekking op de Egmonds slechts eene fiktieve was.quot;
âWel! om de fictie tot eene realiteit te maken ; en ondanks alles geef ik nog de hoop niet op, dat de stem van het bloed zich eenmaal zal doen verstaan!quot; eindigde hij met een spot-tenden glimlach.
âRoekelooze !quot;'
âEi neen ! ik waag niet zooveel als gij denkt. Er bestaat gelijkenis tusschen mij en den persoon wien ik voorstel; de eenige in dezen kring die hem heeft gekend, en nog wel als knaap, is Francoise! Ik weet wel, dat zij preventies tegen mij hebben moet â en zich niet licht zal gewonnen geven â maar al stond hij, wiens alter ego ik ben, vóór haar, zooals hij er nu vermoedelijk uit zal zien, ze zou hem evenmin herkennen als den speelnoot harer jeugd. Ja, ik maak mij sterk, dat ik bij confrontatie mijn pleit zou winnen, zelfs bij haar ; â want ik heb mij sinds mijne teêrste jeugd zoo geïdentifieerd met de personaadje, die ik moet spelen, dat ik mijn aplomb zou verliezen, zoo ik moest ophouden mij als zoodanig voor te doen !quot;'
âDat's doellooze doordrijverij, en u zeiven in eene valsche positie brengen zonder noodzaak. Is het u dan niet genoeg, dat de baron de Ghiselles u als zijn wettigen zoon heeft erkend ?quot;
âDat is juist wat hij niet heeft gedaan, en nimmermeer zal kunnen doen, ook bij den besten wil om mij alles te schenken wat hij te geven heeft! Eene eerste fout is er begaan, en daardoor ben ik levenslang gedoemd om de rol van een falsaris te spelen !quot;
Onuitsprekelijke bitterheid teekende zich op het gelaat van den baron, en hij trachtte een traan van spijt weg te pinken ; bewijs, dat de schertsende toon, dien hij gewoonlijk aannam, niet dan valsche opwinding was.
âMijn vader, uit zwakheid, uit onridderlijke mensohenvrees,.
266
heeft mij voor zijn wettigen zoon in de plaats gesehoven; maar van wettelijke erkenning is nooit sprake geweest, noch heeft dat kunnen zijn. Hij kon noch wilde mijne moeder hijliken, al was zij uit edel Spaansch bloed afkomstig; â hij had overwegende redenen om niet wettelijk van zijne gemalin te scheiden, die zelve, uit boosaardig overleg en onwrikbare hardnekkigheid zich bleef vastklemmen aan de heiliksketen, hoe zwaar eene boei haar daaruit ook werd gesmeed. Even hardnekkig bleef zij vasthouden aan het leven, dat toch geur noch kleur meer voor haar had, en de baron heeft zijne eigenaardige zwakheden en zekere gemoedsbezwaren, die hem altijd belet hebben door ééne krasse daad die hindernis uit der. weg te ruimen, hoewel hij er geen bezwaar in vond haar duizend dooden te laten sterven, in grieven, in vernederingen van allerlei aard, in haar troetelkind allermeest, dat het er trouwens naar gemaakt had.quot;
âJa ! die lieden van halve maatregelen zijn lastig en gevaarlijk voor elk, wie er meê te doen heeft,quot; sprak de Freiherr, niet zonder eenige intentie van ironie. âMaar dat alles zegt me nog niet, waarom gij u zoo ten ontijde aan de Egmonds wilt opdringen! Van hare erkenning hangt immers uwe positie niet af. Hier zijt gij de gelastigde van den Prins van Oranje; te Brussel de zoon van den baron de Ghiselles, gunsteling van den landvoogd, door den koning zelf reeds meer dan eens tot hachelijke zendingen geëmployeerd aan verschillende hoven â wat kan u het overige schelen?quot;
âHeel veel, dat verzeker ik u. Ik ben hier voor iedereen een vreemdeling, dat is waar, en 't zou eigenlijk niemand kunnen schelen, hoe ik heet en wie ik ben; maar aan de Egmonds, die weten, dat de baron de Ghiselles maar één zoen heeft gehad, moet ik mij imposeeren als dezen, of â ik ben niets â niet eens een bastaard; want de baron heeft nooit don moed gehad er voor uit te komen, dat hij een natuurlijken zoon had.
267
Tot mijn vijftiende jaar heeft hij mij in de diepste verborgenheid laten opvoeden, en ik geloof vast, dat het zijne intentie geweest is mij levenslang in een klooster te versteken, of naar de nieuwe wereld te zenden, opdat er in de oude geen spoor van mijn aanwezen zonde blijven ; maar â de weêrbarstigheid van zijn eenigen lieveling heeft aan mijn lot dien zwaai gegeven, waar ik zelf nu niets meer tegen vermag.quot;
âEn de Egmonds ?quot;
âDie heb ik juist noodig om mijn rad van avonture te helpen draaien. De barones do Ghiselles is naar Holland uitgeweken, zoo ras ze zekerheid had van het overlijden mijner moeder â niet eerder! Gij ziet dat het eene obstinate vrouw was, en die wist wat zij wilde. Waar zij eigenlijk beland is, heeft men ten onzent nooit geweten; denkelijk heeft zij schuilplaats gevonden, bij den een of ander harer verwanten. Hoe dat ook zjj â sinds eenigen tijd is het gerucht van haar dood tot ons gekomen, maar mijn vader wil, kon er niet aan gelooven, en in elk geval is zekerheid op dit punt hem dringend noodig. De Egmonds kunnen dat geven. Zij zijn reeds een geruimen tijd in 't hartje van Holland au vu et sti de fout le monde; het zou mij niet verwonderen, dat zij eenige correspondentie hadden gehouden met do barones, of althans met dier nabestaanden. Indien al niet, moet Sabina bij hare hijliksplannen toch naar hare nicht hebben geïnformeerd, en op de een of andere wijze weten zij er het rechte van.quot;
âZooals gij mij de verhouding tot die dames hebt voorgesteld, zullen ze denkelijk niet geneigd wezen, u te vertellen wat gij weten wilt.quot;
âIk zal ze er wel toe brengen, zij het haars ondanks; ziedaar waarom ik mij do laatdunkende hoffelijkheid van Sabina âen de vinnige schampschoten van Francoise zal getroosten, tot ze mij op het spoor hebben geholpen van datgene wat ik zoek. Als die vrouw nog leeft, is er mij onnoemelijk veel aan gelegen haar te zien, te spreken...quot;'
268
âTen einde de afdoende maatregelen te nemen, die uw heer vader niet aan durfde?quot; vroeg de Freiherr sarcastisch.
âIntegendeel, ik zou haar vertrouwen trachten te winnen .. .
âEn u door haar laten erkennen als haar troetelkind?quot;
âDat zou wat ki-as zijn - maar daarvan is ook geene quaestie; de verwisseling is geschied met hare voorkennis â zoo al niet onder hare goedkeuring. Neen er is wat anders, voor mijn vader en mjj van geen kleiner belang; de barones, toen zij mjjn vader hijlikte, bezat uitgestrekte goederen, hier in Holland gelegen; de tijden waren toen anders, men dacht aan geen verdeeldheid ; de voogden der weeze zagen er geen bezwaar in om haar gemaal het beheer te geven over geheel haar vermogen, zjj trouwden in gemeenschap van goederen. Maar daar zjjn de troebelen opgekomen, de baron bleef aan de zijde des Konings, de Heeren Staten, zoodra zij dezen waren afgevallen, wilden den Spaanschgezinden edelman niet langer in 't genot laten van de inkomsten zijner goederen aan hunne zijde, alles werd onder sequester gesteld, en â is, zoover wij weten, in dezen staat gebleven. Deze heeren zijn er wèl van om niet los te laten wat zjj eens hebben gegrepen; zjj noemen dit de rechtmatige représailles van 't geen in Spaansch Braband geschiedt. Alsof dat gelijk stond!.. . of de Koning geen recht had tegen zjjne rebellen!... maar dat daargelaten. Xu ik hier ben om te onderhandelen met Maurits omtrent zekere schikkingen met zijn broeder den Prins van Oranje, kost het zooveel niet meer, om ook gunstige beschikkingen te verkrijgen van die heeren omtrent de goederen van de barones; alleen moet ik zekerheid hebben, dat zij, levende, zelve tot die onderhandelingen zou willen meêwerken, of, werkelijk overleden zijnde, ons docr geen testament hindernissen in den weg heeft gelegd. De barones zou hier niet in verborgenheid zijn gebleven, zoo zij in gunstige omstandigheden had verkeerd, zoo zij de inkomsten harer goederen had genoten; het is dus waarschijnlijk, dat zij even-
269
zeer in behoefte, als in onbekendheid heeft geleefd of nóg leeft; â zoo dat laatste het geval ware, des te beter, dan zal zij do tegemoetkoming van haar gemaal waardeerei; en mijne diensten aannemen ...
âEn haar troetelkind, zooals gij hem noemt?quot;
âO die! â die bestaat niet meer, zoomin voor haar als voor ons .. .
âZoo, is uw broeder dood?quot;
âZoo goed als...., die is onmogelijk gemaakt; hij heeft zich dus in het slijk gewenteld, dat er geen ophalen meer aan is; maar als ik tot de moedor doordring, zal ik mij wel wachten dat te zeggen; integendeel, zijn belang, zijne oprichting zal een der drijfveeren worden om mijne plannen te begunstigen; en wat hem betreft, zoo hij zich volgzaam toont, en niet bijgeval om den een of anderen boevenstreek aan de galg raakt, zal ik hem van tijd tot tijd een paar dukaten in de hand stoppen; dat 's alles wat hij noodig heeft. Hij zal er naar opspringen, dat verzeker ik u, en ten laatste passeer ik nog voor zijn weldoener!quot;
âEven vindingrijk als broederlijk!quot; hernam de Freiherr, met zijn ironieken lach.
âZiedaar met wrelke particuliere zaken ik mij hier heb bezig te houden nevens de publieke, en waarom ik mij aan de Eg-monds moet imposeeren door list of geweld.quot;
âGeweld? Hoe zult gij dit aanleggen?quot;
âIk zal macht over haar verkrijgen, door de sterkste beweegkracht die er kan toegepast worden op lieden als zij zijn : ijdel en trots, maar zonder middelen om den staat te blijven voeren, dien zij meenen dat hun past. Ik... . zal goud.... laten schitteren.... veel goud .... zooveel.... dat die feeks van eene Francoise zelve er door verblind zal raken;...., gelukkig heeft mijn vader gezorgd, dat ik van dit kostelijke hulpmiddel ruim ben voorzien â zoodat ik ten oorbaar van de
270
particuliere belangen, zoowel als van de publieke, alles kan doen, wat er met geld kan verricht worden. Niemand weet dat beter dan gij zelf.''
âIk weet het zoo goed, dat ik mij veroorloven zal u een weinig van uw overvloed te helpen ontlasten.'
âHoe is dat! gij om geld verlegen?quot;' riep de Ghiselles, de wenkbrauw fronsende; ik moet zeggen, dat samenzweeren eene dure liefhebberij is.quot;
âNiet te duur zoo 't gelukt en vruchten afwerpt; maar dat is ongelukkig van de onze niet meer te wachten, en daarom heb ik behoefte aan gereede penningen, want ik heb de mijne bij handen vol uitgedeeld, met de bedoeling de goede cause te bevorderen; nu ik in die verwachting ben teleurgesteld, moet ik voor mij zei ven zorgen en zien weg te komen, hoe eer hoe beter.quot;
âEn gij zegt mij dat zóó!quot; viel de Ghiselles uit, in zichtbare onrust, âen gjj blijft mij koelbloedig aanhooren, terwijl ik over onverschillige zaken zit te praten, ja, gij lokt mij zelfs daartoe uit?quot;
âOch! een uur of wat vroeger of later, doet er voor mij zooveel niet toe, ik heb een vrijgeleide vanwege het gezantschap; daarbij zijn uwe zaken mij gansch niet onverschillig, dat kunt gij wel denken!quot;
âHm! ja!quot; sprak de Ghiselles, en trok een gezicht, of hij zich liefst van die belangstelling had verschoond gezien; âmaar gij begrijpt uwerzijds, dat ik het evenmin kon zijn voor de uwe.quot;
âDe onze,quot; verbeterde Grimswald, âwant gij zult mij toestemmen, dat ge mee van 't complot zijt.quot;
âNoen!quot; riep de Ghiselles heftig, âdat ontken ik pertinent.quot;
âImpertinent,quot; verbeterde weer de Freiherr, met zijn sarcas-tischen glimlach; want gij zult toch niet loochenen - voor mij niet althans dat gij uw deel hebt aan ons eedgenoodschap.quot;
âZeker zal ik dat loochenen, en met alle recht,quot; riep de Ghiselles op hoogen toon.
271
âEilieve! zie dan toch uw lastbrief eens in.quot;
âMijn lastbrief houdt niets in, dan wat ik aan Maurits en de Staten als het klare, simpele doel van mijne zending heb voorgedragen.''
âDat weet ik wel, voor wie niet als gij tusschen de regels kan doorlezen, en er aftrekken alles wat uwe principale zenders daarbij insluiten â de kantteekeningen â de mondelinge instructiën.quot;
âXu ja! maar daarmee behoef ik niet voor den dag te komen, dan in 't gegeven geval, dat gij op u genomen hebt daar te stellen. Van de wijze waarop, den tijd wanneer, de middelen waardoor gij uw dool meendet te bereiken, ben ik altjjd onkundig gebleven; ik kan er mijne ziel en zaligheid op verzweren.quot;
âCe ii1 est pas jurer gros!'''' spotte de Freiherr; âmaar ik had u immers afspraak gegeven voor dezen nacht, om u op de hoogte te brengen van alles.quot;
âDat is wel mogelijk maar ik verlang er niets van te weten.....quot;
âIn dat geval zou uwe onkunde u nog veel gevaarlijker kunnen worden dan de volkomene kennis, die ik u geven wil.quot;
âNeen, neen! ik wil er niets van hooren, niets meê te doen, hebben.quot;
âSchaam u, baron! wees toch zoo bang niet; er valt hier niets meer te doen ! Het plan is in duigen geworpen en â ik ben er blij om, vooral nu ik zie, door welke moedige medehelpers ik gesteund zoude zijn.quot;
âDat zoudt gij gezien hebben, zoo het er op aangekomen ware den degen te trekken voor de zaak van mijn vorst.quot;
âWel zeker, met den degen te trekken zjjt gij overigens ras genoog, als maar vooraf de dolk hare goede diensten had gedaan, niet waar? Lieden aan wie men zoo iets vertrouwen kan, zijn maar al te zeldzaam, dat heb ik tot mijne schade en, schande ondervonden.quot;
272
âDus ziet gij geen kans meer te slagen, gij â die n zoo hebt beroemd rijk te zijn in vonden en hulpmiddelen,quot; spotte nu de Ghiselles op zijne beurt.
âIk heb gebluft, ik moet het met schaamte op het voorhoofd bekennen. Ik zie er van af, de zaak door te zetten. Men kan niet ploegen met ossen en ezels tegeljjk, en dan nog met onwillige ossen en waanwijze ezels. Maar ik erken, dat het mijne eigene schuld is. Ik had mijn geheim voor mij zeiven moeten houden en alles alleen moeten beramen en â uitvoeren; dan ware ik zeker geweest; â maar daarin werd ik niet vrijgelaten. Daar moest priestervolk en zendelingen der Jezuïeten in gekend worden, die â zouden dan uitnemende helpers zijn! en ziet, daar haspelen ze mij den boel in de war, door zottelijken overijver en plompe voorbarigheid.quot;
âZoo is er reeds iets van uitgelekt ?quot; vroeg de Ghiselles verbleekend.
âIk hoop nog van niet, maar â dat kan niet achterblijven.
Het geheim is zoo bot af aan plomp volk overgeleverd, dat ik voor niets kan instaan, en er mij uit terugtrek met alle recht. Verbeeld u: een bespottelijke en verachtelijke vent, een zekere Blommers, die sedert de reformatie voor dominé speelt, maar nog altijd naar de vleeschpotten der oude Moederkerk bleef hunkeren, was mee van de samenspanning, en had zich aangeboden ons eene veilige schuilplaats te verzekeren, zoo voor onze geheime samenkomsten, als tot berging van vermomming en wapenen, die wij noodig konden hebben. In de ruïne eener abdy, dicht in de buurt van Delft, bevinden zich gewelven en onderaardsehe gangen, waarvan hij de ligging kende en â wat het meest beteekende, waarvan hij den sleutel bezat, door toedoen van een zijner leeken, eigenaar eener hoeve in de nabijheid â en die zoo goed Katholiek in 't harte was, dat hij niet eens veinzen wilde tot de Geuzenkerk over te gaan; die man was dus te vertrouwen, en Pater Blommers stond voor
273
hem in. Maar deze zelf schatte zijn eigene verdienste zoo hoogst gewichtig en onmisbaar, dat hij meende het hoofd der samenspanning te zijn, en in belangrijke punten op eigen gezag handelde, zonder mij daarin te kennen, mjj zijnerzijds ten kwade duidende, dat ik hem niet in alles raadpleegde wat ik voornam te doen. Zoo werd ons complot eigenlijk een draak met twee hoofden, eene misgeboorte, die geene levensvatbaarheid had, zooals ook wel bleek. Verbeeld u: ik had bij mij zeiven vastgesteld dat do catastrophe slechts één verantwoordelijken uitvoerder zou hebben, dien wij den aftocht mogelijk zouden maken na de volbrachte daad.quot;
rEn bij mislukking?quot;
âOpenlijk verloochenen, zonder hem daarom in den steek te laten. En terwijl ik zoekende ben naar mijn man, terwijl ik dien zelfs meen gevonden te hebben â wat doet me de linker â eigenmachtig kiest hij handlangers zijnerzijds, en vertrouwt, nota hene, aan een troep zwervende soldeniers een deel van het geheim, precies zooveel om hen nieuwsgierig te maken naar de rest, stopt hun geld in de handen, bij wijze van voorsmaak, en stelt ze alzoo in de gelegenheid zich dronken te drinken en in de taveerne uit te brallen, dat er een onderhandsch werk op til is, waarbij hunne hulp wordt vereischt. Ik behoef u niet te zeggen, dat zulke praatjes nooit in de ijle lucht vervliegen ; de justitie luistert scherp op een tijd als deze, waarin zooveel volk in de stad is samengepakt, en waar zooveel vorsten en heeren die allicht hunne vijanden hebben, bijeen zjjn!quot;
âDe ellendige domkop!quot;
âVan die verstandige maatregelen nog onbewust, ga ik mijnerzijds mijn gang, en geloof mijn man gevonden te hebben in een kalen luitenant, dien ik met de meeste voorzichtigheid ondertast en in alle manieren op de proef stel, eer ik het waag hem opening van zaken te geven.quot;
âOpening van zaken! maar dat was toch lang niet voorzichtig, dunkt me.quot;
Wonderdokter. I. 1S
270
particuliere belangen, zoowel als van de publieke, alles kan doen, wat er met geld kan verricht worden. Niemand weet dat beter dan gij zelf.quot;
âIk weet het zoo goed, dat ik mij veroorloven zal u een weinig van uw overvloed te helpen ontlasten.quot;'
âHoe is dat! gij om geld verlegen?quot; riep de Ghiselles, de wenkbrauw fronsende; ik moet zeggen, dat samenzweeren eene dure liefhebberij is.quot;
âNiet te duur zoo 't gelukt en vruchten afwerpt; maar dat is ongelukkig van de onze niet meer te wachten, en daarom heb ik behoefte aan gereede penningen, want ik heb de mijne bij handen vol uitgedeeld, met de bedoeling de goede cause te bevorderen; nu ik in die verwachting ben teleurgesteld, moet ik voor mij zeiven zorgen en zien weg te komen, hoe eer hoe beter.quot;
âEn gjj zegt mij dat zóó!quot; viel de Ghiselles uit, in zichtbare onrust, âen gij blijft mij koelbloedig aanhooren, terwijl ik over onverschillige zaken zit te praten, ja, gjj lokt mij zelfs daartoe uit?quot;
âOch! een uur of wat vroeger of later, doet er voor mij 200-veel niet toe, ik heb een vrijgeleide vanwege het gezantschap; daarbij zjjn uwe zaken mij gansch niet onverschillig, dat kunt gij wel denken!quot;
âHm! ja!quot; sprak de Ghiselles, en trok een gezicht, of hij zich liefst van die belangstelling had verschoond gezien; âmaar gij begrijpt uwerzijds, dat ik het evenmin kon zjjn voor de uwe.quot;
âDe onze,quot; verbeterde Grimswald, âwant gij zult mij toestemmen, dat ge mee van 't complot zijt.quot;
âNeen!quot; riep de Ghiselles heftig, âdat ontken ik pertinent.quot;
âImpertinent,quot; verbeterde weer de Freiherr, met zijn sarcastische n glimlach; want gij zult toch niet loochenen â voor mij niet althans â dat gij uw deel hebt aan ons eedgenoodschap.quot;
âZeker zal ik dat loochenen, en met alle recht,quot; riep de Ghiselles op hoogen toon.
271
âEilieve! zie dan toch uw lastbrief eens in.quot;
âMijn lastbrief houdt niets in, dan wat ik aan Maurits en de Staten als het klare, simpele doel van mijne zending heb voorgedragen.''
âDat weet ik wel, voor wie niet als gij tusschen de regels kan doorlezen, en er aftrekken alles wat uwe principale zenders daarbij insluiten â de kantteekeningen â de mondelinge instructiën.quot;
âNu ja! maar daarmee behoef ik niet voor den dag te komen, dan in 't gegeven geval, dat gij op u genomen hebt daar te stellen. Van de wijze waarop, den tijd wanneer, de middelen waardoor gij uw doel meendet te bereiken, ben ik altijd onkundig gebleven; ik kan er mijne ziel en zaligheid op verzweren.quot;
âCc n^est pas jurer gros!'''' spotte de Freiherr; âmaar ik had u immers afspraak gegeven voor dezen nacht, om u op de hoogte te brengen van alles.quot;
âDat is wel mogelijk maar ik verlang er niets van te weten.....quot;
âIn dat geval zou uwe onkunde u nog veel gevaarlijker kunnen worden dan de volkomene kennis, die ik u geven wil.quot;
âNeen, neen! ik wil er niets van hooren, niets meê te doen. hebben.quot;
âSchaam u, baron! wees toch zoo bang niet; er valt hier niets meer te doen ! Het plan is in duigen geworpen en â ik ben er blij om, vooral nu ik zie, door welke moedige medehelpers ik gesteund zoude zijn.quot;
âDat zoudt gij gezien hebben, zoo hot er op aangekomen ware den degen te trekken voor de zaak van mijn vorst.quot;
âWel zeker, met den degen te trekken zijt gij overigens ras genoeg, als maar vooraf de dolk hare goede diensten had gedaan, niet waar? Lieden aan wie men zoo iets vertrouwen kan, zijn maar al te zeldzaam, dat heb ik tot mijne schade en schande ondervonden.quot;
272
âDus ziet gij geen kans meer te slagen, gij â die n zoo hebt beroemd rijk te zijn in vonden en hulpmiddelen,quot; spotte nu de Ghiselles op zijne beurt.
âIk heb gebluft, ik moet het met schaamte op het voorhoofd bekennen. Ik zie er van af, de zaak door te zetten. Men kan niet ploegen met ossen en ezels tegelijk, en dan nog met onwillige ossen en waanwijze ezels. Maar ik erken, dat het mijne eigene schuld is. Ik had mijn geheim voor mij zeiven moeten houden en alles alleen moeten beramen en â uitvoeren ; dan ware ik zeker geweest; â maar daarin werd ik niet vrijgelaten. Daar moest priestervolk en zendelingen der Jezuïeten in gekend worden, die â zouden dan uitnemende helpers zijn! en ziet, daar haspelen ze mij den boel in de war, door zotteljjken overijver en plompe voorbarigheid.quot;
âZoo is er reeds iets van uitgelekt?quot; vroeg de Ghiselles Terbleekend.
âIk hoop nog van niet, maar â dat kan niet achterblijven.
Het geheim is zoo bot af aan plomp volk overgeleverd, dat ik voor niets kan instaan, en er mij uit terugtrek met alle recht. Verbeeld u: een bespottelijke en verachtelijke vent, een zekere Blommers, die sedert de reformatie voor dominé speelt, maar nog altijd naar de vleeschpotten der oude Moederkerk bleef hunkeren, was meê van de samenspanning, en had zich aangeboden ons eene veilige schuilplaats te verzekeren, zoo voor onze geheime samenkomsten, als tot berging van vermomming en wapenen, die wij noodig konden hebben. In de ruïne eener abdy, dicht in de buurt van Delft, bevinden zich gewelven en onderaardsche gangen, waarvan hij de ligging kende en â wat het meest beteekende, waarvan hij den sleutel bezat, door toedoen van een zijner leeken, eigenaar eener hoeve in de nabijheid â en die zoo goed Katholiek in 't harte was, dat hij niet eens veinzen wilde tot de Geuzenkerk over te gaan; die man was dus te vertrouwen, en Pater Blommers stond voor
273
hem in. Maar deze zelf schatte zijn eigene verdienste zoo hoogst gewichtig en onmisbaar, dat hij meende het hoofd der samenspanning te zijn, en in belangrijke punten op eigen gezag handelde, zonder mij daarin te kennen, mij zijnerzijds ten kwade duidende, dat ik hem niet in alles raadpleegde wat ik Toornam te doen. Zoo werd ons complot eigenljjk een draak met twee hoofden, eene misgeboorte, die geene levensvatbaarheid had, zooals ook wel bleek. Verbeeld u: ik had bij mij zeiven vastgesteld dat de catastrophe slechts één verantwoordelijken uitvoerder zou hebben, dien wij den aftocht mogelijk zouden maken na de volbrachte daad.quot;
âEu bij mislukking?quot;
âOpenlijk verloochenen, zonder hem daarom in den steek te laten. En terwijl ik zoekende ben naar mijn man, terwijl ik dien zelfs meen gevonden te hebben â wat doet me de linker â eigenmachtig kiest hij handlangers zijnerzijds, en vertrouwt, nota hetie, aan een troep zwervende soldeniers een deel van het geheim, precies zooveel om hen nieuwsgierig te maken naar de rest, stopt hun geld in de handen, bij wijze van voorsmaak, en stelt ze alzoo in de gelegenheid zich dronken te drinken en in de taveerne uit te brallen, dat er een onderhandsch werk op til is, waarbij hunne hulp wordt vereischt. Ik behoef u niet te zeggen, dat zulke praatjes nooit in de ijle lucht vervliegen ; de justitie luistert scherp op een tjjd als deze, waarin zooveel volk in de stad is samengepakt, en waar zooveel vorsten en heeren die allicht hunne vijanden hebben, bijeen zijn!quot;
âDe ellendige domkop!quot;
âVan die verstandige maatregelen nog onbewust, ga ik mijnerzijds mijn gang, en geloof mijn man gevonden te hebben in een kalen luitenant, dien ik met de meeste voorzichtigheid ondertast eninalle manieren op de proef stel, eer ik het waag hem opening van zaken te geven.quot;
âOpening van zaken! maar dat was toch lang niet voorzichtig, dunkt me.quot;
Wonderdokter. I. 18
274
âIk moest er toch immers meê voor den dag komen, zoo ik wilde dat hij volvoerde wat ik wenschte; maar de vervloekte schooier was mij te slim: hij had me laten uitpraten en ontkwam mij, toen hij alles wist!quot;
âEn gij!.... verwijt dien ander zijne onhandigheid!quot; beet de Grhiselles hem toe.
âIk heb mij zeiven in dezen niets te verwijten. Ik had alles gewikt en gewogen, en meende zeker te zijn van mijne zaak. Hoe kon ik wachten dat een avonturier sans feu ni lieu, wien de honger en ellende ten oogen uitzag, niet hunkeren zou naar de eerste gelegenheid de beste om honderd pistoletten te verdienen, onverschillig op welke wijze ...quot;
âHet was roekeloos hem zooveel te bieden!quot;
âIk meende hem de oogen te verblinden door zooveel goud te laten schitteren ; . .. en wat denkt gij dat de satansche hongerlijder deed?quot;
De Ghiselles haalde de schouders op met eene laatdunkende uitdrukking van 't gelaat, maar zweeg of hij het beneden zich achtte eene gissing te wagen.
âHij wierp het goud voor mijne oogen in de vaart en sprong van den wagen af, waarop ik hem meende weg te voeren als mijne zekere prooi!quot;
âHij ontliep u.... dat satanskind!quot;
âOp gevaar af van zich den nek te breken, of zelf in het water terecht te komen, ontliep hij â wat hij de verzoeking noemde. Ik loste mijn pistool op hem af, maar het schot miste? en hij ontkwam ... .quot;
âVoorwaar! dat's een coup de mattre van u,quot; viel de Ghiselles uit met laatdunkende bitterheid; âdie schooier, zooals gij hem noemt, zal niet nalaten zijn voordeel te doen met dat schrikkelijk geheim.quot;
âIk heb reden om te gelooven, dat hij er niet veel meê doen kan. Vooreerst kan hij van honger en vermoeienis zijn
275
omgekomen, eer hij Delft heeft kunnen bereiken. Ik had mijn voerman, den voornoemden landeigenaar, een wenk gegeven om zóó te rijden, dat mijn vluchteling geheel gedesoriënteerd moet zijn geweest, toen hij van den wagen aftuimelde, en hij heeft evenveel kans gehad te 's Hage aan te komen als te Delft.quot;
âMaar het is altijd mogelijk, dat hij in eene van die beide steden aanlandt, en gelegenheid vindt om met zoo geduchte aanklacht tegen u op te treden.quot;
âTegen mij! dat zou ik wel eens willen zien,quot; lachte de Freiherr. âHij kent mij alleen als hopman Peter; en hopman Peter is eene fictie, die door geen gerechtshof kan worden ingedaagd, en de Freiherr von Grimswald zal zorgen, dat hij zoo spoedig doenlijk over de grenzen komt, om niemand in de gelegenheid te stellen hopman Peter in hem te herkennen.quot;
âHeel goed; maar die Blommers met zijne adherenten ? '
âDie mogen voor zich zeiven toezien; ik wasch mijne handen in onschuld, en heb mij voor goed van hen afgemaakt. Wat ze verder willen doen of laten moeten ze zelf weten; niemand kan er door in last komen dan hij alleen, de zotskap, die de domheid beging, voor vijf boeven zulk een geheim bloot te leggen.
âHij heeft aan vijf schelmen tegelijk het voorstel gedaan, om den Stadhouder te vermoorden ?quot; vroeg de Ghiselles niet een minachtenden glimlach over die onzinnigheid.
âDat scheelt geloof ik niet veel; zeker is het, dat hij ze van ochtend in de vroegte afspraak heeft gegeven, om aan te vullen wat er nog aan hapert!quot;
âGij hebt hem dat afgeraden, zooals vanzelf spreekt.quot;
âIk heb hem zijne lompheid onder het oog gebracht; maar hij wilde in zijne ezelachtige verwaandheid niet eens bekennen, dat hij er eene had begaan; hij bleef volhouden,-dat hij het zijne had gedaan om mijn ontwerp te doen slagen, en begeerde, dat ik hem van de middelen zou voorzien om do zaak verder
276
door te zetten, die ik natuurlijk weigerde. Wij kregen daarop hooge woorden, en ik maakte mij weg, eer het Yolkje van zijn aanhang kwam opzetten; hij kan hun zelf zeggen, waarom ik niets meer met hen te doen wil hebben, en ze moeten nu maar weten, of ze nog lust hebben om met hem in dat vuil rond te plassen. Ik voor mij acht Maurits zoo veilig als een kind in de wieg: maar ik wil het uitbarsten van hun bom niet afwachten ; mot het aanbreken van den dag moet ik de poort uit. Maar geef mij nu eindelijk eens wat te eten en te drinken; ik kom niet van een banket, en gij hebt mij laten praten tot mij de keel droog werd.quot;
Ik had mijn dienaar belast u van alles te voorzien wat gij verlangen mocht,quot; sprak Ghiselles, terwijl hij naar het dressoir ging, en daaruit een tinnen schenkkan met wijn en twee zilveren bekers te voorschijn bracht, die hij voor den Freiherr neêrzette, die zich inschonk en antwoordde: âUw bediende heeft geene schuld, hij was al weg eer ik hier kwam; de vrouw des huizes heeft mij ingelaten, eene goede sloof, die mij nauwelijks wilde toestaan naar boven te gaan in uwe absentie, een uur vóór middernacht; zij vond het wat laat voor vriendenbezoek.quot;
âIk kan haar geen ongelijk geven, al begrijp ik dat gjj niet vroeger zijt gekomen, wel wetende, dat ik er toch niet zijn zou,quot; zei de Ghiselles met een strak gelaat. âZiehier brood eu ham, dat is alles wat ik u op het oogenblik heb aan te bieden, en die karige gastvrijheid kan mij nog duur genoeg te staan komen; want uw verblijf in mijn logies kar. mij nog verdacht maken, als er iets van uw mislukt complot uitlekt.quot;
âVooreerst moet ik u doen opmerken, dat hetgeen gij mijn complot noemt niet mislukt is ââ maar, dat ik er van afgezien heb; ten tweede zouden erin geval van onheil nog wel andere oorzaken van verdenking tegen u kunnen oprijzen, dan de omstandigheid dat ik den nacht in uw logies heb doorgebracht.quot;
âGij weet zelf wel beter, al wilt gij mij onrust aanjagen. Gij
277
weet heel goed, dat ik nooit veel op heb gehad met uw plan, om geweld te gebruiken . ..
â't Is waar, list is beter uwe zaak; â maar gij waart toch zeer gezind de vruchten te plukken, die er, na het slagen, voor u uit gevolgd zouden zijn.quot;
âIk zie niet dat er voor mij zooveel meê te winnen viel. J)o Prins van Oranje, die er niet in geraadpleegd is, kon het wel eens zeer kwalijk opnemen, dat men das tegen zijn broeder geageerd heeft..
âDaar behoeft ge niet voor te vreezen. Philips Willem is door religie en opvoeding aan de Spaansche zijde, en men zal hem wel geene groote hartelijkheid hebben ingeboezemd â jegens zijne verwanten in de Nederlanden; daarbij ... is Maurits slechts zijn halve broeder, dien hij nooit heeft gekend; en al waren zij kinderen van dezelfde moeder, nog spreekt bij Vorsten het bloed doorgaans niet zóó sterk, dat het de stemme der eer en heersch-zucht overschreeuwen zou; gij weet bij u zeiven â wat een half broer te beteekenen heeft, tegenover groote belangen.quot;
âquot;Waarheid is, dat de Prins zijne grieven heeft tegen Mariaâ zijne eigene zuster, en Maurits beiden â die met elkaar in proces liggen om hot voorrecht, wie hem het meeste zal be-rooven van het beheer en de inkomsten zijner goederen, bij zijne gedwongen absentie; de voorstellen die ik heb te doen, getuigen van zijne geheime verbittering op dit punt. â Ja, gij kondet gelijk hebben: zonder de daad aan te moedigen, zou hij wel eens in 't heimelijk voldaan kunnen wezen met de wrake, die men hem had verschaft.quot;
âZoo zie ik het ook; en daarom, als men van den rozelaar plukken wil, moet men niet schromen zich aan de dorens te steken; dies had ik het voornemen gevat mjjn meester te wreken. en tegelijk aan verschillende vorsten, om niet te zeggen aan de gansche Katholieke Christenheid, een notabelen dienst te doen, met een ontwerp door te zetten, dat al zoo vaak was
278
opgevat en toch weêr opgegeven door anderen; en het zou mij gelukt zijn, zoo ik mij niet in de keuze van mijn instrument bedrogen had; maar de scherpzichtigste kan zich verkijken, en nooit heb ik mij dus in eene persoonlijkheid bedrogen, als juist in die van dien berooiden luitenant, op wiens dienstvaardigheid ik mijn hoofd had willen verwedden!quot;
âGij waart dan sinds lang met hem bekend?quot;
âWel neon! maar dat was ook niet noodig. Ik had hem geobserveerd bij de spelen onder zijne soldaten; ik begreep, dat hij een dier rampzalige gecasseerde officieren moest zijn, die met hun volk zoo goed als van den roof moeten leven. Ik lokte hem met mij meê, door 't vooruitzicht van een goed maal en de aantrekkingskracht van wat klinkende munt, ter goeder uur hem in de hand gestopt; hoe kon ik denken, dat een zoodanige nog vooroordeelen kon hebben? Over conscientie-bezwaren was hij heen, en na hem lang en breed uitgehoord te hebben, wist ik voorzeker, dat hij meer reden had om de Nassaucrs te vreezen en te haten, dan hen voor te staan. Maar wat zal ik zeggen, hij heeft zekere eigenschappen, die hem altijd in de laagte zullen houden: trots op zijne afkomst, want hij moet van goede geboorte zijn, en zekere zottelijke weekhartigheid, die hem zeer ten ontijde schijnt te overmeesteren; zonder dat â had ik alles met hem kunnen doen, wat ik wilde.
âZiezoo, uw Spaansche wijn is van goede herkomst, en ik voel er mij door verkwikt; drink nog een beker met mij, en laat me dan een paar minuten in uw armstoel rusten, als ik u geen overlast doe; bij 't aanbreken van den dag stijg ik te jiaard----quot;
â'tls mij aanbevolen u zooveel in mijne macht is ten dienste te staan â dus ook in dezen; â maar waarom gaat gij niet uwe rust nemen in uw eigen logies?quot;
âUit voorzichtigheid. Ik ben hier ingekwartierd bij iemand, die veel correspondentie houdt met Pater Blommers. en ik heb besloten aan dezen mijn spoor te doen verliezen. Ik huur straks
279
een paard bij den herbergier aan de poort, en als ik eens in den Haag ben, zal mijnheer Lonchijn mij wel voorzien van een deugdelijk paspoort, om naar mijn land terug te keeren.quot;
âSinds gij tot het gezantschap behoort, zie ik niet, waarom gij zooveel haast maakt om over de grenzen te komen.quot;
âIk heb mij reeds te Brussel bij het Luiksche gezantschap aangesloten, om zonder bezwaren hier in 't land te komen, dat is waar; en Pater Blommers, die mijn waren naam niet kent, gelooft dat ik er toe behoor; maar zoo hij in zijne onhandigheid of uit wrok mij kwaad ging brouwen, begrijpt gij toch wel, dat de qualiteit van particulier secretaris bij messire Lonchijn, mij al heel weinig baten zou; die achtbare Heeren kunnen toch een mislukten aanslag niet voor hunne rekening nemen â en de tabberd der gezanten is geenszins de mantel der liefde, die den schuldige zou bedekken.quot;
âMaar ik meende toch, dat zij niet onkundig waren ....quot;
âMein Hebster! wat zijt gij naïef! Ik alleen ben aansprakelijk; zij zijn in hun goed recht om mij volstrektelijk te verloochenen, daar heb ik vooruit op gerekend. Wat u aangaat, ik zou u wel aanraden, om de reis met mjj meê te maken, al ware 't maar voor eene korte absentie, om het onweêr te ontgaan, dat mogelijk ook over uw hoofd zou kunnen losbarsten.quot;
âIk? ik bedank u wel. Ik zal mij niet uit eene goede positie laten verdrijven, door eene paniek .. ..quot;
âIk wil u geen paniek op het lijf jagen. Ik wil u alleen waarschuwen, omdat er mogelijkheid bestaat, dat gij in de zaak gehaald wordt, voor 't geval dat er iets uitlekte.quot;
âIk? ik heb nooit iets met uwe zaak te doen willen hebben, dat weet gij zelf wel....''
âHm! hm! ik kan u dat niet zoo gaaf toestemmen; wie anders dan gij heeft mij geld voorgeschoten .. . .quot;
âDaarvan zijn geene bewijzen, en gij zelf zoudt me toch niet verraderlijk in 't verderf sleepen, te minder daar ik u altijd nog
280
yan dienst zou kunnen zijn, als ik buiten de quaestie blijf
âJa, ja! daar zegt gij zoo iets, en ik hoop, dat er het zoo meê zijn zal; maar.... om de waarheid te zeggen, ik vrees dat het wel eens anders kon uitvallen. Ik herinner mij iets, dat mij in de uiterste verlegenheid brengt; het kan nog wel goed afloopen, maar, indien niet â indien de zaak door den luitenant uitkomt, dan is het maar al te zeker, dat gij meê gecompromitteerd zjjt.quot;
âJudas! dat hebt gij met opzet gedaan!'' riep nu de Ghiselles, opspringende en hem in de borst vattende.
Maar de kloeke Duitscher slingerde den slanken Belgisehen edelman van zich af als een lastig insekt, terwijl hij met koelen, spot zeide:
âWel zeker! dat zou eene goede berekening zijn van mij. Ik raak al vast in ongenade bij mijn meester, en dan nog den toorn van Fuentes op mij te laden, omdat ik zijn gunsteling in de klem bracht, en het mij zeiven op die wijze overal tegelijk te bederven! Kom aan, de Ghiselles, gij zijt veel te verstandig om van iemand, die zijne gezonde hersens heeft, zoo iets te denken. Maar zooals Homerus zelf somtijds wel eens dommelt, zoo heeft ook de omzichtigste samenzweerder zijn kwaad half uurtje, waarin eene kleinigheid zijne aandacht ontgaat, en die kleinigheid kan hem ten verderye brengen. Ziedaar, wat, vreeze ik, mijn geval is; ik heb de onvoorzichtigheid begaan den brief van uw vader aan messire Lonchijn met uwe quitan-tie in de beurs te steken, waarin ik de pistoletten geborgen heb, die ik van u heb ontvangen; in diezelfde beurs, die ik later, zonder daaraan te denken, den luitenant in de hand heb gedrukt! â en zoo hij die beurs niet tegelijk met het geld in hot water heeft geworpen, zijn wij waarachtig allen in zijne macht; dan weet hij nu wie hopman Peter is en wie zijne vrienden zijn, en dan kan hij gissen, wat de baron in zijn schild voert.quot;
281
âGeene medeplichtigheid aan uw gevaarlijk spel!quot; riep de Ghiselles, bleek van ontzetting.
âHoe zult gij dat bewijzen! De termen van den brief, waarin uw heer vader messire Lonchijn aanbeveelt u die aanzienlijke som uit te betalen, zijn juist geheimzinnig genoeg om er alles uit te maken wat men er in lezen wil. Stelt daarbij medebe-wustheid niet tevens medeplichtigheid daar? Uwe eigene zaken, hier, zijn daarbij zóó klaar niet, dat men gansch geen vat op u zou kunnen hebben â en dan â-de antipathie der Egmonds helpende .. . .quot;
âMaar ik zeg u, ik wil niet in die strikken verward worden,quot; riep de baron met hevigheid; âliever zal ik mij zeiven zuiveren, ton koste van alles
âHm! ja! daar zegt gij zoo iets, door op te treden als aanklager en verrader vóór de uitbarsting,quot; viel de 1'reiherr in, even het hoofd schuddend.
De baron had niet naar hem geluisterd, maar zat, met beide handen het hoofd steunend, als in diepe gedachten verzonken.
Komaan! beraad n maar niet zoo lang, maak uwe schikkingen voor de afreis,quot; sprak von Grimswald, hem de hand op den schouder leggende; gij ziet, dat gij niet beter doen kunt dan mijn raad te volgen.quot;
âNeen! dat zie ik nog niet,quot; hernam de baron opziende. Zijn oog glinsterde, zijn gelaat werd als verhelderd.
âIk zal u zooveel reisgeld geven als gij noodig hebt, maar ik zelf ga niet mee. Ik zal wel weten mij op andere wijze te redden zóó er iets uitlekt, wat immers nog lang niet zeker is. Zeg mij alles wat gij weet van den ellendeling, aan wien gij uw geheim zoo onvoorzichtelijk hebt overgeleverd; acht gij hem in staat misbruik te maken van zijne ontdekking?
âIn zijn geval zou het .alleen een zeer geoorloofd gehruik zijn, en om de waarheid te zeggen, ik acht hem wel in staat om er zijn voordeel mede te doen, wat de intentie betreft; maar
282
de executie zal moeielijkheden voor hem in hebben, die hij denkelijk niet zal te boven komen. Vooreerst, zooals ik zeide, is er veel kans, dat hij ergens onderweg zal bezweken zijn van koude, vermoeienis en honger, onder de dikke, vochtige mist, waarin hij moest ronddwalen, dat mij waarlijk spijten zou, zoo ik maar wist, dat hij ons geen kwaad kon brouwen; want ik voelde mij tot hem aangetrokken, anders had ik mij natuurlijk niet aan hem gewend; vervolgens zit hij zoo slecht in de veêren, dat hij zich bij geen fatsoenlijk mensch zal durven aanmelden om zijne aanklacht voor te brengen, en zoo hij het waagt, niet licht gehoor of vertrouwen zal vinden, en 't geen ons nog beter te stade komt, hij scheen mij toe zelf zoo weinig ins reine te zijn met de heilige justitie, dat hij zich wel tweemaal bedenken zal, eer hij zich aan schout of schepeien gaat vertoonen, op gevaar af van zelf het eerst ingerekend te worden.quot;
âMaar weet gjj niet waar hij te vinden is, waar men hem op kan zoeken om â mogelijk â door goede woorden en groote beloften zijn stilzwijgen te koopen ?quot;
âAls hij daarmeê te verlokken ware geweest, zou hij immers mijne pistolen niet in 't water hebben geworpen ? Zulke zwervers hebben zelden een vast en avouabel verblijf: ik meen verstaan te hebben dat hij inwoont bij de vrouw van een zijner soldaten. Het mooiste van alles zou nog zijn, zoo het van zijne soldaten waren geweest, die Pater Blommers had willen omkoopen; dan hadden we de poppen liefelijk aan 't dansen.quot;
âHoe kunt gij er nog over schertsen, gij weet toch zijn naam?quot;
âDat's nu eene vraag. Begint men dan dergelijke re'.atiën met zich aan elkander voor te stellen bij naam en toenaam? Hij kent mij als hopman Peter, ik moest hem simpellijk Juliaan noemen; maar of hij zoo op het doopregister staat ingeschreven, dat's de vraag. Wel liet hij me doorzien dat hij van geboorte is, en een nobel wapenschild omhoog zou kunnen heffen, zoo hr er zich zelf niet te schamel toe achtte en zekere familie-omstandigheden het
283
hem niet schenen te verbieden; maar daar valt mij in, dat gij hem moet gezien hebben en bijgevolg herkennen kunt.quot;
rik!quot;
âBij het uitrijden van het krijtveld, was hij het, die uw paard aanhield, en zich zelf daardoor in moeielijkheid bracht, waar ik hem uithielp.quot;
âDie? die? Bedriegt gij mij niet met valsche hoop?quot;
âWaarom zou ik u hierin bedriegen; maar wat helpt het u â¢dat het juist deze persoon is.quot;
âOmdat het dan niemand anders kan zijn dan... dan die Juliaan van Egmond zelf, dien ik wel zal uitvinden, en tegen wien ik zooveel wapenen heb als ik maar grijpen wil.quot;
âIn elk geval dan, uw broeder.'.'
âPrecies, zooals Maurits dat is van den Prins van Oranje.quot;
âBegrepen!quot; hernam de Freiherr, âmaar vergis u niet â mijn Juliaan gaf mij te kennen dat zjjn vader geen Vliesridder is, en de baron de Ghisolles . ...quot;
âIs eerst in de orde opgenomen, na het vertrek van den hertog van Alba, toen reeds alle communicatie tusschen Juliaan en zijn ouderlijk huis had opgehouden.quot;
âNu messire Juliaan!quot; ging de Ghiselles voort, met satansehen gloed in het oog en met een kwaadaardigen lach: ânu is de zaak tusschen ons, en ik hoop u ditmaal schaakmat te zetten voor eeuwig!quot;
âMij dunkt toch, dat hij in dezen de schoonste kans vóór zich heeft.quot;
âJa, maar ik zal het spel weten om te keeren, en daarmee is 't gewonnen. U Freiherr von Grimswald zal ik in staat stellen tot een snellen aftocht; maar eerst moet gij mij nu een volkomen inzicht geven van den geprojecteerden aanslag.quot;
âDaar even waart gij te preutsch om er van te hooren . . ..quot;
âNu moet ik er alles van weten, zelfs datgene wat gij dien Juliaan verzwegen hebt: tijd en wijze der uitvoering.quot;
284
âWaartoe zal het n dienen, nu er toch niets van komt.quot;
âIk zal er mee handelen naar bevind van zaken. Ik weet wel, wat ik vraag kost ons de nachtrust; maar . . ..quot;
âPlicht gaat voor gemak; gij zult alles hooren !quot;
Wij laten den Freiherr vertellen wat wij reeds weten, en â gaan omzien naar de soldaten van Juliaan.
Zij waren zoo verrast en verbluft, door het onverhoeds weg-vlieden van hun luitenant, dat zij er niet aan dachten hem terstond te volgen en te achterhalen. Van de eerste verrassing bekomen, begrepen zij echter, dat zij, door te blijven, zich in de hachelijkste positie zagen gebracht. Het voorgevallene met Bastiaan kon niet lang meer verborgen blijven. Zijne vrouw zou ongeduldig, ongerust worden, zij zou naar hem komen omzien, en â zoo zij hem daar vond liggen als een lijk, in hun midden â leed het geen twijfel of zij zouden voor de schuldigen worden gehouden; en al zwoeren zij ook de duurste eeden op hunne onschuld, zij konden alleen hun luitenant beschuldigen, zonder zeiven de verdenking te ontgaan van medeplichtigheid. Met hem aan te klagen waren zij toch niet gered, en de meesten hunner achtten dit snood verraad, terwijl allen gelijkelijk huiverig waren, om op eenige wijze met de justitie in aanraking te komen; zij wisten maar al te goed hoe deze er meê leefde.
Le Juge prétendait Qu'a tort ou ii travers L'üii ne saurait l'aillir,
Coiulaniiiiint un pervers.
Al had la Fontaine het nog niet gezegd, er werd naar dien regel gehandeld door de Gestrenge Heeren van het tijdperk, en 'de soldaten wisten het zoo goed, dat zij het in een ommezien eens waren, dat zij geene andere partij te kiezen hadden dan de vlucht. In alle haast pakten zij nu bijeen wat zij van het hunne konden grijpen en dragen, en spoedden zich toen weg, zonder zelfs naar den gevallene om te zien.
285
Maar zij hadden niet, als Juliaan, een scherpen prikkel van smart en schuld, die hen voortjoeg, en eens buiten de buurt, hielden zij stand om te overleggen wat nu te doen. Als zij, zonder gejaagdheid met een geregelden krijgsmansstap voortgingen, konden zij door de dienaren van den onderschout worden aangezien voor een rot voetknechten, die eene wacht moesten betrekken, of gezamenlijk hun kwartier gingen opzoeken, nadat ze wat lang in de taveerne hadden zitten drinken en dobbelen. Met hun vijftienen konden ze desnoods het hoofd bieden, aan elk die, met deze uitlegging niet tevreden, hun in den weg trad om een gevaarlijk onderzoek aan te vangen. Bij-eenblijven was dus zaak; maar, waarheen met hun allen, was de vraag. Den ganschen nacht rondzwerven, dat ging niet; â daarbij wat dan aan te vangen in den morgen, als het geval met Bastiaan zeker was uitgelekt, en diens vrouw niet zoude nalaten hare klachten in te brengen bij de justitie, met aanduiding van de gevluchte soldeniers, als do vermoedelijke daders! Een onderkomen moesten ze hebben; â maar waar? Wie zou ze herbergen, zoo met hun vijftienen? â En ieder op zich zeiven? ~ Wie zou een eenzamen zwerver zoo maar innemen in dit nachtelijk uur? Zoo suften ze en tobden ze, tot oj) eens Bernard uitviel met een ruwen vloek, dat ze wel oliedom waren van zich nog te bedenken, want dat de taveerne van gele Fij als van zelve voor hen openstond! In de vroegte werden zjj er toch verwacht â dan was het nu maar wat heel vroeg! Op een uur of wat zou de âGelequot; niet zien, die zeker was er haar profijt van te trekken, en die hen desnoods wel een zolder of eene schuur kon aanwijzen voor slaapplaats, tot het oogenblik van de samenkomst met den Jezuïet daar zou zijn. Zij was toch zeker mee in 't geheim, en zou zich wel wachten hen af te wijzen, die door een betaalmeester met zoo'n gespekte beurs als de âWaterlandsehe boerquot; waren ingehaald. Dit voorstel vond eenstemmige toejuiching; lange Mich alleen deed opmerken.
286
dat zij het eene gevaar ontliepen om het andere in den mond te snellen. Er was, dit wisten ze immers nü, sprake van vorstenmoord, en als zij dezen eersten stap deden, moesten ze ook tot den tweeden komen, en liepen ze willens en wetens in den strik.
âGekheid!quot; zet Bernard, âprinsenmoord! wij behoeven immers niet te schieten als we niet willen; en desnoods schieten wij op den Jezuïet zelf, dan maken wij ons nog verdienstelijk toe ...
Michiel wist er niet veel meer tegen te zeggen, al scheen hem de zaak nog zoo hachelijk. Het denkbeeld eene schuilplaats te hebben, was in hun toestand te uitlokkend, om niet over al het verdere heen te zien, en zoo werd het voorstel van Bernard tenuitvoergelegd.
De herberg van gele Fij, wij behoeven het nauwelijks te zeggen, was eene slecht befaamde. Wervers en ronselaars, ziel-verkoopers bijgenaamd, spreidden er hunne netten uit, om er berooide hoofden en onnoozele halzen in te vangen. Eerlijke werklieden en ordelijke soldaten werden er dan ook in (len regel niet aangetroffen, tenzij zij zich lieten verlokken door het âsoopje toeback,quot; dat niet overal te verkrijgen was. Maar het âtoebackshuisquot; bood geen vrij logies, en na het vroege avonduur, dat door verordening der politie gesteld was tot het sluiten van alle taveernen en taphuizen, mocht er geen gast meer worden toegelaten. Ook vonden onze soldeniers er de deur gesloten, licht en vuur gebluscht, en de vrouw des huizes, met de haren, in diepe rust. Maar dit was een extraordinair geval, en zij hadden den sleutel om zich die deur te doen openen en herbergzaamheid te erlangen. Al ging het niet met gulle bereidwilligheid, de tegenstand werd overwonnen en de zwervelingen trokken de schuilplaats binnen. Of het goede berekening was, dat zij juist deze gekozen hadden, betwijfelen wij, daar de politie in den regel het meest het oog houdt op ver-
287
blijven van deze soort, en de persoon van gele Fij zeer wel met den onderschout in geheime verstandhouding kon staan, als aanbrengster van kwade praktijken, zooals destijds het gebruik was, zonder dat de handhaver der gerechtigheid zich eenigs-zins verkleind achtte door zulk een illoyale handelwijze. Maar zoo gele Fij ter eenere zijde de verklikster kon spelen, was het daarom niet gezegd, dat zij ter andere niet de heelster wilde zijn van eenig misdrijf; de vraag was maar, welke dispositiën zij had, en of zij ter rechter of ter linker zijde hare belangen het best verzekerd achtte. Onze soldaten moesten het er op wagen.
HOOFDSTUK X.
Hot was Jacob Jansz. niet gegund rustig te bljjven doorleven: een diepe zucht, een ontroerd rwaar ben ik!quot; eens klacht van angst on benauwdheid klonk hem in de ooren, en hij spoedde zich ter hulpe en geruststelling naar zijn lijder.
Hij had zijne lamp zoo geplaatst, dat haar schijnsel alleen hem zeiven liet noodige licht schonk en den slapende in het duister liet, om diens rust te meer te verzekeren; deze echter, bij quot;t ontwaken uit een benauwden en verwarden droom, werd door die duisternis verschrikt en beangstigd. En, of al Gras-winokel zich haastte den lamp om te keeren en schielijk tot hem te gaan, hij herkende niet terstond in den man met den grijzen, versleten huispels, don doftigen burger dien hij had aangerand. âBen ik hier in de gevangenis; zjjt gij mijn cipier?quot; vroeg hij, starende op de kale, kille wanden, en richtte zich op in woeste ontzetting, waardoor het kussen aan zijn hoofd ontviel en de mantel weggleed van zijne leden.
âZacht wat, zacht wat, mijn vriend! houd nog wat rust; al hebt gij goed geslapen, denk aan uwe wonde,quot; sprak Jacob Jansz., terwijl hij hem minzaam de hand op don schouder logde; âgij zijt hier in mijne woning, als mijn gast, en ik ben uw vriend, uw geneosheor .... Laat mij even den pols voelen! Wel! dat gaat goed, het bloed is nog wat ontsteld van den zwaren.
289
koortsachtigen slaap; maar 't gaat vrij beter dan we konden wachten. Sta me toe u wat te verluchten.quot;
Al sprekende, had hij het enge wambuis losgeknoopt, en den hals vrijgemaakt van het hinderlijk vod, dat voormaals een deftige kraag was geweest, maar nu als een wrong de keel beklemde.
Die diensten schonen werkelijk doel te treffen; Juliaan slaakte een zucht van verluchting, en liet zich het kussen weer onder het matte hoofd terecht schikken; maar toen Graswinckel den mantel had opgeraapt, on hom daarmede zorgelijk wilde toedekken, scheen hij zich op oens alles te herinneren en riep hij, terwijl hij zich omkeerde, met schrik: âGij mij goed doen, gij! gij weet niet welk een snoodaard ik ben; hij, dien ik verslagen heb, was mijn weldoener, ik ben een gevloekte, een verlorene !''
âEen gevallene, dat kan zijn,quot;' hernam Graswinckel, terwijl hij hem de hand op hot voorhoofd logde, en zachtelijk dwong het gelaat naar hem toe te keeren; âmaar gij zult weer opstaan : ik heb goeden moed daarop.quot; Tegelijk zag hij hom aan met een blik vol ernst en diepe meewarigheid, waaraan Juliaan niot eens moer trachtte te ontkomen; integendeel, hij hief de oogen tot hem op, als smeekte hij om hulp en redding; reeds werd dat alles hem toegezegd in het milde woord:
âWees getroost! daar gaat niemand verloren die behouden wil worden; kent gij do gelijkenis van den verloren zoon?quot;
âJa, ja! maar al te goed,quot; riep nu Juliaan met zekere heftigheid, terwijl hij zijn hoofd weèr afwendde; âmaar spreek gij mij daar niet van, dat kan ik niet dragon, dat doet me hof bloed koken in de aders, dat is mijne geschiedenis niet.quot;
Het is do geschiedenis van iederen zondaar, die zich bekeert.quot;
âNiet de mijne, zeg ik u!quot; hernam Juliaan met bitterheid. âZoo het de mijne ware, zou zij heel anders luiden; dan zou er geschreven staan, hoe een vader zijn zoon verstiet in do
Wonderdokter. T. ^
290
teêrste jeugd, en hem de wijde wereld injoeg, ten prooi aan alle verlokkingen en ellende, bezwaard met zijn vloek! van een vader, die zijn bastaard de plaats geeft van den wettigen zoon, omdat deze vleier en oogendienaar is. Spreek mij van God als een gestreng rechter; een streng rechter kan nog billijk zijn, maar ik kan niet hooren dat men Hem vergelijkt bij een vader, sinds er vaders zjjn als de mijne!quot;
â't Is een aanschouwelijk beeld van Zijn Hemelschen Vader, door Gods eigen Zoon ons voorgesteld!quot;
âZooveel te erger! Wat kau ik wachten van een God, die zich bij een vader laat vergelijken, als hij toch weten kan dat er zulke vaders zijn!quot;
En Juliaan bleef nu overeind zitten in den leuningstoel, en staarde zijn verpleger aan met een vasten, uittartenden blik.
âEn uwe moeder? Heeft die u ook verstoeten?quot; vroeg Gras-winckel met zachten nadruk.
âMijne moeder! O! dat is wat anders. Zij heeft zelve bitterlijk geleden, omdat zij haar eenig kind niet wilde opofferen. W ee mijner! zij heeft ook door mij geleden, sinds ik op den kwaden weg ben geraakt, dat weet ik maar al te goed;quot; en het brandende oog van den lijder vulde zich met een helder vocht, dat hij echter haastig, schaamachtig wegvaagde.
âWelnu!quot; hervatte Graswinckel met vriendelijken ernst, âdiezelfde God, dien gij berispt en wantrouwt, omdat hij zich bij den vadernaam laat noemen, heeft tot uwe geruststelling en vertroosting gezegd âzoo zelfs eene moeder haar kind kon verlaten (en er zijn onnatuurlijke moeders, zoowel als haravochtige vaders), nochtans zal ik u niet verlaten. Wees er dus zeker van, dat die God, dien gij door uwe afkeerigheid hebt gehoond en bedroefd, u roept en noodt om tot Hem weêr te keeren, met meer dan moederlijke teederheid!quot;
Juliaan schudde droevig het hoofd.
âAl kon ik dat gelooven, nog zou ik niet kunnen komen
291
op zulke noodiging. Zoo diep rampzalig en verachtelijk als ik weet te zijn, zou ik nimmer meer tot mijne moeder willen \ve-derkeeren, om haar niet van schaamte en zielesmart te doen sterven; hoe wilt gij dan dat ik mij nog, zooals ik nu ben, zal wenden tot God, als er een God is, hetgeen men wel zou betwijfelen, als men het kwaad en het onrecht aanziet dat er gepleegd wordt, terwijl men elkander toeroept dat God Alwetend en Almachtig is. Dat gaat niet! dat begrijpt gij zelf wel; zulke woorden zijn geschreven voor goede, vrome lieden, die wat zijn afgedwaald, maar niet voor zulken als ik ben â die zich nooit om God noch Zijn gebod hebben bekommerd.quot;
âMaar Hu heeft zich om u bekommerd, arme verdoolde! Hij heeft zoo groote deernis met u, dat Hij Zijn eigen Zoon in de wereld gezonden heeft, om u te verlossen van zonde en dood, en tot het leven en de zaligheid te brengen!quot;
âVoor mij!quot; riep Juliaan met levendigheid, terwijl zijne oosen schitterden; maar plotseling trok een sombere wolk over zijn voorhoofd, de wolk van den twijfel; de glimlach der ironie speelde weer om zijn mond, en hij wendde zich af met een schouderophalen, terwijl hij sprak:
âO! ja! dat wordt er gepreêkt, dat herinner ik mij wel; maar hoe kunt gij toch zeggen, dat het mij geldt â gij weet niets van mij, niets, en als gij het wist, zoudt gij zóó niet spreken.quot;
âIk weet alleen van u, dat gij een zondaar zijt, of â meent gij zelf wellicht anders?quot;
âIk heb u immers gezegd, dat ik een ellendeling ben, het leven onwaard, en zeker ter helle gedoemd, zoo er iets dergelijks als die vuurpoel bestaat.quot;
âWelnu! ziedaar alles wat ik noodig heb om met volle verzekerheid te zeggen: de gelijkenis van den verloren penning past op u. Het treffendste beeld van de zoekende liefde Gods, die niet schroomt zich met stof en slijk te verontreinigen, om
292
op te rapen wat hot diepst is gevallen; die gecne rust heeft eer zij hot verlorene gevonden heeft, die zich verheugt over de vondst, hoe schijnbaar klein van waarde, en dio wil, dat alle gezaligden zich daarin mede zullen verheugen met hemelscho vreugde.quot;
âIk zeg u dat hot aanlokkelijk klinkt, en dat ik mij door uwe liefderijke woorden voelo aangetrokken; maar .... wat baat mij dio schoone vinding?quot;
âHot is geene vinding van mij, het is Gods eigen woord, dat het u als waarheid verzekert. Luister!quot; en Graswinckel wendde zich naar zijn lessenaar en nam zijn Bijbel in handen.
âDat niet! uit barmhartigheid, dat niet!quot; riep Juliaan, als in eene vlaag van woeston waanzin met beide handen een afwerend gebaar makend. âGij meent genoog van mij te weten, omdat gij mij kont als eon die straatroof pleegde en zijn vriend versloeg; maar als ik u zeg, dat ik met opzet den Bijbel van dien vriend in hot vuur heb geworpen, omdat hij mij daarmee kwelde on ergerde, en dat gevecht tusschen ons is ontstaan, waarbij ik hom noêrlei â zult gij dan nóg zeggen, dal hij voor mij is geschreven?quot;
âOok voor u! mits gij niet blijft volharden in deze verwerping.quot;
Juliaan antwoordde alleen met een schouderophalen on wendde het hoofd af.
âIs uwe vijandschap tegen God, uw afkeer van Zijn woord, dan zoo heftig, zoo beslist?quot; hervatte Graswinckel op een toon van ontroering, waarin zijne diepe meêwarighoid trilde.
âAfkeer? ja! Ik heb afkoer van alles wat mij wordt opgedrongen; maar daar zat hot hem niet; ik kon niet gedoogen dat mijn ruw soldatenvolk zich vroolijk maakte over het Boek, door mijne moeder in hooge oor gehouden.quot;
âGod, die niet aanziet wat voor oogon ligt, zal bij do ruwe daad de goede bewegingen des harten op haar prijs stollen ?
293
Maar sinds gjj eene vrome moeder hebt gehad, kunt gij niet ganseh vreemd zijn gebleven aan den dienst en de kennisse Gods. Zijt gjj opgevoed in de Gereformeerde Keligie ?quot;
âMijne moeder behoorde daartoe, naar ik meene; zij ging althans ter sluiks de sermoenen der rondzwervende predikers hooren, en zij heeft niet verzuimd mij dat geloof met geestdrift aan te bevelen; maar hare beeltenis, zooals zij over haar geliefden psalter heengebogen zat in haar closet, is mij beter bijgebleven dan hare woorden. Ik was al van kind aan in de Roomsche kerk opgebracht, en in het huis waar ik meest verkeerde, ging men trouw ter misse; ik mee, zonderdat ik er veel uit overgehouden heb dan stillen wrok tegen de priesters en papen, die gemeene zaak maakten met den Spaansehen dwingeland, om jammer en ellende te brengen over het vaderland. En toen ik, eens uit mijne familie verstoeten, in den vreemde rondzwierf, heb ik mij niet meer met de religie ingelaten, tenzij om mij goed Geus te toonen, als het er op aankwam om te vechten voor de zaak der vrijheid en tegen den Spagnool.quot;
âDat behoefde u toch niet te beletten kennis te nemen van de Heilige Schrift; daar zjjn vrome aanvoerders, die hunne onderhoorigen in dezen met oen goed exempel voorgaan.quot;
âVoorzeker, zoo zijn er! en ik heb het voorrecht gehad onder dezulken te dienen,quot; hernam Juliaan met een sareas-tischen glimlach. âMaar als men dan bevindt, dat die vrome aanvoerders, die in de veldtent met den Bijbel op den schoot zitten, het grofste en wreedste onrecht plegen, zonderdat hunne consciëntie er meê bezwaart schijnt, dan . .. ziet men, om de waarheid te zeggen, het nut van zulke vroomheid niet in. Bastiaan, een van mijn volk, dio tot het ergste in staat placht te zjjn, is nu vroom geworden, en het is zijne schuld niet, dat ik den heelen Bijbel niet van buiten ken; of ja! eigenlijk wel.
294
want hij heeft er mij mee gekweld en vervolgd tot er mij de walg van stak; en zoo ik niet mijn best had gedaan om aan wat anders te denken, ten einde er lankmoedig onder te blijven, zou ik al vrij eerder zijn uitgevallen, z^oals ik ten laatste heb gedaan; want ik kon de vroomheid van dien man niet voor goede munt houden, en ik heb een afschuw van huichelarij.quot;
âDat is ook een schromelijke en verachtelijke zonde! Maar men moet wat voorzichtig gaan met er zijne naasten van te verdenken,quot; sprak Graswinckel, even het hoofd schuddend, en zweeg een oogenblik, hem aanziende niet een blik vol droeven ernst, eer hij er o]i volgen liet:
âEn uit zulke ooi-zaken zijt gij dus verstoken gebleven van de bljjde uitzichten, rijke beloften, heiligende waarheden en ernstige waarschuwingen, die or vervat zijn in de Heilige Schrift voor elk, die haar met toepassing op zich zelveu leest?quot;
âZoo is het!quot; hernam Juliaan kort af, âen ik verwacht van u, dat gij mij daarin geen geweld zult aandoen.quot;
âDan vermag ik niets meer voor u â dan â u diep beklagen ; want daar is geen ander woord, waarmeê men elkander met vrucht kan vertroosten en opwekken, dan â Gods woord alleen!quot;
âIk heb u immers niet gezegd, dat ik troost en opwekking begeerde!quot; hernam Juliaan op koelen, wrevelen toon.
âIk heb u van smart en schuld hooren klagen; ik heb uwe verzuchting gehoord; ik dacht dat liet een noodkreet der ziele was, die tot God riep om verlossing.quot;
âGij hebt u vergist. Ik was bewogen door uwe goedheid; dit ontlokte mij een uitroep van droefheid en schaamte, maar naar sermoenen vrage ik niet, die zullen mij toch niet baten.quot;
En Juliaan wendde hem den rug toe en dook met het hoofd in zijn kussen.
Graswinckel kon het zich voor gezegd houden.
âZoo gij alleen behoefte hebt aan hulp naar het lichaam.
295
moet gij mij toestaan te onderzoeken of er ook verheffing van koorts is, na de inspanning van dit gesprek,quot; hervatte Gras-winckel na een oogenblik zwijgens, en vatte zijne hand om opnieuw den pols te voelen.
Juliaan liet hem begaan, maar bleef het gelaat afgewend houden, half wrevelig, half beschaamd.
âGij schijnt een krachtig gestel te hebben; ik zie niet waarom ik u artsenij zoude geven op dit oogenblik; een teug water, zoo gij dorst hebt?quot;
Juliaan knikte toestemmend, en de wonderdokter bracht hem opnieuw de kruik aan de lippen. Terwijl hij dronk, bleef Jacob Jansz. den zachten, maar vasten blik op hem vestigen; maar de patiënt scheen geen moed te hebben hem in de oogen te zien: hij sloot de zijne en wendde matheid voor.
âZeer goed, blijf nog wat rusten. Ik zelf zal trachten een weinig te slapen. Ik heb daar even de klok van de Nieuwe kerk hooren slaan, en mijn zandlooper omgekeerd. Wij hebben minstens nog een paar uren vóór ons eer de dag aanbreekt, dan zullen wij zien wat er verder te doen is voor uw welzijn en veiligheid. Wees er gerust op, dat ik wel in staat ben u al het noodige te verschaffen 1quot; en met die toezegging liet hij hem aan zich zeiven over.
Nadat hij de lamp zóó had gekeerd, dat Juliaan van haar licht kon genieten, ging Jacob Jansz. op zijne bank zitten, met den rug naar den muur gekeerd, de handen op de knieën gevouwen, en de oogen sluitende, als wilde hij eindelijk de natuur hare rechten gunnen, die zich blijkbaar daartoe niet vergeefs liet nooden. Maar hij zou toch geen twee volle uren rust genieten.
Juliaan kon niet moer slapen; zijn sterk lichaam had aan de vroegere nachtelijke uren slaaps genoeg gehad om zich te herstellen; maar al wilde liij het zelf niet bekennen, de ziel had ook hare eischen, en deze hielden hem klaar wakker, hoe vol-
29G
gaarne hij ze had willen doen indommelen. Bij het weifelend lamplicht waarden zijne oogen rond door het vertrek, en ze bleven peinzend staren op den grijsaard, met de gevouwen handen, als ingesluimerd onder het amen van zijn gebed. De kalme, edele trekken schenen onder die ruste nog meer statig en eerbiedwekkend dan te voren; die lange, grijze baard kwam sprekend uit op de donkere stof van den versleten huispels, die nauwelijks ruim genoeg was om de knieën wat te bedekken. Alles om en aan hem getuigde van schamelheid; en toch had hij zijn ruwen aanrander, zijn vinnigen weêrspreker toegezegd in al zijne nooden te voorzien. Zelfs geen peluw had hij om er zich op uit te strekken, en toch kon hij niet arm zijn; was het niet eene goed gevulde beurs, die hij Juliaan in de hand had gedrukt? Zoo peinzend over zijn weldoener moest hij wel tot nadenken komen over zich zeiven. Het was nu niet meer de woeste radeloosheid van den vorigen avond, het was dieper en pijnlijker zielesmart. Of hij het zich bekennen wilde of niet, die grijsaard had vat op hem, hoe hij zich ook tegen dien indruk verhardde, en het drukte hem als een wicht op de borst, dat hij ook deze hand, die hem toegereikt werd ter oprichting, weêr had afgestooten. Hij bleef in den armstoel zitten, maar het lichaam had behoefte aan beweging, om afleiding te geven aan do kwellende gedachten; toch durfde hij niet opstaan en in 't vertrek rondloopen, uit vreeze zijn weldoener ten ontijde in den slaap te storen; dien hij zoo hoog noodig moest hebben; toch scheen liet hem too of liet zandglas, dat slechts twee uren heette te loopen, zoo langzaam neerviel, of men kon el voor korrel moest tellen, en of er uren verliepen tusschen elk hunner. Ook was het nog niet ter helfte of â hij kon het niet meer uithouden.
Jacob Jansz. werd uit zijn slaap opgeschrikt door eene hand, die de zijne vatte door iets vochtigs, dat er op neêrdroppelde. Hij opende de oogen, zag om zich heen, en zijn norsche pa-
297
tiënt lag neêrgeknield aau zijne voeten, het hoofd over zijne gevouwen handen gebogen, die kussende en met zijne tranen basproeiend!
âWat doet gij r_u?quot; vroeg hij verrast, en op den toon van zacht verwijt.
âVerschoon me dat ik dus ontijdig uwe ruste store; maar ik kon het niet langer uithouden, ik heb behoefte aan vergiffenis, aan uwe vergiffenis.quot;
âAan de mijne! maar gij hebt niets tegen mij misdreven, wat u niet terstond en van harten vergeven werd! Ik mag deze tranen, ik mag dezen ootmoed â mits gij ze wijdt aan uwen God, tegen wien gij gezondigd hebt. Verootmoedig u voor Dezen â maar niet voor een zondig mensch als ik ben . ...quot;
âGij een zondig mensch! gij zijt een engel des lichts en dei-liefde; uw blik, uwe stem, uwe woorden hebben mij getroffen en geroerd, zooals nooit eenig menschenkind mij geroerd en getroffen hoeft. Ik heb er mij tegen willen verzetten, met al de macht des kwaads die in mij is; daarom stelde ik mij barsch en onleerzaam aan, naarmate ik voelde dat gij vat op mij kreegt; maar â nu â toon ik u daar zoo rustig zag slapen, gansch alleen met mij, dien gij kent als roover en moorder, toen ik peinsde over uwe liefde en zorge â over uwe bovenmensche-lijke zelfverzaking, toen werd mij het harte week en ik streed tegen den booze, die mij influisterde dat ik mij zei ven niet meer zijn zal, als ik naar uwe roepstem luister. Toch is die mij te machtig en ik geef mij aan u over; wat ik van anderen niet heb kunnen dragen, wil ik aannemen van u. â Zóó wondren invloed zoudt gij op mij oefenen, en niets zijn dan een gewoon, zondig mensch!quot;
âNiets dan een gewoon zondig mensch!quot; antwoordde Gras-winckel, die zelf opgestaan was, om hem te verplichten zich ook op te heffen, maar die hem liefderijk beide handen reikte. âEn die tot niets goeds zou bekwaam zijn, zoo hij niet van den
298
Heer gegrepen ware om Hem te volgen, en voorts gewaardigd om het instrument te zijn van Zijne zoekende en reddende liefde! Ja! die onverdiende gunst heeft Hij mij bewezen,quot; ging hij voort, de vochtige oogen ten hemel heffende. âDaarom ook valt geen offer mij zwaar, geene zelfverloochening mij pijnlijk; want de liefde â Zijne liefde draagt mij en schraagt mij, en maakt allen last mij licht. Ik leve alleen om Hem geduriglijk mijn dank te brengen in gewilligen dienst, in getrouwheid, in gehoorzaamheid; en al wete ik nog dagelijks te struikelen in velen â toch verzwakt dat niet mijne blijdschap, want Zijne genade is mij genoeg, en daar te boven behoef ik niets.quot;
Jacob Jansz., geheel door zijn hoog gestemd geestelijk gevoel opgevoerd, scheen te vergeten wie zijn toehoorder was, en wat deze in dienzelfden oogenblik van hem wachtte. Toch bleek het, dat hij zich zijner herinnerde en op zijne behoeften bedacht was, toen hij vervolgde, op den toon eener zachte vertrouwelijkheid; âdaarom, wellieve broeder! wel verre van mij aan te matigen over u te heerschen, zooals gij schijnt tc vreezen, heb ik niet dan u te danken, zoo gij mij toestaat mij te kwijten van mijn last, en hooren wilt naar hetgeen ik u heb aan te zeggen vanwege mijn Meester.quot;
âJa! ja! ik begrijp u; lees mij voor uit uw Bijbel, gij zult zien hoe gewillig en aandachtig ik nu zal luisteren.quot;
âNeen, mijn zoon! de blijde boodschap laat zich niet opleggen als eene boete. De Heer heeft meer dan dit om u te geven. Hij heeft mijne bede verhoord. Hij wil uwe zwakheid te gemoet komen door zelf tot u te spreken; niet het eerst door de Schrift â maar door de tastelijke bewijzen Zijner zoekende liefde, opdat gij niet twijfelen zoudt dat Hij â u â u persoonlijk â roept en noodt, en u zal aannemen zoo gij die noodiging volgt!quot;
âTastelijke bewijzen! ja, die zou ik wel noodig hebben om dat te kunnen aelooven.quot; hernam Juliaan. niet meer met ironie.
299
maar op den toon der diepste mismoedigheid. âIk zou het wol willen aannemen op uw zeggen, maar de ondervinding van geheel mijn leven komt daartegen op, en roept mij toe als met luider stem, dat ik een verworpene ben, en dat gij alleen zoo spreekt, omdat gjj niet weet wien gij voor hebt. O! neem geduld met mij en laat mij eens uitklagen over mijn jammerlijk lot, daarna zullen wij zien, of gij mij nóg van blijdschap en hope durft spreken!quot;
Tot eenig antwoord, legde de Wonderdokter de hand vertrouwelijk op zijn schouder en zag hem vragend aan, als met zwijgende noodiging om uit te storten wat hem op het harte lag.
âIn mijne vroege jeugd reeds verpletterd door den vadervloek, heb ik nooit voorspoed noch geluk gekend; alles liep mij tegen; zelfs datgene wat ieder ander zou ten goede zijn gekomen, viel ten kwade uit voor mij; zelfs het goede dat ik mij voornam te doen, keerde zich tegen mij en werd nieuwe verlokking tot kwaad, werd mij als schuld aangerekend, of er volgde onheil uit voor mij zeiven en anderen. Mijne beste bedoelingen loopen averechts uit, en de edelste bewegingen mijns harten eindigen in zondo en misdrijf! En toch - de zoon mijner moeder was niet geboren om een booswicht te zijn, zooals ik geworden ben. Geloof mij!quot; viel hij zich zelf in de rede, terwijl hij, zonder te weten dat hij zulks deed, op de bank naast Jacob Jansz. zitten ging en zijn hoofd op diens schouder liet rusten.
Deze drukte hem de hand, terwijl hij hem met teêrheid en zachten weemoed in de oogen zag, eer hij antwoordde;
âIk geloof u____quot;
âMaar ziet gij, die vadervloek â verdiend of niet â die vadervloek doet zijne kracht, en drukt mij en vervolgt mij, werwaarts ik mij ook wende, als eene onzichtbare hand, die mij van den goeden weg afhoudt; als de engel met het vurig zwaard, die mij van het Paradijs terugdrijft, zoo vaak ik dat zou willen naderen.quot;
300
âMet oorlof, mijn vriend! ik duchte dat hier eene sombere inbeelding u parten speelt; men moet omzichtig zijn, met niet huiten zich zeiven te zoeken, wat ons tot afdolen brengt van het goede pad. Wilde hartstochten, ontembare driften, en 't verzuim om der zinnen lust onder tucht te houden, zjjn de kwade machten die ten verderve voeren, en het is zeer gevaarlijk zich zeiven daarbuiten te stellen, en alles maar te laten aankomen op eene bezwering, op eene geheimzinnige overmacht, daar men zich niet tegen meent te kunnen verweren ; daaruit volgt een lijdelijk overgeven aan het kwade, dat men had moeten weêrstaan denkt daar wel over na.quot;
âIk ontken niet,quot; hernam Juliaan, na eene pauze, âdat ik mij aan deze dingen heb schuldig gemaakt, die gij daar opnoemt. Ik zie dat gij een jnisten blik hebt geslagen in het menschelijk hart, en raadt hoe het in het mijne is gesteld; maar toch, anderen, die geen beteren weg zijn gegaan dan ik, wisten ten laatste over hunne ongeregelde hartstochten te zegevieren â en hun ging het goed; anderen, die zich wel niet openlijk overgaven aan de wilde uitspattingen die mijne jsugd hebben bevlekt, maar toch â list en misdrijf gebruikten als instrumenten om zich te verheffen, zijn tot hun doel gekomen en levfii in eere en weelde; â waarom moest ik dan juist tot deze diepte zinken, zoo het niet die bezwering, die veroor-deeling ware, door een vader over mijn hoofd gebracht, die mij ter verwerping heeft aangewezen. â Neen â zoo vaak ik tot nadenken gekomen ben over mij zeiven, is het mij duidelijk geworden, dat ik niet meer anders kan, dan tot een rampzalig einde komen, na een leven vol ellende en jammeren. Daar is voor mij geen ontkomen aan; neen, neen! daarom zou het mij ook niet baten, al wilde ik naar betering van leven staan â het zou maar erger met mij worden.quot;
âAls dat u ernst is, naar betering van leven te trachten, zal het niet erger met u worden, dat verzeker ik u; want dan zal
301
God u bijstaan met Zijne Genade, en Zijne liefde is alleen te meten aan Zijne almacht. De zegen Gods is machtiger dan de vloek eens menschen, zij het ook eens vaders ...
âMaar dat staat juist bij mij vast, dat God mij niet zegenen wil, omdat mijn vader mij heeft gevloekt. Dat is de kwellende gedachte, die mij al jarenlang in het hoofd rondwoelt, de worm die aan mijn leven knaagt, en die niet is weg te nemen. Als ik maar kan, zoek ik dien weg te wentelen in de bedwelming van drank en zingenot, in her dolzinnig spel, en in 't gewoel van 't krijgsrumoer; dat alles geeft me soelaes voor eeno pooze â doch helaas! altijd komt het weer op; altijd klinkt hot mij opnieuw in do ooren, alsof duizend echo's het nabauwen: âGevloekte! Gevloekte! Gij, Juliaan, zijt een gevloekte ! â Wat vergt men dan ook hot goede van een gevloekte!quot;
Het was op schrillen, krijschenden toon, dat Juliaan dit laatste uitte, en hij bracht de beide handen naar het hoofd, als voelde hij daar werkelijk de pijn waarvan hij klaagde.
De wonderdokter begreep, dat het idéé fixe eerst moest worden geschokt, eer hier op herstel was te denken.
âWaarom heeft uw vader u gevloekt?quot; vroeg hij met zachte meewarigheid.
âWaarom....? dat hangt samen met mijne gansche familiegeschiedenis.quot;
âDie gij mij niet kunt, of niet moogt vertrouwen ?quot;
âZoo aan iemand dan voorzeker aan u; maar zult gij dat alles willen aanhooren; â op uw leeftijd geen nachtrust?quot;
âO! wat dat betreft, rustiger ure clan juist deze nachtelijke, komt er voor ons licht niet meer; maar ik vrees do afmattiiiff
o
voor mijn patiënt....quot;
âDat ben ik niet meer! Mij scheelde niets dan vermoeienis en overspanning; maar ik zou omgekomen zijn van desperacie en zelfverfoeiing, zoo uwe hand mij niet had gevat. Hier bij u
302
vind ik voor het eerst wat naar rust gelijkt â en het doet mij zoo goed eens alles uit te spreken.quot;
,Welnu! denk dan op niets anders....quot;
âZooals gij mij nu ziet, schaam ik mij bijkans te zeggen wat toch de waarheid is: ik ben edelman en gesproten uit een der aanzienlijkste geslachten in de Zuidelijke Nederlanden. Mijne moeder was uit Holland herkomstig; weeze en rijke erfdochter, trouwde de baron de Ghiselles haar uit het huis van haar voogd Lamoraal, graaf van Egmond. De betrekking, waarin mijne moeder heeft gestaan tot dezen vorsteljj ken Heer, heeft te groeten invloed geoefend op mijne lotgevallen, dan dat ik er niet van zou spreken.
Het kasteel, waarop ik geboren ben, ligt tusschen Wavre en Duffel, in den omtrek van Brussel. Ik herinner mij nog flauwe-lijk, dat het dien tijd druk bezocht werd door edele en aanzienlijke heeren, die er af- en aantrokken, en waarmee mijn vader zaken scheen te hebben, totdat op zekeren dag de edele Egmond zelf, na eene korte woordenwisseling met mijne ouders, mij met zich nam naar Brussel, waar ik in zijn huis opgevoed zou wordenfmet zijne kinderen. Later heb ik de reden van dezen maatregel begrepen. Mijne moeder behoorde in 't heimelijk tot de nieuwe religie, en kon niet meer besluiten voor het uiterlijke katholiek te leven. Om hare denk- en leefwijze te verbergen, zou zij verder eenzaam en teruggetrokken blijven wonen op haar kasteel, met eenige vertrouwde bedienden. Mijn vader daarentegen bekleedde een eereambt aan het Hof der Landvoogdes, en was meest te Brussel, waar hij een huis had; doch zjjne huishouding daar had ook hare mysteriën, en was niet ingericht op zulken voet, dat een jong edelman er eene opvoeding kon ontvangen naar zijn stand. Dat had de edele graaf ingezien, en dat bewoog hem zich mijner aan te trekken. In zijn huis vond ik alles wat het verdeelde gezin van mijne ouders niet had kunnen schenken, tot den omgang met kinderen van
303
mijn leeftijd toe, vi'oolijkheid, gezelligheid, een stoet van pages en jonge edellieden, die evenals ik, in die vorstelijke hofhouding zich in den wapenhandel en allerlei ridderlijke oefeningen moesten bekwamen, en er zich den hoofschen toon, de zeden en manieren van hun stand konden eigen maken.
Ik was gelukkig in dezen kring; ik miste er nauwelijks mijn vader, dien ik zeer zelden zag, en had alleen zeker heimwee â naar mijne zachte, bleeke moeder â die ik meest had gezien, in haar eenzaamheid over haar Bijbel heengebogen, en mij met die zielvolle oogen zoo weemoedig teeder aanstarende. Toch kon zij [toen niet raden welk jammerlijk lot haar eenige te [beurt zoude vallen. Enkele malen slechts werd het mij veroorloofd, korte uren op het ouderlijke kasteel door te brengen; maar ik voelde er mij dan eenzaam, gedrukt, vervreemd, en het leven in de woelige hofhouding van Egmond wischte spoedig de sombere indrukken weêr uit. Mijn edele meester was voor mij het model van den volmaakten ridder, van den beminnelijken mensch, wien ik tot aanbidding toe vereerde, en wien ik liefhad, ondanks datgene, wat men later zijne gebreken heeft genoemd. Ik kon ze niet in hem zien, en het meeste griefde het mij, dat ik nog te jong was om werkelijk dienst bij hem te doen, en hem op zjjne krijgstochten of reizen te vergezellen. Intusschen deed ik mijne eerste communie met zijne zonen, en deelde de lessen der jonge gravinnen, in talen, muziek en danskunst. Dat waren gelukkige dagen. Op eens werden ze voor ons allen tegelijk beneveld. De beul van Philips, de hertog van Alba, was in het land gekomen; mijn meester, die hem gerust en vertrouwelijk was te gemoet gegaan, de waarschuwingen niet achtende van zijne beste vrienden, listig door hem in den strik gelokt, was gevangengenomen, moest terechtstaan voor den Bloedraad, en â werd openlijk op een schavot onthoofd, als ware hij een verrader en misdadiger geweest quot;Wat wisseling van hoop en vrees, wat angsten en smarten wij
304
overigen, die hem liefhadden, moesten uitstaan eer die laatste slag ons tot wanhoop bracht, zal ik u nu niet schetsen, al voel ik nóg pjjn, die mij het harte doorvlijmde, toen ik dat nobele hoofd zag vallen, dat edele bloed zag vlieten...
âDwong men zoo jeugdig een knaap, als gij toen zijn moest, zulk een afgrijselijk schouwspel aan te zien?quot; vroeg Gras-winckel met eene mengeling van verwondering en deernis.
âGeene menschelijke macht had mij kunnen terughouden het smartelijkst, maar dierbaarst voorrecht met hen die hem trouw gebleven waren te deelen, en hem nog eens voor het laatst te zien, ware het dan ook op een schavot, ware het dan ook om zijn bloed op te vangen op onze neusdoeken, en ze als dierbare reliek op onze borst te verbergen.
Ware ik toen van droefheid bezweken, het zou gunst des Hemels zijn geweest; want van toen aan nam mijn lot een keer, zooals ik wel niet had kunnen wachten. .Mijn vader had in de troebelen, die dc komst van den hertog van Alba voorafgingen, en, zoo men zeide, noodig maakten, partij gekozen met het meerendeel der edelen, in wier kring hij verkeerde, om de privilegiën te handhaven en religiedwang tegen te staan. Maar, naar ik vermoed, had hij zich meer door het voorbeeld van anderen laten meêsleepen, dan dat hij uit eigen overtuiging was toegetreden; zoo niet, dan miste hij zeker die vastheid en volharding, door den Prins van Oranje en de ovei-ige Heeren betoond, die liever als ballingen uitweken, dan ten ontijde de partij te verlaten die op hen rekende; want hij had zich vroeger van de bondgenooten afgewend, toen hij zag dat de gang dien de zaken namen, der Landvoogdes mishaagde. Maar al hield hij zich voortaan terzijde, hij had het Verbond meê ge-teekend, en hij wist zich gecompromitteerd in de oogen van den nieuwen Landvoogd, niet minder dan Egmond zelf, die hem het treurig voorbeeld had geleverd, hoe weinig te laat berouw in de oogen des Konings en in die van diens hand-
305
langer te beteekenen had. Bij 't geen anderen van wraaklust deed zieden, sloeg den baron de schrik om het harte, en hij wierp zich in 't stof der diepste vernedering, om den man te verbidden, wiens ijzeren arm hij reeds dreigend over zijn hoofd zag opgeheven. Door welke beloften en betuigingen het hem gelukt moet zijn den zoen te treffen met den hertog, kon ik wel niet raden, toen ik bevel kreeg mijn afscheid te nemen van de gravin Douairière, en mij onverwijld naar het kasteel de Ghiselles te begeven. Dat opontbod viel mij rauw op het harte. Wel had de vorstelijke weduwe, sinds de gevangenschap van haar gemaal, haar stoet van dienaren en edelknapen moeten ontslaan, om met hare kinderen de wijk te nemen in een klooster, maar toch, ik â ik was in dat gezin altijd als een kind des huizes behandeld, en ik meende, dat het mijn plicht was bij de treurenden te blijven, en met hen te lijden in die eerste dagen van diepen rouw, waar ze dan ook heentrokken. Maar de waardige gravin spoordde mij zelve tot gehoorzaamheid aan, en zoo begaf ik mij naar het ouderlijk slot met een bloedend harte, vast besloten, eenmaal, als ik de vrije beschikking zou hebben over mij zei ven, den dood van mijn meester te wreken op den Spaanschen tiran. Terwijl ik schreiende aan de borst mijner moeder, haar het verslag deed van het huiveringwekkend schouwspel dat ik had bijgewoond, kwam de baron zelf, dien wij nog te Brussel waanden, ons overvallen. Hij ergerde zich aan mijne droefheid; hij ergerde zich aan mijn rouwgewaad; hij eischte dat ik het terstond zou verwisselen met een ander, meer passend aan de eischen van het oogenblik. Mij kwam het voor, dat niets voor mij meer gepast kon zijn, dan de rouw die mijn hart vervulde over den geliefden meester, ook in mijne kleeding te toonen; dan, mijn vader was van een ander gevoelen. Ik moest breken met dat verleden, omdat hij er zelf mee gebroken had; mijne getrouwheid stuitte hem, als verwijt van zijne ontrouw, en hij gaf mij te kennen, dat ik van nu aan bestemd was een Wonderdokter. T. 20
306
Heer te dienen, dien men niet kon believen met kinderachtige tranen en zulk rouwmisbaar.
Versuft van verbazing, vroeg ik, voor wiens dienst hij mij dan toch bestemde, daar geen Nederlandsch Heer dezen rouw zou kunnen afkeuren.
âDat kan zijn; maar gij zult het voorrecht hebben aan het eigen Hof van den Landvoogd uwe opvoeding verder te voltooien.quot;
Als wezenloos bleef ik den baron aanstaren; ik begreep hem niet, ik meende dat ik hem misverstond, dat, wat ik geloofde te hooren, hem geen ernst kon zijn. Maar het was droeve, onverbiddelijke ernst; ik was bestemd om bij den hertog van Alba, bij den beul van mijn meester als page in dienst te treden!
Terwijl de gansche Nederlandsehe adel van verontwaardiging gloeide, over hetgeen tegen Egmond en Hoorne was geschied, trof mijn vader een vergelijk met den verafschuwden hertog, en bood zijn zoon aan tot gijzelaar van zijne trouw!
Maar de baron had zich in mij vergist, toen hij meende, dat hij over don veertienjarigen knaap kon beschikken naar welgevallen, als ware hij eene stroopop, zonder hoofd noch hart, die men verzet zooals men wil. Het afgrijselijk schouwspel, dat ik den overspannen moed had gehad tot den einde toe aan te staren, had een onuitwisehbaren indruk bij mij nagelaten, en had mij als met één schok gerijpt tot eene vastheid van wil, die alles durfde trotseeren; en in mijn jeugdigen overmoed was ik blind voor 't gevaar, kende ik geene vrees, en scheen buigen mij eene laagheid. Tervergeefs dreigde mijn vader met den toorn van den geduchten Landvoogd, met den zijnen! Ik hoorde quot;t aan en had altijd maar één antwoord. Ik haalde den zakdoek te voorschijn, met het dierbaar bloed van den martelaar doorweekt, en zwoer bij die reliek, dat ik den hertog niet dienen kon, zoolang dat bloed ongewroken bleef.
307
Men kon geweld tegen mij plegen, mij opsluiten, mij laten verhongeren; maar mij dwingen, tegen mijn wil bij den hertog dienst te doen, dat kon men niet. Al dreigde de baron mij, aan handen en voeten gebonden, naar het paleis van Alba te doen brengen, ik ontzenuwde die dreiging door de verzekering, dat ik den tiran met mijn ponjaard doorsteken zou, of vergift mengen in zijn beker, zoo men het waagde mij in zijn huis te voeren, en mij gelegenheid gaf zijn persoon te naderen. En mijn vader was zoozeer overtuigd van de vastheid mijner voornemens, van mijne roekelooze stoutheid, dat hij het er niet op wagen durfde mij dezen dwang aan te doen.
Het sprak ook wel vanzelve: daar ik het onderpand moest zijn van des barons getrouwheid, was gewillige volgzaamheid van rajjne zijde de noodzakelijke voorwaarde, en die was niet meer te wachten bij zulk een beslisten afkeer als ik toonde. Tevergeefs was mijne moeder verzachtend en bemiddelend tus-sehen beiden getreden. Zelve kon zjj het gedrag van den baron niet goedkeuren, en waar zij mij tot gehoorzaamheid vermaande, was het op znlken toon, die mij wel liet doorzien, dat zij veel meer mijn moed en standvastigheid bewonderde, dan mijne ongehoorzaamheid afkeurde. Daarbij, al had zij het kunnen verbergen, ik wist immers, dat zij in dezen niet aan de zijde mijns vaders kon staan. Zij was eene vrouw van een zachten, stillen geest, maar van een kloek gemoed, en bereid zelve te lijden voor hare religie, clie de nieuwe Landvoogd zich voorstelde tot het uiterste te vervolgen. Zij ook was eene Egmond, en voelde diep den smaad en de smarte, door den vreemdeling haar edel geslacht aangedaan, in haar nobelen bloedverwant.quot;
âEene Egmond! Uwe moeder is toch niet Machteld van Eg-mond, Heer Hendrik van Kenenburg's erfdochter?quot;
âZij heette Machteld van Egmond, en naar mijne beide grootvaders werd ik Juliaan-Hendrik genoemd. Zoudt gij mijne moeder gekend hebben ?quot;
308
âZeker heb ik de jonkvrouw van Egmond gekend,quot; hernam de grijsaard met levendigheid; â âmaar beiden â waren wij toen nog heel jong â en sinds zij naar Braband trok, om met een vreemden edelman te hijliken, zag ik haar niet weer.quot; Er was iets in den toon, waarop Jacob Jansz. dit zeide, als wekte deze herinnering zijnor jeugd ernstige of droeve gewaarwordingen bij hem op.
âOp aarde zult gij haar niet weerzien,quot; sprak Juliaan, hem de hand drukkende, âzij is naar Holland uitgeweken om er te sterven !quot;
âHet gerucht van haar dood is niet tot mij gekomen,quot; hernam Graswinckel rustig; maar wil voortgaan met uwe mede-deelingen, en geloof, dat de zoon van Maehteld mij ecne vaderlijke belangstelling inboezemt.quot;
âDe eenige die mijn hardnekkigen wil had kunnen buigen, was juist mijne moeder geweest, zoo zij mij voorgesteld had wat ik zelf het eerst had moeten bedenken, dat zij mede den last zoude dragen van mijne weerbarstigheid. Toch voerde zij dit dwangmiddel niet aan; zij vergat zich zelve geheel, en hield mij alleen voor, dat ik door mijn vader dus te vertoornen en te weerstaan, mij voor het leven zijne ongunst op den hals haalde, en dat zij hot ergste voor mij vreesde van zijne verbittering. Maar al sprak zij dus in vollen ernst, toch koesterde zij in 't geheim de hoop, dat de baron zijn eenig kind, den erfgenaam van zijn rang en fortuin zoude sparen, en zich liever op eene of andere wijze bij den hertog zou zookon te verontschuldigen, dan mij tot het uiterste te drijven; terwijl ik bleef volhouden, dat ik mij liever het hoofd voor de voeten liet leggen, zooals men mijn meester had gedaan, dan de hand te kussen van zijn beul. Helaas! mijn vader had zich verbonden bij den man, die, even schrander als wreed, geen voorwendsel zou laten gelden â en allerminst zou gelooven, dat het verzet van een knaap de ware reden was van zijne nalatigheid. De hertog, die zich gehaat
309
wist, hechtte er juist aan, in dezen tijd den zoon uit een der aanzienljjkste Nederlandsche geslachten aan zijn persoon te verbinden. Aan uitstel viel niet te denken; dag en uur waarop Alba rekende dat zijn gijzelaar zou worden voorgesteld, waren bepaald. Ik begrijp mij nu wel, dat de baron overtuigd dat mijn weêrstand niet zou zijn te overwinnen, naar een wanhopig redmiddel greep. Hij had zijn zoon beloofd, welnu, hij zou toch woord houden, al bleef zijn wettige erfgenaam hem volgzaamheid weigeren.
Machteld van Egmond had hare berekening gemaakt op zijn vaderlijk hart, op zijn vaderlijken trots, om eenmaal vergiffenis voor mij te verwerven; zij had zich misrekend, omdat zij de geheimenissen van het huis te Brussel niet kende, die haar nu ontsluierd zouden worden. De baron de Ghisellcs had nog een zoon, slechts één jaar mijn oudere, maar die, buiten huwelijk geboren, in de diepste verborgenheid was opgegroeid onder de oogen van zijn grootvader, een doodarmen Hidalgo, die den val van zijne dochter met niet al te strengen blik schoen te bezien. Sinds zijne echtverbintenis met de jonkvrouw van Eg-mond, had de baron zich niet verder met deze familie bemoeid, dan om hen van tijd tot tijd een handvol goud toe te werpen. Maar hot eenzelvige leven, dat mijne moeder welhaast begeerde te leiden, en zijne verplichting om te Brussel een pied-a-teri-e te houden, schijnt hem verlokt te hebben om de betrekking met zijne schoone Spaansche minnares weer aan te knoopen. Zij ging door voor zijne huisbestierster, en was slim genoeg om niets meer te willen schijnen en alle opspraak te vermijden; zij had eene landgenoote van zekeren leeftijd bij zich als hare duêna, en verder geen bediende dan den ouden kamerdienaar van den baron, die in 't vertrouwen was. De piqueurs en lakeien, die hem naar het hof van de Landvoogdes moesten vergezellen, werden elders geherbergd, opdat zij niet door over en weer praten het geheim van de Spaansche huishouding zouden ver-
310
klappen op hot kasteel de Ghisolles. Toch werd de zoon van Dona Mariana nog in afzondering gehouden, tot hij door mijne schuld aan hot volle licht werd gebracht, en ziedaar wat ik mij allermeest heb te verwijten tegen mijne moeder. Ik, haar zoon, was do vreugd en do trots van haar gemaal, en het had maar aan mij gestaan om hot altijd te blijven, en haar al de grieven to sparen, die zij later moest ondergaan. Waarom kon ik ook niet buigon? Ik ben immers later wel andere diepten doorgegaan; had ik het niet moeten doen voor haar? Eene kniebuiging voor den tiran, was dat dan zoo moeielijk! licht ware ik haast in zijne oogen doodschuldig geworden; maar, dan ware ik alléén het slachtoffer geweest, de eer mijns vaders bewaard gebleven, en hot geluk mijner moeder â niet â verwoest!quot; Juliaan liet, na die weeklacht, het hoofd in de hand vallen, en bleef een oogenblik in smartelijk nadenken verzonken.
âEr is in de jonkheid soms eene teerheid van consciëntie, eene kieschheid van gevoel, die alleen maar zekere leiding noo-dig heeft om tot iets goeds en groots te worden! dat werd ongelukkiglijk bij u verzuimd,quot; troostte Graswinckel. âMaar toch, waar uwe moeder leed door de schuld van den baron, zal zij dat wel niet aan haar zoon geweten hebben ...
âMij heeft die bijgedachte altijd vervolgd. Ziende, dat noch bedreigingen, noch beloften iets vermochten tegen mijne halsstarrigheid, keerde de baron in alle haast naar Brussel terug, nadat hij mij in die gevangentoren had opgesloten, met de waarschuwing, dat mij nog vier en twintig uren van beraad waren toegestaan. Aan den avond van den tweeden dag kwam do vertrouwde kamerdienaar van den baron mij aanzeggen, dat ik geroepen werd om voor mijn vader te verschijnen. Naar zijn vertrek geleid, zag ik daar een jonkman van mijn leeftijd, met zorg gekleed, en die in gestalte, in houding, in gelaat, zoo sprekend op mij geleek, dat wij elkander in verbazing aanstaarden. De baron beval ons elkander als broeders de hand te reiken en
311
te omarmen. Toen wij gehoorzaamden, sloeg hij ons met de meeste aandacht gade. De vreemde broeder â van wien ik nooit had gehoord, nocli gezien â was iets grooter en forscher dan ik, en de opslag en kleur van oogen verschilden; maar overigens was de gelijkenis zoo volkomen, dat mijn vader geen bezwaar behoefde te maken, om zijn ontwerp uit te voeren. Er lag eene prachtige pages-kleedij gereed, alles fluweel en zijde, schitterend van goud borduursel, en een ponjaard in rood ttu-weelen schede, met ivoren greep en goudsmeêwerk versierd een verlokkend speeltuig voor een knaap van mijn leeftijd; â de baron wees op dit alles en vroeg mij: of ik nog willens was hem te gehoorzamen?
âIk kan niet!quot; riep ik onder tranen, en stortte mij aan zijne voeten om hem te verbidden. Hij stootte mij ruw van zich.
De teerling was geworpen. Hij had den ougehoorzamen zoon met zijn vloek gedreigd, en hij zou die bedreiging op 't vree-selijkst vervullen.
Hij schelde zijn kamerdienaar. Op zijn wenk trad doze naar mij toe, ontkleedde mij, en wierp mij een schamelen pelgrimsmantel als boetekleed om de leden. Terwijl ik lijdelijk, maar gloeiend van schaamte en sidderend van smart, deze vernederende handeling onderging, viel mijn oog op Armand. Ik zag een glimlach om zijne lippen zweven. Zoo mijn blik een zwaard ware geweest, het had hem in dienzelfden oogenblik het harte doorboord, met zulk een gevoel van haat zag ik hem aan. Mijn vader was opgestaan, had het hoofd afgewend, legde beide handen op mijne schouders en verplichtte mij neêr te knielen. Zelf sneed hij mij nu de welige haarlokken af en wierp ze mij voor de voeten, strooide mij asch op het hoofd, strekte de opgeheven armen daarover uit â en sprak op vasten, doordringenden toon, de vervloeking over mij uit in de afgrijselijkste termen. Hemel en aarde, lucht en water â alles werd tegelijk voor mij onbruikbaar gemaakt. Waar ik heenging, zou mijns
312
vaders vloek en des Hemels toorn mij volgen; de plek, die ik betrad, zou vervloekt zijn om mij, zoo zij mij ruste bood. Mijn hart werd als koud in mijn binnenste. Ik had geen traan, geen snik, ik was als versteend.
âNu zijt gij niets meer voor mij, noch ik voor u,quot; sprak de baron, met die doordringende stem, die mij nóg in de ooren krijscht; ânu is deze â uw broeder Armand, die mij gehoorzamen zal, voortaan mijn eenige zoon â Juliaan de Ghisel-les.quot; Reeds had deze den ponjaard in de hand genomen, en deed het prachtig gevest blinken bij de wastoorts op den luchter. Ik kon niets zeggen, niet eens smeeken om erbarming; ik had eene gewaarwording, of alles onder en rondom mij wegzonk. Toen mijn vader had uitgesproken, bleef ik bewusteloos liggen, en toen ik weêr tot mij zeiven kwam, zat ik in mijn eenzamen kerker. Nooit â al zou ik ook eene eeuw lang op deze voor mij vervloekte aarde moeten voortleven â zal bij mij de indruk worden uitgewischt van die schrikkelijke ure, waarin ik als ter dood, als ter helle werd gewijd door mijn eigen vader! Een naamloos gevoel van haat tegen dien broeder, die met zoo wreeden wellust in mijne plaats trad, maakte zich van mij meester. Als met eigene hand had mijn vader mij aangewezen om een Kaïn te zijn. En toch â toch gevoelde ik het juist in die ure, dat ik dien vader, die mij zoo on-menschelijk strafte, lief gehad had met eene teêrheid, die mij nu de ziel verscheurde; want ik kon hem niet meer om vergiffenis vragen, al ware daarmeê alles nog te herwinnen geweest. Eene ijzige koude deed mij rillen â en toch was het mij of er iets op mijn hoofd brandde: hot merkteeken van den vadervloek. Suf en als verstompt zat ik voor mij heen te staren; eerst te middernacht, toen mijne moeder bij mij kwam, wierp ik' mij met een kreet van wilde wanhoop in hare armen en vond de verlichting der tranen aan hare borst.
Wat het haar ook had gekost, mijne moeder had moeten
313
toestemmen in alles wat de baron over mij had besloten â zelfs in die verwisseling waardoor Armand in mijne plaats trad â⢠om mijn leven te redden, om mij te veiligen althans voor het lot, dat mij aanvankelijk was toegedacht: levenslange opsluiting in een kloosterkerker. Nu ik voor den baron niets meer was dan eene hindernis, moest die tot eiken prijs uit den weg worden geruimd. In den angst haars harten voor 't geen mij van hem te wachten stond, had mijne moeder haar woord gegeven, dat zij mij verre weg zou zenden in het diepste geheim, en dat noch zij, noch ik zouden optreden om het gevaarlijk bedrog te ontmaskeren. Zij kon in alle gerustheid die belofte doen. Het ware vadermoord geweest, zoo ik niet zwijgend het harde vonnis had gedragen, en al gloeide de wraaklust tegen Armand ook in mijne borst, hij was veilig achter het schild van den baron, dat hem dekte. Mijne moeder zelve was zoo getroffen geweest door de gelijkenis van Armand op mij, toen hij in het sierlijk pages-gewaad bij haar binnentrad aan de hand van haar gemaal, dat zij een kreet had geslaakt van smartelijke verrassing, wanende dat ik bezweken was voor de verlokking en nu â de livrei van den tiran had aanvaard. Toen zij de vergissing ontdekte, had de bastaard de vermetelheid zich aan hare voeten te werpen, om haar te smeeken zijne moeder te willen zijn.
âIk zal den zoon van den baron nooit als een bedrieger aan de openlijke verachting prijsgeven; ik zal zwijgend toezien bij het onrecht dat er tegen mijn kind wordt gepleegd; maar â meer dan dit moet er nooit van mij gevergd worden,quot; was haar antwoord geweest. Dat was dan ook wel genoeg, en alles wat hij voortaan noodig had van haar om zijne rol te spelen. De mijne â mijn zwerftocht als gevloekte banneling ving aan reeds in dien eigen nacht. Door een getrouwen dienaar en geloofsverwant mijner moeder begeleid, in boerenkleedij vermomd, verliet ik in het diepste geheim het ouderlijk slot. De barones
314
had al wat zij in geld en kleinoodiën konde missen, aan den goeden Johan toevertrouwd voor de reis. Zij had mij brieven van aanbeveling meegegeven aan sommigen harer vrienden en verwanten in Holland, met welken zij nog in goede verstandhouding was gebleven. Vooral rekende zij in deze op den graaf van Culemborg. Zij hoopte dat ik op diens kasteel voorloopig eene veilige schuilplaats zou kunnen vinden, en dat hij mij later den weg zou banen om als vaandrig bij het vrijheidsleger van den Prins te worden aangesteld. En had ik deze aanwijzing kunnen volgen, en met den trouwen Johan Culemborg kunnen bereiken, zeker zou mijn lot en leven een gansch anderen loop hebben genomen; maar dat spreekt vanzelf, dat mocht niet zijn â al de voorzorge eener trouwe en teêre moeder was niet machtig de uitwerking van den vadervloek te weren, die mijn hoofd moest treffen. Eer wij de Geldersche grenzen waren genaderd, werden wij overvallen door eene bende Spaansche soldaten, die stroopend het platteland afliep. De trouwe Johan weêrstond de woestelingen zoolang mogelijk, opdat ik zou kunnen ontkomen en mijn leven redden; nu, dat bracht ik er dan ook af â maar niets dan dat. Het paard van Johan, waarop het valies was vastgebonden dat mijn gansche fortuin inhield, werd buit gemaakt door de roofbende, ondanks zijn wanhopi-gen weerstand. Ik joeg voort met het mijne; doch reeds had een lanssteek het in de zjjde getroffen, en ik bracht het er geen half uur verder meê â of het viel dood onder mij neêr. Mijn boerenpak en eenige kleinoodiën mijner moeder, msschen mijne kleêren verborgen, was nu al wat mij restte. Zelfs de kostbare brieven, die mij geloof moesten geven bij hen, aan wie ik mij zou wenden, als Juliaan van Egmond een neef van den baron de Ghiselles â waren zorgvuldig als één pakket in het valies neêrgelegd. En â al had ik ze ook gehad, waartoe konden ze mij nu nog dienen; het stond niet meer in mijne macht den weg naar Culemborg te nemen; ik moest op goed
315
geluk af voortgaan, al heel blij zoo een herdersknaap mij den weg wees over de Noord Brabandschc hei, om het Spaansche krijgsvolk te vermijden, of als een boer mij voor eenige uren ruste gunde op zijne hoeve. Toch bereikte ik eindelijk den Duit-schen bodem, na veel kommer en ellende te hebben doorgestaan. Maar, niet wetende werwaarts mij te wenden om het hoofdkwartier van den Prins van Oranje te bereiken, wien ik mij voorstelde als reeds aan het hoofd van een leger, om het vaderland tegen Alba te hulpe te komen, en verplicht mijne kleinoodiën te verkoopen, trok ik do eerste stad de beste binnen, in do hoop dat ik hier wel voortgeholpen zou worden, en alles te weten zou komen wat mij noodig was. In mijne onbekendheid met de wereld en de menschen, rekende ik er op, dat mijne jonkheid mededoogon zou wekken, en dat de Neêrlandsche vluchteling vrienden en beschermers zou vinden, zoo ras hij maar over de grenzen was. De kastelein, bij wien ik herberg wilde nemen, ontnam mij reeds terstond dien waan op de wreedste wijze. Hij moest eerst door het vertoonen van een juweelen ring tot inschikkelijkheid worden bewogen, en daar ik hem, in mijn naïf vertrouwen, raad vroeg, hoe ik op de beste wijze dat sieraad tot gelde konde maken, dwong hij mij dien af voor een spotprijs, onder bedreiging van mij aan de Justitie in handen te leveren. Een boerenknaap, die er zoo armelijk en haveloos uitzag en in 't bezit was van zulke kostbaarheden, kon daar niet aan gekomen zijn op eerlijke wijze, meende hij ; en daar ik noch vrijgeleide, noch paspoort bij mij had, en zelfs niet gerechtigd was de waarheid te zeggen omtrent mijn persoon en verwantschap, moest ik niets zoozeer duchten, dan aangeklaagd te worden en een onderzoek door te staan van een Schout of Ambtman. Ik trof dus een vergelijk met den inhaligen herbergier die mij eenige dagen huisvesting toestond, daar hot gerucht ging van zekere krijgstoerusting, en men wachtte dat er krijgsvolk door zou trekken.
316
bestemd voor het leger van den Prins. Werkelijk nam een werfofficier met eenige manschap voor een paar dagen intrek in deze taveerne. Ik wist niets beters met mij zeiven te doen, dan mij bij dit volk te laten aannemen. Hoewel groot voor mijn leeftijd, was ik noch forsch, noch sterk, en zag er bleek en vermagerd uit, na de doorgestane vermoeienissen. Ik werd dus als bij gratie aangenomen, zonder handgeld; maar ik was toch tevreden, overtuigd dat ik wel spoedig onder de hoede zoude geraken van den Prins of een zijner krijgsoversten, en dat ik voor mijn vaderland en tegen Alba en de Spanjaarden zou mogen strijden. Het duurde heel lang eer het zoover kwam. Ik was onder het ergste soort van volk geraakt, overloopers uit alle landen, van alle partijen, die geen hart hadden voor de zaak welke zij verbonden waren te dienen, die alleen maar vlamden op buit en op de voldoening hunner lage lusten; ellendige huurlingen, die met mijne geestdrift den spot dreven, en die den aankomenden knaap maar al te spoedig tot getuige, tot deelgenoot maakten van hunne afschuwelijke leefwijze. De zoon van Machteld van Egmond, die met zijne vorstelijke nichten op gelijken voet had verkeerd, was nu de gelijke geworden van woeste soldeniers, en zwierf met hen om in Duitschland, tot we de plaats hadden bereikt waar de algemeene monstering zou gehouden worden. Al had ik mij van hen kunnen losmaken, ik zou het toch niet meer hebben gewild. Waartoe? Wat had ik beters kunnen aanvangen ? In 't begin, dat is waar, walgde ik van hunne uitspattingen, schoon ik er in dee'de uit valsche schaamte, om niet als een lafbek uitgejouwd te worden, bovenal om mij zeiven te bedwelmen en te vergeten wat achter mij lag! Later was ik vergeten wat ik placht te zijn, en deed mijn best om mij dat niet meer te herinneren. Toen ik eindelijk in de gelegenheid werd gesteld om een beter en meer geregeld leven aan te vangen, was de plooi gezet, en was mij tot behoefte geworden, wat mij vroeger van afkeer deed rillen. In
317
het dusgenoemde Maasleger van den Prins aangekomen, zou ik onder een troep, die met den algemeenen naam: Duitsche voetknechten, werd bestempeld, zijn verscholen gebleven, daar ik reeds de vrijmoedigheid miste om mij als edelman aan te melden bij wie ook, zoo niet een der hoplieden, door ik weet, niet wat in mijn voorkomen getroffen, mij had toegesproken, en mij later, in een gemeenzaam onderhoud, dat deel mijner geschiedenis had ontlokt, wat ik mocht prijs geven.
Hij â wist het andere. Mijne moeder, ongerust dat er maanden bij maanden verliepen, zonderdat zij iets van mij of Johan hoorde, had aan haar neef van Kenenburg geschreven, die zich met eene compagnie van honderd arquebusiers bij den Prins had gevoegd. Dit schrijven was tot hem gekomen, en hij was een nobel man, die zich het lot van zijn jeugdigen neef aantrok. Ik werd als vaandrig geplaatst bij zijn vendel, en een oog sluitend voor mijne gebreken, wist hij mijne eerzucht en mijne geestdrift weêr op te wekken, gaf mij de gelegenheid mij te onderscheiden, en wist mij te bevorderen tot zijn luitenant. - Maar het was voorbeschikt, dat ik geen geluk zou hebben. Deze vriend en beschermer, wiens leiding reeds aanving mij ten goede te brengen, sneuvelde op een mislukten krijgstocht, en ik, die mijn leven had willen stellen voor het zijne, ik bleef als verweesd achter; en weêr aan mij zeiven overgelaten, voelde ik opnieuw den vloek mijns vaders op het hoofd branden, en voor die snerpende pijn kende ik geene remedie â dan den roes der zinnen, waarin ik mij bedwelmde. Eerst als ik de helft van den nacht met hartstochtelijk spelen en drinken doorbracht â kon ik de andere helft slapen; â zoo niet, dan spookten allerlei schrikbeelden om mij rond, en het lijden van den nacht wreekte zich in zulke matheid, dat ik alle energie miste, om mijn volk onder orde en tucht te houden, tenzij ik mij verhitte door den drank. Xu was ik onder de macht geraakt van een hopman, die, van lage
318
geboorte, zich reeds geërgerd had aan mijne snelle bevordering, en zonder verschooning was voor mijne fouten, ja, die mij tot fout maakte, wat mij mogelijk door een overhoofd van minder kwade gezindheid als ijver zou zijn toegerekend. Was ik achteloos bjj den gewonen gang van zaken, zoo vaak er gevaar te trotseeren, moed te toonen viel, wist ik van geen aarzelen, was ik onder de eersten en vurigsten; maar de hopman noemde mijn moed overmoed, en verweet mij dien als vergrijp tegen de krijgstucht. Een dier vergrijpen werd met vernedering en terugzetting gestraft. Ik was niet in de stemming om lijdelijk te dragen, hetgeen mij wreed onrecht toescheen; ik kwam in verzetâ⢠en daagde mijn overste uit â ik versloeg hem. Naar de krijgswet had ik den dood verdiend. Door tusschenkomst mijner moeder werd mij gratie verleend, maar â met het Kaïnsmerk op het voorhoofd uit het vaandel gejaagd, voelde ik mij opnieuw met gewisheid meer dan ooit de gevloekte, de ellendige, en was het mij zekerheid, dat ik niet meer anders kon. dan tot verderf geraken. Ook leefde ik van toen aan niet meer anders dan voor het genot van het oogenblik, voor de voldoening mijner lusten en tochten, hoe die voldoening dan ook mocht zijn verkregen. Wat zal ik u meer zeggen? Mijne verdere lotgevallen, hoe afwisselend ook, zijn niet geweest dan de voortzetting van het schrikkelijk begin; ik zal er u niet verder meê vermoeien. Gij weet nu waarom mijn vader mij heeft gevloekt, wat mijne moeder heeft doen lijden, en waarom ik niet gerechtigd ben deel te hebben aan den zegen Gods!quot;
En Juliaan verborg het gebogen hoofd én de handen met een doffen zucht.
âNiemand is daartoe gerechtigd,quot; antwoordde Gras.winckel âook niet de beste onder ons; want er is geen sterveling, geen enkele, die niet tegen God heeft gezondigd en Zijne liefde heeft verbeurd. Maar God is genadig over allen die zich zondaars bekennen, en Zijne genade is voor ons allen genoeg. Zoo uw
319
hart u veroordeelt, wees getroost, wees gerust; God is meerder dan uw hart, en Hij wil u aanzien in Zijn Zoon, die volkomen-lijk gehoorzaam is geweest aan Zijn Vader tot den dood, ja tot den dood des kruises, en Die alles heeft volbracht voor u, voor mij, voor allen. Hij heeft den vloek der zonde voor ons gedragen, voor ons weggedaan, ook den vadervloek, wees er zeker van, mits gij u niet in vertwijfeling van uwen Verlosser wegwendt, maar geloovig u door Zijne reddende hand laat vatten ; kunt â wilt gij dat ?quot;
âIk kan niet!quot; hernam Juliaan met een droevig hoofdschudden. âIk weet dat het alles waarheid zijn moet wat gij mij zegt,
maar____die waarheid is niet voor mij, al voelde ik een oogen-
blik mijn hart kloppen van blijde ontroering onder uw spreken, al dacht ik mij eene wijle hoe het mij zijn zou, als die name-looze last, die mijn leven drukt, van mij was weggenomen. De twijfel in mij spreekt luider dan de hoop, hij roept het mij toe, dat gij, ondanks alles, mij het tastelijk bewijs zijt schuldig gebleven waarop ik gerekend had, dat gij beloofd hebt te leveren, het bewijs, dat /A', ik niet uitgesloten zou zijn van die groote genade Gods, het bewijs, dat die reddende hand, waarvan gij spreekt, zich werkelijk heeft uitgestrekt naar mij!quot;
âDe Heer heeft zijn Thomas wel de teekenen zijner kruiswonden laten zien, zou ik geen geduld nemen met deze zwakheid?quot; sprak Jacob Jansz. halfluid en als in zich zelve; âhebt gij dan zelf geen geheugen meer van hetgeen dezen nacht met u is geschied? Welke rampen en smarten u ook in uw leven mogen getroffen hebben, dit toch zult gij mij toestemmen, dat er niets ergers aan den mensch kan tebeurtvallen, dan gansch onvoorbereid in zijne zonden te sterven door plotselingen dood, na zich bevlekt te hebben met zijns naasten bloed â en met die doodschuld op het geweten voor zijn Rechter te treden. Waar u dat had getroffen, zou voorwaar de vadervloek zijn vreeselijkste macht tegen u hebben gericht; gij zoudt de zonde
320
gepleegd hebben, daar af een mensch zich niet meer kan berouwen; voor de eeuwigheid waart gij verloren geweest. Kunt gij dit indenken zonder sidderen?quot;
âIk weet, dat ik een zelfmoordenaar ware geworden zonder u,quot; hernam Juliaan verbleekend, âen zie nu in, met ontzetting, wat ik daarmeê tegen mij zeiven zou gepleegd hebben, zoo niet uwe reddende hand . ..
âWelnu! wiens bestier voerde mij daarheen om u in Zijnen naam die reddende hand toe te steken ? Wie ook. God in de voorvallen des levens voorbijziende, van toeval moge spreken, ik weet wie mijne schreden leidt, wie elke beweging mijns harten bestiert. Ik ben zelf uit den diepen doodsweg tot het leven gebracht door Zijne machtige hand. In het licht dat mij heeft bestraald, toen Hij mij de oogen heeft geopend over mij zeiven, zie ik Zijn beotier in alles wat aan mij en anderen geschiedt. En zoo vrage ik u: erkent gij Gods barmhartigheid daarin, dat Hij niet wilde, dat gij dus jammerlijk omkomen zoudt, dat Hij ons samenbracht, opdat gij niet meer zoudt vertwijfelen aan u zeiven, nog aan Hem, maar gelooven zoudt in Zijne ontferming, in Zijne oneindige liefde, die, om alleen maar van dezen éénen nacht te spreken, en zonder nog in herinnering te brengen, hoe menigmaal Zijne reddende hand zich sparend over u heeft uitgestrekt, gedurende uw woest en verwilderd krijgsmansleven, alleen van dezen nacht, waarin Zijn bestier tweemaal als een mirakel Zijner liefde aan u heeft gewerkt?quot;
âTweemaal!quot; herhaalde Juliaan met eenige bevreemding.
âJa! die lichte kwetsure aan uwe hand, die nu zoo onbeduidend is, dat ik er te ochtend gerust het verband van zal kunnen afnemen, had uw dood kunnen zijn! Zoo dat scherpe staal één haarbreed hooger had getroffen, ware de polsader doorgesneden.quot;
âEn Bastiaan behouden gebleven!quot; verzuchtte Juliaan, âhad dat kunnen zijn!quot;
âDat behoefde daaruit niet te volgen; mogelijk waart gij
321
te zamen gevallen, tegelijk opgeroepen voor den rechterstoel Gods. Maar al ware de daad niet gepleegd, zoudt gij u zeiven daarom rein geacht hebben van schuld en bereid voor het jongste gericht?quot;
âO, gij weet beter! gij weet hoe de zelfverfoeiing mij tot desperacie bracht.... Geloof dit toch van mij, dat ik mijn leven zou willen geven voor het behoud van Bastiaan!quot;
âGij hebt uw leven niet weg te schenken naar willekeur; gij hebt het dankbaar te gebruiken zooals God wil! allereerst om u met Hem te laten verzoenen,quot; sprak Jacob Jansz. met gezag; âwaar toch de onuitsprekelijke barmhartigheid, die u in eene spanne tijds tweemaal dus wonderbaarlijk behoedde voor het ergste wat een zondig menseh overkomen kan, u zichtbaar en tastelijk heeft bewezen, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve! Zijt gij nu overtuigd, dat deze zoi-gende liefde, deze uitreddingen u persoonlijk hebben gegolden?quot;'
âVoorzeker, ik ben het,quot; sprak Juliaan, met schitterende oogen. âIk moet wel gelooven dat er over mij werd gewaakt, toen ik mij verlaten dacht. Ik voel iets opleven in het harte, dat ik
nooit heb gekend: ik voel____liefde voor God!quot; sprak hij met
trillende stem. âIk voel in mij de begeerte om een ander mensch te worden; zou dat nog mogelijk zijn voor mij?quot; eindigde hij, Graswinckel angstig uitvorschend aanziende.
âTwijfel daaraan niet, mijn zoon! geloof alleenlijk!quot; sprak Jacob Jansz. met levendigheid, terwijl hij hem beide handen toestak; âgij moogt u de rijkste beloften Gods toeëigenen, alsof ze u door den Heer zelf werden verzekerd.quot;
âUw zoon! gij noemt mij uw zoon! geef mij dan uw vaderzegen. Die zal voor mij het teeken zijn van den zegen Gods, die machtiger zijn moet dan de vadervloek,quot; riep nu Juliaan, voor tern neêrknielend en de handen smeekend naar hem opgeheven.
âMijn wellieve zoon, ook de teêrste vader kan niets voor
Wonderdokter. I. 21
322
zijn kind dan het biddend opdragen aan den Hemelschen vader; maar toch dit vermag ik, dit zal ik! En nu â zooals mv aardsche vader, in de bitterheid van zijn toorn, u zijn vloek op het hoofd heeft gelegd, zoo leg ik, uw geestelijke vader, de handen zegenend op u, in den naam van Christus mijn Heer! â Juliaan van Egmond, zoon mijner Machteld, mijn zoon! wees gezegend! sta op uit den doode, en dat Christus over u moge lichten;quot; en terwijl hij als in geestverrukking de handen over Juliaans hoofd uitbreidde en zich over hem heenboog, droppelden groote tranen uit des grijsaards oog op des jonkmans hoofd.
âNu is het brandmerk gebalsemd!quot; riep deze, zich in blijde vervoering in zijne armen werpend.
âMaar nu te zamen tot God!quot; sprak de kluizenaar en wierp zich zelf oj) de knieën.
âHet moet dag zijn,quot; sprak Jacob Jansz. naar den zandloo-per ziende en de lamp uitblazende, die sinds lang, al knetterend en walmend, slechts een kwijnend licht had geschonken en hij opende een der vensterluiken.
âEi zie, mijn zoon! over dezen eersten dag van uw vernieuwd leven heeft de Heer zijne liefelijke zon heerlijk doen opgaan.quot;
Werkelijk zag men de heldere lentezon, die al de Maartsche buien van den vorigen dag scheen weggevaagd te hebben, reeds hoog aan den hemel staan en hare lichttinten uitgieten over een grooten tuin, waarin heesters en vaste planten alreeds met hunne groene knoppen pronkten, die gisteren nog onder ijzel en sneeuw waren verborgen.
âWelk een fraaie tuin, welk een ruim uitzicht op de vroolijke, vrije lucht,quot; sprak Juliaan, getroffen door het scherp contrast met de sombere, kille cel van den kluizenaar.
âDat is mijn kruidhof! treed er vrij binnen, de frissche lucht
323
zal u goed doen,quot; antwoordde de wonderdokter, hem bij de hand naar buiten leidende. âDe natuur viert haar Paasehfeest, in afwachting van dat Paasehfeest, dat wij zelf te gernoet gaan.quot;
âWil versehoonen, vrouw-zuster, dat ik u al zoo vroeg in den morgen overlast kom doen; maar ik heb een patiënt, een gast, die wat degelijks noodig heeft, en ik heb hem niets te bieden dan mijn gewoon vroegstuk.quot;
â Erg genoeg, Jaeob-broêr, een broksken brood in wat melk gekruimeld is veel te sobere kost voor uw leeftijd,quot; werd hem geantwoord op een zacht verwijtenden toon, door de deftige huisvrouw, die juist bezig was haar ontbijt klaar te zetten op eene stevige eikenhouten tafel, toen haar âexcentrieke zwagerquot; bij haar binnentrad.
Dat de bloedverwanten, ondanks verschil van zienswijze, in goede verstandhouding met elkander leefden, en dat dergelijke bezoeken niet zeldzaam waren, al vonden ze niet altijd te zeven ure in den morgen plaats, bewijst ons haar gulhartig antwoord en de weinige bevreemding, die vrouw Baerte Graswinckel toont bij het binnentreden van haar schoonbroeder. Ze woonden dan ook dicht genoeg bij elkander om het âburenquot;, zooals men het destijds noemde, gemakkelijk te maken. Ze woonden eigenlijk in hetzelfde huis, het eigendom van Jacob Jansz., die het grootste gedeelte daarvan, het hoofdgebouw, dat op het Oud-Delft uitkwam, aan zijn jonger broeder had afgestaan, om daarvan niets voor zich zelven te behouden dan het achterhuis met den tuin en het bijgebouw, door hem tot een laboratorium ingericht. Desverkiezende kon hij uit zijne kluis in zijns broeders woning komen, en daarom was het dan ook, dat hij vrouw Baerte, zijne schoonzuster, somwijlen zekere diensten kwam vragen, die zij in alle gewilligheid verleende, al was het niet altjjd
324
zonder protest tegen zijne eigene âsinguliere manier van levenquot;.
Geloof me, vrouw-zuster! het kan voor mij volstaan,quot; gaf Jacob Jansz. ten antwoord, terwijl hij het teenen korfje voor zijne provisie op tafel zette.
âIk aehte van neen!quot;' hield zij vol met een zacht hoofdschudden, âdoch daar hebben wij het al zoo vaak over gehad, en daar zullen wij het wel nimmer over eens worden.quot;
âEn 't is te vroeg om te kibbelen, niet waar goede Baerte,quot; hernam hij, âdaarom laat me aan mijne kwade gewoonten, en wees mild als altijd voor mijne nooddruftigen....quot;
âTk geloof dat er geen zegen op mijn dag zou rusten, zoo ik dien aanving met tegen u te strijden en daarbij uwe honge-rigen liet smachten,quot; hernam Baerte, en de vriendelijke glimlach, die al sprekende haar gelaat verhelderde, maakte als het ware de rimpels van haar voorhoofd effen en verjongde haar uitzicht, ondanks de grijze haren, onder het zwart fluweelen kapertje slechts ten deele verborgen. âNu, gij treft het goed, want mijn dressoir is juist heden bijzonder ruim voorzien.quot;
Al sprekende sloeg zij dit meubelstuk open, en legde achtereenvolgens een koud hoen, eenige sneden ham, een stuk van een gebraden runderhaas en een fijn tarwebrood in zijn korfje, nadat zij het een voor een zorgvuldiglijk in papier had gewikkeld. âHier heb ik ook nog zoetemelksche kaas en een paar versche eikens voor u, en de rest van deze taart moet gjj ook maar meenemen, daar kunt gij de kinderkens meê verblijden bij uw armenbezoek.quot;
âMaar, zustei-, zuster!quot; sprak Jacob Jansz., âschoon ik het dankelijk aanneem, wat gij mij in uwe gulheid voor mijne schaapkens schenkt, moet ik u toch zeggen, dat hier een overvloed is, die men wel overdaad zou mogen noemen.quot;
âMeen ook niet, dat wjj altijd dus overdadiglijk leven,quot; gaf zij ten antwoord, zonder gekrenktheid te toonen over de aanmerking, âganschelijk niet, Jacob-broêr! al heeft de Heer ons
325
ruim met tijdelijke middelen gezegend, en al leven we niet op z'n heremiets. Wij weten ook wel, dat we 't niet ontvangen om het met brassen door te brengen; maar ziet ge, we hebben gisteravond hier festijn gevierd; mijn broêr Hogenhoeck kwam met zijne vrouw en zoon bij ons kortavonden, er moest vóórbruiloft gehouden worden, waarbij de liefdetaart allerminst mocht ontbreken.quot;
âEi zoo! wie gaat er trouwen in de familie?quot;
âNicht Belie heeft het jawoord gegeven aan neef Antony.quot;
âWel, wel! zoo maar in eens! Ik daeht niet dat daar zooveel haast bij was.quot;
âMijn man en ik dachten dat ook niet; maar een meisjes-hart is een wonder ding. Wij meenden, dat uit al haar uitstel zoeken, afstel zou volgen, en dat Antony voor haar niet de rechte Jozef was; maar het tegendeel is gebleken, ze schijnen het samen eens geworden te zijn, staande de vermakelijkheden van gisteren.quot;
âDat verrast me!quot; sprak Jacob Jansz. wat getroffen, en nam zijn korfje in de hand. âWacht eens broêr, mag ik er nog dit halfje Spaansche wijn bij doen, tot eene hartversterking voor wie 't noodig heeft? Ge mocht er zelf ook wel eens meê van proeven; dan.... dat dring ik niet op. Zal ik Marrigjen roepen om het even bij u aan te reiken?quot;
âLaat uw dienstmeisje maar blijven, ik kan dien kleinen last wel torsen! Nu, gegroet zuster, wees gedankt voor uwe mee-deelzaamheid, en geloof vrij, dat gij het den Heere doet, wat gij zoo blijmoedig voor Zijne armen over hebt. Groet uw man â en Belia!quot;
âDe drukte van gisteren heeft haar vast uit den slaap gehouden, dat ze nog niet op is...quot;
âJa, moeilief, zij is wèl op!quot; sprak Mebelia zelve en trad binnen door eene zijdeur â terwijl Graswinckel zich reeds omgekeerd had om langs den binnengang heen te gaan. Hare stem
326
hoorende, wendde hij zich tot haar: Uw besluit van gisteren is wel rasch tot rijpheid gekomen, kindlief,quot; sprak hij, haar met zachten ernst in de oogen ziende; âmoge er zegen op rusten.quot;
âVerschoon me, Jacob-oom, dien zegenwensch kan ik zóó niet aannemen; ik zou u graag nog eens over die zaak willen spreken,quot; zei Mabelia, die er werkelijk zoo bleek en ontdaan uitzag, of zij een slapeloozen nacht had doorgebracht.
âVooraf â ware al zoo wijs geweest, naar 't mij dacht, Be-fie,quot; gaf hjj ten antwoord met zekeren nadruk.
âMen kan niet altijd zooals men wil; maar ik heb toch noo-dig uw raad in te nemen.quot;
âNu goed, in quot;t eerste avonduur dat ik vrij heb, kom ik tot u, wees er zeker van; nu ââ mag ik mijn gast niet langer op zijn vroogstuk laten wachten.quot;
âNiet vrijmoedig toetasten, waar hem gulhartig een goed maal werd aangeboden, streed tegen Juliaan's gewoonte; en toch roerde hij nauwelijks aan hetgeen Graswinckel hem voorzette, en deze moest als arts, nog meer dan als gastheer, dringen om hem te bewegen een en ander te gebruiken. Zijne oogen werden vochtig toen hij dezen zelf zijn sober maal zag nuttigen; en hoewel Jacob Jansz. uit teêre kieschheid van zijn gewonen leefregel afweek, en van de lekkernijen proefde om hem aan te moedigen, het baatte niet, hij bleef onder den druk van kwellende gedachten, die hem allen eetlust benamen.
âPijnig u zeiven nu niet meer met omzien naar 't verleden; zie op â en streef vooruit; laat varen alle ijdele vreeze en bekommeringen,quot; troostte Jacob Jansz., zacht vermanend.
âIk weet het, zitten suffen baat me niet, ik moet handelen, uitgaan; maar kan ik mij nu weêr op straat begeven in deze kleedij... â¢?quot;
327
âZeker neen! maar verlaat u in deze gerust op mij. Ik zal daarin haastelijk voorzien. Ik weet waar mijne deftige verwanten hunne kostelijke gewaden vandaan halen, en de zoon van Machteld van Egmond moet wel eerlijk voor den dag komen. Maar dat uitgaan heeft voor u immers nog geen haast?quot;
âIntegendeel, daar is dringende haast bij. ..quot;
âLaat mij eerst onderzoeken hoe het daar buiten met uwe zaken staat. Gij zijt hier nu in een veilige schuilplaats; die verlatende zonder voorzorg kunt gij allicht in last en lijden komen. Het gebeurde met Bastiaan moet uitgelekt zijn, en zoo het vermoeden deswege op u ware gevallen ...
âIk ben voornemens mij zei ven te verklagen. Gij, gij zult me toch wel niet raden mij aan den arm der gerechtigheid te onttrekken !quot;
âZeker neen! maar ik weet helaas te goed, wat in onzen tijd de menschelijke gerechtigheid te beteekenen heeft om toe te staan, dat gij u onbedacht en onvoorbereid in hare handen stelt. Laat mij eerst uwe zaak onderzoeken, over u spreken met schout en schepenen, en tot zoolang blijft gij rustig hier; zonderdat zoudt gij verkeerd beoordeeld, en met de uiterste hardheid bejegend worden.quot;
âUwe teêre vriendenzorge roert mij; maar hier is geen tijd meer tot schikken en middelen; gij vergeet wat ik u heb medegedeeld omtrent het gevaar dat den Stadhouder dreigt! Mau-rits van Nassau moet gewaarschuwd, moet gered worden ten koste van alles, overkome mij dan wat wil, ik zal het lijdzaam dragen; mogelijk zal de Prins billijker voor mij zijn dan zijn neef Willem Lodewijk, en er in toestemmen mij te hooren, eer hij mij veroordeelt.quot;
âIk waardeer de gemoedsbeweging, die u drijft om zoo te handelen; maar gij zoudt u zeiven blootstellen, zonder veel kans te hebben om tot Maurits door te dringen, bovenal om door hem beroofd te worden. Gij kunt slechts wijzen op een onbe-
328
stemd gevaar; gij kunt geene bewijzen aanvoeren, geen personen noemen ...
âEn deze papieren!quot; hernam Juliaan, ze te voorschijn ha-Jende, âdie van een geheimen toeleg spreken, waarvoor zekere lieden schatten veil hebben, die ik ontving uit de handen zeiven van den man, die mij den moord voorstelde, bewijzen die dat niet reeds genoeg?quot;
âMogelijk! maar in dat geval wordt gij zelf de beschuldiger van uw vader, van uw broeder?quot;
âMijn vader! wat zou dit hem kunnen deren, die is veilig in zijn kasteel, of aan 't Hof van Brussel, waar men hem groo-telijks danken zal voor zijne intentie.quot;
âEn zijne eer?quot;
âGij ziet voorbij dat de vriend des Konings juist zijne eer stelt in datgene, wat wij hier eeno schanddaad noemen.quot;
âJuliaan, Juliaan! zie toe voor u zeiven; gij haat uw vader; dat is de weg niet om zijn vloek krachteloos te maken.quot;
âIk wil hem een misdrijf besparen, dat is hem; dienstdoen,quot; gaf Juliaan ten antwoord; maar hij kleurde sterk en sloeg de oogen neêr; hij voelde dat de blik des Wonderdokters den zijnen zocht, en hij kon dat niet dragen in dezen oogenblik.
âEn uw broeder?quot; vroeg Graswinckel met nadruk.
âDie â ja â dat is wat anders, die kon er door in zwarigheid komen; maar dat's dan toch niet meer dan recht, niet meer dan verdiend -â ware 't ook maar alleen aan mij iquot;
âZoo is de zucht naar wrake hiermee onder gemengd ? Naar wrake! gij, die de vergiffenis van een rechtvaardig God weet te behoeven, hebt ingeroepen, hebt verkregen, zoo wij hoopten op ons vurig gebed! Zooveel is u kwijtgescholden, en gij wilt de mindere schuld tot het uiterste toe op uw broeder verhalen ? Juliaan van Egmond! zoo het uw ernst is met uw voornemen om een ander mensch te worden, zie dan af van deze wijze om â den Prins dienst te doen. geef die papieren aan mij!quot;
329
Het waren de eerste strenge woorden die Juliaan uit dezen vriendelijken mond troffen, en zij drongen hem tot in de ziel. Maar de eisch was zwaar, en er verhief zich in zijn binnenste een heftige strijd.
âDeze bewijzen van zijne schuld uit mijne handen geven!quot; bracht hij uit met gesmoorde stem. âWeet gij wel wat gij mij vergt; weet gij wat ze voor mij zijn? O! neen, neen! dat kunt ge niet weten â want ik heb u niet medegedeeld, hoe de indringer â de basterd mij altijd hoonde en dreigde, zoo vaak het lot ons in later tijd weêr samenbracht. Want wij hebben elkaar weergezien: niet slechts gisteren bij dat steekspel, maar herhaaldelijk na mijne verbanning, nu eens ginds, dan weêr elders, en hij was altijd zonder verschooning voor mij, den beroofde, en altijd volgde er onheil uit als hij mij genaakte. Ditmaal zal het eens andersom zijn; ditmaal heb ik een wapen in handen tegen hem.quot;
âIk verbied u daarvan gebruik te maken,quot; viel Jacob Jansz. in met gezag. âHoe meer dat wapen voor u van beteekenis is, hoe sterker ik er op aan moet dringen, dat gij het afstaat.. .quot;
âDie eisch is mij al te zwaar,quot; riep Juliaan, nog in den gloed der drift, door het herdenken van zijne grieven opgewekt; âmaar toch,quot; eindigde hij in zekere matheid en met een diepen zucht, âU heb ik niets te weigeren.quot;
âAls het offer mij gold, zou' ik het u schenken, nu ik zie hoe zwak gij zijt; maar 't is de Heer die het u gebiedt, en uwe eigene consciëntie moet hier uitspraak doen, of gij Hem uwe wrake moet afstaan, al of niet; gij zijt nu in de occasie om met der daad te toonen, dat gij afgedaan hebt met dat verleden van wangunst en haat, met dat verleden van zondige drift en woesten hartstocht.quot;
âWelnu! ik heb er mee afgedaan, ik wil er mee afgedaan hebben,quot; riep Juliaan doodsbleek, maar met eene forschheid, die nog van zwaren zelfstrijd getuigde. âNeem ze, neem ze, en
330
verscheur ze voor mijne oogen, opdat ze mij nooit weer op zulken tweestrijd te staan komen.quot;
âVoorwaar neen ! Het is altijd vroeg genoeg om ze te vernietigen, als er geen goeds meê te stichten is. Bij mij zijn ze veilig. Gij hebt eene zware verzoeking zegevierend doorgestaan; dat is een goed begin, dank er den Heer voor, die mij wel een middel zal ingeven om don Prins te waarschuwen, ik heb kennis aan zekere Heeren, die hier ....quot;
Een luid gesnik en gejammer, en eene vruchtelooze poging om de deur van het vertrek open te doen, verhinderden Jacob Jansz. voort te gaan hij haastte zich te openen, om te zien wat dit alarm mocht beduiden.
Twee kinderen stortten schreiend naar binnen, een jongentje en een meisje, waarin wij datzelfde dochtertje van Geurt Dirksz. herkennen, damp;t Jacob Jansz. bij zijn apotheker had ontmoet.
âWel Elske, wel Gerbrand, wat scheelt er nu weêi aan!quot; sprak deze deelnemend, âgij beiden behoeft niet zoo hard te huilen en te kermen om mijne deernis op te wekken. Ik zou toch van ochtend bij je moeder komen; ik heb een hoentje en eieren voor haar opgedaan, en lekkere hapjes voor de kinderen ook; maar wilt nü bedaren en mij zeggen wat het is.quot;
âOch, och! Jacob-Oom!quot; snikte het meisje, nog harder schreiend ondanks zijn vermaan, ânü zijn we allen arme, hul-pelooze weezen, zegt buurvrouw, vader en moeder zijn allebei dood!quot;
âAllebei! maar kindlief hoe is dat toegegaan? buurvrouw maakt het zeker wat erger,quot; sprak Graswinckel, haar zachtelijk tot zich trekkende, totdat zo vertrouwelijk aan zijn schoot bleef staan, terwijl het zesjarig broertje zich met den rug tegen den muur geposteerd had, en, de vuistjes tegen de oogen gedrukt, onverbiddelijk bleef doorschreien. âKom vertel me nu eens simpel jjk wat er gebeurd is, Elsekind! Ik had gemeend dat de
331
nacht verder goed geweest zoude zijn, heeft moeder het drankje trouw gebruikt ?quot;
âJawel, Jacob-Oom, dat heeft ze, en buurvrouw zei dat er rust kwam, en ze heeft tot in den ochtend geslapen; maar vader bleef uit, en van morgen was er een heele oploop in onze steeg, en de schoutsdienaren kwamen bij ons binnen, en ze droegen vader op een berrie het huis in: hij was verdronken! Het blijkt dat hij zich zei vers van nacht verdaan heeft, want ze Tiebben hem uit de stadsgracht opgevischt, en zijn zakken waren vol steenen; daar is moeder zoo van geschrikt, want ze was door 't gejoel wakker geworden, en ze gilde zoo toen zij 't hoorde. âTn zijne zonden gestorven!quot; kreet zij met zoo'n akelige, harde stem, en toen kreeg ze weêr een toeval daar ze in gebleven is.quot;
Juliaan, wien het intermezzo door de kinderen daargesteld zeer ongelegen kwam, liep met zeker ongeduld de kamer op en neêr; maar zjjns ondanks had hij toch moeten luisteren naar de eenvoudige voorstelling van dit huiseljjk drama, en bij de ontknooping kon hij niet nalaten een blik te wisselen met Graswinckel, die hem veelbeteekenend aanzag. Juliaan verbleekte en verzonk in ernstig nadenken.
Wat onderscheidde hem, dat hij niet in dien eigen nacht op geljjke wijze was ondergegaan?
âOch dat hij naar mijne waarschuwing had willen luisteren,quot; verzuchtte Jacob Jansz. met tranen in de oogen.
âHet spijt mij ook wel heel erg dat vader zóó aan zijn eind is gekomen,quot; bekende Elsje, terwijl zij haar hoofdje tegen des grijsaards borst leunde; âmaar hij kon ons toch zoo deerlijk slaan, als hjj uit de taveerne kwam! En als moeder niet voor ons gezorgd had... Och, och, dat wij onze lieve moeder nu missen moeten,quot; viel zij opnieuw uit onder een vloed van tranen.
âWees getroost! mijn kind,quot; sprak Graswinckel, haar even
332
het voorhooft! kussend, âdaar zal wel voor u gezorgd worden. En is het dan zoo zeker dat uwe moeder in dat toeval gebleven is? Wanneer is het haar overkomen?quot;
âMijn oudste broer was al naar zijn werk,quot; antwoordde het kind, âen die gaat altoos te zevenen.quot;
âZoo is 't nog geen vol uur geleden; dan ga ik terstond nietje meê kinderen, om te zien of het geval zóó hopeloos staat.quot;
âBuurvrouw zei ook dat we u halen moesten; want ze zegt, dat gij de Wonderdokter zijt, die de doode menselien weêr levend kan maken; is dat zoo Jacob-Oom? Och toe, wil dan onze lieve moeder weêr levend maken!quot; en het kind vouwde smeekend de handjes.
âDat kan ik niet Elske, zet u de dwaze verzinsels niet in 't hoofd die ze rondklappeien. Over den dood heeft geen men-schelijke wetenschap macht. Den Heer Jezus alleen heeft den dood overwonnen, en wie in Hem gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. Onthoud dit, kindlief, en geef dit ten antwoord aan hen, die zulke dingen van mij zeggen; maar er worden soms lieden dood verklaard, en uit onkunde opgegeven, die slechts in diepe onmacht liggen. Diergelijke heb ik kunnen bijbrengen, en daarom ga ik ook naar uwe moeder zien. Kom Elske, draagt gij dit korfje voor mij, het kan mij te bate komen.quot; En zich tot Juliaan wendende vervolgde hij:
âIk moet u eene wijle aan u zeiven overlaten, gij kent bereids den weg naar mijn laboratorium ; wil u den tijd korten daar een kijkje te nemen, en wat in mijne boeken rond te snuffelen.
Alleen, wat ik u bidden mag, wees wat voorzichtig met mijne kolven en retorten, want ik ben met eene proefneming bezig, die mij zonderling zeer ter harte gaat,quot; en al sprekende sloeg de goede Graswinckel zijn mantel om en verliet zijn huis, voorafgegaan door de kinderen, wier smart nu genoeg afleiding had gehad om wat kalmer te worden in hare uiting.
HOOFDSTUK XI.
Eenzaam achtergebleven, begon het Juliaan al spoedig wat eng en somber te worden in die ledige kluis, en hij haastte zich om gebruik te maken van de vrijheid om het laboratorium te gaan zien.
De uitgestrekte kruidtuin, die tusschen het woonvertrek en de werkplaats lag, was met de meeste zorg onderhouden en van alle planten en gewassen voorzien, die de toenmalige botanie tot geneeskundig gebruik had aangewezen. In dit seizoen, en na de laatste gure dagen, was er echter nog niet veel groen te zien, tenzij aan zekere heesters, die de winterkoude hadden getrotseerd; maar alles duidde aan, dat het des zomers, ook voor den oningewijde, een milde, bloeiende tuin moest zijn. Ook het laboratorium was op breede schaal aangelegd en van koperen fornuizen en gemetselde stookplaats voorzien, terwijl niets ontbrak wat op de toenmalige hoogte (of laagte) der wetenschap tot de eischen van een scheikundig stookhuis behoorde. Dit alles overtuigde Juliaan opnieuw, dat zijn gastheer een vermogend man was, die alleen uit vrijwillige zelfverloochening koude en armoe leed in zjjne kluis, maar voor de wetenschappelijke onderzoeking, die h|j zich ten doel had gesteld, zoowel zijn geld als zijn arbeid scheen over te hebben. Men vond hier zelfs eene niet onbelangrijke bibliotheek, en al was er in de kluis maar een enkele stoel, hier kon men zich op zijn gemak zetten;
334
er was eene zitte aan den wand vastgehecht, niet leêr bekleed, en hier en daar een houten leunstoel met een los trijpen kussen belegd; eene weelde, waarvan, naar Juliaans gevoelen, ook de woonkamer wel haar deel had mogen hebben. Maar hij wist niet dat Graswinekel, die zich zoo zedig en eenvoudig voordeed, in betrekking stond met verschillende geleerden en notabelen van den lande niet slechts, maar zelfs van het buitenland; dat hij met sommigen hunner in briefwisseling was, hetgeen tot persoonlijke kennismaking had uitgelokt, zoodat zij hem kwamen bezoeken, om zjjne proefnemingen gade te slaan, of zijne resultaten te constateeren, en dat hjj in getrouwe opvatting van het voorschrift: âZalf uw hoofd als gij vast!quot; wel verre van deze bezoekers tot getuigen te maken van zijne ontberingen, er juist voor zorgde, hen zóó te ontvangen, dat zij niet werden ingewijd in het geheim van zijn sober kluizenaarsleven.
Het gezicht van smeltkroezen, kolven, retorten en fiesschen van allerlei wonderlijk fatsoen, door glazen buizen of metalen slangen aan elkaar verbonden, en op hunne fornuizen rustend, wekte meer Juliaans bevreemding dan zijne belangstelling. âHij zal toch geen Alchimist zijn, die naar den steen der wijzen zoekt?quot; sprak hjj in zich zeiven; âware dat, hij, zóó iemand, had kans dien te vinden; maar aan de goudmakerij is zooveel hebzucht en zooveel bijgeloof verbonden, dat ik er hem niet van verdenken mag. quot;Wat zou deze man nog naar goud zoeken; hij heeft wat beters gevonden dan alle aardsche schatten hem schenken kunnen.quot;
Toch naar wat afleiding hunkerende, ging hij rondsnuffelen in de librairie, zooals zijn gastheer hem veroorloofd bad. De boeken waren meest in 't Latjjn of Grieksch geschreven, en behandelden vermoedelijk Heel-, Genees- en Scheikunde, en wat daarmede in verband stond. Juliaan moest zich in dezen met gissingen behelpen, daar van de meesten zelfs de titel voor hem onleesbaar was; toch vond hij er enkele die over theologie ban-
335
delden, in 't Hollandsch en Fransch geschreven; maar ook deze trokken hem niet aan. De wijze, waarop diergelijke quaestiën destijds behandeld werden door de ernsthafte geleerden, was niet uitlokkend voor een geest als die van onzen luitenant, wars van langwijlige controvers, en te levendig, te oppervlakkig om zoo diepzinnige betoogen te volgen. Eeeds de wichtige folianten schrikten hem af, die slechts verstrooiing zocht in zijne eenzaamheid. Daar viel zijn oog op zeker boekske in zwaar chagrin-leer gebonden, en tot titel voerende; Psaumes de Bèze.
In zijne tegenwoordige stemming kon die titel hem niet afschrikken ; van doorbladeren kwam het tot lezen met gezette aandacht. Hij vond juist wat hij noodig had, al had hij het uit zich zeiven niet gezocht; hij onderging dien machtigen indruk, dien Davids geesteljjke liederen, uit 't diepste van het men-schenhart gevloeid, op het hart van eiken mensch maken moeten, dat aanvangt zich zelf te leeren kennen, dat aanvangt naar God te vragen. Juliaan voelde er zich zóó door aangetrokken, dat hij er zich geheel in verdiepte, totdat hij werd gestoord door een herhaald tikken op de deur, dat hem dwong te openen.
âMag ik vragen of mijnheer de edelman is, die den barbier noodig heeft?quot; sprak de persoon die nu binnentrad, belast niet slechts met de gewone attributen van zijn beroep, maar ook met een vrij groot pak kleêren, die hij zorgvuldig op een stoel uitlegde.
âIn trouwe, ik mag daarop geen neen zeggen,quot; gaf Juliaan ten antwoord, âwant ik heb mij zeiven op dat punt in den laat-sten tijd nogal verwaarloosd; maar ik twijfel of ik de door u bedoelde persoon ben. quot;Wie zendt u hier?quot;
âDokter Graswinckel, in de wandeling meest Jacob Jansz. genoemd, of ook wel Bestevaêr Boot, zooals zijne klantjes hem liefst aanspreken.quot;
âDan zeker zijt gij hier terecht; maar____ het kon wel zjjn
336
dat de waardige man voor zich zeiven behoefte had aan uw dienst...
âHij heeft er groote behoefte aan, dat's wel waar; maar hij zelf let op die behoefte niet, integendeel het blijkt zelfs dat hij er aan hecht om er zoo wat op zijn oud-Testaments uit te zien; want zoolang ik hem bediene, heb ik er mes nog schaar in mogen zetten.quot;
âIk zou haast vragen: waarin bedient gij hem dan?quot;
âIk geniet zijn vertrouwen!quot; hernam de Figaro met fierheid, âop zulke wijze, dat ik het ben dien hij belast met zoodanige diensten, die zijne patiënten noodig hebben, en waarmee hij zelf zich niet inlaat; als daar zijn: scheren, koppen, laten enz. enz.; ook help ik hem wel eens een verband leggen ....quot;
âIn dat geval zult gij mij goed te pas komen,quot; sprak Juliaan, op zijne hand wijzende; âwant mijn waardige vriend is in zulke haast naar een patiënt getrokken, dat hij verzuimd heeft mij deze windsels af te nemen, die vast niet meer noodig zijn.quot;
âHij heeft mij belast er zeker pleisterken op te leggen van zijn voorschrift.quot;
âGij zijt zoo goed ingelicht, dat ik geen oogenblik aarzel mij aan uwe zorgen over te geven,quot; sprak Juliaan nu, hem zijne hand toestekende.
âIn vrijigheid gesproken, jonker! gij zoudt noch wel noch wijs doen met u tegen de schikkingen van uw dokter te verzetten. Bij alles wat hij van ochtend te doen had, heeft hij toch nog zóó trouw voor u gezorgd. Hij heeft mij belast u deze kleeding-stukken te brengen, en te helpen passen, die hij uitgezocht heeft bij Wjjbrandsz. op het marktveld, den eersten meester snijder van Delft, die altijd gemaakt goed in voorraad heeft. En zie toch hoe goed die olijke dokter, die in alles wat wonderlijk te werk gaat, op uw postuur en grootte heeft gelet: dat wambuis, en die hoozen, is 't niet of ze naar uw lijf gesneden zijn; het wambuis van zwart gebloemd satijn, met belegsels van fluweel, en de hoo-
337
zen van zijden laken, alles even fijn en kostelijk. Het moest eene deftige Heerenkleeding zijn, was zijn eisch, en zie nu eens hoe er in de puntjes aan voldaan is. De bratten kousen met de kniebanden en zijden rosetten zijn niet vergeten. En wat dunkt u van dien zwarten vilthoed a la Henri IV, met smallen, licht omgebogen rand? Geen pluim, dat is waar, maar een zijden koord met roos en gesp tot sieraad. Is dit alles naar den smaak van den jonker?quot; vroeg meester Boudewijn, hem stuk voor stuk ter bezichtiging aanbiedende.
â'tls meer dan ik kon wachten of' wenschen,quot; sprak Juliaan, in verbazing over het smaakvolle gewaad dat hem toegereikt werd, terwijl hij zich niet zonder heimelijke beschaming van zijne havelooze plunje ontdeed; maar ik vermoedde niet dat mijn vriend, die zoo uiterst eenvoudig is voor zich zeiven, zulke weelde noodig geacht zou hebben voor mij; een gesp met bril-lanten, zooals deze, dat's ten minste overdaad . ...quot;
â Wijbrandsz was onderricht dat de kleedij voor een edelman was bestemd; en wat de brillanten belangt, die zullen de rekening niet bezwaren, 't is maar Boheemsch glas, bij occasie overgenomen, en dat gaat op den koop mee door.
rDat's wat anders! Nu dan meester .... hoe moet ik u noemen ?quot;
âBoudewijn.quot;
âWelaan, meester Boudewijn, wil uw best doen om mijn haar en baard een aanzien te geven, dat die fraaie kleedij niet te schande maakt; ik geef mij geheellijk aan uwe zorg over.quot;
Terwijl Boudewijn zich beijverde om aan dien eisch te voldoen, en het aan zijn welgevallig glimlachje te zien was, dat hij boven verwachting meende geslaagd te zijn, en hem verder aan zijn toilet hielp, begon hij een praatje, zooals zijn recht was; maar tot innerlijke voldoening van Juliaan, onthield hij zich van nieuwsgierige vragen, die hem zeker in groote getale op de tong brandden, bij het ongewoon geval dat zich hier
Wonderdokter I. 09
338
voordeed; een edelman die den nacht doorgebracht had in de kluis van den âUelftselien heremiet,quot; en die er zoo arm en berooid uitzag, dat hij, door de mildheid van zijn gastheer, van top tot teen in de kleêren moest worden gestoken.
Vermoedelijk was de Barbier-Chirurgijn de homme de cohfiance bij uitnemendheid van den Wonderdokter, had deze hem de uiterste bescheidenheid aanbevolen tegenover den prikkelbaren jonkman, en wist hij bij ondervinding, dat zijn patroon goed betaalde voor de diensten die men hem bewees, maar tegelijk stipte volgzaamheid eisehte van hem wien hij iets opdroeg. Hoe dit ook zij, de praatjes van Boudewijn bepaalden zich bij het groote feit van den dag, de bruiloftsfeesten.
âJa, ja! mijn waarde heer, die geven wat een vertier hier in de stad, en wat een opschudding tevens,quot; sprak hij, terwijl hij schaar en scheermes in een leeren tasch wegborg. âIk, bij voorbeeld, ben van ochtend al van zes ure af op de been, om al mijne klanten te helpen, die er weêr bij moesten zijn; en ik heb er ook nog eenigen op het Oud-Delft, die te negen ure klaar moesten wezen; dus mag ik mij wel reppen, want het is al over dien tijd; maar dit met u is een particulier geval, waar alles voor wijken moest; nu mag ik mij wel spoeden, want op een drafje loopen gaat vandaag ook niet, men weet nauw hoe men er doorkomen zal, zoo vol staat de gracht nu al van luiden, die den gemaskerden optocht willen zien, die van den huize van Solms moet uitgaan.quot;
âMaar .... dat is hier in de buurt .... naar ik meene ?quot; vroeg Juliaan.
âVlak naast aan !quot;' antwoordde Boudewijn, even glimlachend over de ongewisheid van den edelman op dit punt; âals uwe edelheid, de steeg van 't achterhuis doorgaat, en in de poort blijft staan, kan mijnheer er alles van zien wat hij wil, mits het volk maar niet onbescheidenljjk binnendringt.quot;
âEn de Prins? kan ik Prins Maurits dan ook zien.quot;
339
âDat zou ik niet durven verzekeren; denkelijk zal de Stadhouder zich niet bij het mommevolk aansluiten, maar op eigen gelegenheid met zijn hofstoet naar het marktveld gaan.quot;
âJa! zoo zal het wel zijn,quot; sprak Juliaan teleurgesteld; maar weet ge mij ook te zeggen, meester Boudewijn, of' dokter Gras-wiekel van ochtend al naar 't Princenhof is geweest?quot;
âDokter Graswinekel! zeker neen, die komt daar nooit, zoover ik weet; gelooft uwe Edelheid, dat hij daar heden eene boodschap had?quot;
âIk dacht het... maar als gij zeker weet dat hij er nog niet geweest is ....quot;
âZeker! wat die wondere man al niet doen kan, zie, daar kan geen gewoon menschenkind bij. Mij heeft hij laten roepen door de kinderen van Geurt Dirksz; ik moest hem assisteeren bij de vrouw, die ze voor dood hielden, en die met wrijvingen en eene lating weêr bij kwam, daarop is hij met itijj die aan-koopen gaan doen voor u, heeft mij herwaarts gezonden en â is zijns weegs gegaan . .. .quot;
â Het oud-Delft op ?quot;
âNeen! de arme buurten verder in.quot;
âDan! â moet ik zelf naar quot;t Hof â of alles is verloren,quot; sprak Juliaan in heftige ontroering, en nam zijn hoed.
De barbier zag hem met eenige verwondering aan; en na pro forma gevraagd te hebben, of er nog iets van zijn dienst was, spoedde hij zich weg.
Eene wijle bleef Juliaan nog aarzelen. Zou Graswinekel ook op eigenaardige wijze in de veiligheid van den Prins hebben weten te voorzien ? maar indien niet â het was hem voorgekomen, dat zijn gastheer het gevaar, waarin de Prins verkeerde, noch zoo zeker, noch zoo nabij achtte als hij zeil het vreesde. Indien hij er eens niet op gedacht had, dat hier snelle tus-schenkomst noodig was; indien hij onder al zijne bemoeiingen eens vergeten had in die zaak te handelen; wat dan? âEr
336
dat de waardige man voor zich zeiven behoefte had aan uw dienst...
âHij heeft er groote behoefte aan, dat's wel waar; maar hij zelf let op die behoefte niet, integendeel het blijkt zelfs dat hij er aan hecht om er zoo wat op zijn oud-Testaments uit te zien; want zoolang ik hem bediene, heb ik er mes nog schaar in mogen zetten.quot;
âIk zou haast vragen: waarin bedient gij hem dan?quot;
âIk geniet zijn vertrouwen!quot; hernam de Figaro met fierheid, âop zulke wijze, dat ik het ben dien hij belast met zoodanige diensten, die zijne patiënten noodig hebben, en waarmeê hij zelf zich niet inlaat; als daar zijn: scheren, koppen, laten enz. enz.; ook help ik hem wel eens een verband leggen .. ..quot;
âIn dat geval zult gij mij goed te pas komen,quot; sprak Juliaan, op zijne hand wijzende; âwant mijn waardige vriend is in zulke haast naar een patiënt getrokken, dat hij verzuimd heeft mij deze windsels af te nemen, die vast niet meer noodig zijn.quot;
âHij heeft mij belast er zeker pleisterken op te leggen van zijn voorschrift.quot;
âGij zijt zoo goed ingelicht, dat ik geen oogenblik aarzel mij aan uwe zorgen over te geven,quot; sprak Juliaan nu, hem zijne hand toestekende.
âIn vrijigheid gesproken, jonker! gij zoudt noch wel noch wijs doen met u tegen de schikkingen van uw dokter te verzetten. Bij alles wat hij van ochtend te doen had, heeft hij toch nog zóó trouw voor u gezorgd. Hij heeft mij belast u deze kleeding-stukken te brengen, en te helpen passen, die hij uitgezocht heeft bij quot;Wijbrandsz. op het marktveld, den eersten meester snijder van Delft, die altijd gemaakt goed in voorraad heeft. En zie toch hoe goed die olijke dokter, die in alles wat wonderlijk te werk gaat, op uw postuur en grootte heeft gelet: dat wambuis, en die hoozen, is 't niet of ze naar uw lijf gesneden zijn; het wambuis van zwart gebloemd satijn, met belegsels van fluweel, en de hoo-
337
zen van zijden laken, alles even fijn en kostelijk. Het moest eene deftige Heerenkleeding zijn, was zijn eiseh, en zie nu eens hoe er in de puntjes aan voldaan is. De bratten kousen met de kniebanden en zijden rosetten zijn niet vergeten. En wat dunkt u van dien zwarten vilthoed a la Henri IV, met smallen, licht omgebogen rand ? Geen pluim, dat is waar, maar een zijden koord met roos en gesp tot sieraad. Is dit alles naar den smaak van den jonker?quot; vroeg meester Boudewijn, hem stuk voor stuk ter bezichtiging aanbiedende.
â't Is meer dan ik kon wachten of wenschen,quot; sprak Juliaan, in verbazing over het smaakvolle gewaad dat hem toegereikt werd, terwijl hij zich niet zonder heimelijke beschaming van zijne havelooze plunje ontdeed; maar ik vermoedde niet dat mijn vriend, die zoo uiterst eenvoudig is voor zich zeiven, zulke weelde uoodig geacht zou hebben voor mij; een gesp mot bril-lanten, zooals deze, dat's ten minste overdaad . ..
âWijbrandsz was onderricht dat de kleedjj voor een edelman was bestemd; en wat de brillanten belangt, die zullen de rekening niet bezwaren, 't is maar Boheemsch glas, bij occasie overgenomen, en dat gaat op den koop meê door.
âDat's wat anders! ISTu dan meester .... hoe moet ik u noemen ?quot;
âBoudewijn.quot;
âWelaan, meester Boudewijn, wil uw best doen om mijn haar en baard een aanzien te geven, dat die fraaie kleedij niet te schande maakt; ik geef mij geheellijk aan uwe zorg over.quot;
Terwijl Boudewijn zich beijverde om aan dien eisch te voldoen, en het aan zijn welgevallig glimlachje te zien was, dat hij boven verwachting meende geslaagd te zijn, en hem verder aan ziju toilet hielp, begon hij een praatje, zooals zijn recht was; maar tot innerlijke voldoening van Juliaan, onthield hij zich van nieuwsgierige vragen, die hem zeker in groote getale op de tong brandden, bij het ongewoon geval dat zich hier
Wonderdokter I. 29
338
voordeed: een edelman die den nacht doorgebracht had in de kluis van den âDelftschen heremiet,quot; en die er zoo arm en berooid uitzag, dat hij, door de mildheid van zijn gastheer, van top tot teen in de kleêren moest worden gestoken.
Vermoedelijk was de Barbier-Chirurgijn de honune de confiance bij uitnemendheid van den Wonderdokter, had deze hem de uiterste bescheidenheid aanbevolen tegenover den prikkelbaren jonkman, en wist hij bij ondervinding, dat zijn patroon goed betaalde voor de diensten die men hem bewees, maar tegelijk stipte volgzaamheid eischte van hem wien hij iets opdroeg. Hoe dit ook zij, de praatjes van Boudewijn bepaalden zich bij het groote feit van den dag, de bruiloftsfeesten.
âJa, ja! mijn waarde heer, die geven wat een vertier hier in de stad, en wat een opschudding tevens,quot; sprak hij, terwijl hij schaar en scheermes in een leeren tasch wegborg. âIk, bij voorbeeld, ben van ochtend al van zes ure af op de been, om al mijne klanten te helpen, die er weer bij moesten zijn; en ik heb er ook nog eenigen op het Oud-Delft, die te negen ure klaar moesten wezen; dus mag ik mij wel reppen, want het is al over dien tijd; maar dit met u is een particulier geval, waar alles voor wijken moest; nu mag ik mij wel spoeden, want op een drafje loopen gaat vandaag ook niet, men weet nauw hoe men er doorkomen zal, zoo vol staat de gracht nu al van luiden, die den gemaskerden optocht willen zien, die van den huize van Solms moet uitgaan.quot;
âMaar .... dat is hier in de buurt .... naar ik meene ?quot; vroeg Juliaan.
âVlak naast aan!quot; antwoordde Boudewijn, even glimlachend over de ongewisheid van den edelman op dit punt; âals uwe edelheid, de steeg van 't achterhuis doorgaat, en in de poort blijft staan, kan mijnheer er alles van zien wat hij wil, mits het volk maar niet onbescheidenlijk binnendringt.quot;
âEn de Prins ? kan ik Prins Maurits dan ook zien.quot;
339
âDat zou ik niet durven verzekeren; denkelijk zal de Stadhouder zich niet bij het mommevolk aansluiten, maar op eigen gelegenheid met zijn hofstoet naar het marktveld gaan.quot;
âJa! zoo zal het wel zijn,quot; sprak Juliaan teleurgesteld; maar weet ge mij ook te zeggen, meester Boude wij n, of dokter Gras-wickel van ochtend al naar 't Princenhof is geweest?quot;
âDokter Graswinckel! zeker neen, die komt daar nooit, zoover ik weet; gelooft uwe Edelheid, dat hij daar heden eene boodschap had?quot;
âIk dacht het... maar als gij zeker weet dat hij er nog niet geweest is . . ..quot;
âZeker! wat die wondere man al niet doen kan, zie, daar kan geen gewoon menschenkind bij. Mij heeft hij laten roepen door de kinderen van Geurt Dirksz; ik moest hem assisteeren bij de vrouw, die ze voor dood hielden, en die met wrijvingen en eene lating weèr bij kwam, daarop is hij met mij die aan-koopen gaan doen voor u, heeft mij herwaarts gezonden en â is zijns weegs gegaan ....quot;
âHet oud-Delft op?quot;
âNeen! de arme buurten verder in.quot;
âDan! â moet ik zelf naar quot;t Hof â of alles is verloren,quot; sprak Juliaan in heftige ontroering, en nam zijn hoed.
De barbier zag hem met eenige verwondering aan; en na pro forma gevraagd te hebben, of er nog iets van zijn dienst was, spoedde hij zich weg.
Eene wijle bleef Juliaan nog aarzelen. Zou Graswinckel ook op eigenaardige wijze in de veiligheid van den Prins hebben weten te voorzien? maar indien niet â het was hem voorgekomen, dat zijn gastheer het gevaar, waarin de Prins verkeerde, noch zoo zeker, noch zoo nabij achtte als hij zelf het vreesde. Indien hij er eens niet op gedacht had, dat hier snelle tus-schenkomst noodig was; indien hij onder al zijne bemoeiingen eens vergeten had in die zaak te handelen; wat dan? âEr
340
was niets bepaald tussclion ons afgesproken!quot; sprak Juliaan halfluid, terwijl hij onrustig op en neêr ging: âmoet Maurits blindelings in den dood loopen, omdat ik ellendige â mjj zelf mogelijk in gevaar zou begeven met hem te waarschuwen? Is mijn leven dan zoo kostbaar, dat het niet duur genoeg betaald zou zjjn met de redding van het zijne. Mag ik mij storen aan de al te groote schroomvalligheid van dien goedhartigen grijsaard, die boven alles het eerst mijn belang in liet oog houdt, en die mogelijk allerlei omwegen zoekt uit voorzichtigheid, in plaats van recht op het doel af te gaan. Neen, neen! zoo moet hot niet zijn.quot; Al sprekende en overleggende wond lijj zich zeiven telkens meer op, en de vrees, dat hij reeds te lang geaarzeld had en reeds te laat zou komen voor zijn doel, dood hom op eens zijn besluit nomen en volvoeren. Hij snelde naai' de deur; in zijne vaart stiet hij even met den elleboog tegen een der kolven, die, zorgvuldiglijk samengevoegd met eene andere, op de stookplaats lag te rusten; maat dit eren was genoeg om de lichte, bolronde flesch in beweging te brengen, het evenwicht te doen verliezen en verbrijzeld op de steenen vloer neêr te doen komen. Het verlies van het glaswerk zou zeker hot ergste niet zijn; maar uit den inhoud op den grond uitgestort, stegen zekere blauwachtige vlammetjes op, die bewezen dat hier eenig kostbaar, etherisch vocht te loor ging, en dat daarmee de gansehe proefneming moest zijn mislukt.
Juliaan bemerkte liet nog eer hij de werkplaats uitstoof; maar er was niets aan te verhelpen.
âOok dit nog! hem schade toebrengen, hem leed doen â hem met ondank loonen!quot; verzuchtte hij smartelijk; âmaar het behoud van den Prins gaat toch boven alles,quot; en hij haastte zich voort, langs den kruidhof heen, de steeg door, de poort uit, en, zelf voortgesleurd door den stroom der menigte, die zich eerst voor den huize Solms had verzameld, maar door de
341
Hellebaardiers verjaagd, zich nu hoen wendde naar 't Hof, geraakte Juliaan spoedig voor dat gedeelte van hot St. Aagtenklooster, dat, voor het gebruik van den Stadhouder en de zijnen bestemd, het Princenhof werd genoemd.
Ook hier ontbrak het niet aan nieuwsgierigen, die op den uittocht van den Prins stonden te wachten; maar schoon do schare zich verdrong voor de geopende Hofpoort, niemand uit haar verstoutte zich daar binnen te dringen; de Hellebaardiers van de garde, die er wacht hielden, boezemden haar liet noo-dige ontzag in. Toch merkte Juliaan op, dat enkele welgekleedo personen in- en uitliepen, zonder door de schildwacht daarin verhinderd te worden, en in do bewustheid, dat hjj zelf zich nu met dezulken mocht rekenen, stapte hij stouteljjk door de poort, als ware hij een der hofbeambten die zich zulke vrijheid mocht veroorloven. Tot zijne groote blijdschap werd hjj dan ook niet geweerd. Maar op hot binnenplein gekomen, zag hij niets van den hofstoet, die, naar zijne meening, den Stadhouder naar het tournooi had moeten begeleiden. Wel liepen er pages en heidukken rond, en zag men er palfreniers, die sierlijk getuigde en gezadelde paarden bij den toom leidden, maar geen van die allen droeg do livrei van graaf ,M au rits van Nassau, en zij schenen te behooren tot het gevolg der hooge gasten, wien men logies had geboden in verschillende gedeelten van het uitgestrekte gebouw, dat vroeger, als een rijk geheel, met kapel en Priorswoning ingesloten, het adellijk klooster van St. Agatha had uitgemaakt. Do vorstelijke hoeren, als de Palzgraaf, de hertog van Lunenburg en anderen, hadden hier de ruimte mot hunne edellieden en officieren, die af en aan liepen om hunne bevelen te vragen of to volbrengen; niet vreemd dus, dat de schildwachten, die hot consigne hadden om hot gepeupel te weren, welgekleede personen toelieten, al waren ze hun onbekend. Maar, al dankte Juliaan het aan deze omstandigheid dat hij ook toegang had verkregen, hij zag wel
342
dat hot hem volstrekt niet den weg baande naar den Prins, daar hij niemand van diens hofbeambten zag, aan wien zich te wenden, om een oogenblik gehoor te verkrijgen.
Het begon hem te verdrieten tusschen al dat hoog- en laag-duitsche hofgespuis heen en wéér te loopen, zonder iets verder te komen tot zijn doel. Een paar vragen, die hij had gewaagd, waren met gelach en schouderophalen beantwoord, en hij zelf', in zijn deftig zwart, maar zonder degen, begon hunne opmerkzaamheid te trekken, en niet eens eene welwillende.
âAls die Delftsche burger hier geene boodschap heeft, moest hij zijns weegs gaan, en niet gestaag om ons rond draaien,quot; sprak de ondersénéchal van den hertog van Lunenburg tot een dor heidukken van zijn meester, die er geen bezwaar van maakte om hot willekeurig bevel onverwijld aan zijn adres over te brengen. Maar Juliaan was er juist de man niet naar om voor de grofheid van een lakei en de dreigende blikken van ondergeschikte hofbeambten terug te gaan; alleen verkreeg hij daardoor de zekerheid, dat niemand van die allen hem zouden willen of kunnen dienen, en zoo posteerde hij zich dan maar voor het stille, en men zou haast gezegd hebben, verlaten kwartier van den Stadhouder, met het vaste voornemen om niet van daar te wijken, tot deze zelf zich zou vertoonen; dan wilde hij Huks de gelegenheid aangrijpen om dezen toe te spreken, al zou hij zich daardoor ook aan het ergste blootstellen. Maar die voldoening was hem niet toegedacht. Een officier van de Hellebaardiers trad naar buiten, en vroeg hem vrij barsch: wat hij daar stond te wachten.
âDe mogelijke kans om Zjjne Excellentie te zien, en eenige minuten gehoor te erlangen!quot; sprak Juliaan zacht en bescheiden, in de hoop den krijgsman voor zijne zaak te winnen. Deze echter antwoordde kortaf â die kans is er niet, gij kunt gerust aftrekken; en hij zelf ging zijns weegs, zonder verder naar Juliaan te luisteren, die nog meende te moeten aanhou-
343
den. Daar kwam een man van zekeren leeftijd in deftige bur-gerkleeding te voorschijn uit het Stadhouderlijke logies â een pak papieren en eene portefeuille onder den arm houdende. Het was meester Diedrieh, de boekhouder van Maurits, belast met het opteekenen en regelen der finaneiëele zaken van diens huishouding. Deze ook vestigde een verwonderden blik op Juli-aan, wiens ongeduld en gemoedsbeweging zich maar al te duidelijk op zijn gelaat afteekenden, en vroeg hem, niet zonder eenig wantrouwen, wat er van zijn dienst was.
Juliaan gaf zijn verlangen te kennen, met bijvoeging, dat hetgeen hij te zeggen had voor den Prins zelf van het hoogste belang was te vernemen. âZoudt gij het mij dan niet kunnen mededeelen,quot; vroeg de boekhouder met eenige welwillendheid; ik spreek Zijne Excellentie denkelijk van avond.quot;
âVan avond is het te laat!quot; riep Juliaan luid en heftig, en stampvoetend van onrust en ergernis; âwat ik heb aan te dienen moet de Prins weten vóór hij zich naar het steekspel begeeft, of er kan groot onheil uit volgen.quot;
âMaar de Prins gaat niet naar het steekspel, mijn goede vriend; Zijne Excellentie is al in de vroegte naar den Haag vertrokken! quot;Wist gij dat dan niet?quot; gaf de boekhouder ten antwoord, en hij sloeg hem met verdubbeld wantrouwen gade, daar hij hem plotseling zag kleuren â en verbleeken en bijna wankelen op zijne voeten, als ware hem een gevoelige schok toegebracht.
Kon de zekerheid die hij verkreeg, dat het gevaar over het hoofd van Maurits was heengetrokken zonder hem te treffen, hem dus ontroeren, of was er eenig leedwezen onder gemengd, dat hij zich nutteloos zooveel moeite en vernedering had getroost? â wellicht lag dat alles daaronder; maar de hoofdoorzaak was deze, dat hij, al sprekende met den boekhouder, eenige edellieden uit het logies van den Keurvorst had zien komen, en met dezen ook den man, dien hij op aarde het
344
meest vreesde, het meeste haatte, al had hjj ook beloofd tegen dien haat te strijden.
Voor den baron de Ghiselles was hij zelf ook niet onopgemerkt gebleven; dit bewees de haast waarmee deze zijn gezelschap verliet â met de hand wenkende dat men zijns weegs zoude gaan, â terwijl hij zich heen wendde naar de zijde, waar Juliaan nog met meester Diedrich stond te praten, dezen met zeker opzet gadeslaande, als om zich te overtuigen dat hier geene vergissing plaats vond.
Xu in zijne nabijheid gekomen, trad hij stout op Juliaan toe, nam hem op van het hoofd tot de voeten met een hoonenden blik, en sprak toen luid en met gezag:
âMoet ik u hier aantreffen! dat is wel onbeschaamd. Wat komt gij hier doen ?quot;
Juliaan had zich reeds eenigszins hersteld van den eersten schok, en hij trachtte zich te bedwingen, om wat er van toorn en verontwaardiging in zijn binnenste gloeide niet te laten uitbarsten; maar hij sprak toch forsch en fier:
âWat ik doen kom? daarvan ben ik u geene rekenschap schuldig; maar indien ik het u wilde zeggen wat mij herwaarts voert, zoudt gij in 't stof voor mij knielen, om mijn stilzwijgen te koopen.quot;
âEllendige zwetser! gij spreekt zoo overmoedig, omdat gij meent dat ik onbekend ben met uwe voornemens; maar ongelukkig voor u, weet ik wat gij in uw schild voert â de Prins is reeds door mij van alles verwittigd.quot;
âWat is dat!quot; riep nu Juliaan met een kreet van verontwaardiging, âvermetele avonturier! durft gij den overmoed dus verdrijven, dat gij uxce kwade intentiën toedicht aan mij? Ik die voornemens was u te sparen, al moest ik Maurits waarschuwen .... Gij, gij zoudt nu de driestheid hebben de beschuldiging te keeren tegen mij ?quot;
âIk weet dat gij sinds lang geene andere hulpmiddelen hebt
345
dan leugen en bedrog, en dat onbeschaamdheid uw eenig schild is,quot; antwoordde de baron met een laatdunkend schouderophalen, âjammer voor u â dat men u hier kent voor 't geen gij zijt!quot;
âDat's meer dan gij van u zeiven kunt zeggen, kraai, die zich in de pauweveeren heeft gestoken,quot; beet Juliaan hem toe, ter wijt hij zich slechts door het uiterst zelfbedwang weerhield om op zijne snoode tegenpartij aan te vallen, en het vuistrecht toe te passen, daar waar de stem van eer en billijkheid niet meer werd verstaan.
De Ghiselles zelf had vermoedelijk zulk een aanval willen uitlokken, toen hij den prikkelbaren Juliaan hoonde en tergde maar nu hij tot zijne verbazing zag, dat deze besloten scheen zich van gewelddadigheid te onthouden, nam hij den heftigen uitval in woorden te baat, om tot het doel te komen dat hij zich voorstelde. Al sprekende had hij een blik en een wenk gewisseld met dienzelfden officier van de lijfwacht, die Juliaan kort te voren zoo barsch had afgewezen; deze, reeds ongunstig gestemd, aarzelde niet onverwijld dien wenk te volgen, en was achter den baron aangetreden, gereed om dezen in geval van nood bij te staan: maar ziende, dat de aanval niet volgde, onthield hij zelf zich wijselijk van gewelddadige tusschenkomst. Dit maakte echter de rekening niet van de Ghiselles, die op hoogen, gebiedenden toon zeide: âLuitenant van Stralen! gij kent mij in mijn rang en qualiteit: neem dit personaadje in hechtenis, ik beveel het u in naam van den Stadhouder.quot;
âIk zou u volgaarne verplichten baron! maar verschoon mij, het gaat niet, zonderdat gij mij een schriftelijken last toont.quot;
âDien heb ik niet; maar Zijne Excellentie gaf mij mondeling de order om dezen gevaarlijken suppliant gevangen te doen nemen, waar ik hem ook mocht aantreffen.quot;
âDien mondelingen last heb ik niet gekregen van Zijne Excellentie, mijnheer de baron, en het consigne verbiedt mij dien te volvoeren op het gezag van een vreemdeling, zonder schrif-
346
telijk bevel. quot;Ware deze man een van ons volk, ik zou mij geen oogenblik bedenken; want ik heb al lang een kwaad oog op hem, en ik zou mij weten te verantwoorden bij mijne superieuren â maar nu! een welgekleed burger, die hier niet eigenlijk wanorde sticht, al heeft hij Uwe Edelheid zoo wat gebrutaliseerd, tegen dezen heb ik geen recht â en ik heb geen lust om mij wederrechtelijk iets van dien aard te onderstaan.quot;
âMaar ik zeg u â dat het een mysterieus en gevaarlijk per-sonaadje is,quot; hernam de Ghiselles nu, met gedempte stem, en den luitenant ter zjjde voerende. âIk geef u mijn woord âdat ik de geheele verantwoordelijkheid van die inhechtenisneming op mij neem. Ik ben zeker, dat Zijne Excellentie het mij dan-kelijk zal afnemen: want hij moet papieren bij zich hebben die een schandelijk complot aan 't licht zullen brengen.. .. hij is daarenboven geen Delftsch burger â hij is niets dan een uit het vendel gejaagde luitenant, die hier rondzwerft met een troepje verloopen soldeniers en de occasie zoekt om een boevenstuk te volvoeren.quot;
âWaarom dan geen betere mesures tegen hem genomen?quot; sprak de officier schouderophalend â âzooals de zaak nu staat, valt er niets aan te doen dan u te wenden tot de burgerlijke macht, die ziet niet zoo nauw op de forme als men haar een delinquent aanwijst en â maar zie toch! die fielt heeft de uitkomst van onze onderhandeling niet afgewacht! daar loopt hij heen â daar is hjj de poort al door!quot;
âWaar moet ik dan die burgerlijke macht gaan zoeken?quot; vroeg de Ghiselles gejaagd, daar hij zag dat zijne prooi hem ging ontsnappen.
âWel! dat zal u nu licht vallen, het wild loopt vanzelf in den strik,quot; sprak de luitenant lachend, âdaar buiten is zooveel gepeupel bijeen, dat men er zonder fout de politie met hare dienaren moet aantreffen, die geen bezwaar maken op te pakken wat hen verdacht voorkomt.quot;
347
De Ghiselles wachtte niet eens tot de luitenant uitgesproken had, maar liep met gezwinden pas de binnenplaats over, de poort door, overtuigd dat het Juliaan niet gelukt zou zijn zich zoo spoedig door de menigte heen te werken, of men zou hem nog in 't oog kunnen houden. Dat zou hem te eer gelukken, daar Juliaan het niet eigenlijk op een loopen had gezet, zooals de officier meende, hoewel hij te goed had begrepen hier de lijdende partij te zullen zijn, om zich niet af te wenden, nu hij de zekerheid had, dat blijven tot niets meer dienen kon dan om hem zelf in moeielijkheden te wikkelen. De Prins was aan het gevaar ontkomen; waarschuwen scheen overbodig geworden, en beschuldiging tegen zijn broeder inbrengen, al ware hij niet vast besloten geweest, zich daarvan te onthouden, waartoe zou het leiden? Hij had geene bewijzen, en aan zijne betichtingen zou niemand iets hechten. De avonturier was geaccrediteerd â als baron de Ghiselles; hij, Juliaan van Egmond, was niets dan een vagebond, een vogelvrije, tegen wien men zich alles mocht veroorlooven!
Zoo Juliaan als gewoonlijk aan zijne hartstochtelijke drift â aan zijne heftige verontwaardiging had toegegeven, zou hij deze verstandige overwegingen niet hebben gemaakt, maar zich blindelings in allerlei gevaren hebben gestort â om zijn toorn en wraaklust te boeten; nu hij integendeel zich zelf had beheerscht, behield hij zijne tegenwoordigheid van geest en kon rustig aftrekken, terwijl zijne overwinning in dezen zelfstrijd hare eigenaardige belooning met zich bracht. De beambte van des Stadhouders huis, die een waardig en goelijk man scheen, was verschrikt teruggetreden, bij de heftige wijze waarop de ontmoeting van de Ghiselles en Juliaan zich aankondigde; maar toch, door zekere belangstelling gedreven, was hij op eenigen afstand blijven staan, nieuwsgierig hoe eene samenspreking zoude afloopen, die zoo onheusch werd ingesteld. Voor hem ook was de Ghiselles een bekend aanzienlijk persoon: maar hij
348
was te lang reeds in het huiselijk leven des Prinsen ingewijd om niet te weten â dat er soms vreemdelingen ten hove werden ontvangen met een goed gelaat, die men wantrouwde, en die ten laatste bleken die verdenking ten volle verdiend te hebben; en hoewel hij niet dicht bij genoeg stond om de scherpe gezegden, die zij elkander met stijgende bitterheid toewierpen, geregeld te kunnen volgen, had hij er toch genoeg van gehoord om te begrijpen, dat zoo die deftig gekleede burger schuld mocht hebben en niet betrouwbaar was, de vreemde groote Heer toch ook niet zwaan wit moest zijn, daar die twee elkaar zoo goed schenen te kennen, en de eerste zich veroorloofde zóó stout tegen den andere uit te vallen. Diens strijd om zich te bedwingen was hem daarbij niet ontgaan; hij deed hem rijzen in zijn goed gevoelen, en versterkte hem in 't voornemen om het eind van dit alles af te wachten, al achtte de vreedzame man het voor zich noodig de neutraliteit te bewaren. Eerst toen hij Juliaan rustig zag heengaan, zonderdat er gewelddadigheden waren gepleegd, voegde hij zich bij hem en sprak onder het voortgaan: âGij hadt iets aan den Prins te zeggen; vertrouw het mij toe, ik beloof u dat ik het getrouwelijk zal overbrengen.quot;
âDat schijnt nu al onnoodig geworden!quot; sprak Juliaan mismoedig. âMen is mij voorgekomen â en het zal daarmee eindigen, dat ik zwart worde gemaakt met de schuld van anderen.quot;
âAls liet er zoo mee gelegen is, als gij u weet te zuiveren,, biede ik mij aan om een goed woord voor u te doen bij den Prins; denkelijk zal Zijne Excellentie wel te bewegen zijn u gehoor te schenken.quot;
Verrast en getroffen door dit bewijs van volkomenJheid en belangstelling, dat hem daar zoo ongewacht ten deel viel, te midden van het verraad en de miskenning waaraan hij scheen prijsgegeven, vatte Juliaan met levendigheid zijne hand, en die hartelijk drukkende sprak hij; âO! zoo gij dat voor mij kost
349
doen, zou ik u innig dankbaar zijn!quot; maar eer hij uitgesproken had, werd hij weêr door twijfel en moedeloosheid bevangen, en hij eindigde met eene droeve verzuchting: âneen â beproef het liever niet, het zou toch niet baten; de Prins moet preventies tegen mij hebben, die.. .
âZou de Prins u kennen?quot; vroeg meester Diedrich wat verwonderd â ânoem mij dan uw naam...
âMijn naam! mijn naam?quot; stamelde Juliaan âwat naam zal ik opgeven ...
âMaar mij dunkt dat er op dit punt geen twijfel raag bestaan,quot; viel Diedrich in, hem gadeslaande met een misnoegd hoofdschudden; âgij moet mij uw echten, waren naam zeggen: ik kan bij Zijne Excellentie niet met een valsch rapport aankomen.quot;
âSpreek dan.... voor.... Juliaan van Egmond.... bracht deze uit, aarzelend, met gesmoorde stem en gebogen hoofd.'
âJa, maar! gij moet mij niet laten liegen!quot; wilde meester Diedrich hom toevoegen, door deze weifeling opnieuw verdenking vattende, doch hij kou zich niet meer doen verstaan; Juliaan was ijlings weggeloopen, als vreesde hij nadere uitlegging te moeten geven.
âNeen! het is toch niet richtig met hem,quot; sprak de goede Diedrich bij zich zeiven, terwijl hij langzaam volgde, en nog zag met welk een ijver de Ghisolles hem trachtte in te halen. Zooals de laatste wel had gerekend, viel het Juliaan niet licht om door de menigte heen te komen, en hoe meer moeite hij zich daartoe gaf, des te slechter werd die beloond; want zijn dringen en duwen werd niet in 't goede opgenomen, maar met duchtige représailles beantwoord; stompen en stooten, die begeleid werden door grove scheldwoorden. De kale luitenant met zijn degen, omringd van zijne woeste soldeniers, had gisteren den lieden schrik ingeboezemd; maar nu â alleen â en als deftig burger uitgedost, stond hij met ieder ander gelijk, en men was niet meer bang voor hem.
350
âHeidaar, mooie jonker!quot; was het nu â ,moet je zijden laken aan flarden, dat je de goêlieden aldus tracteert; moet alles voor jou uit den weg?quot; of wel:
âKuim baan! Ruim taau!
Daar komt raeoster driftkop aan!quot;
werd er spottend gezongen, terwijl men hem juist den weg versperde.
âHoe is 't, sinjeur heet gebakerd! meen je dat we ook geen armen aan ons lijf hebben,quot; riepen weer anderen, en zetten hem hun elleboog in de zijde; toch kwam hij verder, maar langzaam â te langzaam helaas! want op eens werd er vlak naast hem meer ruimte gemaakt dan men het mogelijk zou geacht hebben; het volk week snel en schuw ter zijde: de onderschout, van twee forsche dienaren zijner gerechtigheid vergezeld, trad op Juliaan toe, en gaf zijn volgeren een wenk dszen te vatten, terwijl hij sprak: âGij zijt mijn gevangene!quot;
âOp wiens last?quot; vroeg Juliaan, hoewel het niet twijfelachtig kon zijn, wie hem dezen slag toebracht, daar hij den baron de Ghiselles achter den onderschout zag aankomen.
âDaar hebt gij niets meê te maken, ik apprehendeere u, krachtens mijn ambt.quot;
âWaarvan word ik beticht?quot;
âVan meer dan genoeg om het voor u raadzaam te maken niet tegen te spartelen, tenzij ge verlangt dat wij geweld zullen gebruiken. Doorzoekt op staanden voet zijne zakken,quot; vervolgde de ijverige dienaar van Themis tegen zijne handlangers, terwijl hij de Ghiselles een wenk gaf, âhij kan moordtuig of andere bewijzen zijner culpabiliteit bij zich hebben!quot;
Aan dat bevel werd onmiddellijk, en met meer ijver dan discretie voldaan, terwijl Juliaan zich zonder tegenstreven onderwierp, wel bewust dat men niets verdachts zoude vinden, en in zjjn hart zegende hij nu die voorzorg van Graswinckel, waar-
351
door die wichtige papieren nu niet bij hem gevonden werden; de Ghiselles had het er zeker op aangelegd om ze te bemachtigen ; want even hardvochtig als vermetel, schaamde hij zich niet naast den onderschout te blijven staan, terwijl dat onderzoek plaats vond, stiet hij eene verwensching uit van teleurstelling toen men niets vond!
âAh ca! je coitijjreiichquot; sprak hij tot den onderschout, dien hij ter zijde nam, âIe beau sire a fait peau neuve.quot; Gisteren bij de spelen zag hij er uit als een verloopen officier â nu heeft hij een burgerpak gestolen of geborgd, en zoo zijn de wichtige papieren, die zijne schuld bewijzen, nog met de oude plunje in zijn logies gebleven.quot;
De onderschout knipte met de oogen, als iemand die wist wat hem te doen stond.
âWaar is je logies?quot; vroeg hij zich tot Juliaan keerend, die, reeds ter weerszijden bij een arm gevat â trillend van toorn en ergernis bij het onrecht dat tegen hem werd gepleegd, maar toch besloten lijdzaamheid te oefenen en zich niet met geweld te verzetten â op die vraag bloedrood werd van schaamte, en het hoofd boog of hij den genadeslag kreeg. Die enkele vraag herinnerde hem alles wat hij noodig had te vergeten om moed te behouden, en wat hij moest verbergen, om niet op eens dooide menigte als misdadiger te worden uitgekreten. ,Ik heb geen vast logies âquot; bracht hij uit met dofte, weifelende stem.
âMooi zoo?quot; sprak de onderschout, âdan zullen wij je er een geven, waar je voor vast kunt blijven. Hoe is je naam?quot;
âJuliaan
âEn verder?quot;
âEr is geen verder.quot;
âUw beroep?quot;
âIk heb er geen.quot;
âKostelijk! geen naam, geen beroep, geen logies! Baron de Ghiselles, ik geloof dat gjj der justitie een notabelen dienst hebt
352
bewezen, met haar dit personaadje in handen te leveren!quot;
âDat was ook mijne bedoeling,quot; hernam de Ghiselles en wilde zich verwijderen, maar hij vond geen uitweg, of hij moest dicht langs Juliaan voorbijgaan; hij kon zich af- noch omwenden - en moest langzaam voorbijschuiven, zoodat deze in de gelegenheid was hem aan te zien â oog in oog â eenige seconden slechts â¢â maar als een wereld van gedachten schoot hun beiden door de ziel. Juliaan huiverde, terwijl zijn blik van diepe verontwaardiging gloeide, door eene uitdrukking van nameloos lijden verzacht. De baron sloeg de oogen neêr en wendde het hoofd om. âArmand! dat wat gij doet tegen mij, zou ik niet gedaan hebben tegen u,quot; sprak Juliaan met diep verwijt; â maar er was weemoed in de bitterheid gemengd. De Ghiselles gaf geen antwoord; hij haastte zich voort te komen, en de schoutsdienaren, die den gevangene in hun midden hielden, wilden met hem voortgaan, toen men eene luide stem van onder de omstanders hoorde vragen:
âHeer onderschout, is dat wel recht, dat gij dezen man gevankelijk wegleidt op aanwijzing van een persoon, die hier vreemdeling is â en nog wel zijne weerpartij bovendien?quot;
âHet is mijn recht, ieder te apprehendeeren, die mij schuldig of verdacht voorkomt, meester Diedrich,quot; antwoordde do onderschout, âen deze hier is mij suspect uit meer dan ééne oorzaak.quot;
âToch zou ik u in dit particulier geval voorzichtigheid raden,quot; hervatte meester Diedrich, vooruittredende en den onderschout ter zijde nemende. âHebt gij hem wel eens gevraagd of hij ook borgen kan stellen, die voor hem instaan.quot;
âNu ja! die zou hij hebben! Weet, meester Diedrich dat de baron mij zijn woord van eer er op gegeven heeft, dat hij mondelinge order heeft van den Prins om hem in hechtenis te nemen, waar hij hem ook aantreft? â wilt gij nu borg voor hem zijn, gij?quot;
âIk â die hem niet kenne, dat zou dolheid wezen, hernam
353
de goelijke, maar schroomvallige man; doch er kunnen immers anderen wezen.quot;
âWelnu! op uw verlangen zullen wij 't rondvragen, dan kunt gij getuigen dat wij moderatie gebruiken;quot; en de stem verheffende vroeg hij in 't ronde: of de persoon van Juliaan bij iemand van de omstanders bekend was, en of die voor hom wilde instaan.quot;
âIk!quot; werd er luid en bijkans juichend geroepen â en een jonkman trad vooruit.
âIk, Antony van Hogenhoeck, wil er voor instaan, dat deze een straatdief en een soldatenboef is: gisteren, bij de spelen heeft hij mij die gesp met venedische steentjes ontvreemd, die hij mi stoutelijk op zijn hoed draagt!quot;
Juliaan, die een oogenblik, door een straal van hoop verblijd, het hoofd had opgestoken, liet het nu weer zinken onder een gloeienden blos van schaamte. Hij nam zijn hoed af en wierp * dien zijn betichter voor de voeten; maar al sprak zijn geweten hem vrij van zulk een misdrijf, het sprak sinds den laatsten nacht van zwaardere schuld â en hij had die stem te goed leeren verstaan, om niet in 't geen hem nu overkwam iets anders te zien dan de hardvochtige menschenhand, die onrecht tegen hem pleegde.
âZoodan hebben wij geene andere getuigenis noodig,quot; sprak de onderschout; âmeester Antony Hogenhoeck is een wel eerlijk, wel geboren poorterszoon, bij ons allen bekend; meester Diedrich, zegt gij daar nog wat tegen ?quot;
De boekhouder van Maurits schudde zwijgend en ontdaan het hoofd, en zag Juliaan aan, met een blik, waaruit zoo diepe deernis sprak, dat deze er moed uit nam, om tot hem te zeggen:
âWaardige Heer! gij ziet wat mij overkomt â en dat ik mij in niets tegen de wettelijke macht verzette; oefen gij deze barmhartigheid aan mij, dat gij alles, wat gij gezien en gehoord Wonderdokter. I. 23
352
bewezen, met haar dit persouaadje in handen te leveren!quot;
âDat was ook mijne bedoeling,quot; hernam de Ghiselles en wilde zich verwijderen, maar hij vond geen uitweg, of hij moest dicht langs Juliaan voorbijgaan; hij kon zich af- noch omwenden â en moest langzaam voorbijschuiven, zoodat deze in de gelegenheid was hem aan te zien â oog in oog â eenige seconden slechts â maar als een wereld van gedachten schoot hun beiden door de ziel. Juliaan huiverde, terwijl zijn blik van diepe verontwaardiging gloeide, door eeno uitdrukking van nameloos lijden verzacht. De baron sloeg de oogen neêr en wendde het hoofd om. âArmand! dat wat gij doet tegen mij, zou ik niet gedaan hebben tegen u,quot; sprak Juliaan met diep verwijt; â maar er was weemoed in de bitterheid gemengd. De Ghiselles gaf geen antwoord; hij haastte zich voort te komen, en de schoutsdienaren, die den gevangene in hun midden hielden, wilden met hem voortgaan, toen men eene luide stem van onder de omstanders hoorde vragen:
âHeer onderschout, is dat wel recht, dat gij dezen man gevankelijk wegleidt op aanwijzing van een persoon, die hier vreemdeling is â en nog wel zijne weerpartij bovendien?quot;
âHet is mijn recht, ieder te apprehendeeren, die mij schuldig-of verdacht voorkomt, meester Diedrich,quot; antwoordde de onderschout, âen deze hier is mij suspect uit meer dan ééne oorzaak.quot;
âToch zou ik u in dit particulier geval voorzichtigheid raden,quot; hervatte meester Diedrich, vooruittredende en den onderschout ter zijde nemende. âHebt gij hem wel eens gevraagd of hij ook borgen kan stellen, die voor hem instaan.quot;
âNu ja! die zou hij hebben! Weet, meester Diedrich dat de baron mij zijn woord van eer er op gegeven heeft, dat hij mondelinge order heeft van den Prins om hom in hechtenis te nemen, waar hij hem ook aantreft? â wilt gij nu borg voor hem zijn, gij ?quot;
âIk â die hem niet kenne, dat zou dolheid wezen, hernam
353
de goêlijke, maar schroomvallige man; doch er kunnen immers anderen wezen.quot;
â Welnu 1 op uw verlangen zullen wij 't rondvragen, dan kunt gij getuigen dat wij moderatie gebruiken;quot; en de stem verheffende vroeg hij in 't ronde: of de persoon van Juliaan bij iemand van de omstanders bekend was, en of die voor hem wilde instaan.quot;
âIk!quot; werd er luid en bijkans juichend geroepen â en een jonkman trad vooruit.
â Ik, Antony van Hogenhoeck, wil er voor instaan, dat deze een straatdief en een soldatenboef is: gisteren, bij de spelen heeft hij mij die gesp met venedische steentjes ontvreemd, die hij nü stoutelijk op zijn hoed draagt!quot;
Juliaan, die een oogenblik, door een straal van hoop verblijd, het hoofd had opgestoken, liet het nu weer zinken onder een gloeienden blos van schaamte. Hij nam zijn hoed af en wierp dien zijn betichter voor de voeten; maar al sprak zijn geweten hem vrij van zulk een misdrijf, het sprak sinds den laatsten nacht van zwaardere schuld â en hij had die stem te goed leeren verstaan, om niet in 't geen hem nu overkwam iets anders te zien dan de hardvochtige menschenhand, die onrecht tegen hem pleegde.
âZoo? dan hebben wij geene andere getuigenis noodig,quot; sprak de onderschout; âmeester Antony Hogenhoeck is een wel eerlijk, wol geboren poorterszoon, bij ons allen bekend; meester Diedrich, zegt gij daar nog wat tegen?quot;
Dc boekhouder van Maurits schudde zwijgend en ontdaan het hoofd, en zag Juliaan aan, met een blik, waaruit zoo diepe deernis sprak, dat deze er moed uit nam, om tot hem te zeggen:
âWaardige Heer! gij ziet wat mij overkomt â en dat ik mij in niets tegen de wettelijke macht verzette; oefen gij deze barmhartigheid aan mij, dat gij «/Zes, wat gij gezien en gehoord
quot;Wonderdokter. T. 23
354
hebt, overbrengt daar waar het behoort, opdat mij recht worde gedaan.quot;
Meester Diedrieh knikte toestemmend, en de onderschout wenkte zijne dienaren, dat zij hun gevangene haastelijk zouden wegleiden, hetgeen geschiedde. De schare, die reeds het hare had van het âstandje,quot; zag hen gaan zonder mededoogen, en spoedde zich voort, om den gemaskerden optocht te zien aftrekken.
HOOFDSTUK XII
Vinet waarschuwt allen, die bij den aanvang van hunne toe-wijding aan Christus met drift het snoeimes ter hand nemen, om met forsche en snelle slagen de weelderige ranken van hun vorig leven te besnoeien, dat zij wel mogen toezien, of ze niet, ondanks ill dien ijver, de eene of andere wilde loot laten staan, die, dus ontzien, hen boven het hoofd gt;;al wassen en de kracht zou krijgen, om de boste sappen van den wijngaard tot zich te trekken, en dien verhinderen zulke vruchten te dragen als zjj gehoopt hadden, indien er niet bijtijds orde op werd gesteld.
Iets dergelijks was mogelijk den waardigen Jacob Jansz. overkomen, zonderdat hij zelf het nog had begrepen. Hij had met alle genietingen der zinnelijkheid, met alles wat de vereld kon heeten gebroken, en hij had die otters gebracht zonder er ooit weêr naar om te zien. Hij had de behoeften van den natuurlijken mensch volkomenlijk onderschikt aan do eischen van het geesteljjk leven; hij wist niet beter, of hij had zich zeiven en al het zijne zonder voorbehoud gegeven aan den dienst van zijn Heer, en toch moest het blijken, of hierin gansch geen zelfbedrog had plaats gevonden; of, ten spijt van alle zelfverloochening, de eigenliefde zich niet had weten te slingeren door zjjn wijngaard als onbesnoeide ranke, die de aandacht van den hovenier nog grootelijks noodig had.
356
âAl zijn lust was zijn kruidhof cn zijn stookhuis,quot; zegt zijn levensbeschrijver, en aan dien lust mocht hij zich te veiliger overgeven, sinds het kweekon van planten en kruiden â het bespieden van de natuur in hare werkingen en krachten â geen ander doel had dan kennis op te doen voor zich zeiven, om er de lijdende menschheid mee te verlichten en eene wetenschap vooruit te helpen, waarvan hij al de belangrijkheid doorzag, en die toch nog daar lag als een woeste grond, waaraan pas de ontginnende hand werd gelegd. Ook had hij er geen gewetensbezwaar van gemaakt, daaraan al den tijd te geven, dien hij den zijnen mocht achten; maar, was het zeker, dat hij er niet meer van zijn hart aan gegeven had dan hij mocht, dan hij zelf wist, en dat, terwijl hij meende alles geofferd te hebben, hij juist hier iets had behouden, dat hem te sterk was geworden, dat hem boven hot hoofd was gegroeid, en dat hij niet meer offeren kon ?
Zekere verschijnselen geven eenig recht tot dien twijfel. Hij zelf zou gewillig honger en dorst lijden, om zijne armen te voeden en te verkwikken, en toch had hij zich de weelde veroorloofd van eene keurige boekerij: zijn kruidhof was door hem tot al de volledigheid gebracht, die het tijdperk vergunde, en zijn laboratorium bovenal eischte kosten en zorgen, die iiij niet aan zijn lichaam zou besteed hebben. Al leed hij zelf koude, zijne fornuizen moesten van houtskolen voorzien zijn. Al dronk hij niets dan water of wei, de kostbaarste vochten en vloeistoffen mochten niet ontbreken bij zijne scheikundige experimenten; barnsteen en ijzer, ja, tot goud er. zilver toe, werden niet door hom gespaard, als zij tot eenige proefneming werden gevorderd; dat alles zeker met het edelste doel, maar tocli met eene onbekrompenheid, die do vraag ir.ct overbodig maakt, of hij ook bovenmatig aan deze dingen was gehecht, of de reine zucht hartstocht was geworden, en of er gevaar bestond dat hij, die zijne kluis had gewijd tot een tempel Gods,
daavbenevens in zijn laboratorium een altaar had opgericht, waar een afgod werd gediend ?
Jacob Jansz. zou geroepen worden tot een streng onderzoek op dit punt. Eeue groote beproeving wachtte hem.
Niet lang nadat Juliaan zijne werkplaats in zulke overhaasting verlaten had, kwam Jacob Jansz. welgemoed van zijn ijverig ziekenbezoek terug, en stapte rechtstreeks op zjjn âstookhuisquot; aan; maar toen hij de deur wilde binnentreden, sloegen dikke wolken van damp en rook hem in het aangezicht, en hij zou zeker terstond vervaard zijn teruggegaan, ware het niet dat de zucht tot behoud van 't geen er nog te redden mocht zijn, hem had aangegord met den moed om, ondanks alles, te onderzoeken wat er had plaats gevonden. Do kloeke, kalme grijsaard, die zich maar zelden over iets ontzette, en nooit meer uitermate werd aangedaan door de wereldsche zaken, was een oogenblik buiten zich zeiven van schrik en leedwezen. Hij slaakte eene smartelijke verzuchting: âmijne librairie ! mijn experiment !quot; en trad vooruit om de diepte te peilen van de ramp die hem had getroffen, zonder te overwegen, of hij zich ook in 'levensgevaar begaf. Zjjne cordaatheid werd beloond door do zekerheid die hij verkreeg, dat er niet eigenlijk brand was, zooals hij zich eerst had verbeeld; alleen dwarrelden er blauwachtige vlammetjes langs den grond, voortgebracht door kostbare etherische vloeistoffen, die in brand waren geraakt, terwijl dc damp en rook, die het laboratorium vervulden, opsteeg uit de distilleerkastjes, waarop de kolven hadden gerust, die nu in scherven op den vloer lagen.
âMjjne proefneming verijdeld!quot; sprak Jacob Jansz., diep verslagen; het streven en peinzen van jaren her, dat ik ten laatste met goede uitkomst hoopte beloond te zien, is tot een ijdel werk geworden; de vrucht van zooveel nachtwakens en naarstig onderzoek is verloren gegaan, en zonder dat ik mij heb konnen overtuigen of het scheidingsproces den loop heeft ge-
358
nomen dien ik wachtte, of liet experiment had kennen gelukken, zoo het niet door dit ongeval ware verstoord! Waardoor mag het veroorzaakt zijn?
Eene ontploffing heeft er niet plaats gehad, dan moest het stookhuis in lichte-laaie vlam staan. De halzen der retorten zijn gewelddadig vancengescheidon; het uitgestorte etherische vocht verspreidt zich in onschadelijke vlammekens in 't ronde, terwijl de alcaliën, in de gloeiende houtskool geplompt, dien gloed hebben gebluscht! De Heere God is mij genadig geweest; alles had erger kunnen zijn. Gelukkig heb ik hier nog een goeden voorraad van keukenzout om den voortgang van dat branden te stuiten! Voor den smook van de kolendamp kan men daarna gerusteljjk de vensteren openslaan.quot;
Al sprekende had hij de daad bij het woord gevoegd, en de gevolgen van het onheil waren daarmee voorkomen, maaide ramp zelf was er niet mee hersteld. Graswinckel voelde het zoo goed, dat hij, die nooit vermoeienis meende te kennen, zich als uitgeput in den armstoel liet neêrvallen. Zijne knieën knikten, en hij dreigde ineen te zinken; met strakken blik bleef hij staren op de glasscherven, op de ruïne zijner verijdelde proefneming!
âMijn God! wat is dat?quot; riep hij op eens overluid. âHet is mij wee, of mij hot harte uit het lijf werd gerukt! Dat harte dat U behoort, o, mijn Heer! dat zich toch nog zoo zonderling zeer laat bewegen door deze aardsche teleurstelling!quot; Er gleden tranen langs zijne wangen, die zijn grijzen baard bevochtigden. âHet belangt immers do eere Gods niet, al had ik hope er groot profijt mede te wrochten voor do lijdende menschheid, daarin hij mochte geprezen worden. Maar nu het in Zijn Raad besloten is, dat dit menschenwerk zou verstoord worden, is het wel zwak, wol schuldig, dat ik mij daarover dus uitermate hob konnen bedroeven. Ik zie nu wel in, dat deze beproeving mij grootelijks noodig was, opdat ik ir.ij zeiven in
359
mijne kleinheid en ellendigheid leere kennen. Ik die meende sterk te zijn, en ziet ik ben zwak, jammerlijk zwak; ik die wete mijn schat geborgen te hebben in den hemel bij Christus, en die toch nog door zulke hechtselen aan het stof bleef kleven. Wat het mij goed is in dezen verdrukt te zijn geworden. O! barmhartig en genadig is de Heer, en groot van goedertierenheid; H ij heeft mij mijn Abrahams offer niet gevraagd. Hij heeft het zelf genomen! Hij heeft mij niet op de zware proeve gevergd het te brengen. Hij wist dat bij mij een schadelijke weg was. Hij leidt mij op den goeden! Zijn naam zij geloofd in eeuwigheid. Ik kan het nu met blijdschap afstaan, ik weet waar ik voortaan weêr tegen te waken heb.
Daar is niets zondigs in het bedrijf zelf; het nasporen en doorzoeken van de proprieteiten aller dingen, is God zoeken in de gewrochten zijner natuur; â maar â men kan er zonde van maken met er het hart op te zetten, en dus veel te hechten aan de vruchten van het werk, aan de uitkomsten van het onderzoek, dat men ze niet volvaardig zou kunnen opgeven als het van ons geëischt wordt. Xu kan ik het, al moet ik met schaamte bekennen dat het mij veel heeft gekost!
Och arme! Jacob Jansz., wat zijt ge nog weinig gevorderd, wat hebt gij u nog te verootmoedigen, gij die toch zoo hooge-lijk bevoorrecht zijt; ik heb nu de zestig al bereikt; moet ik tot de tachtig toe hier blijven uitwonen, eer ik volleerd zal zijn, eer ik rijp zal wezen?quot; En hij wendde het oog naar boven en kruiste de armen in ootmoed en als verslagen over de borst. âWelnu dan! indien ook tot de tachtig,quot; hervatte hij met een glimlach van berusting; ,,uitstel is immers geen afstel; Hij die mij gegrepen heeft, zal mij wel veiliglijk leiden tot den einde op Zijn tijd; â die gelooven haasten niet. Ik geloof, Heere! kom mijn ongeloof, kom mijne zwakheid te hulp,quot; en de grijsaard stortte zich op de knieën, zijn zelfgesprek, zijne zelfbeproeving loste zich op in een vurig gebed, dat met ootmoedige
360
schuldbelijdenis aangevangen, zich verhief tot lt;le innigste gemeenschapsoefening met zijnen Heer.
Toen hij zich daaruit ophief, was het om met kalme, vaardige hand de wanorde in zijne werkplaats te herstellen; hij was daar nauweljjks mee aangevangen, of zijn oog viel op de versleten plunje van Juliaan, die, achteloos op den grond geworpen, met het vlammend vocht in aanraking was gekomen en nog lag te smeulen.
âHet is waar ook! Juliaan moet hier zijn geweest,quot; sprak Graswinckel, de havelooze kleedingstukken in een koelvat met water werpende; ânu is het gebeurde te verklaren. Hjj is wat levendig van gebaren, wat driftig in al zijn doen â eene kleine onvoorzichtigheid is ras begaan en heeft deze wanorde gesticht.
Leider, als hij maar niet van schrik over dat ongeval is weg-gevloden.
Die ongelukkige! wie weet welke onbedachtheid hij verder heeft bedreven, of in welken jammer hij zich zelf heeft gestort! En ik, die niet het eerst op hem heb bedacht â dus had de zelfzucht zich reeds van mij bemachtigd. Xu, de overwinning is toch behaald, al heeft zij pijn gedaan. Ziedaar nu, waartoe hij mij heeft moeten dienen: de zoon van Machteld, wien ik in 't harte als mijn zoon had geëigend, van wien ik reeds de hoop koesterde de vader te zijn naar het geestelijke â hij mij dus te ontvlieden â zij het maar niet om in zijn verderf te loopen! En ik had hem toch zóó aanbevolen geduld te oefenen en zich lijdelijk binnenshuis te houden, uit vreeze van onheil! Ik die nog gemeend had hem genoegzame afleiding te verschaffen met den barbier te zenden, die toch zjjn plicht heeft gedaan, zooals uit alles blijkt. Ik kan mij wel verklaren hoe het zal zijn toegegaan. Mijn uitblijven heeft hem ontrust; had hij konnen weten, welke geruststellende tijdingen ik voor hem zou meêbrengen! Hij geloofde zoo vastelijk 'aan het gevaar
361
waarin de Prins verkeerde! hij mistrouwde wellicht mijne abelheid om op dat punt te voorzien; dat is hem gaan bezwaren; hij gaf die onrust gehoor en verliet deze schuilplaats, om mogelijk een kerker te vinden, erger wellicht!quot;
En tranen van het verhevenst mededoogen schitterden in zijne oogen; toch hervatte hij, zich zelf bemoedigend:
âNeen, neen! wat ontruste ik mij ijdellijk; heeft hij dan mijne hoede noodig, om onder de bewaring te zijn van den goeden Herder? Wij zijn niet saamgebracht om zóó te scheiden. Hij zal wel weer tot mij worden gevoerd; maar ik behoef dat niet lijdelijk af te wachten. Zoo haast mijne patiënten verzorgd zijn, zal ik op kondschap uitgaan.quot;
Maar de goede Jacob Jansz. was van hen, die niet al te vast op hot gebruik van hun eigen tijd kunnen rekenen, omdat iedereen hen in aanspraak neemt. Daarbij was hij heden nog al met zijne tijdrekening in de war. Behalve dat het ordenen van zijne ontredderde werkplaats een geruimen tijd had genomen, had hij, zijns onbewust, urenlang in 't gebed, in geestelijke overpeinzingen doorgebracht; van die uren, waarin als eene eeuwigheid wordt doorleefd in seconden, en die omvliegen als een oogwenk.
Ook was de tijd, waarop hij gewoonlijk zijn sober middagmaal hield lang verstreken, eer hij gereed was met het bereiden der artsenijen voor zijne zieken, en pas had hij zich naar zijne woonkamer begeven, met het voornemen om uit te gaan, of hij kreeg een bezoek, dat hij kon noch wilde afwijzen.
Mabelia Graswinckel trad binnen.
âAVil verschoonen, Jacob-oom, zoo ik uw gelegen tijd niet kon afwachten; datgene wat me op 't harte ligt kan ik niet langer alleen dragen, en te avond bij ons aan huis, zou ik het niet zoo vrij kunnen uitspreken, als oom en moei er bij waren.quot;
âHebt gij geheimen voor die goêlieden, mijn kind?quot; vroeg hij, terwijl hij haar wenkte in zijn armstoel plaats te nemen.
362
âWat ik tracht te verbergen, is alleen om hen onrust en zorg te sparen. Xu ik tot hot besluit ben gekomen om hun weusch te vervullen, wil ik niet dat zij de innerlijke hindernissen zullen kennen, die het tot hiertoe hebben vertraagd, allerminst do wijze waarop ik er toe gekomen ben over dat alles heen te stappen.quot;
âIk begrijp dat zulks geen lichte zaak moet zijn voor u! die innerlijke hindernissen mochten wel meêgerekend worden! Naar mij voorkomt is Antony naar geest noch gemoed een portuur voor u, en waar voogden en vrienden alleen op de uiterlijke voordeelen van die verbintenis hebben gezien, doden zij mijns bedunkens niet wel, u aan die overeenkomst te binden.quot;
âDie is gesloten zonder mijne voorkennis, dat is waar, Jacob-oom, sinds ik toen nog veel te jong was om daarin gekend te worden; maar gebonden ben ik niet eigenlijk, dan door mijn goeden wil om het gegeven woord mijner moeder gestand te doen, en de zedelijke verplichting om een groot onrecht goed te maken!quot;
âSchuilt er dat achter, kindlief, zie! daar heb ik niets van geweten.quot;
âOch! men moeit u zoo weinig met de wereldsche zaken in de familie! Weet dan, Jacob-oom, dat neef Dirk van der Dus-sen, die steeds met zijne eenige zuster in onmin leefde, en ook bij zijn verscheiden niet verzoenlijk bleek, zijn groot vermogen aan mijne moeder en mij heeft vermaakt, en daarmee nicht Hogenhoeck en haar zoon Antony heeft onterfd. Om dat onrecht goed te maken werd er afgesproken, dat ik Antony zou hijliken..., als wij den leeftijd hadden en elkander aanstonden.quot;
âNu, meene ik, het tegendeel blijkt, kunt gij immers volstaan met die erfenis te laten varen en over te brengen daar waar men recht acht?quot;
âNiets liever dan dat, en mijne vrijheid behouden; maar....
363
juist dat willen ze niet. Neef en nicht Hogenhoeck maken er bezwaar tegen, en staan op hun point d'honneur; en Antony zelf â die, vreeze ik, zooveel kieschhoid niet zou hebben, heeft zijne zinnen op mij gezet, zoodat ook hij van 't geld niet hooren wil zonder het hijlikl Oom en moei Graswinekel, die gemeend hadden, evenals moeder alles ten goede te schikken, zouden bitterlijk teleurgesteld zijn, zoo het dien weg niet uitging, al zijn zij te goedaardig om mij eenigen dwang aan te doen. Mocht ik van die goedheid misbruik maken, om mij te onttrekken, aan de opgelegde verplichting?quot;
âMaar mij dunkt, het was hunne naaste verplichting geweest op uw levensgeluk toe te zien, en dat is, menschelijker-wijze gesproken, heel weinig verzekerd in een ongelijksoortig hijlik!quot;
âOmdat ik dit gevoelde, heb ik zoozeer geaarzeld, en zoolang uitstel gevraagd.quot;
âEn dies ondanks geeft ge nu plotseling toe, eer nog de laatste termijn van dat uitstel is verloopen, is dat niet wat onberaden gehandeld, mijn kind?quot; vroeg hij, terwijl hij haar met zachten ernst in de oogen zag.
Er schitterde iets vochtigs in hun diep donker blauw, toen zij antwoordde:
âik vreeze maar al te zeer dat gij gelijk hebt; dat ik mij door eene edelmoedige beweging des harten heb laten mec-sleepen om eene onvoorzichtigheid te begaan, die .... die . .. . mij mogelijk levenslang zal berouwen.quot;
âIk had onzen Antony nooit zulk eene onweêrstandelijke overredingskracht toegekend; hij heeft dan wel de zwakke zijde van uw hart weten te treffen?quot;
âHij heeft alleen gebruik gemaakt van eene zwakheid, die ik hem toonde: eene herinnering mijner jonkheid â die zich op eens voor mijn geest verlevendigde.quot;
âEn waaraan gij zóó groot een offer bracht?quot; vroeg hij met zekeren nadruk.
364
âïe groot naai- uwe meening, niet waar? en dat het mij niet licht valt, heb ik gevoeld bij den strijd, dien ik daarna met mij zelve heb moeten strijden.quot;
âMoet het dan waarlijk gebracht worden?quot;
âEen weinig vroeger, een weinig later, wat doet er dat toe,quot; hernam zij, even de schouders ophalende; âik ben er toe besloten ; nu vooral, waar ik de zekerheid heb, dat het zóó wel het beste is. Hot is goed den ernst der werkelijkheid te stellen tegenover de hersenschimmen eener ijdele jeugd.quot;
âDat is goed, mijn kind! dan â de wijze waarop gij dit zegt, gerochtigt mij tot hot vermoeden, dat er toch iets wezenlijks onder schuilt.quot;
âEn gij verlangt te weten wat, niet waar, goede Jacob-oom?quot; vroeg zij met een zwaarmoedig glimlachje. âHet is nauwelijks uwe aandacht waard; â maar toch, gij zult het hooren: Gij herinnert u zeker niet meer, dat ik mijne vroege jeugd te Dordrecht hebt doorgebracht?quot;
âJa, Belie! nu gij er van spreekt herinner ik mij dat heel goed, en ook dat ik hot niet kon goedkeuren, dat men de jeugdige weeze, zoo kort na den dood harer moeder, onder vreemden zond; doch waar men mijn raad niet vraagt, onthoud ik mij dien op te dringen. Uwe voogden moesten het weten, en ik heb daar verder niet af gehoord.quot;
âIk kan met waarheid niet zeggen, dat men mij onder vreemden zond, hoewel zij, die mij bij zich wenschte, mij gansch onbekend was. Moei Catrine, die te Dordrecht woonde, was de eenige bloedverwante mijner moeder hier te lande, hare eigene zuster, en zij achtte zich dc naaste om de laatste hand te leggen aan mijne opvoeding, zooals zij zich uitdrukte. Zij was trotsch op hare afkomst, uit een edel Fransch geslacht, en had zich nooit zoo goed als mijne moeder naar de Hollandsche buvgerzeden kunnen schikken. Zij wist dat oom en moei Graswinckel leefden naar den ouden trant, stijfjes en simpel, al zat oom in de
365
vroedschap, en al had hij in de publieke zaken heel wat te zeggen ; dies hield zij zich zelve meer bevoegd, om mij den toon en de manieren te leeren van den stand, waarin zij meende dat ik behoorde. Het bleek ons later, dat zij wat laagjes op de Graswinckels neêrzag, omdat zij zich de Saintonge noemde en een Beaumont had gehijlikt, die haar niet eens gelukkig had gemaakt, naar ik vermoed; althans het bleek wèl, dat zij geen droeve weduw was. Ik zelve nog in het eerste rouwjaar over moeder, voelde mij in mijn droefgewaad en met dieper droefheid in 1t harte, gansch niet thuis in de weelderige huishouding, ik mocht wel zeggen hofhouding van moei Catrine, die van hare zijde al haar best deed om mij af te leiden en verstrooiing te geven. Lacy! zij slaagde daarin maar al te goed. Op zijn dertiende jaar voegt men zich naar alles, zonderling naar een leven van genot en weelde, waarbij geen zwaardere plichten worden opgelegd dan de zorg om zich goed voor te doen en eenige gewilligheid in het aannemen van zekere vormen, die als het absoluut noodige werden voorgesteld. Ik kreeg les in muziek en danskunst; zelve onderwees moei Catrine, die ik steeds: âMadamequot; of âma tantequot; moest noemen, mij in de Fransche taal, die haar nog altijd meer gemeenzaam was dan ons Neêrduitsch, schoon zij al in de twintig jaar te Dordrecht woonde. âMa tantequot; scheen weinig aan de religie te hechten, al sproot ze uit een geslacht van Hugenoten, om des geloofswille uitgeweken; wij gingen niet gezet ter kerk; haar Fransche Bijbel kwam slechts des Zondags te voorschijn, en zij miste geheel dien deftigen ernst, die mijne goede moeder zoo eerbiedwaardig maakte, en die men zegt dat de Fransche ballingen kenschetst. Ik vertel u dat alles niet, om haar te beschuldigen, die mij steeds de uiterste teêrheid en toegevendheid heeft betoond, maar om u te doen inzien, hoezeer mijne leefwijze bij haar verschilde van die in het huis mijner moeder ....quot;
âEn dat verschil moest op uw jeugdig gemoed grooten invloed
366
oefenen, dat begrijp ik. Gij waart juist rijp genoeg om ontvankelijk te zijn voor alle indrukken en nog te onrijp om de schadelijke te weêrstaan.quot;
âZoo is het. Er greep een gansche ommekeer plaats in mijne wijze van zien en denken, en ik dank het de goedheid Gods, geenszins de wijsheid dezer leidsvrouw, dat ik geene zotte-lijke ijdeltuit ben geworden, ja! niet ganschelijk in verderf ben geraakt, bij zooveel gevaren en verzoekingen, waarin zij mij meesleepte!
Meen echter niet dat moei Catrine een berispelijk leven leidde naar de wereld. Och neen! dat bleek wel sinds zij met de deftigste luiden te Dordrecht omgang hield. Slechts was het een leven geheel naar den lust der oogen en de begeerlijkheden dezer wereld, zooals ik het later heb leeren inzien, 't Was of ons geen dood en geene eeuwigheid wachtten, waarin ons rekenschap zou worden gevraagd van onzen tijd, doorgebracht in zorg voor onzen opschik, in drentelen van 't eene huis naar het andere om er de nieuwsmaren te bespreken, in verstrooiingen en vermaken van allerlei aard, op zulke wijze dat wij het altijd overdruk hadden, zonder iets degelijks te doen. En dat alles terwijl mijn tweede rouwjaar pas afliep! Dit werd zelfs bekort, toen moei Catrine merkte dat ik mijn Fransch kende, bijkans zoo goed als zij zelve, en vaardigheid had verkregen in de nobele danskunst. Ik was toch al vijftien. Tante vond dat het tijd werd mij naar Fransche wijze in de wereld te brengen, en zij verhaastte dit oogenblik ter wille van eene omstandigheid, die zij eene treffelijke occasie noemde voor mijn optreden. De graaf van Leycester in de Nederlanden teruggekeerd, had goed gevonden verblijf te kiezen tot Dordrecht, en zijn gevolg van edellieden en officieren was zoo groot, dat men voor die allen geen bekwame herberg kon vinden in zijn logies, noch in de stad; maar de geestdrift voor den graaf was zoo levendig, dat de meeste luiden van rang zich aanboden om hun huisvesting
367
te geven. Moei Catrine, die een der prachtigste huizen van de Wijnhaven bewoonde, bleef hier niet achter.
Wij kregen mylord Xorth tot gast, een edelman van zekeren leeftijd, die vrij barsch was en gansch niet de fijne manieren had, waarop moei zoo gesteld was. Maar wij hadden weinig omgang met hem, daar hij meestentijds op het Hof was bij den graaf, of zich ophield in het deel van het huis dat hem was afgestaan, en waar hjj met zijn volk leefde zooals hij zelf goed vond; slechts eene enkele maal at hij bij ons aan tafel, of bracht een kort bezoek; maar die korte oogenblikken samenzijns waren genoeg om bij moei een verlangen op te wekken, dat hij met de meeste gewilligheid vervulde.
De graaf van Leycester zou een feest geven aan den Dord-schen magistraat en de voornaamste ingezetenen. Als weduwe had moei wel geen recht op eene nitnoodiging, maar de Vrouwe van Beaumont, de gastvrouw van lord North, had slechts te spreken om die te verkrijgen. Mylord zelf bood zich aan haar te geleiden, en ik moest meê! Ik moest overhaast, al was het niet onvoorbereid, mijne intrede doen in dien kring vreemden en aanzienlijken!quot;
âEn Vrouwe de Beaumont verbeeldde zich zeker dat zij eene verstandige bloedverwante was, die het goed met u meende!quot; sprak Graswinckel hoofdschuddend, met eene ergernis, die hij nauwelijks kon bedwingen.
âZij dacht ev mij een bewijs van te geven, door mij een prachtig galakleed te laten maken, waarin ik mij gansch niet op mijn gemak gevoelde, en dat eigenlijk nog niet aan mijn leeftijd paste.quot;
Maar ik vergat spoedig die lichte kwelling, en werd evenzeer heengezet over den schroom, die mij aangreep bij het binnentreden in de hoofsche feestzaal. Hier maakte ik de kennis van een heer, die ons als een vreemdeling van rang werd voorgesteld, en die reeds terstond zekeren indruk op mij maakte,
368
waaraan ik mij in jeugdige argeloosheid overgaf, en die nog versterkt werd door hetgeen er in den loop van dien avond voorviel. Hij beviel aan moei, scheen behagen te vinden in mijn onderhoud, bewees mij de meeste opmerkzaamheid, en onderscheidde zich, naar het mij toen voorkwam, van alle aanwezigen, door fijne hoffelijkheid en bevallige manieren. Herhaaldelijk leidde hij mij ten dans, en dit gaf later aanleiding tot een tooneel, waarbij hij mij verscheen als een reddende engel. Bij het afloopen van het feest raakte ik van moei af, die wat gehaast was geweest zich bij Dordsche kennissen te voegen, terwijl ik meende dat zij door lord North zou worden teruggeleid, die echter door zijn ambt bij den graaf gebonden, nog het Hof niet kon verlaten. Onrustig liep ik her en der, haar zoekende in een der kleine zijvertrekken, waar men rusten en zich ververschen kon. Hier trof ik tot mijn schrik samen met eenige Engelsche officieren, die er zeer opgewonden uitzagen, en die mij onder ongepaste scherts op vrijpostige wijze omsingelden. Onder hen bemerkte ik twee (jentlemen, die zich beklaagden dat ik niet met hen had willen dansen, terwijl ik den vreemden edelman telkens die gunst had verleend. Nu meenden zij zich over die beleediging te wreken, en ik zag reeds het oogenblik naderen, dat zij van ruwe en onvoegzame woorden tot lage en woeste bejegeningen tegen mij zouden overslaan. Ik wilde hen ontvlieden door de openstaande deur, maar zij versperden mij den weg; ik slaakte een kreet van angst, die gelukkig gehoord werd door hem, dien ik reeds als mijn natuurlijken beschermer beschouwde: de baron de Ghiselles trad op, te midden van die woestaards.quot;
âDe baron de Ghiselles!quot; viel Graswinckel in, zijne smartelijke verwondering nauwelijks meester.
âJa! zoo noemde hij zich, schoon het later betwijfeld werd, of hij wel recht had op dien naam, op dien titel.. Maar in mij kon die twijfel toen wel niet opkomen.quot;
369
De woestelingen keerden zich terstond van mij af; enkelen mnner naderden hem met den degen in de hand; maar hij boezemde hun ontzag in door zijne houding en sprak hen toe zon-ler den zijnen te trekken, op zulke wijze, dat zij beschaamd 311 verootmoedigd hunne wapens opstaken en eenige verontschuldigingen stamelden tegen mij, waarnaar ik niet luisterde, laar ik mij haastte om voort te komen, in mijne blijdschap jver die uitredding zelfs vergetende, mijn redder anders dan door een blik te danken; maar deze liet de Engelschen aan üunne beschaming over om mij spoedig te volgen. Mijn arm 'ag in den zijnen eer ik het zelve wist. Xog geheel onder den slag van den uitgestanen angst, smeekte ik hem mij niet te verlaten vóór wij mijne moei gevonden hadden; hij beloofde het mij met een glimlach en een handdruk, maar ergerde zich over de onvoorzichtigheid mijner leidsvrouw, die mij zóó aan mij zelve had overgelaten. Ik verontschuldigde haar en vertelde, hoe wij gescheiden werden. âDan zal Vrouwe de Beaumont wel niet meer op het Hof zijn, en het raadzaamste is dat ik u naar mis geleidde,quot; besliste hij, en ik voelde mij gerustgesteld door He beslissing. Daar ik mij zelfs den tijd niet gunde naar mijne mik om te zien, wikkelde hij mij in een prachtig fluweelen aanteltje, dat hem meer sierde dan dekte, zooals hij edolmoe-iglijk voorwendde. Onder het voortgaan was hij hoffelijk, meê-â arig, teeder, en â zoo hij meer gemeenzaam was, dan eene oo korte kennismaking scheen te veroorloven, was dat ver-laarbaar uit de wijze waarop die was aangevangen, in het ertrouwen, dat ik hem zoo vrijwillig toonde. Ik herinner mij, at ik voortging als in een droom, en dat ik opschrikte, alsof me sombere werkelijkheid mij aangreep, toen wij de Wijnha-m optraden, en bedienden van moei, die uitgezonden waren ii mij te zoeken, ons met hunne fakkels tegenlichten, onder n blijden uitroep.
De baron scheen wat verrast, zelfs wat teleurgesteld. Hij
Wonderdokter. I.
370
wilde niet bij mooi Catrino binnentreden om haar dank te ontvangen, maar hij nam mijne hand, die hij aan zjjne lippen bracht. In dit scheiden en alles wat hij tot mij gezegd had, lag
voor mij eene belofte van wederzien____en ik wil u bekennen,
Jacob-oom, dat ik menigte van luchtkasteelen gebouwd heb op dezen zwakken grond, en dat van toen aan zekere hersenschimmen mijn hoofd bevolkten.... die eerst veel later zijn opgetrokken.quot;
âEn hoe werd die kennismaking verder voortgezet ?quot; vroeg Graswinckel, mot zekere bekommering.
âEr is geen verder!quot; hernam zij met naïvieteit, âen ziedaar vermoedelijk do oorzaak waarom die gestalte zoolang het voorwerp is geweest van mijne jeugdige mijmerijen.quot;
Ik twijfelde geen oogenblik of de baron zou zich des anderen daags bij ons aanmelden, en moei zelve was van oordeel dat de hoffelijkheid dit gebood, al zou er ook niets diepers achter schuilen; maar hij kwam niet, ook niet des anderen daags, ja, er verliep eene volle week zonderdat hij iets van zich liet hooren. Moei merkte schertsend op, dat mijne eerste coquête (zooals zij den baron noemde) zich een vilein toonde, die zijn wereld niet verstond. Ik kwelde mij suf om de oorzaak te raden van deze handelwijze, die ik mij liefst verklaarde uit mijne eigene schuld. Hij moest ingezien hebben, dat ik een onnoozel kind was, een burgermeisje, dat hij al genoeg eer had bewezen mot haar bij te staan in den nood, maar waarmee hij verder niets te doen wilde hebben, al had hij ook, om haar te troosten en te bemoedigen, zoete woordekens gebruikt, die van teere meêwaardigheid schenen te spreken. Ik leed onder dat peinzen en gissen meer dan ik voor moei wilde weten, die alles met zekere luchthartigheid opnam, welke mij in dezen zeer tegenstond, â toon zij op zekeren dag, na een bezoek van lord North, waarbij ik niet tegenwoordig was geweest, tot mijzeide: âJA* chérie, die mooie cavalier, die uw paladijn is geweest.
371
en waar wij nogal goeds van dachten, is verdwenen zooals hij verschenen is; en dat is maar heel gelukkig voor u, want wat had er niet kunnen gebeuren, als het eene liaison ware geworden. Verbeeld u: het moet een zeer dubbelzinnig perso-naadje zijn geweest, die slechts voorgaf een groot heer te zijn, maar die gesuspecteerd wordt, verspreider te zjjn van zekere sinistre geruchten omtrent den Spaanschen vredehandel, die het volk in agitatie brengen, en den Gouverneur-Generaal groote moeielijkheid brouwen. Hij moet een spion van Parma zjjn; voor het minst, do graaf heeft hem met arrestatie gedreigd, zoo hij zich niet omtrent zekere mysterieuse handeling wist te verklaren. Die verklaring heeft hij niet afgewacht, maar is ontvlucht, eer men hem heeft kunnen vatten.quot;
Deze mededeeling deed op mijn jong, ijdel hoofd, dat duizelde van geheimen trots, bij de gedachte hoe zulk een wichtig personaadje mij had onderscheiden, de werking van een koud stortbad; maar zelfs na de ontnuchtering kon ik mij niet weerhouden de luchtspiegeling na te oogen, met stille verwachting eener triomfantelijke wederverschijning! in zulke zwakke oogenblikken kon ik niet gelooven dat de man, die zich zoo hoffelijk jegens mij had betoond, en die zoozeer de manieren en het voorkomen had van een edelman, een laaghartige avonturier kon zjjn. Ik geloofde wel zeker, dat mylord Leyeester hem lasterde om politieke redenen. Er gingen ook zulke ongunstige geruchten over den graaf zelf; als men daarnaar luisterde, was deze niets te goed om op zulke wijze iemand onschadelijk te maken, die hem in den weg stond. Moei Catrine liet mij echter noch de rust, noch den tjjd, om mij veel aan zwaarmoedige gepeinzen over te geven. Mijne eerste conqtu'te, die zoo'n schralen afloop had gehad, mocht mijne eenige niet bljjven, oordeelde zjj, en zjj sleepte mij meer dan ooit in allerlei vermaken en verstrooiingen met zich. Zjj slaagde echter niet in haar toeleg, om mjj aan ernstig nadenken en pijnlijke overwegingen
372
te onttrekken. De vrucht van eene eerste teleurstelling ging niet geheel voor mij verloren. Ik had er door geleerd, mij zelve te mistrouwen en omzichtigheid te gebruiken in mijn omgang met jongelieden. Men noemde die welhaast stijfheid en preutschheid. Zoo schrikte ik door mijne koele houding, den zoon uit eene der eerste Dordsehe familiën af om mijne hand te vragen, en moei Catrine gaf mij geen ongelijk, maar uit gansch andere oorzaak. Naar haar gevoelen moest ik een edelman hijliken, om mij in den stand te plaatsen, waartoe ik naaide afkomst mijner moeder behoorde; en zij was er zeker van, een zulke zou wel voor mij opdagen, als ik mij niet onvoor-zichtiglijk haastte om mijn woord te geven aan een burger. Op dit laatste had ik geen plan, en wat het eerste betreft, vreemdelingen en edellieden boezemden mij eene vreeze en wantrouwen in, dat niet zou worden weggenomen, tenzij een hunner keerde, om zich te rechtvaardigen .... dat wel nimmer gebeuren zou, fluisterde het gezond verstand mij in, als de jeugdige verbeelding zich soms in zekere phantasiën vermeidde. Deze onwil om hare inzichten te volgen, zou welhaast tusschen moei Catrine en mij ernstige moeielijkheden hebben doen ontstaan, toen, tot mijn geluk, oom Graswinckel vond, dat het eindelijk tijd werd zijne rechten als voogd te doen gelden. Ik was in de zeventien en nog geene lidmate der gemeente. Moei Baerte had niet gewild, dat ik onder het bestier van moei Catrine, en tijdens het wereldsche leven dat wij leidden, mijne belijdenis zoude doen. Zij achtte het tijdstip daartoe nu gekomen; oom Gerrit kwam mij zelf afhalen en herwaarts heen brengen. Ik werd toevertrouwd aan de leiding van den waardigen quot;Wernerus Helmichius; diens ernst en vroomheid maakten een diepen indruk op mij; mijne dispositie tot nadenken en zelf-onderzoek werd door hom aangemoedigd en bestierd; geene ijdele vermaken en verstrooiingen leidden mij meer af, en toen ik er welhaast toe kwam, belijdenis van mijn geloof af te leggen.
373
was het niet slechts een uiterlijk toetreden, maar het werd een keerpunt in mijn leven. Gods genade helpende, zag ik nu al het vroegere gansch anders in, en volgde daaruit diepe beschaming voor mij; ik leerde roemen van hulpe en bewaring boven bidden en denken. Mijne geheele wijze van zijn en van denken nam eene ernstiger richting dan gewoonlijk meiskens van mijn leeftijd volgen. Ik leerde u kennen, van wien ik altijd met zekeren afschrik had hooren spreken, als van een ongenaakbaar strengen zonderling! Uw raad en voorlichting deed mij veel goed, en was oorzaak, dat ik wel verre van mij toe te geven aan sombere gepeinzen en zwaarmoedig naberouw, in hot werkdadig leven, in het trachten naar goede werken en het oefenen van barmhartigheid, zulke bezigheid vond, die hoofd en hart beide goed deed, en die mij diep deed betreuren den verloren, den misbruikten tijd mijner eerste jonkheid.quot;
rDie is niet onnut geweest, mijn kind!quot; hernam Jacob Jansz. zacht ernstig, âde vruchten er van geniet gij nu; gij zijt rijper geworden in ervaring, al hebt gij die met zekeren innerlijken strijd moeten koopen.quot;
âJa! ik was rijper geworden dan mijne jaren, dit voelde ik zelve, toen ik bekend werd gemaakt met de overeenkomst, die mijne moeder en voogden hadden aangegaan met de ouders van Antony. Het uitstel dat ik vroeg om mij te beraden, eer ik mij voor het leven ging verbinden, werd mij door de oudere verwanten volgaarne toegestaan -- maar Antony morde. Zijne eigenliefde was gevleid door de gedachte, dat hij reeds op zijn achttiende jaar verloofd zou zijn, om op zijn negentiende een gehijlikt man te wezen, en het krenkte hem, toen ik het noodzakelijk achtte elkander eerst te leeren kennen. Neef en nicht! dat was immers al kennis genoeg, meende hij. Zijne ouders vielen mij bij; zij begrepen zeiven, dat hun zoon nog te jong en te onervaren was, om reeds hoofd van een huisgezin te worden. Hij had daarbij nog nooit zijne geboortestad verlaten, en
374
alle jongelieden van zijn stand reisden of hadden gereisd op zijn leeftijd. Er bood zich eene gelegenheid voor hem aan, om met een handelsvriend van zijn vader eene reis naar Frankrijk en Italië te ondernemen, die een paar jaren moest duren; men vreesde alleen dat zulke afwezendheid mij te lang zoude vallen; doch ik stelde hen gerust; ik gaf mijn woord, dat ik geen besluit zoude nemen vóór zijn terugkeer. Ik kon dat met meer vastheid toezeggen dan een ander jong meisje. Ik was reeds van eene begoocheling ontnuchterd, en ik had mij zelve beloofd, dat ik mijn hart zou bewaren, boven alles wat te bewaren is. Ik mag zelfs met waarheid zeggen, dat ik het bewaard heb, en dat de dubbelzinnige gestalte van den vreemdeling al meer en meer op den achtergrond geraakte, en gansch geen hinderpaal zou geweest zijn voor mij, om Antony mijne liefde te schenken, indien deze zich zelf niet het meest in den weg ware geweest. Ik kon mijn meerdere niet in hem zien; â ik kon hem niet achten. Ik hoopte, dat het bedorven zoontje, want - helaas! dat is hij, op de reis onder vrienden tot een man zou rijpen .... maar ongelukkiglijk is die goede verwachting misgeslagen. Gij weet zelf hoe hij gekeerd is.quot;
âJa! als eeu verfijnde en verweekelijkte pronker.quot;
v Die niets had geleerd, dan juist datgene, waarvan het hem beter ware geweest onkundig te blijven. Meer dan ooit kwam hij mij laf en vervelend voor. De amoureuse propoosten die hij meende tegen mij te moeten voeren, ergerden mij in die mate, dat ik opnieuw uitstel vroeg tot mijne meerderjarigheid, en hem intusschen de proeve opleide, van zijne gevoelens te zwijgen, totdat ik hem het recht gegeven had die te uiten.quot;
âIn dat tijdperk waren wij nü, zoo ik meende,quot; viel Gras-winckel in.
âEn ik dacht zelve, dat het gesloten zou worden met de bekentenis mijner onmacht, om de verplichtingen op mij te nemen, door de overeenkomst onzer verwanten mij opgelegd; maar â
375
eene ontmoeting, waarop ik wel niet had konnen rekenen, heeft mij plotseling van besluit doen veranderen. Ik heb.... den baron de Ghiselles weergezien!quot;
âHad hij de vermetelheid zich bij u aan te melden?quot;
âHet was een toevallig samentreffen bij dat tournooispel, waar ik met Antony naar ging kijken. Door zjjne gewone traagheid en gebrek aan cordaatheid, liet deze mij in den steek, toen wij door de volksmenigte moesten heendringen. Eene sol-datenbende omsingelde hem welhaast, met of zonder opzet, en hij bleef achter, terwijl de officier van dat volk zich aan mij als geleider opdrong. Toen ik ten laatste in dezen den baron meende te herkennen, of hem die zich daarvoor uitgaf, en eene vraag deed om mij daarvan te vergewissen, drukte hij den hoed diep in de oogen, terwijl hij mompelde: âDien gij meent ben ik niet!quot; Maar ondanks de ontkenning, was er iets in zijne houding, in zijne wijze van zijn, in zijne bekendheid met de lieden van rang, die wij op de voi'stelijke tribune zagen, dat mij versterkte in mijne meening . . ..quot;
âEn heeft hij u herkend?quot;
âDat geloof ik niet, en dat is ook niet te verwonderen. Bij het woelig en zwervend leven, dat hij zal geleid hebben, moet de gestalte van een jong meisje, waarmee hij een enkelen feestavond heeft doorgebracht, wel spoedig als eene bleeke schim uit zijn geheugen zijn verdwenen; toch kan het zijn, dat hij slechts veinsde mij niet te herkennen, uit schaamte over den toestand waarin ik hem aantrof. De man, dien ik eens om zjjn smaakvol schitterend gewaad had zien benijden door de edel-sten en rijksten, zag er nu uit als een schooier. Dit griefde mij in de ziel. War hem dan ook tot dezen staat mocht hebben gebracht, ongeluk, vervolging van vijanden, of eigen schuld en overgave aan woeste hartstochten, hij wekte mijne diepe deernis; en toen Antony, die meende eene grieve tegen hem te hebben, uit zijn ellendig voorkomen het recht wilde nemen
376
om hem als een dief en landlooper der Justitie in handen te leveren, toen heb ik door mijne tussehenkomst getracht hem van dat voornemen af te brengen. Het ging niet vlot; hardvochtig en zelfzuchtig, als een die nooit leed noch last heeft gekend, bleef Antony stijf staan op zijn stuk, dat hij zijn recht achtte. Ik.... ik kon het denkbeeld niet verdragen, dat die man, wie of wat hij dan ook zijn mocht, die mij eens voor beleediging had beveiligd, die de held was gebleven mijner jeugdige phantasiën, nu als een lage boef zou bejegend worden. In den ernst van mijn aandrang om Antony over te halen, liet ik mij een woord ontvallen, dat deze haastiglijk opvatte, en waarvan hij gebruik gemaakt heeft om mij eene belofte af te persen, die.. ..quot;
âDaar af gij u nu wenscht te ontslaan?quot; vroeg Graswinckel haar uitvorschend in de oogen ziende.
âDie ik meen te houden, wat het mij ook moge kosten,quot; hernam zij met vastheid; âte eer daar ik de zwakheid van mijn eigen hart heb leeren kennen, en een steun zoek voor her en der wankelen in mijn gegeven woord.quot;
âEen uiterlijke band verandert niet de gezindheid des harten mijn kind!quot;
âNeen, maar die is eene vastigheid, waaraan ik nu behoefte gevoel.
Ziet gij, wellieve vriend! zoo de man, die zich voormaals als bai'on de Grhiselles voordeed, maar die nu simpellijk Juliaan moet genoemd worden, tot mij ware gekomen als een eerlijk, welgeboren man, en zich had durven beroepen op onze vroegere bekendschap, zou ik geenszins geaarzeld hebben hem de hand der vriendschap te reiken, al ware hij overigens niet anders dan een doodarme, berooide luitenant, en dit zou er mij wellicht toe gebracht hebben mijne vrijheid te begeeren; maar nu ik uit zijne eigene gedragingen de zekerheid heb verkregen, dat die man niet slechts een ridder is van eene droevige en
377
dubbelzinnige figuur in de oogen van anderen, maar ook zoozeer overtuigd is van zijne eigene onwaardigheid, dat hij lust noch moed heeft om de oogen naar mij op te heffen, nu is het mij duidelijk, dat ik den weg moet gaan, die voor mij is afgebakend; vind ik daarin niet de vreugde des levens, ik vinde er althans rust en veiligheid.quot;
âIndien maar rust en veiligheid, arm kind! Is Antony niet te zwak een leidsman, om u tot steun en beschermer te zijn?quot;
âMijne hoop is op hoogere kracht en beteren steun, bij 't volbrengen van mijn plicht,quot; hernam zij, met vastheid en ernst.
âIk zal waken en bidden in den strijd dien ik tegenga, en al blijft er dan ook een doorn in het vleesch, ik roken op des Heeren genade, en die zal mij genoeg zijn! Ik heb nu Antony trouw beloofd en zal die houden; mogelijk gelukt het mij nog invloed op hem te oefenen ten goede, en dan zal immers mijn leven, zij het vreugdeloos, toch geen verloren leven zijn?quot;
âDat zal het zeker niet. Offervaardigheid maakt eiken last licht; zelfverloochening is do zekerste weg tot betere vreugde, dan die de voldoening onzer dierste wenschen kan geven; maar.... melieve! sinds gij zóó vast besloten zjjt, en bij die keuze wilt blijven, waartoe kan ik u in dezen weg nog nut zijn? Gij behoeft immers noch mijn raad, noch mijn troost?quot;
âIk behoef uwe hulp, Jacob-oom! en daartoe heb ik u mijn gansche vertrouwen geschonken. Waar de vrijheid, het leven van.... dien beklagenswaardige op het spel stond, moest ik alleen met mij zelve te rade gaan, en de inspraak van mijn hart volgen. Nu, ik hob die dan ook gevolgd, en mij zelve geofferd; maar, ziet gij, dat offer mag niet tevergeefs zijn gebracht en toch .... is er oorzaak het ergste te vreeze voor.... dien ongelukkige.quot;
âVoor Juliaan?quot; vroeg Graswinckel, gespannen.
âJa, voor hem! In weerwil van mijn tusschentreden bij Antony, is hij toch in zwarigheid geraakt. Heeft hij werkelijk
378
kwaad bedreven, is er eenig misdrijf van vroegeren tijd tegen hem uitgekomen, of is het enkel op suspicie dat men vrijheid vond hem te vatten, dat is me onbekend; maar zekerheid is het, vreeselijke zekerheid, dat hem juist heeft getroffen wat ik hem had willen sparen, en dat hij dezen morgen door den onderschout gevangen is genomen.quot;
âGevangengenomen!quot; herhaalde Jacob Jansz., âziedaar juist wat ik vreesde.... Hoe zijt gij het te weten gekomen, Ma-belia?quot;
âAntony, die toevallig onder 't volk stond en getuige was van 't geen er voorviel, is het mij komen vertellen Hij is in hechtenis genomen, omstreeks het hof van Zijne Excellentie, op de aanwijzing van een vreemden edelman, die zware beschuldiging tegen hem inbracht, en daar was niemand, niemand die zijn borg wilde wezen.quot;
âOok niet Antony, om uwentwille?quot;
âDat kunt gij denken! hij kwam het mij met boozen triomf vertellen; minder uit blijdschap, omdat de rampzalige in lijden was geraakt, dan wel uit voldoening dat hij bleek gelijk te hebben, toen hij hem verdacht van diefstal, helaas!quot; eindigde zij met een hoofdschudden, dat evenzeer van leedwezen als van afkeuring getuigde.
âGeve God dat hem niets zwaarders wordt te laste gelegd,quot; verzuchtte Graswinekel.
âGij hebt deernis met hem, gij stelt belang in hem! ja, dat wachtte ik wel; uwe meewarigheid gaat over allen .... maar toch, gij spreekt van hem of gij er meer van weet.quot;
âZoo is het, mijn kind ! Dat alles, wat gij mij zegt van dezen Juliaan, treft mij diep. Och, dat hij nietwes, ondernomen had bniten mij! Och, dat hij naar mijn raad had gehoord â of, dat ik daar bij het Hof omtrent hem geweest ware; ik had mij borg konnen stellen voor hem!quot;
âGjj, waardige man, gij, borg voor dien zwaar betichte! Gij
379
hebt er dus zekerheid van dat men hem valschelijk beschuldigd?quot;
âDie zekerheid heb ik niet wat het verledene betreft; maar.... ik heb wel moed op de toekomst. Hij heeft den nacht met mij doorgebracht in mijne kluis; ik heb eene innige, teêre betrekking op hem verkregen en ....quot;
âZoo zult gij willen doen, wat ik niet kan, niet mag.... tusschenbeide treden bij zijne rechters, opdat hij niet onschuldig veroordeeld worde, of gratie voor hem verkrijgen zoo hij schuldig mocht zijn!quot;
âIk zal alles voor hom doen wat er door menschelijke hulp te zijner bate kan gedaan worden, wees er zeker van. Ik was zelfs voornemens naar hem te onderzoeken, toen gij .... herwaarts kwaamt.quot;
âZoo heb ik mogelijk hom reeds schade toegebracht met u op te houden?quot;
âDat is geen verloren tijd geweest, liefste Belie, zelfs niet voor hem; nu ik zekerheid heb dat hij gekerkerd is, behoef ik niet meer te weifelen waar hem te zoeken.quot;
âDe onderschout heeft hem weggeleid, dat is alles wat Antony mij wist te zeggen.quot;
âMet dien onderschout is wel eene overeenkomst te treffen ter gunste van den gevangene, dat is meer gebeurd ....quot;
âMaar daartoe is veel gold noodig heb ik wel hooren zeggen,'' viel zij in, âen het uwe behoort den armen! Wil dus vrijelijk over het mijne beschikken, ware 't slechts om zijn lot draaglijk te maken.quot;
âMijn geld behoort aan wie het noodig heeft; wat er door dat middel voor Juliaan is to doen, zal niet verzuimd worden.quot;
âO! doe dat, beste Jacob-oom, ik smeek er u om; het zou mij levenslang tot eene kwelling zijn, zoo ik dat zware offer tevergeefs had gebracht.quot;
âVertrouw op God, mijn kind, die het voor u en voor hem
380
wèl zal maken. Alleen zet u niet in 't hoofd, dat deze, deze Juliaan iets anders voor u zou konnen zijn dan een voorwerp van Christelijke liefde; zijn verleden is geheimzinnig en bevlekt, zijne toekomst is duister. Gij zelve hebt het reeds ingezien, dat hij niet is in de conditie, om de oogen te vestigen op een meiske als mijne Mabelia!quot;
âIk versta u, Jacob-oom! maar al viel dat alles ook anders uit, Antony heeft immers mijn woord!quot; sprak zij met een pijn-Ijjken glimlach.
âMoge deze het zich waardig maken. U, mijn kind, heb ik een dienst te vragen: quot;Wilt gij in mijne plaats een bezoek brengen bij de vrouw van Geurt Dirksz., die weduwe is geworden? Gij zult er veel jammer en ellende zien, maar gij zult tranen te drogen, zorg te verlichten hebben, en dat zal u zelve ook goed doen.quot;
De dienst werd zwijgend toegezegd met een handdruk.quot;
Mabelia had hem verstaan: haar leven, als het zijne, moest voortaan een leven zijn van zelfverloochening, dat slechts vreugde putte uit de verzachting van anderer leed.
EIXDE VAN HET EERSTE DEEL.
Ins'-itvi'Jt Dt Vcc
roor NrderlandseT^
en Letterkunde aan de R«k9univ«t»it£it ïs quot;l
L uw