Uix
öavTcxj »/â¢0
ln«t tuuc 'â igt;' 1
voor Nederba-ise quot;
en Letterkunde aan : RitkauBivcrsitiit «
â
L X/x
^S-TOLI
DE DELETSCHE WONDERDOKTER. II.
Instituut De Vooys yrât Nederlandse Taaien Letterkunde aan tic Rifksuniversiteit tc Utrecht
, j// 's S e'
;
J r /S '
De Delft» Wondebdokter
DOOK
A. L. G. BOSBOOMâTOUSSAINT.
M et Illïistr*atiën
Naar teekeningen
VAN
Wm. STEELINK. TWEEDE DEEL.
0854 5000
Rotterdam. â D. BOLLE.
HOOFDSTUK I.
âMijn goede vriend, weet gij mij ook te zeggen of meester Gerrit Fransz. te zijnent is?quot; vroeg een ons welbekend persoon aan een gerechtsdienaar, die met den geregelden stap van een schildwacht de breede stoep van eene deftige huizinge op- en neêrliep. Daar hij echter geen antwoord kreeg dan een norschen blik en een zwijgend schouderophalen, wendde hij zich tot den tweeden handlanger der justitie, die rustig op de steenen stoepbank zat te kijken naar het ongeduldig heen en weer trappelen van zijn kameraad. Deze verwaardigde zich ten minste te antwoorden: âOp dit uur altijd, dokter Boot, daar is vast op te rekenen ...
âEn te spreken?quot;
âDat zou ik niet konnen zeggen.... Wij wachten hier al drie kwartier op de orders van Zjjn Edel Achtbare; is het volle uur verstreken, dan eerst mogen wij ons laten aanmelden, eer we vrijheid hebben om heen te gaan.quot;
âNu, dan zal ik er daar binnen maar eens zelf naar vernemen,quot; hernam Graswinckel, en hief met vaste doch bescheiden hand den klopper.
âUw Heer is nü thuis,quot; sprak hij met zekeren nadruk tot den bediende die opendeed, âwil mij aandienen, Hendrik, en vragen of Zijn Edel Achtbare ditmaal voor mij te spreken is...quot;
Wonderdokter II. ^
2
âDat zal bezwaarlijk gaan, waardige Jacob Jansz., mijn meester is juist in besognes met den onderschout.quot;
âIk kan wachten tot die zijn afgeloopen; maar dien mij alevel aan, en verzuim niet den heer Schout te zeggen, dat ik hier viermaal tevergeefs ben geweest.quot;
âHet zou wel de vijfde maal konnen worden,quot; mompelde Hendrik, terwijl hij de deur van eene spreekkamer openstiet, âdoch gelief binnen te treden; voor u wil ik het er op wagen, want mijn meester is kwalijk gemutst als men hem in zijne samenspreking met den onderschout komt storen.quot;
Gelukkig hebben wij niemands toestemming te vragen, om het geheim closet van den gestrengen heer Schout binnen te treden.
quot;Wij zien het machtige hoofd van den gerechte werkelijk in samenspreking met zijn adjunct, den onderschout. De laatste, hoewel in het gewaad van een deftig burger, staat voor hem, op eerbiedigen afstand, in de ootmoedigste houding, met ontbloot hoofd, terwijl de fiere magistraatspersoon zelf den hoed ophoudt, als ware die achtbare kruin reeds niet genoegzaam gedekt door het zijden kapje daaronder. De strenge ernst van zjjn zwart gewaad werd alleen afgewisseld door een omgeslagen hemdsboord van ragfijn linnen, terwijl smalle geplooide pon-jetten uit de eng sluitende mouwen te voorschijn kwamen, als om door hun mat wit de malsche vleeschkleur te doen spreken van de blanke, gevulde handen, waarop de Achtbare Heer zelf somtijds met zooveel welgevallen neerzag, dat hij er vast wel een weinigje trotseh op was. De kostbare juweel die den middelsten vinger zijner blanke hand sierde, en dien hij onder het spreken nu eens genoeglijk bekeek, als om zich in dien lichtgloed te verlustigen, dan weer ongeduldig heen en weer schoof, getuigt ganschelijk niet tegen onze onderstelling. Bij het eerste aanzien gaf dat blanke, blozende gelaat, met die volle wangen, dien gullen mond, die frissche roode lippen en dien korten, breeden neus met beweeglijke neusvleugels, u
3
gansch niet den indruk, dat gij u bevond tegenover een dier gevreesde en gestrenge Heeren, die de schrik waren van elk misdadiger, ja, voor wien menig onschuldige reden had te sidderen ; veeleer zou men hem houden voor een lustigen disch-genoot bij een schutters- of regentenmaal, die de groote bokaal van 't collegie herhaaldelijk zou kunnen ledigen, zonder-dat zijn hoofd er van duizelde. Maar bij nader onderzoek, bemerkte men, dat er uit die klare, blauwe oogen niet enkel goc-lijkheid lichtte en levenslust, maar dat ze iets kouds en scherps hadden, dat niet geruststellend moest zijn voor den delinquent, dien hij in verhoor nam; evenmin viel er veel te rekenen op den oolijken glimlach rondom den mond, die veeleer sarcastisch was dan joviaal. Op het breede voorhoofd zetelde vastheid, die tot hardnekkigheid kon worden opgevoerd. Van het kort afgesneden haar, nog door de zijden muts bedekt, zag men niets, en hij droeg baard noch mutstatsen; zeker was hij overtuigd genoegzaam ontzag in te boezemen, zonder een uiterlijk vertoon van krijgshaftigheid. Hoewel hij het zwaard der gerechtigheid voerde, en op zijn tijd en wijze toonde dat hij het wist te gebruiken, droeg hij het nu, in zijn huisgewaad voor zijn schrijftafel zittend, niet op zijde. Hij wist wel dat eenige trekken van zijne hand - een mondeling bevel zelfs â reeds voldoende waren om zich gehoorzaamd te zien; het was hem, den burger magistraat, om de werkelijkheid der macht te doen, niet om het symbool daarvan.
Gerrit Fransz. Meerman was nu in de volle rijpheid des levens; maar jong reeds moest hij tot eereambten in zijne stad zijn bevorderd, want hoewel hij eerst sinds 1584 tot het Schoutsambt was gekomen, had hij reeds vroeger in den Veertig-raad gezeten, was Schepen geweest, en had als Burgemeester van Delft den staf gevoerd. Dankte hij deze waardigheden aan zijne verwantschap, aan zijne fortuin, of aan zijne persoonlijke verdiensten; â dit is moeielijk uit te wijzen.
4
Vermoedelijk trof het een als het ander samen. Gesproten uit eene dier familiën, waaruit gewoonlijk de regenten werden gekozen; verwant door zijn huwelijk aan de van Santens, die men altijd onder de schepenen en veertig-raden waarneemt; rijk geworden door den korenhandel, dien hij mogelijk nog dreef, had hij zeker bij dat alles genoegzame bewijzen gegeven van regeeringsbeleid, die, gevoegd bij zijne verkregene ervaring, hem als den geschiktsten man aanwezen voor het belangrijke Schoutsambt, dat hij nu reeds volle elf jaren bekleedde, tot voldoening van allo welgezinden, en tot schrik der boozen, of wie tot dezulken werden gerekend. Van zijne faits et gestes is niet veel bekend, hetgeen, gevoegd bij zijn langdurig bestuur (hij trad niet af dan bij zijn dood in 1609), als een guustig toeken mag worden beschouwd; hetgeen althans bewijst dat hij niet tot die wreede en vratige schouten heeft behoord, die hun ambt gebruikten om er vuigen jandel mee te drijven; die do onschuld vervolgden, en voor het misdrijf de oogen luikten, en wier gruwelijke rechtsschennis, onder schijn van recht, mot bloedige letteren in de geschiedenis der oude magistratuur staat geboekt. Schout Gerrit Fransz. daarentegen hechtte er aan, om den naam van een billijk en strikt rechtvaardig rechter te verdienen; maar het bleef altijd eene rechtvaardigheid op zijne eigene hand, of liever eene zulke, als â door de eigenaardige leemten en gebreken der toenmalige wetgeving â de ruimte, die zij liet voor willekeur en misbruik van macht â en de onbestemdheid van het rechtsbegrip â aan de orde was geraakt. Zoo meende hij bij voorbeeld niet tegen de billijkheid te zondigen, als hij een armen wever scherpelijk liet geeselen voor een zelfde vergrijp â dat hij een rijkelui's zoon met zware geldboete liet afkoopen.
âZwaarlijk in do beurze gestraft te worden, was immers voor den vermogende gansch geene kleine penitentie, en bij den
minderen man, die niet had om te betalen, moest er het huidje dan maar voor bloeden,quot; oordeelde hij, en velen waren het met hem eens. Het was nu eenmaal niet anders. In de Republiek, wier vrijheidszin zoo hoogelijk wordt geprezen, bestonden zekerlijk vrijheden, maar ganschelijk niet gelijkheid voor allen; ganschelijk niet gelijkheid voor de wet. Onze naburen, die de leuze van vrjjheid, gelijkheid en broederschap hebben uitgedacht, en meenen, dat zij door de oude Hollanders der 16de eeuw is uitgeroepen â en â uitgevoerd tjjdens hun opstand tegen Filips II, bedriegen zich deerlijk, en bewijzen dat zij vreemdelingen zjjn zoowel in ons volkskarakter als in onze historie.
âWat de Heeren wijzen, dat moeten de gekken prijzen,quot; is een volksgezegde, dat zeer juist den bestaanden toestand afschetste. De Heeren, dat waren de regenten die 't gezag in handen hadden, en tegen wie men nu eenmaal niet op kon; de gekken â waren het volk, de smalle gemeente, die slechts had te buigen voor hen die nu eenmaal op liet kussen zaten, en die bij dat zitting nemen ook geacht werden de wijsheid te erlangen, die er tot regeeren noodig was. Want het was geen trotsehe adel, die zijne vazallen verdrukte â het waren gegoede burgers, handelaren, brouwers, fabrikanten, die uit het midden der burgerij als ten zetel werden geheven, en die elkander over en weêr kozen, steunden, handhaafden, op zulke wijze â dat er regeeringsfamiliën ontstonden, die een wijden, maar toch gesloten kring vormden, waarin geen intrus kon worden toegelaten, noch zich aanmatigen zou binnen te dringen. Er bestond geen wetboek voor alle provinciën geldig; iedere provincie was meesteresse over haar inwendig beheer â iedere stad had hare eigene keuren en ordonnantiën, hare eigene rechtspleging en rechtsoefening, en haar schout had een discretionair gezag, om zoo het heette, met beleid en ter approbatie van mijne Heeren en Schepenen, goede politie te oefenen en op de publieke orde te voorzien. Wat sterk geprik-
6
keld, wat overmatig gekneveld, morde wel eens de goé gemeente, en stond met kinderlijken moedwil tegen 's lands vaderen op; maar dan volgde snel eene duchtige farferZy'A'e kastijding: er werd zoo wat gehangen, gegeeseld, gebrandmerkt onder de belhamels â onvoorzichtigen of versehoonlijken werden de stad uitgezet of buiten de provincie gebannen, daarna werd de verzoening getroffen, en alles hernam zijn ouden gang. De wet (de regeerders) werden ieder jaar vernieuwd, dat wil zeggen, moesten opnieuw gekozen worden, en er traden ook wel eens andere mannen op: maar de staat van zaken bleef dezelfde, en altijd bleef het er bij: dat de gekken slechts hadden te prijzen, wat de wijze luiden hadden beschikt.
Maar wij laten den achtbaren Heer wel wat lang voor ons poseeren zonder hem het woord te geven. Toch heeft hij onzen wenk niet afgewacht, om zijne samenspreking met den onderschout voort te zetten.
âEn is dat soldatengespuis nu ganschelijk aan uwe nasporingen ontkomen, Bartels?quot; vroeg hij, goelijk den rug streelend van eene groote, grijze poos, die hem op den schoot was gesprongen, eene gemeenzaamheid, die blijkbaar niet voor de eerste maal plaats vond.
Schout Bondt ~ vreeselijker gedachtenis â zou zich later belachelijk maken door zijne vriendschap voor honden, die Vondel hem zoo vinnig heeft ingepeperd. Schout Gerrit Pransz. had eene voorliefde voor zijne poes, waarover wij hem niet hard kunnen vallen ; een zwak, dat een groot staatsman van de 1 de eeuw met hem zou deelen, zonderdat het aan zijne activiteit heeft geschaad.
âJa, achtbare Heer! tot mijne spijt en beschaming moet ik het bekennen, ze zijn ons ontsnapt en spoorloos verdwenen, ondanks alle vlijt die wij hebben gedaan. Dag op dag heb ik mijn volk naar alle kanten uitgezonden, zoover de jurisdictie van 't schoutambt strekt; schooiers en landloopers zijn er bij hoopen gevat, dan â die verweerde boeven van soldaten waren
7
nergens te vinden, alle holen en taveernen van de goede stad Delft zijn naarstiglijk doorzocht, maar al omsonst.quot;
âWist hij, die ze als medewustigen aanduidde, dan hun logies niet op te geven?quot;
âHun logies! volgens de getuigenis van dien zich noemenden Bernard, hebben ze geen vast logies gehad, en waren maar tijdelijk bij gele Fij ingetrokken, om te zien of ze den Jezuïet konden plunderen, die hun den last had gegeven den Prins te vermoorden; daar die fielt niet verscheen, is gezegde Bernard de zaak komen aandienen, terwijl de anderen het inmiddels op de vlucht hebben gezet. Toen wij kwamen, vonden wij het nest ledig, en de gele stelde zich hoogst verwonderd aan, dat wij zulke goede klanten wilden vatten, die, naar hare getuigenis, als eerlijke luiden, na hun gelag betaald te hebben, op klaar lichten dag haar huis hadden verlaten.quot;
âDan is het dommigheid van uw volk, de gele is immers te vertrouwen ?quot;
âZoo placht het te zijn, ja! Ze trok ruime paye en strekte ons tot nuttige handlangster en verspiedster; maar ik heb oorzaak te gelooven, dat zij het huiksken heeft omgekeerd.quot;
âAls dat blijkt, zal ze er van lusten. We hebben nog eene mooie houten huik staan op de pijnkamer, die haar juist passen zou .... Wat! zou een oud wijf ons te rap wezen!quot;
âDaar ik er nog niet zeker van ben, en in de hoop dat de vogels nog in den strik zouden loopen, als men de kooi openzette, heb ik de feeks nog in haar huisken gelaten; maar ze wordt scherpelijk bewaakt â al meent ze vrij en frank te zijn. Zij protesteerde wel tegen mijne suspicie, toen ik haar in verhoor nam, maar ik liet me door betuigingen en eedzweren niet blinden; ze is verslapt in ijver voor ons, dat is me wel gebleken, sinds ten harent het toebackzuigen is veroorloofd.quot;
âGij schrijft zulks toe aan den invloed van dat vreemde
8
kruid?quot; vroeg schout Gerrit glimlachend, terwijl hij poes in de ooren kneep.
âSinds dien tijd ziet men er altijd zielverkoopers, die voor de zeevaart komen ronselen; al het geboefte, dat bij ons de galg of de paleije vreest, wordt door hen voor klokspijs aangenomen; de weg wordt hun aangewezen, om veiliglijk op een schip te komen, ze krijgen de middelen om aan de vratigheid van 't gele wijf te voldoen, en â weg is het galgenaas als de justitie er naar komt vernemen; zoo is 't menigmaal gegaan, en zoo â vreeze ik â zal het ook ditmaal zijn geschied.quot;
âZij het dan! het zijn vogels, die kwalijk de moeite van 't schot loonen;quot; sprak schout Gerrit rustig; âgele Fij mag met hare hanteering voortgaan, mits ze in exceptioneele gevallen der justitie ten dienste blijft; mijn zoon Dirk stelt belang inde jongste ondernemingen ter zee, en ik heb ingezien, dat we daarmeê van menigen vagebond ontlast worden, die de kosten van 't hangen niet waard is.quot;
âAls uwe Achtbaarheid er zóó over denkt, dan zal men voor zekere knoeierijen van het wijf de oogen moeten sluiten; maar met welnemen van uwe Achtbaarheid, zoo er excepties gesteld worden, dan mogen die soldaten, medewustigen van dat gepresumeerd complot, daartoe wel behooren, en het is grootelijks te vreezen, dat juist dezen â door de tusschenkomst van de gele â al ontkent ze het pertinent â tot Delftshaven in veiligheid zijn geraakt op een koopvaardijschip.quot;
âZoo wensch ik ze zalige reis,quot; viel schout Gerrit lachende in.
âAchtbare Heer!quot; riep de onderschout in de hoogste verbazing, zich verstoutend de oogen naar zijn superieur op te heffen, âkan dat meenens wezen?quot;
âHet is meenens, Bartels, ik wil het niet langer verhelen â ik ben blij, dat we ze kwijt zijn.quot;
âZoo had ik mogelijk beter gedaan mij ganschelijk niet met hunne vervolging af te geven ?quot;
9
âNeen! het is altijd goed, dat de justitie blijke geeft van vigilantie; ik heb u zelf voorgisteren daartoe aangezet: hier in onze goede stad vrij rondloopen, om alles uit te brallen wat ze wisten of gisten, mochten ze voorwaar niet; maar als ze ergens scheep zijn gegaan â en ik bevele u daarnaar zorgvul-digljjk te informeeren â dan is het zóó het beste. Ik heb van hoogerhand een wenk ontvangen, om aan die cause de minst mogelijke ruchtbaarheid te geven.quot;
âEn veertien of vijftien van zulke getuigen meer in eene geheime procedure, zouden bijgevolg kwalijk te stade komen, hernam Bartels, zichtbaar verlicht.
âNaar alle waarschijnlijkheid zal er gansch geen proces plaats vinden, 't Is een poinct van delicatesse, zich te gelaten niet aan een crime te gelooven, die wel geprojecteerd, maar niet tenuitvoergelegd is, en daaraf men de schuldigen noch overtuigen, noch, zelfs overtuigd zijnde, straffen kan.quot;
âNiet overtuigen. Achtbare Heer! maar het levend bewijs van de geprojecteerde misdaad is immers. God lof! in onze handen, en met wat persen en pijnigen zal die ontwjjfelijk tot volledige bekentenis komen.quot;
âHet kan zjjn, dat er niet misgetast is, en dat we het instrument ter onzer dispositie hebben; maar tegen de principale aanleggers van het komplot kan noch zal in dezen geageerd worden, uit redenen van goede politiek. De Heeren Staten hebben zonderdat al bezwaars genoeg in het buitenland.quot;
âZoo mogen dan die verwenschte papen en Jezuïeten voortaan straffeloos complotteeren, tot ze ons onverhoeds overvallen met de executie van hunne vermaledijde voornemens!quot; riep mr. Bartels uit met eene ergernis, die hij niet wist te verbergen.
âTut, tut, Bartelsje, draaf niet zoo door; tegen de executie van misdadige voornemens van wie ook, zullen wij op onze
10
hoede zijn als altoos; â niet meer â want men kan niet beter dan waken en alom waken, zooals wij gewoon zijn te doen maar ook niet minder, wees daar gerust op; gij moogt uw nauwlettende zorg in geen ding verzaken. â Dan â wat de verdachten in dezen belangt, ze mogen voorhands in de meeste gerustheid hun weg wandelen; ze hebben niet eens noodig gewaarschuwd te worden, dat wij het oog op hen houden; we gedenken ze simpellijk te omgeven als met een groot net, dat we zullen toetrekken op zulken tijd en wijze, als met de meeste vrucht voor ons, en de minste ongelegenheid voor de cause van 't Gemeentebest geschieden kan. Nu vooreerst patiëntie en prudentie; zijn we eens waar we wezen willen, dan rekenen we af!quot;
Een poes moest gedoogen, dat er eventjes met hare staart werd gespeeld, bij de stille voldoening, die dit genoeglijk vooruitzicht haar meester schonk.
âWat in 't vat is, verzuurt niet,quot; hernam Bartels, tevreden zijn gestrengen Heer in goede luim te weten, âdat zie ik klaar-lijk in; alleen veroorloof mij de vraag hoe er met voorzeiden soldenier moet gehandeld worden, die meent de Patria een won-dergrooten dienst te hebben bewezen â en die zich vrij-williglijk in onze bewaring heeft gegeven op hope van goede recompense.quot;
âAls hij in goede bewaring is, moge hij voorshands daarin blijven, totdat men hem, zonder schade kan loslaten; het zij hem dan wel ernstiglijk ingescherpt, dat zijne tong zijn hals in gevaar kan brengen; des noodig kan hij buiten onze jurisdictie worden gebracht.quot;
âOf te scheep gaan naar de schoone landstreek waar de peper groeit,quot; waagde Bartels te schertsen, âal zou hij ook klagen dat hij beters had verdiend.quot;
âWat beters! ik heb dien Bernard maar eens gezien en maar een paar vragen aan hem gericht, en ik houd mij overtuigd,
11
dat hij een doortrapte fielt is, die al meer voor zijne rekening heeft dan met één strop kan geboet worden; ja, ik houd heter voor, dat hij gewillig zou geweest zijn om het booze stuk te perpetreeren, zoo men hem het toegezegde geld en de noodige instructies had gegeven; bij mangel van dien is hij verklikker geworden en bluft op zijne verdienste. Als hij eenmaal vrij heentrekt, mag hij zich troosten met de fabel van Esopus: een vos, die den kop in den muil van den leeuw waagt â en er heelhuids af komt, heeft grootelijks reden tot dankbaarheid.quot;
âHet is toch altijd profijt met een geleerd man te doen te hebben,quot; merkte Bartels aan, als tot zichzelven sprekende, âdat's voor meer dan eene occasie te gebruiken! Maar als deze zaak zoo staat, dan moet ik de vrijheid nemen op duidelijke onderrichting aan te dringen, hoe ik handelen moet met den delinquent, dien wij in handen hebben.quot;
âWelken delinquent?quot;
âDen persoon, die gesusteneerd wordt het instrument te zijn, zooals uwe Achtbaarheid het wil noemen.quot;
âDien zekeren Juliaan, dien gij geapprehendeerd hebt op 't aanwijzen van den baron de Cfhiselles?quot;
âDien bedoel ik, Achtbare Heer; wat zal men met hem aanvangen?quot;
âHm! al kan er niet openlijk in de uiterste rigueur tegen hem worden geprocedeerd, toch zal het noodig zijn te weten, wat er van die beschuldiging is.quot;
âHij zal niet licht tot bekentenis komen, schoon, om zoo te spreken, op heeter daad betrapt.quot;
âOp heeter daad!quot; herhaalde schout Gerrit, even glimlachend; âge gaat wat ver in uw ijver, vriend Bartels.quot;
âDaar ontbrak maar aan, dat de Prins op 't Hof aanwezig ware geweest â en we zouden opnieuw het treurtooueel gehad hebben, dat de gevloekte Balthasar Gerards in 1584 heeft aangericht.quot;
12
âDat zou u zwaarlijk staan te bewijzen....'
âDaarom heb ik zijne eigene bekentenis willen uitlokken met lichte torture, als van honger en dorstlijden en dreigen met
zwaarder____ maar hoe ik ook noodde en drong, de waarheid
was er niet uit te persen, hij blijft hardnekkighjk zjjne onschuld beweren, zonderdat hij zich nader wil verklaren, wat hij eigenlijk in zijn schild voerde.quot;
âDie verklaring zal hij ten laatste toch wel moeten geven; gij hebt voorshands niet noodig te pijnigen en te persen op uwe eigene autoriteit.quot;
Achtbare Heer!quot; viel Bartels in en werd bloedrood van ergernis, âik meende blijken te hebben gegeven van zèle.quot;
âDie u sinds lang mijn vertrouwen hebben waard gemaakt; dies zal ik het ten goede houden, dat gij ook ditmaal gemeend hebt dus te mogen handelen; maar het is een misbruik, dat, hoe lange ook ingeslopen, en door wie ook getolereerd, niettemin tot ergerlijke excessen aanleiding kan geven.quot;
âWil gelooven, Achtbare Heer! dat ik daarin nooit de palen te buiten ga; maar ik achtte het te behooren tot mjjn devoir, als uw onderschout, om u den lastigen omhaal van zjjn vruchteloos verhoor uit te sparen. Het hoort tot mijne functie, de lieden die ik in hechtenis neem, een voorloopig verhoor te doen ondergaan; - in dezen was het mijn toeleg, om u met zijne volledige bekentenis te verrassen.quot;
âGenoeg! Al had ik geene gelegenheid mij met den persoon te bemoeien, de cause waarin hij betrokken is, was me geen oogenblik uit de gedachten, ik zal mij nu particulierlijk met den eersten bezighouden, en wil hem zelf in verhoor nemen; maar daar het in 't heimelijk dient te geschieden, moet de aandacht der nieuwsgierige menigte niet uitgelokt worden, door hem heen en weer te leiden langs de straten, zoo zal ik hem in zijne gevangenkamer gaan opzoeken. Hij is immers nog niet naar de ordinaire gevangenis gebracht?quot;
13
âNeen, Achtbare Heer! bij zijne inhechtenisneming kon dat niet geschieden om de drukte op het marktveld; dies stelde ik hem in verzekerde bewaring te mijnent â en ik meende uwe orders te moeten afwachten omtrent zijn volgend verblijf.quot;
âHeel goed! want ik wacht nadere inlichtingen omtrent zijne culpabiliteit, die mij eenigszins twijfelachtig voortkomt; en ik wril niet, dat een verdachte als een overtuigd misdadiger zal behandeld worden! Gij weet ik houd van streng recht, maar het moet goed recht zijn ook.quot;
âDe onkreukbare billijkheid van Uw Edel Achtbare is een iegelijk bekend,quot; hernam de onderschout met eene zekere weifeling in den toon, die van eene onrustige bijgedachte getuigde; âmaar zelfs zoo de vermeende delinquent onschuldig werd bevonden, is het hem wel wat veel eers en u zeiven te veel last aangedaan, met hem in zijne gevangenis te bezoeken. Het respect, dat de gesuspecteerde voor de justitie behoort te gevoelen, wint er bij, als hij voor zijn rechter wordt geleid, en ik kon hem te avond herwaarts heenvoeren, zonderdat het eenige opschudding wekt.quot;
âIk ben niet voornemens tot den avond te wachten; zoo haast ik den persoon zal gesproken hebben, dien ik hier ontboden heb, zal ik dien Juliaan in 't verhoor nemen.quot;
âZooals Uwe Achtbaarheid verkiest,quot; hernam Bartels, eenigszins spijtig.
âIs hij er reeds toe gekomen zijn familienaam te zeggen?quot;
âNeen, Achtbare Heer! hij blijft dien hardnekkig verzwijgen; maar Bernard heeft mij wel te verstaan gegeven, dat zijn luitenant â zooveel als een persoon van goede afkomst moet wezen.quot;
âDat zou heel wel konnon zijn; men ziet meer zonen van goeden huize hunne familie te schande maken door hunne gedragingen, de zijne mag van geluk spreken, dat hij nu voor een geruimen tijd in goede bewaring is, en buiten staat ergernis te geven of haar schande aan te doen.quot;
14
âMaar ik neem de vrijheid Uwe Achtbaarheid opmerkzaam te maken, dat hij geen penning in den zak heeft; en zoo die voorloopige sequestratie te mijnent blijft aanhouden, en de familie eens niet werd uitgevonden, of zich onwilllig toonde de kosten van zijn verbljjf te dragen, wie zal dan het kind van de rekening worden ? â De arme onderschout! als te vreezen is.quot;
v Mr. Bartels!quot; en Schout Gerrit zag zijn onderhoorige aan met zulk een strengen en toornigen blik, dat deze verbleekte en het hoofd afwendde, als kon hij dien niet dragen. âMr. Bartels!quot; eischte diesondanks do gestrenge Schout, âzie mij aan! durft gjj volhouden, wat gij daar schijnt te susteneeren, alsof ooit de justitie jegens u in hare verplichtingen ware te kort geschoten? â¢â Moot gij niet ter contrarie bekennen, dat gij bij menige dergelijke occasie ruimschoots uwe rekening hebt gevonden ; â ja dat wij onzerzijds â meer dan wij moesten wellicht, uwe grove afzetterjj ter rechter- en slinkerzijde door de vingeren hebben gezien?quot;
âAchtbare Heer!quot; bracht Bartels uit met eene benauwde stem, âheb deernis met den vader van een huisgezin; het is zoo'n slechte tjjd, mijn vast traktement is op het karigst berekend, dat weet Uw Edel Achtbare zelf wel, en nu, wij moeten leven ....quot;
âJa! meest, van de emolumenten, dat's ongelukkig maar al te waar,quot; hernam Schout Gerrit wat verzacht. Ik heb een advies ingediend, om daarop te voorzien, en door een onbekrompen jaargeld toe te staan, schandelijke abuizen te weren; de Schepenen (hebben het afgestemd, en die schadelijke en schandelijke staat van zaken, die tot zooveel corruptie leidt, blijft voortduren .... toch zijn grove misbruiken nog wel te straffen. quot;Wees daaraf gewaarschuwd.quot;
Meester Bartels kon het zich [voor gezegd houden; zoo hij iets te antwoorden had, hield hij het wijselijk binnen, want er kwam stoornis. Nadat er bescheidenlij k aan de deur getikt was, werd zij door Hendrik opengedaan, die binnentrad met de vraag,
15
of er ook een ommezientje belet was voor dokter Graswinckel, gezegd Boot.
,Wat moet die nu hier?quot; sprak Schout Gerrit, op halfiuiden toon en als tot zich zeiven, terwijl hij met een korsel gebaar poes van den schoot stuwde, die eerst verschrikt ter zijde sprong, maar daarna haar meester bleef aanstaren, of zij wilde uitvorschen, waaraan zij die plotselinge ongunst had verdiend. Dat norsch gemompel, hoe veelbeteekenend ook, kon echter dooiden bediende niet als antwoord worden beschouwd; deze bleef dus wachten met stillen drang.
Uit de voorstelling, die wij ons nu van het karakter en de handelwijze van Schout Gerrit kunnen maken, heeft men reeds begrepen, dat deze, al achtte hij zich nog zoo'n voorbeeldig magistraat, toch niet de man was, om onzen held ten volle te waardeer en, en de weinige sympathie, waarmee zijne komst wordt begroet, gerechtigt zelfs tot de onderstelling, dat het herhaaldelijk mislukken van zijn bezoek niet enkel aan toeval moet worden toegeschreven.
âquot;Wat had je ook zoo plompweg te zeggen, dat ik thuis was,quot; gromde hij, terwijl hij den ouden getrouwe een blik toewierp, waarbij het klare blauw van zjjne heldere oogen zich als tot gepolijst staal verduisterde. âJe weet immers, dat ik zoo goed als niet thuis ben als ik met mr. Bartels in besogne ben.quot;
âHet was den dokter al op de stoep door de dienaars verraden,quot; voerde Hendrik tot zijne verontschuldiging aan, âen de goê man is er meer geweest,quot; eindigde hij met eene lichte intonatie van verwijt.
âDe droes Irnle dat volk! Mr. Bartels, stellen wij ze aan om one te verraden ? Gij moogt ze betere instructies geven of â we blijven geene vrienden.quot;
De onderschout, die niet had verwacht, dat de hagelbui op zijn hoofd zou neêrkomen, en die bovendien onaangenaam getroffen werd, toen hij den man hoorde aanmelden, wiens ver-
16
schijning niet onder zijne berekening was gevallen, boog opnieuw met demoed het hoofd onder het onrechtmatig verwijt, terwijl Hendrik niet de vrijmoedigheid van een huisgenoot, die minder door de achtbaarheid van den gestrengen Schout werd geïmposeerd, en die tegenover zijn meester eene geruste consciëntie had, zich nu verstoutte te vragen:
âZal ik dan maar zeggen, dat het bezoek UEd. niet gelegen komt ?quot;
âWar zou dat baten! Hij komt toch weer â ik wil er eens af zijn,quot; prevelde Schout Gerrit binnensmonds, terwijl hij uit ergernis een goed geineenden schop gaf aan zijne poes, die zich verbeeldde, hare vroegere plaats veiliglijk te kunnen innemen. Maar die uiting van zijn wrevel bracht hem tot zekere bezinning, en nu zich met zijne gewone goedmoedigheid tot Hendrik wendende, sprak hij luid: âDr. Graswinckel Jansz. is een waardig en achtbaar man, dien men ontvangen moot als vien thuis is, Hendrik; maar ik heb nog een paar woorden met den onderschout te spreken; verzoek den dokter zijn gemak te nemen en te wachten, ik zal schellen als gij hem binnen kunt leiden.quot;
âIk voorzie, Achtbare Heer, dat dit bezoek Uwe Edelheid meer tijd zal kosten dan gij er vermoedelijk aan zult willen geven,quot; begon Bartels, toen Hendrik met zijne boodschap vertrokken was, met eene scherpe, schrille stem, waaruit zekere onrust was op te merken.
âüat heeft geen nood; vermoedelijk komt hij mij geld vragen voor 't een of ander arm gezin, en daar weigeren moeielijk gaat, kunnen we het kort maken. Ziet ge, Bartels ik ben niet gieriger dan een ander; als er voor een wees- of gasthuis een zak zesthalven noodig is, ben ik gaarne bereid. God zij lof! ik geef van mijn overvloed, en do magistraat moet met een goed exempel voorgaan; maar ik vraag u, waarvoor zijn de Godshuizen, waarvoor de diakenen en hun armbestuur, zoo
de particulieren zich nog telkens opnieuw met de arme luiden en hunne nooden moeten bemoeien ? Deze hier, die nog wel van mijne maagschap is, ergert mij geduriglijk met dat aalmoezenier-spelen en dat dokteren bij de smalle gemeente. Toen we laatst onze zilveren bruiloft vierden, en ik hem nooden liet, schoon 't wel te denken was, dat hij niet komen zou, kwam hij mij op den feestdag in de vroegte al storen met zijn bedankje om mijn gast te zijn, maar met het verzoek, dat we zijn deel van het gastmaal bij zekere arme luiden zouden brengen! Mijne vrouw, gul en goelijk als zij is, voldeed aan zijn verlangen in ruime mate; maar ik vraag je, wat zotte manieren dat zijn? Als elke genoode zoo deed â waar bleef de feestvreugde ? en alsof we niet uit ons zei ven bij zoo'n occasie mildelijk de weezen en armen zouden gedenken! Maar weet ge waar het hem zit â hij meent beter en heiliger te zijn dan een van ons, omdat hij als een heremiet leeft en zijn baard laat staan; die verwaandheid is mij tegen ...
âIk moet het Uw Edel Achtbare toestemmen, daar loopt vrij wat farizeesche werkheiligheid onder.quot;
âZoo niet erger, Bartels!quot; hernam de Schout met een veelbe-teekenend hoofdschudden; ik vreeze maar al te zeer, dat hij nog papistische gevoelens koestert, en stille toeneiging heeft tot de oude Kerk.quot;
Het zou heel wel konnen zijn; zoo het Uwe Achtbaarheid belieft, zal ik er voortaan op toezien, en maak me sterk binnen kort het bewijs te leveren voor het gevoelen van Uwe Achtbaarheid.quot;
âMits ge, dus doende, niet uit het oog verliest, dat hij aan de eerste familiën dezer stad vermaagschapt is, die op de schepenbank en in de wethouderschap zitten, en dat er bijgevolg niets moet plaatsvinden, dat naar een schandaal gelijkt, 't Zou mij simpelijk te doen zijn, om dien Johannes, die voor boetprofeet speelt, eens te doen inzien, dat hij ook in faute kan vallen....quot;
Wonderdokter. II. 2
18
âMaar tot het hoofd op den schotel behoeft het niet te komen,quot; vulde Bartels aan met eene poging tot scherts om zijn meester welgevallig te zijn. Dan, die toespeling op den wree-den en wellustigen tiran, klonk den Schout, die een onbesproken man was, een eerzaam huisvader, een onberispelijk magistraat, ja zelfs een goed Christen â in zijne eigene oogen, en die in de openbare meening gold voor 't geen hij zelf geloofde te zjjn, wel wat schril in de ooren. Reeds berouwde hem de overeenkomst die hij had aangegaan, en die zijn ondergeschikte beambte tot zulke gemeenzaamheid verlokte. Zooals vanzelve spreekt, moest de terugslag van die geheime spijt op dezen neerkomen.
âDie scherts gaat te grof!quot; sprak hij wrevelig, âgij vergeet wien ge voor hebt, Bartels! ik wil een los uitgesproken woord niet als ernst opgevat hebben. Zie veeleer toe voor u zeiven, dat gij in al uw doen en laten voor mijn oog moogt bestaan, als ik te uwent kom voor dat verhoor.quot;
âMet oorlof van Uwe Achtbaarheid zal ik mij naar huis begeven
om op alles de beste order te stellen----quot; en reeds wendde hij
zich naar de deur.
âHalt! zóó bedoelde ik het niet. Gij kunt buiten staan en wachten, tot het mijn gelegen tijd is om te zamen naar uw huis te gaan.quot;
âZooals Uwe Achtbaarheid verkiest,quot; hernam Bartels; maar zijn betrokken gelaat en zijne doffe stem bewezen, dat hij gansch niet op zijn gemak was bij die toezegging. Schout Gerrit was de man niet, om zulke symptomen achteloos te overzien, en de wijze, waarmede hij zijn onderhoorige als met de oogen opnam, zooals zijne poes, als zij zich bereidde hare prooi te bespringen, was gansch niet geruststellend, al scheen de glimlach om den mond ietwat meer sprekend en schalk; door geen woord echter verried de Schout welke opmerking hij had gemaakt â en dit moedigde den onderschout
19
aan nog eene poging te wagen om alleen zijns weegs te gaan.
âIk neem de vrijheid Uwe Achtbaarheid te doen opmerken, dat ik met het luiden van de noenklok op het raadhuis moet zjjn in het corps-de-garde, om het middag-rapport op te maken, en dat uw onderhoud met den heer dokter, tegens de intentie van Uwe Achtbaarheid, lang kan duren.quot;
âAl ware dat, ik zie er geen bezwaar in, dat een der klerken voor ditmaal dat rapport opmaakt. Ik versta dat gij blijft, en daarmee uit!quot;
Wederom boog zich de onderschout met zwijgende onderwerping; maar de getrapte wesp was haar angel nog niet kwijt, en de strenge heer kon niet besluiten hem te laten gaan, zonder te vragen;
âWat reden hebt gij tot de onderstelling, dat Graswinckel mij langer zou ophouden dan ik verkies, weet gij dan waarom hij komt?quot;
âIk heb oorzaak te vermoeden . ...quot;
âSpreek op! Waarom zwijgt gij zoo bedeesd? Zeg vrij uit wat gij meent.quot;
âIk vermoed dat de heer dokter, wel verre van u geld te komen vragen voor zijne armen, ter contrarie hier bij u komt, om u dat aan te bieden.quot;
âHij mij geld aanbieden? Ik dacht niet dat gij in 't humeur waart om te schertsen.quot;
âIk zou mij dat ook niet onderstaan.... Ik twijfel geenszins of de uitkomst zal mijn vermoeden rechtvaardigen.quot;
âWat zou hem daartoe bewegen?quot;
âZijne teerhartigheid voor kwaaddoeners. Hij zal nu met Uwe Achtbaarheid wagen, wat bij mij is mislukt.quot;
âSpreek uit, zonder omwegen.quot;
âHij heeft mij eene aanzienlijke som gelds geboden, zoo ik den gevangene Juliaan in allo stilligheid wilde loslaten; en daar ik dit noch kon, noch wilde doen, heeft hij mij gedreigd, dat
I
20
hij zich tot den Schout zou wenden, en dat die hem voorzeker
gehoor zou geven.quot;
âDat zal niet meevallen, mijn goede Jacob Jansz.; wie we eens gevat hebben, laten we zoo zoetsappig niet los!
âIlij wil het ook niet om een deun hebben, hij zal u gewis een kostelijk bod doen om te composeeren.quot;
âWat! meent hij, dat ik een van die lage en inhalige schouten ben, zooals er hier te veel zijn geweest, die hun ambt in oneere brengen, en die het recht voor goud verkoopen ? dat zal ik hem in de oogen doen druipen, dat hij zulke gedachten van mij koestert. Ik heb. God lof! met mijn handel winste genoeg gedaan, om mijn ambt als een rechter te oefenen, en niet als een koopman .. ..quot; en een driftige ruk aan zijne tafelschel gaf aan Hendrik het sein om eindelijk den wachtende binnen te leiden, terwijl de onderschout, die er nog iets wilde bijvoegen een â¢wenk kreeg om zich te verwijderen, dien hij nu zijns ondanks moest opvolgen.
âGoedenmorgen, waardige Jacob Jansz.! Ik moet u verschooning vragen, dat ik u zoo lang heb laten wachten, spiak Schout Gerrit, die opgestaan was om den binnentredende te ontvangen, terwijl hij hem de hand toestak, met die zekeie gulhartigheid, die men naar zijn vorig spreken niet zou hebben verwacht. Of de blik van onzen held gescherpt was, om dooide fausse franchise heen te zien, of wel dat hij uit vroegere ervaring geen al te gunstige opvatting had van dit karakter, en zich ganschelijk niet op den schijn betrouwde zeker is het, dat hij zelf zich weinig toeschietelijk betoonde, en dat er op zijn anders zoo effen en blijmoedig gelaat iets koels en gespannens lag, dat mogelijk het gevolg was van den inner-lijken strijd, dien hem deze stap kostte.
âGeene plichtplegingen, heer Schout! gij waart in de bezigheden van uw ambt; het zou veeleer aan mij zijn om veiont-sehuldigingen te maken, wegens den overlast dien ik u moet
21
aandoen. Mijn aandringen op een onderhoud heeft zeker ietwat van onbescheidenheid. Ik had in uwe eerste afwijzing moeten berusten, en ik zou het ook gedaan hebben, wetende dat een goed verstaander maar een half woord noodig heeft; maar ik kom niet in mijn eigen belang, zooals gij wel denken kunt, dies moest ik de eisehen der wellevendheid de minderen achten, en zoo ik nu voor de vijfde maal terug keer....quot;
âIk verzeker u dat het buiten mijn wil en wensch is geweest, zoo niet altijd buiten mijn weten, dat gij hot telkens zoo slecht getroffen hebt. Voorgisteren, met al de drukte van de publieke feesten had ik niet over mijn tjjd te beschikken. Gisteren was ik naar 's Hage ontboden bij Zijne Excellentie, had daarenboven te besogneeren met den Advocaat van Holland, en keerde eerst in den laten avond huiswaarts; heden - treft gij mjj in een ochtenduur dat vrij bezet is ... .quot;
âIk vraag u geene rekenschap, heer Schout; fk wilde u alleen doen verstaan, dat ik niet met zulke volharding zou aanhouden, zoo het eene lichte zaak betrof.quot;
âIk begrijp wel, dat gij u niet om eene kleinigheid in beweging zult stellen,quot; hernam schout Gerrit glimlachend; âmaar, eilieve! neem plaats, Hendrik hoeft dien Spaanschen armstoel expresselijk voor u aangeschoven.quot;
âOch! ik hecht juist niet zoozeer aan mijn gemak, en gij kunt wel raden, dat ik niet gekomen bon voor een vriendenbezoek.quot;
âIn trouwe! daarmee vleie ik mij zeiven niet; op dat punt hebt gij niemand van do uwen verwend â mij allerminst;..., gij zijt daarbij zoo plechtig begonnen mot uw âheer Schoutquot;!quot;
âOmdat ik u in uwe qualiteit ietwes wilde verzoeken.quot;
âXu goed! maar dat's geen reden om de houding van een suppliant aan te nemen; ga zitten, tenzij ge begeert dat ik zelf oprijze en u staande zal aanhooren ?quot;
âHet zij dan om niet tegen to stribbelen;quot; on Jacob Jansz.
22
zette zich op do aangewezen plaats. De hooggerugde met Cor-duaansche goudleer bekleedo armstoel was zachter zetel dan de houten leunstoel, die hem gewoonlijk tot rustbed strekte, en toch gelooven wij, dat de waardige menschenvriend zich in lang niet zoo weinig op zijn gemak had gevoeld, dan juist nu, in dit rijk gemeubeld kabinet, dat van de prachtliefde des eigenaars getuigde, en tegenover den man, die zoozeer zijn tegenvoeter was, en die voor hem â al had hij dit oordcel mogelijk nooit in woorden gebracht, of tot eeno gedachte geformuleerd die voor hem het grof zinnelijk, zich zelf behagend egoïsme verpersoonlijkte, het lagere aardsche element â dien zekeren natuurlijken mensch â waarvan hij het vooruit wist, dat hij de hemelsche dingen niet zou verstaan, noch begeerde te leeren kennen. Schout Gcrrit van zijne zijde zat ook niet op rozen. Zijns ondanks voelde hij zeker ontzag voor den man die zoo strenge beginselen had (zooals hij dat noemde) en die ze zoo nauwgezet beleefde â al achtte hij die gezetheid bekrompenheid. Er lag toch iets groots en edels in eene zoo volstandige zelfverloochening, als door Jacob Jansz. werd geoefend. Navol-genswaard kon hij hot wel niet vinden, en het was belachelijk, het was stuitend, als men er over nadacht, wat er van de maatschappij in al hare vormen en ordeningen zou worden, als diens mans leef- en denkwijze de algemeene zou moeten worden; maar nu, ja! als exceptie was hij merkwaardig en achtens^aai-dig, 3al was er zekere aanmatiging en overdrijving in al zijn doen en laten, die ieder verstandig man afkeuren moest; al was er iets in dat hem afstootte en ergerde, toch ja â moest hij het zich, al was 't onwillens, bekennen, dat nij. Schout Ger-rit, de wijze, de billijke, de matige man, zich wat klein en wat allodaagsch en zelfs wat onbeholpen gevoelde in zijn eigen kabinet, het brandpunt van zijn grootwaardigheidsgevoel â al zou hij voor niets in do wereld willen laten blijken, dat er iets dergelijks bij hem omging. Hij zou zijn zijden calot in t \ uui
23
hebben kunnen werpen, zoo zij de gemoedsbeweging, die hij onderging, had kunnen verklappen; de groote vilthoed werd al vast afgenomen en wat brusk ter zijde geworpen; het scheen Schout Gerrit wat warm en wat drukkend geworden in zijn ruim, hoog vertrek. Om zich zeiven echter over dit alles heen te zetten, en bovenal om er niets van te laten doorschemeren voor het scherpe oog van zjjne tegenpartij, nam hij eene ongewone losheid en voorkomenheid aan, die wel iets van opwinding had. Ziende dat Jacob Jansz. zelf blijkbaar besluiteloos was hoe aan te vangen, sprak hij op den toon van gul verwijt:
âBehoorden wij wel dus als vreemden tegenover den ander te zitten, Jacob Jansz.; zijn we niet gelijken van afkomst en fortuin; zijn onze familiën niet aan elkaar vermaagschapt, en hebben wij niet als knapen met elkaar school gegaan en gespeeld, al waardt gij een jaar vijf, zes mijn oudere?quot;
âDat verblijdt me, dat gij uw jongenstijd nog herdenkt,quot; viel Jacob Jansz. in, met eenige levendigheid.
âWel zeker! en daarom zeg ik, fij ! van die steile en stugge houding, die gij tegen mij aanneemt; wat zegt dat tusschen ons, dat ik Schout van Delft ben geworden. Gij â gij zelf had immers ook op de schepenbank konnen zitten, als gij gewild hadt: â wel is waar â gij zoudt er kwalijk toe gekomen zijn om het schout-ambt te bedienen,quot; ging hij voort, in gullen lach uitbarstende
bij zijn eigen kluchtigen inval. âLieve deugd! wat een lange
n heilige dag, wat een gratie-jaar zou dat zijn voor de kwaaddoeners,
jl Het zou niet in u opkomen doodslagers of brandstichters te
3t straffen; galg en rad zouden aan zij worden gezet, en....quot;
!â¢- âGij maakt u vi-oolijk over eene onderstelling, die een val-
at schen grond heeft, Gerrit Fransz.,quot; viel Graswinckel in met
a- zekeren nadruk; âschoon ik mij niet inbeelde wereldsehe wijs-
al l^ëid genoeg te bezitten om een goed magistraat te konnen zijn,
;ts weet ik toch dit van mij zeiven, dat ik, eenmaal in zulk een
ur ambt gesteld zijnde, er de groote verantwoordelijkheid wel van
24
zou kunnen beseffen, en geen boosdoener zou sparen of beschermen ten koste van rustige burgers en eerlijke luiden; alleen zou ik zelfs jegens boosdoeners mensehelijk willen zijn en de Christelijke liefde oefenen; zoo zou 't konnen gebeuren, dat uwe foltertuigen aan zij werden gezet; maar voorzeker weet ik dit, dat ik nauwlettend waken zou tegen alle vexatiën en onbehoorlijke handelingen, die mijne onderhoorige beambten mochten plegen jegens onschuldigen. '
âAlzoo doe ik â of gelooft gij anders van mij?quot; viel Schout Gerrit in, die wel vooruitzag, wat nu volgen ging.
âIk weet dat gij bekend staat voor een magistraat, die het recht en de billijkheid lief heeft; daarom ben ik eenigszins bezwaard met hetgeen ik u heb te zeggen . . .
âLaat hooren wat het is, ik heb eene zuivere consciëntie en kan de waarheid wel dragen.quot;
.Zoo moet ik u waarschuwen, dat er op uw rechtsgebied zekere misbruiken plaats vinden en wederrechtelijke handelingen worden gepleegd door een man, die zich beroemt uw volle vertrouwen te bezitten . ...quot;
âMijne jurisdictie is zeer uitgebreid; ik bezit ongelukkig niet de eigenschappen der alomtegenwoordigheid; het is dus zeer mogelijk, dat er misbruik wordt gemaakt van het gezag, dat ik bij overdracht moet laten oefenen; maar zoo haast het mij ter ooren komt, ben ik gewoon daarop zulke oidre te stellen, dat de overtreders niet licht weer in dezelfde foute zullen vervallen.quot;
âDat is goed gesproken ; maar .. . .quot;
âMaar ik moet u herinneren, dat hetgeen naa.- uwe zienswijze misbruik en om-echt schijnt â dit niet juist behoeft te zijn naar de mijne. De grieven en klachten tegen de handhavers der justitie ingebracht, zijn legio, en gij begrjpt wel dat mijn tijd te zeer bezet is, om daarvan notitie te nemen; weet gij echter een particulier geval aan te wijzen, van zoodanig misbruik, dan zal ik dat onderzoeken en straffen.quot;
25
âHet valt mij hard eene beschuldiging to moeten inbrengen tegen een medemenseh, wie het ook zij; maar toch, in 't belang van het recht en de mensehelijkheid moet het zijl). Mr. Bartels, uw onderschout...
âIs 't..1. van dezen dat gij mij spreken wilt,quot; viel nu Schout Gerrit in met schijnbare verrassing, âdat verbaast mij inderdaad, cn te meer, daar hij zelf eene zeer zware beschuldiging bij mij heeft ingebracht tegen u.quot;
âTegen mij ! wat kon die man tegen mij hebben in te brengen?quot; vroeg de goede Jacob Jansz. in de hoogste verwondering.
âVeins nu maar geene bevreemding!quot; hervatte Schout Gerrit met zijn eigenaardigen glimlach. âGij weet zeer goed waar mijn zeggen op past; maar ik zelf heb recht tot de uiterste verwondering, dat iemand, die zich beroemt zoo getrouw de Christenwet na te leven, schijnt te vergeten dat zij voorschrijft, de Overigheid te geven wat haar toekomt.quot;
âZoo ik te roemen had, zou het alleen konnen zijn in do goedheid des Heeren, diens trouw mijne ontrouw vergoedt,quot; hernam Jacob Jansz. zachtmoedig; doch ik wete niet het verwijt verdiend te hebben, dat ik u niet de eere zou hebben gegeven, die u toekomt in uw ambt....quot;
âOok niet waar gij mij voorbijgaat â om mijn onderschout tot plichtverzuim om te koopen ?quot;
âIk kan mij begrijpen, dat hij het dus voorstelt; maar ik moet u doen opmerken, dat ik mij het eerst tot hem heb gewend, om hem de occasie te geven het vergrijp goed te maken, dat hij had gepleegd, zoowel tegen het recht als tegen de mensehelijkheid, door op eigen gezag een onschuldige te vatten en gevangen te houden; zoo hij toegegeven had aan mijn billijk verlangen, zou hij mij de onaangename verplichting hebben gespaard met eene aanklacht tegen hem op te treden.quot;
âWeet gij zeker, dat er oorzaak is tot die aanklacht, en
26
dat ik zelf niet dien last aan mijn onderhoorige heb gegeven?quot;
âUit de bijzonderheden van die gevangenneming, die mij bekend zijn, is me gebleken, hetgeen Bartels zelf niet ontkent, dat hij op eigen gezag en op aanwijzing van een vreemdeling den bedoelden persoon, zekeren luitenant Juliaan, wederrechtelijk van zijne vrijheid heeft beroofd.quot;
âNiet wederrechtelijk, al geschiedde het op zjjne eigene autoriteit. In deze booze tijden, waarin zooveel ruw en verdacht volk rondloopt in onze goede stad, zonderling met den verdubbelden toeloop van vreemdelingen in de feestdagen, is aan den onderschout, ja zelfs aan den geringsten zijner dienaren de vrijheid verleend, 't is hun zelfs pertinent voorgeschreven, al zulke personen te apprehendeeren, die gevaarlijk zijn voor de publieke rust, of die hun suspect voorkomen aan een crime, of de intieme van dien.quot;
âZiedaar eene volmacht, die veel ruimte laat aan willekeur en aan allerlei misbruik.quot;
âDat ontken ik niet; maar hoe zal men zonderdat ordre stellen op al het geboefte dat hier ronddoolt, en waardoor de veiligheid der eerlijke luiden gestaag wordt bedreigd.quot;
âEerlijke luiden zijn evenmin beveiligd, naar het mij voorkomt, tegen zulke beschermers; ze hebben maar te meenen, of er den schijn van aan te nemen te gelooven, dat men suspect is en â de eerste de beste onzer wordt gevankelijk weggevoerd.quot;
âGaiischelijk niet. Ieder bekend en gezeten burger, die zijn borg kan aanwijzen, mag rustig huiswaarts keeren; tegen dezulken zal mijn onderschout zich niet licht vergrijpen; daarenboven, zoo er in dezen een abuis plaats vond, zou het spoedig hersteld zijn; van elke arrestatie moet de onderschout binnen vier en twintig uren kennis geven aan den schout â en geen der lagere dienaren mag op eigen gezag een gevangene verder brengen dan in 't corps-de-garde, waar de onderschout
27
gehouden is hem binnen den koristen tijd het voorloopig verhoor af te nemen. Bartels is in dezen van geen verzuim te beschuldigen. Hij heeft mij nog in dien eigen middag kennisgegeven van die inhechtenisneming, en den gevangene voorloopig in zijn logies in verzekering gesteld, omdat het corps-de-garde, evenmin als de ordinaire gevangenis, te bereiken was met de spelen.quot;
âMaar dan moet u toch uit het eerste verhoor het beste zijn gebleken, dat deze Juliaan geenszins de kwade intentiën had, die men hem toedicht....quot;
âDaaraf kan ik nog niet oordeelen; de onderschout zegt wel, dat hij bij de betuiging zijner onschuld persisteert, maar dat doen ze allen, zelfs die op heeterdaad zijn betrapt. Ik zelf schort mijn oordeel op, tot ik hem verhoord zal hebben, en gij begrijpt nu zelf wel, dat de onderschout zich deerlijk zou vergrepen hebben tegen zijn plicht, zoo hij inmiddels met u tot een verdrag ware gekomen en hom op vrije voeten had gesteld. Gij, als een eerlijk en welgeboren man, had dien armen drommel niet eons in verzoeking moeten leiden, door hem zulk een voorstel te doen.quot;
âIk heb hem geen voorstel gedaan, dat met zijn plicht en mijne eer in strijd was; integendeel, naar mijn inzien kan men eene begane fout niet te schielijk herstellen, en daartoe heb ik hem aangezocht, mij zelf aanbiedende als borg, dat de gevangene, in vrijheid zijnde, zich bereid zoude houden om bij de eerste oproeping voor zijne rechters te verschijnen. Als borgstelling bracht ik hem eene niet onaanzienlijke som, die hij aannam, zeggende zich daarover te zullen beraden.quot;
âEn die hij u teruggaf, toen hij begreep te moeten weigeren?quot; vroeg Schout Gerrit met zekere drift.
âDie hij behouden heeft, om in het onderhoud van den gevangene te voorzien, daar hij van meening was, dat het voorloopig verblijf ten zijnent nog wel wat zou kennen aanhouden.quot;
1
28
âBavtelsje! Bartelsje! dat's er nu weêr een, maar het zal de h laatste zijn; we gaan nu afrekenen voor eens en altoos!quot; riep d Schout Gerrit met een gloed van verontwaardiging op het ge- h laat, en toch met dien zekeren geheimzinnigen lach, als j( smaakte hij een wreed genot bij den snerpenden slag dien hij h ging toebrengen; daarop zich tot Graswinckel wendende: âNu is het aan mij u verschooning te vragen; niet omdat Bartels â « uw beschermeling niet in vrijheid heeft gesteld, want dat mocht hij niet; maar omdat hij u deerlijk heeft afgezet; wees er d gerust op, ik zal u recht doen.quot; d âNaar zulk recht vrage ik niet. Mits Juliaan nu maar goed v behandeld wordt in zijne gevangenschap, is dat geld niet kwa- z lijk besteedt; maar gij zult nu toch begrijpen dat ik geen onmiddellijk herstel konnende verkrijgen van het begane onrecht, z mij haastte tot u te gaan, om u dringend aan te bevelen daarin b te voorzien. Ongelukkiglijk werd ik telkenmale teleurgesteld als ik meende u te treffen. Nu bid ik u, wil al die vertraging d haastelijk goedmaken: neem mijne borgstelling aan â en herstel g wat mogelijk is, de uiterlijke schade â want welke diepe, a onheelbare wonden er innerlijk konnen geslagen zijn in die b menschelijke ziel, is niet te berekenen. Op Gods hulpe alleen is in dezen mijne hoop.quot; s âDie moge met hem zijn, daar heb ik niets tegen; maar aan h zijne invrijheidstelling kan niet gedacht worden, voordat ik zelf k hem zal verhoord hebben, en mijne opinie kan vormen omtrent fi zijne schuld of onschuld.quot; b âOp mijne beurt moet ik verbaasd staan, dat aen magistraat, b die zich beroemt het recht te oefenen en de billijkheid lief te hebben, iemand drie dagen lang in gevangenschap houdt, zon-der zich van zijne schuld of onschuld te vergewissen.quot; v âIk heb u immers gezegd, dat ik in de laatste dagen niet t( naar welgevallen over mijn tijd heb konnen beschikken. Daarbij, z al blijkt zijne onschuld aan de zaak in quaestie, is er nog geene
29
haast bij zijne loslating. 't Is een woelwater minder op straat, die zich bij de spelen met zijne bende soldeniers onhebbelijk heeft aangesteld, en notabele burgers heeft gemolesteerd. De jonge Antony Hogenhoeck heeft zelfs geklaagd, dat hij hem heeft afgezet en een sieraad ontfutseld.quot;
,. Hoeft Antony hem deswege verklaagd bij u?quot; vroeg Gras-winckel, met een nadruk die van zijne belangstelling getuigde.
âDat juist niet; maar toen hij gevat werd, is het uitgekomen, dat de verdachte een rozet of eene gesp op zijn hoed droeg, die aan Hogenhoeck daags te voren op het marktveld was ontvreemd ! Is het wonder, dat de jonge burger den schooier met zijn eigendom ziende pronken, hem den diefstal verweet?quot;
âNeen! dat is lacy niet vreemd in Antony; een ander zou zich gewacht hebben een ongelukkige in zulk een oogenblik te bezwaren.quot;
âOp dat eene bezwaar meer komt het niet aan. Den vorigen dag nog gezien in eene slordige officiersplunje, droeg hij nu een geheel nieuw pak, zonder dat hij heeft willen zeggen hoe hij er aan komt. Dat's eene bezwarende omstandigheid, ik verzeker het u.quot;
âNu! die is weg te nemen. Gode zij dank! van zulken diefstal is hij volkomen te zuiveren. Ik zelf heb bij Wijbrandsz., op het marktveld, dat nieuw stel kleeren voor hem gekocht; gij kunt u bij dezen naar den prijs en herkomst dier goederen in-formeeren, en zoo er iets onder loopt dat niet pluis is, mag deze het verantwoorden. Juliaan heeft er part noch deel aan, en ik ben geen heler van gestolen goed!quot;
âMaar, Jacob Jansz., wat is dat voor een uitval! Ik heb immers aan uwe verzekering genoeg ! Het zou te wensehen zijn voor uw beschermeling dat hij op andere punten even licht vrij te pleiten ware; want, geloof mij, hij is ernstig in eene leelijke zaak betrokken, en al heb ik hem zelf daarover nog niet gehoord, ik heb mij voortdurend met die cause moeten bezighou-
30
den, en dat was oorzaak, dat ik zoo weinig mijn gewonen gang kon gaan. Al mijn volk moest op de been en in do weer ge- z
bracht worden, om complicen uit te vinden en medewustigen te n
apprehendeeren . .. met slecht gevolg ongelukkiglijk; want als o
er veel verdachten zijn, dan wordt allicht de waarheid verkapt. C
Nog komt er bij, dat ik den gevangene niet verhoeren wilde, s
dan wel toegerust met zoodanige kennis, die mij in staat stelt t
over het al of niet betrouwbare van zijne antwoorden te oor-deelen. Een rechter verkleint zich in de oogen van een delin- (I
quent, als die bemerkt dat men hem met valsche munt kan 'v
betalen. Dat zal niet van Schout Gerrit Fransz. gezegd zijn!quot; '
âDat is wijs en waardig gehandeld; maar zoo uw voorloopig onderzoek doel getroffen heeft, moet gij toch reeds overtuigd e
zijn van zijne onschuld ?quot; ï'
âHm! hm! daar zijn we nog lang niet, dat verzeker ik u. v
Zoowel zijne schuld als zijne onschuld zal moeielijk te bewijzen zijn, daar er niet eens begin van uitvoering is geweest; a toch blijft er eene zware verdenking op hem rusten, en men kan in dezen niet lichtvaardig te werk gaan. Het betreft niets ^ minder dan een complot om den Prins te vermoorden . . ..quot; 11 âDat heeft do onderschout mij ook reeds gezegd,quot; hernam t Jacob Jansz. koeltjes. ' âDie babbelaar! Dat had hij wel konnen zwijgen.quot; v âWaartoe? ik duchtte wel, dat hij in iets dergelijks zou N betrokken worden; maar toch, als er niets anders is . ...quot; ' âNiets anders! mij dunkt dit eéne kan volstaan.quot;
âDan zal zijne onschuld wel aan het licht komen; en toch ik beken het, ik zou er veel om geven, zoo hij niet in dat proces N
werd betrokken!quot;
âTe droes! dat wil ik wel gelooven. 't Is een crimineele zaak; zijn hals kan er mee gemoeid zijn, en sinds ik Schout ben en de usantiën volg, zijn de foltertuigen, zooals gij ze noemt, nog niet aan kant gedaan.quot;
31
âHet is uw lust mij te kwellen, maar ik zeg u, ik vrees geenszins een rechtsgeding tegen hem, omdat hij zich niet zou kon-nen zuiveren â maar omdat hij niet bij machte zal zijn zijne onschuld te bewijzen, â dan door zulke middelen, die de Christelijke liefde hem verbiedt aan te grijpen; en het is die strijd dien ik voor hem vrees, die verzoeking waarvoor hij kan bezwijken.quot;
âBah! als gij niets anders te vreezen hebt: verzoeking, strijd, de Christelijke liefde, mooie argumenten bij eene consistorie voorzeker, maar waar de justitie niet mee bediend mag worden. Zij vraagt naar niets dan naar waarheid en recht.quot;
âHeel goed. Op het uiterste zal de waarheid blijken, opdat er recht geschiede; alleen het moet, het mag niet zijn door hem. Gij vergunt mij toch wel hem te bezoeken en een goed woord tot hem te spreken ?quot;
âDat kan niet zijn; hij mag geene communicatie houden met anderen.quot;
âMet anderen I maar ik â kan toch onder die anderen niet begrepen zijn. Ik geef u mijn mannenwoord, en gij weet wel, dat het voor een eed kan gelden, dat ik niets zal doen dan hem troosten en bemoedigen; dat ik zal trachten hem tot lijdzaamheid te stemmen in zijne verdrukking. Gij zoudt hem een arts voor het lichaam niet weigeren, zoo hij krank ware; â ik weet van u, dat gij niet onmenschelijk zijt; â wees niet harder waar het een geneesmeester des gemoeds geldt.. ..quot;
â't Is waar ook, gij fungeert bij wijlen voor zielendokter, dat's eene onschadelijke liefhebberij, mits zij met moderatie wordt geoefend, en ik zou u voor zieketrooster van dien Juliaan konnen tolereeren â schoon de dominé's er zuur om zien, en krijten dat ge hun afbreuk doet; maar die krijten al licht van schade, als men hen niet in alles den neus laat steken, en 't is in dezen het beste, dat men hen er buiten laat.quot;
âVat ik de rechte meening van deze woorden, dan is het
32
uwe intentie mij dat verzoek toe te staan?quot; viel Jacob Jansz. in, met zijne onverstoorbare zachtmoedigheid.
âNu, zacht wat! ik zal er eens over denken. Ik moet eerst zijn voornaamsten beschuldiger hebben gehoord.quot;
âWie is zijn voornaamste beschuldiger?quot; vroeg Jacob Jansz., zichtbaar teleurgesteld.
âEen vreemdeling van rang, de baron de Ghiselles; iemand, die hier belast is met de zaken van den Prins van Oranje; zoo men zegt, staat hij op een goeden voet met graaf Maurits, en zeker is het dat hij notabele diensten heeft bewezen met zekere aanwijzingen omtrent het complot; van een zulke mag men toch niet onderstellen, dat hij zoo bot weg liegen, en zonder dcugdelijken grond een armen drommel in 't verderf zou storten met zulk eene aanklacht.quot;
âVoorzeker, naar de wijsheid der wereld is dat niet aan te nemen; 't is veel lichter te gelooven, dat een arme verstoote-ling eene gruwelijke misdaad zou willen plegen; maar veroorloof mij, niet met dien maatstaf te meten. Gun mij de voorspraak te zijn van dien verdachte. Zeg mij, waar ik dien baron de Ghiselles moet opzoeken, mogelijk is hij er toe te brengen zijne aanklacht te wijzigen ....quot;
âWelnu! ik zal u daartoe de gelegenheid geven. Ik wacht den baron de Ghiselles hier. Het verwondert mij zelfs dat hij nog niet gekomen is. Hij schijnt gebruik te maken van zijne qualiteit als edelman, om een burger magistraatspersoon achteloos te bejegenen; maar ik rade hem toch niet al te veel op de botheid van den Schoutkorenkooper te rekenen; want....quot;
Daar stoof Hendrik binnen, zonder zich als gewoonlijk door een bescheiden tik te hebben aangemeld, en sprak met eene gejaagde stem, alsof iemand hem op de hielen zat.
âDaar is een heer gekomen, die zegt de baron de Ghiselles te zijn. Hij wil niet wachten en stapt maar stoutweg in ééns door. 't Is gewis een groot sinjeur.quot;
âGe hebt niet te schreeuwen, of er onraad ware, Hendrik ! hij mag komen, hij is ontboden,quot; sprak Sshout Gerrit kalm maar luid en met gezag, zoodat de baron, die Hendrik werkelijk op den voet was gevolgd, het zeer goed kon verstaan. Ook trad hij onverwijld binnen, zoo ras hem de ingang niet meer versperd werd door den bediende, die op een wenk van zijn meester terugweek.
âIk had gemeend dat een heer van uwe qualiteit beter de gewoonte had van antichambre te houden,quot; sprak Schout Gerrit, zijne hoffelijke buiging alleen met een stijven hoofdknik beantwoordend.
âWat zal ik u zeggen, mijnheer de Schout, ik vreesde dat er op mij gewacht werd, en daar men aan de orders van den magistraat met stiptheid moet voldoen, wilde ik door wat haast het onwillekeurig verzuim goed maken,quot; antwoordde de Ghiselles, op dien toon vau voorname welwillendheid, die zich, ondanks alle zelfgevoel, schikt naar den eisch van het oogenblik; en ziende, dat de Schout niet was opgestaan om hem te ontvangen, giug hij ook zitten, zonder de uitnoodiging daartoe af te wachten, op den eersten stool den besten die hem in 't oog viel, ongelukkig die, waarop poes zich had terneergevleid, na het échec bij haar meester. Die onzachte stoornis van hare rust werd dan ook niet in het vriendelijke opgenomen, maar gestraft met een vinnig blazen, hot uitslaan van de scherpe nagels der fulpen poot, hot opzetten van den rug, en het schuins loopen langs haar vijand heen, die een grimmig gezicht trok, en een gebaar maakte, of hij door de violet zijden kousen heen de scherpte van zijns aanvallers klauw gevoelde.
âPoes! poes!quot; knorde Schout Gerrit op den goêlijken toon, waarmee zekere moeders hare bedorven kinderen bekijven; maar de ironieke glimlach om zijn mond werd met kennelijke moeite bedwongen, toen hij sprak: âVerschooning, baron! zoo
gij gewacht hadt, totdat ik u een stoel had geboden, zoudt gij
Wonderdokter. II. 3
34
geen last hebben geleden van de slechte gewoonte mijner poes.quot;
âToen ik mij laatst met eene geheime zending van mijn koning te Venetië bevond, en in het kabinet van den Doge ontvangen werd, stond er een armstoel voor mij gereed, mijnheer de Schout!quot; gal' de Grhiselles ten antwoord, op fleren en laatdunkenden toon.
âDe Doge van Venetië is meester in zijn kabinet, de Schout van Delft in het zijne, baron de Ghiselles, en zoo er iets hapert aan de forme uwer ontvangst, wijt dat allereerst aan de wijze, waarop gij zijt binnengetreden, die mij de gelegenheid benam tot eene gulle verwelkoming,quot; en nu, even opstaande, reikte
Schout Gerrit hem de hand, hetgeen de baron verplichtte zijner- ]
zijds weer op te rijzen om de beleefdheid te beantwoorden; j
maar de twee machten hadden elkaar leeren schatten; de uiter- j
lijke pays was getroffen, waarmee nog niet is gezegd, dat er r
geen heimelijke wrok werd verbloemd. o
Jacob Jansz., die bij het binnentreden van den baron was
opgestaan, on alleen tegen zijn hooggerugden stoel bleef leunen, ],
ergerde zich over het gewicht, dat die beide mannen hechtten v
aan deze kleine uiterlijkheden, waaraan niets hing dan de vol- r
doening hunner persoonlijke ijdelheid, en over den tijd dien zij n
verloren, door het elkaar daarmeê lastig te maken; hij, die ge- e
woon was elke seconde te waardeeren en den tijd uit te koopen q
met het oog op de eeuwigheid. ei
Toch gebruikte hij deze oogenblikken om de Ghiselles scherp
op te nemen, en eene huivering liep hem door de leden bij de bi gedachte, hoe deze man van eene gelijkenis, door de natuur heni verleend, gebruik maakte, om in zijns broeders rechten te
treden, en dezen ten bloede toe te verdrukken en te vervolgen. la
Hij nam hem op met dat zekere afgrijzen, dat ons aangrijpt b(
bij het zien van een monster, van een verscheurend dier; maar w hij voelde dat hij die gewaarwording moest bekampen, en zich
in dezen volkomenlij k moest beheerschon, zou hij de diepten ook di
35
van dit menschenhart kunnen peilen, en eene poging wagen, om zelfs hier het kwade te overwinnen door het goede.
Schout Gerrit daarentegen, slechts naar het uiterlijk aanzien oordeelende, moest erkennen, dat die man, die zich beroemde met vorsten op gelijken voet om te gaan, een voorkomen had, dat geen twijfel liet omtrent de waarheid van zijn beweren. In zijne statiekleeding van violet fluweel, met den ridderlijken koten om den hals en den degen op zijde, wiens kostbare greep met goud en ivoor was gesierd, den wit gepluimden hoed in de eene hand houdende, terwijl de andere met een sierlijk gebor-duurden handschoen speelde, wekte hij bij den Hollandschen burger-magistraat een heimelijke bewondering, waar zekere be-nijding onder gemengd was, bij de losse gemakkelijkheid, waarmee hij zich bewoog; hoewel Schout Gerrit zijne particuliere redenen had om te gelooven, dat hij toch niet volkomen opzijn gemak moest zijn.
Jacob Jansz. daarentegen, die met andere oogen zag, vergeleek in gedachte dien vermetelen booswicht, die mot een stalen voorhoofd en triumfeerenden blik te midden der gruwelijke ongerechtigheid leefde, als in zijn element â bij den diep gevallen, maar ook diep verslagen Juliaan, die zijne zonde als zonde had erkend, en voor hem, die met andere mate mat dan Schout Gerrit, was de laatste de meest benijdbare, zelfs al zouden list en geweld over hem zegevieren.
âHet zal niet noodig zijn u te zeggen, baron de Ghiselles,quot; begon Schout Gerrit met zekere plechtigheid, ,iiit welke oorzaak ik u ten mijnent heb laten ontbieden.quot;
âVolstrekt niet, heer Schout. Ik heb den Advocaat van Holland de meest mogelijke inlichtingen willen geven omtrent het bewuste complot, maar deze verklaarde, dat hij niet bevoegd was van de zaak kennis te nemen.quot;
âDe Advocaat was dan wel in eene luim van zonderlinge discretie,quot; hernam Schout Gerrit glimlachend; âin cas van ur-
36
gentie zou Zijn Edel Achtbare zich zelf zonder omstandigheden competent verklaren, daar ben ik zeker van.quot;
âAlvorens tot hem te gaan, had ik mij reeds tot Zijne Excellentie gewend â dan â deze wilde mij niet aanhooren en van het heele complot geen woord gelooven; en ik zou waarlijk niet weten aan wien mijne mededeelingen te doen, zoo de Advocaat mij niet verwittigd had, dat ik bij u een verhoor zou te hebben ondergaan.quot;
âDe heer Advocaat heeft u de zaak ietwat verzwaard voorgesteld. Een formeel verhoor is ten onzent geene kleinigheid, en met een heer van uwe qualiteit neemt men het zóó bot niet op,quot; hernam Schout Gerrit Meerman, wien de glimlach niet van de lippen week; âde meening is alleen, u in 't vriendelijke uit te noodigen zekere vragen te beantwoorden, die ik aan u, ambtshalve heb te richten; ik heb u daartoe bij mij moeten ontbieden, omdat mijne komst in uw logies zeker opzien kon wekken, dat wenschelijk is te vermijden ....quot;
âGij gelooft mogelijk ook niet aan het complot?quot; viel de Ghiselles in.
âTer contrarie, baron! Ik geloof er aan, en ik acht mij competent om er kennis van te nemen; maar om u de waarheid te zeggen is er mij reeds alles van bekend wat ik weten wil, en zelfs wat ik liever niet wist....quot;
Die woorden schenen Schout Meerman te ontvallen, zonder bedoeling, en hij zag den baron maar even van ter zijde aan; toch ontweek dezen dien blik; hij moest zijn handschoen oprapen, waarmede hij speelde, en die hem ontvallen was.
âZoo heeft die zekere Juliaan zijne confessie gedaan?quot; vroeg hij, met schijnbare achteloosheid, zijn spel met den handschoen hervattende.
âIk heb hem nog niet ondervraagd,quot; repliceerde Schout Meerman koeltjes; âmaar de justitie wordt hier gemeenlijk nogal goed geadverteerd van 't geen zij begeert te weten, en
37
behalve onze ordinaire aanbrengers van nieuwsmaren, hebben de soldenier Bernard, dominé Blommers en anderen in dezen hun devoir gedaan.quot;
âZoo zie ik niet waartoe ik n van nut kan zijn,quot; sprak de Ghiselles stoutweg.
âDat is juist, wat ik wèl zie, waarde baron! Het is, om mij eenige inlichtingen te geven omtrent dien zekeren Juliaan, zooals gij hem daareven noemdet. Maar hij draagt toch wel een anderen naam, die u bekend moet zjjn, niet waar?quot;
âHij zal er mogelijk meer dan één opgeven. Dergeljjke avonturiers voeren meestal hunne streken uit onder een nom de guerre, dien zij verwisselen naar gelang van omstandigheden.quot;
âDeze hier verkiest geen anderen te noemen dan zijn doopnaam ; maar gij weet toch zeker meer van hem, baron ?quot;
âWaarom onderstelt gij dat, heer Schout?quot;
âHij moest u immers bekend zijn; hoe hadt gij hem anders zoo terstond konnen aanwijzen voor 't geen hij was ?quot;
âHet is zoo, mijnheer de Schout! Waartoe het u te ontveinzen, al is de verklaring mij tegen, zij blijft toch zeker hier,quot; hernam hij, rondziende en even den blik op Graswinckel vestigend, als sloot hij dezen meé in. Ik ken dien persoon voor 't geen hij is, en al sinds lang. Hij is afkomstig uit eene goede familie, die hij schande aandoet, en die hem uitgeworpen heeft; hij is eenigszins aan mij verwant, en zal wellicht zeggen, dat hij een jonker van Egmond is; maar hij heeft eigenlijk geen recht op dien naam.quot;
âHij heeft zooveel recht op dien naam, als een zoon heeft op den naam zijner moeder,quot; viel hier Graswinckel in, op zachten maar nadrukkelijken toon en tot Meerman gewend.
âHet is waar ook, gij zijt met hem bekend; ik had het u konnen vragen,quot; sprak deze. âEn is hij dan werkelijk zooveel als een edelman?quot;
âMachteld van Egmond is zijne moeder.quot;
38
âMachteld van Egmond! Heer Hendrik van Kenenburgs dochter toch niet?quot; vroeg Schout Meerman, in zichtbare spanning Graswinckel aanziende.
âDezelfde.quot;
âDat minnelijke meiske, dat eenmaal.. ..quot;
âOnze voormalige speelnoote, ja!quot; viel Graswinckel in, nu zelf even glimlachend; âhet verblijdt mij dat u die dagen nog geheugen; alleen herinner u, dat het minnelijke meiske in de vijftig moet zijn, en dat zij nu een zoon hoeft waarmee wij ons moeten bezighouden.quot;
âMaar de jonkvrouw van Kenenburg is immers met haar voogd naar Vlaanderen getrokken, en â naar het mij voorstaat daar gehjjlikt met een aanzienlijke edelman, de naam wil mij nu niet invallen.quot;
De baron de Ghiselles scheen geen lust te hebben het geheugen van den Schout in dezen te hulp te komen. Hij vestigde geheel zijne aandacht op den man, die daar nevens den stoel naast den Sellout was blijven staan, dien hij eerst voor een klerk of eenig ander ondergeschikt beambte had gehouden, maar die, sinds hij zich in 't gesprek had gemengd, en toonde hoe zeer hij met de antecedenten van Juliaan bekend was, voor hem cene zonderlinge belangrijkheid verkreeg; die man kon hem zeer gevaarlijk zijn, tenzij hij er in slaagde hem op zijno hand te krijgen, maar het middel daartoe was nog niet gevonden ; hij moest dus zwijgen en opletten, en zijn voordeel trachten te doen met zijne waarnemingen.
âZij hijlikte den baron de Ghiselles,quot; sprak Graswinckel, zich tot Schout Meerman richtende; âmaar ik moot u waarschuwen, dat die naam hier niets ter zake doet, want de vader heeft zijn zoon verstoeten en verboden dien te dragen?quot;
âWel, wel! hoeft de zoon van Machteld het zóó bont gemaakt?quot; hernam de Schout, hoofdschuddend maar op goelijken toon; toen zich op eens tot de Ghiselles wendende: âAVat
39
lioorc ik daar, baron de Ghisellcs, die verstooteüng zou dus...
âMijn aanverwant zijn!quot; viel de baron in, Graswinckeï veelbeduidend aanziende, of hij liem door zijn blik het zwijgen wilde opleggen. quot;Deze scheen aan de zwijgende bede gehoor te geven, toen hij voortging te zeggen :
âHij is zijn vader ongehoorzaam geweest op een voornaam punt, en is op zijn eenzamen zwerftocht door het leven al dieper en dieper gevallen.quot;
âTotdat hij ten laatste zich vinden liet, om het instrument te worden van eene afschuwelijke misdaad,quot; voegde de Ghiselles er nu met levendigheid bij, overtuigd dat hij in den eenvou-digen grijsaard een bondgenoot had gevonden, of voor 't minst eene tegenpartij, die licht te misleiden, licht te overstemmen zou zijn.
âEn zoo was het dan om deze misdaad te voorkomen, dat gij u gehaast hebt dezen bloedverwant van u in hechtenis te laten nemen?quot; vroeg liem Graswinckeï, op zijn eigenaardig kalmen, maar nadrukkelijken toon.
âZoo is liet, waardige man! Hoewel ik er niet op verdacht had konnen zijn hem zoo ras uit te vinden, achtte ik het toch van mijn plicht hem niet op vrije voeten te laten, om erger te voorkomen; te eer daar de Stadhouder zelf mij het bevel had gegeven hem in hechtenis te nemen, waar ik hem ook vond.quot;
âDat luidt wat vreemd, baron!quot; viel nu Schout Gerrit in. âGrij hebt mij zooeven verklaard, dat de Stadhouder niet aan het complot wilde gelooven, ja, uwe mededeeling daaraf zelfs niet heeft willen aanhooren. Hoe heeft Zijne Excellentie u dies ondanks het bevel konnen geven tot inhechtenisneming van een persoon, in dat complot betrokken?quot;
âDe inhechtenisneming was mij niet opgedragen ter oorzake van den aanslag, waarover ik Zijne Excellentie kwam spreken,quot; hervatte de Ghiselles; âmaar ik kon er niet van spreken, zon-
40
der dien Juliaan van Egmond te noemen, die mij was aangewezen als den omgekochten moorder, en toen de graaf dien naam hoorde, en verstond, dat deze het gewaagd had tot Delft te komen en er zijne gewone misdragingen pleegde, namelijk straatschenderij en allerlei baldadigheden, in gezelschap van een hoop gecasseerde soldaten, ontstak Zijne Excellentie in heftigen toorn en betuigde mij, hoezeer het hem ergerde, dat die onbezonnen lichtmis een edelen naam door het slijk sleepte van de eene provincie tot de andere; daarom gaf de graaf mij, die hem kende, den last om mij van zijn persoon te verzekeren, waar ik hem ook mocht aantreffen. Dat bevel werd alleen mondeling gegeven, omdat Zijne Excellentie nog te bed lag, toen ik, gedreven door mijn ijver, en in mijne hooge verontwaardiging over het schandelijk complot, de versche ontdekking kwam overleveren. Zijne Excellentie was mij gansch niet dankbaar, maar alleen wat vertoornd over de gestoorde ruste, en beval mij over dat gewaand complot den Advocaat te gaan spreken, die zeker wel weten zou, wat er waars van wyas, daar deze van alles altijd beter geadverteerd was dan hij zelf. Xa dien uitval dook Zijne Excellentie weer in de kussens, en ik spoedde mij naar den Advocaat, waar ik wel geen ongeloof vond â maar zooals reeds gezegd is â onwil om mij aan te hooren. Vóór den aanvang van den gemaskerden optocht begaf ik mij nogmaals ten hove, om Zijne Excellentie opnieuw tot behoedzaamheid aan te manen, maar werd als ieder ander verrast door het bericht, dat de Prins al in de vroegte was vertrokken! Hoezeer ontstemd over dit gebrek aan vertrouwen, achtte ik mij toch gehouden den gegeven last te volbrengen, toen ik mij onverwacht in de gelegenheid zag gesteld daaraan te voldoen.
Het is mogelijk, dat graaf Maurits nu reeds vergeten is, wat hij mij opdroeg, of het volbrengen daarvan niet eens meer dankelijk opneemt; doch â dat zij zoo â wil men den verdach-
41
ten woesteling loslaten, mij is het wel; ik ben daarvoor niet verantwoordelijk.quot;
âVoorwaar neen, heer Baron! ik begrijp nu heel goed, dat de Advocaat zijne redenen had om te zeggen, dat er ganseh geene haast was bi; zijne loslating, zelfs al bleek zijne onschuld,quot; viel Schout Gerrit in.
âDaar is altijd haast bij de loslating van een onschuldige; en deze hier is onschuldig op hei punt waarmee men hem bezwaart,quot; sprak Graswinckel.
âEilieve! mijn goede vriend, dat zal u zwaar staan te bewijzen,quot; viel nu de Ghiselles in, op laatdunkenden toon en uit de hoogte op hem neerziende, nu hij bleek geen bondgenoot te willen zijn.
âLichter voorzeker dan het u vallen moet hem in dezen van schuld te overtuigen.quot;
âZou ik hem verklaagd hebben, zoo ik niet de volle verzekerdheid had gehad van zijne schuldige voornemens....?quot;
âMaar gij zijt der justitie rekenschap schuldig van den grond, waarop deze uwe verzekerdheid rust,quot; sprak nu Schout Meerman.
âDer justitie, dat's mogelijk; maar ik weet niet wie deze man is, en ik laat mij niet ondervragen over zoo kiesche punten door een vreemde, die daartoe geene bevoegdheid heeft.quot;
âDr. Graswinckel is de vriend en voorspraak van den gevangene â zijn eenige, zoover ik weet; âdies mag hij kennis nemen van 't geen men tegen hem inbrengt.quot;
âWelnu: hij heeft honderd pistolen aangenomen van den hoofdaanlegger van het complot.quot;
âDie---- al lang over de grenzen is,quot; mompelde Schout Gerrit.
âHoe weet gij dat hij ze aangenomen heeft, anders dan om ze met verachting in 't water te werpen â zooals hij mij heeft vertrouwd.quot;
âHij heeft u wat op de mouw gespeld, mijn goede man. Hij is tot zulk een deerlijken staat vervallen, dat hij naar een goed
42
maal hunkert en naai' een paar dukaten zou opspringen. Op
den dag van de spelen had hij geen penning in zijn zak om ^
eene boete te betalen, die hij beloopen had door zijn woest ei
gedrag. Zijne soldaten moesten voor hem stelen, om hem voor 0
den hongerdood te bewaren; dat een zulke honderd pistolen g
versmaden zou, als ze hem geboden worden! Is dat natuurlijk,
dat vrage ik u, heer Schout ?quot; jj
âNeen! natuurlijk is het niet, dat moet ik u toestemmen; j, maar mits hij van edele afkomst is â en het hier eene gruwelijke misdaad gold, waarmee de hals kan gemoeid zijn, is het
toch mogelijk, dat hij niet voor de verzoeking bezweken is; n
iedere losbol, die door zijne gedragingen zijne familie onteert ir en zijne eigene fortuin met voeten treedt, is daarom nog niet
bekwaam tot vorstenmoord!quot; antwoordde Schout Grerrit, Gras- n
winckel aanziende, als wilde hij hem uitlokken om hier in te 0]
stemmen; maar Jacob Jansz. bewaarde het stilzwijgen. w
Zich in de beteekenis van dat zwijgen vergissend, hervatte
de baron met meer stoutheid : n-
Ã
âTot mijn spijt moet ik daartoe zeggen, dat liet zijn eerste g(
misdrijf niet zou geweest zijn. Ongelukkiglijk zjjn er paden w
waarlangs men al heel snel tot uiterste diepte afglijdt.quot; w
âZulke paden zijn er werkelijk, baron de Ghiselles! die ze sl
gaan, mogen wel toezien, werwaarts ze heenvoeren,quot; viel nu fe
op eens de wonderdokter in, op een toon, zoo doorborend ge- w
streng, of die tot in 't binnenste gedichtsel van dat menschen- hi
hart wilde doordringen, terwijl de klare, diepe blik als een di
electrieke vonk uitschoot, om dat stalen voorhoofd te treffen. zi
De baron kon dien blik niet uitstaan; zijne loensche oogen w wendden zich af en naar den grond; een schok trilde door
zijne leden, maar zijn vaste wil om in dezen kamp te zege- m
vieren, verhardde hem om niet toe te geven aan dien indruk; V( de vermetelheid klom met het bewustzijn van een nakend
gevaar. di
43
âWél moogt gij dat zeggen, waardige man,quot; hernam hij, âen hot bewijs daarvoor levert Juliaan maar al te klaar. Hij bezit een groot gemak om de leugen met één zwaai tot waarheid om te scheppen; en zoo hij u, goêlijke grijsaard, heeft wijs gemaakt, dat hij dat bewuste goud in het water heeft geworpen, is hij â in zekeren zin bij de waarheid gebleven, want hij heeft die som in een enkelen nacht verbrast en verdobbeld in de taveerne!quot;
âIn welke taveerne?quot; vroeg Schout Gerrit met levendigheid; âde plaats, waar zoo grof geslampamt en gedobbeld werd, heeft niet aan de opmerkzaamheid van mijn volk konnen ontgaan, en mij is nietwes daarvan bekend.quot;
âPardieu! heer Schout! hoe kan ik dat weten? Ik was dien nacht op de bruiloftspartij van de gravin van Solms en nog onkundig van alles. Was het van mij te vergen, dat ik dien woesteling na zou loopen om zijne wegen te bespieden?quot;
âSinds gij u zelvon die moeite niet gegeven hebt, baron, zoudt gij beter doen uwe onkunde in dezen te belijden, dan aan zijne gedragingen eene uitlegging te geven, evenzeer in strijd met de waarheid, als met de broederliefde!quot; sprak nu Graswinckel wéér op dien nadrukkeljjken toon, die den toeleg had, de in slaap gewiegde consciëntie wakker te schudden, en de bestraffende blik werd hem evenmin gespaard; maar do Ghiselles was er nu op verdacht en waagde zich daaraan niet meer; hij hield do oogen gestadig neergeslagen, als trok de slapende poes die zich nu op don stoel van Graswinckel had neêrgevleid, al zijne aandacht. Hij streelde het dier met den handschoen, terwijl hij met een smadelijk lachje antwoordde:
âWat rovelkalt gij van broederliefde? Die Juliaan is toch mijn eigen broeder niet; en al ware hij het, verschoonlijkheid voor den schuldige in een geval als dit zou laakbare zwakheid zijn.quot;
âMaar een onnoozele valschelijk betichten, is zoxde, baron de Ghiselles!quot;
44
â Wat ik u bidden mag, Jacob Jansz.,quot; sprak Schout Gerrit
dezen ras en fluisterend toe, âhoud ons niet op met sermoenen! ^ die man hoort tot de Eoomsche kerk, ze zouden toch geen vat op hem hebben; en wat mij belangt, ik ga alle Zondagen ter
kerk, als een magistraat past, die het exempel moet geven,quot; â jo en na dit aparte, wendde hjj zich weer met volle magistrale
wichtigheid tot den baron, zeggende; jj
âLaat het nu uit zijn met omwegen en uitwijkingen. Men
beticht geen man van goede geboorte, geen bloedverwant, van m crimineele intentiën, zonder degelijken grond en zonder duch-tige bewijzen voor zijne schuld aan te voeren; dat laatste hebt gij beloofd en zijt gij schuldig te doen, daartoe zijt gij hier;
maar ik zie nog niets komen van die toezegging. Met vermoe-
dens en aantijgingen van wicn ook laat de justitie zich niet af- Y(
schepen; lever de stukken uit die ze bewijzen, ziedaar wat ^
alleen gelden kan.quot; jn
âIk kan die bewijzen niet leveren, tenzij de justitie allereerst
aan de door mij gestelde voorwaarde voldoet, namelijk dat zij ,
het verblijf weet uit te vinden waar de rampzalige den laatsten ^
nacht van zijne vrijheid heeft doorgebracht; hij moet daar van uj
kleeding gewisseld, en de papieren, die van zijne schuldige ]K voornemens getuigen, verborgen hebben.quot;
âDaartoe is alle vlijt gedaan, doch tevergeefs; hij is niet ze
geweest in den tabackskroeg, waar zijne soldaten tot aan den ge
morgen vertoefd hebben; gij zelf beweert, dat hij den nacht Ye
met drinken en spelen heeft doorgebracht, zoo is 't aan u om ja
hier de justitie in te lichten, niet om van hf.ar inlichtingen te or)
vragen----quot; Gi
âVermoedelijk is hij van 't eene taphuis naar het andere geslingerd, om ten laatste in wie weet welk hol des verderfs aan da te landen, waar men hem van zijn laatste goudstuk zal hebben E« beroofd!quot; hernam de Ghiselles, laatdunkend de schouders ophalend, ge maar in den grond zijns harten verheugd over dit onvruchtbare be
5*
45
onderzoek, toen Graswinckel, die hem voortdurend met zijne volhardende opmerkzaamheid had gadegeslagen, zich op eens tot Schout Gerrit keerde, zeggende:
âDe baron de Ghiselles geeft wat al te ruim spel aan liefde-looze vermoedens, waar het zijn ongelukkigen bloedverwant geldt; â ik kan ze op goeden grond valsch verklaren. Juliaan heeft dien bewusten nacht in mijne woning doorgebracht!quot;
âDe arme drommel! dan heeft hij niet op dons geslapen!quot; merkte Schout Gerrit lachend aan; blijkbaar was hij in goede luim geraakt, nu hij niet langer in den blinde behoefde rond te tasten op dit belangrijke punt; maar Graswinckel antwoordde met plechtige ernst: âHet is den mensch goed, niet in weelde weg te dommelen Mr. Gerrit Fransz.; de nacht is zwaar geweest voor Juliaan van Egmond, dat erken ik, en die was voor mij niet licht, maar met de hulpe Gods zal hij geen verloren zijn in zijn leven, noch in het mijne!quot;
âDat lijdt geen twijfel, gevader Boot,quot; viel Schout Gerrit in; âmaar de consequentie, die ik uit uwe verklaring trek is deze, dat gij dan zult weten waar hij die papieren gelaten heeft, waaruit, naar het gevoelen van den baron, zijne schuld moet blijken; hoe is het daarmee?quot;
De Ghiselles hoorde hen spreken, maar vond geen woord te zeggen. Hjj knabbelde op zijne nrustatsen, en gebruikte zijn geparfumeerden handschoen, bij wijze van waaier, om zich te verkoelen. quot;Was mogelijk de reuk van den amber hem te sterk, dat die hem wat onpasselijk maakte, zoodat hij doodsbleek werd onder den spottenden blik, dien de Schout op hem vestigde, toen Graswinckel antwoordde:
âJuliaan had belangrijke documenten onder zijne berusting, dat is waar; maar de baron vergist zich in hunne beteekenis. Een brief van zjjn vader onder anderen, die een grievend familiegeheim zoude prijs geven, zoo de jonker er zich van wilde bedienen om zijne onschuld te bewijzen! Een oogenblik had hij
46
dat voornemen, maar tot beter beraad gekomen, heeft hij ze in
mijne handen gesteld.quot; w
âOm ze aan 't licht te brengen ?quot; vroeg de baron, zich zelf niet ir
meer meester, met eene stem, die schril klonk van innerlijken angst. bi
âOm ze te vernietigen,quot; hervatte Graswinckel, die den edelman
opnieuw bleef gadeslaan, âopdat ze hem niet weer in verzoeking zi
mochten brengen om er te eeniger tijd onchristelijke wraakzucht Ji
mee te boeten!quot; k(
â Wie had dat van hem kunnen verwachten!quot; riep de Ghiselles, m
zoo verrast en verblijd, dat hij zich zelf bijkans verraadde. te
âEn hebt gij de onvoorzichtigheid begaan aan dat verlangen hi toe te geven?quot; riep Schout Gerrit, terwijl de Ghiselles, inzicht-
bare spanning, vragend het oog op Graswinckel vestigde, zonder de
een woord te kunnen uitbrengen. di
âIk keurde de edelmoedige beweging zijns harten goed, maar te ik achtte het roekeloosheid er aan toe te gever. ; ze zijn bij mij
wel vertrouwd en wel bewaard ook.quot; zij
âMaar gij zoudt ze der Justitie toch wel overleveren, om te zij
dienen tot illucidatie van deze cause?quot; zij
âDat zou op 't uiterst zijn, heer Schout, en alleen dan, als de t\\
beschuldiging tegen Juliaan op geene andere wijze weêrlegd de
kon worden; maar ik heb wel hope dat het daartoe niet zal tit
behoeven te komen. Mijnheer de Ghiselles, die bewijst dat hij on
zijn deerniswaardigen bloedverwant niet dan zeer oppervlakkig sel
kent, daar hij hem zoo hard beoordeelt, en «ch zoozeer ver- VI1
rast toont over een trek van edelmoedigheid, die van goedheid vo
en vergevensgezindheid getuigt â mijnheer de Ghiselles zal a]1
deze zaak nu beter inzien, en vrijwillig bekennen, dat hjj zich ZIC
in de persoonlijkheid van Juliaan heeft vergist, en dezen, in 'le
zekere ... overijling, valschelijk heeft beticht, bijgevolg zijno ^1'
aanklacht terugnemen, die alleen gegrond was op losse ver- vo
moedens, en op de kwade opinie die hij zich gevormd had 8e van diens karakter!quot;
47
⢠in âMaar heer dokter,quot; stamelde de Ghiselles, wien het bloed
weer naar het hoofd steeg, âhoe kunt gij wachten, dat ik . . . niet mij zelf zal onteeren en tot een leugenaar verklaren, door te
gst. bekennen dat ik zulke . .. overijling ... heb begaan ..
nan âDaarmeê zult gij u geenszins onteeren, baron! iedereen kan
:mg zich overijlen, misleid door den schijn, en de schjjn is tegen
icht Juliaan; ik zal de eerste zijn om het toe te stemmen; en zul-ken misgreep te bekennen is geene schande, voor niemand; lies, maar schande is het, en groot onrecht en moedwillige zonde tegen God en menschen, zoo men bjj zulke beschuldiging volgen hardt, als men de overtuiging heeft dat zij valsch is .. . cht- âMaar... die overtuiging is de mijne... nog niet!quot; sprak
uier de Ghiselles, altijd met die weifelende, bijkans sidderende stem, die van aandoeningen getuigde, welke hij tevergeefs trachtte laar te beheerschen.
mij âIk maak mij sterk u die overtuiging mede te deelen, daar
zij de mijne is en gegrond op volkomene kennis, zoowel van li te zijn denken als gevoelen in de laatste vierentwintig uren vóór zijne inhechtenisneming. Mijnheer de Schout zelf zal niet meer s de twijfelen, als ik u en hem op mijn mannenwoord verzeker, dat legd deze Juliaan van Egmond niet schuldig is aan de kwade inten-Zal tiën, die hem worden ten laste gelegd; dat hij het voorstel ; hij om medeplichtige te zijn aan eene gruwelijke misdaad met af-ddg schuw beeft verworpen, al was de verzoeking sterk, uit aanzien yer- van de groote beloften en zjjn eigen diep verval; dat hij, niet heid voldaan met eigen deelneming te weigeren, de mogelijkheid dat ; zal anderen het booze stuk uitvoerden heeft willen voorkomen, en zich te dien einde, met meer overijver dan goed overleg, naar
i, in het hof heeft begeven, in hope de occasie te vinden om den {ijnö Prins te naderen en te waarschuwen! Ziedaar de waarheid, waarver- V001' ik mij borg stelle; u vrage ik. Schout Gerrit, of gij mij had gelooft, en of gij een eed â een eed, dien de rechter zou konnen vergen, noodig acht?quot;
48
âNeen, die 'is niet noodig van u mijn waarde Jacob Jansz.; (
ik geloof u op uw woord, wetende dat gij een van die weini- â , gen zijt, wier âja of neenquot; dus ernstelijk uitgesproken, voor een
eed mag gelden !quot; )
âEn gij baron de Ghiselles?quot; vroeg Grraswinckel nu, dezen t
met een blik aanziende, in wiens beteekenis hij zich niet kon i
vergissen, âeischt gij werkelijk dat ik bewijzen overleg om mijne ]
woorden klem bij te zetten, eer gij uwe meening wijzigt?quot; i
âZeker neen! heer dokter, ik kenne u niet; maar als mijn- i
heer de Schout zoozeer van uwe waarwoordigheid overtuigd 1
is, dan kan ik er mijnerzijds ook in berusten; het is mijn be- t lang niet dat die jonker van Egmond schuldig wordt bevonden.
Ik wil nu gaarne aannemen dat.. . hopman Peter, die mij toch 2
reeds als een verrader is bekend geworden, ook in dezen gelas- 1
terd heeft; want die had mijne verdenking op hem gericht.quot; lt;
âDe voort-vluchtige Beiersman heeft zich over het mislukken t van zijn gruwelstuk willen wreken op den armen jonker! dat
gaat vast,quot; zet Schout Gerrit; âmaar ik begrijp niet, hoe gij zelf' s
zooveel aan zijne verzekering hebt konnen hechten ...quot; c
âIk heb mij vroeger verklaard, op welke wijze ik tot de a kennis gekomen ben van zijne plannen,quot; hervatte de Ghiselles,
al te gelukkig dat hem een uitweg gewezen was â⢠om de j-
gedreigde ontdekking van Graswinckel te ontgaan. âHij meende J
in mij, den vreemdeling, den dienaar van den Koning van Spanje, d
een medestander te vinden, die zijn plan maar behoefde te v
kennen om er zijne medewerking aan te geven. Zoo gaf hij mij v
gulweg opening van al zijne zaken, en ik geliet mij, dit alles o
goedkeurend en deelnemend aan te hooren, om hem ten laatste, f;
toen ik alles wist, te verschrikken en te leur te stellen met de 0
verklaring, dat dit voornemen mijn grootsten afkeer wekte, en Y dat ik zijn snood ontwerp ging aanbrengen waar het behoorde,
zoo hij het niet op staanden voet opgaf. Hij viel daarop als een ^
woesteling tegen mij uit en trok zijn degen â loste een pistool v
49
iz.; op mij, dat hij verborgen had gehouden â en ontkwam dus
ini- aan mijne vervolging.quot;
een âHm ja! dit is hetzelfde relaas dat de Advocaat van Holland mij heeft medegedeeld; de beide lezingen luiden precies gelijk,
zen en getuigen alzoo van .... uwe consequentie; het is dan ook
kon niet vreemd dat gij zulk een goed vertrouwen hebt gesteld in
jne het getuigenis van dien hopman Peter! Maar meer bevreemdend is het, dat het u niet is ingevallen wat langer tegen hem te
ijn- veinzen; gij hadt geen twist met hem moeten zoeken â dus
ligd hadt gij beter gelegenheid gehad hem te verstrikken en over
be- te leveren.quot;
ien. âWat zal ik u zeggen, heer Schout, niet ieder bezit genoeg-
toch zame tegenwoordigheid van geest, om in zulk geval terstond de
â las- beste partij te kiezen, â mijne verontwaardiging was grooter dan mijne zelfbeheersching op dat oogenblik â ik wil dit wel
ken bekennen.quot;
dat âHet is genoeg, baron de Ghiselles! den dank dien men u
zelf schuldig is voor uwe bemoeiingen in dezen zal niet worden overzien!quot; hernam nu Schout Gerrit, opstaande en op den toon
t de van een vorst, die verklaart dat de audiëntie is afgeloopen.
lies. De Ghiselles liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij was
i de gekomen als een overwinnaar, met het oogmerk om den armen
3nde Juliaan den laatsten slag toe te brengen; hij moest gaan, onder
mje, den slag van eene volkomene nederlaag. Hij voelde het zoo
e te wel, dat hij zich met de uiterste deemoedigheid tot Graswinckel
j mij wendde, en hem verzocht tijd en plaats te bepalen om een
alles onderhoud onder vier oogen met hem te hebben â over zekere
itste, familiebelangen, âdaar gij toch zoo goed bekend zijt met mijn
t de ongelukkigen verwant,quot; voegde hij er bij, als om het verlangen
;, en voor Schout Gerrit te rechtvaardigen.
jrde, âIk ben geheel tot uw dienst, heer baron; doch ik ben mijn tijd
5 een weinig meester om nu reeds eene afspraak te maken. Ik zal zoo
stool vrö zijn u laten weten, wanneer ik u ten mijnent kan wachten.quot;
Wonderdokter. II. 4
50
Met dezen schralen troost moest de baron aftrekken. Toch pa
viel hein de eer ten deel, door Schout Gerrit zelf te worden ujt
uitgeleid tot aan de huisdeur, waar men op hoffelijke wijze scheidde. ]ie] Dan, niet zoo haast was de Ghiselles eenige schreden ver ge-
gaan, of de Schout gaf op zachten maar nadrukkelijken toon ma
een bevel aan een der beide dienaren, die nog altijd op den el.
stoep zijne orders wachtten, en deze volgde onverwijld, hoewel op (];e behoorljjken afstand, den bezoeker die zoo beleefdelijk was
uitgeleid. De baron do Ghiselles was van nu aan der nauwlet- y(yj
tende zorge van des Schouts politie aanbevolen! de!
..............................................nas
Toen Schout Gerrit weer in zjjn kabinet terugkwam, vond hij nai Graswinckel zitten met voorover gebogen hoofd, de ellebogen
op de tafel geleund en het gelaat met de handen bedekt. dei
, Wat is er, mijn goede Jacob Jansz., wat schort u,quot; vroeg hij
deelnemend. goe
âIk ben ten diepste bedroefd over de schrikkelijke kracht der Gh
zonde in den mensch; mijn hart bezweek schier van afgrijzen, eer
toen ik dacht, waartoe die man al niet in staat zou zijn, op uw
den weg 'van leugen en bedrog dien hij is ingeslagen.quot; ik
âJa, 't is een doortrapte boef, al is hij nog zoo'n groot heer, vai
en al bluft hij nog zoo op het vertrouwen van vorsten en grooten. ,
Zooveel te erger; want die gebruiken soms hunne dienaren tot zei
schandelijke diensten, zooals ons alweêr met den Beiersman ,
gebleken is. Ik voor mij had al een kwaad gevoelen van de wai
Ghiselles; maar dat is tot zekerheid geworden, sinds gij hem het
zoo laagjes hebt gestemd mot uwe bedreiging. Zeg nu de inz
waarheid: blijkt het uit de papieren van Juliaan dat hij de mede- r
plichtige is van den zich noemenden hopman Peter.quot; vas
âHopman Peter is maar een gefingeerde naam...quot; het
âPrecies, wij weten op dit punt waaraan ons te houden. Do zor
51
M
-h particuliere Secretaris van een der Luiksche gezanten heeft zich
31 uit de voeten gemaakt â en de Ghiselles had omgang met
Ie- hem ... en is den Prins kwasie in allerhaast komen waarschuwen,
:e- toen de andere de hielen had gelicht. Daar hjj de openbaar-
on making van die papieren zoozeer schijnt te duchten, maak ik
en er uit op, dat zijne medeplichtigheid daaruit zal blijken; â
op dies zjjt gij verplicht mij mede te deelen wat zij inhouden.quot;
ras âVerschoon mij, Gerrit Fransz., dat zie ik niet in. Do discretie
3t- verbiedt mij er u iets van te zeggen, vóór ik dat onderhoud met
den baron heb gehad, die nu met recht op mijn stilzwijgen rekent.quot;
âIn trouwe, dat's al te simpel! Woordhouden aan een leugenaar, een verrader....quot;
âGeen woord houden aan een zulke, is zich zelf tot een leuge-hij naar, een verrader maken.quot;
'en âMaar als gij met den verrader heult, pleegt gij ontrouw jegens
den Prins en 't gemeene vaderland.quot;
hjj âLuister, Schout Gerrit! Zoo ik u nog zag volharden in de
goede meening die gij veinsdet te hebben van den baron de Ier Ghiselles, zou ik mij verplicht achten u te waarschuwen, dat hij
en, een onbetrouwbaar personaadje is; maar waar ik bevind, dat
op uwe verdenking reeds in hooge mate op hem gevestigd is, zie
ik niet, waarom ik een man zou bezwaren, die mogelijk nog ser, van zjjn schandelijken weg is af te brengen.quot;
en. âDien van 't kwade af te brengen, â ja, reken daarop!quot;
tot zei Schout Gerrit lachende.
lait âOch! er zijn dieven en moordenaars voor God gewonnen;
de waarom zou men alle hoop opgeven, dat een man zich van
em het kwade berouwt, die mogelijk alleen door een verkeerd
de inzicht van zijn plicht op een dwaalspoor is geraakt.quot;
de- âNu mijnentwege â doe er uw best voor; â ik weet al
vast waaraan ik mij te houden heb, en daarenboven, zoo haast het mij gelust te weten wat die stukken behelzen, die gij zoo De zorgelijk meent te bewaren, heb ik Jnliaan maar te ondervragen.quot;
52
âHij zal zwijgen, daar ben ik zeker van. ..â 0
âEn ik ben zeker dat hij zal spreken. Wij Heeren van den ]{
Gerechte hebben uitmuntende middeltjes om er de waarheid g
uit te krijgen. Do tortuur in den lichtsten graad.... en zoo die h
niet baten, mag de zwaardere____probatum, dat verzeker ik u!quot; g,
âOch! dat zult gij niet doen, zeg me, dat gij dat niet doen h
zult!quot; riep Jacob Jansz., met eene beweging van schrik den ni
arm van den Schout vattend, als meende hij dezen dus te d
weêrhouden. âGij zijt een streng magistraat, dat is bekend; maav w
Gerrit Fransz. Meerman is geen wreedaard van nature. Toen c£ wij als knapen speelden liept gjj weg als er bij 't vechten een
neus kwam te bloeden; hoe zoudt gij â gr, den zoon van gj
Machteld van Egmond door pijniging een geheim willen af- ei
persen dat niet hot zijne is, en dat hij niet mag uitzeggen, hi
zonder zijn consciëntie te bezwaren, en zijn eigen vader, zijn do broeder deerlijk te verraden.quot;
Schout Gerrit meesmuilde â de goede Jacob Jansz. versprak in
zich zelf in hot vuur van zijn pleidooi. pi
âXu, nu! wees maar gerust, ik zal den zoon van Machteld m
geen geweld aandoen; maar gjj, wat zult gij aanvangen, als ik la
die papieren in mijne qualiteit van u kwam opeischen?quot; gc
âMen mag der justitie geen weerstand bieden; maar
daar ze mijn eigendom niet zijn, en evenmin aan Juliaan be- on
hooren, die ze alleen door de achteloosheid van den gewaanden zij
hopman Peter in zijn bezit heeft gekregen, mag ik er niet over Oi
beschikken; maar ik zal ze in bewaring stellen âwaar ik meen da dat ze behooren, opdat er niemand de hand op legge.quot;
âEi zoo! en bij wie dan?quot; en
âBij don Advocaat van Holland.quot; SI)
âDie zich incompetent zal verklaren om er kennis van te nemen.quot; trc
âNu, zooveel te beter, dan kan de baron de Ghiselles ze bij ,TI( dezen gaan afhalen, zoo hij er zwak op heeft.quot;
âUitnemend gevonden!quot; Te droes, men zal u niet vergauwen
53
ondanks al uwe vroomheid. â En dan zeggen ze nog dat de den kinderen des lichts het den Satans-kinderen moeten gewonnen
leid geven, wat de abelheid belangt,quot; sprak Schout Gerrit, in zjjne
die handen wrijvende van pleizier, bij de gedachte, dat Barneveld u!quot; geen oogenblik aarzelen zou hem inzage te geven van 't geen
oen hij wilde weten. Hij beoordeelde Graswinckel naar zich zelf, en
den meende dat deze dit alternatief had gevonden, om zich uit den
i te drang te redden; maar deze had een andere bijgedachte, en hij laar was volkomen ter goeder trouw waar hij rekende op den Advo-'oen caat, als op een onkreukbaren en onaanrandbaren schatbewaarder, een âEn nu. Schout Gerrit, waar de voorwaarde vervuld is dio
van gij gesteld had, namelijk dat gij de Ghiselles gehoord zoudt hebben, af- en door diens eigen weêrspraak van zijne aanklacht de overtuiging gen, hadt verkregen van Juliaans onschuld â zult gij mij toch wel zijn de gunst willen schenken, die ik beu komen vragen?quot;
âDe loslating van Juliaan? daar kan volstrekt nog niets van prak inkomen; dat zou den Prins mishagen en allerlei belangen com-proniitteeren! Hij heeft in elk geval van zijne vrijheid niet zoo'n itold nobel gebruik gemaakt, dat het veel schaden kan of hij wat Is ik langer daarvan beroofd blijft; of weet gij beter! Gij die zoo goed met hem bekend zijt â durft gij voor hem instaan in alles?quot; â â âDat kan ik allerminst, daar ik niet weet, wat er in hem
i be- omgegaan is, en welke verwoestingen eene onrechtmatige berooving nden zijner vrijheid in dit prikkelbaar gemoed kan hebben aangericht, over Om daaraf te oordeelen, verlang ik zoo vurig hem te zien, en neen dat is het eigenlijk wat ik bedoelde.quot;
âWelnu, ik zal u daarin ter wille zijn; alleen zeg ine, hoe en wanneer hebt gij zijne bekendschap gemaakt. Ik weet wel, gij oefent barmhartigheid jegens iedereen; maar toch, uwe be-icn.' trekking op dien wildzang is eene andere dan die van het algemeen ;o bij mededoogen. Is het alleen omdat hij de zoon van Machteld is?quot;
âHet is omdat ik zijne bekendschap hebt gemaakt in een uwen van de vreeselijkste oogenblikken zijns levens, waarin hij uit
54
desperado do handen aan zich zei ven wilde slaan. Ik hield hem daarvan terug, en wist hom met Gods hulp zoover te brengen, 1: dat hij tot betere gedachten kwam, mij zijne geschiedenis ver- \ telde en mij zijn gansche vertrouwen schonk; dat was in den I nacht vóór zijne gevangenneming. Ik had op mij genomen in 1 zijne plaats te zorgen dat de Prins gewaarschuwd werd van 2 hot gevaar dat hom dreigde, en dat Juliaan zoo zwaar op het harte lag.quot; 1 âWaarom zijt gij niet terstond tot mij gekomen om mij dit 1 alles mee to dealen, dan ware Juliaan van Egmond geheel r buiten het spel gebleven.quot; 1 âDat is nog lang zoo zeker niet; Juliaan heeft antecedenten, z die hom bijzonder schuw maken voor de menschelijke gerech- \ tighoid; 0111 de waarheid te zoggen, ik meende alles korter en \ zakelijker te konnen afdoen. Zooals gij weet, woont de Advo- c caat van Holland dicht in mijne buurt, als hij zich te Delft ophoudt. Zoo gebeurt hot wel eens dat wij elkander ontmoe- g ten, en dat Meester van Oldenbarneveld mij toesjjreekt en naar c mijne patiënten vraagt om een buurpraatje te houden, zooals 1 hij gelieft zich uit te drukken. Dies nam ik mij voor van deze ci goede bekendschap gebruik to maken, 0111, zonder Juliaan to e noemen, tien waakzamen en werkzamen staatsman te adver- ' toeren van 't geen er omging tegen den jongen Stadhouder. 0 Doch bij 't naderen van zijne woning, zag ik zijn bekenden 1 reiswagen voor de deur staan, en zijn trouwen dienaar op de ^ stoep; ik vroeg hem of de Advocaat op reis ging? âSim- 1 pellijk naar den Haag om eene vergadering bij te wonen met Zijne Excellentie,quot; werd mij geantwoord door den Advocaat zelf, die naar buiten trad. A âZoo blijft de Prins niet te Delft om de spelen verder bij 1 te wonen?quot; vroeg ik, met eene voldoening, die zeker eenigs- r zins, uit mijn toon en wezen sprak, want de Advocaat zei, lachende: c
55
liem âNeen! wees tevreden, Maurits heeft genoeg van het feest.
2;en, houden; Zijne Excellentie is al in de vroegte en in allo stilte
ver- weggetrokken, om zijn jongen broeder Hendrik Frederik naar
den Leiden terug te brengen. De Delftsche lucht deugt niet al te
i in lang voor een Leidsch student.... maar, wat hadt gij mij te
van zeggen?quot;
het âDat wat ik had te zeggen, blijkt nu onnoodig geworden.
Ik had zoo iets gehoord van een gevaar dat den jongen Stad-
dit houder dreigde, en . ..quot; De Advocaat liet mij niet uitspreken,
heel âZoo, zoo! weet gij daar ook al van!quot; sprak hij met een misnoegden trek op het schrander gelaat; âwat ik u bidden mag,
iten, zeg het niet voort, het heeft niets te beteekenen; de Advocaat
ech- van Holland waakt over het kroost van Willem van Oranje,
r en wees er gerust op,quot; en metéén sprong hij in den wagen, mij
dvo- een vriendelijken handdruk gevende tot afscheid.
Delft Gerustgesteld vervolgde ik toen mijn weg, en vond werks
moe- genoeg met zware patiënten die mij wachtte, om te vergeten
naar dat ik Juliaan in onzekerheid liet. Ik had hem zoo nadrukke-
^oals lijk aanbevolen mijne woning niet te verlaten, maar de onrust
deze dreef hem daaruit. Hij zag alle gevaar voor zich zei ven voorbij,
n tc en begaf zich onbedacht naar het Prinsenhof, waar hij de
iver- Ohiselles in het oog viel, die de gelegenheid aangreep om hem
ider. den onderschout in handen te leveren. De onwaardige edelman
nden heeft er het grootste belang bij, dat zijn ongelukkige bloed-
p de verwant niet herkend wordt voor hetgeen hij is; en hem onder
Sim- het eerste voorwendsel het beste in een kerker te versteken,
onen was voor zijn geweten geen bezwaar.quot;
.dvo- âOm niet te zeggen, dat hij hoopte die papieren bij hem te
vinden en in zijne macht te krijgen, die hem zelf zoo gevaar-
r bij lijk konden zijn,quot; voegde Schout Gerrit er bij. âNu, kom met
nigs- mà j g'j zult uw zin hebben, al moet de vogel nog wat in de
: zei, kooi blijven om den wildzang te verloeren; ik ga zelf toezien dat de beperking zijner vrijheid hem niet al te ondraaglijk zal
56
zijn; uw bezoek zal hem welkom wezen, en hij zal beteren dunk krijgen van de menschelijke gerechtigheid. Om te beginnen, ga ik mijn onderschout duchtig de les lezen, die hem vast heeft gekweld en mishandeld.quot; Al sprekende had Schout Gerrit zijn mantel omgeslagen, zijn zwaren rotting met gouden knop gevat, en ging Graswinckel voor naar het zijvertrek, waar Bartels, in alle lijdelijkheid, al was het in bijna onlijdelijke onrust, stond te wachten.
Een tik met den rottingstok op zijn schouder, die lang niet zacht aankwam, waarschuwde den bedreigde dat het beslissend oogenblik voor den tocht was gekomen, die zeer kort zou zijn en waar de schuldige toch zóó tegen opzag, dat hij met knikkende knieën voortging, en telkens door eene dreigende vermaning van den Schout moest herinnerd worden, dat er wat haast bij was, en dat hij met talmen niets goed kon maken.
HOOFDSTUK II.
Het streed niet tegen het toenmalig gebruik, dat een persoon, dien men om de eene of andere reden van zijne vrijheid meende te moeten berooven, voor korter of langer tijd geherbergd werd in het huis van den onderschout. Bankroetiers, die nog wat gouds hadden weten te redden uit de schipbreuk hunner fortuin, zonen van welgestelde ouders, die zich tegen de publieke orde vergrepen hadden, of wier verwanten zeiven het raadzaam achtten hen in hunne vrijheid te beperken, en der-gelijken, werden op die wijze verschoond van publieke gevangenis en aan do bewaring van den onderschout toevertrouwd. De persoon in quaestie, of de verwanten in zijne plaats, betaalden daarvoor dan een ruim kostgeld, dat de gastheer en zijne vrouw op iedere bedenkelijke wijze wisten te verhoogen. Wie de middelen had om aan deze eischen te voldoen, en de lijdzaamheid om zich iedere afpersing zwijgend te laten welgevallen, werd er goed behandeld en genoot alle voorrechten en vrijheden, die met zijne bewaking vereenigbaar waren; maar wie niet bij machte was, zijn verblijf in die dure, gedwongen herberg met handen vol gouds te betalen, was er slechter aan toe dan zoo hij geplaatst ware in de ordinaire gevangenis. Daar althans was toezicht, er heerschte regel en orde, die noch door den cipier, noch door zijne handlangers straffeloos kon overtreden worden. In z|jn eigen huis daarentegen was de on-
58
derschout heer en meester zonder controle, en wie zijne kwade ^
luim opwekte of zijne inhaligheid kon noch wilde voldoen, was z
ter prooi aan zijne willekeur en aan de smadelijkste bejegening. z
De beklagenswaardige Juliaan bevond zich in dat geval. n
Daar hij alleen door eene bijkomstige omstandigheid en, [j
naar de meening van Bartels, slechts voorloopig ten zijnent was v
geborgen, om zoo ras de gelegenheid toeliet naar de alge- ji meene gevangenis overgebracht te worden, had hij met zijne
vrouw overlegd, dat het zonde en jammer zou zijn, voor die g
korte uren of dagen de deftige gevangenkamer in gebruik te ti
stellen. En daar het haar pronkvertrek was, dat alleen ten be- g
hoeve van zekere gasten in beslag werd genomen, was de zin- o
delijke huisvrouw zeer in haar schik met dit besluit. Maar in- n
tusschen moest er toch op de bewaring van den gevangene d
worden voorzien, en daartoe bood het huis ongelukkig geene t(
geschikte gelegenheid, dan dat ééne achter-bovenvertrek; âop z
een zolderkamertje,quot;â had vrouw Bartels voorgeslagen, âmaar b
daar kon hij door het dakvenster ontsnappen âzoo'n fielt!quot; o
De moordenaar van den Prins moest zekerder geborgen wor- n
den. Al had hij de handboeien aan, dat zou hem wel niet t(
hinderen in de vlucht; â neen â er zat niets anders op, dan a
hem in den kelder te bergen, den kelder die geen uitgang n
had dan in de keuken, door een zwaar luik met ijzeren gren- o
dels verzekerd, en die licht noch lucht bood, dan door eene ei
smalle opening met zware tralies voorzien, die zoo dicht aan- t(
eengesloten waren dat er geen poes door kon. h
Het was er wel wat muf en wat vochtig, en het kon eigen- g
lijk geen verblijf voor een mensch genoemd worden, dan, 't g
was toch maar voorloopig, en in den âdiefputquot; onder 't Stad- g
huis zou hij het ook zooveel beter niet hebben. En al schudde g
de goede vrouw wat meêwarig het hoofd, ze vond zelve dat er g
niets anders opzat: âmen kon den gevangene niet in de keu- h
ken laten staan, of in de huiskamer laten rondloopen!quot; Deze h
59
fade werd dus naar beneden gebracht, en moest zelf maar zien hoe
was zieh daar te redden. Er was wel een leêge bierton om op te
'ii'S'- zitten, en âiemand die geen penning op zak had kon wel een nacht zonder bed,quot; oordeelde Bartels; hij was voorloopig ge-
en, borgen, en ziedaar alles wat er noodig was. Hij droeg zijne
was vrouw op hem eene kruik water te brengen en een stuk grove
ilge- mik, en daarmee was het zóó wel.
zijne Des anderen daags was dr. Graswinckel gekomen met eene
⢠die goede som tot borgstelling voor den gevangene, om zijne vrijheid
!lt; te te bewerken: die poging, zooals wij reeds begrepen, had alleen
i be- gestrekt om Bartels te bcvoordeelen, die het onnoodig vond
zin- om daarna het lot van zijn gevangene te verzachten. Deze wist
r in- niets van die tusschenkomst; geen schepsel zou tot hem door-
gene dringen buiten Bartels en diens vrouw; die vrome Wonderdok-
;eene ter had niet veel kans Schout Gerrit in den eersten tijd te
âop zien te krijgen, en eerst als deze in de zaak van Juliaan eene
ar beslissing had genomen, hetzij om hem te verhoeren, hetzij
elt!quot; om hem naar elders over te brengen, behoefde men andere
wor- maatregelen te nemen. Men ziet hot: Bartels meende niet veel
niet te wagen met den bekenden menschenvriend te bedriegen en
dan af te zetten, en een slachtoffer te mishandelen, waar niemand
gang naar om zou zien, toen hij plotseling werd verrast door de
gren- ongewachte belangstelling van den Schout in den gevangene,
eene en diens voornemen om persoonlijk kennis te nemen van diens
aan- toestand! Zoo iets gebeurde zelden, en alleen dan, wanneer het personen van aanzien betrof, die uit den aard der zaak
igen- goed verzorgd werden, zoodat men hot bezoek van den Schout
an, 't gerust kon afwachten. Maar nu! â den gestrengen Heer, ver-
Stad- gezeld van den man dien hij afgezet had, zelf te moeten voor-
mdJe gaan naar zijne woning, naar hot vunzig verblijf onder den
at er grond, waar de ongelukkige lag te verhongeren, en de zeker-
keu- heid voor oogen, dat de ontdekking van zijn wanbedrijf onver-
Deze biddelijk zou gestraft worden, maakte den laaghartige bijkans
60
waanzinnig van angst. Ook stortte hij zijne huisdeur binnen als z[a,
een woesteling, zonder den Schout en diens metgezel de voor- me|
trede te geven, en zijne vrouw toeroepende met eene tril- me]
lende stem, dat zij hare pronkkamer moest opensluiten om de den
heeren te ontvangen, men zou dan den gevangene derwaarts leiden. de;
âIk heb u gezegd, dat ik den gevangene wil bezoeken in ged
het verblijf waar hij zich nu ophoudt,quot; beet de Schout hem tini
toe, âis het te ongeschikt, om mij te ontvangen, zooveel te rig
erger; maar meen niet, dat ik je den rooden hemdrok') spa- ech
ren zal, als hij verdiend is.quot;' seh
Bartels kon niets antwoorden, maar wankelde hen voor naar mei
de keuken, zonder den wenk te begrijpen van zijne vrouw, die mei
zelve in zichtbare verlegenheid was geraakt bij het binnentre- één
den van haar man, gevolgd door âde Heerenquot;; maar hare diei
consciëntie was vrij wat geruster dan die van haar echtgenoot, mai
en zij bezat meer tegenwoordigheid van geest. Zij vatte do gen
reden waarom hij in radeloozen angst verkeerde, en besloot niei
met kloekheid den toestand te beheerschen, al was het dan gev
ook ten koste der waarheid, hee
âZoo hier misdreven is, gestrenge heer Schout! ben ik de A
schuldige; mijn man heeft mij geene klare orders gegeven sin;
omtrent den gevangene, en zoo heb ik hem gehuisd en ge- niel
tracteerd, naar ik meende dat het behoorde. Wilt de trap C
opstijgen â hij zit in de groote gevangenkamer!quot; goê
Stokstijf van verbazing bleef Bartels staan â bleek als een den
doode â en toch zijne vrouw aanstarende met een wezen- dat
loozen lach. het
âIk zal je het waarom later zeggen!quot; fluisterde zij hem in, gev
terwijl zij hem den sleutel in de hand drukte en bijkans de i'icl
trap opstiet, daar hij nu weer verzuimde den Heeren voor te gaan. daa
Wij begrijpen dat Bartels oorzaak had tot die uiterste verba- -
dat
1) Eene bloedige geeseling. kwi
6)
Is zing- Toen de deur was ontsloten, en men de ruime kamer
r- met het donker eikenhouten beschot was binnengetreden, zag
1- men Juliaan op zijn gemak zitten in een grooten armstoel, bij
Ie den hoogen schoorsteen, waaronder een vroohjk vuurtje brand-
n. de; zijwaarts af stond eene tafel met eene bont geruite dwale
in gedekt, waarop verschillende vleesehspijzen geplaatst waren, een
m tinnen kroes, een schenkkan met wijn en een mandje met keu-
te rig wit brood, in één woord, een overvloedig koud maal, dat
a- echter nog niet was aangeroerd. Achter eene soort van tocht
schut, dat het vertrek in tweeën scheidde, was eene bedsteê ir met opengeslagen deuren, waarin versch geschudde kussens
ie niet hun âpluymighe fluwijnenquot; als tot rusten noodigden. In
e- één woord, niets ontbrak er van 't geen tot het comfort van
re dien tijd en deze plaats kon geacht worden te behooren. Xie-
it, mand, zelfs niet Bartels, was zoo verrast Juliaan in zulk een gunsti-
ie gen toestand te vinden, als Schout Gerrit zelf, die, door een
ot niet ongerechtigd wantrouwen gedreven, het voornomen had
m gevat, om hot ondersteld wanbedrijf van zijn onderhoorige op
hecterdaad te betrappen.
ie Wij moeten hem het recht doen te zoggen, dat do vergis-
m sing, die zoo geheel in 't voordeel van den gevangene was, hem
e- niet uit zijn humeur bracht.
ip Glimlachend klopte hij nu Bartels op den schouder en sprak
goelijk: âZijt gerust! de vrouw heeft het goed gemaakt voor in den gevangene en voor u. Het is geheel naar mijne intentie,
ti- dat men hem behoorlijk tracteeren zou. Ik begrijp nu wel hoe
het dus uitgevallen is. Dokter Graswinckel is als gewoonlijk mild n, geweest, en gijlieden lieb de zaken hier naar zijne gulheid inge-
le richt; dat is braaf gedaan, schoon het wijzer ware geweest mij
n. daarin vooraf te kennen.
a- ^11 laat ons samen! Gij, Jacob Jansz., houd u schuil achter
dat schut, het zou tegen de afspraak gaan zoo gij u terstond kwaamt te vertoonen.quot;
62
Juliaan, die met den rug naar de deur toegekeerd zat, was
zoo diep in eigen gedachten verzonken, dat hij noch de schre- lukte
den der naderenden, noch de fluisterende stem van den Schout sleut
had gehoord. Hij zat dus roerloos, alsof hij in diepen slaap was kou
gevallen â en mogelijk was dat zoo. zien
Zoo ras hij vrijheid had om te gaan, vloog de onderschout schei
de trap af om zijne verwarring te verbergen, en zijne vrouw aanv
opheldering te vragen van het initiatief door haar genomen, kend
waardoor zij hom echter van zijn wis verderf had gered. Zij weu
had niet veel moeite om hem te bevredigen. Zij liet hem eene van
welgevulde beurs zien, en gaf hom verslag van het voorgeval- trad:
lene, zonder van haar eigen goeden wil te gewagen, die tot ti^e
de plotselinge verandering in den toestand van den ge van- en (
gene had medegewerkt; want zij had in Juliaan reeds terstond grijp
wat anders gezien, dan haar echtgenoot goedvond te zeggen: kostl
dat was geen woeste moordenaar, die diepgebogen man, die wasc zich lijdelijk liet voeren waarheen men wilde, en geen enkele ' licht
klacht slaakte, noch eenigen weêrstand beproefde, zelfs niet in al \v
woorden, bij de grove mishandelingen die men hem aandeed. oude Geboeid, als een stuk slachtvee naar hare woning gedreven, Tc
had hij met een somber zwijgen, waarbij alleen zijn sprekende schei
blik getuigde tegen het gruwzame onrecht dat er jegens hem hare
werd gepleegd, de beraadslaging aangehoord tusschen man en belia
vrouw over de wijze hoe mon hem zou herbergen, die eindigde dig 1
met hem door een kelderluik te stuwen in een vunzig en vochtig met
hol. Dat had de goedhartige vrouw voor hem ingenomen en loom
met diepe deernis vervuld. Zij had die al terstond willen toonen, om 1 door hem van goed voedsel te voorzien, dan, haar onbarmhar- W
tige echtgenoot beweerde, dat hij wat hard moest behandeld Een
worden, totdat hij zijne euveldaad!! had beleden; en zoo bleef die
dat mededoogen onvruchtbaar. Er moest hulp komen van bui- leiba
ten, zou de ongelukkige Juliaan niet in jammer en ellende ver- getrc
gaan. En werkelijk, die kwam er! In (
63
vas Mabelia Graswitickel was welhaast onderricht van de mis-
re- lukte poging door Jacob Jansz. aangewend, om met den zilveren
jut sleutel den kerker van zijn beschermeling te openen, maar zij kou daarin niet lijdelijk berusten. Haar oom mocht zijnerzijds zien wat hij door Schout Gerrit kon verkrijgen, zij wilde intus-
mt sehen beproeven, wat er te winnen was door een vernieuwden
nw aanval op de vesting der Bartelsen, waarvan zij de zwakke zijde
en, kende, en waardoor haar waardige vriend in zijn goed vertrou-
Zij wen zich wat al te spoedig had laten afschrikken. De vrouw
ine van den onderschout, die met een groot gezin was bezwaard,
al- trachtte door den arbeid harer vlugge vingeren de twijfelach-
tot tige inkomsten van haar man te gemoet te komen: zij waschte
in- eu dichtte kanten, een beroep dat niet iedereen kon aan-
md grijpen, eu dat toch veel te pas kwam in een tijd, waarin het
ïn: kostbare speldewerk zoo druk werd gebruikt. Bij de kanten-
die waschter kon Mabelia Graswinekel wel binnengaan op klaar-
ele lichten dag, zonderdat het iemands bevreemding zou wekken,
in al wist men dat de Vlaamsche Katelijne de vrouw was van den
ed. onderscliout.
en, Toevallig was jufter Mabelia in bezit van kanten, die gewas-ide schen en hersteld moesten worden; eene aanstaande bruid heeft em hare kanten noodig, en het was niet te verwonderen dat Ma-en belia ze zelve bracht, om de leemten aan te wijzen en op spoedde dig herstel aan te dringen. Vrouw Katelijne, zeer in haar schik tig met een nieuwen klant, die blijkbaar goed werk ruim dacht te en looneu, maakte een praatje en noodde haar binnen te gaan en, om wat uit te rusten. Mabelia liet zich trekken, ar- Wat een gejoel in die binnenkamer, al was zij hoog en hol! eld Een kleine hier in den kinderstoel met de rinkelbel. Eene kleine, eef die zich al groot noemde, ginds met den valhoed op, aan den ui- leiband door een ouder broertje bestuurd â heen en weer er- getrokken vooral, wat tot schreien en knorren ruime stof gaf.
In de wieg nog een kleine die slechts bij maanden telde, en
I
de andere vier liepen school bij de matres! âOp den stouten
jongen na, die zijn zusje plaagde, allemaal meiskes,quot; klaagde lic
vrouw Bartels; âwat zou men er met aanvangen ? en geen hulp ||0
dan van Trinette,quot; de nijvere dertienjarige, die zoo dicht mo- ka gelijk bij het kruisraam zat, met het groene kantkussen op den
schoot, om het eenige licht op te vangen dat uit de hoogte Soi
naar binnen viel. Y1
Deelnemende vragen van Mabelia, aanbieding van hulp en
goeden raad voor de toekomst, gretig opgevangen en toch nau- oij.
welijks verstaan door het getier en geraas van de kinderen - gel
als gewoonlijk onrustiger en ongezeggolijker, zoo haast zich eene va
vreemde vertoont; â voorstel om naar de keuken te gaan, liti
âwaar het rustiger praten zou zijn, als het de jufter niet te veel 2)ai
moeite was.quot; doi
Het was de jutter niet te veel moeite, en daar raakte men wa
op het onderwerp dat Mabelia niet al te spoedig had durven bu
aanroeren. Vrouw Bartels bekende gulweg hoe het met den gc- als
vangene stond, en hoe slecht die gehuisd en gehandeld moest zw
worden, naar het voorschrift van haar man; âniet omdat hij mc
zooveel erger is dan anderen, die bij ons gezeten hebben,quot; ver- dai
zuchtte Katelijne, âoch, neen! het was hem wel aan te zien, de;
maar omdat hij geeen rooien penning gelds had â en haar man zij]
weinig vertrouwen scheen te hebben op gunstige disposition te ocl
zijnen behoeve van wege de justitie â de goede vrouw was gel
blijkbaar onbekend gebleven met de afzetterij door Bartels op zui
Oraswinckel gepleegd. , nac
âMaar als iemand van zijne bekenden â ik â bij voorbeeld en
â nu eens rijkelijk in de kosten van zijn onderhoud wilde gel
voorzien ?quot; gin
âDat zou wat anders zijn, dan zou ik het wel op mij nemen; al?
Bartels het mooie zilver mag tellen kan men hem zwart voor dei
wit wijs maken.quot; gee
âZeg dan maar hoeveel er wezen moet!quot; koe
64
65
Vrouw Katelijne kwam in de détails: âdrie schellingen voor licht, acht schellingen voor een goed turfvuur â wel te onderhouden, twee pond Vlaamsch voor het gebruik van de pronkkamer met inbegrip van bed en bolster . . .
Mabelia haastte zich in te vallen met het aanbod eener ronde som, groot genoeg om de stuivers en schellingen en ponden Vlaamsch, die haar werden voorgecijferd, te overschreeuwen.
De overeenkomst werd aangegaan, maar zij kon nog dien eigen dag niet ten uitvoer worden gelegd; zij had nog allerlei schikkingen te maken, eer de pronkkamer gereed was ter ontvangst van den âgastquot;. Sinds de jonker als een heer van qua-liteit moest bediend en behandeld worden, moest zij een oppasser aannemen, zooals zij bij zulke occasie gewoon was te doen, daar haar eenige dienstbode niet voor alles toereikend was. En die maatregelen moesten in stilte genomen worden, buiten Bartels om â die in het fait accompli zou berusten, als het maar goed verzilverd was â maar vooruit allerlei bezwaren zou opperen, die vrouw Katelijne maar zouden belemmeren. Het eindigde daarmeê. dat Juliaan eerst den anderen daags zou verplaatst worden, zoodra Bartels den rug had gewend; deze bleef dan urenlang uit, in zijn ambt bij den Schout â in zijn toezicht op het stadhuis â âen de joffer kon zelve in den ochtend komen om te zien of alles naar haar genoegen was aangelegd. De juffer beloofde haar en zich zelve, dat niet te verzuimen; zij zou dan het geld meêbrengen en overhandigen, nadat zij zich overtuigd had, dat de gevangene het goed had en tevreden was. Uit het gebeurde met haar oom had zij geleerd, dat men het met deze menschen niet op eene toezegging moest laten aankomen.
A oor de tweede maal met het welgevulde marktemmertje aan den arm bij de kantwaschster binnen te gaan, was voor Mabelia geen bezwaar; iedere deftige huisvrouw of juffer deed hare in-koopen zelve en Mabelia was daarbij gewoon, in navolging van
Wouilerdokter. II. 5
66
haar oom, bij armen en zieken binnen te treden, om hulp en verkwikking te reiken. De praatzuchtigste buurvrouw kon er geen ergernis uit nemen, en zij zou aan Jaeob-oom den uitslag harer pogingen biechten, al vond zjj het beter hem niet vooraf over dien stap te spreken. Zij ontmoette den goeden dokter op zijn weg naar Schout Gerrit â reeds zoo herhaaldelijk een ver-geefsche. Zij ontmoette Antony, die voorstelde haar een eindje te vergezellen, wat dankelijk werd afgeslagen. Zij trad met blijde haast het huis van den onderschout binnen â vast besloten om met kloekheid over de belangen van Juliaan te spreken â en toch â toen zij voor vrouw Katelijne stond, die haar verzekerde, dat alles in de beste orde was, versaagde zij, en ving haar hart aan te kloppen met een hevigheid, die haar dwong te gaan zitten en den neusdoek voor haar gelaat te houden, opdat Katelijne haar verbleeken niet opmerken zoude.
Hoe kwam dat? Het voorstel van vrouw Bartels: âof de joffer nu maar eens meê boven wou gaan om den gevangene te zien, en van hem zelf te vernemen of hij tev.-eden wasquot; â hoewel het natuurlijk gevolg van hare afspraak, v'el haar in eens op het hart als een ontzettend bezwaar, waaraan zij niet wist te ontkomen, en dat zij zelfs niet mocht afwenden. Zij zou dan dat onderhoud hebben met dien Juliaan, waarop zij zoolang reeds had gepeinsd; zij zou nu de zekerheid verkrijgen, dat hij de man was, die hare jeugdige verbeelding eens had ontvlamd, aan wien zij dankbaarheid schuldig was, en reeds zulk een groot offer had gebracht, of wel â- dat zij zich deerlijk had vergist, en dat deze vreemde geene andere rechten op haar had dan die der algemeene menschenliefde. Zekerheid, die had zij verlangd, en zij zou die nu verkrijgen â maar tot welken prijs? â Hoe zou zjj zich aanmelden â hoe zou hij haar ontvangen â de woeste, vermetele man, door de aanraking met den âWonderdokterquot;' wel gelouterd, maar â hoe ook nu weer getergd en verbitterd, door het schreeuwend onrecht tegen hem
67
I
en gepleegd. De tijd tot overweging werd haar niet meer gelaten,
Ben zij incest handelen.
rer _Wil de joffer nu maar volgen?quot; sprak vrouw Bartels, dio
ver den loop harer geda.ehten niet had kunnen raden, en alleen
zijn vond dat zij er wat ontdaan uitzag, âof zal ik eerst een glas water
'e'- halen ? De joffer is er wat ontsteld af', dat komt van de ongewoonte,
'dje ik krijg zoo menig gevangene te zien, mij doet het niets meer.quot; jjde Ik heb niets noodig, vrouw Bartels, ga maar voor!quot; sprak
'ten nu Mabelia, besloten zich zelve te overwinnen en sterk te zijn.
âAls de joffer maar ééns binnen is, zal het over zijn,quot; be-
'rer- moedigde Katelijne, de trap opgaande; â'tis wel eene gevangen-
ing kamer, maar 't Is niets akelig; daar zijn maar wat tralies van
ong buiten â alleen... gij moet niet schrikken van zijne boeien,
len, want die mocht ik op mijn eigen houtje niet afnemen.quot;
In boeien! de beklagenswaardige! â Er viel troost te bren-
jof- gen - hoe kon zij nog zwak zijn! was de gedachte die Ma-
3 te belia snel als het licht door het hoofd ging, en â reeds had vrouw Bartels de deur geopend - zjj trad binnen. Katelijne
iens had de bescheidenheid, of de onhandigheid, zich onverwijld te
wist verwijderen, na de deur wel te hebben gegrendeld, om het aan
dan Mabelia zelve over te laten hoe zich aan te melden. En deze
ang trad langzaam en wat schuchter vooruit, begon met haar markt-
dat emmertje op de tafel te zetten en een opmerkzamen blik te
ont- geven aan het vertrek. Zij had er den tijd toe, want Juliaan
julk stond met den rug naar haar toe gekeerd voor het vuur, en
i'lijk scheert zich te verkneukelen aan de milde warmte; eene wreelde,
mar die het verblijf in den vochtigen kelder hem te meer deed
had waardeeren. Hij had het geritsel aan de deur wel opgemerkt,
Iken en wachtte den quot;oppasser te zien, dien vrouw Bartels hem had
ont- toegezegd. Toen hij zich omkeerde, stond Mabelia Graswinckel
met voor hem! Hij trad schielijk achteruit, als ware hij eer verschrikt
veer en beschaamd dan aangenaam verrast, en noemde haar naam
hem 0P den toon der hoogste verwondering.
68
Blijkbaar had vrouw Bartcls woord gehouden en haar niet genoemd als do bewerkster van dien gunstigen omkeer in zijn toestand. Mabelia zelve, schoon ze wist wie ze zien zou, was niet minder verrast; maar hot was eene blijde verwondering, die haar weldadig aandeed. Zij had zich nog den verwilderden Juliaan voorgesteld in zijne havelooze kleedij, en verbeeldde zich, dat hij er nu nog meer verarmd en vervallen zou uitzien. Al wist zij, dat de kennismaking met Graswinckel een goeden invloed op zijn gemoed had geoefend, nog zou die niet uit zijn voorkomen spreken, meende zij. Jacob-oom was zeer sober geweest met zijne mededeelingen omtrent Juliaan, en zij kon niet raden, met hoeveel goed overleg deze voor zijn patiënt gezorgd had.
Juliaan had gebruik gemaakt van de gelegenheid, hem door vrouw Katelijne geschonken, om zich wat op te frisschen en de wanorde in zijn voorkomen te herstellen; geen overbodige zorg, na zijn herhaald overnachten in een vochtig hol; en schoon zijne kleeding vrij wat van den glans der nieuwheid verloren had, bij de ruwe bejegeningen die men hem had aangedaan, het deftig en degelijk zwart gewaad verschilde toch zooveel van do armzalige plunje, waarin Mabelia hem kort te voren had gezien, dat het haar voorkwam of de gansche persoonlijkheid er door veranderd was. Geen ongorodderde woesteling stond daar nu voor haar, maar een man, wiens bleek, ernstig gelaat, wel van grievend lijden getuigde, maar tegelijk van eene onderwerping aan zijn lot, die even ver was van lage verstomping als van roekeloozc lichtzinnigheid. Geen gloed van wilde verbittering lichtte meer uit dat oog, dat slechts van diepen weemoed sprak; geen schampere lach vermomde meer hot tandgeknars der vertwijfeling. De berooide luitenant, die zijn slordige plunje zoo schaamteloos overmoedig placht te dragen, had nu blijkbaar zekeren schroom te overwinnen, eer hij haar durfde naderen en toespreken, en er lag niets dan eerbiedige hoffelijkheid in den toon waarop hij zeide :
â
69
âJuffer Mabelia Graswinckel hier! Ik behoef nu niet meer te vragen, wie haar tot mij zendt, noch aan wie ik de gunstige verandering in mijn lot heb te danken.
Do mogelijkheid ds.t zij uit zich zelve kwam, scheen hjj niet eens te onderstellen; alleen als bodin van zijn vriend begreep hij haar bezoek.
Het griefde haar, het krenkte haar zelfs een weinig, maar zij vond het toch raadzaam hem vooreerst in dien waan te laten.
â Het gaf haar zeker aplomb tegenover hem, dat zij, in de uiterste verrassing over zijne gedaanteverwisseling, bijkans verloren had.
âWaarheid is, dat ik door mijn oom heb vernomen, hoe gruwzaam men u heeft bejegend.quot;
âO! dit bewijs zijner trouwe vriendenzorg treft mij diep,quot; hernam hij, zonder weerklank te geven op die uiting van haar medelijden. âIk wil het u beljjden, dat ik het noodig had, om nog te durven gelooven aan zijne onverandei'de liefde, aan zijne vergiffenis, na al het leed dat ik hem gewisseljjk heb aangedaan . .
âHij heeft zich ernstig bekommerd over u, en alle leed van anderen voelt en draagt hij mee, dat is zoo; maar hij wijt dat niet aan u, hij heeft zich geenszins over u beklaagd, al had hij gewenscht dat gij zijn raad hadt opgevolgd.quot;
âJuist, hij moet mij voor een ondankbaren snoodaard aanzien. Xa zoo door hem beweldadigd te zijn, zijn huis te ontvluchten, zijne waarschuwing niet te achten, en hem daarteboven schade te hebben toegebracht door woeste onoplettendheid, schade en teleurstelling juist in datgene wat hem zóózeer tor harte gaat...quot;
âHij heeft uw lot heklaagd, met de volle uitdrukking zijner liefde; over uwe handelwijze heeft hij zich niet beklaagd, wees daar gerust op; hjj staat boven alle kleingeestige gevoeligheid.quot;
70
âMaar zijne proefneming, het werk van jaren nadenken en goe
studie wellicht - is dat dan niet verstoord geworden, door Het
mijne onhandigheid bij die overhaaste vlucht?quot; vuu
âDaar heb ik niets van gehoord, en ik heb hem gesproken â
nog op denzelfden dag van uw heengaan.quot; âen
âNu! daarvoor zij God geloofd! dat is mij een steen van hot hun
hart gelicht,quot; en Jnliaan vouwde de handen in blijde verruk- â
king oj) de borst, zijne boeien vergetende, die de levendigheid niet
zijner bewegingen doorgaans belemmerden. ten
Het gerammel van het ijzer dreunde Mabelia door het hart. dat
Waar zij die kluisters niet kon ontsluiten, had zij die wel wil- zich
len meedragen, om hom te verlichten. Was hij niet de man, â
wiens ridderlijke arm haar eens in gevaar had beschermd? Ja! lich
hij moest het zijn. Zooals hij er nu uitzag, verbleekt, veran- te
derd, en do morkteekens van allerlei leed en lijden dragend, ove
het weelderig haar gekort en de fiere houding gebogen, had â
hij wel weinig overeenkomst mot den levenslustigen, opgewekten and
edelman, in prinselijk feestgewaad gedost, die eens hare verbeel- âge
ding had getroffen, maar de trekken waren niet gansch veran- in
derd; het hooge voorhoofd kwam nog even sprekend uit, al was tot
het met scherpe voren doorploegd, en waar eene zachtere mij
uitdrukking geheel hot wezen als veredelde, had het in hare nis.
meening eer gewonnen dan verloren, zonder aan de gelijkenis ook
te schaden. Zeker, hij was het, hij stond daar voor haar; en v
toch miste zij zelve, nu meer dan vroeger, den moed om hem ont:
de waarheid af to vragen; zelfs vond ze nog het best, om quot;en
hare meewarigheid als te verpersoonlijken in Graswinckel. kws
âMijn oom geeft zich alle moeite om uwe invrijheidstelling ^61'1
te bewerken, maar hij slaagde tot heden niet naar wensch: wij heb
vermogen vooralsnog niets dan uwe kluisters wat te verzachten,'' gee
sprak ze op een toon, die van hare ontroering getuigde. onr
âDat is meer dan waarop ik had durven rekenen,quot; ant- lt;;'aa
woordde hij met een droevig hoofdschudden. âIk verdien zooveel 1Ila!
71
i en goedheid en zorge niet,quot; en als voelde hij zich mat en moede,
ioor liet hij zich op een stoel neêrvallen en staarde peinzend in het vuur.
)ken âUwe vrienden zien dat anders,quot; hernam zij met goedheid, âen gij doet niet wel, zoo weinig op hun goed geheugen, op
het hunne trouw te rekenen.quot;
i'uk- âO! ik wist wel, dat hij, zelfs verstoord zijnde, mij nochtans
heid niet ganschelijk zou verlaten; maar ziet gij, ik kon niet wachten dat hij zoo spoedig mijn verblijf zoude uitvinden, veelmin
lart. dat hij juffer Mabelia Graswinckel zou bewogen hebben om
wil- zich zooveel moeite te geven voor mij.quot;
nan, âVerwondert het u werkelijk zóózeer, dat ik â ik â die
Ja! lichte taak op mij heb genomen, om in uwe betere verzorging
ran- te voorzien?quot; vroeg zij, wat getroffen door zijne bevreemding
end, over 't geen zij als haar naasten plicht beschouwde,
had âZeker niet!quot; hernam hij, nu weêr opstaande en zich ter
eten andere zijde van den stoel plaatsend, waartegen zij leunde;
«el- âgewis zijt gij zijne navolgster, zijne discipelin, in alle goeds,
ran- in alle liefdewerk: maar daaruit volgt nog niet, dat hij u juist
was tot mij zoude zenden om mijn lot te verzachten, om â wat
tere nijj meer zegt dan alles â de bodin te zijn van zijne vergiffe-
lare nis. Hij die mij kent in al mijne onwaardigheid, al kent hij mij
enis ook in mijn oprecht berouw.quot;
; eu âWelnu! is dat laatste dan niet genoeg,quot; sprak zij met diepe
lem ontroering â âen â en stel nu eens dat hij mij niet had gezon-
om den, zou het u dan zoozeer verwonderen dat ik uit mij zelve kwam? Zoudt gij niet gelooven, dat ik volgaarne een zwaar-
ling deren last voor u droeg en â daartoe ook wel mijne redenen
wjj heb?quot; â Zij durfde hem niet aanzien terwijl zij sprak; het-
311,quot; geen zij zeide, dacht haar al te -beslissend, om niet met zekere onrust de uitwerking harer woorden af te wachten. Juliaan
int- daarentegen, bleef haar gadeslaan met stijgende belangstelling,
veel maar altijd met eene bevreemding, die hij niet kon verbergen.
72
Engelen der vertroosting zoeken liefst die plaatsen op waar jjjj
de diepste smarten geleden worden,quot; antwoordde hij langzaam aanzie:
en met eenige aarzeling, als ware hij niet zeker of zijne opvat- grootel
ting in dezen de juiste was. _fj-jj
âOok zij die zich niet inbeelden engelen te zjjn, kunnen ge- beantv
dreven worden door de herinneringen aan bewezen diensten, om Hjj
zich over uiterlijke bezwaren heen te stellen,quot; antwoordde zij yen y£
met trillenden stem, âen om aan alle misvatting een eind te ma- âGij
ken' gij, gij zelf, jonker Juliaan, geheugd u niets meer van een Leyces
grooten dienst dien gij mij eens hebt bewezen ?quot; hem o
âHelaas! dit is ironie!quot; hernam hij, verslagen en met ge- Een
bogen hoofd; â âmaar â ik heb haar scherpen prikkel ver- of ven
diend. Gij wilt mij kwaad â met goed vergelden, en ik kan âVe
u niet antwoorden dan met de ootmoedige bede om vergiffenis, opgehc
dat ik mij zoo onvoegzaam heb aangesteld bij dat steekspel, geven,
waar ik mij zoo schaamteloos stout tot uw geleider heb opge- dien il
drongen,quot; al sprekende zonk hij op beide knieën neêr en hief zuehttf
de gekluisterde handen smeekend naar haar op. Mab
âWie spreekt van die dwaasheid!quot; hernam zij fier en forsch zij voc
bijkans, onder de aandoeningen die haar bestomuien. âWie âDu
zou ik moeten zjjn om den spot te drijven met een geketend den I)
man. Sta op, baron de Grhiselles! ik heb ernstig met u te âTo(
spreken.quot; dreeht
âBaron de Ghiselles!quot; riep hij, verschrikt oprijzende, âdie âToi
ben ik niet meer, die ben ik nooit geweest! Wat ik u bidden Beaum
mag, doe mij niet gedenken aan dat verleden, dat ik uit alle âVn
macht tracht te vergeten; wil mij gelooven als ik u zeg, dat langza
ik een andere ben geworden.quot; geheuj:
âIk wil u gelooven, wat meer zegt, ik zie het u aan ... en
ik begrijp uw tegenzin om naar een verleden terug te zien, danst?
waarmeê gij gebroken hebt â ook wil ik niet met ruwe aan- jHo
raking pijnlijke wonden openrijten; â ik wil alleen helderheid lend,
voor mij zelve, daar waar ik zoolang reeds in duisternis rondtastte.quot; zUn)
73
aar Hij haalde do schouders op en bleef voor haar staan â haar
iam aanziende met onrustigen, vragenden blik â als had hij zelf
rat- grootelijks behoefte aar. klaarheid.
,Gij moet wat geduld met mij nemen, en mij zekere vragen
ge- beantwoorden, die uw geheugen zullen te hulp komen.quot;
om Hij vatte een stoel en ging zitten, als om haar bewijs te ge-
z!j ven van zijne geheele bereidwilligheid.
na- âGij hebt voormaals verkeerd aan het hof van den graaf van
een Leycestcr â toen deze verblijf hield te Dordrecht?quot; begon zij,
hem opmerkzaam aanziende.
ge- Een donkere gloed kleurde zijn voorhoofd â iets als toorn
rer- of verontwaardiging flikkerde in zijn oog.
kan âVerkeerd â is niet het woord, jonkvrouw â ik heb er mij
nis, opgehouden, dat is waar, omdat de graaf mij een last had te
pel, geven, die . .. niet aan anderen kon worden opgedragen ... en
'ge- dien ik, bij later inzien, niet op mij had moeten nemen.quot; Juliaan
lief zuchtte, als onder den slag eener pijnlijke herinnering.
Mabelia scheen dat niet op te merken; onverbiddelijk ging
sch zij voort:
â Vie âDus waart gij er ook tijdens het feest, dat de graaf gaf aan
and den Dordschen magistraat en andere aanzienlijken?quot;
te âToen was ik er, ja! maar ik bon slechts zeer kort te Dordrecht gebleven .. ..quot;
die âToch lang genoeg om de kennis te maken van vrouwe de
ien Beaumont en hare nicht....quot;
illo âVrouwe â de .. . Beaumont en hare nicht,quot; herhaalde hij
dat langzaam en de hand aan het voorhoofd brengend, als om zijn
geheugen te scherpen; âik herinner mij niets daarvan!quot; en âXiets van dat jonge meisje, waarmeê gij herhaaldelijk hebt geen, danst?quot; vroeg zij, even het hoofd schuddend, met een pijnlijk lachje, an- nHoe zou dat konnen zijn?quot; hernam hij, de schouders opha-eid lend- âDe graaf had mij gelast op dat feest tegenwoordig te e.quot; zün) ''-it is waar, maar het was niet om te dansen!quot;
74
âWelnu! ik was er ook, en ik heh er gedanst,quot; viel zij in met zekere bitterheid; want dit bewijs van 't geen zij zijne onoprechtheid achtte, ergerde haar.
âDat laat zich denken!quot; hernam hij, even glimlachend; âeene juffer, in den eersten bloei der jeugd, zooals Mabel ia Gras-winckel toen moet geweest zijn ...
âEven vijftien â een kind bijkans â en dat blijkt wel â want zij moet schromelijk zijn veranderd.quot;
âDe rijpe zomer behoeft de vroege lente in schoonheid niet te wijken,quot; sprak hij, eene hoffelijkheid wagend, om de klimmende ontstemming der jonkvrouw te bezweren, die maar al te zeer uit hare trekken sprak.
âEene galante plichtpleging maakt geen slechte memorie goed, jonker Juliaan!quot; viel zij in, op een toon of zij hom verpletteren wilde met ieder woord dat zij uitte. âIk heb beter geheugen gehouden van dien éénen avond. Ik heb mijn cavalier bij het weerzien herkend, ondanks alle veranderingen die er met hem hebben plaats gehad. Weet gij wie die cavalier is geweest?quot;
âIk zie wel in dat gij mij bedoelt,quot; hernam hij, met een smartelijk hoofdschudden, âmaar ik zeg u het is onmogelijk, juffrouw Mabelia, het heeft niet konnen zijn ....quot;
âWaarom zijt gij dus weêrstrevig in het erkennen der waarheid ! Ik heb u immers niets kwaads te verwijten â ik heb alleen voor ridderlijken dienst en bescherming te danken: gebrek aan geheugen is immers geen misdaad.quot;
âNeen! maar het zou misdaad zijn u te misleiden, en voor waarheid te laten gelden, wat niet is geschied. Ziet ge, juffer Mabelia! ik ben een dolleman geweest, die in menigerlei woesï zingenot, bedwelming of opwekking heeft gezocht, maar geloof mij daarin â geloof â zoo mij zelfs te midden van dat woeste leven, het voorrecht ware tebeurtgevallen, eene jonkvrouw als Mabelia Graswinckel dienst te verleenen, haar, ware 't eene enkele maal slechts, ten dans op te leiden, ik zou haar herkend
75
hebben tot in de grijsheid! Mijn leven is wel zóó arm geweest in geluk, dat ik zóó liefelijke verschijning nooit weêr uit de gedachtenis zou hebben verloren â daarop durf ik mijn woord geven als edelman, zoo gj daarop nog vertrouwen wilt!quot;
âNu weet ik welk vertrouwen dat woord verdient!quot; riep zij heftig, met onuitsprekelijke bitterheid en minachting op hem neerziende. âGij wilt de waarheid zelve tot leugen maken. Wie zoo liegt kan een dief, kan een moorder .zijn â⢠Antony heeft gelijk! O mijn God!quot; en zij zonk als machteloos op den stoel, waartegen zij was blijven leunen â en barstte uit in hartstochtelijk schreien; de smart had den toorn overstemd.
Mabelia Graswinckel had zich in 't gevaar begeven, en hare kracht was er bij ondergegaan. Zijnerzijds was Juliaan ook niet kalm gebleven onder hare vergissing. Hij was opgesprongen. Een purperen gloed overtoog zijn gelaat, de oogen schoten vlammen, het rammelen van het ijzer getuigde, hoe zijne ledematen trilden van drift. Maar op eens werd hij doodsbleek, hief den blik naar hoven â en tranen doofden den wilden gloed van zijn oog. Hij sloeg zich op de borst, als om den hartstocht die daar stormde te bedwingen, en wierp zich op de knieën, terwijl hij haar toesprak met gebukten hoofde en met eene stem, waaraan hij vastheid trachtte te geven, hoewel die nog sidderde en eerst langzamerhand tot kalmte kwam.
âDat alles wat gij daar zegt, jonkvrouw, ben ik geweest; ik heb het voor God en voor uw waardigen bloedverwant beleden, en mij daarvan berouwd met een berouw, zoo waarachtig en zoo oprecht, dat ik met Gods genade mag zeggen: ik ben dat niet meer â ik draag in mjj de verzekerdheid van do ontferminge Gods, die den weêrspannige heeft gezocht, den verslagene heeft opgericht uit de diepste gezonkenheid, om hem vrij te maken van zwaardere ketens dan deze hier. Op mijn schuldig hoofd, onder een wreeden vadervloek gebukt
76
en verwilderd, heeft de waardige dienaar Gods, in naam zijns Meesters, zegenend de handen gelegd! Zoo zou ik het dan vrijelijk mogen opheffen en antwoorden op uw verwijt: dat alles is achter mij geworpen; wat heb ik tegen u misdaan, dat gij er mij weer meê komt belasten? â Dan, ik heb mijne schuld voor de wereld nog niet geboet, en zoo buige ik het hoofd onder iederen smaad en smart, die men mij wil aandoen, en zoo zegge ik: ja Mabelia, ik bon de edelman die zjjn adeldom heeft verbeurd, ik ben de man, die gemoord heeft, en die roof en moedwil heeft gepleegd, maar een valschaard en een leugenaar ben ik nooit geweest; aan toomelooze hartstochten heb ik botgevierd, maar van list en bedrog heb ik altijd een afkeer gehad, en â nu Christen geworden â weet ik dat de leugen zonde is, zonde voor flod; en als Christen zeg ik u de waarheid: de misvatting ligt bij u, bij u alleen; ik ben niet dien gjj meent, gelooft gij mij nu?quot;
Zij bleef zitten, met het hoofd in de hand gerust, sloeg even het vochtige oog op hem, en sprak in de diepste ontmoediging. âIk moet wel; maar waarheid is het toch, dat ik met den baron de Ghiselles heb gedanst â den baron de Ghisel-les, die uw sprekend evenbeeld is. Hij zelf heeft gezorgd, dat ik zijne trekken niet uit het geheugen kon verliezen! Ziequot; â en zij rukte hare keurs los, en bracht een miniatuur-portret en médaillon te voorschijn, dat zij hem toewierp ââdit aandenken schonk hij mij in ruiling van een sieraad, dat hij mij afdwong. Wie anders dan de zoon kan de beeltenis des vaders bezitten!quot;
Men had werkelijk het portret van den ouden baron de Ghiselles maar te zien, om in Juliaan zijn zoon te herkennen.
âMaar een rechtgeaard zoon geeft de beeltenis zijns vaders niet weg!quot; riep Juliaan, terwijl hjj het met vochtige oogen beschouwde en er de sidderende lippen op drukte! âO! mijn vader, mijn vader! waarom de slang aan uw hart gekoesterd, die u omkronkelt en u de hartader zal afbijten? â Waarom
77
den zoon verstooten, die bij al zijne schuld, toch een kinderlijk hart heeft om u lief te hebben ? Daarop zich tot Mabelia wendende, en nu voor het eerst het hoofd tot haar opheffende en haar aanziende, met een diep gevoel, waarvan zijne groote, heldere oogen nog konden tintelen, sprak hij:
âVerwaardig u mij aan te zien, jonkvrouw â en raadpleeg uwe herinnering, of cr ondanks de sprekende gelijkenis, die er tot mijn verderf bestaat tusschen dien man en mij, niet een groot verschil is in den blik -- in de kleur â der oogen â het eenige in waarheid, dat ons opmerkelijk onderscheidt.quot;
En Mabelia trachtte aan dien eisch te voldoen; maar zij sloeg slechts even een vluchtigen blik op hem. Als beschaamd en in verwarring sloeg zij de oogen neer. â Ja! zij was wel overtuigd, zonder scherper onderzoek, maar te meer gevoelde zij haar ongelijk over de hardheid die zij tegen hem had gepleegd, en de houding die zij tegen hem had aangenomen. In hare verslagenheid en onder haar zelfverwijt, wendde zij schielijk het hoofd af, opdat hij den diepen schaamteblos niet zien zou, die haar gelaat overtoog.
âMijn geheugen schiet te kort om die vergelijking te maken,quot; hernam zij, âmaar toch ik geloof u nu wel â ik heb mij zonderling vergist; vergeef mij dat ik u zoo lang kwelde om tot mijne zekerheid te komen â die was mij noodig...quot;
âZoo noodig,quot; hervatte hjj nu, zich opheffende en een paar schreden naderend, âdat ik u zelfs de wreedste waarheid niet sparen kan, om u elke begoocheling omtrent den bedoelden persoon te ontnemen. Zoo gij tot hem in eenige betrekking staat, moge God u genadig zijn, jonkvrouw! want hij is een onwaardige, wiens gansche leven en bestaan niets is dan één lang en kunstig bedrog â hij is de gevleeschte leugen â en gij â engel des lichts, die de leugen haatgij moet liever uw eigen harte verscheuren, dan zijn gedenken daarin bewaren.quot;
âIk sta niet tot hem in eenige betrekking,quot; sprak zij met leven-
digheid; âmaar hij heeft mij ridderlijken dienst bewezen en bescherming verleend tegen ruw geweld, en daar af heb ik een dankbaar geheugen gehouden.quot;
âDie dankbaarheid zou u duur te staan komen, zoo hij kende weten, dat gij haar kweektet!quot;
âEr schijnt tusschen n en hem familiehaat te bestaan; is het wel geoorloofd, dien haat te voeden en zóó hard te oor-deelen ?quot;
âIk strijde tegen dien haat uit alle macht. Hij is mijns vaders zoon, al is hij basterd, maar toch mijn broeder. Helaas! de familietrek wijst het onloochenbaar uit, dat we van een zelfde bloed zijn; hij heeft mij verdrongen uit mijns vaders huis en hart; alle voorrechten van rang en fortuin, die mij toebehooren, zijn op hem overgegaan; hij voert den titel van baron de Grhiselles, dien ik alleen het recht had te dragen, en ik heb niet eens meelde vrijheid mij tegen dat onrecht te verzetten. En och! of hij het daarbij had laten rusten â maar hij haat en hij vervolgt mij met een doodelijken haat, al weet hij dat ik hem niet meer in den weg kan zijn; hij haat in mij zijn eigen onrecht, zijn eigen bedrog; hij haat in mij, dat wat geen vadergunst, geen vorstenmacht hem vermag te geven, hij haat in mij den wettigen zoon! Ik wil het u niet verhelen dat ik dien haat met woeker heb weêrgegeven. Aan mijns vaders wil heb ik mij onderworpen, al versteende zijne hardheid mij het hart; onder den overmoed van den indringer heb ik mij nooit gebogen, maar ik heb hem kwaad voor kwaad vergolden uit alle macht. Nu gij mjj gedwongen hebt weêr tot dat verleden in te keeren, herinner-ik het mij zeer goed, dat hjj in die dagen aan het Hof van Leycester de rol heeft gespeeld, die aan zijn karakter was ge-eigend â spion en verrader â voor Panna, in schijn met eene zending om de belangen des vredes te behartigen. Het is mij gelukt hem aan den graaf te doen kennen voor hetgeen hij was, en ik zou toen niet geschroomd hebben hem over te leve-
79
ren aan de straf, die hij ter nauwernood is ontkomen; maar dat alles is nu bij mij anders geworden. I)t» wondre dokter heeft mij geleerd, om van dit kwaad naar genezing te trachten, en â u mag ik dat vertrouwen, Mabelia â ik ben vastelijk besloten mij zelf daarin te overwinnen, en het bewijs daarvan zal ik leveren ten koste van mijn eigen bloed en eer wellicht. Maar, dat hij zich met één slachtoffer vergenoege; dat hij geen engel van goedheid, dat hij geene reine, edele jonkvrouw als Mabelia Graswinckel in zijne netten wikkele, of ik verzaak de lankmoedigheid, en ik zal spreken en gerechtigheid aan hem oefenen, en hem doen kennen voor hetgeen hij is!quot;
âMaar.... daartoe zal het niet behoeven te komen,quot; viel zij in, eenigszins verwonderd over zijne hartstochtelijke onrust; âzoo ik eenige gemeenschap met hem had gehouden, zou mijne vergissing immers niet mogelijk zijn! Hij zelf... heeft mij geheel vergeten ... en dat is niet te verwonderen; hij heeft zeker vrij wat anders te doen, dan aan het onbeduidende kind te denken, dat hij eens zijne bescherming schonk... en dat is ook wel gebleken; want zoo hij, hier te lande weêrgekeerd, belangstelling genoeg had gehad om naar mij te onderzoeken, ware de nicht van vrouwe de Beaumont nog wel uit te vinden geweest. Ik jhoud correspondentie met mijne moei, en â nimmermeer heeft âde geheimzinnige ridder,quot; zooals deze hem noemde, iets van zich laten hooren.quot;
âDank er God voor, jonkvrouw! en bid vuriglijk, dat het zoo moge blijven; daar zou u niets vreeselijkers kennen treffen, dan door hem gezocht, door hem uitgevonden te worden, geloof dat vrij!quot;
En daar het Juliaan voorkwam, dat de jonkvrouw zijne waarschuwingen met zekere koelheid aanhoorde, als hechtte zij daaraan niet veel, als achtte zij ze overdreven, ging hij voort: âZie Mabelia, gij hebt mij uwe deelneming betoond, gij hebt deernis met mijn ongeluk dat zou ik uit uwe oogen gelezen heb-
80
ben, al had ik daarvan niet de sprekendste bewijzen in mijn verbeterden toestand; maar â het valt me daar in, dat gij dat alles eigenlijk hem gedaan hebt, en dat ik ongelukkige mij daarvan niets kan toerekenen: ik weet het wel, ik heb daarop ook geen recht, want ik ben een onwaardige â maar toch, hij.....quot;
âGij zijt een ondankbare, jonker Juliaan; dat verwijt kan ik u doen met alle recht! Het was niet enkel de zucht om bewezen dienst te vergelden; niet enkel verlangen om zekerheid te verkrjjgen omtrent het VErleden; het was deernis met den persoon, die mij bij het steekspel belangstelling had ingeboezemd, die mij hierheen voerde: een stap dien ik waagde â buiten mijn goede oom om ik zal u dit nu maar belijden â en die u gold, u, wie gij dan ook zijn mocht; want ik heb in u wat anders, wat beters gezien, dan gij u toen voordcedt, en ik kon de gedachte niet dragen, dat gij zoo deerlijk in ellende zoudt zijn geraakt, om cene kleinigheid misschien.quot;
âOm eene kleinigheid, voorwaar neen!quot; riep hij levendig; âindien het waar is jufter Mabelia, â en waarom zou het niet waar zijn, sinds gij het zelve zegt, dat uw mededoogen mij geldt â mij persoonljjk â weet dan, dat ik niet hier ben om eene kleine zake . .. Zoo ik hier voor u sta in boeien, is het onder verdenking van eene zware gruweldaad, de zwaarste die een Neêrlandsch edelman zou konnen plegen. Ik ben beticht van een voornemen tot landsverraad en vorstenmoord, en die betichting is het werk van den baron de Ghiselles; en hij weet beter, Mabelia, hij zelf was niet vreemd aan zulke voornemens als hij mij toedichtte!quot;
âAfschuwelijk! welk een mensch moet h|j zijn...quot;
âHij is een dienaar van den Spaanschen Koning; hij placht de gunsteling van Alba te zijn, hij is diens kweekeling in list en verraad! ... Het is mij onbekend in welke rol hij zich hier nu voordoet, maar er schuilt Filips II, er schuilt Barlaymont
81
achter, dies ben ik zeker! Meen niet, dat ik hem verklage uit haat of uit afgunst; ik zal weten te zwijgen, waar mijn spreken hem schaden kon, en gij ook, dat begrijp ik wel; â maar â gij moet hem kennen zooals hij is, opdat gij het weten zoudt, dat iedere aanraking met dien man u vergiftigen, u besmetten zou, en opdat gij hem mijden zoudt uit al uwe macht, hem ontvlieden, zoo hij u toespreekt â belooft gij mij dit? belooft gij mij dit, Mabelia? â Uw levensgeluk, uw goede naam, uwe eer, uwer ziele zaligheid staan op het spel, zoo gij mij dit â¢niet belooft, en u niet vastelijk voorneemt het te houden!quot;
In het vuur van zijn spreken had Juliaan hare handen gevat en hield die tusschen de zijne, die hij al smeekend ophief. Mabelia trachtte niet eens zich te onttrekken aan dit bewijs van belangstelling, dat, zijns onwillens, bijkans in eene uitdrukking van teerheid ontaardde. Zij antwoordde niets, niet eens om hem toe te zeggen wat hij verlangde. Zij zag naar hem op, of hij haar opnieuw in eene andere gestalte verscheen, niet meer als de gebogen lijder, als machtelooze gevangene, maar als een vriend, als een beschermer, die eigen leed vergat, en alle gevaar dat hom zelf dreigde voorbijzag, om slechts oogen te hebben voor het kwaad dat haar kon genaken; en al dacht zij, dat het alleen in zijne verbeelding bestond, toch voelde zij de waarde van zijne bedoeling. De gloed van eene edele geestdrift, die hem onder het spreken bezielde, kleurde zijn bleek gelaat niet een zacht rood, en gaf als nieuw leven en bezieling aan zijn blik.
Hij geleek minder dan ooit op den baron de Ghiselles, die alleen met luchtige courtoisie het jonge meisje als spelend had bekoord; maar hij geleek volkomen op den held harer phantasie, op dat beeld dat er van den beschermer was gegroeid in hare jeugdige drommen! Dat alles ontroerde haar met eene ongekende aandoening; zij was verrast, in hem, ondanks alles, te vinden wat zij zocht. Verschrikt over zich zelve, bewogen door eene
Wonderdokter. II. 6
82
mengeling van onrust en voldoening, niet te scheiden, niet te verklaren in dezen oogenblik â en waarvan zij de verklaring ook niet zocht â maar die haar deed verstommen en het hoofd deed afwenden, omdat zij onbestemd voelde, dat het noodig was hem deze indrukken te verbergen.
Hij had die reeds opgemerkt, maar vergiste zich in hare be-teekenis. Plotseling liet hij hare hand vrij en trad weêr terug tot dicht bij den schoorsteen.
,0! ik versta dit zwijgen,quot; hernam hij met zekere bitterheid; âgij wilt mij geene belofte doen, en verwijt mij in uw hart, dat ik vergeet wie ik zelf ben, en dat ik, die beleden heb een schuldige, een onwaardige te zijn, en van wien gij dat weten zoudt, al wilde hij het ook verbloemen, dat deze zich aanmatigt tegen een anderen onwaardige te waarschuwen, die. naar het uiterlijk, in vrij wat gunstiger conditie verkeert, en die reeds daarom minder verwerpelijk schijnt. Welnu! met zoo te denken, hebt gij gelijk, en toch weêr ongelijk ook. Wat mij aangaat, ik weet dat ik niet waardig ben ook maar de slip van uw kleed te vatten; ik â ik heb ten minste erkend, dat ik een zondaar ben voor God, een misdadiger voor de menschen, daarom toone ik mijn berouw in vrijwillige boetedoening, door in alle lijdzaamheid te dragen wat mij wordt opgelegd om eene misdaad, die ik niet willens was te plegen. Tegen mij kunt gij op uwe hoede zijn; op één wenk lig ik verslagen voor u in hot stof; â maar die andere â de booswicht, de verrader, die in de wereld voor een wel eerlijk, hooggeboren man doorgaat, die zijne positie als aanzienlijk edelman voor iedereen kan handhaven â die andere heeft maar de begeerte naar u uit te strekken â en gij zult niet aan hem ontkomen. Zoo quot;t hem gelustte uwe hand te vragen, en gij â bedwelmd dooiden glans, die uitgaat van een klinkenden titel, van schatten naar hartelust â betooverd door herinneringen, die hij zou weten te doen gelden â bekoord wellicht door zijn uiterlijk, waar-
83
aan hij liet voordeel kan geven van eene prachtige en smaakvolle kleedij, gij â in de edelmoedige beweging van uw dankbaar harte â verlokt om toe te geven, gij zoudt daarbij door al uwe betrekkingen worder. toegejuicht; men zou daarin uw geluk prijzen, u dringen, dwingen misschien, en toch â zoo die onzalige, onnatuurlijke vereeniging getroffen werd â zoudt gij rampzalig worden, zoo rampzalig als.... mijne eigene moeder het geworden is ...
âWees gansch gerustgesteld, jonker Juliaan!quot; viel Mabelia nu in, met zekere drift, waarin gekrenkte fierheid niet te miskennen was; die vreeze van u is meer dan voorbarig, zij is onzinnig. De baron de Ghiselles kan niets voor mij zijn dan eene herinnering, nü door de zwarte schaduw verduisterd, die gij daarover hebt heengeworpen. Maar al ware het, dat die afzichtelijke schets onjuist ware; al kon het zijn, dat die edelman zich aan mij voordeed als een edel mensch; al kon het zijn, dat hij zelf, heenziende over de vooroordeelen van zijn rang, het oog liet vallen op een meisje van mijn stand, nog zou daar geene sprake konnen zijn van eene verbintenis tusschen hem en mij. Mijne verwanten zouden die gansch niet toejuichen, dat verzeker ik u; en ik zelve ben volkomen geveiligd tegen de onderstelde zwakheid, om mij door zulke glans te laten verblinden, sinds, ik mijn woord heb gegeven, sinds ik de bruid ben van een ander!quot;
âDie ander is gelukkig te prijzen!quot; riep hij uit; âbeseft, verdient hij ook zjjn groot voorrecht?quot;
âMijn neef .... Antony,quot; hernam zij zacht en aarzelend, als schaamde zij zich do bekentenis.
âDie jammerlijke Hauwert, die u heette te geleiden en u niet eens wist te beschermen ?quot; vroeg hij smartelijk.
âHij is mijn bruigom, jonker Juliaan,quot; sprak zij verwijtend.
âWat kan die gedaan hebben om zulke gunst te verwerven? Men zegt wel: liefde is blind â maar met die blindheid is juffer.
84
Mabclia Graswinckel in dozen niet geslagen, dat wete ik beter.quot;
,Familiebelangen ...stamelde zij; daar was iets hartstochtelijks in zijn toon en blik, dat haar terughield te zeggen, wat haar eigenlijk bewogen had aan die familiebelangen toe te geven.
âDus opgeofferd!quot; riep hij uit met smartelijke bitteiheid. âZij ook opgeofferd aan dien Moloch, wien men alles voorwerpt wat hij eischt. Ik werd opgeofferd uit zwakheid, om een tiran te verbidden dien men niet durfde weerstaan; gij â omminder wellicht, om eene geldzaak, en dat hier, hier â in het land der vrijheid! Ook hier worden de dochters der burgeren opgeofferd, als ginds de zonen der edelen, aan het egoïsme der maagschap! O, het is klagelijk! het is klagelijk! Zijn de menschen dan nergens wijs nergens goed? Moet zulk een vrouwenhart dood bloeden, of verstijven in een ongelijksoortig hijlik, en vermag ik â arme geboeide niets daartegen â niets â niefs dan het met heete tranen beschreien, dat ik dus onmachtig ben, onmachtig door mijne eigene schuld....'
En werkelijk, terwijl hij dus sprak en zich zelf al meer en
meer opwond, vloeiden heldere droppelen neer uit do giooto
sprekende oogen, die liij op Mabelia had gevestigd, zij, sterk
in de bewustheid, dat zij haar offer aan geen onwaardige had
quot;â¢cbracht, wist hare uiterlijke kalmte te bewaren, en achtte zich à ' 'J
verplicht, zijn overspannen medegevoel af te koeren.
âDaar wordt niets van u gevraagd dan uw eigen lot niet te verzwaren door u dus bovenmatig te bekommeren over iet ondersteld lood van eene andere,quot; viel zij in, zacht en als tot bedaring hare hand op zijn arm leggend, zooals men iemand, die ten prooi is aan oen somberen droom, voorzichtiglijk tot de werkelijkheid terugroept. Maar zij miste haar doel. De zachte vermaning deed geenc bedarende werking. Hij trok zijn arm terug, als met een schok of hem eene wesp had gewond, liet zich neêrvallen op een stoel, die bij de tafel stond, verborg
85
het hoofd in diepe moedeloosheid in do handen, en hief het daarna op om te zoggen: âHet is waar, ik ben niet dan een vreemde voor u; vergeef mij, zoo ik liet vergat. Gij zijt niets voor mij dan eene andei e, over wie ik niet eens het recht heb mij te bekommeren, wier lief of leed mij niet aangaat; een ellendige als ik! wat onderstond ik mij toch â medegevoel te betuigen aan eene, die mij deernis toonde! Wat waanzin deed mij vergeten, dat ik alleen weldaden heb te ontvangen, maar dat ik mij niet verstouten mag die te vergelden, zelfs niet door een traan van deelneming! Maar ziet gij!quot; eindigde hij, nu opspringend en als in weerhouden toorn uitbarstende, âzóó laag ben ik nog niet om mij dus te laten verguizen. Ik wil niet aannemen, wat ik niet weer kan geven; ik versmaad gunsten, waar mjjne dankbaarheid wordt versmaad. Ik wil naar dat vunzig kelderhol terugkeeren; daar heb ik de ruste gevonden die mij hier wordt benomen. Daar werd mij alleen hot lichaam gekweld door koude en Jiongor. Hier wordt het harte gepijnigd en de ziele verduisterd; want al het licht en de blijdschap, die ik daarginds heb genoten, is mij nu beneveld!quot; En als ware hij vrij zijns weegs te gaan, wendde hij zich naar de deur.
âSpreekt gij nu als oen Christen?quot; vroeg zij, zonder hem tegen te houden, en hem slechts met den blik volgende, oen blik vol diepen weemoed, die den zijnen ontmoette, toon hij door den ernstig droeven toon dier vraag getroffen, staan bleef en het hoofd omwendde, âdoet gij wel, jonker Juliaan! zulk oen trots te voeden, aan zulke prikkelbaarheid toe te geven? Is do liefdedienst, die ik met blijdschap heb bewezen, u toegeworpen als een aalmoes, dat gjj u dus in hare boteekenis vergist? En omdat gij op dit pas niet tot wederdienst zijt geroepen, acht gij het recht, om te vergolden mot norseh verwijt! Hoe zijt gij dus ongelijk aan u zeiven?quot; ging zij voort, ziende dat hij langzaam en zwijgend tot haar terugkeerde: âdaareven hebt gij mij verrast en verblijd, door de kalme berusting waarmee
86
gij uw eigen last cn lijdon droegt, en welhaast laat gij n overmeesteren door ijdele bekommernissen over ... ik weet niet al welke gevaren, die mij dreigen zouden van den baron de Ghi-selles; en nu ik meene u volkomen gerust te stellen door de verzekering dat ze voor mij niet bestaan, omdat ik mij gebonden wete door een anderen band, nu â vangt gij aan met zulke teêrhartigheid te weeklagen over mijn lot, alsof men ongelukkig kon zijn op den weg van zijn plicht; en waar ik die deernis afwijze, sinds ik niet hier ben om mij te verdiepen in eigen leed, en u waarschuwe tegen zulke overgevoeligheid, die een man, die een Christen niet voegt, vat gij de waarschuwing averechts op, als waart gij met hardheid teruggestooten, valt uit in bitse verwijten, en vliegt op in woesten toorn. Daartegen behoordet gij te waken en te strijden; want het zijn zulke bewegingen, die de blijdschap dos gemoeds verstoren en het licht der ziele benevelen.quot;
Juliaan had naar haar geluisterd met afgewend hoofd, .als waagde hij het niet de minnelijke boetpreekster in de oogen te zien: toch was hij telkens iets nader gekomen, en stond nu reeds weer naast den stoel waartegen zij zelve leunde onder het spreken. Kennelijk schaamde hij zich do bewijzen zijner overgevoeligheid, die zij hem verweet, on die hij niet bij machte was geweest te onderdrukken; toch, nu zij zweeg en een antwoord scheen te wachten, koerde hij zich plotseling naar haar toe, en sprak met diepe neêrslachtighoid, die ook op zijne trekken loosbaar was:
âGij hebt gelijk, gij moet goljjk hebben; de schuld ligt bij mij, dat voelo ik wel. Och! wil vergeven, ik ben nog oen nieuweling in zelfkennis, in zelfbedwang bovenal; weet ik zelf wat mij zoo bitterlijk griefde bij uw spreken? wat mij de ziele zoo overwoldigend beroerde â dat ik niet moer bij machte was mij te bedwingen, zooals ik moest? Jk, die meende reeds geloerd te hebben kalm en lijdzaam te zijn ouder alles.
87
die weet dat mijne prikkelbaarheid, mijne onbedwongen driften mij ten val hebben gebracht, en die zoo vastelijk hoopte daarin niet meer te struikelen! nu zie ik tot mijne schade en schande, dat ik mij vergist heb in mijne kracht; dat ik nog weer bewogen worde door allerlei schuddingen, die mij on-verwrikt moesten laten. â Zal mij die zwakheid dan altijd blijven, zal ik dan altijd wankelen en in vreeze zijn voor mij zelve; ik, die reeds meende, dat de innerlijke vrede, eens genoten, nu voor immer mijn deel was geworden! â Was alles dan waan en zelfbedrog, dat het minste wat mij treft mij dus kan schokken en dien vrede verstoren; dat alles nog weêr zóó donker kan worden daarbinnen in mij en om mij heen; is het omdat ik mij slechts heb toegeëigend wat niet voor mij is weggelegd, is het omdat ik te laag was gezonken, om mij ooit tot de ware hoogte op te heffen! O! mijn God! moet ik verliezen wat ik reeds genoot, dan â dan â ware het mij beter dat nooit gekend te hebben!quot; en hij bedekte zich het gelaat met de handen en zonk neer op de beide knieën, als ware hij niet langer machtig om zich staande te houden, onder het wicht van zijn innerlijk lijden.
Zelve diep geroerd, en meer geschokt dan zjj het wilde too-nen, had Mabelia hem aangehoord. Nu echter, waar zij dit lijden zag, vergat zij alle bijgedachten en eigen zwakheid, om hem te versterken.
Zachtkens legde zij de hand op den schouder van den diep-gebogene.
âWees gansch gerust, en laat toch de twijfel geen vat op u krijgen, omdat gij uwe eigene zwakheid onderkent! De waardige Jacob Jansz., uw zielevriend, kan u niet met valschen waan hebben misleid, u niet met onzekere beloften hebben vertroost; hij zelf zou deze wankelmoedigheid ongeloof noemen, en u wijzen op den eenigen steun van alle zwakken en twijfelmoedigen, op de rots waarop alle geloof moet gevestigd zijn, op
den Heer Jezus, die de steun en de kracht is van al de zijnen, Wien gegeven is alle macht in den Hemel en op aarde, â en die deze macht wil gebruiken, om allen die Hij gezocht en gevonden heeft, op te richten en staande te houden. Twijfel niet aan u zeiven, maar betrouw u op Hem, en geloof mij, gij zult winnen, altijd winnen, al overwint gij niet met den eersten in alles. Ik ken zelve die donkere uren, waarin het ons is, alsof alles wat ons verblijdt en vertroost, achter sombere wolken wegschuilt â en slechts de druk alleen onzer moeite, onzer zonde, onzer jammerlijke armoede aan hoop en geloof, in volle klaarheid voor ons zichtbaar wordt, in volle zwaarte zich aan ons openbaart.quot;
^Gij â gij zoudt zulke duistere uren kennen, een engel des lichts, als gij zijt?quot; vroeg hij, de oogen naar haar opslaande, in de grootste verbazing.
âWaarom niet? Eene dochter Eva's, als alle anderen, en geen engel voorwaar â uit eigen ervaring weet ik dat beter ken ik de zwakheid die in mij is, bij den wil die ten goede neigt. Maar God zij lof! ik ben Christin, en daarom kan ik, wat de heilige engelen niet vermogen, een lijdenden broeder vertroosten met den eigen troost die mij zelve te bate komt. O! als ik, in het volle genot van de vrijheid en hare voorrechten, soms zoo diep teneêrgeslagen kan zijn - hoe moet dan niet een gevangene, een geketende door twijfel worden aangegrepen! â Dit voele ik zoo diep, dat ik mij zelve verwijt u zoo hard te zijn gevallen om een klein misverstand.quot;
âGij u zeiven iets verwijten, waar het mij geldt!quot; riep hij. âO, vergeef mij de norschheid, den ondank waarmeê ik uwe goedheid loonde. O! reik mij de hand der vergiffenis, der verzoening. Ik wil, met Gods hulp, een nieuwen strijd aanvangen tegen alles wat daarbinnen woelt en bruist, tegen dat onstuimig kloppen van een hart, nog al te licht door allerlei mensche-lijks bewogen.quot;
89
âVolgaarne reik ik u de hand, ter bezegeling van dat goede voornemen; van verzoening, van vergiffenis tusschen ons kan wel geen sprake zijn, sinds gjj mij niet hebt gekrenkt, evenmin als het mijne bedoeling is geweest u te grieven. Geloof mij daarin, geloof ook, dat ik uwe deelneming niet zou versmaden als ik die mocht behoeven, als ik zelve zal voelen dat zij mij noodig zou zijn ..
âHoe! zoudt gij mij dan eeren door uw vertrouwen, mij opheffen tot den rang van uw vriend? â die hoop reeds zal mij lijdzaamheid geven om vooralsnog niets te zijn dan uw bewelda-digde. Gij zult zien waartoe ik bekwaam zal wezen in dat vooruitzicht..
âZoo de verwezenlijking daarvan u steun kan geven in den strijd ten goede, jonker Juliaan! zoude het grootelijks schande zijn, zoo ik mij niet haastte u die voldoening te geven. Ik begeer ganschelijk niet u te zien in de nederige houding die gij u zelf toewijst. Ik wil u zien in do rustige gestalte van een vriend, die, zonder zich zelf te kwellen met rekenen of vergelijken, neemt wat de vriendenhand hem heeft te bieden, die neemt zooals het hem gegeven wordt, zonder verwijt.quot;
.Zjj heeft mij haar vriend genoemd!quot; riep hij juichend. âIk haar vriend! is dat, dat niet te veel voor mij! Wat zal ik doen om dien naam waardiglijk te dragen!quot;
â Immers hetzelfde, nietwes anders dan hetgeen de waardige Jacob Jansz. van u heeft gevergd, toen hij u zijne vriendschap schonk?quot;
Hij heeft mij zijne vriendschap niet geschonken, hij is mij ten vader geworden, hij hoeft mij gezegend als zijn zoon!quot;
âWel dan! zoo zijt gij zoo goed als mijn broeder!quot;
âToch! noem gij mij zóó niet,quot; riep hij met zekeren weemoed. âIk, die den broedernaam nooit hebt hooren noemen dan met een gevoel van afgrijzen, ik behoorde geen broeder te hebben, en ik kan niemands broeder zijn!quot;
âZoo wilt gij mij niet uwe zuster noemen?quot; vroeg zij zacht.
90
en hem, met de volle teêrheid van het vrouwelijke medegevoel voor zulk een lijden, in de oogen ziende.
âZuster!quot; herhaalde hij, Ja! de zuster zal mij genezen van den afschuw, dien de broedernaam mij inboezemt!quot;
âIk heb wel hope dat gij u verzoenen zult met dien naam, broeder Juliaan!quot; sprak zij, en reikte hem met gulle vertrouwelijkheid de hand.
âMabelia! zuster!quot; riep hij in vervoering, Ja, nu voel ik het, dat broeders elkander moeten liefhebben â en met schuch-teren eerbied, zooals een geloovige een reliquie zoude kussen, drukte hij de lippen op de hand die zij hem had geboden â eens, Mabelia â zie, ik wensch nu te leven om die vreugde waardig te worden â eens, als deze armen niet meer door schandelijke boeien zijn gekneld, zal ik mijne zuster smeeken om eene broederlijke omhelzing.quot;
âDeze boeien zijn alleen schande voor hen die ze smeedden,quot; sprak Mabelia â en zelve sloeg zij nu den arm om zijn hals en drukte hem een kus op het voorhoofd.
Hij slaakte een kreet of zij hem pijn had gedaan; maar zijne oogen glinsterden, en twee groote tranen vielen langzaam over zijne bleeke wangen; toch glimlachte hij, maar hij kon niet spreken.
âJoffer! nu joffer moet gij gaan,quot; sprak nu vrouw Kartels, die binnentrad; âik heb al zoo dikmaals geklopt en gewaarschuwd â mijn man kan 't eiken stond komen, en hij mag u niet samen vinden met den gevangene.quot;
âGij hebt gelijk, vrouw Bartels! ik ga,quot; hernam Mabelia. âVaarwel Juliaan! mijn broeder,quot; â en zij reikte hem nogmaals de hand.
âZult gij weêrkomen?quot; vroeg hij met eenige aarzeling, haar smeekend aanziende.
âWel zeker!quot; antwoordde vrouw Bartels in hare plaats, âmijn man zal er zich wel toe laten vinden.quot;
âMogelijk!quot; hernam Mabelia zelve, âheb maar goeden moed.quot;
91
En zij verdween achter het tochtschut, dat de zware eikenhouten deur maskeerde, die achter haar toeviel, terwijl de cipiersche de grendels toesloot.
Ziedaar hoe het kwam, dat Schout Gerrit en dokter Gras-winckel den gevangene ;n zoo gunstigen toestand aantroffen; maar ook, wat hem dus peinzend deed nederzitten, in zulke mijmeringen verdiept, dat hij daaruit eerst werd opgeschrikt, toen Schout Gerrit zelf op hem toetrad, en zich aanmeldde als zijn rechter die' hem kwam verhoeren. Toen bracht hij de hand aan het voorhoofd, als moest hij zich moeite geven om weêr tot het besef te komen van hetgeen hij was, en waar hij zich bevond. Maar, dat die gepeinzen evenzeer van zachten als van overheer-schenden aard waren geweest, las men op zijn verhelderd gelaat â waarvan de glimlach zelfs niet week â toen hij zich ophief om den Schout de schuldige eerbiedenis te bewijzen. Deze was zelf zóó [getroffen over do uitdrukking van boven-aardsche blijdschap, die zijn geheele wezen als verheerlijkte, dat het hem onmogelijk zou geweest zijn, om in dezen gekerkerde een misdadiger te 'zien, die met plannen tot vorstenmoord omging, zelfs al hadden de inlichtingen van Jacob Jansz. hem op dit punt niet reeds alle achterdocht benomen.
Ook kon hij ditmaal niet aanvangen als de strenge rechter, die hij zich gewoonlijk het liefst toonde.
âWel, jonker Juliaan! daar zijt gij door valsche beschuldiging deerlijk in de lij geraakt,quot; begon hij op goêlijken toon, terwijl hij bij de tafel ging zitten, waarop het koud maal gereed stond, dat blijkbaar nog niet was aangeroerd.
âEene valsche beschuldiging,quot; herhaalde Juliaan langzaam â alsof hij zich moeite moest geven om tot het besef der werkelijkheid terug te keeren â âhet is waar ook! ze zeggen van mij dat ik omging met kwade intentieën tegen den Prins!quot; en Juliaan haalde even de schouders op, als kwam hem de beschuldiging nu te onbeteekenend voor, om zelf van zijne onschuld te betuigen.
92
âZoo is liet jonker; maar ik rade n die betichting niet zoo koeltjes op te nemen,quot; hervatte Schout Grerrit, die â hoewel gekomen met de beste voornemens om zich een genadig rechter te betoonen â toch niet dulden kon, dat men dus lichtvaardig heenliep over eene zaak als deze; âmet de justitie valt niet te spotten, zonderling niet als men gekerkerd zit, onder bezwarende omstandigheden als de uwe.quot;
«Zijn er bezwarende omstandigheden?quot; vroeg Juliaan, als in verstrooiing. Maar gij. Gestrenge Heer, zult toch wel niet aan mijne schuld gelooven?quot;
âHm! ik zal u de duimschroeven niet aanleggen, om u te dwingen schuld te bekennen, wees daar gerust op; maar dat mag u niet overmoedig maken; want, al zou ik zelf ook overtuigd zijn, dat uw beschuldiger een hondsvot is, ik moet duch-tiger gronden hebben dan uw schouderophalen, om anderen in mijn gevoelen te doen deelen; en daarom, mijn jonker, behandel de zaak niet achteloos; vertel mij nu eens kort en bondig, maar volkomen naar waarheid, uwe kennismaking met den zich noemenden hopman Peter, en hetgeen er verder is gepasseerd tusschen u en hem.quot;
â Wat er is gepasseerd tusschen hopman Peter en mij ...quot; herhaalde Juliaan, de hand weêr aan het hoofd brengende, als om zijne gedachten te verzamelen en zich weêr in dat verledene te verplaatsen, âdat weet ik mij nauwelijks meer te herinneren ...quot;
âKom, gekheid! geene uitvluchten; voor den dag met de waarheid ....quot;
âHet is al zoo lang geleden . ...quot;
âHoogstens vier of vijf dagen; en men moet grooter botterik wezen dan waar ik u voor aanzie, om in zoo korten tijd zulke belangrijke ontmoeting te vergeten.quot;
âNog maar vier of vijf dagen geleden!quot; hervatte Juliaan met bevreemding. Hoe kan dat zijn; er is zooveel met mij gebeurd, zoo onuitsprekelijk veel, dat het mij voorkomt; of daar
93
een menschenleeftijd tussohen lag. Ja, dat ligt er ook tusschen, een ander leven, dat alles nieuw, alles anders maakt, ligt er tusschen; verschoon mij daarom Achtbare lieer, zoo dat alles mij niet levendig meer voor den geest staat!quot;
âWat is dat nu!quot; riep Schout Gerrit, met zijn stok op den vloer stampend van ongeduld, âzijt gij aan 't malen geraakt of suf geworden, door de mishandelingen die men u heeft aangedaan ? Die schelm van een Bartels is er niets te goed voor. Waarom heeft hij u die kluisters gelaten, die slechts bestemd zijn om een gevangene veilig weg te leiden? Wacht eens âik kan ze wel los krijgen; ziezoo! dat zal u verlichten; en nu, zeg op, heeft die ellendeling u in 't eerst hier honger en dorst laten lijden of u andere kwellingen aangedaan?quot;
âDat geloof ik niet, daar is me niets van bijgebleven; ik heb mij over niets te beklagen.quot;
âDo ongelukkige verkeert in een staat van waanzin,quot; verzuchtte Graswinckel, die alles kon verstaan, zonder echter Juliaan te zien of door dezen gezien te worden.
âWat drommel hapert er dan aan, dat gij u aanstelt als een die niet bij zinnen is, jonker van Egmond?quot;
âDien naam!quot; riep Juliaan, opgeschrikt, âwaarom worde ik bij dien naam genoemd?quot;
âOm u te toonen, dat ik meer van u weet dan gij meent; om u te bepalen bij het besef van uw toestand, daar gij schijnt te vergoten, dat gij voor uwen rechter staat, die gekomen is, om u met welwillendheid te bejegenen en met goedheid te ondervragen, maar die zich een streng Schout zal moeten toonen, zoo gij voortgaat hem door looze uitvluchten op te houden en te ergeren . ...quot;
âWil verschoonen gestrenge Heer Schout,quot; sprak nu Juliaan, voor goed tot zich zeiven gebracht. âHet is wel verre van mij. Uwe Achtbaarheid door uitvluchten te willen vertoornen; alleen .... ik heb uwe ondervraging niet wel begrepen.
9-1:
âGij waart in den dut geraakt en droomdet nog voort; maar nu, wees wakker en zeg me ronduit, wat gij gedaan hebt met de honderd pistolen, die de Beiersman u geboden heeft voor den aanslag op den Prins!quot;
âIk heb ze met minachting weggeworpen,quot; hernam Juliaan, zonder aarzelen, en terwijl hij den Schout, die als in zijne oogen trachtte te lezen, met vasten blik aanzag. âWie anders zegt is een leugenaar.quot;
âZoo is de baron de Ghiselles een leugenaar, want die zegt, dat gij ze aangenomen hebt en u tot het misdrijf hebt verbonden.quot;
âDe baron de Ghiselles!quot; riep 'Juliaan uit, of hij door een adder gebeten werd, en een oogenblik flikkerde er haat in zjjne oogen; maar met eene machtige poging tot zelfbeheersching, hervatte hij: De baron de Ghiselles spreekt van 't geen hij niet weet. De gewaande hopman en ik waren samen, toen hij mij dat schandelijk voorstel deed.quot;
âZoo zal het u moeielijk vallen een bewijs voor uwe onschuld aan te voeren.quot;
âWees zoo goed dien vreemden hopman tegen mij over te stellen, en zoo schaamteloos of listig kan hij niet zijn, of hij zal als waarheid moeten erkennen wat ik heb gezegd.quot;
âDat zou goed zijn; maar die fielt is 't ontloopen, en gij zijt aangewezen als zijn complice; hoe zult gij u zuiveren van die blaam?quot;
âDaar is voor mij geene kans op, dat zie ik wel,quot; hernam Juliaan, het hoofd buigend.
âZoo gij slechts eenig bewijs kondet voortbrengen, dat uw aanklager verdacht maakte, licht werd men er toe gebracht hem dan minder geloof te geven.quot;
âAl stond het in mijne macht zulk bewijs te leveren, Heer Schout, nog zou niets mij daartoe konnen bewegen. Die man en ik zijn vijanden; maar ik heb belofte gedaan mijn haat te bestrijden, en ik ben vastelijk besloten geen kwaad met kwaad te vergelden.quot;
95
âDat's nobel gesproken! maar de justitie vraagt niet naar fraaie gezegden; zij is niet gediend dan met de simpele waarheid; die moet zij eischen, en als gij iets weet ten laste van den baron, dan behoort gj; het uit te zeggen.quot;
âHeer Schout, dat ik ubidde! doe mij daarin geen geweld aan; wat ik tegen hem heb, gaat de justitie hier te lande niet aan, en wat ik overigens tegen hem zou konnen voortbrengen, is door mij toch niet te bewijzen.quot;
âZeg maar, waar zij zelve naar zulke bewijzen zou konnen zoeken.quot;
Juliaan gaf geen antwoord, maar zijne handen vatten krampachtig den stoel waartegen hij leunde.
âMeent gij het ver te brengen met die hardnektheid,quot; sprak Schout Gerrit, met gemaakte strengheid; want hij keek ter sluiks naar Juliaan op, en zijn glimlach had ditmaal niets boosaardigs. âWeet gjj wel, jonkman, dat uwe zaak gansch en al in mijne hand is gegeven, en dat het aan mij staat n op staanden voet in den sombersten âdiefputquot; te laten opsluiten en daar maanden lang te houden, tot ge bekend zult hebben, of u in dit goede logies te laten, tot men u in algeheele vrijheid kan stellen. Wat kiest gij ?quot;
âIk zal dragen wat Uwe Achtbaarheid over mij besluit, gestrenge Heer!quot;
âGij zijt een verweerde stijf hoofd; maar er is nog wel middel om die hardnektheid te buigen. Ik weet meer van u dan gij meent: ik weet dat gij een vriend hebt, een vriend, die al uwe geheimen kent. Ik zal dezen verantwoordelijk stellen voor uwe hardnektheid.quot;
âO! wees genadig!quot; riep nu Juliaan, zich aan zijn voeten werpende en zijne knieën omvattend. âWees genadig. Achtbare Heer, en doe hem geen geweld aan. Laat mij de straf dragen van den weêrstand dien ik moet bieden om der consciëntie wille. Al lijde ik daarin onschuldig, het zal niets meer zijn dan
96
gerechte straffe voor een leven van allerlei schuld en dwaasheid. Mij kan niets geschieden, dan hetgeen overlang is verdiend; maar hem, den reine, den heilige, den weldoener der mensch-heid, mijn weldoener, laat dien niet in mijn ongeluk betrokken worden. Ik zou moeten gelooven, dat ik nog een vervloekte ben, die alles in zijn val medesleept wat zich zijner aantrekt. O, gestrenge Heer Schout! mijn vader heelt mij gevloekt, maar die man heeft mij gered en gezegend. Oordeel gij zelf of het billijk is â dat hij - hij nog daartoe zou moeten lijden om mijne schuld!quot;
âIk bemerk wel dat er niets met u aan te vangen is, onbuigzame stijfkop! Zie mij niet langer dus smeekend aan met die groote, blauwe oogen, die mij aan Machteld van Egmond doen gedenken! Sta op, kom in mijne armen! gij hebt het hart uwer moeder! Vertel mij van haar! Van uw verraderlijken basterd-broeder weet ik al meer dan genoeg!quot; En Schout Gerrit zelf hief Juliaan op en drukte hem aan zijne borst. Met de herinneringen zijner jeugd had de betere mensch in hem gezegevierd. Juliaan slaakte een uitroep van verrassing bij die zonderlinge gedaanteverwisseling van den strengen Schout in een teerhartig vriend, die hem omarmde, een stool voor hem aanschoof en hem verplichtte tegenover hem plaats te nemen. Die blijde uitroep van Juliaan vond een weerklank achter hot tochtscherm, waar Graswinckel, in smartelijke spanning, de getuige was van de zedelijke tortuur die zijn pleegzoon werd aangedaan, zonder dat hjj gerechtigd was haar door zijne tusschenkomst te bekorten. En, al had hij die vrijheid mogen nemen, hij zou zich daarvan onthouden hebben; hij zelf had behoefte zich als opnieuw bekend te maken met den gemoedstoestand van zijn patiënt, nadat deze aan nieuwe verzoekingen was blootgesteld geworden, en, zonder raad of steun, als ten prooi was gegeven aan grievend onrecht en ruwe willekeur, onder de tergendste bijomstandigheden. Hij smaakte dus eene onbeschrijfelijke blijdschap, toen hij onbemerkt
97
getuige mocht zijn, hoe de zware proeve zegevierend werd doorgestaan.
âEn ik, die waande hem onmisbaar te zijn,quot; sprak hij in zieli zeiven, âalsof Gods genade hem niet genoeg ware, alsof de Heer zich aan onze middeler., aan onze regelen zou moeten binden, waar Hij aan het hart des zondaars wil werken!quot;
Juliaan had intusschen, zooveel dat in zijne macht stond, aan het verlangen van Schout Grerrit voldaan, en hem verteld van zijne moeder. Zelf durfde hij niet vragen, waarom deze zoo groote belangstelling toonde in eene vrouw, die als jong meisje het land had verlaten, en van wie hij niet eens wist of zij naar Holland was weergekeerd. Ondanks al de goedheid, die deze man hem bewees, voelde hij zich tegenover hem niet zóó op zijn gemak als bij Jacob Jansz.; hij had een gevoel als een schoothondje, dat zich door een leeuw ziet lief koozen â ééne enkele wending van luim, één klein misverstand â en de muil laat de scherpe tanden zien.
Schout Grerrit, zijnerzijds, was maar half bevredigd door de weinige on onzekere berichten, die Juliaan wist te geven omtrent eene moeder, die hij na het verlaten van zijn ouderlijk huis niet had weêrgezien, en van wier dood of leven hij zelf geene zekerheid had.
âIk zal 't onderzoeken! Nu het gedenken aan het lieftallige wezen weer bij mij is opgewekt, wil ik weten wat er van haar geworden is, sinds zij ongelukkig is geweest met den man dien zij haar opgedrongen hebben; mogelijk kan ik haar nog goeden dienst bewijzen. Als vluchtelinge herwaarts heen gekomen, houdt zij zich wellicht schuil, uit schaamte over haar droevig lot.quot;
âMen heeft mij aangekondigd dat zij bezweken is, uit smart en schaamte over de misdragingen van haren zoon!quot; verzuchtte Juliaan.
âDaar geloof ik niets van. Heer Hendrik van Kenenburg, uw grootvader zaliger, had uitgestrekte bezittingen in Delftsland,
Wonderdokter II. ^
98
die mi onder sequester liggen, omdat zijne wettige erfgename gehijlikt is met een heer die de Spaansche zijde houdt. Zoo Machteld van Egmond overleden ware, zou er order moeten gesteld worden op die zaken, en dat zou niet buiten den Schout van Delft konnen omgaan. Wees getroost en maak het verder maar goed, mijn jonker! mogelijk gelukt het mij nog, u met uwe moeder te hereenigen!quot;
âHaar weerzien!quot; riep Juliaan met vervoering; maar plotseling bedacht hij zich, en hervatte in diepe verslagenheid: âNeen, neen! al kon het zijn, waartoe zou het strekken, dan haar opnieuw bitterheid aan te doen, en eene wonde open te rijten, die mogelijk nu zachtjes aan is genezen. Neen, neen! het is veel beter dat zij zich trooste, dan dat zij mij weêrziet zooals ik nu ben....quot;
âMeent gij dan, dat het mij zou invallen u aan haar voor te stellen in de conditie daarin gij nu zijt? Zooveel haast is er niet bij. Ook .... is ze nog niet uitgevonden. Inmiddels â ik twijfel er niet aan â zoo wij bij machte zijn, triomfantelijk uwe onschuld te bewijzen en dan poinct gewinnen, zal ik voor u intercedeeren bij Zijne Excellentie, die het weten zal, dat uwe goede intentiën in dezen averechts zijn uitgelegd. Als ik nog daarteboven de verzekering geven kan, dat gij uw leven wilt beteren, en voornemens zijt u van dollemansstreken en ergerlijke gedragingen te onthouden, dan twijfel ik niet of de Prins zal goedvinden, dat men u in vrijheid stelle, en daarbij ook nog wel iets voor u willen doen; en zoo niet.... Gerr-t Fransz. Meerman is er ook nog, en die zal wel zorgen, dat gij niet langer als een armzalige luitenant met een troep verloopen soldaten bij de straat behoeft te slingeren â betrouw u daarin op mij.quot;
âMijne arme soldaten! Wat mag er van geworden zijn?quot; sprak Juliaan, met eene pijnlijke verzuchting, plotseling herinnerd aan het tooneel van schrik en verwarring waarin hij hen verlaten had.
99
âJa! bekommer u om die schoeljes, dat rade ik u aan. Zo hebben zich kostelijk uit de voeten gemaakt, al de navraag die er volgen kon op hunne misdragingen voor uwe rekening latende.quot;
âDaarin hebben ze geen ongelijk,quot; hernam Juliaan, nog meer somber, liet het hoofd mismoedig in de hand vallen en was doodsbleek geworden. Zijne trekken teekenden innerlijken strijd.
âMaar ik ben niet voornemens, omtrent het gepasseerde strenge navraag te doen,quot; hervatte Schout Gerrit goelijk en hem vriendelijk op den schouder kloppende: âwees gerust, jonker Juliaan! kijk mij niet zoo verwezen aan, dat zal de hindernis niet zijn, om u met uwe moeder te hereenigen.quot;
âDat niet de hindernis zijn!quot; riep Juliaan, âuwe goedertierenheid verbijstert u, heer Schout, maar zij kan het gedane toch niet ongedaan maken, en nu â zou ik mijne moeder onder de oogen durven komen, als met het zwaard van den beul boven 't hoofd.quot;
âMaak gij mij het hoofd niet warm met al dit tegenstribbelen, drommelsche zotskap! â Waar gij mij op de knieën moest danken voor zooveel verschoonlijkheid, zit gij te dingen tegen den goedkoop, en maakt u zeiven allerlei schrikbeelden diets. â Er kan immers van geen zwaard meer sprake zijn; hebt gjj dat dan niet begrepen? Gij zult volkomenüjk gezuiverd worden in de oogen van hen wien 't aangaat, en voorts zal men die zaak smoren, uit wichtige consideratiën. . . wat wilt gij dan nog meer?quot;
âIk wil niet leven onder den prikkel der zelfbeschuldiging. Al kon ik mij een oogenblik laten schokken door de schoone vooruitzichten die uwe goedheid mij opent â die verzoeking moet worden weerstaan. Het misdrijf dat niet is geboet, zou mij toch geene ruste laten. Al kost gij mij opheffen tot den rang, waarop de geboorte mij recht geeft, nog kan ik niet weêr in de wereld optreden of daar niets lag tusschen mij en haar; er moet recht gedaan worden, heer Schout â recht over mij.
100
dat is voor inij tic ccnig'G voorwaarde tot duurzajne viede.
flTk begrijp cr niets nicer vuil!quot; sprak fechout Ocuit, de wenkbrauwen fronzend; âJacob Jansz. hoeft zoo goed als een eed gedaan op uwe onschuld.quot;
âAan den aanslag tegen Maurits â dat kon hij ook met eene goede consciëntie â maar hij zou tegen mij getuigen, zoo ik nu zweeg van 't geen de mijne drukt. Heer Schout hier staat een misdadiger voor u â schuldig aan manslag. Gij hebt mijne soldaten verweten dat zij mij in den steek hebben gelaten â dat is onjuist. Ik zelf heb mij van hen gescheiden en heb de verantwoordelijkheid van mijne misdaad op hen laten rusten; want ik ben gevlucht nadat ik een moord had begaan â een moord op mijn gastheer! Op een welmeenend vriend! - God zij lof! nu is het uitgezegd!quot;
âDat u de drommel hale, satansche dolleman! Wie port u zulke verklaring te doen, die nog daarteboven valsch is. Uw vriend en gastheer in dien boozen nacht is immers geen andere dan Jacob Jansz., dien ik in dezen eigen stonde kan oproepen, om dien roekeloozen vond togen tc spreken.
âDo man dien ik bedoel, en die mij wekenlang logies heeft verleend, is â Bastiaan de kuiper, dien ik verslagen heb in
een heftigen twist.. .quot;
Schout Gerrit maakte allerlei afkeurende gebaren en stopte zich ten laatste de ooren toe, daar tusschen roepende:
âDaar wil ik niets van weten â daar vraag ik immers niet naar; niemand is gehouden zich zeiven te verklagen, en daar is tegen u geene klacht van dien aard bij mij ingediend. Gelukkig voor u ben ik hier gekomen als uw vriend, en de Schout van Delft zal maar doen of hij niets gehoord heeft. Maar pas op, dat gij u niet dus onvoorzichtiglijk uitlaat tegen Bartels, want die zou zijn mond niet houden; dan zou ik er kennis van nemen moeten, tegen wil en dank, en het zou eene bezwaarlijke zaak worden. â Nu zal alles nog wel te schikken
101
zijn. Die Bastiaan was een lastige drijver, zoo ik heb gehoord, en zijne vrouw zal denkeljjk geen overbedroefde weduwe zjjn, sinds ze geene klachten heeft ingebracht; men zal met haar composeeren, het zal uwen vrienden wat geld kosten, en daarmee uit!quot;
âGeld voor eene bloedschuld, heer Schout? In trouwe, uw goed hart koopt uwe strikte billijkheid om â en â zou liet dan daarmeê ook uit zjjn voor mij? Ik vreeze wel van neen. Ik voel maar al te goed, dat de verslagene recht eischt â en dat een leven betaald moet worden met een leven!quot;
âHa! nu vat ik je, jonker Juliaan!quot; viel Schout Gerrit in. âJacob Jansz. heeft mij vertrouwd, dat gij reeds eenmaal eene poging tot zelfmoord bebt bestaan â dit hier is een verschijnsel van dezelfde kwaal...quot;
âNeen! Achtbare Heer, met de hand op het hart mag ik daarop neen zeggen. God zij daarin geprezen! Van die zonde ben ik vrij gemaakt, geene desperatie drijft mij; ter contrarie â het leven zou nu juist eene aantrekkelijkheid voor mij hebben die het voor dezen niet had. Toon gij mij straks vondt, in diepe gepeinzen verzonken, was ik als droomende onder de macht van begoochelingen, die mij de mogelijkheid van aardsch geluk â ook voor mij - onder liefelijke gestalten voortoover-den; maar zij â werden verstoord bij uwe komst, en schoon het mij wat moeite koste tot de werkelijkheid in te keeren, de ontnuchtering volgde, en ik weet het nu, dat het luchtkasteelen waren. Ik weet dat ik voor goed breken moet met alle vooruitzichten van aardsch geluk, al valt mij dat nu zwaarder dan ooit. Maar de Heer is genadig! en een beter deel dan het verbeurde is mij weggelegd daarginds, in die eeuwigheid waarop nu mijne hope is, en waartoe ik mij voorbereide met Zijne hulpe.quot;
âFij jonker Juliaan, dat's geen taal voor een kloek, jong edelman!quot; sprak nu Schout Gerrit, die hem met strakke verba-
102
zing had aangehoord. âDie femelarij komt niet nit u. Jacob Jansz. heeft u tot een dweper gemaakt; dat s een kwaal daaraf ik goene kennis heb en daar ik niet meê te doen avü hebben. Het wordt tijd dat de dokter zelf' zijn patiënt komt behandelen. Ilij moge goed maken wat hij hier kwaads heeft gesticht. Al sprekende klopte do Schout mot zijn stok tegen het tochtschut; voor Jacob Jansz. het signaal om zich te vertoonen, die het had afgewacht in vurig verlangen, maar toch met machtige zelt-beheersching.
:Xu trad hij toe in alle haast.
âZoo ik kwaad heb begaan, hoop ik dat ton goede te kee-ren,quot; sprak hij rustig; âmaar deze teerheid van consciëntie moet ik prijzen in mijn wellieven zoon!quot; Eer hij uitgesproken had, lag Juliaan in zijne armen.
âNu, zie gij dan hoe ge hem uitredt! sprak Gerrit Fransz. Meerman knorrig. âHij heeft zich zelf bij den Schout van Helft verklaagd van moord en hij heeft wel aan mij verdiend dat ik hem bij hot woord houde.quot;
âOp den berg des Hoeren is daarin voorzien geworden,quot; hernam Jacob Jansz. plechtig. âOp uwe knieën mijn zoon! en breng Gode hot offer uwer dankbaarheid; de Heer zelf heeft u uitgered. Hij heeft uw offer niet aangenomen. Hij heeft mij het vermogen verleend om den verslagene op te richten. Bastiaan leeft â Bastiaau zal eerlang zelf tot u komen, om u vergiffenis te schenken.quot;
Juliaan viel met een kreet van blijdschap aan zijne voeten. Schout Gerrit deinsde eerst verschrikt achteruit - daarop zag hij den Wonderdokthi; aan mot een blik van twijfel, schudde het hoofd, glimlachte fijntjes â en liet hen samen.
HOOFDSTUK III.
Mabelia had zich langer clan zij wist laten ophouden bij haar bezoek aan Juliaan, dat voor haar zelve even belangrijk was geweest, als veelbeteekenend voor hem. Verschrikt door hot luiden van de noenklok, toen zij pas de woning van den onderschout had verlaten, haastte zij zich voort, om hare goelijke verwanten die zich stipt aan het oud-vaderlijke etensuur hielden, niet te laten wachten, hetgeen daarenboven vragen en ophelderingen zoude uitlokken, die zij wenschte te vermijden. Dicht in hare huik gehuld, zich werktuiglijk voortspoedende, zonder opzien of omzien, en, ondanks de vaart harer rappe voetjes, het hoofd buigend onder de macht harer gepeinzen, had ze niet kunnen letten op een heer, die van de andere zijde aankwam, en evenzeer met wat al te gejaagden ship voortliep om voor haar uit te wijken; het gevolg daarvan was, dat haar marktemmertje in aanraking kwam met het gevest van zijn degen. Door dien lichten schok opgeschrikt, liet zij het emmertje uit do hand glijden; de cavalier raapte het schielijk op, en bood het haar aan met eene hoft'elijke buiging, terwijl hij zijn best deed om te zien, welk lief gezichtje zoo zorgvuldig onder dat hulsel wegdook.
/ij lispelde een woordje van dank, maar sloeg tegelijk het ruim geplooide overkleed nog dichter toe. Dan, hoewel ze
104
voort wilde, zij moest blijven staan; zij voelde hare knieën knikken, het was haar of ze zou neerzinken van schrik. Zij had den gedienstigen cavalier herkend; dat was de baron de Ghiselles â dat was hij â zij kon zich nu niet vergissen; de slanke, jonge ridder was alleen tot een kloek man gerijpt, maar die oogen, wier zonderlinge gloed haar eens had getroffen, en die haar nu uitvorschend gadesloegen, die oogen â Juliaan had het haar wel gezegd â geleken in niets op de zijnen, en gaven tevens een onmiskenbare uitdrukking van dubbelheid aan dat gelaat, die bij het lijdend en hartstochtelijk wezen, dat zij pas verliet, niet werd gevonden. Met de snelheid des lichts werd die opmerking door haar gemaakt, en een licht ook ging haar op in dienzelfden oogenblik; Juliaan had gelijk: die man was valsch en was niet te vertrouwen. Ook klom haar innerlijke zieleangst, toen hij met eene gracelijke geste even de hand op haar arm legde om haar staande te houden, en het woord tot haar richtte op den toon dien hij tegen het burger juffertje meende te moeten gebruiken.
âEilieve, schoon kind! â want dat ge straf schoon moet zijn, bewijst me die nijdige wijle daarin ge u hult â ik ben hier vreemdeling in deze stad, en ben zoo wat aan t dolen geraakt â wil me even een pasje verzeilen en den weg wijzen naar de huizinge van den graaf van Solms, op de... Oude Gracht, zoo ik meen.quot;
Dus had hij haar niet herkend. Mabelia bekwam van blijdschap en hernam haar aplomh.
âOp het oud-Delft; mijnheer â maar ik... ga dien weg niet uit â doch ziedaar iemand die u tot geleider zal zijn;quot; en zij wees op den Schoutsdienaar, die, getrouw aan zijn consigne, quasi tegen een brug stond te leunen, toen de Ghiselles bleef staan; terwijl deze, hare vingerwijzing volgend, omzag, repte zij zich voort, de eerste steeg de beste in, schoon dat voor haar een omweg was.
105
âEen preutsche deern!quot; pruttelde de Ghiselles; maar daar hij wichtiger zaken in 't hoofd had, al was een mooi gezichtje hem niet onverschillig, nam hij zijn toevlucht tot den aangewezen gids, die met een verheimelijkten glimlach zich beleefdelijk tot zijn dienst stelde, en nu als wegwijzer vooruitliep, in plaats van als bespieder te volgen.
Zoo bereikte hij, zonder verder dwalen, den huize Solms, hoewel niet langs den kortsten weg; want de Schoutsdienaar had suspicie, dat zijne onkunde maar een voorwendsel was, en wilde hem op die wijze op de proef stellen.
Het tegendeel bleek toch.
âOef! is dat loopen; ik had nooit gedacht dat wij er komen zouden,quot; sprak de baron, toen zij voor de poort van het prachtig hotel stonden, terwijl hij zijn gids loonde met een carolus-gulden.
Op dienzelfden oogenblik stapte Mabel ia den stoep op van haar ooms huis, alleen door den ingang die naar Jacob Jansz. kluize leidde van de vorstelijke woning gescheiden; zeker was zjj al met ongeduld gewacht, want de deur ging onverwijld open; â toch had de Ghiselles haar nog zien binnengaan.
âWie woont daar?quot; vroeg hij, zich nogmaals tot den dienaar wendend, die, na zulk eene fooi, uiterst goedwillig antwoordde: âSchepen Dirk Jansz. Qraswinckel, edele Heer!quot;
âSchepen!.... Is dat jonge meisje zijne erfdochter?quot;
âZijne nicht, edele Heer!quot;
âIk meende dat ik van een dokter Graswinckel had hooren spreken?quot;
âZijn oudsten broeder, Jacob Jansz., gezegd Boot.quot;
âKunt gij mij zeggen waar die woont?quot;
âDie zijpoort in, dan is men er, men licht simpehjk de klink; de dokter houdt er geen knecht op na, hij kluist maar zoo wat. Wie hem spreken wil, trede gerust binnen.quot;
âDat kan te pas komen,quot; dacht de Ghiselles bij zich zei ven en ging de wijde poort van den huize Solms door. Hij bleef
106
daar lang vertoeven; zóó lang, dat de Schoutsdienaar zich begon te verbeelden, dat hij er mogelijk ter maaltijd zou blijven. Hij dacht aan den zijnen, de ongelukkige, toen de klok van de Hip-polytus-toren een en daarna nog weêr haWtwee aankondigde, zonderdat hij zich afgelost mocht beschouwen. Toen eindelijk de edelman, aan zijn toezicht vertrouwd, weêr naar buiten trad, zag deze er uit, of hjj zich zeer had verhit in drank of in toorn.
Hij liep gejaagd voort, zonder den man op te merken die hem tot geleider had gestrekt, en die voorzichtiglijk op een afstand volgde.
Een half uur daarna, meldde het slachtoffer van zijn plicht zich aan bij Schout Gerrit, tot wien hij onmiddellijk werd toegelaten, en deed zijn rapport, eindigend met de vermelding; dat de edelman in quaestie naar zijn logies was gegaan, daar nog een kwartier had vertoefd, ten laatsten te paard was gestegen en de Haagpoort was uitgereden.
!Xiet bij machte om den ruiter te volgen, kwam de getrouwe speurhond der politie ootmoediglijk nieuwe orders vragen. Hij zelf kreeg verlof om naar huis te gaan, maar binnen tien minuten reed er een renbode naar den Haag, met een brief van Schout Gerrit aan Meester Johan van Oldenbarneveld, Advocaat van Holland.
âWel kindlief! wat ziet ge er mat en ontdaan uit,quot; was de uitroep waarmee moei Baerte, die zelve de deur had opengedaan, Mabelia ontving, die de uitvlucht gretighjk aangreep om te zeggen, dat zij zich werkelijk eenigszins onpasselijk gevoelde, ganseh geen lust tot eten had, en maar stillekens naar hare kamer zou trekken.
âDoe dat Belie, uw oom is toch al wat ontstemd aan tatel gegaan; hij verzet zijn maaltijd om lief noch leed, als ge weet;
107
maar ik kom straks eens naar u hooren en zal Jacob-oom laten vragen eens aan te komen.quot;
âJa! dat was goed!quot; stemde Belia toe. Jacob-oom had ze te spreken, al was 't niet over lijfelijk onwelzijn, voegde zij er in gedachte bjj, terwijl zij de trap opsteeg naar hare kamer. In den loop van den namiddag kreeg zij daar werkelijk een bezoek van den goeden Jacob Jansz., die geen Wonderdokter behoefde te zijn, om den aard van haar onwelzijn te raden, al ontkende zij in 't eerst dat haar iets scheelde. Haar zenuwgestel was heftig geschokt en, al stribbelde zij tegen, hij schreef haar iets voor ter bedaring; maar hij zag wel dat het daar niet mee afgedaan was; lijj deed haar een paar vragen, die bewezen dat Juliaan niet had kunnen zwijgen voor zijn vriend, en die haar heenzetten over den schroom, die haar weerhield uit te spreken wat zij toch willens was meê te deelen.
Toen was het ijs gebroken, en zij had eerlijk opgebiecht, hoe zij door meêwarigheid ter eener, door ongeduld ter andere zijde gedreven, was gekomen tot een stap buiten hem om, waarvan zij wel geen berouw had, sinds Juliaan gebleken was hare belangstelling ten volle te verdienen, maar die haar toch tot nadenken en zelfonderzoek had gebracht, waarbij haar als een licht was opgegaan, waarvoor zij de oogen niet langer kon sluiten, vooral niet sinds zij den verdachten vreemdeling had ontmoet, dien zij eens als baron de Ghiselles had leeren kennen, wiens blik haar nu schrik en onrust had aangejaagd, en met wien zij niets, niets meer te doen wilde hebben, al was hij nog zoo'n groot heer voor de wereld, zelfs al had zij Juliaan op dit punt geene belofte gedaan.
âDaar kan en mag ook niets gemeens zijn tusschen dien onwaardigen edelman en mijne .Mabelia,quot; sprak Jacob Jansz., zacht maar vast, nadat hij hare gansehe bekentenis onder een ernstig zwijgen had aangehoord: maar evenmin moogt gij elders, zij het onder den vorm der welgemeende vriendenzorge.
108
de ruste komen storen, die er onder gebed en tranen wordt veroverd. Gij moogt Juliaan niet weerzien, Mabelia!quot;
âIk heb het mij zelve reeds gezegd; maar.... zal hij, die zich toch al zoo verlaten voelt, zoo miskend acht, mij dan niet verdenken.. .quot;
,Verdenken! waarvan?quot; vroeg Jacob Jansz., terwijl hij zijne klare, doordringende oogen uitvorschend op haar vestigde.
âVan... ontrouw aan mijne belofte,quot; bracht zjj uit, terwijl zij de oogen neêrsloeg.
âIk heb de vrijheid verkregen hem te bezoeken zoo veel ik wil, en ik zal u bij hem verontschuldigen; hij zal zelf inzien, dat hetgeen eens is gewaagd, in de volheid van het christelijke mededoogen, niet behoeft te worden herhaald, nu het blijkt dat daartoe niet langer oorzaak is. Dat gij u het lot van den lijdenden medebroeder hebt aangetrokken, die daar neêrlag in een vunzig hol, en niet hebt willen wachten tot een wettelijk tus-schentreden van de bevoegde autoriteit aan zulke mishandeling een eind maakte, dat is goed, en ik zou mijne Mabelia nier. kennen, zoo zij anders had konnen handelen; dat zij den geredde daarteboven troostte door hare toespraak, is niet te mis-prijzen; maar hij is nu niet meer in zoo beklagenswaardige conditie; er is voorgoed op voorzien, dat Juliaan, zoolang hij niet in vrijheid kan worden gesteld, geenerlei last noch ontbering zal lijden, dan alleen het ongerief eener strikte afzondering. Schout Gerrit, die niet zoo bar is als hij zich wel voordoet, heeft Bartels aanbevolen, den jonker alles toe te staan wat hij mocht verlangen, uitgenomen volle vrijheid, en ik heb zelf den onderschout ernstig vermaand, zijn vroeger vergrijp, dat wij vergeten willen, goed te maken door zorgvuldige verpleging. Juliaan zal dagelijks de vrije lucht genieten in zijn ruimen tuin, wat ik als geneesmeester heb voorgeschreven, en voorts zal deze afsluiting van het wereldsch gewoel, hem, die noodig heeft ernstiglijk tot zich zeiven in te keeren, heilzaam zijn als voor-
109
bereiding tot den strijd, dien hij eerlang zal hebben te strijden, als hij weer in het werkelijke leven zal moeten optreden, als een veranderd mensch, als een wedergeboren Christen, die de goede keuze heeft gedaan. Het zal hem niet ontbreken aan opwekking, aan bestier, aan vrienden-toespraak, dat beloove ik u; al wat daarboven gaat is hem niet nut, en zou u, mijn kind alleen konnen schaden in de opinie der wereld!quot;
â't Is mij genoeg, te weten dat ik overtollig ... dat ik ... hinderlijk zou konnen zijn, om mijn besluit vast te zetten, dat bezoek niet te herhalen; maar wat de vreeze voor het oordeel der wereld belangt â hebt gij mij zelf niet steeds voorgehouden, dat wie het leven eens Christens wil leiden en des Heeren werk doen, zich moet onderscheiden van de wereld, geenszins zich door haar kortzichtig oordeel laten afschrikken?quot;
âDat zegge ik nog! Maar zich onderscheiden van de wereld is gansch iets anders, dan zich stellen boven hare gezette regelen, om iets zonderlings te doen! Door zulke averechtsche opvatting zou een voorschrift, dat strekken moest om tot onze heiligmaking meê te werken, oorzaak worden van de onzaligste verwarring. Ja! menig werk voor Christelijke liefde, in geestdrift ondernomen, is door die misvatting van sommigen tot een strik geworden, tot een smadelijken val, en daardoor wordt niet slechts het goede ten kwade voor hen zeiven, maar ook de voortgang van het Koninkrijk Gods merkelijk geschaad, in zoover de Heer zelf daarin niet voorziet. De wereld, zoo ruim en toegevend voor de haren, ziet scherp toe op wie zich van haar afwenden om zich te onderscheiden, en eischt van hen eene volkomenheid, waarnaar zij zelve niet streeft. En zij heeft gelijk in dien eisch. Wie zich aan haar onttrekt, krenkt en smaadt haar, en kan deze verwerping niet rechtvaardigen, tenzij door zich metterdaad in alles haar meerdere te toonen, ook daarin, dat hij hare ordeningen eerbiedigt, die zij zelve menigmaal gedachtenloos schendt; waar hij dit verzuimt, geeft hij aanstoot en ergernis.
no
daaraf de blaam terugvalt op de goede cause die hij belijdt. Geloof daarin een oud strijder, die sinds jaren in het worstelperk heeft gekampt, en die zich geenszins zou beroemen daarin overwinnaar te zijn, zoo hij niet wist te roemen in Christus, die hem tot het voeren van den strijd heeft bekwaam gemaakt.quot;
âIk geloof u volgaarne, Jacob-oom, maar toch, verschoon mij, komt het mij voor dat gij zelf. . ..quot;
âWel den zonderling speelt; is het dat niet wat mijne Belie op de tong terughield?quot; viel hij in, met een goelijk glimlachje. âIk weet maar al te goed, dat menigeen mij den zonderling-noemt, omdat mijne leefwijze niet die is van iedereen; ik weet zelfs, dat do genezingen die ik doe, zoo vaak het den Heere behaagt die te zegenen, als mirakelen worden uitgekreten; maar ik zelf heb nooit naar den naam van wonderdoener gestaan, en ik tracht in dit alles zoo stillekens, zoo simpel mijn weg te gaan, dat wie ergernis aan mij wil nemen, zich althans niet zal konnen beroemen, dat ik die heb gegeven. Dat ik mij in mijne binnenkamer wat soberlijk behelpe, om mijne arme schaapkens ruimer te konnen voorzien, geschiedt ganschelijk niet om iemands weelde te berispen, of mij zeiven exempel te stellen van onthouding, sinds het geheim mijner leefwijze slechts aan mijne naaste verwanten bekend kan zijn, bij wier trouwe ik het veilig heb geacht; maar ik heb mij in niets tegen de gebruiken van het burgerlijk leven verzet, zelfs niet in mijne kleeding. Als anderen een vastenavondpak aantrekken, zal ik geen narrenkap opzetten om met hen meê te doen, dat is waar; maar ik zou evenmin blootshoofds of barrevoets onder hen optreden, om hunne uiterste dwaasheid door mijne uiterste strengheid te beschamen; ik ben niet geroepen om als hervormer der zeden onder mijn volk op te treden; ik ben van den Heer gegrepen, om in stilheid Zijn werk te doen, dat Hij mij heeft aangewezen onder lijdenden en nooddruftigen, en verder mijns zelfs zaligheid te zoeken met vreeze en bevinge. Zeg dit voort, wellieve, aan hen die mij een
Ill
zonderling noemen, en meenen, dat het mij gelust als een zulke aangegaapt of nagewezen te worden. En wat nu voorts Juliaan betreft: hij gelooft zich reeds zeer sterk, en daarom acht ik hem nog wat zwak; eene zwakheid, die men niet noodeloos op de proef moet stellen. Al wat zijn oog en hart af kan trekken van het ééne noodige dat hem te bedenken staat, kan hem slechts kwellen en ophouden. Bedriegelijke voorspiegelingen van aardsch geluk, liefelijke hersenschimmen, die gansch geen kans hebben van verwezenlijking, die het zwakke hart zich zoo licht schept, mogen hem niet ijdellijk beroeren en doen heen en weer wankelen tussehen hoop en vreeze; wij althans moeten er hem voor bewaren, zooveel dat in onze macht is.
Gij hebt het mij toegestemd, dat Juliaan van Egmond niets voor u kan zijn dan een voorwerp van Christelijke liefde; en nu, die liefde zelve verbiedt zijn dringenden wensch gehoor te geven om uw bezoek te herhalen. Gij verstaat mij, niet waar ?quot;
âZoo goed, Jacob-oom, dat ik zijn verzoek reeds zou hebben afgeslagen, ware 't niet uit vreeze hem al te zeer te krenken,quot; hernam zij met zekere fierheid, maar wondde het hoofd af om een traan weg te pinken, dien zij liefst had willen verbergen. Maar daarop, als besloten hetgeen er in haar omging niet voor den vertrouwden vriend te ontveinzen, keerde zij zich weer tot hem en sprak onder tranen: âEn toch, als alles anders ware geweest, als het had mogen zijn â hoe goed zou het mij geweest zijn, een glimlach van blijdschap en een blos van vreugde te tooveren op dat bleek gelaat van dien lijder, die beroofd en verstoeten van de zijnen, misdeeld van alle levensgenot, zijn duister en steil pad dus eenzaam heeft moeten gaan.quot;
âEn niet zonder struikeling, niet zonder diepen val, Mabelia ! vergeet dat niet,quot; sprak de grijsaard waarschuwend. âHij is nu van de dolingen zijns wegs afgekeerd, dat is waar, maar hij moet nog bewijzen, in de vrijheid den rechten, den engen weg
112
te konnen gaan. Hij heeft een nobel hart, maar het moet nog blijken of hij een vasten geest heeft.quot;
,0! blijf gij zijn geleider, en laat zijne hand nimmermeer los!quot; riep zij, smeekend des grijsaards handen vattend.
âLiefste kind! wat zou dat baten, al ware het doenlijk; de eene mensch kan den anderen wel tot hulp en oprichting zijn, maar hem voortdurend beveiligen tegen zich zeiven, dat kan geene menschelijke macht, dat kan alleen de bewaring en de hulpe Gods.quot;
r Belie!quot; â en moei Baerte vertoonde zich in de half geopende deur â âdaar is Antony; vernemende dat gij onwel waart, vraagt hij of hij u mag toespreken?quot;
âAntony, nu? neen! neen! dat kan niet zijn, moei!quot; sprak zij in zekere heftigheid.
âMabelia moet nog wat ruste houden, zuster! dies volg ik zelf ook,quot; vergoelijkte Jacob Jansz., terwijl hij de goede vrouw, die wat verbaasd en aarzelend staan bleef, wenkte dat zij hen zoude laten.
Dr. Graswinckel, welhaast beneden gekomen, om het gezin eerust te stellen omtrent den toestand van Mabelia, maakte te-
O
gelijk eene afspraak met Antony, voor een onderhoud dat hij hem voorsloeg, en dat des anderen daags werkelijk plaats vond, onder vier oogen, in zijne âlibrairiequot;, waar Antony voor dezen nog nooit den voet had gezet. Hij vond er zich ook niet thuis, begreep niets van die potten en flesschen van grillig fatsoen; voelde zich wat huiverig, toen hij een doodshoofd ontwaarde, en durfde nauwelijks plaats nemen op den armstoel, dien Jacob Jansz. hem aanwees, uit vreeze dat er stof of smet op kleefde; want de oude man, dit wist hij, deed alles zelf, en hoe zou hij dit alles schoon houden, terwijl een geleerde als deze, toch niet op wat vuil zou zien! Zulke bijgedachten gingen
113
den verloofde van Mabelia door het hoofd, terwijl Jacob Jan.sz. hem onderhield over zijn betrekking tot Mabelia, en hem onder het oog bracht, hoe weinig recht hij had, om deze aan het afgedwongen woord te houden, sinds hij zelf ontrouw was geworden aan zijne belofte om Juliaan niet te vervolgen, noch tot zijn verderf meê te werken.
Niet vreemd, dat zijne âwondre krachtquot; hier geen mirakel kon wrochten. Op de platte oppervlakkigheid had hij geen vat; op een gemoed, door lage eigenbaat als met ijzer ompantserd, kon hij niet inwerken. Nadat de jonkman, niet zonder teekeuen van misnoegen en verveling, de ernstige voorstelling van den grijsaard had aangehoord, sprak hij korzel:
âAlles wat gij mij daar voorhoudt, heer dokter, bewijst me genoeg, dat ik niet de bruigom uwe keuze ben voor uwe nicht; maar van uwe billijkheid wacht ik, dat gij dies ondanks geen aanleiding zult geven, dat ik afgescheept worde om zulk eene kleinigheid.quot;
âEene kleinigheid, Antony! met uw welnemen, het was juist om een onbeduidend sieraad, dat gij de vrijheid, het leven van een mensch in gevaar hebt gebracht, en door uwe onbarmhartigheid ware een onberekenbaar kwaad gesticht, zoo God het niet genadiglijk had verhoed, door zulke middelen die men gemeenlijk toevallige omstandigheden noemt. De gelegenheid om het hart van Mabelia voor u te winnen door een blijk van edelmoedigheid, hebt gij verzuimd; maar gij hebt niet geaarzeld haar in boozen triomf bewijs te geven van uwe hardvochtigheid. Het is haar nog verholen gebleven, welk aandeel gij hebt gehad aan de gevangenneming van Juliaan; maar de smet van uw gebroken woord blijft niettemin op u kleven, in mijn oog ; en als ge tot u zeiven inkeert, zult gij moeten erkennen dat het met recht is. Gij zijt koopman, en een koopman allereerst moest niet vergeten, dat eene overeenkomst getrouwelijk moet worden nageleefd, en dat wie daarin failleert, zijne partij ontbindt.quot;
Wonderdokter. II. 8
114
âAls Belie zelf er zoo over denkt, en niet schroomt deze uitvlucht aan te grijpen om haar gegeven woord terug te nemen, moet zij het maar weten.quot;
âHet is niet twijfelachtig, hoe Mabelia daarover zal denken; maar ..... ik spreek niet in haar naam, daar ik haar nog onkundig heb gelaten van 't geen mij bekend is geworden. Ik verlang dat gij zelf zult inzien, wat gij haar nu schuldig zijt. ...quot;
âEn indien mijn inzicht ten deze niet strookt met uwe wen-schen, heer dokter, zult gij zeker uw best doen om ons toch van elkaar te scheiden, door haar den gruwel dien ik gepleegd heb, naar uwe meening, te verklikken ! Bedenk wel wat gij daarin doet, Jacob Jansz.; mijnerzijds verklaar ik u, dat ik niet eenmaal eene bruid begeer, die kans heeft om met een avonturier op de spraak te raken.quot;
âAntony! gij weet zelf wel, dat zulk een gevaar voor Mabelia niet bestaat, tenzij gij zelf... maar â neen â tot zulk een laaghartigheid acht ik u niet bekwaam.quot;
âWelnu ja! Ik zou dan nog moeten zwijgen bovendien! Als Mabelia het vooruit gezegd had, dat ze mij niet hebben wilde, en de erfenis van oom Dirk met mij had gedeeld, zouden w:j ieder onzes weegs zijn gegaan, zonder haat of nijd, en zou ik hare edelmoedigheid nog moeten loven; maar ze heeft heel anders geprocedeerd; ze heeft me nooit vooruit gezegd dat ze wat tegen ons hijlik had, ze heeft alleen uitstel gezocht, altijd uitstel, en toch ten laatste toegegeven, om een schoelje van de paleije te redden! Want een schoelje is hij, dat blijf ik zeggen; en al heeft hij het dan zelf niet gedaan, zijn volk heeft mij afgezet en bestolen â en hij en zijne soldaten zijn één: dief met diefjesmaat â het contrarie van dien maakt niemand me wijs...quot;
âMaar ik heb u immers gezegd, dat ik zelf. ..quot;
âJa! later is hij door u gekleed en gereed, dat mag zijn; ik spreek van 't geen vóórging, en wat Belia bewoog mij het jawoord te geven, ten overstaan van de wederzijdsche familie
115
en vrienden, en zoo ik nu weêr worde afgedankt, dan zal ik niet zwijgen, uit welke oorzaak; zonder dat â lie)) ik gevaar, dat men het verbreken van de trouwbelofte op mijne rekening zou schrijven, alsof er iets aan mij haperde, en ik mij in 't een of ander misdragen had; en het eind er van zou zijn, dat ik, die voormaals de hand maar had uit te strekken, om aan iederen vinger eene vrijster te krijgen, nagewezen zou worden als de afgedankte bruigom van Mabelia Oraswinckel, en in mijne eigene vaderstad geen meiske meer zou durven vragen, zonder perikel van een blauwe scheen, daar bedank ik voor! Mabelia moet het zelf maar weten: begeert zij hare vrijheid â die is te verkrijgen, als ze niet op de kosten ziet.quot;
âMabelia heeft mij niet gezegd dat zjj hare vrijheid begeert,quot; hernam Graswinckel kalm, ondanks den diepen weerzin die dit grof egoïsme hem inboezemde: âzij weet niets van dit onderhoud dat ik u gevraagd heb, niets van de poging die ik waagde, om u tot eene edelmoedige beweging des harten te stemmen; daarvoor ken ik haar wel, dat zjj hot geluk van haar leven liever zal offeren in een echt zonder liefde, dan haar goeden naam veil geven aan zulke uitleggingen als de uwen; maar dit zegge ik u nog: gij weet â gij gevoelt zelf wel dat gij niet bij elkander past, dat gij haar hart niet hebt konnen winnen, en dat eene handelwijze als de uwe, daartoe ganschelijk niet de goede weg is. Gij zelf hebt haar inderdaad niet lief...quot;
âJacob Jansz.! hoe kunt gij zoo spreken,quot; riep Antony gekrenkt, â't Is juist omdat ik haar zoo vurig beminne, dat ik ze niet vrijlate nu ik eenmaal haar woord heb; dat ik dus stijf en sterk op het hjjlik blijf aanhouden. Menig ander zon al lang afgeschrikt zijn door hare wondere grillen en viesevaserijen: ik blijf lankmoedig en oefen patiëntie, al maakt zij het nog zoo bont met koude versmading .... Met een wenk van haar oog doet ze mij versagen, met een glimlach maakt ze mij den koning te rijk, met een zoet woordeke zou ze me door een vuur jagen!
116
en dan zoudt ge nog zeggen â dat ik haar niet liefheb!quot;
âGij hebt passie voor haar, gij zijt verlokt door hare schoonheid ; maar gij weet noch haar hart op de rechte waarde te schatten, noch haar geest en gemoed op den prijs te stellen dien ze verdienen. Met hartstocht alleen, zelfs al werd die door haar gedeeld, kan een hijlik niet bestaan; men moet elkaar weerzijds konnen achten en weten te eeren; men moet elkander liefhebben mot hoogere liefde, opdat men te zamen geheiligd worde] in Christus en tot elkanders heiligmaking kan medewerken; zoo één vonk van deze liefde in uwe borst gloeide, zoudt gij edelmoedigheid weten te oefenen, en veeleer waardiglijk terugtreden, dan eene overijlde belofte tot een keten te maken, daarmee gij eene jonkvrouw voor het leven bindt!
âJa, dokter Boot, dit weet gij van mij, dat hoeft Belia zelf ook altijd geweten, dat ik geen fijne ben en geen hypocriet wil worden; tot diergelijke edelmoedige beweging des harten, als gij mij daar voorschrijft, zal het bij mij dus wel nimmer komen; mijn eigen besluit staat vast: als Mabelia haar woord breekt, omdat ik mijn deel heb in 't gevangen zetten van dien sinjeur, waarvoor zij zoo'n wondre teêrhartigheid toont, dan zal al de wereld het weten, opdat niet enkel toegefelijke voogden en vrienden, maar alle weldenkende, welgeboren luiden mogen richten tusschen Mabelia Graswinckel en Antony van Hogen-hoeck!quot;
En hiermede trok do zelfzuchtige jonkman af, en Jacob Jansz. liet hem gaan, als een aan wien hij niets meer had te zeggen. Zelf was hij zóó overtuigd van Mabelia's gezindheid om, tot den prjjs dien Antony er op stelde, hare vrijheid niet te koopen, dat hij haar onkundig liet van zijne mislukte poging om haar van het hatelijk juk te ontslaan. Antony zelf wachtte zich wel daarvan te gewagen en dat te eerder, daar hare ongesteldheid van ernstiger aard werd, dan aanvankelijk was te voorzien, en hij tot de herstellende slechts voor enkele oogenblikken
117
werd toegelaten, onder begunstiging en in 't bijzijn van moei Baerte. Toen zij weêr vaardig was om hare gewone leefwijze te hervatten en in den huiselijken kring terug te keeren, meende haar verloofde, dat hij niets meer van Jacob Jansz. had te vreezen, daar deze zoo trouw had gezwegen, en dat zijn onwil en tegenstand niets was geweest dan eene voorbijgaande kwade luim, omdat hij zijn beschermeling in de lij had gebracht! onmachtig als hij was om te beseffen, dat de helderziende, gemoedelijke man, uit beginsel eene vereeniging moest afkeuren als de zijne met Mabelia, al was er nooit van een Juliaan sprake geweest.
HOOFDSTUK IV
Bij het onderhoud dat Juliaan had met zijn vriend, gaf hij dezen zijne verwondering te kennen over de ongemeene goedgunstigheid, die Schout Gerrit hem had betoond in het gedenken van zijne moeder, hoewel het bleek dat hij van deze, sinds zij als jong meisje naar Ylaanderen vertrok, niets meer gehoord of gezien had. De vraag moest hem van liet hart: ot dokter Graswinckel, die evenzeer Maehtsld van Egmond in goede gc-heugenis had gehouden, niets naders wist van de betrekking, die cr bestaan had tusschen deze en Gerrit Fransz. Meerman, den geduehten Schout van Delft. Jacob Jansz. had geantwoord, dat hij er alles van wist en gansch geen bezwaar maakte het hem mede te doelen; maar dat hij dit niet kon doen, zonder gelijk te spreken van een belangrijk voorval uit zijn eigen leven, dat hij wel voornemens was hem eenmaal mede te deelen, doch niet in dezen oogenblik, bij dat eerste samenzijn, daar de tijd die hun nog restte kort was, en er was te bespreken wat meerdere haast had dan oen terugzien op het verleden.
Die toezegging was Juliaan reeds genoeg, en de vervulling bleef ook niet uit. Wij hebben een recht om mee toe te luisteren; maar daar Jacob Jansz. voor deze medodeelingen den vorm koos, dien hij het meest geschikt achtte om Juliaan te stichten, en hem nutte wenken te geven tot zijn eigen bestier â
119
is het niet zeker dat deze manier voor onze lezers juist de meest onderhoudende en aantrekkelijke zou zijn; wij nemen dus de vrijheid haar op onze eigene wijze in te kleeden.
Wij moeten beginnen met de waarschuwing, dat de bedoelde voorstelling ons ruim veertig jaren terugvoert, en wel in den zomer van 't jaar 1552, toen Keizer Karei V nog onbetwist, al was 't ook niet onbesproken, als graaf over zijne Nederlanden regeerde, en het wel niemand inviel aan de mogelijkheid te denken, dat het gansche volk eenmaal zou opstaan tegen zijn zoon Filips, door zijne voorzienige staatswijsheid al vooruit als toekomstige erfvorst en Heer gehuldigd, en dat men zijn vorstenhuis zou afvallen â zou afzweren voor eeuwig!
Licht en lustig gleed een sierlijk roeibootje over den Delft-schen vliet, welks water ditmaal zoo blauw en zoo effen was, dat het zich slechts in fijne rimpeltjes plooide. Nergens waren driftige golfjes te bespeuren die dartelend over elkaar heenbuitelden, alleen onder de snelle riemslagen spartelde het zilveren vocht op, totdat het als donzig schuim neêrspatte.
Het was ook een liefelijke namiddag in 't laatst van Juli: de zuidewind was niet dan een zuchtje, dat geen blad bewoog; daar was geen wolkje aan de rein blauwe lucht, en het Hol-landsche landschap tintelde van licht en vroolijkheid onder de gloeiende zonnestralen, wat al te fel wellicht voor mensch en vee ; maar de vetweiders lagen rustig te herkauwen onder de schaüw der wilgen aan den waterkant, en de melkkoeien stonden loeiend van ongeduld bij het hek om den melker op te wachten, die haar ontlasten zou van den kostbaren voorraad, niet langer zonder moeite in de volle uiers getorst. Hier en daar lag een schaap te hijgen onder de schaar van den scheerder, terwijl de lamineren vrij ronddartelden, of zich schuw ter zijde hielden.
120
gereed tot de vlucht, bij het eerste geritsel dat hen opschrikte.
En de menschen? â Die, waarop wij nu de aandacht vestigen, zijn zij die in het bootje uit spelevaren gaan.
't Was wat broeiig in de stad, wat zonnig op het veld, maar op het water was het toch altijd koeler,quot; hadden ze tot elkaar gezegd, en fluks was men tot het watertochtje besloten.
Het waren allen jongelieden, zonen en dochteren van rijke en aanzienlijke Delftsche poorters, zooals aan hunne weeldeiige kleeding te zien, zooals uit hunne gesprekken is op te maken.
Gesprekken! neen! quot;t zijn praatjes a batons rompus â uitroepen, kreten, geschater van pret, gejubel van zingenot, en welbehagen in 't fraaie weer; iets als het gekir der jonge duiven, als het gespartel van quot;t vroolijke vischje, als 't gehinnik van 't weelderige paard, als het getjilp van 't vogelkijn in de twjjgen. Niet hooger gingen' die toonen, niet dieper drong het woord, niet verder speurde de blik. Levenslust en zorgeloosheid was hier het parool; maar het contre-seign: God te verheerlijken in de vreugd des harten. Hem te erkennen in de weldaden Zijner schepping â al was het hun gegeven, al lag het enkelen hunner diep in quot;t gemoed, â ze vergaten het in hunne woelige, in hunne gedachtelooze pretmakerij.
Wij zeggen dit niet om onze jongelieden te bezwaren of hen in verdenking te brengen, als waren zij woester of loszinniger dan anderen van hun tijd en leeftijd; integendeel, zij waren alleen bedacht op hetgeen men gewoon is te noemen âonschuldig plezier,quot; en hij moest wel een streng zedenmeester wezen, die zich juist nu opwierp om hun hoogere eischen te doen en de vraag voor te leggen: of hun dan toch waarlijk niets ontbrak onder dit levensgenot. Maar zulk een vreugdverstoorder bevond zich niet onder hen, en dat is niet te verwonderen; geen hunner had nog de twintig bereikt, één slechts was er even boven, en dat Avas de flinke jonkman aa-n het roer, â die er niet uitzag of hij gewoon was zich veel in na-
121
denken te verdiepen, maar wel of hij het in spierkracht en geoefendheid, in lichaamsbeweging aan niemand gewonnen zou geven. Zjjn bruine gelaatstint, ondanks zijn blond haar en lichtblauwe oogen, droeg het kenmerk, dat hij reeds feller zonnegloed had getrotseerd dan dien van een Hollandschen zomer, Dirk Goedelijns was zijn naam; hij had Portugal en Spanje reeds bezocht in 't belang van zijns vaders handelshuis, waarvan hij deelgenoot was geworden; hij was eigenaar van het kleine vaartuig en gezagvoerder tevens, waarvan hij dan ook, naar zijn recht, den toon en de houding aanneemt zoo vaak het te pas komt.
De roeiers waren vrijwilligers, die hunne taak met al den ijver van liefhebbers volvoerden. Ontluikende jongelingen, misten ze nog wel de forschheid der rijpe kracht, maar zij vergoedden in vlugheid en behendigheid, wat hun aan sterkte ontbrak. De een, slank opgeschoten, mager en hoekig van gestalte, met sluik zwart haar on donkere oogen. noemde zich Jonker Willem van Malsem; zijn nevenman daarentegen een stevige, maar wel wat plompe burgerzoon, met een breedbeenig voorhoofd, maar goelijk van uitzicht, gaf antwoord, op den dorperlijken naam van Guurt Groot; toch was hij een rijk poorters zoon, terwijl van Malsem geen anderen rijkdom had dan zjjne kwartieren en zijns vaders degen.
Vier meisjes, tusschen de vijftien en achttien, bezetten de banken ter weêrszijden, met kussens van groen karsaai belegd. Bertha van Malsem, Willems zuster, de aanstaande van Dirk Goedelijns, met hare nicht Machteld van Egmond; Hilda van Adrichem, beider vriendin, dochter van burgemeester Klaes van Adrichem in het dubbele kruis; en de zuster van Guurt Groot, Dieuwertje, een spichtig opgeschoten vijftienjarig kind, dat er in haar zijde-laken zondagspak wel wat stijfjes uitziet, hetgeen te meer uitkomt bij de levendigheid van Goedelijns verloofde en de gulle ongedwongenheid van de lieftallige Machteld, die
122
reeds mi onder hare gezellinnen den palm der schoonheid wegdraagt, al is de teêre bloem nog in knop. Met twee jongelieden, die voor 't oogenhlik het driehoekig bankje op de punt hebben ingenomen, is het gezelschap voorgesteld; het ranke bootje was er goed mee bezet â ofschoon Bertha beweert, dat men nog best een paar buurmeiskens had konnen meenemen, die hunkerend op de stoepbank zaten toe te zien, toen de bevoorrechten zich inscheepten.
âEn waar zouden die zitten, liefste mijne?quot; vroeg Goedelijns lachend; âde roeiers moeten toch vrijen armslag houden.quot;
âWel, tussehen Machteld en mij in is nog ruim plaats, en Hilda die niet Dieuwertje de breedste bank bezet, kon ook nog wel wat inschikken voor een buurtje,quot; sprak het lieve kind gulgauw; maar â zoo ze preutsch ware, mocht zij spijt hebben van dien argeloozen uitval - want gevat doet een dier jongelieden, achter haar op de punt gezeten, er zijn voordeel mede.
âAls er ruimte is voor een buurmeiske, moet er ook plaats zijn voor een buurvrijer!quot; roept hij triomfantelijk, en met een wip is hij tussehen de juffers in, die in schijn wederstrevig inderdaad met gewilligheid ter zijde schikken.
âMooi gedaan! Jacob Jansz.quot; juichen de roeiers toe, terwijl deze, overmoedig door de welgelukte stoutheid, zijne geburin-nen rechts en links kust, ondanks haar verweren â tot loon, zoo hij voorgeeft, van hare inschikkelijkheid â tot straf, als zij pruilend beweren, van hare onvoorzichtigheid; maar de metgezel, dien hij op de punt heeft achtergelaten, stemt niet meê in liet algemeen gejubel.
âDat's valsch gedaan! Jacob Jansz.,quot; roept hij uit, âals er een naast Machteld zal zitten, moet ik het zijn.quot;
âMet welk recht toch, Gerrit Fransz. ? omdat gij telken stond occasie hebt haar overlast aan te doen!quot;
âDaar zal Machteld niet over klagen; maar als ge dus voortgaat haar damasten bouwen te kreuken, zal ze 't wis doen
123
over jou; het strijdt met de courtoisie eene joffer zóó te ver-fonfaaien.quot;
âAfgonst, Gerrit! afgonst, manneke; of wat doet gij anders, als gij den gansehen dag aan haar voorschoot hangt oft ge kleefkruid waart!quot;
âDat's mijne privilege, Machteld is mijn zusterke.quot;
âStrijdt het dan niet met de courtoisie zijne zuster te kwellen?quot; vroeg Jacob Jansz.
âGij! den zoon van schepen Meerman courtoisie leeren!quot; riep de twaalfjarige knaap mot kluchtige fierheid, âmij, die mijne opvoeding heb ontvangen tegelijk met de jonkvrouw van Egmond!quot;
Allen schaterden van lachen over de aanmatiging van den knaap.
âHoort den kleuter!quot; riep Guurt Groot, âde hand nog warm van 's meesters plak, hoort hem praten of hij de roede al ontwassen ware.quot;
âSar me maar, Guurt! sar me maar; sinds je roeit, laat ik je met vrede, maar als we straks aan land zijn, zal ik het je betaald zetten.quot;
âLiefelijk! Gerritmaat,quot; sprak Jacob Jansz., zich tot hem om-keerend; âwil je een gluiper worden, achterbaks wraak nemen over een gulgauw woord? Zijn dat adellijke manieren, dat vrage ik u, joffer Machteld!quot;
âOch, Jacob Jansz.!quot; hernam deze verdrietelijk, âGerrit is uit zijn goede luim geraakt en dat is uwe schuld; wat hadtjehem te kwellen met hier bij ons te komen zitten.quot;
âWel, nu nog mooier!quot; riep Jacob Jansz. met ergernis, âword ik geknord, omdat de kwajongen zich brutaal aanstelt! Ge hadt hem thuis moeten laten, dat ware vrij beter geweest, dan had hij geene occasie gehad om hier vreugdbederver te zijn.quot;
âZonder hem had ik niet konnen komen,quot; sprak zij fluisterend, gelijk zij reeds het apartje, met zachte stem en als voor Jacob Jansz. alleen, had aangevangen.
124
«
âGij zijt te overgoed, u zoo door dat wicht te laten ringel-ooren.quot;
Blk kan alles nu zoo niet uitzeggen â ik heb zoo groote verplichting aan zijne ouders.quot;
âDat gesis en gefluister kan ik niet langer verdragen!quot; riep nu Gerrit, plotseling opgestaan en zich tusschen hen indringende.
âLaat af, deugniet! als ge een pak verdienen wilt zult ge 't hebben ook,quot; riep nu Jacob Jansz., oprijzende, en de vuist van den forschen jonkman hief zich al dreigend op tegen den knaap.
âRust houden daarginds!quot; riep Goedelijns met gezag; âniet stoeien of vechten â zitten blijven, of â het schuitje gaat kantelen.quot;
âLaat het kantelen, daar geef ik geen zier om!quot; schreeuwde Gerrit, woest van drift; âals Jacob Jansz. mij blijft tergen, laat ik me van de punt in 't water vallen!quot;
Maar, ondanks die bedreiging scheen hij toch het allernaaste gevaar â den kloeken arm die zich tegen hem ophief â genoeg te vreezen, om weer te gaan zitten.
Machteld harerzijds, had intusschen met een smeekenden blik van hare groote, blauwe oogen, Jacob Jansz. ontwapend.
âMachteld! Machteld! kunt ge dat dulden, dat ik dus ver-schoveling blijf, en nog mishandeld worde daarteboven,quot; klaagde Gerrit op krijtenden toon.
âOch toe, Jacob! doe mij nu eens een dienst,quot; fluisterde Machteld, tot dezen gewend, met haar zoetste stemmetje, âen ruim de plaats in voor Gerrit; hij zit daar nu zoo alleen, en om de waarheid te zeggen, ik vertrouw den woelwater daar niet, hij is aan mijne zorge toevertrouwd, en er heeft maar eens een ongeluk te gebeuren.quot;
âMaak u maar niet ongerust, allerliefste weeprofetesse! een nat pak zou den bengel geen kwaad doen, en hier zijn armen genoeg om hem uit te redden.quot;
125
âFij, Jacob! ik wachtte niet, dat gij dus hardvochtig zoudt zijn jegens een medescholier.quot;
âEen medescholier! nu ja! we gaan beiden op de Latijnsche school, maar hij is pas nieuw aangekomen, en ik zit al meê in de hoogste, ik ben wel zes jaar zijn oudere.quot;
âGjj bluft, Jacob, ge zijt nog geen achttien ...
âIn mijn zeventiende toch....quot; Fier op zijn hoojen leeftijd, had de jongeling dit op luiden, lustigen toon gezegd.
âDat's gelogen,quot; klonk het achter hem van de punt, rvoorgisteren zijt ge pas zestien geworden.quot;
vToch in de zeventien!quot; hield Jacob Jansz. staande, ren eer gij daar zijt, Gerritmaat, ben ik meerderjarig!quot;
âEn als ik meerderjarig ben, word ik schepen van Delft, als mijn vader, en dan wordt joffer Machteld mijne vrouw.quot;
âDat zal wel iiitkomen!quot; zei Machteld lachende; toch zag zij voortdurend met zekere onrust naar hem om; âmaar zit nu niet zoo te trappelen en te schommelen, anders kom je nooit in den Veertig-raad.quot;
âIk kan geen rust houden als Jacob mij zit te tergen en uit te lachen.quot;
âOch toe, Jacob! geef hem zijn zin â doe het voor mij â want ik heb rust noch duur, als hij daar alleen blijft.quot;
âMij dat te vergen Machteld! ik liet opgeven, dit zoete plokje, eerlijk veroverd, en aan hem? maar toch, ja - als ge me aanziet met die oogen, toespreekt met dat stemmetje â zoudt ge mij bijkans bewegen te doen wat gij wilt, toovenaarster!quot;
âBijkans baat niet! laat Gerrit hier zitten, of gij dwingt mij er Bertha's gezelschap aan te geven, en mij nevens hem te zetten......quot;
âWat zal mijn loon zijn, Machteld, als ik den dwingeland zijn zin geef?quot;
âWie naar loon vraagt is geen ridderlijk serviteur,quot; werd er geantwoord met een schalk lachje.
126
âIk had milder uitspraak gewacht,quot; sprak hij teleurgesteld maar nog niet ontmoedigd, âminstens een kusje op ieder rozenkuiltje van dit mollig handje,quot; en de vermetele had het al vast bemachtigd.
âDoe 't om niet ââ doe 't om mij gaf' zij ten antwoord, op zachten, dringenden toon, en het kwam hem voor, dat de fijne vingeren even zijne hand drukten, als ten bewijze van geheime verstandhouding; en hoe onervaren ook nog in de kenmerken van vrouwengunst, de zeventienjarige besefte toch, dat dit meer beteekenis had, dan het gulgauw toestaan van de gunst die hij vroeg. Ook gehoorzaamde hij nu zonder aarzelen, en ruimde de plaats voor Gerrit Fransz.
Deze aarzelde niet om van de afgedwongen inwilliging gebruik te maken, schikte zoo dicht mogelijk naar Machteld toe, en scheen er behoefte aan te hebben haar in de oogen te zien als om zijn wel of wee uit haar blik te lezen; maar zij keek, wat strak en wat misnoegd, en wendde zich af om een praatje met Bertha aan te vangen, dat buiten den knaap omging. Dat kon het jaloersche, zelfzuchtige kind niet dulden. Hij liet zijn hoofd op haar arm vallen onder een mistroostig gesnik, dat door de omringenden niet precies met verschoonende meêwa-righeid werd opgenomen,
âNeem je troetelkind op den schoot, Machteld,quot; spotte Bertha, âzonder dat krijg je hem nooit tot bedaren.quot;
â't Ware beter over de knie!quot; sprak Guurt Groot daar tus-schen. â Eilieve I Juffer Machteld, stel wat order op den huilebalk, tenzjj ge verlangt, dat ik het zal doen,quot; en de kloeke roeier zag er wel uit of de bedreiging hem ernst ware.
âSchaam je, Gerrit!quot; sprak Machteld, zelve verlegen over de ergernis die haar beschermeling gaf; âwat is er nu weêr, dat gij u zoo kinderachtig aanstelt?quot;
âGij zijt boos op mij,Macbteld, en dat kan ik niet dragen, dat niet!quot; âHeb ik geen reden?quot; vroeg zij wat straf; âgij wilt altijd
127
met mij méégaan, en gij weet u niet te houden als een flinken jongen past. Gij verstoort den vrede en vreugde door je geharrewar en je zottelijk misbaar; je geeft voor mij lief te hebben, en je gunt me niet eens een rustig praatje met eene vriendin ! Waar moet dat heen , die grillen loopen te hoog. Is dat mijn dank, is dat wat je beloofd hebt, toen ik je voorspraak was bij vader Meerman, die je thuis wilde houden?quot;
âTk kan 't niet helpen, Machteld, zoo waar niet, een wonder wee bevangt me, als ik zie, dat gij anderen voortrekt.quot;
âAls ge 't u inbeeldt, dwaze jongen .... dat ziet er mooi uit voor mij ; dus kan ik mij keeren nog wenden, zonder dat ge-grein om mij heen.quot;
âDe jongen is waarachtig behekst,quot; merkte Guurt Groot aan, die half lachend, half korzel naar 't sermoen van Machteld en 't pleidooi van den schuldige had geluisterd.
âLaat je toch zoo iets onder vreemde luiden niet ontvallen,quot; voegde Hilda van Adrichem hem toe, âdat zou Machteld in zwarigheid brengen; als mijn vader met den Schout spreekt, hoor ik zooveel van alles wat in heksen-processen omgaat.... dat me het harte er wee af wordt.... daarom vermane ik tot omzichtigheid.quot;
âO! wat dat belangt Hilda, jonge meiskes onder de twintig-hebben geen nood; de hekserij die zjj plegen, wordt op zijn zwaarst gestraft met een mooie bruiloft; reken er op, dat er zeker iemand is, die wel eens met zoo'n aanklacht tegen u zelve kon aankomen bij burgemeester van Adrichem; wat zou je op de beschuldiging antwoorden?quot;
âDat ik er niets mee te doen wou hebben!quot; repliceerde zjj gevat, maar haar donzig gezichtje werd purperrood.
âBlauwe schenen zijn de stranden,
Daar mijn scheepjen op verzeilt!quot;
zong de schalk lachend â want hij voedde wel hoop dat ze hem geen pijn zouden doen!
128
âLaten we pays maken! Machteld,quot; hoorde men Gerrit daar tusschen zeggen â terwijl hij zich van de bank liet glijden en voor haar neêrknielde. âAls gij meê voelen kost, wat kwelling mijn nurksche luim mij zelf doet lijden, zoudt ge deernis hebben met uw armen Gerrit, en hem niet zoo scherp bestraffen over zoo licht vergrijp .... Zie mij nu maar eens vriendelijk aan en geef mij .... de hand, zooals je dat straks Jacob Jansz. hebt gedaan, en ik beloof me te beteren .... als ik maar kan.quot;
âGij kunt als gij maar wilt! Kom! rijs toch op malle jongen, daarmee is 't over; dan â 't is aan mij om condities te stellen : geen kibbelarij meer, met wie ook; geen kuren meer als ik mij eens met een ander bemoei, en bovenal geen waterlanders; want daarmee pas je in de kinderkamer en niet onder jongelui, en gij zoudt het er onder dezen zóó meê bederven, dat ze je voor een druiloor en flauwert zouden houden.quot;
âEn dat is Gerrit Fransz. Meerman niet! sprak de twaalfjarige, oprijzende, âdat zullen zo wel anders zien; ik zou het voor jonkvrouw Machteld durven opnemen tegen al de kameraden van de Latijnsche School.quot;
âDankje wel! bewaar je courage voor beter, het gelust me ganschelijk niet dat er om mijnentwil gevochten wordt dooreen troep scholieren.....quot;
âNu, dan tegen Jacob Jansz. alleen, want die ergert me al zooveel als de anderen te zamen!quot;
âOnverbeterlijke deugniet!quot; en Machteld, terwijl zij met den vipger dreigde, zag schuchter om naar Jacob Jansz.; zij vreesde dat deze de uittarting kon gehoord hebben en dat er nieuwe twist zou ontstaan. Maar deze scheen er niets van begrepen te hebben; blijkbaar had hij niet gelet op de boetpredikatie, die zij tegen haar kwelgeest hield, en evenmin op diens uitdagende repliek; hij scheen zich in de afzondering op de punt van het schuitje volkomen getroost te hebben, en bleek er zijn welbehagen in te vinden, zich in mijmeringen te verdiepen, onder
129
P
het liefelijk golfgeklots, terwijl men daar zoo zoetjes en zachtjes over het water heengleed.
In eene half liggende houding â het hoofd achterover geworpen, dat hij met den eenen arm ondersteunde â lag hij als wakende te droomen, nu eens starende naar de donzige, witte wolkjes, die over het luchtruim dreven, dan weer, door den scherpen lichtgloed getroffen, de oogen sluitend, die wat al te vermetel de zonnestralen hadden getrotseerd; of wel, dat turen naar 't azuurgewelf moede, heft hij zich op, als met een schok, en bukt voorover, of hij zich in het blauwe water wilde spiegelen,
M
l
1 : I
t-: I ff li
dat een levendig donker (
gelingstronie zou teruggeven, waarop hij mogelijk, als een tweede Adonis, met vrij wat welgevallen staarde. Al spelend laat hij de afhangende hand somwijlen in het water baden â en de ver-frissching schijnt hom welkom te zijn, want hij poogt met iets van het opgevangen vocht, van tijd tot tijd het voorhoofd te verkoelen â of wel, onderneemt hij naar waterlelies en breed-gebladerde plompen te grijpen, die altijd aan zijne rappe vingeren ontkomen, hetgeen telkens den teleurgestelde een trek van ongeduld en misnoegen op het gelaat brengt. Kennelijk is hij zelf even weinig als het bedorven zoontje van Schepen Dirk Frans Meerman, geoefend om de kleine teleurstellingen des levens, de kleine misrekeningen van zijne eigenliefde of ijdelheid, met berusting te dragen, omdat hem, evenals dezen, de werkelijke rampen en ernstige tegenspoeden tot nog toe gespaard zijn, en dat hij vaders trots en moeders lieveling is, al is hij geen eenige zoon. Maar toch is er een notabel verschil tus-schen den zeventienjarigen jongeling en den aankomenden knaap, die niet alleen ligt in het onderscheid van leeftijd, maar bovenal in verschil van aanleg van hart en gemoed; een verschil dat reeds nu sterk uitkomt in de minste kleinigheden. Overgelukkig met de stellige verzekering van Machtels gunst, is dit tijdelijk isolement, te midden der jolige jongelieden, hem wel-
Wonderdokter. II. 9
eene sprekende, schrandere jon-
130
kom â omdat het hem vrijheid laat, zooveel hersenschimmen te scheppen, zooveel luchtkasteelen te bouwen, als er maar in eene levendige, jeugdige phantasie kunnen opkomen. En al treft ook het kruisvuur van der anderen gesprekken en aardigheden zijn gehoor, het komt niet eigenlijk tot zijne kennis; zoodat ook de schrille wanklanken van haat en afgunst, die den zelf-zuchtigen kleinen tiran over hem ontvallen, langs hem heen-glijden als do rimpeltjes over het water waar zijn oog op staart. Toch schijnen zijne mijmeringen niet altijd van zachten aard, en in zulke oogenblikken krijgen de sprekende trekken een diep weemoedige tint, en verliezen de heldere oogen hun vroolijken glans.
Het is dan, als de werkelijkheid, tusschen zijne droomen door, voor hem oprijst, en hem gansch andere dingen zegt dan de liefelijke phantasiën waarin hij zich vermeide. Als zij hem zegt dat die Machteld, die daav zoo dicht bij hem zit, dat hij do hand maar heeft uit te strekken om de hare te vatten; met wie hij omgaat als zijn gelijke; die zijn jeugdig hart doet kloppen van ongekende, onbegrepen gewaarwordingen; die hein vreugde of smart toebrengt met een blik, met een woord; die nu, door een blijk van stille gunst en vertrouwen, zijne hope schijnt aan te moedigen â door zulke hindernissen van hem is gescheiden, dat al zijne schoone luchtkasteelen ineenstorten bij hunne aanraking. Die edele plant, schoon tijdelijk- in den burgerlijken hof gekweekt, kon niet bestemd zijn daarin te wortelen. Om te begrijpen, hoe zwaar die bijgedachte moest wegen, voor allen, die haar wel gaarne in dezen kring hadden gehouden, moeten wij even zeggen hoe zij in het huis van Schepen Dirk Frans Meerman was gekomen, waar zij nu, zooals men toen zeide: âals kind t'huis wasquot;.
Heer Hendrik van Egmond, doorgaans de heer van Kenenburg genaamd, hoewel hij meerder en rijker goederen bezat dan dat grijze slot, had al vroeg zijne gade verloren, die hem
131
een eenig kind naliet, dat toch geen geliefd kind zoude zijn, want: het was geen erfzoon!
Het kasteel van Kenenburg was een mansleen, en zou dus na zijn dood aan een bloedverwant toevallen, waarmee hij in vijandschap leefde; en die grieve â al gaf het meisje, dat Machteld heette, den naam en het beeld der geliefde vrouwe weer, kon de trotsche edelman niet verzetten. De erfdochter, die niets zou vermogen voor den luister van zijn geslacht, die eenmaal zijn naam en goed zou overbrengen in een ander huis, was voor hem niet veel anders dan een bezwaar, en een bezwaar dat te meer drukte, naarmate hij niet gewoon was, rustig op zijn kasteel te leven, maar den graaf (Keizer Karei V) op diens reizen en krijgstochten moest verzeilen. Waar nu h^en met een kind van drie jaar, plotseling als moederlooze weeze tot ziju last gekomen. Haar onder het toezicht van een slotvoogd en vrouwelijke bedienden op het eenzame kasteel te laten, was wel hagelijk in een tijd, waarin ruw geweld zich nog zoo vaak met list en verraad verbond. Do eerste kon ontrouw, de laatsten omkoopbaar zijn, en te zamen konden zij met den gehaten bloedverwant heulen, om nog bij zijn leven, zoowel do erfdochter als hare bezitting in diens handen te leveren. De gewone toevlucht van een adellijk heer, die met eeno dochter verlegen was, het klooster, viel evenmin in zijnen smaak, om redenen die hij liefst niet hardop onder woorden zou hebben gebracht. Hij was zoo wat van Luthenj aangetast, haatte papen en monniken, en de abdisse van Koningsfeld, de eigene zuster zijner vrouw, zou gewis hare aanspraken doen gelden, om voor de opvoeding van hare nicht te zorgen, zoo de vader er niet zelf op voorzag. Dit verworpen zijnde, vond hij echter niets beters, en raadpleegde zijnen rentmeester, den Delftschen Schepen Dirk Frans Meerman, die sinds lang met nauwgezetheid en trouw zijne uitgestrekte bezittingen beheerde, en die naar zijn gevoelen een bekwaam man zou zijn om voor de opvoeding van
132
âmaar een meiskequot; te zorgen. Gelukkig was de Schepen getrouwd en nog kinderloos, hetgeen zijne goedhartige huisvrouw bewoog zich aan te bieden, om hot meer dan half verweesde kind tot moedor te strekken, mits men haar niet verplichtte hare eigene woning in de stad to verwisselen voor het groote onhuiseljjke kasteel. Deze concessie deed do hoer van Konenburg haar volgaarne, en te liever, daar zij hem gelegenheid gaf, om geheel zjjne huishouding op te breken, en hot slot, waarvan hij nu toeh zijn hart had afgetrokken, kon overlaten aan de zorg van don kastelein, op wiens bedrijf een bestier Schepen Meerman hot oog moest houden. Zoo hij zelf nog van tijd tot tijd in Delfsland noodig had, kon hij zijn intrek nomen bij den Schepen, die deftig genoeg behuisd was, om de aanzienlijke bezoeken te kunnen ontvangen.
Vrouw Goortruid Meerman had kinderen gehad, die haar telkens, jong nog, door don dood waren ontvallen, en de kleine Machteld bleef nog twee jaar haar ceniye, zooals zij zelve haar noemde. Toen werd haar oen zoon geboren; âeen broertje!quot; zei Machteld. Hoe kon het vijfjarige kind dat anders beschouwen? Die zoon nu te mogen behouden, was de zielewensch van de overgelukkige ouders, die, na zooveel beproevingen, nauwoljjks aan hun geluk durfden gclooven en het mot overdreven angstvalligheid meenden to moeten bewaken. Zoo werd de kleine Gerrit het brandpunt van aller hoop en vreeze in dit gezin, en niet weinig bedorven, zooals te voorzien was. Machteld deed druk mee. De begeerten van den kleine te raden, te voorkomen, te voldoen, werd hare levenstaak, hare levensvreugd. Het was ook zoo aardig, als zij op de bakermat mocht zitten en welhaast eventjes â eventjes maar, onder toezicht van baker, dat kleine broertje mocht troetelen en liefkoozon! En toen de stamhouder der Meermans, van valhoed en leiband voorzien, zijne eerste waggelende schreden waagde, was do erfdochter der Egmonds niet weinig grootsch, als oudste zuster de zwakke pogingen te
133
besturen, te bewaken! En zoo ging het verder tot het opwassende jonkertje in haar de teêrhartigste, de toegeeüijkste zuster ziende, geen oogenblik twijfel voedde, of zij was meê een kind zijner ouders, die zeiven Machteld als eone geliefde dochter bejegenden, niets deden om hem deze dwaling te doen inzien. Dit verklaart zijne onbeschrijfelijke smart en spijt, toen op zekeren dag de tijding kwam, dat heer Hendrik van Kenenburg in den vreemde was overleden, en dat, nevens Schepen Dirk Frans Meerman een voogd was benoemd, oen hoog aanzienlijk heer, wiens intentiën met zijne pupil men nog niet konde gissen, en die mogelijk Machteld een ander verblijf zoude aanwijzen. Reeds de bijzonderheid, dat Machteld in den rouw werd gekleed over haar vader, die niet voor den knaap kon verheeld worden, opende hem de oogen voor hunne ware verhouding, waar-meê hjj dan ook ten volle werd bekend gemaakt. Tegelijk moest hij worden voorbereid op do mogelijkheid eener scheiding maar die gedachte kon het verwende kind, dat nooit in zijn wenschen of eischen was tegengestreefd, niet dragen. Zijne lieftallige aanhankelijkheid werd een ijverzuchtig, achterdochtig vastklemmen aan zijne Machteld, die hom behoorde, naar hij meende ; van wie hij niet gescheiden ivllde zijn, hetgeen hij in zijn kinderlijken waan meende to kunnen verhinderen, door zijn ja-loersch bewaken van iedere harer schreden, door zich aan haar op te dringen, werwaarts zij zich ook wendde. Eens had zjj drie dagen doorgebracht bij hare moei, de abdis van Ko-ningsfeld. De achtjarige knaap had zich zoo boos gemaakt, dat hij niet mee mocht, en zich zoo troosteloos aangesteld in haar afwezen, dat hij er ziek van was geworden; sinds dien tijd wilde het teerhartige meisje hem niet meer alleen laten als het maar eenigszins kon. Hare zelfopofferende zorge klom nog, toon vrouw Geertruid door eene sleepende kwaal werd aangetast, die haar bedlegerig hield. Eeno zuster van den Schepen kwam haar in hot huisbestier vervangen, en bleek eene verstandige
134
leidsvrouw voor de jongelieden. Maar Gerrit, die nooit andere tucht had gekend dan moedorlijke lief koozingen en zachte zusterlijke terechtwijzingen, noemde haar âstiefmoeder,quot; en werd korzel en kribbig onder zijn verzet tegen de nieuwe orde van zaken. Machteld zag zijne verkeerdheid wel in, maar zij had te veel modelijden met hom on trad zooveel mogelijk bemiddelend tusschenbeide. Zoo werd zjj hem nog meer onmisbaar dan voorbeen, en toch kreeg men bericht, dat de doorluchtige voogd, die niemand anders was dan Lamoraal, Graaf van Egmond, Prins van Gavere, een neef en krijgsmakker van Machtelds vader, niet voornemens was deze te Delft in do burgerlijke huishouding van hare pleegouders te laten, en alleen maar bij toelating, omdat hjj zelf' nog in drukke beslommeringen was van reizen en krijgsbedrijven, zijne pupil blijven liet waar ze was. Intusschen was Schepen Meerman, toegevende aan den raad der âstiefmoeder,quot; er toe overgegaan om zijn zoon naar de La-tijnsche school te zenden, die tot hiertoe huis-onderwijs had genoten, waaraan de jonkvrouw van Egmond nog altijd deelnam om zijnentwille. Do tegenstribbolingen van den knaap werden alleen overwonnen door Machteld, die hem voorhield, dat hij nooit een bekwaam on deftig man zou worden, zoo hij niet op do publieke school werd gevormd en met kameraden leerde omgaan.
âEn als ik dan een deftig, een degelijk man ben, zal ik uw man worden, is het niet zoo?quot; was dan zijn ultimatum, waarmee zij goelijk lachend instemde, wel gerustgesteld, dat hst machtwoord van den vorstelijkcn Lamoraal, welhaast al die losse overeenkomsten zou verbreken; want dat de aankomende knaap, dien zij als haar pleegzoon beschouwde, ook in de toekomst haar ideaal niet kon zijn, spreek wel vanzelve. Te meer zag zij nu zijn dwingen en drijven met een verschoon-lijk oog. De nieuwe schoolmakkers zouden zich wel belasten met dat deel zijner opvoeding, dat men thuis had verwaarloosd:
135
zijn wil te buigen, hem te gewennen aan tegenstand en tegenspraak â maar dit zoude harde lessen zijn â en do goéljjke Machtold voorzag, dat het vertroetelde kind een zware jeugd te gemoet ging, terwijl het nog onzeker was of de strijd dien hij zou hebben door te staan zijn karakter zou vormen, zijn geest zou doen rijpen of wel, dat nederlaag bij nederlaag zijn hart zou doen verharden, zijn gemoed zou verbitteren en er dat goede zaad zou verstikken, dat de vrouwelijke teerheid er zoo zorgelijk in had gekweekt. Jacob Jansz. was van degenen die er juist niet het beste van wachrten, als was hij niet van hen die hem liet meest plaagden; al hield hij hem soms de hand boven 't hoofd, ter wille van Maehteld. Maar, hij kon ook niet volkomen billijk zijn voor den jongen Gerrit, die zijnerzijds zelfs zijne edelmoedigheid ergerlijk vond, daar deze, als bij instinct, de oorzaak raadde waaruit zij voortkwam. Zoo bestond er tusschen die twee een dieper bron van onmin, dan waaruit gemeenlijk de heftigste jongenstwisten opwellen. Ieder van hen had Maehteld lief op eigene wijze: Gerrit Fransz., als iets dat hem toebehoorde, met al de tirannieke zelfzucht van een kind, dat een stuk speelgoed aan geen ander gunt; Jacob Jansz., met een opkomende jongelingsliefde, die zich nog slechts in zoete droomen, in onuitgesproken wenschen vermeldt, en die reeds oordeel des onderscheids genoeg heeft, om de bezwaren en hindernissen te voorzien, die zich zullen stellen tusschen die droomen en hunne verwezenlijking. En dan zag hij voor zich oprijzen dien Vorstelijken graaf van Egmond, die reeds gedreigd had, de schoor,e bloem uit Delfsland naar Vlaanderen over te planten â en tegen wiens machtige hand, met het recht gewapend, geen verzet baten zou. En dan trok er op eens een sombere wolk van weemoed over het hooge voorhoofd van den jeugdigen droomer, totdat zijne makkers hem met een kreet van ergernis wakker schudden ââover dat mokkend luierenquot;, zooals zij het noemden.
âIs dat nu pleizier maken, Jacob Jansz., ge lijkt wel te dutten.quot;
136
Dus opgeschrikt uit de jongelmgsmijmering, werd de nevel yan weemoed ook welhaast afgeschud. Jacob Jansz. begreep het zelf niet, hoe hij zich in eene duistere toekomst kon verdiepen bij het vroolijke heden, waarbij maar alleen te juichen en te genieten viel, als men niet voor een saaien zwaarhoofd wilde doorgaan. Eu dat was voorwaar Jacob Jansz. niet, al overviel hem ook soms, te midden van de luidruchtigste jool, zekere zwaarmoedigheid, waarvan hij zelf de herkomst niet wist; iets alsof het hem toch niet genoeg zou zijn, al had hij de gansche wereld met haar. En dan tuurde zijn groot helder oog naar het azuren gewelf, als wilde het door die ruimte heendringen, en speuren of daar was te zoeken, wat wel zeker hier niet kon te vinden zijn; genot zonder stoornis, harmonie zonder wanklank.
Weg, weg met die zottehjke gepeinzen, die niet achterlaten dan onvoldaanheid; hoe konden ze opkomen in hem, die zooveel oorzaak had om over zich zelf en al het omringende voldaan te zijn! riep alles hem toe. Hij, de lieveling zijner moeder, al waren de broêrs en zusters voor vader gelijk; hij, onder de jongelieden geprezen om zijne rapheid en vlugheid, geprezen en benijd om zijne kloeke gestalte als om zijn aangenaam voorkomen, geprezen om zijn vroeg rijp oordeel en schranderen geest. Dooide oudere vrienden en magen geroemd om zijne degelijkheid en deugdelijkheid van aard, ja, niet zelden aangewezen, zijns gelijken tot exempel, en diesondanks onder die gelijken niet gehaat of geschuwd, maar geliefd en gezien, goeddoende en zich goed wetende wat toch ontbrak hem nog, dat hij nog meer, nog anders, nog verder zou zoeken? Dan was voorwaar de kleine Gerrit vrij wat wijzer, die, in zijne jougens-aan-hankelijkheid voor Machteld, niet verder vroeg dan naar 't genot van 't oogenblik, en die hardop zat te neuriën van pleiziei, dat hem het plaatsje naast deze nu onbetwist werd gegund. Hij was een dwaas en een ondankbare, en dit waren buien die men ten spoedigste moest verdrijven; hij óók zou de roeispaan ter hand
137
nemen en duchtig de armen weren, dat was beter, dan dat werkeloos op het water staren; dat maakte droomerig, en vandaar dat naargeestige nevelen zjjn gemoed bezwaarden.
âEilieve, Guurt Groot! laat mij nu eens roeien, en ga jij een deuntje vrijen met Hilda, dan hebben wij allebei wil van de reis eer we land roeien.quot;
âHeb je 't meer gedaan?quot; vroeg Guurt Groot, die niet onwillig scheen zich op de aangeduide wijze te verpoozen.
âMaar eens even, dan, wat zegt dat. Ik weet mijne leden te reppen â dat roeien is toch geen heksenwerk; al doende leert men, en ik zal er den slag gauw genoeg van beet hebben.quot;
âDat's lang zoo zeker niet, en als men dien niet vat, is 't een hondenbaantje, daar kun je staat op maken.quot;
âIk zal dien vatten, daar ben ik zeker van.quot;
âGerritmaat, laat me even over je heen stappen â niet aan de zij van Machteld, wees er gerust op; â ziezoo, nu nog tus-schen Hilda en Dieuwertje door heb geene zorge, joft'ers, ik zal uwe zijden vliegers niet raken.quot;
âquot;Wel op! Guurt, geef me nu de riemen.quot;
âMijnentwege moogt ge het probeeren,quot; hernam deze; alleen wat zegt de Grootmachtige Admiraal er toe ?quot;
âIk sta verbaasd dat het hachje ons zoolang met vrede heeft gelaten,quot; zei Goedelijns lachende, ziende dat Jacob Jansz. al vast de riemen had overgenomen; âmaar nu niet al te driftig te werk gaan, tenzij gij door uwe speelsche luim ons allen in perikel wilt brengen.quot;
âGij een zwaarhoofd, Goedelijns, die voor perikelen zoudt vreezen op dezen tocht?quot; schertste Jacob Jansz., âalsof gij de kaap niet had omgezeild, alsof we naar de Levant voeren!quot;
âEen tocht naar de Levant, op een goed gebouwde koopvaar-dijvaarder, is niet zoo perikuleus als een spelevaart met dezen notedop, die bij de minste onvoorzichtigheid kan omslaan.quot;
âEn wat was dat dan nog, we kunnen zwemmen zoo ik meen ?quot;
138
âIk niet!quot; schreeuwde Gerrit in angst, of het geval zich reeds voordeed.
âWat zou dat schaden: eene opfrissching in den zomer en je fluweelen pak bedorven,quot; dreigde Guurt Groot, die zich met die onrust vermaakte.
âEn de meiskes?quot; vroeg Goedelijns ernstig.
âWel dat zou kans geven op ridderlijke daden; de liefste uit een perikel te redden! in trouwe men zou er iets voor wagen, als men hopen mocht dat hare gunst het waagstuk loonen zou,quot; sprak Jacob Jansz., die met het gelaat naar de meisjes zat gekeerd, en die Machteld aanzag.
âDat's roekeloos! dat's zondig spotten!quot; berispte de jonkvrouw.
âEn de spotter gaat inmiddels zoo onbesuisd te werk, of hij den toeleg had om den stouten inval tot werkelijkheid te maken,quot; gromde Goedeljjns, âlet dan toch op de riemen, Jacob, of Je begaat een ongeluk.quot;
âBylo, zoo is 't niet gemeend,quot; hernam Jacob Jansz., die nu zijn best deed, om van Malsem, in zijn kalmen, gelijkmatigen riemslag, na te volgen.
âMachteld, zie mij niet zoo verstoord aan, het was maar scherts; leg me penitentie op als we aan wal zijn, mits er absolutie na volge! Laat Gerrit gerust zijn, in een ommezientje raken wij land.quot;
âIs Delfgauw zóó nabij,quot; vroeg Hilda met zeker leedwezen; haar handje was, zij wist zelve niet hoe, verdwaald geraakt in den forschen knuist van Guurt Groot.
âAl heel nabij, denk maar op den naam Delfgauw; daar vooruit ziet ge al de landingsplaats. Joffer; zoo we geen omweg gekozen hadden, waren we er al,quot; antwoordde Jacob Jansz. met een kwelziek lachje.
âDat's wel jammer, de pret van't watertochtje zoo ras voorbij,quot; verzuchtte het meisje.
âMaar dan komt de rechte pret eerst aan,quot; stelde Jacob Jansz.
139
gerust. âEerst gaan we trantelen in 't groen, schaduw zoeken onder het geboomte van 't slingerbosehje.quot;
âWe moeten jool hebben op de ruïne van 't oude slot,quot; viel Guurt Groot in.
âLacy! dat placht de woonstede te zijn mijner voorvaderen,quot; verzuchtte Willem van Malsem.
âDe grond waar de muren in puin vielen, is nu in weiland herschapen, Willem! Vraag mijne zuster Marrigje ten hijlik als ze een jaar of wat ouder zal zjjn, dan krijg je er weêr deel aan; want mijn vader heeft het heele perceel gekocht, met al het land dat er bij hoorde,quot; troostte Jacob Jansz.
âMarrigje is een kind van een jaar vijf zes, naar ik meene,quot; zei Willem van Malsem lachend, âzoo heb ik tijd van bedenken.quot;
âVoor dat je tot de keuze komt, gaan we uitrusten in do boerderij, aardbeien niet room eten, kersen plukken, elkaar een roemer zoeten wijns toebrengen, wat joelen en een dansje doen, totdat de zonne ter kimme neigt, om ten slotte de weelde van een watertochtje bjj maanlicht in al hare volheid te smaken; hoe staat u dat vooruitzicht aan, Hilda?quot;
âWel, Jacob Jansz., een kostelijk plannetje, alzoo zijt gij onze gastheer ?quot;
âZoo is 't! Goedelijns commandeert de vloot, ik voer het gezag te land; de hoeve behoort mijn vader, of eigenlijk mij, zoo ras ik meerderjarig zal zijn.quot;
âGelukkige!quot; mompelde Willem van Malsem, halfluid.
âOch ja! als groot goed en een drukke brouwersnering, die voor tonnen biers tonnen gouds inbrengt, het geluk konnen geven, dan zijn mijne broêrs en ik niet misdeeld; maar, nu Machteld er zoo strak toe zwijgt, als had mijn plannetje voor 't vermaak van den dag ganschelijk niet hare goedkeuring, voele ik wel dat er eene misfortuin is, daartegen geen schatten konnen opwegen!quot;
âDat's gesproken als poëet in den dop!quot; schertste Goedelijns; âmaar op zijn zestiende denkt men zoo.quot;
140
âSteel me geen jaren, Dirk, ik heb er nog niet veel te missen, ik ben toch wel voor zeventien rijp. Ai! Machteld, knik me maar eens vriendelijk toe, ten bewijze dat mijn voornemen genade heeft gevonden in uwe oogen.quot;
âVan welk voornemen spreekt gij?quot; vroeg Machteld verstrooid; zij had niet geluisterd, maar was in eigen gepeinzen verdiept geweest.
âDat we te avond muziek zouden hebben op het water, mits gij uwe luit hebt mede gebracht!quot; gaf hij lachend ten antwoord; âzoo versta ik recreatie: alle zinnen te zamen moeten haren lust hebben . ...quot;
âDit zeg ik mee,quot; zei Guurt Groot, âanders is het spel niet volmaakt.quot;
âIk wil wel spelen, mits de jonkers braaf roeien,quot; zei Machteld; âmaar staat niet naar het volmaakte genot, want dat is nimmermeer te bereiken.quot;
âZoo is 't! Xaar der wijze lieden zeggen, moet er altijd iets aan haperen, en dat voele ik mee, soms te midden van de zoetste feestvreugd,quot; verzuchtte Jacob, en de nevel van weemoed trok weêr over zijne heldere oogen.
âGekheid! die wijze lieden zijn druilooren, die de zwarte wijle over de oogen trekken, en dan meenen dat alles duister is. . .quot; merkte Guurt Groot aan. âArme drommels, die niet velen kunnen dat de zon in 't water schijnt, en die onder strafheid hunne onmacht willen verkappen; neen, lieve genaunen, laten wij anders doen.quot;
âJa, ja! dat's goed gezegd,quot; juichte weêr Jacob Jansz. toe, âzooals we hier zijn is er tot kniezen geen oorzaak; onze meiskes zijn goelijk en mooi, om Machtelds mondje plooit zich weêr een schalk lachje, dat's mijn troost, dat's mijn vreugdezonnetje; ieder zoeke het zijne waar hij kan, en vange elk straaltje op om zich daarin te koesteren; het is nu de rechte tijd.
141
âquot;Wij kennen nog geen zorgen,
Wij hebben geen leed of geen last.quot;
âWel zeker! wie ziet er clan ook wolken aan de heldere lucht,quot; vie] Willem van M alsem in, even de schouders ophalend. De jonge edelman zondeï fortuin voelde den prikkel der armoede diep, waarvan de anderen zelfs geen denkbeeld hadden.
âWij lachen met ravengekras en uilengeschrei, als de oogen onzer meiskes maar helder staan, en de blosjes op hare wangen niet verschieten, dat zegge ik ook,quot; stemde Goedelijns meê in.
âHei! en zit zoo niet bedeesd,
Laat de vreugd vrij bovenkomen.
Die er schroomt doet and'ren schromen.quot;
zong Jacob Jansz. met eenc luide, zelfs wat schrille stem, of hij alles in en om hem overschreeuwen wilde.
âJacob Jansz. heeft gelijk; leve de vreugd! leve het leven!quot; juichten allen hem na, Willem van Malsem niet uitgezonderd, die voor 't eerst zag, dat Dieuwertje, hoe stil en stijfjes ook, hem zoo vriendelijk aankeek, en dat zij bloosde toen hij dien blik bleek op te merken. Gerrit Fransz. ook gierde mee om het hardst, al was de toon door Jacob Jansz. aangegeven.
Terwijl de klank van hun gejubel nog over het water ruischte, zag men een Karthuizer monnik, vergezeld van een paar boeren, die manden met groente droegen, het smalle schulppad langs de vaart opkomen en de richting naar Delft nemen.
âIk zou wel eens willen weten, wat de pater procurator der Karthuizers van onze leuze zoude zeggen,quot; sprak Machteld, wie het woest gejuich wat schril in de ooren had geklonken.
âWel, die zou het omkeeren en roepen; âleve de dood!quot; en.... mogelijk zou hij gelijk hebben ook,quot; sprak Jacob Jansz., van wien het gezegd mocht worden, dat hij heden geen tien minuten zich zelf gelijk bleef.
.Mis!quot; viel Guurt Groot in: .de dood is de dood, en nie-
142
mand wil er aan die frisch en gezond is zooals deze pater, die er flink over heen loopt. Zoo slecht hebben ze het voorwaar niet in het St. Bartholomeüslmis; al is de regel streng, wij weten hoe 't met de excepties staat......quot;
âVan de meeste monniken mag dat gelden, iedereen weet hoe groote ergernis zij geven; maar wat de Karthuizers belangt, dat zijn vrome luiden, die hun orde-regel stiptehjk beleven,quot; pleitte Jacob Jansz., ^dat weet ik van nabij; mijn vader heeft wel eens aanraking met den gardiaan en den procurator.quot;
âIk zal dat niet tegenspreken; maar het blijkt toch wel, dat zij niet meer zoo stipt hechten aan de oude voorschriften, sinds hun huis nabij Delft ganschelijk niet in een woeste plaats is gelegen, maar te midden eener vruchtbare landouwe; en wat er van hunne armoede is â dat kan men wel nagaan, daar ze kostelijk schilderen tapijtwerk in hunne kerk hebben,quot; merkte Goedelijns aan.
âDie nu leven hebben quot;t klooster niet gesticht; en dat ze wat schoone kunstgewrochten houden in den tempel, aan Gods dienst en eere gewijd, is toch geen strafï'elijke weelde.quot;
âMijnenthalve moog je Karthuizer-broêr worden, als je 't er zoo meê eens zijt!quot; viel Guurt Groot in, half lachend, half gemelijk; âwat keeren wij ons aan monniken en nonnen, als wij lustig spelevaren en straks een patertje gaan dansen!quot;
âJacob Jansz. monnik! Jacob Jansz. Karthuizer!quot; riepen van Malsem en Goedelijns als in één adem, en de meisjes giegel-den in koor over den dwazen inval.
âDie een hairen kleed aan! hij is zoo gezet op zijn fluwee-len wambuis.quot;
âGij, gansch geen vleesch eten, Jacob! en mijne moei bewaart altijd de eêlste boutjes voor je, als ge ten onzent te gast komt,quot; verweet Gerrit, niet zonder wat afgunst.
âEn geen wijn drinken, â of je dat lijken zou, Jacob-maat,quot; spotte Guurt Groot, âdie trots den besten onzer al den roemer heft!quot;
143
âNooit een meiske kussen, geene vrouw meer aanzien, dat zou hem passen,quot; hervatte Goedelijns.
âEn zwijgen, zwijgen, zwijgen, hij die zijn mond kwalijk houden kan in de school onder de Benedictie van den rector!quot;
âSpot er vrij mee zooveel gij wilt, ik lach zelf het eerst. Kloostergeloften te doen, zoude mij ganschelijk niet passen en om redenen; maar â dit wete ik van mij zelf â zoo ik mij tot eene orde begaf, zou het die van de Karthuizers zijn, en ik zou den regel naleven ook; want dat zijn geen dingen die men ten halve moet doen.quot;
âPrecies! daarom onthoudt gij u wijselijk,quot; zei van Mal se m.
âEn wij allen,quot; sprak Goedelijns; âik zie niet wat nut er steekt in dat jagen naar singuliere heiligheid. Ik, die Noord en Zuid heb bevaren, zoo jong als ik ben, ik heb al eens goed rondgekeken in de wereld, en 't is mij voorgekomen, dat er heel wat anders te doen is hier op aarde, dan dag aan dag-te liggen bidden en luieren onder pretext van den Hemel te zoeken.quot;
âDaarin hebt ge gelijk, daar moet een andere weg zijn,quot; hernam Jacob Jansz. en dreigde in zijne vorige mijmeringen te vervallen, terwijl Goedelijns vervolgde tot Bertha: âZoete kind, gij moet mij niet aanzien met grammen blik of ik een heiden waar, om dit te zeggen; ge dient het wel te weten, gij komt ten onzent in een huis, waar men zich al zoetjes aan van de mis af en naar do nieuwe religie begint te keeren.
âOch, Dirk! wat zal ik je zeggen, dat komt nu al meer voor, schoon ik mij liefst bij het oude houde, met uw verlof.quot;
âWel, allerliefste! vrijheid blijheid! wie zou u dwingen, als ge mij maar geen biechtvaders op den hals haalt.quot;
âIk zal den pastoor van de Lier voor bestierder nemen,quot; zei Bertha schertsend, âdie zal je aanstaan; ze zeggen, die begint al zoo wat exempel te geven van Luther ijpreeken in de kerk.quot;
âPraatjes, Bertha, de man wordt belasterd,quot; viel haar broeder
144
in; âde kleine luiden, die graag woesten jool hebben, en de notabele geestelijke heeren, die 't volk liefst met ijdele vertooningen blinden, zijn te zamen op hem verstoord, omdat hij de mommerij van den St. Joris-intocht dit jaar niet heeft toegestaan aan die van zijne parochie. De St. Jorispoort mag van naam verwisselen, de ridderlijke Heilige zal zijn bezoek niet meer komen brengen tot Delft, dat ganschelijk geen schade zal zijn voor de orde en de goede zeden.quot;
âDat mag zijn; maar dan zult ge zien, dat zijn volk haast meê uitloopt naar de buiten-preeken.
âErg genoeg dat het buiten-preeken moeten zijn,quot; mompelde Goedelijns, terwijl hij een wrevelig zetje aan het roer gaf.
âIk heb er eens een gehoord!quot; riep Gerrit Fransz. met zekere wichtigheid.
âWat meent ge gehoord te hebben, jongen?quot; vroeg Goedelijns lachend.
âEen pastoor, die Lutherij preekte in eene boerenschuur,quot; herhaalde de knaap triomfantelijk.
âEn wat deedt gij daar?quot; vroegen Guurt Groot en van Mui-se m tegelijk.
âWel, luisteren, schoon ik er niet bijster veel van begreep, dan dat ze allemaal meêzongen op zijn Neêrduitsch, maar sinds Machteld er ging . ...quot;
âMoest ge meêloopen, dat spreekt wel van zelf,quot; gromde Jacob Jansz., terwijl Machteld in verlegenheid Gerrit de hand op den mond legde, met een: âZwijg, babbelaar, of ge zult nog kwaad over ons brengen.quot;
âJa, nu is zwijgen zaak,quot; viel Goedelijns in, âwant op't water onder ons mag men zoo wat kallen en uitbrullen wat men wil, dan, wij raken nu land, en 't is dus beter, dat ieder voor zich houdt wat hij over die poincten denkt, zoolang die strenge plakkaten niet wat gematigd zijn.quot;
âDit mocht de Keizer wel haastelijk doen voor zijne goede
145
Nederlanden, en de luiden niet langer kwellen om der consciëntie â wille!quot; verzuchtte Jacob Jansz. .Eene geestelijke rechtbank, vierschaar spannende over vrijgeboren burgers om religiezaken! een ander gerecht dan onze eigene veertig raden en vroede mannen! dat's voorwaa.' wat een ingeboren landsvorst ons niet behoorde op te leggen.quot;
âWie weet of er niet welhaast verbetering komt, sprak Guurt Groot; âde sprake gaat, dat de Keizer weêr in't land zal komen, nu de oorlog in Duitschland afloopt. ..
âNu, dat gave God! dat de Keizer weêr eens in zijne Nederlanden kwam om zelf wat beter order te stellen op onze zaken,quot; sprak van Malsem; hot oog van den meester, dat is toch maar het ware.quot;
âEn als 't Zijne Majesteit dan eens geliefde tot Delft te komen!quot; sprak Hilda van Adrichem naïef, wat al jolijselijke feesten zou dat geven voor ons meiskes!quot;
âDat's zeker, we zouden den Keizer hier eene blijde inkomst bereiden, die al het gedwongen vreugdebetoon bij de inhuldiging van zijn zoon verduisteren zou; dit is en blijft toch maar een Spaansche prins, al is hij onze toekomende erfvorst, maar de Keizer . ...quot;
âEer we den Keizer tot Delft inhalen, dienen we zelf aan wal te zijn,quot; viel Goedelijns, half lachende, half misnoegd in, want in 't diepst van zijn hart was hij niet heel Keizersgezind; âopgepast roeiers, ik wende het roer.quot;
âMooi zoo, Willem! zacht wat, Jacob! Ha! klaar maats; welkom te Delfgauw, lieve genannen!quot;
âWelkom te Delfgauw,quot; herhaalden allen luid en lustig, terwijl Jacob Jansz. snel zijne riemen weg wierp, en zijn sprong nam om de aanlegkade te bereiken.
âNiet al te woest, niet allemaal tegelijk,quot; waarschuwde Goedelijns. âEilieve, jonker van Malsem, âlaat Jacob Jansz. haantje de voorste spelen, zooals altijd, maar blijf gij met mij in 't schuitje tot allen er uit zijn.quot;
Wonderdokter II. 10
146
Het ging zooals de bedachtzame stuurman voorzag; in een wip waren de jongelieden aan wal, elkaar den voorrang betwistende om de meisjes de hand te reiken; en nauwelijks raakten de rappe voetjes den vasten grond, of de lust zich in vrijheid te bewegen, na een klein uurtje stilzittens, beving haar, en ze snelden als gejaagde reeën het schulppad op, dat naar de hoeve voerde.
Gerrit Fransz. huppelde mee, naast Maehteld.
Jacob en Guurt wilden haar na.
,Holla hei!quot; riep Goedelijns, âstuift niet zoo onberaden uiteen, als een troep wilde ganzen. De wijn en proviand moet van boord gehaald worden en naar de boerderij gebracht; ieder zijn deel van het vrachtje. Daar, Jacob, pak aan, dat's de luid van jonkvrouw Maehteld.quot;
âTot haar dienst!quot; en voort vloog de schalk, de meisjes na, de luit tokkelend, schoon hij de kunst niet verstond.
âIk vertrouw den wildzang mijn speeltuig niet!quot; riep Maehteld, en zich omkeerend liep ze hem te gemoet.
âMis, Maehteld!quot; plaagde de ondeugd, â't is aanvertrouwd goed, ik geef niet 't over.quot;
â't Is mijn goed, en gij zult het bederven als gij het zoo woest hanteert,quot; waarschuwde de jonkvrouw.
âEene lichte schermutseling volgde, wie zijn zin zou hebben, wie de meeste vlugheid en behendigheid kon toonen. Jacob Jansz. was nog jong genoeg om liever overwinnaar te blijven dan met courtoisie den strijd op te geven.
âPam !quot; daar sprong een der zilveren snaren van het speeltuig.
ââZiet ge wel!quot; sprak Maehteld verdrietelijk, terwijl de jonkman van schrik zijne prooi liet varen, âdat komt van uwe woes-tigheid.quot;
âEene snaar gesprongen! dat voorspelt niet veel goeds voor 't pleizier van den middag,quot; sprak Bertha van Malsem, die er bij gekomen was.
147
âBijgeloof!quot; troostte Jacob, toch zelf nog wat verslagen; âblijf niet boos op mij, Machteld: als het blijkt dat er iets aan stuk is, krijgt gij morgen van mij eene nieuwe luit.quot;
âEene nieuwe snaar zal voldoende zijn; maar 't zal uw eigen schuld wezen, zoo ik nu niet of slecht spelen zal.quot;
âDaarmee zal ik wel zwaar gestraft zijn, en de onschuldigen meê,quot; sprak hij, terwijl hij haar den arm wilde bieden; maar Gerrit hield hare hand gevat, en zij noemde zich zóó al genoeg verzeld.
Blijkbaar was zij ontstemd, en de profetie van de gesprongen snaar scheen voor den armen jonkman al uit te komen, die zwijgend naast haar voortging, terwijl al de anderen reeds joelend en dartelend het boerenerf rondwandelden.
De boerin, die gewaarschuwd was, kwam nu met hare nicht Lijsbeth te voorschijn, om de gasten, maar allereerst den jongen gastheer te verwelkomen.
âWel jonge landheer! daar doet ge goed aan, zoo'n mooien zomerdag met uw zeischap buiten te komen. Alles wel thuis? nou dat's te denken, aers zou jonge Jacob geen pret maken. Daar staat eêle room klaar, en liet puikje van den boogaard, en kostelijke bolle tweebacken, die de steêllui wel smaken zullen.quot;
âNu, vrouw Blommers, dat zulje zien! Dag Lijsbeth, hoe blijf jij zoo achter? Maar je doet wijs en wel, uw koonen, die als perziken blozen, konden onze steêjonkers wel verlokken tot eene kleine stoutigheid;quot; en eer 't gezegd was, had Jacob Jansz. al het exempel gegeven van een gullen kus. âJe moet meê aanzitten.quot;
âMeê bedienen! jonge Jacob, dat zal ik zeker,quot; hernam Lijsbeth, nog blozende, maar toch met zekere vastheid, die bewees dat zij harerzijds niet voornemens was de lijn der afscheiding te overschrijden.
âKom, ik zal mijne gasten den weg wijzen.quot; Al sprekende ging de jonkman de anderen voor naar binnen, niet zonder
148
even om te zien of Maehteld niet een weinigje pruilde over het gemak waarmee hij zijne partij koos bij hare nurksheid. Maar Maehteld was niet eens gevolgd. Gerrit had haar meegetroond, om naar de leliën en rozen te gaan kijken, die in welige pracht langs de muur van de hoeve stonden te prijken. Maar welhaast stoven do anderen haar voorbij en naar binnen; en daar Gerrit van room en tweebacken had gehoord, vermochten roos en lelie hem ook niet langer te boeien. Maehteld kon de anderen volgen ! Alleen zorgde haar jeugdigen tiran dat hij de plaats aan hare zijde innam, die hem niet eens werd betwist, daar Jacob Jansz., die zich aan de andere zijde van de tafel neerzette, tusschen Dieuwcrtje en Hilda in, te goed op zijn ambt van gastheer bedacht was, om zijn eigen geheimen weêrspocd aan zijne kameraden tc laten ontgelden, of door bittere luim hunne vreugd te vergallen. Maar dat belette hem niet, te midden van het luidruchtigst gejoel en dei; vroolijksten kout, in zekere onrust den blik naar Maehteld heen te wenden, alsof hij hoop of vrees uit haar wederblik had to scheppen. Heel troostrijk was dat zwijgend antwoord zeker niet, hoewel Gerrit het te druk had met room leppen en aardbeien eten, om daarbij de hindernis te wezen; want ook na de tafel bleek de goede verstandhouding nog niet hersteld, daar Jacob Jansz. Dieuwertje den arm bood, tot het bestijgen van den bouwval. Want men begrijpt dat de jongelieden, al waren ze nog zoo begeerig geweest om van het vette zuivel en do geurige vruchten hun deel te nemen, toch niet het meest op de genietingen van de tong gesteld waren, maar zich met deze repten wat zij konden, om het eigenlijk buitengenot te smaken.
En het:
âNaar de laantjes, naar de laantjes!quot;
werd alzoo de leuze, waaronder zij in vroolijke vaart wegtrokken.
âWanneer dat boschje klappen kon,
AVat meldde 't al vrijaadje!quot;
149
was het hier zeker ook ; want Goetlelijns stelde zieh voor de laiige onthouding schadeloos, om zijne aanstaande teederlijk te kussen; en Guurt Groot nam do gelegenheid waar, om Hilda van Adri-chem aan het verstand te brengen, dat zij niet beter doen kon, dan zijne heuseheljjke minneliefde aan te nemen; dat zou haar alle verdere kwellaadje sparen, en hij zou wel liet middel weten, om zich aan burgemeester van Adrichem, als aanstaanden schoonzoon welgevallig to maken. Zijne zuster en hjj waren maar samen in de wereld, en hadden heel wat te deelen, dat mocht hij met waarheid verzekeren; en hij zelf zon de onderdanigste vrijer, de goêljjkste echtgenoot wezen, daar mocht ze staat op maken. En het bleek wel, dat zij hem goed geloof en gunstig antwoord gaf, want die twee bleven voor het verdere van den dag onafscheidelijk samen. Willem van Malsem liep wat eenzaam voort, want Jacob Jansz. had hem de burgerlijke schoonheid ontvoerd, aan wier voeten hij, zeker niet zonder eenige berekening des verstands, zijn adeltrots wenschte neerteleggen. Aan tafel had ze naast hem gezeten, en was een zoet, zedig kind gebleken, dat een paar malen met een zacht maar veel-beteekenend blosje op zijne ridderljjke voorkomendheden had geantwoord. Nu restte hem niets dan Machteld, die zijne nicht was, den arm te bieden; want de knaap kon eigenlijk niet voor een cavalier gelden; en dat zij, die de paarle was onder allen, dus onverzeild zou blijven, kon zijne courtoise niet ge-doogen, al was hij maar al te goed overtuigd, dat hij zich niet in de conditie bevond, om naar de rijke en edele erfdochter op te zien.
Zijn voorstel scheen Machteld zelve aangenaam, want zij wist zich voor een poos van Gerrit te ontslaan, door hem te zeggen, dat het klauteren naar de ruïne hem duizelig zou maken, en dat hij beter deed, met Lijsbeth eens rond te gaan, en naar het melken te zien. Nog even spartelde hij tegen, maar de nadruk, dien Machteld legde op het woord: dat zij
150
met haar neef van Malsem had te sproken en het zekere ontzag, dat do jonge edelman den knaap inboezemde, bewoog dezen haar wenk te gehoorzamen, en zich te verlustigen met koeien te zien melken â zooals hij voormaals zijne aandacht had gegeven aan eene hagepreek â omdat âMachteld het zoo verstond.quot;
De paartjes zaten al in 't ronde van de vermoeienissen uit te rusten op de plateform van de ruïne, van waar men een prachtig vergezicht had over geheel de omringende landouwe, vruchtbaar en welig, maar die alleen zondigde door wat eentonigheid, slechts hier en daar afgewisseld door een kasteel of een klooster, dat zijne hooge torens of zijne zware muren, te midden van het vlakke landschap verhief. Maar dat hinderde de jongelieden niet, die er, na de bevrediging hunner nieuwsgierigheid, nauwelijks meer het oog op vestigden, en het onder elkander veel te druk hadden, om hooge eischen te doen aan een natuur-tooneel. Evenmin dachten zo aan de vergankelijkheid van alle aardsche grootheid en pracht, al zaten zij neêr op het met mos begroeide puin van den trotschen burg, welks machtige heer voormaals zoo vast had gebouwd op de onwrikbare hechtheid dezer muren.
De vergankelijkheid! Alle zinnen hadden hunnen lust; de oudste hunner was even twintig: wat een tijd van levensvreugd lag daar nog vóór hen; wat ging hun de vergankelijkheid aan!
Toch zat hij, die gewoonlijk houte-en-train was, zwijgend in hun midden, en staarde droomerig in de verte als op een vast punt. Kwam dat, omdat hij naast Dieuwertje was gezeten, die zelden spraakzaam was, en die hij blijkbaar als pis-cdler had genomen? Want, nadat hij haar zijn steun had verleend bij het opstijgen dor afgebrokkelde trappen, had hij geen woord meer tot haar gericht.
âWel, goelijk Dieuwertje! maakt gij Jacob Jansz. zoo lustig?quot; vroeg Gruurt Groot zijne zuster, die hem half lachend, half verlegen aankeek, zonderdat zij iets wist te antwoorden.
151
â't Is Bijlo! oft hij zich nu al oefent in de groote penitentie der Karthuizers,quot; ging de jonkman voort.
âDat wel niet Guurt!quot; repliceerde Jacob Jansz. zelf; maar ik zie daar in de verte hun klooster liggen, en daarbij komt me het miraculeuse geval voor den geest, dat de Heilige Bruno, de stichter hunner orde, heeft bewogen om de wereld vaarwel te zeggen, en met enkelen, die hem volgen wilden, in eene woeste plaats te gaan leven.quot;
âEn wat was dat dan voor een miraculeus geval? Dat moet gij ons vertellen!quot; riepen allen als om strijd, âdus raakt gij zelf meteen van de sombere mijmering af.quot;
âJa, maar 't is geen vermakelijke historie, de meiskes zullen er kippenvel van krijgen.quot;
âO! dat zegt niets, we hooren dolgraag akelige histories, zonderling als men zoo prettig samen is, dan is men toch niet bang.quot;
âIs 't van moordenaars?quot; vroeg Dieuwertje, reeds wat bleek, maar diesondanks gespitst op het hooren van wat ijselijks, eene niet ongewone behoefte van hen, die noch met eene levendige verbeelding, noch met diep gevoel zijn begiftigd, en die toch wel eens geschud en bewogen willen worden.
âNeen! 't is van een doode, die berichten uit de andere wereld kwam overbrengen,quot; zei Jacob.
âZooveel als uit het vagevuur?quot;
âZoo omtrent. Dit voorval moet, naar 't zeggen van een La-tij nschen auteur, dien men wel voor waarwoording kan houden, zijn geschied in de groote stad Parijs, zoo wat op 't laatst van de 11de eeuw. Toen leefde daar een professor van zonderlinge geleerdheid en godvruchtigheid, die, om zijn onstraffelijk leven en oogenschijnlijke deugd, onder alle menschen hoog geacht en wel gezien placht te zijn. Doch, overleden zijnde, en als men in de kerk, daar hij zoude beaard worden, zijne uitvaart was zingende â op de baar liggende, naar de manier van dien tijd
152
en dat land â zoo heeft hij zich opgebeurd, met een droevig klagen uitroepende: âdoor Gods rechtvaardig oordeel ben ik beschuldigd!quot; quot;
âOch kom! als hij zoo sprak was hij immers niet recht dood!quot; zei Guurt Groot, als om zich zelf over den indruk van 't verhaal heen te zetten.
âZoo dachten ook zij die het hoorden, en besloten dientengevolge de begrafenis uit te stellen tot den volgenden dag; maar nauwelijks werd de plechtigheid hervat, of de overledene beurde wederom het hoofd en sprak met eene holle grafstem: âdoor Gods rechtvaardig oordeel ben ik gevonnisd!quot; Te minder achtte men haast te mogen maken met de tor-aarde-bestelling, terwijl den volgenden dag duizenden naar die kerk waren gestroomd, om van 't mirakel getuigen te zijn. En die allen hoorden opnieuw de stem van den overledene met een vervaarlijk angst-geschrei roepen: âdoor Gods rechtvaardig oordeel ben ik verdoemd !quot; Wat een schrik dat gaf onder de toegevloeide schare, dat behoef ik ulieden niet te zeggen, sinds uw aller kaken bleek zijn, en uw aller wezenstrekken strak staan, alleen maar van dit aan te hooren. Een van de omstanders, ook een hoog geleerd professor in wijsbegeerte aan diezelfde schole, en dieper dan de anderen getroffen, een zekere Bruno, achtte zich geroepen de toepassing te maken, en sprak de schare dus aan: âWij zien hoe ellendig de uitgang is dezes vermaarden mans, die, naar een ieders meening, zoo heilig was van leven. Willen wij dan ook alzoo vergaan? Voorwaar, daar is geen weg tot zaligheid, tenzij dan dat we de wereld verlaten.quot; Hij vond zijn aanhang onder zijne toehoorders, dat niet vreemd was onder den schrik van dat voorval, en â de orde der Karthuizers werd gesticht, om in alle strengheid harer regelen te worden nageleefd.quot;
â't Is een huiverlijke geschiedenis,quot; zei Hilda, zich van Guurt Groot afwendende, die hare ontroering wilde doen bedaren door een kusje.
153
âDat's nu mooi, Jacob! met je malle grafgeschiedenissen maak je de meiskes afkeerig van de min,quot; gromde Gnurt.
âOch!quot; verzuchtte Bertha, âdie rampzalige had vast geen zuivere biecht gedaan, zonder dat zou zijne ziele wel rust gehad hebben.quot;
âEn hebben ze hem toen toch begraven?quot; vroeg Dieuwertje, die gespannen had zitten luisteren.
âDat's wel denkelijk; maar als ik er nu meer van zeggen moet, zal ik het er bij moeten maken, want ik weet er niet verder af.quot;
âNeen, maak er maar niet meer bij, dat zon aan de vroolijk-heid schaden!quot; zei Gnurt Groot; âhot heele geval zal mogelijk maar een sprookje zijn; en als 't al gebeurd is, dan is het toch wel zoolang geleden, dat wij het ons niet meer behoeven aan te trekken.quot;
âHet kan zijn, dat hot simpelijk eene legende is, door de Karthuizers verzonnen om de stichting hunner orde belangrijk te maken; maar â feit of fabel â daar ligt toch eene leering in voor wie er over nadenken.quot;
âWil je ons allemaal tot Karthuizers maken?quot; sprak Gnurt.
âDie verplichting volgt er niet uit, naar mijne meening; maar wel, dat men niet kan volstaan met uiterlijkheden, en dat wie den menschen welgevallig is en door hen geprezen wordt, diesondanks ja, daardoor wellicht mishagen kan aan God, die't harte doorziet.quot;
âIk weet wel wat Luther er af zeggen zou,quot; sprak Goedelijns ernstig.
âWelnu, wat zou die zeggen? laat hooren! hier op de hoogte hebben wij geen spionnen of ketterjagers te vreezen,quot; drong Jacob Jansz., met zichtbare belangstelling.
âDie zou zeggen, dat alle menschen verdoemelijk zijn voor Gods rechtvaardig oordeel, al meenen ze nog zoo oprecht en getrouw te wezen van hart, Jacob Jansz.! en dat onze eigen deugd en werk daar niets tegen vermogen, evenmin door voorspraak oft
154
voorbede van heiligen en priesters; dat we nochtans niet moeten versagen, omdat wij een Tusschentreder en Voorspraak hebben in Hem, die eeuwiglijk onzer aller Verlosser en Zaligmaker is, in Gods eigen Zoon, den mensch ...
âHoe is 't nu! houdt Goedehjns eene buitenpreêk, omulieden tot Lutherij over te halen?quot; sprak van Malsem, die nu met Mach-teld de plate-form betrad, en wat verwonderd, wat geërgerd zelfs in 't rond zag, toen hij allen zwijgend en aandachtig zag toeluisteren, terwijl Goedelijns, in hun midden staande, alleen het woord scheen te voeren.
âDat's de schuld van Jacob Jansz.,quot; verontschuldigde zich Goedelijns, die nog geene roeping scheen te gevoelen om zich als geloofsijveraar op te werpen, al had hij gemeend, bij de ongedachte aanleiding, zijn gevoelen, of liever, dat van den grooteh Hervormer te moeten uitspreken.
âJa! 't Is Jacob die schuld heeft,quot; stemde Guurt Groot toe, âdie maakte ons wee met een akelige historie van oude professors en monniken, waarbij ons alle jolijselijke vreugd verging, en de meiskes met lange gezichten devotelijk zaten neergehurkt, oquot;t ze in de kerk waren.quot;
âquot;Wel als 't mijne schuld is, zal ik penitentie doen,quot; sprak deze; âmaar erkent ten minste, dat gijlieden mij geprest hebt om te weten waarover ik zat te mijmeren. Ik heb het uitgezegd, Goedelijns zei er een hartig woordje toe, ziedaar alles. En nu, laat het nu afgedaan zijn â weg met alle sermoenen, naargeestige gedachten en religietwisten; we hebben nog tijd genoeg om ons daarin te verdiepen, als we niet meer dansen kunnen. Daar is Machteld eindelijk weêr, ons begenadigend met haar bijzijn, en nog wel zonder haren kwelgeest; dat buitenkansje moet waargenomen worden. Machteld, uwe hand, tenzij ge nog wrok tegen mij houdt; een rondedanske, lieve gezellen, ieder zijne juffer gekozen. Willem! ik heb Dieuwertje aan een jonker toegedacht,quot; en de grillige jonkman legde al pratende ten
155
uitvoer wat hij wilde, zonder grooten tegenstand van der ande-rer zijde, âdie zich liever moê dansten dan suf luisterden,quot; zooals ze later beweerden.
âWat Maehteld betrof, zij vond de stemming van Jacob te vreemd, te woest, om natuurlijk te zijn; maar zij meende er de oorzaak van te raden, en gaf toe, om zijne prikkelbaarheid niet te meer op te wekken.
âEen wonderlijke snaak zijt ge, Jacob, men weet nooit recht wat men aan u heeft,quot; sprak Goedelijns, half ernstig, half lachend; âin 't eene oogenblik uitgelaten wild, in 't andere stemmig als ....quot;
âEen Karthuizer!quot; viel Guurt Groot plaagziek in.
âOch! praat me niet meer van de Karthuizers als ik Maehteld aan mijne zijde heb. Weet ik zelf wat ik bon, wat ik wil, wat ik zijn zal? 't Is hierbinnen nog zoo bont en woelig; gaat het u overigen anders dan mij, ik kan 't niet nagaan. Dit weet ik, dat het harte soms zoo bang en onrustig in mij is, of ik die rampzalige professor zelf ware, en dan weer klopt, met zoo hoogen moed, met zoo blijde hope, dat ik springen en dansen moet, of stoeien en kussen, om die innerlijke uitbundigheid bot te vieren.quot;
âDat's het jeugdige bloed,quot; zei Goedelijns: âvier nog maar feest, jonge Jacob, uwe zinnelijkheden zullen wel eens een anderen uitweg kiezen.quot;
âDat geloof ik zelf, Dirk! Eilicve, Maehteld, mag ik nu uw geleider zijn bij het neerdalen?quot;
âDat's afgesproken, Jacob, want ik heb u wat te zeggen; maar laat me eerst wat uitrusten en eens toezien naar dat wonder heerlijke schouwtooneel, dat de landouwe biedt van de hoogte gezien, en waar niemand uwer op schijnt te letten, onder dat kallen en mallen. Ziet doch! de zon begint al langzaam te dalen; ik zou van hier af haar ondergang wel eens willen aanzien.quot;
156
âJa, maar dat gaat nu niet,quot; wierp Goedelijns tegen. âAls we zoolang hier blijven, zou het te laat worden op het water. Laat ons liever naar beneden gaan, zoo ras Machteld uitgerust is, dan kennen we vrouw Blommers en de haren ook nog wat wils geven .... en zoo 't Machteld geliefde te spelen . ...quot;
âAls ik kan,quot; hernam deze, âaan de gewilligheid zal 't niet gebreken.quot; En opstaande gaf zij het sein tot den terugtocht,, quot;t geen algemeen bijval vond, daar de meesten de betrekkelijke rust nu reeds moede waren.
Chacun koos nu sa chacune, en het afstijgen vond plaats onder gelach en gestoei.
âNu niet te lang oponthoud in de laantjes,quot; waarschuwde Goedelijns, âwant do tijd die ons rest zal nog wel te gebruiken zijn.quot;
Ondanks die vermaning, trantelden Jacob en Machteld zoo langzaam voort, dat zij samen achterbleven, toen reeds alle anderen ver vooruit waren. Toch was die vertraging niet teweeggebracht door zoet gekout of minnekoozerij; integendeel, hoewel Machteld zijn arm had aangenomen, liepen zjj zoo stil en strak naast elkander voort, of zij elkaar gansch vreemd waren en niet wisten hoe oen gesprek aan te knoopen.
Dit viel den levendigen Jacob welhaast te zwaar.
âGij hadt mij wat te zeggen, Machteld!quot; begon hij wat bedeesd, âmaar gij blijft zoo stroef zwijgen, dat mij het harte er beklemd af wordt. Heb ik u zóó verstoord, door mijn wilden misgreep met uw speeltuig, dat ik dus wreed wordt gestraft?quot;
âWel, Jacob! waar ziet gjj mij voor aan, dat ik boos zou blijven om die kleinigheid? ware 't niet dan dat, ik zou u een weinigje kwellen om die stoutigheid, maar niet dus bedrukt aan uwe zijde gaan ....quot;
âNiet dan dat.... er is dus wat ergers, iets wat mij belangt____quot;
âDat.... wel niet.... maar .... u wien ik altijd voor vriend heb gehouden, wil ik het niet verhelen, dat ik wat droef te moede ben, dat innerlijke onrust mij kwelt, al tracht ik dat voor
157
de anderen te bedekken. Toen ze daareven van den Keizer ophaalden, dacht ik zelve aan mijn voogd .. .
âDie mogelijk met den Keizer herwaarts heen komt?quot; vroeg Jacob, met zekere levendigheid.
âDaar weet ik niets van; ik geloof dat die reis nog wel in de verte is, zoo er ooit wat van komt. Mijn heer de graaf van Egmond is in 't Luxemburgsche en voert een leger aan tegen den Franschen Koning.quot;
âZooveel te beter, dan zal hij in lang geene occasie hebben om u van ons weg te halen.quot;
âHij zelf niet, dat is waar; maar er is tijding gekomen aan Schepen Meerman, om zijne intentiën te doen verstaan, en ook
eenige regelen aan mij, belangende zekere poincten____quot; Zij
aarzelde, kleurde, verbleekte, het was of haar de moed ontzonk voort te gaan.
âBelangende uwe afreize toch niet?quot; vroeg hij, ook verbleckend en haar arm in den zijnen klemmende, als wilde hij haar tegen naderend onheil beschermen. â Spreek, Machteld, martel mij niet; breng mij in eens den genadeslag toe; is de tijd bepaald?quot;
âDat nog wel niet,quot; sprak zij verschoonend; âmaar toch, ziet gij, Jacob, men misduidt het mij, gij niet het minst, dat ik Gerrit zooveel toegeef; maar toch! het is omdat ik zoo groote compassie met hem heb, wetende wat leeds hem boven 't hoofd hangt.... dat haastelijk zal treffen ...
âHaastelijk, Machteld', en hebt gij dan gansch geene compassie met mij, dat gij mij dit zóó zegt?quot;
âJacob! wees wijs, hoe zal ik het u anders zeggen? Gij moet het toch weten; gij zijt geen kind meer, dat men lichtelijk paaien kan met wat zoete woordekens en voor wien men verbergt wat men hem niet kan sparen. Gij zijt een jonkman, die de waarheid moet konnen dragen, wien ik niet met valschen waan zou willen blinden, daar ik hope heb, dat hij zich kloek en rustig zal houden als 't op scheiden aankomt.quot;
158
Dus sprekende trachtte zij vastheid te geven aan hare stem, maar het vlotte niet best.
âMaar op 't scheiden komt het immers nog niet aan, Machte! d ? zeg dat het zoo niet is gemeend!quot; riep hij hartstochtelijk.
âHet is wèl zoo gemeend, Jacob, ik kan niet liegen ; dag en uur zijn nog niet bepaald, wees dies gerust; maar de graaf heeft zijn rentmeester van Oud-Beierland, die op het punt staat eene reize naar Vlaanderen en Braband te ondernemen, opgedragen om mij te komen afhalen en naar Brussel te geleiden, waar de gravin van Egmond met haar gezin verblijf houdt. Ik zou daar dan onderricht worden in den hoofschen toon en manieren, naar Zijne Genade goedvindt te zeggen, daar het voornemen schijnt te bestaan, dat ik later zoude voorgesteld worden ten hove, bij de Landvoogdes Maria .... Och, dat men mij in mijne burgerlijke vergetelheid wilde laten! mij gelust ganschelijk niet naar hoofsche zeden en vreemde manieren,quot; eindigde zij met eene diepe verzuchting.
âNu weet ik, waarom ik den gauschen dag zoo wonder te moede ben geweest, onder al mjjne vroolijkheid door! Daar lag mij ietwes op het harte, daar maalde mij ietwes door het hoofd, dat ik geen naam wist te geven, maar het was eene knagende kwelling, ondanks alle jolijselijke recreatie. Het was het voorgevoel, dat ze Machteld van mij zouden wegnemen, dat mij bijwijlen aangreep, en de wolkjes aan den helderen lie.nel waren daaraf de droefboden, en de golfjes fluisterden mij onbestemde weeklachten toe, op zulker manier, dat ik milden onder 't vreugdegejoel wel als kleine Gerrit had konnen schreien, zoo ik me over die wondre weekelijkheid niet wat brusk had heen gezet, en liever wat zotteklap uitbralde dan die zwakheid te toonen.quot;
âDat opzet is mij niet ontgaan, Jacob, en, zal ik oprecht zijn, mij smaakte uwe vroolijkheid niet. Zij had ietwes van valsche
159
opwinding, die mij tegen was, en dat maakte mij juist stil en stemmig. Ik dacht aan u, als ik over mijn eigen toekomst nadacht, en voede dat wij al te lang goede vrienden zijn geweest, om u niet het eerst deelgenoot te maken van 't geen mij te wachten staat, opdat het u niet al te zeer zou verdrieten oft versagen, als ge het van anderen zoudt vernemen.quot;
âDaar zie ik weêr uwe zorgelijke teêrheid, Machteld mijne!quot; sprak hij, meer levendig dan ontmoedigd; âdoch wees gerust, ik zal mij kloekmoedig gedragen, als het tot een afscheid komt; ik zal mij der jonkvrouw van Egmond waardig toonen; het scheiden zal wee doen, dat is zoo, maar er mag toch weerzien na volgen; wij zijn beiden nog zóó jong, dat het zoo groote schade niet zijn kan, al is 't groote smart zoo onze wegen voor eene wijle uiteenloopen, het zal toch zeker zijn, om ons weêr te verzamen, of denkt mijne Machteld anders!quot;
âUwe Machteld ? maar ik ben uwe Machteld niet, Jacob Jansz.,quot; sprak zij met wat forschheid, met zekeren schrik zelfs, en trok haar arm uit den zijnen weg, en schudde half misnoegd, half droevig het hoofd, toen hij de vermetelheid had, ondanks dat protest, het vrijgeworden handje te kussen.
âZijt gij nu boos op mij, Machteld, om die kleine stoutheid, om het gulgauw uitgeflapt woord?quot;
âNeen, Jacob, boos ben ik niet; wij kennen elkaar te lang om over een woord te veel of te weinig te twisten; ik wil alleen dat gij u niet gaat inbeelden . ...quot;
âIk weet heel wel, dat ik nog gansch geen recht heb u mijn liefste te noemen; ik heb uw jawoord immers nog niet eens durven vragen; ik moest den moed daartoe nog vatten, dien de desperatie mij nü geeft, om u met zooveel woorden te zeggen, dat ik u liefheb; maar het kwam mij voor, dat het tusschen ons niet noodig was. Zoolang als wij met elkaar ver-keeren, zoolang als ik de kuren van Gerrit verdraag om uwentwil, scheen het mij toe, dat gij mij wel hadt verstaan, al sprak
160
ik het slechts met zwijgenden blik en stille onderwerping uit, wat mijn liefste wensch, mijn zoetste hoop was, eens dit minlijk handje in de mijne te mogen nemen, en aan al de wereld te zeggen: dit is Machteld, mijne Maehteld! dien schat heb ik mogen winnen!quot;
âJacob, Jacob! gij praat onzin, gij verschrikt en bedroeft mij; ik heb nooit recht gegeven zulke hoop te vatten, nooit vrijheid verleend zulken wensch te koesteren. Als de oudere van Gerrit, als mijns gelijke van leeftijd, en bij den omgang die uwe ouders houden met mijn pleegvader, zijn wij samen opgegroeid, en waart gij mij na en waard, om overeenkomstig van gemoed, en ik heb u altijd een goed hart toegedragen, u altijd voor mijn vriend gehouden: aan 't geen daarboven ging heb ik nooit gedacht, veel minder gedachten aangemoedigd bij u; ik kon en mocht dat ook niet, omdat ik wete in alles afhankelijk te zijn van mijn voogd, diens voornemens mij gansehelijk onbekend waren. Wat zou dat baten, of ik nu al mijne hand in de uwe legde, als Lamoraal van Egmond over zijne nicht en pupil anders had besloten ?quot;
âquot;Wat dat baten zou? Wel Machteld, als dat minlijke handje maar zoo toeschietelijk wilde zijn, dan zoudt gij zien, wat ik al niet zou onderstaan, om den doorluchtigen Lamoraal te bewegen, daartoe âjaquot; te zeggen. Een reuzenwerk zou me daarvoor niet te zwaar vallen; ja! de twaalf werken van Hercules zou ik willen ondernemen om die gunst van hom te verkrijgen!quot;
âHet eerste, dat hij ontwijfelijk vergen zou, en dat gij niet zoudt kunnen wrochten - is â de eisch, dat gij geboren edelman waart en uwe acht kwartieren zoudt kunnen opsommen.quot;
âZou hij een geëerd poorterszoon verachten?quot;
âVerachten wel niet: maar dat hij fier is op zijn bloed, en adeldom eischt in hem die naar zijne verwantschap staat, dat is me voorzeker van hem bekend.quot;
âEn gij, Maehteld, acht gij die zoogenaamde kwartieren zoo-
161
veel meer dan een harte, dat u met zuiverlijke liefde is toegewijd?quot;
âIk? â maar naar mijn wenseh en welgevallen zal wel niei gevraagd worden,quot; hernam zij ras, en wendde het hoofd van hem af; â hij moest den traan niet zien, die in haar helder blauw oog parelde.
âGoedelijns hijlikt jonkvrouw Bertha .... die meê uit een oud geslacht afstamt.quot;
âDie hangt simpellijk af van hare moeder en broeder, die wijs genoeg zijn, om niet met adelbrieven te rekenen.quot;
âEn zou de groote Lamoraal die wijsheid dan niet bezittend Dat's toch nogal klein, naar 't mij voorkomt.quot;
âEen edelman en een burger konnen die zaken niet op dezelfde wijze bezien, Jacob. Ik â dat weet gij wel â ik ben onder burgers opgevoed: maar, al ware 't slechts om mijns vaders wille, hebben ze mij toch geleerd, wat eene erfdochter beteekent!quot; En het lieve kind zuchtte smartelijk.
âO! gave God, dat gij geene erfdochter waart, en simpeljjk arme weeze; wis zou de edele graaf de voogdij zoo zwaai' niet opnemen, en mijns vaders degelijken, ouden poorters-naam, mitsgaders eerlijk gewonnen rijkdom, wel wat laten gelden.quot;
âWat is â kan men niet gebeteren, Jacob; dat heeft God dus geschikt, daarin moet men berusten.quot;
âHeel goed; maar wat de geboorte mij niet gaf, zou ik toch wel konnen winnen door persoonsverdiensten. â Het is meer gebeurd, dat een burger geridderd en geadeld werd; de graaf zal mij toch wel willen voorthelpen, als gij mijne voorspraak wilt zijn. Spreek, Machteld, zeg me een enkel woord van goedkeuring, van aanmoediging; geef me ietwat hope, en gij zult zien, dat ik mijne sporen zal verdienen op het slagveld, of â sterven op het bed van eer, zooals ze dat noemen. Mijn vader zal mij het noodige geld wel verschaften om officiersrang te verkrijgen en een vendel aan te koopen of uit te rusten â een brouwer word ik toch nooit.quot;
Wonderdokter. II. 1J
162
âMaar een soldaat evenmin,quot; hernam zij, toeh glimlachend om zijne jeugdige voortvarendheid, die in haar ijver geen hinderpalen scheen te zien en alles mogelijk achtte.
âLuister, Jacob!quot; en zij nam haar zachtsten toon, haar min-zaamsten blik te baat, om de harde waarheid die zij zeggen moest, voor hem verdragelijk te maken. âLuister! Al waart gij edelman geboren, al waart gij vaandrig, al had gij hope het tot kapitein of hoogeren rang nog te brengen, toch zou ons dat niet baten; u wil, u moet ik het zeggen, uit vreeze dat gij ij dele verwachtingen blijft koesteren: de graaf heeft reeds over mijne hand beschikt!quot;
âHoe! zonder u zelve daarin te kennen?quot;
âIn zoover ben ik er nu in gekend, dat de graaf mij heeft medegedeeld, welke toezegging hij heeft gedaan aan den edelman van zijne keuze! Ik blijf nog wel vrij niet tot die overeenkomst toe te treden, zoo de persoon mij niet aanstaat; dan, zoo ik durfde weigeren, is het wel denkelijk, dat de graaf zijnerzijds geen genoegen zou nemen met hetgeen ik zou verlangen.quot;
âZoo heeft de heer van Kenenburg u dan aan een dwingeland overgeleverd, in plaats van u een beschermer te geven ?quot;
âMaar een meiske!quot; verzuchtte Maehteld, niet zonder een tintje bitterheid. âMijn vader heeft gemeend het uiterste voor mij te doen, zoo hij mij een heer tot voogd gaf, die door zijn rang en invloed in de gelegenheid was mij ten hjjlik te besteden aan een persoon van aanzien en vermogen, dat, naar mijns vaders inzicht, de eenige manier was, waarop het onheil dat zijn naam en huis trof, daar hij slechts eene dochter had, iet-wes goedgemaakt kon worden.
Helaas! Jacob u mag ik dat klagen; ik heb mijn vader bijna niet gekend, en hij heeft mij niet liefgehad dan op zijne wijze. â De graaf van Egmond, zijn bloedverwant en wapenbroeder, die voorkomelijk met zijne intentiën omtrent mij bekend is, kan en mag niet anders dan ze volgen, zooveel in zijne
163
macht staat; daarom verblijdde hjj zich, naar hij meende gevonden te hebben wat mij past, en wacht dat ik mij naar die keuze zal schikken.quot;
â/uit gij dat, Machteld, znlt gij dat waarlijk?quot; vroeg hij, in smartelijke spanning.
âWat zal ik u zeggen, Jacob, sinds ik toch niet verkrijgen kan wat mijn wensch zoude zjjn ....quot;
â Wat zou uw wensch zjjn, Machteld, zeg het uit, zeg het mij!quot; smeekte hij met levendigheid.
âMijne vrijheid behouden, Jacob, tot rijper leeftijd,quot; hernam zij kalm en vast.
Hij beet zich op de lippen, hij had een ander antwoord verwacht.
âEn sinds men u dat niet zal vergunnen, wilt gij u laten kluisteren voor het leven, aan dien afschuwelijken vreemdeling!quot;
âliet is toch niet denkelijk, dat een heer van zesentwintig jaar, die door den graaf van Egmond geprezen wordt als een der nobelste en wellevendste onder de jonge edellieden, die hij aan het hof der Koningin van Hongarije aantrof, een monster zal zijn!quot; hernam zjj, wat gekrenkt bij do gedachte die hij opvatte van den man, die haar tot gemaal was bestemd.
âNu, als het er zóó meê gelegen is, als hij u nu reeds gevalt, omdat Lamoraal van Egmond hem prijst, omdat hij uitsteekt onder een hoop opgepronkte, kniebuigende hovelingen, dan, dan weet ik het wel, wat ik er van denken moet.quot;
âEn wat zou dat dan zijn, Jacob?quot;
âDat gij mij, mij nooit liefgehad hebt, zooals ik u.quot;
âIk weet niet hoe gij mij lief hebt, Jacob! maar ik weet wel, dat ik had gehoopt, in u een vriend te vinden, die voor mjj zou zijn als een broeder, geneigd lief en leed met mjj te deelen en te helpen dragen. Zie, Jacob, zoo ik zag dat gij een zwaar lot tegengingt, met moeite, met zelfstrijd, maar dat gjj 't plicht
164
achtte dit met onderwerping te dragen, dan zou ik meenen, u het grootste Idijk van liefde te geven, door u den strijd niet te verzwaren, cn mij verblijden, als gij het met berusting aan-vaardet. Ware liefde, Jacob! peinst niet het eerst en het meest op zich zelve; maak het mij niet zwaarder, zonderdat het u daarom lichter zou zijn.quot;
âGij hebt gelijk, Machteld; ik zie in, wat gij van mij wacht: meêgevoel, maar geen eigenbaat.quot;
âDaartoe heb ik er u op voorbereid. Als het eens tot scheiden komt, moet ik naast het kinderachtig jammeren en weeklagen van Gerrit, een kloeken vriend aan mijne zijde hebben, die zich mannelijk weet te dragen, al is hij nog jong van jaren; dat zal mij verlichten en steun geven, belooft gij mij datyquot;
âJa, Machteld, ja! dat's u beloofd,quot; snikte Jacob Jansz., nu de hand vattend die zij hem zelve bood, en zoozeer onder den invloed harer stille, vrouwelijke grootheid, dat hij die vertrouwelijk in de zijne hield, zonder er aan te denken die te kussen; hij voelde zich gerijpt, in eigen schatting gerezen, door het vertrouwen dat zij hem schonk; zij wist hem als boven zich zeiven op te heffen, door hem de hoogte aan te wijzen, die hij bereiken moest om zich te verzekeren van hare achting.
Daar klonk hun op eens een luid gelach en geschater in de ooren; de stemmen der jongelieden en jmeisjes allen tegelijk, een woest koor zonder harmonie en daarboven uit schelle, schrille noodkreten.
âDat's Gerrit! dat's zijne stom!quot; riep Machteld verschrikt; âze plagen hem voorzeker; wat mag hem overkomen zijn?quot; en zich van Jacob losrukkend, snelde zij heen naar de plaats waar het misbaar zich hooren liet, het achterdeel van de boerderij, waar de jongelieden allen te zamen waren, maar niet precies in eendrachtelijke feestvreugde.
Guurt Groot was handgemeen met Gerrit, die de worsteling-tegen een veel sterkeren cn grooteren jonkman volhield, met
165
een kwaadaardige verwoedheid, die aan waanzin grensde, en die hem kreten van wilde drift deed slaken, terwijl Goedelijns en van Malsem, in plaats van den zwakkeren kameraad te hulp te komen, stonden te lachen en toe te juichen, ja, Guurt Groot schenen aan te zetten om 't niet op te geven, vóór hij zijn doel had bereikt.
Dat doel was, het verwaande en verwende Sehepenszoontje eenï kastjjding toe te dienen, die hem voorlang zoude heugen; â't was voor zjjn best, en 't was verdiend,'quot; riepen zij de meisjes toe, die half verschrikt, half lachend riepen, dat men 't hierbij zoude laten. Dan, Guurt Groot bleek onverbiddelijk, zelfs toen Gerrit, heesch van kwaadheid, schreeuwde dat hij 't wreken zou, maar al spartelend onder de forsche hand van zijn overwinnaar neêrzonk, die hem nu onder de knie had, en willens was op onbarmhartige wijze gebruik te maken van het recht van den sterkste. âGuurt Groot, mishandel Gerrit niet!quot; gilde Machteld, toen zij zag wat er voorviel; .,zoo hem ietwes overkomt, zal zijne moeder het besterven en ik meê.quot;
âDaar zal hem niets overkomen, Machteld! bemoei u niet met dit standje, wat hij krijgt is verdiend,quot; riep Guurt Groot haar toe; en werkelijk droeg hij zelf op zijn gelaat de bloedige bewijzen, dat hij geen weerloos slachtoffer had geveld.
Toen Machteld dit zag week zij verschrikt terug; maar Jacob die haar ijlings gevolgd was, trad nu toe.
âSchaam je Guurt! dat's geen portuur; laat af van Gerrit, of je zult met mij te doen hebben.quot;
âIk wil niet met je te doen hebben, Jacob! wjj zijn vrienden, maar de kwajongen heeft me bijkans de oogen uitgekrabd en hij zal er voor hebben.quot;
â't Is zóó al wel! laat af.quot; En Jacob Jansz. wrong zijn forsche hand om den pols van den jonkman, die onder die nijpende omklemming zich ophief tegen den aanvaller en zijne prooi losliet. Behendig genoeg om van dit oogenblik respijt
166
gebruik te maken, was Gerrit opgesprongen en weggevloden, om schuilplaats te zoeken in do armen van Machteld, die zich liefderijk voor hem uitbreidden. Huilend van woede en schaamte, meer nog dan van lichaamssmart zonk de knaap aan de zusterlijke borst; zij leidde, zij droeg hem bijkans weg, de boerderij in, waar de goede vrouw Blommers en Ljjsbetli zich weerden, om de sporen van stol' en slijk van Gerrits verhavende kleêren te doen verdwijnen; zij hadden wol van de onmoeite gehoord, maar zij hadden zich daar niet in durven mengen, al begrepen ze best, hoe 't aangekomen was.
âEn hoe is 't dan aangekomen ?quot; vroeg Machteld, terwijl zij met haar eigen fijnen neusdoek de tranen van Gerrits oogen wischte, en hem troostend een kus op het voorhoofd drukte.
Het was toch waarlijk geen ingewikkeld probleem, hoe er twist ontstaan, hoe het tot dadelijkheden was gekomen.
De jongelieden koesterden zekeren onwil tegen den knaap, die niet eigenlijk van de hunnen was, en toch aan hen werd opgedrongen; daarenboven waren zijne gedragingen hinderlijk en aanmatigend, en hoewel er geen bepaald overleg bestond om hem eens een trek te spelen, waren zij het zonder afspraak met elkaar eens, dat, zoo de occasie zich daartoe aanbood, men die niet zou laten glippen, en nu â de occasie bood zich aan. Het vooruitzicht om te zien melken en zich naar hartelust te kunnen verzadigen met de schuimende, warme melk? had Gerrit aangelachen, en hij was dus getroost met Lijsbeth meêgegaan, die haar juk met emmers droeg en vergezeld werd door een boerenknecht, die haar arbeid zou doelen. Te zamen hadden zij zestien koeien van haar kostelijk zuivel te ontlasten; en, had Gerrit zich er in 't eerst al wat over verwonderd, dat de tocht naar de weide zoo lang duurde, dat men zooveel landerijen over, zooveel hekken doorging, eer men was waar men wezen moest, alras begon het hem te vervelen, dat de melkerij zelve zooveel langer duurde dan hij zich had voorgesteld. Zoo kon
167
Machteld het niet bedoeld hebben, die zeker al lang naar hem stond uit te zien! Hij begeerde, dat Lijsbeth de koeien verder zou laten zooals ze waren en met hem terug zou keeren. Maar â stel cene degelijke melkster voor, op dat punt half werk te doen!
Lijsbeth lachte hem uit; âzij kon wel zien dat het Schepenszoontje een stads kind was! Hij moest dan nu zelf maar eens zien, hoe onder zonnehitte en vermoeienis de zuivel werd gewonnen, dien het steedsche volkje zoo maar gedachteloos in-zwolg; alleen heengaan, dat raadde zij af; hij zou van de wijs raken, daar alle weiden op elkaar geleken. De bijgedachte van Lijsbeth was, âdat de jongelui het rhalf\vasjequot; zeker wel wat kwijt wilden zijn; Jacob Jansz., haar landheers zoon, hield zooveel van Machteld, dat was hem aan te zien, en de andere liet haar geen oogenblik rust; ze zou beiden pleizier doen met hem nog wat op te houden.quot; Maar â blijven, als hij meende dat hij gaan wilde, als hjj zich verveelde, als hij naar Machteld verlangde â dat was Gerrit Fransz. Meerman niet geleerd.
Het vermaan tot bljjven en geduld nemen, deed op hem de werking van de sporen, ten ontijde aan een jong, wild paard gegeven; hij antwoordde met in vollen draf weg te rennen.
Lijsbeth schudde bezorgd het hoofd, en de boerenknecht giegelde hem na, terwijl hij zijn melkbankje verzette, om zijn laatste koe onder handen te nemen. Zooals hem gewaarschuwd was, raakte Gerrit zijn pad bijster, en doolde ziedend van innerlijk ongeduld rond op de eentonige, groene vlakte. Als hij meende dat hij het eigenlijk hek had gevonden, bleek het toch dat het een ander was, maar dat precies op het ware geleek; en bij de gewisheid, dat hij in cirkel had omgeloopen, of weer verder van zijn doel was verwijderd, klom zijne kwade luim met zijne onrust. â'tWas alles de schuld van Machteld; zij had hem niet van zich af moeten zenden; zij had liever meê moeten gaan; wat deed ze ook op die ruïne? wat had ze toch te praten met van Malsem ? enz., enz.quot; Haar echter liet weiland rondom
168
Delfgauw de Amerikaansche prairiën niet zijn, kwam Ger-rit, trots zijn dwalen, toch te recht aan de boerderij, hoewel niet aan de zijde vanwaar hij uitgegaan was, maar bij het ruime achtererf, waar de hooischuur was gelegen, en waar op ditzelfde oogenblik de jongelieden, die van den tocht naar de ruïne waren weergekeerd, recht veel pret maakten.
Een maagd, die gooit met nat of groen,
Die is het om een kus te doen.
Een maagd, die gooit met groen of nat,
Dat is gezegd: âKom fooi mij wat.quot;
En al werd dit hier gedaan met dor maar geurig hooi, de-uitkomst bleek wel dezelfde. Er werd druk gestoeid en gekust, en de juffers klaagden luide, dat ze berouw hadden den strijd te hebben uitgelokt. Gunst! wat waren die vliegers en bouwen verkreukeld! Och arme! wat waren die nette hoogjes uit hun fatsoen geraakt! Maar de klachten zei ven eindigden in een vroolijk geschater; de jonkmans hadden er ook het hunne van gehad, en zonder barmhartigheid was het zwart en bruin laken of het grijs âferwielquot; met tallooze sprietjes, hooi en strooi overdekt; het zou wat schuierens kosten, eer het al weer zijn smetteloozen glans had, de verfrommelde hoogjes waren schitterend gewroken !
Hoe nu! wie kwam daar aanrennen over 't veld; wie sprong zoo rab de grebbe over; wie onderstond zich het hek over te klimmen, dat niemand de goedwilligheid had voor hem te openen ?
Gerrit! â Gerrit Fransz.! in eigen persoon.
Wat porde dien om dus eenzaam rond te zwerven?
â't Waar wel goed hem eens eene poets te spelen â den kwelgeest van Machteld,quot; opperde Guurt Groot.
âJa, we moeten eens jool met hem hebben.quot;
âHij kan geen plagen velen,quot; waarschuwde een der meisjes.
âZoo is 't hem noodig dat te leeren,quot; zei van Malsem.
169
Wat ze eigenlijk doen zouden, was de jongelui zelf' nog niet helder, toen ze allen te gelijk naar het hek liepen, als om Gerrit welkom te heeten, die verblijd tot het eind van zijn zwerftocht gekomen te zijn, met zekeren angst vroeg; waar toch Machteld was, die zijn zoekende blik al terstond miste.
âMachteld is met Jacob Jansz. naar de stad teruggereden, ze hadden genoeg van de pret, en begeerden nog wat in eikaars gezelschap te blijven.quot;
âDaar is geen woord waars aan!quot; gromde Gerrit, veel te veel teleurgesteld om de plagerij in 't vriendelijke op te nemen.
âIk zeg je dat het waar is. Machteld wil niet langer gelijf-staffierd worden door een geleijonker die haar tot den elleboog komt, en zij heeft de occasie waargenomen om het je te doen blijken.quot;
âIk weet wel beter, Guurt Groot! al ben jij nog zoo'n lange slungel, je maakt mij geen sprookjes wijs.quot;
âZoek maar in 't hooi,quot; plaagden de meisjes, âje zult ze eerder vinden dan eene naaide!quot;
âAan die zotte praat keere ik mij niet!quot; riep hij korzel, âspreek gij, Goedelijns, zeg me, w ,ar kan ik de jonkvrouw van Egmond vinden?quot;
âGa ze niet zoeken, mijn jongen, dat's mijn raad; zie je niet dat iedereen je zal uitlachen, als je loopt rond te snuffelen als een schoothondje dat zijne meesteres verloren heeft? Toon je een wakkere jongen, en wacht hier rustig af tot de jonkvrouw van Egmond zich komt vertoonen; wij vermaken ons hier, neem deel aan de pret.quot;
âDaar is voor mij geen pret zonder Machteld; laat me door, Guurt, ik zal ze wel weten te vinden.quot;
âHet kan zijn; maar de lange slungel â staat den kleuter niet toe te gaan waar hij wil; je zult hier blijven en een patertje met ons dansen,quot; werd hem geantwoord.
Dat was goed bedacht, dat vonden allen aardig; er moest
170
een patertje gedanst worden, en Gerrit moest als Pater in 't midden staan.
Had de knaap nu maar het verstand gehad zich naar dien inval te schikken, en een weinigje met de anderen meê te joelen en te springen, alles ware goed voor hem afgeloopen, want Machteld ware er geweest, eer het eerste rondedanske was af-gedanst. Maar Gerrit Fransz. had nooit geleerd zich naar an-derer invallen te schikken, en nu â kregel, baloorig, moê zelfs van zijn geforceerden marsch â was hij minder dan ooit in de stemming om dit te doen.
âSchei uit met dat mallen, ik vil niet meêdoen, ik tril niet
dansen; laat me gaan, Guurt Groot, laat me gaan of......quot;
âOf wat!quot; En reeds had deze hem bjj den arm gepakt en in 't midden gedrongen; de anderen, als bij afspraak, legden de handen ineen en dansten al zingende om hem rond, terwijl Guurt uit alle macht den onwillige deed stand houden, en rot knielen verplichtte, toen het in 't rijm te pas kwam. Maar het verging hem slecht! want Gerrit, woest van kwaadheid, sprong als een wilde boschkat op hem aan, voer hem met de nagels in 't gelaat en trachtte zich los te wringen, hoewel Guurt hem in de middel omklemd hield, ondanks de pijn die de opge-scheurde wangen hem veroorzaakten.
Van schrik stoven de ronddansende paren uiteen, en lieten Guurt Groot met zijn aanvaller geworden naar jongelui's billijkheid overtuigd, dat deze gerechtigd was tot wederwraak.
âWacht, daarvoor zul je hebben wrat ik je ai lang had toegedacht, en wat je vader je alle dagen wel geven mocht,quot; dreigde Guurt Groot, en deed al het mogelijke om de bedreiging ten uitvoer te leggen, ondanks de kreten van woede, die zijn slachtoffer slaakte, en diens overspannen weerstand, toen Machteld en Jacob Jansz. toeschoten tot zijn ontzet.
â't Is waarachtig of ik met een dolle kat te doen gehad heb,quot; sprak Guurt, terwijl hij de houten pomp in beweging
171
bracht en zijn gezicht met handen vol water opfrischte. âNeen, Jacob, wees jij nu maar niet de advocaat van zijne slechte zaak, het was te uwen gevallen dat we hem ophielden, om je eens onverlet je zoete vrijerij met Machteld te laten voortzetten.quot;
âDatje 't eens vooral weet, Guurt, ik vrij niet over Machteld,quot; gaf' Jacob Jansz. ten antwoord, op een toon, die Guurt deed mompelen : ro wee, o wee! er is een klein plokje blauw aan die scheen!quot;
âKomt, gezellen!quot; sprak nu Goedelijns, ânaar binnen! zien we den pays met Machteld te treffen; laat ons alles afdrinken, en dan den tocht ondernemen, want het wordt mooi tijd.quot;
Goedelijns voelde wel, dat de eigenlijke vreugde verstoord was, en dat, al werd de uiterlijke vrede getroffen, de goede harmonie daarmee nog niet was hersteld en dc aardigheid er nu af zou zijn.
En dat bleek ook wel. Machteld, al had zij haar best gedaan om Gerrit te bewegen de hand van Guurt Groot aan te nemen, die door Hilda en zijn goelijk zusje tot verzoenlijkheid was bewogen, Machteld zelve, bleek zóó ontstemd, dat zij het voorwendsel van de gesprongen snaar te baat nam om niet te spelen on te zingen. Jacob Jansz. had evenals zij zijne particuliere reden om niet vroolijk te zjjn, en deed zelfs geene poging om opgeruimd te schijnen. Goedelijns had er spijt van, dat hij het kwajongensstandje niet had voorkomen, waaraan hij de algemeene ontstemming toeschreef. Gerrit, al zat hij tusschen Machteld en Dieuwertje in, bleef strak en stroef zwijgen, schoon de laatste hare schuchterheid overwon om hem tot een praatje uit te lokken. Hij wilde niets aanroeren, bedankte er voor om mee te drinken of te klinken, schoon Guurt Groot, die wel wat ruw en plomp maar niet haatdragend was, een algemeenen vrede- en vriendschapsdronk instelde, die overigens nogal werd toegejuicht, en waarbij ieder voor zich dacht, dat men den spelbreker best had kunnen missen; zelfs Machteld, die zich voornam op een anderen keer wijzer, minder toegevend te zijn.
172
Het baatte echter niets voor 't oogenblik; de gulle vreugd, eens verstoord, liet zich niet meer vatten. Men dronk nog even in quot;t rond zonder liedje; men proefde, op aandrang van vrouw Blommers, van haar eigen gebakken tulband, en Goedeljjns hief de gedwongen zitting op. Men dankte vrouw Blommers, men duwde den boerenknecht eene fooi in de hand, en men ging scheep, in het vooruitzicht dat het prettige watertochtje alles wel weêr in 't effen zou brengen. Maar de eerste groote teleurstelling, die het jeugdige hart van Jacob Jansz. had getroffen, was niet met eene genoegeljjke vaart goed te maken. Al had hjj ook gemeend, dat hjj niet eigenljjk hope had gevat, de zekerheid bewees hein, dat hij ondanks alles op gunstiger uitkomst had gerekend ; en al was hjj onderworpen, hij was toch niet minder gewond. Hjj drong van Malsem hem de roeiriemen te vertrouwen, en deze, die zijne overwinning op Dieuwertje hoopte te beslissen liet hem gewillig begaan. Machteld had, ten bewjjze dat z. j een anderen weg met Gerrit wilde inslaan, dezen niet veroorloofd tusschen Bertha en haar plaats te nemen, en, zonderling, hij had. vrede gehad met die schikking, en was naast van Malsem, vlak achter Guurt Groot gaan zitten, die weêr wakker de roeispaan hanteerde, terwijl Jacob Jansz. nu eens met fur ia roeide, zooals een Italiaan zoude zeggen, en dan weêr de riemen onbe-wegeljjk liet op de pennen, of hjj ze in verstrooiing had laten glippen; deze ongeljjkmatigheid werd wel door Goedèljjns opgemerkt en berispt, maar dat leidde dan slechts tot tjjdeljjke verbetering.
Overigens ging alles aanvankelijk goed, hoewel niet zoo piet-tig als men verwacht had. De maan bleef achter de wolken verscholen, en een droeve damp, uit het water opstijgende, hulde alles om hen heen in een dichten, vochten nevel. Daarbjj veranderde de wind en begon wat op te steken; de aardigheid van zoetjes over 't water te glijden was er gansch af, men moest nu maar liever zien wat haastig thuis te komen; men wist niet,
173
wat die samenpakkende wolken daarboven nog geven konden.
Van Malsem, onder begunstiging van de duisternis, fluisterde druk met Dieuwertje; Bertha en Hilda praatten zoo wat onder elkaar; Machteld hield zwijgend hare luit op den schoot, en tokkelde van tijd tot tijd, als in verstrooiing, de snaren.
Daar hoorde men op eens een doffen gil, die door Guurt Groot werd geslaakt, terwijl hij de riemen losliet en trachtte op te staan, zonder dat het hem gelukte.
âLaaghartige deugniet!quot; klonk de stem van Jacob Jansz., die-mede vergat, dat hij zijn post als roeier niet mocht verlaten, maar opgestaan was om Guurt Groot te hulp te komen, die van achteren door Gerrit aangevallen, de volle zwaarte van den knaap op zijne schouders voelde drukken, die hem tegelijk met beide handen de keel omwrong. De wraakgierige had dit oogenblik gekozen om zijne revanche te nemen. Wilde hij zijn vijand worgen, of simpelhjk onder de verrassing van zjjn onverhoedschen aanval over boord werpen? het was niet uit te maken. Zeker is het, dat het ontzet, door Jacob Jansz. bedoeld, alleen daartoe leidde, dat er drie worstelden onder schrille kreten en verwijten. Do meisjes gilden en stoven op. Goedelijns zelf vergat de zorg voor zijn roer, om in dien gevaarlijken twist tusschenbeiden te komen. Al het wicht van de negen personen, die het vaartuig inhield, was op één oogenblik samengetast op een zelfde plek; van Malsem begreep het gevaar, en drong dooi' tot het roer. Tevergeefs â te laat â het schuitje sloeg om â plof! daar gingen aanvallers en verweerders met elkaar in de diepte â ter dood! â ten verderve wellicht!
Het akelig gegil van de jammerende meisjes â de gesmoorde verwenschingen der jongelieden â het schril gehuil van Gerrit, die nu eerst het schrikkelijk gevolg van zijn eigen moedwil begreep, zou zeker goede uitwerking hebben gehad om helpers en redders te doen aansnellen, zoo de noodkreten eenig men-schelijk oor haddon kunnen treffen. Maar de breede vaart, aan
174
weerszijden met riet en waterplanten dicht bezet, liep langs een pad, dat op dit uur door geen mensch werd betreden. De huislieden waren toen reeds van akkers en weiden teruggekeerd, en wie vroeg op moest lag al vast in diepe rust. De enkele hoeve of' boerenstulp waren verderop landwaarts in, en het huis van vrouw Blommers lag al veel te veraf, dan dat men daar opmerkzaam had kunnen worden op 't geen er met de jongelieden voorviel. Ze konden op niets rekenen tot redding dan op zich zeiven; maar â ,zij konden immers zwemmen!quot; had Jacob Jansz. al vooruit gezegd, toen hij in zijn overmoed het gevaar verachtte. Gelukkig herkreeg Goedelijns zijne tegenwoordigheid van geest en herinnerde het hun: ,Jongens! vergeet niet, dat we zwemmen kunnen! de armen uitgeslagen, en â de meiskens gered, die vast zinken, als ze niet op hare zijden kleêren drijven.quot;
En zelf gaf hij het voorbeeld, door de eerste juffer de beste te vatten en met haar door riet en bieze naar land te waden. Hij was wel beloond voor zijne kordaatheid â het was Bertha, die hij had gered. Nogmaals den tocht beproefd, en hij mocht Guurt Groot helpen om Hilda aan land te brengen. Van Mal-sem hield Diewertje omstrengeld en wist met haar op den oever te raken.
Machteld had in haar zieleangst den naam van Gerrit uitgeroepen, en deze, op de vriendelijke stem afgegaan, had half zinkend hare kleederen gevat, terwijl zij haar arm om hem heensloeg. De jongelieden, hunne zusters en meisjes gered wetend, waren nu zelf aan land gebleven; maar Goedelijns dacht aan Machteld, wierp de druipende bovenkleeding uit, die zijne rappe leden belemmerden, en ging moedig opnieuw te water, de anderen toeroepende : dat zij zich gereed moesten houden hem bijstand te bieden, als het noodig werd. Spoedig had hij Machteld bereikt, die met inspanning van hare laatste krachten Gerrit hield omvat. âMachteld laat den jongen los, ik kan er
175
geen twee tegelijk houden en de armen roeren, klem u om mij heen en ik red u â de kwa-jongen, dat's van latere zorg.quot;
Maar Gerrit smeekte om erbarming, en Machteld liet hem niet los.
âRed â hem alleen,quot; bracht ze uit.
De kloeke jonkman beproefde, maar slaagde er niet in den dubbelen last te torsten. Machteld voelde, dat zjj alle drie verloren gingen. Zij zelve liet Gerrit, liet Goedelijns los â en verlicht, bracht nu de jonkman den knaap aan den oever; zelf was hij echter zoo uitgeput van de overspanning, dat hij nog alleen maar roepen kon: ,Helpt Machteld!quot; en toen bewusteloos neerzonk.
Van Malsem deed zijn plicht; het was nog niet te laat. Machteld had zich aan het omgekeerde bootje kunnen vastklemmen, en ook zij kwam behouden aan wal. Wat nu te doen? De meisjes, in hare natte kleêren en nog onder den indruk van den schrik zenuwachtig, snikkend of schreiend, waren niet in staat te voet huiswaarts te keeren; de jongelieden, zeiven nog lang niet bekomen, zagen er tegen op, al luidt het algemeene voorschrift, dat een ferme marsch het beste recept is om de gevolgen van een ongewenscht stortbad te voorkomen. De boot omkeeren en vlot maken ? zij misten moed en lust om het te beproeven, en te meer, daar de meisjes ronduit verklaarden, dat zij er niet weêr in durfden! âNaar de hoeve van vrouw Blom-mers terugkeeren,quot; opperde van Malsem; âdie was dichterbij dan de stad; de boerin zou hun gelegenheid geven hunne kleêren te drogen, en er was van haar of van een harer buren wel een wagen te krijgen, waarmeê men zoo haast mogelijk naar de stad kon rijden.quot; Dat voorstel vond algemeen bijval en zou ten uitvoer worden gelegd, toen men bemerkte, dat Machteld, zachtelijk op het gras neergestrekt, buiten kennis was gebleven, en dat zij niet mede kon, tenzij de jongelieden haar opbeurden en voortleidden.
Goedelijns en Guurt, als de sterksten, belastten zich met dit
176
werk der barmhartigheid. Van Malsem leidde zijne zuster en Dieuwertje, Hilda ging naast de jongelieden, en men begreep, dat Gerrit wel vanzelf zoude volgen. Deze bleef dan ook niet in gebreke; maar toen hij, wat bekomen, Goedelijns schuchter daiikte voor zijne redding, duwde deze hem toe:
âJa! ware 't niet om Machteld geweest, gij hadt verdient te verdrinken, want gij zijt oorzaak van alles!quot;
Intusschen viel de tocht langer dan men wachtte, en vooral viel de taak om het bezwijkende meisje meê te voeren haren redders bezwaarlijk.
âMaar eilieve! waarom helpt Jacob Jansz. niet een handje,quot; zei Guurt Groot.
Jacob Jansz! voor 't eerst werd er aan hem gedacht, en met schrik; maar toch, âdie kon zwemmen! daar was geen kwaad bij,quot; troostte men zich.
âJa! als er niet iets ergers met hem gebeurd is; hij zou met ons zijn als hij zich had weten te redden.quot;
âin elk geval is er op dit pas niets aan te doen; daar ligt Goddank de hoeve voor ons en er brandt nog licht in het huis!quot; zei Goedelijns.
Ja! gelukkig was er licht en trof men de bewoners nog op, door wier bereidvaardigheid alles werd aangewend, om de gevolgen van het onheil te herstellen.
Maar toen reeds de jongelieden |zich voor het groote vuur in de keuken stonden te warmen en te drogen, vroeg op eens Lijsbeth: âquot;Waar is Jacob Jansz.?quot;
En het antwoord luidde: âdat men hem verloren achtte!.... Hij kon zoo goed zwemmen als een van hen; er moest iets ergers met hem zijn gebeurd, anders had hij er toch ook reeds kunnen zijn.quot;
âHet licht me bij, dat hij onder het omgeslagen schuitje zal zijn geraakt en in den modder gesmoord,quot; sprak Goedelijns, in doffe moedeloosheid.
177
âDan moet er hulp wezen!quot; riep Lijsbeth; reeds snelde zij naar den stal om den boerenknecht te wekken.
â't Is toch te laat!quot; beslistte Goedelijns hoofdschuddend. Eigen uitputting deed hem twijfelen ook aan het goed gevolg van anderer pogingen, die hij zich niet in staat gevoelde te leiden.
Maar de kloeke Lijsbeth liet zich niet afschrikken; de lantaren in de hand, door den boerenknecht gevolgd, die onderweg nog een paar buren om adsistentie zou vragen, togen zij uit, Guurt Groot voelde zich kras genoeg om mee te gaan en den weg te wijzen.
Vrouw Blommers, die het druk had gehad met voor Mach-teld te zorgen, welke zij op haar eigen bed had neêrgevlijd, en die âin de zoete rust was,quot; zooals zij zich uitdrukte, kwam nu naar de jongelui omzien, zich beklagend, dat ze maar als kin-derlooze weeüw alleen zat voor alles.
Ja! zij had wel een zoon, een eenig kind, maar die had al vroeg zijne roeping gevolgd om zich van de wereld af te zonderen, en was in een klooster gegaan; âomdat hjj te lui was om boerenarbeid te doen,quot; zou Lijsbeth getuigd hebben, als men er haar naar gevraagd had. âZij moest nu alles maar zelve of door vreemden laten doen, en dat was achteruit; Lijsbeth, ja! die was trouw en vroed en daar kon zij op betrouwen; maar
het was toch slechts een meiske, en wie weet hoe gauw____quot;
Terwijl de goedhartige boerin hare monoloog hield, waar eigenlijk niemand naar luisterde, ging zij bedrijvig heen en weêr, takkebossen aanbrengend tot onderhoud van het vuur, den groo-ten ketel overhangend, kokend water kon te pas komen, een klein kruikje met âbrandemorisquot; voor den dag halend, waarvan Goedelijns, bij wijze van geneesmiddel, een teugje nam. Daar hoorde men voetstappen het erf opkomen, de deuren van 't huis en 't huisvertrek werden in angstige verwachting geopend, en de boerenknecht, door een paar arbeiders bijgestaan, droeg Jacob Jansz. naar binnen op eene berrie liggende.
Wonderdokter. II. 1 ~
178
âDood!quot; riepen allen, in ontzetting opgesprongen.
âXeen, neen! er is nog leven in, Gode zij lof en dank!quot; antwoordde Lijsbeth, die de lantaren in de eene hand houdende, met de andere zorgelijk het hoofd van den jonkman ondersteunde. âHij leeft!quot; herhaalde zij luid en zegevierend, âhij zal wel weêr bijkomen, ik heb er de zekerheid van.quot;
liet was mogelijk, maar op dit oogenblik lag hij in volstrekte bewusteloosheid en geheel onbewegelijk, levenloos, naar uiter-Ijjken schijn.
Onder de omgeslagen boot geraakt, was hij meêgedreven tot dicht bij den oever, waar het water zeer laag stond; zijne vaardigheid in de zwemkunst, zijne spierkracht was hem van geen nut geweest, daar hij in onmacht was geraakt; met het gelaat naar boven gekeerd was hij gevonden, tusschen slijk en biezen als begraven, en door het kleine vaartuig als ontijdige doodkist overwelfd, hetgeen hem echter behoed had om in ae diepe waterkolk te verzinken.
â't Is een mirakel, dat we hem nog levend vonden,quot; sprak Guurt Groot, terwijl hjj, met behulp van den knecht, den be-wustelooze zachtkens neervlijde voor het vuur, op het dusge-noemde kermisbed, dat vrouw Blommers en hare nicht inmiddels hadden gereedgemaakt. Goedelijns ging intusschen een aceoord aan met den buurman, om de jongelieden, zoovelen er kras genoeg toe waren, met een boerenwagen naar de stad te brengen; men zou dus de familiën niet langer in onrust laten dan volstrekt noodig was, en met geneeskundige hulp voor Jacob en Machteld terugkeeren, de eenigen die nog moesten blijven.
Gerrit, die maar al te goed wist, dat hij niet onschuldig was aan de catastrophe, had een kreet van smart en ontzetting geslaakt bij het zien van Jacob Jansz., onbeweeglijk op de draagbaar liggend, en was verder zóó verslagen, zóó deemoedig^ dat hij zich niet eens durfde verzetten tegen den maatregel,
179
waarbij hij zonder Machteld naar dc stad werd teruggevoerd, om zijne ouders gerust te stellen.
Terwijl de jongelui wegtrokken, nam de boerin, door Lijsbeth geholpen, de hulpmiddelen te baat, die volgens hare ondervinding in een toestand als die van Jacob Jansz. moesten worden aangewend.
Hoe eenvoudig ook, ze bleken doeltreffend, en de jonkman gaf welhaast teekenen van leven, die door zijne verpleegsters, door Lijsbeth bovenal, met angstige spanning werden ingewacht, met tranen van blijdschap waren opgemerkt.
âNog maar weer de voeten wrijven met heete brandemoris en keukenzout, Lijsbeth,quot; beval de boerin, âdan zal hij wel ras heelemaal bijkomen.quot;
Maar de patiënt sprak met eene zwakke, doch klare stem: ^Dat ik u bidde, Lijsbeth. laat mij verder met rust. Ik ben wel, ik ben zoo wel als iemand hot zijn kan, die door den dood is heengegaan tot het leven.quot;
âDat zal ijlen zijn,quot; fluisterde vrouw Blommers Lijsbeth in; âhij heeft geen water genoeg opgegeven, dat zal hem nu naar het hoofd stijgen; als we hem eens wat brandemoris met zout te drinken gaven, dat zou werking doen.quot;
âBeter den geneesmeester afwachten; de voeten zijn warm, de handen desgelijks, daar is geen kwaad meer bjj; moei, ga gerust naar de juffer zien, ik zal hier waken.quot;
âAls Machteld hier is, laat ze komen, ik heb haar wat te zeggen,quot; sprak weer de patiënt; maar de stem klonk schril en zwaar, of zij niet op do gewone wijze werd voortgebracht; iets, als iemand, die in een diepen, zwaren droom spreekt, iets, als een somnambule, die in staat van clairvoyance verkeert.
De boerin schrikte, en haastte zich weg, om te zien of Machteld in staat was aan zijn verlangen te voldoen. Lijsbeth maakte devoteljjk het teeken des kruises en knielde bij het armelijk leger neer. âDit wordt sterven,quot; dacht zij, en stamelde haar gebed onder tranen.
180
Een zachte gloed tintte de bleeke wangen van den jonkman; de oogen, die hij gesloten hield, openden zich, en zagen op haar met een blik, waaruit hooge geestverrukking sprak, door diepen ernst getemperd.
âChj, Lijsbeth! die eene reine van harte zijt, hoor mij aan,quot; sprak hij mot eene fluisterende stem, maar die tot haar binnenste doordrong. rHet is eene hoogheilige geheimenis, die ik ga uitspreken. De Heer, de Heer zelf heeft mij gegrepen, en uit den dood tot het leven gebracht; wat ik met het oog der ziele heb aanschouwd, terwijl het lichaam vlottende lag tusschen behoud en verderf, kan geen menschelijke tong uitspreken.quot;
Daar naderde Machteld, bleek nog, en kennelijk geschokt bij het zien van Jacob, die daar nederlag, maar toch reeds genoegzaam uitgerust om tot hem te komen.
Zij ook knielde neer nevens het rustbed, en sprak met hartstochtelijkheid: âJacob, Jacob! blijf leven, blijf leven voor mij; ik wil het u niet langer verzwijgen, u heb ik lief â U â en ik zal alles trotseeren voor die liefde.quot;
Hij schudde zacht het hoofd en vatte beide hare handen in de zijne.
âTrotseer niets, Machteld, niets voor mij; ieder van ons heeft een anderen weg te gaan; ik wees er gerust op â ik zal wederkeeren tot datgene, wat men het leven noemt; maar het zal niet zijn om levend dood te wezen, zooals ik voormaals placht, en des werelds vreugden en lusten na te jagen; het zal zijn om Gode te eeren en Hem te verheerlijken, zijn werk doende naar Hij mij dat Ieeren zal. U beiden, Machteld en Lijsbeth, wil ik liefhebben als trouwe zusters; naar vrouwenliefde vrago ik niet meer; do Heere Christus zelf, die mij onuitsprekelijke dingen heeft te zien gegeven, moet ganseh mijn hart vervullen â Hij alleen! En zoo zal het zijn met Zijne hulpe, Amen!quot; sprak hij, de oogen opgeheven houdende als in 't gebed; en nu hare handen loslatend, liet hij het hoofd weêr
181
neervallen, en verzonk oogenschijnlijk in de vroegere roerloosheid.
Machteld en Lijsbelh rezen op, bleven diep getroffen staan en staarden elkander aan, niet wetende wat te .denken. De jonge meisjes hadden den dood nog nooit zien aantreden.
quot;Was dit sterven ? een afscheid voor het leven ? Was dit de uitwerking eener ijlende koortse? Maar die kalmte, maar nu die zachte gloed, die de wangen tintte, maar nu die oogen, die zich zaehtkens sloten, en geen spoor van do wilde vlagen, die gewoonlijk met zulkeu toestand gepaard gaan ? Zwijgend in zich zeiven gekeerd, bleven zij wacht houden naast het leger; de ademhaling scheen welhaast een rustigen slaap aan te duiden.
Vader Graswinckel, vergezeld van een zijner zonen en den medicijnmeester, dien men in der haast had meegebracht, verscheen weldra om den lijder af te halen, van wiens toestand de makkers juist geen bemoedigend tafereel hadden opgehangen. De geneeskundige, het was eigenlijk maar een barbier (men had diens [hulp voldoende geacht voor de omstandigheid) verklaarde dat hij er niets van begreep, hetgeen wel de waarheid zal zijn geweest. Vrouw Blommers vertelde wat zij had gedaan, en hij schudde bedenkelijk het hoofd, hoewel het waarschijnlijk is, dat hij zelf, met meer drukte en meer omhaal, zoo ongeveer hetzelfde zou hebben verricht.
]Sru, zorgvuldig in wollen dekens gehuld, werd Jacob Jansz. met het lichte stroobed op de wagen gelogd. Schepen Meerman was zelf meêgekomen om Machteld af te halen, en Lijs-beth reed meê naar de stad.
Zij kon haar patiënt niet verlaten, vóór zij meer gerustheid had omtrent zijn toestand. Met zjjne moeder bleef zij waken aan zijne legerstede, dat niet eigenlijk een ziekbed mocht heeten; want reeds des anderen daags voelde hij zich beter, kon opstaan en zich bewegen zooals hij wilde, en de chirurgijn-barbier moest zijns ondanks verklaren, dat verdere geneeskundige hulp
182
overbodig was. Lijsbeth koorde naar do Dclfgauwsche hoeve terug; maar de âreine van hartequot; had in dien nacht meer dan anderen opgemerkt, en 't geen zij gehoord en gezien had beter begrepen, /ij overdacht en verklaarde hot op hare wijze, en vatte een voornemen op, dat zij ten uitvoer logde, zoo haast de omstandigheden daartoe gunstig waren: zij wilde zich afzonderen van de wereld en zich den Heere wijden; en voor oen meisje van haar stand â in haar tijd â was er daartoe geen andere weg, dan het klooster.
Gorrit Moerman had vermoedelijk reeds eene ziekte onder de loden, die hom zoo bijzonder prikkelbaar en boosaardig had gemaakt, en welke door de heftige schokken, die hij ondergaan had, tot eene uitbarsting kwam. Hoe dat ook zij, hoewel hij minder dan andoren van bot ongowenschte bad had geleden, werd hij toch door eene hevige zenuwziekte aangetast, die hern werkelijk in gevaar bracht. Terwijl hij daar bewusteloos neerlag, werd zijne trouwe oppasster van hem weggerukt.
Do rentmeester van Oud-Beierland kwam Machtold afhalen, op last van den graaf van Egmond, en was onverbiddelijk voor haar wensch, om de herstolling van haar lieveling te mogen afwachten.
Alles was geschikt tot hare en zijne afroize, dat kon niet verzet worden, en daarbij : âdo joffer van Egmond Konenburg was niet geboren om zuster van barmhartigheid te zijn bij eens burgermans zoon,quot; verklaarde de slotvoogd, ten aanhoore van Schepen Moerman zelf, die na deze uitspraak te fier was, om de jonkvrouw, die hij als zijne eigene dochter had liefgehad, nog terug te houden. Zij ging, om niet weer te koeren, om een schitterend, maar zwaar lot tegen te gaan. Jacob Jansz. hield woord, en stond haar kloek en sterkend tor zijde, bij dat schokkend heengaan.
Haar vertrek werd voor Gerrit onder allerlei voorwendsels verborgen, zoolang men dat vermocht. Maar, zonderling! bij zijn
183
herstel beruste hij kalm in haar afzijn, sprak daarna zeer zelden meer van haar, en welhaast scheen het, of' hij haar geheel had vergeten, die voormaals het voorwerp was geweest van al zijne wenschen en gedachten; mogelijk was zijn geheugen wat verzwakt; zeker was de ziekelijke overgevoeligheid weggenomen, die de gezondheid van den knaap ondermijnde, en daarenboven was het, of alles om hem heen samenzwoer, om de heugenis aan Maehteld uit te wisschen. Haar naam werd niet meer genoemd, hare liefde niet meer herdacht in dat huis, waar allen haar toch zoo innig hadden liefgehad. De ruwe wijze waarop zij was ontrukt aan hen, die haar sinds hare kindsheid zoo zorgelijk hadden verpleegd, had aller hart gekrenkt; men zweeg van haar, niet uit onverschilligheid, maar uit verbittering, uit diep leedgevoel, en bovenal uit voorzichtigheid, om Gerrits wonden niet open te rijten.
De scheiding had geene scheuring behoeven te zijn, dat zij het was geworden werd aan den trotschen graaf van Egmond geweten. En toch had deze daaraan minder schuld dan de slotvoogd, die in zijn naam handelde, door wiens oogen hij moest zien. Deze had zijne redenen, weerzijds misnoegen en verdenking-te zaaien, en zijn toeleg slaagde. Toen hij uit Vlaanderen terugkwam, was hij voorzien van eene volmacht des graven, waarbij het beheer der goederen van diens pupil aan hem werd opgedragen, en aan Schepen Meerman het ambt van rentmeester ontnomen, dat sinds onheugelijke jaren van vader op zoon was overgegaan en als erfelijk in de familie werd beschouwd. Nu was de scheuring onheelbaar, de vervreemding verzekerd, en er was zoomin sprake van de jonkvrouw van Egmond in dat huis, als had zij nooit bestaan, flerrit intusschen ontwikkelde zich tot een kloek en schrander jonkman, die zich vormde op handelsreizen in het buitenland, bij zijne terugkomst de dochter uit eene der rijkste en invloedrijkste geslachten ten huwelijk kreeg, jong nog in de vroedschap raakte, zooals hij zich had
184
voorgesteld, en zich wist te doen gelden, te doen achten, al was hij juist niet alom bemind en geprezen, hetgeen zijn tegenwoordig ambt dan ook niet meêbracht. De familiën Meerman en Graswinekel bleven vriendschappelijk met elkaar verkeeren, maar Jacob Jansz. en Gerrit bleven van elkaar verwijderd. De eerste in zijn streven om geen wortel van bitterheid in zijn eigen of anderer hart te laten opschieten, die nog was uit te roeien? had gemeend bij Gerrit den eersten stap te moeten doen, om hem tot vergetelheid van allen toorn en onwil tegen elkaar op te wekken; maar deze had hem hartelijk uitgelachen om die gemoedelijkheid, en gezegd, dat het dwaasheid was, als jongelieden nog aan zulke kinderachtigheden te herdenken. Waarheid is, dat hij zelf nooit een kinderlijk harte had gehad, zooals Jacob Jansz. tot in de grijsheid zou behouden. De zelfzucht, die hem vroeg reeds rijpte en verhardde, werd kloekheid van geest, gezond verstand geacht in zijne, in anderer oogen, en hij was er trotsch op, dat hij nooit meer aan overgevoeligheid leed, noch zoo'n vrome suffer was geworden als zijn vroegere speelmakker. Dat er toch in de diepte van dat menschenhart nog een vonkje gloorde van zachter en zuiverder gevoel, dat door tjjd noch omstandigheden gansehelijk kon gebluscht worden; dat de herinnering aan de vriendin zijner kindsheid, iets in hem opwekte, dat hij sinds lang dood en begraven achtte, bewijst ons zijn ijver om den zoon van Machteld te sparen, te beschermen, en op dezen iets over te brengen van de teêre genegenheid, die de moeder hem eenmaal had ingeboezemd.
En nu â Jacob Jansz.?
De zonderlinge woorden die hij gesproken had in den belangrijksten nacht van zijn leven, ook in het bjjzijn zijner moeder, betreffende geestelijke ervaringen en heilige voornemens, werden door deze opgevat als de uitwerking van een koorts-achtigen droom, of het gevolg eener ontstelde verbeelding, onder den indruk van den schrikwekkenden toestand, waarin
185
hij zich had bevonden, hangende tussehen leven en dood, en door de bijna wonderbare uitredding nog versterkt. Zij meende dat deze wondre zielsverheffing niets was dan ziekelijke overprikkeling, die zich later door dofheid en afmatting zou wreken. Zij kende haar lieveling als hoogst ontvankelijk voor indrukken, maar ongestadig van aard; en zij hield het voor zeker, dat met de heugenis van het voorgevallene ook die visioenen zouden wegtrekken, die hem in zoo zonderlinge stemming brachten.
Dan, hij bleef met ongewonen nadruk verzekeren, dat er hier van geene ziekelijke inbeelding, noch ijdele begoocheling spraak kon zijn; dat hij de werkelijkheid had getast en gesmaakt, en dat het wel uit zijn leven zou blijken.
En wel bleek het uit zijn leven, dat hij door iets anders werd geleid en bezield, dan door de spelingen eener overspannen phantasie. Hij volhardde bij zijn aangekondigd voornemen van onthouding, ondanks het tegenstreven der zijnen, ondanks de spotternij van oudere broers, ondanks de bitse aanmerkingen, die hij er over hooren moest van alle leden des huis-gezins.
Zijne moeder begon te vreezen, dat hij, naar monniken-hei-ligheid strevende, zich welhaast in een klooster zou willen terugtrekken; iets wat haar, die reeds in 't geheim der Hervorming was toegedaan, zeer bijzonder smartelijk zou zijn geweest; maar hij stelde haar gerust, door te zeggen, dat hij noch muren, noch geloften noodig had, om zijn leven te wijden aan God; dat hij den Heer wilde dienen in de wereld, niet zich daaruit afzonderen, al scheen dat het lichtste, het veiligste; hij wilde geen Karthuizer worden, al had hij vastelijk voorgenomen, den trouwsten hunner ordebroeders te evenaren in zelfverloochening, in armoede, in reinheid van wandel, in dienende liefde. Tot hiertoe had hij geweifeld, welk beroep hij zou kiezen; nu was hem op eens een licht opgegaan over zijne roeping. Hij moest geneesheer worden, om met de krankten des
186
lichaams ook tot heeling der zielekwalen, van zjjne lijdende medemenschen te kunnen medewerken. Hij bleef de school bezoeken, waar de talen werden geleerd, die toenmaals den sleutel gaven tot alle kennis en wetenschap.
Toen zijne ouders om de hitte der geloofsvervolging uitweken naar Duisburg, vergezelde hij hen, zette aan eene Duitsehe hoogeschool zijne studiën voort en verkreeg er vermoedelijk zijn doktersgraad. Met hen teruggekeerd, toen Delft vrijgemaakt was van 't Spaansche geweld, ving hij eerst voorgoed zjjn kluizenaarsleven aan, daar zij de brouwerij de Kuit, hunne vroegere huizing, niet meer betrokken, maar eene grootere, de Boot genaamd, gingen bewonen, waarvan het achterhuis naar zijn verlangen werd ingericht, dat hij niet weêr verliet, en waar wij hem hebben gadegeslagen.
Dat de jongeling, in dat eerste tijdperk van zijne toekeering naar God, eene buitengewone mate van Christelijken moed, van volharding, van wilskracht moest ontwikkelen, laat ons liever zeggen, door eene ongewone mate van Goddelijke genade werd gesteund en bekrachtigd om bij zijne keuze te blijven: dat hij alle wereldvreugd vliedend, allen wereldzin doodend, zich zeiven Gode ten offer bracht in de kleine, stille, dagelijks terug-keerende ontberingen en onthouding, te midden van verwanten, vrienden, schoolmakkers, die in dit buitengewone niets zagen dan onzinnige dweperij, of eigendunkelijke zelfkwelling; dat er door hem veel leeds geleden moest worden, veel strijds gestreden, veel gebeds gebeden, eer hij van vrede, vollen vrede kon roemen, en, onaangevochten van buiten, zonder beroering van binnen, zijn weg der zelfverloochenende liefde kon volgen; dit kan ieder zich voorstellen, die iets weet van geestelijken strijd tegen vleesch en bloed niet slechts, maar tegen die onbestemde, ontastbare vijandelijke machten buiten ons, boven ons, rondom ons, die Paulus beschrijft als de geestelijke boosheden in de lucht. Zwaar mocht die strijd hem gevallen zijn,
187
maar hij bleef in dat alles overwinnaar, en hij toonde metterdaad, zooals hij gezegd had, dat hij niet door visioenen was be-tooverd, even ras verdwenen als gerezen; dat hij niet in de angsten des doods geloften had gedaan, die, na 't ontkomen, bij het naar 't verleden wijken van 't gevaar werden vergeten en verachteloosd: hij toonde metterdaad, dat hij van de hoogste realiteit had getuigd, als was het tevens de diepste mysterie, toon hij in allen ootmoed roemde, dat hij van den Heer iras i/egrepen.
En nu, wij schrijven niet de geschiedenis van zijn leven, noch die zijner familie, wij geven hem alleen in een tijdperk van zijn werkzamen levensloop; wij hebben hem zien handelen, zien strijden, worstelend om te vorderen in heiligmaking; geen heilige nog â wie mag zonder zelfbedrog roemen het reeds te zijn hier op aarde â maar toch, gaande van kracht tot kracht, een toegewijde aan God door Christus; een Christen in één woord, in wien do belofte werd bewaarheid: r 11 Ve heeft, die» zal gegeven worden.'''
HOOFDSTUK V.
âEen mirakel, wel zeker! hij zon me willen diets maken, dat hij een mirakel zou verricht hebben en een verslagene in het leven heeft teruggebracht!quot; had Schout Gerrit Fransz. Meelman bij zich zeiven gesproken, terwijl zijn effen voorhoofd zich fronste, en de geheimzinnige glimlach zich om zjjn mond plooide, âen hij zou meenen dat ik. Schout van Delft, maar zoetsappig berusten zou in zijn zeggen! Dat's misgerekend. Bootje! Wij zullen elkander daar nog eens over spreken! Dat hij het Juliaan wijs maakt, om hem gerust te stellen en van onberaden zelfbeschuldiging af te brengen, dat late ik daar, dat is te prijzen in zekeren zin: maar dat hij zich niet inbeelde, dat ik mij daarmee heb laten blinden. Al noemt het domme volk hem âden wonderdokter,quot; lieden van kennis en stand weten wel hoe ze dat opvatten moeten; een Leidsch hoogleeraar heeft mjj eenmaal gezegd, dat hij zoo bijzonder knap en geleerd niet is, en ik, die hem van jongs aan kenne, wete beter dan iemand wat ik van zijn mirakelen heb te denken. Beeldde hij zich niet in als door een wonder van Gods goedheid behouden te zijn, omdat hij onder het schuitje tusschen de biezen liggende, nog levend gevonden werd? Heeft hij op deze gezegde wonderdadige uitredding niet zijne dusgenaamde roeping gebouwd om heel wat singuliers te zijn en te doen ? Of er geen duizende kloosterlingen strenger dan hij hebben geleefd, zonderdat zij er
189
heiligen om geweest zijn of tot wonderdaden bekwaam waren! Fij, van die dwepende phantasieën, van dien waan der ij delheid; 't is puur zelfbehagen. Ik kan dat druilen en drijven, dien trots in het kleed der nederigheid niet dragen, en wil er achterkomen wat hij voor een mirakel uitgeeft; ja, ik moet er zelfs in mijne qualiteit kennis van nemen, zal ik het botte gemeen, dat al licht mirakel roept bg 't geen haar onverklaarbaar is, het stilzwijgen opleggen.
Onderzocht moet het worden; maar het aan Bartels op te dragen, dat gaat niet! Hij zou verder gaan dan mijne intentie is, achter de heele waarheid komen, erger nog, geen Bastiaan meer vinden, de zaak uitpluizen tot het misdrijf van Juliaan openbaar werd en ik, om mijn goeden roep van een rechtvaardig rechter op te houden, genoodzaakt zijn om tegen den armen jonker te procedeeren in alle rigueur; en zoo eens de cause uit mijne handen ter Schepen kennis ware gebracht, zou er niet meer te composeeren vallen; het zou mis kunnen loo-pen, en ik kan toch waarachtig den zoon van Machteld niet aan de galg brengen! Zijne antecedenten zouden wis niet voor hem pleiten, blijkens de kwade opinie die graaf Maurits van hem toont te hebben. Neen, neen, het valle uit hoe het wil, zoo ik er niemand in moei, blijf ik meester van den toestand. Dat kuipersvolk kan men licht bang maken en het stilzwijgen opleggen, en al gelukt het mij dan, Bootje met de stukken te bewijzen, dat hij gebluft heeft op een mirakel, waar niets ongewoons achter steekt; al staat het dan in mijne macht, hem te kwellen en in 't nauw te zetten zooveel ik wil, dat blijft tusschen hem en mij, en kan Juliaan van Egmond niet schaden!quot;
Ten gevolge van dit overleg met zich zeiven, zien wij den achtbaren Schout, bij het vallen van den avond, dicht in zijn mantel gehuld, een kort rappier daaronder, en een duchtigen stok in de hand, het hoofd gedekt met een ronden, lakenschen hoed, zonder veer of rozet, alleen door zijn huisknecht vooraf-
190
gegaan, die een lantaarn droeg, de straten doorkruisen en zich heenwenden naar de achterbuurt, waar de kuiperswinkel van vrouw Heilwieh was gelegen.
Daar trad hij binnen, tot niet geringe ontsteltenis der eigenares, die, wat verwonderd dat er op dit uur een klant kwam opdagen, en wel een zulke, die zoo brusk de klink lichtte, hem te gemoet ging met hare keukenlamp in de hand, in de meening, dat iemand, die maar zoo binnenliep, zonder zich aan te melden en naar het gebruik âvolkquot; te roepen, zeker met kwade bedoeling kwam.
Nog vóór zij een woord kon zeggen, om van dit vermoeden te getuigen, trachtte de komende haar gerust te stollen.
,Ontsteld u niet, vrouwke! ik heb niets kwaads in den zin ; ik kom simpellijk eenige informaties bij u nemen. Roep uw man, ik heb hem ietwes te zeggen.quot;
âMijn man! die is op dit pas niet te spreken, vriend! zeg uwe boodschap aan mij, of heb je liever dat de meester-kuiper je te woord staat, mijn zwager is nog in do werkplaats.. .
â't Is me om uw man te doen. Als hij niet kan komen, laat mij dan daar binnengaan.quot;
âZacht wat! dat gaat zoo maar niet. Ik ken je niet, vriendschap, en ik laat geen vreemd volk in mijne huiskamer.quot;
âDat is je toch al meer gebeurd, vrouw Heilwieh! of waren de soldeniers, oude kameraden van je man, geen vreemden voor u ?quot;
âO Heer! 't is er een van 't gerecht!quot; verzuchtte Heilwieh, zich vergetend van schrik, hetgeen zekeren eigenaardigen glimlach bracht op het gelaat van den Schout, terwijl de kuiperin in groote onrust hare lamp heen en weêr draaide, om bij dat weifelend schijnsel zijn persoon op te nemen, zonderdat het. haar veel baatte. De slap neerhangende rand van den hoed bedekte een deel van het gelaat, de mantel vermomde de gestalte; slechts werd zij het zijdgeweer gewaar, en dat strekte niet tot hare geruststelling.
191
âZoo ik u zeg, dat gij de waarheid tast, zult gij toch wel aan dit sammelen een eind maken en mij bij uw man brengen, tenzij ge liever ronduit met de waarheid voor den dag wilt komen, dat hij niet meer in leven is...
âXiet meer in leven.....Wat vreemd achterdenken is dit!quot;
riep vrouw Heilwieh: maar de lamp danste in hare bevende hand.
âNu, die argwaan heeft zijn grond, zou ik meenen, vrouw Heilwieh! uw man is in zijn tijd een rouwe gast geweest, en is nog steeds met andere wilde kwanten bevriend gebleven; als er onder zulk volkje twist ontstaat, is het zijdgeweer al ras ter hand genomen, en wat daarna volgt is niet van het mooiste: eer de pleger het weet of wil, ligt er een te bloeden....quot;
âHeer in den Hemel! hij weet alles!quot; riep vrouw Heilwieh in radelooze verlegenheid.
âZoo ongeveer alles! Er werd geen heksenkonst toe vereischt voor mij om daarachter te komen : maar zoo gij uwe redenen hebt om 't gebeurde niet uit te brallen, ik heb de mijnen om je 't geheim te beloven, mits conditie dat ge mij niets verheelt, en zoo â leid me binnen. Ik ben Schout Meerman zelf.quot;
Hij sloeg zijn mantel open: de blinkende keten, de ringkraag, de rijke kleeding lieten haar geen twijfel over, al was de Schout haar ook niet in persoon bekend, of al kon zij in haar schrik en verwarring zijne trekken nauwelijks onderscheiden.
Zonder iets tot antwoord te kunnen uitbrengen, wendde zij zich schielijk om, ging hem voor, de smalle gang in, en opende werktuigelijk de deur der huiskamer.
Toen hij binnentrad, voer den Schout zelf een schok door de leden. Het eerste wat hij zag, was Bastiaan zelf, in zittende houding op een rustbed geplaatst, door kussens ondersteund, tusschen de saamgevouwen handen een klein psalter gevat houdende, met gesloten oogen, kleurlooze lippen, en 't gelaat zoo vaalbleek, zoo bewegingloos, dat de Schout verschrikt op den dorpel staan bleef, terwijl hij uitriep:
192
âSatans wijf! Zie ik uw man daar nog levend, of wel, laat gij een lijk onbegraven?quot;
âKoep den satan niet aan in mijn huis, gij daar!'! vermaande Bastiaan met een zwakke en holklinkende stem, en sloeg de groote oogen wijd open.
âAlzoo leeft hij ?quot; hervatte Meerman wat kalmer tot Heilwich. âEn gij wildet mij diets maken, dat hij vermoord was....?quot;
âHier is misverstand, heer Schout,quot; antwoordde Heilwich. âHoe zou ik gezegd hebben dat mijn man dood is, daar hij leeft!quot;
âAls uit den dood verrezen!quot; sprak Bastiaan daartusschen. âGeef God de eere, vrouw, en schaam u niet Hem te loven, noch te verkondigen wat Hij aan ons heeft gewrocht....quot;
Haastig liep de goede Heilwich naar de rustbank: âDat ik u bidde, Bastiaan, wil nu zwijgen; veel spreken is u nog verboden. Hier is de Schout, die ons wat te zeggen heeft. Wil u rustig dragen, Bastiaan, gedenk wat onze goede medicijnmeester u heeft opgelegd.quot;
âAlzoo zal ik!quot; hernam de patiënt en sloot weêr de oogen, als voelde hij zelf dat de inspanning hem niet diende.
âHeer Schout, wil u nederzetten,quot; sprak nu Heilwich, zich weêr tot dezen keerende. âIk zal naar mijn beste vermogen antwoord geven op uwe vragen. Alleenlijk verschoon mij zoo ik daareven wat verward en getroffen was, toen ik ontwaarde dat UEdgestrenge reeds bekend scheen met.... zeker voorval ten onzen huize, dat we besloten waren te zwijgen voor de wereld.quot;
âZiedaar meer wijsheid en meer discretie dan ik bij lieden van uw slag zou gezocht hebben,quot; hernam Schout Gerrit, die eindelijk den stoel innam, welks houten zitting zij zorgelijk met een groen trijpen kussen had belegd, maar die hij nu zelf verplaatste, zoo ver mogelijk van de rustbank af, en met den rug naar Bastiaan toegekeerd. Zoolang hij niet alles wist, gaf het magere, schrille, beenachtige gelaat, welks harde trekken nog sterker uitkwamen bij die lijkkleur, hem als eene reuke des
193
doods, die hem onaangenaam aandeed. Het berouwde hom bijkans zich in dit avontuur te hebben gestoken; het beviel hem ganseh niet op deze wijze in aanraking te komen met zoo'n groven dweper, wiens geestdrijverij mogelijk tot krankzinnigheid gestegen was, door den waan waarin hij verkeerde, dat hij op wonderbare wijze van den dood was gered.
âLuister, vrouw Heilwich!quot; begon hij, terwijl hij zijn mantel over den stoel hing en zijn stok tussehen de knieën zette, dien hij met beide handen vasthield, âga rond en open met mij te werk, want ik wil u en uw man geen kwaad; ter contrarie, ik ben zeer geneigd u mijne gonste en protectie te verleenen, mits we het eens worden op zeker poinct. Gijlieden zijt voor goede Christenluiden bekend, en de bijzonderheid, dat gij den berooiden luitenant Juliaan met zijn volk ten uwent huisvesting hebt verleend ... .quot; Schout Gerrit zweeg even, glimlachende toon hij bemerkte, hoe de kuiperin opschrikte bij het noemen van dien naam â âdeze bijzonderheid, die u bij een ander magistraat mogelijk in verdenking zou brongen, bewijst mij dat uwlieder godsdienst niet alleen in woorden bestaat, maar dat gij haar in goede werken toont. Gijlieden zijt daarvoor wel niet al te best beloond geworden, dan wat niet is kan nog komen ...
âOch, heer Schout! zoo 't u geliefde daaraf niets te zeggen____
mijn man kan quot;t gedenken zwaarlijk dragen zonder leedgevoel. Daar is hier voorgevallen wat hij zich zelf bitterlijk verwijt....quot;
âDat moge zijn; maar ik kan 't mijnerzijds daarbij niet laten rusten. Ik moet weten, wat er bier eigenlijk voorgevallen is; iiit verschoonlijkheid voor beide partijen, en opdat de zaak ganschelijk te mijner discretie blijve, verledig ik mij in persoon tot dit onderzoek, waarbij ik echter uwe inlichting vorder. Gij behoeft het mij niet te verhelen, dat hier een crime is geperpe-treerd . . ..quot;
âEen ongeluk begaan,quot; verbeterde Bastiaan.
Wonderdokter. II, ld
194
âWaarom verzwakt uw man de waarheid?quot; vroeg Schout Gerrit, die zich bij voorkeur tot Heilwich wendde.
âOmdat het betaamt vergevensgezind te zijn jegens onze vijanden,quot; hernam deze.
âZottin!quot; riep nu Bastiaan, âJuliaan is mijne vijand niet, hij is het nooit geweest. Heer Schout, hoor mij aan; de uiterlijke daad moet niet in alle scherpte worden uitgemeten, waar de bedoeling geenszins zoo kwaad was ... Juliaan heeft een dollen kop, is wat driftig uitgevallen, en ik, met drijven en dwingen, hitste hem op; nog komt daarbjj, dat hjj zich zonderling zeer had verhit in den drank. ...quot;
âDat verschoont niet; eene overtreding te meer! wat men in beschonken toestand pleegt, moet men nuchter boeten,quot; sprak Schout Gerrit, met geveinsde gestrengheid. âJuliaan zelf denkt er evenzoo over; hij heeft mij beleden, dat hjj een manslag heeft begaan.quot;
âGode zij dank, dat's een levensteeken,quot; zei Bastiaan; âde consciëntie is hem te machtig geworden.quot;
âJa, maar dat's een levensteeken, dat hem meer gevaarlijk zou konnen worden dan zijn degenstoot u; hij was in een roes, als gij zegt; heeft hij zich dan mogelijk slechts verbeeld u getroffen te hebben, en zijt gij er met een schampschot afgekomen ?quot;
âOch, heer Schout! zoo zoudt gij niet spreken als gij hem hadt konnen zien zooals wij hem vonden liggen, mjjn broeder en ik,quot; viel vrouw Heilwich in, bezorgd dat Bastiaan te veel zondigen zou tegen het voorschrift, waarbij hem rust was aanbevolen.
âZeg dan hoe gij hem hebt gevonden.quot;
âWel heer Schout, als een lijk; wij dachten nietwes anders of hij was het; het bloed vloeide uit eene gapende wonde in de rechterzijde. Hij lag daar roerloos, stom, met de oogen wjjd opengespalkt en toch zonder te zien; want hij was gansch en al buiten kennis.quot;
195
âNeen ' vrouw! buiten kennis was ik niet; maar ik was met onmacht geslagen om bewijs te geven dat ik nog leefde. Aanmerk dit, heer Schout, de wonde in de zijde, die geene teêre deelen had geraakt, was niet de oorzaak van dezen deerlijken staat, maar Gods eigen vinger had mij aangeraakt, om mijn woesten toorn te straffen en mijn dwazen waan te beschamen, alsof ik ik â Zijn werk moest doen bij Juliaan. Ik kreeg een aanval van booze drift, en ik viel neêr stijf en verlamd, in den eigen oogenblik dat zijn degen mij trof. Toch! zoo 't Gode niet behaagd had mij uit deze vallei des doods wederom te doen uitgaan, zou de ongelukkige jonker als mijn moorder zijn aangewezen; want door menschenwijsheid ware het niet uit te maken geweest, wat er met mij was geschied.
God heeft mij, 't is waar, gekastijdet,
En vaderlijk getuchtigd wel,
Doch hij heeft mij tot nu bevrijdet,
Genadiglijk van den dood fel!quot;
eindigde hij, den psalm naar Datheens vertaling aanheffende, met dien eigenaardigen trillenden klaagtoon, die een loflied ter eere Gods in een teemende jammerkreet deed ontaarden.
âEn hoe bracht gij hem toen weêr bij, vrouw Heilwich?quot; vroeg Schout Gerrit, zich met een schouderophalen van Bastiaan afwendende, met wien hij het overbodig achtte te twisten.
âHij was niet weêr bij te brengen. Achtbare Heer, den gan-schen nacht niet, schoon mijn zwager en ik al ons best deden; maar mijn arme man bleef zooals hij was, zonder spreken of beweging, en er was niets uit te krijgen.quot;
âWaarom niet terstond de hulp ingeroepen van een bekwaam medicijnmeester ?quot;
âOch, wat zal ik u zeggen, wij waren wat bang voor opschudding en burengerucht; een degelijken medicijnmeester hebben wij niet, en onzen barbier opkloppen, midden in den nacht, waartoe? De man komt altijd met koppen en laten, en mjjn
196
goede Bastiaan had al bloed genoeg verloren; daarbij, wij meenden niet anders of wij waakten bij een vermoorde, en ... . en zoo de barbier er eens bjjgeroepen ware, kon de zaak uiet meer verheimelijkt worden, zooals wij besloten waren.quot;
âWaarom naamt gij u dit voor? uit deernis met Juliaan?quot;
âOm u de waarheid te zeggen, lieer Schout, daarom niet. Vooreerst konden wij niet raden, dat jonker Juliaan de pleger was; en dat soldatengeboefte, dat, heengaande, nog tot vaarwel de duigen op 't vuur gelegd, en de bergplaats waar ze logies gehad hadden, bijkans in brand gestoken hebben, dat volk, ik wil 't wel zeggen, boezemde mij nicer afschrik dan mededoogen in; doch daar zij allen gevlucht waren, zou do schuldige wet niet uit te vinden zijn, meenden wij, en .... al ware dat ook .... een ordentelijk Christonmensch wil liefst niet met de justitie tc maken hebben ?quot;
âMaar toch, vrouw Heilwich .... als klaagster ....quot;
âLacy! als men er eens in betrokken is, weet men nooit wat er uit volgen kan; daar wordt zulk singulier recht gedaan in deze booze tijden . . . .quot;
âWijf!quot; riep Schout Gcrrit, opvliegend; maar toch was hij te zeer bekend met den schrik en het vooroordeel die de justitie lieden uit den geringen stand inboezemde, om den uitval te hoog op te nemen, en goelijk glimlachend hervatte hij: âIk gelooi toch niet, dat het onder mijn bestier erger gaat dan tijdens mijne voorgangers; het is zoo.... ik hoor wel eens klachten over mijn onderschout. . . .quot;
âOch! als uwe Achtbaarheid zelf weten kon wat ranken er al niet omgaan, en hoe de simpele luiden gedrukt en uitgeperst worden door uwe suppoosten .... Daar was laatst nog een krullenjongen van ons, die om een kleinen guitenstreek door den dikken bakker van hier naast, zoo gruwzaam getrapt en geschopt is geworden, dat hij er kreupel af gebleven is. Toen hij nu, dus deerlijk mishandeld en bloedend bij zijn moeder werd
197
thuisgebracht, liep deze in gulgauwe drift naar don onderschout om beklag te doen; maar o! wee! wat zij er een spjjt van had! De onderschout zou or werk van maken, en dat bleek ook wel; want haar jongen werd in 't verhoor genomen, maar was wat bleu, wist zijn woord niet goed te doen, en raakte heelemaal in de war, door alles wat hom gevraagd en waarmee hij gedreigd werd; do dikke bakker ter contrarie, was rap ter tong en ganscheljjk niet beschroomd of verlogen; hij on de onderschout waren al maatjes, en zoo viel hot uit, dat de arme weduwe, ten leste haar penninkske nog offeren moest, wilde zij niet, dat de stumpert van oen jongen binnenskamers gegeesold zou worden, omdat hij, zooals zo dat noemden, de hoeren van den gerechte had geabuseerd. Zoo gaat hot meer. Gestrenge Hoor Schout, en ziedaar hoe hot komt, dat luiden van ons slag liever niet met de justitie te doen willen hsbben, al weten we dat het recht aan onze zijde is . . .
âAls hot or zoo mee gelogen is, kan ik hot u niet ton kwade duiden. Er vinden notoire misbruiken plaats, ik weet het maar al to good, al kan ik niet op alles ordre stollen; dit feit, dat gij mjj nu aangeeft, zal schorpolijk onderzocht worden, en blijkt uw zeggen waarheid, dan . ..
âWees mij genadig, heer Schout! dat is de meening niet; versta me toch wel. Ik, die een doodslag, op mijn eigen man gepleegd, zou verhelen om niet voor 't gerecht te komen, zou me daar gaan moeion in oeno zaak, die mij gansch niet aangaat! Ik zou oen verloren mensch zjjn, on mij van schrik en alteratie in den strik praten.quot;
âDaar Hopt gij gevaar van, dat is waar!quot; sprak Schout Gerrit goelijk lachend; âgij hebt er u zelve nu al zoo diep in verstrikt, dat ik al moor dan eeno zaak tegen u hebben zou, zoo geen drie, als ik het zoeken wilde. Xu, nu! zie me maar zoo verwoerd niet aan, vrouwke, zijt gerust, zijt getroost, ik zal er niets af doen; ik weet onderscheid to maken tusschen een onbe-
198
dacht woord en kwaad opzet. De zaak daar mij aan gelegen ligt, is te weten hoe hot eigenlijk is toegegaan met uw man, die nu tameljjk wel bekomen schijnt, al ziet hij er wat slapjes uit, en die zjjne tong weer goed tot zijn dienst blijkt te hebben.quot;
âMaar al te goed,quot; viel zij gulgauw in; âwant Jacob Jansz. heeft hem zoo gewaarschuwd zich stil te houden en wat laagjes te blijven, en toch ....quot;
âJuist! nu zijn we er. Jacob Jansz. maakt zoo'n ophef van die kure, of er al heel wat wonders is geschied; en nu, ik houd niet van zulk mirakel roepen als er geen reden voor bestaat; dat was goed in de dagen toon de papisten heerschten en hunne heiligen aan de orde waren; maar dat moet niet meer zijn in dezen nieuwen tijd, nu we een beter licht hebben.'
âHoe zuiverder licht, hoe beter de werken Gods worden beschouwd en begrepen,quot; sprak Bastiaan, die onverbeterlijk was op het punt van zijn gevoelen te zeggen.
âNu ja! dat mag zoo zijn; maar do menschen moeten niet stoffen op hunne daden, of het wonderdaden Gods waren, als er niets bijzonders achter steekt, dat geeft maar opschudding-onder 't volk en aanleiding tot wangeloof en bijgeloof.quot;
âOpschudding, heer Schout!quot; viel nu vrouw Hoilwieh in, de saamgevouwen handen opheffende van ergernis en verbazing! âhoo valt het u toch in, dat die hieruit zou konnen voortkomen; en verschoon mij,quot; voegde zij er kalmer bij, âwaarom verdenkt UEd. dien waardigen, vromen man, die zooveel doenlijk zijne weldaden in stilte bewijst en steeds aanbeveelt dat men ze verzwijgen zal? Hoe zou die man zelf zooveel geroeps maken van deze kure, dat er bijgeloof uit volgen kon? Ons althans heeft hij aanbevolen Gode in stilte onzen dank te brengen, en voorts strikte geheimhouding opgelegd, en 't is alleen omdat men der Overigheid de waarheid schuldig is, dat wij 't nu uitzeggen.. .quot;
âAl goed! maar hoe rijmt die zedigheid dan met zijn eigen
199
zeggen tegen Juliaan in mijn bijwezen, dat hier zooveel als een wonder zou zijn geschied te zijnen behoeve; wat steekt er toch wonders in, dat een man, die niet doodelijk gewond is, weêr herstelt.... ? Dat men bekomt van zoo iets als eene beroerte, is ook gansch niet ongewoon...
âJa, heer Schout! wat zal ik UEd. daar op antwoorden. Mijn man en ik hebben 't geloof; voor ons is het klaar als de dag, dat de Heer hier een groot werk heeft gewrocht; maar wie deze dingen niet kan vatten, voor dien zijn ze als niet geschied. De mensch, die alleen met de vleeschelijke oogen wil zien, en tasten met het natuurlijk verstand, dezelve mensch zal daaraf niets verstaan en blind zijn, al meende hij ook te zien.quot;
âDat's een goed getuigenis, vrouw! daarop de Heer zijn zegen zal geven,quot; sprak Bastiaan; âwie Hem vreest, behoort de menschenvrees af te leggen, en wie in hoogheid gezeten zijn, moeten de waarheid hooren.quot;
âDe waarheid hooren! wat meent gij daarmee?quot; viel Schout Gerrit in, bloedrood van ergernis. âWat verstout gij u daar te zeggen? Dunkt het ulieden wellicht, dat het mij aan het goed Christelijk geloof gebreekt, omdat ik niet tot de drijvers be-hoore, noch als een heremiet leve, gelijk uw wonderdoener Jacob Jansz., die meent daarmeê singuliere heiligheid te betoenen ! Wat! zal het gezegd zjjn, dat ik, Gerrit Fransz. Meerman, Schout van Delft, door zulk slag van volk als gijlieden zijt, voor heiden worde uitgekreten?quot; en in drift met den stok op den grond stampend, zijn tegenzin overwinnend om het woord tot Bastiaan te richten, wendde hij zich naar dezen om.
âGeen heiden voorwaar, gestrenge heer Schout,quot; riep vrouw Heilwich, mede opgestaan en hem volgende, âwie zou het wagen een magistraat, die de ware religie helpt handhaven, in zijne eere te krenken; doch gedenk dat Bileam, de zone Beors, wel een profeet en een man Gods was, en toch zag hij den
200
Engel des Heeren niet, dien eene schamele ezelinne wèl zag; en waarom zag hij dien niet op dat pas? omdat hij zelf niet in den weg des Heeren was, en zijn geweten verkrachtte om te doen wat niet goed was in de oogen des Allerhoogsten.quot;
âWijf!quot; riep de Schout, zelf in zijn geweten getast en dus dubbel geprikkeld, zijn stok tegen haar opheffend.
âDe ezelinne werd geschopt en geslagen, maar zij had gezien on geloofd en zij verdroeg!quot; hervatte vrouw Heilwich, geen stap terugwijkend, terwijl zij de armen langs de zijden liet neervallen, als om bewijs te geven, dat zij geen lid zou verroeren ter afwering van zijn opzet; maar hij schaamde zich zelf reeds over dien groven aanval van toorn, en wierp zijn stok weg, terwijl hij sprak : âGij zijt een weergaasch oljjk wijf met uwe ezelin; Bastiaan zal zijn portuur aan je hebben, dat zal hij!quot;
Bastiaan zelf was, als men denken kan, geen koelbloedig getuige geweest van het korte maar heftige tooneeltje. Een vonk van de oude woestheid, een gloed van opflikkerende geestdrift lichtte er uit zijne schrille oogen.
âGeen heiden!quot; prevelde hij bij zich zelf, âgeen heiden, maar oen naam-christen, zeg een naam-christen, vrouw!quot; riep hij luider, âzonderdat zou hij den weg des Heeren wel hebben opgemerkt.quot;
âEilieve Bastiaan! Bastiaan!quot; sprak nu Heilwich hem toe, zachtkens hare hand op zijn schouder leggende. âWil toch zwijgen ; Jacob Jansz. heeft er u met nadruk op gewezen, dat alle overprikkeling uwe wond kan schaden, uwe genezing tegenwerken. Wilt gij Gods werk aan u ijdel maken, door uwe ongehoorzaamheid aan des medicijns gebod?quot;
âNiet alzoo zal ik,quot; hernam hij gedwee, klemde zijn psalmboek tusschen de vingeren en liet het hoofd in de Kussens terugzinken, terwijl hij de oogen sloot, als om zich zelf van de verzoeking af te sluiten.
201
âHeev Schout!quot; sprak nu Heilwieh, die wel toonde, dat zij de klare en krasse vrouw was, waarvoor zij gehouden werd, .,heer Schout, ik weet uit het exempel van mijn man, tot wat jammers overijver kan voeren; ik heb moeten getuigen van Gods barmhartigheden over ons om der consciëntie wille. Wil mij verschoonen zoo 't mij aan wijsheid faalde om dit te doen zonder UEdelgestrenge te kwetsen. Te oordeelen komt ons gan-schelijk niet toe over onze gelijken, laat staan waar liet onze overigheid geldt, die wij achting en onderdanigheid schuldig zijn .... Laat mij u in eenvoudigheid vertellen lioe het gebeurde met mijn man zich heeft toegedragen, en wil dan met u zeiven uitmaken of hier al of niet de Iiulpe en leidinge Gods is op te merken.quot;
Al sprekende had Heilwieh het kussen van des Sellouts stoel terecht gelegd, als om hem uit te noodigen weer plaats te nemen, en werkelijk zette hij zich tegenover haar neêr, dichter dan te voren bij de tafel, de lamp wat ter zijde schuivend, als om haar te beter gade te slaan; want zijn blik bleef koel en uitvorschend op haar rusten terwijl zij sprak:
âHet was al bij negen ure; al ons werkvolk was binnen, en er werd wat vreemd opgekeken dat de baas nog niet in de werkplaats verscheen. Mijn zwager ging ze wat voorpraten van een overval gedurende den nacht en hield zich kloek; maar ik was ten einde raad, niet wetende hoe mij in 't geval verder te gedragen, noch me er uit te redden. Xu 't zoolang verheeld was, kon tie verdenking vallen op mijn zwager en mij, omdat wij geene hulp hadden ingeroepen, en wij wisten niet wien we met schik konden raadplegen. In mijn harte riep ik God aan om hulpe! Daar trad, als door eene vingerwijzing des Heeren tot ons gevoerd, Jacob Jansz. binnen; hij, de eenige aan wien ik mij veiliglijk durfde betrouwen, en die ook reeds alles wist wat hier was voorgevallen. Juliaan was tot hem gevoerd en had hem zijn vergrijp beleden. In zijne groote meêwarigheid met den
202
ongelukkigen jonker, was hij gekomen om mij te vermanen geene aanklacht tegen dezen in te brengen. Toen hij verstond hoe dat ganschelijk mijn voornemen niet was, prees hij mij deswege en verlangde den verslagene te zien. Ik leidde hem in onze slaapkamer, en op zijne vraag of er gansch geene teekenen van leven te bespeuren waren, moest ik naar waarheid antwoorden, dat ik er niets van begreep, niets meer durvende hopen, en toch nog twijfelend, daar de oogen wel strak en glazig stonden als die van een doode, maar toch nog niet gebroken waren; maar alevel lag hij daar neêr, mijn kloeke man, zonder leven en beweging, als een zielloos lijk. Hij moest plotseling doodelijk zijn getroffen door die ééne wonde, want van verder molest was er niets bij hem te bespeuren. Jacob Jansz. onderzocht de wonde, keurde goed wat wij gedaan hadden om het bloed te stelpen en die te verbinden, maar verklaarde terstond dat zij meer wijd dan diep was, dat er geen levensdoel was gekwetst, en dat er uit deze kwetsuur onmogelijk eene plotselinge dood had kunnen ontstaan; daar moest ietwes anders zijn bijgekomen, dat hij trachtte te onderkennen. Toen betastte hij hem den hals, de borst, de polsen, de armen, wreef die allen zachtelijk, wierp zich over hem heen om te luisteren of er nog adem in was, keerde zich naar mij toe, die in angstige spanning stond te wachten, en zijne goêlijke trekken waren als verheerlijkt van blijdschap toen hij sprak : âDaar is een toeval bijgekomen, maar ik zie niet dat we de hoop moeten verloren geven. Met Gods hulp zal hij wel weêr zijn bij te brengen.quot; Al sprekende bracht hij 3en fleschje met reukgoed te voorschijn en hield dat mijn man onder den neus. Bastiaan niesde twee, drie, viermaal achtereen, wat niet te verwonderen was; want de heele kamer was zoo met den reuk vervuld, dat ik het er bijkans niet kon uithouden, zóó krachtige medicijn als dat was; mijn goede man was weêr tot zijn kennis gekomen!quot;
âOch, neen! ik was al lans: niet meer buiten kennis: ik kon
203
alles hooren en zien wat er omging, dat was juist het huiverlijkste van mijn toestand,quot; viel Bastiaan in, zich halverwege opheffende. âIk word nog weêr kilkoud van het gedenken, te hooren, dat men ons voor een lijk houdt en als een zulke met ons meent te handelen, en geen lid te konnen verroeren, geen woord, geen kreet te konnen uitbrengen om het tegendeel te doen blijken. Dat was als een voorsmaak van de hel, waaraf God mij de werkelijkheid heeft willen sparen; maar die ik verdiend had, verdiend ook aan Juliaan, door mijn dringen en dwingen uit menschelijken hoogmoed, waardoor de ongelukkige, in vertwijfeling, met een moord op het geweten, midden in den nacht zijne eenige schuilplaats werd uitgedreven. O! wat aan mij geschiedde, hoe gruwzaam een lijden het ook ware, was niet dan gerechtige straffe; dit innerlijk bewustzijn bleef mij bij onder alles. De waardige Jacob Jansz., dien ik kende van aanzien, deed mij vragen, die ik wel verstond, maar waarop ik niet vermocht te antwoorden. Mijne tong was verlamd, ik was stom; ik was ten minste zoover gebracht, dat ik dit door teekenen te kennen kon geven; en daarom, heer Schout! ik bidde u, aanhoor mij en wil met ons den Heere God prijzen en eere geven, al is 't ook dat wij een mensch dank hebben te betalen. Daarna begreep Jacob Jansz., de wondre dokter, dat hier geene gewone artsenijen zouden baten. Hij zag een wijle zwijgend en aarzelend op mij; daarop knielde hij neer, hier, bij mijne legerstede, en beide mijne als versteende handen in de zijne vattende, bad hij met mij, voor mij, met luide stem, en met zulk een vast geloofsvertrouwen, alsof hij de verzekerdheid had, dat er verhooring na volgen zou, en ziet, ik voelde als een levensgloed mijne aderen doortintelen, onder die bezielende aanraking, onder die plechtige gemeenschapsoefening tusschen dien man naar Gods harte met zijn Heer! Maar mijne instemming, mijne dankbaarheid kon ik nog niet uiten; de verlamde tong weigerde haar dienst. Daar had de waardige medicijnmeester, als bij ingeving, het
204
middel gevonden dat nijj noodig was. Hij rees op en fluisterde mij zekere woorden in, die mij ganscheljjk doortrilden, en mij het harte deden opspringen van blijdschap. Mjjne tong was ont-boeid, ik slaakte oen kreet van verrassing, van blijde verrukking; ik [kon met hem Gode lof en dank brengen voor de onuitsprekelijke dingen die het Hem had behaagd aan ons te doen. âIk zal de werken des Heeren vertellen, de rechterhand des Heeren is verhoogd, de rechterhand des Heeren doet krachtige daden.quot; En Bastiaan, die als in geestverrukking de woorden van den psalmist tot de zijne maakte, scheen geheel de tegenwoordigheid van den Schout te vergeten, die koel en strak inviel, als met opzet om hem te ontnuchteren :
âEn wat zei Jacob Jansz. dan toch eigenlijk dat u zoozeer trof? Hij is toch de man niet om zich van dusgenoemde too-verspreuken of bezweringen te bedienen. ...quot;
âDat hebt gij met waarheid gezegd, heer Schout! Voor too-verkonsten en gruwelijkheden die uit den duivel zijn is hij de man niet,quot; viel vrouw Helwich in, Bastiaan wenkende, dat hij nu zwijgen zou; doch deze was te veel in geestdrift geraakt om op dien wenk te letten.
verkondigde mij de vervulling van mijn diersten wensch, wat mij tegelijk tot do diepste beschaming en verootmoediging strekte. Hjj zei alleen deze woorden : â De verloren zoon is in 't vaderhuis aangeland; Juliaan is door den Reer gezocht en gevonden.quot; Dat gaf mij een schok, of ik zelf uit den dood in het leven was teruggebracht.quot;
âNn ja!quot; viel Schout Gerrit in, âik begrijp heel goed, dat zulk bericht u moet getroffen hebben, gjj die den jonker zulk een goed hart toedraagt, ondanks al het kwaad dat hij n heeft gebrouwen; dat is prijselijk in u, en ik verheug mij met u in zijn terugkeer op den goeden weg. Maar om je do waarheid ^e zeggen, een mirakel kan ik in dit alles nog niet zien. Het is meer gebeurd, dat luiden die door heftige drift of door ijselijken schrik
205
sprakeloos zijn geworden, de sprake hebben weergekregen door een nieuwen heftigen sehok. Zoo ligt het geval hier, naar het mij voorkomt. En is er stof om Gode te danken â daar ik niets tegen zeg â men zal toch wèl en wijs doen met het in de binnenkamer te besluiten en niet al te luid te stoffen, alsof hier wat wonders ware geschied.quot;
âJacob Jansz. heeft ons reeds geheimhouding aanbevolen,quot; antwoordde vrouw Heilwieh, zachtmoedig maar vast, âhij, die hier het werk des Hoeren heeft gewrocht; maar zoo wij ganschelijk zwegen, ziet, de steenen zouden haast roepen, onzen ondank tot beschaming.quot;
âNeemt dat zooals gijlieden zelf wilt,quot; hervatte Schout Gerrit droogjes. âIk dank ulieden voor uwe ophelderingen en meene, dat ik ulieden vorders het stilzwijgen over deze zaak kan toebetrou-wen.quot; Hij achtte hot beneden zich om met dit dwepend echtpaar verder te twisten; alleen voegde hij er bij met zekere schamperheid: âIk onderstelle toch, dat dokter Graswinckel nu voorts tot uwe gansche herstelling en de heeling uwer wonde nog wel andere middelen zal aanwenden dan simpellijk voor u te bidden?quot;
âZeer zeker Achtbare Heer!quot; viel Heilwieh in; âhij komt nog dagelijks, en wacht zelfs zeker kostbaar poeder, dat naar zijn zeggen, zonderlinge zeer tot de genezing der wonde zal medewerken .... Vandaag is hij er nog niet geweest, maar het zou heel wel konnen zijn, dat hij in den laten avond nog eens kwam opdagen; de waardige man geeft zich zeiven geene ruste ....quot;
âNu, zoo moge hij den patiënt niet verachterd vinden,quot; sprak Schout Gerrit, die er gansch geen zwak op had, door Jacob Jansz. op zijn verkenningstocht betrapt te worden. âZoo gijlieden het noodig acht hem van dit bezoek te spreken, kunt gij zeggen, dat ik het bracht, omdat ik wol tevreden ben met ulie-der handelwijze in de cause van Juliaan. Ik zal je een vaatje besten Spaanschen wijn doen toekomen, Hastiaan, dat zal geene
206
schade doen aan 't herstel uwer krachten,quot; en zijn mantel nemende, wilde hij gaan. Maar Bastiaan had intusschen met zijne vrouw gefluisterd, en deze, terwijl zij Gerrit Meerman behulpzaam was in het omhangen van zijn mantel, vroeg op ootmoedigen toon;
âSinds uwe Achtbaarheid zoo goedgunstig voor ons gestemd is, zoude ik UEd. wel een verzoek willen doen ...
âWelk verzoek zal dat zijn? spreek!quot;
âZou Juliaan niet konnen ontslagen worden, sinds het zich met mijn man nu zoo goed heeft geschikt....''
âHij is niet gevat om die zaak, schoon het waarheid is, dat deze hem grootelijks zou konnen schaden .. ..quot;
âZoo de arme jonker nog steeds gevangen moet blijven, zou Bastiaan dan door uwe gunst niet de vrijheid mogen genieten, hem bijwijlen te bezoeken?quot;
âAls Bastiaan weêr hersteld is, hoop ik dat Juliaan weêr in vrijheid zal zijn,quot; antwoordde Schout Gerrit ontwijkend.
âMaar indien niet, Achtbare Heer. . . ? Eens op de been, zal mijn man wel ras weêr de oude zijn .. .quot;
âHm, ik kan niet zeggen, dat ik er voor ben die twee samen te brengen. Beiden zijn prikkelbaar, opgewonden, er zou allicht weêr twist ontstaan.quot;
âVrees dat niet! Achtbare Heer!quot; sprak Bastiaan, âwij zuilen nu één van zin zijn, sinds hij mijn broeder is in 't geloove...quot;
âZooveel te erger! Juliaan heeft nu toch al overhelling om tot geestdrijverij te vervallen ; dat zou er niet op verbeteren, als gij hem met psalmen en sermoenen in die neiging kwaamt sterken, 't Is al erg genoeg, dat Jacob Jansz. zich aan hem voor een wonderdoener uitgeeft.quot;
âAchtbare Heer! hier is zekerlijk misvatting.quot;
âGenoeg! Ik weet wat ik er af denken moet. Maar zoo het er toe komen mocht, dat Bastiaan tot den jonker van Egmond werd toegelaten, behoort hij wel te considereeren, dat deze van voorname afkomst is, en mogelijk nog wel in den rang en fortuin zijner familie kan worden hersteld.quot;
207
âMoge de Heer hem dat geven, mits het hem geene schade doe lijden aan zijne onsterfelijke ziele!quot;
âDaar zeg ik amen toe; maar ik zou toch niet graag zienj dat hij na een losbol en vechter te zijn geweest, tot een ander uiterste oversloeg; daar is nog een middenweg en 't is wensche-lijk dat hjj dien houde. En hiermede, zijt gegroet! Houd u gerustj Bastiaan, en doe meê het uwe tot uwe beterschap. Je hebt een goed wijf, en je zoudt een paar naar mijn hart zjjn, als gijlieden maar niet een zelfde zwak hadt.quot;
âDat zwak is onze sterkte!quot; spraken de echtgenooten, terwijl zij de handen in elkaar legden, met tranen van ontroering in het oog, nadat Heilwich eerbiediglijk den Schout van Delft uitgeleide had gedaan.
Schout Gerrit had niet precies oorzaak om zeer voldaan te zijn over de uitkomst van zijn onderzoek; maar toch maakte hij zich zelf diets, dat hij gevonden had wat hij zocht, en dat hij stof had opgedaan om Jacob Jansz. aan te vallen over snoeverij op wonderkracht en bovennatuurlijke tusschenkomst, die alleen bestond in zijne verbeelding, terwijl men dwepers moest zijn als Bastiaan en zijne vrouw, om dit geloovig aan te nemen. Maar al was hij voornemens zich die satisfactie te geven, toch fluisterde eene geheime stem hem toe, dat hij ten onrechte verdacht en ten onrechte beschuldigde; dat hij de woorden van Jacob Jansz., wel in vrome geestdrift gesproken, maar geenszins met de opwinding eener dwaze zelfverheffing, oneerlijk en willekeurig had uitgelegd, en dat hij niets had gevonden wat tegen diens voorstelling getuigde, zoodat hij toch in zijn binnenste beschaamd was over zijn boos opzet, en, vreemd genoeg, wrevelig werd onder die schaamte.
Daar echter ongegronde toorn de allerbitterste is, moest hij den zijnen lucht geven, en zoo kwam die allereerst neer op het,
208
gansch nïet onschuldige hoofd van Bartels, die des anderen daags vinnig doorgestreken werd over zeker geval met een kuipersjongen, on gedwongen werd de moeder schadeloos te stellen voor zjjne afpersingen, zonderdat het hem duidelijk werd, uit welken hoek die stormwind tegen hem was opgekomen; terwijl Gerrit Fransz. Meerman, verlucht door die kastijding, die uitvloeisol van spijt en wrevel zich zeiven toerekende als eene daad van strenge rechtvaardigheid, en de voldoening smaakte, dat het daarvoor hij anderen gold.
Waarheid is, dat de arme weduwe hem met tranen van dankbaarheid de handen kuste, en daarna aan ieder wie 't hooren wilde de groote goedertierenheid van Schout Gerrit prees, en vertelde, hoe strikte billijkheid deze jegens haar had geoefend! terwijl deze duchtige magistraat in zijn hart overlegde, hoe hij den waardigen Jacob Jansz. lastig zou vallen over een werk van Christelijke liefde, en hoe hij meest diens geduld op de proef stellen, diens lankmoedigheid tergen zou. Eer hij daartoe echter gelegenheid vond, werd deze op gansch andere wijze uit zijne rust opgeschrikt. Jacob Jansz. werd naar den Haag ontboden bij den Advocaat van Holland!
Do oproeping was geschied in otficieuse termen; maar de klem der officiëele wettigheid liet zich toch voelen door de vriendschappelijke vormen hoen, en 't was een bode van de Staten van Holland, die hem hot stuk kwam overhandigen.
Naar de zienswijze van dokter Graswinckel moest er onverwijld worden gehoorzaamd.
De ontvangst was niet strak officieel, maar amicaal en voorkomend.
âWel dokter Graswinckel, wil toch de onheusche handelwijze van uw Delftschen buurman verschoonen, dat hij u bij zich tot 's-Hage ontbiedt... maar de zaak in quaestie'kon nu eenmaal geen uitstel lijden tot ik mij weêr eens te Delft bevond, en zoo was ik wel genoodzaakt u dezen overlast aan te doen.quot;
209
âDe overlast heeft niets te beduiden, heer Advocaat! mag ik weten waarom ik ontboden ben?quot;
âAllereerst ga zitten!quot; sprak Barneveld, hem een stoel wijzende, âwij hebben meer te praten dan staande voets kan worden afgedaan.quot;
âDie vergunning is mij niet onwelkom; ik weet wel niet veel van vermoeienis, maar 't is toch een stevige wandeling van Delft tot in 't Haagsche Voorhout.quot;
âTe voet gekomen! zulk een eind op uw leeftijd? Had ik â dat konnen vermoeden, ik had u laten afhalen.... Waarom geen wagen genomen ? 't is in 't eind ten dienste der publieke cause dat gij hier zijt.quot;
âZou ik mogen weten in welk opzicht ik in dezen geroepen ben haar te dienen, heer Advocaat ?quot;
âDe Schout van Delft heeft mij geadverteerd, dat gij in het bezit waart van belangrijke documenten betreffende den gepre-sumeerden aanslag tegen het leven van Zijne Excellentie den Stadhouder.quot;
âVerschoon mij, Achtbare Heer! in 't bezit van dergelijke documenten ben ik niet; alleenlijk zijn ze mij ter bewaring toevertrouwd . ...quot;
âDat komt al vrij wel op hetzelfde uit. In zake van justitie kan men zich met dergelijke onderscheidingen niet ophouden. Wie iets weet dat haar licht kan geven in twijfelachtige gevallen, wie bewijzen onder zijn bereik heeft, die de waarheid konnen uitbrengen, behoon dat uit te zeggen of uit te leveren.quot;
âMet uw welnemen, heer Advocaat! Schout Meerman schijnt u de waarde van de bedoelde stukken eenigszins onjuist te hebben voorgesteld .... Zij zijn ganschelijk niet geschikt als bewijzen te dienen in eene rechtzaak; zij konnen alleen strekken om zekere lieden, op wie de verdenking zich toch reeds gevestigd heeft, in een dubbelzinnig licht te stellen ....quot;
âSta mij toe, waardige dokter! zelf te beoordeelen, waartoe
Wonderdokter. II. * 14
210
bedoelde stukken al of niet konnen strekken, als ik er kennis van zal hebben genomen. Schout Meerman had mij al vooruit verwittigd, dat gij wat bezwaars maaktet om ze hem uit te leveren, maar tegelijk dat gij besloten waart ze aan mij ter inzage toe te vertrouwen.quot;
,,Veroorloof mij u te zeggen, dat Schout Meerman mij in dezen ondienst heeft gedaan, en wel met eenige verdraaiing dei-waarheid. Toen hij de mogelijkheid stelde, dat het aanvertrouwde stuk gerechtelijk van mij kon worden opgeëischt, heb ik, onvoorzichtiglijk wellicht, en zonder er op verdacht te zijn dat hij daaraf dit gebruik zoude maken, gezegd, dat ik in zulk geval den Advocaat van Holland als scheidsman zoude inroepen, en bij dezen wel bewaard zou achten, wat bij mij niet langer veilig ware .. . .quot;
âquot;Wel, mijn goede dokter! wil nu niet al te scherp op de forme zien, in 't belang desgenen, dien gij onder uwe protectie hebt genomen. Wij weten zooveel, dat wij gerechtigd zijn het ergste te onderstellen, en de klare, naakte waarheid, zoo die te onderkennen is, kan alleen den onschuldigen dienen, de schuldigen geen nadeel doen, indien deze de gissingen bewaardheden, die wij alreeds op goede gronden hebben gemaakt. Ik heb eerbied voor uwe nauwgezetheid van consciëntie, maar zij moet niet te ver gaan. Schout Meerman, met het gansche beleid van deze zaak belast, zou in zijn recht zijn, de uitlevering der bedoelde stukken bij wege van justitie van u op te vorderen, doch vnoet opschudding mijden, en wenscht een achtbaar burger zijner stad ongelegenheid te sparen; de uitvlucht die gij zelf hebt bedacht, is volvaardig door hem aangegrepen. Wij willen niet in den blinde tasten, waar wij een lichtstraal konnen opvangen. Gij zoudt u schuldig maken tegen de goede cause, tegen den persoon van Zijne Excellentie zelf, indien gij hier uwe medehulp weigerdet; mij dunkt ik zie 't u aan, dat gij overtuigd zijt van mijn recht om die stukken in te zien: ik houd voor zeker dat gij ze bij u hebt.quot;
211
, Ik heb ze bij mij, dat is de waarheid; want nu ik toch bij Uwe Edelheid werd geroepen, nam ik mij voor n te raadplegen over het gebruik dat ik van het mij betrouwde document wilde maken.quot;
âWelnu! geef het mij dan ter inzage, zonder langer marren.quot;
âIk vermag niets tegen den eisch van 's Lands Advocaat! sprak Graswinckel, wien hot blijkbaar moeite koste hier toe te geven; maar ik moet Uwe Edelheid doen opmerken, dat mijne intentie met dit papier een gansch andere was ... .quot;
âDat geloof' ik gaarne; maar ik moet hier een weinigje den dwingeland spelen om bestwil!quot; hervatte Barneveld, haastig het papier nemend, dat Graswinckel langzaam en aarzelend te voor-schjjn bracht.
âHetgeen mij in dezen bezwaart,quot; ging Graswinckel voort, âis dat ik zoozeer gehaast werd door het opontbod van Uwe Edelheid, dat mij de tijd ontbrak om allereerst een onderhond te hebben met den heer de Ghiselles, die dat van mij had verlangd. Ik heb nog moeite gedaan om zijn logies uit te vinden, dan .... tevergeefs.quot;
âAl hadt gij dat uitgevonden, het zou u niet veel gebaat hebben,quot; sprak Barneveld, even van het papier opziende, dat hij met belangstelling doorzag; âgij zoudt de kooi toch ledig hebben gevonden, de vogel is al gevlogen!quot;
Is de baron de Ghiselles zóó vertrokken!quot; vroeg Graswinckel verrast, âen is 't ook bekend waarheen?quot;
âJNaar Culemborg!quot; antwoordde Barneveld. even glimlachend.
âXaar Culemborg!quot; herhaalde Graswinckel, âdat is toch vreemd . ...quot;
âNiet zoo heel vreemd, dat is het toevluchtsoord van alle bankroetiers, en de baron de Ghiselles .. ..quot;
âHeeft hij schulden?quot;
âDat weet ik niet; maar hij is sinds lang failliet op het punt van eer, ondanks.... misschien juist door die tweeduizend pistolen, die ik zie dat hem verstrekt zijn door den heere (fe
212
Lochijn,quot; ging de Advocaat voort, terwijl hij de oogen op het perkament hield gericht; âneen, wacht, men moet zelfs den duivel niet zwarter malen dan hij is; de Lonchijn schijnt slechts de tusschenpersoon te zijn geweest om die belangrijke som over te brengen en uit te betalen. Ja wel! hier is de wissel, waarop de Ghiselles regu heeft geteekend. Dat getuigt nog niet eigenlijk tegen hem. In deze oorlogstijden is de correspondentie tusschen Spaansch-Braband en de Staatsche Provinciën noch zoo gemakkelijk, noch zoo veilig, om zonder groote precaution zulk eene som gelds over te maken; de weg van het Luiksche gezantschap leidde over Brussel, wel niet de naaste, maar 't is niet vreemd dat men juist dezen koos; maar nu, daar volgt wat de argwaan rechtvaardigt: de eene dienst is de andere waard; den zoon wordt aanbevolen, het doel van het gezantschap uit allo macht te helpen bevorderen; de vraag is nu maar welk doel: het openlijke, dat een onderhoorige van Filips II kan begunstigen, zonderdat men er hem een crime van kan maken, of het heimelijke, dat, de nobele Freiherr von Grimswald zich had voorgesteld ten uitvoer te leggen ...! daar zit de knoop! De vermaningen van den vader zijn zeer gemoedelijk; men zou haast zeggen, dat er de rust van zijn ouden dag aan hing, of die nobele uitkomst al dan niet werd verkregen. 't Is een schande, een edelman, die de vriend van Oranje en Egmond is geweest en die, God beter 't, het verbond der edelen heeft geteekend!quot;
âIn tijden van oorlog raken de begrippen van recht en onrecht zonderling zeer in verwarring; hier aan onze zijde acht men zich ook gerechtigd tot alles wat den vijand afbreuk kan doen____quot;
âDat stem ik toe; Zijne Genade van Nassau zou den stout-sten en bloedigsten inval in 's Konings landen konnen wagen zonder gewetensbezwaar; doch zoover ik weet heeft Maurits nooit moorders uitgezonden op Filips II om zijns vaders dood
213
te wreken! Dit exempel behoorde men aan Spaansehe zijde na te volgen, of meent gij anders ?quot;
âHoe zou ik moord en verraad kennen goedkeuren oft ont-schuldigen ? Maar is liet zeker, dat de oude baron de Ghisel-les juist op zulke crimen heeft gedacht, toen hij zijn zoon zoo gemoedelijk vermaande om alle vlijt te doen, en tijd noch geld te sparen om het nevendoel van zending te bereiken ?
dat toch blijkt, dunkt mij, uit deze regelen niet.quot;
âDat stem ik toe; maar toch als men nota neemt van de bijomstandigheden....quot;
âDie zijn niet in zijn voordeel, dat moet ik erkennen.quot;
âSchout Meerman bleek ten volle overtuigd te zijn van zijne culpabiliteit, juist op grond van dit stuk.quot;
âHoe heeft Schout Meerman zoo iets konnen beweren, hij heeft dezen brief zelf niet gezien?quot;
âNeen, maar het feit alleen, dat de baron, die zoo trotsch en wederstrevig was, alleen op uwe bedreiging dat gij er meê voor den dag zoudt komen, zoo gedwee is geworden als een lam, en alles verklaard en toegestemd heeft wat gij wildet, is toch een bewijs, dat de openbaring van dit stuk hem zeer ongelegen zou komen.quot;
âDat geloof ik zelf; maar hij kan daarvoor andere redenen hebben dan juist die, welke Schout Meerman er in ziet. Ieder heeft het recht de uitlegger te zijn van zijne eigene gedachten en woorden, zonderling van die welke men in een vertrouwelijk schrijven aan een zoon heeft neêrgelegd. Daar wij het echter niet in onze macht hebben den vader zelf inlichtingen te vragen, had ik gehoopt in een onderhoud onder vier oogen den zoon tot de verklaring der waarheid uit te lokken, zoo men mij daartoe de gelegenheid had gegund.quot;
âAlsof hij u de waarheid zou gezegd hebben, als zij op moord of hoogverraad neerkwam. Roken daarop, hij zou u simpellijk gezegd hebben wat hij kwijt wilde wezen, en daarmee . . ..quot;
214
âDaarmeê zou hij niet van mij af zijn geweest. Er zijn wel middelen om iemands gemoed te doorgronden.quot;
âIk heb goeden dunk van uwe menschenkennis, waarde dokter! maar toch, ik ga in dezen liever op mijn eigen doorzicht af dan op zijne uitlegging aan u; er zijn geslepen fielten, die als gladde alen aan de hand ontglippen, juist als men meent ze gevat te hebben.quot;
âVeroorloof mij echter u nog eene toelichting te geven, eer gij het vonnis der veroordeeling velt. Uit de volle kennis, die ik door Juliaan heb verkregen van de familiezaken des heeren de Ghiselles, zou het mij niet bevreemden dat de oude baron op particuliere aangelegenheden doelt, die hij zoo dringend aanbeveelt, terwijl liet voorthelpen en bjjstaan der gezanten in het doel hunner zending, naar hot mij voorkomt, wel een weinigje als bijzaak wordt behandeld; mogelijk alleen daarin gevoegd, omdat het iu 't eind een vriendendienst was, die door deze heeren werd verleend! Bezie, wat ik u bidden mag, dat schrijven eene wijle uit dit oogpunt, en de bedoelingen van den ouden baron krijgen een gansch ander aanzien.quot;
âGij zijt spitsvondig in het niet schuldig pleiten van uwen cliënt, dat moet ik zeggen; maar uit de handelwijze van den zoon, zoover wij die konden naspeuren, blijkt wel degelijk, dat hij zich groote moeite heeft gegeven, ja tijd noch goud heeft gespaard om een der twee particuliere secretarissen van hot gezantschap in zekere geheimzinnige en misdadige ondernemingen bij te staan . . ., terwijl ik hem niet van familiezaken heb hooren gewagen, dan nu pas, ter occasie van zijne voorgenomen reis naar Culemborg; daar ik diergelijke onverwachte invallen intusschen wantrouw, ben ik zoo vrij geweest den graaf van Culemborg te waarschuwen, dezen reiziger in 't oog te houden, als hij in zijne stad aankomt, zóó hij er aankomt; want de gan-sche reis is mogelijk niet dan een pretext om zich met goed fatsoen van hier weg te maken! Ik acht hem tot alles in staat, uitgenomen tot waarheid en eerlijkheid.quot;
215
âIk wenschte, dat ik uw kwaad vermoeden op goeden grond kon tegenspreken ; doch .. .
âEilieve! geef n geene moeite om advocaat te zijn in 't verloren proces. Mijn kv.aad vermoeden rust op goede gronden; 't is zijne eerste missie niet in deze provinciën en ik wantrouwde hem sinds lang. Hetgene ik bovenal vreesde te ontdekken, dat de Prins van Oranje betrokken zou zijn in de duistere meneën van zijn bedriegelijken zaakgelastigde, blijkt mij. God lof! uit deze stukken niet. Van u wacht ik inlichtingen, die beter in uwe macht zijn. dan het zuiveren van den verdachten baron. Zeg mij alles wat gij weet van dien zekeren Juliaan, die zich een Egmond noemt.quot;
Naar het antwoord dat er volgde op deze vraag behoeven wij niet te luisteren; hot spreekt vanzelve, dat Jacob Jansz. met ijver deze gelegenheid aangreep om voor dezen cliënt te pleiten, zoo hij hoopte niet in een verloren proces. Maar het bleek hem tot zijne groote teleurstelling, dat de Advocaat van. Holland zich niet gerechtigd achtte, in dezen uitspraak te doen, en op eigen gezag de loslating van Juliaan te bewerken. Hij had uit eene korte woordenwisseling met Maurits op dit punt de zekerheid verkregen, dat diens preventies tegen den jonkman dieper lagen, dan hij had kunnen wachten, en Barneveld had zijn invloed op den jeugdigen stadhouder al te zeer noodig voor de groote staatsbelangen, om die te verspillen door dezen te dwarsboomen in bijzaken, waar het diens persoonlijke opvattingen gold. En hoewel Gras-winckel zich veroorloofde op te merken, dat recht doen aan een onschuldig verdachte geenszins als bijzaak mocht worden beschouwd, zelfs door hem, op wien de gansche last van het staatsbestuur rustte, dit gemoedelijk argument werd met laconische koelheid beantwoord. Vooralsnog was er niets in te doen; later zou men er op voorzien. De vraag van Jacob Jansz., of hij door tusschenkomst van den advocaat geen gehoor bij Maurits zou kunnen verkrijgen, â om bij dezen voor Juliaan ten voorsprake te zijn, werd heusche-
216
Ijjk beantwoord met eene toezegging in de verte. De grooteveldheer der Republiek had van de Staten nieuwe veldtenten ten geschenke gekregen, die bij den aanstaanden veldtocht moesten dienen, en deze was daarmee zoo ingenomen, dat hij-ze reeds had laten opslaan in het Malieveld, en te deze dage niets in het hoofd had dan krijgs- en schietoefeningen met zijn volk en zijne officieren; men wachtte zelfs graaf Willem Lode-wijk van Nassau in den Haag, omdat Prins Maurits zich met dezen wilde beraden over groote hervormingen op het gebied der krijgskunst, eer men een nieuwen veldtocht ondernam.
âMocht er dan ook eens iets worden gedaan ten gonste der arme soldaten,quot; merkte Jacob Jansz. aan.
âHet al op zijn tijd, waardige dokter. Zoo men alle verkeerdheden tegelijk wilde goedmaken, zou men kans loopen de geheele orde van zaken omver te halen, en daarmee is niets of niemand gebaat. Patientie ook in dezen, patientie allereerst voor u in de cause van Juliaan, is u aanbevolen.quot; En met dien schralen troost kreeg de goede dokter zijn afscheid, die zich in dezen wel niet kon beroemen wonderen te hebben verricht in het belang van zijn beschermeling!
De advocaat zou voor dezen spreken.... te gelegener tijd., dat was alles.
HOOFDSTUK VI.
âWij moeten eens een kijkje nemen in de jonge huishouding der gravin van Solms.
De wittebroodsweken hadden maar kort geduurd en de lune ronsse (zooals de Fransclien dat noemen, die er zich op verstaan) was ingevallen, lang voordat de lune de miel haar laatste kwartier, had bereikt.
Hetgeen niemand verwonderen zal, die acht heeft gegeven op de vele brandstoffen, die zich opgetast hadden rondom het jonge paar reeds bij de bruiloft, en die maar een vonkje noo-dig hadden om een huiselijk twistvuur te doen ontbranden, dat niet licht gebluscht zou worden, omdat de oorzaak niet kon worden weggenomen; verschil van leeftijd, verschil van smaak, van karakter, en eenheid van wil om in niets voor elkander-te wijken; ter eener zijde de zucht om te schitteren, ter anderer de behoefte om een hoogen rang op te houden, en nog daarte-boven, als huisgenoote eene zuster, die zeer weinig geschiktheid had om als vredestichtster op te treden!
Nauwelijks was de muziek en 't gedruisch der feesten dan, ook verstomd, de vorstelijke gasten uit Delft weggetrokken, en de overige genoodigden voorgoed gescheiden om huns weegs, te gaan, of reeds begon zich een gevoel van onvoldaanheid..
218
van teleurstelling meester te maken van de jonge vrouw, terwijl het strak gelaat van haar gemaal al strakker begon te staan, en zich op zijn hoog, jeugdig voorhoofd reeds de rimpels der zorge vertoonden.
De leveranciers kwamen opdagen, door do geruchten die er gingen van hunne financicele positie, ondanks den staat dien zij voerden, tot zeker wantrouwen gestemd. De huishofmeester had gedaan wat hij kon om ze te stillen of tot geduld te vermanen, maar hij vond zich toch ten laatste gedwongen, deze drukkende bijzonderheden den graaf mede te deelen, die zeer koeltjes antwoordde, dat hij er in voorzien zou; maar hoe, dat wist hij zelf niet, daar het gereed geld, dat hij zelf bezat, op verre na niet toereikend was om te voorzien in de groote kosten, die hij welhaast zou hebben te maken. Als Gouverneur van de vestingstad Hulst in Zeeland, was hij verplicht welhaast zijn post te gaan betrekken, en zijne uitrusting en die van zijn geleide, zijne paarden, de reize, het voltallig maken van zijn regiment voor de naaste monstering, op een oogenblik dat er verschil heerschte tusschen de Algemeene Staten en die van Zeeland over de repartitie van 't krijgsvolk, en men dus den betaalmeester zonder geld liet, aan den kolonel overlatende, hoe hij het intusschen met zijn volk zou maken â dit alles legde hem verplichtingen op, die met de opbrengsten van de heerlijkheid Muntzenberg voorwaar niet waren te voldoen! Zijn eerste beweging, die hij ook volgde, sinds de les, dat men die wantrouwen moet toen nog niet werd gepredikt, was zijne vrouw te raadplegen, die schrander en vindingrijk was, en wier hulpmiddelen zeker nog niet waren uitgeput.
, Zij genoot eenige inkomsten uit de vaderlijke erfgoederen, die in Holland gelegen waren, in 't eind Vrouwe van Oud-Beierland, en dat was gansch geen ledige eertitel; dat was het â ook niet, maar .... laten wij de gravin Sabina er zelve over hooren.
Toen de graaf bij zijne gemalin binnentrad, had deze juist
219
eene conversatie gehouden met hare zuster Franroise, die haar nogal in beweging had gebracht, hetgeen haar een verhoogden blos op de wangen had gejaagd, zonder blanketsel. Dit stond haar goed bij het schitteren harer oogen; de jonge echtgenoot vond haar bekoorlijk, en aarzelde niet haar dit te zeggen, als geschikte inleiding voor het min aangename gesprek dat hjj had te voeren. Zij antwoordde kool en verstrooid: hare gedachten waren vervuld met het voorgevallene tusschen haar en hare zuster, en bijgevolg moedigde zij den gemaal niet aan, op dien toon der liefelijkheden voort te gaan.
âWaarheid is, mevrouw!quot; voer hij voort, rdat ik eigenlijk ook niet tot u konie om te schertsen of om u het hof te maken: er is aanleiding om eens ernstig met elkaar te spreken, en in goed overleg te treden, hoe wij het schikken zullen met onze geldzaken.quot;
âNu ge toch daarop komt, George! zal ik u bekennen, dat ik zelve er over peinsde, hoe dit vervelend chapitre met u te behandelen; maar toch, het moet zijn; want behalve wat goud in mijne speelbeurs is al mijn gereed geld op; ik heb allerlei aankoopen te doen voor mijn toilet, en ik hoor van mijne kamenier, dat deze Delvenaars gansch niet toeschietelijk zijn, als 't aankomt op het verleenen van krediet.quot;
âZoo zult gij wel doen dergelijke aankoopen nog wat uit te stellen.quot;
âUitstellen! dat kunt gij licht zeggen; gij weet niet wat het beteekent als een vrouw aan zulke zaken behoefte heeft; kleinigheden noemt men dat en ze zijn het ook; als men ze aan en bij zich heeft worden ze nauwelijks opgemerkt; alleen als men zo mist voelt men zich niet op zijn gemak, en ziet ieder het u aan dat er ietwes hapert; een bloem of een veer in het kapsel, een borststrik, een waaier, versch geparfumeerde handschoenen, allerlei in één woord, dat ik u niet kan optellen.quot;
âDat is ook niet noodig, ik heb er toch geen verstand van;
220
alleen meende ik opgemerkt te hebben, dat gij een grooten voorraad van diergelijke snuisterijen hadt meêgebracht.quot;
âZoo is het; maar er moet toch altjjd wat nieuws zijn; het is er niet mee als met uw ringkraag en gantelets, die men levenslang gebruikt.quot;
âIk wist niet, dat de wapenrusting der edeldames zoo weinig deugdelijk was ...
âHet spijt mij dat gij in dezen zoo onwetend zjjt, want nu zult gij mij voor een uitzondering houden ...
âZelfs al ware dat, nog zou ik u niet beknibbelen in eene weelde, die u behoefte schijnt geworden, als gjj .... zelve maar weet, hoe aan de gereede penningen te komen.quot;
âJuist omdat ik dit niet weet, zou ik gaarne zien, dat gij er mij van voorzaagt.quot;
âIk! ik! dat's nu een inval. Ik kom u zelf waarschuwen, dat de huishofmeester nauwelijks weet, hoe de dagelijksehe behoeften voor het gezin te bestrijden, om niet eens te spreken van al 't geen onze tafel vereischt!quot;
âMaar kan Siegmund dat dan niet voorschieten, zonder er oas. mode lastig te vallen?quot;
âHij zegt, dat hij reeds lang in 't voorschot is, en .. ..quot;
âOch! dat heeft niets te beduiden ..., dat achterstallige zal wel betaald worden, dat is van latere zorge.quot;
âJa, daar hebt gij gelijk in, er is wat meer dringend voorziening vordert, zal mijn staat en eere daaronder niet lijden;quot; en de graaf deelde haar mede wat hem zelf zooveel zorg en bekommering baarde.
De jonge vrouw hoorde hem aan met koele bevreemding. âIk kan mjj niet begrijpen, graaf! waarom gij daarover spreekt; het zijn immers krijgszaken, hoe wilt gij dat ik u daarin zal raden of helpen?quot;
âIk vraag ook niet eigenlijk raad, ik weet zeer goed wat mij te doen staat en welke maatregelen te nemen; alleen ik heb
221
geld noodig, gereed geld, en daartoe roep ik uwe medewerking in.quot;
âDe mijne! Mij dunkt het zou vrij beter wezen graaf Maurits of de Heeren Staten in te roepen; dat zijn lieden die geld moeten schaffen voor den krijgsdienst, naar ik meene.quot;
âMaar ik heb u immers gezegd hoe het daarineê staat, en in afwachting van de uitspraak der Generale Staten, dien ik zelf te morgen voor mijne uitrusting en die van mijn volk, of zooals ik u reeds zeide, ik verzaak de plichten van mijn stand; het geldt mijne eer, Sabine, de uwe, mevrouwe, sinds wij echtgenooten xijn!quot;
âZooveel te erger, graaf, want ik zie niet hoe ik met den besten wil der wereld u hier van dienst kan zijn. Ik kwam u immers reeds voor met de bekentenis dat mijn geld op was; ik wachtte dat gij met gulheid en galanterie daarop zoudt hebben geantwoord.quot;
âDaarin zou ik niet gefailleerd hebben, mevrouw, zoo ik daartoe de middelen had gehad; maar nu het tegenovergestelde het geval is, wacht ik zulke edelmoedigheid van u.quot;
âZeg maar hoe.quot;
âGij hebt toch nog inkomsten te wachten van uwe heerlijkheid Oud-Beierland ?quot;
âOngelukkig niet; die zijn reeds met kerstmis betaald, zooals de usantie is.quot;
âEn is dat alles reeds op â met het andere?quot;
âWat wilt gij ? Ik heb dit huis in bewoonbaren staat laten brengen, met huisraad en tapissericn laten voorzien; ik heb moeten zorgen voor mijn bruidstoilet, voor nog een paar deftige gewaden daarteboven, voor kleeding en voeding mijner bedienden, in een woord, die som is meer dan besteed: maar wat er nog aan hapert kan gevonden worden uit de gelden, ons dooide Staten van Zeeland vereerd bij ons hijlik.quot;
âMaar Sabina! waar denkt gij aan? Daar hebben wij sinds
222
van geleefd; de dringendste kosten van de bruiloft zijn er meè afgedaan; de vereering aan den hofprediker, de speellieden en het volk te paard bij de gemaskerde optochten! en wat niet al! Vraag er Siegmund maar naar.quot;
âEerst met Mei ontvang ik de huur van het huis te 's-Hage, waaraf de Staten van Holland mij de possessie hebben toegekend, hoewel ik juist met Francoise hooge woorden heb gehad op dit poinct, daar zij blijft volhouden, dat die inkomsten rechtens behooren aan Lamoraal, onzen oudsten broeder; alsof wij ons om dien wildzang, die in den vreemde zwerft, moesten bekommeren !quot;
âIn elk geval hebben wij ons allereerst te bekommeren over onze eigene zaken. Ik kan niet tot Mei wachten met de aanstalten voor mijne afreis.quot;
âGij schijnt wel haast te hebben om uwe vrouw te verlaten, George!quot; sprak zij, met iets als verwijt, een weinig in de hoop hem af te leiden van de hoofdquaestie.
âIk ben gehaast om op mijn post te komen,quot; hernam hjj koeL âDe vijand bedreigt Zeeland. Kan ik terugblijven van de veste, wier wallen mogelijk zullen belegerd worden?quot;
âDat zeker niet.quot;
âNu dan, Sabine, als gij dit met mij eens zijt, wil u eene trouwe gade toonen en mij een offer brengen, dat u niet al te zwaar zal vallen, zoo ik hope.quot;
âWolk offer zou dat moeten zijn?quot; was haar droge weervraag.
âGij bezit schatten in kleinoodiën; ik verg niet dat gij ze verkoopen zult, daar ik gevoele dat het eene jonge vrouw van uw rang hard moet vallen zich van zulke sieraden te ontdoen; ik wenseh alleen, dat gij er u van zult spenen voor korten tijd, voor den tijd dien wij noodig hebben om onze zaken op gere-gelden gang te brengen.quot;
âIk versta u niet wel, geloove ik.quot;
223
âEen deel er van wenschte ik met uw goedvinden te verpanden bij een dier lombarden, zooals menigmaal wordt gedaan.quot;
âAan wie zegt gij het? Ik heb daar meer dan eens in mijn leven toe moeten komen. Ja, ben wel eens geëindigd met het beleende te verkoopen, zoo hoogen woeker als dat slag van volk van ons vergt. Toch wil ik voor u doen wat ik kan; maar is het niet onvoegzaam en zal het niet wat opzien baren, zoo 't mocht bekend worden, dat wij nu reeds zulk gebruik maken van de hijliksgeschenken der Heeren Staten en anderen?quot;
âMoeten het dan juist deze zijn?quot;
âIk heb geene andere te missen.quot;
âHoe! en er was geen stuk van uw bruidsgewaad dat niet schitterde van edelgesteenten; ik kan toch niet denken, dat gij met gekleurd glas hebt gepronkt!quot;
âDe paarlen en edelgesteenten, waarmee men de kleederen borduurt, zijn zelden van groote waarde; maar overigens waren 't allen juweelen van 't echte water, paarlen van de zuiverste soort.quot;
âDan begrijp ik mij niet. . ..quot;
âNoch ik, dat gij, die een Duitsche graaf zijt, mij zulke vragen kunt doen; gij kent immers het gebruik?quot;
Hij zag haar strak aan, met koele bevreemding, en trok de schouders op.
âEene vorstelijke bruid wordt op haar trouwdag getooid met al de juweelen en sieraden, die de verschillende leden harer familie konnen samenbrengen.quot;
âZoo waren die kostbaarheden niet uwe eigene?quot;
âWel neen; hoe hebt gij dat konnen donken? Een enkele paarlsnoer, een armband en wat spelden en ringen uitgezonderd, die geene beduidende waarde hebben, behoorde hot alles aan mijne moei, de Paltzgravin, aan de hertogin van Lunen-borg, aan de landgravin van Hessen, uwe en mijne cousi-
224
nen, en toen deze of hunne zaakgelastigden weêr naar hun land terugreisden, moesten de kleinoodiën mee, dat sprak van-zelve.quot;
v Wie had kennen denken, dat, de dochter van Egmond zich aanstellen zou als een kraai, die zich met geleende vederen tooit!quot; sprak hij met bitterheid; zijne ergernis werd verscherpt door de grievende teleurstelling, daar het redmiddel dat hij had willen aangrijpen, hem dus ontzonk.
âZoo de dochter van Egmond had konnen raden, dat de graaf van Solms meer zou zien op den schitterenden bruidstooi dan op de bruid, zou zij hem deze teleurstelling bespaard hebben,quot; hernam zij; de bitterheid stuitte af op gekrenkten trots.
rSabina! ik heb u lief om u zelve, en gij weet het wel. quot;Wij wisten het van elkander, dat wij geen vermogen hadden naar evenredigheid van onze afkomst en stand; maar koo gij mij gezegd hadt dat uw bruidstooi, die een vorstelijke fortuin vertegenwoordigde, niet dan geleende pronk was, zou ik u geraden hebben om in alles matiger, voorzichtiger te werk te gaan, en bovenal geene manier van leven met u hebben ingesteld, die zoo hoog boven onze krachten gaat.quot;
âGij zoudt toch niet gewenscht hebben, dat wij gingen leven beneden onzen stand ?quot;
âEr kan nog veel besnoeid worden in onze omslachtige huishouding, eer wij onzen stand oneer aandoen door te grooten eenvoud; en nu ik weet, dat gij over geene kostbaarheden hebt te beschikken, die desnoods te gelde kunnen worden gemaakt^ wordt het hoog tijd hier in huis alles op eenvoudiger voet in te richten.quot;
âWaar denkt gij aan, George! ons verminderen? Onze bedienden zouden ons met minachting aanzien, zoo wij daartoe overgingen.quot;
âDe bedienden die ons daarom de behoorlijke achting wei-
225
geren, konnen op staanden voet hun afscheid krijgen, ik versta het zoo.. .
âDoe gij aan uwe zijde wat gij goedvindt, ik voor mij zal de eer van mijn huis blijven ophouden, zooals gewoonlijk; ik ben niet getrouwd om vernedering te ondergaan.quot;
âGij zijt getrouwd zooals ieder andere vrouw, om uw echtgenoot te gehoorzamen en uw naar zijn wil te voegen! en wat mij belangt, ik ben het niet om mij door de spilzucht en den dwazen hoogmoed van mijne gemalin totaal te laten ruïneeren; zoo 't u niet belieft betere ordre op uwe zaken te stellen, zal ik het zelf doen!quot;
Het antwoord liet zich niet wachten; het was scherper en weêrbarstiger dan het der zwakkere, die daarenboven eene slechte zaak voorstond,, geraden was; dit lokte feller, dreigender repliek uit van des graven zijde, die vergat dat het zwakkere vat, de verwende vorstendochter, met zachtheid behoorde geleid te worden, en die grof werd, na koel en hard te zijn aangevangen. In één woord, de vulkaan van den huiselijken twist kwam tot eene uitbarsting, en braakte haar gloeiende lava in breede stroomen uit. Wij werpen den sluier over dit smartelijk tooneel, waarbij ieder hunner op het ij verigst bezig was om eigen levensgeluk te verwoesten in het hart van de weêrpartij; het eindigde tot beider beschaming door het tusschentreden van jonkvrouw Frangoise, die met haar koel gezond verstand, maar bitse luim, beide partijen tot zwijgen bracht, door ze beurtelings in 't ongelijk te stellen en de toegebrachte wonden als met het brandijzer harer tong toe te schroeien; dat heette nu de verzoening! Tot een openbaren oorlog kwam het niet wéér, er werd zelfs een vergelijk getroffen, waarbij de modus vivendo geregeld werd voor het vervolg; maar de wortel der bitterheid was daarmee niet uitgeroeid en bleef welig tieren in de diepte; de vormen bleven voortaan bewaard, nieuwe aanleiding tot strijd werd vermeden, maar juist die jjzige koelheid, nu voortaan on-Wonderdokter. II. 15
226
der hoffelijke manieren vermomd, getuigde van eene innerlijke verwijdering, die van de slechtste beteekenis was voor de toekomst van hun echtelijk heil.
De graaf vertrok naar den Haag, om rond te zien naar de middelen om order op zijne zaken te stellen; de gravin bleef achter in een staat van diepe neêrslaehtigheid, waarvan zij de oorzaak in het omringende zocht, in haar lot, in de treurige verplichting van een hoogen rang te moeten ophouden zonder de middelen daartoe, in haar echtgenoot, die haar niet begreep en die haar wilde vernederen en overheerschen, in hare zuster, die niets voor haar over had, en die haar kwelde in plaats van haar te beklagen, in de stad Delft, waar men eigenlijk niet wist wat lieden van rang toekwam, in haar bedienden, die roekeloos en onverschillig waren, in alles met één woord, behalve in 't geen waar zij het bovenal te zoeken had : in haar eigen zelfzuchtig en ontevreden harte, in hare ijdelheid en haar streven naar de grootschheid des levens, zonder hoogere zucht naar zedelijke grootheid, in het zich vergrijpen aan den schijn, in 't voorbijzien der werkelijkheid, in het zoeken van die wereld, die voorbijgaat met al hare begeerlijkheden. Was zjj nu van hare begoochelingen teruggekomen, waar haar huiselijk geluk, waarmeê zij zoo roekeloos gespeeld had, als een gebroken spiegel in scherven voor hare voeten lag, en gevoelde zij de leegte die dit alles overliet genoeg, om naar betere dingen om te zien ?
Om daar antwoord op te krijgen, moeten wij haar bespieden in hare eenzaamheid bij haar toilet, de groote bezigheid van den dag voor eene vrouw van haar stand en zin.
Maar het is reeds tien ure in den voormiddag, en dus vrij laat, in een tijd toen het noenmaal bij de meerderheid reads te twaalfen werd gebruikt, en nog zit de gravin in half liggende, lustelooze houding op haar divan van goudlaken; en hoewel haar kamenier bezig is allerlei onontbeerlijke overtolligheden klaar te zetten, blanketsel, goudpoeder, welriekende wateren;
227
en al lagen er rijke, met goud borduursel gesierde gewaden ter keuze over de spaansohe rugstoelen uitgespreid, toch scheen Sabina van Solms nog geen haast te hebben zich te laten kleeden en op te tooien; en wel verre van zich aan de zorg harer kamervrouw over te geven, bleef zij in haar ruimen kamerjapon van geel damast met wijde loshangende mouwen gewikkeld liggen, terwijl hare lichtbruine lokken, ongebonden en onopgetrest, in achtelooze losheid over hals en slapen vielen. Sabina van Egmond was schoon geweest in den bloei harer jeugd, zij kon het nog zijn in de volle rijpheid des levens; maar hare drieëndertig jaren waren niet over haar hoofd gegaan met al hun lief en leed, zonder wat schennis te plegen aan hare schoonheid, aan hare frischheid. Zooals zij daar nu lag was zij niet eens bevallig. Zij had het hooge voorhoofd van haar vader, maar ordelooze lokken vermomden het, en eene matte bleekheid, door geene kunst verholpen, overtoog haar gelaat en deed de scherpe trekken sterk uitkomen. Zij had diepe, donkerblauwe oogen, waarmeê zij tooveren kon en boeien, als zij wilde behagen. Maar zij was alleen met hare vrouwen, en achtte het overbodig zich aangenaam of beminnelijk voor te doen. Zij klaagde, dat zij zich zeer onlustig gevoelde, reeds moede was van den dag eer die was aangevangen; zij had eigenlijk noch haar heau jour, noch haar helle humeur. Hare dienstjuffers waren wel in de gelegenheid geweest dat op te merken, al hadden zij zich gewacht dat te toonen. Brigitte, de oudste van die twee die haar nu omgaven, was eene Vlaamsche van afkomst, had haar reeds verzeld in hare omzwervingen door Frankrijk en Duitschland, genoot sinds lang haar vertrouwen in zekere mate, en meende zich eene zachte vermaning te kunnen veroorloven, nadat zij hare jeugdigere gezellin een wenk had gegeven om zich te verwijderen.
âKom, kom! Uwe Genade moet zich toch laten kleeden; dit zou al de derde dag zijn van dit lusteloos pruilen, dat nergens toe dient dan u zelve van streek te maken .... De nacht was
228
rustig, ik heb er mij van overtuigd, sinds ik een paar malen naar mijn lieve Vrouwe ben komen zien....quot;
âMaar de droomen, Brigitte! de droomen waren benauwd, om er krankzinnig af te worden.quot;
âDe heugenis van bange droomen verdrijft men best door wat afleiding. Als eerst de satijnen keurs maar weer is toegesnoerd, en die lokken sierlijk zijn opgetuit en met goudpoeder overstrooid dat ze schitteren in 't lieve zonnetje als gulden straalkens ...., dan krijgt mevrouw weer behagen in zich zelve, en al die nevelen van onlust en naargeestigheid zullen verdreven zijn. âquot;
âVoor wie zal ik mij kleeden, mij optooien, Brigitte? Ik heb geene bezoeken meer te wachten sinds de Dclvenaars meenen te kunnen volstaan, nu zij mij eens hunne opwachting hebben gemaakt. Ik kan toch alleen geen gastmaal aanrichten, en ik denk vandaag niet uit te gaan.quot;
âJa, het is wel hard, dat moet ik zeggen, voor eene jonggehuwde vrouw, dat die verwenschte oorlog zoo weinig respijt geeft. Nog maar zoo kort gehijlikt, en nu al eenzaam neêrgezeten.quot;
De gravin beet zich op de lippen en verkropte een zucht, terwijl zij met zekere bitsheid hervatte; âDe graaf is nog niet voorgoed vertrokken, Brigitte. Hij is simpellijk voor eene poos naar 's-IIagc gegaan om aanstalten te maken voor zijne afreis naar Zeeland.quot;
âHoe jammer, dat mevrouw niet mee is gegaan voor de afwisseling .... dat zou gezelliger zijn voor beiden.quot;
âWat praat gij toch van gezelligheid, Brigitte, alsof die in onzen stand kon bestaan. Dat wist ik immers vooruit, dat de graaf niet als een simpele burgerman aan mijne zijde zou blijven. Moest hij niet naar zijn post in de vesting Hulst, dan zou hij toch bij Zijne Excellentie in 't leger zijn.quot;
En Sabina meende onder het masker van hoogheid de pijnlijke wonde te vermommen, die de kamerjuffer, wellicht om haar te peilen, wat onzacht had aangeraakt.
229
âIk heb niet voor niet het voorrecht gehad Uwe Genade te vergezellen in alle vorstelijke en adellijke huizen, waar zij in vroegere jaren heeft vertoefd, om dus onwetend te zijn van de wijze hoe die huishoudingen gaan,quot; antwoordde Brigitte; âmaar toch .... er zijn uitzonderingen, en ik had gehoopt, dat mijne geliefde Vrouwe met haar nobelen gemaal daartoe zouden gerekend worden.. ..quot;
âGij hebt u vergist, Brigitte, wij gaan hier den gewonen gang,quot; sprak de gravin, fier en met zekere bitterheid; maar zij werd nog bleeker dan zij reeds was, en haar onderlip trilde van inner-lijken spijt. âZeker alles zou anders zijn, had ik met den naam van Egmond ook den vroegeren rijkdom van mijn geslacht in dit huis konnen meebrengen!quot;
âNeen! wellieve Vrouwe, nu doet Uwe Genade den graaf onrecht; niet dien glans heeft hij in u gezocht, daarvoor is hij zelf te eenvoudig en te degelijk.quot;
âEn ik te weelderig en te luchthartig voor zoo'n deftig, bedachtzaam personaadje!quot; riep Sabina plotseling heftig en luid, als met eene opwelling van drift, die zij niet wist in te houden. âZeg het maar uit wat gij denkt, Brigitte, want ik weet het maar al te goed: alles is hier tegen mij, tot zelfs de vrouw die van der jeugd af aan lief en leed met mij placht te dee-len!quot; en Sabina barstte uit in een zenuwachtig schreien.
âNeen voorwaar! dit is erger dan een weinig kwade luim, dit is een ziekelijk verschijnsel!quot; sprak Brigitte, verschrikt en meewarig het hoofd schuddend. âMevrouwe moet daar meer acht op geven, en 't niet verzuimen; met diergelijke kwaal moet men voorzichtig zijn, vooral bij eene jonggehuwde;'t ware best naar een medicijnmeester om te zien.quot;
âIk geloof zelve dat ik niet wel ben,quot; hernam Sabina, die zich wat schaamde over den uitval, waarmee zij zich had blootgegeven tegenover hare kamervrouw. âIk gevoel mij zoo onrustig, zoo wonder wee, zoo zonderling prikkelbaar.quot;
âZie! nu mevrouwe haar staat wil erkennen, zullen wij trachten
230
er baat voor te zoeken; zal ik een geneesheer laten roepen ?quot;
âIk kenne de geneesheeren hier tot Delft nog niet genoeg, om mij zoo in eens aan hen te vertrouwen; de meesten maken u erger, door de walgelijke medicijnen die zij te slikken geven bij een licht onwel zijn; on zoo er werkelijk gevaar is, martelen zij den patiënt af met koppen en laten. Neen, Brigitte! tegen een dokter zie ik op.quot;
âTegen den ordinairen geneesmeester, dat wil ik wel geloo-ven; maar... juist in een geval als het uwe, zou, dunkt me, de wonderdokter te pas komen!quot;
âDe Wonderdokter?quot; en Sabina zag haar half ongeloovig, half nieuwsgierig aan; âis er hier een wonderdokter te Delft.quot;
âEen duchtige, dat verzeker ik Uwe Genade; een zulke, die u mogelijk alleen mot het aanzien der oogen zou konnen genezen; die al vooruit weet te raden wat er hapert, al heeft hij den patiënt niet eens gezien.quot;
âDat's toch wel wat kras, Brigitte!quot; zei de gravin, even glimlachend.
âJa, maar er is nog wel wat anders van hem te vertellen, als het ten minste waar is wat Siegmund van hem zegt, die nogal kennissen heeft onder de Delftsche burgerluiden.quot;
âEn wat zegt Siegmund dan van hem?quot;
âDat hij zonderling bedreven moet zijn in 't stoken en dis-tilleeren, en allerlei konsten en krachten uit der nature kruiden weet te trekken, en dat het daaraf komt dat hij zulke wo.idre kuren verricht.quot;
âStoken en distilleeren!quot; hernam de gravin, wier oogen schitterden âzoo hij eens een goudmaker ware, Brigitte?quot;
âDat zou heel wel konnen zijn, want hij is zoo mild voor de armen, dat de kleine luiden van Delft hem op de handen dragen, ja als hun vader en voedsterheer eeren en liefhebben. Zooals 't altjjd gaat, zijn er ook wel die op hem afgeven, maar die zijn de minsten, en die vreezen hem zonderlinge zeer; niet
231
vreemd, want daar wordt van hem gezegd, dat hij hare
stem daalde, als durfde zij het haasr niet zeggen, rdat hij de dooden opwekt.quot;
âOch kom, Brigitte! dat zijn sprookjes,quot; hernam de gravin, maar er lag zekere ontroering in hare stem; âzoo is 't een heksenmeester, een duivelskunstenaar!quot; ging zij lachend voort, als om zich over dien indruk heen te zetten.
âNeen, neen! Uwe Genade zou zich bezondigen met zulk kwaad van hem te denken; 't moet een oprechte vrome zijn, een godzalig man, die uren aaneen op zijne knieën ligt te bidden in zijne kluis, zooals de luiden vertellen, die hem bespieden door de reten van zijne deur en versterluiken.quot;
âIn zijne kluis? Zoo is 't een halve heremiet.quot;
âJuist; maar een halve heremiet. Hij houdt zich niet opgesloten als die kwezels doen, hij treedt maar flink door, midden in de wereld, men ziet hem te avond en morgen op straat.quot;
âGij maakt mij waarlijk zoo nieuwsgierig naar hem, dat ik hem wel eens zou willen spreken; baat het niet, het kan zeker niet schaden. Zou Siegmund u kunnen zeggen waar hij woont?quot;
âWel zeker. Uwe Genade, hier vlak naast; uit de bovenkamers kan men zijn grooten, fraaien kruidtuin en zijn stookhuis zien.quot;
âNu, als hij zoo dichtbij woont, ga gij zelve hem dan vragen, of hij eens schielijk bij mij wil komen. Laat hij weten, Brigitte, dat ik hem ruim beloouen zal, als hij mij van die wondre naargeestigheid geneest.quot;
âBeloonen! Uwe Genade moet zich wachten van belooning te spreken, dat kon hem vergrammen; naar ik hoor kureert hij al zijne patiënten om Godswil.quot;
âIk heb wel eens gehoord, dat het de allerduurste zijn, die niet betaald willen worden; doch dat zij zoo, ik moet dien man zien, of ik zou ziek worden van nieuwsgierig verlangen.quot;
De Wonderdokter ving reeds aan hier een kure te doen, want de gravin rees op uit hare lustelooze houding, sprak met zekere
232
opgewondenheid, en trad naar hare kaptafel, waar zij zelve opschrikte van het ordelooze beeld dat haar spiegel teruggaf.
âZacht wat, Brigitte! ga niet heen voor ge mij die wild hangende haren wat terecht hebt gemaakt.quot;
âDat's mijn lust als mijn dienst, mevrouw!quot; en reeds ving de goede Brigitte aan met dat nutte werk; in dienzelfden oogen-blik trad de jongere kamerjuffer ongeroepen binnen.
âWat is er, Josine ?quot; vroeg de gravin.
âUwe Genade! daar is dokter Graswinckel, gezegd Boot, die vraagt, of mevrouw de gravin hem een ommezientje gehoor wil verleenen.quot;
âWien zegt zij?quot; vroeg Sabine, zich tot Brigitte keerende.
âDat, dat's de Wonderdokter!quot; riep deze, door verbazing zóó getroffen, dat ze de ivoren kam uit de handen liet vallen.
âNu! dat mag een wonderdokter heeten, die zoo precies komt op 't oogenblik dat men hem noodig heeft,quot; sprak de gravin, zelve wat ontdaan van verrassing.
âUwe Genade zal nog wel andere dingen van hem zien,quot; zei Brigitte, terwijl zij haar friseerijzer ter hand nam.
âMoet ik zeggen dat Uwe Genade hem ontvangen zal ?quot; vroeg Josine.
âWel zeker, kind! maar laat even wachten, ik ben nog niet gekleed; ik kan mij toch niet vertoonen zooals ik er nu uitzie!quot;
âOch! voor een dokter, voor dezen dokter bovenal, doet er dat niets toe; daarbij, in den tijd dat Josine hem herwaarts, heenleidt, heb ik die mooie lokken al wat opgetuit, en dat's alles wat er noodig is, om er als eene belangwekkende patiënt uit te zien.quot;
Was het om zich dit voorkomen te geven, of deed de gedachte: een wonderdokter bij zich te zien, haar werkelijk eemgszins aan ? Zeker is het, dat Sabina van Solms zich weer liet neervallen op haar divan, rillend of haar eene huivering overviel, en met trekken, die onrust en spanning teekenden.
233
Toen Josine onzen vriend Jacob Jansz. had binnengeleid, liep zij schielijk weg, kennelijk blij dat zij er af was. Brigitte daarentegen had graag willen blijven; maar zij begreep uit zich zelve, dat een consult met een Wonderdokter absoluut ouder vier oogen moest plaats hebben, en ze verwijderde zich, nadat zij, staande de eerste begroeting, den komende met groote, verwonderde oogen had aangestaard.
Mevrouw van Solms richtte zich even op, ter hoffelijke verwelkoming, terwijl zij sprak:
âWel, dokter Graswinckel, dat heet ik komen als geroepen I ik gevoelde mij ietwat onwel. Ge werd me juist aanbevolen als zoo'n treffelijk medicijnmeester, en â daar staat ge nu vóór mij uit u zelf!quot;
De gravin was geheel bekomen van de lichte huivering, die haar door de leden gleed bij zijn binnentreden, zelfs wat ontnuchterd en teleurgesteld. Was dat nu de Wonderdokter? hij zag er uit als ieder gewoon Delftsch burger, alleen de lange, grijze baard was wat ongemeen; maar hij had minstens een slepende greinen samaar en een gordel met kabalistische tee-kens moeten dragen, zou hij beantwoorden aan 't geen zij dacht te zien komen.
âDat geeft mij moed voor mijne boodschap, mevrouwe! te vernemen dat ik niet ongelegen kom,quot; sprak Jacob Jansz., zijn hoed afnemende en nu wat nader tredende.
âGij hebt eene boodschap aan mij, en van wie?quot; vroeg zij verwonderd.
âVan mijne schaapkens, mijne armen bedoel ik,quot; verbeterde hij, toen zjj hem bij die uitdrukking wat koel en bevreemd aanzag; âallereerst om u te danken voor de gulle weldadigheid aan hen bewezen.quot;
âIk! ik zoude weldadigheid bewezen hebben aan uwe armen? daar weet ik waarlijk niets van....quot;
âKa ieder feestmaal tijdens de bruidsdagen gewerd mij eene
234
ruime bedeeling van de eêlste spijzen voor de zieken en nood-druftigen, die ik heb te verzorgen.quot;
,0! bedoelt gij het zoo? dat is wat anders; ja er wordt hier veel weggegeven, geloof ik; maar daar moet gij Siegmund den hofmeester voor danken, dat gaat buiten mij om.quot;
âDat spijt mij voor Uwe Genade, want op die manier hebt gij zelve weinig vrucht van uwe gaven.quot;
âIk zie niet welke vrucht ik er van zou moeten wachten; men zegt, de dankbaarheid der armen beteekent niet veel, daarom is 't beste wèl te doen en niet om te zien.quot;
âVerschoon mij, het is juist omdat men weldoet zonder omzien dat men zoo vaak over ondank te klagen heeft.quot;
âGij begrijpt toch wel, waardige heer dokter! dat ik te midden van die feestdrukten mij niet kon verledigen met zelve de spijzen uit te deelen, die er voor de armen overschoten,quot; sprak zij met een opkomend misnoegen.
âIk begrijp zeer wel, dat de gelegenheid van uw staat, zake persoonlijke uitdeeling niet veroorloofde; maar ik betreur het, dat dit goede werk zoo gansch buiten uwe medewerking schijnt om te gaan, sinds er in iedere gave een verborgen zegen ligt, allereerst voor den gever zelf.quot;
âGij schijnt nogal aan goede werken te hechten, geleerde heer! Men zegt, gij zelf doet veel goed ... .quot; hernam zij met een spijtig glimlachje.
âIk hecht aan alle goede werk in iederen zin. Uwe Genade,quot; hernam hij, âmits men zich slechts niet inbeelde een veidien-stelijk werk te doen; want met alle vlijt en inspanning konnen wij toch niets dan eenige zwakke bewijzen vau liefde wederom geven aan dien God, die ons het eerst heeft liefgehad, en ons alles gegeven heeft, zelfs het vermogen om te Zijner eere iet-wes voor onze naasten te verrichten.quot;
âIk wist niet, dat ik mij op mijne verdiensten had beroemd,quot; voegde Sabina hem toe met zekere hoogheid.
235
rIk sprak dit voor mij zeiven, mevrouwe; maar ik acht mij toch verplicht Uwe Genade te waarschuwen, dat men gansch geen goed werk doet, met het gedachteloos wegwerpen van zijn overvloed...
âDoe wel en zie niet om, is de regel dieu ik heb zien volgen door elk die met milde hand kon geven.quot;
âNiet omzien, dat ben ik met u eens; maar wel degelijk toezien, of de gift zou jammerlijk konnen dolen.quot;
Och! wat zegt dat,quot; hernam zij, met ongeduld even de schouders ophalend, âer wordt hier toch zooveel weggeworpen.quot;
âMaar mijne wellieve Vrouwe, gun mij u te zeggen, dat dit ganschehjk niet welgedaan is. Onze Heer Jezus zelf, die Zijne duizenden spijzigde met eenige brooden, verwaardigde zich wel toe te zien dat de brokskens niet verloren gingen. Zoo wij hieraan geen exempel nemen, zijn wij geen goede rentmeesters, geloof mij daarin. ...quot;
âMijn waarde heer! ik geloof u; maar verschoon mij, 't is me in trouwe of ik den hofprediker van Zijne Excellentie hoore, en men had mij in den waan gebracht, dat ik een medicijnmeester zou zien.quot;
âWil verschoonen, mevrouwe, in mijn praktijk ben ik gewoon de genezing der ziele te zoeken nevens die des lichaams.quot;
âIk verzoek u te denken, dat ik simpellijk over eenig onwelzijn des lichaams heb geklaagd, en niet over krankheid der ziele.quot;
âDat herinner ik mij. Uwe Genade, en toch, wil het vrijmoedig woord vergeven, toch zou het mij niet verwonderen, zoo de kwale die niet gevoeld werd, juist het dringendst voorziening eischte.quot;
âGij zijt stout in uw zeggen, dokter Graswinckel.quot;
âIk heb den moed der liefde, mevrouw de gravin : houd mij ten goede, zoo ik ietwes in de mildheid daaraf ben te kort gekomen. En nu, mag ik weten wat er eigenlijk aan hapert?quot;
âMaar.... dat wenschte ik juist van u te vernemen,quot; her-
236
nam zij met wat kwade luim; âdaarvoor raadpleegt men den dokter, en gij nu, zijt mij nog wel als een wonderdokter aangekondigd.quot;
âDat's eene valsehe voorstelling, mevrouw de gravin, die niet van mij uitgaat. Ik weet wel, dat er kwakzalvers zijn, die zich voor zoo iets uitgeven, maar een zulke ben ik niet. Ik ben simpelljjk dokter der armen, en word slechts bij uitzondering geroepen ten dienste der lieden van aanzien.quot;
âEn is 't u tegen om die laatsten uwe zorge te wijden ?quot; vroeg zij.
âIk ben tot den dienst van elk, wie goedvindt mij te raadplegen; alleen men stelle mij geene eischen boven vermogen; ik moet weten waarover geklaagd wordt, zal ik hulp en leniging konnen reiken.quot;
âDat valt mij togen in u, ik moet het gulweg bekennen; ik dacht dat gij het mij zoudt konnen aanzien, dat ik door onverklaarbare lusteloosheid worde gekweld, die mij den ganschen dag aan dit rustbed zoude ketenen, zoo mijne vrouwen mij niet dwongen om op te staan en mij te laten kleeden; dat eene sombere zwaarmoedigheid zich bijwijlen van mij meester maakt, zonderdat ik weet hoe; dat de slaap zelf mij vermoeit, dooide zware sombere droomen; dat ik moede ben van mijn dag, eer die is aangevangen; dat ik mijn vroegstuk gebruik zonder eetlust en bij het middagmaal nauwelijks trek heb om te gaan aanzitten; dat alles mij verveelt en prikkelt, alles mij walgt en ergert; en dat ik voor zoo'n ongewonen staat, die noch ziekte noch gezondheid is, allereerst mijne toevlucht had willen zoeken bjj .... bij .. ..quot;
âBij een wonderdokter! niet waar?quot; vulde hij aan met goelijkheid, ziende dat zij eenigszins verlegen terughield wat zij had willen zeggen; ânu dat is te begrijpen, zulke kwalen eischt wat vierens.... alleen vergunne mevrouwe mij dit onderzoek nog door te zetten op de meest alledaagsche wijze, en sta mij toe den pols te voelen.quot;
237
Jacob Jansz. was geen man voor scherts, maar toch werd dit alles gesproken op een toon van zachte ironie, die maar even de opperhuid raakte, en toch wel door haar gevoeld werd; want zij hernam half beschaamd, half knorrig: âgij wilt mijn bijgeloof bestraffen, is het zoo niet?quot; maar tegelijk bracht zij met moedwillige coquetterie haar vollen, blanken arm te voorschijn uit de wijde, loshangende mouw, waarin die verscholen was gebleven.
Zachtkens nam hij de fijne hand die hem werd gereikt, en voelde haar den pols met eene kiesche omzichtigheid, of hij vreesde, door zijn dorre knokkige vingeren het teêre vel te beschadigen; maar tegelijk zag hij haar diep in de oogen, met een blik zoo doordringend en toch zoo innig meewarig, dat zij van kleur wisselde en het oog vochtig werd, zonderdat het haar inviel, zich aan dit scherp onderzoek te onttrekken.
âMen hoeft het mij wel gezegd,quot; hervatte zij, terwijl hij in zwijgend gepeins hare hand bleef vasthouden, âgij zijt een wondre man â gij roert me, ik weet zelve niet waarom ...
Gij zijt bewogen, gravin! omdat eene edelmoedige gedachte bij u opkomt; gij waart zooeven wat vergramd over mijne stoutmoedigheid; gij vergeeft die nu, omdat gij begrijpt dat ik geen vleier ben, die u welgevallig tracht te zijn door u naar den mond te praten, en zoo is het ook; ik spreek, omdat de nood mij is opgelegd. Ik kan mijne medemenschen niet in zekere gevaren zien, zonder hen te waarschuwen en de hand toe te reiken. Erkentenis voerde mij hierheen; belangstelling heeft mij overmeesterd, bij het vernemen van uwe zienswijze, op punten die niet achteloos mogen behandeld worden. Ziedaar wat mij zoo vermetel maakte in mijn spreken. Mijne woorden zullen u mogelijk later nog wel in 't geheugen komen.quot;
âEn wat zegt gij nu van mijne ongesteldheid?quot; viel Sabina in, want de wending die hij weêr aan het gesprek gaf, beantwoordde gansch niet aan hare verwachting.
238
âHet zou overbodig zijn, Uwe Genade daartegen artsenijen voor te schrijven. Het is niet dan de terugwerking van de overspanning der laatste weken; het zenuwgestel is wat afgespannen, na sterke overprikkeling; daar is niet het minste bezwaar bij.quot;
âEn gij vindt het belachelijk, dat ik klage over een onwelzijn, dat zoo weinig te beteekenen heeft, is het niet zoo?quot;
âIntegendeel, zulke krankte boezemt mij juist de grootste belangstelling in. Al bestond die alleen in de verbeelding van de patiënt, toch kan zij eene drukkende kwelling zijn; en dat te eer, daar de geneeskonst daarvoor geen middelen heeft te reiken...
âHoe!quot; riep de gravin opgeschrikt, âdeze toestand daarin ik verkeere, en die mij zoo ganschelijk ongeschikt maakt om eer ig levensgenot te smaken, zou ongeneeslijk zijn, naar uwe zienswijze ?quot;
âOngeneeslijk door artsenijen, dat verzeker ik u, mevrouw. Voorzeker, daar zijn wel elixirs en geestrijke droppelen samen te stellen, die u onverwijld uit dezen staat van apathie konnen opwekken voor een tijd, maar zij zouden niet eigenlijk heilzaam zijn, en zjj zouden bovenal onmachtig blijken, de oorzaak weg te nemen; daar is het dat ik op peize. Wat zijn de gewone bezigheden van Uwe Genade?quot;
âMijne â bezigheden âquot; herhaalde zij verrast en wat verlegen, âmaar â ik heb geen bezigheden,quot; ging zij voort, na /.ieh wat bedacht te hebben. âDe hofmeester zorgt voor den gang der huishouding, en heeft het opzicht over de dienstboden; mijne kamerjuffers zorgen voor mijne garderobe;j welke bazigheid zou er voor mij overblijven, nu de Stadhouder naar 's-Hage is vertrokken met zijn gansche hofgezin, en ik niet meer ten hove kan gaan; nu alle drukte van feesten geven en menschen zien heeft opgehouden. Ook is 't hier een jammerlijk eentonig leven tot Delft; ik zoek wel zoo wat afleiding in muziek, in
239
mijn tapijtwerk en wat lectuur, maar â het strekt alleen tot wat tijdelijk soelaas; die akelige verveling komt altijd weêr opnieuw opdagen.quot;
âToen ik naar bezigheden vroeg,quot; sprak Jacob Jansz. ernstig, âdacht ik aan werkzaamheid met een doel; deze alleen is het die verveling weert en de gezondheid onderhoudt; daarop schijnt voor 't oogenblik hier geen kans, en zoo zal wel de beste medicijn wezen: matige beweging in de vrije lucht.quot;
âGij hebt goed spreken! ik zou niets liever wenschen dan dit voorschrift te volgen, maar dat is buiten mijn bereik.quot;
âBeweging nemen in de vrije lucht buiten uw bereik!quot; herhaalde Grraswinckel in bevreemding, âhoe kan dit zijn?quot;
âDe graaf heeft al de paarden meegenomen naar den Haag____quot;
Jacob Jansz. sloeg haar opmerkzaam gade, terwijl zjj dit zeide, want er kwam eene uitdrukking van toorn en verdriet op haar gelaat, die voor hem niet zonder beteekenis was.
âUitrijden is ook niet mijne bedoeling; eene goede wandeling in de heldere voorjaarslucht zou u waarlijk veel goed doen.quot;
âIk kan niet alleen te voet uitgaan. Alle cavaliers en officieren zijn den graaf gevolgd naar den Haag, de meesten zijn mogelijk al vooruit naar Zeeland.quot;
Hij haalde de schouders op.
âEn heeft eene dame van uw rang dan geene vriendinnen of bekenden, die haar vergezellen konnen ?quot;
âMijne vrienden en verwanten zijn terstond na de feesten afgereisd. Ik ken hier te Delft geene vrouwe, waarmeê ik op een voet van gelijkheid kan omgaan .... Er is wel de gravin van Hohenlo, maar .... die komt mij altijd bezoeken in hare karos, en ik kan haar kwalijk te voet een tegenbezoek brengen.quot;
âIk zie de onmogelijkheid daaraf niet in; de gravin woont slechts eenige huizen ver, op deze zelfde gracht.quot;
âMaar ik heb niet eens lust mij in staatsie te kleeden, zooals, voor zulk bezoek noodig zou zijn.quot;
240
âDan schijnt dat bezoek te moeten vervallen,quot; zei Jacob Jansz. met iets dat naar een glimlach geleek.
âAls ze mij maar een page gelaten hadden, zou ik mij door dezen en Brigitte konnen laten vergezellen,quot; hervatte Sabina verdrietelijk ; âmaar ziet gij, heel alleen mot eene kamervrouw, dat gaat toch niet.quot;
âIk begrijp dat er vooroordeelen zijn van haar rang, waarover eene jonge vrouw zich niet zoo op eenmaal kan heenzetten; maar verschoon mij, woont er niet met u samen eene ongehijlikte gravin van Egmond, uwe zuster?quot;
âFrangoise, wel zeker! maar die zondert zich meestal af op hare kamer, en zit den ganschen dag in hare boeken te snuffelen, of zij eene geleerde â eene doctoresse moest worden.quot;
âIs zij zóó in de studiën verdiept, dat zij niet voor eene enkele maal het liefdewerk zou willen doen, Uwe Genade te vergezelschappen ?quot;
âEen liefdewerk! ja! vraag het haar; ik merk wel, dat gij haar gansch niet kent,quot; hernam Sabine lachende; maar er was smartelijke bitterheid in dien lach.
Jacob Jansz. zag haar aan met een blik vol diepen weemoed en schudde even het hoofd; daarop sprak hij : âNu â zoo zijn we toch niet ten einde raad. Ik hecht er aan dat mijn voorschrift gevolgd worde. Deze prachtige huizinge heeft ongelukkig geen tuin; ik daarentegen heb bij mijn kluisken het voordeel van een ruimen kruidhof, die, achter mijne werkplaats om, bijkans tot den stadswal loopt. Daar staat nu al menigen boom en heester in bloei, en ettelijke bloemen hebben al knop; de wandeling daarin is niet onvermakelijk, kan door eene dame alleen zeer voegzaam worden ondernomen, en eischt gansch geen staatsiegewaad. Uwe Genade sla slechts de huik om, late zich de poort van hare binnenplaats openen, en zij is bij mij in de vrije lucht; neem dit gerief van onze nabuurschap, en gij zult er u wel bij vinden.quot;
241
âDat voorstel neem ik aan met alle genoegen, mits gij mij dan ook vergunt uw stookhuis eens binnen te treden, want ik heb vernomen dat gij u veel bezighoudt met de schei- en stookkonst. ..
âZooveel de tijd daarover ik te beschikken heb mij dat veroorlooft. Ik erken dat het onderzoeken van der nature krachten grootelijks mijn lust is.quot;
âGij moet weten, dat ik ook er mij een weinigje op versta... .quot;
âAls dat zoo is, hebben wij dunkt mij niet meer te zoeken naar afleiding, naar werkzaamheid, die ik u wilde voorschrijven. ...quot;
âZoo ik mij dit vermaak konde gunnen, zeker niet; maar eilieve! ik heb hier geen stookhuis. Deze woning is mijne eigene niet; en al ware dat, het heeft groote kosten in er een aan te leggen; de materialen â dit moet gij zelf weten â nemen veel gelds, en.... gij moogt mij gelooven of niet, maar.... wij zijn eigenlijk arm, naar onzen stand.quot;
Arm! te midden van al de weelde die haar omringde! âJa, wel arm!quot; dacht Jacob Jansz., terwijl hij onwillekeurig een blik in 't rond sloeg, en het oog richtte op de zijden gordijnen, op de kostbare meubelen, allerlaatst, en zelfs met wat gezette aandacht, op hare rijke toilettafel, met den ronden spiegel in schildpadden lijst, waar het gouden lampet (het geschenk van de Staten) stond te prijken, en daar benevens een open kleinoo-diën-kistje, waarin menigte van kostbare spelden, ringen, armbanden, in allerlei kleuren en lichttinten schitterden.
âArm! Zij gelooft zich arm! Ik ken er die met eenige penningen daags zich rijk noemen, en deze hier heeft in goud en gesteenten, in sierlijke gewaden, die zij niet eens lust heeft aan te doen, meer dan genoeg om menig behoeftig huisgezin jarenlang te onderhouden, en zij klaagt dat zjj arm is! En toch, ja! zij heeft gelijk; de vratige begeerlijkheid, de behoeften.der ijdelheid, die altijd roepen: meer â meer â en niet zijn te Wonderdokter II. 16
242
voldoen, zoomin als het vat der Danaïden is te vullen, moet haar wel arm maken te midden van den overvloed. Wat al banden, wat al hechtselen, wat al strikken, die haar beletten moeten den waren rijkdom te vatten; wat al ballast, te zwaar om weg te werpen; wat al nagelen om de ziele vast te zetten, waar die toch zoo kleeft aan het stof.quot;
Maar zoo dit alles den waardigen man, die zich zelf van alle hechtselen had vrijgemaakt, lichtsnel door de gedachte schoot hij sprak het niet uit in dezen oogenblik, al te zachtmoedig en te voorzichtig om iets te zeggen, dat krenken kon zonder nut te doen. Hij sprak alleen met zekeren ernst: âIk begrijp u mevrouw, de adelaar heeft evenzeer zijne slagpennen noodig als de musch hare vleugelkens.quot;
âLacy! die snoode Spaansche tiran, de hertog van Alba, heeft ons zoo deerlijk de wieken geknot, dat wij nauwelijks als mus-schen gedekt zijn, en toch genoodzaakt ons als adelaars voor te doen! Begrijpt gij wat dat zegt, waardige dokter?quot;
âMaar al te goed. Het moet een zwaar kruis zijn en ecne kwellinge des geestes, vrij meer dan deze dingen waard zijn â alleen.... ik zie de verplichting niet in, voor wien ook, om een staat te voeren, die al te ver boven zijne middelen gaat, verschoon me, dat ik het zonder beeldspraak zeg : de achtbaarheid van den rang ligt immers niet in die uiterlijkheden....quot;
âMeer dan gij weten kunt, geleerde heer, die deze uiterlijkheden, zooals gij ze noemt, beziet met het oog van een burgerman. Ik verzeker u â dat er aan de hoven waar wij verkeerd hebben, in de kasteelen mijner bloedverwanten en vrienden, waar wij gastvrij ontvangen zijn geworden, bij onze omzwervingen door Frankrijk en Duitschland, zeer bijzonder op dit alles gelet werd, en dat men ons als verlaagd en vervallen van onzen rang zou beschouwd hebben, zoo wij verzuimd hadden een staat te voeren naar onze afkomst. Ook heb ik mij voordezen nooit zoozeer over onze min gunstige omstandigheden
243
bekommerd; ik vond mij altijd omgeven door pracht en weelde, genoot meö van de genoegens des levens, alzoo ik zelve overvloed had, en hoopte altijd, dat er wel eens een tijd zou komen waarop men ons vergoeding zou geven voor het geleden verlies in rechten en bezittingen â dat uitzicht is nu gansch vervlogen. Wel vonden wij hier in Holland een toevluchtsoord, en zelfs door de goedheid der Heeren Staten, eenige schadeloosstelling voor het verlorene, doch ondanks mijn hijlik met den graaf van Solms, waarbij ik mijn lot wel verzekerd achtte, ben ik in zwarigheden en zorgen geraakt, die ik tevoren nooit heb gekend. Wel verre dat ik bijstand van mijn gemaal heb te wachten, is hij zelf door de verschillen der bijzondere Staten in moeielijkheden gewikkeld. In één woord, waardige dokter, gjj ja, ik heb het wel begrepen â gjj houdt mij voor eene slechte rijke, maar, helaas! ik ben erger dan arm! ik heb schulden â en geldgebrek!quot;
Graswinckel had haar aangehoord, met het eigenaardig geduld van den arts, die een ziekteverschijnsel bestudeert, en die zich wel wacht het blootleggen van de kwaal door eene onvoorzichtige opmerking te storen. Wat er daarbij in zijn gemoed omging, dat hij met zelfbedwang terughield, kan men denken.
Hij had reeds ervaren, dat de gravin guller was in 't geven dan ontvankelijk in t aannemen; ten ontijde het goede zaad zaaien, als de grond noch toebereid, noch van het welig tierend onkruid gezuiverd was, achtte hij verkwisting.
De gravin was schrander, bleek wel onderricht, maar kon nog het harde woord niet dragen, dat haar uit den doodslaap van haar wereldsch leven en streven wakker schudde; daarom sprak hij op den toon van zachtmoedige meewarigheid:
âWat Uwe Genade mij zegt, verwondert mij minder dan het mij leed doet. Ik meene al opgemerkt te hebben, dat mevrouw zich slecht op do rekenkonst verstaat, en de waarde, dei-kleine deelen uit het oog verliest; haar te verdenken, eene
244
slechte rijke te zijn, in den zin van eene rijke die haar schat door motten en roest laat verteren, in stede van er uit meê te deelen, is niet in mij opgekomen; en hoe kon dat, sinds mijne armen en zieken uit haar overvloed werden verkwikt; maar in haar eigen belang zou ik wenschen, dat zij oen beter begrip kreeg van haar rentmeesterschap.quot;
âWaartoe! sinds ik zelve mij toch zoo slecht op cijfers versta, naar uw gevoelen; en daarbij, de rentmeester van Oud-Beierland, die meest mijne zaken beheert, is een bekwaam en getrouw man; alleen 'tis zijne schuld niet, dat wij hier altijd meer noodig hebben dan hij aanbrengen kan.quot;
rEer ik mijne meening, die Uwe Genade heeft misverstaan, nader verklare, zou 't misschien goed zijn eens te onderzoeken niens schuld het dan wel is; dat zou ten minste bezigheid zijn, en eene die tot een nuttig doel leidde.quot;
âMaar allesbehalve aangenaam! en ik, die allermeest wat opbeuring noodig heb.quot;
âDat is waar; de zwaarste zorge moet u verlicht worden, zult gij opgewektheid hebben en vrijheid van geest om naar mijn raad te luisteren. Schulden en geldgebrek ! de dochter van den nobelen held, die voor de vrijheid van 't volk meê in de bres is gesprongen en die als martelaar is gevallen, dat moet niet zijn â wij moeten beproeven of die klagelijke toestand niet is te verhelpen.quot;
âGij â gij â zoudt dat willen!quot; riep zij, met levendigheid zijne hand met beide de haren omvattende, als meende zij reeds haar red-anker te grijpen. âMaar neen,quot; viel zij zich zelve in de rede met twijfelmoedigheid, âzoo rijk zijt gij toch zeker niet â onze behoeften zijn zoo groot, gij zoudt uw penninkske maar in den afgrond werpen.quot;
âMijn penninkske, ja! dat moet ik zorgzaam bewaren en met nauwlettendheid besteden om hongerigen te spijzen en zieken te verkwikken; maar ik weet toch nog wel een middel om u aanzienlijke sommen te verschaffen.quot;
245
De gravin Sabina meende, dat zjj hom komen zag, en zelve gekomen was waar zij' heen wilde.
âIk versta u!quot; sprak zij met iets als een triumfkreet. âGij zijt ingewijd in de geheime konste, en kunt goud maken. Ik heb nog materialen genoeg voor het experiment;quot; en zij wendde met bedoeling den blik naar hare kaptafel en do kostbaarheden daar uitgestald.
Wat die zwakke vrouw een lichte prooi zou geweest zijn voor een bedrieger! Hoe vaak was zij het mogelijk al geweest.
Jacob Jansz., hoe verrast ook door deze vraag aan hem, overmeesterde de ergernis dor krenking en hij antwoordde met kalmte en waardigheid:
âIk oefen het bedrijf der schei- en stookkonst ter eere Gods, mevrouw, en om de krachten die Hij in de natuur gelegd heeft na te speuren en te gebruiken ten bate dor lijdende menschheid, geenszins uit hebzucht en gouddorst, die niet betamen. Ik acht de Alchimie en hare experimenten een ijdel en roekeloos streven, ja, zondig â en geen Christen veroorloofd. Ik heb geen geloof in hare resultaten, en de Alchimisten, die zeggen dat zij ze verkregen hebben, bedriegen zich zeiven en anderen. De edele metalen, goud en zilver, zijn delfstoffen, die uit de mijnen worden gegraven, en wie meent, ze door trekken en stoken, of wel door geheime en duistere konsten te verkrijgen, doolt zonderlinge zeer en vergrijpt zich tegen de ordeningen Gods, die alle dingen hunne proprieteiten heeft gegeven, door geen menschenvermogen na te bootsen of om te zetten.quot;
âMaar ik verzeker u toch, dat ik in Frankrijk en Duitschland met vermaarde Alchimisten bekend ben geworden, die zuiverlijk goud hadden verkregen en dat â zonder duivelskonsten, devote luiden zelfs, die ter biecht gingen vóór het experiment.quot;
âIk oordeele niet de personen; hoo ik over het bedrijf denke, meen ik te hebben gezegd,quot; hernam Jacob Jansz. laconiek. âLaat ons omzien naar betere middelen om Uwe Genade uit tijdrelijke verlegenheden te helpen.quot;
246
En naar hare kaptafel tredende, sprak hij met zaehten ernst: âIk zie daar zóóvele kostbaarheden die schatten gelds vertegenwoordigen. Verschoon den bemoeial, maar het komt mij toch voor, dat daar vrij al te veel van die blinkende waar is; men maakt zich de levensreize, die toch al zoo moeielijk valt, nog zwaarder, met zooveel onnutte pakgoederen meê te sleepen.
âGrij hobt goed praten,quot; hernam de gravin, meer schertsend dan vertoornd; âmen zegt, gij leeft als een kluizenaar, en hebt bijgevolg niets van dat alles noodig; maar ik â ik, dat is wat anders; dit hoort tot de dingen waarvan ik zeide, dat men er niet buiten kan, zal men de eer van zijn rang ophouden.quot;
âZie, mevrouwe, daarin hebt gij gelijk, onze levenswijze kan niet dezelfde zijn, en onze levensbeschouwing evenmin; maar toch, mij dacht, eene dochter van Egmond moest zoo fier zijn op hare afkomst, dat zij zich te hoog achtte om op deze wijze te willen uitblinken. Hoe waardig, juist na de berooving van den Spaanschen tiran, zou haar doftigen eenvoud maken, in elks oogen.quot;
âGij kunt gelijk hebben,quot; hernam Sabina, wat getroffen, âen het ware mogelijk goed geweest, zoo men mij van jongs aan met deze gedachte had opgevoed, dan â dat is nu te laat; daarbij, ik ben nu eenmaal dc gravin van Solms, en zoo ik mij nu vertoonde in die uiterste simpelheid, zou men het gan-schelijk niet toeschrijven aan besef van digniteit, maar veeleer aan â iets dat men niet aan al de wereld kan bekend maken â aan â armoede.quot;
âIk versta u, gravin, het is nu geen goed oogenblik voor zulke hervorming; maar belg u niet over de vraag: of al deze kostbaarheden, allen tegelijk, u volstrekt onontbeerlijk schijnen, om de eer van uw stand op te houden?quot;
âJuist in dezen tijd zijn ze mij geen van allen noodig,quot; antwoordde Sabina met een zucht; âde graaf gaat zijn comman-dement te Hulst aanvaarden; Zijne Excellentie trekt met al de edellieden te velde, en in vele maanden zal er nergens feest
247
worden gehouden; alleen kan ik er daarbij toch niet gaan â ook wil ik u wel bekennen,quot; ging zij voort op vertrouwehjken toon, âdat ik er wei eens over gedacht heb, om ze bij een lombard te beleenen; maar ...
âNeen, neen! dat moet niet zijn; de gravin van Solms moet niet in woekeraars-handen vallen ...Hij zweeg, en scheen zich even te bedenken. âZoo Uwe Genade nog niet besluiten kan zich van enkelen te ontdoen, maar ze alleen tijdelijk wil afstaan, weet ik een juwelier, een eerlijk en discreet man, die zulke zaken op hunne rechte waarde zal schatten. Vertrouw aan mij wat gij meent te konnen missen; ben ik eerst onderricht hoeveel dat te zamen uitmaakt, dan is mijn broeder de schepen Dirk Jansz. Graswinckel de man, die u daarop de verlangde som zal voorschieten zonder interest. Hij is met den handel rijk geworden, heeft geene kinderen, en is' steeds geneigd op mijne voorspraak iemand in stilte te verplichten; maar hij verlangt zeker onderpand voor de teruggave, zij die op langen tijd uitgesteld; en in dat zwak moeten wij hem met uw goedvinden te gemoet komen. Kan Uwe Genade in dit voorstel treden?quot;
âIk zou u als mijn reddenden engel beschouwen, zoo gij dit voor mij kondet verkrijgen.quot;
âIk wenschte u de helpende hand toe te reiken voor beter dan dit! wellieve Vrouwe; doch in de moeielijkheid van 't oogenblik moet nu allereerst worden voorzien. quot;Wil nu zoo goed zijn, uit te schiften wat gij daartoe zoudt willen afstaan, tot uwe zaken op beteren voet zijn gebracht.quot;
Zij ook was hare kaptafel genaderd, en stond nu bij haar geopend juweelkistje, daarop starend, met een weemoedigen, aarzelenden blik.
Toen nam zij een breeden duimring met een amathist weg, en dien ter zijde leggende, vroeg zij : âWat dunkt u van dézen steen, zou die nogal waarde hebben?quot;
248
âOngetwijfeld; 't is een van de principaalste onder de purperen gemmen die uit Indië komen, en deze hier is van onge-meene grootte.quot;
Het is een lomp sieraad, die ik wel zou konnen weg doen voorgoed; maar ik heb hooren zeggen, dat de amathist de eigenschap heeft kwade gedachten te verdrijven en goede in de plaats te geven, als men hem 's nachts aandoet?quot;
âDat's puur bijgeloof, wellieve Vrouwe; hebt gij op zulke wijze die eigenschap beproefd?quot;
âOm de waarheid te zeggen, dat is mij nog niet ingevallen...
âBeproef dan een beter middel: ga inslapen met God voor oogen, dat drijft zekerlijk alle kwade gedachten weg en doet goede oprijzen. In de hoop dat Uwe Genade dien raad volgen zal, en dus den amathist niet noodig heeft, neme ik hem tot het bewuste doel. Die armband van chrysoliet, in goud gezet, schittert mij tegen; deze edelsteen wordt boven goud geschat, als men hem vindt in deze qualiteit.quot;
âMaar____ik beken u, dat het mij wat kost dien af te
staan ....quot;
âEen geschenk veellicht van een geliefde verwant of vriendin ?quot;
âVan mijne oudste zuster Maria, toen zij den sluier aannam; maar daarom juist niet .... ik heb meer gedachtenissevi van haar; doch, de sprake gaat, dat hij, aan den arm gedragen, de eigenschap heeft de angsten en beroernissen die een mensch des nachts overvallen te verjagen, en de melancholie af te weren des daags.quot;
âUw vertrouwen op die kracht is toch niet zonderling groot, mevrouwe, daar gij u juist in een toestand bevondt om u daarvan te overtuigen, en toch ligt hij daar ongebruikt.quot;
âGij moogt mij gelooven of niet, maar ik had plan dien aan te doen, zoodra ik mij kleedde.quot;
âLaat hem liever aan mij over, en hij zal duchtig mede-
249
werken tot verlichting uwer zorgen, dat de eerste voorwaarde is om de melancholie te verdrijven.quot;
âGij schijnt niet veel te hechten aan de groote virtuten die men aan edelgesteenten in 't gemeen toeschrijft?quot;
âIk achte dat de Heere God niets geschapen heeft, zoowel in de onbezielde als in de bezielde natuur, dat niet zijne eigenaardige deugden en krachten zoude hebben en dat niet nutte-lijk kan worden aangewend; er zijn groote geneeskrachten in sommige delfstoffen â meerdere dan wij nog tot hiertoe hebben konnen uitmaken â maar aan geheimzinnige werking van sieradiën op 't geen uit de ziele voorkomt, geloove ik niet.quot;
âIk meende toch dat de barnsteen ... .quot;
âDe barnsteen is geen edelgesteente, maar eene harsachtige substantie, evenals de amber, daarin voorzeker heilzame krachten liggen, als men die er door scheikundige behandeling weet uit te trekken; maar dat de materie, als sieraad gedragen, dienst zou doen ter genezing, betwijfel ik zeer. Wat mij belangt, ik ben nog nooit in 't bezit geweest van een stuk barnsteen, groot genoeg om er met vrucht eene proef mee te nemen; maar mijn vriend Johannes Xasserus, uit Lintz, heeft mij deswege belangrijke mededeelingen gedaan, die ik wel uit eigen ondervinding zou willen constateeren.quot;
âNu, dat treft goed! daarin kan ik u mogelijk van dienst zijn;quot; en de gravin schommelde rond in haar klein, leêren koffertje en bracht een vrij groot stuk barnsteen te voorschijn, dat zij Graswinckel aanbood. âZoo het de moeite waard is, gelief het dan eens hiermede te wagen,quot; sprak zij, zichtbaar tevreden, dat zij hem een genoegen kon doen.
âHet heeft ontwijfelijk groote waarde, mevrouwe, meer dan ik vrijheid heb er voor te geven,quot; hernam hij bedenkelijk.
âZooveel te beter, want ik begeer dat gij het als geschenk van mij zult aannemen.quot;
250
âIk wil geen liefdedienst versmaden en neme het dankelijk aan, in hope het u op mijne wijze te vergelden.quot;
âMaar ik stel eene conditie.quot;
âWelke?quot;
âAls de proefneming gehikt, er de uitkomst van te mogen zien.quot;
âDat spreekt van zelve, en niet deze alleen; zoovaak het u behagen zal in mijn laboratorium binnen te treden, zal Uwe Genade er welkom zijn. Maar, zoo Zij 't goedvindt, laat ons voortgang maken met de zaak der kleinoodiën.quot;
âDeze juweelen haarspelden, deze dik geschakelde gouden keten, deze paarlen oorbaggen, eenige ringen met diamanten en robijnen, zijn eigenlijk al wat ik te missen heb, zonderdat het opgemerkt wordt, en â dat beteekent nog niet veel.quot;
âIk heb toch wel hoop, dat het eenige honderden carolusgul-dens zal opbrengen.quot;
Och! zoo 't geen duizenden zijn, baat het toch niets.quot;
âMaar genadige Vrouwe!quot; riep Graswinckel uit, âhoe kan het toch zijn dat gij zóóveel geld op eens behoeft.quot;
Het was voor Sabina van Egmond weggelegd, den man die zich nooit meer over iets ergerde of verwonderde, een uitroep van verbazing te ontlokken.
âWat zal ik u zeggen, mijn waarde dokter, mijn huishouding kost dagelijks zooveel.quot;
âMaar zou het dan niet mogelijk zijn dien omhaal ietwat te vereenvoudigen ?quot;
âDe stal met al het personeel dat er toe behoorde, is al ter zijde gezet, de graaf begeerde het zoo,quot; hernam zij met een wenkbrauwfronsen. âHij verlangde nog meer, maar ik kon er niet toe besluiten: eensdeels omdat de gedachte mij te verminderen mij ondragelijk is, anderdeels omdat de meeste lieden sinds lange aan mijn persoon verbonden zijn en mij noo-dig hebben, en ik ze zoo maar niet op eens kan afdanken, zonder hen in de grootste verlegenheid te brengen.quot;
251
âDat voele ik meê, gravin! doch er kennen schikkingen worden getroffen, zoo gij het ernstig begeerdet. Wilt gij dat ik mij daarover eens met Siegmond zal bespreken ?quot;
âDat zou niet kwaad zijn, en om u de waarheid te zeggen, de graaf had meê dien weg uit gewild; doch .. .
âMaar, wellieve vrouwe, zoo uw heer gemaal het begeert, dan is het immers uw naaste plicht om hem daarin te genoegen ----quot;
âDie verplichting zie ik niet in; hierover is juist strijd geweest tusschen ons, en het zou lafheid zijn nu daarin voor hem te wijken.quot;
âZóó hoog staat geene vrouw, of zij is naar Gods gebod onderdanigheid schuldig aan haar echtgenoot.quot;
âMijn hemel! dat weet ik wel, dat staat zoo ik meene in het hijliksformulier, dat de hofprediker niet verzuimd heeft voor te lezen; maar dat wordt gedaan voor de forme, en zoo er al naar geluisterd wordt men hecht er toch zooveel niet aan.quot;
âDat is zeer bedenkelijk mevrouwe, niet te hechten aan 't geen als de ordening Gods wordt voorgesteld. Gelooft gij in God, gravin van Solms, in God, als den Schepper en Formeerder des heelals, die 't al regeert en onderhoudt door Zijne Almacht ?quot;
âWel zeker dokter, wie zou niet aan God gelooven.quot;
âZoo zijt gij gehoorzaamheid schuldig aan Zijne geboden, die ganselijk niet voor de forme gegeven zijn; en zoo gij hiertegen streeft, begaat gij zonde tegen God, tegen Dengene door Wien gij zijt, en Die u met een vingerwenk Zijner Almacht tot stof kan doen wederkeeren.quot;
âGij vat die zaak wel zeer hoog op, heer dokter!quot;
âNiet hooger dan zij verdient, dat verzeker ik u, mevrouwe.quot;
âMisschien zoudt gij anders spreken als gij wist hoe de graaf zich tegen inij aanstelt. Eerst heeft hij ijverig en met volharding naar mijne hand gestaan: ik had toen andere uitzichten, 'hoo-gere â ik wil het u wel bekennen â maar dat verbond des
252
harten werd verbroken, en ik gaf mijne hand aan George van Solms, schoon hij mijn jongere is. En nu â gehijlikt â is hij koud en hard jegens mij, verwijt mij tot de moeielijkheden toe, waarin onze statelijke bruiloft ons heeft gezet, en â en met één woord: het is mogelijk, dat hij als krijgoverste geschikt is zijne lantzen te drillen â maai' zeker is hij de ongeschiktste man ter wereld om eene vrouw met minzaamheid te leiden en haar hart te winnen.quot;
âZoo de graaf u niet met zachtmoedigheid bejegent die gij recht hadt te verwachten, ligt er voor u eenige verdienste in jegens hem uw plicht te doen, en dat kan u toch zoo zwaar niet vallen, waar hij iets van u vergt dat zoo wijs en billijk is. Gij zult zekerlijk zijn hart verteederen door die inschikkelijkheid; en al ware dat niet, gij brengt het offer om den wille Gods; voor dezen te buigen is immers noch zwakheid, noch vernedering, voor wien ook.quot;
âIk bekenneu, dat ik over deze poincten nog nooit heb nagedacht.quot;
âZooquot; wil het ernstiglijk doen van nu aan, beraad u daarover met u zelve, laat de consciëntie spreken en luister naar hare inspraak; belooft gij mij dat?quot;
âNu ja! u beloof ik het,quot; antwoordde zij met eene stem waarin aandoening trilde, terwijl zjj hem de hand reikte; âeen wonderdokter wilt gij niet heeten, maar toch, gij zijt een wondre man; gij weet mij zonderling te treffen en oefent een invloed over mij, dien ik niet kan verklaren; is 't die roerende, zachte stem, is 't die ernstige blik ?quot;
â'tls simpellijk de stem der waarheid, die aanvangt door te dringen tot uw gemoed, en waarvoor uw hart zich opent,quot; hernam hij; âmocht die inderdaad macht over u verkrijgen, dan zou mevrouwe ervaren, hoezeer zij in blijmoedigheid, in ruste, in waar levensgenot zou gewonnen hebben, en alles wat haar nu zoo zwaar, zoo onmogelijk toeschijnt, zou haar dan licht vallen, ja! met vreugde worden volbracht.quot;
253
âHet kan zijn; maar zelfs al geef ik u nu op dit pas gehoor, en neem mij voor mijn huis op den eenvoudigsten voet terug te brengen, nog zjjn de bezwaren die mij drukken daarmeê niet aan zij gezet,quot; hervatte zij met een zucht.
âDat spreekt wel vanzelve, en daarop moet allereerst voorzien worden.quot;
âZoo zal ik mij ook nog maar van dit parelsnoer ontdoen,quot; ging zij voort, âschoon ik de gewoonte had het veel te dragen, on wat vreeze heb dat het gemis door anderen opgemerkt zal worden.quot;
Waarom niet liever dat gouden lampet en dat vorstelijke halssieraad met de oorbaggen een tijdlang als ter zijde gezet?quot; vroeg hij.
âHet hijliksgeschenk van de Heeren Staten A an Holland . ...quot; sprak zij met aarzeling, âzelfs al kan het geheim blijven, nog is daarin iets dat mij tegen is ....quot;
De kieschheid verbiedt het, dat voele ik meê; nu, dan moge het parelsnoer voor een wijle worden geofferd. Mogelijk is hier reeds meer dan genoeg om de belangrijke som te verkrijgen, die ik wel inzie dat er noodig zal zijn; ik kan daaraf niet oordeelen, maar ik zal u mijn broeder zenden, die een loyaal man is, en die 't wel zal schikken met Uwe Genade.quot;
Terwijl zij naar Graswinckel luisterde, had de gravin, in zekere verstrooiing, in haar juweelkistje geschommeld, en bracht daaruit nog eenige snuisterijen te voorschijn, waaronder een medaillon met miniatuurportret, dat de aandacht van Graswinckel tot zich trok.
Hij greep er naar; doch de gravin sprak: âOch neen! dat heeft niets te beteekenen; 't is de beeltenis van eene oude nicht; de omlijsting heeft nagenoeg geene waarde.quot;
âHet is het portret van Maehteld van Egmond,quot; viel Jacob Jansz. in, het in handen nemende, âvan Maehteld, in den vollen bloei des levens.quot;
254
n
âZoo, hebt gij haar gekend!quot; vroeg de gravin wat verwonderd.
âIk heb haar gekend in hare eerste jeugd.quot;
âZij is later gehijlikt met den baron de Ghiselles.quot;
âUwe Genade schijnt geen zwak te hebben op dit portret?quot;
âIk? volstrekt niet â ik heb de barones nooit gezien, zooveel mij heugt â ik weet zelve niet hoe het in mijn juweelkistje beland is.quot;
âIk ken iemand, die er zeker veel prijs op stellen zou, zoo Uwe Genade het mij voor hem wilde afstaan.quot;
âIk voor mij volgaarne; maar het behoort eigenlijk aan mijne zuster Frangoise; daar deze de barones nog gekend heeft, zou het konnen zijn, dat ze er eenig zwak op had. Als ik er u genoegen meê kan doen, zal ik het haar vragen .... hoewel ik juist niet in de beste termen met haar ben, op dezen oogen-blik.quot;
âHoe! niet in goede verstandhouding met uwe eigene zuster, die .... zoo ik meen, hier bij u inwoont ?quot; vroeg Graswinekel, op een toon waaruit ernstige afkeuring klonk.
âWat zal ik u zeggen. Juist als men samenwoont, rijst er al licht eenig verschil â tussehen zusters, die zoo van ongelijken aard zijn als zij en ik. Xu is er moeielijkheid ontstaan over een zoon â of een stiefzoon â van diezelfde barones de Ghiselles, wier beeltenis gij daar in handen houdt. Een edelman, dien men den baron de Ghiselles noemt, wil zich met alle geweld als onzen aanverwant opdringen; dat zou ik mij getroosten, want hij is in 't eind een cavalier die zich goed voordoet en ten hove wel gezien is. Maar Francoise beweert, dat hij een avonturier en een indringer is, en stelt zich zoo vinnig tegen hem aan, dat zij hem niet eens te woord wilde staan, toen hij haar naar de barones de Ghiselles vroeg, die naar men zegt, herwaarts heen is uitgeweken! Dat was toch wel eene onschuldige vraag, niet waar? En nog wel deed hij die uit naam van zijn vader; maar zij wilde hem dien kleinen dienst niet verlee-
255
nen, tot spijt van mijn gemaal, die zich partij stelde voor de Ghiselles, en hoewel deze de schitterendste aanbiedingen deed, in vergoeding van een toeschietelijkheid die haar niets kostte. Sinds heeft die vreemdeling den graaf zóó tegen mijne zuster opgezet, dat er de heftigste onaangenaamheden uit ontstaan zijn â van den wedersehok ook tusschen haar en mij â zoo dat er geen vrede meer mogelijk is.quot;
âVrede is altijd mogelijk, als men den twist maar van ganseher harte haat. Ik hoop u beiden nog wel te verzoenen ...
De gravin glimlachte ongeloovig, trok even de schouders op en zeide : âGij kent de gravin Francoise niet, mijn goede dokter . ...quot;
âIk hoop haar te leeren kennen. Mag ik vragen: of de baron de Ghiselles nog wel eens hier komt ?quot;
âNu de graaf vertrokken is â zal hij zich daar wel voor wachten. Daarbij meen ik verstaan te hebben, dat hij Delft verlaten heeft. . ..quot;
âToen ik herwaarts kwam, was het mede om naar de barones te vragen; zou de gravin Francoise bezwaar maken om mij op dit punt ten antwoord te staan ?quot;
âFrancoise van Egmond is volkomen bereid, om dokter Gras-winckel op iedere vraag te antwoorden, die hij goedvinden zal haar te doen,quot; sprak nu de jonkvrouw zelve, die binnentrad terwijl zij een hangtapijt wegschoof, en zich terstond met hare gewone beslistheid tot Graswinckel wendde, wiens laatste woorden zij had kunnen hooren. Daarop tot hare zuster: âMevrouwe van Solms verschoone mij, zoo ik dus ongevraagd in haar vertrek binnentrede, terwijl zij bezoek heeft; maar â vernemende wie er was, kon ik mijn verlangen, mijn ongeduld niet langer bedwingen, om den belangwekkenden man te spreken, dien ik al zoovaak heb gezien.quot;
âMij gezien, jonkvrouw! waar dan toch? Ik herinner mij niet Uwe Genade ooit te hebben ontmoet.quot;
256
âDat is ook zoo; maar ik heb u bespied, zonderdat gij mij kondet ontwaren; bespied uit mijne bovenkamer, die juist op uw kruidtuin uitziet; ik heb Siegmund naar u gevraagd, en weet dus genoeg van u, om recht verblijd te zijn, dat ik u eindelijk eens zal hooren spreken. Zie mij maar zoo boos niet aan, Sabina; Brigitte heeft mij willen afkeeren, dan ik stoorde mij niet aan haar verzet en nam de indiscretie op mij; zoo ik u al te ongelegen kom, laat de waardige dokter dan beloven mij een bezoek te brengen in mijn eigen vertrek, en ik zal mij haasten u van mijne tegenwoordigheid te ontslaan.quot;
âGij komt mij niet ongelegen, Francoise, en gij kunt blijven want dokter Graswinckel had u juist wat te vragen.quot;
âDat meene ik gehoord te hebben.quot;
Al sprekende was Francoise mede tot de kaptafel genaderd, en het medaillon ziende, nam zij het terstond op en vroeg met zekere heftigheid:
âHoe komt gij daaraan, Sabina? Dat behoort bij de familiepapieren van de barones de Ghiselles, die mij zijn toevertrouwd!quot;
âZoo neem en leg het er bij; ik heb het mij in trouwe niet opzettelijk toegeëigend, zooals gij wellicht denkt.quot;
âHet zal bij toeval in uwe handen zijn geraakt, dat wil ik gaarne gelooven,quot; antwoordde Francoise, niet zonder wat ironie.
âZeer zeker bij toeval!quot; herhaalde Sabina wrevelig, âgij weet wel dat ik geen zwak heb op nicht Machteld, noch op iemand der haren.quot;
âDaar behoeft gij u niet op te beroemen; uw hart had uw geheugen behooren te scherpen. Zij had een zoon. ..
âDie haar veel verdriet heeft veroorzaakt.quot;
âDie u eens van een wissen dood heeft gered, door u in zijne armen weg te dragen, op het oogenblik zelf dat een hollend paard u in zijn dollen vaart zou hebben verplet.quot;
âDat hebt gij mij al zoo dikmaals verteld, dat ik het wel gelooven moet, schoon mij daar niets van heugt; maar dat belet
257
niet, dat de stoutmoedige knaap een verachtelijke woesteling is geworden, die zijne familie schande aandoet.quot;
âDaar kunt gij niets van weten, tenzij door de lasteringen van den avonturier de Ghiselles...
âEn gij zoudt u niet voor Juliaan in de bres stellen, tenzij om de Ghiselles te grieven.quot;
âAl had ik geene andere beweegreden, nog zou het eene betere zijn dan de uwe om den indringer te believen.quot;
âFrancoise!quot; riep de gravin van Solms, met den gloed der gramschap op de wangen, en wilde er iets bijvoegen, maar hare sidderende lippen weigerden het uit te brengen.
âAl maakt gij u nog zoo driftig, Sabina, dat zal mij niet beletten u de waarheid te zeggen. IJdelheid en spilzucht houden u dus omstrikt, dat zij uw eergevoel hebben verstompt. Gij neemt het noblesse ohlige in den mond, om de verspillingen van uw hoogmoed te rechtvaardigen; maar ware fierheid, de naaste verplichtingen van den adel, kent gij niet meer; gij hebt met uwe overleveringen gebroken, ter liefde van de weelde, en gij zoudt een fielt als de Ghiselles, die het bloed van onzen vader heeft bespot, en die de slaaf is geworden van diens beul, de rechten willen geven van een bloedverwant, omdat....quot;
Francoise bleef nu zelve steken in haar scherpen aanval, niet omdat zij hare zuster, als in ziedende woede, op haar zag aanschieten, maar omdat Graswinckel, die met smartelijke belangstelling het uitbarsten dier felle driften had gadegeslagen, plotseling tusschen beiden trad, en haar aanzag met een blik van verwijt, die haar deed verstommen. Ter andere zijde hield zijn gebiedende wenk Sabina van Solms terug, op wier gelaat het purper van den toorn voor eene doodelijke bleekheid had plaats gemaakt. Zij wilde iets zeggen, maar zij bracht slechts stamelende klanken voort, en zou in onmacht zijn neergestort, zoo de krachtige arm van den grijsaard haar niet voor neêrzinken had behoed. Hij vlijde haar zachtelijk neêr op den divan.
Wonderdokter. II. 1 7
258
âIk zal Brigitte schellen,quot; sprak Franeoise, wat onthutst en verlegen over het tooneel, waartoe zij aanleiding had gegeven.
âBreng zelve water aan en help uwe zuster,quot; gebood Gras-winckel, âwaartoe eene dienstbode tot getuige tc maken van zoo jammerlijke oneenigheid ?quot;
âHelaas! het zou niet voor het eerst zijn geweest, dat Brigitte in 't geheim onzer familietwisten werd ingewijd,quot; dacht Fran-Qoise; maar toch volgde zij zwijgend den wenk van Graswinckel op, bracht water en opwekkende essencen aan, die zjj op het toilet vond staan, en wreef daarmeê hare zuster de slapen, terwijl zij sprak :
âGeloof mij, dokter, ik heb mijne zuster liever dan zij mij. Zij heeft zenuwen, maar geen hart.quot;
âEn wat moet men van het uwe denken, waar gij uwe tong gebruikt om zoo liefdeloos te wonden ?quot; vroeg Jacob Jansz. met zekeren nadruk.
âIk weet het, ik ben heftig en scherp; maar ik kan uiet dulden dat. ...quot;
Graswinckel legde den vinger op den mond, om haar het zwijgen aan te bevelen. Do gravin van Solms kwam weer bij â eu scheen wat verrast en getroffen, toen zij zag dat zij door hare zuster werd verpleegd; toch was zij willens zich aan die hulpe te onttrekken.
Maar Graswinckel sprak: âWees nu verzoenlijk, mevrouw, en geef mij, die met diep leedwezen getuige ben geweest van uw geschil, de vreugde uwe verzoening te aanschouwen.. .
âGij, jonkvrouw Franeoise! hebt uw oogenblik wel slecht gekozen, om de Gravin uwe zuster verwijten te doen, daar zij mij juist haar voornemen had vertrouwd, hare huishouding te hervormen .. . .quot;
âWerkelijk!quot; riep Franeoise, hare zuster aanziende met een glimp van blijdschap op het gelaat.
Sabina knikte toestemmend en wendde het hoofd af, als be-
259
schaamt! over die concessie. âHet moest wel,quot; sprak zij eindelijk; âalles loopt hier anders in do war; Siegmund is al zooveel bij mij in voorschot.quot;
âSiegmund heeft niets meer van u te vorderen; en zoo hij dit voorwendt, is 't alleen om u op zijne wijze tot bezuiniging aan te sporen; want ik heb na hot vertrok van uw gemaal die zaak met hom vereffend, met opoffering van het legaat mij dooide koningin-weduwe van Frankrijk vermaakt.quot;
âFrancoise!quot; riep nu do gravin weêr, maar met een gansch ander gevoel dan tevoren.
âGij ziet het, Sabina, al viel ik u soms wat hard, ik meen het toch goed; â daarbij ben ik u dat schuldig, want ik heb dien de Ghiselles den pas afgesneden, en u daardoor verstoken van zijne schitterende aanbiedingen. Ik zal u meer zeggen: do familiepapieren door nicht Machteld mij toebetrouwd, hebben voor dien baron zoo groote waarde, dat hij ze met eene halve tonne gouds niet te duur zou betaald achten; en toch â zou ik ze liever voor zijne oogen verbranden, dan door dio transactie zijn bedrog te wettigen!quot;
âDat is edel gedacht, gravin !quot; viel Jacob Jansz. in, een antwoord, dat Sabina willens scheen te geven, snel voorkomend. âMaar gij, jonkvrouw! die zooveel hecht aan de eer van uw huis, die zoo hoog denkt over de verplichtingen van den adel, wil toch niet vergeten, dat er nog hoogere verplichtingen zijn: die om elkander lief to hebben en verschoonend elkanders gebreken te dragen en te vergeven! Wilt gjj dat doen en nu de handen ineenleggen â niet tot oen voorbijgaande verzoening, maar tot een vast verbond om elkander te steunen en te dragen, ook in beider zwakheden cn gebreken; niet ter wille van dat edele bloed, dat in uw beider aderen vloeit, waarop gijlieden zoo fier zijt â en dat â u toch prikkelt om tegen elkander op te bruisen, maar ter wille van dat heilige bloed' dat voor u gevloeid heeft aan hot kruis ! tor wille van uw Heiland â
260
die liefde eischt van wie zich naar Zijn naam noemen, omdat Hij zelf de hoogste liefde is, en liefde, als den eersten plicht â als het begin en het einde van alle geboden heeft voorgeschreven; â wilt gjj dat? Wilt gij dat met inroeping van Zijn zegen?quot;
Het antwoord liet zich niet wachten, al werd het zwijgend gegeven.
Sabina rees op en stak hare zuster beide handen toe. Fran-goise nam die diep geroerd in de hare, en zij omhelsden elkander onder tranen.
Een half uur daarna, zag men de gravin van Solms, in een eenvoudig gewaad wandelen in den kruidhof van Graswinckel aan den arm harer zuster, en was er door Jacob Jansz. met de laatste eene afspraak gemaakt, om haar nog dien avond te komen zien, en een onderhoud te hebben over dien Juliaan van Egmond, in wien zij zooveel belang stelde.
HOOFDSTUK VII.
Wat was ev intusschen van Juliaan geworden?
Om antwoord te krijgen op die vraag, hebben wij ons niet meer te wenden naar het huis van do onderschout Bartels, dat hij heeft moeten verlaten, ondanks den goeden wil van gastheer en vrouwe om hem daar tc houden. Zijns onbewust werd hij daaruit weggevoerd en overgebracht naar eene schuilplaats, waar het hem beter zou zijn. Zijne vrienden hadden oorzaak gehad, zich grootelijks over zijn toestand te bekommeren.
In 'de eerste dagen na het bezoek van Schout Gerrit met Jacob Jansz., scheen hij zich volkomen wel te bevinden in die volstrekte afzondering, en juist gevonden te hebben wat hem noodig was: do gelegenheid om tot zich zeiven in te keeren, en zich ongestoord te wijden aan zulke overdenkingen, die het nieuwe levensbeginsel in hem konden doen toenemen in vastheid en klaarheid. Het ontbrak hem daarbij noch aan voorlichting, noch aan bestuur, en van alles wat er noodig kon zijn tot zijne geestelijke opvoeding, om het zoo eens uit te drukken, werd door zijn trouwen leidsman, die hem iederen dag kwam bezoeken, niets verzuimd. En die zorg miste geenszins haar dool; integendeel, Jacob Jansz. maakte welhaast de opmerking, dat het doel werd voorbijgestreefd, en dat de jeugdige Christen, in den gloed van zijn eersten liefdeijver, verder ging dan de bedacht-
2(52
zame grijsaard wenschte, of had kunnen wachten. Maar deze wist, dat men een menschenhart, dat zich open had gesteld voor de inwerking van den Heiligen Geest, niet naar welgevallen kan fatsoeneeren; en waar soms de vlucht te hoog, de zielszucht te vermetel mocht zijn, in het doordringen en omvatten van de teerste geheimenissen, een later rijper tijdperk die te roekeloos uitgespannen wieken zou inplooien, en de geestvervoering, tot rustigen zielevrede bekoeld, aan de aarde zou teruggeven, wat nog niet aan den hemel behoorde. Maar de uiterlijke omstandigheden waarin Juliaan was geplaatst, en die vooralsnog (volgens Barneveld) niet waren te veranderen, leenden zich zeer slecht tot wijziging. Juliaan was geen man om enkel op abstracte bespiegelingen te teren, al ware die voor hem ook de ernstige realiteit. De zwervende edelman had in zijn woelig krijgsmansleven gewoonten aangenomen van lichaamsoefeningen en lichaamsvermoeienissen, die hem tot een tweede natuur waren geworden. Plotseling uit dat alles verzet in de volstrekte eenzaamheid, zonder eenige afwisseling â hij, die aan woest soldaten gejoel en wild straatrumoer was gewend â was hem, na zijn veranderden zin, wel die eerste rust dierbaar en zegenrijk geweest, en zou hij zich als ter helle gedoemd hebben geacht, zoo hij tot zijne vroegere omgeving had moeten terugkeeren, maar toch, al vond zijn geest en gemoed zich daarmee gebaat, de overgang was te sterk, te onnatuurlijk, dan dat deze, te lang aangehouden, niet nadeelig moest werken op lichaam en ziel beide.
Juliaan was een man van praktijk bij uitnemendheid; al wat hij voorheen had gevoeld of gedacht, had hij in daden uitgedrukt, in handelingen, waarvan de meesten hem nu bitter berouwden â en die hij tot iederen prijs had willen goedmaken. Ware het hem gevergd geworden, ten bewijze zijner oprechte toekeeriug tot God, schavot of houtmijt te bestijgen, hij zou met vurige blijdschap martelaar zijn geworden; maar het eenige wat
263
nu van hem gevraagd werd, was werkeloosheid; en dit juist viel hein te zwaar en kostte hem een strijd waarin hij naar wapenen had gegrepen, die hem allergevaarlijkst waren geworden, al verzekerden zij mogelijk de overwinning. Hij had zich aanvankelijk met wat afwisseling gevleid op tweeërlei wijze. De stille hoop op een hernieuwd bezoek van Mabelia bleef hem bij, schoon hij die niet uitsprak, zelfs niet aan den geliefdsten vriend; en daarnevens, het verlangen om Bastiaan weer te zien, dat hij herhaaldelijk uitsprak, zelfs aan Schout Gerrit zonderdat er aan kon voldaan worden. De laatste was zelfs in zekeren zin schuld aan dit uitstel. Bastiaan had zich in 't gesprek met hem zoozeer overspannen, dat â er zich des anderen daags ontsteking voordeed bij zijne wond, en de genezing daardoor zeer werd vertraagd. De ware oorzaak van dat oponthoud werd voor Juliaan verbloemd, en deze zag daarin niet dan verschooning voor hem zeiven, en kon de vrees niet verzetten, dat men het ergste voor hem verheimelijkte. Bastiaan wederzien, Bastiaan vergiffenis te vragen, niet het meest voor zijne ruwe â daad, maar allermeest voor zijne bittere verwerping van diens getrouwe vermaningen; hem broeder te noemen, hem de reine vreugde te schenken een bekeerde te zien in den wederstrevi-gen zondaar, was het idéé fi.re geworden, waarop zich een tijdlang zijne wenschen en overleggingen uitsluitend vestigden. Hij smeekte Schout Gerrit, met den vurigsten drang, om eene ure vrijheid, ten einde den gang naar Bastiaans woning tc doen: r Laat mij boeien, door uwe gerechtsdienaren omringen, maar laat mij derwaarts voeren; al moest ik het huis op mijne knieën bereiken, nog zou ik u danken voor die gunst, als de hoogste weldaad.quot; Maar hoe sterker Juiiaan bleef aandringen op dien wensch, des te stugger werd dien door Gerrit Meerman geweigerd ; hij was naijverig geworden op de genegenheid van den zoon, zooals hij het eerst was geweest op het hart van de moeder. Egoïsten weten zich zelf, noch hunne begrippen voorbij te zien, zelfs niet in 't geen zij liefhebben. âHet zou maar
264
dwaasheid wezen en Juliaan tot erger voeren, zoo die twee dwepers bijeenkwamen onder zulke omstandigheden; het was al erg genoeg, dat men Jacob Jansz. niet kon weren; maar nu nog Bastiaan met zijn verwaande bijbeltaal er bij te halen, dat zon genoeg zijn om het opgewonden hoofd van Machtelds zoon geheel en al in verwarring te brengen. Verveelde hij zich in de eenzaamheid met al die boeken en geschriften, die Jacob Jansz. hem aanbracht, waarom liet hij dan Bartels niet bij zich komen, om in diens vrije uren samen wat te kaatsen of te kegelen, dat een goede uitspanning en tegelijk eene nutte lichaamsoefening zou zijn.quot; Maar dit voorstel werd door Juliaan met een minachtend schouderophalen afgeslagen, en de Schout bleef zijnerzijds bjj zijne weigering volharden. Voorgoed afgewezen, bleef de gevangene nog met stille Sehmucht wachten; of ten laatste niet Mabelia tot hem zoude komen. Juliaan had wilde hartstochten gekend en bevredigd gezien; maar liefde, reine liefde, zooals de verschijning van Mabelia hem had ingeboezemd, had hij nooit tevoren gekend, en zij deed zich nu gelden in al hare kracht, maar ook in al hare zuiverheid.
Het bezoek van die zusterlijke ziel, eene enkele male hare toespraak, zou â naar hij het zich voorstelde â zijne eenzaamheid bevolkt hebben met de liefelijkste beelden; zijn kerker zou hem verruimd zijn geworden; hij zou maar ééne vrees hebben gehad: die te moeten verlaten voor eene wereld, waarin deze gestalte door de werkelijkheid van hem zou worden gescheiden. Dan, ook deze hartewensch werd hem ontzegd â en het was de zorgzame zielevriend, die hier het onverbiddelijk âneenquot; had gesproken. Toen scheen het den armen gevangene, of op ieder der vier muren van zijn kerker het âlaat varen alle hoop,quot; als in vurige letteren stond geschreven. Maar, nu toch zou de wanhoop zich geen meester maken van zijne ziel.
âLaat varen alle aardsche hoop!quot; sprak hij tot zich zeiven; âwat vraagt gij dan ook van de aarde, die u niets meer heeft
265
te geven;quot; maar met te vuriger zielszucht omvatte hij de hoop op de hemelsche vreugde, die hij vastelijk geloofde dat voor hem weggelegd was, en waarvoor dan ook het sterven aan alle andere wensehen en verwachtingen geen te groot offer kon worden geacht. Juliaan bracht het er toe, koud en vreemd te worden voor alles, wat niet tot deze hemelsche blijdschap in betrekking stond.
, Voormaals,quot; sprak hij eens tot Jacob Jansz., met zachte, be-wogene stem, âals de Heer mij zocht, week ik terug met het woord der vreeze: âHeer! ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch!quot; maar nü â nü ken ik de vreeze niet meer, nu spreek ik met de vrijmoedige bede van den verlosten zondaar: âHeer! keer tot mij in en maak woning in mijn harte, dat nu ruim is en verruimd, en U ten tempel zal zijn;quot; en de goede Herder hoort mijne stem, en Hij draagt Zijn gevonden schaap op Zijne schouders, eu Hij zal het brengen, rein en ge-wasschen door Zijn bloed, tot voor den troon des Vaders, om te zingen het hooglied van de Verlosten des Lams!quot; In één woord: de gebogen boeteling was tot de exaltatie van een mysticus opgevoerd !
Jacob Jansz. trachtte die zielsvervoering te besturen, zonder haar te ontnuchteren; hij zelf kon mee opgaan, maar wist bij ervaring, dat de mensch, in het lichaam noch bekwaam, noch bestemd is, om gestadig hemelweelde te smaken, al mag de Christen hemelzin in het harte kennen; hij wist, hoe ras het eerste pinkstervuur verkoelt, en hoe uren van ongemeene zielsverheffing door dagen van matheid en geesteloosheid worden opgevolgd, die den onervarene, op zulke wisseling niet bedacht, in diepe droefheid doen verzinken, als hij waant, dat het Christelijk leven in hem is teloorgegaan, waar de geest der blijdschap, de geest der heilige gemeenschap Gods, voor een tijdlang van hem wegwijkt. Maar het scheen waarlijk, of Juliaan die diepte van verlatenheid nog niet kende, en hij hoorde de
266
â waarschuwingen van zijn vriend aan in zekere verbazing, alsof hij hem wel op het woord wilde gelooven, maar zonder hem te begrijpen.
Schout Gerrit, die hem eene enkele maal bezocht, ondernam wel hem uit zijne hoogte tot de aarde néér te trekken, maar hij slaagde daarin niet. Juliaan hoorde hem aan met allen eerbied, en zonder ongeduld of ergernis te toonen; maar hij gaf geen antwoord, of een zulk, dat bewees, dat hij niet had geluisterd en intusschen aan iets anders had gedacht.
Xa zulke ondervinding werd Gerrit Meerman wrevelig en voer uit tegen Jacob Jansz., die hem door zijne sermoenen en al dat bidden en bijbellezen tot een kluizenaar wilde maken, zooals hij zelf was, en die hem nog geheel in de war zou brengen, als men hem begaan liet. Om hem niet te laten begaan, bedacht hij allerlei vonden: nu eens, door aan Bartels een wenk te geven om den âgeestdrijvenden kwakzalverquot; een dag of wat van Juliaan verwijderd te houden; dan weer, door dezen op te dragen den jonker wat op te vroolijken door zijn gezelschap! â maatregelen, die zeker voor Juliaan grievend en ergerlijk zouden geweest zijn, zoo deze niet in zekere mate het begrip van tijd had verloren, zoodat het afzijn van zijn vriend hem nooit meer lang duurde, en ten andere Bartels beheerschte, die zijne redenen had, om hem geen minuut langer met zijn bijzijn te kwellen dan de gevangene goed vond.
Graswinckel zelf, al had hij zich de knieën vereelt in 't gebed, was toch te zeer practisch Christen, helderziend mensch â hij die tot op de behoeften van kleine kinderen lette â om zulke uitkomst te wenschen, als waarvan Schout Gerrit hem verdacht, of om door onverstandige opwinding daartoe mede te werken. Hij kon de oogen niet sluiten voor 't geen hij zag komen, en het bekommerde hem diep, al verblijdde het hem tegelijk. Was do nieuw geboren Christen, waarvan hij zich met recht naar 't geestelijke den vader achtte, bestemd om
267
licm zoover vooruit te gaan; zoo haast rijp te zijn voor het hemelsch Paradijs, nadat de aarde hom levenslang als eene hel was geweest? Zou hij heengaan, zonder eene andere levenstaak volbracht te hebben, dan het aannemen van Gods genade in Christus ?
Het scheen den grijsaard onverklaarbaar; en toch begon alles er hem op te wijzen.
Dat voormaals forsche lichaam scheen de overmacht van liet geestelijk leven niet te kunnen dragen; hot stoffelijk omhulsel scheen als verteerd te worden door de vlamme des geestes, die het bezielde. Voor Jacob Jansz., die ondanks alle dooding des vleesehes, en ondanks de vurigste zielszucht naar God, na zestig jaren levens nog omwandelde op aarde met een onverzwakt lichaam, was het een verschijnsel, dat zijne hoogste verbazing wekte, te zien hoe Juliaan, naarmate hij in geestelijke sterkte opwies, in lichaamskrachten afnam op onrustbarende wijze. Hij verzwakte en vermagerde als bij den dag; onder zijne oogen groefden zich donkere kringen, en zij zonken dieper weg, al glinsterden zij somwijlen van een onnatuurlijken glans; zijn vel werd geelachtig bleek en bijkans doorschijnend; hot was of er geen bloed meer stroomde door zijne aderen; zijne stem klonk mat en zacht, tenzij in oogenblikken van geestvervoering, wanneer zij schel en trillend werd.
Vroeger placht hij met zeker welgevallen de vrije lucht te genieten en wat beweging te nemen in don tuin van Bartels, welhaast werd zelfs dit hem onverschillig; het begon hem moeite te kosten de trap af te komen, en eens beneden, ging hij als vermoeid op de steenen bank zitten, liefst in de zon, schoon hij de oogen sloot voor haar licht, en rillend in de schrale voorjaarslucht, met de armen over de borst gekruist, of de vermagerde vingers ineengevouwen, als in 't gebed. Zóó bleef hij zitten, tot men hem herinnerde aan de noodzakelijkheid om naar zijn verblijf weêr te keeren; welhaast kon eene verplaat-
268
sing niet meer geschieden dan met behulp van vrouw Bartels, die hem moest steunen; en eindelijk smeekte hij het af als eene gunst, dat men hem stil in zijne kamer liet blijven.
Jacob Jansz. schudde bedenkelijk het hoofd, en schikte hem geneesmiddelen toe om de sluipkoortsen te bestrijden, die het overschot zijner krachten dreigden te ondermijnen.
Schout Gerrit raasde van leedwezen en ergernis tegen Bartels, wien hij beschuldigde den gevangene niet genoeg krachtige spijs op te disschen.
âMijne vrouw zet den jonker voor al wat hij begeert,quot; luidde het antwoord; maar Schout Gerrit meende iets op zijne trekken te lezen, wat zijne verdenking versterkte, ondanks die betuiging. Hij wilde er het zijne van hebben, zond Juliaan van zijn eêlsten rijnwijn, kwam in den loop van dien avond bij hem, liet de roemers boordevol schenken, en noodde den gevangene hem nu eens lustig bescheid te doen, op zijn eigen welvaren.
Tot zijn spijt en teleurstelling antwoordde Juliaan kalm maar vast, dat hij dit niet kon doen, daar hij eens vooral had besloten, nooit meer de lippen te zetten aan den beker der bedwelming.
âEn sinds wanneer dat kostelijk besluit?quot;
âSinds ik weet, welk een gruwelde onmatigheid is en waartoe zij voeren kan, wacht ik mij voor de verlokking; ik drink niets dan water!quot;
âNiets dan water?quot; brulde Schout Gerrit, opgevlogen van drift; âdaar zie ik Bartels weêr in volle naaktheid; de schurk heeft ons week aan week de rekening gemaakt voor bier en wijn, die hij u zou hebben voorgezet.quot;
âOch heer Schout, wil den ongelukkige daarover niet hard vallen,quot; smeekte Juliaan, âhij had mij beloofd mijne onthouding voor u te verheimelijken . ...quot;
Maar de Schout luisterde niet naar de zwakke stem van Juliaan; hij liet de schel klinken, of de alarmklok geluid werd ;
269
daarop, als kreeg hij een betere ingeving, wachtte hij de komst van den onderschout niet af, maar vloog naar beneden en stond ineens, in de volle kracht zijner dreigende persoonlijkheid, midden in de huiskamer en vlak voor vrouw Bartels, die de jongste harer telgen op den schoot wiegde.
âIk laat je man als een gemeenen dief doodgeeselen,quot; riep hij, âzoo gij mij niet terstond eerlijk opbiecht, welken kost gij den jonker van Egmond te eten hebt gegeven bij den schralen dronk waters, dien hij zegt eeniglijk te begeeren.quot;
âGenadige heer Schout!quot; en de arme vrouw viel, met haar kind in den arm, aan zijne voeten, âde jonker heeft al dien tijd niets willen nuttigen dan wat droog broods; â de grofste mik, zooals de gemeenste gevangenen die krijgen, was hem goed genoeg! Ik heb dagen aanéén kostelijk gebraden runderharsten en eêl gevogelte met fijne toespijs op zijne tafel gebracht, maar het mocht niet baten schoon ik het hem onder tranen heb gebeden, mij niet ongelukkig te maken; want ik zag het vooruit: als hij zich moedwillig liet uithongeren, zou de schuld daaraf neerkomen op ons hoofd. En toch. God weet het! wat vlijts wij hebben gedaan om hem van zjjn roekeloos voornemen te doen afzien; hoe ik zorgelijk dag aan dag de appetijtelijkste spijzen voor hem heb aangericht, ondanks zijn barsche verklaring : âdat water en brood hem genoeg waren, en dat hij daarboven niets begeerde,quot; altijd in hope, dat de trek welhaast sterker zou blijken dan het voornemen. Maar hij was niet te verwrikken, en liet alles zóó geregeld weer wegnemen, dat ik ten laatste zijn wil opvolgde en hem nietwes meer voorzette dan hetgeen hij verlangde. Het viel mij hard, want ik hield van den jonker, ondanks zijne zonderlingheid, en zag met bitter leedwezen hoe hij als bij den dag verzwakte en verminderde.quot;
âWaarom niet eer gesproken weêrgaasch wijf! het zou er nu licht beter toe staan!quot; riep Schout Gerrit, van drift met den voet stampend.
270
,Laey! Gestrenge Heer! liet ontzag voor Uwe Achtbaarheid, en de vrees u te vertoornen, zoowel als do belofte die ik den jonker had gedaan, hield mijn tong in boei.quot;
âDie zottelijke discretie zal je duur te staan komen, zoowaar ik Schout van Delft ben!quot;
âWat valt hier voor ?quot; vroeg nu Jacob Jansz. die binnengekomen was, en, vrouw Bartels in tranen ziende aan de voeten van den schout, reeds terstond vermoedde, dat Juliaan er in betrokken was.
Schout Gerrit keerde zich toen tot hem, en goot al zijne spijt en ergernis in bittere verwijten en heftige aantijgingen over hem uit, terwijl hij hem onderrichtte van het gebeurde.
âDaar valt niets meer noch minder voor, dan dat Juliaan zich willens en wetens laat uithongeren! â En daar hebt gij niets van begrepen â en dat heet een wonderdokter, die niet eens die oorzaak van de krankte heeft konnen raden, schoon het een lijder gold, die hem zoo na ter harte ging, en schoon deze zoo dicht voor de hand lag, dat de minste barbiersleerling er op gedacht zoude hebben! Ik, Schout van Delft, die niets van de lapzalverij afweet, heb, simpellijk met mijn gezond verstand te rade gaande, uitgevonden waar het hem hapert!quot;
Zonder zich op te houden met deze grofheden te beantwoorden, liep Jacob Jansz. de trap op naar het verblijf van Juliaan.
Hij vond hem geknield voor zijn armstoel liggen, verzonken in een aandachtig gebed.
Jacob Jansz. kon het niet van zich verkrijgen die gemeenschapsoefening met God te storen, en bleef zwijgend, met ontbloot hoofd, als zelf zich stellende voor den Almachtige, aan zijne zijde staan. Maar Schout Gerrit, die hem op den voet was gevolgd, maakte zooveel gerucht, dat Juliaan verschrikt oprees, en als in zekere verbijstering vroeg; wat men van-hem wilde ?
âHoud u maar niet zoo vreemd,quot; riep Schout Gerrit hem
('i
271
toe; âdaar hebt ge 't nu al mooi gemaakt, jonker van Egmond! Uwe vrienden doen al hun best om uw lot dragelijk te maken, en gij loont het hun met schandelijken ondank; maar ik zeg u, mijn jonker, dat Avjj er op voorzien zullen â gij zult niet komen tot uw vermeten; ik zal maatregelen nemen om n t(! beletten met die grimassen voort te gaan. Gij zult den hongerdood niet sterven, al zou ik je ook in 't dolhuis laten zetten en nacht en dag door oppassers doen bewaken.quot;
âOch, heer Schout, doe met mij naar uw welbehagen; gij kunt mij nergens brengen, waar ik geseheiden zal zijn van mijn Heer, en zoo de liefde Christi mij bijblijft, heb ik verder niets noodig.quot;
âBravo, stijfkop! terg mij maar, daar zult gij u wel bij bevinden. Jacob Jansz. zal dit alles zeker goed en stichtelijk achten, sinds hij zelf u met geen enkel woord berispt.quot;
âilijn zoon, mijn wellieve zoon! de heer Schout, die uw vriend en beschermer is, heeft grootelij ks oorzaak om vergramd te zijn tegen u; waarom hebt gij ons dit gedaan; waarom dus roekeloos uwe krachten verspild?quot;
âGij vraagt nog waarom,quot; viel de Schout in met heftigheid, âwel, dat ligt voor de hand; hij is zijn leven zat, omdat hij nog geen eind ziet aan zijne gevangenschap, en dit hier is eene langzame maar wel verzekerde poging tot zelfmoord, daaraf de geneigdheid maar al te veel in hem zit.quot;
âIk mag met waarheid voor God betuigen, dat deze beschuldiging niet op mij past,quot; sprak Juliaan, zacht en kalm, maar met opgerichten hoofde den Schout in het gelaat ziende; âook wei'p ik die verre van mij. Ik heb iederen dag mijne nooddruft gehad, ik heb iederen dag met dankzegging het deel genoten, dat ik vrijheid vond aan te nemen in deze werkeloosheid. Ik voel wel dat mijn lichaam zwakker wordt, maar mijne ziele kleeft niet meer aan het stof, en zoo ik ganschelijk ontbonden worde, zie ik niet, dat iemand schade zallijden bij mijne winste !quot;
272
Juliaan had dit alles gesproken, staande nevens zijn armstoel en zich daarop leunende; toen hij zweeg liet hij zich daarin neêrvallen als mat en uitgeput, en sloot de oogen, of het lamplicht hem hinderde.
rJuliaan!quot; sprak Graswinckel, zijne hand nemende en den pols zoekende, âvan schuldige bedoelingen verdenk ik u niet; maar toch, het doet mij leed, dat gij ondanks uw oprecht geloof in zulke schadelijke doling zijt vervallen.quot;
âEene doling! maar gij, mijn vriend, zult mij daaraf toch geen verwijt maken, dat ik mij niet gerechtigd achtte gebruik te maken van de weelde, waarmee al te teere vriendenzorge mij kwam verzoeken, en dat ik ondernam mijn vleesch te beheer-schen; hebt gij zelf mij niet het exempel gegeven van de volstrekte dooding aller zinnelijke lusten?quot;
âZoo gij exempel aan mij hebt genomen,quot; antwoordde Graswinckel, met een zacht hoofdschudden en op weemoedigen toon, âmag ik met waarheid betuigen, dat ik mij zei ven aan u noch aan iemand als voorbeeld heb gesteld. Ik weet, dat ik u op Christus heb gewezen, en Christus navolgen â is gansch wat anders dan elkander nadoen. De een is nut en noodig, wat den anderen grootelijks schade zou zijn; daarom heeft men eeniglijk op Christus te zien en Hij is gekomen, etende en drinkende, en de goede gaven heiligend, matigheid bevelende in alles. Hij heeft nergens gezegd, dat men Hem het beste zoude dienen met het lichaam te verzwakken en te verarmen. Het uwe. reeds door een leven van hartstochten en ontberingen ondermijnd, was niet bestand tegen de proeve, die ik mij in de volle kracht der jonkheid, om redenen, daaraf ik geen mensch rekenschap schuldig ben, heb opgelegd. Daarbij, uw staat van gevangenschap was reeds een tegennatuurlijke voor u, en het was een onvoorzichtig beginnen, het lichaam nog daartoe te kwe'ilen met nuttelooze onthouding.quot;
âMaar verstaat gij â gij ook â mij dan niet, als ik u zeg,
273
hoezeer het mij behoefte was iets te doen, al was het dan ook maar door laten, om mijn geloof te betuigen, om mijne liefde te toonen ?quot;
âZeker versta ik i in de zucht die u daarbij heeft geleid; maar er was u immers reeds een werk dos geloofs aangewezen, en een zeer groot zelfs.quot;
âWat meent gij?quot;
âDe liefde Gods aan te nemen als een genadegift, waarvoor gij niets hadt weêr te geven dan het harte, en met dat harte ook de bereidheid om al te geven wat Hij vragen zou, ware 't ook wat u meer dan iets anders tegenstond; lijdzaam wachten, totdat Hij zelf u het kruis oplegt, dat Hij u wil doen dragen; gij behoeft Hem niet vóór te zijn, door het zelf te zoeken.quot;
âZoo ik hierin gezondigd heb, is het wel onwillens,quot; hernam Juliaan, zachtmoedig, maar toch op een toon, of hij, den strijd moede, toegaf wat hij niet inzag; en na een oogenblik zvvijgens, hervatte hij, den blik naar boven gewend â of hij in den geest den Hemel aanriep om voor hem te getuigen: âJuist onder deze zelfkastijding heeft de Heer mij gewaardigd met Zijne dierste gonst; heeft Hij zelf mij zoo teederlijk vertroost; heb ik de nabijheid van Zijn Heiligen Geest zoo krachtiglijk ervaren, en zijn mij zulke heerlijke beloften geworden van Zijne toekomst; werden mij zulke verkwikkende gezichten te aansshouwen gegeven van de Hemelsohe heerlijkheid, die voor de zijnen is toebereid â dat ik dit alles toch wel mag nemen als de merk-teekenen van Zijn genadig welgevallen.quot;
âNiets dan de inbeelding uwer kranke hersenen!quot; viel Schout Gerrit in. âWie weken aaneen zich van het noodige onthoudt. Ja, zelfs zich den gezonden slaap niet gunt op een goed gespreid bed, zooals ik verneem dat gjj doet, komt in een toestand, waarin hij alles kan zien wat hij zelf wil! 't Is mij bij heksenprocessen voorgekomen, dat de vrouwkens, die men op water en brood zette, een geregeld relaas wisten te gevQn van Wonderdokter II. 18
274
hare conversatie met Satan, en hoe ze met zijne duivelen gedanst hadden, in de gedaanten van nachtuilen en katers!quot;
âIk leve van deze vreugde! bedroef mij niet!quot; sprak Juliaan, met eene smeekende stem en Graswinckel aanziende, of hij bij dezen steun zocht tegen den aanval van Schout Gerrit, die, Jacob Jansz. met zekere bedoeling aanziende, voortging: âNu â spreek als medicijnmeester, heb ik gelijk of ongelijk!quot;
âDaar gaat veel om tusschen hemel en aarde, heer Schout, dat niet kan gevat worden door luiden, die het vleesch dagelijks verzorgen tot begeerlijkheid, dat is zeker; maar ik geve het ii toe, dat men niet te veel hechten moet aan visioenen in een staat als den zijnen. Maar toch, wellieve zoon!quot; ging hij voort, met onbeschrijfelijke goedheid en tot Juliaan gekeerd; âik geloove voorzeker aan de blijdschap, aan den troost dien gij hebt gesmaakt en waarvan gij voor u zeiven de verzekerdheid hebt in den vrede die u is bijgebleven. Al was het ondernemen eene doling, de barmhartige Heer acht op het harte, en het uwe is oprecht voor Hem, ziedaar het noodigste. Als uw leidsman naar het geestelijke, zou ik u nog te verwijten hebben, dat gij mij uw opzet van onthouding zoo zorgelijk hebt verheeld; dan, gij hebt allereerst mijn raad als medicijnmeester te hooren en te volgen, en die luidt, dat gij onverwijld van leefwijze moet veranderen, tenzij gij willens en wetens uw leven verkorten wilt!quot;'
âGjj weet wel van mij, mijn vriend, dat ik niet zal volharden in 't geen gij afkeurt,quot; antwoordde Juliaan ootmoedig.
âDat's nu eens gesproken als een verstandig jonkman!quot; viel Schout Gerrit in; âals gij nu niet voor een zelfmoordenaar wilt doorgaan, moet gij mij eens zonder morren bescheid doen eri dezen roemer leêgen op uwe beterschap.quot;
Aan 't goed exempel haperde het niet, want ten bewijze-hoe goed hij het meende, dronk Gerrit Meerman den zijnen in eens leeg en zette dien omgekeerd op tafel neer, zonderdat er een droppel vochts uitlekte.
275
Juliaan zag Graswinckel aan met een onrustigen blik, als vreesde hij, dat deze hem vergen zou, aan die uitnoodiging bescheid te doen.
Maar Jacob Jansz. haastte zich tusschenbeide te komen.
âDit verbiede ik als arts; en gij, heer Schout! meent het te goed met hem, orn zelf' niet in te zien, dat hetgeen u niet-wes deert, hem uiterst schadelijk zou zijn. Van eene enkele hartige teug zou dat zwakke hoofd nu reeds duizelen. Mogelijk schrijve ik hem later wat malvezy voor bij droppelen! Maar nu vooreerst zal wat vleeselmat en een geklutst eiken beteren dienst doen. Biecht eerlijk op, Juliaan, hebt gij mijne medicamenten ingenomen ?quot;
âStiptelijk, mijn vriend; doch....quot;
âGij hebt er geen baat bij gevonden, dat is niet te verwonderen; zij waren berekend op een patiënt, die dagelijks van goed voedsel werd voorzien. Ik zelf leef niet van water en brood alleen; ik gebruik ook kaas en melk, daarin zoo groote voedende kracht zit, dat ik u die nu nog niet eens durf aanbevelen.quot;
âEn ik, die vrouw Bartels al opgedragen had, hem ossenrib en ham voor te zetten,quot; gromde Schout Gerrit.
âGeloof mij,quot; sprak Graswinckel, even glimlachend, âdaar zijn we nog niet aan toe.quot;
âDan zullen wij er ook nog in lang niet aan toe zijn, dat dat gij weêr een kloek en kras edelman wordt; en vóór dien tijd, Juliaan! â Je hebt het er naar gemaakt vóór dien tijd kom ik je niet weder zien! want zooals gij nu zijt, geeft ge mij maar verdriet en ergernis.quot;
âHeer Schout! ga niet in gramschap van mij weg,quot; sprak Juliaan, oprijzend en hem volgend; âschenk mij uwe vergiffenis, zoo ik u onwillens leed veroorzaakte.quot;
âIk moest Je niet weêr willen aanzien, ondankbare!quot;
âGod weet, óf en hoe wij elkander weêrzien,quot; sprak Juliaan,
276
met nauw hoorbare stem. âIk smeek u, geef mij de hand en wees verzoenlijk.quot;
âGij, met uw Machtelds-oogen, kunt alles met mij doen wat gij wilt, en dat weet gij maar al te goed, deugniet!quot; en niet slechts reikte hij hem de hand, maar drukte hem in de armen en kuste de oogen die hem zoo lief waren.
Toen stak hij ook Graswinckel de hand toe met een: âWees gegroet! Ik moet naar het Schepen-Collegie. Zorg voor hem en kom mij morgen zien!quot;
Juliaan, inmiddels naar zijn armstoel gewaggeld, liet zich daarin neêrvallen, en sloot de oogen, als afgemat en sluimerziek. Jacob Jansz. stoorde die neiging tot ruste niet, maar sloop zacht ter deur uit, beduidde vrouw Kartels wat zij voor den patiënt moest klaar maken, en gaf zijn voornemen te kennen, om dien nacht zelf bij hem te waken.
âÃSTu, daar doet gij wel aan, heer dokter; zonderdat brengt hij weêr den nacht over op den steenen vloer uitgestrekt, met den arm onder het hoofd, zooals in den laatsten tijd zijne gewoonte is, wat ik er ook tegen redeneer. Of ik al zeg : âJuffer Mabelia heeft alles vooruit betaald,quot; het helpt niet; ik krijg altijd hetzelfde antwoord; âMijn Heer en Heiland zelf, had geen steen om het hoofd op neer te leggen, en zou ik, ellendige, mij dan zachtelijk ter ruste vlijen op het bed der weelde?quot; Maar 's morgens is hij dan zoo wrak eu verstijfd, dat hij mijne hulp noodig heeft, om zich weêr op te richten!quot;
âOch oft gij dit alles niet dus lang voor zijne vrienden hadt verborgen gehouden, vrouw Bartels!quot; verzuchtte Jacob Jansz.
âWat zal ik u zeggen, heer dokter, ik vreesde zoozeer den toorn van den Schout.. ..quot;
âMij â mij â hadt gjj het toch konnen vertrouwen; gij wist toch wel, dat ik u niet hard zoude vallen .. ..quot;
âOm de waarheid te zeggen, heer dokter, meende ik, dat gij
277
zelf den jonker hadt opgelegd, zijn lijf dus hard te trakteeren, bij wijze van boetedoening!quot;
Dit naïeve woord van vrouw Catelijne trof Graswinckel pijnlijker dan al de grofheden en spotternijen, die Schout Gerrit hem naar het hoofd wierp.
.Mooi zoo!quot; riep Schout Gerrit triomfantelijk, toen Jacob Jansz. hem den volgenden dag bezocht en van die opvatting der kasteleines hoorde; âdat komt er van als men den zonderling wil spelen; ze gaan u ten leste nog' voor een paapschen biechtvader houden, die zijne biechtelingen zelfkastijding oplegt.quot;
âGerrit Fransz. Meerman!quot; gaf Jacob Jansz. ten antwoord, met zijne gewone gelijkmoedigheid, âwij zijn één van zin om liet welzijn te behartigen van den jonkman, die ons beiden ter harte gaat; laat ons nu nietwes anders bedenken dan dit eene daartoe gij mij hier bescheiden hebt. Bij de Bartelsen kan hij niet blijven . ..
âDaar kan hij niet blijven, dat ben ik met u eens, want uit eigenbaat of uit zottelijke toegeeflijkheid zouden ze hem alles toelaten wat in zijne kranke hersens opkwam, en gij noch ik kunnen er altijd bij zijn om tegen zulke abuizen te waken.quot;
âDit zelfs daargelaten; hij is nu nog vervoerbaar, maar later sta ik voor niets in. Als die sluipkoortsen, die nu reeds zijn uitgeput lichaam ondermijnen, van karakter veranderen, zooals ik voorzie, heeft hij onverpoosd verstandige, liefderijke verpleging noodig, zal er eenige kans op herstel zijn; en zóó hij betert, moet hij zuiverder lucht genieten en zich bevinden in eene omgeving, die tot zijne rust en vrede naar ziel en lichaam medewerkt.quot;
âDe vraag is maar, hoe hem dat alles te verschaffen! Ik zou er grof geld voor overhebben.quot;
âHet heeft u niets te kosten dan uwe toestemming in zijne verplaatsing.quot;
âDat's juist wat mij mijn krediet bij den Advocaat, de gunst
278
van Maurits kan kosten, als ik dus, tegen hun verklaarden wil, met den gevangene handel!quot;
âEen gevangene als deze, die men met open deuren binnen kan houden! Dat neem ik voor mijne verantwoording â eisch de borgstelling die gij zelf wilt!quot;
âDaarvan is nu geen sprake, 't Is maar, de Advocaat kan niet geraadpleegd worden op dit pas, en do Stadhouder is in Zeeland.quot;
âDe jonkvrouw van Egmond heeft mij beloofd, al haar invloed te laten gelden, om de vrijheid van haar neef te bewerken; zij heeft alreeds zekere familiepapieren naar den Haag opgezonden, die ongetwijfeld van gunstigen invloed zullen zijn op het gevoelen van Zijne Excellentie; onder deze omstandigheden waagt gij niet veel, met Juliaan aan mijne zorge toe te vertrouwen. Zooals het zich nu laat aanzien, zou hij wel eens uit de banden des vleesches kunnen ontboeid zijn door den wille Gods, aleer de menschen, die over zijne vrijheid dus willekeurig hebben beschikt, tot de resolutie gekomen zijn om hem recht te doen .... bedenk dat, Gerrit Meerman!quot;
âGij schroeft mij het harte op de pijnbank met mij dit te zeggen. Ik heb er nooit aan gedacht, wat ik nu voel, hoe lichter het valt iemand van zijne vrijheid te berooven, dan hem weer te ontslaken, zelfs bjj de gewisheid van zijne onschuld. ïk heb er nooit over nagedacht, zooals nu, wat al smartelijke gevolgen een enkele misgreep der justitie na zich kan sleepen.quot;
âZoo verzwaar dien treurigen nasleep niet, om Juliaans, om uws zelfs wil, en sta mij toe wat ik verlang.quot;
âWaar zult gij hem brengen?quot;
âOp mijne hoeve in de nabijheid van Delft.quot;
âZoo ga uw gang. Ik zal Bartels mijn wil doen verstaan. De meeste discretie kan worden in acht genomen. Zoo gij wilt, zal ik zelfs Bastiaan verlof geven ....quot;
âDat zou niet meer van goede werking zijn. Den ganschen
279
naeht door heeft hij in eene jjlende koortse gelegen, en zijn zenuwgestel is in een staat, daarbij iedere heftige aandoening, zelfs eene blijde, hem schaden kan. Dit afbeeldsel zijner moeder, dat de gravin Frangoise mij voor hem gegeven heeft, durf ik hem niet eens te laten zien. Neem gij het en behoud het, tot tijd en wijle dat gij er hem zelf mede kunt verheugen.quot;
âJa! dat is Machteld! Machteld in den bloei harer schoonheid, in 't gewaad van haar rang!quot; riep Gerrit Meerman, het in verrukking beziende â âmaar gij â gij staat dit af â aan tnjj!quot;
âWaarom niet? Gij hobt het wel aan haar zoon verdiend.quot;
âMaar aan u, Jacob! .. .. niet aan u, dat voel ik al te goed!quot; en er lag iets op dit gelaat, dat er maar zelden op werd waargenomen. âJk val wel eens wat ruw uit. Vergeef mij, gij zijt een nobel menseh!quot;
âOch, prijs me toch niet om die lichte zake; prijs God, die de harten leidt als waterbeken, en die medewerkt, ook bij de zwakste poging om het kwade te overwinnen door het goede!quot;
ïen gevolge van dit overleg, werd Juliaan nog dien eigen dag, terwijl hij in een staat van sluimerziekte en bewusteloosheid verkeerde, onder toezicht van Jacob Jansz. naar Delfgauw vervoerd. Daar moeten wij hem opzoeken in de bewuste pachthoeve, die nog altjjd aan Graswinckel behoort. Vrouw Blommers «chter is lang ter ziele, en het is ook niet meer hetzelfde huis. De oorlogsfakkel had er gewoed, ten dage dat Alba in Delft was gelegerd, en het nederige rieten dak was zoomin gespaard gebleven, als de arduinen kloosterbogen van 't vorstelijk Konings-feld; maar het was lichter op te bouwen geweest, en toen de familie Graswinckel uit hare ballingschap weerkeerde, was dat ook niet verzuimd.
Het gezin, dat er nu woont, is een jong gehuwd paar, dat door Jacob Jansz. beweldadigd en in zijne boerderij is gezet, op de gunstigste voorwaarden; zoodat zij met liefde den gast
280
hebben opgenomen, tevreden, aan dezen de dankbaarheid te kunnen betoonen, die zij voor hun weldoener gevoelen.
Op een der eerste liefelijke meidagen, zien wij op eene bank voor het huis, zich koesterend in de milde zonnewarmte, die nog alleen maar verkwikkend, niet hinderlijk was, Juliaan van Egmond zitten; â maar wij moeten wel gewaarschuwd zijn dat hjj het is, zullen wij hem herkennen. Hij ziet er zoo bleek en vermagerd uit, als ware hij een teringlijder in het laatste tijdperk; maar gelukkig ontbreekt het verraderlijk blosje, en de bleekheid is het doorschijnend wit van een herstellende, na eene afgeloopen ziekte. De oogen schitteren met een zachten glans, die te sterker uitkomt, omdat ze grooter schijnen bij de ingevallen kaken en de verscherpte, maar ook veredelde en verfijnde trekken. Hij is gewikkeld in een ruimen samaar of huispels van zwart zijden damast, met een smal randje marterbont omzoomd, waarvan do wijd openvallende mouwen, de rood karmozijnen voering te zien geven, en tegelijk het fijne linnen van zijne ponjetten met kunstig stiksel versierd. Zijn hoofd is gedekt, met een fluweelen muts. Geheel zijn voorkomen getuigt nog wei van zwakte, maar toch van terugkeerende krachten en van zeker welbehagen in het gevoel der hernieuwde gezondheid. 0]gt; zijn gelaat ligt die rust van den herstellende, die nog niet tot de zorgen, de plichten, den strijd des levens wordt geroepen, en die zelfs bijkans het nadenken schuwt, uit vreeze dat ze hem ten ontijde zullen overvallen. De vroegtijdige rimpels, die het krachtige voorhoofd plachten te groeven, schijnen als weggevaagd met de zorgen en smarten die ze hebben doen ontstaan; de overspannen zielsverrukking, die tot waanzin dreigde te voeren, is geweken en heeft plaats gemaakt voor stille blijdschap; er is lijdzaamheid zonder verdooving, er is vrede; het is als een halt in dit veel bewogen leven, iets van dat woord der ontferming, dat eene enkele maal tot den mensch wordt gesproken : âZit neêr en eet, de weg zou u te veel zijn.quot; Vermoeiden van
281
den strijd des levens, kent gij deze pauze? Weet gij haar te genieten, te waardeeren als zij u geschonken wordt? zoo ja, dan zult gij mij verstaan.
De convaleseentie van Juliaan wordt omringd van de opmerkzaamste en liefderijkste zorge, dat is uit alles op te merken.
Een schapenvacht is onder zijne voeten neergelegd, opdat zij niet in aanraking zouden komen met den killen grond; de vrouw van leeftijd, met haar zacht bljjmoedig gelaat, die hem een kop versche melk komt brengen, ziet hem aan met goê-lijke meewarigheid, terwijl zij opgeruimd spreekt:
âDat's voor 't eerst, jonker! dat gij uwe melk zoo in de vroegte gebruikt, en nog wel buiten! Nu gaan we met den dag vorderen, dat zult gij zien, Gods hulpe verder meêwerkende, waar we wel op hopen durven.. . .quot;
âZoo doe ik! goede Lijsbeth!quot; antwoordde hjj, de kom van Oud Delftsch aardewerk aannemende, en die in de blanke, vermagerde handen houdende, nog zonder er van te gebruiken, maar de oogen naar haar opslaande met een uitdrukking van innige dankbaarheid. âJa! ik erkenne het: nu ik weêr beter worde, verblijd ik mij in het gevoel van nog te leven, in het vooruitzicht van weer gezond en sterk te worden. Mijn hart is vol dankbaarheid, en toch zoo weemoedig gestemd, dat ik zou konnen schreien, zoo ik mij die weekheid niet schaamde;quot; en, zijns ondanks werden de oogen toch vochtig. âWeet ge, Lijsbeth, het zien van dat jonge groen, van die teére blaadjes, die zich ontplooien, van die witte bloesems, waar boom en heesters zoo weelderig mee prijken, doet me weldadig aan; nooit voordezen heb ik op de schoonheid der schepping geacht, maar nu spreekt ze rnij toe, nu is 't of zij mij aanlacht.quot;
âJa, ja! zoo is het; de werken Gods vertellen Zijne eer en Zijne liefde. Maar, jonker! gij moet nu op dit pas niet rondzien, noch sammelen met uwe melk warm en schuimend te drinken, dat's zoo streelend, en dus doet zij de meeste kracht.
282
't Is altijd van de eigenste roodbonte, die op de malsche weide vlak achter de boerderij loopt grazen: âhet koetje van den Jonker,quot; zooals de boerin zegt. Goed dat oude Lijsbeth nog het melken niet heeft verleerd, zoo krijgt gij ze steeds op uw gelegen tijd! Kom! ik zie wel, het smaakt weêr,quot; eindigde zij, met welgevallen opmerkend, hoe gretig het kostelijk vocht werd genuttigd.
âJa! het verkwikt me,quot; hernam hij, haar de drinkschaal teruggevend. âWees gedankt, Lijsbeth, voor al uwe zorge en moeite. En toch,quot; ging hij voort, haar nogmaals aanziende met een blik vol stillen weemoed, âtoch hebt gij mij eens zulk eene teug gereikt die u zwaarder offer kostte.quot;
âNu! spreek daar niet van....quot;
âJa toch, laat mij er van spreken! Het heugt mij of' het gisteren ware voorgevallen; en toch, wat ligt er al niet tusschen.quot;
âVeel te veel, dan u nu goed zou zijn na te speuren. Ik zelve kan er nog niet aan gedenken, zonder mij over mijne bloohar-tigheid te schamen; had ik toen konnen weten wie gij waart, ge wissel jjk had ik mij over alles heengezet, en u gedwongen den nacht over te brengen in mijne kluis.quot;
âDan is het maar heel goed, dat gij dit niet hebt geweten, moedertje! want dan zou de verlaten zwerver niet door do uiterste ellende tot zijne volkomen redding zijn heengevoerd.quot;
âOch! zeg dat niet, jonker. Onze goede Heer zoekt de zijnen op iederen weg. Jacob Jansz. die met den rijken jongeling uit het Evangelie mocht betuigen : âDat hij alle Gods geboden onderhouden had van zjjne jonkheid aan,quot; werd toch door Hem afgekeerd van het pad der eigengerechtigheid, om Hem te volgen in ootmoedige gehoorzaamheid. Ik zelve die wel zeggen mag, dat ik het kwade, naar den mensch gesproken, noch gedaan, noch gekend had, werd simpellijk door 't aanschouwen van zijne blijdschap bewogen, mijn hart den Heere te wijden.quot;
âHoe groote voldoening moet dit toch zijn, Lijsbeth, te kon-
283
nen zeggen: âIk heb den Heere gediend van mijne jonkheid aan,quot;quot; sprak Juliaan, haar met zekere benijding aanziende.
âWel, jonker, wat zullen wij daartoe zeggen: de eersten zullen de laatsten zijn, en de arbeider, die ter elfder ure geroepen werd, ontving hetzelfde loon als wie de hitte des daags al van den morgenstond aan hadden verdragen. Wat mij belangt, toen ik bestond den Heer te dienen, onderkende ik eerst recht de ellende en de boosheid van dat arglistig en weêr-strevig harte, dat ik had te offeren. Ik beeldde mij in, dat de kloostertucht mij zou heiligen; maar het geschiedde, dat het averechts uitviel. De Heer wil in vrijheid gediend zijn. De zorgvuldigheden des levens werden zonderlinge zeer ter harte genomen in het adellijk klooster, waar men mij als leekezuster aannam op voorspraak uwer moeder, ik heb strijds genoeg te voeren gehad, dat verzeker ik u. De uiterlijke dwang schaadde aan de innerlijke gewilligheid, de geestdrift verflauwde, mijn geloof werd geschokt; daarna volgde de verdrukking, de vervolging, bijkans ten bloede toe, die mij losrukte zonder mij vrij te maken. Ik doolde troosteloos om, tot den dag toe, dat tmze waardige Jacob Jansz. mijne hand vatte, en mij rust en veiligheid verzekerde naar de wereld, en naar 't geestelijke tot de bron der kennis voerde die in alle waarheid leidt. Ik sta nu in de vrijheid, in het licht, jonker; en toch â en toch â de oude Lijsbeth heeft het nog niet zóóver gebracht, dat zij zonder schade verzuimen kan, iederen dag opnieuw het Onze Vader te bidden met ootmoed en schuldgevoel! Maar Godlof! dat verhindert mijne blijdschap niet, evenmin als het uw geloof moet doen wankelen, al kwaamt gij ook nog weêr te struikelen. Wij weten Wien wij toekomen, die het ook doen zal! En daarop verlaten wij ons in alle ruste, niet waar?quot;
âJa, Lijsbeth, zoo is het! Maar toch â opnieuw struikelen â ik ! Gij doet mij ijzen bij die gedachte!quot;
âWel, jonker! gij zult u kloek houden, dat betwjjfel ik niet;
284
maar toch, vergeet niet dat er geschreven staat: âWij struikelen allen in vele!quot; en die dat schreef, was een Apostel! â hoe konneu wij dan meenen, dat het bij ons beter zou zijn ? Ja, jonker het is niet anders, wij moeten streven naar de volmaaktheid ; maar toch, met vallen en opstaan moeten wij er komen; zoolang we nog hier op aarde zijn, kan die niet worden gevat, ja, zelfs hoe dichter men meent die nabij te zijn gekomen, hoe verder zij afwijkt. Ik, die zoo in mijne eenlijkheid tijd en ruste heb daarop veel te peinzen, weet dat bij ervaring; als ik meen een heel eindje gevorderd te zijn, zie, dan komt er een rukje in den wind, en met beschaming moet ik dan weelzeggen: âLijsbeth, Lijsbeth! zijt gij nog altijd de oude!quot;quot;
Maar toch, hij Jacob Jansz. â hoe benijde ik hem; die zal toch zulke klachte niet behoeven te slaken; die streeft zoo maar op eens recht door, zonder mistred, langs het enge pad, niet afwijkend ter rechter, nocli ter slinker.quot;
«Hij zelf zal dat zeker niet zeggen, maar wij die hem gadeslaan, ja! wij konnen niet anders denken of het is zoo. Ik, die het zonderlinge voorrecht, heb gehad in do geheimenis zijner roeping in te zien, ik zegge u dit: hij is een mensch apart. De Heer heeft hem verkoren, en bekwaam gemaakt tot zoo volkomen dooding en afsterving van 't vleesch, dat hij, om zoo te spreken, maar wandelt in dat dorre omhulsel, zonder dat hij het zich aantrekt, als behoorde het hem niet meer. Hij is eigenlijk nietwes anders dan het instrument, om den wille des Heeren te doen en de werken die Deze hem geeft.quot;
âEn mij â mij â die gemeend had, hem op dat spoor van de dooding en kruisiging des lichaams te moeten volgen, om ook Zijn weg te gaan mij - mij heeft hij deswegen berispt als over eene schadelijke doling.quot;
âEn had hij zoo gansch ongelijk?quot; vroeg zij, met een zachten glimlach.
Hij zuchtte en sloeg de oogen neêr.
285
âHij zelf eert de liefde, die uit uw overijver bleek; doch â verschoon mij jonker â als twee lieden hetzelfde doen, is het daarom nog niet hetzelfde. Uw voornemen is wel degelijk gebleken eene eigenwillige keuze te zijn geweest, en geenszins eene roeping als de Zijne. Hem heeft de Heer macht gegeven over zijn lichaam, op zulke wijze, dat hij dit volkomenlijk kan beheerschen, en toch de krachten behouden die hem noodig zijn, om zijne zware taak dagelijks te volbrengen; wat zal men tegen deze dingen zeggen? zult gij of ik eischen dat aan ons hetzelfde geschiedde? Onze Heer Jezus heeft het ons immers zelf gezegd, dat in het huis Zijns Vaders vele woningen zijn; zal de veelheid niet ook verscheidenheid wezen? En als de gezaligde staat niet een gelijke is voor allen, hoe wilt gij dan, dat de genadegaven voor allen dezelfde zullen zijn? Het .staat immers geschreven, dat het nh'f zoo is, en daarom; blijven zien op Christus, op dien alleen, niet op een mensch, wien ook; aannemen wat Hij geeft, en dankbaar zijn, in ootmoedige gehoorzaamheid; volgen, niet vooruitloopen, niet alleen willen gaan : dat is het wat een Christenmensch voegt, die veilig wil zijn en gerust wil leven in deze tegenwoordige wereld.quot;
âTk zie in, dat gij gelijk hebt, Lijsbeth, on gij doet mij goed met zoo te spreken; en toch, gij weet niet hoe het mij beschaamt, dat ik, van jongs aan gehard in het ruwe soldatenleven tot allerlei ontberingen en vermoeienissen, nu die lichte onthouding niet heb konnen dragen, zonder als een weekeling te bezwijken . . . . en, dat ik mij nu zóó moet laten verplegen ja! vertroetelen ....quot;
âTot poene van uwe vermetelheid,quot; viel zjj lachende in, âdat gij, na het zware leven, dat uw gestel reeds geschokt en ondermijnd had, niet in eenvoudigheid het goede aannaamt, dat u, naar 's Hee-ren beschikking, door de hand der vriendschap werd voortgezet.quot;
âGjj weet, dat ik nu gansch anders doe, en wel van harte dankelijk aanneme.quot;
âDat behoort ook zoo; maar gij zijt in 't diepst van uw harte
286
naijverig op Jacob Jansz., en daartoe zeg ik : benijd hem evenmin, als gij hem volgen moogt. Geen van de genietingen dezer aarde, die door ons overige menschenkinderen in alle vrjjigheid worden gesmaakt, worden door hem aangeroerd. Ons oog verlustigt zich in het zien hoe het vee in de weide graast, hoe de jonge lammeren daarginds dartelen en springen. Ons geeft het blijdschap wat uit te rusten in de schemering, en naar't zingen van de nachtegalen in 't kreupelhout te luisteren; die witte bloesems en roode meien geuren ons tegen; dit lentegroen in het zonnetje maakt ons hart vroolijk, en het mijne weêr jong, als ik zoo wat luierend heen en weêr trantel; maar hij! van dat alles ziet hij niets; zou hjj er ook hetzelfde voor voelen, hij kan er zich niet mee inlaten â het houdt maar op! Hij ziet niet op of niet om; hij ziet alleen maar den weg die voor hem ligt, en dien hij te gaan heeft om zijn werk te doen, en als dat afgedaan is, wacht er wat anders; voor hem is er geen halt, hij heeft maar ééne ruste : die op zijne knieën in 't gebed. De Heer Jezus zat nog aan met Zijne vrienden aan den gastvrijen disch; hem kan men er ternauwernood toe krijgen, om hier staandevoets een teugje wei te drinken; en zjjn lijf heeft zich nu eenmaal zoo naar dit leven geplooid, dat, anders te doen, zijn wisse dood zou zijn. Wat mij belangt, schoon ik toch wel met alle aardsche verwachtingen gebroken heb, ik achte zulk leven niet begeerlijk, dat wil ik wel belijden, al schijnt het ook wat wereldsch; en gij?....quot;
âIk, Lijsbeth! Lacy! Ik voele maar al te zeer, dat ik nog niet zoo los ben van alles als ik gemeend had. Nu de gezondheid en de krachten terugkomen, rijzen er wenschen en gedachten bjj mjj op, die mij veeleer heentrekken naar de aardsche uitzichten, dan naar de hemelsche blijdschap.quot;
âWel! dat behoeft u niet te bezwaren, jonker! Een edelman van uwe geboorte behoort geen kluizenaar te worden; Jacob Jansz. zelf is de eerste, die het u heeft gezegd.quot;
'287
â.Ja! zoo is het, mijne vrienden werken samen met mijne zwakheid, om verwachtingen op te wekken, die .. .
âHunne vervulling zullen krijgen, wees daar zeker af. Ik heb den heer Schout bij zijn laatste bezoek nog tegen Jacob Jansz. hoeren zeggen, dat er eene notabele wending in uw lot was te voorzien; en hij scheen het voor zeker te achten, dat gij, bij krachten zijnde, in volle vrijheid van hier zoudt konnen gaan.quot;
âOch! wat zal ik toch met die volle vrijheid,quot; viel Juliaan in, met een zwaarmoedig schouderophalen, als voelde hij de werkelijkheid reeds weêr drukken.
âKom, vermoei uw hoofd nu maar niet met daarover te tobben; de Heer zal den weg wel wijzen, en dan moeten de menschen,, willens of niet, samenwerken om u dien te doen gaan ; maar ik blijf daar bij u staan keuvelen, oft ik uwe kamer niet had te doen. Inmiddels, als gij wijs wilt zijn, jonker, moet gij eens wat rondloopen in 't jonge groen; dat zitten peinzen in eenlijk-heid, deugt voor u niet; kunt gij het nu al zonder mjjn steun doen ?quot;
âJa! Ljjsbeth, Godlof! zoo zwak ben ik nu niet meer; maar beloof me, dat gij straks met uw spinnewiel bij mij komt zitten; 't is zoo gezellig als dat radje snort en Ljjsbeth-moei daarbij aan 't kouten raakt.quot;
âWel, jonker, dat's tot uw dienst; zoo zal ik me wat haasten met mijn werk. Verleen me wat hulpe, en ga eens omzien naar de kippen, die nog gevoerd moeten worden.quot;
En Juliaan, die lachend âjaquot; geknikt had, kreeg een nap met graan in de hand, en trok daarmeê af naar 't happig volkje, dat joelend en giebelend om hem rond stormde en pikte, dat elkaar plukte en kribbige kippenkuren maakte, die hem menige glimlach afpersten.
Ja, ja! Lijsbeth wist wel wat ze raadde, al was zij maar âeen simpel oud vrouwtje!quot; Doch, daar kippen voeren maar een kortstondig verzet is, slenterde Juliaan welhaast doelloos rond,
288
door het noff altijd dusgenaamde slingerboschje, dat zich nu nog veel verder uitbreidde, daar de ruïne sinds jaren was opgeruimd, en de hoogte geëffend en met jong geboomte beplant was. Schaduw was er nog niet te vinden, doch de zonnegloed brandde niet zóó, dat de herstellende haar schuwde; maar jong groen, dat zich weelderig ontplooide, kleuren en geuren van meidoorns en seringen verkwikten de zinnen, door alle gaven der lenteweelde. Ook de gevederde bevolking, die haar nestje had opgeslagen in het kreupelhout, liet zich niet onbetuigd, en het gekir, het gegichel, het wiekgeklep, de wildzang, al te zamen stelde een concert daar, waarbij de verscheidenheid niet hinderde aan de harmonie.
Juliaan, die dit alles voor 't eerst en met volle teugen indronk, werd het zoo wonderlijk te moede, dat hij had kunnen lachen en schreien tegelijk. Die juichende, verjongde natuw, zijn eigen vernieuwd en verfrischt levensgevoel, alles zwoer samen, om hem als een roes aan te zetten van ongekende aandoeningen ; hij had verzen kunnen maken, behoefte om overluid een loflied aan te heffen, iemand aan het hart te drukken, ware het ook zijn ergste vijand! Er werden verlangens in hem wakker en wenschen bij hem verlevendigd, die hij zich zelf nauw durfde bekennen, en die hij toch onder eenigen vorm had willen lucht geven. En of hij zi'ch zelf al zijne zwakheid verweet, hij moest er ditmaal meê rekenen, en zich eene wijle laten afdrijven op dien stroom van wegsleepende gedachten, zich eene wijle vermeien in de berekening van 7nogelijkheden.
De voorstellingen van Schout (Jerrit omtrent zijne betere vooruitzichten, die hem tot hiertoe koel hadden gelaten, begonnen nu beteekenis voor hem te verkrijgen. Als die werden verwezenlijkt, dan was hij niet meer de berooide zwerver, .sans feu ni lieu, maar een vermogend grondbezitter in den lande van Holland; en als dit mogelijk was, waarom kon dan dat andere ook niet mogelijk worden, waarom niet?
289
âNeen, neen! dat juist, dat is het onmogelijke; daar mocht hij zich zelf niet mee vleien, al kromp hem ook het hart samen van smarte, te midden van den vreugderoes, al meende hij toch wel met zekerheid te weten dat.... Ja, van dat eene wilde hij toch zekerheid hebben, en â die â kon Lijsbeth hem geven.quot; â En in eene vaart, zoo snel, dat zijne zwakke voeten er schier onder wankelden, zocht hij nu het goêlijk vrouwtje, dat, getrouw aan hare belofte, reeds met spinnewiel en al buiten zat.
âFij, jonker! daar hebt ge het nu weêr fraai gemaakt,quot; gromde zij, âvoor het eerst dat men u aan u zeiven overlaat! Gij hebt u vrij al te veel vermoeid, gij moest liever wat rust nemen daar binnen.quot;
âNeen, neen! het zal mij nergens beter zijn, dan hier bij u,quot; hernam hij, naast haar plaats nemende, âik heb behoefte aan een praatje . ...quot;
âJawel! gij zult oude Lijsbeth nog tot eene klappei maken. Waar moet ik nu van vertellen, zeker weêr van den ouden tijd, van .... uwe moeder ?quot;
âDitmaal is 't mij te doen om eens wat te hooren van 't geen korterbij ligt. Mijne trouwe verzorgster is mij nog het verhaal schuldig, van 't geen er alzoo met mij voorgevallen is, sinds ik zoo doodehjk krank aan hare liefdezorge werd toevertrouwd.quot;
âI)at zou gansch geene opwekkelijke conversatie zijn, jonker. Waartoe terugzien op zooveel jammers en ellende. Wij hebben genoeg met u te doen gehad, de vrouw en ik; ja! tot de boerenknecht toe kwam er soms bij te pas, als gij uwe ijlende koortsen hadt en met alle geweld het bed wildet verlaten. De waardige Jacob Jansz. zelf heeft menige nacht bij uw ziekbed â¢doorgebracht; maar het gedenken van dat alles dient u vooreerst nog niet.quot;
âIk vraag ook niet eigenlijk naar een verslag van mijne ziekte; mij heugt er ook nog te veel van om daar zwak op te hebben: het is mij te doen om te weten, wie er alzoo bij mij geweest
quot;Wonderdokter. II. 1*^
290
zijn in die zware dagen .... Het staat mij klaarlijk voor, dat ik allerlei vriendelijke gestalten rondom mijn leger heb zien waren ...,quot;
âUwe vrienden hebben u trouw bezocht dat is waar. Om van dokter Graswinckel niet te spreken, hebben we Schout Ge it it gehad, dien ik als een kind heb zien schreien, toen wij meenden, dat gij op het uiterste laagt; en Bastiaan, die niet dichtbij u mocht komen, omdat men vreesde, dat het weerzien u toen nog te veel schokken zou, en die maar in een hoek van de kamer op zijne knieën bleef liggen, om voor uw behoud te bidden.quot;
âGoede, trouwe Bastiaan! hoezeer voele ik mij verootmoedigd, als ik aan hem denk. Xog altijd zooveel vriendschap voor mij te behouden â hij! Mocht ik toch eens in staat zijn iets af te doen van mijne groote schuld jegens hem.quot;
âOch! dat verlangt hij niet eens; het hart rekent niet.''
âZou het nog altijd door 't bestel van Schout Gerrit zijn, dat ik hem zoo zelden zie, nog maar eens, sinds ik bij kennis ben.quot;
âZeker niet; maar ziet gij, jonker! Bastiaan moet voor zijn brood werken, en een tochtje naar Delfgauw, tusschen schofttijd, gaat zoo maar niet; hij is geen ziekentrooster van zijn ambacht.quot;
âGij hebt gelijk, Lijsbeth, ik ben een zelfzuchtige. Daarbij, heb ik niet mijn beste troosteres aan mijne zijde; maar zij kwelt mij een weinigje met al te groote discretie, of â waarom noemt gij alleen de vrienden, die mij belangstelling hebben getoond, en niet ook de vriendinnen ?quot;
âJonkvrouw Francoise van Egmond, uwe nicht, heeft u bezocht, dat is waar,quot; sprak Lijsbeth, met eenige aarzeling.
âAl zou de heugenis van dat bezoek mij falen, nog heb ik het bewijs daaraf aan mijne hand,quot; hernam hij met eenig ongeduld, op zijn vinger ziende, waaraan een zegelring schitterde, âalsof ik geen Egmond zou zijn, tenzjj het familiewapen aan mijne hand prijkte.quot;
291
âWees maar niet ondankbaar jegens de jonkvrouw, die zoo ijverig uwe zaak voorstaat: gisteren in de stad zijnde heb ik vernomen dat de gravin zich naar den Haag heeft begeven, ten einde zelve bij Zjjne Excellentie te uwer gunste te inter-cedeeren.quot;
âSinds zij mij erkent voor hetgeen ik ben, moet ze zich mijner wel aantrekken, dat spreekt vanzeive; dat ontslaat mij niet van dankbaarheid, ik weet het; maar, om do waarheid te zeggen, is het juist niet haar bezoek, dat mij zoo weldadig aandeed, en mij zoo is bjjgebleven, dat ik haar nog altijd voor mij zie, de rjjzige gestalte, wier handen ik teederlijk heb gekust, en die zich zoo meewarig over mij heenboog.
âGij hebt u nogal zonderlinge phantasieën door het hoofd gehaald staande uwe krankte, jonker;quot; viel Lijsbeth in zonder naar hem op te zien; âin uw geval zou ik die nu maar trachten te vergeten, in stede van er de inbeelding meö te voeden.quot;
âIk stem u toe, Lijsbeth, dat ik, hetzij in mijne koortsige droomen, hetzij in mijne kranke verbeelding, veel meen ervaren en gezien te hebben, dat niets is geweest dan ijdel zinsbedrog. Maar toch, er is wat ik mij nooit zal laten ontgeven, en daaronder die beminnelijke vrouwengestalte, in een dichten sluier gehuld, die mij bijgebleven is meer dan al het ander, zij moet werkelijkheid zijn geweest; want zij hoeft mijn voorhoofd gekust, en â toen zij dat deed â voelde ik het door een traan bevochtigen. Kan dat dan ook inbeelding zijn ? Lijsbeth, zeg me de waarheid!quot;
âIk mag niet liegen, Juliaan,quot; antwoordde Lijsbeth, op zachten en waardigen toon, âal ware 't beter u dit te verzwijgen, daar ik toch niets verder uitzeggen kan. Maar â sinds gjj er om dwingt â ja, zoodanige vrouw is hier bij u geweest, in 't holle van den nacht in de diepste geheimnis, en niemand â zelfs niet Jacob Jansz. â mag van dit gewaagd bezoek weten, daarop heb ik plechtige belofte gedaan.quot;
292
âAl hadt gij âneenquot; gezegd, gij zoudt hot mij toch niet uit het hoofd konnen praten. Ik gis wie hot kan geweest zijn ...
â Als uw hart het u influistert, houd het dlt;in daarin besloten.quot;
âMaar begrijpt gij dan niet dat ik hierin zekerheid hebben moet, en dat mij aan dit eene voor mijn aardsch geluk veel meer is gelegen dan aan al het andere .... ?quot;
âIk zeg daar niets tegen; maar te eer, behoort gij geduld te oefenen tot de uitkomst.quot;
âBegrijpt gij dan niet, welk eene vreugde er voor mij in ligt, nu reeds te weten, dat ik bemind worde....quot;
âMeer dan gij verdient met dat aanhoudend kwellen dat gij mij doet, om een geheim uit te visschen dat het mijne niet is.quot;'
âMaar zijt gij dan meer getrouwheid schuldig aan Mabclia Graswinckel dan aan mij, Lijsbeth !quot; riep hij triomfantelijk, hoewel zijne stem haperde, toen hij dien naam uitbracht.
Aan Lijsbeths hand ontviel het tijno draadje en zij zag hem aan met ongeveinsde verbazing. âJuffer Mabelia Graswinckel!quot; herhaalde zij, âhoe komt gij op deze, wat zou die hier doen, en nog wel in den nacht, bij uw ziekbed! Zijt gij nü wol bij uwe zinnen met u zoo iets in te beelden?quot;
O! dit is gruwzaam!quot; riep Juliaan, en het zachte rood van den herstellende bestierf tot een doodsbleek; hij bracht beide handen naar het voorhoofd als onder smart of schaamte.
âWat is daar gruwzaam in, jonker?quot; vroeg Lijsbeth, hem met bezorgdheid gadeslaande. âGeloof toch, dat ik u geene sman heb willen aandoen; zoo ik spreken mocht, troostte ik u volgaarn3 met de waarheid; maar wat kan dat u deren, dat de nicht van onzen geëerden vriend niet herwaarts heen is gekomen om u te bezoeken ?quot;
âJa juist â spreek er mij niet meer af,quot; hervatte Juliaan met bitterheid; âzoover en vreemd is deze van mij, dat het belachelijk is, te denken dat zij â zjj zich verwaardigen zou om ....quot; Hij zweeg plotseling, als begaf hem de stem, en wendde het hoofd van Lijsbeth af.
âWie zegt u, dat zij iets van uwe ziekte weet?quot; hervatte Ljjs-beth. âJacob Jansz. gaat niet met zijne familie om zooals andere luiden, en hij is voorwaar zoo gul niet niet praatjes over zijne patiënten; daarbij, zoo liet gerucht waarheid spreekt, heeft de joffer heel wat anders in 't hoofd dan ziekenbezoek te dezer dagen; daar worden aanstalten gemaakt tot hare bruiloft!quot;
âHet is waar ook, Ljjsbeth, zóó zal het zjjn,quot; hernam hij met eene doffe stom; âgij hebt wel gelijk: een kranke heeft dwaze inbeeldingen, en 't is wel goed dat de drogbeelden maar zoo terugwijken, dat had ik immers konnen weten; zij en ik hebben ieder onzen eigen weg te gaan.quot; Daarop zweeg lijj, liet de ellebogen op de knieën rusten, en bleef zitten met het gelaat in de handen verborgen. Aan dat somber gepeins kon Lijsbeth hem niet overlaten.
â'tls spijtig-, dat we vandaag uw goeden dokter niet hebben te wachten,quot; begon zij; âwis zou hij wel een middel weten om die zwaarmoedige bui wat te verzetten.quot;
â't Is waar ook,quot; mompelde Juliaan, zonder van houding te veranderen, âhij komt nu maar om den anderen dag; welhaast, als ik geen patiënt meer zal zjjn, komt hij in quot;t gehee niet meer. ..
âHoe valt u dat in, dat hij in 't geheel niet meer naar u zou komen omzien?quot; vroeg zij met zacht verwijt.
âDat ligt immers in de orde: als hij hier afgedaan heeft, gaat hij weer verder. Zijne vriendschap voor mij mag hem niet tot oponthoud zjjn.quot;
âIs het zoo zeker, Juliaan, dat hij hier spoedig met u afgedaan zal hebben?quot; vroeg zij op ernstigen, bijkans bestraffenden toon.
Hij gaf geen antwoord dan een diepen zucht. Eenige minuten later hervatte hij: âAls Bastiaan zelf niet komen kan, waarom zendt hjj mij dan niet eens zijne vrouw, dat ik toch ietwes van hem verneem.quot;
âMaar, jonker, heeft de man zjjn werk - de vrouw heeft
294
haar huisbedrijf; kleine luiden als deze loopen daags zoo maar niet uit voor hun pleizier.quot;
â't Fs waar, iedereen heeft zijne bezigheden; ik â ik alleen loop doelloos om.quot;
âKom, kom, dat zal beter worden. Uwe groote bezigheid is nu: nog weer gezond en sterk worden, maar dat zal langzaam gaan als gij alles u zoo aantrekt. ...quot;
âEn Schout Grerrit?quot; vroeg Juliaan, zonder hierop te antwoorden, âzou die 't ook zoo druk hebben dat hij niet meer naar mij omziet ?quot;
âSchout Gerrit heeft zich voorgenomen, niet meer weer te keeren dan met goede tijding...
â't Is de vraag, wat hij onder goede tijding verstaat,quot; hernam Juliaan op norschen toon.
âNietwes minder, dan dat zijne bemoeiingen te uwer gonste, bij den Advocaat van Holland en de Staten, goed gevolg hebben gehad, en de gesequestreerde goederen van uws moeders zijde, op u worden overgedragen.quot;
âXu! dan zullen wij hem wel niet weerzien, want daar zal niets van komen,quot; hernam Juliaan op denzelfden knorrigen en mismoedigen toon; âen al ware dat, wat zou het mij nog baten ?quot; ging hij voort, terwijl hij hot schaapsvel onder zijne voeten met zeker ongeduld wegschopte.
Lijsbeth zag hem van ter zijde aan en schudde het hoofd.
âHoe nu! is mijn patiënt wat uit zijn humeur?quot;
âXecn! maar ik begin mi j hier te vervelen,quot; hervatte Juliaan oprijzende en mot driftige schreden langs het smalle paadje heen en weer loopend, waar eene hegge van hagedoornen de barrière vormde. âIedereen heeft wat te doen, iedereer werkt voor zijn brood, of ten dienste van anderen, iedereen gaat zijn weg en vindt daarop ten minste verstrooiing; ik alleen heb niets te verrichten, niets tot mijne afleiding; hoe wilt gij dat ik daaronder vroolijk en opgeruimd zal zijn?...quot;
'295
â't Is een goed teeken, dat de patiënt van verveling klaagt; maar toch, lijdzaamheid blijft nog vooreerst het noodigste voorschrift. Kom! wees toch welgemoed en toon geen ongeduld, als de Heer vertraagt om te helpen; er is harder gevangenschap dan de uwe nü, bedenk dat toch; gij zijt op iedere wijze in de ruimte gezet; de Schout heeft u een rijpaard toegezegd, maar.... 't is nu nog uw tijd niet, om naar Delft of den Haag te rijden.quot;
âIk weet het maar al te goed,quot; hernam Juliaan, ârust dient mij nog;quot; en hij ging weer naast haar zitten en slaakte een diepen zucht.
âDe dag was zoo goed en vrooljjk begonnen; gij hadt blijdschap en dankbaarheid in het harte; hoe is dat nu zoo op eens gekeerd?quot; vroeg Lijsbeth met zachte deernis, waaruit toch zeker verwijt klonk.
âIk voel mij beheerscht door gedachten â die dwaas, die roekeloos, ja! die zondig zijn â en ik kan ze niet verzetten, Lijsbeth; ik kan het niet, al voele ik dat ze mijne blijdschap wegnemen, en dat ik ondank plege jegens God en menschen,quot; hernam Juliaan, en liet moedeloos de handen in den schoot vallen.
âZoo spreek dat maar eens uit, mijn wellieve jonker! Spreek het uit aan do oude Lijsbeth, die uwe moeder heeft gekend en u een moederlijk harte toedraagt. â De mensch heeft nu eenmaal een strijd op aarde, maar de Christen laat zich niet overwinnen. Wilt gij dat ik met u zal strijden, zoo zeg het uit wat u kwelt, dat stompt den scherpsten prikkel af.quot;
âDat zal in dezen niet zijn bij mij, Lijsbeth; ik weet nu, dat ik zal moeten leven met een doorn in het vleesch.quot;
âMeent gij de eenige te zijn, jonker?quot; vroeg zij met zachten ernst, hare klare, zielvolle oogen op hem vestigend.
âNeen, Lijsbeth! En ik weet ook, dat ik geen recht heb dien af te bidden; maar toch â zij was mij zoo lief geworden ; de gedachte, haar eens, ook maar ééns weêr te zien,
296
is mij steeds bijgebleven, onder alles wat ik heb doorgestaan; in mijne droomen is zij mij altijd verschenen als een engel der vertroosting, en nu â ik had mij gevleid â dat het niet enkel droomen waren geweest, dat ook in de werkelijkheid, Mabelia____quot;
âMabelia! 't Is waar ook, Lijsbeth wordt suf, dat ze op dien naam niet meer heeft gehecht, dien ge zoo vaak in uw ijlen hebt herhaald. Zoo is zij het, de nicht van onzen vriend...?quot;
âJa! zij!quot; riep hij met een snik van smarte, en liet het matte hoofd op den schouder van Lijsbeth zinken, onder tranen. âJa, 't is toch beter eens alles uit te storten aan een mensch wat men zich zeiven nauw durft bekennen.quot;
âEn weet hij er van â Jacob Jansz?quot;
âNiet wat in mij omgaat. Hij heeft zoo streng alle hope afgesneden ; maar mijn hart â⢠was het zwakheid â was het sterkte â mijn hart bleef hopen tegen hope. Luister, Lijsbeth. ...quot;
Bij zijne bekentenissen hebben wij niet noodig tegenwoordig te zijn.
Antony bracht zijn gewoon avondbezoek bij Mabelia â men zat nog wat te schemeren. De maan liet haar zacht licht zoo liefelijk door de hooge kruisramen neêrvallen in het vertrek, dat het de jonkvrouw zeker tot peinzen uitlokte; want zij zat zwijgend en droomerig neêr, terwijl hij druk praatte.
Moei Baerte zat stillekens tegenover het paar bij haar spinnewiel een beetje te dutten, schoon zij dat niet licht zou hebben erkend. Antony phantaseerde luide vau zijne plannen voor de toekomst: Als eerst de hrjliksdrukten maar voorbij waren en de huishouding op gang was, zou het jonge paar gaan reizen, niet in, maar na de wittebroodsweken. Vader Hogenhoeck kon hem best een maandje of wat missen in het kantoor, en het reizen alléén was hem zóó goed bevallen, hoe prettig moest het dan niet wezen, met zijne jonge vrouw tot gezelschap! Mabelia had nog zoo weinig van de wereld gezien; wat zou zij opkijken, als zij die vreemde lauden, die prachtige steden zag, waarin hij haar wilde rondleiden; niets zou haar zoo aantrekken als Italië, daar was hij zeker van: een heerlijk land! Wel niet de hollandsche zindelijkheid, maar zoo'n zachte lucht â en die lekkere vruchten, die zoete wijnen die zoo koppig waren, en waar men voorzichtig meê zijn moest....
Wis had Mabelia in eigen gepeinzen verdiept, niet veel ge-
é
298
luisterd, want op eens viel zij in, zeker om toch ook eens iets te zeggen: rZie toch, Antony, hoe aardig do maan hare licht-tinten werpt op dat gladgeboende dressoor, het speelt en het glinstert daar of er dwaallichtjes flikkerden.quot;
âJa Belie! dat is aardig, maar als gij het maanlicht eens zult zien schijnen te Venetië, over dat mooie, blauwe water van de Veneetsche golf, die ze de Adriatisehe Zee noemen, dan zult gij nog wat anders zeggen; daar gaan we samen pleizier van hebben! Dat zachtjes heenglijden in zoo'n gondel, terwijl de roeiers â die ze daar gondeliers noemen â luchtige liedjes zingen, die zoo helder klinken over het water! daar is een spelevaart naar den Leijdschendam of naar Delfgauw niets bij. Nergens is het mij zoo goed bevallen als te Venetië, dat moet ik zeggen. Daar komt bij, dat ik er zoo goede recommandaties had aan een van de heeren die daar in de Regeering zitten en die Excellenties worden genoemd, al zijn quot;t maar kooplui, zooals wij hier .... Want die heer dreef handel met ons huis, en door hem genoot ik allerlei voorrechten en vrjjheden: ook kon ik met de taal nog al terecht, beter althans dan met het Francois, dat ik nooit heb konnen leeren. Op zulke wijze dat ik er wel een rond jaar had willen blijven, zoo ik geen trekpleisterken naar huis had gehad.quot; Hij vatte hare hand en drukte die teederlijk, zonderdat hij meer verkreeg dan een lijdelijk toelaten. Dat scheen hem niet te deren, want hij vervolgde onverstoord:
âVerbeeld je, Mabel, ik woonde er in een paleis! â nogal in de hoogte, dat is waar, maar dat hoort daar zoo, â en niet alleen, dat kun je wel denken! â Ja! ik weet zelf niet, wat al luiden daar neffens en rond mij woonden: doch dat was gezellig en het hinderde niets, ter contrarie. Daar waren in dat huis twee jonge edelvrouwen, die zongen als lijsters, zulks ik veeltijds den lust niet kon weêrstaan om te luisteren. Ik had daartoe maar op mijn balkon te gaan, dat vlak aan het hare
299
paalde; dat heeft mij zelfs eens in een periculeus avontuur gebracht, dat ik u zal vertellen, als gij 't hooren wilt, Mabel ?quot;
âWel zeker, Antony, vertel maar!quot;
Het was haar het liefst, als hij maar van zijne reizen ophaalde ; zelve had ze hem toch niets te zeggen, en dus was zij het best beveiligd tegen de uiting zijner gevoelens, waarop zij geen antwoord had te geven.
âGij moet dan weten, dat de mannen daar te lande wat jaloersch zijn, en dat ze geen ongelijk hebben, want de vrouwen zijn er wat licht en luchtig uitgevallen. Maar â mooi! mooi! boven alle beschrijving: oogen als vuurvlammen en gitzwarte haren, lang en zwaar als de staarten van een koetspaard bij ons, en zoo maar in vlechten loshangend, met een zijden, gazen sluier er over, en tot sieraad gouden haarnaalden en flonkerende steenen. Ook zijn er, die het haar goudgeel hebben, als topaas blinkend, en in fijne ringlokjes op het voorhoofd neêrvallond; die blonden hebben doorgaans diep blauwe oogen, die vonkelen konnen als sterretjes. Maar ze moeten niet boos worden.... br! dan beleef je wat; want ziet ge: zoo zoetzedig en zoo minneljjk als mijne Mabel, zijn ze niet â en wat de blankheid en frisch-heid van kleur belangt, daar moeten ze mijn Hollandsch meiske in wijken. â En tot loon van zijn compliment, meende Antony nu het recht te hebben om een kusje te stelen, maar hij werd bruks afgeweerd.
âHet was de afspraak, zoo ik meene, dat gij u van zottelijk mingekoos zoudt onthouden, Antony!quot; luidde het bitsch vermaan.
âLieve deugd, Mabel! over drie weken zijn we man en vrouw, gij behandelt mij vrij al te straf en preutsch; een kusje bij 't komen en gaan, is al wat ik mag genieten; gij moest eens zien, hoe andere vrijers dat drijven!quot;
âMij zouden die anderen niet passen, Antony; laat af van dat ijdele mallen, zoo gij niet wilt dat ik een afkeer van je zal krijgen!quot;
300
âAfkeer! ach, Mabel! moet ge me zoo'n hard woord naar 't hoofd werpen ? Ik zie het wel, winnen zal ik je niet, zoolang er zijn die tusschen ons stoken.quot;
Het was gezegd, dat het Venetiaansch avontuur in den steek zou blijven; want Mabclia antwoordde op het uiten van die grieve:
âWie zou er stoken, wat meent gij ?quot;
âJa! als ik het dan uitzeggen moet,'t is die vermaledijde heremiet, die met zjjn kniezerij en gefemel je tegen mij opzet.quot;
âBetaamt het u zoo te spreken van dien waardigen man, die niets doet dan elkeen zegen en heil aanbrengen, zooveel hij vermag. Hoe komt het in u op hem dus te verdenken ? is hij het niet, die geduriglijk vermaant, dat men zijn plicht zal doen in alles en jegens allen ï ...
âDat mag zijn, maar hij is tegen ons hijlik, en 't is zijne schuld, dat er nu al weêr uitstel is gezocht.quot;
â Ieder ander medicijnmeester zou hetzelfde hebben geraden. Ik was pas beter, en gij vondt goed de aanstalten te maken voor zulk een drukke bruiloft, en daartoe zooveel vrienden en vriendinnen te nooden, oft mijne zwakheid gansch geene verschooning eischte; toen is Jacob-oom daartegen opgekomen.quot;
âEn de bruiloft, waar ik zoo op vlas, moest alweer voor een maandje worden verdaagd; maar uitstel is geen afstel. Godlof! daar hoeft Beste-vacr Boot niet op te rekenen. En als het er eens toekomt, zal liet eene triomfantelijke zijn ook! daar sta ik voor in. Al konnen wij het dan niet in alles doen, gelijk die van Sol ms, op één poinct toch zullen wij hen vóór wezen Alles zal met reeë duiten betaald worden â wat zeg ik â de gouden rijers liggen al in stapeltjes klaar in mijn schaprayken. Dus zullen ons geene schuldeischers nakrijten, zooals hun geschiedt.quot;
De bruiloft van Solms! â Antony, in zijn verwatenheid en onverstand, vergat welke snaar hij daar trillen deed.
301
Hij kreeg geen verwijt, maar hij kreeg ook geen antwoord; en Mabelia, al bleef ze naast hem zitten, raakte verre â verre â¢â verre â van hem weg.
Er kwam eene afleiding, waardoor 't gespannen zwijgen werd afgebroken. De dienstmaagd trad binnen met het bericht, dat er een vreemd heer was, die verzocht om de juffer eventjes te spreken.
âZegt hij zijn naam niet ?quot; vroeg moei Baerte, uit haar dommelen opgeschrikt door liet openen van de deur, dat wat driftig en hardhandsch geschiedde, alsof het rustige Marrigje zelve wat van hare gewone kalmte miste.
âZijn naam, ja! maar die luidt niet op zijn Delftsch; naar zijne spraak lijkt hjj wel een Brabander, ik kan er niet wijs uit worden.quot;
âBegrijpt gij wat dat zijn kan?quot; vroeg Antony, zich tot Mabelia wendende.
Mabelia antwoordde niets, vroeg niets; zij dacht aan een bezoek, dat zonderling samentrof met den loop harer gepeinzen.
âJuliaan kon, Juliaan moest nu in vrijheid zijn,quot; meende zij: âhij sprak wel wat met een vreemd accent, de zwerveling, die allerlei talen en tongvallen had leeren meespreken, maar geen enkele, in den eigenlijken zin, de zijne noemde. Jaeob-oom had haar in lang niets over hem medegedeeld, maar daarom was het nog niet zeker, dat zij vergeten werd, evenmin als zij zelve vergat, al trachtte zij nog zoo naar die vergetelheid .. ..quot;
Terwijl haar dit alles pijlsnel door het hoofd schoot, had moei Baerte tot Antony gezegd-:
âEilieve neef! ga gij eens zien wat het is, en wat die man verlangt. ...quot;
âJuffrouw! ik moet waarschuwen, dat hij een degen op zij heeft,quot; vermaande Marrigje. âZoo 't eens een moordenaar ware.....?quot;
âIk zal zelve gaan!quot; En besloten stond Mabelia op; Antony trad haar in den weg.
302
âquot;t Is vrij wat beter, dat de vreemde hierbinnen komt, zoo zijn wij voor 't minst drie tegen één, als hij kwaad in zijn schild voert,quot; eindigde hij, met eene poging tot scherts, die niet van harte ging; want zijne stem trilde toen hij er bijvoegde: ^tenzij gij onderstelt, dat hij u iets te zeggen heeft dat wij niet weten mogen?quot;
âOm daarop te antwoorden, zou ik toch wel allereerst dienen te weten wie hij is. Laat dien heer binnen, Marrigje, opdat er een eind kome aan dit geharrewar!quot; Er klonk ontroering in den toon, al trachtte zij het bevel met vastheid te geven.
âEn breng dan gauw licht,quot; voegde moei Baerte er bij, âdan konnen wij zien wien we voorhebben!quot;
De bezoeker, die al dien tijd in het ruime, maar kille voorhuis antichambre had moeten houden, trad nu binnen, maar langzaam en rustig, als iemand die het beneden zich achi: ongeduld of' ergernis te toonen. Mogelijk had hij van de discussie over zijne al of niet toelating een en ander kunnen verstaan, daar het dienstmeisje de deur op een kier had gelaten, en trachtte hij nu te bewijzen hoezeer de achterdocht tegen hem ongegrond was.
Men zag eene hooge gestalte, in een mantel gehuld; men zag de punt van eene degenschede glinsteren in het maanlicht; men zag een lagen, gepluimden hoed, die echter terstond werd afgenomen, terwijl de vreemde, hoffelijk groetende, vroeg: âof hij terecht was in het huis van Schepen Dirk Jansz. Gras-winckel, en of hij werkelijk het voorrecht genoot in de ';egen-woordigheid van joffer Mabelia Graswinckel te zijn toegelaten.quot;
Gelukkig voor de laatste, was het licht nog niet gebracht, en kon Antony haar verbleeken niet opmerken bij die stem, bij die trekken, waarop de maan nu haar volle schijnsel wierp en die zjj maar al te goed herkende.
303
Moei Baerte achtte zich als vrouw van den huize tot een antwoord verplicht.
âGij zijt hier terecht, mijnheer; daar is mijne nicht, mijn man is op dit pas nieó thuis ...
âquot;Wie zijt gij zelf:quot; viel nu Antony wat haastig in, wiens nieuwsgierigheid was geklommen, naarmate hij zeker vermoeden niet bevestigd zag. Dit wellevend optreden, die beschaafde toon â neen, dat kon de verachte schooier niet zijn, dien hij vreesde te zullen zien.
âGij hebt gelijk, mijnheer, ik zie mij verplicht mij zeiven voor te stellen. Ik ben de baron de Ghiselles, in Holland gekomen met een last van Monseigneur le Prince d'Orange aan zjjn broeder graaf Maurits van Nassau; doch.... van mijne zending is hier de quaestie niet.. . .quot;
Hij zweeg en zag in 't ronde, als om den indruk gade te slaan, dien zijn klinkende titel zou teweegbrengen; en dat viel hem nu niet mocielijk. daar Marngje twee dikke vetkaarsen op zware koperen kandelaars binnenbracht, die zij tegenover elkaar op tafel zette, met de zware snuiters er nevens. Bij deze verrichting nam zij de gelegenheid waar, om den vreemdeling, die zoo hoog van zich zeiven opgaf, eens goed op te nemen; â maar overigens miste de Ghiselles het bedoelde effect. Tot zijne verootmoediging bespeurde hij, dat de vermelding vau zijn rang en naam, door de beide vrouwen met strakke onverschilligheid werd aangehoord.
Antony, die nu tegelijk in hem den vreemdeling herkende, dien hij eens bij de gevangenneming van Juliaan in de hand had gewerkt, scheen daar meer aan te hechten; maar de vrees overviel hem, dat dit feit, nu nog ter elfder ure, door deze ontmoeting zou worden uitgebracht, en dit maakte hem verlegen, hoewel hij den vreemdeling beleefdelijk een stoel bood, en hem behulpzaam was zijn mantel af te leggen.
De Ghiselles nam dezen dienst aan zonder omstandigheden,
304
alsof zij hem door zijn kamerdienaar werd verleend; hij geraakte blijkbaar geheel op zijn gemak en vestigde vrijpostige blikken op Mabelia, terwijl hij met zekere voorname losheid sprak:
âAVil mij verschoonen, juffrouw Graswinckel, dat ik u mijn bezoek brenge in reisgewaad, gelaarsd en gespoord, zooals ik van 't paard stijg; maar ik kom van een lastigen tocht, meen mij voor ditmaal niet langer te Delft op te houden dan volstrekt noodig is, en heb in de herberg, waar ik even afstapte, geen geschikt verblijf gevonden om van kleeding te wisselen.quot;
âOch, wij zien hier zoo niet op de kleeding,quot; zei moei Baerte goêlijk, daar zij bemerkte, dat Mabelia met een strak, koud gelaat voor zich zag, zonder iets te antwoorden.
âTer zake, mijnheer de baron, als quot;t u belieft,quot; sprak nu Antony, geërgerd door de wijze waarop de Ghiselles Mabelia aanhoudend bleef aanzien, âwat is de reden van uwe komst? quot;Wat hebt gij mijne aanstaande te zeggen?quot;
âUwe â aan â staande? herhaalde de Ghiselles op gerek-ten toon. âAha! zoo heb ik het genoegen den jongen Antony van Hogenhoeck te ontmoeten,quot; en er speelde een lach ^an ironie op zijn gelaat, toen hij voortging: vPardon won cher! hetgeen ik te zeggen heb, is niet eigenlijk voor uwe aanstaande bestemd; mijne boodschap is gericht aan juffer Mabelia, de nicht van Vrouwe de Beaumont.quot;
âDie beiden zijn één,quot; sprak nu Mabelia vast en fier, na inner-lijken zelfstrijd haar tegenzin overwinnende om hem toe te spreken.
âDat's eene groote teleurstelling voor mij, jonkvrouw, eene groote teleurstelling,quot; herhaalde hij met een zucht; âtoch.... was het zeker presomptueus van mij een ander antwoord te wachten. De schuld ligt bij mij : les ahsens out fort....quot;
âVooral dan, als hun heengaan veeleer de verdenking wekt, dan____quot;
âDan wat? vroeg hij vermetel, overtuigd, dat zij zich in
305
eon volzin had gewaagd, die voor haar zeer hachelijk moest zijn te voltooien.
Doch Mabelia had hare tegenwoordigheid van geest hervat, en al had zij vreeselijk tegen den strijd opgezien, nü zij er in was, wilde zij niet versagen; zij voelde zich aangegord met moed tegen haar stouten aanvaller, door de gedachte aan Juliaan, die voor haar onafscheidelijk was van dezen persoon; aan Juliaan, den vervolgde, den gehate, dien zij ten minste wilde wreken, als zij niets beters vermocht voor hem.
âIk bedoel, mijnheer de Ghiselles, dat er lieden heengaan op eene wijze, die het wantrouwen in zulke mate op hen vestigt, dat men niet veel waagt met hun ongelijk te geven in hun afzijn.quot;
âHet is toch altijd onvoorzichtig boos te worden, voordat men weet of men er reden toe heeft,quot; hernam hij met een welgevallig glimlachje; âtoorn is daarbij een ongeschikt wapen, waarmee men zich zeiven licht bezeert; ik gebruik het zelden en allerminst tegen dames. Wat uw wantrouwen aangaat, er zijn verdenkingen die men licht van zich af kan werpen, als men alleen in zijne eigene zaak heeft te spreken; maar â het valt zwaarder, waar men vorsten dient, wier belangen de uiterste discretie vorderen... . De Vrouwe de Beaumont, heeft mij verwijten gedaan van gelijke kracht als de uwen.. .. Ik heb haar kunnen bevredigen, omdat.... ik het voorrecht had haar onder vier oogen te spreken; daarom zult gij mij voor 't oogenblik, naar ik mij vleie, verschoonen diezelfde quaestiën opnieuw tot een punt van discussie te maken ten overstaan van.... derden.. ..quot;
âWees daar gerust op, mijnheer, ik ben er zoover af, dat ik in geenerlei discussies wensch te treden met u, over wat het ook zij.quot;
Hij beet zich de lippen, maar zette zich ras heen over de pijn van den toegebrachten stoot, terwijl hij sprak :
Wouderdokter. II. 20
306
âGij zult mij toch wel toestaan, mij te kwijten van de boodschap mij door Vrouwe de Beaumont aan u opgedragen ?quot;
âHebt gij mijne moei een bezoek gebracht?quot; vroeg zij, zonder hare verwondering te kunnen ontveinzen.
â Waarom niet, sinds zij zelve door haar schrijven mij daartoe had uitgelokt. .. .quot;
âHeeft Vrouwe de Beaumont correspondentie gehouden met u?quot; riep zij uit, evenzeer verrast als onaangenaam getroffen.
Glimlachend sloeg hij den indruk gade, dien hij teweegbracht, en antwoordde los en luchtig: âWaarheid'is, dat de correspondentie nog van ouden datum is, en zich bepaalt bij een biljet, ontvangen op den dag van mijne afreize, een biljet dat zijne» waarde had, al was het niet in vleiende bewoordingen gesteld. ]k werd daarin vinnig doorgestreken, in beleefde vormen natuurlijk, zooals de dames dat verstaan, maar niettemin werd k beschuldigd van félonie, van verraderlijke intenties .... van wat niet al. Er op te antwoorden zooals ik moest, door mij onverwijld aan hare voeten te werpen en de volledigste ophelderingen te geven, was mij toen niet mogelijk; dus zou van uitstel afstel zijn gekomen, indien ik niet juist om zaken te Dordrecht had moeten zijn. Ik herinnerde mij de oude relatie .... liet mij den weg wijzen naar hot bekende groote huis .... met weinig hoop, dat erken ik, alles nog in denzelfden staat te vinden; werd echter ten gehoore toegelaten, vond de edele Vrouwe meï den oncerwélkharen Mos der jeugd op de kaken â maar ziedende van verontwaardiging tegen den nalatigen cavalier. In alle rigueur werd het les ahsens out tort op mij toegepast; maar ik werd althans tot verdediging ontvankelijk verklaard, aangehoord met een geduld, met eene.... goedertierenheid die.... men niet overal terug vindt....quot; (De kenmerken van ongeduld en ergernis, waarvan Mabelia zich niet had kunnen onthouden, werden door deze opmerking al spelende bestraft.) âEn â en â de waarheid â de oprechtheid, hebben eene stem, die zich
307
on wederstandelij k weet te doen gelden: wij scheidden verzoend! Dit bezoek is de frutche date; ik kom rechtstreeks uit Dordrecht herwaarts heen; tot bewijs van den gesloten pays, zendt de waardige vrouw mij zelve tot u; hier is mijn geloofsbrief!quot;
âDe waarheid, de oprechtheid,quot; had Mabelia halfluid en als in zich zelve herhaald, terwijl zij hem met onbeschrijfelijke minachting aanzag; en mi gedwongen het biljet aan te nemen, dat hij haar met eene galante buiging toereikte, opende zij liet met bevende vingeren, liep het even door - en verscheurde hot toen voor zijne oogen, in eene gemoedsbeweging, die zij -niet machtig was te verbergen, terwijl zij sprak:
âZiehier mijn antwoord!quot;
Moei Baerte, die het tooneel zwijgend, maar niet onopmerkzaam had gadegeslagen, kon zich niet begrijpen, dat Mabelia zoo boos werd om 't geen die vreemde heer zeide; en hot ergerde haar bovenal, dat zjj zich zoo vergat, om in drift een brief van hare mooi zoo maar in eens te verscheuren: âwaren dat de voorname manieren, die zij bij Vrouwe de Beaumont had geleerd ? Xu dan vond zij voor zich de burgerljjke vrij wat gepaster, 't Is zoo, Vrouwe do Beaumont hield nogal omgang met Francoisen en andere vreemdelingen, en die vielen wat heftig; maar hot speet haar, dat Belie daarvan liad overgenomen; zij voor zich had het bedachtzame meiske nooit zóó onaardig gezien... .quot;
Antony ook, die met heimelijk misnoegen naar het onderhoud luisterde, waarvan hij uitgesloten was, en die Mabelia met bespiedende blikken gadesloeg, was zonderling getroffen over hare heftigheid. âWat stond er dan toch in dien brief, dat zjj hot noodig vond dien zoo onverwijld te vernietigen,quot; vroeg hij zich zeiven; âwat lag er dan tusschen dien vreemde en haar, dat zij, ondanks het misverstand dat er kennelijk tusschen
308
hen hoerschte, elkaai' tocli zoo goed begrepen, terwijl liet hem, Antony, was, of ze in raadsels spraken.quot;
Aan do Ghisellcs zolt' ontsnapte, bij den slechten ontvang van het bil jet, eene geste van toorn en teleurstelling, alsof hij zijn beginsel om niet boos te worden voor het oogenblik liet varen.
Maar hij werd zich zei ven spoedig weêr meester, en hernam met een glimlach, waaronder hij zijne spijt meende te vermommen :
âIk ben niet van hen, die eene beweging van vivaciteit eener dame hooger opnemen dan zjj verdiend; maar â wie er den gewonen zin aan hechtte, zou daarin niets minder zien, dan eene oorlogsverklaring !quot;
âNeem liet in dien zin,quot; hernam Mabelia vast en besloten; âbeter openbare oorlog, dan schijnbare vrede, waarbij list en dubbelheid best hare rekening vinden?quot;
De Gliiselles was opgestaan toon zij dat sprak; zoo zij hoopte om zich to verwijderen, dan, het bleek zijn voornemen niet. liet was om achter Antony om en, ondanks diens vermomden weerstand, haar dichter te naderen; en zich over haar heenbuigend, sprak hij fluisterend, haar tegelijk aanziende met oogen, die Antony vuurvlammen zou hebben genoemd, de oogen zijner Spaansche moeder, tintelend van boozen hartstocht, loosheid en vermetelheid tegelijk.
Mabelia begreep nu, waarom zij dien man nooit weêr had kunnen vergeten; maar tegelijk voelde zij, hoezeer do innerlijke afkoer, dien hjj haar nu inboezemde, oen gerechtigde was.
âIk moet u waarschuwen,quot; fluisterde zijne slangensteo, op den toon der courtoisie, âdat ik een vijand ben, die niet te verachten is.quot;
âGeloof mij, baron do Ghisoilos, ik weet u op uwe waarde te schatten,quot; hernam zij luid, ten bewijze dat zij eiken schijn van geheimzinnige verstandhouding van zich wilde afwerpen.
âAls dat zoo is, twijfel ik niet of gij zult hot gevaar vaneen
309
vredebreuk tusschen ons toch wel inzien,quot; ging hij voort, altjjcl op zaehten toon, ondanks ai het dreigende van do woorden.
âDat gevaar zal toch wel zijn te ontgaan langs den weg van â waarheid en oprechtheid,quot; hernam zij weêr luid, met eene bedoeling, die hij licht vatten kon.
âWol zeker,quot; antwoordde hij nu, luid en spotachtig. âJ la vertil tout chemin ent poss/hle, dat placht Zijne Excellentie do graaf van Leyeester ook te zeggen; toch worden zulke schoonklinkende uitspraken wel eens to schande gemaakt, want de goede man kon jammerlijk dolen! Doch, wat zal men zeggen, menigeen weet niet bijtijds de wijste partij te kiezen. Had de graaf mijn bondgenootschap aangenomen, hjj zou er beter bij hebben gestaan; en gij ook, jufter Mabelia! stoot mijne hand niet af, die u don pays biedt, en met gebogen knie nog wel, zooals het een cavalier past, die den vredekus op eene blanke hand hoopt te drukken.quot;
Hij voegde de daad bij het woord, boog eene knie voor haar, en wilde hare hand in de zijne vatten om die te kussen; maar zij trok die schielijk terug, met eene beweging van afschuw, als huiverde zjj bij zijne aanraking, en stond op van haar stoel, terwijl zij hem met doorborende minachting toevoegde:
âIk wil geen vrede met u; mij dacht, dat zoudt gij reeds begrepen hebben.quot;
âIk begrijp het nu . .. . hoewel het mij verbaast, en.... teleurstelt, dat beken ik,quot; hervatte hij, opstaande. âDus is het oorlog tusschen ons, wel zeker oorlog.quot;
âZoo is het.quot;
âWees dan verwittigd, dat liet een oorlog zal zijn op leven en dood.quot;
âLiever vrede in den dood dan vrede met u!quot; hernam Mabelia.
âMaar, kindlief! wat zijn dat voor akelige woorden, wat schrikkelijke bedreigingen, heer baron !quot; sprak nu moei liaerte, ontsteld.
310
't Is hier een goed Christelijk gezin, mijnheer, en die dreigingen van moord en doodslag passen ons niet.quot;
âOch! wees gerust, mevrouwe! in don strijd tusschen eene dame en haar cavalier, worden geenszins de scherpe wapenen gebruikt die men in den oorlog voert; als een ridderlijk edelman eene dame dreigt, dan heeft hij veel zoeter wraak in den zin, dan een moord! Daarbij, wij schertsen slechts, is het niet waar Ma Itcllf ?quot;
âUwe scherts is al zoo venijnig als uw dolk,quot; gaf Mabelia ten antwoord.
âMij dunkt, die scherts gaat te grof,quot; zet moei Baerte, âvoor aardigheid is dit alles te brusk en te bits; wat zegt gij er foe, Antony?quot;
âIk zeg, dat nicht Mabelia en deze vreemdeling wel zeer goede hekenden moeten zijn, om zich zulke scherts tegen elkander te veroorlooven,quot; hernam A ntony, strak.
âWij zijn werkelijk hooi goede kennissen,quot; hervatte do Ghisel-les, zich lachend tot Antony keerend, âhoe lang reeds â dat verbiedt de courtoisie mij to zoggen â eene Jufter is zelden gediend met zulke herinneringen.. .
âWelke herinneringen bedoelt gij, baron de Ghiselles ?quot; sprak Mabelia tier en kloek, hem met waardigen ernst onbeschroomd in 't aangezicht ziende.
âHm - - natuurlijk geene andere dan rooskleurige, maar die helaas! den leeftijd der beminnenswaardige schoone tot een cijfer brengen, dat geene jonkvrouw ter wereld gaarne voluit hoort noemen, althans niet ton overstaan van haar.... aanstaande,quot; eindigde hij met een ironieken blik op Antony, die het ook niet langer op zijn stoel had kunnen houden.
âIk behoor geenszins tot die zottinnen, baron de Ghiselles die levenslang achttien jaar willen blijven. Gij behoeft u niet te ontzien om do waarheid te zeggen, zooals zij is. Gij kunt gerust vertellen, dat wij ten jare 1587 elkander ontmoet hebben.
311
op een feest ten hove van den graaf van Leyeester. Ik was een aankomend meisje.quot;
âEene schoonlieid in knop, die alles gehouden heeft wat zij bij 't ontluiken beloofde, uitgenomen de getrouwheid des harten, naar 't mij voorkomt.quot;
âIk zal niet ontkennen, baron, dat gij mij bij die gelegenheid hoffelijk uw ridderlijken dienst hebt verleend, maar . . .. sinds het bij die óene ontmoeting is gebleven ... .quot;
âZijn er geene ontmoetingen â zij het eene enkele â die onvergetelijke herinneringen nalaten, jonkvrouw? Zijn er niet zulke oogenblikken die â voor het leven beslissen?quot; en de slangestem siste met eene mengeling van deemoed en dreiging, die Mabel ia werkelijk eene siddering aanjoeg; toch antwoordde zij moedig:
âDat zegt men op zijn vijftiende, dat gelooft men niet meer in de rijpe twintig, als men het leven en de mensehen heeft leeren kennen.quot;
âZoo is het uwe menschenkennis, die de geheugenis des harten schade doet?quot;
âAlthans de bekendheid die ik verkregen heb van zekere karakters ....quot;
âDeze bekendheid zou het dan zijn waarom mij de vriendschap wordt opgezegd?quot;
âMijnheer de Ghiselles, mijne moei begint ongeduldig te worden bij deze samenspraak; mij dunkt gij weet genoeg om niet verder te vragen.quot;
âDus is de oorlog beslist! Zoo moet ik u dan aan het gebruik herinneren?quot;
âWelk gebruik?quot; vroeg zij, in onrust welken pijl hij nu weer dacht af te schieten.
âAls de vorsten elkaar den oorlog verklaren, zenden zij de wederzijdsche ambassadeurs terug; als particulieren elkaar de vriendschap opzeggen, geven zij elkaar, in den regel, de
312
onderpanden dier trouwe en genegenheid weer. Veroorloof mij, dit sieraad weer in de blonde lokken te steken, waaruit ik hot eens, al schertsend, heb ontvreemd. Het werd mij niet euvel geduld,quot; â en hij scheen willens de prachtige brillanten haarspeld, die hij blinken liet, in het speldewerk van haar mutsje te steken; maar zij trad met afschuw terug, eer hij er in slaagde.
âWil dat behouden,quot; sprak zij, in zichtbare verlegenheid, âhet heeft voor u noch voor mij beteekenis, en ik â ik ben waarlijk niet meer bij machte u dat medaillon terug te geven .. . .quot;
âDat spijt mij zeer, want ik wil wel bekennen dat hot groote waarde had voor mij ....quot;'
âBepaal die waarde, want hot is niet meer in mijn bezit.quot;
âDafs een onvoorzichtig woord voor eene jonkvrouw, die zooveel mensehen- en karakterkennis bezit,quot; hernam hij met bijtende ironie; âhet miniatuur had onschatbare waarde voor mij; ik zou eisehen konnen stellen, die gij blijkbaar niet meer gezind zijt te voldoen,quot; en zich weêr tot haar heenbuigende, vervolgde hij halfluid - âdezelfde gunst die mij gewerd bij 't ontvangen : uwe liefde, uw vertrouwen den vrede in 't einde; het is nog niet te laat! wat zoudt gij zeggen?quot;
Tot hiertoe had Mabelia zich weerhouden, om den vermete-len aanvaller te beschamen, door hare bekendheid te toonen met zijne dubbelzinnige positie, uit vreeze Juliaan te verraden en do wraak van den laaghartigen edelman op diens hoofd over te brongen; maar nu, in liare uiterste verontwaardiging, in haar verlangen om zich, op welke wijze dan ook, van zijnen ergerlijken aandrang te ontslaan, vergat zij de voorzichtigheid en greep zij naar dat gevaarlijk wapen.
âIk heb het portret van den ouden baron de Ghiselles in bewaring gesteld bij den eenige die er recht op heeft, bij zijn wettigen zoon,quot; hernam zij, en de blik van diepe minachting waarmee zjj deze woorden begeleidde, zeide hem maar al te
813
duidelijk, dat zij alles van hem wist, en werkelijk besloten was tegen hem een strijd te voeren op het uiterste.quot;
â't Is edelmoedig van u mij den weg te wijzen, waarop ik mijn eigendom kan terugbekomen,quot; hernam hij; âwees zeker dat ik met dien wenk mijn voordeel zal doen;quot; en zich diep voor haar buigende, met een blik die van innerlijke woede getuigde, nam hij zijn mantel, groette vrouw Baerte, en scheen willens te gaan. Maar daar Antony volgde, als om hem uit te leiden, bleef hij vlak voor dezen staan en sprak: âik begrijp u, in uwe hoedanigheid van aanstaande der bekoorlijke Mabelia, hebt gij een woordje met mij te spreken .... ik ben tot uwe orders ... .quot;
âGij hebt gelijk, mijnheer de baron, ik heb u wat te zeggen, en ik ga met u meê.quot;
..Zooals gij verkiest.quot;
âAntony! Antony!quot; riep Mabelia hem toe, âga niet met dien man meê, ik waarschuw u, hij is een booswicht, lijj is tot alles in staat, ik smeek u, Antony, hoor mij! blijf' hier!quot;
Maar Antony was niet in eene gemoedsstemming, om naar hare waarschuwing te luisteren of daaraan toe te geven. Onder afwisselende aandoeningen, te aangrijpender wellicht naarmate hij ze niet wilde toonen, had hij naar bet geheimzinnig onderhoud geluisterd, nu eens gloeiend van toorn, dan weer doodsbleek van argwaan en jaloezie. Dat wat de Ghiselles nu tot hem zeide, klonk als eene uitdaging, die hij nu in de stemming was om aan te nemen. Al was hij overigens ook te flauw, om het in een twist ooit tot dadelijkheden te laten komen; al had hij onder een opgeraapt voorwendsel de eere ontdoken, om het schuttersvendel te voeren; al had hij als lid van St. Joris-Doelen bedankt, omdat de hand- of voetboog te spannen hem te zwaar eene oefening scheen; â nu â een duel met een man, even behendig met den degen als met do tong â hij zou het aanvaarden in blinde woede.
âAntony! Antony! ga niet mot hem meê, blijf hier, gij zijt
314
uw leven niet zeker!quot; bleef Mabelia aanhouden, hem volgende tot de deur; maar hij keerde zich om en er was woeste waanzin in zijn blik, toen hij riep:
âZwijg gij ! ik stoor mij niet meer aan u, ik geef niets meer om mijn leven!quot; En â weg was hij, de Ghiselles na, die hem rustig inwachtte.
â Kind 1 kind! wat zal ons nu overkomen? Wat gaat er toch om tusschen u en dien vreemdeling, dat hij zoo stout spreken durft?quot; vi-oeg moei Baerte, terwijl Mabelia haar schreiend in de armen viel.
Tot nu toe had zij zich kloek gehouden, maar aan die vertrouwde borst kon zij hare zwakheid toonen, zonder schade. âGij zult alles weten, moei! alles â Geloof, dat ik onvoorzichtig ben geweest, maar niet schuldig; mijne schuld is, dat ik gezwegen heb tegen u . ...quot;
âMaar die brief. Belie, die brief van Vrouwe de Beaumont, wat had ge dien zoo vinnig te verscheuren?quot;
âZij is eene dwaze vrouw, zij heeft mij altijd kwaad gedaan; zij ziet alleen op uiterlijken glans, weet niet eens schijn van waarheid te onderkennen, en zij raadt mij aan van Antony af te zien en dezen avonturier aan te nemen, dien zij geloof geeft, en die haar wijsmaakt, dat hij mijne hand zal vragen. Als Antony zich door hem uittergen laat tot een tweegevecht, is de ongelukkige verloren â want hij legt het toe op zijn leven en ik â arme! ik zal dien moord op mijn geweten hebben.quot;
Xeen. Mabelia! wees wel gerust, het bloed van Antony zal niet voor uwe rekening komen. De Ghiselles was veel te voorzichtig en te behendig, om door een opzienbarend tweegevecht zijne hachelijke stelling in de Geünieerde Provinciën nog meer onhoudbaar te maken, liet zou een moord worden genoemd.
315
zoo hij den jongen Delftschen burger, die g-een rapier kon Iian-teoren, verslagen had, en hij wist wel beter middel om hem onschadelijk te maken en zich op Mabelia te wreken. Uit den tegenstand, dien zij hem bood, uit de angstige bezorgdheid, waarmee zij Antony wilde terughouden, meende hij op te maken, dat zij aan dien verloofde hechtte, aan de verbintenis met hem althans. En zoo was zijn ontwerp ras gevat; hij wist Antony tot luisteren te brengen, die, een bloodaard in zjjn hart, bjj het koelen van de eerste drift reeds wat spijt had zich met dit avontuur te hebben ingelaten. Meer dan een geduldig toehoorder, wiens gemoed door argwaan en jaloezie ontvankelijk was voor elke booze influistering, had hij niet noodig om het venijn van leugen en laster uit te storten, waar de schijn in zijn voordeel en tegen Mabelia was.
Hij had niet eens al zijne behendigheid noodig, om den licht-geloovigen jonkman, kleingeestig en bekrompen van aard, alles te doen gelooven wat hij wilde, te minder, daar hij alleen over de waarheid een dubbelzinnigen glimp behoefde te leggen, om haar naar welgevallen te vervalschen.
Antony had altijd gevoeld, dat Mabelia geen liefde voor hem had; hij meende nu te weten, waarom!
Mabelia bracht met moei Baerte bijkans den ganschen nacht in angstige spanning door, altijd vreezende dat er geklopt zoude worden met eenig slecht bericht omtrent Antony. Zij voelden zich te meer hulpeloos, daar Schepen Dirk Graswinckel op een regentenmaal was geweest en laat thuis kwam, in eene stemming die bewees, dat de matige man ditmaal aan de groote bokaal had moeten gelooven; hij knorde, dat zij hem nog zoo laat zaten op te wachten, en zij durfden hem in dit oogenblik niet zeggen, welke bezorgdheid haar wakende hield.
Des anderen daags, al in de vroegte, werden zij opgeschrikt door een huisbediende van de Hogenhoecks, die een pakketje overreikte, met bijvoeging, dat hij geen antwoord had te wachten.
316
Wat was liet? â Antony zond de verlovingsring terug en enkele kleinigheden, die Mabelia hem bij sommige gelegenheden had geschonken.
Tot opheldering van die handelwijze had hij er een brief bijgevoegd. Maar welk een brief!
In den regel had Antony niet veel slag van briefschrijven, zoodra het boven de kantoorzaken ging. Hij miste ton eenen-male tact en kieschheid in zijne uitdrukkingen, maar nu wilde toorn en geprikkelde ijverzucht zijne pen hadden bestuurd, was hij grof en kwetsend tot boosaardigheid toe. Al het gift, dat do sluwe tong van de Ghiselles hem had ingeblazen, werd in deze venijnige regelen over Mabelia uitgestort, in eene Taal, die het jonge meisje beurtelings deed verbleeken van walgingen afgrijzen, of haar het purper der schaamte op de wangen joeg.
Stom van ontzetting en ergernis, reikte zij het kwaadaardig geschrift haar oom toe met sidderende hand, met oogen gloeiend onder de smart dier krenking, zonder nog in weldadige tranen verlichting te vinden; maar op eens barstte zij uit in een schellen lach, en bleef met zenuwachtige drift in het vertrek rondloopen, terwijl do achtbare Schepen, met sprekende ontroering en ergernis, kennis nam van het geschrevene.
Do eerzame echtelieden waren even verrast als verslagen over de zonderlinge uitwerking, die de onbehoorlijke handelwijze van hun neef teweegbracht op hunne pleegdochter.
Oom Dirk, zelf ziedend van gramschap nadat hij gelazen had, sloeg haar gade met diepe deernis, terwijl hij sprak ;
âWat wilt gij, dat ik dien lafbek zal antwoordden, die zich onderstaat u dus te bejegenen !quot;
âOp zoo iets antwoordt men niet,quot; hernam Mabelia, reeds wat kalmer geworden onder hare overleggingen, âof â ja oom, één antwoord is er,quot; en schielijk den ring van haar vinger rukkende dien zij zich eens door Antony had laten opdringen, lag zij dien in de hand van den Schepen, zeggende :
317
âLaat Antony weten, dat hij mij geen grooter gunst had kon-nen bewijzen, dan mij vrijheid te geven dit hier terug te zenden; alleen ik had niet verdiend, dat hij het in zulke termen zou hebben gedaan,quot; eindigde zij, en nu stroomden de tranen van 't gekrenkt gevoel.
âGekheid kind, Antony moet in een roes zijn geweest toen hij zoo schreef; ik ga staandevoets naar vader Hogenhoeck; zijn zoon moet u op zijne knieën vergiftenis vragen, en dan zal men zien, of we de zaak nog konnen schikken en bijleggen.quot;
âWat de vergiffenis belangt, oom, die heeft Antony niet te komen vragen; ik schenk hem die al vooruit; want hij moet tot waanzin zijn opgehitst geweest, toen hij mij zóó schreef; maar wat bijleggen belangt, geef u daar geene moeite voor; nu neef Antony mij mijn woord teruggeeft, blijft het daarbij. Ik heb niet zulke schuld als hij mij daar verwijt, maar ik heb eene schuld tegen hem, die ik nu althans wil goedmaken. Ik had hem van den beginne aan moeten zeggen wat ik nu zeg, om er nooit weêr op terug te komen. quot;Wij passen niet bij elkander; ik heb ongelijk gehad, ik heb eene zwakheid gepleegd, hem deze harde waarheid te verbergen; maar nu hij haar zelf op zulke wijze heeft uitgelokt, zal niets of niemand mij meer konnen bewegen haar terug te nemen.quot;
Daarbij bleef liet ook werkelijk, hoewel oom Dirk met vader Hogenhoeck de handen ineenlegden, om de zaak nog te middelen, daar Antony welhaast bitter berouw had, van zich door jaloezie en lichtgeloovigheid tot zulk eene onverschoonlijke handelwijze te hebben laten wegsleepen. Jacob Jansz. had hem nog eens onder vier oogen toegesproken en doen zien, wie die de Ghiselles was, door wien hij zich had laten ophitsen. Hij durfde den grijsaard niet eens voorstellen te zijner gunste bij Mabelia te spreken. Hij was laaghartig en kwaadwillig genoeg om, nu alle hoop was verloren, zich op Mabelia te wreken, door de schuld van de verbroken verbintenis geheel op haar te werpen en haar
318
âover de stad te brengenquot;, zooals hij dat noemde. Maar zijne ouders en Schepen Dirk waren van de leer, dat men van weerszijden de eer der familie moest ophouden, en er werd een glimp gegeven aan de zaak, waarbij geen der beide partijen schade leed in eere of karakter, zooals men meende althans; want wat er werd gegist of gemompeld onder vrienden, bekenden, afgunstigen, dat kwam niet tot hunne kennis. Antony zou nu toch reizen, werd er besloten; maar hij zelf maakte geene haast met zijne toebereidselen; hij kon niet besluiten Delft te verlaten â waar hij troosteloos omliep, steeds de gelegenheid bespiedend om Mabelia weer te zien, sinds hem het huis van Oom Dirk was ontzegd. Maar zijne volharding werd slecht beloond, want Mabelia zelve ging niet meer uit. Hoe kloek zij zich ook gehouden had, nadat de eerste schok was doorgestaan; hoezeer zij zich verlicht gevoelde, dat de keten was losgesprongen, die zij niet eigenmachtig had willen verbreken, toch volgde de terugwerking van de overspanning waarin zij verkeerd had, zoowel bij het tooneel met de Ghiselles, als onder de giove beleediging van Antony. Eene diepe neêrslachtigheid overmeesterde haar geheel; zij zag alles donker en zwaar in; alle levenslust en levensmoed schenen haar te begeven. Voor haar liefdewerk en ziekenbezoek had zij geen moed meer; eene zenuwachtige schuwheid overviel haar, zoo ras er sprake was van uitgaan: de vreeze, Antony te ontmoeten, maar bovenal het idéé fixe, dat de Ghiselles op haar loerde om haar een strik te spannen, hield haar binnenshuis; en de weldadige afleiding, de gezonde beweging, waaraan zij gewoon was, missende, raakte zij ten prooi aan alle kwellingen, die een geschokt zenuwgestel op een fijnvoelend gemoed kunnen uitwerken. Maar toch, zij had haar geloof behouden, en dat bewaarde haar tegen wegzinken in wanhoop, al kon zij de blijdschap der hope in dezen toestand niet vatten.quot;
Jacob Jansz. bezocht haar als dokter, troostte haar als ziele-
319
vriend, en toch â had zij in hare gedrukte stemming den moed niet om hem eene vraag te doen, die haar zeer na ter harte ging, en waarop het antwoord haar boven alles rust zou hebben gegeven,
Hoe ging het Juliaan? Waar was hij? Kon hij nog blootgesteld zijn aan de vervolging, aan de wraakzucht van zijn boos-aardigen broeder? Zelve had zij onvoorziehtiglijk diens aandacht op hem gevestigd, en hij had haar gedreigd van dien wenk gebruik te zullen maken, en zij wist dat hij niets zou ontzien om dit slachtoffer te treffen! Zij wist, dat Juliaan niet meer gevangen was in het huis van Bartels; zij wist niet, waarheen men hem gevoerd had; zij giste, dat hij in vrijheid was, en dus blootgesteld aan de lagen, die de Ghiselles hem kon leggen. Onbeschrijfelijke angst overviel haar, zoo ras zij aan deze mogelijkheid dacht, en zij durfde die niet verlichten, door ze uit te spreken aan Jacob Jansz, Eens had de strenge man haar met onverbiddelijken ernst gewaarschuwd, dat zij Juliaan zou ophouden in den voortgang van zijn geestelijk leven; daarom had zij nooit meer durven bekennen, hoezeer hij haar nog ter harte ging; en nu, in hare mismoedigheid, scheen het haar of hare lippen werden vastgesnoerd, als zij dien naam wilde uitbrengen ; toch gordde zij zich op zekeren dag aan niet moed, en ging Jacob-oom opzoeken in zijne werkplaats. Zij vond hem niet alleen; de gravin van Solms met hare zuster waren bjj hem, om eene proefneming gade te slaan; men maakte kennis, doch Mabelia voelde zich niet gestemd om chemische experimenten bij te wonen. Graswinckel deed haar uitgeleide. âIk had willen spreken over.... Juliaan,quot; bracht zij uit met sidderende lippen. âHet was mijn voornemen u van avond te komen zien,quot; antwoordde hij; ânu, ga binnen door; in mijne kluis zult gij Lijsbeth vinden, die u wel een en ander van hem vertellen zal.quot;
Werkelijk trof zij daar samen niet het goede vrouwtje, dat,
320
reeds met een mandje provisie beladen, nog eenig geneesmiddel wachtte, eer zij naar buiten terugkeerde. Kennelijk was zij verblijd juffer Graswinckel eens te ontmoeten, en zeker had zij vrijheid gekregen om niet langer discreet te zijn; want, eens op het punt in quaestie geraakt, vertelde zij haar al wat zij wensehte te weten.
Mabelia mocht zich gelukkig prijzen, dat het haar niet eenige dagen vroeger ingevallen was, ongeroepen in het heiligdom van haar oom binnen te treden. Dan had zij kans geloopen samen te treffen met de Grhiselles, die een vrij langdurig onderhoud had gehad met Jacob Jansz., waarover deze zich later tegen niemand uitliet. Daarbij waren zeker nogal heftige tooneelen voorgevallen; want, wie door de kleine in lood gevatte ruiten had gegluurd, zou opgemerkt hebben, dat er een oogenblik was geweest, waarop de baron, in wilde woede losgebarsten, zich aanstelde of hij den grijsaard te lijf' wilde. Maar deze had hem in zulke verhevene rust afgewacht, en geen ander vei-weermiddel gebruikt dan den vasten, majestueuzen blik van zijn oog, dat hij onafgewend op den woesten aanvaller had gericht; waarop deze, onder een heftig sidderen, was teruggedeinsd en ten laatsten ter aarde was gestort, onder een kreet die eerder aan een verscheurend dier dan aan een mensch herinnerde.
Eerst in den schemeravond van dien dag werd de edelman zonder eer of schaamte, dicht in zijn mantel gewikkeld, door den Wonderdokter uitgeleid, langs denzelfden weg, waar zijn broeder eenmaal, waggelend en bloedend, was binnengevoerd. En tot afscheid had de eerwaardige grijsaard hem deze «oorden gezegd: âVerzuim niet mijn geneesmiddel te gebruiken, want gij hebt het noodig, geloof mij; en volg evenzeer mijn raad om u zeiven te beheerschen â af te zien van booze bedenkingen, die uwe passiën in beweging brengen, of â gij zult
321
iet u te laat beklagen. Men overtreedt niet zoo roekeloos, zoo Yolhardend alle Gods geboden, of â lichaam en ziel lijden er schade bij, reeds nil in dezen tijd.quot;
Een binnensmonds gemompel, dat zeker eene belofte moest beteekenen, was het eenig antwoord dat er volgde.
21
Wonderdokter. II.
HOOFDSTUK IX.
Men was al een dag of twaalf verder in Mei. Juliaan zag er niet meer uit als een zwakke herstellende; zijne heldere oogen, zijne gezonde kleur, zijne veerkrachtige gang, alles duidde aan, dat hij krachten en gezondheid herkregen had. Hij was gezeten in het zindelijke, naar boerschen smaak opgetooide pronkvertrek, met fijn, wit zand op den vloer en beschilderde bedsteêdeuren, en had aan zijn middagmaal zoo goed recht gedaan, dat Schout Gerrit zelf tevreden zou zijn geweest. Lijs-beth was bij hem en stond hem aan te zien met hare heldere oogen, die van stille voldoening schitterden, terwijl zij sprak: âHet rjjtoertje van gisteren is n goed bekomen jonker; zal de knecht het paard maar weer ophalen en zadelen ?quot;
âVan middag dien ik thuis te blijven, want ik wacht bezoek. quot;Weet gij ook, Lijsbeth, hoe ik aan dit briefje kom, dat ik op mijne tafel vond?quot;
âJawel, jonker! de briefdrager uit de stad heeft het aangereikt____quot;
â't Is van iemand die mij om een onderhoud vraagt,quot; hernam Juliaan, het briefje in de hand verfrommelend.
Lijsbeth knikte met een genoegehjk lachje, of zij wel wist wat dat te beduiden had.
323
âWel, Lijsbeth!quot; sprak Juliaan, haar aanziende, âgij lijkt vandaag wel tien jaar jonger.quot;
â't Is van blijdschap, jonker, u zoo gezond en sterk te zien; dat zal te stade komen, want een mensch heeft zoowel kracht noodig om zjjn geluk te dragen, ais om in 't ongeluk staande te blijven, en ik voorzie dat het heden een gelukkige dag voor u zal zijn!quot;
âquot;Waaruit voorziet gjj dat, moedertje Lijsbeth?quot; vroeg hjj lachend.
âVan ochtend weer enne nieuwe bezending van Schout Oer-rit! â een heele schapraay vol kostelijk fijn lijnwaad en boven-kleêren, waarbij een fluweelen mantel en een blauw satijnen wambuis met zilver boordsel, en witte zijden dotten: een plunje, of 't voor den prins moet dienen! De jonker moest het vandaag maar al vast eens aandoen, om te weten hoe het staat.quot;
âDankje wel, Lijsbeth! ik voel me recht thuis in mijn eenvoudig burgerpak en begeer nietwes beters. Schout Gerrit is mij al tu kwistig.quot;
âHij zegt, dat hjj weet wat u past als go ten hove moet verschijnen.quot;
âAls Lijsbeth - maar daar heb ik nog niets van gehoord.quot;
âDaar is een Oranje-sjerp bij en een degenhanger.quot;
âDaar moet nog veel gebeuren eer ik dien noodig heb, Lijsbeth!quot; en Juliaan streek met de vlakke hand over 't voorhoofd, als om eene pijnlijke gedachte weg te vagen. âEn op den grond van die toezending voorspelt gij mij dan veel goeds?quot; vroeg hjj, haar aarzelend aanziende.
âZiet ge, jonker! laatstleden Maandag in stad wezende, en zoo van den een naar den ander loopende met mijne boodschappen, is me van allerlei ter oore gekomen, wat voor u aangenaam en verrassend zal zijn te vernemen; maar, daar luiden die 't belangt, zelf pleizier willen hebben van hunne goede tijdingen, moet Lijsbeth nog haar mond houden.quot;
324
âMocht gij geen valsche profetesse blijken; zeker is 't, dat dit briefje mij een bezoek aankondigt waarop ik wel niet had gerekend ...
âZoo mag ik het hier wel wat aan kant maken; zij moet alles hier in orde vinden ...
âZij!quot; herhaalde Juliaan halt in verbazing, half met wat ergernis, âmeent gij dan, goede Lijsbeth, dat eene dame mij schrijven en een rendez-vous vragen zou?quot;
âOch, ik weet zoo de manieren van joffers en hoeren niet, maar ik dacht.... ik hoopte.quot;
âNeen, neen! wek nu maar geen verlangen op, dat toch niet zal bevredigd worden; de man dien ik wachte, heeft mij iets te verzoeken en hij doet liet op zulken toon, dat ik geene vrijheid heb hom te weigeren.quot;
âO zoo! is 't een man,quot; hernam Lijsbeth wat teleurgesteld, op gerekten toon; âdan.... ben ik vast wat voorbarig geweest, dan ben ik do kluts kwijt, en dan zou ik u raden op uwe hoede te zijn, jonker, en als gij uitgaat, den degen meê te nemen dien Bastiaan u van ochtend heeft laten terugbrengen, ten bewijze dat hij ook al gehoord heeft, dat gij vrij en vrank zijt.quot;
âMijn degen, Lijsbeth! Zal ik u iets bekennen? Toen ik dien weer in handen kreeg, was het met zulk eene huiveringe dat ik het den goeden Bastiaan ten kwade duidde, dat hij dit instrument van mijne misdaad mij weer onder de oogen bracht, en ik meende dien terstond door midden te breken om er nooit weer aan te denken. Maar â daar viel het mij in, dat ik toch nog wel noodig had, aan mijne vroegere zonden en dwaasheden herinnerd te worden, en zoo bewaar ik hem zorgelijk, om met dat smartelijk gedenken mijne winst xe doen. Maar als wapen â als wapen tot zelfverdediging tegen vrien ook zal ik er nooit weer naar grijpen;quot; en na dit gezegd te hebben, liep hij naar buiten met zulk een driftigen stap, dat Lijsbeth glimlachend waarschuwde: âom toch niet tot Delft
325
door te wandelen, daar men dan met Schout Gerrit zou te doen krijgen, die beloofd had hem in triomf met paard en wagen af te halen.quot;
Waarheid is, dat Juliaan voortliep op het sehulppad langs de vaart die naar Delft voerde, met zekere gejaagdheid, of hij dus doende hij machte ware, den tjjd en 't geen die brengen zou, tot haast aan te zetten. Langzamerhand werd hij rustiger; het kalme Hollandsche landschap, de landerijen met hun grazend vee, maakten een bodarenden indruk op hem, zonder hem tot weekheid te stemmen. Hij wist dat hij een onderhoud tegenging, waarbij al zijne wilskracht en zelfbeheersching konden te pas komen; en uit het diepste van zijn hart ging de bede op, dat hem die heerschappij mocht gegeven worden over zich zelven, om hot kwade te overwinnen â door het goede. Al langzamer en langzamer was zijn tred geworden onder die stille overdenkingen, en zjjn blik dwaalde niet meer her en der, maar richtte zich soms naar het hooge luchtgewelf, of wel peinzend ter aarde. Op eens echter opgeschrikt uit dit gepeins bleef hij plotseling stilstaan als aan den grond genageld, als door eene verschijning getroffen. Wat was dat; mocht hij zijne oogeu vertrouwen ?
Ja, hij mocht het! de verschjjning was eene werkelijkheid. Mabelia Graswinckel kwam naar hem toe, mot lichten, vroo-lijken tred eti als verheerlijkt van blijdschap, bij het bewustzijn van de vreugde die zij ging aanbrengen.
âGij, gij zelve!quot; riep hij, in de eerste verrukking van 't weêrzion alles vergetende wat er tusschon hon lag; âhet kan toch niet zijn, dat gij .. . .quot;
âWaarom kan dat niet zijn, dat ik herwaarts kom om u te bezoeken?quot; antwoordde zjj met een glimlach.
âGij! zoo ver van Delft en alleen,quot; hernam hij op een toon van bezorgdheid, of hem iets inviel dat hom plotseling onrust aanjoeg.
âNiet alleen! Jacob-Oom heeft mij vorzeld; maar toen wij u
in do verte zagen naderen, viel het hem in, dat hij nog wat kruiden had te zoeken in het jonge groen;quot; een allerliefst schalk lachje verzelde die mededeeling, âen hij meende, wij konden nu wel samen naar de hoeve opwandelen.quot;
âZeer zeker zal ik u hier niet alleen laten!quot; hernam hij ras en wat verstrooid. Hij had haar niet aangezien en de vroolijke uitdrukking van haar lief gelaat niet opgemerkt. Hij bood haar zijn arm niet, maar ging zwijgend naast haar voort.
âIk ben ook ongesteld geweest, zoowol als gij,quot; ving zij aan, wat verwonderd over die zekere stroefheid, die zij bij hem meende op te merken, âon ik ging in don laatsten tijd niet meer uit. Pas gisteren verklaarde oom, de doktor, mij beter, en maande mij aan mijne gewone bezigheden, mijn liefdewerk, mijn ziekenbezoek weer op to vatten, en bij vertelde mij zoo, waar gij u bevondt tot herstel uwer krachten. Het was mij niet vergoten, jonker, dat ik u oene belofte had gedaan, die ik destijds niet heb konnon, niet bob mogen houden, on â zoo werden oom en ik liet eens â dat gij de eerste zoudt zijn....quot; Zij zweeg even, in de hoop dat hij met oen woord van zachte dankbaarheid zou invallen; maar daar hij in zijn stug zwijgen volhardde, ging zij voort: âgij zijt er immers niet over gebelgd, jonker Juliaan, dat ik u in den kring van mijn liefdewerk besluite?quot; Zij zag hem van tor zijde aan, als om oene uitdrukking van blijde verrassing to bespieden; zij ontwaarde slechts in zijn kleuren on vorbleeken de tookonon van inner-lijken strijd, toen hij eindelijk antwoordde, langzaam, als had hij ieder woord te overwegen: âGebelgd! hoe zou ik gebelgd kunnen zijn;-' neen voorwaar ik neem hot dankelijk aan, dat Joffer Graswinckel mijner nog gedenkt; maar â hot verrast me zoozeer ja het verbijstert mij geheel; ik kan niot goed begrijpen, hoe dit nog mogelijk is â nog wezen mag; gij hebt nu immers plichten, in strijd met... Ik kan mij niet voorstellen â dat do anderen het zullen goedkeuren.quot;
327
âWelke anderen? Oom Dirk en moei Baerte laten mij al vrij wel mijn eigen weg gaan.quot;
âEn Antony â uw verloofde â uw bruigom!quot; bracht hij uit, zoo ras en levendig, alsof hij liever in eens den genadeslag wilde ontvangen dan tussehen hoop en vrees gemarteld te worden; tegelijk zag hij haar angstig en uitvorschend aan, als wilde hij haar antwoord uit hare trekken lezen, nog eer zij het konde uitspreken.
âAntony? â God lof! mijn neef is niets meer voor mij; hij zelf heeft mij vrijgemaakt.quot;
âVrij, vrij! Zij is vrij!quot; juichte nu Juliaan, zoo luid en hartstochtelijk, dat Mabel ia verschrikt omzag, vreezende dat eenig wandelaar ditzelfde pad had gekozen. Maar Juliaan was op eens over alle bekommering heengezet; ongevraagd en met zekere forschheid nam hij haar arm in den zijnen, als nam hij bezit van zijn recht om haar te beschermen.
Het misverstand was opgelost; toch gingen zij zwijgend naast elkander voort.
Zij hadden te veel te zeggen om nog te kunnen spreken. In plaats van recht op de hoeve toe te gaan, voerde Juliaan haar zijwaarts af, zijn geliefd slingerboschje in.
âEn wat zult gij nu met uwe vrijheid doen, Juliaan?quot; vroeg Mabelia.
Hij haalde de schouders op. âIk wacht wat de naaste ure oyer mij zal beslissen; en gij, Mabelia, wat zult gij doen met de uwe?quot;
âOude schuld vereffenen, gelijk gij ziet,quot; antwoordde zij levendig.
âMabelia! de schuldenaar ben ik; maar helaas! ik heb niets om te betalen;quot; en hij zuchtte en hij liet haar arm los, als viel eene harde werkelijkheid weer in volle zwaarte op zijne schouders terug.
âAltijd die trots onder het kleed der nederigheid,quot; knorde zij.
328
Hij zweeg en liep eenige schreden van haai- af, toen op ge-smoorden, smartelijken toon zeggende: âO! dat mijn verleden een ander ware! hoe het mij nu drukt, dat de menschen laag op mij kunnen neerzien. De Almachtige Heer begenadigt en wischt uit tegelijk, maar de menschen â de menschen, zelfs als zij vergiffenis schenken, vergeten niet.quot;
âIk verzeker u, Juliaan, dat er menschen zijn, die anders denken, en die vergeten konnen als vergeven, mits zij slechts vaste hope hebben op de toekomst,quot; sprak zij nu met zekeren ernst.
Hij zuchtte en schudde het hoofd. âWat de toekomst belangt^ Mabelia, daarvoor kan ik instaan, in zooverre een Christen, die zijne hulpe van den Heere wacht, daaraf zeker kan zijn; maar wat ben ik nu voor dit oogenblik ? In veler oogen niets dan een misdadiger, door den invloed van verwanten en vrienden begenadigd;quot; en hij bracht de hand aan het hoofd en week nog verder van haar af, als achtte hij het noodig haar reeds te ontvlieden; toch naderde hij haar weer, en sprak met zach-ten nadruk: âMogelijk komt er een tijd, dat ik niet slechts, zekerheid heb van de vergiffenis der menschen, maar ook een recht heb verkregen om hunne vergetelheid te eischen, ja! eene luide erkenning te vorderen van mijne onschuld op poincten, die mij nu nog bezwaren; die tijd kan nabij zijn, Mabelia, maar ook nog veraf wezen, want het staat niet aan mij hier te beschikken, en lijdzaam wachten, zij het ook onder onlijdelijken druk, schijnt mij nu eenmaal opgelegd. Maar gjj, Mabelia, wilt gij datzelfde geduld oefenen met mij, voor mij, en niet opnieuw uwe vrijheid verzeggen, totdat ik die uitkomst verkregen heb, of de vreeselijke zekerheid heb, dat zij op aarde niet voor mij is te verwerven?quot; Hij vatte hare hand en zag haar smeekend aan.
âOngelukkig kan ik die toezegging niet doen,quot; sprak zij een weinig kwelziek, maar liet hare hand in de zijne; âditmaal heeft Jacob-oom voor mij gekozen, en daar kan nu geene sprake zijn.
329
van eene overijling der jeugd, evenmin van een offer aan .. . . een plicht; maar het is eene keuze, die op ware, goede gronden rust.quot;
âMabelia!quot; en hij liet hare hand vrij, âzeg mij niets meer, zeg mij nu niet wat ik niet kan dragen,quot; sprak hij met zachten weemoed.
âJaeob-oom,quot; ging zij voort, zonder zich door hem te laten afschrikken, âJacob-oom dwingt mij bijkans, en zegt dat hij zelf nog eindigen zal met voor koppelaar te spelen, omdat.... omdat .... de persoon in quaestie zoo laag van zich zeiven denkt â dat hij den moed niet zal hebben mijne hand te vragen zooals dat behoort.quot;
Er steeg Juliaan een gloed op het voorhoofd; hij vatte opnieuw hare hand, en zag haar aan met een droeven, ernstigen blik.
âEn zoudt gij den man konnen achten, Mabelia, die, ondanks de bewustheid, dat er levenslang een smet op hem kan rusten, toch dat roekelooze waagstuk kon bestaan om u een ja â een beslissend ,jaquot; te ontlokken? Of zoudt gij een man konnen liefhebben, zonderdat hij u achting inboezemde? Wat mij belangt, Mabelia, als ik inkeer tot mij zeiven, kan ik niets dan mij voor God verootmoedigen, met het aangezicht in het stof; maar och â al zoudt gij mij van hoogmoed betichten â toch kan ik niet de begenadigde zijn van mijne vrouw! Ik heb dat nooit zoo diep gevoeld, als juist in dezen oogenblik, waarin ik meer dan ik recht heb, zou willen offeren, om nü voor u te staan als een man met een zuiver verleden!quot;
âJuliaan, Juliaan! geloof mij toch, hij van wien ik sprak, boezemt mij achting in â en vertrouwen, meer dan de onberispelijke man die op zijne eigene braafheid roemt, die meent te staan omdat hij niet is gevallen, en wiens deugd nog in geen strijd is beproefd t Van u weet ik het, Juliaan, dat gij geworsteld hebt en gestreden en de overwinning hebt behaald; dat gij verzoekingen hebt weêr-staan, waarin menig ander, steunende op eigen kracht, zou zijn
330
omgekomen. Is de bede: âO! God schep mij een rein harte!quot; niet de vurigste bede uwer ziele, zooals het ook de mijne is geworden sinds ik wete wat zonde is, zoude voor God! En is 't niet de Heer zelf, die de reinheid geeft en die niet verwijt? En wat zoudt gij u dan verkleind achten in de oogen eener vrouw, die in een zelfde zielszucht met u zou opgaan? Juliaan, Juliaan! ik meende dat ik eene taak op mij had genomen, die lichtelijk was te volbrengen, waarbij gij zelf mij ter helfte zoudt zijn te gemoet gekomen, en nu ondervind ik, dat hot er eene is te zwaar bijkans voor mijne krachten, want ik zie 't u aan dat gij u nog niet laat overtuigen.quot;
Hare oogen vulden zich met tranen en haar gelaat, pas zoo vroolijk en opgewekt, nam nu weêr eene uitdrukking aan van onrust en lijden.
^Mabelia!quot; riep hij hartstochtelijk, âal had ik over twee levens te beschikken, zjj zouden u gewijd zijn, wees er zeker van, als ik er vrijheid toe had,quot; voegde hij er langzaam en met diepe zwaarmoedigheid bij. âIk heb u lief, Mabolia! heb ik noodig u dat te zeggen? Ik heb in den laatsten tijd zooveel strijd gevoerd om u, met mij zeiven, dat ik met volle waarheid zeggen mag: ik heb u lief meer dan mij zeiven; en deze liefde, die mij veel heeft doen lijden, toen ik waande dat zij eene schuldige was, zal nu mijn schat en mijne vreugde zijn â als gij mij toestaat die te belijden, als gij mij hope geeft die te beantwoorden.quot;
Zij reikte hem zwijgend de hand. Hij bracht die aan zijne lippen - aan zijn hart, opdat zij voelen zou, hoe dat klopte van onuitsprekelijke blijdschap; hij zag bleek van ontroering, en drukte zijne tranen weg, als schaamde hij zich deze zwakheid, maar hij kon niet spreken; eerst toen zij zelve, vertrouwelijk haar arm weêr in den zijnen leggende, vroeg: âWaartoe dan ijdele zelfkwelling? mijn goede oom hoeft alle hindernissen, die ons geluk in den weg stonden, overwonnen, wilt gij zelf dan de eenige onverzettelijke blijven ?quot;
331
âMabelia, Mabelia! maak niet dat ik in de duizeling der vreugde onvoorzichtelijk vergete, wat ik u, wat ik mij zeiven schuldig ben. Gij, die mij als engel der vertroosting zjjt verschenen, wees mij niet tot verlokking; want gij zoudt het u later beklagen, als ik het nü gewonnen gaf. Gode zij dank, ik ben niet tevergeefs op den weg des lijdens gehard; ik ken mijn plicht, en kan ook het liefste afstaan te dier wille. Ik heb wel den moed, die men meent dat mij falen zou, maar het mag geen overmoed zjjn, die u later recht zou geven mij te haten en te verachten. Er rust een smet op mijn naam â en die moet worden weggenomen, of â zij zou afgeven op u! â dat mag niet zijn! Arm zijnde, zou ik niet schromen uwe fortuin aan te nemen met uwe hand, maar â de schande, Mabelia, de schande moogt gij geenszins met mij deelen.quot;
âDe schande, Juliaan! hoe kunt gij zóó spreken? die is voor hen die u lasterden en mishandelden, die is voor hen die u in-kerkerden zonder schuld.quot;
âOch! van dat alles spreek ik niet, dat zjjn geen onheelbare wonden; maar luister, Mabelia! Een veldoverste, die voor vroom en rechtvaardig bekend staat, beeft mij smadelijk uit zijn leger verjaagd, de diepste vernedering die men een krijgsman kan aandoen, zonderdat ik â u geef ik daarop mijn mannenwoord â mij bewust ben van eenige schuld tegen hem, die zulke straf zou hebben verdiend. Mijne verbittering over dat onrecht sloeg over tot desperacie, en deze zette mij heen over de schaamte. In dat tijdperk zou de berooide zwerveling elke fortuin hebben aangegrepen, die hij had konnen vatten: het eergevoel was verstompt, en daarbij, een edele naam werd er niet meer door geschaad. Ik heette van toen af simpellijk: Juliaan. ik was de verdorde tak, van den boom afgerukt, waarmee de stormwind zijn spel speelde; maar het mirakel is geschied, dat er nieuw leven is gekomen in de verworpen twijg, en met dat nieuwe leven ook een ommekeer in denken en ge-
332
voelen, en ik mag niet uit roekelooze eigenbaat, de vrouw, die haar leven aan het mijne verbinden wil â Mabelia Graswinckel, naar geest en hart de edelste onder de vrouwen â onvoorzieh-tiglijk brengen in een staat, waarbij zij niet verzekerd ware tegen smaad en hoon.quot;
Toen hare beide handen in de zijnen vattende, en haar aanziende met zaehten, weemoedigen ernst, ging hij voort: âVerstaat gjj mij nu, Mabelia, als ik u smeek u zelve vrij te houden, zelfs van beloften aan mij, totdat ik weêr met fierheid het hoofd kan opheffen onder de menschen? Xeem dan geduld met mij en wacht op die uitkomst; wordt die nooit verkregen â hetgeen God verhoede, aan wieu ik het overgeve â dan â dan â blijven wij toch verbonden naar de ziele, niet waar! en gij zult mijne innige geliefde vriendinne en zuster blijven, zooals gij u reeds hebt betoond aan den geboeiden gevangene ?quot;
âIk zal zijn wat gij wilt, ik zal doen wat gij wilt, Juliaan,quot; bracht zij uit in de diepste ontroering. Hij drukte haar even de lippen op liet voorhoofd, als tot bezegeling van dat verbond; toen, wat gehaast haar zijn arm biedende, keerde hij met haar terug naar de hoeve. Nog hadden zij die niet bereikt, of reeds kwam de boerin op hem aanloopen met het bericht, dat er een heer was gekomen, die den jonker moest spreken.
âZeker Schout Gerrit, want die zou komen,quot; sprak Mabelia welgemoed.
âHm! 't is wat anders; het is.... wat ik niet had moeten vergeten,quot; en het gelaat van Juliaan betrok.
âDaar komt hij al,quot; sprak vrouw Pauwels, en de persoon, dien zij met den vinger aanwees, was niemand anders dan de Ghiselles.
âDie! o, die komt om ons te verderven!quot; sprak Mabelia mat gesmoorde stem.
âJJeen, neen, wees gerust! hij schreef mij dat hij met een
333
goed oogmerk komt. Blijf kalm, Mabelia, hij vermag niets tegen u of mij.quot;
âHij komt om zich te wreken op u, omdat â omdat. .en zij wilde den arm van Juliaan loslaten in haar zenuwachtigen angst, en vluchten.
Maar deze stond dat riet toe. âTreed maar rustig door, ik zal u weten te veiligen tegen beleediging, geloof mij,quot; zeide hij.
Zij antwoordde niet, maar wendde het hoofd af; en Juliaan, zonder den stap te verhaasten, ging met haar de Ghiselles voorbij, die vast nader kwam.
Deze groette zwijgend, doch met een ironieken glimlach en bleef staan.
âWees zoo goed mij hier te wachten, baron, ik moet even juffer Graswinckel geleide geven tot aan de boerderij.quot;
VA voire aise mon cher; zoo ik had konnen raden, dat ik u storen zou in een rendez-vous....quot;
âHet is werkelijk een rendez-vous; want de jufter heeft dokter Graswinckel en Schout Gerrit afspraak gegeven, om hier met haar samen te treffen,quot; hernam Juliaan, hem voorbijgaande en Mabelia toe in het huis voerende.
âHij komt u dat zekere portret afdwingen. Geef het Juliaan! geef het toch! Laat er geen strijd zijn om mij!quot; smeekte zij, trillend van ontzetting.
âIk zal het doen, wees maar gerust; en hij liet haar over aan de zorg van Lijsbeth.
De Ghiselles liep heen en weêr op eenigen afstand van het huis.
âZoo wij opwandelden?quot; stelde hij voor, âwant dat boerenvolk gaapt mij zoo aan, en al spreken wij ook hunne taal niet, dat is hinderlijk bij een vertrouwelijk onderhoud.quot;
âIk was ook niet voornemens, u daarbinnen te ontvangen,quot; zei Juliaan strak. âWij zijn nu onder vier oogen, zooals gij ge-wenscht hebt, en gij zult mij verplichten met kort te zijn en zonder omwegen te zeggen, wat gij van mij verlangt.quot;
334
âIk begrijp, dat gij uw tijd op dit oogenblik beter kunt gebruiken,quot; hernam de Ghiselles met een sarcastisch lachje, âen ik zal u dien niet langer rooven dan volstrekt noodig is : ik ken de waarde van zulke oogenblikken. Souvent femme varie, en ik ken de dame in quaestie genoeg, om u te verzekeren, dat
zij in dezen geene exceptie is.....quot;
âIk weet dat zij u kent, Armand, en gij kunt u gerust van dubbelzinnige toespelingen onthouden, want die hebben gansch geene boteekenis voor mij. Ziehier een medaillon, dat zij mij verzocht heeft u ter hand te stellen.quot;
Ah, zoo! zij wil niet dat wij er over twisten zullen, dat begrijp ik. Ik gaf het haar in een van die oogenbikken, waarin men alles zou weggeven. Mijne moeder schonk het mij in eene opwelling van teerhartigheid. Zij zelve had het in eene luim van ijverzucht den baron de Ghiselles afgedwongen. Dit wissel-pand van zooveel zwakheid behoort nii rechtens aan u, die de begunstigde zijt van het oogenblik, alzoo behoud het!quot;
âNeem aan, Armand! Ik heb geene gewoonte te behouden wat mij niet toekomt; maar ik verzoek u van juffer Gras winckel te zwijgen, zoo gij niet van haar wilt spreken met de achting, waarop zij recht heeft.quot;
âWij hebben wat beters te doen dan op dit punt met elkaar te twisten, Juliaan! Gij ziet mij voor u in eene stemming van contritie, die gij zeker niet van mij verwacht zoudt hebben.quot;
âZoo dat meenens is, Armand, is het eene eerste schrede op den goeden weg.quot;
âHet is meenens, en als bewijs er van moet ik u zeggen, dat ik u bewonder dat gjj mij beschaamd hebt.quot;
Juliaan zweeg; hij vreesde dat er een hatelijkheid ging volgen, die hij niet wilde uitlokken, en de Ghiselles ging voort: âJa! gij zijt in de gelegenheid geweest mij grootelijks ondienst te doen, en gij hebt het nagelaten; dat is reeds veel ; maar ik heb vernomen, dat gij daarteboven nog bereid waart de gevol-
385
gen te dragen van de verdenking, die ik, om mij zelf uit eene moeieljjkheid te redden, verplicht ben geweest op u te werpen.quot;
âSpreek daar liever niet meer van; 't is nu alles voorbij, en ik wil het liefst vergeten.quot;
âJa! maar ik mag het niet vergeten, en ik zeg dat het nobel was van u, en dat te eer, daar ik wel wil erkennen, dat gij geenerlei verplichting aan mij hebt; ter contrarie.. . .quot;
âquot;Waartoe moeten deze herinneringen leiden, Armand? Tot niets vermoedelijk, en zoo zoudt gij beter doen ze mij te sparen.quot;
âZe zijn niet glorieus voor mij en pijnlijk voor u, dat is waar; maar, zoo ik ze opriep, is het omdat uwe handelwijze mij meer getroffen heeft dan gij wel denkt, en â en â omdat ik wenschte â dat wij vrienden konden zijn.quot;
â Wat hebt gij met mij voor, Armand, dat gij op dezen toon tot mij spreekt?quot; vroeg Juliaan, hem van ter zijde aanziende; de listige oogen waren neèrgeslagen, en de edelman zonder eer en schaamte zag er bleek en vervallen uit.
âWil nu don argwaan tor zijde zetten. Ik wensch mij met u te verzoenen; ziedaar alles, wat ik van u wil. Is het dan volstrekt noodig, dat wij in eeuwige vijandschap met elkander blijven leven ?quot;
âIntegendeel, wij konnen niet volharden in die vijandelijke gezindheid jegens elkander, zonder zonde,quot; hernam Juliaan levendig; âen zoo gij ter goeder trouw zijt in uw verlangen naar verzoening, ben ik bereid u de hand te reiken.quot;
âIk ben ter goeder trouw. Ziedaar de mijne.quot;
Hunne handen lagen in elkander, zonder warmte, zonder geestdrift.
Dat zalig gevoel, dat eens menschen hart beweegt bij het wegwerpen van haat en vijandschap, die traan van ontroering, als men elkaar weêr in liefde aanstaart, oog in oog, werd bij deze verzoening gemist; het was eene staking der vijandschap,
336
niets meer. Juliaan voelde dit, en toch, hij kon zich geene blijdschap opdringen.
âBen ik schuldig, dat ik hem nog wantrouw?quot; verzuchtte Juliaan.
âWaarom zie ik u nog peinzend en gedrukt, Juliaan?quot; vroeg Armand, die hem gadesloeg.
âIk vroeg mij zeiven af', wat u tot dezen stap kan gebracht hebben ?quot;
âGelooft gij dan niet, dat het een mensch kan invallen om eens op zjjn levensweg terug te zien â en â dan een en ander te vinden, wat hij wenschte ongedaan te konnen maken ?quot;
âZeer zeker geloof ik aan zulke inkeering tot zich zeiven, aan zulk omkeeren op een kwaden weg,quot; hernam Juliaan getroffen. âWie ook anders moge oordeelen, mij zou die twijfel kwalijk passen, sinds ik zelf door Gods genade tot dien omkeer ben bekwaam gemaakt. Gjj hebt gelijk, broeder, het is liefdeloos van mij, te wanen dat aan u niet zou geschieden, wat aan mij is geschied.quot;
âAls gij er zoo over denkt, zult gij mij voorzeker schenken wat ik u vraag, en wat allereerst noodig is, zal onze verzoening duurzaam zijn.quot;
âSpreek, Armand, wat begeert gij van mij?quot;
âDat gij mij vergiffenis schenkt, algeheele vergiffenis van alles wat ik tegen u heb gepleegd.quot;
âDie vergiffenis hebt gij, en die was u al geschonken, zoodra ik heb ingezien hoezeer ik zelf behoefte had aan de vergiffenis van Goden hij reikte hem opnieuw de hand, die de Ghiselles met zekere vervoering aannam, terwijl hij sprak : âZoo wij hier niet zoo goed als op den publieken weg waren, zou ik mij aan uwe voeten werpen, uit erkentenis voor zooveel edelmoedigheid; want ik heb u kwaad gedaan, veel kwaad, meer zelfs dan gij nu nog weet, en ik vrees, als gij dat eens vernemen zult, en dat kan niet uitblijven, dat gij dan berouw zult hebben van uwe goedertierenheid.quot;
337
âVrees dat niet. Ik zal er niet meer naar omzien, ik zal er niemand naar vragen.quot;
âOok is 't beter als ik het u nu zelf zeg. Luister.....quot;
âquot;Waarom wilt gij u zeiven en mij pijnigen met die bekentenissen .....quot;
âOpdat gij mij later niets meer te verwijten zult hebben; eerst als het verleden gezuiverd is, kan de toekomst iets goeds beloven.quot;
âDat ben ik met u eens. Nu dan, zeg het uit, ik zal trachten kalm te luisteren.quot;
âAllereerst moet gij weten dat ik dezen stap doe in overleg, ik zou haast zeggen naar het voorschrift van den.....zonderlingen man, die uw vriend en beschermer is.....quot;
âVan Jacob Jansz.? Zijt gij met dezen bekend geworden?quot; riep Juliaan verheugd, âdan â dan begrijp ik mij alles.quot;
âJa! hij zelf heeft mij geraden dat ik mij ganschelijk aan u zou vertrouwen, mij pieds et poings liés aan u zou overleveren, en dat hij er voor instond, dat gij bij onzen heer vader voor mij zoudt tusschenbeide treden.quot;
âIk..... begrijp niet hoe gij dit meent,quot; sprak Juliaan in
zekere verbijstering. âDo baron de Ghiselles zal toch niet....quot;
âIk ben op dit oogenblik in zeer slechte termen met den baron de Ghiselles, en er is niemand dan gij, die dat zal konnen bemiddelen.quot;
âHoe kunt gij zoo iets zeggen, Armand! gij weet maar al te goed, dat do baron niets met mij te doen wil hebben; dat ik dood ben voor hem, gelijk hij het ziju moest voor mij, hoewel ik - juist nu beter dan ooit â gevoel, hoezeer daar binnen in mij iets is dat niet sterven kan.quot;
âDat is heel gelukkig, want hij wil u weerzien, hij wil zich met u verzoenen, de rust van zijn ouden dag hangt er aan.quot;
âHoe! wilt gij dat ik dit gelooven zal. Armand-' Dit is een verzinsel van u.quot;
Wonderdokter. II. 22
338
âAlweer dat wantrouwen...
âMag ik het ongeloofelijke voor waar houden? â En toch, ja heeft mijn waardige vriend het mij niet gezegd, dat geen ding onmogelijk is bij God, ook niet een vaderhart naar zijn beeld om te scheppen? Armand, Armand! gezegend zijt gij, nu gij mij deze tijding brengt!quot; En in zijn hartstochtelijke blijdschap sloeg hij den arm om zijn hals en omhelsde hem.
âUwe blijdschap gaat mij ter harte, Juliaan! en maakt het mij nog zwaarder u te bekennen.. ..quot;
âDat het niet waar is wat gij daar zeidet?quot; vroeg Juliaan, verbleekend bij de gedachte aan zulke misleiding.
âïfeen, neen! maar dat ik veel te lang gewacht heb met u die tijding te brengen. Xu hoor mij aan met geduld. Na den dood mijner moeder, waarop de vlucht van de uwe volgde, was de baron de Ghiselles dezelfde niet moer; hij werd onrustig en kwijnend, hij had luimen van prikkelbaarheid en weekheid, zooals ik ze nooit tevoren bij hem had waargenomen, en welhaast bemerkte ik aan gewisse kenteekenen, dat hij berouw had van de harde maatregelen tegen u. Dat voorspelde voor mij zeiven niet veel goeds; ik wil n wel bekennen, dat ik hem niet sterkte in die aanvechtingen om op het eens genomen besluit terug te komen.. .. Maar dat baatte niet veel; en toen ik zag welke wending zijne gedachten namen, begreep ik wijselijk ze niet langer te weêrstreven; ik toonde mij bereid zijn idéé fixe te dienen; en toen ik mij naar deze gewesten begaf, kreeg ik den last meê om u uit te vinden, op te zoeken, op te richten, als het zijn moest en tot verzekering zijner goede gezindheid u dezen brief te overhandigen!quot;
Juliaan had onder allerlei gemoedsbeweging geluisterd; nu â bleef hij strak op den brief staren, zonder dien aan te nemen.
âArmand! zoo dit een bedrog is, dan is het duivelsch!quot;
âBedrog! Meent gij, dat ik het schrift en het zegel van den baron zou namaken om u eene blijde verrassing te bezorgen?
339
Lees zelf, gij zult uwe eigene oogeu beter vertrouwen dan mijne woorden.quot;
âMaar de brief' is open!quot; bracht Juliaan uit, dien aannemende met bevende handen.
âWat zal ik zeggen. In do onzekerheid of ik wel ooit mijn last zou konnen volbrengen, en door nieuwsgierigheid gedreven, beging ik deze indiscretie; ook dit zult gij mij te vergeven hebben.quot;
âAlles, alles! nu ik hot hart van mijn vader weervind!quot; en hij las met vochtige oogen, terwijl het blad in zjjne vingeren trilde.
De inhoud bevestigde volkomen hetgeen de Ghiselles had gezegd. Het was een toon uit het vaderhart, vol weemoed en verlangen, die tevens getuigde van zelfverwijt en deernis met het lijden van den verstoeten zoon. Het was als een uitstrekken der armen naar den zwerveling, als om in zegenende omhelzing de uitwerking van den wreeden vloek teniet te doen. Juliaan snikte en kon nauwelijks lezen van aandoening; hij hief de oogen ten hemel, kuste het dierbare geschrift, en drukte het aan zijn hart in onuitsprekelijke blijdschap.
Hij was met zjjn schat eenige schreden vooruitgeloopen, om zich van de Ghiselles af te zonderen terwijl hij dien genoot, en deze sloeg de bewijzen van zijne hartstochtelijke vreugde gade met zichtbare voldoening. Wat kalmer geworden, las Juliaan nogmaals den brief door, als kon hij zich daaraan niet verzadigen. Op eens echter keerde bij zich tot de Ghiselles met een uitroep van toorn en ontzetting, en greep hein bij den arm met zulk eene forschheid, dat do baron verbleekte, zoowel van pijn als van schrik.
âDeze brief is meer dan een jaar oud!quot; riep Juliaan, den arm van den trouweloozen bode schuddende, of hij dien meende te breken.
âAls gij mij loslaat, zal ik n zeggen hoe dat komt.quot;
B40
J uliaan voldeed aan dien eisch, zelf wat beschaamd over dien aanval van woeste drift.
âIk heb mij zeiven reeds beschuldigd, dat ik lang â veel te lang â gewacht heb met dien te bezorgen; maar erken dan toch ook, dat het hard was voor mij. Hetgeen mij werd opgedragen, was zoo goed als zelfvernietiging!quot;
âArmand, Armand!quot; riep Juliaan, minder heftig, maar met diep smartelijk verwijt, âhebt gij een mcnschelijk hart? Dat gij oen tegenzin hadt om dien last te volbrengen; dat gij mij niet uit alle macht hebt gezocht, laat ik daar: maar wij hob-ben elkander ontmoet, herhaaldelijk. Eens zelfs in Groningerland hebt gij mij gezien in do diepste ellende, ncurgebogen onder den slag van dien vloek, die mij tot alle goeds onbekwaam maakte, allen zuiveren levenslucht in mij verstikte, die mij twijfelen deed aan God en monschen â en gij, gij hebt mij niet eens den droppel lafenis willen reiken, dien de mildheid der vaderliefde u voor mij had toevertrouwd. Ik laat alles daar wat gij tegen mij hebt gedaan, maar dat gij dit eene hebt nagelaten, dat is monsterachtig!quot;
âIk wist wel, dat gij het mij niet vergeven zoudt,quot; hernam de Ghiselles neerslachtig; âmaar houd mij voor 't minst ten goede, dat ik er nog toe besluiten kon, al raadde ik, hoe gij hot zoudt opnemen.quot;
âGij hebt gelijk,quot; hernam Juliaan kalmer, maar toch met zekere bitterheid. âGij hadt van dien brief konnen zwijgen en dien vernietigen; nog moet ik het prijzen, dat gij dit niet hebt gedaan.quot;
âIk begrijp wel, dat gij 1111 doof zult zijn voor alles wat ik tot mijne verontschuldiging kan aanvoeren; maar bede ik toch hoe wij wederzijds over elkaar dachten; dat er tusschen ons nooit eenige broederlijke gezindheid heeft bestaan, en hoe ik alle reden had 0111 te vreezen, dat uwe verzoening met den baron mijn ondergang zou zijn! Daarbij, om de waarheid te
341
zeggen, hield ik n voor zoo diep gevallen, zoo in 't slijk weggezonken, dat er aan geen oprichten en uitredden meer te denken was.quot;
âNiet door uwe hand, dat kan zijn.quot;
âGedenk, hoo er tijden zijn geweest, waarin gij tot alles in staat waart.quot;
âTot alles! Dat onken ik. Xooit tot eene daad van laaghartige wraakneming, nooit tot verraad van vriend of vorst, nooit tot een ovei'leg om in kooien ijloodo eens anders ongeluk te bewerken.quot;
âDat kan zjjn. Ik heb u nooit in 't harte gezien! maar op den woesteling, dio gij eens zijt geweest, kon men niet veel vertrouwen stollen; ik achtte u in staat om in den roes van den haat de vergiffenis van uw vader te minachten, te bespotten, ja! onder do bedwelming van drank of spel prijs te geven aan den hoon uwer metgezellen, dien te verdobbelen of te verscheuren.quot;
Juliaan was beurtelings bleek en rood geworden onder dio wreedaardige herinneringen. Kennelijk worstelde bjj om zich zeiven te beheerschen en geen uitval te doen, die hem opnieuw als âeen woestelingquot; stempelde, en hjj bracht het er toe om met waardige terughouding te antwoorden:
âGij hebt gelijk; ik had u door mijne jammerlijke afdwalingen het recht gegeven dus over mij te oordeelen; ik moest naar uwe zienswijze die gunst verbeurd hebben.quot;
âOm de waarheid te zeggen: in dien zin schreef ik over u aan den baron.quot;
âEn zoo is deze brief niet alleen verouderd, maar ook de stemming van den schrijver veranderd?quot; vroeg Juliaan inzicht-bare spanning.
âIn 't eerst wellicht. De baron scheen in 't onmogelijke te berusten; maar dat de stem van het bloed luider sprak dan alle bjjbedenken, is mij gebleken bij de komst van de Luiksche
342
gezanten. Zij brachten mij opnieuw en dringend den last meê, schoon in bedekte termen, om niets te verzuimen wat de rust van zijn ouderdom kon verzekeren, welke hindernissen zich daar ook tegenstelden. Ik begreep zijne bedoeling heel goed; hij wilde u weêrhebben, zóóals gij waart, en ik had hem wel willen gehoorzamen, maar gij zelf had het mij onmogelijk gemaakt; bij iedere nieuwe ontmoeting tusschen ons, waart gij woester en vijandiger jegens mij â ik moest er van afzien u te temmen, u te winnen.quot;
Juliaan kon zich niet onthouden hier in te vallen met de aanmerking: âDe wijze, waarop gjj dat hebt aangelegd, was toch wel zeer onhandig.quot;
âHet ging mij slecht af, omdat het niet van harte was, ik erken het. Maar zie eens wat er gebeuren moest: Ik bea bevriend met een dor secretarissen van het Luiksche gezantschap; hij komt mij zeggen dat hij in geldverlegenheid is, en ik kan niet weigeren, want hij weet dat zjjn principaal tweeduizend pistolen voor mij heeft meegebracht; wat misnoegd dat ik zoo geplunderd word, werp ik hem mijne beurs toe, waarin ik achteloos genoeg den brief van den baron had weggestoken, die voor allerlei uitlegging vatbaar is. Ik behoef u niet te zeggen, welken weg de brief heeft gemaakt om uw vriend don Wonderdokter in handen te vallen. Deze, die niet van 't humeur is om uit alles venijn te zuigen, zoouls andere lieden hier, meent een meesterstuk te doen in ons aller belang, en zendt met voorkon-nis nota-bene! van den Advocaat van Holland, die er he '1 anders over denkt, een afschrift van den brief aan den baron de Ghiselles, mot de noodige explicaties omtrent u en mij daarnevens, dezen uitnoodigend, om zich omtrent den gegeven last aan zijn zoon duidelijk te verklaren. Het was wel heel naïef; want do baron zou toch nooit hebben erkend, dat hij onbehoorlijke handelingen jegens den Stadhouder had aanbevolen: maar â daar de baron op dit punt werkelijk zuiver was, brak
343
het omveêr los over mijn hoofd. In plaats van het geld te gebruiken naar de bedoeling van den baron, had ik den vreemdeling daarmee voortgeholpen in zijne intriges en kwade meneën, en gij, gij kwaamt naast die donkere satansgestalte uit, zoo blank als een aartsengel die de vleugels ten hemel rept. Op dat pas waart gij, naar men mij berichtte, in een toestand die het zeer onwaarschijnlijk maakte, dat gij ooit weêr de aarde zoudt bewandelen, en met dit bericht moest ik den baron onder de oogen treden, die mij ter verantwoording had geroepen. Ik zal u maar niet vertellen wat er toen voorviel. De baron kan hevig zijn als hij boos wordt, zooals alle zwakke lieden, en zoo hij hoop had konnen voeden op uw herstel, houd ik voorzeker, dat ik in volslagen ongenade zou gevallen zijn, met al de gevolgen van dien. Hier teruggekeerd, verneem ik dat gij hersteld zijt, en waar gij n bevindt; en daar ik oorzaak heb eene verzoening te wenschen, want ik geloof aan hetgeen men zegt van uwe edelmoedighoid, kom ik die inroepen door eene algeheele biecht.quot;
Juliaan was ouder die omslachtige mededeelingen hoe langer hoe kalmer geworden, en zij stelden hem in staat om scherp toe te luisteren, met dat zeker wantrouwen dat hij niet van zich af kon werpen, en dat ook wel werd gerechtigd door den luch-tigen toon en de schaamtelooze wijze, waarop de Ghiselles over zijne gruwelijke listen en logens sprak. Zoo kon iemand die tot inkeer was gekomen, op zich zeiven, op zijne schuld en zonde niet terugzien, zóó niet daarvan spreken; en Juliaan achtte het aan zich zelf schuldig te zjjn, te bewijzen, dat hij van deze voorstellingen geen dupe was.
Toen de Ghiselles zweeg, antwoordde hij koel, maar ernstig:
âGij zult geen boter mensch worden, Armand, tenzij gij besluiten kunt waar te zijn !quot;
âAls gij het zóó opneemt, Juliaan, deed ik wel dwaas n alles te bekennen en â op uwe edelmoedigheid te rekenen.quot;
344
âAls gij mij werkelijk gelegenheid geeft die le toonen, zal dat beroep niet tevergeefs zijn gedaan, dat verzeker ik u; maar . . .
âMaar â gij gelooft niet wat ik zeg, schoon ik u op mijn eerewoord verzeker, dat het de waarheid is; dit is erger dan mij vergiffenis weigeren, dit is mij aanzien voor een laagharti-gen leugenaar; ik gebruik wel listen tegen een vijand, dat is waar; maar het is immers afgesproken, dat wij nu vrienden zouden zijn?quot;
âJa! dat is afgesproken; en als het mij blijkt dat gij u werkelijk aan die afspraak houdt, zal ik mijn onrecht bekennen; tot zoolang, houd mij ten goede, dat ik niet alles, wat gij mij daar vertelt, maar zoo gaaf op uw zeggen kan aannemen. Ik zou in de gelegenheid moeten zijn mijn vader te schrijven of hem zelf te zien, eer ik mij waarlijk in dezen omkeer kan verheugen.quot;
âDat laatste is ook hoog noodig, en 't is juist daarom dar ik hier kome, nog voor gij deze afzondering verlaat; de baron verlangt zoo vurig u weer te zien, dat gij alles aan zij moet zoeten om dit verlangen te voldoen.quot;
âDat is onmogelijk! gij begrijpt wel, dat ik zoo maar niet naar Brussel kan reizen.quot;
âDat's ook niet noodig,quot; hernam de Ghiselles glimlachend. âIk kan wel merken, dat gij sinds lang van de buitenwereld zijt afgescheiden, en niets meer weet van hetgeen er omgaat. Er zijn vredesonderhandelingen op til. De Kanselier van Braband, de waardige Liesveldt, is niet voorkennis der Staten en onder hunne sauvegarde naar Zeeland gekomen, waar Maurits zich reeds bevond, om met dezen een mondgesprek te hebben en opening van zaken te geven, ten einde de preliminairen vast te stellen. Die occassie heeft do baron aangegrepen om herwaarts over te komen en van 't vrijgeleide te profiteeren, als behoo-rende tot het gezelschap van den Kanselier.quot;
345
âMijn vader in Zeeland!quot; riep Juliaan met glinsterende oogen.
âNog dichterbij. Hij is tot Dordrecht doorgegaan, en logeert op 't slot IJsselmonde bij mevrouwe de Merode, nog zoo wat eene nicht, geloof ik, van de zijde der Egmonds.quot;
âZoo is het waar! Zoo mag ik hem daar bezoeken .. .
âEn â al zou ik het ook voor u willen verzwijgen, gij zult het toch te weten komen â het zal maar van u afhangen, weêr geheel in de oude rechten te treden, als gij u maar eenigs-zins naar zijne opinion wilt schikken. Sinds Alba, zijn er reeds zoo verschillende landvoogden te Brussel opgetreden, dat niemand er zich meer over bekommeren zal, hoe men dezen heeft misleid; de baron is daarbij minder koningsgezind dan ooit, en behoort tot de partij der Nederlandsche edellieden, die misnoegd zijn, openlijk morren, en die begeeren dat men Fuentes ter zijde zal zetten, en die het plan om den kardinaal Albertus aan 't bestuur te brengen toejuichen. Mij vergeeft hij het nauwelijks, dat ik zoo in de gunst sta van het Hof, zoowel te Madrid als te Brussel; maar ik voele mij daardoor sterk genoeg om verder mijn weg zonder hem te maken, als hij mij maar niet openlijk voor bastert verklaart. En hierin hoop ik dat gij mij zult bijstaan, al moet ik u dan ook den zegelring overleveren, dien ik als baron de Ghiselles voere.quot;
âWees gerust, Arniand! zelfs al deed de baron mij dat voorstel, ik zou het niet konnen, niet mogen aannemen. Ik sta nu eenmaal aan de andere zjjde en voel mij niet meer bekwaam de plichten van een baron de Ghiselles te aanvaarden. Al zou ik het een oogenblik konnen vergeten, onder den indruk der duizelingwekkende mededeelingen, die gij mij doet, daarginds, op den heerweg, zie ik een koetswagen naderen, die mij op eens weêr herinnert wat mij hier wacht. De Schout van Delft komt mij afhalen 0111 mij eene bestemming tegen te voeren, die geheel in strijd is met hetgeen de baron, als onderdaan van Filips II, mij zou moeten opleggen.quot;
346
âDat voertuig? Gij vergist u! Dat is mijn reiswagen, dien ik heb laten volgen, omdat ik n de gelegenheid wilde bieden, zonder uitstel te zamen naar Rotterdam te vertrekken, om vervolgens per scheepsgelegenheid de reis naar Dordrecht en IJssel-monde voort te zetten!quot;
âIk hoop daar zeker te komen, ik zal in 't eerste oogenblik van rust den baron schrijven, en zoo ras ik zijne intentiën nader heb verstaan, zal ik tot hem komen; nu terstond van uw aanbod gebruik maken, dat gaat niet.quot;
âWaarom niet? Gij zijt nu immers geen gevangene meer?quot;
âMijne vrijheid is mij nog niet officiëel aangezegd; maar al ware dat zoo, ik bon zedelijk gebonden, daar ik weet dat zij, die zich in de bres hebben gesteld voor mijne belangen, er zich eene vreugd van maken wilden, mij hier met goede tijdingen te komen verblijden.quot;
âDat's een fraai voorwendsel, sinds gij geen lust hebt met mij meê te gaan, uit een mistrouwen in mij, dat ik wete maar al te zeer verdiend te hebben!quot; sprak de Ghiselles op r.eêr-slachtigen toon.
âGeloof mij, Armand, dat is hot niet,quot; hernam Juliaan, wat bewogen; âals gij niet zulke haast maakt, zoo gij twee of drie dagen wachten wilt, zal ik naar geen ander reisgezelschap omzien dan naar het uwe.quot;
âWachten! Gij hebt goed praten! De Advocaat van Holland heeft zoo fijntjes tegen mij geïntrigeerd, dat de Prins van Oranje mij zijne volmacht heeft onttrokken. Ik heb mijn paspoort gekregen, en zoo ik niet zorg binnen vierentwintig uren het gebied der Staten ontruimd te hebben, ben ik er niet meer veilig! Er bestaan oude grieven tegen mij; de Schout van Delft is mijn vriend niet, ik behoef u niets meer te zeggen.quot;
âIk versta u! Xu dan, Armand, houd u hier niet langer op, ik kan toch niet toegeven; daar is uw reiswagen, stijg er in, en God moge met u zijn en u behoeden!quot;
347
âU wacht aangenamer conversatie dan de mijne, dat zie ik klaar! Maar stel u voor hoe ik door den baron zal ontvangen worden, die mij dea stelligen last had gegeven u af te halen .... u tot hem te voeren.quot;
âGij zult hem de waarheid zeggen! Hij zal u toch wel ge-looven ?quot;
âEn gij niet â daar zit het hem! Maar zie â lees en vertrouw niets dan uwe eigene oogen.quot; En Armand stak hem een open brief toe, waarin werkelijk de baron de Grhiselles meldde, dat hij zich op het slot te IJsselmonde bevond, werwaarts hij de Ghiselles opriep, om zich over zekere poincten te komen verantwoorden. De termen waren hoog en bevelend en gansch niet vaderlijk, en het schrijven dagteekende van een der eerste dagen in Mei.
âHierin wordt niet van mij gesproken,'' zei Juliaan koeltjes.
âNeen ! maar het poinct in quaestie, waarover ik mij te verantwoorden had â waart gij. Hoe kan ik mij dus beter zuiveren dan door u zelf te komen brengen ; zoo worde ik meê in de amnestie begrepen.. .
âNu begrijp ik waarom gij er zoo op aandringt, en ik zou u gaarne daarin genoegen geven, als het maar mogelijk was; maar geloof mij, het kan nu eenmaal niet zijn. Op dit beslissend oogenblik van hier gaan, zou met eene desertie gelijk staan; en als ik mijne vrienden raadpleeg, weet ik vooruit wat zij zullen zeggen. Er is voor mij een gehoor aangevraagd bij den Stadhouder, en 'tis voor mijne eer eene levensvraag, om daar bij de eerste oproeping te verschijnen.quot;
âquot;Welnu, Juliaan, dan zal ik u ook wat zeggen, dat u misschien bewegen zal. De baron, die reeds zwak en kwijnend was, is zeer ongesteld, vandaar ook mijne haast; het is niet minder eene levensvraag voor hem u weêr te zien, en ik meen toch dat gij zelf daarbij ook eenig belang hebt.quot;
âIk hecht er aan meer dan aan alle aardsche goederen;
348
maar verschoon mij, Armand, ik ben de onbesuisde wildzang niet meer, die zich door iederen indruk liet slingeren en zonder nadenken voortijlde zonder omzien, bij 't eerste drogbeeld waar-meê men hem opschrikte. Ik overweeg wat mij past, en ik ben vastelijk overtuigd dat mijn naaste plicht is nü hier te blijven.quot;
âHet belang dat u nu het naaste bijligt, moest gij zeggen om oprecht te wezen; want gij hoopt op de erfgoederen der barones de Ghiselles, sinds de bezittingen van den baron, zelfs bij de oprechtste verzoening, niet aan u konnen toevallen, zoo gij niet tot dos Konings partij toetreed.quot;
âIk bid u, Armand, ga uws weegs en beoordeel mijne handelwijze niet naar uwe eigene manier van denken.quot;
âGa uws weegs! dat is licht gezegd; ik begrijp wel, dat gij van mij ontslagen wilt zijn; maar dat zijtgijnog niet, moncher. Gij betoont mij het schromeljkste mistrouwen, ondanks al mijne verzekeringen, door bewijzen gesteund die gij voor echt moet erkennen ; gij maakt mij uit voor een leugenaar â gij verdenkt mij op iedere wijze â en dan zoudt gij meenen, dat ik mij met een: âga uws weegs,quot; liet afschepen. Maar neen! wij trekken samen van hier, verzoend als broeders â of wij blijven nog vijanden, en dan zijt gij mij voldoening schuldig.
âVaarwel, Armand!quot; en Juliaan wondde zich af om naar de hoeve terug te keeren. Tot zjjne verbazing zag hij, dat deze op vrij verren afstand lag; onder de afwisselende aandoeningen, die hem bij het gesprek met zijn broeder hadden geslingerd, was er een heel eind wegs afgelegd, zonderdat hij er op had gelet. Toch kon hij wel binnen tien minuten thuis zijn, mits hij wat aanstapte; maar daarbij vond de Ghiselles zijne rekening niet.
âMislukt!quot; bromde deze tusschen de tanden en stampvoette van ergernis; âmaar ontkomen zal hij toch niet.quot; En met groote driftige stappen, liep hij Juliaan achterop, had hem welhaast ingehaald en vatte hem bij den arm.
349
âIk zeg u, dat gij mij beleedigd hebt, en dat ik satisfactie eisch. Als gij niet instijgen wilt, zult gij den degen met mij trekken !quot;|
âWat inval is dit nu, baron de Ghisellesï'quot; hernam Juliaan koeltjes, âgij ziet dat ik ongewapend ben!quot;
âO! wat dat belangt, ik heb pistolen in mijn reiswagen, en zelfs een degen voor u, als gij dien nog hanteeren kunt.quot;
âIk dank u, ik aanvaard geen tweegevecht meer, allerminst met u.quot;
âHoe nü! Herinnert gij u zelfs niet meer dat gij een edelman zijt?quot;
âDe eer van een edelman hangt aan wat beters dan aan de bereidheid om iederen woesteling met den degen bescheid te doen.quot;
âAls gij niet met mij vechten wilt, zal ik u vermoorden.quot; En de eerlooze trok zijn degen.
âDat zult gij niet! Als er iefs waars is aan alles wat gij mij gezegd hebt, kunt gij den baron de Ghiselles niet onder de oogen treden bevlekt met mijn bloed;quot; en Juliaan kruiste de armen over de borst, ten bewijze, dat hij aan geen verweer dacht.
De Ghiselles liet zijn rapier zinken. Juliaan op te lichten en weg te voeren, onder een aannemelijk voorwendsel, was zijn plan; oen moord te plegen in den eigenlijken zin lag niet onder zijne berekening. Maar heftiger gloeiden haat en wraaklust in zijne borst, daar het slachtoffer niet in den strik liep.
âZoo leef dan als een onteerde!quot; schreeuwde hij woest, en dreunend trof een slag Juliaan in 't gezicht.
Deze bleef staan, roerloos van ontzetting.
Het was niet enkel de getroffen wang, die nu gloeide, maar al zijn bloed scheen hem op eenmaal naar het hoofd te stijgen. De hals en 't voorhoofd werden vuurrood, de aderen zwollen op, al zjjne leden trilden van ziedenden toorn, zijne
350
sidderende lippen stamelden eene verwensehing, zijne vuisten balden zich krampachtig â hij hief ze op tegen de Ghiselles!
Deze lachte sarrend.
âAls een goed Christen behoort gij mij nu de linkerwang te bieden,quot; tergde hij uit; tegen zijne bedoeling, deed dat woord zijne werking. Juliaan bezon zich, hij werd doodsbleek, de opgeheven armen zonken neer.
âArmand!quot; riep hij met eene stem, waaruit nog zijne innerlijke geschoktheid klonk. âArmand! gij zijt het instrument van Satan, die mijne ziel wil moorden â maar hij zal niet overwinnen. In den naam van Christus Jezus, mijn Heer! gebiede ik u : laat van mij af! ik zal geen vinger tegen u opheffen om mij te wreken. Wees barmhartig over u zelf en keer u af van dit kwaad.quot;
De gloed van toorn, die in Juliaan's oogen brandde, werd nu verkoeld door een weldadig vocht, dat hij zich niet schaamde; er was ernst, er was vastheid in den blik, dien hij naar de Ghiselles ophief.
Een schaterlach was diens eenig antwoord, en reeds hief weêr de arm zich op, om den weerlooze te treffen. Maar op ééns wierp deze zich op hem en sloeg hem beide armen om den hals, met zulk eene drift, met zulk eene kracht, of hij hem dacht te verworgen. Onder die omknelling kon de Ghiselles zich niet meer verroeren, en dat was zijn geluk; had hij zich kunnen vrijmaken, hij ware een lijk geweest.
Onder hun twisten was er uit het kreupelbosch, dat den heerweg van het voetpad scheidde, een man te voorschijn gekomen, die al glurend was genaderd, en reeds achter de Ghiselles stond, toen Juliaan het oog naar dezen ophief. Die man wenkte Juliaan toe, overtuigd dat hij een bondgenoot zag, liet een breed scherp mes blinken, zooals de boeren destijds op zij droegen, en zou de Ghiselles in den nek hebben getroffen, zoo niet Juliaan, zijn gruwzaam voornemen ziende, door zijne kloeke en rassche tus-schenkomst den stoot had afgewend.
351
Verrast, verbijsterd liet de moordenaar zijn opzet varen, zijn wapen glippen, dat langs de vingers van Juliaan heengleed en die schrampte, en hij vlood, onder eene akelige venven-sehing van zich zelf en anderen.
âHoe, Antony iïogenhoeck! wat beduidt dit? waarom mij dus in dollemansvaart voorbij geijld ?quot; hoorde men de welbekende stem van Schout Gerrit zeggen, die echter niet machtig was, den vluchteling te weêrhouden.
âWat is dat nü weêr, mijnheer de Ghiselles! zijt gij hier gekomen, om den jonker van Egmond te molesteeren ?quot; ging de Schout voort, tusschen hen intredende en het mes oprapend. âVecht een edelman met zulke wapens? En zie, de hand van den jonker bloedt?''
âHet heeft niets te beteekenen, heer Schout,quot; zei deze, â't is maar een schram over de vingers,quot; en hij wond er zijn zakdoek om heen.
âEn daaraan heb ik geene schuld!quot; sprak de Ghiselles, âdie andere, die daar wegvlucht, viel mij van achteren aan. Mijn nobele broeder had de edelmoedigheid den stoot af te weren, â en â dat is 't al.quot;
âDat het al!! En Juliaan ziet er uit, of hij verwezen ware. Wat doet gij hier, waar niemand u geroepen heeft?quot;
âMaar, heer Schout! om de waarheid te zeggen, ik â ik kwam mij met den jonker verzoenen; wij zijn in't eind broeders; doch men verzoent zoo niet zonder zekere explicaties, en 't eene woord haalde het andere uit â zoo kwam het tot een woordentwist, een simpelen woordentwist, dat verzeker ik u, mij nheer.quot;
âEn wat zegt gij er van, Juliaan?quot; vroeg de Schout, dezen met zekere bezorgdheid aanziende en zijn arm nemende, als om hem een steun te verleenen.
âHeer Schout! Ik bid u, ondervraag mij niet. Ik hoop te kunnen vergeten, zooals ik vergeven heb. Ik zie dokter Graswinckel
352
komen van de zijde der hoeve, die mij zeker daar gezocht heeft; sta mij toe hem te gemoet te gaan. En wat don baron belangt, laat hem ongehinderd aftrekken.quot;
BOngehinderd aftrekken!quot; herhaalde de Ghiselles met toorn en hoogheid, âwie zou het wagen mij dat te beletten? ]k ben nóg onder de same garde der Heeren Staten! Mij dacht: ik zou veeleer het recht hebben de justitie in te roepen tegen den roekelooze, die een moordaanslag op mij heeft willen plegen, of wordt zulk een clélict door de vingers gezien, heer Schout, als er een jonge Hogenhoeck in betrokken is?quot;
âZoo weinig, heer baron! dat de zoon van den Schepen, al beging hij dien mispas omdat hij door u opgehitst en bedrogen is, zwaarlijk in de beurs zal gestraft worden. Maar wat u belangt, mijnheer de Ghiselles, ik rade u niet, tegen iemand, wien ook, de justitie in te roepen. Gij zoudt gevaar loopen dat zij scherpelijk onderzoek deed; dat het eene woord het andere uithaalde; dat openbaar werd wat nu nog door den sluier der geheimhouding wordt gedekt, al 't geen u ganschelijk niet te stade zou komen; want er zijn hier te laude luiden op het rad gelegd, die het minder verdiend hadden dan gij!quot;
Terwijl Schout Meerman deze toespraak tot de Ghiselles richtte, was Jacob Jansz. nader gekomen, en Juliaan ziende, had hij tot hem gezegd: âGa wat rust nemen, men is zeer bezorgd over u in de hoeve.quot;
Toch kon deze niet van zich verkrijgen heen te gaan, zonder nog eens den blik naar Armand heen te wenden. Hij schrikte van de vale lijkkleur die zijn gelaat had aangenomen, en van de zonderlinge uitdrukking zijner trekken, terwijl hij naar Schout Gerrit luisterde; de laatste scheen daar niet op te letten, of wel achtte hij de ergernis, de ontzetting die hij aanjoeg, meer dan verdiend. Zeker met oogmerk om den eerste nog meer te prikkelen, wendde hij zich tot Juliaan, hem bij de hand nemende:
353
âEev gij gaat, jonker van Egmond, moet gij nog de boodschap vernemen, die ik u overbreng! De Staten van Holland hebben goedgonstiglijk beschikt op het request te uwen behoeve aan HEd. Mogenden gericht. Alzoo worden de rechten en bezittingen van uw moederlijken grootvader op u overgebracht, en morgen zal de Stadhouder u ten gehoore ontvangen.quot;
âIk ben dankbaar, hoogst dankbaar voor die gonste,quot; sprak Juliaan als in verstrooiing; âmaar ik bid u. Achtbare Heer! zie hem! â wat overkomt hom!quot; â en hij wees op de Ghiselles, die zich tegen een boom moest leunen; wien een wit schuim op de blauwe lippen kwam, die krampachtig de hand aan 't gevest van zijn degen sloeg, onmachtig dien te trekken, en wiens oogen eene akelige vastheid van blik aannamen.
âHij! wat is daaraan verbeurd,quot; antwoordde Schout Gerrit minachtend, âhij barst schier van afgunst en woede, dat is hem wel aan te zien. Gij moogt ongehinderd aftrekken,quot; vervolgde hij tot dezen gewend, âmits het werkelijk eene afreize zjj, en niet een terugkeeren naar Delft of 's-Hage. Mijne suppoosten hebben order u uitgeleide te doen tot buiten het Baljuwschap van Delftsland.quot;
De pogingen, die de Ghiselles deed om iets te antwoorden, waren vruchteloos; ten laatste slaakte hij een akelig schellen kreet, en zou ter aarde zijn gestort, had de liefderijke en krachtvolle arm van Jacob Jansz. hem niet opgevangen.
âVan hier!quot; sprak deze met gezag tot Juliaan; âgij moogt dezen jammer niet aanzien; ga om hulp roepen in de boerderij.quot;
âMijn volk omringt reeds zijn wagen; willen wij hem daarheen laten voeren?quot; vroeg de Schout meêdoogenloos.
âDat mag niet zijn!quot; hernam Graswinckel. âDit hier is een aanval van epilepsia, de ongelukkige kan zóó niet op reis.quot;
Maar reeds had de rampzalige zich aan zijne armen ontworsteld en was op den grond neergestort. De Schout klapte twee-
9 'l
Wonderdokter. II.
354
maal in de handen, een signaal voor Bartels om met de suppoosten toe te schieten; en eer nog de goêlijke boer Pauwels met zjjn knecht ter hulpe was gekomen, werd de baron reeds door de gerechtsdienaars opgenomen en naar den koestal gedragen, waar men hem op het hooi neêrwierp.
â't Is een bezetene!quot; riepen de gerechtsdienaars, met afgrijzen op de wild rollende oogen en het verwrongen wezen van den stuiptrekkenden lijder starend.
âO Heer! wat overkomt ons!quot; sprak de boer Pauwels met ontzetting, âdit lijkt wel hondsdolheid!quot; â en de knecht vroeg in angst, wie hem zou binden ?
âRoert hem niet aan!quot; gebood de wondre-dokter, die met Schout Gerrit gevolgd was. âLaat mij met den ongelukkige samen; dat niemand oordeele, dat elk vreeze; dit is de heilige passie!quot;
âAnders gezegd: de passie van de toorne Gods!quot; sprak Schout Gerrit, terwijl hij zich haastelijk verwijderde, ânu dat's verdiend!quot;
Toen de aanval was doorgestaan en de baron daar neerlag, uitgeput, maar volkomen bij zijne kennis, was hij alleen met zijn trouwen verzorger en met Lijsbeth, die dezen ten dienste had gestaan.
âBaron!quot; sprak nu Graswinckel met nadruk, âik had u gewaarschuwd, maar gij hebt die waarschuwing averechts opgenomen, en u toch begeven op wegen van list en bedrog om anderen te schaden, maar u zeiven ten verderve, den loop latende aan al uwe booze passiën, wier beroering uw geschokt gestel niet meer kan dragen. De aanvallen uwer kwale zullen zich in telkens korter tusschenpoozen hernieuwen, zoo gij voortgaat u zeiven aan zulke schuddingen prijs te geven. Mogelijk
355
is u een lang leven toegelegd, ondanks deze toevallen, 't geen wenschelijk is, opdat gij den tijd zult hebben u te bekeeren van uwe zonden; maar ook â en dit ligt u het zekerste bij â ook zou het konnen zijn, dat gij in een der volgende aanvallen bleeft! Waar moet het dan heen met uwe ziele? Ik bidde u: bedenk dat en neem uwe toevlucht tot de barmhartigheid Gods, eer het te laat is.quot;
âWaardige dokter!quot; sprak de patiënt met eene stem die wat schor en dof klonk, âik zou dat willen; maar daartoe zou mij noodig zijn, wat gij mij niet schenken kunt. Uwe toespraak, al haalt gij nog zooveel teksten aan, zal mijne ziel niet redden. Ik moet geholpen worden door de genademiddelen mijner Kerk; ik moet een priester hebben, ik moet biechten; zoo ik rust zal krijgen, heb ik absolutie noodig.quot;
â 1 hit's een zware eisch! gave God, dat ik dien kon vervullen ; maar â daar zie ik geene kans toe,quot; gaf' Jacob Jansz. ten antwoord, met zichtbare droefheid.
âIk wel!quot; sprak toen Lijsbeth, naderbij tredende, «als er eene ziel moet gered worden, dient men ietwes te wagen, en ik weet er raad op.quot;
âWees gezegend! gij die daar spreekt,quot; hoorde men den baron zeggen, terwijl Lijsbeth fluisterend eenige woorden wisselde met zijn dokter.
âMaar, zou hij hierheen willen komen ? het zal nacht zijn eer gij met hem keeren kunt.quot;
âZooveel te veiliger tegen eene ontdekking.quot;
âEn ontdekt, kan het hem veel kosten, Lijsbeth, bedenk dit!quot;
âOp de kosten zal hij niet zien; al wist hij hier den marteldood te vinden, hij komt â ik ben er zeker van.quot;
âLaat den reiswagen van den baron inspannen die hier bij Pauwels gestald is,quot; stelde Graswinckel voor.
âNeen! zooveel omhaal dient ons niet;quot; en de kloeke vrouw toog alleen op weg naar de stad, âom artsenij te halen voor
356
den baron.quot; Zij koerde werkelijk in 't holle van den nacht met een persoon, wiens gesehoren kruin onder een grooten flaphoed was verborgen, en wiens geestelijk gewaad door een wijden mantel werd bedekt.
De baron was inmiddels, op bevel van Graswinckel en door de zorge van vrouw Pauwels overgebracht op een rustbed, in dezelfde kamer die Juliaan had verlaten, als scheen de Ghisel-les bestemd om op iedere wijze de plaats van zijn broeder in te nemen. Zoodra Lijsbeth met den vreemdeling binnentrad, werd hij door Graswinckel met een innigen handdruk verwelkomd, naar den patiënt geleid, en voorts met dezen alleen gelaten.
Schout Gerrit was dan alleen met Juliaan en Mabelia naar Delft teruggereden, nadat hij tevergeefs getracht had Graswinckel over te halen hem te vergezellen.
âDie rampzalige heeft mij noodig; maar Juliaan heeft mij niet meer noodig; en schoon 't mij eene vreugde zou geweest zijn, zijne blijdschap mee aan te zien, ik moet mij dit genot ontzeggen,quot; had hij geantwoord, want hij wist dat er voor Juliaan nog dienzelfden avond eene groote blijdschap was weggelegd.
Hij zou ten huize van de gravin van Solms worden ontvangen, en hij zou er samentreffen met zjjne moeder. Schout Gerrit mocht nu alleen den triomf genieten zijne Machteld haar zoon in de armen te voeren, maar hij had er wel recht op van deze hereeniging getuige te zij n; want hem kwam de eer toe haar ontdekt te hebben, of eigenlijk aasi Bartels, een weinigje diens ondanks, dat moet men erkennen. Op zekeren dag â Juliaan was toen reeds aan de beterhand â was Bartels met boozen triomf zijn meester komen aanbrengen, dat het nu niet
357
meer twijfelachtig was, of Jacob Jansz. met de jezuïeten en papisten heulde. Maar Schout Gerrit was nu niet meer van 't humeur om zuike verdenking met welgevallen voet te geven, en zijn antwoord waarschuwde den oogendienaar van zijn veranderden zin. Toen hing deze de huik naar den wind, en meende de aanklacht, die hij niet meer terug kon nemen, te vergoelijken, door die op Lijsbeth over te brengen : âUwe Achtbaarheid weet wel dat oude vrouwken â dat tusschen Delft en Nootdorp haar huisken placht te hebben.quot;
âNu ja! wat zou dat?quot;
âZij leefde daar als een klopje, zooals domino Blommers mij gewaarschuwd heeft.quot;
âZwijg van Blommers; op zijn dorp is men hem lang zat, en ik wacht maar eene occasie af om hem voor zijne valsche getuigenissen betaald te zetten.quot;
âDe waarheid is toch de waarheid. Gestrenge Heer; het oude wijf leefde als eene non, daar is nog een crucifix en een wij waterbakje in hare hut gevonden, die zij verlaten heeft op verlangen van dokter Graswinckel.quot;
âSinds zij die zaken niet meê genomen heeft, blijkt het wel dat zij er niet veel aan hechtte; zij is heengegaan om den jonker van Egmond op te passen. Ik wist daarafâwat kwaads steekt daarin ?quot;
âNiets hoegenaamd. Achtbare Heer! Ik meende maar alleen te zeggen, dat de dokter al vanouds goede bekendschap houdt met gemelde Ljjsbeth, en dat zij staande de troebelen en daarna, communicatie heeft gehouden met Roomschgezinden, en daarin nog volhardt.quot;
âNog! terwijl zij nacht en dag in de weer is om Juliaan op te passen, dat is toch wat kras, Bartelsje! dat zou naar heksenwerk lijken.quot;
âMogelijk loopt er dat onder. Achtbare Heer! sommige boeren zien haar voor eene heks aan, omdat ze zoo frisch en vlug
358
blijft ondanks haar leeftijd, en zoo welgemoed ondanks hare nooddruftigheid. Wat mij belangt, ik wil daar niet op hechten; alleenlijk is 't mij overkomen, dat ik haar onlangs in de vroegte heb ontmoet met eene dichtgesluierde vrouw, dat wel eene non kon zijn, op het schulppad tusschen Delft en Delfgauw.quot;
âWat zegt dat, alle vrouwen trekken de falie over het hoofd, in den koelen ochtendstond.quot;
âHet kan zjjn dat er niets achtersteekt; maar dan vrage ik Uwedelgestrenge: wat mag zij uit te staan hebben met de saamgebleven zusterkens van 't verwoeste Convent tot Konings-feld?.... In de huizinge die deze bewonen, ziet men haar nu eens te avond laat, dan weêr in den vroegen morgen in- en uitloopen, oft zij er eene noodlijke boodschap had.quot;
âHet zou konncn zijn, dat zij medicijnen had aan te reiken voor den dokter,quot; sprak Schout Gerrit, ditmaal geneigd om aan alles eene goede uitlegging te geven.
âAls Uwe Achtbaarheid er niets erger in zien wil, mij is het wel; maar ik zag er heimelijke knoeierij met de papisten in â en dat te meer, daar ik den verraderlijken baron, wiens gargen na te sporen mij door Uwe Achtbaarheid zelf is opgedragen, meê heb zien binnengaan.quot;
âDo Ghiselles?quot;
âJa die!quot;
âTegelijk met Lijsbeth?quot;
âDat wel niet, maar sinds ze er toch beiden komen, is 't niet vreemd dat ze onder één huikje schuilen.quot;
âAVat doet die bij de conventualen ? gij maakt mij nieuwsgierig, Bartels! Ik wil onderzoeken, wat er onder die nonne-kens omgaat, en wat Ljjsbeth en de Ghiselles daar var. noode hebben. Wee uwer, zoo gij mij met valsche berichten tot achterdenken hebt verwekt.quot;
âIk had met mijn zeggen geene andere intentie dan Uwe Achtbaarheid cn do goede cause vromelijk te dienen. quot;
359
âJui goed â gij zult mij derwaarts geleiden en dat op staan-den voet; neen, wacht! op klaarlichten dag mocht dat opschudding geven â te avond komt gij mij afhalen, en daarbij blijft het.quot;
Zoo gezegd zoo gedaan. In de schemering trok Schout Gerrit, door zijn adjunct begeleid, zekere buurt in - - dicht bij de Oost-terpoort â waar voorheen het rijke St. Agnus-klooster had gelegen, dat onder de mokerslagen der reformatie tot puin was vergruisd. Toen de bouwval was opgeruimd, had men de ledige ruimte benuttigd voor het bouwen van zeker aantal woningen, die in de wandeling het Spieringklooster, of ook wel de Kloosterbuurt werden genoemd. In eene van deze woningen had een twaalftal dusgenoemde conventualen onder toelating der regeering eene schuilplaats gezocht, en beleefden er zoo goed en zoo kwaad als het doenlijk was, in alle stilte en zonder uiterlijk vertoon hare ordesregelen. Zij genoten zekeren onderstand van de Staten â maar die te gering was om waarlijk in hare nooddruft te voorzien, zoodat de gelofte van armoede, hetzij ze die al of niet hadden gedaan, haar nu in volle, zware werkelijkheid door den nood was opgelegd. Ofschoon deze zusterkens minder dan iemand reden hadden om met de verandering van zaken ingenomen te zijn, waren ze echter te onmachtig, te zeer versuft door ouderdom of lichaamsgebreken, om anders dan met stille verzuchtingen en gebeden te protesteeren tegen de nieuwe heeren en de nieuwe wetten. De jongste harer had reeds de zestig bereikt; onder dezulken die tot de zeventig en tachtig waren geklommen, bevonden zich kreupelen en verlamden, die, levensmoede, niets meer begeerden van de aarde dan een rustig sterfbed. Men moest Bartels zijn, om den lust tot samenzweren toe te dichten aan deze hulpbehoevende wezens; maar al waren zij zich harer onschuld bewust op dit punt, de ordonnantiën der Heeren Staten tegen die van â't oud geloofquot; waren uiterst gestreng; en â of zo
360
volkomen zuiver waren van alle overtreding in dezen? dat was eene andere vraag. Zeker is het, dat de schrik haar allen om 't harte sloeg, bij het binnendringen van âden Schoutquot; in hare kluis!
Door de eenige lekezuster, die als portierster dienst deed, liet Gerrit Meerman diegene onder haar, die als priores ageerde, sommeeren om voor hem te verschijnen en hem te woord te staan. Zij heette Hadewij, had âeen kwaad been,quot; en was bijgevolg verplicht den Achtbaren Magistraat in haar vertrek te ontvangen en zittende aan te hooren. Deze ondervroeg haar met zijne gewone goelijke slimheid naar de overige zusters, en naar hare verhouding tot Lijsbeth, die zonder aarzeling op de meest natuurlijke wijze werd verklaard: âLijsbeth had eenmaal tot de haren behoord, en al had zij zich naar 't uiterlijk geloove van haar gescheiden, de banden der goede vriendschap waren niet losgemaakt. Lijsbeth deed enkele boodschappen voor haar in de stad, als van vlas inkoopen voor diegenen onder haar die nog konden spinnen, wist nog wel eens eenig werk te verschaffen aan eene enkele barer, die met stoppen of kantklossen terecht kon, en was alzoo van groote nuttigheid voor de zusterkens, die nooit uitgingen; maar zoo de heer Schout achtte, dat men tot het aannemen van dergelijke kleine diensten niet gerechtigd was, zou men 't nalaten en de overigheid obedieeren.quot;
De Schout moest erkennen, dat daar geen kwaad in stak, en dat men op dezen voet kon voortgaan. En zoo kwam hij oj) het tweede punt van zijn onderzoek, dat grooter bezwaar had, de vraag; wie onder haar relation onderhield met den baron de Ghiselles? Hier volgde een verward en ontwijkend antwoord. Mevrouwe Hadewij wist niets, of wilde niets bekennen ; zij zeide alleen, dat zoo er een man binnen hare muren was doorgedrongen, dit niet zijn kon dan haars ondanks, als op dit oogenblik de heer Schout zelf daar was; maar geens-
361
zins â omdat er verstandhouding kon bestaan tusschen dezen en eene harer doehteren.
Schout Gerrit werd knorrig, ongeduldig, beweerde dat hij om den tuin werd geleid, en dreigde dat hij, bijgestaan door zijn onderschout, die daar buiten wachtte, hare woning zoude doorzoeken, om te zien of zich daarin ook iemand vreemds onthield, die in betrekking stond tot den verdachten perso-naadje.
Dit werkte sneller en krachtiger dan Schout Gerrit zelf had kunnen wachten, maar op gansch andere wijze.
Zijne luide, toornige stem, begeleid door het driftig op den grond stampen met zijn stok, klonk het gansche huis door; en deed zeker de arme zusterkens opschrikken in hare kamerkens; maar de meesten waren bedlegerig, of zóó impotent, dat zij niet bij machte waren zich rondom hare eerwaarde moeder te scharen op de plek des gevaars. Toch kwam er eene statige vrouw te voorschijn, wel met omsluierd gelaat, maar overigens in deftige wereldlijke kleeding.
âIs het nobel en een vroom magistraat waardig, weörlooze vrouwkens dus te dreigen en te verschrikken om eene zake die haar niet aangaat, heer Schout?quot; sprak zij met eene klare, vaste stem, maar die zoo liefelijk klonk, en die Schout Gerrit zoo zeker wist niet voor het eerst te hooren, dat hij niet eens op de woorden lette, maar als door eene betoovering geboeid, zwijgen bleef, om maar te kunnen luisteren.
âGij wilt van me vrouwe de Priores weten, wat de bastert van den baron de Ghiselles hier is komen doen,quot; ging de gesluierde voort. âDat moge hij voor God verantwoorden; maar deze goede zusters hebben niets met hem uit te staan. Hij is hier doorgedrongen, onder voorwendsel dat hij Juliaan van Eg-mond was, en zijne moeder wilde spreken â maar de barones de Ghiselles is dood, en de dooden laten zich niet meer verschalken !quot;
362
âDood, dood! neen, Machteld van Egmond is niet dood, dat wete ik, dat voele ik,quot; riep Schout Gerrit in de sterkste ontroering; âdien sluier weg, dat ik u bidde, mevrouw!.... Machteld, Machteld! verberg u niet langer voor mij, ik ben Gerrit Meerman!quot;
âSchout van Delft!quot; hernam Machteld, maar sloeg haar sluier weg.
âDie u zoekt uit alle macht om u naar zijn beste vermogen te dienen,quot; antwoordde hij. âMachteld, mijne Machteld! nu zult gij zien dat ik dankbaar ben; en zonder op de tegenwoordigheid der gebrekkige Priores te letten, sloot hij haar in zijne armen.
Maar de goede Hadewij strompelde ter deure uit, al te discreet om langer fdchense troisième te zijn, en wel verheugd, dat men het zoo ontkomen was; want eene huiszoeking, dit moest zij zich zelve bekennen, zou niet goed voor haar zijn uitgevallen. De ruime tuinkamer, waarvan de buitenluiken dag en nacht gesloten bleven, was voor eene huiskapel ingericht, met een altaar en alles wat er tot het bedienen dor âpaap-sche misquot; noodig was, waarvan uitdrukkelijk was gezegd, dat zij niet mocht worden gedoogd! erger; een aangrenzend kamerken werd als consistorie gebruikt, en men zag er miskleederen en priestergewaad; allerergst: de consistorie liep uit op een groot vertrek, op dit oogenblik bewoond, en wel door een priester! een van die zwervende priesters, die uit het buitenland naar de geünieerde provinciën was komen afzakken, en waartegen scherpe verordeningen waren ingesteld door de Staten â niet zonder recht, dat moet gezegd worden; â want velen kwamen niet slechts om de verdrukte gemeente te stichten en op te bouwen, maar met nevenbedoelingen, die schadelijk waren voor de rust en de belangen van de opkomende republiek. Velen heulden met den Spaanschen vijand, en stelden zich, zooals de plakkaten hen aanduiden: âinstrumenten om denwelstand van den Lande te turberen.quot; Maar toch, niet allen waren
363
schuldig aan zulke praktijken, en deze hier was noch een lid van do Sociëteit van Jezus (tegen welke vooral het plakkaat was gericht,) noch een samenzweerder; hij was zelfs van hen, wie het tegenstond dat de Kerk zich leende tot wereldsche bemoeiingen, hetgeen echter niet beletten zou, dat hij bij appre-hensie tot dezulken zou worden gerekend.
Ziedaar waarom de zusterkens, met de Priores aan het hoofd, zich grootelijks hadden te verheugen over het tusschen treden van Machteld van Egmond, de nicht harer voormalige Abdisse, de nicht ook van den voormaligen Abt van Egmond, en door dezen haar aanbevolen; die tegelijk door eene ruime toelage zorgde, dat deze gastvrijheid haar niet tot een bezwaar zoude worden. Waartoe overigens de omzwervingen dier lijdende vrouw op te sommen ? Zij zelve was te fier om te klagen.
âMachteld, Machteld! waarom hebt gij u dus hardnekkiglijk onttrokken aan de nasporingen uwer vrienden; waarom hebt gij u hier als levend begraven?quot; sprak Gerrit Meerman met zacht verwijt, toen zij alleen waren.
âUit smart, uit schaamte, om niet aan smaad en vervolging blootgesteld te zijn. Ik moet zijn en blijven als een doode voor allen, zelfs voor mijn Juliaan. De bedrogen vrouw, de mishandelde gade, de moeder, zoo bitterlijk in haar zoon gegriefd, de vrouw die haar echtgenoot is ontvloden, kan niet meer met waardigheid optreden onder verwanten en vrienden, allerminst hier, waar Machteld van Egmond in eere placht te zijn!quot;
âJa toch, Machteld! zij kan het, zij zal het, als gelukkige moeder. Uw Juliaan is geen onwaardige!quot;
âIk weet het, mijn vriend! de trouwe Lijsbeth heeft mij alles gezegd, zij heeft mij zelfs occasie gegeven mijn kind weer te zien, toen wij meenden dat hij zou sterven. Hij herleeft, moge hij met mijn zegen ook al mijn wereldsch goed tot zich nemen, zoo het rechtens op hem kan overgaan; ik, ik moet hier blijven in de duisternis.quot;
364
âVoorshands geve ik dat toe; maar later, later als het voor al de wereld zal uitkomen, dat uw zoon een waardige jonkheer van Egmond is. ..
âToch blijf ik de barones de Ghiselles,quot; fluisterde zij met eene mengeling van smart en bitterheid.
Gerrit Meerman verwon ditmaal niets op haar besluit; maar hij wist haar later te overreden, en hij mocht de reine blijdschap smaken, der moeder haar zoon in de armen te voeren.
Ik zou vreezen mijne lezeressen te beleedigen, zoo ik meende hare verbeelding te hulp te moeten komen, door eene beschrijving van dat tooneel.
Dat Bartelsje eene duchtige vermaning kreeg, om voortaan de huizinge der Conventualen tegen allen overlast van indringers te beveiligen, spreekt wel vanzelve. Die waakzaamheid had echter hare gevaarlijke zjjde, uit aanzien van den gast dien men er huisvestte; toch was aan Lijsbeth vrijen uit- en intocht vergund, hetgeen maakte dat deze het stoute waagstuk durfde bestaan, om aan het zielsverlangen van de Ghiselles te voldoen.
HOOFDSTUK X.
In een der vertrekken van het Stadhouderskwartier, gelegen aan het Binnenhof te 's-Hage, dat toen zeker een beter aanzien had dan nu, doch met welks beschrijving wij ons niet kunnen ophouden, zit Prins Maurits, zooals de jonge Nassausehe held toen reeds door 't volk en niet zelden in 't Buitenland werd genoemd, al kwam die titel hem nog niet wettig toe, zit Prins Maurits rustig aan het schaakspel. Zijn partner, tegenover hem, is graaf Willem Lodewijk aan Nassau, z|jn volle neef, wien hij beurtelings â Hcrr Vetter1'' of vmon cousin'''' noemt, naar hij zich van de Duitsche of Fransche taal bedient. Hij had hem even goed âbroederquot; kunnen noemen; want door zijn kortstondigen echt met Anna van Nassau, dochter van Prins Willem I en Anna van Saxen, was de graaf van Maurits verzwagerd. Sinds 1587 was er sprake geweest van eene verbintenis tusschen Willem Lodewijk en Sabina van Egmond, die echter, zooals wij weten, niet tot stand is gekomen; eene teleurstelling die hij zeker nogal goed heeft kunnen verzetten, want zijn voorkomen heeft niets van iemand die door harteleed wordt verteerd. Hij ziet er opgewekt en welvarend uit, met eene neiging tot gezetheid zelfs, die in zijne portretten van later leeftijd sprekend uitkomt. Voorts is hij klein van gestalte en gaat kreupel ten gevolge
3G6
eener wond, die hij bij 't beleg van Koevorden heeft bekomen; maar gezeten, zooals hij nu was, kwam dat gebrek niet uit, en wij zien een schrander en rustig gelaat, een hoog voorhoofd, waarop vastheid van wil zetelt, kort afgesneden haar, en een vrij zwaren baard, die met zorg onderhouden wordt; de deftige kanten kraag omgeeft zijn hals, en daar het schaakspel geene andere gevaren met zich brengt dan die van zekere zedelijke nederlaag voor den verliezer, is hij evenals zijn doorluchtige neef zonder harnas, alleen in een bruin fluweelen wambuis en hozen, met satjjn van dezelfde kleur afgezet. Toch draagt hij zijn degen evenals Maurits; geen van beiden zou zich in vollen zin gekleed achten zonder dit wapen.
De kamp tusschen hen, hoe vreedzaam ook, spant beiden in; zwijgend berekenen zij iederen zet, en alleen de verplichte waarschuwing bij 't schaakzetten van den koning of het nemen van een pion of een raadsheer, verbreekt de stilte. â Wij nemen haar waar, om een enkel woord over Willem Lode wijk te zeggen, dien wij nog niet ontmoet hebben, en over wiens handelwijze jegens hem, Juliaan zich bij herhaling heeft beklaagd; dat is te meer vreemd, daar de graaf zelfs door zijne vijanden niet van hardvochtigheid of haatdragendheid wordt beschuldigd. Hij was er zooverre af van in drift of overijling onrecht te plegen, dat hij zelfs zijn invloed op Maurits gebruikte, om diens heftigheid te temperen, en hem van onvoorzichtige stappen af te houden, die de jeugdige, vurige Stadhouder van de viji Provinciën wel eens op 't punt stond te begaan, als hij geprikkeld werd door den weerstand en de lauwheid der Staten of als zijn ongeduld werd getergd door de belemmeringen die het omslachtig samenstel van 't bestuur teweegbrachten, in den spoed waarmeê hjj zijn ondernemingen tegen den vijand wenschte door te zetten. Willem Lodewijk wist dan ter eener zijde den hartstocht te stillen, zonder de geestdrift te ontnuchteren, en ter andere tot vruchtbaar handelen aan te sporen, door kalme
367
overredingskracht. Hij zelf had in zijn Gouvernement gelegenheid te over, om de deugden van lijdzaamheid, voorzichtigheid en zelfbeheersching te oefenen. Toen de eerste Willem, de gvoote Oranjevorst, aan de opkomende Republiek ontviel, nog voor zij genoegzame vastheid had verkregen, werd het Stadhouderschap van Holland en Zeeland in najun opgedragen aan den zeventienjarigen Maurits, maar het Stadhouderschap van Friesland, het beleid der krijgszaken daaronder begrepen, toevertrouwd inderdaad aan Willem Lodewijk, die zjjn vierentwintigste pas had bereikt. En hij mocht in waarheid zeggen, dat hij Stadhouder van Friesland en Groningen was, niet slechts par droit de naissance, omdat hij een zoon was uit het huis van Nassau, maar bovenal par droit de conquête 1), omdat hij door zijn krijgsbeleid en persoonlijken moed, die Gewesten had helpen behouden en heroveren op den vijand. Hij had ook voortdurend nog strijd te voeren tegen de inwendige verdeeldheid en den tegenstand die zijn bestuur belemmerden; een strijd waarin de overwinning niet was te behalen, dan door zulk eene mate van schranderheid, politiek overleg, zachtmoedigheid en oprechtheid, als deze veelbegaafde zoon van Johan van Nassau in zich wist te vereenigen. Zijne vastheid van wil werd nooit tot onverzettelijk doordrijven opgevoerd; zijne goedheid, voortkomende uit gemoedeljjken ernst en niet uit zwakheid, stelde hem in staat om de meeste toegeeflijkheid te oefenen, zonderdat het schaadde aan het ontzag dat men hem toedroeg. Diesondanks moest hij nog altijd de worsteling volhouden tegen de stijfhoofdigheid van zijne Friesche tegenstanders; hunne jaloerschheid op hunne werkelijke of vermeende rechten, en
1) Loycester noemt hem a little fellow, as little it may he, maar toch, zoo klein als hij is (voegt hij er bij), vond ik in hem een der degelijkste en schranderste jongelieden die ik ooit sprak; hij is Gouverneur van Friesland; ik wenschte dat iedere Provincie zijns gelijke had! (Groen van Prinsterer, Archives de la maison d'Orange-Nassau. Deuxième Série, Tome 1.)
368
hun onrechtmatig wantrouwen, dat juist toenam met zijne groote verdiensten 1), gaven telkens opnieuw aanleiding tot onmin en misverstand, die hij met onuitputtelijk geduld trachtte bij te leggen of op te helderen. Hij achtte het zijn grootsten triomf, dat de welgezinden zich rondom hem vereenigden en tot zijn doel medewerkten, hetwelk geen ander was, dan den waarach-tigen welstand des lands te verzekeren in een vast en vrijgevig bestuur. Ook was het volk met kinderlijke liefde aan hem gehecht, en had hem den eernaam van Vader (haite) gegeven. Dat haite Willem met opzet onrecht en hardheid kon plegen, zou dan ook door geen zijner goede Friezen mogelijk worden geacht, zelfs niet door den spaansehen veldoverste Verdugo, die hem te meer vreesde en haatte, naarmate hij gedwongen was hem hooger te achten.
En zoo scheen het geenszins voor Juliaan te pleiten, dat zulk een veldoverste het noodig had geacht, hem zonder vorm van proces, snel en heimelijk uit zijn leger te verwijderen.
Hoe dat ook zij, de Stadhouder van Friesland dacht nu wel niet meer aan dat verleden, hij gaf zijne geheele oplettendheid aan zijn spel, en hij had er reden toe, want Maurits was geen
1) Quand on lone mrs actions, schrijft hij aan zijn vader, Roorda ne craint pas de dire, qu'elles tendent non d assurer, mais, birn au contraire en eap. tivant les coenrs, u opprirner la liherté, de sorte 'jut: dorénatanï, plus mes mérites seront grands, et plus je me rendrai suspect'. En toch is het deze felle en onedelmoedige antagonist dien hij voornemens was met de grootste verschooning te behandelen in een geval met zekeren brief vol vnigen laster, in zijne (Willems) handen gevallen, en welken hij zes weken lang bij zich droeg, zonder er iemand van te spreken, voornemens dien voor de oogen van Eoorda in 't vuur te werpen, âom de papisten en malcontenten in den lande geen oorzaak te geven zich over zulke tweedracht te verheugendan, de onstuimigheid van den weerbarstigen Fries, dwong den graat zijns ondanks tot openbaarheid. (Groen van Prinsterer, Archives de la maison d'Orange-Nassau. .Deuxiéme Série, Tome I.)
369
gemakkelijke tegenpartij; toch stonden de kansen reeds niet meer gelijk; de Prins had een paar zetten gedaan, die eer van overmoed dan van goed overleg getuigden, en de graaf had niet verzuimd met die misgrepen zijn voordeel te doen.
âMaar, Monseigneur! met mijn kasteel te nemen geeft gij uw koning bloot,quot; voegde hij Maurits toe.
âIk zie 't zelf cousin!''' antwoordde Maurits, een weinig verdrietelijk, âen het ergste is, dat hij maar voor 't oogenblik is te beveiligen; met een paar zetten ben ik mat, ik zie 't komen, lt;le eer van 't spel is aan u, ik geef 't op....quot;
âOpgeven, wat nog niet werkelijk verloren is, ligt niet in uw aard!quot;
âDat is zoo; maar toch, spartelen tegen een verzekerde nederlaag lust mij niet meer;quot; en met zekere drift wierp Maurits do stukken dooj-een.
quot;Willem Lodewijk schudde even het hoofd en sprak glimlachend ;
âGelukkig dat Uwe Excellentie voor Steenwijk en Geertruiden-berg meer geduld znm hesten had, want ik zie 't u aan, de provisie is nii op â dus de revanche morgen?quot;
âJa morgen! ik zou er nu het hoofd niet meer bij hebben; â¢daartoe heb ik u te spreken eer er stoornis komt; 'tis nu bijna drie uur,quot; vervolgde hij op zijn horloge ziende, âik wacht zoo aanstonds den jonker van Egmond hier. . ..quot;
âquot;Welken jonker van Egmond?quot; vroeg Willem Lodewijk wat verrast; âLamoraal, den Prins van Gaveren?quot;
âNeen toch! die niet, schoon het wel te vreezen is, dat we dien op een mooien dag zoo in eens als een bom uit de lucht zullen zien vallen; de persoon dien ik bedoel is zijn neef Ju-liaan, die zekere Juliaan van Egmond, die eigenlijk de Ghisel-les moest heeten, dezelfde waarvoor gij mij eens gewaarschuwd hebt.quot;
âHet was mij ernst met die waarschuwing, Uwe Excellentie,quot; antwoordde graaf Willem wat strak.
O 1
Wonderdokter II. -â *
370
âDaaraan twijfel ik niet. Gij zoudt niet uit kortswijl iemand bij mij verdacht maken. Trouwens, hij erkent zelf een woesteling en een dobbelaar geweest te zijn, en al heel raar door het leven te zijn gerold â en dat is ook niet vreemd. \ an zijn veertiende jaar af geheel aan zich zeiven overgelaten, onder de smartelijkste en ongunstigste omstandigheden, is het wel sterk dat er nog iets van hem te recht is gekomen.quot;
âIets! maar ik verzeker Uwe Excellentie, dat ik goede verwachtingen van hem heb gehad; hij had aanleg, toonde karakter, ik had zeker vertrouwen op zijn goed hart... indien maar niet. ...quot;
âJuist, zijne slordige zeden bedierven dat alles, en maakten dat hij zjjn dienst en plichten verzuimde; maar een menseh kan zich beteren, dat zult gij mij toestemmen.quot;
âZeker! een menseh kan zich beteren, met Gods genadige hulpe althans....quot;
âNu! de jonkman in quaestie moet werkelijk in zulk een staat van genade verkeerd hebben, en ganschelijk tot een nieuw leven bekeerd zjjn, naar 't getuigenis van personen, die ik in dezen betrouwbaar acht. Ik verzeker u wel, dat ik mijne preventies tegen hem, niet bij het eerste zeggen van anderen heb laten varen, overtuigd dat gij goede gronden hadt voor uw mistrouwen, al hadt gij mij juist niet op feiten gewezen . . ..quot; Maurits wachtte of de graaf hier zou invallen â dan, Willem Lodewijk drukte de lippen op elkander en zweeg.
âMaar toen zoovelen rondom mij, van meester Dietrich af, die een goed, trouw man is, tot den Advocaat va'i Holland toe____quot;
âBemoeit de Advocaat van Holland zich daar ook al mee?quot; viel de graaf in, met zeker voorhoofdfronsen.
âJa, die ook! opgewekt door den Schout van Delft, en een van de waardigste en singulierste Delftsche burgers. â Toen nioest ik mij wel gewonnen geven, en dat te eer, daar Fran-
371
Coise van Egmond zelve tot mij kwam om do zaak van haar neef te bepleiten. Gij weet, dat zij wat durft en nogal heftig valt in haar pleidooi...
De graaf knikte. âUwe Excellentie moest voor dien stormwind bezwijken, dat begrijp ik.quot;
âTe meer daar zij mij een aandoenlijke levensschets van Ju-liaan te lezen gaf, door zijne moeder opgesteld en nevens haar testament gevoegd.quot;
âIs Machteld van Egmond overleden?quot;
âXog niet; maar daar zij de listen en lagen van zekeren intrigant vreesde, had zij de wettigheid en de rechten van haar eenig kind laten verzekeren, om op zijn hoofd hare persoonlijke bezittingen te konnen overbrengen. Een en ander bewoog mij om den ongelukkige de helpende hand toe te steken en meê te werken tot zijne oprichting .... Hebt gij daar tegen ?quot;
âNu uwe Vorstelijke edelmoedigheid dit besluit heeft genomen, zal ik voorwaar niet hinderlijk tusschenbeide treden.quot;
â't !s niet enkel edelmoedigheid, 't is eene reparatie die ik hem doe, en die ik hem schuldig ben. Daar hij bij u in een kwaad blaadje stond, en men mij in 't eerst allerlei kwade streken en dwaze gedragingen van hem kwam aanbrengen, gaf ik wat onbedacht bevel hem in hechtenis te nemen, juist aan iemand die er, zooals ik later vernam, het grootste behing bij had hem uit den weg te ruimen. Voorts was hij betrokken in eene zotte historie van een zoogenaamd complot tegen mijn leven ....quot;
âDaarvan althans behoort hij zich te konnen zuiveren,quot; viel de graaf in met levendigheid, âeer hem gunst wordt verleend.quot;
âDaarvan heeft hij zich alreeds triomfantelijk gezuiverd; 't is juist door zijne kloekheid en nobele handelwijze, dat er van dien heelen aanslag niets is gekomen. Zijn aanklager was zelf
372
een tier schuldigen, en toch is hjj het geweest, die er gevangenschap en vernedering voor gedragen heeft. Gij begrjjpt wel, dat ik hier iets heb goed te maken . .
âWat is 't, Moester Dietrich?quot; viel de Prins zich zelf in de rede, ziende dat zijn dienaar hot hangtapijt wegschoof en aarzelend bij den ingang van het vertrek bleef staan, âwaarom komt gij ons storen?quot;
âUwe Excellentie, de hoer van Maldere beveelt mjj u te verwittigen â dat die hoeren â gekomen zijn.quot;
âDie heeren? â ik wacht den jonker van Egmond.quot;
âDe jonker is niet alleen; de heer van Maldere wil weten, of de Schout van Delft, die hem vergezeld, ook is bescheiden.quot;
âIk meende den jonker alleen te ontvangen; maar, laat binnenkomen wie er zijn, men kan niet weten waar 't goed voor is. Mogeljjk hebt gij hen te ondervragen, Herr Vetterquot; ging Maurits voort, toen Dietrich het vertrek verlaten had.
âVerschoon mjj. Uwe Excellentie, ik wensch geenszins facheux troisième te zijn bij dat particulier onderhoud; sta mij toe heen te gaan.quot;
âIk verlang ter contrarie dat gij blijft! Hij zou zeker gaarne nu ook zijn pays maken met u.quot;
âDat kan zijn; maar ik ben niet als Uwe Excellentie hem eene reparatie schuldig, en sinds hij toch reeds mijne vergiffenis heeft, kome ik daarop liever niet terug,quot; en de graaf wendde zich reeds naar eene zijdeur om zich te verwijderan. Het vertrouwelijk gesprek was geëindigd, er kwam oen page binnen om het schaakspel op te ruimen, en een luitenant van des Stadhouders garde legde zwijgend een degen op de tafel neer en scheen de orders van Maurits af te wachten; maar deze zag niet naar hem om.
âHola cousin!quot; sprak hij wat driftig tot graaf Willem, âzoo ontkomt gij mjj niet; gij zegt dit alles op een toon die... mij
373
niet bevalt; er steekt meer achter, en gij moet u ronduit verklaren . .
âIk heb niets meer te zeggen. Uwe Excellentie sta mij toe er mij buiten te houden.quot;
âHet zij zoo! maar gij zult mij verplichten te blijven.quot;
De graaf boog en ging alleen een weinig ter zijde; want reeds zag men Schout Gerrit Meerman binnentreden in volle plechtgewaad, met den degen op zijde en do gouden keten om den hals. Juliaan volgde, in het rijke kostuum, dat Lijsbeth een 'prinselijke dracht had genoemd, maar zonder sjerp of degen. Hij was bleek van ontroering, maar zjjn gang was vast en hij hield het hoofd opgericht, als bewust van zijn recht om hierbinnen te treden.
Maurits wisselde een paar woorden met den luitenant, die zich daarop verwijderde, wendde zich nu om, en stond plotseling voor Juliaan, eer nog Schout Gerrit diens hand had kunnen vatten tot eene plechtige voorstelling, zooals deze van plan was.
Maurits liet zwijgend den blik op hem rusten, als wilde hij hem met zijne diep blauwe oogen tot in de ziel zien, en scheen voldaan, toen Juliaan, zich uit zijne eerbiedige buiging opheffende, met kalme vrijmoedigheid dien blik beantwoordde.
Hjj stak hem nu de hand toe en leidde hem eenige schreden voort tot bjj de tafel, terwijl hij sprak:
âZjjt mij welkom, jonker van Egmond! Gij wenscht mij te spreken, en ik heb u ook wat te zeggen. Allereerst wensch ik u geluk met het besluit Hunner Hoogmogenden, waarbij gij in uw rang zjjt hersteld, en de bezittingen van uw moederlijken grootvader aan u worden toegekend. Men is u deze vergoeding te meer schuldig, sinds gij der Staten zijde hebt gekozen, daarvoor de wapenen hebt gedragen, en dooi1 die keuze feitelijk afstand hebt gedaan van den rang, de rechten on bezittingen, die u zouden behooren als den wettigen zoon van den baron
374
de Ghiselles, die aan Spaansche zijde is gebleven. Maar er is meer; ik was tegen u ingenomen; verschillende omstandigheden zwoeren samen om er mij toe te hrengen n te verdenken, en zelfs den goeden dienst te miskennen, die men beweerde dat gij mij hadt bewezen. Onder zulke indrukken heb ik onrecht tegen u gepleegd en u in gevangenschap gehouden, tegen den raad van dezulken aan, die bevoegd waren over uwe schuld of onschuld te oordeelen; is het niet zoo, heer Schout?quot;
âJa! Uwe Excellentie, zoo is het,quot; antwoordde Meerman met eene diepe buiging. rIk mag met waarheid betuigen, wat ik ook Uwe Excellentie indertijd door den heer Advocaat heb laten vertoonen, dat de jonker in gevangenschap werd gehouden, om eene zake daarin hij ganschelijk geene schuld had, terwijl hij veeleer den dank had verdiend van Uwe Excellentie en van alle oprechte voorstanders der Patria!quot;
âDus zie ik het nu ook. Zoo is hot aan mij, jonker van Eg-mond, om u excuses te maken, en u te vragen mij de hand te geven, ten bewijze dat gij deze hardheid en dit onrecht vergeven en vergeten kunt?quot;
Juliaan had moeite zich staande te houden gedurende de toespraak van Maurits, onder de heftige aandoeningen die hem bestormden.
âMijn vorstelijke heer!quot; was alles wat hij kon uitbrengen, terwijl hij de aangeboden hand van den Stadhouder nam en die eerbiedigljjk kuste.
âXii dit vergelijk is getroffen,quot; hervatte Maurits op meer ge-meenzaraen toon en zelf wat bewogen, toen hij, uit de blijdschap die den verongelijkten nu overmeesterde, inzag, wat deze moest geleden hebben onder zoo bittere miskenning, âzult gij wel uit mijne hand den degen willen aannemen, dien ik u biede met hopmansrang, als eene zwakke schadevergoeding voor het geledene; eene compagnie bij mijne garde is er niet te begeven op dit pas, maar zoodra die openvalt, zal ik
375
aan u denken.quot; En Maurits, den prachtigen degen nemende, welks rijk verguld gevest een jong edelman verlokkend in de oogen moest blinken, bood hij dien Juliaan van Egmond aan. Maar deze, in plaats van dien te vatten, trad terug, en weerde hem af met een eerbiedig maar ernstig gebaar, terwijl hij sprak :
âVerschoon mij, Uwe Excellentie, ik kan geen hopmansrang aannemen â ik kan zelfs den degen als edelman niet aanvaarden â voor ik verkregen heb wat mij noodig is â herstel van eer. Het is om dit te verkrijgen, dat ik bij Uwe Excellentie een gehoor heb verzocht.quot;
âIk versta u niet wel; uwe gevangenschap is niet geweest dan eene berooving der vrijheid, en werd ganschelijk niet bezwaard met eenig publiek vonnis, daaruit diffamatie zou konnen volgen; is het niet zoo, heer Schout ?quot;
âUwe Excellentie heeft daarin volkomen gelijk,quot; antwoordde Schout Gerrit, opnieuw met eene diepe buiging. âEr is daarenboven de meest mogelijke discretie gebruikt â ja zelfs geheimhouding bevolen; de blaam van de misvatting zou allereerst vallen op de Justitie zelve.quot;
âHet is ook niet daarover dat ik mij beklage,quot; sprak Juliaan, âmaar er is wat anders, dat meer zegt. Ik ben een gecasseerde luitenant; een zoodanige kan nog wel in zjjn rang worden hersteld, of tot hopmansrang bevorderd, zoo het blijkt dat de redenen zijner cassatie niet onteerend zijn geweest; maar ik â ik ben van mijn dienst ontzet en als schelm en verrader uit het vaandel gejaagd, zonderdat men zich heeft verledigd mij de oorzaak van dezen vernederenden maatregel te doen kennen, zonderdat men dien door eenige forme van proces heeft laten voorafgaan, en ondanks mijne dure verzekering, dat ik mij geenerlei schuld bewust was, die tot zoodanige hardheid gerechtigde. Wat zou er nu volgen, zoo ik mij verstoutte den rang te aanvaarden, dien Uwe Excellentie mij
376
wil toekennen; ik behoef dat mijn doorluchtigen heere niet, nader aan te duiden. Geen edelman, geen officier ter goeder naam en faam staande, zou mij als krijgsmakker de hand willen drukken; men zou mij den rug toekoeren, of achter mijn rug over mij fluisteren en minachtend de schouders ophalen; ik zou dagelijks in de verzoeking komen â daarvoor ik met Gods hulpe vastelijk besloten ben niet te bezwijken â om in mijne eigene zaak en voor mijne eigene eer den degen te trekken, dien ik alleen wensch ter hand te nemen, zoo 't met eere kan geschieden, tegen den gemeenen vijand van deze Republiek!quot;
âDit voornemen is prijselijk,quot; hernam Maurits, getroffen door de waardige houding die Juliaan aannam, terwijl hij dus sprak, en door den zielenadel die uit zijne trekken blonk; âmaai hoe wilt gij, dat ik - die uwe antecedenten niet ken - zal medewerken tot deze onmisbare eerherstelling? Zou 't niet veeleer wezen aan den Stadhouder van Friesland, onder wiens vanen gjj hebt gediend, dat gij u wenden moet?quot;
âJuist aan dezen, doorluchtige heer; en 't is daarvoor dat ik de intercessie van Uwe Excellentie wenschte in te roepen.quot;
âDie u op staanden voet kan worden geaccordeerd. Eilieve, graaf Willem! blijf nu niet langer volhouden bij uw besluit om u buiten deze cause te houden.quot;
Dus opgeroepen, moest de graaf wel uit de schuilplaats te voorschijn treden, die hij zich opzettelijk had gekozen in de vensternis bij een der kruisramen. Zoodra hij nader kwam, wendde Juliaan den blik op hem, met eene onbeschrjjfelijke uitdrukking van blijde verrassing. Onder den indruk zijner gemoedsbeweging bjj het binnentreden, en later, staande het onderhoud met Maurits, had hij het oog niet her- en derwaarts door de zaal laten gaan, en hij zou niet hebben kunnen zeggen, of er buiten den Prins nog andere personen aanwezig waren geweest. Schout Gerrit had wel een edelman bij een der vensters zien staan, en
377
zelfs opgemerkt, dat deze Juliaan gadesloeg met gezette aandacht, maar hjj had niet in den persoon, die zich zoo bescheiden ter zijde hield, den Stadhouder van Friesland herkend, al wist hij, dat deze zich in den Haag bevond.
vMon Cousin! laat u nu goeddunken den jonker van Egmond te woord te staan,quot; sprak Maurits, toen deze zich bij hem had gevoegd; âen gij jonker, zie nu zelf hoe gij 't maakt om uwe genoegdoening te verkrijgen.quot;
Na dit gezegd te hebben, zette Maurits zich in zijn armstoel, of hij te kennen wilde geven, dat hij er zich niet meer mee zou bemoeien, hetgeen niet belette, dat hij met kennelijke belangstelling toeluisterde en toezag, bij 't geen er tusschen hen voorviel.
âJonker van Egmond!quot; begon graaf Willem, zichtbaar zekeren tegenzin overwinnende om hem toe te spreken, âwat verlangt gjj eigenlijk van mij ? Ik heb u amnestie geschonken voor het vroeger gepasseerde, ik zal daarop niet terugkomen; mij dacht, dat moest u genoeg zijn, en gij zelf moest nu ook dat verleden laten rusten, door u voortaan te gedragen, zooals een goed, getrouw en vroom edelman behoort, door aan Zijne Excellentie en aan al de wereld te toonen, dat gij in waarheid een veranderd mensch zijt geworden, zooals van u wordt getuigd.quot;
âAlzoo hope ik te doen. Uwe Genade, met Godes hulpe,quot; hernam Juliaan, kalm maar met vastheid; âdoch wat belangt het laten rusten van de vlek die er op mij geworpen is, dat kan, dat mag ik niet, allerminst nu ik niet langer als een zwerveling door het land zal dolen, maar mijne plaats moet gaan innemen onder de edele en welgeboren mannen dezer gewesten.
â Um so mehr is het raadzaam voor u den sluier der geheimhouding niet op te lichten, waarmeê ik genadiglijk uwe schande heb bedekt,quot; hernam graaf Willem met nadruk maar zacht,
378
bijna fluisterend, of hij wenschte, dat niemand dan Juliaan alleen deze woorden zou verstaan; maar deze antwoordde luid en met eene forsehheid, of hij door zijne innerlijke verontwaardiging werd meêgesleept:
rlk begeer zulke genadige versehooning niet! Die sluier waaraf Uwe Genade spreekt, is een net van verwarring of misverstand, dat ontknoopt, dat verscheurd moet worden op dezen zelfden stond, al zou het mij alles kosten wat ik nu heb verkregen.quot;
â Unverschamtquot; had graaf Willem tussehen de tanden gesproken, terwijl hij Juliaan aanhoorde. Xu deze zweeg, hervatte hij op een toon van ernstige bedreiging:
âGij zijt wel vermetel, jonker Juliaan! om zoo te durven spreken ; ik zeg u, het kan u het leven kosten, als gij mij uittergt om te doen wat ik mij zeiven niet zonder strijd heb opgelegd te laten. Zoo wees dankbaar, dat ik nog bij mijn besluit blijve, om niet op de eens geschonken genade terug te komen, en laat af mij dus stoutelijk te trotseeren, want ik heb verpletterende bewijzen tegen u ....quot;
Dat was inderdaad verpletterend; men zag Schout Gerrit verbleeken, en Maurits fronste de wenkbrauwen, terwijl hij Juliaan met toorn en mistrouwen aanzag; maar deze bleef ongeschokt.
âIndien Uwe Genade mij tot schuld rekent zekere dwaasheden, woeste gedragingen, drinken en dobbelen, daarin ik maar al te goed wete mij te hebben misdragen, en het nog noodig acht die verschoonlijk voorbij te zien, dan kan ik die gunst dankelijk aannemen.quot;
âAls men alle woestaards en dobbelaars uit het leger wilde verwijderen, zouden de gelederen, lacy! vrij al te zeer dunnen,quot; viel quot;Willem Lodewijk in; âgij weet wel, dat ik op wat anders doele.quot;
âNu dan, heer graaf! voor dat andere begeer ik recht â
379
geen gratie; of liever, betoon mij die eenige gratie, die ik als een recht kan vorderen, en laat mij weten waaraf ik eigenljjk beschuldigd wordt, opdat ik mij kunne verantwoorden en zuiveren; of zoo niet, spreek het hardste vonnis over mij uit, maallaat mij ton minste weten, wat ik tegen u misdreven heb. Mijn degen is mij ontnomen door uw maistre-de-camp, ik ben als een schandvlek uit mijn vaandel, uit uw leger weggejaagd, de dood werd mij gedreigd, zoo ik het waagde mij in den omtrek van uwe legerplaats te vertoonen, en dat alles zonderdat ik heb konnen raden, waarmee ik zulke bejegening had verdiend!quot;
âGij spreekt zoo, omdat gij wel weet, dat uwe intentiën niet ganschelijk ten uitvoer zijn gelegd, en gij beeldt u in, dat ik ze niet heb konnen naspeuren.quot;
âIk mag met waarheid betuigen, en wil het desgevorderd met een plechtigen eed verklaren, heer graaf,quot; sprak Juliaan, kalm en met fierheid het hoofd opheffende, âdat ik nooit kwade intentiën tegen Uwe Genade heb gekoesterd, veelmin gepoogd dezulke ten uitvoer te leggen; dat ik niet dan de hoogste achting en trouwe gehechtheid heb gevoeld voor Uwe Genade, tot op den dag toe, waarop Zij mij zoo hard en onverdiend haar misnoegen deed ondervinden.quot;
âZooveel te erger! want dan hebt gij u tegen beter willen en weten in laten verlokken tot hot kwade,quot; hernam Willem Lodewijk met smartelijke verontwaardiging. âIk wil aannemenquot; vervolgde hij met goedheid, âdat gij u nu daaraf berouwt, en â God weet, dat ik het wensche â niet zoo schuldig zijt geworden als ik moest onderstellen; dat men u heeft verleid, heeft bedrogen, in een strik gelokt.quot;
âOf dat men Uwe Genade zelf op het gruwzaamst heeft bedrogen, te mijnen nadeele,quot; viel Juliaan in, met levendigheid. âZou dat niet konnen zijn, Genadige Heer,quot; ging hij voort; âzou 't niet mogelijk zijn, dat ooit de schranderste en bedachtzaamste vorst zich vergissen kan, en door trouwelooze inblazin-
380
gen de prooi worden van valschheid en misleiding? Maar dat kan niet worden opgehelderd, zoolang het uit wreede barmhartigheid wordt bedekt. Och, Genadige Heer,quot; ging hij voort, zich aan zijne voeten werpende, ânog acht en eer ik u, ondanks hetgeen gjj tegen mij hebt gedaan; bewijs mij nü deze goedwilligheid, dat gij het uitzegt, wat ik naar uwe meening tegen u misdreef?quot;
âSinds gjj mij dwingt, zal het zijn,quot; antwoordde graaf Willem, eer met droeven ernst dan met toorn. âGjj hebt u laten om-koopen om een aanslag tegen mijn leven te smeden, in ver-eeniging met een troop Spaansche huurlingen en schuim van soldatenvolk, dat naar den vijand was overgeloopen. Gij hebt gedaan, wat in uwe macht stond om dit misdrjjf ton uitvoer te leggen, en het zou u gelukt zijn, zoo de Goddelijke Voorzienigheid, die mij wel menigmaal in levensgevaar heeft behoed, mij ook ditmaal niet had bewaard, door uw opzet te doen falen.quot;
Juliaan was geknield gebleven, ten bewijze dat hij den graaf in den diepsten eerbied wilde aanhooren. Maar nu hief hij beide armen op en sloeg de handen boven zijn hoofd samen, stom van verbazing en ontzetting bij deze beschuldiging, die niet dan met blijkbaren weêrzin tegen hem werd uitgebracht.
De getuigen van dit tooneel deelden in zijne verbazing. Schout Gerrit was gansch niet meer op zijn gemak. Maurits trappelde van ongeduld met den voet.
âIk! zou dat gedaan hebben â ik.... ik!quot; stamelde Juliaan, toen hij weer geluid kon geven, âen dat kon Uwe Genade ge-looven! En dat kon Zij verzwijgen, en verzuimen te straffen met zoo exemplaire straffe, als ooit op een schelm en verrader werd toegepast! Dat werd simpellijk geboet met eene snelle verwijdering uit de legerplaats, en voorts met den sluier der geheimhouding bedekt en gesmoord!quot; de stem werd telkens killer en scherper, naarmate de smartelijke verwondering hem al meer en meer overmeesterde; ten laatste hief hij zich op, zoo fier,
381
als ware hij zelf een vorst die amnestie had te verleenen, ei. hervatte kalmer, maar toch met wat bitterheid:
âZiedaar wel het bewijs, dat graaf Willem Lodewijk van Nassau een doorluchtig exempel is van Christelijke vergevensgezindheid, van vorstelijke groothartigheid; maar tevens. Uwe Genade verschoone mij, van een lichtvaardigheid, in 't gelooven aan het kwade, die hare lankmoedigheid evenaart!quot;
Maurits kon het niet langer in zijn armstoel houden, dien hij met drift terugschoof, terwijl hij een Duitschen bastertvloek liet hooren.
Schout Gerrit sidderde voor Juliaan, ecne koude rilling gleed hem door de leden.
âIk zou dit stout spreken verschoonen,quot; hernam graaf Willem, âen het nemen als de uitwerking uwer rechtmatige verontwaardiging, zoo ik mocht twijfelen; maar ik ben niet lichtvaardig afgegaan op het zeggen van anderen; ik heb mij op niemand betrouwd dan op mij zeiven! Wat u belangt, gij zoudt u verantwoorden, en ik zie niet, dat gij iets hebt weerlegd, al toont gij ook den heftigsten weerzin tegen hetgeen u ten laste wordt gelegd. Gij schijnt ganschelijk niet meer te gedenken aan den nacht van den twaalfden December;quot; en terwijl hij dit zeide, vestigde graaf Willem den klaren, uitvorschenden blik op hem, met ecne onverzettelijkheid als wilde hij hem in de ziel zien.
Juliaan werd bleek, bracht do hand aan het voorhoofd en hernam met oen zucht: âIk gedenk daaraan, Uwe Genade, al is dat gedenken pijnlijk. Men had mij gewaarschuwd, dat mijne moedor, uit Braband herwaarts heen gevlucht, in het dorpje Kloosterburen ziek lag en naar mij verlangde. Daar wij in de Ommelanden gelegerd waren, kon ik met eenige uren rijdens bij haar zijn. Ik wendde mij tot Uwe Genade persoonlijk, om een verlof van een paar dagen, daar niemand dan mjjn heer zelf met mijn waren naam en familie-omstandigheden bekend was. Het werd mij toegestaan, en ik ondernam den tocht onder
382
de strjjdigste aandoeningen; de blijde hoop, mijne moeder weêr te zien, werd verbitterd door de onrust hoe ik haar zoude vinden; ik gaf mijn paard noch mij zeiven rust, vóór ik aan de dorpsherberg was gekomen, waar ik haar volgens mijn berichtgever zou vinden. Tot mijne bittere teleurstelling vond ik er mijne moeder niet, wel eene vrouw van haar leeftijd, die voorgaf mij nog als kind gekend te hebben, en die mij vertelde, dat zij met de barones uit Braband was gevlucht, en doodziek geworden zijnde, niet in staat was geweest hare meesteres te volgen; zij wist zelfs niet, waar deze zich nu bevond, maar geloofde, dat zij het voornemen had zich naar Culemborg te begeven. Dat kon waar zijn; maar ik had geene gelegenheid om de verre reis naar Culemborg te maken, gaf de vrouw, die er kennelijk lijdend uitzag, eenig geld om in hare behoeften te voorzien; doch het niet noodig achtende mij om harentwille daar op te houden â reed ik terug, zoo ras mijn paard en ik zelf de noodige rust hadden genomen. Ik had reden i;e ge-looven, dat ik het slachtoffer was geworden van opzettelijke misleiding!quot;
pl)ie u te pijnlijker moet getroffen hebben,quot; viel graaf Willem in, met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke minachting, âdaar gij u de moeite hadt gespaard dien tocht te ondernemen; gij zijt niet eens te Kloosterburen geweest, gij zjjt eenvoudig naar eene slecht befaamde taveerne gereden, omstreeks een uur van onze legerplaats, en waart daar samen met Schotsch en Duitsch soldatenvolk, dat naar de Spaanschen was overgeloopen, en hadt een onderhoud met een luitenant van Verdugo!quot;
âUwe Genade!quot; riep Juliaan, âhier bestaat eene schromelijke vergissing; men heeft mijn heer door een valsch rapport misleid en mij een snooden trek gespeeld!quot;
âIk zou u willen gelooven, als ik alleen afging op de sprekende verontwaardiging, die gjj nu betoont; maar ongelukkig voor u, heb ik gezien, niet mijne eigene oogen gezien, hoe gjj
383
u Spaanseh goud liet uitbetalen, hoe gij den luitenant van Vev-dugo den handslag gaaft, ten bewijze van de gesloten overeenkomst; hoe de ruiters en lantzen hunne casquetten op hun zijdgeweer zetten, en zwoeren u te obedieeren bij deze onderneming, die geene andere was â dan Willem Lodewijk van Nassau in eene hinderlaag te lokken en hem te vermoorden!quot;
âHeer! geef mij lankmoedigheid, geef mij kracht, om ten einde toe die worsteling tegen de leugen vol te houden,quot; sprak Juliaan, als voor zich zei ven en de oogen ten Hemelquot; gericht; maar hij was zoo geschokt, dat hij naar een stoel greep, waartegen hij leunen moest om zich staande te houden.
âVal liever voor mij in de schuld, ongelukkige!quot; hernam graaf Willem, âen beken dat gij een misstap hebt begaan, waaraf gij nu bitterljjk berouw gevoelt; ik kom niet op mijne vergiftenis terug, en wij zullen het hierbij laten rusten!quot;
âIk kan niet!quot; sprak Juliaan met vastheid, âik kan geen schuld op mij laten rusten, die mij schandvlekt voor mijn leven!quot;
âJuliaan van Egmond heeft gelijk,quot; sprak nu Maurits, tusschen-beide tredende; âmen kan dit niet laten rusten, de waarheid moet worden uitgemaakt; zij moet het. Ik wil het verdere weten. Vetter, en zoo het onderzoek uitkomt tot zijne beschaming, kan er geene sprake meer zijn van gunstige dispositiën te zijnen opzichte, dan verlang ik, dat er krijgsraad worde belegd en dat het recht zijn loop hebbe.quot;
âZoo zij het'.quot; hernam Juliaan met gelatenheid. âIk geef mijne rechtvaardige zaak in Godes hand; maar dat Zjjne Genade zich verklare, hoe er zulke verdenking tegen mij is opgekomen.quot;
âNiet uit mijn hart, dat verzeker ik u. Hij was mij door den graaf van Culemborg aanbevolen,quot; ging Willem Lodewijk voort, nu tot Maurits gericht, die weêr plaats had genomen, âdie mij gezegd had, dat hij sinds zijne jongelingsjaren als balling was weggezonden uit het quot;ouderlijke huis, om heftige geschillen niet
384
zijn vader; dit aanziende, nam ik geduld met zjjne gebreken en gaf hem zelfs zekere mate van gunst en vertrouwen, daar ik zag dat hij een goed soldaat was en het beste van hem hoopte, ondanks zijne ongeregelde leefwijze. Na de inname van Groningen was ik zelfs voornemens hem in rang te bevorderen, hem een compagnie toe te vertrouwen, hetgeen door bijomstandigheden werd vertraagd tot in December; toen kreeg ik eone eerste waarschuwing van eene mij onbekende hand : dat deze Juliaan niet te betrouwen was, en dat hij mij ten laatste nog eenig kwaad zou brouwen, zoo ik hem niet bijtijds uit mijn dienst ontsloeg; maar daar ik weinig hecht aan wenken van personen, die niet eens hun naam durven noemen, en daarbij aan verdachtmaking uit wangunst geloofde, verscheurde ik dit naamlooze briefje en sprak er niemand van, om den laaghartigen schrijver geene satisfactie te geven; ras volgden er meer, waarmee ik op dezelfde wijze handelde, alleen Juliaans gedragingen wat scherper in het oog houdend â zonder echter iets te bespeuren, dat recht gaf tot verdenking. Toch vond er welhaast iets plaats dat mij trof en mijn vertrouwen schokte. Op een vroegen ochtend, alleen van mijn maistre-de-camp vergezeld, uitgereden om zeker terrein op te nemen, zag ik Juliaan in een levendig gesprek met een mij onbekend personaadje, en die er zeker reden toe had zich te verbergen; want hij was dicht in een mantel gehuld, en vermomde het gelaat onder een breed ge-randen Duitschen hoed. Bij onze nadering maakte deze persoon zich schielijk uit de voeten en de jonker nam zijn weg in een tegenovergestelde richting, de houding aannemende, of hij ons niet had opgemerkt. Maar ik hield het er voor, dat hij mij zeer goed had gezien en herkend. Spreek zelf, Juliaan. herinnert gij u deze bijzonderheid?quot; En de graaf wendde zic'a naar Juliaan, die rustig en aandachtig stond toe te luisteren.
âJa, Uwe Genade, zeer goed; ik wenschte inderdaad eene ontmoeting te ontgaan, omdat ik navraag moest vermijden om-
385
trent dien persoon, die werkelijk uit het Spaansche leger tot mij kwam, hoewel hij niet bij Verdugo in dienst was.quot;
âWat hadt gij uit te staan met iemand, voor wien gij niet kondet uitkomen ?quot;
âTe veel Uwe Genade om het nu alles op te sommen: in één woord â het was mijn broeder!quot;
âZijn broeder!quot; herhaalde Maurits verrast, âdat geeft die zaak toch een ander aanzien.quot;
âDe Ghiselles!quot; sprak Schout Gerrit halfluid, met verhelderd gelaat, ânu, als die er bij te pas komt, is er vast verraad in 't spel.quot;
âToen ik u die zelfde vraag deed,quot; ging Willem voort, âop den dag dat gij tot mij kwaamt met uw verzoek om verlof, gaaft gij simpellijk ten antwoord, dat het iemand was, die u bericht had gebracht van uwe moeder.quot;
âIk vreesde juist uw achterdenken te wekken, zoo ik er meer van zeide, en ik meende nog, dat hij mij een goeden dienst had bewezen.quot;
âGij weet, dat ik u toestond wat gij verlangdet, met zekere aarzeling, en er nog de nadrukkelijke vermaning bijvoegende, getrouw te blijven aan eed en plicht.quot;
âDie mij wel eenigszins bevreemdde. Uwe Genade; maar het kon zijn, dat ik mij door eenig verzuim in mijn dienst deze waarschuwing op den hals had gehaald, en in elk geval paste mij daartoe het zwijgen.quot;
âIk zag u met zeker leedwezen gaan; het lag mij bij, dat het niet goed zou afloopen; en werkelijk, nadat gij een paar uren vertrokken waart, kreeg ik weer een wenk van mijn geheim-zinnigen waarschuwer, dat gij u verwijderd hadt om een lang beraamd voornemen ten uitvoer te leggen, een voornemen tot een snood verraad, dat mij in al zijne bijzonderheden werd uiteengezet. Ik gaf geen bevel u na te zetten en te achterhalen; want tijd en plaats, waarop ik u in dien zelfden nacht zou kun-
Wonderdokter. II. 25
386
nen betrappen en flan rant délit werd mij nauwkeurig genoeg opgegeven om die aanwijzing te volgen, waartoe ik besloot, vergezeld van mijn maistre-de-camp, den eenige dien ik in 't vertrouwen nam. Ik kreeg toen de zekerheid dat ik niet was misleid; ik hoorde en zag, wat mij van toorn en ergernis de haren te berge deed rijzen; ik kon mij niet langer houden bij die lijdelijke rol; ik wilde toetreden, maakte gerucht â de samen-spanners schrikten op, plotseling gingen de lichten uit, en stormde de bende naar buiten. Wij werden omsingeld, onze paarden en mijn geleide waren op eenigen afstand gelaten. Wij moesten zien, hoe er door te komen; ik werd zelfs aan de hand gewond, en de booswichten zouden hun doel hebben bereikt, zoo mijn volk, door hot gerucht oplettend geworden, niet in aller haast ware aangerukt, zonder mijn signaal af te wachten. Toen er bijstand naderde, vluchtte de laaghartige verraderstroep, die in de duisternis tevergeefs werd nagezet. Zelfs het volk uit de taveerne was meégevlucht; toen men binnendrong tot nader onderzoek, vonden wij het nest ledig, dat in brand werd gestoken, om geen geboefte meer schuilplaats te bieden. Ik kon het niet verhelen, dat ik in eene hinderlaag was geraakt; ik verzweeg echter, wie daarbij de hoofdrol had vervuld. Ik onderstelde, dat het gevraagde verlof slechts tot masker had gestrekt, en dat Juliaan zich wel wachten zou weêr te keeren. Toch gaf ik mijne orders, voor 't geval dat hij zich daartoe verstoutte. Het gold mij persoonlijk, ik kon niet besluiten hier te straften zooals ik moest. Zoo de schuldige voor een krijgsraad werd geroepen, was het vonnis niet twijfelachtig, en dan kon ik geen gratie geven, dan moest er exempel worden gesteld; dat stond mij tegen, te meer daar er een edele familienaam in dat schandaal zou betrokken worden, en ik maar al te zeer wist, hoeveel Schadenfreude dit verwekken zou bij onze buiten- en binnen-landsche vijanden. Als mensch, als Christen besloot ik tot vergiffenis, maar als krijgsoverste kon ik geen Judas laten schuilen
387
onder mijn vaandel. Er bestond bij mij geen twijfel omtrent uwe schuld; ziedaar waarom ik u zonder nadere verklaringen uit mjjne legerplaats liet verdrijven.quot;
âGave God, dat Uwe Genade goedgevonden hadt met mij te handelen in alle rigueur!quot; hernam Juliaan op een toon van diepe neêrslaehtigheid; âik had mij dan konnen verantwoorden, en het ware mij toen nog mogelijk geweest mijne onschuld te bewijzen. Xu vermag ik niets dan Uwe Genade te smeeken, in overweging te nemen, of er geen geval kan bestaan, daarin men zelfs zijne eigene oogen niet kan betrouwen; staande het relaas ben ik op een vermoeden gekomen, dat ik moot uitspreken; moge God mij vergeven, zoo de verdenking eene valsche is; maar toch, bij alles wat ik op dit punt reeds ondervonden heb, komt het mij niet meer onwaarschijnlijk voor....quot;
âWat niet?quot;
âWat zou niet onwaarschijnlijk zijn?quot; vroegen Maurits en Willem tegelijk.
âDat de berichtgever, die mij met valsche tijding uren ver buiten uwe legerplaats lokte, zelf de rol heeft gespeeld, welke mij zoo schuldig moest maken naar uwe meening.quot;
âWat zottelijk verzinsel is dit nu!quot; riep do graaf, met ergernis en minachting de schouders ophalend. âIk zeg u, dat ik door do vensterruiten van die taveerne heen, terwijl er wastoortsen brandden, u als van aangezicht tot aangezicht heb gezien, en gij zoudt mij willen diets maken, dat iemand anders daar uwe personaadje had gespeeld in dat verdacht gezelschap.quot;
âIk verstout mij Uwe Genade te doen opmerken, dat er gelijkenissen bestaan, die zonderlinge zeer bedriegen,quot; sprak nu Schout Gerrit, die weêr moed scheen te vatten. âDe jonker van Egmond, hier tegenwoordig, is levenslang het slachtoffer geweest van zulke noodlottige speling der natuur. Ongelukkiglijk is de persoon in quaestie niet op te roepen om voor de waar-
388
heid van dit mijn zeggen te getuigen, want hij moet nu al over de grenzen zijn.quot;
,God zij geloofd!quot; viel Juliaan in; âwant zoo kan ik vrijuit van hem spreken.quot;
âIemand beschuldigen die over de grenzen is! Gij zijt gevat, mijn jonker; maar gij rekent in dezen wat al te veel op die liehtgeloovigheid, die gij zoozeer in mij misprezen hebt!quot; voegde graaf Willem hem toe.
âUwe Genade zij gerust, hij is nog wel in te halen,quot; sprak Schout Gerrit gejaagd; âmet verlof aan Zijne Excellentie ga ik maatregelen nemen;quot; en daar Maurits toestemmend knikte, wendde Meerman zich reeds naar de deur; maar hij dreigde in zijn vaart bijkans den goêljjken meester Dietrich tegsn 't lijf te loopen, die, binnenkomende zich tot Maurits wendde met de vraag, of hij dokter Graswinckel een oogenblik gehoor wilde verleenen met een patiënt.
âWat nu! komt die zijne zieken hier brengen,quot; zet Maurits, misnoegd over deze stoornis; maar toch voegde hij er glimlachend bij: âHet zij zoo! men kan dien zonderling niets weigeren.quot;
En de zonderling verscheen dan ook weldra, den patiënt aan den arm voortleidend, die niemand anders was dan Armand de Ghiselles.
In de uiterste verrassing wendde Maurits zich tot zijn vorste-lijken neef, zeggende: âZie nu toch. Vetter! daar is de persoon in quaestie!quot;
De gelijkenis kwam ditmaal inderdaad treffend uit. Do baron, voorheen zoo frisch, vol en blozend, was nu bleek en lijdend, zooals Juliaan zelf, mat van de worsteling, daar stond; zijn gang was langzaam en sleepend, zijne trotsche gestalte was gebogen, en hij scheen die overmoedige losheid van houding en manieren voor 't oogenblik verloren te hebben, die hem meer dan iets anders van zijn vervolgden en verdrukten broe-
389
der onderscheidden. Daarbij was or ditmaal gelijkheid in de kleeding': Juliaan droeg voor 't eerst het gewaad van zijn stand, terwijl de Ghiselles, uit gewoonte, als een goed hoveling, den regel gevolgd had, om in volle plechtgewaad ten hove te verschijnen; zelfs zijn haar was nu gefatsoeneerd op de wijze zooals Juliaan het droeg, hetzij met opzet of door toeval; en hij sloeg do oogen neêr, toen hij, na de gewone diepe buiging voor Maurits te hebben gemaakt, zich naar Willem Lodewijk toekeerde, zonder iets te zeggen, als om zich zwijgend te laten confronteeren met Juliaan, die, verschrikt on verbijsterd, willens scheen zich af te wenden, zoo niet Schout Gorrit hem ras en levendig had toegevoegd : âXu geene zwakheid, het geldt uw loven, het geldt uwe eer !quot;
âUwe Excellentie!quot; begon Graswinckol, âdo baron de Ghiselles is hier verschenen met het doel om eenc verklaring af te leggen, die noodzakelijk is voor do oer van zijn broeder, en evenzeer voor de rust van zijn geweten. Ik heb mij borg gesteld bij hem voor de edelmoedigheid van do vorston uit het Huis van Nassau. Ik heb hem vooruit de verzekering gegeven, dat er voor hem zeiven geene schadelijke gevolgen zullen ontstaan uit do bekentenissen, welke bij heeft te doen, en dat do stap wolkon hij waagt, met hier gebleven te zijn en voor de oogen uwer Excellentie te verschjjnen, ondanks het verloopen van zijne sauvegcirde, hem in geenerlei bezwaar zal brengen.quot;
âWij verlangen te hooren wat de baron ons te zeggen heeft/' hernam Maurits ontwijkend.
âMijnheer de Ghiselles, nu is 't aan u om woord te houden,quot; voegde Graswinckol zijn patiënt toe, op zachton, doch nadruk-kelijken toon.
âIk heb geen ander voornemen, doktortoen zich rechtstreeks tot Willem Lodewijk wendende : âHeer graaf! ik kom u rekenschap geven van een avontuur, waarin ik u heb gewikkeld, niet het
390
meest met het doel om u te schaden, maar allereerst om iemand dien ik haatte in 't verderf te storten. Jnliaan van Egmond en ik zijn zonen van denzelfden vader. Uwe Genade heeft ons maar aan to zien om et zich van te overtuigen, om zich te verzekeren, dat cr tusschen ons eene sprekende geljjkenis bestaan heeft, die nog niet is verloren gegaan, ondanks alle verschil van lot en leefwijze, en die mij meer dan voldoende scheen, om or zeker plan op te bouwen, waarbij Juliaan zou worden te gronde gericht. Als broeders elkander haten, is het niet ten halve, en ik had te dien tijde eene bijzondere reden om hem zóó in de diepte te werpen, dat hij er zich niet meer van zou oprichten, naar ik hoopte; dat klinkt nu hard, ik gevoel het, maar ik ben hier om het kwaad te herstellen, en dat gaat niet zonder volkomen oprechtheid. Mijn vader hunkerde naar verzoening, naar hereeniging mot zijn zoon Juliaan, die het onmetelijke voorrecht op mij vooruit had van eene wettige geboorte;quot; de stem van de Ghiselles werd zacht en trillend, als kostten hem deze woorden do grootste zelfverloochening. rTk zag komen, dat ik ter zijde zou worden geschoven, zoo die verzoening tot stand kwam, en ik ben altijd van de leer geweest dat men zich zeiven de naaste moet zijn. Ik had zaken in do Geuniëerde Gewesten; ik had vernomen, dat Juliaan diende onder de vanen van den Stadhouder van Friesland en Groningen; al voortspiedende kreeg ik de zekerheid, dat hij diiar eene goede reputatie genoot als krijgsman, en dat hij op het punt stond in eene positie te geraken, die hem uit zijne onbekendheid zou opheffen, en waarbij het mij niet langer mogelijk zou zijn, hem als onherstelbaar verlorene bij den baron do Ghiselles voor te stellen.quot;
Juliaan, door Schout Gerrit ter eener zijde, door Jacob Jansz. ter andere als gesteund en tot zwijgen bewogen, slaakte een diepen en smartelijken zucht.
Maurits maakte eene geste, die van heftige ergernis en ongeduld getuigde.
391
âMaak het kort, mijnheer!quot; viel graaf Willem in, âgij pijnigt iemand, dien gij reeds te veel hebt doen lijden!quot;
âIk moest kiezen tusschen hem en mij zeiven, heer graaf! ik beken u dat de keuze mij niet moeielijk viel. Ik ben juist yeen pauvre sire, als het op combinaties aankomt. Ik stond en sta nog aan des Konings zijde. Ik hoorde onzen beroemden veldoverste Verdugo klagen over Uwe Genade als over zijne heftigste tegenpartij. quot;Welnu! ik besloot tot een caiij) de iiiaiii, waarbij men graaf Willem Lodewijk zou oplichten, of op andere wijze onschadelijk maken; maar de blaam, die zulke daad in Holland zou wekken, moest op Juliaan vallen, terwijl ik ten onzent er de eere van zou hebben. Ik begreep wel, dat ik dezen niet in een complot konde wikkelen tegen zijn veldheer, maar dat was ook niet noodig. Ik ving aan zulke achterdocht te wekken tegen Juliaan, die ik voornemens was volkomen te rechtvaardigen. Uwe Genade heeft herhaaldelijk naanilooze briefjes ontvangen, die tot dit doel moesten leiden. Zjj waren van mijne hand; ik kan mjjn schrift toonen, ten bewijze dat ik de waarheid spreek;quot; en de Ghiselles haalde een papier te voorschijn.
â'tls onnoodig, mijnheer!quot; hernam Willem Lodewijk. meteen afwijzend gebaar en met onuitsprekelijke minachting, âik geloof u, ik geloof dat gjj een volleerde intrigant zjjt, en gij hebt hier geene verdere bekentenissen af te leggen. Ik heb de zekerheid, dat gij zelf de onwaardige rol hebt gespeeld, die gij Juliaan toe-dichttet; dat u niets ontbrak wat er noodig was om mij deze vertooning te leveren, en dat gij mij door eene schromelijke misleiding in eene dwaling hebt gebracht, die mij een groot onrecht heeft doen begaan, dat ik nauwelijks weet goed te maken. Indien gij werkelijk deze verklaringen hebt gedaan om hot begane kwaad te herstellen, zult gij die voldoening hebben, dat verzeker ik u! â en nu, gij kunt aftreden, verlos ons van uwe tegenwoordigheid.quot; En de graaf, die niet dan met kennelijken weerzin en met afgewend hoofd het woord tot do
392
Crhisellcs had gericht, wees hem met gebiedend gebaar de deur.
âWat! zal de schelm zóó vrijkomen? Is er dan geene justitie meer in den lande?quot; sprak Maurits heftig, de Ohiselles in den weg tredende, dio zich reeds afwendde ter zijde naar Juliaan.
âVerschoon mij. Uwe Excellentie,quot; sprak de Ghiselles fier, âhetgeen ik tegen graaf Willem gedaan heb, was de honne f/nerre ; in de schermutseling heb ik mijn degen met den zijnen gekruist; als onderdaan van don Koning berouwt mij dat niet; maar ik heb de vergiffenis van mijn broeder noodig, en die ben ik hier komen halen â op alle gevaar af. Juliaan! om Gods wille! uwe hand, â laat ons niet onverzoend scheiden: ik â ik verkeer in levensgevaar, het geldt mijner ziele zaligheid!quot;
âGeloofd zij God ! Arniand, dat gjj er u om bekommert, daar is mijne hand.quot;
De Ghiselles nam die hand, kuste haar en viel Juliaan om den hals met een luiden snik. âWees gezegend, ik voel dat ik u niet meer kan haten.quot;
âIk voel dat gjj waarheid spreekt, Armand, ditmaal is de verzoening oprecht.quot;
âZiedaar eene gemoedsaandoening, die u niet schaden zal, baron!quot; sprak nu Graswinckel, daartusschen tredend; âmaar toch â gij moet vanhier â met goedvinden van Zijne Excellentie,quot; eindigde bij, Maurits aanziende met een smee-kende blik.
â.Maai' dat hij afreize â onverwijld â uit den Haag, uit de Provinciën, ik sta geen langer oponthoud toe.quot;
âMijn reiswagen wacht mij op het Ruitenhof, Uwe Excellentie.quot;
Dat was zoo - en in dien reiswagen zat de geesteljjke, die door Lijsbeth, zoo zorgelijk vermomd, tot hem was gebracht. Diens machtige invloed had dezen ommekeer bewerkt.
Het gezag der Kerk alleen had dien leugengeest kannen temmen, dien hoogmoed buigen, die zelfzucht breken â te staan in de Christelijke vrijheid, was voor hem niet weggelegd.
393
Schout Gerrit sloeg Maurits voor, of hij den baron zou begeleiden tot meerdere verzekerdheid. Maar Grraswinckel voorkwam het antwoord door te zeggen : âdat hij zelf zijn patiënt zou vergezellen,quot; en daarin werd berust.
Toen die twee zich verwijderd hadden, heerschte er een oogenblik stilte.
Juliaan stond daar, als in bedwelming, met gebogen hoofd en neergeslagen blik. Hij had stout gesproken, in de bewustheid dat hem onrecht werd aangedaan; maar nu overviel hem als een gevoel van schaamte, dat een man als Willem Lode-wijk ongelijk had tegen hem. Toch was het niet twijfelachtig hoe deze het opvatte. Hij trad naar Juliaan toe en sprak met eene zachte, klare stem, die van zekere innerlijke ontroering getuigde: âJonker van Egmond! ik heb u grootelijks onrecht gedaan en ben bereid dat te erkennen, overal waar het u noodig kan zijn. Ik ben niet dan een mensch, en kan mensche-lijk dolen; ik meende Christelijke verschooning jegens u te oefenen, waar het strengste recht u beter zou hebben gediend. Het gaat mij meer ter harte dan ik kan uitdrukken, dat ik zooveel deel heb gehad aan het leed en den smaad, dien gij hebt moeten verduren; maar ik wil trachten goed te maken wat ik kan. Ik vraag uwe vergiffenis! Ik heb u daarenboven nog iets te vragen. Ik heb u in deze bange ure leeren kennen, beter dan door jaren samenzijns; ik heb uw karakter leeren hoogschatten, ik wensch u tot vriend te hebben. Uwe hand in de mijne, ten bewijze dat gij aanneemt!quot;
En de graaf stak hem met gulle gemeenzaamheid beide handen toe.
Juliaan was als roerloos blijven staan, de oogen naar den grond gericht; nu hief hij ze op naar Willem Lodewijk, onmachtig de tranen te verbergen, die hem langs de wangen rolden, onmachtig om te spreken, alleen als werktuigelijk zijne handen leggende in die van den Nassauschen held, die zoo
394
waardiglijk schuld bekende; slechts was hij willens aan diens voeten te zinken, om iets uit te drukken van 't geen in hem omging, maar do graaf liet het hem niet toe en drukte hem in zijne armen. Juliaan behoefde zich zijne tranen niet meer te schamen, de oogen van den Frieschen Stadhouder waren vochtig!
âNu zult gjj toch den degen, dien Zijne Excellentie u toedacht, wel aannemen uit mijne hand?quot; hervatte Willem Lode-wijk, hem dien biedende, terwijl Schout Gerrit, op een wenk van Maurits, zich haastte de oranje-sjerp en degenhanger van de tafel te nemen en ze den graaf aan te reiken, die er zijn lust in scheen te vinden den nieuwen hopman dezen dienst te verleenen.
âGjj zult het zien, dat wij nog vechten zullen, wie hem het eerst eene compagnie zal kunnen aanbieden,quot; sprak Maurits glimlachend. âKom jonker, ik heb u ook leeren kennen: ik heb er goeden moed op, dat gij met dit rapier de republiek nobele diensten zult doen.quot;
âMet welnemen van Uwe Excellentie, geloof ik, dat de jonker nog zooveel haast niet zal hebben om te velde te trekken,quot; viel Schout Gerrit in; âer zijn hijliksplannen.quot;
âZooveel te beter, dan zullen wij eerst bruiloft houden; wij achten ons meê genood, niet waar. Vetter? Hunne Hoogmogen-den zullen er ons, als te vreezen staat, wel ruim den tijd toe laten!quot;
BESLUI T.
Het viel uit, zooals Prins Maurits had voorzien. Het werd ruim Juli, eer het leger verzameld en strijdvaardig was om iets tegen den vijand te ondernemen, en het werd September, eer Juliaan geroepen werd te bewijzen, dat hij zijn rapier niet voor niet had teruggekregen.
Gelukkig! want het was met de bruiloft niet zóo vlot gegaan als het paartje zich had voorgesteld, toen zij het samen eens waren geworden, en nadat Jacob Jansz. had verzekerd, dat alle hindernissen uit den weg waren geruimd. Nu, dat was ook wel zoo; de oude baron de Ghiselles had zijne schriftelijke toestemming gezonden en een rijk gevuld juweel-koft'ertje voor de bruid; Schout Gerrit had gezorgd, dat Antony, âdankbaar voor 't genadig rechtquot; in alle haast de reis naar zijn geliefd Italië had ondernomen; maar, zelfs de Hogenhoecks daargelaten, die hunne redenen hadden om er wat gevoelig over te zijn, gaf het in de familie Graswinckel wat ergernis, dat de rijke erfdochter zoo maar in eens de bruid zou worden van een vreemdeling, die als het ware uit de lucht was komen vallen, al ware hij dan overigens een edelman, een Egmond! â Moei Baerte, die er meer van wist, was op dit punt verzoend, en schepen Dirk raadde wijselijk, dat men zich aan dat pruilen niet te
396
veel moest storen. Maar dies ondanks kwam zijne vrouw op een inval, waaraan niemand had gedacht; zij wilde weten of de aanstaande wel tot de ware Gereformeerde religie behoorde.
â En toen het antwoord ontkennend was, werd het noodig geacht, dat hij zich eerst tot de gemeente zou voegen, aleer men samen naar de consistorie zou gaan cn de geboden van den stoel liet aflezen.
Jacob Jansz., hoewel hij de openlijke godsdienst niet verwaarloosde, was zoo weinig een kerksch man, dat hij oji deze bijzonderheid niet had gedacht; maar, sinds Juliaan het voorrecht had naar het harte tot de ware Kerk van Christus te behooren
â de Kehk, die eens de heerschende zal zijn, en alles omvatten wat Hem toekomt in waarheid â maakte hij ook geen bezwaar om een stap te doen, die hem uiterlijk zou verbinden aan eene gemeente waartoe zijne bruid behoorde. Hjj trof het goed, dat de vrome en schrandere Wernerus Helmichius hem ten leidsman kon strekken bij dien overgang; want hoewel deze vast stond op het punt van de leer, was hij toch geen slaaf van de letter, zooals sommige zijner strak orthodoxe medebroeders, die den neophiet zouden afgeschrikt hebben door hunne gehechtheid aan bijzaken, die zijn mildere geest liet voor 't geen ze waren, wijs genoeg om te bedenken, dat een man als deze, de goede belijdenis kon doen, zonder de heele cathechismus woordeljjk van buiten te kennen. Genoeg; hij kroonde zijn werk, door het paar kerkelijk in te zegenen, tot groote voldoening van Mabelia, die hem steeds als haar zielevriend had geëerd.
Toen het eindelijk tot de bruiloft kwam, bleek het, dat jufter Graswinckel voorbestemd was om, ondanks haar zucht tot eenvoud, geëerd (dat wil zeggen gekweld) te worden met eene somptueuse bruiloft, zooals Antony haar reeds had voorgesteld.
De verwantschap met de Egmonds, de tegenwoordigheid van den Prins, die niet wars was van een gullen disch, van graaf Willem, die naast de bruid wilde aanzitten, en het door-
397
drijven van Schout (ïerrit, dat de Delftsche patriciërs nu eens toonen moesten, dat ze den adel niet zooveel behoefden te wijken - alles vereenigde zich, om schepen Dirk te prikkelen, voor zijne nicht en pupil alles te doen wat hij vermocht. De jongelieden moesten zich onderwerpen; en nu het toch niet bij een stil huiselijk feest kon blijven, stond de bruigom er op, dat het een echt liberale bruiloft zou zijn, in dien zin, dat ook Bastiaan en zjjne vrouw werden genoodigd. Hoe ook Schout Gerrit gromde, Juliaan bleef bij dat plan : âPrins Maurits zou zich niet helgen aan eóne tafel te zitten met een man, die â nü vreedzaam burger â voormaals zjjn heer vader in de zwaarste tijden goede diensten had gedaan,quot; en daarbij bleef het.
Schout Gerrit had nog óene grieve, hoeveel reden hij overigens ook had om zich over zijne goed geslaagde bemoeiingen te verheugen : Machteld van Egmond woonde de kerkelijke plechtigheid bij, maar was niet te bewegen op het feest te verschijnen. Zij trok zich terug in de eenzaamheid, al was hot niet moer die van een klooster. Zij reisde vooruit naar een klein slot, tusschen Hillegom en Warmond gelegen, waar zij de jonggehuwden opwachtte, die er hunne wittebroodsweken doorbrachten.
Juliaan had zich aan Schout Gerrit gewend, om te weten, of er iets waars kon zijn aan 't relaas van Armand, omtrent zijns vaders verblijf op het slot Usselmonde â en hij vernam, dat de baron er werkelijk was geweest staande zjjne ziekte; âmaar toen die verweerde schavuit voorgaf u derwaarts te willen brengen, om met hem samen te zjjn, was hij reeds weêr vertrokken;quot; de mislukte zending van den Kanselier Liesveld, en het heftig tooneel, dat er tusschen Maurits en dezen voorviel, had den Spaanschgezinden zendeling schielijk verjaagd, en de baron had het voor zich niet veilig geacht langer te blijven. Eerst in 't jaar 159fi, toen met den Kardinaal-Aartshertog de Prins van Oranje uit Spanje in de Nederlanden gekomen was, en de Staten
398
eenige afgevaardigden naar Brussel zonden, om dezen met zijn terugkeer in het vaderland te complimenteeren, werd het Ju-liaan geoorloofd, zich bjj deze deputatie aan te sluiten en zijn vader te bezoeken. Juliaan bleef een paar dagen op liet kasteel de Ghiselles en scheidde in goeder minne van den baron' Maar toch, zijn onwrikbaar besluit om aan der Staten zijde te blijven, en nooit meer den naam van de Ghiselles te voeren,, stelde den grijsaard te leur; en liet was goed dat zjj niet lang te zamen bleven: zij waren elkander als ontgroeid en al te zeer vervreemd.
Armand volgde den baron op in naam en goed, maar hij was er niet gelukkiger om. De vreeselijke kwaal waarmeê hij bezocht was, bleek eene ongeneeslijke. Hare aanvallen, die zich nu eens met kortere, dan weer met langere tusschenpoozen herhaalden, maakten hem ongeschikt tot iederen plicht van het openbare en maatschappelijke leven, bedierf hem ieder levensgenot, en dwarsboomde al zijne eerzuchtige ontwerpen, ondermijnde langzaam zijn lichaam, zonder het te sloopen maar zijn geest werd er door verzwakt en uitgedoofd. Uij was gedwongen zich op zijn kasteel terug te trekken; de kring zijner vrienden en betrekkingen werd hoe langer hoe enger, hij zelf, na ieder toeval meer schuchter en menschenschuw, totdat hij ten laatste zijne toevlucht zocht in een klooster, waaraan hij zijne fortuin en bezittingen vermaakte.
Onze lezers zouden het ons nooit vergeven, zoo wij hen niet meedeelden, hoe het de goede Lijsbeth ging. Ka de herstelling van Juliaan had men haar voorgeslagen op de pachihoeve te blijven inwonen, maar â zij had toch hare eenlijkheid zoo lief â zij verlangde eigenlijk meest naar hare kluis. Doch daar deze omvergehaald was in hare absentie, door een hoop dom en boosaardig boerenvolk, onder listige ophitsing, hadden hare vrienden een steenen huisje in de plaats laten zetten, met wat ruimer erf daar om heen voor ,'t koetje van den jonkerquot;, dat
399
zij meê kreeg, â't Was te veel, al te veel,quot; gaf ze half lachend, half schreiend te kennen; ze zou nu te meer aan het stof kleven; en toen Schout Gerrit haar voorhield, dat zij nu veiliger was tegen âkwaad volk,quot; antwoordde zij met een zacht hoofdschudden : âHoe nu! zouden de muren mij de veiligheid maken? Maar toch, wat de mensehen schenken komt van God â en â ik zal niet ondankbaar zijn.quot;
Wat de gravin van Solms betreft, de verzoening tusschen haar en haar echtgenoot was roods vóór de bruiloft van Juliaan getroffen, maar zij woonde die toch niet bij. De graaf was uit Hulst gekomen, om haar naar Oud-Beierland te geleiden, waar zij den ganschen zomer doorbracht en hare huishouding op den eenvoudigsten voet werd ingericht. Duyck beticht den graaf, dat hij in plaats van getrouw op zijn post te blijven, zelfs op hachelijke momenten van de nabuurschap tusschen Hulst en Oud-Beierland gebruik maakte, om zijne gemalin te bezoeken. Het verlies van de vesting in 1590 bracht zijne reputatie als krijgsoverste eene onheelbare wonde toe; de Staten van Zeeland wilden hem niet meer voor hun krijgsoverste hebben, en hoewel hij dies ondanks opnieuw met een regiment werd begunstigd, had hij niet veel gelegenheid daarmee goeden dienst te doen, daar hjj reeds in 'tjaar 1600 overleed, zonder kinderen na te laten. Zijne weduwe bleef te Delft wonen, en nam nog dikmaals âhaar geriefquot; van de nabuurschap met Jacob Jansz., zooals deze zelf haar had voorgesteld. Hare zuster Frangoise bewoonde tot haar dood in 1598 het prachtige huis in den Haag, dat voormaals aan den graaf haar vader had behoord, en waarvan het bezit door de Staten werd toegekend aan haar broeder Lamoraal, hetgeen opnieuw heftigen familietwist had doen ontstaan.
âWij hebben Jacob Jansz. genoemd, en zeker heeft de eene of andere lezeres reeds gevraagd, of hij dan niet meê de âliberale bruiloftquot; had bijgewoond van het paar, dat hij zijne
400
âgeliefde kinderkensquot; placht te noemen. Dat men hem dringend genood had ditmaal van zijne gewoonten af te gaan, spreekt vanzelve; maar hij bleef bij zjjn gewone antwoord: âMen zou eenige schotelen van de bruiloftstafel aan armen en zieken brengen, die hij aanwees.quot;
Daaraan werd trouw voldaan; doch men had zijn bijzijn ge-wenscht, en te eerder, daar er noch dans noch mommespel zou plaats hebben, en de Weleerwaarde Wernerus Ilelmichius mee van do partij zou zijn. Dan â het was wel, zooals de oude Lijsbeth zeide hij gunde zich geen halt; en wie weet of hij niet onder de feesture, in zijne kluis op zijne knieën lag, als een andere Job, biddende dat zjjne kinderkens zich in dat alles niet mochten bezondigen tegen God; want âhij was en bleef een man des gebeds bij uitnemendheid, een man âapart,quot; als Ljjsbeth zei, eene uitzor,dering onder zjjne tijdgenooten, die dan ook niet veel kans had nagevolgd te worden. Toch is er groote zedelijke kracht van hem uitgegaan, overal waar men hem aanschouwde en wist te waardeeren; toch is zijn liefdewerk niet verloren gegaan in zijn tijd, noch in den onzen.
Zijn ijzervast lichaam, door de strengste ontberingen gehard, diende zijn ijzervasten wil nog bijna het vierde eener eeuw, na het tijdperk waarin wij hem voorstelden. Hoe ook de ziele smachtte, de aardsche taak bleek niet afgedaan, vóór hij zijn achtentachtigste jaar had bereikt.
Ziek zijnde, wilde hij niet dan op het uiterste eenige hulp en verpleging van anderen aannemen; een weinig oiijf-olie, met wat suiker en wat foelie gekruid, was de eenige medicijn die hij noodig achtte. Hij gaf den geest, zittende op zijn eigen ouden armstoel, met een kussen tegen den muur. om het matte hoofd soms te laten rusten. âGedurende zijne ziekte bad hij altoos om de genade Gods in Christus Jezus, zegt zijn levensbeschrijver, âgebruickende dikmaels eenige korte suchtinge, waarin hij sichselven, met de woorden van den
401
â¢1J lt;r - t A
it J 11 1 cf\ ^
t
heiligen Job, bij een armen worm vergeleek; dus overleed deze van sich selven kleyn gevoelende man, welgetroost in den Heere, wel tot schade en droefheyt van anderen, (inzon-derheit van de armen) maar tot sijn eigen vreugd en saligheid.quot;
Zoo haast hij een lijk geworden was, (wij schrijven kortheidshalve Bleijswyek na) hebben zijne vrienden hem ter gedacht tenisse laten afconterfeyten, 't welk bij zijn leven van hem niet was te verkrijgen. Zijn dor en vermagerd lichaam werd eerlijk ter aarde besteld in het Noord-Kruis van de oude Kerk te Delft, in het graf van zijne naaste vrienden en bloedverwanten, daar men in de koperen plaat van een oude zerk het navolgende grafschrift vindt:
lx dit Graf rust JACOB JANSZ. GRA8W1XCKEL geseit BOOT, Geboren 25 July 1536.
was
tot een wonder
©en anncn njc %'iii GtiliL'ii arm.
Sterf x. Martü Anno M. dc. XXIV.
Syns Ouderdoms LXXXV11I.
Had de Romanschrijfster geen recht, hem voor te stellen als : den Delftschen Wondeudokter ?
einde.
. -Vx
(fh M
Instituut i3c gt;â ocygt; roer Ncder!aa.Jilt;r r?.r. en Letterkunds aan Riikstiuiversit r