ocr page 1

1

]^osterij-goeclereii-lt;-

NED. HERV. GEMEENTEN IN FRIESLAND, t

ARREST

VAN ITET

ERECHTSHOF TE J_^EEUWARDEN

dd. 29 Juni 1885.

iUru. êeiuecnti| tij

Boekdrukkerij van A. Jongbloed, te Leeuwarden. ^

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

//2q. s:/f ^

/ /6

^•De ^osterij-goederé^

BIJ DE

NED. HERV. GEMEENTEN IN FRIESLAND.

ARREST

VAN HET

jorERECHTSHOF TE j^EEUWARDEN

dd. 29 Juni 1885.

Boekdruklierij van A. Jongbloed, te Leeuwarden.

ocr page 6
ocr page 7

In naam des Konings!

Het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste kamer, kennis nemende van Burgerlijke Zaken, heeft het navolgend arrest gewezen , in zake :

Rol No. 340. Het Collegia Kerkvoogden der Neder-duitsehe Hervormde Gemeente te Tietjerk, zijnde thans de Heeren Andries Pieters Snoek, Jan Klazes Steenheek en Edze Komelis de Vries, als hebbende deze laatste vervangen zijnen vroegeren ambtgenoot Anne Jaeohns Inia, allen landbou-\vers; wonende te Tietjerk, in en buiten rechten in voornoemde qualiteit voor die gemeente optredende en haar vertegenwoordigende , oorspronkelijk eischer, nu appellant bij behoorlijk geregistreerde akte van den 28 Mei 1884 , comparerende door den procureur Mr. JACOB van LEEUWEN.

tegen

Pieter Willems Jongbloed, vroeger hoofdonderwijzer , thans zonder bepaald beroep, wonende te Tietjerk, oorspronkelijk gedaagde, nu geïntimeerde bij gemelde akte, comparerende door den procureur Mr. TIE-TE van HETTINGA TROMP;

ocr page 8

4

Voor den appellant is geconcludeerd :

„dat het den Hove behage, rechtsprekend in hooger be-„roep, te vernietigen het vonnis der Arrondissements-,rechtbank te Leeuwarden van den veertienden Februari „ 1S00 vier en tachtig , waarvan is geappelleerd , — het „appelleerend Collegie alsnog ontvankelijk te verklaren in ,zijne ingestelde vordering bij dagvaarding van den twee „en twintigsten Mei 1800 twee en tachtig, en voorts hem „die vordering toe te wijzen.

„Mitsdien den geïntimeerde te veroordeelen om binnen acht „Sagen na beteekening van het in dezen te wijzen arrest, „ter vrije en algeheele beschikking van het appelleerend „Collegie te stellen en over te dragen het bezit en beheer „van de perceelen; ten kadaster bekend Gemeente Har-„degarijp, Sectie D, nummers 54, 55, 63, 888, 1021 , „1144, 1145 en 1140, Sectie F nummers 121 ,198, 199, „200 en 201 , benevens een gedeelte grond in de zooge-„naamde Gemeenschar van Leeuwarden ; en hem af - en „over te geven alle titels ; bescheiden, huurcontracten , „tot dat beheer en bewind behoorende, en zich bevindende „onder geïntimeerdes berusting.

„Wijders het appelleerend Collegie te machtigen, om „bij gebreke hiervan, desnoods met behulp van den „sterken arm, zich in het bezit en genot van voorschre-„ven onroerende goederen te stellen, en hetgeen zich van „geïntimeerde daarop mocht bevinden, daaruit en daarvan „te verwijderen, alles op kosten van den geïntimeerde; „die kosten later te vereffenen op staat volgens de wet;

„Verder het appelleerend Collegie te machtigen om door „het middel van lijfsdwang den geïntimeerde te noodzaken „tot afgifte van de titels, bescheiden en huurcontracten, „tot zijn beheer en bewind behoorende ; alles met ver-„ oordeeling van den geïntimeerde in alle kosten, schaden „en intressen, door de niet oplevering van die stukken „voor het appelleerend college veroorzaakt, nader ingevolge „de wet te liquideeren op staat.

ocr page 9

5

„Voorts den geïntimeerde te veroordeelen om aan het „appelleerend Gollegie te vergoeden alle kosten, schaden en „en intressen, veroorzaakt door de niet observantie van het .exploit van den vijftienden Mei 1800 twee en tachtig , „mede nader te liquideeren op staat volgens de wet.

„Alles eindelijk met veroordeeling van den geïntimeerde „in de kosten van beide instantiën.quot;

Voor den geïntimeerde is daarop geantwoord:

„dat het den Hove moge behagen te verstaan, dat er goed is gevonnisd en kwalijk geappelleerd, den appellant „met zijne conclusiën af te wijzen en hetzij met adoptie „hetzij met aanvulling of verbetering der motieven van „den eersten rechter het vonnis, waarvan appel, te bevestigen , met verwijzing van den appellant in de kosten „dezer tweede instantie.quot;

Het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste kamer, kennis nemende van Burgerlijke Zaken;

Gehoord de conclusiën van partijen, en hare toelichting bij pleidooijen, gevoerd voor don appellant door Mr. U. H. HUBER , advocaat te Leeuwarden, voor den geïntimeerde door zijnen procureur.

Gehoord de conclusie van den Procureur-Generaal Mr. P. Hofstede, dat het Hof het vonnis; waarvan beroep, vernietige en in hoofdzaak toewijze de conclusie der appellanten.

Gezien de stukken van het geding, voor zooveel noodig behoorlijk geregistreerd of vrij van registratie.

Ten aanzien der daadzaken zich gedragende aan de daartoe betrekkelijke overwegingen, opgenomen in het vonnis den 14- Februari 1884, door de rechtbank te Leeuwarden tusschen partijen gewezen, waarbij het eischend Gollegie niet ontvankelijk is verklaard in zijnen eisch en hem „mitsdienquot; zijne vordering is ontzegd, met veroordeeling in de getaxeerde kosten van het rechtsgeding.

Overwegende dat het eischend Gollegie zicb bij akte

ocr page 10

6

van den 28 Mei 1884 van die uitspraak heeft voorzien in hooger beroep , met dagvaarding van den gedaagde tegen 's Hofs zitting van den 18 Junij daaraanvolgende^ en dat partijen vervolgens ten dienendon dage gemotiveerde con-clusiën van eisch en antwoord ter rolle hebben genomen, van welke de slotsommen textueel zullen worden opgenomen aan het hoofd der van dit arrest af te geven expeditie.

Overwegende dat aan zijde des appellants bij procureurs-akte van den 17 April 1885 nog in 't geding is gebracht eene door den geïntimeerde gemaakte aanteeke-ning , door hem onderteekend; betreffende eene oproeping van Floreenplichtigen in de maand September of October 1869, waarop staat: Geregistreerd te Leeuwarden den zestienden April 1800 vijf en tachtig, deel 34; folio 73, recto , vak 5 , een blad , zonder renvooi. Ontvangen voor recht een gulden twintig cent, de Ontvanger G. A. (get.) Fontein.quot;

Wat betreft het recht.

Overwegende dat het eischend Collegie, in rechten optredende voor de Hervormde Gemeente te Tietjerk , ter dagvaarding stelt, dat de gedaagde de daar kadastraal omschreven onroerende goederen , welke het eigendom zijn van die gemeente , of althans als kerkelijke goederen en fondsen tot die Gemeente behooren, van het toenmalig Collegie van Kerkvoogden, in gebruik of vruchtgebruik heeft erlangd , ter oorzake van zijne benoeming tot hoofdonderwijzer der openbare school te Tietjerk en zoolang als hij die betrekking bekleedde; dat hij met ingang van 15 Mei 1882 door den gemeenteraad van Tietjerksteradeel eervol uit voormelde betrekking is ontslagen , zoodat hij mitsdien verplicht was die goederen met de daartoe be-hoorende titels , bescheiden en huurcontracten wederom aan het eischend Collegie over te dragen , doch dat hij zulks, in weerwil eener daartoe strekkende sommatie, niet heeft volbracht.

ocr page 11

7

Overwegende dat op die gronden wordt geëischt de veroordeeling van den gedaagde om ter vrije en algeheele beschikking van het eischend Collegie te stellen en over te dragen het bezit en beheer van de bedoelde onroerende goederen, en hem af- en over te geven alle titels, bescheiden en huurcontracten tot dat beheer en bewind behoorende en zich onder gedaagdes berusting bevindende, met wijderen eisch betrekkelijk de executie casu quo van dat vonnis, en tot schadevergoeding.

Overwegende dat uit het redebeleid van die dagvaarding duidelijk blijkt, dat hier is ingesteld de vordering, aangewezen in artikel 029 van het Burgerlijk Wetboek.

Overwegende dat de gedaagde die vordering heeft bejegend met de bewering, dat hij het beheer niet had terug te geven aan de Kerkvoogden, als vertegenwoordigende de Hervormde Gemeente, omdat hij niet van hen, en in elk geval niet van hen alleen en met uitsluiting van anderen het beheer over en het gebruik van die landerijen erlangd had, terwijl voorts in de hypothese , dat hier eene vordering is ingesteld, gebouwd op de stelling, dat die goederen het eigendom zijn van, althans als Kerkelijke goederen bij die gemeente behooren en onder haar beheer staan, ook dat positum door hem wordt bestreden.

Overwegende dat de gedaagde en geïntimeerde den 26 November 1838, en dus onder vigeur van de wet op het lager onderwijs van 1806, naar de voorschrilten van het Huishoudelijk Schoolreglement, vastgesteld door het Departementaal Bestuur van Friesland den 20 October 1800 , is aangesteld tot schoolonderwijzer in de openbare school te Tietjerk, en wel door Grietman en Assessoren van Tietjerksteradeel, benevens gecommitteerden uit de Flo-reenplichtige Ingezetenen van den dorpe Tietjerk.

Overwegende dat zijne benoeming dus heeft plaats gevonden door hen; die bij dat Huishoudelijk Schoolreglement daartoe bevoegd zijn verklaard in het geval bij artt. 4 en 5a

ocr page 12

8

speciaal omschreven voor plaatsen „waar het tractement „van den onderwijzer uit de kerkebeurs wordt betaaldquot;.

Overwegende dat bij en in de akte van aanstelling den geïntimeerde het genot is verzekerd van :

,1°. vrije gebruik van de schoolhuising en tuin, mits de huisinge zelve bewoonen ;

2o. De revenuen van de tot de school behoorende weid- en miedlanden, zamen groot ongeveer dertien bunders , mits de daarop leggende lasten en beswaren hos-den ;

3o. Een Tractement van vijftig guldens jaarlijks uit de Grietenije kas;

4°. Negen guldens vijf en dertig cents uit de kerkebeurs voor het oppassen^ smeren en luiden van de dorpsklok en voor het onderhoud van de paden op het kerkhof, benevens het pad langs de cingel, waarvoor hij ook de bomen en heggen op het kerkhof en op de cingel naar behooren zal snoeijen en onderhouden, des ook genietende het gras van het Kerkhof, hetwelk hij egter met geen vee zal mogen beweiden;

5°. Drie gulden vijftien cents uit de kerkebeurs te Su-awoude, waarvoor hij op de predikbeurten te Tietjerk den Predikant naar behooren zal moeten logeeren, zullende hij daartoe de voorkamer moeten inruimen en zo nodig vuur aanleggen, zo ook ten tijde der categizatiën ;

6°. en eindelijk onder genot van de schoolpenningen tegen vijf cents van ieder leerling per week, mits do leerlingen voorzien van de noodige boeken en leijen

Overwegende dat na de opsomming van die bronnen van bestaan, in hetzelfde stuk zijne algemeene verplichtingen als schoolonderwijzer worden omschreven; en men dan daarop aldus vervolgt : ,Terwijl hij mitsdien te-„vens voor verplicht wordt gehouden om voor het ten „dezen hiervoren omschreven tractement en emolumenten „het ambt van koster, voorlezer en voorzanger in de kerk „der Hervormden waar te nemen, achtervolgens eene

ocr page 13

9

„instructie , hem door den Kerkeraad en Kerkvoogden te „verleenen enz.quot;

Overwegende dat uit die akte van aanstelling dus duidelijk blijkt, dat men met den enkelen naam van Schoolonderwijzer aanduidde den onderwijzer, koster, voorlezer en voorzanger, en dat stuk bijgevolg tevens is de aanstelling van den geïntimeerde tot koster, voorlezer en voorzanger in de kerk der Hervormden te Tietjerk.

Overwegende dat die aanstelling of beroepsbrief, inhoudende eene gespecificeerde opgave van de voordeden en inkomsten aan de voormelde gecombineerde betrekkingen verbonden, was des geïntimeerdes titel, terwijl de over-gifte van dien titel was hef symbool van de overdracht aan hem van het bezit, ten einde als vermeld.

Overwegende dat het verschil tusschen partijen nu de vraag betreft of hij de boven sub 2° aangeduide als tot de school behoorende landerijen in gebruik of vruchtgebruik heeft ontvangen van de vertegenwoordigers van het burgerlijk gemeentebestuur, die tot zijne benoeming medewerkten, of van de Hervormde Floreenpligtigen, die als stemgerechtigde vertegenwoordigers van de Hervormde Gemeente te Tietjerk daartoe hunne medewerking verleenden.

Overwegende dat de beslissing van dat verschil afhangt van de beantwoording der vraag: of die tot de school behoorende landerijen destijds waren , gelijk ter dagvaarding is gesteld, het eigendom van de voormelde Hervormde Gemeente , of als kerkelijke goederen en fondsen tot haar behoorden.

Overwegende dat het eischend Collegie geen titel van aankomst van dien eigendom heeft geproduceerd , doch partijen blijkens de dingtalen, die goederen beschouwen als te behooren tot de categorie van de in Friesland van ouds onder de benamingen van kosterij- of schoolgoederen bekende fondsen.

Overwegende dat de hoofdpunten, die partijen verdeeld

ocr page 14

10

houden, en omtrent welke ook de eerste rechter in beschouwingen is getreden, zich vereenigen in de vraag :

Welke is de rechtsband tusschen de Hervormde gemeenten in Friesland in H algemeen en die te Tietjerk in het hijzonder, en de kosterij- of schoolgoederen ?

Overwegende dat men, lettende op drie tijdperken, van verschillend staatsrecht, A tot 1580, B van 1580—1795, G van 1795 tot heden, de beantwoording van die vraag heeft te putten ;

1°. Uit den oorsprong en den aard van den eigendom, mitsgaders de bestemming dier goederen;

2°. Vit het karakter van het ambt der titularissen, die ter hunner bezoldiging er het genot van hadden ;

3°. Uit het karakter van de beheerders en den omvang van hun beheer.

A.

Ad primuni.

Overwegende dat uit de kerkelijke rechtsgeschiedenis bekend is , dat Christelijke kerken eerst dan als zoodanig door de hoogere geestelijkheid erkend en tot res sacrae gewijd werden, wanneer zij voldoende gedoteerd waren , zoo ten opzichte van het onderhoud des gebouws (fabrica ecclesiae) als ter bezoldiging van een pastoor en een kos ter, twee onmisbare officianten, voorts, dat de geloovigen allengs de middelen verschaften tot vermeerdering van ker-kerkelijke officia, zooals die van vicarissen en praeben-darissen.

Overwegende dat de fondsen, waaruit die verschillende officianten hunne bezoldiging vonden , onder den gemeen-schappelijken naam van beneficia ecclesiastica algemeen , in 't bijzonder ook in Friesland, voorkomen, en in dit gewest dan ook door nader te vermelden statuten , die hen allen gelijkelijk betreffen, beheerscht werden.

Overwegende dat hun officium verrigt moest worden in

ocr page 15

11

liet Kerkgebouw en men, met het oog daarop , dan ook liet Kerkgebouw beschouwde als het domicilie of de residentie van het officium, terwijl al verder , in overeenstemming met den rechtsregel beneficium datur propter officium , het beneficium onafscheidelijk het officium volgde, des , dat het vermogens - domicilie van een beneficium geacht werd te zijn in of binnen het Kerkgebouw.

Overwegende dat dit kanonniek rechtelijk beginsel onder anderen met zoovele woorden is neergelegd in de breve van den Officiaal van Friesland {Beneficiaalboeken, bladz. 224) waarbij deze in 1547 de kanonische unie tot stand brengt van beneficiën te Twijzei en de woorden bezigt : ut cum in eadem villa esset Parochialis ecclesia, quae fundationem haheret pastorie^ vicarie et prebende ; en in een gelijke breve van den Bisschop van Utrecht (bladz. 328) en wel in de bewoordingen; quum itaque in Paro-chiali ecclesia de Pietersbierum — duo sint antiquitus fundata Beneficia ecclesiastica, una videlicet Prebenda et una vicaria; voorts in eene gelijke breve van denzelfden bisschop, betreffende de unie van beneficiën in de parochiekerk te Koudum;

Overwegende dat geheel in overeenstemming daarmede dat rechtsbewustzijn spreekt uit de bewoordingen in dezelfde Beneficiaalboeken (bladz. 260) „die Gosterie van Sincte Martens kercke binnen Franekerquot;, (bladz. 209) „Sancte Nicolaes Prebende oft Prouen in de groete Kerck binnen Sneeckquot;, (bladz. 270), Sinte Barbera prouen binnen Sneeck in de groete Kerckequot;; (bladz. 277) „Benefitium Sacpkema Prouen genoempt — in de Kercke thoe Olde-hoeff binnen Bolswerdtquot;.

Overwegende dat de beneficiën, in het bijzonder de Cos-teri'én, dus behoorden tot de dos ecclesiae en als fundatiën geen eigen bestaan hebben gehad of eene zelfstandige rechtspersoonlijkheid hebben uitgeoefend, gelijk ook door den Hoogen Raad is aangenomen in het arrest ter zake

ocr page 16

12

do Floreenpligtigen te Oosterend (uitgezonderd misschien die , welke van collatoren afhankelijk waren) maar beschouwd werden als onderdeden of onder-fundatiën van het groote geheel, de fundatio ecclesiae parochialis.

Overwegende dat de gedrukte Beneficiaalhoeken in vele gemeenten geene afzonderlijke kosterijgoederen vermelden, en men mag aannemen, dat de koster dikwerf uit andere beneficiën bezoldigd werd, zoo als b. v. te Grouw, te Ak-kerwoude en te Holwerd, waar hem patroons- en pasto-rijlanden ten gebruike waren gegeven, en te Baijum, waar de Pastoor belast was met de kosterij.

Overwegende dat men veilig kan aannemen als juist wat Karei V in het plakkaat van den 30 October 1539 (Charterboek II, 769) erkende, dat namelijk in Friesland het stichten van kerken en beneficiën door de ingezetenen geschiedde, doch dit niet wegneemt, dat die ingezetenen daarmede hun privaat eigendom afstonden aan en overdroegen naar het kerkelijk eigendomsterrein.

Overwegende dat de Kerk zich immers naast de Staat heeft ontwikkeld als eene even zelfstandig georganiseerde corporatie, met eene eigene hierarchie, eene eigene jurisdictie , eene eigene geographische indeeling en een eigen privaat vermogens-terrein ; — en men slechts den fundatiebrief van de vicaris, tevens kosterij, te Cornjum (Gh.bk. I, bladz. 708) behoeft te lezen om zich van de bedoelde wijze van eigendoms-overgang een helder denkbeeld te vormen.

Overwegende dat dan ook de bestemming dier goederen, welke de Kerk verkreeg, later niet eigenmachtig door de parochianen veranderd of gewijzigd mogt worden, maar evenals de unio van beneficiën, boven reeds vermeld, ook de suppressio, incorporatio en deminutio van Kerkelijke fondsen, tot het gebied van de Kerkelijke overheden behoorde en het wereldlijk gezag in Friesland eerst sedert de regeering van Karei V zich ten aanzien van

ocr page 17

13

sommige veranderingen in de bestemming nog maar een recht van placet schiep.

Overwegende dat dezelfde ingezetenen in de dagen van éénheid van religie, dus als burgers onder de wereldlijke, als parochianen of Kerspellieden onder de kerkelijke hierarchic , in betrekking stonden tot twee zelfstandige eigen-dornsterreinen , en mitsdien de rechtsbeschouwing dat in de Friesche dorpen de meest volstrekte éénheid van Kerk en Staat bestond, des dat de plaatselijke kerkelijke goederen , als eigendommen beschouwd, een gemengd Kerkelijk-Staatsrechtelijk karakter bezaten, is onjuist en dit te meer uitkomt, wanneer men bedenkt, dat die pretense volstrekte éénheid dan ook consequent er toe zou moeten leiden, dat goederen van het burgerlijk dorp, of van de Grieteny, als burgerlijke gemeente, in dien tijd een gemengd Staatkundig-Kerkelijk karakter droegen , wat men trouwens nog niet heeft durven beweren.

Ad Secundum.

Overwegende dat de koster — gelijk niet betoogd behoeft te worden — was een kerkedienaar, staande onder het onmiddelijk toezicht van den pastoor, belast met de functiën, welke ook in de aanstelling van den geïntimeerde als zoodanig zijn omschreven, of — gelijk de pre-bendaat te Wier, naar de Beneficiaalboeken, opgaf: — „die clocken luyden; schueren ende wasschen die Kercke, „wijn ende misbroot te haelen voor twee Priesters, ende „te Koer te syngen als een Costerquot;, of — gelijk die te Hijlaard — „de Costerie in choersanck, clocke te luyden, „ende de kinderen te leeren ende in guede discipline te „holdenquot;.

Overwegende dat dat onderwijs door den koster aan de kinderen te geven dus eerst hoofdzakelijk strekte om deze tot koorzangers op te leiden, zoodat de benaming van schoolmeester slechts één of tweemaal in de Benifinaal-

ocr page 18

14

hoeken aan dien titularis gegeven is , zooals (bladz. 433) te Hommerts , waar des „schoolmeestersquot; inkomen door de Kerkvoogden verbeterd werd, omdat men gemis aan „Sangersquot; had.

Overwegende dat eerst na het midden der lGe eeuw aan dat onderwijs te lande door de Kerkelijke overheid meer uitbreiding is gegeven, nadat den Bisschop van Leeuwarden bij diens Instructie van den 14 November 1569 (charterb. III 773) was opgedragen (artt. 9 ; 10 en 13) „dattet volck in 't catholique gheloove ende-leeringe „wel gheleerl, gesticht ende onderhouden worde — Van „ghelijcken sal hij doen aengaende die andere Geestelijke „persoenen met sampt die Kosters, Kerckmeesters ende „Regeerders van de Kercken, — Sal hem insgelijks 'infor-„meeren op de scholen, soowel aengaende den Meesters, ;,als 't gene, dat men aldaar gheleert heeft, ende alsnog „teghenwoordelijck leert. quot;

Overwegende dat voorts in een herderlijken brief voor Friesland uit dien tijd (Ondh. en Gestichten I 1G8, 1G9) wordt bevolen: „Ter plaatzen; daar geen bijzonder School-„meester is, moet de Koster der Kerke de meysjes in het „leezen en de jongens daarenboven in het schrijven en in „den zang onderwijzen. En op de dorpen,, alwaar geen „Koster is, daar moet de Pastoor zelf dit waarneemen; of „door iemand anders laaten doenquot;.

Overwegende dat bij vacature het beneficie van den koster en schoolmeester vervuld werd door de Kerspellie-den, gegoed in grondbezit , overeenkomstig het boven reeds vermelde plakkaat van 30 October 1539.

Overwegende dat de koster alzoo meer en meer tevens een kerkelijk schooldienaar is geworden, en promiscue koster of schoolmeester werd genoemd.

Ad Tertium,

Overwegende dat met de rechtsopvatting, die de paro-

ocr page 19

15

cliiale Kerk met hare beneficiën tot eene fundatie, alzoo ■ tot eene juridische eenheid, vormde ten behoeve van de parochianen , de taak der volmachten uit de parochianen, die de fundatie beheerden, nauwkeurig correspondeerde.

Overwegende dat de pastoor; vicaris, koster en verdere officianten, hunne beneficiën in eigen gebruik en dage-lijksch beheer hadden en mitsdien daarvan houders waren voor de Kerk, waartoe deze behoorden, en het mitsdien in de Beneficiaalhoel:en ten aanzien van den koster te Grouw zeer juist op bladzijde 109 herhaaldelijk staat uitgedrukt, dat hij landgebruik had voor zijn dienst, „die „hy doet in de voorsz. Kercke te Grouw.quot;

Overwegende dat de door de Kerspellieden gevolmachtigde Kerkvoogden met den pastoor het fonds der fabrica ecclesiae in direct beheer hadden, en ten aanzien van de beneficiën dier kerk optraden in gevallen het gewoon beheer te boven gaande, soms met overroeping van de stemgerechtigden , bij voorbeeld bij vervreemding en bezwaring en na daartoe verlof te hebben verkregen van het Staatsgezag, overeenkomstig de algemeene Ordonnantie van den 29 Maart 1542 (Gharterb. II 847).

Overwegende dat de beneficiën in cas van vacature weder in volledig beheer tot de Kerkvoogden terugkeerden , en deze dan ook den door de Landvoogdes den 25 Augustus 1542 bevolen aanbreng deden van de tijdelijk vacee-rende beneficiën, gelijk de Beneficiaalhoeken vermelden ten aanzien van de pastorie te Rinsumageest, de prebende te Surhuizum, de pastorie en vicarie te Augustinusga en te Oudega en te Nijega in Smallingerland, de costerie te Britswerd en die te Hijlaard, en veel meer andere ; terwijl zij bij de vervulling der vacature den benoemden officiant door overgave van de akte van aanstelling in het bezit stelden van het beneficie , zooals een beneficiant te Steggerda, volgens de Beneficiaalhoeken, uitdrukkelijk opgaf, dat hij het namelijk had „ontfangen van de Kar-„spelluyden ofte volmachten des voorss. dorps, nae luyt

ocr page 20

16

,mijns koerbrieffs , my gegund wesende, duer een vrije ,electie ofte koer.quot;

Overwegende dat de Kerkvoogden of de Kerspellieden geene bevoegdheid hadden om op eigen gezag de bestemming definitief te veranderen , of de beneficiën promiscue te gebruiken, daar zulks — gelijk boven overwogen — tot de bevoegdheid der hoogere geestelijkheid behoorde, doch dat eene tijdelijke wijziging in de bestemming onder goedkeuring van het Hof mogt geschieden; en men daarvan in de Benefkiaalboeken voorbeelden vindt te Buitenpost, te Wons , te Beetgum en te Hommerts, weshalve eigenmachtige handelingen van de Kerspellieden in dat opzicht misbruiken waren, en als zoodanig ook door de Landvoogdes zijn gequalificeerd in hare Ordonnantie van 25 Augustus 1542.

Overwegende dat door den sub 1, 2 en 3 aangewezen rechtstoestand mitsdien ook beheerscht werden de patroons en pastorij-goederen, mitsgaders de Kosterijgoederen die de ommekeer van zaken ten jare 1580 bij de Kerkelijke Gemeente te Tietjerk heeft gevonden, op de wijze beneden nader te vermelden , namelijk :

„ Costerie — Een huys end fenne darhij van 6 Koganch „off 7, ende elff madt meden, ende j madt ende noch j „madt meden als j polle, gebruckt bij Monte Gerbenszn. „schoelmeister indoctusquot;.

Overwegende dat de Hervorming mitsdien in Friesland, speciaal ook te Tietjerk , de kosters beneficiën reeds door de kerkelijke autoriteiten bestemd vond ook voor den kerkdijken schooldienst.

B.

Ad primum.

Overwegende dat de staatsresolutie van 31 Maart 1580, in art. 8, de beneficiale of leengoederen, onder welke, volgens art. 2 de Cast er ij en mede werden begrepen, heeft

ocr page 21

17

aangewezen tot onderhoud van predikanten , schoolmeesters en armen, ook in de nieuwe of hervormde staatskerk, des dat die niet in privatum et secularent vsum aangewend mochten worden.

Overwegende dat het mitsdien minder juist is, wanneer men aanneemt, dat dat statuut de bron van bestemming van beneficiale goederen voor het onderwijs zoude zijn, vermits die bestemming werkelijk reeds^ gelijk boven aangetoond, vóór 1580 door de kerkelijke overheid aan de kosterijen gegeven was , speciaal te Tietjerk.

Overwegende dat die Resolutie alzoo de beteekenis had om de beneficiale goederen met eene bestemming, die den vorige zooveel mogelijk nabij kwam, over te brengen in de nieuwe Kerk, waartoe art. 3 den arm van den ^ taat beschikbaar stelde, alles op gelijke wijze als dit na de Reductie van de stad Groningen, ook door den stadhouder Graaf Willem Lodewijk geschiedde in de provincie Groningen, bij mandaten van 20 December 1594. en 2G December 1595 en in Drenthe bij mandaten van 10 Mei 1598 en 17 Maart 1599.

Overwegende dat bij art. 9 dier Resolutie voor 't vervolg de distributie der beneficiën, dat wil zeggen, de speciale bestemming binnen den aangewezen kring, werd opgedragen aan de Gereformeerde gemeenten zelve , die daartoe de notabelste personen moesten committeeren.

Overwegende dat bij art. 18 de Kerkgebouwen en bij aanschrijving van 15 April 1580, die do Staats Resolutie van 31 Maart bevorens begeleidde, ook de kerk- of patroonsgoederen , voor de nieuwe gemeenten beschikbaar werden gesteld.

Overwegende dat er dus van Staatswege niets is gewijzigd ten aanzien van de plaatselijke kerkelijke goederen , maar enkel bevolen , dat die , door tusschenkomst van het Staatsgezag, uit de handen der bezitters in de afgeschafte staatskerk zouden overgebragt worden in handen van de vertegenwoordigers en leden der nieuwe of

t

ocr page 22

18

Hervormde kerkgemeenten , die uit de vorigen voortkwamen.

Overwegende dat er dan ook reeds den 23 Augustus 1580 eene staatscommissie is benoemd en belast om opgave van alle kerke-, pastoors- en beneficiale goederen in Oostergoo te ontvangen, en deze Commissie den 12 Januari]' 1581, te Tietjerk is gekomen, waar Rientje Seerpzn. Andries Jetzes en Feito Jacobs, zich qualificeerende als kerke- en armevolmachten in dat jaar, de verlangde opgaven, waaronder die van de bovenvermelde costerie-goederen, alsmede rekening hebben gedaan, waarvan de oorspronkelijke geteekende akte voorkomt in het onuitgegeven Register of Beneficiaalboek van Oostergoo van dat jaar , op het provinciaal archief berustende .

Overwegende dat de Gedeputeerde Staten in den aanhef hunner Resolutie van 7 Maart 1582 verklaren, dat zij met 1 Januarij te voren door de Grietmannen — gelijk art. 3 der Staats-Resolutie 31 Maart 1580 voorschreef, hadden „in vrijdom doen stellen de geestelijcke landen ,onbelast van huyringenquot; (Winsemius, bladz. 710), doch die verklaring weldra is gebleken al te optimistisch te zijn geweest, daar er nog een reeks van jaren is verloo-pen eer de beneficiale goederen tot het aangegeven doel ter vrije beschikking van de kerkgemeenten zijn gekomen, terwijl in 't bijzonder ook de kosterij- of schoolgoederen, waar die bestonden, nog lang bezet bleven door de houders van vóór 1580.

Overwegende dat, nadat de voormelde Resolutie van 7 Maart 1582 den Kerk bevolen had om schoolmeesters te beroepen „tot al sulcke gagien als men niet hem over-„eencomen canquot;; immers in 1584 door de Dienaars en Leeraars der Friesche Kerken aan de Staten werd verzocht „dat men ook die schoolmeestern so vele mogelijck „is, eerlijck sallariseren, ende al sulcke weren ende uyt-„suyveren , die niet vroom van leven zijn, noch haer be-„geeren , na de aerdt der Gereformeerde Religie, in het

ocr page 23

19

„institueren van de Jeucht ende andere Kerckelijeke dien-„sten te draghenquot;. doch de adressanten daaromtrent eenvoudig werden verwezen naar de Staats-Resolutie 31 Maart 1580 (Winsemius , bladz. 746).

Overwegende dat de provinciale Synode zich nog in 1003 wederom tot de Staten wendde, met het verzoek om door Commissarissen uit do Staten of de Gedeputeerde Staten „die dronkene , papistische, wederdoopersche, godt-„lose ende alsoodanige ongeregelde schoolmeesters te doen „removeren ende casseeren — ende voorts den Dorpen te „constringeeren tot een beroepinge van vrome en gere-,formeerde schoolmeesters

Overwegende dat daaruit blijkt, dat de kosterij- en schoolgoederen nog niet vrij waren.

Overwegende dat men van dat standpunt, in verband met de boven gebleken daadzaak, dat in vele gemeenten geene afzonderlijke kosterijfondsen gevonden werden, liet daarop onmiddelijk volgende verzoek heeft te beschouwen, „datt er veel schoolmeesters zyn, die een soberlyck on-„derhoudt hebben ; dat die E. Heeren Volmachten gelie-„ven te versorgen, dat soodanigen vroome schoolmeesters „ofte ut den vrijen gebruik der costerien , ofte ut den ,Landtskiste, ofle ut den geestelijcke goederen der Dor-„pen, wat verbeteringe tot haeren onderhoudt mochten „crygenquot;.

Overwegende dat, in verband met het voorafgaande verzoek, dus blijkt, dat de Kerkelijke Overheid de bene-ficiale goederen toen nog niet eens ter vrije beschikking had; en om daartoe te geraken den arm van het Staatsgezag , of bij gebreke van dien, subsidien uit de Landskas of uit de Kloostergoederen aanvroeg.

Overwegende dat de apostillaire beschikking den 25 Maart 1603 (Charterb. V. 101) daarop gegeven; „Fiat „ut de Costerie goederen, soo die nyet sufficiënt syn, „ut d' andere beneficiale goederen den Dorpe toebehoo-„rendequot; mitsdien geene andere beteekenis heeft, dan het

ocr page 24

20

antwoord bovenvermeld, reeds in 1584 gegeven, namelijk: gij moet u naar de Resolutie van 1580 met de kosterijgoederen redden, en zijn die onvoldoende, voeg er dan van de andere beneficien iets bij, subsidie uit de Landskas geven wij niet.

Overwegende dat dat antwoord bij gevolg in het minst niet eene beschikking over den eigendom of wijziging van bestemming, afwijkende van de Staats-Resolutie 31 Maart 1580; bedoelde.

Overwegende dat de beneficiale , in 't bijzonder ook de Costeriegoederen, die voortaan dikwerf schoolgoederen genoemd werden, dus op denzelfden rechtsbodem zijn gelaten, doch hier en daar overeenkomstig de behoeften der nieuwe Staatskerk , anders gedistribueerd en zij dus zijn gebleven fondsen, behoorende tot en alzoo dependent van de fundatie de Kerk der gemeente; daargelaten , dat de kosters of schoolmeesters in latere jaren uit de Klooster-goederen, provinciale- en grietenijkassen, subsidiën kunnen hebben verkregen.

Ad Secundum.

Overwegende dat naar art. 14- der Staats-Resolutie 31 Maart 1580, ter uitvoering van welke de bovenvermelde resolutie der Gedeputeerde Staten van 7 Maart 1582 strekte, de schoolmeesters moesten zijn van de Gereformeerde religie , een beginsel, dat steeds werd gehandhaafd door de Souvereine Staten van Friesland , die zelfs bij hunne Resolutie van 10 Maart 1701 tot vereischte stelden, dat de schoolmeester Lidmaat der Staatskerk behoorde te zijn.

Overwegende dat de Gedeputeerde Staten bij dezelfde Resolutie 7 Maart 1582 de benoeming van Gereformeerde Schoolmeesters hebben gelaten op den voet, waarop de kerspellieden, gegoed in grondbezit, dit van cuds gewoon waren, dus overeenkomstig de Ordonnantie van 1539.

Overwegende dat die overheid bij Resolutien van 25 Mei

ocr page 25

21

1609, 22 Februari 1616, 16 April 1622, 4 Maart 1610, 14 Maart 1645, meest allen opgenomen in het Appendix op de Lands-ordonnantie van 1602, en later nog bij het Reglement Reformatoir van 1673, het beginsel hebben gehandhaafd , dat alle kerkelijke benoemingen door de gereformeerde stemgerechtigden, schotschietende huizen en ploeggangen bezittende zouden geschieden , zonder dat daarvan vóór 1795 is afgeweken, gelijk blijkt uit de bekende beslissing van Gedeputeerde Staten in 1778; dat de schoolmeesters niet waren „politique officiersquot; tot welker benoeming de Protestantsche dissenters mochten medewerken.

Overwegende dat van de Staten evenwel geen enkel statuut ter regeling van het schoolwezen in Friesland is uitgegaan, maar zulks geheel is overgelaten aan de Kerkelijke Besturen, evenals in de overige gewesten, bepaaldelijk in Groningen , Drenthe en Gelderland.

Overwegende dat immers , terwijl de provinciale synode van Groningen en Ommelanden den 1 Mei 1654 eene school-ordre vaststelde , terwijl het schoolwezen in Drenthe telkens bij de Kerkorden van 8 December 1638 en 14 Maart 1730 werd geregeld, en de synode van Gelderland in 1681 een school-ordre arresteerde , die door den Erfstadhouder en Raden werd gepubliceerd; en dus ingevoerd, de Friesche Kerk voor zich verbindende heeft geacht de Kerken-ordening en der Gereformeerde Nederlandsche Kerken in de Nationale Synoden van Dordrecht in 157S, van Middelburg in 1581 en van 's Gravenhage in 1586 gemaald en gearresteerd (Zie het Bericht voor Nauta's Compendium der Kerkelijke Wetten , opgesteld op last der Gedeputeerde Staten van Friesland);

Overwegende dat het ambt van schoolmeester in de aangehaalde Statuten voor Groningen, Drenthe en Gelderland nominatim werd omschreven tweeledig, als eens deels den Kerkelijken schooldienst, anderdeels den Kos-tersdienst betreffende , en wat Friesland betreft, het Ker-

ocr page 26

22

kelijk karakter van den schooldienst ook duidelijk spreekt uit Titel XXXVII van dat Compendium, bepaald uit artikel IX, aan de bedoelde synodale voorschriften ontleend , houdende ;

„De schoolmeesters, behalve dat sy arabtshalven de „jonge Jeugd neerstig moeten leeren lesen, schrijven, „rekenen, psalmsingen, etc. sullen ook deselve tweemaal „in de week, of ten minsten eenmaal 's weeks moeten „catechiseeren over de Gronden van de Religie, en wel „bysonder den Heidelbergschen Catechismus leeren , en „alle Maandags 's morgens de kinderen ondersoeken , of „zij de Predikatiën en Catechisatiën, die Sondags geschied zijn , hebben bijgewoond.quot;

Overwegende dat, naar Tit XI. artikel 11 , het schooltoezicht werd uitgeoefend door de Predikanten en Ouderlingen : als zoodanig.

Overwegende dat bij gevolg de schoolmeesters sedert 1580 tot 1795 in Friesland waren Kerkedienaren, en het algemeene Onderwijs in dat tijdperk het leerstellig karakter droeg, uitsluitend van de heerschende godsdienstige gezindte.

Ad tertium.

Overwegende dat bij de artt. 9 en 10 der Staats-Reso-lutie van 31 Maart 1580 tot de administratie der plaatselijke kerkelijke goederen, onder staatstoezicht, zijn aangewezen do door de gereformeerde gemeenten zelve uit haar midden te kiezen notabelste personen als kerkvoogden , waarna bij do Resolutie van 1584 , artikel 8 (Winsemius p. 74G) overgenomen in de Landsordonnantie van 1602 , de predikant , evenals voorheen de pastoor, tot mede-administrateur werd toegelaten , terwijl blijkens artikel 6 het dagelijksch beheer der benelicialia aan de titularissen eveneens bleef overgelaten.

Overwegende dat de reeds vermelde ordonnantie van den 29 Maart 1542, betreffende het bezwaren en vervreem-

ocr page 27

23

den van Kerke , beneficiale en der minderjarigen goederen als Titel 13 in de Landsordonnantie is overgenomen , zoodat de Kerkvoogden in daden, die het gewoon beheer te boven gingen , ten aanzien van de beneficiale goederen, gelijk stonden met de voogden van minderjarigen, en gelijk deze tot vervreemding of bezwaring het placet van den Hove van Friesland behoefden.

Overwegende dat het beheer dus in aard en omvang tot 1795 niet verschilde van hetgeen daaromtrent voor de vorige Staatskerk van kracht is geweest.'

C.

Ad primum, secundum et tertium.

Overwegende dat de Nationale Vergadering den 5 Augustus 1796 heeft gedecreteerd :

„1°. Dat geen hevoorregte nog heerschende Kerk in Nederland meer kan of zal geduld worden ,

2°. Dat alle Placaaten en liesolutiën der geweesen Staaten Generaal, uit het Oude Stelzel der vereeniging van Kerk en St.iat gebooren, zullen worden gehouden voor vernietigdquot;,

en deze beginselen hunne toepassing vonden in de artikels 19—23 der Staatregeling van 1798, des dat o. a. geene burgerlijke voordeden of nadeelen gehecht werden aan de belijdenis van eenig Kerkelijk leerstelsel, en elk Kerkgenootschap voortaan moest zorgen voor hel onderhoud van zijnen Eeredienst, zijne Bedienaren en Gestichten.

Overwegende dat daarmede de Staatsrechterlijke vereeniging van beide corporatiën Slaat en Kerk is opgeheven of ontbonden.

Overwegende dat bij de additioneele artikelen der Staatsregeling de Kerke- en beneficiale goederen in de Hervormde gemeenten niet nationaal zijn verklaard , en zij mitsdien op denzelfden rechtsbodem zijn gebleven , en de eigendom der kerkelijke gemeenten in dat opzicht is be-

ocr page 28

24

kraclitigd bij artikel 13 der Staatsregeling van 1801 , en wat Friesland in 't bijzonder betreft, ook uitdrukkelijk is erkend door het Departementaal Bestuur, in den aanhef dei-bekende Publicatie van 27 Junij 1804.

Overwegende dat de scheiding van Kerk en Staat, speciaal ten aanzien van kosters en schoolmeesters der heer-schende Kerk, door den Staat practisch aldus werd toegepast, dat aan den Minister of Agent der Nationale Opvoeding in zijne, bij Decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam den 21 December 1798 gearresteerden Instructie, werd opgedragen te zorgen „dat alle onderwijs „in de leerstellige Godgeleerdheid der onderscheidene ge-„zindten, en alle eeredienst of uiterlijke ceremoniën, welke „aan bijzondere Kerkgenootschappen verknocht zijn , van de publieke scholen geweerd wordenquot;, terwijl bij art. 10 werd bepaald, dat de aanstelling van Schoolmeesters zou geschieden door het plaatselijk gemeentebestuur onder approbatie van het Departementaal Bestuur.

Overwegende dat de aard en strekking van het algemeen onderwijs dus werd veranderd, en de benoeming van schoolmeesters, het regelen van het algemeen, nu openhaar, onderwijs en van het toezicht daarop, daarmede aan de Kerk werd ontnomen; terwijl voorts bij Publicatie van 21 Mei 1799 is verstaan, met het oog op hunne bezoldiging uit publieke kassen, „dat de schoolmeesters „niet behoren te worden gerekend onder de Kerkelijke maar „onder de Burgerlijke Beambten,quot; en „behooren te worden „bezoldigd, uit zoodanige kassen (d. w. z. publieke kassen), „als waaruit dezelve tot hier toe hunne tractementen heb-„ben genotenquot; en dat „zijn gecesseerd en moeten ophou-„den alle betalingen uit publieke Kassen aan Kosters, Voor-„zangers, Krankbezoekers en verdere Kerkelijke Beambten.

Overwegende dat naar het nieuwe Staatsrecht, waarbij de Staat zich ten aanzien van de bezoldiging van Kerke -lijke Beambten ontsloeg, den aard van het onderwijs zelf bepaalde, en de benoeming van Schoolmeesters zelf ging

ocr page 29

25

regelen, consequent ook de Kerk, die ten aanzien van de kosterij- of schoolgoederen, niet ■privaatrechtelijk jegens den Staat verbonden was, in dit opzicht principieel evenzeer was ontslagen van den Staat met dit gevolg, dat ook de Staats-Resolutie van 31 Maart 1580 en de daaruit voortgevloeide of' daarmede zamenhangende Resolutien der Staten en Gedeputeerde Staten van Friesland, die over het stemrecht daaronder begrepen, hare verbindende kracht als Staatsrechtelijke Ordonnantiën verloren, en voor haar in het nieuwe Staatsrecht geene plaats meer konde zijn , zoodat het Provinciaal Bestuur dan ook bij Decreet van 23 Februarij 1797 dat stemrecht zelfs uitdrukkelijk heeft opgeheven.

Overwegende dat voor het Kerkelijk gezag of de Kerkelijke gemeenten , mitsdien geen band van welken aard ook, noch Staatsrechtelijk, veelmin nog civielrechtelijk , meer bestond om de tot hare Kerkstichting behoorende kosterij-of schoolgoederen disponibel te stellen ter finantiëele ondersteuning van het openbaar staatsonderwijs, en deze fondsen tot nadere beschikking der Kerkelijke autoriteiten en gemeenten, dus tot de zuivere oorspronkelijke bestemming van costerie-goederen terugkeerden, daar men toch niet een zoogenaamden gemengden aard dier goederen kan fundeeren op statuten, die tot een staatsrechtelijk systeem bchooren , waarmede gebroken is.

Overwegende dat het publiek- en administratief Staatsgezag dat dan ook heeft gevoeld en tevens ingezien, hoe moeijelijk het zou vallen om , zonder steun van de Kerkelijke goederen , alleen de kosten van het Openbaar Onderwijs te doen bestrijden.

Overwegende dat er dientengevolge weldra een tijdperk is aangebroken, dat zich sedert de Staatsregeling van 1801 kenmerkt door een reageeren in dit opzicht tegen eene zuivere toepassing van het beginsel der scheiding van Kerk en Staal, welk streven zich ten aanzien van de bezoldiging der onderwijzers weldra daarin openbaarde, dat

ocr page 30

26

de Departementale Besturen bij Huishoudelijke Schoolreglementen, in Friesland bij dat van 20 October 1806, „ten „einde het bestaan der openbare schoolonderwijzers — zo „veel mogelijk te beneficiërenquot; de Kerkelijke posten van Koster, Voorzanger en Organist zoo veel mogelijk veree-nigd trachtten te houden met dat van den burgerlijken schoolmeester, en zij zelfs ook nog bevorderden, dat de openbare onderwijzer andere winstgevende betrekkingen bekleedde , die geheel vreemd waren aan het geven van lager onderwijs.

Overwegende dat zoodoende eene Kerkelijke met eene Burgerlijke betrekking administratievelijk werd gecombineerd, en daarom aan de benoeming, ook van den geïntimeerde in 1838; deel gegeven werd aan de, bij artikel 4 der Publicatie van 27 Junij 1804 bedoelde Hervormde Flo-reenplichtigen , als stemgerechtigden der Hervormde gemeenten, eenerzijds en aan hot burgerlijk gemeentebestuur anderzijds, doch daardoor immers geene gemeenschap van goederen tusschen die partijen ontstond, maar de benoemde titularis het bezit en dagelijksch beheer dor hem aangewezen fondsen en subsidiën ontleende aan en mitsdien verder hield voor ieder der hem benoemende partijen afzonderlijk, voor zoover deze qualitate qua die fondsen en emolumenten beschikbaar hadden.

Overwegende dat de administratie der „Kerk, Pastorie, Custorie en andere Gemeentefondsenquot; bij de artikels 90; 91 en 92 van het bij Koninklijk Besluit 7 Januari 1816 gearresteerde Algemeen Reglement van het Bestuur der Hervormde Kerk nominatim onder het bereik van het Ministerieel Departement van Hervormde Eeredienst en daarmede onder oppertoezicht des Konings, zijn gebracht en vervolgens de administratie en het staatstoezicht op de Kerkelijke fondsen bij de Hervormde Gemeenten in Friesland is geregeld in het bij Koninklijk Besluit van 12 December 1823 vastgesteld provinciaal reglement.

Overwegende dat onder vigeur van dat reglement bij

ocr page 31

27

Koninklijk Besluit van 12 December 1827, no. 45, „in „het belang der Hervormde gemeenten en van hare pre-„dikanten of kerkelijke bediendenquot; de inventarisatie is bevolen van alle pastorij en kosterijgoederen, eigendommen renten enz. bij eene Hervormde gemeente aanwezig, hetzij dat die door de predikanten en kosters zelve geadministreerd werden, hetzij dat zulks door eene afzonderlijke administratie geschiedde, met opdracht aan de respective Kerkvoogden om die inventarissen, des noodig vermeerderd en verbeterd , in te zenden aan het Provinciaal Collegie van Toezigt, onder hetwelk de betrokken gemeente behoorde, terwijl, nadat die inventarissen door de Collegiën van Toezigt zouden zijn onderzocht, een exemplaar daarvan, om als legger of memorie te dienen, bij het betrokken Collegie moest worden gehouden.

Overwegende dat aan het Hof, bij eigen onderzoek feitelijk is gebleken, dat de inventarissen van de bedoelde kerkelijke goederen, die beschouwd moeten worden als akten aan eene destijds openbare administratie, bij de Hervormde gemeente te Tietjerk, in het archief van 't voormalig Staats-College van Toezigt in forma voorhanden zijn, en daarop, onder den naam van Schoolgoede-ren, voor komen de ter dagvaarding vermelde onroerende goederen.

Overwegende dat men mitsdien in 1827 nog evenzeer als in 1581 de Kerkvoogden ontmoet aangifte doende van die kerkelijke goederen ;

Overwegende dat de rechtsband tusschen de Hervormde Gemeente te Tietjerk en de onderwerpelijke goederen dus is deze, dat die goederen een deel uitmaken van de Kerkstichting en mitsdien behooren tot de Kerkelijke goederen aldaar ;

Overwegende dat de geïntimeerde, die in 1838, alzoo na de vermelde invertarisatie, benoemd is tot schoolonderwijzer, koster, voorlezer en voorzanger, op de wijze, voorgeschreven „op plaatsen waar het tractement van den

ocr page 32

28

„Onderwijzer uit de Kerkebeurs wordt betaaldquot;, het gebruik en daarmede het bezit en dagelijksch beheer der gelibelleerde landerijen heeft verkregen van de stemgerechtigde vertegenwoordigers der Hervormde Gemeente, tot wier Kerkstichting die goederen van ouds behooren en hij dus houder was voor die stichting;

Overwegende dat hij den 15 Mei 1882, den dag waarop zijn ontslag als onderwijzer is ingegaan terwijl hij niet beweert nog als koster in functie te zijn gebleven, dat beheer mitsdien wederom aan de appellanten, als bewind voerders van die stichting, onder den naam van Kerkvoogden , wier qualiteit door hem niet is betwist, had moeten overdragen , en het hem niet aangaat te beoor-deelen tot welke verplichtingen de Kerkstichting ten aanzien van die goederen in 't vervolg gehouden zal zijn;

Overwegende dat het eischend Collegie mitsdien in zijne vordering had behooren te zijn ontvangen en gegrond verklaard , met uitzondering van den gevraagden lijfsdwang als op geene wetsbepaling steunende ; en wat betreft het ter vrije en algeheele heschikking van het appelleerend Collegie stellen , waarin een door het Hof niet te geven praejudicium over de toekomstige bestemming dier goederen kan zijn gelegen ;

Gezien de artikels 029 van het Burgerlijk Wetboek, 48 en 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

RecMsprekende in Naam des Konings!

Vernietigt het vonnis , waarvan beroep ; — Verklaart het appelleerend Collegie ontvankelijk in zijne vordering , en wijst die toe;

Veroordeelt mitsdien den geïntimeerde om linnen eene maand, nadat dit arrest in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, dat Collegie te stellen in het bezit van en aan hetzelve over te dragen het beheer van de perceelen, ten kadaster bekend, Gemeente Hardegarijp , Sectie D, num-

ocr page 33

29

mers 54, 55, 63, 888^ 1021, 1144, 1145, en 1146 Sectie F, nummers 121, 198, 199, 200 en 201; benevens een gedeelte grond in de zoogenaamde Gemeenschar van Leeuwarden en hem af- en over te geven alle titels bescheiden , huurcontracten , tot dat beheer en bewind bewind behoorende, en zich bevindende onder geïntimeerdes berusting ;

Machtigt dat Collegie om bij gebreke hiervan, desnoods met behulp van don sterken arm, zich in het bezit en genot van voorschreven onroerende goederen te stellen , en hetgeen zich van geïntimeerde daarop mocht bevinden, daaruit en daarvan te verwijderen, alles op kosten van den geïntimeerde — die kosten te vereffenen op staat, volgens de wet;

Weigert de gevraagde machtiging om door het middel van lijfsdwang den geïntimeerde te noodzaken tot afgifte van de titels, bescheiden en huurcontracten tot zijn beheer en bewind behoorende, doch

Veroordeelt den geïntimeerde in alle kosten, schaden en interessen door de niet-oplevering van die stukken, alsmede door de niet observantie van het exploit van den 15 Mei 1882 voor het appelleerend Collegie veroorzaakt, nader ingevolge de wet te liquideeren op staat;

Veroordeelt den geïntimeerde in de kosten van beide instantiën , die aan zijde der wederpartij in eersten aanleg gevallen , begroot en vastgesteld op twee honderd acht en zestig gulden ew. vier en zestig en een halve cent, die in hooger beroep tot aan deze uitspraak op twee honderd en zeven en dertig gulden en een en twintig en een halve cent.

Aldus gewezen door de Heeren Mrs. Boeles, Vice-Pre-sident van — Bergsma, Jongsma, van Nes van Meerkerk en van Tricht, Raden in den Hove, en uitgesproken door den Vice-President met opene deuren ter terechtzitting van Maandag den negen en twintigsten Junij 1800 vijf

ocr page 34

30

en tachiig, in tegenwoordigheid van genoemde Raden en van den Procureur-Generaal Mr. P. Hofstede.

{get.) W. B. S. BOELES. ( , ) J. MINNEMA BUMA, Griffier. Voor expeditie conform,

afgegeven ten verzoeke van - en aan den heer Mr. J. van Leeuwen, procureur van appellant voornoemd.

De Griffier, {get.) MINNEMA BUMA.

ocr page 35
ocr page 36
ocr page 37
ocr page 38
ocr page 39