ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

VAK «

17\s

HANDBOEK ^

DER

pf /

door den Schrijver An (^nidkorrerf,

fiij-izondcz c^cscamp;iamp;t tot c^czote-Cij-Az fazincj- -Gij. , zecotfe-ctie-daycH'

zn, vootamp;cze-idiny dez vzzviiamp;wwiwc^ van de KK. êzïoftamp;n.

■. :/-gt;^ „ -'.'-■■•■tv J j-v i

KB Sètj

18S3.

ocr page 7

IMPEIMATUR.

Datnm BREDJE, 3 Martii 1£84.

P. J. Gabriel,

Can. Libr. Censor,

Snelpersdruk, Eduakd tan Wees, Breda,

ocr page 8

Het is altijd met een gevoel van diepen eerbied dat de priester zich, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk tot de religieuzen richt. Door het goddelijk licht bestraald, weet hij wat eene religieuze is.

Eene religieuze is eene uitverkorene onder de lievelingen van dien Jezus, aan wien zij zich zoo edelmoedig, zoo geheel heeft opgedragen.

Eene religieuze is eene ziel, wie de H. Maagd eene meer bijzondere liefde toedraagt, omdat zij meer aan haar gelijkvormig is; eene ziel, die zij gaarne bij zich ziet als eene geliefde gezellin, tot wie zij, ware zij daar, op dien liefdevollen toon, waarmede zij steeds haren goddelijken Zoon aansprak, zou zeggen: »Mijne dochter, bemin uw Jezus, verblijf gaarne bij »Mem; dien Hem gelijk ik Hem gediend heb!quot;

Een religieuze is eene ziel, aan wie Jezus die inwendige schoonheid geeft, die, onzichtbaar voor de wereld, de engelen verrukt, ze met eerbied vervult, ja, die zij zouden benijden, indien zij geene engelen waren.

Eene religieuze is eene ziel, die Jezus dicht bij zich plaatst, opdat zij, door hare liefde en innige vereenig ing met Hem, zijn goddelijk Hart zou troosten over al de ondankbaarheid, de heiligschennis, de vergetelheid, de onverschilligheid der wereldlingen, — opdat zij door hare volkomen onderwerping aan zijn goddelijken Wil, als een gewillig werktuig in zijne hand, onder leiding barer oversten, zou medewerken aan het heil der zielen, — opdat zij eindelijk, als Jezus in zijn H. Sacrament, door hare edelmoedigheid en volkomen onthechting een voortdurend slachtoffer

ocr page 9

4

zou zijn, door vreugdevol te lijden smarten naar het lichaam, smarten naar den geest en diepe vernedering, gelijk eene religieuze die lijden kan.

Eene ziel eindelijk, voor wie de wereld met al haar rijkdom, haar praal en pracht niet groot genoeg is; die God alleen voldoen kan, die onder een kalm, zacht en vreedzaam voorkomen eene liefde verbergt, die geene menschelijke taal kan uitdrukken.

Ziedaar wat het geloof den priester toont, wanneer hij zich met de religieuzen bezig houdt. Ja, dan voelt hij zich gelukkig door God gekozen te zijn oei haar te vormen, te louteren, te bemoedigen. — O, hoe vurig bidt hij dan God hem te verlichten in hetgeen hij gaat zeggen. Hoe vurig vraagt hij, als het oogenblik daar is, woorden van licht, woorden van kracht, woorden van vrede, woorden van troost, woorden soms van welmeenende vermaning en vader-lijke berisping. O Jezus, al die woorden vinden wij in uw H. Evangelie! Leen ze mij bij het schrijven van dit werkje!

Moge het geen enkel woord bevatten dat kan wonden, geen woord dat den vrede verstoort, geen woord dat de ziel ontmoedigt! Ik wil, mijn Jezus, mijn hart daarin doen spreken. Laat my het in het uwe sluiten, opdat het daarin licht, ijver, voorzichtigheid en liefde moge putten.

ocr page 10

HANDBOEK

DER

geprofeste Relig-ieuzen.

Volgens den zin, door de H. Katholieke Kerk daaraan gehecht, beteekent geprofest zijn: door de wettige overheid in den religieuzen staat zijn toegelaten, te weten lid geworden zijn van eene goedgekeurde vergadering, waarin men de geloften aflegt van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede, en waarin men zich verbindt om alles te doen wat in die vergadering is voorgeschreven om het doel, dat zij zich voorstelt, te bereiken.

Door den religieuzen staat verstaat men dus: eene levenswijze, door de H. Kerk goedgekeurd, waarin de geloovigen in vergadering samenleven, zich voor altijd aan God toewijden en naar de volmaaktheid streven, door het naleven der drie geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid volgens den haar opgelegden regel. Ziedaar den staat, dien gij omhelsd hebt. Gij hebt religieuze willen zijn. Ziedaar dus waartoe gij u verplicht hebt.

Welnu, om u dezen staat te doen kennen, waar-deeren, hoogschatten en beminnen, om u te helpen al de plichten, die hij u oplegt, nauwkeurig na te komen, bieden wij u dit boekje aan.

Het bevat drie deelen:

1°. Handelende over de natuur van den religieuzen staat.

2°. Over de plichten van den religieuzen staat.

3°. Over de middelen om die plichten te vervullen.

ocr page 11

EERSTE DEEL.

Natuur van den Religieuzen Staat.

Wij geven hier geen volledige verhandeling over ien religieuzen staat. Wij willen slechts, op praktische en tevens eenvoudige wijze, de groote schoonheid en verhevenheid van dien staat voorstellen, — hem doen beminnen door degenen, die hem omhelsd hebben en ie begeerte in haar opwekken met ijver deszelfs verplichtingen na te komen.

Wij verdeelen dit eerste deel in zeven Hoofdstukken.

1°. Het doel van den religieuzen staat.

2°. Het bestuur.

3°. De personen, welke dien staat omhelsd hebben.

4°. Wat eigenlijk den religieuzen staat uitmaakt.

5°. De voorrechten van den religieuzen staat.

6°. De moeielijkheden, welke in den religieuzen staat kunnen voorkomen.

7°. De fouten, welke den religieuzen geest zouden vernietigen.

iste i-iooipidstxjik:.

Het voorname doel van den religieuzen staat is

aan God door de gehoorzaamheid aan zijne hevelen, en het naleven der Evangelische raden, de grootste eer te geven, waartoe een schepsel in staat is.

ocr page 12

7

Welnu, God eer bewijzen is zich vrijwillig en blijmoedig aan God onderwerpen, zoodanig dat onze wil vol maak telijk met den zijnen vereenigd zijnde door de opoffering, niet van alle genegenheid voor-, maar van alle geliechtheid aan de schepselen, — God met ons kan doen wat Hg wil en door wien Hg het wil, zonder den minsten tegenstand onzerzijds. De religieuze ziel kan die afhankelijkheid van God in twee woorden samenvatten. Onthecht en toegewijd.

öntamp;ec-fVt.

Onthecht wil zeggen los van alles, afgescheiden van alles, door niets teruggehouden zijn, en bijgevolg zonder weerstand verplaatst kunnen worden.

Wij zeggen: een voorwerp staat los, wanneer het eenvoudig daarneder wordt gezet, zonder door den geringsten band teruggehouden te zijn, en zeer gemakkelijk verplaatst kan worden. Ziedaar den toestand eener waarlyk onthechte ziel! Zij heeft de banden losgemaakt, die haar hart boeiden; zij heeft de stoffelijke zaken verwijderd, welke om zoo te zeggen, hare ledematen bezwaarden, zij heeft haren wil gebroken.

God kan haar opnemen zonder den minsten weerstand te ontmoeten, haar nederzetten naar Hij wil, haar gebruiken tot al wat Hij wil.

Die ziel zal onthecht zijn van de zonden, welke zoo grootelijks strijden tegen Gods heiligen wil, — daarvan onthecht, ten minste, door den vasten wil om geene enkele fout geheel vrijwillig te bedrijven )

ocr page 13

8

door nooit tegen haar geweten te handelen; door nooit te zeggen: »ls het anders niets? die kleine Jout zal God mij wel vergeven!quot; Nochtans zal zij met dezen vasten wil nog fouten en, helaas! nog z^are fouten kunnen bedrijven; maar zij zal onmiddelijk daarover groot berouw gevoelen, — zij zal zich diep vernederen, — zij zal spoedig opstaan, — hare fouten zullen zeldzamer worden en zij zal voorzichtiger, getrouwer aan hare plichten en meer welwillend jegens anderen zijn.

Onthecht van de gelegenheid tot zondigen. De religieuze, door God geroepen, heeft nochtans al de zwakheden der natuur, — al de genegenheden van haar hart, — al de gewoonten van haar vorig leven behouden; zij gevoelt levendiger dan ooit hoe licLt zij zou vallen, indien zij niet voorzichtig ware, daarom waakt zij met eene uiterste oplettendheid over hare zinnen en haar hart. Zij sluit zich in haren regel, als in een huis, waarin zij hoort noch ziet; zij omkleedt zich met haren regel als met een kleed, dat haar behoedt tegen den invloed van kwade voorbeelden , en het krachtig woord, dat haar terughoudt, als zij zich zwak gevoelt tegenover het gevaar, is: God wil het niet! het strijdt tegen den regel.

Onthecht van de wereld, — dat wil zeggen , onthecht van rijkdom, van eer, van genot, van al wat haar God zou doen vergeten. Voor haar is elke eerepost een lastpost, dien zij zeker met onderwerping aanvaardt, doch slechts beschouwt als een nieuw middel om hare liefde aan God te toonen.

Onthecht van tijdelijke zaken, — die haar van den omgang met God zouden aftrekken. Door tijdelijke zaken verstaat zij ieder werk, dat, door de gehoor-saamheid niet opgelegd, slechts zou strekken om

ocr page 14

9

haar of hare familie eene welraart te bezorgen, waaraan zg, krachtens hare belofte van armoede, verzaakt heeft. Zij verstaat daardoor alle overdreven zorg, die de onverstorvenheid, de zinnelijkheid, de gemakzucht inboezemen. Zij geeft haar lichaam slechts het noodzakelijke en laat gaarne aan anderen de zorg van haar voedsel, haren slaap, hare rust te regelen.

Onthecht van de dierbaarste familiehanden die haar zouden beletten geheel aan God te behooren. Neen, zij heeft de liefde in haar hart niet versmoord: Zij bemint nog, zij zal altijd beminnen, — zij zal wellicht meer dan ooit beminnen, — maar die liefde verontrust haar niet, trekt haar van God niet af.

Zij heeft alles verlaten voor den Bruidegom. door wien zij weet dat zij bemind wordt; aan Hem vertrouwt zij nu de zorg voor hare familie te doen wat zij zelve zou gedaan hebben, en zij leeft tevreden en gerust, overtuigd dat God hare zorg in alles overneemt.

Onthecht eindelijk van zichzelve, — om slechts te willen, — te zijn, — te doen wat God wil en zich daarmede volkomen tevreden te stellen.

Toegewijd beteekent uitsluitend bestemd voor eene zaak of een persoon, die volstrekte macht heeft op de toegewijde zaak.

Voor de religieuze ziel beteekent dit eenigermate gelijk worden aan de gouden en zilveren vaten, die bij het H. Misoffer gebruikt worden, en die, eenmaal gewijd, zonder heiligschennis, tot geen onheilig

ocr page 15

10

gebruik mogen dienen. Volgens deze overtuiging mag zij dus in haren geest geene gedachte vrijwillig toelaten, die niet rechtstreeks of zijdelings tot God gericht zij, in haar hart geene enkele begeerte, die de eer van God niet ten doel hebhe, geene enkele genegenheid, die niet volgens God zij!

Daarom moet zij haar lichaam rein en onbevlekt bewaren, het beschouwende als de tempel van den H. Geest, waarin Jezus Christus als in zijn eigen huis woont.

Toegewijd zegt nog veel meer! Het is als een slachtoffer worden van God, om voortdurend te aanbidden, te danken, te smeeken en te boeten : even als de Hostie van het H. Misoffer, die voor de Consecratie slechts een weinig brood was, en die na de sacramenteele woorden des Priesters, onder den schijn van brood, wezenlijk het lichaam van Jezus Christus is, in het tabernakel tegenwoordig.

Ziedaar het verheven denkbeeld dat de Heiligen sich van den religieuzen staat gevormd hebben. De religieuze behoudt, na hare toewijding aan God, iet zelfde gelaat, de zelfde stem, de zelfde ledematen, ien zelfden wil; doch dit alles is, om zoo te zeggen, slechts de schijn, het uiterlijk. Zij bezit dat alles ;lechts uitwendig, zij is, als de heilige Hostie, het slachtoffer van God.

Voor God als een offer zijn, zegt Bourdaloue, en lit zijn krachtens zijn staat, — »is niet meer aan zich ;elven toebehooren, — niet meer over zich zeiven )eschikken, — op zich zei ven geen het minste recht neer hebben, noch willen hebben. — Het is zich geheel stellen in de macht van God, — niet meer iandelen dan volgens zijn heiligen wil, zonder te rragen door wien of op welke wijze ons die wordt

ocr page 16

11

kenbaar gemaakt. Het is als dood zijn, zich als een doode laten geleiden, bestieren, plaatsen volgens den wil dergenen aan wie God ons heeft onderworpen, zoodanig dat wij met den Apostel zeggen kunnen: (Rom. VIII, 36.) Heer, om U zijn wij den ganschen dag aan den dood overgeleverd; men beschouwt ons, en wij beschouwen ons zeiven, uit liefde tot ü als slachtschapen, die men gaat opdragen.quot;

En, voegt dezelfde schrijver hierbij, hoe krachtig werkt deze gedachte op de religieuze ziel. »Ik ben »voor God als een slachtoffer!quot; Hoe ondersteunt ze haar in het vervullen barer plichten, hoe moeielijk die ook mogen zijn, welke krachtsinspanning ze ook mogen vragen. Waartoe is zij, door deze gedachte bezield, niet bereid? Moet zij hidden, waken, arbeiden, zich vernederen, zich versterven, ten koste van hare rust, hare gezondheid, hare neigingen, hare innigste verlangens, niets verwondert haar, niets doet haar terugdeinzen, want zij denkt steeds dat zij voor God een slachtoffer geworden is. En hoe dierbaar is baai-die gedachte, wanneer zij zoo vele ongelukkige zondaars zich ziet verlagen tot slachtoffers hunner eerzucht, hunner vermaken, tot slachtoffers eener wereld, die hun hare dwingelandij doet gevoelen en hen ten verderve richt, terwijl zij, als slachtoffer van God en zjjner heilige liefde, een offer is voor baren plicht, een offer voor hare volmaaktheid, een offer voor hare zaligheid, een offer voor de eeuwige gelukzaligheid , waartoe zij is voorbestemd en die zij tracht te verdienen.

Toegewijd, is een werktuig worden in de hand vaa God, dat Hij naar goedvinden plaatst en gebruikt volgens het doel dat Hij zich voorstelt, een werktuig dat Hij voor zijn werk bezigt.

ocr page 17

12

Welnu het werk van God is de bevordering vau sijne eer, de heiligmaking der zielen.

De zielen worden geheiligd door de kennis en de beoefening van Gods wet. God mag u dus gebruiken )m zij ne wetten te bestudeeren of zijne leer te ver-tondigen, hetzij aan de kinderen, hetzij aan de jeloovigen door uwe woorden of uwe geschriften.

De zielen worden geheiligd door het aanhoudend jehed, dat de goddelijke genade over haar aftrekt, jrod mag u dus gebruiken tot het contemplatieve even, tot de gedurige aanbidding van Jezus in zijn xeilig Sacrament, tot het verborgen leven van Jezus.

De zielen worden geheiligd door het lijden, dat net liefde door haar aanvaard en geleden wordt. Jod mag u dus gebruiken om voor Hem te lijden, ïij mag u smarten overzenden, die u aan het ziekbed duisteren; Hij mag van u een onbekend, ongeacht, erborgen leven vragen als tegenwicht voor de eer-,ucht en de godslasteringen der goddeloozen.

De zielen worden geheiligd door goede voorbeelden, ooral door het zien van zelfverloochening en zelf-poffering. God mag u dus, geheel uw leven, aan iet bed van arme zieken plaatsen, u de afzichtelijk-te wonden doen verbinden, arme weezen tot moeder .oen verstrekken, de dienstmaagd zijn der armen, er veriatenen, der ongelukkigen van alle slag en oort.

II.

Het tweede doel van den religieuzen staat is aan

enige uitverkoren zielen het middel aanbieden om ien graad van volmaaktheid of heiligheid te bereiken, ien God van haar vraagt en dien zij, in de wereld lijvende, niet zouden kunnen bereiken.

ocr page 18

13

God bemint alle zielen; zij allen zgn zijne schepselen , Hij heeft ze uit liefde geschapen en bestemt ze voor de eeuwige zaligheid; maar eenigen bemint Hij met eene bijzondere liefde, bestemt haar tot eene grootere glorie in zijn paradijs, en verwacht van haar bijgevolg eene meer volmaakte liefde.

Elke ziel heeft, gelijk elke bloem , hare schoonheid; maar er zijn er die schooner zijn dan andere, waarop het goddelijk oog met meer welbehagen rust, en die God voor zich zeiven behoudt.

Elke ziel heeft haar bijzonder nut voor Gods eer; maar er zijn zielen aan wie God meer heeft gegeven, opdat zij Hem meer zouden eeren en loven. En die uitverkoren zielen wenscht Hij innig en geheel aan zfln Hart gehecht te zien. Hij wil dat zij zich vrijwillig ter zijner beschikking stellen om in zijne hand te zijn wat een uitgelezen en buigzaam werktuig is in de hand van den kunstenaar! Hij zegt het haar. Hij doet het haar zeggen, Hij roept, Hij toont haar dat het slechts bij Hem is, in de eenzaamheid, in dien goddelijken luchtkring, die zijn Hart omgeeft dat zij volmaakt kunnen worden; doch altijd, altijd laat Hij ze vrij. En indien die zielen niet tot Hem komen, verkwijnen zij; zij leven daarheen zonder kracht, zonder vreugde, zonder vrede, zonder die bijzondere genaden, welke zij, zwak als zij zijn, noodig hebben; en wat zal er van haar worden? Wat zullen zij tot God zeggen, als zij voor Hem verschijnen?.....

Voor de zielen, die naar zijne stem luisteren, heeft God den religieuzen staat ingesteld. Het is daarin dat die uitverkoren zielen hare volle kracht verkrijgen, waarlijk nuttig zullen werken voor de eer van God en trapsgewijze die heiligheid zullen bereiken, die God van haar vraagt.

ocr page 19

14

Dit woord trapsgewijze drukt juist uit wat de religieuze staat vau de ziel eischt. Zij moet langzamerhand en als trap voor trap tot dien staat van volmaaktheid en heiligheid opklimmen, waarin zij in staat zal zijn aan God al de eer te geven, waartoe zij bekwaam is; maar zij moet altijd hooger klimmen; als zij vrijwillig blijft staan, als zij niet deugdzamer wil worden, als zij daartoe niet alle middelen wil gebruiken, die de regel haar aanbiedt, schiet zij tekort aan het doel van haren roep, beantwoordt niet aan de inzichten van barmhartigheid, die God met baar heeft, en schendt het verbond, op den dag harer heilige professie met God aangegaan.

Naar de volmaaktheid streven is voor de religieuze geen enkele raad, maar strenge plicht.

III.

Tot welke ernstige gevolgtrekkingen geven deze eerste bladzijden reeds aanleiding!

in -tot êo9.

Daar gij aan God zijt toegewijd en uit deze toewijding voor u de verplichting voortspruit naar heiligheid en volmaaktheid te streven, zoo dwaalt gij indien gij denkt dat, zoo gij het ongeluk hadt eene doodzonde te bedrijven, die zonde voor u niet zwaarder zou zijn dan voor anderen , daargelaten de heiligschennis, die elke zware zonde tegen de Gelofte in zich sluit. Elke doodzonde, door u bedreven, draagt een

ocr page 20

15

kenmerk van kwaadwilligheid, omdat gij beter weet wat gij doet, — een kenmerk van ondankbaarheid, omdat gij, door God zoo teeder bemind, zijn Hart wre.eder wonden toebrengt, — een kenmerk van meineed, omdat gij het verbond schendt met God aangegaan bij het uitspreken uwer HH. Geloften.

2. Gij dwaalt, indien gij meent dat het genoeg is in uwe communauteit te doen wat anderen doen, uit vrees van zonderling te schijnen, wanneer uw geweten u luide toeroept dat wat anderen doen niet goed is. Niet de voorbeelden van anderen, maar het heilig Evangelie en de lessen onzer Oversten moeten ons tot richtsnoer dienen.

De eerbiedwaardige Pastoor van Ars zegde op zijne eenigszins vreemde, doch krachtvolle wijze: gt;Om heilig te worden, moet men dwaas en uitzinnig zijnquot; Zeker behoeven wij niet zonderling te zijn, doch doen wij wat wij verplicht zijn en niet wat anderen doen.

3. Gij dwaalt indien gij meent dat het voor u genoeg is zware zonden te vermijden en dat gij, zonder uwe zaligheid in gevaar te stellen, vrijwillige dagelijksche zonden moogt bedrijven, en genegenheid tot eenige bijzondere dagelijksche zonde moogt blijven koesteren. Niet alleen verzwakt die zonde de ziel en maakt ze gereed tot zwaarderen val, maar zij is werkelijk een hinderpaal voor de volmaaktheid, waarnaar gij moet streven. Daarom vreest zeker godgeleerde niet te zeggen: »Een religieus zondigt tzwaar, wanneer hij zich niet de minste moeite geeft igt;de vrijwillige dagelijksche zonden te vermijden.quot;

4. Gij dwaalt indien gij gelooft op den weg der volmaaktheid stil te kunnen staan of u eene grenslijn te kunnen trekken, want gij weet door ondervinding

ocr page 21

16

I

dat stilstaan, achteruitgaan en vallen is; en dat gij moet trachten steeds beter te worden. Een zijner missionarissen vraagde den Pastoor van Ars: »Hoe moet men tot God gaan?quot; »Mijn vriendquot;, antwoordde deze, »in volle vaart gelijk de kogel uit een kanon.quot; Dit krachtig woord toont u uw plicht.

5. Gij dwaalt indien gij meent dal gij u zelve zonder genoegzame reden, uit gewoonte of zorgeloosheid moogt ontslaan van de oefeningen van godsvrucht door den Regel voorgeschreven en die ten doel hebben u tot de volmaaktheid te brengen. zooals de meditatie, het onderzoek van geweten, de geestelijke lezing, de oefeningen van gehoorzaamheid, of dat gij u moogt tevreden stellen om ze voor het oog van anderen te doen, oppervlakkig, zonder vlijt, en bijgevolg yonder eenig nut.

6. Gij dwaalt indien gij vermeent op den weg der zaligheid te zijn, wanneer gy u tevreden stelt de zware verplichtingen van uwen staat na te leven, en geen werk maakt van kleine overtredingen.

Het H. Concilie van Trente zegt uitdrukkelijk: gt; Dat alle kloosterlingen, hetzij mannen of vrouwen, hun leven schikken volgens den regel, dien zij omhelsd hebben; dat zij getrouw alles nakomen wat hen tot de volmaaktheid van hunnen staat kan brengen, zooals de gehoorzaamheid, de armoede en de zuiverheid, de bijzondere beloften van hunne orde, en al wat kan strekken om de regelen ongeschonden te bewaren, zooals het gemeenschappelijk leven, de matigheid, de eenvoudigheid der kleederen, enz.quot;

Tess. XXV. Cap. I de regul. et monial.

Dit is eene ernstige vermaning, waarmede men geene rekening schijnt te houden, wanneer men slechts die punten van den Regel wil onderhouden, die onder

ocr page 22

17

zware zonde verplichten. Straalt iu die voorbedachte, vrijwillige overtreding geen schijn van misachting der HH. Regelen door?

in- -tot 9e

Gij hebt u vrijwillig aan God toegewijd. Gij tracht in alles uwen wil met den zijnen te vereenigen, om Hem meer te behagen; welnu, die God, die zich nooit in edelmoedigheid liet overtreffen, zal u alles vergoeden wat gij voor Hem doet. Gij geeft u aan Hem, Hij zal zich aan u geven. Gij stelt in zijne handen uwe ziel, uw hart, uw lichaam, uw geheel bestaan; Hij zal zich, om zoo te zeggen, geheel ter uwer beschikking stellen. Gij zult het voorwerp zijn van zijne bijzondere genaden.

1. Gei iade van hescherming. God zal over uwe ziel waken, haar beschermen met de zorg van den liefderijksten vader; hij zal de gevoeligste bekoringen van u verwijderen of verminderen, of wel Hij 'zal uwe krachten zoodanig vermeerderen, dat gij zegevierend uit den strijd komt. — God zal zore voor u dragen, gelijk de priester voor de gouden en zilveren altaarvaten, die hij voor elke onheilige aanraking behoedt, — Hy zal met wijze vaderzorg de beproeving afmeten, die noodig is om u te louteren en te heiligen.

_ 2. Genade van bemoediging. God zal tot uwe ziel woorden spreken van liefde, van kracht, van vrede, slechts aan het innig verkeer met Hem voorbehouden. Hy zal oplettend naar uwe gebeden luisteren; - u zijne tegenwoordigheid doen gevoelen,__

2

ocr page 23

18

Hij zal voor u de liefderijkste rader, — de teederste moeder, — de getrouwste vriend zijn, — u troostende als gij bedroefd zijt, u opbeurende als gij valt, — met eigen hand uwe wonden verbindende en rondom u harten plaatsende, aan wie Hij zijne liefde en genegenheid voor u mededeelt.

3. Genade van leidina. God zal u in het gebed onderwijzen en u het geluk leeren begrijpen van de gehoorzaamheid, de vreugde der armoede, de verrukkelijke schoonheid der zuiverheid. Hij zal u langzamerhand onthechten van alle aardsche zaken, door u dagelijks meer te doen trachten naar eene innige vereeniging met zijnen goddelijken wil, zoodat, indien gij u laat geleiden en u steeds meer aan Gods vaderhand vastklemt, uw leven op aarde een hemelsch leven zal worden en gij in waarheid met den H. Apostel Paulus zult kunnen zeggen: »Ik leef niet meer, maar »Jezus- Christus leeft in mijquot; Gal. II, 20.

Sde ÜOOFIDSTTJIS:.

Ovev liet Bestuuir»

Elke religieuze gemeente wordt, onder toezicht van den Bisschop, bestuurd door eene Overste, die gewoonlijk gekozen wordt door de leden van de zelfde gemeente onder al de waarborgen, die de mensche-lijke voorzichtigheid kan aanbieden.

ocr page 24

19

I.

Gewaarborgd door de stemgerechtigde leden. Zij moeten eenige jaren, na hare professie, in de gemeente doorgebracht hebben, — zich stipt onderwerpen aan hetgeen de Regel omtrent de keuze voorschrijft en zich door geene menschelijke beweegredenen laten geleiden.

II.

Gewaarborgd door de wijze ivaarop de verkiezing geschiedt. Uewoonlijk wordt de keuze voorafgegaan door eenige dagen van retraite, in gebed en versterving doorgebracht. — Zy geschiedt ouder toezicht van den Bisschop of der hooge geestelijkheid, die de keuze moet goedkeuren en bekrachtigen.

III.

Gewaarborgd door de verkozene zelve. In elke gemeente is de waardigheid van Overste minder eene eer dan een last. Men verbergt der Overste dit woord der H. Schrift niet: »Er zal eene zeer »strenge rekenschap gevraagd worden van degenen, ndie anderen bestuurd hebben. Sap. VI, 6. Daarom begvert zij zich, gedurende de korte jaren van haar bestuur, hare plichten nauwkeurig te vervullen en den naam van Moeder te verdienen, dien hare zusters haar geven en dien zij voor Gods rechterstoel zal dragen.

De Overste wordt gewoonlijk slechts benoemd voor zekeren tijd, door de Constitutiën bepaald; zij moet jaarlijks aan de geestelijke Overheid rekenschap geven omtrent haar beheer der tijdelijke goederen van het huis en omtrent hare zorg voor het tijdelyke en

ocr page 25

20

geestelijk welzijn der zusters. Al deze redenen zullen haar aanzetten in haar bestuur zorgvuldig en moederlijk te werk te gaan.

IV.

Gewaarborgd door de regelen, die de Overste moet doen naleven. Zij mag geene willekeurige bevelen geven. Zij staat slechts aan het hoofd om de regelen te doen naleven, die gewoonlijk door Heiligen zijn opgesteld, — lang beoefend door personen, die zij in heiligheid en deugd hebben doen toenemen, — lang bestudeerd en overwogen tot in de kleinste onder-deelen, — goedgekeurd eindelijk door het hoogste gezag op aarde, den Stedehouder van Jezus-Christus of althans zeker door den Bisschop.

De Regel is der Religieuzen niet opgedrongen. Alvorens haar tot deszelfs naleving te verplichten heeft men haar dien in de kleinste bijzonderheden, in heel deszelfs omvang en al deszelfs verplichtingen uitgelegd.

Gedurende haar postulaat en novicaat heeft men haar vrijgelaten. Zij beoefende elk der regelen en kon zich overtuigen of zij, al dan niet, binnen het bereik harer krachten lagen, — zoodat, wanneer de religieuze hare Geloften uitspreekt, zij gerust kan zeggen: »]k iveet wat ik doe; ik. verbind mij niet lichtvaardig ! quot;

Gij ziet dus dat, uit tij del ijk oogpunt beschouwd, het bestuur van den religieuzen staat gewaarborgd is door wetenschap, wijsheid en deugd.

üit goddelijk oogpunt beschouwd, deelt dit bestuur eenigszins in dat der Kerk, die het heeft goedgekeurd en bevestigd eu zich de noodige wijzingen heeft voorbehouden.

ocr page 26

21

V.

Is het niet waar dat dit bestuur, die Overste, die Regelen, zelfs alleen uit menschelijk oogpunt beschouwd , iets groots, iets verhevens hebben ? Alle gezag komt van God. De H. Paulus zegt: »Gij »dienaars, gehoorzaamt uwen meesters... in de eenvoud »des harten, gelijk aan Christus... Met welwiltend-»heid dienende, als den Ileere, en niet de menschen.quot; Eph. VI, 5, 7. In een huis nu, door Gods ingeving gesticht, in een huis, waarin de leden slechts door Gods hoogere roeping zijn getreden om zich geheel aan God toe te wijden; in een huis waar alleen voor God gewerkt wordt, — waarin Hij alleen meester is) — daar heeft het gézag, volgens voormelde voorwaarden gevestigd, iets goddelijks. Kan God daar niet zeggen gelijk Hij het van de H. Kerk zegt, »die u hoort, hoort mij, en die u versmaadt, ver-■»smaadt mij?1' Luc. X, 16. Ook heeft de religieuze, niet aan de Overste, maar aan God gelofte van gehoorzaamheid gedaan, want de Overste is slechts de plaatsbekleedster van God.

Wij zullen later de verhevenheid en de voordeelen der gehoorzaamheid, alsook die der HH. Regelen aantoonen, alsmede hoe men die moet naleven. Ziehier wat de Heiligen en godgeleerden zeggen, omtrent den eerbied en de onderwerping aan de Oversten en den Regel verschuldigd.

ocr page 27

22

;

cTe-n op^gt;icfite Ovzzstz.

De H. Bernardus onderscheidt vier trappen in de zonde van ongehoorzaamheid, door de Religieuzen bedreven.

1. De eerste is: datgene wat bevolen wordt en met den Regel niet in strijd is, niet te doen, hetgeen in zware gevallen, doodzonde is, wanneer de Overste het inzicht heeft doen kennen onder zware zonde te verplichten; dagelijksche zonde, indien de zaak, die bevolen wordt, klein is in zich zelve en hare omstandigheden, of ook wanneer de zaak zwaar is, doch de Overste het inzicht niet heeft onder zware zonde te gebieden.

2. De tweede is: openlijk den Overste te weerstaan, wanneer hij iets beveelt, hetgeen eene zwaardere overtreding is dan enkele ongehoorzaamheid; want deze weerstand in kleine zaken kan zware zonde worden, indien men merkelijk ontbreekt aan den eerbied, dien men den persoon van den Overste of zijner waardigheid verschuldigd is, vooral wanneer dit openlijk verergernis geeft.

3. De derde is: bij dien weerstand openlijke eu iverhdijki' verachting te voegen, hetgeen altijd eene verzwarende omstandigheid is.

2. De vierde eindelijk is: openlijk en in ernstige zaken tegenspreken, samenspannen, opstaan tegen het gezag van den Overste; eene overtreding zoo zwaar, dat het niet mogelijk is die van doodzonde vrij te spreken, behalve wanneer het zich zou bepalen tot morren in kleine zaken, uitspatting van het humeur enz., fouten, die somtijds ontsnappen en geene ernstige gevolgen na zich sleepen.

ocr page 28

23

Sen o-pamp;idVte dez

Om met juistheid te kunnen weten in hoeverre de Regelen verplichten, moet men twee soorten van Regelen onderscheiden.

1. Die, welke als gebod of verbod gegeven worden en bijv. deze woorden bevatten: » Wij gebieden, of wij verbieden ten strengste.quot; Die, welke de statuten of constitutiën van eene orde uitmaken als, bijv. de ziekenverpleging, — de opvoeding der kinderen — en die, welke betrekking hebben op het onderhouden der Geloften. Dit zijn als zoovele door de H. Kerk goedgekeurde wetten, die de Stichtvader der Orde bijgevolg verplichtend heeft gemaakt. Deze regelen verplichten onder doodzonde, even als de geboden der H. Kerk. Nochtans kan de overtreding slechts eene dagelijksche zonde worden, door kleinheid van stof of bjj gebrek aan vrijen wil.

2. De regelen, die niet als gebod, maar als raad gegeven worden en slechts op de religieuze tucht betrekking hebben, bijv. van op het eerste teeken der Mok te gehoorzamen, verplichten niet onder zonde; doch de H. Thomas zegt, dat een religieus, die vrijwillig de regelen overtreedt, bijna altijd zondigt door lauwheid, nalatigheid of nieuwsgierigheid en vooral door het slechte voorbeeld dat hij geeft. Indien God rekenschap zal vragen van elk ijdel woord, hoe zal Hij dan eene overtreding over het hoofd zien van een punt van den regel, waardoor men eene wettig gegeven verordening schendt?

2. Wanneer een regel iets bevat, dat betrekking heeft op de Geloften of dat door Gods gebod verboden of geboden wordt, onafhankelijk van den regel, is men onder straffe van zonde verplicht dien Regel na

ocr page 29

24

te komen, niet krachtens den Regel, maar krachtens de gelofte of het gebod van God; de zonde zal meer of minder zwaar zijn, naar gelang de overtreding dei-geloften of van het gebod meer of minder zwaar is.

3. De overtreding van den Regel, al verplicht deze niet op zonde, zou eene doodzonde kunnen worden, als die overtreding voortkomt uit opzettelijke verachting van den Regel; en die opzettelijke verachting bestaat, volgens den H. Alphonsus, als die overtreding plaats heeft, omdat men zich niet wil onderwerpen aan den Regel of aan het gezag, of omdat men het als kleingeestigheid beschouwt, al die kleine punten na te komen. Geheel anders zou het zijn, als men, in geval de Regel niet op groote zonde verplicht, slechts uit lichtzinnigheid of drift kleine punten van den Regel overtreedt, of omdat men de naleving daarvan niet als noodzakelijk ter zaligheid of volstrekt verplichtend beschouwt. De gewoonte zelfs, in kleine zaken den Regel te overtreden uit zorgeloosheid of lichtzinnigheid, overschrijdt de grenzen der dagelijk-sche zonden niet.

4. Het kwade voorbeeld kan, zoowel als de opzettelijke verachting, de overtreding van een punt van den Regel, dat uit zich zeiven klein is, tot zware zonde maken; en dat kwade voorbeeld is vooral te vreezen, als die overtreding in gewoonte ontaardt. De kloosterling is, zooals de H. Alphonsus opmerkt, op zware zonde verplicht, zijne communauteit geen aanmerkelijk nadeel te berokkenen, door anderen door zijn voorbeeld tot verslapping aan te zetten; hetgeen hij zou doen, indien hij telkens het siil-zwijgen verbreekt, het gebed verzuimt, minder de zedigheid betracht, de cellen van anderen betreedt enz., of door andere dergelijke overtredingen.

ocr page 30

3'le HOOFIDSTTJIS:.

Over cle pex'sonen, clie «Ion Religieuzen Staat omhelsd lielgt;toen.

üe personen, die den Religieuzen Staat omhelsd hebben, levende in eene door de H. Kerk goedgekeurde vergadering, met elkander vereenigd dooide drie Gelofteu, aan denzelfden Regel ouderworpen , bieden, zoowel onder het oogpunt van de deugd als van de samenleving, alle waarborgen, die meu van God en de H. Kerk kan begeeren.

I.

tyJan dc-n. -fi-cmt van §o9.

De religieuzen worden door God op eene bijzondere wijze uitverkoren; en die keuze is, — als ik zoo spreken mag — eene voorzichtige, verstandige, doordachte keuze. God, die vrij is om te kiezen, zal zich bij voorkeur tot die zielen wenden in wie Hij een vasten en tevens buigzamen wil ziet, gepaard aan eene vurige begeerte om zich op te offeren, een gedurig streven naar al wat goed en schoon is.

Mag men twijfelen of God met minder zorg zijne Bruiden kiest, dan de wereldling, die in zijne keuze met overleg en voorzichtigheid te werk gaat?

2. Deze zielen worden door God geroepen, met eene kieschheid die overdreven schijnt in Hem die Meester van alles is. »De eer der maagdelijke reinsheid wordt slechts aan een zeer klein getal uitver-»koornen geschonken. Met welke voorzorg deelt

ocr page 31

26

»God haar zijne planuen mede, en met welke zorg i

»waakt Hij over hare getrouwheid. Jezus zegt slechts 1 »eenige woorden in het voorbijgaan, verborgene,

»geheimzinnige mededeeling die Hij met een nog ;

»geheimzinniger woord besluit; » Wie het vatten kan, ]

»vatte het.quot;1 Matth. XIX, 12. j

»Geeu enkel voorschrift, geen schaduw van ver- lt;

«pliehting! Die God, die beveelt voor het geloof te (

»sterven, zich de hand, den voet af te kappen, zich »het oog uit te rukken, geeft ten opzichte der maag-»delijke reinheid slechts een bescheiden raad: »» Het

»»is slechts een raad, dien ik u geef; ik heb van God

■»»geen bevel ontvangen.quot;quot; I Cor. VII, 25. (L'abbé (

Doublet). Jezus-Ghristus wil dat men, door liefde ( gedrongen, tot Hem kome. » Deze zielen beminnen mij, zij zelve zijn tot mij gekomen.quot;

Deze gedachte aan eene goddelijke en geheel bij- ;

zondere roeping, en eene liefdevolle beantwoording ]

aan de roeping omgeeft elk der leden eener religieuze i

vergadering met een straalkrans, die eerbied en ontzag inboezemt.

3. Daar God die zielen roept, Hij, die steeds de middelen aan het doel evenaart, zal Hij haar ook ]

byzondere genaden geven, die, — zoo zij getrouw i

daaraan beantwoorden, — haar zullen verheffen tot i

even zoo vele slachtoffers voor Gods eer, — zoo vele apostelen tot heil der zielen — zoo vele heiligen in ,

één woord, die zich trapsgewijze tot volmaaktheid zullen verheffen, die God van haar vraagt. Zoo geeft God aan de zielen, die Hij in het klooster , i roept en bestemt tot de gedurige aanbidding van het i

H. Sacrament, ten einde aldus op aarde de plaats, der ;

engelen te bekleeden, een levendig geloof, een bijzonderen smaak tot het gebed, een onweerstaanbaren

ocr page 32

27

trek voor dat zoet verkeer niet God dat, zonder begin noch einde, nooit verveelt en nooit vermoeit.

Aan die zielen, die God heeft geroepen om aan zijne rechtvaardigheid te voldoen en, door vrijwillige boetpleging, voor de misdaden der zondaars te boeten, geeft God een onpeilbareu schat van edelmoedigheid, een dorst naar lijden, eene brandende liefde tot deu gekruisten Jezus en het heil der zielen, door zijn Bloed vrijgekocht.

Aan de zielen door God geroepen om zijne wet aan de kinderen of aan de volkeren te verkondigen, zal God geduld, liefde, moed en behendigheid geven en den noodigen ijver om desnoods duizendmaal op nieuw te beginnen.

Aan de zielen, die geroepen zijn om bij arme weezen de plaats te vervullen der diepbetreurde moeder, — bij de zieken en stervenden de plaats te bekleeden der zuster, die zij te vergeefs tot zich roepen, geeft God een hart vol liefde, vol teederheid , vol wonderdadige kracht.

4. Daar de religieuze staat het meeste zelfopoffering vraagt, wijl men wat men op aarde dierbaarst heeft moet verlaten, zijne bloedverwanten, — verzaken aan hetgeen men persoonlijk bezit, zijn eigenwil, — en zich geheel aan zijn God en zijn evennaasten moet toewijden; daar de religieuze staat het meeste godsvrucht vraagt, wijl men steeds moet trachten zich inniger met God te vereenigen, ten einde in zijne hand te zijn als een werktuig, of beter als een slacht-offor: daar de religieuze staat het meeste kracht vraagt, omdat men zijn hart, zijn wil, zijne neigingen, zijne zintuigen moet ten onder brengen om ze aan Gods wil te onderwerpen; — en God aan de zielen, die Hij roept, die drie krachtige deugden, zelfopoffering,

ocr page 33

28

godsvrucht en kracht geeft: moet men dan daaruit niet besluiten dat die zielen, zoo zij aan hare roeping getrouw blijven, de schoonste, de liefderijkste, de edelste zielen zijn, en dat het aangenaam is met haar te leven?

Lees deze bladzijde, waarin de Heer de Montalam-bert ons op zielroerende wijze zegt, wat de religieuze is, wat zij wordt in Gods hand.

»Het is de hand Gods die weder onze haardsteden, onze bedroefde harten treft, door ons onze dochters, ooze zusters te ontnemen.

» Dagelijks verlaten duizend geliefde wezens kasteelen zoowel als hutten, paleizen zoowel als werkplaatsen, om aan God haar hart, hare ziel, hare ouschuld, haar leven te gaan opofferen. Dagelijks, zoo bij ons als overal elders, — dragen dochters van hooge geboorte en nog hoogere deugd, en andere met een hart veel grooter dan hare fortuin, zich, reeds in hare schoonste levensjaren, aan een onsterfelijkeu Bruidegom op!

»Het is de bloem van het menschdom, eene bloem nog beladen met haar eersten dauwdrop, waarin zich slechts de zonnestraal gespiegeld heeft, en het aardsche stof nog niet heeft bezoedeld.

» Heerlijke, uitgelezen bloem, die reeds van verre, zelfs de laagst gezonken wezens, een oogenblik althans, door haren geur bekoort. Het is de bloem, maar ook de vrucht; het is het zuiverste sap, het rijkste bloed van Adams stam. Want dagelijks behalen deze heldinnen, door de moedige pogingen, die haar boven aardsche genegenheden verheffen, de schitterendste zegepraal.

»Waar kunnen wij een schouwspel vinden, dat duidelijker de goddelijke natuur der Kerk openbaart?

ocr page 34

29

»In deze eeuw van verwijfdheid, van algenieene, moreele ontzenuwing hebben die heldinnen het licht en de kracht gevonden, — en, zwakke vrouwen als ■zij zijn, toonen zij die mannelijke en volhardende geestkracht, die ons ontbreekt, als wij met stalen voorhoofd het eigenbelang, de lafhartigheid, de zinnelijkheid onzer tijden en aller tijden zouden moeten bestrijden.

»En met de kracht en het licht hebben zij de voorzichtigheid, het ware doorzicht. Zij hebben het leven begrepen alvorens het te hebben gesmaakt. Wie heeft haar deszelfs treurige geheimen geopenbaard ? aan haar zoo rein! aan haar in een leeftijd, waarin het hart begint dien onleschbaren dorst naar liefde en toegenegenheid te gevoelen ? Wie heeft haar geleerd dat die dorst nooit op deze wereld kan gelescht worden? Wie heeft haar de schandelijke broosheid der aardsche banden doen kennen, van de edelste, de zoetste, de teederste, de hechtste banden die men onsterfelijk waande, die de grootste plaats in het hart besloegen, in diezelfde harten waarin zij weldra verkwijnden en ten gronde gingen?

»Het kan slechts eene goddelijke inspraak zijn, die haar vrijmaakte, terwijl zij ons ontrukt werden.

Ja, zij zyn gevrijwaard voor dat droevig ontwaken der ziel, die teleurstelling, verraad, verachting vindt op den weg der liefde, en wellicht, na zoo veel streven en zoo veel liefde, de stilte des grafs in de volheid van het leven. Zij hebben den vijand bespeurd, zij hebben hem afgekeerd, overwonnen! Zij zijn hem voor immer ontsnapt!

»Zij brengen aan God in deszelfs volle frischheid geheel haar hart, al de schatten der innigste liefde en van dat volle vertrouwen, dat zij den sterveling

ocr page 35

30

weigeren. Zij gaan alles verbergen, alles slachtofferen onder het kleed der zelfverloochening, in de schaduw van het heiligdom !quot;

»En wanneer zij alles volbracht hebben, wanneer zij zich zelve ten offer gebracht hebben, verzekeren zij ons dat zij vrede èa vreugde èn de volheid der liefde gevonden hebben! Zij hebben haar hart trouw bewaard voor Hem, die nooit verandert, nooit bedriegt!

»En in zijnen dienst smaken zij een troost, ten volle den prijs waardig, dien zij er voor betaald hebben , vreugden — somtijds beneveld, om niet zonder verdiensten te zijn, maar welker geur en zoetheid blijft voortduren tot aan gene zijde van het graf!

»Is dit een droom? Een verdichtsel? Is het geschiedenis? de geschiedenis van een onherroepbaar verleden ? Neen , duizendmaal neen, het is datgene wat dagelijks onder onze oogen geschiedt.

» Maar wie is dan die onzichtbare Bruidegom, achttien eeuwen geleden op een schandhout gestorven, die aldus jeugd en schoonheid en liefde tot zich trekt, die aan deze zielen verschijnt met een glans en eene bekoorlijkheid, waaraan zij niet kunnen wederstaan, die zich plotseling op haar werpt, haar tot zijne prooi maakt? Wie neemt aldus het vleesch van ons vleesch, wie lescht zijn dorst aan ons zuiverst harte-bloed? Is het een mensch? Neen, het is een God! Ziedaar het groot geheim, de oplossing van dit groot en treffend vraagstuk. Slechts een God kan zulk eene zegepraal behalen en zulk een offer waardig zijn!

ocr page 36

31

II.

^Pa-H den amp;anï dei, 2t. cKamp;zfi.

De H. Kerk omringt de religieuze met de teederste en oplettendste zorg, ten einde haar wel te kennen, te vormen en te beschermen.

Voor de H. Piiofessib.

De H. Kerk eischt 1°. voor de persoon, die in eene gemeente wil ontvangen worden, een korteren of langeren tijd van postulaat, gedurende welken tijd men zich kan bekend maken met hare gezondheid, haar natuurlijken aanleg, haar humeur en karakter, de beweegreden barer begeerte, de moeielijkheden van den kant harer familie, enz.

2. Den leeftijd van minstens 16 jaren, met wiskunstige nauwgezetheid berekend.

3. Ten minste Mn vol jaar novicaat (verscheidene communauteiten eischeu twee jaren). Gedurende dezen

(iVb/ff.) De post van meesteres der novicen is zeer gewichtig en zeer moeielijk te vervullen. Men kan zeggen dat de toekomst der Congregatie bijna geheel van haar afhangt. Het is hier de plaats niet al de deugdtn op te sommen, die zij moet bezitten, noch de gedragslijn welke zij omtrent hare novicen te volgen heelt. Wij willen hier slechts, om de zorg, die aan de vorming der religieuze gewijd wordt, aan te toonen, de punten aanstippen, waarop zij in hare dagelijksche onderrichting letten moet.

De ziel en het karakter moeten zoowel als de geest gevormd worden, door nauwkeurige, geduldig uitgelegde, dikwijls herhaalde oaderrichtingen en door dagelijksche oefeningen, die daarmede iu verband staan.

ocr page 37

32

tijd draagt de aspirante het religieuze kleed en leeft, van de geprofeste zusters zelfs afgezonderd, onder toezicht der novicemeesteres, die haar nooit uit het oog verliest en wier plicht het is, haar met meer nauwkeurigheid dan gedurende haar postulaat gade te slaan, — haar karakter en hare deugd te beproeven , — haar te oefenen in de gehoorzaamheid, — de armoede, — de zelfverloochening, — den inwendigen geest, — haar karakter en wil te leiden, gelijk een bekwaam meester een beminden leerling voor zijn werk vormt.

4. De H. Kerk eischt de toestemming der gemeente , waarin de novice haar nocicaat volbracht en haar handel en wandel gezien heeft.

1. De novicemeesteres moet hare novice de vreeze Gods inboezemen, waardoor deze haar plicht zul betrachten, ook wanneer zij alleen i's, en die baar met zorg de gelegenheid tot zonden doet vermijden.

De nederigheid, die haar de gehoorzaamheid doet betrachten en haar leert zich te laten verbeteren en besturen; haar elke tegenspraak en eiken inwendigen opstand doet versmoren, en haar vooral buigzaam maakt in de hand Gods, die haar, hetzij rechtstreeks, hetzij door de Oversten, beproeft.

De liefde Gods, die haar aanzet tot het gebed, tot den eerbied in de Kerk, tot liefde voor Jezus in zijn H. Sacrament, tot zorg om zich waardig tot de H. Commnnie te bereiden.

De liefde tol den eoennaasien, die haar zachtmoedig, voorkomend, zelfopofl'erend, verdraagzaam zal maken. Deze deugden vormen den Chrislen en men moet Christen zijn alvorens Religieuze te kunnen worden. Het inwendig leven kan slechts gevestigd worden op Jen grondslag van het christelijk leven en de godvruchtige en geestelijke lezingen zullen slechts in zooverre de ziel nnt aanbrengen als deze daartoe voorbereid is door eene wel begrepen en wel doorgronde studie van den Catechismus.

2. De novicemeesteres moet vooral drukken op de kenteekenen eener goddelijke roeping, door te leeren dat men slechts in het klooster moet treden om God en God alleen te zoeken, — zich slechts ééne zaak voorstellende, te weten: zich aan God te geven om Hem te dienen

ocr page 38

33

5. Eeu onderzoek, waardoor de Bisschop of Kerk-overste zich overtuigt omtrent de gesteltenis der novice, omtrent de beweegredenen, die haar aangezet hebben in het klooster te treden, en zich vooral vergewist, dat zy hare Professie met volle vrijheid doet.

6. Een uitwendig teeken, te weten de formule der HH. Geloften, in tegenwoordigheid van den Bisschop of zijn plaatsvervanger uitgesproken, in het midden der geheele communauteit, welke aldaar vergaderd is om getuige te zijn van hare toewijding.

Wat zou men nu nog meer kunnen eischen om zich omtrent de gesteltenis eener aspirante te overtuigen ? En mag men niet vertrouwen, dat iemand, die aldus beproefd en aldus onderzocht is, alle deugden zal bezitten , die in een gezin vrede en vreugde doen heerschen ?

op de wijze waarop Hij gediend wil worden; — om zijne zonden te boeten, — otu zijne ziel te behoeden voor de gevaren waaraan zij in de wereld blootgesteld was, — en zoo den Hemel te winnen. Zij moet dikwijls herhalen, dat elk bij-oogmerk of menschelijke beweegrede de novice levenslang ongelukkig zon kunnen maken, en dat voor haar, die geen oprechten wil zou hebben om geheel voor God te leven en geene nederigheid genoeg om zich te laten besturen, het verkieselijk is in de wereld terug te keeren.

Zij moet zeker gaarne de voordeelen van het religieuze leven voorhouden , doch zij mag ook de moeielyjkh'.den niet verzwijgen. Zij moet niet verbergen dat hevige bekoringen de religieuze zullen bestormen, de walging en verveling haar hart zullen bezwaren, maar zij zal tevens toonen waar kracht en troost te putten is: bij Jezus-Christus voor wien zij alleen in het klooster gelreden is, en zij zal als onfeilbaar middel voor alle bekoringen en alle vermoeienis aanwijzen: Het gebed aan den voet van het tabernakel, en eene kinderlijke uitstorting des harten in het hart harer Oversten.

Gedurende het proefjaar moet de novicemeesteres dikwijls de Overste mededeelen wat zij in de novice opgemerkt heeft. De novice, van haren kant, bestudeert den regel, neemt er om zoo te zeggen de proef van, onderzoekt of de gemeente voor haar geschikt is eu of de bezigheden niet boven hare krachten zijn.

3

ocr page 39

34

Na de H. Professie.

Wanneer de novice geprofest is, blijft de H. Kerk over haar waken met nog meer zorgvuldigheid dan te voren, omdat zij Haar meer bijzonder toebehoort, en door Haar beschouwd wordt voor hetgeen zij waarlijk is, de Bruid van Jezus-Christus, voor wien de H. Kerk haar rein en onbevlekt moet bewaren.

1. De H. Kerk wil, dat in de Communauteit het H. Sacrament ruste, zoodat de religieuze in alle waarheid zeggen kan, dat zij het huis van haren Bruidegom bewoont, dat zij onder zijne oogen leeft en werkt, en dat elk barer daden door Hem gezien en geschat wordt. De dagorde brengt haar dikwijls aan den voet van het tabernakel; doch meermalen door den dag zet haar hart haar aan, in het voorbijgaan , tot haren Jezus woorden van eerbied en liefde te richten. O wie kan de schatten van vrede, van liefde, van kracht en vreugde tellen, die deze bijna voortdurende nabijheid van Jezus geeft!

2. De H. Kerk kiest haar, onder de bekwaamste priesters, een biechtvader, die, voor hare leiding bijzondere macht bezit en bijzondere studiën moet maken, — en, tot meerdere vrijheid, wordt haar een huitengewonen biechtvader toegevoegd, bij wien zij zich drie of vier maal 's jaars moet aanbieden. In bijzondere gevallen staat de H. Kerk haar nog andere biechtvaders toe.

3. Zij wil dat de religieuze verscheidene malen in de week communiceere, en begeert dat, zoo zij bijzonder werk maakt om in deugd toe te nemen, de biechtvader haar langzamerhand de dagelijksche Communie toesta.

4. Zij wil dat de Bisschop of zijn plaatsvervanger geregeld elke gemeente bezoeke, elke religieuze

ocr page 40

35

afzonderlijk spreke, en haar ondervrage omtrent alles wat haar bijzonder betreft; omtrent hare gezondheid, den toestand harer ziel, den post, dien zij bekleedt, — wat zij leest, — hoe zij met God omgaat, — aldus wakende over haar welzijn naar ziel en lichaam.

5. De H. Kerk wil, dat jaarlijks, of minstens om de twee jaren, eene retraite van eenige dagen in elke gemeente gegeven worde, ten einde die religieuzen, die van haren plicht mochten afgeweken zijn, terug te brengen, en degenen, die daaraan getrouw gebleven zijn, in het goede te versterken.

6. En zoowel als de H. Kerk zorg draagt voor de ziel der religieuze, zoo zorgt zij ook voor haar verstand. Zij weet, dat, hoe hooger de geest stijgt, hoe meer de ziel bekwaam wordt om God te kennen en te beminnen; daarom wordt de Overste verplicht te zorgen voor veelvuldige onderrichtingen en welgekozen lezingen. Zij wil, dat elk huis, volgens deszelfs bijzondere bestemming, eene bibliotheek bezitte, wel voorzien van goede, leerrijke boeken, die den geest verlichten en verheffen. Zij wil, dat, zoowel als er uren aan het gebed gewijd worden, ook menig uur voor de studie bestemd zij, vooral in die huizen, die zich het onderwijs der jeugd ten doel stellen. In de wereld maakt men zich geen denkbeeld tot welk een hoogen graad van kennis, van talent, van poëzie zelfs, zich vaak die godvruchtige zielen verheffen, die onder het oog van God met een geest, vrij van de aardsche beslommeringen, dagelijks slechts één uur aan ernstige studie wijden. De kloosterlijke stilte bevordert het werken der gedachten krachtig en de dubbele ingekeerdheid van het hart in God en den geest in de studie geeft het verstand eene wonderbare kracht.

ocr page 41

36

7. De H. Kerk zorgt voor het hart der religieuze. Zij wenscht dat elke gemeente slechts één gezin vorme, en dat goedheid, toegevendheid, zachtmoedigheid en verdraagzaamheid de heerschende geest in de kloosters zij: zij wil dat degene, die aan het hoofd staat en buiten bekend is onder den naam van Overste, binnen slechts Moeder genoemd worde, en dat zij allen, die aan hare zorg toevertrouwd zijn, hare kinderen, hare dochters noeme, dat de religieuzen elkander zuster noemen; dat, om den geest van eigenbelang en eigendom geheel te vernietigen al de voorwerpen van het huis aan allen en aan niemand in het bijzonder toebehooren, door het woord mijn te doen vervangen door dat zoo christelijk woord, dat Jezus koos voor het eerste woord van het gebed, dat Hij ons gaf: Onze.

Mogen wy nu niet zonder overdrijving zeggen, dat de zielen, die tot den religieuzen staat geroepen zijn en getrouw blijven aan hare roeping, zielen op deze wijze gevormd en beschermd door de liefderijkste zorgen, de schoonste en heiligste zielen zijn, en dus het leste deel op aarde is, in haar midden te mogen leven ?

Zeker zijn alle religieuzen niet zonder gebreken, zeker zijn allen niet volmaakt, maar allen — zoo zij niet aan hare roeping tekort willen blijven — moeten trachten hare fouten te verminderen en volmaakt te worden. De pogingen zelfs, die zij aanwenden onder Gods oog en Gods hulp, geven aan haar karakter over het algemeen en bijgevolg aan de geheele gemeente iets liefelijks, iets aanlokkends, dat men in de wereld slechts hier en daar verspreid aantreft.

ocr page 42

37

in.

Ziehier het kort begrip der eigenschappen eener goede religieuze. Het is het ideaal, dat zij steeds voor oogen moet hebben. Zoo zij zich dagelijks doordringt vau de gedachte, dat God dit van haar vraagt, zal ontwijfelbaar haar karakter langzamerhand buigzamer, haar wil krachtiger en haar gedrag meer gelijkvormig aan haar toonbeeld worden.

Bezig met het gebed, het werk, de vereeniging met God.

Af keer ig van verstrooiende gedachten, kwellende begeerten, eerambten, die het geweten bezwaren.

Verstorven in hare zinnon, hare neigingen, haar humeur en karakter.

Oplettend om niemand te krenken , te beleedigen , van niemand kwaad te denken, noch te zeggen.

Zedig in hare kleeding, in hare houding, in hare woorden, in haren gang, zonder stijfheid, gemaaktheid, zonderlingheid.

Geduldig in ziekten, kwellingen, tegenheden, dagelijksche kruisjes.

Medelijdend in de behoeften harer zusters, in derzelver ziekten, vermoeienissen, gebreken, afwg-kingen zelfs.

Belangeloos, niets zoekende dan de eer van God, het welzijn harer gemeente, de zaligheid der zielen, het geluk harer zusters, zelfs ten koste van het hare.

ocr page 43

38

Bereid alles te lijden, alles te doen, alles te vergeven, alles te vergeten.

Toegenegen aan hare Oversten, in wie zij God erkent, aan wie zij in alles gehoorzaamt, die zij immer eerbiedigt, — die zij tegen alles verdedigt; — aan hare medezusters, voor wie zij zich gedraagt als ware zij hare dienstmaagd; — aan hare bediening, die zij immer blymoedig, nauwkeurig vervult zelfs dan als deze haar tegenstaat; — aan God vooral tot wien zij eenvoudig gaat in de Biecht en H. Communie, slechts ééne begeerte voedende: zich te zuiveren om meer met God vereenigd te zijn.

Onthecht van hare familie, die zij altyd bemint, die zij teeder lief heeft, doch waarmede zij zich niet bekommert, wel wetende, dat God hare plaats vervult; onthecht vooral van zich zelve, van haar gemak, hare luimen, hare grillen.

Ijverig om het kwaad te beletten, te herstellen, te doen vergeten, — om het goede te doen bij allen door haar voorbeeld, haar woord, haar gebed, hare minzaamheid, allen tot zich trachtende te trekken, om allen tot Jezus te voeren.

Verborgen — het stil, verborgen, nederig weik zoekende, zich gelukkig gevoelende in hare cel, aan den voet van het tabernakel en het altaar der H. Maagd, hare teedere en geliefde Moeder.

Nederig zonder gemaaktheid, meer in gevoelens dan in woorden, — zich dankbaar gevoelende in de gemeente ontvangen te zijn, — zich erkentelijk toonende voor den kleinsten liefdedienst en nimmer morrende over een schijnbaar verzuim of onverschilligheid.

Vreedzaam en opgeruimd eindelijk. Steeds tevreden te doen wat God wil, te zijn waar God wil, niets verlangende dan wat God wil; niet meer gezondheid.

ocr page 44

39

niet meer vurigheid, niet meer talent, geen andere Oversten, geen anderen biechtvader, geen andere zusters, geen ander huis, geene andere bediening. Zij neemt alles uit Gods hand aan; zij is overtuigd dat God haar nooit zal verlaten, en terwijl zij zich geheel aan God geeft, verwacht zij ook vertrouw vol, dat God zich in alle eeuwigheid geheel aan haar zal geven.

4de ieïooipidstxjik:.

Wat «Ion Religfieuzen Staat uitmaakt.

Wij hebben reeds gezegd dat de Religieuze Staat is: eene levenswijze door de H. Kerk goedgekeurd, waarin de geloovigen , in vergadering levende, zich aan God toewijden en naar de volmaaktheid streven door het naleven der drie geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede, volgens den opgelegden regel. Hieruit volgt, dat het afleggen der drie geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede in eene com-munauteit eigenlijk den Religieuzen Staat daarstelt.

Zij, die afzonderlijk deze drie geloften zon afleggen, zou geen religieuze zijn.

Zij, die in eene gemeente zou leven zonder deze geloften af te leggen, zou het evenmin zijn.

ocr page 45

40

I.

Ovet damp; in -fiet atycmccn.

Wat is eene gelofte? Kene belofte, vrijwillig aan God gedaan, om eene hetere daad te volbrengen met het inzicht zich op zonde te verhinden.

Deze belofte is eene werkelijke verbintenis, een wezenlijk contract tussclien God en de ziel gesloten.

Vrijwillig; dat is, met volle kennis, volkomen toestemming en volledige vrijheid.

Aan God gedaan; zij wordt daardoor eene oefening van godsdienst, de uitmuntendste der zedelijke deugden; aan God gedaan, dus onherroepelijk. De Paus alleen kan ontslaan van de groote kloostergeloften. Elke Bisschop kan in zijn bisdom ontslaan van de enkele geloften, behalve van de gelofte van zuiverheid, welke steeds aan den Stedehouder van Christus blijft voorbehouden.

Zij wordt gedaan om iets beters te volbrengen. Dit beteekent, dat de gelofte bij eene daad die goed is in zich zelve, iets beters voegt.

Zij wordt gedaan met het inzicht zich op zonde te verhinden, en hierin bestaat het onderscheid tns-schen de gelofte en het eenvoudig besluit, in den vorm van belofte uitgedrukt om des te getrouwer aan God te zijn.

Wordt eene goede daad uit kracht der gelofte beter, dan wordt ook elke overtreding zwaarder, doch kan, door kleinheid van stof en gebrek aan genoegzame kennis en vrijen wil, slechts eene dage-lijksche zonde of zelfs geene zonde zijn.

ocr page 46

41

II.

Ovat 3e cK^oootetcj-e^o^te-H.

Men noemt kloostergeloften die, welke de verbintenis in zicli sluiten van de Evangelische Raden te betrachten door het naleven der geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede.

Ziehier in welke woorden Jezus-Christus, de raden welke de kloosterlijke geloften uitmaken, heeft uitgedrukt.

»Indien gij volmaakt wilt zijn, zoo ga, verkoop »al wat gij hebt, en geef het den armen, en gij »zult een schat in den hemel hebben.

(Matth. XIX, 21. Marei. X, 21. Lucse XVII, 22.)

»Hij die niet verzaakt aan alles wat hij bezit, kan »mijn leerling niet wezen. (Lucae XIX, 33.)

»Indien iemand na mij wil komen, dat hij zich »zeiven verzake, en zijn kruis opneme, en mij volge.

(Matth. XVI , 24. Marei VIII, 24. Lucte IX, 23.)

»Ik ben een zwaard op de wereld komen brengen, »ik ben den zoon van den vader, de dochter van »de moeder, komen scheiden. (Matth. X, 34, 35, Lucas XII, 51, 53.)

»Hij die zija vader of zijne moeder niet haat, kan smijn leerling niet zijn.quot; (Lucse XIX, 25.)

.Hij die zijn vader of zijne moeder meer bemint »dan mij, is mijner niet waardig. (Matth. X, 37.)

»Al wie voor mij zijn huis of zijne broeders of »zijn vader of zijne moeder of zijne kinderen of zijne »goederen zal verlaten hebben, zal het honderdvoud »erlangen en het eeuwige leven bezitten.

(Matth. XIX, 29.)

ocr page 47

42

Er zijn eenigen, die gedwongen maagd blijven, doch er zijn ook anderen, die vrijwillig dezen staat kiezen om gemakkelijker in liet rijk der hemelen te komen. En Jezus-Christus, die te voren gezegd had: »Niet allen vatten dit, maar alleen zij aan wie het gegeven isquot;: voegt er hij: »Die het vatten kan, vatte het.quot; (Matth. XIX, 11, 12.)

I. De geloften zijn voor de religieuze een krachtig middel om het doel harer roeping te hereiken.

Het doel van den religieuzen staat is God tö verheerlijken, en naar de volmaaktheid te trachten. Niets is beter geschikt om dit einde te bereiken dan het afleggen der drie geloften, want:

1. De geloften verwijderen de drie groote hinderpalen, die het rijk der liefde en der deugd in de harten belemmeren; de gelofte van armoede verwijdert de begeerte naar rijkdom, — de gelofte van zuiverheid de liefde der zinnelijke genoegens, — de gelofte van gehoorzaamheid de ongeregelde liefde voor eigenwil en eigenzin.

2. De geloften ontnemen aan de religieuze ziel drie groote bekommeringen, die, terwijl zij den geest vervullen, dien bijna altijd van de gedachte aan God af trekken: bekommering om aardsche goederen te verkrijgen of te behouden, — bekommering voor huisgezin en bloedverwanten, — bekommering eindelijk veroorzaakt door de aftuijking van den eigen wil, die wil of niet wil en niet weet of wat hij wil volgens God is.

3. Deze geloften zijn door zich zei ven eene akte 3n vervolgens eene oefening van volmaakte liefde, «oodat de religieuze ziel zich met recht mag beschouwen ils een voortdurend slachtoffer tot Gods eer. Zij jeeft Hem inderdaad alles wat zij heeft of hebben

ocr page 48

43

kan; de stoffelijke goederen der fortuin door de gelofte van armoede, — het persoonlijk bezit van haar lichaam door de zuiverheid, — de innigste goederen der ziel door de gehoorzaamheid. — En daar hare geloften eeuwigdurend zijn, verbindt zij zich tot de voortdurende gift van al wat zij heeft.

Het is dus de volkomenste offerande, die eene ziel doen kan. Het is de verhevenste akte van liefde, die zij uitspreken kan. Het is de schoonste hulde, die zij aan Gods opperheerschappij brengen kan. — Het is alles wat een schepsel doen kan om God te verheerlijken, daar God zich gewaardigt zijne glorie te vinden in de vrijwillige opdracht, die de schepselen van zich zeiven doen.

4. De geloften stellen de ziel in een staat van volkomene afhankelijkheid van God. Zij wordt een zelfde geest met God. Gelijk Jezus is zij niet meer in de wereld om haren wil, maar om den wil te doen van Hem, aan wion zij zich heeft opgedragen. Dit is haar voedsel van elk oogenblik.

God kan van haar maken wat Hy wil. Zij is eene getrouwe vriendin aan wie God alles vragen mag, eene ijverige medehelpster, die Hij kan gebruiken om al de plannen zijner Voorzienigheid uit te werken, hoe en wanneer Hij wil, — die Hij in afzondering kan plaatsen en tot het gebed gebruiken, — die Hij naar de zieken kan zenden om ze te verzorgen, — naaide kinderen om ze te onderwijzen, — naar de zondaars om ze terug te brengen, — en naar de uiteinden dei-wereld om het geloof voort te planten.

II. De geloften stellen de ziel werkelijk in een staat van slachtoffer; de religieuze ziel is door hare Professie een slachtoffer van God geworden. Zij is dus in Gods hand als een doode.

ocr page 49

44

Dood aan de wereld, of door de afzondering, waarin haar leven verborgen is, of door de kloostermuren , die haar verbergen aan de oogen en het gewoel der wereld, — of wel door de gewoonlijk grove rouwkleederen, die aan aller oog luide verkondigen dat er eene scheiding bestaat tusschen de persoon die ze draagt, en de vreugde, het verkeer en de genegenheden der wereld.

Dood aan de wereld door het leven in de gemeente, die haar tot eene nieuwe familie wordt, waarvoor zij zich opoffert gelijk zij het eertijds voor haar eigen gezin deed, — waarin zij gelijk eertijds kan zeggen: mijne moeder, mijne zusters; —waarin zij alles vindt wat haar noodig is voor hart en ziel en lichaam. Zij kan dus in waarheid zeggen: de wereld is mij niets meer, — mijne wereld is dit huis van God, waarin ik mij heb opgesloten.

Dood aan de goederen der wereld, door de gelofte van armoede: wijl zij niets meer in eigendom kan bezitten en dat hare Overste haar desverkiezende alles mag ontnemen, wat zij in gebruik heeft, — hare kleederen tegen slechtere mag ruilen, — uit hare cel alle meubelen mag verwijderen, die zij erin gevonden heeft, — haar van cel doen veranderen zonder dat zij recht hebbe zich te beklagen, — haar mag verbieden iets te geven of te ontvangen, enz.

Dood aan haar eigen wil door de gelofte van gehoorzaamheid, die haar geheel afhankelijk maakt van den regel, dien zij omhelsd heeft, van de Overste, die haar gebiedt al wat zij tot het nakomen van den regel noodzakelijk acht, — eene gehoorzaamheid, waartegen zij niet mag morren, — eene gehoorzaamheid, waardoor zij volgens den H. Franciscus van Sales, niet de hoedanigheden van de Overste betracht,

ocr page 50

45

niet vraagt waarom deze of gene zaak bevolen wordt, noch zich bekommert door welk middel zij zal kunnen doen wat geboden wordt, doch zich overtuigd houdt, dat God haar ter hulp zal komen, indien zij slechts eenvoudig gehoorzaamt.

Dood aan het zingenot door de gelofe van zuiverheid. Zij leeft in een gedurigen staat van versterving, alle overdrijving schuwende en zich zonder verlof aan geene bijzonderheden overgevende, doch haren zinnen slechts toestaande wut zij meent noodzakelijk te zijn, en dit zelfs nog zonder te groote bekommering; immer indachtig zijnde dat haar lichaam aan God toebehoort, — dat het slechte, lage, bedorven lusten heeft, — dat het overal misbruik van wil maken, — en dat zij met de zorg belast is het in groote zuiverheid en versterving te bewaren.

III. De Geloften zijn voor de ziel eene bron van kostbare en overvloedige genaden.

1. Het afleggen der kloostergeloften is voor de ziel een tweede doopsel. Dit is de leer van den H. Bernardus en den H. Thomas; en de rede, die zij opgeven, is, dat daardoor de zonden vergeven worden gelijk in het H. Doopsel. Men mag met. recht denken, zegt de H. Thomas, dat men door de religieuze Professie vergiffenis krijgt van al zijne zonden, zoodat ëene religieuze, die onmiddelijk na hare professie zou sterven, recht naar den Hemel zou gaan, zonder in het vagevuur te moeten lijden.

Deze vergiffenis der zonden is niet onverdiend gelijk in het Doopsel; zij is de vrucht der liefde, waardoor de ziel edelmoedig al wat zij bezit, aan God geeft. (1)

1

Mij dunkt, voegt P. Cotel hierbij, dat eene vurige vernieuwing der geloften eenigszins aan de verdiensten der Professie deel geeft en dat ieder, volgens de gesteltenissen, waarmede hij zijne geloften hernieuwt, mag hopen meer of minder hieraan deel te hebben.

ocr page 51

46

Even als door het H. Doopsel, wordt de ziel vernieuwd door het afleggen der HH. Geloften. Immers de ziel sterft aan de wereld en al wat der wereld zij. Zij ontvangt een nieuw leven, het leven der engelen, het leven van Jezus-Christus, nieuwe gedachten, nieuwe werken, nieuwe meeningen; en men mag in waarheid van haar zeggen, wat het H. Concilie van Trente zegt van de nieuwgedoopte;

»Zij wandelt niet meer volgens het vleesch, maar »van den ouden mensch ontdaan, is zij thans on-»schuldig, onbesmet, zuiver, zonder vlek en door »God bemind.quot;

2. Het afleggen der HH. Geloften herstelt even als het martelaarschap de ziel in den staat van onschuld. Is de marteldood het grootste bewijs van liefde dat de mensch God geven kan, en mag men zeggen dat het religieuze leven aan eene langdurige marteling kan vergeleken worden, — door het groote offer, dat de religieuze brengt bij het verlaten barer familie, hare volkomen onthechting aan aardsche goederen, haar voortdurend verzaken aan eigenwil en zingenot, — zoo mag men ook met reden zeggen, dat, zoo zij haar bloed al niet voor Jezus stort, hare ontelbare akten van liefde door het getal aanvullen wat de marteldood verheveners heeft.

De marteldood duurt slechts kort; een oogenblik van edelmoedig besluit is genoeg om de kroon te winnen: het martelaarschap der religieuze professie duurt levenslang; want gedurende het geheele leven doet de zinnelijkheid hare rechten gelden, dwingt de wil om onafhankelijkheid, haakt de begeerlijkheid naar bezit, en, levenslang en op alle uren van den dag, moet men die zinnen, dien wil, die begeerlijkheid breidelen. Het religieuze leven vult dus, door den

ocr page 52

47

langen duur, datgene aan wat de marteldood wreeders en lievigers heeft.

Daar dit alles slechts waarschijnlijk is, voegen wij hier met den H. Thomas bij, zoo moeten wij om volkomen zekerheid te erlangen slechts letten op den vollen aflaat aan de religieuze verleend bij hare Kleeding en H. Professie. Daarenboven oefent de religieuze, door de H. Absolutie gezuiverd en zich met de grootste edelmoedigheid aan God opdragende, zulk eene groote akte van liefde, dat zij in volle waarheid mag zeggen:

»lk iceet, mijn God, dat Gij mij mijne zonden overgeven hebt!quot;

IV. De Geloften zijn een krachtig middel voor de religieuze ziel om in hare heilige roeping te volharden en aldus hare zaligheid te verzekeren.

De wijze, waarop de HH. Geloften afgelegd worden, toont dat de gelofte een vrijwillig contract is, gesloten tusschen God van de eene, de ziel van de andere zijde; een contract, dat wederzijdsche verplichtingen en wederzijdsche voordeden in zich sluit; een contract, dat niet wettig verbroken kan worden dan bij wederzijdsche toestemming; wie het schendt, maakt zich aan eene misdaad schuldig.

Zoo nu God, die u tot het religieuze leven heeft geroepen, God aan wien gij u geheel geschonken hebt, en die uw offer heeft aangenomen, eischt dat dit contract tusschen u en Hem door het zegel der HH. Geloften bekrachtigd worde, zoo is dit omdat Hij, de menschelijke onstandvastigheid kennende, u heeft willen terughouden door de grootheid der misdaad, die gij zoudt bedrijven door het schenden uwer Geloften: eene heiligschennis.

Wanneer er nu van die uren komen, waarop het

ocr page 53

48

juk des Heereu, hoewel altijd zoet en licht, u zwaar mocht vallen door uwe natuurlijke onstandvastigheid of verflauwing, zoo kniel voor uw kruisbeeld, hernieuw uwe Geloften en zeg tot u zei ven:

»Ik moet mijne Geloften bewaren en naleven, omdat het aan God is dat ik trouw gezworen heb.

»Aan God, niet aan een sterveling, — Eerste gevolgtrekking: mijne gelofte mag dus niet afhangen van het gedrag der menscheu jegens mij. Het vermeende onrecht mijner Overste of medezusters ten mijnen opzichte ontslaat mij niet van hetgeen ik aan God beloofd heb; het vermindert de kracht van mijn eed niet.

■sgt;Aan God, niet aan een sterveling. — Tweede gevolgtrekking: indien ik mijn woord terug wil nemen, moet God het zijne terug nemen, zoo niet, dan schend ik eene plechtige belofte, ik word meineedig, want nooit zal God het zijne terugroepen.

» Aan God, niet aan een sterveling. — Derde gevolgtrekking : vrij moge ik zeer sterke, zeer overtuigende beweegredenen aanvoeren om mijne geloften te breken. Zij staan in onuitwischbare letteren in Gods gedachtenis geschreven. Na mijn dood zal ik ze daar in duidelijke en juiste woorden geschreven zien! Wat zal ik aan God, aan myn geweten antwoorden?

Ik moet mijne Geloften bewaren en naleven, omdat ik, in tegenivoordigheid mijner medezusters en met voorkennis der geheele gemeente, die geloflen heb afgelegd.

»0 ja, nooit zal ik dien gedenkwaardigen dag vergeten waarop ik, voor het altaar geknield, in tegenwoordigheid mijner medezusters, mijner Overste, den Bisschop, met luide en verstaanbare stem mijne Geloften heb uitgesproken! Welk eene ergernis voor

ocr page 54

49

allen, indien ik ongelukkig genoeg ware mijne Geloften te schenden, hoe zou dit het hart mijner Oversten verscheuren! — welk onberekenbaar nadeel zou ik berokkenen aan die jonge zusters, aan die novicen, die mijn voorbeeld zou doen wankelen, zou ontmoedigen, wellicht zou medeslepen! — welke helsche vreugde voor de goddeloozen en wereldlingen!

Deze overwegingen zullen gewis de bekoring die u kwelt, doen verdwijnen en die hernieuwing uwer Geloften, die gij wellicht eerst onverschillig uit-spraakt, zult ge nu herzeggen met zulk een gevoel van liefde, dat God uwe lauwhartigheid van daar straks zal vergeten!

5de ieïooifidstxjik:.

Voorcleelen van tien Religieuzen Staat.

Al wie voor mij zijn huis, of zijne broeders, of zijne zusters, of zijn vader, of zijne moeder, of zijn erfdeel zal verlaten hebben, zal het hondervoud erlangen en het eeuwig leven bezitten. (Maïth. XTX, 29.)

Dat zijn de eigen woorden van Jezus-Christus. Zij zijn dus volkomen waar, waar in derzei ver volle beteekenis. Deze woorden zijn door God bevestigd, en God, de opperste waarheid, heeft ons niet willen bedriegen. Het H. Concilie van Trente zegt uitdrukkelijk :

4

ocr page 55

50

Indien iemand durft ontkennen dat de maagdelijke staat heter en gelukkiger is, dat hij vervloekt zij!

wereld, wij weten het, verbeeldt zich dat het i euze leven een zwaar offer is, en beschouwt de rei. quot;uze professie als een dood.

Èr iijn zelfs ouders, die gezegd hebben, dat zij hunne kinderen even lief, ja liever ten grave zouden zien dragen, quot; in een klooster treden; en men moet bekennen, dat eene treffende overeenkomst bestaat tusschen de bruiloft van het Lam en eene begrafenis plechtigheid.

Bij het zien van het lijkkleed waarmede men, in sommige kloosters, de jonge dochter bedekt, die zich aan God gaat opdragen, schreien hare ouders en vrienden als bij een graf; en de Kerk zelve schijnt een oogenblik te treuren, wanneer zij over deze maagd, voorbeschikt om de Bruid van Jezus te zijn, de treurzangen des doods: De Profundis clamavi ad te, Dne, aanheft. Maar zij stort tranen van hoop, van geluk, van zaligheid; want zij weet, dat deze dood de verlossing, het ware leven is. Zij herhaalt onophoudelijk op dezen dag der verloving: Kostbaar is de dood der heiligen, in de oogen van God. — (Ps. CXV, 15.) Gelukkig de dooden, die in den Heer sterven! (Apoo, XIV 13.) Gij zijt dood, en uw leven is verborgen in God met Christus. (Coi.oss. III, 3.)

Ja, zij sterven, die Bruiden van Jezus, zij sterven met Jezus op het kruis en worden met Hem begraven; dit is de geest der geloften, die haar met Jezus aan het geheimzinnig schandhout hechten! De armoede ontbloot haar van alles en laat haar slechts dien zwarten sluier als doodskleed. De zuiverheid slaat het hart en verplicht het zich voor alle gedachten

ocr page 56

51

van aardsche genegenheid te sluiten; voortaan zal dat liart slechts voor God kloppen, voor God ademen.

Het zwaard der gehoorzaamheid treft de zit- ( og dieper en doodt haar zoo geheel dat zij vor ,.u slechts door den wil van anderen zal leven.

Zij is dood de religieuze, zoo dood dat zij 'voor het menschelijk oog is als een lijk dat men plaatst waar men wil, zonder dat het zich ■ te verzetten. Maar dat alles vernietigt geenszi gt; het woord van Jezus-Christus. Wij zullen trachten het te bewijzen.

Oelnlc van clou Religieuzen Staat:, uit geheel menschelijk: oojypnnt 'bescliou.wcl.

Wat ons aan de wereld hecht, is voor de eenei. Eerbetoon en Waardigheid,, voor anderen Rijkdom, voor sommigen weder Genoegen. De religieuze Staat biedt dat alles aan, doch op eene vreedzamer, overvloediger, vreugdevoller en veiliger wijze.

êet-Getoon e-n waaidiyfve-id.

Eene eervolle verbintenis, een eervollen stand, een eervollen naam, dit alles geeft het religieuze leven. Religieuze zijn, is God verkiezen boven een sterveling. Liever een sluier dan een diadeem. Stel u een aardsch echtgenoot voor, bekleed met de schoonste

ocr page 57

52

hoedanigheden naar ziel en lichaam, naar hart en geest; omring hem met al den glans, dien de aarde geven kan. Hij zij groot door zijne waardigheid, koning. zoo gij wilt, — groot door zijne geboorte, — geef hei) den schoonsten naam, het schoonste geslachtswapen , den oudsteu adel, — groot door zijn verstand, hij zij bekend, beroemd, — groot door zijn karakter, verheven boven al wat naar laagheid of oneerlijkheid zweemt, — groot door zijne persoonlijke hoedanigheden, hij zij de goedheid en minzaamheid in persoon, — groot door zijne uiterlijke vormen...; laat eenige jaren voorbijgaan... door hare verbintenis zal de jeugdige echtgenoot bewonderd, gevleid worden, zij zal de zinsbedwelming der grootheid gevoeld hebben; maar het is een feit door de onderneming gestaafd, dat door de gewoonte, die zinsbedwelming ophoudt, de vleitaal eentonig wordt; eerst vermoeit en dan 'verveelt.

En wij beschouwen hier alles van de gunstigste zijde en veronderstellen het behoud van dien rang, waardoor men schittert, van de gezondheid, waardoor men geniet, van de fortuin, die de waardigheid ondersteunt, van de achting, die zoo licht in jaloersch-heid ontaardt, van de standvastigheid in het karakter en de liefde der echtgenooten, de vrijwaring van den dood eindelijk, die alles komt verbreken en vernietigen...

Welk eene reeks van beproeving, van smart, van vreeselijke teleurstelling, van hartverscheurende droefheid ligt er tusschen de kerk, waar het echtpaar, het Christelijk echtpaar zelfs, langs een met bloemen bestrooiden weg, aan den voet des altaars elkander eeuwige trouw zwoer, en de zelfde kerk wellicht, waaruit zij ten grave gevoerd worden.

ocr page 58

53

En nu vraag ik u, Religieuzen, gij die twintig, dertig, vijftig jaren geleden uw verbond met Jezus Christus sloot, zijt gij Jezus moede?

Waren zijne beloften niet oprecht?

Gevoelt gij een walg van uwen staat?

Hebt gij onvolmaaktheden bespeu ' in den uit-verkoorne uwer ziel?

Hebben de gebeurtenissen van daarbuiten de getrouwheid van uw Bruidegom doen wankelen of Zijne waardigheid gekrenkt?

Heeft de dood zich tusschen u en Hem geworpen om uw hart te verscheuren en te breken?

Wordt gij niet veel meer geëerbiedigd dan de echtgenoote van den hoogstgeplaatsten magistraat? Geëerbiedigd door diegenen, die geloof bezitten en in u meer zien dan eene vorstin, de Bruid van Jezus-Chrisius; — geëerbiedigd door degenen, die den moed niet hebben u na te volgen en die tot u, eertijds hare gezellin en haars gelijke, thans komen als tot iemand die haar raad kan geven; — geëerbiedigd zelfs door de goddeloozen, die, al spreken zij kwaad van u, in uwe tegenwoordigheid slechts gevoelens vinden, waarover zij zeiven verbaasd staan. Behalve eenige heethoofden, heeft niemand ooit de handen aan de religieuzen geslagen; en men heeft dan vaak de soldaten, die plichtshalve moesten gehoorzamen, het hoofd zien buigen en tranen storten. Ja, bespeurt gij in u zelve geen gevoel van grootheid, die u adelt en verheft?

Waarlijk, het is eervoller religieuze dan koningin te zijn!

ocr page 59

54

Soedcze-n cn cflijamp;donvmzn.

De rijkdom, dat wil zeggen, het bezit, het genot van een overvloed van goederen is zeker boven armoede, dat is boven het gebrek aan het noodzakelijke te verkiezen.

De armoede doet lijden, de rijkdom belet veel lijden; maar tusschen gebrek en overvloed ligt een midden, dat bestaat in het noodzakelijke te hebben, het aangename van tyd tot tijd, opdat het aangenaam blijve en niet noodzakelijk worde, en tevens verzekerd te mogen zijn dat dit noodzakelijke en aangename nooit zullen ontbreken. Deze staat is duizendmaal te verkiezen boven overvloed en grooten rijkdom.

Als men rijk is, wordt men den overvloed moede; men vindt het genieten eentonig; men gevoelt altijd nieuwe behoeften, die ten laatste niet meer voldaan kunnen worden; men vreest altijd dien rijkdom , thans onmisbaar geworden, te verliezen, en men moet voortdurend op zijne hoede zijn, opdat er niets van verloren ga!

Welnu, de staat waarin men altijd het noodzakelijke en somtijds het aangename vindt, waar men geene vrees behoeft te koesteren ooit gebrek te lijden, is de Religieuze Staat!

Men heeft slechts eene cel, maar zij is licht groot genoeg; men leeft daarin tevreden; zij wordt ons dierbaar; zij is eenvoudig versierd en beantwoordt aan den smaak dergene, die ze bewoont.

Men heeft niet veel kleederen, doch als die versleten zijn, wordt er in voorzien; en die eenvoudige, zindelijke kleederen behoeft men nog te veranderen, noch op te smukken, noch behoeft men bij de vergelijking met anderen te treuren!

ocr page 60

55

Men bezit geene landgoederen, en dit spaart ons de moeite ze te bebouwen en te doen gedijen, —• doch men heeft een wel onderhouden tuin met bloemen, die men gaarne ziet, met geliefkoosde zitplaatsen, enz.

Men blijft zeker niet gespaard voor ziekten en gebreken, maar men wordt even goed verzorgd als of men schatrijk ware; de zelfde dokter, de zelfde geneesmiddelen, en veel hartelyker, nauwkeuriger, ja, moederlijke zorg!

Men heeft slechts een zeer eenvoudig leger, doch het is goed en men slaapt daarop zoo kalm en vreedzaam , dat de rijkste dame ons zou benijden.

Men heeft geene uitgezochte spijzen, doch waartoe zouden zij dienen, daar men met die, welke ons opgedischt worden, tevreden is! zij worden ons in ruime mate voorgezet en bevredigen een eetlust, die door geene specerijen behoeft opgewektte worden.

Qznot en §cnocyamp;n.

Ziehier het groot bezwaar: Men lijdt veel in de kloosters, vooral in gesloten kloosters, door het gebrek aan vrijheid en het soms zware werk. — Zij die zoo spreken, hebben nimmer in een klooster geleefd.

Wilt ge daarmede zeggen, dat men niet mag uitgaan als men wil? doch wil men uitgaan? Neen,

ocr page 61

56

omdat men zich uit vrijen wil heeft ingesloten; en hoevele vrouwen zijn niet evenzeer opgesloten als de Religieuzen en gaan even weinig uit, hetzij uit eigene verkiezing of uit noodzakelijkheid: misschien willen zij, doch kunnen niet!

1. In de kloosters is de gehoorzaamheid, die de vrijheid aan banden legt, het gevolg van den regel, die volgens omstandigheden gewijzigd kan worden, die lang beoefend werd alvorens geschreven te worden, en derhalve de menschelijke kracht niet overtreft. De gehoorzaamheid gaat uit van eene Overste, die door strenge wetten en vooral door haar geweten verplicht is nimmer uit luim te bevelen, het gebod wel te wikken en te wegen, en altijd en alleen het welzijn barer onderhoorigen in het oog te houden.

Gehoorzaamt, in de wereld, de vrouw niet aan haar man, aan de mode, aan den dwang der samenleving, aan lastige bezoeken, aan hare naaisters, aan hare dienstboden en helaas! aan hartstochten, die wellicht hare sterkste dwingelanden zijn!

Welk een onderscheid!

2. In het klooster veranderen de bevelen weinig; wat men gisteren gedaan heeft, moet men morgen doen. Men weet bijna tevoren wat men te doen zal hebben, en döor de gewoonte wordt datgene wat de gehoorzaamheid pijnlijks heeft, zoet of ten minste dragelijk.

3. In de kloosters wordt de gehoorzaamheid lichter door de gedachte dat men aan God gehoorzaamt en dat zelfs onze kleinste daad, met dit inzicht gedaan, niet onbeloond zal blijven.

Er is in het klooster eene deugd, die de macht heeft alle zaken van natuur te doen veranderen, alles

ocr page 62

57

te veredelen, alles om zoo te zeggen te vergoddelijken : het is de geest des Geloofs , in de wereld zoo weinig gekend! De ziel, die het geluk heeft die deugd te bezitten (welke God gaarne geeft aan wie ze Hem vraagt), ziet in haar werk, in hare raoeielijkheden, in hare vreugde, in die duizend kleine dagelijksche voorvallen slechts een middel om God te behagen en rijk voor den Hemel te worden. Wat maakt het haar of zy zich bezig moet houden met lezen, schrijven, onderricht geven, aan een ziekbed te waken, zich te vermaken zelfs als men het haar beveelt, aan den voet des altaars te knielen of ziek te bed te liggen! Zij weet dat elke minuut, aldus door de gehoorzaamheid geheiligd, haar een schat in den hemel bereidt!

Dringen wij nog dieper in dit onderwerp.

^ at noemt men genoegen? Al datgeen icat eene aangename gewaarwording doet ontstaan; doch voegen wy hierbij: en wat niet door vermoeienis of loroeging gevolgd wordt.

Deze genoegens kan men vinden:

1. In het verstand; deze vindt men meer in de kloosters dan elders daarbuiten.

Het verstand vindt genoegen in de studie, in het lezen; welnu, in het klooster heeft men vastgestelde uren voor de studie. Men vindt er verstandige en liefderijke onderwijzers, altijd gereed datgene wat zij weten mede te deelen, ervaren en veilige beoordeelaars, wie men zijn werk kan toonen zonder eene scherpe en bitse critiek te moeten vreezen, welwillende vrienden die ons helpen. Het klooster bezit uitmuntende boeken in grooter getal en van grooter waarde dan men ooit voor zich zelve zou bezitten, ware men alleen.

ocr page 63

58

Het verstand vindt genoegen in een gezellig onderhoud. In het klooster zijn de gesprekken zeker even geestig als in de wereld; de geest is daar niet boosaardig, maar even boeiend, even levendig en gewoonlijk meer verheven en kiesch.

De gesprekken worden er steeds opgevroolijkt door eene openhartige, edelmoedige liefde, die niet licht boos wordt, die zoekt te behagen, niet voor zich zelve, maar slechts om anderen genoegen te doen en ze tot God te leiden. Die gesprekken vermoeien niet, want de tijd is beperkt; zij mishagen niet, omdat de welvoegelijkheid ze bestuurt. Men redetwist, doch twist niet; men kan levendig, opgewekt zijn, doch zonder driftig of toornig te worden.

o O

2. In het hart. Het hart heeft levendiger genoegens, omdat het reiner en godvruchtiger is.

De armoede maakt het kiesch.

De godsvrucht maakt het gevoelig.

De vreugde des harten in de wereld bestaat in vertrouwelijken omgang met zijne ouders en de zoete banden der vriendschap. In het klooster vindt men iets dat men elders te vergeefs zoekt. De moeder en het kind op eiken leeftijd en gedurende het geheele leven.

Tusschen de Overste en de religieuze bestaat niet alleen één hart, maar ééne ziel. De ééne blijft steeds het eenvoudige, goede, vertrouwelijke kind, de andere de moeder die haar kind lief heeft, verbetert en ten hemel leidt.

En het genoegen der vriendschap! O hoe zalig is die in het klooster; de toegenegenheid is daar oprechter, inniger en vooral meer bovennatuurlijk. Men heeft daar vele vriendinnen en het laat zich begrijpen. Men is zich vrijwillig in het zelfde klooster onder den zelfden regel komen plaatsen; dit is een

ocr page 64

59

bewijs dat men de zelfde neigingen, de zelfde gevoelens, den zelfden godsdienstzin koestert, en dit geeft reeds toenadering. In het noviciaat wordt men, om zoo te zeggen, in den zelfden vorm gegoten; men leert elkander beminnen , en men begrijpt vooral dat men , door elkander lief te bebben aan God behaagt.

En de vreugde der ziel voor het H. Tabernakel, waar Jezus dag en nacht voor ons verblyft; Jezus, voor wien men gekomen is, Jezus, dien men met vurige liefde bemint, Jezus, voor wiens liefde men eiken anderen liefdeband verzaakt heeft!

O, wie kan het geluk, den vrede, de verrukking der ziel bevatten; eene inwendige vreugde, wel is waar, doch die zich soms zelfs aan het lichaam mededeelt, als Jezus tot haar nadert.

En de vreugde, die op de religieuze nederstraalt van het liefelijk beeld der H. Maagd, hare Moeder, waar zij dagelijks haar hart komt uitstorten!

In het lichaam. Wie zou durven beweren, dat de genoegens van het lichaam bestaan in het zondig en zinnelijk genot dat walging wekt en wroeging na zich sleept. Neen, voor het lichaam bestaat hooger genot, besloten in dit enkele woord Welzijn ; en dit welzijn, het gevolg van gezondheid, vrede, rust en inwendig genoegen vindt men meer in de kloosters dan elders.

De geest, vrij van kommer, is steeds gelijk van humeur. Het zalig kruidje van berusting in Gods Voorzienigheid teelt hier weliger en prent een voort-durenden glimlach op het gelaat.

Wel geregelde ontspanning sur en doen dagelijks de volle beteekenis van hun naam gevoelen, — zij ontspannen in den volsten zin des woords, — zij doen herleven en verjeugdigen het gemoed. Eene

ocr page 65

60

beuzeling vermaakt, een enkel woord wekt de vrooliik-heid op! Hier wordt het woord van den H. Paulus waarheid, wanneer hij zegt: »Dat al wat waar is, »wat eerbaar, wat rechtvaardig, wat heilig, wat »beminnenswaardig, wat stichtend, wat deugdzaam, »wat loffelijk is, het onderhoud uwer gedachen zij.quot; (Philip. IV, 8).

Gelulc -van het Religfienze leven uit het. geesteliili oogpunt besehon-wtl.

Heerlijke bladzijden zouden wij hier kunnen schrijven door gevoelens weder te geven, die eenige religieuzen uit haar hart hebben laten ontsnappen, wanneer zij het geluk schetsten, dat zij gevoelden zich Bruiden van Jezus te mogen noemen. Maar alle religieuzen gevoelen dit niet op de zelfde wijze; en het lezen van gevoelens, die zij nooit gesmaakt hebben, zou sommigen wellicht ontmoedigen. Wij zullen dan slechts de reden aantoonen, die voor elke religieuze kannen bewijzen, dat zij, met Jezus tot haar Bruidegom te verkiezen, den veiligsten en besten weg ter zaligheid gekozen heeft.

gt;De roep tot het Religieuze leven,quot; zegt de H. Lau-rentius Justianius, ais, na bet doopsel, de grootste »genade, die God eene ziel geven kan; het is een »teeken van voorbeschikking.quot;

»De religieuze staat,quot; zegt de H. Magdalena van Pazzi, »is een aardsch paradijs, waarin de ziel, snauwer aan God verbonden zijnde, meer overvloedig » deel heeft aan de schatten der H. Kerk, — een voort-

ocr page 66

61

gt; durendeu vrede smaakt, — God zooveel eer bewijst als »het een menschelijk wezen doen kan! De religieuze »staat is de kortste, de gemakkelijkste, de veiligste »weg ten hemel.quot;

1. Hoor wat Massillon zegt in de kloosters gezien te hebben.

»De onschuld en den vrede des harten, die de wereld niet kent; de vreugde van een goed geweten, de eenige bron van waar genoegen. Plichten waarvoor men contant betaald wordt, door den troost die derzelver vervulling gemakkelijk maakt.

Eene heilige vergadering, waarvan de liefde den band, de vrede den troost uitmaakt; waar men niets benijdt, omdat alles ons, zoowel als onze medezusters toebehoort; waar men niets vreest, omdat men de zelfde goederen te hopen, — de zelfde rampen te duchten heeft, — waar het verschil van belangen de harten niet verdeelt, omdat het zelfde belang ze samensnoert; — waar al het verdriet, dat het menschelijk leven vergalt, onbekend is, omdat de hartstochten, die het veroorzaken, verbannen worden; waar wij hulpbronnen vinden in al onze moeielijk-heden, — voorzorgen tegen onze zwakheden, — ondersteuning in ouze moedeloosheid, — aanmoediging tot het vervullen onzer plichten.

Een kalm, onschuldig leven, vervuld met goede werken, waarin de onverschilligste zaken deugden worden en ons verdiensten voor den Hemel vergaderen.

Een troostvollen dood eindelijk; zonder kommer over hetgeen men in de wereld achterlaat, wijl men niets bezit; —zonder gewetensangst omtrent de zaken waarmede men zich bemoeid heeft, want onze zaligheid was onze eenige zaak; —■ zonder wroeging omtrent oneerlijk verkregen goed, wijl men zelfs opgeofferd

ocr page 67

62

heeft wat men wettig bezitten kon; — zonder gewetensangst omtrent de bedieningen, die wij bekleedden, daar wij sterven waar de gehoorzaamheid ons geplaatst had; in één woord, een zachten, vreedzamen dood , een troostend voorteeken der eeuwigheid; want daar de wereld ons vaderland niet is, moeten wij volgens de beloften van Jezus-Christus, het in den hemel vinden.'

2. Ziehier wat de H. Bernardus de vruchten van het religieuze leven noemt.

In den religieuzen staat leeft de ziel zuiverder. » 5gt; » » valt zij zeldzamer.

» » » » staat zij sneller op.

» » » » wandelt zij voorzichtiger.

» » » » wordt zij met meer gena

den begunstigd.

geniet zij meer vrede, sterft zij met meer vertrouwen.

heeft zij korter vagevuur, wint zij schooner kroon.

Laat ons één voor één deze schoone woorden overwegen, om de rijke schatten te ontdekken, die daarin besloten zijn.

@0 facft met tnccz zuivcz-hcid

en ■met meet vczdicmtcn.

Alles wat zij doet, geschiedt bij God, met God, voor God.

Als dienstmaagd des Heeren is het aan Hem dat zij gehoorzaamt. Aan God verbonden door de Geloften

ocr page 68

63

van gehoorzaamheid, armoede, zuiverheid, — werkt, bidt, rust zij zonder zich van God te scheiden. In haar leven is er gedureude geen enkel oogenblik een werk dat God niet voorschrijft en dat zij niet aan Hem moet opdragen! Dit weet zij, en deze gedachte, haar in haar werk en hare moeielijkheden ondersteunende, verplicht haar tevens met eene zuiverheid van inzicht en eene zuiverheid van liefde te werken, die aan al hare daden onberekenbare waarde geven! Voeg hierbij de verdiensten, die zij door hare Geloften verkrijgt; en zie welken rijkdom zij vergadert en hoeveel eer zij God geeft! »0 hoe groot, hoe verdienstelijk zijn zelfs de kleinste werken eener religieuze,quot; roept een godvruchtig schrijver uit: de diadeem eener vorstin heeft minder waarde dan de eenvoudige bezem, door regel of gehoorzaamheid der religieuze in de hand gegeven.

cRe-fi^iea^e vaït

Door de muren, die haar van de wereld scheiden, — den regel, die al hare oogenblikken van dag en nacht inneemt, — de blikken harer Oversten, die haar steeds met liefde volgen, — de gedachte aan Gods tegenwoordigheid, die haar zelden verlaat, — de bijna voortdurende bezigheden, die al hare uren innemen, — dit alles verwijdert de gelegenheden tot zondigen,

Wat is men gelukkig, als men verplicht is, zedig en geregeld te leven! Wat zijn wij gelukkig, wanneer onze ledematen steeds werkznam, onze geest steeds

ocr page 69

64

bezig, onze wil steeds geueigd is om zicli tot God te richten!

»0 muren, o teederbeminde muren,quot; riep de H. Magdalena van Pazzi uit, »voor hoeveel gevaar behoedt gij mij!quot;

S)(2- cHefici-icuamp;c ogt;taat sne-tfet op.

Omdat zy door liefderijke zorg en krachtige hulp omgeven is.

Het gebed, de biecht, de raadgevingen, de geestelijke lezingen, de goede voorbeelden, de heilige inspraken, de knaging van het geweten, dit alles komt haar elk oogenblik opwekken, vermanen, helpen, troosten, versterken en tot het goede terugvoeren.

Eene religieuze, die een enkelen dag van God verwijderd kan blijven, moet wel zeer boosaardig zijn !

Ten allen stonde kan zij immers opstaan door het lt;iebed en eene oefening van liefde of gehoorzaamheid, die haar tot eene goede biecht bereiden.

Ten allen tijde, alle dagen althans kan zij tot hare Overste gaan om bij haar een goeden raad of eene bemoediging te zoeken!

En wordt zij niet dagelijks versterkt door de genaden, welke de goede religieuzen, die de gemeente vormen, over haar afsmeeken!

Als eene religieuze valt, zegt een Kerkvader, snelt God toe en strekt de hand uit om haar op te richten.

ocr page 70

65

S)e cllcCiyieuamp;e- wandelt voozzicfitiyez.

Omdat zij beter hare plichten begrijpt, — hare zwakheid gevoelt, — hare onschuld waardeert, — het gewicht harer Geloften kent, en vooral beter de smart gevoelt, die men Jezus door eene vrijwillige fout aandoet. Daarom waakt zij met zorg, doch zonder angst, zonder dwang over hare oogen, hare verbeelding, hare woorden; daarom beveelt zij zich meermalen aan haren H. Engelbewaarder, over wiens tegenwoordigheid zij zich verheugt. Daarom maakt zij 's morgens bij hare meditatie een overzicht van den dag, ten einde met zorg de gelegenheid tot zonde te vermijden.

cjie.f iyicuamp;e- ■zgt;iz£ ontvangt ■mamp;ct genaden.

Omdat zij noodzakelijk meer met God veréénigd leeft. God is de vuurgloed, waaruit onophoudelijk ontelbare genaden ontsnappen. Alle schepselen hebben deel aan die genaden; maar zij, die zich het dichtst bij het vuur bevinden, ontvangen natuurlijk het overvloedigste deel.

De religieuze woont in het huis van God, — met Jezus onder het zelfde dak; — zij nadert bijna dagelijks tot de H. Tafel, zij knielt zoo dikwijls neer aan den voet des Tabernakels, om daar Jezus te loven, te aanbidden, te bedanken, te smeeken; haar werk zelfs verwijdert haar niet van God, omdat zij voor God, onder Gods oogen werkt. Hoe zou zij niet door Gods genade overladen worden?

ocr page 71

66

SV -mce-t- vxe3e.

Wat kan eene religieuze ontstellen? Leeft zij niet met God en behoort zij niet aan God ? Ziekten kunnen haar de gezondheid ontnemen, — laster kan haren goeden naam aanranden, — gebreken kunnen haar overvallen, — de duivel kan haar geest met de afschuwelijkste voorstellingen, met vrees en angst vervullen, door eene toelating van God kan zij haren Oversten en Zusters tot last worden; indien zij volgens hare zwakke krachten getrouw is aan hare plichten, indien hare ziel en haar wil aan God verknocht blijven, dan zelfs als het haar voorkomt dat alles verloren is, kan zij altijd zeggen: 2Jc behoor aan God, en Hij, neen Hij zal mij nooit veriatin !

Heeft men, by deze gedachten, niet altijd vrede in de ziel V

met meefc vcztzowwcn.

Heilig sterven blijft de grootste zaak. Op de deur van elk religieus gesticht zou men deze woorden kunnen schrijven, geplaatst aan den ingang van het klooster der Trappisten: Valt het leven hier hard, het sterven valt hier zacht! Ja het is zoet in het klooster te sterven, omdat men er heiliger geleefd heeft dan in de wereld; — men heeft zich meer verloochend, — men heeft geduldiger geleden, -— men heeft vuriger bemind, — men heeft vlijtiger gearbeid, — men heeft godvruchtiger de HH. Sacramenten otitvangen.

ocr page 72

67

»Waarom zou ik niet tevreden sterven?quot; vraagde eene religieuze, met den glimlach op de stervende lippen; »de Heer heeft den hemel beloofd aan degenen, die alles voor Hem verlaten; welnu, ik heb ter zijner liefde aan alles vaarwel gezegd, en God zal getrouw zijn aan zijne belofte.

»Ik wist niet dat het zoo zoet was te sterven fquot; Deze woorden van een kloosterling zal elke religieuze , indien zij getrouw aan haar plicht geweest is, op haar sterfbed kunnen zeggen!

Omdat volgens de Godgeleerden de religieuze bij hare professie vergiffenis krijgt der tijdelijke straffen van al de zonden, die zij in de wereld bedreven heeft, zoodat zij op dien dag, indien zij goed gestemd is (en welke religieuze is het niet op dien dag?) — eene genade van vergeving harer zonden verkrijgt, welke haar den hemel zou openen, indien zij dan kwame te sterven.

Wat nu de dagelijksche zonden, na de Professie bedreven, betreft, zoo worden die gemakkelijk uit-gewischt door de gebeden, de verstervingen, de HH. Communiën, de goede werken van eiken dag en de talrijke aflaten toegevoegd aan bijna al de oefeningen der gemeente. Ook worden, na den dood van elke zuster, talrijke gebeden verricht voor de rust harer ziel door al hare medezusters, en ook worden tot dit einde vele HH. Missen gedaan.

ocr page 73

68

cR-e-Cicj-iew^ vamp;zwc-z^t cettc-

oc-fi-oone^e 4^ootv

Omdat de schoonheid der hemelsche kroon geëven-redigd is aan de liefde der ziel tot God en de offers, welke zij Hem gebracht heeft. En wie heeft God meer bemind dan de religieuze? Zij heeft ter zijner liefde alles verlaten wat zij lief had. Vader, moeder, zusters en broeders! — alles wat zij op aarde verwachten of hopen kon van aardsche vreugde, stoffelijke goederen, eer en aanzien. — Zij heeft Hem haar lichaam en haar hart gegeven door de gelofte van zuiverheid; hare goederen, haar tijd, haar werk door de gelofte van armoede; haar geheel bestaan door de gelofte van gehoorzaamheid.

III.

Wij hebben thans op eenvoudige wijze de voor-deelen van den religieuzen staat aangetoond, en vragen nu aan ieder, die oprecht zijn wil, of men meer kan wenschen en of men niet bekennen moet dat die voordeden werkelijk bestaan.

Wij weten wel dat er enkele religieuzen zijn, die deze voorrechten ontkennen; doch, zegt de H. Liguori, dit zijn geen goede religieuzen, want eene goede religieuze is eene gelukkige religieuze! Het geluk en de volmaaktheid eener religieuze bestaan in eene nauwe vereeniging van haren wil met den wil van God; en zoodra zij zich van God afscheidt, is zij niet meer op hare plaats: zij lijdt.....

Eene religieuze heeft reeds hier op aarde haren Hemel of hare Hel!

ocr page 74

69

Wat is de Hemel! — Het ia eene Yerwijdering van alle aardsche rampen en kwalen; — het is met de heiligen leven en omgaan, — en hunne zoete toegenegenheid genieten; het is eindelijk met God vereenigd zijn, geen anderen wil hebben dan den zijnen, en in deze vereeniging een onverstoorbaren vrede genieten. Is dit niet het leven der getrouwe religieuze ?

Wat is de Helt Eene verzameling van alle ongelukken en rampen, waarvan die der aarde slechts eene zwakke afbeelding zijn; — het is wonen te midden van slechte, afschuwelijke, hatelijke wezens; — het is nooit zijn wil kunnen doen, — opgesloten zijn in een huis, waaruit men nooit kan ontsnappen; — bet is van God verwijderd leven en van Hem verstoten worden. Is dit niet het leven der ontrouwe religieuze?... Het is voor haar even onmogelijk, gelukkig te leven met eene ziel overdekt met fouten, als gezond te zijn met een lichaam door wonden bedekt.

De brave religieuzen hebben zeker ook hare beproevingen , maar een gerust geweten is een balsem, die derzelver bitterheid verzacht.

De overtuiging, dat de tegenheden en moelelijkheden ons tot eene overgroote zaligheid zullen doen geraken, is zeker voldoende om elke klacht, elk gemor op onze lippen te smoren. En God beloont de brave zielen van tijd tot tijd door inwendigen troost; haar die, onderworpen en gelaten, met geduld en liefde lijden .f

Hieruit volgt dat religieuzen, die menschqlijken troost zoeken, altijd ontevreden zijn , terwijl andere , die vreedzaam aannemen wat God haar overzendt, steeds overvloeien van vreugde.

Wilt gij het geluk religieuze te zijn begrijpen en. gevoelen? Wees dan wel overtuigd, dat God alleen

ocr page 75

70

uw geluk uit kan maken, en dat de ziel, die God heeft gevonden in Hem alles gevonden heeft.

Indien men in de wereld de vreugde, den vrede, de voldoening, de tevredenheid kende, die het deel der religieuzen is, zou het heelal een uitgestrekt klooster worden; en, zegt de H. Magdalena de Pazzi, men zou onze muren met ladders beklimmen. De H. Laurentius Just, meent, dat God wet voordacht aan de wereld het geluk van den religieuzen staat verbergt, omdat, kon men er zich een denkbeeld van maken, alle menschen kloosterlingen zouden willen u-orden.

De H. Aloysius van Gonzaga verwonderde zich ook dat alle menschen niet naar het klooster gingen; zooveel geluk had hij in het Gezelschap van Jezus gevonden. —

O vreugde des kloosters, heilige zielevreugde, alleen gesmaakt door degenen, die Jezus bezitten en beminnen! Vreugde van boetvaardigheid, vreugde van zelfverloochening, vreugde duizendmaal zoeter dan al de vreugden, al de genoegens der aarde! Wat zijn zij ongelukkig, die U miskennen en ü verzaken omdat zij ü niet begrijpen!

Dit leven der ziel is voor de meeste menschen eene onbekende wereld. De wereldling beklaagt de

O O

religieuze die eene schitterende toekomst, eene vrijheid, die haar zooveel aangenaams aanbood, eene zoo zoete genegenheid opoffert om den hals te krommen onder een juk dat zwaar valt, om zich binnen vier muren op te sluiten en aan alle familiebanden te verzaken.

Wanneer een doove het heerlijkst concert bijwoont, zal hij ongevoelig blijven, en de schouders ophalen, als hij u van aandoening ziet weenen. Hij ziet slechts

ocr page 76

71

den -wijd geopenden mond des zangers en armen, die op vreemdsoortige instrumenten slaan. Spreek een blinde over de heerlijkheid van den sterrenhemel, over de pracht der zon, wanneer zij achter de bergen verdwijnt, over de heerlijke ineensmelting der kleuren eener schilderij en over de gewaarwordingen, die deze op uwen geest teweegbrengt, hij zal u bedaard aanhooren, doch inwendig zeggen: die man is dwaas, hij spreekt van zaken die onmogelijk bestaan kunnen ; en .... hij zal u beklagen!

Wie is de dwaas?..... wie is te beklagen?.....

edo noonDSTTJB:-

Over «le moeielvjUlieclen lt;lie men In den.

Keligfiewiaen Staat kan sian

Alvorens de religieuze dit hoofdstuk begint te lezen, verzoeken wij haar aandachtig het opschrift te lezen: moeielijkheden, die in den religieuzen staat kunnen voorkomen.

Die moeielijkheden kunnen er, wel is waar, in voorkomen, doch vloeien er niet uit voort gelijk de voordeelen, waarvan wij gesproken hebben. Men ontmoet ze er somtijds, doch zij worden meer of minder gevoeld volgens de gesteltenis der ziel.

Het is vooral de toestand der religieuze, die haar deze moeielijkheden doet zien en gevoelen; en wellicht

ocr page 77

72

zullen yerscheidene religieuzen dit hoofdstuk overdreven vinden; zij zullen noch in — noch rondom zich iets dergelijks gehoord of gezien hebben.

üe menschelijke natuur, door de erfzonde bedorven, tracht naar onafhankelijkheid, laat zich moeielijk onder het juk brengen, hecht zich aan alles wat de zinnen streelt, haat allen dwang en vindt overal te klagen, te morren, zich te verzetten. De menschelijke natuur vergezelt ons overal, zij ook dringt door in de kloosters; maar door den invloed der goede voorbeelden, door de kracht van onzen goeden wil en vooral door het dikwijls en godvruchtig ontvangen der HH. Sacramenten, verandert zij langzamerhand; zij verkrijgt kracht en buigzaamheid en, hoewel zij gevoelt dat Gods geboden en de Evangelische raden een juk zijn, kan zij in waarheid zeggen: Uw juk, o Heer! is zoet en uw last is licht.. (Matth. XI, 30).

Wij ontleeuen het overzicht der moeielijkheden, welke de religieuze staat kan opleveren, aan de Brieven van 1'Abbé Bautain (De Christin onzer dagen). Deze brief is gericht aan eene jonge dame, vóór het intreden in het klooster, en kan nuttig zijn voor degenen, die reeds eenige jaren daarin hebben doorgebracht, door haar te toonen wat zij te lijden kunnen hebben, als zij zich niet met God vereenigd houden.

»Daar de religieuze staat zich ten doel stelt. God en den evennaasten te dienen, zoo is de zelfverloochening een eerste vereischte. Dat hij die mij volgen wil, zijn kruis opneme, het dagelijks drage en na mij kome,quot; zegt Jesus. (Matth. XVI, 24, Marci VIII, 84, Ltjcjï IX, 23.)

»Om die zelfverloochening, de moeielijkste zaak die men der menschelijke natuur vergen kan, in oefening

ocr page 78

73

te brengen, stelt de H. Kerk diegenen, die een volmaakter leven zoeken, de evangelische raden voor , en laat hen na behoorlijken proeftijd toe tot het afleggen der HH. Geloften, waardoor zij zich voor zekeren tijd of voor altijd verbinden, hunnen Oversten te gehoorzamen, in onthouding te leven, en zich met het noodzakelijke tevreden te stellen. Dit zijn de drie Geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede.quot;

1.

De eerste is zeker de moeielijkste; want meer kost het den mensch te verzaken aan zijne zoogenaamde onafhankelijkheid van verstand en wil, dan aan de genoegens der zinnen of het genot van te bezitten. Niets ligt ons nader aan het hart dan onze eigenwil. Ik is en blijft de eerste persoon — en de gehoorzaamheid moet hem onder eens anders wil doen buigen, hetgeen onzen hoogmoed aan eene zware proef onderwerpt. — En weet wel, mijn dierbaar kind, dat men in het klooster in geweten en in alles moet gehoorzamen. Men opent voor ü een regel, die alle bewegingen bepaalt; en daarenboven hoort men het bevel der Overste, die den regel moet toepassen en wijzigen.

Het gaat er niet zoo als in het huis uwer Ouders, waar gij meestal of ten halve of in het geheel niet gehoorzaamt, alle listen uitdenkende om te vermijden wat u onaangenaam is, en waarvan ge u gewoonlijk weet te doen ontslaan; waar ge datgene wat u wordt voorgeschreven, door redeneering, door uitvluchten, desnoods door liefkozingen en tranen weet te ontduiken of te doen uitstellen, zoodat ge gewoonlijk niet

ocr page 79

74

alleen doet wat gij gaarne doet, maar daarenboven uw wil nog weet te doen volbrengen door al degenen, die n omgeven.

In het klooster, mijn kind, valt er niet meer te redeneeren, te redetwisten , te ontduiken; en wanneer gij zelfs uitwendig zoudt doen wat u wordt voorgeschreven , zoudt gij u nog eenigzins schuldig maken, wauueer gij slechts volgens de letter gehoorzaamt, zonder uw geheelen wil er mede te vereenigen.

Gij zoudt althans niet vorderen op den weg der religieuze volmaaktheid, die bijzonder bestaat in het verzaken aan eigen zienswijze en eigenwil.

Dan zult gij in het klooster nog Oversten vinden, tusschen God en u, tusschen den Regel en u. Hoe wijs zij ook mogen zijn of gij het moogt worden, blijft gij mensch van weerszode — bijgevolg zal er toegenegenheid of afgekeerdheid bestaan. Zoo er afgekeerdheid bestaat, zult gij zeer veel moeite hebben, u te onderwerpen, en het ofier zal wellicht uwe krachten te boven gaan. Duizend redenen zult gij vinden om te weerstaan of te ontduiken; en zoo u dit onmogelijk wordt, zoo oordeel zelve, wat men moet lijden onder een juk, dat men verfoeit. Het is de hel in het huis des Heeren. Bestaat er toegenegenheid , dan zult gij gevaar loopen, uit natuurlijke beweegredenen te gehoorzamen voor uw eigen genoegen , en behalve dat gij de verdiensten verliest, brengt gij in de gemeente eene oorzaak van tweedracht; want de natuurlijke genegenheid veroorzaakt bijzondere vriendschapsbetrekkingen, geheime vriendschapsbetuigingen , die schadelijk zijn voor de zusterlijke liefde, omdat men daarin zich zelve en niet het welzijn der gemeente zoekt. Het is uit deze vertrouwelijkheden (geesel der religieuze huizen, die

ocr page 80

75

men tot eiken prijs daaruit moet weren , wil men ze ia den geest hunner instelling zuiver bewaren), dat te groote gemeenzaamheid, afgunst, verdeeldheid en ten laatste tweedracht ontspruiten...

Vlei u dus niet met de begoocheling, dat het gemakkelijk valt te gehoorzamen. Vele personen, die in het klooster wenschten te treden, hebben mij geraadpleegd; en ik heb altijd opgemerkt, dat zij wie de gehoorzaamheid zoo gemakkelijk toescheen alvorens zij die beoefend hadden, ze hard en on-verdragelijk gevonden hebben; terwijl andere die, alvorens in het klooster te treden, de gehoorzaamheid als de groote struikelblok beschouwden, zich moedig aan den strijd tegen haren natuurlijken weerzin gewaagd en het juk zoet en licht bevonden hebben, nadat zij het gedragen hadden. Ja, mijn dierbaar kind, niets is moeielijker, niets is zeldzamer zelfs, dan te kunuen gehoorzamen in geest en in waarheid, vooral wanneer men moet gehoorzamen zonder ophouden, zonder belooning, zonder loftuiting, zonder zegepalmen, zonder roem, doch alleen uit plicht en geweten.

De oude schrijvers zeggen, dat de schoonste zegepraal die is, welke men op zich zelven behaalt; en om te gehoorzamen, gelijk men doen moet door de gelofte van gehoorzaamheid, moet men zich onophoudelijk overwinnen. Dit eerste punt zij u ter overweging aangeboden.

II.

Het tweede zal u wellicht minder moeielijk schijnen; want uw onschuldig hart heeft de aanlokselen der aardsche liefde nog niet gevoeld. Dit is nochtans

ocr page 81

76

meer de onschuld der onwetendheid dan die der deugd. Door uw jeugdigen leeftijd zijt gij nog niet ernstig aangevallen, te meer daar gij weinig in de wereld geleefd hebt. Het weinige, dat gij er van gezien hebt, heeft de begeerte niet in u opgewekt om er meer van te ondervinden; want gij vondt er geen genoegen in en vreesdet het gevaar. Uw hart is nog niet beproefd geworden; doch wellicht bemint het zich zeiven en anderen om zich zeiven. Dit is geen bewijs dat de liefde tot God alleen in uwe ziel heerscht. Denk dat in het klooster alle bijzondere vriendschap verboden is en dat de religieuzen elkander met de zuiverste zusterlijke liefde nioeten beminnen. In het klooster heeft men geene vriendinnen, men heeft slechts zusters; en gelijk in eene aardsche echtver-eeniging het hart eener echtgenoote geheel aan dengenen behoort wien zij trouw gezworen heeft, zoo behoort het hart der religieuze geheel aan haren goddelijken Bruidegom, en het is eene ongetrouwheid zich aan wie ook te hechten. Zelfs moogt gij uwe Ouders niet meer beminnen gelijk gij het tot dusverre gedaan hebt.

Gij zult hen wellicht niet zoo dikwijls zien als gij zoudt verlangen; en indien hun bezoek uwe ziel kon storen, zoudt ge er geheel aan moeten verzaken; want Jezus-Christus heeft gezegd: »Hij, die zijn vader of moeder meer bemint dan mij, is mijner niet waardig.quot; (Matth. X, 37.)

III.

Nu blijft ons nog over van de belofte van armoede te spreken, welke bestaat, niet juist in niets te bezitten, want dit is onmogelijk, maar in niets te

ocr page 82

77

hebben, noch te gebruiken zonder verlof der Overste; op de eenvoudigst mogelijke wijze te leven en met het volstrekt noodzakelijke tevreden te zijn; en dit heeft men in de strenge orden zelfs niet.

Gij zult met grove stof gekleed worden — armoedige, soms versleten kleederen moeten dragen. Men kan u laten vasten en u verstervingen van allen aard voorschrijven. Gij zult eene kleine, donkere cel bewonen, op stroo, misschien op de planken slapen. Gij zult koude en hitte zonder morren moeten verdragen; en geen enkel voorwerp zult gij het uwe mogen noemen, noch uitsluitend tot uw gebruik mogen houden. Indien gij u ergens aan hecht, zal men het u ontnemen, ware het slechts om u in zelfverloochening te oefenen; en uw wil, die nu zoo gaarne zijn schepter zwaait over personen en zaken, zal voortdurend onderdrukt worden.

Dit alles schijnt u gemakkelijk, omdat gij, naar gij zegt, beproefd hebt. Die beproeving was vrijwillig en het stond in uwe macht die te doen ophouden. Wanneer gij eenmaal verbonden zijt, zullen die ontberingen u moeielijker, die opofferingen u zwaarder vallen, en dan is het voor immer....

IV.

Wanneer gij eindelijk uw novicaat volbracht en uwe Geloften uitgesproken hebt, zal men u bedieningen geven, die u tegenstaan.

Gij wilt gaarne zieken oppassen, en men plaatst u in de scholen. Gij hebt smaak en talent voor het onderwijs, en men zendt u naar een gasthuis of eene gevangenis. Gij gevoelt neiging voor het beschouwende leven, men overlaadt u met werkzaamheden, —

ocr page 83

78

en zoo gij hieraan de voorkeur geeft, zal men u aan het tegenovergestelde binden. In één woord, men zal beschikken over uw persoon, uwe vermogens, uwen tijd, uw werk, uwe krachten, niet op eene onredelijke wijze, maar voor het welzijn der gemeente, dat wil zeggen voor de eer van God, voor het welzyn van den evennaaste, hetgeen het doel harer instelling uitmaakt. Alles zal gedaan worden zonder u te raadplegen, zonder dat men zich om uw gaarne of liever bekommert, al ware het slechts om uwe gehoorzaamheid, uwe zelfopoffering op de proef te stellen. Gij zijt als de soldaat onder de wapenen; — men beveelt hem te gaan en te komen, en hij gaat en komt; op de stem van zijn Overste moet hij voortgaan of wijken, zelfs al gaat hij den dood te gemoet.

»Ziedaar, mijn kind, wat gy vrijwillig moet aannemen.quot;

^ ieïooipidstxjik:-

Over lt;lo erebi-elien, lt;lie den Religfienzen Oeest kunnen -vernietigfen.

Na al hetgeen wij reeds gezegd hebben, komen we gemakkelijk tot het besluit, dat de levensgeest van den religieuzen staat een geest van opoffering en een geest van vrede is.

ocr page 84

79

Opoffering en vrede! Ziedaar het keaimerk der zielen die God heeft geroepen en die zich vreugdevol aan Hem gehecht hebben door de Geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede.

Opoffering die alles geeft, die zich geheel geeft, altijd gereed te werken, te lijden, te sterven , voor Hem, die de ziel haar Meester en haar Vader noemt!

Niets behoort u meer toe, o Religieuzen, alles is in de handen van uw Opperheer overgegaan, alles is verkocht en geleverd! Gij zijt in het bezit van God overgegaan; gelijk Jezus, leeft gij voor God en voor Hem alleen om Hem te loven, te aanbidden, te vereeren, Hem al den lof te geven, die zijne aanbiddelijke volmaaktheden vereischeu.... Gij leeft om Hem te bedanken, te troosten, te beminnen, — te dienen door te werken, — te dienen door te lijden, — te dienen door u op te offeren.

Gij leeft vooral om Hem toe te behooren. En dit enkel woord besluit eene wereld van leven, van heiligheid, van glorie en zaligheid.

Vrede, waardoor zich de religieuze over niets bekommert, noch over den dag van morgen, noch over het volgend uur; om zoo te zeggen, van minuut tot minuut levende onder de vaderlijke bescherming van Hem, wien zij zoo gaarne den zoeten naam van Vader geeft, — slechts vraagt wat zij noodig heeft en met liefde verwacht wat zij vraagt, vertrouwende dat alles op zijn tijd zal komen.

Vrede, die steeds den glimlach op de lippen doet zweven, zelfs dan als ziels- of lichaamsleed tranen doet vloeien, overtuigd als zij is dat dit lijden noodzakelijk is ter harer zaligheid en ter verheerlijking van God.

Vrede eindelijk, die haar zelfs de begeerte ontneemt tot leven of tot sterven, doch alleen die zoo zoete

ocr page 85

80

en troostende begeerte in het hart laat, in alles den wil des Vaders te volbrengen.

O hoe schoon, hoe goed is die geest, welke in alle religieuze huizen heerscht, zich dringt in de zielen van al degenen, die daarin wonen, ze bezielt en verlevendigt!

11.

Deze goede geest kan door zekere fouten vernietigd worden welke, even als verpestende dampen, dien in de zielen komen bederven.

Dit zijn niet zoo zeer de zware misslagen, die, enkele malen bedreven, de ziel diep vernederen, doch welke, dank aan een oprecht berouw en het H. Sacrament der biecht, geene sporen in de ziel achterlaten.

Het zijn ook niet die vrijwillige dagelijksche zonden uit gewoonte bedreven, welke de ziel in een staat van lauwheid brengen, die langzamerhand den geest van geloof uitdoven, haar ongevoelig laten voor de inspraken der genade, de vermaningen harer Oversten, en God verplichten haar deze woorden toe te voegen:

»Omdat gij lauw zijt...... zal ik u uit mijn mond

»uitspuwen.quot; (Apoc. III, 16). Deze lauwheid zal die arme ziel langzamerhand ten verderve voeren; maar de lauwheid van eene enkele religieuze, hoe schadelijk ook voor de gemeente, kan haar den algemeenen goeden geest niet ontnemen. Dit geschiedt door kleine, persoonlijke overtredingen, eerst onbemerkbaar, doch die langzamerhand algemeen worden, en in eene gemeente doen wat eene spleet doet in een schip; het water komt er met druppels door en doet ten laatste het schip zinken.

Die onbeduidende zinnelijkheid, die veelvoudige kleine zaken die men zich ongevraagd toestaat, brengen

ocr page 86

81

in de religieuze gemeenten dien toestand, welke het woord verslapping zoo wel uitdrukt.

Verslappen is bijua onmerkbaar overgaan van het ffoede tot het minder volmaakte. — Het is van een klein verzuim tot een grooter, van eene onvolmaaktheid tot een gebrek, van eene fout tot eene kwade gewoonte vervallen. Dan schijnt ons die eertijds zoo zachte en aangename regel zwaar en ondragelijk. Dan kan men niet de minste opoffering, versterving noch vermaning verdragen en meent die niet te ver-

~ O

dienen, — en niet noodig te hebben. Dan ontslaat men zich eenvoudig van alles wat hindert, kwelt of verveelt.

Ziet gij niet hoe eene gemeente, waarin dergelijke verslapping zou dringen, langzamerhand uit elkander moet vallen, en alle zelfopoffering en vrede moet verliezen.

Ziehier eene eenvoudige opsomming der fouten, die verslapping in de zielen en in de religieuze gemeenten veroorzaken.

^Ca-Catityficid in de- 'ëodvzuc^'vc^c

Een religieuze, die het gebed veronachtzaamt, is in groot gevaar. Eene gemeente, waarin de godsdienstige oefeningen niet geregeld en godvruchtig geschieden, gaat ten gronde.

Zeker ontbreekt het nooit aan uitvluchten, om het gebed achter te laten, — te laat in de getijden

6

ocr page 87

82

te komen, — den rozenkrans niet te bidden enz.; eene slapeloosheid van eenige uren, — de benauwdheid der Tcapel, waarin men geen adem kan halen, — eene tochtende deur of venster, — een werk, dat spoed vereischt en dat men gaarne doet, — eene les, die voorbereiding vraagt enz.....

En gij verwijdert u van God, arme zuster, en gij gaat geene kracht putten voor uwe ziel; het gebed dat gij heden achterlaat, zal u morgen zwaarder vallen, en dat gebed is eene schuld, die gij aan God betalen moet. Wanneer zult gij dat doen?

Laat ons zonder overdrijving spreken: als men werkelijk niet kan bidden, moet men zijne ziel aan God openleggen en Hem zeggen als tot onzen goeden Vader: zie, zij die gij lief hebt, is ziek. (JoAist. XI: 8); en de ziel blijft gerust, en ons geweten zegt ons spoedig, of wij gerust mogen zijn.

Later zullen wij zeggen, hoe men moet bidden. Thans herhalen wij: Bid, bid, laat uit onachtzaamheid of traagheid geen enkel gebed achter. Laat u slechts bij uiterste noodzakelijkheid ontslaan van de gebeden der gemeente, en zijt gij er van ontslagen, en moet gij eenzaam in uwe cel, op uwe legerstede blijven, vereenig u dan nog in den geest met uwe biddende zusters.

acm 'Slliauwamp;cmiyfiaid.

Nauwkeurigheid is de getrouwheid om zich op tijd tot de oefeningen te begeven, — getrouwheid om te zwijgen zoodra het teeken gegeven wordt, dat de recreatie geëindigd is, — om de kapel te verlaten

ocr page 88

83

als deze of gene oefening volbracht is, — op tijd op te staan en zich ter ruste te begeven. —

Niets onderhoudt beter de orde in een huis, dau die getrouwe nauwkeurigheid. Niets bewijst beter aan God dat men Hem bemint en Hem genoegen wil doen. Is de klok het teeken niet dat God ons doet geven ? God roept! Hier hen ik! Ziedaar de beminnende ziel!

Het gebrek aan nauwkeurigheid vertraagt en stoort de oefeningen, veroorzaakt tijdverlies, maakt onregelmatigheid tot regel, en veroorzaakt weldra eene algemeene wanorde. Een punt is werkelijk slechts een punt, doch het eene ondersteunt het andere; en vervalt het eene, zoo sleept het een tweede mede en veroorzaakt een geheele instorting. Veronachtzaam geene minuten; zij zijn noodig om de deugd te ondersteunen.

aan voozamp;owamp;nd-fvcid en

Dit schijnt van weinig belang, maar de gewoonte van weinig voorkomend en onbeleefd te zijn, verkoelt langzamerhand de liefde en dooft ze ten laatste uit. Eerst sluit zij het hart, maakt het dan koel, pruilziek, stroef, afkeerig; zij verscheurt menig hart, dat zich zoo gaarne zou uitstorten en nu lijdt en zwijgt! Het is een stroef antwoord, — een stuursch gelaat, — eene bepaalde weigering om een liefdedienst te bewijzen, omdat men geen tijd heeft, — het is eene spotternij zonder einde, waarvan men den droevigen indruk bespeurt.

ocr page 89

84

Later zullen wij over de zusterlijke liefde spreken, en zeggen nu slechts, dat niets zoo teeder is als deze deugd. In eene gemeente waar men gelukkig leven wil, is het niet genoeg elkander te beminnen; men moet nog eene teedere toegenegenheid voor allen hebben; men moet voorkomend, hartelijk, liefdevol zijn.

Men moet medelijden met elkander hebben; in één woord, met moet elkander als ware zusters beminnen.

Zijt gij door de zorgen van Jezus niet bijéén vergaderd, opdat gij één hart en één wil zoudt vormen.

Het is droevig te moeten zeggen, dat er gemeenten zijn, waarin vele harten onuitsprekelijk geleden hebben: men beminde elkander niet!

êe-facft a cm st'vtzwijyamp;vidfaamp;id en incfrc-hczzdhcid.

Eene gemeente, waar het stilzwijgen goed wordt onderhouden, is gewoonlijk eene vurige gemeente. Wanneer men zich bij het doorloopen der kloostergangen als doordrongen gevoelt door eene gewaarwording van vrede en rust, wanneer men de religieuzen stil en zedig naar haar werk ziet gaan, mag men vrij besluiten, dat in deze gemeente de gehoorzaamheid gemakkelijk valt, dat de zusterlijke liefde er heerscht, en dat Jezus daar waarlijk troont als Heer eu Meester.

Eene uitgestorte gemeente is geen huis van God. Wij noemen uitgestort die gemeente, waar iedereen

ocr page 90

85

zich haast en spoedt, waar niets geschiedt met kalmte, waar men altijd gedruisch hoort in de gangen, omdat men zich niet toelegt om bedaard en stil te gaan, waar men nooit eene vraag of antwoord op zachten toon geeft.

In die huizen wordt de geest des gebeds eene onmogelijkheid, — de zoetheid der liefde Gods is er onbekend, — de omgang der zusters onder elkander mist vriendelijkheid en minzaamheid, — de gehoorzaamheid vooral valt er zwaar, — oppervlakkig gesproken kan men zeggen: er heerscht geene orde.

Het is niet in de recreatie, maar aan de deuren der cellen of ia de cellen zelfs, dat men elkander opruit, dat men samenspant, en dit bederft zoo spoedig den goeden geest eener gemeente. Mochten wij der Oversten eenen goeden raad geven, wij zouden haar zeggen: Zorgt voor het stilzwijgen, voor de ingetogenheid in woorden en handelingen. Geeft het voorbeeld van een grooten eerbied voor het stil-zivijgen; dat men in u nimmer haast noch drukte bespeure; spreekt liever te zacht dan te luid! —

Ovezdzcvcn zgt;ozy voot dc ^zz,ondkzid.

Sommige religieuzen zijn zoo bang voor hare gezondheid, dat alles haar verontrust. Vandaag hebben zij slecht geslapen, morgen hebben zij hoofdpijn, zij kunnen onmogelijk de getijden zingen of lezen, zij kunnen het in de kapel niet uithouden. Hare cel ligt in het Noorden of het Zuiden, het is er te koud of te warm. Die ingebeelde ziekten houden

ocr page 91

86

haar terug, zij zullen nimmer de volmaaktheid van haren staat bereiken. Zij zijn ongelukkig voor zich zeiven en voor hare omgeving. Zij doen niets, wat den Meester weardig is, wien zij toebehooren. De lauwheid, waaraan zij zich overgeven, belet haar het goede te doen, dat God voor haar beschikt had, en langzamerhand worden die ingebeelde kwalen, werkelijke kwalen.

Overdrijven wij niet. De Overste moet eene tee-dere moeder zijn voor de zieken, de gebrekkigen, de zwakken. Haar plicht is niets te ontzien om hare lijdende kinderen te genezen, te ondersteunen., te verzorgen; zij moet zelfs de goedheid zoover drijven, dat zij werkelijh medelijden hebbe met de ingebeelde kwalen, en trachten ze te genezen door eene dubbele goedheid (hetgeen vaak het eenigste geneesmiddel is). Doch, dat de religieuzen van haren kant wel weten dat zij die kleine ongesteldheden moedig moeten verdragen, die gewoonlijk des te eer genezen zijn naarmate men er minder werk van maakt. Dat zij zich vooral niet bekommeren over ziekten die zij kunnen krijgen; dat zij eenige slapelooze uren niet beschouwen als een voorteeken van ziekte; dat zij met eenvoudigheid, als kinderen aan hare moeder, de Overste bekend maken met hare vermoeienis, hare kleine ongesteldheden; dat zij die middelen aannemen welke men haar tot genezing aanbiedt; — en heeft men voor haar niet dat liefdevol medelijden, dat zij mocht verwachten, welnu, dat zij het acw God zeggen. doch aan God alleen, die als Vader voor haar zal zorgen.

ocr page 92

87

Ovczdzcvzn o| zondcitincjc- §odcgt;wacht.

Dit is eene ware bron van wanorde en verdeeldheid in eene gemeente. Wanneer zal men de religieuzen kunnen doen begrepen, dat alle heiligheid, hare persoonlijke heiligheid besloten ligt in het naleven van haren regel? Alles, maar niets minder, niets meer.

Deze devotie wordt dan vooral het schadelijkst, wanneer zij eene partij vormt, die zich beter waant dan de overige leden der gemeente. Men verneemt door God tot iets grooters geroepen te zijn, — men vermenigvuldigt de oefeningen van godsvrucht buiten den regel, — men blijft langer dan de anderen in kerk, kapel of bidplaats, — men vindt dat er veel verslapping in de gemeente geslopen is, men neemt een stijf, gemaakt, ootmoedig, stroef uiterlijk aan, — men werpt eenige woorden van afkeuring in het midden, ten opzichte der Overste die eene buitengewone Communie weigert, — men vraagt met aandrang nieuwe oefeningen van godsvrucht, — men mort tegen den biechtvader, die ons in de nederigheid houdt.

Hoor wat de H. Franciscus van Sales zegt: »Mij dunkt dat, ware ik religieuze, ik aldus zou handelen: ik zou niet vrasen om meer dan de gemeente te

O O

communiceeren; ik zou niet vragen om haren kleederen noch ijzeren gordels te dragen, bijzondere vastendagen te houden noch iets van dat alles; ik zou mij tevreden stellen in alles en altijd de gemeente te volgen. Ware ik sterk, dan zou ik geen viermaal daags eten; doch beval men mij dit te doen, zoo zou ik het doen zonder iets te zeggen. Ware ik zwak en gaf men mij maar eenmaal daags te eten, zou ik slechts eenmaal eten, zonder te vragen, of ik zwak ware al dan niet. Ik wil zeer weinig, en

ocr page 93

88

wat ik wil, wil ik nog weinig. Ik heb zeer weinig begeerten, en kon ik opnieuw geboren worden, zou ik er in het geheel geen hebben. Als God tot mij kwam, zou ik tot Hem gaan, en indien G od tot mij niet wilde komen, zou ik blijven waar ik was, zonder tot Hem te gaan. Ik zeg dan: Vraag niets, en weiger niets; maar houd u tusschen de armen der

O 1 ^ ^

goddelijke Voorzienigheid, zonder u met eene enkele begeerte bezig te houden, dau alleen met die van te doen wat God wil.quot;

Dit zij ook uw gedragsregel, en bedenk, dat de gewone weg de veiligste is.

3)e ■£gt;ij.zgt;ondamp;iamp; ^Vilcndschappc-'n.

Zij schaden de ziel, omdat zij langzamerhand tot de zinnelijkheid voeren; zij schaden de gemeente, omdat zij beleedigend zijn voor de andere zusters, die men schijnt te misachten, daar men ze ter zijde laat; zij vernietigen de zusterlijke liefde, wekken afgunst op, en zijn voor de zusters welke aldus vereenigd zijn, eene bron van vele fouten. Men ontbreekt aan de stilzwijgendheid — hoe kan men anders doen dan elkander spreken en in het geheim spreken? men ontbreekt aan de gehoorzaamheid — het is haar verboden elkander te zoeken, en zij reikhalzen naar gelegenheid om zich af te zonderen; men ontbreekt aan de armoede — hoe kunnen wij anders doen dan elkander kleine geschenken geven en in 't geheim voor elkander werken ? men ontbreekt aan den eerbied der Overste — zij immers moeten elkander mededeelen, wat haar verboden wordt, wat zij onrechtvaardig en onbillijk vinden, wat hare medezusters volgens

ocr page 94

89

haar oordeel hebben overgebracht; men ontbreekt aan den inwencligen geest — want God verblijft niet in de harten, die datgene wat slechts hartstocht is, als zusterlijke liefde beschouwen.

O my any met 3e wamp;zztd c-n fccyzezte-■naat nie-xiwstijdinyamp;n.

Wanneer de wereldling eene religieuze prijzen wil, zegt hij: men ziet haar zelden in de spreekkamer; wil men de weinige achting toonen welke men voor

O O

een klooster heeft, zegt men: De spreekkamers zijn er altijd vol.

Welke religieuze heeft, ua een uur in de spreekkamer doorgebracht, met de hand op het hart kunnen zeggen, ik ben er heiliger geworden ?

De spreekkamer doet tijd verliezen, — verstrooit den geest, — voert den geest der wereld in het

klooster en verzwakt den religieuzen roep..... De

spreekkamer is eene bron van bekoringen.....

De begeerte om nieuwstijdingen te hooreu veroorzaakt ook een groot nadeel aan den geest eener gemeente.

Lees geene couranten, maandschriften noch lichtzinnige boeken. Lees niets zonder verlof en vraag dit slechts zelden.

0 indien gij liefde tot uwe bediening hadt, wat zouden al uwe gedachten, al uwe lezingen strekken om u iu staat te stellen, die beter te vervullen!

III.

Weet gij wat de fouten , die wij hebben opgesomd, ten laatste in eene gemeente teweeg brengen?

ocr page 95

90

De duivel brengt eene reeks kwade geesten, die de plaats innemen van dien goeden geest van opoffering en vrede. Dat de opsomming u tot spiegel diene om de minste vlek te betreuren, welke zich in uwe ziel zou vertoonen, die met Gods hulp door het gehed te doen verdwijnen, en u des te meer aan de vervulling uwer plichten te hechten.

tyVcihe, cpeot -frcm aicfv in dc

lt;% e-meentedviny en ?

Een geest van eerzucht, die een hoogere bediening zoekt te bekleeden, en daarom de Overste vleit, hare medezusters behendig zoekt ter zijde te schuiven, alle mogelijke middelen aanwendt om hare talenten te toonen.

Een geest van praatzucht, die overal en van alles spreekt, die alles weet, zich met alles bemoeit en gewoonlijk het huis door het geluid harer nimmer gematigde stem doet weergalmen.

lien geest van lichtgeraaktheid, die bij de minste aanmerking een of twee dagen loopt zonder te spreken, ieder een stroef en afgetrokken gelaat vertoont en soms zoover gaat van te weigeren voedsel te nemen.

Een geest van bedilzucht, die alles bespreekt eu meent verstand en doorzicht te toonen met alles af te keuren. Hare Oversten zelfs worden door hare kwaadsprekende tong niet gespaard, -— hare medezusters vreezen en vluchten haar. Zij is ontevreden met alles, — dan eens is het voedsel, dan het huis afschuwelijk, — dan zijn hare medezusters ruw eu

ocr page 96

91

lomp, — dan weder is hare bediening te zwaar, — dan moet de geheele gemeente hervormd worden, enz.

Een geest van grilligheid, die nooit twee dagen in denzelfden toestand kan blijven, die met eene verwonderlijke snelheid overslaat van liefde tot onverschilligheid, van onverschilligheid tot haat, die met aandrang eene bediening vraagt en ecne maand latei-het niet meer uit kan houden en weigert ze te blijven vervullen.

Een geest van nieuwsgierigheid en onbescheidenheid, die alles wil weten, en om tot haar doel te komen eene menigte onkieschheden begaat, bespiedt, beluistert , ondervraagt, zelfs een aan haar niet. gerichten brief leest, en vervolgens alles op hare wijze uitlegt en overbrengt.

■n .

Een geest van uitgestortheid, die met alles en altijd lacht, die zich overal zoekt te vermaken, tot zelfs in de kapel, die spot met de ernstigste zaken, altijd verstrooid is en alle gebeden steeds te lang vindt.

Een geest van overdrijving, die dweept met alles wat zich met eenigen glans vertoont. Het nieuwe, het buitengewone bekoort haar onmiddelijk — eene nieuwe devotie is voor haar eene gelief koosde devotie, ■waarvoor zij gaarne de oefeningen der gemeente zou opofferen. Zij wordt vooral getrokken door het bovennatuurlijke , als openbaringen, wonderdadige zaken. Zij neemt alles zonder nadenken aan. De dagelijksche lezingen, de gewone onderrichtingen laten haar koel en koud. Zij moet iets nieuws hebben!

Een geest van onstandvastigheid, wien alles weldra verveelt, die nooit leeft in het tegenwoordig oogenblik, maar altijd in de toekomst. De eentonigheid van den regel maakt haar ziek, en mocht zij niet deuken dat weldra alles anders zal worden, zou zij het niet

ocr page 97

92

kunnen uithouden. Zij droomt voortdurend 7;in een ander huis, eene andere Overste, eene andere bediening.

Een geest van onafhankelijkheid, voortvloeiend uit een grooten hoogmoed, altijd geneigd tot morren, die zich, wel is waar, uitwendig onderwerpt, doch inwendig de personen misacht, die haar gebieden of met haar werken; zij kau zich nauwelijks aan haren biechtvader onderwerpen!

Een geest van lauwheid en traagheid, die niets zoozeer zoekt dan gemak. Voor haar de kleine opmerkzaamheden, kleine voorkomendheden, de meer

dan moederlijke zorg..... en zoodra men haar iets

dergelijks onthoudt of niet dadelijk bewijst, slaakt zij luide kreten. Hare leus is, hoe minder hoe liever; en elke eenigszins lastige bezigheid doet haar onophoudelijk klagen en stenen.

Een geest van onoprechtheid en dubbelhartigheid die nimmer recht door zee gaat in haar vragen noch antwoorden. Zij is altijd bang, dat men hare ziel te zeer doorvorscht. Zou zij iets te verbergen hebben ? Zij kan nooit eenvoudig ja of neen zeggen, en denkt altijd dat men niet oprecht met haar omgaat.

Een geest van zinnelijkheid en onverstorvenheid, die haren smaak, hare zinnen, hare neigingen, hare nieuwsgierigheid zoekt te bevredigen, den minsten dwang verafschuwt, — die bang is voor eene tochtende deur of venster, — altijd iets op het voedsel weet aan te merken, — geen gedruisch kan verdragen, overal de beste plaatsen, de beste kleederen, de vriendelijkste woorden moet hebben.

Een geest van zin- en weerzin — altijd overdreven in zijne toegenegenheid en afkeer, die, zonder rede en alleen door het gevoel gedreven, bemint of verafschuwt: hieruit volgen natuurlijke vriendschap, dwaze

ocr page 98

93

voorkonieudheid, terugstootiug, bitse woorden. Daaruit volgen nog plotselinge veranderingen: men bemint, men bemint nog, men bemint niet meer, men verfoeit wat men bemind heeft. Welk eene voortdurende wanorde in de ziel!

Een geest van icereldgezindheid, die zoekt te behagen door de kleeding, de spraak, den gang; de behaagzucht kruipt nog onder de religieuze kleederen uit; zij is gemaakt beleefd in het spreken, zij wil weten wat er buiten omgaat; zij spreekt gaarne van rijke en vermogende personen, die haar met hunne vriendschap willen vereeren.

Een geest van angstvalligheid, eindelijk de gewone straf harer traagheid, harer lauwheid, harer weinige toegevendheid voor anderen. Altijd ongerust, wil zij elke gedachte, elke beweging, elke neiging tellen, meten. wegen. Er bestaat slechts een middel om dit knellend juk af te werpen, de gehoorzaamheid; maar zij kan niet gehoorzamen, zegt zij, en zij leeft in kwelling en dwang, verzuimt hare communiën en leeft zich zelve, anderen, ja allen tot last. Arme religieuze ziel, die zich vrijwillig van God verwijderd heeft, van wie God zich op zijne beurt verwijderd houdt en aan zich zelve overlaat. God zal terugkeeren! doch eerst dan als zij zich diep vernederd zal hebben, en zij wel overtuigd zal zijn dat zij niets loeet, voor niets deugt, niets kan, dat zij aller gebeden, aller raad, aller liefdvol geduld noodig heeft.

Daartoe moet gij allen komen, religieuze zielen, als gij wilt werken tot Gods eer, als gij de volmaaktheid wilt bereiken, waartoe God u roept, en aldus zult gij uwe eeuwige zaligheid bewerken.

ocr page 99

TWEEDE DEEL.

Verplichtingen van den Religieuzen Staat.

Het doel, dat wij ons in dit tweede deel voorstellen, is bijzonder:

1. Den wil op te wekken tot liefde voor plichts

vervulling.

2. Het karakter te huigen om het de leiding der

Oversten te doen volgen.

3. De ziel te versterken tegen de bekoringen,

het hart en den geest tegen zinsbegoocheling.

I.

Een enkel woord bevat al de verplichtingen, welke de Religieuze Staat oplegt; die staat zoo verheven, dat allen, die daartoe geroepen zijn, om zoo te zeggen, het eigendom van God zijn geworden, en door de H. Kerk worden aangeduid met het zelfde wood als de gouden altaarvaten — aan God toegewijd. Dit woord is: Beminnen.

Ja, God beminnen, en om God, voor God, met God, door God, zoodanig en zooveel God wil, zijn evennaasten beminnen bevat al de verplichtingen van den Religieuzen Staat, omdat het slechts is door God te beminnen uit geheel haar hart, uit geheel hare ziel, uit al hare krachten, dat de religieuze in waarheid mag zeggen, dat zij God toebehoort, Hem toegewijd is.

ocr page 100

95

Het is de liefde tot God, die de ziel heeft aangespoord, het religieuze leven te omhelzen; en wel moest die liefde sterk zijn, om haar in den bloei harer jeugd aan te zetten der wereld vaarwel te zeggen, aan hare vrijheid te verzaken, en vooral hare ouders te verlaten.

Het is de liefde tot God, die haar die Geloften heeft doen uitspreken, zoo vreeselijk voorde natuur, maar zoo zoet voor het minnend hart, en die ze haar jaarlijks met vuur doet vernieuwen. Het is de liefde tot God, die haar ondersteunt, bezielt, aanspoort om zich immer op te offeren. Neem de liefde weg en het religieuze leven verliest alle bekoorlijkheid, alle vreugde, en wordt weldra ondragelijk. Behoud ze in volle kracht, dan wordt alles rust, geluk en zoetheid.

De religieuze ziel, die God bemint, is met God vereenigd en God met haar, haar wil is niet van Gods wil gescheiden. Wat Hij bemint, bemint zij; wat Hij beveelt, volbrengt zij; wat Hij verbiedt, verstoot zij; wat Hij toelaat, omhelst zij met vreugde.

De religieuzen, aldus met God vereenigd, beminnen elkander, omdat zij in elkander kinderen van God zien; en die gedachte verwekt bij allen een gevoel van eerbied, van liefde, van medelijden, van toegenegenheid.

Dit is het rijk Gods op aarde, dit is Gods wil op aarde volbracht, gelijk in den Hemel.

Beminnen is dus de eerste verplichting der religieuze , en de kloosterlijke Geloften strekken alleen om de ziel als te dwingen, God en haar evennaasten te beminnen.

De kern der christelijke volmaaktheid, zegt de H. Thomas, bestaat in de liefde tot God en vervolgens in de liefde tot den evennaasten.

ocr page 101

96

Het doel van den Religieuzen Staat, voegt de zelfde leeraar hierbij, is de volmaaktheid der liefde.

Ik hoor slechts spreken van volmaaktheid, zegt de H. Franciscus van Sales, en ik zie zoo weinig personen, die haar in oefening brengen. De eene zoekt ze in de gestrengheid der kleederen, in de gestrengheid in het vasten; anderen in het ontvangen der HH. Sacramenten, in een soort van beschouwend leven en bovennatuurlijke genaden; en zij allen bedriegen zich, want zij nemen de uitwerkselen of de middelen voor de oorzaak. Ik voor mij ken geene andere volmaaktheid dan God te beminnen uit geheel sijn hart en zijn evennaasten gelijk zich zeiven; elke andere is eene valsche volmaaktheid !.....

Geheel het geheim om tot die liefde te komen, is te beminnen; want even als men leert studeeren door de studie, leert spreken door te spreken, leert loopen door te loopen, zoo leert men God en zijn evennaasten beminnen door hen te beminnen; en al wie een anderen weg bewandelt, bedriegt zich!

Wij wenschen en vragen het ootmoedig aan onzen Heer Jezus-Christus, bron van alle licht en alle liefde, aan onzen Heer Jezus-Christus, den goddelijken Bruidegom der Hem toegewijde zielen, dat elk dezer bladzijden aan ieder die ze lezen zal, een weinig licht, kracht en sterkte moge mededeelen.

ocr page 102

97

Jfcüerste ■verpliditing; «Ier Religfieiize:

eamp;cminncn.

De eerste verplichting der aan God toegewijde ziel, die waaruit al de andere voortvloeien, — die, ware zij wel begrepen en in oefening gebracht, — voldoende zou zgn elke religieuze gemeente in een Hemel te herscheppen, — die elke religieuze krachtig in zich gevoelt en waartoe zij zich door hare Geloften verbonden heeft, is — de verplichting van God te beminnen.

God beminnen is zich geheel aan God alleen geven, en vervolgens door Gods bevel, op die wijze en in die mate als God wil, zich aan den evennaaste toewijden.

God beminnen is afstand doen van zijn wil om te doen wat God wil; van zijne vrijheid om zich door God te laten leiden; van zijne kracht, om die geheel tot Gods beschikking te stellen.

Deze verplichting om God te beminnen, die de Geloften beter hebben doen verstaan, doch niet hebben daargesteld, wordt duidelijk uitgedrukt door de woorden van Jezus-Christus: Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit geheel uw verstand. Dit is het grootste en eerste gebod. En het tweede is hieraan gelijk: Gij zult uwen evennaasten beminnen gelijk u zeiven. (Matth. XXII, 37, 38, 39. MaeciXII, 30, 31.)

Ten eerste God beminnen om Hem zeiven, om zijne schoonheid, goedheid en oneindige volmaaktheid.

God, van wien wij alles ontvangen hebben en aan wien wij alles zonder voorbehoud moeten teruggeven.

Vervolgens onzen evennaaste, omdat God dit beveelt; omdat hij het beeld van God, het kind van God is;

7

ocr page 103

98

omdat wij God genoegen doen met Hem te beminnen, maar bemind om God, voor God, in God; zoodat, indien die liefde tot onzen naasten ons een oogenblik God uit het oog zou doen verliezen en vrijwillig een gebod van God zou doen overtreden, zij eene schuldige, ongeoorloofde liefde zou worden.

Dit gebod is gegeven aan alle christenen, aan iedereen zonder uitzondering. Ten allen tijde moet de leerling van Jezus-Cbristus kunnen zeggen: Mijn God, ik bemin U uit geheel mijn hart, uit geheel mijne ziel, uit al mijne krachten, en hoven alle dingen

Maar hoe vele moeielijkheden vinden zij die in de wereld leven, in het vervullen van dien plicht van God bovenal te beminnen, zelfs in datgene wat strenge verplichting is!

Het is omdat gij beter de moeielijkheden begrepen hebt, die voortkomen uit de aanlokking der wereld en uit uwe eigene zwakheid, dat gij, edelmoediger, doch ook meer door God beminde zielen, de wereld hebt verlaten en u in de eenzaamheid hebt gesloten, en dat gij om het u onmogelijk te maken ooit een schepsel meer dan God te beminnen, u door de sterkste banden, door de IIH. Geloften aan Hem verbonden hebt.

Om u in al deszelfs verhevenheid, grootheid en schoonheid dezen plicht van God hoven alles te beminnen , voor te stellen, gaan wij, ootmoedig voor een beeld van Jezus uit liefde voor ons aan het kruis gehecht, voor u deze regelen schrijven, welke wij aldus verdeelen :

1. Beweegreden der liefde tot God en den evennaaste.

2. Kenmerken » » » » » » » - 3. Oefening » » » » » » »

4. Belooningen »»»»»» »

ocr page 104

iste ÜOOFIDSTXJDK, De Religieuze moet God beminnen.

Artikel 1.

Beweegreden «Ier* liefcle tot God.

De Religieuze moet God beminnen: 1°. Omdat God het door zichzelven verdient, 2°. Omdat God goed voor haar geweest is. 3°. Omdat zij religieuze is.

I.

§o9 vzzdiamp;nt dat yij Jtznv -tamp;wiint.

God verdient dat gij Hem bemint, omdat Hij het opperste goed is.

Het opperste goed, dat wil zeggen, dat Hij alle volmaaktheden in den hoogsten graad bezit, dat Hij die bezit van en door zich zeiven en dat deze volmaaktheden oneindig zijn in getal, onbegrensd in uitgestrektheid, onuitputbaar in derzelver toepassing Opperste goed! een oneindig, onmeetbaar, eeuwig wezen; oneindig verheven boven alle volmaaktheid,

ocr page 105

100 quot; lt;

alle grootheid, alle uitmuntendheid, die een geschapen geest zich denken kan, — verheven boven alle macht,

alle wijsheid, alle licht, alle schoonheid, alle heiligheid , alle rechtvaardigheid, alle goedheid, alle gelukzaligheid, alle glorie, in dier voege dat God, om zoo te zeggen, niets van dat alles is, maar oneindig veel grooter, veel verhevener, veel schooner, veel uit-muntender dan dit alles.

Het opperste goed — alles bezittende door zich zeiven, zoodat er noch in den hemel, noch op aarde, noch in eenigen engel, noch in eenig mensch, noch in eenig schepsel, hoe verheven het ook zij, ja zelfs in de H. Maagd, eenig goed bestaat dat niet van God kome; — wat ik dus goed noem in de schepselen, is slechts eene genade van God: wat ik goedheid noem, is slechts een straal uit Gods hart; wat ik srhoonheid, noem, is slechts een weerschijn van Gods glorie; wat ik heiligheid noem, is slechts een flauw afbeeldsel van Gods heiligheid.

Het opperste goed; dit is een onuitputtelijke en oneindige schat van alle goed, die zich voortdurend verspreidt, zonder ooit te verminderen; die behoefte heeft om zich mede te deelen, alom het leven, de/quot; kracht, de schoonheid, de barmhartigheid, het licht ^ verspreidende, even als eene bron, die alom hare heldere wateren werpt, zonder ooit uit te drogen^? dit alles verspreidende op zijne eigene schepselen ^ volgens hunne behoeften, doch somtijds met zulk een overvloed over die zielen, die zich met een zuiver hart door het gebed dicht bij Jezus stellen, dat zij schijnen slechts één met Hem te zijn.

Geef de vrije vlucht aan uw verstand, uwe verbeelding, uw hart. Al wat gij schoons en groots zult uitgedacht hebben, al wat gij edels en zuivers

T

ocr page 106

101

T

zult liefhebben, al wat gij goeds, medelijdends, toegenegens, barmhartigs zult begeeren, — onthecht dat alles van alle onvolmaaktheid, verhef het ver, ver boven de aarde tot aan het oneindige, en gij zult beginnen te begrijpen wat God is.

O konden wij hier die schoone bladzijden afschrijven welke de heiligen over het bestaan van God, zijne grootheid, zijne heiligheid, zijne goddelijke barmhartigheid hebben geschreven, konden zij u doen gevoelen wat zij gevoeld hebben, u doen zien wat zij gezien hebben ! Neen, wij zeggen eenvoudig tot u, religieuzen, die, A.'omdat gij religieuzen zijt, door Gods liefde zijt U, getrokken en bijzonder licht hebt ontvangen om te f\ begrijpen wat God is: Gaat nederknielen voor het a H. Sacrament en herhaalt daar geknield deze schoone N woorden van het Gloria in excelsis: Tu solus Deus! hsfw solus Dominus, tu solus altissimus! Laudamus x Benedicimus te! Adoramus te! Glorificarnus te! S Gratias agirnus tibi propter magnam gloriam tuam! ^5 gij dan gevoelt, zal u beter dan menschelijke

woorden zeggen, wat God in zichzelven is.

Het is onmogelijk van dien zoo grooten, zoo ^ verheven, zoo goeden God te spreken zonder zich getrokken te gevoelen Hem te beminnen. Worden igeest en hart niet met geweld getrokken tot al wat N^choon en goed is?

b /

i ■*-

Om God te beminnen is het genoeg aan Hem te denken en een enkel straaltje zijner grootheid te aanschouwen.

j 3

ocr page 107

102

11.

S)e van §od e-iicht dat

qij. Mem bemint.

God verdient dat gij Hem bemint, omdat Hij goed, oneindig goed voor u geweest is.

Wij wijzen hier alleen op de bewijzen zijner goedheid in uwen roep tot het religieuze leven, en zeggen: God moet het voorwerp uwer liefde zijn, omdat Hij u tot het religieuze leven geroepen heeft, en hiervoor wonderen van oneindige goedheid heejt moeten doen.

Goedheid om u te kiezen onder zoovele personen uwer kennis, wellicht deugdzamer dan gij. Waarom gij meer dan eene andere? Wat schoons, wat groots hadt gij verricht? Waartoe kunt gij meer dan anderen God nuttig zijn?

Goedheid om u te roepen. Gij verstondt de stem des Heeren niet, gij weigerdet wellicht daarnaar te luisteren en vondt het eene lastige stem; wellicht heeft de strijd tusschen Gods liefde en uwen weerstand jaren geduurd; om te overwinnen moest God Avonderen doen. Denk eens na of, in uw jeugdig leven, er geene bijzondere gebeurtenissen zijn voorgevallen, die alleen u konden doen besluiten uwe ouders en bloedverwanten te verlaten!....

Goedheid om u toe te vertrouwen aan een ijverig, godvruchtig priester, dien God wellicht alleen om uwentwil gezonden heeft; dien gij wellicht zoo vaak door uwen wederstand ontmoedigd hebt, maar dien God door bijzondere genade ondersteunde.

ocr page 108

103

Goedheid om u te wachten. God werd niet moede, en, als wilde Hij uwe vrijheid niet belemmeren, heeft Hij gewacht totdat gij ten laatste, door de genade overwonnen, uitriept: Ik geef mij aan u over; hier ben ik, Heer!

Goedheid ora u te vergeven. Wellicht hebt gij meer zonden bedreven dan de meesten uwer gezellinnen, die God niet geroepen heeft. —Wie weet of gij in uw weerstand aan de genadestem, die u riep, u niet juist daarom aan het gevaar blootsteldet, om de stem in uw hart te versmoren. Dat alles heeft God u vergeven!

Goedheid om uwe onschuld te heivaren, te midden van al de gevaren, die u konden verderven.

Herinnert gij u thans nog die gevaren, die u toen zoo weinig vrees aanjoegen? — Gevaren in die vriendschap, die u had kunnen boeien, in de gesprekken, die u konden bederven, — gevaren in de gelegenheden, die u zouden hebben doen wankelen, in de voorheelden, die u zouden hebben medegesleept, gevaren in de pracht, die u zou hebben ontzenuwd, in de schouwspelen , die u konden bekoren, in de vermaken, die u konden bezoedelen.

O, is het niet waar dat God zeer goed voor u geweest is vóór uw intreden in het klooster en dat gij meer dan anderen verplicht zijt Hem te beminnen?

En werp dan een vluchtigen blik over de genaden, waarmede God u zoo overvloedig bedeeld heeft sedert gij in zijn huis getreden zijt.

Genade van licht, die u de verhevenheid en de zoetheid van uwe plichten doet zien, — de belooning die God u voorbehoudt voor de offers ter zijner liefde gebracht, — de vaderlijke goedheid, die God u elk oogenblik bewijst.

ocr page 109

104

Genade van raad — die God bijzonder voor u op de lippen uwer Overste plaatst, wanneer gij u tot haar begeeft, — op de lippen uwer medezusters, dan zelfs wanneer zij slechts een onverschillig woord zeggen, zonder u in het minste een verwijt te willen doen, — op de lippen vooral van uwen zielbestierder aan wien God zelf de zorg voor uwe ziel heeft toevertrouwd en wien Hij des te meer licht verleent naarmate gij met een meer levendig geloof tot Hem nadert. O hoe kostbaar is die genade; wist gij haar wel te begrijpen, dan zoudt gij, wanneer gij u tot uwe Overste of uwen biechtvader begeeft, steeds zeggen:

God gaat tot mij spreken!.....

Genade van ingekeerdheid, die u verdedigt tegen de verstrooing der wereld en u het geluk doet begrijpen van het gebed, — de meditatie, — deH. Communie , — de gedachte aan de tegenwoordigheid van God.

Genade van waakzaamheid, die u elk uur van den dag waarschuwt, dat God bij u tegenwoordig is, dat de klok het teeken is dat Hij u geeft, dat het bevel uwer Overste zijn bevel is, — dat een dergelijk woord u tot verstrooing zou strekken, — dat eene dergelijke toegenegenheid uwe ziel zou bezoedelen.

Genade van goede voorbeelden, die u ondersteunen, u bemoedigen, u medeslepen, u vooral terughouden. Wanneer gij uwe oude, zwakke medezusters zoo vurig ziet in het gebed, zoo nauwkeurig op het eerste teeken der klok, hoe durft gij traag zijn? Als gij zusters, veel zwakker van gezondheid dan gij, nooit over het voedsel of de armoede harer cel hoort klagen, hoe durft gij u het minste ontevreden woord laten ontsnappen? Wanneer gij eindelijk oude Oversten ootmoedig verlof hoort vragen voor de kleinste zaken, hoe durft gij u dan aan de gehoorzaamheid onttrekken?

ocr page 110

105

Genade van gewetenswroeging eindelijk, de nuttigste aller genaden, die u nooit straffeloos een oogenblik van God verwijderd laat, die u vervolgt zoodra gij u van den weg afkeert, en u, — tenzij gij door langdurige ongetrouwheid uw geweten tot zwijgen hebt gebracht, — ten laatste berouwvol aan de voeten uwer Oversten doet knielen en zeggen, ik wil wederom trachten heilig te worden.

Is het niet waar dat God goed, zeer goed voor u is, en dat gij Hem moet beminnen uit geheel uwe ziel, uit geheel uw hart, uit al uwe krachten?

Want wat ons moet verwonderen, zegt P. Faber, is niet dat God zijne liefde voor ons zoover gedreven heeft, doch dat God ons bemind heeft.

Indien wij beschouwen wat Hij is en wat wij zijn, zullen we ons geen recht op zij ne liefde aanmatigen. Wat is minder beminnelijk, minder edelmoedig, ondankbarer dan wij, en nochtans bemint God ons, en bemint ons bovenmate. Hij stapelt de weldaden op onze hoofden, zoodat wij er als gebukt onder gaan.

Eiken morgen toont Hij ons nieuwe teederheid, nieuwe barmhartigheid en na deze aardsche weldaden bereidt Hij ons in den hemel eene belooning, zoo groot als het oog nooit gezien, het oor nooit gehoord, het hart nooit gesmaakt heeft. O mijn God, hoe ondankbaar, hoe slecht, hoe ontaard zouden wij zijn, zoo wij u niet beminden!

ocr page 111

106

III.

tyXw tiiamp;f van vczjyticht u

Qod te tictninncn.

God verdient dat gij Hem bemiut, omdat gij religieuze zijt.

Keligieuze zijn, beteekent aan God door een nieuwen . hand verbonden.

Wat nu twee redelijke wezens aan elkander verbindt, is het woord, dat zij elkander geven.

Dit woord vormt een contract, eene verbintenis, een band, die ben samensnoert.

De eerste band tusschen God en de ziel werd gevormd in het Doopsel, door die beilige woorden in onzen naam uitgesproken, die wij later met zooveel liefde herhaalden: Ik verzaak aan den duivel en geef mij aan God voor altijd.

Daar deze band eene zekere vryheid liet, waarvan het gemakkelijk zou zijn misbruik te maken, hebben eenige uitverkoren zielen gemeend, zich naar den raad van Jezus-Christus opnieuw aan Hem te moeten verbinden, en zij hebben met God een nieuw verbond gesloten, dat nog iets bij het eerste voegt en haar dwingt geheel aan God toe te behooren ; die woorden,

— gedicteerd door de H. Kerk, die den wil van Jezus-Christus vertolkt en zijne beloften waarborgt,

— zijn de drie Geloften.

Niets is duidelijker, niets is juister dan de woorden van dit contract — zij drukken letterlijk uit wat de ziel wenscht: aan God hehooren, God dienen, God loven, en dat voor altijd. Er is niets dubbelzinnigs in deze eenvoudige formule: Ik beloof gehoorzaamheid, armoede, zuiverheid.

ocr page 112

107

Niets is vrijwilliger dan dit contract. Men gaat het aan op een leeftijd, waarop het verstand genoegzaam ontwikkeld is om er al het gewicht van te begrijpen, — het geschiedt na rijp beraad, — nadat men wel overwogen heeft lioezeer, hoever, hoelang de verplichting strekt, — na een proeftijd van minstens een jaar, gedurende welken tijd men die verplichtingen heeft nageleefd, — te midden van personen , die onder de zelfde verplichting stonden, — en die belast waren, niet alleen ons in derzelver nakoming te geleiden, maar ook ze ons niet te doen aangaan, indien zij in ons overdrijving van verbeelding, lafheid van wil of menschelijke beweegreden in onze begeerten mochten opmerken.

Niets vollediger dan de overgave van ons zeiven door dit contract: — door de zuiverheid worden hart en zinnen onthecht van al hetgeen derzelver reinheid in het minst kan bezoedelen en ze minder aangenaam aan God maken; — door de gehoorzaamheid wordt de wil onthecht van dien eigenzin, waardoor hij de noodige buigzaamheid zou missen, zich te onderwerpen aan de Oversten in alles wat zij dienstig oordeelen voor de eer van God; — door de armoede wordt de geest onthecht van alle aardsche zorgen, ten einde zich vrijer aan de zaken van God te kunnen toewijden.

En kan men nu zich op dergelijke wijze aan iemand verbinden, zonder Hem te beminnen? en is zulk een verbond niet eene onherroepelijke verbintenis om dengene te beminnen met wien men dit gesloten heeft?

En mocht het gevoel dat ons aanzette, ons geheel aan God te geven, langzamerhand in onze ziel verzwakken, is het dan niet genoeg, ons het verbond,

ocr page 113

108

dat wij onmogelijk verbreken kunnen, te herinneren om tot ons zelve te zeggen. Maar ik moet God beminnen, of wel ik ivord eene rneineedige!

Van zijnen kant heeft God zich verbonden, niet slechts evenals voor eiken getrouwen christen, na het Doopsel, niet toe te laten, dat wij boven onze krachten beproefd worden, -— ons ter hulp te snellen als wij tot Hem roepen, — ons te vergeven zoo dikwijls wij Hem oprecht vergiffenis vragen, —

ons het dagelijksch brood te geven..... God heeft

verplichtingen jegens ons aangegaan overeenkomstig ons verbond.

Wij hebben niets teruggehouden, God houdt niets terug; wij hebben ons geheel aan Hem gegeven, Hij geeft zich geheel aan ons.

Zie, in deze wereld is dit het honderdvoud van wat wij verlaten hebben. Wij hebben de vreugde des harten opgeofferd: God laat ze ons terugvinden in eene tweede familie, waar wij nogmaals kunnen zeggen, mijne moeder, mijne zusters; — God laat ze ons terugvinden aan den voet van het tabernakel, waar Jezus voor ons meer teederheid, meer liefde, meer toegankelijkheid heeft, — God laat ze ons zelfs vinden in het lijden, waarvan Hij ons de waarde doet begrijpen, dat wij met liefde omhelzen, omdat het ons aan onzen meester gelijk maakt, — dat wij soms zoover gaan te begeeren.

Wij hebben tijdelijke goederen verlaten en zonder onrust, zonder kommer laat God ons rijkelijk het nooddruft vinden, dat meer welzijn verschaft dan de overvloed, die zoo spoedig tot last wordt. En dan daarboven! in den Hemel! O indien er eent! belooning is die het hart van den getrouwen christen met hoop vervult, hoe moet dan het hart der

ocr page 114

109

religieuze kloppen, als zij denkt aan den Hemel! Ja, de Hemel behoort haar, haar die vader, moeder, zusters en broeders en erfdeel verlaten heeft om Jezus te volgen, haar aau wie het eeuwige leven plechtig beloofd is.

Nog eene bemerking.

Dit verbond met God gesloten is geheel in het voordeel der religieuze, want God heeft geen zijner schepselen noodig. Vraagt nu die vaderlijke goedheid van God, die u riep om Hem te dienen eu u tot de HH. Geloften toeliet, niet uwe volle dankbaarheid en liefde? En gevoelt gij niet dat, zoo gij God niet bemint, op u deze krachtige vervloeking van den H. Paulus zou vallen om u gedurende de geheele eeuwigheid te verpletteren, zoo iemand omen Heer Jezus-Christus niet bemint, hij zij vervloekt?

I Cor XVI, 22.

Artikel 2.

Kenmerkeii «Ier lieftio Gods.

Een enkel woord kan het ware kenmerk uitdrukken der liefde, welke de religieuze aan God verschuldigd is: buigzaamheid: — een woord, dat krachtiger en doelmatiger het denkbeeld van het woord toewijding teruggeeft.

De religieuze heeft zich geheel aan God gegeven; dus God is eigenaar van geheel haar bestaan.

ocr page 115

110

Indien God eigenaar is, kan Hij haar gebruiken en doen dienen tot zijne eer, volgens zijn goddelijk goedvinden.

Zal God zich van de ziel, die zich aan Hem gegeven heeft, bedienen, dan moet die ziel een werktuig zijn, dat zich gemakkelijk laat gebruiken, dat zich verleent tot wat de meester wil, dat zich vouwt, zich buigt, beweegt, rustig blijft liggen, zich laat verplaatsen, zonder den minsten weerstand te bieden.

Zie nu welk een uitgestrekt veld zich hier voor u opent, voor u God toegewijde zielen!

God is meester en mag u alles vragen wat Hij nuttig acht voor zijne glorie.

Gij, de dienstmaagden, zijt verplicht Hem altijd te gehoorzamen, de bediening te aanvaarden, die Hij u beschikt, die te verlaten, die te hernemen volgens zijn wil, zelfs te sterven als zij uwe kracht te boven gaat!

God is de kunstenaar, die het recht heeft door u en met u te doen wat hij wil.

Gij zijt het werktuig en gü zijt verplicht nooit weerstand te bieden, noch voor den tijd wanneer noch voor het werk zelve, noch voor de wijze waarop, noch voor de plaats waar; gij moet u laten gebruiken tot de laatste minuut van uw leven.

God is eigenaar en heeft recht op geheel uw bestaan. Gij aan Hem overgeleverd zijt verplicht u te laten behandelen gelijk Hij nuttig oordeelt voor zijne plannen. God kan bijvoorbeeld willen, dat eenige zielen loeten voor andere. Hij kan van u dus een slachtoffer maken door uw hart te verscheuren en gij, die Hem toebehoort, gij moet dit lijden in stilte aannemen en met vreugde dragen. Zeker zou het eene verschrikkelijke dienstbaarheid zijn, indien zij

ocr page 116

Ill

ons niet onderwierp aan een wijzen en goeden God; maar in de handen van den God, dien gij bemint en door wien gij bemind wordt, wat hebt gij te vreezen ?

Eerst zullen wij zeggen, wat die goede Meester gewoonlijk eischt, en dan, hoe Hij dit gemakkelijk maakt.

I.

1. God wil dat wij ons niet zoo zeer aan de uit-ivendige zaken overgeven, dat wij uit het oog verliezen dat Hij meester is van de gebeurtenissen en van ons hart in het bijzonder. Stellen wij ons verstand, onze werkzaamheid, ons talent op alle zaken, die de regel der gemeente en de ons toevertrouwde bediening van ons vorderen; vervullen wij die getrouw, nauwkeurig, zoo goed als wij maar immer kunnen; openen wij daarbij ons hart voor gevoelens van liefde, dankbaarheid , medelijden; — maar nooit moeten wij dien liefdevollen blik, dien God voortdurend op ons vestigt, uit het oog verliezen. Aldus onder Gods oog wandelen valt niet moeielijk als men God bemint. De morgen meditatie, getrouw en vurig verricht, geleidt ons zoetjes tot die ingekeerdheid.

2. God wil dat wij nooit aan de genade weerstaan, wanneer deze ons aanzet tot het oefenen van een liefdedienst of een werk van gehoorzaamheid, tot het ootmoedig aannemen van een hard woord of eene moeielijke zaak, tot het vermijden van eene zonde of eene gelegenheid tot zondigen.

3. God wil dat wij, onze ziel in vrede bezittende, den toestand aannemen, waarin Hij ons plaatst, in een staat van ziekte, in een staat van vernedering, in een staat van tegenspoed of een staat van vergetelheid.

ocr page 117

112

Hij wil, dat wij uitwendig doen wat redelijk is om ons te verlichten of te rechtvaardigen; doch hij wil, dat wij Hem loven, zelfs dan als onze pogingen vruchteloos zijn. Hij wil dat wij Hem altijd beminnen.

4. God wil dat wij getrouw zijn in Hem te dienen volgens onze krachten, eenvoudig onze plichten vervullende van uur tot uur, zonder kommer voor het uur dat moet volgen, zonder onrust omtrent het verloopen uur. Hij wil vooral dat wij op zijne oneindige barmhartigheid rekenen om ons te vergeven, ons te helpen, en dat wij nooit in onrust leven.

5. God wil dat wij geene grenzen stellen aan onze zelfverloochening. Zeggen wij dus nooit inwendig: Nooit zou ik zulk een offer kunnen brengen! — nooit zou ik die bediening kunnen aanvaarden! — nooit zou ik mij zelve zoo kunnen opofferen! Het is slechts eene ziel zonder moed en zonder liefde, die zoo spreekt!

6. God wil dat wij, alvorens onzen zin, onzen smaak, onze bijzondere devotie te raadplegen, het hevel onzer Overste volbrengen. Aldus moeten wij een begonnen gebed staken, de kapel verlaten voor een werk, dat men ons oplegt, al zou het ons tegenstaan; het uur onzer meditatie verzetten of verkorten, den dag onzer Communie veranderen, ja, de H. Communie zelfs achterlaten, wanneer onze Overste meent dit te moeten vorderen. En, zoo een ontevreden woord of eene klacht onzen lippen ontsnapt, mogen wij zeggen dat wij nog niet buigzaam zijn.

7. God wil dat wij in zijne goddelijke handen, of liever in de handen onzer Oversten aan wie Hij zijn gezag heeft toevertrouwd, volgens de woorden der Heiligen zijn gelijk lammeren, die blindelings den herder volgen, — zich laten geleiden zonder zich te bekommeren waarheen, — die voortgaan of stilstaan

ocr page 118

113

zonder te vragen waarom. Gelijk een levenloos lichaam, dat niet meer begeert, dat zich niet meer beklaagt, dat in vrede blijft liggen waar men liet brengt.

Gelijk één stok, die zich laat dragen waar men wil, zich laat gebruiken tot wat men wil. Met dit onderscheid dat, zoo het lam , het lijk, de stok rede-looze schepselen zijn, gij, die begrijpt, die denkt, die ziet, die gevoelt, uw oordeel en uwe zienswijze geheel moet onderwerpen aan degenen, die over u gesteld zijn.

Lees de volgende bladzijden, geschreven door eene ziel, gelijk gij aan God toegewijd. Op het eerste gezicht zullen zij u toeschijnen als slechts geschreven voor die uren van vurigheid, waarin het liefdevol hart niets onmogelijk toeschijnt, maar langzaam overwogen gedurende de meditatie, zullen zij u toeschijnen als de plicht eener door de liefde aan God gewijde ziel, die zich zelve niet meer toebehoort en zich buigt onder de vaderlijke hand van haren meester. Zij zijn ook slechts de uitbreiding van het woord van Jezus-Christus tot zijn Vader: Zie ik kom om uioen wil, o God, te volbrengen. (Hebr. X, 7, 9.)

Het is eene samenspraak tusschen Jezus en de ziel:

»Geeft gij mij, zonder voorbehoud en voor altgd, uw hart, uwe ziel, uwen geest, uwen wil, uw lichaam, geheel uw bestaan en al uwe vermogens om er als Opperheer over te beschikken, zonder dat gij eenig recht behoudt op u zeiven?quot;

»Ja, Heer, door uwe genade, wil ik dit.quot;

»Wilt gij u zoodanig aan mijn wil onderwerpen dat niots op aarde in staat zij u terug te houden dien te vervullen, van de kleinste zaken af tot de moeielijkste toe, altijd verondersteld dat uwe Oversten hiermede instemmen?quot;

8

ocr page 119

110

Indien God eigenaar is, kan Hij haar gebruiken en doen dienen tot zijne eer, volgens zijn goddelijk goedvinden.

Zal God zich van de ziel, die zich aan Hem gegeven heeft, bedienen, dan moet die ziel een werktuig zijn, dat zich gemakkelijk laat gebruiken, dat zich verleent tot wat de meester wil, dat zich vouwt, zich buigt, beweegt, rustig blijft liggen, zich laat verplaatsen, zonder den minsten weerstand te bieden.

Zie nu welk een uitgestrekt veld zich hier voor u opent, voor u God toegewijde zielen!

God is meester en mag u alles vragen wat Hij nuttig acht voor zijne glorie.

Gij, de dienstmaagden, zijt verplicht Hem altijd te gehoorzamen, de bediening te aanvaarden, die Hij u beschikt, die te verlaten, die te hernemen volgens zijn wil, zelfs te sterven als zij uwe kracht te boven gaat!

God is de kunstenaar, die het recht heeft door u en met u te doen wat hij wil.

Gij zijt het werktuig en gij zijt verplicht nooit weerstand te bieden, noch voor den tijd wanneer noch voor het werk zelve, noch voor de wijze waarop, noch voor de plaats waar; gij moet n laten gebruiken tot de laatste minuut van uw leven.

God is eigenaar en heeft recht op geheel uw bestaan. Gij aan Hem overgeleverd zijt verplicht u te laten behandelen gelijk Hij nuttig oordeelt voor zijne plannen. God kan bijvoorbeeld willen, dat eenige zielen loeten voor andere. Hij kan van u dus een slachtoffer maken door uw hart te verscheuren en gij, die Hem toebehoort, gij moet dit lijden in stilte aannemen en met vreugde dragen. Zeker zou het eene verschrikkelijke dienstbaarheid zyn, indien zij

ocr page 120

Ill

ons niet onderwierp aan een wijzen en goeden God; maar in de handen van den God, dien gij bemint en door wien gij bemind wordt, wat hebt gij te vreezen ?

Eerst zullen wij zeggen, wat die goede Meester gewoonlijk eischt, en dan, hoe Hij dit gemakkelijk maakt.

I.

1. God wil dat wij ons niet zoo zeer aan de uit-wendige zaken overgeven, dat wij uit het oog verliezen dat Hij meester is van de gebeurtenissen en van ons hart in het bijzonder. Stellen wij ons verstand, onze werkzaamheid, ons talent op alle zaken, die de regel der gemeente en de ons toevertrouwde bediening van ons vorderen; vervullen wij die getrouw, nauwkeurig, zoo goed als wij maar immer kunnen; openen wij daarbij ons hart voor gevoelens van liefde, dankbaarheid , medelijden; — maar nooit moeten wij dien liefdevollen blik, dien God voortdurend op ons vestigt, uit het oog verliezen. Aldus onder Gods oog wandelen valt niet moeielijk als men God bemint. De morgen meditatie, getrouw en vurig verricht, geleidt ons zoetjes tot die ingekeerdheid.

2. God wil dat wij nooit aan de genade weerstaan, wanneer deze ons aanzet tot het oefenen van een liefdedienst of een werk van gehoorzaamheid, tot het ootmoedig aannemen van een hard woord of eene moeielijke zaak, tot het vermijden van eene zonde of eene gelegenheid tot zondigen.

3. God wil dat wij, onze ziel in vrede bezittende, den toestand aannemen, waarin Hij ons plaatst, in een staat van ziekte, in een staat van vernedering, in een staat van tegenspoed of een staat van vergetelheid.

ocr page 121

112

Hij wil, dat wij uitwendig doen wat redelijk is om ons te verlichten of te rechtvaardigen; doch hij wil, dat wij Hem loven, zelfs dan als onze pogingen vruchteloos ziju. Hij wil dat wij Hem altijd beminnen.

4. God wil dat wij getrouw zijn in Hem te dienen volgens onze krachten, eenvoudig onze plichten vervullende van uur tot uur, zonder kommer voor het uur dat moet volgen, zonder onrust omtrent het verloopen uur. Hij wil vooral dat wij op zijne oneindige barmhartigheid rekenen om ons te vergeven, ons te helpen, en dat wij nooit in onrust leven.

5. God wil dat wij geene grenzen stellen aan onze zelfverloochening. Zeggen wij dus nooit inwendig: Nooit zou ik zulk een offer kunnen brengen! — nooit zou ik die bediening kunnen aanvaarden! — nooit zou ik mijzelve zoo kunnen opofferen! Het is slechts eene ziel zonder moed en zonder liefde, die zoo spreekt'.

6. God wil dat wij, alvorens onzen zin, onzen smaak, onze bijzondere devotie te raadplegen , het bevel onzer Overste volbrengen. Aldus moeten wij een begonnen gebed staken, de kapel verlaten voor een werk, dat men ons oplegt, al zou het ons tegenstaan; het uur onzer meditatie verzetten of verkorten, den dag onzer Communie veranderen, ja, de H. Communie zelfs achterlaten, wanneer onze Overste meent dit te moeten vorderen. En, zoo een ontevreden woord of eene klacht onzen lippen ontsnapt, mogen wij zeggen dat wij nog niet buigzaam zijn.

7. God wil dat wij in zijne goddelijke handen, of liever in de handen onzer Oversten aan wie Hij zijn gezag heeft toevertrouwd, volgens de woorden der Heiligen zijn gelijk lammeren, die blindelings den herder volgen, — zich laten geleiden zonder zich te bekommeren waarheen, — die voortgaan of stilstaan

ocr page 122

113

zonder te vragen waarom. Gelijk een levenloos lichaam, dat niet meer begeert, dat zich niet meer beklaagt, dat in vrede blijft liggen waar men bet brengt.

Gelijk één stok, die zich laat dragen waar men wil, zich laat gebruiken tot wat men wil. Met dit onderscheid dat, zoo bet lam, het lijk, de stok rede-looze schepselen zijn, gij, die begrijpt, die denkt, die ziet, die gevoelt, uw oordeel en uwe zienswijze geheel moet onderwerpen aan degenen, die over u gesteld zijn.

Lees de volgende bladzijden, geschreven door eene ziel, gelijk gij aan God toegewijd. Op het eerste gezichj zullen zij u toeschijnen als slechts geschreven voor die uren van vurigheid, waarin het liefdevol hart niets onmogelijk toeschijnt, maar langzaam overwogen gedurende de meditatie, zullen zij u toeschijnen, als de plicht eener door de liefde aan God gewijde ziel, die zich zelve niet meer toebehoort en zich buigt onder de vaderlijke hand van haren meester. Zij zijn ook slechts de uitbreiding van het woord van Jezus-Ghristus tot zijn Vader: Zie ik kom om uwen wil, o God, te volbrengen. (Hebe. X, 7, 9.) Het is eene samenspraak tusschen Jezus en de ziel: »Geeft gij mij, zonder voorbehoud eu voor altijd, uw hart, uwe ziel, uwen geest, uwen wil, uw lichaam, geheel uw bestaan en al uwe vermogens om er als Opperheer over te beschikken, zonder dat gij eenig recht behoudt op u zeiven ? quot;

»Ja, Heer, door uwe genade, wil ik dit.quot;

»Wilt gij u zoodanig aau myn wil onderwerpen dat niots op aarde in staat zij u terug te houden dien te vervullen, van de kleinste zaken af tot de moeielijkste toe, altijd verondersteld dat uwe Oversten hiermede instemmen?quot;

8

ocr page 123

114

»Ja, Heer, ik stem hierin toe, uit geheel miju hart; maar geef mij de genade van getrouw te zijn aan uwen wil.

gt;Wilt gij alle smarten lijden, die ik wil dat gij, hetzij in uw hart, uwen geest of uw lichaam lijden zult?quot;

»Ja, Heer, ik stem hierin toe; doch ik waclit van uwe barmhartigheid de kracht, die ik daartoe noodig heb.quot;

»Wilt gij alle inwendige smarten voor mij lijden: bekoringen van allerlei aard, droefheid, walging, verveling, troosteloosheid des harten, bedroefdheid des geestes, vrees, angst, onrust, verlatenheid, dorheid, duisternis, opstand der natuur, zaken die u zoo zeer verschrikken en die gij zoo moeielijk kunt verdragen? Zeg mij, mijne dochter, wilt gij dat alles voor mij lyden?quot;

»Ja Heer, niettegenstaande den angst, dien mijn hart gevoelt, wanneer ik er slechts aan denk; ja Heer, ik stem er in toe en stel in u al mijne hoop.quot;

»Wilt gij voor mij veracht, verstoten, beschimpt, versmaad, geschandvlekt en als het uitvaagsel van het menschdom beschouwd worden?quot;

»Ja Heer, van ganscher hart wil ik dit.quot;

»Wilt gij voor mij oneer, beleediging, beschimping, mishandeling ondergaan door uwe beste vrienden, en voor wie gü het meeste doet en het meeste lijdt?quot;

»Ja Heer, van ganscher hart.quot;

»Wilt gij uwe heiligste ondernemingen en loffelijk-ste begeerten als dwaasheid en uitzinnigheid hooren bespotten? quot;

»Ja Heer, ik wil het, doch moge de misachting alleen op mij en niet op u nedervallen.

»Wilt gij uw uitwendig en inwendig gedrag, hoewel

ocr page 124

115

door mij geregeld en bestuurd, zien veroordeelen, afkeuren, belasteren, en door afgunst en kwaadwilligheid met een waas van hatelijkheid overdekt zien?quot;

'gt;Ja Heer, mits ik onderworpen blijve aan mijne Oversten; meer vraag ik niet.quot;

»Wilt gij toestemmen u verlaten te zien door uwe beste vrienden en door diegenen op wier steun en trouw gij meendet zoo vast te kunnen rekenen?quot;

»Gy, die de geheimste vouwen mijns harten kent, Gij, mijn goede Meester, ziet wat het op dit oogen-blik lijdt; — nochtans, zoo dit uw wil is, zoo lt;'ij verlangt dat ik dit uit liefde tot U lijde, o, dan stem ik toe uit ganscher hart. Al wat ik U durf vragen, o Heer, is mij altijd een geest van eerbied te doen behouden voor mijne Oversten, een geest van liefde voor degenen die mij niet liefhebben, en een geest van ootmoed om mijn eigen denkbeelden te wantrouwen.quot;

»Wilt gij die ondernemingen, die geheel tegenstrijdig zijn aan de uwe, met een schitterend gevolg bekroond zien, terwijl de uwe worden afgekeurd en veracht, hoewel zij door mij zijn ingegeven?quot;

»Ja Heer, ook daarin stem ik toe, indien dit uw aanbiddelijke wil is.quot;

»Wilt gij voortdurend, hetzij lichaams, — hetzij zielsleed, hetzij droefheid des geestes, of wellicht dit alles samen verdragen?quot;

»Ja Heer, ik stem hierin toe.quot;

»Wilt gij te middezi van al die smarten, die ik u heb opgenoemd, nog overladen worden met arbeid eu vermoeienis, van rust en voedsel, van troost en gevoelige ondersteuning beroofd? In één woord, wilt gij alle genoegen, alle vermaak, allen uitwendigen en gevoeligen troost ten offer brengen?quot;

ocr page 125

116

gt;0 als ik U bezit, mijn Jezus, als ik in mij gevoel en uitwendig toon, dat ik volkomen onderworpen ben aan de leering der H. Kerk en het woord mijner Oversten, wat behoef ik dan nog meer? Ja, ik wil gaarne al het overige verliezen. »Zyt Gij daarenboven niet mijn Meester, en behoeft Gij mijne toestemming te vragen. En indien ik zoo gulhartig toestem in alles wat Gij vraagt, is dit niet omdat ik weet dat Gij mijn Vader zijt, en dat een Vader, zelfs dan als Hij kastijdt, steeds goed is!quot;

Ziedaar de gesteltenis eener ziel, die God bemint en buigzaam is in zijne hand, van eene ziel, die zonder geestvervoering in de eenvoud van haar hart zeggen kan met den H. Paulus: » Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? verdrukking? of angst ? of honger? of ontbering? of gevaren? of vervolging?

of kwaad..... Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch

leven, noch engelen, noch heerschappijen, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende zaken, noch sterkte, noch al ivat hoogst of diepst is, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Jezus-Christus, onzen Heer!quot; (Rom. VIII, 35, 38, 39.)

II.

Indien God uw meester is en u voor zijne dienstmaagden heeft uitgekozen, wil Hij zich van u bedienen.

Indien God zich van u wil bedienen, is Hij verplicht, u alles te bezorgen wat noodig is tot bet werk waartoe Hij u bestemt, en voor zoolang Hij dit van u verlangt: verstand om het te begrijpen, — sterkte om de vermoeienis, de verveling, den tegenzin te kunnen weerstaan, — geestkracht om tot het einde

ocr page 126

117

te TOlharden, — geduld om den goeden uitslag eener zaak te kunnen afwacliten eu u niet te bedroeven als deze slecht uitvalt, — geest van geloof, die alles tot God terugvoert, enz.

Indien God zich van u bedienen wil, is Hy verplicht te zorgen voor uwe gezondheid en voor uwe ziel, beiden in dien staat te stellen, die het nuttigst is voor zijne glorie, en u zijne hulp nooit te weigeren.

Deze eenvoudige gedachte, godvruchtig overwogen voor het H. Sacrament, vervult de ziel met vrede en gerustheid en boezemt haar een groot vertrouwen in.

Meent gij dan dat, zoo God zag dat gij een dergelijk werh niet kunt doen, Hij toe zou laten dat het u werd opgelegd?

Meent gij dat zoo God zag dat dergelijke hediening schadelijk ware voor uwe zaligheid, Hij toe zou laten dat men u daarmede bekleedde?

O zoo gij wist hoezeer God uwen Oversten gebiedt u te beminnen, u te beschermen, u niet te overladen, te wakeu dat u niets ontbreekt naar lichaam noch ziel! en hoe Hij zelf door bijzondere genaden datgene aanvult wat uwe Oversten verzuimen voor u te doen!

Wees wel overtuigd dat de wil Gods alles mogelijk maakt wat Hij verlangt, omdat Hij, bij het bevel, steeds de middelen voegt om het te volbrengen.

God zou onrechtvaardig zijn indien Hij iets zou , eischen, waarbij Hij de middelen niet zou voegen, om het te volbrengen.

Verontrust u derhalve niet, wanneer gij eenige heldhaftige daden der heiligen leest, en zeg niet lafhartig: »Ik zou dit niet kunnen!quot; Zoo God ze u vraagde, zou Hij u dezelfde kracht geven als eertijds aan die heiligen.

ocr page 127

118

Meent gij dat zij van eene andere natuur waren dan gij ? Zij waren hunger met God vereenigd en gaven zich met meer vertrouwen aan Hem over. — Ziedaar alles. —

Verontrust u niet, wanneer gij door eene zware ziekte bedreigd wordt, of eene zware vernedering of eene andere smart voorziet. Indien God die ziekte, die vernedering, die ramp toelaat, zal Hij u de kracht geven om ze te verdragen, en, wat nog beter is, de genade om u daardoor te heiligen. Indien God, in zijne oneindige wijsheid, niet hadde voorzien dat die beproeving u noodzakelijk ware, meent gij dat Hij ze u zou hebben overgezonden? Blijf dan in vrede onder zijne vaderhand, en laat God in n, rond u, voor u werken gelijk het Hem behaagt.

Artikel 3.

OofVjningf der liefile Golt;ls.

De oefening der liefde, die wij God verschuldigd zijn, is niets anders dan het naleven der woorden van Jezus-Christus (Matth. XXII, 37. Mauci XII, 80): God beminnen uit geheel zijne ziel, uit geheel zijn hart, uit al zijne krachten, en boven alle dingen.

Deze woorden hebben eene zeer uitgestrekte be-teekenis. Zij verplichten ons om God te erkennen als Opperheer van ons geheel bestaan, van al de vermogens onzer ziel, van al wat deze vermogens in en buiten ons kunnen voortbrengen, Hem altijd de eerste plaats te geven boven al de genegenheden waartoe ons hart bekwaam is. Wij zullen trachten aan te toonen, wat wij voor dien God, aan wien wij alles verschuldigd zijn, moeten doen.

ocr page 128

119

I.

§od -éc-mvmten is aan §o3 dznamp;en.

Aan God denken is de gedachte aan God immer voor den geest of, beter, in ons hart hebben, niet in zooverre dat er geene andere gedachten in onzeu geest zijn, maar dat de gedachte aan God steeds de andere gedachten beheersche, gelijk in het hart der moeder de gedachte aan haar kind.

Op welk uur gij ook aan eene moeder zoudt vragen : aan wie denkt gij ? zou zij u onmiddelijk en als instinktmatig antwoorden: aan mijn kind.

O de heiligen hadden slechts ééne gedachte: God, God, en altijd God! - - Hoelang blijft gij zonder aan God te denken1? vraagde de H. Chantal eens in kinderlijken eenvoud aan den H. Franciscus van Sales. Bijna een kwartier, antwoordde de Heilige met nog grooteren eenvoud.

1. Deze gedachte aan God bezielt ons, wekt ons op, bemoedigt ons, verheft ons boven het stof!

God ziet mij, fluistert het hart; — en het werk gaat beter van de hand, en het lijden wordt dragelijker.

God ziet mij: — en de gehoorzaamheid valt minder zwaar, de armoede is minder pijnlijk, de bekoring wordt moediger bestreden.

God, ziet mij: — en de zelfopoffering, die begon te verflauwen, herneemt haar vuur, en de lichaamskracht zelfs schijnt nieuwe sterkte te verkrijgen.

Onder het oog van dien teederbeminden Vader, wien men genoegen wil doen, van den Vader zoo medelijdend met onze zwakheden en onze misslagen, van den zoo toegenegen Vader, die zoo edelmoedig

ocr page 129

120

het minste vergeldt wat wij voor Hem doen, zoo wel als liet kleinste lijden, dat wij als uit zijne hand aannemen; •—• hoe zou men zich door deze gedachte niet bemoedigd en opgewekt gevoelen?

Op die wijze wordt onze meeding zuiverder, en nemen onze verdiensten aanmerkelijk toe.

Is datgene wat waarde geeft aan onze handelingen, niet die voortdurende meening om aan God te gehoorzamen , Hem te behagen, Hem te verheerlijken ? en wil de ziel, die aan God denkt, dit alles niet ? Hoe meer de gedachte aan Gods tegenwoordigheid levendig is op aarde, zegt de H. Bonaventura, hoe grooter onze vreugde in den hemel zal zijn.

Eu kan men aan God denken zonder dikwijls akten van liefde te verwekken?

En is elke akte van liefde geene vermeerdering van Gods glorie, — een gevoel van geluk, dat den hemel doorstroomt, — eene vermeerdering van genade in ons en rondom ons, — eene vermindering der smarten van de zielen in het vagevuur, — een terughouden van den arm Gods, gereed om de zondaars te straffen?

2. Deze gedachte aan God geeft rust en vrede aan onze ziel. Zij toont ons God altoos als Vader, altoos goed, altoos medelijdend, altoos barmhartig, altoos toegenegen. Zij toont ons God in onze beproeving, die Hij afmeet naar onze kracht, — in de droefheid, om onzen moed op te beuren, — in de beslommering der aardsche zaken, om onzen drift te matigen en ons zijne hulp zelfs voor tijdelijke zaken te verleenen, ons troostende als onze pogingen mts-lukken, — ons de hand toereikende als wij vallen.

O zoete, o krachtige, o beminnelijke gedachte aan God!

ocr page 130

121

En om er zich nóg meer van te doordringen, vermenigvuldigt de religieuze rondom zich: den naam van God en het beeld van den gekruist en Jezus, opdat deze naam en dit beeld hare blikken dikwijls mogen trekken en haar aan God mogen doen denken. Zij sluit een verbond met haren Engel-Bewaarder, opdat hij haar, zoo vaak de klok slaat, kome zeggen: Bemin uw God, die u zoo zeer bemint!

3. Die gedachte aan God door de gewoonte, en beter nog door do genade in de ziel geprent, zet haar aan, in alle gevaren tot Hem te vluchten.

Het is niet die natuurlijke kreet, mijn God! die eene ziel ontsnapt bij verrassing of angst, maar de overtuiging dat zij werkelijk door God verdedigd en beschermd wordt.

De religieuze spreekt met God over alles wat haar overkomt: zij is en blyft als het kind in het huis haars vaders. Zij deelt Hem het verdriet mede, dat men haar heeft aangedaan, — de vergetelheid, waarin men haar laat, — de plannen, die haren geest doorkruisen. — » Wacht een oogenblik,quot; zegde een Heilige, wanneer men hem een raad vraagde, »ik zal gaan raadplegen;quot; en hij knielde voor het H. Sacrament neder, alvorens antwoord te geven.

Tusschen Jezus en de religieuze ziel moet eene zoete en eerbiedige vertrouwelijkheid heerschen. Zij is immers een lid van Gods huisgezin.

4. Die gedachte aan God zou de religieuze altijd voor oogen willen hebben, gelijk de engelen en de Heiligen in den Hemel; maar zy weet, dat dit zonder eene gansch bijzondere genade onmogelijk is; en daarom heeft zij met God eene overeenkomst gesloten, welke zij wekelijks, wellicht dagelijks, vernieuwt door de volgende woorden.

ocr page 131

122

»Mijn God, ik maak de meening, om, zoo dikwyls als ik deze week of dezen dag zal ademen, zooveel akten van liefde te verwekken als de engelen en Heiligen samen, en vooral als de H. Maagd Maria, verwekt hebben.quot;

»Ik maak de meening, om, zoo dikwijls als ik de kapel zal binnentreden of mijne oogen een beeld van den gekruisigden Jezus zullen ontmoeten, zooveel akten van aanbidding en liefde te verwekken als de engelen, die rond het H. Tabernakel zweven, over geheel de uitgestrektheid der aarde, samen verwekken.quot;

»Ik maak de meening, om, zoo dikwijls ik eenige oefening van gehoorzaamheid zal doen, mij te vereenigen met de akten van onderwerping, welke Jezus gedurende zijn sterfelijk leven gedaan heeft en nog doet in het H. Sacrament.quot;

»Ik maak de meening, om, zoo dikwijls mij eenig verdriet of tegenspoed overkomt, my te vereenigen met de smarten door Jezus en zijne H. Moeder geleden; en mocht een ontevreden woord of klacht mijnen lippen ontsnappen of zich slechts in mijn hart verheffen, zoo verzaak ik daaraan reeds volkomen.quot;

»Ik maak de meening, alles wat mij zal overkomen, aan te nemen als komende van uwe hand, en neem als rechtvaardig, heilig en goed al de kruisjes aan, die bet ü zal behagen mij over te zenden.quot;

»Ik maak eindelijk de meening, o mijn God, om van elk oogenblik van mijn leven eene akte te maken van eerboete, van dankbetuiging en van eene zoo volmaakte liefde als mij slechts mogelijk is.quot;

ocr page 132

123

11.

êo9 Seminncn ió di-kwijto -tot §od s-pte-ficn.

Men moet tot God spreken door liet mondgehed, tot Hem spreken en naar Hem luisteren door het inwendig gebed of de meditatie.

De liefde is niet tevreden met de tegenwoordigheid van dengene, dien men liefheeft, maar wil er zich ook mede onderhouden.

1. Verwek dan dikwijls verzuchtingen van eerbied, van vertrouwen, vau liefde en van vreugde!....

Doe de gebeden, welke de regel u voorschrijft, met ernst en eerbied, doordrongen als gij zijt door de tegenwoordigheid van God. Zeg ze langzaam, om derzelver zoetheid te kunnen smaken. 0 hoe veel troost, hoe vele vreugde, hoe vele kracht brengen een langzaam gebeden Onze Vader, Akte van Hoop, Akte van Liefde, in de ziel!

Maak het teeken van het heilig kruis, met de gedachte dat gij een slagboom opwerpt tegen de bekoringen des duivels.

Begin zelfs het kleinste gebed niet, alvorens een paar seconden in n zelveu te keeren, en u te zeggen: Ik ga tot God spreken.

Deze uitwendige middelen oefenen grooten invloed op de ziel uit. Zij behouden hare levenswarmte, en vormen rond haar gelijk een weefsel, dat de godsvrucht en den vrede der heilige gemeenschap in haar houdt opgesloten.

De Heiligen namen gedurende het gebed steeds eene stichtende en ernstige houding aan.

De H. Theresia zegde tot den H. Johannes van het Kruis, dat zij de gave van den eerbied voor God.

ocr page 133

124

en voor de taken van God ontvangen had, en dat zij geen altaar of geen kruis kon zien zonder in zich een onbeschrijfelijk gevoel van vrede en inwendige kalmte te ontwaren, die geheel hare ziel vervulden. O, zegde de Heilige haar, bedank er God voor; het is eene der grootste genaden, die Hij u doen kon.

2. Doordring u wel van de gedachte dat, zoo vaak gij dit woord »mijn Godquot; uitspreekt, •— dat als een noodkreet is der ziel, — God u antwoordt: Hier hen ik, mijn kind! en indien gij stil ingetogen zijt, zult gij op eenige wijze die goddelijke tegenwoordigheid gewaar worden.

Verhef, op gezette oogenhlikken gedurende het koorgebed, uw hart tot God, u herinnerende dat gij voor Hem staat, tot Hem spreekt; doe dit bijv. zoo dikwijls gij het Deus in adjutorium meum intende — Gloria Patri — Per Dominum nostrum Jesum Christum — zegt; zoo dikwijls gij het woord »Deuiquot; ontmoet, enz.

3. Heb vooral liefde voor het imvendig gebed. Dit is eene der voornaamste bronnen van heiligheid voor eene religieuze.

Al degenen, die barer roeping ontrouw zijn geworden , hebben begonnen met het inwendig gebed te verwaarloozen. Alle lauwe zielen maken geen het minste werk om hare meditatie wel te doen. Ziel-bestierders van ondervinding zeggen met volle overtuiging eenparig, dat zij iedereen uitdagen, eene goede religieuze aan te wijzen, die geen meditatie doet, of iemand die werk maakt van de meditatie en geen goede religieuze is.

Ik heb er de treurige ervaring van opgedaan, zegt de H. Theresia. Nadat ik het inwendig gebed eenigen tijd verwaarloosd had, verviel ik in eene menigte

ocr page 134

125

misslrtgen en zonden, waarvan ik mij niet kon ontmaken!... Het waren, wel is waar, geene zware zonden; maar ik werd dagelijks minder godvruchtig, en zou zeker verloren gegaan zijn, indien ik het inwendig gebed niet, hervat hadde.

Eene heilige Overste had de gewoonte, wanneer zij eenige verslapping in eene zuster bemerkte, haar te vragen: Hoe doet gij uwe meditatie'? en zij had bemerkt, dat verslapping in het inwendig gebed steeds verslapping in het gedrag ten gevolge had.

Het inwendig gebed, — ik zeg niet goed gedaan, maar getrouw en vlijtig gedaan, — met eenige pogingen om het van dag tot dag beter te doen, hoewel niet vrij van traagheid, zal wel niet alle zware fouten doen vermijden, maar zal ten minste beletten dat men in staat van doodzonde verhlijve.

»De overweging en de zonde kunnen niet tegelijk »in eene ziel huisvesten,quot; zegt de H. Philippus Nerius.

Een luel verricht inwendig gebed, voorbereid door een dag, doorgebracht in Gods tegenwoordigheid, een dag, waarop men zijn hart bewaard heeft voor elke zinnelijke gehechtheid, zijn geest voor elk lichtvaardig oordeel, zijne zinnen voor elk verboden genot, zijne tong voor elk woord van spotternij, van bedilling, van ontevredenheid; een inwendig gebed voorbereid door nauwkeurigheid in het opstaan en een vurig morgengebed; een inwendig gebed, waarin men zich voorstelt — heilig te worden en alle middelen daartoe te zoeken, — niets aan God te weigeren, — zijn wil steeds inniger met Gods wil vereenigd te houden; zulk een gebed heiligt de ziel, geeft glorie aan God, en toont duidelijk aan, dat de religieuze welke op die wijze haar gebed verricht, veel liefde heeft voor God. Van zulk een gebed sprekende, zegde

ocr page 135

126

de H. Theresia: 'Eme ziel, die dagelijks een kwartier meditatie doet, kan niet verloren gaan.

Van zulk een gebed sprak de H. Ignatius, toen hij, ondervraagd zijnde omtrent hetgeen hy zou doen, indien zijne Societeit ontbonden werd, antwoordde: Ik zou een kwartier uurs gaan hidden en er niet meer aan denken.

Indien men de levens der Heiligen van allen staat en stand nagaat, zal men verscheidenheid daarin vinden in vele punten; in één punt komen zij allen overéén : — de liefde tot het gebed.

III.

êo9 fieminncn is van Mem spte-ftcn.

Indien ons hart vol ware van God, gelijk het zijn moet, geheel vervuld met het herdenken zijner weldaden en zijner liefde tot ons, wat zouden wij gaarne van God spreken!

1. Men moet van God spreken tot het kind, opdat het God leere kennen en beminnen.

Hoeveel eer kan men God niet doen bewijzen door Hem door die kleinen te doen prijzen en loven!

Zoo menig boosaardige legt er zich op toe om die arme kleine wezens godslasteringen en slechte taal te leeren, ten einde eerst hunne lipjes te bezoedelen en later hun hart te bederven. Wij. die leden zijn van rde familie van God, wij moeten trachten, door het zelfde middel de beleediging te herstellen onzen

ocr page 136

127

goddelijken Vader aangedaan, door aan kleine kinderen, al zouden zij het nog niet begrijpen, dikwijls te doen stamelen; Mijn God, ik bemin U, omdat Gij zoo goed zijt.

2. Men moet van God spreken lot de armen, opdat zij niet morren; en mogen we eens eene aalmoes uitreiken, zoo geschiede dit nooit zonder dengene, die ze ontvangt, aan te bevelen God te bedanken. De armen en ongelukkigen komen in menigte naar de religieuze gestichten; hoewel ons soms niet toegenegen, weten zij zeer wel, dat zij nergens meer hulp vinden dan bij de religieuzen. Trekken wij er voordeel uit, -wanneer zij tot ons komen, om God door hen te doen kennen en beminnen.

3. Men moet van God spreken tot den zieke, ten einde hem de hand Gods te toonen, die zijne ziel geneest door zijn lichaam te doen lijden. Veelal kost dit groote moeite, want er bestaat zooveel onkunde, zooveel vooroordeel en vooral zooveel afschrik voor lijden en zooveel zinnelijkheid; maar de religieuze, wier hart waarlijk vol van God is, zal zoetjes hier en daar een woordje plaatsen, dat de verbittering der ziel bedaart, en ten minste voor een oogenblik het oog ten Hemel doet keeren.

O gij, religieuzen, die geroepen zijt of om kinderen op te voeden, of zieken ter dood te bereiden door ze in hunne ziekten op te passen, — bemint toch uwe bediening; laat u niet ontmoedigen door de moeielijk-heden, de eentonigheid, de langdurigheid van het werk; denkt dat gij God doet beminnen en dat gij Hem bemint.

Laat u niet afschrikken, noch door de koelheid, noch de onverschilligheid van degenen voor wie gij u opoffert, noch door hunne ondankbaarheid, noch

ocr page 137

128

door de weinige ondersteuning of bemoediging, die ge in uwe omgeving vindt, noch door de vergetelheid waarin gij leeft; denkt dat gij God doet beminnen en dat gij Hem bemint.

4. Gij moet onder elkander van God spreken.

Eene zaak, welke dikwijls het hart der Heiligen treft, is dat men zelfs in de religieuze gemeenten zoo weinig van God en de goddelijke zaken spreekt gedurende de uren der recreatie en in den gemeen-schappelijken omgang. Zeker behoeft de gedachte aan Gods tegenwoordigheid ons niet koud en stroef

O O

voor onze omgeving te maken. God, die den vogel zijn welluidend gezang, der bloem hare schoonheid, der vrucht het heerlijkst sap en den glimlach aan 's menschen lippen heeft gegeven, God verbiedt noch een vroolijk gesprek, noch een aangenaam verhaal, noch een vriendelijk woord; maar Hij wil niet buiten dat alles gesloten, noch als een onaangenaam indringer in een hoek verstoten worden. God wil steeds deel hebben aan het gesprek, zich daarin vertoonen en zich er in mengen, door op zijne beurt te spreken.

In sommige gemeenten is eene der leden belast, gedurende de recreatie, door een enkel woord, aau Gods tegenwoordigheid te herinneren. Zij gaat zachtjes rond en laat alleen dit woord hooren: Sursurn corda! Het hart omhoog!

Wanneer men God oprecht bemint, gevoelt men zich gelukkig altijd bij Hem te zijn, tot Hem te spreken, dikwijls van Hem te spreken en nooit wordt God ons tot last!

ocr page 138

129

IV.

§od -Gemvmten. io attamp;$ ve-tvnijdamp;n wat Mem 4an wi^-A-acj-en-.

Welke religieuze wil koelbloedig iets doen, dat zij weet aan God te mishagen?

Een vriend waakt op zijne woorden, op zijne handelingen; op zijn gelaat zelfs, ten einde alles te vermijden wat zijn vriend niet alleen kan beleedigen, maar zelfs krenken. Ik wil dus, o mijn God, waken over mijn hart, mijnen wil, mijne neigingen en vraag u slechts dat Gij mij waarschuwet.

Waarschuw mij, als ik op het punt sta dit lichtzinnig hoek in handen te nemen, waardoor ik mijn tijd verlies, — of dat dagblad, waardoor ik aan mijne plichten zou ontbreken.

Waarschuw mij, wanneer ik mij geneigd gevoel eene medezuster te zoeken, met wie ik gesprekken voer strijdig tegen de zusterlijke liefde, — wie ik mijne klachten en ontevredenheid mededeel.

Waarschuw mij, als ik op het punt sta aan de stilzwijgendheid, de ingekeerdheid, de zedigheid te ontbreken.

Waarschuw mij, als ik om mij aan de verveling te onttrekken, het gezelschap van wereldsche personen wil opzoeken, — met opofiering mijner gebeden langer dan noodig is, in de spreekkamer wil verblijven, of mijn geest bezig houd met ijdele hersenschimmen.

Het is in het vluchten dezer zaken, dikwijls onschuldig in zich zeiven, doch die het Hart van Jezus kwetsen, dat zich de liefde toont; — en de religieuze, die getrouw wil blijven aan de beloften,

9

ocr page 139

130

die zij aan God gedaan heeft, neemt tot levensregel deze woorden:

Nooit zal ik met vrijen wil de minste dagelijksche zonde bedrijven.

Nooit zal ik ophouden te strijden tegen de driften der natuur, wanneer deze mij aanzetten iets te doen, dat strijdt tegen Gods wil.

Dit vluchten van al wat God kan mishagen, heet werkdadige liefde en heeft drie trappen of graden.

De eerste, die noodig is ter zaligheid, bestaat in liever alles te willen lijden dan God doodelijk te vergrammen. De tweede, welker beoefening nood-zakelijk is voor degenen die, gelijk de religieuzen, krachtens haren staat, verplicht zijn naar de volmaaktheid te streven, bestaat in elke voldoening op te offeren die eene dagelijksche zonde ten gevolge kan hebben. De derde graad, welken die religieuzen trachten te bereiken, die de liefde begrijpen die God haar heeft bewezen door haar uit de wereld te roepen, bestaat in zelfs de onverschilligste zaken uit zuivere liefde tot God te verrichten, of wel datgene te doen wat haar tegenstaat, om daardoor aan God een bewijs van liefde te geven.

Zoo handelen oprecht brave religieuzen alle uren van den dag, als zij, hoewel wetende, dat haar regel niet op zonde verplicht, het minste punt niet vrijwillig optreden.

Om u tot dezen derden graad te doen stijgen bieden wij u eenige bemerkingen aan:

1. Omtrent de gevolgen der dagelijksche zonde.

2. Omtrent die fouten, waarin de religieuzen

lichtelijk vervallen.

ocr page 140

131

1.

GTEVOLGEN DEU DAGELIJKSCllE ZONDEN.

Gij, zielen zoo dierbaar aan Jezus-Christus, die wellicht de dagelijksclie zonden zoo weinig vreest, doordringt u wel van de volgende waarheden.

1. Gedurende uw leven berooft eene dagelijksche zoude u niet van de goddelijke liefde, — dit kan alleen de doodzonde, — maar zij berooft uwe ziel:

Van eene genade die God haar bereidde en haar heeft moeten onttrekken; van eene genade, die wellicht de eerste schakel was van eene aaneenschakeling van gunsten, die God uwer edelmoedigheid had voorbestemd.

Van een graad glorie te meer voor de eeuwigheid, thans voor altijd verloren.

Van een graad liefde te meer, waarmede het Hart van Jezus haar wilde begunstigen en heeft moeten terughouden.

Van eene kracht, die zij zou verkregen hebben om eene nieuwe bekoring te wederstaan, — en die zij nu zal missen, wanneer die nieuwe en sterkere bekoring haar aan zal vallen.

Verschrikt u dit alles niet?.... Wanneer gij nu verschillende malen per dag dagelijksche zonden bedrijft, wanneer gij verscheidene malen per dag van al die genaden beroofd wordt, o myne ziel, hoe zwak zult gij dan zijn als het avond wordt, hoe arm en ellendig staat gij dan voor Gods oog?....

2. Na uw leven zal elke dagelijksche zonde, die gjj niet uitgewischt hebt door uw berouw, die gij niet hersteld hebt door oprechte boetvaardigheid, wellicht voor langen tijd het geluk, dat gij in Gods

ocr page 141

132

tegenwoordigheid zoudt genieten, vertragen. Zij zal u in het Vagevuur eene smart doen lijden, die geene menschelijke taal kan uitdrukken, - de smart der liefde, die hare vlucht tot God neemt en door Hem wordt teruggestooten.

O indien in de hel, daar waar ftod gehaat wordt, de berooving van God de ondragelykste der smarten is, wat moet dan in het vagevuur de ziel lijden, die God bemint, naar God verlangt en smacht! Haar lijden is niet de kwelling der wanhoop, maar wij gelooven dat hare smart gevoeliger zal zijn.

3. En gedurende de eeuwigheid1?... neen, die dage-lijksche zonde, in het vagevuur geboet en voor altijd vergeven, bestaat niet meer, maar hare gevolgen zullen zich eeuwig doen gevoelen.

Zie, die minuut, waarin gij gedurende uw leven eene dagelijksche zonde bedreeft, hadt gij kunnen heiligen door eene akte van liefde, de genade zette u aan om weerstand aan de bekoring te bieden; en die weerstand uit liefde, o hoe aangenaam ware die geweest aan Gods Hart!

Die akte van liefde zou u gedurende de geheele eeuwigheid eene vreugde verschaft hebben, die ge nooit, nooit zult gevoelen; die akte van liefde zou u voor alle eeuwigheid eene uitstorting van Gods teederheid verkregen hebben; en dat bewijs van teederheid, waarvan de minste uitstraling de engelen verrukt, nooit, nooit zult ge dit gevoelen. Is het niet waar, dat deze eenvoudige bemerkingen omtrent de gevolgen der dagelijksche zonde een diepen indruk maken? Wij noemen die zonde licht in vergelijking met de doodzonde; doch zij strijdt zoodanig tegen Gods heiligheid, dat de godgeleerden niet aarzelen te zeggen, dat, wanneer wij voor immer de hel

ocr page 142

133

zouden kunnen sluiten, — al de zieltjes uit het vagevuur zouden kunnen verlossen, — al de menschen, die op aarde leven, zoo heilig konden maken als de HH. Apostelen Petrus en Paulus — door den minsten leugen — wij dit niet zouden mogen doen, want de glorie van God zou meer lijden door dezen leugen, dan zij zou winnen door al het goede, dat wij zouden kunnen doen.

Moge dit ons aanzetten om niet alleen de dage-lijksche zonden te vermijden, en die welke wij bedreven hebben, te boeten, maar ook om die treurige oogen-blikken, waarin wij ze bedreven hebben, te herwinnen door eene vermeerdering van liefde tot God en toe-w ij ding tot onzen evennaasten, waardoor wij in den hemel al het geluk en de liefde zullen mogen weder-vinden, door God voor ons weggelegd.

»Neen,quot; zegt de H. Theresia, »ik zou door geene enkele vrijwillige fout den minsten graad van Gods bezit gedurende de eeuwigheid, willen verliezen.quot;

3.

Voornaamste fouten waaraan de Religieuzen zich gemakkelijk overgeven.

1. De traagheid in de godsdienstoefeningen.

Deze traagheid is oorzaak dat wij onze godsdienstplichten nalaten, verkorten, met slordigheid, met verveling, met verstrooidheid, zonder vurigheid, in eene achtelooze, soms onpassende houding verrichten.

ocr page 143

134

Deze fout is ernstiger dan men denkt, niet omdat ku

deze traagheid in zichzelve eene doodzonde is, — maar ha

omdat zij ons berooft van eene werkelijke genade, wa

zonder welke wij krachteloos zijn wanneer het er on

op aankomt den duivel weerstand te bieden en onze te|

plichten te vervullen. Wee der religieuze, die hare traagheid niet weet te overwinnen, wanneer het teeken voor de geestelijke oefeningen wordt gegeven!

2. De zinnelijke genegenheid. ^

Deze fout is zeer algemeen en wordt nauwelyks w

als eene fout beschouwd. Eene religieuze moet gereed a;

zijn om, op het eerste bevel en zonder inwendigen h

strijd, personen, die zij bemint, te verlaten, en zich s

van deze te verwijderen, zonder de ontroering, die s

zij gevoelt, te laten zien. Indien zij niet in deze z

gesteltenis is, zijn hare genegenheden nog niet zuiver o

en hebben zelfs iets ongeregelds. O, welk een nadeel 1

berokkent aan eene religieuze de minste zinnelijke 1 genegenheid! De H. Theresia zag eens de plaats die zij in de hel gekregen zou hebben, hadde zij niet volkomen gebroken met eene ongeregelde vriend-

. O O

schap voor personen in de wereld.

3. De drift en het ongeduld.

Vry willig lang ontevreden blijven, — lang nadenken over eene beleediging, die men ontvangen heeft, daarbij gevoelens van verontwaardiging en toorn koesteren, de ontroering der ziel toonen door een verstoord gelaat, door bittere en scherpe woorden, — door een vrijwillig gekoesterd gevoel van afge-keerdheid, — het ontmoeten van deze of gene zuster vermijden, — driftig eene medezuster terugzenden die tot ons komt, omdat zij ons niet bevalt, — niet

ocr page 144

135

kunnen dulden dat eene zuster langzaam is in hare handelingen, — dat eene andere niet dadelijk doet wat wij zeggen: ziedaar zaken, die God mishagen, omdat wij tegen Jezus-Christus zeiven doen wat wij tegen onzen naasten misdoen.

4. Gemakzucht en zinnelijkheid.

Er zijn religieuzen die overal en in alles haar gemak zoeken en zich in niets willen versterven. Cel, kleederen, voedsel, alles moet zijn gelijk zij het wenschen, en zij wenschen die in alles gelijkvormig aan hare eigenliefde en zinnelijkheid. Geeft men haren grillen, die zij als wezenlijke behoeften voorstellen, niet toe, dan morren en klagen zij of blijven stilzwijgend, treurig en ontevreden zitten. Dergelijke zusters zijn een kruis voor de gemeente en de kwelgeesten harer Overste. Neen, zoolang zij zich niet leeren opofferen zullen zij nooit God beminnen gelijk het behoort.

5. De spotternij en kleine kwaadsprekendheden.

De eigenliefde maakt ons spotziek, — doet ons de fouten, de gebreken, de belachelijkheden, het moeielijk karakter, de ruwe manieren van anderen bespreken, — lokt bittere aanmerkingen uit, — haalt een woord op, dat anderen ontsnapt, — en spaart zelfs de bedoelingen niet. De religieuze, die aldus handelt, mag gerust aan den vrede des harten en de ingekeerdheid verzaken.

6. De praatzucht.

Er zijn weinig religieuzen, welke deze fout niet meer of minder te betreuren hebben. Zij die in groote mate daaraan onderhevig zijn, zijn des te

ocr page 145

136

meer te beklagen, omdat zij zich daaraan niet schuldig wanen. De religieuze, die hare tong niet weet te breidelen, mag vrij verzaken aan den geest des gebeds en de liefde Gods.

Zij verzamelt al wat zij hoort zeggen, — al wat zij ziet, al wat zij hoort. Zij vertelt aan deze wat gene van haar gezegd heeft. Zij heeft wellicht geene kwade bedoeling en wil slechts de behoefte tot praten voldoen, — maar hoeveel kwaad doet zij zonder er slechts aan te denken! Zij verwekt argwaan, — verbittert de harten, — doet afgekeerdheid ontstaan, — vernietigt langzamerhand den geest van eendracht en liefde, — maakt zich gewoon alles verkeerd uit te leggen, — spaart zelfs hare Oversten niet, — bereidt zich zware straffen voor de eeuwio-heid.

O

7. De ijdelheid en hoogmoed.

Deze zonde wordt op ontelbare wijzen bedreven. Dan is het ijdel zelfbehagen, waardoor wij ons gaarne met ons zeiven bezig houden en uren verliezen met in onzen geest datgene wat wij onze. verdiensten gelieven te noemen, te overdenken. Dan is het de overtuiging van eigenwaarde, die ons minachting inboezemt voor anderen, en ons doet meenen dat, hadden wij hare bediening, wij oneindig beter zouden doen. Die zelfde overtuiging doet ons eene aanmerking van onze Overste of onzen biechtvader kwalijk nemen, in de valsche veronderstelling dat zij ons niet begrijpen. Dan weder is het een verlangen om geacht en gewaardeerd te worden, dat ons den lof der menschen doet zoeken, ons gelukkig maakt als wij gevleid, — treurig als wij vermeenen vergeten te worden, — en zelfs zoo ver gaat van goedkeuring

ocr page 146

137

T

ig te bedelen. Deze zonde is genoeg om de vrije uitte storting van Gods genade terug te houden, — en Is God te verplichten zich terug te trekken: want »Hij

geeft zijne genade aan de ootmoedig en, en weerstaat it den hoovaardigen.quot; (I Petri V, 4.)

,t e i r

V.

; êo3 -Gewvnnen iigt; a-Ctijd doen wat

Jfem 'Geamp;acKjt.

Ik zal trachten God niet te mishagen: ziedaar het besluit eener ziel, die meer vrees dan liefde heeft.

Ilk zal trachten God in alles te behagen: ziedaar het besluit eener godminnende ziel.

God behagen is, met al de volmaaktheid, waartoe men in staat is, datgene doen wat God gebiedt, wat God aanraadt, wat God gaarne heeft.

Het is den geheelen dag goede werken verrichten, dat wil zeggen, werken verrichten op voorgeschreven tijd, volgens voorgeschrevene wijze, met het inzicht om God te verheerlijken. Dit zijn of onze dagelijksche, gewone

i werken, die iedereen verricht, zooals de maaltijden, de uitspanningsuren, de slaap, de arbeid enz., — of wel de werken door de dagorde, den regel, een bijzonder bevel van onze Overste of door de liefde voorgeschreven, — of nog die, welke wij volbrengen in de eenzaamheid onzer cel met God alleen tot getuige, — of die, welke de orde en de zindelijkheid ia huis vorderen, waarvan ieder voordeel trekt, doch waarvoor niemand ons ooit dank zal wijten.

ocr page 147

138

God heliagen is nooit aarzelen wanneer zich de gelegenheid aanbiedt God te verheerlijken of onzen evennaasteu te helpen. Laten wij God beminnen, zegt de H. Vincentius van Paulo, maar ten koste van onzen arbeid, in het zweet des aanschijns. Sommigen vergenoegen zich met gevoelens van liefde in zich op te wekken; doch als er sprake is voor God te werken, te lijden, zich te versterven, de armen te onderwijzen, het verloren schaap te gaan opsporen, de armoede te beoefenen, ziekte of

vernedering met liefde te aanvaarden..... dan is er

niemand meer!....

Aau God behagen is, al zijne werken eenvoudig, blijmoedig, zonder kwelling des geestes, en zonder die gedurige vrees verrichten: ik doe niet wat ik zou kunnen doen, — wat ik doe valt nooit goed uit, — ik kan nooit iemand tevreden stellen.....

Een ziel, die aan God zoekt te behagen, is altijd tevreden, niet uit eigenliefde, maar door de liefde tot God, die in haar hart woont. Zij weet dat God al hare inzichten, hare pogingen, hare zwakheden, haren strijd, hare geringe bekwaamheid, hare zorg

om zich nuttiger te maken, ziet..... en zij zet haar

werk stil en bedaard voort, dan zelfs als zij er niet de minste voldoening van heeft.

God behagen is God niets weigeren, — dit bestaat niet in het opvolgen der ingevingen die wij zoo schitterend en dringend in ons meenen te ontwaren en die veelal slechts zinsbegoochelingen zijn, — maar in te doen al wat ons gevraagd wordt door onzen Regel, onze Overste, onze bediening, de liefde of de gedienstigheid; alles wat ons meer buigzaam maakt in de handen onzer Oversten, lieftalliger jegens onze medezusters, nuttiger tot het doel onzer instelling.

ocr page 148

139

De religieuze, die aldus aan God zoekt te behagen, zal nochtans menige moeielijkheid ondervinden, — vermoeienis der ledematen, verzwakking in hare geestvermogens, — onmacht om langer te arbeiden, de vernedering niet meer nuttig te kunnen zijn; — maar wijl zij nooit heeft overdreven, noch in haar gedrag, noch in haar werk, wijl zij gedaan heeft wat men haar bevolen heeft, verontrust zij zich niet. Zij weet dat alles door God beloond zal worden; en al zou haar eenig onbillijk verwijt toegevoegd worden, toch houdt zij hare ziel in vrede zonder te morren, noch te klagen.

VL

'êod miwnamp;n iigt; tiij andamp;zen ve-znietiyen-wat men wed aan §o9 te tm^A-ac^en.

Het is vooral de zonde, die aan God mishaagt, en de godminnende ziel verlangt vurig dat er nooit eene enkele zonde bedreven worde. »Al degenen, die God oprecht beminnen, zegt de H. Alphonsus, bidden en werken onophoudelijk voor de arme zondaars; want, hoe is het mogelijk God te beminnen en de liefde te zien, die Hij der zielen toedraagt, — te overwegen wat Christus voor haar geleden heeft en de begeerte, die Hij heeft om haar zalig te maken, — en onverschillig te blijven bij het zien van zooveel ongelukkigen, die verloren gaan?quot;

»Ik gevoel, zegt de H. Theresia, dat ik gereed zou zijn duizendmaal het offer van mijn leven te brengen

ocr page 149

140

om eene enkele ziel te verlossen van de zonde ot ruste van de eeuwige verdoemenis, waarin de zonde haar bloed gestort heeft.quot; offert

»Indien de Heer mij, zooals aan den H. Thomas dien van Aquinfe, vraagde welke belooning ik van zijne 's mc goedheid vraag, schreef de H. Magdalena van Pazzi, zou zou ik antwoorden: Heer, dat men IJ niet meer zekei heleedige.quot; ve^ gt;

1. Hieruit ontstaat de ijver voor de zaligheid der wijzlt; zielen. Dit is om zoo te zeggen de grondslag der V religieuze deugd. »God heeft mij dien dorst naar de deze zaligheid der zielen gegeven, zegt de H. Theresia, volh en wanneer ik de levens der heiligen lees en de zouc verhalen van den apostolischen arbeid van diegenen, het welke aan God nieuwe aanbidders verkregen en den van hemel met uitverkoornen verrijkt hebben, gevoel ik 3 meer aandoening en meer naijver, dan wanneer ik de2 al de pijningen lees der martelaren.quot; hei(

Volgens mijn inzien hecht onze Heer meer waarde diei aan eene ziel, die wij voor Hem gewonnen hebben, ' door onze gebeden en onze pogingen, vereenigd met het zijne barmhartigheid, — dan aan alle diensten, die vai wij Hem zouden kunnen bewijzen. 3

2. Een ijver, die hidt om genade van bekeering uw voor de arme zondaars, om volharding voor de brave te zielen. Denkt er wel aan, vrome en heilige religieuzen : terwijl gij bidt, terwijl gij onbewegelijk in mj uwe overweging zit, wederhoudt gij den straffenden mi arm van Gods rechtvaardigheid, — trekt gij uit Gods sij Hart genaden van barmhartigheid, — verkrijgt gij dat en iemand, op het punt eene doodzonde te bedrijven,

tot inkeer komt, — verkrijgt gij voor een stervende v£ de genade van berouw en hoop. Indien wij, zegt a£ de Eerw. P. Faber, eiken avond alvorens ons ter ui

ocr page 150

141

de of ruste te begeven, de H. Maagd bidden, het dierbaar haar bloed van haren goddelijken Zoon aan God op te offeren, ten einde daardoor eene doodzonde gedurende omas dien nacht te beletten, — indien wij ditzelfde gebed zijne 's morgens herhaalden voor alle uren van den dag, azzi, zou zulk eene offerande, door zulke handen gedaan, meer zeker God behagen, en de verlangde genade verwerven; — en hoeveel doodzonden zouden wij op die i der wijze, gedurende een jaar niet beletten!.... ' der Veronderstellen wij eens, dat duizend religieuzen ir de deze offerande vernieuwen en daarin twintig jaar esia, volharden, welk een onnoemelijk getal doodzonden i de zouden zij belet hebben, welke vreugde zouden zij nen, het Hart van Jezus bereiden, zonder nog te spreken den van hare eigene verdiensten!

)1 ik 3. Een ijver welke de brave zielen behoedt — vooral r ik de zielen der kinderen — tegen de verleiding der gdel-heid, der pracht, der lichtzinnigheid — der ongods-arde dienstigheid, der slechte boeken, der zinnelijke liefde, jen, Ziehier een gebed van een kloosterling, belast met met het onderwijs der jeugd. Moge dit ook het gebed die van elke religieuze zijn.

»lk dorst, o mijn God, ik dorst naar zielen ter -ing uwer liefde. Ik ben gereed alles te geven, alles op ave te offeren, alles te lijden, om zielen voor U te winnen, eli- »0 gij teederbeminde zielen , door het bloed van £ in mijn Zaligmaker vrijgekocht, komt en geeft u aan den mijn brandend verlangen over. Komt dien gekrui-ods sigden God omarmen, dien ik aanbid en bemin! Komt dat en schaart u allen onder de banier van zijn heilig kruis! en, »0m dit geluk voor u te verkrijgen, heb ik mijn ade vaderland, mijne bloedverwanten, alles wat mij op

egt ter

aarde dierbaarst was, vaarwel gezegd; doch als ik uwe zielen kan winnen en die met mij ten hemel

ocr page 151

142

mag voeren, dan heb ik niets geleden, niets gegeven, dan tel ik al mijn lijden niet, en al mijne opofferingen worden mij tot eene bron van vreugde en geluk!

»Dan is het heelal mijn vaderland, omdat het heelal het rijk der liefde is.

»Als ik slechts zielen voor Jezus kan winnen, dan ken ik geen ballingschap meer!

»Heer, ontneem mij alles, doch geef mij zielen!quot;

4. Een ijver die rust, tijd, kracht, alles opoffert om eene arme ziel ter hulp te komen, die zich van God verwijdert. De H. Ignatius, eens met P. Lainez sprekende, viaagde hem: Wat zoudt gij doen als men u op dit oogenblik kwam zeggen: »Indien gij nu wilt sterven, schenk ik u den Hemel; maar wilt gy blijven leven om nog langer voor mij te werken, verzeker ik u uwe zaligheid 'niet, doch zal u dan oordeelen volgens den staat waarin gij u bevindt. »Wat zoudt ge kiezen?quot; »Mijn Vader, antwoordde Lainez, ik beken dat ik den zekersten weg zou kiezen en ik zou vragen om te sterven.quot; — »Dat zou ik niet doen, hernam de H. Ignatius; zoo ik meende de glorie van God in iets te kunnen bevorderen, zou ik vragen om nog langer te leven; want hoe zou ik kunnen vreezen verworpen te worden, omdat ik de belangen van God meer dan de mijne bevorderd heb? Laat anderen denken wat zij willen, nooit zal ik iets dergelijks gelooven van een zoo goeden, zoo getrouwen, zoo edelmoedigen Meester.quot;

5. Een ijver, die zich als slachtoffer aanbiedt voor de zaligheid van anderen. »Lijden, werken, hekeeren, ziedaar al wat ik begeer,quot; schreef een heilig missionaris. Dit is ook de begeerte van elke religieuze ziel. Er is geene gedachte zoo troostend en opwekkend als deze: »Hoe ellendig, hoe gering ik ook

ocr page 152

143

ben, kan ik, dank aan mijne H. Professie die mg meer met Jezus-Christus vereenigt en mij deelachtig maakt aan de verdiensten van zijn H. Lijden, door mijne gebeden, mijne gehoorzaamheid, het geduldig verdragen van de moeielijkheden des levens, eene doodzonde beletten! Door deze gedachte bezield, gehoorzaamt, lijdt, werkt, bidt, offert en zwijgt de godminnende ziel; zij begrijpt dat zij, aldus hare levensdagen verterende, in het midden eener bedorven wereld staat, gelijk eene vaas, waaruit onophoudelijk de geurigste wierook opstijgt, die de verpeste lucht zuivert.

VIL

§od amp;cvninne-n io nicfo w'Ufamp;n dan wat §o9 wi-C, en tzvzcde-n aij-n ■met aïtamp;s wat êo3 tocCaat.

Wanneer men iemand teederlijk bemint, twijfelt men nooit aan zijn woord. Al wat hij zegt, wordt zonder achterdocht aangenomen; al wat hij doet, wordt zonder voorbehoud goedgekeurd.

Ziedaar den staat, waarin de religieuze leeft, die God bemint, Zij weet met volkomen zekerheid dat haar vertrouwen in de wijsheid, de macht, de goedheid van dien God aan wien zij zich gegeven heeft, niet beschaamd kan worden; en daarom zegt zij met de geestdrift der Heiligen: Al zou God mij dooden, nog zou ik Hem herminnen. Al zou ik niets begrijpen

ocr page 153

144

van Gods handelingen, al zou mijn kortzichtig verstand mij eene onbillijkheid doen zien in wat God toelaat, altijd zal ik zeggen: wat God doet, is goed, rechtvaardig, volmaakt, en altijd voor mijzelve het nuttigst.

0 welk eene bron van vrede en vreugde is die volkomen overgeving in den heiligen wil van God!

1. Willen wat God wil is niet alleen zich zonder tegenzin, maar zelfs met liefde, blijmoedig aan al de gebeurtenissen des levens onderwerpen, aan voor-of tegenspoed, aan gezondheid of ziekte, aan eer of verachting, aan overvloed of armoede, aan de liefde der schepselen of de verachting onzer vrienden, aan een smartvol, vergeten, onbekend leven of den dood! al deze dingen heeft God aldus voorbereid en beschikt, hetzij om in ons een gebrek uit te roeien of eene deugd aan te kweeken, in één woord om ons te heiligen. Dit wil niet zeggen dat wij in onze daden de werkzaamheid en voorzichtigheid uit het oog moeten verliezen , maar wij moeten ze nooit afscheiden van den wil van God en Hem den uitslag toevertrouwen.

2. Willen wat God wil is ons gelukkig gevoelen by die personen, waarbij de Voorzienigheid ons geplaatst heeft. Haar karakter, hare opvoeding, hare hoedanigheden, hare gebreken, hare denkwijze, hare wijze van handelen, van zich te gedragen, van te spreken, van te doen, dit alles moge ons tegenstaan, wij moeten toch immer denken dat God dit alles wist toen Hij ons daar geplaatst heeft, en dat Hij dit gedaan heeft om ons het geduld, de nederigheid, de liefde te doen beoefenen. Het zij ons genoeg te lijden, te zwijgen, ten minste met den wil degenen lief te hebben, die ons beproeven, haar niet te toonen hoeveel zij ons doen lijden, en God te loven; hierdoor zullen wij groote schatten voor de eeuwigheid vergaderen.

ocr page 154

145

3. Willen wat God wil, is stil werkzaam blijven iu de bediening, die ons is toevertrouwd, en in het huis, waarin de Voorzienigheid ons geplaatst heeft. God weet wel, waar wij zyn; en wijl Hij ons daar geplaatst heeft, zal Hij ons geven wat noodig is om ons zeiven of anderen te heiligen; als wij onze zending volbracht hebben, zal Hij ons van onze bediening ontslaan en ons elders zenden. Blijven wij dus op onzen post, de eenige plaats op dit oogenblik waar wij den Hemel kunnen verdienen; blijven wij daar in vrede en met vertrouwen, dan zelfs als het ons toeschijnt dat ons werk volkomen nutteloos is.

Zetten wij dit werk voort, ons door de gehoorzaamheid opgelegd, hoe zwaar, hoe tegenstrijdig ook aan onze natuur. De engelen des Hemels, die bij God zulk een groot geluk genieten, zouden gaarne dat werk dat ons zoo tegenstaat, komen verrichten, indien zij wisten, dat dit de wil van God is; zy zouden met liefde komen en zoolang blijven als God het zou wenschen. Doen dit ook onze Engelbewaarders niet? Blijven zij niet jaren en jaren bij onwetende, ruwe, slechte menschen? Blijven zij niet bij godslasteraars? O! indien zij slechts naar hun verlangen luisterden, met welken snellen wiekenslag zouden zij tot u wederkeeren, o mijn God! maar Gij wilt dat zij daar blijven, en zij zullen daar blijven zoolang Gij het zult willen.

4. Willen wat God wil, is zich aan geen enkele ongerustheid overgeven, noch omtrent het verleden, noch omtrent de toekomst. — Het verleden is thans in Gods hand; het is er, helaas! wellicht met al deszelfs fouten, verzuimenissen en traagheid; maar wij kunnen dagelijks aan God onze moeielijkheden en beproevingen, onze onderwerping, en vooral onze

10

ocr page 155

146

liefde opdragen, opdat het zijne oneindige barmhartigheid behage, daarmede goed te maken wat het verleden gebrekkigs heeft. Eenmaal zullen ■wij dan dat treurig verleden gezuiverd en schitterend terugvinden, dank aan de verdiensten van Jezus-Christus, die God aan onze boetvaardigheid heeft toegevoegd. De toekomst... wellicht zal er voor ons geene toekomst meer zijn, waarom ons er over bekommeren? Laat God die voor ons bereiden; weest niet bekommerd voor den dag van morgen. (Matth, VI, 34.) Genieten we in vrede het tegenwoordig uur, dat God ons geeft; gebruiken wij het zoo goed mogelijk in rust, in vrede, in liefde.

Willen wat God wil, is in onze godvruchtige oefeningen noch de zoetigheden, noch de vertroostingen, noch de voldoening des harten zoeken, doch rustig ons'gebed, onze meditatie, onze Communiën verrichten in dien staat waarin het God behaagt ons te laten.

Waarom iets anders willen dan het vervullen van onzen plicht? Waarom ons verontrusten en ons verbitteren, als deze plicht ons moeielijk valt? Wordt hij juist dan niet met meer liefde vervuld en zal tij dan later niet rijker beloond worden ?

Willen to at God wil, is altijd, in alles, voor alles dit zoo eenvoudig woord herhalen: » God zij geloofd.quot;

Zeggen wij dit uit den grond des harten, somtijds ook met den mond. De H. Franciscus van Sales heeft dit woord gekozen tot leus der religieuzen der Visitatie. Men vindt het aan het hoofd van eiken brief, dien zij schrijven, op eiken muur van haar klooster.

Men hoort het in de spreekkamer, zoodra eene religieuze het gesprek begint, en haar welkomstgroet is dit zoete woord »God zij geloofd!quot;

Moge het ook het lievelingswoord zijn van elke

ocr page 156

147

religieuze! het is eene kreet der dankbare ziel, die God voor alle genaden, doch vooral voor die harer heilige roeping dankt; — het is een goedkeuren van al wat God toelaat, van alles wat God overzendt; — het is een aannemen van den toestand waarin God haar laat, van de vreugde die Hij overzendt, van het verdriet dat Hij toelaat; — het is het stamelen van het zelfde woord dat zij in alle eeuwigheid zal uitgalmen: » God zij geloofd!quot;

VUL

êod ^minnen iigt; in a-Cfc zaamp;cw op JCem vczhonwcn.

Wanneer men bemint en bemind wordt, leeft men in vrede onder de bescherming van degenen, die men bemint.

En gij, religieuze ziel, gevoelt gij u niet bemind, bemind door dien God, wiens almacht, goedheid en wijsheid u bekend zijn?

Wie werd meer dan gij door God bemind? Herlees nog eens wat wij gezegd hebben van zijne goedheid om u te roepen, u af te wachten, u te zoeken, u te vergeven, u in zijne armen te ontvangen, — eene goedheid waarvan gij dagelijks de bewijzen ontvangt, daar Hij u bij zich behoudt, u met zorgvuldigheid bewaakt, u met licht en genade omringt, zich aan u geeft in de H. Communie eu u zijne goddelijke tegenwoordigheid doet gevoelen!

Waarom zoudt gij niet altijd juichen, beschermd als gij zijt door het beminnend Hart eens Vaders?

ocr page 157

148

Zeker hebt gij Hem niet altijd gehoorzaamd, zeker hebt gij Hem beleedigd; doch gij weet wel, dat Hij u vergeven heeft!

»Wanneer de duivel, om mij vrees aan te jagen en mij te ontmoedigen mij het ontelbaar getal mijner misslagen voor oogen komt stellen,quot; schreef eene religieuze, »dan zeg ik: Het is waar, ik ben zeer schuldig geweest; maar God is nog veel barmhartiger geweest, en Hij heeft mij alles vergeven, omdat Hij het oprechte berouw gezien heeft, dat ik over mijne zonden had, toen ik ze aan den priester beleden heb.quot;

»Wanneer de duivel my komt kwellen met de vrees dat ik slecht gebiecht heb, zeg ik: Neen, dat zou God niet toegelaten hebben, ik meende het te oprecht.quot;

» Wanneer de duivel mij vrees aan komt jagen, door de gedachte dat ik verloren zal gaan, zeg ik: Neen, dat is niet mogelgk; dan zou ik God moeten haten, en ik gevoel dat ik Hem bemin en Hem altijd zal beminnen.quot;

Ja, God toegewijde ziel, gij zult altijd uw God beminnen! Wees gerust op uwe zaligheid.

Hij is niet ontrouw aan zijn woord. Hij die u het honderdvoud hier beneden, en hiernamaals het eeuwig leven beloofd hebt.

Hij is niet ondankbaar, Hij aan wien gij u geheel gegeven hebt.

Hij is niet ongevoelig, Hg voor wien gg vader en moeder verlaten hebt, die u zoo teeder lief hadden.

Hij is geen dwingeland, Hij voor wien gij van den morgen tot den avond werkt, met opoffering uwer vrijheid om zijnen wil te volbrengen, met opoffering uwer krachten om Hem te doen kennen en beminnen. Vertrouw dan op Hem, wanneer gij ziek zijt.

ocr page 158

149

Hij zal kracht naar kruis geven, en uwe ziel zuiveren door de smarten van uw lichaam.

Vertrouw op Hem , wanneer gij u gedrukt, bedroefd, verlaten, wanneer gij u eenzaam zult gevoelen als in eene woestijn! Hij zal bij u zijn, om u door zijne genade te ondersteunen, in uwe worsteling tegen bekoring en moedeloosheid; Hij zal uwe kracht verdubbelen en uwe kroon bereiden.

Vertrouw op Hem in alles en altijd. Eeue moeder kan haar kind vergeten, maar ik, uw Heer en God, ik zweer dat ik nooit eene getrouwe ziel verlaten zal.

Wanneer de ziel zich wel doordrongen heeft van het denkbeeld dat God haar Vader is, zegt P. Faber, dan neemt het leven een geheel ander uitzicht aan.

Als wij werken, is het onder het oog van onzen vader, — als wij ons vermaken bemoedigt ons zijn glimlach, — dan gaat er geen dag voorbij waarop wij geen trek zijner vaderlijke goedheid ontwaren, die ons tot dusverre ontsnapte. Onze gebeden worden vuriger, de HH. Sacramenten brengen vruchten van zaligheid voort, onze plichten worden voorrechten, onze boetplegingen schijnen ons genoegens, de beproevingen verteederen het hart, en de smarten schijnen ons bijna even zoovele liefdegiften des Hemels. O hoe zoet wordt ons de gedachte, dat wij door God bemind en beschermd worden! Het minste voorwerp dat onze blikken, — het minste geluid dat onze ooren treft, doet ons van vreugde trillen, alsof God ons zijne stem gaat doen hooren of zich aan ons vertoonen.

Gelukkig de zielen, die God zoo gaarne Vader noemen en Hem een oprecht hinderlijk hart kunnen aanbieden!

ocr page 159

150

IX.

§od amp;amp;minnamp;n is vettany cn om wet Kcm vamp;zccniyd te. aijn.

Verlangen om met God vereenigd te zijn, is verlangen om met den H. Paulus te kunnen zeggen; Jk leef .niet meer, maar Jezus-Christus leeft in mij! (Gal. II, 20.)

Dit is de vervulling verhaasten van de belofte van Christus in deze woorden uitgedrukt: »Indien iemand mij bemint, zal mijn Vader hem beminnen; loij zullen tot Hem komen en in Hem onze woning vestigen.quot; (Joa. XIV, 23.) O wie kan uitdrukken hoe innig God zich vereenigt met de ziel, die Hem bemint, hoe Hij die vergroot om er zich vrij in te bewegen en van daar al hare krachten, al hare werkingen te bezielen! Blijft in mij (Joa. XV, 4), zegde Jezus-Christus tot degenen die Hij beminde en wier liefde Hij verlangde, hlijft in mij en ik blijf in u.

Eerst zullen wij aantoonen, waarin die vereemging met Jezus-Christus bestaat, die zeker door alle God toegewijde personen niet op volkomene wijze bereikt wordt, doch waarnaar echter allen moeten trachten; en daarna zullen wij de fouten aantoonen, die een beletsel zijn voor die vereeniging met God.

1.

Verlangen om met God veréénigd te zijn, is zoodanig verzaken aan zijne denkbeelden en begeerten, dat men slechts de denkbeelden, de gedachten, de begeerten van God raadpleegt; — dit is trouwens eigen aan de liefde; — en was het dit niet, wat gij u voorsteldet

ocr page 160

151

bij het uitspreken uwer HH. Geloften? Hebben deze u niet onherroepelijk aan Jezus, en bijgevolg aan zijn wil gekluisterd? Hebt gij niet, op de meest volstrekte wijze, uwe vrijheid in zijne handen gesteld ? Wie beter dan gij kan zeggen, dat zij één is met Jezus-Christus ? De H. Kerk begrijpt dit zoo wel, dat zij u dien naam geeft, welke het best de vereeniging van twee wezens uitdrukt, Bruid van Jezus-Christus.

Daarom kent de ware religieuze slechts ééne vrees, die van aan het liefdevol hart van haren Bruidegom te mishagen; — hieruit volgen — mistrouwen van zich zelve, voortdurende waakzaamheid, kalme bedaardheid in hare handelingen, groote voorzichtigheid, vrij van onrust en verwarring in haren omgang met de menschen, een voortdurend gebed en groote zorg om al wat haar zondig toeschijnt te vermijden.

Zij heeft slechts ééne gedachte; de gedachte aan haren gekruisigden Bruidegom, wiens beeld zij immer voor oogen heeft; — daaruit volgt eene gewoonte van ingekeerdheid en de geest des gebeds, zuiverheid van meening; herhaalde verzuchtingen van onderwerping, van aanbidding, van liefde, groote opmerkzaamheid voor de stem der genade, die haar meer kalmte, meer ootmoed, meer zelfverloochening vraagt.

Zij bezit slechts ééne wetenschap, de wetenschap van Jezus-Christus. Hare school is het Tabernakel, waar zij zoo dikwijls mogelijk gaat nederknielen en zooveel bidt als zij kan; haar boek is het kruisbeeld, dat zij dikwijls onder het gebed in handen neemt wanneer zij alleen is; — hieruit vloeit voort: eene volkomen onthechting van hare wijze van te zien, te oordeelen, te denken, om slechts te zien, te denken, te oordeelen gelijk Jezus-Christus, ■— hieruit

ocr page 161

152

vloeit voort: eene volkomen oiiverschilligheid voor de bedieningen en bezigheden, die zy eenvoudig aanneemt, daar God verplicht is haar te helpen. Zij heeft slechts ééne begeerte, die van aan Jezus, haar Bruidegom, te gelijken; — daarom vraagt zij zich dikwijls: Zou Jezus-Christ us aldus gehandeld hebhen ? Zou Hij zoo gedacht hebben ? Wat zou Jezus, in deze omstandigheid, in mijne plaats, gedaan hebben1? Hieruit vloeit voort: eene voortdurende neiging om

O O

arm en vernederd te leven, om zachtmoedig en liefderijk in hare woorden, toegevend in hare gedachten, voorkomend en toegenegen in hare handelingen, medelijdend in haar oordeel te zijn: Jezus-Christus zou aldus gehandeld hebben.

Zij heeft slechts ééne bezigheid, te weten aan Jezus-Christus te behagen; — daaruit vloeit voort: eene groote zorg om haav hart rein en vrij van zonde te bewaren en het dikwijls door het II. Sacrament der biecht te zuiveren, onthechting van al wat haar hart kan belemmeren om geheel aan God te behooren, en vooral eene voortdurende begeerte zich inniger met Hem te vereénigen door eene groote gelijkvormigheid met zijnen H. Wil, dien zij gaarne erkent als altijd heilig, altijd rechtvaardig, altijd beminnelijk; hieruit vloeit voort: een aanhoudend streven om geen anderen geest te hebben dan den geest van Jezus-Christus, — van de wereld te denken wat Hij er van dacht, — de vernedering, het verborgen leven te beminnen.

Zij heeft slechts één doel: zich op te offeren met haren Bruidegom. Zij weet dat de Bruid niet beter is dan de Bruidegom, dat waarheen Hij gaat, zij Hem moet volgen, dat in hetgeen Hij doet, zij moet helpen; daarom wil zij zich, even als Jezus-Christus,

ocr page 162

153

slachtofferen voor de zaligheid der wereld; als Hij, wil zij gehoorzaam ziju, en gehoorzaam tot den dood, — arm om niets in eigendom te bezitten, — zuiver tot zich elke voldoening der zinnen te weigeren en haar lichaam tot onderwerping te brengen, — ootmoedig tot de verachting te beminnen en zich gelukkig te achten, miskend en misacht te worden, — liefderijk en toegenegen tot zelfs hare rust, hare gezondheid r haar leven op te offeren, gelijk Jezus-Ohristus, zoodra zij den evennaasten naar ziel of lichaam behulpzaam kan zijn.

Eene met God ven'énig de ziel is dus eene ziel, die aan God eene zoo volledige macht op haar eigenwil heeft gegeven en in eene zoo volstrekte afhankelijkheid van den wil van God leeft, dat God in haar leeft, als de ziel van al hare daden en verlangens.

Het is eene ziel, waarin God beveelt als Meester, in het volle bewustzijn dat Hij in alles zal gehoorzaamd worden; eene ziel, die met zooveel getrouwheid gehoorzaamt, dat God niet alleen nooit den minsten weerstand ontmoet, maar in haar een vasten wil vindt om nimmer te handelen dan volgens zijne inspraken.

Eene ziel, waarvan God zoodanig bezit heeft genomen, dat zij slechts handelt door zijnen geest, en die, even eenvoudig als de H. Paulus, mag zeggen; Dik leef niet meer, maar Jezus-Christus leeft in mij. (Gal. II, 20.)

Is deze vereeniffinff niet het doel uwer wenschen?

_ . o o

O bidt, bidt, religieuzen, den God van alle barmhartigheid, die u zoo zeer bemint, u langzamerhand door de onderwerping, de onthechting en de zelfverloochening te brengen tot die verééniging, die — gij begrijpt dit nu, — het doel is waarom Hij u tot het religieuze leven heeft geroepen.

ocr page 163

154

2.

Ziehier nu, welke fouten meestal een beletsel stellen voor onze vereeniging met God. Wij spreken hier niet van fouten, maar van onze gebreken, van die geliefkoosde gebreken, die somtijds, helaas, de oorzaak worden van vele fouten.

A. Het koesteren van eenige bijzondere gehechtheid.

Er is hier geen sprake van die lage gehechtheid aan de goederen der wereld, aan de ij delheid en het zingenot, waaraan gij door uwe HH. Geloften verzaakt hebt, en die u door Gods genade veeleer afschuw inboezemen , maar -wij wijzen hier op die meer innige gehechtheid aan personen of zaken, die volgens uwe eigene, oprechte meening u veiliger tot God zouden geleiden.

Het is- de gehechtheid, aan een godvruchtig en toegenegen biechtvader, die zoo goed is voor uwe ziel!

Het is de gehechtheid aan zekere gebeden, verstervingen en zelfs aan de Heilige Communie. Ja, deze gehechtheid kan goed zijn in zich zelve; maar, omdat gij te veel denkt aan het voorwerp dezer gehechtheid, omdat gij u te zeer verheugt in het bezit, u te veel kwelt om weder in deszelfs bezit te komen, omdat gij er bijna altijd over spreekt, belet deze genegenheid u geheel aan God te behooren, verstrooit u in het gebed, beneemt u de rust des harten, maakt u minder vaardig in het gehoorzamen.

a. Hij brengt u tot God, die godvruchtige en toegenegen zielbestierder; — ga dan rechtstreeks tot God en laat u door hem niet terughouden. Eerbiedig hem, waardeer hem, bedank hem, doch bedank vooral God, die u hem gegeven heeft; maar indien God, die u hem gaf, hem u ontneemt, blijf dan bedaard; mor

ocr page 164

155

met, al zijt ge bedroefd, bid veel voor hem, en ga eenvoudig tot dengene dien God in zijne plaats zendt. O kleine van geloof, wie moet u ten hemel voeren, God of uw biechtvader? Wie heeft licht en goedheid gegeven aan hem, dien gij beweent? Is het God niet? Wie neemt hem weg? Is dit ook God niet? En durft gij dan denken, dat God aan een ander niet alles zal geven wat noodig is om u ten hemel te geleiden?

b. De gedachten en verlangens om dikwijls te communiceer en en u te versterven zijn uitmuntend, maar bedenk dat het uwe gedachten, uwe meeningen zijn, wellicht zijn het niet die van God. Hij doet zijn wil kennen door uwe O eersten; en zoodra deze gesproken hebben, moet gij u onderwerpen en alles verlaten wat het uwe is, u niet versterven op die manier die gij verkiest, niet gaan bidden op den tijd die u gelegen komt, niet de H. Communie ontvangen als gij het goed vindt. Misschien hebben andere Oversten het u op andere tijden toegestaan; waarom, vraagt gij, is datgene wat gisteren goed was, het heden niet meert Zwijg toch, goede ziel, wat gisteren goed voor u was, is nog goed in zichzelve , doch is het niet meer voor u. Gij ziet het niet, maar God ziet het en handelt naar zijn goedvinden.

Ware het alleen de meerdere eer van God, die gij zoekt, dan zoudt gij u blindelings onderwerpen; doch het is de teleurstelling, die gij ondervindt, die u doet morren, en daarin is meer eigenliefde dan spijt.

B. Men schuwt de vrijwillige overtredingen niet genoeg.

Om verêénigd te blijven moet men op elkander gelijken. God, de reinheid by uitnemendheid, kan slechts in een zuiver hart wonen. — Gij bemint de

ocr page 165

156

zonde, zelfs de kleinste zonde niet; en zoo, alvorens aan de stizwijgendheid te ontbreken, — alvorens te morren, — alvorens u aan die oneerbiedigheid en verstrooidheid in het gebed over te geven, gij tot u zelve zegdet, ik ga iets doen dat God mishaagt! o neen, gewis, gij zoudt het niet doen.

Maar al die overtredingen, door lichtzinnigheid, onbedachtheid of gewoonte begaan, betreurt ge te weinig, en ge neemt te weinig voorzorg om ze te vermyden. Bedenk wel — voorzorg is beter dan een goed voornemen. Ziedaar wat moe vereeniging met God in den weg staat. Indien gij God oprecht bemindet, zoudt gij zeker die kleine fouten nog bedrijven, doch hoe zoudt gij u er over vernederen, hoe zoudt ge ze betreuren en vooral hoe zoudt ge ze door meerdere getrouwheid trachten te herstellen! O blijf toch nooit van God verwijderd! Verwek spoedig een akte van berouw, eene akte van liefde, met een kalm, doch oprecht gemoed. De zonde, hoe klein ook, verduistert het. licht der genade en belet altijd min of meer het gevoel van Gods tegenwoordigheid.

C. Men verontrust zich te zeer over zijne fouten en ongetrouwheden.

God is de vrede; om met God vereenigd te blijven moet men den vrede bezitten, den vrede beminnen, den vrede zoeken; en zij heeft dien vrede niet, die ziel, die zich verontrust over hare ongetrouwheden en fouten, — die zich ontmoedigt bij de kleinste overtreding, die verwonderd is dat zij zoo zwak is, — die zich ontevreden maakt en God niet meer durft naderen, — die uren lang nadenkt over de oorzaak harer vergetelheid en juist daardoor intusschen haar plicht verzuimt of met zeer veel nalatigheid vervult.

ocr page 166

157

Zoo handelden de Heiligen niet. »Wanneer gy in eene fout gevallen zijt,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, »verneder u voor God en bewaar den vrede.quot; Men moet leeren, niet alleen de gebreken van anderen, maar ook zijne eigene te verdragen. Als een reiziger op zijn weg valt, wat zou bet bem baten, te treuren en te roepen; wat ben ik ongelukkig! wat moet ik beginnen! waartoe zouden bem deze klacbten dienen ? Moet bij niet spoedig opstaan en zijne reis voortzetten, gewapend met meer voorzicbtigbeid en ondervinding, maar ook met meer moed? »Ik beb eene fout bedreven,quot; zegt de met God veréénigde ziel eenvoudig, en slaat een blik op bet kruisbeeld; » welnu, ik ga die herstellen door datgene wat ik nu doen moet. godvruchtig en zoo volmaakt mogelijk te verrichten.quot;

D. Men heeft geene orde in hetgeen men doet.

God is de orde bij uitnemendheid; Hij werkt zachtjes en onafgebroken voort naar die richting, die Hij zich voorstelt. Wilt gij met Hem vereenigd worden? Zoo bemin de orde, bemin den regel. Geen uur komt er voor waarin gij kunt zeggen: Ik weet niet wat ik doen moet, Doe datgene wat u aangewezen wordt, doe het zachtjes, doch ga op bet doel af.

Haast u niet, wil niet alles te gelijk doen, uit vreeze van niet goed genoeg te doen wat gij doet.

Handel niet gelijk die goede Martha tot wie Jezus-Christus zegde: Martha, Martha, gij zijt bezorgd en bekommerd over vele zaken; iéne alleen is noodzakelijk. (Lucj® X, 41.)

Begin uw werk, zet het voort, onderbreek bet wanneer een ander werk u wordt opgelegd, doch zonder ontsteltenis, dan zal God met u werken.

ocr page 167

158

Dit zelfde geldt voor uwe godruchtige oefeningen; blijf niet langer in de kapel dan uw regel toelaat, laat uw gebed daar, wanneer uwe Overste u roept. Leef in alles dag aan dag, beter nog uur voor uur. 0, mocht gij door Gods genade toch eens wel het geluk begrijpen, dat ge hebt in het klooster te leven, van waar uwe ziel zoetjes, zonder hevige schokken te ondervinden, naar de eeuwigheid kan wandelen, terwijl zij voortdurend aan weerszijden van haren weg bloemen plukt om hare kroon te vormen!

E. Men moet zich niet met de zaken van anderen bemoeien.

Dit is een algemeen gebrek, dat des te meer te vreezen is, omdat het geen gebrek schijnt te zijn. .Men mag zich zeker met anderen bemoeien om haar nuttig te zijn, haar vermoeienis te sparen, maar niet om zich het hoofd te vervullen met wat zij zeggen en denken.

Zet u geheel tot uw werk. Zet er u met God, en uw geest zal zich niet met anderen bezig houden. Een groot geheim om tot de verééniging met God te geraken en er zich in te vestigen, — is zich niet verder met de zaken van anderen in te laten dan noodzakelijkheid of liefde van ons vergen. Wat kan het u schelen, wat uwe Overste of zusters doen? Waarom bekommert gij u over die kleine gebeurtenis die morgen vergeten zal zijn? Blijf, o blijf veel liever bij God, met God.

ocr page 168

159

X.

êo9 -Gemittne-n- io in liet

Sa-Gex-Ha-^cC -Gcmin-HeM-.

Het H. Sacrament des Altaars is Jezus-Christus, is God zelf; God, die door eene onbegrijpelijke goedheid , die zijne liefde tot ons alleen kan verklaren, een lichaam en eene ziel gelijk aan de onze heeft aangenomen. Om onder ons te kunnen wonen heeft Hij zich, door een nog grooter mirakel van liefde dan dat der Menschwording, tot 07is voedsel gemaakt onder den schijn van brood, ten einde altijd met ons te kunnen verblijven.

Het H. Sacrament des Altaars is, vooral voor de religieuze, het middel of beter de gelukkige noodzakelijkheid om God op eenigszins stoffelijke wijze hare liefde en dankbaarheid te kunnen bewijzen.

Zij kan aan God die zorgen bewijzen, die zg haren ouders bewijzen zou, indien zij die bij zich hadde. Zij kan zorg dragen voor het heiligdom, waarin Jezus verblijft, gelijk zij zorg zou dragen voor de ouderlijke woning; — zij kan het altaar, waarop Hij rust, versieren, — de bloemen aankweeken, die haren geur aldaar verspreiden, — eene schitterende witheid geven aan het lijnwaad, waarop Jezus komt rusten. Zij weet, dat zij Jezus op eene bepaalde plaats vinden kan; — zij ziet Hem om zoo te-zeggen van aangezicht tot aangezicht onder den schijn van brood.

Zjj leeft met Jezus onder één dak; — zij zorgt voor het Godslamp.je, dat voor het Tabernakel brandt, en dat aan den Heer Olier deze woorden ontlokte: »O lampen van het heiligdom, hoe gelukkig zijt gij,

ocr page 169

160

gt; voor Gods meerdere eer te mogen branden! O mocht »ik deel hebben aan de hoedanigheden van dien olie, »om mij ook geheel voor Jezus te kunnen verteren!quot;

Het H. Sacrament des Altaars is voor elke ziel, doch vooral voor de religieuze ziel het middenpunt, het leven, het einde van alle zaligheid.

Het is Jezus, die ons toebehoort, zich ter onzer beschikking stelt, Jezus, die zich zeiven en zijne verdiensten aan ons mededeelt.

De verdiensten van Jezus mogen de ome genoemd worden, zoowel als de zijne.

Zijne voldoeningen zijn minder zijne schatten dan de onze. Hg helpt ons in onze boetvaardigheid, vertroost ons in onze moeielijkheden, ondersteunt ons in onze beproevingen. Al wat goed, wat heilig, wat schoon, wat aangenaam is, vinden zijne dienaars in Hem.

Waarom zou men arm blijven, daar men Jezus kan bezitten, zoo men maar wil?

Waarom zou men zich aan droefheid overgeven, daar Jezus de vreugde des Hemels is en zoo gaarne zijn intrek neemt in bedroefde harten?

Vele zaken kan men overdrijven, doch nooit zullen wij de verplichting overdrijven, die wij hebben om Jezus te beminnen en zijne liefde en barmhartigheid te loven.

Bemin dan Jezus in het Tabernakel; want Hij is het, die u geroepen heeft tot het heilig leven dat gij leidt. Het was aan den voet des Altaars, dat gij het eerst de stem hoordet, die u zegde: » Verlaat het huis uwer ouders en komt tot mij.quot;

Het was het veelvoudig ontvangen der H. Communie, waardoor gij de kracht hadt om u aan alles te ontrukken wat u dierbaar was.

ocr page 170

lol

Bemin dan Jezus in zijn H. Sacrament.

Heb voor Jezus, die ulles voor u is, die de plaats bekleedt van vader, moeder, van al wat u dierbaar was, eene vurige liefde; bemin Hem met al de tee-derheid waarmede men op aarde elkander beminnen kan, doch bemin om bovennatuurlijke beweegredenen. Zeg mij, is er niemand op aarde, die gij zeer bemint? Bemint gij uwe ouders, uwe zusters niet innig? Welnu, breng die liefde over op uwen hemelscben Bruidegom, die liefde die u van vreugde doet trillen, als ge ze na eene lange afwezigheid wederziet, die u met aandoening vervult, wanneer gij hun naam slechts hoort noemen.

Vraag aan Jezus de genade. Hem aldus, altijd meer te beminnen en Hij zal u die geven.

Die liefde tot Jezus moet geen voorbijgaand gevoel 'zijn, dat het hart een oogenblik doordringt en verwarmt; die liefde moet even eeuwigdurend zijn als de liefde van Jezus in het H. Sacrament tot ons; en daarom moeten wij die liefde door uitwendige oefeningen onderhouden, gelijk men de vlam der godslamp slechts onderhoudt door den olie, dien men er voortdurend bijgiet.

Die liefde moet eeuwigdurend zijn, gelijk Jezus liefde voor ons blijft voortduren in het H. Sacrament.

Zij moet werkkadig zijn gelijk de liefde van Jezus in het H. Sacrament, en zich doen kennen door oefeningen van eerbied en toewijding jegens onzen quot;Verlosser. Zij moet trachten Jezus te behagen en Hem na te volgen in hetgeen Hij zou doen, ware Hij in onze plaats.

Ziehier eenige uitwendige oefeningen, die de inwendige liefde in ons moeten onderhouden.

1. Verzuim nooit de kniebuiging, wanneer gij de Kapel binnentreedt of het H. Tabernakel voorbij gaat.

11

ocr page 171

162

Doe ze niet uit gewoonte, maar langzaam en eerbiedig , in verééniging met uwe ziel, die zich voor haren God vernedert en Hem aanbidt.

Men moet de knie buigen zoo dikwijls men zich voor Jezus in het tabernakel vertoont, of voorbij gaat.

Deze regel duldt geène uitzondering, noch voor de priesters, noch voor de leeken, noch voor de kinderen, noch voor de volwassenen. Niets is klein ten opzichte van het H. Sacrament. Daarom ziet men in de Levens der Heiligen, met welke groote nauwkeurigheid zij alle voorschriften nakwamen, die den eerbied voor het Allerheiligste betroffen.

DeH. Oarolus Borr., de H. Ignatius, de H. Fran-ciscus van Sales, de H. Vincentius van Paulo duldden niet de minste overtreding dezer kerkelijke voorschriften.

Het is vooral, wanneer het-H. Sacrament ter aanbidding is uitgesteld, dat gij meer dan ooit getrouw moet zijn in het vervullen dezer voorschriften. Dau moet gij u niet met eene enkele kniebuiging tevreden stellen, maar op twee knieën nederknielen en diep het hoofd buigen. Dit voorschrift is geene godsdienstige raadgeving, zooals sommigen wellicht zouden meenen; het is eene kerkelijke wet, waaraan men zich moet onderwerpen en die trouwens even schoon als passend is. Al deze uitwendige oefeningen hebben grooten

O O O

invloed op den geest des geloofs en de ware godsvrucht jegens het H. Sacrament des Altaars. Het is het hulsel, dat de vrucht omgeeft en haar behoedt voor het bederf. Hier past het woord des Evangelies: die . in het kleinste getrouw is, zal ook in het grootere getrouw zijn.quot; (LucvK XVI, 10.)

2. Daar Jezus wel met u onder één dak wil ■wonen, en zich aan uwe zorgen wil toevertrouwen,

ocr page 172

163

moet gij in den volsteu zin des wocrds de dienstmaagd van Jezus-Christus wezen.

Het Tabernakel, het Altaar, de Kapel moeten blinken van zindelijkheid.

De geheele Kapel moet stilte en ingetogenheid inboezemen, door de orde en den goeden smaak die er heerschen. Geene kamer in het huis mag beter versierd worden dan de Kapel. Zij immers is de woonplaats van den dierbaren Vader, van den goeden Meester, wien gij u hebt toegewijd, van den Bruidegom, met wien gij beloofd hebt, tot uw laatsten snik te zullen leven. En welk kind, welke liefdevolle dienares, welke bruid zal niet met het schoonste wat zy heèft, de kamer versieren van haar vader, haar meester, haar echtgenoot?

3. Hoe gelukkig zijn de religieuzen, die God, door eene liefde waarvan zij nooit de uitgestrektheid zullen begrijpen, heeft uitgekozen om Zusters van het H. Sakrument, van de gedurige Aanbidding, van de Eerewacht van zijn heilig Lichaam te zijn, die, dag en nacht voor het Tabernakel doen wat de engelen onzichtbaar doen en zullen doen tot het einde der eeuwen!

Alle engelen hebben niet de zelfde zending, en alle religieuzen hebben niet de zelfde roeping; doch allen moeten trachten, Jezus gedurig te aanbidden door hare gedachten dikwijls te vestigen op dien goeden Meester die bij haar woont. Ziehier eenige oefeningen, welke een godvruchtig schrijver aan wereldsche personen aanraadde.

!■ Gij hebt dezen morgen gecommuniceerd en uw Jezus met u genomen. O prijs Hem, loof Hem door den lofzang uwer liefde; en moge uwe ingetogenheid, uwe godsvrucht Hem nooit uit het oog verliezen!quot;

ocr page 173

164

»Gij zit naast iemand die dit zelfde geluk genoten heeft, wellicht juist de Commuuiebank heeft verlaten; aanbid Jezus in die ziel, haar eerbiedig groetende, en gij zult haar veel meer liefhebben, wanneer gij in haar een levend tabernakel van God ziet, dat de engelen omringen om hunnen God een hofstoet te vormen. O wat zou de liefde aangroeien door deze eenvoudige oefening van Jezus te aanbidden in het Lart van onzen evennaasten! quot;

»Gij gaat de Kerk of Kapel voorbij, waar het Allerheiligste rust; ge mist den tijd er u op te houden. Welnu, dat uw hart de muren doordringe door eene oefening van geloof, een woord van liefde; en God, die daar gevangen en opgesloten is in het Tabernakel, zal u in uw eigen hart een woord van erkentenis en zegening doen hooren.quot;

»Gij hoort de klok slaan; herinner u dan dat, op dit oogenblik, op verren afstand wellicht, eene H. Mis wordt opgedragen. Voor u bestaat die afstand niet, wijl gij in den geest kunt gaan nederknielen voor het Altaar, waar gij weet dat het goddelijk Lam wordt geslachtofferd, als een zoenoffer van vrede en liefde voor alle arme zondaars.quot;

3gt;üw blik valt op een kruisbeeld. Geef de vrije vlucht aan uw geloof en ga u in den geest nederwerpen op den berg van Calvarië, voor dat eerste Altaar waarop het goddelijk Bloed den losprijs betaald heeft voor alle zielen en voor de uwe in het bijzonder.quot;

» Wanneer gij een Priester ontmoet, zoo zie in hem niet den mensch, maar den offeraar; en denk aan al de HH. Missen, die door zijne hand opgedragen zijn en nog opgedragen zullen worden, en vereenig u daarmede tot grooter voordeel uwer ziel.quot;

ocr page 174

165

XI.

êo9 -beminnen is ©T^atio- beminnen.

Men kan God niet beminnen zonder Jezus-Christus te beminnen; men kan Jezus-Christus niet beminnen zonder Maria, zijne heilige Moeder, lief te hebben.

Maria is zoo innig verbonden met Jezus dat, indien wij voor haar geen bijzonderen eerbied en liefde zouden koesteren, wy Jezus zouden mishagen en Hem, om zoo te zeggen, zouden beleedigen.

Tusschen den zoon en de moeder bestaat zulk een innige liefdeband dat, wanneer men ze scheidt in de hulde van eerbied en achting, die men een hunner, met uitsluiting van den andere zou brengen, men beiden zou beleedigen. Zeker bestaat hierin een onderscheid, want de waardigheid van Moeder van God is Maria door God zelf gegeven, en God heeft ook gewild dat dit voorrecht door hemel en aarde, door engelen en menschen gekend zou zijn, en dat alle schepselen zich voor hare uitstekende grootheid zouden nederbuigen en vernederen, gelijk onderdanen voor hunne koningin, gelijk dienaars voor hunne meesteres.

Maria dienen, eeren en beminnen is den goddelijhen ivil vervullen.

Gij weet dit wel, religieuze zielen, en gij begrijpt ook dat, na het hart des priesters, het hart der religieuze voor de moeder van Jezus de teederste, de innigste, de hinderlijkste liefde moet koesteren.

I.

Toen de religieuze zich aan God heeft toegewijd, toen zij de Bruid van Christus is geworden, is zij

ocr page 175

166

ia de familie van Jezus-Christus getreden, eu Jezus Moeder is dnbbel de hare geworden.

In de wereld noemt de vrouw * Moederquot; degene die haren echtgenoot het leven geschonken heeft Noem dan Maria uwe Moeder, want zij is dit nog meer voor u dan voor andere Christenen, en zij zal zich nog meer voor u dan voor anderen eene moeder.toonen.

Ziehier welke rechten uw titel van religieuze u op hare liefde geeft.

1. Gij bemint haren Zoon meer dan anderen, daar gij uit liefde tot Hem verzaakt hebt aan alles wat u op aarde toelachte, aan alles wat uwe zinnen kon streelen. Hoe zou Maria u dan niet beminnen, hoe zou zij geene bijzondere genaden over u afsmeeken om uwe ziel te versieren, ten einde gij uwen Bruidegom, haren Zoon, meer tot eer zondt verstrekken, zij, de Schatbewaarster zijner genaden? Is het ook geene eer voor Maria, wanneer Jezus Bruid heiliger, god-vruchtiger, geduldiger is dan alle andere schepselen?

2. Gij leeft in het huis van haren Zoon, — in het gezelschap van haren Zoon, — gij bewijst haren Zoon al de stoffelijke diensten, die gij Hem in zijn heilig Tabernakel bewijzen kunt. Hoe zou Maria u niet dankbaar zijn, hoe zou Zij niet gereed zijn, u alles te verwerven wat gij vraagt, aan u die niets aan haren Zoon weigert. En zijt gij, uit menschelijke zwakheid verslapt, leeft gij in lauwheid, moet Zij dan niet, uit eerbied voor haren Zoon, alles doen wat haar mogelijk is om u uit dien staat te trekken? En gevoelt gij niet dat, als gij slechts uwen goeden wil toont, het u gemakkelijk zal zijn, op het goede pad terug te keeren en vorderingen te maken in de deugd, door de hulp van haar, die de H. Kerk de smeekende Almacht noemt.

ocr page 176

167

3. Gij werkt rechtstreeks voor haren Zoon Jezus, Werkt gij aan de opvoeding van kinderen, zoo is dit om hun Jezus-Ghristus te doen kennen; — zorgt gij voor weezen, dan is het om hen Jezus-Christus te doen beminnen; — past gij zieken op, het is om hen te bereiden tot Jezus-Christus te gaan; — indien uw leven geheel aan het gebed is gewijd, zoo is dit om Jezus-Christus te aanbidden: — zoo gij boete pleegt, is het om de beleedigingen Jezus aangedaan te boeten: — hoe zou dan Maria niet geneigd ziju, u in alles te helpen, u te verrijken, te beschermen , te bemoedigen, voor u de minzaamste, de teederste, de meest toegenegene moeder te zijn.

Verzamel al de bladzijden waarop de Heiligen de barmhartigheid van Maria voor de zondaars, haar medelijden met de ongelukkigen , hare goedheid voor de rechtvaardigen, hare liefde voor alle menschen hebben beschreven en geprezen; en wanneer gij geene woorden meer kunt vinden om alles uit te drukken wat uw geest in het hart dier goede moeder kan uitdenken, zeg dan: Maria is voor mij barmhartiger, meer liefdevol., meer toegenegen dan alles wat men uitdenken kan!

I.

Gij zult haar dus liefhebben, die Moeder van Jezus en uwe Moeder, met al de teederheid waartoe uw hart in staat is.

Gij zult haar nog meer beminnen, omdat zij behalve den schoonen titel van haar kind, dien gij met alle christenen gemeen hebt, u nog een anderen naam toevoegt: dien van hare vriendin.

Jezus zegde tot zijne Apostelen: Ik zal u niet meer mijne dienaars, maar mijne vrienden noemen ,

ocr page 177

108

(Joa. XV, 15); en de medelijdende Moeder des Verlossers gewaardlgt zich ook, ons hare vriendinnen te noemen, — ons die In eene heilige gemeenzaamheid met Jezus mogen leven, en dit leven aan zijnen dienst hebben toegewijd; — zij gedraagt zich jegens ons als de oprechtste, de liefderijkste, de getrouwste aller vriendinnen. Bijstand, troost, hulp, kiesche opmerkzaamheid, minzame voorkomendheid, voortdurende toegevendheid, zelfs na onze gedurige ondankbaarheid, dit alles heeft zij voor ons. O Maria, wie zal ooit de onbegrijpelijke goedheid van uw Hart kennen voor de zielen, die uwen goddelijken Zoon zijn toegewijd! Gij zyt hare trouwe gezellin al de dagen van haar leveu. Gij ondersteunt haar, wanneer zij vermoeid zijn; gij brengt haar op den goeden weg terug, wanneer zij verdwaald zijn; gij troost haar in hare droefheid, gij versterkt haar in hare moedeloosheid, gij verdedigt haar als men haar beschuldigt. De heiligste vriendschap der menschen kan nimmer de vriendschap onzer heilige Moeder evenaren. Dat uwe leus dan zij: Alles voor Maria om Jezus, alles voor Jezus om Maria! Dat uw doel zij: alles met Maria, in Maria, door Maria, voor Maria te doen, ten einde alles volmaakt te doen met Jezus, in Jezus, door Jezus, voor Jezus, ons laatste einde.

Dat uw geliefkoosd gebed deze verzuchting zij, welke de H. Kerk met aflaten heeft verrijkt.

Wees gegroet, enz. O mijne vorstin! o mijne moeder! ik offer mij geheel aan u, en om u mijne verkleefdheid te bewijzen, wijd ik u heden mijne oogen toe, mijne ooren, mijnen mond, mijn hart, oprecht geheel mijzelve: daar ik dus de uwe ben, o mijne goede moeder, zoo bewaar mij, verdedig mij als uw eigendom en bezitting, O mijne Vorstin! o mijne

ocr page 178

169

moeder! gedenk dat ik de uwe hen: bewaar mij, verdedig mij als uw eigendom en bezitting.

Gelukkig de religieuzen, die om tot Jezus te gaan en toe te nemen in de liefde tot Maria, alles doen onder de oogen van Maria, alles aan God opofferen door de handen van Maria; want zij zullen veilig en snel den trap van volmaaktheid bereiken, dien God van haar vraagt.

Artikel 4.

Belooniiigf «Ier liefil© tot Go«l.

God is niet ondankbaar; en zooals wij bereids gezegd hebben, beloont Hij, zelfs op aarde honderdvoud wat men voor Hem doet.

De religieuze, die getracht heeft God hare liefde te bewijzen door de verschillende oefeningen, die wij hebben aangetoond, kan, helaas ! zeker nog fouten bedrijven. Haar goede wil vrijwaart haar niet tegen de menschelijke zwakheid, maar die goede wil, die zich toelegt aan God te denken, van God te spreken, tot God te spreken, te willen iaat God wil, .7ezus en Maria te beminnen, treft natuurlijk het Hart van God, en dat Hart begunstigt haar met bijzondere genaden , als belooning voor de liefde aan Jezus betoond.

Onder deze belooningen kiezen wij er slechts twee, die God gewoonlijk geeft: den vrede en de zachtmoedigheid van karakter. Wij zeggen gewoonlijk; want God heeft in zijne schatten nog veel inniger belooningen, waarvan wij hier niet spreken.

ocr page 179

170

I.

f2)e

In vrede leven is zich beveiligd gevoelen tegen elk gevaar.

Het is leven zonder zorg voor den dag van morgen, daar wij overtuigd zijn, dat de dag van morgen, zoowel als de dag van gisteren, ons alles zal geven wat ons noodig is. Het is zich vertrouwelijk verlaten op eeue veilige bescherming, op eene standvastige genegenheid, op eene altijd gereedstaande hulp. Het is, in één woord, leven gelijk een kind dat door zijne moeder bewaakt, verzorgd, bemind wordt, zonder andere bekommering dan zijne moeder te gehoorzamen.

Ziedaar den toestand der religieuze, die God bemint en door Hem bemind wordt.

Jezus slapende in het scheepje, dobberend op eene onstuimige zee en door een hevigen storm geslingerd, ziedaar het beeld dat de religieuze zich voor oogen stelt, wanneer eenig gevaar haar dreigt of eenige vrees haar beklemt. Jezus is met mij, zegt zij, en zij stelt zich gerust.

Hoe vaak heeft zij reeds die zoete woorden gehoord van den Meester, dien zij bemint: Vrees niet, ik hen het! (Maith.XIV, 27; MarciVI, 50; Joa. VI, 20.) Heeft zij reeds niet verscheidene malen, wanneer zij vreesde door de bruisende baren verzwolgen te worden, de kalmte rondom zich zien terugkeeren? Daarom blijft hare ziel in vrede, wanneer zij van buiten geslingerd wordt. Zij bidt en zet zoo goed mogelijk de haar opgelegde taak voort, en verwacht de hulp van God, op Wien zij in alles vertrouwt.

Hare eenige zorg is, Jezus meer en meer te beminnen en hare liefde door groote getrouwheid te betoonen.

ocr page 180

171

. En iu die ziel, die Hem bemint en waarin Hij woont, — is God de Vader, die in alles voorziet en zijnen schepselen beveelt baar het noodige te verschaffen, — een Vader, wien zij alles mag vragen, bij wien zij zich mag gaan beklagen, — een Vader, dien zij altijd goed, altijd medelijdend, altijd edelmoedig zal vinden.

God is een Vriend, die altijd van haar datgene zoekt te verwijderen wat haar onnoodig zou verontrusten , bedroeven, hare onschuld zou bezoedelen, — een toegenegen Vriend, — die haar zeker somtijds gedrukt laat onder het gewicht eener beproeving om haar te versterken, doch die van tijd tot tijd deze schijnbare verlatenheid door den zoetsten troost doet opvolgen.

God is een Meetster, die haar met wijsheid en zachtmoedigheid bestiert, — een machtige Meester, zonder wiens toelaten niets haar kan deeren, die de kwaadwilligheid der schepselen kau beletten, en haar slechts die mate van beproeving, van angst, van kommer, van ziekte toedient, die Hij weet haar noodzakelijk te zijn.

God is een Geneesheer, die met eene liefdevolle zorgvuldigheid de ziel, die zich aan Hem heeft toegewijd , verzorgt; die arme ziel heeft door haar omgang-met de wereld ziekten en gebreken overgeërfd, die eene smartvolle behandeling en pijnlijke ontberingen noodzakelijk maken , — maar dit geschiedt met zooveel kieschheid, zulk eene wijze voorzorg, dat de ziel te midden van haar smartvol lijden haren goddelijken Geneesheer glimlachend aanziet, Hem bedankt en nog meer bemint.

Hoe zou eene religieuze, met deze gedachten, die haar door eeue bijzondere genade tot eene gewoonte worden, niet in vrede leven, lijden en sterven ?

ocr page 181

172

God is haar Alles. — De schepselen zijn ten haren opzichte slechts werktuigen in 's Heeren hand en zij draagt in zich de overtuiging, dat God steeds alles ten beste schikt voor zijne vrienden tot zelfs het lijden, dat de kwaadwillige schepselen haar berokkenen.

Wat kan het haar dus in den loop des levens maken, dat men haar achte of misachte, — dat men haar prijze of lake, — dat men haar verheffe of vernedere, — dat men haar verongelijke of recht doe wedervaren? Zij ziet daarin slechts 's werelds loop. Het ware, het eenige voor haar is God en zijn heilige wil.

Niets zijn, groot zijn, weinig zijn; bevelen, gehoorzamen, gehoorzamen aan dezen of genen; vernederd worden, vergeten worden; gebrek lijden of overvloed hebben; zich vervelen in werkeloosheid of met werk overladen worden; alleen zijn of met anderen leven, leven met wie ook, zijn levensweg duidelijk gebakend zien of dien slechts zoover zien als noodig is om den eenen voet voor den anderen te kunnen zetten, vertroosting genieten of dorheid en bekoring ondervinden; gezond zijn, ziek zijn, of jaren lang moeten kwijnen; krachteloos en een last voor de gemeente worden, die men tot steun zou moeten zijn; lang leven, spoedig sterven, dadelijk sterven: — alles is haar goed, omdat zij weet dat alles gezonden, toegelaten, aldus beschikt wordt door haar hemelschen Vader, door den God dien zij bemint, op wien zij een onwankelbaar vertrouwen gevestigd heeft.

Zeker is zij niet ongevoelig voor de smarten die zij lijdt in lichaam of ziel, doch daar hare liefde tot God alles overtreft en hare zelfverloochening de vrucht is dezer liefde, keert zij zich vertrouwelijk tot God, wanneer zij iets te lijden heeft, onderzoekt

ocr page 182

173

of zij zich door hare ongetrouwheid niet van Hem verwijderd heeft, keert tot Hem door eene oefening van liefde terug en zegt Hem, zelfs met een bloedend harti » Uw toil, o Heer, en niet de mijne!quot; En dan beneemt God haar de slaafsche vrees, verwijdt haar het hart, geeft haar een grooter vertrouwen en eene altijd grootere liefde.

Hierdoor leeft zij zoodanig in vrede dat, indien God haar de keuze liet, gelijk aan sommige Heiligen, tusschen ziekte of gezondheid, tusschen grootheid of vernedering, zij eenvoudig tot God zou zeggen: Vraag mij niet, wat ik wil; zorg Gij voor mij, mijn God, dit zal voor mij veel beter zijn.

II.

©e «.ac-fi.twoe3icj.'Piei3 van

De tweede belooniug der liefde tot God is zachtmoedigheid in ivoorden, in daden, in karakter.

Wij nemen onwillekeurig iets aan van het karakter der personen, die wij liefhebben en met wie wij gemeenzaam omgaan; en hoe inniger onze betrekkingen zijn, hoe meer wij elkander onze gedachten, onze meecingen, onze manieren mededeelen.

Om deze rede neemt de ziel, die met Jezus ver-êénigd leeft, door hare liefde, het gebed, de meditatie, de volkomen onderwerping aan den wil Gods, langzamerhand iets over van de zachtmoedigheid en de nederigheid van Jezus.

ocr page 183

174

Dit is vooral opmerkelijk in de zielen die leven in vereeniging met Maria, al hare daden verrichten met en door Maria.

Een religieuze, die zich aldus met al de kracht van haren wil met de H. Maagd vereenigt om Jezus meer te beminnen , te dienen en te behagen, al ware haar inborst eenigszins ruw en driftig, — wordt langzamerhand geduldig, zachtmoedig, welwillend en goedaardig; en deze goedheid en welwillendheid zal toenemen, naarmate zij zich inniger veréénigt met Jezus en Maria.

Het gaat met haar gelijk met wrange, zure vruchten, die zoet worden naarmate zij rijper worden; of gelijk met de vruchten, die men in suiker legt, en zich zoodanig daarmede doordringen, dat zij ten laatste geheel tot suiker overgaan.

Zij voelt zich niet beleedigd noch vertoornd door de kleine tegenheden, die haar vroeger het leven zoo onaangenaam maakten; hare omgeving verwondert zich, haar zoo kalm en opgeruimd te zien, haar minzamer te hooren spreken, haar eenvoudiger te zien handelen.

Zij is vol medelijden en welwillendheid voor de zwakheid van anderen; en moet zij, uit plicht, gestreng zijn, dan mengt zij hare berisping met zooveel voorzichtigheid en zachtmoedigheid, dat men gevoelt dat God waarlijk in haar woont, door haar spreekt, door haar handelt.

Dit staat zoo vast dat, wanneer gij godvruchtige personen ziet, wier humeur onaangenaam is en die zich vertoornen bij de kleinste beleediging of bij de kleinste fout, die zij in anderen bespeuren, gij niet moet denken dat zij niet op den weg der volmaaktheid zijn, maar dat zij nog niet genoeg met God

ocr page 184

' 175

vereenigd zijn en dat zij de H. Maagd nog niet genoeg beminnen.

De ziel, die innig met God vereenigd is, kan zwaar beproefd en wreedelijk gepijnigd worden; doch wat haar ook moge kwellen, en wie haar dit lijden ook moge aandoen, nooit verliest zij den inwendigen vrede, noch zelfs de uitwendige kalmte en opgeruimdheid van gelaat.

»0 hoe goed is het God te beminnen,quot; roept de H. Franciscus van Sales uit, »slechts in God te leven, in God te werken, zich in God te verheugen, niets te doen dan voor Gods meerdere eer en glorie!quot;

Daaruit spruiten in het hart het vergeten van alle schepselen en van zich zelve, het verbannen van elke zonde, de begeerte naar de volmaaktheid. Daaruit spruiten zedigheid in houding, zachtaardigheid in het spreken, minzaamheid in den omgang, helderheid van gelaat.

Daaruit spruiten eenvoudigheid des harten, geduld in beleedigingen, nederigheid bij loftuiting, gelatenheid in tegenspoed, geduld bij het werk, tevredenheid in ziekte, vurigheid in het gebed, blijdschap in het lijden, vrede in alle zaken.

O hoe waar is dit woord der Heiligen: wie God hewint bezit God., wie God bezit bezit alles.

ocr page 185

£3do üOOnDSTXJK,

De Religieuze moet haar evennaasten beminnen.

Aktikel 1.

Beweegrerton lt;ler- naasten! iefüe.

De religieuze moet haar evennaasten liefhebben omdat:

1°. God het gebiedt.

2°. De evennaaste het verdient.

3°. De titel van religieuze het vordert. 4°. De straffen voor hen, die dit gehad overtreden, vreeselijk zullen zijn.

I.

êo3 wil 3at w-ij- den cvcn-naaóic Gaminnen.

Het gebod, ons door Jezus goddelijken mond gegeven , zegt uitdrukkelijk: Gij zult uwen evennaaste als u zeiven beminnen.

ocr page 186

177

God wil het! moet dit woord alleen niet voldoende zijn? Als wij God beminnen, moeten wij dan niet willen wat Hij wil? Moeten wij niet alles doen wat Hij verlangt?

Het gebod is duidelijk, in juiste woorden vervat, voor geene dubbelzinnigheid vatbaar. Men moet het woordelijk nemen; het willen uitleggen zou het verzwakken !

Het gebod is eenvoudig; het beantwoordt zoo volkomen aan die behoefte om te beminnen door God in ons hart gelegd; maar in de uitoefening vindt dit gebod, door de erfzonde, in ons hart dikwijls hinderpalen, die men menschelijker wijze onoverkomelijk mag noemen; daarom doet Jezus-Cbristus voor dit gebod wat Hij voor geen ander doet. Hij herhaalt het met nadruk; — Hij wil dat zijne Apostelen er op aandringen, de natuur en kenmerken dezer liefde zeer omstandiglijk doen kennen ; — Hij haalt menigvuldige redenen aan om ons aan te zetten onzen naasten te beminnen; — Hij belooft de zoetste belooningen aan hen, die.zich aan die liefdewet willen onderwerpen.

Wij laten hier eenige texten der H. Schrift volgen over de naastenliefde; niets is beter bekwaam om indruk te maken op onzen geest en ons aan te zetten onzen naasten te beminnen, zooals Jezus-Christus het vraagt door den mond van den H. Johannes, niet alleen in woorden, maar in werken en in waarheid. (I Joa. III, 18.)

Jezus-Christus geeft ten eerste het gebod der naastenliefde als zijn gebod. Dit is mijn gehod, zegt Hij, (Joa. XV, 12.) het mijne, — dat is het gebod, dat mij het meeste aan het hart ligt, aan welks naleving ik het meeste hecht, het gebod dat ik bijzonder op

12

ocr page 187

178

aarde ben komen brengen, en dat ik op zulke wijze beoefend heb, dat ik zeggen kan: »Bemint elkander gelijk ik n bemind heb.quot; (Joa. XIII, 34. XV, 12.)

Jezus maakt daarvan de voltrekking van het groote gebod van God te beminnen en maakt het daarvan onafscheidbaar; »Het is daaraan gelijk, zegt Hij.quot; (Matth. XXII, 39. Maeci XII, 31.)

Jezus maakt daarvan het erkenningsteeken zijner leerlingen. Allen zullen hieraan kennen dat gij mijne leerlingen zijt, als gij elkander bemint. (Joa. XIII, 35.)

Zijn Apostel noemt het de gewichtigste aller plichten : Voor alle dingen hebt liefde voor elkander (Coloss. III, 14), en Jezus zelf zegt, dat de liefde, die ons goed en barmhartig maakt, grooter is dan alle brand- of zoenoffers. (Mabci XII, 33.)

Hij verklaart dat op den dag des oordeels het vooral onze naastenliefde zal zijn, die Hem over ons een vonnis van zaligheid of van verdoemenis zal doen uitspreken. — Wilt gij dan niet geoordeeld of veroordeeld worden, zoo oordeel of veroordeel niet. O gij, die zooveel zonden hebt bedreven, uwe vrijspraak is in uwe eigene handen; wat gij doen zult ten opzichte dier zuster, wier gedrag, wier woorden, wier handelwijze u mishaagd hebben, zal God ten uwen opzichte doen.

Indien gij vergeet zal God vergeten; indien gij vergeeft zal God vergeven; indien gij haar de plaats, die zij in uw hart moet bekleeden, terug geeft, zal God u de plaats geven, die Hij u in zijn Hart beloofd heeft.

Jezus zal u niet zeggen; Kom, gezegende mijns Vaders, omdat gij lange gebeden gesproken hebt, omdat gij streng gevast hebt, omdat gij schitterende mirakelen gedaan hebt; maar Hij zal zeggen: Kom, gezegende mijns Vaders, gij die uit liefde tot mij uwen

ocr page 188

179

evennaasUn hebt bemind, met geduld hebt verdragen, met goedheid hebt geholpen.

Jezus belooft zijne genaden in evenredigheid dei-liefde, die wij voor onzen naasten zullen betoonen.

» Met de maat, waarmede gij meet, zult gij uitgemeten worden.^ (Mattii. VII, 2; Marci IVquot;, 24; Luaa: VI, 38.)

Die goede, barmhartige Meester gaat nog verder. Hij stelt zich in de plaats van onzen evennaasten. Voor zooveel gij den minste der mijnen zult gedaan hebben, zegt Hij, hebt gij het mij gedaan. (M.vrni. XXV, 40.)

God verzekert ons, dat wij zijn oogappel wonden, wanneer wij de liefde schenden. (Zach. II, 8.)

Kan men dringender, krachtiger beweegreden vinden om den naasten te beminnen.

Luister nog verder. De naastenliefde is de bijzondere genade, die Jezus vóór zijnen dood aan zijn goddelij-ken Vader voor de zijnen vraagt. Mogen zij allen gelijk wij slechts één zijn, zegt Hij in het zielroerend gebed bij het laatste avondmaal. (Joa. XVII, 22.)

Het is een kort begrip der christelijke wet; zoodat, zegt de H. Paulus in naam van Jezus-Christus, hij die de liefde bewaart, de geheele wet bewaart; en, voegt de H. Johannes er bij: Indien iemand zegt, ik bemin God, en zijn broeder haat, hij is een leugenaar. (I Joa. IV, 20.)

Het is eindelijk het zegel en het kenmerk dei-kinderen Gods, want haat en tweedracht zijn het kenmerk der kinderen des duivels; hij, die zijn broeder haat, is niet van God.

Voor alles hebt wederzijds, zegt de H. Petrus, bestendige liefde jegens elkander. (I Petri IV, 8.) Wij zoeken zoo angstig zielbestierders om ons in het geestelijk leven te geleiden; wij zijn altijd begeerig naar godvruchtige oefeningen, wij leggen ons dan

ocr page 189

180

op deze, dan op gene deugd toe! Och! zoeken wij zooveel niet, vragen wij zooveel niet, maar laat ons beminnen. Want, zegt de H. Petrus, de liefde bedekt eene menigte zonden (I Petri IV, 8): dat wil zeggen, verbergt ze in de oogen van God, zoodat op den dag des oordeels, als wij onzen naasten om God en voor God bemind hebben, onze zonden noch nageteld noch gestraft zullen worden, zij zullen niet meer bestaan; de liefde zal over ons zulke groote genaden hebben getrokken, dat onze wil onze zonden zal verfoeid en God die volkomen vergeven zal hebben.

Hoe troostend is deze leer. O gij, die uw leven doorbrengt in angstige vrees voor uwe zaligheid, overdenk deze zoete woorden; Om zalig te worden is het genoeg de geboden Gods te vervidlen; welnu al die geboden bestaan in God en zijn evennaasten te beminnen; geen duidelijker teeken is er dat men God bemint, dan wanneer men zijn naasten bemint uit liefde tot God.

Meer is niet noodig ter zaligheid. Wat kan gemakkelijker zijn? Ja, zou men niet moeten zeggen, o mijn God, dat gij den weg ter zaligheid te gemakkelijk hebt gemaakt?

Beminnen wij dan, beminnen wij vooral; want, zegt de H. Paulus, deelde ik al wat ik bezit, tot spijs voor de armen uit, al leverde ik mijn lichaam om het te doen verbranden, als ik de liefde niet heb, dient het mij tot niets (I Cor. XIII, 3); al sprak ik de taal der menschen en der engelen, wanneer ik de liefde niet heb, ben ik als een klinkend metaal.'''' (Ib. I.)

Ziet men niet dagelijks religieuzen, die zich voor haren regel opofferen en niet de minste liefde toonen voor degenen, die het ongeluk hebben in hare ongenade te vallen? O zeggen wij dan tot ons zeiven:

ocr page 190

181

Al zou ik mijzelve ten slachtoffer aanbieden, al zou ik alle mogelijke gestrengheden oefenen, al zou ik geheel mijn leven in het gebed doorbrengen, zonder de liefde, zullen al mijne godvruchtige oefeningen, al mijne goede werken, al mijne gebeden mij niet baten ter zaligheid.

II.

S)e evei-vnaaote -uerSiettt 9at men -A-em 'Gemi-nne.

1. Onze evennaaste verdient dit wegens zijn oorsprong. Hij is een kind van God; en wanneer men hem bemint, veroorzaakt men aan Gotl de zelfde vreugde, die een vader op aarde gevoelt, wanneer hij ziet dat men zijn kind liefkoost, prijst, beschermt, helpt of bemint.

Als kind van God, is hij ook het heeld van God; en zij die rein van harte zijn en God beminnen, zien door het karakter, de gebreken, de fouten zelfs heen, zij ontdekken het beeld dat haar dien God herinnert; en zij voelen zich geneigd, den evennaaste te eerbiedigen en te zoeken hem nuttig te zijn. »Wan neer ik treurig ben,quot; zegde de H. Theresia, »word ik getroost, als ik iemand ontmoet, daar die persoon, als evenbeeld van God, mij aan Hem doet denken.quot; Indien wij dezelfde gevoelens niet ontwaren, bijzonder als wij onze medezusters zien, zou dit niet komen, omdat wij, helaas, den goeden God niet genoeg beminnen ?

2. Wij moeten onzen evennaaste beminnen wegens

ocr page 191

182

zijne natuur. Hij is 071 ze broeder. Hij noemt God zijn vader, gelijk wij. Hij is herboren in de wateren des Doopsels, gelijk wij; verlost door het dierbaar bloed van Jezus-Christus, gelijk wij; met genaden overladen, gelijk wij; misschien meer door God bemind dan wij, omdat hij heiliger is; dikwijls zit hij, even als wij, aan Jezus liefdedisch, en brengt wellicht een ootmoediger en liefdevoller hart mede dan wij. En is die evennaaste eeve onzer zusters, dan wordt die zuster geheel bijzonder door God bemind; want gelijk wij, is zij tot bruid van Jezus verkozen!

Hoe groot maakt haar die titel in de oogen der Engelen, hoe dierbaar vooïal maakt hij haar aan Jezus-Christus! Wanneer men denkt aan het geheim van liefde, dat omgegaan is tusschen de ziel en Jezus op den dag barer H. Professie, aan de waardigheid, waartoe Hij een arm, nietig schepsel verheven heeft, dan verwondert men zich, zegt zeker schrijver, dat de religieuzen in den geest niet diep voor elkander buigen in een gevoel van diepen eerbied en dat zij zich niet aan elkanders voeten werpen.

3. De evennaaste verdient onze liefde wegens zijne bestemming. Op aarde moet hij God eeren, en hierom heeft God hem bijzondere genaden geschonken, die hem aangenaam maken in zijne oogen, eu hem de middelen geven om voor zijne eer te werken. Elk christen is bestemd om voor God te werken, en als zoodanig heeft hij recht op den eerbied der menschen. Elke religieuze draagt uitwendig het teeken harer vereeniging met Jezus, haar kleed zelfs vordert eerbied. Ik heb u in mijne handen geschreven, (Isai.e XLIX, 10) zegt God van alle geloovigen sprekende, doch de religieuze zielen zijn in het H. Hart van Jezus gegrift.

o o

ocr page 192

183

gt; Wanneer dan roept de H. Franciscus van Sales uit, »zullen wij de zielen onzer zusters beschouwen als geschreven in het goddeliik Hart!quot;

Hiernamaals is onze evennaaste bestemd om een heilige in den Hemel te zijn! Wellicht zal hij naast ons aan de voeten van God geplaatst worden! welke schande, zoo wij hem op aarde niet bemind hebben!

III.

^tiw -tite-C van zetiqicxvamp;z u

uwamp;n cvannaasfo te* -èemi-i-me-H.

Onder den naam van evennaaste verstaat men alle schepselen, die bestemd zijn om God op aarde te kennen, te dienen en te eeren. Allen hebben recht op onze liefdadigheid, maar sommigen bestaan ons nader volgeus hart en ziel en dezen moeten voor ons het voorwerp eeuer bijzondere liefde en toegenegenheid zijn. Dit zijn, voor ieder onzer, onze ouders, onze vrienden, onze weldoeners; voor u religieuzen, zgn dit daarenboven de leden der familie, die gij u gekozen hebt, die u heeft aangenomen, in wier midden gij u te huis gevoelt, even zoo goed als gij u vroeger te huis gevoeldet bi] die zoo teederbeminde bloedverwanten, die gij vader, moeder, broeders en zusters noemdet.

Deze familie der ziel, die thans ook de familie van uw hart is, moet gij even teeder beminnen, omdat, volgens den H. Franciscus van Sales, zij

ocr page 193

184

mo te huis, uw vaderland is, het scheepje waarin God u ten hemel wil zien varen.

Uw titel van religieuze voegt bij den naam van christen eene krachtige beweegreden om u op te offeren voor de ondersteuning, de verlichting, de zaligheid nws naasten; doch door dezen titel wordt gij meer bijzonder verplicht u op te offeren voor het welzijn uwer medezusters.

Het is van deze liefde voor de uwen, — zoo te recht zusterlijke liefde genoemd, — dat wij bijzonder spreken.

1. Elke religieuze communauteit is een gezin; zij stelt die groote familie der eerste christenen ten tijde der Apostelen voor. Zij gaven elkander den naam van broeders en zusters: — ziedaar hoe gij elkander noemt; — zij leefden in gemeenschap van goederen: ziedaar wat gij doet; — zij hadden slechts één hart en ééne ziel: ziedaar wat gij moet hebben; — men zegde van hen: zie hoe zij elkander beminnen: ziedaar wat de engelen moeten zeggen, wat de vreemdelingen, die in uwe huizen binnentreden, moeten denken, ziedaar ook wat gij zelve moet zeggen: O hoe beminnen wij elkander!

Indien dit alles bij u zoo niet is, zult gij eene verééniging vormen, doch geen gezin van religieuze zielen, die God tot vader hebben; want Hij heeft gezegd, dat Hij diegenen voor de zijnen zou erkennen die elkander lief hebben. (Joa, XIII, 35.)

2. Elke religieuze communauteit is een gezin dat onder het oog van God eene bijzondere zending te vervullen heeft; eene zending, die een zelfde streven naar hetzelfde doel in alle leden van het gezin vraagt; dit kan niet plaats hebben, zoolang de leden , niet tevreden met die algemeene liefde waardoor

ocr page 194

185

men eenvoudig vermijdt elkander te hinderen, — elkander niet met eene bijzondere liefde beminnen, waardoor zij trachten elkander op alle mogelijke wijzen te voorkomen, — niet alleen die liefde, waardoor men elkander verdraagt, — maar die, waardoor men elkander versterkt, ondersteunt, de verkregen talenten mededeelt, waardoor mtn zichzelven vergeet voor het algemeen welzijn, die liefde in één woord die noch eigen voordeel, noch persoonlijke voldoening zoekt, maar alleen het belang en de eer der com-munauteit.

3. Elke religieuze gemeente is een gezin, waarvan de leden, noch door de banden des bloeds, noch door die van eigenbelang vereenigd zyn, maar door de onderlinge liefde; — neem die liefde weg en elk der leden, veelal van verschillende landen en met verschillende karakters, zal zijne denkbeelden voorstaan, zijn smaak zoeken te voldoen, zijn eigenbelang bevorderen; en de gemeente zal gelijk zijn aan een waggelend gebouw; de tweedracht zal er binnensluipen, de krachten zullen elkander weerstand bieden; onmacht, lijden, wanorde zullen slechts de voorboden zijn van volkomen ondergang, volgens deze woorden van Jezus-Christus: Elk huis dat verdeeld is tegen zichzelven, zal ten ondergaan. (Matth. XII, 25; Marci III, 25.)

4. Elke religieuze gemeente is een gezin, waarin de beloften van Jezus-Christus moeten verwezenlijkt worden voor hen, die ter zijner liefde vader, moeder, en erfgoed verlaten hebben. Behalve het honderdvoud op aarde en het eeuwige leven, zijn dit — het gevoelen van het zoete en zachte van het juk des lleeren (Matth. XI, 30), — en de openbaring zijner tegenwoordigheid in het midden dergenen, die in zijnen naam

ocr page 195

180

vereenigd hidden. (Matth. XVIII, 20.) Elke gemeente moet, daargelaten de moeielijkheden, die onafscheidbaar zijn aan de menschelijke natuur, een weerschijn van het Paradijs schijnen en zijn.

Wat de vreugde des hemels uitmaakt, is de liefde, en de liefde alleen kan liet geluk eene gemeente uitmaken. Zonder haar lijdt men en lijdt men veel, men lijdt onophoudelijk, men lijdt zonder troost en zonder verdiensten: — en, tot overmaat yan smart, geeft dit gebrek aan liefde, dat weldra buiten het klooster bekend wordt, een schandelijk crediet aan de boosaardige gezegden der vijanden van het religieuze leven, gezegden, die wij met het schaamrood op bet gelaat nederschrij ven, doch die het u nuttig is te kennen: In de religieuze huizen vereenigt men zich zonder elkander te heminnen, — sterft men zonder elkander te betreuren !.....

Het is de liefde vooral in de kloosters, die tot aanbeveling strekt aan de wereldlingen. Heerscht er liefde? Ziedaar de eerste vraag; en datgene wat de postulanten in een klooster trekt is zeker op de eerste plaats om hare zaligheid te bevorderen, doch bet is ook de overtuiging dat men in het klooster elkander bemint, voorkomt, ondersteunt, verschoont, dat men wezenlijk als ware zusters leeft.

Gevoelt gij de kracht van al deze beweegredenen? en begrijpt gij nu hoezeer uw titel van religieuze u verplicht uw evennaaste lief te hebben ?

ocr page 196

187

IV.

-vtccM-Cijfie- stza^-jen- ivaazmeBe «.ij tiedzziyd wozden, die- Act yeamp;od dei -fie|9e ovcztzedew.

Wij ontleenen aan Bourdaloue de ontwikkeling dezer gedachte: »Indien ik mijn broeder niet zoo volmaakt bemin als Je zus-Christus mij dit beveelt:quot;

]. Dan leert mij het geloof, dat ik het leven der genade niet heb: Hij die niet bemint, blijft in een staal van dood. (I Joa. Ill, 11.)

2. Dan leert mij het geloof, dat ik in de grootste Terblindheid leef: Hij die zijn broeder haat, wandelt in de duisternis. (I Joa. 11, 11.)

3. Dan leert mij het geloof, dat ik mij eenigszins aan een moord schuldig maak; A l wie zijn broeder haat, is een doodslager. (I Joa. III, 15.)

Ziehier de uitlegging dezer woorden:

I. Indien ik mijn broeder niet bemin, ben ik in een staat van dood, dat wil zeggen van doodzonde, want zij alleen kan de ziel dooden. Welnu, die doodzonde, welke het gemakkelijkst door religieuzen en godvruchtige personen bedreven kan worden, is de zonde tegen de liefde, omdat een geheim gevoel van haat of wraak, vrijwillig opgevat en onderhouden, reeds eene zware zonde is. Het is eene zonde, die zich zoo spoedig meester maakt van ons hart dat, indien wij geene groote voorzorg gebruiken, het zeer moeielijk wordt, het kwaad te stuiten. — Eene zonde die zeer licht tot gewoonte wordt en waarin men soms geheele uren doorbrengt. Er zijn omstandig-

ocr page 197

188

hedeu die ons tegen andere zonden, zooals eerzucht, gierigheid, onzuiverheid, vrijwaren; maar er bestaat geen levensstaat, waarin men tegen deze zonde beveiligd is. Dikwijls heerscht in den heiligsten staat ( deze zonde vrij en ongestraft.

II. Indien ik mijn broeder niet bemin, wandel ik in duisternis. Waarom benevelt deze zonde meer het verstand dan andere? Omdat men in deze zonde het grootste gevaar loopt, zich eene valsche, eene weinig nauwkeurige conscientie te vormen, eene conscientie volgens onze inzichten, onze plannen, onzen zin en 1 weerzin; en niets is meer onderhevig aan begoocheling dan onze eigene meening, onze afgekeerdheid, onze bedorven neigingen. Op het gebied der liefde vleit men zich zelve het meest, vindt men vergezochte verontschuldigingen , om zich, hoe schuldig men ook , zij, vrij te spreken. Dagelijks verheft men tot deugd

de daden, de gevoelens, de woorden, die tastbaar de liefde kwetsen. Men noemt den schandelijksten, den vuigsten laster yver voor de eer van God, ijver voor de zaligheid der zielen, ijver voor de waarheid, ijver voor den godsdienst; — en in plaats van ze met bloedige tranen te beschreien, maakt men zich daarvan eene verdienste voor God en de menschen!

III. Indien ik mijn broeder niet bemin, hen ik een doodslager. Van wie? van mijzeive, van de liefde en van den evennaaste. Van mijzelve, omdat ik mijne ziel dood door eene der bloedigste wonden, die ik haar kan toebrengen. Van de liefde, omdat ik, zooveel mij doenbaar is, de vonk uitdoof der menschelijke, der christelijke, der religieuze samenleving. Van den evennaaste, omdat ik hem, om zoo te zeggen, dood in mijn eigen hart, waarin hij moest leven, waarin ik hem moest dragen.

ocr page 198

- 189

Al wie deze waarheden ernstig doorgrondt, zal zich schuldig erkennen voor het aanschijn van God, oorsprong van alle liefde, wier rechten Hij moet oordeelen en wier belangen Hij zal wreken.

Artikel 2.

Komiaoi-lfoii «Ier naastonlicftTe.

De kenmerken der liefde tot God kan men uitdrukken door het enkele woord buigzaamheid; de kenmerken der naastenliefde kan men ook in één woord samenvatten, te weten in het woord: toewijding.

I.

QZatuwz de.'C toewijding.

De toewijding is het offer van zich zei ven voor het welzijn en het nut van anderen.

Dit gevoel ontlokte aan den H. Paulus deze woorden; Zeer gaarne zal ik alles wat ik heh en al ivat ik hen, voor mee zielen opofferen. (II Coe. XII, 15.) Wie is er zwak zonder dat ik het hen. (II Con. XI, 29.) Ik heb mij dienstbaar voor allen gemaakt, om meerderen te ivinnen. (I Con. IX, 19.)

ocr page 199

190

De toewijding brengt ieder oogenblik dit woord van Jezus in oefening; De Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. (Matth. XX. 28. Marci X, 45.)

Het is, gelijk Jezus in liet Tabernakel, zich elk uur van dag en nacht ter beschikking stellen van

o o

iedereen.

Het is, als Hij, verlangen naar het oogenblik waarop Hij zijn leven voor anderen zal mogen opofferen; en in afwachting van dat uur, dat zoo zeldzaam voor ons aanbreekt, is bet, binnen de grenzen van den ons opgelegden plicht, ons verstand, onzen tijd, onzen invloed, onze talenten, onze gezondheid, ons geheel bestaan ten offer brengen.

De toewijding, zegt P. Lacordaire, is het offer van zich zeiven brengen; en wie zoover niet gaat, bemint niet.

Het gevolg der liefde is de zelfopoffering.

Ziedaar het denkbeeld dat ieder christen, iedere religieuze zich van de liefde maakt; maar om zich zoodanig, niet voor dezen of genen , niet in deze of gene omstandigheid, maar voor allen in alles, en altijd. ten offer te brengen, gevoelt men dat men eene bijzondere genade noodig heelt.

Deze genade heeft God in alle zielen gestort; want aan allen geeft Hij het gebod: Gij zult uwen evennaasten beminnen; en God beveelt niets of Hij geeft de noodige middelen om te volbrengen wat Hij gebiedt ; — maar men mag zeggen, dat diegenen, die

1 o oct 7 o '

zich door de HH. Geloften aan God hebben aangeboden om, in zijne hand, de werktuigen te zijn van zijne onuitputbare goedheid voor de menschen, in ruimer mate de genade der naastenliefde hebben ontvangen, zij, die Hij bestemd heeft om Hem te helpen en zijne plaats te vervangen !

ocr page 200

- 191

Daarom is de liefde als de dampkring, die de religieuze huizeu omgeeft; daar treedt men in door het verlangen, zich geheel aan God en den evennaaste toe te wijden: daar geschiedt alles in dien geest van liefde, daar wordt alle lijden door de liefde dragelijk. Zij ondersteunt het lijden der ziel, zij verlicht de lichamelijke smarten, zij geeft geduld in alle lijden.

Eene religieuze gemeente, waarin men God en den evennaasten niet bemint, waarin de zusterlijke liefde vooral niet op bijzondere wijze heerscht, is niet denkbaar in de oogen des geloofs.

O O

II.

SW-f, ■fccivzeyzcde-n, maat dcz naastamp;nïiamp;^dc.

1. Het voorwerp onzer liefde is elk schepsel, dat in staat is God te kennen, te dienen, te eeren en eeuwig te verheerlijken in den Hemel; de liefde zoekt vooral de ziel. De zorgen, die men wijdt aan de ontwikkeling van geest en hart, strekken slechts tot dit eenig doel, om langs dezen weg tot de ziel te geraken. »Zoodra wij beminnen,quot; zegt P. Lacordaire, »trachten wij de ziel te redden van dengene, dien wij liefhebben en hem zelfs ten koste van ons leven te verschaffen: » De waarheid in het geloof, de deugd in de genade, de vrede in de verlossing; in één woord: God gekend, God bemind. God gediend.quot;

Dit is het algemeene doel der liefde; maar de toegenegenheid der religieuze heeft een bijzonder doel: hare gemeente, hare medezusters.

ocr page 201

192

O! voor hare gemeente brengt de religieuze hare werkkracht, haar verstand, hare talenten, hare gezondheid, alles ten offer.

O! om hare medezusters te ondersteunen, om haar te heiligen brengt zij al de schatten ten offer, die God in haar hart heeft nedergelegd.

o o

2. Het doel en het einde dezer liefde is God, altijd God. »Zeker,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, »mogen wy iemand beminnen, omdat hij goed voor ons is of omdat wij edele hoedanigheden in hem ontdekken; doch hoe minder wij hem om zich zeiven en hoe meer wij hem om God beminnen, hoe reiner, hoe. heiliger onze liefde zal zijn.quot;

De maat der liefde wordt door Jezus-Christus aangewezen : Gij suit uwen evennaaste beminnen gelijk u zeiven. (Matth. XXII, 39. Marci XII, 31.)

Welnu, wij willen dat men medelijden geyoele met ons lijden, — dat men onze fouten verdrage, — dat men ons helpe, als wij vermoeid zijn, — dat men ons minzaam ontvange, — dat men ons vriendelijk toespreke.....

Wij hebben gaarne dat men ons achte en beminne,— dat men aan ons denke, — dat men zich met ons bezig boude, — dat men dankbaar en liefderijk voor ons zij, — dat men onze gebreken bedekke en ver-ontschuldige, — dat men voor onze ziel bidde.....

Ziedaar de maat onzer liefde voor den evennaasten! Wij zouden zeer veel leed gevoelen, zoo men ons vervolgde, beleedigde, verachtte, — zoo men kwaad van ons sprak, — zoo men onze handelingen ten slechtste uitlegde, — zoo men ons in de achting van anderen benadeelde, — zoo men ons vergat en ons miskende. Ziedaar wat wij ons dus nooit jegens anderen mogen veroorlooven.

ocr page 202

193

Maar ons gedrag jegens anderen moet nog, om verdienstelijk te zijn, ingeboezemd worden door de liefde, die wij God toedragen, God wien wij gehoorzamen door aldus te beminnen. God wien wij aldus onze liefde bet best kunnen toonen.

Jezus-Christus geeft ons eene andere maat voor onze naastenliefde: •» Bemint elkander, zegt Hij, gelijk ik u hemind heb.quot; (Joa. XIII, 34; XV, 12.) Indien deze woorden gericht worden tot alle geloovigen, moeten zij dan niet bijzonder ter harte genomen worden door de religieuzen, die uitgekozen zijn om de leden uit te maken van de familie van Jezus-Christus , die geroepen zijn om Hem te doen kennen en eenigszins zijne plaats te vervangen?

Beschouwen wij eerst de eigenschappen der liefde van Jezus tot ons; daarna zullen wij zeggen hoe wij moeten beminnen om te beminnen gelijk Hij.

De liefde van Jezus was vooral edelmoedig, Hij heeft alles gegoven tot den laatsten druppel van zijn bloed.

ZÜ was algemeen, zich uitstrekkende over de ge-heele wereld, over al zijne schepselen; en scheen zij soms bijzonder uit, dan was het bij de armsten, de ongelukkigsten, de schuldigsten.

Zij was geduldig, Hij leed zonder de minste klacht de onbeschaafdheid zijner Apostelen, het verraad van Judas, de verloochening van Petrus, de vervolging der Phariseën.

Zij was zachtaardig en luehoillend,, iedereen met goedheid ontvangende, zelfs den naam van vriend gevende aan den verrader, die Hem aan zijue beulen overleverde.

Beschouw den glimlach van Jezus, de zoetaardige uitdrukking van zijn gelaat..... Luister naar zijne woorden en het geluid zijner stem;.... beschouw zijne

13

ocr page 203

194

houding, geheel zijn persoon:.... kan men zieli iets liefelijkers, iets aangenamers, iets zachtzinnigers voorstellen ?

Die zelfde liefde bezit nog Jezus in het Tabernakel; bestudeeren wij dan Jezus Hart om te beminnen

gelijk Hij.

III.

Wozdaniyamp;edcn dez {iejdz.

Het doel der toewijding is: de ziel van onzen evennaaste wel te doen; dit woord is onbepaald; hel; zegt veel en het zegt niets, het heeft naderen uitleg' en toepassing noodig; daarom heeft God door zijn Apostel, den H. Paulus, ons op eene bewonderenswaardige wijze de eigenschappen der liefde voorgehouden. Ziehier de woorden des Apostels.

De liefde is geduldig, — zij is goederlieren, — zij is niet afgunstig, — zij handelt niet lichtvaardig, — zij is niet opgeblazen, — zij is niet eerzuchtig, — zij zoekt haar eigen belang niet, — zij vertoornt zich niet, — zij denkt geen kwaad, — zij verheugt zich niet over de ongerechtigheid, — zij verheugt zich met de waarheid, — zij duldt alles, — zij gelooft alles, — zij hoopt alles, — zij verduurt alles. (I Con. XIII, 4, 7.)

De heilige Joanna Francisca van Chantal had deze woorden op de muren van haar klooster doen schrijven; en als eene harer zusters in hare tegenwoordigheid aan de liefde ontbrak , zond zij haar weg

ocr page 204

195

om deze woorden te gaan lezen, die zij den spiegel des kloosters noemde.

Wel is het een spiegel, die ons allen en in elke omstandigheid leert, hoe wij ons jegens onzen evennaaste moeten gedragen.

Door onze zwakke gezondheid, door de afzondering, waarin wij leven, door het verval onzer krachten, door het inwendig lijden van ons hart zijn wij wellicht onbekwaam om onzen evennaaste te dienen, hem aalmoezen te geven enz.; doch wie en wat belet ons, hem met zachtmoedigheid toe te spreken, — geduldig te verdragen, — zijne gebreken en zijne ruwheid te lijden, — zich te verheugen over zijn geluk, — onze gebeden, ons lijden voor hem op te dragen, — ons te veréénigen met het goede, dat hij verricht?

O hoe goed is God, van binnen ons bereik de middelen te plaatsen, waardoor wij op alle uren van den dag het gebod van liefde kunnen vorvullen!

Artikel 3. Beoefening' lt;ler naasteiiliefHe.

I.

©en evennaaste bentinnen is yeen day vooz-fcij- -(aten lt;^aan zondei hem eeniyen dienst te ■fcewij-zen.

Indien wij de waarde kenden, die de kleinste liefdewerken in de oogen van God hebben, hoe zouden

ocr page 205

196

wij de gelegenheid opzoeken om ze te beoefenen! Wy zouden die niet alleen vreugdevol aannemen, wij zouden ze zoeken en uitlokken op elk uur van den dag en den nacht.

Even als een koopman, die met groote zorg de klanten opspoort, zouden wij, zoo dikwijls wij eene zuster tot ons zien komen, tot ons zeiven zeggen: Ziedaar eene gelegenheid om iets voor den hemel te verdienen; en wij zouden trachten haar eenigen dienst te bewyzen. Is die dienst slechts klein, de koopman veracht het kleinste gewin niet. Hij weet dat men door centen tot millioenen komt.

0! indien een glas water, in den naam van God aan den arme gegeven, ons eene belooning in den hemel doet hopen, vergeten wij dan niet, dat God van alles rekening houdt, zelfs van nog mindere ^vaarde: een goeden raad, — een voorwerp, dat wij elkander leenen, — een gebed voor dezen of genen gesproken, — eene kleine onaangenaamheid geduldig verdragen, — eeue fout of verzuim van een ander, dat men buiten zijn weten herstelt, — God vergeet niets.

En in zijne goedheid en zijne begeerte om ons eenmaal schitterend te kunnen beloonen, vermenigvuldigt God rondom ons de gelegenheden om ons nuttig te kunnen maken.

Verzuimen wij die gelegenheden niet. Dat er geen enkele dag voorbijga, waarop wij niet eenig goed bewijzen aan de zusters met wie wij leven, — aan de kinderen of de armen, die ons zijn toevertrouwd, — aan de pérsonen, die in de spreekkamer ons eenige minuten tijd komen rooven.

1. Weiger nooit een dienst te bewijzen, wanneer dit niet strijdt tegen de inzichten der Overste noch tegen een bepaald gebod; bijvoorbeeld: een oogenblik

ocr page 206

197

eene zuster Yervangen in de bediening of bezigheid haar opgelegd, — haar de middelen mededeelen, die de ondervinding ons geleerd heeft en die haar kunnen helpen om beter of gemakkelijker te slagen, — zich gaarne leenen tot het vervullen van datgene wat anderen lastig zou vallen, — dadelijk een boek of een auder voorwerp leenen, -— zelfs niet wachten tot dat ons een dienst gevraagd wordt, doch immer gereed zijn, zoodra men denkt dat dit nuttig of aangenaam is voor eene medezuster.

2. Stellen wij ons geheel ten dienste der gemeente, nemen wy zonder ijdel vertoon alle lastposten, waarvoor de Overste dikwijls niemand weet te vinden, op ons, en trachten wij alle kleine misslagen van anderen, die wij bemerken, te verbeteren. De religieuze, die aldus de liefdewerken weet te vermenigvuldigen, mag gerust zeggen dat zij eene goudmijn gevonden heeft, waaruit zij de grootste schatten kan putten.

3. Beschouwen wij ons zelve als de dienstmaagd onzer medezusters; en als wij driemaal daags het Angelus bidden, bedenken wij dan dat wij ons vrijwillig tot dienstmaagd des Heeren gemaakt hebben door deze woorden der H. Maagd: Zie de dienstmaagd des Heeren (Luc.ï I, 38.) Vrees die schijnbare onderwerping niet. Het woord dienstmaagd klinkt niet vervaarlijk, wanneer het de liefde is, die het ingeeft. Is het geen hind van God dat gy dient? Is het niet aan eene Bruid van Jezus, dat gij moeite spaart of eenige verlichting aanbiedt? Hoe rijk zal God in den Hemel eiken dienst vergelden! Zie dan God in uwe zuster, en beschouw de belooning die u in den Hemel wacht!

ocr page 207

198

II.

S)en cvz-nnaastz -Gemin-nen is voo-t de

Z'cific^'f'vcid zij.'HCZ zgt;ic-t cw •A-ct wamp;tamp;i^H van amp;i^n ficfiaawi a-Cfcs o-po^e-zcn wat men

Eene religieuze bezit zeer weinig, en dit weinige mag zij noch weggeven, noch afstaan, omdat zij door hare gelofte van armoede slechts het gebruik heeft der zaken, die hare Overste haar in handen geeft; doch zoo men weinig stoffelijke zaken kan geven of leenen, zoo heeft men andere schatten, die God in zijne goedheid ons ter beschikking stelt, altijd binnen de grenslijn door zijne hand getrokken.

1.

Tot deze schatten behoort ons hart, ons hart dat altijd moet beminnen, ons hart dat de godsdienst niet moet inkrimpen, maar dat zij steeds gevoeliger, steeds liefderijker, doch tevens sterker maakt en veredelt, — en het is dit hart, dat wij veil moeten hebben voor onse gemeente en voor elk derzelver leden.

1. Onze gemeente moet voor ons de dierbaarste aller gemeenten zijn; wij mogen haar met andere vergelijken, wij mogen ze alle prijzen, maar wij moeien altijd en in alles de voorkeur geven aan die gemeente, waarin God ons geroepen heeft. — Het is onze familie, de wieg van ons religieuze leven, daar

ocr page 208

199

zijn wij opgegroeid, omringd door tijdelijke en gees-telijke zorgen; het is daar dat wij moeten sterven. — Zij moet in ons hart deelen in de liefde, die wg toedragen aan onze eigene familie, die wij vóórhaar ten offer brachten; zij moet meer bemind, hooger geschat worden. En wanneer wij lezen of spreken van de deugd en de vreugde, die in andere commu-nauteiten heerschen en ons hart zegt: hoe goed moet het daar zijn; zoo moet het aanstonds er by voegen, »doelt hier is het heter!quot;

2. Onze zusters moeten het voorwerp zijn der toegenegenheid van ons hart. Niet dat wij bij hare ontmoeting eene bijzondere aandoening ontwaren; maar wij moeten haar voorspoed toewenschen in al wat zij voor Gods glorie ondernemen, — dagelijks voor haar aan God de noodige deugd vragen om veel en verdienstelijk voor den Hemel te mogen werken, — en gevoelens van godsvrucht, die haar het leven aangenaam maken en haar in hare moeielijk-heden ondersteunen.

Het zou zeer ongelukkig zijn, indien gij voor vreemde personen meer liefde gevoeldet dan voor uwe zusters, die thans uwe familie uitmaken. Voor gene moet gij blijven binnen de grenzen uwer zending, doch voor deze moet gij geheel de uitgestrektheid uwer liefde ten beste geven.

8. Maar; daar ontsnapt de kreet des harten. Hoe mijn vader en mijne moeder! moet ik hen dan niet beminnent

Bemin niet minder, maar bemin beter al degenen die gij bemint. Bemin ze met de zelfde teederheid, doch dat uwe liefde bovennatuurlijk zij.

Heb medelijden met hun lijden, maar dat dit medelijden uwen moed niet verzwakke.

ocr page 209

200

Ween met hen, doch keer uwe betraande oogen steeds ten hemel.

Troost hen liefderijker dan ooit te voren, doch dut deze liefde en deze troost niet laf noch aardsch zijn.

Denk aan hen, döch dat deze gedachte u nimmer belette aan God te denkeu.

»Als gij de wereld verlaat om in het religieuze leven te treden,quot; zegt een godvruchtig schrijver, »vernietig dan uwe wettige toegenegenheid niet, maar heilig die.quot; Gij bemindet uwe ouders zooals men op aarde bemint; bemin ze voortaan gelijk men in den hemel bemint. God heeft tot u gelijk tot Abraham gezegd: Verlaat uw land, en uwe bloedverwanten, en uiv vaders huis. (Gen. XII, 1.) Hij heeft tot u gezegd gelijk tot de H. Maagd: Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor: vergeet uw volk en het huis mvs vaders. (Psalm. XLIV, 11.) Hij heeft u nog gezegd; Kom, gij zult gekroond worden. (Cant. IV, 8.) Zoo riep Hij u tot het Paradijs zijner genade, en met deze zelfde woorden had Hij u tot het Paradijs zijner glorie kunnen roepen. Welnu, zoo gij nu in den hemel waart, zou er tusschen uwe ouders en u eene afscheiding bestaan, die gij niet zoudt kunnen overschrijden; elk zichtbaar, gevoelig verkeer zou Ophouden; uwe hand zou de hunne niet meer kunnen drukken, uw oog zou hun dierbaren blik niet meer ontmoeten, geene uitstorting des harten, geene vertrouwelijke mededeelingen, geene gesprekken, geene brieven meer! De scheiding zou regel zijn, dat stilzwijgen zou regel en vaste regel zijn, zelfs dan als het treurende hart dien regel niet vrijwillig zou omhelzen!.....

Maar zoudt gij die dierbare ouders minder beminnen, omdat gij ze niet meer zoudt zien?

ocr page 210

201

O hoezeer zoudt gij nog belang stellen in alles wat hen betrof, zelfs aan geue zijde des grafs! hoe zou uwe ziel, innig vereenigd met God, zich bezig houden met de zaligheid hunner ziel! hoe zoudt gij God bidden, hen te heiligen en ze bij u in den Hemel te voeren!

En zoo God u toestond somtijds uwe menschelijke gedaante weder aan te nemen, hoe zouden dan uwe woorden vol minzaamheid, vol teederheid en liefde, hen tot God geleiden! Hoe zoudt gij hun de ijdelheid der aardsche zaken doen zien! Hoe zoudt ge hen troosten in hunne kwellingen! Hoe zoudt gij voor hen, in alles, een Engelbewaarder zijn!

Ziedaar wat gij, als religieuze, voor uwe ouders moet zijn! Zoo dikwijls men u in de spreekkamer roept of dat gij hun schrijft, moet gij u beschouwen als of gij door God rechtstreeks uit den Hemel tot hen gezonden werdt.

4. Onder de zusters uwer omgeving, die thans uwe familie vormen, is er eene wie gij eene bijzondere toegenegenheid moet toedragen, die gij meer dan de anderen moet beminnen, te weten, haar die God een deel van z^n gezag over u heeft gegeven om u ten Hemel te leiden, en wie gij den zoeten naam van Moeder geeft.

Later spreken wij over de gehoorzaamheid en den eerbied, die gij haar verschuldigd zijt; nu zeggen wij slechts: vraag dagelijks aan God u de gevoelens te geven van een kind voor hare moeder; hoe meer gy haar bemint, hoe vrijer gij tot haar zult gaan, hoe nuttiger zij voor uwe zaligheid kan werken. Eene kinderlijke liefde voor de Overste is eene kostbare genade, eei^e zeldzame genade, omdat men ze bijna nooit aan God vraagt of slechts terloops vraagt, en omdat men niet nederig en onderdanig genoeg is.

ocr page 211

202

2.

Een andere schat, waarover wij kunnen beschikken, is ons verstand, dat wij vooral moeten gebruiken om werkelijk al onze zusters hoog te schatten.

Wel is het niet moeielijk om eene ziel te achten die werkelijk deugd bexit en door God geacht wordt. Indien wij vrijwillig eene gedachte van misachting tegen eene onzer zusters ingang in ons hart verleenen, zouden wij ons behooren te schamen en ons voor God te vernederen; en alvorens die gevoelens in ons hart te doen wortel schieten, moeten wij voor God den naam der zuster gaan uitspreken, en al de reeds nangegeven beweegredenen herlezen, die ons aan-toonen, waarom onze evennaasten verdienen bemind te worden.

3.

Een derde schat, waarover wij kunnen beschikken, is ome woorden, ons gelaat, onze manieren.

Indien ons uiterlijk welwillend, vriendelijk, minzaam is, zoo trekt het de vreesachtige, bedroefde zielen tot ons; zij zullen ons hare kwellingen en smarten mededeelen en ons daardoor gelegenheid geven, haar te verlichten en te versterken in navolging van Jezus. Hoe zoet is het voor het hart te kunnen zeggen, ik heb iemand wel gedaan, en tot God te kunnen zeggen, ik heb heden gedaan, wat Gij altijd doet, o mijn God!

Hoeveel goed kan in eene gemeente, vooral eene eenigszins bejaarde zuster doen, indien zij in haar uiterlijk, in hare manieren, in heel haar wezen iets hemels, iets aanlokkends heeft, dat uit de goedheid des harten voortvloeit en aan ieder schijnt te zeggen.

ocr page 212

203

Kom tot mij! Ja, zij zou tot haar komen, die vreesachtige zuster, die nauwelijks in de recreatie durft te spreken, die bang is zelfs voor hare medezusters en wier roeping daardoor zou wankelen; zij zou haar langzamerhand gewoon maken, zij zou haar in hare goede voornemens versterken.

Zij zou tot haar komen, die angstige ziel, die altijd vreest God te vergrammen, en niet gerust tot hare Overste, haren biechtvader durft gaan. Zij zou haar geruststellen, haar vormen, haar zoetjes tot de Overste voeren, en haar leeren hidden.

O welk eene groote genade doet God aan eene religieuze, door de gave van vertrouwen te hunnen inboezemen !

Onze ivoorden, zoo zi] zoetaardig en minzaam zijn, zullen steeds de kracht hebben om , ten minste voor het oogenblik, de wonden der ziel en des harten te helen. O begrijpen wij eens wel de waarde van een woord vol goedheid en vriendelijkheid!

»Het bezit,quot; zegt P. Faber, »eene bovennatuurlijke kracht. Het is als de stem eens engels, die op aarde verdwaald is, wiens hemelsche stem de harten treft en daarin iets engelachtigs achterlaat. Het is alsof dit woord datgene vermag wat God alleen kan doen, te weten de harten verteederen en bedaren. Hoe vele nedergedrukte zielen worden door één woord van goedheid opgericht! Hoevele ontmoedigde zielen hebben de haar ontbrekende kracht wedergevonden, om veel goeds uit te werken, door een enkel goed woord, dat haar verhief in haar eigen oog! Hoe menige wankelende roeping is versterkt geworden door de welwillende en hartelijke woorden eener eenvoudige medezuster!quot;

ocr page 213

204 III.

2)e-H -Haaita-H ^cminncn tzacïitamp;H zicfv de, ^oo^ettctctmBi^ -ft-'fei-He 3c-ug-9e'H eieren-te tHa^en, om -fvem -ftet -fevett acm^ewawe^ te tna^ett.

Uit de verééniging van een liefdevol hart, een weiwillenden geest en minzaamheid in woorden ontstaat die heerlijke verzameling van kleine deugden, die ile vreugde en liet geluk eener gemeente uimaken, er de welvaart en den vrede onderhouden, de wonden genezen, die de gedurige wrijving van verschillende karakters noodzakelijk teweeg brengt, en waarlijk in de gemeente waar zij heerschen, een weerschijn van het Paradijs doen stralen.

Wie weet, helaas! niet, dat één lastig karakter genoeg is om een geheel huis te doen lijden?

Wie weet niet, dat eene gemeente godvruchtig, braaf, deugdzaam kan zijn, en nochtans zuchten kan onder een algemeenen druk, die de harten met onbepaalde onrust vervult en ze bijna ongelukkig maakt? Men bemint God, men bemint elkander, maar eene nietigheid is genoeg om ontevredenheid te veroorzaken. Welnu in die communauteit ivorden de kleine deugden niet genoeg beoefend.

Deze kleine deugden, die wij hier aangeven, zouden bijzonder kunnen dienen tot stof van bijzonder onderzoek; en het zou tot een wezenlijk voordeel der gemeente strekken, zoo iedere zuster dagelijks trachtte eene dezer deugden in oefening te brengen.

ZI

ocr page 214

- 205

1. De toegevendheid.

Dit is de deugd eener -waarlijk groote ziel, die liooger en beter ziet dan anderen; zij ontveinst de fouten niet, maar zij ontdekt dadelijk wat ze kan verminderen, of ze ten goede kan doen uitleggen. — Toegevend zijn, ziedaar de eigenschap van een verstandig mensch, die zich zelve en de menschelijke zwakheid kent. Daarom onttrekt zij hare achting aan de schuldige niet, en ontvangt haar met goedheid, zoodra zij berouw toont. In eene gemeente is het de toegevendheid, die de banden der liefde vaster samensnoert. Zij verdedigt de schuldige, beschermt haar, biedt haar een toevlucht, toont langzamerhand den weg om de misslagen te herstellen , en hoe men, om zoo te zeggen, grooter kan zijn na eene fout. O hoe menigmaal zou een weinig toegevendheid een zwaarder hervallen in eene eerste fout belet hebben!

»Nooit heb ik,quot; zegt een godvruchtig schrijver, » een weldenkend en bescheiden persoon de handelingen van anderen zien beknibbelen, daarover nadenken, er naar vragen, of trachten die te doorgronden. Nooit heb ik iemand ontmoet die, in ingekeerdheid en verééniging met God levende, in afkeuren en ver-oordeelen behagen schiep. Die zoo handelen, hebben of geen verstand of geene deugd, of wel zij missen beide; het hoofd heeft geen hart, of het hart heeft geen liefde. »lndien eene zaak,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, »op honderd wijzen kan uitgelegd worden, moet men altijd de beste wijze kiezen.quot; Indien de zaak zoo zwaar is, dat zij voor geene verschoouing vatbaar is, zoo verschoon de meening; en als de meening zelfs niet vrij te spreken is, wijs dan op

ocr page 215

206

de hevigheid der bekoring, de onwetendheid, de onbedachtheid, de menschelijke zwakheid.quot;

2. Het liefderijk ontveinzen der fouten van anderen.

Door deze deugd schijnt men de fouten, de belee-digingen, het ongelijk niet op te merken, vooral indien het ons eigen persoon betreft. Men stapt over een onaangenaam woord, eene stuursche handeling heeu, en men blijft vriendelijk jegens dengene, die ons in het openbaar beleedigt, als verstond men dit niet. Zoo volgt men letterlijk deze woorden van den H. Paulus: Verdraagt en vergeeft elkander, als de een tegen den ander eene Machte, heeft. (Coloss. Til, 13.) Waarom zegt de Apostel niet vermaant, berispt, bestraft, maar verdraagt? Het is oEndat wy, eenvoudige religieuzen, hiertoe de opdracht niet hebben. Het is de plicht der Oversten, — onze plicht is te verdragen; te verdragen wat ons rechtstreeks betreft, niet te vragen naar hetgeen ons nier, betreft.

Hoe vele religieuzen, meteen lichtzinnig karakter, doch met een goed hart, worden die:p vernederd en dikwijls ontmoedigd bij de gedachte dat de minste fouten die haar ontsnappen, gekend, geteld, geoordeeld worden! Zou de liefde, die slechts rekening zou houden met de pogingen, die deze zuster tot hare verbetering aanwendt, haar niet veel nuttiger zijn voor haren geestelijken vooruitgang?

3. De opgeruimdheid.

Deze deugd trekt de harten; do glimlach, die bijna voortdurend op het gelaat zetelt , maakt iedereen den

ocr page 216

, 207

toegang gemakkelijk. De waarlijk liefderijke ziel weet, dat men door vriendelijkheid tot God moet geleiden; daarom doet zij, zelfs dan als zij zelve treurig is, haar verdriet niet op anderen drukken. Van haar gaat men getroost en opgebeurd heen, en vraagt altijd nog, wanneer mag ik terug komen? Zij heeft voor leus dit woord van den H. Paulus: Weest vroolijk in den Heer. (Philipp. IV, 4.)

Gelukkig de zusters, wier vroolijk en opgeruimd karakter steeds zoekt hare medezusters in de uren van uitspanning te vermaken, en daardoor hare aoede stemming aan anderen mede te deelen. Veel

o cj

zullen zy daardoor bij God verdienen; velen stichten zij in hare gemeente, want een huis waarin eene zoete vreugde heerscht, is een huis waar God wel gediend wordt.

4. De buigzaamheid van geest.

Zij, die deze deugd bezit, dringt nooit zonder groote noodzakelijkheid aan anderen hare meeningen op, maar zij neemt zonder weerzin al het goede en billijke der denkbeelden van anderen aan, en offert gaarne hare zienswijze op voor den vrede, zonder ongeduld of lastigheid te tooaen. Zij prijst oprecht het goede door hare medezusters gezegd. Zij gehoorzaamt aan de woorden van den H. Geest. Twist niet, (II Tim. II, 14.) Maar, zal iemand mij zeggen, ik heb gelijk, ik kan de dwaasheden en domheden mijner zusters niet verdragen; wat zij zeggen, strijdt tegen het gezond verstand. Herinner u dit woord der Heiligen: Een ons liefde is beter dan honderd pond gelijk. Zeg uw gevoelen om het gesprek gaande te houden, maar strijd dan niet hardnekkig om het

ocr page 217

208

te verdedigen. Is het niet beter zachtjes de vlag te strijken, dan zich driftig en toornig te maken en anderen te vernederen?

5. De minzaamheid.

Dit is de deugd, die bijzonder door den H. Fran-ciscus van Sales en den H. Vincentius beoefend werd; het is de deugd, die ons het meeste aan Onzen Heer Jezus-Christus gelijkvormig maakt.

Ziehier het portret, dat de H. Joanna Francisca van Chantal ons van den H. Franciscus van Sales schetst. »Hij ontving zonder onderscheid iedereen met een minzaan gelaat, hoorde iedereen, zoolang men wilde, aandachtig aan. Men zou gezegd hebben, dat hij niets anders te doen had en ieder ging zoo voldaan en tevreden van hem weg, dat men blij was, eenige zaken met hem te bespreken te hebben, om de zoetheid te ondervinden, die hij in het hart van degenen, die tot hem kwamen, wist over te storten. Hierdoor wist hij allen tot een volkomen vertrouwen aan te zetten, vooral wanneer de mede-deelingen de ziel betroffen; want zijn groot genoegen was over de godsvrucht te spreken, en ieder, volgens sbaat en roeping, aan te zetten tot het beoefenen derzelve.

Zijne manier van spreken was zeer deftig en ernstig, maar tevens de zoetste, de nederigste, de eenvoudigste die men ooit kon ontmoeten; want hij was ongekunsteld, ongeveinsd en ongedwongen. Nooit hoorde men hem iets zeggen dat ongepast was of naar lichtzinnigheid zweemde. Hij sprak zacht, ernstig, bedaard en verstandig, zonder gemaaktheid of uitgezochte woorden; ik heb dikwgls bemerkt, dat h£

ocr page 218

209

nocli te veel noch te weinig zegde, maar juist wat uoodig was. Somtijds verhaalde hij kleine aardigheden, doch hij sprak altijd met zooveel bescheidenheid, dat zijne aanhoorders steeds gesticht en opgebeurd werden.quot;

Vindt gij deze beschrijving niet verrukkelijk schoon in hare eenvoudigheid? Och, tracht dan een weinig den H. Franciscus van Sales na te volgen.

Ziehier nog eenige trekken uit het leven vau den H. Vincentius, want de voorbeelden van minzaamheid kan men nooit te veel ter navolgincr voorstellen.

O O

»Men heeft hem een ernstig gesprek met aanzienlijke personen zien afbreken, om vijfmaal de zelfde zaak te herhalen aan iemand, die hem niet begreep, en de laatste maal even bedaard als de eerste.

»Men heeft hem zonder eene schaduw van ongeduld ziien luisteren naar arme menschen, die lange en vervelende gesprekken voerden.

»Men heeft hem, terwijl hij met zaken van aanbelang overladen was, dertigmaal daags zien lastigvallen door vreesachtige zielen, die hem de zelfde zaak op verschillende wijze kwamen voorstellen, ze tot het laatste toe met een bewonderenswaardig geduld zien aanhooren, zelfs voor hen opschrijven wat hij hun gezegd had, en het hun zoolang uitleggen tot zij het goed begrepen.quot;

6. De inschikkelijkheid.

Ziehier hoe de beminnelijke Franciscus vau Sales deze deugd uitlegt. »Inschikkelijkheid is zich voegen naar iedereen, voor zooverre Gods gebod en het gezond verstand zulks toelaten, — het is even als een wassen bal zich voegen naar alle vórmen, mits

14

ocr page 219

210

zij goed zijn, — niet zijn belang, maar het belang van den evennaasten en de eer van God zoeken. —

De inamp;chikkeUjhheid is de dochter der liefde, en men mag ze niet verwarren met eene zekere zwakheid van karakter, die ons belet de fouten van onzen evenmensch te berispen, als men daartoe verplicht is; dit zou niet alleen geene deugd zijn, doch men zou daardoor deelen in de zonden van anderen.

Inschikkelijkheid is, om zoo te zeggen, zijn wil schikken naast dien van anderen; zijne eigene zienswijze, denkwijze, handelwijze opofferen om te zien, te denken, te handelen volgens degenen, die met ons leven.

Inschikkelijk zijn is een lastig mensch geduldig aanhooren, — beleefd antwoorden op eene nietswaardige zaak, — een dienst bewijzen die iemand meent noodig te hebben , hoewel wij weten dat er geen nut in bestaat; eene oude zuster in de meening laten dat haar werk zeer nuttig is.....

O hoe vele twistredenen, die soms om eene beuzeling eene gemeente ontstellen, zou deze deugd beletten! Hoezeer zou zij den viede der ziel en de wederzijdsche tevredenheid bevorderen!

7. J)e beleefdheid.

De beleefdheid, die wij bij de kleine deugden rangschikken, omdat wij veronderstellen, dat de religieuzen haar heiligen door een bovennatuurlijk inzicht, is eene louter nienschelijke deugd, maar eene deugd die noodzakelijk is voor de samenleving. Het is wellicht omdat de religieuzen haar te zeer als eene menschelijke deugd beschouwen, dat zij die onder elkander v'aak vergeten. De beleefdheid is echter

ocr page 220

211

uergens misplaatst, en men kan haar het kleed der liefde noemen.

De beleefdheid is eene begeerte om te behagen. aan de personen met wie wij leven, en zoodanig te handelen dat ieder tevreden over ons zij: — onze Oversten over onzen eerbied, — onze gelijken over onze achting, — onze ondergeschikten over onze goedheid. Zij bestaat in tot ieder te zeggen wat passend is, en te doen wat hem genoegen kan doen.

Voorkomt elkander door bewijzen van eer en van achting, zegt de H. Paulus. (Rom. XII, 10.) Dit bewijzen van eer en van achting, ziedaar wat wij beleefdheid noemen.

Daarom worden in de communauteiten, waar de christelijke, bovennatuurlijke beleefdheid heerscht, in de gesprekken geene onbeschaafde woorden gehoord; daar worden de onwelvoegelijke toespelingen verbannen , daar valt men elkander niet in de rede, daar hoort men geen luide kreten, geen schaterlachen; in de kleeding worden onzindelijkheid en slordigheid vermeden, — in het gaan en komen, een driftige gang, een haastige tred, het stooten en hinderen van elkander.

Nog eene opmerking tot slot dezer opsomming der kleine deugden.

Elk liefdewerk, dat niet op eene aangename wijze gedaan wordt, is zoo goed als verloren. Een dienst-, dien men iemand bewijst met een norsch gelaat, terwijl men toont dat men zich slechts ongaarne daartoe verleent, mist deszelfs uitwerksel, zoo niet geheel, dan toch ten halve, zoo bij God als bij de menschen. Het gaat daarin met ons even als met God, die in de H. Schriftuur bevestigt, dat Hij den vroolijken gever bemint. (Tl Cor. IX, 7.) Maar om onze

ocr page 221

212

daden te doordringen door den geest van minzaamheid, van inschikkelijklieid, van welwillende toegevendheid , moet men zich eene groote macht over zich zei ven eigen gemaakt hebben. Aarzelen wij niet, waken wij over ons zeiven, bestrijden wij moedig onze neiging tot baatzucht, tot zinnelijkheid, tot -hoogmoed. Het geldt hier de liefde. Het geldt dus God, Geene deugd brengt beter reeds hier beneden hare belooning mede; en de H. Geest wil dat wij er aan denken, hij die, wanneer hij de menschen der oude wet prijst, van hen zegt, dat zij hij God en de menschen hehagelijk waren. (Tob. XIV, \l. Eccli. XLV, 1.)

IV.

Qcn evennaasten Seminnen cfreduidiy zijne cje-Gxe-ften vetdtaqen.

Wij hebben reeds over de verdraagzaamheid gesproken; wij willen deze deugd nog eenigszins breedvoeriger behandelen, en vooral de reden aangeven waarom wij die deugd behooren te beoefenen.

Het verdragen van anderen, ziedaar het groote kruis der gemeenten; en God zal dat kruis daar altijd in laten om aan elke religieuze de gelegenheid te verschaffen van goedaardig, geduldig, medelijdend te zijn, de gelegenheid, in één woord, om heilig te worden, en te kunnen zien, dat zij voortgang maakt op den weg der heiligheid.

Het leven in eene communauteit heeft door zichzelf zoo veel voorrechten, het ontneemt aan den geest

ocr page 222

213

zooveel kommer, het geeft zelfs zooveel lichamelijk welzijn, dat, als God er de noodzakelijkheid van elkander te verdragen niet geplaatst had, men zeer moeielijk de christelijke versterving zou kunnen oefenen, zonder welke nochtans wij den hemel niet bekomen kunnen.

Elke vereeniging van menschen, zelfs van het zelfde gezin, vormt een soort van hospitaal, waarin ieder zijne- ziekte medebrengt. Daar vindt men personen met een somber en droevig karakter; dezen zijn onachtzaam, vervelend, terugstootend, zij morren altijd en beklagen zich over alles; genen zijn onbestendig, zij zijn nergens tevreden en vinden heden slecht wat hen gisteren in verrukking bracht; anderen zijn ruw in hare manieren en woorden, anderen zijn driftig, toornig, hoovaardig, anderen zijn nieuwsgierig, vleiend, eerzuchtig, veeleischend, en anderen weder zijn achterdochtig, lichtgeraakt en verdienen ten volle den naam van: Kruidje roer me niet!

Lang zou zij wezen, de lijst der ziekten van de ziel! De godsvrucht verzacht ze, maar geneest ze niet geheel; zij springen minder in het oog, doch worden niet uitgeroeid, de godsvrucht bedekt ze door de liefde, doch zij kan niet beletten dat ze soms gevoeld worden... Ja, zoodra wij in eene gemeente treden, zij het de heiligste, de regelmatigste gemeente, moeten wij een grooten voorraad van geduld, kracht, vrede, goedheid en medelijden medebrengen. Doordringen wij ons vooral van de twee volgende gedachten, die wij dikwijls voor het 11. Sacrament moeten overwegen.

1. Ik heb ook mijne gebreken; gebreken die ik niet zie of als lichte gebreken beschouw, en die op mijne medezusters den zelfden indruk maken als hare gebreken op mij. Ben ik zeker, dat ik die zuster op mijne beurt niet hinder, die mij krenkt door hare

ocr page 223

214

manieren of hare houding? Ik heb zeker mijne eigenaardigheden, gelijk zij de hare, en het komt omdat die zuster sterker en deugdzamer is dan ik, dat zij mij niet doet gevoelen wat zij van mij te lijden heeft. Waarom zou ik dan over haar klagen? Waarom moet ik minder geduld toonen dan zij? Waarom moet ik mijzelve volmaakt gelooven en in haar zooveel onvolmaaktheid opsporen?

2. Ik kwel en beklaag mij, omdat deze of gene medezuster met wie ik moet leven, mij verveelt en mij lastig maakt. Is mijne ontevredenheid, zijn mijne kladden gegrondquot;? Wat zij doet, doet zij het int hoosaardigheidf — Weet zij dat het mij hindert'? — Kan zij anders handelen1? — 11 eh ik haar verzocht anders te doen? — En is hetgeen zij doet, wel erg'i — Als ecne andere zuster, die ik meer hemin, het zelfde deed, zou het mij dan evenzeer hinderen? — Ben ik niet kleingeestig, teergevoelig, zeer weinig in de deugd gevorderd om mij over zulke kleinigheden te kwellen ? Zou ik niet veel beter doen het vaste besluit te maken, mij naar die zuster te voegen? Ik zou den vrede bewaren, en God zou verheerlijkt worden.quot; Deze overweging zou voldoende zijn om onze kwellingen te verdrijven, vooral als wij daarbij een nederig gebed voegden, alsook eene oefening van goedheid, van voorkomendheid jegens die zuster. Hoe spoedig zouden wij dan het kleingeestige onzer ein-delooze klachten begrijpen!

3. Indien wij onze zusters moeten verdragen, moeten wij haar vooral dan ook niet vergeven? Later zullen wij spreken over de afgekeerdheid, die men vrijwillig voedt. Hier vragen wij slechts aan de religieuze, hoe zij zich des avonds ter ruste durft begeven met gevoelens van afkeer jegens eene harer

ocr page 224

215

zusters, na liet woord van den Apostel, waardoor Hij ons het bevel geeft: »Dat de zon niet op uwe gramschap ondergaquot;'' (Epii. IV, 26); lioe zij vooral 'tot de H. Tafel durft naderen na dit uitdrukkelijk gebod: Wanneer gij, op het punt staande uw offer op te dragen, bedenkt, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw offer daar; ga u eerst met uwen broeder verzoenen en kom dan uw offer opdragen'? (Matth. V, 23, 24.)

V.

SVn evennaaste -beminnen iigt; amp;ijn wetzijn fcehaztityen.

Hier is niets uitwendigs. Alles blijft in het heiligdom der ziel. Het is een schat, dien men in stilte, onder Gods oog vergadert, een schat, die hoog gewaardeerd zal worden in den hemel en de bron zal zijn van al de uitwendige liefdewerken, die het leven der religieuze met zoetheid zullen vervullen. Deze oefening bestaat in zich oprecht, in het diepste der ziel, te verheugen over al de natuurlijke en bovennatuurlijke gaven, die God aan al de leden der gemeente geeft; gaven waardoor onze zusters nuttiger dan wij, meer geacht dan wij, meer gewaardeerd dan wij, heiliger dan wij zullen zijn. De natuurlijke gaven zijn: de gezondheid des lichaams, — de minzaamheid der manieren, — een helder oordeel, — een schitterend verstand, — een groote schat van wetenschappen, — een algemeene aanleg om in alle zaken wel te slagen.

ocr page 225

216

De bovennatuurlijke gaven zijn: eene zachte en beminnelijhe godsvrucht, — een brandende ijver voor het heil der zielen, — de vrede des harten, die op het gelaat staat te lezen, — de gave van overreding om de zielen tot God terug te voeren.

Verheug u over elk dezer gaven aan uwe zusters verleend, alsof gij die zelve hadt ontvangen; bedank God, ze haar gegeven te hebben; bid Hem, dat Hij haar die gaven moge laten behouden en die in haar vermeerdere zelfs in grooter mate dan in u, indien zij er een beter gebruik van zouden maken. Indien gij in uw hart eenig gevoel van nijd of afgunst ontwaart, werp u dan voor uw kruisbeeld neder, of neem het slechts in de hand, kus het en zeg: Geef, geef, o Heer, liever aan mijne medezusters dan aan mij; zij zijn het meer waardig!

Door dit gevoelen gedreven, dat langzamerhand door Gods genade diepen wortel in uw hart zal schieten, moet gij, zoo gij het ongemerkt doen kunt, steeds het beste voor anderen laten. Bid God, dat Hij u wel doe begrijpen, dat gij dan de liefde in hare volle zuiverheid en kracht beoefent, wanneer ge met een vreedzaam en tevreden hart anderen geëerd, geacht, bemind, — en u zelve veracht en miskend ziet, wanneer gij ziet dat men den raad van anderen volgt en den uwen verwerpt, — dat men anderen geeft wat zij verlangen en het u weigert, — dat men anderen het beste voedsel, de bestekleederen, de beste cel geeft en dat het geringste steeds voor u goed genoeg is, — dat men de hoogste bedieningen aan anderen geeft en u steeds in de nederigste plaatst, omdat men meent dat gij onbekwaam voor andere zijt, — dat men veel beter voor anderen zorgt als zij ziek zijn, — dat men anderen zoekt en u vermijdt!....

ocr page 226

217

Ja, verheug u over al het goede, dat aan uwe medezusters ten deel valt; en indien uwe teergevoeligheid en eigenliefde zich gekrenkt gevoelen, lees dan deze bladzijde en maak er u een gebed van, om op die wgze uwen wil te dwingen, zich volkomen te onderwerpen aan alles wat God toelaat!

VI.

S)en evennaaste beminnen meddijden -met de -tijdenden yeva

Wat is medelijden1? Lijden met een ander; zijn hart plaatsen bij het hart dat lijdt, een deel van dat lijden in zijn hart opnemen en het. daarin behouden om het lijden van zijn naasten te verlichten. In alle communauteiten is eene zuster belast met de verpleging der lichamelijke ziekten; waarom zouden wij ons niet gaarne belasten met de verpleging der ziekten van het hart en den geest. De Overste kan, wel is waar, eene dergelijke bediening niet geven; maar geeft God ze niet? zegt de H. Paulus in naam van Jezus-Christus niet tot alle geloovigen: Weent met de weenenden ?

»De rechtvaardigen zijn medelijdend, en erbarmen zich quot; zegt de H. Schrift, (Prov. XIII, 13); zij kunnen met (Job. XXXI, 18) zeggen: »liet medelijden is met mij opgegroeid.quot;

Ik heb altijd mijn geluk gevonden in de smarten te verzachten van degenen, die bedroefd en ziek waren, — de droevigen te troosten, — de harten op te beuren, die moedeloos waren.

ocr page 227

218

Ziedaar wat elke religieuze aan God moet kunneni zeggen, wanneer Hij haar rekenschap zal vragen van hare betrekkingen met hare medezusters. Immers hartverscheurende droefheid, in- en uitwendige smart en moedeloosheid vinden haren weg, zoowel in de kloosters als in de wereld, en worden er wellicht scherper gevoeld, omdat de harten daar gevoeliger zijn en minder afleiding vinden.

Laat dan geene uwer zusters in droefheid zonder haar een woord van deelneming toe te voegen, een paar woorden uit het hart, die tot het hart spreken en er altijd eenige opbeuring instorten. Gevoelt gij niet, dat gij dit altijd doen kunt?

Wij spreken hier niet van de zieken, van de ge-brekkelijken, die zeker stoffelijke, doch nog meer geestelijke hulp en minzame woorden noodig hebben. Denk van uwe zieke zusters, wat de H. Franciscus van Sales aan eene zieke schreef: Zoolang ik weet dat gij aan het ziekbed gekluisterd zijt, gevoel ik; mij verplicht u een hijzonderen eerbied te bewijzen, als aan een schepsel dat God beproeft en met zijne eigene liverei bekleedt, en zal ik u, als aan zijne Bruid, de grootste achting bewijzen.quot;

©en evennaaste -Geminttett \igt;

Act wctamp;ijn-«.le-f -tamp;vovdezcn.

Dit is, gelijk wij reeds zegden, het doel der liefde; en daarom moeten wij ten opzichte onzer zusters:

1. Dikwijls in het gebed aan hare ziel denken, — dagelijks voor haar den geest van godsvrucht, den

ocr page 228

219

geest van zelfopofferiug vragen. Een religieuze die dagelijks geen deel harer gebeden voor hare gemeente opoffert, ontbreekt aan de liefde, en zij zal ook slechts een klein deel ontvangen van de genaden, die God over de gemeente uitstort.

2. Elke zuster moet zich verplicht beschouwen, de onderlinge liefde, de ondenoerping aan de Overste en de getrouwheid aan de regeltucht te bevorderen.

1. Het goede voorbeeld.

Het goede voorbeeld is een plicht voor alle geloo vigen. Tot allen heeft Jezus-Christus gezegd: Dat uw licht, uwe deugd, voor de menschen schittere, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Vader, die in den Hemel is, verheerlijken. (Matth. V, 16.) Betracht het goede, zegt de H. Paulus, niet alleen voor God, maar ook voor alle menschen. (Rom. XII, 17.)

Het goede .voorbeeld is voor de religieuze een nog strengere plicht dan voor andere christenen. Zij moet overal den goeden geur van Christus verspreiden. Overal herinnert haar kleed aan haar zelve en aan anderen, die haar zien, dat zij aan God toegewijd is en het werk van God moet verrichten. Zou uwe roeping u geheel van de wereld scheiden, dan leeft ! gij toch met uwe zusters, die dagelijks getuige zijn van cd uwe daden, — van uwe godsvrucht in het gebed, — van uwe zedigheid in handel en wandel, — van uwe zoetaardigheid en minzaamheid in het spreken , — van uwe naarstigheid in uwe bediening; — gevoelt gij niet, dat de H. Paulus tot u zegt gelijk tot Timotheus, ivees den geloovigen ten voorbeeldquot;? (I Ttm. IV, 12.)

Wees een voorbeeld, omdat het goede voorbeeld eene gedurige predikatie is; nooit zullen uwe ver-

ocr page 229

220

maningen zooveel goed doen als uw voorbeeld. Wees een voorbeeld, omdat het voor n eene bron van verdiensten is. Eene religieuze, vooral eene eemgszins bejaarde zuster, kan door een stichtenden levenswandel zeer veel goed doen; en zoo door haar voorbeeld een gebed beter verricht, de regel beter onderhouden, de liefde beter betracht wordt, o hoe gelukkig voor haar! De Apostel Jacobus zegt: Hij die eenen zondaar van zijnen dwaalweg bekeert, zal deszelfs ziel van den dood redden, en eene menigte van zonden bedekken.quot; (Jac. V, 20.)

»Betoon u zeiven in alles een voorbeeld van goede iverken, in de leer, in oprechtheid, in waardigheid.quot; (Tit. II, 7.) Wees een voorbeeld altijd en overal. Overal en altijd zijt gij onder het oog van God en dat uwer medezusters.

Wees een voorbeeld, zegt elders de H. Paulus (I Tim. IV, 12), door uwe gesprekken, de spotternij, de ijdelheid, de kwaad sprekendheid vermijdende; — door uwen omgang met den evennaasten, zorg dragende in alles den afschuw voor het kwade, de achting der deugd, de liefde voor God en godsdienst in te boezemen; — door moe liefde, u steeds gereed toonende dienst te bewijzen, in het belang uwer medezusters te spreken en te handelen, deel te nemen in alles wat haar betreft; — door uw geloof, immer bereid de leer van Jezus-Christus, de leerstellingen der H. Kerk, het woord van den Opperherder en Stedehouder van J.-C., de bevelen der Oversten, voor te staan; — door uwe zedigheid, immer wakende over uwe zintuigen en getrouw alle regelen nakomende, die u gegeven zijn omtrent de manier van te gaan, u te kleeden, u te gedragen. De H. Paulus zegde; Zoolang ik Apostel der heidenen hen, zal ik mijne

ocr page 230

221

bediening doen vereeren. (Rom. XI, 13); dat ieder uwer luide zegge: Zoolang ik religieuze zal zijn, zal ik mijne roeping door een voorbeeldig leven doen eeren.

2. De zusterlijke berisping.

Er is hier geen sprake van eene openbare berisping, doch slechts van eene geheime, liefderijke vermaning aan eene medezuster, die haar plicht verzuimt of vergeet. Wij kennen geen grooter blijk van toegenegenheid, noch een verdienstelijker liefdewerk, noch huiten de HH. Sacramenten, een krachtiger middel om heilig te worden.

Wanneer twee zusters, die elkander eene oprechte belangstelling toedragen, elke week met elkander afspreken, hoe zij beter den Regel zullen onderhouden , hoe zij godvruchtiger zullen leven, wanneer zij elkander waarschuwen, als zij fouten bedrijven, en voor elkander bidden, zoo zullen zij ongetwijfeld weldra stichtende religieuzen worden.

1. Deze waarschuwing moet gegeven worden met een geest van geloof en eene bovennatuurlijke toegenegenheid; zij moet door de gehoorzaamheid worden goedgekeurd, wil zij niet gevaarlijk worden. Zij moet met voorzichtigheid geschieden; men moet rekening houden met het karakter der personen die men waarschuwt of berispt. Zij moet vooral met goedheid gedaan worden. Men moet haar, die men berispt, innig liefhebben, veel belang stellen in hare ziel, en nooit tot haar gaan, alvorens haar aan God te hebben aanbevolen.

2. De waarschuwing of berisping moet nederig, eerbiedig en dankbaar worden aangenomen.

Veel zouden wij kunnen zeggen, doch als men zich

ocr page 231

222

niet edelmoedig wil beteren, zijn alle woorden overbodig. Zij moet nog zonder morren, zonder tegenspreken , zonder pruilen worden aangenomen.

Hij die de berispingen haat, is een divaas, zegt Salomo (Pitov. XII, 1). Gij zijt dus dwaas, mijne zuster, wanneer gij u zoo gevoelig toont bij de minste opmerking, gij die de reden wilt weten waarom men u die maakt, die driftig wordt, het

feit loochent..... O vraag aan God eene zuster, die

u genoeg bemint om u te willen waarschuwen, en u voor haar zooveel genegenheid te geven, dat gij haar nooit van u verstoot, of haar met koelheid bejegent.

2.

Oorzaak der fouten tegen de zusterlijke liefde.

De liefde is zoo hehoorlijk in zich zelve, — zij is zoo zoet voor het hart, - • zoo verdienstelijk voor de ziel, — zoo noodzakelijk om in den hemel te komen, — zoo gemakkelijk voor iedereen en op alle tijden, — zij maakt het leven in eene gemeente zoo aangenaam, dat men zich verwondert, dat men die niet met geestdrift zoekt en met al de kracht der ziel tracht in oefening te brengen.

En nochtans kan men alle klachten der kloosters 1 samenvatten in deze ééne klacht: wij beminnen elkander niet genoeg!

Dit komt omdat de oefening der liefde zelfverloochening, opoffering, toegenegenheid vraagt.

Zij vraagt een hevigen, pijnlijken, onophoudelijken strijd tegen de kwade neigingen onzer natuur, die door de zonde bedorven is. Uit deze neigingen ontspruiten :

ocr page 232

, 223

De onverschilligheid, die ons onze medezusters doet veronachtzamen of verachten.

De baatzucht, die ons aanzet, slechts voor ons zeiven te zorgen, — ons afgunstig, kwaadsprekend maakt, en ons verlaagt tot overbrengsters.

De geest van eigendom, die ons hart inkrimpt, de grootmoedigheid, die Jezus van ons vraagt, uitdroogt.

De zinnelijkheid, die ons aan eene of andere medezuster hecht met eene gansch natuurlijke liefde, waardoor wij al onze genegenheid op haar stellen en voor de anderen slechts koel en onverschillig zijn.

Dit zijn even zoovele oorzaken, die in ons de zusterlijke liefde verflauwen en vernietigen.

De onverschilligheid ontstaat, in eene religieuze door de verslapping van den geest van godsvrucht.

Zij verzuimt hare gebeden, zij doet hare meditatie slecht; zij leeft niet meer in verééniging met God.

Langzamerhand beschouwt zij hare zusters niet meer in het hart van God, hare gemeente is hare familie niet meer, hare medezusters zijn hare ware zusters niet meer en langzamerhand denkt zij: Wat maakt mij die zuster? Tusschen haar en mij bestaat geen band noch van bloedverwantschap, noch van vriendschap. Ik hoop zeker dat het haar goed mag gaan, ik wensch haar zelfs allen voorspoed, maar daarmede is het

ocr page 233

224

wel. Wat maakt het mij, of zij blij of treurig is? Is zij tevreden, des te beter. Is zij het niet, ik kan het niet helpen. Zij heeft haar -werk en ik heb het mijne. Zij heeft hare ntoeielijkheden, en ik heb de mijne....

Wij overdrijven niet, en menige religieuze wier godsvrucht verflauwd is, zal hierin de gedachten terug vinden, die menigmaal haar hart ontsteld hebben. Nu gij hier voor God die zelfde gedachten leest, vindt gij die nu der Bruid van Jezus waardig?

Onverschillig! Hoe, die gezellin wie gij den zoetsten naam geeft, die op aarde na den naam van moeder bestaat, den naam van zuster, met wie gij dagelijks bidt, naast wie gij in de H. Communie den zelfden God ontvangt, die u beiden zijne kinderen noemt!

Zij is u onverschillig, die oudere zuster, die u in de gemeente heeft ontvangen, — die u heeft ingelijfd in het religieuze leven, die zooveel belang getoond heeft in uw welzijn!

Zij is u onverschillig, die zuster waarmede gij uw novicaat gedaan hebt, die u oprecht bemind heeft en nog bemint, die u zoo dikwijls ondersteund heeft in uwe tegenheden, en die gij nu door uw stuursch gelaat en uw stroef stilzwygen bedroeft!

Zij zijn u onverschillig, die medezusters voor wie God zoovele wonderen van goedheid gedaan heeft, die Hij zoozeer bemint, door wie Hij zoo bemind wordt; die zusters zoo heilig en goed, niettegenstaande alles wat uwe inbeelding zeggen moge, — die zusters wier gebeden wellicht Gods straffenden arm van u afwenden, — die zusters aan wie God alvorens u den hemel te openen zal vragen: Heeft zij u allen bemind ?

Ziet gij niet dat die onverschilligheid thans reeds schuldig is in zich zelve, omdat zij u ondankbaar en

ocr page 234

225

onbillijk maakt, a langzamerhand tot afkeer en haat kan voeren en uwe ziel in een voortdurenden staat van zonde kan stellen? Lees met aandacht de twee volgende bemerkingen;

1. De H. Professie, die in u de beloften van het H. Doopsel heeft vernieuwd, versterkt en voltrokken, heeft u leden van een nieuw gezin gemaakt, waardoor gij leden van het zelfde lichaam geworden zijt; en wilt gij niet aan eene strenge verplichting ontbreken, zoo zijt gij genoodzaakt elkander te ondersteunen, te beschermen en te dienen; want, zegt de H. Paulus: Het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb uwe htdp niet noodig; of wederom het hoofd tot de voeten: Gij zijt mij niet noodzakelijk. (I Con. XII, 21.)

2. De H. Professie heeft u allen tot zielen gemaakt die door God bijzonder bemind worden, zielen aan wie God zich bijzonder mededeelt, en die allen een kenmerk of stempel zichtbaar aan de oogen des geloofs in zich dragen, daarin gedrukt door God wien zij toebehooren en in wiens naam zij handelen.

Vraag eens aan dien koopman, waarom hij aan een onbekende zgne schatten opent, waarom hij hem, zonder aarzelen eene aanzienlijke somme gelds ter hand stelt. liet is noch zijn bloedverwant, noch zijn vriend, noch zijn weldoener, hij verwacht van hem noch belooning, noch zelfs dankbetuiging.

Waarom zulk een bewijs van vertrouwen aan een vreemdeling, aan iemand, dien hij wellicht nooit weder zal zien ? Die vreemdeling bracht hem of een wissel dien hij geaccepteerd heeft, of wel een schuldbrief, behoorlijk door een vriend onderteekend. Ziedaar hoe het tusschen ons moet gaan. Is elke zuster niet gelast ons een wissel te vertoonen, dien Jezus-Christus op ons trekt?

15

ocr page 235

226

Die wissel luidt aldus: gt; Voor zooveel gij den minsten der mijnen gedaan hebt, heht gij het aan mij gedaanquot; (Matth. XXV, 40). En die wissel is onderteekend en gestempeld met het dierbaar bloed van Jezus-Cnristus. Schijnt elke zuster dien niet op haar voorhoofd gedrukt te dragen? Hebt gij dien wissel niet geaccepteerd, toen gij Christen werdt? en hebt gy die verplichting niet hernieuwd en bevestigd bij uwe heilige Professie?

Onder uwe medezusters zijn er die meer bijzonder dien goddelijken stempel dragen. Het zijn de zieken, de zwakken, de oude zusters, waarvan wij reeds gesproken hebben.

Deze hebben alle recht op uwen eerbied en hoogachting, op de nauwkeurigste en oplettendste voorkomendheid.

De oude zusters, ja, eerbiedig zij, die oude dienstmaagden des Heeren, in zijnen dienst vergrijsd, aan wie gij grootendeels de welvaart, die gij geniet, verschuldigd zijt. Ga veertig, vijftig jaar terug, en vraag haar eens, welke moeielijkheden zij doorleefd hebben, hoe zij hebben moeten werken en zwoegen om het huis te doen bloeien, en gij zult verwonderd zgn over hetgeen zij tot stand gebracht hebben.

Thans kunnen zij niet meer werken, doch zij zijn nog de steunpilaren van het huis; hare enkele tegenwoordigheid sticht, waarschuwt, beveelt, belet vele fouten en vele verslapping.

Zij zijn de bewaarsters van den regel, de gedurige raadgeefsters der jongere zusters, die eene groote leemte rondom zich zullen gevoelen, als zij allen zullen heengaan, die stichtende ouderlingen!

En die zieke waarop de hand des Heeren verzwaard schijnt, o door hare gelatenheid, haar geduld, hare

ocr page 236

- 227

nederigheid, — want geloof dat er veel ootmoed noodig is om, vooral als men nog jong is en werken wil, de gemeente tot last te zijn,— boeten zij voor uwe zonden, — sparen u de welverdiende straffen, — verwijderen van u bekoringen, waaronder gij zoudt bezwijken.

Wees vooral voor die oude en zieke zusters niet onverschillig; bewijs haar alle mogelijke zorg; zij zijn zoo gevoelig en dankbaar voor de kleinste oplettendheid. Luister aandachtig en toon u niet moede, wanneer zij u dikwijls het zelfde verhalen; — houd haar dikwijls gezelschap, en wacht u wel haar te doen hooren, dat zjj moeite veroorzaken en onnuttig zijn in de gemeente!

Wees ook niet onverschillig voor elkander. Bid dagelijks voor uwe medezusters, opdat zij heilig mogen worden, en de onderlinge liefde steeds onder u vermeerdere. — Neem eenvoudig en ter goeder-trouw een dienst aan, en stel u ter dienstbetooning. — Leen de hulp uwer ondervinding en behendigheid aan anderen, zonder uwe eigene bediening te veronachtzamen. Heb steeds voor uwe medezusters die kleine voorkomendheden, die het leven zoo aangenaam maken. Bewijs elkander die duizend kleine diensten die nooit degene die ze bewijst, verarmen, doch haar zeer verrijken voor den hemel; en mocht het u al eens iets kosten, zoo denk: Een weinig opoffering is niets in vergelijking van den grooien troost, dien men anderen verschaft.

/

ocr page 237

228

II.

cfaaatamp;ucfvt.

De baatzucht, die overdreven liefde tot zich zeiven, is de verklaarde vijandin der naastenliefde. Zich zelve makende tot middenpunt van alles, tot doel en einde van alles, tot regel en maat van alles, vervult de baatzucht zoodanig het hart, dat er geen stroobreed plaats blijft voor den evennaaste. De baatzuchtige blijft vreemd aan alle genegenheid, waarvan zij het voorwerp niet is, en wordt ten laatste tot last aan zich zelve en bijgevolg diep ongelukkig. Men schaamt zich te bekennen, dat men aan dit gebrek lijdt; doch wanneer men met een weinig zorg de fouten opspoort tegen den naasten, zal men zien, dat zij bijna alle uit deze ongelukkige bron voortkomen.

1. Is bijvoorbeeld de afgunst, dat droevig gevoel, dat als een worm het hart doorknaagt, geene vrucht der baatzucht?

Een voorkeur aan anderen gegeven schijnt ons eene onbillgkheid, en neemt ons in tegen haar, die eenigen voorkeur toont en tegen haar die er het voorwerp van is: baatzucht, afgunst.

Een voordeel dat eene onzer medezusters ten deel valt, den voorrang, dien zij boven ons behaalt, maakt ons ontevreden jegens haar, doet ons wellicht kwaad spreken: baatzucht, afgunst.

Eene oplettendheid, die onze Oversten aan eenige zuster bewijzen, eene bediening, die men haar geeft en die wij gaarne hadden, doet ons gelooven, dat men haar meer bemint, meer acht, dan ons, en vervult ons hart met een onaangenaam gevoel, dat

ocr page 238

229

zich bij de eerste gelegenheid lucht zal geven door morren, pruilen en klagen: baatzucht, afgunst.

Eene goedkeuring in ons bijzijn aan onze medezusters gegeven krenkt en verbittert ons, het is als eene onrechtvaardigheid jegens ons: baatzucht, afgunst.

Den raad, dien men ons geeft, eene opmerking die men ons maakt, is in onzen geest slechts eene vooringenomenheid , die men tegen ons heeft, en een gebrek aan liefde voor ons: baatzucht, afgunst.

De liefde kan niet wonen in een hart, dat zoo verwoest wordt door de afgunst. O gij, arme ziel, die al die gevoelens in u gewaar wordt, u er zoo over schaamt en zoo innig begeert, er van verlost te worden, ga, kniel neder voor het H. Sacrament en bid met vuur: Jezus, zachtmoedig en ootmoedig van harte, maak mijn hart gelijkvormig aan het uwe; — Jezus, veracht en vergeten, leer mij mij zelve verachten en vergeten; — Jezus, gij die u tot dienaar van allen gemaakt hebt, maak dat ik de dienstmaagd van allen moge worden; — Jezus, bron van goedheid, bron van liefde geef dat ik goed en liefderijk voor allen zij, gelijk gij.

2. Nog komt uit de baatzucht die zonde voort welke helaas, zoo licht bedreven wordt in alle klassen der maatschappij, en — schaamrood voegen wij er bij, — die zelfs door godvruchtige personen bedreven wordt: het kwaadspreken.

De H. Schrift noemt de kwaadsprekeudheid een afschuwelijk kwaad. (Rom. 1, 30.) Haar gewoon gevolg is, de liefde geheel uit te dooven; want:

De liefde vereenigt hart en ziel, — de kwaadsprekendheid scheidt ze.

De liefde verdraagt en verbergt de zwakheden en fouten, — de kwaadsprekendheid plaatst al het kwade, dat zij ziet, in het volle daglicht.

ocr page 239

230

De liefde geneest de wonden van hart en ziel, — de kwaadsprekendheid scheurt ze open.

De liefde ademt slechts vrede, — de kwaadsprekendheid zwaait alom den fakkel der tweedracht.

De liefde bevordert de onderwerping en den eerbied voor het gezag, de kwaadspiekendheid raki langzamerhand den straalkrans af, die het hoofd der Oversten omgeeft.

En dat alles is het gevolg van één baatzuchtig hart! Waarom toch zoekt die zuster alle mogelijke gelegenheden op om hare medezusters zwart te maken en al wat zij doen, in het somberste daglicht te stellen? Waarom bespiedt zij alles? waarom brengt zij alles over? — Omdat zij niet lijden kan, dat iemand in huis deugdzamer, godvruchtiger, meer geacht, meer bemind wordt dan zij, omdat zij meent zich meer te verheffen, naarmate zij anderen verkleint en vernedert, omdat zij meent dat men haar ontneemt, wat men anderen geeft.

De kwaadsprekendheid wordt rechtstreeks bedreven, wanneer men den evennaasten eene misdaad toeschrijft, waaraan hij niet schuldig is; — (dan is het laster, eene zonde, die God zij dank, zeer zelden in de kloosters bedreven wordt), — wanneer men eene fout vergroot, — zonder noodzakelijkheid eene fout die niet bekend is, ontdekt; — wanneer men eene zaak ten kwade uitlegt, als iedereen die voor eene goede zaak beschouwt of zij werkelijk goed is.

De kwaadsprekendheid wordt, alhoewel niet rechtstreeks, bedreven, wanneer men het goed door anderen gedaan loochent, — verkleint, — een beleedigend zwijgen bewaart wanneer men moest prijzen of de goedkeuring bevestigen, — wanneer men het goede van den evennaasten zoo koel prijst, dat men daardoor de achting, die hij verdient, vermindert.

ocr page 240

' 231

Nog hatelijker wordt de kwaadsprekendheid, wanneer men ze bedekt met den mantel der schijnheiligheid Somtijds neemt zij nederige vormen, — een zedig voorkomen, eene stem vol medelijden en teederheid aan, en zegt: »Het spijt mij zeer, dat mijne arme zuster »zich zoo vergeet, zoo ver afdwaalt; het spijt mij, dat »ik moet zeggen, hoe zij doet, maar iedereen weet »het. Zij is toch zoo goed, en zie eens, hoe diep zij »gevallen isquot; enz.

Nog een woord over het vermetel liefdeloos oordeel, hetgeen een in het hart voorbereid kwaadspreken is.

Gij weet dat God het verbiedt. Gewoonlijk is het onrechtvaardig, omdat het op enkelen schijn berust, het is de vrucht van nijd, afgunst, van liefdeloosheid en baatzucht, het stelt u bloot door God onbarmhartig geoordeeld te worden. Volg dan den wijzen regel van den H. Franciscus van Sales, wanneer hij zegt: Als eene zaak honderd zijden had, zou ik ze altijd langs de gunstige zijde beschouwen. Denk dat die zuster, die gij nu zoo onbarmhartig oordeelt, aan God veel aangenamer is dan gij. Er zijn vele zaken, zegt de H. Bonaventura, die men als slecht beschouwt, omdat men ze niet begrijpt, of ze eenzijdig beschouwt; doch wanneer men ze eens begrepen heeft, komen zij ons billijk en redelijk voor en doen ons blozen over onze lichtzinnigheid.

3. Zie ten slotte eens, of het de baatzucht niet is, die zoovele onvoorzichtige oorblazerij veroorzaakt, waardoor men in eene gemeente, even als op een veld met kwistige hand het onkruid zaait. Weet ge wat het voort zal brengen?

Eerst koelheid, dan achterdocht, dan tweedracht,

en ten laatste vijandschap..... men kan elkander niet

meer dulden. Somtijds is het uit lichtzinnigheid,

ocr page 241

232

dat eene zuster iets overbrengt, doch vaak uit boosaardigheid, uit afgunst vooral, en altijd met deze gedachte: Ik zou zoo niet doen, ik zou zoo niet spreken, ik zou zoo niet handelen, ik weet alles wat er omgaat: baatzucht, afgunst, hoovaardigheid.

O hoe verfoeielijk is, vooral in kloosters, waar men elkander niet vermijden kan, deze ondeugd, zoo te recht de bijzondere ondeugd des duivels genoemd! Het kwaad, dat zij daar aanricht, is onberekenbaar, en eenige maanden zijn voldoende om eene gemeente waarin de duivel ééne kwaadsprekende tong, ééne enkele overdraagster heeft weten te dringen, het onderst boven te keeren.

Zes dingen, zegt de H. Geest, zijn er welke de

Fleer haat, en het zevende verafschuwt Hij:..... hem, die

tioeedracht tusschen broeders zaait. (Prov. VI, 16, 19.)

» Zij die zonder eenige noodzakelijkheid overbrengen,quot; zegt de H. Thomas, »zijn veel schuldiger dan de kwaadsprekers. Eene zonde,quot; zegt hij, »is des te zwaarder, naarmate zij meer schade en nadeel aan den evennaasten berokkent.quot; Dit nadeel wordt grooter naarmate dat hetgeen men den naasten, ontneemt kostbaarder is; de kwaadspreker ontneemt den evennaasten zijn goeden naam, zijne eer; doch de onvoorzichtige oorblazer ontneemt hem den vriend, die hem beminde; hij verbreekt wellicht voor immer de banden van vriendschap, die hem het leven zoo zoet en aangenaam maakten; immers God zelf heeft gezegd: Niet is te vergelijken bij een qetiouwen vriend. (Eccli VI, 15.)

Denk dus, arme zuster, die u gedreven gevoelt om over te brengen alles wat gij ziet en al wat gjj hoort, denk aan dit ernstig woord: de duivel bedier.t zich van u, als van een vergiftigd speeltuig, dat hij

ocr page 242

233

nu hier, dan daar werpt. Hg komt op uwe tong nederzitten, door u verspreidt hij alom de tweedracht, en wanneer des avonds twee of meer harten gekrenkt, bedroefd, verdeeld zijn, komt. de duivel u bedanken en zegt u: gij hebt u bij mij zeer verdienstelijk gemaakt!

4. Intusschen zijn er gevallen, waarin eene religieuze zou zondigen, indien zij de fouten harer medezusters kennende, die niet zou bekend maken. Zij zou hiertoe verplicht zijn:

a. Wanneer zij genoegzaam verzekerd is, dat daardoor het geestelijk of tijdelijk welzijn harer medezusters wordt bevorderd, dat de schuldige zal verbeterd of weerhouden worden.

h. Wanneer zij genoegzaam verzekerdis, dat hierdoor het tijdelijk of eeuwig welzijn der personen bevorderd wordt, aan wie zij deze fout doet kennen, ten einde zij maatregelen kunnen nemen, om het leed, dat hen bedreigt, te ontgaan.

c. Wanneer de wettige overheid haar gebiedt deze zaak te openbaren.

cl. Wanneer zij door deze mededeeliug eene publieke wanorde of ergernis kan beletten.

De voorzorgen die men hierbij te nemen heeft zijn deze : Wanneer de bedreven fout ons onder het zegel der geheimhouding bekend is, moet men eerst de schuldige in het geheim daarover spreken, opdat zij hare fout erkenne, zich verbetere en haar misslag herstelle: het is slechts dau wanneer zij onze vermaning kwalijk opneemt en zich niet wil verbeteren, dat men er de Oversten over spreken moet.

Nooit mag men uit liefdelooze oogmerken eene fout openbaren, — het kwaad overdrijven , — datgene wat voor verschooning vatbaar is, ten kwade uitleggen, — noch datgene wat twijfelachipg is, voor zekerheid

ocr page 243

234

aannemen. Eene religieuze, die twijfelt of zij eenige fout harer medezusters al of niet moet openbaren, zal best doen, daaromtrent raad aan haren biechtvader te vragen; in alle geval moet zij eerst God bidden om wijsheid en voorzichtigheid.

III.

van

De geest van eigendom is ook eene der grootste oorzaken van de verslapping der naastenliefde, eene oorzaak, die des te gevaarlijker is, omdat men dien geest als zeer rechtmatig beschouwt.

In eene gemeente is eigenlijk niets ons eigendom, maar ons is de zorg opgedragen voor de voorwerpen die behooren tot de ons toevertrouwde bediening.

Het is de linnenkast, — de sacristie, — eene school, de bibliotheek, — de ziekekamer, enz.

Deze zorg wordt soms overdreven en verwekt ten laatste eene gehechtheid èn aan de bediening èn aan al derzelver toebehooren, en door deze gehechtheid ontstaat een gebrek dat men niet bij zijn waren

naam durft noemen, maar dat..... gierigheid heet,

en de gierigheid doodt de liefde.

Indien eene zuster God alleen zoekt in hare zorg om de haar toevertrouwde zaken te doen blinken van zindelijkheid en keurige ordelijkheid, indien haar eenig doel is God te toonen welk eene groote eer zij er aan hecht door Hem met die bediening belast te zijn, indien het geluk aan God te behooren elk

ocr page 244

235

andere persoonlijk gevoel beheersclit, zal de liefde in haar hart blijven wonen, en als eene zuster haar iets komt vragen, dat zij in gebruik heeft, zal zij het gaarne leenen. Doch is deze zuster aan hare bediening slechts gehecht uit eigenliefde en omdat deze naar haren smaak is, spreekt zij van mijne school, mijne sacristie, mijne bibliotheek, mijne kast, mijne leerlingen enz., helaas! dan is het de liefde niet meer die spreekt, maar de geest van eigendom, van gierigheid. Pas op, dat ge nergens aanraakt, waarover zij haar schepter zwaait, maak haar geene opmerking, zelfs de kleinsteniet, en vraag haar toch nooit het minste voorwerp ten gebruike.... Gij zoudt slecht ontvangen, teruggezonden worden, zij zou u beschuldigen altijd alles in wanorde te brengen, nooit iets terug te geven, van niets verstand te hebben...

En nochtans helpt de liefde zoo gaarne iedereen, en stelt zoo gaarne alles ter beschikking van haren evennaasten!

VI.

S)e zinne.'Cij.'ffficid o| tiijzondeze vzie-ndscha-p.

Door zinnelijkheid verstaan wij hier dat gevoel dat ons aanzet, ons op geheel natuurlijke wijze te hechten aan eene gezellin, die ons behaagt. In het eerst veronderstellen wij hierin niet het minste kioaad; het is eenvoudige neiging des harten, — eene overeen-

ocr page 245

236

komst van denkbeelden, die onze harten veréénigt, — eene vriendschap öf plotseling öf wel langzamerhand gevormd, die God niet uitsloot, doch Hem op de tweede plaats stelde, en geen ander doel had dan de behoefte des harten te voldoen.

Ziedaar wat men bijzondere vriendschap noemt, waarvan het gewoon uitwerksel is: de onderlinge liefde, die al de zusters aan elkander hecht, te vernietigen, t-de orde in de gemeente te storen, — de anderen te ontstichten, — aan de gehoorzaamheid te ontbreken, — in het geheim te handelen, — de ziel te beletten, de volmaaktheid van haren staat te bereiken — het hart uit te drogen voor de zaken, die God en zijne heilige liefde betreffen, — aan eene menigte hevige bekoringen bloot te stellen, — somtijds en maar al te dikwijls tot zwaren en vernederenden val te brengen. »Ik kan wel zeggen,quot; schrijft een prelaat, »hoe deze soort van vriendschap begint; ik kan, ik mag niet zeggen, hoe zij dikwijls geëindigd isquot;. Maar als eene religieuze begint aldus te beminnen of zich te laten beminnen, dat zij wel wete, dat zij reeds begint te sterven aan de ware liefde. Zij verlaat den zuiveren en vreedzaraen hemel der liefde om in eene luchtstreek van storm en onweder af te dalen. Zij vergiftigt zich zelve, en of zij het wille of niet, zij vergiftigt anderen. Satan mag gerust eene gemeente verlaten waar dergelijke vriendschap bestaat en geduld wordt, ook zonder hem zal zijn werk gedijen.

Wij zullen hier nog eenige bladzijden aanhalen van een oud schrijver, die zeer geschikt zijn om de ziel omtrent dit belangrijk punt te verlichten.

1. Al de genegenheid, die men te veel heeft voor ééne zuster, ontneemt men natuurlijk aan de anderen. Het hart dat vervuld, verzadigd is door deze liefde, vraagt niets meer. Het gevoelt geene

ocr page 246

,237

behoefte, de overige zusters te beminneu en door haar bemind te worden. Hoe meer deze genegenheid zich in één punt samentrekt, hoe sterker zij is; hoe meer voldoening zij de ziel schenkt, hoe meer deze zich bijgevolg vastkleeft; zij leeft geheel in één voorwerp, en ziedaar wat men hartstocht noemt. Alles behaagt wat tot dit ééne voorwerp terug voert; alles wat er van verwijdert, wordt tot last.

Wanneer de twee vriendinnen bij elkander zijn, laat het zich gemakkelijk begrijpen, hoe welkom degene zal zijn, die haar komt storen. Weldra worden de gedachten, de neigingen, de afkeer, de grieven, de klachten, de gebreken der ééne die der andere. Wij moeten in allen ootmoed erkennen, dat, wanneer wij ons te zeer met anderen veréénzelvigen, vooral als dit strijdt tegen Gods bevel, wij veel gemakkelijker hunne gebreken dan hunne deugden aannemen. Men maakt blindelings de belangen dergenen, met wie men zich.aldus verbindt, tot de zijne. Nooit hebben zij ongelijk, — nooit kunnen hunne tegenstanders gelijk hebben. Helaas! nu reeds hebben wij zooveel moeite onzen evennaasten het ongelijk, jegens ons bedreven, te vergeven. Wat zal het zijn als wij nog gemeene zaak met eene vriendin maken? Wat men haar misdoet, beschouwen wij als tegen ons misdaan en aldus zullen wij onze bekoringen tegen de liefde zien verdubbelen , en öf wij zullen dubbele kracht tot weerstand moeten bieden öf onze fouten tegen deze groote deugd zullen ook verdubbelen. En zonder dat deze neiging nog eene bepaald gevestigde bijzondere vriendschap is, zal dit nochtans het gevolg zijn van elke te natuurlijke neiging die wij voor iemand zullen gevoelen.

2. Is het niet in die vertrouwelijke gesprekken die deze twee vriendinnen dagelijks weten te voeren,

ocr page 247

238

dat men in alle vrijheid over den evennaasten spreekt? dat men gaarne zegt wat men weet of denkt? dat men de maat van achting of misachting bepaalt, die men hem toekent? dat men niet alleen zijn uitwendig gedrag, maar tot zijne geheimste meeningen oordeelt?

Is het daar niet, dat men met lichtzinnigheid, om het zachtste woord te gebruiken, het gedrag der Overste en biechtvader hekelt? dat men hunne vermaningen en handelingen ten kwaadste uitlegt? dat men ongunstige vergelijkingen maakt, waaruit de geest van opstand, van aanmatiging, van partijzucht met deszelfs treurige gevolgen ontstaan?

Men spaart daar ook den regel niet, waarvan men sommige punten kleingeestig, lastig vindt; hieruit volgen verachting der regelen, verslapping en dikwijls ongetrouwheid aan onze heilige roeping. Ook de wereld vindt vaak haar deel in deze vertrouwelijke gesprekken. Men vertelt zoo gaarne, wat men in de wereld ondervonden heeft, welke kennissen, welke vrienden men er had, welk een gemakkelijk, aangenaam leven men daar kon leiden, de aangename bezigheden, de schoone vooruitzichten, die ons eene schitterende toekomst voorspelden. Behalve dat deze gesprekken onze eigene, dierbare persoonlijkheid vleien, en de eigenliefde, die wij toch zoo moeielijk kunnen onderdrukken , meer opwekken, zullen zij ons ongevoeliglijk de wereld doen beminnen, betreuren, opzoeken en ons daardoor walging voor den religieuzen staat inboezemen.

3. Er is nog meer. Voor zijne vriendin verbergt men niets, men wil zelfs zijne conscientie voor haar bloot leggen. Het vertrouwen is zoo zoet! Daarom vertrouwt men haar zoo gaarne den afkeer, de moeielijkheden, de neigingen, ja zelfs de bekoringen

ocr page 248

239

en de diepste geheimea van het geweten; en daar de vriendschap van beide kanten dezelfde moet zijn, worden weldra de denk-, de ziens-, de handelwijze der ééne ook die der andere, en worden de inwendige gevoelens, de fouten en gebreken gemeenschappelijk kwaad. Indien men daarbij, zooals het gewoonlijk gaat elkander de vermaningen zijner Oversten mededeelt, maakt men die geheel nutteloos voor zich zelve. O welk een verlies, welk een misbruik der genade! Het goede zaad, dat God in onze harten strooit, moet, om vruchten te kunnen dragen, door de aarde bedekt worden. Indien wij, door onze onbescheiden mededeeling dat zaad bloot langs den weg leggen, kan het geen wortel schieten, geene vruchten voortbrengen. Door onze ongelukkige vertrouwelijkheid zullen wij er niet meer door getroffen worden, wij zullen er ons niet meer om bekommeren, en zy aan wie wij dit alles hebben medegedeeld, zal het zich tot plicht rekenen, haar gevoelen er over te zeggen, het te bespreken, te wijzigen. Zoo houdt men in de bron zelve reeds de genaden terug, die God bestemd had om ons te geleiden tot de volmaaktheid, die steeds het doel van ons streven moet zijn.

4. Er is nog een valstrik, waarvoor de zusters die zoo geneigd zijn haar hart weg te schenken, op hare hoede moeten zijn.

Het is mogelijk, dat er gevaar voor haar bestaat zelfs in de betrekkingen, die zij met hare Oversten hebben, en dat zij, in plaats van uit haren omgang met hen, vruchten van zaligheid te trekken, in plaats van aangemoedigd te worden tot voortgang in de deugd, zich laten medeslepen door hare neiging tot zinnelijke vriendschap, in de geestelijke leiding slechts het zoete genot van het vertrouwen, de teederheid

ocr page 249

240

der vriendschap, liet vermaak van belangstelling te toonen en in te boezemen zoeken en op die wijze de bron vergiftigen van die hulp, die God haar had beschikt. Dat een weinig ernst en gestrengheid in degenen, die u bestieren, u dus niet afschrikke; hierin ligt uwe veiligheid!

Helaas! onze zwakheid is zoo groot dat wij zoowel schipbreuk kunnen lijden op de klippen van het vertrouwen als op die der vooringenomenheid!

Zij derhalve, die de volmaaktheid van haren staat behartigen, moeten met de grootste zorg haar hart bewaren voor alle menschelijke gehechtheid en alle bijzondere vriendschap, die de lielde welke Jezus ons gebiedt, volkomen vernietigen. Nimmer mogen zij vergeten, dat de meesters van het geestelijk leven deze aangekleefdheden steeds met den naam van de pest der Communauteiten bestempeld hebben...

V.

SaaMc zaadyamp;vinyzn.

De deugd wordt nooit beter geleerd, zeggen de Heiligen, dan in de beoefening, doch men verkrijgt de deugd slechts naarmate de begeerte om ze te verkrijgen groot is ia ons hart.

Deze begeerte naar de deugd bestaat dan slechts als wij haar beminnen, en men bemint de deugd slechts naarmate men haar acht.

ocr page 250

241

Wat wij tot dusverre gezegd hebben, is ons eracbtens, wel in staat, ons de naastenliefde te doen achten en beoefenen; doch ziehier nog eenige gedachten, die de goede voornemens zullen bevestigen, u zeker door God ingeboezemd.

1. Onthoud wel, dat het zender liefde onmogelijk is, God te behagen. Het gebod van liefde is het gebod van Jezus-Christus zelf.

Er bestaan graden in de deugd der naastenliefde: eenige zijn slechts aangeraden, zooals: onzen naasten de voorkeur horen onszelven te geven; nooit te weigeren, iets voor den evennaasten te doen of te lijden; — zijn leven desnoods veil te hebben voor het leven van zijn evennaasten.

Een graad van liefde is volstrekt noodzakelijk; deze graad is zijn evennaasten als zich zeiven beminnen.

Bemint gij uw evennaasten gelijk uzelve, dan voldoet gij aan uw plicht; indien gij aldus niet bemint , ontbreekt gij aan de wet der liefde.

2. Elke hetzij goddelijke of zedelijke deugd dient om ons de liefde te doen verkrijgen, en het is in de liefde, zegt de H. Thomas, dat de volmaaktheid van het christelijk leven gelegen is. Pas dus wel op, gij die u een gewetensbezwaar maakt, soms in nauwgezetheid te ontbreken, — zelfs voor een liefdewerk een deel uwer gebeden achter te laten, — die zoo ijverig zijt uwe zusters voor eene kleine overtreding te berispen, — die zoo hardnekkig eene u noodige dispensatie weigert, — die zoo vasthoudt aan kleinigheden , — maar die wetens en willens streng zijt in uw oordeel, — halsstarrig in uwe verbolgenheid jegens eene zuster, die u eenigszins gekrenkt heeft, — die stuursch uwe waardigheid verdedigt, — gebiedend uwe rechten doet gelden, — die met minachting

10

ocr page 251

242

nederziet op degenen, die minder talent dan gij hebben , en afgunstig zijt jegens degenen wier pogingen beter slagen, — die gaarne de fouten en gebreken van anderen doet uitkomen; — pas op en zie wel toe, of gij datgene wat slechts raad is, niet stelt boven datgene wat een streng gebod is.

3. Het gebod der liefde moet geschreven staan in ons hart; en, evenals men nooit kan zeggen, dat men God te veel bemint, wat men ook moge doen, zoo kan men evenmin ooit zeggen, dat men zijn evennaasten te veel bemint, want de liefde heeft geene grenzen. Wel kan men te ver gaan in uiterlijke liefdebetooning, doch nooit zal men te ver gaan in de liefde zelve, die innig verknocht is aan de welwillendheid des harten. Beminnen wij dus onzen evennaasten, zooveel het ons slechts mogelijk is; nooit zullen wij de grenzen van het gebod overschrijden; doch wij zullen altyd moeten zeggen: Wij hehhen slechts gedaan wat wij verschuldigd waren. (Lcc^e XVII, 10.)

Wij herhalen nog wat wij gezegd hebben omtrent de noodzakelijkheid van onze liefde tot eene bovennatuurlijke liefde te verheffen, hetgeen vooral van belang is voor die zielen, die een gevoelig en toegenegen hart hebben, zich zeer gemakkelijk hechten, en voor wie zich opofferen, minzaam zijn en genegenheid betuigen eene tweede natuur geworden zijn.

Het is niet juist de liefde van loutere toegenegenheid des harten, die de wet des Evangelies ons gebiedt, maar de echte naastenliefde, die God tot doel heeft, die den evennaaste slechts door en in God bemint, omdat hij door zijn naasten te beminnen aan God gehoorzaamt. Men moge de menschen op natuurlijke wijze beminnen, zooveel men wil; zonder God dient deze liefde niet ter zaligheid.

ocr page 252

243

De liefde, die ten Hemel voert, is eene werking van den H. Geest, waardoor onze wil zich uit liefde tot God aan den dienst van den evennaasten wijdt. Deze liefde is eene gave Gods, en, zegt de H. Augus-tinus, men moet die met aandrang aan den Heer vragen. Indien wij onzen naasten niet beminnen gelijk het behoort, zoo komt dit omdat wij bijna nooit aan God de genade vragen van te mogen he-minnen gelijk Hij wil dat wij beminnen.

Artikel 4.

XSelooning? naaistenliefile»

Mijn God, zegde een Heilige, waarom beminnen wij elkander niet gelijk Gij het ons gebiedt? ach, voegde hij er na een oogenblik nadenkens bij, het zou al te schoon zijn; wij zouden den hemel niets meer te benijden hebben.

Elkander beminnen, zooals Jezus-Christus wil, is voor elkander zijn wat eene moeder is voor haar kind, vol oplettendheid voor alles wat het nuttig of aangenaam kan zijn, levende door zijn leven, lijdende door zijne smarten, genietende door zijne vreugde!

Elkander beminnen zooals Jezus-Christus wil, is voor elkander die teedere zorg hebben, die eene brave en liefdevolle dochter voor hare zieke of lijdende moeder heeft, des nachts bij haar wakende, op den dag haar niet verlatende, door een blik of een wenk hare behoeften radende; en al zou zij zelfs er bij nedervallen, nooit zal zij zeggen, ik hen moede.

ocr page 253

244

Elkander beminnen zooals Jezus-Christus wil, is elkander de genegenheid toedragen die twee zusters voor elkander hebben, die met vreugde alle lief en leed en al wat zij bezitten, met elkander deelen.

Elkander beminnen gelijk Jezus-Christus wil, is voor de ziel van anderen zijn wat de missionaris is voor de ziel van een vreemdeling; hij verlaat alles om die ziel te onderwijzen, te zuiveren, te heiligen; wat de H. Vincentius van Paulo was voor de weezen, de zondaars, de veriatenen; wat de liefdezuster is voor al degenen tot wie de gehoorzaamheid haar zendt; — wat Jezus-Christus geweest is, die zijn leven en zijn bloed voor ons heeft gegeven; wat die goddelijke Zaligmaker nog voor ons is, die, terwijl wij Hem vergeten en ons van zijne weldaden bedienen om Hem te vergrammen, ons altijd blijft beminnen, verdragen, voorkomen, met weldaden overladen en bij het eerste teeken van berouw ons zijne vriendschap en zijne dierbaarste gunsten terugschenkt. O ja, het zou te schoon zijn!

En zou dib nochtans niet zyn wat God van ons vraagt? Zou elk jeugdig meisje dat verlangt in het klooster te treden, dit alles niet zoo verwachten in die gemeente, waarvan zij lid wil worden? Is het niet aldus dat zij zich voorstelt te wezen voor de medezusters, die God haar geven zal ? Aan den voet des tabernakels heeft zij het religieuze leven bestudeerd, zij heeft de leer van Jezus-Christus en der heiligen overwogen en zij is zoo overtuigd dat de geest van liefde en opoffering de kern van het religieuze leven is, dat zij er aan zou verzaken als zij zou veronderstellen dat men elkander daar niet bemint, zooals Jezus-Christus voorschrijft.

Het zou zeker ons van tijd tot tijd vermoeienis

ocr page 254

245

veroorzaken, ons altijd voor anderen op te offeren; het zou arbeid kosten, altijd zijne eigenliefde te onderdrukken, zich als de dienstmaagd van anderen te beschouwen en als zoodanig te handelen; doch hoe rijk is de belooning voor die vermoeienis, voor dien arbeid weggelegd!

Weet gij wat God bereidt voor de zielen, die zich geheel voor de naastenliefde opofferen?

Zij worden goede, gelukkige, innig met elkander veréénigde zielen.

I.

beoefenen dez naastcwtic^Be inaaamp;t ono yozdaatdiy.

De religieuze, welke zich op de naastenliefde toelegt, wordt oprecht goedaardig, dat wil zeggen dat zij behoefte gevoelt om goed te doen, dan zelfs als zij niet de minste belooning daarvoor te wachten heeft, — om zich op te offeren, — de fouten harer medezusters te verontschuldigen, — datgene wat haar grieft, op de minst ongunstige wijze uit te leggen, — gaarne te vergeven, — slechts met weerzin te bestraffen, — in één woord alle deugden te bezitten, die haar op aarde meest aan God gelijk kunnen maken.

Immers God wordt slechts de goedheid zelve genoemd, omdat Hij de liefde bij uitnemendheid is. Evenzoo is het met Jezus-Christus, met de H. Maagd

ocr page 255

246

Maria, met de Engelen en Heiligen des hemels. Het is de liefde en de liefde alleen, die al de uren van hun leven zoo verdienstelijk heeft gemaakt.

Toen God het hart van den mensch vormde, zegt Bossuet, plaatste Hij daarin eerst een grond van goedheid als het eerste kenmerk der goddelijke natuur. Deze grond van goedheid, — die onuitputbare mijn wordt door de naastenliefde bewerkt, en het is daaruit dat zij elk uur van den dag eene nieuwe oefening van liefde trekt.

Indien wij gedurende eenigen tijd geen enkel liefdewerk weigerden, dat wij kunnen verrichten, zouden wij ondervinden, dat de goedheid als eene tweede natuur voor ons zou worden; en wij zouden dit woord eens wijsgeers begrijpen: Om altijd goed genoeg te zijn, moet men somwijlen te goed zijn.

11.

3Cci dct 'naasicnficfdc

ons ycCufiamp;icf,.

De religieuze, die de naastenliefde beoefent, wordt gelukkig.

1. Omdat zij, volgens het onfeilbaar woord van Jezus-Christus, verzekerd is, dat God met haar zal doen gelijk zij met anderen gedaan heeft, dat God haar zelfs al datgene geven zal, wat zij oprecht aan hare zusters gewenscht heeft. Zoo zal eene religeuze, die zich toelegt overal rondom zich wel te doen, te stichten, dienst te bewijzen, beloond worden voor al

W£ we vo Zc wlt; ve

zij

st dc

zi

zi

\ii

amp;

tr m is ei

n

zt d^ li

le zi ii u

d

is

gt; a

ocr page 256

, 247

wat zij gedaan heeft, al zouden ook al hare daden eii -werken mislukken. Hoe zou zij dan niet in eeu voortdurenden vrede, in eene bestendige vreugde leven V Zou zij niet hopen, dat hare zonden vergeven zullen worden, zij die zoo gaarne vergeeft? Zou zij niet vertrouwen al de genaden te verkrijgen die zij hoopt, zij die nooit iets weigert? Zou zij vooral niet gerust sterven bij de gedachte, dat zij zal geoordeeld worden door Hem, die beloofd heeft, voor haar te zijn wat zij voor anderen geioeest is?

Zij is vooral gelukkig omdat, indien de overige zusters door haar voorbeeld aangemoedigd, de naastenliefde beoefenen, de gemeente een ivaur paradijs wordt.

2. De religieuze, die de naastenliefde beoefent, is gelukkig, al zou zij slechts die deugd alleen betrachten ; want deze bevat in zich eene zoetheid, die men in geene andere deugdoefening vindt. Het hart is geschapen om te beminnen; en wanneer het bemint en zich voor anderen opoffert, is het voldaan.

Als men bemint, zegt de H. Augustinus, lijdt men niet, of als men lijdt, dan bemint men zijn lijden.

Ziedaar, waarom Jezus-Christus zegt; Mijn juk is zoet en mijn last is licht, (Matth. XI. 30). De wet des Heeren is eene wet van liefde, en wat men uit liefde doet, doet men gaarne.

En dit geluk staat op het gelaat te lezen, — men leest het in het oog, — men hoort het door de minzaamheid der woorden, —- men bemerkt het in die innige vreugde des harten, dat, volgens de schoone uitdrukking der H. Schrift, leeft als in een voortdurend feest, (Ps. LXVII. 3).

En dat geluk verdrijft de verveling, die het deel is van harten, die altijd aan zich zeiven en nooit aan anderen denken.

ocr page 257

248

Het verdrijft de zwaarmoedigheid, dien treurigen toestand der ziel, die, door zwarte wolken omgeven, door geen zonnestraal verwarmd kan worden, en den duivel toestaat, in de duisternis zijne zinnelijke gedachten tot het hart te doen doordringen.

Gelukkig zijn is de gewone toestand der ziel, die zich weet op te offeren, en een gelukkig hart maakt zijne omgeving gelukkig.

III.

3Cet beoefenen dez -Cicade vezeznicj.t de ftazten.

De liefde doet in eene gemeente dien geest van eensgezindheid heerschen, die voor degenen, die samen moeten leven, is wat de lucht is voor onze longen, — wat de warmte is voor onze ledematen, — de ééns-gezindheid , die iederéén het leven aangenaam maakt, waardoor men vrij een dienst vraagt en aanneemt, een goeden raad durft geven, en zonder bitsheid eene aanmerking ontvangt.

Die geest leeft door de goede trouw, waarmede men geeft, ontvangt en vraagt.

Door het vertrouwen, daar men nooit de goede gezindheid van haar, die men moeder of zuster noemt, in twijfel trekt, en zich verzekerd houdt dat, evenmin als men anderen leed wil doen, anderen ons iets willen doen lijden.

ocr page 258

, 249

Die geest leeft vooral door de dankbaarheid. Niets is zoo aangenaam in eene gemeente dan te denken, dat zij, die met ons leven, ons vele weldaden hebben bewezen en bereid zijn ons nog meer goed te doen; niets is zoeter dan te denken aan al de liefde, de goedheid, die onze Oversten en zusters ons steeds bewezen hebben. Ja, het is goad en aangenaam te leven in eeu luchtkring van welwillendheid, te midden van personen, die ons dierbaar zijn, die God heeft uitverkoren, waarop men in alle omstandheden rekenen kan en die, om zoo te zeggen, door God gelast zijn, ons is alles te helpen en ons getrouw te zijn in leven en dood.

Welnu, religieuzen, het is in dien luchtkring dat gij leeft!

Leeft dan gelukkig. God en elkander liefhebbende met al de krachten uwer ziel.

GkBEL OM GOEDHEID EN ZliLrOPOFFERlNG TE TE11KKIJGEN.

O Jezus, gij die in ons midden wilt verblijven, in het H. Sacrament uwer liefde verborgen, Jezus, die daar wezenlijk en waarachtig tegenwoordig zijt, doch die door uwe woorden en handelingen de menschen niet meer gelijk gedurende uw leven uwe goedheid kunt doen gevoelen, —ik kom mij aanbieden, opdat Gij, door uwe goedheid, mij zoodanig zoudt doordringen van uwe liefde voor de stervelingen, dat al de ledematen mijns lichaams en al de vermogens

ocr page 259

250

niijnei' ziel in uwe hand werktuigen mogen worden om al het goede op aarde te verspreiden dat Gij den menschen zoo gaarne deedt, gedurende den tijd dat Gij op aarde hebt rondgewandeld.

O Jezus, die van allen verlaten in den hof van Olijven, door een engel moest versterkten bemoedigd worden, Jezus, die weet dat er thans zijn die, even als Gij, op aarde noch steun, noch troost, noch bemoediging vinden, zend hun een engel om hun een weinig troost en vreugde mede te deelen. O ware het

o o

mij gegeven, die engel te zijn!

Mijn Jezus, wat zou ik daarvoor moeten lijden?

O, indien ik door het lijden van eenige inwendige of uitwendige smart het voorrecht mocht verkrijgen, al ware het slechts voor korten tijd die vertroostende engel te zijn, zoo bid ik ü, mij dit lijden over te zenden, o Jezus, hoe bitter het ook moge zijn!

O Jezus, Gij die harten zoekt om aan de zielen de liefde mede te deelen, die gij haar toedi-aagt, — harten om aan degenen die verlaten en verstooten worden, te zeggen, dat Gij ze niet verlaat, — aan de zondaars, dat Gij ze niet veracht, — aan de vrees-achtigen, dat Gij ze beschermt, — o Jezus, neem mijn hart en geef mij woorden van kracht, van liefde, van welwillendheid, van vergeving. Geef dat ik eiken dag als verloren beschouwe, dien ik voorbij zou laten gaan zonder van uwe goedheid te spreken, — zonder de eene of andere ziel vertroost of bemoedigd te hebben, — zonder althans uwen heiligen Naam door een kind te hebben doen zegenen en liefdevol uitspreken.

ocr page 260

251

O Jezus, zoo geduldig voor degenen, die u door liunne lastigheid en hunne onwetendheid vermoeiden,— Jezus, zoo minzaam en welwillend de zelfde lessen herhalende, het uur der genade afwachtende, — o Jezus, maak mij geduldig om te luisteren, geduldig om te onderwijzen, geduldig om steeds te herhalen, opnieuw te beginnen, zij het drie, zij het twintig, zij het honderdmaal.

Geef mij de kracht om steeds minzaam te zijn wanneer men mij lastig valt; en mocht de natuur zich een oogenblik vergeten, geef mij dan ootmoed genoeg om mijne fout door een vriendelijk woord te herstellen.

O Jezus, die aan den weg nedergezeten, met goddelijke goedheid de gelegenheid bespieddet om wel te doen, — die eenvoudig een dienst vraagdet om de ziel der arme Samaritaansche vrouw tot u te trekken, , geef my de genade om het lijden te raden dat de vrees soms verbergt; geef mij eene eenvoudige, heilige, moedige behendigheid om zielen voor u te winnen, en olie en wijn te gieten cp de wonde, die Gij mij hebt doen ontdekken.

O Jezus, die een getrouwen rentmeester zoekt om uwe schatten uit te deelen, — geef, geef mij veel, opdat ik veel moge geven, ■—- neem mijne handen om uwe aalmoezen uit te reiken, neem ze opdat zij, gelijk de uwe, toen gij de voeten uwer Apostelen wiescht, ter beschikking van allen, — werkende voor allen, — allen tot hulp mogen zijn. Geef dat ik

4

ocr page 261

252

nooit vergete, dat ik, gelijk Gij, op aarde ben, niet om gediend te worden, maar om te dienen. — Geef dat ik worde gelijk de fontein aan den weg geplaatst, waar ieder zich kan komen verfrisschen, als de boom langs den weg, die niemand toehoort en die den voorbijganger zijne rijk beladen takken aanbiedt, die ter aarde buigen onder liet gewicht hunner vruchten.

* *

*

O Jezus, die de zielen zoo vurig bemint, en zonder aanzien van uiterlijke vormen van schoonheid of karakter in haar slechts de teederbeminde kinderen van God ziet, — o geef mij, dat ik in al degenen met wie ik omga, steeds hare ziel moge zien, hare ziel moge beminnen, slechts wel moge doen met het oog op die ziel, o mijn Jezus, voor welke Gij uw leven hebt opgeofferd, die U, even als ik, haar Vader noemt, en met wie ik hoop in alle eeuwigheid in uw heilig en goddelijk Hart vereenigd te leven. '

Amen.

ocr page 262

)en,

weg

Zi TWEEDE DEEL.

keu

icht verplichtingen van den Religieuzen Staat.

TWEEDE GEDEELTE.

Qen STR1JDES, - LIJOES, - GEOOORZiMEN, - B1DDE5.

are I

het uw aar eid

Tweede verpUclxtingf-van de Reliijieiizeii

Strijden.

Beminnen, zogden wij, is de verplichting bij uitnemendheid der Religieuze. Het doeleinde van den Religieuzen Staat, zegt de H. Thomas, is de volmaaktheid der liefde.

Beminnen, zegden wij nog, is zich geheel aan God, aan God alleen geven; vervolgens, door Gods hevel op die wijze en naar die mate die God wil, zich aan den evennaaste toewijden.

Beminnen is een voortdurend streven om zijn wil met den wil van God te veréénigen, ten einde hier op aarde zijne getrouwe en toegeuegene dienstmaagd te zijn, zoodat men, zonder de minste aarzeling, wille

ocr page 263

254

al wat God wil, — ia vrede en met vreugde aanneme al wat Hij toelaat, — gaarne doe wat Hij ons door zich zelveu of door degenen, die Hij over ons stelt, gebiedt, met het doel om zijne almacht, zyne wijsheid, zijne goedheid te erkennen en Hem de grootste glorie te verschaffen, waartoe een geschapen wezen hier op aarde bekwaam is.

Die liefde, welke ons met vrijen wil en volle genegenheid onder de afhankelijkheid van God plaatst, is zeer gemakkelijk voor de Engelen des hemels, voor de Heiligen, die Gods glorie genieten; zij was gemakkelijk voor de allerheiligste Maagd Maria, toen zij nog op deze wereld leefde; maar voor ons, o, wat is zij moeielijk!

»Die liefde,quot; zegt Mgr. Gay, »heeft talrijke, » machtige, onderling verbonden, onverbiddelijke vijan-gt; den: De duivel, de wereld, het vleesch, de zonde gt;onder alle namen, onder duizend vormen, met »verbazende strijdkrachten! Dit alles, onder welk » kleed het zich ook moge verbergen, is eene werkelijke «tegenspraak der liefde en is in den grond: de haat. gt;De liefde ontmoet dien minder of meer hier beneden, gt;doch zij moet dien overal uitdrijven.quot;

De haat, dat wil zeggen, de duivel, want de duivel is degene die niet bemint, tracht voortdurend ons streven naar God te weerhouden, te verlammen, af te wenden; dat streven ons ingestort bij het H. Doopsel, aan ons vooral, die ons zoo dikwijls mogen voeden met het vleesch van Jezus-Ghristus en zoo vurig verlangen met Hem in den Hemel vereenigd te worden. — De duivel vermenigvuldigt rond ons hinderlagen van allerlei aard:

Hinderlagen voortkomende uit onze door de erfzonde bedorven natuur, die ons vooral baatzuchtig maakt,

ocr page 264

255

hinderlagen voortkomende uit alle, zelfs uit de heiligste schepselen, waarvoor de duivel in ons genegenheden opwekt, die ons hart kunnen bezoedelen; of afkeer, waardoor wij ons van onzen evennaasten en bijgevolg van God verwijderen.

Om te beminnen, dat wil zeggen, om zich aan God en aan zijn eoennaasten om God en volgens God toe te wijden, moet men dus strijden en onophoudelijk strijden.

Het doel des levens is de liefde tot God; welnu, daar het leven een onophoudelijk streven naar het doeleinde is, en de weg die tot dat doeleinde leidt, door hinderpalen belemmerd wordt, zoo moeten wij al onze pogingen aanwenden om die door een ernstigen strijd te overwinnen; — waaruit men mag besluiten, dat om heilig te worden men vooral kracht en moed moet hebben.

Strijden is dus de tweede verplichting der religieuze.

Ons beperkende tot datgene wat deze bijzonder betreft, gaan wij aantoonen:

1°. De noodzakelijkheid van dezen strijd.

2°. De wijze, waarop men moet strijden.

3°. De vijanden, die men moet bestrijden.

isle i^OOIFIDSTXJIK;,

De noodzaJkeiyklieül van deasen. strytl.

Strijden is noodzakelijk voor alle menschen; het leven des menschen op aarde is een voortdurende strijd. (Job VU, 1). Hij, die niet strijdt, verdient den onteerenden naam van lafaard en wordt langzamer-

ocr page 265

256

hand de slaaf der zonden, der afschuwelijkste en wreedste hartstochten.

Wij zeggen dus:

1°. Het is voor alle menschen noodzakelijk te strijden. 2°. Het is vooral voor elke religieuze noodzakelijk te strijden.

1.

De strijd is noodzakelijk voor alle menschen.

Deze noodzakelijkheid is gegrond:

1°. Op den toestand, waarin de zonde onze natuur

gebracht heeft.

God had den mensch geschapen in volmaakten toestand: zijn verstand, door geene enkele dwaling verduisterd, kende al wat hij noodig had te kennen; — zijn wil, door geen enkele kwade begeerte bedorven, beminde wat hij moest beminnen, en volgde zonder moeite en zonder weerzin het licht der waarheid; — zijne zintuigen stonden volkomen onder het bedwang van zijnen wil, kenden geen weerstand en werden door geen enkelen hartstocht geslingerd. Ia dien toestand zou de mensch natuurlijk God en voor en door God zijn evennaasten bemind hebben, hij kon, gelijk Eva en Adam, tot het kwaad worden verlokt, doch eene enkele poging van den wil ware voldoende geweest om de bekoring te overwinnen.

zaken komen omver

werpen; en se „ t 's menschen verstand,

verduisterd en van zijne schoonste lichtstralen beroofd, strijden om de waarheid te kennen;—zijn wil, gewikkeld in de ongeregelde liefde der schepselen, en slaafs onderworpen aan de begeerlijkheid, die hem bij na ondanks zich zei ven tot het kwaad aanspoort,

ocr page 266

257

moet strijden om onderworpen te blijven aan Gods geboden; — zijne zintuigen, door de verbeelding en door de driften, die tegen de rede waren opgestaan , opgewekt, moeten strijden om zich rein en waardig te bewaren.

Het H. Doopsel heeft zeker den vloek, dien de zonde op ons getrokken bad, doen verdwijnen; doch hetzij om onzen hoogmoed neder te drukken, om onze deugd te beproeven, of ons in eene voortdurende afhankelijkheid zijner genade te bewaren, heeft God in ons een wortel van bederf, eene neiging tot het kwade laten bestaan, als een wreed en verschrikkelijk vijand, waarmede wij een voortdurenden strijd moeten voeren, hetgeen den H. Paulus met een gevoel van diepe nederigheid deed zeggen: Ach! wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods? (Rom. VII, 24.) Wie zal mij ontdoen van die schandelijke slavernij en mij de vrijheid schenken, waarnaar ik verlang? Ik doe het goede niet dat ik doen wil, en ik doe het kwade dat ik niet wilf (Rom. VII, 19.)

Wij allen ondervinden meer of minder, wat de H. Paulus ondervond. Wij allen hebben, even als hij, te worstelen tegen dien zoo vernederenden in-wendigen strijd. Zij die gedoopt zijn, leert ons het Concilie van Trente, behouden nog in zich den brand der hegeerlijkheid, waartegen zij voortdurend moften strijden, en die voor hen eene iron van verdiensten, loordt, als zij door de genade van Jezus- Christus moedig iveerstaan; want men wordt slechts gekroond na edeTmoedig gestreden te hebben. (Sess. V. Can. V.)

Deze noodzakelijkheid van te strijden is gegrond:

2°. Op de menigte vijanden, die ons aanvallen, en slechts één doel hebben, te weten ons te verdelgen,

17

ocr page 267

258

naar het lichaam; — ons van ons laatste doeleinde, de vereeniging met God, af te trekken naar de ziel.

Van huiten zijn wij door vijanden omringd.

Van hinnen zijn wij met vijanden vervuld.

I. Onze lichamelijke vijanden zijn:

Van buiten de koude, de warmte, de verpestende uitwasemingen, de vergiftige dampen der lucht.

Van hinnen de honger , de dorst, al de ziekten, die uit het bloed voortkomen ...

Indien wij geene voorzorgen nemen, indien wij niet eiken dag, ja elk oogenblik strijden, indien wij niet telkens de schade herstellen ons door deze vijanden toegebracht, gevoelen wij langzamerhand eene alge-meene verzwakking, vervolgens eene ware ongesteldheid, een lijdenden toestand, de gevoelloosheid en eindelijk den dood.

II. Onze geestelijke vijanden zijn:

Van huiten. De H. Paulus leert ons, ons te wapenen tegen de belagingen en aanvallen des duivels. Want wij hebben den strijd, zegt hij, tegen de Overheden en Magten, tegen de wereldbeheerschers dezer duisternis, tegen de booze geesten in het hovenaardsche. (Eph. VI, 12.)

Elk schepsel is tengevolge der erfzonde, die op ieder hunner gelijk op ons drukt, of de verklaarde vijand onzer ziel of ten minste een gevaar, en kan door de begeerlijkheid, die in ons verblijft, ons tot val brengen; zoo kan de schoonheid die bekoort, de warmte die ontwikkelt, — de vrucht die voedt, het kleed dat ons dekt, voor onze ziel eene oorzaak tot val worden.

Van binnen. Daar vindt men die drievoudige kiem, door den H. Johannes aangeduid onder den naam van begeerlijkheid, waarvan wij reeds gesproken

ocr page 268

259

hebben: de begeerlijkheid der oogen, de gierigheid; de begeerlijkheid des vleesches, de zinnelijkheid; de begeerlijkheid des geestes, de hoogmoed, — een voortdurende vijand des te vreeselijker, omdat hij zich onder een zachten, bekoorlijken vorm voordoet en zich als onmisbaar doet beschouwen.

Indien wij geeue voorzorgen nemen, indien wij niet eiken dag, ja elk uur strijden, indien wij niet telkens de schade herstellen ons door die vijanden toegebracht, gevoelen wij langzamerhand de kracht onzer ziel verminderen, hare onschuld verdwijnen, de zonde haar overmeesteren, haar doordringen, haar den dood toebrengen.

Hebt gij ooit een lijk beschouwd, dat men aan de vernieling heoft overgelaten?

Van huiten wordt het afgeknaagd door eene menigte insecten, die het langzaam verslinden.

Van binnen voltooien andere insecten langzaam hun werk van vernieling.

Ziedaar het beeld eener ziel die niet zou strijden. De verslindende insecten, die het lijk afknagen, zijn de hartstochten; wij geven die ook een anderen naam, die wel is waar zachter klinkt, doch even krachtig is: neigingen.

Eene neiging is eene kracht, die ons trekt naar het geen ons behaagt en vleit, en ons dit doet voorkomen als noodzakelijk tot ons welzyn, ja, tot behoud van ons leven.

Die neigingen bestaan in ons en zonder ons. Zij groeien aan, naarmate wij haar laten heerschen, en langzamerhand overmeesteren zij ons zoodanig dat zij ons aan de dieren gelijk maken.

Dp dieren handelen slechts volgens hunne neigingen. De mensch is met rede begaafd, om ze te weer-

ocr page 269

260

houden, te onderdrukken; maar sedert den zondeval van onze eerste ouders is onze rede zeer zwak; als zij niet door de goddeljike hulp versterkt wordt, zal zij weldra onmachtig worden om den mensch te weerhouden , die zich door zijne zinnen laat medeslepen.

II.

Deze strijd is vooral noodzakelijk voor de religieuze.

Deze noodzakelijkheid is zeker de zelfde voor de religieuze als voor ieder christen; om de zelfde reden moet zij strijden tegen hare eigene zinnelijkheid en tegen de aanlokselen der schepselen, die zoeken haar van God te verwijderen; — maar hare hoedanigheid van religieuze verplicht haar meer bijzonder tot dezen strijd, omdat haar roep haar verplicht tot eene grootere liefde tot God, die eene grootere onthechting van zich zelve vraagt, en omdat de duivel die haar hijzonder haat, zijne pogingen, zijne bekoringen en inblazingen verdubbelt om haar te doen vallen.

De duivel haat God, en die haat toont zich bijzonder in al hetgeen God meer bijzonder toebehoort.

I. De zonde door eene religieuze begaan, kan, indien deze hare HH. Geloften niet aanrandt, in zich zelve niet zwaarder zijn dau de zonde door anderen begaan; maar zij is meer beleedigend voor God, en kan in de christelijke maatschappij een onherstel-baren indruk maken.

Is die zonde doodelijk, zoo wordt zij voorafgegaan door eene grootere kennis, waardoor zij een geheel bijzonder kenmerk van iceerstand aanneemt; — zij gaat vergezeld van eene grootere ondankbaarheid, waardoor zij een kenmerk van grootere kwaadwilligheid aanneemt; — zij wordt gevolgd door eene rechtvaardige

ocr page 270

261

verbittering vau deu kant van Jezus, die recht had, meer eerbied en gehoorzaamheid te verwachten; — zy kan de oorzaak worden van eene groote ergernis, het geloof doen wankelen, de boosaardigen doen zegevieren en verderf rond zich zaaien.

Daarom woedt de duivel tegen de zielen, die God toegewijd zijn, en bekoort haar meer, en op eene meer kiesche en aanhoudende wijze dan anderen. Hij zegepraalt, zoo vaak hij eene religieuze doodelijk doet zondigen; hij daagt, om zoo te zeggen, God uit, tot wien hij dan kan zeggen: Zie, na alles wat Gij voor die ziel gedaan hebt, bemint zij mij meer dan U!

II. Hoewel het, Gode zij dank, slechts zeer zelden gebeurt, dat de duivel eene religieuze in eene doodzonde doet vallen, bekoort hij haar niettemin hevig, en heeft hierin ten doel:

1°. Haar de deugd moeielijh, het juk des Heeren zwaar, drukkend, ondragelijk te maken, haar het kalme, aangename leven dat zij bij hare familie leidde, te doen betreuren, en haar ten minste den tijd te doen verliezen: » Als de duivel bemerkt, dat eene ziel hem gaat ontsnappen,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, » zoekt hij ten minste, haar te vermoeien, door bekoringen te kwellen en den tijd te doen verliezen.quot;

2°. Haar van het gebed af te trekken en haar hare oefeningen van godsvrucht te doen verzuimen.

O O

Om te kunnen bidden heeft men kalmte en vrede noodig. Als men door bekoringen gekweld wordt, als men twijfelt of men God beleedigd heeft, dan wordt het gebed moeielijk, men durft niet tot God gaan, men lijdt veel gedurende de godvruchtige oefeningen, men laat ze achter, en door dit verzuim doet men de bron der genaden uitdrogen.

ocr page 271

262

8°. Tiaar van de H. Communie te verwijderen.

De religieuze, onder den invloed der bekoring, niet wetende in hoever zij al dan niet heeft toegestemd, ontstelt, verontrust, ontmoedigt zich, durft, niet meer tot Jezus naderen en verwydert zich van de H. Tafel. De duivel zegeviert, want hij kent de groote genade, waarvan die arme ziel zich berooft, — Vooral voor de religieuze geldt het woord; Men kan de gevolgen niet berekenen, die e'éne H. Communie vlinder in eene ziel teweeg brengt.

4°. Haar karakter te bederven. Eene bijna voortdurende bekoring ontstelt, verveelt, verbittert, bedroeit en verontrust. — Men werkt met moeite, vertoornt zich om het minste woord, men kwetst telkens de liefde, men vernietigt den religieuzen geest in zich en rondom zich.

5°. Haar geweten te vervalschen en te bederven, haar in twijfel en gewetensangst te werpen.

Deze toestand is vreeselijk; hij verblindt het oordeel, verwijdert van de HH. Sacramenten, verdooft de vreugde, verwoest den vrede, verwart het verstand, en geleidt eindelijk tot krankzinnigheid of losbandigheid.

Het doel, dat de duivel zich voorstelt, is zwakke zielen daarheen te voeren; hij toont haar overal de zonde, en doet haar gewetensangst als eene deugd die hij kieschheid van geweten noemt, beschouwen , hij doet haar hart uitdrogen, verwijdert haar van de biecht en H. Communie, onder voorwendsel dat zij die slecht doet, en maakt zich aldus meester van haar geheel bestaan.

6°. Hare krachten te ondermijnen, haar de gezondheid te doen verliezen, haar onnuttig te maken voor hare Communauteit. Dit is een langzaam, doch onfeilbaar uitwerksel van die gedurige spanning

ocr page 272

, 263

van den geest, van den gewetensangst, van de overdreven vrees God te mishagen. Men verliest eetlust, slaap en vroolijkheid, en leeft zich zelve en anderen tot last.

III. Begrijpt gij nu, waarom de geestelijke strijd ons zoo dringend wordt aanbevolen?

1. Door Jezus-Christus, die, wetende hoe noodzakelijk deze strijd voor ons is, ons daartoe aanzet, ons verzekerende dat de hemel slechts voor hem is die gestreden zal hebben. — Hij zegt ons, dat wij moeten waken en bidden om niet te vallen. - Hij vraagt dengenen, die Hem willen volgen, zichzelven te verzaken. — Hij doet ons door zijne Apostelen zeggen, den duivel krachtig te weerstaan, hem geen ingang te geven in onze ziel, — niet te leven volgens het vleesch, uit vreeze den dood te vinden, — ons te omgorden met al de wapenen van God, om ons tegen de hinderlagen des duivels te verdedigen.

2. Door al de Heiligen, die door eigen ondervinding geleerd hebben, hoe noodzakelijk het is altijd op zijne hoede te zijn om niet verrast, overmeesterd, vernederd, overwonnen te worden. De ziel moet het lichaam beheerschen, zegt de H. Alphonsus, of wel het lichaam zal de ziel onder de voeten vertrappen. Wij moeten ons lichaam behandelen gelijk een ruiter een driftig paard behandelt, dat hij met krachtige hand breidelt, uit vrees van ontzadeld en op den grond geworpen te worden. — Strijd, want, zegt de H. Franciscus van Sales, «waartoe dienen halfdoode harten?

Begrijpt gij nu, waarom de H. Kerk voor u, God toegewijde zielen, van wie zij zich bijzonder wil bedienen om God te doen kennen, beminnen en dienen, begrijpt gij, waarom de H. Kerk binnen uwe

ocr page 273

264

gewijde muren de voorzorgen om u aan den invloed des duivels te onttrekken als vermenigvuldiat, ver-

, , y , O O '

wijdenng van de wereld, van hare gezelschappen, hare vermaken, hare nieuwstijdingen, — de regel, die geen enkel oogenhlik van den dag vrijlaat voor ledigheid noch willekeur, — middelen in overvloed om ons tot God te geleiden, ons tot God terug te voeren, ons dicht bij God te plaatsen, gebeden, HH. Sacramenten , godvruchtige lezingen, vermaningen, goeden raad, moederlijke leiding, algemeene en bijzondere retraites, — eene diepere kennis moer verplichtingen, die u des te dierbaarder worden, naarmate gij der-zelver wijfheid, beter inziet?

Lees dan met opgewekten geest en grooten moed deze bladzijden; zij zullen u helpen, de listen des duivels te kennen, de noodige voorzorg daartegen te nemen en ze krachtig te weerstaan.

sde hooipxdstxjik:.

Ho© moet men

Verschrik toch niet bij het hooren van het woord strijden. De strijd ligt voor u niet in beweging, gedruisch, noch aanhoudende vrees. Wij zullen u bewijzen, dat hij bestaat in een bedaarden, vertrouw-vollen, aanhoudenden wederstand. Daarenboven zu!t gij, o zielen, die aan God zijt toegewijd en aan God toebehoort op eene gansch bijzondere wijze, niet

ocr page 274

, 265

alleen strijden; Jezus, uw Meester, uw Vader, uw Bruidegom, Jezus zal met en voor u strijden, als gij Hem slechts getrouw dient, en Jezus-Christus is almachtig en overwint altijd.

Men kan strijden op eene indirecte wijze door voorzorgen te nemev , en op directe wijze door te worstelen.

EERSTE AFDEELING.

Voorzorgen nemen.

Voorzorg nemen is maatregelen nemen om den vijand alle middelen te ontnemen, die hij zou kunnen gebruiken, hetzij om tot ons te naderen, hetzij om ons te bevechten.

Voorzorg nemen is zich voorzien van wapenen om den vijand te bestrijden; en die wapenen, waarmede wij verzekerd mogen zijn, dat wij altijd zullen overwinnen, worden ons door Jezus-Christus zelf aangewezen; de waakzaamheid en het gehed.

Welnu, in ons bevinden zich 1°. onze zintuigen, die, ons in aanraking brengende met uitwendige zaken, den duivel de middelen aan de hand geven om in onze ziel de verzoeking tot ongehoorzaamheid aan God, tot weerstand tegen God ingang te doen vinden.

T-V O O

De duivel begint met onze zinnen op zulk eene wijze te treffen , dat hij daarin eene aangename gewaarwording doet ontstaan; — de zinnen deelen die gewaarwording mede aan de ziel, die den indruk daarvan ontvangt. — Die indruk doet nadenken. Dit nadenken veroorzaakt het aannemen of verwerpen van het genot, en zoo dit genot zondig is, wordt

ocr page 275

266

de zonde daardoor begaan meer of minder zwaar, naar gelang zij meer of minder strijdt tegen de wet van God.

Hieruit ontstaat de verplichting, onze zinnen te beivaken en te versterven, volgens de zoo krachtige christelijke uitdrukking. Versterven zegt zooveel als ze door de gewoonte als ongevoelig, als dood maken voor de uitwendige bekoorlijkheid.

2e. Er zijn in ons, binnen ons die neigingen, waarvan wij gesproken hebben, en die uit hare natuur door de erfzonde mede streven om ons af te trekken van Gods wet, die haar in den weg staat.

n •

liemge dezer neigingen of hartstochten zetten ons uit zich-zelven aan om God ongehoorzaam te zijn, zooals de haat, de hoogmoed, de zinnelijkheid, de nijd, die de duivel tracht in ons te verwekken; — de anderen zetten ons uit zich-zelven niet aan om God ongehoorzaam te zijn en kunnen ons zelfs tot Hem brengen, zooals de begeerte, de vreugde, de droefheid., de werkzaamheid; deze tracht de duivel te doen ontaarden, te vervalschen, tot zijn doel te gebruiken. Men neemt gewoonlyk voorzorgen voor de hartstochten die op directe wijze tot het kwaad voeren; men denkt er niet genoeg aan, voorzorg te nemen tegen de andere eu ze te versterven.

Wij zullen aantooiien hoe de duivel zich van deze laatste bedient om ons tot het kwaad te doen overhellen , benevens de voorzorgen, waarmede men zich moet omringen.

3e. Er zijn in ons vermogens, die ons rechtstreeks in betrekking stellen met God, waardoor wij Hem kennen, beminnen en dienen, — doch ons ook in aanraking stellen met de schepselen eu ons daardoor van ons einde kunnen afkeeren.

ocr page 276

267

Tegen deze geestvermogens , het geheugen , de verbeelding, het. oordeel, den wil, moet men ook voorzorg gebruiken.

Ziehier eenige raadgevingen, die wij nuttig achten, omtrent de wijze van voorzorg te nemen, te weten door het versterven der zintuigen, der hartstochten, der geestvermogens.

I.

VERSTERVING DER ZINTUIGEN.

In de oogen.

Het is vooral door de oogen dat de duivel en de dood in de ziel dringen. De uitwendige zaken, door het gezicht medegedeeld, veroorzaken haar eene zekere ontroering, verstrooien haar, trekken haar uit hare ingekeerdheid, en als zij die ontroering behoudt, wordt zij langzamerhand verleid en overmeesterd. Een enkele blik op een persoon, op eene plaat, kan eene bron der hevigste aandoeningen, een begin van onrust worden voor uw geheele leven. fVat men niet ziet begeert men niet, zegt de 11. Franciscus van Sales.

Wees dan zeer, zeer zedig, opdat uw Engelbewaarder in u eene zijner zusters der aarde erkenne. —

Zedig in de kapel, — zedig in het gebed, — zedig in de gangen, — zedig in de spreekkamer, — zedig in uwe cel, — zedig overal; want overal ziet God u.

Hoe meer gij de oogen zult sluiten voor de aardsche zaken, hoe nauwer gij met God vereenigd zult leven, hoe meer zijne blikken zich op u zullen vestigen; en hoe zoet en weldadig zullen die oogslagen zijn!

Oogslagen van ivelbehagen, waarmede fly de zuivere

ocr page 277

268

zielen vereert, die trachten steeds aan Hem te denken en Hem te behagen.

Oogslagen van barmhartigheid, waarmede Hij zijne Bruiden begunstigt om die meer aan zich te hechten en haar te bewaren, zelfs voor de geringste smet.

Oogslagen van teederheid, die de kleine offers, die zg uit liefde voor de zedigheid brengen, duizendvoud vergoeden.

Oogslagen van heiliging eindelijk, die in hare ziel overvloedige genaden storten, welke den duivel op afstand houden.

Gevoelt gij niet eene gewaarwording van vrede, wanneer gij een joug meisje zedig met neergeslagen oog daarheen ziet gaan, en voegt zich daarbij geen gevoel van liefde? Ziedaar wat God voor u gevoelt, als Hij uwe zedigheid ziet.

In woorden.

Wij moeten allen bekennen: Wij spreken te veel; en die overvloed van woorden, behalve dat hij een krachtig middel voor den duivel is om ons te doen zondigen tegen de liefde, het geduld, de onderwerping en de ingekeerdheid, belet ons het woord Gods te hooren in het gebed, de meditatie, de geestelijke lezing, belet ons vooral het woord Gods te verstaan en te begrijpen. — Niets droogt zoodanig het hart en de kracht der ziel uit dan de gewoonte van zonder wederhouding te spreken.

Praat dan niet voort, gelijk gij het bijna overal doet, zonder zelfs te denken dat gij in het geheel niet moest spreken.

De stilzwijgendheid is als het heiligdom der rechtvaardige ziel, waarin God komt wonen gelijk binnen

ocr page 278

269

de muren een er kerk. — Zij bewaart de ziel voor onrust en ontsteltenis; zij geeft vrede; zij doet twist, tweedracht, tegenspraak, vijandschap vermijden; zij is de steunpilaar, de kolom, de kroon der religieuze huizen; waar zij heerscht, vindt men vreugde, vurigheid , liefde.

Wee der gemeente waar het stilzwijgen niet wordt geëerbiedigd! God woont daar niet.

Wee der religieuze die gemakkelijk dit punt van haren regel overtreedt! Hare zaligheid is in gevaar.

Wee der Overste, die niet de grootste zorg aanwendt om het stilzwijgen te doen nakomen! God zal haar eene strenge rekenschap vragen van de fouten door die overtredingen berokkend.

De praatzucht, het verbreken der stilzwijgenheid toont in eene religieuze de wanorde en de armoede der ziel. Als God een hart bezit, vervult Hij dit hart; God alleen is dit hart genoeg, en kalm en tevreden, behoeft het elders geen vreemden troost te gaan bedelen.

Het verbreken van het stilzwijgen is voor eene gemeente de bron der grootste wanorde en is alleen genoeg om haar ten verderve te voeren.

Het veroorzaakt tijdverlies, vertrouwelijkheden, ontevredenheid, morren, opstand.

Het kwetst de voorzichtigheid door het onbescheiden overdragen, — de zedigheid door de verstrooiing en lichtzinnigheid, — de gehoorzaamheid door het overtreden en somtijds door het minachten van den Regel, — de nederigheid door de klachten der eigenliefde, — de liefde door de spotternij, de onaangename of bitse woorden, — de vurigheid door de uitgestortheid, waardoor men geene enkele goede gedachte kan vormen in de meditatie, — de orde en regeltucht door

ocr page 279

270

de losheid, waarin men leeft, en het kwade voorbeeld, dat anderen medesleept.

Spreek dan weinig, en uw hart zal zuiverder, uw geweten rustiger, uwe liefde grooter en weldadiger zijn, uw werk beter verricht worden.

Spreek weinig, en uw gewetensonderzoek zal minder moeielijk, uwe biecht korter, uwe gebeden kalmer, uwe meditatiën zoeter, uwe Communiën godvruchtige!', uw geluk in het klooster volkomener zijn.

fan den smaak.

Geene overdrijving ten dezen opzichte. Neem eenvoudig en zonder nadenken, wat u wordt opgedischt; — stel u tevreden met datgene wat ieder uwer voorgediend wordt; — zeg eenvoudig, wat u tegenstaat of slecht bekomt; — neem zonder overhaasting en met dankbaarheid, wat u boven het gewone voedsel wordt gegeven; — spreek nooit over hetgeen u opgedischt is; — matig uwe haastigheid in het voldoen van uw eetlust; — neem niets tusschen de maaltijden zonder nood of zonder verlof. — Hij die tot de volmaaktheid wil opstijgen, zegt een heilig schrijver, moet beginnen met het versterven van den smaak. Als de gulzigheid overwonnen is, zegt de H. Thomas, komen de andere zintuigen spoedig onder bedwang.

Zijn de spyzen volgens uwen smaak, zoo bedank God; zijn zij het niet, zoo neem dit in stilte aan; en de duivel zal weinig macht hebben op uwen smaak, dien gij aldus aan den regel onderwerpt.

Van den reuk.

De duivel schijnt langs dezen weg wel het minste te bekoren, wijl in de kloosters daartoe minder gelegenheid bestaat; geef den reuk nochtans niet toe

ocr page 280

271

uit enkele zinnelijkheid. De religieuze, die den geur der bloemen zou zoeken of gelijk eene wereldsche vrouw reukwerken tot haar gebruik zou houden, zou weinig religieuzen geest toonen. Zware fouten, zegt Bossuet, zijn ontstaan door het zinnelijk genot eener bloera. Geene overdrijving voorzeker, doch ook geene zinnelijkheid!

Van het gehoor.

Het gehoor heeft ook zijne gevaren. Dit weet de duivel; en daar hy binnen de gewijde kloostermuren geene zinnelijke woorden en gesprekken kan dringen, brengt hij daar, onder verschillende voorwendselen, melodiën, die ontzenuwen, gezangen, die doen mijmeren, loelluidende poeziën, die onttrekken aan het eentonig en werkzaam kloosterleven, om ons in het midden der wereld terug te voeren.

Wees zeer getrouw aan datgene wat uwe consti-tutiën voorschrijven, zoo omtrent de gezangen als de wijze van te zingen, en voer onder voorwendsel van lessen, die men geven of nemen moet, datgene niet in wnt te zeer naar de mode is. De mode moet nooit den drempel des kloosters overschrijden.

In het gevoel.

Wij zullen nog later hierover spreken bij het aan-toonen der zinsbegoochelingen ten opzichte der zuiverheid; en geven nu slechts dezen regel: De zorg voor het lichaam moet altijd redelijk, nooit zinnelijk zijn. De religieuze moet hare ziel, dat evenbeeld Gods, over haar lichaam doen heerschen; dat zij zich wel wachte, zegt de H. Bernardus, de Meesteres te dooden om de dienstmaagd te sparen.

ocr page 281

272

Gedurende de recreatie.

Daar heerscht meer vrijheid, waarvan de duivel gebruik maakt om meer fouten te doen begaan; — daar bestaat meer uitstorting van gemoed, waarvan de duivel gebruik maakt om meer uitgestortheid te doen heerschen; — daar gaat men vrijer met elkander om, en de duivel maakt er gebruik van om meer de liefde te kwetsen.

Dat in uwe recreatie geene kinderachtige vroolijkheid heersche, geene onbetamelijke, lichtzinnige, dubbelzinnige woorden, — geene aardigheden, die in platheden ontaarden. Weerhoud in de recreatie een woord dat kan kwetsen, of een driftig antwoord dat eene uwer medezusters zou vernederen; — weerhoud eene geestigheid, waardoor gij lof bejaagt, — zwijg liever dan bits, lastig, spotachtig, boosaardig te zijn; — maar zwijg nooit omdat gij pruil ziek, grillig, stuursch, hoo vaardig of stroef zijt.

In de houding.

De houding eener religieuze moet deftig zijn, en zij kan dit slechts door eene groote waakzaamheid en versterving; want de duivel weet maar al te wel, hoeveel voordeel hij uit eene trage, vadsige, zinnelijke houding kan trekken.

Hetzij gij zit, staat, knielt of ligt, denk altijd dat Gods oog op u rust. O als gij uw engelbewaarder altijd aan uwe zyde kondet zien, wiens blik u zelfs in de diepste duisternis volgt, hoe zedig zoudt gij steeds zijn; nooit zoudt gij behoeven te blozen!

Als men u zocht te verrassen, als gij alleen zijt, gelijk de vriend van den H. Franciscus van Sales

ocr page 282

273

dit deed, zoo men u even als hem, steeds ernstig, opgeruimd en uiterst zedig moeten vinden.

II.

VE11 STERVING DEK NEIGINGEN.

De begeerte.

De begeerte ondersteunt de ziel in hare moeielijk-heden, — bezielt haar werk, — heft haar op als zij bezwgkt; de begeerte is de prikkel van den wil; de H. Geest prijst den man aan begeerten en niemand heeft ooit de volmaaktheid eener wetenschap of eener kunst bereikt zonder eene vurige begeerte.

Begeer veel, begeer vurig; uwe leus zij dit woord der Heiligen, die zich steeds aangenamer zochten te maken in Gods oog: Nog meer. Heer, nog meer! maar pas wel op, dat uwe begeerten geene begeerten blijven, waardoor gij niets uitwerkt en u slechts voedt met hersenschimmen. Het is dan, dat gelijk de H. Geest zegt, de begeerten dooden, zij dooden omdat zij al onze vermogens verlammen, en slechts onze verbeelding voeden. Zij wekken eene religieuze, die ze niet weet te beheerschen op om iets anders te hebben dan zij heeft, — in een ander klooster te leven, — met eene andere bediening, dan die welke de gehoorzaamheid haar oplegt, bekleed te worden, — met eene andere zuster, dan die welke men haar aanwijst, te mogen werken. —

Deze begeerten vormen het speelgoed, waarvan de duivel zich bedient om ons van onzen plicht af te trekken. Pas dan wel op en houd uwe begeerten in toom. Heeft de begeerte, die in uwen geest opwelt, eene kwade zaak tot voorwerp, zoo verstik ze onmid-

18

ocr page 283

274

delijk; — is het eene onverschillige zaah, dan zie eerst, of zij u niet van uw plicht verwijdert en heilig haar door eene goede meening. De begeerte zelfs eener zaak, die goed in zich-zelve is, doch te vurig begeerd wordt, moet gij matigen en slechts in zooverre onderhouden als zij u meer godsvrucht, meer liefde, meer zelfopoffering inboezemt.

O hoeveel wijsheid ligt besloten in dit woord van den H. Franciscus van Sales: Ik begeer zeer weinig, en wat ik begeer, hegeer ik zeer weinig, en kon ik opnieuw geboren worden, zou ik nog minder begeeren. Hij begeerde nochtans vurig God te beminnen, maar zgne begeerte, door zijnen wil teruggehouden, ging nooit verder dan zoo ver als God wilde.

De vreugde.

De vreugde, de heilige vreugde, is de gewone deugd eener goede religieuze; het is de natuurlijke dampkring der godvruchtige gemeenten ; daar waar zij niet heerscht, moet men vreezen dat de godsvrucht, de gehoorzaamheid, de liefde ook niet heerschen. God bemint den blijden gever; God wil dat de vreugde steeds onder ons heersche.

De vreugde is de vrucht van een goed geweten, van den vrede, van de verzekering der zaligheid; — de vreugde sticht den evennaaste, vermeerdert de verdiensten der werken door de vurigheid, waarmede men ze verricht, te vermeerderen; geeft moed aan den wankelenden wil; — de vreugde vermindert de bekoringen en jaagt den duivel op de vlucht.

Maar als men haar niet weet te versterven, kaa de vreugde weldra ontaarden in gemeenzaamheid, — in uitgelatenheid, — in uiigestortbeid, — in onmatig

ocr page 284

275

lacheu,—in spotternij. Men moet haar dus weten te matigen, als zij te luidruchtig wordt. De dwaze, zegt de H. Geest, lacht luidkeels; de wijze zal slechts glimlachen. Men moet dus elke scherts, waardoor men eene medezuster kan beleedigen, achterlaten, alsook elke daad uit kortswijl gedaan, welke eene zuster zou kunnen vernederen of ten haren koste zou doen lachen.

Uit de overmatige vreugde trekt de duivel de uitgestortheid ^ welke de stilzwijgendheid, den geest des gebeds benadeelt, alsook de kleine ontevredenheden, die langzamerhand de liefde ondermijnen.

De treurigheid.

De treurigheid is altijd verkeerd; zij deugt tot niets, zij brengt allerlei kwalen voort.

Zij geeft walging voor het gebed en het werk, — zij levert de ziel over aan de bekoringen des duivels, en maakt haar bijna onfeilbaar tot den val gereed; — zij bezwaart den omgang der zusters onder elkander; — zij verwart en verontrust den geest, — boezemt eene dwaze vrees voor God ia; somtijds zelfs brengt zij de ziel tot wanhoop.

Men moet haar edelmoedig bestrijden door een aanhoudend en volhardend gebed, — door het vluchten der zonde, waardoor wij vertrouwen krijgen in Gods barmhartigheid, — door zeer getrouw de oefeningen der gemeente te volgen en de eenzaamheid en afzondering te vluchten, — dooreen werk, dat onzen geest ijverig bezig houdt,— door het vlijtig lezen der werken, die over Gods goedheid handelen, — door de H. Communie en de liefde tot de H. Maagd.

De treurige en bedroefde ziel gelijkt op een stuursch en uorsch kind, dat de hand, die men het toestrekt,

ocr page 285

276

verstoot, valt en zich bozeert. De vroolijke ziel daarentegen is een vriendelijk en aanvallig kind, dat al lachende voorwandelt aan de hand zijner moeder.

De werkzaamheid.

De werkzaamheid is eene kostbare hoedanigheid, en de religieuze, die ze bezit, kan in hare gemeente een onberekenbaar nut stichten. Zij schrikt voor geen arbeid terug, zet de anderen door haar voorbeeld aan, zij is altijd het eerste aan het werk; — maar als die werkzaamheid niet door eeue nauwkeurige gehoorzaamheid, aan de gegeven bevelen omtrent arbeid en rust gewijzigd wordt, — als zij niet zoodanig onder bedwang staat, dat men zonder tegenzin een begonnen werk op het eerste teeken der klok staakt, — als men hare vurigheid niet intoomt, die gedurende het gebed de ziel in het midden barer bezigheden zou voeren, — als zij niet zoozeer gematigd wordt dat zij het werk eenige oogenblikken kan onderbreken om het hart van God te verheffen, — dan wordt die werkzaamheid koortsachtig, ontaardt weldra in heslommering, in overhaasting, die twee geesels van het inwendig leven.

Het is die beslommering die Jezus-Christus in Martha veroordeelde, toen Hij haar zegde: Martha, Martha, gij zijt bezorgd en bekommerd over vele zaken; ééne alleen is noodzakelijk! (Lua® X, 41, 42.

Het is tegen die drukte, die overhaasting, dat Jezus ons meer dan andere Christenen wilde waarschuwen, toen Hij, hoewel tot alle menschen sprekende, zegde : Weest dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen toij eten, of wat zullen wij drinken, of loaarmede zullen wij 'ons kleed en ? Want uw Vader weet dat gij dit alles noodig hebt. Zoekt dus eerst het rijk van God en

ocr page 286

277

zijne gerechtigheid, en dat alles zal u toegeworpen worden. (Matth. VI, 31, 32, 33.)

De drukte en de overhaasting ondermijnen den geest van gebed, den vrede der ziel, de stilzwijgendheid , de nederigheid; zij verminderen of vernietigen de verdiensten onzer werken. Wellicht brengen /ij veel voordeel aan, maar vóór God is dit voordeel zelden in het belang der persoon, die gewerkt heeft.

De behaagzucht.

Gezien, geacht, gewaardeerd, geprezen, voor anderen gesteld te worden, ziedaar de hartstocht die het diepst in onze ziel is geworteld, die zich overal inmengt, overal wordt terug gevonden, altijd leeft als de andere vernietigd schijnen.

Die neiging doet zich gevoelen in de kapel, in het gebed, ja zelfs bij de H. Communie; — zij is by ons, als wij, hetzij alleen, hetzij met onze medezusters werken, — als wij gaan, als wij spreken, als wij ons kleeden; zij is zelfs daar als wij biechten en wij ons zoo diep vernederd zouden moeten gevoelen. »Nooit heb ik iemand ontmoet, zegt de H. Franciscus van Sales, die van zijn eigen oordeel geen werk maakte, behalve twee, die mij bekenden dat zij geen oordeel hadden.quot;

O welke waakzaamheid is er noodig om dié gedachten van eigenliefde te verwijderen, die ons altijd omgeven, alsook die neiging tot spreken en handelen om gezien te worden, en ten minste tot zich-zelve te kunnen zeggen: Hoe goed heb ik dit gedaan! Hoe vurig moet men God bidden om dit woord van den H. Joannes den Dooper wel te verstaan: Het is noodzakelijk dat rondom mij mijne medezusters aan-

ocr page 287

278

groeien in wijsheid en goeden naam, en dat ik ver mindere , alsook deze woorden der navolging van Christus: Leer dan veracht en voor niets geteld te worden.

Hoeveel vrede moet onze ziel bezitten om zich niet te ontstellen over een misslag, die ons voor dom, onbekwaam, onbevattelijk doet doorgaan, om eene openbare vernedering te kunnen verdragen, zich niet over eene begane fout te ontmoedigen!

De lichtgeraaktheid.

De lichtgeraaktheid is eene dochter van den hoogmoed; de duivel geeft haar den naam van teergevoeligheid of kieschheid.

De lichtgeraaktheid maakt dat wij ons bijna altijd gekrenkt gevoelen, en brengt slechts humeur, pruilerij, afgekeerdheid, en zelfs toorn voort.

De lichtgeraaktheid maakt de religieuze, die haar niet weet te overwinnen, zeer ongelukkig; en het is slechts door edelmoedige en aanhoudende pogingen , dat men over haar zegevieren kan.

Als gij n geraakt gevoelt, als uwe voorstellingen en gevoelens slecht gewaardeerd en tegengesproken worden, dan laat niet vrijwillig blijken, wat gij gevoelt, en tracht te glimlachen ; dit zal u eerst slecht van de hand gaan, doch met Gods hulp zult gij langzamerhand u zelve overwinnen.

Neem gaarne het gevoelen aan van een ander. — Onderwerp u, als men iets van u vergt dat u tegenstaat. — Vergeef een woord of eene handeling die ii kreukt. Bewijs een dienst of, beter nog, vraag een dienst aan de medezuster, die u tegenstaat. — Blijf vrijwillig bij die, wier denk- of spreekwijze u hindert. Als gij ééne maand op die wijze werkt, zult gij eene merkbare verbetering in uw karakter bespeuren.

ocr page 288

279

Onze geestvermogens.

Onze geestvermogens kunnen ons aanleiding geven tot eenen hardnekkigen strijd, wegens de ongeregeldheid of overdrevenheid, door de aonde daarin gebracht.

De religieuze' heeft, alvorens het klooster in te treden, in de wereld geleefd.

Misschien is zij, door eene bijzondere genade van God, opgegroeid binnen de gewijde muren van een pensionaat of in het heiligdom eener oprecht christelijke familie, alwaar haar geheugen, hare verbeelding, haar hart, voor den indruk der kwade voorbeelden, slechten raad en slechte lezingen bewaard, onschuldig gebleven zijn. Hoe gelukkig is die bevoorrechte ziel! Zij zal zeker te strijden hebben; de duivel zal in haar onheilige begeerten, lichtzinnige, zelfs zinnelijke heelden verwekken; maar de begeerten en voorstellingen, die hare onervarenheid zullen verschrikken, zullen voor haar het zelfde gevaar niet hebben als voor anderen, die minder bevoorrecht zijn.

Wellicht heeft de religieuze, alvorens in het klooster te treden, te midden der wereld een wereldsch leven geleid, heeft zij haren invloed ondergaan, is zij, ondanks

zich-zelve, door haren geest doordrongen____ en al

heeft zij die wereld niet bemind, zoo heeft zij toch. bij het vluchten der gevaren, die haar vrees aanjoegen, herinneringen medegebracht, die haar aanleiding zullen geven tot grooten strijd.

1. Haar geheugen zal haar duizenden beuzelarijen, duizenden nietigheden herinneren: de zucht om te behagen, te schitteren, gevleid te worden, hebben misschien hare gedachten bezig gehouden, haren geest bezoedeld, al ware het slechts een oogenblik! Zij heeft daaraan verzaakt, doch zij leven nog in haren

ocr page 289

280

geest. Zij herinnert zich de personen, die zij gekend heeft, de onschuldige, doch zoo bekoorlijke genoegens van haar jeugdig leven, de gezelschappen waarin zij gevierd en gevleid werd. — Zij is verplicht de beelden dier stoffelijke zaken en die ijdele en nutte-looze herinneringen te verwijderen.... Helaas, het is niet gemakkelijk!

2. Hare verbeelding, gezellin en medeplichtige van haar geheugen, versiert alles wat deze haar voorstelt, en geeft aan die herinneringen eene bekoorlijkheid, die de werkelijkheid niet bezat. — En de geest, die zich zoo gemakkelijk laat medeslepen tot alles wat hem behaagt, zal de zoetheid van het huiselijk leven vergelijken met de dagelijksche opofferingen van haar tegenwoordig leven, — de vermaken der wereld met de opofferingen van het religieuze leven, — de vrijheid, die zij genoot, met den dwang van den regel, — den overvloed, die haar omgaf, met het volstrekt noodzakelijke der armoede. De religieuze moet dus krachtig die beelden verdrijven die door zich-zelven reeds zulk een indruk maken, en zal dit slechts kunnen door een vurig gebed en door eene aanhoudende nauwgezetheid in het nakomen harer plichten, zelfs de kleinste.

3. Haar oordeel, door hare verbeelding medegesleept en geboeid, zal haar de zaken slechts doen zien onder het valsche daglicht, waaronder ze worden voorgesteld: het verleden aangenaam en bekoorlijk; — het tegenwoordige eentonig, streng, onuilstaanhaar.

Haar oordeel, door de eigenliefde verblind, zal haar aanzetten, zich boven anderen te verheffen, in zich zelve behagen te vinden, veel te willen weten onder voorwendsel zich nuttiger te kunnen maken. — De religieuze is dus verplicht, dikwijls aan den voet van

ocr page 290

281

het kruis de groote goedheid te overdenken, die God voor haar gehad heeft, den afgrond waaruit Hij haar wellicht getrokken heeft, de barmhartigheid waarmede Hij haar voor grooter kwaad behoed heeft, en de vernederende zonden, waartoe zij vervallen kan, als God haar niet weerhoudt.

4. Haar toil zal gemakkelijk medegesleept worden door de zucht naar vrijheid en onaf hankelykheid, — door de liefde tot de schepselen en de aardsche zaken, — door de begeerte naar den lof, de achting, de liefde der menschen. — De religieuze is dus verplicht te waken over haar hart! Maar ach! dat arme hart! Als zij het niet omringt met voorzorgen van voorzichtigheid, van zedigheid, als zij niet waakt om die gevoelens van liefde, die er somtijds uit over-stroomen , te onderdrukken en daarin geen enkele gevoelige genegenheid te laten doordringen, — o hoeveel lijden zal het haar veroorzaken, hoeveel onrust, hoeveel strijd, hoeveel wroeging, hoeveel vernederende nederlagen zal dat hart alleen haar wellicht bereiden!

TWEEDE AFDEELING.

Worstelen.

Worstelen is, lijf om lijf, met den vijand kampen, — het is aan zijne listen, zyne aanvallen, zijne woede weerstaan, het is hem zoo mogelijk ter aarde werpen, hem overwinnen, hem overheerschen.

Worstelen is handelen gelijk Pater de Raviguan die aan een zijner Oversten rekenschap gevende, van eene zijner retraites, hem schreef: Wij waren

ocr page 291

282

met tweeën; ik heb den andere het raam uitgeworpen , en hen baas gebleven. Zoo handelen mannen van moed en geloof; zoo moet elke God toegewijde ziel handelen. De maatregel is sterk zonder twijfel, en vraagt iets anders dan een willetje van begeerte en inbeelding, dat schijnt te willen, doch niet wil, — iets anders dan een voorbij gaanden wil, die heden wil en morgen weigert, — iets anders dan een zwakken wil, die door den minsten tegenstand wordt afgeschrikt en teruggeslagen. Een dergelijke wil is niet van het allooi, waarvan God zich gaarne bedient. Eene ware religieuze moet een edelmoedigen, krachtig en, vastbesloten wil hebben, die zegeviert over alle hinderpalen , — een wil ten minste, die voor den hemel doet wat de wereldlingen doen voor de zaken dezer aarde. Denk eens na: deze of gene persoon, dien gij als arm gekend hebt, is thans rijk. Waarom? Hij wilde dit. — Een andere van geringen stand is thans

O O ^

tot de grootste eerambten gestegen. Waarom? Hij

wilde dit. Zie in den hemel dien Heilige zoo hoog

....

verheven in glorie. Hij was zwak gelijk wij. Waarom zetelt hij thans zoo dicht bij God? Hij wilde het.

De wil maakt de helden, — de wil maakt de geleerden, — de wil maakt de Heiligen.

Wilt gij dan geene Heilige worden ?

Elke worstelstrijd laat zich uitdrukken door deze krachtige woorden, toepasselijk op alle omstandigheden des levens, en die de leus van elke religieuze moeten vormen: er tegen in gaan; en tegen ingaan is vooruitgaan, ondanks alle hindernissen.

Tegen de gezondheid ingaan, — wanneer zij ons te veel bekommert. Tegen de begeerte van te weten ingaan, wanneer zij ons van het gebed aftrekt.

ocr page 292

283

Tegen de achting der menschen, vooral der wereld ingaan, wanneer zij ons de ootmoedigheid beneemt.

Tegen de neigingen van ons hart ingaan, als zij ons verzwakken.

Tegen de begeerte tot nieuwstijdingen ingaan, wanneer zij ons verontrusten.

Doch als wij ons met voorzorgen omringen, — als wij onze zintuigpn zoodanig bedwongen hebben door de versterving dat de duivel geen vat op ons heeft, — als onze hartstochten, zelfs die welke kalm, nuttig, noodzakelijk schijnen, binnen de grenzen van onze geestvermogens door de voorzichtigheid geregeld, door de wijsheid van een zielbestierder, aan wien wij ons edelmoedig onderwerpen, bestuurd worden, — als wij eindelijk door de vreeze Gods weerhouden worden, zal de strijd licht en de overwinning verzekerd zijn !

Die overwinning durven wij u , getrouwe religieuze, beloven in den naam van Jezus-Christus, die met u zal strijden. Doch:

Strijd kalm. De duivel, zeggen de heiligen , maakt meer gedruis dan hij kwaad doet. Hij is bang voor eene moedige ziel, zegt de H. Theresia, en hij laat spoedig los, als hij met hardnekkigheid wordt bestreden. Een der beste middelen om de bekoring te overwinnen, is haar te verachten.

Eene afleiding of eene gewone bezigheid, die den geest bezig houdt, en van het beeld, dat de duivel ons voorspiegelt, aftrekt, is dikwijls genoeg om de bekoring te doen verdwijnen. Hoe vele bekoringen tegen de heilige deugd zijn verdreven alleen door met eenige zorg de cel te reinigen, met bijzondere oplettendheid de kapel of een gang te vegen, door de eenvoudige plaatsverandering van een trap op of

ocr page 293

284

af te gaan, door eenige minuten in den tuin te werk^ff,

of zoo mogelijk: door een bezoek aan het H. Sacrament, of wel door aan de Overste eenig verlof te gaan vragen. — Als grondregel is de afleiding in dit geval

beter dan de openlijke strijd. Igt;e

Strijd vertrouwelijk. God is bij u als getuige van

dien strijd, door u gevoerd om Hem trouw te blijven; j)(

God is met u, bemoedigt u door zijne tegenwoordigheid, |o

versterkt u met zijne genade, en meet naar uwe iemi

kracht de hevigheid der bekoring. God is in u om (je 0

uwe wonden te genezen en u bij uw eersten noodkreet , ter hulp te snellen; maar herinner u wel, dat de

overtuiging uwer zwakheid de grondslag van uw ver- 2'

trouwen moet wezen; want, zonder God kunt gij eene

volstrekt niets. ons

Strijd aanhoudend. Verontrust u niet over de £

langdurigheid der bekoring; want zegt de H. Fran- jjeie

ciscus van Sales, de bekoring, hoe langdurig, hoe hevig geV(

zij ook zijn moge, zal u niet aan God doen mishagen, '00

zoolang de bekoring u niet zal behagen en gij er r/jn

niet in zult toestemmen. — Zoolang zij u mishaagt, ver

hebt gij niets te vreezen; want zij mishaagt u, omdat ine

gij ze niet wilt. Verontrust u vooral niet over uwe 0p zwakheden en fouten; gij zijt gevallen, omdat gij te

weinig mistrouwen van u zelve hadt, omdat gij te ^e!

weinig gebeden, te weinig op God vertrouwd hebt. ^

Sta spoedig op. Verneder u diep en stel u dichter , wj

bij God door het gebed en het nakomen uwer plichten. | zequot;

O godgewijde ziel, o ziel aan God zoo dierbaar, die | gi

doo God beproefd wordt, opdat gy Hem beter uwe 0^

liefde zoudt bewijzen, blijf toch nederig, klein, gering lt;n

in eigen oogen, wantrouw u zelve, vertrouw op God... f °c

en gij zult zegevieren ! 7fl

ocr page 294

285

T

3de üoofidstxjk:.

Igt;e -vyamlen. «lie men. moet lgt;estr4jlt;3eii.

ve°' Deze vijanden hebben wij aangetoond:

ieid, jo, j)e didvel; de duivel die als een hrieschende

uwe leeuw rondloopt, zoekende ons te verslinden, ons met

om de grootste zorg bespiedende, ons bekorende door al

xeet mijdeleu^ (jie zijn haat hem ingeeft, zich be-dienende van al wat er in ons slecht en bedorven is.

ver- 2o. Onze kwade neigingen, die gelyk wij zegden,

ga

eene kracht vormen die ons trekt naar datgene iaat

ons hehaagt of vleit.

Die neigingen zijn onze grootste vijanden. Eene

belegerde stad, zegt de H. Alphonsus, heeft geene

:V1ë gevaarlijker vijanden dan die, welke zich binnen hare

'en' poorten bevinden. Zonder de medewerking onzer

zinnelijke en bedorven lusten zou de duivel ons te

S ' vergeefs aanvallen. Hij zoekt zich van die driften

meester te maken, vleit ze., liefkoost ze en wekt ze

vTe op, door middel onzer zintuigen en geestvermogens.

Iquot;0 Het zijn dus ome neigingen, die wij met de hulp

•k«f, lent, gaan jeral

van

an-

e der genade moeten trachten te verzwakken, te onder-Dt.

drukken, te dooden; dit zijn de vijanden tegen welke ; wij met kracht en volharding moeten strijden, want, j zegt de H. Bernardus, het zijn vergiftigde planten | die, hoewel men ze afmaait, toch voortdurend weder opgroeien; — het zijn wilde dieren, zegt de H. Gre-n9 gorius, men meent ze gedood te hebben, en zij blijven quot;quot; | voortleven. Wij ontmoeten ze in onzen geest, ons aanzettende tot onafhankelijkheid; aldus onzen eerbied

-

ocr page 295

286

verminderende voor het gezag, doen zij ons onze plicMen verzuimen en zonder gewetensangst overtreden.

In ons hart, ons verleidende tot al te natuurlijke vriendschap, te groote gehechtheid aan ouders en bloedverwanten; aldus is ons de liefde voor het gebed en de zelfopoffering verzwakkende, geleiden zij ons tot een vernederenden val.

ïn onze zinnen, ons trekkende tot een traag en zinnelijk leven, tot het schuwen van allen dwang, ons aldus het religieuze leven zwaar en moeielijk makende, ons verleidend tot morren en zelfs tot opstand.

Deze verschillende neigingen hebben ééne zaak met elkander gemeen; zij vertoonen zich aan de religieuze, niet onder haar wezenlijk oogpunt; zij zouden de teederheid van haar geweten angst aanjagen; waar toch is de religieuze die vrijwillig ongelioorzaam, zinnelijk, weerspannig zou willen zijn? Zij vertoonen zich aan haar als door een bedriegelijk glas, dat het zwarte, het afschuwelijke der zonde verbergt en verzwakt, de uitwerkselen onzer drijten doet voorkomen als zaken van weinig gewicht, die of slechts lichtelijk of inliet geheel niet aan de religieuze volmaaktheid kunnen schaden.

Ziedaar wat men zinsbedrog noemt.

De onervarene ziel laat zich bedriegen door dien schijn, die haar de zaken geheel anders voorstelt dan zij werkelijk zijn; zij laat zich door hare neigingen medeslepen, en zoo valt zij langzamerhand in verslapping, traagheid, ontevredenheid en eindelijk in ongeregeldheid.

Wij gaan deze zinsbegoochelingen onderzoeken en weerleggen, en zullen spreken van:

ocr page 296

287

Het zinsbedrog omtrent den religieuzen geest.

de gehoorzaamheid, de armoede.

de zuiverheid.

de gevaren van het religieuze

leven.

de eigenwaarde, de volmaaktheid.

EERSTE ARTIKEL.

Zinsbedrog omtrent den religieuzen geest.

Wij zulleu behandelen:

1°. De natuur van den religieuzen geest. 2°. De beoefening van den religieuzen geest. 3°. Hoe het zinsbedrog ons den religieuzen geest voorstelt.

4°. Hoe het zinsbedrog den religieuzen geest verwoest.

I.

De natuur van den eeligieuzen geest.

De religieuze geest is de christelijke geest in alles wat er verhevens en heiliga bestaat.

De religieuze geest is de geest van Jezus-Christus. Men is geen christen, als men niet denkt en handelt zoo als Jezus-Christus. Door het doopsel wordt men christen in dien zin, dat men Jezus-Christus toebehoort en door Hem als lid zijner familie wordt aangenomen; doch men is slechts werkelijk christen in zooverre men denkt en handelt zooals Jezus-Christus zou gedacht en gehandeld hebben.

ocr page 297

288

Welnu, ziehier het geheele leven van Jezus-Christus in deze woorden van den H. Paulus: In deze wereld komend, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt gij niet gewild, doch gij hebt mij een lichaam toebereid; brandoffers voor de zonde zijn u niet aangenaam geweest. Toen heb ik gezegd: zie ik kom om uwen toil, o God, te volbrengen. (Hebr. X, 5, 6, 7.)

De geest van Jezus is dus een geest van toewijding, van afhankelijkheid, van zelfverloochening. Jezus-Christus erkent op de plechtigste wijze, dat Hij zich zeiven niet toebehoort, — niet voor zich zei ven leeft, — dat Hij slechts een lichaam heeft ontvangen om het voor de glorie zijns Vaders en tot zaligheid der menschen op te offeren; en Hij voltrekt deze offerande reeds te voren door een vaardigen, edelraoedigen, vrijen, onderworpen wil. Hebt gij, religieuze zielen, die zelfde woorden van Jezus-Christus niet uitgesproken op den dag uwer professie ? En zoo het al niet de zelfde woorden zijn, bevatten zij dan niet de zelfde gedachte ? Hebt gij u toen niet aan Hem toegewijd, gelijk Hij zich aan zijnen Vader toewijdde'? Is het offer van u zelve niet, even als dat van Jezus, vaardig, edelmoedig, vrijwillig en onderworpen geweest? Hebt gij uniet, even als Jezus, geheel onder de afhankelijkheid gesteld van Jezus en van degenen, die Hij u tot Oversten geeft?

Bedenk wel, dat uwe HH. Geloften niet eene loutere belofte zijn van gehoorzaam, arm en huisch te leven. Volgens het algemeen gevoelen der schrijvers bevatten de HH. Geloften eene werkelijke opdracht van zich zei oen nan God met de verplichting de drie Evangelische raden na te leven. Door hare geloften offert de religieuze aan God, niet de vruchten, maar den grond die de vruchten voortbrengt. De religieus, zegt de H. Gregorius, houdt niets terug. Hij offert aan God

ocr page 298

289

zijn leven en geheel zijn bestaan. — Als men zijne Professie gedaan heeft, zegt de H. Basilius, moet men zich voor God bewaren als eene zaak, die Hem toebehoort, zoodat hij, die iets neemt van hetgeen aldus aan God toegewijd is, zich schuldig maakt aan eene heiligschennis.

Ziedaar hoe de religieuze Geloften in hare eenvoudigheid al de aanbidding, de gehoorzaamheid, de liefde, de nederigheid bevatten, die een schepsel aan zijn Schepper brengen kan, door zich zoo nauw mogelijk met de gevoelens van Jezus-Christus te vereenigen.

In deze Geloften zijn, even als in de akte van toewijding, waardoor Jezus zich aan zijnen Vader opofiert: 1°. Eene akte ran de diepste aanbidding, eene hulde van den grootsten eerbied, aan Gods Oppermajesteit gebracht. — Toen Jezus-Ghristus, God en mensch te zatneu, zich ouder de volstrekte heerschappij zijns Vaders plaatste, wien Hij als God gelijk was, erkende Hij Hem toen niet voor het grootste, het machtigste, het heiligste Wezen, voorden eeuigen Opperheer aller schepselen?

2°. Eene akte der edelmoedigste gehoorzaamheid aan den wil zijns Vaders, ondanks alles wat die wil moeielijks en gestrengs kan hebben.

3°. Eene akte der volmaaktste liefde. Jezus-Christus wijdt zijn leven aan Hem, van wien Hij het heeft ontvangen. Hij geeft zich over aan zijnen wil, laat Hem vrij alles met Hem te doen wat Hij wil. Hoe vurig moet men iemand bemiunen om zich aldus, alleen uit liefde, geheel onder zijne afhankelijkheid te plaatsen!

4°. Eene akte der diepste nederigheid. Jezus-Ghristus stelt zich in den staat van een slachtofier, dat bestemd is om geheel verteerd en door het vuur verslonden

19

ocr page 299

290

te worden, zich aldus vrijwillig vernietigende om zijnen Vader de glorie, die men Hem ontnomen had, terug te geven, door zich aan zijne rechtvaardigheid op te offeren, als ivare Hij een zondaar, dat wil zeggen als ware Hij het ellendigste wezen.

5o. Eene ahle der grootste naastenliefde. Het is voor schuldige menschen, dat Jezus-Christus zich opoffert. Bij stelt zich in hunne plaats, Hij wil lijden wat zij zouden moeten lijden, om hen uit de hel te verlossen, om hen in hunne rechten op het hemelsch erfdeel te herstellen. Ziedaar den religieuzen geest, den geest die u moet bezielen, sedert gij uwe Geloften hebt uitgesproken, en zonder welken gij slechts religieuze zijt in naam.

Die geest laat zich samenvatten in deze drie woorden; Toewijding, afhankelijkheid, verloochening.

De religieuze door dien geest doordrongen is, boven het aardsche verheven, — is altijd gereed goederen, . vrienden, bloedverwanten, vaderland, goeden naam, het leven zelfs op te offeren, zoodra de eer van God dit eischt; — zg luistert noch volgt, in wat bet ook zij, de bedorven natuur, doch geeft zich geheel over aan den indruk der genade; zij laat zich door den goddelijken geest besturen, en gedraagt zich in alles volgens bovennatuurlijke grondregelen; zij laat aan God met volle vertrouwen de zorg over van haren levensloop, de handelingen van elk uur van den dag, haren dood, den tijd en de wijze van haren dood te regelen; ?ij neemt reeds vooruit de vernederingen, de teleurstellingen, de beproevingen, de ziekten aan die God zal gelieven haar over te zenden, — kust reeds de hand, waarmede God haar zal slaan, — verleent zich tot alles en aan allen om het werk te verrichten, dat de Overste haar zal opleggen, zonder

ocr page 300

' 291

de moeielijkhedeu te wikken en te wegen; — zij is gereed te helpen wie hare hulp behoeft, de lasten van anderen te dragen ten koste van eigen rust om aan allen een straaltje vreugde en vrede te bezorgen, — om in één woord, elk oogenblik van haar bestaan tot God en tot degenen, die door God over haar gesteld zijn, door hare daden te zeggen: Zie hier ben ik om uwen wil te volbrengen.

Zoo leeft, zoo denkt, zoo handelt de religieuze die doordrongen is door den geest barer roeping, de religieuze, die de woorden haier professie begrepen heeft. De geest van Jezus-Ghristus leeft in haar, doorgrondt, bezielt, geleidt haar, en zij werkt in vrede, in geluk, somtijds zelfs met zielsverrukking! Doch alvorens zoover te komen, moet zij den goeden strijd gestreden hebben, moet zij gezegevierd hebben over de listige redeneeringen des duivels, die zoo gemakkelijk den geest verwarren en den moed neder-drukken.

IT.

Beoefening van den eeijgieuzen geest.

Daar de religieuze geest niets anders is dan de geest van Jezus- Christus, zoo is het in de gedachten, de woorden, de werken van Jezus-Christus, dat wij dien in geheel deszelfs volmaaktheid moeten zoeken.

Jezus-Christus is voor allen de weg, die ten hemel leidt, de waarheid, die den weg des hemels toont, het leven, dat ons voort doet gaan op den weg des hemels, — het voorbeeld, dat wij volgen moeten om in den Hemel te komen.

En is Jezus-Christus dit alles voor alle christe-den, zoo is Hij dit op meer bijzondere wijze voor u,

ocr page 301

292

religieuzen, die alles verlaten hebt om Hem te volgen en u aan Hem gehecht hebt om zijne dienstmaagden te zijn.

Daar Jezus-Christus God is, heeft Hij al zijne daden verriclit met eene volmaaktheid, die wij zeker nooit zullen bereiken, maar die wij van verre kunnen en moeten volgen, immer trachtende die nader bij te komen. De H. Paulus wil, dat wij hem zouden navolgen, gelijk hij zelf Jezus-Christus heeft nagevolgd. (I Cor. XI, 1.) Hij loil vooral, dat wij in de zelfde gesteltenissen zijn als Jezus-Christus. (Phil. II, 5.)

Welnu, de gevoelens en gesteltenissen van Jezus-Christus , die ons tot richtsnoer moeten dienen in het religieuze leven, zijn deze:

Jezus-Christus heeft nooit zich zeiven gezocht; nooit beoogde zijne persoonlijke belangen, betzij tijdelijke , hetzy geestelijke; — Hij heeft niets gedaan om slechts den menschen te behagen; Hij heeft nooit eenig goed werk achtergelaten uit vreeze bun te mishagen; — God alleen, zijne glorie en zijn wil waren het eenig doel van zijne gedachten en gevoelens, zijn eenige gedragsregel. Hij heeft alles zonder voorbehoud aan de belangen zijns Vaders opgeofferd.

Jezus-Christus deed de godsvrucht beslaan in de inwendige gesteltenissen; niet in ijdele en bedriegelijke indrukken, maar in oprechte, krachtdadige, vruchtbare gevoelens; in de gesteltenis eener volkomen toewijding aan God, eener voortdurende vernedering van zich zeiven, eener grenzenlooze liefde tot de menschen. Al de oogenblikken zijns levens waren aan God en de voltrekking dezer drie gesteltenissen toegewijd.

Hij heeft geene enkele letter der wet verwaarloosd, doch verklaarde ter zelfder tijd door zijne woorden en voorbeeld, dat die getrouwheid moest voortkomen

ocr page 302

293

uit een inwendig beginsel van liefde en dat het nakomen der letter slechts slaven, doch geene kinderen Gods kon vormen.

Jezus-Christus heeft het leren slechts beschouwd als een overtocht, eene reis, een tijd van heproecing, alleen bestemd om God zijne liefde te betuigen.

Het eeuwige alleen hield Hem bezig. Hij gaf dei-natuur het noodzakelijke, doch niets meer. Hoewel Hij niets bezat en voor alle lichaamsbehoeften slechts van de Voorzienigheid afhing, heeft Hij zich nooit bekommerd over den dag van morgen, en meer dan eens de gevolgen der armoede ondervonden.

Jezus-Christus heeft datgene voor zijn deel gekozen wat den rnenschen het moeielijkst valt, dat waaraan zij zich slechts noode onderwerpen als gevolg van hunnen staat of stand. Hij heeft de rijkdommen niet volstrekt veroordeeld; doch Hij gaf den voorkeur aan de armoede. Hij heeft de waardigheden, eerambten en verheven stand, door God onder de menschen gevestigd, niet veroordeeld; doch Hij heeft geleerd, dat een nederig, verborgen leven, van alle eerbewy-zing ontbloot, aangenamer is aan God en gemakkelijker ter zaligheid; Hij heeft geleerd, dat het eene dwaling, eene bron van vele fouten is zich boven anderen verheven te gelooven, omdat men in grootheid , in adel, in macht geboren is. — Behalve eenig natuurlijk vermaak door den Schepper aan sommige handelingen verbonden, waarvan het genot nog door de strengste regelen moet gewijzigd worden, heeft Hij alle vermaken, die men zoo vurig najaagt, veracht, en zich zelfs de onschuldigste ontzegd. De arbeid, de apostolische tochten, het gebed, de onderrichting van zijne leerlingen en het volk hebben al de oogeublikken zijns levens ingenomen.

ocr page 303

294

Jezus-Christus is goed voor allen geweest; goed voor de kleinen, goed voor zijne leerlingen, die Hem meer dan anderen beminden, goed vooral en vervuld met een teeder medeljiden voor lijdenden en ongelukkigen, al waren zij dit door eigen schuld; — voor Magdalena, voor de zondige vrouw, voor de Samaritaansche wouw heeft Hij eene bewonderenswaardige goedheid getoond. Hij is de Vader van den verloren Zoon; Hij is de goede herder, die het verloren schaap opzoekt; Hij is de barmhartige Samaritaan, die onze wonden balsemt.

Jezus-Christus heeft met eene onverstoorbare zacht-moedigheid de fouten en gebreken zijner Apostelen verdragen. Als wij de zaken volgens onze denkwijze beschouwen, hoeveel moet Hij dan niet geleden hebben in den omgang met zulke onvolmaakte en onwetende menschen ? De samenleving is wellicht eene der moeie-lijkste zaken , die den Heiligen zelfs het meeste kosten. Hoe meer zij in God verheven zijn , hoe meer nederigheid zij moeten hebben om zich te buigen, te schikken, om in de anderen duizend onvolmaaktheden te ontveinzen, te verschoonen, die zij veel beter dan iemand bemerken. Dit komt dagelijks voor, en het gedrag in deze omstandigheid geleid, maakt de deugd of beminnelijk of afkeerig.

Jezus-Christus is door zijne vijanden op alle wijzen vervolgd geworden en heeft dit in vrede geleden.

Toen het uur gekomen was, waarop Hij hun in handen moest vallen, heeft Hij hunne driften, die Hij als de werktuigen van de goddelijke rechtvaardigheid beschouwde, laten werken. Hij zweeg, toen Hij zag dat zij hardnekkig waren in hunne boosheid; Hij zocht zich niet te rechtvaardigen, hoewel dit voor Hem zoo gemakkelijk geweest ware; Hij heeft zich

ocr page 304

295

laten veroordeelen, Hij heeft ze hunne zoogenaamde zegepraal laten genieten, Hij heeft vergeven, gebedenen zijn bloed voor hen gestort tot den laatsten druppel!

Zie iu deze weinige woorden de oefening van den religieuzen geest; zij is niet wat het zinsbedrog ons als ondoenbaar, ondragelijk, knellend voorstelt, zij is eenvoudig, bevattelijk, licht uitvoerbaar. Zij bestaat geheel hierin: Zie en volg dit voorbeeld.

Niets daarin overtreft de menschelijke kracht, door de goddelijke genade geholpen; en heeft Jezus-Chris-tus ongehoorde smarten uitgestaan, Hij heeft die niet gezocht, Hij heeft ze aangenomen, en God heeft die naar zijne goddelijke kracht gemeten. God zal eveneens voor u handelen, zoo vaak Hij u eene beproeving zal overzenden. Ja, zij bezitten dien religieuzen geest, die groote zielen, die zich zoo gelukkig gevoelen in haar klooster, ver van alle aardsche vermaken, bij hare zieken, hare armen, hare kinderen, ver van alle aardsche vreugde eu eerbetoon. Luister hoe een geleerd en godvruchtig bisschop haar beschrijft. Moge ieder uwer zich iu deze bladzijden terugvinden.

»Eeue religieuze is eene edele, groote, heldhaftige ziel, vervuld van liefde en dankbaarheid van door God gekozen, door haren hemelschen Bruidegom geroepen te zijn, — die evenals de eerste Apostelen, voor Hem hare visschersschuiten en netten, hare aardsche belangen , haar vaderland, hare familie, hare zoetste gewoonten verlatende, in het diepste haars harten niets meer hoort dan de stem, die haar bekoord heelt.

»Het is eene ziel, die met de eenvoudigheid der eerste Christenen aan de voeten van haren goddelijken Meester niet slechts de broze, vergankelijke goederen nederlegt, maar het ofier brengt van hare. dierbaarste genegenheden, van haar hart, haren geest, haren wil,

ocr page 305

296

hare geteele vrijheid, - -die zich gelukkig gevoelt in hare onthlooting en die meer zou willen bezitten, opdat haar offer schooner zou zijn.

»Het is eene ziel, die, na moedig haar besluit genomen te hebben , niet meer achterwaarts ziet, zoodra zij de hand aan den ploeg heeft geslagen; die , eenmaal buiten het slijk der wereld getreden, er haren voet niet meer mede wil bezoedelen. — Zij weet, wat het zeggen wil, een gekruisten Bruidegom te volgen; maar zij heeft het kruis gewogen, de kroon gepast, den kelk geproefd, zijne kolom, zijne boeien, de beleedigingen Hem aangedaan gezien; doch van Calvarië heeft zij de handen tot den Hemel opgeheven; zij heeft den troon van het Lam gezien; zij heeft het gezang der engelen gehoord; de gouden harpen hebben de tonen van het eeuwig Hosanna tot hare ooren doen weergalmen; zij heeft de maagden gezien met hare witte kleederen, de martelaren wier bloed de aarde gedrenkt heeft, de scharen der gelukzaligen van eiken leeftijd, eiken stand, die, op denzelfden grond door de zelfde gevaren omringd, over de wereld en over zich-zelven hebben gezegevierd; en bij dit gezicht heeft haar hart zich bemoedigd, hare ziel heeft nieuwe hoop en kracht verkregen, en zij roept uit:

»Ja, mijn God, ik behoor u toe, ik hen de uwe, ik wil n altijd, overal volgen tot aan mijn laatsten snik; ik zal voortgaan, ik zal tot u vlieden als uwe goedheid mij slechts ondersteune, mij wapene, mij drage; ja, ik wil, ik zal volmaakt worden; want Gij, o mijn Zaligmaker, hebt beloofd, alles te zullen geven aan die u alles zouden vragen, en ik stel geene grenzen noch aan mijne begeerten, noch aan mijn smeeken 1quot; (Mgr. Angebault).

ocr page 306

297

Luister niet naar den duivel, wiens bedriegelijke woorden wij u gaan ontmaskeren. Luister naar Jezus , volg Jezus; Hij is de weg, de waarheid, het leven.

III.

Hoedanig het zcnsbedros ons den iieugikuzen

geest voorstelt.

1. Het zinsbedrog stelt ons den religieuzen geest met deszelfs opoffering, afhankelijkheid, volkomen zelfverloochening voor als onmogelijk voor de mensche-lijke natuur, daar hij in alles met haar in strijd is.

»Zich verloochenen, zegt het zinsbedrog, is niet meer aan zicli-zeiven toebehooren; is zich afhankelijk maken, niet van God uit wiens hand men zonder morren de ziekte, het ongeluk zoa aannemen; maar van een schepsel, dat, wel is waar, Gods plaats bekleedt, doch dikwijls even zwak en ellendigis als wij, van een schepsel, dat ten onzen opzichte soms met vooroordeel of uit afkeer kan handelen.

»Zich aldus verloochenen is leven in een gedurigen dwang: — het verstand mag zich niet meer bezig houden naar welgevallen: — het hart mag zich aan geen enkel voorwerp hechten; — de zinnen moeten voortdurend onder bedwang gehouden worden; ■— het is de volkomen vernietiging van ons bestaan.

Bedrog!... Neen, de zelfverloochening door den religieuzen geest gevorderd, is noch een dwang, noch eene gedurige kwelling. Neen, die geest vernietigt noch het verstand, noch het hart; hij verwoest, hij dwingt slechts datgene wat de gaven, ons door God gegeven, kan bederven.

ocr page 307

298

De religieuze geest laat het verstand in vollen glans scliitteren; — hij laat het hart al de kracht van deszelfs genegenheid behouden; hij laat de zintuigen zich ontwikkelen binnen de grenzen door Gods wet getrokken; doch hij geleidt, hij bestuurt, hij zuivert ze.

De zelfverloochening, door den religieuzen geest gevorderd, is de dienst van God in geheel deszelfs omvang: en God dienen is heerschen; — het is de onderwerping van den leerling aan den meester, dien Mj vereert, van den dienaar aan den vorst, dien hij hoogacht, van het kind aan den vader, dien het lief heeft, van den vriend aan den vriend zijns harten!

Maar wil men dit wel begrijpen, dan moet men zich geheel overgeven, zich zonder voorbehoud geslachtofferd hebben, zooals Jezus zich heeft opgeofferd, zooals Maria zich heeft toegewijd, zooals al de Heiligen, die door den mond een hunner tot God zegden: Gij hebt mij bedrogen, Heer; gij spraakt van het juk van uwen dienst, en ik vond slechts vrijheid; gij spraakt mij van lijden, en ik vond slechts geluk!

Daarenboven, daar Jezus aan allen , die Hem willen volgen, die toewijding, die onderwerping, die zelfverloochening voorschrijft, moeten zij wel uitvoerbaar wezen; Zoo iemand na mij wil komen, zoo verloochene hij zich-zelven, neme zijn kruis en volge mij (Matth. XVI, 24). God kan geene onmogelijke zaken vorderen. — Arme religieuze, die het juk, dat uw Meester licht en zoet noemt (Matth. XI, 30), zoo zwaar vindt, zoudt gij het wellicht slechts uit dwang of schijnheiligheid dragen? O ja, dan begrijp in het treurig woord dat aan uwe lippen ontsnapt.

Die toewijding, die onderwerping, die zelfverloochening moeten wel uitvoerbaar zijn, daar zij den

ocr page 308

299

grondslag vormen van de volmaaktheid, naar welke gij, krachtens uwen staat, streven moet, — den grondslag van die liefde tot God boven alles, die gij, religieuzen, gelijk wij dit reeds zegden, meer dan andere Christenen in oefening moet brengen; — en ook hierin is datgene wat God beveelt, altijd

I mogelijk. mogelijk.

Die toewijding, die onderwerping, die zelfverloochening moeten wel uitvoerbaar zijn, daar alle heiligen, dat wil zeggen alle volmaakte christenen en getrouwe religieuzen die beoefeud hebben en aldus tot de heiligheid gekomen zijn! Lees hun leven, en gij zult zien, dat het eerste wat zij deden, toen zij door Gods genade geraakt werden, geweest is g zich aan God toe te wijden, en dat dien ten gevolge God bezit van hen heeft genomen en volgens zijn welbehagen over hen, voor zijne glorie, beschikt heeft. — De eenen heeft Hij gebruikt tot een aanhoudend gebed, en ze voor zich behouden door hen geheel van de schepselen te verwijderen; de anderen heeft Hij bestemd om zijnen naam over de geheele aarde te dragen en Hem te doen kennen en beminnen ; aan anderen vertrouwde Hij de zieken, de kleinen, de stervenden ; anderen Het Hij arm, onbekend, veracht; weder anderen waren gedrukt ouder het gewicht der grootste ellende, eener langdurige ziekte! Maar allen, allen hebben, om tot de hemelsche glorie te geraken , vreugdevol in alle omstandigheden des levens dit woord van Jezus-Christus herhaald: Hier ben ik, o Heer, om uwen wil te volbrengen!

II. Het zinsbedrog stelt ons den religieuzen geest met deszelfs toewijding , onderwerping en zelfverloochening voor als onuitvoerbaar loegens den gedurigen dwang, dien hij oplegt.

ocr page 309

300

1°. Maar die dwang was bekend, alvorens men zich dien oplegde; — men heeft dien vrijwillig, edelmoedig aangenomen; — men heeft dien lang met vreugde ondergaan; — hij beantwoordt zelfs aan de behoefte van het hart dat zich heeft toegewijd. Waar toch is een waarlijk beminnend hart, dat geene behoefte gevoelt, zijne liefde te bewijzen door die toewijding en onderwerping, door den religieuzen geest gevorderd ? En zoolang dat hart waarlijk bemint, zal het zich nooit, nooit beklagen over den dwang, door de liefde opgelegd!

O, religieuze, die in dit oogenblik luistert naaide stem des duiveh, hebt gij dien religieuzen geest met zijne onderwerping en volkomen zelfverloochening ondragelijk gevonden in de eerste jaren van uw religieuze leven? Toen moest men de vlucht van uw hart wederhouden, dat slechts vraagde te lijden, veel te lijden, altijd te lijden; toen moest men u het lezen verbieden van die boeken, waarin de Heiligen hunne, gloeiende liefdebetuigingen en de heldhaftige daden, die gij wildet navolgen, hebben nedergeschreven; — neen, toen vondt gij het juk van Jezus-Christus niet ondragelijk. Heden is het nog het zelfde; maar wat niet de zelfde is, dat is uwe godsvrucht, dat zijt gij zelve, arme gevallen ziel!

Sla de oogen rondom u, en vraag het aan uwe zusters, die getrouw zijn gebleven aan hare plichten, en wier deugd gij acht, hoewel gij u de kracht niet gevoelt ze na te volgen; vraag haar, of haar leven, zoo volkomen naar Gods wil ingericht, drukkend en zwaar is, of zij hare toewyding aan God willen herroepen. Vraag haar, of dat leven wat u ondragelijk schijnt, voor haar geene bron van troost is; of een enkel bezoek des Heeren haar niet schadeloos stelt

ocr page 310

301

voor al haar lijden, of zij dien vrede niet genieten,. die volgens den H. Paulus alle ander gevoel overtreft (Phiupp. IV, 7) en eeu voorsmaak is der eeuwige genoegens. — Geen enkele religieus heeft van God niet even groote troost ontvangen als zijne edelmoedigheid groot geweest is, — geen enkel heeft de dag zijner H. Professie niet beschouwd als een geluk, waarvoor hij God nooit genoeg kan danken, geen enkel die, met den H. Augustinus, niet betreurd heeft, te laat te hebben begonnen. God te beminnen en te dienen.

2°. De religieuze geest met deszelfs toewijding, onderwerping eu zelfverloochening wordt langzamerhand werkelijk ondragelijk voor de ziel, die gedurig iets aan God weigert.

Zij is niet zoo vast besloten getrouw te zijn tot ia de kleinste zaken; zij gaat niet oprecht met God om; zij geeft Hem eenige zaken en weigert Hem andere; zij stelt grenzen aan hare toewijding, en vindt datgene wat zij doet, voldoende; zij houdt terug, zy zoekt, tot zekeren graad, hare voldoening te doen stroken met datgene wat de genade haar vraagt; hoe kan zij het juk, dat zij draagt, anders dan zwaar vinden, want zij draagt het alleen. Zij verwijdert zich van God; maar het juk van God, dat zij op hare schouderen nam bij het uitspreken barer Geloften, neemt zij mede, en het wordt zwaar, omdat Jezus niet meer daar is om het met haar te dragen. Zij heeft Jezus van zich verwijderd.

Nader dan uwen Jezus weder en plaats u naast Hem. Houd niets voor Hem terug, en Hij zal voor u niets terughouden. Toon Hem geene koelheid, en Hij zal niet koel jegens u zijn. Bemin, o bemin Hem, en Hij zal u liefhebben. En wordt alle arbeid niet

ocr page 311

302

zoet, als men werkt voor iemand, dien men lief heeft en door wien men zich bemind gevoelt?

III. Het zinsbedrog stelt ons den religieuzen geest met deszelfs toewijding, onderwerping en zelfverloochening voor als eene slavernij, die geheel het leven zal duren en met het klimmen der jaren des te meer zal drukken,

O hoe weinig kent gij Gods goedheid! vreest gij dan, dat Hij misbruik zal maken van het offer dat gij Hem van u zelve gebracht hebt, en dat Hij u als een hardvochtig en onverbiddelijk Meester zal behandelen? Nog eens, hoe wenig kent gij Gods goedheid en hoe beleedigend is zulk eene gedachte voor zijne liefde!

Is God dan een dwingeland? Vindt God dan behagen in het pijnigen van een schepsel, dat zich met de grootste edelmoedigheid aan Hem heeft opgeofferd ? Is al wat Hij van ons vraagt, niet voor ons eigen welzijn? Wat heeft God aan ons en wat nut trekt Hij van onze toewijding?

Ach! verlaat u veeleer op zijne wijsheid, zijne macht, zijne goedheid; Hij zal van oos niet meer vragen dan wij door zijne genade in staat zijn Hem te geven.

Wat Hij van ons wil, zal Hij met onzen wil doen stroken; en is er sprake van eene bijzondere beproeving , Hij zal ons langzamerhand zoover brengen dat wij die gaarne aannemen en vreugdevol verdragen. God gebruikt geen dwang met de zielen, die Hij lief heeft, en onderwerpt ze slechts door de zoetheid en de kracht der liefde.

En vindt Hij er zijne glorie niet in aldus gediend te worden ? God wil geene gedwongen gehoorzaamheid, en juist omdat zij vrij zou zijn, eischt God voor alles de toewijding van onzen wil.

ocr page 312

303

Vreest gij dan soms, dat God om die algeheele toewijding u kruisen zal overzenden, die Hij u anders gespaard zou hebben?

Maar de kruisen, die God u zal overzendeu, zijn door Hem, niet door u gekozen. Hij heeft ze u bereid en zal ze u overzenden, volgens de inzichten van heiligmaking, die Hij omtrent uwe ziel heeft gevormd. Noch uwe vrees, noch uw voorbehoud zal ze terug houden; en de religieuze geest vraagt u eenvoudig het kruis aau te nemen dat God u overzendt, het te zegenen, het om zich zelven te beminnen en aldus dien graad van heiligheid te bereiken, waartoe gij geroepen zijt.

Gij weet niet, welk kruis God u zal overzenden; gij weet slechts dat, omdat God het u overzendt, het n noodzakelijk is. Zoo gij het niet draagt, loopt gij gevaar uwe zaligheid te verliezen, of ten minste den graad van volmaaktheid niet te bereiken, dien God van u verwacht; en wordt gij zalig zonder dat kruis, zoo kan dit slechts zijn door het berouw, dat gij zult gevoelen van het niet gedragen te hebben.

Door dit kruis te omhelzen, alvorens gij het kent, maakt gij u geschikt om het met voordeel voor uwe ziel te dragen en het drukkende minder te gevoelen, als het u op de schouders zal gelegd worden.

IV.

Hoe het zinsbedrog den religieuzen geest verwoest.

Indien het zinsbedrog, dat ons den religieuzen geest als onuitvoerbaar, ondragelijk en knellend voorstelt, niet door het gebed en door het overwegen van bovenstaande waarheden bestreden wordt, zal

ocr page 313

304

de plaats vau den religieuzen geest weldra worden ingenomen door den geest der wereld, waaraan God ons heeft willen onttrekken door ons tot zich te roepen door de HH. Geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid.

Ziehier eenige kenteekenen waaraan men zien kan, dat die geest der wereld in de ziel eener religieuze is doordrongen.

1. Zij houdt zich met de wereld hezig. — Zij denkt aan de wereld, niet ondanks zich-zelve en onvrijwillig, wat zelfs aan de godvruchtigste gebeurt, maar vrijwillig en voorbedacht; — zij wil alles weten wat in de familiëü en gezelschappen omgaat; — zij zoekt uit de eerste en beste bron onderricht te worden, en werpt zich op elk dagblad, dat haar op de hoogte kan brengen. De geestelijke lezing verveelt haai, de levens der Heiligen vallen niet in haren smaak; zeker wil zij niets lezen wat slecht is, doch vraagt naar hetgeen haar kan verstrooien..... en dan klaagt

o ... . 0

de arme religieuze dat zij niet kan mediteeren!

2. Zij spreekt van de wereld. — Dit is een der teekenen door den H. Joannes gegeven om de geesten, die uit God niet zijn, te erkennen. Zij zijn van de wereld, zegt hij, en zij spreken van de loereld. (I Joa. IV, 0). Valt gedurende de recreatie het gesprek op geestelijke zaken, dan zwijgt zij stil, zij weet niets te zeggen, haar geheugen, haar hart zijn ledig; maar spreekt men van de zaken der wereld, dan ontwaakt haar geest, hij wordt levendig, flonkert, schittert; men gevoelt, dat zij uit de volheid des harten spreekt. Misschien vermaakt men zich bij haar, cn hoort men haar gaarne spreken ; doch als de recreatie geëindigd is, zijn de zusters, die haar aangehoord en wellicht bewonderd hebben, niet op haar gemak;

ocr page 314

305

haar gesprek heeft haar niets medegedeeld, misschien heeft het haar iets ontnomen....

Zeker behoeft de religieuze, die door den geest van Jezus bezield wordt, niet altijd van God te spreken; maar hare vroolijkste woorden, hare gesprekken, die eene zoete opgeruimdheid verraden, benemen noch de ingetogenheid, noch den vrede, noch de liefde. Even als de zachte koelte, die, over de bloemperken heenstrijkende, ons iets van derzelvergeur medebrengt, zoo brengen hare woorden, over eene ziel heenstrijkende, waarin Jezus-Christus woont, ons iets hemels mede.

3. Zij denkt en oordeelt gelijk de toereld. — Voor haar vormen fortuin, schoonheid, talent, hooge geboorte en waardigheden, even als voor den wereldling, de grondslagen van het geluk. — Schoone manieren, talent, betrekkingen met hooggeplaatste personen staan op den voorrang. — Volgens haar gaat alles wel in eene Communauteit, als men er personen van aanzien en van rijke familiën ontvangt, die door haar verstand schitteren; daarentegen is die Communauteit zeer te beklagen, als zich slechts personen van minderen stand aanbieden, die niets bezitten dan hare godsvrucht. De godsvrucht is zeker goed, maar zij moet den geest niet geheel innemen!quot;

Arme Religieuze, wat zou zy zich ongelukkig gevoeld hebben in het gezelschap van Jezus, met die arme ruwe visschers,welke de Zaligmaker zich had uitgekozen.

4. Zij bemint en verfoeit al wat de wereld bemint en verfoeit. — Alles wat naar vergetelheid en vernedering zweemt, vertoornt haar. — Zij kan niet dulden , dat men haar de laagste plaats aanwijst of een kleed geeft dat meer afgedragen is dan dat van anderen, dat men haar iets weigert, dat men haar oordeel niet waardeert, dat men eene jongere zuster voor-

20

ocr page 315

306

trekt en boven haar plaatst. — Het zou haar groot verdriet doen als men haar niet geestig vond, of eenvoudig als eene godvruchtige, brave religieuze achtte. — Als zij naar de spreekkamer gaat, zorgt zij hare kleederen te schikken om, helaas, aan de menschen der wereld te behagen en van zich te doen

• • O

zeggen, dat zy er wel uitziet. — Neen, zij begrijpt het woord der Navolging van Christus niet: fVees gaarne onlekend en voor niets geacht.

O indien gij, religieuzen, wie God dit boek in handen zendt, in deze regelen eenige trekken terugvindt van hetgeen in n omgaat, knielt spoedig voor uw kruisbeeld neder, en zegt tot Jezus-Christus met het zelfde gevoel als de H. Petrus, toen hij zich in de golven voelde zinken: Heer, red mij!

Als het kort begrip dezer bladzijden over den religieuzen geest, geven wij hier een portret geschetst door een missionaris bij [retraites aan religieuzen gegeven.

ocr page 316

307

Portret der rfligieuze geleid door den geest van God, en der religiedze geleid door

den geest der wereld.

I.

tcfiyieuamp;c in -fmctt. inwendig tamp;vamp;n.

1°. Geest.

De yodoruchtige religieuze denkt en oordeelt met Jezus-Christus, dat het ware geluk bestaat in de armoede, het verdriet, de vernedering, het lijden enz., en het ware ongeluk in de rijkdommen, de vermaken, de eer, de grootheid, de gezondheid enz.

De godoruchtige religieuze wantrouwt steeds haar eigen verstand en oordeel; zij voegt zich naar het gevoel van anderen en volgt gaarne hunnen raad.

De godvruchtige religieuze oordeelt en beoordeelt harer medezusters noch in haar gedrag, noch in hare meeuing; zij ziet in alles slechts het goede, zelfs onder den schijn van het kwaad.

De wereldsche religieuze denkt en oordeelt met de wereld, dat het ware geluk bestaat in rijkdom, vermaak, eer, gezondheid, enz., en het ware ongeluk in armoede, verdriet, vernedering, lijden, ziekte enz.

De wereldsche religieuze houdt zich aan haar eigen gevoelen en oordeel; zij veracht den raad van anderen, en blijft aan hare denkbeelden vastgekleefd.

De wereldsche religieuze onderzoekt, verdenkt eu oordeelt lichtvaardig het gedrag en de meening harer medezusters; zij ziet in alles slechts kwaad, zelfs onder den schijn van het goede.


ocr page 317

306

trekt en boven haar plaatst. — Het zou haar groot verdriet doen als men haar niet geestig vond, of eenvoudig als eene godvruchtige, brave religieuze achtte. — Als zij naar de spreekkamer gaat, zorgt zij hare kleederen te schikken om, helaas, aan de menschen der wereld te behagen en van zich te doen

• • O

zeggen, dat zy er wel uitziet. — Neen, zij begrijpt het woord der Navolging van Christus niet: fVees gaarne onlekend en voor niets geacht.

O indien gij, religieuzen, wie God dit boek in handen zendt, in deze regelen eenige trekken terugvindt van hetgeen in n omgaat, knielt spoedig voor uw kruisbeeld neder, en zegt tot Jezus-Christus met het zelfde gevoel als de H. Petrus, toen hij zich in de golven voelde zinken: Heer, red mij!

Als het kort begrip dezer bladzijden over den religieuzen geest, geven wij hier een portret geschetst door een missionaris bij [retraites aan religieuzen gegeven.

ocr page 318

307

Portret der rfligieuze geleid door den geest van God, en der religiedze geleid door

den geest der wereld.

I.

tcfiyieuamp;c in -fmctt. inwendig tamp;vamp;n.

1°. Geest.

De yodoruchtige religieuze denkt en oordeelt met Jezus-Christus, dat het ware geluk bestaat in de armoede, het verdriet, de vernedering, het lijden enz., en het ware ongeluk in de rijkdommen, de vermaken, de eer, de grootheid, de gezondheid enz.

De godoruchtige religieuze wantrouwt steeds haar eigen verstand en oordeel; zij voegt zich naar het gevoel van anderen en volgt gaarne hunnen raad.

De godvruchtige religieuze oordeelt en beoordeelt harer medezusters noch in haar gedrag, noch in hare meeuing; zij ziet in alles slechts het goede, zelfs onder den schijn van het kwaad.

De wereldsche religieuze denkt en oordeelt met de wereld, dat het ware geluk bestaat in rijkdom, vermaak, eer, gezondheid, enz., en het ware ongeluk in armoede, verdriet, vernedering, lijden, ziekte enz.

De wereldsche religieuze houdt zich aan haar eigen gevoelen en oordeel; zij veracht den raad van anderen, en blijft aan hare denkbeelden vastgekleefd.

De wereldsche religieuze onderzoekt, verdenkt eu oordeelt lichtvaardig het gedrag en de meening harer medezusters; zij ziet in alles slechts kwaad, zelfs onder den schijn van het goede.


ocr page 319

310

4°. Gkheugen.

De godvruchtige religieuze vergeet al wat bet leven eervols voor haar had; zij denkt er niet meer aan. Zij herinnert zich daarentegen alles wat bekwaam is om haar voor Goden de menschente vernederen; zij houdt zich daarmede inweudigr hezicr om aan zien-zelve te sterven, en lijdt geduldig, dat men haar dit alles verwijt.

De godvruchtige religieuze herinnert zich altijd de genaden, die God haar bewezen heeft, de goede diensten, haar door hare zusters bewezen, en hare eigene plichten jegens God en de menschen.

De loereldsche religieuze herdenkt steeds met welbehagen al het eervolle baars levens, en voedt haren geest daarmede. Zij verwerpt de gedachte aan al wat haar kan vernederen in de oogen der wereld en in hare eigen oogen; en zij kan volstrekt niet lijden dat men haar hieraan herinnere.

De loereldsche religieuze vergeet dikwijls en gemakkelijk de weldaden waarmede God haar heeft overladen, de diensten die men haar heeft bewezen, en de plichten, die zij ten opzichte van God en hare evennaasten te vervullen heeft.


5°. Verbeelding.

De godvruchtige religieuze is klein in hare eigen oogen, gelooft zich tot niets groots in staat

De wereldsche religieuze vormt in haren geest voort-durend duizend hersenschimmige plannen van


ocr page 320

311

en Loudt zich inwendig in de nederigheid; zij trekt zich terug, verbergt zich en houdt zich voor God steeds bezig met hare ellende en onvolmaaktheden. Hare verbeelding vormt slechts plannen van vernedering.

De godvruchtige religieuze volbrengt deze drie grondregels van het geestelijk leven; Roep u voor uwe eigene rechtbank; oordeel en veroordeel u zelve; ga dikwijls iu den geost de plaats beschouwen die gij vreest in de hel, — die gij hoopt in den hemel te verkrijgen.

De godvruchtige religieuze bezit zich-zelve in vrede; zij overweegt kalm al hare plannen en doet alles met eene heilige vrijheid van geest; zij onderbreekt hare meest verstrooiende bezigheden door het gebed; in één woord, zij heerscht over al hare geestvermogens, over haren wil, haren geest, haar hart, hare ziel, haar geheugen, hare verbeelding, grootheid, eer, verheffing; zij wil zich toonen en gezien worden; zjj prijst zich zelve inwendig, en bewierookt zich zonder ophouden.

De wereldsche religieuze laat zich door hare wilde vaart medeslepen en verpersoonlijkt deze drie spreekwoorden: Het hoogste woord voeren; haar haan koning laten kraaien; kasteelen in de lucht bouwen.

De wereldsche religieuze is nooit zich-zelve meester; zij wordt geheel mede-gesleept door elk plan dat zij vormt, of door de bezigheden, die haar be-hacren en haar van het gebed aftrekken; in één woord, geest, hart, ziel, verbeelding, geheugen, alles is ingenomen, alles is in wanorde, alles weerstaat haar of beter voert haar mede.


ocr page 321

312

II.

ze ticj-lcuamp;z iii- 'lo-aat- 'H.itweH3ic|/ le-uen. 1°. WOOUDEN.

De godvruchtige religieuze luistert meer dan zij spreekt; zij eerbiedigt liet stilzwijgen; zij is die vrouw „matig en bescheiden in woordenquot; waarvan de H. Geest spreekt; zij weet van pas te spreken en te zwijgen.

De godvruchtige religieuze spreekt nooit van zich-zelve, noch van wat zij doet, van hare plannen, hare familie; en zij gevoelt zich vernederd, als men haar daarover spreekt.

De godvruchtige religieuze is beschaamd, als men haar prijst; zij vlucht allen lof, en vermijdt dien, zooveel zij kan.

De godvruchtige religieuze verheugt zich als men anderen in hare tegenwoordigheid prijst; zij vereenigt zich daarmede, spreekt gaarne van de

De ivereldsche religieuze spreekt veel meer dan zij luistert; zij kent geen stilzwijgen, zij is die „praatzieke vrouw,quot; waarvan de H. Geest spreekt, die zelfs een geesel is in de wereld.

De wereldsche religieuze spreekt altijd van zich zelve, van wat zij doet of niet doet, van hare plannen, hare familie; en zij hoort daar zeer gaarne anderen van spreken.

De wereldsche religieuze zoekt den lof, vindt er groot behagen in, en gaat dien, om zoo te zeggen, opzoeken en bedelen.

De icereldsche religieuze kan niet lijden dat men anderen in hare tegen-woordigheid prijst; zij spreekt nooit van de goede hoedanigheden van ande-


ocr page 322

313

goede hoedanigheden van

O o

anderen en tracht ze te doen uitkomen.

De godvruchtige religieuze spreekt nooit over de gebreken harer zusters, en wil er niet van hooren spreken; in hare gesprekken bespeurt men nooit laster noch kwaadsprekendheid.

De godvruchtige religieuze spreekt met eerbied, zachtzinnigheid en ootmoed, met zachte stem; zij gehoorzaamt gaarne, beveelt slechts met weerzin, doch met goedheid.

De godvruchtige religieuze verdraagt gaarne de tegenspraak: zij is toegevend en onderwerpt zich gaarne aan hare medezusters.

De godvruchtige religieuze verbergt voor hare Communauteit het goede dat zij doet, waarvan zij geen ander getuige wil

O O O

dan God, haar hemelsche Vader.

De godvruchtige religieuze wordt niet boos; zij hoort en lijdt alles ren; en als zij dit doet, is het om ze te verkleinen.

De wereldsche religieuze spreekt dikwijls en gaarne over de gebreken harer zusters; hare gesprekken zijn dikwijls even zoovele lasteringen.

De wereldsche religieuze spreekt met gezag, gewoonlijk met klem en zeer luid; zij beveelt gaarne en beveelt met overmoed.

De wereldsche religieuze duldt geene tegenspraak en geeft niemand toe.

De wereldsche religieuze zoekt het goede dat zij doet, uit te bazuinen, om de achting harer Communauteit te verwerven.

De wereldsche religieuze vergramt zich bij het minste woord; zij toont


ocr page 323

314

zonder zich te ontstellen; zij denkt nooit, dat men zich met haar bezig houdt, of dat men haar zoekt te beleedigen.

De godvruchtige religieuze zoekt God alleen tot getuige van haar lijden, haar verdriet en moeielijk-heden, en spreekt daarvan aan niemand.

De godvruchtige religieuze versterft zich in hare begeerte om alles te weten; zij vraagt naar niets; zij spreekt met hare zusters niet over datgene wat in de wereld omgaat, indien zij dit bij toeval verneemt.

De godvruchtige religieuze vlucht al hetgeen haar eer en aanzien kan verschafïen, en zoekt nederige, verborgen werkzaamheden.

De godvruchtige religieuze volbrengt met de zelfde zorg en nauwge-zich om het kleinste gestoord , denkt altijd, dat alles wat gezegd en gedaan wordt, op haar gemunt is.

De wereldsche religieuze klaagt voortdurend over haar lijden, hare smarten, hare moeielijkheden en ongelukken.

De wereldsche religeuze zoekt alles te weten wat er omgaat; zij vraagt naar alles, en verspreidt al wat zij hoort, in de gemeente.

2°. Daden.

De wereldsche religieuze zoekt alles wat haar kan doen schitteren, en heeft een afschuw van de nederige en kleine bezigheden.

De wereldsche religieuze is vurig en onvermoeid in de bezigheden barer

zet mi: vol das ■ dei

gie

dei

dat

en

goe

wei j

giei gev al

j

giei voo Ha; voo lief( 2

; giet voo VOO ceui aarc VOOl

tijde


ocr page 324

315

zetheit het werk dat haar mishaagt, als dat hetgeen volgens haren smaak is, daar zij ia alles slechts den wil van God zoekt.

De godoruchtige religieuze doet nooit aan anderen wat zij niet wenscht dat haar gedaan worde; en doet anderen al het goede, dat zij zieh-zelve wenscht.

De godvruchtige religieuze volgt in alles den gewonen weg, en vliedt al wat zonderling is.

De godvruchtige religieuze handelt in alles voor God en om God. Haar leven is slechts eene voortdurende akte van liefde tot God.

De godvruchtige religieuze werkt veel meer voor God, voor hare ziel, voor den Hemel en de eeuwigheid, dan voor de aarde, voor haar lichaam, voor de wereld, voor het tijdelijke.

keuze, doch traag en lauw in die, welke haar mishagen , omdat zij in alles slechts zich-zelve zoekt.

De wereldsche religieuze behandelt anderen niet gelijk zij zelve behandeld wil worden, en bewijst hun niet het goede dat zij zich-zelve wenscht.

De wereldsche religieuze zoekt in alles het zonderlinge , en kan den gewonen wequot; niet volcren.

O O

De wereldsche religieuze handelt in alles voor zich zelve. Haar leven is slechts eene voortdurende oefening van eigenbelang.

O O O

De wereldsche religieuze werkt veel meer voor de wereld, voor haarlichaam, voor de aarde en het tijdelijke, dan voor God, hare ziel, den Hemel en de eeuwigheid.


ocr page 325

316

S0. Veuzuimeuissex.

De godvruchtige religieuze is uit nederigheid en uit liefde tot Jezus-Christus zeer getrouw in alle kleine oefeningen van gehoorzaamlieid, armoede eu nederigheid, die in de gemeente gebruikelijk zijn; zij is zeer nauwkeurig in alles.

De godvruchtige religieuze is even getrouw onder Gods oog alleen als in het openbaar; de gedachte » God ziet mif' is voor haar genoeg, hetzij hare medezusters al of niet tegenwoordig zijn.

De godvruchtige religieuze is verheven boven het menschelijk opzicht; de begeerte van aan hare medezusters te behagen heeft geen invloed op hare getrouwheid in het nakomen barer plichten.

De godvruchtige religieuze verzaakt niet aan de goede werken, omdat deze haar moeielijk vallen;

De wereldsche religieuze verzuimt uit hoogmoed, menschelijk opzicht en gebrek aan versterving, die kleine oefeningen van gehoorzaamheid, armoede en nederigheid, die in de gemeente in gebruik zijn. Zij kent geene nauwkeurigheid in het nakomen barer plichten.

De wereldsche religieuze verzuimt hare plichten zeer gemakkelijk, als zij God alleen tot getuige heeft en niet door de blikken harer zusters wordt aangemoedigd.

De wereldsche religieuze wordt door het menschelijk opzicht beheerscht; zij durft datgene wat God of godsdienst van haar vragen, niet doen, uit vrees voor de verachting of bespotting harer zusters.

De wereldsche religieuze verlaat hare goede werken, zoodra zij eenigen hinderpaal ontmoet, en verlaat


ocr page 326

317

zij verlaat nooit hare oefeningen van godsvrucht, noch van deugd, dan zelfs als zij er niet den minsten troost in vindt.

hare oefeningen van godsvrucht en deugd, zoodra zij er geen troost in vindt.


III.

vefiyicuzz in Ivaox yedtay.

De godvruchtige religieuze is in alles zeer toegevend voor anderen, zeer gestrenc; voor zich-

O O

zelve.

De godvruchtige religieuze sluit altijd de oogen voor de gebreken harer medezusters en houdt ze open voor hare eigen gebreken. Zij sluit de oogen voor hare eigen deugden en houdt ze open voor die harer medezusters.

De godvruchtige religieuze zoekt in alles den wil en het welbehagen van God.

De godvruchtige religieuze verblijft gaarne in hare cel, in de eenzaam-heid eu afzondering; zij

De wereldsche religieuze is in alles zeer toegevend voor zich-zelve, zeer gestrenge voor anderen.

De wereldsche religieuze sluit de oogen voor eigen

O O

gebreken en opent ze voor die harer zusters. Zij opent de oogen voor eigen deugd en sluit ze voor de deugden

en

goede hoedanigheden

O

van hare medezusters.

De ivereldsche religieuze zoekt in alles de voldoening van haren wil en haar vermaak.

De wereldsche religieuze verveelt zich in hare cel, in de eenzaamheid en de afzondering; rlt;ij ontvangt


ocr page 327

318

ontvangt ongaarne bezoek, gaat weinig naar de spreekkamer, verlaat die zoo spoedig mogelijk, ontvangt weinig brieven en schrijft er nog minder.

De godvruchtige religieuze oordeelt of veroordeelt niets in hare gemeente; zij vervult hare eigene bediening met zorg, en laat ieder harer zusters de hare volbrengen.

De godvruchtige religieuze tracht alle harten tot Jezus-Christus te trekken , en offert zich gaarne voor anderen op.

De godvruchtige religieuze zoekt voor zich-zelve steeds het eenvoudigste en geringste in voedsel, cel, kleederen enz.

De godvruchtige religieuze wandelt steeds in Gods tegenwoordigheid, volgt getrouw de inspraken van den H. Geest, en verzuimt zelfs de kleinste deugdoefening niet.

De godvruchtige religieuze verdraagt alles van anderen en geeft anderen niets te verdragen.

gaarne bezoek, verblijft gaarne in de spreekkamer, ontvangt eu schrijft vele brieven.

De wereldsche religieuze bevit en bespreekt alles in hare gemeente; zij bemoeit zich met de bediening van elke zuster en veronachtzaamt de hare.

De wereldsche religieuze tracht aller harten voor zich-zelve eu voor haar eigen voordeel te winnen.

De loereldsche religieuze zoekt voor zich-zelve in alles het beste, in kleederen, huisvesting, voedsel, boeken enz.

De wereldsche religieuze leeft in voortdurende uitgestortheid, weerstaat aan de inspraken der genade, en verzuimt vele kleine oefeningen van deugd.

De wereldsche religieuze strekt anderen tot lijden en last en wil niets van hare zusters verdragen.,


ocr page 328

319

De godvruchtige religieuze stelt zich in alles achter anderen en bekommert zich niet om de achting en liefde der stervelingen.

De godvruchtige religieuze is geduldig, zachtzinnig, medelijdend, voorkomend, minzaam, en leeft steeds in vrede met iedereen.

De godvruchtige religieuze verheugt zich over de gevolgen der armoede. Zij versterft hare zintuigen en looft God in hare ontberingen.

De godvruchtige religieuze hecht zich aan God alleen; zoekt in Hem alleen haren troost; zij vlucht de schepselen, zoekt de eenzaamheid; is onthecht zelfs van het leven, en verlangt te sterven om met God vereenigd te worden.

De wereldsche religieuze plaatst zich steeds op den voorgrond, en zoektslechts diegenen, die haar achten en beminnen.

De wereldsche religieuze is ongeduldig, hardvochtig , onverbiddelijk, en leeft in voortdurenden strijd met hare omgeving.

De wereldsche religieuze beklaagt zich en mort over de gevolgen der armoede in voedsel, woning enz.

De wereldsche religieuze hecht zich aan de schepselen en zoekt bij hen haren troost. Zij jaagt de ijdelheid in alles na; zij hecht zich aan het aardsche en aan het leven, en vreest te sterven; zij heeft geen verlangen om tot God te gaan.


ocr page 329

320

TWEEDE ARTIKEL.

Zinsbedrog omtrent de gehoorzaamheid.

Daar wij in liet vijfde hoofdstuk moeten spreken over de natuur der gehoorzaamheid als deugd en gelofte en over de genade, die zij aan de ziel mededeelt, zullen wij hier slechts spreken over:

1°. De hoedanigheden der gehoorzaamheid.

2°. De hron van het zinsbedrog omtrent de gehoorzaamheid.

3°. De verschillende wijzen , waarop dit zinsbedrog zich voordoet.

4°. De treurige gevolgen der ongehoorzaamheid.

1.

3roe3ai-tilt;jliei9 dex, cj zfaoaizaawifizid.

De religieuze gehoorzaamheid is de vereeniging van den toil eener religieuze met den toil har er Overste, die voor haar de plaats van Jezus-Christus bekleedt. De gehoorzaamheid is dus het gevolg der toewijding , der onderwerping, der zelfopoffering, welke den religieuzen geest vormen, waarvan wij gesproken , hebben; en de hoedanigheden, die zij moet hebben , en die wij gaan aantoonen, zijn slechts de uitoefening van die zelfde toewijding, onderwerping en zelfverloochening.

ocr page 330

321

Er bestaat zeker eene volstrekte gehoorzaamheid r die genoegzaam zou zijn voor de religieuze, die zicli binnen de palen harer Gelofte zou willen besluiten; maar, zegt de H. Barnardus, dit is slechts eene onvolmaakte gehoorzaamheid. De volmaakte gehoorzaamheid kent geene wet, voegt de H. Kerkleeraar hierbij, en laat hare grenzen niet bepalen; gekneld tusschen de kluisters harer Geloften, zet zij zich door een beteren wil uit en werpt zich in de zee der liefde-

De regel van den H. Benedictns zegt: Dat de religieus zich aan zijn Overste onderwerpe in alle gehoorzaamheid; wil dit woord in alle gehoorzaamheid niet zeggen, dat wij ons niot binnen onze Gelofte moeten besluiten, — dat wij niet tevreden moeten zijn onze schuld te betalen, — dat wij op onze verbintenis niets moeten afdingen, maar dat wij moedig onze Gelofte moeten overschrijden en in alles moeten gehoorzamen ?

CJ

De religieuze, die den geest van haren staat, den waren religieuzen staat hezit, zal in deze opsomming-der hoedanigheden, die de gehoorzaamheid moet hebben, niets anders vinden dan de opsomming van wat zij doet en wat haar geweten haar voorschrijft te doen. Zij, die zou meenen, hierin overdrijving of kleingeestigheid te bespeuren, zou doen veronderstellen dat Jezus-Cbristus niet in haar hart heerscht.

De overweging der hoedanigheden zal u tevens het zinsbedrog omtrent de gehoorzaamheid doen kennen.

21

ocr page 331

322

DE EKLIGIEUZE GEHOORZAAMHEID MOET ZIJN : 1. Vaardig en zonder uitstel.

Zoodra een bevel gegeven wordt, vervult de gehoorzame religieuze dit zonder uitstel: het teeken der klok, één woord, één wenk, ééne begeerte die zij raadt, is voor haar een bevel. — Zij laat dadelijk haar werk daar, zoo zelfs dat zij eene begonnen letter onvoltooid laat. — Tusschen het gegeven bevel en de vervulling laat zij geene tusschenruimte; zij volgt eenvoudig de handelwijze van het kind dat zijne moeder bemint, van de dienstmaagd, die haren meester zoekt te voldoen; het was de handelwijze van het Kind Jezus; wie onzer kan het zich anders dan aldus handelende voorstellen?

2. Zuiver en gegrond op bovennatuurlijke beweegredenen.

De gehoorzame religieuze ziet in hare Overste niet eene barer medezusters, maar God; al wat hare Overste haar gebiedt, verbiedt, verlangt en zegt, gebiedt, verbiedt, verlangt en zegt God.

Hare Overste is God, die zich onder deze gedaante aan haar openbaart; God, die haar al wat zij voor Hem doet, ten goede zal rekenen en die haar verzekert dat in den Hemel haar alles rijkelijk betaald zal worden. — Voor haar is het de zelfde zaak, of God' haar door eigen mond, of door dien har er Oversten beveelt; en mocht er een verschil zijn, zoo is dit alleen, dat het verdienstelijker is aan Gods plaatsbekleeder dan aan God zeiven te gehoorzamen,

3. Eenvoudig en blind.

Dit is een gevolg der zuivere gehoorzaamheid; de religieuze, die overtuigd is dat hare Overste de weg

ocr page 332

323

is langs welken Hij haar zijne bevelen mededeelt, zal zich zonder verder onderzoek onderwerpen aan alles wat haar gezegd zal worden. Zij zal haar oordeel onderwerpen; want hoe zou zij durven vragen, waarom God het aldus wil? God heeft gesproken, dit is genoeg! in dit oogenlik kan zij niets beters, niets volmaakters doen dan wat haar werd voorgeschreven. — Zij zal haren wil onderwerpen met heilige onvoorzichtigheid, omdat de voorzichtigheid de deugd is van degenen die bevelen, en niet van die welke gehoorzamen. — Zij moet geene tegenwerpingen maken, zelfs als dit geoorloofd schijnt; hare gehoorzaamheid is gelijk de gehoorzaamheid van het kind, van de Heiligen, de gehoorzaamheid die wonderen uitwerkt.

4. Volledig.

De religieuze moet zich onderwerpen ten allen tijde, ten allen plaatse, op eiken leeftijd. — Zij gehoorzaamt met de hand, door alles zoo goed mogelijk te volbrengen, met het oordeel, door de blinde onderwerping van den geest, — met den wil door eene volkomen toestemming des harten in alle zaken, hetzij die gemiikkelijk of moeielijk, groot of klein, mogelijk of zelfs onmogelijk zijn; de gehoorzaamheid bestaat hier niet in te doen, maar in te willen doen, in te trachten het te doen. Zij ziet niet naar de wijze, waarop het bevel gegeven wordt, met zachtzinnigheid of stuurschheid, of het redelijk of hoogst onredelijk is. — Zij vraagt zelfs niet, of het de Overste zelve is, die baar dit gebod geeft, of dat het haar door een ander in haren naam gegeven wordt.

ocr page 333

324

5. Edelmoedig.

De religieuze, die den wil Gods ziet in het bevel dat haar gegeven wordt, volbrengt dit zonder uitstel. omdat uistellen zooveel is als eerst zijn eigen wil en dan dien van God doen; zonder traagheid, omdat zij verheugd is, God te kunnen dienen en Hem te gehoorzamen; — zonder morren, omdat elk gemor haar de vruchten der gehoorzaamheid doet verliezen;— zonder tegenspraak vooral, omdat zij wel weet, dat zij het recht niet heeft, een bevel te weerstreven dat haar van Gods wege, op welke wyze dan ook, gegeven wordt. De volmaaktheid der gehoorzaamheid, zegt de H. Franciscus van Sales, bestaat niet in den wil van een zachten en minzamen Overste te volgen, maar in den hals te krommen onder het juk van een Overste die gehiedend, gestreng, slecht gehumeurd is en zich nooit tevreden toont.

6. Minzaam en blijmoedig.

De religieuze, die aan God gehoorzaamt, doet dit blijmoedig, omdat zij God bemint en dat zij weet, dat God diegenen lief heeft, die aldus zijnen wil volbrengen. — Zij stelt zich zoo gaarne en zoo vroolijk ten dienste van ieder, dat men overtuigd is, dat men haar dienst bewijst met haar de gelegenheid te bezorgen van eene oefening van gehoorzaamheid te kunnen verrichten.

De H. Ignatius omvat in drie woorden de hoedanigheden der gehoorzaamheid. Zij moet, zegt hij, zich vertoonen in drie zaken: In de uitvoering door vaardig, blijmoedig en nauwkeurig alles wat ons bevolen wordt, te volbrengen, — in den wil door slechts datgene te willen wat voorgeschreven is, — in het oordeel door goed te keuren wat ons bevolen wordt.

ocr page 334

325

11.

camp;ion dez omhe-nt

9e cframp;fioozamp;aamfve-id.

De bron van het zinsbedrog, dat de gehoorzaamheid onder een geheel valsch oogpunt stelt, is de hoogmoed; — de hoogmoed, die verwaandheid, aanmatiging , opstand voortbrengt.

1°. De hoogmoed brengt de verwaandheid voort, die ons zulk eene gunstige gedachte van ons zeiven inboezemt, dat zij ons aanzet, ons oordeel te plaatsen boven dat van anderen, zelfs boven dat onzer Oversten, door ons te verzekeren dat zij ver beneden ons staan in talent, in wijsheid en ondervinding. Hoe zou men, met zulk eene gedachte bezield, de gehoorzaamheid kunnen zoeken en beoefenen? De verwaande religieuze verbeeldt zich, dat zij veel meer weet dan hare Oversten, en beknibbelt de bevelen die haar gegeven worden; zij bevit het verbod dat haar gedaan wordt, en durft zelfs tegenover hare medezusters het gedrag der Overste afkeuren, zeggende dat zoo men haren raad gevraagd hadde, zij veel wijzere maatregelen, met betrekking op de tijden, plaatsen en omstandigheden, zou aangeraden hebben. Als men zoo spreekt, is men niet ver van de ongehoorzaamheid verwijderd. Hoe kan men vaardig, blindeling en blijmoedig gehoorzamen aan een bevel dat men onredelijk en onverstandig durft noemen en waarvan men één voor één al de onaangenaamheden opsomt?

I

ocr page 335

326

2°. De hoogmoed brengt de aanmatiging voort. dat gevoel door de verwaandheid verwekt en dat zicli openbaart door beleedigende woorden en minachtende manieren. — De minachting vertoont zich eerst en zoekt zich te toonen; dan volgen de woorden, eerst slechts tot enkelen gezegd. Men maakt het zich tot eene verdienste te durven wederstaan — Als de Overste, hiervan verwittigd, het kwaad wil weerhouden , durft de ongelukkige antwoorden; zij heeft een vloed bijtende woorden tot haren dienst en gaat zegevierend heen, zich beroemende op de gegeven les! — O welk een onberekenbaar kwaad in die arme verblinde ziel!

3°. De hoogmoed brengt den opstand voort. Dit is een zeldzaam geval in de religieuze gemeenten; doch het kan gebeuren, en allertreurigst zijn de gevolgen. Weerstaat eene zuster aan een bevel en blijft dit tusschen de Overste en de weerspannige zuster, dan zijn de gevolgen minder noodlottig; misschien heeft zij zich slechts een oogenblik vergeten, misschien is het slechts een aanval van hoogmoed; doch als het in het openbaar plaats heeft gehad, als de Overste heeft moeten straffen, kan die weerstand het begin worden van een onvermijdelijken ondergang. Dan vormen zich bijna altijd twee partijen; de grootste, de meerderheid steunt het gezag, de andere verdedigt de schuldige; en men hoort gemor, men hoort klachten van onrechtvaardigheid, van te groote gestrengheid.... gelukkig zoo die weerstand spoedig bedaart!.... De religieuze geest kan er geheel door verdwijnen, en lange jaren uit de gemeente verwijderd blijven.

Eene andere bron van zinsbegoocheling omtrent de gehoorzaamheid is ons weinig nadenken over de

ocr page 336

327

verplichting, die de Gelofte van gehoorzaamheid ons oplegt, en den troost, de vreugde, den vrede, ons door het Dakomen dezer gelofte verschaft. Wij zullen dit in het vijfde hoofdstuk aantoonen.

III.

omizcn-t de. ye-fvoozamp;aamhzid.

Het voorwerp der gehoorzaamheid is onbepaald!

Het voorwerp der gehoorzaamheid is in het algemeen alles wat ons door onze Overste geboden wordt, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, door eene vaste en bepaalde wet; doch om dit wel te verstaan, moet men met de Godcreleerden onderscheid maken tusschen

o

de verschillende bevelen.

Er kunnen voorkomen:

Geboden tegen den regel.

Geboden boven den regel.

Geboden volgens den regel.

Geboden beneden den regel.

I. Een gebod tegen den regel, waardoor ons dingen zouden bevolen worden, die uitdrukkelijk tegen den regel strijden, zoo misdadig en ongeldig zijn ; als bijv. een Overste een Karthuyser monnik zou bevelen, vleesch te eten. — üe macht wordt den Overste gegeven tot stichting, niet tot vernietiging; en daar

ocr page 337

326

2°. De hoogmoed brengt de aanmatiging voort. dat gevoel door de verwaandheid verwekt en dat zicli openbaart door beleedigende woorden en minachtende manieren. — De minachting vertoont zich eerst en zoekt zich te toonen; dan volgen de woorden, eerst slechts tot enkelen gezegd. Men maakt het zich tot eene verdienste te durven wederstaan — Als de Overste, hiervan verwittigd, het kwaad wil weerhouden , durft de ongelukkige antwoorden; zij heeft een vloed bijtende woorden tot haren dienst en gaat zegevierend heen, zich beroemende op de gegeven les! — O welk een onberekenbaar kwaad in die arme verblinde ziel!

3°. De hoogmoed brengt den opstand voort. Dit is een zeldzaam geval in de religieuze gemeenten; doch het kan gebeuren, en allertreurigst zijn de gevolgen. Weerstaat eene zuster aan een bevel en blijft dit tusschen de Overste en de weerspannige zuster, dan zijn de gevolgen minder noodlottig; misschien heeft zij zich slechts een oogenblik vergeten, misschien is het slechts een aanval van hoogmoed; doch als het in het openbaar plaats heeft gehad, als de Overste heeft moeten straffen, kan die weerstand het begin worden van een onvermijdelijken ondergang. Dan vormen zich bijna altijd twee partijen; de grootste, de meerderheid steunt het gezag, de andere verdedigt de schuldige; en men hoort gemor, men hoort klachten van onrechtvaardigheid, van te groote gestrengheid.... gelukkig zoo die weerstand spoedig bedaart!.... De religieuze geest kan er geheel door verdwijnen, en lange jaren uit de gemeente verwijderd blijven.

Eene andere bron van zinsbegoocheling omtrent de gehoorzaamheid is ons weinig nadenken over de

ocr page 338

327

verplichting, die de Gelofte van gehoorzaamheid ons oplegt, en den troost, de vreugde, den vrede, ons door het Dakomen dezer gelofte verschaft. Wij zullen dit in het vijfde hoofdstuk aantoonen.

III.

omizcn-t de. ye-fvoozamp;aamhzid.

Het voorwerp der gehoorzaamheid is onbepaald!

Het voorwerp der gehoorzaamheid is in het algemeen alles wat ons door onze Overste geboden wordt, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, door eene vaste en bepaalde wet; doch om dit wel te verstaan, moet men met de Godcreleerden onderscheid maken tusschen

o

de verschillende bevelen.

Er kunnen voorkomen:

Geboden tegen den regel.

Geboden boven den regel.

Geboden volgens den regel.

Geboden beneden den regel.

I. Een gebod tegen den regel, waardoor ons dingen zouden bevolen worden, die uitdrukkelijk tegen den regel strijden, zoo misdadig en ongeldig zijn ; als bijv. een Overste een Karthuyser monnik zou bevelen, vleesch te eten. — üe macht wordt den Overste gegeven tot stichting, niet tot vernietiging; en daar

ocr page 339

326

2°. De hoogmoed brengt de aanmatiging voort. dat gevoel door de verwaandheid verwekt en dat zicli openbaart door beleedigende woorden en minachtende manieren. — De minachting vertoont zich eerst en zoekt zich te toonen; dan volgen de woorden, eerst slechts tot enkelen gezegd. Men maakt het zich tot eene verdienste te durven wederstaan — Als de Overste, hiervan verwittigd, het kwaad wil weerhouden , durft de ongelukkige antwoorden; zij heeft een vloed bijtende woorden tot haren dienst en gaat zegevierend heen, zich beroemende op de gegeven les! — O welk een onberekenbaar kwaad in die arme verblinde ziel!

3°. De hoogmoed brengt den opstand voort. Dit is een zeldzaam geval in de religieuze gemeenten; doch het kan gebeuren, en allertreurigst zijn de gevolgen. Weerstaat eene zuster aan een bevel en blijft dit tusschen de Overste en de weerspannige zuster, dan zijn de gevolgen minder noodlottig; misschien heeft zij zich slechts een oogenblik vergeten, misschien is het slechts een aanval van hoogmoed; doch als het in het openbaar plaats heeft gehad, als de Overste heeft moeten straffen, kan die weerstand het begin worden van een onvermijdelijken ondergang. Dan vormen zich bijna altijd twee partijen; de grootste, de meerderheid steunt het gezag, de andere verdedigt de schuldige; en men hoort gemor, men hoort klachten van onrechtvaardigheid, van te groote gestrengheid.... gelukkig zoo die weerstand spoedig bedaart!.... De religieuze geest kan er geheel door verdwijnen, en lange jaren uit de gemeente verwijderd blijven.

Eene andere bron van zinsbegoocheling omtrent de gehoorzaamheid is ons weinig nadenken over de

ocr page 340

327

verplichting, die de Gelofte van gehoorzaamheid ons oplegt, en den troost, de vreugde, den vrede, ons door het Dakomen dezer gelofte verschaft. Wij zullen dit in het vijfde hoofdstuk aantoonen.

III.

omizcn-t de. ye-fvoozamp;aamhzid.

Het voorwerp der gehoorzaamheid is onbepaald!

Het voorwerp der gehoorzaamheid is in het algemeen alles wat ons door onze Overste geboden wordt, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, door eene vaste en bepaalde wet; doch om dit wel te verstaan, moet men met de Godcreleerden onderscheid maken tusschen

o

de verschillende bevelen.

Er kunnen voorkomen:

Geboden tegen den regel.

Geboden boven den regel.

Geboden volgens den regel.

Geboden beneden den regel.

I. Een gebod tegen den regel, waardoor ons dingen zouden bevolen worden, die uitdrukkelijk tegen den regel strijden, zoo misdadig en ongeldig zijn ; als bijv. een Overste een Karthuyser monnik zou bevelen, vleesch te eten. — üe macht wordt den Overste gegeven tot stichting, niet tot vernietiging; en daar

ocr page 341

326

2°. De hoogmoed brengt de aanmatiging voort. dat gevoel door de verwaandheid verwekt en dat zicli openbaart door beleedigende woorden en minachtende manieren. — De minachting vertoont zich eerst en zoekt zich te toonen; dan volgen de woorden, eerst slechts tot enkelen gezegd. Men maakt het zich tot eene verdienste te durven wederstaan — Als de Overste, hiervan verwittigd, het kwaad wil weerhouden , durft de ongelukkige antwoorden; zij heeft een vloed bijtende woorden tot haren dienst en gaat zegevierend heen, zich beroemende op de gegeven les! — O welk een onberekenbaar kwaad in die arme verblinde ziel!

3°. De hoogmoed brengt den opstand voort. Dit is een zeldzaam geval in de religieuze gemeenten; doch het kan gebeuren, en allertreurigst zijn de gevolgen. Weerstaat eene zuster aan een bevel en blijft dit tusschen de Overste en de weerspannige zuster, dan zijn de gevolgen minder noodlottig; misschien heeft zij zich slechts een oogenblik vergeten, misschien is het slechts een aanval van hoogmoed; doch als het in het openbaar plaats heeft gehad, als de Overste heeft moeten straffen, kan die weerstand het begin worden van een onvermijdelijken ondergang. Dan vormen zich bijna altijd twee partijen; de grootste, de meerderheid steunt het gezag, de andere verdedigt de schuldige; en men hoort gemor, men hoort klachten van onrechtvaardigheid, van te groote gestrengheid.... gelukkig zoo die weerstand spoedig bedaart!.... De religieuze geest kan er geheel door verdwijnen, en lange jaren uit de gemeente verwijderd blijven.

Eene andere bron van zinsbegoocheling omtrent de gehoorzaamheid is ons weinig nadenken over de

ocr page 342

327

verplichting, die de Gelofte van gehoorzaamheid ons oplegt, en den troost, de vreugde, den vrede, ons door het Dakomen dezer gelofte verschaft. Wij zullen dit in het vijfde hoofdstuk aantoonen.

III.

omizcn-t de. ye-fvoozamp;aamhzid.

Het voorwerp der gehoorzaamheid is onbepaald!

Het voorwerp der gehoorzaamheid is in het algemeen alles wat ons door onze Overste geboden wordt, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, door eene vaste en bepaalde wet; doch om dit wel te verstaan, moet men met de Godcreleerden onderscheid maken tusschen

o

de verschillende bevelen.

Er kunnen voorkomen:

Geboden tegen den regel.

Geboden boven den regel.

Geboden volgens den regel.

Geboden beneden den regel.

I. Een gebod tegen den regel, waardoor ons dingen zouden bevolen worden, die uitdrukkelijk tegen den regel strijden, zoo misdadig en ongeldig zijn ; als bijv. een Overste een Karthuyser monnik zou bevelen, vleesch te eten. — üe macht wordt den Overste gegeven tot stichting, niet tot vernietiging; en daar

ocr page 343

334

verwijdert; inaar de overtreding maakt ons de genaden onwaardig, die verbonden zijn aan de trouwe naleving van den regel; en daar die genaden ontbreken, omdat men ze niet heeft willen ontvangen, en men zich vrijwillig daarvan berooft, valt men in verslapping, in lauwheid, in uitgestortheid, in traagheid, en — gaat men nog eene schrede verder... tot een algemeen verzuim zijner plichten.

DERDE ZINSBEGOOCHELING.

c|.e-fioaam-A.el3 icgt; mij ine-t -mijne Ovczóte omnoge-fiJ/amp;!

Ziehier eene der ongelukkigste bekoringen, die wij met groote zorg gaan bestudeeren.

1. Zy doet ons hef gedrag, de handelwijze, het uitwendige, de icoorden, het karakter onzer Overste onderzoeken.

Wij zouden hier in het algemeen kunnen zeggen dat, zoo het Evangelie ons verbiedt te oordeelen, opdat wij zeiven met strengelijk geoordeeld zouden worden, — zoo de H. Paulus niet wil dat men den dienaar van anderen heoordeele, — zoo men inbreuk maakt op het goddelijk gezag als men anderen oordeelt zonder van God hiertoe de macht ontvangen te hebben, — zoo de liefde wil dat wij geen kwaad van anderen denken, — wij ons voor Gods rechterstoel een streng vonnis bereiden, als wij op vermetele, onverbiddelijke en dikwijls valsrhe wijze iemand oordeeleu

ocr page 344

335

die door God gesteld is om ons te oordeelen en vau wien Hij gezegd heeft: Hij, die hem aanraakt, raakt mij in den appel van het oog.

Maar antwoord zelve op deze vragen van het eenvoudig gezond verstand. Is uwe Overste aan uwe zorg toevertrouwd ? Zijt gij met hare leiding belast ? — Is u eenig gezag over haar opgedragen? Moet gij in den jongsten dag, ziel voor ziel, van haar rekenschap geven, gelijk zij het van u moet doen? — Wat maakt het u dan, of zij meer of minder aangenaam is? Als een bode u de bevelen uws vaders overbrengt, onderzoekt gij dan, uit spotlust, of die bode groot of klein, welbespraakt, talentvol is? —

En is uwe Overste niet de afgezant van God, die u zijn wil komt mededeelen?.....

2. Het zinsbedrog doet ons de onvolmaaktheden en de fouten, die de Overste kan begaan, overdrijven door voor ome reeds vooringenomen blikken hare lichamelijke of geestelijke gebreken te vergrooten.

Als uwe Overste gebreken heeft, als zij zich schuldig maakt aan fouten van ongeduld, van drift, moet gij haar dan niet meer dan eeu ander verontschuldigen? Zij wordt overladen met zooveel werk, blootgesteld aan zoovele gelegenheden, verstrooid door zoovele

O O 7

zaken, ten allen tijde gekweld door zoovele personen;— zij staat bloot aan zooveel tegenspraak, aan zoovele moeielijkheden, dat het bijna onmogelijk is, ware zij ook eene heilige, dat zij op hare beurt geene fouten bedrijft. — Het is dus onbillijk van u, hiermede geene rekening te houden; gij zijt onrechtvaardig en boosaardig haar onmeedoogend te oordeelen; want stondt gy in hare plaats, hoeveel zwaardere fouten zoudt gij niet begaan? — Herinnert gij u dit woord van den Romeinschen keizer Constantius, die u zeker

ocr page 345

336

overtrof in verstand en oordeel: Als ik een priester eene fout zag hedrijven, zou ik hem met mijn koninklijken mantel bedekken, om die aan aller oog te verbergen.

Moet gij aldus niet met uwe Overste handelen? Daarenboven nemen de fouten der Oversten, hoezeer die ook in het oog mogen springen, niet weg, dat zij voor ons de plaats van God bekleeden. Toen God ons aan de menschen onderwierp, wist Hij wel, dat zij gebreken hadden. Heeft Hij ons de macht gegeven om ten koste der gehoorzaamheid den persoon en de hoedanigheden af te scheiden van de plaats en de waardigheid^ Heeft Hij, van de schriftgeleerden sprekende, niet gezegd, doet naar hunne woorden, doch niet naar hunne werkenquot;? En beveelt de H. Petrus niet aan de Meesters te gehoorzamen, niet slechts; aan hen, die minzaam en toegevend, maar ook aan degenen, die lastig zijn?

En ziehier nog eene belangrijke overweging: De fouten der Oversten liggen in de plannen van God: hierdoor wil Hij ons geloof en ons geduld verdienstelijk maken. Welke verdiensten zou onze gehoorzaamheid hebben, als zij die ons bevelen geven, altijd goed, beminnelijk, heilig waren? Men zou tot een soort van afgoderij vervallen, zegt de H. Augustinus, men zou ze te zeer beminnen, en om onze gehoorzaamheid bovennatuurlijk en verdienstelijk te maken, zouden wij pogingen moeten aanwenden, die dikwijls onze krachten zouden overtreffen. — Het gedrag van God ten opzichte der gehoorzaamheid is het zelfde als voor de andere deugden; het is onder den eenvoudigen sluier des broods, dat Hij in het H. Sacrament, tegenwoordig wil zijn; het is onder de lompen vau den arme, dat Hij gediend wil worden; het is in den

ocr page 346

337

persoon van een vijand, dat Hij bemind wil worden, en het is ook in den persoon van eene Overste, die

mij geene genegenheid noch vertrouwen inboezemt, dat God gehoorzaamd wil worden.

3. Het zinsbedrog zet ons aan, de deugden onzer Overste te miskennen, en maakt ons die verdacht door eene menigte redenen, ons door hoogmoed, nijd en afgunst ingegeven.

Gij verdenkt hare deugden: gij leent haar verkeerde bedoelingen in deze verandering, in dit bevel; gij keurt hare handelwijze ten opzichte van deze of gene zuster af; maar kent gij hare bedoelingen? Is zij verplicht u rekening te geven waarom zij aldus handelt ? Zou zij, zonder aan de voorzichtigheid en bescheidenheid te ontbreken, u kunnen zeggen waarom zij deze bediening aan die zuster ontneemt ? Zou zij zonder u te doen blozen, u in het openbaar kunnen zeggen waarom zij u die vernederende bezigheid oplegt? Wees toch nederiger en godsdienstiger.

4. Het zinsbedrog zegt ons dat kuiperij, partijzucht of andere menschelijke oogmerken onze Overste hebben doen verkiezen.

Misschien zou het u moeielijk vallen die beschuldiging te bewijzen en u zelve van allen partijgeest vrij te spreken; maar aangenomen dat het waarheid is wat gij zegt: Wat doet het aan uwe zaligheid? het is de zaak uwer Overste, niet de uwe; zorg dat gij eene goede, nauwgezette, gehoorzame, liefdevolle religieuze zijt; beschouw uwe Overste als de weg langs welken God u zijne bevelen mededeelt, en houd u niet bezig noch met hare hoedanigheden, noch met de wijze waarop zij gekozen is; het zij u genoeg, dat het geestelijk gezag hare verkiezing heeft goedgekeurd. Wanneer gij eens voor God zult moeten

22

ocr page 347

338

Terschijnon, zal God u geene rekenschap vragen omtrent datgene wat uwe zusters bij de verkiezingen gedaan hebben, maar van hetgeen gy zelf gedaan hebt, en van de deugden, die gij beoefend zult hebben onder die Overste, die gij niet gekozen hebt.

Ziehier eenige nuttige wenken om u de oefening der gehoorzaamheid, die altijd min of meer moeielijk valt, te vergemakkelijken.

1. Vermijd alle gemeenzame en vertrouwelijke gesprekken met die uwer medezusters, welke ontevreden zijn; wellicht zijn het zwaarmoedige karakters, die zich gaarne beklagen, scherpe bedilgeesten, die alles afkeuren wat van het gezag uitgaat, of behendige geesten die zich gemakkelijk ia den geest van anderen weten te dringen om dien in korten tijd aan den hunnen gelyk te maken.

2. Verbeeld u somtijds, dat gij zelve Overste zijt, doch scheid dan de tegenspraak en de moeie-lijkheden niet af van datgene wat uwe verbeelding u als eervol en aangenaam voorstelt. Men zegt dat, om wel te kunnen bevelen, men lang moet hebben kunnen gehoorzameij; met meer waarheid nog zou men mogen zeggen, dat om wel te hunnen gehoorzamen het, althans voor verstandige menschen, nuttig zou zijn, eenigen tijd Overste te zijn geweest.

3. Maak u gewoon, in den dagelykschen omgang, aan al uwe zusters te gehoorzamen, en dat zonder praalvertoon en slechts in den geest van ootmoed. Daar het gewoonlijk slechts uit hoogmoed en luim is, dat wij weerspannig zijn, zal de gewoonte der zelfbeheersching u de gehoorzaamheid gemakkelijker maken. Volg liever den wil van anderen dan uw eigen wil, zegt de Navolging van Christus; gehoorzaam liever dan te hevelen; dit is het middel om met iedereen

ocr page 348

339

in vrede te leven. Wees altijd voorkomend, toegevend en dienstvaardig, behalve in datgene, waarmede gij God zoudt beleedigen.

Besluiten wij deze bladzijden over de gehoorzaamheid door deze opmerkingen, ontleend aan het Handboek der Novicen, ♦

Aangenomen dat de Oversten de plaats van God bekleeden, zoo volgt hieruit dat, als de onderdanen aan den huu verschuldigden eerbied en gehoorzaamheid te kort blijven, God deze overtreding beschouwt als cene beleediging aan zijn persoon. Daarom zegt Jezus van de Apostelen en Oversten sprekende: »Die u hoort, hoort Mij;quot; en voegt als onraiddelijke gevolgtrekking er bij: Die u versmaadt, versmaadt Mijquot; (Luc^e X, 16.) En de H. Paulus zegt, nadat hij ons heeft herinnerd, dat wij onzen Oversten onderdanig moeten zijn, omdat alle macht van hen komt... » Hij die aan de Overheid weerstaat, weerstaat aan Gods verordening. (Rom. XIII, 2.)

De straffen waarmede God zoo dikwijls degenen getroffen heeft, die tegen hunne Oversten zondigden, topnen duidelijk dat Hij die overtreding als zich-zelven aangedaan beschouwt,

Maria, de zuster van Mozes, werd met melaatschbeid besmet en moest zeven dagen huiten het kamp van de kinderen Gods blijven, omdat zij tegen Mozes gemord had. — Toen het volk van Israël insgelijks tegen Mozes gemord had, bij de terugkomst dergenen, die naar het beloofde land op verkenning waren uitgezonden , werden de opstandelingen op Gods bevel ter dood gebracht, en het overige volk werd veroordeeld 40 jaren in de woestijn te verblijven. — Core, Dathan en Abiron, die zich over Mozes en Aaron beklaagd hadden, als matigden zij zich te

ocr page 349

340

v^eel gezag aan in het bestuur, zagen de aarde onder hunne voeten openen en werden met hunne tenten en rijkdommen levend verzwolgen. — Toen de kinderen Israels andermaal tegen Mozes morden wegens hun lijden in de woestijn, zoud God slangen, wier doodelijke beet velen hunner deed sterven.

Wat Mozes tot zijn volk kou zeggen, zeggen wij tot u, o Religieuzen, die u zoo gemakkelijk laat verleiden tot het afkeuren en bevitten uwer Oversten : Uiv morren is niet tegen ons, maar tegen den Heer (Exodi XVI, 8.)

Ziehier een uittreksel uit het leveu der zalige Maria Margaretha dat ongetwijfeld indruk op u zal maken:

»Ik zag in eenen droom eene onzer zusters, sedert eenigen tijd overleden. Zij zegde mij dat zij veel leed in het vagevuur, maar dat God haar eene smart had doen gevoelen, die al hare andere pijnen overtrof, door haar een harer naaste bloedverwanten te doen zien, door hare zonden in de hel geworpen. Ik ontwaakte bij deze woorden, en gevoelde inijr, lichaam zoodanig gefolterd, dat ik mij slechts met moeite kon bewegen. Daar men aan geene droomen geloof moet slaan, sloeg ik ook op dezen weinig acht; doch die religieuze verplichtte er mij ondanks mijzelve toe, daar zij mij van dat oogenblik af geene rust liet en mij steeds zegde: »Bid God voor mij; bied Hem uw lijden met de verdiensten van Jezus-Christus vereenigd aan, om mijn lijden te verzachten, en geef mij al wat gij zult doen tot den eersten Vrijdag in Mei, waarop gij voor mij zult communiceeren.quot; Ik deed dit met goedvinden mijner Overste. Intusschen vermeerderden de pijnen, welke die lijdende ziel mij jnededeelde, zoodanig dat ik er onder gedrukt ging, zonder verlichting noch rust

ocr page 350

341

te kunnen vinden. Uit gehoorzaamheid trachtte ik dio op mijne legerstede te vinden; doch nauwelijks lag ik daarop uitgestrekt, of ik zag haar bij mij, terwijl zij mij zegde: »Daar ligt gij op uw gemak te bed: zie het bed waarop ik rust en de vreeselijkste pijnen lijd.quot; Ik zag dib bed, en sidder nog telkens als ik er aan denk. Het onder- en het bovendeel bestonden uit scherpe gloeiende punten, die iu het vleesch drongen. Zij zegde mij, dat dit de straf was harer traagheid en onachtzaamheid in het nakomen der regelen. »Men verscheurt mij het hart en dat pijnigt mij het meeste, voegde zij er bij, om de gedachten van afkeuring en weerspannigheid, die ik tegen mijne Oversten gevoed heb; mijne tong wordt door ongedierte verteerd; zij wordt mij voortdurend uit den mond gerukt, om mijne liefdelooze woorden en mijne overtredingen van het kloosterlijk stilzwijgen te boeten. Ach, konden toch alle godgewijde zielen mij in deze vreeselijke foltering aanschouwen! Konde ik haar toch laten zien, wat bereid is voor haar, die met nalatigheid haren roep volgen. Zij zouden met vurigheid hare plichten naleven , en zich wel wachten voor die fouten, welke my zooveel doen lijden. »Ik smolt in tranen bij dit schouwspel.quot;

Intusschen ging de lijdende ziel voort: »Helaas! één dag van nauwkeurig stilzwijgen der geheele Communauteit zou mijnen mond genezen; één andere dag, waarop de liefde nauwkeurig betracht werd, zou mijne tong genezen: een derde waarop geen ontevreden noch afkeurend woord tegen de Overste zou gesproken worden, zou mijn verscheurd hart genezen, maar niemand denkt er aan mij te helpen.quot; Nadat ik de heilige Communie volgens haar verzoek voor haar had opgeofferd, zegde zij mij, dat haar lijden veel verminderd

ocr page 351

342

was, maar dat zij nog lang in het vagevuur die pijnen moest lijden, die het deel zijn dergenen, die traag zijn in den dienst van God.

Gehoorzaam dan aan uwe Overste; en om gelukkig te leven, moet gij God bidden, dat gij haar moogt beminnen.

Er zijn twee personen van wie het geluk der religieuzen afhangt: om gelukkig te kunnen zijn in uwe roeping, moet gij met die twee personen op goeden voet leven. Het zijn: God en uwe Overste. Om met God op goeden voet te leven zgn twee zaken noodzakelijk : de zonde vreezen en die met zorg vluchten, — getrouw zijn aan moe oefeningen van godsvrucht en die met zorg volbrengen. Om met de Overste op goeden voet te leven zijn ook twee zaken noodzakelijk; volkomen openhartigheid en gewilligheid.

Toon mij eene religieuze, die op goeden voet leeft met God en hare Overste en niet gelukkig is in haren staat en hare bediening; ik geloof niet dat er ééne bestaat. — Toon mij eene religieuze die weinig omgang met hare Overste zoekt, haar hart voor haar sluit, hare gebreken, hare zwakheden voor haar verbergt, eenigen afkeer jegens haar voedt, — die zich door haar miskend gelooft, en die gelukkig, tevreden en oprecht deugdzaam is; doorzoek de ge-heele wereld, gij zult er geen enkele vinden.

Voor eene religieuze zijn gehoorzaamheid, geluk en oprechte deugd, woorden van de zelfde beteekenis; wie de eerste niet bezit, zal de andere nooit verkrijgen.

ocr page 352

' 343

VIERDE ZINSBEGOOCHELING. cfrihoovamp;aamfaamp;id moet ^e9elij.4 amp;ijn.

Ja zeker, en liet is voorwaar zeer redelijk, te gehoorzamen aan het wettig gezag, aan eene Overste, die voor ons de plaats van God bekleedt, en ons niets beveelt dat strijdt tegen de geboden van God noch tegen den regel.

Het is zeer redelijk, door eene eenvoudige, vaardige, geheele onderwerping de goede orde en den vrede in eene communauteit te onderhouden. Zou er geen verwarring en wanorde in den staat heerschen, als het ieder onderdaan vrij stond, over de verordeningen van den vorst te redetwisten en zijne bevelen te bedillen ?

De gehoorzaamheid moet redelijk zijn..... Maar

welken zin hecht gij aan die woorden? Is dit niet de bevelen, die men u geeft, voor de rechtbank van uwe rede roepen ? — oordeelen, of zij stroken met uwe denkwijze, — ze dan alleen goedkeuren als zy zijn zooals gij zelve ze zoudt geven? Maar is het dan de wil uwer Overste of den uwe, dien gij doet? En moest gij, om aldus te handelen, eene gelofte uitspreken ?.....

In plaats eener redelijke gehoorzaamheid wilt gij eene beredeneerde, neen, eene redeneerende gehoorzaamheid.

De gehoorzaamheid moet redelijk zijn. Zult ge wellicht zeggen, dat men soms dingen beveelt, die tegen het gezond verstand aandruischen, of zult ge wellicht het bevel aanhalen van dagelijks op het zelfde uur een droogen stok le begieten?

ocr page 353

344

Dit bevel strijdt niet meer tegen het gezond verstand dan dat van den krijgsoverste, die zijne soldaten verplicht, dagelijks op eene wijze, die bespottelijk in zich-zelve mag heeten, hunne armen en beenen te bewegen en dat gedurende verscheidene maanden. Deze oefening, die den oningewijde doet glimlachen, heeft ten doel de ledematen buigzaam te maken. De oefening, door een Overste bevolen, heeft ten doel den wil buigzaam te maken; en de novice, die dergelijke oefening, gedurende zekeren tijd getrouw en godvruchtig zal volbracht hebben, zal eene nederige, edelmoedige religieuze worden, aan wie de Overste de heldhaftigste offers zal kunnen vragen, welke offers zij vreugdevol zal omhelzen!

VIJFDE ZINSBEGOOCHELING.

'SXCc-vt mij- -niefo -Sevo-fe-n-.

Is uw geweten gerust, omdat men u niets opgelegd heeft? Ga de beweegreden eens na van dit zwijgen uwer Overste.

Is het niet omdat uwe Overste ondervindt, dat gy zoo trotsch zijt, — dat gij steeds zooveel hebt in te brengen, — dat gij zoo weinig goeden wil toont, dat zij u niets meer op durft te leggen ? Gij hebt zoo dikwjjls haar gebod overtreden, — de gemeente zoo dikwijls ontsticht, — dat zij zich liever tot anderen wendt. Zult ge eens voor God durven getuigen, dat gij gehoorzaamd hebt, als gij uwe Overste dwingt, zich aan uwe luimen te onderwerpen ?

ocr page 354

345

2. Hebt gij, voorziende dat uwe Overste u iets zou gebieden of verbieden, haar niet voorkomen door al de kleine listen, die gij kondt bedenken, en het bevel

Iop een ander doen vallen ? Gij hebt u verborgen, toen zij iemand zocht, uit vreez;e dat zij aan u zou denken; gij hebt met eeue gemaakte onverschilligheid eene vermoeienis of ongesteldheid voorgewend; gij hebt de talenten of geschiktheid eener zuster verheven, omdat zij gebruikt zou worden. — Kunt gij voor God getuigen, dat gij gehoorzaam zijt, als gij uwe Overste dwingt, zich aan uweop een ander doen vallen ? Gij hebt u verborgen, toen zij iemand zocht, uit vreez;e dat zij aan u zou denken; gij hebt met eeue gemaakte onverschilligheid eene vermoeienis of ongesteldheid voorgewend; gij hebt de talenten of geschiktheid eener zuster verheven, omdat zij gebruikt zou worden. — Kunt gij voor God getuigen, dat gij gehoorzaam zijt, als gij uwe Overste dwingt, zich aan uwe traagheid te onderwerpen?

3. Hebt gij geen verlof afgeperst door het opgeven van redenen, die hoewel niet geheel valsch, slechts half waar zijn? een verlof verder uitgestrekt in den tijd of de zaak dan waarvoor het gegeven was, — . door dit verlof volgens uw goedvinden toe te passen en uit te leggen, — door uwe Overste in de onmogelijkheid te stellen u te weigeren, daar gij het reeds ten halve gedaan hebt en personen gebruikt aan wie zij niets kan weigeren? Eu kunt gij dan voor God zeggen, dat gij gehoorzaamt, als gij uwe Overste dwingt, zich aan uwe dubbelhartigheid te onderwerpen?

ZESDE ZINSBEGOOCHELING.

S)e cframp;koozzaamfizidvatt -mij- te zgt;waaz.

De gehoorzaamheid valt werkelijk zwaar aan den hoogmoed, de zinnelijkheid, de onafhankelijkheid; want zijn wil en zijn oordeel opofferen, niet alleen in handelwijze, maar in denkwijze en oordeel, en dat

ocr page 355

346

niet in onverschillige en kleine zaken, maar in die welke onze zaligheid en heiligheid ten doel hebben, —-zijn verstand opofferen en zich gedragen naar het goeddunken van anderen, zich-zelven niets toestaan zondeï het verlof van anderen, blindelings doen wat een ander raadt of beveelt, zonder den minsten, zelfs inwendigen weerstand, is voor den mensch veel moeielijker dan ontbering, vasten en gestrenge boetpleging.

Maar wordt dit offer voor God en aan God gebracht, dan verliest het grootendeels het moeielijke en wordt zelfs gloriergk. Hoogmoed, zinnelijkheid en traagheid vinden slechts voorwendsels tot morren.

1. Is er sprake van bedieningen:

Uitvlucht van zwakte. Deze bediening is te moeielijk; zij zal zeker mijne gezondheid schaden en ik zal er onder bezwijken. Maar is uwe gezondheid u dierbaarder dan de wil Gods, of zijt ge voor uwe gezondheid naar het klooster gekomen? Bedenk dat uwe gezondheid niet noodzakelijk is, maar uwe zaligheid wel. Uwe Overste moet rekenschap aan God geven van uwe gezondheid, en gij van uwe gehoorzaamheid. Neen. zeker willen wij niet, dat gij zult lijden, maar dat gij uwe ziel zalig maakt; en zoo God wil dat men n vergete, dat men u zelfs overlade, dat men, nadat gij uwe zwakte, uwe vermoeienis, uw lijden te kennen hebt gegeven, niet naar u luistere, u niet geloove, dan ga den marteldood te gemoet, schreiende, zoo gij wilt, doch niet morrende.

En gij die vergrijsd zijt onder den last van den arbeid, sleep u nog vooit om den regel te vervullen, zoolang gij kunt. Laat noch uwe jaren, noch uwen arbeid, noch de bedieningen die gij bekleed hebt, gelden om u zonder verlof van het gewone leven te ontslaan. O welk een onberekenbaar nut zult gij

ocr page 356

347

stichten als men u, onder den last der jaren en zieke-lijkheid gebukt, den regel zal zien liefhebben en naleven, zonder eene enkele oefening te verzuimen!

Uitvlucht van afkeer. — Ik zal moeten werken met. eene zuster die mij tegenstaat; hare tegenwoordigheid zal voor mij eene bron van fouten en onvolmaaktheden zijn; zij zal mijn werk heiemmeren en mijne zaligheid in gevaar stellen. — Al te schoone woorden, waarvan gij zelve de overdrijving en zelfs het onware gevoelt. Wie weet, of juist in de plannen der Voorzieuigheid de toenadering tot die zuster voor u geene gelegenheid zal zijn om uwe verdiensten te vermeerderen en de liefde op te wekken? Wie weet of God aan dit offer geene bijzondere genade, misschien die uwer zaligheid, gehecht heeft?

Uitvlucht van onbekwaamheid. — Ik mis de noodige bekwaamheid; ik zal niet slagen, en de schande zal op de Communauteit terug vallen. — Is dit alles wel waar? Vreest gij de schande, de vernedering voor uw huis of voor u zelve? En veronderstellende dat gij de waarheid spreekt, zal God dan uwe onderwerping niet beloonen door u juist de genade te geven van wel te slagen, als gij, na uwe bezwaren gezegd te hebben, het werk met zelfopoffering en edelmoedigheid omhelst?

2. Is er sprake van de oefeningen der gemeente en de. nauwkeurigheid in het bijwonen derzelve ? Al wederom uitvluchten. Men kan niet meer; men is uitgeput van vermoeidheid; het koorgebed prikkelt de zenuwen; de meditatie verwekt den slaap; de recreatie geeft hoofdpijn. » Vandaag,quot; zegt de H. Thasesia, »doen wij ons gebed niet, omdat wij hoofdpijn heooen; morgen, omdat wij gisteren hoofdpijn hadden; overmorgen, uit vreeze hoofdpijn te zullen krijgen.quot;

ocr page 357

348

Arme zuster, waarom luistert gij naar den duivel, in plaats van bij het teeken der klok tot u zelve te zeggen »de Meester roept mijquot;? waarom aarzelt, waarom talmt gij lafhartig?

Gij laat dat eerste kostbaar oogenblik ontsnappen, dat eerste oogenblik dat tot God zegt »hier ben ik , en het Hart van God verheugt; en intusschen berooft gij u van de genade, die God aan de nauwkeurigheid en vurigheid verleent.

De gehoorzaamheid valt ook moeielijk aan die religieuzen, die eigenzinnig zijn in hare godsvrucht, overdreven in hare geestelijke oefeningen, en hare halsstarrigheid als nauwgezetheid beschouwen. — Zij plagen zich-zelve en hare Overste nog meer. — Wil men haar ontslaan van eenig punt van den regel, dat men oordeelt dat zij niet kunnen volbrengen, dan roepen zij uit, dat zij die verlichting, die men haar geven wil, niet noodig hebben, — zoo ziek niet zijn,^ als men wel meent; — ja, doodzonde er mede bedrijven zouden, zoo zij haar gebed achterlieten, zoo zij niet vastten, zoo zij Zondags de Mis verzuimden, enz.

»Sedert eenigen tijd, schreef de H. Franciscus van Sales, heb ik een» weinig koorts. Onze geneesheer wil my geen ander geneesmiddel geven dan rust, en ik heb hem gehoorzaamd. Gij weet, dat de bedaardheid het geneesmiddel is, dat ik ook altijd voorschrijf, en dat ik altijd de overhaasting verbied. Laat ons de meditatie eenigen tijd uitstellen, als wij hoofdpijn hebben. Wij kunnen God slechts op de eene of de andere wijze dienen.quot; Ziedaar een schoon voorbeeld ^r navolging.

Ziehier nog eenige regelen, die voor deze bekrompen zielen nuttig zullen kunnen zijn, zoodra zij wat nederiger geworden zijn.

ocr page 358

349

1. Er zijn zaken, die eene Overste niet bevelen mag en waarin de onderdanen niet behoeven te gehoorzamen, te weten, die welke strijden tegen de geboden Gods en tegen den regel.

2. Er zijn zaken die, hoewel verboden in het algemeen , in bijzondere omstandigheden uitzondering dulden, bijv. het vasten, enz. Wanneer er twijfel bestaat, beslist het gezag der Overste. In de geboden der H. Kerk kan de Overste niet dispenseeren, maar zij kan oordeelen over den toestand der haar toevertrouwde relimeuze en deze moet zich aan haar oordeel

O

onderwerpen. Maar vraagt gij, kan de Overste zich niet bedriegend — Ja zeker, maar de onderdaan bedriegt zich niet met haar te gehoorzamen.

Wanneer de religieuze openhartig hare bezwaren heeft medegedeeld, moet zij haar geweten schikken naar het geweten harer Overste en al hare twijfelingen en ongerustheden verachten.

Maar mag ik de Overste geene opmerkingen maken ? Ja gewis, waut het religieuze leven is geene slavernij; maar men moet hierbij de volgende regelen nakomen:

1. Voor God onderzoeken, of het onze eigenliefde, ons eigenbelang, onze traagheid of onze hoovaar-digheid niet is, die ons opwerpingen doet maken.

2. Men moet zijne redenen voordragen met de zelfde openhartigheid waarmede men dit aan Jezus-Christus zou doen, wiens plaats de Overste bekleedt, — zich wel wachtende van zich door hartstocht te laten medeslepen , die nooit de aanleiding mag zijn der handeling eener religieuze, — zich houden binnen de grenzen quot;ïer welvoegelijkheid, der zachtzinnigheid, der christelijke minzaamheid.

3. Men moet zich houden in eene groote onverschilligheid omtrent het besluit der Overste, hetzij

ocr page 359

350

deze onze redenen aanneemt of verwerpt, en in haar besluit den wil Gods aanbidden.

4. Door een langzaam en innig gebed den 011-aangenamen indruk trachten te verzachten, welke eene weigering in onze ziel heeft gemaakt, en zoo mogelijk er niemand van spreken.

IV.

cfte-miye ylt;zvo{ylt;zn dcz onyc-fiooz-zaam-ficid.

De gevolgen der ongehoorzaamheid ziju zeer bedroevend! want:

1. De aanhoudende ongehoorzaamheid maakt het naleven der Geloften bijna onmogelijk.

»Volgens den H. Thomas,quot; zegt P. Meijnard, «zijn de Constitutiën voor de Geloften, wat de Geloften zijn voor de liefde: — de Geloften vormen als een verdedigingsmuur tegen de drie begeerlijkheden en behouden in ons de liefde, welke alleen ons den hemel kan verdienen, terwijl de Constitutiën de bekoringen verwijderen en het naleven der Geloften mogelijk maken.quot;

De H. Augustinus noemt de gehoorzaamheid de moeder, de oorsprong, de bewaarster aller deugden. De Gelofte van gehoorzaamheid is de eerste, de grootste der Geloften , welke, om zoo te zeggen, den geheelen religieuzen staat daarstelt — Al leefde men in vrijwillige armoede en zuiverheid, al zou men gelofte

ocr page 360

351

daarvan doeu, zou men geene religieuze zijn zonder de Gelofte van gehoorzaamheid. — Als men dikwijls de gehoorzaamheid overtreedt, laat men, om zoo te zeggen, de andere Geloften, waarvan zij de stenu is, inéénzinken. Daarom zegt de H. Bernardus, dat het voor dengene, die de kleine regelen overtreedt, allengs onmogelijk wordt de zwaardere regelen na te komen, waaraan het naleven der Geloften verbonden is.

1. De aanhoudende ongehoorzaamheid strijdt tegen Gods wil, en belet ons bijgevolg., naar de volmaaktheid tè streven.

De volmaaktheid bestaat in te willen wat God wil; en leeft de gehoorzame religieuze niet in strijd met Gods wil ? Bij elke daad, die zij buiten den regel doet, kan zij zeggen: Ik doe wat God niet wil dat ik doe. Als zij hieraan toch altijd dacht!!!

Zij zegge niet; Ik overtreed slechts in kleine zaken? Hoe klein uwe ongehoorzaamheid ook zij, mishaagt zij aan God, — beneemt zij aan die daad elke verdienste voor den hemel, — belet al het goed dat deze daad in de gemeente had kunnen doen, — houdt eene genade terug, die God u met het oog op deze daad bereidde.

En als gij dagelijks aldus de gehoorzaamheid overtreedt, als dit u tot gewoonte is geworden, o welk eene leemte in de dagen eener religieuze!

De gehoorzaamheid is voor de ziel wat het sap is voor den boom; het sap geeft aan de bloemen haren glans, aan de vruchten haren smaak; — neem de gehoorzaamheid weg, en al wat eene ziel doet, is zonder waarde voor den hemel.

De regel, zegt Hugo de S. Vittore, is de spiegel der religieuzen; hij toont ons, hoe wij zijn, schoon of afzichtelijk, rechtvaardig of zondig, aangenaam

ocr page 361

350

deze onze redenen aanneemt of verwerpt, en in haar besluit den wil Gods aanbidden.

4. Door een langzaam en innig gebed den 011-aangenamen indruk trachten te verzachten, welke eene weigering in onze ziel heeft gemaakt, en zoo mogelijk er niemand van spreken.

IV.

cfte-miye ylt;zvo{ylt;zn dcz onyc-fiooz-zaam-ficid.

De gevolgen der ongehoorzaamheid ziju zeer bedroevend! want:

1. De aanhoudende ongehoorzaamheid maakt het naleven der Geloften bijna onmogelijk.

»Volgens den H. Thomas,quot; zegt P. Meijnard, «zijn de Constitutiën voor de Geloften, wat de Geloften zijn voor de liefde: — de Geloften vormen als een verdedigingsmuur tegen de drie begeerlijkheden en behouden in ons de liefde, welke alleen ons den hemel kan verdienen, terwijl de Constitutiën de bekoringen verwijderen en het naleven der Geloften mogelijk maken.quot;

De H. Augustinus noemt de gehoorzaamheid de moeder, de oorsprong, de bewaarster aller deugden. De Gelofte van gehoorzaamheid is de eerste, de grootste der Geloften , welke, om zoo te zeggen, den geheelen religieuzen staat daarstelt — Al leefde men in vrijwillige armoede en zuiverheid, al zou men gelofte

ocr page 362

351

daarvan doeu, zou men geene religieuze zijn zonder de Gelofte van gehoorzaamheid. — Als men dikwijls de gehoorzaamheid overtreedt, laat men, om zoo te zeggen, de andere Geloften, waarvan zij de stenu is, inéénzinken. Daarom zegt de H. Bernardus, dat het voor dengene, die de kleine regelen overtreedt, allengs onmogelijk wordt de zwaardere regelen na te komen, waaraan het naleven der Geloften verbonden is.

1. De aanhoudende ongehoorzaamheid strijdt tegen Gods wil, en belet ons bijgevolg., naar de volmaaktheid tè streven.

De volmaaktheid bestaat in te willen wat God wil; en leeft de gehoorzame religieuze niet in strijd met Gods wil ? Bij elke daad, die zij buiten den regel doet, kan zij zeggen: Ik doe wat God niet wil dat ik doe. Als zij hieraan toch altijd dacht!!!

Zij zegge niet; Ik overtreed slechts in kleine zaken? Hoe klein uwe ongehoorzaamheid ook zij, mishaagt zij aan God, — beneemt zij aan die daad elke verdienste voor den hemel, — belet al het goed dat deze daad in de gemeente had kunnen doen, — houdt eene genade terug, die God u met het oog op deze daad bereidde.

En als gij dagelijks aldus de gehoorzaamheid overtreedt, als dit u tot gewoonte is geworden, o welk eene leemte in de dagen eener religieuze!

De gehoorzaamheid is voor de ziel wat het sap is voor den boom; het sap geeft aan de bloemen haren glans, aan de vruchten haren smaak; — neem de gehoorzaamheid weg, en al wat eene ziel doet, is zonder waarde voor den hemel.

De regel, zegt Hugo de S. Vittore, is de spiegel der religieuzen; hij toont ons, hoe wij zijn, schoon of afzichtelijk, rechtvaardig of zondig, aangenaam

ocr page 363

350

deze onze redenen aanneemt of verwerpt, en in haar besluit den wil Gods aanbidden.

4. Door een langzaam en innig gebed den on-aangenamen indruk trachten ie verzachten, welke eene weigering in onze ziel heeft gemaakt, en zoo mogelijk er niemand van spreken.

IV.

Szeuziae qevoicf.e-n dat onycfiooz-zaamficid.

De gevolgen der ongehoorzaamheid zijn zeer bedroevend ! want:

1. De aanhoudende ongehoorzaamheid maakt het naleven der Geloften bijna onmogelijk.

»Volgens den H. Thomas,quot; zegt P. Meijnard, »ziju de Constitutiën voor de Geloften, wat de Geloften zijn voor de liefde; — de Geloften vormen als een verdedigiugsmuur tegen de drie begeerlijkheden en behouden in ons de liefde, welke alleen ons den hemel kan verdienen, terwijl de Constitutiën de bekoringen verwijderen en het naleven der Geloften mogelijk maken.quot;

De H. Augustinus noemt de gehoorzaamheid de moeder, de oorsprong, de bewaarster aller deugden. De Gelofte van gehoorzaamheid is de eerste, de grootste der Geloften, welke, om zoo te zeggen, den geheelen religieuzen staat daarstelt — Al leefde men in vrijwillige armoede en zuiverheid, al zou men gelofte

ocr page 364

351

daarvan doen, zou men geene religieuze zijn zonder de Gelofte van gehoorzaamheid. — Als men dikwijls de gehoorzaamheid overtreedt, laat men, om zoo te zeggen, de andere Geloften, waarvan zij de stenu is, inéenzinken. Daarom zegt de H. Bernardus, dat het voor dengene, die de kleine regelen overtreedt, allengs onmogelijk wordt de zwaardere regelen na te komen, waaraan het naleven der Geloften verbonden is.

1. De aanhoudende ongehoorzaamheid strijdt tegen Gods wil, en belet ons hijgevolg, naar de volmaaktheid te streven.

De volmaaktheid bestaat in te willen wat God wil; en leeft de gehoorzame religieuze niet in strijd met Gods wil? Bij elke daad, die zij buiten den regel doet, kan zij zeggen; Ik doe wat God niet wil dat ik doe. Als zij hieraan toch altijd dacht!!!

Zij zegge niet: Ik overtreed slechts in kleine zaken? Hoe klein uwe ongehoorzaamheid ook zij, mishaagt zij aan God, — beneemt zij aan die daad elke verdienste voor den hemel, — belet al het goed dat deze daad in de gemeente had kunnen doen, — houdt eene genade terug, die God u met het oog op deze daad bereidde.

En als gij dagelijks aldus de gehoorzaamheid overtreedt , als dit u tot gewoonte is geworden, o welk eene leemte in de dagen eener religieuze!

De gehoorzaamheid is voor de ziel wat het sap is voor den boom; het sap geeft aan de bloemen haren glans, aan de vruchten haren smaak; — neem de gehoorzaamheid weg, en al wat eene ziel doet, is zonder waarde voor den hemel.

De regel, zegt Hugo de S. Vittore, is de spiegel der religieuzen; hij toont ons, hoe wij zijn, schoon of afzichtelijk, rechtvaardig of zondig, aangenaam

ocr page 365

352

aan God of afschuwelijk iu zijn oog, al nadat ons leven gelijkvormig of niet is aan al de punten van den regel, die ons opgelegd zijn. In de kloosters, zegt Tronfon, ziet men onveranderlijk twee zaken: de eerste, dat niemand ooit heilig geworden is zonder het nakomen der regelen; de tweede, dat niemand getrouw den regel naleeft, zonder groote vorderingen in de volmaaktheid te maken.

3. De aanhoudende oiigehoorzaamlieid schaadt de gemeente grootelijks door de stoffelijke en zedelijke wanorde, welke zij invoert.

1. Eene welgeregelde gemeente vormt één lichaam, waarin aan elk lid deszelfs bepaalde plaats en bediening is aangewezen; een lid kan onmogelijk van plaats veranderen of zijne bediening achterlaten zonder eene groote wanorde in het gebed te veroorzaken. — Wordt een der ledematen door ziekte gedwongen rust te

O O

nemen, dan moet God, de Opperste Meester, God die de ziekte overzendt, voor het onderhouden der algemeene orde zorgen, en Hij doet dit steeds op de eene of andere wijze. De arbeid en de vermoeienis der overige ledematen zullen er wellicht door vermeerderen , maar de vrede wordt niet gestoord.

Eene gemeente is een levend lichaam, zeggen de Heiligen, de regelen zijn zenuwen die het leven onderhouden; — zij is een huis, waarvan de regelen de grondslagen en kolommen zijn, die het dak schragen; zij is eene stad, waarvan de regelen de wallen en muren zijn, die haar tegen eiken inval beveiligen. Den regel voortdurend overtreden is de zenuwen afsnijden en het lichaam krachteloos en levenloos laten liggen; — het is de grondslagen ondermijnen; de kolommen, die het gebouw schragen, verbrijzelen en het tot een puinhoop maken; — het is de muren der

ocr page 366

'353

der stad onderwerpen en den vijand vryen ingang geven.

2. Bij deze stoffelijke wanorde in de gemeente komt eene zedelijke wanorde, welke zoo mogelijk nog veel di'oeviger is; de wanorde door de ergernis voortgebraclit.

Helaas! de ergernis, die vreeselijke misdaad in de wereld, wordt nog veel misdadiger in eene gemeente; zij treft de zielen, door Jezus het meeste bemind, voor wie Jezus tallooze genaden ten beste beeft gegeven, die Hij tot zijne Bruiden beeft uitgekozen, die Hij met de grootste zorg bewaart. Acb, als Jezus uit zijn goddelijk vaderhart die vreeselijke vervloeking laat ontsnappen tegen ben, die de kleinen verergeren: Wee, wee aan u! Beter ware het voor u, met een molensteen aan den hals in zee geworpen te worden: — welke verpletterende woorden zal Hij niet spreken tot degenen, die eene zijner Bruiden van de getrouwheid, Hem verschuldigd, aftrekken?

4. De aanhoudende ongehoorzaamheid geleidt gemakkelijk tot openlijke verachting der regelen en hij gevolg tot de doodzonde.

De gewoonte van de Constitutiën te overtreden overschrijdt, wel is waar, de grenzen der dagelijksche zonde niet; doch, volgens den H. Thomas, kan zij tot de minachting geleiden. — Wat wij later omtrent de gevolgen der lauwheid zullen zeggen, vindt hier •zijne plaats, en zeker is die voortdurende overtreding een duidelyk bewijs van lauwheid. Dit aanhoudend overtreden geeft ten laatste een walg van den regel; hij drukt, hij vermoeit wanneer men hem hervat; van den afkeer komt men tot onverschilligheid, en van de onverschilligheid komt men weldra tot de minachting. Ziehier hoe men, volgens den H. Fran-

23

ocr page 367

354

ciscus van Sales, kan erkennen of de ongehoorzaamheid uit minachting voortspruit:

1. Als eene religieuze, na eene berisping ontvangen te hebhen, daarmede den spot drijft en geen berouw toont over hare fout.

2. Als zij voortgaat in hare ongehoorzaamheid zonder zich te willen beteren.

3. Als zij den regel of het gebod rechtstreeks aantast, dit oordeelende of veroordeelende.

4. Als zij tracht anderen in de zelfde fouten mede te slepen door de bewering dat zij niets-beduidend zijn.

5. De aanhoudende ongehoorzaamheid stelt de religieuze bloot aan het verliezen har er roeping.

De roeping verliezen is het grootste ongeluk dat eener religieuze kan overkomen. De roeping verliezen is gelijk Judas, vrijwillig het gezin van Jezus-Christus verlaten, het gezin waarin Hij zelf ons uit liefde had binnengeleid, waarin Hij ons de teederste zorgen bewijst. — Gelukkig de religieuze die, na Judas gevolgd te hebben in zijnen val, hem niet navolgt in zijnen dood.

De roeping verliezen, de gemeente verlaten, of zich doen wegzenden is een meineed, eene heiligschennis;— het is eene ontheiliging van die vermogens, welke den Heer zijn toegewijd; — het is de diefstal in het brandoffer; — het is den evennaasten op de gruwelijkste wijze ergeren, — het hart der Kerk verscheuren , — verwarring, schrik en droefheid werpen in de harten dergenen, die wij gisteren nog onze xusters noemden; het is het huis, waarin men ons slechts op ons dringend smeeken tot de H. Professie heeft toegelaten, op zijne grondvesten doen daveren en ten verderve voeren.

De roeping verliezen is een onverschoonbare misdaad, eene afschuwelijke misdaad, gebrandmerkt door

ocr page 368

355

al degenen, die nog eenig gevoel van eer behouden; — het is die zusters in wier midden en voor wie wij gezworen hadden te zullen sterven, lafhartig verlaten. Wee den hedriegelijken menscii, die niet volbrengt wat hij beloofd heeft! Mal. T, 14.)

En het verliezen der roeping begint altijd met de vrijwillige overtreding der regelen, gaat met onze getrouwheid op en neder en wordt voltrokken, wanneer de ongehoorzaamheid, tot gewoonte geworden, ons medesleept tot minachting, aanmatiging en weerspannigheid.

»Hij, die onachtzaam is in het naleven der regelen, zoo leest men in het Regelboek der Trappisten, zal ook weldra een afkeer opvatten voor de wei, die ze voorschrijft, en als een knellend juk dien onverbreekbaren hand beschouwen, die hem onherroepelijk verbindt aan verplichtingen, die hem tot last zijn geworderi.quot; Te midden van die onvermijdelijke verveling , waaraan de rampzalige door eigen schuld ter prooi is, hoort men somtijds deze en dergelijke woorden: »A Is ik nu geprofest moest worden , zou ik hiertoe niet overgaan; — had ik kunnen denken, dat er in onzen staat zooveel te dragen, en te verdragen viel, nooit zou ik mij verbonden hebben!...,quot; Men heeft dit tevoren geweten, doch men was toen vurig, men beminde zijnen staat, en de liefde maakte het ofier aangenaam; het zijn nu offers zonder liefde, die ons allen moed benemen. Een gebouw, dat niet onderhouden wordt, valt in elkander; de ongetrouwheid brengt de onbestendigheid voort!

Bid dan, zeggen wij u met den H. Alphonsus, bid als gij in het binnenste uws harten voelt, dat de weerspannigheid u overmeestert; de duivel alleen kan u de gedachten ingeven, die u thans bezig houden,

ocr page 369

356

Den gelukkigen staat, waartoe de goddelijke barmhartigheid u geroepen heeft, willen verlaten is... verzaken aan uwe zaligheid.

Bid, en hervat de gehoorzaamheid met al de kracht uwer ziel; de gehoorzaamheid is de eenige vesting, waarin de duivel niet kan doordringen.

DERDE ARTIKEL.

Zinsbedrog omtrent de armoede.

De Gelofte van armoede is die Gelofte, waaromtrent men zich het gemakkelijkst kan bedriegen en zich eene valsche conscientie vormen. De armoede, zegt een oud schrijver, is het teedere punt der kloosters, de hoeksteen, waartegen zich gewoonlijk de goede begeerten der religieuzen verbrijzelen, alsook de ijver dergenen, die aan hare zaligheid werkeu. Gedurende

. r~*

eene retiaite zullen zij zeer gaarne den man Gods aanhooren, die haar hare plichten voorhoudt; maar treedt hij in hare verplichting omtrent de Gelofte van armoede, dan beknibbelen zij hem, dan is hij veel te gestreng en zij luisteren niet meer naar hem. Daarom zullen wij u met zorg voorhouden;

1. De natuur der Gelofte van armoede.

2. De natuur der deugd van armoede.

3. Den omvang der Gelofte en der deugd van armoede.

4. Hoe men tegen de Gelofte van armoede zondigt.

5. Hoe men tegen de deugd, van armoede zondigt. G. De bron der zinsbegoochelingen omtrent de armoede. 7. De verschillende zinsbegoochelingen omtrent de

armoede.

ocr page 370

357

I.

QfCatum dcz êe-fo|ti2- van azmoede.

Men verpliclit zicli door de Gelofte van armoede, ia het algemeea, slechts in zekere mate van. de goederen dezer wereld gebruik te maken.

De Gelofte van armoede kan eene plechtige, of eene enkele Gelofte zijn; en daar het verschil tusschen deze zeer groot is, en de plichten die er uit voortvloeien , in verscheidene punten, zeer van elkander verschillen, is het noodzakelijk beider natuur wel te leeren kennen.

I. De enkele Gelofte van armoede is eene handeling, waardoor de religieuze zich het beheer barer goederen en de macht om andere te verkrijgen voorbehoudt, zich nochtans verbindende nooit zonder verlof barer Oversten van haar recht gebruik te maken; — de handelingen door haar, zonder dit verlof gedaan, zouden geldig, doch ongeoorloofd en bijgevolg zondig zijn.

Als dus eene zuster voor haar intreden in het klooster niet beschikt had over haar ouderlijk erfdeel of indien eenige erfenis haar ten deel viel, zou zij verlof moeten vragen om die goederen te vervreemden, hetzij onderhands, hetzij per testament; dit verlof wordt bijna altijd toegestaan, uls het gebruik dat men van zijne goederen wil maken, goed en nuttig is.

II. De plechtige Gelofte van armoede is eene handeling, waardoor de religieuze zich berooft van de macht om eenig tijdelijk goed te verkrijgen, of te bezitten; en alle beschikkingen, welke eene religieuze, na deze Gelofte, maakt, zijn ongeldig en zondig.

ocr page 371

358

De religieuze, die de plechtige Gelofte van armoede overtreedt, begaat eene dubbele fout: de eene tegen de deugd van godsdienst, daar zij eene Gelofte overtreedt, die haar evenzeer bindt als de Geloften van gehoorzaamheid en zuiverheid; de andere fout zou strijden tegen de rechtvaardigheid, daar zij , zich van alles ontdaan hebbende, over niets kan beschikken, zonder zich aan diefstal plichtig te maken.

De religieuze, die de enkele Gelofte van armoede overtreedt, zondigt niet tegen de rechtvaardigheid door over de goederen die haar toebehooren, te beschikken; doch zij zondigt tegen de deugd van godsdienst door de Gelofte te schenden, die zij gedaan heeft, over iets zonder verlof te beschikken.

II.

vcw- de- Bc-z azwiozdc.

De deugd van armoede bestaat in de inwendige onthechting van elke genegenheid voor de tijdelijke goederen. De Gelofte van armoede heeft de 'uitwendige berooving, de werkelijke armoede ten doel. De deugd van armoede heeft de inwendige berooving ,• de armoede van den geest, de onthechting des harten ten doel.

De Gelofte van armoede heeft hare juiste grenzen; de deugd heeft er om zoo te zeggen geene in haar verlangen om van alles beroofd te leven. Zij zegt met den H. ( yprianus: A Is men God bezit, heeft men niets anders noodig; want icie God heeft, heeft alles.

ocr page 372

359

In de ziel, die de deugd van armoede bezit, neemt God de plaats in van alles wat zij ter zijner liefde heeft opgeofferd.

Niet elke overtreding der diugd van armoede is overtreding der Gelofte; maar elke overtreding der Gelofte is tevens eene overtreding der deugd.

Eene religieuze bezit de deugd van armoede, als zij, hetzij door hare Overste, of door eenig toeval, beroofd wordende van datgene wat zij in gebruik had, die berooving verdraagt zonder zich te beklagen, zonder te morren of den vrede te verliezen, dan zelfs als deze berooving haar zeer hard valt.

Eene religieuze bezit de deugd van armoede niet, als zij aan eenige zaak gehecht is, — er gaarne aan denkt, — die met te groot verlangen zoekt, — vreest ze te verliezen, — mort en zich ontstelt, wanneer zij die verliest.

Het is vooral door aangekleefdheid aan kleine zaken, aan beuzelarijen, zooals een hleedingstuh, een meubel, een godsdienstig voorwerp, een hoek, een prentje, dat men doet zien, hoe weinig men in de deugd van armoede gevestigd is.

De deugd van armoede is de voltrekking der Gelofte van armoede, waaraan zij hare waarde geeft. »De armoede op zich-zelve, zegt de H. Bernardus, is geene deugd; maar de liefde tot de armoede is meer dan eene deugd; het is eene zaligheid en de eerste zaligheid zelfs. Groote beloften zijn aan de andere zaligheden gehecht; deze wordt in het bezit van den hemel gezet. Immers de hemel wordt haar niet slechts beloofd, maar reeds in deze wereld wordt hij haar gegeven.quot;

ocr page 373

360 III.

ömvancfr dei êc-tojtc en dut dcwc^d van az-moedc.

De deugd van armoede strekt zich overal en over alles uit, en de religieuze die getrouw wil zijn aan hare roeping, moet geene grenzen stellen aan hare onthechting' aan al de genegenheden en begeerten van haar hart. Deze gesteldheid zal haar getrouw en tot groot voordeel harer ziel hare Gelofte tot in de kleinste punten doen naleven.

De Gelofte van armoede gaat niet verder dan zij door de Constitution aangeivezen en door de gebruiken der gemeente bepaald is. De religieuze moet dus met zorg zich hierin doen onderwijzen, en nauwkeurig de levenswijze van het huis, waar zij zich bevindt, nagaan. Het Concilie van Trente beveelt vooral het gemeen leven aan, en door zich daaraan te onttrekken zou men somtijds, ja dikwijls eene zware zonde kunnen bedrijven, wijl men daardoor anderen ergernis geeft en de gevolgen der ergernis hoogst noodlottig zijn.

Wees dus arm in uwe cel, en behoud daar slechts de tafel, de bidbank, het getal stoelen, de voorwerpen van godsvrucht, door den regel en het gebruik bepaald. — Behoud daar slechts de boeken, die u zijn aangewezen, en breng de overige in de bibliotheek, zoodra ge ze gebruikt hebt. — Geen voorraad van papier, van pennen, van enveloppen; zoo men u toestaat eenige postzegels te bewaren, zij dit slechts in klein getal. — Geen ander linnengoed dan datgene

ocr page 374

361

wat elke zuster hebben mag. — Vooral geen gesloten lessenaar of kastje. — De Overste moet altijd in de cellen alles kunnen nazien.

Wees arm in al wat u ten gehruike wordt gegeven. — Geen gouden horloge, als het gebruik van het huis u toelaat een horloge te gebruiken, zelfs geen horloge als de zusters er geen hebben en uwe Overste dit niet noodzakelijk oordeelt voor het wel vervullen uwer bediening. — Geene vergulde lijsten in uwe cel, geen zilveren ketting aan uwe medailles, welke ook slechts dan van zilver mogen zijn, als dit uitdrukkelijk toegestaan is en zij geene bijzondere waarde hebben; — geene oorringen , zonder bevel van den geneesheer; — geen zilveren lepel en vork, als het niet voorgeschreven of althans algemeen toegestaan is; — geene hoeken verguld op snede. — »Mijne dochter,quot; schreef de H. Joanna Francisca van Chantal aan eene barer religieuzen, »onthoud dit uw geheele leven: waar zilver voldoende is, daar neem geen goud; waar blik voldoet, neem geen zilver; waar lood voldoet, neem geen blik, want de ware dochter der Visitatie moet de rijke, schoone, nette voorwerpen niet zoeken, maar slechts de eenvoudige, de grove, de hechtste, in één woord, het volstrekt noodzakelijke!quot;

Wees arm in uwe kleederen. — Dat alles éénvormig zij in stof, in snede, in kleur. — Dat zij éénvoudig zijn in vorm, zonder nieuwigheden, zonder gemaaktheid en ijdelheid. ITet gebruik der spiegels is veelal in de kloosters verboden; leer uwe kleederen zoodanig schikken, dat gij ze niet noodig hebt, en vooral ga niet uit kleingeestige behaagzucht u in glasruiten of schilderijen spiegelen. — Dat zij zindelijk zijn, want, zegt de H. Bernardus, zoowel als de ijdelheid de vrucht van den hoogmoed is, is de

ocr page 375

3(32

onzindelijkheid de vrucht der luiheid. Armoede en zindelijkheid gaan in eene welgeregelde gemeente hand aan hand. De armoede houdt op, waar slordigheid en onzindelijkheid beginnen.

Wees arm in uw voedsel. — Stel u tevreden met datgene wat iedereen wordt voorgediend, en vraag nooit iets bijzonders dan door bijzondere noodzakelijkheid gedwongen ; uwe Oversten zijn verplicht, ruim in uwe behoeften te voorzien; wees gij dus voorzichtig in hetgeen gij vraagt. — Vraag niets op aanmatigenden toon, vraag gelijk eene arme vraagt; ga vooral niet langs omwegen, laat niets voor u vragen door uwe bloedverwanten of uwen geneesheer. — Zoodra het u, na eene ongesteldheid, mogelijk is het gewoon leven te volgen, moet gij het hervatten. — Houd niets op uwe kamer verborgen, de ziekekamer is de plaats waar men bijzondere spijzen of andere ververschingen nemen moet. — Men kan in de Com-munauteiten nooit te goed, noch te zorgvuldig voor de zieken zijn, maar de zieken op hare beurt moeten ook zeer heilig en deugdzaam zijn.

IV.

JCoe aondityt men tcycn de.

van atmoe3e?

Op tweeërlei wijze. 1°. Door toeëigening. 2°. Door beschikking zonder verlof der Overste.

Zich toeëigenen is zich stellen in het bezit van datgene wat tot de Gelofte behoort. Bijgevolg:

ocr page 376

363

1. Door iets te nemen dat aan anderen of aan de gemeente toebehoort, om daarvan zyn persoonlijk eigendom te maken of tot volstrekt eigen gebruik te besteden, al waren het zelfs noodwendige zaken; de nood geeft ons recht tot vragen, maar niet tot nemen, tenzij in uitersten nood. — Zoo er diefstal heeft

i plaats gehad, moet er restitutie van persoonlijke goederen gedaan worden, zoo men die heeft, of door schadeloosstelling, bijv. door vermindering van voedsel,

buitengewonen arbeid..... of wat veel eenvoudiger

is en slechts eene vernedering kost, door het bekennen van den diefstal en de teruggave door de Overste gedaan.

2. Door te ontvangen, wat dan ook, van wie ■ ook, op welken titel, voor welk doel het ook zij.

Eene religieuze mag niets in bewaring ontvangen, noch geschenken voor haar eigen persoon aannemen, j Zij mag die wel aannemen voor de gemeente, altijd het verlof der Overste veronderstellende, aan wie zij alles dadelijk en getrouw ter hand moet stellen. (1)

3. Door te koopen, te ruilen, te leenen voor persoonlijk gebruik of voor de gemeente, — zich door bloedverwanten buiten weten der Overste iets te doen koopen of leenen. De religieuzen, die verre van hare gemeente de zieken oppassen, hebben eene stilzwijgende toestemming voor al wat zij noodig

1

Volgens een bijna algemeen verlof mogen in de meeste gemeenten de religieuzen elkander prentjes, medailles, voorwerpen van \g er in ge waarde geven. Maar ook dit kan misbruiken veroorzaken , welke des te meer te vreezen zouden zijn, indien men zonder een ■bijna telkens vernieuwd verlof der Overste, aan wereldsche personeu die kleine geschenken gaf of dergelijke van hen ontving onder titel

van gedachtenissen.

-

ocr page 377

364

mocliten hebben, op voorwaarde dat zij bij hare terugkomst van alles rekenschap geven.

4. Door zich datgene toe te eigenen wat men bespaart of verdient. Al wat men haar voor bewezen diensten geeft, — al wat haar als vrije gift wordt ter hand gesteld, — al het overbodige dat zij bezit, moet aan de Overste ter hand worden gesteld.

Beschikken.

Beschikken over de goederen, die men nog bezit, is handelen als ware men geheel vry, terwijl wij niet mogen vergeten, dat de gelofte van armoede het gebruik van dit eigendom beperkt heeft. Bijgevolg zondigt men tegen de Gelofte van armoede: fi

1. Door zonder verlof, wat dan ook en aan wie dan ook, te geven, bijv. door op eigen naam, van eigen goed aalmoezen te doen, giften, jaarlijksche toelagen, vrijlating van rechten te verleenen, — door te beschikken over spaarpenningen door eigen werk verdiend, op persoonlijk gebruik of gegeven reisgeld bespaard, — naar een ander huis mede te nemen wat men tot zijn gebruik had in het huis dat men verlaat. De fout zou zwaarder zijn, zoo men aan vreemden gaf dan wel aan de personen van het huis.

2, Zonder verlof leenen aan eene medezuster zelfs is eene handeling van eigendom, die eene religieuze met zorg moet vermijden, tenzij het voorwerp slechts geringe waarde of eene zuster daaraan dringende behoefte hebbe; elkander ter loops een blad papier, eene pen, een draad garen enz. leenen behoort tot de gewone handelingen des levens, en is eene oefening van voorkomendheid, waarvan men echter geen misbruik moet maken. — Aan vreemdelingen voorwerpen

me

ocr page 378

365

van grootere waarde, hoeken bijv. leenen, is eene fout, omdat men hierdoor het belang der gemeente benadeelt.

Reliquiên vormen persoonlijk eigendom der religieuze die ze bezit, en zij mag die geven, ruilen, leenen, zoo er geene bezwarende omstandigheden tegen bestaan. Eene religieuze raag ook de hoeken of geschriften, door haar geschreven, in eigendom bezitten, doch mag ze zonder verlof harer Oversten niet doen drukken, noch uitgeven.

3. Zonder verlof, zelfs kosteloos, voor vreemden werken, — het geld dat men verdient, als aalmoes geven, de vrucht van eigen arbeid verkoopen, zelfs al behoorde deze tot de vrije kunsten, als muziek of schilderkunst

4. Door hare schuld datgene wat haar tot gebruik of beheer is aangewezen, laten bederven of verloren gaan.

De Gelofte van armoede verplicht eene religieuze, zorgvuldiger te zijn in hare gemeente dan in hare familie. — Daar had zij het recht, te gebruiken en eenigermate zelfs te misbruiken zonder iemand te benadeelen; in het klooster mag zij slechts gebruiken ; want zij zou het huis benadeelen, als zij onachtzaam ware. — Wees niet minder zorgvuldig in den stof-felijken dienst van uwen Meester Jezus-Christus, uit eerbied en liefde, als gij het geweest zoudt zijn bij een aardschen meester, uit huishoudelijkheid, uit eigenliefde, uit eigenbelang.

Wij hebben hiermede de voornaamste punten aangetoond, die wij tot het oneindige zouden kunnen uitbreiden. — Dat elke religieuze zich zorgvuldig toone, al die kleine zaken gade te slaan, die zich dagelijks voordoen, hetzij met hare medezusters,

ocr page 379

366

voor wie zij eene goede, voorkomende zuster wil zijn, — hetzij met hare bloedverwanten , die altijd de gelegenheid zoeken haar genoegen te doen, — hetzy met vriendinnen , die vol eerbied, dankbaarheid en welwillendheid steeds gedachtenissen aanbieden en vragen , — hetzij met de armen, wier lijden haar treft en voor wie zij zich zelfs gaarne van het noodzakelijke zou berooven.

Er zijn gevallen, waarin haar christelijk gezond verstand haar zal zeggen, dat zij mag handelen, omdat hare Overste, ware zij daar, haar zeer zeker zou toestaan te geven of aan te nemen; doch dat zij dan, zoodra mogelijk, van alles rekenschap geve, dat zij niets verberge, niets ontveinze; anders zou zij zich spoedig eene valsch geweten vormen.

V.

Op drie wijzen:

1. Door vrijwillige gedachten of begeerten tegeu deze deugd.

2. Door eene ongeregelde gehechtheid aan on-noodige zaken. Zoo deze begeerten of gehechtheid aan aardsche goederen zoover gaan dat wij daardoor eene merkelijke onrechtvaardigheid of zware overtreding zouden begaan, zou dit zeker doodzonde kunnen

ocr page 380

367

worden; doch buiten deze gevallen zijn de fouten tegen de deugd dei* armoede dagelijksche zonden.

3. Door het gebruik van voorwerpen van pracht of weelde, hetgeen zeker strijdt tegen den waren religieuzen geest en eene ernstige fout kan worden; het is zoo gemakkelijk zich aan overbodige zaken te hechten met een schuldig gevoel van gierigheid, zinnelijkheid of ijdelheid! Als men dei zaken echter bezit met verlof der Overste, zou men daarin al zeer ver moeten gaan, alvorens eene doodzonde te bedrijven; doch er zou altijd eene dagelijksche zonde in gelegen zijn, daar men nooit tegen den wil der H. Kerk in dit punt kan ingaan zonder eene ongeregelde genegenheid aan den dag te leggen.

VI.

eB-rcm dcz omtrent

9e azmoedc.

Deze ligt:

I. In ons weinig nadenken omtrent de verplichtingen ons door de Gelofte van armoede opgelegd.

Deze verplichtingen zijn de zelfde als voor de Gelofien van zuiverheid en gehoorzaamheid. De drie Geloften bevatten volstrekte verbintenissen, die men niet zonder zonde overtreedt; men weet dit, doch ten opzichte der armoede handelt men met eene onbegrijpelijke lichtzinnigheid. Ten opzichte der Gelofte van zuiverheid

ocr page 381

368

bestaat eene kieschheid, die niet alleen de zonde, maar zelfs de schaduw der zonde doet vlieden. Zeker is dit prijzenswaardig en doet der religieuze ziel eer aan, maar wat wij hier afkeuren, is de weinige eerbied, die men heeft voor de armoede, zoo als Gelofte of als deugd beschouwd.

Men maakt zich allengs gewoon, het gemeen leven als een soort van levenswijze te beschouwen van weinig belang; men beschuldigt zich van de meer of minder zware zonden en geeft eenige reden aan om de fout te verschoonen, waarover men zeer weinig berouw heeft; maar men spreekt neuwelijks van de fout: van in zijne cel zaken te bewaren, die men volstrekt niet noodig heeft, — eene ongeregelde gehechtheid te hoesteren voor een voorwerp dat men als eigendom beschouwt, dat men ongaarne zou leenen , dat men de Overste slechts met weerzin en na veel tegenspreken zou geren, — een voorwerp te laten bederven, omdat wij niet rechtstreeks daarmede belast zijn, — menig kwartiertje in tijd verkwisting of met beuzelarijen door te brengen....

Deze fouten kunnen zeer klein zijn. Zij kwetsen niet altijd de Gelofte van armoede; maar doen zij den religieuzen geest geen oneer? Zijn zij de oorzaak niet van dat ongeregeld leven, dat men u verwijt? Eu weet gij niet, dat hij wie de kleine fouten veracht, allengs in grootere zal vallen ? Zijt gij krachtens uwen staat niet verplicht, naar de volmaaktheid te streven, en ligt de volmaaktheid niet in het vluchten L der kleinste zonden zelfs? Gevoelt gij niet, dat de | geest van eigendom langzamerhand in uwe ziel dringt? dat gij u ontstelt en bedroeft, als men a dat voorwerp ontneemt, waaraan gij meendet niet gehecht te zijn?

ocr page 382

quot; 3fi9

II. In ons weinig nadenken omtrent de natuur en de uitwerkselen der armoede.

Gelofte van armoede afleggen is zich verbinden, aan de armen gelijk te worden.

Welnu 1°. de uitwerkselen der armoede zijn:

Het gebrek aan het noodzakelijke.

De verstooting en verachting der wereldsche men-schen.

Het werk om zich het noodzakelijke te verschaffen.

T)e dankbaarheid, jegens degenen, die ons dit noodzakelijke verschaffen.

Het geduldig en tevreden lijden, wanneer het noodzakelijke ons werkelijk ontbreekt.

Het gebed om dit noodzakelijke te verkrijgen.

2°. Het gedrag van een braven arme, van een arme, die naar den hemel wil gaan, moet het uwe zijn. — Het eenig onderscheid dat tusschen den arme en u bestaat, is dat de arme gedwongen en gij, religieuze , vrijwillig dien staat beleeft, door een geest van versterving, en dus met meer gelijkvormigheid aan Jezus-Ghristus.

De arme ontvangt zonder morren en zonder klacht het voedsel, dat men hem geeft.

De arme zoekt in zijne kleederen slechts het eenvoudigste, en draagt blijde wat hij krijgt.

De arme dient zich-zelven en eischt geene hulp van anderen; hij heeft geene dienstboden.

De arme verdraagt zonder veel te klagen koude en warmte; hij benijdt het welzijn van anderen niet.

De arme werkt zooveel hij kan, wel overtuigd dat hij er toe verplicht is. Als de arme iets vraagt, doet hij dit met bescheidenheid en ootmoed; hij gevoelt, dat men niet verplicht is het hem te geven; hij

24

ocr page 383

370

mort niet, als hij met ledige handen wordt weggezonden , en als men hem iets geeft, zegt hij uit den grond zijns harten een dankbaar: God loone u. Als de arme ziek is, is hij tevreden met de zorg en de hulp, die men hem bewijst, als hem niet verschuldigd; hij beklaagt zich niet, als hij moet wachten; hij schikt zich naar den toon en de manieren dergenen, die hem verzorgen.

De arme is altijd minzaam en dankbaar voor alle personen, die de goedheid hebben zich met en voor hem bezig te houden.

O mijne zuster, zoolang gij zoover niet zijt gevorderd, zult ge uwe Gelofte van armoede niet volmaakt naleven.

III. In ons weinig nadenken omtrent de waarde der armoede.

1°. Aan de armoede is de belofte der heerlijkste belooningen gehecht. Omdat de Apostelen arm geworden zijn ter liefde van Jezus, belooft Hij hun het honderdvoud der genaden en hemelsche vertroostingen op deze aarde, het recht om hij het einde der eeuwen de wereld ie oordeelen en eene verheven plaats in het eeuwig Koninkrijk.

Maar om deel te hebben aan deze belooningen, om in den hemel onder het getal dergenen geplaatst te worden aan wie God eene ruime schadeloosstelling, geeft voor hetgeen zij hier op aarde voor Hem hebben opgeofferd, moet er in werkelijkheid eene oprechte ontblooting in u bestaan en moet gij de ontberingen en het lijden aan die ontblooting gehecht, gevoeld hebben; want hoe zult gij anders uw titel van arme doen gelden ? en wat moet God u eigenlijk teruggeven?

2°. Be armoede heelt voor zich het voorbeeld van Jezus-Christus, dat haar verheft, veredelt, verheer-

ocr page 384

371

lijkt; het voorbeeld van Jezus, die, meester zijnde van hemel en aarde, alle rijkdommen bezittende, arm heeft willen worden, opdat wij door zijne armoede rijk zouden worden. (II Con. VIII, 9.)

Jezus-Christus, wien rijkdom en eer ter beschikking stonden, wilde in armoede en verachting geboren worden.

Jezus-Christus, die in rust en overvloed had kunnen leven, verkoos de ontblooting en den arbeid.

Jezus-Christus, die tot medegezellen van zijnen arbeid mannen had kunnen kiezen, die groot waren door hunne geboorte en hunue talenten, koos zjjne medearbeiders, zijne leerlingen, zijne opvolgers onder de armen, de kleinen, de onwetenden.

Jezus-Christus, die eindelijk had kunnen sterven omringd door glans en weelde, is arm en van alles ontbloot gestorven te midden der beleedigingen en verlatenheid, waaraan de armen ter prooi zijn.

Wie zal na dit voorbeeld van Jezus-Christus zich nog durven beklagen?

Wie zal zich niet gelukkig gevoelen, iets uit liefde tot Jezus te derven, vooral wanneer zij tot zich-zelve mag zeggen, dat deze ontbering van een oogenblik haar in den hemel een overvloed zal bezorgen, die al hare begeerten zal overtreffen?

3°. De armoede maakt haar, die ze edelmoedig omhelst, het kind der Voorzienigheid in den volsten zin des woords; — zij verplicht God in hare behoeften te voorzien, gelijk eene moeder verplicht is voor haar kind te zorgen, zoolang het zelf niet in zijne behoeften kan voorzien. En heeft men in de wereld den braven arme nooit het noodzakelijke zien ontbreken, hoe zou dan de vrijwillige arme, de arme van God, die godvruchtig en onderworpen is, het noodige niet hebben? —

ocr page 385

372

Zijt gij het niet die, naar Jezus-Christus luisterende, als Hij u verbiedt, u omtrent uw voedsel en kleeding te verontrusten, het voorschrift in oefening brengt, zoekt eerst het Rijk der Hemelen, en dus niet alle recht moogt verwachten, dat het overige u zal toegeworpen worden ?

VII.

tyJzzïcfiUÏ'tende zinsticc} oocfvamp;tinyen omttent 3c azmocde.

1.

Wat de gemeente toebehoort, hehoort mij tce.

Neen, wat de gemeente toebehoort, behoort u niet toe; gij hebt het gebruik van datgene wat de Overste ter uwer beschikking stelt; maar gij hebt geen recht tot gebruik van wat ook; gij moogt uit eigen macht niets nemen dan bij dringende noodzakelijkheid, — gij moogt niets gebruiken dan met verlof uwer Overste,— gij moogt niets aan anderen leenen, — gij hebt slechts het recht der armen: gij moogt vragen; — datgene wat u ten gebruike wordt gegeven, zoolang mogelijk doen dienen, en bovendien gereed zijn om datgene wat u aldus slechts geleend wordt, weder te geven, zoodra men het u zal vragen.

ocr page 386

373

2.

Wat ik geef, ontvang of gebruik zonder verlof, is zeer weinig en heeft bijna geene waarde.

Eene slechte verontschuldiging! Moet het clan voor eene religieuze niet genoeg zijn te weten dat alle eigendom haar verboden is, om zich niet het minste tegen dit verbod toe te staan? De religieuze, die hierin, zoowel als in andere zaken, onderzoekt, hoe ver zy gaan mag, alvorens eene zware zonde te bedrijven, bewijst dat zij nog weinig den geest harer roeping bezit. En is het niet te vreezen, dat de begeerlijkheid haar weldra zal medeslepen en haar zonden, die doodzonden kunnen zijn, als dagelijksche zonden zal doen beschouwen?

De Gelofte van armoede, al is het slechts enkele Gelofte, verbindt uit hare natuur onder doodzonde. De overtreding kan echter door de omstandigheden slechts eene kleine fout zijn. Doch over welke hoeveelheid der goederen van de gemeente kan eene religieuze beschikken, alvorens het eene doodzonde zy ?

De godgeleerden zijn algemeen van gevoelen, dat de zelfde hoeveelheid, die eene doodzonde is bij diefstal, ook doodzonde is met betrekking tot de Gelofte. Eenigen meenen, en hun gevoelen is zeer waarschijnlijk juist, dat men den diefstal eener religieuze, ten nadeele harer gemeente gepleegd, moet beoordeeleu als een diefstal door kinderen aan hunne ouders gedaan, en dat, alvorens dit doodzonde is, men de dubbele hoeveelheid moet rekenen van een diefstal ten nadeele van vreemdelingen gepleegd.

Men kan hierin echter geene juiste grenslijn trekken, daar veel afhangt van de omstandigheden. Het stelen

ocr page 387

374

van geld is ook grootere zonde dan het stelen van voedsel of andere zaken. Doch wanneer bij het wegnemen van kleine zaken zich het kwade voorbeeld voegt, dat andere religieuzen aanzet, op hare beurt iets weg te nemen, kan de fout merkelijk worden.

Wee de religieuze, zegt de H. Liguori, die verslapping invoert in de armoede!

Noem nietn klein in de beoefening der armoede en tracht den geest van uwen staat te bewaren. Als men spreekt en handelt zooals gij, zou de Gelofte van armoede niets kosten; en als eene Gelolte geene dagelijksche offers vraagt, waar is dan onze verdienste?

3.

Ik neem niets, ik ontvang niets , ik laat niets verloren gaan , maar ik werk niet zooveel als ik kan. — Moet ik leven als een huurling'?

Dat woord huurling schijnt u te vernederen; beantwoordt het niet aan den geest uwer roeping? Heeft Jezus-Christus geen dertig jaren lang geleefd als een eenvoudig handwerksman? Legt de H. Paulus, die kon leven op kosten dergenen, aan wie hij het Evangelie verkondigde, deze glorievolle getuigenis niet af, dat hij niemand tot last heeft verstrekt en dat zijne handen voorzien hebben in zijn onderhoud en in dat dergenen, die hem vergezelden ?

De religieuze staat, dio ons dubbel tot boetvaardigheid en armoede verbindt, spreekt ons niet vrij van het vonnis van het brood in het zweet des aanschijns

ocr page 388

375

te moeten verdienen. Eenige geleerde schriivers hebben zelfs beweerd, dat de handarbeid tot den geest van het kloosterlijk leven behoort; en het is zeker, dat het ten allen tijde de religieazen zeer dringend is aanbevolen. Daar zij niet den geheelen dag kunnen bidden en niet, gelijk de paters of monniken, tot de studie verplicht zijn, moeten zij, om de ledigheid en hare treurige gevolgen te vlieden, haren vrijen tijd tot den handarbeid gebruiken.

De H. Theresia, met het bestuur van eene geheels orde en met de leiding van twee-en-dertig door haar gestichte kloosters belast, hield zich in de enkele vrije oogenblikken tusschen ziekte, bidden en bezigheden met een handwerk bezig, en zij beveelt den handarbeid op verschillende plaatsen harer geschriften.

Dit werk is noodzakelijk om de bekoringen te vermijden en zich in de deugd te vestigen; de ledigheid is immers de moeder aller ondeugden. — Het is noodzakelijk om in onze roeping te volharden.

»Tk ben overtuigd,quot; zegde een ervaren Overste, »dat bijna al de jonge kloosterlingen, die naar de wereld teruggekeerd zijn, hun roep slechts verlaten hebben, omdat zij zich aan luiheid hebben overgegeven; niet als rechtstreeksche oorzaak, maar door hen tot zware zonden te brengen, welke na hun de liefde tot hunnen staat te hebben doen verliezen, hen aangezet hebben dien te verlaten.... Daarom kan een Overste een jongen kloosterling geen grooteren dienst bewijzen dan hem zoodanig met werkzaamheden te overladen dat hem geen vrij oogenblik overblijve.quot;

Dit werk is noodzakelijk om de goede orde en de regeltucht in de gemeente te onderhouden. — De goede orde, de regeltucht, en bijgevolg de vrede en de liefde kunnen in eene tremeente niet heerschen dan als ieder

ocr page 389

376

zich in geweten kwijt van de haar opgelegde bediening. De bedieningen in een klooster zijn als zoovele schakels van een keten; als er een breekt, wordt de werking van het geheel verstoord.

Dit werk is somtijds noodig om in de behoeften der gemeente te voorzien; en in dit geval is zij, die niet doet wat zij kan, oorzaak dat hare zusters moeten lijden; en komt zij zelve niets te kort, zoo is dit slechts ten koste harer zusters. — Zoo de gemeente welgesteld is, is het werk der zusters nuttig voor aalmoezen, arme kerken, goede werken enz.

Wij spreken hier niet van de studie voor die zusters welke verplicht zijn onderwijs te geven; dit is zoo noodzakelijk dat men die niet vrijwillig zal verzuimen. Wij zouden hier zeker meer te waarschuwen hebben voor den te grooten ijver voor de studie, indien zij aanzet om datgene te bestudeeren wat voor de ons toevertrouwde school onnuttig is.

4.

IIeh ik al wat meer dan anderen, of vraag ik iets meer dan anderen, zoo komt dit omdat ik er behoefte aan heb.

Dit is eene zeer onbepaalde reden en kan zich in het oneindige uitstrekken. Ja, gewis moet gij uwe behoefte bloot leggen, maar vraag niet met te sterken aandrang. Zijt gij ziek, dan laat de geneesheer voorschrijven wat hij dienstig oordeelt, en laat aan de Overste en de ziekenverpleegster de zorg over van de geneesmiddelen te laten komen en te bereiden.

ocr page 390

377

Neem ze met dankbaarheid aan, doch mor niet, als men ze u niet geeft. Eisch geene verzachtingen, die gij wellicht in uwe eigene familie niet zondt kunnen hebben en die vooral een arme zich niet zou kunnen verschaffen.

«Er zijn religieuzen, zoo lezen wy in eene oude verhandeling, die in hare ziekte alle mogelijke middelen, hoe kostbaar ook, willen beproeven; zij zouden alle geneesheeren van den omtrek willen raadplegen; zij zouden het slot willen breken om eene reis te maken en de baden te gaau gebruiken; de zorgen, die zij eischen, zijn ontelbaar; zij weten niet wat uitdenken voor haar voedsel en haar gemak; zij vermoeien de ziekenverpleegster, brengen wanorde in de gemeente, en sterven eindelijk gelijk zij geleefd hebben, als oprechte wereldlingen!quot;

En in de cellen? hoevele zaken, die men zou kunnen en moeten missen! Zeker moeten zij zindelijk zijn, doch tevens armoedig gelijk de kamers der armen; en dat Gods oog er nimmer iets vinde dan wat de regel er doet plaatsen. Ziehier nog eene bladzijde uit de werken der H. Theresia. »Mijne zusters en ik brachten eenigen tijd door zonder eenig ander meubelstuk dan onzen stroozak en onze deken, en op zekeren dag hadden wij niet zooveel hout als noodig was om het kleinste vischje te braden. Daar het zeer koud was, leden wij 's nachts zeer veel, en trachtten ons zoo goed mogelijk voor de koude te beschutten met die deken en onze dikke laken mantels. Die armoede vervulde ons met zooveel troost en vreugde, dat ik er niet aan kan denken zonder de schatten te bewonderen, die God in de deugd houdt opgesloten.quot;

ocr page 391

378

5.

Ik gebruik slechts het mij toegestane spaargeld.

Het spaargeld geeft aanleiding tot eene menigte misbruiken. Ziehier, hoe dit vraagstuk door een geestelijk schrijver wordt behandeld.

liet spaargeld is niets anders dan eene som geld door eene religieuze in bewaring gehouden voor tijd van nood. Gewoonlijk bestaat zij uit familie inkomsten, door giften van bloedverwanten vermeerderd.

Volgens gevestigde regelen mag eene religieuze, die slechts door enkele beloften verbonden is, dit spaargeld bezitten, omdat zij geen afstand heeft gedaan van het recht van bezit, een recht dat zij behoudt, doch dat zij slechts met verlof harer Overste mag gebruiken.

Dit spaargeld heeft, in zich-zelve beschouwd, niets tegenstrijdigs met de Gelofte van armoede, mits de religieuze zich getrouw schikke naarde volgende regelen.

1. Zij mag dit geld niet bewaren, doch moet het stellen in handen der Overste, welke met die zorg belast is.

2. Dit geld slechts met verlof harer Overste gebruiken.

3. Zich nauwkeurig voegen naar dit verlof en

O O

het niet te boven noch te huiten gaan.

4. Zich van dit geld niet bedienen voor zaken die strijden tegen de armoede.

De bezwaren, ten opzichte van dit spaargeld, zijn menigvuldig. Het geld dat voor iedereen gevaarlijk

O O O O O

is, is dit des te meer voor degenen, die gelofte van armoede gedaan hebben. Men hecht zich daaraan met eene ongeloofelijke gemakkelijkheid, en slechts met groote moeite geeft eene zuster, welke aan dit

ocr page 392

379

spaargeld gewoon is, dit aan hare Overste, als deze het haar vraagt.

De voorwendselen om dit spaargeld te rechtvaardigen zijn even talrijk en hebben slechts een schijn van waarheid.

1. Ik bewaar dit geld om eene menigte kleine onvoorziene noodzakelijke uitgaven te bestrijden.

Die noodzakelijkheid is gewoonlijk eene denkbeeldige noodzakelijkheid.

I Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart? Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart?

2. Ik bewaar dit geld om mijne dankbaarheid door kleine giften te betuigen. — En aldus hecht gij uw hart. De religieuze toont hare dankbaarheid door het gebed. Men weet buiten uw klooster, dat gij niets hebt, en dat uwe gemeente moet bedanken, als er te bedanken valt.

3. Ik bewaar dit geld om Missen te laten doen. — Dit is de eenige goede reden, en nog zou het uwe Overste moeten zijn, die deze Missen betaalde en gij niet.

4. Ik bewaar dit geld, omdat al de anderen dit doen. — Dit is eene slechte reden; het geld maakt haar niet beter, niet godvruchtiger, niet nederiger, niet meer onthecht. Volg hare deugden na en laat u door den geest van uwen regel geleiden.

Zie omtrent dit punt nog eenige opmerkingen getrokken uit de Onderrichting der novicen ten gebruike der Predikheeren: » Hoewel het gebruik van jaargelden en spaargelden uit zich-zelven niet verboden noch aan den regel tegenstrijdig is, daar het klooster daarover het beheer heeft en de Overste het gebruik regelt, wordt het toch voor vele kloosterlingen eene geleheid om door de overtreding der armoede hunne

ocr page 393

378

5.

Ik gebruik slechts het mij toegestane spaargeld.

Het spaargeld geeft aanleiding tot eene menigte misbruiken. Ziehier, hoe dit vraagstuk door een geestelijk schrijver wordt behandeld.

liet spaargeld is niets anders dan eene som geld door eene religieuze in bewaring gehouden voor tijd van nood. Gewoonlijk bestaat zij uit familie inkomsten, door giften van bloedverwanten vermeerderd.

Volgens gevestigde regelen mag eene religieuze, die slechts door enkele beloften verbonden is, dit spaargeld bezitten, omdat zij geen afstand heeft gedaan van het recht van bezit, een recht dat zij behoudt, doch dat zij slechts met verlof harer Overste mag gebruiken.

Dit spaargeld heeft, in zich-zelve beschouwd, niets tegenstrijdigs met de Gelofte van armoede, mits de religieuze zich getrouw schikke naarde volgende regelen.

1. Zij mag dit geld niet bewaren, doch moet het stellen in handen der Overste, welke met die zorg belast is.

2. Dit geld slechts met verlof harer Overste gebruiken.

3. Zich nauwkeurig voegen naar dit verlof en

O O

het niet te boven noch te huiten gaan.

4. Zich van dit geld niet bedienen voor zaken die strijden tegen de armoede.

De bezwaren, ten opzichte van dit spaargeld, zijn menigvuldig. Het geld dat voor iedereen gevaarlijk

O O O O O

is, is dit des te meer voor degenen, die gelofte van armoede gedaan hebben. Men hecht zich daaraan met eene ongeloofelijke gemakkelijkheid, en slechts met groote moeite geeft eene zuster, welke aan dit

ocr page 394

379

spaargeld gewoon is, dit aan hare Overste, als deze het haar vraagt.

De voorwendselen om dit spaargeld te rechtvaardigen zijn even talrijk en hebben slechts een schijn van waarheid.

1. Ik bewaar dit geld om eene menigte kleine onvoorziene noodzakelijke uitgaven te bestrijden.

Die noodzakelijkheid is gewoonlijk eene denkbeeldige noodzakelijkheid.

I Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart? Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart?

2. Ik bewaar dit geld om mijne dankbaarheid door kleine giften te betuigen. — En aldus hecht gij uw hart. De religieuze toont hare dankbaarheid door het gebed. Men weet buiten uw klooster, dat gij niets hebt, en dat uwe gemeente moet bedanken, als er te bedanken valt.

3. Ik bewaar dit geld om Missen te laten doen. — Dit is de eenige goede reden, en nog zou het uwe Overste moeten zijn, die deze Missen betaalde en gij niet.

4. Ik bewaar dit geld, omdat al de anderen dit doen. — Dit is eene slechte reden; het geld maakt haar niet beter, niet godvruchtiger, niet nederiger, niet meer onthecht. Volg hare deugden na en laat u door den geest van uwen regel geleiden.

Zie omtrent dit punt nog eenige opmerkingen getrokken uit de Onderrichting der novicen ten gebruike der Predikheeren: » Hoewel het gebruik van jaargelden en spaargelden uit zich-zelven niet verboden noch aan den regel tegenstrijdig is, daar het klooster daarover het beheer heeft en de Overste het gebruik regelt, wordt het toch voor vele kloosterlingen eene geleheid om door de overtreding der armoede hunne

ocr page 395

378

5.

Ik gebruik slechts het mij toegestane spaargeld.

Het spaargeld geeft aanleiding tot eene menigte misbruiken. Ziehier, hoe dit vraagstuk door een geestelijk schrijver wordt behandeld.

liet spaargeld is niets anders dan eene som geld door eene religieuze in bewaring gehouden voor tijd van nood. Gewoonlijk bestaat zij uit familie inkomsten, door giften van bloedverwanten vermeerderd.

Volgens gevestigde regelen mag eene religieuze, die slechts door enkele beloften verbonden is, dit spaargeld bezitten, omdat zij geen afstand heeft gedaan van het recht van bezit, een recht dat zij behoudt, doch dat zij slechts met verlof harer Overste mag gebruiken.

Dit spaargeld heeft, in zich-zelve beschouwd, niets tegenstrijdigs met de Gelofte van armoede, mits de religieuze zich getrouw schikke naarde volgende regelen.

1. Zij mag dit geld niet bewaren, doch moet het stellen in handen der Overste, welke met die zorg belast is.

2. Dit geld slechts met verlof harer Overste gebruiken.

3. Zich nauwkeurig voegen naar dit verlof en

O O

het niet te boven noch te huiten gaan.

4. Zich van dit geld niet bedienen voor zaken die strijden tegen de armoede.

De bezwaren, ten opzichte van dit spaargeld, zijn menigvuldig. Het geld dat voor iedereen gevaarlijk

O O O O O

is, is dit des te meer voor degenen, die gelofte van armoede gedaan hebben. Men hecht zich daaraan met eene ongeloofelijke gemakkelijkheid, en slechts met groote moeite geeft eene zuster, welke aan dit

ocr page 396

379

spaargeld gewoon is, dit aan hare Overste, als deze het haar vraagt.

De voorwendselen om dit spaargeld te rechtvaardigen zijn even talrijk en hebben slechts een schijn van waarheid.

1. Ik bewaar dit geld om eene menigte kleine onvoorziene noodzakelijke uitgaven te bestrijden.

Die noodzakelijkheid is gewoonlijk eene denkbeeldige noodzakelijkheid.

I Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart? Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart?

2. Ik bewaar dit geld om mijne dankbaarheid door kleine giften te betuigen. — En aldus hecht gij uw hart. De religieuze toont hare dankbaarheid door het gebed. Men weet buiten uw klooster, dat gij niets hebt, en dat uwe gemeente moet bedanken, als er te bedanken valt.

3. Ik bewaar dit geld om Missen te laten doen. — Dit is de eenige goede reden, en nog zou het uwe Overste moeten zijn, die deze Missen betaalde en gij niet.

4. Ik bewaar dit geld, omdat al de anderen dit doen. — Dit is eene slechte reden; het geld maakt haar niet beter, niet godvruchtiger, niet nederiger, niet meer onthecht. Volg hare deugden na en laat u door den geest van uwen regel geleiden.

Zie omtrent dit punt nog eenige opmerkingen getrokken uit de Onderrichting der novicen ten gebruike der Predikheeren: » Hoewel het gebruik van jaargelden en spaargelden uit zich-zelven niet verboden noch aan den regel tegenstrijdig is, daar het klooster daarover het beheer heeft en de Overste het gebruik regelt, wordt het toch voor vele kloosterlingen eene geleheid om door de overtreding der armoede hunne

ocr page 397

378

5.

Ik gebruik slechts het mij toegestane spaargeld.

Het spaargeld geeft aanleiding tot eene menigte misbruiken. Ziehier, hoe dit vraagstuk door een geestelijk schrijver wordt behandeld.

liet spaargeld is niets anders dan eene som geld door eene religieuze in bewaring gehouden voor tijd van nood. Gewoonlijk bestaat zij uit familie inkomsten, door giften van bloedverwanten vermeerderd.

Volgens gevestigde regelen mag eene religieuze, die slechts door enkele beloften verbonden is, dit spaargeld bezitten, omdat zij geen afstand heeft gedaan van het recht van bezit, een recht dat zij behoudt, doch dat zij slechts met verlof harer Overste mag gebruiken.

Dit spaargeld heeft, in zich-zelve beschouwd, niets tegenstrijdigs met de Gelofte van armoede, mits de religieuze zich getrouw schikke naarde volgende regelen.

1. Zij mag dit geld niet bewaren, doch moet het stellen in handen der Overste, welke met die zorg belast is.

2. Dit geld slechts met verlof harer Overste gebruiken.

3. Zich nauwkeurig voegen naar dit verlof en

O O

het niet te boven noch te huiten gaan.

4. Zich van dit geld niet bedienen voor zaken die strijden tegen de armoede.

De bezwaren, ten opzichte van dit spaargeld, zijn menigvuldig. Het geld dat voor iedereen gevaarlijk

O O O O O

is, is dit des te meer voor degenen, die gelofte van armoede gedaan hebben. Men hecht zich daaraan met eene ongeloofelijke gemakkelijkheid, en slechts met groote moeite geeft eene zuster, welke aan dit

ocr page 398

379

spaargeld gewoon is, dit aan hare Overste, als deze het haar vraagt.

De voorwendselen om dit spaargeld te rechtvaardigen zijn even talrijk en hebben slechts een schijn van waarheid.

1. Ik bewaar dit geld om eene menigte kleine onvoorziene noodzakelijke uitgaven te bestrijden.

Die noodzakelijkheid is gewoonlijk eene denkbeeldige noodzakelijkheid.

I Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart? Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk noodzakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk arm waart?

2. Ik bewaar dit geld om mijne dankbaarheid door kleine giften te betuigen. — En aldus hecht gij uw hart. De religieuze toont hare dankbaarheid door het gebed. Men weet buiten uw klooster, dat gij niets hebt, en dat uwe gemeente moet bedanken, als er te bedanken valt.

3. Ik bewaar dit geld om Missen te laten doen. — Dit is de eenige goede reden, en nog zou het uwe Overste moeten zijn, die deze Missen betaalde en gij niet.

4. Ik bewaar dit geld, omdat al de anderen dit doen. — Dit is eene slechte reden; het geld maakt haar niet beter, niet godvruchtiger, niet nederiger, niet meer onthecht. Volg hare deugden na en laat u door den geest van uwen regel geleiden.

Zie omtrent dit punt nog eenige opmerkingen getrokken uit de Onderrichting der novicen ten gebruike der Predikheeren: » Hoewel het gebruik van jaargelden en spaargelden uit zich-zelven niet verboden noch aan den regel tegenstrijdig is, daar het klooster daarover het beheer heeft en de Overste het gebruik regelt, wordt het toch voor vele kloosterlingen eene geleheid om door de overtreding der armoede hunne

ocr page 399

386

houden en haar nooit zonder gewichtige reden geven; hoeveel te meer wanneer bij de heiligheid der Gelofte zich die der plechtige toewijding der professie voegt, en aldus de ongetrouwheid aan God vergezeld gaat van eene openbare en schandelijke ongehoorzaamheid aan de H. Kerk.

Het kan gebeuren dat, door omstandigheden onafhankelijk van haren wil, de religieuzen haar klooster moeten verlaten en van hare Geloften van armoede en gehoorzaamheid ontslagen worden om de volstrekte onmogelijkheid, waarin zij zich zouden bevinden, ze te kunnen naleven; maar zij blijven altijd verplicht tot het nakomen harer Gelofte van eeuwige zuiverheid, daar deze niet binnen het bereik ligt der gewone dispensatiën der Geloften, en er is eene bijzondere dispensatie noodig om een huwelijk aan te gaan; — zoo groot is de eerbied, dien de H. Kerk voor deze verbintenis heeft; — zoo naijverig toont de H. Kerk zich, om voor haren Goddelijken Bruidegom die harten te bewaren, welke zich vrijwillig aan Hem geschonken hebben.

3. De zuiverheid, zegt Mgr. Gay op eene zijner schoone bladzijden, is eene gestrenge, sterke, naijverige , kiesche, moeielijke , doch levens allerzoetste deugd.

Zij is gestreng, omdat wij, om rust en kalmte te behouden in een lichaam, dat de zonde zoo woelig en ontstuimig maakt, het bepaald moeten overheerschen; men komt daartoe slechts door het hard te behandelen, beter gezegd het te mishandelen. Het is eene sterke deugd; zij moet het zijn om gestreng te kunnen zijn en haren zwaren plicht te vervullen. Zij moet dit te meer zijn om te weerstaan aan de verleiding, waardoor zij omringd is, want zij heeft dit eigen, dat men haar slechts door vleierij aantast, en dat

ocr page 400

387

het vreeselijksfce wapen, dat haar vijand gewoonlijk tegen haar gebruikt, bestaat in teederheid en liefkozingen. En daardoor wordt zij eene mannelijke deugd. Wat de H. Schrift zoo dikwijls aanbeveelt van als mannen te handelen, vindt hier x'echtstreeks toepassing. Het is nog eene naijuerige deugd, naijverig om God, wiens belangen zij verdedigt, wiens werk zij doet, wiens gebied zij onderhoudt. Haar oog is als eene vlam, hare hand als een brandende fakkel, zij is gelijk aan den Cherubijn, die het aardsch paradijs verdedigde. Terzelfder tijd is zij van eene uiterste kieschheid. Zij staat gewapend en strijdvaardig; doch tevens is zij gelijk eene duif, gereed, bij het geritsel van een voetstap op het dorre blad, de vlucht te nemen; gelijk eene bloem, die het minste windje ontroert, die een te sterke zonnestraal het hoofd doet buigen, en sterft bij de eerste aanraking van den winter.

ZÜ is vreesachtig en bloost lichtelijk; zij zoekt de schaduw en trekt zich terug; zij leeft in bescheidenheid, in voorzorg, in matigheid. Daarom zijn hare zuster-deugden de nederigheid, de versterving, de voorzichtigheid. Dit bewijst dat zij eene zeer moeielijke deugd is. Want vooreerst is zij eene samengestelde deugd, die vele andere deugden veronderstelt, wier hulp zij niet missen, buiten wier kring zij niet leven kan. Daarenboven verplicht zij den mensch tot een voortdurenden strijd. Het is eene deugd, die nooit mag rusten noch sluimeren. De H. Joannes Clim. noemt haar de schoonste verloochening der natuur, of liever de zegepraal op de natuur behaald, — eene edele hitdaging door een sterfelijk lichaam toegeworpen aan de hemelsche geesten, die niet vallen noch sterven kunnen. Dit alles toont, dat zij niet gemakkelijk is in hare

ocr page 401

388

beoefening. Doch niettegenstaande dien arbeid, waarbij men licht begrypt, dat het lijden zich dikwijls komt voegen, is deze deugd nochtans vol zoetheid; want juist omdat zij de weelde en het genot van hier beneden doet verstooten en verachten, doet zij ons die van hierboven verdienen en bereidt zij de ziel om ze te kunnen smaken.

II.

Schoonheid en vookdeelen der zuiverheid.

1. In de oogen zelfs van die wereld, welke de zuiverheid zoo weinig beoefent, omringt deze deugd degene die haar met zorg bewaart, met een straalkrans , die eerbied inboezemt.

ïfet heidensch Rome vereerde de maagden , die daar eene afzonderlijke klasse vormden, en in wie men iets goddelijks zag; zij werden belast met het onderhoud, van het heilig vuur; en wanneer de grootste der Romeinen, ware hij keizer of veroveraar, eene barer op straat ontmoette, steeg hij als teeken van eerbied uit zijn wagen. Als een ter dood veroordeelde misdadiger het geluk had op zijnen weg naar de strafplaats eene der gewijde maagden te ontmoeten, behoefde nleze hem slechts aan te raken om hem zijne genade te verkrijgen. — Deze eerbied, zegt een schrijver der oudheid, ontsproot uit de gedachte der Romeinen , dat de godheid in de maagden woonde.

2. En hoe groot is dan wel in het oog van het Katholiek geloof, hoe schitterend van schoonheid en

ocr page 402

389

heiligheid die zuiverheid, die al liaren glans en reinheid put in den schoot der H. Kerk. — 0, roept Salomon uit, hoe schoon is een rein geslacht! Want deszelfs nagedachtenis zal eeuwig leven , omdat het èn lij God èn bij de menschen in aanzien is. (Wijsh. IV, 1).

De christelijke maagd alleen biedt aan de majesteit van den driewerf heiligen God het volledig ofier van geheel zich-zelve, van hare ziel, haar lichaam, haar hart, een offer dat zij dagelijks hernieuwt, — een offer dat zij soms te midden van de vreeselijkste aanvechtingen voortzet tot haren jongsten snik.

De christelijke maagd is de Bruid van Jezus- Christus, en geeft Hem uit vrijen wil al wat zij aan een schepsel had mogen geven: hare gedachten, hare liefde, haar leven; en om Hem getrouw te blijven trekt zij tusschen haar zelve en de schepselen een scheidingsmuur op, die geene menschelijke macht ooit zal omverwerpen. — En om zich in de gelukkige noodzakelijkheid te stellen, slechts aan Hem te denken, slechts met Hem bezig te zijn, verlaat zij alles wat haar zelfs voor een oogeublik van zijne liefde kan aftrekken.

De christelijke maagd is de zuster der engelen des hemels, door haren ivil om rein te zijn gelijk zij, — door haar streven om haar lichaam te onderdrukken, — door de bedieningen, die zij bekleedt, zijne bevelen uitvoerende; — en, voegt de H. Bernardus hierbij, is de zuiverheid der engelen gelukkiger, die der maagden is verdienstelijker. .

De christelijke maagd is zeker het aangenaamste aller schepselen op aarde in Gods oog, omdat zij het meeste streeft Hem gelijk te worden; — zij is de priesteres van God, die Hem een voortdurend offer plengt; — zij is de tempel Gods, door niets onreins bezoedeld; — zij is het altaar des Heeren, waarop zij

ocr page 403

390

zicli-zelve slachtoffert; — God op zijne beurt toonde haar zijne liefde door zijnen Zoon ecne viaagd tot moeder te geven, als het schoonste, het heiligste dat Hij in zijne liefde voor Hem vinden kon.

De christelijke maagd is de medehelpster der H. Maagd; zij is haar teedergeliefd kind, haar beschermeling, waarop zij met voorkeur hare gunsten uitstort, omdat zij haar gelijkt in datgene wat, buiten de goddelijke moederschap, haar schoonste sieraad uitmaakt. — Maria is de eerste die Gelofte heeft gedaan van volkomen eeuwigdurende zuiverheid; maagd en moeder, en moeder van den Bruidegom der maagden, had zij een maagdelijken man tot echtgenoot, een maagdelijken leerling tot steun in haar weduwschap en tot aangenomen zoon. De zuiverheid schijnt bij uitnemendheid het rijk te zijn waarin Maria heerscht.

III.

VoCl!ZORGEN OM BE ZÜIVEEHEID TE BEWAKEN.

De zuiverheid is eene teedere deugd; — het is een broos vat, dat wij in onze hand dragen te midden eener woelige menigte, die ons van alle zijden dringt en het door alle middelen aan onze hand tracht te doen ontsnappen om het te breken of althans te bezoedelen. Wij moeten ons dus met voorzorgen omringen. — Wij zullen later zien , dat die voorzorg vooral bestaat in de getrouwe naleving onzer plichten,

ocr page 404

391

hetgeen eeue onmogelijkheid is zonder eene nauwkeurige waakzaamheid.

Waakzaamheid in onze gewone gebeden, en bij het ontvangen der HH. Sacramenten. De zuiverheid is eene gave des Hemels. »Ik heb begrepen,quot; zegt Salomon, »dat de onthouding niet in de macht der menschen ligt en ik ben die bij den gever aller gaven wezen vragen.quot; Het H. Sacrament des Altaars is het Brood der engelen en de Wijn, die maagden kweekt. —

IDe godsvrucht tot Maria is die sterke wal, waartegen de pijlen des vijands niets vermogen. Het vluchten der gevaren is noodzakelijk otn de zonden tegen de zuiverheid te vermijden, maar het is niet genoeg; — de boetvaardigheid is noodzakelijk, maar zij is niet genoeg; — de genade Gods alleen, zegt de Apostel, i, kan ons ontheffen aan de wetten van het vleesch; en om deze genade te verwerven,De godsvrucht tot Maria is die sterke wal, waartegen de pijlen des vijands niets vermogen. Het vluchten der gevaren is noodzakelijk otn de zonden tegen de zuiverheid te vermijden, maar het is niet genoeg; — de boetvaardigheid is noodzakelijk, maar zij is niet genoeg; — de genade Gods alleen, zegt de Apostel, i, kan ons ontheffen aan de wetten van het vleesch; en om deze genade te verwerven, moet men ze door Maria vragen.

Waakzaamheid om ons niet door den duivel der hoovaardigheid te laten overheerschen, die ons den mond wil sluiten, opdat wij onzen biechtvader onze bekoringen zouden verzwijgen, onder voorwendsel dat wij niet schuldig zijn; zeker behoeft men in de biecht slechts de zonden te belijden, doch hoe kan de biechtvader ons helpen, versterken, waarschuwen, als hij onze neigingen niet kent en wij hem alleen datgene willen mededeelen, waarover wij de absolutie vragen? Zij zijn zelden deugdzaam noch sterk degenen, die zich aldus in zich-zelven besluiten, hetzij uit eigenliefde, hetzij uit gebrek aan vertrouwen, gelijk zij zeggen. — Eene der grootste genaden, die eeno religieuze, welke door bekoringen aangevallen wordt, aan God zou moeten vragen, zou zijn, openhartig met haren biechtvader te kunnen omgaan. — Dit is

ocr page 405

392

eene genade, die God gaarne geeft, wanneer men Hem die vraagt met den oprechten wil vau deugdzaam en gehoorzaam te zijn.

Waakzaornlieid over onze gedachten, om aan geene enkele gedachte ingang te verleenen, die onze onschuld kan bezoedelen, zelfs geene geheel ijdele gedachte, geene onbepaalde, losse gedachten, die ons doelloos medesleepen en ons doen mijmeren.

Waakzaamheid over onze begeerten, om niets te willen wat den H. Geest, die in ons woont, kan beleedigen. Wat blijft ons te begeeren, terwijl wij een vader hebben, die in alles voorziet?

Waakzaamheid over onze genegenheden, om niets onreins noch zelfs iets vreemds te dulden in een hart, dat slechts aan Jezus, onzen Bruidegom, mag toebehooren. — Elke genegenheid, ware het ook eene heilige genegenheid, die ons te zeer bezig houdt, kan gevaarlijk worden.

Waakzaamheid over onze Mikken, om den indruk der uitwendige zaken en het gevaar der verleiding te voorkomen. — De zuiverheid woont in onze ziel als in haar heiligdom; ons lichaam vormt deszelfs omheining; onze oogen zijn de deuren dezer omheining; passen wij wel op, want de vijand staat er voor.....

Waakzaamheid omtrent het slot, dat, zoo wij het slecht bewaren, voor ons eene bron van bekoring wordt. — Het wordt slecht bewaard bij open vensters, die uitzicht op de straat geven, bij muren zoo laag dat de vreemdelingen naar binnen kunnen zien.

Waakzaamheid in de spreekkamers, zelfs met onze bloedverwanten, uit vreeze dat de nieuwstijdingen, die men ons mededeelt, de vragen, die men ons doet, de vertrouwelijkheid, die zoo natuurlijk is aan de

ocr page 406

' 393

genegenheid, die ■wij voor lien koesteren, voor ons eene oorzaak worden van moeielijke en langdurige bekoringen. Hoeveel gewetensangst is vaak veroorzaakt geworden door te lange, te vertrouwelijke, te ijdele gesprekken!

Waakzaamheid in het lezen. Lezen wij niets zonder verlof, zonder werkelijk nut, buiten den gestelden tijd. — Geene dagbladen, geene samengeraapte stukken, die wij hier en daar vinden.

Waakzaamheid in de hekoringen, om den drift tot genoegen door een kalmen, vaardigen, sterken, edelmoedigen strijd te overwinnen.

Waakzaamheid in de gesprekken, om ons elk woord dat strijdt tegen de welvoegelijkheid, te ontzeggen, — elke nieuwsgierige vraag omtrent zaken, die wij niet moeten weten, — elke scherts, die den stempel draagt van wereldgezindheid, behaagzucht, dubbelzinnigheid, wereldschen geest.

Waakzaamheid op de gevoelens van zelfbehagen omtrent ons gelaat, onze talenten, onze behendigheid, onze familie, onze godsvrucht zelfs..... »De maagdelijke zuiverheid der ziel is eene groote gave,quot; zegt de H. Augustinus; »doch hoe kostbaarder zij is, hoe meer ik voor haar de klip van het ij del zelfbehagen vrees.quot; — Het wantrouwen van zich-zelven voorkomt den vernederenden val, waarvan de eenzaamheid zulke treurige voorbeelden heelt gegeven.

Waakzaamheid in het werk. De ledigheid is de moeder aller ondeugden, vooral der onzuiverheid. De arbeid bewaart ons voor het mijmeren, onderdrukt het lichaam door de onafscheidbare vermoeienis, verwijdert de bekoringen, of verspreidt die lichtelijk door het bezig houden van den geest.

ocr page 407

394

Waakzaamheid in onze houding, waakzaamheid in alles, overal, met allen; icaakzaamheid met onze Overste, met onzen biechtvader, onze bloedverwanten; waakzaamheid vooral met de personen die wij, krachtens onzen staat, moeten verzorgen of opvoeden, hetzij met zieken, kinderen of armen! Het zijn voor ons bronnen van zaligheid, doch ook bronnen van bekoring. Naderen wij hen steeds met den eerbied, verschuldigd aan hunne bewaarengelen, die hen beschutten eu ons beschouwen.

IV.

tyJczsc'fii-tfe.nde ainsfieyoocfieXincf en orntzent de zuivezheid.

Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, omdat men geene neiging voor het huwelijk gevoelt.

De natuurlyke weerzin tegen het huwelijk is geene genoegzame beweegreden om eene religieuze omtrent hare deugd gerust te stellen. — Zonder een dier wereldsche gedachten, kan zij den eerbied voor zich zelve vergeten, indien zij deze woorden van den H. Paulus vergeet: Doe dan de ledematen sterven van den aardse hen rnensch (Col. III, 5); en zoekt uwe zinnelijkheid niet te voldoen door uwe begeerten te

ocr page 408

395

vervullen (Rom. XIII, 14). Wij zijn aan het vleesclt niet verschuldigd, volgens het vleesch te leven; want indien gij leejt volgens het vleesch, zult gij sterven; maar indien gij de werken van het vleesch doodt door den geest, zult gij leven (Rom. VIII, 12, l?gt;.) Weet gij niet, dat gij de tempel Gods zijt, en dat de Geest Gods in u woont? als iemand de tempel Gods ontheiligt, zal God hem verderven (I Coii. III, 16, 17).

Welke lichtstralen, welke onderrichtingen in deze

laatste woorden!

Onze lichamen zijn de tempels van God; dus, zegt Tertulianus, moet de zedigheid de bewaarster zijn en. den ingang steeds bewaken, opdat nimmer eenige I: gedachte daarin dringe welke de majesteit beleedige van God, die daarin ■woont, en Hem zon verplichten ze te verlaten.

Hoor nog eenmaal den zelfden Apostel: niet alleen zijn onze licliamen de tempel der godheid door de schepping; door de verlossing zyn zij de ledematen van Jezus-Christus geworden (I Coit. VI, 15); en door deze goddelijke vereeniging van het Woord met de menschelijke natuur, hebben zij eene nieuwe waardigheid verkregen; zij hebben zich volgens de natuur en de genade vereenigd met het lichaam van Jezus-Christus, en gelijk het zijne vergoddelijkt is, zijn de onze ook vergoddelijkt. Wie zal dan, zoo vraagt de Apostel, zijn lichaam durven ontheiligen V Het is aan Jezus-Christus zijne eigene ledematen ontnemen en ze van zuiver en rein, als zij waren, onzuiver en onrein maken, gelijk die eener vrouw, welke hare plichten geschonden heeft.

Deze leer is voor alle christenen gelijk, doch heeft voor u, religieuze, eene bijzondere kracht, omdat uw lichaam heiliger is dan dat van de gewone

ocr page 409

396

geloovigen; want de Gelofte van zuiverheid heeft het op eene bijzondere wijze voor den dienst van God bestemd, en het heeft daardoor eene nieuwe toewijding ontvangen.

Zie dus, weikeu eerbied gij moet hebben voor uw eigen lichaam, met welken eerbied en hoogachting gij het moet behandelen, vooral omdat gij meermalen moogt aanzitten aan de tafel des Heeren en aldus eenigerniate de levende ciborie van Jezus-Christus wordt.

De zedigheid moet uwe eerste en geliefkoosde deugd zijn. Hetzij met uwe medezusters, hetzij alleen iu uwe cel, onder het oog der menschen of onder het oog van God, dat u altijd volgt, zoo in licht als duisternis, iu ziekte als in gezondheid, veroorloof u nooit het minste, dat strijdt tegen deze deugd. Laat u in de wijze van u te Jdeeden, u zelve of anderen

te verzorgen steeds geleiden door de grootste voor-

* -..... quot; quot; - -

zichtigheid, door de grootste welvoegelijkheid; zij die deze deugden veronachtzaamt, stelt zich bloot aan het gevaar van de zuiverheid te verliezen. Zoek in dit punt niet voor ruim van geweten door te gaan: wees eenvoudig, doch voorzichtig, en eerbiedig uwen engelbewaarder, ten minste zooveel als gij eene medezuster zoudt eerbiedigen. Een weinig overdreven zorg in dit punt is niet af te keuren.

Aldus zult gij, volgens de schoone uitdrukking van den H. Paulus, God verheerlijken, hem in uw lichaam dragende. (I Cor. VI, 20).

ocr page 410

- 397

II.

Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, omdat men geene bekoringen tegen die deugd gevoelt.

Vertrouw die kalmte niet, welke meer oppervlakkig dan werkelijk is. Er ligt daarin van den kant van den duivel eene list, waardoor hij reeds menig droevig slachtoöer gemaakt heeft.

De duivel laat u misschien zes maanden, misschien een jaar met rust, opdat gy in uwe waakzaamheid moogt verslappen, opdat gij u een bezoek, eene lezing, eene lichtzinnigheid zoudt toelaten, die gij eertijds zoudt vermeden hebben, opdat gij, tevreden over u zelve, u aan eene gedachte van hoogmoed zoudt overgeven en door God verlaten zoudt worden.

Pas op, want de duivel is een listig aanvaller; dan eens verbergt hij zich of vertoont zich ten halve; dan komt hij als een dief met afgemeten tred, beschut door den slaap, waarin hij u heeft gedompeld; dan houdt hij zich dood, herrijst, verschijnt plotseling, en werpt u omver.

De ziel zoowel als het lichaam kan overvallen worden door eene zedelijke beroerte en een plotse-lingen dood. Wat kan die veroorzaken ? Eene onvoorzichtigheid, een woord, eene lezing, een bezoek. — Wij hebben hetzelfde wellicht tien malen gedaan,

gehoord, gezien, zonder dat het ons schaadde____

de duivel wacht. Lang te voren bereidt hij den val eener ziel, vooral eener religieuze... Zoo noodig, werkt hij twee, drie, tien jaren daaraan. Hij voorziet de gebeurtenissen, bespiedt de omstandigheden, ver-

ocr page 411

398

wekt betrekkingen en doet sluimerende genegenheden ontwaken!....

0, vertrouw noch op uwe vroegere deugd, noch op uwe tegenwoordige kracht; waak en bid, opdat gij, door de toestemming van uwen wil, niet in bekoring valt.

III.

Men gelooft de deugd van zuioerheid te bezitten, terwijl men eene te teedere genegenheid voedt voo7' eene medezuster.

Reeds hebben wij, van de liefde sprekende, het gevaar aangetoond dezer vriendschappen, eenvoudig bijzondere vriendschappen genoemd, doch die men veelal zinnelijke vriendschap moet nemen.

In het begin is deze vriendschap voor eene medezuster slechts genegenheid; doch daar zij rust op de jeugd, schoonheid, lieftalligheid, schitterende talenten, daar zij zich openbaart door teedere woorden, daar zij de gedachten bezig houdt gedurende het gebed,

daar zij zich vertoont door veelvuldige oogslagen en

. . ..

vrijheden, diemen zich in tegenwoordihheid van anderen

niet zou durven toestaan, hoewel zij de palen der welvoegelijkheid niet te buiten gaan, is deze vriendschap een hartstocht geworden; het is niet meer de zuivere christelijke liefde, het is het begin der onheilige, zinnelijke liefde. Eene eerbiedwaardige Overste der XVII eeuw zegde, door ervaring geleerd, deze wel eenigszins ruwe woorden; In het klooster moet men

ocr page 412

399

elkander beminnen als engelen en vluchten als duivelen.

Deze geliecldheden des harten duren, als men niet zorgt ze ia het begin met tak en wortel uit te roeien, soms jaren lang, en zijn voor de zuiverheid veel gevaarlijker dan men wel meent.

Men ontveinst ze eerst, men wil er niet voor uitkomen; men doet zijn geweten zwijgen, men verstoot alle raadgevingen, waarschuwingen, berispingen, zelfs het verbod eener Overste; en daar men zich niet ziek gevoelt neemt men noch voorzorgen, noch geneesmiddelen.

Men vergeeft zich die gemakkelijk, omdat men meent het recht te hebben zich die te vergeven, de voorwendsels ontbreken nooit; het is eene wettige vriendschap, — zij heeft niets zinnelijks, — zij geleidt mij tot het goede, — ik hid beter met en bij die zuster of wanneer ik aan haar denk, —ik kan die vriendschap niet missen ...

Men knoopt ze dagelijks vaster aan. — Die banden des harten zijn eerst zijden draden, zeer fijn in het oog, doch zeer rnoeielijk te breken; langzamerhand worden zij zoo sterk als draden tot een koord samengesnoerd: en allengs vormen zij die ijzeren ketenen, waarvan de H. Augustinus spreekt en die hij slechts met zooveel moeite kon verbreken.

O mijne zuster, kendet gij toch eens voor goed het geluk, den vrede, de rust der ziel die al hare banden verbroken heeft en alleen met God leeft! Licht, vrijheid, kalmte, tevredenheid, dat alles woont in haar! God doet zich gevoelen. Hij vertoont zich. Hij bemint; en het is dan, maar slechts dan alleen, dat het religieuze leven de weerschijn wordt van den hemel, en het klooster, hoedanig het zij, het voorportaal van het paradijs!

ocr page 413

400

Hoor, wat de H. Franciscus van Sales te dien opzichte leert; liet is wel bijzonder over de vriendschap met wereldsche personen dat hij spreekt, maar hetzelfde Iaat zich van de vriendschap onder religieuzen zeggen : » Dikwijls bedriegt Satan personen, die elkander liefhebben. Men begint met eene deugdzame liefde; maar als men niet oppast, wordt het weldra eene ijdele, vervolgens de zinnelijke en dan de vleesche-lijke liefde! Ja zelfs in de geestelijke liefde is ditzelfde gevaar te vreezen, als men zich niet met wantrouwen en waakzaamheid wapent. Als de duivel de geestelijke liefde wil bederven, tracht hij in het hart eenige gesteltenissen te dringen, die voor de zuiverheid niet gunstig zijn. Ik roep luide voor al wie hooren wil: snoei, snijd en kerf; vermaak u niet in het tornen en losmaken dezer banden, doch breng er spoedig het vuur en het staal aan; want men moet de liefde niet sparen, die strijdt tegen de liefde van God.quot;

IV.

Men geloojt de deugd van zuiverheid te bezitten, terwijl men zich wereldsche gemeenzaamheden veroorlooft.

Wij geven hier het woord aan den H. Vincentius a Paulo, die tot zijne geliefde liefdezusters zegt:

»De minzaamheid is gebrekkig, wanneer men zich stroef, stuursch, onaangenaam , met een treurig gelaat vertoont, zoodat men het hart verstijft van al degenen die men nadert. De minzaamheid is ook gebrekkig,

ocr page 414

, 401

waaneer men ze overdrijft, bijv. als men iemand aan eene medezuster hoort zeggen, hoezeer zij haar bemint, als zij haar met de hand vat, met den arm om het midden neemt, haar omhelst enz. Dat alles is verkeerd tusschen de zusters, doch veel erger nog met wereldsche personen. Gedenkt, mijne dochters, dat de overdreven liefde, die men iemand betoont, wel minzaamheid, maar eene verkeerde, misdadige minzaamheid is. In eene andere Conferentie zegt hij: »Het is goed zich te vermaken, doch men moet het luidkeels lachen en de onwelvoegelijke manieren vermijden. De H. Paulus leert het zelfde: Verheugt n, doch zoo dat uwe zedigheid uifschijne, u wachtende elkander aan te raken. 0 mijne dochters, past hier wel op, want de duivel verbergt daaronder een valstrik, dieu gij niet ziet.....quot;

V.

Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, terwijl men zich alle vrijheid in het lezen veroorlooft.

Er ligt voor eene religieuze een groot gevaar in het lezen, zoo zij dit doet zonder oordeel, zonder voorzichtigheid, zonder verlof en als in het geheim.

Wij weten wel dat er in de kloosters geene slechte boeken zijn, en die, welke eenig gevaar zouden aanbieden, als uitsluitend voor de Overste, voor de ziekenverpleegster enz. bestemd, voorzichtig weggesloten worden; maar langs rechte of slinksche wegen komen dagbladen in huis, en zelfs in de katholieke bladen komen vaak bladzijden voor, die de reinheid

26

ocr page 415

402

van een aan God toegewijd hart kunnen besmetten. Gewetensangsten en bekoringen hebben vaak hun ontstaan gevonden in de kolommen van een feuilleton uit eene courant, als pakpapier in het klooster geslopen , en door een nieuwsgierig oog verslonden.

Wees dus voorzichtig en laat u niet door de nieuwsgierigheid medeslepen. Zeg niet: Dit alleen maar! als de zinnen opgewekt zijn, staat men niet licht stil, en men is zoo slim om zich het vervolg van een verhaal, dat ons boeit, te verschaffen.

Uwe schoolboeken, de Geschiedenis en letterkunde vooral, bieden in die huizen waar onderwijs gegeven wordt, ook werkelijke gevaren aan, zoo niet voor het hart, dan voor den geest; vraag dus raad aan de priesters die u besturen, alvorens voor uwe leerlingen of voor u nieuwe boeken in te voeren. Het Geloof is even teeder als de zuiverheid; een enkele zin, strijdig met de leer der H. Kerk, kan oorzaak worden van bekoringen tegen het geloof, die zeer moeielijk te overwinnen zijn.

Vertrouw ook omtrent de boeken , die gij als prijzen geeft, niet geheel op uwe katholieke uitgevers, die, zeker zonder eenig kwaad inzicht, dikwijls boeken uitgeven, die wij noch aan u noch aan uwe kinderen zouden laten lezen. Wees voorzichtig in het onderzoek dezer boeken; lees een verhaal dat u hartstochtelijk voorkomt, niet ten einde. Er is weinig aan gelegen, dat gij het ter zijde legt; doch er kan oneindig veel aan gelegen zijn, dat gij het leest en doet lezen.

ocr page 416

403

VI.

Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, zonder dat men de versterving beoefent.

De versterving is het zout, dat het bederven van het vleesch voorkomt. Zij is het juk, dat den opstand belet, daarom zegt de H. Paulus: Ik kastijd mijn lichaam en houd het in bedwang (I Con. IX, 27); als hij Timotheus den raad voorschrijft dien hij aan de geloovigen geven moet, beveelt hij hem, aan de weduwen en bijgevolg aan de maagden de versterving te prediken; want, zegt hij , zij die leeft in genot, is levend dood (I Tim. V, 5), dood voor God, al moge zij levend schijnen. Als het lichaam niet in bedwang wordt gehouden, onderwerpt liet zich moeie-lijk aan de goddelijke wet; langzamerhand overmeestert het de ziel en sleept haar mede.

Zuiver leven zonder zijn lichaam te kastijden, — zijne neigingen willen bedwingen zonder zich ontberingen op te leggen, is niet mogelijk. De deugd van zuiverheid ia niet gewoon te leven in een lichaam dat men vleit.

Zeker doet men in het klooster geene Gelofte van versterving, doch men doet Gelofte van zuiverheid; het een is in het ander opgesloten; de zuiverheid is het doel, de versterving is het middel. De religieuze die zou beweren , de zuiverheid te bezitten, doch zich niet zou versterven, zou eene leugenaarster zijn.

Daar het door middel onzer zintuigen is dat de duivel ons bekoort, ons zijne indrukken inprent, ons lokt en onzen wil zoekt mede te slepen, zijn het onze zintuigen die het voorwerp moeten zijn van

ocr page 417

404

eenen bijna aanhoudenden strijd, Wij hebben reeds gezegd, hoe wij ze moeten bestrijden.

Herlees die bladzyden nog eens, en gij zult zien dat die strijd niets verschrikkelijks heeft, zoo wij dien onder Gods oog en niet zijne hulp volvoeren.

Wij behoeven onze zintuigen niet te vernietigen, o neen, wij behoeven ze slechts op hunne plaats te zetten. Wij vragen orde, geen opstand. God is de meester der ziel, de ziel is meesteres der zintuigen, de zintuigen zijn dienaars van God en van de ziel; zij moeten gehoorzamen.

In elke Communauteit legt de regel eenige lichamelijke verstervingen op, als: onthouding buiten die dagen waarop ze door de H. Kerk worden voorgeschreven, — vasten, — lijfskastijding, — kruisgebeden enz. Onderwerp u grootmoedig aan deze voorschrilten, doch vermeerder ze niet uit eigen beweging, zonder uitdrukkelijk verlof; gij zoudt uwe gezondheid kunnen schaden, en de duivel zou van dien ijver partij trekken om u gevoelens van hoogmoed in te boezemen.

Ziehier eenige verstervingen die noch uw lichaam, noch uwe nederigheid kunnen schaden. — Versterf u in het slapen, door bij het eerste teeken op te staan, schud krachtdadig die dikwijls slechts ingebeelde vermoeienis af die uwe leden bezwaart; het vraagt dikwijls meer kracht het bed te verlaten, dan zich ten bloede te geeselen.

Men kan zich versterven in het iverken, door geene enkele minuut te verliezen, niettegenstaande de verveling, den weerzin, de weinige kans tot slagen; — door zich oplettend en als geboeid te houden voor een werk dat ons niet bevalt en misschien zwaaien moeielijk is. Het dagelijksch werk, het werk van den vroegen morgen tot den laten avond, het zware

ocr page 418

405

werk dat de kracliten des lichaaras uitput, het werk strekkende tot de gioote boetvaardigheid, de versterving der zinnen, des harten en des lichaams. ziedaar wat de heilige zuiverheid bewaart, ziedaar wat de lelie der onschuld in vollen bloei behoudt.

Men kan zich versterven in de zucht tot spreken, die dikwijls zoo groot is, dat deze versterving kan opwegen tegen het dragen van een haren kleed. Het is dikwijls zeer moeielijk, doch ook zeer verdienstelijk, een aardig woord, eeue nieuwsgierige vraag, een geestig antwoord te wederhouden, eene beleediging, eene spotternij onbeantwoord te laten. of voor ongevoelig door te gaan.

Men kan zich versterven in het voedsel, door niet te kiezen, dankbaar aan te nemen wat ons gegeven wordt, den eetlust te bedwingen, zich te onthouden van verschillende kleine zaken, die niemand bemerkt, doch die onze zinnelijkheid streelen.

Mon kan zich versterven in de houding en de zucht naar gemak, door nooit de zedigheid en welvoege-lijkheid uit het oog te verliezen, hetgeen veel moeie-lijker is dan men wel denkt. — Door niet toe te geven aan die voortdurende zucht naar beweging en door het matigen van den gang. — Door zich niet te beklagen over een kleed, dat slecht past, over een schoen die knelt, over een hard bed, over een slecht gesloten venster of deur. — O hoe kan men, zonder iets zonderlings te doen, zijne zinnen bedwingen!

ocr page 419

406

VIL

Men vreest de zuiverheid verloren te hehhen, als men hevig hekoord wordt.

Gy wordt bekoord, lievig, onoplioudelijk bekoord, des te heter, zegde een heilige; dit bewijst dat gij den duivel niet toebehoort! Zij die hem toebehooren, gaan alleen naar de hel, de duivel behoeft ze er niet heen te trekken. »Men belegert geene vesting, die

o o o7

men reeds in zijne macht heeft, zegt de H. Franciscus van Sales; zoo lang de strijd duurt, kan men zeker zijn, dat men niet heeft toegestemd.quot; Er zijn nienschen , voegt deze Heilige er bij, die zich verbeelden dat alles verloren is, als zij door gedachten van godlastering en goddeloosheid worden aangevallen; en zij verbeelden zich, dat zij geen geloof hebben. Doch zoolang deze gedachten mishagen, kunnen zij niet schaden, en die onstuimige wind dient om hare deugd des te dieper in het Geloof te doen wortelen! Hetzelfde kan men zeggen van de bekoringen tegen de zuiverheid.

Het is vernederend, zeer vernederend, zijne verbeelding vervuld te zien met de onbetamelijkste dingen, zyn hart getroffen te gevoelen door zaken die meu verfoeit, in zijn lichaam een weerstand te ontmoeten, waarover men bloost; — maar die vernederende toestand moet ons niet ontstellen. — De ontsteltenis is een kwaad, en het eene kwaad geneest het andere niet; de ontsteltenis is eene zwakheid en het uitwerksel der lafheid, doch niet van de nederigheid; — het uitwerksel der eigenliefde, doch niet van de liefde tot God en het vertrouwen in God. Waarom zich ontstellen in de bekoringen tegen de zuiverheid? De grootste

ocr page 420

407

Heiligeu hebben die ondervonden. De H. Paulus was tot den derden hemel opgenomen, en voelde nochtans den prikkel van het vleesch; de geest van Satan deed hem veel lijden, hij gevoelde de wet zijner ledematen die aan de wet van den geest weerstond en hem onder het juk der zonde wilde geboeid houden. De H. Hiero-nymus had in de woestijn zijn lichaam door het vasten en waken uitgeput, doch ondervond de meest vernederende bekoringen; en te midden der scorpioenen en wilde dieren, die zijn eenig gezelschap uitmaakten , verbeeldde hij zich te Rome te zijn te midden der verleidelijkste vermaken. Was de H. Benedictus, die groote patriarch van het Westen, niet genoodzaakt zich in de doornen te wentelen, om het gevoel der wulpschheid door het gevoel der smart uit te dooven?

Waarom zich ontstellen in de behoringen tegen de zuiverheid? Slechte gedachten zijn geene zonden, eene bezoedelde verbeelding is geene zonde, eene neiging tot onzedigheid is geene zonde, de indrukken en de onvrijwillige gevolgen der bekoring zijn geene zonde; slechts dan is er zonde als de wil toestemt, en de geheele hel vermag niets tegen den wil, die door de genade ondersteund wordt en vast besloten is zijne toestemming tot elk zinnelijk genot te weigeren.

Waarom zich ontstellen in de bekoringen tegen de zuiverheid? God laat die toe , en wij moeten zijne inzichten aanbidden; Hij laat ze toe om ons onze zwakheid te doen kennen en ons aan te zetten onzen toevlucht tot Hem te nemen; — Hij laat ze toe om in ons de tegenovergestelde deugd te bevestigen en te vermeerderen; Hij laat ze toe om ons de zonden onzer jeugd te doen boeten, opdat, zegt de H. Augus-tinus, de ziel hare straf vinde daar, waar zij haar genoegen gezocht heeft, en dat zij boetvaardig-

ocr page 421

408

heid doe door dezelfde zaken, die Iiare vorige zonden veroorzaakt hebben; Hij laat ze toe, doch hoe hevig ze ook mogen worden, mogen wij toch vast vertrouwen, dat Hij de macht van den vijand zal beperken en dat Hij die getrouw is in zijne beloften, zooals de H. Paulus zegt, niet toe zal laten, dat wij hoven onze krachten hekoord worden.

Waarom zich ontstellen in de bekoringen tegen de zuiverheid? De ontsteltenis is de oorzaak der gewetensangsten , die later ontstaan. Angstvallige zielen vreezen in de bekoring te hebben toegestemd, juist omdat zij zich ontsteld hebben, en bijgevolg niet weten wat er in haar hart is omgegaan op het oogenblik dat zij den vrede verloren; daarenboven verzwakt die ontsteltenis de krachten der ziel, vermindert de vrijheid van geest, vermeerdert zelfs de bekoring, even als een stok, in troebel water bewogen, dit hoe langer hoe vuiler maakt.

Men moet dus in de meest vernederende bekoringen altijd de bedaardheid, de vrijheid van geest, den vrede des harten, het verlromven op God behouden. Als men van zijnen kant gedaan heeft wat men redelijkerwijze doen kon om niet in de bekoring te vallen, moet men zich met moed wapenen en den vijand verachten. De groote H. Antonius verweet den duivel zijne onmacht, en om zijne broeders tot den strijd te bemoedigen, zegde hij hun: Gelooft mij, mijne broeders, de duivel is zwakker dan gij denkt; hij is bang voor het waken der godvruchtige zielen, voor hare gebeden, haar vasten, hare vrijwillige armoede, hare barmhartigheid, hare ootmoedigheid, en vooral hare vurige en teedere liefde voor Jezus-Christ as. Het teeken van het H. Kruis alleen kan al zijne pogingen verijdelen en hem op de vlucht jagen.

ocr page 422

409

Ontstel u ook niet in de biecht. — Wees kort en duidelijk. Na het soort van bekoring genoemd te hebben, hebt gij slechts een dezer drie dingen te zeggen: Ik heh zoo dikwijls tcegestemd, — of ik heb niet toegestemd, of wel ik iceet niet of ik toegestemd heh, en beschuldig mij voor zoover God mij schuldig kent.

Een lang onderzoek voor de biecht om te zien, in hoever men heeft toegestemd, is zeer gevaarlijk. Het wekt de verbeelding op, roept de bekoring terug, en onderhoudt de begeerlijkheid. — Het vermindert zelfs allengs den afschuw der doodzonde en doet die heilige schaamte der ziel verliezen. Indien men de onzuiverheid zelfs niet mag noemen, hoeveel minder mag men er aan denken.

VUT.

Men gelooft verplicht te zijn, de bekoringen tegen de zuiverheid rechtstreeks te bestrijden.

Vele angstvalliffe zielen vreezen in de bekoring te

O O O

hebben toegestemd, als zij die niet rechtstreeks bestreden hebben. — Zinsbedrog____Men stemt in eene

bekoring toe door een vrijwillig behagen; men is nooit schuldig, als men haar veracht. Dit is zelfs de, verstandigste raad. Eenige Vaders der Woestijn vraagden elkander, lioe zij de vreeselijke bekoringen die hen teisterden, bestreden. — Ik, zegde de eene, overweeg de afschuwelykheid der zonde. — Ik, zegde een andere, roep de bescherming der H, Maagd Maria in. — Ik, zegde een derde, veracht den duivel

ocr page 423

410

«u zet mijn werk ia de tegenwoordigheid Gods vlijtig voort. — Dit, zegde de oudste, is de beste oefening; zij behoudt u in eene volkomene Vrijheid van geest, vermoeit geen uwer zielsvermogens en staat altijd in uwe macht.quot;

Hoewel al de meesters van het geestelijk leven, on de schrijver van den Geestelijken strijd in het bijzonder, ons leeren dat men de bekoringen van hoogmoed of wraakzucht rechtstreeks moet aantasten , verbied en allen uitdrukkelijk de bekoringen tegen de zuiverheid te onderzoeken, en bevelen ons onzen geest daarvan af te trekken en ons op eenige wijze te verstrooien, zelfs als de bekoring te hevig wordt, het werk waarmede wij ons onledig houden, zoo mogelijk te verwisselen tegen een ander dat onzen geest meer bezig houdt,

Het is door de vlucht en niet door den strijd, dat men deze bekoringen het beste overwint. Hoe meer men met deze gedachten worstelt, hoe meer men er zich mede bezig houdt, hoe meer zij zich in onzen geest vestigen. Verstrooi u dus, wandel, zing, ga eenig verlof vragen;.... maar, ik bid u, raak het slijk niet aan, al is het slechts om het af te borstelen; het zou u altijd bezoedelen! Zoek ook niet angstig na, wat de bekoring heeft veroorzaakt, in hoeverre gij hebt toegestemd; doch als de vrede teruggekeerd is, dan stel u in Gods tegenwoordigheid, en vraag Hem eenvoudiglijk: Mijn God, heb ik gezondigd'! God die uw goeden wil gezien heeft, wiens oog u in den strijd gevolgd heeft, die uw streven heeft gade geslagen, zal u ook doen kennen , of gij werkelijk doodzonde bedreven hebt. — Wanneer er twijfel is in uwen geest, -- daar gij toch niet vrijwillig aan Jezus wilt mishagen en u met Hem door het gebed

o o

veréénigd houdt, — wanneer gij u herinnert, dat het

ocr page 424

' 411

u leed deed van zoo bekoord te worden, — dat gij gedurende de bekoring Jezus, Maria, uwen Engelbewaarder hebt aangeroepen, dan moet gij den vrede bewaren en gerust tot de H. Communie blijven gaan. De heilige Kerkleeraars komen allen overeen, dat eene angstvallige ziel, als zij zich herinnert gedurende de bekoring Maria te bebben aangeroepen, «rerust moet zijn; want Maria heeft haar voor doodzonde bewaard. — Vraag dit nog aan uw biechtvader; hij zal dit besluit goedkeuren.

IX.

Men gelooft de bekoringen tegen de zuiverheid door bijzondere hoetplegingen en vasten te moeten bestrijden.

In den grond bestaat deze verplichting niet; eu zoo eenige Heiligen groote oefeningen van boetvaardigheid gedaan hebben , moet hun voorbeeld ons meer tot stichting dan tot onbescheiden navolging opwekken.

Men moet zich versterven, gelijk wij reeds zegden; maar men moet hierin, gelijk in alle andere zaken met voorzichtigheid en beleid te werk gaan. Het is juist niet in de lichamelijke verstervingen , als boet-kleeden, vasten enz., dat men een middel moet zoeken tegen die bekoringen; deze verstervingen zouden, zoodra zij eenigszins overdreven werden, uwe gezondheid benadeelen en uwe kracht verminderen, en beide behooren niet aan u, maar aan God en aan uwe gemeente, die het recht heeft zich daarvan te bedienen. Daarenboven kannen deze verstervingen

ocr page 425

412

uw gestel benadeelen en juist een tegenovergesteld uitwerksel ten gevolge hebben, als wat gij er van verwacht.

Wat veel gewakkelijker en zonder het minste gevaar, voor uwe eigenliefde vooral, den opstand moer driften zal onderdrukken, wat uwe verhitte verbeelding zal bedaren, is de gewoonte van een welgeregeld leven, en de verplichting die gij u zelve zult opleggen, van zeer getrouw te zijn aan de kleinste punten zelfs van uwen regel, — het nauwkeurig nakomen van het gewone leven, dat volgens de Heiligen de zwaarste versterving is, — het stilzwijgend verdragen der fouten, verkeerdheden, grillen en luimen uwer medezusters, — het stilzwijgen over die duizenden kleinigheden, die als zooveel speldenprikken u den geheelen dag iets te lijden geven, — de getrouwheid om u zelve altijd in eene onverstoorbare gelijkheid van humeur te houden. Niets is beter in staat om de natuur te onderdrukken, te buigen, te vormen dan de eentonigheid van een altijd gelijkvormige levenswijze, waarin men, altijd naar een zelfde doel strevende, altijd ernstig bezig is. Het is den dood verklaren aan de gemakzucht, den dood aan den hoogmoed, den dood aan de overhaasting, den dood aan de eigenliefde, en te midden van zulk een algemeen graf staan de zinnen niet lichtelijk op.

Wat nog op afdoende wijze den opstand der driften zal bedaren, is de dagelijks hernieuwde toewijding aan de u toevertrouwde bediening en het kalm en edelmoedig omhelzen van alle moeielijkheden aan die bediening verbonden. — Hoeveel walging moet men overwinnen, hoeveel tegenzin bestrijden, hoeveel versterving moet men plegen om tienen meerjaren door te brengen met kinderen, met armen, met zieken!

ocr page 426

- 413

Met de kinderen door hun weinigen aanleg, hunne luiheid, verstrooidheid, onleerzaamheid, onbeschaafdheid, somtijds door hunne onzindelijkheid, hun kwaden toil en ongodsdienstigheid; — met de armen en zieken door hunne ruwheid, ondaukhaarheid, ongevoeligheid, ongeduld, ontevredenheid, onwetendheid, hunne walgelijke wonden, hunne ziekten van allerlei aard, hun dood voorafgegaan dikwijls door een vreeselijken doodstrijd.—

Ziet gij niet, hoeveel moed, standvastigheid, geloof, deugd in één woord, er noodig is om al de vermoeienis , het lijden, de verveling te verdragen van uwen roep en dit alles te verdragen met een kalm en tevreden gelaat? O nog eens zeg ik u, leg u toe op uwe plichten; als de duivel der zinnelijkheid u aantast, dan leg u nog meer op uive plichten toe; deze strijd tegen de kieschheid en teergevoeligheid der natuur overtreft verre, geloof mij vrij, het vasten, de hoetpleging, door uwen regel niet gevraagd.

Voeg bij dit stoffelijk werk, als ik het zoo noemen mas, no2 die verschillende oefeningen van waak-

O 7 O ~

saamheid, waarvan wij gesproken hebben, het gebed, de II. Communie, de godsvrucht tot de H. Maagd, de openhartigheid jegens den biechtvader, de nederigheid... en vertrouw op den God, dien gij wilt dienen. In het uur van uwen dood zult gij met den profeet kunnen zingen: Gezegend zij de Heer, mijn God, die mijne handen tot den strijd geivapend en mijn arm tot den krijg geoefend heeft, (Psalm. CXLIII),

ocr page 427

414

X.

Men gelooft zich geene enkele genegenheid te mogen veroorloven en zich zelfs niet aan zijne Comrnunauteit te mogen hechten.

Deze begoocheling is de vrucht van een zwakken, benarden, onverstandigen geest. Gelukkig komt zij zelden voor, doch men vindt licht in eene gemeente twee of drie zusters onder dien verderfelijken invloed kwijnende. Zij maakt haar ongelukkig, want zij plaatst haar in een toestand van gedwongenheid en vult haren geest met onbillijke gedachten en lichtvaardige oordeelvellingen; zij is schadelijk voor de gemeente, omdat zij de onderlinge genegenheid der zusters terug houdt, en onder voorwendsel eener denkbeeldige volmaaktheid haar het hart sluit, haar aanzet zich van hare medezusters en Overste af te zonderen, en zich bijna als vreemdeling in de gemeente te beschouwen.

Die nauivhartigheid, zoo tegenstrijdig aan den religieuzen geest, kan zeker uit andere oorzaken voortspruiten, bijv. uit gekrenkte ijdelheid, uit overdreven hoogschatting van eigen talent en verbittering, omdat men niet gebruikt wordt zooals men zou willen; maar de groote oorzaak, die haar vaak ongeneesbaar maakt, is de overdrijving. In een kleingeestig gemoed is niets zoo vasthoudend als de valsche denkbeelden van godsvrucht.

De Stichter der Petits Fr lires de Marie, zijne broeders willende bewaren voor die vervreemding der belangen der Communauteit en die nauwhartigheid die zoo baatzuchtig maakt, gaf hun de volgende vermaningen.

ocr page 428

- 415

»Om ia eeue gemeente gelukkig te leven, moet men er in treden en er in blijven als kind van den huize. De IT. Schrift leert ons, dat de man vader en moeder moet verlaten om zich aan zijne vrouw te hechten. Welnu zoo moet ook de religieus, als hij in zijn heiligen staat tevreden wil zijn, als hij al den troost van den godsdienst wil smaken, zijn vader, zijne moeder, zijne broeders, zijne zusters, al wat hij in de wereld heeft, verlaten om zich aan zijne Oversten, aan zijne broeders, aan zijne gemeente, die nu zijn gezin wordt, te hechten. Hij, die zich niet geheel voor zijne gemeente ten beste geeft, die niet werkt om in zich de gevoelens van een rechtgeaard kind op te wekken, is geen religieus, hij is slechts een dienstbode.quot;

Wilt gij nu weten welk onderscheid er bestaat tusschen den religieus als dienstbode of als het kind des huizes?.....

1. De religieus als dienstbode beschouwt den Overste als een meester, als een gendarm, die hem bespiedt, wien hij vreest en schroomt, wiens tegenwoordigheid hij vliedt, wien hij zooveel mogelijk zijn gedrag en nog meer zijne fouten verbergt, waaruit volgt dat hij zijn Overste wantrouwt, zich lichtelijk door hem miskend en mishandeld gelooft, en zonder reden berispt meent te worden.

De religieus als dienstbode beschouwt zijne medebroeders als vreemdelingen; ook heeft hij voor hen noch liefde, noch voorkomendheid, noch oplettendheid, noch beleefdheid. Altijd bezig met zijn eigen persoon, zijn eigenbelang, neemt hij voor zich-zelven steeds het beste, het minst bezwarende, en bekommert er zich niet over, of zijne broeders lijden, met werk overladen zijn of aan iets gebrek hebben.

ocr page 429

4r6

De religieus als dienstbode is onverschillig voor de belangen der gemeente; hi] bekommert er zich weinig om, of zij voor- of achteruit gaat; daardoor volbrengt hij zijne bediening slechts welstaanhalve, zonder ijver, zonder opoffering voor het algemeen welzijn; hij is verkwistend, hij laat vele zaken bederven zonder er zich over te bekommeren, hij laat de meubelen en andere hem toevertrouwde voorwerpen vervallen, liever dan zich de moeite te geven er zorg voor te dragen.

2. De religieus, die zich beschouwt als hind des huizes, handelt geheel anders.

Hij beschouwt en bemint zijn Overste als zijnen vader; hij stelt volkomen vertrouwen iu zijne woorden en laat zich geheel door hem geleiden. — Overtuigd zijnde, dat de Overste slechts zijn welzijn zoekt, ontvangt hij zijne waarschuwingen en berispingen als bewijzen der teederste liefde. Wel verre van zijne gebreken en louten te willen verbergen of ontveinzen, is hij de eerste om ze te doen kennen, en hij is niet tevreden, alvorens de Overste zijn gedrag en al de plooien zijner ziel kent.

De religieus als kind des huizes beschouwt al de leden der gemeente als zijne broeders; men ziet hem dus altijd bezig om hen te helpen, te ondersteunen, liun dienst te betoonen; overal beschermt, ondersteunt, verdedigt hij hen en verontschuldigt en verbergt hunne gebreken.

De religieus als hind des huizes bemint na God niets zoozeer als zijne gemeente; niets ligt hem nader aan het hart dan haar te zien bloeien, haar te zien ontwikkelen, haar den geest harer instelling te zien bereiken en aldus de glorie van God en de zaligheid der zielen te zien bevorderen; zich terecht verplicht

ocr page 430

' 417

beschouwende om ook ziju deel tot het welzijn der gemeente bij te dragen, tracht hij overal het voorbeeld te geven van trouwe plichtsvervulling, van godsvrucht, van onderwerping, van religieuzen geest, van zelfopoffering, noch moeite noch arbeid ontziende om de scholen te doen bloeien, de tijdelijke goederen der huizen wel te bestieren, voor geen offer terugdeinzende, als dit gevraagd wordt in het belang van het algemeen welzijn, de onderlinge stichting, het algemeen nut der gemeente.

3. De religieus alleen, die zich als kind des huizes beschouwt, vindt in het religieuze leven het honderdvoud door Jezus-Christus beloofd. Daar hij slechts leeft voor zijne gemeente, zich in alles voor zijne broeders opoffert en geene enkele gelegenheid onbenut laat voorbijgaan , wanneer hij hun genoegen kan doen , handelt men ook zoo ten zijnen opzichte; men geeft hem het honderdvoud terug, men bemint hem, men offert zich voor hem op , aller harten zijn hem genegen, en hij heeft even zoovele dienaars, of liever even zoovele broeders en vrienden als er leden in de gemeente zijn. Doch de religieus, die als dienstbode daarheen leeft, heeft geen honderdvoud, zelfs niet de minste voldoening noch tevredenheid te wachten.

Daar hij geen enkelen broeder oprecht bemint en zich in zijne baatzucht van allen afzondert, wordt hij ook niet bemind; men verdraagt hem, men zorgt hem niet te beleedigen, omdat de liefde dit vraagt; maar men kan voor hem die voorkomendheid niet hebben, die hij nimmer voor anderen heeft, noch hem die viiendschap betoonen, waarvoor zijn hart niet gemaakt schijnt. Ik durf dan ook vrij zeggen, dat er geen ongelukkiger wezen bestaat dan een religieus, die zich in de gemeente niet te huis gevoelt r

27

ocr page 431

418

dat wil zeggen, die ziine gemeente niet liefheeft, die zijne genegenheid stelt op degenen, die hij verlaten heeft, en in zijne communauteit leeft als een vreemdeling wiens hart en schat elders zijn.

VIJFDE ARTIKEL.

Zinsbedrog omtrent de gevaren van het religieuze leven.

De jonge dochter die, nog in de wereld levende. zich voorstelt deu religieuzen staat te omhelzen, kan zich onmogelijk voorstellen, dat er eenige gevaren bestaan in die huizen, die zij zoo terecht Huizen Gods noemt.

Voor hare onervaren ziel is elk religieus huis eene haven, waarin geen storm zich kan doen gevoelen.

'Het is eene vesting, waarin noch duivel noch wereld meer doordringen.

Het is een paradijs, waarin men met God, hij God leeft, waar men Hem dient en zich gelukkig gevoelt.

Het is een vaartuig, dat in liefde, in vrede, in geluk ons regelrecht ten Hemel voert!

Ja, zij zijn waar die beelden, welke de getrouwe en onschuldige zielen naar het religieuze leven lokken, want zij zullen daar veilig zijn; en de zielen, welke de wereld reeds met haren adem bezoedeld heeft, geruststellen, want zij zullen daar gemakkelijker tot God terugkeeren en Hem getrouw blyven.

Maar al is het religieuze leven werkelijk eene haven, eene vesting, een paradijs, zoo brengt toch de ziel die er intreedt, hare kivade driften mede, welke

ocr page 432

419

haar ia de wereld vaak zoo diep vernederden en haar hare zwakheid deden gevoelen; — de duivel dringt er binnen met al zijnen haat, zijne woede, zijne sluwheid, zoodat, al mogen de gevaren minder talrijk, minder aanlokkelijk, beter zichtbaar en gemakkelijker te vermijden zijn in het klooster dan in de wereld, zij nochtans bestaan en de grootste voorzorg vereischen.

Helaas, helaas! men kan uit het klooster, als uit de wereld, in de hel vallen, en de val is des te verschrikkelijker, omdat men hooger gestegen was.

Ja, men kan uit dit paradijs in de hel nedervallen, en er des te dieper invallen, omdat men door het misbruikeu van meerdere genaden ook des te schuldiger is geworden.

Niet de plaats, zegt de H. Bernardus, zal de personen heilig maken; maar de personen moeten de plaats heilig maken. Niet de heiligheid van den staat, maar de staat van heiligheid kan ons zalig maken; in den heiligst en en verhevensten staat kan men verloren gaan. Zie den engel in den hemel, Adam in het aarclsch Paradijs, Judas in het gezelschap van Jezus!

En hoe grooter de liefde van God in deze wereld geweest is, hoe grooter de straf en de verlatenheid zullen zijn, die God haar zal opleggen; — hoe grooter de edelmoedigheid van God geweest is, hoe grooter zijne verachting zal zijn voor de ondankbare ziel, die Hem verlaten heeft.

Deze gevaren zijn des te meer te vreezen, omdat de duivel ze met meer zorgt verbergt.

1. Hij stelt ons gerust door de verzekering, dat er bij ons een vasten wil bestaat, geene doodzonde te bedrijven.— Neen, gij wilt dit zeker nooit rechtstreeks; maar indien gij voortdurend in uitspatting, in lichtzinnigheid leeft, niet in formeel verklaarde, maar in

ocr page 433

420

werkelijk beoefende verachting van diezelfde punten, die voor den regel zijn, wat dunne draden zijn die verscheidene stukken stof aan elkander hechten, — wie verzekert u dan, dat gij niet ongevoelig tot het bedrijven eener doodzonde zult geleid worden? Wij zullen het u later zeggen: het is van trap tot trap dat men, vooral in het klooster, in den afgrond nederdaalt.

2. De duivel stelt ons gerust door ons te misleiden omtrent den aard der overtredingen, waaraan wij ons overgeven, en de verzachtingen, die wij ons veroorloven.

Hij zal u niet zeggen: Versterf u niet; maar: Deze versterving is schadelijk voor uwe gezondheid, en gij zijt verplicht, u voor uwe gemeente te sparen; wat goed kan men doen als men ziek is?

Hij zal u niet zeggen; Laat uw gebed achter; maar: Het gebed, zooals men het nu doet, is lastig, is voor u onmogelijk; met de communauteit is het voor u te vermoeiend; het koorgebed zal u hoofdpijn veroorzaken; in de kapel is het te warm of te koud; het tocht er zoo, dat gij er den dood zoudt halen!

Hij zal u niet zeggen: Gij moet uitgestort zijn; maar: Op uwen leeftijd kunt gij zoo niet handelen; gij kunt de houding, den gang dier oude zusters niet navolgen', gij hebt vroolijkheid en afleiding noodig, anders wordt het huis zoo akelig als een kerkhof!

Hij zal u niet zeggen: Gij moet niet zedig zijn; maar: Er is geen kwaad in hetgeen gij doet; het is mal zoo scrupuleus te zijn; waar men geen kwaad zoekt, is geen kwaad!

Hij zal u niet zeggen: Overtreed de gehoorzaamheid en de liefde; maar: liet is maar een woordje ter loops gezegd; het was maar lichte spot, eene kleine kwaadsprekendheid, die niet verder gaat, een oogenblik

ocr page 434

421

van drift! gij bemint toch uwe Overste, uwe zusters; gij wenscht haar geen kwaad, dit is meer dan genoeg!

Leef dus altijd in die kinderlijke vrees, die gaaf van den H. Geest, welke u waakzaam en bescheiden zal maken, waardoor gij getrouw aan het gebed zult zijn, nederig eene berisping zult ontvangen, krachtig aan alle bekoringen zult wederstaan, voorzichtig alle zinsbedrog zult onderscheiden .en alle gevaren zult vermijden, waarvan wij nu de voornaamste gaan aanduiden.

I.

Gevaren vooiitspruitende uit het geheugen, de verbeelding, het oordeel,

Deze gevaren kunnen voortkomen uit uw geheugen, uit uwe verbeelding, uit uw oordeel, die, wanneer zij niet door het gebed, de waakzaamheid en de versterving bewaakt worden, van tijd tot tijd eene gisting ondergaan, die een teeder geweten bevreesd maakt; — het is uit deze gisting, dat, zoo zij niet in het begin overmeesterd wordt, die kwade geesten ontstaan waarvan wij het kenmerk reeds in het eerste deel van dit werk aangetoond hebben, onder welke men deze vier, terecht als plagen der Commu-nauteiten gebrandmerkt, bijzonder onderscheidt.

1. De geest van uitgestortheid, die gevoed wordt door de ijdele woorden, die men in huis zegt uit lichtzinnigheid, praatzucht, uit verveling, of op de spreekkamers gedurende die lange uren, waarin men al de vrucht van het gebed verliest en waar men altijd iets van den inwendigen geest achterlaat. De uitgestortheid wordt ook gevoed door ijdele gedachten,

ocr page 435

422

die in den geest komen en gaan als de wolken in de lucht, die ons als belegeren gedurende het gebed, de meditatie, het goddelijk Officie, het bezoek aan het H. Sacrament, en waarvan men zich niet kan ontlasten, omdat zij in ons als gehuisvest schijnen.

2. De geest van wereldgezindheid, onderhouden door de gewoonte van de zaken te beschouwen en te beoordeelen bij het licht der wereld, als of het geloof voor ons geen licht had, dat, als het eenig ware licht, onzen voorkeur verdient. — Zoo beschouwt men de personen, en men vergeet dengene. dien zij voorstellen; men ziet in eene gebeurtenis het treurige of het troostelijke, doch men vergeet dat zij een uitvloeisel is van den wil van God en dat hare uitwerkselen iets goddelijks, iets nuttigs voor onze zaligheid bevatten; men denkt aan het tegenwoordige, men vergeet de eeuwigheid, en men zegt niet: wat zal mij dit haten voor den Hemel'?

Die geest wordt onderhouden door de voortdurende begeerte van gezien, bewierookt, gewaardeerd, geprezen te worden, van eervolle bedieningen te be-kleeden, — door de gewoonte van alles wat ons kan verkleinen en vernederen , ver van ons te verwijderen.

3. De geest van nieuwsgierigheid, onderhouden door de nieuwstijdingen van buiten, door duizend verschillende wijzen gehoord, hetzij door de portiersters, die men behendig ondervraagt, hetzij op de spreekkamer vernomen en uitgevischt; onderhouden door de nieuwstijdingen van binnen, verkregen door het bespieden van al de handelingen en bewegingen der Overste en der Zusters; men weet, wie op de spreekkamer geweest is, en hoelang; men weet, welke zuster deze of gene oefening niet heeft bijgewoond, omdat de Overste haar of zij de Overste moest

ocr page 436

- 423

spreken; men weet, welke brieven ontvangen zijn, en voor wie; — naar heb beoordeelen der gebaren van eenige zusters, die met elkander spraken, raadt men wat zij gezegd hebben, en men vertelt dit over als eene stellige zaak; men spreekt over al degenen, die met het huis in betrekking staan, over de gees-telijke Overheid, vooral over den biechtvader, dien men rechts en links prijst of afkeurt.

4. De geest van afkeuring, onderhouden door het overdreven denkbeeld, dat eene zuster zich vormt omtrent haar verstand en hare eigenwaarde, — alles ziende, alles onderzoekende, en verlangende dat hare denkwijze voor wet worde aangenomen. — Alles treedt voor hare rechtbank, waarin de zachtmoedige, de nederige, de welwillende Jezus geene zitting heeft, hare Overste, haar biechtvader, de zusters die eenige

bediening bekleeden, de zieken, de leekezusters.....

en voor haren rechterstoel vindt nieniiind genade.

11.

Gevaren die vooutspruiten uit het hakt.

1. Deze gevaren kunnen voortspruiten uit uw hart dat zich zoo moeielijk kan losmaken van. aardsche genegenheden; en wij spreken hier slechts van wettige genegenheden door God daargesteld, doch waaraan het hart verzaakt heeft en waarmede het nochtans zich te veel bezig houdt, en waarvan het nog al de zoetheid wil smaken. Wij spreken hier vooral van de bloedverwanten, die, te zeer volgens de natuur bemind, veel kwaad aan eene religieuze kunnen toebrengen.

Neen, men moet gewis noch vader, noch moeder, noch zusters, noch broeders vergeten; want het

ocr page 437

424

nakomen der evangelische raden vernietigt het vierde gebod niet, en de woorden, waardoor Jezus aanzet, zijn vader en zijne moeder te verlaten om Hem te volgen, en ons leert dat: wie zijn vader of zijne moeder meer hemit dan Hem, zijner niet waardig is, beteekenen niet dat men hen uit hart en gedachtenis moet wisschen. Bij haar intreden in het klooster heeft de religieuze zich verbonden, hare ouders op eene meer bovennatuurlijke wijze dan vroeger lief te hebben, dat wil zeggen, door zich op de eerste plaats met hunne eeuwige, — en in het geheel niet of althans slechts op de tweede plaats met hunne tijdelijke zaken bezig te houden; — en buiten groote uitzonderingen, zooals bijv. eene uiterste armoede, waarin het werk hunner dochter in hun onderhoud zou moeten voorzien, of eene zware ziekte, waarin hunne dochter alleen hen zou kunnen oppassen, — moet de religieuze zich niet over hunne zaken bekommeren; nog minder mag zij haren raad, haar gevoelen geven, zich tot invloedrijke personen wenden , hare broeders of zusters eene plaats trachten te bezorgen, rechts en links hrieficisseling voor hen voeren. Als eene religieuze zoover gaat, zegt de H. Theresia, is hare ziel zeer ziek. Een hart dat aldus overmeesterd is, vindt geen vrede meer; het behoort niet aan de gemeente, het is tot zijne bloedverwanten teruggekeerd, het betreurt vaak, ze verlaten te hebben. Het vindt daarin een voortdurend onderwerp van verstrooidheid, en vaak begint men aldus zijne roeping te verliezen.

Och! laten wij toch, volgens het krachtig woord van Jezus-Christus, de dooden de dooden betrraven!

Tl . . V .

Laat ons onze ouders teeder beminnen, innig liefhebben, laat ons deelnemen in hun lijden; maar

ocr page 438

425

leeren wij liun vooral voordeel trekken uit de beproevingen, die God hun overzendt.

2. Deze gevaren kunnen nog voortkomen uit ons eigen hart, dat zich helaas, zoo gemakkelijk, zoo sterk, zoo hartstochtelijk somtijds, hecht aan eene zuster, een kind, eene zieke, aan een of ander persoon, die ons eeuige belangstelling toont; en ver-meenende niet zonder eene dergelijke liefde te kunneu leven, zoekt het hart steeds te beminnen en bemind te worden.

Ach, dat arme hart! wanneer het na vele moeite en vele teleurstelling eindelijk zoover gekomen is (volgens eigene meening ten minste), zich aan alle aardsche schepselen en elke bijzondere vriendschap onthecht te hebben, gaat het zich weder schadeloos stellen door de gehechtheid aan een vogel, een huisdier, waarvan men niet scheiden kan en dat men zelfs beweent, als het sterft! Indien zulke gehechtheid aan dieren afkeuring verdient in wereldsche personen, hoeveel te meer is dit het geval in eene Bruid van Jezus-Christus!

III.

Gevaren voortspruitende xjit den wil.

Deze gevaren kunnen voortspruiten uit de lafheid van den wil, die altijd dobberend tusschen plicht eu genot, steeds zoekt naar de grenslijn, waar de plicht eindigt en de fout begint, om zich alles wat niet rechtstreeks zonde is, te veroorloven. — Hoe kan die wil anders dan van tijd tot tijd bezwijken, als hij door den hartstocht wordt voortgestuwd, hij die zoo traag en lafhartig is om de gedachten en de gevoelens

ocr page 439

426

te Terwijderen, die hem bij het gebed bestormen, om de gelegenheden die, hoewel niet zondig, toch gevaarlijk zijn, te vluchten?

IV.

Gevaren vooiitspkdiïende uit de zinnen.

Deze gevaren kunnen voortspruiten uit de zinnen, die onderdrukt schijnen, doch door eene nietigheid worden opgewekt; die dood schijnen, doch door een woord, eene herinnering als geëlectriseerd worden. O vertrouw dien vrede niet, waarin uwe zinnen u sedert eenige maanden laten voortleven; zeg niet: Ik hen zoo gelukkig, lonut niets maakt meer indruk op mij; en veroorloof u, op die ongevoeligheid, welke slechts oppervlakkig is, vertrouwende, die lichtzinnige, aangename, misschien eenigszins wereldsche lectuur niet, welke u gedachten kan inboezemen die u een weerzin voor uwe roeping zouden kunnen geven; — vermijd die uitwendige vriendschapsbetuigingen, die ia u gevoelens gaan opwekken, welke tot kwade begeerten geleiden; — veroorloof u die vrijheid in geheel uwe houding, in uwe blikken niet, die eene menigte gedachten in uwe ziel zullen doen ingaan, welke gij er slechts met groote moeite uitdrijven zult. De zintuigen sterven nooit; zy sluimeren slechts.

V.

Gevaren voortspruitende uit den Regel en uit uwe bediening.

Deze gevaren kunnen ontstaan:

1. Door het nakomen zelfs uwer regelen, waarvan de gewoonte sleurgang wordt.

ocr page 440

427

2. Door uwe bediening, die gij in kleine zo,ken ; zoudt kunnen veronachtzamen.

3. Door uw geheel religieus leven, dat u tot last wordt, omdat gij langzamerhand de eerste vurigheid hebt verloren en in eenen staat v:in lauwheid verkeert.

Beschouwen wij vluchtig deze drie ziekten der ziel, waaraan gij bloot staat: de sleurgang, de onachtzaamheid , de lauwheid.

1. De sleurgang.

De sleurgang is: zich in de gemeente bewegen gelijk eene machine, die voortgestuwd wordt; zij komt, gaat, beweegt zich vooruit of achteruit, naarmate zij voortgedreven wordt. Er zijn zielen in de gemeente die zoo handelen: krachteloos uit zich-zelven, laten zij zich door traagheid en onachtzaamheid overmeesteren , en terwijl de regel aan de gemeente eene gelijke beweging mededeelt, volgen zij den stroom; zij gaan naar het gebed, naar de getijden, naar het werk, omdat men er heen gaat. — Zij handelen zonder nadenken, zonder doel, zonder onderzoek; — is de oefening volbracht, zij gaan naar eene andere, naar eene derde, ziedaar alles! Haar leven is een machineleven, een sleurgang; wellicht noemen zij het een welo-ereo-eld leven, doch dit is niet waar; een wel-

O O # 7 #

geregeld leven is een onderworpen, een nauwkenng leven, strevende naar een bepaald, gekend, verlangd en verheven doel, en de uitwendige regelmatigheid is slechts het middel om dit doel te bereiken. Deze levenswijze heeft zeker hare verschillende trappen, maar op alle trappen veroorzaakt zij aan de ziel een onberekenbaar nadeel; zij vernietigt volkomen den religieuzen geest en de godsvrucht, — zij belet de vrucht der HU. Sacramenten van biecht eti Com-

ocr page 441

428

munie, — zij beneemt de verdiensten van elk goed werk met eene goede meening in staat van genade verricht, en van al het lijden om Gods liefde verdragen. — Zij doet de ziel wegkwijnen door gebrek aan voedsel.

Schud u dan los, o gy die dezen weg volgt! Dit leven is het leven niet. van eene christelijke ziel, ja zelfs het leven niet van een redelijk schepsel. — Zeg voor elke oefening, die gij gaat beginnen, met een kalm en vreedzaam gemoed: Ik ga deze zaak, op deze wijze, om deze beweegreden , met deze meening verrichten, en ik wil daarmede God behagen!

2. De onachtzaamheid in kleine zaken.

Men noemt kleine zaken die zelfde oefeningen en voorschriften, die elk oogenblik van den dag weder-keeren, wier naleving slechts weinig tijd vordert en wier overtreding in zich-zelve van zeer weinig gewicht is. Die kleine zaken vindt men in de dagorde; opstaan op het eerste teeken, — getrouwheid om zich te begeven waar de klok ons roept, — vaardigheid om een begonnen werk te staken, zoodra de gehoorzaamheid het vraagt, — liever langzaam dan haastig de trappen op te klimmen of af te dalen, — al de gebeden, op dit of dat uur voorgeschreven, nauwkeurig te verrichten.

Die kleine zaken vindt men in de houding, die eischt, dat men steeds de oogen nedergeslagen houde,— die de wijze voorschrijft van te zitten, handen en voeten te plaatsen, —te knielen, te staan of te bidden,— de wijze, waarop men den brevier moet houden, — het ceremonieel te volgen in het koor, het kapittel, de openbare schuldbelijdenis, — de wijze van eenig kleedingstuk te dragen, — zich op deze of gene wijze

ocr page 442

429

te kleeden. Men vindt ze in de cel ten opzichte der orde, die daar behoort te heerschen, der voorwerpen die er behooren te zijn, in de eetzaal, omtrent het oogenblik waarop men de servet moet ontvouwen, de wijze waarop men de zaken, die men nbodig heeft, moet plaatsen.

Men vindt ze in de wederzijdsche betrekkingen van liefde en wellevendheid; de wijze van elkander aan te spreken, te schrijven, een verzoek tot de Overste te richten.

Men vindt ze in den vriendschappelijken omgang, welke verbiedt elkander bij de hand te vatten, — zich met twee af te zonderen gedurende de recreatie, — den tijd bepaalt waarop men uaar de spreekkamer mag gaan, hoelang men er moet blijven, hoe men zich daar moet gedragen.

Al deze oefeningen zijn klein; het zijn onzichtbare draadjes, doch zij vereenigen de paarlen van een halssnoer; het zijn slechts draden, doch zij hechten verscheidene stukken stof aan elkander, en deze vormen een geheel! Eén draad doorsnijden beteekent weing, doch het is het begin eener losscheuring, die als zij niet weerhouden wordt, tot eene algemeene ontbinding voert.

De onachtzaamheid in kleine zaken wordt in de hand des duivels een middel tot verleiding. Wel wacht hij zich, de religieuze, die hij van haren plicht af wil trekken, zware fouten, voorbedachte ongehoorzaamheid of zware overtredingen der armoede voor te stellen; hij zal haar slechts verleiden tot eenige kleine overtreding van den regel, tot eene kleine verzachting van haar moeielijk en pijnlijk leven, dooide gedachte het is zoo'n kleine zaak; en aldus zal hij haar allengs tot traagheid, tot onregelmatigheid, tot

ocr page 443

430

tegenspraak verleiden. Want de duivel kent beter dan wij het gewicht van deze uitspraak der heilige Schrift: Hij die de kleine zaken versmaadt, zal allengs vallen (Eccm. XTX, 1); en dit woord van Jezus-Christus: Hij die in kleine zaken onregtig is, zal ook in de groote onregtig zijn. (Luc. XVI, 10.)

De onachtzaamheid iu zaken, die noodzakelijk kleine fouten geleidt, al zoude zij ook eene religieuze niet tot zware zonden brengen, verkoelt in haar hart de liefde tot God, welke alleen haar de vreugde van den staat, dien zij omhelsd beeft, kan doen smaken; — zij doet haar die teederheid van geweten verliezen, die hare ziel als met een dubbelen muur omsloot en haai* voor menigen val behoedde. Zij versterkt de kivade neigingen, die ieder onzer in zijne ziel gevoelt; en deze neigingen slepen haar ten laatste mede, zonder dat zij het zelve merkt. — Zij doet baar, om zoo te zeggen, met God afrekenen, zich houdende aan hetgeen zij het voornaamste noemt; op zijne beurt trekt God zich terug. Gij meet uwe hulde, uwe gehoorzaamheid, uwe getrouwheid af; en God meet zijne bescherming, zijne liefde af. Gij weigert aan God, wat gij zegt, niet volstrekt schuldig te zijn; en God zal u die bijzondere hulp weigeren, welke uwe zwakheid zoo noodig heeft in het uur der bekoring, en die buitengewone genaden, aan de vrienden zyns Harten voorbehouden.

De onachtzaamheid in de kleine zaken veroorzaakt kleine wonden in het hart, in uwen geest, in uwe zinnen; kleine wonden, wel is waar, maar steeds in aantal toenemende, dreigen zij de kiem van het geestelijk leven aan te tasten en uit te dovan. Let wei op deze trappen: De rechtvaardige wordt onachtzaam en verzwakt, de genade vermindert, de zondige mensch

ocr page 444

' 431

wordt sterher, de religieus kwijnt, de christen verdwijnt.

Schud u dan wakker, onachtzame ziel; o wist gij toch eens wel, wat gij zoudt kunnen winnen, als gij getrouw waart in die dagelijksche kleine zaken, die voor u ongemerkt voorbij gaan!

1. Gij verheerlijkt God, die in u eene getrouwe en toegenegene dienstmaagd ziet, zijnen wil vervullende met liefde tot in de kleinste zaken van het dagelijksch leven. Want men moet wel eene groote liefde hebben, om nauwkeurig getrouw te zijn in alles, om aan eene begeerte, door God uitgedrukt, eene wettige voldoening of een begonnen werk op te offeren, en aldus bij het eerste teeken der klok een werk te verlaten, dat ons bevalt, eene zuster wier gesprek ons behaagt, een boek, dat ons boeit, zelfs een begonnen brief, een half gevormden zin, ja een half geschreven woord.

Wel moet men God beminnen , om Hem elk oogen-blik van den dag, en dat gedurende zijn geheele leven, zijnen wil, zijne ledematen, zijne krachten, zijne neigingen te slachtofferen; want dit vraagt eene heldhaftige ziel.

Die getrouwheid in kleine zaken kan slechts voortkomen v,it den geest van ij eer, die geene enkele gelegenheid laat voorbijgaan om God te behagen en te vereeren, — uit den geest van zelfverloochening, die zich verleent tot dat verborgen leven, tot die menigvuldige offers, die veel aan de natuur kosten en niets aan de ijdelheid geven, — uit den geest van dankbaarheid, die, getroffen door de goedheid Gods ten haren opzichte. Hem ook altijd meer en meer zoekt te geven, — uit den geest van dankbaarheid, die, het oneindig verschil overwegende tusschen datgene

1

ocr page 445

432

wat het schepsel vermag en wat God verdient, door de vurigheid der liefde en de nauwkeurigste getrouwheid de zwakheid van haar vermogen zoekt aan te vullen, — uit den geest van kracht en edelmoedigheid eindelijk, die door eene bestendige oplettendheid op de kleine zaken van al de dagen, van al de uren, van al de minuten, even zoovele offers wil maken om den God aan wien zij zich geschonken heeft, te verheerlijken.

2. Gij maakt u heilig, en dat op de zekerste en onfeilbaarste wijze, omdat gij alles uit liefde tot God doet. — O neen gewis, het is de ijdelheid, het is de eigenliefde niet, die u nauwgezet maakt in kleine zaken; het is de liefde tot God alleen, want Hij alleen ziet en waardeert wat gij doet, en de moeite, die het u kost. Daarenboven weet gij, dat eene daad nooit waarlijk groot en vooral niet verdienstelijk ter zaligheid is door den glans, die haar omgeeft, maar door de meening, waarmede men ze verricht, — door de beweging der genade, die ze ingeeft, — door de goedkeuring; die God er aan hecht en door de waarde, die Hij zich gewaardigt daaraan te geven.

Wees dan getrouw, o gij goede dienstmaagd des Heeren, en eens zal God, uw meester, tot u zeggen: »Ik - heb alles geteld, en ik ga alles beloonen; uwe offers waren licht, maar gij hebt ze vermenigvuldigd; zij hadden weinig waarde in de oogen der menschen, maar uwe liefde en uwe volharding hebben ze mijner waardig gemaakt. Treed binnen in de vreugde uws Heeren.quot;

8. De lauwheid,

I. De lauwheid, die het bijna onvermijdelijk gevoig is der onachtzaamheid in kleine zaken, is een gebrek aan moed, aan kracht, aan ijver, aan goeden wil vooral, in de vervulling onzer plichten.

ocr page 446

- 433

Het is de toestand eeuer religieuze, die zeker eene yoede religieuze wil zijn, die zelfs zeer verwonderd zou zijn, als men haar zegde dat zij het niet is; maar die zich niet de geringste moeite geeft om het te worden. Zij is als door eene slepende ziekte aangetast , of heter gezegd, door een soort ran geestelijke verdooving, die haar ongevoelig laat voor de onderwijzingen, de voorheelden, de waarschuwingen en vermaningen.

Hare ziel is het veld van den luiaard, in de grootste wanorde en geheel bedekt met distels en doornen, — de onvruchtbare vijgeboom, die slechts hladeren voortbrengt,— de openbare weg, waarop het onkruid de ingevingen der genade, de wroeging van het geweten, de goede voorbeelden van anderen verstikt, — het standbeeld eindelijk, dat ooren heeft, doch niet hoort, oogen, doch niet ziet, een mond, maar dieniet bidt, een hart, maar dat niet klopt voor haren hemelschen Bruidegom ! Ziehier het portret, dat Cassianus schetst van den religieus, die in lauwheid verkeert.

»Hij vreest en haat de retraite, hij verveelt zich in zijne cel; hij veracht zijne broeders, werkt met traagheid, en heeft noch vrees noch onrust omtrent zgne nalatigheid in zijne godsdienstplichten; hij is een slaaf der zinnelijkheid, stort zich uit, houdt zich met wereldsche zaken bezig; hij bemint ijdele gesprekken, ontvangt met weerzin den goeden raad, dien men hem geeft, en zoekt uitvluchten om dien niet te moeten opvolgen; hij verdraagt met moeite het juk der regeltucht, behoudt eene ongeregelde genegenheid voor zijn huis, zijne goederen, zijne bloedverwanten, en veroorlooft zich gevaarlijke gemeenzaamheden.quot;

Van tijd tot tijd ondergaat de lauwe religieuze een

28

ocr page 447

434

schok, die haar tot God schijnt terug te voeren , hijv. hg eene retraite, hij den dood eener medezuster, als het huis met eene besmettelijke ziekte bedreigd wordt... Maar die schok is slechts van korten duur; zij keert weder spoedig tot haren vorigen toestand terug. — Jn alle geval, zegt zij, doe ik geene zware zonden; en zelfs als zij te biechten gaat, vindt zij zich nauwelijks aan eenige bepaalde fout schuldig; verstrooiing in het gebed, een weinig traagheid bij het werk, kleine overtredingen tegen de liefde; verder ziet zij niets; zij wordt niet bekoord, zij is niet ongerust. En geen wonder, de duivel behoeft haar niet naar den afgrond te stooten, zij gaat er van zelve naar toe.

II. Treurig, zeer treurig is die toestand, nog treuriger dan de staat van doodzonde. Gave God, zegt de H. Geest tot de lauwe ziel, gave God dat gij geheel koud waart! Eene doodzonde, welke u tot den grond zou vernederen en u de hel onder uwe voeten geopend zou doen zien, zou u schrik aanjagen en u, althans door de vrees, terugvoeren tot den God, van wien gij u verwijderd hebt; maar uwe lauwheid laat u onverschillig bij de gedachte der eeuwige verdoemenis, ongevoelig voor de vermaningen die uwe godvruchtige medezusters treffen; de lauwheid zegt u, — en gij neemt die woorden zonder de minste ontroering aan: Dit is niet voor u! — Uwe lauwheid heeft aan God deze woorden doen zeggen, welke de I menschelijke tong nauwelijks zou durven uitspreken: Ik ga u vitwerpen... O hoe walgelijk moet uw toestand zijn, daar God, die de zondaars met zorgvuldigheid opspoort, ze met teederheid ontvangt, als een vriend aan hunne tafel gaat nederzitten, ze zelfs omhelst, gelijk Hij Judas omhelsde, van u, lauwe ziel, zulk een afkeer gevoelt, dat Hij, trots zijne liefde, u niet

ocr page 448

- 435

kan verdragen, u wil uitwerpen als een voedsel dat de maag drukt!

Bestudeer vluchtig de uitwerkselen der lauwheid.

1. Zij is het begin eener bijna ongeneesbare geestelijke ziekte. Om van eene ziekte te kunnen genezen, is het noodzakelijk, dat men den aard en den graad daarvan kenne, dat men haar ten minste gevoele, en de lauwe ziel gelooft niet dat zij lauw is; zij vertoornt zich, als men haar zegt, dat zij het wezen kan; ook hield de H. Bernardus zich overtuigd, dat Je hekeering van een wereldling, hoe slecht ook van leven, minder moeielijk was, dan die van een lauw religieus,

2. Zij stelt ons in onmiddelijk gevaar, in doodzonde te vallen en, wat nog erger is, in doodzonde voort te leven. Daar de lauwe religieuze lichtelijk en bijna •zonder gewetenswroeging eene menigte dagelijksche zonden hedrijft, gevoelt zjj langzamerhand de vreeze van God te vergrammen, verminderen. Weldra komt zij zoover dat zij hare verbeelding vermaakt met zinnelijke gedachten, die weldra onzuivere gedachten worden, dat zij vermetel genoeg is om te aarzelen tusschen» het toestemmen of het verwerpen der bekoring: dit is wel toegestaan , dat is niet verboden.... en als de twijfel komt, of zij al dan niet toegestemd of er behagen in genomen heeft, weet zij duizend uitvluchten te vinden om hare fouten te verschoonen. Ach, luister naar die onfeilbare uitspraak: Wie het gevaar bemint , zal er in omkomen ; loie kleine fouten minacht, zal in groote vallen.

3. Zij stelt ons bloot aan een onchristelijken dood. De dood, zeggen de Heiligen, is de weerklank van het leven, en het zou een groot wonder z^'n, zoo men na in lauwheid geleefd te hebben, in vurigheid stierf.

ocr page 449

436

Bij het naderen van den dood gevoelt de lauwe religieuze niet het minste verlangen naar den hemel, de aarde omknelt haar met duizend banden, zij heeft slechts eene gedachte; genezen. — En als het uur der bediening aanbreekt, als zij begrijpt dat er geen hoop meer is, o ja, dan bidt zij, dan beveelt zij zich aan de H. Maagd, aan haren Engelbewaarder; zij vernedert zich, zij vraagt vergeving, zij smeekt hare zusters voor haar te bidden, zij offert edelmoedig haar leven op; doch hoezeer moet de herinnering aan hare lauwheid, aan haar gebrek aan zelfopofiering haar vertrouwen verzwakken! — En voor Gods aanschijn , voor dien God, dien gij zoo slecht gediend hebt die u nochtans bemint, daar Hij u nog ter elfder uur uwe dwaling laat erkennen en betreuren, arme zuster, welk eene beschaming, welke wroeging, en welk eene smartvolle boete in de vlammen van het vagevuur h

III. Schud u dan wakker, zeggen wij u ten derden male, o religieuze ziel, die u door de lauwheid hebt laten overmeesteren! — Het is door de onachtzaamheid in kleine zaken, dat de kwaal in u ontsproten is; we£fs dan getrouw, getrouw tot in het kleinste aan alle punten van den regel; het is door de traagheid in uw werk, door uwe nalatigheid in het vervullen uwer dagelijksche plichten, het is door uw gebrek aan onderwerping, aan eerbied jegens uwe Overste, dat de kwaal in u ontsproten is; wordt dan weder werkzaam, onderworpen, eerbiedig, gehoorzaam; vraag verlof tot voor de kleinste zaken, veroorloof u niet de minste vrijheid, al moet gij gedurende eenigen tijd u het grootste geweld aandoen.

Bid vooral. Bid veel, anders zult gij niets vermogen; wees openhartig, wees oprecht ten opzichte van uwe

ocr page 450

' 437

Overste eu uwen biechtvader; deel hun uw besluit mede; verzoek hen u krachtdadig te helpen, en geef hun getrouw rekenschap van uwe pogingen, uw hervallen, uwen moed of uwe traagheid. Straf u zelve bij de minste overtreding, behandel u zelve als een weerspannig, luimig, eigenzinnig kind, dat men u tot verbetering heeft toevertrouwd.

IV. Het is wellicht noodzakelijk, hier de teekenen der lauwheid nauwkeurig aan te wijzen. Sommige vreesachtige zielen beangstigen zich lichtelijk ; omdat zij geen moed, noch smaak tot het goede gevoelen, vermeenen zij, in lauwheid te leven, en zijn bang van God. Ziehier eenige juiste kenteekenen.

1. Verstrooid zijn in het gebed, doch die verstrooiing betreuren en middelen aanwenden om ze te voorkomen en te verminderen, is geene lauwheid.

Walg en tegenzin voor het gebed gevoelen, vele dorheid ondervinden bij de H. Communie, zich vervelen in de meditatie, maar noch gebed, noch communie , noch meditatie achterlaten, dit alles verrichten op en gedurende den voorgeschreven tijd, en zich niet verbitteren, omdat men zoo weinig voortgang maakt, is geene lauwheid.

In fouten vallen, zelfs spoedig na de biecht, doch er onmiddelijk berouw over gevoelen, zich tot drift en ongeduld laten vervoeren, doch zich daarover vernederen en bestraffen, baatzucht, ijdelheid, traagheid gevoelen, doch er tegen in werken, is geene lauwheid.

Dit alles is strijd, het is leven, het is de weg, die ten hemel voert.

2. Zijne gebeden door eigen schuld, door walging, door onachtzaamheid slecht verrichten, ze zonder gewetenswroeging geheel achterlaten, is een begin van lauwheid.

ocr page 451

438

Boeken lezen die niet geschikt zijn om te onderrichten , te verlichten, te treffen en tot God te voeren, maar die slechts ten doel hebben ons te vermaken en den tijd te korten, — zijn geweten ter loops onderzoeken , zonder zich te willen leeren kennen en zonder zich te willen verbeteren, — biechten zonder juistheid, zonder berouw, zonder voornemen zich te beteren , — communiceeren zonder bijzondere voorbereiding, omdat het de gewone dag is, omdat anderen gaan, omdat men niet anders durft, — den dag waarop men do fi. Communie ontvangen heeft, doorbrengen zonder aan het geluk dat men 's morgens gehad heeft, te denken: dit alles zijn bewijzen ecu er toenemende lauwheid.

Gaarne nieuwstijdingen hooren, — zich aan uitgestortheid overgeven , — aan zijne oogen en tong vryen teugel vieren, — een weerzin gevoelen voor hetgeen God aangaat, en zich er niet over bekommeren,— aan niets gebrek willen hebben, — niets willen lijden , — zich ongeduldig maken bij den minsten tegenspoed , — kleine fouten bedrijven en de vernedering daaraan verbonden meer vreezen dan de beleediging die men God aandoet, —geene rekening houden met de inspraken der genade, noch met de vermaningen der Oversten; dit zijn bewijzen, dat men in lauwheid, verkeert.

Begrijpt gij, na het lezen dezer bladzijden, niet beter deze woorden, waarmede wij dit artikel aanvingen? Wees nooit zonder die kinderlijke vrees, die gave van den H. Geest, die n waakzaam zal maken, beseheiden, schroomvallig, — getrouw aan het gebed, — nederig bij het ontvangen een er berisping, — sterk om de verleiding te weerstaan, — voorzichting om alle zinsbedrog te onderscheiden en alle gevaar te vermijden.

ocr page 452

439

ZESDE ARTIKEL.

Zinsbedrog omtrent de eigenwaarde.

Zij zijn talrijk, de begoochelingen omtrent onze eigenwaarde! Noch ondervinding, nocb. teleurstelling verdrijven die ooit geheel, en zij tergen ons tot op ons doodsbed !

In de woestijn, ver van alle blikken der raenschen verwijderd, luistert de kluizenaar nog met zelfbehagen naar de inblazing: Jk hen toch iets ivaard; — leeft hij met een gezel, al ware deze zyn Overste, verrast hem nog de gedachte: Ik ben toch zoo goed als hij. — Gelukkig als hij nog niet met den Phariseër van het Evangelie zegt: Jk dank U, mijn God, dat ik niet hen als het overige der menschen, die onrechtvaardig en , die een en zinnelijke menschen zijn, zelfs niet als degene die bij mij is.

Arme, arme menschelijke natuur! Hoor de uitspraak van Hem wiens woord onfeilbaar is: Zonder mij kunt gij niets doen (Joa. XVquot;, 5). Hoeveel zegt dat woordje Niets! Als gij alles zult gedaan hehben wat u bevolen is, zegt: Wij zijn onnutte dienaars, wij hebben gedaan wat wij moeten doen. (Luc. XVII, 10). Hoor den H. Paulus, de woorden zijns Meesters uitleggende: Wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt'? en als gij het ontvangen hebt, waarom verhejt gij u, als haddet gij het niet ontvangen. (I Con. IV, 7)?

Hoor den H. Joannes van het Kruis, van zich zeiven, van u, van alle menschen sprekende volgens het licht, dat hij in eene zijner overwegingen had ontvangen:

ocr page 453

440

Ik ben niets.

Ik kan niets.

Ik ben goed voor niets.

Ik verdien niets.

Men is mij niets schuldig.

Het niet heeft niets noodiff.

Het niet kan niets.

Het niet is goed voor niets.

Het niet is niets waardig.

Het niet beklaagt zich over niets.

Het niet beleedigt zich over niets.

Het niet verwondert zich over niets.

Het niet ontstelt zich over niets.

Het niet is tot niets geschikt.

Het niet betracht niets.

Het niet vraagt niets.

Het niet stelt zich met niets tevreden.

Het niet beschouwt niets.

Het niet maakt op niets aanspraak.

Het niet vindt smaak in niets.

Het niet keurt niets af.

Het niet wordt door niets gekwetst.

Het niet benijdt niets.

Het niet deelt in niets.

Het niet ondersteunt niets.

Het niet is aan niets gehecht.

Het niet wordt door niets ontsticht.

Het niet beijvert niets.

Het niet oordeelt of veroordeelt niets.

Het niet vreest niets.

Het niet verlangt niets.

Het niet schroomt niets.

Het niet vertoornt zich over niets.


Hoor den H. Franciscus van Sales van diegenen sprekend, die van God verstand, schoonheid en talent ontvangen hebben: »Helaas, al zijn de muilezels met de kostbare meubelen van den vorst beladen, zijn zij toch slechts lompe en vuile dieren! Eu in een brief aan de H. Joanna Franc, van Chantal van zich zeiven sprekende, zegt hij: »Als gij mij wel kendet, zoudt gij zeggen: Ziedaar een riet, waarop God wil, dat ik steun; ik ben veilig, omdat God het wil, maar het riet deugt niets.quot;

ocr page 454

441

»Men verheft het goede door mijne prediking bewerkt,quot; zegt hij elders, »maar, helaas, ik ben als een voorsnijder, die alles aan anderen voordient en niets voor zich houdt, — als eene luit, die doof is voor hare eigene akkoorden, — als eene ladder die anderen doet stijgen, waar zij zelve niet heengaat, — als de uithangborden die den reiziger uitnoodigen tot rust en genot en zeiven in wind en regen blijven hangen.quot;

Hoor de Navolging van Jezus-Christus, die u zegt bij uw intreden in het klooster: »Gij zijt niet hier gekomen om te bevelen, maar om te gehoorzamen, niet om gediend te worden, maar om te dienen. Gedenk, dat gij geroepen zijt tot werken en niet tot ledigheid of tot het verrichten van beuzelarijen. De zie] moet hier beproefd worden als het goud in de smeltkroes. Niemand kan hier blijven, als hij uit liefde tot God niet in vernedering wil leven. Wilt gij iets nuttigs leeren: Zoek onbekend en voor niets geacht te wordend

Ziedaar gezonde begrippen van eigenwaarde: Niets uit ons zeiven; alles wordt ons door God geleend. — Zich verhoovaardigen, zich verheffen is een leugen, een diefstal.

»Als men u prijst,quot; zegde de H. Catharina van Genua, »besef wel, dat men niet van u, maar van de gaven van den Heer spreekt.quot;

Is een aarden vat, al ware het met edelsteenen gevuld, daarom iets meer dan aarde en slijk? — Kan iemand, die van aalmoezen eu geleend goed leeft, trotsch zijn op hetgeen hij bezit?

O hoe waar is dit woord: om nederig te zijn is het voldoende, gezond verstand te hebben; en hoe waar was dit woord van P. Lacordaire: de nederigheid is eene groote mate gezond verstand.

ocr page 455

440

Ik ben niets.

Ik kan niets.

Ik ben goed voor niets.

Ik verdien niets.

Men is mij niets schuldig.

Het niet heeft niets noodiff.

Het niet kan niets.

Het niet is goed voor niets.

Het niet is niets waardig.

Het niet beklaagt zich over niets.

Het niet beleedigt zich over niets.

Het niet verwondert zich over niets.

Het niet ontstelt zich over niets.

Het niet is tot niets geschikt.

Het niet betracht niets.

Het niet vraagt niets.

Het niet stelt zich met niets tevreden.

Het niet beschouwt niets.

Het niet maakt op niets aanspraak.

Het niet vindt smaak in niets.

Het niet keurt niets af.

Het niet wordt door niets gekwetst.

Het niet benijdt niets.

Het niet deelt in niets.

Het niet ondersteunt niets.

Het niet is aan niets gehecht.

Het niet wordt door niets ontsticht.

Het niet beijvert niets.

Het niet oordeelt of veroordeelt niets.

Het niet vreest niets.

Het niet verlangt niets.

Het niet schroomt niets.

Het niet vertoornt zich over niets.


Hoor den H. Franciscus van Sales van diegenen sprekend, die van God verstand, schoonheid en talent ontvangen hebben: »Helaas, al zijn de muilezels met de kostbare meubelen van den vorst beladen, zijn zij toch slechts lompe en vuile dieren! Eu in een brief aan de H. Joanna Franc, van Chantal van zich zeiven sprekende, zegt hij: »Als gij mij wel kendet, zoudt gij zeggen: Ziedaar een riet, waarop God wil, dat ik steun; ik ben veilig, omdat God het wil, maar het riet deugt niets.quot;

ocr page 456

441

»Men verheft het goede door mijne prediking bewerkt,quot; zegt hij elders, »maar, helaas, ik ben als een voorsnijder, die alles aan anderen voordient en niets voor zich houdt, — als eene luit, die doof is voor hare eigene akkoorden, — als eene ladder die anderen doet stijgen, waar zij zelve niet heengaat, — als de uithangborden die den reiziger uitnoodigen tot rust en genot en zeiven in wind en regen blijven hangen.quot;

Hoor de Navolging van Jezus-Christus, die u zegt bij uw intreden in het klooster: »Gij zijt niet hier gekomen om te bevelen, maar om te gehoorzamen, niet om gediend te worden, maar om te dienen. Gedenk, dat gij geroepen zijt tot werken en niet tot ledigheid of tot het verrichten van beuzelarijen. De zie] moet hier beproefd worden als het goud in de smeltkroes. Niemand kan hier blijven, als hij uit liefde tot God niet in vernedering wil leven. Wilt gij iets nuttigs leeren: Zoek onbekend en voor niets geacht te wordend

Ziedaar gezonde begrippen van eigenwaarde: Niets uit ons zeiven; alles wordt ons door God geleend. — Zich verhoovaardigen, zich verheffen is een leugen, een diefstal.

»Als men u prijst,quot; zegde de H. Catharina van Genua, »besef wel, dat men niet van u, maar van de gaven van den Heer spreekt.quot;

Is een aarden vat, al ware het met edelsteenen gevuld, daarom iets meer dan aarde en slijk? — Kan iemand, die van aalmoezen eu geleend goed leeft, trotsch zijn op hetgeen hij bezit?

O hoe waar is dit woord: om nederig te zijn is het voldoende, gezond verstand te hebben; en hoe waar was dit woord van P. Lacordaire: de nederigheid is eene groote mate gezond verstand.

ocr page 457

444

8. Niet vaardig, noch gewillig gehoorzamen, omdat men zijne Oversten niet acht, zeggende, dat zij niet op de hoogte van haar standpunt zijn, — omdat men oordeelt dat het voorzichtiger en wijzer is hare bevelen te overtreden dan ze te volgen, — omdat men zich een zeker voorkomen van onafhankelijkheid wil geven, — omdat men zijne vrijheid bemint.

9. Zoeken zich te laten gelden door de kinderachtige zorg , waarmede men zijne kleederen schikt, — ! door voorwerpen van pracht die men draagt, gouden horloge, schoone medaille, fijnen bril, hoek verguld op snede, — door de wijze van te gaan, te spreken, te bidden, in alles, door alles de oogen zoekende te trekken.

10. Zich ongeduldig maken bij den minsten tegenspoed, zich vertoornen tegen alles wat tegen onze zienswijze aandruischt, — tegen eene Overste, die eene vraag weigert, — tegen den biechtvader, die een offer vraagt dat men niet brengen wil, — tegen eene medezuster, die niet handelt zooals wij het zouden wenschen, die het ongeluk heelt gehad ons tegen te spreken, — tegen de personen, die ons toevertrouwd zijn, omdat zij niet doen wat wij zeggen en gelijk wij het zeggen.

11. Nieuwsgierig zijn naar zaken die ons niet aangaan: Wat doet die zuster? Met wie is zij in de spreekkamer? Waarom is zij door de Overste geroepen ? Wat hébhen die zusters daar elkander te zeggen? Trachten alle kleine geheimen van het huis te doorgronden om ze te kunnen uitbazuinen en den naam te hebben van goed op de hoogte te zijn.

12. Zich altijd bij elke aanmerking verontschuldigen', hetzij door de Overste, door den biechtvader, of door eene andere zuster gemaakt, —nooit

ocr page 458

- 445

ongelijk willen hebben, — zich beklagen dat men het altijd op ons gemunt heeft, dat men ons niets, en anderen die veel schuldiger dan wi) zijn, alles door de vingeren ziet, — zich ten minste beroepen op de goede meeningen, die men gehad heeft en die, zegt men, door God gekend zijnde, voldoende zijn om ons in onze oogen te rechtvaardigen en te troosten.

13. Schijnheilig zijn, dat wil zeggen, zich in het geheim overgeven aan driften, die men aan zich-zelve niet kan ontveinzen, ze verbergen onder den schijn van deugd. — Dit is de laagste graad waartoe de hoogmoed ons brengt.

14. Zich uiterst teergevoelig toonen, — in bijna alle woorden en handelingen van anderen beleedi-gingen zien, ons aangedaan of ons voorbereid; — alles wat men ons zegt, voor ons doet, kwalijk nemen, — zich verbitterende om een woord dat men toevallig hoort, eene manier die ons hindert, zich boos makende , zich vertoornende, zich tot drift latende vervoeren.

15. Zich ergerende omdat alles in anderen niet is gelijk men wenscht; zich over ieder beklagende, — aan de eene haar vreemd karakter, — aan de andere haar trotsch voorkomen, — aan eene derde haar droevig humeur, — aan eene vierde hare uitgelaten vroolijkheid verwijtende, altijd de splinter zien in het oog onzer medezuster en nooit den balk in het onze.

16. Niemand iets toegeven, omdat men zich altijd geraakt gevoelt door alles wat tegen gaat: een woord in de recreatie ontsnapt, door ons als eene beleediging opgenomen, — eene weigering, die wij als een smaad beschouwen, — eene tegenspraak, die men niet kan dulden, — eene onbeleefdheid, die men nigt licht zal vergeten.

ocr page 459

446

17. Voortdurend ontevreden zijn over allen , over alles. Men is onbillyk jegens ons, — men waardeert ons niet, — men gebruikt ons niet, — men vraagt ons nooit raad.....

18. Zijn verdriet, zijne ongesteldheid, zijne moeie-lijkbedeii overdrijven; ieder doet ons lijden, de Overste, de biechtvader, onze medezusters, het weder, de

ziekelijkheid, de gevorderde leeftijd!..... en niemand

heeft medelijden met ons lijden; men laat ons ter zijde, men vergeet ons, men verlaat ons, en nochtans heeft men zulk eene behandeling niet verdiend! — O als men het geweten hadde!.....

19. Iedereen wantrouwen en er groot op gaan, dit gebrek van nederigheid toeschrijvende aan het doorzicht van onzen geest, die ons geleerd heeft, hoe weinig oprechtheid, rechtzinnigheid en openhartigheid men in de gemeenten vindt. — Waren allen zooals zij! zeggen die hoovaardige geesten; — zij gaan recht door zee, maar de anderen bedriegen en verraden, daarom houden zij alles maar voor zich!

20. Na eene opmerking, eene weigering, eene berisping blijven pruilen. — Geheele dagen blijven loopen met een zuur gezicht, zonder een enkel woord te zeggen; aan allen die ons met goedheid toespreken, met een stroef, koel, norsch gelaat slechts toevoegen: Laat mij met vrede, ik weet wel wat ik doen zal. — Al die vertooningen van kwaden luim zijn vertooningen van grooteu hoogmoed.

21. Met overdrijving en gemaaktheid spreken over hetgeen men te doen heeft, — over de vermoeienis die men ondervindt, — men heeft nauwelijks tijd om adem te scheppen, — over de weinige hulp en verlichting, die men ondervindt, — herhalende dat men zulk een aanhoudend werken niet lang uit zal

ocr page 460

- 447

houden; en alle vermaningen omtrent onnauwkeurigheid en elk verzoek om eenigen dienst te bewijzen r beantwoorden met een: li heb geen tijd!

22. Meer eischen dan anderen, zoo in betrekking tot het voedsel, de kleeding, als ten opzichte der bijzondere dispensatiën, waartoe men zijne bediening en zijn werk laat gelden ; zijnen onderhoorigen, jongere zusters, of die met ons werken, op eenen harden, gebiedenden, bitsen toon bevelen geven.

23. Zich somtijds beschuldigen om anderen te verplichten ons te prijzen; alle mogelijk kwaad in iets dat wij gedaan hebben, opsommen om door anderen te doen zeggen , Jat het uitnemend goed gedaan is; — met aandrang vragen, dat men ons onze gebreken en fouten onder het oog brenge, en zich lichtgeraakt en boos toonen tegen degene, die eenvoudig genoeg is ze ons te zeggen; — men noemt dit nederigheid met een haakje.

24. Naar alle zijden goeden raad geven, maar nooit oprecht raad vragen; — den raad, dien men ons geeft, misachten, en het zeer vreemd en vrij vinden, dat men ons raad geeft.

25. Met weerzin en weerbarstigheid eene berisping aannemen onder voorwendsel, dat ze moed en hoop beneemt, dat men geen kind of novice meer is, en dat het geweten genoeg is om religieuzen van ondervinding te leiden.

W ij sluiten hier deze reeds zoo lange lijst der aanmatigingen van den hoogmoed; doch wie onzer kan, als hij zij n hart wel doorgrondt, er nog niet een of ander bijvoegen?

ocr page 461

448

II.

S)e ycnze-smiddc-Cen tcyen -het ^im-GeS-toc^ omrent de ciyenwaazdz.

I. Het beste geneesmiddel, het algemeen geneesmiddel voor alle kwalen der ziel, zonder hetwelk trouwens alle andere geneesmiddelen slechts van voorbijgaande kracht en geheel nutteloos voor den hemel zijn, is /iet dagelijksch gehed om God de nederigheid, te vragen, het gebed vereenigd met het overwegen van onze eigene nietigheid. Lees in Gods tegenwoordigheid de volgende bladzijde en laat ze diep in uwe ziel dringen:

In welken toestand ik mij ook thans moge bevinden, weet ik, wat ik morgen, dezen avond misschen, zal zyn ? Hoe weinig is er mij noodig om in eene doodzonde te vallen ? eene hevige bekoring, die mij wellicht reeds nabij is, waarbij ik vergeet, mijn toevlucht tot God te nemen.... O als ik u vergat, o mijn God! en zonder eene bijzondere genade zou ik U kunnen vergeten! O hoeveel ligt er opgesloten in dit woord van den H. Philippus vanNeri: Wantrouw mij, o Heer, want als gij mij verlaat, zou ik u verraden!

Al ben ik in staat van genade, kan ik lichtelijk vallen, en zoo diep vallen, dat ik mij verlaag tot de allergrootste wandaden. Het geloof leert mij deze waarheden, en de ondervinding, helaas! bevestigt ze maar al te dikwijls.

Wie zou ooit geloofd hebben, dat Salomo, de wijsste aller menschen, de dwaasheid zoover zou kunnen drijven, dat hij de schandelijkste afgoden aanbad? — Wie zou ooit geloofd hebben, dat David, die zoo

ocr page 462

449

wijze, zoo godvreezende koning, David aan wien God zijne geheimen had toevertrouwd, bij een enkelen oogslag op een ongeoorloofd voorwerp in eene schandelijke misdaad zou vallen, een moordenaar ^ou worden en een geheel jaar zou voortleven zonder zelfs te denken dat hij een zondaar was ? — Wie zou gezegd hebben, dat de H. Petrus, na met zooveel oprechtheid, duizendmaal zijne liefde en trouw bezworen te hebben, zoo diep kon vallen van zijn goddelijken Meester te verloochenen en zijne ontrouw door meineed te bevestigen?

O hoe waar is dit woord van den H. Augustinus: Er is geene misdaad ooit door eenig schepsel hedreoen , die ik niet kan bedrijven, als God mij een oogenhlik aan mijne eigene kracht overlaat! En God kan mij verlaten om mij voor mijne ongetrouwheden te straffen ! Ik hansï als aan een draad boven den afgrond der

O O

afschuwelijkste zonden en der zwaarste straffen. En ik zou zoo dwaas zijn mijne zusters te misachten, mij te beklagen over eene kleine beleediging, ik die misschien in het naaste oogenblik niet meer waardig zal zijn, in haar gezelschap te leven!

Mijn God, mijn God, verlaat mij niet!

II. Het tweede geneesmiddel tegen het zinsbedrog omtrent de eigenwaarde is de gewoonte om na te denken over de natuur en de uitwerkselen der ootmoedigheid. Wij zullen vluchtig aanduiden:

1°. De natuur en den grondslag der ootmoedigheid.

2°. .De uitwerkselen der ootmoedigheid.

3°. De straf der fouten tegen de ootmoedigheid.

4o, De hoedanigheden der ootmoedigheid.

1°. Natuur en grondslag der ootmoedigheid.

1. De ootmoedigheid is eene deugd, die ons onszei ven doet kennen, gelijk wij zijn in de orde der

29

ocr page 463

450

natuur en in de orde der genade, en ons onszelveu doet beschouwen als de achting, den eerbied, de goedkeuring der menschen onwaardig.

De ootmoedigheid is de rechtzinnigheid eener oprechte ziel, die niets wil, begeert noch bemint dan waarheid, zelfs dan als de waarheid haar verootmoedigt.

2. De ootmoedigheid is gegrondvest: a. Op onze hoedanigheid van schepsel, welke een oneindigen afstand daarstelt tusschen de grootheid van Ood en onze laagheid, tusschen de macht van God en onze volstrekte onmacht. — Deze hoedanigheid toont ons de waarheid dezer woorden, welke de leer van den H. Joannes van het Kruis bevatten: Ik hen niets,— ik heb niets, — ik kan niets. — Den geest, dien God mij heeft gegeven, kan Hij terugnemen ; mijne ledematen, mijne zintuigen , mijne natuurlijke en bovennatuurlijke goederen kan God, die ze mij gegeven heeft, mij ook ontnemen , en dat zonder de minste onrechtvaardigheid.

b. Op onze hoedanigheid van zondaars. — Door de zonden hebben wij ons verlaagd beneden het ver-achtelijkste wat er bestaat, zelfs beneden het slijk, dat ten minste boven ons die eer heeft nooit tegen God te zijn opgestaan. Wie ernstig nadenkt, heeft geene moeite om zijne nietigheid te erkennen; en men begrijpt, dat de H. Thomas van Aquinen in waarheid heeft kunnen zeggen, dat hij nooit een gevoel van ijdel welbehagen had gehad.

2°. Uitwerkselen der ootmoedigheid.

1. De ootmoedigheid legt den grondslag voor alle andere deugden. Zij is de eerste en onontbeerlijke gesteltenis om alle zaken wel te doen, om te bidden , ie communiceer en , te gehoorzamen, liefderijk en toegenegen te zijn. De hoogmoed verwekt haat voor het

ocr page 464

451

[jezag, afschuw van de onderwerping, verachting van het gewone leven, eigenbaat, schijnheiligheid.

2. De ootmoedigheid is de specerij, die alle deugden tegen bederf bewaart.

De hoogmoed is het venijn dat ze vergiftigt en bederft, hy bederft de goede werken, reeds voor dat zij verricht worden; hij bederft ze, terwijl men ze doet; hij bederft ze, nadat zij gedaan zijn. In eene ziel door den hoogmoed beheerscht, verliezen de schoonste daden haren glans, de schitterendste deugden hare verdiensten.

3. De ootmoedigheid trekt het oog en het hart van God. — God bemint de waarheid, en daar de ootmoedige ziel zich in het waar gevoelen plaatst van wat zij is, van haar eigen niet, hare armoede, hare ellende, beschouwt God haar met welgevallen en overlaadt haar met zijne weldaden. — Hoor, wat de schrijver der Navolging van Jezus-Christus zegt, wanneer hij spreekt van de teedere liefde, welke God voor eene nederige ziel heeft.

» Als God haar in lijden ziet, vertroost Hij haar; — als Hij haar gedompeld ziet in het gevoelen van haar niet, nadert Hij haar, stort over haar stroomen van liefde uit; en naarmate zij zich dieper vernedert, verheft Hij haar meer tot de glorie; Hij openbaart haar zyue geheimen en trekt haar zoetjes tot zich.quot;

Als de ootmoedige ziel iets aan God vraagt, wordt haar gebed steeds verhoord (Eccu. XXXV, 21). Dan zelfs als zij niet tot God kan spreken, als zij niet bidden kan, vult de nederigheid het ontbrekende aan en stelt haar schadeloos voor alles. God neemt haar gebed als een volmaakt gebed aan. (Judith IX, lö).

Maria werd slechts boven alle schepselen uitverkoren om Moeder Gods te zijn, omdat zij het nederigste aller schepselen was.

ocr page 465

452

3°. Straf der fouten tegen de ootmoedigheid.

Het is vooral van den hoogmoed, dat men zeggen kan: De zonde straft zich-zelve.

God straft de hoovaardigen door vernederiugen, die des te moeielijker te verduren vallen als de hoogmoed grooter geweest is; en gewoonlyk laat God in zijne barmhartigheid toe, dat wij dezelfde vernederingen ondergaan, die wij anderen aangedaan hebben.

Wij zijn trotsch, hardvochtig, onbarmhartig geweest, wij hebben verachting getoond voor medezusters, minder begaafd dan wij, gedrukt wellicht door ziekte, gebukt onderden last der jaren,.... de dag zal komen, waarop wij levendig het gewicht der misachting en verstootivg zullen gevoelen! God zal, zonder iemands recht-streeksche medewerking, toelaten dat onze medezusters ons misachten of verstoeten, dat onze Oversten zelve ons vergeten en ons geheel ter zijde stellen.

Wij hebben uit hoogmoed onze medezusters vrijiviilig kwalijk beoordeeld en in ons hart hebben wij, qelijh de Phariseër, ons hoven haar gesteld. God zal toelaten, dat wij aangevallen worden door hevige en zeer vernederende bekoringen, die ons zullen dwingen te erkennen, dat onze zusters beter zijn dan wg; — God zal toelaten, dat onze Oversten ons ongunstig beoordeelen, en alles wat wij doen en zeggen, slecht vinden.... Ja vreeselijk zal de straf zijn der religieuzen , die zich voortdurend en vrijwillig hebben overgegeven aan de overdreven achting voor zich-zelven en de daaruit voortvloeiende misachting en vrijwillige onverschilligheid voor hare zusters. God, die hare ziel redden wil, zal geene geneesmiddalen voor haar ontzien, en de geneesmiddelen der hoovaar-digheid zijn zeer bitter.

ocr page 466

453

4o. Hoedanigheden der ootmoedigheid.

1. De ootmoedigheid moet rechtzinnig en oprecht zijn, dat wil zeggen, dat zij niet moet bestaan in eenige woorden tot eigen vernedering gezegd, die wij met zeer veel weerzin uit den mond van anderen zouden hooren, noch in een gedrukt gelaat en gemaakte manieren. — De nederigheid, die zich te veel vertoont en zich om zoo te zeggen te kijk stelt, is daardoor reeds verdacht.

»Ik noem die vertooning van gebaren, van buigingen, geene nederigheid, wanneer ze, gelijk dit dikwijls gebeurt, geschiedt zonder eenig inwendig gevoel van zijne eigene nietigheid en de ware achting van den evennaasten. Dit alles is eer eene vertooning van de ootmoedigheid dan de ootmoedigheid zelve.quot; (H. Fran-ciscos van Sales.)

Bij verscheidene van die karakters die, om zoo te zeggen, met eene laag honig bedekt zijn, zult gij somtijds dan een ijzeren vasthoudendheid, en dan weder eene buitengewone lichtgeraaktheid ontdekken. Zij zijn als sponsen, als men ze prijst, als stekelvarkens, als men ze afkeurt of berispt. (Pr. W. Faber.)

De ootmoedigheid in woorden bestaat in veel kwaad van zich-zelven te zeggen, doch zeer weinig kwaad van zich-zelven te denken; in zich aan ieders voeten te willen stellen, doch zeer ontevreden te zijn, als men hen op hun woord vat. Het minste woord verbittert die geesten, een klein bewijs van onverschilligheid is als eene pijl die hen treft in het diepste des harten.

»Ziehier mijn gevoelen, Philothea. Of zeggen wij geene woorden van nederigheid, of zeggen wij die met een inwendig gevoel, waardoor wij meenen wat

ocr page 467

m-:—--1 r

454

wij zeggen. Slaan wij de oogen niet neder, zonder veri

tegelijk ons hart te vernederen. Nemen wij niet frou

den schijn aan van de laatsten te willen zijn, 4

zonder het werkelijk te willen zijn.quot; (H. Franciscus moe

van Sales.) wan

2. De ootmoedigheid moet eenvoudig zijn. Zij zal

dit kenmerk dragen, als zij geene buitensporigheid dat

begaat en geene buitengewone zaken doet. De lnet

oefeningen van nederigheid moeten door bijzondere aal,,

omstandigheden gewijzigd worden, en vooral in ge- 2^

meenten moeten zij slechts met bijzondere machtiging t|e

gedaan worden. Volbreng met een oprecht gevoel I

uwer geringheid en strafwaardigheid de oefeningen g00(

door uwen regel voorgeschreven, als bijv. de voeten (ier

uwer zusters te kussen, op den grond geknield te I,

eten, doch doe dit alles niet meer dan voorgeschreven min

wordt; maak voor u in het bijzonder geene oefeningen JeZi

van nederigheid; gij zoudt met u doen lachen en oot]

de orde storen. De vernedering is nuttig als voorbeeld 2

en als geneesmiddel; maar de beoefening moet altijd voo

• vergezeld gaan van den geest van bescheidenheid arm

en voorzichtigheid. a]|e;

3. De ootmoedigheid moet blijmoedig zijn. — Zij van bestaat dus niet in eene zekere treurigheid en zwaar- 3 moedigheid, waardoor wij alle zaken als door een ea rouwfloers beschouwen; wat toch zou er dan worden arm van den vrede, de blijdschap des harten, en de aan geestelijke vreugde? — De ware ootmoedigheid heeft en j een dubbelen blik; terwijl de eene gevestigd is op uen onze geringheid en boosheid, is de andere gevestigd ' 4 op de barmhartigheid van God, die veel grooter is drit dan onze ellende, op zijne goedheid, die veel machtiger niel is dan onze zwakheid; en uit dien dubbelen blik de ontstaat iets dat men kan noemen den ernst van de ons

ocr page 468

465

verbannen ziel vereenigd met de vreugde en het vertrouwen der gelukzaligen.

4. De ootmoedigheid moet bestendig zijn. — Zij moet gedurende geheel ons leven beoefend worden ; want de hoogmoed geneest nooit volkomen. Ieder christen moet de overtuiging met zich rond dragen, dat hij slechts op aarde is orn zich te verootmoedigen; men kan om bijzondere reden niét meer vasten, geene aalmoezen meer geven; maar men mag nooit ophouden, zich te verootmoedigen; want de hoo-caardigheid is de laatste ondeugd, waarvan men zich ontdoet.

III. Het derde geneesmiddel tegen de zinsbe-

o o

goocheliug omtrent de eigenwaarde is het beoefenen der ootmoedigheid; ziehier op welke wijze.

1. Inwendig al wat glansrijk en grootsch is, minachten als lijnrecht strijdend tegen den geest van Jezus-Christus, tegen den geest van nederigheid en ootmoed.

2. Daarentegen eene groote achting koesteren voor alles wat arm en nederig is, als bijv. voor arme menschen, armoedige huizen enz., omdat dit alles meer overeenkomt met het armoedige leven van Jezus-Christüs.

3. De kennis, de vriendschap, de gunst der rijke en aanzienlijke personen niet zoeken; liever met de armen dan met de grooten der aarde verkeeren; liever aan de zaligheid der armen dan aan die der rijken en machtigen werken, omdat het minder gevaar, meer gemak en meer voordeel voor onze ziel bevat.

4. Zich niet in schitterende bedieningen of zaken dringen, waardoor men achting kan bejagen, zelfs niet ouder het voorwendsel van ijver, als ten minste de eer van God, de liefde of de gehoorzaamheid ons dit niet oplegt.

ocr page 469

456

5. Als men verplicht is, zich in eenige zaak te mengen, altijd voor zich-zelve het lastigste en het geringste kiezen, en trachten den goeden uitslag aan anderen te doen toeschrijven.

6. Zoo min mogelijk van zich-zelve spreken en nooit tot eigen lof; nooit het goede vertellen wat men doet, als dit niet noodzakelijk of stichtend is voor onzen naasten.

7. Nooit het goede doen om het oog der menschen te trekken, noch om hun te behagen, zich hunne achting te verwerven, doch alleen om God te behagen,

8. ITet goed dat men doen kan, niet hoog achten; altoos leven in de vrees, dat het verzuim der goede meening, de begeerten van aan de menschen te behagen, de luim en eigenliefde zich in onze werken zullen dringen en datgene afschuwelijk maken in Gods oog, wat ons de achting en de goedkeuring der menschen verschaft; en wanneer men zelfs gedaan zou hebben al wat men moet doen (en wie durft zich vleien alles gedaan te hebben wat hij moest?) zich nog volgens den raad van Jezus-Christus aanzien als een onnuttig dienaar.

9. Liever het goede doen wat men in het verborgen doen kan, dan het goede dat in de oogen der menschen schittert.

10. Tevreden zijn met de weinige talenten ons door God geschonken, tevreden met den weinigen voorspoed, dien wij in ons werk, in onze bediening hebben, wel overtuigd zijnde, dat wij God meer verheerlijken door het omhelzen onzer nietigheid, dan wij het zouden doen door den voorspoed, die ons wellicht ijdel en hoovaardig zou maken.

11. Den lof zooveel mogelijk vermijden en zelfs vreezen; dien ongaarne en met schaamte ontvangen.

ocr page 470

457

altijd vreezende, dat die ij dele lof welliclit al de belooning is, die wi) voor onze goede werken zullen verkrijgen, dat zy ons de eeuwige belooaing zal doen verliezen en dat de goedkeuring der menschen r zoo wij die zoeken en er behagen in scheppen, den vloek van God over ons zal trekken.

12 Hoe grooter de voorspoed is, dien God wel aan onze goede werken geven wil, hoe dieper men zich moet verootmoedigen, zich verwonderende dat God, om zijne macht te doen uitschijnen zich van zulke zwakke werktuigen, als wij zijn, wil bedienen; Hem er getrouw al de glorie van geven, zonder het minste deeltje voor zich-zelve te behouden, zonder er het minste behagen in te vinden, zich steeds de woorden van Jezus-Christus tot zijne leerlingen herinnerende: » Verheugt u niet omdat uwe goede werken wel gelukken, maar omdat uwe namen in den hemel staan opgeteekend.quot;

13. Als wij vernederd en veracht worden, moeten wij, wel verre van ons te bedroeven en mismoedig te worden, ons verheugen en onze nietigheid hoogschatten, daarin eenigszins eene rede tot blijdschap vinden, omdat wij dan in een staat van gelijkvormigheid leven met den vernederden Godmensch.

IV. Ziehier, tot besluit, de raadgevingen door* P. Agricola gegeven aan eene religieuze, die hem hare bekoringen van ijdelheid, van eigenliefde, en ijdel zelfbehagen toevertrouwde.

1. Als de duivel der hoovaardij u zal ingeven, dat gij meer geest, meer talent, meer doorzicht, meer verstand, meer bekwaamheid, meer behendigheid hebt dan anderen, dan zeg tot u zelve: Helaas! komt al het goede dat er in mij kan gevonden worden, niet van God? Heb ik dit alles niet van zijne goedheid

ocr page 471

458

•ontvangen? Moet ik er God niet voor bedanken? Is het niet alleen tot zijne glorie en mijne zaligheid dat ik het moet gebruiken? En als ik in dit punt te kort schiet, zal ik er dan niet eens rekenschap van moeten geven in den dag des oordeels aan den Oppersten Rechter, die mij dat alles gegeven heeft?

2. Wanneer hij u zal ingeven dat gjj beter en verstandiger oordeelt, dat gij wijzer en beter spreekt, dat gij met meer voorzichtigheid en bescheidenheid handelt, dan zeg inwendig: Waar is mijn geest en mijn verstand? Waarin doe ik dit bestaan, en wat is mijne gewaande wijsheid? Dagelijks beleedig ik God door gedachten en werken, eu ik zou mij nog iets laten voorstaan op mijne wijze van denken, van spreken , van handelen !

3. Als hy u de achting zal voorstellen, die men voor u heeft, den eerbied, dien men u toedraagt, de oplettendheid en de vriendschap, die men voor u heeft, dan zeg tot u zelve: Wat zal het mij b.iten, aan de schepselen te behagen, als ik het ongeluk heb, U te mishagen, o mijn God? Alles op aarde is slechts ijdelheid, behalve God te beminnen en te dienen! O als men mij eens wel kende!

4. Als hij u wil inblazen, dat gij aan uwe gemeente, uwe kloosterorde, uwe familie, uwe bediening, tot eer verstrekt, dan zeg inwendig; Niet het goede dat ik in mijzeive zie, zal mij rechtvaardigen, maaide deugden, die ik zal beoefend, de plichten van mijnen staat, die ik getrouw vervuld zal hebben, üe menschen oordeelen naar den schijn, maar God, die harten en nieren doorgrondt, oordeelt naar waarheid.

5. Als hij u wil verzekeren, dat gij rechtzinnig, verdienstelijk, godsdienstig, rechtschapen zijt, zoo bedenk dat gij de hel verdiend hebt, dat gij niet zonder

ocr page 472

459

fouten en onvolmaaktheden zijt, dat gij veel te weinig liefde voor God eu voor uwen evennaasten hebt.

(5. Als hij u inblaast, dat gij van hooger geboorte zijt, meer opvoeding, meer fijn gevoel, meer voorkomen , meer bevalligheid, meer beleefdheid, meer welgemanierdheid dan anderen hebt, zeg: Helaas! al die voordeelen van de natuur en de fortuin dienen dikwijls slechts om God te beleedigen, ons schuldig te maken in zijne oogen, ons de genade en den hemel te doen verliezen en de hel te doen verdienen. Dit alles bevat even zoovele klippen, waarop mijne zaligheid schipbreuk kan lijden.

7. Als de duivel u zoekt te bedroeven, u te verontrusten, u in te blazen, dat men u slecht beloond, berispt, gelaakt, uw gedrag, uwe meening, slecht uitgelegd heeft, zeg dan, Ik dank u, Heer, dat gij mij behandelt zooals men uwe Apostelen en uwe leerlingen behandeld heeft, en dat Gij mij de belooninur in het eeuwige leven voorbehoudt.

O O

8. Als hij u aanzet om uwen plicht en uwe goede werken te doen om gezien en geprezen, voor eene godvruchtige en deugdzame religieuze gehouden te worden, dan zeg; Weg van mij, satan, ik wil geen getuige dan God, ik wil slechts werken voor zjjne glorie. Hij is mijn laatst en eenig doel.

9. Als men u zal toejuichen, zal prijzen, lof zal toezwaaien, dan zeg: Niet aan mij. Heer, komt lof en glorie toe, maar aan U alleen en aan uwen heiligen Naam.

10. Als de duivel u aanzet, u met overdreven netheid te kleeden, dan zeg inwendig: Eene christen

' O O

maagd moet geen ander sieraad zoeken dan het sieraad

i o n

der deugd; hare studie moet zijn, zich met Jezus-Christus, met zijne nederigheid, zijn geduld, zijne zedigheid, zijne zachtmoedigheid te bekleeden.

ocr page 473

460

ZEVENDE ARTIKEL.

Zinsbedrog omtrent de volmaaktheid.

De religieuze weet wel, dat zij geroepen is tot de volmaaktheid, dat is om haar leven meer en meer gelijkvormig te maken aan het leven van Jesus-Christus,— en dat zij naar de volmaaktheid moet streven.

Die verplichting bestaat voor eiken christen; zij kan, zij durft dit niet.loochenen. Zij weet wel, dat zij slechts naar het klooster gegaan is, dat zij slechts hare Geloften heeft uitgesproken om krachtiger hulp en overvloediger middelen te vinden om de gelijkvormigheid met Jezus-Christus te bereiken, — opdat de regel, waaraan zij zich kwam onderwerpen, langzamerhand hare natuurlijke onstandvastigheid zou matigen en eindelijk zou bestendigen, — opdat de Geloften, die zij uitsprak, haar innig aan God zouden verbinden, en haar in de onmogelijkheid zouden stellen van Hem niet te dienen.

Zij heeft begrepen , dat zij aldus door den regel geleid, -door hare Geloften weerhouden, door het voorbeeld harer medezusters gesterkt, zuiverder zou leven, — zeldzamer zou vallen, — spoediger zou opstaan, — voorzichtiger zou wandelen, — door meer genaden overladen zou ivorden, — meer vrede zou genieten — met meer vertrouwen zou sterven, — in den hemel eene schoonere kroon zou verdienen; — en het is om deze redenen, waarbij zich volgens den bijzonderen trek der genade nog hoogere beweegredenen voegden, als de ijver voor de eer van God en de zaligheid der zielen, dat zij zich door nauwere banden dan die des Doopsels aan God heeft willen verbinden, en dat zij religieuze is geworden.

ocr page 474

461

En religieust zijnde heeft zij vast besloten, al de verplichtingen na te komen, welke de volmaakte reli-

Ic/ieuze vormen, dat wil zeggen, gelijk zij het zeer wel begrepen heeft eene religieuze aan wie niets ontbreekt. Maar volmaakte religieuze is een onbepaald woord. In de eerste jaren van het kloosterleven begrijpt men die in eenen wellicht eenigszins overdreven zin, die eene wijze en verlichte leiding noodzakelijk maakt; maar langzamerhand zoekt de duivel, als de religieuze zich niet ootmoedig aan de leiding onderwerpt van diegenen, die God over haar gesteld heeft, voordeel te trekken uit de zwakheid van haren geest en zelfs uit de vermoeienis barer zintuigen, en doet baar de volmaaktheid zien, niet op eene wijze die geheel met de waarheid in strijd is, — men zou niet naar hem luisteren, — maar op eene wijze die niet geheel met de waarheid overeen komt. De duivel weet zeer goed, dat hij met de waarheid te verminderen of te overdrijven ten laatste de volmaaktheid geheel zal doen vergeten, en ziedaar de bron der zinsbegoocheling, die wij moeten bestrijden. Wij zullen in dit artikel bespreken:

1. De verschillende zinsbegoochelingen omtrent de vol

maaktheid.

2. De natuur der volmaaktheid.

3. De noodzakelijkheid der volmaaktheid.

4. De middelen om naar de volmaaktheid te trachten

en ze te bereiken.

5. De teekenen waaraan men kan erkennen, dat men

vordert op den weg der volmaaktheid.

6. De beoefening der volmaaktheid.

7. De trappen der volmaaktheid.

8. De voornaamste listen, door den duivel gebruikt,

om ons van de volmaaktheid af te trekken.

ocr page 475

462

Wij verineenen -wel te doen met eerst het zinsbedrog omtrent de volmaaktheid te leeren kennen; de natuur der volmaaktheid zal, ons erachtens, dan beter begrepen worden.

I.

itfendz ^an^ecj oocfve-tiny cvi omtzcnt dc vot-maa-fithc-id.

1. Zinsbedrog omtrent de natuur der volmaaktheid.

De volmaaktheid is voor eenige jonge, vurige, onervaren zielen :

De rust der ziel, wier zonden vergeven zijn, en die bemind wordt door dien God voor wien zij alles zoo edelmoedig heeft verlaten.

De kalmte der driften, die in de kloostermuren niet meer door hare vernederende inblazingen komen tergen.

De vreugde des harten bij het tabernakel en in de zoete uitstorting van een altijd vurig gebed.

Het geluk van het huiselijk leven, in het gemeenschappelijk leven terug gevonden.

Zoo heeft men het gedroomd, alvorens in het klooster te treden; en omdat men, in de eerste jaren van dat religieuze leven, dat men met de heiligen het aardsch Paradijs noemde, de rust der ziel en de vreugde des harten gesmaakt heeft, — omdat men den opstand der zinnen niet meer gevoeld

ocr page 476

463

heeft en met eene groote gemakkelijkheid de bekoringen des duivels wederstaan heeft, — heeft raen wellicht met eenige verwaandheid gezegd: Ik hen gelukkig r niets kost mij moeite, ik word door Gods vaderhand zoetjes naar den hemel geleid; en men verbeeldde zich, dat God tevreden was, omdat men het zelve was!

Bedrog, bedrog, mijne zuster; neen, de volmaaktheid, waarnaar gij streeft, bestaat niet in dien vrede van hart en ziel, dien gij ondervindt. Die rust, die kalmte, die vreugde zijn uw werk niet; gij gevoelt ze, gij geniet ze, maar gy kunt u die niet geven, en de volmaaktheid moet uw eigen werk zijn, door de genade geholpen.

Die rust van hatt en ziel zijn voorbijgaande, gelijk alles op deze aarde; slechts in den hemel vindt men den ongestoorden vrede, de bestendige liefde, het onbewolkte licht, de onvermengde vreugde; en weldra zult gij dit wellicht ten uwen koste ondervinden.

Allengs zal het gebed u vermoeien, de dagelijksche oefeningen u door hare eentonigheid zwaar vallen het karakter der personen met wie gij moet omgaan, zal minder aangenaam zijn, de tegenzin volgt op de geestdrift. God trekt zich terug, de duivel tergt u meer en meer, en als in u de deugd geene diepe wortelen heeft geschoten, zult gij u vervelen, zult gij klagen, zult gij berispt worden, zult gij mismoedig worden, gij zult in verslapping, gij zult in zware fouten vallen.

Het was dus de volmaaktheid niet, die staat van zalige rust; — later deelen wij u de ware natuur der volmaaktheid mede.

ocr page 477

464

2, Zinsbedrog omtrent de kenteekenen der volmaaktheid.

Talrijk zijn de begoochelingen, die ons de volmaaktheid toonen, waar zij niet is. Welke religieuze gelooft niet zeer wel te doen met zich over te geven aan de beoefening der godvruchtige werken, waartoe zij zich getrokken gevoelt ? Tevreden te doen wat zij gaarne doet, denkt zij misschien dat God dan alleen van haar tevreden is?

1. De eenen meten de volmaaktheid naar de langdurigheid der gebeden, het nauwkeurig volbrengen der godvruchtige oefeningen, het dikwijls ontvangen der IIH. Sacramenten. — Zijn zij aan God haar tijd, hare ledematen, hare vermogens niet verschuldigd?

quot; O O

en hoe kunnen zij Hem dit beter geven dan door het gebed?

2. De anderen doen de volmaaktheid bestaan in het vasten, de onthouding, de boetpleging. — Zijn zij niet in het klooster getreden om zich te versterven, zich te slachtofferen, hare eigene zonden en die van anderen te boeten? en hoe kunnen zij beter boeten en zich slachtofferen dan door het vleesch te onderdrukken en zich elke voldoening te ontzeggen, die niet volstrekt noodzakelijk is?

3. Weer anderen zien de volmaaktheid in de geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid. Moeten zij niet doen gelijk Jezus, die slechts op de wereld is gekomen om zijnen Vader te doen kennen en de zondaars te redden? en hoe kan men beter dit doel bereiken dan door kinderen te onderwijzen, bedroefden te troosten, zich op te offeren voor zieken ?

4. Anderen weder stellen de volmaaktheid in het verrichten van schitterende daden van geloof en liefde.

ocr page 478

465

Zij benijden den martelaars die tijden van vervolging, waarin zij hun geloof te midden der hevigste folteringen mochten verkondigen; — zij betreuren, niet gelijk de Apostelen geroepen te zijn om het kruis bij de heidenen te gaan planten; — zij zouden, in haar hart althans, willen vernederd en gelasterd worden, en gelijk deze of gene Heilige, wier leven zij gelezen hebben, zouden zij zich gelukkig achten, dit verbeelden zy zich althans, jaren lang op een

smartelijk ziekbed gekluisterd te zijn____

Bedrog, bedrog al wederom! Al die groote, edelmoedige daden zijn middelen tot volmaaktheid, doch de volmaaktheid zelve is het niet.

Men kan bidden, conimuniceeren, zich opofferen, en nochtans God niet behagen. God, zegt de H. Franciscus van Sales, ziet niet naar de menigte der werken uit liefde tot Hem gedaan, maar naar het vuur der liefde, waarmede, wij die verrichten.— En gij, eenvoudige zuster, in uwe eigene gemeente nauwelijks gekend, die uwe dagen doorbrengt met kleinen kinderen den Cathechismus te onderwijzen, — gij die in het verborgen uwer keuken, die aan het ziekbed van een arme door niemand gezien wordt — gy kunt, als gij wilt, aan God eene glorie bewijzen, even verdienstelijk voor u als stierft gij als martelares.

Gij kunt u even goed en zelfs gemakkelijker heiligen , omdat er minder gevaar voor u bestaat dan voor uwe medezusters, die eene hoogere bediening be-kleeden, — die in en buiten het huis schitteren door liaar verstand, hare talenten, hare aangename manieren, — die, om zoo te zeggen, de steunpilaren dei-gemeente en de hoop der toekomst zijn.

Denk een oogenblik na; deze zuster bekleedt deze schitterende bediening, omdat God haar daarin ge-

30

ocr page 479

466

plaatst heeft; gij volbrengt dus beiden den ■wil van God; — die zuster schittert slechts door een weinig verstand, haar door God geleend; gij blijft onbekend, omdat God het niet nuttig oordeelt u te geven wat Hij haar geleend heeft; gij hebt minder te verantwoorden, ziedaar alles. Diamanten die men ons geleend Leeft, vermeerderen onze persoonlijke waarde niet.

Doe datgene goed wat gij doen moet, gebruik voor God in uwe bediening al de talenten, die Hij u heeft gegeven, — en in het uur der vergelding, even als degene die meer gebeden hebben, omdat zij dit moesten doen, die meer geschitterd hebben, omdat haar een werkkring aangewezen werd, die haar meer aan de oogen blootstelde, — zult ge deze zelfde woorden hooren: Welaan, gij goede en getrouwe dienstmaagd, treed binnen in de vreugde des IIeer en !

3e Zinsbedrog omtrent de noodzakelijkheid der volmaaktheid.

Niet openlijk, niet met hare medezusters zal de religieuze de noodzakelijkheid der volmaaktheid in twijfel trekken; neen, zij zal dit doen, als zij alleen is, na de moederlijke vermaning eener Overste, die haar allengs minder regelmatig, minder ingekeerd, minder werkzaam ziet worden: na de wellicht strengere, doch altijd vaderlijke waarschuwingen van den biechtvader, beangstigd door de verslapping van den religieuzen geest en bevreesd voor zware fouten.

Niets gevaarlijker dan die oogenblikken van tweestrijd met zich-zelze, als men eenigszins gekrenkt, verbitterd, vernederd is. Dan doet de duivel eenige woorden hooren, die ons eerst ontstellen, maar die, als men ze ingang verleent, eindelijk den schijn van waarheid aannemen.

ocr page 480

467

r

n I. De religieuze staat is geen staat van volmaaht-

g heid, daar men religieuze wordt om volmaakt te

l, worden; waarom vordert men dan, dat ik volmaakt zij ?

it Neen, gjj zijt niet verplicht om nu volmaakt te zijn;

b- de Heer is te goed om zooveel van uwe zwakheid

id te vorderen, Hij stelt zich met uwe begeerte en uw

streven tevreden; maar Hij verplicht u om aan uwe )r volmaaktheid te werken; uwe Overste, uw biechtvader

ft vragen niet meer; en, zegt de H. Thomas, God

!U zelf zal u op den laatsteu dag des oordeels niet

dj vragen, of gij volmaakt zijt, maar of gij alles wat

i, gij kunt, gedaan hebt om het te worden.

ar Welnu, gebruikt gij alle zorg om volmaakt te

ie worden, als gij u tevreden stelt, de geboden Gods en

oe de volstrekte verplichtingen uwer Geloften na te komen,

i / ftls gij u geene moeite geeft om in den geest des

geloofs te wandelen, uw gebed en meditatie met zorg te doen, nauwgezet, ingetogen en verstorven te leven.

Tracht gij met ernst volmaakt te worden, als gij le u in niets wilt versterven, als gij mort en tegenspreekt,

in wanneer men u uwe fouten verwijt, als gij niet zoekt

en te verbeteren wat men u onder het oog brengt?

lie De gesteltenis waarin gij verkeert, is zeer gevaarlijk;

d, ziehier wat zij doet veronderstellen:

re, !• L)at gij slechts ten halve aan God toebehoort,

it- dat gij uw hart verdeelt tusschen God en uw gemak,

li- tusschen den Hemel en de aarde.

2. Dat gij door uw gedrag en door uwe daden ie- eenigszins het offer van u zelve, dat gij zoo geheel

ft, en zoo edelmoedig gedaan hebt op den dag uwer

ge professie, terugneemt, en dat gij, om zoo te zeggen,

iar betreurt van zooveel aan God gegeven te hebben,

ijn 3. Dat gij misbruik maakt van de genaden aan

uwe roeping verbonden en geen werk maakt van de

ocr page 481

468

uitnoodigingen, de liefkoziugen, de belooningen van Jezus-Christus.

4. Zeker is het niet noodig naar de volmaaktheid te streven door al de daden, die zouden kunnen helpen om ze te verkrijgen; het is genoeg daarnaar te streven door de beoefening der christelijke deugden, de Geloften der H. Religie, en door het naleven der Constitutiën uwer instelling; — maar als gij u weinig bekommert om de middelen, die u aan de hand gegeven worden, om u te helpen de deugd te beoefenen en uwe geloften na te komen, is het dan niet te vreezen, dat gij in zware zonden zult vallen? Hij die niet rechtvaardig is in het kleine, zal ook in het grootere niet rechtvaardig zijn. (Luc. XVI, 10.)

Zeker is het genoeg om naar de volmaaktheid te streven, dat men de zware zonden vermijdt; maar om die te vermijden is het van groot belang ook de kleine zonden zooveel mogelijk te vermijden.

Zeker zijn, volgens den H. Thomas, de herhaalde overtredingen van den regel geene verachting van den regel, uit zich-zelven; doch zeer gemakkelijk zal deze verachting allengs ontstaan, zoodat het ten laatste moeielijk wordt al of niet te zeggen waar zij bestaat of niet bestaat. Later spreken wij van de noodzakelijkheid van naar de volmaaktheid te streven

II. Maar al ga ik niet vooruit, zoo ga ik toch niet achteruit.

Dit is een grove dwaling! — Zeker kan men niet al leerstellig grondbeginsel vaststellen, dat stilstaan achteruitgaan is; er is een zeker leven noodig om te midden van een stroom stil te kunnen blijven, en dit leven kan genoeg zijn voor eene ziel om niet allen moed te verliezen; maar de leer van alle Heiligen, op de ervaring gegrond is, dat stilstaan achteruitgaan is:

ocr page 482

469

1. Omdat er in de wereld geen stilstand bestaat; dit voorrecht behoort slechts aan God alleen, die altijd de zelfde is, bij wien geen verandering bestaan kan.

2. Omdat wij, ten kwade geneigd zijnde uit ons zeiven, eene voortdurende hulp en eene groote oplettendheid noodig hebben om niet te zondigen. Ons hart is eene vervloekte aarde, die uit zich zelve slechts onkruid voortbrengt; de driften overmeesteren haar spoedig, als men ze niet telkens onderdrukt.

3. Omdat, zegt de H. Gregorius, het met ons in het geestelijk leven juist gaat als met een man die midden in een snellen stroom zwemt; zoodra hij zijne ledematen niet beweegt, wordt hij door den stroom medegevoerd. De weg der volmaaktheid, dien wij moeten bewandelen, is zoo tegenstrijdig aan onze natuur, door de zonden bedorven, dat hij die niet altijd zoekt vooruit te komen, door de onstuimigheid zijner driften wordt mede gevoerd.

III. Maar de volmaaktheid is eene geheele inwendige zaak; mijne Overste en mijn biechtvader kunnen niet alles zien wat er in mij omgaat.

De volmaaktheid is inwendig, dat is waar; maar hare uitwerkselen vertoonen zich op meer of mindere wijze naar buiten, en het is door hare uitwerkselen dat uwe Oversten grondig kunnen oordeelen over uwe vorderingen of uwe verslapping. Zij laten aan God het oordeel over uw geweten, doch zeggen u dat uw gedrag het gedrag eener goede religieuze niet is.

Ziehier, zoo gij wilt, nog eenige kenteekenen van voortgang eener ziel in de volmaaktheid. Zoo gij die in u bespeurt, dan loof er God voor; bespeurt gij ze niet, zoo verneder u, en wees ootmoediger, als gij berispt wordt.

ocr page 483

470

1. Tlene novice moet goJsdienstiger, bedaarder, zediger in baar handel en wandel en zachtmoediger in haren omgang zijn, dan een wereldsch persoon.

Eene geprofeste religieuze moet meer ingekeerd, meer inwendig zijn dan eene novice.

Eene religieuze die sedert jaren geprofest is, moet veel nauwkeuriger, veel geduldiger zijn, veel meer met God vereenigd leven dan zij het bij hare Professie was.

2. Dat karakter, zoo trotsch en hoovaardig uit de natuur, moet door den invloed der genade allengs nederiger, ootmoediger, gedienstiger worden.

Die wil, die opbruiste bij het woord van onderwerping alleen, moet allengs gehoorzamer en buigzamer worden.

Dat hart, met zoovele natuurlijke genegenheden, moet op eene veel meer bovennatuurlijke wijze beminnen en terzelfder tijd veel liefderijker voor allen worden.

De driften over het algemeen moeten meer ver storven worden, de gehoorzaamheid moet vaardiger, de liefde zachtmoediger eu zoetaardiger, de godsvrucht levendiger en werkdadiger worden.

r-\ •

De pogingen, die men aanwendt om volmaakt te worden, brengen noodzakelijk deze uitwerkselen voort, hoewel in grootere of kleinere mate. — Later znllen wij nog andere teekenen opgeven, waaraan gij zult kunnen zien, of gij voortgang doet in de volmaaktheid.

IV. Maar de Heiligen hadden ook hunne fouten; men kan dus volmaakt zijn met fouten.

1. Ja zeker; men kan met fouten heilig zijn; men kan den wesj der volmaaktheid volgen zonder volmaakt

O O

te zijn; want de volmaaktheid hier op aarde is minder eene volkomen volmaaktheid, ontdaan van vrijwillige

ocr page 484

471

fouten, dan wel eene volmaaktheid van den toil, welke voldoende is om op eene zoo volmaakte wijze te handelen, als God het van de ziel wil. God laat dikwijls gebreken aan de zielen, die met den grootsten moed naar de volmaaktheid streven:

a. Om ze aan den gang te houden, en haar te beletten in verslapping te vallen, door een bijna voortdurenden strijd.

b. Om ze in nederigheid te houden en haar te beletten zich te verheffen over de bijzondere genaden, die Hij haar geeft.

c. Om haar gevoelens van liefde, van medelijden, van barmhartigheid te geven voor diegenen harer omgeving, die ook gebreken hebben.

Doch als men met gebreken heilig kan zijn, zoo is dit slechts op voorwaarde, dat men ze met zorg onderdrukke, en bijna onophoudelijk werke om ze te verbeteren.

2. Men kan heilig zijn niet alleen met gebreken, maar nog met vrijwillige onvolmaaktheden, waarin men somtijds valt, hetzij uit broosheid, of wel door eene niet altijd verschoonbare onwetendheid; maar men moet onophoudelijk strijden.

Het kan zelfs gebeuren, — wij hebben dit reeds gezegd, — dat eene heilige en volmaakte ziel in eene dagelijksche zonde valt, zonder dat men zou kunnen zeggen, dat zij niet volmaakt is. Dit is het gevoelen van Benedictus XIV, die uitdrukkelijk zegt, dat eene dagelijksche zonde, bij verrassing gedaan, de ware heiligheid niet belet; hetgeen bevestigd wordt door deze woorden van den H. Antonius: »Als het gebeurt, dat de Heiligen des Heeren somtijds vallen als menschen , veeleer door de zwakheid der natuur dan uit neiging tot de zoude, staan zij op om des

ocr page 485

472

te vuriger vooruit te snellen; en de schaamte over hunne zwakheid zet hen aau tot een vurigen strijd, zoodat hun val, wel verre van een beletsel tot hunnen voortgang te zijn, hun een nieuwen ijver schijnt gegeven te hebben. — Staat er daarenboven niet geschreven, dat de recldvaardige zevenmaal daags valt? De Heiligen kunnen somtijds vallen; maar zij herstellen spoedig hunne fout, en vernederen zich daarover, zoodat hun val hun, om zoo te zeggen, tot voordeel strekt.quot;

II.

Qfiatum dct votmaahthamp;id,

I. Men noemt volmaakt, zegt de H. Thomas, een wezen, waaraan niets ontbreekt om te zijn wat het zijn moet.

Een christen, dat is een menschelijk schepsel door het Doopsel aan Jezus-Christus toebehoorende en daardoor verplicht om Jezus-Christus te kennen, te dienen en te beminnen, zal volmaakt zijn, als hij Jezus-Christus kent, dient en bemint zooveel hij kan.

Eene religieuze, dat is een christen, die door de geloften, welke zij uit vrijen wil uitgesproken heeft, aan haren wil, hare goederen, hare familie, aan de vreugden die zij in eigen gezin zou kunnen smaken, verzaakt om getrouwer Jezus-Christus te dienen, om Hem edelmoediger te beminnen, zal volmaakt zijn, als zij de gehoorzaamheid, de zuiverheid, de armoede betracht zooveel zij kan.

ocr page 486

473

r

3r De volmaaktheid bestaat dus voor de schepselen

1, hier op aarde in het streven naar het doel, waartoe

m zij geschapen zijn, of dat zij volgens hare natuur

it zich hebben voorgesteld te bereiken. (*)

3t Welnu dit doel is, zich met God als met haar

is laatste einde te vereenigen; de liefde is de band der

ij volmaaktheid (Coi.oss. III, 14); en daar de zonde van

h God verwijdert en de deugden ons nader tot God

i, brengen, moet men om tot deze vereeoiging te

geraken:

1°. Zich heijceren om elke sonde, zelfs de dagelijksche,

te vermijden.

2°. Zich beijveren om de deugden te beoefenen. 3°. Zich beijveren om deze deugden in uitmuntenden graad te bezitten.

Een enkel woord vat deze middelen samen: tracht uwen toil met den wil van God, te vereenigen; want God wil, dat wij de zonde vermijden en de deugd , beoefenen.

t De vereeniging van onzen wil met dien van God

doet ons in alles aan Hem gehoorzamen. Ziedaar r .-i dus de volmaaktheid, zij is daar geheel en daar alleen; i amp; en hoe inniger onze vereeniging met God is, hoe

) (*) De volmaaktheid bevat, volgens den H. Thomas, drie zaken. —

De eerste, dat men geene enkele fout noch gebrek hebbe; want elke i fout en elk gebrek is strijdig tegen de volmaaktheid. — De tweede,

dat men alle deugden bezitte; want rij brengen bij tot de volmaakt-i heid. — De derde, dat men alle deugden in uitmuntenden graad

gt; bezitte; want men zegt niet, dat eene middelmatige deugd volmaakt

is, even als men van een werk niet /egt, dat het volmaakt is, als ' P' deszelfs deelen, al ontbreekt er geen enkel deel, middelmatig zijn. ' Daarom is niemand op aarde volkomen volmaakt, omdat er niemand

, is zonder gebreken, niemand die alle deugden in nitmantenden

. «j graad bezit.

Daarom zeggen wij dan ook, dat de verplichting bestaat om naar de volmaaktheid te streven, en niet om volmaakt te zijn.

ocr page 487

474

meer zij ons aanzet, niet alleen aan Gods geboden, maar ook aan zijne raadgevingen en zijne minste wenken en begeerten gehoor te geven; des te grooter is onze volmaaktheid, des te nader brengt zij ons tot ons einde. Wij gevoelen dit zoodanig, dat de enkele gedachte van vereenigd te zijn met God, met dit oneindig groot, oneindig goed, oneindig barmhartig, machtig, eeuwig onveranderlijk wezen, en de begeerte in beoefening gebracht van te willen wat Hij wil, ons bedaart, ons doet berusten, ons gelukkig maakt,— terwijl wij ongerust, gekweld, gejaagd zijn, zoo vaak wij iets doen dat ons, ook zelfs maar een oogenblik, van Hem afscheidt. Er ontbreekt ons iets, wij zijn onvolmaakt.

De vereeniging van onzen wil met den wil van God is besloten in het gebod van God te beminnen. Beminnen is zich veréénigen, het is trachten om van twee wezens slechts één te maken, door den wil. God beminnen boven al, zoodat men elke zware zonden vermijdt, is een begin van volmaaktheid. Het is het gebod aan alle christenen gelijkelijk gegeven. — God beminnen boven al, zoodat men zelfs de kleinste zonde vermijdt, is een hoogere trap van volmaaktheid, maar het is de volkomenheid der volmaaktheid nog niet, daar dit een gebod is dat alle menschen eenigszins

O O

verplicht. — God beminnen boven al, zoodat men alles vermijdt wat Hem mishaagt, om alles te doen wat Hem aangenaam is, ziedaar de bijzondere en volkomene volmaaktheid. Naar deze moeten wij verlangen, moeten wij streven, en om deze te bereiken, hebt gij, religieuzen, uwe HH. Gelolten uitgesproken,

II. Deze leer is die van alle Heiligen.

De volmaaktheid, zegt de H. Vincentius ii Pau!o, bestaat in ééne zaak, in het volbrengen van den wil

ocr page 488

4.75

van God. Indien het volgens de woorden van Onzen Heer voldoende is om volmaakt te zijn, dat men zich-zelven ver zake, zijn kruis opneme en Hern volge, wie verzaakt zich-zelven meer, wie draagt beter zijn kruis, wie volgt den Heer beter, dan hij die zich toelegt, niet zijn eigen wil, maar den wil van God te volbrengen? Om heilig te worden moet men zich slechts gewoon maken, in alles te willen wat

„ _____ is oncrelukkicr, zegt de H. Franciscus vau

t o O 7 ^

Sales, dat wij altijd God willen dienen op onze manier ' en niet op de zijne, volgens onzen wil en niet volgen* Iden zijnen. Als Hij wil dat wij ziek zijn, willen

• wg gezond zijn; als Hij wil dat wij Hem door ons lijden dienen, willen wij Hem dienen door onze werken; — als Hij wil dat wij Hem dienen door de liefde, willen wij de ootmoedigheid betrachten; als

van ons gelatenheid en berusting in zgnen wil vraagt, willen wij het gebed, de godsvrucht of eenige | andere deugd; en dat niet omdat de zaken, die wij pwenschen, aangenamer zijn aan God, maar omdat zij meer naar onzen smaak zijn. Dit is zeker hot grootste beletsel, dat wij aan onze volmaaktheid kunnen stellen; want het valt niet te betwijfelen ,

• dat zoo wij heilig willen worden naar onzen wil, 1 wij het nooit zullen worden. Om waarlijk heilig te

zijn, moet men heilig zijn volgens Gods wilquot;

III. Dit is de leer van Jezus-Ohristus, die ze ous door woord en voorbeeld gepredikt heeft. \ De vereeniging van zijnen wil met den wil van God. |j vervulde zijn geheele leven, zg was zijn voedsel, zij onderhield in Hem het leven van den God-Mensch. Het eerste woord, dat Hij op deze wereld komende uitsprak, was: Zie ik kom, o God! om Uwen wil

ocr page 489

476

te volbrengenals wilde Hij ons zeggen, dat daarin voor Hem alles besloten lag.

Hoe, zegt Mgr Gay, komt Hi) dan niet werken, prediken, lijden, sterven, de liel overwinnen, de Kerk stichten en de wereld door zijn kruis redden?

Dit is de taak Hem opgedragen, Hij weet dit; toen j zijne oogen zich openden, heeft Hij alles gezien, niaa en alles wat zijne oogen zagen, heeft zijn Hart een], onmiddelijk omhelsd; Hij wil alles tot de letter vol- q0(j brengen. Hij wil dit met een oprechten, liefdevollen, ajje krachtdadigen wil en in zijn Hart wordt alles even snel volbracht als voorgesteld. Maar Hij wil dat \Yee alles, omdat het de eeuwige wil zijns Vaders is. Zijn wil alleen treft Hem en doet Hem besluiten; Hij ziet al het overige, doch beschouwt slechts dezen wil; van dezen wil alleen spreekt Hij, van dezen wil alleen wil Hij afhangen. Die goddelijke wil is Hem oorsprong, einde, beweegreden, licht, steun, woning, voedsel, belooning, alles in één woord.

Hij stelt zich er in, Hij schikt er zich naar, Hij • besluit er zich geheel in, en als Hij later zulke verhevene, zulke ongehoorde, zulke bovenmenschelijke zaken zal doen, zal Hij nochtans slechts die eene zeer eenvoudige zaak doen, welke de kleine kinderen zelfs kunnen navolgen; Hij zal den wil doen van den Hemelschen Vader, Hij zal zich daaraan geheel toewijden en zich geheel daaraan overgeven.

De volkomen overeenstemming van onzen wil met den wil van God, ziedaar dus wat ons het naaste bij Jezus-Christus en bijgevolg bij de volmaaktheid brengt; en onze volmaaktheid zal des te grooter zijn, naarmate onze overeenstemming met Gods wil inniger zal wezen.

e

zegd ring' midc nooc nam naht

11 voln heili zich ond( te le heid plic' zijn die

I]

voln zij : teni Indi

ocr page 490

477 III.

^Loodamp;a^cCij-ft'ficid van Aet otteven ■naaz, de- vo-Cmaafitficid.

I. Alle Christenen zijn verplicht naar de volmaaktheid te streven in eene zekere maat, overeenkomstig hunnen staat; want allen zijn verplicht i quot; God te beminnen, uit al hunne krachten en boven ' alle zaken. liet is de wil Gods, dat gij volmaakt zijt, schreef de IL Paulus aan de geloovigen. (I Thess. IV, 3.) dat Weest volmaakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is, ■'ï11 zegde Jezus-Christus tot al degenen, die hem om-ringden, en tot alle menschen (Matth. V, 48). De middelen waardoor de wereldsche personen naar deze noodzakelijke volmaaktheid moeten streven, zijn het ■ein nauwkeurig naleven der geboden Gods en het getrouw uo' nakomen van de plichten van hunnen staat. TT.. II. De religieuzen zijn verplicht tot eene hoogere J ' volmaaktheid dan wereldsche personen, krachtens de erquot; heiligheid van hunnen staat, door welken staat zij zich verbinden, niet alleen de geboden Gods te onderhouden, maar ook de Evangelische Raden na te leven door de geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede. Deze drie geloften voegen nieuwe 1 plichten bij die waartoe zij als Christenen verbonden i zijn, en vormen ook voor hen plichten van staat, li die zij getrouw moeten naleven.

,ste j III. De religieuzen zijn nochtans niet verplicht, volmaakt te zijn; maar zooals wij reeds gezegd hebben , ln' zij moeten, zoodra zij door de Professie de verbintenis hebben aangegaan, naar de volmaaktheid streven; Indien zij rechtstreeks of zijdelings verzaakten aan

inn

:eii, de en? oen en, [art

[jke

3ne ren

jan

ocr page 491

478

de meening, die zij bij hunne Professie hadden van naar de volmaaktheid te streven, of indien zij den wil daartoe niet behielden, zouden zij ia staat van zonde verkeeren; zij zouden de beloften schenden, bij hunne Professie aangegaan.

IV. De religieuzen zijn niet verplicht, naar de volmaaktheid te streven door alle daden, welke kunnen helpen die te verkrijgen, doch alleen door de beoefening der christelijke deugden en het naleven harer HH. Geloften en Regelen. — Het zou eene grove dwaling en eene aanleiding tot wanorde in de gemeente zijn, indien eene religieuze zich verplicht of getrokken gevoelde, alles te doen wat in de god- 1 vruchtige boeken wordt aangeraden, — alles na te volgen wat de Heiligen gedaan hebben, — alle goedgekeurde devotiën te omhelzen, — in alle broederschappen te treden en het getal harer gebeden steeds te vermeerderen. Hoe groot ook de vurigheid eener religieuze zij, moet zij niets ondernemen wat buiten of boven haren Regel is, zonder goedvinden harer Overste, en in zekere gevallen zelfs van haren biechtvader.

IV.

wijzz waarop men naaz de, votmaa-ktfieid tnoet tzachten.

De verplichting door God opgelegd van naar de volmaaktheid te trachten , doet van den kant van God de middelen veronderstellen om tot de volmaaktheid te komen; — en deze middelen heeft God overvloedig rond de religieuze geplaatst.

ocr page 492

479

De voorwerpen die zij ziet, de gesprekken die zij hoort, de voorbeelden die zij onder het oog heeft, alles brengt haar tot de volmaaktheid. Hare zusters dienen haar tot stichting, hare Oversten houden haar in haren plicht door hare waakzaamheid, geleiden de haar door haren raad, beletten haar door hare zorg-len vuldigheid in zonde te vallen, helpen haar opstaan be- door hare zoete en wijze vermaningen -- De oeferen ningen der gemeente wekken haar voortdurend op en ondersteunen haar. O hoezeer moet zij God bedanken!

I. Die middelen zijn voor haar vervat in het getrouw naleven van den Regel. De regel is voor elke religieuze de openbaring van den wil van God, dien wil waarmede zij, wil zij volmaakt zijn, zich op het innigste moet vereenigen.

Later zullen wij de voordeelen beschouwen aan het nakomen van den Regel gehecht, thans bepalen wij ons tot dit woord van den H. Franciscus van Sales: De voorbeschikking der religieuzen is gehecht aan hare naleving der regelen. Het is, voegt de H. Liguori er bij, de kortste weg om tot de heiligheid te geraken; het is zelfs de eenige, want elke andere weg geleidt niet naar het doel

Vrij moge dus de religieuze zich zware boetple-gingen opleggen , lange gebeden en andere oefeningen van godsvrucht verrichten; indien zij dikwijls en als uit gewoonte de kleinste punten van den Regel overtreedt, zal zij geen den minsten voortgang op den weg der volmaaktheid makeu. Zij zal werken, bidden , zich versterven; maar God zal het niet aannemen, omdat Hij het niet wilde, — op die wijze niet wilde, — of het op dit oogenhlik niet wilde.

II. De middelen door den Regel aangeboden zijn gemakkelijk te kennen. — De religieuze behoeft niet

ocr page 493

480

te zoeken nocli te vragen wat zy doen moet, zij ziet het, zij weet het, zij kent het, elk oogenblik van den dag geeft haar gelegenheid, nieuwe vorderingen te maken.

Zij zijn juist bepaald. — De Regel laat niets aan den willekeur; hij bepaalt, hij omhelst alles.

Zij zijn binnen het bereik van allen. — De Regel is met maat en wijsheid opgesteld door personen die de menschelijke zwakheid kenden; hij heeft verzachtingen voor de zwakken en dispensatiën voor degenen, die hem niet in zijn geheel kunnen naleven.

Zij zijn veilig. ■— De Regel heeft alle kloosterlingen die in den hemel zijn, geheiligd; en zeker Paus zegt zelfs, dat hij geen ander mirakel zou vragen om een kloosterling in de rei der Heiligen te plaatsen, dan de verzekering zijner volmaakte getrouwheid aan al de punten van den Regel.

Zij brengen vele vruchten van deugd voort. — Het nakomen van den Regel sticht; het stelt aan geene ijdele glorie bloot; het doet ons elk oogenblik de zachtmoedigheid, het geduld beoefenen, aan eigenwil verzaken, de fouten van den evennaaste verdragen; het doet ons elk oogenblik onwaardeerbare schatten van genade en verdiensten verkrijgen. Dagelijks ziet men in de religieuze communauteiten getrouwe en vurige zielen die, zonder iets buitengewoons te verrichten , door eene nauwkeurige naleving barer regelen tot eene groote heiligheid geraken.

» Daarom,quot; aldus besluit P. Neveu, »kan men tot elke religieuze zeggen, evenals Mozes zegde tot het volk van Israël: De middelen, die ik u ter uwer heiligmaking aanbied, zijn niet boven uwe krachten, noch zoover boven u verheven, dat gij ze niet kunt bereiken, noch zoover verwijderd dat gij ze niet kunt kennen,

ocr page 494

„ 481

T

zij zij zijn voor uwe oogen , in uwe handen , in uwe regelen. ik Om heilig te worden behoeft gij dus uwen Regel

equot; slechts trouw na te komen.

m

V.

cfee-fiene-n waazaan mamp;n -kan ezamp;enncn, o| men in de v otmaa fithzid

Onder de teekenen, die de religieuze kunnen geruststellen omtrent haren voortgang op den weg der volmaaktheid zijn:

De eene geheel inwendig. — Eene religieuze mag zonder vrees voor dwaling vertrouwen, dat zij op den weg der volmaaktheid is, als zij in zich de begeerte voelt vermeerderen om heiliger te worden, en dat die begeerte gevestigd is op de kennis, die zij heeft van de plichten van haren staat, en op de overtuiging, dat hoe heiliger zij is, hoe meer zij God zal verheerlijken.

Als zij dagelijks tracht hare neigingen, hare eigenliefde , haar lastig karakter, hare zinnelijkheid, haren geest van onaf hankelijkheid te bestrijden, in de hoop van daardoor zich meer waardig te maken van dien God aan wien zij zich geschonken heeft.

Als zij de oefeningen der gemeente godvruchtig, naarstig, gaarne bijwoont; als zij zich gelukkig acht. met hare zusters te leven, te bidden, met haar onder Gods oog vereenigd te zijn.

31

ocr page 495

482

Als zij getrouw is op de kleine punten van den Kegel, en de kleinste vrijwillige fout vermijdt met de gedurige gedachte, daardoor aan God te willen behagen en God tevreden te stellen.

Als zij zich niet ontstelt over de onvolmaaktheden die zij dagelijks bedrijft, maar er zich eenvoudig over vernedert; als zij vreedzaam de berispingen haar gegeven aanneemt, en, in plaats van den moed te verliezen, haar kalm en werkzaam leven hervat.

II. De andere teekenen zijn uitwendig, doch kunnen saamgevat worden in dit woord: de Heiligen beklagen zich niet. — Hoe dichter zij bij God komt, hoe heiliger zij wordt, hoe beter de religieuze leert lijden en tevreden zijn met allen en met alles.

Zij klaagt noch over het weder, noch over de groote koude of warmte, en neemt gewillig al de kleine verstervingen daaraan verbonden aan. Zij zal niet klageu over eene slecht sluitende deur of venster; zij verhardt zich niet tegen de smart, doch verdraagt ze zonder bij ieder over den treurigen toestand harer gezondheid te klagen.

Zij beklaagt zich niet over hare bediening, en welke deze ook zy, is zij er tevreden mede, omdat God door hare Overste ze haar heeft opgelegd. — Is de bediening moeielijh? — zoo bemint zij ze dubbel, omdat ze des te verdienstelijker is; is ze nederig? — zoo bemint zij ze nog meer, omdat ze haar op hare plaats houdt, ver van het oog der menschen. Nooit hoort men haar zeggen: Ik hen voor die bediening niet geschikt; zij strijdt tegen mijn smaak en mijne neiging; ze valt mij te zwaar; ze belet mij te bidden...

Zij klaagt niet over hare Overste, omdat zij in haar den persoon van Jezus-Chiistus ziet, en hare bevelen, hare raadgevingen, hare vermaningen aan-

ocr page 496

483

neemt als van. God komende. — Zij zegt niet, dat het hare Overste mangelt aan voorzichtigheid, aan doorzicht, aan bekwaamheid, aan ondervinding, dat zg de lijn te strak houdt;... neen, al wat zij doet, schijnt haar goed. Zij klaagt niet over hare zusters... Zij verdraagt hare gebreken met een hart vol medelijden, en denkt dat hare zusters haar ook moeten verdragen;— zij verdraagt haar karakter, hoe lastig het ook moge ziju, en toont nooit de moeite die zij zich aan moet doen om goed, minzaam, voorkomend ten haren opzichte te wezen; — zij verdraagt hare lichamelijke gebreken, en bewijst haar alle diensten, die in haar vermogen zijn. Zij klaagt noch over den levensregel van het huis, noch over de wijze waarop men haar behandelt, in kleeding, in woning, in bedieningen of bezigheden. 5gt;De zinnelijke, zegt een godvruchtig schrijver, putten den kwaden geest in de eetzaal, terwijl de Heiligen er den geest van versterving en groote verdiensten voor den Hemel putten. De Heiligen vinden alles goed; en, wel verre van zich te beklagen, verlangen en zoeken zij overal het slechtste en geringste.quot;

De goede religieuze leeft in een bijna aanhoudenden vrede, en die vrede maakt haar minzaam, vriendelijk, voorkomend, doet haar eenvoudig al de kleine verlichtingen die men haar aanbiedt, aannemen, en maakt haar dankbaar voor al wat men voor haar doet.

Zij leeft ook in eene bijna voortdurende vreugde en tevredenheid; want de heilige vreugde en de tevredenheid in den dienst van God is een bewijs van oprechte deugd en heiligheid; en de H. Bonaventura vreest niet te bevestigen, dat de geestelijke vreugde een bewijs is, dat de heiligmakende genade in eene ziel woont. De ontevredenheid, het verdriet, de

ocr page 497

484

klachten, de treurigheid daarentegen zijn een slecht teeken; en als gij eene religieuze ziet door deze geestelijke ziekte aangetast, dan beklaag haar en bid voor haar....

VI.

özjamp;niny det votwaafitfieid.

Daar de middelen om de volmaaktheid te verkrijgen , bestaan in eene getrouwe naleving der regelen, en daar de regelen al onze dagelijhsche oefeningen omhelzen, moet men zich vooral toeleggen om elk dezer oefeningen wel te doen. Wij zullen dus aantoonen:

1. De regels om de dagelijhsche werken wel te doen.

2. De toepassing dezer regels op elk onzer dageoefeningen.

A.

Regels om onze werken wel te doen.

Willen wij dat onze werken verdienstelijk voor den hemel zijn, zoo moeten wij ze doen.

1. Met een zuiver geweten.

Is ons geweten met een doodzonde bezwaard, dan zyn al onze werken, zelfs de heiligste, zonder verdiensten in Gods oog, zonder waarde voor den hemel. Welk een verlies voor ons, die den geheelen dag werken! Deze werken, zoo zij wezenlijk goed in

ocr page 498

485

zich-zelveii zijn, zijn niet geheel onnuttig; zij zetten God, die toch zoo gaarne gebruik maakt van elke gelegenheid, die wij zijne barmhartigheid aanbieden, aan, om ons de genade van bekeering te verleenen, en bereiden onn gemoed tot oprecht berouw; — doch het zgn onvruchtbare werken, doode werken, waarvoor wij nooit eenige belooning te hopen hebben.

O, trachten wij dan steeds in staat van genade te zijn! Hoe volmaakter wij dien staat beleven, hoe meer verdiensten onze goede werken zullen hebben, hoe meer glorie zij aan God zullen geven! Zoodra wij ons, al is het slechts aan eene dagelijksche zonde, schuldig gemaakt hebben, moeten wij ons vernederen, en de fout uitwisschen door de middelen die de H. Kerk ons zoo overvloedig ter beschikking stelt, als het kruisteeken godvruchtig met gewijd water gemaakt, eene akte van liefde tot God met een oprecht gevoel van berouw, van onderwerping, van toewijding

gebeden;..... en mochten wij, wat God verhoede, eene

doodzonde bedreven hebben, vragen wij dan zoodra mogelijk verlof om te mogen biechten, en leggen wij ons vooral nooit ter ruste zonder eene akte van oprecht berouw.

2. Met eene zuivere meening.

Het is de meening, die waarde geeft aan onze kleinste werken; als men die verricht voor God, als men ze opoffert aan God, deelt men hun iets goddelijks mede, en God maakt ze zijner waardig door ze aan te nemen. O, wat is de dag, dien men God toewijdt, een welbesteed de dag! welke eer bewijst aan God die dienstmaagd die alles doet wat Hij wil, zoo als Hij het wil, en die Hem al wat zij doet, met liefde aanbiedt!

ocr page 499

486

Als men handelt uit luim, uit neiging, uit gewoonte, uit eigen wil, uit menschelijk opzicht, uit schijnheiligheid , uit praalvertoon, uit eigenbelang, werkt men zonder eenige verdiensten voor den hemel; het is dikwijls werken tot bezwaar van het geweten.

3. Met orde en nauwgezetheid.

Orde en deugd zijn twee woorden die bijna de zelfde zaak beteekenen. Hoe goed de zaak ook zij, die gij doet, als gij ze niet met orde doet, doet gij ze niet gelijk het behoort.

Het humeur geleidt de dieren, de rede bestuurt den mensch; het Evangelie den christen, de Regel de religieuze, de orde alle wezens.

De orde vormt het paradijs, de wanorde de hel.

De rede wil somtijds, dat men van de voorgeschreven orde afwijke, doch dit is slechts om eene volmaakter orde te volgen die ons wordt voorgeschreven door noodzakelijkheid, door ziekte, door de gehoorzaamheid.

De nauwgezetheid ondersteunt de orde. Zij bestaa.t in het verrichten van al de werken, ons door onzen plicht opgelegd, op den tijd, op de plaats, op de wijze die ons voorgeschreven worden.

Indien wij onze werken niet met orde en nauwgezetheid verrichten, ontaarden wij die, om zoo te spreken; wij maken ten minste, dat ze onvolmaakte werken zijn, en verminderen op die wijze meer of minder de waarde die zij kunnen hebben.

4. Met vurigheid.

1. Met vurigheid handelen is moedig en vaardig handelen, juist niet met smaak, met genoegen, met natuurlijke gevoelige vurigheid.

ocr page 500

487

De vurigheid gaat wel gewoonlijk vergezeld met dien gevoeligen smaak, doch zij is daarvan niet onafscheidelijk. Men kan zeer vurig zijn, en eene natuurlijke walging gevoelen, een grooten weerzin hebben voor hetgeen men doet, en er slechts last en dorheid in vinden, De vurigheid bestaat vooral in den wil, zij doet ons handelen ondanks allen tegenstrijd; en juist dan is zij beter gevestigd en meer verdienstelijk, daar wij slechts uit plichtgevoel handelen.

2. Met vurigheid handelen is niets ten halve verrichten , niets doen met die onachtzaamheid die de vrucht is van de lichtzinnigheid en traagheid en de geesel van het religieuze leven. Als men zoo handelt, zegde eene heilige religieus, durft men een weinig, maar men durft niet genoeg. Men zou wel iets willen doen om het geweien te doen zwijgen, doch het mag niet veel kosten. Alles wordt ter nauwernood, ten halve, slordig, uit gewoonte gedaan. Men zoekt in niets de volmaaktheid. Niets draagt den stempel van het voltooide, het goed afgewerkte. Men sleept zich voort in plaats van te gaan; men stelt zich voor, iu plaats van te handelen; men maakt plannen, in plaats van ze uit te voeren; men raakt den plicht met den vinger aan, in plaats van hem met beide handen te vatten; men mijmert, in plaats van te mediteeren; men mompelt, in plaats van te bidden.

5. Met volharding.

Dat wil zeggen met aanhoudendheid, — tot het einde toe doen wat geboden wordt, — het dagelijks doen als het dagelijks voorgeschreven is,—de laatste regel eener bladzijde zoo goed schrijven als de eerste, den laatsten steek eener naad zoo goed doen als den eersten, —■ de laatste minuut van den dag even goed besteden als de eerste.

ocr page 501

488

Niets valt moeielijker dan die bestendigheid in het werken; de eentonigheid veroorzaakt zoo licht tegenzin ; de vermoeienis veroorzaakt zoo licht verslapping. Men moet, wel is waar, soms rusten; maar meu moet ook dagelijks zijn moed aanvuren en den blik ten Hemel slaan.

B.

Toepassing der kegels om al onze werken wel te dokn.

Wij willen hier slechts vluchtig de meening aanstippen , die wij bij alle werken moeten maken, en de oefeningen, die wij moeten verrichten om den wil van God des te beter te volbrengen, om op die wijze tot de volmaaktheid te geraken, waartoe wij krachtens onzen roep verplicht zijn.

Het opstaan.

Vaardigheid, — zedigheid, — eerste gedachte voor God, — opoffering van zich-zelve, — blijdschap van weder eenen dag voor God te mogen werken. Mond-gebed of nadenken over de stof der meditatie, terwijl men zich kleedt.

De meditatie.

Zich daartoe met hart en ziel begeven; men gaat zich aan God opofferen; men gaat naar God luisteren; men gaat Gods bevel vernemen; — eerbiedige houding; — kalmte; — vrede; — den geest terugroepen, als hij afwijkt; — voorzien wat er dien dag bijzonders gebeuren kan, -— zich reeds te voren onderwerpen aan al wat God zal toelaten.

ocr page 502

489

Het mondgebed.

Altijd eenigszins langzaam eu met nadenken, hetzy kort of lang; — het kruisteeken vooral eerbiedig maken, in den geest van geloof; — geen enkel gebed uit traagheid verzuimen; — zich niet ontstellen , als gehoorzaamheid of liefde verplichten, een deel daarvan achter te laten.

De H. Mis.

Zich vereenigen met den priester, zich de geheimen van het lijden of van den Rozenkrans voorstellen , — altijd eene geestelijke Communie doen; — in het H. Misoffer steeds kracht putten om den dag heilig door te brengen.

Het werk.

Hoe moeielijk het ook zij, geschiede het door den geest van gehoorzaamheid, — onder het oog van God, wiens wil wij vervullen, — met orde, met zorg, met volharding, — somtijds in den geest van boetvaardigheid of liefde, — in vereeniging met Jezus en Maria, die ook zoowel als wij gewerkt hebben.

De maaltijden.

Ingekeerdheid bij het gebed vóór en na het eten, — oplettendheid bij de lezing, — de overhaasting bedwingen , — nemen wat voorgesteld wordt, — zindelijkheid uit deugd, —- voorkomendheid en zorg voor anderen, — kleine verstervingen in datgene wat onzen smaak streelt, — geene zonderlingheden.

ocr page 503

490

De ontspanning.

Met de gemeente, — beleefdheid, — welvoegelijk-lieid ia woorden en handelingen, — vroolijkheid, — minzaamheid, — verdraagzaamheid, het vermijden van allen twist en pralerij, — niets ten kwade opnemen, — ïich volgaarne voor allen en tot alles schikken, — niet trachten den boventoon te voeren, doch altijd gereed zijn om anderen genoegen te doen en te vermaken , — God niet uit het oog verliezen, eenige deugdoefeningen verrichten, — op het eerste teeken de recreatie eindigen.

Des avonds.

Diepe stilte, — eer langzaam dan spoedig naar boven gaan, — zich zoodra mogelijk te bed begeven, — den slaap afwachten in de zelfde gesteltenis en met de zelfde gevoelens, waarmede wij voor Gods troon zouden willen verschijnen.

De Biecht en de H. Communie.

Altijd het oog rechtstreeks op God, God die ons gaat vergeven, God die zich aan ons gaat mede-deelen, — voor alles en vooral nederigheid en dankbaarheid; — zich 's avonds te voren voorbereiden, bij het bidden van het Rozenhoedje of het goddelijk Officie; — door het zelfde gebed God bedanken, — de vrucht der Biecht en H. Communie getrouwelijk bewaren, zich bij elke Communie eene bijzondere meening voorstellen.

ocr page 504

491

In verveling, moeielijkheid en tegenspoed.

Alles in vrede verdragen, hoe smartelijk het moge vallen; — God laat het toe, God zendt dit alles soms rechtstreeks, — zij bezitten altijd eene heilig-makende kracht. — Ongevoelig zijn is niet mogelijk; onderworpen , gelaten, geduldig zijn is altijd mogelijk aan eene ziel die met God vereenigd leeft; — een dag waarop alles voor den wind gaat, is de beste voor den Hemel niet.

De openbare boetplegingen en straffen.

Deze worden in het kapittel, — voor eenige toeval-^ lige fout, — of door de Overste opgelegd; het kruisgebed herinnert aan de smartelijke kruisiging en het gebed van Jezus; — de voeten der zusters kussen herinnert ons Jezus de voeten zijner Apostelen, zelfs van Judas, wasschende; — den grond kussen herinnert ons Jezus ter aarde nedergebogen in den Hof van Olijven; — zich aan de deur van de eetzaal of de kapel neder-5 leggen, terwijl de gemeente uit of ingaat, herinnert ous Jezus die, met de zonden der menschen beladen, zich diep voor zijnen Vader vernedert. — Al deze boetplegingen verrichten met nauwkeurigheid, eenvoudigheid, in den geest des geloofs.

I

Naastenliefde.

Zacht, — medelijdend, — gedienstig, — voorkomend , — niet overbrengen, — niet kwaadspreken, — niet spotten, — alles van allen verdragen, — trachten niemand tot last te verstrekken, —- zich weten te

ocr page 505

492

vernederen ora eenvoudig een dienst te bewijzen en aan te nemen, — edelmoedig vergeven, — nooit wrok of afkeer in het hart bewaren.

Gehoorzaamheid.

Aan allen die eenig gezag uitoefenen, — zonder onderscheid, — zonder dralen, — zonder tegenspraak,— zonder morren.

Zuiverheid.

Niet vreesachtig, maar voorzichtig, — de zinnen bewaken, — zich geene vrijheden veroorloven, — de gevaren vluchten in onzen omgang met onze zusters, — met onze bloedverwanten, — in de spreekkamer, — ten opzichte van ons zeiven, als wij alleen zijn.

Armoede.

Zelfs voor de kleinste zaken verlof vragen, — alles leeren ontberen wat niet volstrekt noodzakelijk is, en in dit noodzakelijke eer te weinig dan te veel, — trachten in alles eenvoudig, doch in niets zonderling te zijn.

Vereeniging met God.

Ons gewoon maken, aan Gods tegenwoordigheid te denken; God bij ons, met ons, in ons; — God beschouwen bij en, in ieder onzer zusters, — Hem zien in onze Oversten, — in onze kinderen, in onze zieken; — vooral Jezus-Christus in het H. Tabernakel beschouwenden daarom voortdurenden eerbied, voort-durenden vrede, voortdurende vreugde.

ocr page 506

, 493

O, hoe gelukkig is de ziel, die aldus al de uren van den dag besteedt, en met de vroeger geleerde meening de werken verricht die hare uren vervullen! hoevele verdiensten, zelfs in hare kleinste werken! hoe verheerlijkt zij God, hoevele genaden trekt zij neder over de gemeente, over de stad, waarin de gemeente gevestigd is, over de geheele H. Kerk!

In die uren wanneer uw moed dreigt te bezwijken, moet gij, om uwe vurigheid op te wekken en uwe traagheid af te schudden, langzaam de volgende bemerkingen lezen.

Waarom heh ik de wereld verlaten1? Was het niet, omdat ik gevoelde dat ik traag was in het naleven mijner plichten , daar niets mij in bedwang hield? — omdat ik ernstige reden had, mijne verbeelding, die door niets weerhouden werd, mijn hart dat de wereld bekoorde, mijne zintuigen, die mij langzamerhand medesleepten, te mistrouwen? — omdat ik, in één woord, vreesde mij te verdoemen ? — En zou ik hier in dezelfde vrees willen leven ? En die vrees zou gegrond zijn, indien ik den Regel veronachtzaamde, die mij dwingt de plichten van mijnen staat na te komen, indien ik mij weinig moeite gaf om gehoorzaam, nauwgezet, godsdienstig te zijn, mijne verbeelding te beperken, mijne zinnen te weerhouden, in één woord de zoo nuttige, icerkdadige, krachtige hulpmiddelen te gebruiken, die ik in de gemeente ben komen zoeken.

En als ik niet heiliger en beter wil worden dan ik in de wereld zou geweest zijn, was het dan de moeite waardig, mijne ouders, mijne familie mijne goederen en die toekomst die mij aanlachte, te verlaten? — Moest ik daarom mijne familie een offer doen brengen, eene droefheid aandoen, waarvan zij nog de bitterheid gevoelen? Moest ik daarom ver-

ocr page 507

494

zaken aan mijne vrijheid om mij te onderwerpen aan eenen regel, die toch altijd veel kost, mijn kalm en rustig leven ruilen tegen een leven van gedurigen strijd, en dat, hoe onvolmaakter ik ben, mij des te zwaarder zal vallen?

VIL

dzz voimaaamp;tfvzid.

Pater Grasset heeft door krachtige en levendige beelden de verschillende trappen van volmaaktheid voorgesteld, die ons tot de vereeniging met God kunnen brengen, tot dien voorsmaak van de eeuwige en zalige vereeniging die het geluk des Hemels uitmaakt.

Epkste Trap : Men moet zijn als een Pelgrim.

De religieus moet zich op aarde beschouwen als een pelgrim, die naar zijn dierbaar vaderland, den Hemel terugreist; deze hoedanigheid geeft de Prins der Apostelen aan alle Christenen.

De pelgrim gebruikt alle zaken slechts ter loops; hij hecht zich niet aan zijne verblijfplaats; — hij maakt geene onkosten om ze te versieren en te verrijken, wel wetende dat hij haar binnen weinige dagen weder moet verlaten.

De pelgrim gaat altijd vlijtig voort, vooral als de dagen kort en de wegen slecht zijn. »Ga met groote schreden vooruit op den weg der volmaaktheid;

nei kei we

ocr page 508

, 495

want de tijd is kort, de dood nadert, de zon gaat onder en de wegen zijn gevaarlijk.quot;

Tweede Trap : Men moet als een Gekruisigde zijn.

Een religieus moet meer zijn dan een pelgrim op aarde; hij moet zijn als een gekruisigde. Zij die aan Jezus- Christus be hoor en, zegt de H. Paulus, hebben hun vleesch met hunne ondeugden en ongeregelde neigingen gekruisigd. Welnu, gekruisigd zijn betee-kent, volgens den H. Bernardus, datgene wat de wereld kruis noemt, als geluk, datgene wat de wereld geluk noemt, als een kruis beschouwen.

Gekruisigd zijn is van de nood eene deugd en eene deugd van den nood maken. Het is zich zoo vast hechten aan God door de nadelen van vrees, van hoop en van liefde, dat niets ons ooit van zynen dienst kan aftrekken. De gekruisigde kan op elk voorstel hem gedaan, dat hem van zijn plicht zou aftrekken, steeds antwoorden: Ik kan niet.

De pelgrim kan gaan waar hij wil, hij kan naar welgevallen vooruit- of teruggaan; de gekruisigde is beroofd van het gebruik zijner ledematen, hij moet blijven waar God hem geplaatst heeft, en hij moet daar met liefde blijven.

Derde Trap: Men moet zijn als een Doode.

De religieus moet nog meer dan een gekruisigde zijn. Hij die aan het kruis hangt, ziet nog wat vóór hem is, hij hoort wat gezegd wordt, hij heeft het gebruik zijner zintuigen nog. — Om volmaakt te zijn, moet de religieus dood zijn aan het zinnelijk leven. Een doode ziet niet meer, hoort niet meer, smaakt

ocr page 509

496

niet meer, vreest niet meer, verlangt niet meer. Slaat men hem, beleedigt men hem, trekt men hem in stukken, hij voelt het kwaad niet dat men hem doet, hij voelt zich niet heleedigd.

Het is op aarde niet mogelijk, ongevoelig te zijn; maar met de hulp der genade, en door een aanhoudend streven wordt het mogelijk, zich te versterven, tegen zijne driften te strijden, ze te onderdrukken, aan zijne zintuigen slechts het noodzakelijke toe te staan, in de hand van God te zijn als een lijk, dat geene andere beweging kent dan die, welke men het geeft.

Vieudk Teap: Men moet ai,s begraven zijn.

De religieus moet nog meer zijn dan dood: hij moet als hegraven zijn. Een doode wordt nog gezien; men bewijst hem nog eer, men begraaft hem soms met praaien pracht; maar als hij eenmaal begraven is, gaat zijne gedachtenis langzamerhand voorbij, en wordt hij geheel vergeten.

De religieus moet ook zoo ver komen, dat hij als hegraven, dat is, onbekend, misacht, vergeten , verlaten is. Hij moet gaarne leven zonder eer, zonder glorie, zonder genoegen; hij moet rechtstreeks de verachting en de oneer niet zoeken, doch als God hem deze beproeving overzendt, moet hij die in vrede, met moed, met standvastigheid, met dankbaarheid aanvaarden.

Vijfde Teap: Men moet zijn als veugordeeld

tot de duisternis.

Dit is de hoogste trap van volmaaktheid, waarop wij geheel van God afhangen, waardoor wij leven in eene volkomen berooving van alle geestelijke zaken, door een uitwerksel van den goddelijken wil ten

ocr page 510

497

onzen opzichte, zonder licht, zonder troost, zonder steun; dit is de berooving der gevoelige tegenwoordigheid van God, de ballingschap des harten, en somtijds het overlaten aan al de krachten der helle.

Wij zullen het u in de volgende bladzijden zeggen, arme zwaar beproefde ziel, blijf in vrede, innig gehecht aan God, die nooit zijne schepselen verlaat, en zeker degenen niet die Hij zoozeer als u bemint; — wantrouw niet, mor niet, slechts nog een weinig geduld!.. — uw Zaligmaker is drie dagen in de duisternis van het graf gebleven, doch toen sloeg voor Hem het uur der glorierijke verrijzenis; ook voor u zal het uur der verrijzenis aanbreken en zij zal glansrijk zijn als die van Jezus-Christus.

VIII.

£i$tc-n van den duivet om om van damp; voUnaaamp;the-id -te vetwijde-ren.

De voornaamste listen, waarvan de duivel zich bedient om ons van de volmaaktheid af te trekken, zijn:

1. De godvruchtige overdrijving in het gedrag.

De duivel zet de religieuze zielen, die naar de volmaaktheid trachten, aan om zich aan uitwendige versterving over te geven, hetzij hoetpleging of haren Ideederen boven of buiten de toelating van den Regel,— hetzij berooving van slaap om meer te kunnen bidden,— een bed dat men hard en ongemakkelijk maakt, —

32

ocr page 511

498

vermindering van voedsel.... De duivel doet haar smaak vinden in die oefeningen, en sluit haar den mond, opdat zij er haren biechtvader niet van zouden spreken, onder voorwendsel dat zij niet durven en dat dit niet noodig is.

De ijver en het genoegen, dat zij stellen in die rerstervingen buiten den Regel, keeren haar af van meer gewichtige verstervingen, welke haar plicht opleggen, — van de oplettendheid om hare gebreken te verbeteren, — zoetaardig in hare woorden, een-roudig in hare handelingen, gehoorzaam aan de bevelen harer oversten, vrij van alle gehechtheid aan eigen oordeel te zijn.

Als de religieuze, die aldus overdrijft, een vurig karakter bezit, als zij hoovaardig van natuur is, wordt deze bekoring zeer gevaarlijk. Zij zal die levenswyze, welke noch door voorzichtigheid, noch door ootmoedigheid, noch door gehoorzaamheid geregeld wordt, niet lang uithouden; en wat zij nu te veel doet, zal zij weldra te weinig doen; en van heel die opéénstapeling van werktuigelijke en hoovaardige verstervingen zal haar niets overblijven dan eene verbitterde eigenliefde, eene traagheid die alle werk vermoeiend vindt, of eene verzwakte gezondheid die belet te werken.

2. De onvoorzichtige voornemens.

Wie onzer heeft, vooral na eene goede retraite, geene schoone voornemens gemaakt? Wie heeft niet voorgenomen, heilig te xcorden, dadelijh heilig te zijn? wie wilde niet haar gedrag geheel hervormen?

Het was te schoon en te volmaakt, en daarom waren wij na weinige dagen moede en werden wij weder wat wij te voren waren.

ocr page 512

499

Neem niet te veel gelijk. Tel uwe voornemens niet, doch weeg ze; kies de voornaamste, de vruchtbaarste, de noodzakelijkste; doe ze door uw Overste of Biechtvader goedkeuren en houd u letterlijk aan hunne voorschriften.

Eéu besluit bij elke retraite is veel, als wij er getrouw aan zijn; als wij elk jaar één gebrek of ééne fout uitroeiden, zegt de Navolging van Jezus-Christus, zouden wij spoedig heilig zijn.

3. Het afioachten van eenen anderen toestand, alcorens ivij aan onze volmaaktheid gaan werken.

In de wereld maakt de duivel vele personen wijs dat, — hadden zij deze zorg, dezen kommer, deze bekoring niet, als hunne omstandigheden veranderden, als zij met die personen niet behoefden om te gaan, — zij edelmoedig aan hare volmaaktheid zouden gaan werken.

De duivel blaast dezelfde gedachten in aan vele religieuzen; zij beelden zich in dat, werden zij niet door deze bediening verstrooid, stonden zij niet onder deze Overste, waren zij niet verplicht met die zuster te werken die haar tegenstaat,.... zij veel godsdienstiger, braver, volmaakter zouden zijn.

Gij bedriegt u, arme ziel! Ten eerste is het niet over eene maand, over eene week, dat gij moet beginnen, maar heden, maar in dit uur zelfs; en daarbij zyn uwe bediening, uw toestand, uwe bezigheden, uwe omgeving, uwe beproevingen juist de middelen, welke God u ter uwer volmaking toezendt.

Er is geen sprake van de zaken te veranderen, maar u van de bestaande te bedienen als van zoo vele sporten der ladder waarmede gij tot God moet

ocr page 513

500

opklimmen, de bladzijde die gij op dit oogenblik leest, de bezigheid die daarop gaat volgen, het werk dat gij uit gehoorzaamheid gaat verrichten, den omgang met die zuster welke reeds op u staat te wachten , ziedaar wat gij te doen hebt; — o geef daaraan toch de meening en de volmaaktheid die God van u verlangt!

Wellicht zal het werk, dat gij onderneemt, slecht uitvallen, misschien zult gij onverdiend vernederd, onrechtvaardig berispt worden; ziedaar eene schoone gelegenheid om God alleen te zoeken, uw hart te onthechten, uwe eigenliefde te ontwortelen.

Mogelijk is die zuster, waarmede de gehoorzaamheid u verplicht te werken, de genade waarvan de Voorzienigheid zich wil bedienen om u te heiligen; met haar werkende, om en door haar lijdende, zachtmoedig en nederig van harte met haar omgaande, zult gij den verborgen schat der volmaaktheid vinden,.

O zeg dan niet: Ih zal beginnen, als ik hier of daar zal zijn; doch zeg: Ik begin dadelijk; ik begin door datgene wat ik in dit oogenblik te doen heb!

ocr page 514

501

Derde ■vejrplicli.tingr «Ier Religfieuze.

£ijc'amp;n.

De dagen van mijn pelgrimstockt zijn van honderd dertig jaren, zegde de Aartsvader Jacob tot den Koning van Egypte, die dagen zijn kort en ongelukkig geweest. (Gen. XLVII, 9.)

Deze woorden vormen de kortste en getrouwste beschrijving van bet menscbelyk leven. Wij komen ter wereld om te lijden, en van de wieg tot bet graf is het leven voor allen, min of meer, slechts een zwaardere of lichtere rouw, — eene leerschool van lijden, — eene aanhoudende worsteling met de smart. Lang leven, zegt de H. Augustinus, is langer gepijnigd worden.

En dat lijden, en die smarten, en die pijnen drukken zonder onderscheid op alle menschen; de mensch, uit de vrouw geboren, zegt de H. Schrift, leeft weinige dagen en is met eene menigte ellenden vervuld. (Job. XIV, 1.)

Wij zullen aantoonen:

1°. De noodzakelijkheid van het lijden.

2°. De natuur en de oorzaak van het lijden.

3°. De verschillende vormen van het lijden.

4°. De wijze waarop men het lijden moet verdragen.

5°. De uitwerkselen van het lijder,

en.

ocr page 515

502

istc hcoofidsttjk:.

Noodtakelvjlclieicl van liet l\jlt;lon.

I.

De noodzakelijkheid van het lijden is, voor alle mensfhen in het algemeen, gegrond op onze natuur, welke tot straf der erfzonde gevoelig is geworden voor de smart en tot lijden is veroordeeld.

De menscli werd niet geschapen om te lijden. Het was om gelukkig te zijn, dat God hem op de aarde plaatste; en van dat geluk, dat hij eenige dagen heeft gesmaakt, behield hij eene zoo zoete herinnering, dat het streven om dat geluk te bereiken en weder te bezitten, de drijfveer is geworden van al zijne daden, de onoverwinnelijke neiging zijner ziel, het gedurig streven van zijn bestaan. Helaas! hij ontmoet slechts het beeld van dat geluk, hij gevoelt slechts hier en daar en als ter loops deszelfs onuitsprekelijke zoetheid.

Het is omdat de mensch tegen God is opgestaan, omdat God, als straf voor de zonde, de aarde vervloekt heeft en dit verpletterend vonnis over den mensch uitsprak; Gij zult uw brood eten in het zweet uws aanschijns. (Gen. III, 10); en van dit oogenblik tot nu toe leeft de mensch als banneling en sleept de keten zijner vervloeking. ♦

Het lijden is, even als de dood, door de zonde ontstaan. Beide zijn de straf der zonde; liet leven is slechts een hospitaal, waarin wij allen geplaatst worden, zegt de H, Franciscus van Sales; als wij

ocr page 516

- 503

niet meer te lijden zullen hebben, zulleu wij het verlaten, even als men een zieke, die genezen is, het hospitaal doet verlaten; en onze genezing kan slechts door het lijden bewerkt worden.

Schik alle zaken naar uwen wil, zegt de Navolging van Christus; gij zult ondervinden, dat er overal en altijd, hetzij met of tegen uwen wil, iets te lijden valt; overal zult gij kruisen vinden, hetzij in droefheid van den geest, hetzij ia lichamelijke smarten. Het kruis staat altijd voor u; het verwacht u overal. Keer u naar boven, naar beneden, naar binnen, naar buiten, overal zult gij het vinden. Overal zult gij het geduldig moeten dragen, als gij den vrede des harten, het eeuwige leven wilt vinden.

O, als gij een blik terug slaat op die weinige dagen, verloopen van af uwe wieg tot het huidig oogenblik, gij vooral, o religieuzen, wier leven in het algemeen, veel meer dan dat van anderen, zoo stil, zoo vreedzaam, zoo eentonig geweest is, moet gij dan niet bekennen, dat er weinige bladzijden zijn van het boek uws levens, dat nochtans met zooveel teedere zorg omringd, met zooveel oprechte genegenheid omgeven was, waar niet onder een of anderen vorm, eene of andere uitdrukking te lezen staat, die onder duizend verschillende schakeeringen eene zelfde zaak uitdrukt? Lijden!

De H. Geest vat in twee woorden het leven van den mensch op aarde samen, lahor et dolor, — werken en lijden; en Hij geeft daarvan de reden, straf en boete.

ocr page 517

I

504

IL

De noodzakelijkheid van het lijden rust voor alle menschen in het algemeen op hunne persoonlijke zonden, die zij nood zakelijk moeten boeten.

Elke zonde is eene beleediging God aangedaan, door Hem ongehoorzaam te zijn en een schepsel of eigen voldoening boven zijnen wil te stellen; God, de rechtvaardigheid en de heiligheid bij uitmuntendheid , is aan zich-zelven verschuldigd, dat de beleediging hersteld teerde; en daar elke zonde een genot is van den geest, van het hart of van de zinnen, dat men zoekt ondanks den Wil van God, zoo moet ook dit genot geheet worden door eene straf van den geest, van het hart of van de zintuigen, die de geschonden orde herstelle.

Het lijden wordt ons door God toegezonden, en door de zonde veroorzaakt.

Het lijden volgt de zonde, gelijk de schaduw het lichaam, zegt Mgr. de Ségur. Somtijds volgt het niet onmiddelijk, somtijds schijnt het in deze wereld kwijtgescholden; doch vroeg of laat zal het komen, en des te verschrikkelijker, als het langer getoetd heeft.

Door een oprecht berouw over de zonde en de absolutie herkrijgt de mensch zijne onschuld, doch hij krijgt daarom geene volkomen kwijtschelding der straffen; zoo iemand beweert, dat de geheele straf te gelijk met de zonde altijd door God kwijtgescholden wordt, dat hij vervloekt zij, zegt de Kerkvergadering van Trente. Van daar het leerstuk der voldoening, van daar de herstellende straf, waarvan wij gaan spreken.

ocr page 518

505

Wellicht zouden wij ons inbeelden, dat wij zonder oorzaak moeten lijden. Treden wij dan in ons zeiven; doorzoeken wij, door Gods licht bestraald, de geheimste schuilhoeken van ons hart. Zoodra een ongeluk ons treft, moeten wij in ons zeiven treden, en wij zullen weldra erkennen, dat wij rechtvaardig gestraft worden. Want waar is de mensch, die ooit in volle waarheid kan zeggen, dat hij niet gezondigd heeft ? — De menschelijke gerechtigheid kan somtijds een onschuldige treffen, de gerechtigheid Gods nooit,. Voor geheel het meuschelijk geslacht, zoowel als voor ieder mensch, is doorgaans het kwaad eene straf. Maar onthouden wij dit wel; voor ieder mensch wordt elke straf, in dit leven, zoowel door de liefde als door de rechtvaardigheid opgelegd (de Maistre). God is altijd onze Vader, bijzonder als Hij ons kastijdt; en Hij neemt nooit het besluit dea zondaar voor eeuwig te straffen, dan wanneer Hij hem hardnekkig in de zonde ziet volharden.

III.

De noodzakelijkheid van het lijden is gegrond voor alle menschen in het algemeen op de noodzakelijkheid van te strijden, reeds in het vorig hoofdstuk aangetoond.

Strijden is 1°. voorzorg nemen, dat wil zeggen waken op onze zintuigen en onze geestvermogens, beletten dat uitwendige voorwerpen ze uit hun plicht trekken; en 2°. worstelen tegen onze neigingen, om hare onstuimigheid te bedaren en ze binnen de grenzen, door Gods wet voorgeschreven, te houden; onder dit oogpunt beschouwd, is het onmogelijk, niet te lijden.

ocr page 519

506

Onze zinnen, ouze neigingen, de duivel zijn te machtige en te woedende vijanden om zich niet over onzen strijd te verbitteren, en de kracht waarmede wij hen bestrijden, niet te weerstaan; en wij zijn te zwak om de uitwerkselen van den weerstand niet zeer te gevoelen, te weten om te lijden.

Als de H. Paulus ons zegt: Bekleedt u met de tvapeiien van God, om u te kunnen verdedigen tegen de hinderlagen des duivels; want wij moeten niet strijden tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden en krachten , tegen de vorsten der wereld, tegen de kwade geesten in de lucht verspreid (Eph.VI, 11, 12): kondigt Hij ons dien voortdurenden strijd aan, en het lijden als noodzakelijk gevolg van dezen strijd.

IV.

De noodzakelijkheid van het lijden is gegrond op de verplichting van den Hemel te verdienen.

De Hemel is het Koninkrijk, dat wij moeten veroveren; Jezus-Christus heeft ons uitdrukkelijk gezegd: Het rijk der Hemelen lijdt geweld, en de geweldigen alleen nemen het in. (Matth. XI, 12). Welnu, beteekent dat geweld, dat zich uitstrekt over alle tijdperken des levens, het lijden niet dat daarvan het natuurlijk gevolg is en in alle standen en tijdperken des levens ons lot is?

Geen ander middel om den Hemel te veroveren. Wie in het strijdperk komt, zegt de H. Paulus, wordt niet gekroond, tenzij hij loettig gestreden hebbe (H. Tim. II, 5.) » Vrees don niet, het kruis te omhelzen en te dragen,quot; voegt de Navolging hierbij. »Het kruis is de zaligheid, het leven. Het kruis is het bolwerk onzer veiligheid. Het kruis is de bron

ocr page 520

507

der hemelsche zoetheid; het is de kracht der ziel en de vreugde van den geest. Het kruis is de deugd bij uitnemendheid, hetis de volmaaktheid der heiligheid. Zonder het kruis geene zaligheid, zonder het kruis geene hoop op het eeuwig leven.quot;

De noodzakelijkheid van het lijden is gegrondvest voor alle menschen in het algemeen en voor de religieuzen in het bijzonder op de verplichting van gelijkvormig te worden aan Jezus-Christus.

'• Ieder Christen is een andere Jezus-Christus. — Ipeea Christen zal in den Hemel worden toegelaten,

Can voor zoover er eene zekere gelijkvormigheid estaat tussehen zijn leven en het leven vau Jezus-Christus. Om deze gelijkvormigheid mogelijk te maken , heeft Jezus-Christus dertig jaren op aarde doorgebracht, een verborgen leven lijdende, aan alle yjnenschen het voorbeeld gevende van de eenvoudigste jleugden, allen aanzettende Hem ua te volgen volgens nun stand, en aan ons, die Hij geroepen heeft om Tmiger met Hem vereenigd te leven, geheel bijzon-erlijk vragende, zijn Verlossingswerk, waarvoor Hij p aarde gekomen is, voort te zetten.an voor zoover er eene zekere gelijkvormigheid estaat tussehen zijn leven en het leven vau Jezus-Christus. Om deze gelijkvormigheid mogelijk te maken , heeft Jezus-Christus dertig jaren op aarde doorgebracht, een verborgen leven lijdende, aan alle yjnenschen het voorbeeld gevende van de eenvoudigste jleugden, allen aanzettende Hem ua te volgen volgens nun stand, en aan ons, die Hij geroepen heeft om Tmiger met Hem vereenigd te leven, geheel bijzon-erlijk vragende, zijn Verlossingswerk, waarvoor Hij p aarde gekomen is, voort te zetten.

| Welnu, het is door het lijden en het kruis, dat ezus de wereld verlost heeft; en het is door het jden en het kruis, dat wij zijn werk kunnen voort-tten, wij allen die de eer hebben door Hem gekozen zijn gelijk andere Apostelen; welke dan ook de lending zij die wij op aarde te vervullen hebben; ■ene zending van gedurig gebed, van verkondiging Jan Gods woord, van opoffering en verzachting van iet lijden van anderen; welken naam wij dan ook

ocr page 521

508

mogen dragen, zij het priester, kloosterling, missionaris, religieuze. Hoor dit woord des Meesters rechtstreeks tot ons gericht: Voorwaar, voorwaar, ik zeg het n als de tarwekorel niet in de aarde valt en sterft h lij ft, hij alleen; maar als hij sterft, hrengt hij vele vruchten voort (Joa. XII, 24, 25). Deze vergelijking drukt duidelijk de gedachte van den goddelijkeu Meester uit; maar om elke verkeerde uitlegging onmogelijk te maken, haast Hij zich er dezen uitleg bij te voegen Wie zijn leven bemint, zal het verliezen; en wie het in dit leven haat, bewaart het voor de eeuwigheid. Dat hij die mij dient, mij volge; en toaar ik hen (en weldra zal Hij Calvarië beklimmen), daar zal ook mijn dienaar zijn (Ib. 25, 26).

Op geene duidelijker wijze kan Jezus-Christus ons zeggen, dat wij de zielen door geene andere middelen kunnen redden dan door die, welke Hij zelf in oefening gebracht heeft. En hoe krachtig zijn woord, hoe verdienstelijk zijne werken, hoe machtig zijn gebed ook geweest zijn, zoo wordt de zaligheid der zielei toch hijzonder toegeschreven aan zijn lijden en zijnei dood, zoo door Hemzelven als door zijne Profeten en Apostelen. Wij hebben onze genezing in zijn wonden gevonden, zegt Isaias (LUI, 5). Hij heefl onze zonden in zijn lichaam op het hout gedragen zegt de H. Petrus, opdat wij, dood aan de zonden voor de rechtvaardigheid leven (I Petri II, 24). Er geene vergeving zonder bloedver gieting, zegt de E Paulus tot de Hebreeuwen, terwijl hij hun op Jezu den gekruisigde wees (Hebr. IX, 22.)

Met veel meer kracht spreekt de goddelijke Meestei zelf, als Hij ons verklaart, dat om het eeuwig' leven binnen te treden. Hij, ons Hoofd, heeft moetei lijden wat Hij geleden heeft (Likle XXIV, 26.)

ocr page 522

509

VI.

De noodzakelijkheid van het lijden is voor de religieuzen in het hijzonder gegrond op de verplichting van, naar aanleiding harer Geloften, slachtoffers te zijn.

I. »Jezus-Christus, het goddelijk hoofd van Zijn geheimzinnig lichaam, de H. Kerk, vereenigt zich, om zoo te zeggen,quot; zegt P. Lyonnais , » met elk zijner ledematen onder een der bijzondere kenmerken van zijn leven.

In den eenvoudige geloovige zet Hij zijn verborgen leven, en, om zoo te zeggen, zijn huiselijk Leven te Nazareth voort.

In den priester zet Hij zijn openbaar leven en zijne bediening als offeraar voort.

In den religieus zet Hij zijn leven en bediening als slachtoffer voort.

Als een goddelijke stam, als een goddelijke wijngaard, deelt zich aldus het leven van Christus mede, en vormt drie innig vereenigde takken, welke zich op hunne beurt uitbreidende, het goddelijk leven van Christus tot den laatsten en dunsten tak van dien geheimzinnigen boom voortzetten.

De eerste tak is het leven van Christus in de geloovigen voortgezet, het christelijk leven.

De tweede is het leven van Christus als leeraar en priester, het priesterlijk leven.

De derde is het leven van Christus als gehoorzaam en gekruisigd slachtoffer in de religieuzen voortgezet, het religieuze leven.quot;

Elke religieus, welke ook zijne bediening zij, is door het feit zijner religieuze professie alleen, wettig

ocr page 523

510

gezonden, en bestemd om op aarde het offer van Jezus-Christus voort te zetten als een slachtoffer, ver-eenigd met het goddelijk Slachtoffer van Calvarië ^ voor de zaligheid der wereld.

»Men noemt religieuzen,quot; zegt de H. Thomas, » degenen die zich geheel toewijden aan den dienst van God en zich aan God als slachtoffers aanbieden. En wel mag de religieuze staat beschouwd worden als een offer waarbij men aan God zich-zelven opoffert met alles wat men- bezit. Men offert aan God het hezit van alle aardsche goederen door de gelofte van vrijwillige armoede, — men offert Hem het hezit van zijn eigen lichaam door de gelofte van onthouding, — uien offert Hem eindelijk het hezit zijner ziel door de gehoorzaamheid, waardoor men zijn eigen wil ter offer brengt.quot;

De religieus is dus krachtens zijne roeping een slachtoffer; en het woord slachtoffer beteekent: aan het lijden, aan het offer gewijd.. De H. Franciscus van Sales zegde dit duidelijk in een brief aan eene jonge religieuze: In den geest ligt gij nu op het gewijd altaar, om er opgeofferd, geslacht, en zelfs door het vuur verteerd te worden!... Reeds zijt gij dood voor de wereld en de wereld is dood voor u. Dit is reeds één deel van het brandoffer; doch er blijven nog twee te doen overig; het ééne is het bereiden van het offer, uw hart onthechtende van zich-zelven, en al die kleine banden afsnijdende, waarmede natuur en wereld u binden; het tweede is uwe eigenliefde tot asch te verbranden en uwe geheele ziel in hemelsch liefdevuur te ontsteken.

Verwacht u dus meer dan iemand, o religieuze zielen, aan het lijden, niet alleen om het noodzakelijk gevolg der ontberingen, u door uwe geloften opgelegd, maar om den uitdrukhelijken wil van God, die in u

ocr page 524

511

liet lijdende leven van zijnen Zoon Jezus-Ghristus wil voortzetten.

II. Bedenk dat het slachtoffer niet meer voor zich-zelven leeft, maar voor Hem die liet offer aanvaard heeft, en wiens eerherstel deszelfs eenig streven moet uitmaken. Daar de zonden, waarmede het zich beladen heeft, het alle recht onwaardig maken, beklaagt het zich nimmer dat men het verongelijkt. Daar het zich aan de goddelijke rechtvaardigheid heeft overgeleverd, zoekt het zich slechts lijdelijk aan de werking van God over te laten en, om zoo te zeggen, de speelbal van zijnen wil, en bijgevolg die van alle, zelfs van de geringste schepselen te zijn; het ontvangt met liefde alle slagen die het treffen; de zwaarste zijn in zijn oog de beste, en als het uur van lijden slaat, is het altijd bereid. — Het offer is in een gedurigen staat van eene kalme, vreedzame, onderworpen , edelmoedige berusting. En het slachtoffer verwacht en neemt het lijden niet alleen aan, maar zelfs vraagt het dit eenvoudiglijk. Eene edelmoedige ziel, een jong meisje, biedt in 1866 haar leven aan God in plaats van dat van Pius IX, en God roept haar tot zich. Mgr. de Ségur vraagt bij zijne eerste Mis aan God het smartvolste lijden, waarmede hij zijne'bediening kan voortzetten, en God berooft hem van het gebruik zijner oogen. Dergelijke edelmoedige beden geven zeker groote eer aan God, doch eischen eene bijzondere genade en vooral onderwerping aan onzen geestelijken bestuurder.

III. Die staat van slachtoffer is zoo groot, zoo edelmoedig! Het vrijwillig slachtoffer is een samenweefsel van kracht en liefde; en de ziel welke die kracht en liefde in hoogen graad bezit, zegt een religieus, beslist soms bij God over het lot van eene

ocr page 525

512

(jeheele natie. Zij is, zegt Lodewijk van Blois, in één uur nuttiger aan de Kerk dan anderen, wie zij ook mogen zijn in verscheidene jaren.

Gevoel u dus gelukkig van tot slachtoffer gekozen te zgn, gelukkig van te mogen lijden, gelukkig van het werk van Jezus-Christus te mogen voortzetten. De wet van het christendom vraagt, zegt de Abt Ribet, dat het herstel van den gevallen mensch door het vrij-willic lijden bewerkt worde. Jezus-Christus heeft zijnen Vader verheerlijkt en den mensch vrij gekocht door het lijden; en het is door het Igden, dat Hij in de menschen zijne herstelling en zijn Verlossing-werk wil voortzetten.

VIL

De noodzakelijkheid van te lijden is voor eenige zielen gegrond op de keuze, die God in zijne goedheid van haar als tot bijzondere slachtoffers gemaakt heeft.

God, zegtP. Lyonard, kiest zich, uit oogmerken Hem bekend, bijzondere slachtoffers uit; en deelt hun tot zaligheid hunner broeders eene ruime mate toe van het dijden van zijnen goddelijken Zooa, en bijgevolg van zijnen titel en bediening van slachtoffer.

Wanneer men de jaarboeken dei H. Kerk naleest, is het gemakkelijk deze bewering door talrijke feiten te staven. In alle tijden heeft God zich vurige zielen uitverkoren om er slachtoffers van te maken, die aangenaam zijn in zijne oogen; op hen heeft Hjj de slagen doen vallen, welke zijne gerechtigheid, hetzij aan eene natie, hetzij zelfs aan zijne H. Kerk voorbehield, wegens de ongetrouwheid zijner kinderen Op die wijze had Hij op het onschuldig slachtoffer

ocr page 526

513

van Calvarië, op zijnen welbeminden Zoon , de slagen doen vallen, die zijne rechtvaardige verbolgenheid aan de schuldige menschheid voorbehield.

Het is onmogelijk, de teedere liefde uit te drukken, die God de Vader toedraagt aan die zielen, aan welke Hij een bijzonderen trek van gelijkenis geeft met zijnen goddelijken Zoon. Om haar genoegen te doen, zijn er geene mirakelen van genade, welke Hij niet bereid is op hare gebeden toe te staan, vooral als zij Hem die aanbieden vereenigd met de tranen, het bloed, den doodstrijd van Jezus, alsook met hare eigene tranen en eigen zielsangst! En als God zich in alle standen der maatschappij slachtoffers kiest, zoo is het echter zeker, dat Hij die bijzonder uitkiest in de religieuze gemeenten, welke door een Bisschop met zooveel juistheid genoemd worden: de hlihsem-afleiders, die de bliksemstralen der goddelijke gerechtigheid van de schuldigen afwenden en op haar eigen hoofd ontvangen.

VIII.

De noodzakelijkheid van te lijden is voor eenige zielen in het hijzonder gegrond op de bijzondere liefde, welke God haar toedraagt.

God kastijdt degenen, die Hij bemint (Hkbr. XH, 6). Ziedaar een woord dat eeuwiglijk de ergernis van den zinnelijken mensch zal uitmaken. Hij zal nooit de liefde die slaat en pijnigt, kunnen begrijpen; en toch is het de liefde van den Vader, die, ondanks de tranen van zijn kind, het zieke lidmaat afzet om aan dit geliefde wezen het leven te behouden; —- het is de liefde der moeder, die niet aarzelt hare dochter

33

ocr page 527

514

eene smartelijke operatie te doen ondergaan, om dat gene wat haar misvormt, te doen verdwijnen.

Wij zullen hier niet spreken over die verschrikkelijke beproevingen, welke slechts het deel van zeer weinige zielen zijn. Wij zullen alleen een punt oplichten van dien sluier, die zelfs vele godgewijde zielen verblindt, en haar de teederste liefde toonen in die beproevingen, welke in den dienst van eenen zoo goeden Vader geleden, haar een werkelijke tegenspraak schijnen.

1. Het is eene algemeene wet, dat degene, dien God bemint, moet beproefd worden.

Het is de wet van het oude Testament: Omdat gij aan God aangenaam icaart, zegde de Enge tot Tobias, was het noodiq dat qii beproefd werdet (Tobias XII, 13.)

Het is de wet van het Nieuwe Testament. De leerling is niet meer dan de meester, en de slaaf niet meer dan zijn heer. Het is den leerling genoeg, dat hij behandeld -wordt gelijk zijn meester; en den slaaf, dat hij behandeld wordt gelijk zijn heer. Als zij den vader des huisgezins Beelzebub genoemd hebben , hoevee' te meer zijne dienaren (Matth. X, 24, 25) ?

Het is de wet door de Apostelen gepredikt: Allen die godvruchtig in Christus willen leven, zullen vervolgd worden (II Tim. III, 12.)

Het is de wet door de Leeraars verkondigd, saam-gevat in dit woord van Bossuet: God heeft besloten dt Heiligen te bedroeven.

Bedriegen wij ons dus niet. Elke ziel, die edelmoedig het besluit maakt van de deugd te omhelzen moet zich aan de beproeving verwachten. Mijn zoon zegt de H. Geest, als gij in den dienst van God treedt wees dan standvastig in de gerechtigheid en de vreeze en bereid uwe ziel voor de beproeving (Eccli. II, 1.)

ocr page 528

515

2. Deze wet is het uitvloeisel eener geheel goddelijke liefde. Als God eenige bevoorrechte zielen gedurende haar verblijf op aarde heiliger, Hem meer waardig, meer met Hem veréénigd wil zien, begint Hij die innige vereeniging van zijne natuur met hare natuur met haar door beproevingen te zuiveren; gelyk zij eens door de vlammen van het Vagevuur zouden moeten gezuiverd worden.

Gelijk de zielen, die hare lichamen verlaten, alvorens zij geschikt zijn tot de eeuwige glorie, in het vagevuur geheel gezuiverd moeten worden, en aldus waardig worden de eeuwige glorie binnen te gaan, aldus, zegt de H. Theresia, moeten de zielen, alvorens tot eene innige vereeniging met God te kunnen geraken, gewoonlijk groote beproevingen ondergaan, ten einde zij, aldus gezuiverd, de vereeniging met God waardig mogen worden. — Zjj lijden eenigszins de pijnen des vagevuurs.

En dan vereenigt God zich reeds op deze aarde zoo innig met de aldus beproefde zielen, dat deze staat voor haar een hemel wordt. Zij smaken God, zegt P. Surin, en genieten een geluk dat zich niet laat begrijpen. »0 welk een geluk te lijden en zonder ophouden te lijdenquot;, schreef de gelukzalige Margaretha-Maria. »Niets kan mij behagen dan het kruis van mijn Zaligmaker, een kruis gelijk het zijne, een zwaar, schandelijk kruis, zonder verzachting, zonder troost. Dat anderen hunnen troost op Thabor zoeken, ik voor mij wil slechts lijden en niets dan lijden.quot;

»0 welk een geluk in stilte te kunnen lijden, en op het kruis te mogen sterven te midden van alle beproevingen naar ziel en lichaam!quot;

En zoodra die zielen, die niets meer te boeten hebben, van hare lichamen gescheiden zijn, gaan zij zich met de vurigste liefde werpen in het Hart van

ocr page 529

516

God, dat zicli onmiddelijk voor haar opent en haar voor alle eeuwigheid opneemt.

Het is eene uitgelezen genade, die God haar bewezen heeft en die wij zullen begrijpen by het overwegen der uitwerkselen van het lijden.

Daarenboven verlangen wij in den hemel te komen en moeten dus noodzakelijk hier of hiernamaals in het vagevuur lijden. — Onze eigene zonden daargelaten, zijn er in ons nog zooveel sporen van de erfzonde overgebleven, dat wij wel eene gevoelige loutering noodig hebben.

IX.

De noodzakelijkheid van het lijden is hijzonder voor de religieuze gegrond op de verplichting van de liefde, die zij God toedraagt, in alle zuiverheid te bewaren.

God beminnen, hebben wij gezegd, is de groote verplichting der religieuze, welke trouwens geheel met hare natuur overeenkomt. Het is de liefde Gods, die haar de broosheid aller aardsche liefde getoond heeft, en haar heeft dolt;gt;n zien, hoe weinig deze beantwoordde aan de behoefte van altijd te beminnen en zich op te offeren uit liefde; deze overtuiging heeft haar geleid tot God, die de zuivere, de ware, de volkomeue, de eeuwige liefde is.

Zij heeft den sluier aangenomen om altijd maagd te blijven en steeds meer en meer te beminnen; en zij vermeende daardoor niets bewonderenswaardigs, niets heldhaftigs te doen; want zij gehoorzaamde aan den indruk der genade, welke geheel overéénstemde met hare natuur.

ocr page 530

- 517

De liefde en het offer vereenigden zich bij haar in de zelfde gedachte, omdat de ware liefde het volkomen vergeten is van zich-zeiven om zich alleen met het beminde voorwerp bezig te houden en de gesteltenis van alles op te offeren wat het zal verlangen. De liefde voor haar was de zelfverloochening; zij is slechts in het klooster gekomen om te beminnen, aan zich zelve te verzaken, zich op te offeren.

Dit gaat zoo ver dat die ziel, als zij zich te gelukkig gevoelde, zou beven voor de vrees, dat zij niet genoeg bemint of althans hare liefde niet genoeg kan betuigen; zij meent, dat men moet lijden om zeker te zijn, dat men zich opgeofferd heeft; het minder reine hart wil in zijne liefde genieten, het zuivere hart wil slechts lijden. De ware liefde heeft steeds honger en dorst naar lijden; zij vreest met rede, dat de zuiverste vreugde haar bederve, ontzenuwe, vermindere; de liefde vreest die vreugde bijna evenzeer als anderen de zonde vreezen. Er moge overdrijving in bestaan; maar zij zoekt bovenal hare onschuld te bewaren. Om wél te beminnen, moet men zeer rein van harte zijn, en de zuiverheid bewaart haren glans slechts volkomen in het midden der beproevingen. Het is de lelie tasschen de doornen. Geen hart wordt beter bewaard dan het hart, dat door het lijden omringd is.

De ziel verslijt spoedig in te groot genot; slechts in den hemel zal zij dit kunnen verdragen, omdat zij daar sterker zal zijn; zij vermoeit zich ook, maar welke edelmoedige ziel heeft het ooit vermoeid, door hare teedere liefde te lijden ? welk hart beklaagt zich, zich steeds te moeten opofferen? Men zegt genoeg, als er sprake is van vreugde; doch nooit zegt meu genoeg, als er sprake is van eene opofferende

ocr page 531

518

genegenheid. Het lijden voedt, verheft, verlevendigt en heiligt de liefde.

Lijdt dan gaarne de smarten die God u overzendt. Zij zijn voor u. God toegewijde zielen, wat de stormen zijn voor de golven der zee; zij houden u zuiver en geven u de zoete voldoening van te kunnen gevoelen, dat gij God bemint!

Sde XïOOnDSTXJKI

WTatiiivr en oox-zaalc van Ixet lifrïcn.

I. Lijden in het algemeen is al wat een pijnlijk gevoel doet ontstaan of ondervinden.

Het is lichamelijk of geestelijk, naarmate het lichaam of ziel aantast; maar het lijden moge in de ziel of in het lichaam rusten, ons geheele wezen ondervindt daarvan de pijnlijke uitwerkselen.

II. Het lijden komt altijd van God, hetzij rechtstreeks door Hem gezonden, of door Hem toegelaten , en naar onze kracht afgemeten.

Men zegt, dat het rechtstreeks van God komt, als God zonder tweede oorzaak op het lichaam of de ziel werkt; het is voor het lichaam bijv. eene ziekte, zonder bekende oorzaak; voor de ziel, voor den geest, voor het hart een toestand van verveling, van dorheid, van verlatenheid, van ongerustheid, van gedurige vrees, van vreeselijke en aanhoudende bekoring.

Men zegt, dat het op indirecte wijze van God komt, als Hij aan de schepselen de macht of zelfs het gebod geeft, ons eenig lijden te doen ondergaan; doch dan

ocr page 532

- 519

weten wij ook, dat, hoe verbitterd die schepselen 3ok tegen ons mogen zijn. God haar grenzen gesteld leeft, die zij niet mogen overschrijden, — dat Hij ie macht der smart meet naar de kracht, die Hij ons gegeven heeft, — en de langdurigheid van de smart naar den graad van volmaaktheid, dien Hij-ons wil doen bereiken.

Het lijden kan ons dus met Gods toelating aan-gedaan worden:

1. Door den duivel, wien God toestaat ons te bekoren, ons zelfs uitwendig te kwellen; van wien God zich bedient om ons te beproeven en door de smart te heiligen, gelijk wij dit in de geschiedenis van Job zien. De mensch is slechts door de inblazing des duivels in zonde gevaillen, en God heeft hem gestraft door hem in zekere mate aan de macht des duivels over te laten. De duivel is eenigermate de algemeene bewerker van ons lijden.

»Het zou te ver voeren,quot; zegt Mgr de Ségur, »hier iu kleine byzonderheden uit te leggen, hoe alle kwaad op deze aarde, hoe alle wanorde, welke de natuur ontstelt, hoe alle verwoestingen, van welken aard dan ook, het gevolg zijn van dien vervloekten, van dien grooten geest, dien God bestemd heeft om als de algemeene bestuurder te zijn van de geheele stoffelijke wereld. Die wanorde, die omwentelingen kunnen van God, die de oneindige orde in zich-zelven is, niet komen; zij komen ook niet van de goede engelen, de bedienaars van vrede, orde en leven; zij komen niet uit de stoffelijke elementen, welke uit zich-zelven noch macht, noch beweging bezitten; zij komen dus uit de geheime en verfoeielijke macht, die men duivel noemt en die de schoone orde der natuur omver werpt, zonder ze te kunnen vernietigen.

ocr page 533

520

Aldus werpt, op duizenderlei wijzen, door de geleerden secondaire oorzaken genoemd, de vader van alle kwaad hier en daar den dampkring dooréén, en veroorzaakt storm, onweder, hagelslag en orkanen met al derzelver treurige gevolgen; zoo vergiftigt Mj deze en gene plant, bezielt deze en gene diersoorten met zijne woede, alleen om den mensch en de andere schepselen van God kwaad te doen. Zoo laat God toe, dat hij in do lucht kleine insekten, voor het ongewapend oog nauw zichtbaar, opwekt, die op de aarde die vreeselijke ziekten verspreiden, bekend onder den naam van pest, cholera, typhus, koortsen van allerlei soort, die zoovele slachtoffers ten grave voeren.

De geneeskunde en de wetenschap bevestigen het bestaan dezer ziekten; zij bestrijden en weerhouden soms de verwoestende plaag door de middelen, waarin zich de barmhartige en genezende hand van God en de heilige Engelen verbergt; maar het geloof alleen dringt door tot de onzichtbare oorzaak dezer rampen en toont ons, verborgen gelijk het den hel-schen geest past, den vijand van God en der menschec, den vader van alle kwaad, den afschuwelijken duivel. Al de rampen, die wij hier te lijden hebben, keeren tot hem, als tot hare bron, terug.quot;

Het lijden kan nog bewerkt worden:

2. Door onze Overste of onzen biechtvader, voor wie wij somtijds een afkeer gevoelen, waarvoor geene rede bestaat, die wij met geweld moeten bestrijden, zoo dikwijls wij tot hen gaan, — voor wie wij vooringenomenheid gevoelen, — die onze verbeelding, door den duivel opgewonden en bedrogen, ons voorstelt als onbillijk jegens ons, als genegen voor iedereen, behalve voor ons. Ook kan God toelaten, dat onze oversten

ocr page 534

521

tegen ons ingenomen zijn, ons ongunstig beoordeelen, ons schuldig gelooven, ons streng oordeelen.

3. Door onze medezusters, hetzij vrijwillig, lietzij vooral en bijna altijd onvrijwillig door haar karakter, dat geheel tegenstrijdig is aan het onze, door hare zienswijze, door haar soms beperkt oordeel, door een natuurlijkeu afkeer, dien zy voor ons hebben, door hare godsvrucht zelfs, die voor ons eene oorzaak van kleine beproevingen kan zijn, door het veeleischende van hare natuur, die wij ondragelijk vinden.

4. Door onze bediening, die geheel tegenstrijdig kan zijn met onze neigingen, onzen aanleg, onze gezondheid.

5. Door ons gestel, dat teeder, zwak, gevoelig, ziekelijk kan zijn.

6. Door ons karakter, dat teergevoelig, lichtgeraakt, achterdochtig, afgunstig, onafhankelijk, veranderlijk, driftig zijn kan.

7. Door onze vrienden , die ons vergeten, verlaten, verachten, verraden en somtijds lasteren.

8. Door de dagelijksche voorvallen des levens, die telkens voor ons eene oorzaak zijn van onrust, tegenspoed , kwelling, ontbering , vernedering.

9. Door ouderdom of gehrekkelijkheid, die verzwakking der ledematen, der zintuigen of des geestes veroorzaken, — onze werkzaamheid belemmeren, — ons tot een voorwerp van medelijden , van verachting, van walging voor onze medezusters maken, — onze Oversten verplichten om ons elke bediening te ontnemen , ons ter zijde te stellen, ons, gelijk wij het met een gevoel van bitterheid zeggen, als uitschot te behandelen.

ocr page 535

522

3de KOOFIDSTTJIS:.

quot;VerscWlleiMle vormen van liet ILiijlt;len.

Wij gaan de verschillende vormen van het lijden bestudeeren, en zullen spreken:

1. Over de dorheid en angstvalligheid der ziel.

2. Over de vernederingen.

3. Over de bekoringen.

4. Over de ziekten en de gebreken des Uchaams.

5. Over den gewetensangst.

*2)e- dozficid ett an tvaïtlyïizid dcz,

1. Het is gewoonlijk door het onttrekken van den (jevoeligen troost, dat God zijue vrienden begint te beproeven. — Moet Hij dan de ziel, die zich zoo vurig aan zijnen dienst heeft toegewijd, niet gewoon maken om Hem te beminnen en niet slechts de vreugde en den troost, die Hij schenkt? Moet de ziel, die de oneindige volmaaktheid van God kent en zoo levendig zijne goedheid voor haar ondervonden heeft, Hem niet meer dienen uit dankbaarheid dan uit eigenbelangquot;? Zeker vraagt God niet, dat de ziel, die Hem dient, de gedachte aan de belooning, beloofd aan die Hem

ocr page 536

523

etrouw blijven, geheel nitsluite; maar Hij wil om ich-zelven meer gediend en bemind worden dan om .e helooning. God verdient bemind en gediend te orden, al zou Hij geene belooning beloven. Daarom trekt God, na eene ziel door geestelijken iroost en inwendige zoetheid getrokken te hebben, ich somtijds terug en plaatst haar eenigen tijd egenover het plichtbesef, dat zich zonder den minsten roost aan haar voorstelt.

De geestelijke schrijvers noemen de uitwerking dezer beproeving nacht., een naam welke den toestand dei-ziel volkomen uitdrukt. Niets gelijkt beter op den helderen dag dan die staat van troost; dan schijnt er licht in overvloed; de weg, dien wij doorloopen moeten, is duidelijk afgebakend, de ziel weet waar zij gaat, de vreugde, die haar overstelpt, schijnt haar jelfs vleugelen te gevea om haar te doen vliegen op den weg van volmaaktheid;.... maar laat (/e nacht eens komen, laat die goddelijke vreugde, die het hart vervoert, eens verdwijnen, welk eene vreemde, welk eene droevige verandering ziet men dan! De oogen der ziel, gisteren zoo helder, schijnen door een sluier bedekt; de geest, die zich zoo gaarne met God bezighield, vindt niets meer dat hem boeit; haar hart, zoo brandend van liefde, gevoelt niets meer; de walging neemt de plaats in der vurigheid, welke het bezielde, voor al wat goed is; zij ziet alom slechts duisternis en schrikbeelden; zij is bang van God.

II. Hoor, wat de Heiligen ons omtrent dien toestand zeggen.

Er zijn oogenblikken,quot; zegt de H. Theresia, » waarop ik niet den minsten geestelijken troost ontwaar. Dan verdwijnt het verleden zoodanig uit mijn geheugen, dat het mij toeschynt, dat ik gedurende mijn geheele

ocr page 537

524

leven niets goeds verricht heb. Alles schijnt mij een droom, mijn lichamelijk lijden drukt mij neder, mijn verstand wordt verduisterd, ik denk niet meer aan God en weet niet meer waar ik ben. Neem ik een boek, dan begrijp ik geen woord van wat ik lees; ik zie mijzelve met onvolmaaktheden bedekt, zonder eenige liefde voor de deugd; en al de liefde die ik vroeger tot het lijden had, wordt zoo zwak, dat ik, zoo komt het mij voor, aan de minste bekoring niet zou kunnen weerstaan, dat ik tot niets deug, dat ik voor de kleinste moeielykheid terug deins, dat ik al degenen bedrieg, die eene goede meening van mij hebben. Dan zou ik mij ergens willen verbergen, waar niemand mij kan zien; en de eenige genade, die God mij geeft, is dat ik Hem niet meer dan anders beleedig, en de gedachte dat ik, wel verre van Hem te vragen mij van die kwelling te verlossen, bereid ben om tot het. einde mijns levens die vreeselijke beproeving te verduren, als dit zijn wil is. Ik onderwerp mij volgaarne aan zijnen wil, en bid Hem slechts mij by te staan, opdat ik hem niet beleedige.quot;

»Hoe vreeselijk, roept de gelukzalige Seb. Valfre uit, is de benauwdheid van een hart, dat gedompeld wordt in de geestelijke dorheid en duisternis, dat er zich niet van kan losmaken, en niet door zijn geestelijken leidsman begrepen wordt, hetzij omdat deze geene ondervinding heeft, hetzy omdat God hem het noodige licht niet geeft om den treurigen toestand van zijn penitent te zien! Want God laat soms de aldus beproefde ziel in zulk eene volkomen verlatenheid, dat zij aanstonds tot een staat van zekere wanhoop geraakt, en niet meer weet, waarheen, tot wien zich keeren; zij kan zeggen, dat dit het oogenblik van duisternis is, maar van zulk eene diepe duisternis, dat zij geene

ocr page 538

525

gedachte heeft, noch meent te kunnen hebben dan

O 1

deze: al wat ik zeg, al iaat ik doe, al wat ik onderneem, is verloren. Als zij rich in die vreeselijke oogenblikken niet aan Gods wil onderwerpt, als zij niet met onderwerping het oogenblik der kalme berusting afwacht, als zij na den winter der troosteloosheid niet hoopt op de lente der verti-oosting, o God! dan is er voor haar slechts één middel, te weten: niet te wantrouwen: op de hulp des Heeren te rekenen en de barmhartigheid Gods af te wachten, welke Hij haar op den door Hem bestemden tijd zal doen ondervinden.quot;

Hoor, welke vreeselijke inwendige marteling de H. Alphonsus op het einde zijns levens ondervond.

God, die hem wilde beproeven als het goud in de smeltkroes, onderwierp hem, in de laatste jaren zijns levens, aan de bitterste beproevingen, die men kan uitdenken. Er bestaat een lijden dat voor de zielen die aan God gehecht zijn, oneindig smartelijker valt dan de dood; dit is de gedurige vrees van te zondigen, eene vreeselijke bekoring tot het kwade en de smartvolle angst van ver van God verwijderd te leven. God liet toe dat zijn dienaar die alle ondervond.

Zijn verstand was beneveld, en hij zelf, te midden der diepste duisternis aan zich-zelven overgelaten, zag overal slechts zonde, gelegenheid en gevaar tot zondigen; en altijd onzeker, of hij God nietbeleedigd had of ging beleedigen, leefde de goede grijsaard in eenen voortdurenden doodsangst. Hij, die duizenden zielen bestierd had, die haar met een enkel woord had weten te troosten, kon toen zich-zelven niet meer bestieren. Alles verontrustte hem, alles boezemde hem vrees in, en elke vrees was voor hem een onoverkomelijke berg.

ocr page 539

526

Uit dezen angst ontstond bij onzen Heilige eene groote vrees voor zijne zaligheid. » Wie weet,quot; sprak hij al weenende, »of ik in staat van genade ben, of ik mijne ziel zal redden.quot; En zich tot het kruisbeeld keerende, riep hij al weenende uit: »Mijn Jezus, laat niet toe, dat ik verloren ga!quot; En niet wetende, of hij zich al dan niet schuldig gemaakt had, herhaalde hij dikwijls al weeuende: »0 Heer, laat mij niet in de hel vallen; want men bemint daar niet meer.quot; Eens dat men hem vraagde, hoe hij zich bevond, antwoordde hij: »Ik bevind mij onder de roede der goddelijke gerechtigheid.quot; En zich naar het kruisbeeld keerende, riep hij uit: »0 Heer, kastijd mij, kastijd mij naar verdiensten, maar verwerp mij niet van uw aanschijn.quot;

Behalve deze gewetensangsten had hij tegen allerlei gevaarlijke bekoringen te strijden. De opstand zijner driften, de ijdele gedachten, de verwaandheid en de ongeloovigheid deden hem beurtelings den oorlog aan. Doch zoo alle bekoringen voor hem eene groote kwelling waren, zoo waren het vooral die. welke de heilige deugd aanrandden, welke hem een waren marteldood deden ondergaan. »Ik ben tachtig jaren oud, zegde hij eens, en nog is het vuur der jeugd in mij niet uitgebluscht. Hij had zulk een zwaren strijd te leveren, dat hij somtijds 's nachts uitriep: »Mijn Jezus, laat my liever sterven dan ü te vergrammen. O Maria, zoo gij mij niet helpt, zal ik dieper dan Judas vallen.quot; Zijn eenige troost zou het gebed geweest zijn, maar gewoonlijk vond hij er geen troost meer in. »Ik spreek tot God, zegde hij eens tot zijnen biechtvader, en het is mij of Hij elk woord verwerpt. Ik zeg: Mijn God, ik bemin u, en ik hoor mij antwoorden: »het is niet waar!quot;

ocr page 540

527

Twee zaken schitterden gedurende dien tijd van beproeving, naar het zeggen van zynen biechtvader, in hem uit: eene volkomen gehoorzaamheid en eene volmaakte overgeving aan Gods wil. Hij had zulk een vertrouwen in de gehoorzaamheid dat hij, wijl hij zijn biechtvader niet altijd bij zich kon houden, of hem geen last wilde aandoen, door een bediende of door den broeder, die hem bediende, hem zijne moeielijkheden of gewetensangsten liet mededeelen. Hij vond groote verlichting in zich aldus aan de goddelijke barmhartigheid toe te vertrouwen, want hij zegde zelf tot zijn zielbestierder: »Mijn eenige toevlucht in mijne angsten is my geheel in de hand Gods te stellen; ik vind daarin vrede en verlichting. Ik vertrouw, dat Jezus-Christus, slechts naar zijne goedheid luisterende, mij niet in de hel zal storten.quot;

H. Wat moet men doen in zulk een ireurigen en drukkenden toestand? — Zijn regelmatig en onderworpen leven voortzetten, — zich des noods slepen naar het gebed, de meditatie, de H. Communie, het werk, maar niets vrijwillig achterlaten;—onze lippen dwingen om akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw uit te spreken, die het hart niet schijnt te willen gevoelen; — tot God met al de kracht van zijnen wil dat zoo liefdevol woord van den H. Franciscus van Sales richten: Als ik u in het ander leven niet zal mogen beminnen, icil ik u ten minste in dit leven hemimien, — en bovenal blindelings gehoorzamen aan

• _ O O

den priester, wien God de zorg onzer ziel heeft toevertrouwd.

Tntusschen is het nuttig te weten, dat de dorheden niet altijd eene beproeving van God zijn; zij kunnen voortkomen:

I. Uit eenige geheime gehechtheid, die het Hart

ocr page 541

528

van den goeden Meester bedroeft en zijnen vertrou-welijken omgang met de ziel belemmert. O gij, die lijdt en klaagt, daal in het diepste uws harten; en zoo daar eenige gedachte of gehechtheid de plaats van God inneemt, dan wees edelmoedig; jaag dat alles uit uw hart en houd God, God alleen daarin.

2. Uit eene geheel lichamelijke oorzaak en een zwaarmoedig en neerslachtig gestel. Deel eenvoudig uwen toestand aan uwen zielhestierder mede en volg zjjnen raad in alles.

II.

S)e, vczncdaziny.

I. De vernedering is een smartelijk lijden; God spaart het zijnen vrienden niet en die Heiligen, die voor ons met recht voorbeelden zijn van zachtmoedigheid, van zuiverheid, van ijver, van nederigheid, hijv. een H. Franciscus van Sales, een II. Frandscus Regis, een H. Joannes van het Kruis, eene H. Theresia, de Gel. Pater Claver, de Gel. Margaretha-Maria, en zoovele anderen, o hoe heeft God in zijne liefde hen gezuiverd door de smartelijke beproeving der belastering, der verachting, der verlatenheid, der drukkendste verstooting! Wij willen zelfs , om enkele zielen niet te ergeren, niet treden in de uitéénzetting der vernederingen, welke de Heiligen hebben moeten ondergaan!

De vernedering is zeker de straf of het genees-

O ;_5

middel van den hoogmoed, die zoo diep in ons hart

ocr page 542

529

geworteld is; maar zij is ook een krachtig middel om ons van de schepselen te onthechten en ons God alleen te doen zoeken. O als wij gevoelen, dat wij bij allen verstooten worden, als wij ons misacht zien door onze beste vrienden, die ons zouden moeten beschermen, tot wie zullen wij dan gaan, zoo niet tot God, tot God, die nog altyd een oogslag van barmhartigheid en medelijden heeft, zelfs voor de misdadigste ziel, wanneer zij zich nederig tot Hem keert, tot God, die met zooveel goedheid de armen opent voor de verlaten ziel, die Hem roept?

Toen de Gel. Henrikus Suzo eens in zijne cel zich overgaf aan den vrede en de zoetheid van het gebed, hoorde hij de stem van een kind, die hem van buiten toeriep: » Henrikus, kom dit zien.quot; — De gelukzalige gaat naar het venster en zoekt het kind, wiens zoete stem hem in het diepste zijner ziel getroffen had. Hij ziet niemand, doch hij ontwaart in een hoek van den tuin een hondje, dat met een stuk oud linnen speelde; dan eens verscheurde hij het met zijue tanden, dan wierp hij het in de lucht en ving het weder in zijnen bek op, dan sleepte hij het in het slijk en vertrapte het. Henrikus keerde in zijne cel terug-zonder te kunnen begrijpen, wat dit beduidde. Maaide engel, die hem geroepen had, deed het hem verstaan. » Henrikus, zegde hij hem, hebt gij gezien, wat de hond met dien lap gedaan heeft? Die vod zijt gij, de hond beteekent uwe vrienden en broeders, die tegen u gaan opstaan , en voortaan zult gij hun speelbal zijn!quot; De gelukzalige boog het hoofd ter aarde, nam uit goeder harte al de beproevingen aan die de Heer hem bereiden zou, en bedankte Hem duizendmaal, hem den tyd gegeven te hebben om zich tot den strijd te bereiden.

34

ocr page 543

530

Gij ook zijt gewaarschuwd, o religieuze ziel; gij wordt bijzonder door God bemind, bereid u dus tot de vernedering.

II. Van waar kan die vernedering komen? Ziedaar eene gewichtige en kiesche vraag.

Die vernederingen zullen u van alle kanten toegebracht worden; gij zult vernederd worden door God door uwe Overste, door uwe vrienden, door uwen ziel-hestierder, door alle schepselen eindelijk. Maar vrees niet; God zal met u ziju, en met God zult gij altijd de kracht hebben om niet te bezwijken, en de genade om uit die zware beproeving voordeel te trekken.

1. God.

God vernedert eene ziel door toe te laten, dat zij door vergetelheid, lichtzinnigheid, losheid van geheugen, en door geheel onvrijwillige dwaling, uitwendige fouten bedrijft, welke dan eens de orde in huis zullen storen, de oefeningen zullen vertragen of haar zelfs werkelijk ongehoorzaam zullen doen zijn, en dat ten aanzien van iedereen; daaruit volgen noodzakelijk openbare of geheime berispingen; — van daar den naam van lichtzinnigheid en uitgestortheid, uitwendig ten volle verdiend; — van daar langzamerhand het weinig gewicht dat men hecht aan wat zij zegt, en allengs die vergetenheid en verlatenheid, waaraan men haar overlevert.

2. De Oversten.

Als de Oversten eene religieuze herhaaldelijk de zelfde fouten zien bedrijven, zullen zij langzamerhand eene ongunstige meening van haar opvatten. Zeker zijn de fouten bedreven door de religieuzen, die God in de nederigheid wil oefenen, meer in het oog springend dan zondig; de wil alleen bepaalt de boos-

ocr page 544

531

aardigheid der zonde, en haar wil is meer dan ooit met God vereenigd; raaar de Oversten kunnen slechts oordeelen naar datgene wat uitwendig is. God alleen

O O

dringt door in het geheim der harten; en zoo gebeurt het, dat zij met de beste bedoeling der wereld door eene bijzondere toelating van God, die arme ziel op alle mogelijke wijzen kwellen, haar dan eens van dwaling, dan weder van kwaden wil beschuldigen. Daar zij haar verblind meenen te zijn omtrent hare fouten, berispen zij haar scherp, hopende haar op die wijze de oogen te openen; dan, ziende dat zij door gestrengheid niets winnen, beginnen zij, om zoo te zeggen, aan de verbetering te wanhopen eener ziel waarop zij vroeger gebouwd hadden, en behandelden haar als een voortaan onbruikbaar wezen.

Intusschen nemen de Oversten znlk een gestrengen maatregel niet zonder daarover eene le vendige droefheid te gevoelen, en het zien daarvan is natuurlijk voor de aldus gepijnigde ziel eene vermeerdering van lijden. Zij bemint hare Oversten; er is geen offer, dat zij niet bereid is voor hen te brengen; en zij gevoelt, dat zij voor hen een voorwerp van verdriet is. Wat zal men doen in zulk eene wreede beproeving? Als liet hart alleen het gewicht zijner droefheid niet meer dragen kan, is het natuurlijk dat men eenigen troost bij zijne vrienden gaat zoeken. Maar, helaas! door liet toelaten der goddelijke Voorzienigheid vindt men ook daar slechts bitterheid en teleurstelling.

De kleingeestige en hoovaardige zielen, gelijk er zich soms in de gemeenten bevinden, zouden misbruik kunnen maken van hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en in een staat van volmaaktheid mamp;enen is TA^n, alleen ómdat zij door hare Overste berispt of bestraft worden; zij moeten wel bedenken:

ocr page 545

532

1. Dat de zielen, die aldus door God beproefd worden, in die vernedering en terzijdestelling, niet eene enkele beproeving van God zien, maar eene werkelijke straf, die zij verdiend hebben, hetzij voor tegenwoordige, hetzij voor vroegere fouten.

2. Dat de Oversten, als zij met gestrengheid handelen, altijd eene fout meenen te moeten straffen, het karakter te moeten buigen, eene ongehoorzaamheid meenen te moeten doen boeten. God kan toelaten, dat zij overdrijven, dat zij zich bedriegen; God kan zelfs toelaten, dat zij door een gevoel van afkeer handelen; maar de ziel, die door hunne dwaling, hunne overdrijving of hun karakter lijdt, lijdt dit in stilte., beschouwt zich nooit als slachtoffer, noch als eene dier uitverkoren zielen, die God door die beproevingen heiligt, maar vernedert zich steeds meer voor degenen, die haar besturen. — Het morren belet meestal de vrucht eener beproeving, die God ons overzendt.

3. De vrienden.

Ook de vrienden trekken zich, door goddelijk toe laten , terug van die arme ziel, die God wil beproeven om haar tot zich te trekken. Waarin ligt de oorzaak dezer verlatenheid? Zij is geheel goddelijk, en wordt langzamerhand bewerkt. Die arme ziel blijft liefdevol en goed, maar wordt allengs vreesachtiger en meer terughoudend ; wellicht laat God eenige onvoorzichtig' heden toe en de vriendschap, die men haar toedroeg verflauwt allengs; daarop volgt de onverschilligheid het vergeten, wellicht de argwaan.

»Die zelfde ziel,quot; zegt P. Grou, »die kort geleden voor eene heilige gehouden werd door eene geheele gemeente, ziet zich ineens door argwaan omgeven

ocr page 546

533

men verliest de goede meening, die men van liaar koesterde; men beschouwt haar als eene schijnheilige; hare onschuldigste woorden worden ten slechtste uitgelegd; hare heiligste daden worden als misdadig uitgekreten, men verlaat haar, men vlucht haar, hare vrienden zelfs en innigste vertrouwelingen keeren zich tegen haar.quot;

»Wat deze bevoorrechte ziel het hardste valt,quot; zegt de H. Theresia, »is dat hare vrienden zich van haar verwijderen, en juist degenen zijn, welke de belee-digendste gesprekken omtrent haar voeren.....quot;

»Ik ken iemand,quot; schrijft de zelfde Heilige, en zij spreekt hier van zich-zelve, igt; die zoover gekomen was, dat zij vreesde geen biechtvader te vinden, die hare biecht wilde hooren; zooveel kwaad had men van haar gezegd.quot;

Wij, die zoo gelukkig zouden geweest zijn met eene H. Theresia, eene H. Angela de Foligno, een H. Petrus van Alcantara te leven, kunnen ons slechts met moeite een denkbeeld maken van de verlatenheid en veronachtzaming, waarin zij door Gods toelaten een geruimen tijd hebben doorgebracht. O, als wij de zelfde smart moeten lijden, vereenigen wij ons dan gelijk zij met Jezus, die verraden, die verlaten werd door de zijnen; verdragen wij alles in vrede, en gaan wij in stilte voor het Tabernakel door onze tranen ontferming en genade afsmeeken.

4. De Biechtvader.

De biechtvader verlaat ons nooit; als geestelijke vader, is hij het beeld van de goddelijke goedheid op aarde en God geeft hem een deel zijner vaderschap. Neen, hij zal zich niet van u terugtrekken, al zou iedereen u verlaten; maar God zal toelaten, of dat gij

ocr page 547

534

ten zijnen opzichte eene vreesachtigheid gevoelt, die alle openhartigheid belet, of dat gij meent dat hij tegen u vooringenomen is, of wel dat hij u niets zal zeggen. Hij die n vroeger zoo goed begreep, die in uw geweten las als in een geopend boek, ziet er nu niets meer in; en zoodra hij u niet meer verstaat, wat kan hij doen, al is zijne liefdevolle belangstelling voor uwe ziel ook nog zoo groot? Voor u hidden en zivijgen. Ja, dit is eene wreede beproeving. O blijf klein, blijf nederig, beklaag u vooral niet, mor niet, deel uw Igden niet aan iedereen mede; doe geene verwijten, maar beschuldig u eenvoudig over uwe fouten en onvolmaaktheden; volg zoo goed mogelgk de raadgevingen, die men u geeft, al schijnen zij volkomen nutteloos voor uwe ziel, en loacht geduldig. God zal hamen, als de beproeving hare zending volbracht heeft.

5. De schepselen in het algemeen.

Er komt somtijds een uur waarop het ons toeschijnt, dat de wetten der wereld omgekeerd zijn , ten opzichte van de zielen, die God bijzonder wil beproeven. Niets gelukt haar. De eenvoudigste zaken zijn voor haar met moeielijkheden bezet; de minste zaak, die zij ondernemen, stoot op onoverkomelijke hinderpalen: alles wat zij aanraken breekt in hare hand; en die altijd ongelukkige uitslag, van datgene zelfs waarvan de gewone voorzichtigheid een gelukkigen uitval ver-• wachtte, brengt ten laatste in haar zulk eene vreesachtigheid voort, dat zij bijna niets durven zeggen, noch ondernemen.

Zeker zijn dit geene gewone toestanden; doch wij vertrouwen , dat met Gods hulp deze bladzijden zullen dienen om eenige zielen gerust te stellen, door haar eene beproeving te doen zien in datgene wat de duivel

ocr page 548

535

aar wellicht voorstelde als eeu bewijs dat zij door rod verlaten zijn.

III. Hoe moeten wij ons gedragen als wij be-chuldigd worden?

1. Ons niet verontschuldigen in de kleine dage-jksche aanmerkingen omtrent onze achteloosheid, nze ordeloosheid, onze onregelmatigheid. — Ons ook iet verontschuldigen hij eene openbare berisping. — aten wij de vernedering in onze ziel haar werk van uivering en volmaking voltrekken. Doch wanneer et ons toeschijnt, dat er gewichtige beweegreden estaan om ons niet ongehoord te doen veroordeelen, do vragen wij eerst raad, en spreken wij niet alvorens e kalmte en de vrijheid des harten terug bekomen

hebben. — Vooral nooit eene verontschuldiging erzinnen. — O hoeveel wijzer en heiliger is het, aar het voorbeeld van zoovele valschelijk beschul-'gde Heiligen en van den H. Franciscus van Sales nder anderen, aan God de zorg over te laten ons ij te spreken, onder het gewicht van den laster en 'n argwaan, ons leven kalm en vreedzaam voort te tten, en te zeggen: God is de meester van mijnen 'eden naam; als Hij ziet dat deze mij noodig is, xl Hij mij dien wedergeven.

2. Over de ontvangen vernederingen alleen spreken et zijnen zielbestierder, om te leeren, hoe men ze oet verdragen. Nooit een woord van afkeuring och afkeur zeggen aan het adres van degenen, welke ns die aandoen. De troost des Hemels daalt neder in

stilzwijgendheid der ziel, aan den voet des altaars, i het gebed. God alleen tot trooster zoeken, is het art winnen van dien barmhartigen Vader en zijne inigste liefdebewijzen over zich trekken. — Trouwens troost der menschen is meer dan onmachtig om

die tij zal ï in nu lat, ling % en blijf liet, jene uwe k de men zal eeft.

ijnt, chte «fiets haar e zij ilen: i die rvan ver-rees-gen,

i wij uilen haar uivel

ocr page 549

536

het hart te verlichten; hij laat eene leemte; hij bezoedelt de genegenheid; hij opent de deur voor vele fouten. — De hemelsche troost daarentegen gaat vergezeld van de ootmoedigheid, de liefde, de gehoorzaamheid, de versterving, het geduld, den onver-stoorbaren vrede. Ik heh tot den Heer geroepen, zegt David, en Hij heeft mij verhoord. (Ps. LXXVI, 1).

3. Als gij beschuldigd wordt van eene fout, die gij werkelijk bedreven hebt, zegt de H. Gregorius, dan verneder u diep; wordt gij ten onrechte beschuldigd, zoo betuig bedaard uwe onschuld; want gij zijt dit aan de waarheid en algemeene stichting verschuldigd; gaat men echter voort u te beschuldigen, zoo ontstel u niet, plaats uwen goeden naam in Gods hand; gij kunt dien niet beter verzekeren. — Overtuig u wel van dit woord van den H. Franciscus van Sales: Het lijden en de droefheid zonder vernedering blazen het hart dikwijls op, in plaats van het ootmoedig te maken.

III.

3)e Seamp;ozinyzn.

De bekoring is eigenlijk alles wat ons tot de zonde aanlokt.

Zij wordt veroorzaakt door de ons ingeboren neiging tot bet kwaad, — de boosaardigheid des duivels, — de verleiding der schepselen, — de kwade voorbeelden.

Voor eene ziel, die God werkelijk bemint, is die staat van bekoring, zoo zij hevig of langdurig is, een zwaar lijden. Zij gevoelt zich met eene somtijds bijna onweerstaanbare macht tot het kwaad getrokken; het komt haar somtijds voor, als wilde, als deed zij

ocr page 550

537

zelfs het kwaad, en nochtans gevoelt zij dat zij in den grond des harten God bemint, God niet wil beleedigen, liever duizendmaal wil sterven dan Hem te vergrammen; maar alles is verward; zij kan zich-zelve geene rekenschap geven, of zij God al dan niet heleedigd heeft; dan wordt het leven haar tot last; zij verlangt te sterven, zij vraagt om van dit lichaam

des doods bevrijd te worden;____en God antwoordt

haar gelijk aan den H. Paulus: Mijne genade is u genoeg. O ja, die staat van bekoring is eene zeer smartelijke beproeving.

Wij zullen aantoonen :

1. De redenen, waarom God de bekoring toelaat.

2. De verschillende soorten van bekoringen.

3. Hoe men zich ten opzichte der bekoringen behoort

te gedragen.

I. Waarom laat God de bekoring toe?

De meesters van het geestelijk leven wijzen vijf verschillende redenen aan, waarom God eene ziel die Hem dierbaar is, aan de bekoring overlaat.

1. Om haar te beproeven. Als de ziel in vrede is, weet men niet, of hare getrouwheid deugd is of uit natuurlijke neiging en karakter voortspruit; maar als zij, door den duivel aangevallen, in het goede volhardt, toont zij duidelijk dat zij alles uit deugd en liefde tot God verricht.

2. Om haar te vernederen. De deugd van ootmoedigheid wordt nooit beter verkregen dan langs den weg der bekoringen. Als eene ziel door langdurige en hevige bekoringen wordt aangevallen, als zij zich op het punt ziet te bezwijken, dan gevoelt zij hare eigene zwakheid en houdt zich in de nederigheid,

ocr page 551

538

omdat zij gevoelt, dat zij voortdurend de hulp van God noodig heeft; zij zoekt dan God met meer zorg dan ooit en wandelt met voorzichtigheid, om zich niet bloot te stellen aan het gevaar van jammerlijk te vallen.

3. Om haar te zuiveren van hare zonden en onvolmaaktheden, en haar op die wijze schooner en aangenamer in zijne oogeu temaken. »Even als eene zee, door den storm beroerd, al het onreine, dat zij ontvangen heeft, ver van zich weg werpt, zegt Gerson, zoo zuivert zich de ziel, door de bekoringen beproefd, van al de onvolmaaktheden, waarmede zij zich gedurende de kalmte beladen heeft.quot;

4. Om haar in de deugd te versterken. Eene ziel, die vreezende van onder de bekoring te bezwijken, de zonde verfoeit, hare goede voornemens vermenigvuldigt, haar vleesch versterft, den Heer tracht te verzoenen door vurige gebeden en de oefening der heldhaftigste deugden, die zij in gewone omstandigheden nooit beoefend zou hebben, versterkt en bevestigt zich in de deugd. De H. Paulus bad vuriglijk den Heer, hem te verlossen van den prikkel des vleesches, die hem zoo wreedelijk kwelde. »Mijne genade is u genoeg, antwoordde hem de Heer, want de kracht is in zwakheid voleindigd.quot;

5. Om hare verdiensten en eeuwige helooning te vergrooten. Zoo dikwijls eene ziel over eene bekoring zegeviert, verkrijgt zij eene vermeerdering van genade, waardoor zij hiernamaals eene vermeerdering van glorie verkrijgt; hoe meer ik dus den duivel overwin, hoe meer kronen ik mij voor de eeuwigheid verwerf. De Heer zegde tot de H. Mechtildis; » Zoovele bekoringen als eene zwaar beproefde ziel met mijne genade overwint, zoovele paarlen vlecht zij rond mijn hoofd.quot;

ocr page 552

539

II. Veeschii.lende soorten van bekoringen.

Wij kiezen slechts die, welke de religieuze zielen het pijnlijkst kwellen.

1. Bekoringen tegen het geloof.

Deze bekoringen zijn zeer pijnlijk en zeer ontmoedigend. Zij benemen aan de godsvrucht alle bekoorlijkheid, aan het gebed allen troost; zij zoeken ons van God en vooral van de H. Communie te verwijderen.

Daarom moet men ze krachtig bestrijden en, volgens den raad van den biechtvader, wien men die altijd moet blootleggen, er steeds tegen in handelen in alle omstandigheden. Doordring u wel van de overtuiging dat Gods woord onfeilbaar is, dat het niet kan bedriegen en dat uwe denk- of zienswijze aan de werkelijkheid der zaken niets zal afdoen. Daar Jezus-Christus gezegd heeft dat Hij in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig is, zoo is Hij daar waarachtig tegenwoordig; en al uwe gevoelens en redeneeringen kunnen niets tegen de waarheid en de onfeilbaarheid van zijn woord. Als het u toeschijnt, dat gij geen geloof hebt, moet gij juist handelen, alsof gij veel geloof hadt.

Grootere heiligen dan gij werden tegen het geloof bekoord. De H. Hugo, bisschop van Grenoble, werd gedurende een geruimen tijd bekoord door godlaste-ringen tegen de voorzienigheid. Hij deelde dit mede aan den H. Gregorius VH, die hem geruststelde, en hem zegde dat God dit slechts tot zijn welzijn toeliet.

De H. Maria Magdalena van Pazzi werd zoodanig door deze bekoring gekweld, dat het medelijden inboezemde. »Bidt voor mij,quot; zegde zij dikwijls tot de religieuzen

ocr page 553

540

van haar klooster, »dat ik God niet lastere.quot; Deze kwelling duurde vijf jaren.

De H. Franciscus van Sales had gedurende eene zgner ziekten eene zoo hevige en zoo gevaarlijke bekoring tegen het H. Sacrament des Altaars te bestrijden, dat hij nooit heeft willen zeggen waarin zij bestond, uit vreeze van zwakke zielen te doen wankelen.

De H. Vincentius van Paulo had met bekoringen van dezelfde soort te kampen; en aan datgene wat hij deed om ze door zijne werken te logenstraffen, hebben wij zoovele heerlijke instellingen te danken. Dagelijks drukte hij zijn geloof uit in zijne werken, en antwoordde door daden aan de valsche redeneeringen van den bekoorder. Dit moeten wij in dergelijke omstandigheden navolgen. Wij moeten niet twisten; wij moeten bidden, korte eenvoudige akten verwekken en goede werken verrichten.

2. Bekoring tegen de zuiverheid.

Als deze bekoring niet door onvoorzichtigheid in het leven wordt geroepen, zal zij de ziel niet meer schaden dan elke andere bekoring. De gewone voorzorgen van zedigheid, versterving der zinnen, vlucht der gelegenheid tot zonde, openhartigheid, geloof en eenvoudigheid in de biecht, eenmaal aangewend zijnde, zal de ziel, in plaats van zich door dien toestand te bezoedelen, meer kieschheid, meer wantrouwen, meer nederigheid er door verkrijgen, en bijgevolg zal zij verder dan ooit verwijderd zijn van fouten van dieu aard, en dichter dan ooit bij het Hart van God, die de nederigen, de kleinen, die zich-zelven mistrouwen en alle vertrouwen op Hem stellen, bemint. »Waar waart gij, Heer, terwijl zoovele afschuwelijkheden in mijne verbeelding woelden?quot; vraagde de

ocr page 554

541

H. Catharina van Siena aan God. — »Mijne dochter, ik was in uw hartantwoordde haar die goede Meester. — Zoo gaat het eveneens met de zielen die in deze bekoring getrouw blijven. De godsvrucht tot de H. Maagd, de zorg om met eenvoudig geloof de gewijde medailles te dragen zijn bewonderenswaardige hulpmiddelen in dezen toestand.

3. Bekoring van hoogmoed.

De duivel bekoort door hoogmoed de religieuze zielen niet op dezelfde wijze als de wereldsche zielen; doch het valt moeielijk te beslissen in welk geval de overwinning moeielijker te behalen valt. In den hoogmoed der godvreezende zielen sluipt iets zoo fijns en verleidends, dat men er slechts door de bijzondere goedheid van God aan kan ontsnappen. Uit dat soort van hoovaardij komt het vermetel oordeel van den evennaaste, hardheid en gestrengheid, een lastige en slechtgeplaatste ijver, eene groote neiging om zich te beklagen, een geheim genoegen in het aanhooren

o 7 o O O

van het kwaadspreken, het zelfvertrouwen, een onvoorzichtig en vermetel verlangen naar buitengewone toestanden der ziel, en al de dwalingen, welke een dergelijk verlangen gewoonlijk vergezellen. Zoodra men twijfelt, of men in dezen toestand verkeert, moet men er zich diep over vernederen in het gebed en in de oogenblikken van ingekeerdheid; men moet zich oefenen in vernederende werken, zijne fouten zonder eenige bewimpeling bekennen, eenige vernederingen in daden of woorden zoeken, doch altijd volgens den raad van den biechtvader; want de dwalingen der eigenliefde zouden ons ook hier nadeelig kunnen 5!ijn. Nooit dan bij groote noodzakelijkheid moet men van zich-zelve spreken, noch zijne meening opdringen.

ocr page 555

542

4. Bekoring van wanhoop.

Als deze bekoring tot eene zekere hoogte stijgt, is zij verschrikkelijk en oefeut zelfs op het lichaam een verderfelijker! invloed uit, gelijk men het leest in de geschiedenis van den H. Franciscus van Sales als student te Parijs. Men weet, door welk heldhaftig besluit hij met de hulp der heilige Maagd daarover zegevierde. Als God u aan deze vreeselijke bekoring mocht onderwerpen, als het u schijnt, dat voor u alles verloren is, dat gij zeker verdoemd zijt, dat gij in doodzonde leeft, dat gij van God, van de H. Maagd, van allen verlaten zijt,.... o dan, smeek ik u, geef u niet aan vertwijfeling over; kniel neder aan den voet van het tabernakel, en zeg tot Jezus, naar het voorbeeld van Job: Al zoudt Gij mij dooden , nog zou ik in U hopen; zeg Hem ook, in den geest van den H. Franciscus van Sales: A Is ik U dan moet haten in alle eeuwigheid, laat mij Udan thans ten minste betuigen, hoezeer ik U bemin ! Heeft men deze bekoring overwonnen, dan wordt de ziel vervuld met de zuiverste liefde, het helderste licht en de rijkste genade. De meest ingewortelde gebreken worden daardoor uitgeroeid, de natuur sterft en maakt plaats voor het geloof, en die dagen en jaren van afgrijselijken angst brengen een voorsmaak der hemels voort, welke de woorden der menschelijke taal niet bij machte zijn uit te drukken.

De middelen om deze bekoring te bestrijden zijn eene groote getrouwheid aan onze oefeningen van godsvrucht, het ijverig naderen tot de HH. Sacramenten, al zou men ook, even als de H. Maria Magdalena van Pazzi, zich naar de Communiebank moeten slepen, en eindelijk de nederigheid en de godsvrucht tot de heilige Maagd Maria.

ocr page 556

543

III. Hoe men zich tijdens de bekoringen

behoout te gedragen.

1. Vraag aan God niet dat Hij u van de bekoring verlosse, doch vraag Hem slechts de genade van onder de bekoring niet te bezwijken; hij, die den strijd weigert, verzaakt aan de kroon. Geef u, wat den strijd betreft, geheel aan God over. Hij zal niet toelaten, dat gij boven uwe krachten beproefd wordt, en wanneer gij gedurende den strijd slechts het oog tot Hem keert, zal Hy met en voor u strijden.

2. » Laat den wind waaien,quot; zegt de H. Franciscus van Sales; » en wees verzekerd, dat alle bekoringen der hel eenen geest, die ze niet bemint, niet kunnen bezoedelen. »Er ligt in den grond der ziel een nog dieperen grond, waarin de duivel niet kan doordringen, daar God zich dien heeft voorbehouden; het is zijn heiligdom. De duivel woelt, maakt veel gedruisch, verwart de verbeelding, vermoeit de zinnen; maar in dat verheven deel der ziel heerscht vrede, want God woont daar. »De duivel moge mijne zintuigen en mijne verbeelding ontroeren, hij kan dat ondanks mijzelven,quot; zeide een Heilige; »maar mijn wil behoort my, hij vermag niets daarop; hij mag mij zoo dikwijls hij wil zeggen, dat ik het kwade wil, ik zal altijd antwoorden: neen.quot;

3. Gij vreest, u schuldig gemaakt te hebben, omdat gij den indruk met de toestemming verwart en dat gy, den lijdenden toestand uwer verbeelding houdende voor eene handeling van uwen wil, meent aan de bekoring toegestemd te hebben, omdat gy ze levendig gevoeld hebt. Wees gerust, onze verbeelding werkt gewoonlijk buiten de grenzen van onze macht.—

ocr page 557

544

De H. Hieronymus was naar de woestijn vertrokken; hij had de vlucht genomen om de ergernis der wereld niet meer te aanschouwen, en nog spiegelde zijne verbeelding hem de lichtzinnigheden der romeinsche vrouwen voor; hij tuchtigde zijn lichaam en gelijk de H. Paulus bracht hij het onder eene harde slavernij, en nog folterde het vuur der begeerlijkheid zijn hart. Te midden van dien vreeselijken strijd leed hij, doch zondigde niet; hij werd gekweld, doch hij was niet schuldig, en de smart die hij gevoelde, was een bewijs zijner vurige liefde tot God.

4. Doordring u wel van dit leerstuk, dat uwe ziel zal geruststellen, als de vrees van doodelijk gezondigd te hebben haar komt aanvallen. Voor eene doodzonde zgn drie omstandigheden noodzakelijk:

Dat de stof zwaar zij.

Dat de geest volkomen kennis hebbe van het schuldige der daad, die men bedrijft — of het verzuim, dat men zich toelaat — of het gevaar der gelegenheid , waaraan men zich blootstelt.

Dat de wil vrijelijk toestemme en een schuldige voorkeur geve aan de verboden zaak, het schuldig verzuim of de gevaarlijke gelegenheid.

Indien eene dezer omstandigheden ontbreekt, is het geene doodzonde.

De volkomen gerustheid kan en mag niet anders komen dan door de gehoorzaamheid; gij moet dus eenvoudig en oprecht den staat van uw geweten aan uwen zielbestierder mededeelen; en wanneer hij, na u gehoord te hebben, gesproken heeft, moet gij u aan zijn woord houden, er met eene onwankelbare gerustheid op vertrouwen en elke vrees ter zijde zetten van of niet wel begrepen te zijn of u niet wel uitgedrukt te hebben.

ocr page 558

545

5. De toestand uwer ziel, hoe gekweld en gepijnigd zij ook moge worden, kan in drie woorden worden uitgedrukt: of ik hen zeker schuldig, en ik beschuldig mij over mijne fout; — of ik hen zeker niet schuldig; — of ik weet zelve niet of ik al dan niet schuldig hen; ik heb geworsteld, ik heh gestreden, en beschuldig mij, voor zoover God mij schuldig kent. — Alles wat gij zoudt kunnen zeggen, laat zich hierin samenvatten!

Bedenk dat voor de zielen, die oprecht aan God willen toebehooren, het voorname punt in de biecht niet is veel uit te leggen, maar zeer nederig te zijn en oprecht de minste gelegenheden tot zonde te willen vermijden.

6. Wat moet gij bij een verlichten en verstandigeu biechtvader zoeken? De genade van het li. Sacrament en eenè leiding volgens de plannen van God ten opzichte uwer ziel.

Deze twee gewichtige punten ontbreken nooit; doch zij voldoen niet altijd uwe natuur, die zoo gretig de. voldoening zoekt. Uwe ziel zou verlost willen zijn van het gewicht, dat op haar drukt; — zij zou een steun willen vinden, die haar uit hare ellenden, zoo van buiten als van binnen, optrok. — Zij zou op den weg ten Hemel gedragen willen worden, om elke vermoeienis en elke hinderpaal te vermijden. Wel mogen wij hier dit woord, zoo rijk in toepassing, aanhalen: Als het zoo ging, waar bleef dan het marteldom des levens ?

In het algemeen is het de zending van den ziel-bestierder, de ziel te verlichten, haar zoo goed mogelijk tot God te geleiden en, volgens de uitdrukking van Bossuet, haar slechts naar God te doen ademen.

Meer moogt gij hem niet vragen.

35

ocr page 559

546

IV.

zie-'amp;ten cn 3e iicfianvetijamp;c c^e^^e^en. § 1. DE ZIEKTEN.

De ziekte is eene oorzaak van schrik voor de wereldlingen; voor de religieuze zou zij eene oorzaak van vreugde moeten wezen.

De ziekte is eene gansch bijzondere liefdegift van God. Hoor eens wat eene ziel zegde, die diep door drongen was van deze waarheid: »0 hoe verheug ik mij met den H. Paulus in mijn lijden, in mijne smarten, in mijne ziekte, daar het God is, die ze mij overzendt!

»Ik heb ze lief, omdat zij mij houden in eene voortdurende nederigheid en afhankelijkheid, en mij van het leven onthechten.

»Ik heb ze lief, omdat zij mij gelegenheid geven om aan God mijne liefde en mijne getrouwheid te bewijzen.

»Ik heb ze lief en vereer ze als sacramenten, die de genade in mijn hart storten, — mij zuiveren van mijne zonden, — mij met een schat van verdiensten verrijken, — mij naar de volmaaktheid geleiden,— mij dichter bij den Hemel brengen, — mij opofferen voor Gods glorie, — mij tot het slachtoffer zijner grootheid en liefde maken, — mij met Jezus vereenigen en mij aan Hem gelijkvormig maken,quot;

Eene andere heilige ziel schreef: »Als ik het leger van een zieke nader, overmeestert een gevoel van eerbied mijn hart. Op die lijdenssponde zie ik meer dan een broeder, meer dan een vriend in smart en

ocr page 560

547

nood; ik zie daar eene ziel, die de Heer ter zijde heeft gelegd om haar met eigen hand te vormen, en omdat Hij haar iets en mij door haar iets te zeggen heeft.quot;

In de ziekte vertoont zich Gods vaderhand op eene meer zichtbare wijze dan in ander lijden.

Wij zullen aantoonen:

1°. De voordeelen der ziekte.

2°. Het zinsbedrog in de ziekte.

3°. Hoe men tijdens de ziekte moet handelen.

I. VOOIIDEELEN DER ZIEKTEN.

1. De ziekte hoet voor de zonden. — Zij doet nu wat het vagevuur eens zal doen, als wij op het oogenblik van onzen dood die volmaakte liefde tot God niet bezitten die ons van smetten zuivert, doch op aarde zoo zeldzaam gevonden wordt; de ziekte doet, niettegenstaande al hare kwelling, dit met eene zoetheid, met eene gematigdheid, die de pijnen van hiernamaals niet zullen hebben. — O hoeveel lichter is het te lijden op het ziekbed, dan in het vuur zijne zonden te móeten boeten! — en hoevele jaren in het vagevuur kunnen afgeboet worden, dank aan Gods oneindige barmhartigheid , door eenige dagen ziekte, als men geduldig, gelaten, met Gods wil vereenigd lijdt! De ziekte is een vagevuur van barmhartigheid!

Door de ziekte boeten wij beter voor onze schulden dan door alle ander lijden; want de ziekte besluit alle andere verstervingen; zij werkt tegelijk op het lichaam en op den geest; zij pijnigt de ledematen; zij doet al de zintuigen lijden; zij berooft ons van voedsel en van slaap; zij overlaadt ons met verveling, met vrees, met onrust, plaatst ons somtijds volkomen onder de afhankelijkheid van anderen, en voegt er

ocr page 561

546

IV.

e-H dc ficfiamctijamp;c' ycamp;zcamp;cn. § 1. DE ZIEKTEN.

De ziekte is eene oorzaak van schrik voor de wereldlingen; voor de religieuze zou zij eene oorzaak van vreugde moeten wezen.

De ziekte is eene gansch bijzondere liefdegift van God. Hoor eens wat eene ziel zegde, die diep doordrongen was van deze waarheid: »0 hoe verheug ik my met den H. Paulus in mijn lijden, ï.n mijne smarten, in mijne ziekte, daar het God is, die ze mij overzendt!

»Ik heb ze lief, omdat zij mg houden in eene voortdurende nederigheid en afhankelijkheid, en mij van het leven onthechten.

»Ik heb ze lief, omdat zij mij gelegenheid geven om aan God mijne liefde en mijne getrouwheid te bewijzen.

»Ik heb ze lief en vereer ze als sacramenten, die de genade in mijn hart storten,— mij zuiveren van mijne zonden, — mg met een schat van verdiensten verrijken, — mij naar de volmaaktheid geleiden, mij dichter bij den Hemel brengen, — mij opofferen voor Gods glorie, — mij tot het slachtoffer zijner grootheid en liefde maken, — mij met Jezus vereenigen en mij aan Hem gelijkvormig maken,quot;

Eene andere heilige ziel schreef: »Als ik het leger van een zieke nader, overmeestert een gevoel van eerbied mijn hart. Op die lijdenssponde zie ik meer dan een broeder, meer dan een vriend in smart en

ocr page 562

547

nood; ik zie daar eene ziel, die de Heer ter zijde heeft gelegd om haar met eigen hand te vormen, en omdat Hij haar iets en my door haar iets te zeggen heeft.quot;

In de ziekte vertoont zich Gods vaderhand op eene meer zichtbare wijze dan in ander lijden.

Wij zullen aantoonen:

1°. De voordeelen der ziekte.

2°. Het zinsbedrog in de ziekte.

3°. Hoe men tijdens de ziekte moet handelen.

I. VOOUDEKLEN DER ZIEKTEN.

1. De ziekte boet voor de zonden. — Zij doet nu wat het vagevuur eens zal doen, als wij op het oogenblik van onzen dood die volmaakte liefde tot God niet bezitten die ons van smetten zuivert, doch op aarde zoo zeldzaam gevonden wordt; de ziekte doet, niettegenstaande al hare kwelling, dit met eene zoetheid, met eene gematigdheid, die de pijnen van hiernamaals niet zullen hebben. —- O hoeveel lichter is het te lijden op het ziekbed, dan in het vuur zijne zonden te móeten boeten! — en hoevele jaren in het vagevuur kunnen afgeboet worden, dank aan Gods oneindige barmhartigheid , door eenige dagen ziekte, als men geduldig, gelaten, met Gods wil vereenigd lijdt! De ziekte is een vagevuur van barmhartigheid!

Door de ziekte boeten wij beter voor onze schulden dan door alle ander lijden; want de ziekte besluit alle andere verstervingen; zij werkt tegelijk op het lichaam en op den geest; zij pijnigt de ledematen; zij doet al de zintuigen lijden; zij berooft ons van voedsel en van slaap; zij overlaadt ons met verveling, met vrees, met onrust, plaatst ons somtijds volkomen onder de afhankelijkheid van anderen, en voegt er

ocr page 563

548

soms nog het verdriet bij van veracht, verlaten, vergeten te worden.

2. De ziekte geeft ons eene bijna zekere hoop op onze zaligheid. — Er is bijna geen krachtiger middel om eene ziel zalig te maken, omdat zij bijna alle gelegenheden tot zondigen verwijdert en de middelen aan de hand geelt om alle deugden te oefenen. O hoe weinig behoeft eene zieke te doen om heilig te worden !

Zij moet eenvoudig erkennen dat het de hand God is, die haar treft en rechtvaardiglijk treft; Hem wel de genezing vragen en de aangewezen middelen gebruiken, maar zich liefdevol aan den goddelijken wil onderwerpen, eu haar lijden vereenigen met het lijden van Jezus-Christus.

Verscheidene Heiligen hebben hun leven in voortdurend lijden doorgebracht; zij konden noch lange gebeden spreken, noch een regel volgen, noch groote werken verrichten; zij waren gehoorzaam en onderworpen , zij leden met liefde en beschouwden hun kruisbeeld. Is dit wel moeielijk? En daar wij het lijden moeten doorstaan, verlichten wij het dan niet, als wij het in geduld en vrede dragen?

3. De ziekte maakt ons eenigszins gelijkvormig aan Jezus-Christus. — O arme zieke, schrijf toch uwen toestand niet toe aan de lucht, aan de wisseling der jaargetijden, aan dezen of genen invloed; o sla het oog omhoog. Het is God, die door eene bijzondere liefde u gelijk wil maken aan zijnen Zoon Jezus. Het is God, die van u een heerlijk kruisbeeld wil maken. De wonden die u overdekken, de smartvolle bewerkingen die gij wellicht ondergaan moet, de pijnen die u ineen doen krimpen, zijn de werktuigen waarvan God zich bedient om op uw lichaam het beeld van zijnen Zoon Jezus af te drukken,

ocr page 564

549

O welk een schoon denkbeeld! De beeldhouwer die een kruisbeeld wil maken, bewerkt naar alle zijden het hout, dat hij zich gekozen heeft. Hij geeft rechts en links zware hamerslagen; hij slaat groote splinters weg, hij laat geen enkel deeltje Trij en doorwoelt alles met zijn beitel; zoo beitelden de beulen de martelaren; zoo vormt de ziekte het lichaam. Zij geeft groote slagen op het hoofd van den zieke, zij verscheurt zijne ingewanden, zij kluistert hem handen en voeten; zij verplettert hem de borst, en de zieke kan, met het oog op het kruisbeeld, met den H. Paulus zeggen: Ik draag de teekenen der wonden van mijn Zaligmaker in mijn lichaam; ik ben het beeld van zijne smart, de uitdrukking van zijn lijden; ik sterf dagelijks, en mijn leven is een lang martelaarschap ter zijner liefde geleden.

4. De ziekte is een offer. — Zij maakt van het lichaam der geduldige zieke een heilig brandoffer dat langzamerhand verteert en verbrandt. Zij offert zich aldus voor hare eigene zonden en voor de zonden van anderen.

In een huisgezin of eeue gemeente is een zieke, die in vrede en met liefde lijdt, een zieke, die haren staat als slachtoffer wel begrijpt, voor al degenen met wie zij door de banden des bloeds, der vriendschap of der godsvrucht vereenigd is, een zoenoffer en een hehoedmiddel. Zij is als een gedurig gebed, dat overvloedige genaden aftrekt, welke zonder haar niet zouden gegeven worden. Gezegend de huizen, welke heilige zieken bevatten!

Het lijdend lichaam is het slachtoffer, dat zich ondanks zijne tranen in vrede, in liefde, in onderwerping aan God aanbiedt; het ziekbed waarop het ligt uitgestrekt, is het altaar, waarop het geplaatst is; de

ocr page 565

548

soms nog liet verdriet bij van veracht, verlaten, vergeten te worden.

2. De ziekte geeft ons eene bijna zekere hoop op onze zaligheid. — Er is bijna geen krachtiger middel om eene ziel zalig te maken, omdat zij bijna alle gelegenheden tot zondigen verwijdei't en de middelen aan de hand geeft om alle deugden te oefenen. O hoe weinig behoeft eene zieke te doen om heilig te worden !

Zij moet eenvoudig erkennen dat het de hand God is, die haar treft en rechtvaardiglijk treft; Hem wel de genezinor vragen en de aangewezen middelen

O O O O

gebruiken, maar zich liefdevol aan den goddelijken wil onderwerpen, en haar lijden vereenigen met het lijden van Jezus-Christus.

Verscheidene Heiligen hebben hun leven in voortdurend lijden doorgebracht; zij konden noch lange gebeden spreken, noch een regel volgen, noch groote werken verrichten; zij waren gehoorzaam en onderworpen, zij leden met liefde en beschouwden hun kruisbeeld. Is dit wel moeielijk? En daar wij het lijden moeten doorstaan, verlichten wij het dan niet, als wij het in geduld en vrede dragen?

3. De ziekte maakt ons eenigszins gelijkvormig aan Jezus-Christus. — 0 arme zieke, schrijf toch uwen toestand niet toe aan de lucht, aan de wisseling der jaargetijden, aan dezen of genen invloed; o sla het oog omhoog. Het is God, die door eene bijzondere liefde n gelijk wil maken aan zijnen Zoon Jezus, Het is God, die van u een heerlijk kruisbeeld wil maken. De wonden die u overdekken, de smartvolle bewerkingen die gij wellicht ondergaan moet, de pijnen die u ineen doen krimpen, zijn de werktuigen waarvan God zich bedient om op uw lichaam het beeld van zijnen Zoon Jezus af te drukken.

ocr page 566

549

O welk een schoon denkbeeld! De beeldhouwer die een kruisbeeld wil maken, bewerkt naar alle zijden het hout, dat hij zich gekozen heeft. Hij geeft rechts en links zware hamerslagen; hij slaat groote splinters weg, hij laat geen enkel deeltje vrij en doorwoelt alles met zijn beitel; zoo beitelden de beulen de martelaren; zoo vormt de ziekte het lichaam. Zij geeft groote slagen op het hoofd van den zieke, zij verscheurt zijne ingewanden, zij kluistert hem handen en voeten; zij verplettert hem de borst, en de zieke kan, met het oog op het kruisbeeld, met den H. Paulus zeggen; Ik draag de teekenen der wonden van mijn Zaligmaker in mijn lichaam; ik ben het beeld van zijne smart, de uitdrukking van zijn lijden; ik sterf dagelijks, en mijn leven is een lang martelaarschap ter zijner liefde geleden.

4. De ziekte is een offer. — Zij maakt van het lichaam der geduldige zieke een heilig brandoffer dat langzamerhand verteert en verbrandt. Zij offert zich aldus voor hare eigene zonden en voor de zonden van anderen.

In een huisgezin of eene gemeente is een zieke, die in vrede en met liefde lijdt, een zieke, die haren staat als slachtoffer wel begrijpt, voor al degenen met wie zij door de banden des bloeds, der vriendschap of der godsvrucht vereenigd is, een zoenoffer en een behoedmiddel. Zij is als een gedurig gebed, dat overvloedige genaden aftrekt, welke zonder haar niet zouden gegeven worden. Gezegend de huizen, welke heilige zieken bevatten!

Het lijdend lichaam is het slachtoffer, dat zich ondanks zijne tranen in vrede, in liefde, in onderwerping aan God aanbiedt; het ziekbed waarop het ligt uitgestrekt, is het altaar, waarop het geplaatst is; de

ocr page 567

550

koorts is het vuur, dat het verteert; de smart is de beul, die het offer doodt; elke zieke kan dus in alle waarheid zeggen: Ik voltrek in mijn lichaam wat aan het lijden van Jezus ontbreekt (Coi,. I, 24), ik ben een zijner ledematen; ik ben met Hem gekruist. 0 dat niemand mij lastig-valle; want ik draag de merken van den Heer Jezus in mijn lichaam (Gal. VI, 17.)

5. De ziekte is een martelaarschap. — De zieke, zoo zij geduldig is in hare smart, bewijst God de grootste glorie, waartoe een schepsel in staat is. Somtijds lijdt zij even hevige pijnen en lijdt zij langer dan de martelaars; en als zij met liefde en dankbaarheid lijdt, dwingt zij allen die haar zien, hetzelfde te zeggen wat eertijds de heidenen zegden van de martelaars: De God der christenen moet een goede Meester zijn, daar zijne dienaren zich zoo gelukkig gevoelen, voor llcrn te mogen lijden en sterven!

Door hare gelatenheid, door haren bestendigen glimlach te midden der smarten , door hare zachtmoedigheid en liefde, verkondigt de zieke rondom zich Gods goedheid, brengt hulde aan zijne grootheid , predikt den overvloed zijner barmhartigheid, de glorie zijner godheid, de wijsheid zijner voorzienigheid; zij kan niet redeneeren, maar zij kan lijden en sterven.

O welk een troost gevoelt de zieke, wanneer zij zeggen kan: Ik lijd omdat God het wil en ik lijd voor God; ik offer mij op om God te verheerlijken, ik sterf om God te gehoorzamen, ik voltrek wat aan liet lijden van Gods Zoon ontbreekt, ik voldoe aan zijn verlangen, ik volg zijn voorbeeld, ik neem deel in zijne liefde, ik bewijs Hem de grootste getrouwheid, die Hem bewezen kan worden; ik ben een martelaar, een gekruisigde; ik ben geslachtofferd, en dat alles maakt mij gelukkig, omdat het mij deel geeft aan

ocr page 568

-______

551

het Igden vaa raijaea Zaligmaker ea ik Hem aldus mijne daukbaarlieid kaa betuigen!

6. De ziekte is een schat van verdiensten voor degenen, die de zieke oppassen. — Zij kunnen door hare liefde oneindige verdiensten vergaderen. O hoe troost mij de moeite, zegde de H. Franciscus van Sales in zijne ziekte, die deze goede menschen met mij hebben; door hunne diensten en hunne liefdadigheid winnen zij den Hemel!

Immers het bezoeken en het verzorgen der zieken is een der voornaamste werken van barmhartigheid, en heeft zulk eene groote waarde in Gods oogen, dat het eene dei beweegredenen uit zal maken in het vonnis, dat God in den jongsten dag zal uitspreken, en dat Hij ons nu reeds te voren doet kennen, ten einde het dan slechts te kunnen toepassen: Ik was ziek, en gij hebt mij bezocht! — Ja, het is Jezus die in deze kamer ziek ligt, Jezus die op dat leger rust, Jezus, dien gij bezoekt en verzorgt; Jezus moet uw bezoek en uwe zorgen' voldoen; en hoe rijk, hoe heerlijk zal die voldoening wezen!

11. Zinsbedrog omtrent de ziekte.

De duivel kan, zonder wederstand, de zieken niet in het genot laten van al die voordeelen; en zeker zal hij de religieuzen, die God door ziekte bezoekt, niet onmiddeljjk tot klagen, tot morren, tot verbittering brengen; maar hij verwekt eene menigte voorwendselen, ten einde in hare oogen de bovennatuurlijke voordeelen van haren toestand te verminderen , hare verveling te vermeerderen, en het is daarom dat de Schrijver der Navolging van Jezus-Christus zegt: Weinige menschen worden door de ziekte beter!

ocr page 569

552

1. De eigenliefde blaast aan de zieke in, dat zij, tot last aan hare omgeving zijnde, vurig moet wenschen , dat zij spoedig verlost worden van de zorg, die zij voor haar moeten dragen; niet voor zich-zelve verlangt zij het zoo levendig, zoo ongeduldig soms, maar voor die arme zusters, die zich afslaven en zich dood werken; — alsof God dit alles niet wist, alsof de zaligheid der ziekeverpleegsters niet gehecht was aan de zorg, die zij aan de zieken bewijzen!

2. De eigenliefde blaast aan de zieke in, dat de onmogelijkheid waarin zij zich bevindt om have plichten te vervullen, haar nutteloos voor de gemeente maakt; — alsof eene gemeente beter beschermd en beter gediend kon worden dan door het kruis dat Jezns-Christus er zelf in plaatst, alsof het liefdevol en onderworpen gebed eener zieke niet evenveel voordeel doet aan het huis als een aanhoudend werken het zou kunnen aanbrengen. —■ De zieke heeft, zoowel als de gezonde, eene zending te vervullen , hare eigene heiliging en de heiliging van anderen. De middelen, welke zij daartoe in het werk moet stellen, zijn haar lijden ,' hare verveling, hare verlatenheid. Dit zijn de gereedschappen van haar werk; en als zij die wel gebruikt, zal zij eenmaal zien in de weegschaal der eeuwigheid, dat hare dagen, van eene schijnbare .nutteloosheid voor hare gemeente, ruimschoots opwegen tegen den arbeid, dien zij verricht zou hebben.

3. De eigenliefde blaast aan de zieke in, dat het voor haar veel nuttiger zou zijn, te kunnen bidden en de gemeente te volgen dan te lijden: — alsof datgene wat God wil, niet het beste ware. Men is aan God aangenaam door datgene wat men heeft, en niet door hetgeen men niet heeft.

4. De eigenliefde blaast aan de zieke in dat zij moet

ocr page 570

553

vreezen hare zusters te ontstichten door de klachten , haar door haar lijden afgeperst: — als wisten de zusters niet dat de onderwerping niets gemeens heeft met het natuurlijk gevoel. De smart perste de H. Catharina van Genua soms hartverscheurende kreten af, en God bediende zich van hare natuurlijke gevoeligheid om voor haar zelve de heldhaftigheid harer deugd te verbergen. De Gel. Henrikus Suzo, wiens boetplegingen ons doen sidderen, gevoelde somtijds zulke hevige pijnen, dat men zijne kreten tot in de straat kou hooren.

Antwoord bij elke gedachte, die uwe onderwerping kan verminderen: Hoe goed is God, mij te willen beproeven! Ik wil al wat Hij wil, voor zoolang Hij het wil!

III. Hoe bbhoorï men zich in ziekte te gedragen?

1. Met betrekking tot de godsvrucht.

Breng uwe zaken met God in orde: biecht zoodra gij kunt; niets geeft zooveel rust, zelfs ten opzichte van het lichamelijk lijden, dan de vrede der ziel en de verêéniging met God.

Ontvang de H. Communie, zoodra men het u aanbiedt; vraag die, indien gij kunt; verlang die, als gij ze niet kunt vragen.

Laat de gebeden van den Regel, zoodra men het u zegt; maar omring u met godvruchtige voorwerpen, die u aan God doen denken; — meer schietgebeden en korte verzuchtingen dan lange gebeden, — meer inwendige onderwerping dan woorden; — het Fiat, het God zij geloofd, het Alleluia moeten steeds op uwe lippen zweven. Indien gij kunt, zoo bid een

ocr page 571

554

tientje van uwen Rozenkrans, zoo dikwijls gij de klok hoort slaan; op die wijze zult gij zonder groote vermoeienis dagelijks uwen Rozenkrans kunnen bidden en uwen dag in vereeniging met God doorbrengen. — Zoo gij dit niet kunt, dan kus ten minste uw kruis elk uur. — Eene zieke religieuze moet haar kruisbeeld en Ilozenkrans steeds binnen haar bereik hebben; het is eene godvruchtige gewoonte den Rozenkrans om den arm te hebben.

Zoo dit het gebruik is, moet gij gaarne zien dat de zuster die u verpleegt, op de uren der gebeden van de gemeente haren Rozenkrans hardop voor uw bed komt bidden of hare geestelijke lezing doet. — Gij kunt u ten minste met de gebeden der commu-nauteit vereenigen.

2. Ten opzichte der geneesmiddelen.

Neem alle geneesmiddelen, die u gegeven worden, en overwin den afkeer, die zij u wellicht inboezemen, om u aldus met Jezus te vereenigen, die met gal en edik gelaafd werd. — Wees echter eenvoudig en

O O

ootmoedig genoeg om uwen afkeer te kennen te geven en die zaken te vragen, die gij meent noodig te hebben, als ook uwe begeerte uit te drukken, zoodra men u er naar vraagt. Jezus op het kruis zegde ook: Ik heb dorst !

■ Verwacht geduldig van Gods goedheid de uitwerking der geneesmiddelen af; en ontstel u niet, indien uwe genezing niet zoo spoedig volgt als gij dit wenscht.

Wees altyd goedaardig voor degenen, die tot u komen, dankbaar voor de diensten, die men u bewijst, geduldig in de smarten, door het verbinden uwer wonden veroorzaakt, of wanneer de zusters, die u dienen, u lang laten wachten, alvorens u te helpen of te verzorgen.

ocr page 572

555

§ 2. DE LICHAMELIJKE GEBREKEN.

gt;Tusschen de ziekten en de lichamelijke gebreken,quot; egt Mgr. de Ségur, »bestaat dit onderscheid, dat de erste meer of minder langdurig zijn, terwijl de jatste eenen blij venden toestand vormen. Een ebrek is gewoonlijk minder pijnlijk dan eene ziekte, och door deszelfs aanhoudendheid is het gewoonlijk noeielijker te verdragen. In de beproeving der iekte is bet ongeduld het meeste te vreezen; bij ien gebrek is het veeleer de moedeloosheid, de Iroefheid en een soort sleurgang, waardoor wij het cruis op onverdienstelijke wijze dragen, zonder to )idden, zonder ons te heiligen.quot;

Er zijn gebreken en ziekelijkheden van allerlei loort, en men weet waarlijk niet welke de lastigste zijn.

Het is als bij het fluweel rood, groen, blauw, zwart, laars; elke kleur is zoo schoon, dat men niet weet, ivelke men zal kiezen. De blinden, de dooven, de toramen, de lammen en zooveel meer anderen, die ffij niet behoeven te noemen, zijn gebrekkigen, waarmede alle wel geplaatste harten medelijden gevoelen.

Elk gebrek valt hard, zeer hard dikwijls, en ■oratijds wordt het nog moeielijker te verdragen, )mdat men niet kan nalaten, zich bij elke gelegenheid vergelijken met degenen welke dit gebrek niet lebben, of ook nog door die duizend kleine onaangenaamheden , waaraan men niet kan ontsnappen, als men niet kan zien, niet kan hooren, als men stamelt, als men misvormd is, in één woord als men gebrekkig is.

Geen toestand is zoo verdienstelijk als deze. . Het is een offer van alle oogeblikken; en al is de toestand ook niet pijnlijk, zoo plaatst hij de lijdende in een

ocr page 573

556

gedwongen staat van zelfopoffering, van versterving, van boetvaardigheid, waaraan liet voldoende is om zich op zeer gewone wijze te onderwerpen, om veel hij God te verdienen. Als men dezen toestand met een levendig geloof en eene oprechte liefde omhelst, laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat deze heilig en zelfs zeer gemakkelijk heilig maakt. Ja, zeer gemakkelijk; want het is voldoende, uit goeder harte zijn »Fiat, God zij geloofdquot; uit te spreken en van den nood eene deugd te maken.

Het is hierom dat zeer ijverige zielen soms zoo ver gaan, de lichaamsgebreken te begeeren en, wel verre van zich te bedroeven als God haar die overzendt, ze als liefdegiften ontvangen. Ik heb in het Seminarie van den H. Sulpitius een heiligen Overste gekend, die op het punt stond het gezicht te verliezen. »Dit is eene groote genade, zegde hij mij, en eene schoone bezoeking van onzen Heer! doch ik hoop, dat het daarbij niet zal blijven en dat Hij, na mij het gezicht benomen te hebben, my ook het gehoor zal ontnemen. Hoe goed zou het zijn, door niets meer van God afgetrokken te worden!quot;

Eu de heilige man glimlachte by deze woorden. Hij werd niet verhoord; hij herkreeg het gebruik zijner oogen en behield ook het gehoor, doch zijne heilige begeerte was niettemin zeer verdienstelijk in Gods oog.

Zonder zulk een hoogen trap van volmaaktheid te kunnen bereiken, moet gij, arme gebrekkige, trachten, uw voortdurend offer door het gebed en door de zachtmoedigheid te heiligen. Zorg steeds, in staat van genade te zijn; zoo niet, dan zijn uwe kostbare verdiensten verloren voor de eeuwigheid.

Van welken aard uw gebrek ook zij, het is eene

ocr page 574

557

groote genade, en des te verdienstelijker, naarmate het u meer doet lijden; vergeet dit nooit. Beklaag u niet over datgene waarvoor gij God moet bedanken; uw toestand is als een wagen, die u voortrijdt, en ondanks zijn onaangenaam stooten en vermoeienden gang, u regelrecht ten Hemel voert. Uw toestand verplicht u tot eene boetvaardigheid, die gij wellicht den moed niet gehad zoudt hebben, u zelve op te leggen, en bereidt u een heerlijk loon in den Hemel.

Het is een groote splinter van het heilig Kruis; vereer dien en schat hem naar waarde..

Verheug u niet te zeer, als hij u ontnomen wordt. Men verhaalt, dat de H. Antonius, bisschop van Teruane in zijne laatste levensjaren blind was geworden. Niettegenstaande zijne blindheid ging hij voort al de bezigheden zijner heilige bediening te vervullen. Bij de plechtige overbrenging van den H. Vedastus, en door deszelfs aanraking, herkreeg hij op eens het gezicht. In zijne plaats zou ieder ander zich zeer verheugd hebben; doch de heilige bisschop, die alles met het oog des geloofs beschouwde, begon te schreien, beklaagde zich bij God en den al te goeden Heilige, en bad zoo goed dat hij na de plechtigheid weder even blind was als te voren. O indien al degenen die door lichaamsgebreken bezocht worden, met den zelfden geest bezield waren, hoevele heiligen zouden bloeien in dat groote bloemperk der heilige Kerk!

ocr page 575

558

V.

lt;3)e cframp;weiamp;nsawtyïten.

Wij zullen aantoonen:

1°. De natuur van den geioetensangst. 2°. De uitwerkselen van de gewetensangsten. 3°. De vérschillende soorten van gewetensangsten. 4°. De geneesmiddelen tegen de gewetensangsten.

I. De natuur van de gewetensangstek.

Volgens de zedeleer beschouwd, verstaat men door gewetensangst een of ongegronden of slechts licht gegronden twijfel, die soms den schijn der overtuiging aanneemt en de ziel met droefheid, vrees en verwarring vervult. Eenige personen beschouwen dezen toestand bijna als eene deugd, en verwarren dien met teederheid van geiveten; dit is eene dwaling; de gewetensangst is een der gevaarlijkste gebreken; en de geleerde en godvruchtige Gerson heeft gezegd, dat een angstig geweten de ziel meer schaadt dan een te ruim geweten.

Zonder hier het beeld eener angstvallige ziel te willen schetsen, geven wij als kenteekenen aan: dat zij dikwijls zonder rede van gevoelen verandert omtrent de zelfde zaak, die zij dan als onschuldig, dan als verboden beschouwt; — dat zij zich hecht aan de kleinste omstandigheden en altijd nieuwe tracht te vinden; — dat zij altijd met groote onrust en verwarring handelt; — dat zij zeer vasthoudend is aan hare meeningen; en eindelijk dat zij vele zielbestuurders raadpleegt, doch zonder zich door eenige reden te laten gerust stellen en zonder ooit eenigen raad te volgen.

ocr page 576

559

II. Uitwerkselen van de angstvalligheid

van geweten.

Zij vervalscht het oordeel, — verstoort den vrede der ziel, — verwekt mistrouwen ten opzichte van iedereen en vooral ten opzichte van God, dien men slechts als een dwingeland beschouwt, — verwijdert van de HH. Sacramenten, — maakt belachelijk, — belet de werkzaamheid bij den arbeid, — oudermijnt ten laatste de gezondheid van lichaam en ziel. Hoevele ongelukkigen zijn met gewetensangst begonnen en met krankzinnigheid geëindigd! Hoeveel grooter nog is het aantal ongelukkigen, die met gewetensangst begonnen en met een zondig leven eindigden!

III. Veiischillende sooeten van gewetensangsten.

1. De eene worden door God gezonden; niet rechtstreeks, want God kan de oorsprong niet zgn van verkeerde denkbeelden en dwalingen; doch in dien zin, dat God. door zijn licht te onttrekken, in de ziel eene vreeselijke duisternis daarstelt.

God handelt aldus om de ziel in ootmoed te houden, haar geduld, hare gehoorzaamheid te beproeven, haar aan eigen oordeel te leeren verzaken. Het is eene allerzwaarste beproeving. De H. Bonaventura, de H. Ignatius, de H. Theresia en eene menige andere Heiligen hebben die gedurende vele jaren moeten lijden.

Een ervaren zielbestierder ziet spoedig of de gewetensangst van God komt; de ziel wordt gekweld, doch leeft steeds in vrede, wel verzekerd dat God haar niet zal verlaten; de ziel lijdt hevigen angst, doch zij is altijd geduldig, zij klaagt en mort niet; zij legt hare twijfelingen bloot, doch onderwerpt zich

ocr page 577

560

altijd; zij gevoelt een hevigen tegenzin om te gehoorzamen , doch haar wil overheerscht dien tegenzin en zij gehoorzaamt altijd.

En wanneer God het doel, dat Hij zich voorstelde, te weten de ziel te zuiveren en grondige deugd in haar te vestigen, bereikt heeft, toont Hij haar zijne liefde en verheugt de zoo zwaar beproefde ziel door een stroom van het zoetste, het helderste licht.

2. De andere komen uit het karakter der persoon zelve, en deze zijn het moeielijkst uit te roeien.

Dit zijn schroomvallige, sombere, zwaarmoedige geesten, die bij den minsten schijn van zonde, met angst en vrees vervuld worden, — halsstarrige, hardnekkige geesten, die nooit een opgevat denkbeeld willen loslaten, — zwakke geesten, waarop alles indruk maakt en die zich voor eene beuzeling ontstellen, — hekrompen geesten, die de zaken éénzijdig en gewoonlijk langs de meest verschrikkende zijde beschouwen, — verwarde geesten, die niets met juistheid omvatten, — onwetende geesten, die slechts oppervlakkig gestudeerd hebben en zich inbeelden alles te weten, — verblinde geesten, die zien wat niet bestaat, — verkeerde verbeeldingen, die altijd geneigd zijn te overdrijven.

Die arme zielen zijn zeer te beklagen, want daar zij in zich de bron barer angstvalligheid, harer vrees en harer buitensporigheid dragen, is hare genezing uiterst moeilijk. — Dikwijls is haar een geneesheer dringend noodzakelijk; en niet altijd zijn zij voor God schuldig door al die handelingen, die ons zoo onredelijk toeschijnen.

3. De derde eindelijk komen van den duivel. — Dit zijn de gevaarlijkste; en indien de angstvalligheid, die uit het gestel voortkomt, tot krankzinnigheid voert, zoo geleidt deze laatste tot de misdaad. De duivel

ocr page 578

561

tracht liet geweten eener angstvallige ziel in te krimpen door haar voor te stellen, dat zij hare vroegere zonden slecht gebiecht heeft, en dat deze bijgevolg niet vergeven zijn; — door haar eene overdreven vrees voor de goildelijke rechtvaardigheid in te boezemen, en haar te doen gelooven dat zij zondigt in al wat zij doet. — Zijn doel is haar het gebed lastig, het gebruik der HH. Sacramenten verschrikkelijk, het juk des Heeren onverdragelijk te maken, haar in wanhoop te storten en de deugd te doen verlaten.

Somtijds slaagt hij hierin, -wanneer die arme zielen zich beangstigen, 'zich in haar zeiven terugtrekken en niet over haar lijden durven spreken; doch als zij slechts ootmoedig en vertrouwelijk, zij het dan ook schroomvallig en onvolkomen, zeggen wat haar drukt, vast besloten te doen wat men haar zal zeggen, als zij werkelijk, ondanks alle schrikbeelden, gehoorzamen aan het juiste en verlicht antwoord van haren biechtvader, zal die bekoring haar niet schaden; God zal toelaten dat zij spoedig voorbij ga, en de ziel zal ootmoediger en voorzichtiger worden.

Doch hebben die zielen gedurende een geruimen tyd in eene zekere traagheid geleefd en in eene misachting der kleine punten van den regel, die zij zich-zelven misschien ontveinsden, doch die niettemin bestond, dan werpt de duivel, voordeel trekkende uit haren bekrompen geest en hare neiging tot hoogmoed, de verwarring in dat verleden, waarvan hij het gewicht overdrijft; hij bekoort ze door hoogmoed, door zinnelijkheid, en daar die zielen gewoon zijn slechts ter loops te biechten, weten zij niet wat te zeggen; zij drukken zich slecht uit, verwarren zich in hare eigen woorden, zij nemen de opmerkingen, die men haar maakt, kwalijk op; zij redetwisten, —

36

ocr page 579

562

zij klagen dat men haar niet verstaat; zij zijn hardnekkig, zij spreken slechts over het verleden, zonder voorzorg te nemen voor het tegenwoordige; zij gaan voort in haar traag, ongeregeld leven en geven zich niet de minste zorg om de zonden tegen de gehoorzaamheid en de liefde te vermijden. — Zij verontrusten zich omtrent ingebeelde zonden, omtrent verstrooiing gedurende de Mis van verplichting, omtrent een haar gegeven gebod van vleesch te gebruiken op dagen van onthouding, en zij maken zich geen bezwaar te morren, kwaad te spreken, het stilzwijgen te breken. Deze angstvalligen zijn het meest te beklagen en zij zijn het talrijkst. — God kan nog glorie trekken uit de gewetensangsten, die uit het gestel voortkomen, doch deze laatsten beleedigen Hem maar al te dikwijls.

IV. Middelen tegen de gewetensangsten.

1. Het eenige middel, niet om de angstvallige ziel te genezen, maar om haar te redden, is de gehoorzaamheid aan haren biechtvader.

God is de waarheid zelf; en daar God van zijne bedienaars sprekende, gezegd heeft: Die u hoort, hoort mij, zoo zal God de ziel niet veroordeelen, als zij Hem op den jongsten dag kan antwoorden: Ik heb deze zaak gedaan of gene achtergelaten, omdat mijn biechtvader het mij geboden heeft.

Gehoorzaam dan, o arme, wreed gepijnigde ziel, omtrent het getal uwer gebeden, — den tgd daartoe te besteden, — de wijze van ze te verrichten, — de aandacht daartoe noodig, — omtrent het verbod van ze te herhalen of opnieuw te beginnen, — omtrent de gebeden, die gij volstrekt moet bekorten. —

Gehoorzaam in nimmer op het vorige terug te komen, — de wijze van uwe zonden op deze of gene

ocr page 580

563

wijze te belijden, — iu Let verbod op eene reeds gebiecLte zonde terug te komen, zelfs al scLijnt liet u toe dat gij ze slecLt gebiecLt Lebt, — omtrent die zonden, welke gij zegt vergeten te Lebben, — omtrent uw onderzoek van geweten.

Gehoorzaam aan uwen biechtvader ten opzichte uwer Communiën, — de boeken, die hij u verbiedt te lezen, — de personen wier omgang hij u verbiedt, — de deugdoefeningen, die hij u oplegt, — gehoorzaam in alles, omtrent plaats, tijd, wijze.

Gehoorzaam aan uwen biechtvader, aan hem dien de Voorzienigheid of het geestelijk gezag met uwe leiding belast heeft. Verlaat hem niet uit luim, ontevredenheid, verbittering of moedeloosheid. Zoek in het algemeen niet zooveel raad; de menigvuldige uitspraken zijn veeleer een beletsel voor den vrede der ziel dan een licht om haar te geleiden. Wees niet overdreven; laat u vrij een goed woord zeggen, als God u de gelegenheid aanbiedt, maar houd u als grondregel aan éénselfde leiding vast.

2. Een tweede middel, dat de gehoorzaamheid krachtig steunt, is een aanhoudende, vlijtige, ja ocerkropte werkzaamheid. Men heeft geen tijd om adem te scheppen, veel minder om veel te denken.

3. Daar het vooral de biecht is, die verwarring en ontsteltenis werpt in de ziel der angstvalligen, schrijven wij hier een paar bladzijden over uit de Geestelijke Raadgevingen, welke zeer geschikt zijn om haar gerust te stellen.

Over eooijje moeielijkbcilca omlrcnl de Bieclil.

Bemerk hier, dat de biecht eene uitvinding van liefde is van het H. Hart van Jezus. Daar niets aan

ocr page 581

564

de ziel meer heil aanbrengt, stelt de duivel alles in het werk om die bron van leven te vergiftigen; en hij bedient zich daartoe eerst van ons zeiven, en daarna komt hij, de duivel in eigen persoon.

Hij bedient zich van ons zeiven door ons in te blazen 1. dat het eene zeer moeielijke zaak is eene goede biecht te spreken. Dit is niet waar. Als men niet wil, ja, dan is het niet alleen zeer moeielijk, maar het is onmogelijk eene goede biecht te spreken. Doch met een goeden wil is het zeer gemakkelijk, en den goeden wil hebben wij, als wij slechts willen. Als gij te biechten gaat, doet gij dit met goeden wil, er is derhalve niets ongemakkelijks in de biecht.

2. De duivel bedient zich nog van ons zeiven om ons van de biecht te verwijderen door ons overdreven denkbeelden in te boezemen, omtrent de volmaaktheid, waarmede wij die biecht moeten spreken, voorwendende dat wij die nooit kunnen bereiken. Hier geldt de regel van te doen wat wij verplicht zijn. Zoek niet eene zeer goede biecht te doen; stel u tevreden met eene goede biecht te spreken, dan zal zij voor u nog eene zeer goede zijn. Vergeet nooit, dat het heter vaak de vijand is van het goede!

De moeielijkheid der biecht, en de volmaaktheid waarmede men biechten wil, zijn twee wezenlijke hinderpalen, die men moet trachten te overwinnen.

Wanneer de ziel aldus verward is door buitensporige gedachten, overvalt haar de duivel. Hij vischt te gaarne in troebel water, om de gelegenheid te laten ontsnappen, en bij heeft zoovele middelen om tot zijn doel te komen.

De duisternis verspreidt zich; begunstigd door die wolk, die de waarheid des Hemels verbergt en de ziel tot in den diepsten afgrond ontroert, vermag hij

ocr page 582

565

alles. Dat is zijn uur, hoe wel zal hij er partij van trekken! Vandaag kan ik niet biechten, zegt men; mijne vorige biechten zijn ook niet goed; waarom zou ik nogmaals te biechten gaan? Ik zou eene generale biecht behooren te doen, die mij veel tijd zou kosten. Onmogelijk. — Men heeft mij gezegd, fjeloof ik (men weet het zeker) dat ik geene generale biecht meer moest doen, en ik toil niet ongehoorzaani zijn. — Maar waarom heeft men daaraan niet eerst gedacht? Men heeft een vol uur verloren in de kwellingen, die men zich door zijn gebrek aan geloof, aan edelmoedigheid, aan vertrouwen op den hals heeft gehaald. Ten laatste besluit men dan toch te gaan biechten. De wil is waarlijk goed, hoewel de verwarring ons belet, dit te gevoelen. Zoo juist wilde men uit angst niet biechten; men gaat biechten, omdat het moet zijn, doch men beschouwt die inspraak als een valsch licht. De duivel komt terug in deze verwarring en ontsteltenis: »Ik heb, zegt men , eene slechte biecht gedaan, dit is zeker. — Hoe kan ik nu te Communie gaan? Men verlangt het, en ik kan niet. Als ik niet ga, ben ik ongehoorzaam.quot; Men ontvangt de H. Communie in een ontsteld hart. Wel brengt zij voordeel aan de ziel aan, doch zeker niet in dier mate, als zij doen zou, indien de ziel edelmoedig door de gehoorzaamheid, welke ons nooit bedriegen kan, heenstapte over al die ijdele vrees, welke de duivel in haar verwekt. Nog zegt men: »Als men mij kende!quot; Men kent u beter dan gij u zelve kent. En wat maakt u dat gebrek van kennis in den priester? Het is genoeg, dat gij den wil hebt gehad, u te doen kennen, God zal in het overige voorzien. Is het niet genoeg, dat de priester u Êcenoegczaam kent om u te kunnen ontslaan van

o O

ocr page 583

566

uwe zonden? Nu, deze kennis ontbreekt hem nooit! — Als men zich door valsche denkbeelden been en ■weder laat slingeren, vindt men noch rust, noch vrede, noch zoetheid in den dienst van God. Wat zal men doen om al die moeielijkheden te overwinnen? De biecht moet u aangenaan en niet moeielijk, en zeker niet zeer moeielijk zijn. Gij zult dit weldra gevoelen, als gij ter goedertrouw te biechten gaat. Hoevele geleerde en geestige dames heb ik gekend, die niet zoo goed wisten te biechten als hare eenvoudigste dienstboden! Hoe komt dit? Omdat zij haar verstand mede brachten, terwijl er slechts eenvoud, ootmoed, en het vergeten van zich-zelven noodig is.

4de ihiooifidstxjik:.

Ho© men liet lijden vevtlrajjen moet.

Daar het lijden door God overgezonden of toegelaten wordt, is er maar ééne redelijke en christelijke wijze van het te verdragen: dit is het met onderwerping aan te nemen.

God is Opperheer, en heeft dus het recht te doen wat Hij wil.

God is almachtic); wat hij wil, zal gebeuren, hoe groot de weerstand der schepselen ook moge zijn.

God is oneindig wijs; wat Hij wil, is derhalve de vrucht zijner wijsheid en kan slechts waardige en nuttige uitwerkselen hebben.

ocr page 584

567

God is oneindig goed, oneidig beminnelijk; wat Hij wil, is derhalve altijd een uitwerksel zijner barmhartigheid en liefde.

Daarom is de volkomen, geheele, liefdevolle onderwerping in alle voorvallen en omstandigheden des levens de wijsste en heiligste handelwijze, en God beschouwt die in zijne goedheid als de meest verdienstelijke daad.

gt; De bewoner der heilige stad, zegt de H. Augustinus, draagt in zijn hart een voortdurend Fiat en Amen. Hij wil al zijne moeielijkheden, en geen enkelen troost waarvan hij beroofd is. Vraag hem, wat hij verlangt, en hij zal u antwoorden: Juist datgene 10at ik heb.quot;

I.

ic-t navotyiny.

Het eerste, het onvergelijkelijk voorbeeld der volmaakte onderwerping en gehoorzaamheid, waarop zich steeds onze blikken moeten vestigen, is Jezus-Christus in zijn lijden.

Van de eene zijde zien wij in Hem de zwakheden, den weerzin, den angst der menschelijke natuur. Dat de zé kelk, zoo het mogelijk is, van mij ga ! Mijne ziel is bedroefd, tot den dood (Matth. XXVI, 38, 39.) Mijn God, mijn God waarom hebt gij mij verlaten (Matth. XXVI, 46.) Met onze natuur nam Hij ook die zwakheid, die verveling, die walging, die droefheid ,

ocr page 585

568

dien zielsangst, die benauwdheid op zich, welke wij in de moeielijke oogenblikken van ons leven ondervinden. Maar hij heeft ons die droefheid slechts doen zien om ons het voorbeeld te geven van eene volmaakte onderwerping aan de besluiten der goddelijke Voorzienigheid, Hij die slechts uit den hemel gedaald is om den wil te doen van zijnen hemelschen Vader, die nooit eene stroobreedte afweek van dien goddelijken wil, die van af de kribbe tot het Consinnmatnm est van het kruis niets anders gedaan heeft dan den goddelijken wil vervullen. Aan het hoofd van hei boek staat van mij geschreven: dat ik uwen wil, o God, volbrenge (Hkbk. X, 7.) Ik hen uit den Hemel gekomen, niet om mijnen wil te volbrengen, maar den Wil van Hem, die mij gezonden heeft (Joa. VI, 38.) Mijn voedsel is het volbrengen van den Wil van Hem die mij gezonden heeft (Joa. IV, 34.) Mijn Vader, dat niet mijn, maar uw ivil geschiede (Lucje XXII, 42.)

Bij het verlies van al wat hij bezat, riep Job uit (I 21): De Heer heeft gegeven, de Heer heeft ontnomen, dat de Naam des Heer en gezegend worde !

»Een enkel God zij geloofd in tegenspoed,quot; zegt de H. Joannes van Avila, »is beter dan duizend God zij gedankt in voorspoed!quot;

Toen David uit Jeruzalem trok, begon een bloedverwant van Saül hem met steenen te werpen en braakte vervloekingen over hem uit. Abisaï, een zijner officiereu, over dit gedrag verontwaardigd, wilde zich op hem werpen en hem het hoofd met zijn zwaard afslaan. Maar David hield hem terug en zegde hem: Laat hem vervloeken; ivant de Heer heeft verordend, dat hij David vervloeke; en wie durft vragen, waarom Hij zulks gedaan heeft ? Laat hem vervloeken volgens 's Heer en verordening. Wellicht zal

ocr page 586

569

de Heer mijne kwelling aanzien, en mij voor deze heden-daag sche vervloeking vergelden (II Reg. XVI, 10,11,12.)

De H. Gertrudis had eene groote godsvrucht tot de derde vraag van het gebed des Heeren. Zij herhaalde dit verscheidene malen; » Uw wil geschiede, uw ivil geschiede.quot;

Eens dat zij aldus bad, verscheen haar de goddelijke Zaligmaker in de eene hand de gezondheid, in de andere de ziekte dragende, en zegde haar: »Kies, mijne dochter, wat u het beste bevalt.quot; Wat zal Gertrudis kiezen? De gezondheid zekerlijk? Neen. De ziekte dan? Ook niet. Niet wetende, wat voor haar het beste, noch wat haren goddelijker Meester het aangenaamst was, herhaalde zij weder: » Uw wil geschiede, Heer, en niet de mijne.quot;

De H. Franciscus van Assisië werd eens aangevallen door eene ziekte, die hem hevige pijnen veroorzaakte. Een zijner broeders, een zeer eenvoudig man, zegde hem: » Vader, bid God, dat Hij u toch wat zachter behandele; want my dunkt dat zijne hand te zwaar op u drukt.quot; De Heilige slaakte een luiden kreet eu antwoordde hem: »Mijn broeder, als ik niet wist, dat uw gezegde voortkomt uit uwe eenvoudigheid, die geen kwaad bedoelt, zou ik van dit oogenblik af een afschrik van uwe woorden hebben, daar gij vermetel genoeg zijt om de plannen van God over my te durven afkeuren. »Hoe zwak hij ook door zijne langdurige en hevige ziekte ware, wierp hij zich na die woorden van zijn armoedig leger op den harden grond, met gevaar al de beenderen zyns lichaams te breken; en den grond kussende, riep hij uit: »Ik dank u, o mijn God, voor al de smarten, die Gij mij hebt gelieven te zenden; geef mij, zoo Gij wilt, nog honderdmaal meer; ik zal die met vreugde aan-

ocr page 587

570

vaarden, omdat het vervullen van uwen heiligen wil de zoetste, de grootste aller vertroostingen is.quot;

De H. Gertrudis beklom eens een heuvel, zg struikelde en viel in een kuil, waarin zij den dood had kunnen vinden. Tóen zij opstond zegde zij tot Onzen Heer: xMijn Jezus, welk een geluk, zoo die val voor mij het middel geweest ware om spoediger tot U te komen!quot; Hare zusters vraagden haar verwonderd, of zij dan niet vreesde te sterven zonder de HH. Sacramenten der Kerk te ontvangen. Zij antwoordde haar: »Ik verlang, wel is waar, uit ganscher harte bij dien laatsten overtocht de HH. Sacramenten te mogen ontvangen ; doch nog meer verlang ik, dat de heilige wil van God moge volbracht worden, wel overtuigd, dat de beste gesteltenis, waarin men zich kan bevinden, is zich te onderwerpen aan wat God wil. Welke dan ook de dood zij, waardoor Hij mij zal gelieven tot zich te roepen, is het die dood dien ik verlang, wel overtuigd zijnde, dat hij beter voor mij is dan alles wat ik kan begeeren.quot;

Pater Ravignan zegde in ééne zijner laatste ziekten: »Die inwendige gesteltenis, Avaartoe Onze Heer mij door eeue zijuer grootste genaden gedurig schijnt terug te willen brengen en uitsluitend van mij schijnt te verlangen, is tevreden van Hem te zijn en mij over alles in Hem te verheugen, over het lijden dat Hij mij zendt, — over de onrust, de onzekerheid waarin Hij mij laat, — over de beterschap in mijn toestand, — over de verlichtingen mij aangebracht, — in één woord, in eene blinde en kinderlijke overgeving mij te verheugen, tevreden van God. te zijn: omtrent het verleden en deszelfs drukkende herinneringen, het werpende in den bodemloozen afgrond der barmhartigheid Gods; omtrent het huidig oogenhlik en de

ocr page 588

571

oekomst, geene vrees uocli zorg daarover voedende. )it is de vrede en de vreugde iïi het geloof, dit is terven met genoegen, dit is leven met eene kinderlijke nderwerping; en ziedaar de aangenaamste gesteltenis an het Hart van Jezus. O mijn God, o mijn goede Zaligmaker, geef, behoud mij die tevredenheid, die olkomen overgeving, opdat ik daardoor in u wone: Jij in mij en ik in U.quot;

»Er bestaat eene inwendige gesteltenis, zegde de elfde religieus nog, die wij gewoonlijk niet hebben m die nochtans zoo noodzakelijk is, dit is God en dies ivat van Hem komt, ten goede nemen Ons rm hart heeft in zijn binnenste een grond van litterheid, die zelfs al wat van God komt, doet 'erzuren. Vandaar die ontsteltenis, dat onaangenaam lumeur, dat strenge oordeel, die liefdelooze over-Iraging, die moeielijkheden van allerlei aard. Wat )eteekent God en al wat. van God komt, ten goede temen ? Op deze vraag antwoordt dit schoone woord: Denk wel van God. En toch valt ons dib moeielijk; ivij gaan niet met God om als met personen, wier ;oedheid wij ondervonden hebben. Al wat ons van len zou komen, zouden wij gaarne ontvangen, in le overtuiging dat menschen, die zoo goed voor )ns zijn, ons niet anders dan goede zaken kunnen enden.quot;

Ziedaar hoe de Heiligen spreken; hoeveel heiliger iouden wij zijn, indien wij meer hunne gevoelens aannamen.

ocr page 589

572

mil J ïissc. de ki bezw is he

Zegt somtijds, arme verlaten zielen: Ik ben o; dan, dit oogenblik op de plaats, waar God mij liebbei wil; in dien staat, in dien toestand, waarin Goi mij voor alle eeuwigheid hebben wil; en Hij geel mij de genade om mijn lijden verdienstelijk te maken Mogelijk zal ik morgen evenzeer of meer moetei lijden, maar zijne genade zal aan mijn lijden geëven redigd worden; al konde ik, zou ik geene minuti het lijden, dat God in mij wil zien, willen verkorten God tvefit alles, — God ziet alles, — Hij weet wa ik lijd. Hij telt, Hij weegt. Hij meet mijne lijdensurei van dezen dag. Hij heeft die van gisteren geteld ei gewogen, Hij ziet ook mijne tranen, mijne smarten mijne gelatenheid; o. Hij zou mij niet laten lijden als het niet voor mijn welzijn ware!

God denkt aan mij! Hij rust hier, Hij beschouw mij met liefde; — zijne hand drukt op mij, maar Hi geeft mij de kracht om de smart in vrede en mei vreugde aan te nemen. — O ja, mijn God, ik bei tevreden, dan zelfs als de zucht mijner lippen ontsnapt !

God is Meester, een goede, een wijze, een maclitigi Meester! Neen, ik wil noch mijne ziel, noch mijE lichaam, noch mijne zintuigen, noch mijn leven, aai zijne wijsheid, zijnen wil, zijne werking onttrekken. Ik verlaat mij geheel op Hem. Hij alleen kan hiei en hiernamaals mijn geluk uitmaken! Hij alleen kat mijn hart voldoen! — Heb ik eene gevaarlijke wonde,

Jezus is de geneesheer die my genezen kan. Kweli

II.

yodvzucfvtiqc cjedacïitc-n.

He

vertr

ocr page 590

573

nij de koorts, Jezus is de fontein, die mij zal ver-quot;rissclien. — Vrees en beef ik van schrik, Jezus is ie kracht, die mij kan beschermen. — Voel ik mij bezwijken, Jezus is het leven. Heb ik honger, Jezus is het voedsel dat mij kracht zal geven. Houd moed dan, mijne ziel, Jezus zal komen!

Heere Jezus, ik roep U ter hulp, in het vaste vertrouwen, dat ik door U het beste geneesmiddel voor mijn tegenwoordigen toestand zal verkrijgen! Ik verwacht dit van uwe almogendheid, ik hoop het van uwe goedheid!

Wellicht, lieve Jezus, is deze beproeving, waaronder ik zucht, het geneesmiddel van kwalen, waarvan ik mij onbewust ben; o dan vraag ik U eene nog krachtiger overtuiging, dat uvj heilige wil mijn opperste (joed is voor tijd en eeuwigheid! O ja, ik aanbid dien goddelijken wil! Arm en verlaten, vlucht ik tot ü; en kalm, tevreden en vertrouwelijk hecht ik mij voor tijd en eeuwigheid aan U. De dag van gisteren is verdwenen met al mijn kommer en verdriet, — Waar zijn mijne smarten van gisteren? — Verdwenen! — Waar zullen mijne smarten van heden morgen zijn? — Verdwenen! En er zal een dag komen waarop er geene smart, geen lijden, geen kommer meer zal zijn! En die dag waarvoor geen morgen meer aanbreekt, gaat weldra komen, ik verwacht dien in vertrouwen op U, o mijn Jezus!

ocr page 591

574

5de ieïooipidstxjik:

XJitwerliselcii van l»et

Het lijden uit zich-zelve is hard, moeielijk, pijnigend De zondaars op deze aarde en de verdoemden in df hel vooral gevoelen deszelfs vreeselijke uitwerkselen Maar door een wonder zijner goddelijke barmhartigheid heeft God begeerd dat het lijden langs pijnlijk wegen heerlijke uitwerkselen zou teweeg brengen in welbereide zielen, dat is in die zielen, die het lijden ontvangen als eene hemelbode, die in naam van God eene zending van barmhartigheid komt vervullen

De christelijke taal heeft een heerlijk woord, als zij van het lijden spreekt. Zij noemt dit het bezoek van den goeden God; nu God bezoekt ons nooit dan

met de handen vol genade!

• •

Het lijden, zegt Mgr. Gay, verzoent, vormt en hervormt.

I.

3Cet {ijden vezamp;oent.

De boete of verzoening is eene te groote zaak, voegt deze groote schrijver er bij, om niet veel andere zaken te bevatten.

Boeten in den christelijken zin, beteekent voldoen, dat is aan dengene, dien men het ongeluk had te

ocr page 592

575

beleedigen, alle reden ontnemen om vertoornd te blijven en den beleediger in ongenade te houden. De smart biedt eene genoegdoening aan: genoeg om de zonde in onze ziel te verdelgen, — genoeg om den goddelijken vloek, dien wij verdiend hebben, in zegen te veranderen, — genoeg om Gods afwezigheid in tegenwoordigheid , om Gods toorn in teederheid, Gods afkeer in liefde te veranderen — genoeg, in één woord, om God de wapenen uit de hand te doen vallen en het Hem als onmogelijk te makea ons niet te vergeven.

Boeten, verzoenen in christelijken zin is zuiveren, is de vlekken uitwisschen en de afzichtelijkheid, welke de zonde ongelukkiglijk in de zondige ziel heeft voortgebracht, doen verdwijnen. Die zondige ziel is duister en als ondoorschijnend; zij heeft hare zuiverheid, hare helderheid, hare doorschijnendheid, haar licht, haar zoeten glans, hare jeugd, hare gezondheid, hare kracht, hare schoonheid, hare reinheid, hare heiligheid verloren, welke haar maakte tot den spiegel en bijgevolg tot het beeld van God; omdat zij door het beeld van God terug te geven Hem geleek, zoodat, indien zij plotseling uit deze wereld scheidde, zij onmiddelijk God zou zien en zich in zijne armen zou werpen. Dit alles heeft zij verloren, zoodra de zonde haar is komen bezoedelen; welnu de christelijke smart is voor haar een Doopsel dat, dank aan het bloed door Jezus-Christus voor haar vergoten, haar afwascht, zuivert en hare eerste schoonheid wedergeeft.

Boeten in christelijken zin is herstellen, dat is alles en ook de ziel zelve opbeuren en in den eersten staat terugbrengen — Het lijden is als de geleider ter genade, die met en door hetzelve werkt; en die genade bewerkt in de ziel eene opstanding, eene verjeugdiging, eene

ocr page 593

576

herleving van alle zaken; en als die inwendige herstelling heeft plaats gehad, wordt alles ons gunstig. De Engelbewaarder nadert de ziel dichter, deH. Maagd beschermt en helpt haar gaarne, de geheele schepping lacht haar toe, nu zij geweend heeft. Zij gevoelt iets van hetgeen de verloren zoon heeft moeten gevoelen, toen hij in het hem weder geopend huis zijns vaders alles op zijne plaats vond. De smart is eene zoo machtige smeltkroes, dat de schuldige vaak grooter uit zijne zonde opstaat, indien hij van zijne treurige ervaring partij weet te trekken. Zeker, zegt de Eerw. P. Caussette, is de onschuld verkieselijk boven de boetvaardigheid; maar eene ootmoedige en vurige boetvaardigheid is beter dan de vermetele en verslapte onschuld.

Boeten in christelijkeu zin beteekent betalen , dat is: den schuldeischer het volle bedrag ter hand stellen van de schuld door de fout aangegaan, en van hem eene volledige kwijtschelding erlangen. De zonde is eene schuld, die wij bij God hebben; wij waren Hem onzen tijd, onze zintuigen, ons verstand, ons geheugen, ons hart schuldig; wij hebben dat alles aan anderen gegeven, verlokt door het min of meer schuldige genot, dat ons beloofd was. —- Om in den Hemel te kunnen ontvangen worden, moeten wij al die schulden betalen; die voldoening zou in het vagevuur moeten geschieden, en wij weten hoe vreeselijk de vlammen zijn, welke de goddelijke rechtvaardigheid moeten verzoenen. God heeft nu in zijne barmhartigheid aan de christelijke smart op aarde de zelfde nacht gegeven als aan de vlammen van het vagevuur.

Boeten in christelijken zin beteekent ontbinden, — dat is al de banden losmaken, die den schuldenaar bonden en hem zijne volkomene vrijheid wedergeven.

ocr page 594

577

Hoevele banden boeiden ons ver van God! Hoevele moeielijk te verbreken gewoonten hielden onzen wil en vooral ons hart ver van God! O als de smart met haar verslindend vuur, met hare nijpende foltering daarover heenstrijkt, dan breken die banden, en de ziel vrij, gelukkig, en door liefde vervoerd stijgt tot God. O hoevele dankliederen moeten in den Hemel weergalmen voor het lijden! Hoevele Heiligen thans in den Hemel, zouden in de hel zijn, ware het lijden hen niet met kracht aan hun zondig leven komen ontrukken.

II.

Jtet Upen vozmt.

Het lijden is een tweede novicaat voor de religieuze ziel; het herstelt wat in het eerste novicaat niet goed geweest is; het voltooit en volmaakt dit, zoo het aan alle voorwaarden heeft beantwoord.

In dit tweede novicaat vormt de smart de religieuze; zij is hare meesteres en oefent haar onder liet oog vau God; en zoo de ziel gewillig is, hoe voordeelig zal haar dan deze proeftijd wezen! Het is een gestrcnger novicaat dan het eerste, maar het doel dat het zich voorstelt, is ook grooter en verhevener; het eerste vormde voor de Professie; het tweede vormt voor den Hemel.

Het lijden, — die meesteres rechtstreeks door God gezonden, — verlicht het verstand, — het hart, — den ivil der religieuze. In hare cel, voor haar kruis-

37

ocr page 595

578

beeld, dat in die trage uren van den dag, de nog tragere van den nacht haar eenig gezelschap uitmaakt , ziet de zieke, de diep vernederde of de helaas! onbillijk verstoeten religieuze helder en duidelijk, dat zij geen geduld, ootmoed, onderwerping genoeg heeft; zij ziet geheel anders dat zij het tot dusverre zag, de noodzakelijkheid van het leven des geloofs en den geest des gebeds, — de grootheid van den Regel, — de glorie, de vreugde, de voordeelen der gehoorzaamheid, der zuiverheid, der armoede, — de noodzakelijkheid der zelfopoffering, der l?efde, der vurigheid.

Zij begrijpt de IJdelheid, de broosheid der bijzondere vriendschappen, waaraan zij zich zoo gemakkelijk en zoo vurig heeft overgegeven, — de beuzelachtigheid van die gevoelens van ijdelheid, waarmede zij baren geest voedde,

Zy ziet de traagheid, waarmede zij hare plichten vervuld, de geringe oprechtheid der voorwendselen, waardoor zij zich van den Regel deed ontslaan.

En naarmate het lijden een licht is, dat haar bestraalt, is het ook een vuur, dat brandt om haar te zuiveren, haar buigzaam te maken, de genade te helpen, die haar tot eene heilige wil vormen; en door de ziekte, verveling of vernedering, dringende tot de verborgenste schuilhoeken van haar hart, is het lijden de meesteres die het verleden doet boeten en de toekomst bestuurt; de meesteres, die zich weet te doen verstaan en te doen gehoorzamen! En de ziel buigt zich onder hare bewerking; zij vraagt vergeving, zij belooft beterschap, zij vernedert zich, zij bidt; zij wordt, in één woord, gevormd.

Hoe vele religieuzen zijn er aan wie, om groote heiligen te worden, slechts een dieperen indruk van

ocr page 596

579

het Kruis van Jezus-Christus ontbrak; de ziel is gelijk aan de aarde, zij moet doorploegd worden, wil zij vele vruchten voortbrengen.

III.

3Cct ■Cijde-n-fiezvottnt.

I. Het lijden heeft ten doel, de zondige ziel in eene heilige ziel te hervormen, door haar langs den weg der vernedering te brengen tot de kennis der oppermacht van God, tot de onderwerping aan zijnen wil, tot de gehoorzaamheid aan zijne bevelen. — Gewoonlijk, zegt een christelijk wijsgeer, geleidt het lijden het menschelijk geslacht tot op den drempel der genade; in de natuur vormt zij den mensch, in den mensch den heilige; en men mag zeggen, dat al wie zalig geworden is, dit aan het lijden te danken heeft.

T)it betreft den mensch in het algemeen; wat de religieuze betreft, haar hervormt het lijden zoodanig dat het van haar een anderen Jezus-Christus maakt. Deze hervorming geschiedt door de pijnen die het haar doet doorslaan, gelijkvormig aan de pijnen van Jezus-Christus , — door de gevoelens van onderwerping die het haar doet vormen, gelijk aan de gevoelens van Jezus-Ghristus, — door de liefde vooral, die het in haar hart verwekt voor Jezus-Christus, die door haar lijden haar met zich op de innigste wyze vereenigt.

Het lijden brengt tusschen den volmaakten Christen, dus natuurlijk de religieuze, en Jezus-Christus een

ocr page 597

580

soort van vereénzelving langs den weg van het medegevoel; zij ondergaan uit medegevoel het zelfde lijden, zij lijden door en met elkander. De religieuze deelt in het lijden van Jezus, Jezus deelt in het lijden der religieuze. Zij worden vereenigd door de banden van het medelijden. — Niets veréénigt nauwer twee zielen dan het ondergaan van het zelfde lyden.

De Christen zal zelfs geen flauw denkbeeld hebben van de hevigheid der smarten van den Verlosser, als hij zelf de foltering en het zielsverdriet van het ongeluk nooit gekend heeft. — Is hij zelf nooit gelasterd geworden, nooit zal hij den smaad, de vernedering van Jezus begrijpen. — Is hij zelf nooit gepijnigd in zijne menschelijke genegenheden, nooit zal hij de wonden van het lijdend Hart vau Jezus begrijpen. — Is hij nooit arm, ziek, vervolgd, met den dood bedi'eigd geweest, dan is het Evangelie voor hem eene doode letter, en hij begrijpt het lijden van het Kruis niet.

Maar het lijden, waarin hij zelf als slachtoffer optreedt, is als een fakkel, welks licht het lijden van Christus bestraalt en zich in al deszelfs vreeselijke , afschuwelijke, hartverscheurende werkelijkheid doet verstaan en gevoelen... En als hij dan begrijpt, dat het uit liefde tot hem is, dat Jezns-Christus dat alles heeft gedaan en geleden, dan wil hij uit wederliefde ook voor en met Jezus lijden. Hij zoekt het lijden met zooveel drift als anderen het genoegen, ea wat hij bijzonder door het gebed zoekt te verwerven, is de over één stemming van zijnen icil met den uil van Jezus-Christus. — Of lijden of sterven! lijden en nooit sterven om altijd te lijden. Ziedaar de kreet zijns harten, het doel van geheel zijn leven; want daar hij zijn wil nog niet in de eeuwige gelukzaligheid

ocr page 598

581

met den wil van God kan vereenigen, weet hij dat zij elkander slochts kunnen ontmoeten op het gebied der smart. De smart is de onderlinge eindpaal van den wil van God en den wil des menschen; het is het eenigst mogelijk vereenigingspunt!.....

De smart is werkdadig vereenigend in dien zin dat zij tusschen God en de ziel eene vereeniging vormt van geheimzinnig medegevoel. Door de smart deelt de lijdende mensch in het lijden van den gekruisigden Godmensch, en deze deelt in de smart van den lijdenden mensch. Na de persoonlijke vereeniging met God, waartoe de raenschheid van Christus alleen is toegelaten , ken ik geene nauwere en innigere vereeniging dan die van het lijden door het lijden. Men moet beminnen om deze dingen te kunnen verstaan.

11. Indien het lijden de religieuze hervormt in een anderen Jezus-Christus door de gevoelens van afhankelijkheid, van boetvaardigheid, van liefdevolle onderwerping, welke het in hare ziel te weeg brengt, — zoo hervormt het haar ook door de gevoelens van medelijden, van zoetaardigheid, van barmhartigheid, welke het haar inboezemt voor haren evennaasten.

Niemand weet beter medelijden te hebben dan zij die veel geleden hebben; -wie niet geleden heeft, wat weet hij?

Wat weet hij van zielsangst, van de folteringen van den geest? — Hij noemt het overspanning der verbeeldingskracht.

Wat weet hij van de kwellende pijniging van het hart? Hij noemt het overdreven gevoel of zwakheid van inborst.

Wat weet hij van het lichamelijk lijden? — Hij kan het niet ontkennen, maar hij verzorgt het zonder mededoogen, en wordt moede zoo het lang duurt.

ocr page 599

582

Hij kan niet weenen met de weenenden; hij kan slechts spreken, doch troosten kan hij niet.

Er is altyd eene leemte in de zielen, wier lijdenskelk niet. bitter genoeg geweest is; en eene religieuze die haar rijkelijk deel niet gehad heeft aan de smarten ■van Jezus-Christus, komt zeldzaam tot die onderscheiding van het oprecht medelijden, dat gaarne zich-zelven vergeet, om in het ongeluk van anderen te deelen.

Zij, die God bestemt om de troostende engelen van anderen te zijn, oefent Hij in de harde leerschool van het lijden en wellicht van het lijden zonder troost.

III. De smart hervormt nog de uit hare natuur vreesachtige, schrooinvallige religieuze, die soms zucht, zoo weinig voor de glorie van God te kunnen doen, en maakt haar de Troosteres der lijdende zielen.

Wij hebben gesproken van den staat van slachfojfer voor de strijdende Kerk, waarin God de religieuze plaatst; beschouwen wij haar nu als slachtoffer voor de lijdende Kerk.

Als gjj op het kruis hangt, zegde Pater Caussette, betreedt God uwen Calvarieberg om de verdiensten die gij over hebt, in te zamelen, en Hij dekt met uwen overvloed het te kort der zielen in het vagevuur.

O gij, arme, zieke, gebrekkige zuster, afgeslaafd, tot eene volkomen werkeloosheid veroordeeld, die zucht omdat gij u nutteloos gevoelt, bedenk dat het beter is martelaar dan apostel te zijn, dat het beter is de dooden dan de levenden te redden; want, zegt de H. Thomas, de levenden kunnen hunne eigene zaligheid nog bewerken, doch voor de dooden is de

O O 7

dag geëindigd; zij leven in dien noodlottigen nacht, waarin geen werken meer mogelijk is.

ocr page 600

583

Offer dau uwe Igdensuren voor de zieleo ia het vagevuur op. Elk dier uren met liefde ontvangen, met geduld verdragen, met edelmoedigheid opgeofferd, zal als eeu verfrisschende dauw nedervallen in dat verblijf, waarin zoovele zielen naar verlossing smachten. Gij weet wel dat deze liefde elke andere liefde bevat.

Liefde jegens God; want daar God er zijn geluk ia vindt, dat zijn Paradys vele Zaligen bevat, zoo behaagt men aaa zijae liefde, als mea zijne rechtvaardigheid verbidt ten gunste der vrienden, waarvan Hij gescheiden is.

Eene zeer apostolische liefde; want er is iets vol-maakters dan de zeeën over te steken om de zielen der heidenen tot God te brengen, te weten aan gene zijde van de grenzen der zichtbare wereld Hem zielen te gaan winnen, die in de genade bevestigd zijn en Hem aangenamer zijn dan de zielen der heidenen.

Eene edelmoedige liefde; want zij geeft aan de oagelukkigste armea van het menschelijk gezin.

Liefde voor de zieken; want als gij op die wijze met die arme gefolterde zielen de verdiensten van uw kruis deelt, wordt gij de ziekenverpleegsters van het treurigst verblijf, waar ooit de smart hare hartverscheurende ki-eten deed hooren.

Liefde voor de gevangenen; waat voor den prijs

van eenige tranen geeft gij de vrijheid weder aan de

Kevangenen, die zooveel tranen gestort hebben. —

•• i •• i

Liefde voor de bannelingen; want gi] verkrijgt voor de kinderen des Hemels, die op vreemden bodem schreien, de zoete gastvrijheid des Hemels. En om die liefdedaad te bewijzen, behoeft gij in den staat, waarin gij u bevindt noch te werken, noch ontbering te lijden; gij behoeft slechts van uwen overvloed te geven.

ocr page 601

584

IV. Neemt dau liet lijden aan, o zielen door God geroepen tot de groote eer van Hem toegewijd te leven en zijn werk van barmhartigheid en liefde te mogen voortzetten, neemt het lijden aan, onder welken vorm het zich ook aanbiede, als het grootste bewijs van liefde, dat gij uwen God kunt geven, als het grootste geluk, dat u kan overkomen.

»Gij weet niet,quot; schreef de H. Franciscus van Sales, »wat de engelen ons benijden: Zeker niets anders dan voor God te kwnnen lijden: want zij hebben nooit voor Hem geleden.quot;

Wat kunnen die engelen des Hemels aan God en aan degenen , die zij liefhebben, aanbieden ? H unne hulde en gebeden? Wij ook, en daarenboven nog goedwillig aangenomen en liefdevol opgeofferde smarten, waardoor wij de grootste hulde, die ons mogelijk is, bewijzen aan de goddelijke wijsheid, aan wie wij de volle vrijheid overlaten van te handelen, erkennende dat zij alles doet met rechtvaardigheid, maat en gewicht; hierdoor toonen wij het grootst mogelijk vertrouwen aan de goddelijke liefde, ons zonder voorbehoud overgevende aan alles wat zij noodig acht in en rondom ons te doen.

V. Laat ons tot besluit n het bewonderenswaardig; woord mededeelen eener gasthuiszuster.

Zij ging sterven aan een kanker, die haar vreeselijk deed lijden. Eens schreef de geneesheer haar een drank voor, die morphine bevatte: Heer Dokter, zegde zij, ik heb nooit aanmerkingen gemaakt omtrent de middelen, die mij werden voorgeschreven, doch veroorloof mij u te vragen: moet het drankje dat u mij voorschrijft, mijn toestand verbeteren of mijn leven verlengen ? In dat geval zal ik het gebruiken. Doch indien, zooals ik veronderstel, dit middel geen ander

ocr page 602

585

doel heeft dan de pijnen te verminderen en te stillen, sta mij dan toe, er geen gebruik van te maken. Ik heb slechts weinig tijd meer te leven; ontneem mij de gelegenheid niet om te verdienen, en laat mij mijn

lijden in zijn geheel..... De geneesheer, tot wien zij

deze woorden zegde, had zeer weinig godsdienst. Hij stond als verslagen, doch kon zijne bewondering en aandoening niet verbergen; de tranen kwamen

O O 1

hem in de oogen.

Zeker is deze liefde tot het lijden zeldzamer dan de onderwerping en het geduld, waarvan zij de volmaking en de verheven eu bovenmenschelijke bekroning uitmaakt. Dit is slechts raad, terwijl de beide andere deugden, die voorafgaan en haar bereiden, eene strenge verplichting zijn voor alle christenen. Doch de beste, de uitverkoren zielen maken ook hier, gelijk bij de andere deugden, geen onderscheid tusschen den raad en het gebod. Deze zielen bewonen steeds de kruin der bergen, en wilt gij ze herkennen, allen onderscheiden zich door dit onmiskenbaar en onfeilbaar teeken: de liefde tot het lijden.

ocr page 603

586

quot;VleiMie verpliclitiiiju tier rellgfiewze.

'Se-fioozamp;amamp;n.

Eene der grootste genaden, waarvoor ik den Heer moet bedanken, zegde de H. Tlieresia, is my de begeerte te hebben gegeven om gehoorzaam te zijn. Hoe zoet, hoe sterk, hoe machtig is de troost, mij door de beoefening dezer deugd geschonken!

Er is geene enkele religieuze, die, op een of andereu dag, in haar hart dat gevoel van dankbaarheid, van vreugde, van vrede niet heeft voelen opwellen, bij de gedachte dat, — hetzij stil in hare cel, — bezig met haar werk, — ingekeerd in het gebed, — vroolijk en onbezorgd in de recreatie, of lijdende en schijnbaar nutteloos voor allen, — zij altijd, danh aan de gehoorzaamheid, zoetjes wordt voortgestuwd door eene onfeilbare, sterke kracht naar dien Hemel waarnaar zij verzucht, naar dien Hemel waar zij allen val wedervinden, die zij op aarde heeft lief gehad, naar dien Hemel alwaar baar Vader, haar Meester, haar Bruidegom, voor wien zij alles heeft verlaten, Jezus-Christus haar verwacht om haar eeuwig gelukkig te maken.

Indien men in het religieuze leven steeds ?an de gehoorzaamheid sprak om haar te verheffen, om haar verdienstelijker, vaardiger, hartelijker, eerbiediger, ■algerneener te maken, o dan zou alle verdriet verzacht, alle lijden dragelijk worden, en ons geheeie leven zou in vrede en vreugde baarbeen vlieden!

Is toch een klooster wel iets anders dan een vaartuig, waarin wij, reizigers, slechts korten tijd vertoeven? Elk uur brengt ons dichter en veiliger bij de haven.

ocr page 604

587

Wat maken dan die enkele schokken, welke weldra zullen ophouden, die enkele smarten welke weldra zullen verdwijnen?

Wat den wereldling beangstigt, is de onzekerheid van de aankomst. Wij, door de gehoorzaamheid geleid, wij zijn verzekerd in de haven te zullen aanlanden.

0 hoe zoet en troostend is dus onze verplichting van te gehoorzamen!

Wij hebben reeds de hoedanigheden der gehoorzaamheid, en het zinsbedrog, waardoor de duivel ons tegen deze deugd zoekt te bekoren, aangetoond, en

o O 7 O 7

zullen nu slechts spreken over:

1. De natuur der gehoorzaamheid.

2. De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid.

3. De kracht en weldaden der gehoorzaamheid.

4. Het geluk der gehoorzaamheid.

iste iïooipidstxjik:-

TViitimi- «lor jyolioovzaaiMlxeitl.

I. De gehoorzaamheid, die in het algemeen de onderwerping aan den wil van een ander is, wordt door den H. Thomas aldus omschreven: de gehoorzaamheid is eene zedelijke deugd v:elke den wil van den onderdaan vaardig maakt om het hevel van den Overste te volbrengen.

Alle gezag komt van God. Het is dus aan Hem alleen dat men gehoorzaamt in den persoon van den

ocr page 605

588

Overste; het kind aan zijn vader, de onderdaan aan den vorst, de christen aan de Kerk gehoorzamen aan God, en onafhankelijk van hunnen wil worden zij daartoe verplicht door het natuurlijk, door het mensche-lijk, door het goddelijk recht.

II. De religieuze gehoorzaam heid is diezelfde deugd, die aan God doet gehoorzamen in den persoon van den Overste, die beveelt, en aan wien men zich vrijelijk heeft onderworpen. — De religieus, vrij geboren voor zoover het de religieuze gehoorzaamheid betreft, neemt vrijwillig het juk des Heeren op zich en onderwerpt zich uit liefde tot God aan de gehoorzaamheid aan zijn Overste.

III. De Gelofte der religieuze gehoorzaamheid is: eene gelofte aan God gedaan van Hem te gehoorzamen in den persoon, van den wettig aangestelden Overste in alles tv at overeenkomt met de regelen en strekt tot het doel der instelling.

1. Het is eene gelofte aan God gedaan. De mensch verbindt zich. God neemt die verbintenis aan: zijn wil is vereenigd met zijnen Schepper door een nieuwen band, dien hij in volle vrijheid heeft vastgeknoopt. Dit is een hand van liefde.

2. Hem te gehoorzamen in den persoon van zijn Overste. Inderdaad , men belooft niet rechtstreeks aan een mensch te gehoorzamen , maar aan God, wien deze mensch voorstelt. Aan een mensch als mensch gehoorzamen is of zwakheid of laagheid van ziel; maar aan een mensch gehoorzamen, die voor mij de plaats van God bekleedt, die wettig als zoodanig is aangesteld volgens de regelen, goedgekeurd door de H. Kerk als tolk van den goddelijken wil, dat is zich verheffen , dit is heerschen.

ocr page 606

589

3. In alles wat overeen komt met de Regelen en strekt tot beuordering van het doel der instelling. Dit is het doel der gelofte vau gehoorzaamlieid; het gezag der Oversten is ingesteld om de regelen te doen naleven, en de religieuzen vooruit te doen gaan op den weg der volmaaktheid volgens de regelen der instelling.

4. Volgens onze Gelofte van gehoorzaamheid zijn wij alleen verplicht, ons aan den Overste te onderwerpen; de deugd van gehoorzaamheid vraagt zelfs niet meer uit zich-zelve; doch om volmaakt beoefend te worden, vraagt deze deugd ons nog de onderwerping aan ome gelijken, aan onze minderen, in alles wat niet tegen onze verplichtingen strijdt, vooral in het ondersteunen hunner zwakheid en in het bewijzen eener voorkomende en hartelijke liefde. — Zeker zou het voor het welzijn der gemeente en het welslagen van deze of gene zaak van zeer weinig belang zijn, of zij geschiedt volgens hare of volgens uwe zienswijze; maar de verzaking aan uwen eigen wil of aan uwe denkwijze is van groot belang voor uwe volmaaktheid. Zich voegen om God naar al wat geen kwaad is, volgens den wil eu de verlangens van anderen, is deze woorden van den Prins dei-Apostelen nakomen: Hebt voor alles wederzijds eene voortdurende liefde voor elkander. (I Petri IV, 8.) Die volmaakte gehoorzaamheid vraagt dagelijks wezenlijke of zware offers; maar hoe kostbaar zijn die offers! Zij hebben de macht van de menigte onzer zonden te bedekken en ons daarvan de vergiffenis te verwerven.

ocr page 607

590

Sde IHIOOIPZDSTXJIK.

Noodzalcelijklieid «Ier j^elioovzaaniliei*!.

I.

De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is voor ieder in het algemeen gegrond op het gezag van God, die gebiedt.

God is de opperste meester van alle schepselen; hun bestaan en hun behoud hangen volkomen van Hem af; het is dus billijk, dat zij ook hun gedrag volkomen van Hem doen afhangen en zich in alles aan zijnen goddelijken wil onderwerpen. God moest die onderwerping van zijne schepselen eischen. De wil vau God wordt ons hier beneden geopenbaard door diegenen, welke Hij daarvoor gesteld heeft en die wij onze Oversten noemen. Hun weerstaan, zegt de H. Paulus, is aan God weerstaan, is opstaan tegen de orde hier op aarde gevestigd, gelijk Jezus-Ohristus ons leert, wanneer Hij tot zijne Apostelen zegt: Wie u hoort, hoort mij; ivie u veracht, veracht mij. (LxjC/K X, 16.)

Even als de afgezanten van een vorst in zijnen naam spreken en handelen, zoo spreken en handelen de Oversten in naam Gods. Al wat zij ons gebieden, zegt de H. Bernardus, moeten wij met eerbied en onderwerping aannemen. God heeft tusschen zich-zelven en ons dat bemiddelend gezag geplaatst; en evenals Hij zich bedient van de zon om ons te verwarmen, van de HH. Sacramenten om ons te heiligen, zoo bedient Hij zich van onze Oversten om ons te geleiden en te besturen.

ocr page 608

591

II.

De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond op onze natuur, welke uit haren aard afhankelijk is.

De mensch kan niet alleen leven; hij heeft voor zijn lichaam, voor zijn verstand, voor zijn hart, voor zijn geheele leven bijna al de wezens der schepping noodig; en het is slechts door deze onderlinge samenwerking tusschen de schepselen, dat de vrede, de orde, en zelfs het leven op aarde kunnen heerschen.

De wanorde zou alom noodzakelijk volgen op het verbreken dezer wet, en volgens de woorden van het Evangelie heerschen verwarring en droefheid daar waar zij overtreden wordt. Daarom overweegt en betracht de rechtvaardige de gehoorzaamheid, bedenkende dat hij, die in waardigheid verheven is, nog anderen boven zich heeft, en dat er boven hen nog eeu Meester gesteld is, die aan allen gebiedt.

III.

De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond op de leer en het voorbeeld van Jezus- Christus.

Geheel het leven van den Zaligmaker zouden wij hier moeten schetsen; want Jezus, onze Meester, heeft werkelijk niets anders gedaan dan gehoorzamen en leeren gehoorzamen. — De H. Paulus heeft deze gedachte met eene bewonderenswaardige kracht uitgedrukt. Alhoewel Hij de Zoon van God to as, zegt hij, leerde Hij uit dat wat Hij deed, de gehoorzaamheid. (Hebk. V, 8.) Zeker een God kan niet

ocr page 609

592

gehoorzamen; Hij oneindig machtig, oneindig wijs, kan noch wet noch raad van eenig wezen ontvangen; en toch heeft Hij toegestaan dat men Hem bevelen gaf, dat men Hem geleidde; Hij is deze lessen onder de menschen komen leeren; Hij heeft die lessen zoodanig begrepen en bemind, dat zijn geheele leven kan samengevat worden in deze drie woorden: Hij was onderdanig.

Bewandel dan met den H. Bernardus de twee Statiën, waarmede het leven van Jezus begint en eindigt; en vraag u zelve, even als hij: Wie is Hij die gehoorzaamt'? — Aan wie gehoorzaamde Hij? — Hoe lang heeft Hij gehoorzaamd'? — Hoe ver heeft Hij gehoorzaamd? — Het was niet alleen aan de H. Maagd Maria en den H. Joseph, dat Hi j gehoorzaamde ; die gehoorzaamheid was zoet; Zij beminden Hem zoo teederlijk; maar Hij gehoorzaamde ook aan Pilatus, die Hem onrechtvaardig veroordeelde , aan de beulen die Hem folterden; want Hij zag in hen de werktuigen van de gerechtigheid zijns Vaders. Zoudt gij dan neen durven zeggen, als u iets geboden wordt?

Hoor nog dien Moester, die u zegt, dat al wie den wil van zijnen vader doet, langs welken weg ook hem die geopenbaard wordt, voor Hem een broeder, eene zuster is, Hem zoo dierbaar is als zijne moeder (Matth. XII, 50). Hoor Hem nog: zoo iemand mij bemint, Hij zal mijn woord onderhouden, hij zal mijne bevelen nakomen, en mijn Vader zal hem beminnen , en wij zullen tot Hem komen, en wij zullen onze woning in hem vestigen. (Joa. XIV, 23.)

Men moet geen leerling van Jezus-Christus willen zijn, men moet aan zijne liefde verzaken, of wel men moet gehoorzamen.

ocr page 610

593

IV.

De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond vooral voor de religieuzen op de verbintenis, die zij door hare heilige Gelojten hebben aangegaan.

De gehoorzaamheid omvat al deze verbintenissen; en in eenige religieuze Orden, zooals de Karthuizers en Benedictijnen, doet men alleen de Gelofte van gehoorzaamheid.

Deze Gelofte, zegt de H. Thomas, is de gewichtigste en voornaamste der religieuze Geloften, omdat zij alle andere in zich besluit en in geen andere besloten kan worden; want hoewel eene religieuze zich door bijzondere Geloften verbindt de armoede en de zuiverheid te betrachten, zijn die twee Geloften, nog begrepen in de Gelofte van gehoorzaamheid, waardoor zij zich in het algemeen verplicht om alles te doen wat haar zal voorgeschreven worden.

V.

De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond op de zwakheid van onzen ivil.

De heiligheid hangt af van onzen wil. De wil der reiligieuze is zeker goed, vurig, oprecht op den dag harer Professie; doch dat zij niet te zeer op zich-zelve rekene....,

1. De menschelijke wil is uit zijne natuur veranderlijk, gemakkelijk te verzwakken en af te keer en; de gehoorzaamheid alleen kan dien weerhouden, aansporen en met gelijken tred doen voortgaan. De religieuze van goeden wil is onthecht van alles, van

38

ocr page 611

594

goederen, van eerbewijzing, van genoegens; doch er blijft haar nog iets te doen over, dat is zich onthechten van haar eigen wil om zich aan den god-delijken wil te hechten, hetgeen de gehoorzaamheid alleen kan doen.

2. De menschelijke wil wordt gemahhelijk verblind. Wie zal tot gids dienen, als men besluiten moet omtrent de waarde van deze of gene daad, over deze of gene beslissing, die men te nemen heeft? Zal het de inwendige leiding van den Heiligen Geest zijn ? Zeker is diegene gelukkig, die God zelf geleidt; dit is de volmaaktste, de zoetste, de sterkste leiding; doch het is ook die, welke het meest onderhevig is aan het zinsbedrog van den eigen- of van den kwaden geest. Zal het eene inwendige stem, eene openharing zijn? Hoe kan men voor zeker weten, dat dit de stem van God is, dat deze openbaring niet de vrucht is der verbeelding? De gehoorzaamheid alleen geeft eene bepaalde zekerheid in al die omstandigheden, waarin de ziel zich kan bevinden.

VI.

De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond op de onmogelijkheid van zonder haar in eene gemeente de orde te doen heerschen en te handhaven.

Elk zedelijk lichaam moet, zoowel als elk stoffelijk lichaam, een middenpunt hebben, waaraan zich de verschillende ledematen, welke dit lichaam samenstellen, vasthechten.

In een zedelijk lichaam heet dit middenpunt het gezag: en de gehoorzaamheid is als de band, welke het lichaam aan het middenpunt bindt en het doet leven

ocr page 612

595

en werken. Neem de gehoorzaamheid uit den staat of uit het leger, en weldra zal noch het eene noch het andere meer bestaan. Eveneens zou het gaan met eene gemeente, wier leden niet zouden willen gehoorzamen.

In de eenheid berust de schoonheid, de kracht en het leven; buiten de eenheid is het wanorde, onmacht, het is de dood. Eene gemeente heeft dus slechts in dusverre èn schoonheid èn kracht èn leven, als bij haar het beginsel der eenheid bestaat, voortvloeiende uit de gehoorzaamheid der onderdanen aan de plaatselijke oversten, van de plaatselijke aan de algemeene oversten. Voor elke gemeente ligt het onfeilbaar onderpand vóórhaar behoud, haar grondslag, haar sluitsteen, hare samenhoudende kracht in de gehoorzaamheid.

Maar hoe machtig wordt een huis met de gehoorzaamheid van al deszelfs leden! Hoe nuttig wordt het werk dat daar geschiedt voor allen! ieder heeft zijne bediening, en daar deze bediening aan ieder lid wordt aangewezen volgens zijne geschiktheid, en elk der leden die uit deugd gaarne heeft aangenomen, zoo vervult hij die met ijver, doet slechts wat hij te doen heeft; hij doet dit goed, omdat hij kan en wil; hieruit vloeit op het einde van den dag eene verbazende som van werk voort, waarvan ieder voordeel trekt, en die, wel verre van vermoeienis te veroorzaken, slechts rust en vrede achterlaat.

ocr page 613

596

3'ie pioofidstxjk:-

Ki-aelit en woltlarteii. lt;lex- g^ehoor-zaamlieicla

I.

De yehoorsaamheid verheft de ziel tot God.

De gehoorzaamlieid maakt deu menscli tot kind vau God, tot erfgenaam van Jezus-Christus. Jezus zelf leert ons de nauwe vereeniging kennen welke de ziel door de gehoorzaamheid met Hem sluit; Al ioie den wil gedaan zal hebben van mijnen Vader, die in den Hemel is, zegt Hij, die is mijn broeder, mijne zuster, en mijne moeder. (Mauth. XII, 50.) Hoe vreemd dit woord ook moge klinken, laat het zich lichtelijk begrijpen. Aan God gehoorzamen is zich ontdoen van zijn eigen geest, van zijne eigene gevoelens, van zijn eigen wil, om zich te bekleeden met den geest, de gevoelens, den wil van God; het is, zooals Clemens van Alexandrië het zoo krachtvol uitdrukt, een God zijn met ons vleesch hekleed. Niemand heeft dit wellicht beter begrepen dan de H, Ignatius, de heilige Stichter van het Gezelschap van Jezus, hij, dieu men den grooten Heilige der gehoorzaamheid noemt.

De gehoorzame religieus, schreef hij, verheft zich boven de menscbelijke natuur tot den hoogsten graad van glorie en waardigheid. De banden zijner eigene natuur verbrekende, vereenigt hij zich door vaste

ocr page 614

597

banden en op de innigste wijze met God, het opperste goed, met wiens natuur hi] zich omkleedt; en daar God gewoon is de ziel des mensehen te vervullen, naarmate Hij die ledig vindt van al wat zich tegen zijne uitstorting verzet, te weten van den eigen wil, volgt hieruit dat al wie tot die volmaakte gehoorzaamheid komt, het recht heeft met het woord van den Apostel, dat men het formulier der heiligheid noemen kan, te zeggen: Jk leef, niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

II.

De gehoorzaamheid belet de sonde.

1. De gehoorzaamheid voorkomt de zonde, door ons te verlossen van onzen eigen wil, die bron van al onze fouten. De kracht van den duivel berust vooral in onzen eigen toil, dien hij ons door alle middelen zoekt te doen volden. — Onze kracht daaren-

o

tegen ligt in den ivil van Gad, waarop wij steunen en die ons onwankelbaar staande houdt.

Daar onze wil blind en tot het kwaad geneigd is, zegt Bourdaloue, moet hij een gids hebben, die hem geleidt, en een breidel, die hem onder bedwang houdt. Nu, de gehoorzaamheid is voor hem en het een en het ander, door hem vast te binden aan den god-delijken wil. Door dezen altijd goeden, altijd heiligen wil geleid, ben ik veilig, omdat ik niet kan afdwalen , zoolang ik den weg volg waarop God mij roept.

2. De gehoorzaamheid doet de ziel zegepralen. De gehoorzame, zegt de H. Geest, zal van overwinning spreken (Prov. XXI, 28.)

Overwinning over de kwade gewoonten. — De H. Au-gastinus beklaagt zich in zijne »Belijdenissenquot;, dat

ocr page 615

598

vervuld met gebreken als bij was, hij geene enkele liefderijke hand gevonden heeft, die hem hielp om zich daarvan te ontmaken. Een ijverig Overste zou hem niet zonder raad, zonder berisping, zonder bestraffing-gelaten hebben; en zoo hij dan gehoorzaamd hadde, hoevele zonden zou hij vermeden, hoevele verdiensten vergaderd hebben!

Ocerwinning over den duicel. — De tegenwoordigheid en vooral het woord van een Overste maakt op den duivel denzelfden indruk als de tegenwoordigheid en het woord van God. De eerste gedachte, die hij opwekt in de ziel, die hij wil medeslepen, is: Men zal er niets van weten. — Zeg het niet.— Zeg niet alles. — De gehoorzaamheid is voor de religieuze, wat de engel Raphael voor Tobias was ; zij leidt haar door het leven, en brengt haar veilig terug in haar vaderland, in den Hemel; zij verwijdert of verdelgt de vijanden, die zij ontmoet; zij geleidt, beschermt haar, zij voorziet haar van het noodige, zoodat de religieuze, als zij in den Hemel komt, tot God-zal kunnen zeggen: De gehoorzaamheid heeft mij tot U gébracht.

Overwinning over de bekoringen. — De ondervinding leert ons, dat eene eenvoudig ontdekte bekoring geen gevaar oplevert. — Of zij verdwijnt spoedig, ot zij toont zich zoo kleingeestig, zoo onredelijk, zoo schandelijk, — gelijk zij het trouwens altijd is, — dat men haar veracht en zeer gemakkelijk overwint.

Overwinning over God zelf. — Indien, zsgt de H. Liguori, op den dag des oordeels Jezus-Christus u rekenschap zou vragen over hetgeen gij uit gehoorzaamheid aan uwen ziel bestierder gedaan hebt, zoo zeg Hem: Heer, ik heb het gedaan om, zooals Gij mij bevolen hebt, aan uwen plaatsbekleeder te gehoorzamen, en Jezus-Christus zal u niet kunnen veroordeelen. —

ocr page 616

599

Indieu Hij u zou vragen, waarom gij geene strengere boetvaardigheid, geene langere gebeden gedaan hebt, waarom gij dit of dat goed werk hebt verzuimd, zeg Hem, indien gij uit gehoorzaamheid hebt gehandeld: Heer, omdat Gij self het mij door mijne Oversten geboden hebt; Jezus-Ohristus zal u niet kunnen veroordeelen, en beter nog. Hij zal u beloonen.

III.

De gehoorzaamheid verheft, verrijkt, vergoddelijkt al onze daden.

1. Eene gehoorzame ziel is altijd zeker, dat zij Gods wil volbrengt. Veronderstellen wij een oogeu-blik, dat door eene toelating der bijzondere goedheid Gods onze Engelbewaarder onder menschelijke gedaante ons in alle omstandigheden kwame zeggen: God wil deze zaak nu, op deze wijze, ik ben bij u om u bij te staan; zouden wij dan niet gaarne en vaardig alles doen wat hij ons zou zeggen?

Welnu, de gehoorzaamheid is die engel; en als wij doen wat de gehoorzaamheid ons gebiedt, zijn wij even zeker, dat wij den wil Gods volbrengen, als Jezus te Nazareth, als de Apostelen door Jezus-Christus onderwezen.

2. Eene gehoorzame ziel geeft aan al hare daden eene wondervolle waarde in Gods oog. De kleinste zaken, uit gehoorzaamheid verricht, hebben eene oneindige waarde in Gods oog, terwijl de grootste zonder de gehoorzaamheid in zijne oogen niets zijn. Matig eten en drinken met de gehoorzaamheid is een groot en verdienstelijk werk voor God; op water en brood vasten gedurende een geheel jaar zonder gehoorzaamheid

ocr page 617

600

is niets in zijne oogen. — Een eenvoudig voorwerp reinigen, eene hamer vegen uit gehoorzaamheid is groot in Gods oog: zonder gehoorzaamheid de geheele ivereld doorloopen om het Evangelie te verkondigen is niets in zijn oog.

Wat is datgene wat wij groot noemen, in Gods oog? Wat in onze oogen dat kaartenhuis is dat een kind opbouwt, waarin het een levendig belang stelt, waarop het zoo trotsch is en waarop wij nauwelijks een blik werpen. In Gods oog zijn onze grootsche ondernemingen, onze reusachtige werken nog minder dan het kaartenhuis. Het is de liefde, die waarde geeft aan eene of andere daad, en beminnen en gehoorzamen is de zelfde zaak.

Beminnen is den wil Gods zoeken te ontdekken, en trachten dien te volbrengen, en het is die goddelyke wil, die alles tot eene bovennatuurlijke orde verheft. Hij veredelt de meest gewone, hij heiligt de onverschilligste, hij verheft de heiligste handelingen in waarde en verdiensten. Hij bezit het geheim om alles wat een schepsel op aarde doen kan, heilig, geestelijk. God welgevallig, verdienstelijk te maken. Alles wat hij, hetzij binnen, hetzij buiten, aanraakt, neemt leven en een onsterfelijk leven aan.

3. Eene gehoorzame ziel komt onfeilbaar en in korten tijd tot eene volmaakte heiligheid.

De eerste reden wordt getrokken uit de natuur der heiligheid of volmaaktheid zelve: Heilig zijn is niets anders dan Gods wil volbrengen. Welnu, eeue gehoorzame ziel verlangt, zoekt, doet niets dan wat God wil; zij staat op als God wil, zij gaat slapen als God wil, zij werkt, zij bidt, zij rust als God

dit wil..... Zij moet dus noodzakelijk en in korten

tijd heilig worden.

ocr page 618

601

De tweede reden wordt getrokken uit God. — God bemint eene gehoorzame ziel. — Het kind dat gehoorzaamt, wordt bemind; — dat het beste gehoorzaamt, wordt het meeste bemind. — God handelt met de ziel, gelijk eene moeder met haar kind; — God bestuurt, geleidt, beschermt, verzorgt haar. — Hel en wereld mogen tegen haar samenspannen, zij staat onder de bescherming van eenen oneindig wijzen , oneindig goeden , machtigen, barmhartigen God; zij kan gerust leven en sterven.

IV.

De gehoorzaamheid is de moeder, de steun, de bewaakster, de volmaking van alle deugden. x

Zonder de gehoorzaamheid hebben al onze werken, al zijn zij goed in zich-zelven, volstrekt geene waarde in Gods oog. Zonder de gehoorzaamheid, zegt een geestelijk schrijver, is de liefde valsch en door God veroordeeld, de marteldood zelfs is Hem niet aangenaam. Men mishaagt aan God, als men Hem op eene andere wijze bemint dan Hij wil bemind worden. Zonder de gehoorzaamheid is er altijd eenige opstand, en de opstand is de zonde.

»De gehoorzaamheid, zegt de H. Augustinus uitdrukkelijk, is de moeder en de oorsprong aller deugden. Zij doet ze alle ontkiemen, en zelfs verandert zij in deugd wat dit te voren niet was. Men kan op volstrekte wijze niet zeggen, dat zij de grootste aller deugden is; maar zij veronderstelt ze alle, doet ze alle beoefenen, en volmaakt ze alle. Zij doet ons het lt;/«/00/beoefenen door ons God te toonen iii den persoon van den Overste. Zij doet ons de hoop beoefenen

ocr page 619

602

door ons vrede en raad en leiding te doen wachten ran de leiding van een Overste, waarop zij vertrouwt gelijk op het woord van God zelf. Zij doet ons de liefde beoefenen in datgene wat zij bovennatuurlijks heeft, doordien men den Overste eerbiedigt en bemint, niet door hetgeen zij in hem ziet, maar om God, dien hij vertegenwoordigt, en door zich met ijver «n edelmoedigheid toe te wijden aan die werken van barmhartigheid of zelfopoffering, die de Overste vraagt. Zij doet de nederigheid beoefenen door het oordeel zelf aan het oordeel van den Overste te onderwerpen. Zij doet de voorzichtigheid oefenen, omdat men nooit handelt dan volgens het woord van den Overste, dat men als onfeilbaar voor de zaligheid zijner ziel beschouwt.quot;

Het hoofd buigen voor de Oppermajesteit van God is gehoorzamen. — Vreezen den God van barmhartigheid te beleedigen en de kastijding van den Oppersten Rechter op zich te trekken, \s gehoorzamen. In zijn geest vurige verzuchtingen tot den God van liefde voeden, is gehoorzamen. — Zijne gaven storten in de hand van den arme, troost in de harten der bedroefden, is gehoorzamen, want dat alles wordt geboden.

Hoe machtig, hoe vruchtbaar, hoe heerlijk is de deugd van gehoorzaamheid!

Hoe zou men zich daarover verwonderen V het was de groote deugd van Jezus zelf: Hij ivas onderdanig!

ocr page 620

603

4de ieïooifidstxjik:.

Geluk der «yeliooi'^auinlieitl.

Meu kaa van de gehoorzaamheid zeggen, wat de H. Geest zegt van de wijsheid: Alle goederen zijn mij met haar geworden (Sap. VII, 11.)

De gehoorzaamheid geeft licht aan den geest; de geest weet waar hij moet gaan, wat hij moet doen. Zij geeft hem zekerheid-, en de geest weet dat hij met haar zich nooit bedriegt, nooit afwijkt, en dat zoo hij een oogenhlik zijn gids verlatende, een verkeerden weg insloeg, hij hem steeds bereid zal vinden om hem weder op den rechten weg te brengen.

De gehoorzaamheid geeft aan het hart rust in da genegenheid. Hij aan wien de religieus gehoorzaamt, is God; hij gehoorzaamt, omdat hij bemint, en God bemint op zijne beurt dat onderworpen, vaardig, toegenegen hart; en daar God altijd even schoon , even goed, even beminnelijk, even barmhartig, even rechtvaardig is, zal het hart nooit ophouden, Hem op zijne beurt te beminnen, en de vrede zal steeds in dat hart blijven wonen.

De gehoorzaamheid geeft aan den wil de kracht en de standvastigheid; de wil steunt op God, en daar God onwrikbaar is, deelt hij in die eeuwige onveranderlijkheid. Hij wil slechts wat God wil, en daar God altijd datgene wil wat goed en schoon is, leeft de religieuze ziel gelukkig in het midden van dien luchtkring van orde, van licht en schoonheid. Bepalen wij juist wat wij gezegd hebben, om het geluk der gehoorzaamheid beter te doen begrijpen.

ocr page 621

604

Is de gehoorzaamheid de orde, de vervulling van Gods wil, de band die ons aan God hecht, de liefde die onzen wil tot God richt, en de liefde, die Gods wil tot ons trekt, — dan vloeit hieruit voort, als noodzakelijke gevolgtrekking, dat de gehoorzaamheid is: ons opperste goed, onze vrede, onze veiligheid, onze rust, ons geluk, in één woord, onze hemel op deze aarde.

11.

Toont de gehoorzaamheid ons God in onze Oversten, God oneindig rechtvaardig, oneindig barmhartig, oneindig medelijdend en goed, en zet zij ons aan om God en al wat God doet, te beminnen, vermits gelijk wij reeds zegden, gehoorzamen en beminnen de zelfde zaak is, — zoo vloeit hieruit voort, als noodzakelijke gevolgtrekking, dat al wat onze Oversten ons zeggen, al wat zij ten onzen opzichte doen, zooals eene waarschuwing, eene berisping, eene bestraffing, eene weigering, al mogen ons deze ook onbillijk schijnen, — ons niet mag ontstellen, omdat God het recht heeft te doen wat Hij doet, en dat hetgeen Hij doet, steeds nuttig en goed is voor onze ziel.

De gehoorzaamheid stilt de ontroering des harten, door het te hechten aan den onwrikbaren wil van God; zij weerhoudt de ontsteltenis in den geest, door eene menigte gedachten, voortgebracht door deze enkele gedachte; God wil het!

IJL

De gehoorzaamheid de vrucht der liefde zijnde, trekt, als zij oprecht is, ten laatste altijd ook de liefde tot zich, en vestigt aldus tusschen Overste

ocr page 622

605

en onderdaan die onderlinge betrekking van gebod en gehoorzaamheid, die niets anders dan eene onderlinge betrekking van genegenheid en welwillendheid is. Hoe toch zou eene Overste eene zuster niet liefhebben , die altijd vaardig en gereed is om elk bevel, van welken aard het ook zijn moge, vroolyk en minzaam te volbrengen? Hoe zou zij voor haar niet meer voorkomend, zachtmoedig, moederlijk zijn? — hoe zou eene zuster, op die wijze behandeld, hare Overste niet beminnen ? hoe zou zy niet zoeken, haar in alles genoegen te doen? — Een huis waar de gehoorzaamheid aldus begrepen werd, zou waarlijk een Paradijs zijn.

IV.

De gehoorzaamheid stelt den wil van den onderdaan in de handen van den Overste, die er eenmaal rekenschap van zal geven aan God. Welk eene gerustheid voor den onderdaan! De gehoorzaamheid, zegt de H. Joannes Climacus, is een leven zonder kommer, een overtocht zonder gevaar, eene reis al sluimerend volbracht. — Onder de gehoorzaamheid leven is zijn last plaatsen op de schouders van een ander, is zich in deszelfs armen door den stroom zoetjes naar de eeuwigheid laten voortdrijven. — Het is vooral bij onzen dood, in dat uur waarop de duivel tracht ons tot wanhoop te brengen door de gedachte aan onze vroegere fouten, dat de gehoorzaamheid ons den grootsten troost zal verschaffen. Gelukkig de ziel die kan zeggen: Wat zou God in mij kunnen veroordeelen, daar ik steeds zijn wil in den wil van mijne Oversten heb volbracht? Zeker heb ik mij vele fouten te verwijten in mijn vroeger leven, maar

ocr page 623

606

het offer dat ik God zoo dikwijls heb gedaan van geheel mijn bestaan, zal, zoo vertrouw ik, alles hebben uitgewischt. Jezus, mijn Zaligmaker, heeft gezegd, dat veel vergeven wordt ami dengene, die veel bemind heeft; en ik heb mijn Jezus veel bemind, daar ik uit liefde tot Hem zoovele jaren aan eigen wil en eigen oordeel verzaakt heb om my geheel naar zijnen wil, mij door mijne Oversten geopenbaard, te schikken. Neen, neen, mijn God! Gij zult degene die u steeds gehoorzaamd heeft, niet verstooten.

V.

Kunnen wij na deze overwegingen niet met P. Giraud zeggen: »De gehoorzaamheid is voor de religieuze eene moeder, eene voedster, eene vriendin, eene beschermster, eene machtiqe middelares!

Eene moeder. Zij heeft haar ontvangen in het religieuze leven; zij heeft haar in haren boezem gedragen gedurende haar noviciaat; zij heeft haar het leven geschonken op den gelukkigen dag harer H. Professie; zij zal haar vergezellen gedurende haar geheele leven; zij zal aan hare stervenssponde staan en haar met de hand geleiden tot den eeuwigen Opperheer.

Eene voedster. De gehoorzaamheid heeft haar door de melk van haren goeden raad, van hare aanmoedigingen doen groot worden in dat leven, dat zij haar als moeder heeft gegeven.

Eene vriendin. De gehoorzaamheid troost haar als zij weent, ondersteunt haar als zij bekoord wordt, heft haar op als zij valt.

Eene beschermster. De gehoorzaamheid bewaart haar voor al de gevaren, welke de duivel op haren weg vermenigvuldigt, verwijdert van haar de eigenliefde.

ocr page 624

607

Je moedeloosheid, de onstandvastigheid, de vermetelheid; en wordt zij door deze vijanden aangevallen, dan komt de gehoorzaamheid haar te hulp om ze te overwinnen, en door haar zegeviert de religieuze altijd.

Eene machtige middelares. De gehoorzaamheid stemt hare Oversten gunstig voor haar, als zij in fouten gevallen is; zij maakt die toegevend voor hare verkeerdheden , hare fouten, hare onvolmaaktheden. — Als de gehoorzaamheid de getrouwe gezellin eener religieuze is geworden, dan deelt zij haar hare oprechtheid , hare beminnelijkheid mede, maakt haar voor elke bediening geschikt, doet haar door een ieder beminnen, omringt haar met een luchtkring van vrede en geluk.quot;

Hoe schoon, hoe aantrekkelijk, hoe nuttig is de deugd van gehoorzaamheid!

Zij is die heilige zuster, die over mij waakt, de waarborg mijner ziel, mijner deugd, mijner volharding, mijner zaligheid eindelijk en vraagt mij slechts te blijven in het vaartuig door haar bestuurd.

Met haar kan ik in vrede leven, in vrede werken, in vrede slapen. Met haar geene vrees, geen angst, geene ontroering.

Eenmaal in de haven aangeland, zal zij ten mijnen beste spreken, zij zal voor mg antwoorden, mij met hare genaden en deugden versieren. O goddelijke gehoorzaamheid, gezellin van Jezus-Christus, ik geef mij aan u over. Ik verlaat mij op u. Laat mij uw leerling, uwe zuster, uw kind zijn.

lar

eg

Ie,

ocr page 625

608

quot;Vijfile verplichting: lt;ler Religieuze.

c6i99e'H.

Onder al de boeken die ik geschreven heb, zegt de H. Alphonsus, geloof ik geen nuttiger te hebben geschreven dan dat over het groote Middel van het gebed; en zoo ik kon, zou ik er zoovele exemplaren van willen doen drukken als er menschen op de wereld zijn, ten einde aan ieder een te kunnen geven, en hun aldus de noodzakelgkheid te doen begrijpen, waarin wij allen zijn van te moeten bidden om zalig te kunnen worden..... Ik zeg dit, ik

herhaal het en zal het mijn geheele leven herhalen: de zaak der zaligheid hangt van het gebed, af; en ik verlang, dat alle schrijvers in hunne werken, alle predikers in hunne sermonen, alle biechtvaders in hunne biechtstoelen zullen drukken op de noodzakelijkheid van het gebed, en onophoudelijk zullen herhalen: »Bidt, bidt, bidt, houdt nooit op te bidden.quot;

Het is reeds lang geleden sedert deze gloeiende woorden van een Heilige, die Jezus-Christus en zijne heilige Moeder zoo teederlijk beminde, onder onze oogen kwamen; sedert dien tijd zijn zij nooit uit ons geheugen gewischt; en door deze woorden bezield, beschrijven wij deze laatste verplichting der religieuze.

Mogen deze bladzijden diepen indruk op u maken en u tot het gebed aanzetten!

Ontvang ze eerbiedig wegens het groote onderwerp, dat zij behandelen; lees ze met kalmte, doch met gretigheid. Wij zeggen u met den H, Joannes

ocr page 626

609

Chrysostomus: »Wij gaan u geleiden naar de bron van ftlle goed. Wij gaan u een schat aanwijzen, waar gij in alle behoefte kunt komen putten, welke zij ook mogen zgn. Wg gaan u een gemakkelijken weg aantoonen, besproeid door een stroom van zegening, een weg, die u recht ten hemel zal voeren.quot;

»In deze bladzijden,quot; voegen wij hier met den H. Augustinus bij, ligt heel het geheim onzer voorbeschikking. Bidt, of gij wordt niet zalig. Bidt goed, en gij zult zeker zalig worden. Geheel het Evangelie is opgesloten in deze weinige woorden: Die goed weet te bidden, zal goed toeten te leven.

Wij gaan hier aantoonen:

1°. De natuur van het gebed.

2°. De noodzakelijkheid van het gebed.

3°. Het voorschrift van het gebed.

4°. De kracht en het vermogen van het gebed.

5°. De hoedanigheden van het gebed.

6°. J)e uitwerkselen van het gebed.

7°. De voornaamste ivijzen van het gebed.

8°. Het leven van gebed.

39

ocr page 627

610

isic üoofüstxjk;.

IViitinii- van liet g;elgt;elt;l.

I. Het gebed is eene verheffing onzer ziel tot God. Het voorname doel van het gebed, zegt de H. Thomas, is de niensch met God te vereenigen.

1. Om deze vereeuiging te bewerken doet het gebed eenigermate den oneindigen afstand verdwijnen, die den niensch afscheidt van God; het verheft den mensch tot God, opdat hij met Hem zou kunneu spreken, niet door eene stoffelijke nadering, daar wij in God zijn, ons bewegen en leven, maar door eene toenadering door den geest en het hart, door eene verheffing der ziel tot God, die zich gewaardigt naar haar te luisteren.

2. Om deze vereeniging te bewerken, drukt het gebed altijd op eene meer of minder rechtstreeksche wijze de begeerte uit, welke de ziel gevoelt, nader bij God te komen, nooit meer van Hem gescheiden te worden, met Hem iu de innigste vereenigiag en nauwste vriendschap te leven. Eene zaak heb ik den Heer gevraagd, en ik zal die zonder ophouden vragen, in het huis des [leeren te mogen wonen, al de dagen mijns lerens. (Psalm. XXVI, 7.)

11. Hoe zinrijk is dit woord: Het gebed is eene verheffing der ziel tot God! Het is de vlucht der ziel naar de bron des levens, het is het streven van het hart dat, vermoeid van de schokken des aardschen levens, in hoogere luchtstreken eene rustplaats zoekt.— Het is de goddelijke honger van een wezen dat op aarde geen voedsel vindt. — Het is de terugkeer der duiie. die niet weet waar zich neder te zetten, en

ocr page 628

611

eene woning komt zoeken in de arke, die zij verlaten lieeft. — Het is een gesprek df.r ziel, een inniq onderhoud des harten met deu besten der vaders, de teederste der moeders, den toegenegensten aller vrienden. — En, aldus begrepen, wordt het de kracht, de steun, de balsem, het geluk van het leven; het is het lied des vaderlands, dat men aanheft en waarvan men de eerste woorden op aarde stamelt. (Mgr. Landriot).

Het gebed is die goddelijke veerkracht, die de geheele aarde in beweging brengt en tot God voert. Het is, voegt Mgr. de Segur er bij, de edelste bezigheid van den mensch hier op aarde, zij adelt, zij verheft, zij maakt al onze andere bezigheden een redelijk wezen waardig. — Het hart vereenigt zich met den God van oneindige goedheid, van oneindige volmaaktheid, van oneindige liefde, die het alleen voldoen kan. — Het gebed is het gesprek van het kind met zijnen vader, het vertrouwelijk onderhoud van den vriend met zijnen vriend, het smeeken van den zwakken, ellendigen zondaar om barmhartigheid, het danklied van den zondaar, wiens schuld vergeven is.

III. Een ander kenmerk van het gebed, dat uit het eerste voortvloeit, is dat men bidt, zoo dikwijls de ziel zich godvruchtig tot God verheft, door welke gedachte zij ook gedreven worde.

De ziel bidt, zoo dikwijls zij zich in aanbidding stelt, — zij bidt als zij eene verkeerde neiging of een ongeoorloofd genoegen opoffert, — zij bidt als zij de goddelijke volmaaktheid bewondert, — zy bidt als zij God dankt, — zij bidt als zij zich aanbiedt om God te dienen, — zij bidt vooral dan als zij hare ellende blootlegt en zich van deze ellende juist een titel maakt om van zijne Oppermajesteit medelijden en hulp af te smeeken.

ocr page 629

612

Die ellende der ziel is zoo diep, de behoefte die wij aan God hebben, is zoo groot, zoo aanhoudend, zoo algemeen, dat hidden en vragen eene zelfde zaak schijnt te zijn

Zoolang onze tong één woord tot God kan stamelen, of slechts den naam Jezus kan uitspreken, — zoolang onze oogen zich ten Hemel kunnen verheffen, — zoolang ons hart eene bede kan vormen, een zucht kan slaken, is dit woord, die zucht een gebed; — als wij tot God opzien, is die blik ee7i gebed; — als wij dien zucht, die klacht tot God opzenden, is het een gebed; — en wij zullen vertroost worden, omdat God getroffen is, en God zal ons antwoorden.

Door het gebed onderhouden wij dus met GJod een heilig verkeer van lof, van dank, van liefde, van offerande, van sraeeking. Het gebed is eene genade, waarvoor wij God nooit genoeg kunnen bedanken, en tevens eene der rijkste bronnen van genade.

IV. Het gebed is of geheel inwendig, als het hart alleen bidt zonder de hulp van woorden of gebaren: of wel het is mcndgehed, wanneer het hart zich bedient van de woorden om het gebed uit te drukken; de stem geeft alsdan de gevoelens van het hart terug. Onder welken vorm ook, maakt het gevoel des harten altijd het voorname deel van het gebed uit. Er bestaat geen gebed, als het hart er geen deel aan neemt.

O O 7 O

ocr page 630

613

sde üooipidstxjik:.

l?o iiooclzalielijlclieitl van liet gebccl.

I.

De noodzakelijkheid van het gebed is gegrond voor alle menschen in het algemeen en voor de christenen in het hijzonder op hunne hoedanigheid van schepsel.

Een schepsel is een wezen dat, uit zich-zelven niets zijnde en niets bezittende, alles van zyn Schepper heeft ontvangen, en van Hem afhangt in alles wat het bezit, voor alles wat het noodig kan hebben, en zelfs voor zijn bestaan; — de mensch nu is het schepsel van God, de mensch is alles aan God verschuldigd; hij hangt geheel van God af voor het stoffelijk leven, voor het redelijk leven, en voor het leven der genade of bovennatuurlijk leven.

Het voedsel noodig om deze drie soorten van levens te onderhouden, kan de mensch niet in zich-zelven vinden. Hij moet dit zoeken daar, waar God het tot zijn gebruik heeft nedergelegd, te weten in de wereld der lichamen het voedsel van het stoffelijk leven, — in de wereld der kennissen het voedsel van het redelijk leven, — in de bovennatuurlijke wereld het voedsel der genade. Maar dit voedsel komt zich niet van zelf aanbieden en zich aan hem geven; hy moet dit zoeken, hij moet werken, hij moet vragen, in één woord, hij moet bidden om het te verkrijgen.

Het bovennatuurlijk voedsel, dat zijne ziel moet voeden, het eenige waarvan hier sprake is, heeft

ocr page 631

614

God aan niemand toevertrouwd, doch dit aan zich zei ven voorbehouden, het is slechts bij God te vinden; en zoo de mensch dit begeert, is het noodzakelijk, dat hij door het verlangen zijner ziel, tot God opstijge, om het te zoeken...... dat hij hidde.

Wij zijn de bedelaars van God, zegt de H. Augustinus; wij leven van zijne aalmoezen en wij moeten ons onophoudelijk plaatsen aan de deur van den Vader van barmhartigheid, om die hulp te vragen, die ons noodig is om de zoude te vermijden en de deugd te oefenen.

De mensch is een wezen, dat uit zich-zei ven behoeften heeft. God is een wezen dat aan niets behoefte heeft.

Met uitzondering der eerste genade, die wij zonder onze medewerking verkrijgen en die niet van het gebed afhangt, wijl zij de grondslag van het gebed zelf is, leert ons het geloof, dat het gebed het krachtig en algemeen middel is, dat God heeft gekozen om ons met zijne gaven te verrijken. Het gebed is de sleutel van Gods schatkamer. Het is het kanaal, waardoor Hij al zijne zegeningen op ons uitstort; het gebed is de ademtocht, onzer ziel en even noodzakelijk tot ons bovennatuurlijk, als de lucht voor ons natuurlijk leven.

Behalve de kinderen in de wateren des doopsels herboren en vóór de jaren van verstand gestorven, zijn alle Heiligen slechts door het gebed zalig geworden: en omgekeerd zijn ook de verdoemden na die jaren verloren, omdat zij niet gebeden hebben.

Wij moeten, zegt de H. Chrysostomus, leven in de overtuiging, dat niet bidden gelijk staat met het verliezen van Gods genade, welke het leven onzer ziel is.

ocr page 632

615

II.

De noodzakelijkheid van hef. gehed is gegrond voor alle menschen in het algemeen op de onmogelijkheid waarin zij verkeeren, 1. van aan den duivel te weerstaan, 2. van het minste goed te verrichten, 3. van in het goede te volharden tot het einde toe.

1. Onmogelijkheid van zonder het gebed den duivel te iveerstaan. — De ziel wordt onophoudelijk door den duivel aangevallen; haatdragend uit zijne natuur en vooral afgunstig op het schepsel dat, beneden hem geplaatst in de orde der schepping, door God bemind en tot het eeuwig geluk is voorbestemd, plaagt, kwelt, bekoort hij het onophoudelijk.

Wie onzer heeft die bijna onweerstaanbare neiging tot het kwaad niet gevoeld? Wie onzer heeft geene uren doorleefd, waarin men zich aan den rand des afgronds waande? Wat doen in dergelijke oogen-blikken? 0 bidden., bidden! Bij die noodkreet tot God, komt Hij tot ons volgens zijne belofte en Hij blijft altijd overwinnaar. God kan ons niet in de noodzakelijkheid plaatsen van Hem te beleedigen, Hij gebiedt het onmogelijke niet. De rede en het geloof getuigen het, en de H. Kerk heeft het plechtig verklaard bij het Concilie van Trente, dat, als God ons gebiedt. Hij ons oplegt, te doen wat wij kunnen , en te vragen iaat wij niet kunnen.

Om de bekoringen te kunnen overwinnen, heeft de ziel licht noodig orn het gevaar te zien, — voorzorg om de verrassing te vermijden,— kracht om de aanvallen af te keeren. — Dit alles zal zij nooit in zich-zelve vinden, en altijd zal zij moeten zeggen: nik weet dat ik uit mijzelve niet zuiver kan levenquot;; en als zij

ich m; ik,

is; ns eins

ocr page 633

616

zich tot God keert, zal zij zegevieren, docli zij moet het vragen, zij moet bidden.

2. Onmogelijkheid van iels goeds te doen zonder het gebed. Zonder de genade kunnen wij geene enkele verdienstelijke gedachte voor den hemel, zelfs geene enkele bovennatuurlijke gedachte der deugd vormen; immers van ons zeiven zijn wij niet bekwaam iets te bedenken als uit ons zeiven (II Cor. III, 5.)

Met nog meer reden kunnen wij dat goede niet verlangen, noch hegeeren, noch minder besluiten het om God te oefenen. Jezus-Christus zegt ons op de uitdrukkelijkste wijze: Zonder mij kunt gij niets doen (Joa. XV, 5); zelfs om eene goede gedachte te vormen hebben wij zijne genade noodig. Het is God, die het willen en het volbrengen bewerkt (Philipp. II, 13); Hij geeft ons niet alleen het goede in, maar werkt het zelf in ons uit, door ons de noodige bovennatuurlijke kracht te geven om het in oefening te brengen, die kracht die ens bekwaam maakt aan ons zeiven te verzaken, onze driften te overwinnen, de deugd te beoefenen, die hemelsche kracht gewoonlijk slechts gegeven aan de zielen die bidden. Dit is de eerste voorwaarde door den Zaligmaker gesteld, die ons volstrekt niets schuldig is. In zijne barmhartigheid ons zijne genade geven willende, was Hij vrij daarvoor elke voorwaarde te stellen, die Hij zou willen; doch Hij wil slechts, dat wij Hem die zouden vragen: Vraagt, en gij zult verkrijgen (Joa. XVI, 24.)

3. Onmogelijkheid van zonder het gebed in het goede te volharden. God, zoo zegden wij, geeft de eerste genaden, zooals den roep tot het geloof, tot de boetvaardigheid, zelfs aan hen die niet bidden; maar de andere genaden, die noodzakelijk zijn ter zaligheid, en vooral de volharding tot het einde, zegt

ocr page 634

617

de H. Augustinus, worden slechts verleend aan de zielen die bidden.

Hoewel het bewezen is, zegt deze Kerkleeraar, dat God ons door Zijne barmhartigheid en genade heeft voorkomen, is het ook bewezen, dat Hij de groote genade der volhardivg tot het einde slechts verleent aan degenen, die daarom bidden; en ofschoon God die niet verschuldigd is aan de verdiensten zijner Heiligen, weigert Hij die nooit aan de gebeden zijner dienaars. Waaruit de godgeleerden besluiten met den H. Basilius, den H. Joannes Chrysostomus en den H. Thomas, dat het gebed voor de volwassenen een noodzakelijk middel is. Hij derhalve die niet bidt, kan niet zalig worden, hij gaat verloren.

III.

De noodzakelijkheid des geheds is voor de zondige zielen gegrond op de onmogelijkheid, waarin zij verkeeren, van uit eigen kracht uit hare zonden op te staan, niettegenstaande haren goeden wil.

De zonde is een keten, die de pogingen van den goeden wil kluistert; zij is een gewicht, dat de wil aan de aarde vasthecht en haar belet tot God te stijgen; zij is een hand, die den wil boeit en hem als onder too verkracht ondanks zich-zel ven terug houdt.

Nu, zegt de H. Augustinus, wij hebben ons zei ven niet kunnen boeien, en wij kunnen ook zelf onze kluisters niet verbreken. De rede toont ons wel al het harde der slavernij, waarin wij zuchten; maar hare stem is zeer zwak, als de stem van het genoegen zich in den grond van ons hart doet hooren.

Wij hebben eene kracht noodig, die ons losmaakt

ocr page 635

G18

en ons optrekt, en die kracht is Gods genade. Neen. yeene verlossing, ge ene zaligheid zonder de genade ; maar door eene noodzakelijke gevolgtrekking, geene zaligheid zonder het gebed, omdat het geloof ons leert, dat het gebed het krachtig en het gewone middel is, waaraan God zijne genade verbindt. Zonder gebed geene genade, geene zaligheid; dus als gij niet bidt, gaat gij onvermijdelijk verloren.

Op den dag des oordeels, zegt de H. Alphonsus, zal er geene verontschuldiging; bestaan voor dengene

O O O O

die in de zonde sterft. Hij kan niet zeggen, dat hij de kracht niet had om aan de hevigheid der bekering te

O O

wederstaan; want Jezus-Christus zou hem antwoorden: .4/« gij de kracht niet hadt, waarom hebt gij die niet gevraagd, daar ik ze u zou hebben gegeven^ — en toen gij in de zonde vielt, waarom hebt gij it niet tot mij gekeerd, daar ik u verlost zou hebben'?

Men kan zeggen tot ieder die zich door de zonde laat medeslepen: Ik ben verzekerd, dat gij de genade niet vraagt van niet te zondigen, of wel dat gij ze slecht vraagt of ze niet genoeg vraagt; en uw geweten zal u het zelfde zeggen.

O O

IV.

De nood zakelijkheid van het gebed is voorde religieuze vooral gegrond op de onmogelijkheid van hare religieuze plichten na te komen.

J. De religieuze moet God beminnen; nu God beminnen is Hem ons Itart geven door de toegene-

D .. quot;

genheid, opgewekt door zijne goddelijke schoonheid en barmhartigheid, — ons verstand door de aanbidding

~ 1 O

en eerbied, opgewekt door de goddelijke grootheid, —

ocr page 636

619

onzen wil door de vervulling zijner geboden, opgewekt door de goddelijke wysheid, — al ome zintuigen, onze handen om Hem in zijne kinderen te dienen, — onze voeten om te gaan waar Hij ons zal zenden, — onze stem vooral om Hem te doen kennen, Hem te bedanken, Hem te loven; — welnu dat alles geschiedt door, of beter nog, dat alles is bet gebed.

De religieuze moet strijden, en hoe hardnekkiger, hoe machtiger, hoe listiger, hoe behendiger de duivelen zijn, hoe meer zij de goddelijke hulp noodig heeft om hare zwakheid, hare lafheid, hare onervarenheid ter hnlp te komen. Deze hulp kan zij slechts door het rjebed bekomen.

Zij moet lijden, lijden in vrede, lijden met gelatenheid, lijden met liefde en dankbaarheid; en — de menschelijke natuur siddert voor het lijden; die kalme en liefdevolle berusting verkrijgt zij slechts door eene goddelijke hulp, welke slechts aan het gebed verleend wordt.

Daarom wordt de religieuze staat een staat van neljed, en de religieuzen menschen van gebed genoemd. Het gebed is het leven der religieuzen. De H. Kerk vertrouwt hun dat gebed, dat de menschen niet kunnen noch willen volbrengen, en legt hun een bijna aanhoudend gebed op. Een religieus, die niet zou bidden , is niet denkbaar; en een klooster, waarin het gebed niet als levensbeginsel beschouwd wordt, zou niet kunnen bestaan. Een man van gebed is tot alles bekwaam; daarom, zegt de H. Vincentius, is het noodzakelijk, dat de missionarissen zich met bijzondere genegenheid op die heilige oefening toeleggen, zonder welke zij geene of zeer weinig vrucht van hunnen arbeid zullen plukken. Met het gebed tot wapen zullen zij de harten treffen en ze veeleer bekeeren dan door welsprekendheid en talent.

ocr page 637

620

IE. De religieuze moet meer dan iemand aan Jezus gehoorzamen, dien meester aan wiens dienst zij zich zoo edelmoedig heeft toegewijd; en wi] zullen straks zien, hoe uitdrukkelijk het voorschrift van het gebed door Jezus is gegeven.

Door de liefde haars harten gedreven, moet zij ook Jezus, den Bruidegom dien zij zich gekozen heeft, navolgen, en het leven van Jezus is een leven van gebed. Hadde ooit iemand zich van dit gebod vrij moeten achten, dan ware het Jezus geweest; Hij behoefde niet te bidden want Hij bezat in zijn aanbiddelijken persoon al de schatten der wetenschap, der wijsheid; der macht; en nochtans, na den geheelen dag aan den moeielijken arbeid zijner zending te hebben toegewijd, bracht Hij de nachten door in het gebed. Het gedruisch der wereld vluchtende, begaf Hij zich in de eenzaamheid of op de kruin der bergen om met meer vrijheid te bidden. En, op den vooravond van zijn lijden, te midden der hevigste benauwdheid; begint Hij te bidden; het lijden vermeerdert. Hij gaat voort met bidden; Hij bidt op het kruis, Hij bidt overal.

Zeker werd Jezus bezield door de begeerte om te boeten voor onze zonden, maar er ligt ook eene les voor ons is besloten.

Hl. En ligt die gedachte om te voldoen voor de zonden, ook niet besloten in de roeping der religieuze ? Wij hebben het reeds gezegd, toen wij van het lijden spraken; doch het is al wederom het gebed, dat op het lijden, gelijk op allen apostolischen arbeid den goddelijken stempel drukt. Door het gebed stijgt het lijden tot God op, door het gebed wordt het door God aangenomen, die deszelfs heilzame vruchten over de zielen uitstort. Noch het lijden, noch de prediking,

ocr page 638

621

noch eenig ander goed werk kan nuttig zijn, zoo het gebed daaraan de goddelijke maclit niet mededeelt van zielen te bekeeren en tot God terug te voeren.

Het gebed is het apostolaat hij uitnemendheid der kloosterling, die noch onderwijzen, noch prediken kan, en dit apostolaat overtreft alle andere en kan door niets overtroffen worden.

Het apostolaat van het woord kan, even als dat der liefdadigheid, zich terzelfder tijd slechts tot een beperkt getal zielen uitstrekken. Het wordt beperkt door de grenzen der tijden en plaatsen; maar het apostolaat van het gebed overschrijdt alle grenzen, zijne weldadige werking kan zich ten allen tijde aan de uiterste palen der aarde doen gevoelen; het kan zich uitstrekken tot het einde der eeuwen, het reikt zoover als de goddelijke macht. Want, terwijl het apostolaat van het woord het kanaal is, waardoor God zijne genade aan de zielen mededeelt, bedient het apostolaat des gebeds zich van God, als van een almachtigen middelaar, om in de zielen de heilige begeerten, door Hem ingegeven, uit te werken.

O 7 O O 7

0 religieuzen, bidt, bidt, bidt; en gij zult aan den missionaris de ivelsprekendheid, aan de zuster van liefde, aan de onderwijzende zuster hare kracht, hare zachtmoedigheid, hare ouwe der staanb are lieftalligheid verkrijgen; gij zult het zijn, die de zielen zult treffen en tot God geleiden.

Het nuttigste wezen op aarde is niet hij, die door zijn fortuin , zijne krachten, zijne talenten medewerkt aan het stoffelijk welzijn van eenige wezens gelijk hij;— maar hij, die door het vuur zijner liefde den bliksem belet van, even als eertijds Sodoma en Gomorrha, geheele steden te verdelgen, vervuld met misdadigers, godslasteraars, losbandigen, heiligschenners, boos-

ocr page 639

622

doeners, wier zonden den Hemel tergen en zijne wraak uitdagen; — hij die pest, hongersnood eu al die vreeselijke rampen, welke wij maar al te zeer verdiend hebben, afleidt; — hij die aan de eeuwige verdoemenis eene menigte zielen onttrekt, die helaas, zoo ver van God zijn afgedwaald; -- hij die werkt aan de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde, die de keizerrijken en hunne Cesars redt, die aan de volkeren den voorspoed van den tijd en de goederen der eeuwigheid verzekert.

Dit alles is de vrucht van het gehed, omdat het gebed de bescherming en den zegen van God aftrekt. Een wel verricht gebed doet oneindig meer voor den vrede en den voorspoed van een volk, dan het schoonste stelsel van het finan tie wezen en de schitterendste verovering.

O, indien gy kunt bidden, religieuzen, indien gij kunt loven, danken, boeten, smeeken, welk een kostbare schat zijt gij dan voor eene stad, voor een rijk!

In het leven van zuster Maria van Valeria, die de H. Franciscus van Sales eene levende reliquie noemde, wordt verhaald, dat hare gebeden dagelijks een oneindig getal zielen bekeerden. God zegde haar dikwijls: »Om u, mijne dochter, zal ik zoo vele zondaars den weg der boosheid doen verlaten in die stad, waar nu eene retraite wordt gegeven. — Ik zal zoo vele religieuzen in dat klooster op den weg der volmaaktheid brengen;quot; en in aller oogen waren het de prediker, en de zielbestierders, die de eer dezer bekeeringen verdienden, terwijl men ze verschuldigd was aan die arme weduwe, die in haar kamertje onophoudelijk bad.

ocr page 640

623

3Je XÏOOFIDSTXJK.

Het voorsclii-ift van liet jjebed.

Het gebed is niet eene oefeniug als raad of over-verplichtingaan eenige godvruchtige zielen aanbevolen; liet is eeiie volstrekt noodzakelijke verplichting.

Elk schepsel dat een hart heeft dat kan beminnen, of een geest die kan bevatten, moet dat hart en dien geest verheffen tot zijnen Schepper om Hem te aanbidden, te danken, te beminnen, te verzoenen, te roepen, te vragen.

1. Het gebed is een uitdrukkelijk gebod. Bidt, zegt Jezus-Christus, men moet hidden; en de woorden die het gebod opleggen, zijn juist, duidelijk en geven een uitdrukkelijk gebod te kennen; Men moet bidden. Jezus-Christus herhaalt het dikwijls. Hij wil dat men vrage: Petite. — Hij wil dat men zoeke: Quairite.— Hij wil dat men kloppe: Pulsate. (Luc.i; XI, 9.) — De Apostelen, in de school van hunnen goddelijken Meester, onderricht, voeren de zelfde taal: Volhardt m het gebed, wakende daarin met dankzegging; bidt zonder ophouden, zegt de H. Paulus. (Col. IV, 2; I Thess. V, 17.)

2. Het gebed is een algemeen gebod.

Dit gebod is aan alle menschen gegeven, van allen leeftijd, van allen rang en stand. — A Hen moeten bidden, in welke omstandigheden zij zich ook bevinden, welke, bediening zij ook uitoefenen: laadbouwers, soldaten, kooplieden, ambtenaars. — Allen moeten bidden, welke ook hunne roeping zij: priesters, kloosterlingen, huisvaders of huismoeders, ten einde zich-zelven en anderen zalig te maken. — Allen moeten bidden,

ocr page 641

624

ia welken toestand hunne ziel ook zij, de zondaars om rechtvaardig te worden, de rechtvaardigen om te volharden en geene zondaars te worden.

Dit gebod is opgelegd voor alle tijden. — Men moet altijd bidden en nooit ophouden, zegt Jezus-Christus (Lxkle XVIII, 1), omdat wij op alle tijden de genade noodig hebben om het leven onzer ziel te onderhouden, en dat deze genade slechts verkregen en onderhouden wordt door het gebed. Als de ziel niet meer bidt, looft zij God niet meer, zij dankt niet meer, zij vernedert zich niet meer, zij smeekt niet meer, zij ontvangt geene vergeving, noch licht, noch hulp meer; zij leeft slechts een dierlijk leven, zij is voor God als een lijk; en wordt zij in dezen toestand voor Gods rechterstoel geroepen, dan wordt zij verstooten en voor altijd verworpen. — Er zijn vooral drie oogen-blikken, waarop het gebed van het grootste belang is: 1°. als de ziel in staat van doodzonde is; 2°. als zij door eene hevige bekoring tot zonde verleid wordt; 3°. als men in gevaar van sterven is.

Dit gebod is voor alle zaken gegeven. Indien gij

iets den Vader in mijnen naam zult vragen, zal Hij

het u geven, zegt Jezus-Ghristus. (Joa. XVI, 23.)

Wie zegt iets, zondert niets uit, noch de goederen

der ziel, noch de goederen des lichaams, noch de

soederen van het verstand; want dit alles hebben ® .. .

wij noodig.

3. Het gebed is een gemakkelijk gebod. Men behoeft noch het verstand in te spannen, noch het geheugen te vermoeien, noch de bezigheden, die tot het levensonderhoud noodzakelijk zijn, achter te laten; -het behoort niet slechts tot het deel der rijken en geleerden. — Het gebed wordt, wel is waar, in woorden uitgedrukt; doch het is veel meer de kreet van een

o 7

ocr page 642

625

beminnend hart, van een smeehend hart; en wie toch kan in het uur van droefheid en verlatenheid, niet zeggen: Mijn God! En die kreet kan men tot God stieren op elke minuut van den dag en van den nacht, en God komt op dit roepen tot de ziel en luistert naar haar, als ware zij alleen op de wereld.

Uit de woorden van Jezus-Ghristus en hetgeen wij omtrent de noodzakelijkheid van het gebed gezegd hebben, volgt, dat het gebed, voor ons eene behoefte en een plicht zijnde, bijgevolg een noodzakelijk middel is, en dat hij die niet bidt, al ware het mogelijk dat hij geene andere fouten bedreef, daardoor zelfs in een staat van verdoemenis zou verkeeren.

Maar het is niet mogelijk dat hij, die het gebed verlaat of geheel verzuimt, in geene zware zonden valt. De ondervinding leert, dat zulk een ongelukkige zinnelijk wordt, geheel vervuld met aardsche, lage, vleeschelijke lusten, zonder begeerte naar de hemel-sche goederen, zonder smaak voor de deugd, zonder kracht tegen de misdaad, zonder eeredienst, zonder godsdienst, zonder God.

40

ocr page 643

626

4de üooipidstxjik:.

Ki-jiclit en -vermogfen vsm het gjebeO.

1. Het gebed is de macht van God, gesteld in de handen van den mensch.

Het is wellicht nog meer: liet gebed is een wapen, dat God den mensch in de hand geeft, opdat de mensch Hem ovenuinne. Herinner u de worsteling van Jacob tegen den engel, of liever tegen God zelf, de zegepraal van Jacob en den naam, dien hg na deze overwinning ontving; sterh tegen God. (Gen. XXXII, 28); ziedaar onze naam, wanneer wij ons met het gebed wapenen. Wij beheerschen, om zoo te zeggen, den almachtigen God, die ons zegt, gelijk aan Mozes, toen deze Hem bad, zijn volk niet te straffen: Laat mij begaan opdat mijne toorn uitbarste. (Exodi XXXTI, 10); doch zich ten laatste altijd laat verbidden.

2. Het gebed is in de orde der genade wat voor den mensch in de orde der natuur de hand en de geest is. De Voorzienigheid heeft ons, om ons te verdedigen en in onze behoeften te voorzien, slechts handen en verstand gegeven, maar daarmede zijn wij sterker dan alle dieren te samen, die wij overheerschen en onderwerpen; sterker dan de natuur, die wij tot onze behoeften en zelfs tot onze grillen doen dienen. — Zoo zijn wij met de hulp van het gebed sterker dan de duivelen, sterker dan onze driften, sterker dan de natuur: het gebed is God in ons, met ors, God door ons werkende; hoe zouden wij niet sterk zijn? O, als ons gebed aanhoudend ware, dan zou ook onze macht aanhoudend zijn; en met welk vertrouwen zouden wij ons bezield gevoelen!

ocr page 644

627

• 3. Het gebed vermag alles, — het vermag altijd, — door het gebed worden wij de werktuigen van God; en die altijd werkdadige macht, door JeEus-Christus ons verzekerd, steunt op de hoedanigheden van God en is onwrikbaar als Hij.

I.

lt;3lt;j.£e9 io aïvetmoyend, omdat qetzouw io.

God is getrouw, zegt de H. Paulus. ([ Cor. X, 13.) Wij kunnen ons dit oneindig heilig, oneindig wijs, oneindig alvermogend wezen niet anders voorstellen. God kan geene lichtvaardige beloften doen; en als God beloften doet, moet Hij die getrouw nakomen. Elke andere geduchte zou ons tegenstaan; zij zou God onwaardig zijn. Zien wij dus:

1°. De belofte, waardoor God zich verbindt om

onze gebeden te verhooren. 2°. De omstandigheden, waarin die belofte gedaan

wordt.

1. De belofte van God.

Zij is zeer juist, zeer duidelijk: Vraagt, en zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt, en u zal geopend worden. (Matth. VII, 7.) Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u: indien gij den Vader iets in mijnen naam zult gevraagd hebben, zal Hij het u

ocr page 645

628

geven. (Joa. XVI, 23.) Tot dasverre heht gij niets in mijnen naam gevraagd; vraagt, en gij zult verkrijgen, opdat uice vreugde volkomen zij. (Ibid. XXIV.) Indien gij die slecht zijt, goede giften weet te geven aan uwe hinderen, hoeveel te meer zal uw Vader die in den Hemel is, goede dingen geven aan hen, die er Hem om vragen. (Matth. VII, 11.)

2. Omstandigheden der belofte.

Om ze onhetivijfelbaar te maken, herhaalt Jezus-Ghristus die op verschillende plaatsen van het H. Evangelie — Meer dan vijf honderd malen vindt men in den Bijbel het feit vermeld van het verhoord gebed.

Om ze plechtiger te maken doet Jezus-Christus ons opmerken, dat Hij zijn woord verpandt: Voorwaar, voortvaar, ik zeg het u. (Joa. XVI, 23).

Om ze krachtiger te maken biedt Jezus-Christus aan, zelf al onze gebeden te verhooren: A l wat gij den Vader in mijnen naam gevraagd zult hebben, ik zal het volbrengen. (Joa. XIV, 13.)

Om ze uitgebreider ie maken verklaart Jezus-Christus dat Hij deze belofte doet aan alle menschen en voor alle zaken: Zoo gij iets den Vader gevraagd zult hebben, Hij zal het u geven; al wie vraagt, verkrijgt.

Hebben wij na zulk eene belofte het recht niet, tot God te gaan, Hem, om zoo te zeggen, op de proef te stellen en de vervulling zijner belofte te eischen ? God kan niet bedriegen, zegt de H. Augus-tinus; en als Hij ons zijnen arm tot steun aanbiedt, zal Hij dien niet terugtrekken op het oogenblik, dat wij daarop willen rusten.

Wij hebben alleen de woorden van Jezus-Christus aangehaald, waarin Hij ons de hulp van zijnen Vader belooft. Hoor nog eenige andere woorden uit het

ocr page 646

629

Oude Testament; elk dezer woorden zal de hoop in liet hart vermeerdereu: Hij zal tot mij roepen en ik zal hem verhooren (Ps. XC, 15.) Roep mij aan en ik zal u verlossen (Ps. XLIX, 16.) Wie heeft den Fleer aangeroepen, en is door Hem versmaad (Eccl. II, 12)? Zoo dra God uw geroep zal liooren, zal Hij u antwoorden (Is. XXX, 19.) Voor zijhun roepen geëindigd hebben, zal ik hen hoeren (Is. LX V, 24).

Zeker zal men zich na deze woorden niet verwonderen, dat de ziel verkrijgt wat zij vraagt, maar wel dat de kinderen Gods zoo dikwijls aan het vermogen van het gebed twijfelen.

11.

Met cj-eamp;ed iigt; a-tvezmofyend, om-Sat êo3 lt;joe3 io.

De goedheid, die zicli toont door de grootmoedigheid , door het medelijden , door de barmhartigheid, is eene der hoedanigheden van God, die Hij het liefst doet uitschijnen, die welke in al zijne werken met den heldersten glans uitschijnt, die wier uitoefening voor zijn Hart het zoetste is.

Men is God aangenaam, men bewijst Hem dienst, om zoo te spreken, als men Hem gelegenheid geeft om zijne goedheid, en vooral zijne barmhartigheid te doen uitschijnen. Zijne genaden rusten in zijne handen, als een gewicht dat Hem bezwaart; Hij vraagt niet beter dan ze uit te storten. En wanneer die

ocr page 647

(330

goedheid eene gelegenheid vindt, zich te doen gévoelen, o hoe gaarne stort zij zich uit! En wanneer die goedheid wordt afgebeden, wanneer zij wordt afgesmeekt door eene ziel, die er groote behoefte aan gevoelt, o hoe gaarne vertoont zij zich, welke ook de toestand der ziel zij! God, zegt de H. Gregorius

XT •

van JNazianze, ontvangt als eene weldaad onze bede om eenige zijner weldaden; Hij gevoelt meer vreugde in het geven, dan wij kunnen gevoelen in het ontvangen zijner gaven.

Vraag Hem, Hij zal altijd geven, Hij zal alles toestaan. Al hadde Hij niet beloofd te geven, zou zijn Hart riem nochtans beletten te iceigeren.

God heeft in het hart des menschen een gevoel van dat medelijden gestort., dat in ons altijd wordt opgewekt door de ellende, de armoede, de verlatenheid; en, zegt Pater Lacordaire zoo schoon: kon het insect, dat ivij gereed staan te vertrappen , ons bidden, dan zou dit gebed ons een overgroot mededogen doen gevoelen; wij zouden den moed niet hebben, het te verdelgen.

Het medelijden, dat wij gevoelen voor elk lijdend wezen, gevoelt God voor ons in een veel verhevener graad; zijn Hart kan niet minder barmhartig, niet minder medelijdend zijn dan het onze.

In de H. Schriftuur schijnt God er eene eer in te stellen, dat zijne barmhartigheid zijne werken overtreft; indien Hij niet naar ons luisterde als wij bidden , wij die met de weenenden kunnen weenen, wij die ons zoo gaarne voor anderen opofferen, dan zouden wij beter zijn dan Hij; doch vreezen wij niet, maar luisteren wij naar zijne woorden: Welk mensch is ei-onder u, zegt Hij, Sfe als zijn zoon hem een brood vraagt, hem een steen zal geven, of als hij een visch vraagt, hem eene slang geven zal? Indien gij.

ocr page 648

631

die slecht zijt, goede giften aan uwe kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal uio Vader, die in den Hemel is, goede dingen geven aan degenen die Hem er om vragen'i (Matth. VII, 9,10,11.) Zoo spreekt onze God; Hij is goed; hoe zou Hij dus niet naar onzen noodkreet luisteren?

III.

atvczmoyamp;nd, omdat êo9 attnackiiy io.

De belofte verplicht dengene die ze doet; — de goedheid doet die belofte volbrengen; — de macht maakt bet mogelijk die begeerte des harten te verwezenlijken , en dengene wien de belofte gedaan is, ten volle tevreden te stellen.

God nu is het machtig wezen, dat alles vermag. Hoe groot zijne beloften ook zijn, Hij kan die volbrengen; hoe uitgestrekt zijne verlangens ook zgn, Hij kan ze verwezenlijken; daarom zegde de H. Paulus met een gevoelen van groote vreugde: Ik kan alles in Hem, die mij versterkt (Phillipp. IV, 13.) Dit woord moet altijd het onze zijn. Het gebed verheft ons tot God, trekt God tot ons en maakt ons met God tot meesters over de geheele natuur. Zie Mozes die de plagen van Egypte afbidt, om den hoogmoed van Pharao te straffen, — Elias die gebiedt aan de droogte en den regen, — Jozue die den dag verlengt en de muren van Jericho omver doet vallen.

ocr page 649

632

O welke vreugde, welke vrede, welk geluk ligt er opgesloten in het herhalen dezer woorden van Jezus-Christus: Gelooft dat gij, al ivat gij biddende vraagt, verkrijgen zult (Marci XI, 24.)

Geen de minste uitzondering! De kracht van het gebed strekt zich tot alles uit. Lees deze schoone bladzijde:

» Zouden het tijdelijke goederen zijn, waarom men bidt ? Ik beken, dat het de laagste voorwerpen zijn, waarom men bidden kan. Doch indien zij met de noodige onderwerping gevraagd worden, en zij werkelijk tot ons voordeel strekken, dat wil zeggen, indien li] dienstig zijn tot onze zaligheid, het eenig goed waarnaar alle andere goederen zich moeten meten, zal het gebed ze verwerven. Het gebed stort soms onschadelijke welvaart in zuivere handen; ondersteunt de deugdzame familiën, en behoudt ze in hunnen stand; plaatst onder de vorsten der volkeren mannen door geene eerzucht voortgestuwd; siert de nederige kruin met de stralen der glorie en der algemeene hoogachting; brengt onverwachte hulp aan den arme. die grootmoedig genoeg was om de hulp der misdaad te verlaten; — het is het gebed dat, door gelukkige wentelingen der fortuin, de tranen der onschuld droogt, en den voorspoed terugbrengt te midden dergenen die deugdzaam genoeg waren om de ontberingen der armoede op christelijke wijze te verdragen.

Zou het hulp en troost zijn in lichamelijke kwalen, in de kwellingen des harten, tcaarom de bede Lot God stijgt ? Die hulp, die troost zullen niet geweigerd worden, in zooverre die tot onze zaligheid kunnen dienen. O gij allen, die in kwelling en droefheid verkeert, zegt ons de Heer, ventte ad me omnes, komt allen tot mij; deelt mij uw smarten, uwe droefheid mede, vraagt mij om

ocr page 650

633

hulp, en gij zult ze verkrijgen, et ego reficiam vos, en ik zal u verkwikken (Matth. XI, 28.)

Ziet gij daar die troostelooze moeder op wier trekken het lijden en deontbering hun stempel gedrukt hebben? Hare arme kinderen schreien tot haar om een stuk brood, dat zij hun niet geven kan. De droefhéid doorboort haar hart, eene gedachte van wanhoop zweeft over hare ziel; maar zij is christen, zij werpt zich op de knieën, zij doet hare vaderlooze kinderen het gebed herhalen tot den Vader in den hemel. Met vereenigde stem vragen zij het dagelijksch brood, panem nostrum quotidianum da nobis hodie. Zij staat op met hoop in het hart, met troost op het gelaat; en met moed vervuld, begeeft zij zich aan het werk, dat God zal zegenen , en het dagelijksch brood zal in dat zwaarbeproefde gezin niet meer ontbreken, God zal hen blijven beschermen.

Wie is die vrouw die daar knielt op dat pas gedolven graf, dat zij met hare tranen besproeit? Het is eene moeder, die treurt op het graf van haren zoon, het eenig voorwerp harer liefde op deze aarde. Hare smart is onuitsprekelijk groot, zoor groot als hare liefde. Doch zij staat op met schitterend gelaat, een straal van vreugde schittert op haar voorhoofd, in haar gebed zag zij den hemel als geopend; het beeld van haren zoon heeft zich aan haar vertoond met licht omstraald; zij zag hem in het gezelschap der engelen; hij heeft een blik op haar geslagen, een blik vol liefde die haar schijnt te zeggen, dat hij haar altijd zal beminnen en dat hij haar uitnoodigt om spoedig zijn geluk te komen deelen.

Zouden het de goederen der genade zijn die moe hede afsmeekt ? O dan vertoont hare kracht zich in vollen glans. Welke deugden volgen niet op haar spoor?

ocr page 651

634

Welke bekoringen jaagt zij niet op de vlucht? Welke zonden, welke misdaden, welke driften weerstaan aan hare slagen ? Zij verspreidt de begoocheling der hartstochten , zjj verstompt de pijlen der wulpschheid, zij verzacht de gestrengheid der boetvaardigheid. Dwaalt het verstand af, zij voert het terug; is het hart op het punt te bezwijken, zij ondersteunt het; verblindt de eigenliefde, zij rukt haar den blinddoek af. Geen struikelsteen op den weg der volmaaktheid dien zij niet verwijdert, geen valstrik dien zij niet ontdekt, geen afgrond dien zij niet vervult. Voor de oogen van eene ziel van gebed, spreidt de misdaad slechts krachtelooze begoochelingen ten toon; hare hand breekt den vergiftigden beker en laat het vergif ontsnappen; onder hare schreden voelt zij steeds vaster grond; en de wereld, die voor ieder ander slechts eene aanhoudende bekoring en eene oorzaak is tot voort-durenden val, wordt voor haar een tempel van vrede en een veld van overwinning en zegepraal.quot;

Verheugt u dan, gij vooral. Godgewijde zielen, en om die rede meer door God bemind. Vraagt, o vraagt, bidt, bidt! Als het gebed van den verloren zoon zoo krachtvol is, hoe alvermogend zal dan het gebed zijn van het kind des huizes, tot wien de Vader gezegd heeft: Al wat ik heb, is het uwe.

ocr page 652

635

5de hoofidstxjis:.

Hoertanig'lietleii van het gfebetl.

I. God moet niet zonder onderscheid aan allen de schatten zijner genade overgeven. Zijne goedheid mocht Hem zijne wijsheid niet doen verloochenen.

Als meester zijner gaven , opent Hij zijne schatten voor het gebed; doch zijne wijsheid eischt, dat het gebed zich hij Hem aanbiede gelijk het schepsel dat zich zijner behoeften bewust is en tevens weet dat wat het vraagt hem niet verschuldigd is; — het schepsel dat van de eene zijde aangemoedigd wordt door de goedheid van dengene tot wien het zich richt, doch dat ook gevoelt dat het uit zich-zelven niets kan terug geven, niets dan zijn dankbaar hart!

II. Doch vrees niet, gij arme ziel, die bloost over uwe fouten en armoede; de voorwaarden, dooide goddelijke wijsheid aan uw gebed gehecht, zijn, dank aan de oneindige barmhartigheid van den besten aller Vaders, zeer gemakkelijk, en liggen binnen ieders bereik. God vraagt, om u te verhooren, slechts datgene wat de menschen in hunne onderlinge betrokkingen vragen ; en Hij vraagt nog minder, omdat Hij meer goedheid heeft.

III. Ons gebed moet, om verhoord te kunnen worden, geschieden met aandacht, — met nederigheid, — met volharding, —in naam van Jezus-Christus.

ocr page 653

636

I.

QVij ■tnozizn niat aawdachk -bidden.

De aandacht in het gebed bestaat hierin, dat onze geest en ons hart doordrongen zijn of door de gedachten en denkbeelden die wij door onze ivoorden uitdrukken, — of door de gedachte aan God tot wien wij spreken.

Deze voorwaarde van het gebed vraagt zelfs het gewoon gezond verstand.

De joden schrijven op den muur hunner Synagoog: Het gebed zonder aandacht is een lichaam zonder ziel en deze gedachte is juist. God wil niet alleen het lichaam, Hij wil ook de ziel, en het is niet hel lichaam dat vraagt, maar de ziel. Hoe durft gij, vraagt de H. Cyprianus, verwachten, dat God naar u luistere, als gij zelve niet luistert? — Hoe durft gij verwachten, dat God aan u denke, als gij u zelve vergeet ?

De aandacht valt dikwijls moeielijk wegens de onbestendigheid van onzen geest. Men zou hierin kunnen voorzien:

1. Door zich eenige oogenblikken te voren tot het gehed te bereiden. — Deze raad geeft de H. Geest; Bereid uwe ziel alvorens te bidden. Door zich langzaam naar de bidplaats te begeven; — indien dit in de kerk is, godvruchtig gewijd water te nemen; zich bedaard en zedig naar zijne plaats te begeven. — Door langzaam het krnisteeken te maken, zich aldus als door een luchtkring van vrede omringende, — en docr elk woord met zekeren ernst uit te spreken.

2. Door zich geen te lange gebeden op te leggen. — Als regel is het beter, als men bidt, den tijd dien

ocr page 654

637

men tot het gebed wil besteden, te bepalen, dan wel het getal gebeden, die men gedurende dezen tijd wil bidden. Een overhaast, gebrabbeld gebed kan God niet aangenaam zyn. — Als men te zamen bidt, of dat de gebeden door den Regel zijn voorgeschreven, zooals bijv. het goddelijk Officie, is het goed van tijd tot tijd een oogenblik te rusten, eene halve seconde bijv., om zijn hart tot God te verheffen; een blik op het tabernakel, op het kruisbeeld, op een prentje in het boek zijn voldoende. — Het is goed, eenige woorden der Getijden te bepalen, die ons herinneren ons hart tot God te verheffen, byv. het woord Deus, dat zoo dikwijls voorkomt, het Gloria Patri, het Deus in adjulorium, het Benedicamus Domino.....

3. Door zich te doordringen van de heteekenis der woorden, toanneer die bekend is. Daarom zou het zeer nuttig zijn, als men in de communauteiten de voornaamste vormen en verzen, die het meest in de Getijden voorkomen, en den algemeenen zin der psalmen, die men dagelijks bidt, uitlegde. Dit werk zou niet te veel inspanning eischen en de godsvrucht zeer bevorderen. — Door zich ten minste te doordringen door eene der gedachten, die wij later zullen opgeven bij de uitwerkselen van het gebed. — Gelukkig de zielen, die hare gebeden niet opzeggen, maar bidden! — De ziel die bemint en hare liefde wil betuigen, de ziel die behoeftig is en wil vragen, de ziol die bedroefd is en troost zoekt, de ziel die op hare beurt troosten wil, zegt geen gebed op; en dan zelfs als zij hare gebeden van buiten kent of deze gelezen worden, gevoelt zij dat zij bidt — Niet de woorden maken het gebed, maar datgene wat het hart in de woorden legt.

ocr page 655

638

4. Door halm, doch ernstig de verstrooiingen te verzetten, die gedurende het gebed onzen geest van God komen aftrekken. Deze kunnen volstrekt onvrijwillig en geheel voortkomen uit de onbestendigheid van onzen geest; zij kunnen vrijioillig zijn in hare oorzaak en voortspruiten uit onze gewone uitgestortheid, uit onze groote bezorgdheid omtrent hetgeen ons overkomt of wat wij te doen hebben, door het gebrek aan onmiddelijke bereiding vóór het gebed; welke ook derzelver oorzaak zij, moeten wij ze zachtjes verwijderen, door ons meer te doordringen van den zin der woorden die wij uitspreken, of indien het gedurende het inwendig gebed is, door met eene zekere wilskracht eenige akten of woorden te richten tot God, die naar ons luistert. — Een gebed gedurende hetwelk de bekoringen, die ons kwellen, worden verdreven, en zoo dikwijls verdreven worden als zij terugkeeren, kan een moeielijk gebed en een gebed zonder troost zijn; doch het is daarom geen gebed zonder verdiensten.

II.

tyVij- woetc-H met cotmocdiyfieid bidden.

Deze voorwaarde ligt zoodanig opgesloten in de natuur van een biddend wezen, dat het nutteloos schijnt daarop te drukken. Immers het is niet moeielijk zich klein en gering te gevoelen, als men denkt aan hetgeen men bij God komt doen.

ocr page 656

639

Men komt iets vragen; raen is dus bedelaar.

Men komt zijne vergiffenis afsmeeken; men is dus zondaar.

Men komt de genezing vragen van ziel of lichaam; men is dus ziek.

Men komt bedanken; men is dus schuldenaar.

Men komt aanbidden; men is dus een wezen, oneindig heneden den gene, dien men aanbidt, een wezen dat Hem alles verschuldigd is, dat Hij kan verpletteren zonder het minste onrecht.

Deze ootmoedigheid moet in den grond des harten liggen en de gedachten en woorden van het gebed inboezemen. De gelijkenis van den Fariseër en den Tollenaar geeft ons de duidelijkste les. Zij moet zich ook kenmerken door de uitwendige houding vau dengene die bidt.

Er bestaat zeker geen bepaald voorschrift voor de houding in het gebed, behalve wanneer deze in openbare gebeden wordt voorgeschreven; doch geknield bidden drukt het beste de gevoelens van ootmoed uit, die ons hart moeten vervullen; geknield vraagt men vergeving, geknield smeekt men om ontferming. — Ter aarde gebogen drukt nog beter de vernedering uit. De staande houding drukt eerbied uit. — De zittende houding is meer huiselijk. — Men moet ziek of gedwongen zijn het bed te houden, om in liggende houding te bidden; doch het is altijd op het hart dat God ziet, want het is het hart, dat waarde aan bet gebed geeft.

T~.. ' O o

Dit gevoel onzer armoede, onzer zwakheid, onzer ondankbaarheid, van al het afschuwelijke dat de zonde in onze ziel heeft gebracht, zet ons bijzonder aan

om onzen toevlucht te nemen tot de Heiligen en bovenal tot de H. Maagd Maria, opdat zij onze gebeden aan God zouden aanbieden. Zij zijn de vrienden van God,

ocr page 657

640

zij hebben Hem gediend, Hem geëerd; en God die zonder de minste onbillijkheid ons gebed kan verstoeten, kan niet anders dan naar hen luisteren, om zijne liefde voor hen, en om hunne verdiensten, met die van Jezus-Christus vereenigd. — Zij zijn goed, zij zijn barmhartig, zij hebben ijver voor Gods glorie; en om ons te helpen, onze ziel te redden, zullen zij ons genaden van bekeering en volharding verwerven Hoe ootmoediger wij zijn, hoe meer wij ons zeiven wantrouwen, hoe meer wij behoefte gevoelen van de Heiligen te bidden bij God voor ons te smeeken en onze middelaars te zijn.

III.

tyOij- moeten met veztzouwen bidden.

Het vertrouwen is de vaste overtuiging, dat God, die oneindig goed is, ons de genaden zal toestaan, die luij Hem zullen vragen. Dit gevoel maakt den sterksten indruk op het Hart van God; dit gevoel vraagt Jezus-Christus van. al degenen in wier belang Hij een mirakel doet; want het geloof in zijne Godheid veronderstelt het vertrouwen in zijne almacht.

Het vertrouwen is het gevoel van het beminnend kind ten opzichte zijns vaders, en God wordt gaarne als vader bemind. In het H. Evangelie leert Hij ons. Hem Vader te noemen; en op eene andere plaats zegt Hij: Kan eene moeder haar kind vergeten ? en zoo zij het vera at, ik nochtans zal u niet vera eten (Is. XLIX, 15.)

ocr page 658

641

Het vertrouwen is het gevoel dat altijd doel treft. De onverschilligste voelt zich getrokken tot dengene die hem vertrouwen bewijst; de beleedigde zelfs vergeet, door het vertrouwen, de beleediging hem aangedaan. Wanneer men tot iemand zegt, ik heb niemand dan u op deze wereld, dan hangt men op volstrekte wijze van hom af, dan verplicht men hem ons te helpen, of wel men verplicht hem zich als een boosaardig mensch te gedragen.

Wij moeten hier nochtans bijvoegen, dat dit vertrouwen op God omtrent de kracht onzer gebeden niet zoo ver moet gaan, dat wij met de zekerheid van geloof vermeenen, dat wij noodzakelijk deze of gene bijzondere genade, die wij afsmeeken, zullen verkrijgen, omdat wij zonder eene bijzondere openbaring niet kunnen weten, of al de vereischten van het gebed vervuld zijn, en of de gunst, die wij vragen, wer-kelijk dienstig is tot onze zaligheid. Het vertrouwen, dat tot een goed gebed vereischt wordt, is de overtuiging, dat ons gebed stellig verhoord zal toerden, als wij eene wezenlijk goede zaak vragen en die vragen gelijk het behoort.

17.

tyVij moeten %gt;\ddamp;n wet vo-ttiazdiny.

De volharding is een gevolg van het vertrouwen. Als ik zeker ben, dat ik verhoord zal worden, zet ik mijn gebed voort, dan zelfs als ik mij verbeeld, vergeten of verstooten te worden. — Als ik bemin, als ik geloof, als ik vertrouw, dan volhard ik, dan

41

ocr page 659

642

wacht ik af. — Word ik moede, houd ik op te bidden, dan bemin ik niet meer, dan geloof ik niet meer, dan heb ik geen vertrouwen meer.

Indien ik in God, in zijne macht, in zijne wijsheid, in zijne liefde vertrouw, dan geloof ik dat God goede en billijke redenen heeft, als Hij mij nog niet verhoort; wellicht bedroeft het mij, doch ik mor of klaag niet en ik laat het gebed niet achter. — Ik heb het recht niet aan God rekenschap te vragen, doch ik geloof de redenen, die Hij heeft, te begrijpen: Hij wil mijne liefde en mijn vertrouwen op de proef stellen; Hij wil mij de genade, die ik vraag, doen waardeeren; wat ik vraag, zou mij wellicht schadelijk aijn; God weigert ons niet wat ons dienstig is, doch Hij geeft het in zijn uur.

Herinner u die plaats van het Evangelie, waar Jezus spreekt van dengene die des nachts drie brooden aan zijn vriend komt vragen, die reeds ter ruste was gegaan; deze weigert op te staan; de andere klopt en blijft kloppen, hij houdt aan, hij vraagt; en zijn vriend staat ten laatste op, om een einde aan zijne lastigheid te maken, en geeft hem brood. Die vriend is God. Vraagt, zegt Jezus-Ghristus, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal geopend worden. Want al wie vraagt, verkrijgt: en wie zoekt, vindt; en hem die klopt, zal worden geopend. (Lucae XI, 9, 10.)

Hermner u nog die zoo treffende bladzijde der Chananeesche vrouw. Zij vraagt, zij smeekt; Jezus antwoordt niets. Zij vraagt nog eens. Jezus verstoot haar: Ik ben slechts tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden. Zij roept nog met meer vertrouwen en liefde: Heer, help mij! Eene nieuwe nog pijnlyker, nog vernederender weigering dan de

ocr page 660

643

eerste: Het is niet goed, het brood der kinderen te nemen en het voor de honden te werpen! Eene nieuwe akte van liefde en eene nog nederiger smeekbede, een nog grooter vertrouwen: Het is waar, Heer, want de hondjes eten de kruimels, die van de tafel hunner meesters vallen. — Nu is Jezus overwonnen. Hij opent zijn Hart: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. (Matth. XV, 22 en volg.) Ziedaar het gedrag dat wij te houden hebben. Houden wij nooit op met God te bidden, nooit, nooit!

V.

QVij moamp;tcn bidden i-n den -naam van

Deze voorwaarde wordt door Jezus-Christus zelf opgelegd: A l wat gij den Vader in mijnen naam zult gevraagd hebben, ik zal het volbrengen; en dit is de hechtste steun van ons vertrouwen.

In naam van Jezus-Christus bidden is met Hem en door Hem bidden.

1. Ons gebed is, om zoo te zeggen, het onze niet meer; Jezus schijnt ons te zeggen: Ik zie uwe behoeften en uwe begeerten, arme ziel; laat mij begaan, blijf getrouw met mij vereenigd; ik weet, hoe men moet vragen, en ik zal voor u vragen. — En Hij bidt in ons en voor ons, zijn geest zucht onophoudelijk ten onzen gunste; en moet Jezus niet altijd verhoord worden?

ocr page 661

644

2. Ons gebed is geen gebed zonder waarde meer. Wij komen niet met ledige banden tot God; als loon der genade, die wij Hem vragen, bieden wij Hem de verdiensten van zijnen goddelyken Zoon Jezus-Christus, zijnen dood, zijn lijden, want dat alles behoort ons; God kan dit offer niet weigeren en by gevolg onze gebeden niet versmaden; zijne liefde voor Jezus-Christus en zyne rechtvaardigheid gedoogen dit niet: want wij geven Hem meer, oneindig meer dan wat wij vragen.

De H. Kerk begrijpt deze altijd werkdadige macht van het gebed in den naam van Jezus gedaan; nooit richt zij een gebed tot God zonder te steunen op de verdiensten van Jezus-Christns. Zy sluit hare gebeden door de woorden: Per Dominum nostrum Jesum Christum. Ik vraag U in den naam en door de verdiensten van Jezus-Christus. Somtijds roept zij de voorspraak in der H. Maagd Maria en der Heiligen; zij weet dat Maria hare gebeden met de onze vereenigen zal; zij weet dat Maria machtig is in den hemel; maar het is altijd op de verdiensten, op de macht, op de alvermogende bemiddeling van Jezus-Christus, dat zij hare hoop en de kracht barer gebeden steunt.

Bidden wij dan in, met, door Jezus-Christus. Vereenigen wij elk onzer gebeden met het zijne; Hij zal voor ons, in ons, met ons bidden. Hij zal voor ons bidden, omdat Hij onze Middelaar is; Hij zal in ons bidden, omdat Hij ons Hoofd is; Hij zal met ons bidden, omdat Hij onze Opperpriester is. — Elk gebed in den naam van Jezus-Christus gedaan is, volgens den H. Augustinus, een soort van schuldbrief, onder-teekend met het bloed van Jezus-Christus, dien God, zijn Vader, niet weigeren kan.

ocr page 662

645

e1' üoonDSTTJK:.

XJit-werlcselen vim het Grobetl.

Om zelfs maar in het algemeen de uitwerlcselen van het gebed aan te toonen, zou men de ontelbare bladzijden moeten overschrijven, welke de Heiligen hebben gewijd aan deze genade aller genaden, gelijk zij die allen beschouwen.

I.

Door het gebed, zeggen de Heiligen, wordt de macht van God aan den mensch verleend; de uitwerkselen van het gebed zijn de uitwerkselen van Gods macht.

Door het gebed wordt de zwakke, de nedergedrukte ziel opgebeurd, vertroost, versterkt; zij put nieuwe kracht om te strijden en zich niet te laten overwinnen.

Door het gebed wordt de geest opgewekt; de moed keert weder; de kracht wordt vernieuwd.

Door het gebed behoudt het zuiver hart zijne reinheid; het schuldige hart leert blozen, berouw gevoelen, zgne vlekken uitwisschen.

Door het gebed vestigt de meusch zijn steunpunt in God zelf, en kan allen weerstand uittarten.

ocr page 663

646

Door het gebed dwingt de raensch, dat zwakke en broze wezen, den Hemel om zijne zaak te verdedigen ; hij verdwijnt en stelt God in zijne plaats, God die zijne beden en verlangens moet verwezenlijken.

Door het gebed keert de mensch den goddelijken toorn af en bevredigt zijne rechtvaardigheid; hij behoedt de wereld voor de verdelging; hij sluit de hel; hij opent den hemel....

II.

cBij-zonde-ze- van -fWt C[e-Ge9.

1. Het (jehed vereert God. — Het gebed is eene oefening van godsvrucht, in de H. Schriftuur vergeleken bij den wierook. Dat mijn gebed tot U opstijge, zegt de Profeet, als een wierook. Als wij bidden, getuigen wij onze afhankelijkheid van God. — Wij erkennen Hem voor den Gever aller gaven , wij stellen in Hem alleen geheel ons vertrouwen, —wij beschouwen Hem als onze eenigste toevlucht, onze eenigste steun, de eenige bron van ons behoud en zaligheid-

2. Het gebed vertroost. — Is iemand uwer droevig, zegt de H. Jacobus, dat hij bidde (Ep. V, 13.) Het gebed is de vereeniging met Jezus, met Jezus ter dood bedroefd in den hof van Olijven, met Jezus verraden, verlaten, bespot, gegeeseld , gekruisigd! — Het gebed is vooral Jezus die ons troost, Jezus die de tranen droogt, Jezus die met ons weent, Jezus die ons ten Hemel wijst....

3. Het gebed verlicht. — Het verspreidt de duisternissen van den geest en geeft ons die kalmte en

ocr page 664

647

wijsheid, welke onze ondernemingen onfeilbaar doen gelukken. Heer, zegde de Profeet, doe mij den weg kennen, dien ik moet hevoandelen. Geheel het geheim des levens ligt in dit gebed, zegt Mgr. Landriot: zijn weg kennen is weten wat men hier beneden moet gelooven, wat men moet hopen en betrachten, wat men moet doen, opdat dit leven werkelijk het voorportaal des hemels zij. Ziedaar wel de mensch en zijn geheele leven. Maar God alleen kan aldus het leven verlichten en het doordringen door die levendige klaarheid, die den waren weg aantoont, omdat God het zuivere licht is, dat niets kan verduisteren. Bidden is God naderen, is zijn licht ontvangen, is in deszelfs stralen wandelen.

4. Het gebed heeft eene hewonderensiuaardige vruchtbaarheid.

»Ieder woord van mij n gebed langzaam en godvruchtig uitgesproken, vooral wanneer het een gebed der H. Kerk is, is een straal waarmede ik de uitwendige glorie van God vermeerder, — en de engelen zien in den Hemel God als door eene verrukkelijker schoonheid omgeven.

Ieder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is eene eerboete, waardoor ik eene godslastering herstel.

Ieder woord van mijn gebed houdt eene straf des hemels terug, door zich tusschen Gods rechtvaardigheid en den zondaar te plaatsen.

Ieder woord trekt uit het Hart van Jezus eene bijzondere genade af over de ziel eener zieltogende of over eene ziel, die op het punt staat eene doodzonde te bedrijven.

leder woord verzacht het lijden eener ziel in het vagevuur.

Ieder woord doet het Hart der H. Maagd Maria met nieuwe vreugde trillen, want zij verheugt zich

ocr page 665

648

altijd, wanueer Zg haren Zoon geloofd, geëerd, bemind, verheerlijkt ziet.

leder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is als een stalen schakel, dien ik rond mijne ziel vlecht, aldus een schild vormende dat haar omringt en behoedt, niet tegen de slagen en bekoringen, maar tegen de wonden, die haar zouden verzwakken en doen sterven.

Daarom gevoel ik mij daarna versterkt, en ga ik zonder vrees dien strijd te gemoet, dien ik alle uren te leveren heb tegen de traagheid, den hoogmoed, de begeerlijkheid, de zinnelijkheid, de baatzucht, het tegenspreken.

Ieder ivoord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is ook een een heschermendt', schakel, waarmede ik de ziel kan omringen van degenen, die ik lief heb.

O welk eene vreugde, te mogen denken dat, terwijl ik bid, ieder woord een schild gaat vormen rond mijn vader, mijne moeder, mijne vrienden, wier bekoringen en beproevingen daardoor minder wreedelijk zullen gevoeld worden!

Ieder woord is een druppel balsem, dien ik laat vallen op een lijdend hart, op een hart dat ik misschien gewond heb en niet rechtstreeks vergeving durf vragen.

Hoe kalm en rustig durf ik hem glimlachend onder de oogen treden; ik heb immers de wonde, die ik geslagen had, weder genezen.

Ieder woord van mijn gebed is als eene gloeiende en weldadige vonk, die zoetjes het hart doordringt van dengene met wien ik eene zaak te bespreken heb.

Daarna kan ik gerust tot hem naderen; onder den goddelijken invloed, die hem buiten zijn weten doordringt, zal hij rechtvaardig, goedhartig, toegevend zijn.

ocr page 666

649

Ieder woord van luijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is een stuk geld, dat mijii engelbewaarder bij God brengt ter voldoening mijner talrijke zonden; en hoe langer ik bid, hoe god vrucbtiger, hoe vuriger ik bid, hoe meer dit mijne schuld bij

God afkort.....En na mijnen dood zal ik ze alle

bij God zien, al die woorden van mijn gebed, als zoovele schitterende paarlen, die mijne onsterfelijke kroon zullen vormen.

Ieder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is als een geheimzinnig weefsel, dat, ik weet niet hoe, doch ik weet het met zekerheid, datgene wat gisteren in mijn werk verkeerd was, gaat herstellen, — dat die uren bij elkander gaat brengen, die ik door een schuldig tijdverlies gescheiden had, — dat die twee harten gaat hereenigen die ik door een onvoorzichtig woord van elkander vervreemd had.

Ieder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is eene uitboezeming van liefde, van hoop, van vreugde, van angst die ik ten hemel richt, waarop een ander woord, een woord uwer liefde, o mijn God, zal antwoorden.

O gij, die uw hart getroffen gevoelt, wanneer gij een ziek of beangstigd kind het woord moeder hoort uitroepen, begrijpt gij dan niet, wat er omgaat in het hart van uwen hemelschen Vader, als eene bedroefde en liefdevolle ziel Hem toeroept: Mijn God!

5. Het gebed maakt ons gelukkig. Wij zouden hier de Heiligen moeten laten spreken. Welke zalving bevatten die bladzijden, die zij geschreven hebben over die innige vereeniging, die het gebed tusschen God en hunne ziel gevestigd had! Het is het kind met zijne moeder, de arme, doch beminnende en dankbare vriend met zgnen rijken en machtigen vriend,

ocr page 667

650

die hem met weldaden overlaadt, die nimmer moede wordt te geven, terwijl de arme nooit moede wordt te danken. — Het is de innigste, de vruchtbaarste, de nauwste vereeniging, die tusschen twee zielen bestaan kan. — Het is het vergeten der aarde, der wereld, des lichaams, der smart, het vergeten van al wat menschelijk is. — Het is de ontrukking aan al wat aardsch is. — Het is het zien van God, het gevoelen van God, de vrede van God, het genieten van God. Wij voegen hier niets meer bij. Het geluk van het gebed laat zich aantoonen, doch niet verbalen. Het wordt gevoeld door die zielen, die zich als in het gebed hervormd hebben, die geheel gebed zijn. Gelukkig zij! In de kloosters zijn het geene zeldzaamheden; doch door hoeveel beproevingen zijn zij geleid, alvorens zoover te komen!

^de liOOZPIDSTTJIK.

Bijzonderste •vormen van het jyobecl.

I.

Dit is het verhevenste aller gebeden, de zon der geestelijke oefeningen, gelijk de Heiligen dit noemen, Het heiligdom waar de heilige Mis wordt opgedragen,, is het vereeuigingspunt van al de zielen, die God komen loven , danken , aanbidden, om ontferming ei vergiffenis smeeken.

ocr page 668

651

Het altaar is de plaats, waarop de engelen die smeekschriften, die dankbetuiging, die hulde neder-leggen. — Het uur der H. Mis is het uur waarop Jezus nederdaalt, al die geschriften in handen neemt, met zijn bloed onderteekent en aan zijnen hemelschen Vader aanbiedt.

Het bijwonen der heilige Mis is het grootste geluk des levens. Daar bidt Jezus; Hij vernedert zich voor zijnen Vader, Hij aanbidt Hem; en wij, met deze vernedering en aanbidding vereenigd, verschaffen aan God meer eer dan Hij in den Hemel ontvangt door al de engelen en heiligen te zamen; want deze zijn slechts schepselen en bijgevolg is hunne hulde begrensd, terwijl in de H. Mis het Jezus-Christus is, die zich vernedert, Jezus, wiens verdiensten oneindige waarde hebben. O hoe zwak en ellendig ik ook moge zijn, ben ik toch verzekerd, dat ik gedurende de H. Mis de glorie van God bevorder. Daar hidt Jezus; en zijn gebed voldoet de rechtvaardigheid zijns Vaders, door onze zonden vergramd; en wij, met dit zoenoffer vereenigd, geven aan God door eene enkele H. Mis meer voldoening dan al de martelaren door hun bloed en al de boetvaardigen door hunne gestrengheden. — Na eene wel gehoorde Mis mag men gerust de H. Absolutie aan den priester gaan vragen; de H. Mis heeft ons tot de vergiffenis bereid.

De H. Mis wischt onze zonden uit, niet gelijk het Doopsel en de sacramenteele Absolutie, die onmiddelijk aan wel bereide harten de genade teruggeven , doch door ons werkelijke genade te verkrijgen, God die ons bereiden tot een heilig gebruik der middelen n2 eiflvan verzoening, ons door Gods barmhartigheid aangeboden. Dit deed eene ziel, die over hare zonden

ocr page 669

652

beangstigd was, deze woorden zeggen: Mijn God, heb geduld tot morgen; als ik de U. Mis zal gehoord hebben, zal ik niet meer vreezen, dat gij mij in uwe gerechtigheid zult treffen.

Daar bidt Jezus, en zijn gebed dankt God voor al het goede, voor al de weldaden aan de wereld bewezen; wij vereenigen ons met die dankzegging, en zijn zoo gelukkig, aan God een offer te kunnen geven, dat oneindiglijk de waarde overtreft van al wat Hg ons gegeven beeft en nog zou kunnen geven. Na eene wel gehoorde Mis mag de ziel zeggen: Ik heb God alles afbetaald. En zij gevoelt zich gelukkig. God te hebben kunnen danken; doch daar zij nog elk oogenblik ontvangt, tracht zij ook voortdurend te danken en zoekt zooveel mogelijk de H. Mis bij te wonen.

Daar bidt Jezus, en zijn gebed wordt altijd verhoord,

Jezus beveelt onze belangen aan zijnen Vader; Hij maakt zich onzen Middelaar; wij moeten ons slechts met Hem vereenigen, Hem al onze begeerten en verlangens, hoe groot zij ook zijn, toevertrouwen, en.... in vrede afwachten. O indien wij wisten, dat de Heilige Maagd hare gebeden met de onze vereenigt, zouden wij dan de minste ongerustheid omtrent de verhooring onzer gebeden gevoelen? zouden wij ons niet verzekerd houden, dat wij zouden verhoord worden op dien tijd, die het nuttigst is voor onze ziel? — Gedurende de H. Mis is het niet alleen Maria die bidt en voor ons ten beste spreekt, maar Jezus. Het gebed dat wij gedurende de H. Mis doen, is geen louter menschelijk gebed; het is geheel doordrongen, geheel vervuld met de heiligheid van Jezus; het wordt een goddelijk gebed; want het is een en hetzelfde gebed met dat van Jezus, den Zoon Gods.

ocr page 670

653

O zalig Misoffer, roept de H. Leonardus yan Porto Mauri tio uit, o zalig Misoffer, bron van zooveel heil! koe zouden wi) niet vurig verlangen dagelijks daarbij tegenwoordig te zijn! — Als ik niet meer weet, hoe eéne bedroefde ziel te troosten, zeg ik haar: Ga naar de H. Mis.

II.

De Kruisweg is het gebed, waaraan de meeste Aflaten gehecht zijn, en dat ons tevens het levendigste al de liefde en het lijden van het Hart van Jezus doet gevoelen.

De Kruisweg is het gebed dat ons het beste kan troosten, dat ons het beste leert de ondankbaarheid, de vergetelheid, de onrechtvaardigheid der menschen te verdragen; daarom wordt dit gebed zoo bemind door degenen die lijden, wier hart door droefheid verscheurd wordt.

De Kruisweg ïs het krachtigste gebed om de zondaars op het pad der deugd terug te brengen, de lauwe zielen op te wekken en aan te vuren, — de volmaakte tot de heiligheid te brengen. Uit de wonden van Jezus stroomt onophoudelijk eene kracht, welke zich verspreidt over degenen, die ze met de meeste godsvrucht vereeren. — De oefening van den Kruisweg, zegt de Gel. Leonardus a P. M., kan eene geheele gemeente of parochie heilig maken.

De Kruisweg is een treffend beeld van ons leven. Wij allen gaan naar een meer of minder verwijderd

ocr page 671

654

Calvarië. Bij de eerste Statie worden wij ter dood veroordeeld; bij de laatste worden wij in het graf gelegd. Tusschen die beide uitersten, hoeveel lijden, hoeveel beproeving, hoeveel strijd, helaas! hoe menige val! Dit zijn de tusschenstatiën van onzen pelgrimstocht. De verschillende Statiën van onzen Verlosser leeren ons, hoe wij ons in de onze behooren te gedragen, hoe wij moeten verdragen, gehoorzamen, opstaan, als wij vallen, zwijgen, als wij gehoond worden. Zijn stilzwijgen spreekt tot ons, zijne smarten verteederen ons, zijn geduld bedaart ons, zijne liefde overwint ons. De religieuze zal, als zij slechts wil, bij elke Statie leséen en aanmoediging vinden voor eiken toestand harer ziel. Gelukkig de zielen, die gaarne den Kruisweg volgen.

III.

Jfet cHoamp;cn-fioedje.

Dit gebed is eene aanéénschakeling van oefeningen van lof, van vertrouwen, van liefde, eene aanéénschakeling van verzuchtingen tot Maria gericht, tot Maria, die glorierijke Moeder van God, die ons aller Moeder is, en door God gesteld ia tot toevlucht dei-zondaars , tot bijzondere beschermster der religieuzen, tot patrones van een zaligen dood.

Het Rozenhoedje is het gebed boven alle gebeden bemind door alle religieuzen. Zij gevoelen als door een goddelijk instinkt, dat dit gebed, dab zich zoo gemakkelijk laat bidden in alle tijden, in alle omstandigheden , in eiken toestand, — dat gebed dat men

ocr page 672

655

kan verlengen, verkorten, afbreken, — dat altijd binnen liaar bereik ligt, om al de minuten te vullen tusschen de verandering der werkzaamheden, of der plaatsen, zij gevoelen dat dit gebed haar schild, haar toevlucht, haar geluk uitmaakt. Daarom is er geene enkele religieuze, die niet dagelijks haar rozenhoedje bidt; vele zelfs bidden dagelijks een rozenkrans.

De rozenkrans herinnert door deszelfs uitwendigen vorm aan dien onzichtbaren keten, die ons aan Maria en door Maria aan Jezus hecht; de religieuze draagt haren Rozenkrans steeds zichtbaar voor aller oogen; zij wil hem zien, hem toonen aan iedereen; zij wil, dat de geheele wereld wete, dat zy Maria toebehoort.

Wij behoeven aan de religieuze geene liefde voor haren Rozenkrans in te boezemen; zy bemint dien, zooals wij reeds zegden, meer dan elk ander mond-gebed ; haar Rozenkrans en haar kruisbeeld vergezellen kaar altijd; zy wil die bij zich hebben des nachts, zij wil die bij zich hebben op haar sterfbed, zij wil die mede nemen in haar graf.

IV.

Jfet -6^0(2-4 aan fict Sacrament.

Is het noodig der religieuze het bezoek aan het H. Sacrament aan te bevelen?

Is zij dit dagelijksch bezoek niet verschuldigd aan Jezus, die voor haar alles is, haar Bruidegom, haar Vader, haar Broeder, haar Vriend, haar Middelaar bij God?

ocr page 673

656

Tot wien zou zij gaan in hare moeielijkheden, in haar lijden, haar gewetensangst, in den kommer door hare bediening veroorzaakt, in de zielsangsten die zoo dikwijls haar leven komen bestormen? Tot wien zou zij gaan dan tot Jezus? Wien kan zij haren nood klagen zooals aan Jezus? Wie kan haar troosten, raden, verlichten, geleiden, versterken, beminnen als Hij?

I. Het H. Sacrament is zeker voor alle geloovigen, doch bijzonder voor de religieuzen de bron van alle góed, van allen troost, van alle hoop!

Het H. Sacrament is Jezus met ons, bij Qns, voor ons levende; Jezus even machtig, even goed, even barmhartig als in de dagen van zijn sterfelijk leven.

De Apostelen, de H. Maagd Maria zelfs hadden niets meer dan wij. Maria zag, zij bezat haren Jezus op eene onuitsprekelijke wijze; doch de zelfde Jezus die hare vreugde uitmaakte, is ook de onze. Vragen wij Maria, dat zij ons, gelijk eenige bevoorrechte zielen, geheel doordringe door het heilig Sacrament van liefde. Wanneer men, zegde eene dezer, Jezus waarlijk bij zich heeft. Jezus wien men alles kan toevertrouwen, alles vragen, dan kosten de deugd, de moeielijkste oefeningen, de hartverscheurendste opofferingen ons niets meer. Jezus is voor het hart eene deelnemende Vriend, voor de ziel een Bruidegom, die zich met alles belast; het is God in ons levende, in ons werkende, alles voor ons doende.

Wij schrijven hier het gebed van den H. Thomas van A guinea over, zoo vol kracht en zalving.

O Gij die mij zoo teeder bemint, Jezus hier waarachtig tegenwoordig, verborgen God, hoor mijn smeeken.

Dat uw wil de mijne, mijne vurigste begeerte, mijne liefde zij! Geef mij de genade, dien te zoeken

ocr page 674

657

te vinden en te vervullen. Toon mij uwe paden, geleid mij op uwe wegen. Gij hebt uwe plannen met mij, deel ze mij mede en geef mij de genade die te volgen tot mijn jongsten snik. Geef dat ik, onverschillig voor alles wat voorbij gaat, slechts U, U alleen zoekende, alles beminne wat U toebehoort, doch ü vooral, o mijn God! Maak mij elke vreugde bitter buiten U, elke begeerte onmogelijk buiten ü, elk werk voor U zoet, elke rust buiten U ondragelijk. Dat ieder oogenblik mijne ziel bare vlucht tot ü neme; dat mijn leven slechts ééne akte van liefde zij! Doe mij gevoelen, dat ieder werk dat U niet vereert, een dood werk is. Dat mijne godsvrucht geene gewoonte, maar een gedurig streven mijns harten zij!

O Jezus, mijne zoetheid en mijn leven, geef dat mijne nederigheid geene geveinsdheid, mijne vreugde geene uitgestortheid, mijne droefheid geene moedeloosheid v mijne gestrengheid geene hardvochtigheid zij! Geef dat ik spreke zonder omwegen, vreeze zonder wanhoop, hope zonder vermetelheid, leve zonder smet, berispe zonder drift, beminne zonder valschen schijn, stichte zonder praalvertoon, gehoorzame zonder tegenspraak, lij de zonder morren.

O Opperste Goedheid, o Jezus, ik vraag U een hart dat zoodanig door ü vervuld zij, dat gezicht noch gehoor het van U aftrekke; een getrouw en edel hart dat nooit wankele, zich nooit verlage; een onoverwinbaar hart, altijd gereed na eiken storm den strijd te hervatten; een hart dat, altijd vrij, zich nooit late verleiden, zich nooit verslave; een rechtzinnig hart, dat nooit kromme wegen bewandele. En mijn geest, o Heer, dat mijn geest U nimmer miskenne, U met vurigheid zoeke, en ü, de Opperste

42

ocr page 675

658

Wijsheid vinde; dat zijn onderhoud U niet mishage; dat hij in kalmte en vertrouwen uw antwoord afwachte en beruste op uw woord! Moge de boetvaardigheid mij de doornen uwer kroon doen gevoelen! Moge uwe genade hare gaven uitstorten op den weg van mijn ballingschap! Moge de glorie mij in het vaderland met uwe vreugde overstroomen. Amen.

II. Het H. Sacrament doet ons levendiger de liefde van het II, Hart van Jezus en den invloed, welke deze godsvrucht op het leven der religieuze heeft, gevoelen.

Het is vooral in de tegenwoordigheid van Jezus, dat men de kracht gevoelt der beloften gedaan aan de zielen, die Jezus heilig Hart zijn toegewijd.

Beloften gedurende het leven, die genade verzekeren voor de groote zaak der zaligheid en zelfs voor het welslagen der tijdelijke ondernemingen, — beloften van vrede, van vreugde, van kracht, van troost, — genaden van berouw en vergiffenis voor de zondaars, — genaden van volmaaktheid en volharding voor de godvruchtige zielen.

Beloften in het uur des doods. Jezus-Christus zegde uitdrukkelijk, sprekende van de zielen aan zijn H. Hart toegewijd: Ik zal haar een veilige toevlucht zijn, vooral bij haren dood. Een toevlucht tegen den duivel, die krachtige pogingen zal inspannen om de ziel te verleiden en voor alle eeuwigheid in het verderf te storten; — een toevlucht tegen de vrees voor den dood en den angst voor de eeuwigheid, die het offer van het leven edelmoedig aan God gebracht zouden belemmeren, — een toevlucht tegen de gestrengheid van Gods oordeelen.

Beloften na den dood. Zij verzekeren ons den hemel. Zij, die deze godsvrucht zullen beoefenen en verspreiden,

ocr page 676

659

zegt Jezus-Christus nog tot de zalige Margaretha Maria, zullen haar naam geschreven hebben in mijn Hart, en hij zal er nooit uitgewischt worden.

Verlaat dus nooit het altaar waar Jezus-Christus rust, zonder het H. Hart van dien goeden en aan-biddelijken Zaligmaker te hebben aanbeden, geloofd, gezegend, gedankt en als eenig voorwerp uwer liefde te hebben verkozen.

De godsvrucht tot den H. Jozef volgt altijd de godsvrucht der H. Maagd op den voet, gelijk deze altijd de godsvrucht tot Jezus-Christus volgt.

Iedere religieuze gevoelt voor den H. Jozef een byzonder vertrouwen; zij begrijpt, en met goede rede, dat hij, die Jezus en Maria beschermde en niet zooveel zorgvuldigheid voorzag in de behoeften

O o O

der H. Familie, ook haar zal beschermen en in hare behoeften zal voorzien. Elke religieuze gemeente is immers eene Heilige Familie.

Het beeld van dien Heilige heeft voor haar iets zoo vaderlijks, zoo goed, zoo bemoedigend, dat zij tot hem gaat als tot een hooggeachten vader, en hem al hare behoeften, zelfs hare tijdelijke behoeften durft bloot te leggen. Gij zult dus ook den voedstervader van Jezus bidden, dien zoo liefdevollen beschermer

ocr page 677

660

der H. Maagd. Het grootste voordeel der godsvrucht tot den H. Jozef, zegt de H. Thomas, is dat zij de liefde voor Jezus en Maria ia ons vermeerdert. Niemand heeft hem meer bemind, niemand verlangt vuriger aller harten aan hunne zoete heerschappij onderwerpen te zien. Zoodra eene ziel zich aan den H. Jozef overgeeft, geleidt hij haar tot Jezus en Maria, en boezemt haar de zelfde gevoelens in, waarmede hij vervuld is.

VI.

S)e QVicditafoc.

Wij zullen hier aantoonen:

1°. De natuur der meditatie.

2°. De noodzakelijkheid der meditatie.

3°. De uitwerkselen der meditatie.

4°. De tv ij ze van te mediteeren.

5°. Aanmerking omtrent de verschillende trappen van het gebed,

A.

Natuur dek Meditatie.

Door de meditatie of het inwendig gebed verstaat men den vriend scliappelijken, innig en omgang met God, waarin de ziel zich met God onderhoudt om Hem hare hulde te bewijzen, — hare behoeften aan Hem mede te deelen, — steeds beter te worden ter zijner eer.

ocr page 678

661

I. De, meditatie is het innig verkeer met God. Deze woorden toonen ons de grootheid, de verhevenheid van het inwendig gebed. Dit gebed is het leven des hemels. In den hemel verkeeren de engelen en heiligen vriendschappelijk met God, zij zien God, zij beminnen God, zij worden niet moede Hem te zien, te beminnen, Hem hunne liefde uit te drukken. Zij zijn in een voortdurend gebed. Reeds op deze aarde neemt de ziel deel in dit hemelsch leven, wanneer zij het inwendig gebed doet. Het is dan of er iemand meer in de wereld is dan God en zij, de ziel vergeet ten minste voor eenige oogenblikken alle geschapen wezens en God is voor haar genoeg. Zij leert het hemelsch leven kennen. God, in zijne barmhartige toegevendheid, is altijd gereed ons te ontvangen. Wij behoeven slechts te zeggen: Mijn God, en reeds is Hij daar en luistert naar ons. Hoe goed is God, nietwaar? Hoe zouden wij ons bij Hem niet gelukkig gevoelen, Hoe zouden wij, blozende over de gemakkelijkheid waarmede wij toegang tot Hem vinden, ons niet haasten, ons door eene oprechte akte van berouw van onze fouten te zuiveren!

Begrijpen wij toch wel van het begin af deze woorden: het inwendig gebed is een innig vriendschappelijk verkeer met God; het is het kind, dat tot zijn Vader, de bruid die tot haren Bruidegom, de vriend die tot zijnen Vriend, een bemind wezen uit liefde geschapen tot den Schepper, die het boven alles lief heeft' spreekt: innig vriendschappelijk verkeer, voegt de H. Theresia er bij, waarbij de ziel zich met God alleen onderhoudt, en niet moede ivordt hare liefde te betuigen aan den gene door wien zij weet dat zij op hare beurt bemind ivordt.

II. De meditatie heeft ten doel, God onze hulde te bewijzen.

ocr page 679

662

Onze eerste plicht aan God verschuldigd is de aan-hidding. Is het niet billijk, wanneer wij God naderen, Hem te groeten door al de titels, die Hij ons wel heelt willen doen kennen? Hij is ons licht, onze trooster, onze kracht, onze steun, onze heschermer, ons voedsel, ons leven. Al zouden wij slechts deze titels langzaam achter elkander herhalen, zou dit eene zeer godvruchtige, heilige, nuttige oefening zijn.— Dit is de meditatie.

De tweede plicht, die wij God schuldig zijn, is Hem te loven. Is het wederom niet billijk. God te loven, als wij Hem naderen ? Hij is de opperste schoonheid, de opperste luijsheid, de opperste heiligheid. Hij is de onuitputbare harmhartigheid, de goedheid die zich nimmer verloochent, Hij is onmeetbaar, Hij is (dom tegenwoordig, Hij ziet alles. Hij kent alles, Hij onthoudt alles; Hij is eeuwig, oneindig. Hij bezit alle volmaaktheden. — Al zouden wij achter elk dezer volmaaktheden slechts deze woorden van het Gloria in Excelcis herhalen: Wij loven U, wij zegenen U, wij verheerlijhm U: zou dit reeds eene zeer nuttige, zeer godvruchtige oefening zijn. —- Dit is de meditatie.

De derde plicht aan God verschuldigd is de danh-haarheid. Is het al wederom niet billijk, als wij tot God naderen , Hem te bedanken ? O werpen wij een blik op ons geheele leven: genade van het H. Doopsel, genade eener christelijke opvoeding, genade der eerste H. Communie, genade van behoeding, genade van bekeering, van roeping, — genade voor den geest, voor het hart, voor de ziel, voor het lichaam; genade voor onze ouders, voor allen die ons dierbaar zijn, al zouden wij niet anders doen dan, na het opsommen dezer algemeene genaden waarbij ieder nog zoovele bijzondere zal kunnen voegen, telkens herhalen: igt;lh

ocr page 680

663

dank U, mijn Godquot; dan zou deze oefening zeer godvruchtig, zeer nuttig en lieilig zijn. Dit is de meditatie.

De vierde plicht, dien wij aan God verschuldigd zijn, is het offer van ons zeiven. — Is het niet billijk, als wij God naderen, ons te herinneren, dat wij door onze geloften ons geheel aan Hem hebben opgedragen om ons ter zijner beschikking te stellen, opdat Hij met ons doe wat Hem behaagt?

Hij is mijn Meester; —- Hij heeft dus het recht, mij zooveel en zoolang te laten werken als Hij goed vindt.

Hij is mijn Geleider; — Hij heeft dus het recht, mij te geleiden waar Hij wil.

Hij is mijn Bestuurder; — Hij heeft dus het recht, van mij te eischen wat Hij zal willen.

Hij is mijn Vader; — Hij heeft dus het recht, mij te geven en te weigeren wat Hij zal willen.

Ik ben zyne dienstmaagd, zijne bruid, zijne dochter, zijne slavin, zijn slachtoffer. Ik behoor Hem geheel toe. Al zouden wij na al deze titels slechts herhalen, Heer, zie mij hier, tot alles bereid: dit zou zeker eene zeer godvruchtige, nuttige oefening zijn. Dit is de meditatie.

III. De meditatie heeft ten doel. God onze behoeften te doen kennen. — Welk een uitgestrekt veld van behoeften vertoont zich voor onze oogen!

O mijne arme ziel, gij knielt daar voor uwen zoo rijken en machtigen God, — voor uwen zoo barm-hartigen en goeden Vader, — voor uwen zoo wijzen en bekwamen geneesheer, — voor uwen zoo verlichten, zoo voorzichtigen raadstnan, — vraag, o vraag dan toch. Vraag voor u, — uwe gemeente, — voor uwe familie, — voor uwe Overste, — voor uwe zusters, — voor degenen, die u het dierbaarst zyn, — voor die u leed

ocr page 681

664

gedaan hebben, — vraag voor uwen biechtvader,— voor de priesters, — voor de H. Kerk, — voor de arme zondaars.

Bid God, datgene te herstellen wat uwe nalatigheid, uwe onvoorzichtigheid gisteren in wanorde heeft gebracht, — die zusters tot u terug te voeren, die uw gebrek aan minzaamheid en ootmoed van u verwijderd heeft, — u ter hulp te komen in die bediening, die u zoo zwaar valt, — u een weinig kracht, moed en gezondheid te geven, — vraag aan God licht in deze moeielijke zaak, meer vrede en meer ijver om meer goed te kunnen doen. En naarmate gij vraagt, moet ge ook beloven, beter te bidden, beter te werken, beter te verdragen.

Zou het uur der meditatie ons niet zeer kort toeschijnen, dan zelfs als wij niets deden dan God onze behoeften mededeelen?

IV. De meditatie heeft ten doel, ons heter te doen worden voor Gods meerdere glorie.

Ziedaar het doel dat men zich moet voorstellen.

1. Beter worden wil zeggen: sachtmoediger in onze betrekkingen met onze omgeving, — vlijtiger in het. vervullen onzer plichten, — ijveriger om God te doen kennen en beminnen, — geduldiger in het aannemen van ons leven gelijk het is, met deszelfs moeielijkheden en teleurstellingen, — meer vereenigd met God, meer onderworpen aan zijnen heiligen Wil, meer van liefde bezield voor het Heilig Sacrament.

2. Voor Gods meerdere glorie. Neen, niet om gezien, niet om geacht, niet om gewaardeerd te worden, zelfs niet om tevreden in zijn hart te zijn en den vrede te bezitten, moet men trachten, steeds beter te worden, maar om God te behagen. God te gehoorzamen, God te doen beminnen en verheerlijken.

ocr page 682

665

En daarom moeten wij in die gelukkige oogenblikken dat God ons gehoor gelieft te verleenen, onze onachtzaamheid, onze moedeloosheid, onze fouten erkennen, ons vernederen, vergeving vragen, en Gods wijsheid bidden in ons te komen, Gods harmhartigheid in ons te verblijven, Gods kracht in ons te werken. Ziedaar de natuur der meditatie. — Is zij niet iets groots, iets heiligs, iets zeer nuttigs?

B.

Noodzakelijkheid der -Meditatie.

I. Voor alle rnenschen in het algemeen is de meditatie, op de voorgeschrevene wijze en geregeld verricht, niet volstrekt noodzakelijk ter zaligheid; het gebed in het algemeen, is voldoende, maar het is nochtans waar, dat met het mondgebed alleen de zaligheid rnoeielijker wordt.

De meditatie is een licht, dat ons de geboden Gods duidelijk vertoont in derzelver omstandigheden, hoe zwaar zij verplichten en welke hinderpalen zich tegen het nakomen derzelve verheffen; — zij toont het afschuwelijke der zonde, en doet, om zoo te zeggen, de gestrenge strafPen reeds gevoelen die haar zijn voorbehouden; — zij toont de ijdelheid der ondermaan-sche zaken, de schoonheid der deugd en hare eeuwige belooning.

De meditatie is eene kracht, welke door de genade, die zij op zich trekt, aan de verleiding der hartstochten doet wederstaan: neiging tot onafhankelijkheid, eerbejag, genot, haat, plichtverzuim. — Zonder meditatie wordt men bijna noodzakelijk medegesleept. De geheele aarde is verwoest, zegt de H. Geest, omdat

ocr page 683

666

a iemand nadenkt. Het is niet noodig, zegt de H. Theresia, dat de duivel degenen, die de meditatie verzuimen in de liel stoot, zij gaan er van zelf in. » Hij die de eeuwige waarheden niet overweegt,quot; zegt de fi. Alphonsus, ■» kan zonder mirakel niet als christen leven.quot;

II. Voor de personen, aan God toegewijd, is de meditatie volstrekt noodzakelijk om haar in Gods genade en in eene verdienstelijke vervulling harer plichten te doen volharden. » Door het gebed, zegt de H. Alphonsus, zijn de heiligen heilig geworden.quot;— Zonder het inwendig gebed, geen inwendig leven; zonder inwendig leven, weinig of geen begrip der goddelijke zaken, en dientengevolge verlies van tijd en verdiensten, zwakheid der ziel, twijfelachtige gewoonten op den weg der heiligheid, volhardi ng in de fouten, gevoelige verslapping in de werken van ijver en gehoorzaamheid, algemeene verveling, berooving. van den troost en de vreugde van het religieuze leven.

Het inwendig gebed geeft aan de religieuzen een diep gevoel der heilige zaken, en als een geheime erkenning der bovennatuurlijke dingen; zij zien in de boeken, in de gebeurtenissen, in de personen, dingen , die zij er vroeger niet in zagen en welke zij, die geen inwendig gebed doen, er ook niet in zien. Er is een merkelijk onderscheid in het leven eener religieuze, die zich met alle zorg toelegt haar inwendig gebed goed te doen; haar karakter wordt gewijzigd, haar oordeel juister, hare woorden beter geplaatst. God zal nooit iets goeds uitwerken door eene ziel die niet gewoon is dagelijks met Hem te verkeeren.

Het inwendig gebed nalaten, zegt de H. Theresia, is de deur sluiten, waardoor Gods genade tot ons komt; en als men deze deur sluit, weet ik niet hoe die qenade tot ons moet komen.

ocr page 684

667

Het leven der religieuzen, zegt de H. Liguori, uoet een leven van gebed zijn. Moeielijk, beter gezegd olstrekt onmogelijk, kan eene religieuze, die het nwendig gebed niet bemint, eene goede religieuze ijn. Ziet gij dus eene lauwe religieuze, zoo zeg: ij doet geen inwendig gebed; en gij zegt de waarheid. )e duivel tracht der religieuze den smaak voor de neditatie te doen verliezen; als hij hierin slaagt, is lij weldra meester van hare ziel.

III. Indien men ons vraagde: wat is heter, het •mendig gebed of de II. Communie'? zouden wij met geestelijke leeraars antwoorden: het inwendig ebed. —■ Dat antwoord, aldus gegeven in een werkje oor verscheidene bisschoppen goedgekeurd, wordt p deze wijze bewezen:

Het gebed wordt door den H. Paulus voorgeschreven ; eene voorbereidende gesteltenis tot de H. Communie. )at de rnensch zich-zelven beproeve, zegt hij, alvorens brood te eten en dezen kelh te drinken; en hoe urmen wij ons zeiven kennen, beproeven en onze etrouwheid onderzoeken dan door het gebed? Het gebed bereidt de ziel tot de H. Communie, bewaart de vrucht der H. Communie. Eene Com-lunie zonder voorbereiding en zonder eenige dank-gging, beide verricht in de ingekeerdheid van het ebed, zal de ziel weinig nut aanbrengen.

Nergens lezen wij in de H. Schrift; Communiceer ik wij Is en gij zult niet zondigen; terwijl de H. Geest itdrukkelijk zegt: Bij al uwe werken gedenk uwe 'tersten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen. üccli. VII, 40).

Het dikwijls communiceeren is een raad-, — het k wij Is bidden is een voorschrift: bidt zonder op-niden; — en het is zeer moeielijk wel te bidden.

ocr page 685

668

zonder ophouden te bidden, als het hart door goede gedachten, als vruchten der meditatie, niet gevoed wordt.

Het kost meer moeite, het inwendig gebed te doen dan te communiceeren, — De H. Communie is eene uitwendige handeling, die de eigenliefde kan vleien en de geestelijke ij delheid kan voldoen, het inwendig gebed is een geheim onderhoud tusschen God en de ziel, niets wordt daarvan gezien, niets trekt daarin de aandacht op ons.

De H. Communie is uit zich-zelve eene vreugde en een genoegen voor de ziel. Het inwendig gebed is, vooral in het begin, eene onderwerping en een dwang voor de ziel, en vereischt meer kracht. De H. Communie kan ons wegens ziekte of andere rede een tijd lang onmogelijk zijn, hetgeen nochtans geen beletsel stelt aan de heiligheid. — Het inwendig gebed, gedurende hetwelk de geestelijke Communie altijd kan en moet geschieden, is altijd mogelijk, al ware het slechts gedurende eenige oogenblikken.

De H. Communie veronderstelt niet altijd de deugd; men kan zich schuldig maken aan het lichaam en bloed van Jezus-Christus. Het inwendig gebed dagelijks verricht, bewijst dat men reeds deugdzaam is of dat men ten minste ernstig werkt om het te worden.

O religieuzen, weest dus getrouw aan uwe verplichting en laat nooit het inwendig gebed na; (jedenkt dat, zoowel als eene verzuimde Communie, eene verzuimde meditatie eene leemte laat in den dag eener aan God toegewijde ziel.

ocr page 686

669

C.

Uitwerkselen dee Meditatie.

In het nadenken en de rust der meditatie worden de groote zaken bereid met betrekking op de volmaaktheid der ziel en de glorie van God. — Als men met anderen over geestelijke zaken moet handelen, zegt de H. Vincentius van Paulo, moet men er eerst met God over spreken in het gebed, aldus zijn eigen «■eest afleggende om zich met den H. Geest te ver-

o oo

vullen. Zij vooral, die iets willen ondernemen, moeten voortdurend met God verkeeren. De H. Ignatius nam geen enkel besluit, alvorens eerst God geraadpleegd te hebben. De H. Thomas van Aquinea en de H. Bona-ventura verklaarden, dat zij meer wetenschap in het gebed dan in de studie geput hadden. — Wacht een oogenhlik, ik ga raadplegen, zegden de H. Vincentius en zoovele anderen, als men hun raad vraagde, en zij stelden zich in het gebed.

Het is in de meditatie, in dat gemeenzaam onderhoud , dat zij dagelijks houdt met Dengene, dien zij gekozen heeft om Hem eeuwig te beminnen, dat de ziel die hemelsche lichtstralen ontvangt, welke haar zoovele zaken leeren, aan anderen onbekend.

Daar leert zij, wat God is, wat Hij verdient, hoe men Hem moet dienen en beminnen en hoe licht in de schaal der eeuwigheid de vreugde, de grootheid, de genoegens der aarde wegen.

Daar worden de groote en kleine offers gebracht; daar vindt men den moed om ze te voltrekken en het geloof om ze te bezielen. — Wat zoudt gij doen, vraagde men den H. Ignatius, als men u kwam zeggen, dat uwe Societeit ontbonden was? Ik zou gaan

ocr page 687

670

bidden, en een uur later zou ik er niet meer aan denken, was het antwoord!....

Daar wordt de geest der liefde met hare heerlijke uitvindingen, hare bewonderenswaardige scheppingen vruchtbaar eu krachtig. Elk liefdewerk dat niet in de meditatie rijp geworden is, mislukt en blijft onvruchtbaar.

Daar vindt men zoete tranen, boet men zyne zonden door de liefde; daar treft men, daar vermurwt men het Hart van God, daar ontlokt men Hem woorden van vergeving en barmhartigheid.

Daar vindt men voor alle goede werken en voor de zaligheid der zielen geheimen en krachten, die al de wetenschap en al het vermogen van het menschelijk vernuft nooit zouden uitdenken.

Daar eindelijk leert de ziel zich-zelve kennen en misachten, daar ontdekt zij in haar binnenste eene menigte fouten, die, hoewel nauwelijks zichtbaar, nochtans gevaarlijk zijn, daar bemerkt zij een groot aantal onvolmaakte meeningen; daar bemerkt zij de listen en ingevingen harer driften, die zich verborgen onder het masker der deugd; daar put zij kracht om te strijden, het geduld, de onthechting van zich-zelve, moed en vreugde in de beproeving, middelen om de bekoringen te overwinnen.

Daar vooral bekeert zich de ziel. Zoo eene ziel in het gebed volhardt, zegt de H. Theresia, houd ik mij verzekerd, dat tot welke zonde de duivel haar verleide, God haar ten laatste tot de haven der zaligheid zal voeren. Hij, die op den weg van het gebed niet stilstaat, zal vroeg of laat aankomen.

ocr page 688

671

D.

Wijze van Mediteeren.

Bijna alle communauteiten hebben, ten minste iu bet algemeen eene methode of wijze van mediteeren aangenomen, hetzij die van den H. Ignatius, van den Pranciscus van Sales of anderen. Die methode, gedurende hel novicaat uitgelegd, wordt de methode dei-gemeente, en elke zuster moet zich beg veren die te volgen.

Maar is het eene strenge verplichting zich daaraan te hechten? Neen; er komen dagen waarop zij hart en geest ledig laat, dagen waarop zij ons tegenstaat; en dan is het goed eene andere wijze te zoeken, die ingang vindt in onzen geest en ons tot God voert.

Ziehier eenige gedachten, die de zielen in dagen van wezenlijke dorheid zullen kunnen helpen; doch als andere gedachten meer in overeenkomst zijn met de behoeften der ziel, is het beter die te volgen.

I. De oefeningen, die wij hebben aangegeven bij het uitleggen der natuur der meditatie, vormen den grondslag voor een uitmuntend inwendig gebed; langzaam herzegd, zullen zij het hart oprechte oefeningen van liefde, en den wil menig krachtig en ernstig besluit doen vormen. Herlees de bladzijde over de natuur der meditatie; als gij, voor het H. Sacrament nedergeknield, regel voor regel volgt, wat daar aangeduid wordt, zult gij u gewis gedrongen gevoelen om God vuriger te beminnen en uwe plichten getrouwer te vervullen ; — en dit toch is het doel van elke meditatie.

II. Neem uw rozenkrans in de hand, vooral in die oogenblikken dat de droef heid uwe ziel overmeestert, en zeg tot Maria bij het eerste tientje: Maria, zeg Jezus dat ik Hem bemin; bid langzaam het Onze

ocr page 689

672

Vader, dan het Wees gegroet, en herhaal na elk Wees gegroet twee of drie malen: Maria, zeg Jezus dat ik Hem liefheb.

Om uwen geest niet te vermoeien door het langdurig herhalen van de zelfde woorden, moet gij voor het tweede tientje zeggen: O Maria, bid toch dat

God mij niet verlate, ik heb dit zoo noodig..... En

herhaal dit na elk Wees gegroet. Ga zoo voort, herhaal dit, vraag door Maria de barmhartigheid,, de vergeving, de hulp van Jezus; verzucht tot God met Maria, roep God, offer u aan God op,

Hoe zou, nadat uwe lippen en uw hart aldus een half uur gebeden hebben, uwe bede om vrede en kracht niet verhoord worden?

III. Bid nog op uwen rozenkrans deze woorden met aflaten verrijkt: Mijn Jezus, barmhartigheid! en gij, Zoet Hart van Maria, wees mijne zaligheid; en maak de meening daarbij om aldus te verwekken:

1. Eene akte van geloof. — De barmhartigheid van Jezus afsmeeken is gelooven en belijden, dat Hij waarachtig God en waarachtig mensch is, dat Hij geleden heeft en op het kruis gestorven is om ons barmhartigheid en zaligheid te verwerven.

2. Eene akte van hoop, — Als men zich tot Jezus wendt, zoo is dit, omdat men het vaste vertrouwen heeft van door zijne verdiensten barmhartigheid te verkrijgen. — Hij heeft beloofd naar den zondaar te luisteren; en die zondaar komt Hem zijne beloften herinneren, en doet dit in verééniging met Maria.

3. Eene akte van liefde. — Het is omdat men Jezus bemint, dat men Hem bidt, dat men tot Hem komt, dat men Hem roept; en als men zijne barmhartigheid afsmeekt, is dit vooral om niets te doen dat strijdt tegen de liefde, dat men Hem toedraagt.

ocr page 690

673

4. Eene akte van liefde tot den evennaasten. — Het is goed zich eenige oogenblikken te stellen ia de plaats van dezen of genen persoon, dien men lief heeft, die ver van God is afgedwaald, en voor hem en in zijne plaats te zeggen: Mijn Jezus, barmhartigheid !

5. Eene akte van berouw. — Het is onmogelijk, aldus om barmhartigheid te smeeken zonder berouw over zgne zonden te gevoelen en het oprechte voornemen te vormen van zijn leven te beteren.

6. Eene akte van smeeking. — Om barmhartigheid roepen is erkennen dat men niets heeft, niets kan , dat men aan alles behoefte heeft, dat men alles vraagt.

7. Eene akte van vertrouwen. — O ja, men vertrouwt zich geheel aan de goddelijke barmhartigheid, en door Maria geeft men zich aan haar over voor tijd en eeuwigheid.

Een half uur aldus doorgebracht kan de ziel niet ongevoelig laten.

IV. Wanneer gij wilt mediteeren over een woord van Jezus-Christus, hetzij een voorschrift of eene raadgeving, — en houd zooveel mogelijk een woord van Jezus voor oogen, — zoo verwek:

1. Eene akte van geloof omtrent dit woord; Gij hebt dit woord gesproken, o mijn God,.... in dien

tijd... en het is tot mij dat Gij dit woord gericht hebt.....

Jk neem het aanbiddend aan.... Herhaal dit woord langzaam, mogelijk zult gij er een licht in vinden, dat gij er tot dusverre niet in gevonden hebt.

2. Eene akte van berouw en ootmoedigheid. — Zeg tot God; Ziedaar wel, o mijn God, wat Gij zoo lang van mij vraagt, en ik heb het niet willen doen; ik heb begonnen, doch was het weldra moede! Ik vraag U vergiffenis voor deze traagheid. Vergeef mij ter

43

ocr page 691

674

uwer liefde! Herhaal dit gebed dikwijls en voeg daarbij: Mijn Jezus, barmhartigheid! of een tientje van uwen Rozenkrans in een gevoel van oprecht berouw en leedwezen; en bid Maria, dat zij u de vergeving verwerve van uwe nalatigheid in het luisteren naar Gods stem.

3. Eene akte van smeeking. — Deze oefening is de voornaamste. Al wat wij verkrijgen, zegt de H. Liguori, hangt af van de vraag: Waartoe dient het hooren van Gods woord, de gedachte der eeuwigheid en de andere middelen der zaligheid, als men de hulp van God niet vraagt, daar de Heer verklaart, dat Hij zijne hulp slechts verleent aan dengene, die ze Hem vraagt? — Men moet dus aan God de behoeften uitdrukken, die men heeft aan zijne hulp om te doen wat Hij wil; de onmacht, waarin men zich bevindt om dit alleen te doen; — met welk doel men dit doen wil: Gij ziet, Heer, dat ik doen wil ivat Gij wilt, omdat ik U bemin, omdat ik zalig wil worden; — de beweegreden dezer vraag: O Heer, geef mij de genade U te mogen gehoorzamen, Gij zijt machtig, Gij wilt dit, want Gij zijt goed! — Herhaal dikwijls deze beden, en zeg eenig gebed tot de H. Maagd, opdat zij met u bidde.

4. Eene akte van vertrouwen en voornemen. — Vorm zelve uwe gedachten, en zeg: Ik weet wel, dat gij mij mijne bede wilt toestaan, maar het is billijk, dat ik ook iets voor ü doe; welnu, heden zal ik deze zaak, op dien tijd, voor dezen persoon doen. En daarom offer ik JJ nu reeds mijn hart, mijne zintuigen enz.... Bedien u van het gebedje: O mijne Vorstin , enz

Deze wijze van bidden kan men gebruiken . wanneer men een gebrek zoekt te overwinnen of eene deugd te verkrijgen.

ocr page 692

675

Men kan ze toepassen op een geheim van het leven van Jezus of Maria, tot zich-zelve zeggende: Jezus wil, Maria wil, dat ik hen in deze zaak na volg e....

V. Wij zullen nog eene wijze van mediteeren opgeven, die zich naar iedere methode voegt, en door elke ziel, hoe moeielijk haar het inwendig gebed ook valle, kan gebruikt worden.

Voorbereiding tot de Meditatie.

1. Ernstig tot zich-zelve zeggen: Ik ga mij aan God voorstellen.

De goede God verdient wel, dat ik Hem kome aanbidden, en Hem de eerste uren van den dag toewijde.

De goede God roept mij tot zich door mijnen Regel. Als Hij mij roept, is dit omdat God mg iets te zeggen of te vragen heeft, en ik ook heb Hem iets te zeggen en te vragen. God is zoo goed, mij te willen afwachten , te ontvangen, toe te spreken, maar mij te luisteren , ondanks mijne fouten en ellenden. Ik dank U, mijn God; hier beu ik. Gij hebt mij geroepen; uwe dienstmaagd luistert naar U.

2. Ons geweten zuiveren door eene akte van berouw, vooral voor de fouten van gisteren en de zonden sedert de laatste biecht bedreven; — immers men schikt zijne kleederen, alvorens degenen, dio men bemint en hoogacht, te gaan bezoeken.

3. Zich vereenigen met de allerheiligste Maagd Maria, den H. Jozef, den ïï. Engel-Bewaarder of de Engelen des tabernakels, als men zich voor het H. Sacrament bevindt, of met de zielen in het Vagevuur, of met de Engelen-Bewaarders onzer zusters, die met ons in het gebed vereenigd zijn, of met al de heilige zielen der geheele wereld, die op ditzelfde uur

ocr page 693

676

met ons bidden. — Men kan hierin veranderen of eenvoudig zijne neiging volgen, of wel voor eiken dag der week zich eene andere yerééniging vormen.

Stof dkr Meditatie.

Deze nauwkeurig bepalen. — Het is wellicht een woord van Jezus-Christus, en wij moeten dit woord dan beschouwen als bijzonder tot ons gericht. Het is wellicht eene deugd te verkrijgen of eene fout uit te roeien; men moet dan tot zich-zelve zeggen: God toil, dit ik deze zaak doe, dat ik die zaak vermijde. — Het is wellicht een geheim, dat men wil overdenken, en men moet aanbidden, danken, vooral de praktische zijde der zaak beschouwen; De goede God wil of de H. Maagd wil, dat ik hen in deze omstandigheid navolge.

Oefening van het verstand.

Men overdenkt en herhaalt langzaam het onderwerp der meditatie om er de ziel mede te doordringen. Men kan tot zich-zelve zeggen: Als ik deze zaak doe, of als ik deze zaak vermijd;

. 1. Zal God meer verheerlijkt worden.

2. Zal mijn evennaaste meer gesticht worden.

3. Zal mijne ziel heiliger worden.

De ziel bemerkt spoedig, op welke wijze zij dit einde zal kunnen bereiken. Deze drie bemerkingen passen bij elk onderwerp, en men behoeft er slechts eenige minuten op na te denken.

Oefening van genegenheid.

Dit is het voornaamste punt van de overweging. — Hier moet men die oefeningen van geloof, van ootmoed, van berouw, van smeeking, van offerande verwekken

ocr page 694

677

waarvan wij reeds gesproken hebben. — Bekommer u noch omtrent den langeren of korteren duur, noch over het getal dier oefeningen. — Indien de eene n met God vereenigd houdt, moet gij geene andere verwekken. Herhaal ze zoo dikwijls gij wilt.

Slot dek, Meditatie.

Bedank God u in zijne tegenwoordigheid geduld te hebben en u die genaden, welke gij ontvangen hebt, geschonken te hebben.

Vraag Hem vergeving voor den ■weinigen eerbied, aandacht en liefde. die gij Hem wellicht betoond hebt.

Bid Hem u te zegenen en vertrek in gezelschap van uwen Engelbewaarder.

E.

Aanmerkingen omtiient de verschillende trappen

van het inwendig gebed.

Wij vermeenen hier niet over de verschillende trappen van het inwendig gebed te moeten spreken; de zielen, die God tot een inniger verkeer met Hem roept, hebben over het algemeen meer behoefte aan een wijzen zielbestierder, dan aan eenige bladzijden van een boek; en deze zouden in de handen van onervaren , zwakke zielen, die vol van zich-zelven zi)n, haar in noodlottige zinsbegoochelingen kunnen werpen.

Het zinsbedrog omtrent het inwendig gebed is een der gevaarlijkste, en geleidt tot hoogmoed, tot verachting der regelen, tot hoofdigheid, zelfs tot ongehoorzaamheid aan de H. Kerk.

Verlaat dus uit eigen wil nooit de eenvoudigste wijze van mediteeren , geef den voorkeur aan de wijze

ocr page 695

678

die u heiligt, boven die welke u verheft; tracht altijd oefeningen van liefde tot God en nederigheid te verwekken, u aan zijnen wil, die u door uwe Oversten geopenbaard wordt, te onderwerpen, en wacht rustig af. — Als God eene ziel hooger wil doen klimmen, roept Hij haar zelf, en doet Hij haar vaak buiten haar weten hooger stijgen.

Vergeet vooral niet, dat de overweging welke de ziel verheft tot de hoogste trappen der beschouwing, eene van die onvruchtbare genaden kan wezen, die, hoewel door God ingestort, de ziel niet heiliger, noch aangenamer aan God maken; eene dier gaven, die somtijds de vrucht, de belooning, het uitwerksel der heiligheid kunnen zijn, doch nimmer de oorzaak der heiligheid, noch de heiligheid zelve zijn; ierwijl het gewoon inwendig gebed door de oefening der heldhaftige deugden, die zij de ziel doet betrachten, eene vruchtbare bron is van al die genaden, die de heiligheid hij God uitmaken.

Blijf dus getrouw, niettegenstaande de dorheden, de verveling, niettegenstaande dat ontmoedigend woord, dat de duivel u tot vervelens toe zal herhalen, gelijk hij het aan zoovele Heiligen gedaan heeft: » Waartoe toch dient mijne meditatie ? ik word niet beter, ik maak geene vorderingen. Wees getrouw, omdat de meditatie voor u een plicht is. God wil het, de Regel eischt het, dit zij genoeg. Ik zal mij naar het gebed begeven, ik zal er blijven, zoolang ik moet, ik zal alles doen wat ik kan, en als de tijd verstreken is, zal ik heen gaan en tot God kunnen zeggen: Mijn God, ik heb weinig gebeden, maar ik heb U gehoorzaamd; ik heb geleden, maar ik heb U getoond, dat ik U wilde beminnen!

ocr page 696

679

VII.

JCd yoddzfij-k Officie.

Wij zulleu aantoonen:

1°. De natuur en de verhevenheid van het goddelijh Officie.

2°. De verplichting en de wijze van het goddelijk Officie te hidden.

A.

de natuur ek verhevenheid van het goddelijk Officie.

I. Het goddelijk Officie is een gebed, samengesteld uit de psalmen, lofzangen en uittrekselen uit de H. Schrift en heilige Kerkvaders, dat de H. Kerk oplegt aan alle priesters en ordensgeestelijken.

Eenige religieuzen bidden het goddelijk Officie in zijn geheel, andere bidden slechts het klein Officie der H. Maagd.

II. Dit gebed wordt Officie of plicht genoemd, omdat het aan de priesters of religieuzen als bijzondere verplichting wordt opgelegd; het wordt goddelijk Officie genoemd, omdat alles wat het bevat, goddelijk is, omdat het goddelijke gesteltenissen eischt in degenen, die het verrichten, of wel omdat het degenen die het heiliglijk verrichten, vergoddelijkt.

III. Na de H. Mis is het goddelijk Officie het verhevenst gebed:

ocr page 697

680

1. Om de woorden waaruit hel; is samengesteld. Grootendeels is het Gods woord; dat woord, dat verlicht eu troost, dat onderricht en versterkt, dat aan de ziel het verstand, de kracht, het leven mededeelt. De oratiën vooral zijn samengesteld uit gedachten vol zalving, vertrouwen en godsvrucht.

2. Om het doel dat de H. Kerk zich heeft voorgesteld met het opleggen van dit gebed. Dit is:

1. Eene eerboete aan God gedaan. Op elk oogeublik van den dag en den nacht wordt Gods heilige naam door ellendige schepselen gelasterd. Dank aan het goddelijk Officie, staan op elk uur van den dag en den nacht daar tegenover God toegewijde schepselen, om Hem te loven, te prijzen, zijne macht, zijne grootheid, zijne barmhartigheid te verkondigen.

2. Eene vergoeding voor de traagheid in het gebed, waaraan de geloovigen zich schuldig maken. In den Hemel, in de zegevierende Kerk bidt men aanhoudend; in het Vagevuur, in de strijdende Kerk bidt men aanhoudend; en op aarde zou ook de strijdende Kerk aanhoudend moeten bidden; want ieder schepsel moet zijnen Schepper prijzen, loven, aanbidden. Het goddelijk Officie is aan de priesters en religieuzen opgelegd, opdat deze drievoudige lofzang der zegevierende, dei-lijdende en der strijdende Kerk nimmer onderbroken worde. De menschen in de wereld, door hunne aardsche belangen medegesleept, denken bijna niet meer aan het gebed.

3. Om de genade, die verleend wordt aan degenen die het goddelijk Officie godvruchtig bidden. — De H. Josephus van Cupertino zegde eens tot een bisschop: »Als uwe Hoogwaardigheid verkrijgen kan, dat uwe priesters het goddelijk Officie aandachtig bidden en godvruchtig het H. Misoffer opdragen, zullen die

ocr page 698

681

twee oefeningen voldoende zijn om geheel uwe priesterschaar te heiligen.quot; Dit woord is gericht tot al degenen, die het goddelijk Officie bidden, vooral tot de religieuzen, die het gewoonlijk koorsgewijze verrichten.

1. Het goddelijk Officie koorsgewijze verricht is vooral dat vereenigd gebed, waaraan de bijzondere belofte der tegenwoordigheid van Jezus gehecht is; Daar waar twee of drie in men naam vergaderd zijn, hen ik in hun midden. (Matth. XVIII, 20.)

Hoe troostend is die gedachte, hoe moet zij ons aanzetten om getrouw het koorgebed mede te doen! Jezus is daar in het midden.

2. Het goddelijk Officie, koorsgewijze gebeden, verplicht dengene die het verricht, tot eene edelmoedige en krachtige opoffering van zijn geheel bestaan: van zijne lippen, om de woorden uit te spreken of te zingen; — van zijn hart, dat tracht zich te vereenigen met den zin der woorden, of zich eerbiedig en liefdevol verheft tot den God, dien de lippen vereeren; — van zijn lichaam, dat zich onderwerpt aan talrijke Ceremoniën en altijd eene zedige houding aanneemt.

B.

Verplichting en wijze van het goddelijk Officie te bidden.

Omtrent de verplichting van het goddelijk Officie zeggen wij hier slechts dit:

Voor de leden der communauteiten met enkele of kleine Geloften verplicht het goddelijk Officie niet op zonde; er bestaat voor hen geene andere verplichting dan die van het nakomen hunner Consitutiën.

ocr page 699

682

Het gebed Aperi Domine, dat voor het Officie gebeden wordt, moet men, hoewel men het in het latijn bidt, van tijd tot tijd in het hollandsch bidden buiten den tijd van het koorgebed, om zich te doordringen van de gevoelens, daarin opgesloten; — het gebed Aperi Domine bevat drie woorden welke ons tot gids zullen dienen: Mijn God, zegt dit gebed, geef dat ik mijn Officie bidde wet eerbied, — met aandacht, — met godsvrucht: — dig til', attente ac devote.

I. Met eerbied.

De eerbied in het Officie bestaat in zich te houden als onder het oog van God, van onzen H. Engelbewaarder, — van de Engelbewaarders van al onze zusters, — van de engelen, die het tabernakel omringen, als wij het Officie in de kapel bidden. — Die engelen staan gereed om ons gebed op te vangen, gedaan in naam der H. Kerk, en het aan God aan te bieden, als eene hulde van lof, van verzoening, van dankbaarheid. — Als gij in het koor zijt, zegt Thomas a Kempis, dan plaats Jezus aan uwe rechterhand, Maria aan uwe linkerhand, en alle heiligen rondom hen; beschouw al uwe zusters als engelen Gods, en behoud de hoop, dat zij die op aarde met u zingen of bidden, eens werkelijk met u in deu Hemel zullen zingen.

De eerbied in het Officie bestaat nog in zich te voegen naar alle bestaande rubrieken en voorgeschreven regelen, door te knielen, te staan, te zhten, het hoofd te buigen aan het Gloria Patri, langzaam het kruisteeken te maken bij het Deus in adjutorium, door bij de sterretjes te midden van elk vers te rusten, door, in één woord, niets te verzuimen van

ocr page 700

683

wat de H. Kerk met zulk eene nauwkeurige zorg voorschrijft. — Elke ceremonie, welke betrekking heeft op God, heeft iets groots en vraagt onzen eerbied; daarom moet men die nauwkeurig bestudeeren en trachten den zin te vatten. Daarom worden in vele communauteiten Conferentiën gehouden ocer het goddelijk Officie, over den zin van de meest gebruikelijke psalmen, over de heteekenis der ceremoniën enz.

II. Met aandacht.

Wij hebben reeds gesproken over de aandacht in het gebed, en handelen hier slechts over de aandacht bij het goddelijk Officie.

a. Deze aandacht kan op verscheidene wijze bestaan.

1. De rnaterie.ele of stoffelijke aandacht, die eischt dat men de woorden goed uitspreke, ten einde aldus de verplichting van het Officie te vervullen. — Zij kan inwendig zijn, als zij, bij de zorg om de woorden goed uit te spreken, tevens eene algemeene meening voegt om God te vereeren. Zij kan uitwendig zijn, als zij zich tevreden stelt met elke uitwendige bezigheid , die vreemd is aan- het bidden van het Officie, ter zijde te stellen.

2. De letterlijke aandacht zoekt den zin der woorden te doorgronden. — Die aandacht is niet noodzakelijk; zij helpt krachtiglijk de godsvrucht ondersteunen, doch de kennis der taal, waarin men bidt, is daartoe noodzakelijk. Wij hebben reeds gezegd, hoe gemakkelijk men eenige bladzijden der H. Schriftuur verstaan kan; bedien u van die kennis om uw hart te verheffen, om God te roepen: Deus in adjutorium meuni in ten de; — om Hem te loven: Gloria Patri; — om Hem te aanroepen: Deus, Domine; — om Hem te

ocr page 701

684

danken: Benedicamus Domino, Deo gratias; — om Hem de geloovige zielen aan te bevelen: Fidelium animai enz.

3. De geestelijke aandacht, die zich vooral toelegt om God te aanbidden, te loven, te danken, te smeeken. Terwijl de lippen aandachtig de woorden uitspreken, overweegt het hart de volmaaktheden van God, de geheimen van het leven en bijzonder het lijden van Jezus. — Deze aandacht is de volmaaktste, zij ligt binnen het bereik van eiken geest, en hiertoe is de kennis van het latijn niet noodzakelijk. Eene religieuze behoeft zich dus niet te verontrusten, dat zij de woorden van haar Officie niet verstaat; dat zij zich trooste door de gedachte, dat zij niet minder aangenaam is aan God, omdat zij Hem looft gelijk Hij geloofd wil zijn, en doet wat de H. Kerk haarl i voorschrijft. v,

h. De actueele aandacht, welke uitdrukkelijk zegt: Ik ga mijn Officie hidden, ik wil het bidden gelijk het behoort, is niet noodzakelijk. — De virtueele aandacht, die bestaat in het algemeen besluit al zijne gebeden godvruchtig te verrichten, en niet terugge-genomen wordt, is voldoende; zij wordt zelfs actueel door de zorg, die men heeft om vóór het Officie eenige oogenblikken in zich-zelven te keeren. — De onvrijwillige verstrooidheden, waaraan men wederstaat, benemen de verdiensten niet van het gebed en kunnen die zelfs vermeerderen; zij benemen ook niets aan de godsvrucht; zij zijn dikwijls een prikkel om den ijver op te wekken en de gedachte aan Gods tegenwoordigheid te hernieuwen. Er bestaat, zegt de H. Pranciscus van Sales, een groot onderscheid tusschen gevoelen en toestemmen.

D God tot ( verr zalit ged: Wij elke of 1 vruc

E vooi

bidc en 1 van bij

B het vooi zust med om wij Zijn god het

ocr page 702

685

III. Met godsviiucht.

De Godsvrucht is de wil, die zich tot God, tot Gods liefde, tot de onderwerping aan Gods wil, tot den dienst van God keert. Om het Officie wel te verrichten en uit deze oefening al de vruchten van zaligheid te trekken die zij voortbrengt, moeten deze gedachten meer of min rechtstreeks ons hart vervullen. Wij zullen ons daaraan gewoon maken, als wij voor eiken dag der week eene bijzondere meening bepalen of zelfs bij elk der verschillende uren. Deze godvruchtige gewoonte verkrijgt meer zeer gemakkelijk.

's Zondags.

Het Officie bidden met de engelen en heiligen die voortdurend in den Hemel Gods lof zingen; — zich eerbiedig in een gevoel van diepe aanbidding stellen;— bidden dat God over de geheele aarde moge gekend en bemind worden; — bijzonder de meening maken van te willen voldoen voor de godslasteringen; — bij elk Gloria Patri zyue meening vernieuwen.

's Maandags.

Het Officie bidden in vereeniging met de zielen in het Vagevuur om hare verlossing te verkrijgen; — voor zijnen geest zijne afgestorven ouders, broeders, zusters, bloedverwanten terugroepen, — alsook onze medezusters, — de priesters, die ons hebben geholpen om het doel onzer roeping te verkrijgen. — Hebbeu wy ons niets ten hunnen opzichte te verwijten? — Zijn wij hun niets verschuldigd? — O bidden wij toch godvruchtig voor hen. Hernieuwen wij onze meening bij het einde van elk uur, als wij zeggen Fidelium animce $ c.

ocr page 703

686

's Dinsdags.

Bidden wij het Officie in vereeniging niet onzen Engel-Bewaarder, die zich gelukkig gevoelt, met ons te bidden, in vereeniging met de Engelbewaarders van al onze zusters. O konden wij eens zien, met welke ingekeei'dheid die engelen bidden. — Vragen om getrouwer de tegenwoordigheid Gods te gedenken, getrouwer naar de inspraken van onzen H, Engel-Bewaarder te luisteren; — bidden om nooit in de bekoring te bezwijken; — onze metning telkens by het woord Deus of Dominas vernieuwen.

's Woensdags.

Het Officie bidden in vereeniging met den fl. Jozef, den beschermer van Jezus en Maria en van al de zielen, die Jezus en Maria bijzonder zijn toegewijd; — vragen om den geest van gehoorzaamheid, getrouwheid en nauwgezetheid te verkrijgen. — De H. Jozef t.och zal gaarne de deugden in ons zien, die hij in Jezus zag. — Vragen wij voor de kinderen of zieken ons toevertrouwd de liefde, die hij voorhetKindje Jezus had.— Vernieuwen wij deze meening aan het einde van eiken Psalm.

's Donderdags.

Bidden wij het Officie in vereeniging met de engelen des tabernakels. — Bedanken wij Jezus-Christus, dat Hij wel onder ons wil verblijven; vragen wij Hem eene groote liefde voor het H. Sacrament en de H. Communie, ;— vergiffenis voor onze srebrekkige

. Ö O

bereiding en dankzegging, — de noodige nederigheid om wel te biechten, en een grooten eerbied voor zijne tegenwoordigheid, zoo dikwijls wij de kapel binnentreden. Vooral op de Communiedagen het Officie

ocr page 704

687

godvruchtig bidden ; — zijne meening vernieuwen , zoo dikwijls men het Benedicamus Domino, Deo Gratias uitspreekt.

's V r ij d a g s.

Het Officie bidden in vereeniging met het verlaten, miskend, en toch zoo liefdevol Hart van Jezus.

Genade van bekeering vragen voor de zondaars; — bijzondere genade voor het huis, waarin wij leven, opdat de zuiverheid, de liefde, de gehoorzaamheid daar immer mogen heerschen; — genade voor de zieken, — genade voor allen. Het Hart van Jezus is voor ons eene onuitputtelyke bron; het Officie dat wij bidden, zal die bron doen vloeien ; — o, zijn wij toch aandachtig en godvruchtig! — Hernieuwen wij onze meening, zoo dikwijls men bidt Deus in adju-torium me urn intende en Domine exaudi orationem meam.

's Zaterdags.

Het Officie bidden in vereeniging met de allerheiligste Maagd Maria, het bidden alsof wij voor haar geknield zaten, als zy bad; — met zulke gedachten moet men wel met gods vrucht bidden. En hoeveel hebben wij Maria niet te zeggen en te vragen, terwijl onze lippen de schoone woorden van het kerkelijk gebed herhalen! Wij moeten haar loven, haar danken, haar gelukwenschen, hare bescherming afsmeeken en haar onze liefde betuigen. Vernieuw uwe meening bij elk Ave Maria, en bij de Antiphonen haar toegewijd.

Wij geven hier nog eene andere wijze om het goddelijk Officie op verdienstelijke wijze te bidden, en die men, in het kort geschreven, steeds in het brevier kan plaatsen, om zich de meeningen beter te herinneren.

ocr page 705

688

Intentikn bij het lezkn van het goddelijk Officie.

Metten.

Lauden.

Zich voorstellen; Den

z. V.

Jezus-Ghristus.

eeuwigen Vader.

Bedanken voor; De

b.

De verlossing.

Schepping.

Zich vereenigen met :

z. V.

De verguizingen

Den doodstrijd van

van Jezus.

Jezus.

Bidden voor: De heilige

b.

Vaderland en fa

Kerk en onze familie.

milie.

Vragen; Den zoeten

v,

Nederigheid.

omgang met God.

Prim en.

T ertiën.

z. v. H. Hart van Jezus.

z. v.

H. Geest.

b. H. Sacrament.

b.

Heiligmaking*.

z. v. Geeseling.

z. V.

Doornen kroon.

b. Congregatie en

b.

Medezusters.

Oversten.

v. Zuiverheid.

v.

Armoede.

Sexten.

Nonen.

z. v. Maria en Jozef.

z. v.

HH. Apostelen en

Patronen.

b. H. Roeping.

b.

Bijzondere gunsten.

z. v. Veroordeeling van

z. V.

Kruisiging.

Jezus.

b. Communauteit en

b.

Vrienden en toe

Parochie.

vertrouwden.

v. Zachtmoedigheid.

V.

Gehoorzaamheid.

ocr page 706

689

Vespers.

z. v. HH. Engelen. b. Gunsten.

z. v. Dood van Jezus. b. Zondaars, v. Liefde tot God en den naasten.

Completen.

z. v. Alle Heiligen. b. Wederwaardigheden.

z. v. Begrafenis van Jezus. b. Geloovige zielen, v. Volharding.


VIII.

fieifiqe. Gomitmnie.

De heilige Communie, dat wil zeggen de — Commune Union — of verééniying tusschen Jezus en de ziel, is wel het grootste, het heiligste, het barmhartigste, het liefdevolste dat ooit bestaan kon, na de verééniging der Godheid met de Menschbeid in de Menschwording en na de Verlossing.

Het menscheliik verstand kan niets troostrijkers uitdenken voor den mensch hier op aarde; de goddelijke almacht kon niets liefdevollers daarstellen.

De H. Communie is de leerschool, de voorsmaak van den Hemel, van het geluk dat men daar geniet, van de vreugde, waarmede men daar overstroomd wordt.

De H. Communie trekt alles aan wat rein is en rein wil blijven, — wat liefderijk is en liefderijker wil worden, — alles wat gevoel heeft voor hetgeen schoon T

44

ocr page 707

690

goed, edel, goddelijk is; en daarom gevoelen de religieuzen zich vooral tot de H. Communie getrokken; zij hadden in de wereld wellicht even dikwijls kunnen communiceeren, doch zij hadden daar niet, gelijk binnen die gewijde muren, die haar van de wereld scheiden, en onder de leiding van een regel, die haar van alle stoffelijke bekommering ontheft, alleen voor en door de H. Communie hunnen leven. Dit heeft haar getrokken, en zij richten tot de H. Communie, gelijk de H. Kerk dit trouwens ook doet, al hare gedachten en al hare daden, en vragen zich vóór elk dezer af; zal zij mij helpen om te communiceeren^ sal zij mij niet beletten te communiceeren ?

Gelukkig de religieuzen, die verdienen dikwijls te mogen communiceeren! Gelukkig zij die op haar sterfbed zich ten hemel zien voorgaan door die talrijke levensdagen in de eenzaamheid doorgebracht, geheel doordrongen en geheiligd door de heilige Communie.

Zien wij dus:

1. De liefde der religieuze voor de H. Communie.

2. De noodzakelijke vergunning voor de H. Communie.

3. Het veelvuldig ontvangen der H. Communie.

4. De akten vóór en na de H. Communie.

A.

De liefde dek heligieuze voor de H. Communie.

I. Moet iemand op aarde de heilige Communie beminnen, zoo is dit, na den priester, voorzeker de God toegewijde ziel, de religieuze.

Zij is slechts religieuze en kan slechts religieuze blijven door de heilige Communie. »Ik begrijp niet, zegde in een hospitaal een luthersch vorst tot eeu

ocr page 708

691

katholiek, hoe het komt, dat uwe liefdezusters onze diakonessen zoo overtreffen ; niettegenstaande alle aanmoedigingen , hebben zij noch die zelfopoffering, noch die. moederlijke zorg, noch die liefde voor de zieken, noch dat vroolijk gelaat uwer Zusters.quot; — » Dat komt,

antwoordde de katholiek eenvoudig, omdat onze . ...

Zusters communiceeren; bijna ieder en dag ontvangen

zij Jezus-Christus, en Hij werkt in en voor haar.quot;

Elke religieuze in wie Jezus-Christus niet woont, niet werkt, — en dit kan de H. Communie slechts bewerken, — sleept zich voort onder het gewicht harer Geloften, gelijk een galeislaaf zich voortsleept onder het gewicht zijner ketenen.

Eene religieuze, die niet naar de heilige Communie verlangt, die zich gemakkelijk van de heilige Communie berooft, die niet tracht dikwijls te mogen commu-ceeren, zal eene religieuze zijn aan wie alles in den levensstaat dien zij omhelsd heeft, weldra zal tegenstaan ; eene religieuze die geen harer plichten getrouw zal volbrengen; zij kan niet beminnen, zij kan niet strijden, zij kan niet lijden, zij kan niet gehoorzamen, zij kan niet bidden.

Maar tegenwoordig is het getal klein dier arme religieuzen, die zich door den geest van alle kwaad, door den schijnheiligen en leugenachtigen duivel laten beheerschen, die, wijl hij haar niet rechtstreeks in zonde kan doen vallen, haar onder voorwendsel van eerbied en overdreven volmaaktheid zoekt te verwijderen van die heilige Tafel, waar zij kracht, leven en vreugde zouden putten. Hoe treurig zien zij er gewoonlijk uit! altijd leest men iets ontevredens en gedwongens op haar gelaat. De religieuzen, die zich uit eigen beweging van de heilige Tafel verwijderen, zijn wellicht nauwgezet, maar met zekeren dwang; zijn zyn ge-

ocr page 709

692

hoonaam, doch alaafs gehoorzaam; zij zijn liefderijk, maar niet minzaam, niet zachtaardig, niet toegevend en vooral niet medelijdend; zij kunnen nog eenvoudig , noch voorkomend wezen; een vroolijk woord ontsticht baar want.... Jezus, zachtmoedig en ootmoedig van harte, woont niet in haar.

II. De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie, omdat Jezus zelf haar uitnoodigt, baar zelfs dringt, tot Hem te komen. — Zij wordt getroffen, als zg bij het lezen van het Evangelie Jezus hoort bevelen , beloven , bedreigen; Jezus die, om ons tot de H. Communie te doen naderen, al de middelen gebruikt, die wij zeiven gebruiken, als wij iemand willen overreden om onzen wil te volbrengen. Zij wordt getroffen, ja diep ontroerd, als zij, door ziekte of lichaamsgebreken belet, in de kapel te komen, Jezus in hare kleine, armoedige cel ziet komen en wederkomen, zoo dikwijls zij het wenscht en het haar wordt toegestaan.

De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie, omdat zij weet dat elke Communie haar tot God verheft, en dat de ware grootheid, waarnaar 7,ij tracht, in God alleen te vinden is. — Ja, hoe nader de ziel bij God komt, hoe hooger zij zich verheft; en wanneer is zij dichter bij God, dan na de H. Communie? Zij maakt slechts één met Hem; elke tusschenruimte tusschen Jezus en haar is verdwenen, en zij mag in alle waarheid zeggen: Jezus woont in mij en ik in Hem ; ik ben het niet meer die leeft, het is Jezus, die in mij leeft; Hij heeft mij deel gegeven aan zijne goddelijke natuur. En in de oogen der engelen en der heiligen wordt het kleinste, het geringste, bet onbeduidendste schepsel der aarde door de H. Communie oneindig grooter dan al de grootste vernuften, dan al de helden, die de wereld toejuicht en bewondert!

ocr page 710

693

De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie, omdat zij hare ziel verrijkt met de kostbaarste genadegiften. — De H. Communie boezemt ootmoed in, beschermt de zuiverheid, vestigt de zachtmoedigheid; door haar wordt het geloof levendiger, de hoop sterker, de liefde vuriger en edelmoediger. Vraag aan eene ziel, die gecommuniceerd heeft, eene liefdedaad of een offer, en gij zult zien of zij zal aarzelen. — Als wij eene ziel konden zien na de H. Communie, welk een verrukkelijk schouwspel zou onze blikken treffen! Wij zouden eene hruid zien met onschuld versierd en schitterend van schoonheid, — eene koningin, bekroond met deugden eu omgeven door den glans der gaven van den II. Geest, — een kind in wiens hart niet alleen de deugden zouden schitteren, die de glorie der Heiligen uitmaken, maar ook die menschelijke deugden welke liefde en bewondering opwekken. De heilige Communie geeft ons Jezus; en is Jezus niet de genade, de schoonheid , de beminnelijkheid, de zoetaardigheid bij uitnemendheid?

De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie, omdat zij haar al de schatten der wetenschap mededeelt, die de hemelsche zaken doet verstaan en beminnen, en die zelfs voor de aardsche zaken een bewonderenswaardig doorzicht, eene buitengewone voorzichtigheid en vooral een praktisch verstand mededeelt, dat haar de misslagen doet vermijden, waarin de wijzen dezer aarde vallen. — De heilige Communie is dikwijls eene bron van licht; de ongeletterdsten hebben er vaak kennissen geput, ver verheven boven die aller geleerden der wereld, en de HH. Kerkleeraars hebben bekend, dat zy in de H. Communie, in dat innig verkeer van Jezus met hunne ziel, waarheden geleerd hadden, welke hunne boeken hun nimmer getoond

ocr page 711

694

hadden. — De H. Communie is eene bron van kracht, van zuivere gedachten, van wijzen raad en godvruchtige gewoonten; zi] is vooral de groote troost in de uren van verlatenheid, van droefheid, van lijden, en bijzonder in de vreeselijke uren van zielsangst.

Het is bij de heilige Communie, dat men het verrukkelijk woord verstaat: Ik ben het; vree* niets! O, wie heeft den vrede niet voelen wederkeeren, wie heeft geene tranen van vreugde gestort, Jezus weder-gevondeu te hebben ?

De getrouwe religieuze bemint de H. Communie, omdat zij door haar de bijzondere genade ontvangt, vastgehecht aan het Vleesch van Jezus-Christns, aan zijn Bloed, aan zijn Hart, aan zijnen Geest, aan zijne Ziel, aan zijne Godheid; want dat alles ontvangt zij in de heilige Communie! —

Communiceeren is in gemeenschappelijk bezit treden der goederen van twee personen die onderling ver-eenigd zijn door banden van vriendschap of belang en elkander bij plechtig contract alles geven wat zij bezitten; en is de heilige Communie geen contract tusschen Jezus en de ziel? God geeft zich aan de ziel, de ziel geeft zich aan God; God geeft zich geheel, zich-zelven en al wat Hij bezit; de ziel geeft zich aan God met al wat zij bezit! O welke groote, welke verheven geheimen vertoonen zich voor de oogen van ons geloof!

Het Vleesch van Jezus-Christus, waaraan eene genade van zuiverheid, van reinheid en heiligheid gehecht is, vereenigt zich met het vleesch van degene die communiceert, zegt Pr Avrillon, en deelt het die genade van zuiverheid, van reinheid, van toewijding mede, die het heiligt, — het aan den geest onderwerpt,— deszelfs natuurlijke neiging naar zinnelijke genoegens

ocr page 712

605

en natuurlijken afkeer van boete en versterving weder-houdt, — die het ondersteunt, behoudt en bewaart.

Het Bloed van Jezus-Christus, waaraan de genade van verzoening gehecht is, vereenigt zich met het hloed dergene die communiceert, voldoet voor haar aan de gestrenge rechtvaardigheid en vereenigt zijne verdiensten met de gebeden, die zij stort om vergiffenis barer zonden te verkrijgen. — Dit goddelijk Bloed ondersteunt haar in de taak, die zij te vervullen heeft, en geeft haar sterkte om haren vijanden moedig het hoofd te bieden.

Het Hart van Jezus, waaraan eene genade van zalving en liefde gehecht is, vereenigt zich met hart van degene die communiceert, en deelt haar een levendig en vurig geloof mede, alsook eene vermeerdering van liefde, welke haar eene goddelijke vreugde doet vinden in de moeielijkste zaken zelfs, die God van hare getrouwheid vraagt.

De Geest van Jezus-Christus, waaraan eene genade gehecht is van bovennatuurlijk licht, om ons veilig op den weg der volmaaktheid te geleiden, vereenigt zich met den geest van degene die communiceert, deelt haar dit licht mede; door de hulp dier stralen, verlicht hij hare verbliudheid, onderricht hare onwetendheid , — lost hare twijfeling op, — voert haar van het dwaalspoor van haren eigenzin, hare vooroordeelen terug, — maakt haar meer onderworpen aan de stem en de bevelen barer Oversten, — geeft baar eindelijk eene volmaakte kennis van God en van zich-zelve.

De heilige Ziel van Jezus, waaraan eene genade van verlossing gehecht is, vereenigt zich met de ziel der-gene die communiceert, en hernieuwt ten barer gunste, zoo dikwijls zij waardig de H. Communie ontvangt,

ocr page 713

696

datgene wat slechts eenmaal op Calvarië geschied is, het offer dat de geheele wereld verlost heeft.

Het Leven van Jezus-Christus, waaraan de genade van het inwendig en bovennatuurlijk leven gehecht is, vereenigt zich met het leven dergene die communiceert, en deelt haar dat leven van genade en vereeniging mede, waardoor hare ziel in Jezus leeft en Jezus in haar.

De Godheid van Jezus, waaraan eene genade van verheffing en gedaanteverandering gehecht is, vereenigt zich met de natuur dergene die communiceert, en trekt haar als uit haar eigen bestaan, om in Gods wezen over te gaan. Zij houdt op te zijn wat zij is, om eenigszins deel te krijgen aan de goddelijke natuur en gelukkig in God hervormd te worden.

Ziedaar de onuitsprekelijke mededeelingen tusschen Jezus en de communiceerende ziel; ziedaar waarom de getrouwe ziel de heilige Communie zoo bemint.

B.

De noodzakelijke atergunning tot de H. Communie.

I. De noodige vergunning tot de H. Communie wordt gegeven door den Regel, welke gewoonlijk twee, somtijds drie communiën per week toestaat.

II. De toelating om buiten de dagen door den Regel gesteld te communiceeren is den gewonen biechtvader voorbehouden.

De Overste mag doorgaans geene Communie toestaan dan alleen in buitengewone gevallen, wanneer zij de toestemming van den biechtvader mag veronderstellen en zijne meening ten gunstigste mag uitleggen. In geen geval mag de Overste de heilige Communie toestaan, als de biechtvader die geweigerd heeft.

ocr page 714

697

Even min als de Overste gewoonlijk eene heilige Communie mag toelaten buiten die door den Regel toegestaan, mag de religieuze die van haren biechtvader daartoe verlof heeft bekomen , daarvan gebruik maken zonder toestemming der Overste, daar dit stoornis en wanorde in de gemeente zou kunnen veroorzaken.

De biechtvader heeft het recht aan de religieuze de communie door den Regel toegestaan te onttrekken.

o o

III. Voor zware misslagen in het openbaar geschied, mag de Overste de H. Communie aan eene religieuze onttrekken , om de communauteit niet te ontstichten; doch zij moet hierin met groote voorzichtigheid te werk gaan.

C.

Het veelvuldig ontvangen deu H. Communie.

(a.) Beweegreden tot het dikwijls ontvangen der heilige Communie.

De religieuze moet streven om dikwijls, ja dagelijks, de H. Communie te mogen ontvangen. Zij, die daarnaar niet zou trachten, zou toonen, dat zij Jezus-Christus niet genoeg bemint; en men zou van haar kunnen zeggen, dat zij God zou doen betreuren, haar tot het religieuze leven geroepen te hebben.

Naar het dagelijksch gebruik der H. Communie verlangen is beantwoorden aan het verlangen van Jezus, die, zooals wij reeds gezegd hebben, ons uitnoodigt, dringt, vraagt, belooft, bedreigt; — het is gehoorzamen aan het uitdrukkelijk verlangen der H. Kerk; — het is de voorbeelden der Heiligen volgen; — het is voor zijne ziel het voedsel en het geneesmiddel trachten te

ocr page 715

698

verkrijgen dat zij noodig heeft; — het is de vurigste begeerte vervullen van een hart, dat voor God geschapen is, dat naar God dorst, daar het slechts in het klooster getreden is om geheel aan God te behooren; — het is God verheerlijken, zooveel een schepsel Hem kan verheerlijken, door Hem tot tabernakel te dienen, en door, om zich daartoe waardig te maken, steeds zuiver, gehoorzaam, godvruchtig, liefderijk te leven.

Communiceer dan dikwijls, zegt de H. Franciscus van Sales, zoo dikwijls als gij dit met de toestemming van uwen biechtvader doen moogt.

Communiceer dikwijls, om de krachten uwer ziel te herstellen, en haar dat voedsel te geven, dat zij behoeft om have plichten op eene wijze te vervullen die verdienstelijk is voor den Hemel. Zonder de veelvuldige Communie wordt die plicht, die altijd eenigszins eentonig is, ten laatste zwaar en moeielijk ; hij wordt zonder opgewektheid, zonder vuur, zonder voedsel voor den Hemel volbracht.

Communiceer dikwijls, om door de kracht van het lichaam van Jezus-Christus uwe ellende, uwe geestelijke ziekten te herstellen en den waren levensgeest in u op te wekken.

Communiceer dikwijls, om u van uwe dagelijksche zonden te zuiveren. De heilige Communie, zegt het Concilie van Trente, is een tegengif om ons van onze dagelijkfche zont]en te verlossen, — om ons te versterken tegen het hervallen in de dagelijksche zonden. De sonde is onze wond, zegt de H. Ambrosius, het H. Sacrament is ons geneesmiddel; gij zondigt dagelijks door kleine zouden; wilt gij niet meer zondigen. dan communiceer dagelijks. — Communiceer dikwijls, om in h de begeerlijkheid te matigen en u voor doodzonde te bewaren.

ocr page 716

699

Communiceer dikwijls, om uwe vereeniging met Jezus-Christus te onderhonden en te volmaken: Die, mijn vleesch eet, tooont in mij en ik in hem. Ons vleesch is met het Vleesch van Jezus vereenigd, zegt de H. Cyrillus, als twee stukken gesmolten was. Het H. Sacrament ontwikkelt die vereeniging, gelijk het aardsche voedsel de krachten van ons lichaam ontwikkelt; om de vereeniging uwer ziel met die uwer medezusters te onderhouden: de heilige Communie vernietigt de begeerlijkheid, die de bron is onzer verdeeldheden, bezielt ons langzamerhand met denzelfden geest, hetzelfde hart, denzelfden wil, en verplicht ons om in vrede met elkander te leven, ten einde ons in staat te stellen van dikwijls te mogen communiceeren. De heilige Communie vernietigt langzamerhand het eigenbelang, de afgunst, de eigenliefde, de lichtgeraaktheid en al die gevoelens, die zoo lichtelijk de harten verdeelen.

Communiceer dikwijls, om licht te verkrijgen: Jezus-Christus is het licht, dat alle menschen verlicht, die in deze werehl zijn gekomen; — om u te helpen in uwe moeielijkheden en opofferingen, — om u te troosten en aan te moedigen, om eindelijk de volmaaktheid te bereiken: Jezus-Christus is de weg, de waarheid en het leven.

(b.) Vereischten tot het dikwijls ontvangen der heilige Communie.

I. Eiken Zondag communiceeren maakt de veelvuldige communie niet uit. In de communauteiten waar de Regel twee communiën toelaat, kan men nog zeggen, dat dit voor eene religieuze de veelvuldige communie niet is; doch als er drie toegelaten worden,

ocr page 717

700

het hoogste getal dat de Regel raag toestaan, zou dit als veelvuldige Gommunie beschouwd worden, en men moet dan de vereischte gesteltenis daarvoor vragen, zegt P. Meijnard.

II. Om eene goede Communie te doen, en in algemeenen zin de vruchten te verkrijgen, waarvoor zij door Jezus-Christus is ingesteld, te weten om de ziel te voeden en te versterken, moet de ziel vrij zijn van doodzonde.

III. Zal de heilige Communie deze vruchten ten volle dragen, zooals de religieuzen dit vooral moeten verlangen, dan moet de ziel:-

1. Vrij zijn van dagelijksche zonde; en het is haar gemakkelijk, zich vóór de communie te zuiveren van alle dagelijksche fouten, welke zij bedreven heeft. Zij kan dit door eene akte van liefde of berouw,— door het teeken van het heilig Kruis godvruchtig met gewijd water te maken met de meening zich van hare zonden te zuiveren, — hetzij door zich met dezelfde meening te veréénigen met den priester die aan den voet des Altaars het Confiteor bidt, — hetzij door hare fouten te leggen bij de H. Hostie en Jezus te bidden, ze te willen vergeven en gedurende de H. Mis daarvoor te willen voldoen.

1. Vrij van alle gehechtheid aan de dagelijksche zonde. Dit wil zeggen, dat zij elke vrijwillige fout moet vermijden; dat, indien zij in die soorten van fouten valt, dit meer door verrassing, dan vrijen wil voortkomt, en dat zij gewoonlijk werke om alles te vermijden, wat tot die zonden kan geleiden. Al zou zij dikwijls in dagelijksche zonden vallen, zoo moet haar dit niet van de heilige Communie verwijderen , als zij er zich over vernedert, ze betreurt, ze door meerdere getrouwheid zoekt te herstellen.

ocr page 718

701

De dagelijksclie fouten, zegt Feaelon, moeten, wel verre van ons de Communie te doen achterlaten, ons aanzetten, om dikwijls dit groote geneesmiddel te zoeken. Het H. Sacrament des Altaars is niet ingesteld voor de engelen, die niet kunnen zondigen, maar voor zondige, zwakke, ouvolraaakte menschen; en zij is het tegengif dat ons zuivert van de dagelijksche zonden, en ons behoedt voor zwaren val (Conc. Trid. Sess. XIII, Gap. Ilde Euch).

D.

Voor en na de H. Communie.

Wij geven hier geene bijzondere methode voor de voorbereiding tot de H. Communie, noch voor de dankzegging.

Het leven eener religieuze, dat geregeld, armoedig, liefdadig, werkzaam, opgeruimd, aan alles en aan allen onderworpen leven, is in zich-zelven eene voortdurende voorbereiding, en wordt ook eene voortdurende dankzegging. De H Communie vormt geene gebeurtenis in het leven der religieuze, het is slechts een half uur van dat zoowel besteedde leven; doch het is het half uur bij uitnemendheid, waarheen al de vorige uren zich richten, en dat zijn invloed zal doen gevoelen aan de uren die gaan volgen.

Daarom maakt dan ook naarmate dat het uur nadert, de gedachte, ik ga communiceeren, ik ga God in mijn hart ontvangen, diepen indruk op de ziel; en reeds bij het ontwaken, gedurende de meditatie en de H. Mis, vervullen de treffendste beelden de ziel.

Hij komt, mijn Meester, om te zien, of alles in zijn gebied in orde is, — of er geene wanorde, geene

ocr page 719

702

ontsteltenis heerscht, — of niemand datgene wat Hij gisteren daar geplaatst heeft, omver heeft geworpen, of wel daar iets gebracht heeft dat Hem mishaagt....

Hij komt, mijn Vader, om mij een nieuw bewijs zijner toegenegenheid te geven, mij te vragen, of ik Hem altijd bemin, of ik steeds aan Hem denk, om myne beden, mijne zuchten, mijne klachten aan te hooren. —

Hij komt, mijn Geneesheer, om zijne zieke te bezoeken, de bekentenis harer onvoorzichtigheden, de middelen die zij heeft aangewend, de zwakheden waarin zij gevallen is, aan te hooren,.... om te zien, of Hij haar moet genezen of nog laten lijden....

Hij komt, mijn Middelaar, mijn Beschermer, mijn Raadsman, mijn Gids.

Jezus is voor de ziel alles wat zij behoeft, alles wat zij noodig heeft. Hoe zou men bij deze gedachte niet als van zelve akten van geloof, van hoop, van eerbied, van ootmoed, van aanbidding, van vreugde, van verlangen in zich voelen opwellen en wanneer na de heilige Communie Jezus in u verblijft, o bid dan zachtjes uw heiligen Engelbewaarder, Jezus niet alleen te laten; bid Maria u ter hulp te komen en zie.... Ja, het is wel uw Meesier, uw Vader, uw Geneesheer,\mBeschermer, uw Raadsman, uw Vriend;... aanbid Hem, bedank Hem, en offer u vooral aan Hem op. Het schoonste en godvruchtigste gebed is zeker dat van den H. Ignatius. Ontvang, Heer, mijne vrijheid, — mijn geheugen, mijn versland, al de genegenheden mijns harten; — al wat ik heb, cd wat ik bezit, heb ik van u ontvangen; ik geef het u iceder, o Heer, en stel mij volkomen ter beschikking van Uwen toil. Geef mij Uwe liefde. Uwe heilige genade, en ik ben rijk genoeg en vraag niets meer!

-

ocr page 720

703

Ga zoetjes in vrede heen! zeg in uw hart: Ik ga te midden mijner zusters den vrede, de zachtmoedigheid, de minzaamheid., de liefde van Jezus brengen! En bepaal eenige oogenblikken van den dag, waarop gij tot u zelve zegt: Dezen morgen heb ik Jezus in mijn hart ontvangen.

sste iïooifidstxjik:.

Het le-ven. van tj-olxMl.

I. Het leven van gebed, dat leven in vereniging met God, is eigenlijk het leven der religieuze.

Van gebed leven is onophoudelijk aan God denken volgens het voorschrift van Jezus-Christus: Bid zonder ophouden.

De ziel, die zich aan God heeft opgedragen door de religieuze Geloften, wilde niet alleen, gelijk alle schepselen, aan God toebehooren; maar zij wilde dichter bij God zijn, en het zich tot eene onmogelijkheid maken, zich van Hem te verwijderen; zij wilde op stoffelijke wijze met God vereenigd leven, door zijn kleed te dragen, zijn werk te doen, zijn huis te bewonen; maar bovenal wilde zij met Hem vereenigd leven met hart en ziel, en deze verééniging maakt haar hare religieuze plichten zoet en aangenaam.

Zij bemint God, en dien God, dien zij bemint, verlaat zij zelfs niet in gedachte. Aan Hem alleen wil zij behagen, voor Hem alleen wil zij werken, om Hem alleen wil zij alle schepselen beminnen.

ocr page 721

704

Zij strijdt, doch alleen om zich niet te scheiden van haren God, van wien de duivel haar zoekt af te trekken; en hoe hardnekkig, hoe langdurig die strijd ook moge wezen, altijd zal zij dien met dezelfde getrouwheid blijven voeren.

Zij lijdt, maar met vrede en vreugde onder het oog van den God, die haar zelf dat lijden overzendt; en zij omhelst haar kruis, omdat het haar meer gelijkvormig maakt aan den Meester, dien zij aanbidt.

Zij gehoorzaamt, en de gehoorzaamheid is haar een zoete plicht, omdat zij daardoor dichter bi] God komt; het is God die haar roept, die haar zendt, die haar dit werk oplegt, en door de gehoorzaamheid blijft zij steeds met Hem veréénigd.

II. Het leven van gebed, dut leven van vereeniging met God, laat zich samenvatten in deze weinige woorden, welke trouwens geheel den inhoud van dit boek uitmaken: denken als Jezus, — oordeelen als Jezus, — beminnen als Jezus, — handelen als Jezus.

De gedachten van Jezus waren allen tot God gericht. De uitwendige zaken hielden Hem slechts bezig, voor zoo ver zij tot God geleidden. Daaruit vloeide die gedurige vereeniging voort met God in de vermoeiendste werkzaamheden zijner loopbaan, alsmede de gemakkelijkheid om van het werk tot het gebed over te gaan, of beter gezegd, van aanhoudend te bidden.

De oordeelen van Jezus hadden geen anderen regel dan de oordeelen van God. Er was in Hem als een rechterstoel, waar God voorzat, en volgens zijn goddelijk licht werden de zaken des levens, het lijden, de vreugden, het werk geoordeeld.

De liefde van Jezus behoorde aan God alleen, en had geen ander doel, dan aan zijnen Vader de Hem verschuldigde eer te bewijzen, — de beleedigingen te

ocr page 722

705

herstellen, Hem door de schepselen aangedaan, — zijnen wil in alles te vervullen, — Hem te doen kennen, beminnen en dienen door al zijne schepselen ; en om dit doel te bereiken was geen offer Hem te zwaar.

Het leven van Jezus is een altjjd werkzaam leven geweest; maar die werkzaamheid ontsproot uit den geest Gods, die Hem bezielde. Deze geest was de ziel zijner ziel; Hij sprak, Hij bad, Hij werkte. Hg onderrichtte, maar het was de geest Gods, die in Hem sprak, bad, werkte, onderrichtte. Uit mijzelven, zegt Hij, doe ik niets. (Joa. VIII, 28.) Wat ik u zeg, zeg ik u niet uit mij zeioen: maar mijn Vader, die in mij blijft, Hij doet de werken. (Joa. XIV, 10.)

III. Het leven van gebed, van verééniging met God, vindt zich geheel terug in de volgende bladzijde, die wij in alle waarheid de dagorde der religieuze mogen noemen.

Alles door Jezus, alles met Jezus.

Ik leef niet meer, maar Jezus leeft in mg.

Ik werk niet meer, maar Jezus werkt in mg.

Ik bemin niet meer, maar Jezus bemint in en door mg.

Ik moet dus al mijne daden verrichten, zooals Jezus ze gedaan zou hebben.

Ik moet dus geen enkel oogenblik de tegenwoordigheid van Jezus uit het oog verliezen.

Jezus is mijn Helper, en doet de helft van hetgeen ik moet doen.

Hij is mijn voorbeeld, en fluistert mij in, hoe Hij dien plicht, mij opgelegd, zou vervullen.

Hij is mijn steun, Hij bemoedigt mij om de vermoeienis en de verveling te verdragen.

45

ocr page 723

706

Hij is mijne helooning, en telt elke minuut van den tijd, dien ik in plichtsvervulling doorbreng, om mg voor elke minuut te beloonen.

Hij is mijn beschermer, Hij verwijdert den duivel, terwijl ik bid of werk. Hij verwijdert van mij de kwaadwilligen , of versterkt mij tegen hunne woorden, nooit toelatende dat ik boven mijne kracht beproefd worde.

O hoe teeder bemin ik Jezus!

In mijne recreatie denk ik aan zijne zachtmoedigheid, zijne goedheid, ziju bestendigen glimlach. Hij verstoot niemand. Hij veracht niemand. Hij is altijd dezelfde, vol voorkomendheid, vol minzaamheid, nimmer ongenegen tot dienstbetooning, — steeds verheugd zich voor anderen te kunnen opofferen.

In mijne gesprekken spreek ik somtijds van Hem; ik spreek ten minste in zijne tegenwoordigheid, opdat niets onbeleefds, niets onbetamelijks, niets onvoorzichtigs mij ontsnappe. — Ik gevoel mij gelukkig, als ik anderen kan aanzetten om Hem te beminnen; en word ik naar de spreekkamer gezonden, dan zij mijne eerste gedachte: Geef, o Heer, dat ik ümoge doen beminnen...!

In mijne studiën denk ik aan de goedheid, waarmede Jezus zijne discipelen ouderwees, hun uitleggende wat zij niet begrepen; en ik stel mij voor, dat Hij tot mij spreekt door de boeken, welke ik lees, Hij, wien ik met eerbied en dankbaarheid aanhoor. Ik roep Hem aan in moeielijkheden; — ik onderwerp mij, als ik eenige vernedering onderga, of eenige zwarigheid ontmoet; ik bedank Hem, als ik in een of ander wel mag slagen; want het is Jezus, mijn Meester, die mijn verstand verlicht heeft.

Bij mijne maaltijden denk ik aan zijne matigheid, zijne soberheid, zijne versterving; met welke goedheid Hij zelf zijne apostelen bediende, met welke liefde

ocr page 724

707

Hij mirakelen deed om de armen te voeden. O hoe gelukkig gevoel ik mij, als ik, daar en altijd, de dienares mijner zusters mag zijn, wanneer ik mij iets kan onttrekken om het haar te geven!

In mijne gebeden stel ik mij dicht bij Jezus, en hoor Hem tot mij zeggen: Al wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, zal Hij u geven; en ingetogen gelijk Hij, herhaal ik gaarne eenige der woorden, die Jezus in zijn gebed uitsprak: Vader, uw wil geschiede, niet de mijne. Vader, geef ons heden ons dagelijksch brood. Mijn Vader, mogen allen U kennen en ü verheerlijken!... En ik beveel Hem mijne commu-nauteit, mijneOverste, mijne medezusters, mijne familie, en al degenen, die mij helpen om Hem te beminnen.

Bij mijn handwerk denk ik aan het werk dat Jezus verrichtte, wellicht het zelfde als wat ik doe. Hij deed alles wat Hem opgelegd werd, en Hij deed het op volmaakte wijze. Hij verliet zijn werk, zoodra men Hem riep, hervatte het of liet het weder rusten; Hij beklaagde zich noch over den langen duur, noch over de eentonigheid, noch over de moeielijkheid van zijn werk; Hij, de Alwetende, schaamde zich niet aan Maria, aan Jozef te vragen: hoe moet ik dit doen? en getrouw hunnen raad te volgen.

In mijne moeielijkheden roep ik Hem en wacht. Ik weet dat Hij bij mij is, en al zegt Hij niets, toch vrees ik niet; Hij zal wel beletten dat ik te zeer gedrukt worde, dat de verveling te lang dure, dat de bekoring te hevig worde voor mijne zwakke kracht. Ik roep Hem aan, ik weet dat Hij zal komen, als zijn uur daar is; en hoewel misschien met de tranen in de oogen, met de zucht op de lippen, zet ik mijn arbeid, mijn gebed, mijne levenswijze voort.

In de beproevingen en kruisen, mij do«r de Voor-

ocr page 725

708

zienigheid beschikt, stel ik mij dichter bij Jezus; en vind ik Hem niet aan mijne zijde, dan ga ik Hem

zoeken..... Ik vind Hem in de armen der H. Maagd,

die mij zeker haar Kindje geeft, als ik godvruchtig een tientje van mijn rozenkrans bid; — ik vind Hem te midden der armen, die ik ga bezoeken, der kinderen die ik moet onderrichten; ik vind Hemr als ik mij edelmoediger toeleg op den plicht mij door de gehoorzaamheid opgelegd; — ik vind Hem in het huisje van Nazareth, aan zijn ruw kruis, en de kruisweg, dien ik in de kapel ga bidden, geeft mij Jezus terug met den vrede, de rust, de gelatenheid. Ik vind Hem eindelijk in de H. Communie, en dan zeg ik tot Hem : Heer, verlaat mij niet meer! verlaat mij niet meer!

In mijn slaap denk ik aan Jezus en zie Hem rustig slapend, dan eens in de armen van Maria, dan in de kribbe te Bethlehem, dan in het scheepje door de golven geslingerd, en ik zeg tot Hem: O Jezus, ik wil ook met U in vrede rusten; ik wil, dat mijn hart steeds wake; ik wil, dat gedurende mijnen slaap elke mijner ademhalingen een zucht van liefde zij; ik wil, dat bij mijn ontwaken mijn eerste woord zij: »Mijn Jezus, ik bemin U!quot;

O hoe zalig is een dag aldus met Jezus vereenigd doorgebracht!

Gebed om bel leven Tan vereeniging met Jezus te vragen.

Mijn Jezus, goddelijk voorbeeld, dat wij allen moeten volgen, Jezus die zoo dikwijls in ons komt door de H. Communie, Jezus zonder wiens hulp wij niets vermogen, met wien wij alles kunnen, leef in mij nu en altijd.

Leef in mij nu om mij uwen zegen te geven, maar een zegen, die de zonde van mij verwijderd houde, die mij tegen de bekoring versterke, mij in de genade

ocr page 726

709

behoude, mij voor alle gevaar beware, mij in het goede doe volharden.

Wees met mij in mijne gebeden, om mij de verdiensten der uwe en de heilige gesteltenis, waarmede Gij gebeden hebt, mede te deelen; dat ik in U, door U en met U verhoord worde in mijne beden om alles wat mij nuttig en noodzakelijk is.

Wees met mij in de H. Mis, om mij al de vruchten, daarvan voor mijne tijdelijke en geestelijke behoeften toe te passen, om in mij het offer van mij zelve te bewerken, ten einde ik slechts één slachtoffer, één zuiver en smetteloos offer met u worde.

Wees met mij bij mijn werk en de uitoefening mijner bediening om dit alles te zegenen, ten einde ik mij voege naar den goddelijken wil, die verlangt, dat ik mg volgens de gehoorzaamheid bezig houde.

Wees met mij in mijne twijfelingen om mij met voorzichtigheid en wijsheid datgene te doen kiezen wat het meeste uwe glorie kan bevorderen.

Wees met mij in mijne maaltijden om mij de matigheid en de versterving te doen oefenen.

Wees met mij in mijne uitspanningen om mij eene zoete, vreedzame, stichtende blijdschap mede te deelen.

Wees met mij in mijne gesprekken om mij op tijd te doen zwijgen, en leg op mijne lippen woorden van stichting, van goedheid, van kracht, van troost.

Wees met mij bij het lezen en studeeren om mij uw licht mede te deelen, opdat mijn geest zonder ijdelheid verlicht en mijn hart versterkt worde.

Wees met mij in mijn lijden, mijne droefheid, mijne vernederingen om mij troost, geduld en onderwerping mede te deelen.

Wees met mij in voorspoed om mij dankbaarheid en ootmoed te leeren.

ocr page 727

710

Wees met mij in alle gewone en buitengewone omstandigheden , waarin gij ziet dat ik mij zou kunnen bevinden, om mij van het kwade te verwijderen en my het goede te doen betrachten, waartoe de gelegenheid zich aanbiedt.

Wees met mij als ik me ter ruste begeef, om mij in uw heilig Hart te verbergen en mij te zuiveren van al het kwade, dat ik in den loop van den dag mocht bedreven hebben; gedurende mijnen slaap om elke verbeelding, elk ongeval van mij te verwijderen, dat mij zou kunnen schaden; bij mijn ontwaken om heilige gedachten in mijnen geest, heilige begeerten in mijn hart te storten; bij mijn opstaan om mij het offer in te fluisteren, dat ik van mij zelve moet brengen, om mij den dag heilig te doen aanvangen en doorbrengen.

Wees in mijn inwendig om al deszelfs bewegino-en te regelen, in mijn uitwendig, opdat het stichtend zij. Geef mij in alles en overal uwe hulp om uwe deugden na te volgen, opdat in mij de Hemelsche \ader door ü, o Heere Jezus, moge verheerlijkt worden. O Jezus, gij zijt mijne eenige hoop; Jezus, voor wien ik alles verlaten heb, kom in mij, blijf in mij, leef in mij! Amen.

!ll tt i

A M. D. G.

ocr page 728

IITHlOTJID-

EERSTE DEEL.

Bladz.

Natuur van den Religieuzen staat: . . 6

1° HOOFDSTUK...........6

Onthecht...........7

Toegewijd...........9

De ziel in betrekking tot God. . . .14

2e HOOFDSTUK...........18

Over het bestuur........18

Ten opzichte der Overste.....22

Ten opzichte der Regeltucht .... 23

3« HOOFDSTUK...........25

Over de personen, die den Religieuzen

Staat omhelsd hebben......25

Van den kant van God......2d

Van den kant der H. Kerk.....31

Voor de H. Professie.......31

Na de Professie........ . 34

Hoedanigheden eener goede Religieuze. 37

4e HOOFDSTUK. ,.............39

Wat den Religieuzen Staat uitmaakt. . 39

Over de Geloften in het algemeen . . 40

Over de Kloostergeloften......41

ocr page 729

II INHOUD.

Bladz.

5® HOOFDSTUK...........49

Voordeelen van den Religieuzen Staat. 49 Geluk van den Religieuzen Staat, uit

geheel menschelijk oogpunt beschouwd 51

Eerbetoon en waardigheid.....51

Goederen en Rijkdommen.....54

Genot en Genoegen.......55

Geluk van het Religieuze leven uit het

geestelyk oogpunt beschouwd ... 60 De Religieuze leeft met meer zuiverheid

en met meer verdiensten.....62

De Religieuze valt zeldzamer .... 63

De Religieuze staat sneller op. . . . 64

De Religieuze wandelt voorzichtiger. . 65

De Religieuze ziel ontvangt meer genaden. 65

De Religieuze ziel geniet meer vrede . 66

De Religieuze sterft met meer vertrouwen 66

De Religieuze heeft korter Vagevuur. . 67 De Religieuze ziel verwerft eene schoonere

kroon...........68

6e HOOFDSTUK...........71

Over de moeielijkheden die men in den

Religieuzen Staat kan aantreffen . . 71

7« HOOFDSTUK...........78

Over de gebreken die den Religieuzen

geest kunnen vernietigen.....78

Nalatigheid in de Godvruchtige Oefeningen ...........81

Gebrek aan nauwkeurigheid.....82

Gebrek aan voorkomendheid en beleefdheid 83 ^Gebrek aan stilzwijgendheid en ingekeerdheid.........0 ... 84

Overdreven zorg voor de gezondheid. . 85

Overdreven of zonderlinge Godsvrucht . 87

ocr page 730

inhoud. ill

filadz.

De bijzondere Vriendschappen ... 88 Omgang met de wereld en begeerte naar

nieuwstydingen........89

Welke geest kan zich in de gemeente dringen ?.........90

TWEEDE DEEL.

Verplichtingen van den Religieuzen Staat. . 94

Eerste Verplichting der Religieuze.

BEMINNEN.......97

le HOOFDSTUK..........99

De Religieuze moet God beminnen. . 99

Aktikel 1. Beweegredenen der liefde tot God 99

I. God verdient dat gij Hem bemint. 99 II. De goedheid van God eischt dat gij

Hem bemint........102

III. Uw titel van Religieuze verplicht

u God te beminnen.....106

Artikel 2. Kenmerken der liefde Gods. . . 109

Artikel 3. Oefening der liefde Gods. . . . 118

I. God beminnen is aan God denken. 119 II. God beminnen is dikwijls tot God

spreken.........123

III. God beminnen is van Hem spreken 126

IV. God beminnen is alles vermijden wat

Hem kan mishagen.....129

ocr page 731

INHOUD.

Bladz,

1. Gevolgen der dagelijksche zonden, 131

2. Voornaamste fouten waaraan de

Religieuzen zich gemakkelijk overgeven. ....... 133

V. God beminnen is altijd doen -wat

Hem behaagt........137

VI. God beminnen is bij anderen vernietigen wat men weet aan God

te mishagen........139

VII. God beminnen is niets willen dan wat God wil, en tevreden zyn met alles wat God toelaat . . . 143 VUL God beminnen is in alle zaken op

Hem vertrouwen......147

IX. God beminnen is verlangen om met

Hem vereenigd te zijn . . . . 150 X. God beminnen is Jezus in het Tabernakel beminnen......159

XI. God beminnen is Maria beminnen. . 165 Artikel 4. Belooning der liefde tot God . . 169

I. De vrede.........170

H. De zachtmoedigheid van inborst. . 173

2® HOOFDSTUK..........176

De Religieuze moet haar evennaasten beminnen

Artikel 1 Beweegreden der naastenliefde . 176 I. God wil dat wij den evennaaste

beminnen.........176

II. De evennaaste verdient dat men

hem beminne.......181

III. Uw titel van religieuze verplicht u

uwen evennaaste te beminnen. . 183

IV

ocr page 732

inhoud. v

Bladz.

IV. De vreeselijke straffen waarmede zij bedreigd worden, die het gebod

der liefde overtreden.....187

Artikel 2. Kenmerken der naastenliefde . . 189

I. Natuur der toewijding.....189

11. Doel, beweegreden, maat der naastenliefde ..........191

III. Hoedanigheden der liefde. . . . 194

Artikel 3. Beoefening der naastenliefde . . 195

I. Den evennaasten beminnen is geen

dag voorbij laten gaan zonder hem eenigen dienst te bewijzen . . . 195 II. Den evennaasten beminnen is voor de zaligheid zijner ziel en het welzijn van zijn lichaam alles opofferen wat men heeft.......198

III. Den evennaasten beminnen is trach

ten zich de zoogenaamde kleine deugden eigen te maken, om hem

/-v

het leven aangenamer te maken. 204

IV. Den evennaaste beminnen is geduldig

zijne gebreken verdragen. . . . 212 V. Den evennaaste beminnen is zijn

welzijn behartigen......215

VI. Den evennaaste beminnen is medelijden met de lijdenden gevoelen. 217 VII. Den evennaaste beminnen is het

welzijn zijner ziel bevorderen , , 218

OoitZAAK der fouten tegen de zusterlijke liefde.

I. De onverschilligheid......223

II. De baatzucht........228

III. De geest van eigendom .... 234

ocr page 733

inhoud.

Bladz.

IV. De zinnelijkheid of bijzondere vriend

schap ..........285

V. Laatste raadgevingen.....240

Artikel 4. Belooning der naastenliefde. . . 243

I. Het beoefenen der naastenliefde maakt

ons goedaardig.......245

II. Het beoefenen der naastenliefde maakt

ons gelukkig........246

UT. Het beoefenen der liefde vereenigt

de harten.........248

Gebed om goedheid en zelfopoffering te verkrijgen ............249

TWEEDE DEEL-

Verplichtingen van den Religieuzen Staat. Tweede Gecleelte.

Strijden , — Lijden , — Gehoorzamen , — Bidden.

Tweede verplichting der Religieuze.

STRIJDEN . ......253

le HOOFDSTUK...........355

De noodzakelijkheid van dezen strijd.

I. Deze strijd is noodzakelijk voor alle

menschen......... 256

II. Deze strijd is vooral noodzakelijk

voor de Religieuze......260

vi

ocr page 734

ikhoüd. tij

Bladz.

HOOFDSTUK .........264

Hoe moet men strijden.

Eerste Afdeeling: Voorzorgen nemen . 265

I. Versterving der zintuigen. . . . 267

II. Versterving der neigingen. . . . 273

Tweede Afdeeling; Worstelen .... 281

HOOFDSTUK..........285

De vijanden, die men moet bestrijden.

Eerste Artikel.

Zinsbedrog omtrent den religieuzen geest.

I. De natuur van den religieuzen geest. 287

II. Beoefening van den religieuzen geest. 291

III. Hoedanig het zinsbedrog ons den

religieuzen geest voorstelt , . . 297

IV. Hoe het zinsbedrog den religieuzen geest verwoest.......303

Portret der Religieuze geleid door den Geest van God, en der Religieuze geleid door den geest der wereld.......307

I. De Religieuze in haar inwendig leven 307

II. De Religieuze in haar uitwendig leven 312 ITT, De Religieuze in geheel haar gedrag. 317

Tweede Artikel.

Zinsbedrog omtrent de gehoorzaamheid.

I. Hoedanigheid der gehoorzaamheid . 320

II. Bron der zinsbegoochelingen omtrent

de gehoorzaamheid. ..... 325

ocr page 735

INHODD.

IK* Natuur der zinsbegoochelingen omtrent de gehoorzaamheid le Zinsbegoocheling. 2e Zinsbegoocheling. 3e Zinsbegoocheling. 4e Zinsbegoocheling. 5e Zinsbegoocheling. 6e Zinsbegoocheling......

IV. Treurige gevolgen der ongehoorzaamheid .......

Derde Artikel.

Zinsbedrog omtrent de armoede.

I. Natuur der Gelofte van armoede . II. Natuur van de deugd der armoede. III. Omvang der Gelofte en der deugd

van armoede........

IVquot;. Hoe zondigt men tegen de Gelofte van armoede......

V. Hoe zondigt men tegen de deucrd

van armoede........

VI. Bron der zinsbegoocheling omtrent

de armoede......

VII. Verschillende zinsbegoochelingen omtrent de armoede . . . . .

Vierde Artikel.

Zinsbedrog omtrent de zuiverheid.

I. Natuur en omvang der deugd en

der Gelofte van zuiverheid . II. Schoonheid en voordeden der zuiverheid. . . .

Bladz.

327 327 330 334

343

344

345

350

357

358

360 3 f32

366

367 372

384 388

ocr page 736

INHOUD. IX

Bladz.

III. Voorzorgen om de zuiverheid te

bewaren.........390

IV. Verschillende zinsbegoochelingen

omtrent de zuiverheid.....394

1. Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, omdat men geene neiging voor het huwelijk gevoelt. . 394

2. Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, omdat men geene bekoringen tegen die deugd gevoelt. 397

3. Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, terwijl men eene tee-dere genegenheid voedt voor eene medezuster....... . 398

4. Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, terwijl men zich we-reldsche gemeenzaamheden veroorlooft ..........400

5. Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, terwijl men zich alle vrijheid in het lezen veroorlooft . 401

G. Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, zonder dat men de versterving beoefent.....403

7. Men vreest de zuiverheid verloren te hebben, als men hevig bekoord wordt..........406

8. Men gelooft verplicht te zijn, de bekoringen tegen de zuiverheid rechtstreeks te bestrijden. . . . 409

9. Men gelooft de bekoringen tegen de zuiverheid door bijzondere boet-plegingen en vasten te moeten bestrijden.........411

ocr page 737

X INHOUD.

Bladz,

10. Men gelooft zich geene enkele genegenheid te mogen veroorloven en zich zelfs niet aan zijne Com-munauteit te mogen hechten . . 414

Vijfde Artikel.

Zinsbedrog omtrent de gevaren van het religieuze leven.

I. Gevaren, voortspruitende uit het geheugen, de verbeelding, het oordeel 421

11. Gevaren, voortspruitende uit het hart 423

III. Gevaren, voortspruitende uit den wil 425

IV. Gevaren, voortspruitende uit de zinnen..........42G

V. Gevaren, voortspruitende uit dén

Regel en de bediening .... 426

1. De sleurgang......427

2. De onachtzaamheid in kleine

zaken . , . •.....428

3. De lauwheid......432

Zesde Artikel.

Zinsbedrog omtrent de eigenwaarde.

I. Uitwerkselen van het zinsbedrog omtrent de eigenwaarde.....442

II. De geneesmiddelen tegen het zinsbedrog omtrent de eigenwaarde . 448

Zevende Artikel.

Zinsbedrog omtrent de volmaaktheid.

I. Verschillende zinsbegoochelingen omtrent de volmaaktheid.....462

ocr page 738

INHOUD.

Bladz.

1. Zinsbedrog omtrent de natuur

der volmaaktheid.....462

2. Zinsbedrog omtrent de kentee-

kenen der volmaaktheid. . . 464

3. Zinsbedrog omtrent de noodza

kelijkheid der volmaaktheid . 466 11. Natuur der volmaaktheid .... 472

III. Noodzakeliikheid van het streven

naar de volmaaktheid.....477

IV. De wijze waarop men naar de vol

maaktheid moet trachten. . . . 478

V. Teekenen waaraan men kan erken

nen , of men in de volmaaktheid vordert..........481

VI. Oefening der volmaaktheid . . . 484

A. Regels om onze werken wel te

doen.........484

B. Toepassing der regels om al

onze werken wel te doen . 488 VII. Trappen der volmaaktheid. . . . 494 VIII. Listen van den duivel om ons van de

volmaaktheid te verwijderen. . . 497

Derde verplichting der Religieuze.

LIJDEN........501

HOOBDSTUK..........5C2

NoodsaJcelijkheid van het lijden. I. De noodzakelijkheid van het lijden is voor alle menschen in het algemeen gegrond op onze natuur, welke tot straf der erfzonde gevoelig is geworden voor de smart en tot

lijden is veroordeeld.....502

40

XI

ocr page 739

INHOUD.

Bladz.

II. De noodzakelijkheid van het lijden rust voor alle menschen in het algemeen op hunne persoonlijke zonden, die zij noodzakelijk moeten boeten........504

III. De noodzakelijkheid van het lijden

is gegrond voor alle menschen in het algemeen op de noodzakelijkheid van te strijden, reeds in het vorig hoofdstuk aangetoond. . . 505

IV. De noodzakelijkheid van het lijden

is gegrond op de verplichting van den Hemel te verdienen .... 506 V. De noodzakelijkheid van het lijden is gegrondvest voor alle menschen in het algemeen en voor de religieuzen in het hijzonder op de verplichting van gelijkvormig te worden aan Jezus-Christus .... 507

VI. De noodzakelijkheid van het lijden is voor de religieuzen in het bijzonder gegrond op de verplichting van, naar aanleiding harer Geloften,

slachtoffers te zijn......509

VII. De noodzakelijkheid van het lijden is voor eenige zielen gegrond op de keuze die God in zijne goedheid van haar als tot bijzondere slachtoffers gemaakt heeft . . . 512 VIII. De noodzakelijkheid van het Igden is voor eenige zielen in het bijzonder gegrond op de bijzondere liefde, die God haar toedraagt. . 513 IX. De noodzakelijkheid van het lijden

XII

ocr page 740

INHOUD. XIII

Bladz,

is bijzonder voor de religieuze gegrond op de verplichting van de liefde, die zij God toedraagt, in alle zuiverheid te bewaren . . . 516

2e HOOFDSTUK..........518

Natuur en oorsaak van het lijden.

3® HOOFDSTUK..........522

Verschillende vormen van het lijden.

1. De dorheid en de angstvalligheid

der ziel.........522

11. De vernedering.......528

HL De bekoringen.......536

1. Waarom laat God de bekoring toe? 537

2. Verschillende soorten van beko

ringen ......... 539

3. Hoe men zich tijdens de bekorin-

ringen behoort te gedragen . . 543 TV. De ziekten en de lichamelijke gebreken..........546

§ 1. De ziekten.

I. Voordeelen der ziekten.....547

II. Zinsbedrog omtrent de ziekten . . 551 III. Hoe behoort men zich in ziekte te

gedragen.........553

§ 2. Lichamelijke gebreken.

V. De gewetensangsten......558

1. Natuur van de gewetensangsten . 558

2. Uitwerkselen van de angstvallig

heid van geweten.....559

ocr page 741

XIV INHOUD

Bladz

3. Verschillende soorten van gewe

tensangsten .......550

4. Middelen tegen degewetensangsten 562

4e HOOFDSTUK..........566

Hoe men het lijden verdragen moet.

I. Voorbeelden ter navolging . . . 567

II. De godvruclitige gedachten . . . 572

5« HOOFDSTUK..........574

Uitwerkselen van het lijden.

I. Het lijden verzoent......574

II. Het lijden vormt.......577

III. Het lijden hervormt......579

Vierde verplichting der Religieuze.

GEHOORZAMEN.....586

1° HOOFDSTUK..........587

Natuur der gehoorzaamheid.

2e HOOFDSTUK..........590

Noodzakelijkheid, der gehoorzaamheid.

I. De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is voor ieder in het algemeen gegrond op het gezag van Grod,

die gebiedt........590

II. De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond op onze natuur,

welke uit haren aard afhankelijk is 591

ocr page 742

INHOUD. XV.

Bladz.

III. De noodzakelijkheid der gehoorzaam

heid is gegrond op de leer en het voorbeeld van Jezus-Christus . . 591

IV. De noodzakelijkheid der gehoorzaam

heid is gegrond vooral voor de religieuzen op de verbintenis, welke zij door hunne heilige Geloften

hebben aangegaan......593

V. De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond op de zwakheid

van onzen wil.......593

VI. De noodzakelijkheid der gehoorzaam-is gegrond op de onmogelijkheid van zonder haar in eene gemeente de orde te doen heerschen en te handhaven........594

3° HOOFDSTUK..........596

Kracht en weldaden der gehoorzaamheid.

I. De gehoorzaamheid verheft de ziel

tot God.........596

II. De gehoorzaamheid belet de zonde 597

III. De gehoorzaamheid verheft, verrijkt,

vergoddelijkt al onze daden. . . 599

IV. De gehoorzaamheid is de moeder,

de steun, de bewaakster, de volmaking van alle deugden . . . 601

4« HOOFDSTUK..........603

Geluk der gehoorzaamheid.

ocr page 743

INnOUD.

xvt

Bladz.

Vyfde verplichting der Religieuze.

BIDDEN........608

le HOOFDSTUK

610

Natuur van het hidden.

2e HOOFDSTUK..........613

De noodzakelijkheid van het gebed.

I. De noodzakelijkheid van het gebed is gegrond voor alle menschen in het algemeen en voor den christen in het bijzonder op hunne hoedanigheid van schepsel.....613

II. De noodzakelijkheid van het gebed is gegrond voor alle menschen in het algemeen op de omnogelijk-heid waarin zij verkeeren, 1° van aan den duivel te weerstaan, 2° van het minste goed te verrichten, 3° van in het goede te volharden tot het einde toe........615

III. De noodzakelijkheid der gebeds is

voor de zondige zielen gegrond op de onmogelijkheid, waarin zij verkeeren, van uit eigen kracht uit hare zonden op te staan, niettegenstaande haren goeden wil . 617

IV. De noodzakelijkheid van het gebed

is voor de religieuze vooral gegrond op de onmogelijkheid van hare religieuze plichten na te komen . . 618

. 623

626

3e HOOFDSTUK

Het voorschrift van het fjehed.

ée HOOFDSTUK

ocr page 744

IKHOUÜ. XVII

Bladz,

Kracht en vermogen van het gebed.

I. Het gebed is alvermogend, omdat

God getrouw is.......627

II. Het gebed is alvermogend, omdat

God goed is........629

III. Het gebed is alvermogend, omdat

God almachtig is . . * . . . 631

5e HOOFDSTUK..............635

Hoedanigheden van hel gebed.

I. Wij moeten met aandaclit bidden. 636 II. Wij moeten met ootmoedigheid bidden ...........638

III. Wij moeten met vertrouwen bidden. 640

IV. Wij moeten bidden met volharding. 641 V. Wij moeten bidden in den naam

van Jezus-Christus......643

6B HOOFDSTUK..........645

Uitwerkselen van het gebed.

I. Algemeene uitwerkselen .... 645

II. Bijzondereuitwerkselen van het gebed 646

7e HOOFDSTUK..........650

Bijzondere vormen van het gebed.

I. De Heilige Mis.......650

II. De Kruisweg........653

III. Het Rozenhoedje.......654

IV. Het bezoek aan het H. Sacrament. 655

V. De gebeden tot den H. Jozef . . 659

VI. De meditatie........660

A. Natuur der meditatie .... 660

B. Noodzakelijkheid der meditatie. 665

ocr page 745

XVITT INHOUD.

C, Uitwerkselen der meditatie . T). Wijze der meditatie .... Voorbereiding tot de meditatie Stof of onderwerp der meditatie E. Aanmerkingen omtrent de verschillende trappen van het inwendig gebed ......

VII. Het goddelijk Officie.....

A. De natuur en verhevenheid van het

goddelijk Officie.......

B. Verplichting en wijze van het god

delijk Officie te bidden .... Intentiën bij het lezen van het goddelijk Officie

voor de

VIII. De Heilige Communie . A. De liefde der Religieuze Heilige Communie . . .

B. De noodzakelijke vergunning tot de

Heilige Communie......

C. Het veelvuldig ontvangen der H. Com

munie ..........

a. Beweegreden tot het dikwijls ontvangen der H. Communie . . h. Vereischten tot het dikwijls ontvangen der H. Communie . .

D. Voor en na de Heilige Communie.

8e HOOFDSTUK..........

Het leven van gebed.

Bladz.

669 G71

675

676

677

679

679 681

688

689

690

696

697

697

699 701

703

Alles door Jezus, alles met Jezus . Gebed om aan God het leven van ver-eeniging met Hem te vragen .

EINDE VAN DEN INHOUD.

708

ocr page 746
ocr page 747