ocr page 1
ocr page 2

\

l

I

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

VAK f-t

VIJF LEVENSSCHETSEN

^/rj

W. VAN NIEUAVENHOFF S. J.

Sinte Clara de Montefalco. — Nicolaas Stensen. Mgr. de Ségur — Prins Gagaruï.

Pater Tom Burke.

Kerkelijk goedgekeurd.

ocr page 6

IMPEIM ATÜR.

Amstelouami. 17 Maii 18«6.

A. M. C. VAN COOÏH.

ocr page 7

Aan den lezer.

De schetsen, die ik hier in een bundel verzameld den Nederlandschen Katholieken aanbied, zijn voor het meest uit onzen tijd en vertoonen allen een trek van onderlinge overeenkomst.

De stichtende werken van den beminnelijken Mgiï. de Séguk worden in letterlijken zin over geheel de wereld gelezen. Patkb Tom Bukke, misschien de welsprekendste gewijde redenaar onzer eeuw, verdient ten volle het licht, wat de onlangs te Londen uitgegeven bescheiden over hem hebben doen opgaan.

Doch ook in het leven van Sinte Clara, de maagdelijke vriendin des kruizes, en in de bekeeringsgeschiedenissen van Niels Stknsen, den Deen, en van den Kussischen Prins Gagarin vond ik zoo wonderbare werking Gods, dat het mij voorkwam, zij mochten naast elkander geplaatst worden. De verscheidenheid van levensrichting, karakter en arbeid dezer vijf vei' van elkaar afstaande personen, verhoogt de belangstelling, waarmede wij ze gadeslaan in het volbrengen hunner taak en het bereiken van het ééne doel.

Daarom durf ik den wensch uitspreken, dat lezers van beider geslacht, om het even van welken stand of staat, in deze bladzijden eene opwekking mogen vinden om langs den weg door God hun aangewezen, moedig te gaan tot Hem.

Den Haag, 9 Mei 1886

W van N.

ocr page 8
ocr page 9

DE VRIENDIN DES KRUISES.

1

ocr page 10
ocr page 11

DE H. CLARA DE MONTEFALCÖ VAN HET KRUIS.

EERSTE HOOFDSTUK.

Clara's geboorte en aanleg. Haar leven iti de Dainiannsklulze.

In het jaar 1268 werd Jacoba, echtgenoote van Daniianus, een welgezeten burger van het stadje Montefalco nabij Assisi, voor de derde male moeder. Het kind was eene dochter, die bij den H. Doop den naam van Clara ontving. De oudste Johanna geheeten. telde reeds achttien jaren; Theodorucia had maar eenige maanden geleefd, en van den eenigen zoon Franciscus, die later als Franciskanerpater in onze levensschets voorkomt, vinden wij het geboortejaar niet vermeld.

Dat de vrome moeder niet in gebreke bleef de kiemen der godsvrucht in het hart der kleine Clara neer te leggen, bleek wel duidelijk, toen deze bijna even spoedig bidden als praten kon. Bewondering wekte het, dat kind aan moeders voeten op den grond te zien knielen, wanneer zij met neergeslagen oogen en gevouwen handjes het Onze Vader en Wees Gegroet opzei. Nog meer, als men haar alleen voor een kruisbeeld in die houding vond. Eens dat zij op den arm harer moeder voorbij de kerk van den H. Jo-

ocr page 12

4

amies den Dooper kwam, was zij niet meer te houden en liep als door een allerzoetsten geur aangetrokken de kerk in. Van toen af bleek het, dat de hemelsche Bruidegom deze reine kinderziel voor zich had uitgekozen, en dat zij Hem alleen wilde toebe-hooren, reeds vóór het lioht der rede bij gewone kinderen pleegt op te gaan. Waarom zou ons dit ongelooflijk voorkomen ? Keert de natuur den kelk van vele bloemen naar de zon ; doet zij den steen de aarde zoeken en de vlam omhoog gaan, — zoo blijkt er in sommige bevoorrechte zielen eene geheime en onbeschrijfelijke zucht naar God te liggen, waardoor zij gedreven worden Hem te zoeken, voor ze Hem kennen, en Hem aan te roepen, eer zij weten met welken naam Hem te noemen. Drie, vier uren achtereen kon dit vierjarige kind in stil gebed verzonken blijven, zonder iets gewaar te worden van 't geen er in de nabijheid voorviel. Nog onbegrijpelijker was het, dat zij uit eigen beweging opzocht wat haar pijn kon doen ; dat zij haar nachtrust verkortte, herhaalde malen haar voedsel weigerde, en buiten op het veld, of ze eene groote zondaresse ware geweest, onder den luiden kreet »l)armhartigheid; o Heer, barmhartigheid !quot; zich de borst met stekelige kastanjebolsters wondde. Schuld hebben kon ze niet, zoo moest het een Onweerstaanbaar verlangen wezen wat haar dreef om het I jam Gods, dat de zonden der wereld op zich had genomen, uit liefde gelijkvormig te worden. Te recht heeft derhalve een harer levensbeschrijvers opgemerkt: de geschiedenis van Clara's leven, is de geschiedenis harer liefde.

ocr page 13

5

Eene barer grootste uitspaauingen was te hooreu spreken van God en Zijne heiligen. Daarom ging zij alleen of door eene dienstbode vergezeld vaak naar eene soort van kluize, waar godvrucbtige vrouwen in afzondering en boetvaardigheid leefden. Dezen volgden geen kloosterregel, doch namen het Evangelie en de levens der Heiligen tot richtsnoer. Aan de gewone tijdelijke beloften voegden zij die van strenge onthouding, gebed en stilzwijgen toe. Deze kluizen of hermitages legden de grondslagen voor menig klooster. Tijdens Clara's jeugd telde Montefaleo er vier, van welke eene Damianus'kluize heette, dewijl haar vader ze gebouwd had ter wille zijner oudste dochter Joanna, die in den bloei harer jeugd de wereld wilde verlaten om alleen God te dienen. Dit voorbeeld wekte Clara op tot navolging. Zij bad hare zuster onder hare gezellinnen te worden opgenomen ; maar deze, een beletsel in haar kinderlijken leeftijd vindend, wilde eerst gegronde waarborgen voor de zekerheid van deze vroegtijdige roeping. Nu stelde het kind alle hoop op Hem, Wiens liefde haar trok, en zij vermenigvuldigde hare oefeningen van godsvrucht en boete. Doch nu begon tevens de hardnekkige strijd van den helschen vijand, die geen enkele list onbeproefd liet om dat kind in haar heldhaftig voornemen te doen wankelen. Eerst kwam hij haar onderscheidene malen tegen in de gedaante eener vriendelijke en 't goed met haar meenende zuster, welke haar dien stap ontried ; toen trachtte hij haar door allerlei leven en gedruis te verschrikken, en eindelijk vertoonde hij .zich als eene afschuwelijke oude vrouw, die haar be-

ocr page 14

6

dreigde: »Pas op, Clara, ga niet weer bij Joanna bidden, of ik zal u doen sterven, gelijk uw zusje Theodorucia.quot; Doch Clara gaf het niet op, verachtte den duivel, bad en vastte meer en nam op den harden grond eenige uren onmisbare rust. Ge troffen door eene volharding, die te midden van zulke beproevingen aan geen kind liet denken, maar bewees, dat de ziel het teedere lichaam in ontwikkeling ver vooruit was, besloot Joanna Clara's dringend aanzoek in te willigen. Door eene goddelijke beschikking bezocht terzelfder tijde de bisschop van Spoleto, Mgr. Thomas Angeli, Montefalco. Van alles onderricht, gaf hij zijne goedkeuring aan Joanna's nieuwe stichting en zegende het wonderbare kind, dat zes jaren oud, een strijd had doorstaan, waar menige rijpere maagd in ware bezweken. Uit dankbaarheid voor hare opneming, beloofde Clara eene geheele week te vasten op een stuk brood en één appel daags. In hare nachtelijke gebeden vond Joanna haar niet zelden van hemelsch licht omstraald, of hare cel van bovenaardschen glans vervuld; en als de krachten haar in de versterving en boete hadden begeven, zoodat zij krank te bed lag, dan verrukten haar Gods engelen met zóó wegsleepende muziek, dat zij genezen opstond om hare strenge levenswijze te hervatten. Doch wat is engelengezang bij de verschijningen, waarmee het goddelijk Kind Jesus op de armen der vlekkelooze Moeder herhaaldelijk Zijne kleine bruid begunstigde ? Hoe bleek het hier, dat de hemelsche Bruidegom liefst tusschen leliën wandelt! Of was zij geen smettelooze lelie, door de scherpe doornen der

ocr page 15

I

lijfskastijding beveiligd voor het verliezen van haar glans ? Eene onvrijwillige fout, de kleinste onvolmaaktheden, waarin soms nog geen zweem van zonde lag, wreekte zij onmeedoogend op zich zelve. Zij was negen jaar oud, toen de overste Joanna haar opmerkte, dat zij in den slaap één voet had bloot gewoeld — dit beweende zij met vele tranen, of het eene overtreding der zedigheid gold. Eens had ze tijdens het verplichte stilzwijgen zonder verlof met hare eigen moeder gesproken, terwijl ze met deze hare kranke zuster Joanna verpleegde; om zich hiervoor te straffen, bleef ze met de bloote voeten op een stuk ijs staan, tot ze honderdmaal het Onze Vader had afgebeden. Vleesch at ze nooit, maar dat ze op tienjarigen leeftijd zich eens door medelijdende zusters had laten overhalen, om buiten weten van de Overste een ei te eten, dit scheen haar eene misdaad toe, die niet streng genoeg kon worden uitgeboet. Onder haar wollen opperkleed droeg ze een ruwe pij, en wanneer de andere sliepen, geeselde zij zich nacht op nacht, totdat zuster Thomasia bij toeval haar met bloed gekleurd geesel-koord in handen kreeg en liet naar de Overste bracht, opdat deze dien te verre gaanden ijver matigen mocht.

Nauwelijks was zij voor de eerste maal tot de H. Communie toegelaten, of zij deelde het voorrecht der Apostelen en ontving het Brood des levens uit de eigen hand des goddelijken Zaligmakers. Want toen haar eens om eene onvrijwillige nalatigheid de H. Communie was ontzegd, en zij in hare eenzaamheid daarover bitterlijk weende, verscheen haar de Verlosser en gaf haar zelf, wat het eenigst voorwerp harer schuldelooze liefde was.

ocr page 16

TWEEDE HOOFDSTUK.

Ken uienw Klooster. Clara ^aat bedelen, /elfbehagcn.

Storm. Joanna wordt abdis en sterft.

Inmiddels was de Damianus'kluis te klein geworden voor de opneming der maagden, die zich dooiden roep van Clara's deugden voelden opgewekt hare levenswijze te deelen, en Joanna de overste zon op middelen om een nieuw klooster te bouwen. Zij beval de zaak Gode aan, en gelastte hare zusters ten dien einde vurig te bidden. Eene ingeving des hemels gaf haar te kennen, dat zij een klooster stichten moest op de plek, waar zij een kruis zou zien staan door vele maagden omringd. jNiet lang daarna zag zij dit op een heuvel buiten de stad, in de nabijheid der St. Catharina-kerk. Toen aarzelde zij geen oogenblik, maar vol vertrouwen op God, die in de middelen zou voorzien, sloeg zij de handen aan 't werk, zonder acht te geven op de oordeelen der men-schen, die hare daad onbezonnen en roekeloos achtten.

Nauwelijks was het nieuwe klooster in 1282 onder dak, of de arme zusters moesten het betrekken en vonden er in allerlei ontbering en gebrek ruimschoots gelegenheid om de armoede te beoefenen. Van deze omstandigheid trok Clara het meest partij. Uit versleten lappen maakte zij zich een kleed en gaf haar eigen mantel aan eene zuster, die minder tegen de koude gehard was ; opdat haren gezellinnen minder ontbreken mocht, stelde zij zich met zoo weinig mogelijk voedsel tevreden. Zoo leefden en arbeid-

ocr page 17

9

den zij twee jarea voort, tot het aantal zusters tot twintig was gestegen, en er in het kleine stadje voor al die handen geen genoegzaam werk te vinden was. Er zat dus niets anders op, dan te gaan bedelen om werk of brood. Toen was Clara de eerste, die als eene gunst verzocht om langs de deur een aalmoes te gaan vragen, en haar goddelijken Bruidegom bad haar deel te willen geven aan Zijne versmading. Juichend in de gedachte iets ten behoeve harer zusters te kunnen doen, begaf zich de zestienjarige Clara met eene gezellin op de straat; maar de sluier, die haar gelaat en handen bedekte en haar altoos neergeslagen oog maakten, dat zij niets zag dan de deur, waaraan zij klopte en staan bleef en zelf door niemand werd erkend. Wie haar een aalmoes gunde, mocht die nederleggen in den zak, dien zij ophield; wie haar een oogenblik binnen noodigde, vond geen gehoor; doch wie haar ruw en raeedoogenloos voorbij joeg, of vernederingen voor aalmoes gaf, kon er op rekenen, dat zij de volgende week met dezelfde vraag »om Gods wil een aalmoesquot; terugkwam.

Zoo verloor zij ook in de straten der stad Gods tegenwoordigheid nooit, en bleef haar omgang in den hemel. Eens door een hevige stortbui overvallen, wilde zij niet schuilen op eene plaats, waar zich andere menschen ophielden, bevreesd, dat een wereldsch woord haar kwetsen mocht — liever vervolgde zij met geheel doorweekte kleederen haar weg. Toen de overste dit vernam, meende zij de teedere gezondheid van het kind niet meer aan zulke proeven te mogen wagen, en zonder een woord van verklaring, verbood

ocr page 18

10

zij haar het uitgaan. Dit trof Clara als een donderslag. Slechts acht malen in de veertig dagen had zij mogen bedelen, en nu op eens dit onverwacht verbod. Maar zij begreep, dat gehoorzaamheid meer is dan offerande, onderwierp zich zwijgend en zette tot aan haar dood geen voet meer buiten den kloostermuur. Dat zij de vernedering en het lijden zoo lief' had, was om wille van den Bruidegom, Wiens lijden en kruis haar bij voorkeur bezig hielden. Zij leed met Hem, en al bedwong zij zich meestal, zoodat hare tranen 'slechts nu en dan rijkelijk vloeiden, in liet hart bleef de pijn der liefde even fel. Daarom vroeg zij den Bruidegom om met het oog des lichaams te mogen zien, wat zij zoo gedurig overwoog, en deze gunst werd haar toegestaan. Heel het bitter lijden onzes Heeren werd tot in de kleinste bijzonderheden haar getoond. In deze beschouwing verzonken, hoorde zij eene stem; »Clara 't is immers uw vurigste wensch deel te nemen aan Mijn lijden en smarten, alsof gij niet enkel ooggetuige maar deelgenoote waart geweest?quot;

Dit woord versterkte hare overtuiging, dat God iiaar eene groote gunst bewees, en deze gedachte bleef haar zoo levendig bij, dat zij in de spijzen, die ze nam de bitterheid van den gal en de scherpte van den azijn meende te proeven. Ze sprak over niets meer dan over het kruis des Heeren, en wekte met al den gloed haars harten, en niet zonder vrucht, do zusters tot dezelfde beschouwing op. Eens met hare medezuster Marina sprekende over hemelsche zaken, bracht zij het op de goedheid van Jesus, haar Bruidegom. »Wat is Hij beminnelijk en goed,quot; riep zij

ocr page 19

11

uit, »al wat wij vragen, staat Hij toe. Mij heeft Hij heel Zijn bitter lijden laten zien, zoo dikwijls ik ei-Hem om gebeden heb.quot;

Ze had het gezegd in de kinderlijke onschuld haars harten, niet beter wetend, of deze genade werd op ieders verzoek aanstonds toegestaan. Doch Marina hernam; »ik zou die genade ook wel willen en bid er ook om, maar ik moet erkennen, dat ik niet verdien te worden verhoord, want mijn geloof is zoo levendig niet als het uwe.quot;

Een gevoel van zelfbehagen drong bij dit woord in Clara's gemoed eu overmeesterde haar een oogen-blik ; ze beleed het naderhand met tranen ; doch in de onnaspeurlijke raadsbesluiten der Voorzienigheid was bepaald, dat dit kleine kwaad de aanleiding worden zou van een onwaardeerbaar goed. De lauwer der heerlijkste overwinning op den helschen vijand was voor haar weggelegd — maar ten koste van welk een strijd! Had God gelijk weleer van Job tot den duivel gesproken ; ik geef u alle vrijheid, spaar haar het leven alleen ? Doch wij lezen niet van Job, dat hij inwendig bekoord werd gelijk dit vlekkelooze kind. Hij werd geslagen met melaatschheid des liehaaras — hare verbeelding werd verontreinigd, haar hart bewogen door het oproer van nooit gekende hartstochten. En wat was Job's verlies van have en goed, van zonen en dochteren bij Clara's ontzettende verlatenheid van Jesus Christus? Zij had nooit lief gehad buiten Hem, en Hij verbergt zich voor haar achter een ondoordringbaren sluier. De gedachte aan Zijn lijden laat haar koud; geen heilig Sacrament, dat

ocr page 20

12

haar opbeurt, geeu gevoel van liefde in haar hart. Zij zoekt lafenis in bloedige geeseling, doch de overste ontneemt haar de tuchtroede. Vergeefs belijdt zij den biechtvader als eigen zonde, wat de onreine geest haar inblies en voorstelde, het bemoedigend woord des priesters brengt haar niet tot rust. Te vergeefs legt zij haar hart en hare worsteling aan de overste bloot, de moederlijke raadgeving heeft geen vat op deze jammerlijk geslingerde ziel — 't is storm, maar een storm, die elf volle jaren duurt, — en Jesus slaapt in het scheepje, als ware 't Hem om het even, of Clara vergaat.

Intusschen bleef het aantal zusters toenemen, en de wensch kwam bij haar op tot eene wezenlijke religieuze orde te behooren. Na rijp beraad en langdurig gebed, wendde Joanna zich tot den bisschop Gerardus van Spoleto bij gelegenheid van diens herderlijk bezoek te Montefalco. Deze koos voor haar den regel van den H. Augustinus, en van den 10deu Juni 1290 is het stuk geteekend, waarbij de zusters van het H. Kruis gemelden kloosterregel ontvingen, en als religieuzen werden erkend. By de keuze eener Abdis vereenigden zich aller stem op Joanna, die tot heden toe met zooveel liefde en beleid aan het hoofd dezer maagden had gestaan. De bisschop hechtte zijne goedkeuring aan die keuze, en na eenige dagen voorbereiding legden allen de plechtige klooster-geloften af.

't Was een niet geringe troost voor de nieuwe Abdis, de engelachtige Clara aan hare zijde te zien, die te midden van de felste beproevingen allen een voorbeeld was van trouw aan God en den nieuwen regel, waar-

ocr page 21

13

aan zij zich verbonden hadden. Zij was Clara's oudste zuster en sinds vele jaren bare overste, doch Joanna droeg haar zoo diepen eerbied toe, dat ze als gelijke met haar omging en zich gaarne door haar raden en vermanen liet.

Eens dat Clara haar opmerkte, dat zij zooveel lachte, gaf ze ten antwoord: »van nacht zult gij weten,, waarom.quot; Toen ze zich dien eigen avond tot het gebed had begeven, riep ze Clara in hare cel en beide zagen een hemelschen glans en hoorden een gezang van Engelen, waarop Joanna sprak: »daarom ben ik nu zoo blij en gelukkig.'' Niet lang daarna werd ze ziek, en op den 22 Nov. 1291 ontsliep zij, veertig jaren oud in de omhelzing des Heeren. Drie dagen lang bleef Clara ontroostbaar, zoodat de zusters hare onderwerping in twijfel trokken en haar van eene natuurlijke gehechtheid aan de overledene verdachten. ;gt;Neen,quot; snikte Clara, »'t is de natuurlijke gehechtheid niet, die mij weenen doet: ik heb niet slechts eene zuster verloren, maar eene meesteres, die mij met zooveel liefde geleidde, en ik verlies ze juist in een tijd, dat ze mij zoo onmisbaar was.quot;

Tegen het einde van den derden dag bleef Clara na de Metten nog bidden in de kapel, toen zij iemand hoorde aankomen; aan den stap erkende zij Joanna. Zij riep haar, en deze antwoordde: Clara. »Zijt gij niet dood ?quot; vroeg ze. »Ja, hernam de verschijning, ik ben dood, maar mijn dood is een overgang geweest naar het paradijs, waar ik voor eeuwig God aanschouw.quot; Clara hoorde duidelijk de stem barer zuster, maar zag niets dan eene groote vlam, die zich op

ocr page 22

14

haar hoofd nederzette en tegelijk haar hart met een onuitsprekelijk gevoel van kalmte vervulde. Toen veranderde hare droefheid in vreugde en dankbaarheid aan God.

DERDE HOOFDSTUK.

Clara Abdis. Hare liefde voor de zusters en de zieken.

Zielenijver. Moed en vergeviiigsgezindheid.

Ondanks haar jeugdigen leeftijd van nauwlijks drie en twintig jaren, verkozen de zusters eenparig Clara tot Abdis. Hare weigering week voor gehoorzaamheid aan den bisschop. Toch had hij haar wellicht dien last gespaard, ware 't hem bekend geweest, met welk inwendig lijden zij had te kampen. Sinds was ze evenwel meer dan ooit te voren een levend voorbeeld van de stipste ouderhouding aller religieuze deugd. Op het voetspoor van den Bruidegom harer ziel, die was begonnen te doen en te leeren, deed zij alles zelve, wat zij van anderen eischte. De geringste bezigheden in huis waren haar de liefste, en in werkelijke armoede, lijfskastijding en boete was zij allen vooruit. Zelve ten prooi aan dorheid en de geweldigste bekoringen, was zij vol medelijden en liefde voor iedere beproefde, had zij raad en opbeuring voor allen en liet niemand ongetroost van zich henen gaan. Het was, of zij in het hart kon lezen. Met eene zeldzame helderheid van oordeel, kennis van 't religieuze leven en

ocr page 23

15

onderscheiding der geesten begaafd, deed zij onder de nieuweliugen, die zich aanboden, eene uitmuntende keus. Al waren ze van aanzienlijken stand, wie zij ongeschikt achtte, wees zij onverbiddelijk af, want de zorg voor het tijdelijke liet zij met de grootste gerustheid aan God.

Eens keerden de zusters met nagenoeg ledige handen van haar wekelijkschen omgang langs de huizen dei-burgers terug; het etensuur naderde, en de spijze voor de zusters ontbrak. Toen sloeg Clara zonder den moed te verliezen de oogen ten hemel en bad tot Hem, die den Zijnen te geschikter tijde voedsel geeft — een oogenblik later kwamen twee zusters in allerijl aandragen met eene mand wittebrood, die zij in de kapel hadden gevonden.

Zij was moeder in den besten en volsten zin. Al wat hare zusters betrof j ging haar ter harte. Voorde bedroefden had zij troost, terechtwijzing voor de dwa-lenden, doch voor de kranken was zij alles. In hare eigen armen droeg zij de zieken somtijds, en wanneer deze zich over zooveel goedheid verbaasden, gaf ze lachend ten antwoord : »de moeders moeten hare kinderen dragen.quot; Was de zieke een voorwerp van walging voor de zusters, die haar te verzorgen hadden, konden zij 't niet uithouden in hare nabijheid, dan kwam Clara zelve, en 't was blijkbaar, dat hare liefde behagen vond in den buit, die haar ten deel viel, want zij deed meer dan noodig was.

De kloostermuren begrensden evenwel hare naastenliefde niet. Eene melaatsche vrouw van allen verlaten, nam hare toevlucht tot Clara, en deze vergunde haar

ocr page 24

J6

lederen dag aan de poort te komen om haar voedsel te ontvangen. Dan was het Clara zelve, die naast de ongelukkige geknield, haar te drinken gaf en het voedsel aan den mond bracht. Toen dit bekend werd, kwam al wat zich nog sleepen kon aan de kloosterpoort bijeen en wachtte er met ongeduld de engelachtige Abdis, die voor hen meer dan moeder was. De ziekten der ziel en 't gevaar voor een eeuwig ongeluk maakten echter nog dieperen indruk op haar teeder-minnend hart. Bij haar kwamen moeders weenend om gebeden vragen voor afgedwaalde zonen; echtgenooten , . met gebroken hart om heeling en troost. Clara bad en troostte, en meestal volgde spoedig eene onverwachte bekeering. Eens scheen het, dat zij vruchteloos bad. Het gold een verharden zondaar, die haar wel zelf om gebeden vroeg, doch geenszins van leven veranderen wilde. Toen de heilige vrouw zonder eenige vrucht al hare overredingskracht had uitgeput, wierp zij zich neer voor haar kruis, doch zij werd er als weggetrokken door de gedachte: wat baat het gebed voor een onwillige ? Zij hield niettemin vol en hernam dagelijks haar gebed, doch zonder eenige verbetering van zijn kant.

Eindelijk ten einde raad, bad zij : »straf mij in zijne plaats, o Heer! leg op mij al wat zijne zonden aan tijdelijke straf hebben verdiend, maar beweeg zijn hart tot boetvaardigheid.quot; Toen had hare liefde gezegevierd: eene oprechte bekeering was de vrucht van haar heldhaftig gebed.

Toen een burgertwist de bewoners van Trevi en Montefalco verdeelde en reeds gewapend had, vluchtten

ocr page 25

17

de vrouwen in doodsangst tot Clara. Deze riep hare zusters te zamen, bad met haar, en de twist werd in der minne bijgelegd zonder een druppel bloeds.

Juist ter oorzake van dergelijke bemoeiingen stond zij niet zelden ten doel aan de aanvallen van den haat der boozen; doch al het kwaad, wat men haar aandeed, beloonde zij met goed; voor hare lasteraars bad zij, haar vijanden deed zij wel. De dochter van een geneesheer uit Montefalco had met goedvinden harer ouders het Augustinessen-kleed aanvaard en leefde onder Clara's bestuur als zuster Catharina. Hare twee broeders hadden eerst alle middelen beproefd om hare roeping te verijdelen, doch toen alles vruchteloos gebleken was, besloten zij geweld te plegen. Met eenige goddelooze makkers klommen zij over den kloostermuur, deden de sloten der deuren springen en drongen, aan woedende dieren gelijk, dit verblijf van deugd en vrede binnen. Bij het vernemen van hun woest getier, waarboven godslasteringen en bedreigingen van moord en brand uitklonken, vluchtten de sidderende zusters naar de Abdis, gelijk weer-looze kinderen tot hunne moeder. Clara wankelde geen oogenblik in haar vertrouwen op God. »Vreest de menschen niet,quot; bemoedigde zij, »God heeft ons in Zijne hoede.quot; Zoo sprak zij, toen het getier bedaarde, en de kwaadwilligen keerden terug zonder naar eene der zusters om te zien.

Toen dit feit in het stadje ruchtbaar werd, en men Clara ernstig aanried te zorgen, dat de heiligschenners werden gestraft, weigerde zij met beslistheid. AVij bidden voor hunne bekeeringquot; zeide zij

ocr page 26

18

»dat is geuoeg.quot; Toch deed ze meer, want toen Pu-ciarello een der broeders van Catharina die de inbraak hadden geleid, kort daarop ziek werd, liet zij hem alle dagen door eene buiten-zuster eenige versnaperingen brengen, die ze met eigen hand had

toebereid.

Ondanks dit alles, naar sommiger meening wellicht juist ten gevolge van dit alles, bevlekte de laster den goeden naam van Clara's klooster; ^ elk goed werk der heilige Abdis werd verkeerd uitgelegd, en de hand der burgers bleef zoo goed als gesloten. Clara leed het meest hieronder, en wanneer wij bedenken, dat zij bijna voortdurend van hemelschen troost verstoken bleef, onophoudelijke aanvallen des duivels te verduren had, schier ongeloofelijke boetvaardigheid en verstervingen pleegde, zal het niemand bevreemden, dat zij herhaalde malen van krachten uitgeput op het ziekbed nederlag. »Bid dan toch voor uwe gezondheidquot; smeekten haar de zusters. »God beware mijquot; antwoordde zij, »de ziel wint bij het lijden des lichaams, en mijne zonden hebben veel meer verdiend.quot;

Alleen tijdens hare krankheden nam zij op bevel van geneesheer en biechtvader vleeschspijzen, waartoe de zusters haar anders niet dan op de hoogfeesten des jaars bewegen konden. Hare gewone maaltijden bestonden uit grof brood, bittere kruiden en een appel. Ze had baar broeder, een Franciskanerkloosterling, verzocht haar van kruiden te voorzien; doch deze in de meening, dat zij voor het vee moesten dienen, gaf er weinig acht op, of ze voor menschen eetbaar

ocr page 27

19

waren. Boven alles onverklaarbaar was het, dat zij ■ofschoon zwak van gestel en te midden van allerlei ontbering en lijden; veeleer gezet dan uitgeteerd of mager mocht heeten. Eens dat ze een meisje van Montefalco, dat haar over 't religieuze leven kwam raadplegen, lachend vroeg; »Zou u misschien hier willen komen 1quot; was het gulle antwoord; »daar denk ik niet aan ; het zou mij niet bevallen om van gras te leven, zoo als u.quot;

»Gij ziet toch,quot; hernam de Abdis, »dat ik dikker ben dan gij en meer kleur heb ook.quot;

Hierin juist zagen de zusters, wien hare strenge levenswijze bekend was, een wonder van Gods hand ; doch er vielen er meer in haar waar te nemen. Men verhaalde in haar afwezen van de wonderbaarste gunsten haar bedeeld. Eene had haar meermalen biddend gevonden met een krans van bloemen op het hoofd, die een allerzoetsten geur verspreidde ; eene andere was getuige, hoe ze leunen mocht op de borst van Jesus1 moeder, terwijl het goddelijke Kind haar liefkoosde; weer eene derde had haar omstraald gezien van he-melschen glans; velen tegelijk zagen haar in verrukking oprijzen boven al de aanwezigen uit, en drie zusters Marina, Lucia en Andriola hebben getuigenis afgelegd, dat zij in haar zevenentwintigste levensjaar op een Vrijdagavond, na eene onderrichting in het kapittel over de nederigheid, met haar was blijven bidden, toen een schitterende stralenbundel, als een vurige kolom zich nederzette op haar hoofd; en zoo hel was de gloed, dat zuster Johanna dien door de spleten yan de deur gewaar werd. Op een anderen Vrijdag in 't zelfde jaar zagen

ocr page 28

al de zusters te zamen onder het gebed eene halve maan op haar hoofd, zoodat zij gehoornd scheen, gelijk Mozes bij het nederdalen van den berg. Tegelijkertijd ging zij in geestvervoering omhoog, zoodat een gevoel van diepen eerbied zich van heel de gemeente meester maakte.

Al deze heerlijke gaven Gods door zoovelen waargenomen, konden onmogelijk verborgen blijven. Daarom ging er een roep uit van hare heiligheid, die oorzaak werd, dat ontelbare personen van stand, geleerde priesters, vrome prelaten, bisschoppen Cardinalen haren raad en gebeden vroegen, brieven tot haar richtten en met groote onderscheiding van haar spraken. Car-dinaal Jacobus Colonna begiftigde haar met een onverteerd gebleven vinger van de H. moeder Anna, die nog heden in haar klooster wordt vereerd; en Cardinaal Petrus Colonna verzocht haar als eene gunst haar van dienst te mogen wezen in al datgene, wat zij voor de belangen des kloosters wenschte. Later schreef hij haar op last van Paus Clemens V een brief in bewoordingen van de hoogste achting, ten einde het heil van Kerk en Paus in hare voorspraak bij God aan te bevelen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Einde van den inwendigen strijd. Jesus met zijn Kruis.

(Geestvervoeringen. Hare ziekte. Onverwachte dood.

Al de eere, die Clara genoot van den kant der menschen en zelfs al de gunsten, met welke God haar

ocr page 29

21

begenadigde, namen den inwendigen strijd niet weg, dien zij had te voeren, noch bestendigden in haar den vrede der ziel, totdat het eindelijk den hemelschen Bruidegom behaagde een eind aan hare folterende beproevingen te maken. Op een ochtend na de Metten geraakte zij in geestverrukking en zag een engel, die te vergeefs beproefde een bosje stroo in brand te steken. ïoen klonk er eene stem: doop eerst liet stroo in den olie. Hij gehoorzaamde; het stroo vatte vlam. en 't visioen verdween. Doch duidelijker dan of het haar in woorden verklaard was, begreep Clara, dat al hare verlangens om God te beminnen, zonder uitwerksel bleven, zoolang niet de olie der nederigheid ze ontvlambaar had gemaakt. Zij wierp zich ter aarde en beleed voor God, dat zij alle aanvallen des duivels en alle derving van hemelschen troost had verdiend, droeg zich op om in dezen staat van zielelijden te blijven tot in het uur des doods, bereid om dezen bitteren kelk te drinken tot den allerlaatsten drup; mits het Hem behagen mocht, en Hij haar steunen wilde in gevaren en strijd. Toen overstroomde haar op eens dat gevoel van hemelschen vrede, 't welk alle genieting der zinnen overtreft; de storm bedaarde in hare ziel, en 't werd er stil en helder. Hoe weinig kon Clara vermoeden, dat zij in de elf afgeloopen jaren gelouterd was en nu rein genoeg bevonden om de Bruid van den Gekruisten Jesus te zijn! Zij was drie en dertig jaren oud, toen hij haar verscheen in de gedaante eens pelgrims uit het Oosten, in 't wit gekleed en een groot kruis op de schouders. »Wees gegroet, mijne dochter'' zoo sprak Hij; slang heb ik er aan gedacht

ocr page 30

22

u een geschenk aan te bieden, dat uwe ziel met de zoetste vreugde vervullen moet. Ontvang dan dit kruis, wat nergens beter thuis behoort, in uwe armen; neem het aan met heel uw hart, en sterf er aan om Mijne liefde.quot; Als een schicht drong dit woord in haar binnenste en doorboorde haar hart. Van toen af gelooft men, dat zij de teekenen van 's Heeren lijden, die na den dood in haar hart gevonden werden, gedragen heeft. Sinds had haar leven niets meer van de aarde, en was haar omgang bijna alleen in den hemel. Over lijden of pijn klaagde zij niet; haar uiterlijk bleef frisch en bloeiend, doch de geestverrukkingen werden veelvuldiger en hielden soms niet uren of dagen, doch maanden aan. Wel nam ze meestal geregeld hare plichten waar en bleef eene zorgvolle moeder voor de haren, maar een woord over den hemel of de liefde Gods was op zulke tijden genoeg om haar geheel buiten zich zelve te brengen. Eens duurde die staat van opgewektheid van 27 December, feest van St. Jan-Evangelist, tot de maand Mei. Voedsel nam ze dan bijna in het geheel niet, en haar gelaat slechts bijwijlen doodelijk bleek, straalde doorgaans van zooveel hemelsche blijdschap, dat de zusters zich er in verlustigden haar te zien. De geheimen der Menschwor-ding en van het leven des Zaligmakers hielden haar het meest tijdens deze verrukkingen bezig. Zij hoorde 't lied der engelen bij de geboorte; zag de herders naar Betlehem komen; de wijzen uit het oosten geschenken offeren, en het goddelijk Kind in de kribbe of op den schoot der maagdelijke Moeder. Gedurende eene geestvervoering van Driekoningen tot Maria-

ocr page 31

Lichtmis meende zij den Rechter op zijn troon te zien en al de gestrengheden des oordeels, benevens de verschrikkingen der eeuwige straf. Toen daarna de zaligheid des hemels voor haar openging, en zij aanschouwde wat geen sterfelijk oog op aarde heeft gezien, hoorde zij eene zoete stem: »Kom, Clara, uwe komst zal Mij 7.00 aangenaam en welkom wezen.quot; Doch eene andere stem hernam: »Wacht nog een weinig, uw dag is nog niet daar.quot;

Het scheen, dat hare hemelsche omgang haar de gave der wonderen aanbracht.

De meest geloofwaardige levensbeschrijvers spreken van vijf dooden door haar opgewekt; van drie dezer vinden wij de namen vermeld, alsmede dat zij nog zoolang leefden als noodig was om de H. Sacramenten der Kerk te ontvangen. Hare kranke zusters genas zij soms van doodelijke kwalen alleen door het H. kruisteeken; voor zich zeiven deed zij evenwel niets en ofschoon haar leven en uiterlijke gedaante aan een voortdurend wonder grensden, maakte de gewoonte, dat men, toen zich eene ernstige ziekte openbaarde, de veertigjarige niet zoo nabij haar einde dacht. Wel baden haar de zusters om toch de overwegingen te staken, die haar krachten sloopen moesten, doch zij liet een draagbed komen, legde er zich op neêr en sprak: »Weldra znlt ge mij van alle ziekte ontheven zienzij doelde op haar aanstaanden dood. Bij deze laatste ziekte vergunde zij zoo min als ooit te voren, dat iemand haar maagdelijk lichaam aanraakte; alles deed zij zelve. Dikwijls hoorden de zusters, die bij haar waakten, dat ze tot onzichtbare aanwezigen sprak. :gt;Engel Gods,quot;

ocr page 32

24

hoorde zuster Johanna haar zeggen, »boodschap aau de allerheiligste Maagd, dat Zij me binnenleide.quot; Toen riep ze in vervoering van vreugd: laat ons juichen en jubelen voor God en Hem lofzingen; Te Deum laudamus want mijn Bruidegom komt om mij in Zijne glorie te ontvangen.quot; Tot eene andere zuster sprak zij: Ik zie alles wat God gedaan heeft, en 't is alles goed, maar de Duivel zoekt het te bederven. Daarop wendde zij zich tot den bekoorder: »\vat wilt ge van mij, bloedig monster? Van hier, vervloekte! Sinds vijf duizend jaren draagt gij Gods vloek en zult dien eeuwig dragen.quot; Na deze woorden zegende haar de zuster bevend van angst met liet kruisbeeld. Doch Clara als ontwakend uit een diepen slaap, bemoedigde haaien zeide: »Wees niet bang mijne dochter, ik draag Christus met Zijn kruis in mijn hart.quot; Aan eene andere fluisterde zij in: »Wanneer gij het kruis van Christus zoekt, neem dan mijn hart, daar zult gij 't kruisbeeld vinden.quot; ISa deze woorden zong ze een lied, waarvan de woorden niet werden verstaan.

Op het feest van Maria's ten-hemel-opneming ontving zij de H. Teerspijze en sprak daarna lang tot hare zusters over de kloostergeloften, terwijl ze er op drukte, dat de overweging van het lijden des Heeren het krachtigste middel ter volmaaktheid is. Toen strekte zij de hand over hare geestelijke kinderen uit en sprak: »dat God, die Hemel en aarde regeert, u zegene en beware en voortdurend bescherme.quot;

De zusters, die meenden, dat zij nu sterven ging, snikten luid, doch zij trachtte ze te bedaren en vroeg «ra het H. Oliesel. Vrijdag den 16dequot; Augustus wil-

ocr page 33

den geneesheer en zusters haar de overweging beletten. »Waarover maakt ge u ongerust?quot; vroeg zij, »wat deert u toch ? Ben ik dan niet heter, naarmate ik dichter ben bij God?quot; Nu liet ze al de zusters samen komen om nog eens met haar de kerkelijke getijden te bidden, ten einde zoo te herstellen, wat ze door nalatigheid in 't koorgebed mocht hebben misdaan. Daarna riep ze uit: »te groot, o mijn God, veel te groot is voor mij de belooning Uwer glorie! Brengt me bij den Bruidegom; ik zie den hemel open, de heilige apostelen en maagden des Heeren wachten mij met vreugde!quot; Op dit oogenblik trad haar eigen broeder P. Franciscus binnen, de Gardiaan der Minderbroeders te Spoleto.

Geruimen tijd sprak zij met hem over den hemel en beval haar klooster en religieuzen zijne bijzondere hoede aan. Ze scheen zoo sterk en vol opgewektheid en leven, dat P. Franciscus niet gelooven kon aan een nabijzijnd sterfuur. Doch zij verzocht hem by 't heengaan dringend, 's anderen daags terug te komen. Tegen den nacht liet ze zich op haar draagstoel naaide Kapel brengen en bleef daar voor 't H. Sacrament. Zaterdags vond de geneesheer alle gevaar geweken en deelde dit bericht aan haar broeder, dien hij ontmoette, mee. Toen deze nochtans binnen kwam, zat zij op in bed. »Zoo zijt ge dan toch genezenquot; begon hij. »Jaquot; hernam ze lachend, »en van alle krankheid voor goed; dat weet mijn gekruiste Jezus.Toen beleed ze nog eens hare fouten aan P. Thomas, den biechtvader des kloosters, en sprak tot de zusters »blijft in de liefde van God, tot Wien ik henen ga!quot; Met gevouwen

ocr page 34

26

handen bleef ze ten hemel staren, en van haar aangezicht blonk een gloed, als of ze in geestvervoering raakte. De zusters eerbiedigden in stilte haar gebed; de geneesheer liet zich misleiden door hare houding, want dat de blos van haar wangen bij wijlen in doode-lijke bleekheid veranderde, was bij hare geestverrukkingen niets ongewoons. — Niemand vermoedde t, dat zij was opgegaan ter eeuwige bruiloft van het Ijam. ïoen eindelijk de geneesheer de hand op haar hart legde, gaf hij den aanwezigen een teeken, dat allen in tranen deed uitbarsten. Omstreeks drie ure moest ze gestorven zijn op Zaterdag IT Aug. van het jaar 1308.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Het kruis in Clara's hart. De drie bolletjes. Haar lichaam tot heden toe ongeschonden. Waarom ze mi heilig is verklaard.

Aangedreven door eene inspraak des hemels, besloten de zusters nog dien eigen avond liet maagdelijk lichaam dezer wonderbare vrouw aan een onderzoek te onderwerpen, in de vaste overtuiging, dat daarin de teekenen des Lijdens zouden te vinden zijn. Zuster Francisca Fr man ui, de moedigste van allen, nam deze taak op zich en vond de galblaas van buitengewone zwaarte, eu haar hart zoo groot als het hoofd van een pasgeboren kind. Met eerbied werden beide

ocr page 35

deelen ter zijde gelegd, en het lichaam voor de begrafenis gekleed. Na de lijkplechtigheden, die onder buitengemeenen toevloed van geestelijken en aanzienlijke personen werden gevierd, en meer op de feestviering eener heilige dan op de uitvaart eener doode geleken, hernam zuster Francisea haar godvruchtig onderzoek. Doch toen zij 't hart in de hand hield, begon zij te wenen en vroeg aan de drie aanwezige zusters, hoe en waar ze beginnen moest. Niemand wist of durfde haar een raad te geven, doch eindelijk vermande zij zich en sneed op goed geluk liet hart midden open. Het stroomeude bloed belette haar eerst iets te onderscheiden, doch met den vinger voelde zij rechts in eene holte een vezel, dien zij los maakte, en nu ontwaarde zij een volmaakt afgewerkt kruisbeeld, van vleesch en zenuwen gevormd. Bij dit gezicht begon zuster Margareta te roepen; smirakel! mirakel!quot; waarop al de zusters toesnelden, om het wonder van Gods liefde te zien. Van de eerste \Terbazing bekomen, zette Francisca haar onderzoek voort en vond aan dezelfde zijde een zenuw aan den binnenwand vastgehecht, in den vorm eener geeselroede. Hierbij bleef het dien avond; liet bloed werd even als het open hart eerbiedig bewaard. Den volgenden morgen was het gerucht dezer wonderbare gebeurtenis al door het stadje verspreid. Toen de stedelijke raad, de geneesheer en de Gardiaan der PP. Franciscanen in 't klooster kwamen en het wonder zagen, werd er aanstonds bepaald den Bisschop in kennis te stellen; doch een ijveraar was hun al voor geweest en had Berengarius Donadei, den Vicaris-Generaal, bij voorbaat ingelicht, van hetgeen

ocr page 36

28

hij als een schandelijk bedrog der Augustinessen van Montefalco betitelde. Berengarius begaf zich naar den bisschop en van dezen onverwijld naar het stadje, waar hij op zijnen last geheel de geestelijkheid, de voornaamste ingezetenen der plaats met den geneesheer aan 't klooster ontbood. Toen deze vergadering bijeen was, riep hij de zusters te zamen en berispte haar openlijk gestreng over hare voorbarigheid, waardoor de eer des bisschops en der geheele Kerk was beleedigd, en die naar verdienste voorbeeldig zou worden gestraft.

De zusters brachten wel eenige redenen ter verschooning in, maar oordeelden zich het best verdedigd, door het hart zelve in de vergadering te brengen. De Vi-carius begon met er een verontwaardigden blik op te slaan, doch ging van lieverlede met de talrijke aanwezigen tot eene rustiger beschouwing over. Nu vond hij zelf behalve 't kruisbeeld en de geeselroe, in de linkerholte de kolom, de doornenkroon, drie nagelen, de lans en den rietstok met de spons er op; en zoo duidelijk, dat toen hij de punt der lans tegen zijn vinger drukte, hij eene scherpte gevoelde als van een ijzeren spits. Ondertusschen was alle twijfel geweken, en de toorn des Vicarius' maakte plaats voor bewondering en eerbied. Elk der genoemde voorwerpen was van vleesch en zenuwen gevormd, doch onderling verschillend van hardheid en kleur. De insnijding van Francisca had niets hoegenaamd gekwetst of geschonden; alles zat op zulk eene wijze met fijne vezelen aan de wanden gehecht, dat het stuk voor stuk kon losgemaakt worden en afzonderlijk beschouwd. Het lichaam van

ocr page 37

29

het kruisbeeld, zoo groot als de duim eener kleine hand, was loodkleurig, doch aan de zijdewond rood getint; de lendenen waren bedekt met een weefsel, dat naar linnen geleek. De geeselroe bestond uiteene harde zenuw, dikker aan de uiteinde dan in het midden, waar de handgreep zichtbaar was; aan het boveneind hingen vijf kleine vezels, waarvan elk uitliep in een knoopje, zij waren wit doch roodachtig gekleurd. Eene grootere harde zenuw, rond van vorm als een kolom, stond alleen van onderen bevestigd; de kleinere zenuwen, die er boven om heen liepen, deden aan de touwen denken, met welke de Verlosser er aan gebonden was. De doornenkroon werd gevormd door ineengevlochten, zwarte zenuwen, waar kortere uitstaken wit van kleur en gelijkend op doornen. Deze kroön was aan het vleesch vast. De drie nagelen, door drie zwarte zenuwen afgebeeld, hingen aan vleeschkleurige draden van ongelijke lengte en waren door fijnere vezels onderling verbonden. De zenuw in den vorm eener lans, was alleen met de schacht in het hart bevestigd en stak dreigend met de punt uit de holte. Eindelijk eene lange zenuw, eindigende in een bos fijne, gele vezels, wekte de gedachte op aan den rietstok met de spons, waarop den Verlosser azijn te drinken werd geboden.

Na dit overtuigend onderzoek spraken de zusters van de zware galblaas, die zij mede hadden bewaard, om het oordeel van den geneesheer er over te vernemen. Dr. Giovannoli opende ze dadelijk en vond er bij volkomen afwezigheid een gal, drie zwarte bolletjes, hard als steen, van de grootte eener kleine

ocr page 38

30

noot, liggende in een driehoek. Hij verklaarde, dat zij niet natuurlijk waren, en evenmin door ziekte konden zijn ontstaan. Doch aller verbazing steeg ten top, toen men bij het wegen bevond, dat de drie te zamen niet zwaarder wogen dan een of twee, terwijl elk afzonderlijk even groot en even zwaar was. De H. Augustinus zegt in het zesde boek over de H. Drievuldigheid, dat een van de drie goddelijke personen zooveel is als drie te zamen, namelijk één wezen, en zelfstandigheid, dewijl elk op zich zelve . oneindig is. Daarom meende men in deze onbegrijpelijke bolletjes eenigszins een beeld te vinden van het ondoorgrondelijk geheim der H. Drievuldigheid.

Welke de toevloed des volks was om deze wonderen te beschouwen, hoe hoog de eerbied der religieuzen in het klooster steeg, en dat na herhaald onderzoek de openlijke goedkeuring van bisschoppen en kardinalen niet uitbleef, Iaat zich gemakkelijk begrijpen: voor ons evenwel, die zes eeuwen later leven, is het van grootere waarde, dat het lichaam der H. Maagd, die in de heete Augustusdagen overleed, ofschoon nooit gebalsemd, nog ongeschonden in Spo-leto wordt bewaard. Toen Pius IX z. g. nog bisschop van Spoleto was, pleegde hij met zooveel godsvrucht bij dat heilig lichaam te komen bidden, dat de spraak ging: wanneer hij Paus wordt, zal hij Clara heiligver-klaren; en werkelijk heeft hij de lang verschovene zaak weer doen opnemen en doorzetten. De jongste levensbeschrijving der heilige — wiens in 1882 te Rome verschenen boek in deze bladzijden verkort

ocr page 39

31

is weergegeveu — Pater Magister Lorenzo Tardy, vroeger Vicaris-Generaal der Augustijnerorde, verklaart: »ik zelf heb den troost gehad haar heilig lichaam te zien, en ik kan getuigen onder al de ongeschonden lichamen van Heiligen In Italië er geen te hebben irezien zoo schoon en ongedeerd van kleur en trekken.quot;

O o

Drie eeuwen vroeger had de Augustijner Cardinaal Egidius er van geschreven; »ik spreek niet van de schoonheid des lichaams, die den hoogsten graad bereikt, wat den vorm betreft en de frissche blankheid van klenr; men durft niet beslissen of ze levend of dood is.quot; Doch P. Tardy zegt, dat hij dit oordeel van Cardinaal Egidius niet behoeft, dewijl er in den loop van zes eeuwen ontelbare personen uit alle hemelstreken en van alle standen hunne groote bewondering voor deze heilige overblijfselen in velerlei vormen hebben geuit. Elk jaar gaat hij voort, vertoont men nog in Montefalco deze wonderen van Gods almogende liefde. Dan neemt de priester het hart der maagd in de handen, opent het en haalt er kruisbeeld en geeselroe uit te voorschijn; en ondanks deze herhaalde behandeling, blijven hart en lijdensteekenen onverlet .in denzelfden staat.

Enkele malen voordat er een gewichtige gebeurtenis plaats greep, heeft men haar bloed vloeibaar zien worden en opbruisen; een der drie vermelde bolletjes is ten jare 1560 op 20 Maart van zelf in stukken gesprongen, gelijk het nu nog te zien is, doch het hart en de werktuigen des lijdens worden nog vertoond en bewonderd, gelijk in de maand Augustus van het jaar 1808.

Overbodig is hier 't verhaal der wonderen die

ocr page 40

32

op Clara's voorspraak na haren dood zijn geschied.

Luider dan allen spreekt het eerste en blijvende wonder, wat in liet decreet, waarbij de heiligverklaring wordt aangekondigd, als onomstootelijk bewezen en van den eersten rang voorop wordt gezet: dat in het hart der zalige Clara wonderbare teekenen zijn gevonden van het Lijden onzes Heeren Jezus Christus. Omtrent de tijdigheid van Clara's heiligverklaring zegt gemeld Pauselijk Decreet van Sept. 1881: «voornamelijk dewijl de uitmuntende verhevenheid van haar leven en deugd overvloedig blijkt uit hare allervurigste en onblusch-bare liefde voorliet Kruis en Lijden van Jezus Christus. Want deze geheimen onzer Verlossing heeft zij zóó aandachtig en met zóó innig medelijden overwogen, dat God door een ongehoord wonderwerk heeft gewild, dat de gedaanten der lijdenswerktuigen, die zij zich zoo levendig in de ziel had geprent, in haar hart gedrukt en als uitgebeiteld zouden worden gevonden. Door dit zichtbaar getuigenis en den langen duur van dit wonder wordt de gedachtenis van Christus' lijden in 't gemoed der toeschouwers vernieuwd. Daarom is de meening gegrond, dat in onzen tijd, nu de liefde tot het Kruis in de Christelijke maatschappij wegkwijnt, en er vele vijanden zijn van Christus' Kruis, gelijk de apostel klaagde, wier buik hun God, en wier glorie in hunne schande is, door Gods beschikking eene maagd tot de hoogste eere der altaren werd verheven, die 's Heeren Kruis en lijden zoo innig lief had, en door wier voorbeeld en gebeden de liefde des Kruises zoowel in de harten als in de zeden en de levenswijze dei-Christenen herleve moge.quot;

ocr page 41

DE BEKEERLING NIELS STENSEN.

3

ocr page 42
ocr page 43

NICOLA.AS STENSEN.

In liet najaar van 1881 begaven zich de leden van liet Internationale Geologen-Congres te Bologna, op de uitnoodiging van hun voorzitter, naar Florence, om in den hertogelijken grafkelder der Medi-cis een krans te leggen op het graf van een man, aan wien de Geologie leven en bloei te danken heeft. Deze man heet Nicolaas Stensen. Denemarken, zijn vaderland, is trotsch op dien zoon, van wiens kunde en geleerdheid heel Europa gewaagt; Italië gaat er :groot op zijn hoogste levensgeluk te hebben bevorderd en bewaart met eerbied zijne assche; noordelijk Duitschland heeft zijn geloof en christelijken moed met bewondering aanschouwd — hoe zou het in Nederland, waar hij zijne eerste wetenschappelijke ontdekking heeft gedaan, de moeite niet loonen een aandachti-gen blik aan zijn hoogst merkwaardig leven te gunnen ?

De goudsmid Steen Pedersen stond in aanzien bij Christiaan IV, koning van Denemarken. De zoon, die hem den lsten Januari 1638 te Kopenhagen geboren

ocr page 44

36

werd, erfde naar toenmalig landsgebruik den voornaam zijns vaders, waarom hij Nicolaas (Niels Stens-zoon) Stensen geheeteu werd. Van zijne eerste kindsheid, waarin hij zijn vader verloor, en Jacob Kitzerov tot tweeden vader kreeg, schreef hij later: »De omgang met kinderen van mijne jaren had weinig aantrekkelijks voor me. Van mijn derde tot mijn zesde jaar was ik voortdurend ziekelijk en zag daarom alleen mijne ouders en kennissen van leeftijd, die ons bezochten. Zoo werd het mij eenigermate gewoon liever bejaarde menschen te hooren, vooral wanneer zij over godsdienst spraken, dan het lichtzinnig gesnap van jonge kameraden. Op mijne reizen hield ik mij zoover mogelijk van onbeduidende en gevaarlijke lieden af en zocht altoos den omgang met menschen, die zich door geleerdheid of deugd onderscheidden.quot;

Het moest den jongen Stensen — Steno of Stenonis noemt men hem in 't buitenland — zoomin aan goede leermeesters als aan ijver of talent hebben ontbroken, want behalve zijne moedertaal sprak en schreef hij vloeiend latijn, duitsch, hollandsch, fransch, italiaansch en engelsch, terwijl hij in het grieksch en hebreeuwsch zeer ervaren was. Niettemin was de wiskunde zijn lievelingsstudie, en hadden niet de omstandigheden hem eene andere richting aangewezen, hij zou er gaarne zijn leven aan hebben besteed. Achttien jaren oud werd hij ingeschreven als lid der Kopenhagensche hoogeschool, en koos zich, gelijk dit toen placht te geschieden, uit de Professoren Thomas Bartholin tot bijzonderen leermeester, leider, vriend en raadgever

ocr page 45

op de paden der wetenschap. Onder dezen legde lüj zich op de studie der ontleedkunde toe, doch werd na twee jaren in zijn rustigen arbeid gestoord. Den 1S'1'-quot; Augustus 1658 brak Karei Gustav koning van Zweden het vredesverdrag van Roeskilde en trok tegen Kopenhagen op. Toen openbaarde zich de heldhaftige moed van liet Deensche volk. Alle rangen en standen der bevolking sloegen de hand aan het werk om hunne stad in staat van verdediging te stellen. De studenten alleen vormden een legerkorps van 26(5 man, en werkten onvermoeid aan de versterking der stadswallen.

De twintigjarige Stensen was onder hen en had zijn deel aan de lauweren van 10—11 Februari 1659, toen de »zwartenquot; — zoo noemde men de studenten naar hun kleed — den aanval der Zweden weerstonden en ze terugsloegen van den wal.

Weinig tijds bleef er in die woelige dagen voor gezette studie over; toch verzuimde Stensen in zijne van dienst vrije uren nooit de enkele lessen der Professoren en de ontleedkundige proeven bij te wonen.

Na een driejarig verblijf verlieten de studenten meestal de hoogeschool met een getuigschrift van den meester hunner keuze, waarbij zij den hoogleeraren eener buitenlandsche faculteit werden aanbevolen. Stensen's oog viel op Holland, dat eene bijzondere aantrekkelijkheid voor de Denen bezat, en met een aanbevelingsbrief van Thom. Bartholin voor den Leidschen hoogleeraar Joannes van Horne reisde hij op eigen kosten naar Amsterdam.

ocr page 46

38

Dr. Gerhard Blasius, die zelf te Kopenhagen had-gestudeerd en na het verlaten zijner praktijk in 1660 aan het stedelijk Gymnasium les gaf, nam hem vriendelijk en gastvrij ten zijnent op.

Nauwelijks had onze jonge student het ontleedmes ter hand genomen, of hij kwam tot eene ontdekking, welke zijn naam vereeuwigen zou: die van eene buis uit de oorklier naar de mondholte, als ductus Steno-nianus bekend. Hoe deze ontdekking plaats vond, en in welke moeilijkheden zij hem bracht, meldt hij uitvoerig in een brief aan zijn leermeester en vriend Th. Bartholin. Dezen schreef hij uit Leiden 21 April 1661: »dewijl ge me in uw schrijven aanzet om eene afbeelding van het buitenste speekselkanaal in 't licht te geven, zie ik mij in de gelegenheid u in het kort uit een te zetten, welken nijd deze vrij onbeduidende ontdekking mij berokkend heeft, en welk voordeel ik uit dien nijd getrokken heb. Ik doe dit niet om in kleinigheden roem te zoeken, maar om de hatelijke beschuldiging af te weren, dat ik met vreemde veeren pronken wil. Van nabij beschouwd, verdient de zaak zooveel ophef niet; immers eene dergelijke buis is reeds vroeger ontdekt, en op deze, waarover nu sprake is, heeft Kafferius — zij het dan ook ook onder de benaming van »spierquot; de aandacht gevestigd. Daar evenwel de fout, die mij ter oorzake van deze buis ten laste gelegd wordt, mij verbiedt te zwijgen, wil ik als leerling u mijn meester de geheele toedracht verhalen en de beslissing aan uw oordeel onderwerpen .....

»,t Is nu een jaar geleden, dat ik door Blasius-

ocr page 47

39

gastvrij ontvangen werd. Op mijn verzoek stond hij mij toe met eigen hand te ontleden, wat ik koopen zou, en 't geluk was mij zoo dienstig, dat ik bij mijne eerste proeve met een schapekop, dien ik den April had gekocht, en alleen op mijne kamer ontleedde eene buis ontdekte, die, voor zoover ik weet, nog geen anatoom beschreven heeft. Toen ik namelijk op het punt stond de bekende weefsels af te trekken en dan de hersens te ontleden, kwam de gedachte bij mij op eerst de vaten te onderzoeken, welke de mondholte omgeven. Terwijl ik met dit doel den loop der aderen en slagaderen naging, bespeurde ik, dat de punt van mijn lancet niet meer tusschen het weefsel zat en zich in eene wijde opening bewoog. Bij het voortduwen van het staal hoorde ik een klank uit de tanden. Verbaasd over deze ontdekking, riep ik mijn gastheer binnen om zijne meening te vragen. Deze schreef eerst dien klank toe aan mijn stoot, nam toen zijn toevlucht tot een spel der natuur en sloeg er eindelijk Wharton's klierbeschrij-ving op na. Dit hielp echter evenmin, en dewijl de eenigszins beschadigde vaten geen verder onderzoek veroorloofden, besloot ik dezelfde proef met grootere behoedzaamheid te herhalen. Deze slaagde, ofschoon minder goed dan de eerste maal, aan een hon-dekop.quot;

Nog in dezelfde maand gaf Stensen zijn vriend Jacob Heinrich Panlli en later Frans Sylvius bericht van zijne ontdekking. Deze laatste vond hetzelfde kanaal ook bij den mensch. Zelfs Blasius'jongere broeder schreef in een brief aan den Groninger hoogleeraar Eijsonius de ont-

ocr page 48

40

dekking aan Stensen toe. Dr. Gerhard Blasius was niettemin van een ander gevoelen. Hij ontstak in hef-tigen toorn, omdat Stensen zich de eer eener ontdekking aanmatigde, die alleen hem toekwam. »Doch in plaats van bewijzen, had hij enkel scheldwoorden als: leugenaar, onbeschaamde, kwaadwillige, van nijd opgeblazen mensch, bij de hand.... Indien niet de beroemde Heer Van Horne van zijn leerstoel voor eene vergadering van zeer kundige mannen aan deze buis mijn naam had verbonden, zou ik gaarne mijn recht hebben afgestaan. Ik moet nog één feit aanhalen, dat mij voor doorslaand bewijs geldt. In zijne verhandeling de medicina (jenerali verraadt Blasius duidelijk, dat hij nooit naar deze buis gezocht heeft; hij geeft er noch het rechte uitgangspunt, noch het einde van aan, en wijst de klier zelve zoo eene onbeduidende bestemming toe, (warmte in het oor te leiden) dat indien ik niet heel zeker wist, ze hem getoond te hebben, zeggen zou, dat hij ze nooit gezien had. Hierover uitvoeriger in de verhandeling, waar ik mee bezig ben.quot;

Bartholin antwoordde den lOden Mei; onze va-derlandsche geleerden weten geen woorden genoeg te vinden om uwen ijver in het doorvorschen van de geheimen des menschelijken lichaaras, zoowel als uwe gelukkige ontdekkingen te prijzen. Het vaderland wenscht zich geluk met zulk een burger, en ik mij zeiven met een leerling, door wiens bemoeiingen de ontleedkunde dagelijks vorderingen maakt, en onze vochthoudende vaten meer en meer worden onderzocht. Gij deelt in Wharton's verdienste, dewijl gij aan zijne

ocr page 49

41

binnenbuis een tweede hebt toegevoegd en zoo de speekselbrouuen ontdekt, waarover tot heden toe veel verzonnen is, doch welke vóór u niemand met den vinger als het ware kon aanwijzen. Ga voort mijn Stenonis op den weg der ontleedkunde, die u tot on-sterfelijken roem zal geleiden.quot;

Bartholin betreurde den strijd tusschen Stensen en Blasius ontstaan, doch achtte het onnoodig den eerste, wiens bescheidenheid en kalmte hij kende, tot gematigdheid aan te manen. Den 10den Juni beklaagde Blasius zich bij hem over Stensen, als had deze, tegen alle eerlijkheid en waarheid in, zijn roem verduisterd. Merkwaardig is hier onder meer de klacht, dat Stensen hem op twee plaatsen Joh. in plaats van Gerh. heeft genoemd, en niet minder de hierop volgende verzuchting van Blasius: »\Vat kan men ook verwachten van een man, die zijn tegenstander, wiens woorden hij weerleggen wil, nog niet eens bij zijn waren naam noemt, ofschoon het toch die van zijn geliefden meester is ?quot;

Bartholin verzuimde niet in zijn antwoord van 1 Sept. aan Blasius op te merken, dat dit toch wel geen ernst wezen zou. Zonder zich verder beslissend over de ontdekking uit te spreken, bepaalde hij zich tot deze woorden : »het geweten zal elk van u beiden wel zeggen, wie recht heeft; vaarwel en overwin u zeiven.quot;

Intusschen had Stensen zich metterwoon gevestigd te Leiden, waar hij de lessen der Professoren Van Horne en Sylvius volgde. Ole Borch, een zijner Deen-sche medestudenten, schreef over hem in Januari '62

ocr page 50

aan Bartholin: »Hij is waarlijk een genie, dat veel voor liet vaderland te hopen geeft; hij is bescheiden en weet tot nog toe niet, wat eerzucht is. Dat hij zich tegen Blasius verdedigt, is niet om de eer, maar om den schijn te vermijden, als had hij de heeren Sylvius en Van Horne, die in hunne les deze buis ductus stenonianus noemen, tot eene onwaarheid gebracht. Eindelijk is zijne verhandeling in 't licht verschenen. Moge zij u en zijn overige begunstigers voldoen en zijn roem waarborgen. Indien hem na eenige jaren verblijvens in deze stad der wetenschap de leerstoel van de ontleedkunde te Kopenhagen wordt toevertrouwd, dan durf ik verzekeren, dat deze heilzame studie nog verderen voortgang maken zal. Hij heeft een uiterst scherpen blik, een onvermoeibaar arbeidsvermogen, en is in de klassieke studiën mede zeer ervaren.quot;

Geen wonder dat na zulke berichten Bartholin zijn leerling en vriend den koning met warmte aanbeval. In Februari schreef hij hem, dat hij op de gunst des konings en de goedkeuring der geleerden rekenen mocht.

In Nederland evenwel vonden zijne wetenschappelijke geschriften bestrijders in Prof. Deusing van Groningen en Dr. Everard van Middelburg, terwijl Blasius nog altijd naijverig op Stensen's roem, drie zijner voormalige leerlingen wist over te halen om te getuigen, dat hij de bewuste buis, welker ontdekking door de hoogleeraren Van Horne en Sylvius aan Stensen was toegeschreven, reeds in 1659 voor Stensen's komst te Amsterdam, had aangetoond. Dr. Keyser.

ocr page 51

43

Dr. Leonaerts en de Theologant Kroese gaven het gewenschte getuigenis op schrift. Nu zond Blasius deze stukken benevens zijn aan Bartholin gerichten brief aan den pas tot hoogleeraar te Utrecht benoemden Nicolaas Hoboken — en deze verklaarde zich aanstonds bereid voor zijn ouden meester Blasius eene lans te breken.

»De strijd is weer opnieuw tegen mij begonnen,quot; schreef Stensen den 5lIen Maart '63 aan Bartholin: -doch Blasius heeft uit mijne beschrijving der buis niet eens geleerd, waar zij begint of eindigt.quot;

In een kort verdedigingsschrift wijst hij met kalmte en waardigheid de hatelijke beschuldigingen zijner vijanden af. Dit stuk, benevens zijne verhandeling over de spieren en het hart, door hem toen reeds als spier beschouwd, zond hij 30 April aan Bartholin en schreef hem: »het verwondert mij zeer, dat Hoboken u zijne verdediging van Blasius heeft opgestuurd. Het ware voor hem en voor Blasius beter geweest, indien dit geschrift nooit het licht had gezien. Gelijk Blasius heeft hij ook bewezen, dat juist diegenen het meeste durven, die het minst op de hoogte zijn. Ik geloof ook, dat er in menig groot boek niet zoo vele dwalingen te vinden zijn, als Blasius in deze handhaving van zijn vermeend recht voor den dag brengt, en Hoboken, die 't met hem eens is, tracht te bevestigen.quot;

Bartholin, die om niemand te stooten, nooit in dit geschil partij heeft gekozen, beschermde zijn leerling tegenover hen, die meenden, dat zijn jeugdige ijver hem te ver had gevoerd. »Aan Stenonis bescheiden-

ocr page 52

44

heid heb ik nooit getwijfeldquot; had hij reeds in Aug. '61 aan Paul Barbette geschreven, .gt;maar evenmin aan Blasius' stouten moed.quot; Hij betuigde zijn leedwezen Stensen door zoo vele vijanden omringd te zien, doch troostte er hem mede, dat een edele wedstrijd de oefenschool van groote zielen is. »Gaarne,quot; gaat hij voort in zijn brief van 25 Juli »had ik de vriendschap tusschen u en Blasius hersteld gezien, doch helaas! mijn wensch is niet vervuld. Ik weet niet, waarom men denkt, dat ik partijdig en u meer genegen ben. Hoe het zij, weet, dat ik geheel de uwe ben en uw rustloozen ijver voor de anatomie, die uw naam zoo beroemd heeft gemaakt, op prijs stel. Uwe beschouwingen over de spieren en het hart zijn waarlijk uitmuntend en verdienen bekend te worden. Het geluk bekrone uw pogen! ga voort door dergelijke geschriften uwen roem te verbreiden.quot;

Tot 1664 hield de strijd aan. Toen was Stensen's laatste woord aan zijn tegenstanders; »mijn geweten en de hoogachting van uitstekende mannen, in wier omgeving ik steeds geleefd heb, zijn mijne rechtvaardiging. Mocht het echter Blasius en Hoboken goed dunken nog langer in bondgenootschap met Deusing mij te beleedigen, zoo maak ik mij sterk hen voor eene rechtbank van deskundigen te wederleggen. Deusing heeft wel is waar mijne stellingen schandschriften en om de rest te verzwijgen, vruchten van een onrijp verstand genoemd, ja zich niet ontzien mij een verwijt van mijne jeugd te maken; doch moge de grijze van een jongeling hooren, wat hij zelf door zijn voorbeeld hem leerde: »niets misstaat zoozeer den eerlijken man,

ocr page 53

45

dan wanneer hij zonder eenige aanleiding iemand smaadwoorden toevoegt, gelijk diegenen doen, bij wien de wijn, de zwarte gal of de hooge ouderdom, het gemis aan kennis door grooter bespraaktheid vergoeden.quot; quot;

Tegen het einde van '63 vernam Stensen te Leiden den dood zijns stiefvaders en begaf zich naar Kopenhagen, licht niet zonder hoop op den leerstoel der anatomie aan de hoogeschool zijner geboortestad. Daar gaf hij in '64 zijn aan Frederik III opgedragen werk uit over de klieren en spieren, waarin zijne beschouwing van het hart als spier een stelsel omverstiet, hetwelk de geneeskunde tót dan toe voor onom-stootbaar had gehouden. Nog eene eeuw later verdiende dit werk de lofspraak van Halier een gulden boekje te zijn, waarin rijke zaden lagen voor 'nieuwe ontdekkingen. Van de twee brieven aan deze uitgaaf toegevoegd, is de eerste aan den hollandsche geneeskundige Willem Piso gericht en beschrijft de ontleding van een rog door den koninklijken lijfarts en Aarhuser kanonik Simon Paulli den 21stl!n Maart '64 in Sten-sen's tegenwoordigheid uitgevoerd; de tweede van 12 Juni '64 aan den bekwamen Amsterdamschen anatoom Paul Barbette, beschrijft de voeding van het kuiken in het ei.

Trotsch op zijn leerling schreef Bartholin twee jaren later: »onze Stenonius heeft in de anatomie de wereld heerlijke dingen voorgelegd en beschreven. Dagelijks brengen zijne onvermoeide hand en onderzoekende geest nieuwe waarheden aan 't licht; wij zeiven hebben hem al deze bijzonderheden (speeksel-, wangen-, verhemelte- en traanklieren) zien aantoonen, en wij

ocr page 54

46

wenschen ons vaderland geluk met zulken voortgang der ontleedkunde. Met verbazing gaven wij acht op zijne geheel nieuwe bewerking der spieren en zijne haarfijne ontleding van het hart, dat hij met zooveel kunde uit elkaar wist te nemen, dat het geheele samenstel der vaten als een lepel voor ons open lag, en van de punt uit naar boven zich in tweeën splitste, zoodat men niet langer aarzelen kon met Hippocrates het hart een ware spier te noemen.quot;

De vreugd over zijn welslagen in het vaderland duurde nochtans niet lang. Zijne moeder stierf, en de verwachte leerstoel aan Kopenhagens hoogeschool werd den 29i'tL'u Aug. '64 aan Mathias Jacobsen toegewezen. Dit benam Stensen allen lust om langer in zijne vaderstad te vertoeven. Hij liet de studie en de anatomie varen, zij misten voor hem alle aantrekkelijkheid — en nam den pelgrimsstaf weer op. Hij begaf zich naar Parijs over Keulen en kwam daar toevalligerwijze in gesprek met een Jesuïet. Zijn omgang met menschen van allerlei richting maakte hem genoeg man van de wereld om over het hinderlijke dezer ontmoeting heen te kunnen, en hoezeer ook bevooroordeeld, toonde hij zich voorkomend en beleefd. Hij was Lutheraan, doch had reeds meermalen katholieken ontmoet, wier reine levenswandel indruk maakte op zijn onbedorven hart; wier gedrag scherp afstak bij dat van velen zijner onkatholieke vrienden. Daarom trof het hem te meer, toen de pater hem vroeg, waarom er wel op alle plaatsen te gelijk slechte menschen waren, en de deugdzamen somtijds ver te zoeken; en waarom de Katholieke Kerk zoo vele belijders, martelaren, maagden, ongehuwden,

ocr page 55

47

arme missionarissen en anderen die zich op deugd toelegden, had aan te wijzen, terwijl de protestanten op dergelijke voorbeelden niet konden roemen?

Tegen het einde van '64 was hij in Parijs de welkome gast van Melchior ïhévenot, bij wien ook Swam-merdam verbleef. De geleerde gastheer trok zich den jongen Deen bijzonder aan en bracht er hem spoedig toe de anatomische studiën te hervatten en tevens Borel's lessen in de scheikimdo te volgen. Bij het klein getal vrienden en bloedverwanten, wat Stensen gebleven was, achtte hij zich gelukkig met de welwillende waardeering van Tliévenot, ten wiens huize de bloem der geleerden bijeenkomsten hield. Voor zulk eene vergadering las hij zijn opstel over de ontleding der hersenen, dat met groote ingenomenheid ontvangen werd. Het Journal des Scavans schreef van hem den 23sten Maart 1665: »Deze geleerde Deen houdt zich voor het oogcnblik op te Parijs, waar hij dagelijks voor een kring van weetgierigen ontleedkundige proeven doet. Hij heeft er ook in de Ecole de medicine gedaan en door zijne nieuwe ontdekkingen aller bewondering gaande gemaakt. Hij verstaat de kunst om de meeste zijner ontdekkingen zoo aanschouwelijk voor te stellen, dat men zich gedrongen voelt hem gelijk te geven en zich met verbazing afvraagt, hoe hetgene hij ziet en aantoont het oog van al zijne voorgangers ontsnappen kon.quot;

Onder de groote mannen, met wie hij te Parijs in aanraking kwam, behoort ongetwijfeld Bossnet, toen nog kanonik van Metz, doch zeer bevriend met den aartsbisschop van Parijs en beroemd door zijne bekee-

ocr page 56

48

ringen van onkatholieken tot het ware geloof. Hebben zijne geschriften en zijn woord er misschien toe bijgedragen Stensen van menig vooroordeel tegen de moederkerk te genezen? Zeker is het, dat hij toen reeds katholieke gevoelens koesterde omtrent Gods vaderlijke voorzienigheid, in alle omstandigheden Gods leiding zag en met kinderlijke overgeving zich er aan onderwierp.

Den herfst van '65 besteedde hij aan eene reis door het zuiden van Frankrijk, terwijl Thévénot's aanbeveling de meest wetenschappelijke kringen voor hem opende. Toen Italië zoo nabij, weerstond hij den lust niet dit land te bezoeken, en nog dien eigen winter moet hij te Kome zijn geweest, vermits de handelingen van het koninklijk genootschap voor wijsbegeerte te Londen reeds in Januari '66 een brief uit Rome door hem aan den Engelschen Dr. Croon geschreven, mededeelden.

Wat hem het eerst naar Rome dreef? Mogelijk het verlangen om in de stad der Pausen de waarde te onderzoekeu van de bewering zijner geloofsgenooten, dat de katholieken nergens werken van liefde uitoefenen. »Toen hij naar Rome kwam — schreef later Nerli, Cardinaal-Aartsbisschop van Florence — en daar in zoovele huizen en stichtingen de christelijke liefde beoefenen zag, begon hij aan zijn godsdienst te twijfelen.quot;

Den 22sten Juni '66 was hij te Livorno, waar heel een geloovig volk H. Sacramentsdag vierde. Toen hij de heilige hostie in plechtigen omgang door de straten zag dragen, voelde hij zijn geest beklemd door

ocr page 57

49

deze gedachte: of wel deze hostie is niets dan een stuk brood, en dan zijn zij, die er zoo groote eer aan bewijzen, dwazen — öf wel hier is Christus waarlijk tegenwoordig, en waarom vereert gij hem dan niet? 't Viel moeilijk aan te nemen, dat de katholieken, die een zoo aanzienlijk deel der Christenwereld uitmaken, en onder welken zoovele hoogst ontwikkelde eu geleerde mannen zijn, zich bedriegen lieten; maar het geloof, dat zijne ouders beleden, waarin hij was opgevoed, veroordeelen, stiet hem tegen de borst. »ïoch moest ik,quot; erkende hij daarna »noodzakelijker-wijze öf de Katholieke öf de Luthersche leer aannemen; want onmogelijk kunnen twee stellingen, die elkaar tegenspreken, gelijktijdig waar zijn; evenmin kan deze de ware godsdienst zijn, die in een geloofspunt wat zoo innig met het wezen des Christendoms samenhangt, op een dwaalweg geraakt is en zijne belijders in dwaling heeft gebracht____In deze gemoedsstemming begaf ik mij naar Florence om er gedurende eenigen tijd mij in 't Italiaansch te oefenen, wat daar zeer zuiver gesproken wordt.quot;

Hij kwam er aan met de St. Jansfeesten 2i Juni '66. Nog in die dagen was het hof der Medicis een brandpunt, waar alle geleerden, die Italië bezochten, zich vereenigden. De groothertog Ferdinand II was, zoowel als zijn broeder Prins Leopold (in 1676 tot de Cardinaalswaardigheid verheven) minnaar en bevorderaar der wetenschap. Vincenzo Viviani, •— Galilei's laatste leerling —- Alfonzo Borelli, voornaam wiskundige, Francesco Redi, geneeskundige en zoöloog, Carolo Dati, Lorenzo Magalotti verkeerden aan dit

4

ocr page 58

50

hof, waarvan liecli aan Kircher schreef: »de bekwaamste mannen uit alle wereldstreken komen hier samen en geven elkaar de vruchten van hun roemvollen arbeid te genieten. Bij hunne aankomst worden zij zoo alleraangenaamst ontvangen, dat zij zich als in de lusthoven der Odyssee verplaatst meenen te zien.quot;

Met Thévénot's aanbeveling was ook Stensen er welkom, en het duurde geen maand, of Viviani had hem voorgesteld aan den groothertog, die hem tot lijfarts benoemde en eene woning met jaarwedde aanwees. Den hertog volgend hield Stensen zich nu beurtelings te Florence, Pisa en Livorno op, doch nam trouw elk dezer gelegenheden te baat voor zijne wetenschappelijke onderzoekingen. Zoo weinig nadeeligen invloed oefende het weelderig hofleven op zijne ernstige studiën uit, dat hij reeds het volgende jaar een uitvoerig werk over de spieren in 't licht kon geven, wat hij den groothertog Ferdinand opdroeg. Hij bedankt er zijn vorstelijken beschermer in voor de eer aan den zoon van het noorden, die nauwelijks onder de middelmatige talenten eene plaats verdient, bewezen: ster-wijl mij niets anders overblijft om u mijn dank te betuigen, moet ik wel doen gelijk de planten, welker vruchten in welsprekend zwijgen hulde brengen aan de milde aarde en de zoele lucht.quot;

Over dit werk schreef Michel Augelo Kicci 30 Mei' '67 uit Eome aan prins Leopold : sin Stenone vereenigen zich ervaring en ijverig onderzoek met talent en een helder hoofd. Geen wonder dus, dat hij zoo merkwaardige ontdekkingen deed en ze met zoo veel duidelijkheid voorstelt als in dit nieuwe boek.quot;

ocr page 59

51

De kringen, waarin Steusen tot nog toe in Kopenhagen en in Holland verkeerde, hadden zijne recht-geloovigheid ernstig bedreigd. Velen zijner vrienden waren godloochenaars, anderen gelijk Spinoza pantheïst, de meesten evenwel behoorden tot de in onderscheidene groepen verdeelde aanhangers van Calvyn. Doch hij erkende spoedig het gevaar, omdat de wetenschap voor zijn helderen blik in de stof de werken en glanzende sporen van Gods almacht en wijsheid vertoonde. De studie van het menschelijk hart en van andere lichaamsdeelen geleidde hem tot de overtuiging, dat een zoo kunstig samenstel niet door toeval kon zijn ontstaan, maar het werk moest wezen eens meesters van oneindige wijsheid. De ontdekking daarenboven van vele dwalingen, welke de mannen der wetenschap voor zuivere waarheid uitgaven, schokte zijn vertrouwen in hunne onfeilbaarheid in zaken van geloof en godsdienst, en Gods goedheid bracht hem op eene bewonderenswaardige wijze, tegen zijne bedoeling of verwachting in, tot uitkomsten, die alle luchtkasteel en der geleerden over den bouw van het hart en de werking der spieren van zelve in duigen wierpen. Uit deze dingen kwam hij tot eene dubbele gevolgtrekking. «Vooreerst indien mannen, tegen wie velen als godheden opzien, zulke ongerijmdheden ten beste hebben gegeven over een punt nu door de proef dei-onderzoeking in een heel ander licht vertoond, wie waarborgt mij, dat zij meer geloof verdienen bij de verkondiging hunner leerstukken aangaande God en de ziel, met welken geen proeven te nemen zijn ? Ten tweede, heeft mij God, toep ik mij door mijn omgang

ocr page 60

52

met die menschen en de beschouwing hunner opvattingen in het grootste gevaar bevond, onverwachts door de openbaring van lang verborgen waarheden' de oogen geopend, zoo moet ik besluiten, dat Hij me bijzonder liefheeft; dan gevoel ik me — indierr ook andere gronden ontbraken — reeds daarom verplicht iedere gelegenheid om Hem mijne dankbare liefde te bewijzen, aan te nemen.quot;

Zijne gehechtheid aan de leer van Luther nam merkbaar af door de oneenigheid in het kamp zijner geloofsgenooten. Alle partijen beriepen zich op de H. Schrift en vonden er geloofspunten, die elkaar tegenspraken ; kon dit het werk zijn van den H. Geest, van den God der waarheid, of van den band der eenheid ? Zijn geloovig gemoed was bovendien af-keerig van hetgeen hij met den naam van politiek bestempelde, en waardoor hij het streven en woelen verstond van hen, die alle levensgeluk en toekomst van eigen vernuft en geslepenheid wachtten, en zich zeiven volkomen genoeg, aan God geene behoefte gevoelden. »Doen wat in mijn vermogen is en al het' overige van God verwachtenquot;, was zijn stelregel, vooral sinds hij ervaren had, hoe de meusch wikt en God beschikt. »'t Viel mij wel dikwijls hardquot; getuigde hij smijne bedoelingen en plannen verijdeld te zien, doch toen de ondervinding mij geleerd had, hoeveel leeds God me had gespaard, en hoeveel goeds Hij me had overgezonden, kwam ik eindelijk tot dit gebed: O' Gij, zonder wiens toelating geen haar van ons hoofd, geen blad van een boom, geen vogel uit de lucht valt, en de geest geen gedachte, de stem geen klank.

ocr page 61

53

noch de hand beweging heeft — Gij hebt me tot heden op mij onbekende wegen geleid, voer mij ook ziende of blind op het pad uwer genade, ü is het gemakkelijker mij te leiden waar Gij wilt, dan voor mij het afwijken is van liet einddoel, waarheen ik word getrokken.quot;

Als lijfarts van groothertog Ferdinand kwam hij meermalen te Florence in het ziekenhuis »Sta Maria Nuovaquot;, waar zuster Maria Flavia del Nero met de apotheek belast, hem de vereischte kruiden eu zalven verkocht. Toen zij vernam, dat hij Lutheraan was, deed het haar leed voor hem, want hoe kort zij h e kende, had zij goede hoedanigheden en vooral eene groote bescheidenheid bij hem opgemerkt. Zonder veel nadenken gaf zij hem op zekeren dag in ronde woorden te verstaan, dat hij eene dwaalleer aanhing en zijne eeuwige zaligheid zou verbeuren. ')

1) Dit krasse woord tier Zuster, dat haar op hoogere ingeving, naar zij meende, over de lippen kwam, kon worden aangehaald als getuigenis voor de dwaze bewering, dat wij Katholieken allen, die het niet zijn, ter helle verwijzen. Volge hier het woord van Pius IX z. g. hetwelk de juiste uitdrukking aan de leer der Kerk geeft. «Het geloqf leert, dat niemand huiten de apostolische, Roomsche Kerk zalig kan worden; dat zij de eenige heilsarke is, en dat hij in den zondvloed zal omkomen, die daar niet is binnengegaan. Nochtans moet men evengoed voor zeker houden, dat zij, die omtrent den waren godsdienst onwetend zijn, wanneer deze onwetendheid onoverwinlijk is, in dit punt voor het oog des Heeren met geene schuld zijn bezwaard. Doch wie zal zich nu vermeten om bij deze uiteenloopende verscheidenheid van volkeren, landaard, enz. de grens te bepalen waar deze onwetendheid eene schuldige wordt? Immers, wanneer cAij van deze banden des lichaams bevrijd. God zullen zien.

ocr page 62

Steusen hoorde haar rustig aan, al herhaalde zij hem gedurig hetzelfde. Hij hield er veel van, bekende hij haar over godsdienst te spreken, maar redetwist worden, mocht het niet. Toen zuster Maria dit vernam, vatte zij moed en verzocht li era God alle dagen te bidden om de waarheid in te zien. Hij beloofde het en bad sinds — naar zijn knecht de zuster mededeelde — eiken avond.

Op een ochtend was hij juist aan het tralievenster der spreekkamer toen de Engel des Heeren werd geluid. »Bid meequot; zei de zuster, en hij bad tot aan :;de vrucht uws lichaamsquot;. Toen zij aandrong, dat hij voort zou gaan, maakte hij moeilijkheid, dewijl hij toch niet aan de voorbede der H. Maagd of der

gelijk Hij is, zullen wij zeker begrijpen in welk een nauw en heerlijk verband Gods ontferming samenhangt met zijne rechtvaardigheid. Zoolang wij echter hier op aarde verblijven, belast met dit sterfelijk omhulsel, dat den geest verstompt, moeten wij volgens de Katholieke leer zeer vastelijk gelooven, dat er één God is, één geloof en één doopsel; verder het onderzoek voortzetten is ongeoorloofd. Overigens voegt het ons naar den eisch der liefde zonder ophouden te bidden, dat alle volkeren van alle hemelstreken tot Christus worden bekeerd, en behooren wij naar best vermogen het gemeenschappelijk heil dei' men-schen te bevorderen, dewijl de hand des Heeren ook niet is verkort; en de 'hemelsche genadegaven zullen hen nooit ontbreken, die met oprecht gemoed verlangen en vragen doordat licht te worden bestraald. Dergelijke waarheden moeten diep in de harten der geloovigen geprent, opdat zij niet worden misleid door leeringen, die eene onverschilligheid op het punt van godsdienst, als wij tot groot nadeel der zielen verder zien-voortwoekeren en sterker worden, na zich sleepen.quot;

Pauselijke toespraak van 0 Dec. 1854.

ocr page 63

heiligen hechtte. »De eerste helft,quot; zeicle hij »is mij genoegquot;. Op verlangen der zuster ging hij de kerk van Maria Boodschap bezoeken, bad dagelijks eenige gebeden tot de allerheiligste Maagd en onthield zich vrijdags en zaterdags van vleesch. Verrukt over deze volgzaamheid zond de ijverige zuster hem naar den Barna-bieter-Pater Leonelli. Stensen sprak met hem en met nog anderen, doch openbaarde zich bij dezen niet. 't Was, of hij zich onder den invloed des boozen beschaamd gevoelde met hen over godsdienst te spreken. Zoo gebeurde het, dat zij tot de overtuiging kwamen : er bestond niet de geringste hoop op zijne bekeering.

Een der aanzienlijkste en meest gezochte kringen te Florence, was het salon van graaf Arnoltini, gezant van Lucca. Zijne gemalin Lavinia Felice stond als eene hoogst ervarene en godsdienstige vrouw bekend. Zij bezat de zeldzame gave de deugd in de wereld beminnelijk te maken, en van de personen, die haar salon bezochten, bracht zij er velen tot een volmaakten levenswandel. Stensen had haar oplettend gadegeslagen en hare deugd zoowel als haar ontwikkelden geest bewonderd. Wellicht opmerkzaan gemaakt door zuster Maria, of alleen bij het licht der genade ziende, wat de bekeering van dien man voor het heil der zielen en de eer der Kerk te hopen gaf, zette mevrouw Arnolfini zich met het volste vertrouwen op God aan den arbeid. Zij begon eene bijzondere belangstelling in hem te toonen, liet hem dikwijler bij haar toe en geleidde het onderhoud meest altijd op deugd en godsdienst. Eens waagde zij de ingrij-

ocr page 64

56

peude vraag: »voelt u ten minste niet een zeker verlangen naar den Katholieken godsdienst?quot;

»Mevrouwquot; antwoordde Stensen met kalme beleefdheid »ik heb bij de Katholieken veel gevonden, wat mij niet mishaagt; bij de Luterschen wel dingen, die mij niet bevallen; doch tot heden toe heb ik niets ontmoet, wat mij verplichten zou om den godsdienst te verlaten, waaraan ik door geboorte en vaderland gehecht ben.quot;

«Mijnheerquot;, klonk toen het wederwoord met een vuur, dat Stensen verbaasde, »ik zou mijn bloed willen geven tot den laatsten druppel om u deze verplichting te doen inzien!quot;

»Zooveel liefde tot God en den naaste,quot; hernam Stensen, »heb ik nog bij niemand gevonden. Maar heb ik vooralsnog meer tijd, moeite en inspanning aan andere studiën dan aan het heil mijner ziel besteed, ik beloof u van dit uur af ernstig den Godsdienst te onderzoeken.quot;

Hij onderzocht. Aan zijne vrienden vroeg hij boeken; niet enkel katholieke als Baronius1 jaarboeken, Bellar-minus' twistvragen en de H.H. Vaders, maar ook de Maagdenburger centuriatoren en anderen; bijna dagelijks wijdde hij heel zijn morgen aan deze studie. De groote vraag voor hem was de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in 't H. Sacrament. Hij zocht met een oprecht gemoed, bad om licht van boven, maar ondervond den invloed zijner opvoeding, de kracht der vooroordeelen van jongs af opgedaan. Niettemin raadpleegde hij de bekwaamste katholieken van Florence, vergeleek den latijnschen tekst der heilige

ocr page 65

57

Schrift en hebreeuwsche handschriften, waarvan eene zeer kostbare verzameling voor hem toegankelijk werd gesteld.

Toen mevrouw Arnollini zag, met welken ijver Stensen de Katholieke leer bestudeerde, noodigde zij hem uit kennis te maken met haren biechtvader. P. Savignani S. J.

Zuster Maria had hem denzelfden raad gegeven, en met het volste vertrouwen opende hij dezen priester zijn hart. Nu volgden herhaalde samenkomsten, opwerpingen en verklaringen, waarin de laatste twijfels werden opgelost, en Stensen, nog eer hij het vermoedde, aan den drempel der moederkerk stond, 't Was toch onloochenbaar, dat zij voor de hervorming öf wel de Kerk van Christus was, öf er had in quot;t geheel geenu Kerk van Christus bestaan. Dit beweren was te dwaas, dus moest hij tot het eerste besluiten. Doch was zij eens de Kerk van Christus, dan was zij altoos de onfeilbare verkondigster der goddelijke openbaring, dewijl Christus' ware Kerk in geloofspunten krachtens goddelijke beloften nimmer dwalen kon. Inderdaad overtuigde hem de grondige studie der kerkvaders en Conciliën, dat Rome ten allen tijde dezelfde geloofswaarheden verkondigd heeft. Alleen door verkeerde voorstelling harer leerstukken en prikkeling der laagste hartstochten was het den hervormers gelukt eene andere leer ingang te doen vinden.

ïoch ondervond Stensen aan zich zelve, dat de overtuiging alleen niemand bekeert. Gelijk de recht-vaardigmaking is ook het geloof, dezer wortel en grondslag, eene vrije en onverdiende genadegave Gods. Heeft

ocr page 66

58

Paulus cleu Ephesers niet geschreven : »met behulp der genade zijt gij gered door het geloof; en dit niet uit u zeiven, want het is Gods gave, niet uit werken, op -dat niemand zich beroeme.quot;

Het geloof vraagt eene vaste, onwankelbare overgeving van verstand en wil aan de geopenbaarde waarheid. Zonder genade echter geen geloof. Stensen's verstand was overtuigd, doch het beslissend : ik wil, kon nog niet over zijne lippen.

Daar ontvangt hij op eens bevel zijns konings Fre-derik III van Denemarken om onverwijld naar het vaderland terug te keeren.

De tijding, dat hij zich met de studie van twistvragen bezighield, moet Kopenhagen hebben bereikt, en gevoegd bij het gerucht, dat de listen der Jesuïeten hem tot geloofsverzaking trachtten te brengen, de geleerden van Denemarken allerpijnlijkst hebben getroffen. De lasterlijke aantijgingen van Jens Möller en de klachten van Petersen geven er luide getuigenis van. Dat evenwel dit onverwacht schrijven in naam des konings den nog onbekeerde van hart eene welkome oplossing scheen der moeilijkheid, waaruit hij zich niet wist te redden, zou men opmaken 'uit zijn spoed om zich in te scheepen op het -zeilree liggend vaartuig in de haven van Livorno, vermoedelijk de vloot met welke Cosimo zich 22 Oct. '67 naar Vlaanderen begeven moest.- Hij gunde zich niet eens den tijd Zuster Maria te groeten, doch schreef een brief, die aanstonds na zijn vertrek haar zou worden bezorgd. Toen hij echter bij Cardinaal Leopold ten ge-hoore kwam om afscheid te nemen, berichtte deze

ocr page 67

59

hem, dat cle vloot juist was uitgezeild. Zijne reis was dus voor het oogenblik verijdeld.

Nu begaf zich Stensen naar Zuster Maria, die hem opmerkte, hoe de goddelijke barmhartigheid hier zichtbaar was, die hem in dit land deed blijven, tot hij voor den Katholieken godsdienst zou gewonnen zijn.

»Bid en laat voor me bidden !quot; was zijn eenig antwoord.

Tien dagen daarna op Allerzielenavond 1667 was hij weer de gast van mevrouw Arnolfini, en gaf deze hem te verstaan, met hoeveel ongeduld zij naar zijne bekeering uitzag. Hij bleef zichtbaar besluiteloos. ïoen op eens, of 't haar werd ingegeven, sprak zij op hoog ernstigen toon :

«Mijnheer, de bezoeken en gesprekken, die ik tegen mijne gewoonte in u toesta, hebben geen anderen grond dan mijne belangstelling in het heil uwer ziel en komen voort uit mijn verlangen u voor het geloof te winnen. Dewijl gij echter de door u erkende waarheid niet wenscht te omhelzen, mag ik mijn tijd niet langer verkwisten. Kom dus niet meer bij me, zoolang trij niet beslist zijt om Katholiek te worden.quot;

Zij zweeg, maar de uitdrukking barer ten hemel gerichte oogen gaf te kennen, dat zij bad.

Dit onverwachte, strenge woord was voor Stensen als een lichtstraal van Gods toorn. Hij ging. In zijn gemoed werkte de genade Gods. Hij wilde naar P. Savignani en ontmoette hem in de straat. Met dezen begaf hij zich nu naar het huis der Paters. Doch toen hij een oogenblik in de spreekkamer alleen bleef, terwijl de Pater van zijne cel eenige boeken haalde,

ocr page 68

(30

gevoelde hij op eens zijn hart zoo veranderd en zoo vol moed, dat hij den met de boeken binnen tredenden Pater toeriep : »ik heb bewijzen noch getuigenissen meer noodig om mij te overreden. Gods licht heeft alles opgeklaard!quot;

De priester omhelsde nu den bekeerling en dankte God voor de wonderbare werking der genade. Stensen keerde ijlings terug naar het hotel van den gezant om Lavinia de heugelijke tijding te brengen: haar gebed en hare liefde hadden meer dan alle boeken gedaan. Geroerd stond zij op en trad in hare huiskapel, om in een Te Bcuni haar dankbaar hart lucht te geven. Daarna spoedde zij zich in persoon naar het klooster van Sta. Maria Nuova en bracht Zuster Maria de blijde boodschap, welke zij haar om het late avonduur verzocht stil te houden. Den volgenden morgen 3 Nov. zond Stensen zelf naar de Zuster met verzoek om de relieken en het Mariabeeld, dat zij hem beloofd iiad, wanneer hij Katholiek werd. Hij stuurde haar tevens 50 scudi's om een paar zilveren luchters te laten maken voor 't Maria-altaar in de kloosterkapel, waar hij zoo dikwijls had gebeden. Dien eigen ochtend geleidde hem P. Savignani tot P. Baronida Lugo de Inquisiteur ter afzwering der ketterij, en den 8sten December 1(367 legde hij zijne geloofbelijdenis in handen van den Pauselijken Nuntius af. Ecu geweldige strijd was er gestreden in zijn borst; met Gods genade had iiij de overwinning behaald; toen kwam de rust met een zoo overvloeienden troost, dat zijne vrienden — maar het eerst en het best Lavinia Arnolfini en Zuster Maria het hem aan konden zien. Als een juichtoon klonk

ocr page 69

61

het in een brief over zijne bekeering; »Geloofd zij in eeuwigheid de naam des Heeren, die mij uit de duisternis tot het licht, van den dood tot het leven heeft geroepen! Moge hij u en al onzen vrienden, ja allen menschen de ware zielernst in den schoot der Katholieke Kerk verleenen!quot;

De protestantsche geheimarchivaris Jörgensen, een der uitmuntendste geschiedkundigen van Denemarken, gaf in December 1884 in een boek getiteld Nils Sten-sen !) de vrucht zijner jarenlange studie ten beste. Wat dezen eerlijken schrijver, die in een uitvoerig werk over de stichting en ontwikkeling der Kerk in het noorden, van zijne onpartijdigheid blijken gaf, het meest in de figuuur van Stensen aantrok, en wat hij daarom tot bijzonder punt zijner onderzoekingen koos, was het zielkundig raadsel zijner bekeering. Al vertoonen zijne opmerkingen hier en daar eene protestantsche kleur, de hoogste waardeering Verdienen zijn onbevangen oordeel en zijn eerlijke erkenning der waarheid.

»Niels Stensenquot; zoo schrijft hij op bl. 106 »kon in de vergoding zijner eigene gedachte geene bevrediging vinden. De wetenschap had hem geleerd ootmoedig te zijn, en terwijl zij hem een diepen blik in de geheimen der natuur had gegund, was de overtuiging, dat ook de geschiedenis hare geheimen heeft, daardoor opnieuw in hem opgewekt. Met deze overtuiging en een inwendigen aandrang om zich in de geheimen der historie te verdiepen, was hij naar Italië gekomen, en het edelste zijner natuur, in verband

1) Nils Stensen, Et mindeskrift af A. D. Jörgensen. Kjoben-havn 1884.

ocr page 70

62

met zijne eigenaardige mistastingen op den weg der redeneering voerde hem door een hard zielenlijden heen in den schoot der Katholieke Kerk. Zijne «bekeeringquot; behoort ongetwijfeld tot de leerzaamste hoofdstukken der geschiedenis van het menschelijk hart.quot;

Alsof Jörgensen dit verwijt van »mistastingen op den weg der redeneeringquot; wil terugnemen, vraagt hij vijf bladzijden verder:

»Hoe was het mogelijk, dat dit heldere hoofd bevangen kon worden door het geloof aan eene wonderdadige Maria, en zulks niet in een zwak oogenblik, niet in een ziekelijken toestand, maar in den bloei zijner kracht, in de dagen, dat hij aan eene nieuwe wetenschap het leven gaf? Men heeft zoowel te dien tijde als later op velerlei wijzen beproefd dit feit te verklaren, doch altoos ten koste van zijn karakter of van zijn verstand, en in strijd met alles, wat ons verder van hem bekend is geworden.

»Na alles wat wij van hem weten, moet het antwoord integendeel luiden: het kwam juist, dewijl hij een zoo helder hoofd, een zoo scherpzinnig en logisch denker was; juist omdat zijn karakter zoo rein en vlekkeloos, zijn wil zoo krachtig waren; juist doordien zijn wenschen en streven zoo hoog een doel beoogden. Week hij niettemin af van het rechte spoor, (?) zoo bereikte hij toch ongetwijfeld zijn doel; en wie vraagt er naar de lengte van den weg, naar de tegenspoeden en doornen, wanneer het doel bereikt is ?quot; bl. 111

Betuigt Stensen meermalen, dat hij zich tot de Katholieke Kerk getrokken voelde, omdat hij bij hare kinderen grootere heiligheid van levenswandel waar-

ocr page 71

68

nam, Jörgensen neemt het hem niet kwalijk, maar geeft toe: »ook van elders clan uit Stensen's getuigenis weten wij, dat deze mannen, met welken hij in Italië omgang had, een voorbeeldig leven leidden en oprechte Christenen waren. In 't bijzonder geldt dit van Maga-lotti, Ricci en Fabri en boven alle anderen van Pater Savignani en de vrouwen, met wie hij in aanraking-kwam. Dat hier het toeval in 't spel was, zal wel niemand beweren. Het Protestantismus was na de sterke godsdienstige opgewektheid van het eerste geslacht, zeer in verval geraakt en versteven tot eene geleerde rechtzinnigheid, terwijl het Katholicismus een bloeitijd beleefde, die eerst wat later in de Pro-testantsche landen over kwam. Het zag er vóór dien tijd waarlijk uit, alsof de afval van de alleen zaligmakende Kerk geene andere beteekenis had, dan het afbreken van een tak van den boom; binnen weinig tijds is de tak verwelkt en dood.quot; BI. 115.

Omtrent den invloed door anderen op Stensen's overgang uitgeoefend en zijne eigene vrijheid in dien stap, erkent Jörgensen even eerlijk;

»Moet men ook toegeven, dat Niels Stensen een sterken invloed van Katholieke zijde onderging, daar hem krachtige uitingen van het kerkelijk leven omgaven, en eene scherpzinnige verdediging van het Katholieke geloof hem tegemoet trad, zoo moet men evenzeer erkennen, dat zijne persoonlijke vrijheid, waar het er op aankwam de beslissende keuze te doen, zooveel mogelijk ongedeerd bleef. Niet alleen toch behandelden hem zijne vertrouwde vrienden met de grootste zachtheid, zoodat alle enkel uitwendige

ocr page 72

(54

overreding ver van hen verwijderd bleef, docli hij kon zich op den duur zonder eenigen aanstoot te geven of opzien te baren aan hunnen invloed onttrekken, zelfs leidden hem de omstandigheden herhaalde malen uit hunne omgeving weg.'' BI. 123.

Den dag van zijn pleehtigen overgang ontving hij een tweeden brief van koning Frederik III, gedag-teekend 19 Oct. 1667, met den last om zoodra mogelijk naar Kopenhagen terug te keeren. Een jaargeld van 400 scudi werd hem toegewezen van den dag zijner aankomst in Denemarken te beginnen. Stensen's antwoord aan den koning hield mededeeling in van zijne bekeering en de belofte van aanstonds de terug-reize te ondernemen, wanneer hij van Zijne Majesteit vernomen had, dat hem in Kopenhagen vrije uitoefening van zijn godsdienst werd vergund. Doch sinds 14 Nov. 1665 lag het later openbaar gemaakt besluit des konings onderteekend, waarbij alleen aanhangers der rechte leer (Lutheranisme) in Denemarken werden geduld, zoodat tot groote vreugde van Stensen's vrienden de terugkeer naar Kopenhagen werd verdaagd.

Met de kalmte in zijn gemoed was de lust voor studie weer boven gekomen. De ontleding van een onlangs opgegraven haaienkop had zijne aandacht gevestigd op de vorming der aardlagen, waarin deze gevonden was. De vrucht zijner bevindingen openbaarde hij in eene studie met den bescheiden titel-van »voorbode eener verhandelingquot; in het licht gegeven, dewijl hij zich voorstelde de hier aangegeven stoffen later meer uitvoerig te bewerken. Aan deze 76 kwarto bladzijden dankt hij zijn onverduisterden roem als

ocr page 73

65

Geoloog. Vineenzo Viviani schreef den 30stequot; Aug. 'GS als kerkelijk boekenkeurder van Florence: »Het nieuwe en gelukkige boek van den zeer beroemden Steno : de solido intra solidum naturaliter contento dissertatioms prodromus (inleiding eener verhandeling over de geologie of liever over de geheele natuurkunde) heb ik gelezen, en vermits ik het onder het opzicht van geloof en goede zeden even zuiver en onberispelijk heb bevonden als den schrijver zeiven, is mijn oordeel, dat het verdient gedrukt te worden.quot; Bij dit gunstig gevoelen sloot zich Francesco Redi aan, en van 13 Dec. '68 is de goedkeuring van het H. Officie te Florence.

Leibnitz betreurt het in zijn brief aan J. G. Lieb-knecht, dat het door Stensen beloofde boek nooit verschenen is, en de daartoe bijeengezamelde stoffen niet eens aan het licht zijn gekomen. Wel was het hem bekend, dat Stensen bij het vaarwel zeggen dier studie den Deenschen geneesheer Oliverius Jacobaeus verzocht had zijn plan en zijne gedachten over de natuurkundige aardbeschrijving en de wisseling der aardlagen verder uit te werken, doch of deze geleerde metterdaad dien arbeid had opgenomen, wist Leibnitz niet. sHet gevolg hiervan wasquot; gaat hij voort »dat de gulden waarheden, die men hier in weinige woorden neergelegd vindt, doch waaraan de schrijver niet genoegzame bewijskracht en ontwikkeling kon geven, hetgeen hij bij mindere beperking ontwijfelbaar had gedaan, slechts in bepaalde mate der wetenschap ten goede komenquot;. ') Hot duurde nog eene eeuw, eer zij

1) Uutens Tom. II 2. p. 94. lip. ad Jo. Georg. Liebkiiecht.

5

ocr page 74

66

die hoogte had bereikt, waarop Stensen's werk — ware het volgens zijn opzet en plan verschenen — haar met één sprong als het ware had gebracht. In denzelfden zin teekende Elie de Beanmont aan in de Annales des sciences naturelles-. 1) »de naam van Sténon behoort sinds langen tijd op de lijst dier geniale schrijvers, welke hunne eeuw vooruit een soort van voorgevoel hadden van ontdekkingen, die eerst vele jaren na hun dood onder de wetenschappelijke waarheden worden opgenomen.quot;

»Komt aan de Ki'11' eeuw de eer toe den weg te hebben geopend tot eene wetenschappelijke beoefening der Geologie, »eerst de volgende eeuwquot; schrijft Hoffmann, ') schonk ons den man, die eene bijzondere studie ondernam van de innerlijke vorming der aardoppervlakte, en die daaruit tot hoogst gewichtige ontdekkingen kwam omtrent het samenstel der aardlagen. Deze man, dien wij derhalve terecht den schepper der nieuwere aardkennis mogen noemen, was Nicolaas Steno. Met groote scherpzinnigheid maakt hij reeds ouderscheid tusschen versteening en neerslag. ') Zeker is het, dat van zijne volgers geen bergonderzoeker tot op Weiner en zijne tijdgenooten toe — de wetenschap zoo in het hart heeft gegrepen, geen enkele zoovele onderstellingen heeft aangevoerd, die later

1

Paris 1832 ïom. XXV p. 337.

ocr page 75

67

waar zijn gebleken. De meesten zijner volgers zijn bij zijn scheppend vernuft ver achter gebleven, zoodat wij van den vooruitgang onzer kennis omtrent de vorming der aardkorst in den loop der hem volgende eeuwen maar zeer weinig merkwaardigs hebben te berichten.quot; ')

Het hier bedoelde boek was opgedragen aan den groothertog Ferdinand II en verscheen te Florence in 1609. Aanstonds daarop ondernam Stensen de uitgestelde terugreis naar zijn vaderland en bevond zich reeds in Mei van hetzelfde jaar te Innsprück.

De aldaar verblijvende aartshertog ontving hem zeer welwillend en gaf hem een misgeboorte voor

1) Op het Oeologen-Cougres te Bologna in 1881 weijrle Piot'. Capellini uit over Steno's verdiensten. Ten gevolge liiervan werden er gelden door de leden gestort en een Comité benoemd met den last om zorg te dragen voor een passend gedenkteeken met beeltenis van Steno en opschrift op zijn graf in de St. hau-rentius' Kerk te Florence. Twee jaren later in Aug. 1883 bood het Comité den prior der gemelde Basiliek Mgr. Giovanniiii eene door \inceiiso Consani gebeeldhouwde buste van Stensen. welks voetstuk deze woorden m het latijn te lezen geeft:

»Vreeindeliug, gij ziet hier het beeld van Nicolaas Steno, hetwelk meer dan duizend geleerden van alle wereldstreken uit gezamenlijke bijdragen hebben doen vervaardigen ter heugenis aan den 411611 dag voor de kalender van October, toen de Geologen na het Congres van Bologna onder leiding van ridder Joaunes Capellini gehouden, herwaarts zijn getogen, en in tegenwoordigheid der afgevaardigden van den Klorentijnschen gemeenteraad en het instituut der hoogere wetenschappen op de overblijfselen van een in de ontleed-en aardkunde uitmuntenden man in den grafkelder van dezen tempel uit eerbied en dankbaarheid een lauwerkrans hebben neergelegd.quot;

La nazione nquot; . 240 Firenze 28 Agosto 1883.

ocr page 76

68

anatomisch onderzoek. In een schrijven van de volgende ■ maand deelde hij den groothertog Ferdinand den afloop zijner onderzoekingen mede. Over Weenen en Parijs, waar hij Thévénot bezocht, reisde hij naar Holland en vernam daar, dat koning Frederik III van Denemarken gevaarlijk ziek lag. Toen het doodsbericht van 20 Februari 1670 volgde, schijnt Stensen van zijne Deensche reis te hebben afgezien, want nog den 2üstequot; April zat hij te Amsterdam aan het ziekbed van een vriend, dien hij niet verlaten mocht. Daarom verontschuldigde hij zich in een brief aan Prof. Greve van Utrecht, dat hij diens uitnoodiging om derwaarts te komen, niet aannam. De vreugde van het wederzien zijner oude vrienden en studiegenooten in Holland werd niet weinig getemperd door zijn overgang tot de Katholieke Kerk, dien zij met den onjuisten naam van geloofsverzaking betitelde. Toen zij het evenwel beproefden hem tot de leer der Hervormers terug te brengen, bleken zij niet tegen hem opgewassen. Daarom drongen zij er op aan, dat hij met een hunner bekwaamste Theologen, Joh. Sylvius,, predikant bij de Hoogd. gemeente te Amsterdam, kennis zou maken. Ongetwijfeld zou deze hem van dwaling overtuigen.

De eerste ontmoeting had plaats aan een gastmaal, waar Sylvius zich allervriendelijkst voor Stensen betoonde. Doch toen hij den predikant ten zijnen huize bezocht en zijn weifelen in geloofszaken bespeurde, vond hij er geen bezwaar in met hem te redetwisten. Spoedig bleek dit echter — gelijk meestal — tijdverlies. »De waarheid werd er eerder door verdon-

ocr page 77

(39

kerel clan opgehelderdquot; schreef Stensen »waiit ieder oogenblik verandert uw tegenpartij van stelling, wijkt uit en ' laat niet maar hier en daar den draad der redeneering even glippen, doeii breekt dien gewoonlijk te midden van 't gesprek door, en zoo eindigt men met een heel ander punt, dan waarmee men begon-nen was.

»Om tijd en woorden te sparen, had ik besloten, voortaan bij gesprekken over het geloof een vasten regel te volgen. Eerst moest het punt, waar 't over gaan zou, zoo goed als de beteekenis der gebruikelijke woorden, nauwkeurig omschreven worden. Op dezelfde wijze werd de eerste bewijsgrond besproken. Geen nieuw bewijs mocht worden aangevoerd, eer alle verschil van meening omtrent het eerste was opgeheven. Wat langs dezen weg eens gezegd en aangenomen is, kan zonder klaarblijkelijke tegenspraak niet meer ont-•kend worden. Voor uitvluchten blijft dan geen plaats meer over.quot;

Uitmuntende regelen voorzeker, doch niet bruikbaar, tenzij voor wie met open oog en onbevangen oordeel de waarheid zoekt. Of Sylvius dit deed, die den afschuwelijken Labadie — den huichelachtigen geloofs-verzaker, die er toen ter tijde eene drukkerij dicht bij Amsterdam op nahield — en Oseas, een ander afvalligen priester, ten zijnen huize toeliet en beiden tot groote ergernis van Stensen in den redetwist mengde, valt ernstig te betwijfelen.

Een bericht van Florence meldde Stensen nu de ziekte van den groothertog Ferdinand en drong hem onverwijld terug te keeren. Den 8sten Juni door

ocr page 78

70

Utrecht reizend gat' hij Prof. Greve met eenige regelen kennis van zijn overhaast vertrek en spoedde zich voort naar Italië. Bij zijne aankomst vond hij echter zijn vorstelijken vriend en beschermheer sinds 20 Mei 1670 overleden. Onder weg had hij nog eenige hem te Amsterdam gemaakte moeilijkheden tegen den Katholieken godsdienst schriftelijk beantwoord en aan Sylvius opgezonden, doch eene tweede lijst met tegenwerpingen was al, wat hij terugontving.

Ofschoon de nieuwe groothertog Cosimo III Stensen met wetenschappelijken arbeid van velerlei aard belastte, hield deze zich nog gaarne met godgeleerde twistvragen bezig. Aan het einde van een geschrift, door hem in 1678 uitgegeven, zegt hij : »ik hoop dat deze gesprekken, waar slechts weinigen deel aan hebben genomen, velen den weg des heils mogen doen inslaan.quot; 1)

Inmiddels had na den dood van Frederik III diens zoon Christiaan V bezit van den Deenschen troon genomen en Peter Griffenfeld, als eersten minister, met zijn volste vertrouwen vereerd. Dezen staatsman ging de godsdienstvrijheid zoowel als de bloei der wetenschap ter harte, en de bewijzen van zijn invloed bij den koning bleven niet uit.

Den 269ten September 1671 werd het koninklijk besluit onderteekend, waarbij het verzoek van Terion, den franschen gezant, dat de Katholieken eene kerk mochten bouwen, werd ingewilligd. De Jesuïet Hein-

1

Occasio sermouum de religione cum Jo. Sylvio. Hannov. -1078.

ocr page 79

71

rich Kircher nam tot groote ergernis der predikanten met goed gevolg de heilige bediening in deze kerk waar. Aan Griffenfeld's voorspraak was het mede te danken, dat koning Christiaan V den 13den Februari 1672 Stensen onverwijld met toezegging van jaarwedde naar Kopenhagen terugriep. In een schrijven in de fransche taal van 26 April antwoordde Stensen aan den Deenschen minister : Ik dank Uwe Ex. allernederigst voor de mij betoonde gunst en wensch van harte, dat God mij in de gelegenheid stellen zal u eens mijnen dank en goede diensten te bewijzen. Ik vermoed, dat Uwe Ex. alreeds kennis draagt van de reden, waarom mijn antwoord zoo laat komt. De brieven toch, die het bevel Zijner Majesteit inhielden, kwamen niet voor 8 April in Holland. Gisteren 25 April ontving ik ze van daar. Daarom bid ik Uwe Ex. mij bij onzen genadigen Heer en koning wel te willen verontschuldigen. Dezen ochtend heb ik den groothertog persoonlijk het bevel Zijner Majesteit meegedeeld en hoop dus binnen weinige dagen mijn ontslag te erlangen. Daarop zal ik mij zooveel mogelijk spoeden ....

Stensen's vrienden waren bedroefd. Magalotti schreef aan Octavius Falconieri den 288ten Juni;

»De gewetensvrijheid berooft ons van Stenone, die door zijn koning terug is geroepen. Zijn jaargeld bedraagt 400 scudi. Toch gelooft hij in het heilige jaar (1675) weer hier te zullen zijn om eenigen tijd bij ons te vertoeven. Zijn heengaan doet mij om twee redenen leed. Want behalve, dat ik in hem een vriend, ja in geestelijken zin een vader verlies, blijft mij eene

ocr page 80

zeer onaangename bezigheid over. Ik moet namelijk toezicht houden over het kabinet van natuurlijke historie, en ik kan er onmogelijk buiten dit postje van hem over te nemen, aangezien Cardinaal Leopold het door een bevel van den groothertog op mij heeft laten overdragen.quot;

Den 3den Juli werden aan Stensen, als hoogleeraar aan het Theatrum anatomicum van Kopenhagen de eerste 400 scudi uitbetaald, en den 20st:en Augustus schreef hij aan Zuster Maria:

»Eene verontschuldiging voor mijn lang wachten met een brief wil ik bij u niet inbrengen. Zeker hebt gij van anderen reeds mijne aankomst in dit land vernomen, en zonder twijfel van den toestand dei-kleine kerk alhier gehoord, waar wij zoowel op feestdagen als door de week maar eene H. Mis hebben. Overigens bemoeilijkt men ons hier niet. Wij moeten afwachten, wat God doen zal. Ik woon bij mijne zuster in : men laat mij met vrede, van niemand ondervind ik tegenspraak, daar velen van gevoelen zijn, dat ieder ia zijn godsdienst zalig wordt, indien hij maar braaf leeft. Ofschoon de raenschen mij niet laken, willen zij toch niets van een anderen godsdienst hooren, hoezeer er enkelen met lof van ons spreken. Ik wenschte, dat zij iets hadden van hetgeen men bij de onzen vindt, maar de overtredingen der slechte Katholieken hebben zoo diepen indruk op hun gemoed gemaakt, dat zij over de leer niet kunnen nadenken, of beter gezegd, niet willen. Bid God voor mij, dat Hij me naar de mate van Zijn goddelijk welbehagen de heilige volharding en den voortgang in het bovennatuurlijk le-

ocr page 81

ven verleene. Bid echter ook, dat God barmhartigheid bewijze aan deze noordsche landen en zoo velen naar de ziel gestorvenen tot het leven terngroepe-Bovenal echter bid ik n den jongen prins (Frederik IV) Gode aan te bevelen. Er is mij in het hoofd gekomen voor zulke zielen te laten bidden, die God ten voor-deele van anderen uit de duisternissen bevrijden wil. Wanneer gij ginds voor het altaar neerknielt en uw hartelijk gebed verricht, zend dan voor deze mijne intentie eenige verzuchtingen tot God naar boven.quot;

Bij zijne aanvaarding van het hoogleeraarsambt betuigt hij in de gebruikelijke openingsrede den koning-dank voor de hem bewezen goedgunstigheid, doch geeft zijnen hoorders te verstaan, dat zij minder aandacht hebben te wijden aan het woord of de hand des leeraars dan aan de wonderen, die hij hun in Gods werken toonen zal. In deze rede sprak hij het beroemd geworden woord, later door Goethe nagezegd: «Schoon is hetgene wij zien; wat wij weten is schooner, maar het allerschoonste is nog verborgen voor ons.quot; ')

Nu herleefde voor de Kopenhagensche hoogeschool de bloeitijd van Simon Paulli en Thomas Bartholin. Van October af deed Stensen openbare proeven van ontleedkunde, welker uitslag de Acta Hafniensia in het kort meedeelden, dewijl hij zelf plan had ze later uitvoeriger te beschrijven. Griifenfeld begiftigde het The-atrum Anatomicum met twee rendieren, en Terion,

1) Pulchra sunt, quae videntur; pulchriora, quae sciuntur; longe pulcherrima, quae ignorantur. Acta Hafn. II, p. 359—306.

ocr page 82

74

lt;le fransche gezant, zond een beer ten geschenke. Bovendien hield Stensen zich bezig met liikenbal-seming; zijne manier verdiende, naar Bartholin's getuigenis boven die van Bils verre de voorkeur.

Toch kon het moeilijk anders of Stensen's welslagen en zijn roemrijk hoogleeraarsambt waren velen een doorn in het oog. Hij was hun landgenoot, maar Katholiek, en een, die de leer van Luther had afgezworen. In het jaar 1673 gaf Joh. Brunsmann, rektor der latijnsche school te Herlufsholm, een boek in het licht over Franciscus Spira, een rechtsgeleerde, die Katholiek geboren, de leer van Luther omhelsde, door de Inquisitie gedwongen, op de markt van Citadella de ketterij weer afzwoer, daarna tot volslagen wanhoop verviel en in dien toestand stierf. Aan 't slot dezer aandoenlijke geschiedenis komt de aap uit den mouw. De vrome schrijver betuigt, dat zij als waarschuwing mag gelden voor menschen, die uit loutere onbestendigheid en zucht naar verandering de leer van het zuivere Evangelie afzweeren en verloochenen, om tot de afschuwelijke leer van het papisme of andere even schadelijke sekten en ketterijen over te gaan. Dit te Kopenhagen gedrukte boek werd »toevalligquot; zegt Brunsmann — bij Stensen aan huis, bezorgd. Deze geloofde hier niet aan toeval en antwoordde den schrijver 27 Nov. 1673 : »De omstandigheid, dat gij me uw boek hebt toegezonden, hetwelk voornamelijk gericht is tegen hen, die van Luther's leer tot de Katholieke Kerk terugkeeren, is wel een bewijs van liefde jegens mij en uwe leer. Ik erken het gaarne. Uit hetzelfde boek wordt het mij echter

ocr page 83

duidelijk, dat gij nog niet weet, wat wij omtrent de werken leeren. Zoo kwam het, dat gij al te lichtvaardig geloof hebt geschonken aan hen, die door duizenderlei kunstgrepen hun afval van de in waarheid heilige Kerk als eene lofwaardige daad willen doen voorkomen; daarom hebt gij onzen heiligen godsdienst met valsche en afstootende kleuren geschetst.. .

Het volgende jaar 1674 kwam het antwoord in een zeven en negentig bladzijden langen open brief. Brunsmann was boos, schold en dreigde en wilde niets meer met Stensen te doen hebben. Stensen deed er het zwijgen toe. Eenige maanden evenwel daarna kwam Brunsmann Stensen bezoeken en vroeg om antwoord op zijn brief. Docli deze hield zich aan de slotwoorden en zei, dat hij de zaak voor afgedaan beschouwde. Kort daarop richtte Brunsmann een brief aan Anna Kitzerov, Stensen's zuster, waarvan de aanhef luidde:

»Uit het gesprek, dat ik met uw broeder gevoerd heb, is mij gebleken, dat er geen hoop meer bestaat op terugkeer tot den waren godsdienst. . .

Hij besluit met den raad des profeten te volgen : »Wij zochten Babyion te genezen, en de genezing volgde niet, laat het over aan zijn lot.quot;

Deze strijd, die hem bovenal als uiting der gestemdheid van zijne landgenooten tegen de borst was, gevoegd bij het geringe uitzicht op ruimere godsdienstvrijheid, droeg er zeker toe bij om hem terug te doen verlangen naar het Katholieke Zuiden. Daarom vroeg hij deii 24st™ Mei 1674 in den volgenden franschen brief aan Griffenfeld zijn ontslag.

ocr page 84

/Toen uwe Ex. mij het koninklijk bevel naar Florence zond, had Z. D. Hoogheid van Toscane mij reeds kennis gegeven van zijn wensch, dat ik den jongen prins onderricht in de wijsbegeerte zou geven. Dientengevolge beloofde ik bij mijn vertrek van dat hofquot; eenmaal terug te keeren, indien althans mijn Heer en koning mij die gunst toe zou staan. Terwijl ik nu door herhaalde brieven de verzekering ontvangen heb, dat het Z. H. zeer aangenaam zoude wezen, indien ik nu koude terngkeeren — zoo nader ik uwe Ex. met allernederigst verzoek mij bij Z. M. oorlof te verwerven om mij tot dien vorst te begeven, ten einde hem het bewijs te leveren mijner erkentelijkheid voor de betoonde weldaden. Deze reis zou mij ook nog meer voor den dienst zijner Majesteit bekwamen, ingeval zij mij gelast terug te keeren. Toch hoop ik ook daar niet als werkeloos onderdaan voor mijn Heer en koning te leven. Zoo kon ik, wanneer zich de gelegenheid voordoet, het binnenloopen in de haven van Livorno vergemakkelijken voor onze landslieden, welke op gindsche wateren een handelsvaart willen openen naar het voorbeeld der Hollanders en Hamburgers, die jaarlijks de haven van Livorno aandoen. Dit tweede jaar is verstreken, zonder dat ik ten algemeenen nutte werken kon bij gemis aan voorwerpen ter ontleding. Niettemin hoop ik, dat uwe Ex. mij ook voor dit jaar het goedgunstig toegestane jaargeld zal doen uitkeeren, benevens een pas, die zoo noodzakelijk is, wanneer men in tijd van oorlog reist.quot;

Den 4,lequot; Juli werd de verlangde pas geteekend

ocr page 85

77

door den koning, die »den getrouwen en geliefden onderdaan Nic. Stenonius der welwillendheid der bevoegden aanbeval.quot; 16 Sept. ontving hij de 400 scudi van het loopende jaar 3 Juli 1673—3 Juli 1674.

Voor Kopenhagen was dit ontslag een jaren lang onherstelbaar verlies — uit Florence gingen juichtonen op bij de belofte van zijn spoedige wederkomst. Tegen het einde des jaars was hij terug aan het hof van Florence, en de groothertog Cosimo III vertrouwde hem de opvoeding toe van den erfprins Ferdinand.

Hij droeg mij die taak op,quot; schrijft Stensen »met den uitdrukkelijken last den prins in de christelijke wijsbegeerte te onderwijzen. Toen ik reeds begonnen was met mijne lessen, zeide hij mij eens: ik moest hem goed inprenten, dat er nog een andere, hoogere Vorst bestond, van wien alle vorsten afhankelijk warenquot;').

De ervaring leert, dat de meeste bekeerlingen, wier overgang vrij bleef van menschelijke nevenbedoelingen, oen krachtig streven openbaren naar hooge deugd en heiligen levenswandel. Valt er voor hen nog een levensstaat te kiezen, zoo trekt het priesterschap den jongen man bij voorkeur aan, terwijl de maagd uitziet naar een klooster.

Eene gedeeltelijke verklaring van dit verschijnsel geeft Stensen, wanneer hij het verwijt afweert, dat zijne levensverandering het door God hem ge-

1) Het kort begrip van zijn onderricht aan den jongen prins, dat hij deze in 1677 ter hand stelde, doch waarmede zeer weinig vrucht schijnt gedaan te zijn, is jammer genoeg van de Bibl. Mar/liabechiana verdwenen.

ocr page 86

leende talent verloren doet gaan. »Slnds het God behaagde mij in Zijne Kerk nader bevriend te doen worden met personen, die zich aan de studie dei-christelijke volmaaktheid wijden, schonk Hij mij ook liet verlangen naar diezelfde volmaaktheid en de kracht, om na het breken der banden van andere studiën, met allen ijver deze ééne studie te beoefenen: uit liefde tot God in alles Zijn wil te volbrengen en anderen tot de ware liefde Gods te geleiden. Dat in ons de kracht der goddelijke genade geprezen mocht worden, en het lijden van onzen Heer Jesus Christus door ons uitwendig leven verheerlijkt, was mijn eenig doel, want door Zijne genade wordt mogelijk, wat anders onmogelijk is. Of nu het verlangen in mij zeiven en in anderen Christus' verdiensten te verheerlijken, en de bemoeiingen uit dit verlangen ontstaan de hoogste afkeuring verdienen, mogen zij, die God vreezen, beoordeelen. De middelen, waardoor wij het vermelde doel hopen te bereiken, zijn evenzoovele bewijzen der goddelijke liefde tot ons, zoo als b. v. het menigvuldig gebruik der HH. Sacramenten, door welke Christus' verdienste op ons wordt toegepast; de raden van Christus, waardoor de beletselen der goddelijke liefde verwijderd worden ; de voorbeelden van Christus en Zijne heiligen, die ons de Kerk voorstelt, in zoover althans deze naar de ons van God door Christus verleende krachten en den stand, waarin wij leven, kunnen nagevolgd worden. Voorzeker, indien gij het te prijzen acht, dat ik Gods waarneembare eigenschappen in de natuur heb nagevorscht, hoe kunt gij dan mijne poging gispen om deze niet slechts door

ocr page 87

'9

gt;

de overweging vau Christus' leven en leering zelf' beter te leeren kennen, doch met Zijne genade ze ook aan anderen ter navolging voor te stellen, opdat de schatten der goddelijke wijsheid, almacht en goedheid in ons uitblinken, en de roem der genade van Christus door allen worde verkondigdquot;. ')

Wel verre van in 't verwijt van sommige tijdgeuooten dat Stensen's bekeering een verlies voor de wetenschap was, mee te stemmen, verklaart bovengemelde Jörgensen: »het zal ten allen tijde tot de grootste triomfen der Katholieke Kerk behooren, dat Niels Stensen in denzelfden tijd, dat hij door eene vruchtbare inwendige ontwikkeling en een geweldigen strijd des geestes den weg tot haar vond, met eene zeldzame scherpzinnigheid en bewonderenswaardige genialiteit de grondslagen legde voor eene nieuwe wetenschap. Of dit feit te verklaren is, zooals wij het in dit boek hebben beproefd, zal wel van verschillende zijden betwijfeld worden; niettemin het feit zelf kan niemand ontkennen: in den strengsten zin is de bekeerling Stenode vader der geologie.quot; bl. 132.

Laten wij nu ZEm. Kardinaal-aartsbisschop Nerli van Florence aan het woord, die tijd- en stadgenoot van Stensen, door den Paus genoegzaam op de hoogte werd geacht om een vertrouwbaar naricht over zijn handel en wandel sinds den dag zijner bekeering samen te stellen. Deze berichtte: »Had hij nog als aanhanger der dwaling onschuldig geleefd en zich vele zedelijke deugden eigen gemaakt. Katholiek ge-

1) Defensio. Scrut. reform. Haimov. 1879.

ocr page 88

-so

worden, schreef hij zich eene zeer strenge levenswijze voor, en kwam ze zoo trouw na, dat hij in korten tijd een hoogen graad van christelijke volmaaktheid bereikte, en spoedig bekend stond als een man van gebed, wien de gaaf der tranen was bedeeld; een man van onafgebroken vereeniging met God. Zich zeiven was hij geheel afgestorven. Zoo groot was zijn ijver voor Gods eere en het zielenheil, dat hij iedere gelegenheid om met Joden en ketters, die om zaken herwaarts kwamen, kennis te maken, aangreep. Door zijne aangename manieren en inderdaad wonderbare overredingskracht gehikte het hem eenige Joden en vele ketters te bekeeren. Eenigen dezer laatsten, mannen van naam, bleven in Florence om zich niet door terugkeer in hun vaderland aan 't gevaar van afval bloot te stellen. Zij werden met liefde opgenomen en door 's vorsten mildheid rijkelijk bedacht.

»Ziük eene levenswijze had hem aller liefde en achting verworven zonder evenwel den geringen dunk, dien hij van zich zeiven koesterde, weg te nemen. Naar het oordeel van deskundigen was hij de eerste anatoom van Italië, een der uitmuntendste wijsgee-ren, groot taalkenner, was ten laatste tot leermeester des prinsen benoemd — en toch wist zijn ootmoed te bewerken, dat men na een langdurigen persoonleken omgang met hem niet op de gedachte kwam, dat hij met bijzondere kennis was begaafd. Ging hij met religieuzen om, of schreef hij aan zijne vrienden, dan noemde hij zich den armsten zondaar, die aller gebed behoefde. Niettemin zijn zij, die lang met hem omgingen en samen woonden, bereid onder eede te ver-

ocr page 89

81

klaren, dat zij nooit zelfs niet den geringsten hartstocht bij hem hebben bespeurd.

»Nadat hij acht jaren lang zulk een leven geleid had, ried P. Emile Savignani zijn biechtvader hem ernstig aan priester te worden, en zond hem met dit doel tot den pastoor der hoofdkerk alhier. Toen deze met hem over zijn doopsel sprak, kwam hij uit de wijze, waarop ginds (in Denemarken) het doopsel wordt toegediend, tot de overtuiging, dat er gegronde twijfel over de geldigheid bestond. Daarom hield hij het, steunend op het gezag der beste schrijvers en met name Quintaduénas 1) voor geraden, ten einde de geldigheid van het Priesterschap te waarborgen, hem onder voorwaarde over te doopen, hetgeen heimelijk plaats vond. Hierop werd hij na genoegzaam onderricht en lauge voorbereiding door de oefeningen van den H. Ignatius en andere werken van godsvrucht, krachtens eene apostolische Breve op drie feestdagen gewijd en vierde daarna, nu twee jaren geleden, met buitengewone godsvrucht zijne eerste H. Mis. 2)

»Dewijl hij in zijne nieuwe waardigheid een prikkel vond voor nog grootere deugd, wilde hij bij de belofte van zuiverheid, die hij tot heden toe ongeschonden had bewaard, nog de belofte van vrijwillige armoede voegen ; en hij onderhield ze gestreng.

1

Quintaduénas S. J. Singularia ïheol. moralis.

2

Stensen werd priester 1675 — zoo valt dit naricht des Cardinaals '1677. Vergelijk: Der Dane Siels Stensen. Einlevens-hild nach den Zeugnissen der mit-und naehwelt entivorfen von Wilhelm Plenkers S. .1. Freiburg im Breisgau Herder'sche Verlags-handlung 1884.

(»

ocr page 90

»Vaii de veertig scudi, die Z. Hoogheid hem als maandgeld deed uitbetalen, behield hij er slechts zes voor zijn sober levensonderhoud en kleeding; het overige besteedde hij, zoover hij mocht, want zijne 1) el ofte maakte hem van eens anders goedvinden afhankelijk — aan werken van liefde. Gaarne had hij er eene derde belofte bijgevoegd en dringend hield hij er bij zijn biechtvader op aan, namelijk om in alles te doen wat het volmaaktste was, en altijd de grootste eere Gods te bevorderen. Dewijl, zijn biechtvader hierin niet toestemde, vergenoegde hij zich met de verplichting om nooit iets te doen, wat niet tot de glorie der goddelijke majesteit of liet heil des naasten strekte.

»Weinig tijds later verkreeg hij op getuigenis van genoemden pastoor der hoofdkerk omtrent zijne bekwaamheid, de aanstelling als biechtvader. Zoomin voor de heilige priesterwijding als om de goedkeuring voor het biechthooren te bekomen, had hij zich op grond van de groote gedachte, die men van zijne bekwaamheid koesterde, aan een openlijk onderzoek behoeven te onderwerpen. Eenige Poolsche edelvrouwen. die geen Italiaausch verstonden, gaven aanleiding dat hij haar werd toegewezen.

»De Paters Theatijnen stonden hem volgaarne eene plaats af in hunne kerk. Het is niet onder woorden te brengen, met welke zorg en liefde hij deze bediening waarnam, en tot welke hoogte hij ze opvoerde, die de leiding hunner ziel hem toevertrouwden.quot; ')

1) Informazione de vita et moribns del Sig. Nic. Stenone, Fabri Litt. ined p. 4.quot;) —42.

ocr page 91

Onder de bekeerlingen van Stensen om dezen tijd behoort vooral Tilman Trutwin een Vlaming, die mede aan het Toscaansche hof verbonden was en als bekwaam ontleedkundige bekend stond. Zijn doodsbericht van 30 Januari 1676 behelst het volgende:

»Hij is hier in het hospitaal van St. Mattheus, waar hij woonde, overleden. Wat echter nog meer waarde heeft voor zijne ziel, is, dat hij als Katholiek, voorzien van de Sacramenten der Kerk gestorven is. Een pater Franciscaan hem door den groothertog toegezonden, en de goede, eerbiedwaardige heer Stenone, die tegenwoordig een der beste priesters in onze stad is, hielpen hem als Katholiek sterven. ')

Grootere verdiensten dan door zijne bekeeringen van enkele personen, verwierf hij zich door zijne godgeleerde geschriften. Wekte hij eertijds als anatoom en geoloog de verbazing der geleerden van Europa — sinds zijne bekeering, vooral na zijne priesterwijding, schreef bij veel tot verdediging der Katholieke Kerk, wat de aandacht van Roomsch en onroomsch trok.

Eén opmerkelijk verschil valt nochtans waar te nemen tusschen deze en zijne vroegere geschriften; waar het de natuurlijke wetenschap gold, brak hij baan en opende nieuwe gezichtspunten; als geloofsverdediger toonde hij diepen eerbied voor de overleveringen der Katholieke Kerk, en bleef voortdurend op den vasten grond harer leerstukken.

Bewondering verdient het, dat hij, de nieuwbe-keerde, zich zoo gemakkelijk en rustig1 op dit gebied

1

Dr. Jacob, riel I.apo aan Marius Floreiitini te f.nrca.

ocr page 92

S4

bewoog en de Katholieke leer met zooveel klaarheid en juistheid in 't licht stelde. Kort na zijne wijding in 1675 gaf hij drie brieven uit. De eerste was aan Joh. Sylvius en bevatte eene gelukkige en zeer scherpzinnige weerlegging van het calvinistisch beweren, dat de kerkvaders leeraarden: een ieder mag en moet voor zich zeiven de H. Schriftuur verklaren.

De tweede aan denzelfde is eene voortzetting dier stof, voornamelijk met betrekking op den H. Joan. Chrysostomus.

De derde eindelijk ging over de wijsbegeerte en was geschreven aan zijn voormaligen hollandschen vriend Baruch Spinoza, die ten jare 1670 in een on-geteekend opstel volstrekte vrijheid voor de philosophic had geëischt. Over Stensen's antwoord »aan den hervormer der wijsbegeertequot; schrijft de Florentynsche boekenkeurder: »de liefde voor de wijsheid maakte u tot verdediger der ware philosophic.... Indien hij (Spinoza) dezen oneindigen schat weet te gebruiken, zal hij met verachting neerzien op de werken, waaraan hij vroeger zijn talent verspilde en zich deelachtig maken aan de vriendschap van God/'

Onder Stensen's vroegere geloofsgenooten waren er, die zijn stap eerbiedigden en hulde brachten aan den moed zijner overtuiging, doch één — Wichfeld — hield vol dat Stensen sinds zijn overgang een altoos knagend geweten met zich heeft omgedragen. Volgende brief ten jare 1676 — zoo niet bij het eind des vorigen jaars — in het Deensch aan zijn landgenoot Ole Borch geschreven, beneemt aan Wichfeld's vermoeden allen grond.

ocr page 93

85

»Ik dank God, die mij gebracht heeft tot de oudste Kerk, die alleen alle kenteekenen bezit, welke de H. Schriftuur van de ware Kerk aangeeft; die alles leert en onderhoudt, wat in de H. Schrift staat; waarin eindelijk onze voorvaderen gedurende zevenhonderd jaren hunne zaligheid hebben bewerkt. Eiken dag in de gedachtenis der dooden beveel ik mijne overledenen vrienden en bloedverwanten Gode aan; ik verdoem niemand; niet alsof ik geloofde dat er buiten de Kerk zaligheid is, maar in de hoop, dat wie de gelegenheid mist om den Katholieken godsdienst uitdrukkelijk (explicite) te belijden, ten minste in zijn geloof alles opneemt, (implicita fide credendo) wat de heilige Katholieke Kerk gelooft, en zoo in het doodsuur van God de genade van een volmaakt berouw ontvangt. De vrijspraak is toch niet mogelijk tenzij door tus-schenkomst van het ware priesterschap.

»Dat ik naar het voorbeeld van den H. Augustinus ook eens aan libri retractationum 1) zal moeten denken, is volstrekt niet onmogelijk, dewijl mij zeer goed gebeuren kan, wat hem wedervaren is; namelijk, dat gelijk hij in den eersten tijd na zijne bekeering dingen schreef, die niet in alles met de Katholieke opvatting (sensus ■catholicus) strookten — zoo kon ook ik eenige voor-oordeelen der Lutherschen of der nieuwere wijsbegeerte hebben aangehouden, die ik bij toenemende bekendheid met de Katholieke leer moet herroepen. Doch, gelijk de H. Augustinus, nadat hij eens van

1

De H. Augustinus heeft een boek geschreven, waarin hij sommige punten opnieuw behandelt, onjuistheden in de uit-4iukking en dwalingen terugneemt. Van deze is hier spraak.

ocr page 94

Manichaeër katholiek was geworden, nooit weer Mani-chaeër werd, maar bij den dag het armzalige dier leer beter leerde kennen, zoo hoop ik, nu ik eens van Lutheraan Katholiek ben geworden, dat God mij er voor bewaren zal om nog ooit met de Lutherschen de Katholieken voor afgodisten, verachters der verdiensten van Jesus Christus, navolgers van den Antichrist enz. te houden. Verder hoop ik, dat God mij ook in 't vervolg den jammerlijken toestand zal doen inzien, uit welken Hij mij verlost heeft; de valsche beschuldigingen, die ons geweten geenszins, maar het geweten van hen bezwaren, die van ons zijn uitgegaan ; den gelukkigen staat, waarin Hij mij geplaatst heeft, waar ook heden nog dezelfde heiligheid van leven, dezelfde wonderteekeuen, dezelfde prediking des Evangelies over de gansche wereld bloeien; waar de verdiensten van Christus niet alleen de wegneming der zonden bewerken, maar ook de woorden, werken en gedachten der heiligen en rechtvaardigen leven geven ter zaligheid.

:gt;0, waarlijk heilige, Katholieke Kerk! O, waarlijk gelukkige zonen, wien Gods eindelooze barmhartigheid u tot moeder schonk !

»Vriend Borch, mocht gij Gods genade erkennen ? Wist gij wat het zeggen wil, in den schoot der Katholieke Kerk God te dienen ?quot;

Geen spoor van zelfverwijt of gewetensonrust in dit schrijven, doch evenmin een voorgevoel, dat de H. Augustinus hem op nog andere wegen ten voorbeeld worden kon, dan in het terugnemen van min juiste meeningen.

ocr page 95

87

In 1676 zocht hertog Johan Frederik van Hannover een opvolger voor den overleden apostolischen Vicaris van de noordsche landen. Zelf' in Rome ten jare 1651 tot de Katholieke Kerk overgegaan, was hij eerst in '65 aan het bewind gekomen, had toen de slotkerk voor de uitoefening van den Katholieken godsdienst geopend, een Capucijnerklooster gesticht en met gunstig gevolg zijn aalmoezenier, den Italiaan Valerius Macchioni, bij den H. Stoel als apostolisch Vicaris voorgesteld. Had Gerhard Molanus, de president van het consistorie der Luthersche kerk, tot de Katholieke Kerk willen overgaan, de hertog zou na Mgr. Macchioni's overlijden voor hem de benoeming tot apostolisch Vicaris hebben aangevraagd. Doch Molanus wilde van geen overgang weten en droeg, hoe vreemd het schijne, den hertog Stensen voor. »Hij was,'quot; schreef Molanus in 1710 »een over-looper van onze belijdenis, toch koos hem de hertog op mijn aanraden tot bisschop. Want, wat zijn leven, zeden en bekwaamheid in het behandelen van zede-kundige stoffen betreft, stel ik hem op eene lijn met den zaligen Thomas a Kempis en dergelijke mannen, en ik houd het er voor, dat hij nu reeds met God in den hemel regeert.quot;

Toen Stensen vernam, dat de hertog van Hannover hem voor die hooge en gewichtige bediening had gevraagd, verdubbelde hij zijne boetplegingen en oefeningen van godsvrucht. Hoe hij zich aanbeval in aller gebeden om in eene zaak van zoo gewichtigen aard Gods wil te kennen en zich te bekwamen voor die taak!

ocr page 96

88

Nadat zijn biechtvader hem had gelast de benoeming aan te nemen, ontving hij den vaderlijken zegen van Cardinaal Nerli, den aartsbisschop van Florence, en deed belofte om te voet en van aalmoezen levend over Loreto naar Rome en van daar naar de plaats zijner bestemming te trekken. Wat de groothertog hem zoo mildelijk aan geld voor zijne reize had doen toekomen, deelde hij uit aan de armen en begaf zich ongeschoeid op weg. In Loreto kwam hij in zoo deerniswaarden toestand aan, dat hij zich moest laten verplegen.

De rektor van de »Santa Casaquot; beval hem na zijn herstel geschoeid de reis voort te zetten. Hij onderwierp zich hieraan en kwam zóó te Rome. Zie hier, wat hij van daar 15 Sept, aan Zuster Maria schreef:

»De liefde, die gij voor mij hebt getoond door mijne bekeering te wenschen, de liefde waarvan gij te zamen met andere dienaressen van God zoo langen tijd de blijken hebt gegeven door aan mijne bekeering te werken, verplicht mij u kennis te geven van de hooge bediening, waartoe God mij in zijne Kerk verheven heeft. Verleden Maandag den 8stsi1 September overhandigde onze Heilige Vader Innocentins XI mij het Roccetto en liet mij den eerstvolgenden Zondag door Cardinaal Barbarigo bisschop wijden.

»Gelijk gij er door uw gebed toe hebt bijgedragen, dat ik tot de H. Kerk overging, zoo moogt gij, nu ik mij verheven zie tot een post. die eervol is in de oogen der menschen, maar voor Gods oog een last van vreeswekkende zwaarte, de goddelijke majesteit bidden, dat ik deze waardigheid zóó moge dragen, dat ze mij tot troost in het nur van sterven. God in eeuwigheid

ocr page 97

89

tot eere, en u met allen vrienden Gods tot vreugde strekt. Antwoord mij niet; ik geloof niet zoo lang in Eome te blijven, dat de brieven uit Florence mij hier nog treffen. Besteed echter den tijd, dien ge anders met schrijven zondt doorbrengen, aan een allerhartelijkst gebed voor mij.quot;

Kort daarna was hij te Florence terug om afscheid te nemen. Card. Nerli bericht: »zijn heengaan bracht de geheele stad in rouw. Niet alleen toch het Floren-tynsche hof, waar hij sinds geruimen tijd den post van leermeester des prinsen waarnam, maar heel de bevolking hield hem voor een heilige. Ordes-geestelijken en in de onderscheiding der geesten ervaren mannen verklaarden eenparig, dat indien zij het beeld van een waarlijk apostolischen man voor onzen tijd moesten schetsen, zij de wonderen ter zijde gelaten, hem zouden nemen.quot;

Hij was nu bisschop van Titiopolis, apostolisch Vicaris van Hannover, Zelle, Bremen, Lubeck, Hamburg enz.; tot zegel koos hij een afbeeldsel van het allerheiligste hart van Jesus.

Den 6den October bevond de nieuwe bisschop zich te Venetië en ontmoette aldaar Johan Fabricius, die na een onderhoud met Mgr. Steno, Gerhard ïitius den protestantschen Prof. der Theologie van Helmstadt aanstonds meende te moeten waarschuwen en voorbereiden op zijne komst in het noorden. »lk had gisteren,quot; schreef hij 7 Oct. '77 «gelegenheid tot een gesprek met Steno, indien ik mij niet bedrieg bisschop van Dekapolis. (!) Niet dat ik vroeger op vriend-schappelijken voet met hem stond, maar onder de twee proselieten, die hij bekeerd heeft en met zich

ocr page 98

SIO

voert, is een mijner landgenooten, een doctor in de wijsbegeerte. Met dit span gewonnen zielen trekt hij als in triomf rond, hij die anders volkomen vreemd blijft aan wereldschen praal, aardsche schatten, en wat er verder op dit ondermaansche te vinden is. In den omgang toont hij zich bescheiden en spraakzaam.quot;

Verder ging de reis over Innsprück naar Augsburg, van waar de pelgrim aan Mgr. Cerri den secretaris der Propaganda op 18 October bericht zond : :gt;\Vat mijne reis aangaat, door Gods goedheid heb ik ze tot heden toe gelukkig mogen voortzetten met liet schoonste weder; behalve twee dagreizen in 'tgebergte aan dezen kant Innsprück, waar de sneeuw den weg nog al bemoeielijkte. Dezen middag na den maaltijd hoop ik op pad naar Frankfort te gaan.quot; In de laatste dagen van October overhandigde hij den Nuntius te Keulen een brief van den secretaris der Propaganda en kwam tegen het einde des jaars, zijne belofte getrouw, te voet in Hannover aan.

»Hier begintquot; merkt Jörgensen op »Stensen's lijdensgeschiedenis. Met een moed en eene overgeving in Gods wil, aan welken niemand zijne bewondering kan weigeren, betrad hij paden, die hoe langer zoo verder hem afbrachten van aardschen voorspoed en geluk. Door jarenlange, harde ontberingen en ongelooflijke inspanning, door verloochening van alles wat vroeger zijn genoegen had uitgemaakt, door een vergeten van zich zeiven in den dienst des naasten, dat hem den helden der christelijke liefde nabij brengt, leverde hij het laatste en afdoende bewijs, dat hij zijn huis op de rots gebouwd had.quot; BI. 203.

ocr page 99

91

De hertog had hem rijtuigen en eene eerewacht te gemoet gezonden; doch naar het. voorbeeld der apostelen wilde hij te voet zijnen intocht houden. Zijne eerste vraag was naar de slotkerk, en nadat hij hier zijn dankgebed had gestort, maakte hij zijne opwachting bij den hertog.

Ziju heilig leven verwierf hem spoedig aller hoogachting en liefde. Hij las eiken dag de H. Mis tot grootere stichting in de openbare kerk. Dikwijls, vooral op de feestdagen, hield hij van het altaar eene toespraak, en na den middag eene preek in liet fransch, . duitsch of italiaansch, want de bloem dezer natiën was aan dit hof bijeen.

Wie Mgr. Stensen buiten de kerk zag, had moeilijk een bisschop in hem erkend. Zijn levenswijze was zeer armoedig, en hij droeg een serge kleed. Men had hem de kleedereu van zijn voorganger tegen billijken prijs aangeboden, doch hij wilde ze niet, en ofschoon het jaargeld door den hertog verleend hem ruim in staat stelde volgens zijn stand te leven, deelde hij liet nagenoeg geheel den armen uit. Een gouden hals-: ketting met medaljon, een geschenk van den hertog — gaf hij een vriend met verzoek den prijs ervan voor de armen te besteden. Toen hij niets meer had, verkocht hij zijn zilveren borstkruis en zijn kostbaren bisschopsring ten einde den nood van anderen te verzachten. Verscheen hij aan het hof, dan verzuimde hij nooit de hertogin en de vrouwen van haar gevolg treffende en stichtende woorden toe te spreken, die een diepen indruk maakten op haar gemoed.

»'t Was in het jaar 1678 te Hannover — zoo schrijft

ocr page 100

92

«en edelman Joli. Rose genaamd — dat ik liet geluk had dezen heiligen prelaat te leeren kennen. Hij was het, door wiens tusschenkomst God mij de onwaardeerbare genade schonk van het Lutheranisme tot de Katholieke Kerk terug te keeren. Anderen laat ik de taak het verdere leven van dezen prelaat te beschrijven ; mij is het genoeg hierbij te voegen, dat ik het geluk had hem te kennen en te dienen.quot; 1)

Rose bleef na zijne bekeering te Hannover 's bis-schops vriend en huisgenoot.

Nooit sliep deze op een bed ; een stroozak op den grond was zijn leger, een mantel diende hem tot dek : nu en dan vergenoegde hij zich met eenige rust op zijn stoel — maar hoe lang hij sliep, heeft zijn kapelaan nooit te weten kunnen komen, 's Morgens om vijf uur stond geheel zijn huis op, een half uur later volgde een uur overweging; daarna las hij eenige regelen uit de navolging van Christus voor, een boekje, dat hij hoogschatte en altoos bij zich droeg. Dan begaf men zich naar de H. Mis, die Mgr. nooit verzuimde te lezen, zelfs niet tijdens de hevigste ziekte;

1

Zijn neef, die mede eenige jaren bij den bisschop inwoonde, zette de levensschets voort ; de titel van het MS. dat op de Kon. Bibl. van Kopenhagen berust, luidt; La vie de Nic. Slénon, Danois, Evêque de Tiliopolis elc. écril de Mr. Rose Geniilhomme de Livonie.

Behalve deze bron komt voor de levensbijzonderheden dei-laatste tien jaren in aanmerking een stuk in de archieven dei-familie Arnolfmi gevonden van de hand der echtelieden Graziani door beiden geteekend 14 Jan. 1700 en met eede bevestigd. Eindelijk het bericht na zijn dood door zijn kapelaan Eng. Schmal aan Card. Pallavicino gezonden.

ocr page 101

daags voor zijn dood was de eerste keer, dat hij het niet gedaan had. Zijne huispriesters getuigen, dat hij dikwijls onder de H. Mis, somtijds eene Pontificale, door de hevige aanvallen van zijn gewone kwaal — buikkrampen — op het punt kwam van ineen te zinken. Vrijdags vastte hij tot den avond. Zijn middagmaal gaf hij dien dag aan een arme, dien hij zelf met allen eerbied aan tafel bediende en dan met een milde aalmoes henenzond. Zijn huis bestond uit twee aalmoezeniers — een dezer bekleedde den post vau geheimschrijver — drie livreiknechten, van welke hij twee had bekeerd, en ééne vrouw voor de keuken; ook haar had hij voor het geloof gewonnen. Eigen rijtuig hield hij niet. Wanneer hij uit moest, zond hem de hertog er een met twee paarden voor zijne bezoeken in de stad, of een met zes paarden voor zijne reizen naar buiten. Zijne dienaren mochten hem aan tafel niet bedienen, doch moesten te gelijk met hem in de eetzaal, ofschoon aan eene afzonderlijke tafel, den maaltijd nemen. De overige huisgenooten zaten aan zijn disch, waar nooit meer dan vier gerechten en dessert werden opgebracht, al waren er ook heeren van het hof te gast. Gedurende den maaltijd werd er iederen dag eene geestelijke lezing gehouden. Hij begon die zelf altoos uit de H. Schriftuur en voegde er eenige godvruchtige gedachten aan toe. Voor men van tafel opstond, moest een der huispriesters een kort, eenvoudig woord over geestelijke zaken spreken.

Tegen den avond bezocht men gemeenschappelijk het H. Sacrament. Na het avondmaal volgden het gewetensonderzoek en de gewone avondgebeden.

ocr page 102

94

Op zijne rondreizen door het Vicariaat, dat sinds Mei 1679 — volgens bericht van Cardinaal Palla-vicino, nuntius te Keulen — ook Denemarken omvatte, was hij zeer eenvoudig gekleed en door niemand tenzij een secretaris vergezeld. Overal predikte hij de leer der Katholieke Kerk. Zijne gedachten waren alleen op God en de redding der zielen gericht. Men zag hem vol ijver binnengaan in de hutten der Katholieke Soldaten om hen naar ziel en lichaam hulp en troost te verleenen. Eene zelfde liefde betoonde hij den armen Lutheranen om te zien, of hij ze winnen kon voor het geloof. Zoo gelukte 't hem er velen in het stervensuur töt God te brensren.

Van Juli '78 is een brief van P. Isaak S. J. ge-dagteekend uit Hamburg, die Mgr. Steno dank betuigt voor zijne medewerking en zorg in zake der scholen. Hij eindigt met deze woorden ; »in U zie ik het hart van den waarachtig goeden herder, eene stemming des gemoeds overeenkomstig de onbeperkte liefde van God, wiens plaats gij bekleedt.quot;

In zijn eigen huis te Hannover had hij een soort van kostschool opgericht, waar eenige jongens werden opgevoed en onderwezen.

Ofschoon tegen zijn zin nam hij deel aan de omstreeks dien tijd ten huize van Von Hammerstein gehouden officiëele besprekingen over den godsdienst tusschen aanzienlijke godgeleerden der Katholieke en Hervormde Kerk. Mgr. Steno was er tegen, dewijl hij er niet de minste vrucht van wachtte, en de uitkomst heeft bewezen, dat hij zich niet bedroog. Toch wilde hij zich niet onttrekken en verscheen met

ocr page 103

P. Sevenstern een Jesuïet en den Fraueiskaner pater Spinola. In een brief aan Bossuet van Mei 1679 roemt J^eibnitz, die er mede deel aan nam, zijn oordeel en gematigdheid.

Tot zijn groot leedwezen bemerkte Mgr. Stensen. dat vele aanzienlijke heeren van het hof hunne bekeering tot de Katholieke Kerk wilden uitstellen tot den hertog een mannelijke troonopvolger geboren werd. Het was hem niet mogelijk hunne vrees voor een Lutherschen vorst te matigen. De hertog zelf sprak meermalen in vertrouwen met den prelaat over zijn wensch naar een zoon, die hem groote vreugde, maar zijn stamhuis en de Kerk groot voordeel brengen zou. Toen hij den bisschop eens verzocht God om die gunst te bidden, waardoor vele groote fami-liën, die nu den moed niet hadden, tot bekeering zouden worden gebracht, antwoordde Mgr. den vorst met apostolische vrijmoedigheid: »ik ben zeer beducht, dat God een menschenzoon zal weigeren aan hen, die zich tot den zoon van God niet bekeeren willen. Deze vrees werd vervuld, want op eene reis naar Venetië stierf de hertog plotseling 18 Dcc. 1679 zonder een troonopvolger na te laten. Zijn jongere broeder Ernst August, Lutheraan met hart en ziel, kwam aan het bewind en ontving, nog eer hij zijn intocht binnen Hannover deed, een gelukwenschend schrijven der stadspredikanten geteekend van 3 Jan. 1680, waarbij het ootmoedig maar dringend verzoek om gt;den paapschen zoogenaamden bisschop en de C'apu-cyner-monniken naar hunne kloosters en kluizen terug-te doen keerenquot;.

ocr page 104

96

De nieuwe hertog antwoordde 19 Jan. dat zij zicli dienden te getroosten, dat de Capucynen voor tijd en wijle in de stad werden geduld, dewijl het lijk des overleden hertogs nog boven aarde stond, doch dat hij verder alles zou doen, wat hij den Evangelischen godsdienst bevorderlijk achtte.

Den 3dlt;jn Mei werd het lijk van den hertog plechtig ter aarde besteld. De bisschop aan het hoofd zijner priesters nam het lijk in ontvangst en verrichtte de gebruikelijke plechtigheden, 's Anderen daags deed hij, ter zijde gestaan door vier gemijterde abten, de plechtige dienst der uitvaart.

Daarna wist hij, dat zijn verblijf in Hannover niet van duur kou wezen; hij had zich derhalve tot den H. Stoel gewend om te weten, wat hij doen moest. Prins-bisschop Ferdinand II, die de bisdommen Pa-derborn en Munster beide te besturen had, vroeg en verkreeg Mgr. Stensen nu als Suffragaan of Wijbisschop van Munster. Deze bad den Paus ontslagen te worden van de zielenzorg in het noordelijk Vicariaat, en den 10'len Sept. droeg de Propaganda het grootste deel hiervan aan den prins-bisschop Ferdinand over, terwijl Mgr. Stensen Hannover, Zelle en de Hanzesteden van het noorden behield. Nu zette hij in Munsterland zijn apostolischen arbeid voort, doch zijne levenswijze werd eenvoudiger en strenger. Zijn inkomen te Munster was merkelijk geringer dan te Hannover. Hij zond daarom zijn secretaris en zijn tweeden huisvriend Bitsthum naar den groothertog van Toscane, die beloofd had voor eenigen zijner dienaren te zorgen. Een zijner huiskapelaans plaatste hij op eene missie

ocr page 105

97

ontsloeg twee lakeien uit zijn dienst en behield nu een kapelaan, een knecht en de keukenmeid. Sinds vastte hij maandag, woensdag, vrijdag en zaterdag tot den avond, en dan bestond zijn maaltijd uit droog brood en bier. Viel er een gewichtig besluit te nemen, zoo nuttigde hij in drie dagen zelfs dit karig voedsel niet en gelastte zijn huispriester dan de hem voorgezette vleeschspijzen in stilte aan de armen te geven. Wat hij aan geld ontving, deelde hij nog aan behoef-tigen uit, en had hy niets meer, dan verkocht hij zijn rijtuig en zijn ring.

Zijne reizen door het bisdom deed hij te voet, bij tochten van zeven uren daags, den overigen tijd aan zijne bisschoppelijke bediening of aan biechthooren bestedend. In de jaren 1680, '81 en '82 leidde hij als gevolmachtigd voorzitter de jaarlijksche synode van het bisdom. Sinds hij tot Deken der Ludgerus-kerk te Munster werd benoemd, was hij altoos de eerste en de laatste in het koor te vinden, en ondanks de scherpste koude immer zonder handschoenen. Hoe gaarne had Gods vrome dienaar in de hem toevertrouwde kudde een streven gezien naar volmaaktheid en deugd als hem zeiven bezielde ! Doch medewerking ontbrak hem, ontevredenheid stak het hoofd op, afkeer werd zijn deel, wanneer hij zich geroepen achtte strenge rechter te wezen. Hij vond misbruiken, wie zal het tegenspreken ? Doch afschaffen wat eene door jaren ingewortelde gewoonte werd, gelukt het op eens, of behoort er geduldige voorzichtigheid toe om langzamerhand te verzachten en te buigen, wat bij aanstonds forschen greep onvermijdelijk springen of breken zou?

ocr page 106

98

In eeu brief van 19 Maart '83 klaagt de van ijver blakende man zijn nood bij mevrouw Aruolfini: »de geestelijke behoefte dezer streken spot met alle beschrijving, God moge zich onzer ontfermen ! Wanneer ik zie, dat God mij deze twee bisschoppen, (Sfron-dati en Strossi) wier gebed mij zooveel steun gaf, heeft ontnomen, twee vrienden tevens, met mij van Italië gekomen aan mijn hart ontscheurd, dau komt er hoop in mijne ziel, dat Hij ook voor mij barmhartig zal wezen en mij verwijderen uit het gevaar van Hem te beleedigen in eene bediening, waar men met zooveel bederf in opvoeding en levenswandel zoowel bij religieuzen sommiger orden als bij nagenoeg alle wereldliugen in aanraking komt. In zulk een toestand is het moeilijk zich van vreemde zonden vrij te houden ; öf men laat tot de heilige wijdingen toe, wie het niet verdienen, öf men geeft zich geene moeite genoeg bestaande misbruiken naar vermogen uit te roeien en ieder volgens de wet der broederlijke terechtwijzing te vermanen.

»Wat is uw zoon gelukkig aan de gehoorzaamheid eener zoo heilige orde onderworpen te zijn ! 'j

»Wie weet! of ik niet eene dergelijke roeping verwaarloosd heb, en of God mij niet tot straf voor mijn hoogmoed verheven heeft tot eene eer en waardigheid, die mij ten verderve zou kunnen wezen ! Bid voor mij, dat God indien het beter ware, en ik Hem

1) Deze zoon, Hieronymus Arholfiui, was de Sociëteit van Jesus ingetreden.

ocr page 107

99

in een ordeskleed beter dienen zou, mij de kracht verleene om mij van alles los te maken, ten einde mijn leven in onderwerping en gehoorzaamheid voortaan door te brengen en zoo alle onachtzaamheid onwetendheid en lauwheid, waaraan ik mij in deze bediening schuldig maakte, uit te boeten, alvorens ik voor Zijn rechterstoel verschijn.quot;

De groote fout die hij onbewust beging, en die hem zeer veel leed berokkende, moet wel eene in bekeerlingen licht verklaarbare overdrijving zijn geweest. Eene levendige bewustheid van het heilige doel eu ongenoegzame vertrouwdheid met de menschelijke tekortkomingen ondanks den vaak goeden wil, brachten den naar vlekkelooze heiligheid zoekenden nieuw-bekeerde teleurstelling en ontroostbare smart.

Van rijpere ervaring eu kalmer gemoed getuigt de lange brief hem door den Deenschen zendeling der Sociëteit van Jesus, P. Joh. Sterck geschreven, naar allen schijn in antwoord op eene vertrouwelijke openbaring-van zijne kwellingen en gewetensangsten. Het eerste punt wat de priester aanroert, geldt de overdreven gestrenge levenswijze van den bisschop.

»Uwe Doorl. Hoogw. gaat hierin, ik betuig het voor God, zonder twijfel te vei'. Daarom bid ik Uwe D. H. allerootmoedigst uwe krachten niet uit te putten, doch ze te sparen en meer voor Christus en den minste dei-Zijnen dan voor eigene godsvrucht te besteden.....

»Ik ben van oordeel, dat Uwe D. H. niets moet veranderen ten opzichte van uw levensstaat. Volhard in de roeping, waarin gij geroepen zijt: kwamen er veranderingen van eene andere zijde, zoo konden ge-

ocr page 108

100

wis de plannen, die U. D. H. beraamt, tot uitvoering komen. Wat de andere punten aangaat, dient men te laten zoo het is, wat niet verbeterd kan worden. God zelf laat veel toe en komt zelfs menigmaal uiet tusschenbeide, waar Hij verbetering brengen kon. Wie volgens zijn vermogen handelt, doet voor zijn eigen geweten genoeg; »niet altoos vermag de arts den kranke te genezen!

»Bij God is, waar de macht ontbreekt, de wil genoeg!quot;

Verder troost hem de pater in zijn schijnbaar vruoh-teloozen arbeid met de vraag; »wat heb ik in het noorden gedaan ? heb ik eenige vrucht gewonnen ? Voorwaar ik ben een onnutte knecht! Doch onze taak is het te bidden, te werken, te vermanen, te berispen, te bezweren, en de rest laten wij aan God.quot;

Hij meldt bovendien de klachten van den prinsbisschop over de te groote armoede van Mgr. Stensen, die voor het uitwendige, wat kleeding, kapelaans en bedienden aangaat, zijne bisschoppelijke waardigheid vergeet; Z. D. H. vroeg hoe de Deken van St.Lud-gerus met drie personen van 150 thaler leven kon; had zich beklaagd dat deze alles aan de armen gaf en dan hem nog aalmoezen voor hen vroeg. De pater zegt wat Mgr. in dezen veilig doen kon, zonder de volmaaktheid te kwetsen, en wijst er op, hoe Larsenius, niet alleen in bijzonder gesprek, maar van den kansel gezegd had, dat Mgr. Stensen zoo diep in de ellende zat, dat hij op zijne bisschopsreizen van dorp tot dorp bedelen moest. Ten opzichte van de misbruiken, die sinds eeuwen bestaan, raadt de priester voorzichtigheid, en

ocr page 109

101

het vermijden van uitersten aan. »Ik zou wensehen,quot; gaat hij voort werschoon mijne openhartigheid, dat Uwe D. H. meer den H. Franciscus de Sales clan den H. Carolns Borromaeus na wilde volgen of althans beider geest trachtte te vereenigen. . .. zeker, den gulden tijd der eerste christenen wensehen wij allen terug. Willen wij ons met hen vergelijken, zoo zijn wij den naam van christen bijna onwaard. Doch wat moeten wij doen ? Redden wij ten minste wat wij kunnen, en zooals wij kunnen de overblijfselen Israëls. Kunnen allen geen Johannes den Dooper nastreven, dan maar op Benedictns of Bernardus aangelegd. Gaat dit niet, laat hen dan eenvoudige religieuzen zijn. Zoo geen martelaren, dan belijders; zoo geene maagden, dan maar goede echtelingen; zoo niet op het toppunt der volmaaktheid, dan maar op een lageren trap; zoo geen Carolus Borromaeus dan Franciscus de Sales. Zeker is Uwe D. H. niet in geweten verplicht alles zoo stipt te wensehen; gaat men gematigd voort, dan is er hoop, dat de hoeveelheid goed maakt, wat aan de voortreffelijkheid ontbreekt. Doch heeft iemand eens den naam van streng en te nauwgezet, dau verliest hij veel van het aanzien en de gunst, waar hij in stond.quot;

Den 26sten Juni 1683 stierf de prins-bisschop Ferdinand, en van toen af maakten de ontstane moeilijkheden omtrent de verkiezing, maar bovenal de onrechtmatige keuze zelve, die te Rome niet werd goedgekeurd, zijn toestand onhoudbaar, en hij vestigde zich in Hamburg, dat nog onder zijne geestelijke rechtsmacht was blijven behooren.

Hier bleek het wel, dat God zijn trouwen dienaar den

ocr page 110

102

lijdensweg wilde doen bewandelen, want Munster was bij Hamburg vergeleken een paradijs. Niet alleen, dat hem de Lutherschen en ketters vervolgden, maar de Katholieken, wier twisten hij zocht bij te leggen, spraken er van hem neus en ooren af te snijden en zoo als een eerloos verklaarde over de grenzen te zetten, ten laatste dreigden zij hem met den dood.

Indien hij evenwel hier den raad van P. Sterck — dien hij te Munster had leeren kennen en steeds zijn vertrouwen schonk, omtrent de gematigdheid en toegevendheid eenigszins nakwam, zijne armoedige en hoogst verstorven levenswijze dreef hij tot het ongelooflijke, zoodat hij weldra op een levend geraamte geleek. Toch hield hij eiken dag der week eene korte toespraak over het leven van den heilige, die werd gevierd; preekte iederen vrijdag voor de broederschap van den zaligen dood, en zondags eerst in het fransch onder zijne gezongen Hoogmis en 's middags in het duitsch. 't Ontbrak niet aan goede vrienden, die hem baden zich meer te ontzien, maar vooral zijn vasten te matigen, doch op dit punt was hij onverzettelijk: »het blijkt Gods wil te zijnquot; antwoordde hij Joh. Rose, »want mijne gezondheid lijdt er niet mee.quot; Toen de geneesheer hem van het tegendeel overtuigde, antwoordde hij : »als het dan zoo is, heb ik er geen spijt van; want ik heb er niets anders mee bedoeld dan God te dienen. Er zijn mannen geweest, die strenger vastten dan ik, altijd op water en brood, en zij zijn er oud bij geworden. Waarom zou ik hetzelfde niet kunnen, indien het God behaagde mijn leven te verlengen 1quot;

ocr page 111

103

Mevrouw Arnolfini, die hij als eene moeder in Christus bleef liefhebben, en wie hij zijn inwendig leed openbaarde, drong er op aan, hij zou raad en troost bij zijn biechtvader zoeken. Doch hij antwoordde haar den 24st™ Sept. 1684, dat dit al heel ongelukkig trof, dewijl God hem, sinds hij bisschop was, voortdurend op plaatsen leven liet, waar eene onaangename verhouding bestoud tusschen hem en de kloosterlingen, uit welken hij zijn biechtvader kiezen moest. In Hannover waren het de Capucijnen, in Munster en Hamburg de Jezuïeten, met wie hij het niet vinden kon. Waar de eigenlijke oorzaak lag, is moeilijk uit te maken, doch er bestond wederzijds mistrouwen. Mgr. Stensen beklaagde zich bij den Generaal der Sociëteit P. Charles de Noyelle, en deze beloofde zijne tusschenkomst. De Provinciaal schreef van zijnen kant naar Rome, dat Mgr. plan had om de Jezuïeten uit Hamburg te verwijderen, en de P. Generaal antwoordde: Hieraan denkt de bisschop zelfs niet. »Gij ziet dus,quot; zoo luidt het in opgemeld schrijven van 24 Sept., »hoe het mij gaat, en of ik niet vreezen moet, dat God mij op deze wijze straft, omdat ik vroeger met den raad mijner zielzorgers geen voordeel heb gedaan. Anderen geef ik geestelijke voorschriften, en op mij zeiven pas ik ze niet toe. Men heeft mij de zorg voor onderscheidene plaatsen opgedragen, en voor de zorg over ééne voel ik mij niet in staat. Overweeg dan eens, of mijne vrees niet gegrond is, vooral wanneer ik mij het woord van een heilige herinner, dat God somwijlen om de zonden der menschen te straffen hun slechte geestelijke leiders geeft. Toch, ondanks mijne vele ge-

ocr page 112

104

breken, het gemis aan zielbestuurders en al de gevaren van den kant een er ellendige wereld, breng ik mijne dagen door zonder tranen of smart, en gelijk op een doode, die voor niets meer vreest.quot;

Dit bevestigt ons het getuigenis van Rose; hij verdroeg alles met wonderbaar geduld zonder zich over iemand te beklagen; integendeel bij elke gelegenheid was hij er op uit goed te doen aan wie hem vervolgden. Gewoonlijk troostte hij zich in zijn leed en beproevingen met deze woorden: »wij moeten goed van God denken, want wij hebben een goeden meester. Berusten wij in het raadsbesluit over ons van Gods alwijze goedheid; want zoo heeft het de eeuwige Vader besloten, de Zoon aan het Kruis verdiend, en de H. Geest zal het in ons ter voleinding brengen, indien wij Zijne genade niet wederstaan.quot;

Bleek Eose, zijn vriend, somwijlen bedroefd om den tegenspoed, dien Mgr. ondervond, dan was het: »denk aan het woord van den H. Ignatius: »doe alles; wat in uwe macht is, en wat den uitslag betreft, laat alles over aan God.quot; Wij moeten alles niet naar het eerste het beste plan willen regelen, maar in alles Gods wil leeren kennen en dien volbrengen.quot;

Denzelfden geest ademen zijne brieven aan de edel-vrouw, die hij zijne »geëerde moeder in Christusquot; noemt; »uit een schrijven van Z. H. den groothertog-heb ik de gevaarlijke ziekte van graaf Arnolfini vernomen en dadelijk de H. Mis voor hem opgedragen om Gods barmhartigheid voor hem af te smeeken.....

»De geestelijke ellende is hier zoo groot, en onze menschelijke natuur zoo gebrekkig, dat wij de gebe-

ocr page 113

105

den van andereu zeer noodig hebben om van God vrede en eendracht onder elkaar te verkrijgen. Ik zie en gevoel mijn inwendig tekort en vrees dat God zeer vertoornd op mij moet wezen, wanneer ik naga, welk een aandeel Hij u schonk in het werk mijner bekeering. Daarom bid ik u, vraag voor mij de genade, dat ik sterk genoeg moge zijn om uit te voeren, wat ik als mijn plicht erken, en dat Hij me verlichte omtrent hetgeen ik niet inzie, opdat ik in alles tot eene volkomene gelijkvormigheid van wil met Hem gerake. Dezen dienst verwacht ik van u, ten einde ik uit al het kruis en lijden mij door Gods barmhartigheid overgezonden, de groote vrucht mag trekken, die ons de eeuwige Vader heeft bereid, die Jesus Christus door zijn lijden heeft verworven, en die de H. Geest volmaken zal. Ach dat wij Hem geen wederstand boden!quot;

Op den vooravond van het jaarfeest zijner bekeering schreef hij haar: »Morgen voltooi ik, als 't God belieft, het achttiende jaar van dat leven, 'twelk op Allerzielendag begonnen is, toen gij mij op zoo treffende wijze hebt toegesproken. ïen volle waardeer jk het aandeel, dat gij onder Gods bestiering aan mijne bekeering hebt gehad, en gelijk ik de genade hoop te erlangen Hem er eeuwig voor te loven, zoo wensch ik ook van harte u en uwe geheele familie er mijne dankbaarheid voor te betuigen. Waar is het, dat mijne ondankbaarheid jegens God, mijne verzuimenissen en mijne lauwheid mij zoo groote goedheid van Godswege onwaardig maken; toch zoudt gij me een nieuwen dienst bewijzen, indien ge voor mij om vergiffenis voor quot;t

ocr page 114

106

verledene en genade voor de toekomst badt, opdat ik doen kunne, wat God van mij verlangt, sinds Hij me in Zijne H. Kerk heeft geroepen.quot;

Opmerkelijk juist is de volgende beoordeeliug van den Protestant Jörgensen: »Bij de welsprekendheid van zulk een voorbeeld moet alle kleingeestige twist van belijdenissen verstommen; het is de eenvoudig verhevene grootheid uit den tijd der apostelen, die hier voor ons staat. Zeker 't valt niet te miskennen, dat hij hier zoo goed de scherpe en de zwakke lijnen zijns karakters als de overweldigende kracht zijner logica openbaarde, 't Was gevolgelijk, dat hij alle geloofspunten der Katholieke Kerk verdedigde — maar evenzeer dat hij alle hare verdienstelijke werken als vasten, aalmoezen geven, versterving en misseviering in den hoogsten graad beoefende. Zijn lichaam ging onder in dezen alles vernielenden strijd, en donkere schaduwen vielen ongetwijfeld over zijne ziel; doch, zooals hij was, had hij de belofte des Christendoms: »zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.quot; 1)

Omstreeks dezen tijd ontving Mgr. Stensen bezoek van eenigen zijner bloedverwanten uit Kopenhagen. Dezen stelden hem een brief ter hand van Brunsmann, met wien hij nu tien jaren geleden een pennestrijd had gevoerd. De schrijver bleef het van harte bejammeren, dat een op ontleedkundig gebied zoo ervaren man het zekere van het onzekere maar niet kon onderscheiden en ried hem ernstig aan de H. Schrift te lezen.

1) T. a. p. bl. 203.

ocr page 115

107

gt;Dat doe ik iederen dag getrouwquot; schreef Mgr. terug en weerlegde, hoe ook met weerzin, nog eens kalm en waardig de dwaze beweringen van zijne fanatieken bestrijder.

Hierop vergenoegde zich Brunsmann, zonder eenige rekening met de gegeven wederlegging te houden, met een uitvoerig schrijven aan Mgr. Stensen over de wijze, waarop volgens hem de H. Schrift behoort gelezen te worden.

Toen de Bisschop zag, hoe weinig goeds hij in Hamburg vermocht te doen, besloot hij terug te keeren naar den groothertog van Toscane, die hem onverminderde achting en genegenheid was blijven toedragen, en in 1684 bij den dood des bisschops van Li-vorno reeds pogingen had gedaan om Stensen tot diens opvolger te doen benoemen.

De Congregatie der Propaganda vreesde, dat zijn vertrek uit Hamburg den godsdienst tot nadeel zoude wezen; doch hij antwoordde, dat alle zendingen met Paters Jezuïeten waren bezet, die onder de gehoorzaamheid hunner oversten stonden, en zijn verblijf derhalve niet langer noodzakelijk kon worden geacht. Op deze tijding ontving hij toestemming om naar Florence terug te keeren, en zijn hart was blijde; hij had zoo dikwijls aan Italië teruggedacht; de godsdienst was daar in bloei en eere; in het noorden leed zijn warm godsdienstig gemoed van koude.

Op het punt van heen te gaan, boodschapte hem een brief van Rome, dat de Katholiek geworden hertog van Mecklenburg, Christiaan Lodewijk I, een bisschop zocht; dat hij daar wellicht te geschikter ure

ocr page 116

108

zou aankomen. Hij liet derhalve als gehoorzame zoon der Kerk het opgevatte plan om naar Florence terug te keeren, varen, en door aanbeveling en tusschenkomst van den ZE. Merciers, Pastoor van St. Germain l1 Auxerrois, een zijner oude vrienden, bewilligde de hertog bij een schrijven van 15 Aug. 1685 in zijne komst te Schwerin, waar de slotkapel ten gebrnike der Katholieken was afgestaan.

Toen alles geregeld was, en door de zorgen dei-hertogin van Mecklenburg eene woning voor hem was gehuurd, begaf hij zich tegen Kersttijd met zijn vriend Rose als eenvoudig priester naar Schwerin. De eenige zendeling, dien hij daar vond, was P. Stephani van de Augustijner-orde, die uithoofde zijner zwakheid en bijna aanhoudende ziekelijkheid weinig of niets kon doen. Mgr. Stensen, die zijn bisschoppelijke gewaad niet eens bad meegenomen, wijdde zich met allen ijver aan den priesterlijken arbeid. Hij bezocht de Katholieken, predikte en vermaande de ketters hunne oogen voor de waarheid te openen en werd alles voor allen. Tusschen rijk en arm maakte hij geen onderscheid. Allen trachtte hij te doen verstaan, dat zij alleen, die een kruis dragen, den hemel kunnen binnen gaan.quot;

Doch gelijk in Hannover weerhield ook hier de vrees voor een onkatholieken opvolger van den regeerenden hertog vele voornamen van bekeering tot de Kerk. Toch bracht hij personen van aanzienlijken stand, zelfs edelen tot den Katholieken godsdienst en ging altoos voort de religieuzen, die vertrouwen in hem stelden, tot een volmaakter leven op te wekken.

Het klooster, dat hem wel het meeste troost ver-

ocr page 117

109

schafte, was dat van Hinge in Munster, waar een twaalftal zusters den regel van Franciscus volgde. Had hij zich als wijbisschop van Munster gedwongen gezien in strenge bewoordingen hare lauwheid en verslapping te gispen, zij hadden zooveel vrucht gedaan met de leiding van den vromen prelaat, dat hij den laten Augustus 1686 aan de overste schrijven kon; »Kind Gods! uwe brieven brengen mij altijd geestelijken troost, zoowel wat uwe geestelijke zusters betreft, als wat gij mij omtrent andere vrienden meedeelt. Moge de H. Geest in allen alles vermeerderen, waardoor Jesus almacht alom gekend worde en geprezen,

en hemel en aarde God verheerlijken.....

God zij eeuwig geloofd, die Zijne bitterheid voor u met zoetheid ondermengt, zoowel voor uw persoon als voor uw geestelijke en lichamelijke zusters. Ik er-, ken de hand Gods ook hierin, dat gij allen de maan-dagsche onthouding weer hebt aangenomen.

»Moge God u verder verlichten, opdat gij niet alleen de letter van uw regel verstaat en naleeft, maar bovenal den zin er van allen begrijpt en beoefent....

»lk kan niet weten, waar God mij dezen winter, indien Hij mij in 't leven spaart, eene woonplaats heeft bestemd. Het kon wezen, dat ik eene verre ofschoon voor den winter te eindigen reis door deze streken ondernemen moest.quot;

Was er weer verandering in de lucht? Den 223t:eB Juli had Mgr. Stensen den H. Vader verzocht te beslissen, of hij naar Trier zou gaan, dan wel in Schwe-rin blijven. De toestand aldaar was ontmoedigend, dewijl de bisschop alleen stond en van P. Stephani

ocr page 118

110

eerder tegenwerking clan steun ondervond. Daarom schreef hij den isten October '86 een brief aan Bim-zou, lid van den staatsraad, opdat deze met den hertog, die te Parijs verbleef, onderhandelen zou. Hij verzocht, dat Z. Hoogheid een tweeden priester in plaats van den ziekelijken P. Stephani zenden mocht, ten einde de geestelijke bediening waar te nemen en te gaan, waar het noodig is. »Wat mij betreft, ik wil van harte helpen zoo lang ik hier ben, gelijk ik het geheele jaar door heb gedaan. Doch reeds meermalen heeft men mij uitgenoodigd naar Hamburg en elders te komen. De generaal-majoor heeft mij namelijk laten zeggen, dat meerdere Katholieken, die voor het oogen-blik te Demitz verblijven, zeer verlangend zijn zich met den goeden God te verzoenen.

»Bovendien verwacht ik met elke post de beslissing-van Zijne Heiligheid op het voorstel van den keurvorst van Trier, die mij tot zijn wijbisschop gevraagd heeft. Hoe eer derhalve Z. D. Hoogheid genadiglijk een tweeden priester, voor deze landen geliefde te zenden, des te meer zulks in het belang der zielen wezen zou; want somwijlen komen er lieden van Stral-sund, die sinds drie of vier jaren niet in de gelegenheid waren tot de H. Sacramenten te naderen. Is nu de Eerw. P. Stephani ziek, dan mogen zij hier zich niet zoo lang ophouden en hebben er ook de middelen niet voor. Gaarne had ik voor eenigen tijd althans mijn kapelaan hier gehouden; doch Graaf Nostitz te Stockholm, die nergens anders een priester vinden kon, heeft er mij zoo dringend om een gevraagd, dat ik mij in geweten verplicht gevoelde, dewijl ik zelf

ocr page 119

Ill

niet gaan kon, omdat ik ieder oogenblik nadere bevelen van Rome omtrent mijne bestemming verwacht, hem mijn kapelaan te sturen.quot;

Van 28 October is het antwoord des hertogs aan den raadsheer Bunzou, waarin afwijzend beschikt wordt op de bede des bisschops. Een ritmeester, wien deze gemeend had de H. Sacramenten te moeten ontzeggen, had zich bij den hertog beklaagd, en ofschoon Mgr. Stensen geheel de toedracht der zaak aan den hertog had opengelegd, werd deze weigering-als een soort van wraakneming beschouwd. Onverdiend scherp zijn de uitdrukkingen, welke de hertog zich in dit schrijven veroorlooft. »Men moet zich met den geestelijken man een weinig voorzichtig gedrageu en niet te spoedig aan alles geloof slaan; van Demitz had men hem ook maar weg moeten laten; zulke lieden weten hunne plannen aanvankelijk zeer goed te verbergen, en later is het des te moeilijker ze tegen te gaan. Daarom moet men ze in toom houden. Deze is een Deen, bovendien zeer aanbevolen door zekere persoon van stand, en hij houdt briefwisseling met den pastoor van St. Germain de 1'Auxerrois. Wie weet wat voor beginselen en instructiën men hem geeft?quot;

Heeft Bunzou Mgr. Stensen geheel den inhoud van dit hertogelijk schrijven meegedeeld — of kon de prelaat genoegzaam begrijpen, in welken geest de hertog over hem dacht? Zijn laatste brief aan mevrouw Arnolfini geeft voldoende te kennen, dat hij niet op rozen ging.

»Vandaag vieren wij naar den nieuwen kalender

ocr page 120

1 12

Allerzielen, den dag mijner bekeering. Het aantal jaren neemt toe, niet zoo mijne dankbaarheid; veeleer zoekt de ondankbaarste onverschilligheid de bovenhand te winnen.....Ik leef op eene plaats, waar

het aantal Katholieken zeer klein is. Doch ook onder hen zijn er weinigen, die mij troost geven. De heilige Kerk heeft wel terecht den omgang en 't gemeenzaam verkeer met de ketters streng verboden. De Katholieken, die zich slecht gedragen worden erger dan zij. Met elke post verwacht ik de beslissing van Zijne Heiligheid, of ik hier, zoover het dan gaat, moet blijven voortwerken; naar Trier gaan, waar de keurvorst mij verlangt, of naar Italië terngkeeren. Ik heb maar eenen wensch: dat Gods wil geschiede!quot;

Hij kon wel niet vermoeden, dat God het offer van zijn leven nu reeds vragen zou, en dat aan een kruis van smarten naar het lichaam en naar de ziel.

P. Stephani, de aalmoezenier des hertogs, werd in November door eene ernstige ziekte aangetast, en Mgr. Stensen achtte het zijn plicht den kranke bij te staan. Acht dagen en acht nachten week hij van het ziekbed niet en vergat meer dan ooit zich zeiven. Drie dagen te voren voorspelde hij den pater, dat deze op dien dag sterven zou; hij zelf bereidde hem voor en stond hem bij in de laatste ure.

Van Eome kwam geen antwoord, doch den 21ster' Nov. den laatsten zondag na Pinksteren overviel hem wederom eene hevige koliek. Niettemin zong hij de Hoogmis en predikte tweemaal, 's Anderen daags was het nog erger; toch las hij weer de H. Mis en hield eene korte toespraak over de H. Caeci-

ocr page 121

113

Ha; maar Rose, die zich dicht bij het altaar bevond, dacht ieder oogenblik hem in bezwijming te zullen zien vallen.

Dinsdag kon hij het huis niet meer verlaten, en niet meer staan, hij legde zich neer op een houten bank en dekte zich met zijn mantel; 's nachts lag hij op den grond, en zoozeer verergerde zijn kwaal, dat geen enkel middel meer baatte, en hij woensdag 's ochtends een bed liet brengen, waar hij zich onder zijn mantel op nederlegde.

gt;Geef papier en inktquot; vroeg hij Rose »dat ik mijn uitersten wil schrijve. Mijne kwaal is ongeneeslijk, indien God niet met een wonder tusschenbeide komt.quot; Hij schreef den groothertog van Toscane om hem een laatste maal te danken voor al de weldaden hem betoond en zijne drie huisgenooten, een jong bekeerd Pruisisch edelman. Joh. Rose en diens neefje, een nog Luthersch kind van 12 jaren, door zijn katholiek geworden vader buiten weten zijner moeder ter opvoeding aan hem toevertrouwd — aan te bevelen.

Den Eerw. Schmal zijn secretaris had hij te Hamburg achtergelaten als huispriester van den heer Kerkring, Consul van Toscane, daarom schreef hij naar een te Lubeck verblijvende Pater Jesuïet, met verzoek hem in zijne laatste oogenblikken bij te komen staan. Rose weende. De man, dien hij den dood nabij zag, had hem voor God gewonnen. Bij diens heengaan, stond hij alleen in een vreemd land, verlaten van zijne familie ter wille van zijn geloof, zonder geld om de begrafeniskosten te bestrijden, veel min om zijne schulden te voldoen. Mgr. begreep alles en troostte hem ;

8

ocr page 122

114

»Ween niet mijn kind, vertrouw gerust op God. Ik ga tot Hem, eu van Zijne barmhartigheid hoop ik meer voor u te kunnen doen, dan zoo ik hier bleef.

»Mocht ik, als de Pater komt, niet meer kunnen spreken, zeg hem dan. dat hij me de heilige Sacramenten toediene, die ik nog ontvangen kan.quot; Toen beleed hij met luide stem zijue schuld : »Ik belijd voor God, de H. Maagd en alle heiligen des hemels, dat ik God ontelbare malen beleedigd hebquot; en na de opnoeming eeniger fouten, die zijn ootmoed hem op de lippeu bracht: »ik vraag allen, die ik ooit beleedigd heb, ootmoedig om vergiffenis en vergeef van ganscher harte allen, die mij hebben beleedigd. U, mijn God bedank ik allerootmoedigst voor de groote barmhartigheid mij daardoor bewezen, dat Gij me geroepen hebt tot het katholieke geloof en mij geleid in den schoot der Kerk, buiten welke geene zaligheid is. Diep smart het mij, dat ik zonder de laatste heilige sacramenten sterven moet; daarom betuig ik althans voor de geheele wereld, dat ik sterf in de ware gevoelens, van een katholieken Christen en in volkotnene gehoorzaamheid aan de H. Kerk.quot;

Toen hij zijn bed door meerdere Lutheranen omringd zag, herhaalde hij nog eens deze betuiging, die op de aanwezigen diepen indruk maakte. xJesus' verzuchtte hij toen »wees mij Jesus, en in eeuwigheid zal ik Uwe barmhartigheid zingen! Ik lijd hevige smarten o mijn God! Ik hoop, dat zij U bewegen mij te vergeven, dat ik niet onafgebroken aan U denk. Ik bid niet, o God, mij de pijnen af te nemen, geef mij maar geduld om ze te dragen. Hebben wij het goede

ocr page 123

115

van Uwe hand ontvangen, waarom ook liet kwade niet aannemen ? Wilt gij, dat ik nog leven zal, of dat ik sterf, — mijn God, ik 'wil, wat Gij wilt, wees altoos geprezen ; Uw heilige wil geschiede l11

Het einde was nabij. De aanwezendeu verzocht hij voor hem te bidden om een zalig sterfuur. Een halt' uur voor zijn dood sprak hij ; »mijne kinderen bidt nu de gebeden der Kerk voor de stervenden.''

Toen deze geëindigd waren, sprak hij bij volle kennis — die hij geen oogenblik verloren had, en met blij gelaat; »Jesus, wees mij Jesus !quot; en ontsliep. Het was zeven ure ongeveer in den morgen van 26 November ; Mgr. Sten sen was acht en veertig jaren oud.

»'t Is moeilijk,quot; besluit Jörgensen, »den zin van het menschenleven, dat aldus eindigde, in korte woorden samen te vatten. De ziekelijke knaap in den goudsmidswinkel der koopmansstraat; de student op de wallen van het belegerde Kopenhagen; de vlijtige na-vorscher in Hollands gehoorzalen en in Spinoza's studeervertrek; de geniale ontdekker in 't gebergte van Toscane; de hoog beschaafde vertrouwde vriend der kundigste mannen van Italië; de nederige bekeerling ; de arme, door de zon verbrande bisschop op een Holsteinsche vrachtwagen, verteerd van een gloeien-den ijver en toch stralend van inwendige vreugd en levendig geloof — hoe kunnen al deze trekken zich vereenigen tot een eenig beeld, eene eenige persoonlijkheid ? En toch is hier eene eenheid, een samenhang in, dien niemand kan loochenen, 't Is dezelfde fijnvoelende natuur, dezelfde stoute, hoogvliegende geest, dezelfde onbuigzame wilskracht in de vlucht der ge-

ocr page 124

116

dachte, die alles, wat hij onderneemt, stempelen, van, den dag, dat hij voor het eerst zelfstandig als man der wetenschap optreedt, tot aan het uur, dat hij onder gebed en vrome zuchten zijn oogen sluitquot;. 1)

De bisschoppelijke gewaden waren in Hamburg achtergebleven, daarom moest de begrafenis uitgesteld worden.. Het vochtige weer en de ingewandziekte, die den dood veroorzaakt had, wekten gegronde vrees voor een spoedig intredend bederf. Doch toen dagen daarna zijn aalmoezenier, Engelbert Schmal, van Hamburg aankwam en de kleederen meebracht, was het lijk niet alleen nog lenig en buigzaam, zoodat het kon gekleed en den 6den December ten toon gesteld worden, doch zijne gelaatskleur bloeiend en frisch, en geen spoor van lijklucht deed zich bemerken.

»Hij is veel schooner dan bij zijn levenquot; fluisterden de toeschouwers, waaronder vele Lutheranen, hij is zeker in den hemel! God gave, dat ik bij hem ware in het paradijs.quot;

Toen hij den dood voelde naderen, gaf hij Rose een rood zakje over, dat hij altoos bij zich droeg. Dit was zijne nalatenschap en bestond uit twee bisschopsringen en zijn klein eenvoudig borstkruis met relikwieën bezet. Ze waren van de heiligen Ignatius van Loyola, Franciscus Xaverius en Philippus Nerius. Hij schatte ze boven alle kostbaarheden der wereld.

Na de uitvaart, die op uitdrukkelijken wensch des bisschops met den grootsten eenvoud gehouden werd, sprak zijn aalmoezenier Schmal eene lofrede uit, waarin

1) T. a. p. bl. 213.

ocr page 125

117

'hij Mgr. Stensen met zijn patroon Nicolaus vergeleek, maar besloot met het woord van den boetgezant: »Hij heeft de stem luide genoeg tot u verheven, maar zij bleek die eens roependen in de woestijn.quot; 's Avonds werd het lijk voorloopig in de Luthersche Kathedraal bijgezet. De groothertog van Toscane evenwel, die edelmoediglijk de schulden betaalde, welke de vrome bisschop alleen uit naastenliefde had gemaakt, gelastte in Maart 1687 liet lijk naar Florence over te voeren en deed het in de Laurentius' kerk bijzetten in den grafkelder der Medicis. De marmeren steen op zijne laatste rustplaats prijst hem als een man vol van God, een kloeken evangelieverkondiger, die onder den arbeid en het lijden voor Christus bezweken is.

De volledige uitgaaf zijner werken wordt dit jaar verwacht, het tweede eeuwfeest van zijn overgang tot de eeuwige rust.

ocr page 126

■ '.pSsfis#

B ■

M ÜPi

MB EE?.-: v ..

■

WÊÊÊm

■

mm4

I

■ ■. ,;»■ IB

'

WBiM

M.

-■

ocr page 127

MONSEIGNEUR DE SÉGUR.

ocr page 128
ocr page 129

Mgr. DE SÈGrïïR.

Deu IS116quot; April 1820 te Parijs geboren, werd Louis Gaston Adriaan de Segur twee dagen later door graaf de Ségur zijn grootvader en de gravin de Rostopchine zijne grootmoeder, in de kerk van den H. Thomas van Aquine ten doop gehouden. Als achtjarige knaap op de kostschool van Fontenay-aux-Roses, eene dei-minst ongodsdienstigen van dien tijd, muntte hij uit in het teekenen. Zijn levendig karakter en zijn afkeer van de school berokkenden hem veel straf, doch meestal mocht hij ia plaats van strafwerk het portret van den meester of eene andere teekening maken; eene schikking, die beide partijen voldeed. Hij was keurig op zijn goed en hield veel van lezen, welke laatste neiging zijne moeder niet bestreed, maar verstandig geleidde, want zelve stuurde zij hem boeken, waarin zij alle aanstootelijke plaatsen met dik papier had beplakt. Wat door geheel zijne jeugd het meest in hem viel op te merken, was eene onverdeelde liefde voor zijne moeder. Licht is het aan deze, die geheel zijn hart innam, te danken, dat hij ondanks zijne weinig godsdienstige opvoeding en het jammerlijk

ocr page 130

122

sehaarsch gebruik der heilige Sacramenten, rein van zeden gebleven is. Het college van Parijs, waar hij later de Latijnsche scholen volgde, was niet beter dan de kostschool. »Wij waren er niet goddeloosquot; erkende hij later dikwijls »maar onverschillig, ofschoon op enkele uitzonderingen na, natuurlijk braaf. Als ik bedenk, dat het jaar na mijne eerste H. Communie te Fonte-nay, niemand ons sprak van Paschen houden. (Het tweede jaar gingen er de kinderen weer met die van de eerste H. Communie mee, dat was alles.)

»Ik heb vijftien jaren noodig gehad, om mij geheel te ontdoen van de indrukken en denkbeelden aan die ongelukkige scholen opgedaan. Ieder oogenblik betrapte ik mijzelven op vooroordeelen tegen de Kerk, de wonderen, de levens der heiligen enz. Eerst mijn vierjarig verblijf te Rome als auditeur der Rota heeft er de laatste sporen van uitgewischt.quot;

Hoe hij van zijne moeder hield, en zijn grootste geluk vond bij haar op de uitgaansdagen en tijdens de vacantie, blijkt wel het best uit de brieven, die hij haar van 't college schreef. Een greep uit de vele.

»14 Maart. 1837. Lieve moeder hoe maakt 4 't sinds Zondag? Heeft u weer veel pijn in de lenden gehad? Maakt u zich niet te moe? Ik ben blij, dat Olga alleen loopen kan, en dat u ze niet meer hoeft te dragen. Zij zal u toch nog genoeg zorg kosten, te veel misschien, want uwe gezondheid lijdt er onder, en uw volkomen herstel blijft daarom uit. Wanneer zal ik toch voor goed bij u wezen, om u te dwingen beter te worden ? Ik zal blij zijn, als het zoover is, want ik verveel me hier verschrikkelijk in die kooi.

ocr page 131

123

Tot overmaat van vreugd heeft mr. M. zicli iu het hoofd gezet, dat ik niet werk, nooit gewerkt heb en nooit werken zal. Hij zegt me gedurig, en zonder dat ik weet waarom, dat hij erg ontevreden over mij is, dat liet zoo niet langer kan duren, enz. Ik werk toch ondanks hem. Zijne gedurige verwijtiugen zouden mij anders kunnen beletten eenigen voortgang te doen. Want u weet, dit is niet de manier om iets van mij gedaan te krijgen. Een paar goede woorden zouden meer doen dan al zijne strengheid. Vaarwel, beste moeder, ik omhels u van harte, wees toch gezond en neem u in acht; denk aan ons en houd veel van ons, zooveel als wij van u: meer is niet mogelijk.quot;

»12 April. Paul en Albert zijn door hun examen'• Lieve moeder, verbeeld u mijne vreugd hen eindelijk gelukkig te zien, en op het punt van terug te keeren met hunne goede moeder, de beste moeder van de wereld na u. Ze zijn me van ochtend om elf ure de tijding komen brengen. Zij waren zoo blij en ik ook, maar alles heeft een kwaden kant. Na 't pleizier en de. vreugd kwamen de tranen. Ik heb wel een half uur gehuild, toen ze weg waren, In hun bijzijn had ik me goed gehouden om hunne vreugd niet te bederven. Ik blijf dus heel alleen over, beste moeder, alleen zonder vriend om mijn lief en leed te deelen. Ik had gehoopt, dat ik mijne twee goede vrienden nooit zou behoeven te verlaten, voor ik tot u terug mocht keeren, die mij alles zijt; en in plaats daarvan heb ik nu nog vier maanden volstrekte eenzaamheid voor me. Ik zal mij schadeloos zien te stellen door

ocr page 132

124

Iiud zoowel als u dikwijls te schrijven; maar wat is dit, vergeleken bij het zien van die men lief heeft?quot;

Eere den zeventienjarigen Parijzenaar, die zoo aan zijne moeder schrijft! Teruggekeerd in den schoot zijner familie, onderging hij den voorbeeldigen invloed van zijn neef Prins Galitzin, een jongeling van zijne jaren, — doch bovenal dien zijner grootmoeder, de allervroomste gravin de Rostopchine, die uit Rome terug, een zomer en een winter op het ouderlijk kasteel van Nouettes doorbracht. Deze uitmuntende en beminnelijke vrouw leerde meer dan iemand Gaston den godsdienst kennen, en haar dankte hij op acht-tienjarigeu leeftijd, wat hij met edelmoedige oprechtheid zijne bekeering heeft genoemd. Den 8stei1 Sept. 1838 het feest van Maria geboorte, naderde hij na eene hoogst ernstige voorbereiding in de parochiekerk van Aube tot de heilige Sacramenten, en Jesus Christus nam voor goed zijn intrek in het hart van Gaston de Ségur.

Sinds dien dag naderde hij alle weken tot de heilige Tafel, en Franciscus de Sales' heerlijke »inleiding tot een godvruchtig levenquot; een geschenk zijner grootmoeder, bracht hem tot de veelvuldige H. Communie. Hij ging in de wereld, gaf er van zijne talenten en geest te genieten, maar zijn hart gaf hij er niet. Tijdens den winter van het jaar zijner bekeering begon hij in het salon der gravin de Rostopchine eene reeks van potloodschetsen uit het leven van O. H. Jesus Christus.

Zijn plan was het geheel te doorloopen; doch slechts twaalf kwamen er af Zijn gezicht had te

ocr page 133

125

veel onder deze inspanning geleden; hij zag zijne oogen veroordeeld tot eenige weken volstrekte rust. Was deze voorbijgaande zwakte een voorbode van de jarenlange beproeving, die zijn leven heiligen moest? Hoe weinig vermoedde hij toen zijne bestemming, om niet in lijnen en schaduwen enkele tafe-reelen — maar door eigen heldhaftig lijden het volle beeld van den gekrnisten Jesus weer te geven in zich zeiven!

Na 't herstel zijner oogen bezocht hij zes maanden lang de ateliers van Paul de la Roche en schilderde met lust en talent; doch hem walgde van de omgeving en de naakte modellen zoozeer, dat hij er de kunst voor een deel aan gaf en zich beperkte tot portretschilderen, afgewisseld door geestige karikaturen. De la Roche, die hem met zijn oordeel en terechtwijzingen ter zijde bleef en menigen avond ten zijnen huize ontving, twijfelde geenszins, of in Gaston een schilder stak.

Toen de oude graaf de Ségur hem het plan openbaarde zijn zoon als attaché bij de Fransche legatie naar Rome te zenden, gaf de meester ten antwoord: »Wat gij ook vóór hebt met uw zoon, en welke richting gij voor hem kiest, zijne roeping is het schilder en een groot schilder te worden.quot; Dat er grond voor deze meening was, bleek in 1841, toen aan het portret van den graaf door zijn twintigjarigen zoon geschilderd, de gouden medalje werd toegekend. Een zijner broeders ontving ze voor hem uit de hand van M. de Montalivet met de meest vleiende lofspraak. Toen Gaston in 1843 uit Rome terugkeerde,.

ocr page 134

120

stelde zijne moeder ze hem ter hand, doch hij maakte ze niet lang daarna te gelde voor den arme, in wien hij altoos Christus zag.

Zoolang hij nog te Parijs in de rechten studeerde, was hij een der ijverigste leden der jeugdige Vincen-tius-Vereeniging en ontmoette er elke week Pierre Olivaint, die in 1871 als priester van de Societeit van Jesus, om wille van het geloof door de Commune ter dood werd gebracht. Bij den arme vergezelden hem blijdschap en hoop, hij was hun een zonnestraal in de kou. Jaren na zijn vertrek was het noemen van zijn naam, het vertoonen van een door hem geschreven brief genoeg om de zoetste herinneringen voor hun geest terug te roepen. Als een Joannes-de-dooper doorliep hij de hospitalen om er de kranken op de komst van een priester voor te bereiden.

Hij en zijne medebroeders met name P. Olivaint wisselden elkander af. Ieder had zijne week en zijne zalen. Wat hem in 't JNecker hospitaal overkomen is, heeft hij zelf opgeteekend. »De zaal, welke ik dien dag te bezoeken had, was toevertrouwd aan eene liefdezuster, die aan het krankbed vergrijsd, niet minder hart toonde voor het heil der ziel, dan voor de genezing des Hchaams. — Ga eens naar n0. 39 zeide zij me — daar ligt een man van twee- of drie en dertig jaren, borstlijder in den hoogsten graad, die binnen drie dagen er aan moet. Ik heb mijn best al gedaan, maar 't haalde niets uit; den geestelijken staat hij niet te woord. Een uwer medebroeders van Viucentius (P. Olivaint) is al niet beter geslaagd dan wij. Waarschijnlijk zal hij u ook wel wegsturen, maar

ocr page 135

127

we moeten toch alles wagen, zijn arme ziel hangt ev van af.

— Wel, goede zuster, als hij me wegstuurt, ga ik heen, dat is alles, daar zal ik niet van sterven. Bid maar een weesgegroetje voor den armen drommel, dan ga ik er op af.

»Van bed tot bed gaande, kwam ik aan 89. Ik ontstelde, toen ik hem zag; de doodskleur lag over zijn gelaat. Zijne uitgemergelde trekken gaven eene ijzige uitdrukking aan zijne zwarte oogen. Ik naderde ; hij keek me strak in 't gezicht, maar zweeg.

— Hoe gaat het ? vroeg ik. Geen antwoord.

— Veel pijn, zeker? Kan ik iets voor n doen? Hij bleef zwijgen. Mijne houding werd moeilijk. Dreigend flikkerde zijn oog, ieder oogenblik had ik eene uitbarsting van toorn te wachten. Daar bracht me Gods voorzienigheid eene plotselinge ingeving. Ik boog driftig over hem heen en vroeg fluisterend : Heeft u eene goede eerste H. Communie gedaan ?

»Dit woord werkte als een elektrieke schok. Hij maakte eene lichte beweging, zijn gelaat veranderde van toon en half hoorbaar bracht hij uit: Ja, mijnheer.

— Welnu, mijn beste, waart ge toen niet gelukkig ?

— Ja mijnheer! hernam hij ontroerd, en ik zag twee groote tranen op zijne wangen. Ik nam zijne beide handen vast.

— En waarom was u toen gelukkig? Toen waart ge rein, kuisch, ge vreesdet God en hadt Hem lief, gij waart een goed Christen, maar dat geluk kan terug komen. God is dezelfde nog als toen. Hij weende voort.

ocr page 136

— Niet waar, gij wilt biechten ? vroeg ik. Ja mijnheer, sprak hij toen met^volle stem, en hij hief zich op om mij te omhelzen. Ik deed het met liefde en gaf hem eenige raadgevingen om zijn goed voornemen gemakkelijker uit te voeren. Toen ging ik heen en boodschapte de zuster den onverhoopten uitslag van mijn bezoek.quot;

Dit was de eerste ziel door Gaston de Segur voor God gewonnen, het voorspel van zijn gezegend apostelschap.

Na voltooiing zijner rechtsgeleerde studiën gaf hij in Juli 1841 gevolg aan zijn plan om de gravin de Rostopchine op haar landgoed Voronovo bij Moskou te bezoeken. Twee maanden bracht hij door op haar kasteel en leerde beter dan ooit de deugd waardeeren dezer vrouw, die aan de heldinnen uit de eerste tijden des Christendoms herinnerde. Tot gedachtenis aan zijne reis bracht hij voor de familie een paar schetsboeken mede vol Russische typen in potlood of waterverf verdienstelijk geteekend.

Intusschen had de graaf de Ségur ter ontwikkeling van het schilderstalent, dat in zijn zoon uitblonk, hem een post weten te bezorgen bij zijn ouden vriend, graaf de Latour-Maubourg, gezant van Frankrijk bij den H. Stoel. Uit Rusland teruggekeerd had hij zich nu gereed te maken om in Februari 1842 als attaché der Fransche ambassade naar Rome te gaan.

Het afscheid van zijne moeder, kostte hem het meest. ,

Doch bij niemand der zijnen rees het vermoeden op, dat zijn verblijf te Rome hem zoo beslist in eene

ocr page 137

129

geheel andere richting zou sturen. De Fransche gezant ontving hem als den zoon van zijn vriend, deed hem bij zich inwonen en verschafte hem aanstonds ten zijnent, wat Gaston van Parijs het meest betreurde en op den hoogsten prijs stelde, een gezellig verkeer in den huiselijken kring. Mevrouw de Latour-Maubourg was voor hem eene moeder. Om haar en de gevierde gravin Adolphe de Caraman, hare zuster, vergaderde zich bijna iederen avond in het paleis Colonna de bloem van den Romeinschen en den Franschen adel, en Gaston de Ségur onderscheidde er zich allergunstigst door zijn beminnelijk gemoed, zijne schildersgave en warme vereering van de kunst. Graaf de Ravneval de eerste secretaris, later zelf Fransch sre-

»/ 'O

zant te Rome, won zijn hart door zijne innemende manieren en wonderbaar muzikaal talent, doch Gaston zelf was de gezochte teekenaar, wien ieder om een schetsje plaagde of eene ondeugende karikatuur wist af te bedelen. Zooveel zijn tijd hem toeliet, bezocht hij de museums te Rome en bestudeerde er de doeken der groote meesters, zoowel als de gewrochten der antieke beeldhouwkunst. Raphael en Perugino waren zijne lievelingschilders, doch de Madonna van Foligno was hem het heerlijkste aller schilderstukken. Onder zijn eigen werk van dien tijd komen op de eerste plaats, het potret van zijn gastheer, graaf de Latour, en eene half levensgroote Onbevlekte Ontvangenis. De uitdrukking van 't gelaat der H. Maagd trekt onweerstaanbaar aan door een karakter van vlekkelooze onschuld met maagdelijke ingetogenheid gepaard.

9

ocr page 138

130

Pater de Villefort van de Sociëteit van Jesus, de wegwijze gids en hartelijke landgenoot van alle Fran-schen, wie zoowel godsvrucht als eene natuurlijke neiging naar Rome dreven, was de geestelijke leidsman van Gaston. Hij openbaarde hem zijn hart en volgde zijne voorzichtige leiding, die slechts eene richting te geven had aan deze reine ziel. Nu begreep hij voor iets hoogers dan aardsche grootheid geroepen te zijn, doch gebed en tijd moesten deze roeping duidelijk verstaanbaar maken, alle overijling kon ze benadeelen, daarom viel er in de eerste maanden van Gaston's verblijf te Rome geene verandering van levenskeuze

bij hem waar te nemen.

Toen in Juli om de ondragelijke warmte het paleis Colonna zoo goed als verlaten was, en eene ongesteld, heid den jongen de Ségur tot blijven dwong, bood de Eerw. Heer Veron — een Fransch priester die te Rome studeerde — hem gastvrijheid en verpleging aan. De vriendschap uit dezen omgang ontstaan en de zorgvolle toewijding des priesters, gevoegd bij den heilzamen invloed der ziekte, deden Gastons neiging-meer en meer overhellen tot den geestelijken stand. In September noodigde M. de Cazalos hem uit tot eene reis naar Perugia, Assisi en Lorette, en Gaston, die ook dit aanbod blijde aannam, doorreisde een der schoonste provinciën van Italië.

In Perugia bewonderde hij de meesterstukken der Umbrische school, bij het graf van den Seraphijnschen Franciscus ging hij in de derde orde, doch te Lorette, in het driemaal gezegend huisje van Nazareth, kwam zijne godsvrucht tot de allerheiligste Maagd tot haar

ocr page 139

131

volle recht, en van toen af mag men gelooven was zijne roeping beslist. Van drie maanden later nochtans is het latijnsche stuk, dat de volgende beloften inhoudt:

iRome Kerstnacht 1842.

»0 Heere Jesus Christus, in tegenwoordigheid van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, wijd ik me in dezen heiligen nacht Uwer geboorte geheel en al aan U en de H. Maagd Maria toe door belofte van eeuwige zuiverheid. Hier beloof ik en zweer de heilige roeping te volgen, waardoor Gij me tot ü geroepen hebt.

»Tot onderpand hiervan beloof ik, o zoete Jesus, Bruidegom mijner ziel, eiken dag de kleine getijden der allerheiligste Maagd te bidden, totdat ik met Uwe genade door de heilige wijdingen tot de groote kerkelijke getijden zal worden verplicht. Amen. Alleluia.

De Heer is mijn erfdeel.quot;

Bij dezen beslissenden stap, was hij twee en twintig jaren en vijf maanden oud, leidde sinds vier jaren een boetvaardig en heilig leven, doch bevond zich niet meer dan tien maanden te Eome. Op 16 Febr. 1844 schreef hem Pater de Villefort, in wiens handen hij deze belofte had afgelegd: »Ja, ik herinner mij dien Kerstnacht, toen gij in tegenwoordigheid van onzen Heer, alvorens Hem te ontvangen het besluit naamt u geheel en zonder voorbehoud voor altoos aan Hem toe te wijden.quot;

Het was te verwachten, dat het niet ontbreken zou aan gemakkelijke verklaringen van deze in het oog

ocr page 140

132

der wereld wanhopige beslissing. Nog ten jare 1860 schreef hem een jonge vriend, dat hij kostbare inlichtingen had ontvangen aangaande zijne roeping. Ziehier het antwoord van Mgr. de Ségur op dezen brief.

»Wat de kostbare inlichtingen betreft, die men u over mijne roeping heeft gegeven, zij beteekenen niets.

»Reeds op mijn achttiende jaar dacht ik er aan mij aan God te wijden. Drieëntwintig jaren ond ben ik naar 't Seminarie gegaan, en ik zon het eerder gedaan hebben, indien ik een gids had gehad om mij voor te lichten en te geleiden. Ik heb mij aan God gewijd, niet ondanks mijne familie, die er in heeft toegestemd, ofschoon zij eerst haar tegenzin duidelijk had mtge-sproken — en dit gebeurt negentien maal op de twintig. Ongetwijfeld laat God dit toe om den wil te beproeven van hen, die naar de eer van het priesterschap dingen. Diezelfde beproeving wacht u; bereid er u op voor met eene krachtige liefde tot Jesus uw Zaligmaker. Uw vader en moeder zult gij daardoor helpen om heilig te worden, gelijk ik het geluk heb gehad het de mijnen te doen. ..

Zeker is het, dat zijne moeder, hoezeer eene Christelijke vrouw, met eene droefheid, die aan wanhoop grensde, het onverwacht besluit van haar kind vernam. 't Was voor haar de onrijpe vrucht eener voorbijgaande opwelling, waardoor hij heel zijn toekomstig levensgeluk roekeloos ten offer bracht . Zij schreef hem brief op brief, en zoo hartverscheurend waren de kreten harer smart, dat zij Gaston wel niet aan t wankelen brachten, maar geweldig schokten. Hij had den moed niet, bekende hij later, op zijne kamer die brieven te

ocr page 141

133

openen, doch nam ze mee naar de kerk en las ze geknield voor 't H. Sacrament. Lang duurde 't, eer zij zich wennen kon aan de gedachte, dat haar oudste zoon haar voor goed wilde verlaten. Ofschoon hij zijn best deed om in haar bijzijn opgeruimd en vroolijk te wezen, en zijn rustige blik getuigenis gaf van de inwendige kalmte zijner ziel — in het moederhart kwam meer dan eens de wensch boven, dat Gaston eerder sterven mocht, dan een voet zetten in het Seminarie. Later vond zij er genoegen iu deze afdwalingen harer blinde liefde te bekennen, maar voegde er dan bij, hoe dé wanhoop eindelijk voor kalme berusting geweken eu van lieverlede in blijdschap was verkeerd; hoe dat kind als voor haar verloren betreurd, haar juist het minst van allen had verlaten, liet meest bij en voor haar was geweest, terzelfder tijde, dat het geheel aan God behoorde.

In Januari 1843 uit Rome teruggekeerd, bleef hij tot den zomer bij zijne ouders en volgde in de goede week de retraite van P. de Eavignan in Notre Dame, die hij met snelschrijverstrouw opteekende. In den zomer ging hij nog eens naar Moskou om afscheid te nemen van de gravin de Rostopchiue, de eenige zijner familie, die zijn stap had toegejuicht — en haren zegen te ontvangen. De laatste weken, die hij op het kasteel van Nouettes te midden zijner terneergeslagen bloedverwanten doorbracht, ontving hij een brief van P. de Villefort gedagteekend van Rome 25 Sept. '43.

»Mijn beste vriend, Ernest de Rayneval heeft zich trouw gekweten van zijn boodschap; van hem wist ik al, dat de gevreesde beletselen uit den weg geruimd

ocr page 142

134

waren op eene wijze, die geen twijfel liet aan eene geheel bijzondere bescherming van God, die goed is en rijk aan barmhartigheid. Uw brief heeft me dit blijde nieuws bevestigd, bovendien meldt hij me den dag uwer intrede in het Seminarie. God zij er voor geloofd in eeuwigheid ! Gij hebt verstandig gedaan met den wensch uws vaders in te volgen omtrent de keuze van een biechtvader, sinds gij uit Rome zijt. 't Is altoos Jesus Christus, wien wij in den bedienaar van 't H. Sacrament van Boetvaardigheid hebben te beschouwen. Overigens is het u goed, dat gij zelf bestemd om later zielen te geleiden, bij eigen ondervinding de voor- of nadeelen leert kennen van deze of gene leiding. Zoo geldt het woord des apostels: voor hen die God beminnen werkt alles ten goede mee. Ja mijn beste, laten wij God beminnen, beminnen uit geheel ons hart, dan zal alles ons behulpzaam zijn om Hem nog vuriger lief te hebben.

»Wij arme Jezuïeten worden op dit oogenblik erg aangevallen. Bid, dat wij nut uit deze beproevingen trekken. Ik geloof niet, dat gij u ooit door vooroor-deelen, die somtijds de beste menschen bevangen, tegen ons zult laten innemen. Gij kent ons, en in St. Sulpice kennen zij ons ook. Denk aan mij bijzonder in de kapel van Lorette te Issy....

Philippe de Villefort S. J.quot;

Hoe gelukkig hij zich na zijne intree in dit heiligdom gevoelde, blijkt uit een schrijven van IS Nov. 43 aan den Eerw. Heer Lacroix te Rome.

^Eerwaarde Vriend. Ik wil den brief, dien u een

ocr page 143

135

uwer vrienden uit Frankrijk zendt, niet laten vertrekken zonder er iets van mij bij te doen. Hier ben ik dan in 't huis van God, dragende het Godgewijde kleed, leunende op den arm van den goeden meester. Vergun me u zelf de tijding van mijn geluk te melden. De Heer is mijn deel; Hem, Hem alleen heb ik mij tot erfenis gekozen. Liever wil ik hier verborgen en onbekend blijven in het huis van God, dan te schitteren in de huizen der wereldlingen want ik draag de bron mijner vreugde in mijn hart. Gij hebt me te Eome altijd veel liefde en goedheid betoond, de Christelijke genegenheden zijn niet gelijk die dei-wereld aan verkoeling onderhevig, ik verzoek daarom de hulp uwer gebeden ....quot;

Van zijn Seminarie-leven schrijft de Eerw. Heer Rebours in Juli 1882: »hij bekleedde er een post, de eenige misschien, waar hij ooit naar heeft gestaan; die van opper-uitdeeler van de overschotten onzer tafel aan de armen. Toen ik er in 1845 kwam, vond ik hem met deze groote waardigheid bekleed, en welwillend bood hij mij een sloofje en eene plaats aan zijne zijde. Wij waren met ons vieren, en hadden om de week de beurt. Na tafel stond men ons al wat er was overgeschoten af, en een dozijn armen wachtte ons bij de groote poort in de rue Bonaparte. Wij lieten ze binnen op eene overdekte plaats bij de keuken, en verdeelden zoo goed wij konden onzen schamelen overvloed. De Ségur kweet zich van zijn taak met zooveel goeden luim, vroolijkheid en stichtende woorden, dat onze armen er door werden opgebeurd en ons lief kregen.quot;

ocr page 144

136

Den dag zijner bekeering op zijn achttiende jaar had hij aangeteekend op een prentje voorstellende het heilig Sacrament door engelen aanbeden. De keerzijde draagt in potloodschrift: »gedachtenis mijner bekeering te Aube. O. L. V. Sept. 1838.quot; Daaronder had hij een hart geteekend van een zwaard doorboord en. deze woorden in 't latijn; »Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven, en wier zonden bedekt zijn.quot; Op ditzelfde prentje schreef hij de dagen zijner wijdingen, alleen de laatste niet, met een toepasselijken tekst.

Kruinschering; 1 Juni 1844 Saint-Sulpice.

Ik ben dood voor de wereld en mijn leven is Christus.

Mindere orden: 20 Dec. 1846.

Uwe altaren, o Heer der krachten, mijn Koning en mijn al.

Subdiakonaat: 19 Dec. 1846.

Zalig, wien gij hebt uitgekozen en opgenomen, mijn God, mijne barmhartigheid!

Diakonaat: 29 Mei 1847.

Ontvang den Heiligen geest tot sterkte.

Voor de vacantie van 1846 waren zijn oogen weer aangetast, en had hij zich verplicht gezien de studie weer te onderbreken. Met een zijner broeders en den Eerw. Heer Véron, zijn ouden vriend, deed hij op last der geneesheeren eene reis in de bergen van Lombardije en Zwitserland. Toen bleek het, dat in. dien de studie zijne oogen had vermoeid, zijne vroo-

ocr page 145

137

lijkheid en blijheid van gemoed er niet onder hadden geleden 1).

Zij maakten niet minder indruk op zijne reisgenoo-ten dan zijn onweerstaanbaar geduld bij alle hiuder-nissen en zijne engelachtige godsvrucht. Deze twee maanden rust van hoofdarbeid en inspanning, de fijne berglucht, lichaamsbeweging en voetreizen herstelden hem zoo volkomen, dat hij niet slechts met October de studie hervatten kon, maar zelfs een zeer fraai portret schilderen van den Eerw. Heer Courson, directeur van het Seminarie.

18 Dec. '47 brak de lang verwachte dag der priesterwijding aan. Mgr. D'Aftre, die een half jaar later als goede herder zijn leven voor zijne schapen gaf, legde hem de handen op. De Maria-kapel van St. Sulpice was

l) Ten bewijze uit zijn aanteekenboekje de volgende lijst van treurig-komieke lotgevallen dezer «pleizierreis.quot;

«Reisplan met oneenigheid. Vertrek. Tranen der huisgeuootén. Wij komen te Chalons een kwartier na't vertrek der boot. Zonnesteek in de kuit. Afdaling van Martigny. Oorlog tegen de muggen. Diner van Tourte-Magne (Monstertaart). Niet-gezicht van den waterval. Begin onzer angsten. Beklimming van den Simplon. Rijtuig van Isella zoo goed als open in den regen. Voertuig met een paard op drie beenen van Domo D'Ossola. Oostenrijksche Douane. We worden te Milaan uit het hotel l'Europe gezet om ons gunstig uiterlijk. Verlies van een reiszak te Como. De aartspriester van Borméo ziet ons aan voor dieven. Hoed in 't meer. Paard op hol. We kunnen niet weg te Iimspruck. Woedend opstaan. Postwagen. Nacht in Feldkirch zonder herberg. Afdaling in Schwytz in zes bedrijven.

lo. Tyroolsche manoeuvres van M. Véron. 2°. Algemeene ondergang in den modder. 3°. De val. 4°. Overklautering van de heg. 5o. Gedeeltelijke kreten van angst. 6o. Overtocht van de beek, enz.

ocr page 146

138

getuige van zijne eerste H. Mis. Zijne moeder, die op den dag der wijding zijn eersten zegen had ontvangen, zijn vader, broeders, zusters, verwanten en vrienden omringden het altaar en ontvingen uit zijne hand de H. Communie, 't Was een uur van ongekende zaligheid voor al de zijnen, voor hem van heldhaftig offer bovendien. Want in deze oogenblikken verzocht hij de H. Maagd bij haar goddeiijken Zoon voor hem de kwaal te verkrijgen, die hem het meest martelen zou, zonder aan de vruchtbaarheid zijner bediening schade te doen. In de eerste jaren daarop zei hij soms lachend aan de enkelen, die hij zijn geheim had toevertrouwd: »het schijnt, dat ik de H. Maagd een raadsel heb opgegeven, dat zij niet kan oploseen.quot; Dat zij toch de oplossing vond, heeft heel zijn leven bewezen.

In 't begin van zijn priesterlijk leven woonde hij Rne de Grenelle 49 en ging thuis eten ; maar spoedig begreep hij grootere vrijheid te behoeven en vestigde zich met eenige andere priesters in de Rue Cassette 32, waar een soort van kloosterleven werd geleid. Een mannelijke en eene vrouwelijke bediende volstonden voor alles. Toch behoorden deze vijf priesters allen tot den aanzienlijken stand; doch zij meenden om Christus' evangelie aan armen en werklieden te verkondigen, moesten zij niet beginnen met op een grooten voet te leven.

De soldaten-gevangenis was het eerste tooneel van zijn ijver. Men zag uit naar een priester, die voor hen zorgen wilde, wie kon het beter, wie deed het liever dan de Eerw. Heer de Ségur? 't A7iel niet zwaar eene biecht te spreken bij dien jongen priester,

ocr page 147

139

die hen zoo gul en hartelijk ontving, die zich hunne zwakheden zoo gemakkelijk scheen te verklaren. Hij bracht hun de blijde dagen hunner eerste H. Communie terug, en zij die bij hem voor de eerste maal tot de heilige Sacramenten naderden waren de minst ijverigen of ondankbaarsten niet. Een brief van Bapaume 19 Januari 1865 moge er de proef van geven. »Sedert 20 Februari 1849 ben ik in de weer om u uit te vinden. Op dien dag hebt gij me mijne Eerste H. Communie laten doen in de militaire gevangenis, waar gij toen met de geestelijke zorg waart belast. Ik geloof ten minste dat u het is, want ik heb een zoontje van veertien jaar, die al op het koor zingt en die aan 't lezen was in het weekblad l'Ouvrier, en ik zag dat het stuk was geteekend: L. G. de Ségur, Kan. van St. Denis. Daar viel mijn aandacht op, en ik zei; dat moet die goede priester wezen, dien ik al zoo lang zoek, en dien ik zou willen zien, omdat ik nooit dien gelukkigen dag vergeet en de woorden, die gij toen tot ons hebt gesproken. Ik bewaar altijd nog het prentje en het getuigschrift, dat u me gegeven heeft. Dat is het kostbaarste van al mijn papieren.quot;

vDe gevangenis der soldaten de Abbaye genaamd werd in 1848 mede bevolkt door de Juni-opstande-lingen, die met de wapens in de hand waren gevangen genomen. Onder hen bevonden zich mannen van beter stand en meer ontwikkeling dan de gewone soldaten. Voor hen was de toewijding van Mgr. de Ségur, wiens naam zij kenden, de welsprekendste les. Na de veroordeeling tot de galeien van Toulon bleven

ocr page 148

140

onderscheidenen hunner hem gehecht als aan een vader.

»Mijnheer en dierbare weldoener,quot; schrijft er een van Toulon in 1851 »indien de liefde, welke u de ongelukkigen ter hulp doet snellen in menschelijke redenen haar oorsprong vond, mocht ik vreezen, dat mijn stilzwijgen verkeerd wierd opgenomen. Ik weet nog goed, hoe ik in de gevangenis der Abbaye ter dood veroordeeld, alleen in 't gezicht der eeuwigheid, verstoken was van al wat naar vriendschap of belangstelling gelijkt. Gij alleen, gij zijt hoop komen brengen in mijne door de smart verslagen ziel, en uwe godvruchtige opwekkingen verzachtten de angsten van mijn doodstrijd. Dat alles staat mij voor den geest, of het pas gebeurd is. Evenmin is het mij uit de gedachte geweken, hoe vindingrijk uwe edelmoedigheid was om in mijn nood te voorzien. Uwe kerkboeken, medaljes, al wat ik van u heb, bewaar ik als een kostbaren schat. Deze gedachtenissen zijn mij dierbaar, want zij herinneren mij de welbeminde hand, die ze mij schonk.

»Geloof mij, mijnheer, in deze vervroegde hel, die men de galei noemt, in dezen maalstroom, waarin de heiligste gevoelens ondergaan, had ik de herinnering aan uwe wijze raadgevingen hoog noodig, om niet aangetast te worden door de besmetting, die ons hier omgeeft.quot;

Een jaar later bij zijn vertrek naar Cayenne, schreef hem dezelfde veroordeelde. »Ik neem mijn toevlucht tot God en de H. Maagd alleen om redding uit den afgrond mijner ellende. Er gaat geen uur

ocr page 149

141

van den dag om, dat ik niet aan Jesus Christus denk, en tot de heilige Sacramenten nader ik zooveel ik kan. U vraagt me in uw brief, of ik uwe Navolging van Christus nog heb ? Zeker heb ik ze nog, en ik zal ze heel mijn leven bewaren, want dat boekje doet mij denken aan een goeden priester, die mij van den kwaden weg op den goeden heeft gebracht.quot;

Tegelijk met de zorg voor de militaire gevangenen trok zich de Eerw. de Ségur het lot der arme werkjongens aan. De Vincentiusvereeniging had in de Rue du Regard voor hen een huis geopend, doch toen daar priesterlijke leiding noodig bleek, bood de Ségur zich uit eigen beweging aan. Hoezeer uit den hoogst aanzienlijken stand, was hij Parijzenaar, droeg zijn karakter er al de trekken van. Het gulle en speelsche, de geestige zet, het vaardige woord, het gevoelige hart, 't was alles zoo goed in hem als in ieder dier knapen. Met een oogwenk begrepen zij elkaar, een half woord was soms niet eens noodig. Hoe zij zich aan hem hechtten, daar zij voelden dat hij hen liefhad! Hij kwam op de gedachte eene retraite voor hen te houden in de goede week ter voorbereiding van de Paasch-Communie. Hij deed het op zijne manier, vergaderde hen in eene zaal, waar de reliek van 't H. Kruis tusschen twee kandelaars stond in eene nis met roode gordijnen behangen, voerde eene samenspraak tusschen twee jongens op, hield eene korte onderrichting, waarna een godsdienstig lied tot besluit — en de oefeningen dezer retraite vonden zooveel bijval, dat de zaal weldra te klein was, en in

ocr page 150

de Rue de Grenelle, eene der aanzienlijkste wijken van Parijs, eene ruimere gelegenheid moest gezocht worden. Nu gebeurde het wel, dat de deftige bewoners dier straat 's avonds beefden van* anerst — 't

O

was kort na de revolutie — bij het rumoer dezer levenslustige knapen, doch de Eerw. Heer de Ségur stelde hen lachend gerust: »wees maar niet bang, dat zijn de jongelui van mijne retraite, die langs komen.''

De heilzame inrichtingen voor jongelieden van den werkenden stand hier te lande onder den naam van St. Jozefs gezellen of ambachtsleerlingen in eere — danken zoowel als de katholieke kringen haar ontstaan aan den ijver van dezen jongen priester. Welke zijn invloed en voorbeeld waren, welk een indruk den jongelieden van hem bijbleef, toont ons M. Maignen uit het volgend voorval.

»Een jonge blikslager had zich langzamerhand losgemaakt van de zorgen van Mr. de Ségur en verwaarloosde weer zijne plichten, doch het geloof behield hij en verdedigde het met vuur tegen eiken aanval. Eens in de werkplaats was het niet de godsdienst zoozeer als de priesters, op wie men het had gemunt. Allerlei leugens en lasterlijke verhaaltjes werden hem voor de voeten geworpen. Eindelijk niet meer wetend, hoe zich te verdedigen, riep hij uit; »Nu goed ! zeg van de priesters wat ge wilt, maar ik heb er dan een gekend, den abbé de Ségur, en

al was bij de eenige, zijn godsdienst zon nog de ware • • • j gt;

zijn!

Doch al deze werken, waaraan hij zich zeiven overgaf met den onbedwingbaren ijver van zijn priester-

ocr page 151

143

lijk gemoed, putten hem eerder uit, dan liij verwacht had. In den winter van 1849 had hij reeds zooveel gepreekt en biecht gehoord, dat zijne gezondheid aanmerkelijk had geleden. Ondanks keelpijn en stemver-dooving had hij doorgewerkt, tot eene bloedspuwing volgde, en hera eene volstrekte rust werd voorgeschreven. Dagelijks placht hij de IT. Mis te gaan lezen in eene kapel van Rue de Sèvres; nu moest hij zijne kamer houden en tot tien ure te bed blijven — zijn eenige troost was, dat de Eerw. Heer Gay hem iederen morgen de H. Communie bracht.

a zes weken gedwongen rust ontving hij van een zijner vrienden eenige bladzijden getiteld: »antwoorden op de voornaamste bezwaren tegen den godsdienstquot; met verzoek deze in te richten ten gebruike der jeugd. Spoedig bleek het hem en zijnen raadsmannen, dat eenige bladzijden niet volstonden. »Dat moet een boek worden besloot hij »en ik ga er mij geheel toe zetten, 't Was in twee maanden af. Hoe hij er aan werkte, schrijft Mgr. Conny. »Ik had toen alle gelegenheid om te bewonderen, in welk eene lijst van zedigheid zijne heerlijke talenten stonden gevat. Wanneer hij het antwoord op een bezwaar had geschreven, placht hij het me voor te lezen ; bij het minste woord van afkeuring haalde hij er de pen door en begon op nieuw. Ik had mij willen beklagen over zijne te groote onderworpenheid. Liever had ik gezien, dat hij zijne manier of eerste opvatting verdedigd had en niet zonder tegenspraak alles aangenomen wat mij dacht. Doch verzet kwam niet bij hem op. Hij gaf toe, verscheurde zijn blad en begon van voren af, soms tot drie vier malen toe.quot;

ocr page 152

144

^w.

Toch was het eerste oordeel over zijn handschrift verre van bemoedigend. »Een loffelijk werkquot; luidde de vreemde uitspraak van den letterkundige, die het had doorgezien, »vol goede bedoelingen, maar zonder be-teekenis; gelijk men er alle dagen ziet uitkomen, om helaas de meening voet te geven^ dat goede boeken vervelend zijn.quot; De slag was gevoelig voor den schrijver, doch kon zijn ootmoed er zich bij neerleggen, zijne vrienden wilden het niet en zochten een uitgever. Men vond er geen, die het waagstuk voor eigen rekening aandurfde. De abbé de Ségur zelf te zeer hechtend aan het ontmoedigend vonnis van den bekwamen letterkundige, wilde 't niet op zijne kosten laten drukken, meenende, dat dit geld beter aan de armen ware besteed'; en 't handschrift raakte ten laatste zoek. Eindelijk na lang omzwerven toevallig weer gevonden, kwam het in handen van mevrouw de Ségur, des schrijvers moeder, die tweehonderd francs drukloon aan Lecoffre betaalde, en liet boekje ging de wereld in. Of het er zijn weg vond? Zeven honderd duizend exemplaren zijn in Frankrijk en België verspreid; de uitgaven zijn bij honderden te tellen; vertalingen er van verschenen in Italië, Duitschland, Engeland, Spanje, Portugal, Nederland, Rusland, Polen, Zweden, tot in het Hin-doesch toe.

»Eerw. Heer de Ségur,quot; schreef hem eene dame van aanzien, »de\vijl 't mij niet mogelijk is u nog te spreken voor uw vertrek, acht ik het mijn plicht u nog eens te schrijven om u mijn hartelijken en welgemeen -den dank te betuigen voor de weldaad, die ge mij

ocr page 153

145

van God verkregen hebt; de genade mijner bekeering. Nooit heb ik mij zoo gelukkig gevoeld. Ik heb al de genoegens der wereld gesmaakt^ helaas! en ben tot de bevinding gekomen, dat zij valsch zijn. Uit den grond mijns harten vraag ik God om vergeving voor het misdadige leven, wat ik heb geleid tot op den dag, dat mij uw boekje in handen viel. Ik vergat u nog te zeggen hoe. Zes maanden geleden was ik ongesteld. Ik las romans om mij te verzetten. Uitspanning zoekend, kwam ik ergens en vroeg er een boek te leen om den tijd te dooden. Men gaf mij uwe »Antwoor-denquot;. Ik sla den bladwijzer op, doorloop de titels der tegenwerpingen en meen een boek te hebben gevonden geheel in mijn geest geschreven. Bij de eerste regels van het eerste hoofdstuk bespeurde ik mijne dwaling. Ik gaf aanstonds het boek terug, zeggende dat het niet was, wat ik dacht. Doch onmiddellijk er op voelde ik spijt en vroeg het weerom. Ik heb het gelezen, met zorg overwogen, en ik heb de zwaarte mijner misdaden gevoeld. Dadelijk besloot ik van leven te veranderen. De gedachte aan de biecht kwelde mij alle dagen, en ik verwierp ze altoos. Ten laatste wilde ik biechten bij den schrijver van dat boek, maar ik wist, niet hoe het aan te leggen. Ik deed mij geweld aan en kwam tot u. 't Was 8 Maart, gelukkige dag! maar duizendmaal gelukkiger die van 23 Maart, toen ik mijn God en Zaligmaker weer mocht ontvangen. Nooit heb ik zulk eene zaligheid gevoeld. Ik had niets meer van de aarde te wenschen: Jesus Christus was in mijn hart. Nu zou ik eerder den marteldood ondergaan dan het geluk ontberen, dat er

10

ocr page 154

146

in Gods liefde ligt. Liever sterven dan weer in zoude vallen. Ik wil God dienen de overige dagen mijns levens; ik zal de koningin des Hemels aanroepen, die ge mij hebt leeren kennen. Dat de God van barmhartigheden, Eerw. Heer u met zegeningen overlade in dit leven om de genade, die gij voor mij verkregen hebt. Tot weerziens in den hemel. . ..quot;

Eene badkuur en eene reis in de Pyreneën gaven den gelukkigen priester de volkomene gezondheid weer; sinds preekte en sprak hij meer dan vroeger, doch zonder eenige gevoeligheid in de keel. Dit voorbijgaand lijden was naar het schijnt het groote middel geweest om zijn schrijverstalent te ontwikkelen. Dat hij er mee woekerde, getuigen de tien deelen, die hij naliet. Doch de bede zijner eerste H. Mis zou eerst later worden verhoord.

Bij al zijn arbeid vond de abbé De Ségur nog tijd voor het hospitaal, waar hij zijn eersten slag had geslagen; men sprak hem van een jongen Zweed, schilder van beroep, den dood nabij, doch Protestant; van wien een ijverige bezoekster van het hospitaal had weten te verkrijgen, dat hij een medalje droeg, een Memorare bad en een priester wilde ontvangen, mits deze van geen godsdienst sprak. Daarom vergenoegde, zich de abbé De Ségur met een beleefdheidsbezoek bij Gabriel Aedmann; 's anderendaags evenwel waagde hij het den kranke te spreken van O. H. Jesus Christus, van de H. Maagd, de Sacramenten en den hemel. Gabriel weende van vreugd als een kind. »Ivooit,quot; zeide hij »heb ik iemand zóó hooren spreken. Ik dank u, gij zijt mijn engel, mijn broeder, mijn vader.quot; De priester

ocr page 155

147

maakte zich deze stemming ten nutte om den jongeling de voornaamste punten des geloofs te onderwijzen, en toen de zuster te kennen gaf, dat hij den nacht misschien niet door zou komen, begon het volgende gesprek :

— Mijn jongen, gij zijt nu Katholiek in uw hart, waarom zoudt gij 't niet heelemaal worden ? Ge moet niet langer uitstellen om in den schoot der Kerk terug te keereu. Ge zijt bedenkelijk ziek.

Gabriel Aedmann zag den priester strak aan, maar antwoordde niet,

— Wilt gij Katholiek worden '?

Het stormde blijkbaar in het gemoed des jongelings.

— Ja, fluisterde hij, maar als mijne moeder het te weten komt, wat zal zij zeggen ?

— Wat kan zij zeggen? Is het niet flink en eerlijk als men zijne dwaling inziet, die te verlaten en de waarheid te omhelzen? Is dit geen plicht? Gelooft gij vastelijk, dat er een God is in drie personen: Vader, Zoon en H. Geest?

— Ja, dit geloof ik.

—- Gelooft gij, dat de Zoon Gods is menseh geworden om u zalig te maken, dat Hij voor u gestorven is aan het kruis, dat Hij eene zalige eeuwigheid voor u bestemd heeft?

— Ja, dit geloof ik met geheel mijn hart.

— Gelooft gij, dat er maar ééne ware Kerk is, die het Christendom leert, de Heilige Katholieke, en wilt gij haar kind worden ?

— Ja.

Nu nam de priester een fleschje doopwater, dat hij

ocr page 156

148

bij zich droeg en doopte hem op voorwaarde, onder de namen van Gabriel Andreas Maria, want het was 30 Nov. 1850, het feest van Andreas, apostel. »Wat een geluk, wat een geluk!quot; riep de kranke, en zijn gelaat glinsterde van vreugd. Hij biechtte en ontving de voorwaardelijke vrijspraak; daarna omhelsde hij zijn redder-, dien hij zijn vader noemde. »0, ik geloof alles!quot; riep hij uit: »wat is God goed! Hij heeft me alles vergeven. Hij bemint me en ik Hem; nooit ben ik zoo gelukkig geweest.quot; 's Anderendaags drukte hij dankbaar de hand dergene, die hem de medalje had omgehangen. »Maar zuster,quot; zeide hij, »dat is geen mensch, dien ge mij gezonden hebt, dat is een engel. Wat maakt die jonge priester een overweldigenden indruk! men kan hem niet zien, of men ziet God in hem!quot;

's Avonds stond Gabriel Andreas in het witte doopkleed voor Christus' rechterstoel.

Er bestaat te Eome sinds de eerste eeuwen dei-Kerk eene geestelijke rechtbank voor kerkelijke en burgerlijke zaken, de Rota genaamd. Van de twaalf leden zijn er slechts drie geen Italianen, en dezen vertegenwoordigen Frankrijk, Oostenrijk en Spanje. Nadat Napoleon in 1852 de teugels van het bewind in handen had genomen, was zijne eerste zorg, den sinds twintig jaren onbezetten post van auditeur der Rota voor Frankrijk weer te doen aanvullen, omdat zulk een tusschenpersoon de gewichtigste diensten kon bewijzen in zaken van kerkelijke aangelegenheden des lands. De keuze voor den nieuwen auditeur viel op den abbé De Ségur. 't Was wel niet de zorg voor de

ocr page 157

149

gevangenen of ambachtsleerlingen, die de aandacht op hem gevestigd had, zoo min als zijn boek vReponsesquot;, of zijne 'gewaardeerde medewerking aan de »Petites Lecturesquot;, doch de markies De Tnrgot, minister van bnitenlandsche zaken kende zijne familie, wist dat hij te Rome attaché der ambassade was geweest en nu sinds eenige jaren met lof de priesterlijke bediening vervulde. De gekozene zelf aarzelde echter lang met zijne toestemming. Hij had het volk lief, leefde om wel te doen, zijn vruchtbaren werkkring verlaten, viel hem zwaar. Doch verstandige vrienden wezen hem op het goede, dat hij in zijne nieuwe betrekking zou te doen vinden. Waren er geen zaken van het hoogste gewicht met Rome te regelen ? De organieke artikelen, het burgerlijk huwelijk, de wederinvoering der Ro-meinsche Liturgie, waaronder het Gallicanisme zou bezwijken — beloofden zij geen stof in overvloed voor zijn arbeidzamen geest? Hierbij kwam de aantrekkingskracht van Pius IX, dien hij nog niet kende, maar zien en spreken zou, het weerzien van de heilige stad na eene tienjarige afwezigheid — en hij eindigde met zich bereid te verklaren, indien God het zoo wilde. Een langdurig onderhoud, dat hij met Napoleon had, gaf de zaak haar beslag, en van den 12 den Maart 1852 is het besluit zijner benoeming geteekend. Mgr. Pie, de groote bisschop van Poitiers, wenschte er hem hartelijk geluk mede en zag in deze keus een blijk te meer van Gods barmhartige liefde voor Frankrijk. »Ik weet niet,quot; zoo schreef hij, »dat ik ooit blijder ben geweest dan om het nieuws wat uw brief mij bevestigde.quot;

ocr page 158

150

Zijne vrienden in Parijs deelden deze vreugde niet, zoomin als de velen, die zijne vaderlijke zorg en toewijding gingen ontberen. De priesters, met wie hij in de Rne Cassette samenwoonde, betreurden zijne verheffing om het gemis van een stichtend voorbeeld. »Broeder Gaston,quot; schreef de abbé Gibert in klassiek latijn: »Helaas, hoequot; is uwe kleur veranderd, van zwart zijt gij paars geworden, van biechtvader der kinderen, auditeur! Ik verblijd me niet, maar klaag met u mede. Waarom mocht ik niet blijven met u? Waarom blijft gij niet bij ons? Dat ten minste de Heer Jesus met ons blijve, want het wordt avond. Adieu!quot;

Nooit had hem een afscheid zooveel gekost, als toen hij in de eerste dagen van Mei 1852 ten tweede male naar Rome vertrok, nu in het vooruitzicht van er zijne dagen te slijten. De belofte zijner moeder, dat zij met hare dochters den winter bij hem zou komen doorbrengen, wierp alleen een zonnestraal in zijn treurend hart.

Nauwelijks had hij in 't paleis Brancadoro zijn intrek genomen, of hij trachtte zich op de hoogte te stellen van de eischen zijner taak. Maar deze bleken zoo veelvuldig, dat hij het bureel hem toegevoegd, bestaande uit een advokaat en twee secretarissen, onvoldoende achtte en zich vrijmoedig tot den H. Vader wendde met een ernstig gemeend en door redenen omkleed verzoek om ontslag. Toen hij zijn pleidooi geëindigd had, glimlachte Pius IX en antwoordde : »ik wil u bij mij houden en neem uw ontslag niet. aan.quot;

Om nochtans het geweten des jongen auditeurs niet

ocr page 159

151

te bezwaren en hun, wier zaken hij te behandelen zon hebben, alle reden van ongerustheid te benemen, liet de H. Vader door kardinaal Antonelli hem een helper aanwijzen bedreven in alle vragen van 't kerkelijk en burgerlijk recht. In 't najaar kwam zijn moeder volgens afspraak, en haar salon in 't paleis Bran-cadoro werd een der gevierdsten van geheel Rome. Mgr. de Merode en de abbé Bastide brachten er menigen avond door, en de gelukkige moeder kwam uit goede bron te weten, welk een gunstigen indruk haar Gaston maakte op allen, die het voorrecht hadden hem te zien. In de kerk van St. Louis des Francais droeg hij dagelijks de heilige geheimen op.

»Met hoeveel zedigheid en godsvrucht hij dit deed, is niet onder woorden te brengenquot; schrijft een eerbiedwaardig priester. »Daar is iets hemelsch in, iets Seraphynsch. Mij trof het zoo, dat ik den eersten keer me niet weerhouden kon te vragen: wie is die jonge priester?quot; »Dat is Mgr. de Ségur, de nieuwe auditeur der Rota,quot; werd mij gezegd. Sinds legde ik het er alle dagen op aan zijne Mis bij te wonen. Ik kan niet van hem hooren spreken, zonder dat zijne figuur als met een lichtglans van heiligheid omgeven, voor mij staat.quot;

Bii zijn vertrek uit Parijs had Mgr. de Ségur gemeend, dat er geen gelegenheid om de priesterlijke bedieningen waar te nemen voor hem over zou blijven, doch de Fransche troepen te Rome maakten, dat de abbé Bastide hoogen prijs op zijne hulp stelde, »'t is hier gelijk overal en altoosquot; schreef Mgr. de Ségur »gebrek aan apostolische werklieden. Velen willen en

ocr page 160

152

kunnen niet, anderen omgekeerd; zeer weinigen, die tegelijk kunnen en willen. Ongelukkig genoeg kan ik die soldaten geen biecht hooren, ten minste dit vrees ik. Daar is een soort van gewoonte in acht te nemen, niet om de zaak zelve, maar om wille van de rechtbank, waartoe ik behoor. Indien ik mij al te openlijk aan dit werk overgaf, zou het verliezen van een proces al spoedig daaraan geweten worden; en deze klacht zou minder op mij neerkomen dan op den Paus, die missionarissen tot rechters kiest. Ik moet dus maar stilletjes aan doen, zonder mij te veel vooruit te wagen.quot;

Ondanks deze voorzichtigheid meende Mgr. de Sé-gur den soldaten zijne zondagen te mogen wijden. Hij kende de zalen hunner bijeenkomst en zat neer in hun midden als een vaderlijke vriend. Spelen en loterijen, onderrichtingen in het kleed der historie gestoken hielden hen gezellig bijeen, en al deed hij het aanvankelijk schoorvoetend — eer eene maand verliep, was hij de zielzorger van velen onder hen.

»Toen ik u voor het eerst hoorde,'' betuigde er een in een brief van 30 Dec. 1854 »heb ik mijne tranen niet kunnen bedwingen. Hoe ging dat zachte en vriendelijke woord er bij ons in! Het schijnt, dat God u in ons midden heeft geplaatst als een algemeenen vader, die elk zijner kinderen belangstelling en bijzondere liefde toedraagt. Sinds valt me de tijd niet lang meer. Mij dunkt, dat alles nu naar mijn wensch gaat. Wat eene verandering; eerst vloekte ik den soldatenstand, nu dank ik God, dat ik er toe behoor. . .quot;

In de maand Mei van 1853 vinden wij Mgr. de

ocr page 161

153

Ségur bij den Paus in bijzonder gehoor toegelaten. Hij heeft een eigenhandigen brief van Napoleon gebracht. Pius IX houdt in de eene hand het keizerlijk schrijven, in de andere zijn oogglas en leest in stilte, doch met zichtbare voldoening; 't is of hij de woorden spelt, de slotklanken komen onduidelijk doch hoorbaar over zijne lippen. Mgr. de Ségur op de knieën naast hem, slaat den Paus met ingehouden adem gade. »Zie, dat is nu een heerlijke brief,quot; besloot Pins IX de lezing.

— Allerheiligste vader, waagde 't Mgr. de Ségur te vragen, wat wenscht de keizer van uwe Heiligheid ?

— Wel hij wil gekroond worden en vraagt me dit te Parijs zelf te komen doen.

— Geen wonder, hernam de prelaat, wiens vertrouwelijke omgang met den Paus hem deze gemeenzaamheid veroorloofde —■ indien uwe Heiligheid in zijne plaats was, zou zij licht hetzelfde wenschen.

— Zonder twijfel, en ik begrijp zijn verlangen, doch er zijn moeilijkheden aan vast.

— Misschien dat sommige leden van 't H. Collegie het min gaarne zagen ?

— Neen, neen, hernam de Paus — van den kant der kardinalen zijn de moeilijkheden niet. Wat de zaak lastig maakt is, dat wij op het punt zijn een Concordaat met Oostenrijk te sluiten; én wat zou Oostenrijk zeggen, wanneer ik naar Frankrijk ging? Ik zou er onze geheele onderhandeling mede op het spel zetten .... Bovendien, ik kan den Franschen bodem niet betreden — ging de Paus op ernstigen

ocr page 162

154

zelfs strengen toon voort — zoo lang daar de organieke artikelen bestaan. Het eerste dier artikelen is een kaakslag voor me!quot;

Hij poosde, herlas enkele zinsneden van den brief des keizers, dacht na en vroeg toen op eens den nog naast hem geknielden auditeur der Rota:

— Wat denkt Mgr. de Ségur er van?

— O Heilige Vader, — hernam de jonge prelaat half lachend, half verlegen. — Ik denk er niets van. Ik heb uwe Heiligheid geen raad te geven. Wie ben ik om op zoo gewichtige vraag te antwoorden ?

— Zeg maar eens ronduit, wat dunkt u er van?

— Als uwe Heiligheid het dan beveelt, dan komt oppervlakkig beschouwd de zaak mij niet slechts mogelijk, maar zelfs wenschelijk voor. Om Oostenrijk geen reden van misnoegdheid te geven, kon uwe Heiligheid na de kroning van Napoleon te Parijs, naar Weenen gaan om daar den keizer van Oostenrijk te kronen. Deze openbaring van het pausdom zou overal de heerlijkste vruchten dragen. Zoodra uwe Heiligheid den voet op het fransche grondgebied zet, zoude zij geheel Frankrijk aan hare voeten zien; dit ware de dood voor 't Gallicanisme; en eens te Parijs, zou zij alles van den keizer verkrijgen. Van Parijs naar Weenen door Duitschland reizende, zou de Paus een gevoeligen slag toebrengen aan het Protestantisme, dat onmachtig blijkt om de behoeften eens volks te bevredigen. Daarom keert men zich hoe langer hoe meer of tot de vrijdenkerij en het ongeloof, of tot het Katholicisme. Overal zou het Pausdom een triomf vieren, gelijk het sinds te langen tijd niet deed.quot;

ocr page 163

155

Zwijgend, doch met onverholen teekenen van welgevallen had Pius toegeluisterd. »Welnu, dan zullen wij gaan,quot; riep hij, toen Mgr. de Ségur ophield, »noch-tans indien de keizer ernstig wil, dat ik kom, dient hij mij de deur open te zetten. Hij moet een nieuw verdrag met mij aangaan, nagenoeg aan het eerste gelijk, welks laatste artikel luidt: «afgeschaft is alle wetsbepaling of besluit in strijd met deze tegenwoordige overeenkomst.quot; Ik zal drie maanden wachten om den keizer het verwijt te sparen, waar hij voor vreest, dat hij namelijk een koop heeft willen sluiten uit persoonlijke eerzucht. En danquot; voegde hij er bij, met de hand op zijn snuifdoos slaande, die hij in de linker hield »dan in 't rijtuig.quot;

»Sirequot; schreef Mgr. de Ségur toen aan Napoleon »nw lot is in uwe handen. Ziehier wat de Paus mij omtrent de organieke artikelen gezegd heeft. U ziet, 't is dood hout, wat men u vraagt. Deze nooit uitgevoerde en onuitvoerbare artikelen zijn altijd verworpen niet alleen door Rome, maar door al wat in Frankrijk ernstig Katholiek is, hetzij Gallicaan of Ultramontaan.quot;

Met de Junivacantie in Parijs terug, had hij een bijzonder onderhoud met den keizer en bracht de vraag te berde, waarom hij niet, gelijk Karei de Groote had gedaan, naar Rome giug om zich te laten kronen? Waarop Napoleon glimlachend antwoordde: »daar zou niets tegen wezen. Doch de herinneringen, die ik te Rome heb achtergelaten, zijn van dien aard, dat zij de waardigheid en majesteit der kroning te kort zouden doen.quot;

ocr page 164

156

Toen Mgr. de Ségur deze bedenking later aan Pius IX overbracht, gaf deze ten antwoord: »Ik begrijp, dat hij opziet tegen de gedachtenissen zijner jeugd, maar hij zegt, dat hij niet dit alles gebroken heeft, en een ander mensch is geworden, laat hem dit toonen.quot;

Zoo onderhield zich Pius IX met Mgr. de Ségur over de groote vragen des tijds. Geen wonder, dat de tot zulk eene gemeenzaamheid opgeheven prelaat, die tegelijk een dankbare leerling bleef van St. Sul-pice, dit Seminarie en zijne meesters bij den Paus gedachtig was. Zoo bracht hij de invoering der Romeinsche liturgie in de Fransche bisdommen ter sprake. Het gelukkig gevolg zijner bemoeiingen in deze, zijn spreken met den H. Vader over St. Sul-pice en zijn schrijven naar St. Sulpice wat de Paus van hen wenschte — was een brief aan Pius IX van M. Carrière — de eerste overste van St. Sulpice, die zich rechtstreeks tot den Paus richtte — waarin het blijde nieuws werd bericht, dat de te Rome afgekeurde boeken door anderen vervangen waren. »\Vat de Romeinsche liturgie betreftquot; gaat de briefschrijver voort »uw woord H. Vader heeft alle moeilijkheid weggenomen. Het Romeinsch Brevier wordt ingevoerd in ons Noviciaat en in het Seminarie van Parijs voor al degenen, die uit andere bisdommen zijn [dit waren ver uit de meesten] in afwachting, dat het ingevoerd wordt voor heel de wereld.quot;

Tot hier toe is het leven van Mgr. de Ségur gelukkig te noemen en benijdenswaard. Hij genoot het vertrouwen des keizers en de vriendschap van Pius

ocr page 165

157

IX. Zijn pogen werd met heerlijken uitslag gekroond.

De Rota bezorgde hem wel moeilijke en onaangename uren, doch er bleven er hem nog blijde genoeg over te besteden aan de studie, het zielenheil der soldaten en der schoolkinderen van Trevi; hij vond zelfs nog tijd voor zijne geliefkoosde uitspanning de schilderkunst. Zijn plan was de acht zaligheden voor te stellen in even zoovele heiligen.

De H. Ignatius van Loyola met het onderschrift: zalig zijn zij, die vervolging lijden om den naam van Jesusquot; is misschien het beste doek, wat hij ooit heeft afgewerkt. Sinds meer dan vijf en twintig jaren hangt het in de Ignatinskamer der Gesü te Rome, en wie het ziet, roemt de uitdrukking des gelaats en het krachtig gepenseelde beeld. De levensvreugde van Mgr. de Ségur was niet weinig verhoogd door de inwoning zijner moeder en zusters.

»Onze avonden waren allerheerlijkst,quot; schreef hij in de herinnering aan zijne moeder, »wij brachten ze meestal door in den gezelligen kring van huisgenooten en vrienden in 't paleis Brancadoro op de Colonna plaats; zij die er deel aan namen, dachten er twintig jaren later nog met vreugde aan terug.

Rome is zoowel de stad der kunsten als des geloofs. Uit dat oogpunt had zij voor mijne moeder eene geheel bijzondere aantrekkelijkheid. Mijne goede moeder was kunstenares in den volsten zin des woords. Niet slechts, dat zij veel kennis had van teekenen en schilderen in alle genres, doch zelve schilderde zij met wezenlijk talent. Zij slaagde vooral in landschap en zeegezichten. Daarom vonden Rome's onvergelijkelijke

ocr page 166

158

kunstverzamelingen, zoowel als de talrijke kerken die zooveel meesterstukken bevatten, in haar eene onvermoeide bewonderaarster. De goede God gewaardigde zich het verblijf mijner moeder tot in de kleinste omstandigheden te zegenen. Zij kreeg er hare gezondheid volkomen terug, en het weer was zoo bij uitzondering op den duur fraai, dat het van 5 October, den dag harer komst, tot 25 April, toen ze heenging, om zoo te spreken in 't geheel niet geregend heeft, en zoo zacht was de lucht, dat wij, hoewel de vensters van 't paleis Brancadoro vlak op het Noorden stonden, ze van den morgen tot den avond open konden houden, 't Was waarlijk iets bijzonders, want nooit in de vier jaren die ik nog te Rome door mocht brengen, heb ik zoolang achtereen mooi weer beleefd.

»Deze groote vreugden moesten echter bijna aanstonds gevolgd door een zeer groot offer voor mijne goede moeder.'' 1) 't Was of moeder en zoon nu sterk genoeg werden geacht voor het offer, dat hij vroeger had aangeboden. Wij gunnen het woord aan Mgr. de Conny.

»In 1853 moest ik naar Rome, en kwam er den 25steii April aan, gelukkig in het wederzien van mijn vriend. Hij vertelde me, dat hij in den buitensten hoek van een zijner oogen- als een roode vlek meende te zien. Ik antwoordde, dat dit kwam van de eerste warmte der lentedagen. Dit bleef echter aanhouden, en hij kwam er telkens op terug. Den Isteu Mei meen ik, was hij van eene zitting der Rota vermoeid thuis gekomen en had zich naar gewoonte om wat uit te

1

Ma mère, Oeuvres. Tome IX, 436. 437.

ocr page 167

159

rusten aan 't schilderen gezet. Hij had, dit wist ik, Mgr. d'Affre, den aartsbisschop-martelaar, die hem priester had gewijd, onder handen en tevens M. Olier, den stichter van 't Seminarie St. Snlpice. Vermoedelijk was hij met een dier beiden bezig geweest. Op eens breidde zich de roode vlek, die hij in den hoek van 't linkeroog bespeurd had, uit als een gordijn en bedekte heel zijn gezichtsveld, alleen het licht van boven doorlatende.

»ïoen ik eenige oogenblikken later hem bezocht, verhaalde hij mij dit voorval, waarvan hij opeens al den ernst had begrepen, x't Is eene verlamming van de oogzenuw,quot; zeide hij, »ik ben dus een oog kwijt en 't andere zal ik spoedig verliezen.'' Dr. Mayer, tot wien wij ons dadelijk begaven, ontveinsde geenszins het bedenkelijke van den toestand, schreef volstrekte rust voor en een leefregel, ten einde zooveel mogelijk storingen in de gezondheid te voorkomen. Van den geneesheer terugkeerende, wandelden wij door eene straat langs de tuinen van het Quirinaal. Alle hoop was vervlogen. De slag, die mijn vriend had getroffen, had mij geheel geschokt. Hij alleen was kalm gebleven en gaf mij de gronden zijner onderwerping op. »God heeft me voor drie-en-dertig jaren twee oogen gegeven. Hij neemt er vandaag een terug; misschien zal Hij me spoedig het andere ontnemen; ik heb Hem dank te zeggen voor den tijd, dat Hij ze mij gelaten heeft. Hij is er meester van.quot;

— Zeker — hernam ik — dit leert ons het geloof, doch er zijn natuurlijke indrukken, voor welke wij vatbaar blijven.

ocr page 168

J 60

— Zijn wij Christenen — vroeg hij — zijn wij priester om toe te geven aan indrukken der natuur, wanneer het geloof spreekt ?

sOnwillekeurig kwam de gedachte in mij op, wanneer nu iemand ons gesprek beluisterde, moest hij meenen, dat mij een ramp had getroffen, en dat een vriend mij troostte, maar op eene wel wat strenge manier.

— Het is eigenlijk zeer gelukkig voor me, — ging hij voort. Zooals de zaken nu staan, bij de goedheid, die de Paus mij betoont en het vertrouwen dat de keizer in mij stelt, kon het moeilijk missen, dat ik aartsbisschop werd of kardinaal. En toch is het zeker, dat de kerkelijke waardigheden gevaren voor zelfverheffing aanbieden. Nu ben ik van dat alles af. Ik keer naar Parijs terug en ga weer in den biechtstoel voor mijn arme kwajongens: dat is veel beter voor me. Wat mij pijn doet, is de gedachte aan mijne moeder, en 't verdriet, dat zij er van hebben zal.quot;

Dien eigen dag vernam de H. Vader het ongeval en ontstelde zoo goed als allen, die Mgr. de Ségur in Rome kenden. Bij de eerste ontmoeting vroeg hij hem met belangstelling naar hetgeen de geneesheeren hadden gezegd en besloot: »voor zulke kwalen ken ik maar drie geneesmiddelen: goed voedsel, versch water en geduld.quot; »H. Vader,quot; antwoordde hij, »ik vertrouw vooral op het laatste van deze drie.quot;

Kort daarop vond Pius IX Mgr. de Ségur bij de Oratorianen en wenkte hem aanstonds nader te komen. Toen de prelaat aan zijne voeten lag, vroeg de Paus gemeenzaam:

ocr page 169

161

— Hoe gaat het nu met het oog?

— Het gaat weg, Heilige Vader.

— Arme jongen!quot; zuchtte de Paus en zegende hem.

Van deze medelijdende stemming des H. Vaders

wilde Mgr. de Ségur partij trekken en verzocht bij het eerstvolgend gehoor de hoogst zeldzame gunst om het H. Sacrament te mogen bewaren in zijne huiskapel.

Pius IX aarzelde te antwoorden; 't was of hij wilde weigeren, doch zijn oog viel op den half blinde aan zijn voet; hij nam het hoofd van den prelaat in zijne beide handen, drukte 't tegen zijne borst en sprak op den toon der hartelijkste teederheid : »een ander zon ik neen zeggen, maar u zeg ik ja, omdat ik u lief heb: tot uiv troost clan en voor tijd en loyle.quot;

Er was inderdaad nog hoop, dat het beteren zou, maar de kwaal verergerde, en de troost bleef noodig. 13 Juni 1853 ontving hij deze gunst, en 13 Juni 1881 werd het H. Sacrament uit zijne huiskapel weggenomen, op den eigen dag der begrafenis van den gelukkigen blinde.

Hoe hij zich gelijk bleef in berusting en kalmte des gemoeds, getuigt de opgeruimde scherts zijner heldhaftige brieven, waarvan het schrift met den dag slechter werd.

»Ik weet niet, waarde vriend,quot; schrijft hij van Rome 25 Mei aan Graaf de Leusse »of het in mijne bestemming ligt u nog weer te zien. Er is alle kans voor, dat gij me terug ziet, omdat gij oogen hebt. Vroeger had ik er ook, gelijk gij weet, en ik bediende mij er van om karikaturen te maken tijdens onze

11

ocr page 170

162

tochten in de Pyreneeën. Het schijnt dat ik sinds O. L. Heer boos heb gemaakt, of wel, dat ik mij integendeel zoo goed heb gehouden, dat Hij me be-loonen wil, zooals Hij zijne beste vrienden doet; want sinds eene maaad ben ik een oog kwijt, en wat ik nog heb, is zoo'n arme stumpert, dat het de moeite niet waard is er van te spreken. De geneesheer, in wien ik zooveel vertrouwen heb, als men in een geneesheer hebben kan, hoopt nog op beterschap. Ik voor mij hoop op niets. Ronduit gezegd, beste vriend, 't is mij onverschillig. Ik ben gelukkig Christen en weet, dat we hier op aarde maar eenigen tijd behoeven te blijven, daarom heb ik sinds lang mijne hoop gevestigd op het eeuwige leven. Moest ik eene keuze doen, ik koos het lijden, en ik hoop van Gods goedheid, dat wanneer Zijne rechtvaardigheid en barmhartigheid mij bezoeken, gelijk ik geneigd ben te ge-looven, ik deze genade op prijs moge stellen en met de H. Maagd onder het Kruis van den Koning des lijdens volharden. Over Goeden vrijdag komen wij aan Paschen, daarom zie ik den Góeden vrijdag blijde te gemoet.

»Gij die een goed Christen zijt, beste vriend, gij zult O. Li. Heer het onrecht niet aandoen, u te bedroeven over hetgeen mij gebeurt. Gij bemint mij genoeg om er Hem voor te danken, en alleen te bidden, dat ik zulk eene beproeving drage zooals het behoort. In leven en in dood zijn wij des Heeren, zei de H. Paulus in zijn tijd : de goede God is sinds niet veranderd .. .'quot;

»Hebt gij ooit het portret van Tasso gezien ?quot;

ocr page 171

163

vroeg hij in een brief van 6 Juni aan zijn broeder; »als mijn oog weg gaat, heb ik het weinig bekoorlijk verschiet voor me op hem te gelijken. Verbeeld u een oog gesloten als in den slaap der onschuld, en 't andere wijd open en vol gloed. Wanneer ik er ooit zoo kom uit te zien, ga ik een doek om het hoofd dragen als Robert Macaire.

»Alles zoo het God behaagt, mijn beste; Hij is de meester van onze twee oogen gelijk van heel onzen persoon. Hij beproeft en vernedert ons, wanneer Hij zulks noodig weet voor onze ziel. ..

»Gij weet overigens,quot; luidde het veertien dagen later in een brief aan denzelfde, »welk een hemelschen troost de Paus in mijn leed gebracht heeft, en hoe de goede Jesus sinds acht dagen bij mij inwoont, in ruil voor deze eerste beproeving, met welke Hij me heeft bezocht.quot;

In den eersten tijd na 't verlies van zijn oog rieden velen zijner vrienden hem aan, van het onvermogen der geneeskunde in hooger beroep te komen bij God en des noods een mirakel te vragen. Hij ontving brieven, waarin hem oefeningen van godsvrucht werden voorgeslagen, welke meest geëigend schenen om deze gunst te verkrijgen. Doch hij gevoelde weerzin om er aan te beginnen. Hij zag niet in, waarom hij verlangen zou den weg te verlaten, welken de Voorzienigheid hem in deed slaan, en waarvan hij het nut voor zijne ziel begreep. »'t Is geene kleinigheid,quot; bekende hij aan Mgr. Conny »door een wonder genezen te worden ; het geeft eene verantwoordelijkheid, die mij bang zou maken.quot;

Intusschen^ geloofde men te Parijs en elders in

ocr page 172

164

Frankrijk aan eene voorbijgaande oogziekte. Keizer Napoleon ging in die dagen om met het plan een grootaalmoezenier des legers te benoemen, welke met de bisschoppelijke waardigheid was bekleed. De bisschop van Amiens, die er den keizer het eerst van gesproken had, stelde Mgr. de Ségur voor, en op de bemerking, dat deze nog wat jong was, antwoordde hij: »hij is zoo jong niet meer, Sire; zijn tegenwoordige post voert tot het kardinalaat; en 't zon u weinig moeite kosten, hem tot bisschop in partibus te doen benoemen.quot; Toen Mgr. de Salinis hem hierover schreef, maakte dit vooruitzicht geen indruk op hem; hij twijfelde niet meer, of eene volslagen blindheid zou volgen, en hij herinnerde zich de bede zijner eerste H. Mis, welker verhooring den Isten Mei begonnen was. »Mijn oog is weg,quot; schertste hij, »de H. Maagd heeft het mij afgenomen en in mijne plaats in 't vagevuur geworpen ;quot; de goddelijke barmhartigheid, meende hij, zou haar werk voltooien en hem den kruisweg laten bewandelen tot het einde toe. In de vijftien maanden, welke er tusschen het verlies zijner beide oogen verliepen, trachtte hij zich te gewennen aan volkomen blindheid. Dikwijls liep hij met gesloten oogen door het huis, bediende zich aan tafel, kleedde en schoor zich zeiven zonder te zien. Alleen gebruikte hij nog zijn oog om eenige Missen van buiten te leeren en vele psalmen en gebeden, die hem troost aanbrachten en opwekking. Zoo, terwijl zijne vrienden van zijne toekomstige verheffing droomden en hem voorspoed toewenschten en licht, zocht hij kracht en berusting om zijn leven te slijten in de duisternis van den Calvarieberg.

ocr page 173

165

Bij den aanvang der Julivacantie voor de leden der Rota, keerde hij naar Frankrijk terug. Het afnemende licht in het nog overblijvende linkeroog deed hem gevoelen, dat de dag des offers naderde. Als eene laatste gunst bad hij Gods H. Moeder, niet dat de kelk voorbij mocht gaan, maar om aleer zijne oogen voor goed gesloten werden, nog eens al zijne dierbaren te zien. Zij verhoorde hem.

Schijnbaar toeval bracht tegen de maand September al de leden zijner talrijke familie op het kasteel van Nouettes samen. Toen zijn broeder Anatole den Isteu September kwam, vond hij allen bijeen. Mgr. de Ségur had sinds eenige dagen hevige pijnen in het oog gevoeld. Den -i'Jeiij een Zaterdag, kwam de geneesheer uit de nabuurschap op het kasteel met een ossenoog, waarvan hij het samenstel beloofd had te ontleden. Met de grootste belangstelling volgde Mgr. de Ségur zijne uitlegging. Na het ontbijt deed de geheele familie eene wandeling door het park. Hij ging vooruit op een vrij grooten afstand van zijne moeder, die zich met den geneesheer onderhield. Op eens bleef hij staan en zei tot zijn broeder, op wiens arm hij leunde: »ik ben blind.quot; Dit was alles. Hij ging naar binnen en verzocht zijne broeders en zusters, die het aanstonds vernamen, niets aan zijne moeder te zeggen om haar het leed nog eenige nren te besparen. Herhaalde malen dien middag kwam zij nog bij hem, doch hij sprak zoo natuurlijk en rustig, dat zij niets bemerkte. Tegen den maaltijd kwam hij leunend op een arm van boven en zette zich aan tafel. Zijne moeder vermoedde nog niets; naar gewoonte zat hij tegenover haar, want zijn vader was

ocr page 174

166

voor zaken naar Parijs. Op eens bespeurt zij, dat haar zoon zich zeiven niet bediende, en zijne zuster, die naast hem zat het vleesch voor hem sneed. Zonder iets te zeggen, staarde zij hem een wijle vlak in 't gezicht, en verschoot van kleur: zij had alles begrepen. Nu brak een lang weerhouden snikken uit; hij alleen schreide niet, maar glimlachte. Geen der aanwezigen zal ooit deze bovenaardsche kalmte vergeten te midden van die raenschelijke smart. »Gelukkig — getuigde hij later — dat de christelijke onderwerping spoedig kalmte bracht in het zoo teere en meelijdende moederhart; en wij begrepen weldra allen, dat Gods wil niet alleen heilig is, maar altoos goed en zeer goed.quot; ') »Hij troostte,quot; zegt zijn broeder, »moeder en ons allen met eene onbeschrijfelijke teederheid, en deze getuigenis komt hem toe, dat hij op dien eersten dag en al de volgende dagen van ons samenzijn dezelfde kalme blijheid gaf te aanschouwen, welke allen tot aan zijn dood in hem hebben bewonderd.quot;

Vier dagen later schreef hij aan Mgr. Pie:____»hier

gelijk altoos gaat de rechtvaardigheid Gods gepaard met zijne barmhartigheid, en vloeit de genade over de beproeving heen. Het verdriet mijner arme moeder, mijner zusters en broeders, in wier midden ik het geluk heb mij te bevinden, doet mij meer leed dan mijne persoonlijke kleine onaangenaamheden. Het kruis is zoo goed en heilig, dat men wel weinig Christen moet wezen om er over te durven klagen, en indien het

quot;l) Oeuvres. Toin IX ma mère, 439.

ocr page 175

167

alleen mij betrof, zou ik er eer om kunnen juichen clan treuren. Zijn wij niet altoos des Heeren, in den dood gelijk in het leven ? En wat geeft het eigenlijk, of wij het licht om ons henen zien al dan niet, wanneer de oogen des geestes het ware licht aanschouwen, dat is Jesus Christus levend in ons.

»Gij begrijpt, dat al de fraaie plannen, die men in mijn voor- of nadeel gemaakt had, nu vanzelf in duigen vallen. Mijne roeping wordt vereenvoudigd, en Gods wil, de eenige regel, dien ik te volgen heb, is nu duidelijk en klaar.....

»Ik keer naar Rome terug, waar mijn toestand weinig verandering brengen zal in mijne levenswijze. Mijne dorre werkzaamheden als auditeur der Rota kan ik voortzetten, en mijn priesterlijke arbeid is zoo geregeld, dat ik dezen af kan met eene tong, mijne ooren en voeten, want hiermede kan ik biecht hooren en preeken. Het zal zelfs een buitenkansje wezen voor arme beschaamde zondaars, dat zij hunne zaakjes kunnen vertellen aan een biechtvader, die stekeblind is.quot;

Deze wonderbare onderwerping aan Gods H. wil, die zijne vrienden huiveren deed, werd niet gedeeld door de meeste leden zijner familie. Zijn vader schreef: »Mijn beste vriend, de brief uwer zuster heeft mij met diepe neerslachtigheid vervuld, en ik kan mij niet verbeelden, dat de goede God, die toch ziet, welk een goed gebruik gij van uwe oogen maakt, u de wreede beproeving kan hebben toegedacht, dat gij beide moet verliezen. Ik kan u niet zeggen hoe smartelijk mij dit aandoet. Mijn arm, dierbaar kind, zoo goed,

ocr page 176

J 68

zoo heilig, de zegen van heel ons huis! Neen ik heb nog hoop, God zal ons allen zoo schrikkelijk niet beproeven.quot;

Eén toon klinkt er evenwel in dit smartelijk akkoord overeenkomstig de verhevene berusting van den zwaar beproefde zeiven. De tachtigjarige gravin de Rostop-chine schrijft van Moskou 17 September;

«Gelukkige Gaston, die den weg zijt ingeslagen der zaligheden door Christus beloofd! Hij, de God onzer zielen, doet met u als met Zijne uitverkorenen; doch beneemt Hij u het oog des lichaams, Hij verlicht uwe ziel, en ik zou bijna durven zeggen zonder vrees van mij te bedriegen — dewijl uw leven tot heden toe mij bekend is: Zalig die blind is geworden, terwijl hij het ware licht der levenden beschouwt! blijve 't u bestralen, en mogen wij altoos wandelen op den weg, dien het ons aanwijst!quot;

»Uwe moeder zal er wellicht niet over denken gelijk ik; doch indien uwe blindheid haar bedroeft, zoo zal zij toch met de hulp der genade, die altijd met ons is, weten, dat wij in alles en ten allen tijde God moeten loven, die ook onze Vader is.quot;

Keizer Napoleon, van Mgr. de Segur's toestand onderricht, zond hem een schrijven van deelneming met de belofte zijn jongsten broeder als eersten gezantschapsecretaris naar Rome te zenden, doch balsem in de wonde bracht een eigenhandige brief van Z. H. Paus Pius IX:

»Mgr. de Ségur. Het bericht aangaande den staat uwer gezondheid vervult mij metgroote droefheid, doch de betuiging uwer onderwerping heeft mij in niet min-

ocr page 177

169

dere mate gesticht, ea ik verheug mij over uwe beslissing om naar Rome weer te keeren. Ik hoop dat de lichting van uw oog ten bekwamen tijde de ge-wenschte uitwerking moge hebben.

«Inmiddels verleen ik u uit geheel mijn hart den apostolischen zegen, tegelijk voor uwe moeder en geheel uwe familie, en ik koester den wensch, dat deze zegen in hen allen vermeerdere de onderwerping en volkomen gelijkvormigheid aan Gods altoos aanbiddelijke raadsbesluiten.

^Gegeven te Rome bij St. Pieter 2 Oct. 1854.

Pius IX, Paus.quot;

Tegen het einde der vacantie was hij te Rome terug. De komst zijns broeders aan de ambassade was hem een troost, waarvoor hij Napoleon altoos dankbaar bleef.

In 't laatst van November ontving hij ten zijnent al de Fransche bisschoppen, die ter gelegenheid van de dogma-verklaring der onbevlekte ontvangenis naar de eeuwige stad waren gekomen. Op den onvergete-lijken 8 Deo. in de St. Pieterskerk tegenwoordig, zag hij niets van den lichtgloed der honderdduizende kaarsen, niets van den luister, welke het opperhoofd der Kerk te midden van de bisschoppen uit alle oorden der wereld omgaf; maar het heerlijk geluid van 's Pausen stem, die Gods Moeder verheerlijkte op aarde, trof zijn oor en zijn hart en wekte er een lied als weleer Simeon heeft gezongen: »Laat me nu sterven, Heer! grootere zaligheid heeft het leven niet!quot;

Aanvankelijk bleef er nog eenige hoop op genezing. Het kwam tot een schijnsel van licht, zoodat hij dag en

ocr page 178

170

nacht kon onderscheiden — verder niet, en hij bleef gelaten onder zijn kruis. Eens nochtans — 't was in de vacan-tie van 1855 — nam zijn gelaat eene sombere uitdrukking aan, en viel er zichtbare droefheid bij hem waar te nemen. Toen een zijner broeders hem de reden vroeg, verklaarde hij onverwachts voor eene nieuwe beproeving te staan, welke hij aannam van Gods hand, maar die zwaar viel boven mate. Deze beproeving, ijzingwekkend, wanneer zij den blinde overkomt, was doofheid. Dagelijks bespeurde hij, dat zijn gehoor minder scherp werd. De gedachte binnen kort niet meer te kunnen zien of hooren, en zoo van alle menschelijke gemeenschap beroofd, tot niets meer in staat te zijn voor het heil der zielen —• zelfs niet in den biechtstoel, overweldigde hem. Hij was bereid voor het offer, indien het moest worden gebracht, doch hart en lippen herhaalden het gebed des Meesters in Gethsemane: »0 Vader, laat deze kelk voorbij gaan!quot;

Hij ging voorbij. De pogingen der geneesheeren slaagden, en Mgr. de Segur herinnerde zich met blijdschap, dat de H. Maagd zich woordelijk hield aan de bede in zijne eerste H. Mis: eene beproeving van den eersten rang, die nochtans zijn priesterlijken arbeid niet belette.

Zijn verblijf te Rome kon evenwel niet van duur wezen. De bemoeiingen der Rota stonden zijn ijver in den weg voor het heilig dienstwerk, dat hij zonder hulp verrichten kon, terwijl hij zich in Parijs weer geheel zou kunnen wijden aan zijn lievelingsarbeid van vroeger. Als auditeur der Rota was hij onafzet-baar, tot de kardinaalshoed zijn deel werd; doch

ocr page 179

171

eigenwillig ontslag aanbieden stond hem vrij. Hij besloot er toe, maar stiet op een ernstig bezwaar.

Zijn rang in de Kerk en zijne blindheid beide vorderden eene onbekrompen levenswijze, en van hetgeen hij persoonlijk bezat, was het grootste deel aan goede werken besteed. In overleg met den H. Stoel wilde 't fransche Hof hem tot kanonik van St. Denis benoemen, aan welken titel eene passende lijfrente verbonden is. De tweede rang, waartoe ond-aalmoezeniers van zee- en landmacht behooren, was beneden zijn stand. Daarom werd hem de eerste toegewezen, waar enkel rustende bisschoppen toe worden benoemd. Doch hij was geen bisschop, en de wetten der kerk verbieden een blinde te wijden. Vruchteloos doorzocht Mgr. Vecchiotti de jaarboeken der kerk; wel vond hij nu en dan de wijding van een half blinde tot bisschop vermeld, doch nooit van een blinde.

»Welnu, gij zijt maar half blind,quot; beweerden sommige prelaten, »gij onderscheidt den dag.quot; Doch deze uitvlucht was Mgr. de Ségur tegen de borst, toen Z. H. Pans Pius in zijne vaderlijke goedheid de zaak besliste met eene breve van 4 Jan. 1856, waarbij Mgr. ontheven werd van zijne hooge bediening, doch tevens bekleed met al de uiterlijke teekenen en eere-voorrechten, die aan bisschoppen toekomen, zoodat hij er vrij en wettig gebruik van kon maken.quot; Zoo kon hij in de rij der rustende bisschoppen plaats nemen en leven overeenkomstig zijn rang en verdiensten. Bij het afscheid gaf Z. H. hem onder andere gunsten den gouden mijter, dien hij zelf op 8 Dec. 1854 bij de Dogmaverklaring gedragen had, — en van alle

ocr page 180

172

relikwieën door Mgr. de Ségur uit Rome meegebracht, was er geene dierbaarder aan zijn hart.

Den 26steii Januari 1856 nam hij te Parijs voor goed zijn intrek in het oude huis n0. 39 Rue du Bac, waar hij tot aan zijn dood verbleef. Eene groote doch eenvoudige trap geleidt tot de eerste verdieping voor hem in gereedheid gebracht. Deze bestond uit een klein voorkamertje, eene eetzaal, die in het groot salon uitkwam, eene ruime kamer tot kapel ingericht, en twee zeer eenvoudige slaapkamers. De zaal zag uit op een kleinen tuin, begrensd door een der zijmuren van St. Thomas d'Aquin, zoodat.de bewoner den koorzang der heilige diensten hooren en volgen kon. Links bij het venster gaf eene deur toegang tot de kapel. «Hier woont de eigenlijke heer des huizes, dat is het heilig Sacrament,quot; had Mgr. de Ségur tot Méthol zijn dienaar gezegd. »Laten wij ons best doen; indien wij onzen Heer goed herbergen, is er kans, dat Hij op Zijne beurt ons eene heerlijke plaats geeft in het paradijs.quot;

Méthol deed zijn best. Heel de kapel was met roode draperieën behangen, het gewelf donkerblauw, met gouden sterren bezaaid. Onder een rood fluwee-len hemel rees het fraai bewerkte altaar, waarop rondom het naamcijfer van Jesus deze woorden: »Hier is het leven, de hemel, de liefde.quot; Achter boven het verguld tabernakel verhief zich een brons-gouden beeld der allerheiligste Maagd met het onderschrift: »aan de onbevlekte Moeder Gods.quot; Drie lampen brandden dag en nacht voor het Heilige der Heiligen. Dangs de wanden vond men de beelden van St.

ocr page 181

173

Denis, eersten aartsbisschop van Parijs, van Domi-nicus, Franciscus van Assisi, Franciscus dé Sales, St. Jan-Evangelist, Hilarins en Martinus, terwijl een groot St. Jozefsbeeld, geschenk van Mgr. Pie, tegenover het altaar boven den ingang stond. Dit was het heiligdom, waar Mgr. de Ségnr in 't gebed krachten vond om zijn kruis te dragen en rust na de vermoeienis van zijn apostolischen arbeid. De kamer, waar hij zijn lichaam eenige uren nachtrust gunde, was niet rijker dan de armste kloostercel. Geen vuur in den winter, geen enkel sieraad, twee withouten kasten, twee matten stoelen en een bed, eenig in zijn soort. Op een lage latafel, die zijne gewone kleederen bevatte, lag een harde matras. De kamer van zijn secretaris was een weinig beter bemeubeld: 'twas de kamer eens dorpspastoors in plaats van eene cel.

Mgr. de Ségur begon meestal zijn dag te zes ure 's morgens. Op zijn teeken met de bel kwam zijn kamerdienaar hem kleeden, waaronder bijna onafgebroken gemeenschappelijk gebeden werd. Meldden zich geene biechtelingen aan, zoo bleef hij in gebed tot de H. Mis, welke hij te acht ure onder het oog van zijn secretaris las.

Hij noemde 't een der voordeelen van zijne blindheid, dat hij zich van zelf aanstonds aan 't werk begaf zonder een oogenblik te verliezen, dewijl zijn aandacht door niets kon worden aangetrokken of afgeleid. Na het sober ontbijt van twaalf ure ging hij uit om troost of hulp te brengen, waar hij die noodig wist. Van drie tot half zeveu wisselde hij gebed en werk af, en was daarna de gast aan de

ocr page 182

174

tafel zijner ouders, waar hij tot negen ure bleef behalve op de biechtdagen, wanneer hij niet zelden ondanks den regel na negenen niemand toe te laten, tot tien werd bezig gehouden. Den mannen of jongelieden hoorde hij de biecht in zijn salon, de vrouwen in de kerk van St. Thomas d'Aquin. Alles te zamen berekende men quot;t aantal zijner biechten op bijna honderd iedere week. Zondags togen het middaguur hield hij geregeld eene toespraak voor de ambachts-leerlingen van »Nazarethquot;, in wier midden hij zich altoos zoo te huis gevoelde, dewijl dit eene instelling uit de jaren zijns eersten ijvers was.

Ten einde het verlangen zijner familie te voldoen en geen reden te hebben tot zelfverwijt, raadpleegde hij een voor een de voornaamste oogendokters van Parijs, doch allen verklaarden zijn gezicht voor onherstelbaar verloren. Des te vreemder klonk het, toen in 1857 een beroemd geneesheer beweerde, geen bezwaar te vinden in het lichten van de schel, waarna de blinde zonder twijfel ziende zou wezen. Hoezeer innig van het tegendeel overtuigd, onderwierp zich Mgr. de Ségur aan deze pijnlijke behandeling en maakte een groot kruis. Dr. Nélaton deed eene half ronde insnijding in den oogappel, drukte er op met den vinger en eene grauwe, ondoorschijnende lens viel in het glas, wat de secretaris bijhield.

Mgr. glimlachte, of hij niets gevoelde, maakte weer een kruis en zei: »al wat God belieft!quot;

Met een verband om het oog moest de lijder naar bed ; doch toen hij vijf of zes dagen onbewegelijk rustig was gebleven, terwijl men hem eiken morgen de H. Com-

ocr page 183

175

munie bracht, begon de geneesheer te wankelen in zijn moed. Eiken dag bij de verbinding vroeg hij: «bemerkt u door den doek heen iets meer licht dan vroeger ?quot; »Mij dunkt,quot; was het lachend antwoord, »indien ei-verandering is, wordt het erger; maarquot; ging hij rustig voort, »'t is altijd goed, zooals God het wil.quot;

Na ongeveer veertien dagen komt Dr. Nélaton weer, doet de venstergordijnen openen, zet zijn hoed op het oog, laat daaronder het verband wegnemen en op eens den hoed verwijderend, vraagt hij: »wat ziet gij nu?quot; »Niets dokter, volstrekt niets! maar God zij geloofd, en zijn H. wil geschiede!quot; Dr. Nélaton vertrok om niet- terug te komen. Toen begaf zich Mgr. naar de kapel ten einde er het offer zijner oogen te vernieuwen, en keerde terug met een verlicht hart om zijne vrienden en bloedverwanten te troosten. Nu bleef er niets meer over dan een wonder. ïoch ondanks zijne bevreesdheid voor eene bovennatuurlijke genezing, ging hij ter wille van de zijnen tweemaal naar Tours en liet er zijn oogen zalven met olie uit de lamp, die voor den afdruk van't heilig Aangezicht brandt. Hij zelf nochtans bad alleen om de vervulling van Gods H. wil, zoodat M. Dupont — »de heilige man van Toursquot; —■ hem schreef: «'t is niet gemakkelijk eene lichamelijke genezing te verkrijgen, wanneer men er niet om vraagt, gelijk de blinde van 't Evangelie: »Heer, dat ik zien mag!quot; Doch Mgr. de Ségur had schertsend den «heiligenquot; man verlaten, even tevreden of hij genezen was. Het volgend jaar bezocht hij den pastoor van Ars, die er maar met moeite toe te brengen was hem den zegen te geven, dien hij

ocr page 184

176

zelf veeleer van den blinde wilde ontvangen. Na een langdurig gesprek over de zaken van God, haalde Mgr. de Segur op van zijne blindheid, er bij voegend, dat hij geene genezing wenschte. Niettemin oordeelde de waardige Pastoor van Ars, dat er voor gebeden mocht en moest worden, en nam het op zich. Doch toen Mgr. de Ségur was heengegaan, sprak hij tot de aanwezigen: »dat is nu een blinde, die beter ziet dan wij !quot; en tot eene dame uit de gemeente: »vandaag heb ik een heilige hier gehad.quot; Mgr. de Ségur bleef blind, en toen hij alles beproefd had, wat van hem kon worden gewenscht, viel het hem niet zwaar zich te overtuigen, dat zijne blindheid in Gods hand voor velen een middel ter bekeering konde zijn.

In eene retraite, die hij te Rijssel preekte voor de studenten der Universiteit, maakte het indruk toen hij zei: »Mochten er enkelen onder u zich niet gaarne vertoonen aan een priester, laat ze dan bij mij komen, ik ben blind en zie dus niets, dat is gemakkelijk.quot;

Misschien had deze reden ook het zwaarst gewogen bij dien zonderlingen biechteling, die uit Noord-Amerika naar Parijs kwam, zich regelrecht brengen liet naar Rue du Bac 39, en na een uur onderhoud met Mgr. de Ségur, getroost en blij de terugreis naar de Ver-eenigde Staten ondernam. Uit soortgelijke voorvallen laat het zich verklaren, dat deze blinde zoo dankbaar bleek voor het z-ware kruis wat hij mocht dragen. Men zag het leed er van, doch kende zijne inwendige vertroosting niet. Dit zelfde gold van het heengaan zijner achtentwintigjarige zuster Sabina, die den sluier aannam in het klooster der Visitatie te Parijs. Een

ocr page 185

177

slag was die keuze voor geheel de familie, en zelf bekende hij haar later in een brief: »Wat al genade en geluk eerst voor u en daarna voor ons! 't Is wel aan het traliewerk van dat klooster, dat onze arme vader zich van lieverlede is gaan voorbereiden tot een zaligen dood; daar zoekt moeder haar troost en verlichting; daar is, buiten mijn kapel, mijn liefste plekje van heel Parijs. Onze Heer brengt te zamen, wanneer het is of Hij scheiden wil; en geen wonder: Hij is de band van elke ware vereeniging; wat een heerlijk punt van samenkomst — Jesus Christus!quot;

De intree mijner zuster Sabina in het klooster was eene der genaden, die er het meest toe bijdroegen om de laatste levensjaren mijner moeder te heiligen. Zij bracht aan God edelmoedig het offer van de eenige dochter, die zij nog thuis had; en welk eene dochter! een schat van goedheid, godsvrucht, geest, stichting en onvermoeide toewijding bij gulle en onschuldige opgeruimdheid. Na op den llden April 1858 onder de heilige Mis in mijne kapel tegelijk met onze beminde Sabina tot de Tafel des Heeren te zijn genaderd, wilde ze met mij haar naar het klooster der Visitatie brengen in de Rue Vaugirard, waar dit uitverkoren offer tijdens de tien jaren van haar religieus leven voor mijne moeder en voor ons allen eene altoos vloeiende bron zou worden van genaden en zegeningen. De kleine spreekkamer van dat klooster was sinds de stille getuige van menige openbaring van harts- en gewetensgeheimen, die, naar het zeggen mijner zuster, haar grootelijks stichtten om de gevoelens van ootmoed, levend geloof, edelmoedigheid^ en goedheid, die zich uit het hart der moeder

12

ocr page 186

178

overstortteu in het hart der dochter. »Wat is mama goed op streek, wat wordt zij heilig, zeide me Sabina eens, zoo ge wist wat ik in haar ontdek! Ik moet haar gedurig 't hoofd omhoog houden; anders zou hare nederigheid haar misschien deu moed nog doen verliezen.quot; ')

De tien octavo deelen der gezamenlijke werken van Mgr. de Ségur, geven ons eenig denkbeeld van zijn werklust in de vijfentwintig jaren zijner blindheid. Zijn secretaris zocht schriftuurteksten en plaatsen van heilige Vaders bijeen over de stof, die Mgr. wilde behandelen, en met behulp van deze gaf de onvermoeide priester zijne bij de zeventig werkjes uit, waaronder grootere van twee en drie deelen; allen over godsdienstige onderwerpen van het hoogste nut en dadelijke toepassing. »Hoe legt gij het toch aan,quot; vroeg hem Paus Pius IX »om al dat werk af te krijgen ? En uwe boeken zijn zoo duidelijk; iedereen kan ze verstaan.quot;

Van zijn geschriftje over de heilige Communie luidde het van denzelfden eerbiedwaardigen mond: »dit boekje moest in handen wezen van alle kinderen, die hunne eerste Communie doen; alle pastoors moesten het hebben, want het bevat de regels der H. Communie volgens de kerkvergadering van Trente, en zooals ik wil, dat zij worden toegepast.quot;

Eene drievoudige liefde, voor de Kerk, de H. Maagd Maria en hei aanbiddelijk Sacrament straalt verkwikkend uit al zijne geschriften, waarvan er sommi-

1) Oeuvres IX, Ma Mère, 44'!—42.

ocr page 187

179

gen zestig, zeventig tot honderd uitgaven beleefden.

Voeg bij dezen arbeid de ontelbare brieven, die hij in de pen gaf. Vijf weken lang heeft zijn secretaris eens aanteekening gehouden en tusschen 16 Aug. en 25 Sept. kwam hij tot een cijfer van 420 geschreven brieven. Tel dan de retraites op, die hij gaf in colle-gies en Seminariën; de onderrichtingen van elke week in verschillende huizen; de ^reeken en toespraken overal, waar hij gevraagd werd — en 't zal niemand verwonderen, dat hij binnen weinige jaren door eene bloedspuwing tot tijdelijke rust gedwongen werd.

In het jaar 1863 had hij zijne jaarlijksche veertien dagen bij zijne moeder op het kasteel van Nouettes doorgebracht en was juist teruggekeerd naar zijn werkkring te Parijs, toen hij liet doodsbericht ontving zijns vaders. Sinds vijf of zes jaren was deze door herhaalde aanvallen van beroerte wel niet verlamd, maar van zijn kracht beroofd, en ging hij met moeite. Den 14den Juli de gast zijns broeders den burggraaf de Lamoignon op het kasteel van Méry trof hem een doodelijke aanval. Aanstonds deed hij den Pastoor van het dorp roepen en zei hem, toen hij kwam : »My nheer Pastoor, u is mijn eerste en beste dokter.quot; Hij biechtte bij volle kennis en ontving 's anderendaags de laatste heilige Sacramenten. Zijne twee zonen, die bij hem waren zonden ijlings bericht naar hunne moeder op Nouettes, maar toen zij kwam, vond zij hare drie kinderen in rouw bij 't lijk huns vaders. Twee hadden in aller naam zijn zegen ontvangen en zijn laatste oogenblikken vertroost, haar blinde zoon was wel een dag eerder, maar toch te laat gekomen.

ocr page 188

180

Na dit onverwachte sterfgeval volgden de beproevingen hand over hand. Eerst een gruwel met het allerheiligste gepleegd te Parijs, waarvan de mededeeling hem zoo aangreep, dat hij aanstonds op zich nam vijfduizend heilige missen te laten lezen ter uitboeting van dien smaad. Toen veroorzaakte een misverstand van den kant zijner geestelijke overheid hem eene allergrievendste behandeling, tlie hij met engelachtig geduld, als een heilige verdroeg. Daarop kwam in 1868 de veroordeeling te Rome van een zijner boekjes; Jems levend in ons, dat hij op staanden voet introk met openbare betuiging zijner gehoorzaamheid aan den H. Stoel; en in hetzelfde jaar stierf zijne beminde zuster Sabina.

quot;t Was hem op titel van bijzonderen weldoener toegestaan met zijne moeder en zuster Henriette binnen in het klooster te komen, en dagelijks eenige uren aan het ziekbed door te brengen. Zulk een sterven bijwonen, zou u met den dood verzoenen. Daar lag ze, nu ten prooi aan benauwdheden en aanvallen van afmat-tenden hoest, en dan weer kalm en rustig met haar vriendelijken en innemenden glimlach om den mond. sis 't anders niet,quot; bracht ze uit en overdekte het kruisje van haar Broeder ontvangen met kussen en fluisterde: »o Jesus ik heb u lief!quot;

Den 20steu October 's morgens om acht ure had zij eene geestverrukking, waarin zij juichte en baden van de zusters afscheid nam met zooveel levendigheid, dat de overste, in de meening, dat zij van uitputting sterven zou, hare bloedverwanten deed roepen.

De oude Mevrouw was volgens hare gewoonte van

ocr page 189

181

iederen dag in de kerk van St. Thomas d' Aquin tot de heilige Tafel genaderd, en te half tien waren zij aan het bed en vonden Sabiaa met een hemelsehen vrede op het gelaat. Een paar maal na eene hevige benauwdheid vroeg Mgr.: »stoort dit uw kalmte niet?quot; »neen volstrekt niet,quot; was het glimlachend antwoord »het doet alleen maar pijn.quot;

Zij wilde een oogenblik alleen zijn met haar broeder om te biechten en hem nog eens alles aan te bevelen, wat haar op het hart lag, en toen ging het in plech-tigen optocht naar de kapel om OnsHeer te halen ; eene laatste maal gaf Mgr. die van droefheid niet, maar van ontroering weende, aan deze vlekkelooze maagd het lichaam onzes Heeren, dat de zielen bewaart ten eeuwigen leven.

Na den middag was het, of ze uit een slaap wakker werd, en zeide zij haren broeder: »Ik weet niet wat dit is: ik heb nergens pijn meer. Sterft men nu zoo? O, maar dan isquot; het sterven zoet! Ik ben van 't kruis afgenomen, 't Is of ik al in den hemel ben.quot; Toen riep zij hare jongere zuster en zei met zekere plechtigheid in haar toon:

»Zie, Henriette, wees nu nooit bang om te sterven quot;t is veel te zoet.quot; Ze begon zelfs te vreezen, dat het er nog niet van komen zou, doch toen men haar antwoordde: »neen, de Bruidegom komt!'' riep zij uit: »des te beter, des te beter, bid dat Hij gauw komt.quot; Toen de doodsangst haar deed sidderen — 't was maar een oogenblik — was 't haar broeder, die haar met wijwater besproeide en toesprak: »Geen vreeze : Jesus is met u. Hij komt u halen.quot; 's Avonds toen hij naast haar

ocr page 190

182

knielde, zei ze nog: »ik beveel u onze arme mama aan ; als ze sterft zul je ook bij haar wezen en haar helpen.quot; Die moeder knielde naast hen. De gebeden der stervenden begonnen. De stem der bloedverwanten stokte in de keel van 't snikken, maar het hart was vol hemel-sche vreugd. Toen Mgr. eene trilling voelde in de hand, die hij vasthield, bracht hij nog eens het kruis aan hare lippen, en zij ontsliep. Dit sterven doortrok als een zoete geur de laatste levensjaren der gelukkige moeder, die er getuige van had mogen zijn.

Niet lang daarna kwam hij uit onverdachte bron te weten, dat zijn doodvonnis was geveld in de loge, om het boekje »de Vrijmetselaarsquot; dat hij in het licht had gegeven.

gt;11 w boekje heeft der Vrijmetselarij een vreeselijk kwaad gedaan,quot; zei de onbekende, die hem kwam waarschuwen; »gij zijt ter dood veroordeeld. Weest op uwe hoede! 't Kan u morgen gebeuren, of overmorgen.quot; Toen zich hernemend, herhaalde hij: »mOrgen, vandaag misschien. Gij hebt iemand van mijne familie wel gedaan,quot; voegde hij er eenigszins bewogen bij, /gt;daarom kom ik u waarschuwen. Maar beproef niet er meer van te weten: ik zou zelf verloren wezen, en mijne zaak was spoedig beslist.quot;

»Wel een bewijs,quot; vertelde Mgr. later er bij, »dat de vrijmetselarij, gelijk zij altoos voorgeeft, eene ver-eeniging van liefdadigheid is.quot;

Hoezeer dit bericht hem pijnlijk aandeed, bepaalde hij zich tot het laten schrijven van twee brieven, een aan zijne moeder en een aan den Paus, door den secretaris op te zenden, wanneer de bedreiging

ocr page 191

183

was uitgevoerd; verder zette hij zijne gewone levenswijze en zijn arbeid voort, leven en dood leggend in Gods hand. Was het ter vergoeding van het uitgestane leed, dat God zijn dienaar verheerlijkte door een wonder ? Zoo scheen het althans. Hij predikte in Lorient. Toen hij terug was in de Sacristy, naderde hem eene vrouw met haar vijtjarig neefje; sinds zes maanden was het knaapje aan beide oogen blind. »Mgr. moet hem zegenen, hield de vronw aan, dan zal God hem genezen. Een der aanwezige priesters nam den jongen bij de hand en geleidde hem tot Mgr., die zich minzaam neerboog, neerhurkte, want hij was zeer groot, de oogen van het kind aanraakte en met een groot kruisteeken zegende, 's Anderen daags was het kind ziende, en bleef het tot zijn dood in 1882. Deze genezing, welke Mgr. zelf eerst dagen daarna van zijne moeder vernam, was hem als een zonnestraal tusschen zware buien. Want vier maanden later zat hij neer aan het ziekbed zijner moeder, die door eene beroerte getroffen was, en aan wier behoud men wanhoopte. Toen bracht eene vriendin water van Lourdes, waarvan Mgr. vol vertrouwen eenige druppels goot op de doeken met ijswater, welke haar hoofd bedekten. Eene verkwikkende slaap volgde, en binnen twee dagen was zij buiten gevaar. Eene hulde van dankbaarheid aan Maria was daarom zijne beevaart naar Lourdes; zijn laatste werk nog ter perse, toen het uur des doods voor hem sloeg, was een omstandig verhaal der wonderen te Lourdes op Maria's voorspraak verricht. Tijdens de Commune van 1871 was hij met zijne moeder op het kasteel Kermadio in Bretagne de gast zijner zuster; en gelukkig voor

ocr page 192

184

wie hem liefhad, want te Parijs stond zijn naam boven aan op de lijst der priesters voor gijzelaars bestemd. Doch nauwelijks was de Commune voorbij, en hij dankbaar terug in zijne onaangeroerd gebleven woning — de angst voor zijne kapel had hem menig benauwd oogenblik bezorgd — of hij wierp een geschrift onder het volk getiteld: Leve de Koning! waarin hij met zijne gewone helderheid betoogt, dat trouw aan het koningschap en den godsdienst Frank-rijks eenige levensvoorwaarde is. Zijne vrienden huiverden voor de gevolgen van dezen gewaagden stap; doch de graaf de Chambord, wien hij het met een begeleidend schrijven had opgezonden, dankte hem met de betuiging, dat er boeken geschreven waren, die maar zeer onvolledig aantoonden, wat hij in weinige bladzijden met schitterende duidelijkheid bewezen had.

Het jaar 1874 zette zich allertreurigst voor hem in. Zijne moeder, die sinds de maand October lijdend was geweest, voelde haar einde nabij, en Mgr. de Ségur zat wederom te Parijs aan haar ziekbed, waarvan zij niet meer opstond.

Van 29 Januari, feestdag van St. Franciscus de Sales, toen hij haar de laatste H. Teerspijze gaf, tot 8 Februari 's avonds voor haar dood, was haar lijden hartverscheurend om aan te zien voor hare aanwezige kinderen. Het kruisje wat Sabina's laatsten strijd geheiligd had verliet haar geen oogenblik, of wanneer het in de hevigheid der smarten en in het snakken naar lucht haar ontglipt was, dan klonk het met een pijnlijke zucht: »mijn kruis, waar is mijn kruis?

ocr page 193

185

Met zijn dienaar Methol sliep Mgr. in de aangrenzende kamer, wanneer hij zelf niet waakte aan haalbed. 's Morgens vroeg kwam hij eenige oogenblikken bij haar bidden en zei: »Lieve moeder ik ga de H. Mis voor u opdragen.quot; Dit verstond ze altoos. Soms antwoordde zij: »ja dat is goed; maar vraag toch voor me om moed en liefde in het lijden.quot;

»Is 't nu haast aan 't eind ?quot; vroeg zij hem eens.

»Nog niet, lieve moeder.quot;

»Och hoe jammer! was 't maar zoo ver — maar Gods heilige wil en niet de mijne .... zoolang Hem belieft .... Ik geef mij aan 't H. Hart van Jesus, geheel en al... . ik wijd Hem al mijne smarten tot mijn laatsten snik.quot;

Op eens klonk de kreet van angst: »Gaston, Gaston, help! Hij valt mij aan, Hij valt mij aan.quot;

»Hare oogen staan wijd open, fluisterde zijne zuster hem in, 't is of ze bang is.quot;

Mgr. nam wijwater en besproeide tot viermalen toe het bed en de kranke — en zij kwam tot bedaren, juist als Sabina hare overledene dochter.

Op den dag, dat al hare kinderen en behuwdkin-deren aan haar sterfbed bijeen waren, en Mgr. haar opmerkte, hoe God haar vurigstea wensch had vervuld, vond zij nog kracht om luide uit te roepen-»Dank, o God, dank! God en mijne kinderen. Laat mij nu spoedig sterven, 't is te veel vreugd, te veel geluk, heb dank! Wat ben ik gelukkig o Jesus ik bemin u!quot; ïoen hief zij de hand boven al die gebogen hoofden en sprak: »Allen, allen zegen ik, lieve kinderen.quot;

ocr page 194

186

't Was eeue afwisseling vau vreeze en hoop, van onderworpen lijden en juichende vreugd.

»Moet het dan zoover komen, dat de smart mij verlangen doet naar het scheiden van die ik het meest bemin ? O, het kost mij zooveel u te moeten verlaten, dierbare kinderen ! maar Gods wil geschiede!quot; en straks tot Henriette alleen: »ik ben zoo wel, zoo gelukkig! wat een zalige dood!quot;

Met o-ebroken hart, toch zich zeiven meester, sterkte

o

Mgr. zijne moeder in den laatsten strijd en ving hare laatste woorden op: »God en mijne kinderen!quot;

Den Febr. 1874 ontsliep zij .in de armen van haar zoon. Hoe het treffende woord van de Maistre: »Men vindt ze nooit oud op den dag van hun stervenquot; voor hem waar moet zijn geweest! Ze was immers in die achttien jaren zijner blindheid niets verouderd voor het oog van zijn geest? loen hij haar te vier ure 's morgens de oogen had gesloten, betrad hij het altaar in zijne kapel en schreide heel de mis door zoo overvloedige tranen, dat zijn priestergewaad als doorweekt was. Uren daarna bezocht hem een zijner biechtkinderen om hem een woord van troost toe te spreken. Zij vond hem in de kapel voor zijn bidstoel gezeten, het gelaat, de handen en zijn kleed nat van tranen. Toen zij hem aansprak, fluisterde hij; »mijne arme moeder is dood.quot;

Het verlies zijner beide oogen was hem minder zwaar gevallen dan het sterven zijner moeder. Hij droeg het heilig Misoffer op bij het dierbaar overschot, en Mgr. Pie, die aan de lijkbaar den laatsten zegen gegeven had, zei hem zichtbaar geroerd: »mijn vriend,

ocr page 195

187

men wordt oud, wanneer men geen moeder meer heeft.quot;

Sinds hij niet meer bij zijne moeder 's avonds den maaltijd nemen kon, vervroegde hij zijn etensuur tot op den middag en werkte 's avonds door; zijnejaar-lijksche zomervacantie verviel eveneens, want wat was den blinde Nouettes' kasteel zonder zijne moeder ? Doch deze vermindering van afleiding en rust maakte zijn arbeid zooveel te geduriger en zwaarder. Het gevolg hiervan openbaarde zich in leveraandoening, welke hem tot een badkuur te Vichy noodzaakte. Na dien tijd leed hij aan sterke neusbloedingen en nam zijne gezondheid zichtbaar af. Niettemin aarzelde hij geen oogenblik naar Rome te gaan, toen de tijding van Pius' dood in Febr. 1878 hem ter oore kwam. Mild als bij het sterfbed zijner moeder, vloeiden zijne tranen weer bij het zielloos overschot van den beminden Paus, die hem een vaderlijke vriend was geweest.

Na de plechtige uitvaart van Pius IX bracht hij zijne kinderlijke hulde aan diens opvolger Leo XIII, die hem welwillend ontving en al de gunsten en voorrechten bevestigde door den overledenen Paus hem toegestaan. Hij verliet Rome tegen het einde der maand, doch twijfelde niet, of de eerste reis, die hij nu zou ondernemen, moest naar het hemelsch Jerusalem zijn.

Op den H'1™ Juli van 1879 kort na het zilveren feest zijner blindheid, kreeg hij een aanval van beroerte, waaraan hij eerst geloofde heen te zullen gaan, doch zes dagen later was 't gevaar voorbij, en hij schreef; »Ik ben van morgen het altaar weer

ocr page 196

188

beklommen, en men zegt me, dat het op een sisser afloopt. Dinsdag gaan wij naar Bretagne.quot; Van daaruit schreef hij op den ouden gezeliigen toon van vroeger; »Hier zijn we dan, de Eerw. Heer Diringer en ik in eene ware eenzaamheid nabij St. Anne d Auray; wij kunnen hier de muggen hooren vliegen. Als 't God belieft, blijven we hier aan één stuk tot October, zonder iemand te zien, zonder eenig bezoek, tenzij bij 't heilig Sacrament op twintig minuten afstand in een lief Bretonsch kerkje, versierd met den besten pastoor van de wereld en een uitmuntenden kapelaan. Eenige schreden van hier, op weg naar de kerk, rust mijne goede moeder, die wij in het gaan en terug komen telkens een bezoek brengen, 's Morgens hoop ik naar gewoonte de iieilige Mis te lezen in een noodhulpkapelletje. Wij zullen hier niet meer uitvoeren dan noodig is om de verveling te mijden, en zooveel mogelijk versche lucht inademen, levend bij den dag en bij het uur gelijk de Zaligmaker ons ia 't Evangelie voorschrijft. Help mij door uwe gebeden en verkrijg mij vooral de genade om den regel te volgen van den H. Franciscus de Sales: niets vragen, niets weigeren, niets verlangen.quot;

Den tienden Sept. had hij de spraak bijna geheel terug. »Ik maak het veel beter,quot; schreef hij, »indien ik mij niet bedrieg; wanneer ik nu zoetjes aan mijn lievelingsarbeid aan 't heil der zielen weer opneem, zal het spoedig blijken, of onze goede Meester besloten heeft mij als een uitgediend soldaat pensioen te geven, of wel nog zoo goed wil zijn mij aau 't werk te houden als zielenveger, wasscher van grof en fijn goed, of

ocr page 197

189

als tuinbaas, opperman, knecht, om het even onder welken titel of tegen welk loon.'' Het bleek evenwel, dat het preeken voor hem gedaan was, zijne spraak bleef altoos eenigszins belemmerd; zijne laatste toespraak hield hij niet zonder moeite in Febr. 1880 bij de inzegening van twee huwelijken zijner bloedverwanten.

In de maand Mei daarop verloor hij zijn besten en hartelijksten vriend, kardinaal Pie, den roemrijken bisschop van Poitiers. Vrienden had hij zonder tal; zijne familieleden hingen hem aan met eerbiedige vereering, al deelden ook allen zijne geloofsovertuiging niet. In alle klassen en rangen der maatschappij had hij biechtkinderen en geestelijke zonen, priesters die hem hunne roeping dankten; religieuzen, die hij opwekken bleef en staande hield door zijne brieven; menig ondergeschikt ambtenaar dankte hem zijn brood; menige moeder noemde hem den redder harer kinderen. Enkele namen van wereldkundige vermaardheid schitteren boven al die vrienden en vereerders uit; Pius IX, Mgr. de Mérode, Louis Veuillot, Auguste Nicolas, Gounod, de meest lyrische componist onzer dagen, — waren vrienden van Mgr. de Ségur. Onder de nog levenden tellen Mgr. Mermillod en Mgr. Gay, doch bovenaan stond Mgr. Pie, de Hilarius der 19de eeuw. Daarom ijlde hij ter uitvaart naar Poitiers, en zijn eerste woord bij zijne aankomst was: »Welk een verlies voor de Kerk is de dood van dezen geliefden bisschop!quot;

18 Dec. 1880 vierde hij den 33steii verjaardag zijner eerste H. Mis, en naar het hèm toescheen met grooter

ocr page 198

190

blijdschap dan ooit. Toch beklaagde hij zich dien eigen dag over het wicht van de jaren en de krankheid beide, die sinds eenigen tijd zijn toestand verdrietig maakten, en hij bad om het woord te gedenken van het Evangelie: »Hij begon bedroefd te worden, te vreezen, te beven en walging te gevoelen.quot; Niettemin kon hij ook niets anders meer — hij werkte voort aan zijn boek over Lourdes, voort in den biechtstoel en bereidde de regeling van het Eucharistisch Congres, veertien dagen na zijn dood te Rijssel gehouden. Op goeden vrijdag 15 April 1881 juist zijn Gisten verjaardag trof hem een tweede aanval van beroerte, en al kwam hij ook hier nog van op, hij gevoelde, dat het einde niet ver meer was. Den28steii Mei las hij voor het laatst de heilige Mis, een nieuwe aanval verlamde hein bijna geheel. Hoop bestond er nog. 's Anderendaags vroeg de geneesheer, die hem met moeite op de been hield:

— Hoe gaat het nu. Monseigneur?

— Met kwaad, dokter, en hoe is 't met u? klonk tot verbazing van allen het weerwoord. Maar het kon niet goed gaan in die benauwde cel, op dat bed zonder wederga. Een oud, ijzeren ledekant werd van den zolder gehaald, wat beddegoed geleend, en van dit leger der armoede beurde Mgr. de Ségur nog tien dagen zijne vrienden op. Wanneer hij ijlde, hoorde men hem gedurig herhalen »drie weesgegroetjes voor penitentiequot; en dan hief hij de hand op en zegende. Tot dat hij de laatste H.H. Sacramenten had ontvangen, liet men enkel de leden zijner familie en hooggeplaatste personen toe, toen echter alle hoop op behoud verloren was, weerde men de tallooze belangstellenden en dank-

ocr page 199

191

baren niet, die een laatsten zegen van hem vroegen en ontvingen. Twee woorden van zijn doodbed gesproken, maakten een onvergetelijken indruk. Een jong geneesheer, die hem gadesloeg, voelde een twijfel opkomen, of het leven van znlk een man misschien ook eindigen zou zonder belooning in de eeuwigheid; en hij vroeg hem op bijna schertsenden toon:

«Monseigneur, zult ge ons nu na uw dood komen zeggen, dat er een hemel is. en dat gij er zijt?quot;

Toen richtte zich de stervende zoo veel hij kon overeind, en zich tot den spreker wendende, zeide hij met nadruk:

»Geloof mijn kind, geloof mijn zoon, geloof!quot; Een andermaal was het bed omringd door eene biddende schare. Bij het Amen hief hij beide handen omhoog en riep: »alleluia!quot; op een toon die de omstanders in de ziel greep, 't Was in den vroegen ochtend van 9 Juni 1881, dat hij zijne ziel aan God gaf.

Eene aanzienlijke vrouw, die hem gekend had en met eerbied gadegeslagen van het jaar 1837 af, schreef de volgende lofspraken van hem neer, die in de twee deelen Souvenirs et regit d'itn prère ') volkomen gewettigd en bewezen worden:

Steunpilaar van den H. Stoel; apostel der veelvuldige Communie; trouwe dienaar van Maria; vader der jeugd; troost der ongelukkigen; sterkte der zwakken, toevlucht der armen: verdediger der verdrukte onschuld; moeder der zielen; onvermoeid in den arbeid.

1) Souvenirs et récit d'un frère, par le Marquis A. de Ségur Paris, Bray et Retaux. 1882.

ocr page 200

192

geduldig in de vervolging, blij en opgeruimd in de krankheid, zachtmoedig en nederig van hart, engel van reinheid en liefde.quot;

Eene aan overdrijving grenzende zorg voor onpartijdigheid dreef den markies de Ségur bij het neerschrijven zijner herinneringen om ook van de gebreken zijns broeders melding te maken; doch al wat hij vinden kon: overijlde handelingen, oppervlakkige oor-deelen, en hier en daar in de warmte van den strijd voor de waarheid een te hevig woord, — 't waren geen uitingen van zelfzucht maar van soms te grooten ijver voor Gods eere. Zulke fouten werpen schaduwen, doch geen vlek op het kleed eens mans, van wien Paus Pius IX 16 Dec. 1864 niet schroomde te getuigen : »nw broeder is een heilige.quot;

ocr page 201

UIT HET DAGBOEK VAjNt PRINS GAGARIN.

13

ocr page 202
ocr page 203

UIT HET DAGBOEK VAN PRINS GAGARIN.

In het vooijaar van 1883 stierf onverwachts prins Gagarin S. J. Uit zijn dierbaar Rusland gebannen, omdat hij den Katholieken godsdienst en den religieuzen staat omhelsd had, en op 30 Juni 1880 uit het huis zijner orde te Parijs rne de Sèvres verdreven, kon hij in zijn laatste uur het woord van den heiligen balling Gregorius VII herhalen: de gerechtigheid heb ik bemind en het onrecht gehaat, daarom sterf ik in ballingschap !quot;

Dit einde zette de kroon op een leven van offers en ijver tot één doel: de bekeering der Russen tot de katholieke Kerk.

Hieraan arbeiden was voor hem altegader patriot en apostel zijn. Hij zag zijn vaderland in gevaar, en geen middel, dat zekere redding bood, tenzij de godsdienst, waarin geheel een volk, zoo goed als de enkele mensch, het geheim vindt van een duurzamen vrede. Eigen ervaring had hem langs wonderbare wegen tot deze kennis geleid. Sinds zijn twintigste levensjaar hield hij in een dagboek aanteekening van zijn gemoedsleven. Deze bladzijden openbaren ons

ocr page 204

196

zijn ernstigen aanleg en karakter en geven ons iets te bespeuren van den weg naar zijne bekeering. De tusschengevoegde levensbijzonderheden zijn ontleend aan eene schets in de Revue du monde Catholique, uit zijne brieven en mondelinge medeelingen zijner vrienden door Ch. Clair zijn ordebroeder samengesteld.

Ivan Gagarin werd 1 Aug. 1814 te Moskou geboren. Hij was van het aanzienlijk huis der Gagarins, afstammend van Rurik, den grondlegger van het koningschap, wiens vorstenhuis in 't begin der 1Z'1'' eeuw door de Eomanofs werd verdrongen. Prins Serge Ivanovitch zijn vader, was grootmeester aan 't hof, lid van den raad des keizers, en stierf in 1862 op vijfennegentigjarigen leeftijd als ridder van St. Alex-ander-nerski en St. Wladimir eerste klas. Zijne moeder, Barbara Michaïlovna Pouchkine, die in 1854 overleed, was eene hoog begaafde vrouw met een uitnemend plichtbesef, en volkomen te goeder trouw omtrent den Kussischen godsdienst. Van zijne drie jongere zusters bereikten er slechts eene den huwbaren leeftijd en trad in den echt met den Kussischen ge-neraal-majoor Serge Boutourline.

Toen hij later zijne moeder eens vroeg naar den dag van zijn doop, antwoordde zij eerlijk: »ik weet het niet juist, 't Is wel erg, want deze dag is hooger dan uw geboortedag, doch mij dunkt het moet 8 Aug. zijn geweest.quot;

Van den pope, die hem het H. doopsel had toegediend, schrijft zij: Hij heeft ons getrouwd, u allen gedoopt, is ons aller biechtvader geweest en heeft ons op zijn sterfbed nog gezegend.quot;

ocr page 205

197

Zijn eerste onderwijzer was een zeer begaafd en ontwikkeld franschman, doch alleen in naam Katholiek, doordrongen van de dwaze vooroordeelen der 18de eeuw. Gelukkig liet hij zich niet in met de vorming des gemoeds, en droeg hij alleen zorg voor de geestesontwikkeling van zijn leerling; eene taak, waarin het gemakkelijk viel te slagen, want het kind was stil van aard, afkeerig van beweging en drukte en het liefst aan zijne boeken. Eene van de kwellingen, die hij zich later uit zijne jeugd herinnerde was, dat zijne moeder hem, toen hij zes jaren oud was, gedwongen had in den tuin der Tuilerieën met woelige fransche kinderen te spelen.

Zijne zedelijke opvoeding behield zijne moeder zich voor. Zij was op Russische manier zeer godvruchtig, zoodat de uiterlijke godsdienstoefeningen en gebruiken altoos op den voorgrond stonden en als onmisbaar werden beschouwd. Doch hoe bekrompen ook van gezichteinder, haar geloof was ernstig en oprecht. Hoe moest het indruk maken op den knaap, zijne moeder de geheele Goede week te zien vasten op water en brood; of te bespeuren, dat zij den geheelen dag zonder voedsel bleef, wanneer zij tot de H. Tafel was genaderd! Deze voorbeelden der moeder gingen nooit uit de heugenis van den zoon, en onbewust was zij het werk begonnen, wat de genade latei-voltooien zou. Op den leeftijd gekomen, dat hij zijne intreê in de wereld doen kon, ontving hij van zijne moeder eenige wenken op schrift, waar boven stond: »voor Vaniaquot; (een gemeenzaam verkleinwoord voor Ivan); zij luidden als volgt:

ocr page 206

198

»Geef eeue richting aan uwe gedachten en blijft niet hangen in onbestemde en doellooze droomerij. Deze verarmt het verstand, bederft de talenten, went ze aan laffe onbeduidendheid. Hoe meer men zich tot sombere droefgeestigheid getrokken voelt, des te zorgvuldiger moet de geest gevoed met ernstige en krachtige stadie van stellige wetenschap.

»Men moet een wil hebben; 't is van belang zichzelf te overwinnen, zich een taak op te leggen en deze te volbrengen, het hart los te maken van verwee-kende gedachten. Hoe meer men er behagen in vindt, met hoe meer geweld wij de bekoring er van moeten breken.

»Men moet zijn hart naar willekeur weten te kneden, er de liefde in kunnen dooven des noods. Dit komt op lijden te staan, maar 't is somtijds tegen dien prijs alleen, dat men een beduidend mensch wordt.

»Het grootste ongeluk is te fladderen van de eene gedachte tot de andere, van bezorgdheid tot bezorgdheid, zonder ophouden, zonder tijd tot ademhalen. Deze bewegelijkheid schaadt onze rust. De gedachten en gewaarwordingen komen samen in botsing en brengen u leed. Men wint er altoos bij met ernst te mengen in zijn leven.

»Er zijn droefenissen, die ik met hart en ziel begrijpen kan, waar ik meê om weenen wil; maar dat zijn niet die moedelooze treurigheden, die ijdele smart met de handen in den schoot, welke zich enkel openbaart in gemeenplaatsen of opgeschroefde alledaagsch-heden, en altoos het gezond verstand benadeelt.

ocr page 207

199

»Voed u met nuttigen arbeid; bestudeer de wetten en de wijsbegeerte in hare verhouding tot de maatschappij. Teeken uw doortocht hier beneden zoo niet met uitkomsten, ten minste met eenig pogen; daar is geen kring zoo eng, waar niet eenig goed in te doen valt.quot;

In de school van zulk eene moeder gevormd, kon prins Ivan de gevaren te gemoet gaan, die den jongeling aan den ingang van de wereld wachten. Zestien jaren oud, gaf hij blijken van zeldzame rijpheid. Zonder stootende terughouding bleef hij zooveel mogelijk verwijderd van wat de lichtzinnige jeugd vermaken pleegt te noemen. Hij speelde niet, danste weinig, maar ontspon zich in eene bijeenkomst een ernstig onderhoud, zoo was hij daar en luisterde aandachtig, meesprekend, waar het pas gaf. Zijne hooge figuur, schoon gelaat en vorstelijke houding, welke nog jaren later een overweldigenden indruk maakten, trokken in zijne jeugd aller aandacht, al was zijne kleeding eenvoudig tot achteloos wordens toe. Was het toe te schrijven aan de ernstige opvoeding zijner jeugd, of waakte over hem eene bijzondere voorzienigheid Gods ? Misschien was dit alles te zamen oorzaak, dat een van de beste vrienden zijner jeugd P. Balabine van hem schrijven kon: »Hij bewaarde eene onberispelijke reinheid van zeden; dit kan ik getuigen van al den tijd, dien hij te St. Petersburg of te Moskou doorbracht.quot;

Toen prins Grégoire Gagarin, eerst gezant te Rome, in 1833 naar Beieren vertrok, nam hij zijn negentienjarigen neef Ivan als attaché der Russische am-

ocr page 208

200

bassade met zich naar Munchen, en was hem tot aan zijn dood een trouwe gids op de wegen der diplomatie.

»Koning Lode wijkquot; schreef P. Gagarin in 1874 »had van zijn hoofdstad wel geen tweede Athene gemaakt, maar toch eene merkwaardige stad onder het opzicht der kunst. De hooge school van Munchen lelde behalve Schelling onder hare leeraren mannen van groote verdiensten, doch dezen vormden eene wereld op zich zelve. Wel waren de kringen, waarin wij verkeerden zeer aangenaam, men ontmoette er beminnelijke vrouwen en mannen van talent, desniettemin was Munchen geen dier groote middelpunten, waar alle talenten en groote geesten zich vereenigen.quot;

Het tweede jaar van zijn verblijf in Beieren ondernam hij met eenige vrienden een reisje door Duitsch-land en Holland, 't Was in 1834 te Frankfort a/M. dat hij de eerste regelen in zijn dagboek schreef.

»Ik heb nu voor goed besloten mijne ideeën geregeld op papier te brengen. Ik wil mij gewennen om nagenoeg dagelijks eenige gedachten neer te schrijven. Lang genoeg is mijne verstandelijke ontwikkeling haar gang gegaan, zonder dat ik er mij rekenschap van gaf. Dit is plantengroei — geen menschenleven. — Ik moet mij uit dien lijdelijken toestand tot handelen opheffen. In plaats van enkel gedachten op ze nemen en te ondergaan, moet ik zelf denken en gedachten vormen. Nooit zal mij dit tot gewoonte worden, indien ik mijne denkbeelden niet onder woorden zoek te brengen. Daarom begin ik dit boek.quot;

25 Mei teekent hij de boeken op, die hij gelezen

ocr page 209

201

heeft sinds zijn vertrek uit Munchen, dat is in tien dagen. Zij wettigen de vraag, of hij nog tijd over heeft gehad, om een oog uit de postkar te slaan op de plaatsen, die hij doorreed?

Van Pfizer's boek over Duitschland heet het: »een merkwaardig boek het overlezen waard.quot; Van Victor cousin Tlistoire de la philosophie du 18me Siècle, »grondig onderzoek van Locke's Theorie. Dit boek heeft het verlangen in mij opgewekt de werken te lezen der Schotsche school; Joffroy en Cousin leeren naar mijn oordeel eene gezonde wijsbegeerte.quot;

Van Goethe's reis langs den Rijn in 1814 en 15 en van Balzac Scènes de la vie parisienne, niets dan den naam. De roman naar de mode scheen hem weinig aan te trekken; maar met belangstelling spreekt hij over de Conversations van Byron. »Een opmerkelijk boek vol gedachten, en dat den dichter volkomen kenschetst.quot;

De brieven van Napoleon aan Josephine, die hij voor echt houdt, helpen hem een dieperen blik slaan in 't karakter van dien buitengemeenen man, tegenover wien hij, een Rus, eene soort van verbazing gevoelt, die niet ver is van bewonderins.

De slotsom van al bet gelezene is geen zelfbehagen; integendeel hij [maakt er zich een verwijt van, en streng is het besluit: »te veel lezen schaadt, de geest went zich aan opnemen, en dit verhindert hem zijn eigen kracht te ontwikkelen.

»Heb ik tijd verlorenquot; vraagt hij zich zeiven »sinds mijn verblijf van maanden in Munchen ? Ik weet het niet; maar wel, dat ik bij mijn terugkeer

ocr page 210

202

een anderen weg op moet. De raadselen, die zich voordoen aan mijn verstand, moeten opgelost. Wijsbegeerte en geschiedenis, ziedaar de studiën, waaraan ik mij bij afwisseling wijden moet.

»Gisteren las ik in het nieuwe werk van Larminier: Ij influence de la philosophie etc. Dit is niet het eerste, wat ik van hem gelezen heb. Ik ken zijne Introduction a Vhistoire du droit en zijne Philosophie du droit; ik denk dat dit met de Lettres a un Se) -linois alles is. Verleden jaar heb ik hem zeiven bij Schelling gezien. Is dit dan de toekomst der wetenschap in Frankrijk ?

»Helaas ik begrijp dien man niet. Ik vind wel woorden, die schoon gezegd moeten zijn, maar geen gedachten. Hij schijnt te willen zeggen, dat zijn ai-beid tot heden toe maar voorbereidend was. Wij zullen 't afwachten. Misschien ligt het aan mijne onwetendheid, maar de lezing van dat. boek heeft mij overbluft en niets geleerd. Aan deze eerste proeven van aanteekenen na eene ernstige lezing, kan ik zien, dat mij het gemak van uitdrukking ontbreekt, zoowel als het nadenken zelve en de rangschikking der gedachten.quot; Na een vertoef van acht dagen te Frankfort zette Prins Gagarin met zijne vrienden de reis voort langs den Rijn naar Holland. Hunne koffers achterlatende, stapten zij met wat reisgoed in twee gehuurde kalessen om te gaan middagmalen in Wiesbaden »een lief, open en lachend plaatsjequot; en te overnachten in Swalbach, »ook eene badplaats, doch minder bezocht en niet zoo schoon. Op deze wijze voortgaande van bad tot bad, kwamen wij 's anderendaags te Ems, dat

ocr page 211

203

een aangenaam verblijf moet wezen om de hooge bergen, en kale rotsen op den achtergrond van een heerlijken plantengroei en bekoorlijke tuinen door eene schoone rivier besproeid. Wij hadden alleen den tijd om éénen berg op ezels te bestijgen. Te Coblentz aan 't venster van het hotel Bellevue zag ik in een heerlijken nacht den Rijn, rustig en majestueus in zijne doorschijnende wateren liefelijke oevers weerkaatsen. De schipbrug door eene rij lantaarns verlicht, teekende een sierlijk golvende lijn over den vloed. Tegen ons over het fort Ehrenbreitstein op de punt eener steile rots.quot;

De nog onvoltooide Dom van Keulen bracht hem in bewondering: »'t is of de werklieden gisteren den arbeid hebben gestaakt om een dag rust te nemen. Men voelt zich weer dichter bij die tijden, toen geloof en lichaamskracht deze onmetelijke gebouwen gemakkelijk hielpen tot stand brengen, die in onze eeuw van koude berekening de verbeelding doen huiveren. Met een Hollandsche boot te Nijmegen aan wal gekomen, kreeg hij al dadelijk een hoogst onaangenamen indruk. »De voet van oorlog, waarop dit land zich bevond, verklaarde, dat wij bij onze aankomst door gewapende troepen werden afgewacht, zeker iets ongewoons voor een vaartuig onder de nationale vlag. Afgezondenen uit alle hotels der stad betwistten elkaar de reizigers, en alles wat mij omringde, droeg er toe bij om ons zoo ongunstig mogelijk te stemmen. Eene weinig gastvrije ontvangst, ruwe manieren, flegmatieke twisten, die aan geen eind kwamen in eene taal, die men niet verstaat en die niet aangenaam in 't oor

ocr page 212

204

valt, zijn weinig geschikte omstandigheden om een reiziger te bekoren. Dit alles neemt echter niet weg dat Nijmegen eene schoone, zindelijke, zelfs bevallige stad is ...

»Het Hollandsch landschap vermaakte ons zeer; 't was overal de lucht, het water, de dampen, de gezichteinder zonder eenige verheffing; wilgen aan den zoom van weiden met hoog gras; bonte koeien te halver lijve in 't water; schuiten met schippers in roodbaaien borstrok, ouder den rook van hun vuur in de schaduw van het zeil. De lage en zindelijke huizen van donkerroode steen met pannen of rieten daken, — kortom heel de natuur, gelijk wij die kennen uit de schilderijen der Hollandsche school: 't is ieder oogen-blik een Ruysdael, een Paulus Potter, een van Ostade.quot;

Deze schets van 't Hollandsch landschap munt geenszins uit door aantrekkelijkheid, maar prins Gagarin bekent toch eerlijk dat ónze meesters onze natuur op het doek hebben gebracht. Deze bekentenis van een geheel onpartijdigen vreemdeling is te hartelijker welkom, nu vijftig jaren later een bezoeker der Am-sterdamsche Tentoonstelling zekere J. G. de Thannois de onbillijkheid begaat van in eene revue te schrijven, 1° dat de groote Hollandsche meesters in Holland verdwaalde Italianen of Spanjaarden (waarom geen Franschen?) zijn geweest, die van hun ziel en hun zon over het doek hebben gegoten; en 2° dat het Holland gelijk Ruysdael, Paulus Potter, van Ostade en andere beroemde schilders het voorstelden, in Holland zelf niet te vinden is, maar alleen in de museums van de Louvre en de schilders-ateliers bestaat. Het

ocr page 213

205

wezenlijke, smakelooze, platte Holland is volgens hem in twee penseeltrekken weer te geven. Twee kleuren boven elkaar: onder een streep groen voor de zee en de weiden, en daarboven een streep rood voor de daken.

Voorwaar, indien hier al een sprankeitje vernuft valt te waardeeren, van Fransche hoffelijkheid geen spoor. Vergelijk nog eens de reisindrukken van prins Gagarin en zijn tegenvoeter.

De eerste bezoekt in 1834 Rotterdam, blijft er ge-ruimen tijd en maakt er soms laat in den nacht zijne aanteekeningen. »'t Is eene fraaie stad, de haven geeft er een nog levendiger uitzicht aan, evenzoo de grachten, die het in alle richtingen doorsnijden. Deze huizen van kunstig gerangschikten steen met hunne groote platte stoepen, deze voetpaden van kleine steentjes, die scheepvaart in de stad, alle die bruggen geven Rotterdam een zeer eigenaardig aanzien. Het woord »Ve-netië van het noordenquot; komt mij op de lippen, maar het dunkt mij zoo oppervlakkig gedacht; bovendien moest men Venetië kennen.quot;

Zoo de Rus, en nu de welgemanierde van 1883;

»Men heeft gezegd, dat Amsterdam een noordsch Venetië is; zoo men wil ; maar dan een Venetië met stilte, koude rillingen en zonderling droefgeestige tint. Indien Amsterdam alleen maar oud en leelijk was, zelfs zonder zon, dan kon het nog schoon zijn, maar 't is niet oud, niet leelijk, niet van zon beroofd, 't is zindelijk, grijs, vochtig, mathematisch, kruideniersach-tig —- 't is zelfs nog geen noordsch conterfeitsel van de Dogenstad.... 't is eene stad in slaap, geen be.

ocr page 214

206

weging, geen kinderen, geen bedrijvige menschen; de menigte gaat langzaam voorbij zonder gedruis, als in een droom, en de zware voertuigen rollen onhoorbaar over de macadam----geen lied, geen lach, geen

guitenstreek, 't is of de minste vroolijkheid, of een kreet, een verhaaste tred verontwaardiging brengen zou in deze hoofdstad van kwaden luim, doodschheid, kleinsteedschen hoogmoed en wantrouwen. De families sluipen 's avonds stil naar de bierhuizen en blijven er uren zitten drinken en de buren bekijken, en turen op de groene planten tegen den muur: zij houden zelfs niet van muziek. Geen leven daar, geen hartstocht, geen ellende; alles is geregeld, berekend, beredeneerd, maar alles is dood.quot;

Een groot vraagteeken achter den naam van dezen bezoeker. Toen prins Gagarin te Zaandam het huis van Czaar Peter bezocht, vond hij er boeken, waar de reizigers hun namen in schrijven, «Sommigenquot; zegt hij »voegeu er bemerkingen bij, dikwijls erg dwaze, meestal onbeduidende. Ik begrijp die menschen niet goed. Wat moeten ze met een gelukkige verbeelding begaafd zijn, om bij het zien van dergelijke herinneringen van een groot man de gedachten iu menigte te voelen opkomen. Ik benijd dezulken, maar begrijp ze niet.quot; Zou prins Gagarin den opmerker met de gelukkige verbeelding van zooeven zelfs wel benijd hebben?

In den Haag bezocht hij het Mauritshuis en stond er vol bewondering voor Potters stier en Rembrands snijkamer. »Maarquot; zegt hij »toen ik aan Murillo's Madonna kwam, had ik alleen willen staan voor deze schilderij, buiten de hinderlijke tegenwoordigheid van

ocr page 215

207

nieuwsgierigen en de nabijheid van andere doeken, om onder den indruk te blijven die mij overmeesterde. Ik gevoelde den invloed van 't genie. Zij — de moeder Gods — is zoo eenvoudig en toch zoo boven-aardsch; zij is op de wolken gezeten en schijnt gedragen te worden in de lucht; ze zweeft opwaarts voor ons oog. Hare houding is zoo bevallig, zoo vol natuur, majesteit en zoetheid; haar gelaat is schoon, maagdelijk rein en toch volkomen zuidelijk, zuiver Spaansch. Door welk een zonderlinge samenkomst bevinden zich Spanje en Nederland daar bijeen! ja-loersche mededingers en vijandige kampioenen opgesloten in een kring. Volk van geloof en liefde, gij zendt eene Madonna af, die voor u strijdt, — en uw vijand teekent de kudden na, die in de vochtige weiden grazen, en de ernstige trekken van den man der wetenschap, die aantoont, ontleedt en snijdt. Zoo was de strijd van vroeger dagen; en indien gij enkel Madonna's hadt gezonden aan de koude industrie en de strenge wetenschap dier volken, misschien was het uw roem hun bestaan te hebben voltooid en uw verwarmenden gloed, geademd in hunne dikke nevelen! Het doet mij leed geen enkel boek bij me te hebben over hunne oorlogen b. v. Schiller. Goethe merkt op in zijne reis langs den Rijn, dat het gezicht der zeekusten bij de Venetianen het gevoel voor kleur had ontwikkeld, en dat hetzelfde valt waar te nemen in de Nederlanden. Eene soortgelijke natuur zou hun gezicht geoefend hebben om kleureffekten te zien en te waardeeren. Inderdaad, de Venetiaansche school is de eerste, die zoo wonderbaar partij van de kleur

ocr page 216

208

getrokken heeft, en de Vlaamsche munt boven allen uit door haar koloriet. Ik heb te weinig Spaansche stukken gezien om er een algemeen gevolg uit op te maken; doch mij dunkt over 't algemeen is er de gelaatskleur bleek gelijk in Spanje, en zijn de tinten meestal somber; maar welk eene uitdrukking ook in die koppen, hoeveel diepte in dien blik, welk gepeins op dat voorhoofd!quot;

Een boek van Frederik Ancillon op reis doorlezen brengt zijn wijsgeerig gemoed tot dit besluit: »alles toeschrijven aan den invloed van een klimaat, is de menschelijke vrijheid en daarmede den mensch zeiven loochenen. Daarentegen geheel dien invloed ontkennen, is de loochening der zichtbare natuur of ten minste barer verhouding tot den mensch. Het is als of men zich een zuiver denkbeeld van een boom kon vormen, zonder de lucht, waarin hij zich baadt, of zonder de aarde, waarin zijne wortels staan gevestigd.quot;

Zijne gedachten over wijsbegeerte wisselen zich af met kunstwaarneming en stijl, doch wie ze herleest, denkt aan geen toerist van twintig jaren.

Na eene reis van drie weken door Holland is hij in Keulen terug en schrijft er zijne indrukken neer over de stukken van Meister Wilhelm »liefelijk door de bevallige schoonheid, die er over ligt. Deze schilder, een der eersten in de tijdsorde heeft zooveel diep gevoel gelegd in zijne werken en vooral in eene H. Maagd hier aanwezig, dat men de gebreken der teekening over het hoofd ziet. Welke zeldzame overeenkomst schijnt er altoos te vinden in 't gevoel voor het schoone en 't gevoel van godsdienst! Keulen,

ocr page 217

209

gelijk heel de Eijnstreek was vermaard om het warme geloof zijner bewoners, om hun gehechtheid aan de Katholieke Kerk, het aantal kerken en kloosters en den invloed der geestelijkheid — en juist daar ziet gij schilder- en bouwkunst bloeien. Wend uwe blikken naar Italië en Spanje — 't is eveneens.quot;

Hij bezoekt Goethe's huis in Weimar, vindt er des dichters beeld naast die van Byron en Napoleon I, en hij heeft een woord van hulde voor dat driemanschap der eeuw. Wat hem in Goethe het meeste trof, was diens werkzaamheid »hierin alleenquot; zegt hij, »ligt de kiem van toekomst en leven.quot;

Gagarin las veel, toch was hij geen boekenverslinder. Hij doorbladerde niet, maar studeerde. Na de lezing van Victor Hugo's Lütérature etphilosophie mêlee teekent hij aan: »in zijne voorrede treft mij het gewicht, dat hij hecht aan de behoefte van stijl, eene wezenlijke doch al te veel miskende behoefte. Men bestudeert niet genoeg de taal, in welke men zijne gedachten moet uitdrukken ; 't is een werktuig, dat men volkomen meester behoort te zijn. De jongeling, die het leven ingaat, moet alle zorg aan zijne opvoeding wijden. Hij moet een individu worden, eene persoonlijkheid De studie, de ontwikkeling des verstands zijn onmisbaar, en hij moet er het grootste deel van zijn tijd, zijn meest ernstigen toeleg aan geven. Maar de wetenschap zelve in een ijdel jongelingshoofd gelijkt soms op damp. Deze moet als in een stoomketel opgesloten, opdat de kracht er van geregeld worde. Men heeft een bepaald doel noodig, nuttige bezigheid en een kring van gedachten, waarin men zich besluit; onze

14

ocr page 218

210

natuur, alles wat ons omgeeft, verlokt ons toch genoeg tot algemeene kennismaking, te gevaarlijker, dewijl zij oppervlakkigheid worden moet. Een doel kiezen en een loopbaan, deze aan beide zijden afbakenen door enge grenzen en dan in de afgepaalde ruimte alle krachten inspannen, dit is de voorwaarde om ver te komen.

»De tijd vliegt voorbij,quot; schreef hij 1 Juli in Carlsbad. Wanneer ik mijn blik op de toekomst vestig, wordt ze mij grooter en wijder, verder af en moeilijker te bereiken.

»Een verleden heb ik niet. Ik ben nog aan mijn eersten stap; ik heb niets gedaan dan met mijn oog de ruimte meten. Een zucht naar arbeid verteert mij als een koorts, een vergif. Van waar deze onvoldaanheid met het heden, deze dorst naar de toekomst, deze ontevredenheid van het oogenblik, deze hoop, dat geloof, hetwelk de rede een weinig matigen moest?

»Nog eene maand, en ik heb mijne twintig jaren voluit. Welnu waar ben ik, wat ben ik, wat heb ik gedaan? Waar zal ik, als het zoo voort gaat, toe komen ?

»Zien, hooren en leeren, daar komt alles op neer; kind van twintig jaren, wat heb ik geleerd ? Ik ben nu sinds een jaar uit Moskou: en toch, al heb ik niets bijzonders uitgericht, ik mag tevreden wezen, dat ik een weinig om mij heen heb leeren zien en vooral voor mij uit. De studie is voor mij meer dan eene nuttige en weldoende bezigheid; ik moet rekening houden met mij zeiven: de nuttelooze tak moet tun-

ocr page 219

211

bet zij dan eiken- rozetak of laurier. Geen vage onbestemdheid meer: een doel met den vasten wil bet te bereiken. Hand, oog en boofd moeten meê in de gegeven riebting. Dit boek zal de vertrouwde van mijn voortgang wezen.quot;

Het moebt den scbijn bebben, of de jonge prins zicb zoodanig in wijsgeerige bespiegelingen verdiepte, dat hij ongezellig en stroef geen acht sloeg op betgeen hem omringde, geen hart bad voor de samenleving. 't Is er verre af. Op reis naar Marienbad bad bij toevallig kennis gemaakt met twee personen, »die niet zonder invloed zijn gebleven op mijne levenswijze. De een is de beroemde leermeester van den hertog van Bordeaux M. de Barrande; de ander -een jonge Franschman, zijn vriend, die met hem reist, hem zeer liefheeft en voordeel doet met zijn gezelschap. Zijn naam is graaf de Seraincourt. Later is hij naar Carlsbad gekomen en geslaagd mij meê naar Praag te nemen.quot;

16 Aug. was Gagarin met genoemden graaf aan tafel geweest op bet kasteel Brandeis drie kwartier van Praag, waar de hertogin de Berry toen verblijf hield. Om twee uren in den ochtendstond kwam hij thuis en teekende bet volgend vrouwenportretje: »ik ben terug, verrukt en opgetogen over de hertogin de Berry. Zij is klein en blond; baar oog is levendig maar een weinig loensch. Schoon is zij niet, doch er ligt veel uitdrukking op baar gelaat. Hare manieren zijn allereenvoudigst en hoogst aangenaam; zij keuvelt en lacht, maar bij tusscbenpoozen schijnt zij bekommerd ; meestal geeft haar levendige blik te kennen,

ocr page 220

212

dat zij deel neemt aan het gesprek. Zelve spreekt zij niet ongaarne. In haar woord is meer redeneering dan daad. Dikwijls onder het praten komen als van zelve de herinneringen boven van de vermoeienissen en kwellingen, die zij heeft uitgestaan.quot;

Na zijn terugkeer aan de Ambassade te Munchen, komen er oogenblikken van ongeduld en verveling. Hij is ontstemd, als hij schrijft: »mijn juk is licht, maar 't is er toch een; men moet zich nooit in een toestand plaatsen, die afhankelijk maakt van iemands willekeur. Er valt genoeg te lijden van de tegenhe-den des levens en eigen zwakheid. Welk eene marteling iets te verlangen, er naar te snakken met hart en ziel, en een onbarmhartig neen te hooren, waarvan men 't ongerijmde inziet, en dat door niets gewettigd wordt.

»Iemand is ontstemd, traag van begrip, heeft geen spijsvertering.... en laat u dan ten prooi aan mach-telooze wenschen en ijdele klachten, terwijl dezelfde man op een gunstiger oogenblik, of indien hij de zaken beter inzag, ja zeggen zou, gelijk hij nu neen zegt.quot;

Doch de ernst komt weer boven met de kalmte des gemoeds, en van 26 Sept. 1834 zijn deze regelen: »Wie openbaart mij 't geheim om altoos bezig te kunnen zijn met een groot en edelmoedig denkbeeld, dat den geest vruchtbaar maakt en tot heerlijke daden spoort! Waarom, onverschillig voor alles om mij heen, heb ik nog geen geestdrift opgevat voor een edel doel, voor eene schoone en nuttige gedachte, om er mijn leven aan te wijden alle dagen, ieder oogenblik.

ocr page 221

213

alle krachten van mijn wezen ? Mijn Vaderland! Neen, mijne liefde voor u is nog niet gedoofd, zij ontvlamt opnieuw en begint mijn hart te verlichten. Aan u, mijn Vaderland, wijd ik mijn leven, mijne gedachten, mijne studiën, mijn werk, mijne inspanning, mijn leven, alles is voor u.

»Rusland, de jongste der broeders in het huisgezin van Europa, uwe toekomst is heerlijk schoon en waard, dat edele harten er voor kloppen! Gij zijt machtig en sterk van aanzien, en uwe vijanden vreezen u; uwe vrienden hopen op u, want velen boezemt gij hoop en vertrouwen in. Doch gij zijt nogjong en onervaren onder de volken uwe broeders. Het wordt tijd, dat men u niet langer beschouwt als het jongste kind, dat gij gelijken tred houdt met de anderen; dat gij van onmondig, op uwe beurt meerderjarig wordt, rijk, verlicht, vrij en gelukkig, want het geluk van een kind in de windselen, blijde als het aan de borst dei-voedster slapen mag, zult gij weldra moede wezen. Uw rijpende geest haakt al naar ernstiger bezigheid; reeds hebt gij eene groote ruimte achter u, doch gij moet verder vooruit; uwe zonen zullen u den weg bereiden en de steenen en distels opruimen voor uw voet.quot;

Ruslands geluk alzoo is het droombeeld des jonge-lings. Maar hoe zal hij er aan werken ? Deze vraag blijft hem kwellen, 't Is meer dan eene behoefte, 't is een nood, eene smartquot; schrijft hij wat later: »ik kan deze rust, deze kalmte niet verdragen. Zou ik al aan mijn winter wezen, en heb ik geen zomer te wachten ? Ik dorst naar eene hartstocht. Hartstocht, wanneer komt gij, hoe is uw naam ?quot;

ocr page 222

214

In de wereld vond hij niet, wat hij zocht. Zijn oordeel over de hofkringen, waarin hij verkeert, is scherp, geestig, doch zonder jacht op vernuft. Bij de lezing zijner aanteekeniugen moet men rekening houden met het karakter van den Russischen prins, met zijn aanleg voor ernst en de van zijne moeder ontvangen lessen. De Franschen zouden hem licht een menschenhater noemen; dit was hij niet, maar een zoeker naar waarheid, wien de ijdelheid tegenstaat. De portretjes, die hij geeft, zijn krachtig van teeke-ning; met kleur werkt hij niet veel, maar hij is onmeedoogend in 't aanbrengen van schaduw.

»Die menschen — schrijft hij — zijn erg dwaas: gelijk ik er dicht bij mij zie, die zich moe maken met niets doen, zoo matten dezen zich af met ongerijmdheden. Zij leven van onnoozel gebabbel als van eene rente.

»De groote hoop is een mengsel van valsch en onbeduidend, dat afkeer wekt. Ik ken er een, die de zaken nooit van den waren kant beschouwt, en die zelfs in zijne verkeerde opvattingen niet standvastig is. Gij spreekt met hem, geeft u alle moeite om hem te overtuigen, gij slaagt, hij is het volmaakt met u eens, maar aangezien hij altijd bezijden de quaestie blijft, ontschiet hij u, juist als gij denkt, dat gij hem hebt en slaat u dood met een zotternij. Te vergeefs beproeft gij zijne gedachten een geregelden gang te doen volgen — ^t is een schip zonder mast, een volslagen gemis aan vaste meeningen, iets dat gelijkt op een schijnsel van licht in de schemering — en dat heet een menschelijk hoofd.

ocr page 223

215

»Indien men het geluk heeft te midden van deze onoprechte en onzinnige wereld iemand te ontmoeten, die het niet is; en dien men vertrouwt, kan men bij hem zijn hart eens luchten. Ziehier mijn gedragslijn: vertrouwen stellen in de kleinste helft van hen, die het schijnen te verdienen; onverschillig of mistrouwend wezen jegens de rest, mijn eigen weg gaan ondanks die luidjes. Zij zijn onbeduidend, vol van eigenliefde, belachelijk — dat spreekt — jaloersch en zichzelven genoeg. Wie kan er goed staan met zulke menschen ?

»En toch — al is dit alles waar, ik maak mij boos op hen, omdat zij mijne eigenliefde kwetsen, dit is de grootste grief, die ik tegen hen heb.

»Wordt er in een salon van tien of twaalf menschen een algemeen gesprek gevoerd, dan zegt ieder het zijne ; maar zijn er dan drie of vier, die het quot;geestig doen en te pas, zoo blijven de anderen in de schaduw en kijken erg dwaas, wat niet zoo wonder is, wanneer men aanneemt, dat er onder dit aantal misschien drie of vier gevonden worden, die hot werkelijk zijn. 't Is niet gemakkelijk zoo op de hoogte te komen, dat men met de geestige praters meê kan doen; en blijft men achteraf, dan maakt men voor zich zelveu en voor de anderen eene onnoozele figuur. De menschen, die het meest geleefd, gelezen en gezworven hebben, die de meeste landen en menschen kennen, zijn moeilijk te volgen. Daarom dunkt het mij evenwel niet noodzakelijk om sprakeloos te blijven of dwaasheden te zeggen — 't is niet genoeg een gesprek aan te hooren, men moet beproeven er een woord in meê te spreken. Bovendien is het onderhoud meestal zoo

ocr page 224

216

onbeduidend, dat men de lippen maar heeft te openen om meê te doen. De traagheid van geest belemmert het denken, gemis aan gewoonte belet de gedachten onder woorden te brengen.

»D. is een onuitstaanbaar mensch. De keurige taal zijner halfgesloten lippen, zijn Pruisisch Duitsch, de dorheid en droogte zijner gedachten, dit glad geschoren gezicht, dit kale voorhoofd, heel deze persoonlijkheid, van boven vierkant als eene omgekeerde pyramide, die gebogen arm zoo schilderachtig leunend op zijn stok, zijne platonische liefde voor geestige zetten maken dien man tot den vervelendsten dwaas, dien men ooit kan ontmoeten. Hij heeft zich op laten nemen onder de nette menschen, een heerlijk en niet zwaar baantje voor al diegenen, die niets anders worden kunnen.*

«Zijn gezantschap-secretaris is even gepolijst als hij zelf. Met zijn verwonderden blik en vogelachtig gezichtje is dat tenger wezentje vervelend tot vermakelijk wordens toe.

»Deze twee avonden hebben wij gesleten met lachen zonder eind. Mevrouw de W. is eene jonge ijdeltuit, die zich eene schoonheid gelooft en dweept met Frankrijk, Parijs, goeden toon, den Faubourg St. Germain en de romans van Balzac. Over alle deze onderwerpen geeft zij, zooveel men wil, en wanneer men wil, de grootste uitzinnigheden ten beste. Onze pas aangekomen landgenoot K., kolonel der lijfwacht, een beste jongen, ferme knevel, heeft hare aandacht getrokken, en ziedaar nu een onuitputtelijke bron van lachen en scherts. Vandaag waren zij samen; op het

ocr page 225

217

wachtwoord; Frankrijk, Balzac — begint aanstonds de kennismaking; ze zijn allerliefst; alles loopt naar wensch; doch eenige leden van 't gezelschap, die niet op de hoogte zijn, trekken de schoone in 't belachelijke — wat niet moeilijk viel —■ en in eens is het uit.

»Zooals ik dezen dag heb doorgebracht, zou 't mij niet verwonderen, indien ik het beetje gezond verstand had verloren, dat tot heden toe in mijn bezit. was. Doch neen; wanneer men in eene volkomen dwaze omgeving leeft, moet men er ten laatste iets van overnemen; doch wie hier en daar slechts eenige zotternijen op zijn weg ontmoet, wordt er verstandiger op, want het is, of het gezond verstand zich in al zijne lengte omhoog heft bij het naderen van de grenzen. Zoo heb ik dan om iets te noemen, getafeld bij Bengham, die den halven namiddag op zijne knieën voor het vuur had gezeten om het flanel te warmen, waarop de twee jonge hondjes van veertien dagen, die hij opvoedt, moesten slapen. Onlangs heeft hij het leven gered van een speenvarken, dat in de keuken voor zijne tafel was bestemd, en 's anderendaags aan overvoeding is bezweken. Toen kwam de beurt aan drie kippen: door ééne heldhaftige daad ontrukte hij ze aan een wissen dood. Indien men een os levend bij hem bracht, geleidde hij hem zeker in zijne kamer om deel van zijne menagerie uit te maken, 't Is een man, die nog zoolang de voor tafel bestemde kippen en speenvarkens zal redden, tot hij op een gegeven oogenblik zich zeiven doodschiet, 't Een is niet veel zotter dan het andere.

»Vrijdag, zaterdag en zondag ben ik op Tegernsee

ocr page 226

218

gebleven. Het salon is eene ruime zaal, voormalige bibliotheek van den prior der abdij. Er staat nu een biljart met allerlei spelen. Wij verdeelen den tijd tus-schen biljart en raket. Praten tot aan het uur van den maaltijd; een halfuur toilet; diner; twee of drie uren vrij, waaronder men bezoeken aflegt, en dan den avond bij de koningin. Whist voor de liefhebbers, de anderen spelen eene partij 21 of een van die vernuftspelen, die zoo onnoozel zijn.

»Behalve de koningin-weduwe was er de hertogin von Leuchtenberg; zij is groot en slank, wat doof en vertoont nog eenige onduidelijke sporen van schoonheid op het vrij onbeteekenend gelaat. Hare dochter, prinses Theodeliude, is een allerliefst jong meisje met blond haar, groote, levendige, blauwe oogen en een halfgeopendeu, glimlachenden mond. Haar oudste broeder, prins August, die naar men zegt Donna Maria da Gloria zal huwen, is een lange, magere jonkman; hij loopt voorover gebogen met een fletsen blik en onophoudelijken lach. Haar tweede broeder daarentegen, nog zeer jong en welgemaakt, heeft iets kuisch en maagdelijks; een frisschen blos van gezondheid, onbezorgde pret en onschuld.

»De hertogin Max, dochter der oude koningin, is altoos aan het dutten en ontwaakt alleen om met den raket te spelen. Als ik aan haar denk, overvalt mij de slaap, en ik ga te rusten, om waarschijnlijk van iets anders te droomen, dan van deze goede prinses.

»19—31 Oct. De mensch moet nu en dan even stilstaan op zijn weg om zich zei ven rekenschap te geven. Dat ga ik ook doen. In onze eeuw volstaat

ocr page 227

219

helaas de godsdienst niet om onze plichten af te bakenen; wij zijn er te ver af. Toch is er eene wet, een beginsel, een richtsnoer noodig; kunnen wij dit niet in den godsdienst vinden, dan in de wijsbegeerte gezocht. De hartstocht xuoet gehoorzamen aan den wil, de wil aan de rede. De beschaving des geestes en de ontwikkeling der rede zijn onze eerste plicht.quot;

Maar 't is of zelfs de dichters, die hij openslaat, hem het verwijt voorwerpen, dat hij zijn tijd verkwist, dat hij werken moest, want eenige dagen later, 2-14 Nov., roept hij vol overtuiging uit: »Vénébétinof, gij hebt gelijk! Uwe verzen zijn mij als een ster: ik ben het leven, dat ik leid moede, ik zoek bezigheid. Ik ben over de twintig, en nog sta ik buiten het leven. Er moet gehandeld worden! O wetenschap, aan n wijd ik mij toe! Aan u, vrijheid! aan u, mijn Vaderland! aan u, o menschheid!

»Prins Visemski is hier; hij heeft in mij de lust voor letterkunde opgewekt. Iets, iets ten minste moet ik hebben, om het even wat, maar geen leegte, geene alledaagschheid.quot;

Was het een aangrijpend dichtstuk, een roerend verhaal, dat hem 's anderendaags de zucht ontlokte: »,IIoe gaarne zou ik geleden, geworsteld hebben! . . .. o Poëzy, kon een heerlijk vers mijn inwendig lijden vertolken! Ik ga mijne schuld bekennen; het was eigenliefde, waardoor ik mij boven anderen stelde: mijn gekrenkte hoogmoed heeft mij doen lijden . . . Ik had een speler kunnen worden. Goddank! het gevaar schijnt bezworen, en ik heb deze les nogal niet duur. Ik had 117 goudstukken, gewonnen, toen 250,

ocr page 228

220

samen 5000 roebels (20.000 franks) en toen . . . alles verloren.

»Met verontwaardiging verzaak ik aan het spel, het walgt mij. Morgen schrijf ik alles aan mijn vader. Het spel laten, is niet erg voor me. 't Is waar, ik heb slechts veertig franks verloren — veel is het niet, doch ik heb er de bittere naweeën van begrepen.

»0 spel, gij kunt een hartstocht worden — doch te vergeefs verheffen onze schrijvers u zoo hoog, een hart verzadigen kunt gij niet — geest en verstand verdooft gij — uwe beloften zijn klinkend, maar hol. Ik heb mij verveeld zoo goed bij winst als verlies. Ik zat aan de speeltafel te geeuwen en verachtte in mijn hart het gejaagde en ijdele leven der spelers.

»ITeilige ingevingen, komt in mijne ziel!quot;

Wist hij zelf, welke hij bedoelde? Vermoedelijk niet. Toch zullen ze komen, en God bereidt ze voor hem op de geheime wegen Zijner voorzienigheid, en stemt zijne ziel om ze te ontvangen. Een oogenblik is het hem, of hij 't geheim van zijn levensgeluk heeft gevonden. Hij ondergaat een. machtigen indruk — doch hier zelfs geene ziekelijke zwakheid, geen verweekende teederheid, hij blijft edel en groot.

»We zijn te Ellingen, 't is morgen het feest van den maarschalk, het kasteel is vol volk. De dag van gisteren is rustig voor mij omgegaan. Ik heb Mevr. de V. weder gezien; doch ik gevoel mij nu juist als op het eind van den vorigen winter: erg dom, verbluft, gejaagd, ongerust, gekweld. Wat een kracht in haar! wat eene schoonheid! hoeveel leed, welk een moed!... Kom, laat ons groot wezen om haar, zoo niet om ons

ocr page 229

221

of om de grootheid zelve. Stellen wij ons boven de alledaagsche, menschelijke ellenden; geven wij haar te midden dezer omgeving van laagheid en bederf eene zuivere lucht in te ademen — en ik zal gelukkig zijn. 't Is duidelijk te zien, dat zij gruwt van al wat haar omgeeft; en wat is er ook, dat zij niet verachten moet ? Hare ziel is groot en schoon, alleen wat groot is, kan haar behagen. Wat toorn grijpt mij aan, wanneer ik al die menschen tot haar hoor spreken; als ik zie, hoe zij haar aanstaren. Sommigen wagen het te zeggen, dat zij eene schoone vrouw is. Maar wat geeft deze schoonheid zonder die innerlijke, waarvan zij de afspiegeling en het merk is? Anderen met meer scherpzinnigheid bedeeld, komen tot de bekentenis, dat zij goed en zeer natuurlijk is. Zij begrijpen niet, dat zij boven hen allen staat; eene groote ziel, die, waar zij ;t oog wendt, niets vindt, dat haar in grootte evenaart, tenzij alleen hare smart. Sluiten wij het boek onzer gedachten; ik zal beproeven er eenigen uit te ontwikkelen voor haar. Maar ik heb eenzaamheid en tijd tot nadenken noodig, want in haar bijzijn gaan al mijne gedachten weg, en mijne ziel blijft als onder den invloed van een bedwelmenden drank, waarvan ik den smaak geen naam kan geven. Geene vertrouwelijke mededeelingen, aan niemand.quot;

Was het onder dienzelfden indruk, dat hij tegen het einde des jaars zich beklaagde en ongelukkig noemde? Dat hij zich een gemor tegen Gods voorzienigheid had te verwijten, hetwelk hij met den naam van godslastering bestempelde ? Hoe het zij — de veerkracht is in hem niet gebroken, hij heft zich moe-

ocr page 230

222

dig op, als hij zegt: »de tijd, waarin men geniet zonder het te weten, is misschien om voor mij. Welnu indien dit zoo is, neem ik met vreugde den last op mijne schouders, dan wordt hij licht, 't Is de overwinning niet, 't is de strijd, die edele harten kloppen doet. Omhoog het hart en den moed op het voorhoofd, de taak vervuld, die God mij heeft opgelegd. Hij heeft dat onmetelijke veld voor mij geopend, dien langen en wisselenden weg, die leven heet: ik moet er op weten te gaan en dagelijks worstelen en maaien in het zweet des aangezichts. Komt edele gedachten en edele gevoelens! Ik zal u opnemen, en gij ziüt de mijnen zijn.quot;

Gedurende zijn verblijf te Munchen keerde prins Gagarin menigmalen naar Rusland terug en maakte er kennis met Peter Tchadaïef, die een gewichtigen invloed op hem uitoefende.

»lk heb hem gekend en liefgehadquot; schreef hij in 1862 bij de inleiding van diens werken. »In 1833 sprak mij de beroemde Schelling te Munchen van hem als een der merkwaardigste mannen, die hij ooit had ontmoet. Toen ik mij in '35 te Moskou bevond, haastte ik mij betrekkingen met hem aan te knoopen, en zonder moeite kwam ik tot de overtuiging, dat Schelling niet te veel had gezegd. Ik maakte mij gewoon, zoo vaak de omstandigheden mij naar Moskou riepen, dien uitmuntenden man herhaaldelijk te bezoeken en lang met hem te spreken. Deze vriendschap oefende een sterken invloed uit op mijn geest, en ik vervul een plicht van dankbaarheid, nu ik openlijk erken veel aan hem verschuldigd te wezen.quot;

ocr page 231

223

Tchadaïef van ééu gevoelen met hen, die Ruslands deerniswaarden toestand bejammerden, zocht er de oorzaak niet van in de politiek des lands en verstiet met alle kracht het plan eener omverwerping van het bestaande. Volgens hem was Rusland sinds eeuwen vreemd gebleven aan 't verstandelijk en zedelijk leven van het Christelijk Europa, dat is, gescheiden van de Katholieke Kerk, de moeder der beschaving. Derhalve lag het geneesmiddel in den terugkeer tot de godsdiensteenheid, waarvan de Paus het levend middelpunt en de zichtbare vertegenwoordiger is. Door deze meeningen voor te staan, behoorde Tchadaïef tot de partij der Westelijken, die in Rusland tegenover de Sla-vophilen of vijanden van Europa en het Katholicisme stond. Ten zijnen huize had eiken woensdag eene vergadering van de vurigsten onder de Westelijken plaats, en prins Gagarin, die er wanneer hij in Moskou vertoefde, nooit ontbrak, kwam daar op met de strijdleuze, die hij had gevonden en op zijn wapen gegrift: non nobis sed nas! Wij, maar niet voor ons!

Tchadaïef was een ernstig denker, die belang stelde in Lacordaire en Mrau Swetchine wilde leeren kennen, doch zijne verachting voor Heinrich Heine niet verborg; die er rond voor uitkwam, dat men niet langs den weg der vaderlandsliefde, maar door liefde voor de waarheid ten hemel ging; die aansluiting van de Russische Kerk bij de Katholieke eenheid wilde om het woord des Heeren te vervullen: Vader, ik bid, dat zij een zijn, gelijk Wij! die boven zijne brieven schreef: laat ons toekomen Uw rijk. Al ontbrak het hem aan moed om zelf tot de Katholieke Kerk over

ocr page 232

224

te gaan, zijn woord wees anderen den weg naar de waarheid, en prins Gagarin teekent bij de jaren 1835—36 op : »ik dank aan P. Tohadaïef den grondslag mijner bekeering.quot;

In den winter van 1837 was hij te Munchen getuige van den dood zijns ooms, prins Gregorius Gagarin, den Russischen gezant in Beieren. Ten gevolge van dit sterfgeval werd de jeugdige Gagarin overgeplaatst bij het Russisch gezantschap te Weenen, doch spoedig daarop werd hij derde secretaris van legatie te Parijs. Daar wachtte hem Gods voorzienigheid.

Uit vrees van in de genoegens van 't Parijsche leven zijn geest te verstompen, begon hij al aanstonds een zeer soberen leefregel te volgen: slechts eensdaags nam hij een maaltijd, die uit geen andere gerechten dan één vleesch en groenten bestond. Er was eene groote mate van zelfbeheer noodig om dit vier jaren lang vol te houden en zich bovendien nog andere ontberingen te getroosten, zoodat hij het mikpunt werd van menig spottend woord. Doch prins Gagarin was er de man niet naar, om ter wille van eene geestigheid zijne levenswijze te veranderen, en zelfstandig genoeg om, waar het pas gaf, voor zijn gevoelen uit te komen. Eens was hij in St. Petersburg de gast van den graaf de Nesselrode, minister van Buiten-landsche zaken, toen het punt van godsdienst besproken werd, en de gravin ronduit bekende: ik voor mij heb volstrekt geen plan, van godsdienst (zij was schismatiek) te veranderen; doch indien het moest gebeuren, werd ik toch veel liever Protestant dan Katholiek.

ocr page 233

225

— U heeft gelijk, Mevrouw! antwoordde Gagarin — dat is ook de makkelijkste godsdienst.

In Parijs ontmoette hij bijna dagelijks eenigen zijner landgenooten, die later allen tot de moederkerk over zijn gegaan, onder anderen graaf Schouwalof, de toekomstige Barnabiet; prins Theodoor Galitsin, prins Nicolaas Trowbetskoï en Peter Sermolof. Het gedurig voorwerp hunner gesprekken en gezamenlijke onderzoekingen was de Katholieke Kerk, die hun hoe langer hoe meer de moeder der ware beschaving bleek tquot; zijn.

»Tien jaren jonger dan ik,quot; schreef Schouwalof later in zijne bekeeringsgeschiedenis, »had Jan Gagarin een vluggen en ontwikkelden geest, eene werkzame verbeelding, een warm hart, dat niets anders wilde dan zich mededeelen, en de ziel eens apostels, die als zonder doel ronddoolde en verteerde van haar eigen gloed. Wij hadden elkaar leeren kennen in de jaren der verstrooiing, en nu ontmoetten wij elkander weer. Hij vroolijk, werkzaam, vol van allerlei plannen, de waarheid beurtelings zoekend en vluchtend, zich ver-deelende tusschen de wereld en God, .... ik droef, ongelukkig, gekweld, maar hopende op eene blijdere toekomst. Ik wist, dat hij op den bodem zijns harten Katholiek was: wat begrepen wij elkander gemakkelijk!quot; i)

Een der salons, waar hij het trouwst verscheen, was dat van Mevr. Swetchine, door de Falloux aldus beschreven :

1) Ma conversion. p. 128.

15

ocr page 234

226

»Het was geen afgesloten heiligdom, geen letterkundige club, geen school, 't was bovenal zonder ver-tooniug of zichtbaren toeleg een Christelijk middelpunt. De Katholieke geest drong er zich niet op, maar heerschte er op de natuurlijkste wijze. Mevr. Swetchine achtte zich niet met eene godsdienstige zending belast: zij wist te wel, dat eene zending geen eigen werk is, maar van boven moet komen; doch een gevoel van plicht lag op den bodem harer onuitputtelijke vriendelijkheid. Deze vrouw, die zoodra zij een uur tot hare beschikking had, zich aan de meest ernstige studie wijdde en naar eigen bekentenis zich in de metaphysiek dompelde als in een bad, was één en al leven en vroolijkheid, zoodra eene jonge vrouw haar salon betrad. Menigmaal gebeurde 't, dat zulk eene na de vluchtige verschijning van den avond, 's morgens op het uur van vertrouwelijk onderhoud terugkeerde onder den invloed van hoogst ernstige gedachten om geheel andere wenken te ontvangen dan 's avonds te voren. In zulke oogenblikken openden zich de kranke of verdwaalde harten in alle oprechtheid voor Mevr. Swetchine, en zij goot er langzaam en drup voor drup licht, waarheid en leven in. God alleen weet, wat er in zulke gesprekken is omgegaan, wat er tot Zijnen dienst en glorie gewerkt is in 't geheim dier vertrouwelijke ontboezemingen, die niet zelden in tranen voltooiden, wat de luchtige toon van 't salon begonnen had. Van daar, dat zoo vele jeugdige harten haar liefhadden als de moeder harer ziel en haar eene soort van vereering wijdden, welker bescheiden gloed door 't geheim van zijn oorsprong bedwongen, zich

ocr page 235

227

eerst in alle vrijheid lucht gaf, toen zij haar ontnomen was.quot; ')

Bij de hertogin de ïlausan ontmoette hij Berryer en Eckstein, welke laatste hem eens aan tafel bracht met den ongelukkigen abbé de Lamennais. Van dezen teekent hij aan in zijn dagboek: »Deze buitengewone man is bijzonder klein en tenger van voorkomen; zijne kleeding is zeer achteloos. Hij heeft een grooten, doch zeer fijn gevormden neus. Hij werpt op alles een arendsblik en beoordeelt de menschen met eene verwonderlijke helderheid van inzicht. Hij zat aan tafel tusschen twee dames, zijne manieren verraden goeden toon, en zijn woord tintelt van geest en fijnen spot. Hij sprak over al de beduidende mannen onzer dagen, Guizot, Berryer, Cousin, Thiers, Villemain. Hij beschouwt Berryer als den grootsten redenaar, dien Frankrijk ooit heeft opgeleverd, Mirabeau niet uitgezonderd. Hij ontleedt zijne gebaren, de uitdrukking van zijn gelaat, zijne stem; hij besprak het gewicht van dit orgaan voor een redenaar, en haalde hierbij een woord aan van Cormenin, die beweerde, dat Barthe, wiens stem toch minder schoon is dan van Berryer, wanneer hij de meest alledaagsche onbeduidendheden zei er nog in slaagde zijne hoorders te roeren. Hij houdt niet van Cousin, beschuldigt hem van bekrompen zelfzucht, stuitende gierigheid en lafheid onder alle opzichten . . . Wat mij het meest in de Lamennais getroffen heeft, is zijn helder verstand, zijn fijne geest, zuivere taal en zijne levende belang-

1 (Mme Swetchhie. [. ch. '12

ocr page 236

228

stelling voor al wat de welvaart der menschheid raakt.quot;

Over de Parijsche salons schrijft hij in 1838: »Men houdt zich veel op met muziek, een weinig met letterkunde; zeer dikwijls komt er spraak over het salon, zelden over schouwburgen ; alleen de Italiaansche en de opera vallen in den smaak; in kleine kringen neemt het gebabbel de eereplaats in; de onnoozelste historietjes van den Faubourg St. Germain zijn er aan de orde.

»Aan de twee polen staan Mevr. Swetchine ea Mevr. de B. De eerste neemt alles op: godsdienst en politiek, kunst en letteren en weet er verheven, ernstige en heerlijke gedachten uit te halen; — Mevr. de B. roert alles aan en werpt alles in de war, zonder ooit eene gedachte te vinden. Tusschen deze beide uitersten moeten alle vrouwen gerangschikt, die tot dezen kring behooren: de hertogin de Rausan, Mevr. Meyendorf, Mevr. de Contade enz. het zijn zoovele stralen, die op andere, zeer wereldsche middenpunten uitloopen.quot;

Eugène Sue, die zich Baron deed noemen en toen reeds met moeite in deze kringen begon verdragen te worden, vindt hij kortaf belachelijk om zijn gezochte manieren en gemaaktheid tot in zijn stilzwijgen toe. Doch somtijds ontmoet hij personen, wier portret hij met een ondeugend genoegen op de wijze van La Bruyère afteekent.

»Mr. M. is onkundig van de wet; die eiken mensch tot arbeid en inspanning veroordeelt, of indien hij ze kent, besteedt hij zijn leven om er zich aan te out-

ocr page 237

229

trekken. Al wat moeilijk, zwaar, ernstig is, schrikt hem af en komt hem ongelegen. Hij houdt de groote gedachten en de groote driften op een afstand: zij vermoeien en hinderen hem. Hij komt tijd te kort om zijn leven naar zijn lust in te richten; want hij heeft geen hartstochten, maar lusten, dat is minder omslachtig. Hij houdt veel van een goede tafel, van muziek en lachverwekkende schouwburgkluchten; hij maakt veel werk van een makkelijken leunstoel en een goed rijtuig; kortom al wat aangenaam, gemakkelijk, licht cn prettig is, wint zijne gunst. Hij is niet van geest verstoken, zijn verstand is open en bevattelijk, maar evenals zijne genoegens zijn de geestvermogens bij hem pasmunt. Dewijl hij met zorg alles vermijdt wat op iets onaangenaams zou kunnen gelijken, is hij meestal goed geluimd, zacht en gemakkelijk in den omgang. Doch de standvastigheid, waarmede hij van den anderen kant al wat ernstig en zwaar is, ontwijkt, geeft aan zijn geest, aan zijne gewoonten en gedachten iets kleins, onbeduidends en alledaagsch, dat op den duur hen vermoeit, wien het te benauwd wordt in zijn kringetje.quot;

Dat onder dezen prins Gagarin zelf moet worden gerekend, blijkt al te wel uit de ernstige gedachten, die hem omstreeks dien tijd bezighielden, waarover hij drie uitvoerige studiën wilde schrijven.

»Vooreerst zou ik eene verhandeling willen geven over de politiek der beginselen, in verband met de politiek der belangen.

«Vervolgens eene andere studie over den invloed door het Protestantisme uitgeoefend op de hoogere.

ocr page 238

230

standen. M. Carné geeft in een merkwaardig opstel van de Revue des deux mondes de gevolgen op, die het Protestantisme op de Engelsche aristocratie gehad heeft. Een dergelijke arbeid ware te ondernemen voor Frankrijk en de andere landen van Europa, waar deze groote verandering van fortuinen en deze beweging van den geest bijna overal de macht verplaatst hebben.

«Eindelijk moest een werk van grooteren omvang en dieper studie tot onderwerp nemen de Christelijke gehoorzaamheid, de ondergeschiktheid der rede aan het geloof, waardoor de vrijheid uiet wordt geschonden ; de onderworpenheid aan de geboden van God en dei-Kerk; de kloosterlijke gehoorzaamheid; de eerbiediging der machten in den naam van God. Men kou dan het verschil doen uitkomen tusschen de Christelijke gehoorzaamheid, deu geest van verzet, en de slaafsche lafheid, die alleen buigt voor de kracht.

»Bij den invloed van het Protestantisme op de aristocratie moest rekening gehouden met de aanvankelijk vijandige stemming der hervormers jegens de Duitsche vorsten; met de plotselinge verzoening daarna tot stand gebracht, de inbeslagneming der geestelijke goederen, het overwicht van den godsdienst op de tijdelijke macht enz.quot;

In dien tijd vond Gagarin veel smaak in de boeken van de Maistre, en deze bleven niet zonder invloed op zijn denkenden geest. Van de Brieven aaa graaf Nicolaas Tolstoi Over het openbaar onderwijs in Rusland schrijft hij: »in dit opmerkelijk geschrift maakt de Maistre kostbare opmerkingen over den zedelijken kant van het onderwijs, en eischt den on-

ocr page 239

231

gehuwden staat voor de meesters. Hij spreekt van de Jesuïeten en verheft de verdiensten dezer orde zeer hoog. Hij zegt over hen een woord, dat den besten maatstaf aangeeft, voor wie ze wil beoordeelen: »Let op wie hen aanvallen, en wie hen verdedigen, en doe dan uitspraak.quot;

Toch ondanks dit alles voelt zich de jonge prins niet gelukkig, een soort van zedelijke kwijning slaat hem neer, belemmert zijne gedachten. Hij gevoelt het, een volkomen omkeer moet er in hem plaats grijpen, en hij schrijft: »Wat is de onthechting aan het aardsche moeilijk in beoefening te brengen! 't Is of men tot de grootste offers zou kunnen komen — en bij de gedachte aan de eenzaamheid, waartoe het breken van alle banden, die aan vaderland en vrienden hechten, leiden zou, komt er huivering in 't gemoed, en de twijfel rijst, of men in zijn hart moeds genoeg voor zoo groote offers zou vinden. Helaas! wat is onze vaderlandsliefde zelf beperkt! wij beminnen het te weinig om er offers voor te brengen, en te veel om er een offer van te maken!quot;

't Is niet onduidelijk, waar deze regelen op zinspelen. Prins Gagarin gevoelde, dat hij het licht der Katholieke waarheid niet ontveinzen kon, maar dat de erkenning en omhelzing dier waarheid hem op verlies van zijn vaderland zou komen te staan. Intusschen ging het werk zijner bekeering langzaam, zonder schokken of onverwachte stooten voort. Hij las, dacht ernstig na en bad. Een zijner beste vrienden, M. de Falloux, schreef later van hem: »men heeft zich dikwijls afgevraagd, welk deel Mevr. Swetchine had ge-

ocr page 240

232

had aan deze beide gewichtige stappen (zijne bekeering en zijne intrede in 't klooster) van haren jongen vriend; mij dunkt ik kan met volkomen zekerheid het antwoord in deze woorden samen vatten: een aanmerkelijk deel door haar salon en het geheel van haar leven; door persoonlijke tusschenkomst en recht-streeksche medewerking hoegenaamd geen. Toen prins Gagarin in Frankrijk kwam, wist hij zoo goed als vele Russen, dat de Katholieke Kerk en het Pausdom «ene groote rol hadden gespeeld in de geschiedenis ; doch zoowel als velen zijner landgeuooten, beeldde hij zich in, dat deze groote instellingen sinds door den dood getroffen waren, en dat slechts een klein aantal achterlijke geesten uit enkel gewoonte eu sleur voortgingen zich Katholiek te heeten en te gelooven. Het salon van Mevr. Swetchine openbaarde hem juist het tegendeel. Hij ontdekte daar tot zijne groote verrassing, dat het Katholicisme als leer nog vol leven was en ongedwongen werd aangenomen door verstanden, die niet ingedommeld waren of beneveld.

»Het zij er eene redevoering uit de Kamers werd besproken, of een pleitgeding van belang, een opstel uit dagblad of tijdschrift, soms zelfs een tooneelstuk — prins Gagarin bemerkte uit al deze ongezochte en schijnbaar onbeduidende omstandigheden, die achtereenvolgens de aandacht trekken eu het onderhoud voeden, dat de toon van 't gesprek meestal levendig, warm en vol overtuiging was; dat ieder er zijn aandeel in bij bracht; zijn gevoelen, dat niet altijd met dat van anderen overeenkwam, verdedigde; en dat ondanks deze groote verscheidenheid van stoffen en

ocr page 241

233

sprekers te, midden dier velerlei schakeeriugen van rang, leeftijd en partij, al deze verstanden eene zelfde leer beleden, die alles in zich bevatte, en deze leer die der Katholieke Kerk was.

»Wanneer hij nauwkeuriger acht gafen den grond dezer opmerking onderzocht, voelde hij zich genoopt te erkennen, dat deze leer, die vrijwillig was aangenomen, niet alleen het verstand maar tegelijk den wil beheerschte ; dat zij niet maar de woorden, doch tevens het gedrag regelde, en dat het leven der meesten hunne woorden niet tegensprak. Mevr. Swetchine zelve was hiervan het beste en treffendste voorbeeld. Sinds verscheen hem de Katholieke Kerk, ook al bleek nog hare waarheid niet, als eene regeerende vorstin, die nog niet ten grave was gedaald, noch afstand van den troon gedaan had, maar gebied voerde over zeer verlichte geesten en over harten, die het genot der vrijheid op prijs wisten te stellen. Het salon van Mevr. Swetchine deed het bestaan, de kracht en schoonheid der Katholieke leer en beginselen aan deze trekken kennen, en boezemde daardoor liefde voor haar in. Dit was de voorname invloed, welken prins Gagarin onderging. Doch toen die inwendige werking, waaruit de plechtige afzwering volgen moest, ten einde liep, was Mevr. Swetchine maar weinig op de hoogte.quot; ')

P. de Eavignan zelf ontving eerst het vertrouwen van prins Gagarin, toen diens besluit onherroepelijk was genomen. Dit verklaart ons de bekeerling zelf

1) Lettres de Mme Swetchine publiées par le comte de Falloux II. p. 285.

ocr page 242

in zijn Brief aan Georges Samarine in 't Russisch uitgegeven 18/30 Januari 1866.

»Ik ben — schrijft hij — niet bekeerd door de Jesiüeten. Ik dank het begin mijner bekeering aan Tchadaïef. Mouravier heeft den doorslag gegeven met zijn boek: Waarheid der alyemeene kerk. De Jesuïe-ten hebben mij geenszins »ingepaktquot; (gelijk M. Samarine het beweerde) doch eens beslist om Katholiek te worden, moest ik betrekking aanknoopen met een priester dezer Kerk. Ik kende er geen enkele; ik had niemand geraadpleegd, maar deed mijne zaken zelf af. Ik begon de kerk te bezoeken en de preeken bij te wonen. De priester, die mij het meeste vertrouwen inboezemde, was een Jesuïet, P. de Ravisnan. Ik be-

1 7 O

gaf mij tot hem; maar toen ik voor het eerst den voet over den drempel der Jesuïeten zette, was alles beslist.quot;

Toch is de geschiedenis van het verloop zijner bekeering gelukkig geen geheim gebleven. Onder de nagelaten papieren van P. Gagarin is het klad gevonden van een brief, door hem geschreven aan een jongen religieus, gelijk het opschrift »mon cher Frèrequot; laat vermoeden. Waarschijnlijk is het een stuk uit het Noviciaat van St. Acheul, of tijdens zijne godgeleerde studiën in St. Michel te Laval opgesteld.

»Naar aanleiding der brieven van M. W. Palmer van Magdalen-College te Oxford, die gij mij hebt. doen lezen, dacht het mij goed eenige aanteekeningen over te schrijven, die ik bijeen gebracht heb over het punt der voortkomst van den H. Geest, dat hem zoo ernstig bezig houdt, en dat maar eens in ons leven het voorwerp onzer studie wezen kan.quot;

ocr page 243

235

»Ik was er toe gekomen te erkennen, dat er noodzakelijk maar ééne uiterlijk zichtbare Kerk op aarde was, die de ware Kerk van Christus wezen kou. Ik erkende evenzeer, dat deze Kerk noodzakelijk dooide apostelen moest opklimmen tot haren stichter. Toen de vraag aldus gesteld was, bleef mij alleen de keus tusschen de Grieksche Kerk, waarin ik was opgevoed, en de Roomsche. Nu moest ik onderzoeken, welke van die beide Kerken, de ware van Jesus Christus kon zijn. De punten van verschil waren zonder moeite tot twee terug te brengen; de voortkomst van den H. Geest en de aanstelling van een zichtbaar hoofd der Kerk. Doch hier stiet ik op eene groote moeilijkheid; want ouder het bestudeeren dier punten was ik gekomen tot het besluit, dat de Grieksche Kerk gelijk had in het punt der voortkomst vau den H. Geest, en dat de Roomsche van haren kant gelijk had betreffende het feit der aanstelling van een zichtbaar hoofd der Kerk, dien zij deed opklimmen door Petrus tot Christus zeiven. Deze uitkomst mijner onderzoekingen verschrikte mij. In waarheid ik moest er noodzakelijk uit besluiten, dat de Kerk van Jesus Christus, om het even welke zij was, dwaalde, dewijl de twee eenige kerken, die volgens mij er aanspraak op mochten maken van Jesus Christus te zijn, beiden in dwaling waren gevallen.

»Er bleef maar één middel om te ontsnappen aan het schrikbarend eindbesluit, dat met eeue tot wanhoop voerende noodzakelijkheid uit mijne gegevens volgde. Dit middel was de mogelijkheid aannemen, dat ik mij in het onderzoek van eene dier beide

ocr page 244

236

vrageu kon hebben vergist. Toen rees het vraagstuk voor mij op onder eene andere gedaante. Er viel niet meer te beslissen tussehen de Grieksche en de Room-sche Kerk, er moest uitspraak gedaan tussehen de Kerk van Jesus Christus, welke deze dan was, en mij.

»Zóó het vraagstuk stellen, was het oplossen; ik erkende derhalve, dat ik omtrent het eene of het andere punt noodzakelijk dwalen moest; anders kwam ik uit op vrij onderzoek en Protestantisme.

»Ik vroeg mij dus af, over welk der twee punten ik oordeelen kon met het minste gevaar van mij te bedriegen; over eeue zaak uit haren aard duister, ontoegankelijk voor de menschelijke rede, verborgen in de diepten der allerheiligste Drievuldigheid zelve, of over een uitwendig zichtbaar, voelbaar, geschiedkundig tastbaar feit, gelijk liet bestaan van een zichtbaar hoofd der Kerk?

»Toen beschouwde ik het vraagstuk van eene andere zijde; ik sprak bij mij zeiven: God wil noodzakelijk, dat alle menschen Zijne Kerk onderscheiden kunnen van alle anderen; derhalve wil Hij, dat zij teekenen heeft, waaraan men haar erkennen kan. Kan de leer der voortkomst van den H. Geest een dezer teekenen wezen? Ongetwijfeld neen; dit ware vallen in het Protestantisme, want het zoude een beoordeelen der Kerk zijn uit hare leer, en dus zich zeiven opwerpen als rechter over de waarheid en de leer der Kerk, en zich het recht toekennen een of ander punt dezer leer naar eigen goedvinden aan te nemen of te verwerpen. Doch vervalt men niet in dezelfde moeilijkheid, wanneer men de ware Kerk van Jesus Christus

ocr page 245

237

van alle anderen onderscheiden wil door de aanstelling van een zichtbaar hoofd ? Mij dacht van neen, en zie hier de reden. Deze Aanstelling van een zichtbaar hoofd der Kerk is het werk van Jesns Christus, of wel eene uitvinding der menschen. Is het eene men-schelijke uitvinding, dan is het niets meer dan een geschiedkundig feit, waarover ik kan oordeelen; ik kan het tijdstip en de plaats der uitvinding, den uitvinder zeiven opsporen. Bovendien indien het een menschelijke uitvinding is, dan is het tegelijk eene wederrechtelijke handeling ; dan moeten er in de Kerk gedenkstukken te vinden zijn, waaruit de veroordeeling van dit feit wordt bewezen; deze veroordeeling moet hierin bestaan, dat de ware Kerk van Jesus Christus in de aanstelling van een zichtbaar hoofd der Kerk nooit iets anders heeft gezien dan eene menschelijke uitvinding en eene wederrechtelijke daad.

»Uit kracht dezer redeneering en van andere der-gelijken besloot ik, mijn hijzonder gevoelen te doen zwijgen en mijne meening rakende het punt der voortkomst van den H. Geest op te schorten, totdat ik de geschiedkundige vraag van den oorsprong des Pausdoms nog eens in den grond had nagegaan.

»Zooals gij wel kunt begrijpen, viel het mij niet moeilijk mij te overtuigen, dat het volstrekt onmogelijk was in de geschiedenis het tijdstip, de plaats of den bewerker te vinden dezer veronderstelde onrechtmatige daad; en dat er buiten eene goddelijke instelling geene voldoende verklaring was te geven van eene zoo wonderbaar gewichtige gebeurtenis. Integendeel, alle nasporingen brengen u noodzakelijkerwijze tot

ocr page 246

238

Petrus en tot de Evangeliewoorden, die alles oplossen, en zonder welke niets wordt opgelost:

»Gij zuT Petrus .... Wi'id mijne lammeren____

Ik heb gebeden voor u.

»Toen ik aan dit teeken erkend had, dat de Room-sche Kerk de ware Kerk van Jesus Christus is, verwekte ik een akte van geloof om mijn persoonlijk gevoelen en mijne bijzondere meening over de voortkomst van den H. Geest te onderwerpen aan het oordeel en de beslissing der Kerk. Na deze akte van geloof gevoelde ik omtrent dat punt eenen vrede en eene rust, die sinds niet meer gestoord zijn. Zonder te weten waarom, zag ik alle wolken, alle moeilijkheden van mijn geest verdwijnen, gelijk de nevel voor het licht. Sinds ben ik terug gekomen op het onderzoek van dit punt, doch verlicht door het geloof heb ik er geene ernstige moeilijkheid meer in gevonden ....

»Het was na lange aarzelingen, dat ik mijne keus bepaalde tusschen de Grieksche Kerk, waarin ik was opgevoed, en waaraan mij zoovele banden en neigingen gehecht hielden, en de Roomsche, die in mijn Oog alleen het recht had, de Grieksche Kerk de titels te betwisten, die ik erkende, dat aan de ware Kerk van Jesus Christus moesten toebehooren.quot;

Toen prins Gagarin evenwel eens overtuigd was van de waarheid der Katholieke Kerk, volgde hij de leuze doe wel en xie niet om. Hij overzag de gevolgen zijner bekeering tot het Katholicisme: onherstelbaar verlies van zijn post en levenslange ballingschap. Doch voor 't uiterlijke de staatskefk volgen en in 't geheim, met gesloten deuren uit vrees, den Katholie-

ocr page 247

239

ken godsdienst belijden, lag niet in zijn aard. Hij wilde juist een getuigenis geven voor de waarheid, die hij had ingezien, en daarom stelde hij zich bloot aan de onmenschelijke straffen voor deze misdaad vastgesteld.

Want eene misdaad is het in Rusland de Grieksche [verk te verlaten voor eene andere Christelijke belijdenis ; eene nog strafbaarder misdaad iemand de gevestigde Kerk doen verlaten om tot eene andere over te gaan. Het strafwetboek van Rusland, dat in 1846 kort na Gagarins terugkeer in werking kwam, wijst genoegzaam uit, welke geest daar heerschende was, en welke straffen waren bepaald voor hen, die meer aan God wilden gehoorzamen dan den menschen.

Art. 195 veroordeelt iederen bekeerling tot verlies van alle rechten en titels, die hem toekwamen; tot verbanning naar Siberië en indien hij onder de wet der lijfstraffen valt, tot vijftig of zestig stokslagen, eer hij tot twee of vier jaren dwangarbeid wordt veroordeeld.

Art. 196 bepaalt, dat er maatregelen zullen worden genomen, dat hij die niet tot de rechtzinnige Kerk wil terugkeeren, geene verleiding kunne uitoefenen op zijne minderjarige kinderen of afhankelijke lijfeigenen. Zijne vaste goederen worden in beslag genomen, en het is hem verboden er op te verblijven.

Art. 200 stelt de ouders verantwoordelijk voor hunne kinderen; gebiedt de gehuwden elkaar te verraden op straffe van gevangenis of kerkdijken dwang.

Hoe gemakkelijk te verklaren is na dit alles de kreet, die zijn hart ontsnapte: »wat valt de onthech-

ocr page 248

240

ting van de zaken deze aarde moeilijk in beoefening te brengen! 't is of men de grootste offers zou willen brengen, en wanneer men denkt aan de verlatenheid, waartoe het breken van alle banden, die u aan vaderland en vrienden hechten, leiden zou, huivert men.quot;

Mevr. Schwetchine onkundig van de geheime plannen haars jongen vriends, hield zich bezig met zijne toekomst. »Zij heeft mijquot; teekende hij aan in zijn dagboek, »vragen gesteld over mijne plannen van een huwelijk en mijne droomen van eerzucht. Ik heb haar onbestemd geantwoord, dat ik aan geen huwen denk ; dat bovendien het huwelijk mij beletselen zou voorwerpen op den weg, dien ik heb gekozen; dat ik wel eenige eerzucht koester, maar dat dit doel zoo ver atligt, dat ik er niets voor ten oiler wil brengen. Ik zal wachten en zien wat er gebeurt. Nu blijft mij nog over haar te zeggen, dat een huwelijk uit eigenbelang mij met geweld de wegen eener alledaagsche en kleingeestige eerzucht zou doen opgaan, die ik vermijden moet. Er moet een keus gedaan tusschen werktuig wezen of denkende geest.quot;

Op Paaschmaandag van 1842 had prins Gagarin bij Mevr. Swetchine een avond doorgebracht, die geen enkel merkwaardig voorval had opgeleverd; hij liet de gasten heengaan en boodschapte toen aan haar, die hem eene tweede moeder was, dat hij den volgenden avond ten zes ure verwacht werd bij P. de Ravignan, en dat hij vast beslist was zich te onderwerpen aan alles wat deze, dien hij zich tot gids. had gekozen, hem aangaande tijd en wijze zijner afzwering zou voorschrijven.

ocr page 249

241

Mevr. Swetchine stond zeer verbaasd. Zij stelde vele pogingen in liet werk om eenige dagen uitstel van hem te verkrijgen. Toen zij zag, dat deze nutteloos bleven, verzocht zij hem als eene gunst in zijne plaats op het aangewezen uur naar den Pater te mogen gaan, en dat hij zijn beslissend bezoek vier en twintig uren mocht verschuiven. Prins Gagarin stemde er in toe. Mevr. Swetchine ging voor hem, en dit was de eerste maal, dat zij zich rechtstreeks met P. de Ravignan in betrekking stelde. Al den tijd van dit onderhoud werd besteed om den priester de inlichtingen te geven, die zij noodzakelijk dacht om alles te vermijden, wat op rekening van geestdrift, overhaasting of voorbijgaande opgewektheid kon worden gesteld. 1)

P. de Ravignan hield ernstig rekening met de verstandige opmerkingen, die hem werden gemaakt; nochtans meende hij het recht te missen een hinderpaal in den weg te stellen aan de uitvoering van een rijpelijk overwogen besluit.

Den 7den April 1842 deed Prins Gagarin zijne afzwering in de huiskapel van mevr. Swetchine: Zij werd aangenomen door P. de Ravignan, die de H. Mis opdroeg.

Deze eerste genade werd spoedig door eene andere gevolgd; de bekeerling was er de man niet naar om stil te staan op zoo goeden weg. Hij dacht er aan om spoedig apostel te worden ten einde met zijn dierbaar Rusland of ten minste met eenigen zijner land-

1) M. de Falloux; Lettres de Mquot;le Swetchine T. II. p. 269.

16

ocr page 250

242

genooten de„ schat van 't -are geloof te dee.en, i„

welks bezit hij gekomen v bekeering vertrok

»Juist twee maanden na J ^ r--pen 0p

ik naar Riwland om er keer,l met liet

het landgoed Dankow^ , • ^ ^

voornemen in de oide o n deu i2ien

ik Michelet en Qninet te '»»■ f ^ durljnde Aug. 1843, trad ik in het noviciaat _ g twee jaren mijne roeping te beproeven.

1) Lettre a George Samanne.

ocr page 251

PATER TOM. BURKE.

ocr page 252
ocr page 253

THOMAS N. BURKE.

Ierland, het smaragden-eiland van het Westen, heeft zich in de laatste jaren van eene ongunstige zijde vertoond. Z.H. Paus Leo XIII heeft het dienstig geacht een schrijven aan den kardinaal-aartsbisschop van Dublin te richten om het Katholieke Ierland te doen vermanen tot rustige onderwerping aan het bestaande gezag eu onthouding van alle ongeoorloofde partijschappen. ïoch is de behandeling der lersche quaestie het doel dezer bladzijden niet, evenmin het onderzoek, in hoever het leed d oor Ierland gedragen, of de verdrukking, waaraan het bloot heeft gestaan, aanleiding kan hebben gegeven tot de betreurenswaardige feiten, die vele Ieren op hunne rekening hebben. Hier geldt het een zoon van Erin, die zijn land en niet minder zijne moeder de Katholieke Kerk tot eere strekte en op dezen titel vooral de volste waardeering verdient. Een Ier in merg en been, in staat ons niet enkel met het lersche karakter te verzoenen, maar liefde voor dit volk en medelijden met zijn lot in te boezemen. Een priester en lid der beroemde Dominicaner-orde, welker taak, het predikambt, hij met zoo-

ocr page 254

246

veel talent heeft vervuld, dat hij zonder tegenspraak voor de grootste meester der gewijde welsprekendheid van alle Engelsch sprekende natiën doorging, Ja zelfs de grootste redenaar der 19de eeuw wordt genoemd.

In de oude stad Galway in Connaught, het onvruchtbaarste en steenachtigste gedeelte van Ierland, leefde omstreeks het jaar 1830 een burger-huisgezin, waar toen nog geen woord engelsch gesproken werd. Vader Wout Burke was bakker van beroep en van Noorschen stam »doch zijnen vooroudersquot; zei de zoon later »hadden sinds zeven eeuwen op lerschen bodem geleefd en voor Ierland leeren lijden en sterven. Mijne moeder daarentegen was eene Mac. Donough van Con -nemerara, een stam zoo zuiver lersch als Hugh O'neill en roode Hugh ; zoo hevig van aard als Sint Colum-ba, en hij was een echte Ier; zoo arm als Engeland hen maken kon, en God weet dit was arm genoeg; zoo stout als Lucifer, en zoo katholiek als Sint-Pieter.

Den eenigen zoon uit dezen echt, 8 Sept. 1830 geboren, heetten zij »Nicquot; en leerden hem in het Cel-tisch bidden. Voor het Engelsch moest hij naar school. De jongen, die in geaardheid en karakter het meest op zijne moeder geleek, ging dikwijls met haar mee om te bidden op de graven harer eigen ouders en de overledenen van haar mans kant, en dan zag hij haar tranen storten over hen, die reeds twintig of dertig jaren gestorven waren, of ze haar pas waren ontrukt; zóó versch lag hun aandenken nog in haar gemoed; zóó lief hebben de Ieren hunne dooden.

Wanneer zijne moeder hem om een boodschap zond,

ocr page 255

247

voerde zijn weg menig malen door Bowling-Green, eene overwelfde straat, die onder oude huizen liep, in een van welken men zei, dat de Protestantsche majoor Lynch voor honderd jaren zijn zoon had opgehangen, en wiens nooit rustende geest daar heette te spoken. Deze fabel bezorgde den kleinen Nic de schrikkelijke angstsn zijner jeugd. Zijne ouders, verstandig genoeg om de inbeelding van den knaap geen voet te geven, zonden hem, waar het hun goed dacht, zonder zich te bekommeren over liet spook van Bowling-Green. Doch zoodra kwam het kind bij avond niet in de buurt der gevreesde straat, die tot overmaat van akeligheid dicht bij het Protestantsche kerkhof lag, of hij begon hardop het wees gegroet te bidden en riep alle heiligen Gods om hulp. Niettemin, hoezeer vertrouwend op de kracht van zijn hartelijk gebed, zette hij het in genoemde straat op een loopen en was blij, dat hij het er levend afbracht.

De Ieren zijn onverschrokken van aard en geenszins bevreesd, voor hetgeen zij zien kunnen — maar het geloof aan het onzichtbare zit hun zóó in 't bloed, dat het bij onwetenden en kinderen lichtelijk tot bijgeloof overslaat, en de knaap, die 's avonds buiten komt, elk boschje voor een verblijf van geesten houdt. Lieflijker en min nadeelig is de overtuiging der moeders in Ierland, dat zoo dikwijls hare kleine kinderen glimlachen in hun slaap, de engelbewaarder hun iets influistert.

Zijne moeder, goed en vroom als zij was, vergat den raad niet des wijzen mans omtrent de kastijding van haar kinderen, en Nic's levendig, speelsch en wild

ocr page 256

248

karakter, zijn aan allerlei guitenstreken onuitputtelijke geest maakten, dat er nog al dikwijls zeer gegronde reden voor eene gevoelige bestraffing was. Soms had hij het zoo bont gemaakt, dat een broeder uit het naburig Augustijner-klooster bij de moeder klagen kwam, en dan werd de zaak hoogst ernstig opgenomen. Nic werd binnen geroepen, en moeder nam de karwats, maar eerst moest hij met haar neerknielen op den grond; moeder bad het gebed: »wij bidden U o Heer, voorkom onze handelingen door Uwe genade en vergezel ze met Uwe hulpquot; en hij moest het langzaam na bidden, »ik deed het altijd uit den grond van mijn hartquot; vertelde P. Burke »maar O. L. Heer voorkwam liet nooit, ik kreeg ten volle wat ik verdiend had.quot;

Toen Nic eenige neiging voor den geestelijken stand openbaarde, deden zijne ouders hem bij een meester om latijn te leeren, voor twaalf pond sterling in't jaar. Op zekeren dag kwam er een man in huis, wien Nic tot zijne moeder hoorde zeggen; »'t is toch erg dwaas van je, om ieder- jaar twaalf pond uit te geven voor dat latijn leeren van den jongen. Doe hem op het Queen's eolleye, (staatsgymnasium) daar kost het niets, en wanneer hij een prijs krijgt, brengt hij nog twintig pond mee naar huis.quot;

»Hij zou twintig pond thuis brengen?quot; antwoordde de moeder, »nog voor geen tienduizend pond laat ik hem een voet over den drempel van Queen's eolleye zetten. Mijn kind moet zijn plichten leeren jegens God en jegens zijn ouders — en daar leert hij het een noch het ander.quot;

ocr page 257

249

Nic bleef bij meester O'Toole en leerde wat zijne moeder op zoo hoogen prijs stelde; en al vielen de kosten zwaar, het was toch niet meer zooals voor een veertig jaren, toen de vader, die zijne kinderen naar school zond, strafbaar was voor de wet. ^ In die dagen der openlijke geloofsvervolging stond er na den priester niemand in hooger aanzien bij de Ieren dan »de arme meesterquot;, die met zijn boeken onder den arm naar de boerenhofstee ging en er binnen trad met den groet: »God zegene u allen!quot; Het beste in huis was voor hem; het zachtste bed, de makkelijkste stoel. Al de kinderen der omliggende hoeven en hutten werden bijeengeroepen en kwamen daar een week op school. Zoo werd er in elk huis om beurte school gedaan. Niet zeldeu kwamen er nog enkele oude bloedverwanten, die den tijd der strafwetten hadden beleefd en al hunne kennis op deze wijze hadden op moeten doen, dewijl ze van staatswege tot onwetendheid veroordeeld waren, bij Nic's ouders aan huis; en al was hij nog maar een aankomende knaap, die pas latijn leerde, het ontging hem niet, dat deze oudjes niet enkel goed konden lezen en schrijven, maar geducht beslagen waren in al de punten van het geloof. De preeken van Bisschop Gallagher kenden zij van buiten, en niet één Protestantsche geestelijke in Ierland kon het in een geloofstwist lang tegen hen uithouden.

Nic was zestien jaren, toen de vreeselijke tijding liep van mond tot mond: »daar is hongersnood in het land, en wij moeten allen sterven.quot;

i) vg. Studiën. Jrg. XV. p. I. Ierland in den vreemde.

ocr page 258

250

»Ik was oud genoegquot; zegt hij in zijn preek op 31 Oct. '72 over de verborgen heiligen van Ierland »om den doodstrijd te beseffen, waarmee mijn vaderland, het eiland mijner liefde had te kampen. Ik was zestien jaren, oud genoeg om goed en kwaad, lief en leed te onderscheiden.

»Ik bevond mij op de westelijke kust des eilands, te midden van mijn volk, toen het den almachtigen God behaagde Zijne laatste en vreeselijkste beproeving over ons los te laten; de engel van hongersnood en sterfte sloeg de vleugelen uit, en een donkere schaduw viel over ons land. Ik heb mannen in den bloeitijd des levens zien neerliggen in de straten der stad; met aschgrauwe lippen slaakten zij een laatsten kreet om voedsel, zonken machteloos ineen en stierven. Ik heb het doode kind gezien, langs den weg liggend op de doode moeder. Het levende kind heb ik vruchteloos zien zuigen aan de borst der moeder, die al gestorven was. O God, om Uwe barmhartigheid, laat me nooit meer zulke dingen zien voor mijn dood ! Wat was Ierland toen? Trouw of ontrouw aan zijne overlevering van heiligheid ? Was het toen nóg het eiland der heiligen en martelaren? Ja, mijne Broeders I Een voorbeeld uit tien — één uit de honderd duizend. Daar was eene familie aan de westkust des lands drie dagen zonder voedsel. Zij waren vader en moeder met twee dochters en een zoon. Werk was er niet, het land lag daar, of de engel der verwoesting het had aangeraakt; de ondankbare grond weigerde eenig levensonderhoud te verschaffen; zij leefden op wilde zuring en gras, tot geen hunner in staat was het te

ocr page 259

251

gaan zoeken. Op den naakten grond hunner woning lagen zij uitgestrekt, worstelend met een langzamen maar geweldigen dood. Toen trad daar een wel-gekleede Protestantsche dame binnen. Aan haar arm droeg zij een korf met brood en vleesch. Zij had tot nu toe gewacht om te komen, Het was Goede vrijdag ochtend. Zij ziet de armen in doodstrijd, zet hun brood en vleesch voor eu zegt; »wilt ge in 't leven blijven, eet dan.quot; Doch met stervende handen duwden zij haar weg, keerden zich af van hare gaven en zeiden : »op den dag dat Christus voor ons gestorven is, mogen wij dit niet eteu — 't is beter te sterven, dan God te vergrammen.quot; En de vrouw borg het brood en vleesch weer in haar korf en sloop de deur uit, maar op haar hoofd deu vloek des armen, wiens leven zij alleen redden wilde ten koste van zijn geloof.

»Op een paar mijlen afstands van Galway woonde eene vrouw, die eiken zondag geregeld naar de Heilige Mis, en den eersten zondag van iedere maand tot de H. Tafel ging. Toen de hongersnood kwam, was zij al op jaren. Hare zonen waren heengegaan om werk te zoeken, met belofte haar onderstand te zenden, als zij konden; hare dochters waren in Amerika gehuwd. Nu leefde zij alleen met haar jongste kind, een knaap van veertien jaren. De nood steeg zoo hoog, dat het kind om brood schreide en de moeder niets meer te geven had. Zij zag hem wegteren voor hare oogen — zij had niets, er was niets, en de jongen lei het hoofd tegen de borst zijner moeder en stierf. Zij was zoo uitgeput van honger, en de buren woonden zoo ver, dat zij niemand kon gaan roepen

ocr page 260

252

om haar kind te begraven. Twee dagen lag het lijk op den grond, en zij er naast, stervend van smarte, stervend van honger en dorst, terwijl er niemand was om hare lippen met een teug waters te laven. Op den morgen van den derden dag hoort zij de klok luiden voor de H. Mis; 't was Zondag. Op handen en voeten kruipt zij uit hare hut, den weg op naar de kapel, een mijl verre. Driemalen bezweek zij onder weg. Medelijdende voorbijgangers zetten haar met den rug tegen een heg en gaven haar uit de beek te drinken. Zij stond op, en al viel ze telkens, zij kroop voort en kwam eindelijk zoo dicht bij de kapel, dat zij door de geopende deur den priester kon zien aan 't altaar bij de opdracht der heilige geheimen. ïoen sloeg zij hare oogen en handen ten hemel en riep uit; »eeuwige lof aan den gezegenden Zoon der Maagd!quot; Daarop zonk ze in een en stierf. Toen het volk uit de Mis kwam, vonden zij het lijk der vrouw, wier laatste poging geweest was te kruipen naar het altaar, dat God de bee harer stervende lippen mocht ver-hooren.quot;

Nic's eigene moeder nam al de kinderen van een arm huisgezin in het hare op en gaf ze te eten met hare eigene kinderen, maar voor iederen maaltijd werd eerst het rozenhoedje knielend gebeden.

Tegen het einde zijner Latijnsche scholen werd Nic, die tot een langen jongen, zwart van haar en oogen was opgegroeid, door eene hevige koorts aangetast. Dagen lang zweefde hij tnsschen leven en dood, doch geholpen door zijne frissche natuur, haalde Dr. Davies hem er door. »Eene geduchte verantwoording voor

ocr page 261

253

uquot; plaagde hij later zijnen geneesheer »clat ge me niet hebt laten uitstappen, toen ik nog jong en onschuldig was.quot;

Sinds hij het doodsgevaar te boven was, openbaarde zich bij hem eene, besliste neiging voor het kloosterleven. Sinds de 12de eeuw waren de Dominicanen en Franciscanen in Ierland. Groote abdijen gelijk Mel-lifort of Dumbrodie stichtten zij niet, doch vestigden zich met tien of twaaf man in kleine steden en dorpen, bouwden er een convent en eene kerk en onderwezen het volk. Weldra had ieder landstadje een klooster en kerk, en de bevolking kreeg de zonen van Franciscus en van Dominicus lief. De geestelijkheid heette hen welkom; de lersche bisschoppen ondersteunden hen; de kloosterlingen van andere orden boden hun de broederhand; en menigmalen leenden hun de Benedictijnen hunne grootere kerken om voor de scharen te prediken. Onder de regeering van koningin Elisabeth bevonden zich zeshonderd Dominicanermonniken in Ierland, trouwe zonen des lands: op vier na werden zij allen ter dood gebracht. Deze aureool van het martelaarschap, die zoo wel stond bij het vlekkeloos witte kleed der orde, en de heerlijke roeping tot het predikambt, bepaalden Nic's keuze, toen hij zich door God geroepen voelde om voor Hem televen in het heiligdom. Toen hij zijn ernstig genomen besluit kenbaar maakte, waren zijne ouders op gevorderden leeftijd. Hij was de eenige zoon zijner moeder. Vader boog onder den last der jaren — wie zou hen ondersteunen, wanneer hij was heengegaan ? Toch stortten deze lersche ouders geen traan; geen woord van

ocr page 262

254

verdriet kwam over hunne lippen — met fiere blijdschap stonden zij hun eenigen zoon aan God af, want in hun hart woonden het oude lersche geloof en de liefde voor de Kerk.

Doch de zoon, wien het afscheid van zijne ouders zwaar viel, had nog een ander offer te brengen: Koos hij de Dominicaner-orde, zoo moest hij Ierland verlaten en te Perugia in het noviciaat treden. Ontelbaar is het aantal Ieren, dat eeuw aan eeuw ver van Erins kusten rondzwerft in den vreemde, en toch welke gebreken hun volgens eigen bekentenis aankleven, in vaderlandsliefde worden zij door geen volk op aarde overtroffen. Zij zijn fier op hun geboortegrond. »Daar isquot; roept Burke zijn vaderland toe »geeii land zoo schoon, geen plek ter wereld met u te vergelijken. Geen eiland rijst zoo heerlijk uit de golven, en zon, maan of sterren beschijnen nergens een oord zoo aantrekkelijk als mijn Erin.

»'t Is wellicht niet de schoonheid van het landschap, waar we aan denken, het zijn de groene heuvelen niet in hun kleed van lersche varens met een statigen eik op den top, die rijzen voor het oog onzer verbeelding en de zoetste aandoeningen wekken in ons hart. Neen het dal, de open plekken in het bosch, de vlietende beek, de molenpias, het veld, de bemoste, oude abdij, waar we in onze kinderjaren bij speelden, trekken ons hart niet het meest; maar de reine en teedere herinneringen aan al wat wij toen leerden liefhebben en vereeren; eene teederlievende en godsdienstige moeder, een vader verstandig en goed, die aller achting genoot; een vriend, op wiens

ocr page 263

255

arm wij leunden, wiens vriendschap de blijdste zonnestralen over ons jeugdig leven goot; de eerbiedwaardige priester, wiens glimlach wij zochten, als wij het jonge hoofd bogen onder zijne zegenende hand — ziedaar, wat ons Ierland zoo doet beminnen, waarom er zoo veel gloed en lietde spreken uit het

AFSCHEIDSLIED VAX DEN IER.

Vaarwel ! het blanke zeildoek Zwelt klapprend in den wind,

En 't vaartuig wijkt van Erin,

Zoo hartelijk bemind.

Wij staren op de kusten,

Den laatsten keer misschien,

Tot de oogen blind van tranen.

Geen Innisfail meer zien.

Dan bidden we: »blijf Erin,

»Het land des liedsquot; in vree;

In strijd; als hooge baren Der opgezette zee!

Kweek heiligen en helden:

Buk nooit voor tyrannij,

En klinke aan iedren oever Uw harptoon vrij en blij!quot;

Wel strooit natuur haar schatten Met milde hand in 't rond;

Hare eèlste bloemen geuren Wellicht op vreemden grond ;

Toch is de schoonste roze.

Die in den vreemde bloeit.

Mij minder dan een distel In 't vaderland gegroeid.

ocr page 264

256

Als ik op vreemde kusten

Ver van mijn dierbren af,

Zal sluimVen in het donker Van :t namelooze graf, —

Dan breng de zee u hulde

En 't bruisen van den vloed Blijf donderend herhalen :

O Erin wees gegroet!

En als de ontboeide ziele

Bij 's levens laatste zucht Omhoog vaart tot Gods heemlen

In 011 weerhoudbre vlucht.

Zal nog mijn afscheid ruischen De zee langs tot uw strand ;

»Vaarwel, vaarwel groen Erin Mijn dierbaar vaderland !quot;

Toen Nikolaas Burke zich in Galway, zijne geboortestad, bij de Paters Dominicanen, in wier kerk hij misdienaar, en zijn Vader Wout de beste zanger was, aanbood, scheen de twijfel niet ongegrond of er een ernstige monnik stak in dien levenslustigen jongen, die zoo guitig uit zijn zwarte oogen keek, alsof hij er altoos op uit was iemand beet te nemen. Doch P. Thomas Kaymund Rush, die hem door en door kende, had zoo goede verwachting van hem, dat hij geen oogenblik aarzelde zijne aanvraag te ondersternen. Dacht het niettemin velen een waagstuk, zoo wel is het Pater Rush bekomen, dat hij op zijn sterfbed zich verheugde in den luister aan zijne orde en de Kerk Gods gegeven door den zelfden jongen, dien hij zoo menigmaal ernstig beknord had. Toch is de

ocr page 265

257

meest in liet oog vallende karaktertrek zijner jeugd Nicolaas Burke bijgebleven, doch zijn arbeid en heilig dienstwerk wonnen bij deze onuitputtelijke vroolijkheid en goeden luim, aan welke alle lichtzinnigheid vreemd was.

Van Dublin naar Liverpool, vandaar over Dieppe naar Civita Vecchia was de weg naar Rome. Hij maakte deze reis gedurende den strengen winter van 1847, en zij scheen hem vervelend lang. Doch hij kwam te Home, — en zag »een man in de volle kracht des levens; zijn haar was zwart als de raven-veder ; zijn oog was stralend van den dubbelen glans eener reine ziel en een heldhaftigen moed —• want deze man was in zijne jeugd opgeleid voor krijgsman. Statig, koninklijk, meer dan koninklijk tot in zijne uiterlijke verschijning, scheen hij een man geschapen om aan het hoofd zijner medemenschen te staan.quot; Burke zag hem, toen zijne jonge oogen pas afgewend van het groene Erin, vol van het geloof en de liefde der Ieren een eerbiedig huiverenden blik sloegen op den plaatsbekleeder van Christus — op den dag, dat hij werd toegejuicht door het volk van Rome en Italië.

Als een klaroen klonk dat machtig stemgeluid over het plein van Sint Pieter — en deze man dacht hem een engel des hemels, die milden Pinksterzegen kwam storten over het volk Gods.

Hij was te Rome, toen er de blijde kreet weergalmde van straat tot straat: Leve Pins de negende! en van de pleinen het antwoord dreunde: Leve de redder des vaderlands! Daar was geen eind aan 't gejuich van het vreugdedronken volk over de vergiffenis,

17

ocr page 266

258

waarmee de Paus zijne regeering begon. De gevangenissen zaten vol staatsmisdadigers, velen waren uit Italië verbannen — en Pius de negende was nauwelijks gekroond, of zijn koningsschepter gebood de kerkers te openen en wenkte de ballingen terug, terwijl hij sprak: »ik ben zoo wel vader als koning; ik verlaat mij op uwe liefde en dankbaarheid en op den trouw van mijn volk.quot; En de ballingen keerden terug naar hunne haardsteden, hun tranen bevochtigden de hand van hun bevrijder, en de oogen der kinderen, wier vaders uit de gevangenis waren verlost, blonken van vreugd onder den glimlach van Pius IX.

Zijne reis van Rome naar het noviciaat van Perugia, bijna honderd mijlen ver, liep door Etrurië en de schoone vallei van ümbrië. Toen hij Assisi achter zich had, stak hij den Tiber weer over, -gt;en nog kind bijna dacht ik — verhaalde hij — onder het bestijgen der heuvelen van Perugia in het wonderschoone licht eener Italiaansche avondzon: 't zal mij benieuwen of de man, die mij leeren moet, gelijkt op Broeder Paul O'Connor. Zou ik hem lief kunnen hebben, zooals ik het dien goeden broeder deed in Galway?quot;

Hij koos den H. Thomas van Aquine tot patroon en droeg diens naam sinds in plaats van Nicolaas. Hij ontving het witte Dominikaner-habijt met den zwarten mantel en werd er zoo aan gehecht, dat hij zich nooit meer in gewone priesterkleeren thuis heeft gevoeld. Dat kleed op zijne schouderen herinnerde hem de roemrijke geschiedenis van zes eeuwen stryd en overwinning voor de glorie van God, en met de ■eeuwig blijvende waarheid des Heeren voor oogen,

■ :ji

ocr page 267

259

wilde hij lof ziugen. zegen brengen en prediken tot zijne laatste ure toe. ')

Wat hij zelf verhaalt, volstaat om hem als novice te schetsen.

»Toeu ik pas in het noviciaat kwam, werd mijn levendige en luidruchtige aard grootelijks gedrukt door de strengheid van den regel, en ik placht menigmaal gestraft te worden voor breken van het stilzwijgen op verboden uren, soms omdat ik floot. Eens in het duister opgestaan voor de metten, maakte ik een praatje over het weer met een Franschen novice, dien ik op den trap had ingehaald. Tot eenig antwoord lei deze den voorsten vinger op zijn mond. Het plechtige dezer houding trof mij, en deze terechtwijzing deed mij meer goed dan al de straf, welke de oversten mij hadden kunnen opleggen. Sinds brak ik dien regel nooit meer.

»Toen ik eenigen tijd onder de leiding van mijn novicenmeester was, zei ik hem in 't latijn: ik geloof, dat ik veel van u houden kan; ik hoop goed op te passen en te doen, wat n mij zegt, want u gelijkt mijn meester van Galway — O'Connor kon ik in 't latijn niet zeggen.quot;

't Was dat jaar in Perugia buitengewoon koud, daarom schertste hij: »Perugia was een plaats, waar alles wat in een mensch was, zoowel wat den geest betreft als het lichaam, noodzakelijk voor den dag moest, al waren het horens geweest. Ik vond daar

1) Veritas. Laudare, benedicere et praedicare devies van het wapen der orde ■van St. Dominicus.

ocr page 268

260

een novice, die het bijna met den dood bekoopen moest, dat hij met koude voeten naar bed was gegaan. Om dit gevaar te voorkomen, placht ik el-ken avond eer ik slapen ging, mijne voeten warm te dansen.quot;

Den 5den Jamiari 1849 legde hij in het klooster van Perugia zijne plechtige beloften af. Kort daarna ontving hij de mindere ordens van den toenmaligen bisschop, Mgr. Pecci, zoodat hij later zeggen kon: »de eerste hand, welke dit onwaardig hoofd heeft aangeraakt, was die van den tegenwoordigen opperpriester

Leo Xni.quot;

In Januari 1850 verliet hij Perugia om aan de Minerva te Rome zijne godgeleerde studiën te beginnen. In de zalen, waar een H. Thomas van Aquine geleeraard had, dronk Burke met lange teugen de kennis der waarheid in, en vond hij zooveel bevrediging voor hoofd en hart in de Summa van den en-gelachtigen leeraar, dat hij verklaarde zich niet te kunnen verbeelden, hoe hij nog ooit zooveel vreugde drinken zou, vooraleer de sluier werd weggenomen, en hij van aanschijn tot aanschijn mocht zien en de goddelijke aanschouwing genieten.

De laatste maanden van zijn verblijf te Rome bracht hij op uitdrukkelijk verlangen van R. P. Jandel, Generaal der orde, in het oude klooster van Sint 'quot;3a-bina, waar de H. Dominicus zelf gewoond had, door. De Prior, P. Besson, was een man van buitengemeen heiligen levenswandel. Welken indruk deze maakte op des jongelings gemoed, blijkt uit eene herinnering, die hem dertig jaren later nog bij was gebleven. »Het

ocr page 269

261

heugt me nog,quot; preekte hij in 1881 »clat ik een priester knielen zag voor een kruisbeeld in eene kloosterkapel in Italië op een Goeden vrijdag ochtend; en hij wist niet, dat ik hem gadesloeg, tot hij ophield iViet bidden. Hij lag geknield voor eene levendige afbeelding van onzen Heer, die bloedend hing aan het Kruis. Zijne gedachten, zijn hart en zijne ziel gingen op in den Gekruiste. Drie uren lang overwoog, gevoelde hij mede al de benauwdheid, al de smarten en pijn van de ziel en het lichaam van den gekruisten Christus; hij was niet in staat te spreken, en ik zag hem opstaan van zijn gelied, de oogen star gevestigd op dat kruis, en hij wierp zich nog eens er voor neder en viel in bezwijming, of' hij sterven ging.

»Ik vluchtte verschrikt, want ik was jong in dien tijd, en ik verliet den man, die in zijn gebed was bezweken. O, wat weten wij weinig, hoe wij bidden moeten!quot;

Van Su' Sabina zelf meldt hij;

»Zonder moeite keer ik in mijne verbeelding terug naar de plek, waar ik het geluk had tijdens mijne studie te wonen ; in mijne eigen cel zag ik van fra Angelico's hand eene heerlijke proeve zijner kunst. Dat is de blijdschap van ons oog, de vreugde van ons hart.quot;

Doch ook daar verbleef hij kort. Toen hij nauwelijks zijn een-en-twintigste jaar bereikt had, ontving hij bevel van zijn overste om in het kortelings heropende klooster van Woodchester in Engeland de taak van novicenmeester te vervullen. Nooit wellicht in zijn leven heeft Burke onaangenamer reis gehad. In zijn eigen meegebrachte kleeding, waar hij sinds vijfjaren

ocr page 270

262

uit was gegroeid, met broekspijpen, die lang niet tot ziine schoenen reikten en veel te korte mouwen van zijn ias, maakte hij eene treurige figuur. Zijn reisgeld had misschien met overleg en zuinigheid voldoende kunnen wezen, maar wijl hij te Parijs in plaats van zijn buitenmodelschen, Romeinschen hoed voor de goedkoopte een rijknechtsmuts had gekocht, was te Londen ziine beurs zoo ledig als zijn maag. Hij wist geen weg en kwam er toe zijn nood te klagen bij den portier van een station, die hem een bank wees in een wachtkamer en eindelijk een stuk brood met eene moot haring toeduwde, zeggende: »daar, arme duivel, eet!quot; Deze hardhandige liefde, gevoegd bij de uitgestane vermoeienis, honger en kou, deed den gevoeligen jongeling de tranen uit de oogen springen. Toch sliep hij er op zijn bank en herinnerde zich 's morgens den naam eens priesters van Londen, dien hij te Rome had ontmoet. Daar werd hij gelukkig beter ontvangen en zette den 4dequot; Oct. de reis naar zijne bestemming voort, 't Was nacht toen hij er aankwam; aan de landhoeve, die hij vooi het klooster hield, dreigde men den hond los te laten Aan het klooster zelve was de portier voor onraad beducht en schoof geen grendel weg, eer Burke zeer verstaanbaar geroepen had: »wel, ik ben frater Thomas van Rome!quot;

's Anderendaags werd de nieuwe novicenmeester gekleed, niet in 't habijt zijner orde — wat m Engeland nog niet gedragen werd, doch van hetgeen de novicen konden missen. De juiste blik en kwalijk verborgen glimlach, waarmede dezen hun eigen goed in het zijne erkenden, waren hem eene der pijnlijkste

ocr page 271

263

vernederingen, die hij in Engeland ondervond. In 1852 ontving hij te Oscott de wijdingen van Subdiaken en Diaken en had alzoo onherroepelijk den voet in het heiligdom gezet. Hoor hem zeiven verklaren, wat daar toe gevorderd wordt: »De Kerk laat in haar heiligdom tot den dienst der altaren toe enkel oogen, welke nooit op het kwaad zijn gevestigd geweest; handen, die nooit zijn bevlekt; voeten, die nooit de paden der zonden hebben betreden. Zij stelt aan elk harer dienaren de beslissende vraag: »is hier eene maagdelijke ziel in een maagdelijk lichaam.quot; Zoo 't antwoord ontkennend is, doet zij hen ter zijde gaan om zich te heiligen in een anderen levensstaat, doch het heiligdom mogen zij niet in.

Toen eindelijk op Paasch-Zaterdag van 1853 de bisschop van Clifton hem wederom de handen had opgelegd, gold van den drie-en-twintigjarigen Bnrke, wat hij eens van zijn heiligen vader Dominicus preeken zou: »de olie des priesterschaps was uitgestort over zijn hoofd, en de heilige zalving wijdde zijne handen. Hoofd en handen waren van toen af alleen bestemd voor den dienst zijns Zaligmakers. Dat hoofd begaafd met verstand, deze handen zuiver van alle vlek voor God.quot;

Sinds was het zijne taak op zon- en feestdagen voor het landvolk te preeken, en al deed hij het nog, uit vrees van zijne stof te verliezen, met de oogen dicht, men hoorde hem gaarne en keerde verkwikt en opgewekt naar huis. Om dezen tijd moest Burke zijne onderbroken studie der godgeleerdheid hervatten, en werd hem aangezegd, dat hij binnen een jaar

ocr page 272

264

zich ffereed had te maken om het eind-examen te doen.

O

De zorg voor de novicen bleef op hem; maar nn bleek het, dat er talent voor ernstige studie in hem zat. Zijn leermeester was verbaasd; niemand wist, dat hij zich in den korten studietijd te Rome de Summa zoo eigen had gemaakt, dat 11ij ze bijna van buiten kende. Tegen het einde des jaars werd 1 iurke aangewezen om in 't openbaar de geheele .Theologie te verdedigen. Wel werd het den jongen religieus bang om het hart, toen hij vernam, wie te dier gelegenheid zouden komen om de proef van zijne kennis te nemen, wie de getuigen van dit wetenschappelijk tour-nooi zouden zijn.

De derde Augustus 1854 was de groote dag. De , Benedictyner bisschop Mgr. Ullathorne zat de vergadering voor en nevens hém Mgr. Howard (nu Kardinaal) en Mgr. Vaughan, de onvermoeide bisschop van Sal-ford; in den kring der aanvallers zateu een pater Passionist en de Paters Jones en Christie, Jezuïeten. Hoe hij het er afbracht, bleek uit het woord van lof door den doorluchtigen voorzitter na den afloop gesproken. Deze verzekerde, dat zulk eene gezonde theologische kennis in zoo streng scholastieken en logischen vorm eene snaar zou doen trillen over de geheele lengte en breedte des lands en weerklank \ inden onder vreemde luchtstreken. Dat deze voorspelling in vervulling is gegaan, kan geheel de Katholieke wereld getuigen. Lector in de Godgeleerdheid was nu Burke's met eere verworven titel. In December daarop zou hij zijne eerste eigenlijke preek houden, niet in de kleine kapel van Nymphsfield, doch in de

ocr page 273

265

priorykerk van Woodchester. Hij betrad den kansel, bevend als een espenblad; zijn gelaat was bleek als een doek, en zijne stem, eerst nauw hoorbaar, nam wel langzamerhand in omvang toe, doch vulde nooit geheel de niet zeer ruime kerk. Toch zaten de hoorders aan zijne lippen geboeid, duurde de preek, — 't was onder de Hoogmis — veel te kort naar hun zin, en kwam de om zijne welsprekendheid beroemde advocaat M. Bridges den Prior bedanken voor de rede, welke hij hun had bezorgd. Nooit, verklaarden de paters, was er beter in hunne kerk gepreekt. In 1855 werd P. Burke naar Tallaght bij Dublin gezonden, aan het hoofd van het pas geopend noviciaat.

Met welke vervoering van blijdschap zal hij het schoone Innisfail, het land van geloof, hoop en liefde, het eiland der heiligen en martelaren uit de verte hebben begroet! De Ieren mogen uit nood of lust over de aarde zwerven, aan hun land blijven ze gehecht met onkreukbare trouw.

Hoor Burke vragen: »zou het niet beter voor Ierland wezen, indien 't gelijk Schotland was, eene welvarende en tevredene provincie, en niet een rampzalig en misnoegd op zich zelf staand volk? Welk dezer beide zoudt gij voor uw geboortegrond kiezen, mijne lersche landgenooten ? Tot welk van die twee zoudt gij bij voorkeur behooren? Denkt u Ierland als eene bloeiende, gelukkige provincie, die haar roemrijke nationale historie vergeet; haar godsdienst derft, geen licht op haar altaren heeft, geen God in haar heiligdom, geen priesterlijke hand geheven boven het zondige hoofd! Ierland den naam van Maria verwerpend, Ierland

ocr page 274

266

voorspoedig en vooruitgaande, vruchtbaar en rijk, maar ontrouw geworden aan God: Ierland Patricks naam bespottend en Patricks godsdienst; zich afwendend van de graven met het ijzige woord; daar is geen hoop meer — op niets — geen hoop, geen gebed --maar rijk, in welvaart en eere — kunt gij u dit verbeelden? Neen! waar ter wereld de Ier moge zwerven, zoo dikwijls zijn oog een altaar of Katholieke kerk aanschouwt, roept hij uit;

Ik kies duizendmaal liever liet graf aan uw voet.

Eer 'k een ander omhelze rnet trouwloos gemoed.

»Ierland eene provincie! neen, liever wil ik het kind eens volks, de zoon eener natie zijn, ook al zie ik op mijn moeders voorhoofd eene doornenkroon en den roestigen slavenketen om hare polsen. Want van het gelaat dier moeder straalt het licht des geloofs en der reinheid, het licht van God; en veel dierder is mij deze moeder nu als de lijdende lersche natie, dan wanneer ik haar in rijkdom zag, maar ontadeld en bevlekt — zich zelve en God vergetendquot;. ')

Burke was Ier gebleven in zijn hart, maar gerijpt tot ontwikkeld man, aan God gewijd door het grootste offer, en diep doordrongen van de waardigheid in 't H. Priesterschap op zijne schouders gelegd. »Daar heeft niemandquot; zegt hij zelf »zijn vaderland zoo lief als de priester. Hij is de man, die in de dagen zijner jeugd, als de hartstochten ontwaken, als de na-

1) Lectures and Sermons 1 234 — 35.

ocr page 275

267

tuur hare eischen het krachtigst gelden doet, tot zich zeiven zegt:- ik breng mijn hart, mijne neigingen, mijn leven, mijn lichaam en ziel ten offer. Aan wien? Alleen aan God'/ Neen, want hij gaat niet in de woestijn, hij begeeft zich onder de menschen, hij grijpt alle handen om zich heen, drukt ze met hartelijkheid en zegt: ik behoor aan God en aan u. Daar is niemand gewijd aan 't heil zijner medemenschen, gelijk de priester — hij komt tot hen met eene wijding van God. Daar is niemand, op wien heel een volk rekenen en zich verlaten kan, gelijk de priester. Want om het even, of de engel der besmetting over de steden strijkt, hetzij de vijand dood en verwoesting brengt — iedereen mag vluchten en zijn leven bergen, alleen de priester mag het niet; hij durft niet, hij kan niet heengaan: zijn leven behoort aan God en den naaste.quot; ')

Wat hem had aangezet om priester te worden, was bij de behoefte aan liefde in zijne borst, het heerlijk voorrecht van de priesters en kloosterlingen van beider geslacht, de stem van God te hooren: »Ik zelf wil uwe liefde wezen.quot; Zij blijven denzelfden aandrang naar liefde gevoelen, dezelfde verlangens, denzelfden dorst als de overige kinderen der menschen, maar tot hen zegt de Heer: »Ik moet het voorwerp uwer liefde wezen, uw deel, uwe erfenis.quot; En voort worden zij gedreven door de liefde van Christus. Doch bovendien liet zich een persoonlijke invloed gelden. Galway, waar Burke zyn kinderjaren sleet, was te dien tijde de woonplaats van Daniel O'Connell.

1) Lectures and Sermons II St Laurence. O'Toole 423.

ocr page 276

268

Deze grootsche figuur met dat oog vau geestdrift vlammend en die machtige hand, welke zich in verontwaardiging heen en weer bewoog, wanneer zijn donderende stem weerklonk, ging nooit uit zijn geheugen. »Hij leerde lerlands jongelingschap, dat deze alleen iederen vijand in de wereld overwinnen kan, die zijn eigen driften heeft leeren betoomen. Hij bracht er onder anderen grootelijks toe bij, dat ik priester wilde worden; want onder de zoetste herinneringen mijner jeugd, en onder de dingen, die op mij als knaap den diepsten indruk maakten, behoort, dat ik in de kapel van Galway dien grooten Katholiek vond knielen. Deze man, die de wereld schokte, tegen wien huiverend opzag al wie^ hem op zijn levensweg ontmoette, kwam 's morgens in de H. Mis van acht ure, en ik zag hem tot de heilige tafel naderen. Ik sloeg hem gade, als hij in gebed was verslonden; 't was me of ik de gedachten lezen kon, die door zijn hoofd gingen — en telkens weer zag ik hem voor Jesus Christus de belofte vernieuwen, waardoor hij verbonden was aan zijn godsdienst en ziju vaderland. )

Twintig jaren vau priesterlijken arbeid volgden. Het grootste deel er van bracht P. Burke door in Ierland.

In de vredige eenzaamheid van het noviciaat te Tal-laght vond hij gelegenheid zich aan de studie te wijden, doch evenzeer om zijn talent in 't preeken te oefenen. Dublin lag op zeven mijlen afstands, maar de roep van zijn naam klonk spoedig de heuvelen over, en bij geheele scharen daalden de stedelingen af om zijn preeken te hooren en bij hem hunne zonden te belij-

1) t. a. p. II The Liberator 220.

ocr page 277

269

den. Sinds de opening van dit convent werd er het klooster-habijt gedragen. Hoe het Burke stond, beschrijft een zijner ordebroeders, die in 1857 onder zijne leiding kwam. »Wij traden niet ons vieren Cork'sche jongens in St Mary. P. Burke was novicenmeester. Ik zal nooit den indruk vergeten, die zijne ascetische verschijning op mij maakte, toen hij in de spreekkamer kwam om de postulanten zijner orde te zien. Zijne rijzige en magere gestalte gekleed in het wit habijt; zijn ernstig, streng gelaat nog verdonkerd door de kap, welke hij droeg over het hoofd; zijne onder het schapulier gevouwen handen en de zware, klankvolle stem met iets huiveringwekkends in den toon, dit alles te zamen gaf voor mijn jeugdigen blik de levende gelijkenis van een krachtigen in 't kloosterleven gehar-den dominicaner-monnik. Deze man mocht uit een der schilderijen van Fra Angelico met groepen van heilige Dominicanen, welke aan den wand dier ontvangkamer hingen, zijn neergekomen. Ik was ontsteld. Hij zag er uit als de verpersoonlijking van de harde gestrengheid der orde van de heiligen Pius V, Ludovic Bertrand en Vincentius Ferrerius. Toen wij het huis rondgingen, keerde hij zich kalm tot den magerste van ons vieren en zei : »mijn jongen, wij zullen u goed moeten laten eten!quot; Deze trek van menschelijkheid en goeden luim bracht mij een beetje op mijn gemak.quot;

Later bleek deze huiveringwekkende man erg mee te vallen, want dezelfde berichtgever meldt: »in alle ontspanningsuren der novicen was hij speelsch, vroolijk en opgewekt.quot;

Aan de missiën in de omliggende plaatsen gegeven,

ocr page 278

270

nam hij een werkzaam deel; doch in 1858 preekte hij te Dublin bij de professie eener religieuze. De kapel

was klein, en toen daar eeae lange gedaante, welke men

voor het altaar had zien knielen, opstond en met statigen tred naderkwam, maakte hij indruk; zijn donker en krachtig geteekend gelaat, en een stralende blik welke op de glanzen eener hoogere wereld scheen te staren, boeiden nog meer. Zijn onderwerp was het

religieuze leven. ^ • i i ••

De kapel was klein, en zijne stem verhiel zich bijna

niet boven fluisteren; maar deze zachte toon drong in het hart der hoorders. Zij zaten ademloos. Hij sprak van de schoonheid, reinheid en volmaaktheid van den kloosterstaat; hij toonde, hoe deze er naar streeft den mensch reeds hier op aarde gelijk te maken aan ce engelen Gods; hij verklaarde met wonderbare helderheid den zin der religieuze beloften en wees er op, hoe zij tot heiligheid brachten ; en met een machtig slot, dat de hoorders wegvoerde van al het aardsche, liet hij ze in de ernstige beschouwing eener glorievolle toekomst. Het was geen gepolijste redevoering, welke wij hoorden; geen kunstig ineenweven van schitterende frazen en afgeronde volzinnen, welke het oor streelen zonder het hart aan te doen. Het was de volle stroom van een apostolisch gemoed, die neer-bruiste op de vergadering en alles meesleepte in zijn niet te weerhouden vaart. Er waren wereldsche men-schen tegenwoordig, doch de meest wereldgezinden gingen zwijgend henen, nadenkend over de nietigheid

van hun woelen en werken.

't Was een preek om een spotter tot zelfveroor-

ocr page 279

271

deeling te brengen, eene rede, die heel uw leven het geheugen niet meer ontgaat. Toen de vergadering langzaam henentrok uit de kleine kapel, was de vraag op ieders lippen: Wie was die man? eindelijk wist een te zeggen : »P. Burke van de Dominicanen.quot; Een der hoorders heeft later bekend, dat hij dagen achtereen ernstig er over heeft nagedacht de wereld te verlaten en in 't klooster te gaan.

Doch de biechtvader van het klooster, die hem nog nooit gehoord had, kon zich niet weerhouden uit te roepen: »Hij is de man, die komt!quot;

Het volgend jaar kwam hij in de plaats van een gezochten redenaar te Dublin preeken bij de inwijding van het orgel in de kerk van de Zeester. »Ik zal uquot; had P. Murphy gezegd, »een joug mensch doen zenden, die veel beter preekt dan ik.quot; En 's anderendaags was heel Dublin vol van de merkwaardige preek in San-dymount.1) Een niet zeer bemiddeld man was bij den pastoor gekomen, zeggende : »ik had u een pond voor de kerk toegedacht, maar die man heeft er mij vijf uit den zak geklopt.quot;

Nu volgde uitnoodiging op uitnoodiging, retraites voor priesters op retraites voor religieuzen, en een hooggeplaatst geestelijke zei: »wij hebben eene tot nog toe onbekende mijn ontdekt.quot;

De werken, die hij in de voorbereiding zijner preeken het meest gebruikte, waren St. Thomas, Paulus Seg-neri en Joh. Henry Newman. Dat hij Segneri in Italië heeft leeren kennen, is niet te verwonderen; dat hij

-I) Saudymount is eene wijk te Dublin, waarin genoemde kerk ligt.

ocr page 280

272

hem genoot, in zich opnam en verwerkte, blijkt uit zijne preeken, maar bovenal was P. Burke zichzelf, frisch en oorspronkelijk in den volsten zin.

Van de Engelsche letterkunde was hij zoo op de hoogte, dat hij meermalen in zijne lezingen en conferenties verzen en uitdrukkingen van Shakespeare aanhaalde en van de beste schrijvers geheele bladzijden letterlijk weergaf. In een letterkundig opstel van zijne hand in het Hibernian Magazine van April 1864 spreekt hij zijne waardeering uit over de toen juist overledene Adelaide Proctor en roemt hoogelijk eene Engelsche vertaling van Dante's hel.

In 1863 prior van zijn klooster geworden, predikte hij in Maart eiken dag in de kerk der Katholieke universiteit te Dublin, en beurtelings volgde hem nu de toeloop naar deze kerk of naar die der Dominicanen — maar de tijd, dat hij met de oogen toe voor zijn hoorders stond te beven, was voor goed voorbij.

Het volgend jaar in September riep zijn Generaal hem weer naar Rome als Rector van het lersch Dominicanen-college van St. Clemens, waar hij tevens aan het hoofd der studiën zou staan en het 2,l« deel der Summa van den H. Thomas verklaren.

Een brief — zijn langste misschien, want men klaagde, dat hij zoo zelden schreef en zoo kort — aan eene oude weldoenster, teekent hem in zijne nieuwe betrekking, zoo als hij was.

»San Clemente; Rome 12 Nov. 1864.

»Uw vriendelijk schrijven was het eerst en het eenigst, wat ik sinds mijne aankomst in de eeuwige stad out-

ocr page 281

273

ving. Het deed mij groot genoegen, waarvoor ik u hartelijk dank zeg. 't Was lief van u, dat gij den armen lerschen zwerver bleeft gedenken en mij zoo goede en welkome tijdingen zond omtrent mijne goede kinderen van Rathfarnham, enz.

»Wij zijn dan gezond te Rome aangekomen; geen ongelukken, bandieten of ziekten, niets .... Het weder was heerlijk.

»Sinds mijne aankomst hier leg ik mij geheel toe op vasten en versterving en zie er al zoo vergeestelijkt uit, dat er plan bestaat om een afdruk van mijn gelaat in fransche pleister te nemen als model voor een H. Bernardus. Zou dat niet troostend wezen? Wanneer het doorgaat, stuur ik u zoo'n klein borst-beeldje om op den schoorsteenmantel te zetten in uw huiskamer.

»Wanneer u dan bezoek krijgt van uwe vriendinnen, mag u het aan de uitverkorenen laten zien, en zij zullen hare oogen ten hemel heffen en zeggen : och hij is het sprekend!quot;

»Maar nu in ernst. Mijne negen eerste H. Missen heb ik voor u gelezen zooals ik beloofd had .... mijn leven is hier zoo, dat u het nog al hard zou vinden, maar Goddank mijne gezondheid kan er goed tegen, mijn eetlust is wonderbaar toegenomen, en mijn hoest is over ....

»A1 zulke onaangenaamheden [als waarover zij zich beklaagd had], kunt gij opdragen aan God, en zonder iets van dien aard, zou ik ook niet weten, hoe gij worden zoudt, wat God recht heeft van u te verwachten. Denk, hoe weinig van de vreugde dezer aarde de

18

ocr page 282

274

moedermaagd heeft genoten, en hoe groot hare blijdschap was bij al hare smarten, en hoe groot hare glorie is op dit oogenblik. Doch wees gerust, ik ga niet aan 't preeken. In de eerste drie jaren denk ik aan geen preeken meer. De zondagen zijn me echter bitter droog, geen scharen volks, geen enkel woordje.

»Ik heb plan om als de kerk gesloten is, op den preekstoel te gaan en mijn hart nog eens op te halen.quot;

Zoover behoefde 't evenwel niet te komen. Sinds kardinaal Wiseman, die elk jaar in de kerk van Sta. Maria del popoio gewoon was de Vasten in het En-gelsch te preeken, als hoofd der herstelde hierarchie naar Engeland was teruggekeerd, had Mgr. — nu kardinaal — Manning deze taak overgenomen. Bij Wiseman's dood in 1865 ging Mgr. Manning hem vervangen, en zocht en vond men een opvolger in den Prior van San Clemente. Hy begon er ditzelfde jaar, en zijn ijver, godsvrucht en welsprekendheid verwierven hem in de hoofdstad der Katholieke wereld den naam volgens een Engelsch Weekblad hem door Pius IX zelven geschonken van prins der predikers; want niet alleen in zijne moedertaal, ook in 't Ita-liaansch was hij welsprekend. Tijdens de drie jaren van zijn prioraat ontbrak hem de gelegenheid wel niet om te zien, met hoeveel liefde en goedheid Koning Pius regeerde. »Er viel,quot; zeide hij »nagenoeg geene belasting te betalen, ellende of gebrek waren vreemd. Een aantal scholen verstrekten overvloedig onderricht aan de jeugd, er was werk voor het volk. Geen gedwongen krijgsdienst leverde de jongelingschap over aan het bederf der kasernen of aan een. vroe-

ocr page 283

275

gen dood op het slagveld; iedere burger bezat zijn huis en zijne ziel en vrede. Er was voorspoed en welvaart, want de hand eens vaders bleef zegenend uitgestrekt over de Romeinen, en een hoogepriesterlijk gebed ging dagelijks voor hen omhoog.quot;

In onderscheidene voordrachten over Pius IX en 't Pausdom heeft hij zijne indrukken van Rome in den hem eigen, levendigen stijl weergegeven.

«Augustus beroemde er zich op, dat hij Rome gevonden had als eene stad van steen en als eene stad van marmer achterliet. Welnu ik heb Rome gezienin de eerste dagen van Pius' regeering en in de laatste jaren weer, toen zijne hand er over was gegaan, en ik beweer, dat Pius IX met meer recht dan Augustus zeggen mag: »wat ik van steen vond, is onder mij marmer geworden.quot; Hij bouwde nachtverblijven voor de armen en plaatste fonteinen in gedeelten der stad, waar het volk behoefte had aan helder drinkwater. In de nabijheid van ons klooster ben ik er getuige van geweest; ik heb er eene heerlijke fontein zien verrijzen, omdat de armen hun nood bij den Paus hadden geklaagd. Zoodra hij op zijn rijtoer buiten het gewoel der drukste straten was, placht hij uit te stappen en te voet te wandelen ; ieder kind dat dan voorbijging, en elke arme vrouw, die hem langs kwam, knielde neer en ontving 's Pausen zegen, en wanneer zij iets noodig hadden, vroegen zij 't hem. Eens zag ik een paar vrouwen naar hem toeloopen, en op de knieën riepen zij luide: »ach, heilige vader, is 't nu niet ongelukkig, dat wij onze kleeren niet kunnen wasschen? Wij hebben maar geen water en moeten wachten tot het komt. Eens

ocr page 284

276

in de week krijgen wij een beetje, en als wij dan niet klaar zijn, kunnen wij de heele week niet meer was-schen. Zie maar eens, hoe wij er uitzienquot; zei eene oude vrouw en toonde hem haar goed. De Paus glimlachte. »Ik ben haast zoo arm als gijquot;, was zijn antwoord, »maar eene fontein zal ik u toch bezorgen.quot; Daar kwam een fontein, en een prachtige. De naburige waterleiding voerde het water aan; drie heerlijk frissche stroomen stortten zich in marmeren bekken neer en liepen van daar door de groote nieuwgebouwde hal, welke nacht en dag open bleef en overvloedig water verschafte, 't Was dicht bij ons klooster. Op den dag, dat de fontein werd geopend, kwam de Paus en stond midden tusschen de arme menschen. »Ik heb gisteren al eens van het water geproefd, zei hem een — van mijn leven heb ik geen lekkerder gedronken.quot; — Een ander moedertje klapte van blijdschap in de handen en riep; »nu kunnen wij ons goedje gewasschen krijgen.quot; En daar stond de oude man bij met een glimlach, en zijn hart was verheugd, omdat hij het middel had gevonden in eene behoefte zijns volks te voorzien.

.iDaar is in heel Europa geen stad, die een beter gasthuis heeft dan San Spirito, door Pius IX te Rome gebouwd. De arme man, die er in komt, vindt alles voor hem gereed. Daar zijn geen vaste uren bepaald voor zijn vrouw en kinderen om hem te bezoeken, als hij ziek is, terwijl op elk anderen tijd de deur voor hen gesloten blijft. Van den morgen tot den nacht staat de deur niet stil, en komen de bloedverwanten bij den zieke, alsof hij thuis lag. De beste geneesheeren,

ocr page 285

277

die men vinden kan, bezoeken dit huis; de teederste zorgen omringen de kranken; zonder ophouden gaan de priesters in en uit, en iedere zieke ontvangt geestelijken troost en de heilige Sacramenten, zoodra hij het verlangen te kennen geeft. Ik heb dat gasthuis bezocht; ik heb die zalen doorkruist, niet eens, maar dikwijls, en gezien, hoe geen bij de wet geregelde liefde, geen berekende zuinigheid deze armen omgeeft, geen loontrekkende oppassers zonder hart hen verzorgen, maar priesters van St. Jan de Deo, die belofte doen om in de hospitalen in den dienst der zieken te leven en te sterven, en zusters van liefde. Ik ben er getuige van geweest, hoe ze bezocht werden dooiden grijsaard, die het huis voor hen had gebouwd, de Stedehouder van Jesus Christus. Want zijn lust was het zijn rijtuig te doen ophouden voor deze deur en dan in de zalen te gaan bij de armen. Zoolang hij nog geld in zijne beurs had, gleed er een zilverstuk in de hand des kranken, dan zegende Pius hem en ging verder, en waar hij kwam, deden zijne liefde en edelmoedigheid den last des lijdens minder zwaar wegen op de schouders der armen.

»Vraagt men nog wat de Paus voor Rome deed?-Hij bouwde er de schoonste kerk der wereld na Sint-Pieter, op de plek, waar Paulus onthoofd werd buiten de stadsmuren. Hij legde fraaie straten aan, gaf uitbreiding aan pleinen en markten, vaardigde wetten vol wijsheid uit en deed al zijnen onderdanen mildelijk en zonder aanzien van personen recht wedervaren. Op zware lasten zat de bevolking niet. Ik heb voor ons huis berekend wat wij, indien heel onze bezitting,

ocr page 286

278

huis en landerijen, in Ierland gelegen had, voor grondlasten zouden moeten opbrengen: ik kwam tot tachtig Pond in goud 's jaars. En hoeveel meent ge, betaalden wij in Rome ? Wij waren hooger aangeslagen dan de leeken; de geestelijken moesten altoos meer opbrengen: »laat ons het volk sparen,quot; zei de Paus, »betaalt gij maarquot;, en met dit alles betaalden we een waarde van vijftien Pond in plaats van tachtig.

»Er was in bijna iedere straat een school. De ouders zonden er gerust hun kinderen heen, wetend, dat zij geen kwaad zouden leeren van de religieuzen van St. Josef van Calasance, of in de armenscholen der christelijke Broeders, of bij de Paters Jezuïeten voor de hoogere klassen, 's Morgens om acht uren zaagt gij deze religieuzen en Broeders met de bel in de hand door de straten gaan om de ouders te waarschuwen, dat het tijd was voor school. Hadden de kinderen thuis geen ontbijt, dan vonden ze 't bij de Broeders, 's Avonds stormden ze niet als wilden de straat op om kwaad te doen, maar in de rij als soldaten gingen ze, achter elke tien of twaalf een priester of een Broeder, die kind voor kind thuis bracht en aan vader of moeder zei: »ziedaar, u gaf hem mij van morgen.quot;

»Pius was een man van geloof. De reden van zijn ongeluk was, dat hij geloof sloeg aan zijn eigen volk; geloof aan het hart van Italië; geloof aan trouw bij de Italianen, doch dit was een menschelijk geloof en het werd vernield en gebroken door de ondankbaarheid van zijn eigen volk. Doch hij had een geloof van hooger orde in God; hij leunde op God met een

ocr page 287

279

alomvattend geloof. Van den dag zijner kroning af, heeft hij door het geloof geleefd; op het geloof steunt de heele Kerk. Ik heb hem gezien in de moeilijkste omstandigheden, toen Rome werd bedreigd; toen bisschoppen, prelaten en kardinalen hem met bestorven lippen kwamen boodschappen: «Heilige Vader, gij moet vluchten, uw leven is in gevaar.quot; En ik heb den grijzen opperpriester hooren antwoorden met een glimlach van het volste vertrouwen op het gelaat; 3waar is uw geloof? Denk aan de woorden van Christus: gelooft in God, en als gij dan zegt tot dezen berg: ga heen van deze plek, dan zal het geschieden.quot; Nooit heeft zijn geloof een oogenblik gewankeld. Vast staat bet als een rots, onbewegelijk als de rots, waarop de Kerk gebouwd is. De geleerdste mannen van Europa stonden op en gingen van hem en van de Kerk weg; en hij vroeg gelijk zijn goddelijke, nooit dwalende Meester: »gaat gij ook heen ? Indien ook heel de wereld mij verlaat, mijn geloof zal niet wankelen.quot; Vast stond hij als een rots, toen Engeland en zijne geestelijkheid een vergelijk met hem zochten te treffen en slechts eenige voorwaarden stelden om zich te onderwerpen en terug te keeren tot de gemeenschap der katholieke Kerk. Het antwoord des Pausen was: »ik kan niet toegeven aan voorwaarden, noch treden in eene overeenkomst, waarbij de rechten der katholieke leer worden gekrenkt: indien gij niet gelooft, kan ik u niet toelaten aan haar boezem.quot;

»Een man van hoop is hij. O, mijne broeders, hoe krachtig is de hoop, welke dien grijsaard ondersteunt, nu de last des ouderdoms weegt op zijne schouders.

ocr page 288

280

Te midden van tegenspoeden, die een sterker hart hadden gebroken, toen de kroon der tijdelijke macht hem viel van het hoofd, en de hand van Katholieken een krans van doornen daarop plaatsten — bleef hij staan met de hoop in zijne borst. Wel mag hij het den apostel nazeggen: »wij zijn gered door de hoop.quot; Nog bleef hij op zijn post, en troostte de mismoe-digen, beurde al wie wankelde op en deed jaar op jaar zijn stem klinken over de aarde: »ik ben een gevangene hier onder mijn volk; doch ik weet, op wien ik vertrouw, de overwinning en de zegen zullen aan mij zijn.quot;

»Was daar ooit een man van liefde als hij ? O hadt gij hem zoo vaak als ik zijn rijtuig zien uitstappen, om in een mindere straat van Rome onder de armen te gaan. Dan kwamen de vrouwen uit hare woningen en brachten hare kinderen voor hem om zijn zegen te ontvangen; met eigen hand deelde hij zijn milde aalmoezen uit, en tranen van dankbaarheid ontrolden hun oog, wanneer zij het hoofd bogen onder zijn zegen. Hij wandelde in hun midden als de levende beeltenis van Hem, die van armen omringd door de velden van Judaea en Galilea wandelde — de man dei-liefde. Hadt gij hem mogen zien zooals ik, toen ik knielend in het Katholieke Rome de aanraking van zijn vaderhand gevoeld heb op mijn onwaardig hoofd ; nog zie ik hem voor mij staan. Zijne wenkbrauwen zijn wit, want tachtig winters gingen over zijn hoofd; zijne rijzige leest is gebogen, want de zorg voor de Kerk van Christus woog meer dan vijf en twintig jaren op hem, en de menschelijke ondankbaarheid

ocr page 289

281

heeft zijn hart tot stikkens toe benauwd. Geene kroon op dat koninklijk hoofd, geen schepter in deze gezalfde hand. Hij durft niet meer uit te gaan, want hij zou omringd worden door een tierende menigte gelijk Petrus in Jeruzalem, zooals de meester op weg naar Calvarië. Zette hij den voet buiten zijn eenig paleis, hij zou woorden vernemen van ruwe godslastering; hij zou een taal hooren, waaraan zijn maagdelijk oor nooit is gewend; daarom ziet hij, de onttroonde koning, zich gedwongen binnen de muren zijner woning te blijven. —

Wat is hij feitelijk meer dan een gevangen man ?.....

»Van Ierland, mijn geboortegrond, komt hem meer dank, meer liefde toe dan van eenig ander deel der aarde. Ik heb hem lief niet alleen als Katholiek, omdat hij de onbevlekte ontvangenis mijner moeder Maria tot leerstuk heeft verklaard; ik heb hem lief niet alleen als priester, omdat hij bij zijne laatste onfeilbare uitspraak mij voor altoos een vuurbaak gewaarborgd heeft, die nooit gedoofd kan worden; omdat hij ons een stem heeft doen hooren, naar welke wij veilig luisteren kunnen in zaken van het geloof, en waar tegen geen mensch recht heeft in verzet te komen — maar ik heb hem behalve om al deze redenen lief als Ier, omdat hij in 't midden van zijn leed en zorgen tijd vond om te denken aan de trouw en de liefde van 't lersche volk voor zijn heiligen godsdienst: en hij was de eerste opperpriester, die de Ieren beloond heeft op heerlijke, koninklijke wijze. Pius IX gaf aan de lersche Kerk haar eersten Kardinaal, ')

1) Z. Em. Kardinaal Paulus Gullen, Aartsbisschop van Dublin,

ocr page 290

282

dat is, hij gaf aan de Kerk van Ierland eene stem in de grootste van alle raadsvergaderingen der aarde; deze, waarin de vraag van Samuel omtrent David wordt beslist: »is deze de gezalfde des Heeren?quot; Wanneer het de keuze geldt van een Paus, het zichtbaar hoofd der Kerk; wanneer uit drie of vier een keuze moet gedaan, dan wordt in de hoogste raadsvergadering der aarde de H. Geest aangeroepen en gevraagd: is hij hier voor U, de gezalfde des Heeren, o Geest van waarheid?

»Sinds vijftienhonderd jaren hadden zonen uit alle volkeren zitting indien raad; doch Ierland, het trouwe, het gemartelde Ierland had er geen stem.

»Daar spreekt Pius IX tot een Ier; »Neem uwe plaats in, gij zoon van martelaren, onder de prinsen van Gods Kerk, en wees gezeten te midden van hen, die den Heiligen Geest moeten vragen: Wie zal de Kerk besturen ? En als dan het antwoord klinkt: de zoon van Erin — dan heeft de zoon van Erin recht op de Pauselijke tiaar.quot;

»Wat zal de toekomst zijn dezer tiaar? De eerste der drie kronen, uit welke zij bestaat, beteekent de eenheid der Kerk, wier hoofd de Paus van Rome is. De tweede kroonband is het kenmerk van zijn Primaatschap en rechtsmacht over al de bisschoppen der wereld ; de derde is de kroon, die hij van zijn

vroeger te Rome Rector van 't College der Propaganda in 'i 866 tot Kardinaal verheven.

Z. H. Leo XIII verhief Mgr. Mac-Cabe tot dezelfde waardigheid. Na diens dood, H Febr. 1885, werd Mgr. Moran met de Kardinaalswaardigheid bekleed.

ocr page 291

283

volk ontving, het teeken van zijn tijdelijke macht en wereldlijk koningschap. De beide eerste dier kronen behooren hem zóó toe. dat niemand hem die kan ontnemen; hij ontving ze uit de handen van Jesus Christus. Wij weten, dat hij morgen in ballingschap kan gaan; dat hij zonder dak kan moeten zwerven over de aarde, verjaagd van stad tot stad; doch wij weten evenzeer, dat God en de Kerk beiden hem gemerkt hebben met een zege], dat niemand dan hij dragen kan: het zegel van het Herdersambt en de onfeilbaarheid. Doch zal de derde kroonband weer flonkeren op zijn voorhoofd, zal de tijdelijke macht worden hersteld?

»Het is een opmerkelijk feit, dat alleen de Katholiek met zekerheid van de toekomst kan spreken. Ieder ander moet, waar het de toekomst geldt, zijne uitdrukkingen temperen door een «waarschijnlijkquot; misschien »het kan gebeuren,quot; de Katholiek kan zeggen: »zoó zal het wezenquot; ; hij weet dit zoo vast als een noodlot. Daar is niemand onder ons, die niet weet, dat de overweldiging van Rome een voorbijgaand, niet duurzaam feit is. De koning van Italië mag dit jaar nog in Rome blijven, eenige jaren nog misschien — maar zoo zeker als Rome op haar zeven heuvelen ligt, zoo zeker zal de tiaar worden hersteld in haar drievoudigen luister, zoo zeker moet er een Paus-koning zijn. Waarom? vraagt gij. De reden is duidelijk. De tijdelijke macht des Pausen is voor de Kerk Gods passend, zeer nuttig en hoog noodzakelijk, —-en wat voor de Kerk Gods passend, nuttig of noo-dig is, zal God haar geven. De tijdelijke macht zal

ocr page 292

284

terugkomen gelijk vroeger, want ze is dienstig voor de Kerk, en de wereld kan er niet buiten. De hand, welke gedurende meer dan duizend jaar de maatschappij in toom hield; die koninklijke ongerechtigheid en eerzucht een machtigen breidel wist aan te leggen ; die het volk beteugelt met een forschen greep — is even noodig in de toekomst, als zij in 't verleden was; daarom zal God die hand eene koninklijke laten blijven, en koesteren wij Katholieken dienaangaande niet de minste vrees. Wij weten bovendien, dat gelijk onze goddelijke Heer en Meester in Jerusalem leed en begraven werd, en drie dagen bleef in het graf — maar met onloochenbare waarheid verrees, te glorierijker, dewijl hij meer geleden had, — zoo zal Pius IX of zijn opvolger — want de Paus sterft nooit — opstaan uit het graf des lijdens in te heerlijker koningschap en te grooteren invloed, omdat hij door het lijden dezer dagen is heengegaan. Nochtans, mijne Broeders, de uren van des Heeren lijden waren de kostbaarste Zijns levens; toen was Hij het schoonst en het aantrekkelijkst, voor wie Hem liefhadden; toen stond Hij de hoogste gunsten aan de kinderen der menschen toe, want Zijn voorhoofd mochten ze reinigen van zweet en bloed; het kruis verlichten op Zijn schouders; Hem opheffen van den grond, als Hij van smarten uitgeput was neergevallen. Maar evenzoo is dit lijdensuur des Pausen het kostbaarste en het rijkst aan voorrechten voor den Katholiek. Wij kunnen onzen H. Vader den Paus de hand toe steken om hem op te beuren, te helpen en te troosten. Het valt niet zwaar een man toe te juichen, wien de fortuin

ocr page 293

285

omhoog heeft getild, wien alles medeloopt; 't is niet moeilijk fier op den Paus te wezen, wanneer deze door de koningen der aarde erkend in al zijne glorie schittert; maar zich te scharen aan zijn zijde, hem te belijden voor de wereld, indien het wezen moet te strijden voor hem, wanneer geheel de wereld tegen hem is — dat is de triomf van het katholieke geloof en het lersche hart.quot;

P. Burke's conferenties in den Advent en de Vasten brachten al wat te Rome Engelsch verstond in zijn gehoor. De hertog van Norfolk ontmoette er den tegen-woordigen kardinaal Howard en bijna al de Anglicanen, benevens de studenten der Engelsche Colleges. Toen hij over de echtscheiding in den modernen staat het woord voerde, nadat deze wet in Engeland was aangenomen, was eene Protestantsche dame tegenwoordig, die verloofd was. Na de preek zeide zij ; »ik zie mij verplicht uit eerbied voor mij zelve en uit zelfverdediging Katholiek te worden.quot; Den eigen dag schreef zij aan haar verloofde: »mijn waarde vriend, indien gij Katholiek wilt worden en mijn geloof deelen in de onverbreekbaarheid van den huwelijksband, zoo treed ik met u in den echt; doch blijft gij in eene godsdienst, welke echtscheiding mogelijk maakt, dan neem ik u niet.quot;

Eene andere Anglikaansche dame van aanzienlijken stand hoorde P. Burke preeken, kwam tot hem en liet zich binnen weinig tijds opnemen in den schoot der Katholieke Kerk. »Op den dag harer afzwering zelvequot; verhaalt P. Burke »kwam hare moeder bij me, buiten zich zelve van smart; de tranen stroomden over haar

ocr page 294

286

gelaat — zij was troosteloos. »Wat hebt ge gedaan met mijn kindquot; viel zij uit «slechte man, wat hebt ge gedaan met mijn kind ? mijn kind is door uw schuld voor altoos verloren, en mijn geluk verwoest.quot; —

— Wat is er dan gebeurd? vroeg ik.

— Wel, gij hebt mijn dochter Katholiek gemaakt.

— Dat is waar. Naast God was ik het, die haar hielp om Katholiek te worden — doch meent u, dat hierin de oorzaak ligt van uwe smart?

— Ja hernam zij, daar alleen.

— Welnu, gij zijt een hoog ontwikkelde vrouw, laat mij u eene vraag stellen: welk punt is er in de leer of in het leven der Katholieke Kerk, waar gij op tegen hebt?

Na een oogenblik aarzelens antwoordde zij: »dat weet ik niet; maar ik weet, dat gij mijn kind hebt betooverd en mijn hart gebroken.quot;

— Vindt u dan iets kwaads in de leer der Katholieke Kerk, die uwe dochter heeft omhelsd?

— Neen, zeide ze, doch indien mijne dochter God verzaakt had en zich atheïst verklaarde, zou dit mij niet zoo grieven, als nu zij Katholiek geworden is.

»Zoo bekende zij rae zelf, en dat zonder eenige reden hoegenaamd te kunnen opgeven, zonder iets te weten van het waarom, zonder den minsten grond. Twaalf maanden later had ik het geluk deze vrouw ook op te nemen in de Kerk en een goede Katholieke van haar te maken.quot;

Onder hen, die te Rome niet enkel in zijn gehoor waren, doch ook in San Clemente hem meermalen bezochten, was de groote Amerikaansche dichter Longfellow.

ocr page 295

287

Hem zon Burke bedoelen, wanneer hij zegt: »Het heugt mij in gesprek te zijn geweest met een zeer uitstekend dichter, een die naam heeft gemaakt over geheel de wereld, een goede bekende in iederen kring, waar Engelsch gesproken wordt — en deze zeide me : «Pater, ik ben niet Katholiek, toch is mijn levendigste genoegen en mijn grootste blijdschap de Katholieke plechtigheden bij te wonen, de Katholieke godsvrucht te bestudeeren, de Katholieke leer te onderzoeken.quot; Zeker is het, dat P. Burke de stellige hoop koesterde, dat deze begaafde man nog eens tot de Roomsche kerk zou overgaan.1)

De groote lersche Staatsman Sir Gavan Duffy overwinterde in quot;t jaar 1866 mede te Rome, stond verbaasd over den gullen eenvoud, met welken zijn beroemd geworden landgenoot Burke hem ontving, en getuigde later. »Hij preekte toen in eene der kerken van de Piazza del Popoio waar iedere week in 't Engelsch gepreekt wordt voor de Engelschen, Ieren en Amerikanen van verschillende belijdenis, welke den winter te Rome doorbrengen. Ik zorgde in tijds voor eene plaats in de Kerk, en zijne preek was eene der grootste verrassingen van mijn leven. Ik had door herhaalde gesprekken met hem geleerd welk een ruimen, helderen blik, hoeveel gezonden humor en karakterkennis hij bezat. Het was onmogelijk hem te kennen zonder tevens in te zien, dat hij een man was van ongemeene gaven en uitgebreide wetenschap, doch ik

') Life of Father Thomas Burke, O. P. by William J. Fitz-Patrlck F. S. A. Vol. I ch. IX. 289 London Kegan Paul, Trench and Co. Paternoster square 1885.

ocr page 296

288

was niet voorbereid op eene zoo machtig aangrijpende welsprekendheid. Ik had al de redenaars van naam gehoord, in de Katholieke Kerk althans en in het Parlement, doch ik was getroffen, meer dan ik zeggen kan. door deze preek, de overvveldigendste die ik ooit gehoord heb. Ik zie geen kans de soort van indruk weer te geven, dien hij op mij gemaakt had, doch mij dunkt overtuiging kwam het meest op den voorgrond. Gij werdt van lieverlede getrokken om 'sprekers opvattingen aan te nemen als de eenige, die samengingen met waarheid en gezond verstand. Hij ging regelrecht op een bepaald doel aan, en heel de weg, dien hij volgde, was voor het oog van uw geest als een lichtende streep.quot;

Na verloop van zijn driejarig bestuur in 1867 — werd hij naar Dublin terug gezonden, en bleek de verwachting waard, welke zijn volk van hem had.

Sinds 1858 toch was hij de gevierde redenaar, die nooit over de hoofden heengalmde, maar de harten aangreep en de gemoederen schokte; die altoos heldere en gezonde gedachten in zuivere en natuurlijke taal wist uit te drukken; wien het juiste woord zonder moeite op de lippen kwam, en het sprekendste beeld voor den geest; die zich nooit bekommerde om door sierlijker wending of kleuriger woord de aandacht te trekken, maar zich zeiven vergetend, in zijne machtige rede opging en daarom met zulk een onweerstaanbare kracht zijne hoorders boeide en voor zijne zaak wist te winnen.

Een uitmuntend predikant der Anglicanen, de Kanselier Tisdall, wenschte hem te hooren en ging op

ocr page 297

289

een avond in de Goede week naar de kerk der orde in Dominickstreet. »Ik heb zelden,quot; dus schreef hij, »eene bewonderenswaardiger rede gehoord.quot; Sprekers manier van behandeling zijner stof, — Gods haat tegen de zonde — was oorspronkelijk en vol bewijskracht, maar de toepassing en het slot waren de machtigste proeven van redenaarstalent, die ik in mijn leven heb ontmoet. Nu en dan bracht de stortvloed zijner welsprekendheid mij Lacordaire voor den geest, dien ik jaren geleden in een vaste in St. Eoch te Parijs had gehoord.

»Ik was naar de kerk gebracht om P. Burke te hooren, door een vriend, die benieuwd was te weten, wat ik van hem als redenaar dacht. De eenige plaatsen, die wij in de overvolle kerk konden machtig worden, waren in de gaanderij aan den westkant. Zoo kwam het, dat ik op een aanmerkelijken afstand van den spreker zat, maar zoo duidelijk was zijne uitspraak, en met zooveel vaardigheid wist hij zijne stem te leiden, dat ik geen woord miste van zijne schoone preek, welke een vol uur duurde. De krachtigste en aangenaamste stemgeluiden, die ik ooit gehoord heb, waren die van O'Counell, Isaac Bat, Whiteside, Spur-geon en Burke.quot;

Omstreeks dezen tijd vierden lerlands Katholieken een plechtig feest van drie dagen om God te bedanken voor de opheffing der staatskerk in Ierland. Zondag 12 Sept. werd het gesloten in de Pro-Cathedraal van Dublin in tegenwoordigheid van Z. Em. Kardinaal Gullen en de meeste lersche bisschoppen. P. Burke was de aangewezen man om het woord te voeren. Het Evangelie van den 1 Tden Zondag na Pinksteren bracht

19

ocr page 298

290

het gebod der naastenliefde in herinnering, en hij wees op de drie deelen, waaruit het bestond en vooral op het edelmoedig vergeven van alle beleedigingen, welke de naaste ons had aangedaan. «Misschien vraagt iemand,quot; ging hij voort. »Wat hebben wij te vergeven ?

»In waarheid, zoolang de vraag over de opheffing der Protestantsche kerk bij het Engelsehe Parlement aanhangig was, zou de onkatholieke pers ons bijna hebben doen gelooven, dat alle schuld aan onze zijde was; dat zu derhalve te vergeven hadden, en niet wu Katholieken.

»Laat ons een terugblik slaan om de vraag: »wat hebben lerland's Katholieken te vergeven?quot; te beantwoorden. W ij moeten bladzij voor bladzij terug in de met bloed bevlekte historie van misdaad en onrecht drie eeuwen lang; treuriger jaarboeken dan wij hebben te doorbladeren, kent de geschiedenis niet. Zij zijn geschreven met de tranen en het bloed van ons afgepijnigd en vertreden volk, dat meer onrecht, leed en smaad had te dragen, dan de historie van eenig land sinds de schepping der wereld verhaalt. Wat wij te vergeven hebben? Driehonderdjaren terug was het lersche volk één in 't geloof, één in de liefde. Uit het geloof en de liefde der lersche natie blonk de glans van dien heiligen godsdienst, welke haar dierbaar was als het leven. Uit het geloof en de liefde der lersche natie rezen omhoog cathedralen, collegiën, kloosters en kerken, die het land overdekten en Ierland tot in de eigen ure van zijn ondergang deden schitteren als de glorie van het Christendom, het land der heiligen en Katholiek bij uitnemendheid. Zoo was de staat des

ocr page 299

291

lands drie eeuwen geleden. Overheid en onderdanen waren Katholiek tot in het bloed. Het dagelijksche misoffer, de heilige sacramenten der Kerk waren ler-lands geestelijk leven ; en onder elke hemelstreek klonk de stem eens lerschen zendelings, verkondigende het glorierijke geloof in Jesus Christus, zoo dierbaar aan zijn volk en aan de achtergelatenen op zijn geboortegrond. Ierland met zijn geloof en ijver was in 't bezit zijner Kerk gelukkig en rijk, toen op eens eene mogendheid, menschelijkerwijze ver zijn meerdere, eene daad van geloofsverzaking vorderde; eene afzwering van het geloof, dat voor twaalf eeuwen in het bloed zijner eigen kinderen was neergelegd. Het lersche volk vernam den eisch om het beeld des Gekruisten ter aarde te werpen, het tabernakel open te rukken en den Zoon Gods met hun voeten te vertreden; den eisch om weg te nemen elk symbool, dat tot de wereld van hun Christendom sprak; den eisch om op te geven de heilige sacramenten der Kerk; zoodat jongeling of maagd niet meer konden nederknielen in den biechtstoel, om van Jesus Christus de vergeving hunner zonden te ontvangen; zoodat de oude van dagen op zijn sterfbed door geene heilige zalving meer kon gesterkt worden in het laatste uur; zoodat het lersche graf niet langer heilig mocht blijven in de schaduw van het kruis, noch gewijd door de gebeden van een geloovig en beminnend volk. Dit alles werd van de Ieren geëischt, en dan moesten zij met hei-ligschennende hand de heerlijke tempels omver halen door heiligen gebouwd in het land hunner vaderen. Ierland weigerde met afschuw. Het volk vertegen-

ocr page 300

292

woordigd door zijne bisschoppen en priesters, sprekend door den mond zijner overheden, stond daar verbonden en aaneengesloten door de eenheid des geloofs als één man, en verklaarde plechtig, dat zij liever sterven wilden, dan één leerstuk loslaten van hun geloof, of opgeven ééne oefening van godsvrucht van hunne vaders geërfd.

»Toen was de wereld getuige van een schouwspel even verschrikkelijk als vreemd.

»Eene machtige natie — toen de machtigste dei-wereld misschien — was ter raadzale gezeten om ler-lands lot nauwlettend te wegen in eene balans; en de kalm berekende eindbeslissing dezer machtige natie, onder wier overheersching wij gevallen waren, luidde: Ierland moet verzaken aan zijn geloof, of als volk worden verdelgd. Zoudt gij denken, dat ik te sombere kleuren ontleen aan eene opgewekte verbeelding of mij aan rhetorische overdrijving bezondig ? Met bewijzen zal ik mijne bewering staven, dat het koelbloe-dig-rustige, goed overwogen besluit, waar Engeland voor 300 jaren toe kwam, geen ander was, dan ons Protestant te maken, of als volk te vernietigen; en dat toen de wereld het ongehoorde feit aanschouwde, dat geheel eene natie zich de lendenen omgordde om den marteldood te sterven voor haar geloof. Tot afval dwingen, öf verdelgen, was het doel van onderkoningen en landvoogden in de dagen van Elisabeth, toen de engelsche legers naar Ierland overstaken — en eerder sterven dan het geloof verzaken, was de leuze der mannen van het Noorden,quot; toen zij naar de wapens grepen voor den nationalen godsdienst. —

ocr page 301

293

Engelands leger, zelf niet langer katholiek, overstroomde 't land; wetten werden uitgevaardigd, die regelrecht aangingen op een van beiden: vernietiging van het lersche geloof, öf uitroeiing van het lersche volk. Elke priester was des doods ; de mis opgedragen werd betaald met den dood; een priester herbergen, was ondergang en ballingschap kiezen. Wie maatregelen in 't belang van den Katholieken godsdienst nam, stelde zich bloot aan verbeurte van alle tijdelijk goed, moest van eigen erf verjaagd gaan bedelen; betrapt worden op de bijwoning der H. Mis, was verlies van goederen en banvonnis. Toen zag Ierland zijne trouwe bisschoppen en geestelijken uit Kathedralen en kerken en scholen verdreven; op de priesters jacht maken of het wilde dieren gold, en een prijs gezet op hun hoofd. Al de uiterlijke teekenen van den godsdienst werden vernield, geen zinnebeeld van het Christendom meer gedoogd in het land, — en toen gaven Elisabeth en haar Engelsch-Protestantsche regeering met koude bedaardheid het bevel tot. dien reusachti-gen strijd — dien zij verloren — waarin Ierland Protestant moest gemaakt of verdelgd. Wij hielden den strijd uit. Elk dorpje, ieder huisgezin bijna, had zijne martelaren — en gij vraagt: wat hebben wij te vergeven? Laat de ter dood gemartelden spreken.

»En vandaag ziet de Katholieke Kerk van Ierland, die meer dan twee honderd jaren gestaan heeft in het bloed door de besten harer kinderen vergoten, de ketens vallen van haar fleren hals en koninklijke ledematen. En op dezen dag vergeet de Katholieke Kerk

ocr page 302

294

al het aangedane leed, vergeet al haar smaad en onrecht en wijst zonder aarzelen het aanbod af van een gedeelte der goederen haar voor drie eeuwen ontnomen. Zij spreekt, tot wie haar begiftigen willen met een deel van haar voormalig eigendom: »drie eeuwen heb ik geleefd in dit land en geleden met mijn volk; drie eeuwen was de liefde des lerschen volks mij schenking genoeg: met voeding en kleed kan ik werken, en als het moet, sterven. Drie eeuwen lang vond ik mijn rijkdom in de harten mijns volks, ik schat ze hooger dan al de rijkdommen, welke de wereld kan neerleggen aan mijn voet. Derhalve welk deel van de kerkelijke goederen mij mocht worden toegewezen, ik ben bereid het af te staan ten bate van Ierland, ter bereiking van nationale doeleinden. Ik zal mijn brood gelijk eertijds op de stroomende wateren werpen, en voor mijn levensonderhoud in dit land, mij verlaten op het geloof en de edelmoedigheid der lersche harten.quot; —

»Zoo spreekt ze tot ons, mijne Broeders, en dan keert zij zich tot hare vijanden, tot hen die driehonderd jaren lang den geesel der vervolging boven haar hielden opgeheven en zegt: »Ik ben bereid alles te vergeten en noch u, noch mijn volk ooit te herinneren aan eenige beleediging mij aangedaan. Ik vergeef u met hart en ziel en vraag alleen dit: laat ons de handen in één leggen en samen werken in maatschap-pelijken bond, in vriendschap en gelijkheid van rechten, aan eigen heil en 't welzijn van ons gemeenschappelijk vaderland! —

»Ziedaar de taal, die wij voeren op dezen dag; en

ocr page 303

295

indien ik u een blik deed slaan in ons geleden onrecht, zoo was het niet om het als een verwijt naar het hoofd te slingeren van wie het ons aandeden — neen, 't is om u te toonen, dat wij vergevingsgezind zijn en de naastenliefde beoefenen. Wij hebben veel te vergeven, meer dan eenig volk op aarde. Wij hebben veel te vergeven, en daarom moet de liefde, die ons tot vergiffenis spoort, groot wezen als het onrecht ons aangedaan.quot; 1)

Den I4den Mei 1869 werd het gebeente van O'Con-nell overgebracht van de plek, waar het ter aarde was besteld, naar het praalgraf van Glasnevin. ') P. Burke hield de redevoering, welke twee volle uren duurde. Het grafmonument getuigde van lerlands dankbaarheid jegens zijn besten en edelsten zoon — maar dat gehoor van vijftig duizend menschen in de open lucht, samengestroomd om Burke over O'Connell te hooren spreken, bewijst met hoeveel waarheid een zijner landgenooten onlangs uit Dublin schreef: »Pater Burke had zijn naam onder ons gemaakt, vóór hij naar Amerika ging.quot;

Na eene korte verklaring van zijn tekstwoorden: de wijsheid heeft den rechtvaardige langs rechte wegen geleid 2) vervolgde hij:

»Ierland was niet vergeten in de plannen van God. Eeuwen van geduldig lijden brachten eindelijk den ochtend van een reddingsdag. Gods ure sloeg en gaf ons lerlands grootsten zoon, Daniël O'Connell. Wij

1

Lectures and Sermons. I. 59.

2

Sap. X.

ocr page 304

296

staan heden om zijn graf ten einde hem een laatste schatting te brengen van liefde, woorden te spreken van lof voor zijne daden, van gebed voor zijne ziel. Twee en twintig jaren lang heeft hij zwijgend in ons midden gerust. Zijn geslacht is voorbij, en het licht der historie schijnt op zijn • graf, terwijl zijn naam zonder hartstocht genoemd wordt. Weinige jaren staan in onzen tijd gelijk met een eeuw van vroeger. Groote veranderingen en ontzettende gebeurtenissen volgen elkaar met zoo verrassende snelheid op, dat de grootste namen bijna zoo spoedig vergeten zijn, als zij die ze voerden, verdwijnen, en de wereld ziet met verbazing, hoe kort van levensduur de roem is, die beloofd had onsterfelijk te zijn. Hij, die met gouden letteren staat ingeschreven op de geschiedrolle der wereld, ontdekt, dat hij zijn naam op stroomend water schreef. De Kerk alleen is de ware tempel der onsterfelijkheid: zij vereeuwigt den roem; en alleen hij, wiens naam en gedachtenis bewaard worden in haar heiligdom, ontvangt op deze aarde een weerschijn van de glorie, welke eeuwig blijft in den hemel. Doch vooraleer de Kerk een harer kinderen kroont, onderzoekt zij nauwkeurig zijne aanspraken op haar onsterfelijken dank en lof; en vraagt: wat heeft hij gedaan voor God en voor de menschen? Op deze gewichtige vraag kom ik het antwoord geven voor hem, wiens vroeger zoo welsprekende mond nu gesloten zwijgt in het graf, waarbij een dankbaar vaderland het gedenkteeken heeft opgericht van zijn voorvaderlijk geloof en de herinnering van vroegere glorie; en voor hem vraag ik het loon onzer liefde en dankbaarheid, dewijl hij

ocr page 305

297

een man was van geloof, wien de wijsheid langs rechte wegen leidde; die het rijk Gods liefhad en zocht; die verheerlijkt werd in zijne werken en ze ten einde bracht; de bevrijder van zijn stam, de vader zijns volks, de overwinnaar in den onbevlekten strijd voor beginsel, waarheid en recht.

»Niemand zal ontkennen, dat Ierland een zwaar beproefd land is geweest, maar zelden was er de duisternis donkerder of haar beproeving grooter dan tegen het eind der vorige eeuw. Het hart der natie scheen gebroken en al hare hoop uitgedoofd. Den Katholieken van Ierland was het nauwelijks vergund te leven, en nog behoorden zij dankbaar te wezen voor de gunst van het bestaan. Doch de belijdenis van t Katholieke geloof was een volstrekt beletsel, een onoverkomelijke hinderpaal om vooruit te komen op het pad van aardsche grootheid, eere, waardigheden of zelfs van rijkdom. De boeien, welke de gewetens knelden, verlamden alle vlucht van den geest, en iedere prijs, naar welke wettige eerzucht dingen mocht, was onbe-haalbaar voor hen, die weigerden den godsdienst hunner vaderen te verzaken en hun land te vergeten. Onder de slachtoifers dezer tweevoudige slavernij was er een, die uitstak boven de jongelingen van zijn tijd. Van eene geboorte, die in andere landen adellijk had geheeten, begaafd met een machtig en omvattend verstand, een ongelooflijk geheugen, de rijkste verbeelding, een onmiskenbaar redenaarstalent, edelmoedigen geest en fijnvoelend hart; verrijkt met schatten van velerlei wetenschap en scherp vernuft, stralend in al den glans van mannelijke schoonheid, sterkte, geest-

ocr page 306

298

kracht en indrukwekkende gestalte — scheen hij niets te ontberen, — en toch was het, of alles in hem verloren moest gaan, want hij was van Katholieke ouders geboren en Ier. ^Nu openden zich voor hem de twee wegen des levens in volle lengte, en hij had een keuze te doen. Een dier wegen leidde tot al wat de wereld hoogschat: rijkdom, macht, onderscheiding, titels, glorie en roem; 't was de weg van het genie, van den edelen strijd op het gebied des geestes in de omgeving van den hoogsten rang en den meest verfijnenden invloed; de weg, die opvoerde tot 's lands raadzalen, naar alle posten van rechtsmacht en vermogen; naar de tempels, waar enkel groote namen en historische herinneringen worden bewaard ; naar een rechtmatig aandeel, in de zegeningen en gunsten der vrijheid. Al de woelingen van zijn geest, de opbruisende jongelings eerzucht —- deze laatste zwakheid van groote zielen — de bewustheid van een onmetelijk bevattingsvermogen, hetwelk de schitterendste waardigheden onder zijn bereik bracht — dit alles spoorde hem aan om het pad te kiezen, dat door een gouden gloed bestraald werd. Maar nog een andere weg lag voor hem; geen zonnestraal speelde op dit pad, 't was nat van tranen, verdonkerd door teleurstellingen en tegenspoed. Het trok de aandacht van den jongen reiziger door hst teeken van het Kruis. Wie het opging, moest alle hoop achter zich laten, want het liep door de vallei der vernedering in het midden van een gevallen stam, een tot slavernij verwezen en beproefd volk. Ik eisch voor O'Connell de glorie dit laatste pad te hebben gekozen; eene onbetwistbare glorie voorwaar, sinds

ocr page 307

299

Paulus het in Mozes prijst, dat deze door het geloof er toe kwam om niet voor den zoon van Pharao's dochter te willen doorgaan, en liever de verdrukking koos met het volk Gods dan de genoegens der zonde voor een tijd, terwijl hij den smaad van Christus hooger schatte dan al de rijkdommen der Egyptenaren. ') Op dit pad geleidde hem de liefde voor zijn godsdienst en zijn vaderland.

Het werd hem een slagveld, waar de goede strijd moest gestreden met de wapenrusting Gods, waarin O'Connell zich onoverwinlijk wist.

»Daarom hief hij de nieuwe oorlogsvaan omhoog en ontvouwde een banier, waarop geschreven stond; vrijheid door de macht der waarheid, den eisch om recht en het alvermogen der wet. Godsdienstvrijheid en volkomen gelijkheid voor de wet was zijn eerste eisch. Deze nieuwe apostel der vrijheid doorkruiste Ierland in de lengte en breedte. Zijn welsprekend woord deed de hoop herleven en wekte de sluimerende geestkracht der natie op. Het volk en de geestelijkheid sloten zich als één man bij hem aan. Zij werden verschrikkelijk voor hunne vijanden door de kracht van hun overtuiging, en zij toonden zich de vrijheid waard door hun eerbied voor de wet. Nooit leefde Ierland in opgewekter en nooit in vreedzamer stemming. Het volk had besloten zijne vrijheid van godsdienst te herwinnen, en van 1821—29 stonden de Ieren met evenveel beslistheid en moed op hun nieuw slag-

1) Hebr. XI : 24.

ocr page 308

300

veld, als voor de lires van Limerick en op de hellingen van Fontenoy. Zij werden aangevoerd door een leider zoo kloek als Sarsfield, en zoo onverschrokken als Roode Hugh. Hij voerde ze aan tegen de sterkste citadel der wereld: en evenals de muren der stad in 't oude verbond in puin waren gestort bij den klank van Israëls bazuin, zoo werden op het geluid zijner machtige stem, die in den naam van 't vereenigde volk sprak, de deurhengsels bewogen, en de poorten gingen open, welke vooroordeel, en hoogmoed drie eeuwen lang voor ons volk gesloten hadden gehouden. Het eerste vrijheidsbesluit werd getee-kend. Op den 13('en April 1829 werd de Katholieke Emancipatie een feit, en zeven millioeu Katholieke Ieren deden hun intocht in de raadzalen des lands in den persoon van O'Connell. 't Was de eerste en grootste zegepraal van een beginsel des vredes in onze eeuw; de schitterendste triumf van recht en waarheid; de heerlijkste overwinning door één man behaald; de eerste belangrijke hulde door de regeering aan den godsdienst des volks — en door het volk aan het beginsel van een vredelievenden strijd gebracht ....

»0'Connells zege was eervol ook voor hen, op wie ze behaald werd. Eervol was zijn beroep op hun gevoel van recht en billijkheid ; en Engeland erkende door de vrijmaking der Katholieken de kracht eens volks, dat niet om genade smeekte, maar de vrijheid eischte der ziel, den zegen ons door Christus gebracht, het erfdeel der natiën, die het kruis omhelsden. De Katholieke Emancipatie was slechts het begin der overwinningen, de bevrijder van de Kerk en haar

ocr page 309

301

oudste zoon was tegelijk de eerste van lerlands staatsmannen en patriotten.

»Doch nu hij heden ligt aan den voet van dit altaar, en de Kerk gebed en offer opdraagt boven zijne assche, huldigen wij den Katholieken bevrijder des volks en leggen een krans op zijn graf. Den zoon der Kerk vereeren wij en herdenken met weemoed den geëerbiedigden en beminden grijsaard, wien al de glorie van de bewondering der wereld en de liefde zijns volks den kring van Christelijken ootmoed en eenvoud nooit te buiten deed gaan.

»Gehoorzaamheid aan de wetten der Kerk ; ijver voor hare eer en de waardigheid van haren godsdienst; een geest van boetvaardigheid, die al wat er in den mensch natuurlijk is, door uitboeting reinigt en adelt door kastijding ; standvastig en herhaald gebruik der heilige Sacramenten, die een glans van genade wierpen om zijn eerwaardig hoofd, — deze waren de laatste groote lessen, die hij zijn volk achterliet; zoo ging de zon zijns levens onder in de glansen van Christelijke heiligheid. Voor Ierland leefde, voor Ierland stierf hij. Het volk, dat hij met zooveel trouw had gediend, dat hij onder God bovenal beminde, werd geslagen met den schrikkelijksten geesel, dien de aarde kent. De volkeren beefden, en de menschen werden bleek op het zien van lerlands hongersnood. Sidderend vluchtte het volk van den grond, die zijne vroegere mildheid vergat; of het bezweek in den flau-wen zucht om voedsel. En de bevrijder en vader van Ierland zag zijn volk vergaan, en wist geen enkel middel tot redding.

ocr page 310

302

»Toen brak hem het hart in de borst. In Januari 1847 stond hij op van zijn bed en sleepte zich naar Londen. Met wankelende schreden trad de grijsaard — nog maar een schim van den eertijds zoo grooten man — voor het verbaasde Parlement. De stem, welker donderende welsprekendheid het land had doen dreunen, was niets meer dan een gefluister, de klank van een gebroken hart. Hij stond op en schetste voor deze mannen lerlands worsteling met den dood en riep al weenende Engelands mededoo-gen in voor een stervend volk, vroeg onderstand van het Parlement. Deze onderstand werd geweigerd, en Ierland mocht sterven. Engeland hield de hand gesloten en zei den rampzaligen vader zijns volks aan, dat hij naar eene mildere luchtstreek mocht gaan sterven — doch dat er voor zijn volk geen mededoogen was. O'Connell ondernam de reis naar Rome, de heiligste plek der aarde. De man, wiens gebiedende eisch om recht voor Ierland de aardsche rechtbanken vroeger had doen beven, zocht de graven der apostelen om voor zijn land en zijn volk ontferming af te smee-ken en zijn leven voor hen te offeren. Gelijk de koninklijke profeet, wilde hij zich plaatsen tusschen zijn volk en den engel des verderfs, zich zeiven wijden tot een slachtoffer van liefde. Doch op de kusten der middellandsche zee legde zich de moede reiziger tot sterven neer. »Als ik dood ben,quot; sprak hij, »zend dan mijn hart naar Rome, en laat mijn lichaam huiswaarts brengen; dat mijn assche worde vermengd met het stof van Ierland.quot;

»Laat ons hopen, dat zijn stervend oog is verblijd

ocr page 311

303

door het gezicht van de voltooiing van zijn arbeid; gelijk Mozes het land aanschouwde, dat hij niet mocht binnengaan, moge 't hem gegeven zijn van verre den heerlijken dag te begroeten, dien hij niet beleven mocht.

»De dag is reeds aangebroken en stijgt tot den vollen middag, dat Ieren van alle belijdenis O'Connell zullen gedenken en hem vieren als den gemeenschap-pelijken vriend en den grootsten weldoener zijns lands. Waar is de man, ook onder hen, die ons geslacht groot heeft genoemd, wiens naam zoo lange jaren na zijn dood zoovele warme harten om zijn graf vergadert? Niet enkel eene natie vertegenwoordigen wij hier, maar een ras. Waar ligt het land, dat het gelaat van ons volk niet heeft gezien, of zijne stem niet hoorde? En waar ter wereld in dit uur een Ier zich ophoudt, zijn geest en deelneming zijn hier tegenwoordig. De millioenen van Amerika zijn met ons. De Katholieke lersche soldaat uit Indie's vlakten, is hier door de tooverkracht der liefde. De lersche zeeman op een verre, stille zee, waar het nacht is, en de zuidelijke sterren glinsteren, voegt aan het roer staande zijn gebed bij het onze en roept voor zijn geest het heerlijke beeld en den geëerbiedigden naam van O'Connell. Hij is heen, doch zijn _roein zal ten einde toe op aarde leven, als van een man, die God en zijn volk liefhad. Tegenstanders in staatkunde en godsdienst had hij vele; machtige verdedigers van recht en vrijheid stonden tegen hem op. Doch de tijd, die alles effent, heeft de indrukken van vroegere twisten verzacht; en zij, die hem eens als een vijand beschouw-

ocr page 312

304

den, denken nu alleen nog aan de glorie van den strijd en den geweldigen schutsengel, die het opnam voor zijne natie en de kampioen was van zijn volk. Zij erkennen zijne grootheid en zijn ons nu behulpzaam in het vlechten van een krans tot zijne eer. Doch geheel verschillend, hooger, en heiliger zijn de gevoelens der Katholieke Ieren, waar zij ook zich bevinden. Zij erkennen in het stof, dat wij zijn komen vereeren, den machtigen arm, die voor hen streed; den weisprekenden mond, die hun rechten uitriep en hunne vrijheid bewerkte : de sterke Machabeeër-hand, die eerst hunne ketenen verbrak en toen hunne heilige altaren opbouwde. Zij mengen gebed en danklied met hun tranen en herinneren zich, o God, met hoeveel liefde ! — den man, die een Jozef voor Israël was, hun sterke burcht, hun beukelaar en schild — die over hun haardsteden, altaren en graven het volle licht deed stroomen van godsdienstvrijheid en onbedwongen eeredienst. »Zijn lof is in de Kerkquot; en dit is het zekerste onderpand zijner onsterfelijke glorie. De stem eens volks moge de weerklank wezen van aardschen roem — de stem der altooslevende Kerk is de weerklank eener altoosdu-rende glorie; en wanneer wij, die heden dit graf omringen, niet meer zijn, zullen nog alle lersche geslachten tot het eind der tijden herinnerd worden aan zijn naam en zijne glorie.quot; ')

Nauwelijks had de redenaar geeindigd, of hij onttrok

1) Lectures and Sermons I Funeral oration on O'Connell p. 34.

)) » » II The Liberator p. 201.

ocr page 313

305

zich als met geweld aan de toejuichingen en bewondering, schrijft zijne zuster, om heen te spoeden naar het hospitaal Mater misericordiae. Daar wachtte hem eene kranke weduwvrouw, die den wensch had uitgedrukt hem nog te zien voor haar dood. Hij doorwandelde de afdeelingen van het hospitaal en ging oplettend van bed tot bed. Op het punt eene andere zaal binnen te gaan, hoorde hij eene zwakke stem zijn naam fluisteren. De arme lijderes was zoo vermagerd, dat hij ze niet had herkend. »Pater,quot; zei ze, »ik heb op u gewacht.quot; Met stichtenden ijver boog hij zich over haar henen en diende haar de troostmiddelen der Kerk toe. Nauwelijks was hij gereed, of zij legde haar hoofd voor goed ter ruste met de uitdrukking van de zoetste blijdschap over het gelaat.

Tegen het eind van 't zelfde jaar vinden wij P. Burke voor de derde maal in de eeuwige stad: nu als Theologant des bisschops van Dromore op het Vaticaansch Concilie, dat op 8 December 1869 met grooten luister geopend werd. Na de dogmaverklaring der Pauselijke onfeilbaarheid gingen de vaders uiteen. Hoor den redenaar later voor het volk de aanleiding en de vrucht dezer Kerkvergadering voorstellen.

»Hoe volkomen de groote kerkvergadering van Trente haar werk volbracht had, heeft de geschiedenis geboekt. Doch elke tijd brengt zijne eigene gevaren en moeilijkheden in Gods Kerk. Een geest van louter ongeloof is opgerezen en openbaart zich in huiveringwekkende godsverzaking, welke haar afschuwelijk merk op onze dagen heeft gedrukt. De woede heeft

20

ocr page 314

806

zich gekeerd van het onzichtbare tot het zichtbare hoofd der Kerk.quot; Wie is de man, die leerstellige bepalingen over ons durft uitwerpen en tot de negentiende eeuw de taal voeren van het in minachting gekomen geloof? Heeft daarom de menschelijke geest driehonderd jaren geleden het juk des gezags van zich afgeschud? Moest daarom de wetenschap stijgen tot het zuivere licht van bijna volmaakte kennis? Moeten wij weer kleine kinderen worden en neder zitten om onderwezen te worden door een ouden man, het hoofd eener uitgeteerde kerk en de plaatsbekleeder van een afgedankten God? Laat ons dezen ouden pretendent van zijn troon stooten, laat ons hem weg werpen dien onbekende, als weleer Petrus was in de weinig aanzienlijke schare der volgers van Christus!quot;

»Alzoo zijn de hoogmoed en hartstocht van de wereld opgestaan tegen het hoofd der Kerk, en ketterij, ongeloof en revolutie sloegen de handen in een om hem af te zetten. Zij leerden en terecht, dat wanneer zij het hoofd maar konden vernietigen, het mystieke lichaam van Christus spoedig als een lijk aan hunne voeten zou liggen; indien zij slechts den herder konden slaan, dan werden de schapen verstrooid. Toen werd de groote misdaad der negentiende eeuw in 't openbaar bedreven. Waarheid, recht, eere, bezworen trouw, noodzakelijkheid en geschiedenis werden met den voet getreden; en in de berooving van den koninklijken opperpriester eene nieuwe staatsregeling, een openbaar feit en eene wet afgekondigd en aangenomen.

Doch zou de Kerk rustig toezien, terwijl haar hoofd, Petrus1 opvolger en Christus' stedehouder — aldus

ocr page 315

307

werd onteerd ? De Kerk, die van den beginne hem erkende als het middelpunt en de bron van haar gezag; de eenig geheel onfeilbare getuige en verklaarder van haar geloof en bewaarder van hare wet; die nooit eene vergadering bijeen riep, noch een besluit uitvaardigde, noch een geloofspunt uitdrukte dan op zijn wenk en met zijne bekrachtiging. Het uur, vooruit bepaald in de raadsbesluiten Gods, is geslagen, waarin de katholieke Kerk uit de volheid van haar gezag aan de wereld moest verkondigen al wat zij ooit van Petrus en zijne opvolgers had geleeraard en geloofd. Voordat heiligschennende handen kunnen raken aan zijne tijdelijke kroon — het eenige onder haar bereik — terwijl de afnemende glanzen van het katholieke en Pauselijke Rome hem nog omgeven, haast zich de Kerk tot eene vergadering en verklaart uit éénen mond en één geloof, dat Petrus' opvolger de Paus van Rome door de kracht van Christus' bijzonder gebed en door de tusschenkomst van den heiligen Geest gevrijwaard is van alle mogelijkheid van dwaling, wanneer hij leeraart als hoofd der Kerk. Deze groote geloofs-verklaring werd gegeven in den vorm van eene leerstellige uitspraak, welke klaar en onomwonden uitdrukte den zin der Kerk, den zin van God den heiligen Geest, die haar geleidt. Zulk eene uitspraak van het geloof der Kerk is zoo waar, zoo plechtig en zoo verplichtend als het geopenbaarde woord zelve, want zij is zooveel als de uitdrukking der gedachte van God.quot;

»Waar vinden wij,quot; vraagt de redenaar verder, »de eenheid der Kerk zoo krachtig ontwikkeld en getoond

ocr page 316

308

als in de laatste algemeene kerkvergadering van het Vaticaan? Achthonderd bisschoppen van alle streken der aarde waren daar te zaraen. Nooit zag de katholieke Kerk zulk een schare gemijterde kerkvoogden bijeen verzameld. Rondom deze achthonderd bisschoppen stonden honderden geleerde mannen, wijsgeeren, godgeleerden, dragend de schatten van godgeleerde wetenschap, welke eene ervaring van achttienhonderd jaren had geleverd. Daar waren zij, de bisschoppen der algemeene Kerk, niet langer door de grenzen eener landstreek omsloten, maar verspreid over de geheele wereld, de landtaal sprekend van elke luchtstreek onder de zon, gedost in onderscheiden kleeding, verschillend van gewoonte, gedachten en vooroordeelen; en daar in hun midden staat de Koning, die den rijkstaf voert over de Kerk Gods, de groote Paus Pius IX.....

»Nu beschouwt de wereld de Kerk zooals Christus ze heeft ingesteld, in al hare geestelijke schoonheid, in majesteit, eenheid en macht. Nu zij achthonderd bisschoppen in eene vergadering te zamen ziet en allen hoorende het woord van één man en voor dat eene woord het hoofd buigend als voor de stem van God, tot getuigenis der wondervolle eenheid van geloof, die er is in de Kerk.quot;

In den zomer van 1870 was P. Burke weer in een klooster zijner orde te Dublin terug en nam in volgend jaar deel aan het algemeen Kapittel der Dominicanen te Gent in België. Hier ontving hij de zending om als Visitator naar Amerika te gaan. In September van dit jaar kondigde hij te Dublin eene

ocr page 317

309

reeks van preekeu aan, die door de menigte werden gevolgd met een gemengd gevoel van fierheid en smart. Smart omdat Ierland, ware 't slechts voor een jaar, den begaafden redenaar ging verliezen, wiens wonderbare en wegsleepende welsprekendheid bekend was over de geheele lengte en breedte van het land ; fierheid in het vooruitzicht van den luister, welken zijn heerlijk talent van de nieuwe wereld uit, zou afwerpen op het land zijner geboorte.

Alvorens scheep te gaan, bezocht hij Galway om wellicht een laatsten zegen van zijne hoogbejaarde ouders te ontvangen. Daarna was hij de welkome gast van Mgr. Mac'Hale, den aartsbisschop van Tuam.

»Acht dagen,quot; — zoo verhaalde hij een jaar later, »bracht ik door in 't gezelschap van dien eerbied-waardigen man, en eiken morgen om zes ure, nat of droog weer, kon men den aartsbisschop, met dat lange tot op zijne schouders afdalend sneeuwwitte haar, voor het altaar geknield vinden, in zijne kathedraal van Tuam. Het heugt my zoo goed dat ik niet zonder huivering en schroom preekte in zijne tegenwoordigheid, en dat ik in mijn wit Dominicanerhabijt met hem naar huis ging. Dan zette hij zich in een hoek zijner kamer, en greep zijne lersche harp ; hij wierp zijn opperkleed open, schudde het grijze hoofd, en de bevende vingers gingen over de snaren. Zooals hij daar zat met de oogen vol tranen omhoog gericht, terwijl het geheele hart meeging met de tonen van het speeltuig, was het mij of ik Brian den dappere zag zitten voor zijne tent op den morgen van Clontarf den God der legerscharen aanroepend bij den klank zijner lersche harp.quot;

ocr page 318

310

P, Burke vermoedde wel niet, wat Mgr. Mac'Hale zelf verklaard heeft, dat zijne preek den grijsaard zoo diep had geroerd, dat hij op deze wijze zijn gevoel zocht lucht te geven.

Zijn vertrek naar Amerika opent het meest schitterende tijdperk van zijn leven. Op de City of London ingescheept, maakte hij voor goed kennis met de zee ziekte, ondervond wat het zegt door storm te worden beloopen, doch predikte niettemin herhaalde malen eu hoorde driehonderd biechten op deze reis. »Ik kwam naar Amerika, schreef hij, op een onzer prachtige stoomschepen: er waren ongeveer driehonderd lersche landverhuizers aan boord. Ik had ten allen tijde vrijen toegang tot hen, en zij tot mij ; ik hoop en bid, dat onze arme landgenooten altoos zoo goed zullen behandeld worden.quot; Hij had gedacht slechts drie maanden in de Vereenigde Staten te blijven. Zijne plichten als Visitator hielden hem verscheidene weken in Kentucky en Ohio op, doch in Maart 1872 kon hij niet langer weerstand bieden aan de uitnoodiging zijner ordebroeders en landgenooten, en hij hield drie lezingen in New-York en preekte de Vasten in St. Paul.

Het grenst aan 't ongelooflijke, wat hij in dat jaar heeft afgelezen en gepreekt. Twee groote octavo-deelen, elk van 500 bladzijden druks, bevatten bijna alleen wat de Couranten opnamen. Voeg daarbij een 12mo deeltje met zijne wederlegging van Froude's laster over Ierland, in vijf voordrachten in 't zelfde jaar gehouden, en met donderende toejuichingen begroet. Indien ge op de datums let, die boven de meeste »Lecturesquot; en preeken staan, zoo aarzelt ge uwe oogen

ocr page 319

311

te gelooveu, want gij bevindt meer dan eens, dat hij twee-, soms driemalen op denzelfden dag in verschillende kerken over geheel uiteenloopende stoffen gesproken heeft.

in Amerika zijn de »Lecturesquot; aan de orde van den dag; ze worden gehouden in kerken, waaruit het H. Sacrament is weggedragen, of in concertzalen — voor een uitgezocht of gemengd publiek ; doch mis. schien verschillen zij — zooals Burke ze houdt — hoofdzakelijk slechts hierin van een preek, dat er toegangskaarten worden betaald, waarvan de zuivere opbrengst aan liefdadige doeleinden ten goede komt. Honderdduizend pond (twaalfhonderdduizend gulden) bedroeg de som gelds door Pater Burke op deze wijze binnen negen maanden in Amerika verdiend ') niet voor zich maar voor de armen, ziekenhuizen, scholen en liefdadige instellingen meest in New-York.

Van waar die toeloop, wanneer het hooren van een priester geld kost ? Burke is een geheel oorspronkelijk redenaar »een der meest buitengewone mannen van zijn eeuw.quot; Hij maakt alles nieuw en frisch, aan afgesleten vormen acht hij zich niet gebonden, hij gaat zijn weg. Waartoe zou hij de welwillende aandacht vragen van zijn gehoor ? Hij neemt ze en houdt zijn volk in ademlooze spanning aan zijn rede geboeid — tot hij zwijgt en heengaat; maar dan blijft nog een indruk in 't gemoed, die bijwijlen onvergetelijk is.

1) Toast van den bisschop van Tuam.

ocr page 320

312

Hij kwam zonder bazuineugeschal (zegt de Neiu-York democrat) zonder de gewoonlijk voorafgaande opvijzeling, waarmede sterren van alle grootte worden ingeleid; eerder bevreesd voor openbaarheid dan gie-tig er op, en toch ondanks hemzelven, en zijn afkeer van vertooning, was hij nauwelijks eenige maanden in ons midden, of heel het land weerklonk van de faam zijner welsprekendheid, en zijn naam was op aller lippen. Ons volk is er spoedig bij om ondanks de hoogste aanbeveling namaak van echt te onderscheiden, maar voelt en erkent aanstonds de tegenwoordigheid van het genie. P. Burke komt op in zijn dominicaner habijt en spreekt Engelsch met een onmiskenbaar lerschen tongval. »Dat deden mijn vader en mijne moedei- ook,quot; antwoordde hij eene dame, die het hem opmerkte, »maar mijne grootouders niet, want die spraken heel geen Engelsch.quot;

»Mijne vrienden,quot; zoo vangt hij aan, »ik heb tot stof van mijne voordracht het volgend onderwerp gekozen : de Christen, een man van zijn tijd. Mogelijk denkt gij, dat ik hiermee zeggen wil: de Christen is inderdaad de man van zijn tijd. De man, wien onze eeuw huldigt; de man, die als Christen bekend staat, geniet daarom het vertrouwen zijner medeburgers en alle eer, welke de Maatschappij hem bewijzen kan. Vleit u niet, mijne vrienden, dat dit mijne bedoeling is; ik wenschte, dat ik het meenen kon. Neen, ik wil zeggen, dat de Christen, en hij alleen de man van zijn tijd moest wezen; dat onze tijd niet buiten den Christen kan; en dat wij spoedig zoover zullen komen, dat de wereld door het beginsel van zelf-

ocr page 321

318

behoud gedwongen zal worden haar toevlucht tot den Christen te nemen. Maar tot nog toe is hij niet in aanzien, want de geest van onzen tijd is niet Christelijk. Nochtans let wel, daar is niemand ter wereld, die zijne eeuw meer liefheeft dan ik. Priester als ik ben, en monnik bovendien, al verschijn ik in dit eerbiedwaardig kleed der oudheid voor de menschen der negentiende eeuw, als een fossiel uit den grond der dertiende opgedolven — toch sta ik voor u als een vereerder van de eeuw, waarin ik leef; een minnaar van hare vrijheid, van hare wetten; een bewonderaar van haar vooruitgang op stoffelijk gebied. En toch zeg ik het u, de geest onzer negentiende eeuw is niet katholiek.

»Laat me 't bewijzen.quot;

Hij bewijst het uit de ontchristelijking van het onderwijs en het huwelijk, en gaat dan onbewimpeld voort: »Welnu ik ben dezen avond hier om u aan te toonen en in uw hoofd te prenten twee gewichtige waarheden, die gij nooit vergeten moogt; ten eerste: de mensch, wien de wereld onafhankelijk maakt van God, is zulk een benauwende last en vloek, dat de wereld zelve hem niet kan dragen: want indien hij hare geschiedenis teekent, is het met vloek en verderf. Ten tweede: de eenige invloed, door welken de wereld gereinigd en gered kan worden, is de geest van dien glorierijken godsdienst, welke alleen het Christendom vertegenwoordigt. Noemt mij geen dweeper, wanneer ik zeg, dat de katholieke Kerk alleen de groote vertegenwoordigster is van het Christendom. Ik ontken het geenszins, dat er buiten haar gebied

ocr page 322

314

veel voortreffelijks valt waar te nemen; evenmin dat er goede en rechtschapen menschen buiten de Kerk staan. Waar ter wereld ik een rechtgeaard en waarheidlievend man ontmoet, vraag ik nooit of hij katholiek is of protestant. Ik ben gereed hem te eerbiedigen als het edelste werk van de hand Gods, maar dit houd ik vol: alle goeds wordt feitelijk in de katholieke Kerk vertegenwoordigd; bovendien blijf ik beweren, dat de katholieke Kerk alleen in staat is om in den mensch het bewustzijn levend te houden, dat God hem geschapen heeft. Hiermede heb ik mijne inleidende opmerkingen gemaakt, laat ons nu den man van zijn tijd beschouwen en zien, wat hij is.quot; ')

Pater Burke zelf mag behalve om zijn christelijken zin, een man der negentiende eeuw genoemd worden. Hij vervult het ideaal van onzen leekedichter •

Verlos ons van tien preektoon Heer;

Geef ons natuur en waarheid weer.

Hij geeft eene krachtige, frissche natuur te aanschouwen, waarover wel de veredelende invloed der kunst is gegaan, doch die door geen zichtbaar knellende banden wordt bedwongen. Hij IS waar, en zichzelf; bij hem is alles gezonde, levende, genietbai'e waarheid; zonder bewimpeling of onoprechtheid; hij noemt de zaken bij den waren naam, zonder ooit te vragen, wien het lief of leed mag zijn, want hij heeft den moed zijner overtuiging. Wie gemeend had, P. Burke zou bij zijn eerste optreden in de nieuwe we-

1) Vol. I p. 62. en vg,

ocr page 323

315

rekl zich eenige moeite geven om door de keuze of inkleeding zijner stof het vreemde gehoor gunstig voor zich te stemmen, zag zich hier bitter teleurgesteld. Toch bleek het, dat hij den juisten toon had aangeslagen, dat het van hem gezegd wilde zijn. Want eiken volgenden zondag van Maart sprak hij voor eene overvolle kerk, en nooit, zoolang ze er stond, had iemand de Dominicanen-kerk van New-York vol gezien gelijk op 29 Maart, den avond van Goeden Vrijdag. Niet alleen verdrong zich eene ingespannen menigte in de kerk, doch honderden stonden nog buiten de deuren bij gebrek aan plaats daar binnen, en bleven staan in de koop eenige klanken van de machtige stem des priesters op te vangen.

Na de lezing dezer Passie-preek schreef kolonel .Roberts te New-York: »Ik kwam hier van Washington, waar welsprekendheid van alle slag in de Congreszalen te keer gaat op eene wijze, dat ik dikwijls den wensch heb gekoesterd, dat de mensch zonder tong geboren ware en dat op de Wetgevende vergadering alleen door teekens mocht worden gesproken. Toch heeft God geen heerlijker gave aan den mensch geschonken dan het vermogen om de gedachten des hemels te vertolken in eene taal, welke de engelen mochten benijden. Wij hebben hier iemand, die woorden van Goddelijk gezag gesproken heeft in de taal van Ierland gelijk niemand die sprak sinds de dagen van Grattan, Flood en O'Connell. Zijn roem en zijne redevoeringen zijn op de vleugelen der pers rondgedragen over dit uitgestrekte land. Eenige avonden geleden nam ik eene preek van hem op, gehouden op

ocr page 324

316

Goeden Vrijdag. Ik begon te lezen en doorliep elk geheim, terwijl mijn geest en hart hoe langer hoe meer verdiept raakten in de beschouwing, tot ik kwam, waar hij in eene taal als ik nooit gehoord heb, het lijden beschrijft van den Zoon des menschen op het kruis; en het hart vol ontroering en het hoofd in gloed liet ik het papier vallen, want ik kon niet meer. 't Was mij, of ik tegenwoordig was bij de kruisiging.quot;

Terwijl hij in de kerk van St. Vincentius Ferrerius de Vasten en de Meimaand preekte, vond hij nog gelegenheid om zich te doen hooren in andere kerken, en hield bovendien nog drie lezingen in week. Toch kon hij niet de helft der aanvragen voldoen. Een priester kwam van Boston naar New-York en volgde hem van daar naar St. Louis, vast besloten zijne gemeente, welke hij had beloofd dat zij Pater Burke zouden hooren, niet te leur te stellen.

Op een morgen om vijf ure kwamen twee liefdezusters van eene naburige stad aan het klooster te New-York, waar Burke verbleef. Zij zetten zich in de spreekkamer neder en wachtten geduldig en baden haar rozenkrans, op hoop hem, als hij uitging, op te vangen. Dit gelukte ten laatste. Hij hoorde haar verzoek om eene liefdepreek. Doch over en over bezet, antwoordde hij kortaf; neen, neen zusters ik kan niet! Doch de arme zusters begonnen te weenen, en eene met de hand voor de oogen zuchtte in gebroken Engelsch: in Gods naam dan,.....maar we zijn wel arm

»'t Is goed, 't is goed, ik zal zien, dat ik kom,quot; ■ hernam hij geroerd, — en hij kwam.

ocr page 325

317

Een Dublinsch blad zegt: nooit heeft een lersch priester, misschien alleen P. Matthew uitgezonderd, ■voor zulke ontzettende menigten gesproken als hij. Zijne populariteit grensde aan 't ongelooflijke. In Brooklyn bracht het volk toortsen mee naar de kerk ; na de preek werden deze ontstoken en de redenaar keerde dien avond onder een optocht van fakkellicht naar zijn klooster. Nieuw Orleans bezat geene kerk, de Kathedraal niet uitgenomen, half groot genoeg voor de menigte, die P. Burke hooren moest. Hij zag zich gedwongen naar buiten te komen op de trappen voor de kerkdeur en tot eene onafzienbare menschen-massa te spreken in de open lucht.

De tijding, dat hij preeken zou, ging als een loopend vuur, en in korten tijd was de ruimste kerk niet in staat de scharen te bevatten, die kwamen om hem te hooren; honderden werklieden kwamen recht van hun arbeid met de spijsketeltjes nog bij zich, kooplieden van hun kantoren, kortom menschen van allen stand wachtten met ongeduld, tot de kerk open ging.

Dat hij zijn rondborstig karakter niet verloochende, bewijst het begin eener voordracht, einde Mei te New-York gehouden. »Lieve vrienden, ik stel me voor u dezen avond te spreken, over het vraagstuk der katholieke opvoeding. Mijne aandacht werd van ochtend getrokken door eene mededeeling in een der groote bladen dezer stad, waarin de schrijver mij waarschuwt, dat, indien ik niet in staat ben eene oplossing voor dit vraagstuk te vinden, welke aan alle partijen voldoet, ik wel aan mijne geloofsgenooten be-

ocr page 326

318

hagen zal, doch niet aan 't publiek. Hoezeer ik den schrijver van dit artikel en ieder, die mij een raad geeft, dankbaar ben, verklaar ik toch aan u,. mijne vrienden, en aan den schrijver dier regelen en aan om 't even wie, dat ik niet naar dit laud ben gekomen, en evenmin dit kleed aangetrokken heb om hetzij aan t publiek, hetzij aan mijne geloofs-genooten te behagen — maar om de waarheid van God te verkondigen in den naam zijner heilige Kerk. Hij die ze aanueemt en gelooft en er naar doet, zal zalig worden — wie niet verkiest te gelooven, hij zal veroordeeld worden, zoo luidt het eigen woord van Christus onzen Heer. God beware ons! Beklagenswaardig volk, welks godsdienstleeraren zoeken te behagen aan publiek of geloofsgenooten. Groote God! hoe verschrikkelijk zou het zijn, wanneer de geest van vleierij en onoprechtheid doordrong tot in het hoofd van den man, die de waarheid verkondigen moet, waardoor alleen hij en zijn medemenschen zalig kunnen worden.quot; ')

Toen P. Burke uit Ierland vertrok, had een vriend hem den raad gegeven : »wees voorzichtig in Amerika, houd u doodbedaard en maak er volstrekt geen leven, anders zullen er menschen zijn, die ü beleedigen en slecht bejegenen.quot; Geen wonder, dat de kloosterling met bevangenheid en wantrouwen voet aan wal zette in de nieuwe wereld, te meer daar hij zich geneigd noch geroepen voelde om den raad van zijn bezorg-

1) Lecture delivered in St. Peter's Church Barclay street New-York on Thursday evening May '23'h 1872. vol. 1 352.

ocr page 327

319

den vriend op te volgen, al dacht hij, dat eene be-leediging hem gevoelig kwetsen zou. En werd hij dan nooit beleedigd ? »Dikwijls genoeg,quot; erkent hij zelf, »sinds ik hier kwam, maar het rolt van mijn rug af, als het water bij een eend.quot; Na een verblijf van eenige maanden was hij tot bewonderens toe met Amerika ingenomen. »De Ier in Amerika,quot; roept hij uit, »heeft, wat hij in zijn land nooit had: den beschermgeest der vrijheid aan zijn zijde. Hij mag de breede Celti-sche borst openen en eene lucht inademen rein van dwingelandij. Ik ben een gehoorzaam Britsch onderdaan, want ik ben priester, en de Kerk gebiedt onderworpenheid en vrede, maar ik beken, dat sinds twintig jaren ik nooit in Ierland heb gesproken, zooals ik gevoel, dat ik spreken kan in Amerika. Waar het in zit, kan ik niet zeggen, maar ik gevoel dat het zoo is. Ik gevoel mij als een blinde, wiens oogen open gaan, en die het licht aanschouwt; als de geboeide man, wien de ketens op eens van de handen vallen, en die zijn armeu gebruiken kan. Amerika, heerlijk Amerika, het eerste vrije land, dat alle boeien breekt van den Ier, die tot u vlucht. Voorbij is elke schaduw van 't verleden.quot; ')

Eindelijk brachten 't genot der vrijheid en de dankbaarheid hem zoo ver, dat hij de kennismakinrg met Amerika tot zijn edelste en gelukkigste ervaringen rekende, en waarop hij met het meeste recht groot kon gaan. Op zijn woord van Ier en priester verklaarde hij: »indien er iemand is, wiens achting en genegenheid ik op prijs stel en zou willen winnen,

1) II p. 540.

ocr page 328

320

dan is het de achting en genegenheid van den Ame-rikaanschen burger.quot; ')

Wij zouden Burke onrecht doen met te gelooven, dat deze liefde voor Amerika de liefde voor Ierland schade deed. »De bejaarde vader en moeder, welke hij bij zijn vertrek naar het verre land achterlietquot; — getuigde hij zelf te New-York — al is daar een oceaan van duizende mijlen breedte tusschen beide — »staan zoo levend voor zijn geest, of hij ze bij zich had. Mijne moeder, het oude Convent en de eerste schemering van mijn roep wonen naast elkaar in mijne ziel, doch het diepst en het duurzaamst de eerste: mijne moeder.quot;

Voor deze moeder had hij bij het afscheid de knieën gebogen, en zij had haar rozenkrans op zijn hoofd gelegd en hem gezegend. Bijna altoos spreekt hij in Amerika tot en over Ieren; 'tis zijn volk; hoort hem over St. Patrick, lerlands apostel.

»'t Was in het tijdperk, dat er ligt tusschen Eome's eersten val en de langdurige christenvervolging, dat een jonge christen van Gallie's noordelijk strand gevangen werd meegevoerd en tegelijk met vele anderen door de heidenen naar Ierland gebracht. Deze jongeling was St. Patrick. Van edelen stam, van christenouders geboren en met de teederste zorgen opgevoed, was hij van zijn vroegste kindsheid omgeven met al wat een leven begeerlijk en gelukkig maken kan. Nu is hij weggerukt van ouders en vrienden; geen oog, dat hem medelijdend aanziet; geen hart, dat deernis

1) 11 p. 39.

ocr page 329

321

voelt met zijn diepe ellende. In zijn zestiende jaar, toen het leven zich juist met de zoetste verwachtingen voor hem opende, werd hij als slaaf verkocht en uitgezonden om het vee te hoeden in de dorre bergstreek van noordelijk Ierland, blootgesteld aan honger en dorst, in koude en naaktheid. Daar leefde hij jaren achtereen vergeten en veracht, zonder eenigen steun dan het geloof en de hoop des Christens in zijne borst. Deze nochtans begaf hem niet, en zoo gelukte 't hem eindelijk zijn gevangenschap te ontvluchten en naar zijn geboortegrond terug te keeren. Wat waren ze zoet voor zijne oog en oor de gezichten en klanken zijner kindsheid ! Hoe teeder de omhelzingen, hoe onuitsprekelijk de vreugd zijner oude moeder, toen zij den als dood betreurden zoon weer aan haar hart drukte. Xu voortaan zal hij bij haar blijven en zich niet meer blootstellen aan de kans om genoegens te moeten derven, welke hem door het geleden verlies zooveel kostbaarder geworden zijn ? Neen, mijne Broeders, niet aldus; Patrick is niet meer een gewoon mensch, gelijk een van ons. Een nieuw verlangen is binnengegaan in zijne ziel en heeft zich geheel van hem meester gemaakt. Er is eene drift in hem ontwaakt, aan welker voldoening hij zijn leven en toekomst wijden zal. Dit verlangen, deze drift is het prediken des geloofs in Ierland. Dat volk wil hij brengen uit de duisternis in Gods wonderbaar licht. In de dagen zijner ballingschap, toen hij als slaaf over de kudden waakte op de helling van de bergen, had hij gelijk weleer de profeet een stem in zijn binnenste vernomen, die sprak : »zie ik heb u heden aangesteld over volkeren en ko-

21

ocr page 330

322

uinkrijken om uit te roeien en weg te nemen, te verstrooien en te verdelgen, en om op te bouwen en te planten 1), omgord uwe lendenen en rijs op en spreek tot hen, al wat ik u beveel.quot;

En toen hij teruggegeven was aan zijn land en zijn dierbaren, klonk weer dezelfde stem ; want hij hoorde in een droom de stem van vele menschen uit een woud nabij de zee in 't Westen, roepend als uit eenen mond : wij smeeken u, o heilige jongeling, kom en wandel weer in ons midden. »Dit was de stem der Ierenquot; zegt de heilige in zijne «belijdenissenquot; »en ik was in mijn hart zeer verheugd.quot; En toen stond hij op, en nog eens vader en moeder, huizen en akkers verlatende, ging hij zich voorbereiden tot zijne gewichtige zending.

»Aan het eind zijner lange jaren van studie wendde hij zijn aangezicht naar Rome, de bron van het Christendom, de oorsprong aller rechtsmacht en goddelijke zending in de Kerk; do hartader, waaruit het levensbloed van geloof en leering de verst verwijderde ledematen doorstroomt; het nieuwe Jerusalem en Sion Gods, waarvan weleer geschreven was : van Sion zal de wet uitgaan, en liet woord des Heeren van Jerusalem ; en daar in Rome lei Paus Celestinus I Patrick de handen op en wijdde hem tot eersten bisschop der lersche natie.

»En nu zet hij ten tweeden male den voet op onze kusten, geen slaaf meer doch vrije, bestemd om de ketens der heidenen te breken naar het woord: »gij zult de waarheid leeren kennen en de waarheid zal

1) .Ter. I: 10.

ocr page 331

323

u vrij makenquot; ; nu niet tegen zijn dank herwaarts gevoerd in slavernij van menschen, maar gedreven door den onweerstaanbaren drang der liefde voor Jesus Christus, wiens dienaar hij wezen wil; geen angstige, vreesachtige knaap nu meer, doch een man met den onbenevelden blik van het tot rijpheid gekomen verstand, in den krachtigen bloei van den mannelijken leeftijd, toegerust met de volheid der priesterlijke macht, sterk genoeg om alles te dragen en te gemoet te gaan, met hart en ziel gewijd aan God en aan de groote onderneming, die voor hem lag.

»0, mijne Broeders, hoeveel vreugde was er in den hemel op dat uur, toen de gezegende voet van bisschop Patrick zich nederzette op de kust van Ierland, van ouds genaamd het »eiland der bestemming.quot; Heerlijke bestemming voorwaar, die nu in vervulling zou gaan om het huis en de moeder van iieiligen te wezen, van leeraars en vrome kluizenaars, van reine maagden en martelaren in 't witte kleed, en van een Gode behagelijk volk. Het kruis van Christus moest voortaan het zinnebeeld blijven van lerlands geloof en beproeving van zijn leed en tranen, het teeken dei-overwinning »die de wereld overwintquot;. O boven allen gezegend uur, toen in het zand van de lersche kust de voetstappen zichtbaar werden van hem, die den vrede verkondigde en alle goeds; toen Mozes sloeg op de rots, en de glanzende wateren der zaligheid stroomden over het dorre land; toen de naam, die boven alle namen is, voor het eerst gehoord werd in de Celtische taal, en Koning Jesus bij Zijne intree in dit nieuwe erfdeel zeggen mocht: »dit is mijne

ocr page 332

324

rustplaats voor altoos, hier zal ik wonen, want ik heb ze mij uitgekozen.quot; 1)

»Toen Patrick onze vaderen door zijne prediking had bekeerd — toen hij dat hemelsche licht des ge-loofs had ontstoken, en het zijne middagheldere stralen goot over heel het land ; toen hij de heiligheid had zien bloeien voor zijn oog in de eerste maagd van Ierland, de H. Brigida — toen dit alles geschied was, en honderd winters over zijn hoofd waren gegaan, legde hij zich tot sterven neer, en in zijne laatste oogenblikken vervulde Ierland, het land zijner liefde, zijn beminnend hart. Het was in de lersche taal, dat hij de laatste woorden sprak van liefde en gebed tot den zoon der maagd Maria, door tusschen-komst van Maria zijne moeder zelve, die hij het lersche volk had leeren beminnen. Hoe hij bad ? Worstelend als een krachtige man met den engel des doods, riep hij met luider stem: O, Jesus Christus, Gij .weet dat ik om Uwe liefde gearbeid heb voor U alleen en voor dit Ierland en zijn volk. Hoor o Zoon Gods, hoor de laatste woorden van een stervenden man, stervend van vermoeienis in den arbeid voor U ondernomen. Als. eenige belooning vraag ik — en 't is mijn laatste bee, o Zoon der Maagd, laat Ierland nooit het geloof verliezen.

»Het luid geroep van den stervenden heilige drong de wolken door; gelijk de stem eens aartsengels weerklonk het daverend aan de poorten des hemels, dat het daarbinnen moest gehoord worden. Het steeg

1) St. Patrick.

ocr page 333

325

op door de negen koren van Gods engelen; het golfde om den troon van Maria, dat laatste gebed van haar dienaar en vereerder op aarde. Maria stond op bij Patricks bede. Zij knielde voor den troon des Verlossers en sprak : Zoon Gods ik voeg mijn gebed bij dat van Uw knecht; sta op, o Zoon Gods, en wees hier richter. En de Zoon Gods stond op, en neder-buigend sloeg Hij het oog op het smaragden eiland in 't westen, en Hij sprak »dit zegt God de Heere -— Wiens woord nooit zal voorbijgaan : Ierland ik zegen u, uw geloof zal niet voorbijgaan tot het eind der tijden.quot; 1)

Men behoeft geen Ier te wezen om onder den indruk te komen van zulke welsprekendheid. Doch de liefde voor Ierland, die zooveel gloed leent aan Burke's woord, maakte hem geenszins blind voor de gebreken zijns volks. Hij erkent het ronduit: 't is alles geen zonneschijn in het lersch karakter, het heeft schaduwzijde genoeg. Pijnlijk griefde hem de brief uit Jersey door sommige bladen overgenomen, waarin de schrijver hem vroeg: »Met welk recht spreekt gij ons van uw godsdienst en uw land ? Zitten onze gevangenissen niet vol van uw volk ?quot; Hij loochent niet, dat er helaas waarheid steekt in dit verwijt, maar de eenige oorzaak is de duivel van dronkenschap. Ik betwijfel of ergens ter wereld deze gruwel eeu bestrijder heeft gevonden, begaafd met zóó aangrijpende en overweldigende welsprekendheid als P. Burke. In gloeiende taal schetst hij den mensch, Gods

1) II 391.

ocr page 334

326

beeld — door deze misdaad zich gelijk makend aan 't redelooze dier ; den verloste door Jesus' bloed, door eigen schuld buiten staat om in het sterfuur vergiffenis zijner zonden en de genade der heilige Sacramenten te ontvangen — dewijl hij buiten kennis, neen, waanzinnig is.

»0 als priester — gaat hij voort — heb ik in de laatste twintig jaren aan menig doodsbed gestaan. Ik heb den dood zien naderen in zijne majesteit, in elke gedaante, die hij aan kan nemen. Ik heb gezien, dat hij de ijskoude hand lei op het hart van den jongen man, dat het in doodelijke kalmte ophield te kloppen. Ik heb hem zien naderen als eene vriendelijke vrouw, wier komst men wachtte ; 't was of zijn gelaat zich tot een glimlach bewoog; hij kwam alleen om de ziel met eene schrede voor Jesus Christus te brengen, en ze daar te laten. Zulk een dood heb ik meermalen bijgewoond. Als de jeugdige non lag te sterven in den eersten bloei en glans van het kloosterleven, en het jonge hart de angsten doorstond van den laatsten strijd, kwam de dood verzachting brengen: kwam hij met zoetheid als eene welkome en langverwachte vriend; en zij glimlachte in 't aangezicht van den onverbiddelijken geweldenaar, en gaf hem gewillig hare ziel, sinds lange reeds een engel Gods. Ik heb den grooten koning vergezeld door de smart, zien naderen aan de bedstee van den stervenden man, wien zijne komst bijna tot wanhoop bracht. Hij was huisvader, met God verzoend, in vrede met alle menschen, de hoop op eene heerlijke toekomst in de zaligheid vervulde zijne borst. Doch dan zag hij

ocr page 335

327

zijne vrouw, wier eenige steun hij was; zijne kinderen, die nu tevergeefs om brood zullen schreien, wanneer hij, die 't hun verdiende, in 't graf zal zijn ; en hij, hun vader, zag armoe en ellende als eenig erfdeel, wat hij zijne dierbaren kon achterlaten — o, dat waren hartverscheurende tooneelen. Ik heb den dood zien komen als een dief in den nacht, ongemerkt aansluipend achter den sterken man: op eens raakte hij hem aan met zijne ijzige hand en rukte hem weggt; eer hij aan iets kon denken. Maar nooit, nooit heb ik den stroeven, schrikwekkenden geweldenaar omringd gezien door al wat de hel verschrikkelijks heeft, meevoerend in zijn stoet voor het oog des zondaars, wiens laatste zandkorrels aan 't vallen zijn, al de folteringen der hem wachtende hel — nooit heb ik hem zien komen met duivelen bij zich, — tenzij aan het bed eens dronkaards, die in zijne zonde stierf. O, indien de grootste dronkaard, de rampzaligste van alle slaven dier zonde, hoorde wat ik gehoord, en zag wat ik gezien heb, hij zou dien vervloekten drank niet meer aan zijn lippen brengen, al kon hij er zijn leven mee rekken duizend jaren lang. Ik herinner me, dat ik eens geroepen werd aan het bed van een man, die stierf aan de gevolgen der dronkenschap. Eene huivering overviel me, toen ik de kamer binnen kwam. A^ier mannen moesten hem in bed houden. In zijn waanzin scheen het hem, dat zij, die hem met geweld in bed hielden, hem langzamerhand neerdrukten in de hel. Vol schrik en ontzetting rolden zijne oogen heen en weer in zijn hoofd. »Ik lig op een bed van vuur!quot; riep liij uit, »o God ik brand, ik brand, het bloed

ocr page 336

328

kookt iu mijn aderen. Duivels, laat me opstaan van dit folterbed, uit die vlammen. Wil niemand me helpen ?quot; Zijn breede borst hijgde zwaar van inspanning, of hij te worstelen had met duizend duivelen. Hij zag ze om zich heen. Machteloos'zonk zijn hoofd in 't kussen, dan, met een ruk poogde hij zich weer los te maken en riep: »help me, help me ! daar — daar zijn zeven en zeventig duivelen — waar kan ik vluchten uit de hel, die me omringt!quot; Zoo ging het toen ik binnen kwam. Zijn gegil sneed me door de ziel, de toon der helsche wanhoop was in zijn stem. Ik trad dichter bij en legde mijn hand op zijn gloeiend hoofd. Mijne kalmte bracht hem tot bedaren: hij erkende me; »och, Pater, is u het?quot; »Ja, ik ben hier.quot; »Zeg mijquot; vroeg hij »heeft u Ons-Heer ?quot; »Ja5quot; antwoordde ik »Ons-Heer heb ik bij me.quot; — »Ga weg, weg!quot; schreeuwde hij toen »weg met uw God — hij is mijn God niet. Ik wil hem niet hebben, ik wil hem niet toebehooren, ga weg! Ga weg

»Een geweldige zucht volgde, zijn hart brak in den kreet zijner razernij — hij ontzonk aan de handen, van die hem vasthielden en was een lijk. Zijn laatste adem was een vloek geweest!'5

Zoo verwerpt de dronkaard al wat hem weer verzoenen kon met God en sterft in zijne vijandschap. Hoe zijn leven was, en hoe hij de plichten ontrouw werd jegens een mensch op zich genomen, schetst de redenaar aldus:

»Voor het altaar des Allerhoogsten heeft eene jonge vrouw, stralend van schoonheid en deugd, hare maagdelijke hand in de zijne gelegd; onder cede schonk

ocr page 337

329

zij hem haar jeugdig hart en hare eerste liefde. Deze vrouw had zooveel vertrouwen in hem, dat zij hem nam voor het leven. Noem het dwaas, indien gij wilt, doch aan zijne zijde had ze gehoopt al hare droomen van aardsch geluk, blijdschap en vrede vervuld te zien, daarom had ze hem gezegd: na en onder God is mijn hart voor u — u zal ik liefhebben en u alleen; op deze reine liefde drukte de genade van 't heilig Sacrament het zegel. Over deze vrouw, over hare en zijne kinderen brengt de dronkaard de schrik-kelijkste aller rampen. De vrouw, die hij gezworen heeft te beminnen, te eerbiedigen en den tol te betalen eener trouwe en hartelijke liefde, berokkent hij armoede, verwelkte schoonheid, vroegen ouderdom, een gebroken hart, een slapeloos oog, ellende en broodsgebrek. Alle andere zonde, mijne vrienden, kan over hem, die ze deed den kreet van afschuw brengen eener ziel, aan welke hij ergernis gaf — maar tegen de ziel van den dronkaard gaat de beschuldiging op eener tot wanhoop gebrachte ongelukkige, misschien een vloek, aan het benauwde hart ontsnapt, van haar, die hem bij den huwelijkszegen voor het altaar hare liefde had geschonken. Ik ken zulk eene geschiedenis: luistert.

»Eenige jaren geleden gaf ik eene missie in eene Engelsche fabriekstad en preekte eiken dag. Op een aVond na de preek over de dronkenschap komt er een man om mij te spreken. Het was een flinke, zwaar gebouwde, krachtige man, met een blik vol geest en leven. Doch het oog lag diep in 't hoofd gezonken, het voorhoofd was met vroege rimpels

ocr page 338

330

doorploegd en zijn haar grijs, ofschoon hij nog betrekkelijk jong moest wezen. Hij was ellendig gekleed ; het regende, en hij had bijna geen schoenen aan de voeten. Aanstonds na de preek kwam hij me zijn geschiedenis verhalen. »Ik weet nietquot; zei hij, »of er nog hoop voor mij is, maar onder de preek besloot ik u eens te gaan spreken: mijn hart is tot berstens toe vol, ik moet het bij iemand luchten.quot;

»Wat was zijne geschiedenis ? Voor eenige jaren had hij in den handel eene som opgespaard van twintig duizend pond. Hij had een lersch meisje gehuwd van zijn land en zijn geloof, jong, schoon en braaf. Hij had twee zoons en eene dochter. Een tijdlang ging alles goed. »Eindelijk,quot; zei hij, »had ik liet ongeluk aan den drank te raken. Ik verwaarloosde mijne zaken, en mijn zaken verliepen. Toen mijne vrouw de armoede voor de deur zag, begon zij te kwijnen en verloor hare gezondheid. Toen wij ten laatste arm waren, werd zij ziek en stierf. Ik was dronken op den dag, dat zij stierf. Ik zat aan haar bed — ik was dronken, toen ze den geest gaf. — Wat werd er van de zoons? Ochquot; zei hij, »het waren nog kinderen — de oudste is nu over de achttien — ze zijn allebei voor diefstal in de gevangenis.quot;

»Het meisje? Ochquot; zei hij, ;gt;dat kind had ik op school gedaan, en zij was er goed opgevoed. Zij kwam bij mij thuis, toen ze zestien jaar oud was, een lief, jong meisje. — Zij was al troost, wat ik had — maar ik was gedurig dronken.quot; »Welnu wat is zij geworden?quot; vroeg ik. Hij zag me aan. »Vraagt u naar dat meisje ? wat zij werd?quot; Als door een pijl getroffen, viel de

ocr page 339

331

man voor mijn voeten en riep: »Go(l in den hemel, God in den hemel! zij is 's nachts op de straat, een veile deern!quot; Op eens vloog hij op en weg; ik hem na. »Neen, neen!quot; gilde hij »er is voor mij geen genade bij God. Mijn kind loopt langs de straat!quot; Hij ging weg, God vervloekend, om eens dronkaards dood te sterven. Hij had eene vrouw en moeder met gebroken hart in 't graf geholpen — hij had zijn twee zonen in 't verderf gestort — hij had zijne dochter gemaakt tot eene levende hel — en stierf met de godslastering op de lippen.quot;

Zal 't nu iemand die zulke regelen leest, verwonderen, dat deze redevoering in de St. Janskerk van Paterson op Donderdag 25 April '72 een onbeschrij-felijken indruk op de hoorders heeft gemaakt? Dat toen hij den preekstoel verliet, de geheele menigte opstond en zich in de zijbeuk verdrong om dien machtigen spreker te naderen, dichter bij te zien, of ze zijn gelaatstrekken in hun geheugen willen prenten. De eerste die den Pater met een woord van warmen dank te gemoet trad, was Mgr. Bayley, Bisschop van Newark 1), die met gespannen aandacht had geluisterd en van oordeel was, dat indien deze woorden van P. Burke onder de oogen kwamen van elk lid in de huisgezinnen, de duivel van onmatigheid wel haast uit het land zou verbannen zijn.

In de nu volgende vergadering der afschaffers van New-Jersey kwam het voorstel in om P. Burke te

1) Weinige maanden nadien benoemd tot Aartsbisschop van Baltimore, f 3 Oct. '78.

ocr page 340

332

verzoeken, wanneer hij uit hun midden ging, naar het oude land mee te nemen den dank van dui-zende harten, voor hetgeen hij met deze redevoering had gedaan; te gelijk hem met aandrang vragende eene geschikte gelegenheid te willen aanwijzen, waar hij het bij menigte vergaderde volk kon doen genieten van het licht en talent waarmede hij deze stof behandelde. 1) Dit voorstel werd aangenomen met zoo daverende* toejuichingen, alsof de dankbaarheid der Amerikanen weerklinken moest op de heuvelen van het moederland ver over de zee.

Dit alles is uiet meer dan natuurlijk. Wie met een paar trekken van het forsch penseel zulke aangrijpende tooueelen op het doek uwer verbeelding werpt,, wie zoo de taal beheerscht — en de hoorders aan zijn lippen boeit en harten kneedt als was, -- verdient meer dan gewonen lof als redenaar; — doch als we dan op denzelfden Donderdag, 25 April '72, nogeeue liefdepreek van hem vinden ten voordeele van de armenzusters dierzelfde stad, dan rijst de vraag wat hier de meeste bewondering verdient; het onwaardeerbare rijke talent, of de onuitputtelijke ijver van den kloosterling!

Op den avond van 25 April brengt hij zijner ver-\ moeienis van den morgen ongedachtig eene welsprekende hulde aan de Christelijke naastenliefde, welker glans hij allergunstigt doet uitkomen tegen den mat-

1) Vermoedelijk was het tengevolge van dit verzoek, dat hij op Maandag 17 Sept. IST'i in Library Hall Elisabeth zijne welsprekende rede hield : dronkenschap de diepste verlaging, matigheid de grootste zegen voor den rnensch.

ocr page 341

833

ten achtergrond der hedendaagsche menschlievendheid. Deze zegt hij, »is eeue menschelijke deugd, meer niet. Ze is medelijdend, ik wil 't erkennen, doch 't is dat medelijden niet wat onze Heer van de zijnen vraagt. Zij is welwillend, toegegeven; wij beleven eene welwillende eeuw; ik buig het hoofd voor deze menschelijke deugd; ik zie ze met genoegen. Ik was trotsch op mijne medemenschen, toen ik zag, met welke vaardige edelmoedigheid onder anderen den slachtoffers dier groote door het vuur vernielde stad aan den oever van het noordelijke meer te gemoet gekomen werd. Het doet mij goed te vernemen, dat New-York, Jersey-City en Hoboken steden van liefdadigheid worden genoemd — 't is de beste titel, dien zij voeren kunnen. Doch wanneer ik die liefde onderzoek, en ze beschouw bij den fakkel door den Zoon Gods in mijne hand gegeven, het hemelsche licht des geloofs, dan mis ik alle trekken van goddelijke afkomst en hond niets over dan eene natuurlijke deugd. De armen worden verzorgd, maar de in hen sluimerende geestkracht wordt over het hoofd gezien; hun lijden wordt verzacht, zij worden aangeraakt met de hand van goedheid of welwillendheid, doch niet tenzij bij uitzondering door de eerbiedige en teedere hand van geloof en offer . ..

»Zet ge den voet buiten de grenzen van dit alle-daagsche medelijden, zoo quot;waait de kille lucht u tegen der armenverzorging door den staat, waar alle liefde wordt verdrongen door staathuishoudkundig overleg. De staat acht het in zijn belang voordeeliger de armen weg te ruimen van straten en stegen; ze van hun

ocr page 342

334:

ziekbed te halen, naar gasthuizen en hospitalen over te brengen en ze daar lastig te vallen met eene hooghartig beschermende zorg, die hare gaven eerder tot een vloek dan ten zegen maakt, dewijl ze bij de hulp voor het lichaam het hart pijnelijk kwetst. Ziedaar de armenzorg van den staat. Ik herinner me nog, hoe ik in Dublin geroepen werd bij eene arme, zieke vrouw. Ik ging er heen en moest in een donkere steeg een zolderkamertje op. Daar vond ik zonder eenige overdrijving vier naakte muren, en een vijfenzeventigjarige vrouw liggend op den vloer onder eenige ellendige lompen. Ze had nog geen handvol stroo onder haar hoofd. Ik zocht naar een kopje om haar te laten drinken, 't Was er niet, en niemand om het te geven. Ik ging bij de buren en vroeg een glas koud water, dat ik aan hare stervende lippen bracht. Om hare biecht te hooren, moest ik zelf naast haar knielen op den grond: de hand des doods was over haar. Ik vernam hare geschiedenis. Ze was moeder van zes kinderen. Zelf eene aanzienlijke vrouw, als Dame opgevoed, omringd door al de voordeelen van overvloed en weelde. De zes kinderen waren groot geworden, gehuwd, het land uit, of dood, maar de oude zwakke moeder was alleen gebleven en, naar het scheen, vergeten. Nu was het niet van de koorts, dat ze lag te sterven, maar van uitputting. Toen ik bij haar neder-knielde en dat grijze hoofd op mijne hand liet rusten, zei ik haar: »laat me in Gods naam maken, dat ge in 't gasthuis komt, dan hebt ge ten minste een bed om op te liggen.quot; Zij keerde 't hoofd naar mij toe en zag mij aan. ïwee groote tranen ontrolden haren

ocr page 343

335

oogen, en ze zuchtte : »o, dat ik het nog beleven moet, dat een Katholiek priester me van het gasthuis spreekt! Neen, laat me in vrede sterven.quot; Ik voelde, dat ik haar geweldige pijn had gedaan — op mijn knieën vroeg ik vergiffenis. En terwijl ik bij haar knielde, ging deze beproefde en gelouterde ziel tot God — maar de ruwe hand der staatsarmenzorg had haar niet geraakt.

»Doch nu uit dezen kouden en vunzigen dampkring, door de reinere en frisschere luchten van welwillendheid en liefde, die — ik beken het gaarne - ook bij onkatholieken te vinden zijn, de ruime zalen der Katholieke Kerk in. Daar vinden we bij de veelsoortige schoonheden en te midden der gewijde vormen van beminlijkheid, met welke Christus zijne Kerk heeft getooid, den gouden mantel eener standhoudende liefde. Aan haren dienst hebben zich de aanzienlijksten, de reinsten en besten toegewijd. Zij heeft hulp en redding voor alle soort van ellende, waartoe de hand van God, der menschen kwade wil, of eigen afdwaling den arme brengen kon. Zie, het kind van den rampspoed zwerft door de straten eener volkrijke stad, verkwist haar jeugdig hart, besmet de lucht, die zij inademt — zij is eene levende zonde. Haar aanblik is zonde, hare gedachte is doodelijk, de aanraking van hare hand onuitwischbare smet. Geen man kan haar aanschouwen en leven. In een uur van goddelijke erbarming voelt zij haar onrein en bedorven hart opgewekt om tot God te keeren. Met de tranen dei-rouwmoedige op het jong en schuldig gelaat richt zij haar schreden naar het kerkportaal — en aan den

ocr page 344

336

ingang des heiligdoms vindt zij het verhevenste beeld der reinheid, de uitgelezenste, de beste, de edelste kinderen der Kerk haar wachten. De vrouw, die nooit de besmetting eener slechte gedachte heeft ondergaan, de vrouw, over wier maagdelijke borst nooit de schaduw viel der zonde — de vrouw, die reinheid, onschuld en genade ademt, ontvangt de vrouw, wier adem de besmetting der zonde is. De uitersten ontmoeten elkaar. De maagd Maria neemt de hand van Maria Magdalene, en in de welgeregelde liefde der Kerk Gods gaat deze boetvaardige binnen om gered en geheiligd te worden.

»Eens werd ik geroepen bij een kranken huisvader. Ik vond er zeven kleine kinderen thuis met hunne moeder, de echtgenoote van den stervende. Twee jaren geleden, was hij van een steiger gevallen en zoo gekneusd, dat hij zijn ledematen niet meer verroeren kon. Twee jaren was hij bedlegerig, kwijnend en stervend. Toen ik kwam, sprak ik hem van Gods barmhartigheid. Hij keek mij aan met een doffen, wanho-pigen blik. »Dit is de eerste keer, dat u bij me komtquot; zeide hij. Ik antwoordde: vriend, 't is voor 't eerst, dat ik van uwe ziekte hoor, had ik het eer geweten, ik zou vroeger gekomen zijn. — »Niemand bekreunt zich om mijquot; ging hij voort »en nu komt gij me spreken van Gods barmhartigheid! Ik lig hier al twee jaren te bed. Al dien tijd heb ik mijne vrouw en kinderen zien wegteren van armoe — en gij zegt, dat er een God van barmhartigheid in den hemel is!quot;

»Ik begreep terstond, dat ik niets met hem beginnen kon. Onverwijld verliet ik het huis en begaf mij

ocr page 345

337

rechtstreeks naar het klooster der liefde-zusters in de nabijheid. Ik bad de overste om Gods wil een of twee zusters te zenden. Zij deed het. 's Anderen daags bezocht ik hem weer. Hoe ik hem veranderd vond! Geen doffe blik van wanhoop meer. Vol moeds en getroost zag hij op van zijn bed van smarten, niet langer morrend tegen God, maar het hart vervuld van innige dankbaarheid. »0 Pater zei hij — hoe gelukkig, dat ik om n gestuurd heb, niet zoozeer om hetgeen u zelf voor me doen kan — maar u heeft me twee engelen van den hemel gezonden. Zij kwamen hier in huis — en voor het eerst sinds twee jaren leerde ik hopen, leedwezen gevoelen over mijn gebrek aan onderwerping en met liefde terugkeeren tot God, aan Wiens goedheid ik durfde twijfelen.quot; Hij biechtte, en ik bereidde hem tot den dood. Hij bleef geduldig en gelaten, en in zijn laatste oogen-blikken, toen zijn stem maar nauwelijks hoorbaar was, fluisterde hij met den dood op de lippen: »u zond mij engelen van God, en zij hebben me beloofd, als ik in 't graf ben, zullen zij moeders voor mijne kinderen wezen.quot; — O lieflijk schoone Kerk van Jesus, wat weet gij goed bedroefden te troosten en de wonden te verbinden van het brekende hart. Wat weet gij het moede, neerhangende hoofd omhoog te heffen! Welken vorm van leed of smarten gij ontmoet, uw vriendelijke, teedere en zachte hand brengt leniging en verkwikking. De hand dezer Godgewijde maagden is de hand van God. Want den lijder is het, of de belofte wordt vervuld: de Heer zelf zal eiken traan wegvegen van de wangen zijner uitverkorenen; en

99

ocr page 346

338

daar zal geen geween meer zijn, geen verdriet noch smarte — al het overige is voorbijgegaan.quot; —

Hij heeft maar ééne snaar op zijn lier, heet het van een dichter, die stoffen van onderscheiden aard niet met eenzelfde meesterschap behandelt. Bij gewijde redenaars, wier taak veel omvattender is dan die eens dichters, is het evenmin ongewoon, dat zij slechts in ééne soort van welsprekendheid uitmunten. P. Burke niet aldus. Zijn vaderland^ de gebreken zijns volks, de geheimen des geloofs, de schoonheden van den godsdienst, de uitwendige heerlijkheid der Kerk — alles wat den priester aangaat, treft hem niet alleen, maar ontlokt zoo zuivere tonen aan zijn gemoed, dat ge niet weet, waaraan uw meeste bewondering te wijden; aan zijne juiste opvatting en gezond oordeel, of aan zijn open zin, voor al wat heilig is en edel en schoon, of der onloochenbare welsprekendheid, waarmede hij uwe belangstelling aan het onderwerp zijner keuze weet te boeien.

Op Zondag 10 Maart 1872 was de nieuwe Dominicaner kerk te New-York voltooid. De pastoor P. O'Lilley O. P. had P. Burke verzocht op dien dag 's morgens en 's avonds het woord te voeren. Hij kwam. 's Ochtends toonde hij naar aanleiding van Davids woord: »al de schoonheid dezer koningsdochter is inwendig'1 hoe de innerlijke schoonheid der Kerk Gods hierin bestaat, dat zij den Verlosser dei-wereld in haar tabernakel heeft, gelijk de moedermaagd hem in hare armen houdt, gelijk het kruis hem droeg op Calvarie. Dat zij Zijne eeuwig blijvende waarheid bezit, met het recht en de verplichting om deze aan

ocr page 347

339

alle volkeren mee te deeleu. Eindelijk, dat zij in hare hand de kracht en genaden der H. Sacramenten heeft, door welke de zielen gereinigd worden en gered.

's Avonds koos hij tot tekst: zij is gekleed in een veelkleurig gewaad met gouden borduursel, ') en vraagt wat is de uitwendige schoonheid der Kerk? »Ik antwoord; deze bestaat in den velerlei invloed en de onderscheidene uitingen, waardoor zij zich openbaart aan de maatschappij. Altoos getrouw aan de zaak van God en aan de zaak der menschen; altoos getrouw aan hare hemelsche taak, vertoont zij zich na een arbeid van meer dan achttien eeuwen voor het aanschijn der wereld, en niemand kan op haar maagdelijk voorhoofd den blaam doen kleven van zelfbedrog, den blaam van wreedheid, of den blaam, dat zij den mensch het woord der waarheid, dat onderhond des waren levens, onthield. Niemand kan op haar de vlek werpen, dat zij ooit een vergelijk getroffen heeft met de hel, de dwaling of met eenige macht, die aan Gods opperheerschappij of de belangen der menschheid vijandig is.quot; •

Uit de vele wegen, langs welken de Kerk Gods invloed heeft uitgeoefend op de maatschappij, kiest P. Burke hier hare verheffing en veredeling der kunst. Liever dan eene dorre ontleding van het geheel te beproeven, schrijf ik eene bladzij uit deze heerlijke redevoering over.

»De nu volgende kunst [na de muziek], welke de Kerk in hare kloosters beoefende, en die in waarheid.

1) Psalm 44.

ocr page 348

340

alles aan haar dankt, is de schilderkunst. Brengt u de tijdsomstandigheden voor den geest. Nog was het boekdrukken niet uitgevonden, en evenwel moest het volk onderwezen — meer dan dit, gevormd worden. Enkel onderwijs, volstaat niet; een beroep op het verstand alleen is nooit toereikend. Daarom riep de Kerk de heerlijke schilderkunst te hulp, en de vrome, aan God gewijde monnik ontwikkelde in zijne kloostercel al de oorspronkelijkheid van zijn aanleg eu geest ten einde in aantrekkelijken vorm, in zwijgende doch machtige woorden de geheimen van den godsdienst uit te drukken — de geheimen, welke de Kerk van den aanvang af heeft geleerd. Van 't geheim der menschwording van Gods Zoon, sprak de engel uit den hemel neergedaald om Maria te groeten. Het oog van den ongeletterden, onbeschaafden man werd er door getrokken, en eene aandachtige beschouwing gaf hem beter dan de welsprekendste woorden te verstaan, hoe zeer de Almachtige God in den hemel hem liefhad. Te dien einde echter moest de schilderkunst opgevoerd tot hare hoogste volmaaktheid. Het penseel des schilders moest om Maria's hoofd den dubbelen lichtglans werpen van maagdelijkheid en goddelijk moederschap. De engelengedaante, die haar groeten kwam, moest om zijne geestelijke natuur en zijne komst uit den hemel, doorschijnend wezen als kristal, waariu kleuren spelen. De lucht moest wolkeloos zijn en zuiver als voor den troon des Allerhoogsten. Moest niet de aanschouwer opgeheven uit zijn aardschen gedachten-kring en in eene hoogere orde van denkbeelden overgebracht ? Daarom stralen van bovenaardschen glans, he-

ocr page 349

341

melsche gedachten, die losmaken van de stof en wereldsgezindheid. Doch ook daarom voor den kloosterling een leven van boete en gebed. Zelf moest hij zijne eigen gedachten, zijne eigene verbeelding, zijne eigene ziel opheffen, ten einde het tafereel, dat hij te schetsen had niet met aardschen blik te zien. Hierin kon alleen de Kerk hem helpen, zij deed het. Daar was geen overlevering in de heidensche oudheid, die hem dienen kon ; bij geen model van onberispelijk strenge vormen kon hij de schoonheid borgen, die hij moest uitdrukken ; hij moest alles in den hemel zoeken. Dat hij liet deed en niet vruchteloos den blik hief naar de hemelsche glorie, maar visioenen zag van de tafereelen, die hij op aarde schetste, geeft ons de Dominicaner kloosterling te vermoeden, die te Florence leefde in de IS116 eeuw en de «engelachtige schilderquot; heette. Hij bracht de Heilige Drievuldigheid op doek. De groote geheimen van ons geloof, stelde hij in verstaanbaren vorm voor de oogen des volks. Eeuwen zijn er voorbijgegaan sinds zijn dood, en nog kan geen schilder of kunstrechter staan yoor een dier bewonderenswaardige engelen of heiligen door den nu zelf gelukzaligen monnik geschilderd, of het komt hem voor, dat Gods engelen moeten verschenen zijn, toen deze jongeling hun glorie in zulken vorm en kleuren wedergaf, 't Is of wij op een gezantschap van hemelsche geesten staren; alsof Gabriel, wanneer hij Maria Gods boodschap brengt, niet min verheugd is haar te aanschouwen, dan doordrongen van 't gewicht zijner zending. Maria schijnt de tijding van den engel omtrent de verlossing te vernemen, niet als eene gewone vrouw, doch als die, welke

ocr page 350

342

Joannes in een visioen op Pathmos zag; die de zon droeg als een kleed, de maan onder hare voeten en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd.

»Michel-Angelo de meester der schilders staarde met verbazing op de engelen en heiligen van fra An-gelico. In zijne bewondering knielde hij neer, dankte God en zeide: »de man, die deze schilderde, moet ze in den hemel gezien hebben.quot; ')

1) Geheel overeenkomstig luidt de merkwaardige uitspraak van een Nederlandsch kunstrechter, die niet gelijk Burke An-gelioo's ordebroeder was, noch als Michel-Angelo zijn geloofsgenoot, maar een die smet het Christendom gebroken heeft.quot;

»A1 hetgeen eene geloovige en onbevlekte Christenziel zich heerlijks en liefelijks omtrent de bevolking van den Chrlstelij-ken hemel kan voorstellen en omtrent hetgeen op aarde de zaligheid moet geweest zijn der helden en heldinnen van het profetisch en apostolisch geloof, is in de bekoorlijkste vormen en met tooverachtig schoone kleuren door fra Angelico op het doek en op de kalk geschilderd ; kleine engelen en engelinnen uit wier trekken en gebaren een oprechte hemelzin spreekt, een los-zijn van dit benedeurond zonder pijn of zucht, eene natuurlijke en uit den grond des harten opwellende lust in het ongeschapene of wat zij daarvoor houden. Dat strijkt de viool; dat steekt de trompet; dat zingt den lof des Allerhoogsten, dat bidt en dat juicht; dat knielt en dat staart den geopenden hemel in met zulk eene onschuldige vreugde, een heimwee zoo vol blijde verwachtingen, zulk een onbeperkt vertrouwen, eene zoo vaste verzekering van toelachend eeuwig heil, dat wie nooit Christen is geweest, de begeerte in zich voelt ontwaken om het te worden, en wie met het Christendom gebroken heeft, zich afvraagt of hij de volle zaligheid van het geloof wel ooit gekend heeft of vermoed? Busken Huet. 1)

Italiaansche reisaanteekeningen p. 146.

1

De man, die deze regelen schreef, is plotseling te Parijs overleden, den Isten Mei 188g. \

ocr page 351

343

»De bouwkunst der oude wereld van Griekenland en Rome leefde nog. Door eene heidensche gedachte ingegeven, rees zij nooit boven het heidendom uit. Roemrijk tot in hunne overblijfselen zijn de tempels van Athene en Rome ; de onberispelijke juistheid der evenredigheid wekt nog bewondering. Merkwaardige stof bieden zij voor bouwkunstige studiën. Zij spreiden zich uit, beslaan zooveel mogelijk plaats; laag waren de zuilen, en de bogen laag; alles scheen aan de aarde te hechten, en voor de aarde bestemd; want deze was de gedachte en de hoogste gedachte aller bouwkunde — de grootste mannen der oude beschaving bedachten nimmer iets verheveners. Doch de monnik in zijn klooster peinzend op een plan voor een tempel en huis van den levenden God, beschouwde de modellen van Griekenland en Rome en vond ze eene langs den grond kruipende en aardsche architectuur. Zijne ziel was omhoog gericht; het leven door hem geleid had zijne gedachten en neigingen geheiligd. Uit deze opwaartsche streving van geest en hart ontsproot de schepping van een nieuwen, Christelijken bouwstijl, de Gothiek geheeten, In dezen niets meer van de aarde dan onmisbaar is, het noodzakelijke enkel voor den bovenbouw. — De leidende gedachte was: opklimmen naar den hemel; een monument doen rijzen voor den Allerhoogste; een monument, dat in ieder onderdeel de gedachte aan God openbaart en het omhoog streven van den herboren christen. Daarom loope elke boog hier spits, elke pijler schiete rank pmhoog, elke nis zij gevuld met engelen en heiligen; hier in liefde gearmd, ginds met het teeken des ge-

ocr page 352

344

loofs, of lessen van heiliglieid gevend; nu recht sprekende, dan met de boodschap der genade op de lippen.

»Oinhoog nu de toreu, waar de klok in zweeft, nadat zij de wijding der Kerk heeft ontvangen — oiu in de lucht, die bij elk harer tijdingen trilt, de tonen te doen golven van Christelijke vreugd en smarte. Hoog boven dien toren moge de rijzige spits de wolken zoeken, en zoo hoog de mensch reiken kan, ten hemel betten het kruis, door hetwelk Christus de wereld heeft verlost. Heeft het volk behoefte aan onder-richt, geef dan eene stem aan de steenen ; laat het stoffelijk gebouw een zegelied wezen van geloof en van dank aan God. Ziedaar de gedachte der Kerk; deze bezielt de bouworde, die zij het aanzijn gaf. Dit zien wij in de prachtige kerken der middeleeuwen, in de oude en aantrekkelijke steden van België en Frankrijk. Daar prijken de transsepten met steenen versierselen, fijn en doorzichtig als het borduurwerk eener vrouwenhand en tegelijk zoo duurzaam en hecht, dat zij den schok van oorlogstijden en de werking dei-eeuwen bleven weerstaan. Wanneer de reiziger Italie's zonnige vlakten zoekt, beklimt hij de besneeuwde toppen der eenzame Alpen. Na een steilen en afmatten-den tocht heeft hij de Zwitzersche valleien achter zich, terwijl het land van de middagzon zich uitspreidt aan zijn voet, en hij overschouwt de liefelijke en uitgestrekte vlakten van Lombardije. Als vloeiend zilver kronkelen de groote rivieren door deze vlakten heen. De lucht is zuiver, een Italiaansche hemel boven zijn hoofd. Majestueuze steden zitten op de vlakten neer. Doch nu, wanneer de zon van Italië haar luister giet

ocr page 353

345

over het landschap, ontdekt hij een voorwerp, dat zijne oogen schemeren doet van den glans. Ginds in de verte, binnen de muren van het uitgestrekte Milaan, ziet hij een paleis van marmer oprijzen van de aarde, omgeven door tienduizend heiligen-beelden; als in eene vervoering van Christelijke vreugd huppelen ontelbare torentjes rondom de rijzige spits, die ten hemel snelt. De zou die er op schijnt, zou u doen vermoeden, dat het geheel met rijm bedekt was of gedreven in zilver. Wendt de reiziger zijne schreden derwaarts, en lust het hem de stad binnen te gaan, dan zag hij nooit te voren, nooit zelfs met het oog des geestes, zulk een beeld der heilige menschheid van Christus. Hier regeert hij I11 »Ik heb somtijds naar zijne woorden geluisterd,quot; schrijft Miss Muiholland, uit Dublin, »met de bewonde ring die eene openbaring van schoonheid en heiligheid wekt. Half verborgen waarheden ontvingen van hein leven en kleur ; bestoven feiten uit den ouden tijd wist hij te kleeden in een aantrekkelijken glans. De leeringen van den godsdienst en de punten des geloofs namen zichtbare vormen en ronding aan, zoodat zij uw oog troffen, terwijl de grondstellingen der wereld in het halfduister van de schemering weken en een indruk op u maakten van spookgestalten. De menschen kwamen uit zijne tegenwoordigheid met den glans van Christus' Koninkrijk in het hart en voor den voet, gestemd bovendien of zij voor een heerlijk schilderstuk hadden gestaan of een wonderbaar schoon gedicht hoorden voordragen, waarvan de stof hun gemeenzaam was, maar de beelden, de kleur, de muziek en de be-toovering tintelden van nieuwheid.quot;

ocr page 354

846

In den zomer van 1872 bleek het, dat de priester te veel van zijne krachten had gevergd. Dat eene bloedspuwing volgde, was minder te verwonderen, dan de overmatige inspanning, waartegen zijne longen maanden lang bestand waren geweest. In een klooster zijner orde in Kentucky nam hij eenigen tijd de noodzakelijke rust; het ging hem aan liet hart, dat hij voor dien tijd aangenomen preeken en lezingen moest afzeggen of uitstellen, en daarom haastte hij zich om zoodra hij genoegzaam was hersteld zijn werk te hernemen. Den 22stlt;,n Sept. preekte hij 's morgens bij de inwijding eener Kerk te Brighton, en 's avonds hield hij in 't Coliseum van Boston eene lezing »voor de grootste vergadering,quot; — schreven de bladen — »die in Amerika ooit was opgekomen om een spreker te hooren. Er waren bij de veertigduizend menschen bijeen. Hij sprak over den aanleg en 't karakter van 't lersche volk. De opbrengst was ten voordeele van het te huis voor verlaten kinderen.'''' — Dat er op het kerkhof van Dublin vijftigduizend waren samengestroomd ter uitvaart van O'Connell, wekt minder verbazing dan het gehoor van veertigduizend in eene zaal te Boston. Nochtans in Ierland teruggekeerd, vei'haalt P. Burke zelf, dat hij in Boston las, en dat de redacteur van de Boston Pilot, Mr. Patrick Dona-hoe, hem een gehoor van vijfendertig duizend leren bezorgde; en uit een ander bericht vernemen wij, dat extra-treinen de luistergrage hoorders van de naburige steden hadden aangebracht. Dat hij door zulk eene onafzienbare menigte verstaan kon worden, is wel niet waarschijnlijk ; toch hoort men aan de eerste woor-

ocr page 355

347

den, dat hij beproeft stille aandacht te winnen. «Mannen van Ierland,quot; zoo begint hij, »mannen van Ierseh bloed, mannen van lerschen stam, ik een lersche priester, ben gekomen om u te spreken over den aan-1 leg en het karakter van het lersche volk. Ik ben gekomen om u te spreken over de geschiedenis onzer natie en van onzen lerschen stam. Ik ben niet verlegen met de geschiedenis van mijn volk, ik ben niet beschaamd over mijn land. Ik zeg ronduit het is het grootste volk en de roemrijkste stam, waarvan de genius der historie kennis draagt.quot;

Doch lerlands kracht en grootheid liggen volgens zijn beweren in de trouw aan den katholieken godsdienst. Op 14 Oct. 1872 hield hij in New-York eene lezing xoi'ey lerlands rampen en dezer geneesmiddelquot; en kwam met fierheid op tegen sommiger meening, dat de lersche katholieken met hunne priesters der vrijheid en eenheid van Ierland vijandig waren. »Dit loochen ik,quot; riep hij uit, »dit loochen ik met al de kracht mijner ziel. Ik loochen het in den naam van die mannen, welke zevenhonderd jaren geleden, de vurigste en dapperste en meest belangelooze patriotten en vereerders van Ierland waren. Ik loochen het in den naam van Laurentius O'ïoole, ') die ten grave diaalde met een om lerlands leed gebroken hart. Ik loochen het in den naam van Turlough O'Brien, 2) die in Limerick werd doodgeslagen, omdat hij te midden van zijn volk stond, toen zij den overweldi-

1) De laatste heiligverklaarde lersche bisschop. Zie St. Laurence O'Tooi.e etc. Lezing gehouden te Brooklyn 18 Sept. '72.

2) Vg. de harp van Erin. Studiën XIV 320.

ocr page 356

348

ger terugdreven van de bres. Ik loochen het in den naam van den grijzen patriot, den grooten aartsbisschop van 't westen, bijgenaamd de Leeuw, den onsterfelij-ken en onvergetelijken John Mac'hale van Tuam. !) Ik loochen het in den naam van vijfhonderd zes en negentig Dominicaner-monniken van lerschen stam, ter dood gebracht door koningin Elisabeth, omdat zij hun volk niet wilden verlaten. Ik loochen het eindelijk in den naam van die mannen, welke in Ierland bleven en lerlands volk ter zijde stonden, toen het eene halsmisdaad was, gevonden te worden op zijn geboortegrond, en deze mannen alles waagden en veil hadden voor Ierland.quot;

Mr. Mac Master, een uitmuntend dagbladschrijver uit New-York die katholiek geworden was, geeft het volgend getuigenis van P. Burke's machtig redenaarstalent : »Zijn naam is ons gemeenzaam geworden. Zijne preeken al worden ze slechts gelezen, niet gehoord, gaan regelrecht tot het hart. Gekleed in het levendmakende licht van zijn woord waren zij schichten, die de hardste rots van onverschilligheid doorboorden. Zij zijn onsterfelijk. Voor ons, die Éngelsch spreken, zijn zij een rijker erfdeel dan Bourdaloue en Massillon den Franschen hebben nagelaten. P. Burke trof het volk in het hart, gelijk geen ander spreker in deze eeuw gedaan heeft. Zijne kunst was niet ile in

1) In de opdracht van het eerste deel zijner lezingen enz. noemt P. Burke dezen Prelaat nog : den vriend der armen; den verdediger der zwakken ; het schild der vervolgden, de eere van lerlands priesterschap ; de vreugde en den roem van het lersche volk.

ocr page 357

349

het oog springende van den rhetor. Zijn eenvoud, zijne oorspronkelijkheid, de macht, die hij op zijne hoorders uitoefende, zijn vonkelende geest — eene gave welke de meeste groote redenaars ontberen — en de vaardigheid om alle deze gaven dienstbaar te maken aan de plichten zijner roeping, waren de vrucht van langdurige studie en strenge regeltucht. Zij, die hem hoorden spreken en de flikkering van zijn oog zagen overgaan in gloed, wanneer het zwellende woord en de klimmende kracht een dier toppunten vau welsprekendheid bereikten, waarbij de harten der duizenden van hoorders sidderden, en zijn helder geluid vaak overstemd werd door donderend losgebroken toejuichingen, zij zagen den priester en den patriot. Zij wisten niet, welke zware inspanning zulke uitwerkselen mogelijk had gemaakt; welke gebeden en nachtwaken hem vrijwaarden voor de gevolgen van den lof en het bewustzijn van talent, waardoor menige andere groote predikant verlokt werd om te geloo-ven, dat hij de Kerk verheerlijkte, en niet de Kerk hem.quot;

Daarom werkten zijne preeken in Amerika vele bekeeringen uit. »Van alle bekeerlingen tot de katholieke Kerk, zegt Burke, waren zij, die het strengst Puritanisme in Nieuw-Engeland beleden, de besten; bij hen is het meeste verstand, de grootste vurigheid, de meest oprecht gemeende godsdienstzin. Zij brachten al de wilskracht hunner afgedwaalde voorvaders mede in Gods kerk; zij brachten mee hunne onverzettelijke, Anglosaksische beslistheid om de waarheid, die zij eens hebben ingezien, vol te houden tot het eind, er voor te strijden en, als 't wezen moet, te

ocr page 358

350

sterven.quot; Zijne bekeerlingen, schrijft een zijner ordebroeders uit Ohio, moeten bij duizenden geteld worden. Doch de Standard schreef: »Wij spreken nu niet van de honderden, welke zijne welsprekendheid tot den katholieken godsdienst bekeerde, noch van de duizenden zijner landgenooten, wier geloof hij sterkte, doch de arrootste overwinning- door Burke in Amerika

O O

behaald was de nederlaag van Mr. Froude.

Deze Engelschman, in Europa als spreker, schrijver en geschiedvorscher gunstig bekend, trad op voor het Amerikaansche publiek, alsof het eene groote jury ware, om dezer goedkeuring te vragen over alles wat Engeland sinds de laatste zeven eeuwen met Ierland had gedaan. Of gelijk Mr. Froude in een verweerschrift tegen P. Burke zelf verklaart, om Amerika's steun in het tegengaan der beweging, waarbij de leren eene eigene regeering (Home rule) eischten. Mr. Froude geeft toe, dat de Ieren door Engeland slecht behandeld zijn — »maar zegt hijquot; »ze maakten het er naar. 't Is waar, wij hebben hen verkeerd bestuurd, doch 't was niet mogelijk hen goed te besturen, 't Is waar, wij hebben hen beroofd, maar wij mochten hen niet in 't bezit van 't hunne laten: zij maakten er zoo'n slecht gebruik van. 't Is waar, wij hebben hen vervolgd, doch de vervolging was een toenmalige mode en aan de orde van den dag.quot; Indien zulke verontschuldigingen gelden, vraagt P. Burke, of er in al de gevangenissen der Vereenigde Staten wel één misdadiger zit, die niet aanstonds behoort te worden losgelaten? Kortom: Mr. Froude had eene reeics van lezingen over Ierland aangekondigd en begon. Nu

ocr page 359

351

richtten zich de Ieren tot P. Burke met verzoek ora hem te antwoorden. Hij weigerde eerst. Als priester trad hij ongaarne ia het krijt met een man van de wereld; als Ier haalde hij de schouders op over de honderdmaal wederlegde — en toch weer als nieuw opgehaalde beschuldigingen tegen zijn volk. — Bovendien, waar zou hij boeken en bij zijn onophoudelijken arbeid tijd voor de noodige studie vinden ? Doch Froude's lezingen groeiden tot een vijftal en waren zóó hoonend voor het lersche karakter, en zóó vijandig aan de katholieke Kerk, dat men bij hem aanhield om te antwoorden. Een vriend, de tegenwoordige bisschop van Trenton, gaf hem toegang tot zijne welvoorziene boekerij en Burke las vijfmalen in de Academy of music te New-York voor een uitgele-

»/ o

zen gehoor van vijfduizend personen, journalisten, beroemde advokaten, Staatsmannen van naam, vermaarde protestantsche predikanten, in een woord : al wat deze hoofdstad der nieuwe wereld aan talenten inhield, luisterde avond op avond met ingehouden adem naar het pleit van dezen lerschen priester voor zijn land. De opbrengst werd aan vrome doeleinden besteed, bijzonderlijk de wederopboawing van een afgebrand gesticht voor arme katholieke meisjes.

»Ik kom hier, zeide hij in de eerste lezing Over den 'inval der Noormannen, «alleen om lerlands eer en zijne historie te verdedigen. Ik kom hier, opdat niemand meenen zou, dat Ierland geen enkelen zoon meer rijk is, die wil of durft spreken, voor de moeder, die hem gedragen heeft.quot;

Op Froude's voetspoor behandelde hij verder:

ocr page 360

352

Ierland onder de Tudors, Ierland onder Cromivell, Grattan en de vrijwilligers, Ierland sinds de unie. Behoeft het nog vermeld, dat deze bladzijden tintelen van den gloed der verontwaardiging? 't Is bijwijlen of het lersche hart van Burke uit de borst dreigt te springen en alleen weerhouden wordt door het kloosterhabijt.

Mr. Fronde had met de allerheuschte bewoordingen verklaard, dat hij der katholieke Kerk geen haat toedroeg. »Ik dacht van wel,quot; zei de rondborstige Burke, »en ik schatte er hem te hooger om. Indien de katholieke Kerk was wat Mr. Froude meent, en zooals hij ze beschrijft, dan zou ik ze haten en verafschuwen, en ieder weldenkend man met mij.quot;

»ln de lezing «Ierland onder Cromwellquot; dus schreef iemand, dien ze had bijgewoond, »hield P. Burke zijn onoverzienbaar gehoor van 's avonds acht ure tot half elf aan zijn machtig woord geboeid. Zijne stem was vol en krachtig gebleven tot het eind; toen besloot hij : mijne vrienden, ik gevoel, dat ik u te lang heb bezig gehouden met een onderwerp, dat inderdaad weinig opbeurends en troostends heeft. Wat mij betreft, ik had de burgers van Amerika en mijn eigene landgenooten liever niet uitgenoodigd mij te volgen op een veld van zoo veel jammeren en verschrikkingen. Tegen mijn zin vernieuwde ik in eigen hart gelijk in het uwe de herinnering aan zoo diep grievend leed — doch Mr. Froude noodzaakte mij de zwachtels weg te rukken, om de wouden te toonen, welke de hand van Engeland onzen vaderen sloeg. Toch deed ik het niet om de gemoederen te ontstem-

ocr page 361

353

men, veel min om ze te verbitteren. Ik zal de eerste zijn om te zeggen: laat voorbij, wat voorbij is: laat de dooden hunne dooden begraven. Doch indien iemand, om het even wie, welken naam hij drage, welken roem hij verworven hebbe op het gebied der wetenschap of historie — indien zoolang ik leef, iemand het waagt te beweren, dat Engelands handelwijze met Ierland billijk en noodig was, zoodat een eerlijk man, eene natie of een vo]k ze kan goedkeuren, — indien iemand zeggen durft, dat de Ieren op eigen grond of in den vreemde altoos in het uur des gevaars de witte vlag hebben geheschen — al lag ik op mijn doodsbed, ik zou opstaan om hem tegen te spreken!quot;

Donderende toejuichingen, die schier niet tot bedaren kwamen, bewezen hoezeer P. Burke uit aller hart had gesproken — maar evenzeer, hoe de ontelbare hoorders den zoon waardeerden, die zoo welsprekend pleitte »voor de moeder, die hem gedragen had.quot;

Mr. Froude bracht het niet verder dan tot Philadelphia en keerde naar Engeland terug. Ware hij langer gebleven, zijne nederlaag zou nog vernederender zijn geweest. Nu liet Burke hem gaan zonder een onedel gebruik van zijne overwinning te maken.

Indien ooit een jaar in P. Burke's leven — of in het leven van wien ter wereld — goed besteed is geweest, zoo was het dit van zijn verblijf in Amerika. Niet alleen, dat hij in de voornaamste steden predikte met ongeloofelijke volharding en vruchtbaarheid: dat hij bovendien naar best vermogen den laster van Mr.

23

ocr page 362

354

Froude beschaamde; hij vond bij dit alles nog tijd om rustig neer te zitten aan het ziekbed, waar hij vermoeden kon, dat zijne komst nuttig wezen zou. Eén voorbeeld verhaalt hij er van na zijn terugkeer, ten einde aan te toonen, hoe onbevooroordeeld de Amerikanen zijn; doch misschien bewijst het nog meer voor hem zeiven. »Ik werd geroepen bij een [onkatho-lieken] heer, die ziek was. Het was een uitmuntend advocaat uit het zuiden. De beste familiën wonen in de zuidelijke staten; een man van aanzien en stand. Hij had gereisd in Europa en veel gelezen. Ik ginger heen, vond hem volkomen bij kennis en sprak van de waarheden des gelooft. Hij staarde mij luisterend aan. Na eene poos voelde ik, dat het oogenblik daar was. Ik sloot miine redeneering, stond op van mijne plaats aan zijn bed en zeide: i-Mijne vriend, gij gaat sterven ; om aan God te behagen, is het noodzakelijk een bepaalden vorm te hebben van godsdienstig geloof. Mijne redenen hebt gij gehoord; nu beveel ik u in den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes te vragen om in de Kerk te worden opgenomen, en de sacramenten van mijne hand te ontvangen. Terwijl ik aldus sprak gaf hij teekenen van toestemming, en voor ik de kamer uitging, was hij Katholiek.quot; ')

Te midden van al dien arbeid had deze priester en religieus nog oogenblikken van een heimwee, dat eiken Ier bijwijlen aangrijpt, die verre is van het groene eiland, door hen zoo bemind en door bijna alle anderen

1) Sermons and lectures III p. 519.

ocr page 363

dot)

miskend. Een vriend in Nieuw-Orleans hoorde hem somtijds zeggen: »ik voel me hier zoo alleen!quot;

Na den dood van P. Jandel Generaal der Dominicanen, wilde hij eene lijkrede houden op den man, die hem meer dan overste, een vader was geweest; doch op den dag der uitvaart lag hij ziek te bed. P. Sanvito, de nieuwe generaal der orde, gaf bevel om hem uit Amerika terug te roepen. Tienduizend dollars werden P. Burke aangeboden voor een te houden redevoering tot de Ieren ten gunste van den nieuw gekozen president der republiek; dit geld had menige vrome stichting ten goede kunnen komen, doch de trouwe religieus erkende eene hoogere macht dan die der dollars; hij weigerde, pakte zijn reiszak, drukte eenige weinige vrienden de hand en wischte een traan uit zijn oog. Op 22 Februari 1873 ging hij scheep naar Ierland, een naam achterlatende als geen ander lersch redenaar ooit in Amerika had gemaakt. Twee stranden staken nu — naar het woord van Tuam's aartsbisschop — de armen naar hem uit: »het eene schreiend om zijn vertrek, het andere juichend om zijne wederkomst.quot;

Toen hij 7 Maart te Queenstown aan wal stapte, werd hij met onbeschrijfelijke vreugde ontvangen door het volk, de geestelijkheid en zijn ordebroeders van Cork; en zoo diep trof hem dit wederzien, dat hij geen woord bijna kon uitbrengen. Hij wist bovendien, dat hij weldra knielen moest op het graf zijns vaders, die tijdens zijne afwezigheid gestorven was. Naar Galway spoedde hij zich het eerst, »ik ga de beste der moeders bezoeken,quot; was zijn woord. Aan zijn moeders huis kwam de president van St. Jarlath's seminarie

ocr page 364

356

hem verwelkomen namens den aartsbisschop van Tuam en hem uitnoodigen ten zijnent. »Zeg hem,quot; antwoordde P. Burke, »dat toen ik in St. Louis verhaalde, hoe de oude man nog zijne harp neemt en in de snaren grijpt, toen stond de vergadering van duizenden op als één man en juichte toe, dat de kolommen beefden.quot;

Op Sint Patricksdag, 17 Maart 1873, gaf de aartsbisschop in 't seminarie van Tuam een feestmaaltijd ter eere van Burke. In antwoord op een der feestdronken noemde zich de redenaar den minste en onwaardigste der Dominicanen, waarop een der gasten inviel: »dan is dat een wonderbare orde, die stormenderhand de heele wereld kan veroveren!quot;

Door de uitgevers der tweede reeks van Burke's lezingen is als inleiding opgenomen het woord van den aartsbisschop bij deze gelegenheid tot den grooten redenaar gericht. Het is evenwel gebleken, dat Mgr. Mac'Hale het eerst ''s anderendaags geschreven heett en aan de bladen toegezonden. Zoo is het een welgemeend getuigenis der waarheid, dat niet aan de opgewektheid des oogenbliks zijn gloed ontleent. Het luidt aldus:

»Wij moesten de hulde ons gebracht onwaardig wezen, indien wij de vriendelijke bereidvaardigheid niet waardeerden, met welke P. Burke na zijn terugkeer uit de groote republiek van Amerika onze uit-noodiging heeft beantwoord. Onder de wonderbare dingen door hem gedaan — en ze zijn vele — heeft hij het oude spreekwoord weerlegd: Niemand is profeet in zijn eigen land. Doch het zij in- het zij buiten zijn vaderland, hij is een der meest buitengewone

ocr page 365

357

mannen van deze onze 19e eeuw. Ongetwijfeld was hij dit voor zijne zending naar Amerika. Doch er was in ons land geen ruimte genoeg voor den omvang zijner talenten. Wij stonden te dicht bij hem om zijne gaven te waardeeren, en alleen op een gepasten afstand kan men zich een denkbeeld maken van de hoogte eens bergs. Maar verre of dicht bij Pater Tom heeft altoos iets oorspronkelijks, en het is te verwachten, dat hij na deze lange reis over den Atlan-tischen oceaan gelijken zal op uitmuntenden wijn, die door uitvoer aan geur en smaak nog gewonnen heeft.

»Dan geen beeld of vergelijking aan de natuur ontleend, zelfs niet heel de overvloed van al haar schatten te zamen, komt de voortreffelijke gaven van onzen gast nabij. Ik vrees niet de waarheid te zeggen, al is hij hier tegenwoordig. Het prijzen van dezen man bij zijn leven zal zoo min den gever als den ontvanger van dien lof het verwijt van ijdeliieid berokkenen of van zucht tot vleien. Hij is toch van te degelijk gehalte om heen en weer bewogen te worden door den streelenden adem der vleierij, welke bij voorkeur hun gevalt, die wonen in de huizen der koningen. En voor mij is het nu te laat om eene kunst te leeren, voor welke ik nooit aanleg gevoeld of gewenscht heb, de kunst om anderen te prijzen, dan wie zich verdienstelijk maakten bij Gods Kerk of het vaderland. Daarom zal ik het woord van lof door onzen gast verdiend, niet verdagen tot het nageslacht, doch veeleer luisteren naar den wijzen man, die ons opwekt om roemwaardige mannen te prijzen, die heerlijke werken voor hunne tijdgenooten hebben verricht. Behoort hij

ocr page 366

358

niet tot de mannen, die met groote kracht begaafd hunne eeuw beheerschen en den volkeren te goeder ure woorden toespreken vol heiligheid? ') Welk was het doel zijner reize naar Amerika, of liever — want drijfveeren liggen niet altijd open en bloot — welke waren er de vruchten van 1 Geleken zij op die, welke het spoor van Clive, Hastings en andere Saksen van deze richting in Indië teekenden ; die van uitgestrekte landen een wildernis maakten, welker stilte alleen gebroken werd door 't gejammer van weduwen en weezen, wier aantal klom, naarmate aan de begeerlijkheid van zulke tyrannen moest worden voldaan? Waren ze van dien aard de vruchten en gedenkteekenen van P. Burke's tocht over de andere helft der aarde? Hij ook behaalde in korten tijd aanzienlijke overwinningen. Als Cesar mag hij zeggen veni, vidi, viei quot;) doch hoe geheel verschillend waren zijne zegepralen. Zijne bui-tengemeene geestesgaven en welsprekendheid werden beloond — ik weet het van vertrouwbare zijde — met niet minder dan honderd duizend pond sterling. Waartoe diende hem dit geld ? Niet om de voorspraak te koopen van invloedrijke personen ter verkrijging van een titel; hij behoefde het niet om een woedende menigte te bedaren, want het was door geen misdaad verkregen ; voor zich zeiven had hij het niet noodig, wilde hij het niet; — neen zijn hart was elders,, en daffr bracht hij de schatten heen, die zijn vaderlandsliefde en welsprekendheid gewonnen had.

1) Eccl. XLIV.

2) Ik kwam, zag en overwon.

ocr page 367

359

Amerika's vrome stichtingen tot onderscheidene doeleinden, van de versiering der kerken af, tot het bouwen van scholen, waar de Kerk hare beschermende vleugelen uitspreidt, over het kind, kunnen spreken en zullen tot in de verste toekomst getuigenis geven van de milde giften door den weisprekenden Dominicaan aan het goede volk van Amerika geschonken. Ja ze waren elkander waard, deze priester en dat volk ! God wekt ten zijnen tijde de geschikte werklieden op, welke bijzondere omstandigheden vereischen. De geest der dwaling heeft niet slechts van gedaante gewisseld, maar al deze verschillende gedaanten zijn toegetreden tot een gedrochtelijk verbond. Om hieraan het hoofd te bieden worden geheel buitengewone machten gevorderd, vau welken niet eene werkeloos blijven mag, veel minder zich in tegenovergestelde richting bewegen. Een lichaam door een ander voortgestuwd, beweegt zich uitsluitend in ééne richting. Doch werkt de eene beweegkracht in rechte lijn, en eene andere van ter zijde, zoo ondergaat het een gedeelden invloed en loopt in schuinsche richting voort. Dit geldt voqr talentvolle mannen, wier gaven door meer dan een enkelen drijfveer in beweging worden gebracht. Reeds de wijsbegeerte zal u de meerderheid aantoonen van hen, die waarlijk ernstig gelooven, van geestelijke mannen gelijk Dominicus en Franciscus of dezer volgelingen, boven de begaafde mannen van de wereld. De gaven der wereldsche menschen worden verzwakt, dikwijls krachteloos gemaakt door strevingen en bijoogmerken, die niet samenstemmen met elkander. Waaraan danken wij dan den machtigen invloed der Do-

ocr page 368

360

minicanen b.v., der Franciscanen of Jesuïeten? Aan den ernst, met welken zij den voet zetten op alle aardsche en zinnelijke neiging, die in verzet komt met het geestelijk koningschap des Verlossers. De man, die zich aldns heeft losgemaakt van al wat hem belemmert en aan de aarde bindt, komt tot een geestelijk leven, zoover dit in het lichaam mogelijk is, en verricht daden, die geen wereldling begrijpt. Dit was het geheim der wonderen van St. Franciscus; deze de reden van Xa-verius' machtige overwinningen, en dit alleen verklaart ons het wonderbare welslagen van P. Burke's heerlijke zending in Amerika.quot;

Burke's nederigheid maakten hem inderdaad bestand tegen zooveel lofs. Hij had eene allerdiepste overtuiging van de ijdelheid en leegte der wereldsche achting en eer. Op God en de Kerk richtte zich heel zijn geest. Hij vernam lofprijzing en toejuiching genoeg om bedwelmd te worden, doch het scheen geen vat op hem te hebben en ging als ongemerkt voorbij. In het werk dat God hem te doen had gegeven, gingen al zijne gedachten op. Hij had die hoogte van godsdienstig leven bereikt, waar de zelfbewustheid, of liever de bewustheid van eigen gaven volkomen verdwijnt. Slechts dan wanneer iemand hem verheffen wilde ten koste van de waarheid, sloeg hij acht genoeg op die eere om ze met verontwaardiging af te wijzen. In eene groote vergadering stelde een man van aanzienlijken stand, die evenals hij Burke heette, den Pater voor als een verren bloedverwant, »quot;t lijkt er niet naar!quot; viel hij in met meer dan gewoon lerschen tongval: »ik ben de zoon van Wout Burke, den bakker.quot;

ocr page 369

361

»Carclinaal Gullen, die hem eene groote bewondering toedroeg — schrijft P. Lilly de Prov. der Dominicanen in Amerika — deelde op zekeren dag P. Burke mede, dat hij hem zou voordragen voor een bisschopszetel in Canada. Burke's gelaat betrok bij deze woorden. ^Eminentie,quot; vroeg hij op een toon van droef heid, »ik weet niet, waarin ik u kan beleedigd hebben, dat gij me op deze wijze zoekt te vernederen. Gij zoudt mij naar Ganada willen laten gaan, naar dat woeste, bar-baarsehe land, waar ik, eer zes maanden verloopen zijn, dood gevroren zou wezen of omgekomen van gebrek. O, Eminentie, denk eens goed over me en laat me dezen keer vrij.quot; Het aanbod werd niet herhaald. Burke was niet geschikt voor die post. Hij was een man van nature begaafd met eene schitterende welsprekendheid en door en door bekwaam voor het rondtrekkend leven van missionaris. Hij begeerde geene aardsche onderscheiding, want hij was ootmoedig en kinderlijk in de hoogste matequot;.

Deze karaktertrek verbaast ons minder, wanneer wij vernemen, dat zijne oude moeder tot het laatste toe ernstig bevreesd was, dat haar »Nicquot; benadeeld mocht worden door zijn roem, en dat ijdelheid hem tot hoogmoedig zelfbehagen zou vervoeren. Zonder ophouden bad zij haar rozenkrans voor hem, dat hij toch niet hoovaardig worden mocht en afvallen van God.

Zijne liefde voor de armen, voor wie hij zoo menigmaal zijn heerlijke gaven besteedde, sproot wel uit denzelfden grond. Men heeft opgemerkt, dat hij om zich naar Amerika in te schepen bij voorkeur een schip zocht, dat veel tusschendeks-passagiers aan boord

ocr page 370

362

had. Het grootste deel van de reis was hij bij hen; hij vroolijkte ze op, troostte ze en moedigde ze aan om in het nieuwe vaderland, dat zij zochten, trouw te blijven aan hun heiligen godsdienst. Geen wonder, dat hij aller hart aan zich hechtte, en dat menig oog vochtig stond bij het afscheid van Pater Tom.

Naast de armen had hij vooral de kinderen lief. »Ik voel me altoos gelukkig,quot; zei hij eens, »als ik een klein kind bij me heb.'' Er was in hem zeiven zooveel van het kind. Hij bezat de liefelijke eigenschap om blij te kunnen wezen met eene kleinigheid; een voorrecht dat God dikwijls geeft aan reinen van gemoed, waardoor zij om een onbeduidend iets zich zoo vroolijk kunnen maken, alsof de vreugde van hun gelukkig hart maar eene gelegenheid zocht om zich uit te storten. Zoo was Pater Burke altijd licht van harte, altijd in zijn schik, altijd gereed voor het werk wat te doen viel, om het even of het ernstig of niei:, hard of aangenaam was. Niets kwam hem ongelegen, wanneer het bevorderlijk was tot het doel, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch evenzeer verheugde hij zich altoos, wanneer hij zich terug kon trekken in de vreedzame rust van zijn klooster, om daar alleen te zijn met God.

Te midden van zijn meest opgewekte vroolijkhekl, die in een hartelijk gullen schaterlach weerklonk, hernam hij op eens zijn ernst, wanneer men zijn raad kwam inwinnen in geestelijke of tijdelijke zaken. Geen spoor der vroolijkheid van zooeven was meer zichtbaar, en de rustig kalme toon van hartelijke deelneming gaf den zwakke moed of goot balsem in de ge-

ocr page 371

363

wonde zie]. Zij die hem alleeu uit zijn dagelijkschen omgang kenden, vermoedden niet hoe ernstig en wijs de raad was, dien hij gaf in geestelijke zaken, hoe hij sprak als een, wien God de taak had opgedragen Zijne blijde tijding te brengen aan de treurenden van hart. Zoowel in den biechtstoel als op den kansel kwam zijn opgeruimde geest hem uitmuntend te stade. Wie bij hem biechtte, voelde zich in eens op zijn gemak en opgebeurd ; hij wist uwe gedachten af te leiden van u zeiven en gaf zooveel moed en troost in de plaats, dat u de deugd aantrekkelijk werd, al hadt ge er eerst voor gehuiverd, en dat de godsdienst gepredikt en voorgehouden gelijk hij het deed, een altoos springende bron moest blijken van levensmoed en geluk. Zoo was het voor P. Burke. De laatste tien jaren zijns levens, sinds zijn terugkeer uit Amerika, leed hij aan eene inwendige verzwering, die hem de hevigste pijnen veroorzaakte.

Eens bekende hij na de preek : »ik had zoo wel van den preekstoel naar beneden kunnen springen !quot; Een andermaal: »nooit heb ik het zoo benauwd gehad als onder deze preek.quot; In een gedicht van P. Russell S. J. op Burke komen deze regels voor:

»Een ondermijnend lijden van jaren lang brak den sterken man af bij den dag; doch hij droeg zijn kruis ongebogen met een heldhaftig en blij geduld. Zelfs de gloed der bezieling vermocht niet altoos hem zijne smart te doen vergeten, en waar somtijds de hoorders van verrukking trilden, kromp de spreker in een van de pijn.quot;

In plaats van hem neer te slaan, scheen de smart

ocr page 372

364

een prikkel tot grootere werkzaamheid en zocht hij afleiding in de kluchtigste zetten.

In zijne ziekte van 1879 moest hij eene allerpijnlijkste _ insnijding ondergaan en weigerde standvastig alle middelen van bedwelming. Toen de dokters zich gereed maakten tot hun bloedig werk, was hij vol grappen en geestigheid en vertelde hun eene allerdwaaste geschiedenis. Bij het zoeken en peilen naaide oorzaak zijner kwaal ontsnapte den lijder een pij-nelijke zucht. »Arme man !quot; zei goedhartig de pro-testantsche dokter, die zijn hoofd vasthield. «Beklaag me maar niet,quot; hernam Burke dadelijk, »deze geschiedenis is goed voor me. Indien uw vriend Maarten Luther maar een klein tikje hiervan had mogen hebben, toen hij pas met zijne zottigheden begon, dan was hij nu iu den hemel.quot; De mannen van de kunst vonden, wat zij zochten, en een van hen, niet zonder vrees voor den afloop, vroeg, of de Pater misschien zijn biechtvader niet verlangde ? »Neen!quot; antwoordde hij, »dat hoeft niet, die weet sinds jaren, hoe het er van binnen bij me uitziet.quot;

In eene volle coupé van den spoortrein naar Cork had tegenover P. Burke een man plaats genomen, die telkens uit den binnenzak van zijn jas eene flesch voor den dag haalde en zonder omwegen aan den mond bracht. Dit gebeurde zoo dikwijls, dat P. Burke begreep deze man kon lastig worden voor zijne medereizigers'. Toen nu de flesch weer te voorschijn kwam, zei de Pater hem belangstellend: »mijnheer heeft zeker vroeg zijne moeder verloren ?quot; De man keek verbaasd op en vroeg met de flesch in de hand; »hoe dat ?quot;

ocr page 373

365

»Wel,quot; was 't antwoord, »ik zie dat u met de flesch is grootgebracht.quot; Allen lachten hartelijk, maar de flesch keerde weer in den binnenzak en bleef er de geheele reis door.

Van Gerald Barry, een Engelschen geschiedschrijver uit vroeger tijd, gaf hij de volgende toelichting: »deze man heeft van den eersten dag, dat hij spreken kon tot zijn laatste oogenblik nagenoeg altoos gelogen. Alleen kon men hem veilig gelooven, wanneer hij in het Confiteor beleed : »ik heb grootelijks gezondigd in gedachten, woorden en werken door mijne schuld.quot;quot;

Van eene lezing, die P. Burke zware studie had gekost, bekent hij, dat zij hem zeiven een proefstuk van grondige geleerdheid toescheen, maar dat toen hij ze hield, een man vlak tegen hem over den mond opende tot zulk een geeuw, dat hij bij zich zeiven zei: »laat me deze verhandeling sluiten, of de mond van dien man gaat nooit meer dicht.quot;

»Tijdens de drie maanden, schrijft zijn Provinciaal, dat zijn lijden hem thuis hield, was de gouden lier zijner welsprekendheid ontspannen. Doch voor wie hem bezochten in zijne kloostercel van Tallaght, preekte hij meesleepender dan ooit door zijne onderwerping aan den goddelijken wil en zijn geduld en opgeruimdheid onder de hevigste smarten.quot;

Een priester, wien hij hartelijke vriendschap toedroeg, bezocht Tallaght en vond hem op de been. P. Burke bracht zijn vriend overal rond in het klooster, waarvan hij Prior was, en zag roet innige voldoening , dat hij eene groote bewondering toonde voor een houten kruisbeeld in de Kapittelzaal. »Dit

ocr page 374

366

kruisbeeld,quot; zeide hij, »is een mijner grootste bronnen van troost. Wanneer de pijn heel erg wordt, kruip ik naar beneden en kom hier voor dit kruis staan ; en dan zeg ik bij me zeiven: Wat is mijn lijden, vergeleken bij dat van Hem?quot;

»Niemand zou hebben vermoed,quot; schreef dezelfde bezoeker, »dat hij voortdurend leed; zijne manieren waren zoo ongedwongen vroolijk, zijn omgang was zoo aangenaam, de vonken van zijn onuitputtelijken geest dansten over bijna elk voorwerp wat we op onze wandeling door den kloostertuin ontmoetten. Ik vroeg hem: Pater Burke, zeg me nu eens, hebt ge nu op dit oogenblik pijn? /gt;Ja zeker!quot; was het antwoord, en half lachend voegde hij er bij, »dat is mijn trouwe metgezel.quot;

Eéne zaak kwelde hem echter het meest; zijne: goede, oude moeder was ziek in Gal way, en hij was niet in staat om haar te gaan bezoeken, en het kon haar laatste ziekte wezen. Hij bad, dat God hem den troost verleenen mocht ze nog levend te zien.

Eene week daarna hoorde ik tot mijne vreugd, dat zijne gezondheid zoo ver hersteld was, dat hij voor eenige dagen naar Kingstown had kunnen gaan. Kort daarop kon hij het brengen tot Gal way, zijne moeder bijstaan in hare laatste oogenblikken, en keerde toen naar Tallaght, waar een geweldige aanval van zijn onrustbarende kwaal hem opnieuw deed instorten.quot;

Toch stond hij ook hier weer van op. Rust, volkomen rust was nu het voorschrift der geneesheeren. Een van hen schreef een plechtigen brief, waarin hij hera alle bezigheid verbood. Doch ongeveer zooals Luther de

ocr page 375

367

Pauselijke bulle, zoo behandelde Burke het schrijven des dokters. »Moet ik sterven,quot; was zijn woord, »dan met de wapens in de hand,quot; en hij ging naar Cork om eene retraite te geven, welke door nog vele andere gevolgd werd.

Men heeft geklaagd, dat zijn talent door deze rus-telooze inspanning geknakt is; sommigen zijn van meening, dat de laatste jaren zijn naam met moeite staande hielden, doch hiertegen komt zijne feestrede op Ignatius, den 31 Juli 1880, ia de Jesuïetenkerk van Farmstreet te Londen gehouden, in welsprekend verzet. Bevoegde en onpartijdige beoordeelaars noemen deze zonder voorbehoud zijne schoonste preek. Een iiooggeplaatst geestelijke was er tegenwoordig in eene lichamelijke ongesteldheid, welke de heerlijkste rede onuitstaanbaar maakt, en deze heeft verklaard, dat de vijf kwartier hem enkele minuten schenen, en het hem hartelijk speet, toen het uit was. 't Is moeilijk een keuze te doen uit deze bladzijden; naar eene enkele laat zich het wonderschoone geheel niet beoordeelen ; hoor hem aan het einde over de opheffing der Sociëteit door Paus Clemens XIV:

»De hoogste proef van elke deugd is sterven. Wanneer de H. Paulus de gehoorzaamheid prijst van den goddelijken Meester, die de wereld heeft gered, zegt hij ons: »Hij was gehoorzaam tot den dood,quot; en zoo stierven Ignatius en zijne groote Sociëteit op het enkele woord van hem, aan wien hij gehoorzaamheid schuldig was. O groote en heldhaftige daad, de grootste van Ignatius'grootheden! Toen zongen de vijanden der Kerk hun zegelied. De groote Christengemeenten

ocr page 376

368

der Sociëteit van Jesus in Afrika en Zuid-Amerika kwijnden en stierven langzaam weg. De bloeiende stichting van Paraguay zonk terug in de barbaarsch-heid en het land werd opnieuw eene wildernis, 't Is niet de Katholiek alleen, die het betreurt; al wie het menschelijk geslacht, zijn geluk en vooruitgang liefheeft, ziet met weenend oog op de puinhoopen der verwoesting, welke de uitdrijving en vervolging der Jesuïeten brachten over de arme zwarten en kleurlingen dier verre landen. In Europa was het terzelfder tijd of de hel was opengegaan, zulk een stroom van goddeloosheid en omwenteling bruiste over de beschaafde wereld. Veertig jaren lang lag Ignatius niet dood maar slapend. De levensvonk was niet ge-bluscht. De zilveren draad was niet geheel gebroken — eenige oude mannen leefden en bewaarden den schat der overleveringen van hun orde, toen in 1814 Pius de Zevende — de onsterfelijke om zijn lijden en zijn deugd — de groote Sociëteit van Jesus herstelde voor de Kerk en het menschdom.

»Bij den klank derzelfde machtige stem, die hem bevolen had te sterven, stond Ignatius weer op van den dood ; en met verdubbelden moed, in denzelfden geest van voorheen, met de heilige overleveringen, nog ongebroken, omdat ze in de levende schakels waren bewaard, hervatte hij zijn vroeger leven van arbeid en lijden. Van arbeid: nooit openbaarde de Sociëteit grootere moed en kracht dan sinds hare herstelling; van lijden: nooit werd zij geweldiger vervolgd dan in onzen tijd. Toch hoe ijdel is het plannen maken, van wie haar ondergang zoeken. Wat is op-

ocr page 377

369

gestaan van den dood, is onsterfelijk. Iedere orde in de Kerk geeft een trek uit het leven en karakter van onzen Heer Jesus Christus te zien. Zijne beschouwing en gebed worden voorgesteld door den H. Benedic-tus en den H. Bruno; zijne evangelische en uiterste armoe door den H. Franciscus; zijne vermoeienissen en predikambt door den H. Dominicus en anderen. Daar was evenwel een staat in het leven van onzen gezegenden Zaligmaker nog niet vertegenwoordigd in de Kerk, en dit was zijn verheerlijkt leven na Zijne verrijzenis van den dood; en het groote voorrecht om dit te mogen doen was bestemd voor Ignatius en de Jesuïeten. Zij stellen het leven van Christus voor, waarvan de heilige apostel schrijft: Christus van de dooden opgestaan, sterft niet meer. De dood heeft geen heerschappij meer over Hem.quot;

Niet elke eeuw heeft een genie aan te wijzen gelijk het zijne. In hem was het redenaarstalent zoo machtig, en stond het zoo- hoog, als bij den zoon van eenig volk. Zijn Celtische aanleg was zoo beschaafd door de beste invloeden van zijn tijd, dat hij zonder oorspron-kelijken gloed of natuur te verliezen de eischen der kunst nooit over het hoofd zag. Zijn stijl was niet Oostersch weelderig, maar zuiver Grieksch, want de bouw was hem hoofdzaak en niet de versiering. Zelfs bij de gloeiendste voordracht bleef zijn gebaar edel en vol beteekenis, en hij zich zeiven meester. Bij den godgeleerde wekten zijne preeken verbazing om den rijken inhoud en de helderheid zijner gedachten; de ongeletterde werd door zijne geweldige overtuiging en schilderachtige voorstelling geroerd en meegesleept.

24

ocr page 378

370

Hij schreef zijne preeken zelden geheel en, wanneer hij het deed, hield hij zich slecht aan het geschrevene. Daar was in zijne welsprekendheid te veel oorspronkelijks om aan den band van het geheugen te loopen. Hij schreef meestal eene zorgvuldige schets van de punten, die hij behandelen wilde; dacht ernstig over den inhoud na, maar moest zich voor den vorm verlaten op zijne meesterschap over het woord en zijn onnavolgbaar talent. Eene grondige bekendheid met de werken van den H. Thomas, zijne diepe studie der theologie en uitgebreide kennis, bewezen hem goede diensten, wanneer lange voorbereiding onmogelijk was. Nooit ging de gedachte in' een vloed van woorden onder; integendeel, wanneer de stroom zijner welsprekendheid de hoorders meesleepte, liet de rijkdom der gedachten een blijvenden indruk na op hun gemoed.

De groote redenaars als Massillon, Bourdaloue, Se-gneri en anderen preekten op Zon- en feestdagen of hij buitengewone gelegenheden, doch P. Burke was gereed op den wenk van elke religieuze overste, van lederen pastoor, van het bestuur aller liefdadige instellingen. Zoo werden zijne gaven eiken dag mee-doogenloos gevorderd, en zijn kracht uitgeschonken als wijn voor de verkwikking van armen en behoef-tigen.

Toen zijn Provinciaal in 1880 als Visitator naar een lersch Dominicanessenklooster in Lissabon werd gezonden, nam hij P. Burke met zich mede, om hem alzoo eenige uitspanning en de noodzakelijke rust te doèn genieten. Van daar schreef hij de volgende

ocr page 379

371

regelen aan eene lersche dame, die zijne geestelijke leiding volgde:

Ccrpo Santo Lissabon, 17 Nov. 1880.

Alhoewel ik u niet geschreven heb (ik doe het aan niemand) heb ik toch geen dag voorbij laten gaan zonder te bidden voor mijn kind. Ik hoop dat gij 't goed maakt. Denk, dat ge mij binnen kort alles moet komen vertellen, want wij zijn op het punt van Lissabon te verlaten na een aangenaam verblijf van drie weken. Wij keeren terug over Spanje en Frankrijk, en binnen veertien dagen hoop ik weer thuis te zijn, met uitzondering van een kwaadaardigen aanval van vier dagen der vorige week is mijne gezondheid, God zij dank, wonderbaar goed.quot;

In Februari van 't volgende jaar schreef de Liverpool Times na zijne preek in deze stad ten behoeve der scholen gehouden: »ofschoon P. Burke ernstig ziek is geweest, teekent zijn uiterlijk weer het genot eener krachtige gezondheid. Zijn geest is zeker verre van gedrukt, want niet alleen openbaart hij in den dage-lijkschen omgang zijne gewone levendigheid en goeden luim, maar zijne preeken missen niets van de kracht, den gloed of de aanschouwlijkheid van voorstelling, welke aan meesterstukken van welsprekendheid eigen zijn.quot;

De vastenpreeken in Dublin volgden zijn terugkeer uit Engeland op den voet, en daar omtrent verhaalde hij: »al mijn streven is om mannen tot biechten te brengen. Vrouwen dragen genoegzame zorg voor zich zelve. Laatst was ik in de sacristy, toen een net gekleede

ocr page 380

372

jongeling met eene beleefde buiging binnenkwam. »Ik weet om u de waarheid te zeggen niet, wat ik hier kom doen,quot; begon hij, »maar mijne moeder en zusters stonden er op, dat ik u eens zou gaan spreken.quot; Ik zag terstond, dat hij iets op zijn gemoed had. Ik lei mijne twee handen op zijne beide schouders en zeide: »Dadelijk op de knieen.quot; Half lachend en half verschrikt, knielde de jonkman neer en sprak zijne biecht. Wij waren daarna goede vrienden, en hij heeft me bedankt voor het kluchtig geweld, waarmede ik een weerzin overmeesterde, die hem onoverwinnelijk geschenen had.quot;

Wanneer hij geên prior was, bleef hij toch aan hst noviciaat van Tallaght verbonden, en had een biechtstoel in de Saviour's kerk te Dublin. Daarom zag hij zich somwijlen genoodzaakt schriftelijk te doen weten, waarom hij er niet gekomen was. »Uw brief is aangekomen eu had er zijn tijd wel over gedaan. Ik kreeg hem op bed, waar ik nu mijn meesten tijd doorbreng, en eerder schrijven kon ik niet. Ik heb me zondag een vreeselijk geweld moeten aandoen om door een preek van veertig minuten voor de weezen heen te worstelen met dit gevolg, dat ik 's middags en gisteren den heelen dag het bed heb moeten houden onder hevige pijn.quot;

In Juni van 1882 hield hij lezingen in Glasgow, en de Eerw. Mac Intosh, die een zeiltochtje met P. Burke maakte door het vriendelijkste zonnelicht beschenen, waaronder de Pater vermoeienis en pijnen voor een oogenblik vergat, schreef een goed jaar later; »Ik verliet hem te Eothsay vol hoop dezen grooten en uitmuntenden man weer te zien. Ik kon niet vermoe-

ocr page 381

373

den, dat zoo schitterende ster spoedig gedoofd zou wezen.quot;

»Ik heb pijn,quot; klaagde hij aan een bloedverwant, »in elke spier en in iedere zenuw, tot aan mijn oogleden toe,quot; »en toch,quot; schrijft een zijner hoorders, «verhief zich de ziel boven de krankheid van het sterfelijk hulsel uit. Altoos te midden van zijn smartelijk lijden kwam hij op den wenk van plicht of liefde, welsprekend als altijd, met eene welsprekendheid, die won aan innigheid en gloed, vol reine en teedere liefde voor zijn land, met ernst opkomende tegen al wat zijn ideaal van het land der heiligen verduisteren of bevlekken kon.

Den Isten October preekte hij onder regen en wind in de open lucht te ïallaght. Hij moest eene nieuwe kerk bouwen aan zijn klooster, deze dag was bestemd voor de eerste steenlegging door kardinaal Mac Cabe.

De bisschop van Trinidad en eene groote priester-soliare vergezelden den prins der Kerk, en P. Burke verhief zijne stem boven het gehuil van den wind. Hij herinnerde, hoe ditzelfde oord eertijds geheiligd was geweest, tot de hervorming het door gruwelen had ontwijd; het laatste klooster was in een kasteel verbouwd voor de Anglikaansche bisschoppen, die eindelijk de gronden verkochten, onder beding, dat het paleis werd gesloopt, opdat het nooit weer voor klooster zon kunnen dienen.

»Geen wonder, dat die bisschoppen er niet wilden blijven ; er waren herinneringen aan deze plek, er klonken stemmen in de lucht, stemmen van heiligen en reinen — die hen onrustig deden slapen op hun

ocr page 382

374

donzen bed. »Maar vandaag,quot; riep de redenaar uit, »zien de heiligen uit den hemel Gods Kerk verrijzen uit hetgeen haar graf scheen te zijn. Vandaag zien Melruan .en Angus en de onafzienbare schare van lersche heiligen, die Patrick omgeeft, het kruis opnieuw geplant in dezen eerbiedwaardigen, heiligen grond.quot;

De geldelijke zorgen voor den bouw dezer kerk, zijn rusteloos preeken, nu in Liverpool, dan in Belfort en geregeld in Dublin, de post van Prior, die hem in December 1882 weer was toevertrouwd, wekten zoo geweldige aanvallen zijner ongeneeslijke kwaal, dat hem in 't voorjaar van 1883 weer volstrekte rust en verandering van lucht werd voorgeschreven. Begeleid door P. Towers, zijn biechtvader en vriend, ging hij nog eens naar Rome. De Freeman berichtte: mannen van hoogen rang in de Kerk, en de aanzienlijkste leden zijner orde ontvingen hem met de meeste warmte en hartelijkheid, en de eer viel hem te beurt door den Heiligen Vader in een bijzonder gehoor te worden toegelaten. Z. H. groette hem als een der grootste predikers, gaf zijne bijzondere voldoening te kennen over het werk door den beroemden Ier verricht en zegende hem met den wensch: dat hij nog vele jaren de gezondheid en kracht mocht bezitten om zijn vruchtbaren arbeid voort te zetten.

Toen hij in Mei terugkeerde, was kardinaal Mac Cabe gevaarlijk ziek. »Ik heb God gebeden hem te sparen,quot; sprak Burke, »en mijn leven te nemen. Wanneer gij hoort, dat de kardinaal hersteld is, verwacht u dan op het bericht van mijn dood, want ik heb mijn leven voor het zijne aangeboden.quot;

ocr page 383

275

Kardinaal Mac Cabe genas en stierf eerst twee jaren later.

Den 31sten Mei 1883 moest de nieuwe Domini-canerkerk van Hayerstock Hill te Londen worden geopend, en P. Burke had beloofd de eerste preeken er in te houden. Weinige dagen te voren schreef hij aan den pastoor der nieuwe kerk: »mijn toestand is ellendig, doch alleen de dood zal mij beletten woord te houden.quot; — gt;;Ik geloof het,quot; zei de vriend, tot wien deze tijding gericht was, »ik ken hem als een held!quot;

De geneesheer had hem gewaarschuwd, dat hij zich aan een ernstig gevaar blootstelde; een zijner vrienden volgde hem tot aan de poort van zijn klooster met de dringende bede deze reis niet te ondernemen. »Ik ga,quot; had hij geantwoord, »al moest ik sterven onder weg, mijne Paters in Engeland zullen dan zien, dat ik ten minste den wil had om hun van dienst te zijn.quot;

Hij kwam, en ofschoon onder hevige pijnen, hij preekte vijf malen, van • zijn lijdensbed opstaande om te preeken en er op terugkeerende, wanneer hij gesproken had. Zijn leven scheen te hangen aan een draad. »Ik heb jaren pijn gehad,quot; zeide hij, »doch nooit zoo hevig als nu. Hier kom ik niet van op; maar 't is misschien natuurlijk, dat ik mijn priesterlijk leven hier in Engeland begonnen, eindig bij u.quot; Voor een gehoor van driehonderd priesters, zeven bisschoppen en eene talrijke schare beklom P. Burke den kansel 's morgens te twaalf ure en sprak bijna een vol uur met een gloed, die het meeste verbazing

ocr page 384

276

wekte bij den priester, die nog in de sacristy zich uit medelijden had aangeboden om zijne plaats in te nemen.

Aan het ontbijt werd hem eene plaats gewezen naast zijn ouden vriend den bisschop van Clifton, en stelde hij een dronk in op het Engelsch Episcopaat, dat, zoo verklaarde hij, nooit sinds dc dagen van Augustinus in grooteren luister geschitterd had dan nu.

's Avonds na het Salve regina preekte hij over de H. Maagd Maria; 't was de eerste maal, dat haar lof in deze aan haar toegewijde kerk weerklonk, de laatste maal, dat Burke dien verkondigde.

Hij maakte zich niet de minste begoocheling omtrent zijn toestand. »Ik heb Goddank,quot; zeide hij, »alle natuurlijke vrees voor den dood overwonnen. Meer dan ooit gevoel ik het wicht mijner zonden en zwakheden; zoo mogelijk vrees ik meer dan ooit het oordeel Gods, en tocli alle angst voor den dood is weg. Wanneer ik van iemand hoor, dat hij goed is afgestorven, benijd ik hem. De dokters zeggen, dat hetzij ik nog lang leef of kort, ik altijd zou moeten lijden. Zou 't geen heerlijke ruil wezen! Wat een geluk als het einde komt!quot; Bij deze woorden blonk zijn gelaat van vreugde.

's Anderen daags, den eersten vrijdag der maand Juni, preekte hij 's avonds over de goedheid en zachtheid van het goddelijk Hart. Toen hij zaterdags de H. Mis las, dacht de broeder, die hem diende, dat hij ze niet voltooien zou, en zondags daarop predikte hij onder de Hoogmis over de bekeering des zondaars, naar aanleiding van de woorden : »Deze man ontvangt

ocr page 385

377

zondaars en eet met hen.quot; Pater Clarke S J. een bekeerling der Oxfordsche Universiteit, noemt dit zijne meest roerende en misschien een der beste preeken, die hij ooit gehouden heeft. Zijne schildering van Gods barmhartigheid en van des zondaars terugkeer tot Hem was meesterlijk — sterke mannen in zijn gehoor waren tot tranen toe bewogen.

»Verleden zondag — schreef Mr. Plumptre, een der vele aanwezige Protestanten — heb ik mij mogen vergasten aan eene preek van den Dominicaner redenaar P. Burke in de nieuwe kerk dezer orde van Haverstock Hill. Wat stem, gebaren en vloeiende voordracht betreft, is hij zeker een der beste sprekers, welke ik in mijn leven heb gehoord.quot;

Vóór deze preek had hij zijn voormalige novice P. Condon gevraagd: »bid toch een Wees gegroet, dat ik het er goed afbreng; ik heb geen enkel woord voorbereid.quot;

's Avonds was hij zoo uitgeput van smart, dat tot het laatste oogenblik toe preeken onmogelijk scheen. Toen hij evenwel vernam, dat de kerk vol was, en de menschen hem verwachtten, overwon hij zijne zwakheid. Op den kansel gekomen, moest hij zich vast houden aan den rand. Hij herstelde zich spoedig; hij flikkerde op als een vonk; zijne stem verhief zich, wel niet tot den klank van vroeger, maar helder en liefelijk drong zij door tot in het hart. Zijn »geliefdeuquot; klonk als een teeder vaarwel, en ten volle overtuigd, dat deze preek een afscheid was, stortte hij geheel zijne ziel uit in eene roerende opwekking tot geloof in en liefde voor 't aanbiddelijk Sacrament, 't Was of

ocr page 386

378

zijn geloof aanschouwing werd, toen hij de vruchten der H. Communie aantoonde; de wezenlijk innige ver-eeniging met Christus; de heiliging van lichaam en ziel; de dagelijksche reiniging van zonde en groei in deugd; de duurzame, kostbare tegenwoordigheid en bescherming in eiken staat en in iedere beproeving des levens — »tot in het uur des doods Jesus komt in de Heilige Teerspijze om onze zielen te nemen tot zich; dan gaat het stoffelijk hulsel, het lichaam, geheiligd ten grave om er te blijven tot den laatsten dag, wanneer Jesus zelf komt om het op te wekken en te drukken aan zijn goddelijk Hart.quot;

Na eene pooze toevens ging de redenaar voort. »Zijn er hier tegenwoordig, die ons geloof niet deelen in dit aanbiddelijk geheim ? Is er één ten minste ? Welnu, laat mij hem slechts dit nog zeggen. Geef, bid ik u, acht met mij, op hetgeen wij lezen in het léde hoofdstuk van Mattheus. De leerlingen waren midden op zee in een schip, door de golven geslingerd. In de duisternis van den nacht zagen zij eene witte, lichtende gedaante wandelen op het water. Niet één van hen kon onderscheiden, dat liet de Heer was, en zij waren vol vrees. Toen sprak Hij tot hen: Ik ben het, vreest niet. En de moedige, minnende Petrus riep uit: Heer indien Gij het zijt, gebied mij tot U te komen. En Jesus zeide: Kom. En Petrus wierp zich uit het schip en wandelde op de golven naar Jesus heen. Nu binnen weinige oogenblikken zult gij de lichten zien branden op het altaar, eene witte lichtende gedaante van stralen omringd zal worden opgeheven, en al wie gelooft, zal aanbidden. En gij, al wat ik van u vraag.

ocr page 387

379

is dat gij Petrus' woord nazegt: Heer indien Gij het zijt, roep mij en gebied mij te komen tot U. En als gij dan de zoete stem van Jesus in uw hart verneemt, die u zegt: Ik ben het. Kom! O stel dan niet uit. Werp u met Petrus op de wateren en haast u neer te knielen aan den voet van uw gezegenden Heer. Hij zal u boven houden, uwe schreden ondersteunen, de golven van twijfel en bekoring doen stollen onder uw voet; en gij zult gelooven en Zijue wezenlijke tegenwoordigheid aanbidden gelijk Petrus, en opgenomen worden bij Zijne trouwe kudde op aarde en in Zijne glorie in den hemel.quot;

Na deze woorden daalde P. Burke den preekstoel af en legde zich neer op zijn bed van smarten. Doch eene protestantsche dame had dien avond enkel uit nieuwsgierigheid om de nieuwe kerk te zien de godsdienstoefening bijgewoond. Wat zij meende te zien Ohder den zegen met het Allerheiligste maakte zoo geweldigen indruk op haar, dat zij de kerk verliet met een vast eij onwankelbaar geloof in de wezenlijke tegenwoordigheid. Aanstonds liet zij zich onderrichten en werd weldra opgenomen in de katholieke Kerk.

»'t Is bekend — schreef B. P. Purbrick, Provinciaal der Engelsehe Jesuïeten — hoe de Ieren, de Engelschen en de Amerikanen in smaak, opvatting, denkwijze en manier van uitdrukking van elkander verschillen. De man, dien men een volksredenaar noemt, die de menigte schokt en boeit, is bijna zeker niet te slagen, wanneer hij optreedt voor een hoogbeschaafd en uitgezocht gehoor; — te meer wanneer dit gehoor

ocr page 388

380

een aangeboren vooroordeel heeft tegen des sprekers landaard en eigenaardige manieren.

«Niettemin werd P. Burke evenzeer gewaardeerd in Engeland en Schotland, als in Ierland en Amerika, en telkens betooverde zijne wonderbare welsprekendheid de meest beschaafde en ontwikkelde kringen te Londen zoo goed als het volk van zijn land en van de stad zijner liefde. Ik vrees niet te beweren, dat wij geene heugenis bezitten van een beroemden predikant, die zoo gedurig, zoo lange jaren, voor dezelfde hoorders, en voor zoo verschillende hoorders preekte, en tot het einde toe zulk eene machtige aantrekking bewaarde. Hij vereenigde alle gaven eens predikants in zich. De degelijke, stralende waarheden van God en Zijne Kerk uit de gewijde en onfeilbare bronnen geput, als tot kristal geworden in zijn helderen, ontwikkelden geest, stroomden in een krachtigen maar matigen vloed uit eene ziel, die rein was, aan God gewijd en heilig.quot;

Kolonel Colthurst, die hem na een dezer laatste preeken bezoeken kwam, vond hem uitgeput van krachten te bed. »Ik geloof, dat u ernstig ziek is, P. Burke.'quot;

»0, was 't antwoord, dat ben ik sinds lang; maar ik ben als een zieke kat; ik kan nog mauwen.quot;

De dokter verklaarde zijn toestand zoo pijnlijk, dat hij niet wist, hoe de man het uithield. »Zijn pijn,quot; zeide hij, »moet onuitstaanbaar wezen; maar als u mij zegt, dat hij zoo nog preeken blijft, dan weet ik er niets meer van; wij staan voor een mirakel.quot; Na een veertien dagen zat hij te zingen in ziin bed.

ocr page 389

381

Dat 's een teeken, zei hij, dat ik vooruitga. Ik ben anders heel mijn leven zoo rustig niet geweest als deze dagen. Toen hij vervoerd kon worden, bracht P. Proctor hem naar Tallaght terug. Kort daarna moest hij weer naar bed en stond nog maar ééns op voor zijn dood. Voor zijn terugkeer uit Engeland had men hem een liefdepreek gevraagd voor de arme kinderen in Donegal. Nooit was hij doof voor een beroep op zijne liefde, doch nu het kinderen gold, had hij zonder nadenken zijn woord gegeven. Driemaal dwongen hem de zwakte van zijn gestel en de snijdende pijn des lichaams bericht te geven, dat hij het niet meer aandurfde, en driemaal viel hem de pen uit de hand bij de gedachte aan vijfduizend onschuldige kinderen, die schreiden om brood, 't Was of in zijn lange slapelooze nachten hun geween tot hem doordrong, of er eene stem klonk in zijn oor: »Wat is één leven bij dat van vijfduizend kleinen?quot;

Gesterkt door eene, zoo scheen het, bovennatuurlijke kracht, stond hij op en ging. 't Was vrijdag 22 Juni. De broeder, die hem verzelde, dacht dat hij Dublin niet meer bereiken zon. Bij zijne aankomst ter pastorij van Gardinerstreet was zijn eerste woord tot den man, die de deur opende; »Dit is mijn laatste preek!quot; en toen: »laat mij in deze kamer; ik kan niemand ontvangen.quot;

P. Burke was altijd gelukkig, wanneer hij preekte over het Evangelie van den zondag. Toen hij nu in Gardinerstreet den kansel beklom, waren aller oogen op hem. De teekenen eener verwoeste gezondheid lagen zichtbaar op zijn gelaat; doch toen hij den mond

ocr page 390

382

opende, ging er weer eene trilling van blijdschap over de scharen. Hij begon met de vermenigvuldiging der brooden. Er was geen evangelie meer geëigend ter inleiding van het onderwerp, dat hem dien dag derwaarts bracht. Hij stond daar voor hen om de zaak te bepleiten van bijna 5000 arme kindertjes, bedreigd door den hongerdood in de bergen van Donegal. Lang waren zij in 't leven gehouden door de zorgen eener liefdevolle vrouw; nu evenwel waren de middelen, die zij met schier bovenmenschelijke krachtsinspanning bijeen had gebracht, zoo goed als uitgeput, en er bleef nauwelijks genoeg om deze arme kinderen eene week en drie dagen te voeden. Welk eene ontzettende gedachte, dat, wanneer de liefde niet tusschenbeide kwam om het dreigend gevaar af te wenden, de afschuwelijke hongersnood verschijnen zou te midden dier kleinen. Eene korte week, dan nog maandag, dinsdag, woensdag — en donderdag opent zich het graf, en de kinderen moeten sterven. Dit moest hun lot wezen, indien geen tijdige hulp hen redden kwam, maar hij wist en voelde, dat de fonteinen van liefdadigheid nooit gesloten bleven, wanneer hij tot lersche hoor ders sprak. Hij was menigmaal voor hen opgetreden om het goed recht der naastenliefde te bepleiten, doch nooit in eene zaak, die zoo krachtig beroep deed op de edelste gevoelens der menschheid. Hij betreurde het slechts niet lang te kunnen spreken en met niet grootere kracht. Nochtans eene zaak als deze vorderde zoo min breede uiteenzetting als groote welsprekendheid. Daarom in den naam van God en de liefde vroeg hij onderstand ten behoeve der duizende

ocr page 391

383

arme kinderen, wie de honger bedreigde. Hij legde deze zaak op liet altaar des Heeren. Hij gaf ze in hunne handen en in de handen van God, die verklaard had, al wat zij doen zouden aan eene dezer kleinen, die in Hem gelooven, was Hem zeiven gedaan.

Toen brak hem het kille doodzweet uit; hij klampte zich vast aan de leuningen van den preekstoel. Zijn werk was af, de hoogste liefde had er de kroon opgezet.

Worstelend met den dood keerde hij weder in Tal-laght. Langzaam ging »de korte weekquot; voorbij in dul-delooze smarten, in nederige voorbereiding tot het laatste uur. Zondagochtend ontving hij voor het laatst de H. Communie en maandag in den vroegen morgen van Maria-Visitatie gaf hij den geest. Hij was geboren den 8sten September 1830 en had alzoo zijn drie en vijftigste jaar nog niet voltooid. Den eigen woensdag, waarop voor de arme kinderen het brood zou hebben ontbroken, indien hij het niet gebedeld had, werd hij zelf ten grave gedragen. De eerste plechtige requiem in de kerk van Haverstock Hill gezongen, was voor hem. Sinds den dood van O'Connell schreef de Irish American heeft geen ander zoo algemeene rouw en zoo diepgevoelde jammerklachten mee naar het graf genomen als P. Burke. Onder de telegrammen van deelneming was er een van kardinaal Mac Cabe, en Z H. Paus Leo XHI aarzelde niet te verklaren: de dood van dezen grooten redenaar en uitmuntenden religieus heeft rouw gebracht niet alleen over zijne orde en over Ierland, maar over geheel de Kerk. ')

'1) L'année Dominicaine A.oiquot;it 1883 p. 3 67.

ocr page 392

384

Eene maand na zijn dood werd eene openbare vergadering belegd ter beraadslaging over het gedenk-teeken ter zijner eere op te richten. Doch men begreep, dat hij veeleer een gedenkteeken verlangen zou ter eere van den God, voor Wien hij geleefd en gearbeid had, in Wiens dienst hij was bezweken. Zoo werd dan besloten de kerk te voltooien, welke hij begonnen had. »Een heerlijke tempel,quot; zei de Aartsbisschop van Philadelphia, »boven zijn graf op den lerschen grond is een passend gedenkteeken voor den man wiens heerlijke, Celtische aanleg een bovenbouw van bovennatuurlijke deugd gedragen heeft.

Het beste portret van dezen gewijden redenaar, zoo machtig in woord en werken, is wel de schets van hem gegeven door kardinaal Manning, die hem jaren gekend had en bemind. »Nu hooren wij nooit meer deze welsprekende stem, welsprekend om zijn eenvoud, want in alles sprak hij voor God; hij deed aan God denken en vergat zichzelven; zijne welsprekendheid was niet eene gezochte, noch die der zelf-vertooning, maar van de groote ziel, die vol van God, voor God sprak. De geheele man sprak, en toch in 't gevoel en de schoonheid en den glans van zijne woorden, dachten wij nooit aan den spreker. Hij verborg als het ware zichzelven en daarom roerde en bewoog en schokte hij de harten van wie hem hoorden. Deze welsprekende stem zwijgt nu voor ons, doch zwijgt niet in de eeuwigheid, daar klinkt zij te midden van de schare, die niemand tellen kan, voor den troon des Eeuwigen.quot;

A. M. D. G.

ocr page 393
ocr page 394
ocr page 395