i 'lii L dd Jvdt it*yquot;quot;
--r4S-5-
1 ^üT/^
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
HET
VERZEKERINGSWEZEN,
TWEEDE DRUK.
dp. h. u, me y boom.
Prijs per 50 exemplaren tor verspreiding /'I.OO;
voor Departementen en Loden der Maatschappij f 1.25; enkole exemplaren 5 Cts.
Verkrijgbaar bij M. E. De Grauw, Uitgever te Ouderkerk bij Amsterdam.
D85cQ
Zie achterzijde omslag
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
HET
VERZEKERINGSWEZEN.
door
Dr H. U. MEYBOOM.
TWEEDE DRUK.
Prijs per 50 exemplaren ter verspreiding Æ l.CO; voor departementen en
leden der Maatschappij Æ1.25; enkele exemplaren 5 Cts. Verkrijgbaar bij M. E. de Grauw, Uitgever te Ouderkerk bij Amsterdam.
Iii vele stationsgebouwen vindt men aan den wand een aandoenlijk tafereel, dat daar werd opgehangen om dienst te doen als reclame voor een verzekerings-maatschappij. Een weduwe zit op een stoel en een kindje leunt tegen haren schoot. Achter beiden staat een gevleugelde engel, die de handen zegenend over hen uitbreidt.
De bedoeling is duidelijk. De angel is het beeld... der verzekerings-maatschappij? in dit geval der maatschappij Dordrecht ?...
Laat ons liever zeggen: van het verzekeringswezen in het algemeen!
Reclame is toch altijd maar reclame en komt als zoodanig meest uit eigenbelang voort. Dat eigenbelang moge zoo geoorloofd wezen als het wil, het vindt toch niet zijn zuiverst zinnebeeld in een engel, die van toewijding leeft. Wie een engel ziet, denkt aan de onbaatzuchtigste liefde die niet vraagt, maar enkel geeft.
Zoo willen wij dan ook den hier bedoelden engel niet vernederen tot een lokengel ten behoeve van een bepaalde verzekerings-maatschappij, maar hem aanmerken als den vertegenwoordiger van geheel het verzekeringswezen. Als zoodanig is hij daar en overal op zijn plaats. quot;Want inderdaad, de assurantie is een beschermengel. Zij trekt zich liet deerniswaai dig lot van weduwen, weezen en ongelukkigen aan.
Over dat assurantiewezen, als behartigende een groot volksbelang en mitsdien aanspraak hebbende op de liefde
4
en de medewerking van hoog en laag, van onderdaan en regent, volge hier een enkel, eenvoudig, vluchtig woord ').
De assurantie is een uitvinding van den nieuweren tijd. De oude wereld had er geen begrip van, al kende zij iets, dat op begrafenisfondsen geleek. Men kan zeggen, dat de middeneeuwen er eenig voorgevoel van gehad hebben. De zeeverzekering is in elk geval de oudste. Sporen daarvan vindt men in de 14de eeuw. Van dien tijd af komt de zaak langzamerhand tot ontwikkeling.
Een gansche geschiedenis zou er te verhalen zijn van het assurantiewezen in de verschillende landen.
Engeland vooral heeft zich in dit opzicht verdienstelijk gemaakt. Aan de overzijde van het Kanaal klimmen de ernstige pogingen reeds op tot in het laatst der vorige eeuw. De Equitable Society dagteekent van 1765. Haar succes deed in het begin dezer eeuw een gansche reeks nieuwe vereenigingen ontstaan, In 1816 bestonden er reeds zestien maatschappijen. Daarmee begon wat men genoemd heeft de gouden eeuw der assurantie. Een eeuw in den oneigenlijken zin van het woord. Beter gezegd misschien een gouden tijdperk. quot;Want in 1844 veranderden de zaken. Mislukkingen en faillissementen waren aan de orde van den dag. Het werd een hartstocht verzekerings-maatschappijen op te richten en menigeen werd de dupe van de razernij, 't Gevolg was, dat de wetgever er zich mee begon te bemoeien. In 1862 geschiedde dit en latere reglementaire beschikkingen volgden. Onder haren invloed kwam de zaak tot een geleidelijke en gezonde ontwikkeling, die de bewondering der wereld verdient. Tusschen de 50 en 60 millioen ponden sterling, of twaalf maal zoo veel guldens, bedroeg het nominale kapitaal, waarmede in 1878 door de verschillende maatschappijen aan de overzijde van het Kanaal de assurantiezaak gedreven werd.
') Niet weinig van het in de volgende bladzijden besprokene is ontleend aan Albert Chaufton, Les assurances, leur passé, leur présent, leur avenir, Paris, 1884 â 86,
5
Soortgelijke geschiedenissen zijn er te vertellen van de opkomst en de ontwikkeling van het assurantiewezen in andere landen, in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, in Duitschland, in Frankrijk, in Oostenrijk. Overal een min of meer onstuimig begin en een daarop volgende ontnuchtering. Overal geraakte ten slotte de beweging in het goede spoor, tot onberekenbaren zegen voor de maatschappij.
Vraagt men, in hoever ons vaderland aan de beweging heeft deel genomen, dan mag ik herinneren, om te beginnen, aan de âHollandsche Sociëteit van levensverzekeringquot; opgericht in 1807, zich noemende âde eerste instelling van dien aard hier te landequot;, of aan âde onderlinge verzekerings-maatschappij van de Jong en Co.quot;, opgericht in 1809, door een deskundige genoemd â een der oudsten en best geaccrediteerden van het gansche landquot;, en, lest heugt best, aan het âWerkliedenfonds van de Nederlandsche pen-sioen-vereeniging voor werklieden.quot;
En daartusschen in?
Een geschiedenis van het assurantiewezen in ons vaderland is niet geschreven. Maar wel heeft in 1878 het kamerlid Mr. Farncombe Sanders, door de Italiaansche regeering daartoe aangezocht, verslag uitgebracht aangaande de wettelijke bepalingen die in ons land gelden voor de ver-eenigingen van onderling hulpbetoon, en bij die gelegenheid een 150 stukken overgelegd, wetten, verslagen, reglementen en dergelijken, van welker inhoud hij een beredeneerd overzicht geeft in een lijst van bijlagen, gevoegd bij het rapport, dat hij in genoemd jaar 1878 in de fransche taal het licht deed zien. Naar dat rapport verwijs ik. Men zal er in vinden een vluchtige vermelding van tal van instellingen, die thuis behooren op het gebied der assurantie ; maatschappijen, die haren werkkring uitstrekken over het gansche land, plaatselijke vereenigingen, begrafenisfondsen, ziekenbussen, veeverzekeringen, zeecompacten, weduwen- en weezen-fondsen, ziekenkassen van werklieden-vereenigingen en wat dies meer zij. Een niet onbelangrijke reeks. Maar in de schatting des schrijvers nog veel te klein. Hij bedoelde slechts modellen te geven en verklaart: âEen
6
volledige verzameling, voor het Italiaansche gouvernement overigens van geen waarde, zou uit meer dan 1000 nummers bestaan.quot; Wel niet alleen nummers, behoorende tot het assurantiewezen in engertn zin, maar toch zeker voor een goed deel. Ook leeren ons de mededeelingen der Ver-eeniging voor de statistiek in Nederland, dat gedurende de dienstjaren 1880 â 81 ter verzekering tegen schade, brand-, zee-, rivier- en hagelschade, en voorts wegens glas-hypotheek-, vee-, transport- en levensverzekering aan pre-miën gestort is een kapitaal van Æ 18.543,767 en aan schadevergoedingen uitgekeerd een som van f 1,050,117. Ons vaderland is dus in de groote europeesche assurantiebeweging der 19e eeuw wel degelijk en van gansclier harte meegegaan.
Intusschen, wij zijn nog lang niet waar wij wezen moeten, en het is juist om op dit groote volksbelang wat meer de aandacht te vestigen, dat het Nut de behandeling van het assurantiewezen in een populair geschrift mij opgedragen heeft.
Een algemeene omschrijving van haar wezen ga vooraf.
De assurantie verzacht de slagen, die een mensch kunnen treffen, door ze af te leiden. Zij vergoedt de verliezen, die hij lijden kan, door onderling hulpbetoon. Zij dekt de schaden, die het lot hem berokkenen kan, uit een gemeenschappelijke kas. Zij regelt de samenwerking in den strijd tegen 's levens moeite. De enkele menschen, die in hun eenzaamheid weerloos zijn en veroordeeld om te vallen onder de slagen van een onvriendelijke fortuin, voegt zij bijéén en in die samenvoeging verleent zij hun de kracht om staande te blijven: gelijk een bundel pijlen voldoenden weerstand biedt, terwijl de enkele pijl maar al te gemakkelijk verbroken wordt door een forschen greep.
De zaak is dood eenvoudig en toch overwaard in al haar eenvoud een oogenblik te worden overdacht.
Gij hebt al uw geld gestoken in een huis, dat daardoor uw kostelijk eigendom geworden is. Gij zijt schipper en vaart op een eigen bodem. Uw veestapel is uw middel van bestaan. De oogst te velde moet u voor het loopend
7
jaar het vereischte brood verschaffen. Nu treft de bliksem uw huis en zet het met al den Inboedel in lichte laaie. Een storm beloopt uw schip en doet liet te gronde gaan. De veepest ledigt uwe stallen. Een hagelslag verplettert uwen oogst. Gij zijt een verloren man, een geruïneerde. Ontbloot van al het uwe staat gij weerloos, hoogstens het beklagenswaardig voorwerp eener openbare of bijzondere liefdadigheid.
Gij of een ander, om het even; wien het ongeluk treft, die is het kind van de rekening.
Maar nu treedt de assurantie reddend op. Zij weet dooide ondervinding van vele jaren, met behulp der statistiek, hoe veel huizen er gemiddeld jaarlijks verbranden, hoe vele schepen ongeveer vergaan, hoe veel koeien of paarden een ongewenschten dood sterven, welk een schade door onweersbuien pleegt te worden aangericht. Zij berekent de verliezen, die door zulke rampen berokkend worden, in verhouding tot de eigenaren, die ze lijden kunnen. Nu slaat zij de schade over allen om. Daar niemand vooruit weet, of hij zelf dan wel een ander het slachtoffer van den rampspoed worden zal, heeft elk er even veel belang bij zijn aandeel in de schadevergoeding bij te dragen. Een kleine jaarlijksche premie waarborgt hem volledig herstel, als het verlies hem treft.
Stel dat in een stad met 10,000 huizen jaarlijks drie woningen afbranden, elk van gemiddeld /10,000 waarde, dan lijdt die stad door brand een jaarlijksche schade van /â 30,000. Dat maakt/3. â per huisheer. Elke eigenaar van een huis zou dus, om zelf verzekerd te zijn en tevens alle anderen te beveiligen, een jaarlijksche premie te betalen hebben van f3. â , wanneer niet door administratie-kosten dat bedrag een weinig werd verhoogd en indien niet de billijkheid vorderde, dat elk betaalde naar evenredigheid van de kans op schade, die hij door brand in zijn eigen woning-kan toebrengen aan de gemeenschappelijke kas. Het maakt natuurlijk groot verschil, of een huis licht ontvlambaar is of niet, van hout is of van steen, met riet gedekt is of met pannen, een vuurwerkmaker herbergt of een rentenier,
en wederom groot onderscheid, of het pand een hooge waarde vertegenwoordigt of een geringe, voor Æ 30,000 ie herbouwen is of voor /'300. Vandaar allerlei onderscheidingen van klassen, ons uit onze assurantie-polissen wel hekend. Tandaar een eindelooze verscheidenheid in het bedrag der premiën. Maar de grondgedachte blijft niettemin dezelfde. De assurantie is een gemeenschappelijk dragen van de schade der enkelen. Een kortzichtige kan meenen, dat hij door zijn premie te betalen slechts zijn eigen huis verzekerd heeft, doch zij die hunne gelden storten in dezelfde assurantiekas, verzekeren intusschen wederkeerig elkaar.
Dit alles is zoo helder als glas en het kan door ieder, die aan het onderwerp maar een oogenblik zijn aandacht wijdt, begrepen worden. Het is toepasselijk op ieder gebied. Zooveel hagelschade gemiddeld in een landstreek, te verdoelen over zooveel belanghebbenden. Zooveel zeerampen gemiddeld te dragen en te vergoeden door zooveel reeders. Zooveel spoorwegongelukken, te verzachten door zooveel reizigers. Zooveel misrekeningen bij de veeteelt, te vereffenen door zooveel boeren. Dit alles volgt van zelf.
De kunst is evenwel â dit begrijpt men â te weten, op hoeveel van die verschillende rampen jaarlijks te rekenen valt. Hier vindt de statistiek haar taak. Doch, ai leert de ondervinding in dezen veel, zij kan niet alles leeren. De statistiek geeft cijfers, maar die cijfers staan niet onom-stootelijk vast. De wetten, die geacht worden ook in de ongevallen te heerschen, zijn geen eigenlijke wetten. Het zijn althans geen wetten van Meden en Perzen. Er is niet weinig grilligs in de fortuin. Zij heeft hare goede en hare booze buien. Nu eens spaart zij geruimen tijd genadiglijk, dan weer treft zij met slag op slag. De assurantiemaatschappijen zijn daarom verplicht voor een behoorlijk reservefonds zorg te dragen, dat in den voorspoedigen tijd groeien kan om aangesproken te worden in den kwaden dag. Een assurantie in een assurantie als het ware, een assurantie van het eene verzekeringsjaar door het andere.
Wanneer ik hierbij nog voeg, dat sommige verzeke-rings-maatschappijen onderlinge verzekerings-maatschappijen
zijn, waarvan de deelgenooten alleen de te lijden schade dragen en de onvermijdelijke onkosten bestrijden, misschien het aan premiën te veel betaalde in den vorm van aandeel in de winst weer terug ontvangen, terwijl andere eigenlijk in-dustrieele ondernemingen zijn, die beoogen den assuradeur of den aandeelhouders middelen van bestaan te verschaffen, dan heb ik alles gezegd, wat betreffende de assurantie in haar eenvoudigsten vorm te zeggen valt. Want, ofschoon er nog heel wat te vertellen zou zijn van de maatregelen, die men genomen heeft, om langs den weg der statistiek de kansen der verschillende ongevallen te berekenen, en van de vorderingen, die men in dit opzicht reeds gemaakt heeft of nog maken moet, in die breede wateren willen wij thans niet verzeilen.
Maar âde assurantie in haar eenvoudigsten vormquot; zeide ik. Er bestaan nog andere vormen van assurantie, die meer ingewikkeld zijn. Wie denkt niet terstond aan de zoogenaamde levensverzekeringen ?
Ook de mensch vertegenwoordigt een kapitaal, dat schade lijden kan. Zoo zeer is dit het geval, dat men onlangs in het Sociaal Weekblad een berekening kon lezen van de waarde, die lieden van verschillende maatschappelijke rangen in hunne eigene personen met zich omdragen. Dat kapitaal wordt gevormd door de sommen, die besteed werden aan elks opvoeding en onderhoud, en het bestaat in de werkkracht, die hij in zich besluit. De maatschappelijke arbeid is de rente van dat kapitaal. Het kan tijdelijk renteloos worden door ziekte of gebrek aan werk, en eenmaal gaat het door den dood, als waarde voor de maatschappij te niet. Hier vindt dus de assurantie een nieuw arbeidsveld. In tijden van renteloosheid kan zij het verlies van rente vergoeden en in geval van ondergang het gansche kapitaal herstellen. De ziekenfondsen en begrafenisbussen en de uit-keeringen na overlijden leggen zich daarop toe.
Op dit gebied is de kansrekening zoo ingewikkeld mogelijk, maar tevens tot hoogere zekerheid opgevoerd dan ergens elders.
Wat ook verborgen blijve, de dood eens menschen niet.
Dat de geslachten komen en gaan en met zekere gelijk-
10
matigheid elkander afwisselen, is openbaar. Zoo is men er in geslaagd met vrij groote zekerheid te bepalen, hoeveel menschen op de 1000 of op de 10,000 het eerste jaar na hunne geboorte, hoeveel het tweede, hoeveel het derde, vierde, vijfde en zoo voort, tot aan den hoogst denkbaren ouderdom toe, nog in leven zullen zijn. Het zijn vooral de levensvej'zekerings-maatschappijen zeiven, die zulke berekeningen gemaakt hebben, daarbij bouwende op hare eigene ondervindingen, die niet zelden zich uitstrekten over lange reeksen van jaren en assurantiën in grooten getale. Allerlei slerfidafels zagen door hare bemoeiingen het licht, in Frankrijk, in Duitschland, in Engeland, in Amerika en ook in ons eigen vaderland.
Door het bezit dier tafels is de levensverzekering eerst recht mogelijk geworden. Immers met behulp van de gegevens, die zij léveren, kan uitgerekend worden, welke premie, jaarlijks betaald en interest op interest gezet, het kapitaal zal vormen, dat na den dood van eenigen geassureerde moet worden uitgekeerd, na aftrek van de kosten van administratie of van de door den verzekeraar begeerde winst.
Stel dat van honderd gelijktijdig geborenen jaarlijks één sterft en dat elk hunner na zijn dood aan de erven honderd gulden wenscht na te laten. Indien dan de premie op f 1.â gesteld werd, kon de eerst overledene op het Uem toekomend bedrag rekenen. Maar voor den tweede schoot er reeds een gulden te kort, en voor lederen volgende een gulden meer, daar jaarlijks ten gevolge van het overlijden een gulden minder aan premiën werd opgebracht. Voor den laatste zou niets meer dan het éénvoudig bedrag zijner premie overschieten. Werd de premie op Æ 2, â gesteld, dan bleef er na de eerste uitkeering een honderd gulden over, die op interest gezet kon worden. De negen-en negentig nog levenden zouden het tweede jaar aan premiën honderd acht-en-negentig gulden samenbrengen, waarvan voor den in dat jaar overlijdende eveneens honderd gulden gestort moest worden. De acht-en-negentig overblijvende guldens konden weer gevoegd worden bij de honderd van het vorige jaar met de daarop ver-
11
schenen rente, om op hunne beurt rente te doen. En zoo vervolgens. Ieder volgend jaar aan premiën minder te ontvangen en dus grooter inbreuk te maken op het verzamelde kapitaal, totdat de uitkeering na den dood van den laatst overgebleven contribuant zoo goed als geheel uit dat kapitaal zou moeten gevonden worden.
De vraag is dus; hoe groot moet, bij de bestaande sterftekansen der geassureerden, de jaarlijksche premie zijn, zullen de te maken onkosten betaa.d kunnen worden niet alleen en de begeerde winsten verkregen, maar vooral zullen van jaar tot jaar de voor uitkeeringen benoodigde sommen be-schrikbaar zijn, zonder dat ook maar een enkele contribuant teleurgesteld wordt of ook aan contanten, na den dood des laatsten, een onnoodig saldo overblijve.
Dat dit uitgerekend kan worden, is duidelijk; en eveneens, dat die berekening te minder falen zal, naarmate ile opgaven der sterftetafels juister zijn. Maar duidelijk is ook, dat het niet om het even is, of iemand vroeg of laat met de storting der premiën begint. De meeste verzekeringen worden eerst op later leeftijd gesloten. Niet zelden pas, wanneer de burger ten huwelijk vaart. Door zoo late toetreding heeft de verzekerde den verzekeraar te kort gedaan. Hadde hij van zijne geboorte af tot aan den dag zijner toetreding geregeld betaald, zijn jaarlijk-schu coutributiën, interest op interest belegd, zouden reeds een aanmerkelijk kapitaaltje gevormd hebben. Die schade moet worden ingehaald. Do assuradeur verhoogt nu de door den geassureerde voortaan jaarlijks te betalen premie met een evenredig bedrag. Vandaar die ingewikkelde tarieven onzer assurantie-maatschappijen, die lange lijsten, waarop voor eiken leeftijd, voor man en vrouw, staat uitgedrukt, hoe hoog een premie men te betalen zal hebben, in evenredigheid van de door de maatschappij na den dood des verzekerden uit te betalen som. Dat jonge lieden er op die lijsten vrij wat beter aan toe zijn, dan de grijsaard, ligt voor de hand.
Dat zulk verzekerings-bedrijf niet zonder groeten invloed
12
kan blijven op het maatschappelijk leven, is gemakkelijk te berekenen, als men bedenkt, hoe groote kapitalen het bijeenbrengt en rentegevend maakt. Den 81en Dec. 1881 waren door de verschillende fransche assurantie-maatschappijen in fransche fondsen belegd ruim 200 millioen franken ') en nog 4 a 500 millioenen in buitenlandsche fondsen. Zoo luidt de opgave van één enkel land van Europa. Men voege er in gedachte de evenredige sommen der andere landen bij en overwege dan, welke groote kapitalen op deze wijze nuttig worden aangewend. En voor een deel zijn deze kapitalen bijeengebracht uit premién zóó klein, dat zi] zonder de assurantie ongemerkt door de vingers zouden zijn heengegleden. Wat beteekent op uw jaarlijksch budget het postje, waarvoor gij uw huis tegen brandschade verzekert! In verband hiermede heeft men gedacht aan het ijzervijlsel, dat jaarlijks in de groote steden van de wielen der rijtuigen en tramwagens aan het plaveisel der straten afgewreven wordt. Stel een industrieel in staat het bijeen te verzamelen en hij bouwt u mettertijd een Eiffeltoren. Zoo heeft ook de assurantie uit het onmerkbaar kleine het onafzienbaar groote gewrocht.
Voorts, hoe zeer heeft zij bijgedragen om de menschen onderling te verbinden en hunne belangen tot gemeenschappelijke belangen te maken. Tegenover het toeval of het noodlot, of, hoe wilt gij ? het ongeval in één woord, heeft zij ons allen gelijk gemaakt. Door haar is het in werkelijkheid geworden: als één lid lijdt lijden alle leden mede; want de schade, die een enkelen geassureerde treft wordt door alle anderen gelijkelijk gedragen, door vereende krachten gedekt. Van dezen broederband, waarmede zij ons omstrengelt, mogen wij niet altijd het bewustzijn met ons omdragen, hij verbindt ons niettemin, en door de ziekenfondsen onzer werklieden-vereenigingen maakt hij zich voelbaar ook.
En dan, wij denken er ter nauwernood bij somwijlen, maar wij moeten toch erkennen, dat wij aan haar te danken hcb-
') 1 frank = Æ 0.48.
13
ben een deel van onze opgewektheid en van onzen moed.
Niemand onzer zon het aangenaam vinden, als zijn inboedel, waaronder zooveel zwakstukken en herinneringen, in vlammen opging; maar als wij wisten, dat in geval van brand onze levensbenoodigdheden en middelen van bestaan onherstelbaar voor ons verloren waren, wij zouden nog wel vrij wat meer met een kloppend hart opzien naar de onweerswolken, die zich samenpakken boven ons huis. En hoe is hij te moede, die de levensverzekering verwaarloosde, ook zonder dat zijn omstandigheden die voor hem overbodig maken, als hij denkt aan zijn mogelijk sterven? Welke geestelijke folteringen voegen zich voor hem bij de lichamelijke, als hij op zijn ziekbed herinnerd wordt aan de broosheid van zijn bestaan? Gelijk voor den man van fortuin de zekerheid, dat zijn testamentaire beschikkingen bij den notaris veilig geborgen zijn, een zekere kalmte teweegbrengt, zoo voor den gewonen burger, voor den onbemiddelde, de assurantie. En niet alleen, dat zij ons blijmoedig maakt, zij maakt ons ook onafhankelijk. Het geeft een zeker gevoel van eigenwaarde, te weten dat men voor de zijnen behoorlijk zorg gedragen heeft voor leven en voor sterven beide. En de werkman, die zich zeiven een pensioen verzekerd heeft, gaat minstens met een geheel ander gevoel zijn ouden dag te gemoet, dan als hij weet dat hoogstens een werk- of armhuis hem wacht; terwijl zijne achtergelaten betrekkingen de wereld waarschijnlijk veel vrijmoediger in de oogen zullen zien, als zij over de hun rechtmatig toekomende uitkeering beschikken mogen, dan wanneer zij hulpbehoevend moeten aankloppen bij de diaconie. Van liefdegaven te leven vernedert. Zich zelf een positie te scheppen en een bestaan te verzekeren verheft.
Zoo is op stoffelijk en op geestelijk gebied voor den enkelen mensch en voor geheel de maatschappij de invloed van het assurantiewezen groot. Het is een macht van betee-kenis in de hedendaagsche samenleving.
De vraag is intusschen, of het assurantiewezen reeds de vereischte hoogte van ontwikkeling bereikt heeft; of
14
het genoegzaam gewaardeerd wordt door alle burgers en door het overvloedig gebruik, dat er van gemaakt wordt, reeds al de zegeningen over de maatschappij heeft uitgestort, die er in besloten liggen. Is iedere tijdgenoot, voor zoover hij op eigen beenen staat en voor zich zelf verantwoordelijk is, een geassureerde ? Heeft ieder het ver-eischte aantal assurantie-polissen thuis?
Vermoedelijk zullen sommige rijke lieden op deze vraag terstond antwoorden; Eilieve, houd mij verontschuldigd! Waartoe zou ik voor eenige verzekering premiën uitgeven, terwijl ik vermogend genoeg ben zoowel om de mijnen behoorlijk verzorgd achter te laten, als om de schaden te dekken, die onverhoopt mij treffen mochten!
Nu, dat is een redeneering, waarvoor men zwichten moet. Er zijn zekere grenzen, waarbuiten de assurantie niet tieren wil. Men kan ook te rijk zijn, om er zich mee in te laten.
Tegen brand verzekert zich een ieder, maar een milli-onair sluit geen levensverzekering. De erfenis, die hij zal nalaten, is voor zijn nakomelingen verzekering genoeg. Ook kan het aantal schepen, waarover een reeder beschikt, of het aantal stukken vee, die een landman in zijn weiden heeft, zoo talrijk zijn, dat zij een verzekering bevatten in zich zelf. Aangezien de assurantie berust op het beginsel, dat wie gespaard blijft, betaalt voor wie schade lijdt, en dus de door allen te betalen premiën moeten opwegen tegen het bedrag der schade, die geleden wordt, kan niemand zoo rijk zijn, dat hij in zijn eigen persoon een kring vertegenwoordigt, juist zoo groot als noodig is, om er de vermoedelijk te lijden schade over om te slaan. Als op de honderd koeien gemiddeld jaarlijks één verongelukt, dan zullen honderd arbeiders, die elk een koe op stal hebben, wijs doen met aan jaarlijksche premiën de som op te brengen, die de assurantiemaatschappij ten haren tijde zal hebben uit te keeren aan dengene, dien het ongeluk treft. Maar de rijke boer, die alléén honderd stuks vee bezit, kan gerust die premiën op zak houden en er zelf jaarlijks de honderdste koe voor terugkoopen. Zoo kunnen ook de premiën, die een groot reeder zou hebben
15
op te brengen om al zijne schepen te verzekeren, te zamen zoo hoog loopen, dat hij voor het bedrag in eigen persoon het verongelukte schip herstellen kan. Zekere mate van rijkdom derhalve stelt aan de assurantie een natuurlijke grens.
Omgekeerd kunnen ook sommige schaden zoo groot zijn, dat er niet tegen te assureeren valt. Wie zou Brabant willen assureeren tegen de overstroomingen? Onder den indruk van zulk een algemeene ramp, die gansche rivierstreken teistert, wil wel het gansche vaderland bii-springen, om naar vermogen den nood te lenigen, de schade te vergoeden, maar de bewoners der bedreigde streken een jaarlijksche premie te laten betalen, die hun herstel van alle te lijden waterschade waarborgde, zou zeker hunne krachten te boven gaan. Een premie mag natuurlijk niet klimmen tot de waarde van het gansche kapitaal. Zij mag er slechts een breuk van vertegenwoordigen, en liefst zoo klein mogelijic een breuk. De assurantie heeft dus hare natuurlijke grenzen en daarbuiten kan niemand tot verzekering worden verplicht.
Maar kan men dan nu zeggen, dat overal, waar de assurantie verwaarloosd wordt, deze grenzen bereikt zijn, dat van de gelegenheid tot assurantie behoorlijk gebruik gemaakt wordt door allen, die in de termen vallen van het te doen?
Zeker, wij zijn in Nederland mooi op den goeden weg. Vertegenwoordigers van allerlei standen, beroepen, betrekkingen, vereenigen zich, om zich zelf of de hunnen te verzekeren. Onderwijzers, predikanten, ambtenaren, militairen, kunstenaars, wie al niet, vereenigen zich tot onderlinge levensverzekering. Dat is uitstekend. Vooreerst, omdat de gemiddelde sterfte niet in alle standen dezelfde is. Geestelijken staan, meen ik, bijzonder goed aangeschreven en mijnwerkers of zeelieden vermoedelijk slecht. Die meerdere of mindere sterfte kan van invloed zijn op de te betalen premie. In zoover moge soort soort zoeken, mits in zoo grooten getale, dat er van verzekering in den wetenschappelijken zin van het woord sprake wezen kan.
16
En ten anderen, omdat deze particuliere vereenigingen niet zelden kosteloos beheerd worden. Dat is een profijtje extra. Doch liet waar en het hoe doet minder ter zake; de vraag is, of de assurantie algemeen genoeg is.
Onder de betrekkelijk meer gegoeden, waartoe ik ook reken te behooren een keuterboertje en een voerman, wiens kapitaal zit in zijn koeien of in zijn paard, is de veeverzekering algemeen genoeg. Maar hoe dikwijls komt het ten platten lande of in kleine plaatsen voor, dat, wegens het verongelukken van een melkgever of een trekdier, een lijst moet rondgaan, om den geruïneerde zijn broodwinning terug te geven! Zoo wordt een bedelaar wie voor bedelen veel te goed zou zijn. Een kleine jamiijksche premie aan een veeverzekeringsfonds, en het onheil ware voorkomen. En in hooger kringen, hoe dikwijls komt het voor, dat een weduwe, zonder kinderen, of ook met kinderen, onverzorgd achterblijft! Gioote ontsteltenis in de familie. Verwanten en voogden met de handen in het haar. Familieraad. Consulten met allerlei liefdadige instellingen. Beroep op de p.- rticuliere of de openbare philanthropie. Beweging van hemel en aarde om de broodeloozen aan een middel van bestaan te helpen. Zorgen, angsten en verslagenheid. En dat alles, waarom? Omdat de kostwinner, die heen ging, zorgeloos leefde. Hij was allerliefst misschien voor vrouw en kinderen. Maar hij dacht niet aan den komenden dag. Soms misschien, in stille oogenblikken, op het ziekbed, bekroop hem de vrees, maar straks nam het werkelijke leven hem weer in beslag. Vol van zijn plannen rekende hij met het leven en niet met den dood. De verzekering bleef achterwege. Zeg ik te veel, indien ik beweer dat zulke dingen gebeuren? En ook, zeg ik te veel, indien ik beweer dat zulk onverzorgd achterlaten van de zijnen bij den dood evengoed een misdaad is, als door wanbestuur hen ten gronde te richten bij het leven? Bij het beheer van zijn zaken den dood uit het oog te verliezen is op zich zelf reeds een wanbedrijf. Want het zwaard van Damocles hangt ieder onzer dagelijks boven het hoofd.
En daarom zou ik willen, dat het gevoel van verplichting
17
tot levensverzekering, binnen de straks bedoelde grenzen, algemeen werd zonder uitzondering
Helaas! er zijn zwakken, op wier leven geen verzekering gesloten wordt. Als de naderende dood met zekerheid te voorzien is, is van kansrekening geen sprake meer en sluit geen verzekerir.gs-maatschappij een overeenkomst, tenzij dan tegen zeer verhoogde premie misschien. Maar onder zulke omstandigheden vaart men in elk geval niet ten huwelijk. Waar huwelijk gesloten worden, mag men een behoorlijke gezondheid bij de belanghebbenden onderstellen, en in zake van huwelijk niet het minst, heeft de assurantie een woordje mee te spreken. Elk jong gezin zette op zijn jaarli/jksche begrooting een post voor levensverzekering. Wat zeg ik? de jonge man, die meent vrijmoedigheid te hebben een levensgezellin te vragen op grond van het jaar-hjksch inkomen dat hij aan te bieden heeft, verzuime niet daarvan af te Wekken de som, die voor assurantie moet worden ter zijde gelegd. En de jonge vrouw, die hare huishouding inricht, haar budget opmaakt en op een bepaalden voet van leven zich zet, vergete niet, dat de jaarlijksche premiën voor de verschillende assurantiën even onverbiddelijk betaald moeten worden, als de sommen, waarop de rijks- of gemeente-ontvanger voor te betalen belasting beslag legt en dus voor de huishouding niet meer beschikbaar zijn. En hoe hooger voet van leven, hoe meer weelde, hoe meer verfijnde levensbehoeften, hoe hooger assurantiepremie, opdat niet het verval van leven door den dood van den kostwinner voor de achtergeblevenen al te zeer het karakter aanneme van een genadeslag.
Ik weet wel, men kan ook te veel assureeren. Onlangs berichtten ons de dagbladen, dat ergens in het Noorden een verzekeringsfonds voor ongehuwde meisjes was opgericht. Van den dag der geboorte zijner dochter af aan had de vader jaarlijks een premie te betalen, en als het meisje niet te goeder ure een man vond, die de zorgen voor haar op zich nam, dan konden die komen ten laste der verzekerings-maatschappij. Wel lief bedacht en in vele gevallen zeer wenschelijk ook. Mits de ongehuwden door
18
de uitkeeringen, waarover zij de beschikking krijgen, zich maar niet laten verleiden om op hare lauweren te gaan rusten, in stede van een arbeidsveld op te sporen, waarop hare krachten van dienst kunnen zijn. Zoo ook zou ik niet onvoorwaardelijk alle weduwen op pensioen willen zetten. Het leven is nu eenmaal een strijd en aan dien strijd heeft ieder deel te nemen, die gezond is van lijf en ziel. Weinig te eten, te smullen althans, en veel te werken is in elk geval aan te bevelen. Maar er is een maat in alle dingen en van vrouwen en weezen mag dooiden man en vader na zijnen dood het onmogelijke niet worden gevergd.
Maar â zoo wordt van de andere zijde een bedenking geopperd â- het assureeren is zoo duur! Om op zestig-jarigen leeftijd een pensioen te krijgen van f 100. moet ik van mijn dertigste jaar af aan jaarlijks Æ 13 betalen, en om mijne weduwe na mijnen dood een gelijk inkomen aan rente te verzekeren, misschien wel zestig, zeventig gulden! Is het geval niet denkbaar, dat men daar geen geld voor heeft? En wat is dan nog honderd gulden!
Zeker, er zijn omstandigheden denkbaar, waaronder het hoogst bezwaarlijk is voor de verplichte stortingen de ver-eischte sommen beschikbaar te hebben, maar geen geld hebben en ergens geen geld voor over hebben, wie trekt tusschen die beiden altijd de juiste grens? 't Kon zijn dat lieden, wien het, naar zijzelven beweren, niet voegt premiën te betalen voor eenige verzekering, gemakkelijk te betrappen waren op uitgaven, die in het oog van anderen uitgaven van weelde en overdaad zijn. Werd ons niet onlangs voorgerekend, dat een professor en zijn vrouw, door geen sniker in de thee te drinken, geld genoeg uitspaarden om een loopmeisje te houden? Wie weet, wat er door zulk âuitsparenquot; voor assurantiën zou te winnen zijn! Genotzucht, fatsoen, mode en wat niet al, komen vaak duur genoeg te staan in de wereld. Een weinig flinkheid en doortastendheid in het verbreken van slaafsche banden en een stroom van noodlottige geldverspillingen ware gestuit. Laat, wie het geld voor assurantiepremiën niet vinden kan, mij zijn kasboek
19
maar eens toonen; tien tegen één, dat ik hem nog een achterdeurtje zal weten te wijzen, waardoor hem de toegang verleend wordt tot het assurantiekantoor!
Maar, een niet te weerspreken waarheid blijft het in-tnsschen, dat assureeren geld kost en voor niet weinigen te veel geld. Gansche klassen van menschen zijn er, voor wie, naar het schijnt, de zegeningen van het assurantiewezen ten eenenmale onbereikbaar zijn.
âD-e ondervinding leertquot; â zoo heeft iemand gezegd â âde ondervinding leert, dat de vereenigingen voor onderling hulpbetoon slechts in stand kunnen blijven, als zij zich uitstrekken over werklieden van zeker welvaren, maar dat zij komen te vervallen of liever niet bestaanbaar zijn, zoodra er sprake van is, er ook in op te nemen degenen, voor wie zij het meest te pas zouden komen, de armen. De spaarbank, het onderling hulpbetoon, de levensverzekering, uitstekende dingen voor wie reeds een zeker welzijn geniet en daaraan nieuwe waarborgen wenscht toe te voegen, zijn onvruchtbaar of zelfs ontoegankelijk voor den behoeftigen stand; en daar de prijs van deze koopwaar daalt, niet naar evenredigheid van de ellende van hen die zich haar wil aanschaffen, maar naar de grootte der som, die hij verzekeren wil, lost de assurantie zich op in een nieuw voorrecht voor den rijke en een wreede ironie voor den arme.quot;
Zou dit waar zijn?
Het is niet geheel tegen te spreken. Er zijn beneden zekere grenzen. Maar of die grenzen niet eenigermate teruggeschoven kunnen worden? Of er niet maatregelen te beramen zijn, waardoor zij zouden kunnen worden uit-gewischt ?
Nu naderen wij een moeilijk vraagstuk, de assurantie van den werkman.
Reeds offeren in de lagere klassen de meeste gezinnen wekelijks eenige penningen, ten einde aan de hunnen een uitkeering te verzekeren bij overlijden. Een uitkeering, waarmede de begrafeniskosten bestreden kunnen worden en die de
20
belanghebbenden nog in het bezit laat van eenige contanten. Deze gewoonte hangt samen met onze doodenvereering. Zelfs het diaconie-huismannetje van Hildebrand zorgt tiouw-hartig voor de teraardebestelling van zijn eigen lijk.
Wij kunnen niet anders dan deze maatregelen toejuichen. Maar zijn ze voldoende? Dient in de lagere kringen de assurantie zich niet veel verder uit te strekken?
Wanneer een huurkoetsier zijn paarden en rijtuigen verhuurt, dan stelt hij den prijs niet zoo laag, dat hij slechts zich zelf en zijn paarden van de opbrengst behoorlijk voeden kan, maar zoo hoog, dat er wat overblijft om het gebrokene te herstellen en het versletene te vervangen. Als hij zijn rijtuig niet nu en dan eens kon laten lakken of bekleeden en niet gedurig een nieuw paard of een nieuwen wagen kon aankoopen, zou hij geen huurkoetsier kunnen blijven. Dit geldt op ieder gebied. Zelfs bij het verhuren van kruiwagens en karren aan de groente venters te Amsterdam. En als men gedurende den winter van een smid een kachel huurt of voor zekeren tijd van een fabriek een piano in gebruik neemt, dan betaalt men veel meer, dan de interest van het kapitaal, dat in het meubelstuk steekt. Natuurlijk, want kapitaal en interest beide moeten gewaarborgd worden.
Maar hoe gaat het nu met het kapitaal, dat de arbeider vertegenwoordigt, de werkman met zijn spieren en zijn kennis van het vak? Dat kan ook door ziekte tijdelijk renteloos worden en door den dood kan het te niet gaan. Zorgt hij er daarom behoorlijk voor, dat zijn werkkracht niet beneden den prijs verhuurd worde? Blijft er wat over om mogelijke renteloosheid te vergoeden, en is hij van het voortbestaan van de flnanciëele waarde, die hij vertegenwoordigt, gewis?
Deze gevallen staan gelijk. Het loon, dat de werkman verdient, moet hem, behalve toe het onderhoud van zijn gezin, ook in staat stellen tot het sluiten van de noodige assurantiën.
Welke assurantiën?
Een deskundige heeft er zes opgesomd.
Vooreerst ter verzekering van de opvoeding zijner kinderen bij ontijdig overlijden, de instandhouding van de werkende klasse als zoodanig.
Vervolgens een pensioen voor den ouden dag.
Dan vergoeding van de onkosten der begrafenis.
Voorts verzekering tegen ongelukken, onderstand in dagen van ziekte en weekgeld in tijden van werkeloosheid.
De verplichting om de voor alle deze assurantiën ver-eischte wekelijksche of jaarlijksche preiniön te betalen, bezwaart het budget van den werkman met geen gering bedrag.
Men heeft verschillende begrootingen gemaakt. B.v. om in geval van ziekte een wekelijksche uitkeering te verkrijgen van f 5.-10, moet de arbeider van ziin zestiende jaar af, den tijd waarin zijn verdienste geacht kan worden te beginnen, jaarlijks betalen f 9.7-5. Een pensioen op 66Jarigen leeftijd van ruim Æ 200 kost hem /'7.50 per jaar. Voor ruim f 2.â verzekert hij zich een jaarlijkscbe uitkeering van omstreeks /70.â voor het geval, dat een ongeluk hem buiten machte stelt om zijn gewone werk te doen. Een kleine /'40 ter bestrijding van begrafeniskosten komt te staan op een premie van ongeveer Æ 0.75. Een weekgeld van /'6.â in tijden van werkeloosheid, berekend naar zestig dagen zonder werk, zou jaarlijks J 36. kosten. Eindelijk een levensverzekering voor zijn achter te laten betrekkingen ten bedrage van / 240. â , uit te keeren aan zijn kinderen tot aan hun zestiende jaar, kost bijna f 50.â. Zoo komen wij tot een bedrag van / 106.â door dun werkman van zijn 16de jaar at aan te betalen aan jaarlijksche assurantie-premiën, gelijk staande met ongeveer f 2. â per week.
Die berekening is gemaakt door een Duitscher voor den duitschen werkman, en een Franschman hecht er voor zijn eigen volksgenooten het zegel aan. Daar de statistieke tabellen, waarop de assurantie-maatschappijen haar berekeningen bouwen, ten naastenbij voor alle landen dezelfde zijn, kunnen wij haar evenzoo overnemen voor ons eigen land. Men zie er de tarieven van het werklieden-pensioen-
22
fonds op na. Gesteld nu eens, dat de werklieden aller-wege, de fabrieksarbeiders zoowel als de arbeiders te velde, levendig doordrongen waren van het besef, dat de betaling van deze premiën een volstrekte noodzakelijkheid is, en van die noodzakelijkheid ook de werkgevers wisten te overtuigen, zoodat de werkloonen allerwege stegen tot de hoogte, waarop een zoo algemeen e toepassing van de assurantie mogelijk werd â wat een paradijsstaat zou er dan aanbreken! Aalmoezen, diaconieën, armen- en werkhuizen en wat dies meer zij, alles zou overbodig worden. De werkende klasse zou volkomen onafhankelijk worden. De philanthropie zou zich slechts behoeven te ontfermen over degenen, die door hunne lichamelijke gesteldheid van de voorrechten der assurantie verstoken bleven, en de politie over degenen, wier zedelijke gesteldheid hen van het genot der assurantie beroofde. quot;Wij zouden werkelijk leven in een socialen staat. Het pinksterwonder zou in vervulling gaan. Het leven zou, om zoo te zeggen, een leven in gemeenschap van goederen zijn.
De vraag is nu maar, of dit denkbeeld een droombeeld, deze illusie een utopie is.
Wat zou er alzoo moeten gebeuren om tot dien gelukstaat te komen'?
Voor de meeste der hier genoemde verzekeringen bestaan maatschappijen. Daar assurantie is het dekken van de schade des eenen door de bijdragen van den ander, komt het er maar op aan een aantal deelgenooten te verkrijgen, groot genoeg om met elkander de noodzakelijke kosten te bestrijden. De verhoudingen veranderen niet, of dit aantal verdubbeld, verdriedubbeld of hoe dan ook verveelvoudigd wordt. Een maatschappij voor levensverzekering. een brandassurantie-maatschappij, een begrafenisfonds nemen zooveel contribuanten aan, als willen toetreden. Hoe grooter getal, hoe veiliger zelfs, daar de statistieke cijfers aan te minder schommelingen onderhevig zijn, naarmate de kring, waarover zij loopen, ruimer is. Voor de meest gewone verzekeringen behoeven dus geen nieuwe ondernemingen te worden op het touw gezet.
23
Daarentegen is er voor assurantie tegen ziekte en werkeloosheid meer noodig. Hier hangen de goede en kwade kansen ten nauwste samen met liet bedrijf van den weikman. Sommige takken van werkzaamheid zijn zeer gezond, anderen zeer ongezond. Dat heeft invloed op de te betalen premie. En wat de werkeloosheid betreft, voor den veldarbeider kunnen het de regendagen zijn, die hem een zeker gedeelte van het jaar buiten verdienste stellen. Fabrieksarbeiders kunnen door stilstand van de fabriek en door werkstakingen broodeloos worden. De handwerkstand heeft weer andere bezwaren. liet valt moeilijk die allen te scheien ovei éénen kam. Toch is verzekering tegen werkeloosheid levensvoorwaarde van geheel de assurantie van den wei-kenden stand. Want als de geassureerden door gebrek aan verdienste, wegens gebrek aan werk, buiten machte zijn om de wekelijksche premiën te betalen, dan worden zij straks geroyeerd en de geheele assurantie gaat te niet.
Dus assurantie tegen gebrek aan werk, hoe daaraan te komen ?
Tot zekere hoogte misschien, door lieden van hetzelfde vak plaatselijk, nationaal, of ook internationaal, te vereenigen en hen, op grond van hunne gelijksoortige onder-virdingen te laten berekenen, welke kansen op schade er bestaan en door hoe hooge wekelijksche premiën die schade kan gedekt worden,
Hier komen de werklieden-vereenigingen aan het woord, een onderwerp, waarin wij nu niet verder kunnen doordringen. Slechts worde, om eenig denkbeeld te geven van wat in die richting gedaan kan worden, melding gemaakt van de eindcijfers, die het jongste werklieden-congres te Londen mededeelde. Over 1887 werd door de velschillende ambachts-vereénigingen aan de overzijde van het Kanaal uitbetaald in ponden sterling: voor ondersteuning van werkeloozen 209.880 p. st., tot aanschaffing van weinige» 1.839 p. st., voor hulpbetoon in ziekte 130.084 p. st., aan begrafeniskosten 33.542 p. st., tot schadevergoeding na ongelukken 8.768 p. st., en aan pensioenen 70.820 jx st.; terwijl men gedurende een tijdperk van drie-en-twintig
24
jaren kon terugzien op een totaal-uitgaaf van 7,964.640 ponden sterling of twaalf maal zooveel guldens. Is dat niet een vereeniscingsleven om van te watertanden ? En in Engeland is dat in de plaats getreden van een armenwet, die op he.t Staatsbudget de post voor armenzorg van jaar tot jaar met een steeds grooter bedrag van ponden sterling prijken deed.
Gelukkig zijn ook wij Nederlanders, zoo goed als andere natiën, op weg om het goede voorbeeld van Engeland te volgen. Ook onder ons zijn de werklieden-vereenigingen aan liet opkomen. Zij zorgen voor geneeskundige hulp en voor onderstand in tijden van ziekte en beoogen in het algemeen de verheffing van den werkenden stand. Ook werd voor eenige jaren de Pensioen-vereeniging voor werklieden opgericht. Niet minder verdient de nederlandsche werkgeversbond in dit verband genoemd te worden. De oogen voor de hooge waarde van voorzorgs-maatregelen openen zich al meer en meer.
Maar hoe aarzelend toch nog! Hoe onbevredigend was het jongste jaarverslag der Pensioenvereeniging! Hoevele werklieden leven buiten alle betrekking met hunne vakge-nootenl Is het gebrek aan ontwikkeling, dat hen verhindert hun eigen toekomst helder te overzien ? Is het gebrek aan zelfverloochening, dat hen den lust beneemt tijdelijk zich ontberingen te getroosten ter wille van een begeerlijk verschiet? Is het wantrouwen, dat hen weerhoudt hun geld en hun lot te leggen in vreemde handen? Is het de karigheid van hun verdiensten, die hen noopt te leven van de hand in den tand? Nu eens de eene oorzaak vermoedelijk en dan weer de andere en straks misschien alle oorzaken te gelijk. Maar de hoofdoorzaak zal wel zijn, dat de openbare meening op dit punt nog niet wakker genoeg geworden is. Indien arbeiders en werkgevers beide van de hooge noodzakelijkheid van voorzorgsmaatregelen voldoende overtuigd waren, dat kan het niet anders, of zij moesten op elkander krachtiger invloed uitoefenen en het assurantiewezen moest tot hoogeren bloei geraken. Wie helpt mee om dat volksbelang wat meer naar eisch te
25
doen behartigen'? Kan een goed woord, een terechtwijzing, eenige voorlichting er niet toe leiden, dat onze dienstmeisjes, in plaats van hun geld aan opschik te besteden, zich een uitzet verzekeren togen den dag des huwelijks of een onderdak voor den ouden dag? Of kunnen de jongelingen in dienstbare betrekkingen niet wat krachtiger worden aangemaand, om een deel van hun zakgeld, dat allicht verrookt of verdronken wordt, voor premiën te besteden, die hun een toekomst waarborgen ? Kunnen de werkgevers op allerlei gebied hunne werklieden niet wat meer beslist met zachten drang heenleiden naar de assurantie ? Kunnen de scholen, die reeds de populariseering van de spaarbank op haar programma gezet hebben, niet ook aan het assurantiewezen wat meer heur aandacht wijden? Kunnen de vakvereenigingen niet uitgebreid en vermenigvuldigd worden? Kunnen niet ook de veldarbeiders in den lande zich vereenigen, om met vereende krachten zich de diaconieën van den hals te houden? Kunnen â maar waar is het einde van alle mogelijkheden? Gesteld dan, dat dcor deze en dergelijke middelen de openbare meening wakkerder werd en het voor een ongeluk, zoo niet voor een vergrijp gehouden werd, niet behoorlijk naar alle zijden geassureerd te zijn, zou dan de drang der openbare meening, vooral indien zij in alle landen zich deed gelden, er niet toe leiden, dat de loonen allengs verhoogd werden naar evenredigheid van de eischen, welke niet alleen het dagelijksch onderhoud van zijn gezin, maar ook de verzekering van zijn toekomst aan den werkman stelt? De maatschappij is niet gezond, zoolang hij daartoe buiten machte is. Gelijk gezegd werd: âmen aarzele niet als bestanddeel van een normaalloon mede in rekening te brengen de kosten der assurantie; want zonder assurantie is bij den werkman alles onzeker; het heden is zonder vertrouwen, de toekomst zonder hoop en vertroosting. De werkman heeft zijn volle loon nog niet, zoo lang het hem geen zekerheid verschaft voor zijn eigen toekomst en voor die der zijnen.
Uitbreiding van het assurantiewezen naar alle zijden worde dus de leus. Naar alle zijden. Maar vooral naar
26
beneden. Vooral tot aan, straks tot over de grenzen, waar nu nog armoede van de voorrechten der assurantie buitensluit.
Intusschen komen hier als van zelve eenige andere vraagstukken aan de orde, waarop wij nader zouden dienen in te gaan, als de omvang van een volksgeschriftje als dit het slechts gedoogde. Moet die te wachten ontwikkeling van het assurantiewezen haar vrijen loop hebben, of moet zij aan banden gelegd worden, onder controle staan? En dan ook, moet zij van onder op of van boven af worden in gang gezet?
Men denke aan de tegenstelling; verzekering van staatswege en verzekering als particuliere industriëele onderneming.
Zij bestaan beide, ook in ons land. Want, terwijl de regeering aan de eene zijde aan allerlei verzekerings-maat-schappijen en vereenigingen van voorzorg de vrije hand laat, houdt zij aan de andere zijde van de tractementen van sommige harer ambtenaren eiger; machtig zeker aantal guldens in, om die later in den vorm van pensioenen of weduwgelden weêr uit te keer en. In zoover hinken wij op twee gedachten, een verhouding, die vrij wel beantwoordt aan den staat van wording, waarin het assurantiewezen bij ons verkeert. Het gaat er mee als met de spoorlijnen in menig land. Bijzondere maatschappijen aan de eene zijde, exploitatie van staatswege aan den anderen kant, en dan tegenover de neiging om het staatsbeheer uit te breiden, oppositie van de zijde van het particulier belang. Zoo zijn er ook stemmen opgegaan, die roepen om assurantie door den Staat, in vollen omvang, en anderen, die de verzekering-geheel aan particulieren wenschen over te laten. Wie van beide partijen gelijk heeft, onderzoeken wij thans niet, hoe uitlokkend het onderwerp ook wezen moge. Het zij genoeg aan het bestaan van het vraagstuk herinnerd te hebben. Voor den lezer de vrijheid, om verder aan de oplossing-zijn krachten te beproeven.
Evenmin kunnen wij ons inlaten met de vraag, hoe het toezicht, dat de staat over het assurantiewezen te houden heeft, dient geregeld te zijn.
27
Van nature is er reeds tusschen de wijze waarop de Staat land en volk bestuurt, en den bloei van het assurantiewezen een allernauwst verband. Van de inrichting b.v. der brandweer in de groote steden hangt voor een deel de omvang af van de schade, welke voor de assurantie-maatschappijen door het vuur ontstaan zal, en daarvan weer het bedrag dei-premie, welke de geassureerden te betalen hebben. De verzekering van spiegelruiten profiteert van de kalmte onder de sredelingen, gevolg van bevredigende maatschappelijke toestanden of van goede wetten; en als de orde verstoord wordt, dan hangt de omvang van de vernieling misschien grootendeels af van het handig of onhandig optreden der politie. Een behoorlijke afsluiting der grenzen in tijden van dreigende besmetting of een doeltreffende onteigening van het door de besmetting aangetast vee, kan van invloed zijn op de vee-verzekering. En hoeveel hangt er voor de sterf te verhouding in een land niet af van de maatregelen, die de Staat treft ter bescherming van jong leven of tot bevordering van den algemeenen gezondheidstoestand! Het best ingericht maatschappelijk leven legt voor de assurantie den moest hechten grondslag. Door duizende banden zijn die twee aan elkaar verbonden. Men zou kunnen zeggen, dat, de trap van ontwikkeling waarop bij eenige natie het assurantiewezen staat, tevens de hoogte aangeeft van de ontwikkeling, waartoe het staatkundig en maatschappelijk leven der natie geklommen is. Dit alles is zoo klaar als de dag. Maar onweersprekelijk is het ook, dat de Staat met het bestaan der assurantie bij het werk der wetgeving rechtstieeks rekening te houden heeft. Een verschijnsel van zoo veel beteekenis kan hij niet aan zijn aandacht laten ontsnappen. Bij het wel en wee der assurantie heeft hij zelf en hebben zijn onderdanen te zeer onmiddelijk belang.
Wij zeidon in den beginne, dat allerwege in den tijd harer eerste ontwikkeling de assurantie hare mislukkingen heeft gehad, en dat deze mislukkingen, waarvan natuurlijk tal van geassureerden de onschuldige slachtoffers zijn geworden, aanleiding gegeven hebben tot velerlei Staats-tusschen-
28
komst. Men begreep, en te recht, dat het niet aanging weduwen, weezen en grijsaards, zwakken die zich zelf niet beschermen kunnen, bloot te stellen aan de noodlottige gevolgen van slechte berekeningen of slechte speculatiën van assuradeurs. De Staat trad allerwege wakend en beschermend op. Heel wat zou er te vertellen zijn van de maatregelen, die in verschillende landen genomen werden om de bedenkelijke gevolgen van het kwaad te voorkomen of terug te dringen. Maar ook op dit punt legt mijn bestek mij het zwijgen op. Slechts zij hier herinnerd, dat wij in ons vaderland, behalve op zekere bepalingen in ons Wetboek van Koophandel, regelende den vorm en de privaat-rechterlijke gevolgen van levensverzekerings-contracten, wat het Staatstoezicht betrof, lang geteerd hebben op eenige koninklijke besluiten van de jaren 1830, 1838, 1840 en 1845.
Met den inhoud dezer koninklijke besluiten was men niet bijzonder ingenomen. Men zag er een onrechtvaardige inbreuk in op de vrijheid van bedrijf. Men was van oordeel, dat zij te zware verantwoordelijkheid op de Regeering laadde, zonder den verzekerden voldoenden waarborg te verschaffen. Ook speurde men er strijd in met het Wetboek van Koophandel. En vooral betwijfelde men of de Koning wel de bevoegdheid had, buiten de wet om, dergelijke voorschriften uit te vaardigen. De Hooge Eaad ging op die bezwaren in. Hij verklaarde, bij een arrest van 1880, dat het oprichten eener levensverzekerings-maatschappij een burgerlijk recht is, waarvan de beperking zoowel als de regeling uit sluitend toekomt aan de wetgevende macht. Hij ontkende J rechtsgeldigheid van genoemde besluiten en maakte daai mede een einde aan het eenige, wat als een regeling van het verzekeringswezen in ons land kon worden aangemerkt. In den Haag viel evenwel sinds dien tijd over bedoeld onderwerp het een en ander voor. Met name werd den
October 1883 bij koninklijk besluit een commissie benoemd âtot voorlichting der regeering omtrent een wettelijke regeling betreffende de inrichting van levensverzekeringen.quot; Die commissie, bestaande uit drie heeren, voerde lange de-
29
batten. Elk harer leden stond op een eigen standpunt en vertegenwoordigende een bijzondere opvatting van de zaak; een veelzijdigheid, die wel geschikt was, om het onderwerp van alle kanten te bezien, maar niet bevorderlijk aan een voorspoedige oplossing van het vraagstuk. Toch wisten de heeren, na elkander over en weer op menig punt schaakmat te hebben gezet, nog tot eenige gemeenschappelijke overtuigingen te geraken en tot een ontwerp van wet, dat zij in het voorjaar van 1885 neerlegden vooi 's Konings troon. Dat concept ligt daar nu en zal vermoedelijk ten eeni-gen tijde tot grondslag dienen voor verdere overwegingen en bemoeiingen der wetgevende macht.
Wanneer men daarmee beginnen zal?
Laat ons hopen, spoedig! Laat ons hopen, dat de balanceerende staatkundige partijen op den duur niet al te veel krachten verspillen aan maatregelen van zelfbehoud, nog al te zeer elkaar de handen binden; dat temet een regeering onafhankelijk genoeg moge zijn, vast genoeg op het kussen moge zitten, om aan dit groote volksbelang hare aandacht te wijden; dat wette-iiike regeling betreffende de inrichting van levensverzekeringen niet op den langen duur behoore tot de vrome wenschen.
Voor den bloei van het assurantiewezen toch is allereerst noodig een algemeen vertrouwen; en dat kan niet bestaan zonder behoorlijke rechtszekerheid. De vrees voor wanbeheer en misdadige speculatie moet niemand kunnen weerhouden zijn penningen te offeren ter wille van uit-keeringen in een onbepaald verschiet. In zóó ver hebben wij behoefte aan en aanspraak op de medewerking van den Staat. Met vaderlijke liefde zorge hij voor zijn onmondige kinderen. Maar, ook het particulier initiatief kan nog zeer veel doen om het assurantiewezen te maken tot wat het worden moet. Dat de bestaande maatschappijen desverkiezende zich uitbreiden! Dat nieuwe vereenigingen, zoo noodig, worden opgericht!
Maar vooral, dat een krachtige openbare meening zich vonne!
30
Een openbare meening, die veroordeelt dengene, die moedwillig of kortzichtig dc zorg voor de onbekende toekomst verwaarloost, en des noods hem tuchtigt door hem hulp te weigeren in den nood door eigen schuld, maar daarentegen zich ontfermt over de goedgezinden, die door benarde maatschappelijke omstandigheden buiten machte zijn van den zegen der levensverzekering mede hun deel te erlangen!
Een openbare meening, die eiken burger noopt in den kring, waarop hij van invloed wezen kan, de zaak dei-assurantie te bevorderen, door zorgeloozen aan te manen, verblinden de oogen te openen, onkundigen te recht te wijzen!
Een openbare meening, die met zachten doch onweer-staanbaren drang het maatschappelijk leven drijft in de richting van een algemeene verzekerdheid en de maatschappelijke verhoudingen zoo regelt, dat vrijheid in de plaats komt van afhankelijkheid, eigen verantwoordelijkheid in de plaats van een vernederend beroep op de openbare liefdadigheid, welvaren in de plaats van kommer en druk!
In dezen tijd, vol belangstelling in sociale vraagstukken vooral, mag gewezen worden op de assurantie als op een der gezondste openbaringen van het sociale leven. Er is tweeërlei vorm van gemeenschap. Men kan trachten zich meester te maken van elkanders lief, maar men kan er ook op uit zijn om deel te nemen aan elkanders leed. Men kan de winst willen deelen, maar ook het verlies. Het laatste is het beminnelijkste en het meest belovende. De assurantie berust er op. Zij immers spreekt van een vereenigd dragen van de lasten des levens. In zoo verre staat zij lijnrecht tegenover het roode socialisme, dat naar het schijnt, bij voorkeur de lusten deelen wil. Haar zinnebeeld is de blanke engel, die zijn armen zegenend uitbreidt over weduwen en wezen, over kranken en hulpbehoevenden, over lieden zonder kracht en zonder werk. Balsem giet zij in vele wonden. Heilzame middelen voert zij met zich, ter genezing van tal van maatschappelijke
31
kwalen. Al blijft het hoe en het wanneer in vele opzichten ons nog een verborgenheid, aangaande de richting, waarin wij ons te bewegen hebben, verkeeren wij niet meer in het onzekere. Het doel is gesteld en het middel gevonden. Wij weten, waar het heen moet en wij kennen den weg. In zoo ver voel ik vrijmoedigheid om al mijne lezers uit te noodigen in hunne gedachten, hunne overleggingen en hunne plannen, in het welbegrepen belang der maatschappij, een breedere plaats dan tot nu toe te gunnen aan
DE ASSURANTIE!
MÃ-
t'ïiHaeeBM
.
jMBm WÃÃmÃmÃmm HI
11 I
â
Bij den Uitgever M. E. I) E G li A ü W te Ouderkerk bij Amsterdam zijn vKkqgtaar der Maatschappij
âi ü 1 N li r VA ?!( 'T ALGE M E E Nquot;.
1. a. weruméus büning,'
EEW KIJKJE ÃKquot; JAVA.
2._ Dr. B. STEPHAN,
iamp;ndervoeding i^üidervörsorgiiig en Kindersterfte m net eerste Levensjaar.
b- vAN der meulen,
W A i EK, uit iiet oogpunt van gfezondiieid. tweede DEUK.
4r. Dr. P. F. VAN HAMEL ROOS,
Een en ander over sommige Voedingsmiddelen en hunne Vervalscliingen 5. Mr. J. D. VEEGENS,
UE FSjAja SC2-ÃEi OMWEM TELING-. igt;. J. PRANZEN,
Handenarbeid als Opvoedingsmiddel 7- Dr. H. U. MEIJBOOM,
HET VERZEKERINCrSWESEH.
tweede deuk.
8. Dr. C. A. PEKELHARING,
STSï-j '£} TEGBSé SMETSTOFFEN'
9. D. STIGTER,
Waar de dubbeltjes vandaan Icoinen.
10. G. A. M. GROENEVELDT,
AH.BEÃBSWETGEVIM'O-,
11. a. l. w. seyfpardt,
Onae Nationale Weerkracïiten.
12. Dr. J. E. ENKLAAR,
Het bijgeloof in vroegeren en lateren tijd en de middelen om liet te bestrijden.
13. Dr. W. KOSTER,
DE STAAT 3323quot; BE KOEPOKINENTING.
MaSïLbOTifff.gt;1f lTVerkif6nd6 SQsorteerd Æ l.CO. Voor Loden dcr kennismaking franco gezonden feïn ttzLZfhï toT iTEen guldL!11 gebonden Exemplaren, bevattendon No .1