bâ., n.
WAAR DE DUBBELTJES VANDAAN KOMEN
D. S TIG TER
O
Prijs per 50 exemplaren ter verspreiding f 1.60, Mk
voor departementen eu leden der Maatschappij A 1.25: y)
enkele exemplaren 5 Cts. O Verkrijgbaar bij M. E. de Grauw, Uitgever te Ouderkerk Wj Amsterdam.
6
JMaatseljappij tot I^ut van 't ^lgemeei].
l'rijs por 50 exemplaren tor verspreiding f IMO.
Vonr departomontcn en leden dor Maatsclmppij f ] .2.quot;): enkele (gt;xoinplaron quot;gt; Cis.
reiknjsl)aai' ))ij M. K. uk Cjiavw, W/veiv gt;'1,. Ondoikorlc liij AniRtordam.
WiAR DE DUBBELTJES VANDAAN KOIEN.
â=gt;.â {=----
Een honderd vijf cn dertig millioen vier en zeventig duizend negenhonderd zeven en tachtig gulden vier en veertig en een halve cent! Wat zegt ge van een zoo groote som? Mijn voorstellingsvermogen schiet voor zulk een bedrag te kort. En toch worden in ons klein Nederland jaarlijks zoovele millioenen door den Staat uitgegeven. Als ge nu meenen mocht, dat die millioenen voor het grootste gedeelte aan het openbaar onderwijs worden besteed, dan zoudt ee u deerlijk vergissen; onder die 135 millioen komen toch nog geen T'/i millioen voor het onderwijs, in al zijne vertakkingen, voor. 't Zou ongetwijfeld velen genoegen doen eenigszins nauwkeurig te worden ingelicht waar onze dubbeltjes blijven.
Laat ons dit evenwel tot een volgenden keer uitstellen. Om echter de weetgierigheid reeds aanstonds eenigszins te bevredigen, kan de volgende opgave dienen.
-
4
Ontvverp-Staatsbegrooting voor 1890. Uitgaven.
|
1 loofdstuk I. |
Huis des Konings...... |
Æ |
650.000. â | |
|
â n. |
Hooge collegiën van Staat | |||
|
en kabinet des Konings. . |
640.794. - | |||
|
â in. |
Departem.v. ISuitenl. Zaken |
i 3a.368.61 | ||
|
IV. |
â v. Justitie. . , . |
V |
5. |
.189.538.â |
|
v. |
â v. Binnenl. Zaken |
V |
10, |
.359.070.50 |
|
VI. |
â v. Marine..... |
14, |
.210.237.20 | |
|
â VII. a |
.Nationale Schuld....... |
33 |
.448.352.78 | |
|
,, VII. amp;. Dept. v. Financiën..... |
23, |
,396.593.58 | ||
|
â VIII. |
Dept. v. Oorlog........ |
gt;} |
20 |
673.2C0.â |
|
IX. |
Dept. v. Waterstaat, Han | |||
|
del en Nijverheid...... |
17 |
24 |
.383.190.21 | |
|
x. |
Dept. v. Koloniën...... |
1 |
,338.642 od | |
|
XI. |
Onvoorziene Uitgaven .. . |
50.000.â | ||
Totaal........f 135.074.987.44^
De posten welke het meest in het oog vallen, zijn do 33 millioen voor de Schuld, en die voor Oorlog en Marine welke te zamen ongeveer 35 millioen bedragen!
Waar komen nu al die dubbeltjes, neen, al die millioentjes vandaan? Vóóraf zij opgemerkt, dat de vermelde sommen door de regeering aan de wetgevende macht â waarvan de Tweede Kamer, gelijk bekend is, de meest invloedrijke afdeeling is â zijn aangevraagd om uitgegeven te mogen worden, ingeval de behoefte daaraan blijkt; wellicht zal dus voor eenigo posten minder worden uitgegeven dan is toegestaan ; maar veel mag men daarop niet rekenen ; alleen de 5 millioen, begrepen in hoofdstuk VII 1), toegestaan ten einde het verlies te dekken dat ontstaan zal wanneer â om ons muntstelsel te steunen â verkoop van zilveren standpenningen noodig blijkt, zullen, naar we allen hopen, niet behoeven te worden uitgegeven.
Het antwoord op de gedane vraag ligt overigens in het volgende lijstje opgesloten.
Ontvaküsten.
A. Directe belastingen:
(irondbelasting............................................../ 12.023.250.
I'ersoneele belasting...................................., 11.166.000.
Patentbelasting............................................, 4.400.000.
f 27.589,250.
B. Accijnsen ;
Suiker (27 cent p. kilo!) f 8.350.000.--Wijnen (20 ct. p. liter!) â 1.780.000.â
Gedistel. (60 ct. p. liter!) , 23.750.000.â
Zuut (9 cent per kilo!) â 3.800.000.â
Zeep (10 cent per kilo!) â 1.930.000.
Bier en azijn ( 2 '/a ct.
per liter!)........... , 1.025.000, -
Geslacht (rnnd- en kalfs-vleesch, 10% van de
waarde!)........... â 2.850.000.â
f 43.485.000.
C. Indirecte belastingen:
Zegelrecht..............Æ 2.750.000.â
Registratierecht.......... â G.600.000.
Hypotheekrecht.......... , 960.000.â
Recht van successie en van
overgang bij overlijden. â 7.975.000.â
Opcenten....,.......... â 5.165.500.â
/' 23.450.500.
IJ. Invoerrechten.......................................â 5.110.500.
E. Waarborg en belasting op gouden en
zilveren werken................................, 231.000.
F. Domeinen................................................â 2.750.000.
G. Opbrengst der posterijen........................â 6.650.000.
H. Inkomsten van de rijkstolegrafen. . . . â 1.265.000,
I. Opbrengst d. Staatsloterij......................â 661.500.
J. , â akten v.d, jacht en visscherij â 142.000.
]\. Loodsgelden........................................â 1.350.000.
L. Recht op de mijnen............................â ' 3.550.
Transporteeren. . / 112.688.300.
6
Transport........Æ 112.688.300.â
M. Aandeel van het Eijk in de opbrengst
van do exploitatie v. Staatsspoorwegen.. , 2.900.000.â
N. Verschillende ontvangsten en toevallige baten..............................................â 3.667.600.â
O. Bijdrage van Nederlandsch Indië: Memorie. Q Aandeel van Nederl. Indie wegens
rente en aflossing van schuld....................B 1.854.000.â
E. Bijdrage uit het fonds, voortspruitende uit de koopprijzen der domeinen â 150.000.â
S. Aandeel in de winst van de Nederl.
Bank over 1889/90 en 1890/91.............., 950.000.â
Totaal der geraamde ontvangst f 122.209.900.â
Zooals uit dit kort overzicht blijkt, vloeien de millioentjes voornamelijk uit de opbrengst der belastingen voort. De vier posten A, B, O, en D toch brengen te zamen bijna honderd millioen gulden op.
Dat de belastingen noodzakelijk zijn, behoeft niet betoogd te worden. Ieder weet, dat de Staat, d. i. de drager van 't gezag, in 't algemeen belang onmisbaar is, om orde te handhaven, den eigendom te doen eerbiedigen, den arbeider de vruchten van zijn arbeid (zijn eigendom) te verzekeren, den zaaier den oogst te waarborgen, in één woord om de samenleving der menschen, de maatschappij, te dienen. Is do onmisbaarheid van den Staat erkend, dan is ook de rechtmatigheid van zijne vordering op de noodige dubbeltjes toegegeven.
Op welke wijze behoort de Staat de belastingen op te leggen? Geen geleerd boek hebben we voor het antwoord op deze vraag noodig, want allon, geleerd of ongeleerd, gevoelen dat het antwoord niet anders luiden kan, dan; zoodanig, dat gelijke druk wordt opgelegd aan, gelijk offer wordt gevorderd van allen. Moeilijk, ongeloofelijk moeilijk echter is het, dit schoone beginsel in toepassing te brengen; ja, men mag wel zeggen dat eene volmaakte toepassing tot nog toe te vergeefs is gezocht. Niettemin moot terstond worden erkend, dat de wetenschap ook te dezen opzichte is
7
vooruit gegaan en dat zij hoogsl belangrijke aanwijzingen doet, waardoor we niet zoo heel ver van de volmaaktheid verwijderd behoeven te blijven.
Om gelijken druk op te leggen aan allen, moet de staat de draagkracht zijner burgers kennen. Maar hoe kan hij die draagkracht naar waarheid weten? We kennen het versje:
Och! waren allo mcnschon wijs en wilden daarbij wol,
De aarde ware een paradijs;
nu, is zij vaak een hel.
De menschen zijn nu eenmaal lang niet allen wijs en, wat 't ergste is, de wijzen willen niet allen wèl: de harmonische samenwerking van hoofd en hart, van verstand en gevoel komt, vooral in betrekking tot ons onderwerp, zoo zeldzaam voor. Dit maakt de zaak zoo hoogst moeilijk: en hierbij komt do oneindige verscheidenheid van toestanden waarin, van voorwaarden waaronder do menschen leven. Ware hot maatschappelijk kleed niet vol groote plooien en ontelbare kleine grillige rimpels, dan zou met wiskundige rechte lijnen eene wiskundig juiste en rechtvaardige verdeeling der lasten verkregen kunnen worden; nu evenwel behooren de talrijke rimpels en plooien de richting der ver-deelingslijnen aan te geven.
Laat ik hiervan eenige voorbeelden geven.
1quot;. De Lange en de Korte behalen elk jaar uit hun bedrijf gelijk winstbedrag. Het bedrijf van de Lange zal door zijne weduwe voortgezet kunnen worden, terwijl na den dood van de Korte, diens gezin ook zijn inkomen zal verliezen. Een plicht van de Korte zal dus wezen op die omstandigheid, met al den ernst dien zij verdient, te letten ; door jaarlijks een gedeelte van zijn inkomen af te zonderen voor de levensverzekeringmaatschappij, behoort hij zijn gezin zooveel mogelijk tegen die ramp der broodeloosheid te behoeden. Beiden hebben gelijk inkomen, maar de draagkracht van beiden is zeer verschillend. Werden beiden derhalve uitsluitend naar de grootte van hun inkomen in de belasting aangeslagen, dan zou die aanslag ongetwijfeld ongelijkmatig drukken ; en die fout zou des te grooter zijn, naarmate die belasting tot
hooger bedrag zou geheven worden. Dit voorbeeld nu wijst op een dier grootc plooien van het maatschappelijk kleed, waarvan ik boven sprak. Nu gt;\eten wc allen, dat do veelvuldig geschakeerde toestanden stof geven tot even zoovele wijzigingen van het gekozen voorbeeld. Do Korte's weduwe yal de zaak wel kunnen voortzetten, maar met bijv. Æ 100.â /quot;200. â / 300. â of/400. â minder verdienste, wegens allerlei niet op te sommen omstandigheden. Hierop doelen de ontelbare rimpels van het maatschappeliik kleed, waarvan boven weid gesproken.
.Met deze omstandigheden nu zal de Staat bij zijne inkomstenbelasting geene rekening kunnen houden, evenmin als met die nit do volgende voorbeelden. Hiermede wordt derhalve aangetoond, dat de grootte van het inkomen niet als f.enicje maatstaf' voor de draagkracht mag worden aangenomen, wanneer althans de rechtvaardigheid bij de heffing bedoeld wordt. En toch willen zoovelen alle bestaande belastingen opheffen en die vervangen door eene inkomstenbelasting als eenige belasting.
Er bestaat reden om aan de goede trouw van die lieden te gelooven; maar men kan zich overtuigd houden van hunne dwaling, om de aangevoerde en nog volgende voorbeelden. Niettemin moet erkend worden, dat toch de grootte van do inkomsten wel degelijk in 't algemeen de draagkracht meer of minder nauwkeurig aanwijst. Hieruit vloeit dan voort, dat eeno belasting naar het bedrag van het inkomen niet mag ontbreken, al is aangetoond, dat zij als eeiligfe belasting onbillijk zou zijn, omdat do som van het inkomen â evenals alle andere maatstaven â slechts een gebrekkige maatstaf van de draagkracht is.
2° De Dikke en de Dunne genieten jaarlijks een gelijk inkomen. De jongens van den eerste, door moeder-natuur met vele goede gaven van hoofd en hart gezegend, slagen, door hunne uitstekende wapenrusting, beter in den strijd om het bestaan, dan de goedige sukkels van den Dunne die steeds meer gebukt gaat onder de zorgen voor de toekomst. Even groot inkomen, ongelijke draagkracht.
;gt;e. Do Sterke on de Zwakke beschikken over gelijk
g
jiiiulijksch inkomen. J)c Sterke kunt den dokter niet anders dan door vriendscluipsbezoeken en liueft bovendien veel hulp van zijne wakkere vrouw en gezonde, sterke kinderen. Doch bij den Zwakke is de geneesheer dagelijks op ambtelijk bezoek en dagelijks doet de apotheker dure dranken en pillen bezorgen. Wederom gelijk inkomen, ongelijke draagkracht.
-1°. ]5aas en Ambtenaar verkrijgen jaarlijks even groot inkomen. De werkkring van Baas maakt 't hem mogelijk spoedig voordeel van zijne jongens te trekken of althans gauw van hen af te wezen; terwijl 't voor Ambtenaars positie eene behoefte, volstrekt geene weelde, is om langen tijd veel geld voor de opleiding van zijne jongens te besteden. Gelijk inkomen, ongelijke draagkracht.
5°. Vast en Grillig sluiten hunne winstrekening eenigo jaren met hetzelfde voordeelig verschil af. De zaak van Vast heeft, om haren aard, haren omvang of andere omstandigheden, weinig mededinging te vreezen; terwijl Grillig elk jaar groote concurrentie wacht, wanneer de aanleg van een tram of spoorweg, of het graven van een kanaal aan andere straten der stad druk verkeer zal brengen, met andere woorden, wanneer de goe.le stand zal verplaatst worden. Ook kan Grillig's zaak onderhevig zijn aan groute nadoelen, door vorandering van den smaak van het publiek ot meer dan eene andere, bedreigd worden door nieuwe uitvindingen dor wetenschap. Even groot inkomen, ongelijke draagkracht.
Gquot;. Ambtenaar en Koopman verheugen zich in een good gelijk inkomen. Met Ambtenaar's dood eindigt onverbiddelijk het inkomen voor het gezin, terwijl door de voortzetting van Koopman's zaak, door de hulp van een chef-bediende of door een der zonen, het bestaan van het achtergebleven gezin als verzekerd kan geacht worden. Gelijk inkomen, ongelijke draagkracht.
1quot;. Vroolijkenburg en Zurenstein vloeien gelijke verdiensten toe. Vroolijkenburg's dochters worden door stuurlieden op de levenszee bestormd mot uitnoodigingen, om het anker van de huwelijksboot te lichten, terwi jl Zurenstein met elk jaar in sterker toeneniende mate bedreigd wordt met het vooruitzicht om een half dozijn oude jongedochters tu moeten achterlaten, waar-
10
(lour zijne draagkracht in oven sterk toenemende mate afneemt. Gelijk inkomen, toch zeer ongelijke draagkracht.
8'. Geluk en Arbeid hebben een gelijk, zeer matig inkomen. Geluk heeft de treurige tijding van het overlijden van eenu oude erf-tante in het verschiet; Arbeid echter heeft niets te wachten. Wederom dus gelijk inkomen en ongelijke draagkracht.
In deze voorbeelden, die ieder lezer, door waarneming van het practische leven, met zeer vele en in veelvuldige schakeeringen zal kunnen vermeerderen, ligt het bewijs opgesloten, dat het inkomen niet als ecnige maatstaf mag gebruikt worden voor eene verdeeling der lasten naar do draagkracht. Werd dit werkelijk gedaan, de zwaarste lasten zouden dan juist, zooals uit de voorbeelden bleek, op de zwakste schouders worden gelegd. Bovendien vergete men niet, dat de fouten erger zijn, naarmate de belasting tot hooger bedrag wordt gelieven en dat derhalve de bedoelde inkomsten-belasting als eenige belasting â welke dus tot ± /'100 millioen opgevoerd zou moeten worden â al zeer oneerlijke verdeeling der lasten tengevolge zoude hebben.
Welke wegen behoort do Staat dan. in te slaan om het beoogde schoone doel te bereiken, en met die groote verscheidenheid van draagkracht en de gebrekkige werking die elke belasting in meer of minder gevallen aankleeft, zooveel mogelijk rekening te houden? Hij behoort hiertoe een belasling-stelsel in te voeren, d. w. z. eene samenvoeging van belastingen, die met elkaar in verband staan, op elkaar inwerken, het goede ondersteunen, het kwade verzachten of wegnemen, en die zooveel mogelijk met de groote verscheidenheid van toestanden rekening houden. Om deze redenen zal gelet moeten worden:
1° op de bronnen van het inkomen;
2quot; op de uitgaven, die met de velerlei bijzondere omstandigheden in nauw verband staan en zelfs door geene brutale inkwisiteurs (onderzoekers) zouden aangewezen of althans naar waarheid gewaardeerd zouden kunnen worden;
en 3quot; op de grootte van het inkomen, die, al mag zij niet als eenigen maatstaf gelden, toch zeker medo een maatstaf voor de draagkracht is.
11
Eon stelsel van belastingen behoort derhalve te bestaan uit:
A. Ontvangstbelastingen,
igt;. Uitgavenbelastingen,
0. Eene inkomstenbelasting.
Om de mazen van het net evenwel wat toe te halen, zonden nog verkeersbelastingen geheven moeten worden, daalde inkomsten uit verhuur, maatschap, dading, en dergelijke anders zouden vrijvallen. Hiervoor moeten dienen de zegel-, registratie- en hypotheekrechten.
Do ontvangsten vloeien voort uit;
a. grondbezit,
b. effectenbezit,
c. ondernemingen en bedrijven,
d. arbeid.
Voor zoover nu de ontvangst uit die bronnen draagkracht aanwijst, zal daarop eene belasting behooren gelegd te worden, evenwel met dien verstande, dat rekening gehouden worde niet den aard der ontvangst. De ontvangst nu uit arbeid en ondernemingen voortvloeiende, is veel wisselvalliger dan dio uit effecten- oi grondbezit, en zal daarom minder belast mogen worden, om van beiden gelijk offer te vorderen; terwijl bovendien wellicht nog onderscheid zoude kunnen gemaakt worden tusschen de inkomsten uit do tweede en die uit de eerste bron.
Vinden we de toepassing van dezen gedachtengang in onze belastingen? Slechts gedeeltelijk en dan nog in gebrek-kigen vorm. Terstond toch denken we aan onze grond- en patentbelasting, waarvan de 023brengst boven vermeld is. Doch de andere bedoelde ontvangst-belastingen missen we geheel en al. Ten opzichte van de grondbelasting mag ik niet vergeten te doen opmerken, dat zij, voor zoover ze als vast bedrag wordt geheven â dus zonder de veranderlijke opcenten â⢠niet. meer drukt op de tegenwoordige bezitters, evenmin als bijvoorbeeld de 16 percent belasting op de Oostenrijksche zilveren- en papieren metallieken. Wie toch de bedoelde Oostenrijksche effecten wil koopen, neemt wel degelijk ia aanmerking dat do coupons der 5 percents stukken van II. 1000.-- niet II. 25. , maar slechts fl. 2).
groot zijn. Zoo ook doet men mot tlon aankoop van land. Om de waarde van grondbezit te berekenen, zal de kooper nagaan het bedrag dat de pachter onder de gegeven omstandigheden behoorlijk kan opbrengen. Laat ons dit stellen
op............'.........................f 2400.â
Als nu de grondbelasting bedraagt /' 300.â
en de waterschapslasten gemiddeld beloopen...................... , 100,â
â 400.â
dan zal derhalve de zuivere opbrengst van f 2000.â uitgangspunt wezen voor de berekening van het kapitaal, dat door aankoop van bedoeld landbezit kan belegd worden. Tegen den rentevoet van 3 pCt. zal dit kapitaalbedrag /'66(366.66 zijn. Evenmin nu als de bezitter der bovengenoemde Oostenrijksche effecten druk gevoelt van de H. 4.â die van elke coupon worden afgehouden, evenmin kan de landeigenaar van de / 300. â , die hij in de grondbelasting betalen moet, eenigen belastingdruk gevoelen. W erd hij van de opbrengst vrijgesteld, dan zon hem slechts een cadeau gegeven worden, en wie zou hem dat niet gunnen, als dit niet zou moeten betaald worden uit de beurzen van anderen die in het hooger bedrag dat zij zouden moeten opbrengen, wel degelijk grooteren druk zouden ondervinden.
De wetten van 22 Juli 1873 (Stbl. 116) en van 25 April 1S79 (Stbl. 89) schrijven dan ook do afzonderlijke regeling der grondbelasting als zakelijke heffing voor. Deze regeling is voor de gebouwde eigendommen afgeloopen en die voor de ongebouwde schijnt weldra te zullen volgen.
Voor zoover de patentbelasting wordt geheven op do inkomsten uit ondernemingen en bedrijven, door welke druu(J-kracht wordt aangewezen, is zij mitsdien volstrekt niet te veroordeelen ; integendeel cene zoodanige belasting mag niet in een belastingstelsel naar de draagkracht worden gemist. En toch wordt zij van schier alle kanten ten doode opgeschreven. Dit is evenwel te verklaren door de zeer gebrekkige wijze, waarop zij geheven wordt en de onrechtvaardige uitzonderingen die daarbij toegelaten worden. Door cene
1 O
omwerking tot. eono algemeene liedrijfsbelasting zoude zij eeji onmisbaar deol in een helnislingstelsel uitmaken.
Onze belastingen worden wel eens bij een bedelaarsdeken vergeleken, op grond, dat zij volstrekt geene stelselmatige grondslagen bezitten, lïeeds nu evenwel is uns gebleken, dat die vergelijking niet juist is; immers ontvangstbelastingen, in een belastingstelsel onmisbaar, zijn gedeeltelijk aanwezig : door aanvulling met eene belasting op do inkomsten uit ettecten en uit arbeid, voor zoover die wederom draagkracht aan-wi/jzen, zou een der grondslagen in orde zijn, daar ons straks zal blijken, dat ook de nog overblijvende ontvangstbelasting niet ontbreekt. De lezer zal wat vreemd opzien bij het. booren gewagen van eene belasting op het inkomen uit arbeid omdat hij daarbij allicht in de eerste plaats denkt aan de, arbeiders, in de gebruikelijke beteekenis van het woord. \\ are dan ook do bedoeling om op hun karig inkomen belasting te hellen, dan zou dit niet te rijmen zijn met het voorgaande, om de eenvoudige reden dat hun inkomen uit arbeid geene draagkracht aanwijst. De bedoeling is dan ook, den last te leggen op die inkomsten uit arbeid verkregen, die wél degelijk draagkracht aanwijzen, gelijk b. v. met hot tractement en maandgeld van zoovelen het geval is. Dat deze belasting ontbreekt, is te betreuren: erger echter is het, dat eene belasting op de ontvangsten uit oli'ectenbezit nog steeds niet geheven wordt, nu de ontvangst daaruit in do laatste tientallen van jaren zoo verbazend is vermeerderd.
Voorts zij nog gewezen op eene ontvangst, die in verreweg do meeste gevallen verhooging van draagkracht aanwijst: de erfenissen. Deze meer of minder toevallige baten behooren hooger of lager belast te worden, naarmate het toeval meer of minder toevallig is, m. a. w. naar gelang de graad van bloedverwantschap of zwagerschap tusschen den erflater en den erfgenaam verder verwijderd is. Ook deze belasting ontbreekt ten onzent niet; uit vorenstaande opgaaf toch blijkt, dat de opbrengst van het successierecht voor 1890 op bijna acht millioen gulden wordt geraamd.
Voor erfenissen van ouders of grootouders wordt slechts 1 percent gevorderd. De gelukkige erfgenaam in de rechte
14
linie van een ton (honderd duizend gulden) aan effecten of rentegevende vorderingen moet aan de schatkist betalen :
1 ten honderd plus 38 opcenten Æ 1380.ââ
1I4 â lt; â â â » overgangsrecht â 34r),â
Samen Æ 1725.â
Gedrukt, bezwaard zal die gelukkige vriend zich niet gevoelen, wanneer hij de ruim US duizend gulden goed achter slot en grendel opbergt.
Bij de beoordeeling van deze belasting brenge men vooral in rekening, dat de Staat, door zijn ordenend en regelend gezag, veel tot het kweeken en onderhouden van het kapitaal heeft hijgedragen en mitsdien aanspraak kan maken, op een gedeelte van het maatschappelijk inkomen van de door hem geordende samenleving. Deze beschouwing geldt voor alle belastingen ; zóó opgevat, vraagt dus de Staat niets van de burgers, maar vordert hij het hem toekomende op.
Bewijzen van draagkracht worden, in verband met de ontelbaar uitcenloopende omstandigheden, vooral aangewezen door de uitgaven der burgers, verteringen, zoowel wat haar bedrag als haren aard betreft. In den voet waarop de burgers leven, zullen die talrijke rimpels en plooien van hot maatschappelijk kleed zicli afteekenen. Bij den een zullen zijne bijzondere omstandigheden zich uiten door mindere uitgaven voor woning, meubels of bedienden ; de ander zal zijn verbruik verminderen of althans artikelen van goedkooper soort verbruiken. Wie daarentegen zich onder gunstiger omstandigheden bevindt, zal â uitzonderingen daargelaten â zijne verteringen, zijne uitgaven vergrooten, in één woord, zijn levensstandaard verhoogen. De eenvoudige man zou zeggen: âje kunt wel zien dat 't er-an-zitquot;. Hierdoor nu melden de staatsburgers zeiven zich bij den ontvanger aan; en aangezien de voet van leven de uitkomst is dier eindelooze verscheidenheid van toestanden, waarmede zoo nauwkeurig mogelijk rekening behoort gehouden te worden, zijn de uitgaven-belastingen van zoo groot belang.
15
En uok deze zoekt men niet te vergeefs bij onze rijksbelastingen. Ten eerste verwijs ik hiervoor naar de personeele belasting, opbrengende ruim elf millioen gulden, in deze belasting wordt men aangeslagen naar de uitgaven voor:
a. huishuur,
b. deuren en vensiers.
c. haardsteden,
d. meubels,
e. dienst- en werkboden, en
/quot;. paarden.
Wie oen groot huis, van allo gemakken voorzien, staande op den besten stand, bevattende kostbare meubels, kan bewonen. die bovendien zich door vele mannelijke en vrouwelijke dienstboden kan doen bedienen, en tevens trappelende en hinnekendo paardjes op stal heeft staan, die blijkt gelukkig breede, sterke .schouders te hebben en dien mag, ja, behoort derhalve zware last opgelegd te worden. Die last tui behoort lichter te worden in grooter evenredigheid dan waarin do burgers voor die doeleinden minder besteden. Eerst toch behoort de mensch te zorgen voor zijn levensonderhoud, dan voor den kwaden en ouden dag, daarra voor zijne geestelijke en zedelijke behoeften en ten slotte voor gemakken, pracht, weelde, overdaad. Teder gevoelt dat, om den last op de uil-gaven voor de laatstgenoemde zaken eenigszins evenredig te maken aan dien voor de eerstgenoemde, daarop in verhouding grooter last moet worden gelegd. De personeele belasting bevat, om genoemde redenen, zeer veel goeds; en dwaas is 't dan ook, deze te veroordeelen, gelijk toch dikwijls geschiedt. Deze afkeuring is veelal gegrond op do kennis der gebreken en op 't gemis aan kennis van de uitmuntende hoofdgedachte, waarop deze belasting is gebouwd: dat n. 1. de hier bedoelde uitgaven draagkracht aanwijzen, in verband mot ieders bijzondere omstandigheden, al bestaan ook op dezen regel uitzonderingen. Behalve met zijne financieele kracht, pleegt men ook met andere omstandigheden te rade te gaan, bij het huren eener woning; bijv. stand, afstand van kantoor, fabriek of werkplaats; en verschii in graad van beschaving, bij gelijke welvaart, openbaart zich in meerdere of mindere
16
waardeeiing van eeno go(!ilo, aangoname woning. Maar deze uitzonderingen werpen den regel niet omver.
Onder de gebreken der personeels belasting, /ooal.s zij ten onzent is ingericht, behoort do afzonderlijke aanslag voor de deuren, vensters en schoorsteenen. Alle beoefenaars der gezondheidsleer toch dringen op licht, lucht en bovendien op behoorlijke verwarming en luchtverversching aan. En de Staat Vci'koni'igt terecht ook deze leer door een zijner organen, de inspect nrs van het geneeskundig staatstoezicht. Naarmate we nu de goede lessen van deze staatsambtenaren nakomen en hnnre voorschriften voor eene gezonde woning toepassen, kf ,nt een andere staatsambtenaar meer dubbeltjes bij ons vorderen I Dat is ook : doe wel naar mijne woorden, maar geef gean acht op mijne werken. Voorts is het een gebrek, dat voor eene uitgaaf van bijv./'1000 huur, slechts viermaal meer wordt gevorderd, dan van de uitgaaf van / 250, voor hetzelfde doel. Ter verdere verduidelijking doe ik opmerken, dat do huishuur bij do minder gegoeden naar evenredigheid grooter gedeelte van het inkomen vordert dan die bij do zeer gegoeden en rijken.
Volgens de uitkomst toch van eene zeer ingewikkelde berekening, door het Statistisch Instituut gedaan, verwoont men te Amsterdam ;
|
zoo men een inkomen gemiddeld van zijn | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Een ander gebrek bestaat in 't gemis van rangen, waarnaar de verschillende gemeenten behoorden verdeeld te zijn, daar toch door eene uitgaaf voor huur van f -300, in Amsterdam, heel wat minder draagkracht wordt aangewezen dan door een gelijk bedrag, voor gelijk doel, in eene kkine
|ila:ilH uitgegeven. Eeno verbetering zou 't voorts zijn, indien meer rekming werd gehouden met liet aantal kinderen van liet gezin bij de midden klassen en lagere kringen. Het betrekken eener grootere woning wijst om die reden volstrekt niet grootere draagkracht aan.
Ook zou de belasting op weelde-paarden dringend wijziging behoeven, in het belang der boeren. De landbouwer toch, die voor de aanspanning van een rijtuig op veeren één paard aangeeft in de 3''° klasse 1 '' soort, moet altijd hctzaljdii paard daarvoor gebruiken, terwijl het dikwijls zeer uoodig is met een der andere werkpaarden te rijden. En 't gaat toch niet, elk oogenblik van de verwisseling aan den, dikwijls veraf wonenden, ontvanger of burgemeester kennis te geven. De knecht die dit paard, in de 4,lc klasse (voor staldienst) voor de belasting aangegeven, verzorgt en inspant, mag het niet mennen, wat toch zoo dikwijls noodig is, bijv. als de boer zelf te oud of te zwak is om de teugels te houden, als hij ziek is, als do dokter moet gehaald worden, voor het terugbrengen van het rijtuig van het spoorweg-station, vanwaar de landbouwer verder reist, of als hot paard aan eene landbouwster-weduwe behoort. Wil do boer of boerin dien knecht ook laten sturen, dan moet hiervoor evenveel belasting opgebracht worden als voor een liverei-knecht of voor een koetsier van eene equipage!
Een allerbelangrijkste verbetering vooral zou 't zijn, indien de vrijstelling dezer belasting zeer werd uitgebreid. Deze nieening zal de lezer voorzeker deelen, als hij verneemt, dat de bewoner van een huis, waarvan de jaarlijksche huurwaarde op / 18.â⢠door de schatters is gesteld en dat behoort tot eene gemeente welker kom eene bevolking heeft van beneden oOOO zielen, reeds in deze uitgaven-belasting wordt aangeslagen. Voor hem is die belasting onrechtvaardig om de even eenvoudige als afdoende reden dat dergelijke uitgaven volstrekt geen draagkracht aanwijzen, eer het tegendeel!
\\re zien dus, er zijn vele gebreken; deze, maar niet de geheele personeele belasting, behooren weggenomen te worden.
18
Eon anderen maatstaf voor de draagkracht levert â niemand zal dit tegenspreken â het verbruik van algemeene genots- en weelde-artikelcn. Accijns-belastingen, daarop geheven, zijn om die reden gerechtvaardigd; evenals niet te rechtvaardigen zijn de accijnsen op de eerste levensbehoeften. Accijnsen behooren daarom tot de verteringsbelastingen, die voor een belastingstelsel naar de draagkracht onmisbaar zijn. En als vernieuwd bewijs dat onze belastingen de grondslagen voor een stelsel (zie boven) bevatten, verwijs ik naar de accijnsen, hiervoren genoemd, waarvan de opbrengst voor 1890 op bijna 43';;; mil-lioen gulden is geschat. Wie wijn drinkt, zegt van zich zelf âdat het er-an-zitquot;; zeer goed is het dan, dat de Staat daarop belasting heft, omdat in het verbruik daarvan draagkracht ligt opgesloten en die belasting voorzeker ook op een goed tijdstip wordt opgevraagd; wenschelijk ware 't tevens dat de fijnere soorten in sterk klimmende mate hooger werden belast. Kon men ook het verbruik van jenever, beter gezegd, van gedisteleerd in 't algemeen, als bewijs van draagkracht aanwijzen, dan zou die in vele kringen niet zóóveel te wenschen overlaten, daar we toch uit vorenstaande opgave gezien hebben dat 24 millioen gulden ah accijns op jenever in de schatkist vloeit! !
De accijnsen op zout en zeep brengen circa 6 millioen gulden op, in strijd met de majesteit der rechtvaardigheid. Verbruik van zout en zeep toch wijst volstrekt geen draagkracht aan, en om die reden zijn de accijnsen, daarop geheven, kort en afdoende veroordeeld ! Mocht het vonnis toch weldra voltrokken worden! De aanhangers van alle staatkundige partijen kunnen hierbij samenwerken, wanneer ze althans de rechtvaardigheid willen betrachten. Dit is trouwens bij zoovele onderwerpen het geval. Als men 't maar wist en____wilde.
Om nog andere redenen zijn beide accijnsen veroordeeld. Die op zeep, omdat hij eene belasting op de zindelijkheid is die in menig gezin juist nog-al-wat te wenschen overlaat; hoe ongerijmd nu, dat de flinke, maar arme huisvrouw, door de tien cents die ze voor elke twee pond zeep offeren moet, tegengehouden wordt te doen, wat wc zoo gaarne van haar zien, n.1, dat zij de zindelijkheid in eere houdt.
19
Vuur tie afschaffing van den ziiut aceijus guhlt bovendien do weuschelijklieid, om den smokkelhandel te beperken. Op zoo groote schaal gedreven, benadeelt deze vele eerlijke winkeliers en eerlijke zoutziedors; hij kost den Staat schatten voor do salarissen van kommiezcn en voor de belooning voor de aanhouding van een smokkelaar; hij werkt verderfelijk op do zedelijkheid der bevolking aan do grenzen. Voorts zij opgemerkt, dat het landbouwbedrijf, al is 't niet veel betee-kenend, belemmerd wordt door den accijns op zout voor de boter- en kaasbereiding. Bovendien mag do groote schade, uit den zoutaccijns voortvloeiende voor de vischrookerijen en vischzouterijen, niet vergeten worden.
't Ware te wenschen, dat ook de accijns op do suiker, van 27 cent per kilogram, kon afgeschaft worden, omdat suiker toch een zeer moeilijk te ontberen artikel is in het huisgezin, ook van den kiemen man. We behoeven slechts aan't gebruik er van voor de kleine kinderen en voor do bereiding van voedingsmiddelen te denken, hierbij in aanmerking nemende dat suiker op zich zelf niets dan voedende bestand-deelen bevat. Het verbruik van suiker zou hierdoor zeer toenemen â wat het veel grooter verbruik in Engeland, waar geen accijns op suiker geheven wordt, bewijst; â hetgeen de volksvoeding verbeteren en tevens aan de suikerindustrie en den handel zeer ten goede zoude komen. Al zijn genoemde accijnsen op eerste levensmiddelen in een belastingstelsel naar de draagkracht misplaatst, omdat het verbruik daarvan geene draagkracht aanwijst, daarom zijn accijnsen in 't algemeen niet aftekeuren; integendeel, als belastingen, gelegd op uitgaven die draagkracht aangeven, zijn ze goede uitgavenbelastingen. Als voorbeeld hiervan wees ik op den wijn-accijns. In Frankrijk worden accijnsen geheven o. m. op tabak, speelkaarten, buskruit, oliën, dynamiet, karton, kaarsen, bougies en lucifers.
Uit vorenstaande opgaven is ons gebleken, dat nog ruim vijf millioen gulden door de grensrechten-belastingen, die bij den invoer van verschillende waren, onder den naam van invoerrechten, moeten betaald worden, worden opgebracht. N ele invoerrechten zijn aan de accijnsen onafscheidelijk verbonden. Artikelen toch, die, binnenslands vervaardigd, aan accijns onderworpen
20
zijl], kan tlo Staat, niet zonder iiivoenecht, minstens gelijkshuiu-(lc aan liet bedrag der «accijnsen, toelaten. Als voorbeeld hiervan zij gewezen op de 10 pCt. accijns welke ten onzent van rund- en kalfsvleescli wordt geheven; zoolang dit geschiedt, behoort liet ingevoerde vleescli eene belasting van minstens gelijk bedrag te worden opgelegd. Zoo schrijft dan ook de tariefwet voor, dat een invoerrecht geheven moot worden van ;
f C per 100 pond versch of gezouten vleescli, â 8 â â â gerookt of gedroogd vleesch, en â 25 â â â vleesch in luchtledige trommels of bussen.
De invoerrechten kunnen ook uitnemenden dienst doen als verteringsbelastingen en verdienen als zoodanig boven accijnsen de voorkeur, omdat ze met veel minder tusschenkomst en bemoeiingen, als inspectie van en ccntróle op de werkplaats, geheven kunnen worden. Daartoe moeten ze gelegd worden oj) weelde-artikelen en genotmiddelen en bovendien met dien verstande, dat van de betere soorten meer dan van de mindere betaald wordt. Deze heffing naar de 'waarde dei-zaken wordt echter bij on- gebrekkig toegepast; hierdoor bestaat eene onrechtvaardigheid, waarvoor een geleerd bewijs wederom niet noodigis; ieder gevoelt, met hot oog op de draagkracht der verbruikers, het onbillijke dat bijv. 100 pond tabak of sigaren van mindere lit edanigheid aan evenveel invoerrecht onderworpen is, als 10.,' pond van de beste soort. Ook deze leemte weg te nemen, zal ieder wenschen die slechts de rechtvaardigheid zoekt, hetzij hij meent anti-revolutionair, liberaal of socialist te wezen.
Een andere vloeiende bron wordt gevormd door de zoogenaamd indirecte belastingen, waarvan we de successiebelasting, de meest opbrengende daarvan, reeds bij de ontvangst-belastingen hebben besproken. Van de overige in groep C (zie bi. 5) genoemde heffingen, waarvan de juiste benaming is: verkeersbelastingen, omdat zij gelegd zijn op do inkomsten, voortvloeiende uit verkeershandelingen als: verpachting, verhuring, sluiting van contracten van vennootschap, maatschap en dergelijke, brengt liet registratierecht
het meeste op. I)e registratie is eene instelling van den fransohen tijd, ingevoerd, om voor de dubbeltjes den belanghebbende de dagteekening van het geschrift te verzekeren, en â wanneer het eene onderhandsche akte geldt - door overschrijving in de registers van den Staat te voorkomen dat do belanghebbende, bij verlies van het oorspronkelijk stuk, geheel van bewijsmiddel verstoken zon zijn. Dat voor deze inschrijving de Staat vergoeding der kosten vordert, met andere woorden, eene retributie heft, is billijk: zoo ook dat daaraan eene geringe hefting verbonden wordt, met het oog op het karakter dezer ver-keers-belasting. Toetst men echter hieraan het registratierecht onderscheiden in vast en evenredig recht, dan laat dit nog al wat te wenschen over. Een der grootste onbillijkheden zijn de mutatie-rechten: de belasting op den overgang van vast goed die, met het registratierecht er bij, 6,27 ten honderd bedraagt; meer dus nog dan de twintigste penning dien onze tiere vooronders zich niet door Alva wilden laten opleggen.
Hierbij mogen niet vergeten worden de hooge kosten die de notarissen - de goeden niet te na gesproken - in strijd met het notarieel tarief en met eene billijke berekening van bijzaken, in sommige streken van ons land den eenvoudige in rekening brengen ; zoodat nog heel wat meer dan de tiende penning zelfs wordt opgelegd. Deze zware belasting, drukkend voor den landbouw in 't algemeen, omdat zij eene belemmering is dat de grond in handen komt van hem die dezen het meest voortbrengend kan aanwenden, is vooral daarom zoo bezwarend, omdat zij in vele gevallen geheven wordt van den bezitter, die door ongunstige omstandigheden tot verkoop gedwongen is! Want dat de verkooper de belasting en de kosten voldoet, al worden ze feitelijk door den kooper betaald, is buiten kijf, omdat immers degenen, door wier onderlinge mededinging de koopprijs bepaald wordt, op deze voor allen geldende voorwaarden hebben gerekend. Ook mag men niet uit het oog verliezen, dat de kleinere bezittingen meermalen dan do groote worden verkocht, tengevolge waarvan de zwakkeren meer dan de sterken worden gedrukt. In een belastingstelsel naar de draagkracht mag deze heffing niet bestendigd worden, om de eenvoudige reden dat zij daarmede volstrekt geene rekening houdt.
Kan ze beschouwd worden als eeno Vennomde grondbelasting, dan zou omzetting der vaste inutatiereclitcn, dus zonder het veranderlijk opcentenbedrag, in grondbelasting zeer gewenscht zijn ; en hiervoor zal weldra een geschikt tijdstip aanbreken, als de herziening der belastbare opbrengst van den grond voltooid zal wezen.
De zegelbelasting is ons allen meer of minder van nabij bekend. Zonder gebreken is ze niet; ik denk hierbij aan de hooge zegelrechten, - - beter ware 't te spreken van hooge zegel plichten, â welke het voeren van een rechtsgeding somtijds vordert. Maar met het oog op het belang der schatkist en den geringen druk welke deze kleine bedragen opleggen, is ze niet te verwerpen.
Het hypotheekrecht, d. i. de belasting die betaald moet worden door baas Tekon bijv., die /'2000. -- geleend heeft en daarvoor zijn vast goed heeft verpand, moet zeer laag zijn. Die heffing mag geen belasting zijn, zegt ons rechtsgevoel wederom, want de leening is geen bewijs van vermeerderde draagkracht, in de meeste gevallen zelfs van het tegenovergestelde. Ku, onze wetsbepalingen laten te dezen opzichte niet veel te wenschen over. Volgens de wet van 11 .lull 1882 (Stb. Kquot; 92) wordt van elke hypotheek-akte d. i. het bewijs van do overeenkomst tusschen geldleener (hypotheeknemer) en geldgever (hypotheekgever) een vast recht (heffing) van / 1.20 gevorderd, terwijl het inschrijvingsgeld zonder opcenten (verhoogingen), 75 cent per /quot;1000. â bedraagt. De rechten op eene hypothecaire geldleening van b. v. Æ 10000. â bedragen dus in 't geheel slechts /'8.70. âDoch wat baat ditquot; â roept Notaris D. Burgij uit in het Nieuws v. d. Dag, dato 1 October S116 blad, 1887 â âwanneer door sommige makelaars en notarissen, zooals onder de tegenwoordige wet wel geschiedt, voor eene zoodanige operatie f 200. â :i / 250. â of daaromtrent wordt berekend!quot;
Als we nu nog eens in 't algemeen overzien, waar do dubbeltjes vandaan komen, dan denken we aan de bekende woorden :
Do spinne spint baar not
om vliegen mee te vangen,
De groeten vliegen er door,
do kleinen blijven hangen.
De verteringsbelastingen die ten onzent een zoo overwegenil doel der rijksbelastingen uitmaken, laten echter de grootere en vooral de zeer groote inkomens, welke slechts gedeeltelijk verteerd worden, voor een voornaam deel geheel vrij, terwijl deze toch vatbaar zijn voor zwaren druk. Er ontbreekt, zoo zegt wederom ons rechtsgevoel, eene belasting, gegrond oj) de grootte van het inkomen: eene inkomstenbelasting. Deze slotsom is niet in strijd met ons uitgangspunt, al schijnt dit, oppervlakkig geoordeeld, wèl zoo ! Terecht wordt door velen beweerd, dat eene inkomstenbelasting als eenig bestaande belasting onrechtvaardig zou wezen, omdat de grootte van het inkomen volstrekt niet als eenig e maatstaf van de draagkracht mag aangemerkt worden. Maar niettemin is zij wel een maatstaf; en daarom mag eene inkomstenbelasting niet ontbreken als sluitsteen van het stelsel. Niet, omdat geleerde boeken het zeggen of sommige geleerde kamerleden het ontkennen, maar omdat ons verstand ons zegt, dat de verteringsbelastingen voor de grootere inkomsten niet voldoende zijn. Liberaal of anti-revolutionair komt ook hierbij niet te pas.
Hoe behoort zulk eene belasting geheven te worden ? Evenredig klimmend met de grootte van het inkomen of in sterker mate ? Het antwoord kan hierop gemakkelijk gegeven worden en mag m. i. niet anders luiden dan : progressief, d. w. â /.. dat de aanslag in de inkomstenbelasting niet gelijkmatig hooger wordt met de vergrooting van liet inkomen, maar in sterker mate toeneemt.
Inkomen Inkomen Belasting Belasting
/â 1000.â : /'10.000.- = Æ 20. - : /200.- zegt do evenredigheid op het schoolbord bij de les in rekenen; in de werkelijkheid echter niet. De betaling der f 20.â zul hot huisgezin met een inkomen van / 1000.â 'sjaars, dat nog andere belastingen heeft te voldoen, heel wat zwaarder vallen dan de voldoening der f 200. â aan een huisgezin dat een inkomen lieeft van f 10.000. Het eerstbedoelde gezin zal zich moeten âbekrimpenquot; op woning, kleeding, voeding of opvoeding der kinderen; het andere zal de reis naar de Zwitserscho bergen daarom niet nalaten. Het is een onloochenbaar feit, dat, naarmate het inkomen grooter wordt, do
24
draagkracht meer dan evenredig vermeerdert, de som dei-belastingheffing dus meer dan evenredig grooter behoort te zijn om gelijkmatigen druk meer nabij te komen.
Door zeer velen, die vroeger tegenstanders waren, wordt de rechtvaardigheid der progressie in onze dagen erkeryt. . ,. maar de toepassing bestreden, omdat niemand wiskunstig kan aantoonen, in weUce mate de aanslag in de belasting sterker klimmen moet, dan de grootte van liet inkomen toeneemt. Dit schijnt oppervlakkig een afdoend bezwaar, dat, bij nadere beschouwing, evenwel vervalt. Prof. Gort v. d. Linden te Groningen wijst hiervoor in zijn Leerboek der Financiën op den inhoud van het Wetboek van Strafrecht. We gevoelen allen, dat, naarmate de zwaarte van de overtreding of het misdrijf grooter is, ook de straf zwaarder behoort te wezen. Tn verband hiermede, is dan ook de schaal der straffen geregeld, zonder dat iemand met wiskundige zekerheid de cijfers daarvoor heeft kunnen berekenen.
âDezelfde waardeering vindt men terug bij ieder strafvonnis, waar de persoonlijkheid van den dader, zijne mindere of meerdere schuld moet worden beoordeeld en eene bepaalde hoeveelheid straf moet worden opgelegd!quot;
Iedere redelijke progressie is, â ieder onbevooroordeelde zal dit moeten erkennen â dan ook meer nabij do rechtvaardigheid dan de evenredige aansdag.
Bij deze inkomstenbelasting zal de Staat ook op de bron van hot inkomen behooren te letten, gelijk boven reeds is opgemerkt. He inkomsten uit arbeid en bedrijf zouden bijv. slechts voor quot;/-lt;⢠gedeelte kunnen aangeslagen worden, daar deze veelal ophouden met het overlijden van het hoofd van het gezin, dat daarom voor den kwaden dag iets moet afzonderen.
Voorts zal in aanmerking genomen moeten worden, dat Jan Branie op het platteland met /quot;20. â 's weeks een heel ander heer is dan Arie Ketgenoeg in eene groote stad. Rangregeling der gemeenten, zoo als nu reeds bij de patentbelasting en gedeeltelijk ook bij de personeele belasting plaats vindt, zal dus ook hierbij wenschelijk wezen.
En ten slotte zal de Staat in aanmerking kunnen nemen, dat door het gezin met veel kinderen reeds meer in de ver-
teeringsbelastingon is bijgedragen, dan door hot ouderenpaav dat nog steeds den ooievaar te vergeefs wacht on dat mitsdien, bij gelijk inkomen, grootere draagkracht heeft.
Men vergete niet, dat bij de inkomstenbelasting de persoon, als vertegenwoordiger dor draagkracht van het inkomen, op den voorgrond treedt ; terwijl bij de ontvangstbelastingen, hiervoor besproken, de ontvangst zelve grondslag der belasting is.
De opbrengst dor inkomstenbelasting behoort besteed te worden om ontvangsten en uitgaven in evenwicht te honden. Hare opbrengst moet mitsdien door de behoefte worden geregeld. Daarom moet hare opbrengst jaarlijks vastgesteld werden. Hierdoor wordt de belangstelling der geregeerden voor de regeerders opgewekt en gaande gehouden, wordt do controle op de uitvoerende en de wetgevende macht versterkt.
En men meene niet, dat deze waarheid alleen van onzen tijd is. Ook te dezen opzichte is er geen nieuws onder de zon. Reads in het oude Athene heeft Solon eene progressieve, beter gezegd degressieve belasting ingesteld. De hoogste klasse moest van het geheele kapitaal, de tweede van quot;In. de derde van 5/9 gedeelten van het kapitaal betalen. Deze wijze van heffing, in den Peloponnesischen oorlog voor de eerste maal gevolgd, werd in latere tijden dikwijls toegepast.
De belastingen, die de dubbeltjes voor het rijk beschikbaar stellen, hebben we meer of minder nauwkeurig nagegaan. Het is ons gebleken, dat de grondslagen voor een belastingstelsel bij onze rijksbelastingen niet ontbreken maar tevens dat vele gebreken weggenomen, vele leemten aangevuld moeten worden. De volgende punten trokken vooral onze aandacht. In do allereerste plaats de onrecht vaardigheid, dat de ontvangst uit nijverheid en bedrijf wèl en bovendien zeer gebrekkig belast is (de patentbelasting), terwijl aan die uit effectenbezit en ambten en bedieningen, geen belasting is opgelegd; in de tweede plaats, dat zeer onrechtvaardig werkende nccijnsen op eerste levensbehoeften worden geheven; ten derde, dat eene progressieve inkomstenbelasting ontbreekt; ten vierde, dat de belas-
26
ting, gelieven bij verkoop van vast goed (de iiiiitatieiechten), behoort afgeschaft of althans verminderd te worden: ten vijfde, dat de personeele belasting dringend wijziging behoeft, gelijk boven is aangegeven.
Er is dus veel werk aan den winkel, dat in het algen een belang afdoening vordert.
Men bedenke hierbij, dat, behalve die voor het rijk, nog provinciale en gemeente-belastingen worden geheven, waarvan de laatste dringend verbetering behoeven. Hot groote verschil tusschen groote steden en plattelands-gemeenten levert toch steeds meer bijdragen ten bewijze, dat de verschillende behoeften ook verschillende regeling der belastingen vorderen; mitsdien is herziening der bestaande wettelijke bepalingen â die voor groote en kleine gemeenten gelijk zijn â zeer wenschelijk. Voor de sterke vermeerdering der geldelijke behoeften van de grootere gemeenten zou het
0. m. ernstige overweging verdienen, haar meerdere vrijheid ten opzichte der uitgavenbelastingen en de heffing van verkeersbelastingen, b. v. op tramkaarten, concerten, tooneel-voorstellingen, sociëteiten, toe te staan.
Vooral zou in aanmerking moeten genomen worden, dat het voorschrift van het eerste gedeelte van artikel 245 der gemeentewet: uitsluitend zij, dia in de gemeente hun hoofdverblijf houden, en zij die er verblijven, mogen in de hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen aangeslagen worden â voor onzen tijd niet past. Het ingezetenschap als eenig kenmerk van belastbaarheid aan te nemen, paste in den vroegeren vorm der samenleving, maar in onzen tijd niet, nu zoovelen eene andere gemeente tot woonplaats kiezen dan waarin hunne landerijen en gebouwde eigendommen gelegen zijn of waarin zij een bedrijf uitoefenen. Deze personen onttrekken zich aan de belastingen, uit wier opbrengst de politie, de aanleg en het onderhoud van werken, wegen en vaarten door de gemeente moeten bekostigd worden.
1. ó. w. de door de gemeentewet beheerschte kleine maatschappij moet worden geordend en geregeld. Bleef deze werkkring onvervuld, de vaste goederen zouden hunne waarde voor oen groot gedeelte verliezen, de ondernemingen onberekenbare schade
lijden, ja, waarscliijnlijk voortaiin niet langer winsten kunnen afwerpen. Voor die ingezetenen behoort liet grondwettelijk voorschrift: geene bevoorrechting mag op het stuk der belastingen toegestaan worden â niet langer eene doode letter te zijn.
Er is dus, zooals ik zeide, veel, zeer veel te doen.
En van wie hangt het af, of de hand aan het werk zal worden geslagen? Van de Tweede Kamer der Staten Generaal. En door wie worden do leden daarvan aangewezen? We weten het, door de kiezers, zoodat ten slotte zij de schuldigen zijn, wanneer wat onrecht is, wordt gehandhaafd. Is 't te verwonderen, dat velen, die door de bestaande coor/oo^M/e bepalingen van het kiesrecht uitgesloten zijn, verlangend naar de eind-regeling uitzien, in de hoop, dat ook zij tot het kiezerskorps zullen worden toegelaten, om mede te werken tot verbanning van alles wat des duivels en tot eerbiediging van alles wat uit de waarheid is? Zoekt slechts de rechtvaardigheid en al het andere zal U toegeworpen worden, â deze bekende woorden gelden, met eeno kleine wijziging, ook op dit gebied.
Evenmin is het te verwonderen, dat allengs de behoefte om de kiezers in te lichten erkend wordt, opdat zij van hun kiesrecht een goed gebruik zullen maken, in het belang van de maatschappij, van de samenleving der maats waarvan ieder onzer er een is en op wien derhalve de plichten van een maat rusten.
Moge dit geschriftje hiertoe wat bijdragen in onderscheidene kringen. En ik durf de onderstelling uitspreken, dat het tot veel leering aanleiding za] geven, ondanks de gebreken die het zullen aankleven, indien o. a. in Nutsdepartementen, onderwijzerskringen, werkliedenvereenigingen, enz., onverschillig-tot welke staatkundige partij de leden dezer kringen behooren, naar aanleiding van dit geschriftje besprekingen van dit onderwerp, onder bekwame, eerlijke leiding, worden gehouden.
Ik schreef niet als de woordvoerder eener partij, maar als de nederige dienaar der wetenschap, die, opsporend het verband tusschen oorzaak en gevolg, als een onschendbare koning staat hoven de partijen, â die, zoekend de volle waarheid en rechtvaardigheid, voor allen gelijk is.
28
Niet alzoo is het met de toepassing der wetenschap. Al , kent men den weg, die ten goede leidt, dan bewandelt men ' hem nog niet altijd.
Daarom is ontwikkeling van het verstand, vermeerdering onzer kennis alleen, niet voldoende. Neen, duizendmaal neon.
)
Ook liet gemoed moet ontvankelijk zijn voor het schoone, goede en rechtvaardige. Hoofd en hart moeten samenwerken !
D. STIGTER.
Bij den Uitgever M. E. DE GR AU VV te Ouderkerk hij Amsterdam,
zijn verkrijgbaar de volgende Volksgeschriften der Maatschappij âT O T N U T V A N 'T A L G E M E E Nquot;.
1. A. WERUMÃUS BUN1NG,
EEN KIJKJE IN JAVA.
â 1. Dr. B. STEPHAN,
Kindervoeding, Kinderverzorging en Kindersterfte in het eerste Levensjaar.
8. Br. B. VAN BER MEBLEN,
HET WATEK. uit het oogpunt van gezondheid
TWEED 10 DRUE.
4. Br. P. F. VAN HAMEL «.OOS,
Een en ander over sommige Voedingsmiddelen en hunne Vervalschingen.
ü. Mr. J. B. VEEGENS,
DE FE,ANSCHE OMWENTELING.
6. J. PRANZEN,
Handenarbeid als Opvoedingsmiddel
7. Br. H. U. MEIJBOOM,
HET VERZEKERINGSWEZEN
8. Br. C. A. PEKELHARING,
DE STRIJD TEGEN SMETSTOFFEN
0. B. STIGTER,
Waar de dubbeltjes vandaan komen
Prijs bij 50 stuks desvevkiezende gesorteerd Æ 1.60. Voor Loden der Maatschappii /'125; ook worden gaarne de i» verschillende boekjes ter kennismaking franco gezonden, tegen toezending van 60 Cents in postzegels.
âquot;â
/
â
-
s*
i'V
«ie»a!:v; c..- â¢- - ^
Mbaiwc-9 i26 - '*2/ AN Gronmie,! - â Wefoon Of-O -*â *;*lt;'
_