£ /: lt; /
//
NAGEDACHTENIS
VAN
AR.T I NG.
PIETER HARTING.
Den 3den Dec. stierf te Amersfoort in hoogen ouderdom een Nederlander, zooals er weinigen gevonden worden, een man van buitengewone verdiensten, wien op deze plaats een woord van dankbare nagedachtenis niet mag ontbreken.
Pieter Harting werd den 27stenFebr. 1812 te Rotterdam geboren. In 1828 werd hij op zestienjarigen leeftijd ingeschreven als student in de medicijnen te Utrecht, waar hij o. a. de colleges volgde van de Fremery, Schroder en Schroeder van der Kolk. Gedurende zijn studietijd, dien hij zeer onderhoudend beschreef in de brochure âVoorheen en Thans'' (1878) nam hij deel aan den bekenden uittocht van 254 Utrechtsche studenten naar de Belgische grenzen. Vijf jaren later, den 28sten Nov. 1835 promoveerde hij en vestigde zich daarop als geneesheer te Oudewater, waar hij ijverig zijn wetenschappelijke onderzoekingen voortzette^ vooral met het toenmaals nog weinig gebruikte microscoop, zijn geliefkoosd instrument.
Reeds in 1841 werd Harting benoemd tot hoogleeraar in de plant â en scheikunde te Franeker en toen deze universiteit in 1843 werd opgeheven, werd hij als buitengewoon hoogleeraar verplaatst naar Utrecht. In den beginne doceerde hij hier microscopische anatomie en plantenphysiologie. Uit zijn eigen woorden. âIk werd toegevoegd aan de wis- en natuurkundige faculteit der Utrechtsche hoogenschool; maar die faculteit was voltallig en ik ondervond het voorwaar zeer
onaangename gevoel van volkomen overbodig te zijn. Ik besloot echter dadelijk te trachten mij op eenigerhande wijze nuttig te makenquot; blijkt reeds de ijver, die zijn geheele volgend leven bleef kenmerken.
In 1857 volgde hij Prof. van Lidth de Jeu de op als gewoon hoogieeraar in de dierkunde. «De palaeontologie bracht mij meer en meer tol de zoölogie, de microscopische anatomie tot de zoötomie en de vergelijkende ontleedkunde.quot; Vijf en twintig jaren was hij in die betrekking werkzaam. Den jgden October 1881 vierde Har ting zijn 40 jarig jubilee als hoogleeraar, waarbij Prof. Opzoomer de welsprekende tolk was van hen, die den jubilaris op dien schoonen dag hun hulde betuigen wilden, en hem een album met de portretten zijner vereerders overhandigde, waarin geleerden als Halckel, Darwin en van Beneden
een plaats innamen.
Een jaar later verkreeg hij zijn eervol emeritaat en vestigde hij zich te Amersfoort, waar hij, nog steeds werkzaam, de laatste jaren van zijn rijk en vruchtbaar leven doorhiacht, totdat de dood hem aan zijn vaderland ontrukte.
Als hoogleeraar stelde H a r t i n g zich niet tevreden met colleges geven. Ook op andere wijze, zooveel het hem maar mogelijk was, zocht hij de beoefening dier wetenschappen, waaraan hij zijn leven wijdde, te bevorderen. Hij was het, die het eerst pogingen aanwendde om het Zoölogisch station der Ned. Dierk. Vereeniging in het leven te roepen. Hij was het, die in 1853 onder de Utrechtsche studenten de oprichting van het gezelschap âNatura dux nobis et auspexquot; tot stand bracht. Daardoor zocht hij bij zijne leerlingen, met wie hij niet slechts als professor, maar steeds ook als hartelijk vriend omging zelfstandige studie en aangenamen wetenschappelijken omgang aan te kweeken. Jaren lang nam hij het praesidiaat waar en
353
stelde hij zijn tijd en krachten voor liet gezelschap beschikbaar. Door hem is hel geworden, wat het is.
In tal van geschriften legde Hartiag's vruchtbare pen de resultaten zijner studiën en onderzoekingen neder. Gedurende zijn buitengewoon-hoogleeraarschap schreef hij het eerste uitvoerige werk over âhet Mieroscoemquot; een boek, dat in 1859 door Dr. Th ei le in liet Duitsch overgezet, in 1800 een tweede druk in die taal beleefde en steeds als een baanbrekend standaardwerk heeft bekend gestaan.
Daarop werkte hij vele jaren aan zijn âLeerboek van de grondbeginselen der Dierkunde in haren geheelen omvang'quot;.
Behalve deze beide uitgebreide hoofdwerken, werden tal van verhandelingen van zijn hand door de Koninklijke Academie van Wetenschappen uitgegeven zooals o. a. âMorphologic synthetique, ') waarmede hij in 1874 den Prix Monthyon van de Académie des Sciences verwierf.
Grooter verdienste nog heeft H a r t i n g door de meesterlijke wijze, waarop hij de natuurwetenschappen wist te populariseeren. Steeds heeft hij ten sterkste het nut van natuurkennis ook bij hen, die zich niet speciaal daarmede bezighouden, betoogd en daarom op de beoefening er van ook op de scholen aangedrongen. Zelf heeft hij daartoe zoeken mede te werken zoowel door het âAlbum der Natuurquot; als door vele afzonderlijk verschenen werkjes. Eerstgenoemd tijdschrift richtte hij in 1852 op met Lu bach en Logeman en tot een paar maanden voor zijn dood maakte hij met deze beiden de redactie uit. Dat het Album gedurende de 33 jaren van zijn bestaan een welverdienden goeden naam in ons vaderland verworven en gehandhaafd heeft, is zeker in de eerste plaats aan H a r t i n g s
1gt; Onder do vreemde talen bediende Hartinij zich bij voorkeur van hel Fransch.
354
verbazende werkzaamheid te wijten. Moge het zijn dank daarvoor toonen door in H a r t i n g 's geest en naar diens voorbeeld voort te arbeiden.
In zijn âMacht van het kleine,quot; , Voorwereldlijke Scheppingen,'quot; âHet eiland Urk,quot; âBouwkunst der dieren quot; an âEen Mik in de toekomst,'quot; â laatstgenoemd onder het van een Duitsch genootschap ontvangen pseudoniem âDioscoridesquot; -gaf hij uitstekende proeven van populaire wetenschap. Door uitgebreide kennis der behandelde stof â men zie slechts de aanteekeningen van eerstgenoemd werkje â wist hij oppervlakkigheid te vermijden en aan den anderen kant bezathij de gave op duidelijke, bevattelijke en onderhoudende wijze zijn onderwerpen in te kleeden. Zijn stijl was niet verheven of hoogdravend, maar eenvoudig en degelijk, juist zooals het bij het beoogde doel te pas kwam.
Aan zijn groote beteekenis als populair schrijver, ligt behalve zijn liefde voor natuurkennis nog iets anders ten grondslag. H a r t i n g was geen specialiteit. Met zijn universeele kennis is hij steeds als tegenstander van het tegenwoordig in Duitschland woekerende specialisme opgetreden. Hij achtte het onmogelijk een tak van wetenschap grondig te beoefenen zonder tegelijk goed vertrouwd te zijn met er mee samenhangende aanverwante afdeelingen. Zijn streven om de verschillende onderdeden der menschelijke kennis een kritischen invloed op elkander te doen uitoefenen blijkt misschien het duidelijkst uit zijn â Wetenschap en yeloofquot; (1870) en âEen ernstig woord tot mijne landge-nootenquot; (1865), waarin hij zoowel het kortzichtig Materialisme ais de Theologie, die niet de resultaten der Natuurphilosophie wil aanvaarden, bestrijdt.
Dat H a r t i n g niet schroomde eens opgevatte denkbeelden, hoezeer ook ingeworteld, te vervangen door betere, die er voor in de plaats gegeven werden, toonde hij door â in tegenstelling
355
van zijn collega's van der Hoeven en S c li 1 e g e I â op reeds gevorderden leeftijd een aanhanger van hel Darwinisme te worden.
Maar onvolledig zou onze korte schets worden, indien wij H a r t i n g slechts beschouwden als man der wetenschap. Het is toch van algemeene bekendheid, dat hij met zijn edel en humaan karakter in alles, wat met het geluk der menschheid samenhing, belang stelde.
Bovenal was hij met gloeiende liefde bezield voor zijn vaderland, in het karakter van welks bewoners hij de Germaansche elementen zocht te ontwikkelen.
Met welk een geestdrift trad de grijsaard op voor de belangen der Transvaalsche natie, de wieg van wier voorvaderen als de zijne, op Neêrlands bodem, dat hem dierbaar plekje grond, gestaan had !
Zoo levert ons H a r t i n g met zijn werkkracht, energie, humaniteit en vaderlandsliefde een onuitputtelijken bron van bewondering, een heerlijke persoonlijkheid ter navolging. De talrijke schare, die zich den 7den December op het Amers-foortsche kerkhof verzamelde, was een welsprekend bewijs, dat hier het stoffelijk overschot van een dierbaren doode, wiens leven niet vruchteloos geweest was, ten grave daalde.
Dec. 1885. F.
De korte tijd. die na het overlijden van Prof. Harting vóór het verschijnen van den Almanak overbleef, maakte het de Redactie onmogelijk een meer bevoegde hand tot het schrijven eener uitvoeriger en vollediger levensschets uit te noodigen.