7
4*
EENTGE NOODEN
VAN DEN
AMBACHTSSTAND,
EEN WOOED AAN ALLEN, DIE 'T WEL MEENEN
MET
LAND EN VOLK
EN
VOLKSWELVAART.
GOES,
G. M. KLEM KERK
1889.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2449 432 4
j ^ I
__j_L
-
SPp -
EENIGE NOODEN
van des
AMBACHTSSTAND.
KKN WOOÃD AAN ALLEN. DIE 'T WEL MEEN EN
m et
LAND EN VOLK
EN
VOLKSWELVAART
goes, O. \! KLEMKE1MC
1889.
^)e// ^czci (pyfèi/ /
Meer dan eene halve eeuw geleden gordden sommige hooggeplaatste personen zich aan, in Nederland handwerkanijverheid te bevorderen: door te wijzen op de leemten in 't onderwijs voor den handwerksstand, door te openen of te steunen avond-teekenscholen, die sedert de opheffing der gilden meer en meer noodzakelijk werden, door te bevorderen de opening van Technische Afdeelingen bij of naast de teekenscholen, opdat de aankomende ambachtsman niet onkundig bleef met wetenschappen, die voor eene goede beoefening van zijn ambacht niet kunnen worden ontbeerd.
Men was doordrongen van de behoefte aan eenig wetenschappelijk onderwijs voor den handwerksstand, men gevoelde, dat in die richting verbetering van de handwerksnijverheid, vermeerdering van volkswelvaart moeat worden gezocht.
Toen in Mei 1863 de wet op 't M. O. tot stand kwam, was veler verwachting, dat in Nederland een nog beter tijdperk zou aanbreken; meer eenheid in 't onderwijs zou 't gevolg zijn, over betere hulpmiddelen zou kunnen worden beschikt.
De ervaring der voorgaande 25 jaren zou nuttig werken en niet enkele bevoorrechte plaatsen, maar over geheel Nederland zou gelegenheid ontstaan, goed onderwijs te genieten om met nog beter gevolg een ambacht te beoefenen.
Weinigen van hen, die zoo vol hoop waren, zullen hebben vermoed, dat na nogmaals 25 jaren, zoo weinig vordering op
4
het gebied vai oaiersvijs voor den Nederlaad-wliei ambachtsman zou zijn gemaakt.
In alle gemeenten boven de 10000 zielen zouden scholen verrijzen, om de breede schaar van aankomende Nederlandsche ambachtslieden en landbousvers gelegenheid te geven meerkennis op te doen, dan de volksschool gaf.
Riim 30 gjineontea z)ud.)n scholen b3koii)a, die beloofden vaa grootea invloed te zullen zijn ep de algemeene kennis van een groot getal onzer landgenooten. I
Binnen 6 jaren na 't vaststellen der wet moesten die scholen worden geopend.
Zeer ten onrechte schrijft men thans het openen van Slechts een 5-tvl burgerdagscholen toe aan weinige behoefte.
Meer juist schijnt het, dat men elkander napraat, om eigen weerzin jegens de wet van Thorbecke, die aan lagere klassen meer algemeene kennis zou bezorgen, te verbergen.
Te Rotterdam, in de tweede stad des Rijks, heeft men de opening eener burgerdagschool voorkomen, door te openen eene Ambachtsdagschool, uit ter aard bestemd voor een klein gedeelte ambachtslieden, waarvoor de wetgever de burgerdagscholen bestemde.
De burgerdagschool te Arnhem is opgeheven en de gelden zijn gebruikt voor de aldaar geopende Ambachtsdagschool; evenzoo is de school te Amsterdam vervormd tot eene Ambachtsschool voor zoons van bazen.
De burgerdagscholen te Utrecht, 'a Hage en Groningen zijn vervormd tot Hoogere burgerscholen met Sjarigen cursus.
Leeuwarden's burgerdagschool heeft stand gehouden.
Er behoort thans vrij wat brutaliteit toe te beweren, dat de burgerdagscholen, op grond der sluiting van een 4-tal en het
niet openen van een 25-tal, ten onrechte bij de wet zijn geregeld en als onnut dienen to worden geschrapt.
Een groot bezwaar, tegen het openen van burgerdagscholen, zal zeer zeker veroorzaakt zijn door de dubbcltjeskwestie.
Het budget der gemeenten boven de 1000 zielen, zou met eonige duizenden guldens worden bezwaard en niet de meerdere of mindere behoefte aan burgerschool-onderwijs, maar de geldkwestie is het, die groot gewicht in de schaal legde en nog heden ten dage legt.
Wat baten wetten ten behoeve vaneene, over 't algemeen min-gegoede volksklasse, wanneer eene wet als die op 't M. O. gedeeltelijk blijft rusten, om de dubbeltjes.
Men paait zich en sleurt anderen mede. zoekt in do debatten tijdens het vaststellen der wet argumenten omtrent de deugdelijke wijze waarop de gelden zullen worden besteed.
Heeft een ambachtsman zulk, naar men meent, veelomvattend onderwijs wel noodig ? Zal meerdere algemeene kennis de ontevredenheid niet in do hand werken ?
Do oogen te openen, de behoeften te loeren kennen, daartoe gevoelt men zich niet opgewekt.
Dat met ruime beurs gezorgd is, en nog steeds gezorgd wordt voor gemeentelijke inrichtingen wier onderwijs ten goede komt aan meer gegoeden, dat daardoor niot de billijke weg jegens mingegoeden wordt bewandeld, dat gebrek aan kennis bij een groot deel des volks schromelijke achteruitgang der volkswelvaart moet ten gevolge hebben, vooral wanneer naburige volken geleidelijk vooruitgaan ia kennis, zulks wordt over 't hoofd gezien.
Onbekendheid met de behoeften van aankomende ambachtslieden en zucht tot bezuiniging in de gemeentelijke uitgaven zijn twee
('i
voorname oorzaken, die kwaad hebben gedaan en beden nog veel kwaad doen aan de goede bedoelingen van den wetgever in zake het onderwijs aan ambachtslieden en landbouwers.
De behoeften worden niet begrepen.
Zelve er niet mede bekend, laten sommige regeeringsleden zich voorlichten, door timmer- of metselaarsbazen, loodgieter, huisschilder, slotenmaker, goud- en zilverwerker, enz. omtrent de behoefte aan onderwijs voor ambachtslieden. Tien tegen een wordt er geadviseerdj dat er bekwame bazen genoeg zijn, maar dat het mangelt aan bekwame werklieden.
Aan werklieden meer en beter onderwijs te geven dan men zelf heeft genoten, zulks strijdt zoodanig met geheel het wezen van een ambachtbaas, dat daaraan zelfs niet wordt gedacht.
Totaal wordt vergeten dat men veeltijds zelf gewoon werkman is geweest; dat buitengewone gelegenheid eenige meer dan gewone kennis heeft aangebracht.
Men late daarom het informeeren bij werkbazen en fabrikanten na, en zie rond naar de ambachtsgeschriften.
In Nederland bestaat sedert eenige jaren het quot;Weekblad : de Ambachtsman, in zeer bevattelijken trani geschreven ; men vrage eens aan de werkbazen van bouwambachten, in hoeverre zij dat weekblad verstaan, en men zal versteld staan over de weinige kennis onzer ambachtsbazen ; men ga eens letten op leestafels van den ambachtsman en zal zien dat soortgelijke geschriften als de ambachtsman ongelezen ter zijde worden gelegd.
Grooter bewijs voor de achterlijkheid van den Nederlandschen ambachtsman is dan ook door schrijver dezes niet opgemerkt.
Een eerste eisch voor een ambachtsman mag toch wel zijn te kunnen verstaan, te kunnen lezen, zijne ambachtsgeschriften.
Van een ambachtaman kan, als ambachtsman, werkende om
7
deu broode, noode gevorderd worden, dat hij in de bres springt voor zijne jongere ambtsbroeders, zjjne aanstaande concurrenten; aan zeer bijzondere omstandigheden hebben dan ook deze regelen hun ontstaan te danken.
De oogen van onze bestuurders te openen voor de nooden van aankomende ambachtslieden is het doel, 't welk schrijver dezes zich voorstelt.
Welke zijn dan die nooden!?
Op deze vraag wordt een vrij juist antwoord verkregen, wanneer wordt nngegaan, wat een aankomend ambachtspatroon tegenwoordig moet kennen om de concurrentie met zijne vak-genooten zoo binnen- als buitenlands te kunnen weerstaan.
Ten spijt van andersdenkenden mag worden aangenomen, dat een aankomend ambachtsman werkt en leert om patroon te worden ongeveer evenals een aankomend onderwijzer zich toelegt om hoofd te worden eener school.
Menigeen bereikt zijn doel niet, doch moet in lageren rang, 't zij als ambachtsonderbaas, 't zij als ambachtsopzichter, meesterknecht, of gewoon werkman den strijd des levens strijden.
Enkelen gaan hooger.
Zeer onjuist is het, te gelooven, dat men tot gewoon werkman leert.
Raadpleegt men de ambachtsgeschriften, dan leeren deze als behoeften van allo aankomende ambachtslieden van den tegen-woordigen tjjd en die der toekomst zooveel te meer, kennen:
1quot;. Kennis van en eenige bedrevenheid in 't gebruik der Nederlandsche taal.
2Eenige kennis van 't i'rauscli en 't Duitsch, om uit die talen in eigen taal te kunnen overzetten.
3quot;. Eenige algemeene aardrijkskundige kennis.
4°. Overzicht van de geschiedenis der beschaving.
5°. Eenige kennis van natunr- en scheikunde en voor zich als mensch van natuurlijke historie.
6°, Eenige kennis r au meetkunde en rekenkunde.
7quot;. Eenige kennis van staathuishoudkunde.
8°. Kennis van teekenen.
Alle welke kennis in staatstelt, vakkennis naar behoefte van het ambacht aan te vullen uit de ambachtsgeschriften om naar eigen lust zich verder of minder ver in 't gekozen ambacht te bekwamen.
Wanneer met deze behoeften wordt vergeleken art. 13 dei-wet op M. O. dan staat meu verbaasd over de overeenstemming tusschen wet en behoefte, en zonneklaar blijkt het, dat niet de wet regelende het onderwijs voor ambachtslieden in Nederland, maar de wijze, waarop de wet is uitgevoerd, den bloei der scholen heeft weerhouden.
Men heeft blijkbaar de goede bedoelingen van den wetgever niet begrepen.
Hier heeft men den omvang van 't onderwijs te klein genomen, daar te groot, in beide gevallen de ambachtslieden van zich vervreemd.
Omtrent den omvang van het onderwijs mag worden aangenomen, dat een ambachtsman of landbouwer niet meer ter school gaat, wanneer hij de voor zijn ambacht of bedrijf geschreven boeken kan verstaan, en de noodige teekenkunstige vaardigheid heeft verkregen. Omgekeerd mag men stellen, dat hij de school zoolang behoort te bezoeken, totdat aan dien eischis voldaan.
Hoe lange leertijd noodig is, kan worden nagegaan uit de ervaring met de burgerdagscholen en burgeravondscholen, of dergelijke inrichtingen opgedaan.
Een leertijd van 2, hoogstens 3 jaren voor eene burgerdag-
9
school, sluitende direct aan de volksschool, verdient aanbeveling ; men kan dan vrij voldoende behandelen de litterarische vakken, in eenvoudigen trant opgevat, en wiskunde, natuurwetenschappen en teekenen, naar behoefte, aan eene avondschool voortzetten.
Een voortgezette leertijd aan eene avondschool van hoogstens 4 winterhalfjaren is voor de meeste ambachten veelal voldoende.
Voor ambachten, wier behoeften aan teekenen zich verder uitstrekken, heeft men de teekenscholen.
Aanbeveling verdient, diploma's wegens het voldoende volgen der lessen uit te reiken, dewijl die papierkons velen van dienst zijn en dus worden gewaardeerd bij het zoeken naar werk.
Tot zoover de nooden in zake de schoolregeling.
Door den heer Pla.sscha.ert te Delft is als lid der commissie voor acte-examens voor het teekenen M. O. in 1888, eene brochure geschreven, bij den uitgever dezes verschenen, waarin gewezen wordt op de gebreken, welke bij het teekenonderwijs voorkomen, om daardoor klem bij te zetten aan ZEd. betoogingen, in den boezem der commissie gedaan.
Vóór het onderwerp van den heer Plassciiaekt in deze regelen wordt besproken, diene 't volgende tot toelichting.
Toen iu 1863, aan de aankomende ambachtsonderwijzers de verplichting werd opgelegd, volgens de wet op M. O. examens te doen, poogden velen de vereischte bekwaamheid voor het teekenen te verkrijgen.
De aankomende bouwkundigen moesten meer dan voorheen aan handteekenen doen ; schilders en beeldhouwers werden gedwongen, eenige kennis van teekenen, gelijk de bouwkundigen doen, aan te leeren.
De eenzijdig gevormde teekendocenten zouden verdwijnen.
10
De onmogelijkheid echter, om in handteekenen en in bouwkundig teekenen aan de eischen te beantwoorden, heeft in 1868 geleid tot de splitsing van de teekenacte in één voor handteekenen en in één voor 't rechtlijnig teekenen, gelijk de alge-meene term voor bouwkundig en werktuigkundig teekenen in de wet op M. O. wordt genoemd.
Door deze splitsing verkregen beide vakken beter gelegenheid tot hun recht te komen.
Leemten in de middelen om zich voor te bereiden tot teeken-leeraar, hebben in 1881 doen ontstaan, de Rijks-normaalsehool voor teekenonderwijzers te Amsterdam.
Door stichting dier school heeft de regeering het roer in handen gekregen.
De leerlingen der normaalschool zullen dienen als modellen voor hen, die zich voor de acte Ml of M2 op andere wijze wenschen te bekwamen, waartoe sommige, over 't geheele land verspreide teekenscholen gelegenheid aanbieden.
Het is echter gemakkelijker geweest te beweren, dat de opleiding elders niet deugde, dan eene modelschool te scheppen, die mannen kweekt, welke als toonbeelden van bekwame docenten voor ambachtslieden kunnen gelden.
Men heeft met de inrichting der Normaalschool gedwaald en dwaalt nog. Terecht wordt daarop door den heer Plasschaerï gewezen en ZEds. gevoelen door de meesten zijner collega's, die onafhankelijk genoeg zijn om hun gevoelen te durven zeggen, gedeeld.
Voorheen was de teekenonderwijzer aan de school voor ambachtslieden een ambachtsman. Schilders en beeldhouwers waren handteekenaars, bouwkundigen docenten voor onderwijs, hetwelk, thans den naam draagt van rechtlijnig teekenen.
11
Wegens de velerlei leermiddelen, welke Amsterdam aanbiedt verdient eene opleiding aan de Normaalschool aanbeveling.
Tot toelating voor de eerste klasse wordt slechts vereischt, eenige bedrevenheid in het handteekenen, in 't gebruik der Ned. taal, in de reken- en vlakte-meetkunde.
Van bedrevenheid in eenig ambacht, van eenige ambachte-crvaring, gelijk vroeger ambachtsonderwijzers bezaten, is geen sprake.
Zelfs de kennis van eenig Duitsch of Pransch, van eenige algemeene geschiedenis of aardrijkskunde noodig, om de lessen in bouwstijlen te kunnen volgen, is geen eisch der toelating.
Wol schijnt er bij het samenstellen der normaalschool gedacht te zijn aan eenige algemeene ontwikkeling, getuige de bepaling, dat leerlingen gediplomeerd door burgerdagscholen, eenige vrijstelling zullen genieten.
Het verbreken van 't verband met eenig ambacht, is thans de groote grief en oorzaak, dat jongelui buiten het handwerk der teekentafel, een broertje dood krijgen aan handenarbeid.
Men legt zich er op toe, teekenmeester te spelen, gelijk duidelijk blijkt uit de zucht om eene acte handteekenen te behalen, dienstig om te geven lager handteekenonderwijs.
Niet een ambacht beoefenen en teekenonderwijs geven, is het doel van veler studie, maar het streven om buiten het ambacht om een baantje te bekomen. Dit nu moet leiden tot verbastering van het teekenonderwijs, tot scheiding van ambacht en ambachts-onderwijs, en dient daarom door allen die volkswelvaart wen-schen bevorderen, te worden bestreden.
Nu is het ontbreken van ambachtskennis en ambachtservarins bij teekenleeraren aan Hoogere Burgerscholen nog niet zoo erg, ofschoon ook aldaar niet te versmaden, maar zeer zwaar moet
12
het onlbreken dier kenuis en ervaring wegen aan scholen voor aankomende ambachtslieden, en dubbel zwaar, wanneer aan de bezitters der acte iJ2. wordt opgedragen, ambachtsonderwijs.
Van daar dan ook 't verschijnsel dat men opent ambachtsscholen en teekenscholen, buiten de wet op M. O., om docenten te kunnen benoemen, die ambachten beoefenen, zonder juist teekenleeraar te zyn.
Men heeft aldaar liever een ambachtsman mot eenige tee-kenkuustige kennis, dan een teekenleeraar zonder ambachtservaring.
Hierdoor worden de goede bedoelingen van den wetgever geheel genegeerd, in plaats van een ontwikkelden ambachtsstand zal men, zoo voortgaande, al lager en lager dalen.
De normaalschool voor teekenonderwijzers te Amsterdam, ziet geen bezwaar in dezen toestand; de examen-commissie door die school of op advies dier school benoemd evenmin, en zoo gaat het roer inplaats van in eene richting te sturen, die tot vermeerdering van volkswelvaart zou leiden, eene richting aanwijzen die den nekslag moet geven aan de Kederlandsche hand-werksn ij verheid.
Men gelooft, misschien ter goeder trouw, dat het ijverig be-studeeren van boek- en plaatwerken voldoende kennis geeft van timmerwerken, ijzercjastructiën en machinedeelen, om te geven ambachtsonderwijs. Maar snapt niet, dat de docent zal staan beneden dea ambachtsman, die gelijken ijver in 't bestudeeren zijner vakgeschriften toont.
Dat scheepsbouwkundig teekenen ook bouwkundig teekenen is, schijnt velen te ontgaan, evenals het teekenen van een rijtuigmaker en koperslager met hunne platte gronden, opstanden, doorsneden en uitslagen.
Hoo vreeiml oak, do normaalscliool on met haar do examon-commissiën, begrijpen niet, dat toekenon gelijk do bouwkundigen doen en daarom eigenaardig bouwkundig teekenen genoemd, is rechtlijnig teokenen in verband en toepassing met het ambacht van den leerling.
De vroegere inspecteur van M. O. ür. Staring, antwoordde dan ook zeer juist op de vraag van een rechtlijnig teekenloeraar, wien mende bevoegdheid tot het geven van bouwkundig teekenen betwistte, dat do wet op M. O. niet kent bouwkundig teekonen, alleen rechtlijnig teekenen, welk teokenen aan alle ambachten, niet alleen aan de bouwkundigen, moet ten goede komen.
Wil men de leerlingen zooveel mogelijk leergeld en tijdverlies besparen, men herzie do tegenwoordige leerwijze, en zie uit naar eene zoodanige, die de leerlingen doet verstaan hunne ambachts-geschriften welke tegenwoordig voor enkele centen zelfs in den boekhandel of op stalletjes voorkomen.
Men zal, zoo men zulks wil, op die wijze meer kennis doen vergaren, meer nut stichten, dan thans mogelijk is.
Nogmaals zij erop gedrukt, dat de aankomende ambachtsman ter school gaat om te leeren zijne handboeken te verstaan, niet om papier op deze of die wijze te beteekenen; en dat hij am-bachtsonderwijs, gegeven door docenten die geene ambachtslieden zijn, onmogelijk kan waardeeren.
Hebben de docenten meer bijzonderheden mede te deelen dan waartoe de avonduren gelegenheid geven, men opene gelegenheid tot het lezen van ambachtsgeschriften en geve desverkiczende daarin zijn licht ten beste.
Men bevordert op die wijze meer het belang der leerlingen, dan door hen voor te praten, wat men met behulp van schrifturen, anderen napraat.
14
De heer Plasschaert heeft zich verder verdienstelijk gemaakt, en is de tolk van velen zijner collega's, door te wijzen op het verdere verkeerde aan de Normaalschool.
De bezitters der acte rechtlijnig teekenen behoeven thans geen kop te kunnen teokenen, veel minder een gipsbeeld. Niettemin geeft de acte vrijheid het handteekenenen naar wandplaten te doceeren. Zulk eene regeling moet wederom ten nadeele van de leerlingen uitloopen, en doet totaal miskennen de denkbeelden, die bij de samenstelling der acte teekenen voor M. O. hebben voorgezeten.
Door het onderwijs der Rijksnormaalschool te volgen, heeft schrijver dezes de ervaring opgedaan, dat zij eene uitmuntende inrichting kan worden, zoo men niet blind is voor hare gebreken en aan openbare besprekingen een open oor verleent.
Men breke daarom zoo spoedig mogelijk met de tegenwoordige richting, lokke in de eerste plaats ontwikkelde aankomende ambachtslieden naar de school; met dezen zal men meer de algemeene welvaart bevorderen dan met de heertjes, voorzien van eene acte M2. plus de acte lager onderwijs handteekenen, zonder ambachtservaring.
Een 3jarig verblijf te A msterdam met hare velerlei leermiddelen, moet op jeugdige ambachtslieden van 20â25 jaren uitstekend werken ; de Normaalschool zal meer dan thans toonbeelden leveren, van 't geen een onderwijzer voor ambachtslieden moet zijn, en een der krachtigste middelen zijn om de ambachtsnijverheid in Nederland te bevorderen.
Daarom verdient het behoud eener inrichting als de Normaalschool ruim aanbeveling.
De kosten aan een verblijf te Amsterdam verbonden, geven veeltijds weinig bezwaar; met 1000 gulden in de o jaren kunnen die
15
worden bestreden ; de school heeft daarbij studiebeurzen voor hulpbehoevende leerlingen.
Tot zoover de nooden in zake opleiding van teekenonderwijzers om te vervolgen met eenige aanteekeningen in zake het onderwijs in 't algemeen.
Het is een overal op te merken, en daarom weinig vreemd verschijnsel, dat onderwijs aan mingegoeden veelal lager gesalarieerd wordt dan onderwijs aan kinderen van meergegoedon.
Een gevolg er van is dat de meestbegaafde onderwijzers voor de mingegoeden, voor hen die juist de meeste behoefte hebben aan degelijke ervaren docenten, verloren gaan.
Om de goede krachten voor scholen ten behoeve van mingegoeden te behouden zal men op de salarissen moeten letten, opdat het verwisselen van docenten aan de scholen voor mingegoeden minder plaats heeft.
Weinige onderwijzers gevoelen zich thans opgewekt hunne beste levensjaren te wijden aan het onderwijs voor den ambachtsjongen, de behoeften dier jongens worden daardoor weinig begrepen, en het niet voorzien er in is de groote oorzaak, waarom van de bestaande scholen door ambachtslieden niet meer gebruik wordt gemaakt.
Geheel onjuist is het dan ook uit het bezoek der scholen de behoefte af te leiden. Maakt het onderwijs nog minder aangenaam en het ieerlingental zal nog lager dalen.
quot;Wil men handwerksnijverheid bevorderen, men ga dan niet voort de betrekkingen aan scholen voor ambachtslieden als bijbaantjes te beschouwen, maar bevordere voor den ambachtsstand een corps onderwijzers die hunne belangen behartigen, door de belangen der ambachtslieden te behartigen.
Ill
Ook hier behoort te heerschen goed onderwijs tegen goed geld.
Tot besluit iets over het handwerk matig onderwijs.
Wanneer men hot ontstaan en de werking der ambachtsscholen in Nederland nagaat, dan moet men al met eene grooto mate van vooringenomenheid behept zijn, om die inrichtingen als zeer nuttig te beschouwen.
De ambachtsstand stoort zich aan dio inrichtingen weinig ; ze worden hoofdzakelijk onderhouden doof de gemeenten, somtijds met provinciale subsidiën en voor een klein gedeelte door bijdragen van liefdadigheid beoefenende, gegoede ingezetenen.
De gemeentelijke subsidiën zijn gewoonlijk uitgewonnen op de bnrgerscbolen, waartoe de Wei op M. 0. verplicht.
In plaatsen, waar de ambachtsscholen do burgerscholen vijandig gezind zijn, doen zij aan 't bevorderen der algemeen welvaart meer kwaad dan goed.
Zulks behoort anders te worden.
Wanneer do ambachtsscholen zich bepaalden tot hun oorspronkelijk doel, het geven van gelegenheid tot het leeren bewerken van hout, steen en metalen, zich verder bemoeiden metal datgene wat tot het eigenlijke ambachtsonderwijs behoort dan zijn zo nuttig, kunnen zelfs onmisbaar gemaakt worden.
Waar de ambachtsscholen vijandig gezind zijn jegens de burgerscholen, de bij de wet geregelde inrichtingen tot bevordering van den welvaart van de ambachtsstand, daar zijn ze schadelijk.
Over 't algemeen vormt men zich een verkeerd begrip van 'tgeen ambachtsscholen kunnen zijn.
Om er een ambacht te leerea, zouden het moeten zijn am-bachtswerkplaatsen; daartoe zijn ze te klein en zullen dat ook wel blijven.
It
Hun recht van bestaan bestaat thans in die plaatsen, waar voor algemeen noodige kundigheden wordt gezorgd, in het geven van handwerkmatig onderwijs, onderwijs in het bewerken van hout, steen en metalen, waarbij men gevoegd beeft teekenonderwijs.
Als inrichtingen voor lager-, voortgezet lager- of middelbaar onderwijs staan ze bij die inrichtingen, welke bij de Rijkswetten geregeld zijn, ton achter.
Hun kracht moot gezocht worden in het handwerkmatige en teekenonderwijs. Op dat gebied kunnen zij goede diensten bewijzen, misschien een bandje helpen om eenig handwerkmatig onderwijs bij het lager- en middelbaar onderwijs in te voeren, waardoor aan veler behoefte kan worden voldaan, en hun nuttige werkkring worden uitgebreid.
Waarom vragen velen, onderwijs in handwerken voor meisjes, en geen handwerkonderwijs voor jongens; zou handwerkonder-wijs niet even goed voor jongens kunnen worden ingevoerd.
Geeft het onderwijs in de gymnastiek geen goed voorbeeld hoe het te regelen?
Men bestede niet alleen, omdat men 't aan de algemeene welvaart verplicht is,maar ook om de billijkheid jegens mingegoeden te betrachten, een ige gelden aan handwerkonderwijs voor jongens; en zal zich, bij ecne goede regeling, verbazen over de resultaten.
Wanneer men de wet op M. O. uitvoert, inzake onderwijs aan hen, die van den arbeid hunner handwerken moeten leven, stelle men eenig geld voor ambachtsexamens beschikbaar ; die examens zullen don weg wrel wijzen, waarlangs men kan komen tot meerderen bloei der scholen.
Voor koophandel en fabieken heeft iedere gemeente van eeni-gen omvang, ingevolge koninklijke besluiten, een postop de jaar-lijksche begrooting ; kan zulks ook niet voor ambachtsnijverheid ?
1«
Wanneer eenmaal ook in Nederland gelijk elders de ambachtsexamens zullen zijn geregeld, dan zal men zich verbazen over de genegenheid, die er bij aankomende ambachtslieden bestaat, voor goed geregeld onderwijs.
Thans behelpt de ambachtsman zich zoo goed en kwaad als 't kan
Klagen doet de ambachtsstand nog niet, het self-help is schering en inslag bjj de dagelijksche werkzaamheden; met het onderwijs is 't evenzoo. Voorziet de regeering niet in de behoefte, dan redt men zich, gelijk men zich redt bij gebrek aan voldoend gereedschap.
Aau de hoogere e» lagere regeeringsleden alzoo de schuld, wauueerde ambachts,stand iu Nederland niet is wat h ij kou zijn.
Klagen zal weinig baten, zoolang de gemeentebesturen, bekend met de plaatselijke behoeften, van wie goed geregeld onderwijs in dezen behoort uit te gaan, niet meer genegen zijn in ruime mate voor ambachtslieden beschikbaar te stellen, wat men aan meergegoeden gaarne geeft.
Art. 14 der wet op M, O. luidt ;
In elke gemeente, waar de bevolking tieu duizend zielen te boven gaat, wordt door het gemeentebestuur ten minste ééne burgerschool, dag- en avondschool, opgericht. Zij kan aan eene openbare lagere school verbonden worden.
Mocht de bevolking eener gemeente van boven tien duizend zielen zóó ver uiteen wonen, dat op bezoek eener burgerschool weinig te rekenen ware, of in de behoefte op andere wijze voorzien zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden.
Blijkt het, dat door eene burgeravondschool in de behoefte eener gemeente voldoende wordt voorzien, dan kan van do verplichting tot het oprichten eener burgerdagschool door Ons,
Ill
(locli telkeus slechts voor een bepaald getal jaren, ontheffing worden verleend. In dit geval is liet onderwijs der avondschool over een tweejarigen cursus verdeeld, en bepalen Wij, den gemeenteraad gehoord, welke der in het vorig artikel genoemde vakken het onderwijs zal omvatten.
De ervaring der laatste 25 jaren leert, dat de ontwerpers der wet op M. O. de behoeften van aankomende ambachtslieden, vrij juist hebben begrepen, doch dat hot aan de uitvoering der wet heeft gefaald.
Laat dit schrijven voldoende zijn, om het verzuim jegens mijne standgenooten in een vierde eemv gepleegd, in het helderste licht te stellen, en er toe te leiden dat men zeer spoedig zal beamen niet de behoefte eener nieuwe wet, maar de eenvoudige, eerlijke, degelijke uitvoering der Rijkswet op M. O.; zulks verwacht in 't belang der volkswelvaart.
EEN AMBACHTSMAN.