DE RECIITVAARDIGMAKING DES ZONDAARS.
O
DOOli
J. DE HART,
Evangeliedienaar te JHfengeloo (Ãoerijscl).
Voor rekening van den Schrijver.
SNELPERSDRUKKERIJ DER WEESIMÃICHTINü NEEKBOSGH.
VOORBERICHT.
Reeds eenigen tijd was hel in mijne yedachlcn om te ^ien cm beknopt maar toch (kon 't zijn) volledig werkje ie schrijven over: De reclitvaarcligmaldng des zondaars.
Ik meende, dat kon ook in onze dagen wel voor dezen en genen tot een' zegen zijn.
Mijn eigen leven en de strijd mijner ziel om op een waren grond tot vrede te komen leerden mij als jongeling alreeds den lieere Jezus omhelzen. Ik leerde inzien, dat Hij het alléén kon doen, omdat Hij de pers alleen had getreden. Zoo rustte ik voor de eeuwigheid gehéél in Hem, Wiens werk ook een werk voor mij was.
Later ben ik daarin meer bevestigd, toen het verlossingswerk van Christus ook voor mijn verstand meer helder werd.
Van dien tijd af ivas altijd de grond mijner hoop: Christus m hetgeen Hij voor ons deed.
Zelfs in den strijd des levens, dien ik als dienaar des Evangelies met velerlei personen en richtingen, eenige jaren heb doorgemaakt, ben ik steeds meer bevestigd in de overtuiging, dat ei-geen andere iceg noch waarheid is. Het is tot heden toe mijne ondervinding, dat alle voorstelling van een' weg tot zaligheid
waarin bedakteljk of meer beslist de toegerekende gerechtigheid wordt geloochend, noch Gods eere bevordert, noch met on%e zondaarsbehoefte in verhand staat. Ik ben mij dan ook niet bewust dat er in den tijd van zeventien jaren eenige verandering in mijne ]n-ediking kwam wat den eenig waren grond onzer behoudenis betreft. In mijne beoordeeling van richtingen werd ik altijd geleid dooi- het beginsel: Jezus alléén. Allen, die Hem als zoodanig hebben aangenomen, en alleen roemen in het Kruis waren mijne broeders en medereizigers naar het Vaderhuis, al verschilde ik ook met hen in de opvatting van andere waarheden en in gemeentebegrip. Datgene, waarop hei voor de eeuwigheid aankomt mocht, God zij geloofd! tot heden toe voor mij op den voorgrond staan.
Wanneer de lezers mijn werkje met aandacht nagaan, zullen ze zien, dat ik krachtig de klem leg op de: toegerekende ge-rechtiglieid en daarop gedurig terug kom. Wellicht verval ik daarom voor sommigen een ffiijjidg w herhaling; maar, ik mag hopen, dezulken zullen vatten, dat ik dit alleen deed, om duidelijk te zijn. Hierbij zullen zij tevens opmerken, dat ik met de handhaving van deze waarheid tegelijk da heiligmaking als vrucht van het geloof Christus, »De Hecre onze gerechtigheidquot; vasthoud. Beide heb ik steeds mogen handhaven en ieder op zijne eigene plaats trachten te laten staan. God heeft mij er voor bewaard, dat ik de rechtvaardigmaking met de heiligmaking dooreen mengde of de heiligmaking met de rechtvaardigmaking verwarde. Beide moeten dan ook op hunne plaats blijven. De eigengerechtigen hebben zich steeds aan de toegerekende gerechtigheid, en de »Heere, Hecrequot; roepers aan de heiligmaking gestooten. Dezulken hielden het niet lang onder mijne prediking uit. Voor de eersten verwierp ik te veel de werken en voor de laatsten was ik te werkheilig.
Eens reisde ik met een Pastoor uit de Itoomsche Kerk. Wij
zaten te «amm in de kajuit van een stoomboot. Groote begeerte had ik, om met den p-iester in een godsdienstig gesprek te komen. Dat vlotte niet te best. Mijn reisgenoot had het overdruk met de hardrijderij, harddraverij en hardzeilerij der Friezen. Het scheen, dat hij er geheel mede vervuld -was. Toch, na veel worstelens kwam ik, waar ik ivezen wilde. Ik wilde hij Paulus in den Itomeiner brief zijn. Maar, o wat werd onze Pastoor benauwd; hij begon te beven en weldra stond hij op en ging naar het dek. De Itomeiner brief dreef den vasal van liome de kajuit uit.
Toen ik nog in L. was, kregen wij op een Zondagavond een bezoek van een Neo-Kohlhruggiaan dat zijn menschen, die tvel een' stoel hebben voor Paulus maar niet voor Jakobus en daarom eigenlijk ook niet voor Paulus; want ook deze vordert werken des geloofs. Die man, we wisten het, leefde in de zonde. Van de toegerekende gerechtigheid wilde hij alléén weten; maar niet van eene gerechtigheid des levens. Daar het gezelschap van dien goddeloozen huichelaar ons verveelde, hebben wij hem met Jakobus aan zijne 'zonden herinnerd en aan zijn dood geloof; die man stond op en vertrok als een ontmaskerde.
Van een bekwaam prediker hoorde ik eens het verband, aangeven tusschen het geloof en de werken door het volgende beeld:
»Veronderstel,quot; zeide hij, »daar komt een man bij de Neder-landsche bank met eene banknoot om daarvoor muntspecie te ontvangen. De heeren zien 't en de vorm , teekening en kleur is geheel overeenkomstig de door de Bank uitgegevene maar toch willen zij het niet inwisselen, omdat er het watermerk niet in gevonden wordt.quot; »Zoo,quot; zeide hij, vzijn er werken, die niet een vrucht zijn van het geloof.quot; »Maarging hij verder, xdaar komt een ander, hij toont een banknoot dat het vereischte watermerk ivel bezit, maar de vorm, teelcening en kleur is niet overeenkomstig de door de Bank uitgegevene; hij kan daarvoor
evenmin geld ontvangen. Zoo is het gesteld met het geloof zonder de werlcen.quot;
Dit beeld vond ik niet onduidelijk om aan te geven, dat hel geloof in Christus zonder de werken als vruchten, onbestaanbaar is om zalig te worden.
Daar is zoo'n groot gevaar om in dezen tot eenzijdigheid te vervallen.
Van harte hoop ik daarom dat ook dit werkje mng mede werken, om voor die eenzijdigheid te heivaren en eenzijdigen te genezen. Dat alzoo Gods zegen er op moge rusten, is de wensch en bede van den Schrijver.
Hejtgeloo, (Overijsel)
15 April 1887. J. n. H.
HAAR WEZEN.
âDoch dengenen, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.quot;
Rom. IV : 5.
Vóór alle dingen is het noodig dat wij voor ons zei ven, een goed begrip hebben, van de rechtvaardigmaking des zondaars. Zij is de groote hoofdzaak van de kennis der H. Schrift, die God in Zijne zondaarsliefde, onder ons bereik bracht. Wanneer zij daarin niet voorkwam, in zoo duidelijke taal, zou er nooit een vaste grond tot zaligheid voor den zondaar zijn. Daarom is het noodig al onze aandacht aan hare behandeling te wijden.
»Hier hebben wij te doen met het Schibbóleth van allen , voor wie Jezus Christus de volstrekt eenige Behouder, en het geloof in Hem het volstrekt eenige middel tot zaligheid is. Met hare ontkenning is de zaligheid der ziel gemoeid.quot; 1)
Toch is het te bejammeren dat, zoo velen, zelfs ernstig gezinde menschen, van wie wij mogen aannemen, dat zij
*) Dr. J. I. Doedes.
1
2
den Heere willeti dienen, geen voldoend begri[) van haar hebben. Ja, daar zijn er, die door het geloof' in Christus haar feitelijk deelachtig zijn, en toch geen rekenschap van haar kunnen geven. Het gaat hun in deze hoogere verlossing der ziel, evenals het Petrus ging met zijne lichamelijke verlossing , uit de gevangenis te Jeruzalem. Eerst na zijne bevrijding kwam hij tot de kennis zijner verlossing (Hand. 12:11). Maar gelijk hij tot den uitroep kwam: »Nu weet ik waarachtiglijk enz,quot; zoo moeten ook wij tot die wetenschap komen èn voor ons zei ven èn om anderen tot hei! te kunnen wezen. Ons verstand en hart dienen vóóral daar, waar het de oorzaak onzer zaligheid geldt niet in strijd met elkander te zijn. Wel is waar, dat niet alles, wat wij met ons hart gelooven pasklaar wordt voor ons verstand. Daarom is niet zonder reden gezegd; »üe Bijbel is een gesloten schatkamer, waarvan ons hart alléén den sleutel heeft.quot;
Wat evenwel de rechtvaardig making des zondaars betreft , die wordt zoo duidelijk in de H. Schrift geleerd, dat indien het er ons waarlijk om te doen is, als een kind de waarheden in ons op te nemen, wij ook deze waarheid zóówel in het Gode-verlicht verstand als in het geloovig hart kunnen opnemen. Wij zullen dat trachten te bewijzen.
Wij willen dan in de eerste plaats eene korte beschrijving geven van het wezen der rechtvaardigmaking des zondaars. Het is hier de vraag, wat wij onder deze benaming, die gedurig in de H. Schrift voorkomt, hebben te verstaan. Wat wil de Schrift daarmede aangeven, is hier de hoofdzaak.
Hebben wij hier te denken aan eene verandering in den rnensch, zoodat die mensch in eene rechte verhouding komt
3
te staan tot God zijnen Schepper, door sommigen aangegeven als eene rechtvaardiging van God. Hierop antwoorden wij heslist: Neen! God is in zijn wezen ook de onkreukbaar rechtvaardige en heeft nooit eene onwettige daad gedaan , ja, die is voor Hem onmogelijk, hoe zou Hij dan onrechtvaardig kunnen zijn, zoodat Hij gerechtvaardigd moest worden. »Maai-lt;lit is niet onze bedoelingquot; zoo hoor ik mij toeroepen: »Go(l is, zooveel Hem zelf aangaat de Rechtvaardige, maar de mensch nog levende in vijandschap erkent Hem als zoodanig niet. Nu moet de mensch er toe komen om die vijandschap af te leggen, door niet langer tegen Hem te strijden , maar Hem te erkennen in zijn wezen en werken.
Wanneer hij daartoe komt gaat hij God rechtvaardigen en alles wal hij vroeger tegen Hem dacht, sprak en deed, trekt Hij in. Hij wischt dan, de door zijne zonde bevlekte Ma jesteit , rein.quot;
Wij stemmen toe dat dit door ieder berouwhebbend zondaar gedaan wordt, die tot de begeerte gekomen is om God te dienen. De verloren zoon bij den zwijnentrog in het verre land in zijne veranderde verhouding tot zijnen vader is hun aller beeld. En, de ontboezeming in Rom. 7:i2 en 22 is in dezen tot bevestiging; ygt;Alzoo is dan dr wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig en goed. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mensch.'' Maar al is het ook, dat de schuldige mensch, gebukt gaande onder de oordeelen Gods, gevolgd op zijne zonden , met .leremi-.i uitroept: ygt;De Heere is rechtvaardigquot; (Klaagl. 1 :18), hoe kan men er toch toe komen om dit voor de rechtvaardigmaking den zondaars te doen doorgaan. In werkelijkheid bestaat dit niet.
4
dewijl God niet onrechtvaardig is, is dit dan ook slechts zoo genoemd bij manier van spreken. Bij God komt geene verandering; maar bij den mensch, die er toe komt, om niet langer in opstand met zijn Maker te leven.
Het voorwerp, waarop de «rechtvaardiging, reebtvaardig-making, en het gerechtvaardigd wordenquot;, betrekking heeft, is in de H. Schrift de zondaar en niet God.
De zondaar staat voor God als een onrechtvaardige en daarom doemschuldige. Hij overtrad Zijne heilige wet, en daarom verdiende hij den vloek. Al erkent hij ook zijn schuld en begint hij God in zijn heerlijk Wezen te huldigen, al prijst hij ook Diens werken, al billijkt hij ook Zijne oor-deelen en straffen, dit maakt hem voor God niet rechtvaardig ; ook niet in zijn geweten, maar dit leidt hem tot de erkenning , dat Gods getuigenis van den mensch de ware is: »Er is niemand rechtvaardig, ook niet een (Rom. 3:10); als ook tot de veroordeeling van zich zeiven: verdoemelijk voor Godquot; (Rom. 3:19). Wanneer de misdadiger voor den Rechter staande, de aanklachten tegen hem ingebracht bekent, erkent hij wel in die belijdenis, zijn schuld; maar wordt hij daardoor nog niet van de siraÆ ontheven. Juist liet. tegenovergestelde: de Rechter kan , nu de misdaad bewezen is, de straf, naar de wet, over het hoofd van den schuldige uitspreken en ten uitvoer brengen. De misdadiger ziet dan liet donker kerkerhol voor zich. Zoo is de toestand van den ontwaakten zondaar, die tot zich zeiven kwam, en wiens beschouwing van God veranderde , met zijne gezindheid. Hierin bestaat niet zijne rechtvaardiging, maar wel het bewijs zijner on redt t vaardigheid.
De bewering: dat de mensch, wanneer hij zich in vereeni-ging stelt met Christus, die in volmaakte gehoorzaamheid. Zijn Vader heeft gediend; eene gehoorzaamheid, die in zijn dood haar hoogtepunt en kroon bereikte, op dien oogenblik tot rechtvaardiging zou komen is evenzeer eene valsehe voorstelling. De rechtvaardigmaking staat in verband met onze schuld en de schuld kan niet door vernieuwing des harten worden weggenomen. Wel zal wanneer deze plaats vindt het leven in de zonden ophouden; maar eene gehoorzaamheid aan die van Christus gelijk zal toch nooit door hem bereikt worden. En kan dan dat leven de schuld van vroeger wegnemen ? Daarbij komt, dat de Schrift dit leven: «heiligmakingquot; noemt. Wij hebben volgens de Schrift onder de rechtvaardigmaking des zondaars te verstaan, dat God den schuldigen zondaar ontheft van schuld en straf op grond van het werk van Christus in zijne plaats geschied (Rom. 8 : 33). De rechtvaardigmaking gaat van God uit, zonder eenige verdienste van den mensch. In Christus kan van God gezegd worden: »Hij is nabij, die mij rechtvaardigtquot; (Ps. 50 : 8). De zonden rekent Hij niet meer toe (II Cor. 5 : 19). Zeer duidelijk vinden wij de beschrijving daarvan in Rom. 4 : 6â-8. âGelijk ook David den mensch zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken; zeggende: Zalig zijn zij, welker ongerech tigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn; zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent.quot;
Wanneer wij de Schrift geen geweld willen aandoen, zullen wij op deze wijze de rechtvaardigmaking des zondaars moeten verstaan, en wanneer wij tot werkelijke zondekennis
(j
zijn gekomen, zuilen wij God prijzen, dat Hij dezen weg baande om ons te behouden. Wij zien liet dan duidelijk in, dat er geene behoudenis op andere wijze voor ons mogelijk was. «Niet uit uquot; is de Apostolische waarschuwing (Efez. 2 : 8) tegen iedere voorstelling der rechtvaardiging, volgens welke deze zou gelegen zijn in de verandering van eens menschen zede-lijken toestand door zijn geloof. Wij bedoelen in de eerste plaats de leer der Roomsche Kerk, volgens welke i\e rechtvaardiging niet enkel de vergeving der zonden is, maar ook de heiliging en vernieuwing van den inwendigen mensch, door de vrijwillige aanneming van de genade en hare gaven , waardoor de mensch van onrechtvaardig, rechtvaardig en van vijand, vriend wordt â de gerechtigheid Gods, waardoor Hij ons tot rechtvaardigen maakt, omdat wij door haar worden vernieuwd in den geest van ons gemoed, en niet alleen rechtvaardig gerekend, maar ook werkelijk rechtvaardigen genoemd worden en zijn, omdat wij de gerechtigheid in ons ontvangen1). Maar wij zeggen daarbij ook met het oog op sommigen onder de nieuwere Protestanten, die geleerd hebben dat het geloof »uit aanmerking van zijne waarde ;lls religieus beginnet door God tot rechtvaardigheid gerekend wordt.quot; Men zegt dan tot aanprijzing van dit gevoelen :»Door de betrekking tot Christus is de mensch reeds aanvankelijk rechtvaardig en bezit hij het beginsel dat eens de zonde geheel zal overwinnen. Wanneer God dus de zoodanigen rechtvaardigt, dan schenkt Hij zijne goedkeuring niet aan onrecht-vaardigen , maar aan dezulken, die ten gevolge hunner
1
1 Concilie van Trente. Hoof'dst. 7 van Je 6e zitting.
7
gemeensclmp met Christus i'eeds in beginsel en in de voorkennis Clods rechtvaardigen waren.quot;
Zoo zou dan toch eigenlijk inderdaad in den geloovige de grond der rechtvaardiging liggen , en het Evangelie geene blijde boodschap der genade meer zijn, â en ook het rechtvaardigend geloof' zou niet zijn , wat het naar het Evangelie is , t. w. vertrouwen op eenen Middelaar, wiens verlossing te weeg brengt, dat wij gerechtvaardigd worden som nietquot; (Rom. 3 : 24).')
De echte meening is deze, »dat geloof rechtvaardigt voor zooverre het de band is van onze innige vereeniging met Christus, door hetwelk alles , wat van Christus is het onze wordt.quot;2) Willen wij in onze godsdienstige kennis ons enkel door Gods woord laten onderwijzen, dan zullen wij moeten toestemmen dat de rechtvaardigmaking des zondaars, niet in eene zoogenaamde rechtvaardiging van God, of in het ontvangen van de natuur van Christus bestaat; maar in de niet toerekening zijner zonden op grond van het werk van Christus , in zijne plaats geschied.
Zeer duidelijk komt ze voor in het '23« Artikel van de Nederlandsche geloofsbelijdenis. »Wij gelooven , dat onze gelukzaligheid gelegen is in de vergeving onzer zonden om Jezus Christus wille , en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is, gelijk David en Paulus ons leeren, verklarende de gelukzaligheid des menschen te zijn , dat God hem de gerechtigheid zonder de werken toerekent. En dezelfde Apostel zegt, dat wij om niet of uit genade gerechtvaardigd zijn, door de verlossing , die in Jezus Christus is. En daarom houden wij dit fondament altijd vast, Gode alle de eere gevende ,ons vernederende en
2) quot;VVitsius.
ür. J. J. van Toorenenbergen.
8
bekennende zoodanigen als wij zijn, zonder iets van ons zeiven of van onze verdiensten te vermeten, steunende en rustende op de gehoorzaamheid des gekruisten Christus alleen , dewelke onze is, wanneer wij in Hem gelooven; die is genoegzaam om alle onze ongerechtigheden te bedekken en ons vrijmoedigheid te geven, de Conscientie vrij makende van vreeze, verbaasdheid en verschrikking, om tot God te gaan , zonder te doen gelijk onze eerste vader Adam , welke al bevende zich met vijgebladeren bedekken wilde. En voorwaar, indien wij voor God verschijnen moesten, steunende op ons zeiven of op eenige andere schepselen, hoe weinig het ook ware, wij moesten , helaas, verslonden worden. En daarom moet een iegelijk zeggen met David; »Heere! ga niet in het gericht met uwen knecht; want niemand , die leeft zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.quot;
Dr. J. I. Doedes zegt in zijne beoordeeling der Neder-landsche geloofsbelijdenis van dit Artikel , als beschrijving van de Bijbelsche leer der rechtvaardig making des zondaars: «Kristalhelder en volkomen zuiver is de voorstelling, hier gegeven van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, als bestaande in de vergeving van onze zonden en in niets anders, zoodat in die vergeving van onze zonden onze rechtvaardigheid voor God begrepen is.''
II.
HAAR BRON.
âVeel meer dan , zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed , zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.quot;
Kom. V : t».
Zooals wij ia liet eerste gedeelte o nzer behandeling, over de rechtvaardigmakiny des zondaars gezien hebben , bestaat baar wezen in de niet toerekening der zonde, zoodat de Heere al de zonden des zondaars vergeeft. Zij gaat geheel van den Heere uit, en wordt in geen enkel opzicht dooiden mensch zeiven bereikt. Zij staat in onmiddellijk verband met het werk van onzen Heiland als Hoogepriester, die in zijn eigen persoon het volmaakte oll'er tot de verzoening dei-zonden gaf. Wij hebben dat reeds even aangestipt, en willen dat nu breeder ontwikkelen. Bij die ontwikkeling zullen wij zien dat de Heiland, die zich zei ven tot een offer voor de zonden gaf, de hron is van de rechtvaardigmaking de* zondaars. Zijn oll'er en onze rechtvaardigmaking staan tot elkander als oorzaak en gevolg.
In Jeremia 23 : 6 en 33 :16 komt de Messias voor onder den naam van: »l)c Heere onze gerechtigheid.quot; Alle be-
10
rouwvolle zondaren, die zichzelven leerden kennen als onrecht-vaardigen voor God, hebben dien naam zoo heerlijk gevonden. Zij, die God in Zijn heilig recht erkennen en in hun binnenste ontdekking deden, tegen dat recht te hebben overtreden komen tot de vraag: hoe verkrijg ik een gerechtigheid , die voor God kan bestaan ?
De wet komt met hare onverbiddelijke eischen, en zij vordert van ons, dat wij al hare geboden nakomen. In Dent. 6 : 25 lezen wij: »En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden voor het aangezicht des lieer en, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.quot; Wij zien hieruit, dat de volkomene betrachting der ge-heele wet, zooals de Heere haar gaf, en wel uit het rechte beginsel en met het rechte doel, onze gerechtigheid voor God zou kunnen zijn. Maar wie is er onder de menschen die naar deze wet heeft geleefd; wie kan zeggen: ik bezit eene gerechtigheid , die de rechtvaardige God van mij eischt en ook mag eischen? Daar nu niemand der menschen deze gerechtigheid bezit, kan niemand voor God bestaan en moet God volgens zijn wezen den zondaar straffen van wege het ontbreken dezer gerechtigheid. In Rom. 3 : 20 lezen wij: i) Daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis der zonde.quot; Hoe duidelijk, omdat de wet door ons is overtreden kan ze ons wel veroordeelen als onrecht-vaardigen, maar niet bewerken , dat wij eene voor God bestaanbare gerechtigheid bezitten. Wanneer wij dus weer met God in vereeniging zullen komen , moeten wij langs een' anderen weg in het bezit van eene gerechtigheid komen ; eene gerechtigheid
II
dooi- ile wet gevorderd en daarom bestaanbaar voor den onkreukbaar rechtvaardigen God: En hoe worden wij nu deze deelachtig? Zooals wij in liet vorige gedeelte gezien hebben zijn de gevoelens daaromtrent verschillend. Wij willen alléén op de H. Schrift afgaan, dan zullen wij ons niet bedriegen.
Niet de erkenning van onze wetsovertreding voor (iod , waardoor wij Hem in zijne eischende en straffende gerechtigheid erkennen en Hem alzoo rechtvaardigen, is onze rechtvaardigmaking. Indien dit zoo ware, zou de Zaligmaker ons persoonlijk berouw zijn. Door dit te stellen verwerpen wij den eenigen Zaligmaker Jezus, en achten wij Hem niet noodig te hebben om tot de vergeving der zonden te komen. Helaas, dit wordt dan hier en daar ook alzóó geleerd en geloofd!
Wij komen niet tot de rechtvaardigmaking door eenig werk van God in ons, zooals het wekken van berouw, hot ontvangen van Christus in ons, ook niet door de vergeving der zonden in vereeniging met de heiligmaking en vernieuwing. (Jok het religieus beginsel is de rechtvaardigmaking niet, maar zij bestaat in een werk buiten ons , dat op onze rekening komt en Hij, die dat werk voor ons of in onze plaats gedaan heeft droeg reeds in de profetie den heerlijken naam van: ygt;De Ilea re onze gerechtigheid.quot;
Wanneer de geredde zondaar dezen naam , van zijnen aan-biddelijken Heiland, uitspreekt kan het niet anders of zijn hart wordt met ootmoedigen lof vervuld. In dien naam heeft hij zijnen »eenigen troostquot; in leven en in sterven. Met het oog op dien Heere is hij zich bewust. mijne zonden bestaan
l'i
niet meer voor God , en kan hij verzekerd zijn van het eeuwige leven. Maar wat verstaat dan de geredde zondaar onder dien naam. Is het dit alléén, dat Christus de eenige Rechtvaardige is voor het aangezicht van God, omdat alléén van Hem kon gezegd worden: ygt;Ik vind geen schuld in dezen menscli of' omdat Hij den menschen tot een Leeraar tot gerechtigheid geworden is (Joël 2 : 23), of omdat Hij de gerechtigheid zoo streng heeft gehandhaafd dat Hij liever wilde sterven dan de gerechtigheid, en waarheid ten Donder te houdenquot; (Rom. 'I : 18) als de groote tegenstelling van het gevallen menschdom; omdat Zijne kracht en Zijn leven de gerechtigheid en waarheid waren naar Jesaja's beschrijving: »Want gerechtigheid zal de gordel zijner lenden zijn; ook zal de waarheid de gordel zijner lenden zijn.quot; (Jes. 11 : 5.)
Indien in dezen naam niets anders lag opgesloten, wat zouden wij dan voor onze arme zielen in Hem bezitten ? Denken wij daarover eens kalm en nuchter na. Hadden wij dan meer in Hem dan eene persoonlijke en levende wet, als een volmaakt voorbeeld. Wel is Hij dat ook, en het zij verre van ons, met het overdrijven van de ééne waarheid de andere te verdrijven, maar beide waarheden willen wij ook in deze behandeling recht laten wedervaren. Indien in dezen naam niets anders voor ons lag opgesloten dan het daareven opgenoemde , dan kon onmogelijk op Hem van toepassing zijn , wat Paulus zegt in Gal. 3:13: »Christus heeft omver-lost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons: want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk. die aan het hout hangt.quot;
Volgens deze beschouwing zoude Hij staan aan de zijde
13
der wet, om haar vloek over ons overtreders te bekrachtigen. Dan zou Hij in denzelfden zin als de heilige wet quot;00)' ons een vloek geworden zijn, een vloek die door zijne rechtvaardigheid over ons kwam, evenals die der wet.
Christus wordt alsdan een tweede Mozes. Op die wijze nemen wij den Zaligmaker uit Jezus weg en het Evangelie uit den Bijbel, alle lichtstralen des behouds blusschen wij uit en een eeuwige nacht der vergelding wordt ons deel. Dan wordt Hij evenals Mozes onze verklager bij den Vader wanneer wij geen andere hoop op Hem hebben (Joh. 5 :45). God heeft. Zijn Naam zij geloofd! iets meer in Hem gegeven. »Een vloek geworden voor onsquot;, dat wil zeggen; een vloek geworden in onze plaats. Den vloek, dien de wet over ons uitsprak, nam Hij vrijwillig op zich. Hij onderging dien en nam hem voor ons weg, zoodat, wanneer wij in Hem zijn, deze op ons niet meer rust. Dat is de heerlijke beteekenis van dien aanbiddelijken naam; »De Jleere, onze gerechtigheid.quot; Hij , de Christus is in het bezit van eene gerechtigheid, die Hij voor zich zeiven niet behoefde, maar die Hij verkreeg voor ons. Daarom is het onze gerechtigheid, .la, voor ons onrechtvaardigen is Hij in het bezit van eene gerechtigheid, die voor God geldt, en die Hij ons wil mede-deelen. Dezelfde God , die krachtens onze zondelooze schepping, in zijne wet, die niet haar in verband staat, eene gerechtigheid verlangt, en bij het ontbreken daarvan door zijne gerechtigheid ons moet straflen, is tevens de hoogheerlijke schenker van haar zelve in den vloekdood van zijnen Zoon. j) Want dien , die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zonden worden rechtvaardigheid Gods
44
iu Hern.quot; (2 Cor. 5 : 21). Omdat God de onafhankelijke Souverein is, wordt (lij alleen in Zijn eigen werk verheerlijkt. Van Hein zien wij eene onverbreekbare wet werken in het gansch heelal. Wat Hij eischt van de schepping geeft Hij haar, wat Hij vordert van de redelooze dieren schenkt Hij ze, wat Hij verlangt van Zijne Engelen verleent Hij hun en wat Hij van ons gevallen Adamsgeslacht eischt deelt Hij ons in den tweeden Adam mede. Zoo is alles vnit Hem, door Hem en tot Hemquot; en voor ons is alle roem uitgesloten. Kwam God in de wet met Zijne gerechtigheid als eisch en bij overtreding van haar als straf', in Christus zoendood gaf Hij ons haar als (jift, maar met voldoening aan Zijn eisch en Zijne straf. Was dit laatste niet zoo, dan zou God zich zeiven als God hebben verloochend en dan kon onmogelijk Christus in zijn zoendood de hron onzer rechtvaardiging voor God zijn. Maar juist door het uitstorten van Zijne ziel in den dood , kon Jesaja van Hem profeteeren : Om den arbeid zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden; door zijne kennis zal mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want hij zal hunne ongerechtigheden dragen (.les. 53 :'li). Omdat de Messias in zijn sterven de zonden zou wegnemen, kon dezelfde Profeet het de geredden doen uitroepen: »Geivisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte, tot Hem zal men komen , maar zij zullen beschaamd worden alten , die tegen Hem ontstoken zijn. Maar in den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, hel gansche zaad van Israel.quot; (Jes. 45 : 24, 25.)
Duidelijk moet het ons worden dat daar, waar de gerechtigheid die God begeert en wij niet bezitten ons door
15
dieiizelt'deu God gegeven is in den zoen- en voldoeningsdood van Zijnen Zoon. Deze leer vinden wij geheel volledig in Rom. 3: '24â-26. En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is: Welken God voorgesteld heeft tot eene verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot eene betooning van Zijne rechtvaardigheid , door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn, onder de verdraagzaamheid Gods ; tot eene betooning van Zijne rechtvaardigheid in dezen tegenwoor-digen tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengenen, die uit het geloof van Jezus is.quot;
De rechtvaardiging gaat allóóri van God uit. Zij is de vrije gift Zijner liefde, die in de genade zich het hoogst oiien-baarde. Zou ze tot ons komen, dan moest dat geschieden in den weg der verlossing, zooals die in Christus is. En die verlossing bestaat in Zijn kruisdood, die door Paulus vloekdood genoemd wordt, daar er in Deut. 21 : 23 geschreven is: quot;gt;gt; Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.quot;
God heeft Christus voorgesteld tot eene verzoening door het geloof in Zijn bloed.
Wanneer wij nu in Rom. 3:21 lezen, dat deze rechtvaardigheid zonder de wet tot ons komt, toch is ze dezelfde waarvan de wet en de Profeten getuigen.
Zooals wij zagen, spraken de Profeten van haar in heldere en verstaanbare taal en de wet deed dat in hare ofFer-instellingen en schaduwen.
Hier worden wij gewezen op het gouden verzoendeksel dat op de Ark lag en de wet met haar vloek bedekte.
Wat de Hoogepriester Israels deed op den grooten ver-
16
zoendag, zijnde het algemeene offer voor de zonden des volks, terwijl de andere offers meer beperkt waren tot de zonden van enkelen, dat heeft onze Heiland in werkelijkheid gedaan.
Kwam het bleed van den geitenhok op het verzoendeksel voor God van wege de overtreding der wet; in Christus zijn in één persoon offeraar en offerlam vereend. Alzoo stelt God de Vader ons Christus voor als het ware verzoendeksel. Zoo is Zijn dood ons tot wegneming der zonde. Hij nam de zonde weg, niet in Zijn leven, maar in zijn dood. Zijn leven, dat bestond in dadelijke gehoorzaamheid, was noodig om voor ons het voldoeningsoffer te kunnen zijn. Als offerlam moest Hij zelf zonder zonde zijn, anders kon Hij niet voor ons voldoen.
Gelijk de wet vorderde offers en Priesters zonder lichaamsgebreken , zoo moest Hij als de ware Hoogepnester , a hei lig , onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondarenquot; zijn. (Hebr. 7:26).
Daar Christus nu zelf aan de wet en hare eischen heeft voldaan in Zijne volmaakte gehoorzaamheid, kon Hij onze schuld in Zijn heilig lichaam overnemen om de straffende gerechtigheid Gods voor ons te ondergaan. En daar Zijne lijdende gehoorzaamheid, ook eene terugwerkende kracht heeft, kon God de wereld ook vóór het brengen van dat offer dragen. God heeft zijne rechtvaardigheid ook betoond over die zonden in den kruisdood van Christus, Wij zien, hoe heerlijk deze verlossing is, waarnaar de Engelen begee-rig waren om haar in te zien.
17
âRechtvaardigheid hield aan om straf,
Genade dong om vrij geleide,
Hier trad Gods wijsheid tnsschen heide ,
Die z' allebei voldoening gaf'. O wonderbare gunstbetooning!
O licht, dat zich van 't krnis verspreidt! Hier schittert Gods gerechtigheid.
Hier straalt genadige verschooning.quot;
Hi.
HAAR MIDDEL.
âDoch wetende, dat du meiisch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, /00 hebben wij ook in Christus Jezus geloofd , opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden.quot;
Gal. 11 : 10.
Hoe onuitsprekelijk groot is (ie liefde van God. Zooals wij hebben gezien, heeft Hij zelf, die in de wet eene gereditig-heid van ons eischt, in Christus die gegeven. Christus is dan ook de hoogste gift des Vaders. Kon Hij als God zijn recht onmogelijk prijsgeven, maar moest Hij haar handhaven om God te blijven en den zondaar te doen zien, wie Hij was, zoo kwam Hij er toe om Zijn Zoon voor ons allen over te geven in den bitteren en, zooals wij hebben gezien, smadelijke» vlockdood des kruises. Hier in dit ofl'er zien wij Gods liefde op het hoogst en tevens op het innigst. Deze liefde is dan ook eenig. Wanneer God Zijne gerechtigheid had kunnen prijsgeven, dan was de liefde aangaande onze schuldvergeving niet zoo groot. Oan was ze in karakter uxcn-
19
schelijk; want wij vergeven ook de zouden en daartoe worden wij dan ook sterk gedrongen door de bedreiging van anders geene vergeving van God te kurmen ontvangen.
Maar wanneer wij liet kwaad, ons aangedaan, aan onze medemenschen vergeven, dan bestaat dat maar alléén uit eene zielsbegeerte om weer met onze naasten als goede vrienden U' leven, en wanneer die begeerte van te willen vergeven in ons is ontstaan, dan doen wij niets anders dan te spreken: »ik vergeef u !quot; en bekrachtigen dat door een warmen handdruk. Wanneer de Heere God daarmede had kunnen volstaan, dan zou zijne liefde van menschelijk gehalte geweest zijn; maai' dat kon Hij niet. Mij moest beide: Zijne liefde openbaren en de zonden naar Zijne gerechtigheid stralï'en.
Een van die beide opheffen kon Hij onmogelijk. Daarom gat Hij Zijn Zoon, om in onze plaats de vloek der wet te dragen en die overgave was met volle instemming van den Zoon zeiven. Wij lezen van den Zoon zeiven in Hebr. '10 : 5â1(); ygt; Daarom, komende in de wereld, zeijl Hij: Slaehloffer en offerande hebt dij niet gewild, mnar (lij luihl mij het li-ehciam toebereid; hrandojferen en. quot;Ij''/' dooi' de tonde hebben I niet behaaijd: toen sprak ik: ;!'â ik kooi, jïn bel begin de* boeltti i* oan mij gesehreueiil om meen wil te doen , o (iod! Ah Hij te eoren gezeqd had: Slaehto/f'er, en o/femnde, en brandofferx, en offert; nmr de zomle bebt (iij niet i/ewild, noch hebben f hebuagd; (dewelke naai' de wet geofferd ivordenj, toen sprak Hij: Zie, ik kom, â on Ih.ven wil te doen, o (iod! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. In reelken wil wij (jeheiligd zijn, door de offerande des iiehaams ran .lezvs Christus, eenmaal geschied.quot; l'ln
20
van den Vader lezen wij : » Want dien, die geene zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hemquot; (2 Cor. 5 : 21).,
Welk eene sehoone harmonie vinden wij hier tusschen den Vader en den Zoon, betreffende onze verlossing. Onmogelijk kunnen wij in deze verlossing aan God zedelijke gebreken toeschrijven, zooals: onrechtvaardigheid, omdat Hij den on-schuldigen Zoon als den schuldigen Adam behandelt, of zooals sommigen in hunne verblinde ironie riepen : »Uw God is een bloeddorstig wezen!quot; Hier is eene wet der noodzakelijkheid in werking. Ook de Zoon, die den Vader in Zijn Wezen kende, omdat Hij in Wezen één was met Hem, is zich ten volle bewust, dat, wanneer Hij zich zeiven niet gat als een offerande in onze plaats, onze verlossing eeuwig onmogelijk was.
In Hebr. 9:22 lezen wij: ygt; Zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving.quot; Zoo is de werkelijke staat der dingen. God wil vergeven en zal vergeven maar kan niet vergeven of er moet aan Zijne gerechtigheid voldaan worden, en dit kon niet geschieden door het bloed van stieren en bokken of eenig ander offer, (hoewel die door God tot opvoedingsmiddelen ingesteld waren) maar alléén door het bloed van het onbedekt en onbestrafjelijk Lam (I Petr. 1-:18, 1!)). loen de Heiland dan ook op het punt stond om zich in onze plaats te offeren stelde Hij het Avondmaal in en bij het opnemen des bekers zeide Hij : » Want dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zondenquot; (Matth. 26 : 28). De weg naar den hemel is nu éénmaal zoo en niet anders en de ervaring heeft geleerd, dat hij vertrouwbaar is en troost geeft aan alle oprechte harten.
21
Zoo zien wij dat onze zaligheid onomstootelijk vast staat in het volbrachte rniddelaarswerk van Gods Zoon , omdat Hij onze plaats innam op het kruis en daarom kan Hij ons behouden van den toekomenden toorn. Maar nu is de groote vraag: is de zaak nu in orde? Hierop antwoorden wij beslist: ))Neen!quot; Buiten ons is alles wel in orde en behoeft er niets meer gedaan te worden, want de Heiland riep met groote stem op het kruis: »Het is volbracht!quot;
Het ofl'er, dat God volgens Zijn Wezen eisclite en gnf, is op het altaar gelegd: dus is de schuld betaald, en God berust in dat offer. Hierin is de Zoon ten volle ons dienende : »Gelijk de Zoon des mensdien niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velenquot; (Matth. 20 ; 28). Zie ook de gelijkluidende plaats (Mark. 10 : 45). Ook de Apostel Paulus spreekt alzoo in 1 Tim. 11:6: yiDie zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen 1) voor onze zonden.quot;
Maar wat buiten ons in orde is en volkomen zonder f enig tekort of' gebrek of' verschil is tot stand gebracht, moet nu ons persoonlijk eigendom worden. God had aan Christus genoeg, want Hij heeft Hem uit de dooden opgewekt tot onze rechtvaardigmaking (Rom. IV : 25). Waarmee God het kon doen, kunnen wij het ook. Christus is niet een halve, maar een volkomen Zaligmaker. Die Hem heeft, heeft voor de eeuwigheid genoeg, want voor wie in Hem zijn, bestaat er geene verdoemenis meer (Rom. 8 :1).
1
) Kantsoen lieteekent: lossingquot;, vrijkooping, en ook de prijs, waarvoor dit gesehicdt.
22
Het eenige middel, waardoor Christus niet Zijne lieilsgoe-deren ons persoonlijk eigendom wordt, is het (jeloof. Door het geloof nemen wij Hem aan en vereenigen wij ons met Hem. Wat Hij voor God is worden wij voor God en wat Hij zelt is in Zijn leven voor den Vader worden ook wij door Hem. Het geloof is dan ook overal in de H. Schrift de eisch des Vaders en des Zoons en de H. Geest bewerkt de zondaren daartoe door het Evangelie. In Joh. 6 : 28, 29 is dit zeer duidelijk. Eenige Joden vragen den Heiland ; » Wat zullnn wij doen, opdat wij de. werken Gods mogen werken '! Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft.quot; Wij weten dat God tot ons gesproken heeft door den Zoon, zoo kunnen wij onmogelijk dwalen wanneer wij ons daaraan houden. Het geloof niet een (onbepaald) maar het (bepaald) werk wat God van ons eischt. »Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagenquot; (Hebr. 11:6). Wil de zondaar Gode behagen, ofschoon hij een zondaar is en daardoor verfoeilijk in Gods oogen, dan moet Hij in den Zoon gelooven.
Door dat geloof verdwijnt de zondaar in (Christus, maar is daardoor tevens verdwenen uit Adam. Nu is hij in een nieuwen toestand en tevens in eene nieuwe verhouding tot God geraakt. God verklaart hem nu rechtvaardig op grond van Christus' werk (Rom. 8 : 33).
Overal verbindt dan ook de H. Schrift de rechtvaardig-makiag en het Eeuwige leven aan het geloof. Wij zouden hier een zeer groot getal Bijbelplaatsen kunnen overschrijven; maar wij zullen 'tbij enkele laten.
Dat het geloof in Christus niet zonder zelfveroordeeling
23
en innig leedgevoel over de zonde dJs een bewustzijn van eigene onmacht tot redding gepaard gaat, wordt verondersteld en behoort tot de natuur van liet geloof. Zal liet geloot' het verinogen hebben om Christus aan te nemen, dan moet het een daad des harten zijn en is dat zoo, dan wordt men gerechtvaardigd al is men ook de grootste der zondaren.
In Rom. 10:10 lezen wij, dat het geloof eene daad des harten moet zijn; ygt; Want met het haH gelooft men ter recht vaardigheid.quot; Zoo zien wij dat het gevorderd geloof niet is de bloote aanname van de leer; maar het aannemen vau-Jezus, de Heere onze gerechtigheid, .Kn dit geloot sluit alle werk van den menscVi tot zaligheid buiten en verlaat zich uitsluitend op het volmaakte werk van Christus. In Rom. -4 : 5 vinden wij deze tegenstelling van geloof en werken: »Doelt dengene die niet merkt, maar gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.quot; Nu zou het geloof onmogelijk het eenige middel onzer behoudenis kunnen zijn, wanneer Christus niet een werk had gedaan, dat op onze rekening kon komen, van daar dat de regel dei- H. Schrift om geloof te eischen aangeeft, in het O. Testament: »lk zal alles voor u doen in Christus,quot; en in het N. Testament: »lk heb alles voor u gedaan in Christus.quot;
lu de drie tijdperken der geschiedenis: vóór de wetgeving, onder de wet en onder het Evangelie is maar één middel dat ons behoudt, n. I. liet geloof. Dit is dan ook de kern en het wezen van Paulus' brief aan de Romeinen. âMaar de rechtvaardige zal uit hef geloof lel!en,' (Rom. 1 : 17).
De geheele brief is de ontwikkeling van deze stelling. Wij
'24
kunnen gerust zeggen: De brief' aan de Romeinen is een uitgewerkte schets over Hoofdst. 1:47.
In Rom. IV spreekt Paulus over Abraham en David, de eerste leefde vóór de wel en de andere onder de wet. Van Abraham vinden wij in Gen. XY : 6: dEh hij yeioofde in den Jieere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.quot; En van David in Ps. XXXII: '2 : » Welgelukzalig it de rnensch , wien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.quot; â Hoe duidelijk is de weg der verlossing. » Vrees niet, geloof'alleenlijk !quot; wordt den berouwvollen zondaar toegeroepen, die van wege liet gewicht zijner zónden nergens een uitweg ziet. In Christus maar ook in Hem alléén is de schuilplaats om ons te verbergen voor het oordeel. In Hem hebben wij onze bedekking en bekleeding. Al de ge-loovigen in den ouden en nieuwen dag vonden door het geloof eene gerechtigheid, die voor God kan bestaan en waardoor ook de Satan alle aanspraak op den schuldigen zondaar verliest. Door het geloof worden hem de zonden niet toegerekend, omdat ze Christus toegerekend zijn. Nu verliest de Satan allen grond om ons te veroordeelen. «Het is volbracht!quot; op Golgotha, dat doet hem verstommen. Wij kunnen nu vrij uitgaan, want God spreekt ons vrij en ons hart ook, wanneer wij gelooven. (Gez. 39 : 6).
Alléén het volbrachte, volkomene en volmaakte kan tot fondament strekken om op te bouwen voor eene nimmer eindigende eeuwigheid. En dit is Christus' werk in onze plaats. Voor mijne overgave aan Hem heb ik niets om op te bouwen ; alles is zonder fondamenteele waarde, ja, wat erger is treedt zelfs tegen ons op in het gericht omdat wij gescheiden van
God leefden naar den wil des vleesclies en der gedachten.
Eu daar een goed werk liefde als bron en Gods eere als dod vordert, zie ik die beide ontbreken bij den natuurlijken mensch. Maar ook na de overgave van Christus ontstaat in den zondaar wel eene groote verandering want -hij wordt een nieuw mensch en alzoo ^wedergeboren tot nene levende hoop door de opstanding van Christus uit de doodenquot; (1 Petr. i : 3). De opstanding van Christus uit de dooden is tegenbeeld van het komen des Hoogepriesters uit het Heilige der Heiligen. Dit was voor Israël het teeken, dat God het olt'er had aangenomen. Dit is ons Evangelie: God nam het oli'er aa.!i, dat Zijn Zoon Hem bracht, de opstanding is de kwitantie dei' groote rekening. Dit Evangelie is het zaad voor het nieuwe leven. Wie dit gelooft wordt verbroken van hart en wordt ontvankelijk om dit zaad in zich op te nemen, waardoor wij een nieuw mensch worden, «geschapen in Christus Jezm tot (joede werkenquot; (Efez. 11:10). Toch is dat nieuwe leven geen grond, maar vrucht van den eenig ivaren en betrouwbaren grond, waardoor wij door het geloof van uit de wereld en ons zeiven overgebracht werden.
Het nieuwe leven is wel de vereischte natuur voor het hemel-leven , maar niet de oorzaak waarom wij in den hemel komen. De verstgevorderde geloovige blijft nog in zichzelven onvolmaakt en kan daarom onmogelijk bouwen op zijne bekeering of loedergeboorte of heiligmaking.
Nu zijn er bestrijders van het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus, die steeds de geloovigen daarin beschuldigen van gerust te zijn op Zijn werk. Maar wij roepen het bun toe: Waarin is dan moe rust gelegen voor de eeuwigheid ?
tgt;G
In uw nieuw leven? la uwe heiligmaking? In uwe liefde tot Jezus? In uwe werken voor Hem? aNeen! dat niet! maar in de vergevende liefde van den Vader.quot; Maar gevoelt gij dan nu niet, dat uwe veroordeeling van anderen eigenlijk uzelven treft ? (iij legt er u bij neer, dat God u toch niet zal verdoemen, al is het ook dat gij zwaar en menigmaal hebt overtreden. Ziet gij nu niet, als gij Christus' zoenoffer niet erkent, dat gij het niet ernstig met uwe schuld neemt. «Medicijnmeester genees uzelven!quot; â uw rust is valsch en bestaat niet. Gij bouwt het huis uwer hoop in het moeras van een valsch godsbegrip, als zoude Hij zijn een weekhartig Vader, zooals er helaas velen op aarde zijn; maar weet wel, de God des Bijbels is zoo niet, en wij hebben in Christus eeue rots, die niet wankelt. Rustende op dien steen, hebben wij den hemel boven ons geopend, even als Jakob te Luz en in geloofstriomf zitten wij er op even als de Engel op den afgewentelden grafsteen, met kleederen, wit als sneeuw, door het geloof als eenig middel gerechtvaardigd.
âIk geloof de schuldvergeving Enkel om des MicTlaars bloed;
In mijn eigen werk en waarde Is geen troost voor mijn gemoed.
Alles, alles is genade :
Hoe strafschuldig ik dan zij,
Ja, mijn Vader! ik geloove,
A.1 mijn schuld vergeeft gij mij.quot;
Gez. 52 : 10.
IV.
HARE UTTWERKING.
âWij dan , gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.quot;
Rom. 5:1.
Het is zoo klaar als de ilag, dat èn in Oud èn in Nieuw Testament liet geloof het eenige middel is om de toegerekende gerechtigheid Gods in Christus Jezus deelachtig te worden, .luist deze eisch des geloofs geeft zoo onomstootelijk aan, dat er buiten ons eeti werk door Christus is tot stand gebracht, dat voor üod niet alléén kracht heeft voor de nieuwe bedeeling alléén, maar ook voor de oude, ja eene eeuwig geldende waardij bezit.
Wanneer de Heere ook maar 't geringste werk van den zondaar vorderde, dan was zijn toestand hopeloos; zelfs de gebeden, als gebeden, al zijn ze ook uitingen en vruchten van een ootmoedig geloof, hebben nog smetten en gebreken. Daarom is het ontegenzeggelijk, dat er nooit voor den schuldigen zondaar volstrekte zekerheid des eeuwigen levens kan zijn, of het moet zijn door zijn geloof in Christus, die aan
28
het kruis voldeed voor zijne schuld. Langs geen anderen weg en door geen ander middel is de zekerheid des eeuwigen levens te verkrijgen. Wij prijzen in dezen de orde des heils, dat ze zoo geheel berekend is naar onzen staat als gevallene en straf-schuldige schepselen. Er zijn heel wat geruste menschen op aarde en velen gaan ook zeer gerust en onbevreesd de eeuwigheid in, hoewel zij eenen anderen grond hebben, dan den door God gelegden hoeksteen Christus; maar twee dingen worden wij bij hen ontwaar: ten eerste: dat zij blind zijn voor den vrerkelijken toestand van zich zei ven, dat zij ten tweede geen vreugde hebben in het aangezicht des doods. Bij hen is een onaandoenlijkheid aangaande den dood en de eeuwigheid. Bij den geloovige is dit Juist tegenovergesteld. Hij ziet duidelijk in, een overtreder der Goddelijke wet te zijn en gevoelt zich geheel onbekwaam om eenig goed werk uit zich zeiven voorttebrengen; daarbij erkent hij het recht van God om hem te straffen en ziet hij den onover-klimbaren muur van Gods heiligheid; en daar de wedergeboorte het Ideaal der volmaaktheid in den geloovige brengt, vindt hij in zich en buiten zich niet één werk beantwoordende aan dat Ideaal der volmaaktheid; daarom vervallen zij ook voor hem als grond voor de eeuwigheid. Dit hebben wij ook al in het vorige gedeelte gezien. Desniettegenstaande is hij met dood en oordeel voor zich; en door zijn geweten, zijn leven en door den Satan beschuldigd, toch zeker van liet eeuwige leven. Daarbij komt, dat deze zekerheid met verlangen naar Jezus en vreugde in Hem gepaard gaat. Zie, dit is eene onomstootelijke zekerheid, als men de werkelijkheid aandurft en toch gerust blijft. Die zekerheid geeft het
29
geloof in Christus, sgt;die. overgeleverd is om onze zonden en opgewekt is om onze rechtvaardigmakingquot; (Rem. -4 : 25).
Nog niet zoo lang geleden kwam ik aan het ziekbed van een man , van wiens karakter en leven ik de beste getuigenis had vernomen. Hij lag altijd nog in bekommering en ziele-strijd en kon nog niet zeggen zeker te zijn van het eeuwige leven. Ik wees hem op den Heere Jezus, die in onze plaats aan Gods eischen had voldaan en dat er nu voor ons niets meer was te doen overgebleven, en maakte het hem zoo duidelijk mogelijk, dat deze weg de eenige en zekere weg des levens was. Hoe langer ik sprak hoe aandachtiger hij hoorde en, als een dorstig land den milden regen, zoo dronk hij de Evangeliewoorden op. Een uur na mijn bezoek zong de man ;ils eeti verloste. Kan er een andere weg zijn om behouden te worden ? Neen ! eeuwig neen! roepen de geloo-vigen uit alle eeuwen en alie kerkgenootschappen als een eenia; man. Christus alléén behoudt den zondaar, en anders
J
niemand en niets. Daarom alle dwaalleer, waardoor Christus als de verzoener door voldoening ter zijde wordt gesteld. kan wel door onkunde en achteloosheid der Gemeente voor een korten tijd eenigen ingang vinden, maar krijgt geen burgerrecht , of de Gemeente moet ophouden Gemeente te zijn. Weldra bemerkt het instinktmatig gevoel der geloovigen dit; waardoor zij inzien, dat, indien wij Christus niet noodig hebben als eene verzoening voor onze zonden , Hij geheel voor ons vervalt. Wie den Hoogepriester verwerpt, verliest ook den Profeet, ja is evenzeer onwillig om onderdaan van den Koning te zijn. Alie prediking, waarin niet Jezus Christus als het Lam voor ons geslacht kern en wezen is, is te arm om
30
een zondaar rijk te maken en te schraal om een geloovige te voeden. Daarom zal de Gemeente, die de vereenigins der Bijbelsche geloovigen is, altijd handhaven de leer van de toegerekende gerechtigheid op grond van Christus' sterven in onze plaats.
Wat heeft dit geloof in Christus eene heerlijke uitwerking! Alles wat ons zondaren in verhouding tot de moeilijkheden des levens, en met liet oog op den dood en de eeuwigheid maar gelukkig kan maken, is daarvan de vrucht.
Wanneer wij Rom. 5 lezen, dan geeft de Apostel ons aan, welke de vruchten of uitwerkselen zijn van het geloof in Jezus. De groote zaak, waarop het geheel aan komt is onze rechtvaardiging. Wij moeten in eene andere verhouding tot God komen d. w. z. wij moeten rechtvaardig verklaard worden. Dit doet God, wanneer wij door het geloof treden in Jezus, yxlc ileare onze gerechtigheid.quot; Hij ziet ons dan aan in Hem en wij houden op schuldig voor Hem te zijn. Wanneer wij ons dit door het geloof bewust zijn, dan krijgen wij Dvre.dc. bij Godquot; (vs. i ). Let wel, de vreeze voor straf is weg. Zijn toorn hebben wij niet meer te duchten (Rom. i:'18; Joh. 3 : 36) maar in plaats daarvan het genot van Zijn eeuwig welbehagen. Hierin is Jezus onze Silo of Vredevorst. Met dien vrede gaat vergezeld de vtoeleidingquot; (vs. 2.) of toegang, wij mogen er ten alle tijde naar toegaan, om onze ziel te verkwikken en steeds meer versterkt te worden in de overtuiging dat deze genade voldoende is om ons te behouden. Dat geloof doet ons staan op den vasten , onbewegelijken grondslag der genade en dat staan brengt tot ttroemen in de hoop der lieerlifkheid Godsquot; (vs. 2). Die hoop der heerlijkheid . die nn als eene helder
llikkereude stor uan den donkeren hemel opging, geeft licht tot eene andere levensbeschouwing. Leidt de druk den wereld-schen en eigengerechtigen mensch tot opstand en murmureering bij de geloovigen is het: »wij roemen ook in ile verdrukking, wetende dal de verdrukking lijdzaamheid (vs. 3.) (standvas-tiglieid) werkt.quot; Wanneer dit zoo is, ilan geeft de igt;(ijdzaam-heidquot; weer heoinding (vs. 4.) (bevestiging des geloofs) en de ygt;bevinding quot; Dhoop.quot; Nu staat «Ie vhoopquot; zoo vast, dat de geloovige zeker weet, niet beschaamd te zullen worden )â¢gt;omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort ix door den Heiligen Geest, die on* is gegevenquot; (vs. 5). Nu is dan ook alle twijfel opgeheven ; want de grond dier is niet
in den geloovige zeiven; maar in Christus, die vvoor ile goddeloozen stierfquot; (vs. 6.), dewijl God zijne liefde juist daarin heeft bevestigd, dat Hij Christus voor Sizonilurcn liet sterven (vs. 8). Die dood, het geven van zijn bloed, leidt tot rechtvaardiging en verlost van den Dtoornquot; (vs. 9).
Daarbij komt, dat zijn terugkeer uit den dood de waarde van Zijn dood bevestigt, en daarom is zijn leven de kroon op Zijn verlossingswerk (vs. 10). Het leven wordt nu een vroemen in Jezusquot; als den grooten bewerker en uitwerker van de verzoening door Gods liefde tot den zondaar gewild (vs. 41).
In dien Christus gaat de geloovige in den tweeden Adam over en komt in een nieuwen toestand. God ziet hem niet meer in Adam; maar in Christus. Zijn werk rekent Hij den zondaar toe (vs. 12â20).
Na dit te hebben gezien roepen wij uit: Is er nog iets meer noodig om een mensch , een verloren zondaar , voor tijd
32
en eeuwigheid gelukkig te maken'! Maar, hoor ik mij daarop toeroepen , dat is gemakkelijk. Als een zondaar zich zoo maar neerlegt bij het werk van Christus, in zijne plaats geschied, dan kan hij maar dezelfde mensch blijven en er op voortzon-digen. Dit geven wij u niet toe. Ook wij handhaven: »Zonder wedergeboorte zal niemand het Koninkrijk Gods zien en ingaanquot; (Joh. 3); dat in Christus niet eenige kracht heeft dan een »nieuw schepselquot; (Gal. 6 :15) en dat het sterven aan de zonde vereischte is om te kunnen leven (Rom. 6 : 7). Ook beamen wij het welbekende versje:
» Was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren en niet in U, zoo zijt gij toch verloren.quot;
God beware ons voor eenzijdigheid in onze opvatting van de verlossing, die in Christus is. De verlossing heeft twee zijden; bestaat uit twee deelen. Wie nu maar een van die beide wil hebben, verliest het geheel; want zij kunnen niet gedeeld worden zonder schade voor onze ziel.
In Jak. 2 wordt over het doode en geloof gespro
ken. Zoo kan het doode geloof waarheden aannemen; zooals de geschiedenis maar al te treurig bevestigt. Een mensch kan er zelfs toe komen, om alle waarheden te onderschrijven, zonder eenigermate naar het hart te veranderen, hoewel zijn hoofd anders denkt, dan dat der ongeloovigen. Zoo kan een mensch kerkelijk geloovig zijn als tegenstelling van de verwerpers der waarheid en toch nog voor God »dooii in zonden en misdadenquot; zijn. Maar nu is de groote vraag: heeft die mensch Christus als »cte Heere onze gerechtigheid.quot; aangenomen of alléén het dogma, dat Hij dat is ? Immers het laatste. Van Christus komt niet alleen de recht vaar digmaking maar
33
ook liet nieuwe lenen. Wie rnet een oprecht geloof Christus aanneemt in zijne kruisverdiensten, ondergaat tegelijk eene vernieuwing des harten, omdat Christus in hem wordt opgenomen. Nu behoort die vernieuwing des harten wel niet bij het werk van Christus, om Zijn werk ter onzer verlossing volkomen te maken. Zij is niet het tekort, van de betaalde rekening, geenszins! maar ze is de noodwendige vrucht, die zijn werk voor ons in ons tot stand brengt.
Jakobus wijst ons in Hoofdst. 2 : 21 en 25 op twee voorbeelden uit het O. T. waar het geloof' als een levend beginsel zich door werken rechtvaardigde. Die voorbeelden zijn Abraham en Rachab de hoer. Van Abraham zegt hij in vs. 23: »lïn Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend en hij is een vriend van God genaamd geweest.'''' Hier zien wij , dat Jakobus niet met Patdus in strijd is. Beide schrijven Abrahams' rechtvaardiging aan het geloof, als het eenige middel toe. Dat geloof nu van Abraham en van Rachab is gebleken een levend geloof te zijn en wel daarin , beide geven hun leven aan God ; wijden zich geheel aan Hem , in Wien zij hun leven hadden. Abraham legt zich in Izak voor God op het altaar en Rachab in de verberging van de verspieders. In deze daad houden beiden op om voor zich zeiven te leven, want zij geven hun leven aan God.
Hun Ik stierf en een ander Ik vertoonde zich in hen. Dit is de geschiedenis van het heerlijke verlossingswerk des Heeren. Op de toegerekende gerechtigheid, volgt de levensgereclitigheid.
In Rom. 6 zien wij die inéénvloeiing van de voorwer-pelijke met de onderwerpelijke verlossing. Zij zijn van elkander niet te scheiden. Zij staan tot elkander, gelijk wij reeds
3
34
gezegd hebben : als oorzaak tot gevolg. Een goede boom brengt goede vruchten voort, de zon geeft licht en warmte, de regen wasdom en liet geloof werken, Grode tot eer.
Rom. 5 eindigt met de woorden dat God door tie wet de misdaad meerder maakte, met het heerlijk Gode waardig doel, om zich als de God der liefde volmaaktelijk te openbaren , door alle bewindselen Zijns wezens weg te doen , opdat de arme doemschuldige zondaar alle hoop zou hebben op verlossing en in Rom. (i ; 1 doet l'aidu* de vraag : » Wat zullen wij dan zeggen? zullen toij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde'?quot; Maar wat is hierop zijn antwoord? )gt;Zeer zeker; want wij blijven nu ons oude leven voortzetten,quot; volstrekt niet! Hoor wat hij even beslist als het vorige zegt: vTJat zij verre, Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen toij nog in dezelve leven ?quot; (vs. 2). Volgens het redebeleid des Apostels staat het laatste met het eerste in verband. De geloovige. aanvaart niet door het geloof bet werk van Christus, voor hem aan het kruis geschied, met terzijdestelling van Zijn persoon, maar hij vereenigt zich met Hem zelven. en nu heeft hij de bate van Zijn werk zoo wel voor hem als in Hem. Hij wordt »eene plantquot; met Hem (vs. 5) en zijn oude mensch wordt daardoor met Hem vgekrrmigdquot; (vs. 6). Zoo spreekt die zelfde Apostel in Gal. 2 :'20 : »/A' hen met Chrvttua gekruist; en ik leef, doch niet â meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vleeseh leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en ziehzelven voor mij overgegeven heeft.quot;
Men verhaalt van den Graaf van Zinzendorf, dat hij onder
35
eeiie schilderij, den gekruisten Christus voorstellende, de woorden las: »Dtit deed ik voor U; wat doet gij voor mij?quot; en die overgave van den Heere voor hem, bewerkte hem om zich geheel voor den Heere en zijn dienst te geven. Van een slaaf las ik, dat een heer hem voor een groote somme gelds vrijkocht en toen zijn liefderijke kooper hem de vrijheid schonk, weigerde hij die met de woorden ;»Ik wil niet vrij zijn, maar steeds uw dienaar zijn.quot; Zoo ook hier; Christus te gelooven doet den zelfzuchtigen, wereldlievenden , eigengerechtigen , hoogmoediger! en waanwijzen , aan zichzelven sterven en opent het hart voor de inwoninge Christi. Alle zedeleer, al is ze ook op de leest van het N. T. geschoeid, valt met de verloochening van Christus' sterven in onze plaats, in het kader der wet en mist even als de wet eene levendmakende kracht. Overal wordt in de H. Schrift het leven voor God en voor den naaste met al zijne vertakkingen aan het gelooven in Christus zoenverdienste toegeschreven. Op de lijdelijkheid des geloofs komt de werkzaamheid, dér liefde. Wanneer er vermaningen voor de geloovigen noodig zijn, dan is het: »(iij zijl duur gekochtquot; enz. (1 Cor. (i : 20), opdat de liefde meer opgewekt worde door de groote liefde van Christus. Zoo werden de Israëlieten altijd herinnerd aan de verlossing uit Egypte. Het is een volle waarheid dat Christus den geheelen mensch verlost: van onkunde en dwaling; want Hij is van God gegeven tot v wijsheid,quot; van schuld; want Hij is ome ^rechtvaardigheid,quot; van de macht der zonde; want Hij is onze ^heiligmaking,quot; van het lichaam als woonplaats der zonde en des doods en van alle de gevolgen der zonde; want Hij is onze ygt;verlossingquot; (I Cor. 1 : 30).
36
In den Catechismus komt aangaande de toegerekende gerechtigheid voor in Vr. 64:
«Maar maakt deze leer geen zorgelooze en goddelooze menschen ?quot;
Hierop is het besliste antwoord: »Neen zij: want het is onmogelijk, dat, zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.quot;
V.
HARE BESTRIJDING.
âIk doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus te vergeefs gestorven.quot;
Gal. 2:21.
Het is ons duidelijk geworden, flat er voor den diepgevallen en on machtigen zondaar nergens eenige hoop is voor de eeuwigheid, dan uitsluitend in Christus en zijn Hoogepries-terlijk verzoeningswerk. Wanneer daarom de zondaar zichzelven ziet, zooals hij is, en alle hoop op de wet op geeft, als zoude zij hem kunnen rechtvaardigen, dan krijgt hij oogen voor den bloedigen Christus op Golgotha. Het is dan zijne begeerte om eene plaats te hebben bij het kruis, want nergens vindt hij eene veilige plaats dan alléén daar. Gelijk de duif van Noach nergens plaats kon vinden voor het hol van haar voet, zoo kan de zondaar nergens een standplaats en wijkplaats vinden dan alléén bij Hem, die leed en stierf in zijne plaats. Overal ziet hij zich onder het oordeel, maar in Christus is
38
er geene verdoemenis. Dit inzien en gevoelen van den aan zichzelven ontdekten zondaar is maar niet denkbeeldig en een gevolg van gebrekkige Godskennis. Het is niet een staat van owerbevreesdheid, zoodat het hem in zijne angstige verbeelding is als toornde God op Hem. Volstrekt niet, het is het werkelijk gevoel van zijn toestand; hij heeft den indruk van Gods uitdrukkingen in zijn woord. Zijn onderwerpelijk gevoel, ik ben een kind des toorns (Efeze 2 : 3) is eene vrur.ht van de voorwerpelijke waarheid : » Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen als die de waarheid in ongerechtigheid te onderhouden.quot; (Rom. 1 :18). â¢Â» Want de wet werkt toorn.quot; (Rom. 4:15). »GoiI is een rechtvaardig Hechter, en een God, die ten allen dage toorntquot; (Ps. 7 ; 12). Deze drie uitspraken, die ik met vele andere kon vermeerderen , drukken het onomstootelijk uit, dat de toorn bij God werkelijk bestaat en dat hij niet een gebrek is, door den mensch tengevolge van zondegevoel en lijden hem toegeschreven.
De zaak is als volgt: God als de driewerfheilige, die den mensch rein schiep moet nu toornen over het ontstaan van de zonde in de menschenwereld. Dit is eene onverbiddelijke noodzakelijkheid. Dat Hij dus in toorn tegen de zonde is ontstoken is niet een zedelijk gebrek (aan God toegeschreven j maar een der deugden van Zijn Wezen. Als Hij niet toornde tegen de zonde, verzwakte Hij het kwaad als kwaad en zou Zijne liefde aangaande onze verlossing ook niet zoo onuitsprekelijk en onbegrijpelijk groot zijn.
De toorn, die in God tegen de zonde bestaat, maakt zich iti de wetgeving openbaar. Zij ging vergezeld van onweder
39
en aardbeving, symbolen iles toorns en van het oordeel, want de wet zelf spreekt den vloek over den overtreder uit. De Schepper is ook ygt;Rechterquot; en daarom toornt Hij aten allen dage.quot; â Wanneer wij nu van dienzelfden God getuigd vinden , dat Hij Adam, na zijne overtreding laat leven, dat Hij zijne zon laat opgaan over boozen en goeden en zijn regen laat vallen over rechtvaardigen en onrechtvaardige!! en dat Hij zelf zweert geen lust te hebben den dood den (joddeloozenquot; (Ezech. 33: lij; is dit dan niet met het eerste in volle tegenspraak? .Ta, voor allen, die het plaatsvervangend lijden van Christus verwerpen ; zij moeten ook het eerste verwerpen, maar niet voor hen, die als een kind er in ge-looven; voor hen is het raadsel opgelost. God, die toornen moet over de zonde van wege Zijne heiligheid en rechtvaardigheid , wil nogtans den zondaar door Zijne liefde redden. Dit beide kon niet zonder Middelaar; van daar de gift des Zoons , stervende onder den door ons verdienden vloek. Nn kon God Adam sparen en tot heden toe zijne nakomelingen zegenen, op grond van Christus werk. Paidiis geeft ons in Rom. 3 : 25 den sleutel van dit mysterie. Door dien sleutel te gebruiken gaat eene poort voor U open, die U voert in het hemelsch Paradijs. Wij lezen daar: â¢Â» Welken (iod voorgesteld heeft tot eene verzoening door hel geloof in zijn bloed, tot eene belooning van Zijne rechtvaardigheid door de vergeving der zonden, die te voren geschied, zijn onder de verdraagzaamheid (lods.''
Toch vindt deze leer zoo ontzaggelijk groote bestrijding van de zijde der menschen. Hoe is dat toch mogelijk ? Wel, omdat de mensch niet alléén een geweten heeft, maar ook een hart
40
en een hoofd. Nu kan het geweten er zelfs toe komen, om met deze leer in te stemmen, dat toch het eigengerechtig hart en waanwijs hoofd er zich tegen aan kanten. De ge-heele geschiedenis leert, dat die beide, twee vijandige machten zijn tegen een Evangelie, dat alléén uitzicht op behoud aan den doemschuldigen zondaar aanbiedt. De Apostel Paulus had daarvan dan ook de droevige ondervinding. Hij uit dit in 4 Cor. 1 : 23 : vDoch wij prediken Christus, den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis en den Grieken eene dwaasheid.quot; Dat Christus den kruisdood moest sterven, om den vloek der wet te dragen, ergerde den eigengerechtigen Jood, die meende wel het leven door het volbrengen der wet te hebben verdiend. Bij hem kantte zich de eigengerechtigheid tegen het middelaarswerk van Christus aan en maakte hem blind voor zijn eigen godsdienst. Die eigengerechtigheid was hem een deksel op de oogen, hem belettend om de lichtstralen der profetie van het te komen Lam, dat de zonden zou wegnemen, op te vangen of ook, in de offerinstellingen de symbolen te zien van den toekomstigen Messias, die de zonden zijns volks zou verzoenen. Tot heden is deze eigengerechtigheid de hoofdmacht, die bij den .lood is te overwinnen. Jes. 53 zal, wanneer Israël tot zijn Messias zal bekeerd zijn, uit het hart van Israël voortkomen. De profetie geeft reeds van te voren de belijdenis van het bekeerde Israël aan. Tot nu toe is dit heerlijke gedeelte van .Tesaja nog »de martelaarskamer vóór de Rabbijnen.quot; Bekeert zich daarentegen een Jood tot den Christus, dan verstaat hij zijn O. T. en het Lam van Jesaja 53 plaatst hij voor den Koning uit Jes. 41 , omdat hij duidelijk inziet, dat er zonder dat Lam geene weg-
41
neming der zonde mogelijk is. Da Cost a, ook een bekeerd Israëliet, zegt van .les. 53: »De profeet doet al liet mogelijke , om door de veelvuldige herhaling van hetzelfde denkbeeld in andere bewoordingen, alle onzekerheid en onduidelijkheid weg te nemen , en waarom doen dan zoo velen al het mogelijke, om deze waarheid weg te redeneren, te ontzenuwen en krachteloos te maken? Waarom wil men toch oj) andere wijze behouden worden dan God ons wil behouden ? Waarom wil men den volmaakten troost, dien God ons geeft, door ons in Christus de volmaakte kwijtschelding onzer schuld te geven, niet aannemen, om zich te troosten met eigendunkelijke voorstellingen van Gods goedheid en vergevensgezindheid ?
Men zegt: God is liefde; wie zal het ontkennen ? Hij is de liefde, maar is Hij ook niet de heiligheid ? Hij heeft geen lust aan den dood des zondaars, zeker, maar heeft Hijzelf niet den dood over den zondaar uitgesproken? Hij wil, dat de zondaar zich bekeere en leve; onbetwistbaar, maar hoe kan de zondaar zich bekeeren en leven, wanneer zijne schuld en zijne straf, zijne zonden en zijn dood niet van hem worden weggenomen? En waar is nu de Goddelijke vereffening van deze Goddelijke tegenstrijdigheden anders te zien en te tasten dan in de zelfofferande van Christus, in welke de liefde en de heiligheid Gods samenvloeien tot verzoenende liefde tot barmhartigheid, tot ontferming, tot genade ? Zalig de mensch, die met droefheid over eigene zonden, dezen troost van God ontvangen heeft! Hij kan op aarde niets hoogers ontvangen, want daarna volgt de heerlijkheid. Hij is om onze overtredingen verwond. Merkt de letterlijkheid der voorspel-
4'2
ling op. Het kruislijden wordt ook liier bepaald voorzegd. Op het kruis werd liet lichaam verwond door liet indrijven der nagelen. Het oorspronkelijk woord beteekent echter meer doorstoken ; ook hiervan had de vervulling letterlijk plaats. Het zelfde geldt het woord: ))door zijne striemen is ons genezing geworden.quot; Niets laat striemen achter dan geeselslagen, en deze gingen de kruisiging vooraf. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, Uod kan niet anders straflen dan zonden, en iioe zou God dan den Rechtvaardige, den Heilige, de straf kunnen opleggen, indien niet Hij zelf Hem tot zonde had gemaakt voor ons, opdat wij rechtvaardigheid Gods zouden zijn in Hem (II Cor. 5:21), dat is , indien niet God Zijn Zoon in de plaats van den zondaar, en de zondaar in de plaats van Zijn Zoon had gesteld ? Er is geene andere verklaring, welke deze naam verdient, denkbaar.quot;
De Griek, die zich door zijn verstand liet besturen als de hoogste macht, vond het niet dwaas, dat een Jood voor zijne overtuiging een martelaar werd , maai' dat Jezus van Nazareth , stervende aan het kruis, verzoening van de zonden te weegbracht. Dat was voor zijn verstand een onoplosbaar raadsel. Tot heden wordt Christus noch door de wijsheid noch door de vroomheid van den onbekeerden mensch verstaan.
Göthe was zoo nederig dit eenmaal te erkennen. »Ik ga,quot; zeide hij, »in de wereld voor een geleerd man door, maar wat de vromen toch eigenlijk verstaan onder eene toegerekende gerechtigheid, kan ik niet vatten.quot; Dit was ook zoo; alléén die zich door God laat leeren verstaat dit, maar dan moet hij kind zijn en allen anderen steun voor de eeuwigheid overboord willen werpen. De Apostel Paulus heeft in den brief
aan rle Romeinen een uitgewerkte schets gegeven over de toegerekende gerechtigheid, zooals wij reeds hebben opgemerkt. Ook zijn brief aan de Galaten heeft dezelfde strekking. Pau-Ins stond om het zoo eens uit te drukken op den wachttoren der genade, let wel: genade in Christus. Wanneer hij nu van dien wachttoren maar iets ontdekte, dat de genade zou verdrijven, zooals wettische eigengerechtigheid van den .lood of ijdele lilosofie van den Griek, dan kwam hij te voorschijn en maakte de Gemeente wakker en kondigde haar aan, dat deze leer van Christus afweek. Wij hebben daarvan in de brieven aan de Galaten en Collossensen het sterkst bewijs. Hij raakt dan zoo vol vuur, dat hij in eerstgenoemden brief het uitroept: »Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.quot; (1 ; 8.) Eén van tweeën is voor Paulus eene onomstootelijke grondstelling: als wij Christus niet hebben als den drager van onzen vloek, dan zijn wij gehouden dien zelf te dragen. Wie geen plaatsvervanger wil moet zelf dienen, en wie Jezus, den door den Vader gegeven Plaatsvervanger, verwerpt, komt zelf in het oordeel. J'nulus was zich dit door kennis van zijn eigen hart ten volle bewust , dat de mensch in zijn natuurstaat beslist vijandig stond tegenover het Evangelie des kruises, vandaar, dat hij het gedurig laat uitkomen, dat er voor de Gemeenten gevaar was om de «gezonde leerquot; (11 Tim. 4 : 3) los te laten. Het is voor den zondaar zoo hoogst moeilijk om alle gewaande gerechtigheid als een »wegwerpelijk kleedquot; te beschouwen (.les. 64 : 6) en alléén aan Christus gerechtigheid genoeg te hebben. Wij zien dan ook in de geschiedenis der
44
Kerk zoo spoedig een loslaten van de Apostolische leer der zalig-lieid. Ook Johannes, die alle Apostelen overleefde schrijft er van : ygt; Hetgeen gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat hlijve in U. Indien in U blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zoo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven (1 Joh. 2 : 24).
Wij zien door dit een en ander, dat de geloovige niet alléén zuiver moet zijn in het leven maar ook in de leer. Beide leer en leven hebben de Apostelen gehandhaafd, als naar des Heeren wil te zijn. Wij moeten zeer op onze hoede zijn om een van beide los te laten, of om een der beide vóórop te plaatsen. De Christen heeft te waken tegen alle »door vloeiingquot; (Hebr. 2:1), want dit loopt uit op schade zijner eigene ziel en die van anderen. De geschiedenis der kerk toont aan, hoe door het slapen der geloovigen de duivel onkruid onder de tarwe zaaide (Matth. 13:25). Wanneer lt;ie Gemeente als hare hoogste openbaring voor den Heere in deze wereld het Schibboleth doet hooren: »zuiverheid in de leer,quot; dan zal er minder op het leven der geloovigen gelet worden, zooals ook nog in onze dagen zoo duidelijk te zien is, en dit leidt tot onverschilligheid en meerder ongeloof in de wereld. Dan sluit men den pas af tot het hart dei-oprechte wereldlingen en de schade aan arme menschenzie-len gepleegd is onberekenbaar groot. Men ziet dan ook brutaal ongeloof veelal tegenover doodkerkelijke rechtzinnigheid. De bestrijders der waarheid vinden dan ook steun en kracht om hun heilloozen strijd tegen de waarheid voort te zetten. Ware het leven meer in overeenkomst met de waarheid, die men belijdt, dan zouden meerdere zielen voor den Heere Jezus worden gewonnen.
45
Daarentegen is liet andere ook waar; wanneer men het met de leer minder ernstig neemt en het Schibboleth wordt: Dieven, leven, wat doet het er toe of wij al rechtzinnig in de leer zijn?quot; dan plaatst men de heiligmaking voor de recht vaardigmaking en het Evangelie voor den boetvaardi-gen zondaar wordt niet meer gehoord; de genade wordt te niet gedaan, en de mensch moet in zijne heiligmaking zijne rechtvaardigmaking voor God zoeken en daarin zijn grond vinden voor de eeuwigheid.
Dit gaat evenmin. Voor den oprechten zondaar ontbreekt dan het licht om te weten, hoe hij verlost wordt van zijne zonden om gerust de eeuwigheid in te gaan. Alle eeuwen door was er eene gedurige afwijking van de leer der toegerekende gerechtigheid , soms door eene verstrikking van bij eigene vroomheid te leven, zooals bij vele gemoedelijke en ernstige menschen; maar véélal meer nog door hoogmoed verblind kantte men zich tegen die in de geheele H. Schrift gelegde waarheid, die volkomen troost geeft, bij eigene veroordeeling , zelfs in het aangezicht van den dood.
Laten hare bestrijdingen maar doorgaan het zij bedekt of openlijk , die strijd zal steeds meer voor de ootrnoedigen, die bij hun hart leven en daarom zich niet in waanwijsheid en eigengerechtigheid tegen het aangebrachte heil verzetten, de zekerheid geven van geen ^kunstig verdichte fabelenquot; te volgen maar Gods onbedriegelijk en eeuwig blijvend woord. God zal voor zijn woord zorg dragen en al zijne bestrijders zullen éénmaal uitgeput en overwonnen aan zijn voeten liggen met den uitroep: Wij hebben het Lam verworpen, wie kan nu voor den Leeuw bestaan!
46
âHoe rilt,, hoe beeft op dat gezicht, Wie willens blind voor 't godlijk licht-, Dat iedereen in d' oogen stroomde, Uw roepstem sinaadd', uw bloed vertrad En, waar 't geweten prikkels had.
Zich alles gaarn' als fabel droomde. Hij ziet ü, ijst, gilt uit ; âHij is't!quot; Hij voelt zijn eeuwig lot beslist.quot;
Gez. 158 : 8
VI.
HAAR INVLOED OP DE H. SCHRIFT.
âWant alzoo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten , zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.quot;
Kom. X : 5.
Uit liet vorige gedeelte hebben wij opgemerkt, dat ei twee machten in den mensch zijn, die vijandig zijn aan de leer der voldoening, waarvan de vrucht is de toegerekende gerechtigheid. Het Evangelie, hoewel voor den mensch bestemd, is dus niet naar den mensch. Het kan daarom nooit een voortbrengsel zijn van den mensch maar wel een uitvloeisel van de genade Gods, in Christus Jezus.
Het geloof, dat wij alléén door de toegerekende gerechtigheid behouden kunnen worden , en alle onze gerechtigheid voor God, in betrekking tot onze zaligheid, een »vvegwerpelijk kleedquot; is, is niet naar do natuur van den mensch; maar wordt gewerkt ondanks ons verzet, en tegen onze natuur in
48
zelfs bij hen, bij wie het geloof dood is, omdat zij wel in de leer, maar niet in den lleere gelooven, is toch door het onderwijs der waarheid eene overwinning op de rede behaald. Zij hebben deze leer maar zoo niet uit zichzelven voor waarheid aangenomen. In hen was verzet en opstand daartegen; maar eindelijk triomfeerde de waarheid en men kwam er toe om er in te berusten dat het toch wel zoo zou zijn, dat een verloren zondaar op geen andere wijze gered kon worden. De leer, dat de mensch door de zonde een onvolmaakt wezen is, en ook bij alle streven naar volmaaktheid een tekort zal hebben, maar dat hij daarom toch niet behoeft te wanhopen, daar God een vergevend Vader is, en dat wel buiten het offer van Christus, is veel meer een leer naar onze bedorven natuur. Hierbij kan de mensch zich zoo geheel neerleggen. Hij gevoelt zoo, dat deze voorstelling van God en den mensch uit den mensch is genomen, en daarom beter vereenigd is met Zijne natuur.
Deze leer mist eiken prikkel tot dooding des vleesches en tot een ijveren voor de eere Gods. Zij is dan ook onvermogend om in den mensch eene beroering te brengen, waardoor hij in strijd komt met zich zeiven en eene verandering begeert ten leven. Zij is de leer van de «genisten te Zionquot; en van de ^zekeren op den berg van Samariaquot; waarover God het »wee Uquot; uitspreekt, (Amos 6 : 1).
Nogmaals drukken wij er op, dat wanneer een mensch de leer der waarheid tot zaligheid aanneemt het zij bloote-lijk als leer of volledig in vereeniging met den Heere, dan is dit in beide gevallen een daad hoven de natuur maar in geen geval een daad van de natuur. Ook bij eerstgenoem-
49
den heeft de H. Geest een verlichting des verstands bewerkt al is ook nog het hart niet gewonnen voor Jezus. De Duivel werkt wel met 's menschen zondige natuur mede; maar niet daartegen in. Op de verwerpers is wel van toepassing: »In de welke de God dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods isquot; (2 Cor. 4 ; 4). ygt;En in alle verleiding der onrecht-vaardigen in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En daarom zal hun God zeilden eene kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven.quot; (2 Tess 2:10, 11).
Wie de Mefde der waarheid'''' verwerpt meene niet, dat hij onder den invloed van Gods Geest zulks doet; maar kome tot bezinning en dan zal hij bezien, dat het is door ygt;verleiding des Satans,quot; die zich meester heeft kunnen maken van zijn persoon door een afgaan op eigen rede en hart. En wie geen andere, door den mensch uitgevondene liefde, tot zaligheid wil aannemen; maar bij de bliefde der waarheidquot; blijft, n. 1. de liefde Gods in den offerdood van Christus, twijfele niet, al is deze verlossing hoven onze rede en in tegenspraak met ons hart; hij heeft dit van den H. Geest geleerd en de »vredequot; des harten is eene vrucht en verzekering daarvan.
Ook voor de zuivere kennis der geheele IJ. Schrift is het zoo noodig, helder te zijn in de leer van de toegerekende gerechtigheid. Luther zegt daarvan : »Met dit artikel staat of valt alles.quot; Zijn ons geloof en ons geestelijk verstand helder,
4
50
dan valt er een hemelsch licht op den geheelen inhoud des Bijbels. Wij verstaan dan de andere waarheden in derzelver verband. Wij verstaan God dan ook beter in Zijn wereldre-geering. Israël hield wel het O. T. voor het woord van God; maar door het ygt;niet kennenquot; van de ^rechtvaardigheid Godsquot; was er een deksel op het gelaat bij het lezen der H. Schrift. Voor het eigengerechtige Israël was het nu éénmaal een vaste wet: God eischt van ons eene gerechtigheid; maar, dat die God die ze in Zijne wet eischte, ook reeds in de offerdienst en profetie beloofde: ))Ik zal ze U schenkendat zag het hoogmoedige en verblinde Israël niet.
Daarom bleef het steeds werken om een kleed te verkrijgen om voor God te bestaan, en dat aangeboden kleed, waardoor' men aan den bruiloftsdisch kon aanzitten verwierpen zij, al was de prediking der Apostelen nog zoo liefelijk en ernstig. Zoo bleven zij blind ook aangaande de H. Schrift. De Bijbel is een groote brief van God uit den hemel. Eerst moet men het hart van God kennen om dien brief goed te kunnen lezen en verstaan. Wij willen Luther daarover eens hooren: »Ik heb wel in de eerste plaats gezien, dat de gave en loutere genade Gods volstrekt noodig was, om licht en eeuwig-leven te verkrijgen, en ik zocht ernstig en angstig het woord van Paidus (Rom 1 :17) te verstaan , dat spreekt van de rechtvaardigheid Gods, in het Evangelie geopenbaard. Daar zocht ik lang, en altijd klopte ik aan; want het woord Jus-titia Dei, de rechtvaardigheid Gods zat mij in den weg, hetgeen men volgens algemeene gewoonte alzoo pleegde uit te leggen: de rechtvaardigheid Gods is eene deugd, waardoor Hij voor Zich rechtvaardig is, en den zondaar veroor-
51
deelt. Zoo hadden alle doctoren dit woord uitgelegd, uitgezonderd Augiistimis , zooals zij zeiden: de rechtvaardigheid Gods is de toorn van God. Maar zoo dikwijls ik het woord las, wenschte ik dat God dit Evangelie nooit had geopenbaard. Want wie kon dien God liefhebben, die (alléén) toornt, oordeelt en verdoemt.
Dat duurde, tot ik eindelijk door de leiding des Heiligen Geestes het woord van den profeet Habakuk wat nauwkeuriger heb overwogen, waar hij zegt: »de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.quot; Daaruit heb ik afgeleid en besloten, dat het leven uit het geloof moet voortkomen, en trok zoo het abstractum in het concretum (zooals men dat in de scholen gewoonlijk zegt), dat is, ik verklaarde het woord rechtvaardigheid met het woord »rechtvaardigquot; namelijk, dat de mensch voor lichtvaardig zou worden verklaard door het geloof. Toon werd mij de geheele Heilige Schrift en de hemel zelf ook geopend. Toen gevoelde ik aanstonds, dat ik geheel opnieuw geboren was, en nu eene geheel geopende deur had gevonden om het Paradijs zelf binnen te gaan. Nu zag ik ook de lieve Heilige Schrift geheel anders aan, dan vroeger geschied was; ik liep daarom spoedig den geheelen Bijbel door, zooals ik mij dien kon herinneren, en verzamelde naar dien regel ook in andere woorden de uitlegging , dat Gods werk datgenequot; is, wat God zelf in ons werkt; dat Gods kracht, beteekent, dat Hij ons krachtig en sterk maakt; Gods wijsheid, dat Hij ons wijs maakt; zoo ook het overige: Gods sterkte, Gods genade, Gods heerlijkheid en dergelijke. Zooals ik nu vroeger dat woordje
52
Gods gerechtigheid werkelijk haatte,1) zoo begon ik het nu als mijn allerdierbaarst en troostvolst woord dierbaar en iioog te achten, en diezelfde plaats in Paulus' brief was mij in waarheid de ware poort van het Paradijs.quot;
Luther was door langdurigen zielestrijd eindelijk tot dat licht gekomen, dat er bij God eene gerechtigheid als gift gevonden wordt, waardoor de schuldige overtreder voor God kan bestaan. Toen werd de H. Schrift voor hem geopend en verstond hij die waarheden, die met de zaligheid des zondaars in verband staan. De leer van de toegerekende gerechtigheid is een zilveren draad, die door den geheelen Bijbel loopt, waardoor de waarheden des Bijbels verbonden zijn. Neem dien zilveren draad weg, en gij verliest ook de andere waarheden en niet één wordt er behouden in het volle licht; want met het uittrekken van dien draad houdt de Bijbelsche Godsvereering op en men komt tot eenen ixiigemmllitjen gods-dienst'' (Coll. 1 :23). Zulk een godsdienst kan God niet behagen; want zulk een dienst is in Zijn ware wezen een dienst van den mensch en voor den mensch , en mist daarom het recht «Godsdienstquot; te heeten. De geschiedenis leert ons ; dat personen, die er toe kwamen om het plaatsvervangend lijden van onzen Heere Jezus Christus prijs te geven , in een korten tijd ook andere waarheden daarmede prijs gaven. Het eene is een noodzakelijk gevolg van het andere. Geeft de mensch gehoor aan de leugenleer, dat wij niet in Christus den Borg en Middelaar bezitten aan Wien wij ons door het
1
) Versta Luther goed; niet, omdat hij vrijheid verlangde om in de zonde te leven; maar, omdat hij naar zekerheid dorstte om zalig te worden.
53
geloof kunnen verbinden ten leven, dan staat liij voor eigene rekening. Hij moet er nu ziehzelven brengen. Zijn oog is niet meer op den Heere Jezus gevestigd, die gekomen is, om ons te dienen; maar op zijn eigen persoon. Van ziclr zelven moet hij nu het heil verwachten. Om nu eeniger mate hoop te hebben, dat er op dezen weg zaligheid mogelijk is, moet men ophouden te gelooven in de onmacht des rnen-schen. Ook dit leerstuk des Bijbels moet er aan. De menseh moet nu aan het werk . om door de navolging van Christus ook daar te komen , waar Hij nu is n.1. in de heerlijkheid zijns A a-ders. Maar hier doet zich eene nieuwe zwarigheid voor, het verschil tusschen Christus, den Zone Gods, en tevens den volmaakten menseh. De kamp is zoo ontzaggelijk ongelijk. De afvallige evenwel weet raad. Ziehzelven heeft hij verhoogd uit zijn val, hij heeft zich zeiven op den troon geplaatst, door zich het vermogen toe te schrijven goede werken voort te brengen, bevorderlijk tot de zaligheid; nu moet Christus dalen. Het is waar; er zijn wel vele plaatsen, die over Hem spreken als Zoon van God, maar de Apostelen waren niet vrij van overdrijving. Ziehzelven noemde Hij des menschen Zoon , daarom is Hij wel de hoogste maar toch niet meer dan menseh. Ook met den H. Geest weet men geen raad meer; men houdt voor Hem gezindheid van Christus over. Het bestaan des Duivels moet worden geloochend. De Apostelen waren feilbaar en het Oude Verbond wordt op zijde geschoven. Het eene komt uit het andere voort. Als iemand van den berg afgaat, is hij zijn standpunt kwijt, en houdt hoogstens een slinijerpunt over, zoodat hij steeds sneller naar beneden geslingerd wordt.
Zoo gaat het met den blinden menseh, die breekt met
54
Christus, de Heera onze gerechtigheid.''' Van den heerlijken berg der Godsopenbaring had hij een open hemel boven zich; maar nu hij dien verliet is hij zichzelf niet meer , hij moet naar de diepte en stort zichzelven in het verderf. Hij, die den strijd aanbindt tegen de toegerekende gerechtigheid , neemt het fondament onder het heerlijke huis dei' openbaring weg en het stort in. Als wij daarmede breken kunnen wij onmogelijk den Bijbel vast houden en wij worden dan door allen »wind der leerquot; (Efez. 4 :1-4) omgevoerd. Als wij loochenen de waarheid, dat God in Christus onze zaligheid volkomen heeft bewerkt, dan zijn wij niet verre van Rome en van alle in hare kerk vereenigde dwaalleeringen. De leer van de toegerekende gerechtigheid is dus niet maar eene waarheid op zichzelve, die wij des noods kunnen missen om zalig te worden. Het is met haar niet zoo gelegen dat het er minder op aankomt, of wij haar gelooven , ja dan neen , zoodat wij daarom nooit voor haar in het strijdperk moeten treden. Geenszins ! deze waarheid geeft alle andere de rechte kracht of maakt die krachteloos. Van haar mag met recht gezegd worden, dat zij het hart is van de Gemeente van Christus. De geschiedenis leert, dat toen er eene verduistering kwam in de kerk aangaande deze waarheid, de weg geopend was voor alle dwaalleer en wangevoelen , maar nauwelijks bracht Gods Geest haar weer aan 't licht, of er kwam weer een terugkeer tot den Bijbel en eene verwerping van alle leer, daarmede in strijd. Wij zien dan ook , welk eene moeite er besteed moet worden als men eenmaal heeft gesteld: er bestaat geene toegerekende gerechtigheid, en men toch nog de H. Schrift gezag toekent, om met den Bijbel klaar
55
te komen. O, als men eerlijk wil zijn, moet men zeggen : ik ben er mede verlegen, en weet met vele plaatsen geen raad. Soms wenschte ik wel, dat ze niet in den Bijbel stonden ; want zij staan zoo lijnrecht tegen mijne inzichten over. Daarom zijn de besliste verwerpers van den Bijbel soms zoo eerlijk,
toe te geven wat er werkelijk staat. Zij zullen direkt toegeven, dat in den Bijbel geleerd wordt, dat Christus in de plaats der zondaren stierf en dat nu zijn werk op rekening der geloovigen komt. Bat is veel eerlijker; hoewel zij er bij zeggen: Ik geloot' het niet; want liet strijd met de rede. Men weet, wat men aan zulke menschen heeft. Elke poging daarentegen om de Schrift te ontzenuwen en het te doen voorkomen , als zoude de H. Schrift dit niet leeren is een hopelooze arbeid , want men zal door den geheelen Bijbel zijn hoofd moeten stooten aan Christus, die krachtens Zijn' kruisdood door God tot een hoofd des hoeks is geworden. Dan hebben de kinderen het gemakkelijker, die het gelooven; zij behoeven de Schrift geen geweld aan te doen, maar lezen zooals de H. Geest het voor hen neer liet schrijven. Hoe juist past hier een woord uit de tafelgesprekken van Luther â¢. »De wijzen in eigen oog en de grooten dezer wereld verstaan Gods woord niet, maar de geringen en eenvoudigen, zooals Jezus zegt. Ik dank U Vader! dat cjij deze dingen den wijzen en ver-standigen verborgen hebt en hebt ze den kinder hens geopenbaard. En, vervolgde Luther: Gregorius heeft het goed begrepen , toeu hij zeide: »De Heilige Schritt is een water, waardoor een olifant zwemmen moet, maar een schaap kan er op zijne pootjes door.quot;
VII.
HAKE HANDHAVING.
âIS'iet om uwe gerechtigheid, nocli om de oprechtheid mvs harten, komt gij er henen in , om hun land te erven.quot;
Deut. 0 : 5a.
W at J\fozes sprak tot de kinderen Israels in betrekking tot liet aardsche Kanadn, is zeker niet minder waar in betrekking tot liet hemelsch Kanadn, Hij stelt hnn daardoor dui-de lijk en beslist voor oogen dat straks liet zitten onder den wijnstok en den vijgeboom geen vrucht zou zijn van hun eigen werk; maar van de liefde en rechtvaardigheid Gods. Gods liefde was voor hen de bewerkende oorzaak met Zijne gerechtigheid, toegepast aan de volkeren in Kanacin. Niet eer kon Israel het land innemen, of God moest de volkeren, die onder zijn oordeel waren, uitroeien. Zoo is het ook met onzen ingang in den hemel en die waarheid moeten wij handhaven en in geen geval ons laten ontnemen ; want zulks geschiedt nooit zonder gróote schade voor onze ziel en voor
57
ons leven. Hoewel wij, zonder oprecht voor God te worden, nooit tot het geloof in den Heere Jezus zullen komen, daar het geloof, in de oprechte erkenning van onzen doodstaat steeds vooraf gaan, en ook zonder gerechtigheid als vrucht des geloofs ons op Christus mogen verlaten, blijft het eeuwig waar, dat, hoewel oprechtheid vathaar maakt en gerechtigheid het bestaan des levenden geloofs aangeeft, de toegerekende gerechtigheid van Christus onze zekerheid is. Gods oordeel over de zeven volkeren ontsloot voor Israel het Ka-naan der rust; Gods oordeel over Christus opent voor ons deti hemel. De beschuldiging, dat deze leer een leer is voor «boosdoenersquot;, dat zij genegen en begeerig zijn om daarin troost te zoeken voor de eeuwigheid, om dan tevens hun goddeloos leven voort te zetten is de oppervlakkigheid zelve. Wij beroepen ons op Paulus. Wie was Paulus ? Was hij vóór zijne bekeering een mensch , levende in de zonde ? Of was hij een mensch, die naar den maatstaf des menschen beoordeeld, met recht godsdienstig en vroom kon genoemd worden? Immers het laatste. Hij geeft van dat leven later eene beschrijving, en dat doet hij om de Gemeente te waarschuwen tegen verkeerde leeraars. Die verkeerde leeraars noemt hij ythondenquot; en gt;gt;kwade arbeidersquot; omdat zij de Gemeente los wilden maken van het éénige fondament dei-zaligheid en haar tot de wet terug doen keeren en alzoo op het vleesch doen betrouwen. Om het dwaze van hun streven aan te toonen, noemt hij zijn afkomst en zijn vroeger leven, opdat het voor de Gemeente duidelijk zou zijn, dat als een Paulus met zooveel wettische vroomheid nog eene
andere gerechtigheid noodig had , om voor God te kunnen
4'
58
bestaan , er ook niemand buiten kon. Hij zegt in Fill. 3 : 4â9 :
âHoewel ik heb dat ik ook in het vleesch betronwen mocht; indien iemand anders meent te betrouwen'in het vleesch, ik nog meer: Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israel, van den stam van Benjamin, een Hebreër uit de Ilebreën, naar de wet een Farizeër, naar den ijver een vervolger der gemeente ; naar de rechtvaardigheid , die uit de wet is, zijnde onberispelijk. Maar hetgeen mij gewin toas, dat heb ik om Christus' luil schade geacht. Ja gewisselijk, ik acid ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kenins van Christus Jezus, mijnen Heere; om wiens wil ik cd die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde , niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof' van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.quot; Zulk een man als Paulus, door velen van zijnen tijd zalig gesproken , had nog eene andere ygt;rechtvaardigheidquot; noodig, dan die hij zelf bezat. Hij moest hebben ygt;de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof,quot; d. i. de toegerekende, op grond van het werk van Christus. Paulus is juist door zijn leven, dat in allen ernst zich uitstrekte om de zaligheid dooi' werken te verkrijgen er proefondervindelijk toe gekomen, om in te zien, dat de vroomste mensch er niet toe komen kan en dat er daarom een andere weg moest zijn. Hij had in dat vroegere leven rust noch bevrediging. 13ij zijne eigene bedekking met het zelf geweven deugdenkleed moest hij altijd zeggen met Adam; ygt;lk hen naakt.quot; In den weg van eigen werk moest hij meer onvoldaan worden. Alles word aangewend, om maar tot rust
59
te komen maar niets mocht baten. Het ging Paulus, zooals wij in (Jes. 28 : 20) vinden: » Want het bed zal korter zijn , dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smul wezen, als men zich daaronder voecjt.quot;
Nu Paulus rustte op liet werk van Christus, was zijn bed lang genoeg; nu hij was bekleed met de gerechtigheid van Christus, was zijn bedekking groot genoeg.
Hij is dan ook nu volkomen zeker van zijne zaligheid, want ze lag buiten hem in het volbrachte werk van Christus. Wanneer later tie Kerk als leerstuk vaststelde, dat Christus niet slechts als een martelaar der waarheid; maar ook vooral als Borg en Plaatsvervanger leed om onze zonden, dan is dat niet een eigenzinnig gekozen dogma, maar wel een korte defénitie van Zijn werk voor ons. Wij handhaven deze benaming van Zijn werk; want zij is uit de H. Schrift genomen. In (Ps. 419 ; 122) bidt de dichter: » Wees borg voor uwen knecht ten goede;quot; en in (Jes. 38:14) hooren wij den profeet roepen: »O Heere ! ik word onderdrukt, wees gij mijn borg.quot; Wij mogen gerust stellen, dat de vromen in den ouden dag uitzagen naar den Borg, die voor hen zou voldoen bij God, omdat zij zichzelven hadden leeren kennen als onbestaanbaar voor God. Wat nu in het Oude Verbond verwacht en daarom afgebeden werd, is in den nieuwen dag vervuld. In (Hebr. 7 : 22) vinden wij : » Van een zooveel beter verbond is Jezus borg geworden.quot; Wij vragen, wat voor een verbond dit is, en het antwoord ligt voor de hand: Het nieuwe verbond in zijn bloed. Van dat verbond is hij de borg en waardoor? omdat Hij het naar waarheid heeft bekend gemaakt in zijne prediking? neen, omdat het verbond is, in
60
Zijn bloed, d. \v. z.: Hij is in Zijn sterven de ziel van het verbond. Hij leed en stierf, niet voor zichzelven, als zondaar; maar voor ons, als borg. Is nu Zijn lijden borgtochtelijk of niet ?
O, laten wij toch in allen eenvoud ons aan de H. Schrift houden. De H. Geest heeft zich, waar het onze zaligheid geldt, steeds zeer duidelijk uitgedrukt.
Ook wanneer wij lezen in (Rom. 5:7,8)» Want nauwelijks zal iemand voor eenen rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. Maar God bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.quot; Wat staat daar nu? Laat ieder onpartijdig deze verzen verklaren, die nog nooit den naam van plaatsbekleedend lijden en sterven heeft gehoord. Wat zal hij dan antwoorden? Vraag hem; ))wat is dat voor een' rechtvaardige sterven?quot; )) Wel, in diens plaats.quot; «Wat verstaat gij voor een goede te sterven?quot; ïNiets anders, dan zijn dood te ondergaan.quot; Wat verstaat gij dan hierdoor, dat Christus voor ons gestorven is?quot; «Kom, hoe heb ik het nu met U, wel niets anders dan in onze plaats.quot;
Nu vraag ik U, of het Bijbelsch is, ja , dan neen, het sterven van Christus een plaatsbekleedend sterven te noemen. Immers, er is geen andere uitweg dan dit vast te stellen voor ons, wat door anderen ook gedaan is.
))üus blijft alleen de goed begrepene, hoogst scherpzinnige leer van Anselmus van Canterbury van de plaatsbekleedende voldoening van Christus dood' over, als de leer, die overeenstemt met die der H. Schrift. De elementen, waaruit zij wordt opgebouwd, zijn aan de eene zijde de grootheid der
01
zonde , en de daaruit voortspruitende schuld en strafbaarheid ; aan de andere zijde de onmogelijkheid, om in God de eene eigenschap zonder de andere werkzaam te denken, mot name de liefde zonder de gerechtigheid; waarom God niet op berouw alleen de zonden kan vergeven, zooals een mensch, die zelf een schuldenaar is; en tusschen die beide den persoon van den Godmensch, die niet een mensch is naast vele anderen, maar de mensch is, de tweede geestelijke Adam van het geheeie geslacht, die evenzeer door zijne ware, hoewel heilige menschheid met de zondaren, als door zijn Goddelijke natuur met den Heere der wereld verbonden is, in Wien de liefde even rein zich vertoont als in den Vader de rechtvaardigheid , en weder in den Vader de liefde, even als in den Zoon de rechtvaardigheid. Wat daarom in geene menschelijke daad verbonden kan worden gedacht, (daar de mensch altijd alleen óf genade óf gerechtigheid kan uitoefenen) de hoogste daad van genade, de vrijspraak van een geheel zondig geslacht en de volkomene rechtvaardige bestraffing des zondaars in den dood van Hem, die het geheeie geslacht in zich droeg, even als het Centrum al de stralen van den omtrek, dat is in den dood van Christus saamgesmolten; en daarom is de overgave van den Zoon door den Vader en het vrijwillig oiler van den Zoon de hoogste daad van God! waardig om het onderwerp der prediking te worden aan de geheeie menschheid, omdat zij de kracht bezit, leven in de doodsbeenderen te brengen , en waarlijk den vrede door de vergeving van zonden te schenken. Met die objectieve daad Gods vereenigt zich het geloof, en bij de gloeiende kracht des vuurs moeten zeker alle half of geheel Pe-
6'2
lagiaansche meeningen verschroeien, die zich inbeelden, dat door inspanning van eigen krachten het leven der Goddelijke liefde zal worden gesteund. quot;Want, waar door het aanzien der slang, die verhoogd is, geen leven wordt gewekt, daar kan de grootste inspanning en verloochening niet anders dan armzalige vroomheid of opgepronkte duisternis teweeg brengen. Alleen in deze geopende fontein ontspringt het levende water, alleen op dit altaar is hemelsch vuur te vinden â hier smelten gerechtigheid en genade tot een onuitsprekelijke eenheid te samen, even als zij in God zei-Ven één zijn; want de vergeving van zonden om Christus' dood is wel niet naar de wet; want de mensch moest de zonde dragen; en toch ook niet tegen de wet, daar in Christus' lijden aan de wet voldoening werd geschonken; maar zeker hoven de wet, daar de genade machtiger is dan de rechtvaardigheid; ja ook voor de wet, omdat zij zelve daarin werd staande gehouden.quot;1)
Van Anselmm daarentegen zegt de geschiedenis, dat hij in zijne jeugd zeer goddeloos heeft geleefd , even als van Augus-tinus , maar, wanneer hij er nu toe kwam, om de Bijbelsche leer der toegerekende gerechtigheid op grond van Christus voldoeningsdood voor de kerk in eene vaste formule te geven , deed hij dat dan, om vrijheid te hebben om het zondige leven voort te zetten? De geschiedenis leert het tegenovergestelde. Door waarachtig berouw leerde hij zichzel-ven kennen, zooals God den mensch heeft gezien (Ps. 14) en nu sprak zijn geweten , zooals liet spreken moet. Daar-
1
) Olshausen.
63
door kWam hij tot de overtuiging dat er geen andere rust mogelijk was voor het geweten, dan door het geloof in den Christus van Golgotha. Door zielestrijd werd hij tot Paulus gebracht en gaf later diens leer weer in zijn leerbegrip terug. Niet de leer, alléén de vorm is van hem en zooals wij gezien hebben de stof voor dien vorm was ook van Paulus en niet van Paulus, als persoon, maar van den geïnspireerden Apostel ; dus van den H. Geest.
Om goed te worden verstaan, herhaal ik nog éénmaal dat Anselrnus niet als goddelooze, maar als bekeerde zijn troost alleen kon vinden in het volbrachte Middelaarswerk van Christus, als een, die zichzelven in zijn vroeger leven veroordeelde en Gods rechtvaardige eischen toestemde en daarnaar ook wilde leven miste hij allen grond om op te bouwen en vond dezen als den «eenig betrouwbarenquot; in leven en sterven.
Ook Luther is daarvan een bewijs. Van hem weten wij , dat hij alles heeft beproefd, om tot vrede te komen voor de eeuwigheid, maar dien rdet vond , voordat hij ook daar kwam, waar het alléén was te vinden. Ook die sduivequot; werd alléén zeker en veilig in de sklove der steenrotsquot; Christus. Dit kunnen wij van al de Hervormers uit de zestiende eeuw zeggen en van zoo vele duizenden uit dat gezegend tijdperk der geschiedenis. Het licht kwam op den kandelaar en de groote zielevraag: » Wat moet ik doen om zalig te worden?quot; verkreeg haar bevredigend antwoord: door het geloot in Christus, die aan het kruis het volmaakte oiler werd voor de zonden. Ja, zoo is liet; daar is geen andere weg ten leven en wij willen dien ook niet. God weet het beter dan
04
de menschen; wij willen daarom niet wijzer zijn dan God. Wij willen dien weg behouden, er op blijven tot onzen jongsten snik. Wij zullen waken en bidden om er op te blijven; wij zullen werken om er onze medemenschen op te wijzen , en den strijd voortzetten tegen alle voorstelling die bedektelijk of meer beslist ons dien weg zou kunnen ontnemen. Wij vertrouwen ons voor de eeuwigheid aan niemand en aan niets anders toe, dan aan den eenigen Zaligmaker, die ons met Zijn bloed kocht. Zoolang wij hier zijn in dit pelgrimsland, willen wij bij alle wederwaardigheden en miskenningen ons troosten en ons tot een heilig leven laten aansporen door Hem, die ons verlost heeft door zijn bloed, om dan later in den hemel eeuwig met de verheerlijkte Gemeente te zingen: ))Gij zijt waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natiequot; (Openb. 5:9).
Wij eindigen dit onderwerp met de ontboezeming van een dier gelukkigen, die dit mocht verstaan.
JEHOVAH TZIDKENÃ.
(De Heere onze gerechtigheid.)
Jes. 23:6; 33:16.
âEens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart,
Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: Mijn ziele, doorziet gij uw lot?
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?
AI sprak daar een stem uit de Heilige blaan Yan 't Lam, met de zonden der wereld belaan,
Ik zocht bij den kruispaal geen veilige wijk;
'k Sto nd blind, en van verre, in mij zeiven zoo rijk!
05
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer,
Ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer,
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
Maar toen mij Gods Geest aan mij zelf had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreeze gewekt,
Toen voelde ik wat eischen Gods heiligheid deed:
Daar werd al mijn deiujd een wegwerpelijk kleed !
Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered;
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij.
Ik hoog me, en geloofde en â nlijn God sprak mij vrij.
Nu ken ik die waarheid, zoo diep als gewis.
Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is;
Nu tart ik den dood, nu verwin ik het graf.
Nu neemt mij geen Satan de zegekroon af!
Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis ,
Naar 't erfgoed daar boven in 't Vaderlijk huis.
Mijn Jezus geleidt mij door de aardsche woestijn,
âGestorven voor mij!quot; zal mijn zwanenUed zijn !
(M. Cheyxe.)
I KT EC O TJ 13-
|
vookbericht. Hoofdstuk I. II. III Iv- V. VI. VII |
Haar wezen....... Haar bron....... Haar middel....... Hare uitwerking..... Hare oestrijding..... Haar invleed op de H. Schrift. Hare handhaving..... |
1
-
I
I
I
quot;
I
-
I