fe#;
DE IflEÃWE GRONDWET, I
â
i .4*quot;'? 1
^â¢v- -:â 'â¢/
m B
â gt;- â ^
II
Uk
VOOR HET
KONINKRIJK DER NEDERLANDEN
ZOOALS ZIJ DOOR DE 2nE KAMEB IS VASTGESTELD,
t =
VERdELEKBN MET DE JIESTAASDE, 1
ü ï WS:-
bi BI .ïxrmmr: ^
R1JKSUN1VERSITEIT
U T R E C -4 T.
AANGEBODEN AAN DE INTEEKENAKEN
VAN HET
GEMEENTEBLAD WEEKBLAD VOOE BURGERLIJKE ADMINISTRATIE.
li
M
ra® â¢
lm
â
9i']
m
AANGEBODEN AAN DE INTEEKENAREN
VAN HET
GEMEENTEBLAD
WEEKBLAD VOOR BURGERLIJKE ADMINISTRATIE.
--
DE NIEUWE GRONDWET,
VOOR HET
KONINKRIJK DER NEDERLANDEN
ZÃOALS ZIJ DOOR DE 2DE KAMER IS VASTGESTELD,
VERGELEKEN MET DE BESTAANDE.
BIBLIOTHEEK DER RUKSUNfVERSlTEiT U T R E C H T.
SiiBlvt'isdrnk van H. C A. Tiiieme, te Nijmegen.
VOORGESTELDE NIEUWE GRONDW.
BESTAANDE GRONDWET.
\ {zooals die thans na de wijzigingen, door de Tweede Kanier bij de Eerste Kamer is ingediend.)
EEÃSTE HOOFDSTUK. Van liet Rijk eu zijn Inwoners.
|
Art. 1. Het Koningrijk der Nederlanden bestaat in Europa uit de tegenwoordige provinciën : Noord-brabant, Gelderland, Zuidholland, Noordholland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en het Hertogdom Limburg, behoudens de betrekkingen van het Hertogdom Limburg, met uitzondering der vestingen Maastricht en \ enlo en van hare kringen, tot het Uuitsche Verbond. |
Art. 1. liet Koningrijk der Nederlanden omvat het grondgebied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere werelddeolen. |
|
2. De wet kan provinciën en genieenten vereenigen en splitsen. Da grenzen van den Staat, van de provinciën en gemeenten kunnen dooide wet worden veranderd. 3. Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen, en de algo-meene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten. |
2. [Nieuw). De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa verbindende, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt. Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld. 3. De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen en nieuwe vormen. De grenzen van het Rijk, van de provinciën en van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd. 4. Allen die zich op bet grondgebied van het Rijk bevinden hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen, en de alge-meene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten. â / .cv-C Lot/ en gesloten. , /, / / , //-gt; ttiamp;tSX*' |
|
4. De uitoefening der burgerlijke regten wordt door de wet bepaald. 5. Om eenig burgerschapsregt te hebben moet men Nederlander zijn. 6. Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar. Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet. 7. De wet verklaart wie Nederlanders zijn. Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd, _ 8. Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. 9. Ieder ingezeten heeft het rogtom verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meor worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorende. 10. Het regt der ingezetenen tot ver-eeuiging en vergadering weidt erkend. De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde. |
Vervalt. Vervuil. 5. Onveranderd. 1 (ié De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn. Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd. De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde. 7. Onveranderd. 8. Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen. Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onderteekening uit naam van andoren kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmagt. W ettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring behoorende. ij 0. Onveranderd. / / / k( ipS- â C^ |
TWEEDE H O O F DS T U K. w ^
Van den Koning. quot;7^,.
i'-*
EERSTE AFDEELING. Van de Troonopvolging.
|
11. De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frcderik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalin-gen. 12. De wettige nakomelingen van den regerenden Koning zijn do kinderen 10. Onveranderd. |
11. De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere manne- |
5
|
reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina, Prinaes van Pruis-Bon; en voorts in hot algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten-öeneraal aangegaan, of toegestemd. 13. De Kroon gaat over door regt van eerstgeboorte, dos dat de oudste zoon van den Koning, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon bij representatie, opvolgt. 14. Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, gaat de Kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks door regt van eerstgeboorte en representatie. 1.5. Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit het Huis van Oranje-Nas-sau, gaat de Kroon over op de dochters van den Koning door recht van eerstgeboorte. 16. Ook dochters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste dochter van de oudste nedergaande mannelijke lyn uit den laatsten Koning, de Koninklijke waardigheid in haar Huis over. en wordt bij voor-overlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd. IJ. Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak voor do vrouwelijke tak, en do oudste voor de jongere en in iederen tak mannen voor vrouwen en ouder vóór jonger den voorrang hebben. 18. Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft, en er geen mannelijk oir uit het Huis van Ãranje-Nassau overig is, volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijken Huize zijnde, op, en wordt mede bij voor-overlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd. |
j lij ke uit mannen gekomen nakomelingen bij regt vau eerstgeboorte, met dien j verstande dat bij vooroverlijden van een i regthebbende diens zonen of verdere i mannelijke uit mannen gekomen nako-| melingen op gelijke wijze in zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jon-{ gere lijn of oen jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden. Vervalt. Vervalt. 12. Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in-leven zijnde dochters van don laatste verleden Koning, bij récht van eerstgeboorte. 13. Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op do dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatstoverloden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen. In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn voor de jongere, de mannelijke tak voor den vrouwelijken, de oudere voor den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang. Vervalt. 11. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje-Nassau behoorende, die den laatstoverloden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje- |
6
I N assau, het naast bestaat.
Bij gelijken graad van verwantschap, : heeft de eerstgeborene den voorrang-, I Is de bedoelde bloedverwante des Ko-nings voor hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des i dat de mannelijke lijn voor de vrouwelijke en de oudere voor de jongere en , in iedere lijn d(^{ mannelijke tak vóór de^x vrouwelijken, do ouderepfvóór d^jonge-ren en in iederen tak mannen vóór vrou-; wen en ouderen voor jongeren gaan,
10. quot;Wanneer eene vrouw de Kroon Vervalt.
in een ander Huis heeft overgebragt,
treedt dit Huis in alle de regten van het oorspronkelijk Stamhuis, en de vorige artikelen zijn op hetzelve toepasselijk, met dat gevolg, dat haar mannelijk oir voor alle vrouwen of vrouwelijke afstammelingen erft, en geene andere lij n geroepen wordt, zoolang iemand van hare nakomelingen in loven is.
20- Eene Prinses, buiten toestemming i Vervalt.
der Staten-Generaal, een huwelijk hebbende aangegaan, heeft geen regt tot de Kroon.
Eene Koningin, buiten die toestemming een huwelijk aangaande, doet afstand van de Kroon,
21. Bij ontstentenis van nakomeling- Vervalt,
schap uit den tcgenwoordigen Koning Willem Fredérik van Oranje-Nassau,
gaat de Kroon over op deszelfs zuster,
Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, douairière van wijlen Caret George Aurjust, Erfprins van Bruns- j wijk-Lunenburg, of hare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, |
als door dezelve, overeenkomstig art. 12, i mocht worden aangegaan.
22. Indien ook de wettige nakome-1 13. Bij ontstentenis van een opvolger, lingschap van deze Vorstin ontbreekt, j krachtens een der vier voorgaande ar-
gaat het erfregt over op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden, en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, insgelijks door regt van eerstgeboorte en representatie.
tikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfde en gemalin van wijlen den Prins j van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. (11) ten opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning Willem \ Frederik, Prins van Oranje-Nassau, is i bepaald,
10. Afstand van de Kroon heeft ten ! opzigte van de opvolging hetzelfde ge-i volg als overlijden.
(
|
23. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige Yeranderingen in de erfopvolging van den troon noodzakelijk maken, is de Koning bevoegd, daaromtrent eene voordragt te doen, te behandelen op de â¢wijze, ten aanzien van verandering in de Grondwet, in artt. 196, 197 en 199 voorgeschreven. 24. Hetzelfde vindt plaats, wanneer er geen bevoegd opvolger naar deze Grondwet bestaat. Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, dan geschiedt de benoeming door de Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde zitting. 25. In de gevallen in artt. '21, 22, 23 en 24 omschreven, wordt de troonopvolging geregeld naar de bepalingen van artt, 12, 13, 14, 15,16, 17,18 en '19. |
17. Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op bot oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten op-zigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan. IS. Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend Stamhuis buiten de bij de wet verleende toestemming. Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon. Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge artt. 15,/20 of 21 in een ander Stamhuis is overgegaan, gelden deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het tijdstip van dien overgang gesloten. 10. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam maken, is de Koning bevoogd daaromtrent oen voorstel te doen. De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering. 20. Wanneer geen bevoegde opvolger naar do Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp [door den Koning wordt voorgedragen. De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering. 21. Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegd opvolger naar do Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regtstreeks door de Staten-Gene-raal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen. 22. Al de bepalingen omtrent de erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een der twee voorgaande ar- //lt;? |
O O
|
2G. De Koning kan geene vreemde Kroon dragon, met uitzondering van die van Luxemburg. In geen geval kan de zetel der regeering buiten liet Rijk worden verplaatst. |
tikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege dat het nieuwe stamhuis ten opzigte van die opvolging van hem zijnen oorsprong neemt op gelijke wijze en met dezelfde gevolgen als het huis van Oranje-Nassau dit volgens art. 10 doet uit wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau. Ditzelfde geldt in het geval van art. (15) ten opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje. Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij erfopvolging tot de Kroon is geroepen, met dien verstande, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende Ijjn van het stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat. 23. Onveranderd. |
TWEEDE AFDEELING-.
der. Kroon.
Van hel inkomen
|
27. Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van don 26en Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door den Koning tot kroondomeinen aan den Staat teruggegeven, geniet Koning Willem 11 een jaarlijksch inkomen van één millioen gulden uit 's Lands kas. Dij elke nieuwe troonsbeklimming wordt het inkomen der Kroon door de wet geregeld. 28. Den Koning worden tot deszelfs gebruik, zomer- en winterverblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan f 50.000 jaarlijks, ten laste van den lande, kunnen worden gebragt. 20. De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personelp lasten. '[fa ' . ijjn^mns naar eigen goedvinden in. / 31. Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende haar we-(ill u.. ....â . |
door de wet van 26 Augustuê'i 1822/ afgestaan en in 1848 door wijlen , Koning Willem 11 tot kroondomein V; ' aan den Staat teruggegeven, geniet de L, I Koning een jaarlijksch inkomen uit ; ' ^ 's Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld, / / ^ iu*. 25 â Onveranderd. ^ 26. De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten. Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door h$n genoten, 27. Onveranderd. 28. Onveranderd. 2i- Dehalve het inkomwi.-uit.de domeinen door de wet van 26 Augustus^,1 |
iu.
r
|
duwlijken staat, uit 's Lands kas is f d 50.000. 32 üe oudste van dos Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Prins van Orange. 33. De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit 's Lands kas een jaarlijksoh inkomen van f 100.000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom van achttien jaren za'l hebben vervuld; dit inkomen wordt gebracht op f 200 000, na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig art. 12 der Grondwet. |
21). Onveranderd. 30. De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit 's Lands kas een jaarlijksoh inkomen van f 100.000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit Inkomen wordt gebragt op f 200.000, na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bjj de wet toestemming is verleend. |
D E E D E AFDEELIKG.
Van de Voogdij des Konings.
|
34- De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is. 35. Zoolang do Koning minderjarig is, staat hij onder de voogdij van eenige leden van het Koninklijk Huis en eenige aanzienlijfes, Nejigrlanders. ;CJi 3(). De voogdij wordt geregeld en de voogden worden benoemd door eene wet. Over hot ontwerp dier wet nemen de Staten-Generaal hun besluit in eene vereenigde zitting der beide Kamers. 37- Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is hot doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord. 38. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden, in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af; «Ik zweer (beloof) trouw aan den «Koning; ik zweer (beloof) al de «pligten, welke de voogdij mij op- |
31. De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is I Hetzelfde geldt van den Prins van | Oranje, ingeval deze Rogent wordt. 32. Do voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd | of voogden worden benoemd bij. eene â wet. Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal j in vereenigde vergadering. Vervalt. 33. Onveranderd. Si:. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal. in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af : »Ik zweer (beloof) trouw aan den «Koning: ik zweer (beloof) al de «pligten, welke de voogdij mij op-«legt, heilig te vervullen, en er mij |
4
10
|
«legt, heilig to vervullen, en er mij «bijzonder op te zullen toeleggen, «om den Koning gehechtheid aan »do Grondwet en liefde voor zijn 1 «volk in te boezemen. »Zoo waarlijk helpe mij God al-smagtig !quot; (?Dat beloof' ik!quot;) 39. Ingeval de Koning buiten staat geraakt do regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 36 en volgende bepaald. |
«bijzonder op te zullen toeleggen, «om den Koning gehechtheid aan «de Grondwet en liefde voor zijn «volk in te boezemen. »Zoo waarlijk helpe mij God al-«magtig!quot; («Dat beloof ik!quot;) 33. Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 32 bepaald. De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af te leggen. |
VIERDE AFDEELING. 'Van het Regentschap.
|
-10. Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent. 41. De Regent wordt benoemd door eene wet, die tevens de opvolging in het regentschap, tot 's Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wot nemen de Staten-Ge-neraal hun besluit in eene vereenigde zitting der beide Kamers. De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. 42- Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen. Wanneer dit aan den Raad van State, vereenigd met de hoofden der ministeriele departementen, na een naauwkeurig onderzoek, is gebleken, roept deze vergadering onverwijld de Staten-Generaal in dubbelen getale bijeen, om hun van het voorhanden geval verslag te doen. 43. De Staten-Generaal onderzoeken het verslag, en, zoo zij in een besluit, in vereenigde zitting der beide Kamers in dubbelen getale genomen, er de juistheid van erkend hebben, wordt in den |
3(gt;. Onveranderd. (Ml t-Ajl . _ 37. De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de opvolging in het regentschap, tot quot;s Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. De wet wordt nog bij het leven van ! den Koning, voor het geval der minder-j jarigheid zijns opvolgers, gemaakt. 38- Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval | de Koning buiten staat geraakt de re-! gering waar te nemen. j Wanneer de hoofden der ministeriele j departementen, in rade vereenigd, oor-i deelen dat dit geval aanwezig is, geven { zij van hunne bevinding kennis aan den ! Raad van State, met uitnoodiging om i binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen. 39. Bljjven zij na afloop van den gestelden 'termijn bij hun oordeel, dan \ roepen zij de Staten-Generaal in vereenigde vergadering bijeen, om hun, ; onder overlegging van het advies van ' den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van het voorhanden geval verslag te doen. 40. Zijn de Staten-Generaal in ver-; eenigde vergadering van oordeel, dat 1 het in art. 38, 'iste lid, omschreven i geval aanwezig is, dan verklaren zij dit I bij een besluit, dat op last van den in |
11
|
vorm eener plegtig af te kondigen wet verklaard, dat het geval, in het vorig artikel bedoeld, aanwezig is. 44. Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld, wordt in het regentschap, gelijk in artt. 40 en 41 is bepaald, voorzien voor zoolang de Koning tot het waarnemen der regering buiten staat blijft, en de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niot heeft vervuld. 45. De Regent legt, in eene vereenigde zitting van de beide kamers der Staten-Generaal, in handen van den voorzitter den volgenden eed of belofte af: ))Ik zweer (beloof) trouw aan den «Koning; ik zweer (beloof), dat ik »in de waarneming van het konink-»lijk gezag, zoolang de Koning min-»derjarig is (zoolang de Koning sbuiten staat blijft de Regering waar «te nemen), de Grondwet van het «Rijk steeds zal onderhouden en «handhaven. »lk zweer (beloof), dat ik de on-«afhankelijkheid en het grondge-»bied des Rijks met al mijn vermo-»gen zal verdedigen en bewaren; »dat ik de algemoene onbijzondere «vrijheid, en do regten van alle des «Konings onderdanen, en van elk «hunner zal beschermen, en tot in-«standhouding en bevordering van «de algemeene en bijzondere weisvaart alle middelen aanwenden, «welko de wetten ter mijner be-«schikking stellen, gelijk een goed »en getrouw Regent schuldig is te 'gt;doen. «Zoo waarlijk helpe mij God al-«magtig!quot; («Dat beloof ik!quot;) 40. Wanneer de Prins van Oranje zijn |
art. JjJK l2e lid, aangewezen voorzitter quot;0^/(jf wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt. Bij ontstentenis van dezen voorzitter wordt door de vergadering een voorzitter benoemd. 41. In het geval van art. 40 is de Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regts-wege Regent. 42. Ontbreekt een Prins van Oranje of heeft de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan wordt in het regentschap voorzien op de wjjze in art. 37 bepaald; in het laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld heeft. Vervalt. 43. Bij het aanvaarden van het regentschap legt de Regent in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van den Voorzitter den volgenden eed of belofte af; «Ik zweer (beloof) trouw aan den «Koning; ik zweer (beloof), dat ik «in de waarneming van hel Konink-«lijk gezag, zoolang de Koning min-«derjarig is (zoolang de Koning «buiten staat blijft de Jaegering waar «te nemen), de Grondwet steeds zal «onderhouden en handhaven. «Ik zweer (beloof), dat ik deon-«af hankelijkheid en het grondgebied «des Rijks met al mijn vermogen »zal verdedigen en bewaren; dat «ik de algemeene en bijzondere vrijsheid, en de regten van alle dea «Konings onderdanen en van elk «hunner zal beschermen en tot in-«standhouding en bevordering van «de algemeene en bijzondere wel-«vaart alle middelen aanwenden, «welke de wetten te mijner beschik-«king stellen, gelijk een goed en «getrouw Regent schuldig is te «doen. «Zoo waarlijk helpe mij God al-smachtig!quot; («Dat beloof ik!quot;) Vervalt. |
12
achttiende jaar vervuld heeft, is hij, in i het geval van art. 42, van regtswego j Regent.
II. Wanneer een Hegent buiten staat geraakt het regentschap waar te nemen, | zijn de artt. 38, '2de lid, 39 en 40 j toepasselijk.
Is de opvolging in het regentschap j niet geregeld, dan wordt art. 37, Iste j lid, toegepast.
4:ö Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Haad van State: j bij het overlijden des Konings,
zoolang niet in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den min-| derjarigen Troonopvolger geen Regent i is benoemd, of de Troonopvolger of Regen^ afwezig ia;
Ie. in de gevallen van artt. 40 en 144, zoolang de Regent ontbreekt of i afwezig is ; en bij overlijden van denRe-j gent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aanvaard heeft;
3e. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.
Deze waarneming houdt van regts-wege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft 1 aanvaard.
Wanneer in het regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van | State het daartoe strekkend ontwerp [ van wet in: at
in de gevallen, onder )er en '2e. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;
in het geval, onder vermeld, bin-j nen den tijd van eene maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onze-| ker te zijn.
47. Tot dat in het geval, in art. 42 [ Vervalt.
aangewezen, de Prins van Oranje of de benoemde Regent het regentschap heeft1 aanvaard, wordt het koninklijk gezag i waargenomen door de vergadering, za-mengesteld als in art. 42 is voorgeschreven.
Hetzelfde vindt plaats, zoo, bij overlijden des Konings, oen Regent voor den minderjarigen opvolger of ook de bevoegde opvolger ontbreekt, tot dat de benoemde Regent of opvolger de regering heeft aanvaard.
I)e leden van deze vergadering leggen i in handen van den door hen gekozen
|
voorzitter, en deze in eene vereenigde zitting van beide Kamers der Staten-Generaal, den volgenden eed of belofte af: »Ik zweer (beloof) dat ik, als lid «(voorzitter) van dezen regerings-araad, in de waarneming van het «koninklijk gezag de Grondwet zal «helpen onderhouden en handhaven. »Zoo waarlijk helpe mij God al-smagtig!quot; («Dat beloof ik!quot;) 48- Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor do kosten van het regentschap. Deze bepaling kan gedurende het regentschap niet worden veranderd. 49. De Koning, op wien art. 43 is toegepast, herneemt zoodra mogelijk do waarneming der regering, krachtens eene wet, waarin die, welke in het genoemde artikel is bedoeld, wordt afgeschaft. Tot aan deze afschaffing zijn de hoofden der ministeriele departementen, gelijk de voogden, persoonlijk gehouden, aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf het wordt gevraagd, van des Konings toestand verslag te doen. |
4C. Onveranderd. 47- Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd. 48. Dit besluit wordt genomen op voorste! van den Regent of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, dio de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept. Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zeiven te doen. 40. De hoofden der ministeriele departementen en de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen. Art. M 3de lid, is ten deze ook op // de voogden toepasselijk. 50. Onmiddellijk naafkondiging van het in art. 47 omschreven besluit, herneemt de Koning de waarneming der regering. |
VIJFDE AFDEELINC4.
Van de inhuldiging des Konings.
50. De Koning, de regering aanvaard j 51. De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk pleg- hebbende, wordt zoodra mogelijk pleg-tig beëedigd en ingehuldigd binnen de ! tig beëedigd en ingehuldigd binnen de
J
14
|
stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten-Generaal. â 51. In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd ; »Ik zweer (beloof) aan hot Ne-sderlandsche volk dat ik de Grond-«wet van het Rijk steeds zal onder-«houden en handhaven. »lk zweer (beloof), dat ik de on-»af hankelijkheid en het grondgebied igt;des Rijks met al mijn vermogen Dzal verdedigen en bewaren; dat ik «de algemeene en bijzondere vrijheid sen de regten van alle mijne onder-«danen zal beschermen, en tot in-«standhouding en bevordering van «de algemeene en bijzondere wel-«vaart alle middelen zal aanwenden swelke de wetten ter mijner be-jsohikking stellen, zoo als een goed «Koning schuldig is te doen. «Zoo waarlijk helpe mij God al-magtig!quot; («Dat beloof ik!quot;) 52. Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt: » Wij ontvangen en huldigen, in «naam van het Nederlandsohe volk )ien krachtens de Grondwet, U als «Koning; wij zweren (beloven), dat «wij uwe onschendbaarheid en de «regten uwer kroon zullen handha-«ven; wij zweren (beloven) alles te «zullen doen wat goede en getrouwe «Staten-Generaal schuldig zijn te «doen. «Zoo waarlijk helpe ons God al-«magtig!quot; («Dat beloven wij!quot;) |
stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigdo vergadering der Staten-Generaal. 52. In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd; «Ik zweer (beloof) aan het Ne-«derlandsche volk, dat ik de Grond-«wet steeds zal onderhouden en «handhaven. «ik zweer (beloof), dat ik de on-» af hankelijkheid en het grondgebied «des Rijks met al mijn vermogen «zal verdedigen en bewaren ; dat ik «de algemeene en bijzondere vrij-«heid en de regten van al mijne «onderdanen zal beschermen, en tot «instandhouding en bevordering van «de algemeene en bijzondere weisvaart alle middelen zal aanwenden, «welke de wetten te mijner beschik-«king stellen, zooals een goed Ko-ïning schuldig is te doen. «Zoo waarlijk helpe mij God al-«magtig!quot; («Dat beloof' ik!quot;) 53. Onveranderd. |
ZESDE AP DEEL ING.
Vün de mayt des Konings,
53. Do Koning is onschendbaar; do ; 34. Onveranderd.
ministers zijn verantwoordelijk.
54. De uitvoerende magt berust bij | 55. Do uitvoerende magt b erust bij den Koning. | den Koning.
56. Door den Koning worden algemeene ! maatregelen van bestuur vastgesteld.
15
/ â
Generaal, zoodra hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Pajk het toelaten.
Verdragen, welke, hetzij afstand of'
ruiling van eonig grondgebied des Rijks in Europa of in andere werelddeelen,
hetzij eenige andere bepaling of verandering, wettelijke regton betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd, dan nadat de Staten-Gene-raal die bepaling of verandering hebben goedgekeurd.
58. De Koning heeft het oppergezag over zee- en landmagt.
De militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden doorhem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, y y 'ivr-quot;/ï/ïs/
volgens de regels door do wet te bepalen. ' XV 7/gt;- * amp; -/Jk
De pensioenen worden door de geregeld. - - ' - v
5!). De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen.
- De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld.
Het muntstelsel wordt door de wet geregeld.
Andore onderwerpen, deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan.
60. De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden
De wet regelt de wijze van beheer en
Uepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.
De wet regelt de op te leggen straffen. v
oS- JJe Koning verklaart oorlog. Hij ^
geeft' daarvan onmiddellijk kennis aan1'
de beide Kamers der Staton-GeneraaU'^^' ^ met bijvoeging van zoodanige medodee-^ ^ lingen, als hij met het belang van den^V^^»^-^
Staat bestaanbaar acht.
5!) De Koning sluit en bekrachtigt
ijn'on nifil: vrftftmflf» Mno-onflhf-'
5ö. Do Koning heeft liet opperbestuur dor buitenlandsohe betrekkingen.
56. De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededee-lingen, als lijj met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar aeht.
57. De Koning maakt en bekrachtigt vredes- en alle andere verdragen met vreemde mogendheden.
Hij deelt den inhoud dier verdragen
alle verdragen met vreemde Mogendhe-^
den. Hij deelt den inhoud dier verdra- '^T ' gen mede aan de beide Kamers deiquot;^!'sfóf /y
/1
mode aan de beide Kamers der Staten- : Staten-Generaal, zoodra hjj oordeelt dixt/fóf Æ
/ 11 \ * .quot;i »il rrrtrv/liiri Vin f \ n/i n c\ I T- / I IJ r li niquot; 11 /1 â¦- 1 \ /11 lt;1 I-I* * r (1 v» /1 lt;1VI t- n i- /11^- s\l r\ r\ 4quot; /
het belang van den Staat dit toelaat. /
Verdragen, die wijziging van het grondgebied van den Staat inhouden.
die aan hot Rijk geldelijke verpligtingon opleggen of die eenige andere bepaling,
wettelijke regten betreffende, inhouden,
worden door don Koning niet bekrachtigd dan na door deji Staten-Generaal te zijn goedgekeurd.
Deze goedkeuring wordt niet voreischt,
indien de Koning zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet hooft voorbehouden.
60. Onveranderd
_ _ f/ZJ
â /,
9-
/61. Onverandayd. ' I'i'lal
bs/ .'A //v â â /lt;u yijjüfrv
Ivtth â '/^ ^ ^
Kil
\ju
Onveranderd. , /s/y / ,
10
r
|
verantwoording der koloniale geldmiddelen. 61. üe Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegiën en ambtenaren, die uit 's lands kas worden betaald. De wet regelt de bezoldiging van de ambtenaren der regterlijke magt. De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der staatsbehoeften. De pensioenen der ambtenaren wor- / heeft het regt van de //⢠JsT munt. Hij vermag zijne beeldtenis op tf vC t de muntspeciën te doen stellen. 63. De Koning verleent adeldom. Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen. 64. Ridderorden worden door eene wet op het voorstel des Konings, ingesteld. 65. Vreemde orden, waaraan geene verpligti'ngen verbonden zjjn, mogen worden aangenomen door den Koning, en, met zijne toestemming, door de Prinsen van zijn Huis. In geen geval mogen de onderdanen des Konings vreemde ordeteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder zijn bijzonder verlof. 66. De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door regterlijke vonnissen opgelegd. Wanneer het veroordeelingen betreft tot drie jaren gevangenis en daar beneden en tot geldboete, hetzij te za-men, hetzij afzonderlijk, oefent de Koning dat regt uit, na gehoord advies van den regter die het vonnis heeft gewezen, in de overige zaken, na gehoord advies van den Hoogen Raad. Amnestie en abolitie worden niet dan door eene wet toegestaan. 67. Dispensatie wordt door den Koning slechts verleend van eene bepaalde wet, in de gevallen door de wet omschreven. |
63. De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt do bezoldiging van alle collegiën en ambtenaren, die uit's Rijks kas worden betaald. De wet regelt de bezoldiging van den . Raad van State, van de Algemeene Re- ^ kenkamer en van de regterlijke magt. De Koning brengt de bezoldigingen^T^1 op de begrooting der Rijksuitgaven, /rr De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld. 64. Onveranderd. 7amp;V â /u Vlro Ja 6rf. 67- Vreemde orden, waaraan geen verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en, met Zijne toestemming door de Prinsen van Zijn Huis. In geen geval mogen andere Nederlanders. of de vreemdelingen, die in Nederlandsche staatsdienst zijn, vreemde ordetaeke^n. titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van den Koning. 68. De Koning heeft het regt van gratie van straften, door regterlijk vonnis opgelegd. Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter, daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen. Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan. T L ''' r-V 6!). Dispensatie van wetsbepalingen^ /C/ kan door den Koning slechts worden^S^® verleend met magtiging van de wet. De wet, welke deze magtiging ver-X^^y leent, noemt de bepalingen, waarover de / ' bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt. Dispensatie van Lepalingen van algemeene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning zich de |
1
17
|
(58- Do Kotiing beslist alle geschillen van bestuur, welke tusschen twee of meer provinciën ontstaan, wanneer hij die niet in der minne kan doen bijleggen. 00. De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor, en doet zoodanige andere voorstellen, als hij noodig oordeelt. Hij heeft hot recht om do voorstellen, hem door de Staten-Generaal gedaan, al of niet goed te keuren. â / 'rf / /â ^ ' // c. /% /£c //?!? *3^ i 70- De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden. Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot net verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden. K* |
bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden. 70. Ãe geschillen tusschen provinciën onderling; provinciën en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tusschen provinciën of gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpoldersj niet,/ . behoorende tot die, vermeld in art. Ipo ^ of tot die, waarvan de beslissing krach-' tens art. Xyn is opgedragen aan den gewonen regter of aan een collegie met administratieve regtspraak belast, worden door den Koning beslist. 71. De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor en doet hun zoodanige andere voorstellen, als hij noodig acht. Hij heeft het regt de door de Staten-Generaal aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren. 72- De wijze vin afkondiging der wetten en der algemeene maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende te zijn, worden door de wet geregeld.T1 Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende : »Wij enz. Koning der Nederlanden, enz. gt; Allen, die deze zullen zien of hoo-»ren lezen, salut! doen te weten: lAlzoo Wij in overweging genomen diebben, dat enz. (De beweegreden der'ïn wet). â gt;Zoo is het, dat Wij, den Raad van «State gehoord, en met gemeen over-»leg der Staten-Generaal, hebben goed-sgevonden en verstaan, gelijk wij goed-iivinden en verstaan bij deze.quot; enz. (De inhoud der wet). iGegevenquot;, enz. Ingeval eene Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of door den Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt. 73. De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal , elk afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden. Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden. De Raad van State, het Koninklijk |
18
gezag waarnemende, oefent liet van ontbinding niet uit.
rest
yilquot;quot;
Ms.4ïlx/;rT*va'
Er is e«n Raad van ÃtateA/elks bevoegdheid worden
Sjralc. cn de Ministeriële Departementen.
// js een najl(j van State, welks
zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet.
De Koning is voorzitter van den Raad, en benoemt de leden
De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regts-wege zitting in den Raad.
De Koning neemt wijders de gedaoh- van State-^over alle z^ken, waarin Hij ten van den Raad van State in over | dat^ noodig oordéeK. ^ (-alle zaken
â n-
zamenstelling geregeld door de wet.
De Koning is Voorzitter van den Raad, en benoemt de leden.
De Prins van Oranje heeft echter, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, zitting van regtawege en eene raadgevende stem.
72. De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorsteilen, door hem aan de Staten-Generaal te doen, of door deze aan hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van . inwendig bestuur van den Staat cn van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.
Aan het hoofd der uit te vaardigen wetten en bevelen wordt melding gemaakt, dat de Raad van State deswege gehoord is.
73. De Koning stolt ministeriële departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.
De hoofden der ministenële departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten voor zooverre die van de Kroon afhangt.
Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet.
Alle Koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriële departementen mede onderteekend.
van
belang, waarin deelt.
De Koning alleen besluit, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad.
van
algemeen of bijzonder hij zulks noodig oor-
75. Ue Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de Staten-Generaal te doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.
Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van t5tate deswege gehoord is.
De Koning hoort wijders den Raad
7(). De wet kan aan den Raad van State of aan eene afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen. '
77. Onveranderd.
De Koning alleen besluit en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State.
'*~Sl /f
^ i/â
Ut
D E li ü E H O O F D S T U K Van de Staten-Greneraal.
EERSTE A F D E E L I N G.
Van de Zamens'elling der Slatin Gene ma'..
|
74. De Staten-Genei'aal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsohe volk. 75 Do Staten-Goneraal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer. 7G. De loden der Tweede Kamer worden in de kiesdistricten, waarin liet Rijk verdeeld wordt, gekozen door de meerderjarige ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot der burgerlijke en burgersehapsregten, en betalende in de directe belastingen eene som. die, overeenkomstig met de plaatselijke gesteldheid, doch niet beneden hot bedrag van f '20, noch boven dat van f 160, in de kieswet zal worden vereischt, - 'w- . ^ 77. Het getal van de leden der Tweede Kamer wordt bepaald naar de bevolking, voor ieder 45000 éen. De verdere regels ten aanzien van aanzien van het kiesregt stelt de kies -wet. |
78. Onveranderd. 7igt;. On ie -aa lerj,. 8!) Ue leddn dor Twjede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bo-palen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, â¢ivolke niet bonoden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De wet bepaalt, ia hoeverre de uitoefening van het kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van officier bij de zee- en land-raagt voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden. Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij. wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen liebben verloren; zij die in hetbur-gerljjk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet,hetzij I zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. 81. De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten. De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft wordt door de wet geregeld. |
20
|
78. De Eerste Kamer bestaat uit 39 ] leden. Zij moeten behooven tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe be- \ lastingen. Het getal dezer hoogstaangeslagenen, i waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zoo bepaald, dat op iedere drie duizend zielen éen, die tevens de overige vereisohten bezit om lid dezer Kamer zijn, verkiesbaar is. Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd. Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding : Noordbrabant ..... ö Gelderland Zuidholland......7 Noordholland.....6 Zeeland.......'2 Utrecht.......'2 Friesland.......3 Overijssel.......3 Groningen.......i Drenthe.......t Liraburg.......3 39 Ingeval van vereeniging of splitsing van provinciën, voorziet dezelfde wet, die dit beveelt, in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. |
82. De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden. Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding : Noordbrabant.....6 Gelderland......6 Zuidholland......10 Noordholland.....9 Zeeland.......2 Utrecht ....... 2 Friesland.......4 Overijssel.......3 Groningen.......3 Drenthe.......'2 Limburg.......3 50 In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. S3. Wanneer de Staten-Genoraal in dubbelen getale worden bijeengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een gelijk getal buitengewone leden toegevoegd, op dezelfde wijze als de gewone te verkiezen. flet besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag der verkiezing aan. |
TWEEDE AEDEELINCt.
lran de Tweede Kamer der Staten-Generacd.
79. Om tot lid der Tweede Kamer1 84. Om lid der Tweede Kamer te verkiesbaar te zijn, wordt alleen ver- ; kunnen zijn wordt alleen vereischt dat ; eischt dat men Nederlander, in het volle men mannelijk^ Nederlander zij, niet ; genot der burgerlijke en burgerschaps- bij regterlijke uitspraak de beschikking 1 regten zij en den ouderdom van dertig i of het beheer over zijne goederen hebbe jaren hebbe vervuld. verloren, noch van de verkiesbaarheid
ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.
80. Die te gelijk of op meer dan ééne Vervalt.
|
plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede of' van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt. 81. üe leden der Tweede Kamer hebben zitting gedurende vier jaren De helft van hen valt om de twee jaren uit. volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende zijn dadelijk weder verkiesbaar. 82. De leden stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen. S3. Dij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed of belofte af: »lk zweer (beloof) getrouwheid «aan de Grondwet. «Zoo waarlijk helpe mij God al-»magtig! (»Dat beloof ik!quot;) Alvorens tot dien eed of belofte to worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van .zuivering af: »lk zwoer (verklaar), dat ik, om «tot lid van de Tweede Kamer der »Staten-Generaai te worden be-«noemd, direotelijk of indirectelijk, »aan geone personen, hetzij in of «buiten hot bestuur, onder wat naam »of voorwendsel ook, eenige giften j »of gaven beloofd of gegeven heb, «noch beloven of geven zal. «Ik zweer (beloof), dat ik, om «iets hoegenaamd in deze betrek- [ «king te doen of te laten, van nie-1 «mand hoegenaamd eenige beloften »of geschenken aannemen zal, di-«rectelijk of indirectelijk. »Zoo waarlijk helpe mij God al-smagtig!quot; (»Dat verklaar en be «loof ik!quot;) Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in de vergadering der Tweede Kamer, in handen van den voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. 84. De voorzitter wordt door den ; Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit een door de Kamer aangeboden opgave van drie leden. 85- De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden ge- |
85 De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren. Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. 80 Do leden stemmen zonder last van of ruggespraak m?t hen, die benoemen 87 Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij den volgenden eed of belofte af: «Ik zweer (beloof) getrouwheid »aan de Grondwet. «Zoo waarlijk helpe mij God al-«magtig!'' (»Dat beloof ik!quot;) Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) zuivering af: «Ik zweer (verklaar) dat ik. om «tot lid der Staten-Generaal te wor-«den benoemd, direotelijk of indi-«rectelijk. aan geen persoon, onder «wat naam of voorwendsel ook, «eenige giften of' gaven beloofd of :igegeven heb «Ik zweer (beloof), dat ik om iets «hoegenaamd in deze betrekking te «doen of te laten, van niemand hoe-«genaamd eenige beloften of ge-«sAenken aannemen zal, direotelijk «of indirectelijk. «Zoo waarlijk helpe mij God al «magtig!quot; («Dat verklaar en be-»loof' ik!quot;) Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning of' in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. 88. On veranderd. 81). De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal wor- |
|
rcgeld. Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som ven f 2000 's jaars. De schadeloosstelling wordt, voor den tijd der zitting, niet genoten door hen, die gedurende de geheele zifting af weden geregeld. |
Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van f 2000 's jaars. Deze schadeloosstelling wordt niet genoten door leden, die het ambt van Minister bekleeden, noch ook. voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de gelieele zitting afwezig bleven. |
DERDE AFDEELINÃ.
de Ecnle Kamer der Staten-Generaal.
|
(iet, 80. De leden der Eerste Kamer hebben zitting gedurende negen jaren. Een derde gedeelte treedt cm de drie jaren af, volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk weder verkiesbaar. Art. 82 is op hen van tocpassiiig. Zij leggen, bij het aanvaarden hunner betrekking, in handen van den Koning, gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald. Zij genieten reis- en veiblijtkoelen volgens de wet. 87. De voorzitter wordt door den Koning beroemd, voor het tijdperk eer,er zitting. |
iJO. Om lid der Eerste Kamer te kunnen zjjn, moet men voldoen aan de vereisohten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien of behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Fiijks directe belastingen óf eene of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenon wordt in elke provincie bepaald tot éen, die tevens de algemeene vereischten bezit om lid der Staten-Generaal te zijn, op iedere vijftienhonderd zielen. 91. De leden der Eerste Kamer wor- . . den gekozen voor negen jaren. A is op hen van toepassing. Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en j verklaringen/) af, als voor de leden der ) Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den voorzitter, daartoe dror den Koning gemagtigd. Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet. Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. 92. De voorzitter wordt door den Koning uit de leden benoemd, voor het tijdperk eener zitting. |
VIERDE AFDEELINO.
Beschikkingen aan beide 'Kamers rjemeen.
88. Niemand kan tegelijk lid der beide j _ 93. Niemand kan tegelijk lid der beide Kamers zijn. 1 Kamers zijn.
23
|
8i). JJe hoofden der ministeriele departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn. Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verloenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang en de zekerheid van het lijjk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werolddeelen. Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. !)0. De Tweede Kamer heeft het regt van onderzoek (enquête), te regelen door de wet. ÆÂ» ^ / Lyyp 91. Ue leden (der Staten-Generaal kunnen niet te gelijk zijn leden of procureur-generaal van den Hoogen Raad, noch leden van de Rekenkamer, noch commissaris des konings in de provin-ciën, noch geestelijken, noch bedienaren V' van de godsdienst. Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van een der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug. De ambtenaren, die ter verkiezing voorzitten, zijn binnen het district, waarin zij voorzitten, niet benoembaar. Leden der Staten-Generaal, een bezoldigd staatsambt aannemende of bevordering in de staatsdienst verwervende, houden op leden der Kamers te zijn, maar zijn dadelijk weder verkiesbaar. 92. De leden der Kamers zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de advij-zen, door hen in de vergadering uitge-bragt. |
Uie tegelijk of op meer dan ééne plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt. 94. De hoofden der ministeriële departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem. ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn. Zij geven aan de Kamers, hetzjj mondeling. hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat. Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. 95. Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in vereenigde vergadering, het regt van onderzoek (enquête), te regelen door de wet. 9G. Een lid. vande Staten-Generaal kan niet tegelijkertyli zijn vice-president of lid van den Raad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president ot lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie. De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van het lidmaatschap van een der beide Kamers / / met andere dan/in het eerste lid uit-/.quot;^-gesloten, uit 's Lands kas bezoldigde ambten. _ /, ^//_% Krijgslieden in werkelijke dienst, het sZysâ , lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lid-Z^fv/ maatschap van regtswege op noD-acti-^^V, , viteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug. Zij die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtswege het lidmaatschap. maar zijn herkiesbaar. 97. De leden der Staten-Generaal zijn niet geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zjj in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd. |
24
|
i)3. Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven haror nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbnEven of' de verkiezing zelve oprijzen. !) . Elke Kamer benoemt haren griffier buiten haar midden. 95. t)e Staten-Generaal vergaderen ten minste eenmaal 's jaars. Hunne gewone vergadering wordt geopend op den derden Maandag in September. Do Koning roept de buitengewone vergadering bijeen, zoo dikwijls hij zulks noodig oordeelt, 5)6. De afzonderlijke zittingen dei-beide Kamers, en even zoo do vereenigde zittingen, worden in het openbaar gehouden. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de voorzitter het noodig keurt. De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. !I7. De Staten-Generaal, of bij overlijden dos Konings of bij afstand van de Kroon niet vergaderd zijnde, vergaderen zonder voorafgaande oproeping. Deze buitengewone vergadering wordt op den vijftienden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt de termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen. i)8. De vergadering der Staten-Generaal wordt, in vereenigde zitting der beide Kamers, door den Koning of door eene oommissie van zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer hij oordeelt, dat het belang van het Rijk niet vordert de vergadering langer bijeen te houden. De gewone jaarlijksche vergadering blijft ten minste twintig dagen bijeen, tenzij de Koning gebruik make van het recht in art. 70 omschreven. i)!). Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide, sluit de Koning tevens de vergadering der Staten-Generaal. 100. De Kamers mogen, nocb afzonderlijk noch in vereenigde zitting, be- |
98. Onveranderd. 99 Elke Kamer benoemt haren griffier. Deze mag niet tegelijk lid van een der Kamers zijn. 100 De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal 's jaars te zamen. Hunne gewone zitting wordt geopend | op den derden Dinsdag in September. De Koning roept eene buitengewone «y zitting bijeen, zoo dikwijls ^hij zulks /£, noodig oordeelt. 101. De afzonderlij ke vergaderingen ; der beide kamers en evenzoo de ver-I eenigde vergaderingen worden in het â openbaar gehouden. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de voorzitter hot noodig | keurt. De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd. Over de punten in besloten vergade-1 ring behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. ; 102. Is bij overlijden des Konings of bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal zonder voorafgaande oproeping. Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt J j de termijn aan van den afloop der nieuwe, verkiezingen. 103 De zitting der Staten-Generaal wordt in vereenigde vergadering der i beide Kamers door den Koning of door 1 eene Commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van den Staat niet vordert haar te doen voortduren, De gewone jaarlijksche zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. (73) omschreven. 104. Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit de Koning tevens : de zitting der Staten-Generaal. 105. De Kamers mogen noch afzonder-I lijk noch in vereenigde vergadering be- |
25
|
raadslagen of' besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. 101. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt. Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld. In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. 102. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, docli bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes. 103. Bij eene vereenigde zitting worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats De voorzitter der Eerste Kamer hoeft de leiding der vergadering. V IJ F D E A |
raadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. 100. Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt. Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld. In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer een der leden dit verlangt en alsdan mondeling. 107. De stemming over personen voor de benoemingen of voordragten in de Grondwet vermeld, geschiedt bij beslo- l ten en ongeteekende briefjes. De volstrekte meerderheid der stem- , monde loden beslist; bij staktna» van /0t\. | stemmen beslist het lot. 108. Bij eene vereenigde vergadering-worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden, naai' j willekeur, door elkander plaats. De voorzitter der fierste Kamer heeft j de leiding der vergadering. F D EEl, ING. |
Van do wetgevende ntayl.
|
101. De wetgevende magt wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend. 105. De Koning zendt zijne voorstellen, hetzij van wet. hetzij andore, aan de Tweede Kamer, bjj eene schriftelijke boodschap, welko de redenen van het voorstel inhoudt, of door eene commissie. 10G. Over eenig ingekomen voorstel des Konings wordt door de volle Kamer niet beraadslaagd, dan nadat het is overwogen in de onderscheidene afdee-lingen, waarin al de leden der Kamer zich verdeden en welke op gezette tijden bij loting vernieuwd worden. 107- De Tweede Kamer heeft hot regt wijzigingen in een voorstel des Konings te maken. |
100. Onvcrand.crd. 110. De Koning zendt zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene commissie. Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen Commissarissen opdragen de Ministers bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten-Genoraal bij te staan. 111. Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altijd oen onderzoek van dat voorstel vooraf. 6 be Kamer bepaalt in haar Re-'glement van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld. hl De Tweede Kamer alsmede de ver- |
|
108. Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd. hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het ! volgende formulier : »Dc Tweede Kamer der Staten-«Generaal zendt aan de Eerste Ka-»mer het hiernevensgaande voorstel; «des Konings, en is van oordeel, i «dat het, zoo als het daar ligt, door «de Staten- Generaal behoort te gt;worden aangenomen.quot; Wanneer de Tweede Kamer tot het niet aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning niet het volgende formulier: »De Tweede Kamer der Staten-)Generaal betuigt den Koning haren sdank voor zijnen ijver in het be-«vorderen van 's Rjjks belangen, )en verzoekt hem eerbiedig het i «gedane voorstel in nadere overwe- { «ging te nemen.quot; 10!). De Eerste Kamer overweegt, met | inachtneming van art. '10G, het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen. Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren: »Aan den Koning. «De Staten Generaal betuigen den «Koning hunnen dank voor zijnen j «ijver in het bevorderen van 's Rijks i obelangen, en vereenigen zich met «het voorstel, zoo als het daar ligt.quot; «Aan de Tweede Kamer. »De Eerste Kamer der Staten-«Generaal geeft aan de Tweede «Kamer kennis, dat zij zich heeft i «vereenigd met het voorstel betrek-' «kelijk...... op den.....aan haar : )door de Tweede Kamer toegezon-«den.quot; Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voorstel besluit,1 geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren : »Aan den Koning. «De Eerste Kamer der Staten-«Generaal betuigt den Koning haren |
eenigde vergadering der Staten-Generaal heeft het recht wijzigingen in een voorstel des Konings te maken. 113. Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het v orstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier: «De Tweede Kamer der Staten-»Generaal zendt aan de Eerste Ka-»mer het hiernevens gaande voorstel «des Konings. en is van oordeel, «dat het, zooals het daar ligt, door «de Staten-Generaal behoort te wor-«den aangenomen.quot; Wanneer de Tweede Kamer tot het niet aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier: »De Tweede Kamer dQi' Staten-«Generaal betuigt den Koning haren «dank voor Zijnen ijver in het be-«vorderen van de belangeL van den «Staat en verzoekt Hem eerbiedig «het gedane voorstel yi nadere «overweging te nemen.quot; Hl. De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. \yC het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen. Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren: «Aan den Koning. «De Staten-Generaal betuigen den «Koning hunnen dank voor Zijnen «ijver in het bevorderen van de «belangen van den Staat en ver-«eenigen zich met het voorstel zoo «als het daar ligt.quot; «Aan de Tweede Kamer. »De Eerste Kamer der Staten-«Generaal geeft aan de Tweede «Kamer kennis, dat zij zich heeft «vereenigd met het voorstel betrek- «kelijk....., op den.....aan haar «door de Tweede Kamer toegezon-«den.quot; Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren: «Aan den Koning. «De Eerste Kamer der Staten |
27
|
sdank voor zijnen ijvei' in het bevorderen van 's Rijks belangen, en b verzoekt hem eerbiedig het gedane gt;gt;voorstel in nadere overweging te «lemen.quot; dAuh de Tweede Kamer. i)De Kerste Kamer der Staten-â 1 Generaal geeft aan de Tweede iKamer kennis, dat zij den Koning «eerbiedig heeft verzocht het voordstel betrekkelijk. ... op den.... )aan haar door de Tweede Kamer toegezonden, in nadere overweging 'te nemen.quot; 110- Ue Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen. 111. De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan do Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van 's Konings voor-stellen is bepaald, en, na aanneming, /// W ; aan de Eerste Kamer verzendt met het / volgende formulier: «De Tweede Kamer der Staten-i Generaal zendt aan de Eerste Ka-»mer het hiernevens gaande voorstel, jen is van oordeel, dat de Staten-«Generaal daarop 's Konings bewil-«liging behooren te verzoeken.quot; 112. Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier: »De Staten-Generaal, oordeelende â )dat het nevensgaande voorstel zou «kunnen strekken tot bevordering â jvan 's Rijks belangen, verzoeken Deerbiedig daarop 's Konings bewil-t «liging.'' Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier: |
«De Eerste Kamer der Sfaten-«Gencraal geeft kennis aan deTwee-«de Kamer, dat zij zich heeft ver-«Generaal betaigt den Koning haren odank voor Zijnen ijver in het be-»vorderen van de belangen van den »Staat, en verzoekt Hem eerbiedig «het gedane voorstel in nadere over-Mveging te nemen.quot; «Aan de Tweede Kamer. â iDe Eerste Kamer der Stafen-«Generaal geeft aan de Tweede «Kamer kennis, dat zij den Koning «eerbiedig heeft verzocht het voor- «stel betrekkelijk.....op den..... «aan haar door de Tweede Kamer «toegezonden, in nadere overweging »(e nemen.quot; 115- Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijftde Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken. 11 (i. Onveranderd. 117- Ue voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van 's Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier: «De Tweede Kamer der Staten-«Generaal zendt aan de Eerste Kamer «het hiernevens gaande voorstel, en »is van oordeel, dat de Staten-Ge-«neraal daarop 's Konings bewilli-«ging behooren te verzoeken.quot; Zij is bevoegd aan een of meer van hare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste Kamer op te dragen.- 118. Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier; «De St.-Gen., oordeelende dat het «nevensgaande voorstel zou kunnen «strekken tot bevordering van de «belangen van den Staat, verzoeken «daarop 's Konings bewilliging.quot; Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier: «De Eerste Kamer der Staten-Ge-«neraal geeft kennis aan de Tweede «Kamer, dat zij zich heeft vereenigd «met het van haar op den..... |
28
|
«eenigd met het van haar op den ... «ontvangen voorstel betrekkelijk .. »en daarop namens de Staten-Ge-sneraal 's Konings bewilliging heeft «verzocht.'' Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier: «De Eerste Kamer der Staten-»Generaal heeft geene genoegzame «reden gevonden om op het hier-snevens teruggaande voorste! 's Ko-«nings bewilliging te verzoeken 113. Andere voordragten, dan voorstellen van wet. kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan 114. De K oning doet de Staten-Gene-raal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren: «De Koning bewilligt in het voorstel.'' of: »De Koning houdt het voorstel in overweging.quot; 115. Alle voorstellen van wet, door den Koning en de beide Kamers dor Staten-Generaal aangenomen, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd De wetten zjjn onschendbaar. HO De wijze van afkondiging der wetten en de tijd wanneer zij verbindende zijn, worden door de wet geregeld. Het formulier van afkondiging is het volgende: » Wij, enz.....Koning der Neder- «landen, enz..... allen, die deze «zullen zien of hooren lezen, saluut! «doen te weten: «Alzoo Wij in overweging geno-«men hebben, dat enz. (De beweegredenen der wet.) «Zoo is het, dat Wij, den Raad «van State gehoord, en met gemeen «overleg der Staten-Generaal, heb-«ben goedgevonden en verstaan, «gelijk wij goedvinden en verstaan «bij deze, enz (De inhoud der wet.) «Gegeven.quot; enz, 117, Ton aanzien der algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den |
«ontvangen voorstel betrekkelijk . ., «en daarop namens de Staten-Gen. «'s Konings bewilliging heeft ver-«zocht.quot; Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier: «De Eerste Kamer der Staten-«Generaal heeft geene genoegzame «reden gevonden om op het hierne-«vens teruggaande voorstel 's Ko-«nings bewilliging te verzoeken Uil. Onveranderd 120. Onveranderd. 121, Alle voorstellen van wet, dooide Staten-Generaal aangenomen en dooiden Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd. De wetten zijn onschendbaar, ]'eroall. Ver valt. |
29
Staat, bepaalt de wet insgelijks de wijze van afkondiging en het tijdstip, waarna zij zullen werken,
118. De üi-ondwet en andere wetten 122. De wetten zijn alleen voor het zijn alleen voor het Rijk in Europa vor- Rijk verbindende, voor zoover daarin bindende, tenzij het tegendeel daarin niet is uitgedrukt dat zjj voor de kolo-wordt uitgedrukt. * i' â niën en bezittingen in andere wereld.
deelen verbindenl zijn.
ZESDE A F D E E L I N O.
Van de berjrooling en de rekening.
119. Door de wet worden de begroo-| 1-2I}. Onveranderd.
tingen van alle uitgaven des Rijks vastgesteld en de middelen tot dekking aangewezen.
120. De ontwerpen der algerneene | 124. De ontwerpen der algemeene begrootingswetten worden jaarlijks van begrootingswetten worden jaarlijks van wege don Koning aan de Tweede Kamer wege den Koning aan do Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen dor aangeboden, dadelijk na het openen dei-gewone vergadering van de Staten-Ge- 1 gewone zitting van de Staten-Generaal neraal, vóór den aanvang van het jaar ; vóór den aanvang van het jaar, waarvoor waarvoor de begrootingen moeten dienen, de begrootingen moeten dienen.
121. Geen hoofdstuk der begrooting 125. Onveranderd.
van uitgaven kan meer dan die voor
één departement van algemeen bestuur |
behelzen.
leder hoofdstuk wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat.
Door zoodanige wet kan overschrijving-worden toegestaan.
122. De verantwoording van de staats 12(!. De verantwoording van de Rijksuitgaven en ontvangsten over elk dienst- uitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de jaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde reke- door de Rekenkamer goedgekeurde rening, aan de wetgevende macht gedaan, kening, aan de wetgevende macht ge-
Het slot der rekening wordt door de daan, naar de voorschriften der wet.
VIE li DE HOOFDSTUK,
Van de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen.
EERSTE A V DEE LI N G.
Van de zamenstelling der Provinciale Staten.
|
123. De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren, onmiddellijk door de ingezetenen, bezittende de vereisch-ten in art. 76 vermeld, naar de bepalingen der wet gekozen. De helft dier leden treedt om de drie jaren af. |
127. De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet |
30
|
fu. /hv IjfL ^ -7p J%elt; i'Ii. Niemand kan tegelijk zijn lid der Korste Kamer van de Staten-Gene-raal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie. 125 De leden der Provinciale Staten leggen, bij hot aanvaarden hunner betrekking, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed of belofte af: »Ik zweer (beloof) trouw aan de «Grondwet en aan de wetten dos «Rijks. «Zoo waarlijk heipe mij God al-«magtig!quot; (»L)at beloof ik!quot;) Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den eed (verklaring en belofte) van zuivering, hierboven in art. 83 voor de leden der Staten-Generaal bepaald. 12C- üe Staten vergaderen zoo dik-werf in hét jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art. 96. 127. De leden der Staten stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. 128. Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels, in de artt. quot;100, 101 en 102 ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven. |
te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing. De helft dier leden treedt om de drie jaren af. Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der provincie zij. niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe. De verkiezing van do leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door do wet te regelen. 128. Onveranderd 129. Ue leden der Staten leggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af: «Ik zweer (beloof) trouw aan de «Grondwet en aan de wetten des «Rijks. «Zoo waarlijk helpe mij God al-«magtig! (Dat beloof ik! ) Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. 8?voor f!\p/ de leden van de Tweede Kamer der / Staten-Generaal is bepaald. 130. De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van da, Staten-Generaal is bepaald in % M 131. De leden der Staten steramen / zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. 132. Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in artt. w /,,y ten aanzien van de Kamers V, ^ r der Staten-Generaal voorgeschreven. loC ll)( Mol |
31
TWEEDE A F BE ELI KG.
Van de maijt der Provinciale Stalen.
|
. /(c St /fu. 129- Ue Staten dragen jaarlijks al de kosten van hun bestuur, voor zooveel het rijksbestuur is, aan den Koning voor, die ze, in geval van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt. Ue begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, door de Staten, mede jaarlijks opgemaakt, vereisoht 'sKonings goedkeuring. Provinciale belastingen tot dekking dezer uitgaven, door de Staten aan den Koning voorgedragen, vereischen bekrachtiging door de wet. 130. üe Staten worden belast met de uitvoering der wetten en koninklijke bevelen, betrekkelijk tot die takken van algemeen binnenlandsch bestuur, w-elke de wet zal aanwijzen, en zoodanige andere bovendien, welke de Koning goedvindt hun op te dragen. 131. Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van het provinciaal huishouden door de wet'opgedragen. Behoudens de voorschriften in art, â 129, moeten alle zoodanige reglementen en verordeningen, als zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen te maken, aan de goedkeuring van den Koning worden onderworpen. Zij zorgen dat de doorvoer en de uit- |
]33. Het gezag en de magt van de Staten worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat 134. Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten. Zij maken de verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodiu'oordeelen. Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings; deze kan niet worden geweigerd dan bij een met re-ÃMen omkleed besluit, den Raad van tate gehoord. 135. Wanneer de wetten of' do alge-meene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan. 130. Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings. De wet geeft algemeone regels ten aanzien vai^,provinciale belastingen. Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provinciën niet belemmeren. 137- üe begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings. De wet regelt het vaststellen vatj 4e provinciale rekening. ,// Vervalt. IK Vervalt. |
753
32
|
voer naar on invoer uit andere provinciën geene belemmering ondergaan'. 133. Zij trachten alle geschillen tus-schen gemeentebesturen in der minne te doen bijleggen. Indien zij daarin niet slagen, dragen zij het geval, zoo het een geschil van bestuur betreft, aan den Koning ter beslissing voor. 133. De Koning heeft het vermogen de besluiten der Staten, dio met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen of te vernietigen. De wet regelt de gevolgen 134. De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en bij de Staten- Generaal voorstaan. 135 De wijze waarop het gezag en de magt, aan do Provinciale Staten opgedragen, worden uitgeoefend, wordt door de wet geregeld. 136 De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. 137. De Koning stelt in alle provinciën commissarissen aan, met de uitvoering zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast. Deze commissarissen zitten voor in de vergadering der Staten, en in die der Gedeputeerde Staten, en hebben stem in laatstgenoemd collegie. 'U /A * |
Vervalt. '/Ae art. 140. 138. Onveranderd. yervalt. 139. De StateR^benoemen uit hun midden een cojje^ie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels dooide wet toestellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. 140. De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. 141. De Koning stelt in elke provincie een commissaris aan met de uitvoering zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast. Deze commissaris is voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem. Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van hot Provinciaal Bestuur ten laste van het Rijk komen. |
DERDE A F D E E LI N G. Van de gemeentebesturen.
|
138. De samenstelling, inrigting en bevoegdheid der gem.best. worden, nadat deProv. Staten zijn gehoord, door de wet geregeld, met inachtneming der voorschriften, in de volgende artikelen vep'at / |
142. De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dpzer afdeeling vervat. ^ . |
/1
143. Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeenten, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.
quot;TJra lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.
l)e verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen
Do voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door Hem ontslagen.
U4. A an den raad wordt de regelingen het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten.
Hij maakt de verordeningen, die hij in 1 het belang der gemeente noodig oordeelt.
Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale ver-i ordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking i tot uitvoering daarvan.
Wanneer de regeling en het bestuur j van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk wordt ver-| waarloosd, kan eene wet de wijze- be-i palen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide I eerste zinsneden van dit artikel, wordt voorzien.
De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke bljjft in de uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen. te voorzien.
145. De magt des Konings om de besluiten van de gemeentebesturen, die met de wet of liot algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld.
Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen.
139. Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden onmiddellijk door do ingezetenen, op de wijze door de wet te regelen, voor een bepaald aantal jaren worden verkozen.
De voorzitter wordt door den Koning ook buiten de leden van den raad benoemd, en ook door hem ontslagen.
Om kiezer in eene gemeente te zijn, moet men de vereischten bezitten in art. 76 gevorderd; do belastingsom, daar bepaald, wordt echter op de helft gebragt-
k
'Pil*^ \LU/£. U ft' V
140. Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten. Op de verordeningen, welke hij te dien aanzien maakt en aan de Provinciale Staten moet me-dedeeien, is art. 133 van toepassing.
3
34
|
141. De besluiten der gemeentebesturen, rakende de beschikking over gemeente-eigendom en zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen welke de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Provinciale Staten onderworpen. 142. Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Staten zijner provincie, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen. Zij mogen den doorvoer, en den uitvoer naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. 143. De wet regelt ook het opmaken der begrootingen en het opnemen en sluiten der plaatselijke rekeningen. 144. De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij be-hooren. |
140. De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom of zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen als de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen. Het opmaken der begrootingen en het vaststellen der gemeenterekeningen wordt door de wet geregeld. 147. Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen. Deze belastingen mogen den doorvoor, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. Vervalt. 148. Onveranderd. |
VIJFDE HOOFDSTUK. Van de Justitie.
E E I! S T E A F D E E LIN G.
AUjemeene beschikkingen.
Alrjameene bepalingen.
|
van burgerlijk regt, van koophandel, van strafregt, van burgerlijke regts- en van strafvordering, en van de zamen-stelling der regterlijke magt. De wet regelt insgelijks het regtsge-bied over het krijgsvolk en do schutterijen.. Zij regelt ook de regtspraak geschillen en overtredingen in aller belastingen. 145. Er wordt alom in de Nederlan- 149. Er wordt alom in het Rijk regt den regt gesproken in naam des Konings. gesproken in naam des Konings. 140° Er is een algemeen wetboek | 'quot;quot; i ' 1quot;'' u' over 1^/7 ! /faA |
150. Het burgerlijk en handelsregt, | het burgerlijk en militair strafregt, de j regtspleging en de inrigting der reg-j tcrlijke magt worden bij de wet gere-j geld in algemeene wetboeken, behou-I dens de bevoegdheid der wetgevende i magt om enkele onderwerpen in afzon-1 derlijke wetten te regelen. |
T
|
rp 47. Niemand kan van^zijneigendom borden ontzet, dan ten algomeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstelling. De wet verklaart vooraf dat het algemeen nut de onteigening vordert. Eene algemeene wet regelt de uitzondering op het vereisohte van zoodanige verklaring ten behoeve van vestingbouw en den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, bij besmetting en andere dringende omstandigheden. De bovengenoemde vereisohten van voorafgaande verklaring door eene wet, en van voorafgaande schadeloosstelling kunnen niet worden ingeroepen, wanneer oorlog, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vorderen. Het regt van don onteigende op schadeloosstelling wordt hierdoor echter niet verkort. |
151. Niemand kan van zijfi eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bjj de wet, dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eene algemeene wet. Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen, in welke de voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt ver-eischt. Het vereischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf betaald of verzekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vordert. /ev, - xT---------i iâ â :' ' âJ-â 'quot;'' XT:-----'â â zjjneig quot;J quot;~ |
|
148. Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten. behooren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke magt. Aan haar behoort insgelijks, behoudens de uitzonderingen door de wet te bepalen, de beslissing over burger-schapsregten, (fa1 ^ / /7r' K/U* tfir /O (C v^vh' 'H-L i ttui r l- luA, Ut t cdiJ, IT^U' 145). De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst. 150. Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent. |
152. Waar in het algemeen belang eigendom door het openbaar gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend. hetzij tijdelijk, moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt. gt;1 Het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt bij de wet geregeld. 153- Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten behooren bij uitsluiting tot de kennisneming van de regterlijke magt. W /rj 154. De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art. hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administrative regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen. 155. Onveranderd. 1H*? 15G. Onveranderd. |
36
|
De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid, tusschen de administrative en regterlijke niagt ontstaan, worden beslist. 151. Buiten do gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen dei-gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt. , naald. / fUiu. M 154. Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in do wet omschreven. 155. Op geene misdaad mag als straf gesteld worden do verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoo-rende. 156. Alle vonnissen moeten de gronden, waarop zij rusten, en in strafzaken de artikelen der wet, waarop de veroordeeling rust, vermelden, en met open deuren worden uitgesproken. De teregtzittingen zijn openbaar, behoudens de uitzonderingen in het belang der openbare orde en zedelijkheid, door de wet vast te stellen. |
l /5 / /ito ^ lo7. lt; Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen dor gedane aanhouding! Dit bevel moet bij. of' zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene. tegen wien het ia gerigt. De wet bepaalt den vorm van dit Jj De wet bepaalt den vorm van dit bevel, en den tijd binnen welken alle bevel en den tijd binnen welken alle aangeklaagden móeten worden verhoord, j aangehoudenen moeten worden verhoord. 152. â Wanneer een ingezeten, in bui- Vervalt. tengewone omstandigheden, door het politiek gezag is gearresteerd, is hij, | op wiens bevel zoodanige arrestatie 1 plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerde binnen den tijd van drie dagen over te leveren. De criminele regtbanken zijn verpligt, elk in haar ressort, te zorgen dat zulks stiptelijk worde nagekomen. 153. Niemand mag de woning eens ingezeten diens ondanks binnentreden, dan op last eener magt, door de wet bevoegd verklaard dien last te geven, en volgens de vormen in de wet be- 158. Het binnentreden in eene woning togen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algemeenen last van eene magt door de wet aangewezen. De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is. 159. Onveranderd. a ^ y KiO- Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende. 161- Alle vonnissen moeten de gronden, waarop zij rusten, inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften waarop de veroordeeling rust, aanwijzen. De uitspraak geschiedt met open deuren. Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregtzittingen openbaar. De regter kan in het belang der |
openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken.
-ï WE EDE AF DE EL ING.
|
Van den Hooyen Raad en de Reyler-lijke Colleyiën. 157 Er bestaat voor het geheele Rijk â¢een opperste geregtshof, onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning, uit eene nominatie, volgens art. 158, worden benoemd. 15S. Van eene voorgevallene vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven, die, ter vervulling daarvan, eeno nominatie van vijf personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den president uit de leden van den Hoogen Raad en heeft de regt-atreeksohe aanstelling van den procu-reur-Generaal. löö De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriële departementen, de gouverneurs-generaal of de hooge ambtenaren onder oen anderen naam mot gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de oommissarigsen des Konings in de provinciën staan, wegens ambtsmisdrijven, ter vervolging hetzij van Koningswege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad. 160. De wet bepaalt, welke andere ambtenaren en leden van hooge colle-giën, wegens ambtsmisdrijven, voorden Hoogen Raad te regt staan, 161. De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de Koning, de leden van het Koninklijk Huis, of de Staat als gedaagden worden aangesproken, met uitzondering dor reële actiën, die voor den gewonen regter worden behandeld. 162. De Hooge Raad heeft het toe-zigt op den goregelden loop en de afdoening van rcgtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten bij alle regter-lijke collegiën. Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen. |
Van de regterlijke magt. 162. Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd. 163 Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten Generaal kennis gegeven die, ter vervulling daarvan, eene voordragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den president en den vice-president uit de leden van den Hoogen Uaad. 164- De leden der Staten-Generaal, do hoofden der ministeriële departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met geljjke magt bekleed in de kolo-niën of bezittingen des Rquot;k-= in nnfWo 'fgt; lVT Rijk; wereïïTdeelen, do leden van State, en de commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die-betrekkingen ge-pfeegd, gok na hunne aftreding, te regt voör den Uoogen Kaad ter vervolging, hetzij van quot;s Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer. De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegiën wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad te regt staan. Vervalt. in andere van den Raad - 165. De Hoogo Raad heeft het toe-zigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke magt. Hij kan hunne handelingen, beschik- |
38
|
wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen, volgens de bepaling door de wet daaromtrent te niaken. v ___Z7 tC ^-103. Ue leden en de procureur-generaal bij den Hoogen Raad, de leden van geregtshoven, zoo die er zijn, en van do regtbanken van eersten aanleg, worden voor hun leven aangesteld. Al dezen en de zoodanigen, die voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, kunnen worden afgezet of ontslagen door regterlijke uitspraak, in de gevallen in de wet te bepalen. Zij kunnen, op eigen verzoek, door den Koning worden ontslagen. |
kingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen. De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet. ICC. De leden van de regterlijke magt worden door den Koning aangesteld. Do leden van de regterlijke magt, met regtspraak belast, en de procureur-generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld. Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen. Op eigen verzoek kunnen zij dooiden Koning worden ontslagen. Indien een collegio belast wordt met administratieve regtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk. Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen. Dit artikel is niet toepasselijk op hen, die uitsluitend belast zijn met regt- / spraak over personen, behoorende tot de zee- of landmagt of tot eenige andere gewapende magt, of met de beslissing van disciplinaire zaken. |
ZESDE HOOFDSTUK.
Van de Godsdienst.
|
1G4. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de beschorming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet. 1C5. Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend. ICC. De belijders der onderscheidene fodsdiensten genieten allen dezelfde urgerlijke en burgerschaps-regten, en j hebben gelijke aanspraak op het be-odsdiensten genieten allen dezelfde urgerlijke en burgerschaps-regten, en j hebben gelijke aanspraak op het be- j kleeden van waardigheden, ambten en ! bedieningen. 1C7. Alle openbare godsdienstoefening j binnen gebouwen en besloten plaatsen 1 |
1C7. Onveranderd, N wUu) tâ 1G8. Onveranderd. 1C9. Onveranderd. 170- Onveranderd. |
39
|
wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust. Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd; waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten. 1GS. De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van wyelken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd. Aan_ de leeraars, welke tot nog toe uifT lands kas geen of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd of het bestaande vermeerderd worden. 160. De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. 170- De tusschenkomst der Regering wordt niet vereischt bij de briefwisseling met do hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften. |
171. Onver anderd. -C - 172. Onveranderd. 173. Onveranderd. |
ZEVENDE HOOFDSTU K.
Van lt;le Financiën.
171. Geene belastingen kunnen ten 171. Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's Lands kas worden ge- behoeve van 's Rijks kas worden geheven, dan uit krachte van^eene wet. | heven, dan uit krachte van eene wet. AA, 1 Deze bepaling is ook toepasscljjk op
/gt;'M 6 voor het gebruik van üijks-
ivct / w / / i werken en mngtingen, voor zooveel de
regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.
175. Onveranderd. 17G. Onveranderd.
172. Geene privilegiën kunnen in het S stuk van belastingen worden verleend.
173. De verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de schuldeischers van den Staat.
171. Het gewigt, de gehalte en de
zaken van de Jlunt,. en de beslissing i
ii us 177. Onveranderd.^^^'^K^ ' f
waarde der muntspeciën worden r
de wet geregeld J /
17.5- Het toezigt en de zorg over dei Onveranderd.fryfru*.
, Pcj/.CÃ
40
|
der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden door de wet geregeld. 176. Er is een Algemeene Reken-' kamer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld. Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt do Tweede Kamer der Staten-üeneraal eene opgave van drie personen aan den Koning, die daaruit kiest. De leden der Rekenkamer worden voor hau leven aangesteld. Hunne bezoldiging wordt door de wet geregeld, i Het '2de lid van art. '163 is op hen van toepassing. |
179. Er is eene Algemeene Rekenkamer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld. Bij het openvallen eener plaats iiv deze Kamer, zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt vjm /$£0 drie personen aan den Koning, die daaiv*^/ uit benoemt. ^ De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld. v/ i / Het 3de lid van art. â ] Ã0'is op hen/Wj^l, van toepassing. ^ ^ |
ACHTSTE HOOFD S T ü K.
Tau de Defensie.
|
177. Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en tot beveiliging van zijn grondgebied, blijft een der eerste plig-ten van alle ingezetenen. 178. De Koning zorgt, dat er ten allen tijde eene toereikende zee- en landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, hetzjj inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Europa, naar de omstan- 1711. ^ree/{ide troepen worden niet L dan met gemeen overleg des Konings en der Staten-Generaal in dienst ge |
180. Alle Nederlanders, daartoe in staat, zijn verpligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied. Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd. 181. Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee- en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstpligtigen. De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verpligtingen die aan hen, die niet tot de zee- of landmagt behooren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden. 182. Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen. |
nomen.
180. Er is steeds eene nationale mi- Vervalt. litie, zooveel mogelijk zamen te stellen uit vrijwilligers, om te dienen, op de wijze in de wet bepaald.
181. Bij gebrek aan genoegzame vrij- l'ervall. willigers, wordt de militie voltallig ge- fa.
maakt door loting uit de ingezetenen,
die op den eersten January van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. De inschrijving geschiedt een jaar te voren.
1 82. Zij, die aldus in do militie te Vervalt. land zijn ingelijfd, worden, in vredestijd, i
na een vijfjarige dienst ontslagen.
41
|
Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst verpligten. 183. De militie te land komt. in gewone tijden, jaarlijks eenmaal te zamen. om, gedurende niet langer dan zes weken, in den wapenhandel te worden geoefend, tenzij de Koning het raadzaam mogt oordeelen, dat zamenkomen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten. De Koning kan een deel der militie, door de wet te bepalen, doen zamen blijven. De ligting van het loopende jaar kan tot eerste oefening hoogstens twaalf maanden onder de wapenen gehouden worden. J84. In geval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden, kan de Koning de militie te land, hetzij geheel hetzij ten deele, buitengewoon bijeenroepen. Ten zelfden tijd roept de Koning de Staten-Generaal bijeen, opdat eene wet het zamenblijven der militie, zooveel noodig, bepale. 185. De lotolingen bij de militie te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddee-len worden gezonden. 18(i. Een gedeelte der militie kan voor de dienst ter zee worden bestemd, op de wijze door de wet te bepalen. Voor dat gedeelte wordt, behalve andere door de wet toe te kennen voor-deelen, een korter diensttijd bepaald. Het voorgaande artikel is op deze zeemilitie niet van toepassing. 187. Al de kosten voor de legers van hot Rijk worden uit 's Lands kas voldaan. De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leverantiën, van welken aard ook, voor 's Konings leger of vestingen gevorderd, kunnen niet dan tegen schadeloosstelling, op den voet in de reglementen bepaald, ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt, De uitzondering voor tijden van oorlog regelt de wet. |
Verval!. 183. De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen in en buiten Eu-i'opa. Aan de dienst, door hen in de koloniën en bezittingen in andere wereld-deelen te vervullen, worden door de wet voordeelen verbonden. 184. De dienstpligtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen worden gezonden. 185. Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen, die niet in werkelijk® dienst zijn, door den Koning geheel of ten deelè buitengewoon onder de wapenen wgt;or(J*yi geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel noodig te bepalen. 180. Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit 's Rijks kas voldaan. De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leverantiën van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van het Rijk, gevorderd, kunnen niet dan volgens algemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt. De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval van oorlog, oor- |
42
|
ui lt;- 188. In de gemeenten worden schutterijen opgericht. Zij dienen in tijd van gevaar en oorlog tot verdediging des vaderlands, en ton allen tijde tot behoud der inwendige rust. 189. De sterkte en inrigting der militie en der schutterijen worden geregeld door de wet. |
logsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld. Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in 's Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning. 187. T er handhaving van do uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied des Rijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen. Bij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of ten deele op het militair gezag overgaan, en dat de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden. Daarbij kan wijders afgeweken worden van de artt. (7, 9, ijgt;fi^en J-èrT) der Grondwet. 1*'$ O Voor het geval van oorlog kan ook van art. lid, worden afgeweken. Vervalt. Vervalt. |
N EGEN DE HO O F D S T U K. Van den Waterstaat.
|
190. De Koning heeft hetoppertoe-zigt over alles wat betreft den waterstaat, de wegen en bruggen daaronder begrepen, zgnder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit 's Lands kas of op eene andere wijze gevonden. 191. Do wet regelt het algemeene en het bijzondere bestuur van den waterstaat mi den bovengemelden omvang. iwilki tifyjL f'iVtfi. |
188. De wet geeft regels omti'ent het waterstaatsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat. 189. De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit 's Rijks kas of op eene andere wijze worden gevonden. 190. De Staten der provinciën hebben het toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en Xogtans kan de wet het 192. De Provinciale Staten hebben binnen hunne provinciën het toezigt op alle wateren, bruggen, wegen, water- i werken en wat^rschappen; zij zijn be- veenpolders. ?/ /L Li hquot; - ) |
43
toezigt over bepaalde werken aan andereu opdragen.
De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen, veenschappen en veenpolders veranderingen te maken, waterschappen, veenschappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vastte_stellfiii7
(TÃF verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten der provincie doen.
191. De besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet vast te stellen, in het huishoudelijk belang van die instellingen, verordeningen maken. ^
H O O F D ö ï ü Kr
voegd, onder goedkeuring des Koning», in de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen, behoudens de bepalingen der twee voorgaande artikelen, veranderingen te maken en nieuwe vast te stellen. De besturen dezer waterschappen kunnen aan de Staten daartoe voordragten doen.
103. De Staten hebben het toezigt over alle verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne provincie, behoudens de bevoegdheid des Konings, om het onmiddellijk toezigt, daarover te voeren, aan anderen op te dragen.
^ Dlf
Van het Onderwijs en liet Armbestuur.
|
li)!. Het openbaar onderwijs is oen voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering. quot;quot;^IJe inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet güregcW: Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager on-Vderwijs gegeven. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen. De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. 195. Hot armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering. en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. |
192. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering. Het geven van, onderwijs is vrij. Het toezigt van de overheid op het onderwijs in het algemeen, de inrigting van het openbaar onderwijs en, voor zoover het lager en middelbaar onderwijs betreft, de aan den onderwijzer te stellen eischen/ van bekwaamheid en zedelijkheid, worden door de wet geregeld. /' De Koliing doet van den staat der : hooge// middelbare- en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Geperaalygeven, uh1, 193. Onveranderd. '/(V mera, |
44
E L F U E H O O F D S T U K.
Van veraiulerinaen.
195. Onveranderd.
196.
196. Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde veranderingen uitdrukkelijk aan. De wet verklaart, dat er grond bestaat, om liet voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen.
197. Na de afkondiging dezer wet â worden de kamers ontbonden.
De nieuwe kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan haar, overeenkomstig voornoemde wet, voorgestelde verandering aannemen.
198. Geene verandepagin de Grondwet of in de evïpfrfolging mag gedurende een rggeiöstfliap worden gemaakt.
199. De véranderingen in de Grond- / 197 wet, door don Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd.-
Onveranderd.
194. Onveranderd.
Additioneele Artikelen.
Art. I. Allo bestaande autoriteiten blijven voortduren, tot dat zij door andere, volgens deze Grondwet, zjjn vervangen.
Art. II. Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, tot dat zij aohtervolgens door andere worden vervangen.
Art. 111. De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.
De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.
Art. IV. Art. der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardlia-ling, ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in 1886 rustte.
Art. V. Het eerste lid van art. \Sf£ der Grondwet blijft buiten' toepassing tot dat de wettelijke regeling omtrent do gevallen, waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke gebruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.
Art. VI. Behoudens het regt des Konings om de Kamers der Staten-Generaal of eene van die Kamers te ontbinden, blijven de beide Kamers, zoo als die op het tijdstip der afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld, bestaan tot op den dag der opening der nieuwe Kamers. Zijn voor dien dag verkiezingen noodig ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, dan geschieden deze overeenkomstig de op den dag der genoemde afkondiging bestaande bepalingen.
ia
De Koning bepaalt het tijdstip der opening van de nieuwe Kamers, zoo kort mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld.
Art. VII, Met afwijking van bovenstaand art. II worden in de wet van 4 Julij 1850 (Stbl. no. 37.)' tot dat de wet daaromtrent nader zal hebben beschikt, do volgende veranderingen gebragt;
Art. I wordt gelezen als volgt:
De leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal worden gekozen door de mannelijke meerderjarige ingezetenen des Rijks, tevens Nederlanders, die :
a. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van het door hen tev bewoning gebruikte huis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis in de per-son/ele belasting zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde dan die, welke volgens art. i, litt. a en 6, van de wet van 24 April 1843 (Staatsblad no. 15) 2 aanspraak geeft op vermindering tot een derde of twee derde gedeelten dei-belasting naar de drie eerste grondslagen, en dien aanslag ten volle hebben betaald;
b. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste tien gulden en dien aanslag ten volle hebben betaald:
c. hetzij, hoofden van gezinnen of alleen wonende personen zijnde, van den inwonenden eigenaar of eersten huurder van een woonhuis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis, waarvan de huurwaarde voor de personyéele belastingten minste op het dubbel gesteld is van het laagste in de gemeente voor den vollen aanslag vereischte bedrag, gedurende negen maanden, voorafgaande aan den -^en Februarij, een gedeelte in huur hebben gehad en bewoond, waarvooi-geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, maar waarvan de jaarlijksche huurwaarde, ongestoffeerd, in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis geschat, het sub a bedoelde bedrag van den vollen aanslag bereikt;
met dien verstande dat op de lijsten van kiezers niet worden geplaatst:
zij wien het kiesregt ontzegd is bij eene regterlijke uitspraak, die in kracht van gewijsde is gegaan ;
zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren ;
en zij die in het burgerlijk jaar voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten onderstand van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur hebben genoten.
Het kiesregt wordt niet uitgeoefend door dengenen die in gevangenschap of hechtenis zijn.
Voor het kiezen van leden der Provinciale Staten en van leden van den gemeenteraad gelden dezelfde regelen als die, welke in dit artikel voor het kiezen van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gesteld, met dien verstande, dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn om kiezei-van leden der Provinciale Staten, en ingezeten der gemeente, om kiezer van leden van den gemeenteraad te wezen.
Art. 2 wordt gelezen als volgt:
Deze wet houdt: voor Nederlander hem, die het is volgens de wet, verklarende wie Nederlanders zijn ; voor meerderjarig, die vóór of op den dag der sluiting van de lijsten der kiezers den leeftijd van drie en twintig jaren heeft bereikt; voor ingezeten des Rijks, die zijne woonplaats gedurende de laatste aan die sluiting voorafgaande achttien maanden hier te lande of in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gehad heeft; voor ingezeten der provincie of der gemeente, die zijne woonplaats gedurende het laatste aan de genoemde sluiting voorafgaande jaar binnen de provincie of de gemeente gehad heeft.
3 Wet belasting Personeel.
1 Wet regelende bet Kiesrecht.
46
Door den aanslag in de grondbelasting en dien in de personele belasting in art. 1 vermeld, worden de hoofdsom en de Rijksopoenten verstaan.
De artt. 3 en 5 vervallen.
Art. 7 wordt gelezen als volgt:
De lijsten worden opgemaakt naar aanleiding der jaarlijks vóór den 15deu Februari aan den voorzitter van den gemeenteraad door de ontvangers der directe belastingen in te zenden, door hen te waarmerken opgaven, waarin alle mannelijke inwoners der gemeente, die in de gemeente over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van hunne woning in de personele belasting zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde, dan die welke volgons art. 1, litt. a en 0, van de wet van 24 April quot;1843 (Staatsblad no. 15) aanspraak geeft op vermindering tot een derde of twee derde gedeelten der belasting naar de drie eerste grondslagen, alsmede alle mannelijke inwoners der gemeente, die wegens eigendommen in de gemeente gelegen in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste tien gulden, worden opgenomen, mits hunne aanslagen ten volle zijn voldaan.
De voorzitter van den gemeenteraad noodigt, bij kennisgeving, de mannelijke inwoners der gemeente uit, om, zoo zij in eene andere gemeente over het laatstverloopen dienstjaar in de personele belasting tot hot in de vorige zinsnede bedoelde bedrag of in de grondbelasting in eene andere gemeente of in meer gemeenten te zamen tot een bedrag van ten minste tien gulden zijn aangeslagen, daarvan door overlegging der voor voldaan geteekende aanslagbiljetten, vóór den quot;ISden Februarij te doen blijken. Deze aanslagbiljetten worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven
De man wordt in de grondbelasting geacht te betalen den aanslag zijner vrouw, de vader dien zijner minderjarige kinderen, wegens de goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft.
Aanslagen in de grondbelasting wegens onverdeelde goederen gelden ook voor den mede-eigenaar, wiens naam niet bjj den aanslag in het kohier is vermeld, mits zijn aandeel in dien aanslag ten minste tien gulden bedraagt.
Bij dezelfde kennisgeving als vorengemeld noodigt do voorzitter van den gemeenteraad de mannelijke inwoners der gemeente, die op grond van het bepaalde bij art. '1, sub c, of krachtens het vorig lid van dit artikel aanspraak meenen te kunnen maken om geplaatst te worden op de kiezerslijsten, uit, daarvan vóór 15 Februarij aangifte te doen. Het model dezer aangifte wordt door Ons vastgesteld.
De bewijsstukken, bij zoodanige aangifte overgelegd, waartoe in het geval van het 4de lid van dit artikel moeten behooren het aanslagbillet of authentiek afschrift daarvan, eene opgaaf van het bedrag van het aandeel in den aanslag en de bescheiden betrekkelijk het gemeenschappelijk bezit, worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven. Het bedrag dor jaar-lijksohe huurwaarde van de hier bedoelde gedeelten van woonhuizen, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, ongestofleerd, in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis, wordt bepaald door eene schatting van drie be-eedigde schatters. Kan het bedrag der schatting niet bij meerderheid der schatters worden bepaald, dan geldt de schatting, die noch de hoogste noch de laagste is.
De wijze van aanstelling van deze schatters, de door hen af te leggen eed (of belofte), de regeling van en de belooning voor hunne werkzaamheden, zoomede de wijze van onderzoek omtrent het aandeel in de aanslagen bedoeld in het 5de lid van dit artikel, worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.
Art. 9 wordt gelezen als volgt;
De lijsten vermelden, behalve den naam en de voornamen van den kiezer, de plaats en dagteekening zijner geboorte en de dagteekening zijner naturalisatie, zoo deze heeft plaats gevonden, en het bedrag van de huurwaarde der woning,
47
waarvoor hij in de personele belasting (eersten grondslag) over het laatstver-loopen dienstjaar is aangeslagen en bij gebreke daarvan het bedrag van zijn aanslag in de grondbelasting of het bedrag van de jaarlijksche huurwaarde, waarop het door hem bewoonde gedeelte van een woonhuis ingevolge het laatste lid van art. 7 is geschat.
Achter art. 10 wordt ingevoegd een nieuw artikel lObis, luidende als volgt:
Op den dag van de vaststelling van de lijsten zendt de secretaris der gemeente een afschrift of afdruk daarvan aan het bestuur van elke der in de gemeente gevestigde instellingen van weldadigheid, voorkomende op de lijst, bedoeld iu art. 3 der wet van 28 Juni 1854 {Staatsblad no. 100). 1 Deze besturen zijn ver-pligt binnen veertien dagen aan den gemeenteraad opgave te doen van de namen van alle op de Ijjsten voorkomende personen, welke in het burgerlijk jaar, aan de vaststelling der lijsten voorafgaande, van hunnentwege onderstand hebben genoten.
Aan art. 11 wordt het volgende toegevoegd:
Betreft het bezwaarschrift de schatting der jaarlijksche huurwaarde van gedeelten van woonhuizen, bedoeld in het voorlaatste lid van art. 7, dan zorgt de voorzitter van den raad onverwijld voor herschatting door drie beëedigde herschatters, ten aanzien van welke toepasselijk is het laatste lid van art. 7. De kosten der herschatting zijn voor rekening van dengene, die het bezwaarschrift indient; deze is verpligt het bedrag daarvan, hetwelk ook bepaald wordt bij don bovengenoemden algemeenen maatregel van bestuur, te gelijk mot de indiening van het bezwaarschrift, bjj het gemeentebestuur te storten. Verzuimt hij deze storting dan wordt op het bezwaarschrift betreffende de schatting geene beschikking genomen.
Achter art. 12 wordt ingevoegd een artikel 12bis, luidende als volgt:
De secretaris der gemeente doet in het geval onder no. 1 van art. 11 bedoeld, binnen 24 uren na het inkomen van het bezwaar, aan do besturen van elk der in art. lObis bedoelde instellingen mededeeling van den naam van degenen wier plaatsing op de lijst verlangd wordt. Deze besturen zijn verpligt binnen 7 dagen aan den gemeenteraad konnis te geven van het feit â indien het zich voordoet â dat deze personen in het burgerlijk jaar aan de vaststelling der lijst voorafgaande van hunnentwege onderstand hebben genoten.
Het eerste lid van art. 14 wordt vervangen door de volgende bepalingen:
De raad beslist over de bezwaren tusschen den achtsten en den veertienden dag nadat zjj zijn ingediend, en verbetert de lijst, zooals hij vindt te behooron. Heeft het bezwaar de schatting van gedeelten van woonhuizen betroffen, dan wijzigt de raad de kiezerslijsten in overeenstemming met de uitkomst der her-schatting, zoo deze daartoe aanleiding geeft. Kan het bedrag der lierschatting niet bij meerderheid der herschatters worden bepaald, dan geldt de schatting die noch de hoogste noch de laagste is.
De raad geeft van zijne beschikking op de bezwaren met redenen omkleed, terstond kennis aan de belanghebbenden.
Achter art. 36 wordt ifigevoegd een nieuw artikel 36bi8, luidende als volgt:
De bestuurders van instellingen van weldadigheid, die niet voldoen aan de voorschriften vervat in de artikelen lObis en 12bis, worden gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.
Het opschrift van de Hde afdeeling wordt gelezen als volgt:
Van de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Ttveede Kamer der Staten-Generaal en. hunne aftreding.
Art. 71 wordt gelezen als volgt :
Leden der Eerste Kamer kunnen alleen zijn mannelijke Nederlanders, die
1
Wet Armbestuur.
is
niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of liet beheer over hunne goederen hebben verloren noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn, den ouderdom van dertig jaren vervuld hebben en öf behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen of een of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, door de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Deze betrekkingen worden voor de eerste maal aangewezen bij algemeenen maatregel van bestuur, welke van kracht bljjft tot dat die door eene wet wordt vervangen, liet voorstel van zoodanige wet wordt binnen twee jaren na het in werking treden der veranderingen in de Grondwet bij de Staten-Generaal ingediend.
De laatste zinsnede van Art. 72 wordt gelezen als volgt:
De bepaling van Art. 4 is daarbij van toepassing.
De aanslag der vrouw in de directe belastingen wordt beschouwd als staande ten name van haren man, die van minderjarige kinderen als staande ten name van hunnen vader, voor zooveel betreft de goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft.
De eerste zinsnede van art. 73 wordt gelezen als volgt:
Het opmaken der lijst geschiedt jaarlijks in de eerste helft der maand April naar aanleiding der jaarlijks vóór 1 April aan Gedeputeerde Staten door de ontvangers der, directe belastingen in te zenden, door hen te waarmerken opgaven, waarin elk belastingschuldige op hunne tot de loopende dienst beboerende kohieren voorkomende en het bedrag waarvoor hij in elke belasting afzonderlijk is aangeslagen, wordt aangewezen.
Art. 74 wordt gelezen als volgt:
Gedeputeerde Staten brengen op de lijst zoodanig getal personen binnen de provincie wonende, dat op iedere vijftien honderd inwoners der provincie éen tot lid der Eerste Kamer uit dezen hoofde verkiesbaar zij.
Art. 75 vervalt.
Art. 78 wordt gelezen als volgt;
Elk Nederlander die niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen heeft verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet is, is bevoegd tegen de lijst bezwaren in te dienen, wanneer daarop lo. zijn naam of die van een ander in strijd met de bepalingen van artt. 72 tot 76 niet of niet behoorlijk voorkomt; 2o. de naam is gebragt van iemand die een of meer der in art. 71 vermelde vereischten, om als hoogstaangeslagene verkiesbaar te zijn, mist.
In art. 88 wordt het woord Maandag vervangen door Dincjsday.
Art. 94 wordt gelezen als volgt:
De tot lid der Eerste Kamer benoemde legt, indien hij voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, nevens zjjn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel, voor zooveel zijn persoon betreft, van de provinciale lijst van hoogstaangeslagenen waarop hij gebragt is en eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. Indien hij niet voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, legt hij nevens zijn geloofsbrief en de verklaring vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt, over een uittreksel uit de geboorteregisters of bij gemis daarvan eene akte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken en eene verklaring, vermeldende welke der hooge en gewichtige openbare betrekkingen, bedoeld in art 71, hij bekleed heeft.
De eerste zinsnede van art. 96 wordt gelezen als volgt:
Een lid der Eerste Kamer, op geene der geslotene provinciale lijsten van hoogstaangeslagenen moer genoemd, noch daarop, ten gevolge van regterlijk eindvonnis hersteld, of daarvan ton gevolge van zoodanig vonnis geschrapt, houdt op lid te zijn, tenzij hij eene of meer der hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 71, bekleedt of bekleed heeft.
De eerste zinsnede van art. 97 wordt gelezen als volgt;
Hetzelfde vindt plaats, wanneer een lid der Eerste Kamer ophoudt Nederlander te zijn of een der andere in art. 71 vermelde vereischten verliest, of na zijne
40
verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens de verkiezing vervulde.
Art. 98 wordt gelezen als volgt:
Leden der Tweede Kamer kunnen alleen zijn mannelijke Nederlanders, die niet bjj regterlijkc uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn en den ouderdom van dertig jaren hebben vervuld.
Het derde lid van art. 99 vervalt.
De tabel bedoeld in art. 99 wordt gelezen als volgt: (de de hierachter rje-voeijde kiestabel.)
ilet tweede lid van art. '100 wordt gelezen als volgt:
Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met / den volgenden derden Dii/sdag van September moeten aftreden.
Het opschrift van S 3 Wordt gelezen.als volgt:
Van de aftreding der leden van de Eerste en Tiveede Kamer.
Art. 113 wordt gelezen als volgt:
Een dorde gedeelte van do leden der Eerste Kamer treedt om de drie jaren af.
liet eerste aftredende derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 loden, Gelderland '2, Zuidholland 4, Noordholland 3, Utrecht 1, Friesland 1, Overijssel I, Groningen I, Drenthe 1 en Limburg 1, te zamen 17 leden.
Het tweede bestaat voor Noordbrabant uit '2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 3, Noordholland 3, Zeeland 1, Utrecht I. Friesland 1, Overijssel 1, Groningen 1, Drenthe 1 en Limburg 1, te zamen 17 leden.
Het derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 3 Noordholland 3, Zeeland 1, Friesland 2, Overijssel 1, Groningen 1 en Limburg I te zamen 16 leden.
Art. 114 vervalt.
Art. 115 wordt gelezen als volgt;
Bij ontbinding der Eerste Kamer begint do rooster van aftreding telkens op nieuw te werken over twee jaren, te beginnen met den eerstvolgenden derden /, DirAdag in September.
Bij ontbinding der Tweede Kamer treden do loden af driejaren na den eorst- / , volgenden derden Diijfedag in September.
Art. 116 wordt gelezen als volgt: ^
Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der Eerste Kanier naar den rooster aftreedt, zooverre deze dien tijd niet zelf heeft aangewezen.
Art. 117 wordt gelezen als volgt:
Die ter vervulling eener buiten den gewonen tjjd van aftreding opengevallen plaats tot lid dor Eerste of Tweede Kamer is verkozen, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden.
Art. VIII. Na do afkondiging van do wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, heeft eene herziening plaats van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen, overeenkomstig do wet van i Julij 1850 (.Staatsblad no. 37), gelijk zij bij art. Vil is gewijzigd.
Voor de herziening der kiezerslijsten worden de termijnen van art. 1, sub r, en van art. 7 dier wet gestold op den 21sten dag na de bedoelde afkondiging. De kiezerslijsten worden vastgesteld uiterlijk op den 49sten en gesloten uiterlijk op den 77sten dag na die afkondiging.
Voor de herziening van de lijsten der hoogstaangeslagenen, wordt de termijn van art. 73 dier wet gesteld op don 49sten dag na bedoelde afkondiging. Zjj worden vastgesteld uiterlijk op den 77sten. en gesloten uiterlijk op den 105den dag na die afkondiging
De eerstvolgende herziening van de kiezerslijsten en van de lijsten dor hoogstaangeslagenen heeft plaats in 1889.
*
j
oU
Art. IX. De verkiezingen voor de nieuwe Kamers der Staten-Gencraal hebben plaats binnen vier maanden na die afkondiging.
Art. X. Het tweede lid van art. 5 van de wet van '29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85) 1 vervalt.
Art. XI. Aan de verkiezingen van leden van Provinciale Staten en gemeenteraden, die mogten plaats hebben vóór de sluiting der kiezerslijsten, bedoeld in art. VlII, nemen de personen doel, wier namen voorkomen op do kiezerslijsten, geldende tijdens de afkondiging der wetten, houdende verandering in de Grondwet.
Art. XII. De Koning is bevoegd den tekst der herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in de artikelen, welke naar oen antler artikel verwijzen, do veranderingen van nummers aan te brengen, welke noodig blijken te zijn.
Tabel bedoeld in art. 99,
(«roningou 2. Groningen, Haren, Noorddijk. Bedum, Ten Boer, Slochtoren, lloogezand.
Znidhorn i. Zuidhorn, Aduard, Ezinge, Loens, Ulrum, üldohovo, Grijpskerk, üldekerk, Grootegast, Marum, Adorp, Hoogkerk. Leek, Kloosterburen, W insum.
Appingedam '1. Appingedam, Delfzijl, t Zandt, Bierum, Uithuizermeeden, Uithuizen, Usquert, Warff'um, Eenrum, Baflo, Stedum, Middelstum, Kantons, Loppersum.
iVinschoten L Winschoten, Termunten, Nieuwe Schans, Beerta, Nieuwolda, Midwolda, Finsterwolde,Noordbroek, Zuidbroek, Scheemda, Bellingwolde, Wedde.
Yeendaiu 1. Veendam, Meeden, Sappemeer, Muntendam, Oude Pokela, Nieuwe Pokela, Vlagtwedde, Onstwedde.
Assen 1. Assen, Wildervank, Zuidlaren, Anlo, Gieten, Gasselte, Roden, Peize Eelde, Norg, Vries, Rolde.
Entmcn 1. Ãmmen, Borger, Odoorn, Schoonebeek, Dalen, Zweelo, Sleon, üos-terhesselen, Coevorden, Westerbork, Beilen.
Leeuwarden i. Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Idaarderadeel.
Harlingeu 1. Harlingen, Barradeel, Wonseradeel, Bolsward, Workum, liin-deloopen.
Franeker 1. Franekei', Eranekeradeel, 't Bildt, Menaldumadeel, Baarderadeel, Hennaarderadeel.
Sueek '1. Sneek, Wijmbritseradeel, Stavoren, Hemelumer-Oldephaert, l.Tlst, Gaasterland, Sloten, Rauwerderhem, Doniawerstal.
Schoterland l. Schoterland, Utingeradeel, Opsterland, Haskerland, jÃng-wirden.
Dokkuni 1. Dokkum, üostdongei'adeel, Westdongeradeel, Dantumadeol, Eer-werderadeel, Ameland,. Schiermonnikoog.
Bergum 1. Kollumerland, Achtkarspelen, Tietjerksteradeel, Smallingerland.
Wolvega '1. Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Lemsterland, Smilde, Diever, Vledder, Havelte.
Steeinvijk 'L Steenwijk. Steenwijkerwold, Oldemarkt, Kuinre, Blankenham, Blokzjjl, Stad-Vollenhove, Ambt-Vollenhove, Giethoorn, Wanneperveon, Zwartsluis, Staphorst, Hasselt, Genemuiden, Nieuwleusen.
Sleppei '1. Meppol, Dwingelo, Nijeveen, Ruinen, Ruinerwold, lloogevcen, Zuidwoldo, de Wijk, Avereest.
Zwolle 1 â Zwolle, Zwollekerspel, Dalfsen, VVijhe, Heino.
Kampen '1. Kampen, Kamperveen, Grafhorst, IJsselmuidon, Wilsum, Zalken Veecaten, Oldebroek, Elburg, Doornspijk, lieerde, Hattom.
Oniiueu L Stad-Ommen, Ambt-Ommen, Grarasbergen, Stad-Hardenberg. Ambt-Hardenberg den Ham, Hellendoorn, Vriezenveen, Kaalte, Holten.
1
Gemeente wot.
Al iiiolo 1. Stad-Almolo, Ambt-Almelo, Tabbergen, Ootmarsum, Denekamp, Wierden, W'eerselo, Borno, Kjjsson.
Enscliedc â !. Enschedé, Oldenzaal, Losser, Haaksborgen, Hengelo, Lonneker.
Deventer 'i â Deventer, Diepenveen, Jiathrnen, Voorst, ülst.
Loclieni 1. Loohem, Markelo, Goor, Stad-Delden. Ambt-Dolden, Diepenheim, Gorssel, Laren, Borculo. Neede, Eibergen, fiuurlo, Groenlo.
Ziit|ilieii '1 Zutphen, Vorden, Warnsveld, Brammen, Hengelo, Steenderen, Hummelo, Doesburg.
Doetincliem L Stad-Doetinchem, Ambt-Doetinehera, Winterswijk, Aalten, Lichtenvoorde, Wisch, Dinxperlo, Zelhem, Gendringen.
lllieden I- Rheden, Zevenaar, Kozendaal, Westervoort, Duiven, Huissen. Ui-dam, Angerlo, Bergh, Wehl, Herwen en Aerdt.
Arnhem 1. Arnhem.
Eist L Eist, Wageningen, Doorwerth, Renkum, Valburg, (leteren, Hemmen, Bemmel, Gent, Pannerden, Ewijk, Beuningen.
Nijmegen 1. Nijmegen, Millingen, Ubbergen, Groesbeek, Heumen.
Oruten I. Druten, Overasselt, Wijchen, Balgoij. Batenburg, Bergharen, Hors-sen, Appeltern, Driel, Herwenen, Rossum, Zaltbommel, Ammerzoden, Brakel, Zui-lichem, Poederoijen, liedel, Kerkwijk, Gameren, Dreumel, Wamel, lieerewaarden.
Tiel 1 Tiel, Zoelen, Geldermalsen, Wadenoijen, Est en üpijnen, üphemert, Varik, Deil, Beesd, Waardenburg, Haaften, Maurik, Lienden, IJzendoorn, Eehteld, Dodewaard, Kesteren,
Wijk bij Duurstede 1. Wjjk bij Duurstede, Driebergen, Rijsenburg, Langbroek, Cothen, Werkhoven, üdijk. Houten, Schalkwijk, Tuil en't Waal, Jutphaas, Vreeswijk, IJsselstein Lopik, Jaarsveld, Benschop, Willige Langerak, Montfoort, Hoenkoop, Polsbroek, Willeskop, Snelrewaard, Culemborg, Beusiohem, Buren, Buurmalsen.
Ede 'L Ede, Barneveld, Nijkerk, Seherpenzeel, Renswoude, Veenendaal, l!ho-nen, Amerongen, Leersum, Hoevelaken.
Amersfoort 1. Amersfoort, Bunschoten, Eemnes, Baarn, Hoogland, Soest, Stoutenburg, Leusden, Woudenberg, Maarn, Zeist, Doorn.
Apeldoorn 'I. Apeldoorn, Epe, Ermelo, Harderwijk, Putten.
Utrecht 2. Utrecht, de Bildt, Maartensdijk, Bunnik, Oudenrijn, Achttienho-ven, Westbroek.
Hreukelen '1. Breukelen-Nijenrode, Breukelen-St. Pieters, Nieuwveen, Nieuwkoop, Zevenhoven, Ter Aar, Abcoude-Proostdij, Abcoude-Baambrugge, Loosdrecht, Vinkeveen, Vreeland, Loenen, Loenersloot, Mijdrecht, Wilnis, Maarsseveen, Maars-sen. Tienhoven, Zuilen, Vleuten, Laagnieuwkoop, Kockengen, Kamerik, Zegveld, Haarzuilens, Ruwiel, Harmeien, Veldhuizen, Linsohoten.
Hilversum L Hilversum, Ouder Amstel, Watergraafsmeer, Uiemen, Muidon, Kaarden, Huizen, Blaricum, Laren, Bussum, Weesp, Weespercarspel, Ankeveen, Nederhorst den Berg, Nigtevecht, Kortenhoef', 's Graveland.
Hoorn L Hoorn, Zwaag, Berkhout, Avenhorn, Ursem, Schennerhorn, Oudendijk, Beets, Beemster, üosthuizen, Warder, Middelie, Kwadijk, Purmerend, Edam, Katwoudo, Monnikendam, Marken.
Enkhulzeu L Enkbuizen, Medemblik, Opperdoes, Twisk, Abbekerk. Hoogwoud, Winkel, Opmeer, Spanbroek, Obdam, Hensbroek, Sijbekarspel, Wognum. Nibbixwoud, Midwoud, Wervershoof, Andijk, Bovenkarspel. Grootebroek, Uoog-karspel, Westwoud, Blokker, Sohellinkhout, Wijdenos, Venhuizen, Urk.
Alkmaar 1. Alkmaar, Heiloo, Bergen, Sphoorl, Warmenhuizen, Harenkarspel. St, Maarten, Schagen, Wieringorwaard, Barsingerhorn, Nieuwe Niedorp, Oude Niedorp, Heerhugowaard, Oudkarspel, Noord Scharwoude, Zuid Scharvvoude, Broek op Langendijk, St. Paneras, Koedijk, Oudorp, Oterleek.
Helder L den Helder, Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Anna Pau-lowna, Zijpe, Callanfsoog, Petton.
Amsterdain 9 Amsterdam, Nieuwer Amstel.
52
Haarlem 1. Haarlom.
Beverwijk 1. Beverwijk, Zandvoort, Bloomendaal, Schoten. Spaarndam, llaai--lemmerliede en Spaarnwoude, Velzcn, Assendelft, VVestzaan. Krommenie, Wijk aan Zee en Duin, Heemskerk, Uitgeest, Castrioum, Akersloot, Limmen, Kgmond binnen, Egraond aan Zee.
/namlniii '1. Zaandam, Koog a. d. Zaan, Zaandijk, Wormerveer, Wormer, Jisp, Graft, de Rijp, Zuid- en Noord-Schermer, Wijdewormer, ()ostzaan, lipendam, Landsmeer, Buiksloot, Broek in Waterland, Nieuwendam, R msdorp.
Haarleminerineer 1. Haarlemmermeer, Sloten, Heemstede, Bennebroek, quot;Aalsmeer, Uithoorn, Leimuiden, Lisse, Hillegom, Alkemade.
Leiden L Leiden.
Katwijk L Katwijk, Noordwijk, Noord wij kerhout, Sassenheim, Voorhout, Oegstgeest, Warmond, Rijnsburg, Valkenburg. Leiderdorp, Rijnsaterwoude, Wou-brugge. Oudshoorn, Koudekerk, Zoeterwoude, Voorschoten, Veur, Wassenaar.
Gouda 1. Gouda, Boskoop, Moerkapelle, Waddinxveen, Moordrecht, Nieuwer-kerk op d. Ussel, Ouderkerk a. d. Ussel, Krimpen a. d. IJssel, Krimpen a. d. Lok, üouderak, Lekkerkerk.
Bodegraven '1. Bodegraven. Aarlanderveen, Hazerswoude, Alphen, Zwam-merdam. Rietveld, Woerden, Waarder, Barwoutswaarder, Papekop, Lange-Ruige Weide, Reeuwijk, Oudewater, Hekendorp, Haastrecht, Viist, Stolwijk, Schoonhoven, Bergambacht, Ammerstol, Berkenwoude.
Delft L Delft, Hof van Delft. Pijnaoker, Vrijenban, Berkel, Bleiswijk, Zevenhuizen, Bergschenhoek, Hillegersberg.
Loosduinen 1. Loosduinen, 's Gravesande, Maassluis, Maasland, de Lier, Naaldwijk, Schipluiden, Monster, Wateringen, Rijswijk. Voorburg, Stompwijk, Nootdorp, Zoetermeer, Zegwaard, Benthuizen.
Schiedam 'i. Schiedam, Overschie, Schiebroek, Kethel, Vlaardingen, Vlaar-dingerambacht.
llotterdam 5. Rotterdam, Kralingen, Chai-lois, Capelle a. d. Ussel.
Brielle i- Brielle, den Bommel, Uoltgensplaat, Stad aan 't Haringvliet, üost-voorne, Vierpolders, Nieuwenhoorn Heüevoetsluis, Nieuw-Helvoet, Rockanje, Heenvliet, Geervliet, Zwartewaal, Spijkenisse, Hekelingen. Zuidland, Abbenbroek, Oudenhoorn, Rozenburg, Pernis, Hoogvliet, Poortugaal, Goudswaard, Piershil, Zuid-Beijerland, Nieuw-Beijerland.
'.s Gravenhage B. 's Gravonhage.
Dordrecht 1. Dordrecht, Duljbeldam, Zwijndrecht, Papendrecht, lleerjans-dam.
Ridderkerk 1. Ridderkerk, Barendrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Usselmonde, Rhoon, 's Gravendeel, Strijen, Maasdam, Puttershoek, Heinenoord, Oud-Bcijer-land, Mijnsheerenland, Westmaas, Klaaswaal, Numansdorp.
(Jorincliem 1. Gorinchem, Herwijnen, Vuren, Nederhemert, Wijk-en Aalburg, Veen, Op- en Neer-Andel, Giessen. Rijswijk, Woudrichem, Do Werken en Sleeu-wijk. Werkendam, Schelluinen. Arkel, Kediohem, Heukelum, Asperen, Hardinx-veld, Giessen-Nieuwkerk, Giessendam, Molenaarsgraaf. Hoogblokland, Hoornaar, Noordeloos, Nieuwland.
Sliedrecllt t. Sliedrecht, Vianen, Hagestein, Everdingen, Schoonrewoord. Leerdam, Hei- en Boeikop, Leerbroek, Lexmond, Meerkerk, Ameide, Tienhovon, Langerak, Goudriaan Nieuwpoort, Groot Ammers, üttoland, Peursum, Brandwijk, Bleskensgraaf, Wijngaarden, Streefkerk. Nieuw-Lekkerland, Alblasserdam, Oud-Al bias.
Middelburg '1 Middelburg, Vlissingen, Veere. Oostkapelle, Domburg, Vrouwenpolder, Serooskerke, Aagtekerke, Grijpskerke. Westkapelle, St. Laurens, Meliskerke, Zoutelando, Biggekorke, Oost- en West-Souburg, Koudekerke, Ritthem. Nieuw en St. .Toosland.
Oostburg 1. Oostburg, Cadzand, Retranchement, Zuidzan Ie, Sluis, Aardenburg, Ede, St. Kruis, Waterlandkerkje, IJzendijke, Breskens, Groede, Niouwvliet,
53
Schoondijke, Hoofdplaat, Biervliet, Neuzon, Hoek, Philippine, Westdoi'pe, Zaam-slag, Sas van Gent, Axel.
(lt;oes 1. Goes, Arnomuidcn, 's Hooi- Arendskerke, 's lieer Abtskorko, W'ol-phaartsdijk, lleiiikenszand, 's Gravenpolder, Kattendijke, Kloetinge, Weraeldinge, Wissekerke, Colijnsplaat. Kortgene, Kats, ïholen. Oud V ossemeer, Poortvliet, ISt. Annaland, Stavenisse, St. Maartensdijk, Scherpenisse, St. Pliilipsland.
Sloutenisse I llontenisse. Overslag, Zuiddorpe, Koewacht, Boschkapelle, Hulst, Clinge, St. Jansteen, Stoppeldijk, Hengstdijk, Graauw en Langendani, üssenisse, Ililland-Bath, Waarde, Schore, Kruiningen, Krabbendijke, Yerseke, Kapelle, Borsselen, Driewegen, Nisse. üvezande, Hoedekenskerke, 's Heerenhock, Oudelande, Ellewoutsdijk, Baarland.
Zierikzee 1. Zierikzoe, Haamstede, Noordwelle, Renesso, Serooskerke, Burgh-Elkerzee, Ellemeet, Brouwershaven, Zonnemaire, üuivendijke, Kerkwerve, Noord-gouwe, Dreischor, Oosterland, Nieuwerkerk, Ouwerkerk, Bruinisse, Goedereede, Ouddorp, Stellendam, Dirkslénd, Melissant, Middelharnis, Sommelsdjjk, Oude ïonge. Nieuwe ïonge, Herkingen.
Uerg'en oj) Zoom 1. Bergen op Zoom, Woenadreeht, Ossendrecht, Hnyber-gcn, Putte, Nieuw Vossemeer, Wouw, Halsteren, Roosendaal en Nispen, Steenbergen en Kruisland.
Krcda '1. Breda, Rucphen en Vorenseinde, Hoeven, Etten en Leur, Princen-hage, Terheyden
Oostcrhout 'I. Oosterhout, Zundert, Rijsbergen, Ginneken en Bavel, Teterin-gcn. Dongen, 's Gravenmoer, Loon op Zand, Gilze en Reijen, Chaam, Baarle Nassau
Zevenbergen 1. Zevenbergen, Dinteloord en Prinsland, Oud-en Nieuw-Gastol, Fijnaart en Heiningen, Willemstad, Klundert, Standdaarbuiten, Oudenbosch, llooge en Lage Zwaluwe, Geertruidenberg, Made en Drimmelen, Raanisdonk.
aalwijk I. Waalwijk, Almkerk, D.ussen, Munster en Muilkerk, Waspik-Meeuwen, Hill en Babyloniënbroek, Meesbeen, Eethen en Genderen, Drongelen, llagoort, Gansoijen en Doeveren, Besoijen, Baardwijk, Drunen, Nieuwkuyk, Vlijmen, Empel en Meerwijk, Engelen, Bokhoven, Hedikhuizen, Herpt, Oudheus-den, Heusden, Capelle, Sprang, Vrijhoeve Capelle, Ci'omvoirt, tlelvoirt, Lidenhout, 1 ierkei, Haaren.
Tilburg 'l. Tilburg, Outerwijk, Moorgestel, Hilvarenbeek, Goirle, Alpon en Riel, Diessen, Oost-, West- en Middelbeers.
Eindhoven 1. Eindhoven, Hooge en Lage Mierde, Reusel, Bladel en Neter-ael, Oirsehot, Liempde, Vessem, U'intelre en Knegsel, Zeelst, Strijp, Woensel. Best, Stratum, Gestel en Blaarthem, Hoogeloon, Hapert en Gasteren, Duizel en Steensel, Eersel, Luykgestel, Borkel en Schaft, Bergeyk. Dommelen, Westerbo-vcn, Veldhoven en Mereveldhoven,quot; Riethoven, Oerle, Valkenswaard
Helmond 1 Helmond, Tongelre, Nunen, Gerwen en Nederwetten, Zesge-huchten, Bakel en Milheezo, Deurne en Liesel, Vlierden, Geldrop, Mierlo, Lierop, Asten, Someren, Leende, Heeze, Maarheeze, Soerendonk, Sterksel en Gassel, Budcl, Aalst, Waalre, Stiphout, Aarle-Rixtel.
Maastricht 'â Maastricht, St. Pieter, Oud-Vroenhoven, Meerssen, Amby, Heer, Gronsveld, Eysden.
Gnlpeu 1. Gulpen, Mesch, Rijokholt, St. Geertruid, Mheer, Noorbeek, Slena-ken, \Vittem, Vaalst, Bocholtz, Simpelveld, Wijlre, Valkenburg, Oud-Valkenburg, Margraten, Cadier en Keer, Bemelen, Berg en Terblijt, Ilouthem, Kerkrade, Voe-rendaal, Sehin op Geulle, Heerlen, Schaesberg, Klimmen
Sittard 1. Sittard, Borgharen, Itteren, Bunde, Geulle, Elsloo, Stein, Urmond-Obbicht en Paponhovon, Grevenbicht, Limbricht, Born, Niouwstadt. Brooksittard, Munstorgeleen, Geleen, Beek, Spaubeek, Schimmert, Hulsberg, VVjjnandsrade, Nuth, Ulestraten, Sohinnen, Amstenrade, Hoensbroek, Brunssutn, Schinveld, Jabeck, Bingelrade, Merkelbeek, Oirsbeek, Eygelshoven, Ubach over Worms, Nieuwenhagen.
lloennond 1. Roermond, Susteren, Roosteren, Echt, Ohó en Laak. Stevens-
54
weort, Vlodrop, Posterholt, St. Odiliënberg, Moliok en llerlconboscli, Montforfc, Maasliracht, Linno, Horton, Maasniel, Horn Boogden, Hooi en Panhoel, Wessem, Thorn, Swalmon, Beesel,
Voiilo '1. Venlo, (irubbenvorst, Areen on Velden, Broekhuizen, Meerlo, W'ansum, Venray, Bergen, Ottersum, Gennep, Mook, Sambeek, Vierlingsbeek, Maashees en üverloon, Oploo, St. Anthonis en Ledeakkor, Belfeld, Tegelen.
Weert i. Weort, Hunsel, Stramproy, Nedorvveert, Róggol, Hoythuizon, Neer, Kessel, Meijel, Helden, Sevenum, Maasbroe, Horst, Buggenum, Nunhem, üaelen, Ittervoirt, Neorritter, Baexem, ürathem.
Grave '1. Grave, Boxmeer, Alom, Maren en Kessel, Lith, Lithoijen, üefFen, üss, Oijon en Teeffelen, Mogen, Haren en Maoharen, üieden. Demon en Langel, Beursen en Dennenburg, Huissoling en Neerloon, Berghom, Herpen, Heesch Sohayk, Ravonstein, Reek, Velp, Escharen, Gassol, Boers, Linden, Cuylc en St. Agatha, üeffelt. Haps, Beugen on Hijkovoort, VVanroy, Mill en St. Hubert, Nistelrode.
's Hertogenboscli 1. 's Hertogonbosoh, Vught, don Dungen, Berlieum, Rosmalen, Nuland, Boxtel, Ksoh.
Vegliel 1. Voghel, Udon, Zeeland, St. Michielsgestel, Sohijndel, St. üodenrodo, Dinter, Ileoswijk, Erp, Boekei, Geraert, Son en Breugel, Lieshout, Beek en Donk.
Bij den Uitgever verschijnt
E N a U K T E
betreffende
WERKING EN UITBREIDING
DER WET VAN 19 SEl'TEMIiEU 1874.
en naak, den
TOESTAND VAN FABRIEKEN EN WERKPLAATSEN Bundel I tot IV.
(AMSTERDAM. MAASTRICHT. DE VLASINDUSTETE, TILBURG; slechts f2.70.
Voor de kennis onzer maatschappelijke toestanden; ter juiste beoordeeling van hetgeen er van Staatswege kan en moet worden gedaan ter verheffing en verbetering van het lot van den werkmansstand, zonder schade voor de industrie, is- de lezing van dit Vérslag onontbeerlijk.
De zeldzaam lage prijs brengt het werk binnen liet bereik van alle belangstellenden.
Sneek.
H. PYTTERSEN Tz.
SNELPERSDRUK VA£ II. C. A. TUIEME, NIJMEOEN.