ocr page 1

Maatsctiappij tot Nut van 'f Algemeen.

HANDENARBEID

ALS

OPYOEDINGSMIDDEL

DOOR

J. FRAN ZEN,

lkebaau ik het ha.ndwerksonderwijs aan iiet semlxarlü'm van' volksschoólleeraren' te lund.

u l l h l l

Uit liet Ziweedseli vertaald.

door

C, J. PRINS,

met een voorwoord van F. W. VAN EEDEN,

Dircctcar der Mmcams op het Faviljocn le Haarlem.

I \

\

\

ï iï

\l\ i

-quot;t-isaa oq!j0r7-=-

BIBLIOTHEEK OER RIJ KSUNi VER3!TEiT

ocr page 2
ocr page 3

Maatschappij tot Nat van 't Algemeen.

HANDENARBEID

ALS

OPVOEDINGSMIDDEL

J. FRANZEN,

LEKRAAR IIN HET HANDWBRKSONDEHWIJS AAN HET SEMINARIUM VAX VOLKSSCHOOLLEERAREN TE LUND.

Uit het Zweeclscli vertaald

C. J. PRINS,

met een voorwoord van F. W. VAN EEDEW,

Directeur der Museums op het Paiiljotn te Haarlem. —vws^----

Prijs per 50 exemplaren ter verspreiding f 1.60; voor departementen en leden der Maatschappij ƒ 1.25; enkele exemplaren 5 Cts. Verkrijgbaar bij M. E. de Grauw, Uitgever te Ouderkerk bij Amsterdam.

BIBLIOTHEEK OER RIJKSUNIVERSITEIT

U T R E C H T.

ocr page 4

Handenarbeid als opvoedingsmiddel.

De onderwijs-kwestie beheerscht thans een groot deel onzer samenleving; en met recht, want van het onderwijs wacht men de toekomst. Die kwestie is het dagelijksch onderwerp van de levendigste betoogen Maar gaan we het gehalte van die betoogen na, dan zien we dat over menig pun het onderwijs rakende weinig grondige begrippen verspreid zijn en dat het soms meer als leus dan als onderwerp van ernstig nadenken wordt opgevat. Onderwijs! Onderwijs! hoort men overal, alsof het een volkomen normaal geheel ware. Verplicht onderwijs wordt door velen aangenomen als iets van zelf-sprekends; maar men staat in het algemeen bij den inhoud van het onderwijs te weinig stil.

De eisch van een meer praktische richting ontwaakt meer en meer, maar durft zich niet genoeg te uiten Ik zelf ben geen pedagoog; ik gevoelde voor het onderwijs weinig geestdrift; maar sedert ik het Noorden heb bezocht en in Zweden de aldaar reeds overal oplevende praktische richting heb leeren waardeeren, ben ik ijveriger op dit punt geworden en wil ik gaarne eene poging wagen om die belangstelling ook bij mijn Undgenooten op te wekken. Ik kan dit niet beter doen dan door de lezing aan te bevelen van het zeer onlangs in Zweden uitgekomen geschrift van J. Franzen, betreffende hot onderwerp dat hierboven is vermeld en waarin op duidelijke wijs een opvoedingsmiddel wordt aanbevolen dat, naar ik vast geloof, in de bestaande behoefte aan verbetering van ons onderwijs zal voorzien.

Het boekje is zoo eenvoudig en klaar, dat ik er niets behoef bij te voegen. Bij de vertaling is zooveel mogelijk getracht, den naïeven stijl van het oorspronkelyke te behouden.

Om alle vooroordeel weg te nemen, moet ik nog nadrukkelijk waarschuwen tegen verwarring van onderwijs in handenarbeid als opvoedingsmiddel met ambachts-onderwijs en huisvlijt onderwijs, gelijk dit bij ons hier en daar bestaat. Het onderwerp van Franzen's boekje heeft noch met de eigenlijke ambachten noch met huisvlijt of kunstnijverheid iets te maken; het staat gelijk met de eerste leervakken: lezen, schrijven en rekenen.

F. W, VAN EE DEN.

Haarlem, Mei 1889.

ocr page 5

I N I. E I D I N G.

Voor den lichaarns-arbeid als opvoedingsmiddel, en daarom voor de invoering van handarbeids-onderwijs op onze scholen, gaan stemmen op, die zich steeds luider moeten doen hooren.

„Lichaamsarbeid op de school!'' Ik ben er zeker van dat menig vader of moeder denkt: „mijn jongen zal zich nooit met zulk ruw werk afgeven; hij behoeft immers geen timmerman of smid te worden.quot; Den handwerksman hoor ik zeggen; „dat wordt kwaad voor ons; als ieder een handwerk gaat leeren, waar moeten wij dan van leven ?quot; Onder de onderwijzers zullen er, hoewel niet velen, gevonden worden, die zeggen: „Lichaamsarbeid op de school, daar hebben wij geen tijd voor.quot;

En toch is de bedoeling der slöjdvrienden *) werkelijk, dat de kinderen zich zullen bezighouden met dit z. g.

O O

ruwe werk, wezenlijken lichaamsarbeid.

Dat dit van zoo veel belang is, dat hiervoor op de school tijd behoort gevonden te worden, maar tevens, dat de handwerksman hierdoor geen verlies zal lijden, maar integendeel winst behalen, zal ik in het volgende trachten

O quot;O

aan te toonen.

Slöjd beteekent eigenlijk „handvaardigheid'quot;, kortheidshalve wordt hier liet oorspronkelijke ■woord gehouden.

ocr page 6

4

2. CE BEHOEFTE VAN HET KIND AAN WERKZAAMHEID.

Er is een tijd geweest, dat men bij de opvoeding van de jeugd bijna uitsluitend waarde hechtte aan de ontwikkeling van het lichaam, van de physische krachten. Dat was in den ouden tijd, toen bijna alles berustte op lichaamskracht, toen voornamelijk slechts één ding voor den man noodzakelijk werd geacht: namelijk dat hij in den oorlog het zwaard kon voeren en met vaste hand en zeker oog pijl en boog kon hanteeren.

Daarna kwam een tijd, dat men in een tegenovergesteld uiterste verviel, en de ontwikkeling van de lichamelijke kracht nagenoeg geheel verwaarloosde; toen men namelijk in plaats van het lichaam en zijne vermogens naar eisch te waardeeren, als een belangrijk middel om iets goeds en nuttigs in de wereld tot stand te brengen, deze op alle manieren veronachtzaamde,

In de 16e eeuw werd, wel is waar, in theorie de staf gebroken over deze eenzijdigheid, en drong men aan op harmonische ontwikkeling van lichaam en geest, doch het bleef toen bij de theorie; en alhoewel in den nieuweren tijd velen aandrongen op de lichamelijke ontwikkeling, als een gewichtig deel van de opvoeding van het kind, zoo heeft toch het daarover gesproken woord in m enigen kring geklonken als de stem eens roependen in de woestijn.

Eerst, toen men door de omstandigheden er toe gedwongen werd, toen men de oogen niet langer kon sluiten voor de noodlottige gevolgen van de eenzijdige verstandsontwikkeling, begon men ernstig de aandacht te wijden aan de lichamelijke ontwikkeling van de jeugd, en werd o. a. de gymnastiek naar een rationeel stelsel op de school ingevoerd. Maar dit is ook alles.

Intusschen is men tot het inzicht gekomen, dat, hoewel de gymnastiek, mits goed beoefend, nuttig kan wezen, zij

ocr page 7

5

toch niet alleen de bestaande leemte kan aanvullen, welke aangevuld moet worden, wanneer al de krachten en de

O 7

geheele aanleg van den mensch harmonisch ontwikkeld zullen worden. En toen men omzag naar een middel, dat tot dit doel op afdoende wijze zou kunnen dienen, was het natuurlijk, dat men terug kwam op datgene, waarop de grootste opvoedkundigen van den nieuweren tijd aandringen, namelijk op lichaamsarbeid en invoering hiervan op de school. Veel beteekenend is het feit dat dit aandringen op lichaamsarbeid als opvoedingsmiddel, gelijktijdig in bijna alle landen der beschaafde wereld vernomen wordt. Het hangt klaarblijkelijk samen met het streven naar hervorming van het opvoeding stelsel, waarop tegenwoordig zoo menigeen aandringt, een streven, waarbij de onderwijskwestie in onzen tijd het meest op den voorgrond treedt. En dit nu is weder een gevolg van den steeds dieperen blik, welken onze opvoedkundigen allengs geslagen hebben in de natuur van het kind.

In ieder kind worden inzonderheid twee begeerten gevonden, welke de opvoeding moet trachten te bevredigen. quot;Weetgierigheid en lust om bezig te zijn. Voor de eerste heeft de school reeds gezorgd, zoodat ik daar niet over behoef te spreken. Voor de laatste is dit echter niet het geval.

Aanvankelijk is bij het kind het spel een natuurlijke uiting van zijn zucht om bezig te zijn. Maar spoedig wil het kind iets wezenlijks doen, iets nuttigs tot stand brengen. Ieder kan uit eigen ervaring getuigen, dat, evenals elk kind met een normalen aanleg behoefte heeft om een antwoord te krijgen op al zijn vragen, zijn nieuwsgierigheid bevredigd wil zien, d. w. z. zijn zucht naar kennis wil voldoen, het eveneens wezenlijke behoefte heeft aan beweging en werkzaamheid; en deze behoefte is zóó groot, dat zij zich uit in kwaad doen, in vernielzucht, ongemanierdheid,

ocr page 8

(5

vechten enz., indien zij in doelmatige werkzaamheid geen voldoening vindt. Deze behoefte van het kind aan praktische werkzaamheid is zoo duidelijk merkbaar, dat niemand, wiens opmerkzaamheid er op gevestigd is, haar zal ontkennen ; en wanneer de opvoeder aan dezen eisch niet tracht te voldoen, is hij aansprakelijk voor de ondeugden van het kind, welke de gevolgen zijn van deze onderdrukte behoefte om bezig te zijn.

De Duitsche opvoedkundige Salzmann zegt hieromtrent; „Als ge de lust naar werkzaamheid bij uwe jongens niet „tracht te bevredigen, en hun alleen boeken en pennen „in handen geeft, wat leert gij hun dan ? Een lange reeks „ondeugden, die ik hier niet wil opsommen. De lust naar „ werkzaamheid is een gezegende gave van den Schepper; „het is de springveer, die Hij in de jonge machine gezet „heeft. Boeken en pennen kunnen hen niet bevredigen. „Het voortdurend leeren en zitten is te eentoonig dan dat „jongens die afwisseling verlangen, daarin voldoening zouden „kunnen vinden. Zij gaan zich vervelen en de tegenge-„houden lust om bezig te zijn zoekt een anderen uitweg „en leidt tot verkeerdheden. Wie bracht hen daartoe? De „opvoeder.quot;

Salzmann wijst er dus met den meesten nadruk op dat de kinderen in alle inrichtingen, die een doelmatige opvoeding beoogen, moeten leeren zelf allerlei dingen te vervaardigen : speelgoed, huishoudelijke zaken enz. De winst, die zij hierdoor behalen, is zeer groot.

Ten eerste wordt hierdoor hun lust om bezig te zijn bevredigd, en de uitgelatenheid, die voortkwam uit de niet voldoening daarvan, wordt voorkomen. Tien jongens uit de werkplaats zijn gemakkelijker te regeeren dan drie, die niet weten wat ze doen zullen.

Nu zegt iemand misschien: „Toegestemd, maar het is niet noodig dat de school zich hiermee bemoeit; het huis-

ocr page 9

7

houden kan immers zoo ingericht zijn, dat de kinderen zich daar kunnen bezig houden?quot;

Ware dit zoo, dan behoefde het zeker op de school niet te gebeuren. Maar wat is het geval, voornamelijk 's winter?, als de kinderen niet buiten kunnen spelen? Hoort men dan niet dikwijls de klacht: „Kind! wat maak je een rommel en een vervaarlijk leven! je kunt ook nooit eens stil zijnquot;! Neen, dat is het juist wat ze niet kunnen; ze kunnen nooit stil zijn. Deze en dergelijke verwijten van de ouders tegen het kind zijn het sprekendst bewijs van de waarheid, dat de kinderen groote behoefte hebben aan werkzaamheid. Hun bewegelijkheid en leven maken zijn een zeer natuurlijke uiting, die op zich zelf goed zijn. En wanneer de kinderen ouder worden en vragen; „Mama, wat zal ik doen?11 wat heeft Mama of Papa dan te antwoorden? Voor hen, die zich niet bijzonder vertrouwd hebben gemaakt met de beginselen der opvoedkunde (en dat hebben de meeste ouders niet, ofschoon dit wel zoo behoorde te zijn) kan het lastig genoeg wezen om iets te bedenken. Wellicht stellen zij het een of ander voor, dat het kind misschien gedurende een uur bezig houdt, doch dat tevens zijn krachten te boven gaat. En wat wordt dan het gevolg? Het kind wordt moe en houdt op, voordat het iets heeft kunnen afmaken. Het mist dan de schul-delooze en ongekunstelde vreugde, welke aan welgeslaagden arbeid is verbonden; zoo verliest het de belangstelling voor nuttige bezigheid, en de zedelijke invloed, dien het werk op het kind zou hebben kunnen uitoefenen, gaat verloren.

Hiermee kom ik aan een punt, dat de opvoeder niet mag voorbijzien of geringschatten, namelijk de vreugde en de bevrediging van het kind. Ik vermoed, dat ieder zich kan herinneren, hoe hij, als kind, met groote belangstelling het werk van timmerman, smid enz. aanzag; dat was reeds een genot om anderen aan het werk te zien; nu laat het

ocr page 10

8

zich licht begrijpen, hoeveel grooter de vreugde moet zijn van het kind, als hij met eigen handen iets heeft gemaakt. Menigeen heeft zeker ook opgemerkt, hoe een jongen, die den eenen avond na het leeren van zijn lessen zoo vermoeid is, dat hij naar zijn bed verlangt, andere avonden niet besluiten kan zijn werk te verlaten, al bestaat dit ook maar eenvoudig in het snijden van een houten pen of in het zagen met een bladzaag. In het laatste geval

O O O

heeft hij zijn hart bij het werk. En dat is heel natuurlijk. Het laatste is niet alleen een bezig zijn met het verstand ; het is meer zelfstandige arbeid; de jongen zelf brengt bij dit werk iets voort, en hij geniet hierdoor een dubbele vreugde, eerst bij de vordering en daarna bij de voltooiing van het werk.

Overal, waar men getracht heeft den lichaamsarbeid als opvoedingsmiddel aan te wenden, heeft men de ervaring opgedaan, dat niets zoo zeer de belangstelling van het kind vermag te trekken, niets hem meer opwekt en opgeruimd doet zijn als juist lichamelijke werkzaamheid.

Een eerste voorwaarde is evenwel, dat de arbeid van het kind wordt geleid en geregeld naar een vast stelsel. Dat het huisgezin over het algemeen hiertoe in staat is, ontken ik ten stelligste en ik hoop hiermee niets beleedi-gends gezegd te hebben. De meeste ouders kunnen in onze dagen, bij den feilen strijd om het bestaan, welken zij te voeren hebben, niet zoo gemakkelijk tijd vinden om zich vertrouwd te maken met de eischen van opvoedkundige tact en kennis, welke voor het genoemde doel noodig zijn, evenmin hebben zij in hunne jeugd voldoende ervaring opgedaan, om de natuur van het kind te kunnen begrijpen en verstaan.

Maar ook indien dit laatste wel het geval ware, zouden zij toch in de meeste gevallen aan deze eischen voor de ontwikkeling van het kind bezwaarlijk kunnen voldoen om

ocr page 11

9

redenen van praktischen aard. Het zou een veel te dure geschiedenis worden, wanneer elk gezin zich de werktuigen en toestellen zou moeten aanschaffen, die noodig zijn, indien de lichaamswerkzaamheid eenige noemenswaardige betee-kenis voor de opvoeding zal verkrijgen. Daarom moet op de school worden geleerd, wat in den huiselijken kring niet geleerd worden kan.

3. DE SCHOOL MOET DEN GEHKELEN AANLEG VAN HET KIND ONTWIKKELEN.

Biedt het leerplan der lagere school voldoende gelegenheid om bevrediging te schenken aan de behoefte van het kind aan nuttige werkzaamheid ? Het antwoord moet ontkennend zijn, want dat de gymnastiek, hoeveel goeds zij ook uitricht, hieraan niet voldoet, is duidelijk genoeg gebleken.

Dus moet er een nieuw middel te baat genomen worden : en dat middel, 't welk reeds beproefd is en overal met goede uitkomst, heet lichaamsarbeid. Als deze nu, op de rechte wijze aangewend, in staat is om de behoefte van het kind aan praktische werkzaamheid te bevredigen en te ontwikkelen, dan is dit reeds reden genoeg om de invoering van lichaamsarbeid op de school te wettigen. Maar er is meer.

Het kan niet ontkend worden, dat de school tot hiertoe er alleen op ingericht was om verstand en geheugen van het kind te ontwikkelen. Ze heeft bijna vergeten, dat het kind eveneens begiftigd is met oogen en handen, die toch ook in rekening moeten gebracht worden, als men in letterlijken zin geen halve opleiding wil tot stand brengen. De meeste menschen toch zijn in hun beroep afhankelijk van de geoefendheid van oog en hand: daglooners en

ocr page 12

10

handwerkslieden, geneesheeren, mannen van de wetenschap, beoefenaars van de beeldende kunsten enz.; en toch heeft de school zich gehouden, alsof ze dit ter nauwernood wist. De oude spreuk : „wij leeren niet voor de school maar voor het leven,quot; is tot vervelens toe herhaald geworden. Herhaald ja, maar nagekomen?

Nu is het een bekende zaak, dat velen van de z. g. wel opgevoeden nauwelijks een schilderij in een kamer kunnen ophangen, zonder mis te slaan bij het kloppen van den spijker. In hun jeugd is het oog niet gewend ojn grootheden te meten; zij hebben geen heerschappij leeren oefenen over de handspieren; zij hebben zich geen algemeene handigheid eigen gemaakt en moeten daarom altijd, zelfs in kleinigheden, op anderen steunen. En deze onbedrevenheid in het gebruik der handen neemt toe, hoe meer de industrie zich ontwikkelt. Tegenwoordig behoeft de schooljongen zijn schriften niet zelf in te naaien; ze worden klaar gekocht; hij behoeft ze niet te linieeren; de lijnen zijn er in gedrukt; hij behoeft er geen vloeipapier voor af te snijden; het is er reeds in. Bijna is het, alsof de kinderen zelf handeloos zijn. Des te noodiger wordt het daarom, dat de school op zich neemt oog en land harer leerlingen te ontwikkelen Geen beter middel hiervoor dan lichaams-arbeid. Ook wegens de verschillende gaven van het kind is deze zoo dienstig als opvoedingsmiddel. Hoe menig knaap is er niet, die zich met moeite als het ware heensleept door de gewone school, zich zelf en den meesters ten plaag.

In een opstel in het Nieuwe Zweed,sche Tijdschrift vestigt Prof. Lidforrs de aandacht op deze wanverhouding. ]Siadat hij melding heeft gemaakt van de schade, die het onderwijs lijdt door te groote klassen en te veel buitengewone leeraars, gaat hij voort: „Het lijdt eveneens door „een ander kwaad, namelijk door hot groot aantal voor „studie ongeschikte jongelieden, die belemmerend zijn voor

ocr page 13

11

„al de klassen in alle onderwijsinrichtingen, en voor wie „het al bezwaarlijker wordt om mee te komen, hoe verder „het onderwijs gaat. Er kan niet nadrukkelijk genoeg op „gewezen worden, hoezeer deze de klassen drukken en „het onderwijs houden tot beneden het normale standpunt, „doordat zij door hunne ongeschiktheid de beter begaafden „verhinderen verder te komen.1,

Toch moeten deze ongelukkige wezens natuurlijk student worden en diensvolgens de akademie bezoeken. Daar zij echter blijken noch vermogens noch lust tot studie te hebben, eindigen velen van hen ten slotte met het aantal te vermeerderen van de verloren levens, die in de maatschappij in alle opzichten meer kwaad dan goed doen. Waarom hebben zij de studie-loopbaan niet verlaten voor het te laat was? Zij zelf noch anderen hebben geweten, dat zij nog een anderen aanleg hadden voor nuttigen arbeid; daar de school nooit onderzocht heeft, of zij nog voor iets meer dan voor studie bruikbaar waren; en toch is het waarschijnlijk, dat de meesten geschikt zouden geweest zijn voor eenig praktisch handwerk; want weinig menschen zijn zóó misdeeld, dat zij in geene enkele richting begaafdheid zouden hebben. Eerst als de lichaamsarbeid op de school wordt ingevoerd, kan zij in staat worden gesteld den geheelen aanleg van het kind te ontwikkelen; eerst dan kan zij de vraag beantwoorden: „waarheen wijst de aanleg van dezen of genen jongen?quot;'' en eerst dan kan zij recht laten wedervaren aan de bovengenoemde verstandelijk minder bedeelde kinderen, maar die wellicht voor urak-

7 x

tische werkzaamheid des te beter begaafd zijn.

Voor de verstandelijk misdeelden (gewoonlijk als dom betiteld) zal het daarenboven een groote voldoening zijn te weten, dat zij nog voor iets deugen, en in een enkel opzicht de anderen vooruit zijn, die hen in al het overige zoo verre overtreffen. Door het resultaat van het gewone

ocr page 14

12

schoolwerk gaan zij allicht denken, dat zij voor niets geschikt zijn, dat het de moeite niet loont zich in te spannen, enz.

Komen zij daarentegen tot het bewustzijn dat zij ten minste voor iets deugen, zoo kan dit hun den zedelijken moed hergeven, die een uitstekende grondslag kan worden voor een goede ontwikkeling van het karakter; en de winst, die voor het karakter uit eigen arbeid voortvloeit, komt het geheele leven ten goede. Denkt men nu na over alles wat dit in zich kan sluiten, dan zal men bevinden, dat dit reeds alleen de invoering van lichaaras-arbeid op de school wettigt.

4. DE BETEEKENIS VAN HET HANDWERKSONDERWIJS UIT EEN HYGIËNISCH OOGPUNT.

Op nog iets wil ik wijzen dat ten sterkste spreekt voor den lichaams-arbeid op de school. Wie onzer heeft niet opgemerkt, dat er onder de leerlingen der verschillende lagere scholen gevonden worden, wier uiterlijk en geheele houding aanduiden, dat bij hen alles niet is, zooals bet behoort. De bleeke wang en het matte oog dragen maar al te dikwijls de sporen er van, dat de jonge plant reeds begint te kwijnen, juist als men naar den loop der natuur zou verwachten, dat het bloed het snelst door de aderen zou vloeien? Wat is het dat de jeugd van zijn kracht berooft ?

Men krijgt verschillende antwoorden op deze vraag. Velen zeggen: overspanning, geestesoverspanning. Deze overspanning op de school is een kwaad, dat reeds honderden jaren bestaat, maar dat men nu in bijna alle landen ernstig begint te bestrijden. Velen willen echter, niettegenstaande de getuigenis van pedagogen en onderwijzers, geen geloof slaan aan overspanning.

ocr page 15

13

Ik kan er mij natuurlijk niet beslist over uitlaten, maar wil daaromtrent nog eenige opmerkingen ten beste geven.

Dat er een wanverhouding tusscben lichaams-en geestes-werkzaambeid op de school heerscbt, is licht merkbaar. Ieder weet dat het orgaan, 't welk bet meest in werking is, bet meeste bloed tot zich trekt; en daar nu het denkorgaan, de hersenen, gedurende de meeste uren van den dag voortdurend bezig gehouden worden, is het alleszins duidelijk dat de hersenen meer bloed tot zich trekken dan de overige lichaamsdeelen, en dat daardoor aan deze een deel van hun kracht wordt onthouden. Geschiedt dit nu in de jeugd, dan worden de hersenen vroegtijdig al te spoedig ontwikkeld; maar daar dit eene onnatuurlijke ontwikkeling is, blijft de straf niet uit. De geneesheeren hebben waargenomen, dat de hersenen ten slotte op deze wijze minder worden en in deugdelijkheid achteruitgaan, veel meer dan dat ze normaal ontwikkeld worden. Wat is dan het o-evols? Menigmaal

O C O

hebben ouders dat ondervonden. Kinderen, voor wie een tijd lang niets te moeilijk was, staan opeens stil in ontwikkeling, worden traag en maken de groote verwachtingen van de ouders beschaamd. Hunne hersenen hebben keer op keer de gewone arbeids-grens overschreden, en zoo doende ontstond, wat men overspanning noemt. Maar dit is niet alles. Men weet dat de hersenen en het zenuwstelsel een grooten invloed hebben op het geheele lichaam. Vele ouders hebben zeker de ervaring opgedaan, dat de eetlust van het kind verminderde zoodra het school ging. Bekend is het, dat ongeregelde spijsvertering ontstaat ten gevolge van hevige gemoedsbeweging; eveneens ontstaat zij dooide onophoudelijke inspanning der hersenen. Ondermijnde licbaamsgroei, verzwakte wilskracht, ziekelijke gewaarwordingen worden ten slotte de gevolgen.

O O O

Hufeland zegt hieromtrent; „Noodzaakt men het kind „te vroeg binnen te blijven met boeken en lessen, zoo

ocr page 16

14

„ontneemt men aan het lichaam het edelste deel van zijn „krachten, die dan besteed worden aan oefening van het „denkvermogen, waardoor onvermijdelijk veroorzaakt wor-„den: belemmering in den groei, zwakheid der spieren, „slechte spijsvertering, kwaad humeur, klierachtigheid, „zenuwoverspanning, zwaarmoedigheid enz.quot; De Duitsche Vereeniging ter bevordering van Volksgezondheid heeft meêgedeeld, dat op de scholen in üuitschland een zoo abnormale toestand, als de hierboven geschetste, in der daad plaats vindt; zij eischt daarom inkorting van den dage-lijkschen tijd voor het onderwijs, opdat een meer harmonische ontwikkeling van de jeugd tot stand kome. De Pruisische Staatsminister Dr. Lucius stelde in 1877 den-zelfden eisch en onder algemeenen bijval betoogde hij de algemeene behoefte daaraan, opdat de lichamelijke opvoeding beter tot zijn recht kome.

In zijn uitstekend boek over de opvoeding, zegt Herbert Spencer: „De broeikas-ontwikkeling van het verstand in „de jeugd verzwakt het lichaam en heeft tengevolge „stompheid of vroegtijdigen dood. Voor de ontwikkeling „der geestvermogens is ook een zekere regel en een be-„paald tijdsverloop aangegeven. Houdt de opvoeding zich „hieraan, dan is het goed en wel. Doet zij dit echter niet, „worden de geestvermogens te veel ingespannen om inge-.,wikkelde en abstracte kundigheden in zich op te nemen, „of wordt het verstand in het algemeen ontwikkeld in zulk „een mate, dat het ouderen van jaren zelfs te hoog gaat, „dan blijft het onvermijdelijk gevolg hiervan niet uit, en „weegt het voordeel, dat men er door behaalt, niet op tegen „het kwaad, dat er door wordt te weeg gebracht; integen-„deel gaat het nadeel het voordeel te boven.quot;

Overspanning van de hersenen werkt natuurlijk in de eerste plaats op het zenuwgestel, veroorzaakt een prikkelbaarheid en zenuwachtigheid, die zeer bedenkelijk kunnen

ocr page 17

15

worden. De algemeene kwaal onzer dagen; zenuwachtigheid, is overbekend. In de vergadering van geneesheeren te Norrköping vestigde Prof. Ribbing er de aandacht op van hoeveel gewicht het is, dat deze kwaal door de opvoeding zooveel mogelijk worde voorkomen. Nadat hij er op gewezen had dat onder de studenten zij het meest hier aan lijden, die geen praktische werkzaamheid beoefenen, zooals theologen, juristen enz., gaat hij voort: „Deze kwaal „heeft oen algemeene en sociale beteekenis door het groot „aantal van „geestelijk invaliden1', die zij maakt. Het is „een betreurenswaardige toestand, dat jonge en op het oog „gezonde menschen zich zeiven niet kunnen redden, maar „ten laste komen van behoeftige ouders of broeders en zusters. „Daarom is het noodig dat de opvoeding der jeugd zoodanig worde ingericht, dat zij weerstand kunne bieden „aan de zenuwachtigheid, die wel in de lucht der negentiende eeuw schijnt te hangen. Voedt de kinderen zóó „op, dat zij minder teergevoelig worden voor elk klein „ongemak.1''

Maar niet alleen geneesheeren, ook de pedagogen zien duidelijk deze overspanning. In een „opvoedkundig overzicht11 vestigt de met een zoo warm hart begaafde menschen-vriend Pontus Vikner er de aandacht op, hoe onder de tegenwoordige toestanden de geestelijke vermogens kracht ontnemen aan de lichamelijke en ten koste daarvan teren. Daarom is het de plicht van de wetgevers toe te zien, dat de lichamelijke gezondheid van het kind niet ten offer gebracht worde aan de ontwikkeling van den geest.

Prof. Axel Key, de wetenschappelijke man in Zweden, die dit onderwerp uitvoerig behandelde, betoogt dat op onze scholen werkelijk overspanning wordt bevorderd.

Al zijn belangrijke opmerkingen zal ik hier niet aanhalen : alleen hetgeen hij in het midden brengt over het slöjd-onderwijs. Hij maakt melding van de algemeene klacht over

ocr page 18

16

den achteruitgang der leerlingen in het rechte gebruik dei-zintuigen om te hooren en te zien, als ook in dat der handen, waardoor zij meer en meer onpraktisch worden. Daarna zegt hij : „Ik kan niet nalaten in verband hier' „mede met groote voldoening melding te maken van de „algemeene beweging, die het invoeren van handenarbeid „en handwerks-onderwijs op de school deed ontstaan; vooral „wegens hare groote beteekenis uit pedagogisch oogpunt.quot;

Verder noemt hij het werk van rector K. E. Palmgren over dit onderwerp, en de werkzaamheid van den Directeur van Naiis, Otto Salomon, waardoor het handwerks-onderwijs steeds meer crediet krijgt op de volks-scholen. Daar op gaat hij voort: „Hoe lang zal het nog duren voor-„dat op elke school genoemd opvoedingsmiddel wordt „toegepast, dat, zoo het niet door andere invloeden „wordt tegengewerkt, zoo geschikt is, om te gemoet te „komen aan een deel der tekortkomingen, die zoowel „op de hooge- als voorbereidende scholen, in het praktische „leven zoowel als door de schoolmannen zeiven, worden „waargenomen bij de jeugd, die de school verlaat; om nu „niet te spreken over de weldadige uitwerking van den „handenarbeid en het handwerksonderwijs op de gezondheid en de ontwikkeling van het lichaam in het algemeen,quot;

O HET' ZEDELIJK OOGPUNT,

Op de vraag naar de oorzaak van de zwakheid der jeugd luidt het antwoord ten tweede: zedelijk wangedrag. In het voorgaande heb ik aangetoond wat het gevolg er van is als het verlangen van het kind naar werkzaamheid dooiden opvoeder wordt voorbij gezien. Ik noemde die begeerte sterk, en wees er op dat deze, als ze geen bevrediging kan vinden in iets goeds, een uitweg zoekt in kwaad doen ;

ocr page 19

17

en ik aarzel niet te beweren dat ook het zedelijk wangedrag der jeugd wortelt juist daarin, dat de begeerte naar werkzaamheid niet in de ware richting geleid wordt. Sprekende over de gevolgen van de eenzijdige verstandsontwikkeling kan ik niet nalaten ook hierop te wijzen. Er gaan slechte geruchten over de jeugd, ja ook wat haar zedelijk gehalte betreft; er wordt bedektelijk gesproken over een kwaad, dat, misschien meer dan men vermoedt en afgezien of het gepaard gaat met overspanning van den geest, de wang doet verbleeken, de krachten ondermijnt en de ware levensvreugde rooft. En welk vader of moeder denkt, bij het hooren van deze slechte geruchten, niet met angst en kommer aan hunne nu nog zoo bloeiende kinderen. Zeker zouden zij dit kwaad gaarne willen voorkomen als zij een middel wisten tot wering van deze verderfelijke driften. Ook in dit opzicht is er geen meer afdoend middel dan juist lichaamsarbeid, die niet alleen de belangstelling van het kind weet op te wekken, maar deze ook vermag gaande te houden en zoodoende een onzuivere verbeelding tegenwerkt.

Zelfs Luther zag dit reeds in en gispte de scholen van zijn tijd, waarop de jongens tot hun twintigste jaar niet anders dan latijn leerden. Luther wilde dit latijn leeren inkorten en de jongens voor een groot deel van den dag met lichaamsarbeid bezig houden. Zwingli drong hier eveneens op aan „opdat alle kiemen van buitensporigheid „zouden onderdrukt wordenquot;; en onze groote meester op opvoedingsgebied, Pestalozzi, leerde: „hoe de arbeidzaam-„heid het wezenlijk heilige en eeuwige middel is tot ver-leniging van al onze krachten tot een eenige algemeene „kracht, tot de kracht der menschheid.quot; Hij zag in „hoe „de arbeid het verstand scherpt, de edeler gevoelens versterkt, terughoudt van buitensporigheden, die de krachten „en de reinheid van het leven dooden, onreine verbeelding

ocr page 20

18

„en lichtzinnige praat voorkomt, en het in onze natuur „gelegde plichtsgevoel levendig houdt.quot; Pestalozzi had in zijn school een plaats ingeruimd voor draaibank, werktafel, slijpsteen, enz

In den ouden cathechismus stond een zinsnede, die in den nieuwen niet meer gevonden wordt, en over welker weglating menigeen zich beklaagt, daar zij woorden van groote levenswijsheid bevatte; zij luidde; „Arbeidzaamheid „bevordert de gezondheid en het welzijn, voorkomt menige „oorzaak tot zonde, helpt ons om weerstand te bieden aan „kwade begeerten, en strekt tot troost en bemoediging in „tegenspoed.quot;

Zeker is er niemand die deze waarheid durft weerleggen. Geldt zij van den arbeid in het algemeen, dan zeker eveneens van den lichaamsarbeid.

Laat ons daarom aan onze scholen niet den zegen onthouden, dien de lichaamsarbeid ook uit een zedelijk oogpunt met zich brengt.

6. ACHTING VOOR LICHAAMSARBEID.

Zooals wij zagen, hebben velen vóór ons reeds de groote beteekenis van den lichaamsarbeid ingezien. Wat is dan de oorzaak dat hij niet algemeen als opvoedingsmiddel werd aangenomen? Vele redenen kunnen hier tegen geweest zijn; een der gewichtigste was zeker, dat het woord „lichaamsarbeidquot; nooit een recht goeden klank gehad heeft. Het klinkt zoo eenvoudig in veler ooren. „Gymnastiek, „dat is nog wat, die kan er mee door, maar zulk ruw „werk, dat is beneden iemands waardigheid.quot; Hierin schuilt de grond van veler onverschilligheid, om niet te zeggen minachting voor den handenarbeid.

Rousseau wijst op deze minachting, als hij den uitroep

ocr page 21

19

eener voorname dame; „Een handwerk voor mijn zoon, „mijn zoon een handwerksman! Mijnheer, waar denkt gij „aan,1' beantwoordt met te zeggen : „Ik meen het beter met „hem dan gij, Mevrouw, die hem wilt beperken tot het „worden alleen van een groot heer, een markies, een vorst, „en misschien op een goeden dag een niemand. Ik daarentegen wil hem een rang geven, dien hij nooit kan „verliezen, een rang die hem ten allen tijde tot eer strekt; „ik wil hem verheffen tot mensch, en wat gij ook moogt „zeggen, hij zal door deze waardigheid veel minder zijns „gelijken hebben, dan door die, welke gij hem wilt doen „bereiken.quot;

Hoewel het een moeilijk punt is, kan ik niet nalaten te wijzen op de onjuiste waardeering van dit grovere werk, die zich bij zoo velen doet gelden, als zoude de lichaamsarbeid van veel minder beteekenis zijn dan de ontwikkeling van het verstand, welke opvatting leidt tot een vrij wel algemeene minachting voor den lichaamsarbeid.

In de hoogste klassen der maatschappij is het aangenomen, dat zij zich ten minste verschoond achten van alle soort van werk in het zweet huns aanschijns, en dit is dermate ontaard, dat menigeen het beneden zijne waardigheid rekent, een pakje of reiszak, al is het ook maar een stap of wat, zelf te dragen. Jaar op jaar het geld van anderen op te maken, daar schaamt men zich niet voor; evenmin als het voor schande gerekend wordt den handwerksman te bedriegen, vertooning te maken in onbetaalde kleeren; liever dit, dan zich te vernederen tot een handwerk, dat in staat zou stellen deze op eerlijke wijze te betalen.

Daarenboven geldt de wet voor het geheele mensche-lijke geslacht: „In het zweet uws aanschijns zult gij arbeiden.quot; Kan het hun ten zegen zijn, die zich geheel aan deze wet onttrekken, maar daarenboven nog met min-

ocr page 22

20

achting neerzien op den handenarbeid, dus daardoor ook op den dienenden broeder? Is deze wanverhouding niet «en der scheidsmuren, die al hooger wordt opgetrokken, ter verdeeling van de menschheid in twee helften, die vijandig tegenover elkaar staan?

Het is waar dat er nog velen, zeer velen onder de hoogere klassen gevonden worden, die geen minachting koesteren voor den lichaamsarbeid; er zijn altijd verstandige menschen; maar even zeker is het dat er zeer velen zijn, die bijna dagelijks hunne minachting daarvoor door woord en daad aan den dag- leo-wen.

O OO

Natuurlijk kan men aanvoeren dat het in onzen tijd onmogelijk is dat een ieder geschikt is voor grover werk. Dit is waar, en niemand zal dit eischen. Maar laat ten minste aan allen geleerd worden, dat het voor den mensch «ven waardig en vereerend is zich te wijden aan lichaamsals aan geestesarbeid ; opdat eens de aantrekkelijke voorstelling verwezenlijkt worde, dat 's menschen bestemming-geleid worde naar zijn aanleg en niet naar rang en stand of andere toevallige omstandigheden.

Niets echter dan de lichaamsarbeid zelf kan de rechte achting er voor opwekken. Dus ook uit dit oogpunt wordt de invoering er van op de school noodzakelijk.

Jules Ferry, in 1883 Minister van het Onderwijs in Frankrijk, deelde bij de opening van een handwerksschool zijne opvatting, zoowel als die der Kegeering over deze zaak mede, en zeide o. a.:

„Opdat de adel van het handwerk erkend worde, niet „alleen door hen, die het uitoefenen, maar door de ge-„heele maatschappij, heeft men het beste, het eenige praktische middel gekozen, namelijk invoering van handen-„arbeid op de school. Denkt gij niet, dat, nu draaibank „en zaag een eereplaats verkregen hebben naast aardrijks-„ kunde en geschiedenis, en het handwerks onderwijs ge-

ocr page 23

21

„geven wordt op de rechte wijze, naar een vast stelsel, .,vele vooroordeelen zullen verdwijnen en liet kastewezen „zal afnemen? De sociale vrede zal voorbereid worden op „de banken der lagere school en de eendrachts-zon zal „met haar helder schijnsel de toekomst van het Fransche „volk bestralen.quot;

Zoolang onze scholen den lichaamsarbeid niet willen opnemen als een vak, dat met de anderen gelijk staat, zoo lang blijft het denkbeeld bij de leerlingen, dat het verstands-onderricht veel hooger staat, en zoodoende legt de school zelve den grond voor een zekere minachting voor den handenarbeid; evenzeer gaat zij dan voort met het vermeerderen van het groot aantal derzulken, die zich blijkbaar voortslepen door de klassen, maar die zich toch, hoewel zij niet voor hoofdwerk deugen, te groot achten voor handenwerk; en aldus belemmert de school inderdaad

den vooruitgang van de oplossing der sociale kwestie.

* *

*

In het voorgaande is dus aangetoond:

1. De begeerte naar werkzaamheid van het kind moet bevredigd en in de ware richting geleid worden.

2. Een harmonische opleiding eischt, dat al de krachten en de geheele aanleg van het kind worden ontwikkeld, dus ook oog en hand.

3. Hygiene en zedelijkheid dringen aan op een tegenwicht tegenover de verstands-ontwikkeling en het stilzittende werk.

4. Het kind moet leeren alle menschen als zijn broeders te beschouwen en daarom allen eerlijken arbeid leeren achten.

Verder blijkt uit het aangevoerde dat;

alleen lichaamsarbeid het verlangen naar werkzaamheid van het kind kan bevredigen ;

ocr page 24

22

alleen wanneer de liohaamsarbeid aangenomen wordt als opvoedingsmiddel, alle krachten van het kind ontwikkeld kunnen worden;

alleen lichaamsarbeid het grootst mogelijke tegenwicht kan leveren tegen verstands- en stilzittenden arbeid;

alleen lichaamsarbeid het kind de achting kan leeren voor den handenarbeid in het algemeen; en dus; dat de lichaamsarbeid zoo noodwendig is, dat de invoering er van op onze scholen volstrekt moet voorbereid worden.

HOUTSLÖJD.

Het is ons derhalve gebleken, dat de lichaamsarbeid op ■de school behoort te worden ingevoerd. Nu is de vraag: Welke soort van lichaamsarbeid moet als opvoedingsmiddel gebezigd worden? Want dat het niet hetzelfde is, waardoor het doel bereikt wordt en niet alles hier even dienstig voor is, spreekt van zelf. Ook behoeft het geen betoog) dat men liefst één soort van werk moet kiezen. Wegens den voor den praktischen arbeid beperkten tijd, zou er weinig uitgericht worden, zoo deze nog verdeeld werd over verschillende soorten van werk ; dus moet datgene gekozen worden, wat uit een opvoedkundig oogpunt de meeste voordeden oplevert. Dit is gebleken de houtslöjd te zijn, mits zij juist geleid en beoefend wordt.

Met houtslöjd worden bedoeld schrijnwerkers-, draaiers- en houtsnijstó}'^. Met opzet wordt het woord „slöjdquot; hieraan toegevoegd, omdat men niet het aanleeren van genoemde vakken op de school wil invoeren als handwerk, maar als opvoedingsmiddel; en zal het daaraan dienstig zijn, dan moet het niet als handwerk worden beschouwd maar alleen aangewend worden als een doel; doch dat doel is niet om handwerkslieden op te leiden.

ocr page 25

23

Van de drie genoemde soorten van houtslöjd is het houtsnijwerk het minst geschikte. Toch wordt hieraan door de meesten, die slöjd beoefenen, de kleinste plaats aangewezen in verhouding tot de andere soorten.

Het is noodig dat ik dit nader toelicht. Toen ik mijn bijzondere slöjd-school opende, stelden de meesten zich voor, dat het houtsnijden een belangrijk deel van het onderwijs zou uitmaken; en ware dit het geval geweest, dan zou het aantal leerlingen zeker veel grooter geweest zijn. Het houtsnijden kan uit een aesthetisch oogpunt zijn voordeelen hebben; maar het heeft deze zeer groote schaduwzijde, dat het niet vermag de lichaamskrachten te versterken en te ontwikkelen; het is geen tegenwicht tegen verstandelijken arbeid en stilzittend werk; het vermeerdert daarentegen de nadeelige gevolgen van het laatste, juist door de houding, welke voor de ademhaling en den bloedsomloop belemmerend is; en wat onze jongens ook behoeven, meerder stilzitten zeker niet. Neen, slöjd moet beoefend worden als een werkelijke arbeid, om het verlangen naar werkzaamheid te bevredigen en de lichaamskrachten te versterken; het moet ruw werk zijn, dat de achting voor den groven eerlijken lichaamsarbeid opwekt, en het moet niet zijn een knutselen van weeide-urtikeltjes, dat een tegenzin en minachting voor het ruwe werk ten gevolge heeft. Volgens de eerstgenoemde wijze kan het geleid worden en wordt het dit reeds, vooral door den man, die tegenwoordig de aandacht der geheele beschaafde wereld tot zich trekt, den directeur Otto Salomon te Naas.

8. HET NaaS-SYSTEEM.

Het Naas-systeem is geen serie van voorbeelden, zooals velen meenen, maar het vat de stelregels samen, waarnaar

ocr page 26

24

de directeur Salomon slöjd aanwendt aly opvoedingsmiddel. Als verklaring van dit stelsel worden op Nüas een serie modellen gebruikt, die echter gedurig veranderingen en verbeteringen ondergaan. Deze modellen zijn natuurlijk niet geschikt voor geheel Zweden en nog minder voor andere landen; sommigen kunnen daar niet gevolgd worden, en dit is natuurlijk, wanneer men bedenkt hoe verschillend de levensomstandigheden der menschen zijn, en het juist een der hoofdbeginselen van het systeem is, dat de vervaardigde voorwerpen in het huishouden kunnen gebruikt worden. Naar plaatselijke toestanden moeten de modellen dus door andere vervangen worden; doch altijd moeten deze in overeenstemming zijn met de oorspronkelijke. De seriën zijn natuurlijk opklimmend gerangschikt, en wel zóó, dat aan het kind bij geen enkel voorbeeld een arbeid wordt voorgelegd, die zijn krachten te boven gaat, terwijl er echter op elk voorbeeld iets nieuws voorkomt. Daardoor wordt de belangstelling gewekt en gaande gehouden, omdat er steeds nieuwe moeilijkheden voorkomen; zoo wordt de lust tot een geregelden en gezetten arbeid opgewekt. Men moet de van vreugde stralende gezichten der jongens gezien hebben bij elke overwonnen moeilijkheid; de blijdschap, bij het toenemen hunner krachten, dat ze dit of dat weer kunnen, om niet langer te twijfelen aan den krachtigen invloed van het bandwerks-onderwijs tot vorming van menschen met een vasten wil en een flink karakter.

Bij het handwerks-onderwijs komt het ook vooral aan op eigen oefening; hier helpt geen influisteren, geen inpompen ; hierbij geen lijdelijk stilzitten ; zelf moet er gewerkt worden, en dat willen ze ook. Geen onderwijs is dus zoo geschikt om zelfwerkzaamheid te leeren als juist dit.

Verder oefent het nauwkeurig namaken der modellen de opmerkzaamheid; men maakt niet slechts iets, maar

ocr page 27

25

men leert het doen naar een bepaalde afmeting en vorm. Men leert hierdoor in de allereerste plaats zien, nauwkeurig zien. Men kan b. v. 50 of 100 keer denzelfden weg gegaan zijn zonder gezien te hebben welke boomen er staan, niet eens of zij er staan; maar men kan niet, om iets te noemen, een hakbord maken, zonder eerst nauwkeurig gezien te hebben hoe het in elkaar zit. Zoo iets

O O

het waarnemingsvermogen en de opmerkzaamheid vermag te oefenen, dan is het wel het handwerksonderwijs.

Heeft men nu eens het voorbeeld nauwkeurig bekeken, dan zal men het ook juist zoo willen namaken. Want al kan men op het genoemde hakbord even goed kool hakken, al is liet een duim te lang, of krom getrokken en scheef, dus uit een keukenmeids-oogpunt goed voor het gebruik, dan is het dit niet uit een pedagogisch oogpunt. Licht men hier de band mee, dan kweekt men een geslacht van knoeiers. Neen, nauwkeurigheid moet bij de uitvoering de eerste stelregel zijn; zoo wordt zij tot een gewoonte, die den jongeling en man bijblijft. Daar er echter van het kind niet dadelijk volmaakt werk kan gevorderd worden, ook wat de nauwkeurigheid betreft, zoo volgt hieruit dat het dikwijls iets moet overdoen en zelfs meer dan eens. Maar wie moet niet de gevolgen dragen van zijn mislukte pogingen hier op de wereld? Het heeft ook al weer zijn goede zijde als het kind reeds vroeg leert geen nuttelooze klachten aan te heffen, wanneer iets mislukt, maar met lust de handen weer aan het werk te slaan en te trachten het beter te doen. Volharding is een deugd. Wijst men het kind de fouten aan, en wekt men het op om op nieuw te beginnen, dan gebeurt het rnaar zeer zelden dat het den moed daartoe mist; en de blijdschap na het overwinnen der moeilijkheden gaat verre het verdriet te boven over het vernietigen van zijn eerste werk. Heeft het daarenboven zijn eerste en tweede werk vernietigd

ocr page 28

2(5

gezien, dan zal het zich op het volgende met te meer nauwkeurigheid toeleggen.

Wordt deze nu bij het werk streng gehandhaafd, evenzeer geldt zij bij het uitreiken der prijzen; aan de meest opmerkzame, vlijtige en volhardende leerlingen worden zij uitgereikt en zij bestaan in de door hen zeiven goed uit-sevoerde werkstukken.

O

Hoe licht ook het kind geneigd is zijn onderwijzer van partijdigheid of onrechtvaardigheid te beschuldigen, zoo kan dit ook hierbij niet plaats hebben; zelf kan het zien welk werk het best is uitgevoerd, en hoe het kwaad dus in deze ook weer zich zelf straft en het goede beloond wordt.

Het Niias-stelsel sluit verder in zich het aanleeren van het maken van voorwerpen voor huishoudelijk gebruik; hierin verschilt het van de Duitsche methode van Dr. Götze te Leipzig, waarbij de voorbeelden alleen zijn ingericht voor het maken van school-materieel. Welke methode nu de meeste voordeelen moge opleveren, laat ik in het midden; maar zeker is het, dat het kind er groote vreugde en voldoening van heeft, als het zijn vader de laarzen ziet uittrekken met den laarzenknecht, en moeder de saus ziet roeren met den lepel, die hij gemaakt heeft.

Daarbij bevordert het Nilas-systeem de handigheid in het algemeen. Het leert den jongens het hanteeren van velerlei werktuigen, waarbij echter de geschiktheid voor het een of ander handwerk niet in aanmerking komt. Ook moet de beteekenis van het handwerks-onderwijs niet afgemeten worden naar de waarde der vervaardigde voorwerpen.

Velen veroordeelen het toch uit dit oogpunt.

Dikwijls hoort men de volgende redeneering: „zoo'n „houten lepel koop ik voor een cent of wat, en mijn jongen „heeft er zes of acht uur op moeten werken; dat loont de „moeite niet.11 Zeer juist, indien dit onderwijs als hand-

ocr page 29

27

werk en uit een financieel oogpunt beschouwd wordt; maar ik zou hun, die zoo spreken, willen vragen; Kunt gij ook voor een cent of wat koopen al de zedelijke, technische en praktische eigenschappen, die ik u aantoonde, dat het handwerks-onder wijs ten gevolge heelt? Neen, het hand-werks-onderwijs moet geheel beschouwd worden als opvoedingsmiddel, niet als opleiding tot een of ander handwerk; hoewel het natuurlijk zeer ten goede kan komen bij elk toekomstig ambacht, ja wat nog meer zegt, in elke levensomstandigheid.

Hoewel nu de houtslöjd voor dit doel gekozen werd, zoo behoeft men toch niet te vreezen dat elke school een timmermanswerkplaats zal worden.

In Gotenburg, de stad in Zweden, waar het slöjd-onderwijs het eerst, sedert 15 jaar op de volksschool werd ingevoerd, werd dit eerst ingesteld en beoefend, hoofdzakelijk met het oog op liet handwerk, om op te leiden voor een bepaald ambacht, een stelsel waarvan men sints korten tijd terug kwam.

Voor niet minder dan 9 ambachten werd daar opleiding gegeven, en wel in het houtsnijden, borstelmaken, smeden, schilderen, draaien, wagenmaken, boekbinden, blikslagerij en mandenmaken. Nu zou men denken dat dit de ambachten zeer ten goede kwam.

Laat ons echter hooren welke ervaring in dit opzicht werd opgedaan. De Commissie, van wie in 1887 het plan uitging tot hervorming van het slöjd-onderwijs in Gotenburg, zegt hieromtrent: „Ten opzichte van de vermoede-„lijke voordeden van het handwerks-onderwijs als voorbe-„reiding voor een toekomstig handwerk, is gebleken, dat „het, in verhouding tot het aantal onderwezenen, slechts in „weinig gevallen voorkomt, dat de jongens gaan op hetzelfde „ambacht, waarin zij op de school werden onderwezen/1

Van den anderen kant ligt het voor de hand dat iedere

ocr page 30

28

baas minder moeite zal hebben en beter voort zal kunnen komen met een leerjongen, die reeds op de school oog en hand heeft leeren gebruiken, volharding geleerd en zich voor verschillende doeleinden geoefend heeft. Maar ook voor allen, die geen handwerk gaan uitoefenen, zal het slöjd-onderwijs nog daarenboven dit nut hebben, dat het een inzicht geeft in de waarde van de vervaardiging van een of ander voorwerp, waardoor men kan nagaan of de werkman overvraagt dan of hij te weinig ontvangt voor zijn werk.

9. De snelle uitbreiding van het Handwerks-Ondee-

wi.js in de laatste jaren.

Zooals ik vroeger aantoonde, werd de noodzakelijkheid der invoering van den lichaams-arbeid als opvoedingsmiddel reeds lang te voren ingezien, maar eerst in onze dagen begint het denkbeeld meer algemeen verwezenlijkt te worden. Thans is men ernstig begonnen het in praktijk te brengen, en nu doet het zegevierend zijn intocht dooide geheele wereld.

Ik zou kunnen meedeelen hoe, sedert het denkbeeld bij den ouden Finschen schoolmeester Uno Cygnaeus voor een twintigtal jaren ernstig opkwam, en sedert de directeur Salomon te Naas zijn leven aan de uitvoering van dit denkbeeld wijdt, het opvoedend slöjd-onderwijs zich baan brak in Denemarken, Noorwegen, Duitschland, Holland 1), België, Engeland, Frankrijk, Zwitzerland, Oostenrijk, Eusland, Italië, Spanje, Algiers en de Veree-nigde Staten. Maar ik moet mij bepalen tot een paar feiten.

1

In Nederland zijn wel eenige zoogenoemde huis vlij tscholen opgericht, doch van eeue opneming van haudenarbeid als algemeen opvoedingsmiddel op de scholen is hier nog geen sprake.

ocr page 31

29

Yan uit Nails, dat tegenwoordig wereldvermaard is, werden door de geestkracht van den directeur Salomon, en de zeldzame vrijgevigheid van den bankier Aug. Abrahamson, die de inrichting in stand houdt, in 15 jaar niet minder dan ± duizend slöjd-onderwijzers uitgezonden, de meesten in Zweden en Finland, maar ook velen naar andere landen; en de scharen, die toestroomen nemen steeds in aantal toe.

In Finland, Frankrijk en België is de handenarbeid door de wet verplichtend gesteld op de seminariën en volksscholen. In Duitschland wordt met steeds gunstiger gevolg aangedrongen op de invoering er van op de scholen; en de vroeger genoemde Dr. Götz heeft te Leipzig een slöjd-school gevestigd, gelijk aan die te Naiis. Op vele scholen in Duitschland werd het onderwijs ingevoerd,

In 1884 was slöjd reeds op niet minder dan 869 volksscholen in Hongarije ingevoerd.

Te Nieuw-Orleans in Amerika werd voor 48.000 dollars een slöjdschool gebouwd, beboerende aan de inrichtingen voor booger onderwijs aldaar.

In Noorwegen zijn groote sommen uitgetrokken, deels voor de opleiding van slöjdonderwijzers, deels tot oprichting van scholen.

In Denemarken werd slöjd ingevoerd op verschillende boogere scholen, en vormde zich de Deensche Slöjdvereeni-ging, die krachtig bijgedragen heeft tot uitbreiding van het pedagogisch slöjdonderwijs.

In Zweden staan Stockholm en Gotenburg bovenaan, wat de invoering er van op de volksscholen betreft; reeds 15 jaren wordt het daar onderwezen, en in 1886 genoten in Stockholm 1472 en te Gotenburg 1950 jongens het onderwijs.

En niet alleen in de steden, ook op het platteland werd het op verschillende plaatsen ingevoerd, vooral in Midden-

ocr page 32

30

Zweden. De staatsraden Carlson en Hammarsköld hebben veel voor de zaak gedaan, en de Rijksdag vaardigde een besluit uit tot aanmoediging er van; terwijl er belangrijke bijdragen voor verleend werden. Ook op drie seminariën te Karlstad, Lund en Hernösands werd het slöjd-onderwijs ingevoerd.

Uit het aangetoonde moet dus de gevolgtrekking gemaakt worden, dat alle inrichtingen van opvoeding, dus ook de hoogere scholen, de invoering van het slöjdonderwijs evenzeer behoeven als de volksscholen. Op de vergadering van onderwijzers in 1887 werd dit ook algemeen ingezien en stemde men voor de invoering op de hoogere school. Eeni-gen, al zijn het dan ook nog weinigen, zijn er reeds mede begonnen, n 1. de Latijnsche school in Stockholm, Goten-burg, Vexiö, Lund en Karlskrona. Het is te hopen, dat dit voorbeeld spoedig door velen worde gevolgd, want het slöjdonderwijs is geen zaak, die aan mode onderhevig is, geen gril; het heeit een dieperen grond, en daarom zal het ook nooit weer verdwijnen, maar zich steeds meer uitbreiden, hoe meer het bekend wordt.

De rector Berg aan de Latijnsche school te Frederiks-burg in Denemarken, waar slöjd werd ingevoerd, erkent: „Ik heb leeren inzien, dat de vorderingen in het hooger „onderwijs aanmerkelijk zijn toegenomen, sedert het slöjd-„onderwijs onder de leervakken werd opgenomen. Wat mij „betreft, ik heb er niet dan gunstige en in het geheel „geen nadeelige gevolgen van gezien.quot;

Zelfs op eenige meisjesscholen werd het onderwijs ingevoerd. Misschien wekt dit bevreemding; toch is het lichtelijk na te gaan, dat het bij meisjes dezelfde goede eigenschappen kan bevorderen als bij jongens, en dat het voor haar een nuttige afleiding kan zijn andere werktuigen te leeren han-teeren dan naainaalden, stopnaalden, breinaalden, knoop-naalden, altijd weer naalden, en nog iets anders te doen dan immer steken maken.

ocr page 33

31

Ook voor de volwassenen, die zich den gelieelen dag met hoofdwerk bezig houden, zal slöjd een even heilzame afwisseling opleveren. Handenarbeid brengt de hersenen tot rust en is dus een tegenwicht tegenover den arbeid van het denkvermogen en het stilzittend werk, bevordert de handigheid, wekt achting voor het ruwe werk, leidt tot opmerken en nauwkeurigheid, en kan derhalve uit dien hoofde ook op de volwassenen een gezegenden invloed uitoefenen.

Daarom ook hebben de universiteiten te Upsala en Lund het slöjdonderwijs bevorderd. De eerste heeft een eigen slöjdlokaal, bestaande uit 5 groote vertrekken, die op kosten van de universiteit zijn ingericht en de universiteit te Lund bekostigde reeds voor do vierde keer den cursus, waar een aantal onbemiddelde studenten kosteloos het slöjd-onderwijs konden genieten.

Een paar woorden tot slot. Ik heb niet gezegd en ik geloof ook niet, dat het slöjd-onderwijs een algemeen middel is tegen elk kwaad; dat het de wereld zal omkeeren; dat dit alleen alles vermag; maar ik heb gezegd en ik geloof ook, dat het handwerks-onderwijs een veelbeteekenend opvoedingsmiddel is, dat veel goeds tot stand kan brengen, en dus als zoodanig van te veel gewicht is, dan dat het geraden zou zijn er ons niet van te bedienen.

ocr page 34
ocr page 35

bl. 23, 2''° regel v. b. moet in plaats van „Tochquot; gelezen ■worden: „Daaromquot;.

ocr page 36

Bü den Uitgever M. E. DE «RAUW te Ouderkerk by Amsterdam,

zijn verkrijgbaar de navolgende Volksgeschriften der Maatschappij TOT NUT VAN 'T ALGEMEEN.

1. A. WERUMEUS BUNING,

BEN KIJKJE IN JAVA.

2. DR. B. STEPHAN,

Kindervoeding, Kinderverzorging en Kindersterfte in het eerste Levensjaar.

3. Dquot;. B. VAN DER MEULEN,

HET WATER uit het oogpunt van gezondheid.

4. Dquot;. P. F. VAN HAMEL ROOS,

Een en ander over sommige Voedingsmiddelen en hunne Vervalschingen.

5. Mu. J. D. VEEGENS,

DE PRANSCHE OMWENTELING.

6. J. FRANZEN,

Handenarbeid als Opvoedingsmiddel.

Prijs bij 50 stuks desverkiezende gesorteerd ƒ1.60. Voor Leden der Maatschappij ƒ1.25! ook worden gaarne de G verschillende boekjes ter kennismaking franco gezonden tegen toezending van 36 Cents.