ocr page 1

JOL Li niet TJr.

d'

ocr page 2

/i(4; /

Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

EEN KIJKJE IN JAVA

DOOR

A. WERUMÉUS BUNING.

-

VW-t; '-•?

\ y-'. ■

X*t;;,,

Prijs per 50 exemplaren ter verspreiding ƒ1.60, voor departementen en leden der Maatschappij ƒ 1.25; enkele exemplaren 5 Cts. Verkrijgbaar bij M. E. de Grauw, Uitgever te Ouderkerk bij Amsterdam.

ocr page 3
ocr page 4

I

Maatscliappij tot Nut van't Algemeen.

/ y ^

EEN KIJKJE IN JAVA

DOOR

A. WERUMÉÜS BUIS ING.

Prijs per 50 exemplaren ter verspreiding /1.60; voor departementen en leden der Maatschappij f 1.25; enkele exemplaren 5 Cts. Verkrijgbaar bij M«li. de Grauw, Uitgever te Ouderkerk bij Amsterdam.

ocr page 5
ocr page 6

Mijne bedoeling met dit schrijven is, zoo eenvoudig mogelijk het een en ander te vertellen van Java en zijne inboorlingen, aan menschen die zelf niet in Indië geweest -zijn en er misschien ook niet zullen komen, maar die er toch genoeg belang in stellen, om er gaarne iets van te willen weten, wanneer zij dit door het lezen van een eenvoudige schets machtig kunnen worden. Weinig menschen hebben den tijd om van alles wat hun aandacht trekt of waarin -zij belang stellen, een geregelde studie te maken.

Ik stel mij daarom voor, u een algemeen denkbeeld te geven van het Javaansch landschap en het leven van den ■eenvoudigen Javaan. Om dit te kunnen doen, raadpleeg ik niet alleen mijn eigen herinneringen, maar ik zal ook meer dan eens hot groote werk van Prof. P. J, Veth ter hand nemen, volgens mijn bescheiden oordeel, zeker wel liet prachtigste en kostbaarste werk dat ooit op dit gebied geleverd is. Ook tal van andere boeken zullen mij bij het samenstellen van deze schets de behulpzame hand moeten ■bieden. Doch aangezien liet voor den lezer minder aangenaam is, telkens verwezen te worden naar dezen of genen schrijver en dit ook schade zou doen aan de eenheid van liet geheel, zal ik er mij toe bepalen hem te zeggen: deze schets, die ik u hier aanbied, is de vrucht van eigen waarnemingen, persoonlijke herinneringen en van de studie der werken, welke over Java geschreven zijn.

En nu ter zake.

ocr page 7

4

quot;Wij weten allen, waar Java ligt. Op het oogenblik is het zeker voor ons nog het meest belangrijke eiland van onze Oost-Indische bezittingen. Mettertijd zal zeker Sumatra eene even groote of misschien nog grootere plaats innemen in onze aandacht, doch voor 't oogenblik is Java nog altoos nummer een.

Hoe ziet Java er uit? Op de kaart gezien, is het een langwerpig smal eiland, dat over de lengte, van het westen naar het oosten, 180 uren gaans lang is, een afstand die niet zeer veel zal verschillen met dien van Amsterdam naar Berlijn. De breedte is niet zoo heel groot, van noord naar zuid misschien een dertig uren gaans. Ge zoudt u echter deerlijk vergissen, als ge dacht dat ge op uw pantoffels in een en een kwart etmaal van Java's zuidkust naar het noorderstrand zoudt kunnen wandelen. Dat zou zelis een Javaantje niet kunnen doen, want over de geheele lengte van het eiland loopt een bergketen, een rij van hemelhooge, vulkanische bergtoppen, die overal de prachtigste en dikwijls woeste, tropische natuur-tafereelen te voorschijn brengen, maar die men niet zoo heel gemakkelijk op zijn sloffen over kan wandelen.

De groote Junghuhn, die Java vooral uit een oogpunt van geologisch en bouw en wat betreft de plantbekleeding bekeken heelt, zegt dat er op Java 45 vulkanen zijn, de een al hooger en woester dan de ander. Er zijn er onder die zich tot op eene hoogte van 10,000 voet boven het vlak der zee verheften, terwijl men zegt dat de Srnéroe, die het van al de andere wint, bijna 12,000 rijnlandsche voeten hoog is.

AVanneer wij de kaart voor ons nemen, zullen we zien, dat deze rij van berggevaarten over 't algemeen dicht bij de zuidkust liggen, tegen welke de groote, bijna onpeilbare Indische Oceaan al donderende en brullende de kracht van zijn eeuwigdurende deining en golven breekt, terwijl in het noorden van Java het terrein hoe langer hoe vlakker wordt en langzamerhand geheel overgaat in eene alluviale strandvlakte, in groote harmonie met de veelminder diepe Java-zee,(doorgaans minder dan 50 vadem) die Java van Borneo scheidt en waarvan men beweert, dat zij is ontstaan door het wegspoelen of zinken van land. Hoogstwaarschijnlijk waren vroeger

ocr page 8

Java, Borneo, Sumatra, en wat daar verder al zoo meer ligt in het westelijk deel van den O. I- Archipel, een stuk vast land, totdat er eenige duizenden jaren geleden, (neem maar een goed getalletje) bij een geweldige aardbeving eene groote scheur kwam over de zuidkust van het tegenwoordige Java; terwijl in het noorden de Java-zee ontstond, in het zuiden de kust afbrokkelde en er over de geheele lengte van Java, alsmede verderop over de Kleine Soenda-eilanden en in de Molukken een rij van gapende vulkanische openingen achterbleef.

Docli wij willen ons hierin nu niet verder verdiepen. Het zij genoeg te zeggen, dat Java's zuidkust bijna overal steil en rotsachtig is, terwijl in het noorden de wal meestal laag en vlak blijft, zoodat men, uit zee, wel heel in de verte de hooge bergen ziet met hunne toppen, dikwijls in wolken gehuld, terwijl zij over het geheel er grijsblauw en nevelachtig uitzien, doch van de eigenlijke noordkust, den zoom van het land of de strandvlakte, weinig te zien krijgt, voordat men er al heel dicht bij is.

Laat ons nu maar eens onderstellen, dat wij ergens op de noordkust, onder den wal ten anker komen met het een of andere schip, nabij de een of andere stad of groote plaats.

Als we niet te ver uit den wal liggen, zullen we al heel gauw een paar inlandsche prauwen, of wel een zoogenaamde „rechtquot; (een soort van half inlandsche, half Europeesche sloep), naar buiten zien komen, om ons het een en ander te verkoopen of wel, als wij er lust in hebben, naar den wal te brengen.

Dit laatste zullen wij doen. Wij roeien met een van de vrienden naar den wal, en wel naar dat punt, waar de monding of uitloop is van de rivier of „kali,,, aan welke de plaats van onze bestemming gelegen is.

We willen maar hopen, dat er hier in den mond van de rivier geen al te hooge branding staat, want al zijn de Javaantjes er handig in, om met hun vaartuig door de hooge zeeën van de branding te sturen, toch wil het wel eens gebeuren, dat een prauw of sloep omslaat en de opvarenden meer zeewater in hun maag krijgen, dan voor een gewoon men schenleven wenschelijk is.

ocr page 9

6

Vooral in den tijd van den zoogenaamden west-moesson' kan het hier spoken en staat er dikwijls voor de rivieren zulk een hooge branding, dat het levensgevaarlijk is, om er door te roeien of te zeilen. Als het echter zoo erg is, waait er op-den vuurtoren aan den ingang, of op het een of andere hooge, ver zichtbare punt een blauwe vlag, om de schepen buiten te waarschuwen: bedenk je nog eens drie keer, vóór je met een boot of sloep naar binnen komt,

Ja, in den west-moesson, het natte jaargetijde voor de meeste plaatsen op Java, kan het hier alles behalve aangenaam wezen. Zooals ge weet, hebben we op Java en verder over den O. Indischen Archipel twee moessons : den zoogenaamden west-moesson en den oost-moesson. Ik zal nu maar niet beproeven, u een verklaring te geven overliet ontstaan en de bijzonderheden van deze wind-verschijnselen, maar er mij toe bepalen, u te vertellen, dat de west of eigenlijk noord-west-moesson, die over de groote Chineesche zee komt strijken, op Java heel wat water aanbrengt.

Meestal begint hij zoowat in de maand October en gewoonlijk met een verbazend lawaai van onweer, gerommel' van donderslagen, weerlicht en wat dies meer zij. Dat is de zoogenaamde „kentering,1' de verandering van het jaargetijde, het gevecht tegen oost of z. o. moesson, die het hoe langer hoe meer verliest. Wel is de lucht nog altijd beurtelings helder en bewolkt, doch deze wolken beginnen hoe langer hoe meer uit het noordwesten over te drijven, de regenvlagen nemen toe en eindelijk, in November, is de westmoesson heelemaal de baas; het regent bijna dag aan dag en buiten op de ree kan het soms danig spoken; terwijl het meer dan eens voorkomt, dat dagen achtereen, de toegang-tot de rivieren op de noordkust, door de hooge rollers van de branding in de monding, bijna geheel onmogelijk wordt en men een gunstig oogenblik, waarin het voor een korten tijd iets rustiger wordt, moet afwachten, om met een boot of sloep naar binnen te loopen.

In Januari en Februari is gewoonlijk de regen op het ergst en lijkt het wel, of er een tweede zondvloed over de tropische wereld zal komen. Toch doen die regens en de

ocr page 10

7

veelvuldige onweersvlagen goed; zij zuiveren de lucht,, zetten de moerassige plaatsen van het eiland onder water en. houden daardoor de minder gezonde uitwasemingen van deze plekken tegen. In Maart beginnen de regenvlagen zeldzamer te worden en ook de westelijke wind begint nu langzamerhand te verliezen, In April begint de oostewind van tijd tot tijd' al om een hoekje te kijken en weldra krijgen we weer hetzelfde gevecht als in October, de „kenteringquot; begint opnieuw, met dit gevolg, dat in Mei de oost-moesson weer de baas is en we ons op de meeste plaatsen van Java weer kunnen verheugen in mooi en geregeld weer.

Nu hebben we ook weer geregeld iederen dag „land- en zeewind.quot; De zon schijnt 's morgens weer helder en vroolijk en weet het al heel vroeg op den dag zoo warm te maken, dat al wat Europeaan is, goed doet, binnenshuis of in de schaduw te blijven. Aangezien de vaste wal, de aarde, minder warmte tot en in zich neemt dan het water, wordt de lucht, die er boven hangt, sterk verwarrad; zij wordt steeds dunner of lichter en begint weldra te stijgen, met dit gevolg, dat er weldra, om een uur of tien, elf, een koudere luchtstroom komt van den waterkant, buiten van de zee, om het evenwicht te herstellen. „De zeewind komt doorquot;, zeggen dan de menschen. „Hé, dat doet goed in die hitte, dat geeft wat frisschigheid.quot; En menigeen voelt met genoegen den stroom van frissche zeelucht tegen zijn gloeiende wangen en voorhoofd waaien. Doch het wordt warmer en warmer. Wel waait nog altoos de zeewind, en neemt hij zelfs nog steeds toe in kracht, zoodat hij om een uur of een, twee, een stevige bries kan worden, doch dan begint hij ook al weer af te nemen, en wel, omdat de lucht boven het zeewater, dat zoo veel mogelijk warmte opgeslurpt heeft, nu ook warmer begint te worden en het daar buiten op het water al even snikheet is als aan den wal; het evenwicht is hersteld, langzamerhand gaat de zeewind heelemaal liggen en om een uur of zes 's avonds is het gewoonlijk blak- of bladstil....

Op den namiddag kan het in den droogen moesson soms verschrikkelijk warm wezen en het is vooral die aanhoudende warmte, welke de menschen,,die er niet aan gewoon zijn, uitput. Al kan het bij ons in Nederland in den zomer

ocr page 11

8

ook warm zijn, op enkele dagen zelfs warmer dan in Indië, toch worden wij al heel spoedig in den herfst en in elk geval gedurenden den winter weer opgefrischt.

Dat is zeker, in Indië is men altoos blij, wanneer het quot;s avonds een beetje koeler begint te worden, en, aangezien het land minder gretig was om de warmte op te nemen, is het zijn warmte ook eerder weer kwijt en koelt ook de lucht, die er boven hangt, eerder af, zoodat er weldra op nieuw een luchtstroom ontstaat en er boven van de bergen een koude berglucht komt, die zich naar het water spoedt; want buiten op de ree en in zee, blijft het water en de lucht, die er boven hangt, nog langen tijd warm, dun en licht; deze stijgt naar boven terwijl van den wal de „landwindquot; het evenwicht komt herstellen. Den geheelen nacht door blijft de landwind doorstaan; zelfs nog lang na het opgaan der zon zijn dikwijls de schepen op de ree in gelegenheid „om met den landwind onder zeil te gaan en naar zee te sturen doch om een uur of acht is het meestal blakstil, totdat tegen elf uur de zeewind weer doorkomt en hetzelfde spelletje opnieuw begint.

Zooals ge weet, is liet op Java en overal tusschen de keerkringen, altoos ongeveer „zes op zes onder.quot; Dat verschilt nooit zoo heel veel, terwijl de schemering zeer kort duurt. Het is een ongelukkig land voor menschen die erg aan hun schemeruurtje gehecht zijn. Doch aangezien hierbij ook een gezellige haard met een knetterend houtvuurtje behoort, dat op Java geheel onnoodig is, zouden ze aan hun schemeruurtje niet veel hebben, terwijl ze een vergoeding kunnen vinden in den heerlijken Indischen avond of nacht, wanneer de sterren schitteren en flikkeren, zoo mooi als wij het in Nederland zelden zien, of als de maan zijn zilveren licht werpt over de rustende natuur en over de menschen, die, in luierstoelen gezeten, trachten te bekomen van de hitte van den dag.

Doch het wordt tijd, dat we met onze „tambanganquot; of inlandsche prauw of sloep verder de rivier of „kaliquot; inroeien.

Nu zal zeker de vraag bij.u opkomen op welk gedeelte van Java's noordkust bevinden wij ons nu?

ocr page 12

9

Ja, liet is mijne bedoeling, u niet meer clan een algemeen denkbeeld te geven van het Javaansch landschap; doch nu ligt het voor de hand, dat de indruk, welken ge on vangt op de verschillende gedeelten van het eiland, nogal verschilt. Toch is het mogelijk, u in een betrekkelijk klein bestek van geheel Java een overzicht te geven, en wel, omdat het toeval wil, dat wij in Java's „Oosthoek'quot;1 een residentie hebben, die al het karaktistieke van Java's natuur-tafereelen in zich ver-eenigt. Ik bedoel de residentie Pasoeroean. Als men iemand in eens geheel Java wil laten zien, geloof ik, dat men niet beter kan doen, dan hem in zijn verbeelding een reisje te laten doen door. en, in vogelvlucht, over deze schoone, schilderachtige residentie. Nergens vindt men zooveel verschillende soorten van natuurgezichten bijeen.

Zooals we weten, ligt Pasoeroean in den zoogenaamden Oosthoek van Java, dus op het uiteinde rechts van het langwerpig gevormde eiland; op die hoogte, waar wij in het noorden, of, aan de overzij, het eiland Madoera zien liggen, dat met zijn westelijk uiteinde, op de hoogte van Soerabaya, Java bijna raakt, zoodat daar slechts een betrekkelijk nauwe opening overblijft, welke men dan ook bij den oostelijken ingang den „Trechterquot; noemt, waardoor het water vloeit tusschen Java en Madoera, terwijl, zooals wij weten, de zee tusschen Madoera en Java „Straat Madoeraquot; wordt genoemd. En hier, niet ver van Soerabaya, zien we het noor-derstrand van Pasoeroean.

Laat ons nu nog eens de kaart voor ons nemen.

Ziet ge wel, dat deze residentie zich dwars over het eiland, van het noorden naar het zuiden, uitstrekt? En als ge nu goed op de kaart ziet en let op de bergketenen en toppen, op de rivieren en riviertjes, op het noorder- en het zuider-strand en op het geheele voorkomen van het land en de kust, zooals gij het nu. van uit de lucht, bekijkt, dan zult ge kunnen begrijpen, dat het waar is, wat ik u straks zei, n.1., dat hier alle soorten van natuur-tafereelen, bergpartijen, strandgezichten, enz. enz. te vinden zijn.

In het noorden b. v. hebt ge, om te beginnen, de gewone alluviale strandvlakte, met zijn kalme natuur, grootere en kleine zeeplaatsen, visschersdorpen en kustkampongs ; doch

ocr page 13

10

■weldra begint, dieper landwaarts in, het terrein te rijzen en zien we in de verte reeds de hooge toppen, en, tegen de lucht, de blauwe omtrekken van het Tengergebergte met zijn ontzakwekkenden, rookenden vulkaan, den door de Tengereezen met zoo heiligen eerbied aangebedene Brama 1).

Daar achter, maar heel flauw, want hij ligt heelemaal in het zuidelijk gedeelte van de residentie, zien we den hoogsten bergtop van gansch Java, den woesten, hoogen, vuurspu-wenden Sméroe.

Deze reus ligt of staat betrekkelijk al vrij dicht bij het zuiderstrand met zijn huiveringwekkende, steile en rotsachtige kalkbergen, waar de groote Indische wereld-oceaan, eenzaam en verlaten, eentoonig en eenzelvig, met zijn hooge golven en zeeën, soms woest en verbolgen en dan weer met een kalme maar reusachtig sterke deining, zijn krachten beproeft op den harden, steilen zuidwal van Java. De geheele natuur is hier woest en wild, en het is hier, in deze wildernis, dat de geest woont van de groote vorstin van het zuiderstrand, de door de Javanen zoo gevreesde Eatoe Lara Kidoel, aan wie door den Javaan met offeranden en gebeden vergunning wordt gevraagd, om met groot levensgevaar, hangende aan een touw of ladder van rottan gevlochten, bijna „zwevendequot;quot; boven de bruisende en golvende watervlakte, in de spleten van den rotsachtigen muur, de zeezwaluwen van hun nesten te berooven en ze daarna, tegen een karig loon veelal, te verkoopen aan een Chinees of Europeaan, als een geliefkoosde lekkernij voor den alles verslindenden mensch. — Mijlen ver in den omtrek is hier alles woest en onbewoond. Vol eerbied en met een zekere huivering nadert de Javaan dit onherbergzame oord, blootshoofds, in een stroozak gehuld en met een schoeisel of een soort van sandalen aan zijn voeten, die bepaaldelijk tot dit doel van ami-vezelen zijn vervaardigd. Niemand waagt het hier luid te spreken of leven te maken; allen zijn bang en vol vrees voor den geest die

1) De „aquot; wordt uitgesproken als de „aquot; in sommige van onze provinciale dialecten, in het woord „vaoderquot;.

ocr page 14

11

hier woont, den geest van Ratoe Lara Kidoel, de koningin van den grooten zuider-oceaan.

Mij dunkt, deze vrees en eerbied van den inlander schilderen u tevens, eenigszins, het woeste en spookachtige van deze rotsen, die het zuiderstrand van de residentie Pasoe-roean vormen.

Van hier loopt een rij van hooge bergen en bergruggen, met hunne vertakkingen, meer naar het noorden, waarvan de Goenong Kawi, de Goenong Kloet en het Ardjoeno-gebergte den westelijken grens vormen, terwijl de Goenong-Sméroe en de Tengersche bergen de residentie aan de oostzij begrenzen.

En tusschen deze rotsen van Ratoe Kidoel in het zuiden, de Ardjoeno in het westen en de Tenger in het oosten, ligt het schilderachtige hoogland van Malang, het type van Javaansch natuurschoon ; een reusachtige lusthof als 't ware, die rustig en kalm hier zijn boomen laat groeien, ingesloten door een geheele reeks van vuurspuwende bergen en steeds rookende kraters, waarvan men 's nachts of 's avonds laat, den vuurglans tegen de lucht ziet spiegelen, tewijl in het zuiden de Indische Oceaan stil en eentoonig zijn deiningen breekt op den zuidélijken muur van het groote eiland Java.

Wij willen thans, na deze vogelvlucht-aanschouwing, enkele gedeelten en tafereelen nog wat meer van naderbij bekijken en hiermede beginnen op het noorderstrand, eene meestal alluviale vlakte met haar gewonen tropischen plantengroei.

AV e zien hier en daar de u bekende rizophoren of wor-telboomen, door de inlanders „mangi-mangi,'1'' ,,ta7idjoengquot; en „bakoequot; genoemd. Het zijn boompjes van een zeer eigen-aardigen vorm, die met hunne wortels boven den grond staan, zoodat de stam den bodem niet raakt, maar door tal van wortels, met vele vertakkingen, als 't ware straalsgewijze in de hoogte wordt getild, zoodat, met het vloedgetij, het zeewater er tusschen door spoelt en later bij het afloopen van het water, met de eb, er een groote hoeveelheid slib en modder achterlaat, waarin, mettertijd, de zaden van andere kleine boompjes en heesters tot ontwikkeling komen.

ocr page 15

12

Op andere plaatsen, -waar het strand begint met een gordel van wit, schitterend zand, dat langzamerhand door het zeewater is opgestuwd en hier en daar zelfs tot een soort van heuvels of kleine duinen is opgeworpen, ziet men weer een andere soort van plantengroei: mooie, kleurige bloemen, die met hare ranken als 't ware over den grond heenkruipen, verschillende grassoorten met een eigenaardig soort van gele bloemen er tusschen en eindelijk, wat betreft de boomsoorten, vooral de zoogenaamde „pandanus^-boomen die ook, eenigszins in den geest van de rizophoren, met een soort van vork met twee tanden, boven op den grond staan, terwijl het van boven precies kleine palmboomen zijn, met hun weelderige bladeren, groen, bijna kopergroen van kleur, terwijl de vruchten van deze boomen, als ze rijp zijn, er helderrood uitzien en bijna zoo groot worden als een gewoon menschenhoofd.

Het zijn vooral de lange, spiraalvormige bladeren van deze „pandanen,quot; waarvan de Javanen zooveel gebruik weten te maken voor het vervaardigen van allerlei mandjes, matten of ander vlechtwerk.

Gaan wij van het strand verder het land in, dan ontmoeten we hier weer tal van andere soorten van boomen en planten, waaronder vooral den „lontar-palmquot;, een boom, die, evenals de „pandanusquot;, tot allerlei nuttige doeleinden wordt gebruikt, terwijl tevens uit zijn merg een zeker soort van sago wordt bereid en men uit het sap van de vruchten een soort van koeken of brooden maakt. Ook werden in den ouden tijd, en op sommige plaatsen tegenwoordig nog, de bladeren van den „lontar-palm11 gebruikt, om er op te schrijven, met een klein, scherp mesje met kromme punt, dat daarvoor opzettelijk vervaardigd werd. In het museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam hebben wij zulk een „lontar-palm,quot; waarop het doodvonnis is geschreven van twee inlanders, die een moord hadden gedaan.

Wat vooral ook, over quot;'t algemeen, de lagere gedeelten van Java's noordkust kenmerkt, zijn de uitgstrekte graswildernissen, die men hier ziet, de zoogenaamde „alang-alang-reldenquot;.

Het zijn golvende, eentoonige, hier en daar zilverwitte

ocr page 16

* 13

zeeën van zoogenaamde alang-alang, een soort van gras, dat een voet of drie, vier hoog is en alleen afgewisseld wordt door weer een ander soort van kwaadaardig gewas, dat men „gedeJiquot;1 of „ylagahquot; noemt en op een soort van eilandjes groeit midden in de bijna onafzienbare alang-alang-zee, waar boven het een voet of wat uitsteekt.

Vooral wanneer men een paar keer in Indie op expeditie geweest is en het een of andere alang-alang -veld in zijn volle breedte heeft moeten doorworstelen — want „marcheerenquot; kan men het niet noemen — leert men eerst recht goed, welk een kwaadaardig goed het is. Toch is het alles behalve nutteloos, want vooral om een huis te dekken, is er voor den Javaan gewoonlijk niets beter en gemakkelijker te krijgen, dan het gedroogde gras van deze alang-alang, terwijl dit gras, als het nog heel jong is, ook wel in den smaak valt van de karbouwen, sappi's en andere Javaansche veesoorten.

Op de plaats van deze gras-zeeën stonden vroeger meestal uitgestrekte bosschen van hooge reuzen van hoornen, die door de menschen omgehakt werden om er voor een tijdlang de een of andere kuituur te beproeven, welke men later om de een of andere reden weer liet varen.

Nog tegenwoordig zien we op verschillende punten van de noordkust als 't ware een gordel van uitgestrekte strand-bosschen en kokosboomen. Gaat men echter het landschap, b. v. in de residentie van Pasoeroean, waartoe wij ons nu zullen bepalen, wat dieper in, dan ziet men al zeer spoedig, (■ op het iet of wat hooger gelegen en meer heuvelachtige

terrein, de geel-groene „sawah'squot; of rijstvelden, met hier en daar, er tusschen in, de hooge schoorsteenen van de suikerfabrieken met de daarbij behoorende landerijen.

Het waren de eigenaars dezer fabrieken, die vroeger, in de goede jaren, zooveel leven en rijkdom wisten te brengen in de stad Pasoeroean, welke daar op de noordkust ligt en het type mag heeten van een groote stad of kustplaats op Java.

Wij zullen ons echter met de beschrijving van zulk een stad maar niet ophouden, doch liever met den thans be-staanden spoorweg, of wel te paard, wat verder naar boven gaan, dieper landwaarts in.

Terwijl de strandvlakte u slechts min of meer eentoonige

ocr page 17

14

vergezichten gaf, begint er nu al heel spoedig iets meer schilderachtigs te komen in uwe omgeving.

Overal ziet ge kleine schilderachtige tafereeltjes, grootere of kleinere bruggen, op kunstige wijze van bamboes vervaardigd, waaronder het een of ander bergstroompje, al klaterend en schuimend, als een levend zilveren lint tusschen het weelderige groen, van den bergrug naar beneden komt dartelen, terwijl rechts en links, langzamerhand, van tijd tot tijd een diep ravijn zichtbaar wordt, dat u bijna doet schrikken, wanneer ge plotseling in die diepte naar beneden kijkt.

Keert ge u echter nog eens even half om, dan ligt daar achter u nog altijd de groote watervlakte van straat Madoera, glinsterende in het volle zonlicht en hier en daar verlevendigd door een paar zeilende inlandsche visschersvaartuigen of wel door een groote bark of driemaster, die van Soerabaija komt en plan heeft, om straks door Straat Bali den Indischen Oceaan in te sturen en dan langs de Kaap de Goede Hoop, verder naar huis, naar ons goeie, ouwe Holland.

Naarmate ge verder het gebergte inkomt, en de meer gebaande wegen verlaat, wordt alles hoe langer hoe mooier ; doch ook meer trotsch en verheven.

Het bergpad, waarlangs gij nu te paard naar boven gaat, is smal; niet meer dan een voet of vijf, zes breed. Van tijd tot tijd passeert ge rakelings langs een steilen bergwand, en ge ziet met zekeren eerbied naar boven. .. naar den reusachtigen plantengroei, dien ge daar kunt opmerken.

Maar dan weer ziet ge naar beneden in een vallei of een kleinere diepte, waarin ge de toppen van de wuivende boomen, als een zich steeds bewegende zee van licht en meer donkergekleurd groen, kunt opmerken; welks aanblik het denkbeeld in u doet opkomen, hoe men daar boven zou kunnen zweven, om over alles heen, en in de diepte te kunnen zien.

Maar ge wordt al heel gauw tot de werkelijkheid terug gebracht, want, zooals ik reeds zei, het pad is niet breed; en, naarmate wij meer beginnen te stijgen, wordt het hoe langer hoe moeielijker; vooral, wanneer ge soms, voor

ocr page 18

15

een oogenblik, moet dalen en ge zóó, over den kop van uw paard naar beneden kijkt.... wordt het lastig en begint ge zóó bang te worden, dat het natuurschoon u hoe langer hoe minder begint te boeien... Als het beest eens struikelde en ge in eens, met uw beiden, zóó de diepte ingingt....!

Maar geen nood. Het kleine Javaansche paardje, dat u naar boven draagt of weer beneden brengt, is hier, in het land zijner geboorte, bekend. O, het is aardig om te zien, hoe zoo'n beestje, voetje voor voetje vooruitgaat en al zijn aandacht er aan wijdt, of de volgende stap wel zeker is en of zijn voet op een vertrouwbaar punt terechtkomt.

Ge moet hem dan ook stil laten begaan. Probeer niet, om hem den weg te wijzen, want het kleine beestje weet het beter dan gij.

Soms neemt hij in eens een ruk, om ergens tegen op te komen; dan weer staat zijn rug bijna krom, en, als ge geen bijzonder goed ruiter zijt, doet ge het best, om u maar zonder komplimenten aan zijn manen vast te houden. Hij zal het u hoogstwaarschijnlijk niet kwalijk nemen, straks weer bedaard zijn gang gaan, en u veilig boven brengen.

Dat is te zeggen : ge zijt nog niet heelemaal boven op den top; ge blijft misschien overnachten in den een of anderen „passan grahanquot; een huis, dat bestemd is voor reizende ambtenaren of andere Europeanen, die daarmee gelijk gesteld zijn,---- en, wanneer ge nu quot;s avonds in de vóórgalerij

van den „passan grahanquot; u neerzet en uitrust van de vermoeienissen van den dag, kunt gij genieten van de heerlijke, frissche berglucht; misschien ook van een mooien zonsondergang, wanneer straks de „mdta Itari,quot; het oog van den dag, met een rijkdom van kleuren zich achter de hooge toppen van de bergen verschuilt,... en ook nog na haar vertrek de toppen van de tegenovergelegen bergen met purper en rozenrood verwt, totdat eindelijk alles donker en kil begint te worden en ge u verwondert, dat er in Indië, daar boven op de bergen, plaatsen zijn, waar het 's nachts zoo koud kan wezen, dat ge straks met het grootste

ocr page 19

16

genoegen onder een wollen deken zoudt willen kruipen; terwijl als ge dan, den volgenden morgen, als het weer licht begint te worden, opstaat, de temperatuur zoo laag is, dat ge rilt en bibbert van de kóu. Maar dat is niets, dat wordt straks wel beter; en het is nu heerlijk weer om op te stijgen en onzen tocht te vervolgen, hooger, steeds hooger het gebergte in, totdat ge eindelijk den top van den een of anderen berg begint te naderen en de natuur om u heen hoe langer hoe meer woest en somber begint te worden.

Laat ons maar onderstellen, dat wij de Brama en zijne zoogenaamde zandzee beginnen te naderen.

Zooals ge weet, is de Brama een van de merkwaardigste vuurspuwende bergen van Java. Op een hoogte van ongeveer 8000 voet loopt het Tengergebergte, of liever, „eindigtquot; het van boven in een soort van krater-bodem, die min of meer cirkelvormig is en een middellijn heeft van meer dan anderhalf uur gaans. Men noemt dit de „zandzee,quot; met het oog op het drooge, grijze zand, waaruit de bodem bestaat.

Om dezen bodem of zandzee loopt een hooge muur of rand, die ook weer een hoogte heeft van misschien wel 1000 voet.

Maar, hooger nog is het gebergte, dat uit het midden van die groote zandzee, als 't ware statig en deftig verrijst, terwijl één van zijn toppen, met iets kils, iets huiveringwekkends in zijn uiterlijk, als 't ware met een stroef gelaat, naar boven kijkt en zich somber en treurig tot in de wolken verheft. Die sombere en grijze top is de heilige berg van de Tengereezen, dien zij aanbidden en die door hen „de Bramaquot; wordt genoemd, naar Brahma, den god der Brahminen.

Ofschoon ik nooit de Brama zoo van nabij heb gezien of beklommen, kan ik mij toch voorstellen, dat het gezicht van zulk een vuurspuwenden berg, vooral op het gemoed van den eenvoudigen natuurmensch, een diepen indruk moet maken.

Het eigenaardig grijze en sombere van den naakten, kouden, rotsachtigen bergtop, iets dat zoo scherp afsteekt tegen het vroolijke, weelderige, lachende groen van de natuur, die hem in de verte omringt, doet u reeds zonderling aan,

ocr page 20

en maakt, dat gij bij u zeiven zegt, „wat is dat toch zonderling, wat maakt dat een woest en vreemd effekt.quot;

Voeg daar nu bij, dat ge steeds boven uit den krater-top witte nevels en dampen ziet komen, die er soms met geweld als 't ware uitgedreven worden, terwijl ge soms vrij duidelijk daar binnen een eigenaardig, dreunend gerommel meent te hooren, dat aan een naderend onweer doet denken, en gij zult u kunnen voorstellen, dat de eenvoudige Javaan, die nooit les heeft gehad in de kennis van het ontstaan van onzen aardbol, onwillekeurig begint te denken aan groote en machtige wezens, die daar binnen wonen en met wie hij op een goeden voet moet zien te blijven, omdat ze hem, als zij willen, op eens zouden kunnen verpletteren, met de reusachtige steenbrokken, die zij naar boven werpen, of hem en zijn land zouden kunnen overstroomen met gloeiende lava, of wel verstikken met een regen van asch of het zwart- en grijsachtige, vulkanische zand.

Met diepen eerbied kijkt dan ook de Tengerees tegen den grooten en machtigen Bram a op en van de zes godsdienstige feesten, was vroeger de „Slamattan', die eens in hetjaar aan den voet van den krater-top, in de dorre zandvlakte gevierd werd, het voornaamste en dat, wat het meest getrouw werd bijgewoond.

Van heinde en ver kwam men tot dit feest samen. De opper-priester beklom dan den krater-rand, ontstak een zeker soort van wierook en wierp verschillende ofïers, uit rijst en andere eetbare waren bestaande, in den gapenden kratermond, terwijl hij den zegen inriep van den grooten „dewaquot; Brama, den geest, die verondersteld wordt daar binnen in den krater zijne woonplaats te hebben en voor wien al deze lekkernijen bestemd zijn.

Ook in den bouw hunner huizen, houden de Tengereezen het oog op den Brama gericht. De eenige deur in hunne woningen die toegang van buiten verleent, is altoos aan dié zijde van het huis, waar men den rookenden Brama kan zien of in de richting, waar men hem kan vinden, als hij van hier niet zichtbaar mocht zijn.

Zooals ik reeds zei, zijn de Tengereezen een bijzonder soort van Javanen, die zich van de anderen voornamelijk

ocr page 21

18

hierin onderscheiden, dat zij nooit hebben willen bukken-voor het zwaard van den Islam, den Mohammedaanschen godsdienst. Alleen van de overheerschers, die vdór de Mohammedanen kwamen, van de oude Hindoe's, hebben ze 't een en ander overgenomen, zoodat hun godsdienst een meng-sel'is geworden van den ouden, allereersten natuur-godsdienst met eenige voorstellingen en vormen van den godsdienst der Hindoe's.

In ieder van hunne dorpen hebben zij een zoogenaamden „doekoen \ die tevens priester en geneesheer is, terwijl zij in hunne woningen er gewoonlijk een zeker aantal huisgoden op-na houden, bestaande in beelden of poppen, die hunne-„dewa'squot; of geesten moeten voorstellen; in welke geestenwereld vooral hunne voorouders een groote rol spelen; een verschijnsel, dat men trouwens bij vele minder- of onbeschaafde volkstammen vindt.

Ook wat betreft de inrichting van hunne huizen, wijken de Tengereezen van de andere Javanen af, want, even als de „Dajaksquot;, „de Papoea'squot; en „de Maleiers'quot; in de Padang-sche Bovenlanden, wonen meestal de families, die oorspronkelijk van de zelfde ouders afstammen, met elkaar in éénhuis: een groote, houten loods, vrij ruw van gewone planken gemaakt, waarvan de voegen of reeten tusschen de planken, tot beschutting tegen den scherpen bergwind, met gedroogd gras of zoogenaamde „alang-alangquot; zijn dicht gestopt.

Iedere familie woont in een afzonderlijk hokje, terwijl de deuren van al deze „compartimentenquot; uitkomen op een langen, gemeenschappelijken gang, waarin, over de geheele lengte, tegenover de deuren, eene doorloopende, lange „baleh-balehquot; of rustbank is aangebracht, waarvan al de huisge-nooten mogen gebruik maken, hetzij om uit te rusten, dat zij nog al dikwijls doen, hetzij om een praatje te houden of het een of andere huiswerk te verrichten. Het is eene soort van algemeene „conversatie-zaalquot;.

Aan het eene einde van den gang, of soms aan weerskanten, is een groot vuur, dat nacht en dag, jaren lang aangehouden wordt, nadat het, volgens sommigen, oorspronkelijk ontstoken is met vuur, afkomstig uit den grooten

ocr page 22

19

Brama, bij zijn laatste uitbarsting. Ook hierin ligt dus weder een zekere godsdienstige vereering van den Brama; doch tevens is het een gemeenschappelijke haard, die wel veel gezelligheid geeft, als de familieleden er in de rondte om heen zitten of liggen, maar tevens de localiteit nogal rookerig en vuil maakt, want een schoorsteen houden ze er niet op na. Voeg daarbij, dat verschillende soorten van huisdieren zich hier ook met de meest mogelijke vrijheid bewegen, en ge zult kunnen begrijpen dat de zindelijkheid hier wel iets te wenschen overlaat.

Toch zijn de Tengereezen een goed slag van volk. Ze zijn wat donkerder van kleur dan de gewone Javanen in den Oosthoek. Ook zijn zij grover en sterker gebouwd. Ofschoon zij voor een Europeaan zelden erg toeschietelijk zijn en, over 't algemeen, min of meer schuchter voor al wat vreemdeling is, zijn ze toch meestal van een goedhartige natuur en zullen niemand kwaad doen, die hun niets doet. Diefstal of andere misdrijven komen weinig voor, en buiten in het veld zijn zij goede tuinlui, die de groote steden Pasoeroean en Soerabaija van groenten en aardappelen voorzien, 't Is merkwaardig om te zien, hoe hunne tuinen en akkers als 't ware tegen de bergen aanhangen, zoodat men onwillekeurig bang wordt, dat het heele zoodje op den een of anderen dag, net als een gedekte tafel, naar beneden zal komen schuiven.

Een produkt, dat vooral bij hen verbouwd wordt en in groote eere staat, zijn de Tengereesche uien, waaraan een zekere legende verbonden is uit veel vroegere tijden.

Toen indertijd de Tengereezen zich voor het eerst in deze streken kwamen vestigen, leden zij namelijk groot gebrek aan voedsel en wisten niet meer, wat te doen. Doch ziet, hun opperhoofd „Kjai Dadap Poetih'1 ontdekte op zekeren dag, dat daar boven op den Smèroe, den anderen vuurspawenden berg, ook nog menschen woonden. Hier ging hij heen, om hulp en raad.

Xa een hoogst moeielijken tocht, vond hij er eindelijk een man en eene vrouw, die er een kluizenaars-leven leidden en die hem beloofden, voor hem te zullen bidden en hem later hiervan den uitslag mede te deelen. Niet

ocr page 23

20

lang daarna kwam er ook uitkomst, want zie, de vrouwkluizenaar werd op zekeren morgen wakker, met in iedere hand een zekere hoeveelheid zaadkorrels, de eene rood en de andere wit.

Toen ze dit aan haar man vertelde, kwam deze aanzetten met het verrassende bericht, dat hij dienzelfden nacht een droom had gehad, waarin eene stem in de lucht tegen hem zeide, dat hij deze merkwaardige zaadkorrels zou moeten noemen „bawang abang1' en „bawang poetih1' (roode en witte uien) en dat hij deze moest ter hand stellen aan den heer „Kjai Dadap Poetih'', het hoofd der Tengereezen, om ze door zijn volk in het gebergte te laten planten, die hiervan op den duur ruim zouden kunnen leven. Het was hun geoorloofd daarbij ook aarden peulvruchten te bouwen, maar van de „padi- of rijst-teeltquot; zouden zij zich zorgvuldig moeten onthouden, aangezien de goden dit zeer onaangenaam zouden vinden en het hun zeker kwalijk genomen zou worden.

En hierin hadden de goden niet geheel ongelijk, want de rijst- of paditeelt „gedijtquot;1 niet in het Tenger-gebergte, omdat, volgens deskundigen, het klimaat er niet voor deugt.

Wij nemen nu van de ïengereezen afscheid en willen ons nog een oogenblik bezig houden met het leven van den gewonen Javaan hier in de buurt.

Dit verschilt niet zoo heel veel van dat van de Javanen in de andere, meer westelijke deelen van het groote eiland. Zooals ge weet, verdeelt men de inboorlingen van het groote Java gewoonlijk in drie groepen: de zoogenaamde Soendaneezen in West-Java, de eigenlijke Javaan, in Midden Java en de Javaan-Madurees, hier in den Oosthoek en op het eiland Madoera, van waar het meerendeel van hen, die nu in den Oosthoek wonen, afkomstig zijn; n.1. zij zeiven of anders hunne voorouders, die hier heen getrokken zijn en zich langzamerhand vermengd hebben met de eigenlijke Javanen, die hier vroeger misschien woonden.

Volgens de meeste schrijvers, en volgens de menschen, die in

ocr page 24

21

de verschillende deelen van Java gewoond hebben, is de „Javaan Madureesquot; meestal iemand van meer energie en grootere zelfstandigheid van karakter, dan b. v. de „Soenda-nees11 inAYest-Java, die veel eenvoudiger en minder ontwikkeld is. Deze laatste is meer „boerschquot; zou men kunnen zeggen, een eenvoudige boeren-arbeider gelijk, die nognietveel gezien heeft van de wereld, terwijl daarentegen de Javaan-Madurees iemand is van ondervinding, die lust heeft in de zeevaart, vischvangst, of om ergens anders heen te gaan en zijn geluk te beproeven als het bij hem thuis niet recht gelukken wil.

Ook zijn zij goede soldaten, getuige de zoogenaamde Madoe-reesche „barisans'11, die ons leger meer dan eens uitstekende diensten bewezen hebben.

In quot;'t algemeen kunnen we, geloof ik, zeggen, dat onder de J avanen hier in den Oosthoek meer flinkheid van karakter en meer aanleg voorkomt dan elders.

Wat betreft hun godsdienst, zijn zij voor het meerendeel Mohammedanen, doch, even als elders op Java, zijn zij eigenlijk in hun hart nog altijd aanbidders van de oude voorvaderlijke geesten, die in hunne verbeelding overal om hen heen aanwezig zijn.

Deze geesten, die in het algemeen „jangquot; worden genoemd, zijn legio en het zou niet gemakkelijk wezen, ze allen op te noemen; doch er zijn enkelen, die als 't ware boven de anderen uitsteken, zooals b. v. de beschermgeest van het dorp of gehucht, van de „dessaquot;. Deze is de zoogenaamde „danjang dessdquot;.

Hij woont boven in het lommer van de boomen of het bosch, waarin meestal een Javaansche kampong of dessa verscholen ligt. Daar woonde hij al lang vóór dat de menschen hier kwamen wonen; en juist dat hij er is, was indertijd een waarborg, dat de zaken hier goed zouden gaan. Zoo luidt gewoonlijk de overlevering, volgens de vertellingen van de „orang toewahquot;, de oude menschen, aan wier woorden en uitspraken door de Javanen veel waarde wordt gehecht.

Aan dezen dorpsgeest of danjang dessd wordt groote eer bewezen, want als men daarin te kort schiet, loopt het met alle zaken verkeerd af, of liever gezegd, als er over de dessa, de

ocr page 25

22

een of andere narigheid komt, zegt men, dat het komt, omdat de danjawj dessd uit zijn humeur is, wegens de een of andere tekortkoming bij de offeranden.

Men heeft namelijk, meestal onder den een of anderen mooien, zwaren boom, in de schaduw van het dichte bladerendak, een klein altaar opgeslagen, gewoonlijk bestaande uit een paar groote steenen; twee die op hun kant staan en een derde, dwars er over heen. Op dit primitieve altaar — dat door een klein, houten hek van den weg is afgesloten, met slechts een kleine opening als toegang — wordt nu de wierook ontstoken, of worden bloemen en andere zaken neergelegd door ieder, die van den dorpsgeest iets te vragen heeft; terwijl hij tevens als goed Mohammedaan niet vergeet, daarbij het gewone Arabische formulier uit te spreken: ,,er is geen God dan Allah, en Mohammed is zijn gezant,quot; of ,,zijn profeet,11 zooals men het maar vertalen of begrijpen wil.

Soms zijn er dorpsgeesten, die ook uit andere plaatsen bezoeken en offeranden ontvangen, omdat zij de reputatie hebben, van door hun invloed bijzonder veel tot stand te kunnen brengen.

Verder hebben de geesten van grootere „dessaV of plaatsen — wij zouden zeggen „de stadsgeestenquot; meer in te brengen en worden meer vereerd, dan de geest van een kleine dessa; — want, zoo klein kan het plaatsje niet wezen, of het heeft zijn afzonderlijken geest of „danjangquot;. Zelfs de meeste „sawahV of rijstvelden hebben dikwijls ieder een afzonderlijken geest, van wien het afhangt, of de oogst goed of slecht uitvalt.

Maar dan zijn er buitendien nog een ontelbaar aantal ,Jangsquot;, die zich, ieder afzonderlijk, bemoeien met de verschillende akeligheden, die een mensch of zijn familie kunnen overkomen.

Zoo zijn er bijvoorbeeld speciaal-geesten, die jicht en rheumatiek te weeg brengen, of wel in quot;t algemeen er op uit zijn, iemand gezwollen beenen te bezorgen, of wel het vee, of de gewassen die op het land staan, de een of andere ziekte op den hals halen. Dan zijn er zoogenaamde j.boetu's,quot;

ocr page 26

23

die het op de hemellichamen voorzien hebben en zons- of maansverduisteringen te weeg brengen. Als men denkt, dat ■deze heeren in aantocht zijn of als men iets van dien aard aan zon of maan meent te bespeuren, is het de gewoonte, met groot misbaar zoo hard mogelijk in de rijstblokken te gaan stampen en hierdoor de „boetiiV op de vlucht te jagen, omdat ze, volgens de overlevering en het zeggen van de „orang toewah11 of oude menschen, een hekel hebben aan alle lawaai, er bang voor worden en aan den haal gaan.

Het zou ons te veel tijd kosten, als wij ons verder in ■deze Javaansche geestenwereld wilden verdiepen of wel eene omschrijving wilden geven van het eigenaardige bijgeloof van de Javanen, hun hechten aan gelukkige en ongelukkige ■dagen en de wijze waarop zij deze berekenen, hun sterk geloof aan droomen en vooral aan het zoogenaamde „ngel-rnoe,quot; eene verbastering van het Arabische „ilmoe,quot; waaronder men vooral verstaat, dat sommige menschen eene bepaalde, bijzondere kracht of gave hebben, om dit of dat te kunnen doen, of wel het een of andere gevaar te kunnen afwenden; een soortgelijk bijgeloof als bij ons in vroegere tijden, en, hier en daar, nog heden ten dage voorkomt: het geloof aan heksen, spoken en wat dies meer zij, en waarover men een heel boek zou kunnen schrijven. Alleen wil ik, wat betreft de Javaansche geestenwereld, nog opmerken, dat de Javaan „toewan Allah,quot; de Mohamme-daansche godheid uit den Koran ook niet anders beschouwt, dan als een voornaam personnage uit de hem reeds vroeger bekende geestenwereld. Het uiten van de door den Koran voorgeschreven gebedsformulieren wordt door hem dan ook niet anders genoemd dan „sembah-jangquot; dat is: een zekeren eerbied bewijzen aan den grooten „jangquot; of geest, die Allah heet.

Toch zijn de Mohammedaansche priesters, die steeds hun best doen om overal tusschen te komen en de fijne draden van het Javaansche levens-weefsel in handen te hebben en te houden, wel degelijk menschen van veel invloed in het leven der Javanen. Terwijl op de grootere plaatsen, moskeeën of missigits worden aangetroffen met

ocr page 27

24

eene groote priesterschaar, voor een groot deel bestaande uit „hadjiV, die door hun bedevaart naar Mekka, een getuigschrift van heiligheid en vroomheid hebben verkregen, -wordt in de kleinere dessa's de dienst gedaan door den meer eenvoudigen dorpspriester, in een eenvoudig bedehuis, den zoogenaamden „langgar' waarin ook de Javaansche kinderen onderwijs ontvangen in de voornaamste leerstukken van den Islam, de gebedsformulieren en voorschriften, het opdreunen of werktuigelijk lezen van brokstukken uit den Koran, enz. enz , •— zoodat er al vroeg iets van den zuur-deesem van het Mohammedaansche geloof wordt ingestampt.

Doch wij willen hierbij niet langer stilstaan, maar liever tot besluit nog een paar woorden zeggen omtrent het huiselijk en meer stoffelijk leven van den eenvoudigen Javaan.

Wij beginnen met zijn eten. De hoofdschotel is natuurlijk rijst, welke zoogenaamd droog toebereid is, door de rijst in een kegelvormig mandje te doen, een zoogenaamden ,,koekoesari\ en deze in den stoom van kokend water te hangen, zoodat de rijst niet in directe aanraking komt met het water, maar gaar „gestoomd'5 wordt.

Evenals bij ons in vroegere dagen, toen de menschen in dit opzicht nog verstandiger waren, is het middag-mamp;al, op het midden van den dag, voor de Javanen de voornaamste of Aoo/c/-maaltijd. De papa komt dan terug van het land, waar hij misschien in de „sawah'1 gewerkt heeft of in het bosch hout gekapt heeft, en mama is omstreeks den middag klaar met de rijst, die in zoogenaamde „wakoelsquot; of rijstmandjes wordt opgedaan.

De tafel, waaraan zij zitten te eten, is meestal zoo eenvoudig mogelijk, namelijk de vloer van het huis. In het midden staat het eten; en papa en mama met de kindertjes, gewoonlijk met zoo weinig mogelijk kleedingstukken aan het lichaam, hurken om den schotel heen.

Meestal ligt in het midden een matje, met een plank of bord, waarop de aarden schotels staan met het andere eten, buiten de rijst; natuurlijk als dit er is, als het „lijen kanquot;. Soms hebben ze er een gebraden vischje bij, of, als er eens gesmuld zal worden, een kip, op inlandsche wijze gebraden; doch meestal.

ocr page 28

25

alleen een beetje „sambalquot;, een soort van toespijs bij de rijst, bestaande uit verschillende kruiden, fijn gewreven en met veel Spaansche peper toebereid, of alleen maar een paar stukjes „tjabé lombokquot;, Spaansche peper of hoe men het wil noemen. Dit laatste ontbreekt nooit.

Ieder van de huisgenooten krijgt nu een pisang-blad, of een ander groot blad van een boom vóór zich. Dat is zijn bord en daarop krijgt hij nu zijn competente portie van den maaltijd.

Aangezien er gewoonlijk niet veel te snijden valt, is het aantal messen aan de Javaansche tafel luttel. Lepels zijn er ook al niet veel, en vorken in het geheel niet. In de plaats van deze laatste gebruiken papa, mama en de kinderen allen hun rechterhand. Ze nemen het eten tusschen de vingers en den duim, en werpen het dan met zoo'n klein „wippertje11 naar binnen.

Xa het eten gaat Pa-Sidin of Krómó 1) of hoe hij ook moge heeten, waarschijnlijk een uiltje knappen op de „baleh-balehquot;, de bamboe rustbank, die in geen J avaansche woning ontbreekt, of soms, als hij wat heel lui uitgevallen is, gaat hij op de gewone slaapplaats liggen, een kleine verhooging boven den vloer, tegen den wand van het huis aangebracht, met een matje er op, en een „bantal1' of kussen van kapok, om het hoofd op te leggen, terwijl een lap, „kainquot; of bont katoen van eigen weefsel er vóór hangt en dienst doet als gordijn.

De Javaansche woning is over het geheel hoogst eenvoudig ingericht; het is een bamboe-huisje of hut zonder ramen of vensters, eene deur en een kleine voorgaanderij, die, behalve den toegang tot de deur, bijna geheel wordt ingenomen door een verhooging, een soort van vaste „baleh-baleh11 of „warande11, waarop de vrouwen onder het overheenste-kende afdak, en dus gedeeltelijk beschut tegen zon en regen, gewoonlijk hun huiselijke bezigheden verrichten, zooals spinnen, weven, batikken, (het aanbrengen van kleur-patronen op het eigengeweefde doek), of iets anders van dien aard; meestal in gezelschap van andere dames uit de buurt, die er een gezellig praatje komen maken.

1) Ook de „(V wordt uitgesproken als de „aquot; in sommige van onze provinciale dialecten, in het woord „vaoder.quot;quot;

ocr page 29

26

's Morgens in de vroegte, als het nog maar half licht is of een beetje begint te schemeren, en het nog koud en kil is in de lucht, ziet men er ook den heer des huizes wel eens zitten, geheel neergehurkt en in een sarong of slendang gehuld, rillende en bibberende van de morgenkoü, om straks, nog, steeds als een Spaansche hidalgo in zijn opperkleeding gehuld, naar de naastbijzijnde kali of beek te wandelen en er een bad te nemen; want daarmee begint de Javaan zijn dag en zijn, toilet. Zijn kleeding, is, gelijk we weten, vrij eenvoudig: een „sarong-kapalaquot; of hoofddoek, losjes over zijn lange haren geworpen, zoolang deze nog niet droog zijn, om hem straks wat beter en met een eigenaardigen slag vast te maken en er het haar onder weg te stoppen ; dan zijn „badjoequot;', (baadje) meestal zoo maar op zijn naakte bruine lichaam, en de „sarongquot; eene ruime scheede of koker (= saroeng) van katoen, die om de beenen en de korte broekspijpen wordt gehangen en ook weer met een eigenaardigen wrong om het midden van den heup of wel met een buikband wordt vast gemaakt 1).

De vrouwen kleeden zich in de gewone Indische „sarongquot; en „kabajaquot;, een soort van verlengd, grootendeels loshangend badjoe.

De meesten van mijn lezers hebben waarschijnlijk hier of daar, b.v. op de tentoonstelling te Amsterdam in 1883 wel eens Javaantjes en hunne kleederdracht gezien, zoodat we daarover niet verder behoeven uit te weiden. Wij willen liever Pa-Kromó, dat is de vader van Kromó — want de Javaan neemt gewoonlijk de naam aan van zijn zoon met het voorvoegsel „Pakquot; of, verkort uitgesproken „Paquot; 2) — volgen op zijn tocht naar het veld.

Aan zijn ontbijt besteed hij niet veel zorg. Voor dat hij naar buiten op de sawah, of in het bosch aan den arbeid gaat, neemt hij een hapje koude rijst en een slokje van een bruinachtig vocht, dat men inlandsche koffie „koppie wedangquot; noemt, dat is : warm water op koffie-bladeren getrokken.

Is er een „warongquot; in de buurt, en heeft hij nog een paar

ocr page 30

27

duiten te verteeren of wel nog een voldoende hoeveelheid krediet, dan neemt Pa-Krómo eerst ook nog wel een hartversterking in deze kleine inlandsche gaarkeuken, die men „warongquot; noemt en waarin alle mogelijke Javaansche lekkernijen te krijgen zijn, niet alleen wat de eetwaren betreft, maar ook b. v. lekkere „seroetoeVquot;, een soort van inlandsche sigaren, of een ander soort van „rokoh'squot;, tabak in een blad gewikkeld, een soort van sigaretten zou men ze kunnen noemen; en dan, vooral niet te vergeten, de benoodigdheden voor het sirih-kauwen of pruimen, iets dat voor alle Javanen, mannen zoowel als vrouwen, onmisbaar is. Zooals men weet, bestaat het daarin, dat men een stukje van den pinang-noot in een met zuivere kalk besmeerd sirih- of betelblad wikkelt, het dan met duim en voorsten vinger tegen de tanden en het tandvleesch wrijft en het daarna op deze plaats, tusschen de tanden en de lippen besloten houdt, soms met nog een klein pruimpje tabak bij wijze van toegift.

Ook bij verschillende maatschappelijke plechtigheden neemt het sirih-pruimen een vaste plaats in ; zoo b.v. bij het huwelijk, wanneer bruid en bruidegom, als een zinnebeeld van hun trouw-verbond, samen uit dezelfde sirih-doos zich van een sirih-pruim voorzien.

Nog een andere liefhebberij, doch niet zoo onschuldig, van sommige Javaantjes, is het rampzalige opium-schuiven, dat menigen Krömö of Sidin of TVongso ongelukkig maakt. Het geschiedt in de zoogenaamde „opium-kittenquot;, meestal hutten of huizen in een slechte buurt en van een slecht allooi. In een bijna geheel donker hok liggen de schuivers op een smerige lage „baleh-baleh.1' De opium-schuiver, met de opium-pijp in de hand, neemt een klein pilletje opium en houdt die met een puntig stukje ijzerdraad in de vlam van een lampje, dat bij hem staat, totdat de pil week wordt en zwelt. Nu legt hij de pil in de holte van den kopvandepijp (het kleine gaatje, dat er boven in is), brengt daarna den kop van de pijp bij de vlam van het lampje, terwijl hij het eind van het roer in de mond steekt, en zuigt dan met lange trekken den rook naar binnen.

Hij houdt dezen rook zoo lang mogelijk in, blaast hem eindelijk door mond en neusgaten weer naar buiten, neemt een nieuwen trek en zakt eindelijk, meestal na tien a twaalf lange

ocr page 31

28

halen, langzamerhand inéén, op de baleh-baleh of rustbank, waarop hij in slaap valt en den opiumdroom geniet. Volgens beschrijving van deskundigen is deze droom een soort van gelukzaligheid, die meestal op wellust, ijdelheid of eerzucht gebaseerd is.

Als de opium-schuiver ontwaakt, gevoelt hij zich ellendig, mat en lusteloos, tot dat hij op nieuw zich aan het opium-genot overgeeft, waarbij hij telkens een grootere hoeveelheid noodig heeft om te slapen, en zonder dat het hem mogelijk is, naar het schijnt, zich aan deze verslaafdheid te onttrekken. Hij vervalt hoe langer hoe meer, hij vermagert, zoodat zijn lichaam een geraamte wordt; zijn oogen staan dof en verliezen allen glans, hij kan bijna niet meer loopen en gaat als 't ware wankelend over den weg; ieder herkent in hem den man, die aan het schuiven verslaafd is. Heeft hij geen geld meer voor de opium, dan steelt hij en doet al wat gemeen is. Hij is in staat, zijn vrouw en zijn kinderen te verkoopen, als hem dit mogelijk is, hii komt tot moord en doodslag of tot een soort van „deliriumquot;, hij wordt een „amok-maker11, op wien, als op een wild beest gejaagd wordt, met de zoogenaamde dievenvork; of wel, de dood komt langs een meer natuurlijken weg in den vorm van eene aandoening van de longen of het hart en hij sterft een treurigen dood, door niemand beweend dan door den opium-pachter, die in hem een goeden klant verliest.

Doch laat ons onderstellen, dat Pa-Kromó zich niet met deze verderfelijke zaken ophoudt en al vroeg in den morgen als een goed huisvader rechtstreeks naar zijn land kuiert en aan zijn werk gaat. Desnoods neemt hij wat koude rijst mee in een pisang-blad, om het straks bij wijze van ontbijt buiten ■op de sawah te verorberen.

Soms, als zijn werk wat ver van huis is en hij 's middags niet thuis kan komen om te eten, neemt hij in zijn tasch wat rauwe rijst en zout mee, dat hij tegen den middag zelf toebereidt. En hier komt weer het eigenaardig talent uit van den Javaan als natuurmensch, die zich altoos weet te redden met de middelen, welkemoeder natuur hem aan de hand geeft. Hij neemt zijn hakmes, kapt zich uit een naburig boschje •een flinken koker van bamboe en doet daarin de rijst met het zout, en een beetje water er bij uit een beek of kali in de buurt.

ocr page 32

29

Dan sprokkelt hij wat dor hout en weet dit op een eigenaardige manier in brand te steken met behulp van weer twee stukjes bamboe. In de bolle zij van het eene maakt hij een paar kerven, wrijft dan met het andere, scherpe, stukje bamboe langs deze kerven, al harder en harder, tot dater eindelijk vonken komen en het dorre hout in de brand vliegt. Daarop wordt de koker met rijst in het vuurtje gezet en als dan de koker van bamboe „knapquot; zegt, is de rijst klaar, en begint Pa-Kromo zijn maaltijd, met een lekker slokje water uit de kali er bij. Klaar is hij.

Wat doet moeder de vrouw in dien tijd? Ja, als het erg druk is in het land, b. v. in den oogsttijd, gaat alles meê-naar de sawah, — vrouwen, kinderen, alles doet meê; dikwijls worden er dan groote feesten gevierd en versiert men met bloemen de hoorns van den karbouw, die met zijn plompen, min of meer waggelenden tred, een lading padi of rijst, in bossen gebonden, op zijn rug naar huis draagt, of wel voor de kar of „pedatiquot; loopt, waarop de oogst geladen is. Ik heb dat altoos zoo'n schilderachtig iets gevonden, zoo'n goeie ouwe karbouw met een kleinen Javaanschen jongen er op, of wel als ik in de verte zoo'n ouderwetsche pedati aan zag komen, met een paar Javaantjes er bij, die blijkbaar het wereldsche leven even kalm opnamen, als hun buffels of karbouwen, die de zware pedati ook zeer op hun gemak en met een rustig gelaat voorttrokken 1).

Over het geheel zijn in het Javaansche volksleven zoovele-schilderachtige ta fereelen.

Kijk b.v. maar 's morgens, als vrouwen, kinderen en meisjes terugkomen van de kali of beek, waar zij een bad genomen hebben. Hoeveel vroolijke, frissche jeugd spreekt er niet uit die donkere, mooie oogen van die Javaansche jonge deerns, die nog zooveel „poëziequot; in de toekomst zien. Zie, hoe ze straks het zware, lange, donkere haar in een sierlijken dikken-wrong of „kondequot; weten saam te voegen, en er misschien,

1) Bij „l)edativ, legge men den klemtoon op de tweede lettergreep. — De rijst op liet veld of nog in den halm heet padi; uit den halm, maar nog in den dop gab ah; van den dop ontdaan, dus de witte rijst,, zooals die voor kooken geschikt is, be ras; de gekookte rijst, nasi (spreek nit: n a s s i).

ocr page 33

30

als ze den een of anderen denken te zien, of naar de markt, naar den passar gaan, er een mooi wit bloempje insteken, dat we allemaal kennen als de Javaansche „melattiquot;, een witte jasmijn, zoo geurig en zoo eenvoudig mooi, als er misschien op de geheele wereld geen tweede soort wordt gevonden.....

Het gebruik van deze „melattiquot; als versieringsmiddel, dit alleen is al een bewijs, dat ook de Javaansche vrouw wel degelijk gevoel heeft voor het eenvoudige mooi van de natuur; hoe schril ook de kleux'en zijn, waarmee vrouwen en mannen zich bij sommige plechtigheden weten te tooien. Doch ik geloof, dat dit meer een uitdrukking of een uitvloeisel is van hun oostersche neiging tot vertoon van een zekeren rijkdom bij alle openbare plechtigheden of feesten, én eene verbastering van hetgeen hun vroegere overheerschers hun gebracht en geleerd hebben.

In de diepte van hun gemoed zijn de Javanen menschen die geheel opgaan in de natuur die hen omgeeft. De natuur waarin zij leven, is voor hen alles. Wat ook de Hindoe's en later de Islam, er in gedreven hebben, -— toch is de eenvoudige Javaan een aanbidder gebleven A an de natuurkrachten, die hem omringen en die hij namen geeft op zijn manier en zoover zijne ontwikkeling reikt; terwijl hij in de werkelijkheid zich nergens gelukkiger gevoelt, dan in het rustig bezit van zijn klein huisje, het stukje grond, dat hem behoort of toegedeeld is, en de kleine Sidin's en Sarina'1 s, die, poedelnaakt, naast het huisje in het zand liggen te spartelen.

Ik beweer, dat de Javanen van nature een goed slag menschen zijn, en wanneer men soms hoort, welk gemeen ■volkje er onder hen voorkomt, dan geloof ik, dat dit dikwijls een gevolg is van eene soort van ontwikkeling, die ze aan de opium en de jenever te danken hebben.

De kleine, witte „melattiquot;, die het Javaansche meisje zoo gaarne in heur haren steekt, en die nog altoos zulk een groote rol speelt bij bruidsplechtigheden en andere feesten, beschouw ik daarom — misschien is het eene poëtische beschouwing van mijn eigen vinding, —- maar ik voor mij beschouw dat eenvoudige witte bloempje als nog een goede,

ocr page 34

31

kleine vertegenwoordiger uit den tijd, toen de Javaan nog vrij was van den Islam en de kasten-overlieersching van de Hindoe's, toen zijn oogen nog niet zoo veel hadden gezien, wat zijn gemoed en zijn hart op verkeerde wegen bracht. Ik geloof, dat het de plicht is van ons vaderland, hierop te letten en hem door een eenvoudig onderwijs, een onderwijs dat speciaal voor hem ingericht is en waar hij in zijn eenvoudig natuurleven nut en voordeel kan hebben, ■weer terug te brengen tot de goede eigenschappen, die hij vroeger meer bezat dan thans. Men trachte hem te leeren, wat er in zijne omgeving te leeren is. Aan eene uitgebreide ■aardrijkskundige kennis, b. v. de politieke indeeling van Europa, zal hij niet veel hebben, terwijl hij de verschillende letterkundige wetenschappen ook heel goed missen kan. De gewone Javaan is een mensch, die zich het gelukkigste gevoelt, als hij buiten is, in de natuur; met de neus in de boeken te zitten, strookt niet met zijn aard. Hij zal nooit •een ijverig romanlezer worden. Laten we ons best doen, hem te leiden en hem op te voeden tot een goed en eenvoudig mensch. Dat is ons belang en — onze plicht!

Rotterdam.

A. WeRu.MÉus Euning.

ocr page 35
ocr page 36