Maatschappij tot Nut Yan 't Algemeen.
/
ï \
\
I'
i }
i
!
\
\
\
\
i \
\
\
][
t
r i
r r r ï x \i
I
I
i
i r.
L
m
DOOK
MR. J. D. VEEGENS.
Prijs per 50 exemplaren ter verspreiding Æ 1.G0, voor departementen er leden der Maatschappij Æ 1.25 ; enkele exemplaren 5 Cts. Verkrijgbaar bij M. k. de Grauw, Uitgever te Ouderkerk bij Amsterdam.
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
-o-ooo^w5^doo-o---
dc or
Mr. J. D. VEEGENS.
â~~w\AAA/VV
Prijs per 50 exemplaren ter verspreiding f l.CO; voor departementen en leden der Maatschappij Æ 1.25; enkele exemplaren 5 Cta. Verkrijgbaar bij M. E. de Grauw, Uitgever te Ouderkerk bij Amsterdam.
Den 5dcn Mei 1789 -werd de vergadering der franscbe staten-generaal te Versailles geopend met al de plechtigheid, die het gewicht dezer gebeurtenis vorderde. Sedert 1614 waren de standen des rijks, adel, geestelijkheid en derde stand, niet meer vergaderd geweest. Thans was hun bijeenroeping noodig geworden door den vervallen staat der geldmiddelen en door de onmacht der regeering, om de bevoorrechte standen tot het dragen van een billijk aandeel in de algemeene lasten te bewegen. Koning Lodewijk XVI en zijn raadslieden hoopten tegenover adel en geestelijkheid steun te vinden bij den derden stand, die nagenoeg de geheele bevolking omvatte en evenveel afgevaardigden telde als de beide eerste standen te zamen. Zij hadden zich echter van de beteekenis van dien stand niet voldoende rekenschap gegeven. Het ging hun gelijk den toovenaar in de fabel, die den dood vond in het water, dat gedienstige geesten hem kwamen aandragen, omdat hij zich het tooverwoord niet kon herinneren, dat alleen vermocht hem van zijn bovenaardsche dienaren te ontslaan. Gesteund door do lagere geestelijkheid en door een deel van den adel, maar vooral door de openbare meening, bleek de derde stand, onder bekwame leiding, weldra machtig genoeg om hervormingen te verwezenlijken van veel verder strekking dan het hof zich ooit had voorgesteld : om de overblijfselen van het leenstelsel af te schaffen en een staatsregeling door te drijven, die van het koninklijk gezag niet meer dan een schaduw overliet.
4
Hot is een droevig schouwspel, dat de geschiedboeken der omwenteling ons voor oogen houden. Aanvankelijk spreken zij ons van een rechtmatige nationale beweging, van edele denkbeelden, van heldenmoed en vaderlandsliefde. Doch weldra komen donkere wolken den hemel verduisteren. Frankrijk geraakt in oorlog met vreemde mogendheden. Booze hartstochten worden ontketend. Tusschen de partijen ontstaat een strijd op leven en dood. De bovendrijvende partij kan zich slechts staande houden door middel van een schrikbewind, dat gruwelijke misdaden duldt en alles vernietigt, wat aan zijn alleenheerschappij in den weg staat. Koning en koningin met duizenden aanzienlijke personen vinden den dood onder de guillotine, zonder dat de hun te last gelegde strafbare daden door een onpartijdig onderzoek zijn gestaafd. Het land wordt door een feilen burgerkrijg verscheurd. De legers der republiek weten haar binnen- en buitenlandsche vijanden te overwinnen; maar onder een regeering van bloed en tranen gaat de pas verkregen vrijheid ten onder en wordt de weg gebaand voor een despoot, die straks zijn gezag op de puinhoopen van het schrikbewind zal vestigen.
Toch heeft de omwenteling blijvende vruchten gedragen, niet alleen voor Frankrijk zelf, maar ook voor de meeste andere landen van ons werelddeel. De beginselen van 1789 hebben de republiek, het eerste keizerrijk en het herstel der Bourbons overleefd en zijn ook thans nog grondslagen van burgerlijke en staatkundige vrijheid. Gelijkheid van allen voor de wet en verzekering van de vrijheden des volks door een staatsregeling: ziedaar rechten, die ons zoo natuurlijk1 voorkomen, dat wij moeite hebben ons terug te denken in den tijd, toen zij nog moesten worden veroverd. De omwenteling, die de rechten en plichten van den staatsburger in het algemeen trachtte ,te omschrijven, ontleent haar beteekenisj in de wereldgeschiedenis voor een deel aan het feit, dat soortgelijke toestanden, als
5
in Frankrijk onhoudbaar waren geworden, toen en latei-in een groot deel van Europa voorkwamen.
Zelden werd een groot volk onder een eigen vorst zoozeer te gronde gericht, als het fransche onder Lodewijk XIV. Reeds in 1698 hadden, volgens ambtelijke berichten, verscheidene fransche gewesten en landschappen van een zesde tot de helft hunner bevolking verloren. In 1715, na den rampspoedigen oorlog om de spaansche troonopvolging, was de ontvolking nog verergerd. Men rekent dat destijds niet minder dan zes millioen menschen van honger en gebrek waren omgekomen. Sedert dat tijdstip nam de bevolking niet meer af. Zij ondervond echter in de eerstvolgende veertig jaren ook geen noemenswaardige vermeerdering. Onder Lodewijk XV bleef het landvolk in bittere armoede verkeeren. In vele streken was gedurig gebrek aan het noodigste, Tusschen den eenen oogst en den anderen heerschte telkens hongersnood. Een groot deel van den grond lag braak. Daalde landbouw zeer achterlijk was, kon de bebouwde grond ternauwernood in de eerste behoeften der bevolkhiquot;;
à O
voorzien. De belastingen werden even willekeurig verdeeld als onbarmhartig geïnd. Zelfs in den besten tijd der regeering van Lodewijk XV, onder den kardinaal Eleury, zocht de boer in de -vruchtbaarste streek van Frankrijk zijn wijn en zijn brood te verbergen, overtuigd dat hij een verloren man was, zoo de gaarder kon vermoeden dat hij iets bezat. Een maatschappij van landbouw gaf in haar verslag over 1761 te kennen, dat zij er aan gedacht had runderen als prijzen en premiën uit te loven, maar dat zij daarvan was teruggekomen uit vrees voor de knevelarijen, waaraan de winners dier prijzen bij den wil-lekeurigen omslag der belastingen konden blootstaan.
Onder Lodewijk XVI kwam er eenige verademing. De regeering werd zachter; de ambtenaren werden men-schelijk. Hier en dajr vertoonden zich sporen van herlevende welvaart. Maar de grondige hervormingen, die
6
na meer dan honderd jaren wanbestuur noodig waren, bleven achterwege. De armoede van het grootste deel der bevolking bleef ondraaglijk. Getuigen de herhaalde hon-gersnooden en de daardoor veroorzaakte oproeren in verschillende deelen van het rijk. Het is bekend, dat de omwenteling zeer bevorderd werd door het mislukken van den oogst van 1788 en den buitengewoon strengen winter van 1788 op 1789.
Buitensporig was het bedrag der belastingen, waaronder de bevolking vóór de omwenteling zuchtte. Aan directe belastingen hadden de grondeigenaars, die niet tot de bevoorrechte standen behoorden, in de voornaamste gewesten op elke 100 francs zuiver inkomen niet minder dan 53 francs te betalen. Dit was het gemiddeld bedrag; in sommige streken werd minder, in andere nog meer geheven. Ook werklieden en daglooners werden rechtstreeks voor betrekkelijk hooge sommen aangeslagen. Van de verbruiksbelastingen drukten die op zout en wijn het zwaarst. De wijngaardenier stortte somtijds zijn wijn in het water, om aan de belasting te ontkomen. Men was verplicht een zekere hoeveelheid zout per hoofd en per jaar te koo-pen. Die hoeveelheid mocht alleen tot persoonlijk gebruik bestemd worden; een hooge boete beliep hij, die er bijvoorbeeld een varken mede had ingezouten. Deze belastingen werden verpacht; wie haar ontdook, beliep zware straffen.
Waarom waren de belastingen zoo hoog? Omdat de regeering veel geld behoefde en de meest gegoeden weinig of geen belasting betaalden. De bevoorrechte standen bezaten de beste helft van het land. De goederen, aan de prinsen van het koninklijk huis in vruchtgebruik afgestaan, namen een zevende van het geheele grondgebied in. In geen enkele belasting werden adel en geestelijkheid naar gelijken maatstaf als de gewone burger aangeslagen. Van de grond- en vermogensbelasting, die den naam van taille droeg, was de adel in vele streken geheel vrijgesteld. Die
7
vrijstelling stond oorspronkelijk in verband met de militaire verplichtingen, die de adel te vervullen had. Zij werd echter door niets gerechtvaardigd, nu de dienst hij de militie sedert de zeventiende eeuw op de overige bevolking rustte. Bovendien was de taille, in den aanvang tot een gering bedrag geheven, later een uiterst zware belasting geworden : onder Karei VII bracht zij 1,200,000, onder Lo-dewijk XVI 80,000,000 francs op (1 franc =: Æ 0,48), Ook van andere belastingen, ingevoerd met de bedoeling om allen naar verhouding van hun inkomen te treffen, wisten de meeste edellieden zich door allerlei middelen geheel of grootendeels te ontslaan. Soms door beleefde verzoeken. Zoo schreef een edelman aan een niet-adellijk ambtenaar: âUw gevoelig hart zal nooit toelaten, dat een huisvader van mijn stand naar streng recht in de twintigsten -â belasting op de huizen â worde aangeslagen, gelijk met een huisvader uit het gemeen zou geschieden.quot; In diezelfde twintigsten betaalden de prinsen van den bloede, in plaats van de verschuldigde 2,400,000, slechts 188,000 francs.
Niet minder bevoorrecht was de geestelijkheid. Haar goederen hadden een waarde van ongeveer 4000 millioen francs, en brachten jaarlijks 80 a 100 millioen op. Bovendien genoot zij een jaarlijksch inkomen van 123 millioen aan tienden. Toch had zij zich van de belastingen, die haar hadden moeten treffen, weten vrij te houden. Zij had namelijk bedongen, dat haar bijdragen daarin onverplicht zouden zijn; en het betrekkelijk gering bedrag, dat zij als vrijwillige gift betaalde, werd nagenoeg opgewogen, soms zelfs overtroffen door een toelage uit de schatkist, die haar jaarlijks verleend werd. Overigens waren de inkomsten der geestelijkheid zeer ongelijk verdeeld. Er waren bisschoppen en abten, die een inkomen van 100,000 francs genoten, en pastoors, die hun drukken dienst voor 700 francs quot;s jaars moesten waarnemen. De lagere geestelijkheid gevoelde zich dan ook evenzeer verongelijkt als
X
8
andere klassen der bevolking en juichte de omwenteling in den aanvang van ganscher harte toe.
Maar niet alleen aan de regeering: moest belasting be-
O O O
taald worden. Ook aan de bevoorrechte standen was de overige bevolking cijnsbaar. Vooral de grondeigenaar werd zwaar gedrukt door hetgeen van de heerlijke rechten was overgebleven. De fransche landbouwer onderscheidde zich reeds destijds door een sterken trek naar grondbezit. Elke besparing werd door hem bij voorkeur besteed om een stukje grond te koopen. Hij moest dan beginnen met een hoog recht te betalen, niet aan de regeering, maar aan den eigenaar der heerlijkheid, waarin het gekochte land gelegen was. Die heer â een grondeigenaar als hij zelf â¢â had het recht hem nu en dan uit zijn werk te komen halen en hem elders zonder loon te laten werken. De boer moest aan den geestelijken heer of aan het klooster in de nabijheid tienden betalen. Hij was verplicht zijn graan in den molen van zijn beer te doen malen, zijn meel in den heerlijken oven te doen bakken, zijn wijndruiven in de heerlijke pers te doen persen. Voerde zijn weg naar de markt over een water, zoo had hij daar aan zijn heer tol te betalen. Het recht, om zijn goederen ter markt te brengen, moest hij van zijn heer koopen. Diezelfde heer was uitsluitend bevoegd om te jagen en belette hem zijn akker tegen het wild te beveiligen. De heerlijke rechtspraak was ten aanzien van de jacht nog in wezen en zeer gestreng. Al deze â en de overige â heerlijke rechten waren onverjaarbaar en onafkoopbaar.
Oorspronkelijk waren de meeste heerlijke rechten niet onredelijk. Zelfs het heerlijk jachtrecht had oudtijds een gezonden zin. Zoolang groote bosschcn het land bedekten, diende het om aan den heer, die altijd gewapend en altijd te paard was, de vervolging van wolven en wilde zwijnen voor te behouden. Zijn voorrecht, om alleen te mogen jagen, was echter in de achttiende eeuw tot een ongerijmdheid geworden. Zoo was het ook met andere dezer
9
rechten. Zij pasten in de tiende eeuw, toen slechts door onderwerping- aan den leenheer veiligheid was te verkrijgen, maar niet in de vreedzame maatschappij der achttiende eeuw, waarin bestuur en grondbezit opgehouden hadden in één hand te zijn.
In den bloeitijd van het leenstelsel vonden de lasten, die de heer aan zijn onderhoorigen oplegde, een tegenwicht in de diensten, die hij hun bewees. Hij genoot aanzienlijke voordeelen; maar binnen den kring zijner heerlijkheid was hij het, die met hulp zijner vazallen het bestuur voerde, de openbare orde verzekerde, de rechtspraak uitoefende, cn voorts de zwakken beschermde, de zieken verpleegde, ouden van dagen onderhield, weduwen en weezen verzorgde, in één woord met de bevolking medeleefde. Van deze verplichtingen was de heer in den loop der tijden ontheven. Hij bestuurde niet meer en liet zich met de algemeene belangen niet meer in. Zijn voorrechten waren echter onverminderd gebleven. In de middeleeuwen bezat hij tal van rechten, maar was hij ook met vele plichten belast. In de achttiende eeuw waren zijn rechten gehandhaafd, zijn plichten vervallen. In Engeland had de adel het grootste aandeel in de algemeene lasten voor zijn rekening genomen, om zijn plaats in het gewestelijk en plaatselijk bestuur te behouden. In Frankrijk daarentegen had hij zich, ter wille van zijn vrijdom van lasten, het verlies zijner regeeringsrechten getroost, zonder te bedenken dat zijn voorrechten slechts houdbaar bleven, zoolang zijn leden het karakter van overheidspersonen droegen. Reeds vóór de omwenteling was de middeleeuwsche maatschappij ontbonden. Zij geleek een boom met vermolmde wortelen, die geen windvlaag meer verduren kon.
De gewijzigde stelling der bevoorrechte standen was vooral het werk van kardinaal Richelieu en van koning Lodewijk XIV. Onder hun bestuur werd de volstrekte koninklijke macht gevestigd. De oude besturende en rechterlijke lichamen, die deze macht beperkten, werden echter
10
niet opgeheven. Die colleges en de daarmede op één lijn staande ambtenaren lieliielden hun rangen, eerbewijzen en geldelijke voordeelen. Doch hun gezag ging over op andere ambtenaren, alleen van de regeering afhankelijk. Een nieuw raderwerk van bestuur werd in schijn beneden, in werkelijkheid boven de bestaande machten geplaatst. Het bestond uit den raad des konings, een raadgevend college, onder den koning met de hoogste wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht bekleed; den controleur-generaal, hoofd van het binnenlandsch bestuur; en de intendanten, éën in elk gewest, die met hulp van de door hen aangestelde of aan hun bevelen onderworpen beambten in de kantons en kerspelen de belastingen omsloegen, de militie lichtten, het armwezen en in de meeste gewesten de openbare werken beheerden, in één woord het geheele bestuur voerden. Aan deze betrekkingen bleef de adel vreemd. De armste edelman zou liet ambt van intendant versmaad hebben. De adel behield den voorrang in de maatschappij, vormde de omgeving des konings en kommandeerde leger en vloot. Maar het rechterlijk en uitvoerend gezag was in handen van mannen van zaken. Ook de invloed der parlementen â geen vertegenwoordigende, maar rechterlijke lichamen, die de regeering niet zelden op geruchtmakende wijze bestreden â was meer schijnbaar dan wezenlijk.
Deze dubbele regeering, een oude die haar werkzaamheid bepaalde tot het ontvangen van inkomsten en eerbetoon, naast een nieuwe die alles deed en hooge uitgaven vorderde, was voor de bevolking veel te duur. Om den diep gewortelden afkeer van het leenstelsel te begrijpen, behoeft men zich slechts te verplaatsen in den toestand van den niet-adellijken grondeigenaar, die van elke 100 francs inkomen gemiddeld 53 francs naar den ontvanger moest brengen, ruim 14 francs aan heerlijke rechten en nogmaals ruim 14 francs aan tienden verschuldigd was, en van de overblijvende 18 of 19 francs nog de belastingen op wijn en zout te voldoen had.
11
Het platteland was er bet ergst aan toe. Daar was het euvel van afwezigheid der grondbezitters ten top gestegen. Van de bevoorrechte standen zag men er alleen denkleinen adel en de pastoors. De prelaten waren in do middelpunten van bevolking, de groote heeren te Versailles te vinden. De adellijke grondbezitters gevoelden zich ten plattelande onbehaaglijk, omdat zij tegenover hun niet-adellijke buren een valsche stelling innamen. Zij hadden met dezen geen gemeenschap van belangen, omdat zij niet dezelfde lasten droegen; en nu zij niet meer aan het hoofd van het kerspel stonden, konden zij die ongelijkheid zelf niet verdedigen. Daarentegen bezat de omtrek der hoofdstad voor hen groote aantrekkingskracht. Om vooruit te komen, moest een edelman zich ten hove vertoonen. De hooge adel spiegelde zich gaarne in den luister, die van den koning afstraalde, en zag in verbanning naar zijn goederen de zwaarste straf, die hem treffen kon. Het natuurlijk gevolg van deze opvatting was, dat het beheer dier goederen van misbruiken wemelde. Trouwens deze konden de meeste groote heeren met den besten wil toch niet uitroeien, omdat zij diep in schulden staken en een deel hunner landelijke inkomsten aan hun schuldeischers hadden moeten overdragen. Ziehier een staaltje van de in dit opzicht heerschende lichtzinnigheid. Lodewijk XVI maakte aan een aartsbisschop de opmerking, dat hij gezegd werd schulden te hebben, en wel in menigte. âSire,quot; antwoordde de prelaat, âik zal er bij mijn intendant bericht over inwinnen, en ik zal de eer hebben er aan Uwe Majesteit verslag van te doen/1
Ook de boeren zochten zooveel mogelijk hun toevlucht in de steden. Van hen, die tot eenigen welstand geraakt waren, bleef niet meer dan een geslacht den landbouw uitoefenen. Wie er toe in staat was, zond zijn zoon naaide stad en kocht hem daar een dier kleine ambten, waaraan vrijstelling van lasten verbonden was. Ten plattelande schuwde men het bekleeden van een ambt. Een land-
12
bouwer, die het ongeluk had te worden gekozen tot ontvanger van de taille, onder de bevelen van den intendant,
O 7
verloor gewoonlijk wat hij bezat. Hij was toch aansprakelijk voor de geheels opbrengst dier belasting in het kerspel, die jaarlijks op nieuw werd vastgesteld en zeer ' uiteenliep; en hij was meestal niet in staat de rekeningen op te maken, waaraan zijn vermogen en dat zijner dorps-genooten afhing. Een dorp was doorgaans een gemeenschap, waarvan alle leden arm, onwetend en onbeschaafd waren. De eenige welopgevoede man, die met de boeren omging, was de pastoor; maar de voorrechten van den stand, waartoe hij behoorde, deden aan zijn invloed afbreuk.
Dat de omwenteling in 1793 en later over haar talrijke vijanden kón zegevieren, was vooral toe te schrijven aan den treurigen toestand van het platteland onder de oude orde van zaken. De landelijke bevolking haatte deze met al den opgekropten haat, dien langdurige en onafgebroken verdrukking baren kan. Tot geen prijs wilde zij den ontvanger van do taille, de wijn- en zontbelastingen zien terugkeeren. Zoodra zij het mogelijk herstel van de tienden, van de heerlijke rechten en van de taille slechts in de verte ontwaarde, was haar besluit genomen: zij vocht zich dood.
In het algemeen had het stelsel van bestuur, dat dooide omwenteling werd opgeheven, de strekking om de onderscheidene klassen der bevolking van elkander te vervreemden. Zij werden door den scherpst mogelijken strijd van belangen gescheiden. Sedert de dagen van Richelieu had de regeering verdeeld om te heerschen. De gevolgen daarvan werden in het begin der regeering van Lode-wijk XVI door den minister Turgot aldus geschetst: âDe natie is een maatschappij, samengesteld uit verschillende slecht vereenigde standen en uit een volk, waarvan de leden slechts zeer weinig onderlinge banden hebben, en waarin dientengevolge ieder zich slechts met zijn bijzondere belangen bezighoudt. Nergens is een gemeenschappelijk
13
belang te bespeuren. Dorpen en steden hebben niet meer wederkeerige betrekkingen dan de landschappen waarbij zij zijn ingrdeeld. Zij kunnen zich zelfs niet onderling verstaan over de leiding der openbare werken die zij behoeven.quot;
Aan het hoofd dezer ter doode opgeschreven maatschappij stond de koning, wiens voorvaderen Frankrijk gevormd hadden door zich er aan toe te wijden als aan hun eigen zaak. Doch de nazaten hadden de verknochtheid Jes volks aan hun geslacht verbeurd, door het nationale goed als hun eigen zaak te gebruiken. Misbruiken mocht het heeten, waar zij op kosten des volks aan eigen zucht naar weelde, ijdelheid en hartstochten, aan grillen van gemalinnen en bijzitten bot vierden, terwijl hun bestuur zich in toenemende mate door onbekwaamheid en zorgeloosheid kenmerkte. Het rijk beschouwden zij als hun bijzonder eigendom, de schatkist als hun zakgeld.
Geen middel om geld te maken werd door het volstrekt gezag versmaad. Zoo werd het recht, om bepaalde bedrijven uit te oefenen, sedert de zestiende eeuw door den koning verkocht. Onder Lodewijk XIV werd aan dit stelsel aanmerkelijk ruimer toepassing gegeven. Jaarlijks werden nieuwe beroepen in den kring der gilden getrokken en werden de voorrechten der bestaande gilden uitgebreid. Het recht om te arbeiden werd een voorrecht, dat van de regeerins moest gekocht worden. Aldus ontaardden
o o o
de gilden meer en meer in besloten, voor de ontwikkeling
O 'O
der nijverheid verderfelijke benten.
Zoo ook werden sedert het einde der zeventiende eeuw de stedelijke ambten, waarvoor tot dien tijd verkiezingen plaats hadden, aan den meestbiedende gegund. Langs dezen weg werd de schatkist gevuld ten koste van do vrijheid en de welvaart der steden. Dat die verkoop van ambten verkeerd moest werken, begreep de regeering zeer goed. Zij wachtte zich toch wel do betrekking van intendant, bij welker goede vervulling zij belang had, te
11
verkoopen. Maar de stedelijke belangen lieten haar koud, en de stedelijke ambten brachten haar veel geld op.
Van de wijze, waarop over de penningen der belastingschuldigen beschikt werd, getuigde het roode boek, waarvan de nationale vergadering in 1790 de overlegging verkreeg: een register, in rood marokijn gebonden en verguld op snede, dat de lijst der verleende pensioenen en toelagen bevatte. Ook in dit opzicht was onder Lodewijk XVI niet zoo erg huis gehouden als onder zijn voorgangers. Toch was onder zijn bestuur in vijftien jaren (1774â1789) uit dien hoofde een bedrag van 227,985,517 francs uitgegeven. Plet geslacht van Noailles genoot bijna 2,000,000, de familie Polignac meer dan 700,000 francs 'sjaars. Vele personen trokken op één en denzelfden grond verscheidene pensioenen tegelijk. De redenen voor deze vrijgevigheid waren dikwijls van den zonderlingsten aard. De een ontving aanzienlijke sommen ter betaling zijner schulden, de andere als bruidschat. Alles ten laste der schatkist, waaruit de koning naar believen putte.
Voor verdere bijzonderheden over het misbruik, van het koninklijk gezag gemaakt, is het hier de plaats niet. Dat misbruik kon niet uitblijven, waar de vorst zelf niet besefte, dat hij tegenover het volk kon zondigen. Hij was immers, naar de geldende leer, de gezalfde des Heeren, wien het rijk toebehoorde gelijk een bezitting aan haar heer. Hij kon 's rijks gelden, als zijn eigen goed, naar zijn welbehagen gebruiken en verspillen. Niemand had het recht hem daarvan rekenschap te vragen. Wellicht was zijn gemoed vervuld van mededoogen met de nooden dos volks. Maar hoe verkwistend en achteloos hij bij het volvoeren zijner taak mocht te werk gaan, schuldig jegens het volk gevoelde hij zich deswege niet.
De omwenteling maakte een einde aan verouderde instellingen, aan welker recht van bestaan de bevoorrechte
15
standen zelf niet meer geloofden. Op de puinhoopen daarvan trachtte zij een nieuw staatsgebouw te stichten. Daarbij ging zij zeer stelselmatig te werk. Aan het hoofd der staatsregeling, waarmede de nationale vergadering zich van 1789 tot 1791 bezighield, werd een zoogenaamde verklaring der rechten van den mensch en van den burger geplaatst. Deze begon met de stelling, dat de menschen van hun geboorte af vrij . en gelijk in rechten zijn en blijven.
Die erkenning was in strijd met het leenstelsel, dat op onvrijheid en ongelijkheid der menschen berustte. Voorzoover dit stelsel nog in wezen was, werd het dan ook uitdrukkelijk afgeschaft. Onderhoorigheid en andere persoonlijke dienstbaarheden werden niet langer geduld. Ook aan godsdienstige geloften werd verbindende kracht in rechten ontzegd. In het bijzonder werd de onderscheiding in standen, met haar gevolgen, opgeheven. In de plaats daarvan trad gelijkheid van alle burgers voor de wet. De wet moest voortaan dezelfde voor allen zijn.
Hieruit volgde intrekking der voorrechten, totdusver aan de leden van eenigen stand als zoodanig toekomende, ïen aanzien der heerlijke rechten werd verschil gemaakt tusschen die, welke uit persoonlijke dienstbaarheid, en die, welke uit grondeigendom waren voortgesproten; de eerste werden afgeschaft, de laatste afkoopbaar verklaard. Met opheffing van het uitsluitend jachtrecht, werd aan een ieder het recht toegekend om op zijn eigen grond te jagen. De tienden werden aanvankelijk afkoopbaar verklaard, doch later afgeschaft, met dien verstande, dat van rijkswege in het onderhoud der geestelijkheid zou worden voorzien. Ook werd een einde gemaakt aan alle voorrechten van gewesten en steden. De eenheid des rijks werd gevestigd door een nieuwe verdeeling in 83 departementen, die de oude verdeel mlt;i in gewesten vervinjr.
O O O
De eenige meerderheid van den eenen mensch boven den anderen, die werd toegelaten, was die van openbare ambtenaren in de uitoefening van hun ambt. Geen open-
16
baar ambt zou meer te koop noch erfelijk zijn. Alle ambten werden voor elk burger, zonder onderscheid van geboorte, verkrijgbaar gesteld. Een ieder zou zich door talent en geschiktheid tot elke maatschappelijke betrekking kunnen verheffen. Ook in de nijverheid werd dit beginsel gehuldigd door afschaffing der gilden, als inbreuk makende op de vrijheid van arbeid.
Naast gelijke rechten moesten gelijke plichten staan. In zake van belastingen zouden geen voorrechten meer worden geduld. De belastingen zouden gelijkelijk over de burgers worden verdeeld, naar verhouding van hun vermogen. Het recht om belastingen te heffen werd van de
O C
toestemming der burgers of van hun vertegenwoordigers afhankelijk gemaakt 's Eijks geldmiddelen werden gescheiden van die des konings. Deze zou niet meer eigenmachtig over de schatkist kunnen beschikken, maar uit een hem toegelegd inkomen en uit eigen goederen in zijn uitgaven hebben te voorzien. Pensioenen, verleend aan personen die daarop geen aanspraak hadden, werden ingetrokken.
In het algemeen werd het koninklijk gezag zeer beperkt. De souveréiniteit werd van den koning overgedragen op het volk, dat als de bron van alle gezag werd aangemerkt. Geen lichaam noch persoon zou eenig gezag kunnen uitoefenen, dat niet uit die bron voortvloeide. De wet werd omschreven als de uitdrukking van den alge-meenen wil. Tot haar vaststelling zouden alle burgers zelf of door hun vertegenwoordigers bevoegd zijn mede te werken. De koning zou aan de besluiten der vertegenwoordiging slechts tijdelijk zijn goedkeuring kunnen ontbonden. Zijn veto werd krachteloos, wanneer de beide volgende wetgevende vergaderingen een zelfde besluit andermaal voordroegen.
Onderscheidene rechten der burgers, waarop onder de oude orde van zaken inbreuk gemaakt was, werden uitdrukkelijk gewaarborgd.
17
Vrijheid van godsdienst werd gehuldigd. Niemand zou worden lastig gevallen om zijn godsdienstige of andere meeningen, mits haar uiting de openbare orde niet verstoorde. Vervolgingen om der wille des geloofs, gelijk die der Hugenooten onder Lodewijk XIV, zouden niet meer kunnen voorkomen.
Aan de burgers werd vrijheid verleend om, met inachtneming der wetten van politie, vreedzaam en ongewapend te vergaderen. Vóór de omwenteling was zelfs een vergadering van twintig edellieden zonder uitdrukkelijk verlof des konings verboden.
Ieder zou vrij kunnen spreken en schrijven, behoudens zijn verantwoordelijkheid volgens de wet. Vrijheid van drukpers verving de censuur, waaraan het uitgeven van geschriften voorheen onderworpen was.
Het recht der burgers, om aan de bevoegde macht verzoekschriften in te dienen, werd erkend.
De eigendom werd onschendbaar verklaard. Willekeurige onteigeningen werden geweerd door het voorschrift, dat niemand van zijn eigendom zou kunnen worden ontzet dan in geval van noodzakelijkheid in het algemeen belang en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.
De gelijkheid voor de wet vond toepassing en eenheid van rechtspraak en eenheid van wetgeving. De heerlijke rechtspraak werd afgeschaft; in het vervolg zou alleen van wege de landsoverheid recht gesproken worden. Het burgerlijk recht zou worden geregeld in een algemeen wetboek voor het geheele rijk.
De persoonlijke vrijheid werd verzekerd door het voorschrift, dat niemand zou kunnen worden beschuldigd, aangehouden of gevangen gehouden dan in do gevallen, bij de wet bepaald, en naar de vormen, door haar voorgeschreven Wie willekeurige bevelen mocht vragen, uitvaardigen, uitvoeren of doen uitvoeren, zou gestraft worden. Deze bepalingen waren gericht tegen de beruchte lettres de cachet of geheime bevelen van aanhouding. Als zin-
18
nebeeld der daarmede gepleegde dwingelandij werd de Bastille den Juli 1789 door het parijsche volk
ingenomen en geslecht.
Voor de verbetering der strafrechtspleging, op welker grove gebreken Voltaire als pleitbezorger voor verscheidene onschuldig veroordeelden een scherp licht had doen vallen, werden eenige grondslagen gelegd. Niemand zou kunnen worden gestraft dan krachtens een wet, vóór het plegen van het misdrijf vastgesteld en afgekondigd. Daar ieder voor onschuldig moet wordenquot; gehouden zoolang hij niet schuldig verklaard is, werd jegens hen, die als verdacht van misdrijf moesten worden gevat, alle onnoodige gestrengheid verboden. Mitsdien vervielen inquisitie en pijnbank met de daarmede verbonden gruwelen. Ook zou de wet alleen strikt noodzakelijke straffen kunnen bedreigen, en zouden dezelfde misdrijven zonder aanzien des persoons met dezelfde straffen worden gestraft.
Ziedaar eenige hoofdtrekken der nieuwe staatsregeling, waaraan de nationale vergadering haar krachten wijdde. De opsomming maakt geen aanspraak op volledigheid. AVare deze beoogd, zoo zou onder meer ook melding moeten gemaakt zijn van de nieuwe rechterlijke inrichting, in verband met de verdeeling des lands in departementen en kantons vastgesteld; van de benoeming der rechters bij volkskeuze; van de instelling der jury; van de nieuwe kerkorde; van de keuze der geestelijken door het volk; van de invoering van den burgerlijken stand; van de opheffing van het recht van eerstgeboorte; van de eenheid van muntwezen, van maten en gewichten. Het gezegde schijnt echter voldoende om eenig denkbeeld te geven van den geest, waarin de herschepping van Frankrijk werd ter hand genomen.
Het werk der nationale vergadering is even dikwijls uitbundig geprezen als onvoorwaardelijk veroordeeld. Het had, gelijk andere menschelijke scheppingen, zijn deugden en zijn gebreken. Een maatschappelijke inrichting, die
19
ten ondergang gedoemd was, werd vervangen door nieuwe instellingen, ten deele geschikt om de menschheid een groote schrede vooruit te brengen, maar voor een ander deel tegen de proef der ervaring niet bestand. Als voorbeeld diende de staatsregeling der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die evenwel voor een maagdelijk land, niet voor een eeuwenoude maatschappij bestemd was. In Engeland had men bij den strijd, in de zeventiende eeuw tegen de aanmatigingen van het koninklijk gezag gevoerd, een anderen weg gevolgd dan door de nationale vergadering werd ingeslagen. Ginds werd evenveel zorg gedragen om het historisch gewordene zoolang mogelijk te eerbiedigen» als hier om het met wortel en tak uit te roeien. De britsche staatsregeling was dan ook allerminst, gelijk de fransche, pasklaar om door andere volken te worden overgenomen. Door den afkeer van alle overlevering, die de fransche omwenteling kenmerkte, werd haar invloed naar buiten zeer bevorderd.
Over de wijsbegeerte, waarvan de oorkonden der omwenteling overvloeien, kan het oordeel niet gunstig luiden. De leer van het maatschappelijk verdrag, die destijds op het gezag van Eousseau nagenoeg algemeen werd aangenomen, heelt sedert haar gezag verloren. Aan het zoogenaamd natuurrecht, waaraan in de achttiende eeuw bijna niemand twijfelde, gelooven thans niet velen meer. Een maatschappij geldt niet langer voor een groep personen, die een overeenkomst aangaan ter verdediging hunner natuurlijke rechten. Zij wordt veeleer beschouwd als een levend lichaam, waarvan de deelen een eigen leven en een eigen taak hebben, doch met het geheel onafscheidelijk samenhangen.
Men zou echter verkeerd doen, door de omwenteling alleen naar haar wijsgeerige denkbeelden te beoordeelen. De standen, gewesten en andere maatschappelijke organen, die zij ophief, hadden meerendeels geen eigen leven meer, toen zij er de hand aan sloeg. De meeste beginselen, die
20
zij uitsprak, waren tegen grove misbruiken gericht. De vorm werd aan de wijsbegeerte, de stof aan de practijk ontleend. Aan deze werd gevraagd, welke hervormingen de maatschappij behoefde. Hot natuurrecht putte trouwens uit dezelfde bron. Schijnbaar vrucht van afgetrokken redeneering, werd het in werkelijkheid uit de ervaring afgeleid.
Dit neemt niet weg dat de nationale vergadering menige fout beging. Het koningschap, zooals het bij de staatsregeling van 1791 beperkt werd, was een onding. Noch op het gebied der wetgeving, noch op dat der rechtspraak, noch op dat van de uitvoering der wetten, bezat de koning voldoende rechten. Door zijn enkel opschortend veto, zonder recht van beroep op het volk door ontbinding der vertegenwoordiging, werd hij aan gedurige botsingen met deze blootgesteld. Het was onstaalkundig, de rechters door het volk te doen kiezen; door het engelsche beginsel der onafzetbaarheid ware hun onafhankelijkheid veel beter verzekerd. Aan de vertegenwoordiging werden sommige bevoegdheden toegekend, die uiteraard tot het uitvoerend
O O '
gezag behoorden. Wilde men den koning niet toerusten met de noodige macht om zijn taak behoorlijk te vervullen, zoo had men veel beter gedaan door het koningschap op te heffen. Voorts was de gemaakte onderscheiding tusschen actieve en passieve burgers, waardoor aan een deel van dezen het kiesrecht en andere staatkundige rechten werden onthouden, in strijd met de verklaring van rechten, die medewerking tot de vaststelling der wetten, persoonlijk of door vertegenwoordigers, als een natuurlijk recht van alle burgers voorstelde. Aan den anderen kant hield de staatsregeling voorschriften in, die op een goede uitoefening van de bevoegdheden der vertegenwoordiging nadeelig moesten werken. De tijd van twee jaren, waarop de duur van elke wetgevende vergadering bepaald werd, was te kort. En het was verkeerd gezien de leden, die in twee zoodanige vergaderingen zitting gehad hadden.
21
voor de daarop volgende vergadering onverkiesbaar te verklaren. De bezwaren daarvan zouden zich zeker hebben doen gevoelen, indien de staatsregeling van 1791 eenige jaren gewerkt had. Do door de nationale vergadering gemaakte bepaling, dat haar leden geen deel zouden mogen uitmaken van de vertegenwoordiging, na haar uiteengaan te verkiezen, heeft ongetwijfeld op den verderen loop der omwenteling een noodlottigen invloed uitgeoefend.
Ook op ander gebied tastte de nationale vergadering niet zelden mis. Zoo moet haar besluit tot geheele afschaffing der tienden als een onberaden stap beschouwd worden. Zeker was de grondeigendom ver boven zijn draagvermogen bezwaard, en werd hij dan ook van menigen last zeer terecht ontheven. Zeker ook behoorden de tienden tot de schadelijkste heffingen. Toch ging men te ver, door op eenmaal aan die heffing een einde te maken en alzoo de grondeigenaars, waaronder zeer vermogende, met een zevende van de waarde hunner goederen te begiftigen. Het onderhoud der geestelijkheid kwam daardoor ten laste van de gezamenlijke belastingschuldigen. Tevens werden de geestelijke goederen tot rijkseigendom verklaard. Een en ander leidde onder anderen tot vaststelling eener nieuwe kerkorde, die door het grootste deel der geestelijkheid nimmer erkend werd en haar op den duur met onverzoenlijke vijandschap tegen de nieuwe orde van zaken vervulde.
Zoo ook is er reden om te betreuren, dat. de gilden met een pennestreek werden afgeschaft, zonder dat daarvoor een soortgelijke instelling in de plaats trad. Het is waar, het gildenwezen was op verregaande wijze ontaard, en de vrijheid van arbeid droeg aanvankelijk goede vruchten. Maar de omwenteling viel ongeveer samen met de toepassing der stoomkracht en andere vernuftige uitvindingen, die de nijverheid allengs geheel van aard deden veranderen en in de meeste takken van bedrijf aaneensluiting der beoefenaars meer dan ooit tot een behoefte maakten. Hadden de mannen der omwenteling de heden-
22
daagsche nijverheid in haar wezen gekend, zij zouden eenvoudige afschaffing der gilden niet als een onvermengd goed beschouwd hebben.
Het is intusschen gemakkelijk thans, in het licht van een eeuw geschiedenis, te zeggen waarin de nationale vergadering gefaald heeft. Moeilijker was het voor haar, zonder die voorlichting, den rechten weg te kiezen. Zij trad op tegenover een stelsel van bestuur, dat alle vrijheid vernietigd en de meeste maatschappelijke organen van hun levenssappen beroofd had. Haar roeping was, aan die vervallen maatschappij den adem der vrijheid in te blazen. Hoe zou zij daarbij steeds de juiste maat gehouden hebben, waar het volstrekte koningschap haar wel geleerd had hoe zij niet moest handelen, maar haar elke staatkundige opvoeding had onthouden?
Zooals zij was, met al haar goed en kwaad, heeft de omwenteling een einde gemaakt aan langdurige verdrukking en dwingelandij en het beginsel van gelijkheid tot in merg en been van het fransche volk doen doordringen. Het gevolg daarvan is geweest een schier ongelooflijke, ondanks alle rampen nog steeds toenemende vermeerdering der algemeene welvaart. Van een arm en uitgezogen land is Frankrijk sedert de omwenteling een van de rijkste landen der wereld geworden. In doelmatige verdeeling van den grondeigendom, in gegoedheid en ontwikkeling van alle klassen der bevolking kan dit rijk zich met alle andere meten.
Gemakkelijk te regeeren is het fransche volk der negentiende eeuw niet. Het is roemziek en wispelturig gebleven, en heeft niet opgehouden van regeering te verwisselen. Voor den republikeinschen regeeringsvorm heeft het zich niet zeer geschikt betoond. Het zou een vorstenhuis behoeven, waarmede het door wederkeerige genegenheid verbonden was. De Bourbons hebben echter geen gelegenheid verzuimd om te toonen, dat zij niets geleerd en niets vergeten hadden; en geen ander
23
vorst heeft de duurzame liefde des volks weten te veroveren. Meer dan aan eenige regeering, is het volk gehecht aan de beginselen, die zijn voorvaderen in 1789 hebben doen zegevieren. Het gemakkelijkst vindt het bestuur ingang, dat aan die beginselen het getrouwst blijft.
Onze tijd heeft in menig opzicht andere behoeften dan de vorige eeuw. Wij hebben vraagstukken op te lossen, waarvan de mannen der omwenteling geen denkbeeld hadden. Maar wij zullen ons gelukkig mogen prijzen indien wij, schoon dikwijls struikelend, het met die oplossing ten slotte even ver brengen als de nationale vergadering met de vervulling harer taak.
VERBETERING VAN DRUKFOUTEN.
Bladz. 12, regel 7 v. 1)., staat: waaraan; lees: waarvan.
BI adz. 17, regel 11 v. o., staat: vond toepassing en; lees: vond toepassing in.
Bladz. '23, regel 1 v. 1)., staat; veroveren: lees: verwerven.
By den Uitgever M. E. DE GRAUW te Ouderkerk by Amsterdam,
zijn verkrijgbaar de navolgende Volksgasohriften der Maatschappij TOT NUT VAN 'T ALGEMEEN.
1. A. WEEUMÃUS BUNING,
EEN KIJKJE IN JAVA.
2. D». E. STEPHAN,
Kindervoeding, Kinderverzorging en Kindersterfte in het eerste Levensjaar.
3. DB. 13. VAN DER MEULEN,
HET WATER uit het oogpunt van gezondheid.
4. Dr. P. F. VAN HAMEL ROOS,
Een en ander over sommige Voedingsmiddelen en hunne Vervalschingen.
5. Mr. J. D. VEEGENS,
DE FRANSCHE OMWENTELING.
Prijs bij 50 stuks desverkiezeude gesorteerd Æ1.60. Voor Leden der Maatschappij /1.35; ook worden gaarne do 5 verschillende bookies ter kennismaking franco gezonden tegen toezending van 30 Couts.