ocr page 1

DOOR

]gt;. S. 1). VAN VEEN,

PREDIKANT TE GRONINGEN.

TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1889.

ocr page 2

F. oct.

2304

G ]•: s r 11 e n k

a x hi: i'

UTR. ()U!)-STUDEXrPENF()XI)S.

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

CHRISTELIJKE

DOOR

TE GHONINGEN BIJ J. B. WOLTEK5, 1889.

ocr page 6

Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.

ocr page 7

=2: ,y/

Christelijke Geloofs- en Zedeleer — heb ik boven dit boekje als titel geschreven. Ik dacht daarbij aan de bepaling, dat men, om als lidmaat der Ned. Herv. Kerk aangenomen te kunnen worden, een onderzoek in de „christelijke geloofs- en zedeleer11 moet ondergaan. Mijn doel is dan ook geweest, een leiddraad bij het onderwijs in handen te geven, en daarbij heb ik getracht zoo practisch mogelijk de zaken te behandelen.

Ik blijf nog altijd van oordeel, — en mijne ondervinding bevestigt mij telkens daarin, — dat een leesboek de voorkeur verdient boven een vragenboek.

Gaf ik vroeger in twee deeltjes de Bijb. Gesch. te lezen, ik hoop op dit boekje nog een leesboekje over de Kerkgeschiedenis ten behoeve van het godsdienstonderwijs te laten volgen. Daarmede zal dan deze serie compleet zijn.

Hartelijk wenschik, dat de Heer ook het gebruik van dit werkje zegene.

Groningen, Sept. quot;Sq. DE SCHRIJVER.

ocr page 8
ocr page 9

GELOOFSLEER.

ocr page 10
ocr page 11

3

i. DE HEILIGE SCHRIFTEN.

Joh. 5 : 39. Ps. 119 : 5, 53; Gez. 210.

De Heilige Schriften zijn de oorkonde van Gods openbaring tot onze zaligheid.

Uit haar vernemen wij, hoe en wanneer en waartoe God zich geopenbaard heeft aan de menschen. (Rom. 4:15; Hebr. 1:1.)

Als zoodanig vormen zij één geheel, hoewel zij door verschillende personen, op onderscheidene tijden, zelfs niet alle in dezelfde taal geschreven zijn, en eerst vele jaren nadat zij alle geschreven waren, in die volgorde zijn samengebracht, waarin wij haar thans onder den naam van Bijbel kennen. {Bijhei komt van Bib Ha — Boeken})

Deze Heilige Schriften, zoowel die des Ouden als die des Nieuwen Testaments, wijzen ons dus den weg der zaligheid, zooals God zelf dien heeft geopenbaard, en deelen ons alles mede, wat wij noodig hebben te weten om op dien weg met volle gerustheid te wandelen en in volharding daarop te blijven. (2 Tim. 3 : 14—16.)

Zij maken ons bekend met Jezus Christus, die van Gods openbaring het middelpunt is, wiens komst door God is voorbereid, en die in de waereld gekomen is om zondaren zalig te maken. (Luk. 19 : 10; 1 Tim. 1 ; 15.)

Omdat wij zonder haar van dit alles niets weten en wij toch zonder Christus niet zalig kunnen worden, is een nauwkeurig, ernstig en biddend onderzoek van de Heilige Schriften dus hoog noodig. (Joh. 5 : 39.)

Dat wij deze Schriften mogen onderzoeken en alzoo God kunnen loeren kennen in Zijne openbaring tot onze zaligheid, moet ons een drang zijn tot dankbaarheid aan Hem en tot waardeering van de voorrechten, die wij door de Hervorming genieten. (Hand. 17 : 11.)

ocr page 12

2. DE KENNIS VAN GOD.

Joh. 17 : 3. Ps. 145 : ï; Gez- 5 : 2-

Zonder kennis van God kunnen wij Hem niet liefhebben en zonder liefde kunnen wij Hem niet dienen, zoodat dus de ware godsdienst berust op eene zuivere kennis van God.

Die kennis kunnen wij echter uit ons zeiven niet verkrijgen.

Evenmin verklaart de natuur, die ons wel Gods werken doet zien, ons het wezen Gods. (Ps. 19 ; 2; Rom. 1 : 18—21.)

Wat wij van God weten, weten wij door Zijne openbaring, en wij kunnen Hem daarom ook slechts in zóóverre kennen als Hij zich geopenbaard heeft.

Maar wat wij noodig hebben te weten aangaande Hem, dat heeft Hij ons dan ook in de Heilige Schriften geopenbaard, daarvan geeft Hij door Zijnen Heiligen Geest getuigenis in ons binnenste en dat bevestigt Hij door de lessen, die natuur en geschiedenis en eigen leven ons geven.

Door deze openbaring kennen wij God als een geestelijk wezen, dat, als Geest overal tegenwoordig, zich van zich zeiven bewust en boven alle dingen verheven is, door Zijne kracht alle dingen onderhoudt en leidt en in al Zijne werken en leidingen zich als de liefde doet kennen. (Joh. 4 : 24; Jer. 23 : 24; Dan. 4 : 35; Rom. 8 : 28.)

Als zoodanig moet Hij zijn, gelijk Hij ook gezegd heeft, dat Hij is: de éénige, onveranderlijke en eeuwige God. (Deut. 6:4; Jac. 1 : 17; Ps. 90 : 2.)

Alleen door het geloof is deze kennis de onze en wordt zij volkomener, want hoe dichter wij bij God leven, des te beter kennen wij Hem.

Daar echter ons geloof niet volmaakt en God zelf onzichtbaar en ondoorgrondelijk is, is onze kennis ook niet volkomen, en geldt het hier beneden steeds: Wij kennen ten deele. (1 Cor. 13 : 92.)

ocr page 13

3- GODS EIGENSCHAPPEN.

i litn. 6 : 15^, 16. Fs. 103 : 10, n; Gez. 194 : j, 2.

Alleen wanneer wij God recht kennen, kunnen wij Hem liefhebben, want wat wij niet kennen kan ook geene liefde bij ons opwekken. En deze liefde is noodig om God gehoorzaam te kunnen zijn, daar Hij alleen uit liefde gediend wil zijn. (1 Joh. 5:3.)

Tot die liefde en tot die gehoorzaamheid wekken ons Gods eigenschappen, ook wel Gods deugden genoemd, op. Door die eigenschappen openbaart God Zijn wezen. (1 Petr. 2 : 9^.)

God is alwetend en alwijs. Hij ziet al onze daden, hoort al onze woorden, kent al onze gedachten. Zijne wijsheid, waardoor Hij alles zoo maakt als zulks het beste is, toont Hij in de natuur, in de geschiedenis en ook in ons eigen lot en leven. (Jer. 17 : 10; Rom. 11 : 33.)

God is almachtig en vrijmachtig. Hij kan alles doen en doet alles, wat Hem behaagt. Nooit behaagt Hem echter iets dat kwaad of Zijnen schepselen tot wezenlijke schade zou zijn. (Gen. 17 ; 1; Ps. 135 : 6.)

Want God is ook liefderijk. Dat toont Hij ons eiken dag door ons alles te geven wat wij behoeven en ons op allerlei wijze Zijne goedertierenheid, barmhartigheid, lankmoedigheid en ontferming te bewijzen. Bovenal is Zijne liefde openbaar geworden in de zending Zijns Zoons. (Ps. 145 : 9; Joh. 3 : 16.)

In dien Zoon bewijst Hij zich ook genadig, want Hij vergeeft alle zonde, die oprecht beleden en betreurd wordt. (Efez. 1 : 5, 6; 1 Joh. 1 : 9.)

Daar God heilig, dat is: in alles volmaakt is, kan Hij de zonde niet gedoogen; terwijl Hij als de rechtvaardige, zonder aanneming des persoons het kwade straft en het goede beloont. (1 Petr. 1 : 16; Ps. 145 ; 17.)

ocr page 14

6

4- GODS VOORZIENIGHEID.

Jes. 45 : s—7. Ps. 33 : 7, 8; Gez. 19 ; 4, 8.

Godj die alles geschapen heeft, onderhoudt en bestuurt ook al het geschapene. Die onderhouding en besturing noemen wij Gods Voorzienigheid, omdat daarin blijkt, dat Hij alles vooruit ziet en met voorzorg beschikt. (Joh. 5 : 17.)

God onderhoudt alle dingen, dat wil zeggen: Door Zijne kracht doet Hij alles voortbestaan, zoolang en op zulk eene wijze als Hij zelf wil. Dit doet Hij óf onmiddellijk óf door middelen. In alles zijn dus ook wij van Hem afhankelijk. (1 Sam. 2 ; 6, 7; 1 Cor. 15 : 10a.)

Wat Hij geschapen heeft en onderhoudt, bestuurt Hij ook. Dit bestuur heeft plaats met heilige wijsheid en liefde, daar het het welzijn van Gods schepselen ten doel heeft. Hij leidt dus alles zóó als Hij het het beste vindt. (Matth. 5 : 45; Jes. 55 : 8, 9.)

Daar God de almachtige is en alle dingen aan Hem onderworpen zijn, is Hij zelf dus aan niets gebonden in de onderhouding en besturing van het geschapene, ook niet aan de natuurwetten, die Hij zelfheeft ingesteld, zoodat Hij ook werkt door wonderen. (Ps. 77 : 12—15; Hand. 2 : 22.)

Van een toeval of blind noodlot kan bij deze beschouwing geen sprake zijn.

De Voorzienigheid Gods, waardoor ook wij onderhouden en geregeerd worden, wekt ons op tot geduld in tegenspoed, tot dankbaarheid aan God en tot vertrouwen op dien Vader in de hemelen, die ons liefheeft en tegen wien geen schepsel iets vermag. (Matth. 6 : 25 — 33; ^ Petr. 5:7; Rom. 8 : 31.)

Het woord „voorzienigheidquot; is afgeleid van Abrahams gezegde: „God zal zich zeiven een lam ten brandoffer voorzienquot;. (Gen. 22 : 8, 14.)

ocr page 15

5- HET WEZEN VAN DEN MENSCH.

Rom. 3 : io_—12. Ps. 51 : 2, 3; Gez. 32 : 1, 3.

quot;Voorwerp van Gods voorzienigheid in bijzonderen zin is de mensch, het voortreffelijkste van alle Gods schepselen. (Ps. 8 : 5—7; Klaagl. 3 : 22, 23.)

Deze mensch is aan God zoowel als aan de aarde verwant en alzoo een geestelijk en een zinnelijk wezen. Genomen uit het stof der aarde, is hij gemaakt naar Gods beeld en naar Zijne gelijkenis. (Gen. 1 : 26, 27; Gen. 2:7.)

Daarin is ook des menschen bestemming aangewezen. Op aarde levende, moet hij leven voor God, en het aardsche, het zinnelijke dienstbaar stellen aan de verheerlijking van God, en zoo meer en meer Gode gelijk worden, om eeuwig in Gods gemeenschap te leven.

Daartoe heeft God, zooals Hij den mensch schiep, dezen in staat gesteld. Immers God schiep den mensch zonder zonde. Wel bestond de mogelijkheid tot zondigen, maar de mensch behoefde niet te zondigen. Hij had in zich de gaven en krachten om aan de verleiding weerstand te bieden. Vrijwillig moest alles zijn, wat hij deed, hetzij hij zondigde of God gehoorzaamde. (Gen. 1 : 31«; Pred. 7 : 29.)

Door de verleiding des Boozen zijn Adam en Eva gevallen, en al hunne nakomelingen zijn daardoor zondaars geworden, tot alle zonde geneigd. De mensch kan daardoor niet uit zich zeiven aan zijne bestemming beantwoorden. Hij leeft niet voor God, maar voor zich zeiven. Hij verheerlijkt God niet, maar dient de zonde. Hij heeft niet meer het beginsel des eeuwigen levens, maar is den dood onderworpen. De reine mensch, dien God schiep, is gansch onrein geworden. (Gen. 3 : 1—7; Rom. 5 : 12.)

ocr page 16

8

6. DE WET.

Jac. 2 : io. Ps. 19 : 4: Gez. 62 : i, 9.

Nog altijd blijft God van den mensch eischen, dat deze aan zijne bestemming beantwoorde. God heeft rechtj dat te doen, omdat Hij den mensch goed heeft geschapen en nu door des menschen zonde Gods recht niet opgeheven wordt.

Om aan die bestemming te beantwoorden, heeft de mensch altijd te doen alles wat God eischt en te laten alles wat God verbiedt. Dit doen en laten moet de vrucht zijn van liefde tot God, en dus van harte geschieden. (Rom. 13 : 10.)

Door de wet Gods komt de mensch te weten, wat hij doen en laten moet, en uit die wet leert hij tevens zijne zonden kennen, want hij ziet, bij het vernemen van de eischen der wet, dat hij niet is, zooals hij behoort te zijn. (Rom. 7 : 7.)

In de wet der tien geboden leeren wij meer bepaald Gods wil kennen. (Rom. 7 : 12).

De hoofdinhoud daarvan is, naar Jezus' woorden: „Gij zult liefhebben .den Heer, uwen God, met geheel uw hart en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het groote gebod. En het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven.quot; (Exod. 20 : 2—17; Matth. 22 : 34—40-)

Door de onderhouding van deze wet, zou de mensch het eeuwige leven hebben. Niemand echter onderhoudt deze wet volkomen, niet enkel naar de letter, maar ook naar den geest; want wij zijn van nature geneigd God en onzen naaste te haten. (Rom. 3 : 10: 8:7; Tit. 3 ; 3.)

Wij kunnen dus uit de werken der wet nooit behouden worden. (Rom. 3 : 20.)

ocr page 17

9

7- DE ZONDE.

Matth. 15 : 19. Ps. 25 : 3; Gez. 34 : 3, 4.

De mensch, zooals hij door den val is geworden, kan en wil Gods wet niet onderhouden.

Hij is gekomen onder de heerschappij der ■ zonde en maakt daardoor zich schuldig aan allerlei zonden. (Rom. 7 : 18.)

Maar daardoor wordt hij ook schuldig tegenover God, want God heeft recht gehoorzaamheid van den mensch te eischen. (1 Joh. 5 ; 17.)

In die ongehoorzaamheid openbaart zich de vijandige gezindheid van het hart tegen God. (Rom. 8:7.)

Dus komt de zonde voort uit het hart des menschen, dat van nature onrein is, en omdat het God, die volkomen rein is, niet liefheeft, geen lust heeft om Zijne geboden te onderhouden, maar zich juist aangetrokken gevoelt tot datgene wat God verbiedt.

Wij zondigen dus niet alleen als wij verkeerde dingen doen, maar ook als wij goede dingen, die God wil dat wij doen zullen, nalaten.

Het is verkeerd, wanneer men de zonde verklaren wil uit een slechte opvoeding of uit verkeerde voorbeelden. Daardoor zijn wel sommige zondige daden te verklaren, en daarom is eene goede opvoeding en een goed voorbeeld steeds noodig, maar het zondig beginsel, dat in het hart van iederen mensch is, komt daar niet door opvoeding of voorbeeld.

Het is er reeds bij de geboorte, want wie zal een reine geven uit den onreine! (Ps. 51 ; 7; Job 14 : 4.)

De dagelijksche ervaring van ons zeiven en anderen leert ons dan ook, dat uit het hart des menschen voortkomen allerlei verkeerde overleggingen en daden. (Mare. 7 : 21—23.)

ocr page 18

10

8. DE MACHT DER ZONDE.

Rotn. 8 : 5—8. Ps. 116 : 2, 3; Gez. 33 : 6, 7.

De zonde is eene verschrikkelijke macht.

Reeds van jongs af woont zij in des menschen hart en zij zoekt daar hoe langer des te meer tot heerschappij te komen en de verkregene heerschappij wil zij ten koste van alles behouden. (Rom. 6 ; 12, 13.)

Alleen als het hart vernieuwd is door Gods Heiligen Geest, verliest de zonde hare heerschappij, hoewel zij dan nog altijd haar invloed tracht te doen gelden. (Efez. 4 : 30.)

De zonde doordringt en beheerscht het geheele inwendig en uitwendig leven van den mensch. (Rom. 7:5.)

Zij openbaart zich bij allen, niet alleen in daden^ maar ook in woorden en gedachten. (Jac. 3 : 2.)

Zij onderdrukt in den mensch alle voornemens, die opgevat worden ten goede, alle gedachten, die zich keeren tot het goede.

Alles wat in den mensch herinnert aan zijne hooge bestemming, aan zijn oorsprong uit God, tracht zij geheel en al te vernietigen.

Zoo toont zij haar macht hierin, dat zij niet alleen den mensch aan zich onderwerpt, maar hem ook zoo bewerkt, dat hij op zijne beurt anderen tot zonde brengt. Op deze wijze blijkt het dat de mensch in alles een dienstknecht der zonde is. (Joh. 8 ; 34.)

En zoo groot is hare macht, dat het den mensch niet mogelijk is door eigen kracht zich los te maken van haar en aan hare gevolgen te ontkomen. (Ps. 130 : 3; Ps. 49 : 8, 9.)

Ter verbreking dier macht is dus een hoogere kracht noodig. (Ezech. 36 : 26, 27.)

ocr page 19

11

9- DE GEVOLGEN DER ZONDE.

Rom. i ; 18. Ps. 130 : 1, 2; Gez. 37 : 1, 2.

De gevolgen der zonde zijn talloos vele.

De mensch is door haar onttrokken aan zijne bestemming om in Gods gemeenschap te leven. Hij kan^ omdat hij onrein is, niet met God verkeeren. En daar nu in Gods gemeenschap alleen het waarachtig geluk is te vinden, is de mensch door de zonde diep ongelukkig geworden.

Zijn geweten, dat hem, als hij de zonde doet, daaraan telkens herinnert en hem beschuldigt, ontneemt hem de rust. Wel kan hij tegen de waarschuwing van het geweten zich verzetten en het zelfs tijdelijk doen zwijgen, maar zijn hart blijft toch altijd onvoldaan, omdat in den dienst der zonde niet te vinden is wat hij voor zijne ziel behoeft. (Hebr. 10 : 22.)

De vrede der ziel wordt dan ook den mensch onthouden, zoolang hij de zonde blijft dienen, omdat die vrede alleen dan bestaat, als de gemeenschap met God weer blijvend hersteld is. (Jes. 57 : 21.)

Bovendien is allerlei ellende, lichamelijk en maatschappelijk, ja ook de dood de vrucht der zonde, terwijl daartegen geen hulp en troost te vinden is dan alleen bij God. (Rom. 6 ; 23.)

En eindelijk, daar de zonde ons schuldig maakt tegenover God, hebben wij in alle gevolgen der zonde Gods toorn tegen de zonde en alzoo Zijne straffen te zien. (Efez. 5 ; 6.)

Die nu in de zonde volhardt, wordt ten slotte na den dood eene prooi der eeuwige ellende. Deze eeuwige ellende wordt ons in den Bijbel onder verschillende beelden geteekend en zal door hen, die haar ontvangen, erkend worden als een rechtvaardig oordeel Gods. (Rom. 2:5,6; Matth. 22 : 13; Mare. 9 : 43, 48.)

ocr page 20

12

io. DE BEHOEFTE AAN VERLOSSING.

Luk. 18 : 13. Ps. 25 : 8, 10; Gez. 193 : 7.

Daar de zonde den mensch ongelukkig maakt, kan aan zijne hoogste behoeften dus nooit in den dienst der zonde voldaan worden.

Nu leeft echter in het hart van iederen mensch de behoefte om gelukkig te zijn, om verlost te worden van alles wat dat geluk in den weg staat.

Niet ieder evenwel stelt zich het geluk op dezelfde wijze voor. maar het zoeken naar geluk bewijst de onvoldaanheid van het hart.

Het ware geluk, dat, gelijk wij zagen, bestaat in het leven in Gods gemeenschap en overeenkomstig Zijnen wil, wordt echter niet gevonden, zoolang het hart niet veranderd en vernieuwd is. (1 Joh. 3 : 6.)

De macht der zonde moet dus verbroken, haar invloed overwonnen, haar schuld vergeven en haar straf kwijtgescholden worden.

Dan eerst is men waarlijk verlost van de zonde en hare gevolgen.

Maar, om de behoefte aan deze verlossing te gevoelen en haar te begeeren, moet men eerst zijne zonde ketmen. Men moet gevoelen, dat de zonde ongelukkig maakt, dat men door haar te dienen God bedroeft en dat men zich zeiven van de zonde niet verlossen kan. (Rom. 3 : 20b-, Jer. 3 : 13.)

Dan eerst begint men in te zien, dat men van dien God, dien men door ongehoorzaamheid tegengestaan heeft, vergeving noodig heeft, dat men deze vergeving niet verdiend heeft, dat men dus alleen uit genade verlost kan worden. (Ps. 130 : 3, 4.)

Maar als men dit inziet en de zonde betreurt, dan openbaart zich de behoefte aan verlossing ook in een ernstig bidden om verlossing. (Luk. 18 : 13.)

ocr page 21

13

ii. DE MOGELIJKHEID DER VERLOSSING.

Ezech. 33 : n. Ps. 119 : 88; Gez. 36 : 2, 3.

De zondaar, die door de kennis zijner zonde de behoefte aan verlossing heeft leeren gevoelen, en, door die behoefte gedrongen , den Heer, die genadig is, om verlossing van de zonde smeekt, terwijl hij Hem berouwvol de zonde belijdt, behoeft niet te wanhopen, alsof de verlossing niet mogelijk zijn zou.

Wel kan geen mensch zich zeiven of anderen verlossen, omdat van hem zeiven geen kracht kan uitgaan om het onreine hart te vernieuwen. (Ps. 49 ; 8.)

Ook kan de zondaar die verlossing niet verdienen door allerlei goede werken te volbrengen, want vooreerst is hij reeds schuldig Gods wet in alles te volbrengen, zoodat hij, ook al zou hij dat voortaan kunnen doen, daarmede nog geene vergeving verdiende, en vervolgens kan hij ook Gods wil niet volkomen volbrengen, zoodat zijne zonde dagelijks nog toeneemt. (Luk. 17 : 10.)

Maar daar de verlossing uit de macht en van de straf der zonde nu toch mogelijk is, kan zij dus niet anders geschieden dan door Gods genade. (Efez. 2 : 8.)

De mogelijkheid der verlossing is dan ook van Gods zijde gegrond in Zijne oneindige liefde, waarmede Hij nog steeds het zondig menschdom gadeslaat. Hij wil ons dus verlossen. (Jer. 3 : 22.)

Maar kunnen wij nu ook verlost worden ? Daarop mogen wij bevestigend antwoorden. Wij zijn immers van Gods geslachte en juist door onze verlossing wordt onze bestemming, die van wege de zonde gemist was, weer bereikt. (Hand. 17 : 29a.)

Daar God machtiger is dan de zonde, is de verlossing mogelijk.

En omdat Hij de Liefde is, is zij eiken zondaar.

(1 Joh. 4 : 16.)

ocr page 22

14

12. DE VERLOSSING DOOR JEZUS CHRISTUS.

Joh. 3 : 16. Ps. ii8 : 3, 13; Gez. 50 : 1,3.

Het Evangelie, de blijde boodschap van Gods genade in Christus, maakt ons bekend, dat de verlossing van zonde, die mogelijk is, ook werkelijk door God wordt aangeboden en geschonken aan ieder, die haar hartelijk en oprecht van Hem begeert. (Joh. 3 : 16.)

Die verlossing is teweeg gebracht door onzen Heere Jezus Christus, den Zoon van God, die uit den hemel is nedergedaald, ons vleesch en bloed heeft aangenomen en voor onze zonden gestorven is aan het kruis. (Gal. 3 : 13.)

Op Hem en de verlossing, die God door Hem heeft bereid, is door God zeiven en door zijne profeten herhaaldelijk gewezen, terwijl de heerlijkste beloften daarbij bekend werden gemaakt. (Gen. 3 : 15 ; Jes. 7 : 14; 9 ; 5, 6; Jes. 53; Mich. 5 : 1.)

Hij heeft dan ook voor onze zonden verzoening teweeg gebracht, den vloek der wet weggenomen, de straf der zonde gedragen en de belofte des eeuwigen levens ons verworven. (1 Joh. 2:2; Tit. 2 : 14.)

Met God verzoend door den dood Zijns Zoons, zijn wij verlost van de zonde, als wij met een geloovig hart Christus aannemen als onzen Verlosser. (Rom. 5 : 10.)

Dan heeft de zonde geen macht meer over ons, omdat wij kinderen Gods en geheiligden des Heeren zijn. Dan kennen en beminnen wij God als onzen Vader, en verwachten, verlost van de vreeze des doods, onze erfenis in de hemelen. Dan, geroepen tot den dienst van Hem, die ons verlost heeft, zoeken wij God te verheerlijken en alzoo de waarachtigheid onzer verlossing te bewijzen, en prijzen wij Gods ontferming en genade, door welke wij vrijgemaakt zijn van de dienstbaarheid der verderfenis. (Joh. 1 : 12; Gal 4 : 7; Col. 3 : 17.)

ocr page 23

13- DE PERSOON DES VERLOSSERS.

Joh. i : i j 14. Ps. 118 : 11; Gez. 49 : 2, 3.

Reeds vóór Zijne menschwording bestond de Heer Jezus. Hij had, naar Zijn eigen woord, reeds heerlijkheid bij den Vader eer de waereld was. Hij is dan ook Gods eigen Zoon, Zijn eenig geborene, die met den Vader en den Heiligen Geest, der goddelijke natuur deelachtig is. Hij wordt Jezus genoemd, omdat Hij de Zaligmaker is, en Christus, omdat hij de des Heeren is.

(Joh. 17 : S; Joh. 1 : 14; Rom. 9 : 5; Matth. 1 ; 21; Ps. 45 : 8.)

In de volheid des tijds kwam Hij op aarde. Ontvangen van den H. Geest, werd Hij te Bethlehem geboren uit de maagd Maria en daardoor ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Hoewel Hij Gods Zoon was, was Hij dus tevens volkomen mensch. (Fil. 2:7; 1 Petr. 2 : 22.)

Zijne komst op aarde was eene vernedering, maar eene vrijwillige. In dien staat der vernedering heeft Hij drie en dertig jaren op aarde geleefd. Dat leven is een leven van zelfverloochening en zelfopoffering geweest, zoodat Hij daarin ons een voorbeeld heeft nagelaten. (Fil. 2 : 5—8; Joh. 13 : 15; 1 Petr. 2 : 21.)

Die zelfverloochening en zelfopoffering bleken het sterkst, toen Hij aan het einde Zijns levens op Golgotha den dood aan het kruis onderging, na veroordeeld te zijn door den waereldlijken rechter Pontius Pilatus.

Door dien dood, de bezoldiging der zonde, te ondergaan, toonde Hij tot de diepte onzer ellende te willen indalen, om alzoo ons het leven te verwerven. Want Hij bleek, door ten derden dage lichamelijk uit het graf te verrijzen, de overwinnaar des doods, de vorst des levens te zijn. (2 Cor. 5 ; 21; 2 Tim. 1 : 10.)

Op den veertigsten dag na Zijne opstanding voer Hij van den Olijfberg ten hemel op, waar Hij nu gezeten is aan 's Vaders rechterhand, en, onze voorspraak zijnde, voor ons bidt. (Rom. 8 : 34; Col. 3:1.)

ocr page 24

16

14- HET WERK DES VERLOSSERS.

Hand. 4 : 12. Ps. 138 : 1, 2; Gez. 39 : 1,4.

Het werk van Christus op aarde was, naar des Vaders wil, het verlorene te zoeken en zalig te maken. Dat is zijn werk nog. En het is het werk van Hem alleen, omdat niemand anders ons zalig maken kan. Hij toont dus door Zijn werk^ dat Hij is de eenige en volkomen Zaligmaker. (Luk. 19 : 10; Hand. 4 : 12; Joh. 14 : 6; 1 Tim. 2 ; 5.)

Dit werk tot zaligheid van zondaren kunnen wij, naar Zijn drievoudig ambt, Zijn profetisch, Zijn hoogepriesterlijk en Zijn koninklijk werk noemen.

Als de hoogste profeet maakt Hij ons Gods verborgen raad en wil aangaande onze zaligheid bekend. Zijne prediking bevestigende door vele teekenen en wonderen. (Joh. 6 : 68; 8 : 12: 15 : 15^-)

Als de eenige Hoogepriester heeft Hij in Zijn gansche leven, maar inzonderheid aan het kruis, zich zeiven gegeven als het offer, dat noodig was tot verzoening onzer zonden, terwijl Hij, nu in den hemel verhoogd, onze voorspraak is bij den Vaderen voor ons bidt. (Hebr. 7 : 26, 27; 1 Joh. 2 : 1.)

En als de eeuwige Koning heeft Hij Zijne kracht getoond dooiden vorst van het rijk der duisternis te overwinnen en ons, die in diens macht waren, te verlossen; terwijl Hij ons hierin Zijne koninklijke zorg toont, dat Hij ons door Zijn Woord en Geest regeert en bij de verkregene verlossing ons bewaart, en eenmaal, als wij, na den dood, volkomen verlost zijn, ook van het lichaam der zonde, ons deel geeft aan Zijne heerschappij. (Ps. 2:6; 1 Cor. 1 : 30; Openb. 3 ; 21.)

Zijn werk is dus, zondaren tot zich te trekken en tot den Vader te leiden, een werk van genade en ontferming en van goddelijke liefde. (Joh. 14 : 6; Hebr. 4 : 16.)

ocr page 25

17

IS- HET GELOOF IN JEZUS CHRISTUS.

Ha7id. 16 ; 31. Ps. 2 : 6^ 7; Gez. 68 : 5,9.

Om de verlossing, die door Jezus Christus teweeg gebracht is, •ook deelachtig te worden , is het noodig, dat wij in Hem gelooven. (Joh. 6 : 47; Hebr. 11 : 6.)

Dit geloof is niet slechts een aannemen, dat alles, wat God ons in Zijn woord geopenbaard heeft, waar is, dat Jezus Christus de Zoon van God is en gestorven en opgewekt is tot zaligheid van zondaren, maar ook en bovenal een zeker vertronwen, 't welk de Heilige Geest door het Evangelie in ons hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan ons, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheirl en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christus. (Hebr. 11 : 1; Rom. 5:1.)

Immers, indien wij Christus niet erkennen als onzen Heiland, die ons eeuwig heil aanbrengt, dan zijn wij nog onrustig, dan hebben wij geen vrede en vinden daarin het bewijs, dat wij van den vloek der zonde nog niet verlost zijn. (Mare. 16 : 16.)

Maar als wij in ootmoed tot Hem gaan, omdat wij voelen dat nergens elders verlossing te vinden is; ons door niets of door niemand daarin laten verhinderen, omdat wij van den ernst van Zijne noodiging, waarmede Hij ons tot zich roept, doordrongen zijn; en kinderlijk eenvoudig Zijn woord aannemen, als Hij zegt, dat Hij ook onze Zaligmaker is, dan gelooven wij in Hem, en geven ons aan Hem over, opdat Hij ons leide en beware. (Luk. 18 : 17; Hebr. 4 : 14.)

Dat kost wel zelfverloochening, omdat ons zondig hart zich daartegen verheft; maar van dat geloof is de vrucht dan ook heerlijk , want al wie in Jezus Christus gelooft, die het eeuwige leven, die geniet vrede en vreugde, en zal niet verloren gaan in eeuwigheid. {Mare. 8 : 34; Joh. 10 : 28.)

V. VEEN, III. 2

ocr page 26

18

16. DE BEKEERING.

Joh. 3 : 3. Ps. 119 345 Gez. 267:1—3.

Het geloof in den Heer Jezus Christus is zonder bekeering onmogelijk, terwijl ook de bekeering niet plaats heeft zonder geloof. Met den eisch des geloofs gaat in het Evangelie die der bekeering gepaard. (2 Tim. 2 : 19; Hand. 2 : 38.)

Die in den Heere Jezus Christus gelooft, is een nieuw mensch geworden, en dat wordt openbaar in het leven. (2 Cor. 5 : 17.)

Heeft hij zich aan den Heiland overgegeven en weet hij, dat hij van de zonde verlost is, hij mag en hij kan nu ook de zonde niet meer dienen; hij haat die zonde, waardoor hij ongelukkig, werd, en heeft een lust en liefde, om naar den wil van God in alle goede werken te leven. Door het geloof met Christus ver-eenigd, is het ook zijne spijze, den wil zijns hemelschen Vaders te doen. (Rom. 6 : 11; 7 : 21; Joh. 4 : 34.)

Die in Christus gelooft, onderging dus en ondergaat nog dagelijks eene geheele verandering. Die verandering noemen wij bekeering.

Zij bestaat in eene afsterving van den ouden mensch, waardoor eene afkeer en een vlieden van de zonde ontstaat, en in een aandoen van den nieuwen mensch, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Zij is dus eene geheele vernieuwing van het hart, welke zichtbaar wordt in het dagelijksche leven. Zij is het eenige bewijs van de volkomene overgave aan Jezus Christus. (Col. 3 : 10; Efez. 4 : 22—24; Jac. 2 : 14.)

Eene uitwendige verandering alleen is echter niet voldoende, omdat deze buiten het hart kan omgaan en juist het hart des zondaars gereinigd en vernieuwd moet worden, opdat er alzoo een geheel nieuwe mensch geboren worde. Deze bekeering of wedergeboorte is het werk van den Heiligen Geest, maar als zoodanig dan ook voor iederen zondaar no0dig, want tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien. (Joh. 8 ; 24; 3:3, 5.)

ocr page 27

19

17- DE HEILIGE GEEST.

Joh. 14 : s6. P-f. 119 : 3, 9; Gez. 265.

De Heilige Geest, door de profeten van Gods wege en door Christus zeiven toegezegd, is tien dagen na des Heeren hemelvaart uitgestort over de gemeente van Christus en woont en werkt nu nog altijd in haar. (Joël 2 : 28—30; Hand. 2.)

Die Geest, uitgegaan van den Vader en gezonden door den Zoon, is de Geest des levens en daarom noodig voor een ieder, die uit den dood zal overgaan tot het leven. (Joh. 15 : 26; Rom. 8 : 9.)

Een ieder zonder onderscheid, die onder de bedeeling van het evangelie leeft, kan dien Heiligen Geest ontvangen, maar slechts zij, die in den Heer Jezus Christus gelooven, bezitten den Heiligen Geest en worden door Hem geleid in alle waarheid, (joh. 7 : 39 ; 16 : 13.)

Die Geest toch ontdekt onze zonden aan ons, zoodat wij die betreuren en belijden, en heiligt het evangelie aan onze harten, zoodat wij het geloovig aannemen. Hij verlicht het verstand en vernieuwt het hart, zoodat wij Gods wil verstaan en gaarne opvolgen, en doet ons leven aan zijne bestemming beantwoorden, als een leven van dankbaarheid en heiligmaking. (1 Cor. 6 : 11.)

De gaven van dien Geest zijn vele en velerlei. Allen, die den Heiligen Geest ontvingen, hebben vrede en vreugde door de zekerheid, welke de Geest hun geeft, dat zij voor God rechtvaardig en Zijne kinderen zijn, en dat de eeuwige zaligheid hun deel zal wezen. (Rom. 14 : 17; 8 : 14-—16; Efez. 1 : 13.)

Door middel van de prediking van het evangelie vooral openbaart zich de werking des Heiligen Geestes. Allen, die dat evangelie hooren, worden door dien Geest bewerkt. Men kan echter dien Geest tegenstaan en bedroeven. Er is zelfs eene zonde, ook wel lastering genoemd, tegen den Heiligen Geest, die niet vergeven kan worden. (Hand. 7 : 51; Efez. 4 : 30; Matth. 12 : 31, 34).

ocr page 28

20

i8. DE HEILIGMAKING.

Rom. 12 : 2. Ps. 143 : 10; Gez. 59 : 1, 3-

Het is Gods wil, dat wij de heiligmaking zullen najagen, omdat zonder haar niemand den Heer kan zien. (1 Thess. 4; 3; Hebr. t2 :14).

Zij is het bewijs van de waarachtigheid der bekeering, omdat zij bestaat in eene oprechte dagelijksche toewijding van hart en leven aan den Heer, opdat Hij door onze werken, die wij inde gehoorzaamheid des geloofs, door de kracht des Heiligen Geestes verrichten, verheerlijkt worde. (Rom. 6:2; Gal. 5 ; 22.)

Deze heiligmaking is noodig, vooreerst omdat God haar zeer beslist eischt, maar vervolgens ook ter wille van ons zei ven, omdat wij zonder haar onmogelijk Gods gemeenschap genieten kunnen. (1 Petr. 1 : 15, 16.)

Maar ook, indien wij waarlijk door Jezus Christus verlost en tot God bekeerd zijn, dan kunnen wij niet anders, of wij zullen uit dankbaarheid aan God en den Heiland ons leven zoo inrichten, dat wij in alle goede werken naar Gods wil leven. Het is dan ook onmogelijk, dat wie Christus door een oprecht geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid, om alzoo van dag tot dag meer Gode gelijkvormig te worden. (1 Cor. 1 : 30; 6 : 20; 1 Joh. 3 : 3.)

Daarom, wie geene begeerte heeft de heiligmaking ria te jagen, toont daardoor nog geen discipel van Christus te zijn. (Matth. 7 : 18; 2 Tim. 2 ; 19.)

Maar die door den Heiligen Geest zich laat leiden, en in alle zelfverloochening dagelijks strijd voert tegen de zonde, die zal ook toenemen in heiligmaking, meer en meer verzekerd worden van zijne roeping en verkiezing, en, door zijne werken God verheerlijkend , voor anderen een licht laten schijnen, waardoor ook zij tot erkentenis der waarheid kunnen komen. (2 Petr. 1 : 10; Matth. 5 :16.)

ocr page 29

21

19- HET GEBED.

i 7hess. 5 : 17, 18. Ps. 5:1, 2; Gez. 79:2, 5.

Een onmisbaar vereischte om op den weg der heiligmaking te vorderen is het gebed.

Door het gebed toch staan wij in de nauwste gemeenschap met God. Bidden is daarom vertrouwelijk verkeeren met onzen Vader in de hemelen, zoodat wij Hem al onze nooden en behoeften bekend maken en ons hoe langer des te meer één met Hem leeren gevoelen. Naarmate dit zoo bij ons is, wordt Gods wil de onze en verheerlijken wij Hem in heiligheid des levens. Immers de grondtoon van ons gebed tot God moet altijd zijn: Ü7tt wil geschiede. (Fil. 4:6;! Joh. 5 : 14.)

Maar daaruit volgt dan ook, dat ons geheele leven een leven des gebeds moet zijn. (1 Thess. 5 : 17; Rom. 12 : V2C.)

Om recht en oprecht te kunnen bidden, is het noodig, dat wij ons in alles van God afhankelijk en ons al zijne zegeningen onwaardig gevoelen. Daarom moeten wij steeds in diepen ootmoed bidden. Maar wij mogen en moeten het ook doen met volkomen vertrouwen, dat Hij als de almachtige al onze gebeden verhooren kan en omdat Hij de Liefde is, ons alles wil geven wat wij behoeven naar ziel en lichaam. (Ps. 34 ; 19; 1 Joh. 3 : 21, 22 ; Matth. 6 : 33.)

God verhoort dan ook ieder gebed, dat geloovig, in den naam van den Heer Jezus tot Hem wordt opgezonden, al doet Hij het niet altijd terstond of op die wijze als wij het zouden be-geeren. (Joh. 16 : 23, 24; Jac. 1 : 5—8; 4 : 3.)

De drang tot waarachtig gebed wordt in ons gewekt door den Heiligen Geest, die ons God als Vader leert aanroepen. (Rom. 8 : 26, 27.)

Op welke wijze en om welke dingen wij God hebben te bidden, heeft de Heer Jezus ons geleerd in het allervolmaakste gebed (Matth. 6 : 5—13-)

ocr page 30

•gt;■)

2o. DE GENADEMIDDELEN.

Rom. io : 17. Ps. 56 ; 5, 6; Gez. 92 : 3, 4.

De genademiddelen zijn die middelen der genade, waarvan de Heilige Geest gebruik maakt om den zondaar tot het geloof te brengen en het gewerkte geloof in hem te onderhouden en te sterken.

In zekeren zin zijn ook het gebed en het gebruik van de sleutelen des hemelrijks, d. i. de uitoefening van de christelijke tucht, genademiddelen, maar meer bijzonder verstaan wij onder dezen naam Gods Woord, namelijk de prediking daarvan, en de Sacramenten.

Door de prediking van Gods Woord, dat is van wet en evangelie , wordt de zondaar aan zich zeiven ontdekt en tot het geloof gebracht. Daarom moet dan ook dit Woord overal gepredikt worden, opdat allen het hooren, dat er verlossing is, want hoe zullen zij gelooven, indien hun niet gepredikt wordt. De Heer Jezus heeft dezen last Zijnen discipelen gegeven, als Hij hen uitzond om in de geheele waereld het evangelie te verkondigen. (Rom. 10 : 14, 17; Matth. 28 : 19.)

Zal deze prediking vrucht dragen, dan moet de Heilige Geest het Woord Gods aan onze harten heiligen, terwijl wij tegen de werking van dien Geest ons niet mogen verharden. (Rom. 1:16; Efez. 6 : 17; 1 Petr. 1 ; 23.)

Het geloof, door de prediking gewekt, wordt gesterkt door de Sacramenten. Zoo noemen wij de beide, door den Heer zeiven ingestelde teekenen en zegelen van de waarachtigheid van Gods genade en onze verlossing, namelijk doop en avondmaal. (Matth. 28 : 19; 26 : 26—28; 1 Cor. 11 : 23—25.)

De Roomsche kerk neemt 7 sacramenten aan; 1. doop; 2. vormsel; 3. avondmaal; 4. boete; 5. laatste oliesel; 6. huwelijk; 7. priesterwijding.

ocr page 31

2i. DE DOOP.

Marc. 16 : 16. Ps. 71 : 12, 17; Gez. 99:3, 4.

De christelijke doop, door Jezus ingesteld, die bediend wordt in ■den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes en tot de belijdenis van dien naam den doopeling verplicht, is eene zinnebeeldige handeling. Zij is het zinnebeeld der bekeering en der reiniging van de zonde. Maar tevens is zij het zegel van de waarachtigheid van het verbond der genade, hetwelk God met ons aangegaan heeft. (Hand. 2 : 38; 22 : 16; Gal. 3 : 27.)

Het doopwater op zich zelf heeft dus geene kracht en de doop zelve deelt ons geene genade mede, maar verzekert ons de genade, die wij reeds ontvingen. Daaruit volgt dus, dat de doop niet beslist noodzakelijk is tot zaligheid. Dat is alleen het geloof in Christus. Daarom is dan ook de zoogenaamde nooddoop, die de Roomsche kerk heeft, niet noodig. (Mare. 16 : 16.)

De kinderdoop, hoewel nergens in de Heilige Schriften bepaald geeischt en daarom o. a. door de Doopsgezinden en Baptisten verworpen , is echter reeds eene zeer oude instelling en vloeit voort uit de beteekenis van den doop. De verzoening met God door Christus, zonder welke de doop geene beteekenis heeft, is ook voor kinderen teweeg gebracht, terwijl ook zij geroepen zijn tot de belijdenis van den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. (Hand. 2 : 39.)

De doop, in onze eerste levensdagen ontvangen, is ons tot troost, omdat hij Gods Vaderlijke liefde, de verlossing door Christus en de werking des Heiligen Geestes ons verzekert en verzegelt.

Die als kind gedoopt is, moet, zoodra hij gekomen is tot zijne jaren, openlijk dien doop, den zegen en de verplichting daarvan, erkennen, door in het midden der gemeente, waartoe hij blijkens zijnen doop behoort, eene oprechte belijdenis af te leggen van zijn geloof en overeenkomstig dat geloof in reinheid des levens te wandelen. (Kom. 6 : 3,4.)

ocr page 32

24

22. HET AVONDMAAL.

i Cor. li : 26. Ps. 23; Gez. 222 ; 1, 3.

Die den Heer Jezus in oprechtheid belijden als hun Heer en Heiland en deze belijdenis niet door hun leven weerspreken, mogen en moeten deel nemen aan het Avondmaal, hetwelk Hij alleen voor Zijne discipelen, die van harte in Hem gelooven, heeft ingezet. (1 Cor. 11 : 26.)

In den laatsten nacht van Zijn leven op aarde heeft de Heer Jezus met Zijne discipelen het Avondmaal gebruikt en, terwijl Hij hun het brood gaf, tot hen gezegd; Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dat tot mij tie gedachtenis. En bij het geven van den drinkbeker zeide Hij: Drinkt allen daaruit; dit is mijn bloed, het bloed des nienwen testament, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden. Doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. (Matth. 26 : 26—28; 1 Cor. 11 : 24, 25.)

In het Avondmaal wordt dus zinnebeeldig voorgesteld, dat de Heer gestorven is tot verzoening onzer zonden. Ons wordt daardoor tevens verzekerd, dat zoo zeker als wij het brood eten en den wijn drinken, wij ook deel hebben aan dien Heiland, tot wiens gedachtenis wij dat Avondmaal vieren. (1 Cor. 10 : 16.)

Die geen berouw heeft over zijne zonden en aan de verlossing door Christus geen behoefte gevoelt, kan dus het Avondmaal niet met zegen genieten, maar eet en drinkt zich zeiven een oordeel. (1 Cor. 11 : 27—29.)

Maar al wie, na ernstige zelfbeproeving, het Avondmaal gebruikt, zooals 't behoort, spreekt daardoor uit, dat hij de verlossing door Christus geloovig aanneemt. Hij moet dan voorts ook als een verloste handelen en wandelen. (1 Cor. 11 : 28; 10 ; 21.)

Aan het Avondmaal wordt de gemeenschap der heiligen openbaar.

ocr page 33

23. DE GEMEENTE VAN CHRISTUS.

i Petr. 2 : 9, io. Fs. 119:1; Gez. 156:1, 4.

De gemeente van Christus is een geestelijk lichaam, waarvan Christus het hoofd en ieder, die in Hem gelooft, een lid is. Allen met Christus door het geloof vereenigd, zijn deze geloo-vigen ook onderling verbonden door den band der liefde. (Efez. 1 : 22, 23; Rom. 12 ; 4, 5; Joh. 13 : 35.)

Deze gemeente, ook wel genoemd de ééne, heilige, algemeene, christelijke kerk, bestaat ten deele op aarde, ten deele reeds in den hemel. Op aarde wordt zij genoemd de strijdende, in den hemel is zij de triumfeerende kerk.

Door alle tijden heen bestaat deze gemeente en zij zal nooit ophouden te bestaan, want de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. (Matth. 16 : 18^.)

Van deze gemeente moet wel onderscheiden worden wat wij gewoonlijk noemen de Christelijke Kerk. Tot deze behooren allen die gedoopt zijn, hoewel velen van hen niet in Christus gelooven. Deze Christelijke Kerk is eene uiterlijke verschijning, terwijl de gemeente des Heeren een geestelijk lichaam is. (Matth. 13 : 24—30; 1 Petr. 2 : 9, 10.)

Evenmin mogen de verschillende kerkgenootschappen, waaruit de Christelijke Kerk bestaat, en waartoe men door geboorte kan behooren, met de gemeente van Christus vereenzelvigd worden, daar men van deze slechts door wedergeboorte een lid wordt.

De gemeente des Heeren wordt uitgebreid door den Heiligen Geest, door middel der prediking des Woords. Daaraan mede te werken met alle krachten is de roeping van elk, die tot haar behoort. Zij moet daarom overal een licht zijn en een zout. (Matth. 5:13, 14.)

Zij heeft eene heerlijke toekomst, want eens zal zij zijn zonder vlek en rimpel en deelen in de heerschappij van Christus. (Efez. 5:27.)

ocr page 34

26

24. DE TOEKOMST DES HEEREN.

fac. 5 : 7—9. Ps. 96:6, 9; Gez. 262:3, 7.

Daar Christus en Zijne gemeente één lichaam zijn, is dus ook de toekomst des Heeren de toekomst der gemeente.

Deze toekomst wordt door den Heer zeiven en door Zijne apostelen voorgesteld als de dag des Heeren, Ae groote dag, de laatste dag of ook wel de dag. Dan zal Christus komen op de wolken des hemels om te oordeelen de levenden en de dooden. (1 Cor. 1 : 8; Hand. 2 : 20; Joh. 11 ; 24; Hebr. 10 : 25.)

Dan zal Zijne gemeente deelen in Zijne heerlijkheid. Zij moet dus naar die toekomst verlangen, in de gedachte aan haar leven, omdat dan eerst hare volkomene vereeniging met Christus tot stand zal komen, als de zonde geheel te niet zal zijn gedaan.

Verzekerd van de waarheid, dat de toekomst des Heeren haar tot zegen zal wezen en dat zij nabij is, hoewel niet bekend is, wanneer zij zijn zal, moet daarom de dagelijksche bede der gemeente zijn: Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk. (Jac. 5:8; Matth. 24 : 36; Openb. 22 : 20.)

Zonder die toekomst des Heeren, wanneer het werk der verlossing voltooid zal worden, zou al wat het gevolg is van Zijne verschijning op aarde waardeloos zijn. Zonder Zijne wederkomst op de wolken heeft Zijne komst in het vleesch geene beteekenis.

De gemeente moet aan de voltooiing van het Godsrijk medewerken, opdat alzoo die toekomst verhaast worde.

Zonder geloof kan zij dat niet. Zonder geloof is die toekomst slechts tot verschrikking, omdat dan allen, die in ongeloof zich verhard hebben, voor eeuwig verworpen zullen worden. Maar wie volharden zal in het geloof tot het einde, die zal zalig worden. (Mare. 16: \(ib; Matth. 24 : 13.)

ocr page 35

ZEDELEER.

ocr page 36
ocr page 37

29

25- HET LEVEN IN GEMEENSCHAP MET GOD.

i Joh. 3 ; 6. Ps. 62:1, 5: (?ez. 77:2, 3.

De christelijke zedelijkheid is de vrucht van het christelijk geloof.

De ernst maar ook de zegen van wat wij gelooven aangaande hetgeen God door Christus heeft gedaan ter onzer verlossing uit de macht der zonde, moet openbaar worden in ons leven, in al de verhoudingen, waarin wij geplaatst zijn.

Ons persoonlijk leven moet in ieder opzicht beantwoorden aan den eisch des evangelies. (Joh. 13 : 17; Hand. 24 : 16.)

Dit kan het niet, tenzij het is een leven in gemeenschap met God. Daarin bestaat dan ook de ware christelijke zedelijkheid.

In deze zedelijkheid is niets gedwongens. Het leven in gemeenschap met God moet plaats hebben vrijwillig, uit liefde tot Hem, die door Zijnen Heiligen Geest ons daartoe bereid en bekwaam maakt. (Efez. 6 : óZ», 7; 1 Joh. 4 : 19.)

Ons hoogste doel moet zijn de zedelijke volkomenheid te bereiken. Hoe inniger wij nu met God in gemeenschap leven, des te nader zal dit doel ons komen, omdat de eenheid met God dan meer verwerkelijkt en alzoo Gods volkomenheid ons medegedeeld wordt. (Matth. 5 : 48; 1 Joh. 3 : 6.)

Zoo zal dan ook alleen in nauwe gemeenschap met God onze begeerte levendig zijn, om in alle goede werken voor Hem te leven , Zijn goddelijk deugdenbeeld bij toeneming uit te drukken, en door dankbare wederliefde Zijne liefde, die Hij ons bewijst, te beantwoorden.

Ons leven zal op deze wijze eene éénheid zijn, en in het betrachten van deugden en in het vervullen van plichten zal ons doel steeds zijn God te verheerlijken. (1 Cor. 6 : 20.)

ocr page 38

30

26. DE STRIJD TEGEN DE ZONDE.

Hebr. 12 : 4. I's. 86 : 6, 8; Gez. 31 : 6.

Het leven in gemeenschap met God is niet mogelijk zonder dagelijkschen strijd tegen de zonde. De nieuwe mensch moet den ouden mensch, die nog gedurig zich verheft, bekampen en ten onder houden. De invloed der zonde, die weer tot heerschappij zoekt te komen, moet tegengestaan en vernietigd worden. (Job 7:1; Col. 3 : 1—17.)

Die strijd moet met waakzaamheid en onder gebed gestreden worden. Geschiedt dit niet, dan verslapt de gemeenschap met God, dan wordt de bron van kracht verlaten en in den strijd kan de overwinning niet behaald worden. (Matth. 26 : 41; Efez. 6 : 10 — 20.)

Ons oog moet dus steeds op God gericht, ons hart aan Hem gewijd zijn. Dan worden wij zelf steeds geringer en leeren wij God meer en beter kennen in Zijne grootheid en heerlijkheid.

Daardoor zullen wij toenemen in zelfverloochening. Deze is noodig, want de strijd tegen de zonde is in den grond een strijd tegen het eigen ik, dat gedurig zich verheft of aan den lust der zinnen wenscht toe te geven. (Matth. 16 : 24; Gal. 5 : 16, 17.)

Wie door het geloof Jezus Christus navolgt en verzekerd is, dat hij van de macht der zonde verlost is, kan in den strijd tegen de zonde wel voor een poos komen onder te liggen, maar ten slotte zal Hij weer opstaan en tot zijnen Vader gaan en daarna des te getrouwer Hem dienen. (Jac. 3:2; 1 Joh. 3 :4, 5.)

Door den gedurigen strijd tegen de zonde, onder de leiding des Heiligen Geestes, wordt de kracht vermeerderd om de verzoekingen te weerstaan en ontstaat een toenemen in de christe-telijke deugd. (Fil. 4 : 13.)

ocr page 39

31

2 7- BOEZEMZONDEN.

Rom. 8 : 13. Ps. 25:2, 5; Gez. 35:4, 5.

Moet de christen dagelijks strijden tegen de zonde, tegen het zondig beginsel, dat in hem weer zoekt te heerschen; er zijn bijzondere zonden, zondige begeerten en neigingen, waartegen hij in bijzonderen zin heeft te strijden. Deze zondige neigingen en begeerten, die vaak in plaats van bestreden veeleer gekoesterd worden, die soms met ons geheele inwendig leven schijnen samen-geweven te zijn, noemen wij boezemzo7iden.

Niet allen hebben dezelfde boezemzonden. Sommigen kennen de hunne zelfs niet of niet voldoende. Ernstig zelfonderzoek is daarom altijd hoog noodig. (Klaagl. 3 : 40.)

Zulke boezemzonden zijn bijvoorbeeld :

Zinnelijkheid, zich openbarende in onreine gedachten, onkuische woorden, ontuchtige daden. Tegen haar moeten wij strijden, omdat ook onze lichamen tempelen des Heiligen Geestes zijn. (Efez. 5:551 Cor. 6 : 19, 20.)

Geldgierigheid, die door den Heer als afgodendienst wordt veroordeeld. (Matth. 6 : 19—21; 1 Tim. 6 : 10.)

Hoogmoed, welke aanleiding geeft tot diepen val. (Spreuk. 29 : 23; i Petr. 5 : 5.)

Uit deze en andere boezemzonden komen in den regel allerlei zondige daden voort, en indien wij niet waken en bidden, komen wij geheel onder hare macht, omdat óf de gesteldheid van ons lichaam óf levensomstandigheden óf ons karakter het toegeven aan deze zonden in de hand werken.

Daar het echter onze roeping is met lichaam en geest God te verheerlijken en in alle goede werken te leven, moeten wij ten bloede toe deze boezemzonden bestrijden. Door den Geest Gods, in gemeenschap met Christus, kunnen wij haar overwinnen. (1 Cor. 6 : 20; Hebr. 12 : 4; Rom. 8 : 13.)

ocr page 40

32

28. CHRISTELIJKE DEUGD.

i Joh. 5 ; 3- Ps- io3 : i; Gez. 59 : 4, 5.

Het is des christens roeping en lust, in alle goede werken voor God te leven en ten allen tijde de christelijke deugd te betrachten.

Hij is van de zonde verlost en nu moet het openbaar worden ^ dat er een ander levensbeginsel in hem woont en werkt, dat de Heilige Geest hem leidt en bewaart.

Hij moet in de liefde wandelen, want, gelijk zelfzucht het wezen der zonde is, gelijk wij zagen, zoo is liefde het wezen der deugd, omdat de liefde de vervulling der wet is. (Efez. 5:2; Rom. 13 : io^.)

Het gansche leven van den christen moet daarom een leven der liefde zijn, waardoor hij gedrongen wordt zich zeiven te geven, eerst aan den Heer en daarna ook aan anderen. (1 Cor. 13; 2 Cor. 8 : 5.)

Want wie zich geheel aan God geeft, zal ook gaarne uit liefde Zijnen wil volbrengen, en uit liefde tot Christus, die zich zeiven gegeven heeft tot reiniging en heiliging van zondaren, gewillig Hem navolgen, en wandelen gelijk Hij gewandeld heeft. (1 Joh. 5 : 3; 2 : 6.)

Die liefde nu, die christelijke deugd, openbaart zich in velerlei christelijke deugden, die alle haren gemeenschappelijken grond hebben in de liefde.

Tegenover God zal die liefde openbaar worden in ootmoed, dankbaarheid, gehoorzaamheid. (Hand. 20 : 19- Efez. 5 ; 18—20; 1 Petr. 1 : 14.)

Tegenover den naaste in oprechtheid, barmhartigheid, geduld, vergevensgezindheid. (Efez. 4:25; Col. 3:12, 13; Matth. 6 : 14, 15.)

Tegenover ons zeiven in waakzaamheid, ijver, hemelsgezindheid. (1 Petr. 5 ; 8; 1 Cor. 15 : 58; Col. 3 : 1—3.)

Al wat wij zoo, door liefde gedreven, doen, heeft waarde voor God. Niet dat wij daardoor iets verdienen, maar daaruit blijkt, dat wij kinderen Gods zijn. (1 Cor. 3 : 11, 14; 1 Joh. 4 : 7.)

ocr page 41

29. HET MAATSCHAPPELIJK LEVEN.

Rom. 13 : 7, 8. Ps. 128 : 1, 3; Gez. 78 : 1, 5, 10, 11.

In de maatschappij, waarin God hem geplaatst heeft, is de christen geroepen God te verheerlijken door zijn licht te laten schijnen en in alles een goed voorbeeld aan anderen te geven. (Matth. 5 : 16.)

Als burger van den staat moet hij de wetten des lands gaarne eerbiedigen; wat van hem geëischt wordt, indien het niet in strijd met Gods gebod is, gewillig geven of volbrengen; de Overheid eeren en voor haar bidden; en naar zijn vermogen medewerken, dat orde en rast gehandhaafd worden. (Rom. 13:1—8; Matth. 22 : 21; 1 Petr. 2 : 17; 1 Tim. 2 : 1,2.)

In zijn omgang met de menschen moet hij de kracht en de heerlijkheid van het evangelie doen uitkomen; anderen zoeken te brengen tot het geloof in den Heer Jezus Christus en alzoo tot vrede en vreugde; en in elke betrekking, waarin God hem gesteld heeft, het heil des naasten en de verheerlijking Gods trachten te bevorderen.

Daartoe ook is het zijne roeping om wat hij verkeerds en zondigs opmerkt met alle kracht tegen te gaan; de volkszonden te bestrijden en zich door gebed en waakzaamheid te wachten voor het toegeven aan de vele verleidingen, die dagelijks voorkomen.

lot die volkszonden, die het land te gronde richten en de zielen verderven, behooren vooral de ontucht, de dronkenschap en het misbruiken van Gods naam. (Rom. 13 : 13, 14; Efez. 5 : 18; Exod. 20 : 7.)

Door met ijver en trouw zijn dagelijksch werk te verrichten, wordt hij zelf voor menig kwaad bewaard, steunt hij zijn gezin en wint hij ook iets om de armen te helpen en den arbeid der christelijke liefde te steunen.

v. veen, III. ^

ocr page 42

34

3o. HET CHRISTELIJK HUISGEZIN. Col. 3 ; 18—24. Ps- 9° : 9; Gez- 207 : r, 5-

De grondslag van het huisgezin is het huwelijk.

Dit huwelijk is de innigste en volkomene vereeniging tusschen éénen man en ééne vrouw (monogamie). Door God ingesteld, kan het niet verbroken worden dan door den dood of door overspel. Echtscheiding is volgens des Heeren woord slechts in één geval geoorloofd. (Hebr. 13:4; Gen. 2:18—24; Matth. 5:32; 19:9.)

In den ongehuwden staat dient men zóó te leven, dat men zonder zelfbeschuldiging een huwelijk aan kan gaan; en bij het aangaan van het huwelijk is niet alleen de burgerlijke sluiting noodig, maar ook de kerkelijke bevestiging gewenscht. In geen geval mag men het huwelijk aanvangen zonder Gods zegen daarover af te smeeken.

Door het huwelijk ontstaat het huisgezin. Het breidt zich uit in de kinderen, terwijl ook de dienstbaren tot den kring van het huiselijk leven behooren.

In het christelijk huisgezin beschouwen man en vrouw, door de liefde verbonden, elkander als medeërfgenamen van de genade des levens, en leiden en steunen zij elkander; beschouwen zij de kinderen, reeds door den doop Gode gewijd, als hun gegeven om hen op te voeden in de vreeze des Heeren voor Gods koninkrijk en voor de maatschappij; beschouwen zij de dienstbaren niet slechts als werkkrachten, maar als aan hunne zorg door God toevertrouwden. (1 Petr. 3:7; Efez. 6:4; Col. 4:1.)

De kinderen eeren de ouders en hebben hen lief en zijn hun gehoorzaam, terwijl de dienstbaren, dankbaar voor de hun bewezen zorg en liefde, de belangen van het huisgezin gaarne behartigen. (Exod. 20 : 12; 1 Tim. 6 : 1,2.)

De man als hoofd des gezins handhaaft orde en tucht door de kracht der liefde en als priester leidt hij de dagelijksche huiselijke godsdienstoefeningen.

ocr page 43

3i. DE CHRISTEN EN DE KERK.

Hebr. 10 : 25. Ps. 84 : 1, 2; Gez. 215 ; 1,2.

Heeft het huisgezin zijne huiselijke godsdienstoefeningen, de kerk heeft hare openlijke godsdienstoefeningen, waarin de gemeente samenkomt om Gods gemeenschap te zoeken gezamenlijk den Heer te vereeren. Gelijk in het huisgezin de bijbel wordt gelezen en onderzocht, zoo worden in de kerk de Schriften verklaard en wat God door deze te zeggen heeft, wordt aan de gemeente bekend gemaakt. (Hand. 2 : 42; 20 : 7.)

De christen dient tot versterking van geloof, hoop en liefde deze gemeenschappelijke godsdienstoefeningen geregeld bij te wonen. (Hebr. 10 : 25.)

Alles wat hem daarin verhindert, moet hij trachten weg te nemen. Zoo is het zijne roeping om des Zondags te rusten, dien dag den Heere te heiligen, en met al wat in hem is, de ontheiliging van den rustdag tegen te gaan en de Zondagsrust en Zondagsheiliging bij anderen zooveel mogelijk te bevorderen. (Exod. 20 : 8—11.)

Door den doop verzekerd van zijn lidmaatschap der gemeente des Heeren, behoort hij tot de kerk, terwijl hij bij het afleggen van de belijdenis zijns geloofs zich tevens aansluit bij het kerkgenootschap zijner keuze.

Door deze vrijwillige aansluiting is hij ook gehouden den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van dat kerkgenootschap in het bijzonder, naar zijn vermogen te behartigen; en zoodra hij zich met dat kerkgenootschap niet meer vereenigen of de verordeningen er van niet meer opvolgen kan, het vrijwillig te verlaten.

De ambten, die God in de kerk heeft ingesteld, moeten steeds geëerbiedigd en de ambtdragers om huns werks wille geëerd worden. (1 Cor. 12 : 28; 1 Tim. 3:1;! Thess. 5 : 12, 13.)

Voorts is ieder geloovige een priester, die als zoodanig zich zeiven en al het zijne Gode te wijden heeft. (Openb. 1:6; 1 Petr. 2:5,9.)

ocr page 44

36

32. DE UITBREIDING VAN GODS KONINKRIJK.

Malth. 6 : \ob. Gebedd. H.: 3; Gez. 154 : 2 ; 3.

Aan de uitbreiding van Gods koninkrijk mede te werken is een eisch der christelijke liefde. Dit moet geschieden uit liefde tot God, want het is des christens spijze zijns Vaders wil te doen; uit liefde tot den naaste, opdat deze ook deele in de zegeningen van dat koninkrijk; uit liefde tot ons zeiven, want dan alleen toonen wij ons zeiven op de rechte wijze lief te hebben, als wij trachten onze roeping te vervullen en aan onze bestemming te voldoen.

Dit koninkrijk Gods is niet van deze waereld, maar het is een geestelijk koninkrijk. De komst er van mag dus nooit bevorderd worden door vleeschelijke middelen. In den dienst der waarheid is voor de leugen geene plaats. (Joh. 18 : 36; Zach. 4 : 6.)

Als koninkrijk der waarheid eischt het waarheid bij elk, die aan zijne komst mede arbeidt, en daarom moet een ieder bij zich zeiven beginnen en zoo den ernst zijner begeerte naar de uitbreiding van Gods koninkrijk toonen. Het zoeken van eiken christen zij, dat koninkrijk meer in zich tot openbaring te doen komen. (Rom. 14 : 17.)

Maar zijne taak is het ook, den arbeid der inwendige zending als een arbeid der liefde voor Gods koninkrijk, te steunen, door armen en weezen en weduwen wel te doen, gevallenen op te richten, veriatenen aan te nemen, kranken en ongelukkigen te helpen en de prediking van het evangelie te bevorderen. (Jac. 1 ; 27; Gal. 6:9, 10.)

Zoo moet dan ook de arbeid der zending onder Joden , Mohammedanen en Heidenen met gebed en gave worden ondersteund. (Matth. 28 : 19.)

Die aan de komst van Gods koninkrijk niet medewerkt, verwaarloost het werk der liefde en daarom ook zijne zedelijke roeping. (1 Cor. 4 : 20.)

ocr page 45

33- ONZE VERHOUDING TOT DEN NAASTE.

Gal. 6: 9, 10. Ps. 25 : 4, 7; Gtz. 76 : 4, 5.

In zijn verkeer met den naaste heeft de christen zich te laten leiden door de liefde, die hij aan allen, ook zelfs aan hen die zich vijandig tegenover hem stellen, bewijzen moet. (1 Cor. 13 : 13; Matth. 5 ; 43—46.)

Door geheel zijn handel en wandel moet hij getuigen tegen de ongerechtigheid en zelfzucht der waereld.

Tegenover de oneerlijkheid, die in het onderling verkeer, in handel en bedrijf, en in allerlei kerkelijke , maatschappelijke en staatkundige verhoudingen openbaar wordt, toone hij, dat hij, door den Heiligen Geest geleid, de waarheid liefheeft, haar betracht in liefde, ook dan zelfs, als het hem tot tijdelijke schade zal zijn, en dat hij de leugen, ook de noodleugen haat. (Efez. 4 : 25.)

Tegenover het zoeken van zich zeiven en van eigene eer, dat het doen en laten der zondige waereld kenmerkt, stelle hij naar het voorbeeld van Christus, zelfverloochening en dienende liefde. Naar zijn vermogen bescherme hij den persoon, den naam en het goed van zijnen naaste en wachte zich voor verdachtmaking, laster, diefstal en roof. (Joh. 13 : 15.)

Tegenover haat en wraak, die bij de dienstknechten der zonde gedurig openbaar worden, doe hij, door te verdragen en te vergeven, zich kennen als een discipel van dien Heiland, die zelfs voor zijne moordenaren bad. (Rom. 12 : 19.)

Zoo winne de christen door eenen onergerlijken wandel anderen voor den Heer. AVat hij wil, dat anderen hem doen, doe hij ook hun; en in het gezellig verkeer, waaraan hij zich wijden mag, zij ten allen tijde zijne rede in aangenaamheid met zout besprengd, en ga er kracht van hem uit. (Hand. 24 : 16; Luk. 6 : 31; Col. 4 : 6.)

ocr page 46

38

34- DE ZORG VOOR ONS ZELVEN.

i Petr. 5 : 7. Ps. 91:1,5; Gez. 24.

De zelfzucht, dat is het beginsel, waarbij men zich zeiven beschouwt als de spil, waarom alles draait, is zondig-, de zorg voor zich zeiven, waarbij men zich een deel gevoelt van een groot geheel, is noodig.

Maar even noodig als deze zorg is, even zondig is weer de bezorgdheid, die niets anders dan eene openbaring van zelfzucht is. (Matt. 6 : 24—34.)

Daarentegen mag ook weer de gedachte, dat God voor ons zorgt, ons nooit verleiden tot zorgeloosheid. (Matth. 25 : 1—13.)

God wil, dat wij zijne gaven, die Hij schenkt, gebruiken en op prijs stellen en met de talenten, die wij van Hem ontvingen, woekeren zullen. (Matth. 25 : 14—30.)

Wij mogen dus niet lui zijn, maar moeten getrouw arbeiden voor ons dagelijksch brood, ons daarvoor zoo goed mogelijk voorbereiden en ons daarin zooveel mogelijk ontwikkelen. Voor overspanning hebben wij ons daarbij te wachten en op zijn tijd is ontspanning geoorloofd en heilzaam, opdat ons lichaam krachtig en onze geest frisch blijve. Geoorloofde uitspanning ontaarde echter nooit in uitspatting.

Wij moeten dus waken voor onze gezondheid, haar nooit noo-deloos in gevaar stellen, bedenkende, dat het leven eene gave Gods is, die niet weggeworpen mag worden. Daaruit volgt dan ook, dat zelfmoord, ook het vermoorden van zich zei ven door roekeloosheid, altijd zonde is en nooit verdedigd kan worden.

Bij de zorg voor ons zeiven behoort echter een vast verlrou'we7i op God, want als Hij ons niet zegent, is al onze arbeid ijdel. Hij wil echter, dat wij alles in Zijne hand zullen geven, en voorts al wat onze hand vindt om te doen, doen zullen met alle macht. Hier geldt het: Bidt en werkt. (1 Petr. 5:7; Pred. 9 : 100.)

ocr page 47

39

35- HET GENOT VAN GODS GAVEN.

/ac. i : 17. Ps. 33 ; 1, 2; Gez. 194 : 3—5.

De velerlei gaven Gods moet de christen genieten met dankbaarheid en ter eere Gods. Hij houde steeds in erkentenis, dat alle goede gaven en volmaakte giften afdalen van den Vader der lichten, bij wiengeene verandering is, noch schaduw van omkeering. (1 Tim. 4:4; Jac. 1 : 17.)

Spijs en drank mogen dus nooit in onmatigheid gebruikt worden. (1 Cor. 10 : 31.)

Het goed der aarde mag nimmer heerschappij voeren over hem, zoodat het goud zijn god zou worden, maar hij heeft het te beschouwen als hem door God geleend en zich zeiven als een rentmeester, die eenmaal rekenschap zal moeten afleggen. (Luk. 16 : 1, 2.)

Aan wat op aarde is mag hij zich daarom nooit zóó binden, dat hij het niet los kan laten zonder tegen God te murmureeren. De beproevingen des levens moeten met geduld en lijdzaamheid gedragen worden, in het geloof, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen mede moeten werken ten goede. (Rom. 8 : 28.)

Ook zelfs door zijne tranen, die God niet verbiedt, moet hij God verheerlijken. (Job. 1 : 21^; Joh. 11 : 35.)

Verder mag de christen alles genieten, wat GW te genieten geeft. En om nu te weten, of God het hem geeft, heeft hij zich af te vragen, of hij het in het geloof tot verheerlijking Gods kan genieten, want al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. (Rom. 14 ; 23.)

Zoo mag de christen genieten van de schoone natuur, van wetenschap en kunst. Beeldhouwkunst, schilderkunst, muziek, alles heeft hij Gode te wijden en mag hij met dankzegging genieten.

In alles wat zijne bewondering wekt op het gebied der beschaving en op dat der uitvindingen heeft hij Gods machtige en goeddoende hand te erkennen.

ocr page 48

40

36. DE VOORBEREIDING VOOR DEN DOOD.

Rom. 8 : i8. Ps. 73 : 13; Gez. 1S9 : 2, 6.

De door de zonde verbroken gemeenschap met God is door Christus, die de macht der zonde overwonnen heeft, wel hersteld, maar toch wordt zij nog telkens gestoord door het gehoor geven aan allerlei verleidende stemmen. (Jac. 3:2; 2 Petr. 1 : 10.)

Daardoor is het leven van den christen een gedurig vallen en opstaan, wordt de blijdschap over de verkregene verlossing telkens onderbroken door eene droefheid over het verlaten van God, en is de verlossing, zoolang hij is in het lichaam der zonde, niet volkomen.

Toch moet de mensch Gods volmaakt zijn en de volkomene verlossing zal zijn deel worden. (2 Tim. 3 : 17)

Die volkomene verlossing volgt op de aflegging van het lichaam der zonde. (Luk. 21 : 28.)

Daar nu des christens hart aan Gods gemeenschap dringend behoefte gevoelt, naar het volkomen genot dier gemeenschap dorst, is het hier op aarde nooit geheel voldaan. Maar uit die onvoldaanheid, in verband met de belofte der volkomene verlossing, blijkt den christen, dat zijne bestemming niet op aarde te bereiken is. Die bestemming bereikt hij na den dood. (Hebr. 13 : 14.)

Voor dien dood heeft hij zich voor te bereiden, om dan te kunnen ontvangen wat hem voorgesteld is. Dagelijks der zonde meer en meer afstervende, moet hij in gebed en waakzaamheid bereid zijn den Heer te ontvangen, wanneer Hij komt. Ook de-beproevingen en smarten werken dan mede om hem losser te maken van de aarde. (Fil. 3 : 20, 21; Rom. 8 : 18.)

Het leven zij dus een dagelijks sterven, opdat het sterven een doorgang zij ten eeuwigen leven.

Daartoe leide ons allen Gods Heilige Geest. (Ef. 1 : 13^, 14«.)

ocr page 49

AAXHAXGSEL.

ocr page 50
ocr page 51

43

37- VRAGEN BIJ DE BEVESTIGING VAN LIDMATEN.

Rom. lo : -9. Ps. 89 ; 1, 7 ; Gez. 221 : 1, 4.

„In tegenwoordigheid van God en Zijne gemeente vraag ik u: iquot;. Belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest?

2°. Zijt gij des zins en willens bij deze belijdenis door Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, te streven naar heiligmaking, en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en in sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijne ware belijders betaamt?

3°. Belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken?quot;

Deze vragen worden in de Nederlandsche Hervormde Kerk gedaan bij de openlijke bevestiging van lidmaten, die reeds van wege den kerkeraad zijn aangenomen.

Deze aanneming geschiedt namens den kerkeraad door den predikant, bij wien men zich daartoe heeft aangegeven.

De kerkeraad vaardigt dien predikant en één of twee ouderlingen af om een onderzoek in te stellen naar de kennis der aanne-melingen van de christelijke geloofs- en zedeleer en van de Bijbelsche en Kerkelijke geschiedenis, met name ook van die der Hervorming.

Wordt deze kennis voldoende bevonden door de meerderheid dier afgevaardigden, dan heeft de aanneming plaats, indien de aannemelingen zich bereid verklaren de bovengenoemde vragen toestemmend te beantwoorden.

Deze vragen zijn in haren tegenwoordigen vorm vastgesteld door de Synode van 1861.

ocr page 52

44

38. VRAGEN BIJ DE VOOREER. TOT HET AVONDMAAL.

i Cor. io : 16. Ps. 26:2, 8; Gez. 100 5.

„In de tegenwoordigheid van God, den kenner der harten, vraag ik u:

10. Of gij van harte gelooft, dat de waarachtige en volkomene leer der zaligheid, ons van Godswege geopenbaard, vervat is in de boeken des O. en N. Verbonds?

20. Of gij van harte gelooft, dat gij door uwe zonde diep bedorven en voor God strafwaardig zijt, en u zeiven deswege mishaagt, met ootmoed en berouw?

3quot;. Of gij van harte gelooft, dat God, uit loutere genade, ons Zijnen eeniggeboren Zoon Jezus Christus heeft geschonken tot onzen eenigen en volkomen Zaligmaker, wiens lichaam voor ons verbroken en wiens bloed voor ons vergoten is tot vergeving der zonden: en of gij Hem voor u zeiven met een geloovig hart aanneemt tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?

4°. Of gij, overeenkomstig de verplichting, die door uwen Doop op u gelegd is, een oprecht voornemen hebt, om, door de kracht des Heiligen Geestes, bij deze belijdenis te volharden, uw geloof te sterken, uw leven te beteren, in ware liefde en eenigheid met uwen naaste te leven, en alzoo Gode waarachtige dankbaarheid voor zijne genade te bewijzen?quot;

Het was eene oude gewoonte, vooral in Groningen en Friesland , bij de voorbereiding tot het Avondmaal aan hen, die daaraan deel wenschten te nemen, eenige vragen te doen, die zij dan met een plechtig ja beantwoordden. De Synode der Ned. Herv. Kerk vond deze handeling zoo aanbevelenswaardig, dat zij 12 Juli 1817 de hier boven geplaatste vragen opstelde en ten ge-bruike voorschreef. Tot 1 Eebr. 1873 is men tot dit gebruik verplicht geweest. Thans is men geheel vrij om deze vragen te doen of niet.

ocr page 53

4.r)

39. DE INRICHTING DER NED. HERV. KERK.

1 Cor. 14 : 40. Ps. 25 : 9; Gez. 3 : 6.

De Nederlandsche Hervormde Kerk bestaat uit ruim 1300 gemeenten (1 Januari 1889 bedroeg het getal 1312), die tezamen bijna 1600 predikants-plaatsen hebben (op 1 Januari 188911!. 1563), waarvan echter helaas zeer vele vacant zijn.

Iedere gemeente wordt bestuurd door een kerkeraad, bestaande uit de predikant of predikanten der gemeente en een zeker getal ouderlingen en diakenen. In sommige gemeenten is de benoeming en beroeping van predikanten en de benoeming van ouderlingen en diakenen opgedragen aan den kerkeraad, terwijl in andere dit alles geschiedt door een kiescollege of door de stemgerechtigden. Om de 10 jaren telkens besluit de gemeente, of zij dit werk aan den kerkeraad opdragen of het zelve door middel van een kiescollege (of stemgerechtigden) verrichten wil.

Eenige gemeenten vormen tezamen eene classis. Deze classis komt eenmaal in het jaar (laatste Woensdag van Juli) samen. Op de vergadering verschijnen al de predikanten en voor iedere predikantsplaats één ouderling. Deze vergadering geeft raad in zake nieuwe wetsvoorstellen, door de Synode gedaan, kan zelve voorstellen doen en benoemt uit haar midden de leden van het Classicaal Bestuur, die de belangen der classis behartigen, en die van het Provinciaal Kerkbestuur.

Iedere provincie heeft een Provinciaal Kerkbestuur, dat de zaken der gemeenten in die provincie behartigt, leden ter Synode afvaardigt, aanstaande predikanten examineert, emeritaat verleent, predikanten afzet, enz., enz.

De Synode komt eenmaal in het jaar samen gedurende eenige weken. Bij haar berust de hoogste wetgevende, recht sprekende en besturende macht. Ten tijde dat zij niet bijeen is, wordende belangen der kerk behartigd door eene vaste Synodale Commissie.

ocr page 54

46

4o. HET GEBED DES HEEREN.

Matth. 6 ; 9—13. Gebed. d. H.: 10; Gez. 58 ; i, 2.

Onze Vader; die in de hemelen zijt!

Uw naam worde geheiligd.

Uw koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijksch brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

41. DE TWAALF ARTIKELEN DES GELOOFS.

Hebr. 11 ; 6. Avondz. : 7; Gez. 3 : 3.

ï. Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

2. En in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer; 3. die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; 4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; 5. ten derden dage weder opgestaan van de dooden; 6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des Almachtigen Vaders; 7. van waar Hij komen zal óm te oordeelen de levenden en de dooden.

8. Ik geloof in den Heiligen Geest. 9. Ik geloof eene heilige, algemeene. Christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen; 10. vergeving der zonden; 11. wederopstanding des vleesches; 12. en een eeuwig leven.

ocr page 55

INHOUD.

Biz.

I. Geloofsleer .............i—26

De Heilige Schriften............3

De kennis van God............4

Gods eigenschappen........................5

Gods voorzienigheid............6

Het wezen van den mensch..................7

De wet................8

De zonde...............9

De macht der zonde...........ro

De gevolgen der zonde...........11

De behoefte aan verlossing.........12

De mogelijkheid der verlossing........13

De verlossing door Jezus Christus.......14

De persoon des Verlossers..........15

Het werk des Verlossers..........16

Het geloof...............17

De bekeering..............18

De Heilige Geest.............19

De heiligmaking.............20

Het gebed...............21

De genademiddelen............22

De Doop...............23

ocr page 56

48

Biz.

Het Avondmaal.............24

De gemeente van Christus..........25

De toekomst des Heeren..........26

11. Zedeleer..............27—40

Het leven in gemeenschap met God......29

De strijd tegen de zonde..........30

Boezemzonden.............31

Christelijke deugd............32

Het maatschappelijk leven.........33

Het christelijk huisgezin..........34

De christen en de kerk..........35

De uitbreiding van Gods koninkrijk......36

Onze verhouding tot den naaste.......37

De zorg voor ons zeiven..........38

Het genot van Gods gaven.........39

De voorbereiding voor den dood.......40

Aanhangsel..............41—46

Vragen bij de bevestiging van lidmaten.....43

Vragen bij de voorbereiding tot het Avondmaal . . 44

De inrichting der Ned. Herv. Kerk......45

Het gebed des Heeren...........46

De twaalf artikelen des geloofs........46