/ â . /Ztr
..................................................................................... â Z 2_
n' (.
^ '^k â¢â¢ Wl
it amp;
it amp;
:± .^:
^ 11 '' 1 4,:
: ! ^:
:t O*?:
fjUj
I MAATSC1 [APPBLIIK LEVEN i
:-HC 4-»:
:T #7:
jt
or in ii.A\i:i:i 'ï'»:
- I quot;T*-
;t t:
Ãt t:
I VENUS I
èi
it ^i
.gt;(â¢gt; hoor .L:
iJjt
it
it ti
ït E T_j 1NJ yv JD i. ti
it ti
it ^i
it ti :t
if â I
it ti
it t:
:t t'
it XMSTI-RDAM.
:t J' F- S 1 K K N-
it .f ^BS. I
it - . ^ti â ittttttttttttttttttt
v â¢
____
I_
liWS ID' iw
HET
MAATSCHAPPELIJK LEVEN
OP DE PLANEET
VENUS
DOOR
33 X-I JST ID X.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2975 821 O
INHOUD.
Biz.
I. Naar Venus. Akkerwetïen......................................................5.
II. Onderwijs. Bevolking................................................................45.
III. Taal en Geld..................................................................................36.
IV. Middelen van vervoer. Kolonisatie....................................18.
V. Doodstraf. Bedelarij. Misbruik van sterken drank.
Volksvermakelijkheden................................................................53.
VI. Leger. Vloot. Belastingen....................................................71.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
r
2975 821 O
INHOUD.
BIz
I. Naar Venus. Akkerwetten......................................................5
II. Onderwijs. Bevolking................................................................45
III. Taal en Geld..................................................................................36
IV. Middelen van vervoer. Kolonisatie....................................18
V. Doodstraf. Bedelarij. Misbruik van sterken drank. Volksvermakelijkheden................................................................53
VI. Leger. Vloot. Belastingen....................................................71
r
I.
NAAR VENUS. AKKERWETTKN.
I'Esprit humain,
11 avance toujours, mais en ligne spirale.
Goethe.
Wat maakte inij zoo zwaarmoedig dien avond? Was het de gedachte aan dien armen mageren jongen, dien ik verkleumd van koude op een stoep had zien zitten? Of was het de gedachte aan die vrouw met ordelooze haren en dunnen omslagdoek, die snikte alsof haar het hart toegenepen werd, toen het jongske op haren arm om brood vroeg?
Was het die ellende, welke mij zoo droefgeestig stemde ? Ik denk, ja.
Gij zijt toch een tranendal, gij aarde, mompelde ik, wie uwer bewoners is waarlijk gelukkig? Ik zat aan mijne schrijftafel, toen ik deze dingen overdacht.
Waartoe is de mensch op aarde, is zijn aandeel geluk niet veel kleiner dan zijn aandeel ongeluk? Hoevelen zijn er, die het leven in armoede doorbrengen en nimmer het minste straaltje van vreugde of genoegen opvangen ?
6
En dan te denken, dat deze aarde, die een stip is in het heelal, dat deze aarde een aantal bewoners draagt, die denken, dat het heelal ten bate van die aarde geschapen is ?
Zouden die 1022 sterren, volgens de lijst van Hippar-chus, die vijftig duizend volgens de lijsten van Lalande en Piazzi, zouden zij zonnen zijn gelijk onze zon, zooals de geleerden ernstig beweren?
Zou de aarde slechts een der honderd vijftig of meer grootere en kleinere lichamen zijn, die om de zon wentelen ?
Zou elk dier sterren niet een even groot aantal planeten kunnen hebben, als onze zon heeft, die ook zulk een ster is ?
Zouden op de planeten dier sterren of op sommige van hen, niet wezens kunnen wonen, ons menschen in vermogens gelijk of ons overtreffende?
Wie weet het ?
Zouden Venus, Mars, Mercurius, Saturnus, Jupiter enz., planeten, even als onze aarde een planeet is, bewoond zijn of niet?
En zoo zij bewoond zijn, zou ook daar, evenals op aarde, het grootste gedeelte der schepselen tot een ramp â zalig en ellendig leven gedoemd zijn?
Zoo peinsde ik, en terwijl ik peinsde, zonk mijn hoofd voorover en leunde tegen den rand der schrijftafel.
Plotseling zag ik een helderen sterrenhemel boven mij, een zacht windje ruischte mij te gemoet, ik zag in eene groote allée, gevormd door twee rijen prachtige tropische boomen, wier breede schaduwen zich op den grond af-teekenden. Ik hield mij vast (met beide handen) aan een
7
groot hek van koperen spijlen met driehoekige witte punten. Ik schudde dat hek. Op eens zag ik op den achtergrond een groot, fraai gebouwd landhuis, helder licht straalde uit de vensters, een groote deur werd geopend en een grijsaard naderde met statigen tred het hek.
âWie zijt gij?quot; vroeg hij, mij met aandacht beschouwende.
âEi Nadi,'quot;' antwoordde ik.
.jWaar komt gij vandaan ?''
.âVan Melraah.quot;
âVan Melraah, wat is Melraah?quot;
âEene stad.quot;
âWaar?quot;
.âIn Dnal er Ned.quot;
âWat is Dnal er Ned?quot;
âEen land.quot;
âWaar?quot;
âOp Aarde.quot;
âHij deed een stap achteruit en op zijn gezicht tee-kende zich de grootste verbazing.
âKomt gij van de Aarde?quot; stamelde hij, terwijl hij het hek opende en mij binnenliet.
âKomt gij van de Aarde en weet gij wel waar gij hier zijt?quot;
âWaar ben ik dan?quot;
âGij zijt hier op Venus.quot;
âOp Venus, op Venus!quot; riep ik.
âJa op Venus,quot; juichte hij. âGezegend zijt gij, gezegend ben ik, is dan eindelijk mijn wensch vervuld? O hoe dikwijls heb ik er naar verlangd, eens een Aard-.bewoner te ontmoeten; hoe menigmaal heb ik naar den
8
sterrenhemel getuurd en gedacht: dat is de Aarde,, eene planeet even als Venus, zou zij ook bewoond wezen? mocht ik toch eenmaal het geluk hebben, een harer bewoners te spreken en ziet, daar zijt gij gekomen! Volg mij, gij zijt mijn gast, gij verlaat mij niet zoolang gij hier zijt.quot;
Hij ging mij voor en ik trad zijn prachtig huis binnen. Hij bracht mij onmiddellijk naar zijne bibliotheek, een prachtig ruim vertrek, de vier zijden waren met boeken bezet, zij stonden vier of vijf rijen hoog en waren alle keurig ingebonden. Hij nam plaats voor het groote vuur, dat heerlijk knapperde en schoof mij een fauteuil toe. â âKomaan, laten wij wat keuvelen. Gij zegt, dat gij El Nadi heet, ik noem mij Vinnis. Hoe gaat het bij u op de aarde, zijt gij allen gelukkig?quot;
âGelukkig? o neen, integendeel, wij zijn zeer ongelukkig.quot;
âGij bedoelt dus,quot; hernam Vinnis, âdat de toestanden bij u op de Aarde nog veel te wenschen overlaten.quot;
âZeer zeker,quot; hervatte ik, âwij leven nog in een rampzaligen toestand. Het groote verschil in vermogen, hetwelk bij ons bestaat, het betrekkelijk klein aantal rijken, tegenover het ontzettend aantal behoeftigen, maakt de Aarde tot een tranendal.quot;
âMaar waarom dan niet alle krachten ingespannen en aan die verhouding een einde gemaakt? Waarom niet gemaakt, dat de toestand op Aarde meer den gelukstoestand nadert? Wat nu op de Aarde bestaat, bestond eenmaal op Venus. Ook bij ons was een diepe klove tusschen armen en rijken. Ook bij ons was eene klasse van menschen, die in diepe ellende voortleefde.
9
Maar het is lang, zeer lang geleden. â Ja, het is meer dan tweeduizend jaar geleden. â Daar in dat boek,quot; en hij wees met den vinger naar een groot boekdeel, hetwelk op een van de bovenste planken der boekenkast stond, âin dat boek kunt gij lezen, hoe ellendig er hier alles uitzag, tweeduizend jaar geleden en vroeger. Ik geloof, dat gij, dat lezende, wel gedurig de opmerking zult maken: âja, zoo is het op de aarde ook, dat zijn de kwalen, waaraan wij op aarde lijden.quot;
âMaar zijn er dan bij u geen armen?quot; vroeg ik.
âArmen in den zin, welke men op Aarde daaraan hecht, bestaan hier niet. Wij kennen geen menschen, die broodsgebrek hebben. Wij weten van geen menschen, welke zoo behoeftig zijn, dat de nood hen tot schande en misdaad doemt. Wat ik u nu wil mededeelen, is eene bladzijde uit de geschiedenis van onze planeet. Het is gebeurd in een tijd, toen Venus nog niet één was, zoo als zij kort daarna geworden is.quot;
;,Wat bedoelt gij met één?quot; vroeg ik.
âWel,quot; zeide hij, âvoeger bestonden er op Venus, evenals nu nog bij u op Aarde een aantal landen, men had een land van dezen naam en een land van dien naam. Het eene was groot, het andere klein, maar er was een zeer groot getal van die rijkjes en rijken. Kort na het tijdstip, waarop de geschiedenis, welke ik u vertellen wil, aanvangt, werden al die rijken één, zoodat Venus nu één geheel, één groot rijk vormt of geen rijk?quot;
âDus is de geheele planeet een groot keizerrijk of koninkrijk?quot; vroeg ik.
âNeen,quot; hernam Vinnis, eene afwerende beweging
10
met de hand makende en glimlachend het hoofd schuddende, âneen, mijn vriend, geen koninkrijk, geen keizerrijk, geen republiek, maar wat het eigenlijk is, zal ik u bij een volgend gesprek verklaren, op dit oogenblik doet het minder ter zake. Vroeger was de oppervlakte onzer planeet ingenomen door een groot aantal rijken. De vorsten dier rijken stonden dikwijls vijandig tegenover elkander. Zij hadden twisten, menigmaal, oorlogen en de bewoners hunner landen, hoewel geheel onschuldig aan de kibbelarijen der vorsten, moesten met goed en bloed die twisten hunner vorsten betalen.quot;
âZooals bij ons,quot; mompelde ik.
âHoeveel duizenden menschen er ellendig op slagvelden of in hospitalen om het leven kwamen. Hoeveel duizenden er voor hun geheele leven verminkt werden, hoevelen door het oorlogsgeweld huis en goed verloren en tot armoede gedoemd werden, is niet te zeggen. Kortom, de toestand was ellendig. Maar ook in tijd van vrede was de toestand van velen zeer treurig. De klove tusschen armen en rijken was groot, hier diepe ellende, daar groote weelde. Overvloed nevens gebrek. Men hoorde zoo nu en dan, dat er een Venusbewoner gestorven was van honger en als men dan later vernam, dat die bewoner te vergeefs naar werk gezocht had, dat hij had willen werken, werken tot hij er bij neèrviel, maar dat niemand hem werk verschaft had; als men dit dan vernam, dan trilde het hart van menig weldenkend mensch van verontwaardiging. Maar is een mensch meer of minder dan een dier, barstte men uit. Staat een mensch onder of boven een lievelingsrijpaard. Wie heeft ooit gehoord, dat een paard van honger stierf,
11
een heerenpaard ten minste? Neen! neen, driemaal neen, was de kreet. Het kan, het mag niet wezen! De mensch heeft hier reeds met ziekte en droefheid te kampen, waarlijk, honger of gebrek behoeft er niet bij te komen. Het is onze overtuiging, dat de mensch, die werken wil voor broodsgebrek gevrijwaard moet blijven.
Er kwam een tijd, dat de armen wanhopig werden. Zij werden radeloos. Zij waren verstompt, maar zij hadden toch nog gevoel genoeg, om te beseffen, hoe diep ellendig zij waren.
Zij grepen naar de wapenen. Hunne aanslagen waren dikwijls misdadig, hunne uitspattingen vreeselijk, hunne dwalingen groot.
Er werd een strijd gevoerd, een vreeselijke strijd; de rijken vochten voor het behoud hunner overoude voorrechten, de armen streden tegen de macht van het geld.
Jaren duurde die strijd, en er kwam geene beslissing. Het liet zich aanzien, dat de armen nimmer tot hunne rechten zouden geraken. De armen vlamden op de bezittingen der rijken en noemden allen eigendom, diefstal.quot;
âHa,quot; riep ik uit, âhet is alsof gij van de aarde spreekt, zoo teekent gij onze tegenwoordige maatschap pelijke verhoudingen.quot;
âDoe ik,'' zei Vinnis glimlachend, âoch, gij weet er is geen nieuws onder de zon; maar laat ik verder gaan. Het is waarschijnlijk, dat het nog jaren lang geduurd zou hebben eer de kwestie tot eene oplossing zou komen, als niet plotseling de stroom van denkbeelden eene andere richting had genomen. Men kreeg het idee, dat het eene onwaardige handeling zou zijn, iemand iets van het zijne te ontnemen. Men begon te begrijpen, dat de armen rijker konden
I 2
worden, zonder dat de rijken armer werden. Men richtte den strijd thans tegen de ongelijke verdeeling van het grondbezit. Gij moet namelijk weten, dat er sedert eeuwen op Venus roekeloos omgegaan was met de verdeeling van het landbezit. Men zag ontzaglijke stukken gronds in het bezit van enkele menschen, terwijl duizenden zelfs niet het kleinste stukje bezaten. Soms bezat één persoon een stuk grond, groot genoeg om duizend menschen te voeden. En toch kon die man het in het hoofd krijgen, dat prachtig stuk land tot een hertenbaan in te richten en daardoor aan de menschheid een groot nadeel berokkenen. Men begon te begrijpen, dat er wel degelijk eenige regel moest bestaan in de verdeeling der grondeigendommen, wilde men de productie van voedsel niet geheel aan de willekeur van een klein aantal vermogenden overlaten.
Dit was de eerste schrede op den goeden weg. De beweging begon in het land Ned, een der kleinste landen op onze planeet. Een zeker man rekende op zekeren, dag precies uit, hoeveel de oppervlakte van dat land bedroeg en vergeleek die oppervlakte met het getal inwoners, daardoor kwam hij tot de berekening, hoe bij gelijke verdeeling der geheele oppervlakte elk bewoner een stuk land van een bepaalde grootte zou krijgen, uitgedrukt in de maat van dat land.quot;
âEn ging men toen aan het verdeelen?quot; vroeg ik.
âNeenquot;, antwoordde Venus, âzoo dwaas was men niet, want dat zou eene verdeeling tot in het oneindige geworden zijn. Want zoodra er één inwoner bijkwam of afging zou eene nieuwe deeling noodzakelijk worden. Bovendien spoedig zou de een of ander door noodlot-
13
tige omstandigheden of door dwaze handelingen zijn stuk land in andere handen doen overgaan. Neen, als zij dien weg bewandeld hadden^ waren zij er nimmer gekomen. Zij zouden het doel gemist hebben. De kleine berekening, die zij maakten, gaf hun echter een maatstaf en die maatstaf was hun voldoende. Die maatstaf bracht hen op het idee van beperking van grens. Zij begonnen te zeggen, in 't midden latende of iemand al dan niet grond bézat: niemand mag meer dan twaalf aandeelen bezitten.
Natuurlijk liet men iemand vrij goud, zilver of kostbaarheden te bezitten, zooveel als waarmede het lot hem gezegend had, alleen het bezit van land had men op het oog.
Men volgde deze kleine drieledige wet: Iemand, die huwt verkrijgt daardoor het recht eigenaar te zijn van 2 aandeelen, bij de geboorte van het eerste kind of liever als dat kind den leeftijd van één jaar bereikt heeft, krijgt de vader het recht eigenaar van 6 aandeelen te zijn. Zijn er zeven kinderen in leven en is het zevende één jaar oud, dan krijgt de vader het recht eigenaar van 12 aandeelen te zijn.
Ongehuwde personen mogen nimmer meer dan één aandeel bezitten en zulks slechts wanneer zij meerderjarig zijn. Weduwnaars en weduwen behouden dezelfde rechten als gehuwden.
Slechts een vader of moeder met zeven of meer kinderen, kon dus eigenaar of eigenares van 12 aandeelen zijn, niemand anders was dat geoorloofd. Men gaf dus geen eigendom, men gaf slechts het recht te bezitten en beperkte de hoegrootheid van bezit.
14
Heeren met landgoederen van eene uitgestrektheid van. ioo of iooo aandeelen, behoorden dus voortaan tot de geschiedenis.
Men nam niemand iets af, men liet de groote landeigenaars in het bezit hunner gronden zoo lang zij leefden, men gaf hun slechts te verstaan, dat zij er voor moesten zorgen bij uiterste wilsbeschikking eene verdeeling hunner landerijen te bewerkstelligen, want dat het geen hunner erfgenamen geoorloofd zou zijn een stuk van meer dan 12 aandeelen te bezitten, en dat nog slechts in het geval, dat zulk een erfgenaam vader van een talrijk kroost was. Stoorden zich de heeren aan de bepalingen der wet niet, dan brachten zij hunne erfgenamen in de noodzakelijkheid, de te groote stukken gedeeltelijk te verkoopen en het land dus in zilver of goud om te zetten.
Dit was de groote oplossing van het vraagstuk. Eenvoudig niet waar en toch van het grootste nut voor alle V enusbewoners.
Dit eenvoudige wetje vond navolging in alle andere landen en veegde de armoede weg van onze planeet.
Wat toch was het geval? Het land werd goedkoop, doordat het bezit beperkt was. Ieder was in staat een lapje grond te verkrijgen. Een klein stukje geeft bij vlijtige bebouwing ruimschoots voedsel. Het woord gebrek werd zelden meer gehoord en het woord honger, werd maar door weinigen met ernst als op zichzelven toepasselijk, uitgesproken. Men wist niet meer wat honger was.quot;
âHa,quot; zei ik, âzou dat de oplossing der kwestie wezen!quot;
âJa,quot; hernam Vinnis, âdat was ten minste bij ons de oplossing der kwestie, alles wat later gebeurde, alles wat
15
naderhand medewerkte tot verbetering van ons lot, was-een uitvloeisel van den toestand, die toen langzamerhand tot stand kwam. Sedert dien tijd dagteekent de gelukstoestand op onze planeet. Het kostte weinig moeite landeigenaar te worden en gelukkig was hij, die met vele kinderen gezegend was. Daarenboven, hij die een stukje land bezat, meerderjarig was of gehuwd, had het recht te stemmen en was verkiesbaar.quot;
âStemmen, waarvoor?quot; vroeg ik.
âJa,quot; riep Vinnis, âdaar verspreek ik mij. Het is nu nog geen tijd daarover te praten, ik zal u later vertellen hoe onze regeeringsvormen zijn, maar eerst moeten wij nog .eenige andere gesprekken houden. Wat zoudt gij er van denken, als wij morgen eens over het onderwijs spraken. Nog al belangrijke stof niet waar? Ik ben nieuwsgierig wat gij zeggen zult, als ik u vertel hoe het hier ingericht is.
Nu dierbare vriend, adieu, rust wel.quot;
Hij gaf mij de hanti en ik liep, voorafgegaan door een bediende, die mijn nachtlicht droeg, in gepeins naar boven. Hetgeen hij mij medegedeeld had omtrent de sociale herschepping van Venus, kwam mij zoo belangrijk voor, dat ik oog noch oor had, voor hetgeen in mijne onmiddellijke omgeving gebeurde. Ik kwam boven, ik kwam op een frissche ruime, heerlijke slaapkamer. De ramen waren wijd geopend, eene liefelijke geur stroomde binnen, een schitterende starrenhemel lichtte vriendelijk tot in het vertrek.
Toen ik voor het geopende venster stond en naar boven zag, dacht ik, het oog op een der bollen vestigende, gij zijt misschien de Aarde, gij moet het zijn. Nu zie ik u, zooals ik zoo dikwijls van de Aarde Venus
i6
gezien heb, als Lucifer (morgenster), als Vesper (avond ster). Nu ik op Venus was, dacht ik aan de belachelijke overtuiging van alle aardbewoners, alsof zij de schepselen bij uitnemendheid waren, alsof hun bol de ware bol was, ten wiens gerieve het geheele uitspansel geschapen was. Nu herinnerde ik mij de woorden van Vinnis over de verdeeling van het landbezit op Venus. Hoe eenvoudig! Hoe voortreffelijk! Dat wij daar nooit aan gedacht hadden. Immers de poging der Gracchen te Rome, hoewel zij er wel wat op geleek, was toch iets anders dan deze wet. Mij kwamen de woorden: opkoopers en brooddieven in het geheugen.
Woorden, tijdens de Fransche revolutie zoo dikwijls geuit door het plebs van Parijs. Ja, toen waren er opkoopers van koren, maar men dacht er niet aan opkoopers van land tegen te werken. Die heilzame wet op Venus ging alle opkoopers te keer. Die wet maakte het onmogelijk, dat één man een landgoed bezat, zoo groot als eene halve provincie. Die wet gaf het landbezit in handen van lieden met veel kroost en onthield het aan lieden met weinig, die wet steunde de democratie en brak de aristocratie voor eeuwig. En dan welke gevolgen moet die wet gehad hebben: overvloed van productie, dus goedkoop voedsel. De werkman behoefde niet langer den geheelen dag te zwoegen om voedsel voor zich en zijn huisgezin te verkrijgen. Ook hem bleven eenige uren over, die hij aan rustigen arbeid van den geest kon wijden. Hij kon lezen, hij kon zich verpoozen te midden van zijn huisgezin, hij kreeg tijd om zich aan de opvoeding zijner kinderen te wijden. En te denken, â dat men die schoone uitkomsten verkregen heeft zonder
17
den eigendom te schenden, zonder iemand iets van het zijne te ontnemen. Te denken, dat men door een eenvoudige beperking den arme rijker heeft gemaakt, zonder den rijke armer te maken. âJa, waarlijk, Venus, in dit opzicht zijt gij de Aarde veel vooruit!quot; moest ik onwillekeurig uitroepen. Ik sloot het raam en begaf mij te bed, vóór ik in slaap viel, dacht ik na over het aantal kinderen, dat vereischt werd tot opklimming der rechten op landbezit en ik vulde in gedachten aan, wat Vinnis niet gezegd had: het moesten kinderen zijn van wettige geboorte. Onwillekeurig dacht ik er echter over, of die wet niet onfeilbaar tot overbevolking moest leiden, ik twijfelde daar niet aan. Ik kende die kwaal op de Aarde, hoe maken zij het hier, dacht ik, laat ik hem daar morgen naar vragen.
2
II.
ONDERWIJS. BEVOLKING.
Den volgenden morgen zag ik Vinnis in den tuim wandelen. Het zou warm worden dien dag. Hoewel ik in de gematigde luchtstreek van Venus vertoefde was het er toch even warm als op de Aarde in Oost-Indië.. De planten van den tuin, de kolossale afmeting der boomen tuigden van een tropisch klimaat. Vinnis zette zich juist op een rustbank in de schaduw van een lommerrijken boom, toen ik aankwam. Hij wenkte mij; en ik zette mij naast hem neder.
âHebt gij nagedacht over hetgeen ik u gisteren mededeelde?quot; vroeg hij.
âJa,quot; zei ik, âmaar ik kwam tot de gedachte, dat er op zulk eene manier noodwendig overbevolking moet ontstaan.quot;
Hij lachte stil in zich zeiven.
âHa,quot; zei hij, âdreigt men op de Aarde ook al met het spook der overbevolking. Hier is ook een tijd geweest, dat men zulks deed. Hoeveel menschen leven er ongeveer op de Aarde?
19
âJa, dat verschilt/'' antwoordde ik, âvolgens Van Roon 864 millioen, volgens Wiggers 657 millioen, volgens Berghaus 1272 millioen.quot;
âZoo, dat loopt nog al uit elkander: 657 millioen en 1272 millioen, wat is de reden van die groote afwijking?quot;
âJa, er zijn streken, nog zoo weinig bekend bij de beschaafde volkeren, dat hun zielental maar bij benadering aan te geven is.quot;
âIk begrijp het,quot; zei hij, âook op Venus sukkelen wij aan die kwaal. Wij kunnen gerust zeggen, dat der Planeet nog zoo goed als onbekend is. Is het bij u ook zoo?quot;
âZoo,quot; riep ik uit, âneen zóó niet, wij kunnen gerust zeggen, dat de helft nog onbekend is, wij hebben een werelddeel, het heet Afrika en is ongeveer 1 der aardoppervlakte; wij weten er nagenoeg niets van en zoo is het ook gesteld met verschillende gedeelten der andere werelddeelen.quot;
âNu dat strekt u niet tot eer,quot; zei Vinnis, âik dacht, dat wij achterlijk waren, maar gij zijt het dan nog veel meer. Maar neem nu eens aan, dat Berghaus gelijk heeft, dan moet ik u zeggen, dat de Aarde zeer schraal bevolkt is, de dichtheid van bevolking is op Venus dertigmaal zoo groot als bij u.quot;
âJa met uwe voortreffelijke wetten van landverdeeling kan ik begrijpen, dat eene groote dichtheid van bevolking niet schadelijk werkt; maar bij ons zou het een ramp zijn,quot; hernam ik.
âJa,quot; zei Vinnis, âdertigmaal meer, dan zoudt gij bij de tegenwoordige gesteldheid van uwe maatschappelijke verhoudingen elkander opeten. Tienmaal meer kan echter
20
best, zelfs al blijft uwe gebrekkige indeeling bestaan. Hoe groot is de dichtheid der bevolking in sommige landen?quot;
âJa, het hoogste zeven- of achtduizend, per vierkante mijl.quot;
âWat is dat?quot; vroeg hij.
âWat een mijl is? Ja, de middellijn onzer Aarde is 1718 van die mijlen, en de middellijn van Venus moet 1694 mijlen bedragen.quot;
âHa,quot; riep hij, âen dan in het vierkant, nu kan ik het wel herleiden. Nu, ik geloof, dat in uw tegen-woordigen toestand 5000 per vierkante mijl niet te veel zou zijn. Hoeveel vierkante mijlen is de oppervlakte der Aarde? De oppervlakte van het vaste land namelijk?quot;
âOngeveer 2^ millioen.quot;
âWelnu, dan zou dus de Aarde ruim 12 duizend millioen bewoners kunnen tellen en gij weet de hoogste raming van Berghaus is maar ruim 1200 millioen, gij kunt dus in gewone omstandigheden nog vertienvoudigen.quot;
Ik zat een oogenblik te peinzen.
âGij kunt gelijk hebben,quot; zei ik, âwij hebben een volk op aarde, de Chineezen, een volk, dat geen vreemdeling in zijn rijk duldde, een volk, dat jaren afgezonderd leefde, van niemand iets begeerde en niemand iets gaf, een volk, dat zich zelf genoeg was. De oppervlakte door dit volk bewoond bedraagt 70 duizend vierkante mijlen, het zielental minstens 350 millioen. Uwe berekening gaat dus op, want het is ook 5000 per vierkante' mijl.quot;
âNiet waar! wij worden nog knap in het rekenen. En nu moet ik u zeggen, dat ik wel geloof, dat die Chineezen schrandere lieden zijn, maar toch zouden zij wellicht op Venus nog een lesje kunnen komen nemen.
21
Gij zult u dus nu wel minder verwonderen, als ik u zeg, dat onze bevolking 30 maal de uwe bedraagt en toch is Venus iets kleiner dan de Aarde. Ik geloof echter met u, dat onze wet van akkerverdeeling gunstig werkt op de toeneming der bevolking. Bovendien geloof ik, dat wij, Venusbewoners, ouder worden dan gij Aardbewoners.quot;
âWat noemt men bij u een flinken ouderdom?quot;
âWel zeventig, tachtig jaar, het laatste is al heel mooi.quot;
âO zoo, en dat zijn jaren van 365 dagen, niet waar? Nu wij hebben, zooals gij weet, dagen zooals de uwe, ten minste, dat maakt niet veel verschil, de uwe zijn 24 uren en de onze 23 uren 21 minuten, maar ons jaar telt slechts 224 dagen, dus ongeveer van het uwe. Tachtig jaar bij u is dus honderd en twintig bij ons. Onze hoogste leeftijd bedraagt omstreeks tweehonderd en tien jaar of naar uwe telling 140 jaar.quot;
Ik keek verrast op.
âMaar hoe is dat mogelijk?quot; vroeg ik.
âJa, wat zal ik u zeggen,quot; zei Vinnis met een ondeugend lachje.
âNo. 1. Wij voeden ons goed. Ten tweede, wij nemen ons zeer in acht en de geneeskunst staat bij ons reeds sedert duizenden jaren in zeer hooge achting en hare eenvoudigste regelen zijn zelfs den domste van ons bekend. Ten derde, wij zwoegen niet voor het dagelijksch brood en gaan dus niet gebukt onder vele der zorgen u zoo wel bekend. Ten vierde, wij trachten ons lichaam zooveel mogelijk krachtig te maken. Wij zijn een en al gymnastiek. Geen spiertje, of wij oefenen het. Ten vijfde, wij vermijden alles, wat ons spoedig ten grave zou kun-
22
nen slepen; wij gelooven aan een gelukkig leven, na dit leven, maar wij zijn praktisch, wij willen het eerst hier goed hebben, krijgen wij het later ook goed, des te beter, daar kunnen wij slechts bij winnen.quot;
Ik lachte.
âHa,quot; zei ik, âhet is bij u als bij ons; ik wil een hemel op aarde hebben, wordt: ik wil een hemel op Venus hebben.quot;
âGij, aardbewoners, daarentegen, gij spreekt van de Aarde, als van een tranendal, gij verlangt naar uwen dood, maar komt die tijd eenmaal, och dan zoudt gij misschien nog wel een wijle willen leven. Gij zult zeggen, hoe weet gij dat, maar daar kan ik u onmiddelijk op antwoorden, al vertelt gij mij niets meer van de aardsche toestanden, ik begrijp reeds alles, er is nu eenmaal geen nieuws onder de zon, uw toestand is als de onze voor tweeduizend jaar was en de geschiedenis is daar, om mij met dien toestand bekend te maken. Is het waar, wat ik u zeide, schets ik uwen toestand naar waarheid ?quot;
âJa, zooals gij zegt, is het.quot;
âTen zesde, geloof ik, dat wij een beetje langer leven dan gij, omdat ons onderwijs wel beter zal zijn dan het uwe.quot;
Nu kon ik niet nalaten hem met de grootste verbazing aan te zien.
âLanger leven omdat uw onderwijs beter is!quot; mompelde ik.
âJa,quot; zei hij, âvertel mij eens iets van uw onderwijs, hoe is de indeeling?quot;
âDrie soorten: Lager, Middelbaar en Hooger,quot; zei ik.
âJuist, misschien op deze manier,quot; hervatte hij.
23
âLager onderwijs of het gewone volksonderwijs, lezen, schrijven, rekenen en een beetje taal. Middelbaar onderwijs met het oog op de hooge eischen eener beschaafde maatschappij, namelijk verschillende talen, natuurkennis, â wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis, scheikunde enz. Hooger onderwijs voor hen die opgeleid wenschen te worden tot dokter, advocaat, rechter of iets dergelijks.quot;
âGij begrijpt het volkomen,quot; hernam ik, âuwe indee-,ling wijkt maar weinig van de ware af.quot;
âJa, ik ken dat,quot; hervatte hij, âmaar zeg mij eens, hoe oud zijn de kinderen, die beginnen lager onderwijs :te genieten?quot;
âVijf of zes jaar,quot; antwoordde ik.
âKom aan,quot; zei hij, âlaat ik u eens zeggen, wat de vruchten van uw onderwijs zullen zijn. Ten eerste, bij onmetelijke kosten geringe resultaten. Ten tweede, een â verzwakt geslacht. Ten derde, een aantal schepsels met â doffe hersenen. Ten vierde, een ontelbare menigte ooglijders, en ten vijfde, een menigte ongelukkigen vóór hun tijd ten grave gevoerd, stervende aan de gecombineerde krachten van gebrek aan frissche lucht, gebrek aan lichaamsbeweging, overspanning der hersenen en gemis van slaap.quot;
Ik antwoordde niets maar keek hem slechts opmerkzaam aan, terwijl mijn blik hem uitnoodigde verder te gaan.
âWij hebben hier diepen eerbied voor de hersenen,quot; zei hij.
âWij gelooven, dat evenmin als het been, de armen, het lichaam van een kind van zeven jaar volkomen â ontwikkeld zijn, dit evenmin met de hersenen het geval
24
is. Wij gelooven, dat onverteerbare kost schadelijk is voor de maag, wij gelooven evenzoo, dat onverteerbare geestelijke kost schadelijk is voor de hersenen.
Wij zijn er van overtuigd, dat een been of een arm ons onmiddelijk waarschuwen als zij vermoeid zijn en behoefte aan rust hebben, maar dat de hersenen niet zoo getrouw waarschuwen en dat opwekkende dranken,doeken met koud water, zoo dikwijls bij herhaling aangewend om het afgematte hoofd weer eenigszins op te frisschen, gevaarlijke middelen zijn. Wij zijn er van overtuigd, dat veel wat tot ontwikkeling der hersenen aangewend wordt, slechts dient om ze te verstompen, dat veel slechts dient om het arme slachtoffer, of naar het krankzinnigengesticht, of naar het kerkhof te voeren. Wij weten, dat het moeielijk te zeggen is, wat goed en wat niet goed is voor hersenen, die onmogelijk volkomen ontwikkeld kunnen zijn, zoo lang het geheele lichaam nog in de ontwikkelingsperiode verkeert. Wij zeggen, dat men in dezen staat niet te veel aan de natuur kan overlaten, aan het leven met de geheele omgeving. Wij zijn overtuigd, dat eene volkomen ontwikkeling van het lichaam, een oefening der spieren, eene versterking van alle deelen, eene oefening van het oog waardoor men tot scherp zien komt, enz., de grondslag van alle geestelijke ontwikkeling moet zijn en aan allen geestelijken, arbeid moet voorafgaan.
Kortom ons onderwijs begint met gymnastiek-onder-wijs, de eerste schrede, die onze jeugd in de school doet,, doet zij in de Gymnastiekschool.
Jong reeds gaat het kind naar de Gymnastiekschool, daar doet het tal van oefeningen, die slechts de bedoeling;
25
hebben het lichaam volkomen te ontwikkelen, het lenig en krachtig te maken. Daar leert de jongeling bovendien dansen en schermen, dikwijls ook zwemmen. En niet alleen het mannelijk, ook het vrouwelijk geslacht wordt op die manier opgekweekt.quot;
âEn tot welken leeftijd gaat dit door,quot; vroeg ik.
âTot welken leeftijd? Ja, dat is moeielijk te zeggen, er zijn er die er mede voortgaan tot aan den avond huns levens. De meesten doen zelfs op rijpen leeftijd nog gymnastiek. Wij hebben magistraatpersonen, die een vast clubje vormen en zich onder voorwerking van een deskundige dagelijks in de gymnastiek oefenen. Gij begrijpt wij streven niet naar halsbrekende toeren; de volledige ontwikkeling van alle lichamelijke vermogens en krachten is ons doel.quot;
âEn hoe gaat het dan met het onderwijs in lezen, rekenen, schrijven, enz. Gij hebt toch ook scholen waar men in die vakken onderwijs geeft?quot;
âNeen, die hebben wij niet en dat is juist de grondslag van onzen beteren toestand.
Wij hebben een vasten stelregel, wij hebben dien stelregel al honderden jaren en wij vinden ons er wel bij.
Zij is deze: Ieder bewoner van Venus is verplicht op den leeftijd van twintig jaar voldoende te kunnen lezen en schrijven. Twintig jaar namelijk volgens uwe telling.quot;
Ik keek hem vragend aan.
âJa,quot; zei hij, âieder heeft te zorgen, dat hij met zijn twintigste jaar lezen en schrijven, die grondslagen van alle kennis, voldoende kan. Er is geen overheidspersoon op onze geheele planeet, die zich vóór dien tijd iets aan
26
die zaak gelegen laat liggen. Ieder heeft te zorgen, dat hij op dien leeftijd de noodige bekwaamheid in de genoemde vakken verkregen heeft. Het is waar, wij maken het den leergierigen gemakkelijk. Er bestaan boekjes met en zonder platen, zóó eenvoudig, dat zelfs een oudere zuster als leermeesteres van haar jonger broertje met vrucht kan optreden. Er bestaan eene menigte cahiers met schrijfvoorbeelden, zóó eenvoudig opklimmend, zóó duidelijk, dat elk vader met uitstekende resultaten de leermeester van zijn zoontje kan zijn. Bovendien, gij weet: de huisvader is hier een echte huisvader, bij u moet hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat zwoegen, ten einde zijn huisgezin voedsel â en kleeding te kunnen verschaffen, bij ons werkt hij slechts eenige uren per dag, den overigen tijd bevindt hij zich te midden der zijnen en kan aan de opvoeding zijner kinderen arbeiden. Maar dat niet alleen. Wij hebben tal van leeszalen, eenvoudig en gemakkelijk ingericht, toegankelijk voor eiken jongen, voor elk meisje, leeszalen met keur van boeken en platen, enz., daar kunnen zij zich verpoozen, verder bekwamen, en daar genieten zij, bij het lezen van tal van keurige verhalen, welke voor hen met zorg uitgekozen zijn.quot;
âDat is alles heel goed en wel, maar hebt gij dan niets, zooals bijvoorbeeld onze Hoogere Burgerscholen, waar men die kennis opdoet, welke eene hoogst beschaafde maatschappij vordert?quot;
âJa dat is iets anders, daar zal ik u straks over spreken, dat wat ik tot heden besprak, was het zoogenaamde ^volksschool-onderwijs.quot;
âIk heb u nog vele vragen over dat onderwerp te
27
'doen, maar eerst, zeg mij eens, als nu uwe jongelieden, die verplicht zijn met hun twintigste jaar lezen en schrijven te kunnen, eens een flauw begrip van hunnen plicht hebben en met het bekende jaar, noch schrijven noch lezen kunnen, wat dan ?quot;
âDan hebben wij twee eenvoudige middelen, één voor de jongelingen, één voor de meisjes. Middelen, die tot heden uitstekend gewerkt hebben. Ik zei u in het begin 'van ons gesprek, dat nog ongeveer onzer planeet .zoo goed als onbekend is en onze ontdekkingen gaan met ontwikkeling van militaire macht gepaard; hoewel het getal klein is, wij hebben toch altijd nog behoefte -aan soldaten en zoo hebben wij tot beteugeling van zee-rooverij behoefte aan zeesoldaten. Nu hebben wij vastgesteld: elk jongeling, die op zijn twintigste jaar buitenstaat is blijken te geven, dat hij goed lezen en schrijven kan, is soldaat en wel zoolang soldaat, totdat hij in die â vakken voldoende bedreven is. Gedurende den diénst-lijd wordt hem geregeld onderwijs gegeven.quot;
âDat klinkt goed,quot; zei ik, âmaar de meisjes?quot;
âGij wilt zeggen,quot; hernam hij lachend, âdat wij die moeielijk bij het leger kunnen inlijven. Zulke sterke maatregelen nemen wij ook niet tegen het schoone geslacht.
Maar toch worden zij op twintigjarigen leeftijd ook aan een examen onderworpen en moeten blijken geven van de noodige bedrevenheid in lezen en schrijven.quot;
âEn als zij gewogen zijnde te licht worden bevonden, wat dan ?quot;
âDan kunnen zij het getuigschrift van voldoende bekwaamheid in lezen en schrijven niet verkrijgen.quot;
28
âEn kan haar dat nadeelig wezen?quot;
âJa, later bij het huwelijk.
Het zou op een jonkman een onaangenamen indruk maken, als het meisje, waarop hij het oog liet vallen, niet in staat was zulk een getuigschrift te toonen. Hij zou het gemis toeschrijven aan gebrek aan lust, aan weinig neiging tot geestelijke ontwikkeling en daar de jongeling hier op onze planeet in zijne vrouw eene levensgezellin zoekt, met wie hij kan redeneeren, zou hij er ernstig aan denken, zijnen omgang met haar af te breken. Ten tweede, zou hij het gemis van een getuigschrift toe kunnen schrijven aan weinige vermogens en voor geen geld ter wereld zou een flink jongeling een dom gansje huwen. Ten derde, zou hij het kunnen toeschrijven aan traagheid en in dit geval zou hij niet lang weifelen in het kiezen van de gedragslijn die hem paste.
Gij ziet dus, dat wij zoowel de jongelingen als de meisjes volkomen onder de kracht der verplichting kunnen houden.quot;
âJa, dit alles is vrij duidelijk en ik geloof wel, dat men onnoemelijke schatten zou kunnen besparen door zoo te handelen. Ik geloof wel, dat zij op die manier de noodige kennis van lezen en schrijven zullen verkrijgen. Maar lezen en schrijven is nog geen onderwijs. Er moet een opvoedende kracht van het onderwijs uitgaan ; de leerling moet naar zijnen meester gevormd worden.quot;
Ja wel, knikte Vinnis. âJa wel,quot; hervatte hij, âik ken dat, groote woorden, anders niet. Ten eerste, moet ik u zeggen, dat ik geloof, dat het veel beter voor een jongen is de frissche buitenlucht te genieten, dan met
29
â¢zestig of zeventig in een lokaaltje, vol bedorven lucht, op harde banken, dikwijls in onnatuurlijke en gedwongen houding, uur na uur, opgehoopt te zitten. Ten tweede, wil het er bij mij niet in, dat een onderwijzer zulk eene vormende kracht op een jongenshart uitoefent. Heeft de jongen altijd denzelfden onderwijzer?quot;
âNeen, dat wisselt af. Soms hebben zij slechts drie maanden denzelfden, dan komt er weder een ander, die ook weer korter of langer blijft.quot;
âWelnu, maar veronderstel, dat zij van hun zesde tot hun twaalfde jaar denzelfden onderwijzer hebben, dan 'blijft het nog altijd de vraag, of die onderwijzer wel de man is, naar wiens model een jongen gevormd moet worden. Kent gij den onderwijzer uwer kinderen ?
Ja juist, ik zie het aan uwen blik, gij hebt hem wel eens gezien, maar verder kent gij hem niet. Gelooft gij, dat er ooit een jongen geweest is, welke in later leeftijd een misdaad beging, die halverwege ophield en dacht: neen, dat heeft mijn onderwijzer mij niet geleerd. Ik geloof wel, dat men in zulke omstandigheden een oogen-blik aan vader of moeder denkt, op wier arm hoofd nfën schande doet neêrdalen, maar aan een onderwijzer. .. nimmer! Neen, wij gelooven hier niets van die vormende kracht en bovendien hechten wij niet aan zulk eene vaste theoretische opkweeking. Wij weten immers uit de geschiedenis ; de voortreffelijkste paedagogen hadden dikwijls de meest verdorven leerlingen.
Dit voor zooverre de eenvoudigste ontwikkeling aangaat. Er zijn echter jongelieden, die hooger beschaving trachten te bereiken en daarvoor hebben wij iets dergelijks als uwe Hoogere Burgerscholen, ten minste als ik u
3°
goed begrepen heb. Natuurlijk zult gij bij ons weder eene zeer beperkte leerstof aantreffen. De Hoogere Burgerschool, laten wij haar zoo noemen, is toegankelijk voor ieder, die lezen en schrijven kan en naar hoogere ontwikkeling streeft. De leerlingen krijgen daar onderwijs in twee talen: de taal van het gewest waarin zij wonen,, bij u zou men dat land noemen en in de wereldtaal.. Over die wereldtaal spreek ik u later, het zij u genoeg te weten, dat die wereldtaal de taal is, die over onze geheele planeet gesproken en verstaan wordt. Verder krijgen zij onderwijs in het rekenen, in de kennis der natuur, waardoor wij trachten te zorgen dat zij geen. dwaze begrippen over regen, onweder enz. hebben in de aardrijkskunde en in de geschiedenis. In dit laatste vak volgens de verhevene beteekenis waarin wij dat woord opvatten, namelijk kennis van de voortgaande ontwikkeling van alles wat gestrekt heeft den toestand der menschen nader tot den gelukstoestand te voeren.
Wat de andere vakken betreft, de jongeling is volkomen vrij daarvan te volgen, welke hij begeert, hij let slechts op het vak of beroep, dat hij later kiezen wil en ziet dus wat hem nuttig kan zijn. Zoo doende wordt het aantal uren van studie niet te groot en waken wij er voor, dat de jongelieden niet door de leerstof overladen worden.
Wat het Hooger onderwijs betreft, wij hebben leerstoelen voor bijna alle vakken en men heeft slechts te kiezen welk vak men volgen wil. Welnu, wat zegt gij, van ons onderwijs ?quot;
âWat zal ik er u van zeggen, er is nog zooveel dat mij vreemd voorkomt. Zeg bijvoorbeeld eens: hoe oud
3i
of uwe jongens zijn, als zij naar de Hoogere Buiger-school gaan ?quot;
âHoe oud zij dan zijn ? Wel, wij rekenen, dat de-voorbereidende studie in lezen en schrijven hoogstens anderhalf jaar, dus volgens uwe telling één jaar vordert. Zij kunnen dus een jaar later zich aanmelden voor die inrichting. Naar uwe telling begint dus een jongen op vijftien-jarigen leeftijd zich in lezen en schrijven te oefenen, streeft hij naar hoogere kennis, dan meldt hij zich met zijn zestiende jaar aan voor eene inrichting van Middelbaar onderwijs.quot;
âGij meent dus, dat zij in één jaar flink lezen en schrijven kunnen leeren ?quot;
âZeker, dat kunnen zij, ik kan niet aannemen, dat uwe jongens minder ontvankelijk zijn dan onze jongens. Wij hebben er genoeg, die in drie maanden lezen en schrijven leeren, want gij moet weten, wij doen beide tegelijk, zij leeren de lettervormen en woorden en oefenen zich tegelijkertijd in het neerschrijven daarvan. Herinner u echter, dat ik spreek van jongens van 15 of 16 jaar, niet van kinderen van 5, 6 of 7 jaar.quot;
âGij zegt evenwel, dat al uwe kinderen, jongens zoowel als meisjes, naar de gymnastiekschool gaan ?quot;
âZeker, zij gaan reeds met het zesde jaar of volgens uwe telling met het vierde.quot;
âMaar dan komen de onmetelijke kosten, die wij voor het lager onderwijs besteden, bij u op rekening der gymnastiek-inrichtingen.quot;
âGij vergist u. Ten eerste, uwe kinderen gaan een uur of zes per dag school; hebben prachtige gebouwen noodig; keurige leermiddelen, schrijfbehoeften, leesboe-
32
ken, alle zaken die dagelijksch verslijten; tal van onderwijzers, die goed gesalarieerd moeten worden en dit toch wegens hun groot aantal zelden gedaan kunnen worden. Zes uur gymnastiek per dag zou echter dwaasheid wezen, ja eene onmogelijkheid. Zoo onze jongens en meisjes één of hoogstens twee uur eiken dag geregeld gymnastiek-onderwijs ontvangen, is dat ruim voldoende. Dit is het eerste voordeel. Ten tweede, worden er aan een Gymnastieklokaal niet zulke hooge eischen gesteld, als aan eene school, bij fraai weder werken wij in de open lucht. Ten derde kosten de gymnastiek-werktuigen bij de eerste uitgaaf wel is waar, veel geld) maar duren ook jaren. Wij eischen van de gymnastiek-onderwijzers een examen, verder houden wij toezicht op de werktuigen, helpen dikwijls de onderwijzers aan een goed lokaal, maar voor het overige laten wij het onderwijs geheel vrij. De gymnasten dragen zelf bij tot het onderhoud van hunnen onderwijzer en die bijdrage is zeer luttel voor eiken gymnast.quot;
âDit is mij nu duidelijk, maar gij zegt, dat zij, die blijken geven op twintigjarigen leeftijd nog niet te kunnen lezen, soldaat worden, tot den tijd, dat zij volkomen lezen en schrijven kunnen, wat moet dit tot een aanhoudend heen en weder trekken aanleiding geven.quot;
âJa, ik vergat iets daarbij te voegen, namelijk, dat zij in allen gevalle één jaar in dienst blijven en als zij dan nog niet lezen en schrijven kunnen, nog zoolang totdat zij beide kunnen. En ik verzeker u, zeldzaam doet zich het geval voor, dat iemand van twintig jaar noch lezen noch schrijven kan.quot;
âIk zou haast beginnen te denken, dat wij met ons
33
onderwijs een dwazen weg volgen en veel geld voor niets verspillen.quot;
âJa, niet alleen, dat gij geld verspilt, gij doet ook veel kwaad. Ten eerste, onthoudt gij der jeugd frissche lucht en die blijmoedige onbezorgdheid, die haar alleen eigen is. Laat de jeugd bij haar tollen, knikkers en springtouwen, waarom haar achtereenvolgens met opstellen, thema's, sommen en ik weet niet wat al, gekweld. Ten tweede, is dat op de schoolbanken zitten hoogst nadeelig voor de volkomen lichamelijke ontwikkeling. Ten derde, verbreekt gij de banden tusschen ouders en kinderen. Bij u heeft een vader zelden het geluk zijn zoon meer dan één uur op een dag te zien. Vraagt hij naar Eduard, dan is het: die is naar school, vraagt hij een uur later naar hem en zegt hij : ik heb hem thuis zien komen, dan is het: ja hij is wel thuis, maar heeft geen tijd, hij zit zijn werk te maken voor de lessen; wel van avond na elf uur. En wie is Eduard ? Hij is de eerste van de klasse, zijn leeraren roemen hem om strijd. En wat is Eduard ? Een jongeling van 16 jaar, bleek, met gebogen rug, linksch, een bril dragende, zwak als een aardmannetje, behept met een slechte spijsvertering en voor drie vierde teringlijder, maar wat deert dat, men zegt immers, dat hij verbazend knap is, zijn leeraren roemen hem immers om strijd. Der wereld zal hij echter nimmer eenig nut aanbrengen, want lang vóórdat de wereld hem zal geroepen hebben, zal hij haar verlaten hebben. Neen, geen geestelijke kinderarbeid, laat het kind kind blijven zoolang mogelijk, laat den zoon bij den vader blijven, de dochter bij de moeder. Laat de kinderen de spieren oefenen en de frissche vrije lucht genieten,
3
34
doet hen leven te midden der maatschappij, die hun stof genoeg biedt tot verstandsontwikkeling. Leer hen, dat de kunst des levens, verstandig leven is. En dan, wanneer zij zich krachtig gevoelen, wanneer zij bijna volkomen lichamelijk ontwikkeld zijn, dan zullen zij behoefte krijgen aan geestelijke ontwikkeling.
Open hen dan den weg der kennis, geef hun dan gelegenheid lezen en schrijven te leeren en gij zult u verbazen, hoe verwonderlijk snel zij beide vakken meester zullen zijn. Waar zij vroeger jaren onder gezucht zouden hebben, doen zij nu in evenveel maanden.
Denkt gij, dat ik iets geloof van de uitstekende vruchten van uw lager-onderwijs ; ik zeg u, dat het nagenoeg geen vruchten afwerpt. Als uwe kinderen met twaalfjarigen leeftijd de school verlaten, gaan zij naar de ouderlijke woning en het zoogenaamde âverleerenquot; begint. Op achttienjarigen leeftijd weten zij nagenoeg niets meer van taal, zij lezen gebrekkig en schrijven leelijk. Zij verwonderen zich dikwijls, hoe het mogelijk is, dat zij dit of dat niet meer weten, dat zij dit of dat niet meer kunnen. Zij weten u te zeggen, dat zij op school zoo mooi schreven en zoo goed lazen. Tien tegen een, zullen zij de waarheid zeggen. Zie bijvoorbeeld eens een brief, dien een dienstmeisje aan haren minnaar schrijft, welk een schrift, welk eene onmogelijke taal! En ga nu eens naar de school, waar zij school gegaan heeft en vraag eens aan den onderwijzer, of hij soms niet een schrift zou kunnen opzoeken van die of die, een zijner leerlingen, die nu 5 jaar geleden in de hoogste klasse zat, en wanneer de man een stapel oude schriften voor den dag haalt en den naam vindt, dan is er veel kans, dat gij
35
een keurig net geschreven cahier onder de oogen krijgt.quot;
âJa,quot; viel ik Vinnis in de reden, âik verbaas mij over de juiste inzichten, welke gij in onze toestanden hebt, maar toch moet ik opmerken, dat wij met dat zoogenoemde âverleerenquot; rekening houden, daarvoor hebben wij herhalingsscholen.quot; .
âJa,quot; zei Vinnis, âik ken dat. En wat zeggen de onderwijzers van die herhalingsscholen, weet gij wat zij zeggen? âMijn hemel, wij kunnen met deze kinderen gerust bij het begin weer beginnen, zij weten niets meer?quot;
En toch heeft het onderwijs van die kinderen zooveel duizenden gekost en hebben nuttige en noodige zaken moeten wachten, omdat het onderwijs voorging en omdat er voor het onderwijs zooveel noodig was. Neen, mijn vriend, het is altijd een dwaas ding een veulen voor een vrachtwagen te spannen, wacht totdat het veulen een paard geworden is. Geloof mij, gij deedt veel beter en zoudt minder tegen de menschheid zondigen, als gij, waar gij nu begint met herhalingsonderwijs, begont met voorbereidend onderwijs.
Welnu, hebt gij nog iets te zeggen ter verdediging van uw geldverslindend, der menschheid nadeelig onderwijs ?quot;
Ik boog het hoofd.
âNeen,quot; zei ik, âmaar ik moet uwe woorden overwegen ; zou het mogelijk kunnen wezen, dat de geheele aarde, al hare regeeringen en bewoners, zoodanig dwaalden ?quot;
âWelnu,quot; zei Vinnis opstaande, âgij hebt hier een lommerrijk plekje, peins op uw gemak, ik ga u een paar uurtjes verlaten ten einde een vriend te bezoeken. Tot straks!quot;
III.
TAAL EN GELD.
Ik zat geruimen tijd in gedachten verzonken en overwoog alles wat Vinnis mij had medegedeeld. Eensklaps kraakten de kiezelsteenen en er naderde iemand. Een bediende met een vouwtafeltje onder den arm kwam het pad op. Hij plaatste het tafeltje voor mijne bank en begon er eenige ververschingen op neer te zetten. Heerlijke dadels, fijne druiven en prachtige saprijke vijgen trokken al dadelijk mijne aandacht. De bediende verwijderde zich en ik zette mij op mijn gemak om iets te nuttigen. Terwijl ik een tros druiven naar den mond bracht, kraakten de steentjes weder en Vinnis kwam vlug naar mij toeloopen.
âLaat ik u niet storen,quot; zei hij, plaats nemende en zich het voorhoofd met een zakdoek afvegende, âverschrikkelijk warm, hé, ik ben spoedig terug, niet waar, ik heb er maar één thuis getroffen.quot;
Ik knikte. Spoedig was ik gereed. Vinnis haalde een fraaien gevlochten sigarenkoker voor den dag en hield
37
mij dien voor, mij met een blik uitnoodigende er een sigaar uit te nemen. Ik stak er een op en eene alleraangenaamste geur verspreidde zich spoedig om mij heen.
âWel, hoe bevalt zij u?quot; vroeg Vinnis knipoogende.
âAllerheerlijkst!quot; riep ik uit.
âJa, dat geloof ik wel, Venus heeft juist een klimaat voor overheerlijke tabak. Trouwens, gij, aardbewoners, kunt ook wel goede hebben, waar hebt gij alzoo de beste ?quot;
Ik noemde: Havana, Sumatra en Manilla.
âWelke breedte?quot; vroeg hij.
âOnder den Equator,quot; zei ik.
âJa, dat zal wel goede wezen, dat kan wel, dat zal zoo wat dezelfde temperatuur zijn, als die gij hier ondervindt, iets hooger. Inderdaad, zeer geschikt voor tabaksteelt.
Koman, waar zullen wij nu eens over keuvelen?quot;
âWel, gij hebt mij beloofd iets van uwen regeerings-vorm mede te deelen.quot;
âNeen, nog niet, dat bewaar ik voor het laatste gesprek.quot;
âNu, gij zoudt mij meer zeggen van de wereldtaal, de taal die op geheel Venus gesproken en verstaan wordt.quot;
âJuist, daar kunnen wij wel eens over praten. Gij moet natuurlijk weder eenige honderden jaren terug. Er was een klein land, een landje, dat ik u al eens genoemd heb, het landje Ned. Dat kleine land, dicht bevolkt, werd bewoond door een kloek en ondernemend volk. Aan de oostzijde van dat landje was een machtig buurman, het land Ger, aan de zuidzijde een even machtig
38
buurman, het land Frans. De westzijde van het landje Ned was zeekust en over de zee lag het land Eng.quot;
Op zekeren tijd, ik weet niet juist meer, wanneer het was, ontstond er in dat landje eene groote beweging. Tot dien tijd waren in de Middelbare scholen van Ned, behalve de moedertaal, drie vreemde talen onderwezen, namelijk de talen der landen Ger, Frans en Eng. Op eens echter begon men ontevreden te worden met de vruchten van dat onderwijs. Het is waar, die vruchten waren gering. De meeste jongens kenden van elke taal iets, zij hadden den naam, dat zij drie vreemde talen leerden en dat was genoeg om hen voor verbazend knappe lieden te doen doorgaan, maar in den grond der zaak was hunne kennis der talen zeer gebrekkig. Een eenvoudig gesprekje te voeren in een der talen, een goeden brief op te stellen, zonder honderdmaal naar het woordenboek te grijpen, ziet, dat was hun niet mogelijk. Zij wisten van elke taal wel iets, maar toch te weinig om zich te kunnen redden als zij toevallig met een inwoner van Ger, Frans of Eng in aanraking kwamen. Door een toeval werden die drie talen alle drie, wereldtalen. Kon iemand de taal van Ger, dan kon hij zich vrij wel overal bewegen, kon hij de taal van Frans dan ging dit nog beter en eindelijk, de taal van Eng spande de kroon; want die werd minstens op 3/4 onzer planeet gesproken en verstaan.
Op zekeren tijd dan, kwam iemand op de gedachte, om eene keus te doen uit de drie voorname talen, zich op eene toe te leggen en zoodoende in staat te geraken, die door en door te leeren verstaan. Er werd dan ook besloten het onderwijs van twee der talen op de inrich-
39
tingen van onderwijs af te schaffen en die uren aan de â¢derde te wijden, waardoor de leerlingen die taal in den grond zouden kunnen leeren en zich ten allen tijde, hetzij op reis, hetzij in den handel, zouden kunnen helpen. Het was vrij wel onverschillig welke taal gekozen werd, want alle drie waren wereldtalen en werden overal verstaan.
Spoedig bleek het echter, dat die keuze toch nog niet .zoo heel gemakkelijk zou gaan.
Ned was een landje bevolkt door stoute visschers en zeevaarders.
In dat opzicht had het vele belangen gemeen met Eng, want ook daar woonde een volk, dat zich bezig hield met visscherij en zeevaart.
Het volk van Eng had scheepstimmerwerven en het â volk van Ned ook. De scheepsbouw stond in Eng op hooge trap en eene uitstekende kennis der Engtaal kon dus niet anders dan gunstig werken op den scheepsbouw â der Neds. Het volk van Eng bezat uitstekende staatsinstellingen, groote dichters en beroemde geleerden, de wetenschappen stonden er in hooge achting, de natie der .Neds kon er dus slechts bij winnen als zij de voortbrengselen dier dichters en schrijvers gemakkelijk te genieten stelde, zij zou door de volledige kennis der Engtaal als het ware deelgenoote worden aan de producten van Engs groote mannen. Bovendien heerschte er in de geschriften der Engs een degelijke geest, geheel overeenkomende met het karakter der Ned natie; ook zij streefde naar het degelijke en praktische.
Dit laatste, namelijk de degelijke geest, deed de schaal .ten opzichte der Franstaai ten gunste der Engtaal over-
40
slaan. â Hoewel de hoogere standen zich in Ned bij voorkeur van de Franstaai bedienden, die zacht en vloeiend was en geheel geschikt voor eene aangename, geestige, vluchtige conversatie, moest zij toch het veld ruimen voor de Engtaal. Men begreep namelijk terecht, dat wilde de Franstaai de heerschende worden in Ned, nevens de moedertaal, dat dan ook de voortbrengselen den Franslitteratuur geheel gemeen eigendom moesten worden. Nu is er niets geschikter tot het aanleeren van eene vreemde taal dan het gebruik maken der lichte lectuur. Een boeiende roman lezen is een uitstekend middel. De lezer, geboeid door den inhoud, tracht alle krachten in te spannen om den zin te verstaan en komt als van zelf tot de kennis van eene menigte spreekwijzen en uitdrukkingen. De romantaai is veelmeer de taal van het dagelijksche leven dan de taal, die men bijvoorbeeld in een leerboek over sterrekunde of chemie aantreft. Sedert eenige jaren was er echter bij het Fransvolk eene zucht ontwaakt om bij voorkeur minder kiesche onderwerpen als hoofdpunt in hunne romans te behandelen. De ondeugd werd dikwijls in een schoon kleed gehuld, de zonde romantisch voorgesteld, het kwade begeerlijker gemaakt dan het goede. Voor ontwikkelde menschen had dit iets stuitends, maar deed geen onmiddelijk kwaad. Het was intusschen hoogst gevaarlijk voor jeugdige lezers. Vaders en moeders waren verplicht elk Franshoek vóór zij het hunnen kinderen in handen gaven, ernstig door te lezen en bijna altijd moesten zij het op zijde leggen, met de zucht; ja er staat veel schoons in, maar die en die passages zou ik voor geen duizend gulden onder de oogen mijner kinderen brengen. Er zijn nu eenmaal dingen, die men.
41
weten kan en doen kan, zonder dat het noodig is, ze in bijzonderheden te beschrijven. Ieder weet bijvoorbeeld, dat een tandenstoker dient om vezels en andere stoffen tusschen de tanden, te verwijderen, maar daarom behoeft men geene nauwkeurige beschrijving te geven van die vezels en stoffen, daarom behoeft men niet te zeggen, welke kleur zij hadden, of zij min of meer vochtig waren, enz. enz., dat zijn nu eenmaal zaken, wier beschrijving bij ieder kiesch mensch een gevoel van afkeer, zoo niet erger opwekt. Het Fransvolk, of liever sommige van de jongere auteurs, hadden er behagen in juist minder kiesche onderwerpen te behandelen en dit deed de koele en kalme Neds besluiten de taal der Frans niet tot de hunne te maken. Daarbij kwam, dat de Frans-taal als handelstaal niet zulk een hoog gewicht had als de Engtaal. De kernachtige kortheid van deze laatste besliste dus ten gunste van haar en deed haar de overwinning behalen op de Franstaai. De Engtaal moest echter eene tweede mededingster, namelijk de Gertaal, van de baan schuiven.
Dit ging moeielijker, want de Gertaal was bij het volk van Ned nog al doorgedrongen. De Neds waren van oorsprong Gers en hunne taal had nog zooveel overeenkomst met die der Gers, dat een Ned in staat was in ééne maand de Gertaal te leeren lezen ; het schrijven ging iets minder gemakkelijk, want de Grammatica der Gers was nog al moeielijk. Ik heb u echter gezegd, dat de Gers buren waren van de Neds en wel machtige buren. De Neds waren een klein volk, maar dapper en zeer gehecht aan hunne onafhankelijkheid, zij hadden hunne vrijheid verkregen na een jarenlangen strijd en
42
hadden alles voor die vrijheid veil gehad, zij was met recht met goed en bloed gekocht. Nu was er bij de Neds een vermoeden, dat de Gers op het bezit van hun landje vlamden; de Neds waren rijk en hun landje had een der schoonste stellingen op onze planeet; van uit Ned kon men gemakkelijk met alle streken verkeer aanknoopen, ruime havens, groote riviermonden, eene schoone ligging aan zee, alles werkte mede om Ned eene begeerlijke bezitting te maken. De Neds vreesden dus voor allen invloed der Gers en wetende, welk een machtigen invloed de taal heeft, zouden zij er nimmer aan gedacht hebben, de taal der zoo gevreesde Gers tot de hunne te maken. Zoo was dus het pleit beslecht. De Engtaal werd verkozen. De Engtaal was het meest van alle talen verspreid. In haar verscheen het grootst aantal dagbladen.
Het was de taal van den handel.
Voor eene overheersching der Engs behoefden de Neds niet te vreezen. Tegen die overheersching werd Ned beschermd door eene groote zee, want Eng was een eiland.
Eng zou er niet aan denken zich meester te maken van Ned. Al mochten de Engs door een buitengewoon fortuin in het bezit van Ned geraken, het zou hun toch nimmer mogelijk zijn zulk een bezitting op het vasteland te behouden. Bovendien, eene verovering van Ned, door een landingsleger was bijna onmogelijk; bodem en klimaat werkten mede om Ned zeer sterk te maken.
En de Engs wisten dat wel, want vroeger hadden zij tweemaal getracht zich meester te maken van Ned en wel in zeer bijzondere omstandigheden, half als vriend, half als vijand, en telkens met ontzaglijke legers;
43
-maar beide keeren was die onderneming voor hen aller-noodlottigst afgeloopen.
De keuze viel dan ook ten gunste van de Engtaal uit. Het volk van Ned nam de Engtaal aan als de taal voor âzaken.quot; Alle bestellingen en orders voor het buitenland geschiedden sedert dien tijd in de Engtaal.
En toch bleef de Nedtaal bestaan en ontwikkelde zich meer en meer. Er bestond geen gevaar, dat de Nedtaal in de Engtaal zou opgaan, integendeel het volk bleef de moedertaal hoog eeren en deze handhaafde hare plaats nevens de Engtaal.
Het voorbeeld van Ned vond navolging. Men vond het een goed voorbeeld en gij weet: goed voorgaan, doet goed volgen.
Alle volkeren van Venus namen na verloop van tijd de Engtaal aan als taal van internationaal verkeer. En alle volkeren vonden zich er wel bij en begonnen meer en meer de geheele planeet als het groote algemeene vaderland te beschouwen. Venus was der eenheid eene schrede nader gekomen.
Een onmiddelijk gevolg van het aannemen der Engtaal was het invoeren van eenige geldstukken geldig op de geheele planeet. Vóór dien tijd had elk land zijn eigen munt en dat gaf tot herhaalde herleidingen aanleiding. Het was voor de reizigers een ware straf en ging met groote geldelijke verliezen gepaard. Bij de toenemende snelheid der middelen van verkeer, was het aan één reiziger dikwijls mogelijk in een kort tijdsverloop drie of vier verschillende staatjes te bezoeken en bij elk staatje was hij verplicht zich de muntstukken van dat landje aan te schaffen.
Kort na het invoeren der Engtaal voor geheel Venus
44
kwam men echter op de gedachte om voor alle landen een viertal gouden geldstukken te slaan. De voorzijde vertoonde de planeet Venus met eenige attributen en met een opschrift in de Engtaal, met aanduiding der waarde. De achterzijde had een opschrift in de taal van het land, waarin het geldstuk geslagen was.
Zoodoende was aan de nationale ijdelheid van elk volk voldaan en door het gebruik maken der Engtaal, toch aan de eischen van het wereldverkeer toegegeven. De geldstukken waren in elk land gangbaar, hadden alle eenzelfde goudgehalte en een gelijk gewicht. Gij begrijpt, hoe zij het verkeer vergemakkelijkten.
Welnu, vindt gij niet, dat onze beschikkingen omtrent een wereldtaal en omtrent een gelijke munt, nuttige maatregelen waren ?quot;
âIk weet waarlijk niet, hoe ik woorden moet vinden om u mijne verbazing uit te drukken. Waarlijk, gij zijt ons in vele opzichten vooruit en het vreemdste is, dat alles bij u zoo rustig kalm tot stand is gekomen. Op aarde eischt de minste hervorming geweldige beroeringen, dikwijls bloedstorting.',
âJa, wij laten ons zelden door onze hartstochten medeslepen. En toch zouden wij volgens het heete klimaat hartstochtelijker dan gij moeten zijn; want gij weet, de bewoners van warme landen worden dikwijls van hartstochtelijkheid beschuldigd. Maar wij zijn een praktisch volk. Wij huldigen eene vorstin en die vorstin is de rede. Maar kom! daar nadert de bediende, hij komt ons zeker aankondigen dat het middagmaal gereed staat, laten wij. naar binnen gaan.quot;
Vinnis stond op en wij wandelden naar huis.
IV.
MIDDELEN VAN VERVOER. KOLONISATIE.
Wij hadden een keurig diner; eene echt Oostersdie tafel, zou een Indisch ambtenaar zeggen. Na het diner kwam het gesprek als van zelve op Oost-Indië.
Ik vertelde Vinnis iets omtrent de uitgestrektheid der Dnal er Nedsche bezittingen, de middelen van bestaan, de cultures enz. Hij zat aandachtig te luisteren en glimlachte nu en dan flauwtjes. Na eenigen tijd viel hij mij in de rede, met den uitroep : âHoud maar op, ik begrijp het al volkomen, nu verwondert het mij volstrekt niet meer, dat de halve Aarde nog nagenoeg onbekend is, wat een slakkengang, wat een slakkengang! Laat ik u eens vertellen hoe wij in dergelijke omstandigheden hebben gehandeld.
Om maar eens terug te komen op ons landje Ned, Dit kleine landje had in overouden tijd uitgestrekte koloniën en bezittingen. Gij weet nu al, dat de Neds stoute zeevaarders waren. Hoeveel honderd jaar Ned die koloniën wel bezeten had, zonder dat er met recht gezegd
46
mocht worden, dat het een zegen voor de beschaving,, een weldaad voor de menschheid was, dat Ned de gelukkige bezitter was dier ververwijderde landen, weet ik niet juist te zeggen; maar ik kan u verzekeren, dat er eenige eeuwen verloopen zijn, vóórdat zulk een gezegde eene onomstootelijke waarheid bevatte.
Kort na den tijd, dat de akkerverdeeling in Ned ingevoerd werd, begon er echter eene groote verandering te komen in de verhouding tusschen Ned en zijne koloniën. Door die akkerverdeeling bleek het, dat Ned zeer sterk bevolkt was. Vijfduizend inwoners op de vierkante mijl vvas eene tamelijk dichte bevolking. Ned had er echter wel zevenduizend op de vierkante mijl. Ned had ongeveer vier millioen inwoners en drie millioen was reeds een sterk cijfer geweest voor zulk een klein landgt;
Neem in aanmerking, dat ik, als ik van vierkante mijlen spreek, mij tracht uit te drukken in de maat, welke gij aangegeven hebt, toen wij de overbevolking bespraken.
Ned kon dus wel een millioen inwoners missen en de bezittingen van Ned hadden behoefte aan beschaafde lieden. Er werd dus iets op bedacht om de emigratie naar de bezittingen te bevorderen. Een hoofdzaak was het, dat men maakte, dat zij, die zich in de bezittingen nederzetten, gemakkelijk en spoedig in het bezit van land konden komen. Dit was spoedig geregeld, de uitgifte van landerijen ging eenvoudig en vlug in het werk. Vóór iemand vertrok uit Ned, wist hij reeds, waar zijn land lag, hij had het in kaart gezien en werd door eene beknopte beschrijving reeds op de hoogte gesteld van plaatselijke omstandigheden, van soorten van gewassen
47
wier teelt de meeste kansen van slagen aanbood enz. Men ging met het uitdeelen der gronden niet roekeloos te werk, men volgde denzelfden regel als in 't moederland, alleen waren de stukken iets, hoewel niet veel, grooter. Men gaf nimmer gronden uit op eene plaats buiten de beschaafde maatschappij. Men ging steeds uit van een vast centrum, waar reeds eene nederzetting was en breidde die dan langzamerhand uit. Zoodoende kon iemand, die zich nederzette, gemakkelijk geholpen worden door hen, die reeds gevestigd waren. Daardoor bespaarde men den nieuw aangekomenen alle ellende, die bijna altijd geleden wordt door planters, die zich op eene geheel woeste plaats nederzetten. Het streven was, het den planters gemakkelijk te maken, zoo gemakkelijk als maar eenigszins mogelijk was. De overtuiging heerschte, dat er toch nog bezwaren genoeg voor hen overbleven, welke overwonnen moesten worden.
Degelijke werkjes, populair geschreven, behandelden den aard der gronden, de geschiktste manier van bebouwen enz., en de planters konden reeds voor hun vertrek uit het vaderland zich door ijverig lezen, eenigszins op de hoogte stellen. Er werden maatschappijen opgericht, die zich ten doel stelden den planters bij hunne aankomst van flinke en degelijke werktuigen, van zaden enz. te voorzien. Er was zelfs eene maatschappij, die beknopte, sierlijke houten woningen geheel gereed in 't vaderland aftimmerde, dan uit elkander nam, ze vervoerde en op de plaats der nederzetting weder opbouwde; zoo kon een planter in één dag rustig in zijne eigen woning zitten. Spoedig ging men nog verder; er vormde zich namelijk eene maatschappij, die allen welke lust
48
hadden zich in de koloniën neder te zetten, kosteloos overvoerde. Zij, die op die manier de heenreis deden, gingen slechts eene verplichting aan, zeer gemakkelijk gesteld, waarbij zij beloofden na verloop van een bepaald aantal jaren, in termijnen de kosten te zullen terugbetalen.
Gij kunt begrijpen, dat die maatregelen gunstig werkten. Spoedig groeide het aantal nederzettingen aan, meer en meer poogden de inwoners van Ned hun fortuin te maken in de koloniën en die koloniën, vroeger slechts een soort van wingewesten, slechts van belang met het oog op de baten, die zij der schatkist van het moederland schonken, kwamen tot ongekend hoogen bloei. De koloniën kregen geheel de eigenaardige inrichtingen der beschaafde landen. Toen er tal van planters heengetrokken waren, volgden de ambachtslieden en winkeliers.
Timmerlieden, schilders, smeden, metselaars, kooplieden, allen werkten mede de geheele maatschappij het evenbeeld van het moederland te maken. Wel, hoe bevalt u die manier van kolonisatie?quot;
âUitstekend, ik bemerk wel, dat gij mij ook op dat gebied heel wat nieuws kunt mededeelen. Bij u vergeleken zijn wij op de Aarde nog leerlingen. Gij zijt ons in alles eenige honderden jaren vooruit. Maar hoe is het met uwe middelen van vervoer?quot;
âJa, vertel mij eens iets van uwe vervoermiddelen en dan zal ik u iets van de onze zeggen. Ik geloof echter niet, dat gij daarin veel bij ons ten achteren zult wezen, want eigenlijk zijn wij geen menschen om ons veel op vervoermiddelen, te weten voor personenvervoer, toe te leggen. Wij houden er niet van om nu hier en dan weer daar te zitten. Gewoonlijk blijven wij dicht bij huis; doen
49
â wij eene reis, dan is het gewoonlijk eene heele groote, namelijk als wij emigreeren en dan blijven wij meestal op de plaats waar wij heengetrokken zijn, zonder ooit weder naar het oude vaderland om te zien. Maar vertel :mij iets van uwe manier van reizen.quot;
Ik sprak tegen hem over onze stoombooten, onze spoorwagens, onze trams, onze mailbooten enz. Hij zat met het grootste geduld te luisteren.
âJuist als ik dacht,quot; zei hij. âGij reist bepaald verbazend veel. Het is bij u zeer stellig tegenwoordig een soort van manie, elk oogenblik van de eene plaats naar de andere te wippen. In eenige uren gaat gij met duizelingwekkende snelheid en dikwijls onder groote gevaren van de eene plaats naar eene andere, die op een honderd uren afstands ligt. Gij vliegt in haast eenige landen door, zonder er iets van te zien, zonder een der bewoners te hooren spreken, of het moest een conducteur van den trein of een uwer medereizigers zijn. Gij komt eindelijk bestoft en vermoeid in een of ander vreemd hotel aan, waar gij volstrekt niet op uw gemak zijt en waar gij aan alles gebrek hebt, maar u troost met de gedachte, dat gij op reis zijt en. dat gij het zoo nauw niet nemen moogt.
Wij reizen zeer zelden. Liefst blijven wij te huis. Het â¢moet al eene zeer gewichtige zaak wezen, welke in staat is ons naar eene andere plaats te voeren. Wij hebben wellicht ook minder reden dan gij, naar eene andere plaats te gaan.
Bij u zijn de verschillende leden van een huisgezin dikwijls gedwongen op verschillende plaatsen hun brood te .gaan zoeken.Bij ons komt dat, zooals gij weet, zelden voor.quot;
4
50
âEn wij reizen veel voor den handel,quot; zei ik.
âZeker, dat geloof ik wel. Wij trachten alles zoo het mogelijk is en het is ons bijna altijd mogelijk, per brief af te doen. Wij hebben eene vaste gewoonte: een zoon, die eene zaak van zijn vader overneemt, begint gewoonlijk met een rondreis langs de verschillende kantoren en al zijn die kantoren ook in ver verwijderde landen, dit schrikt hem niet af. Wij maken gebruik van spoorwagens, maar meer nog van trams en wel het meest van stoomtrams. Ons liefste voertuig is echter de voet-wieler.quot;
âEen voetwieler,quot; vroeg ik, âwat is dat?quot;
âDaar gaat er juist een,quot; antwoordde hij, naar buiten wijzende, waar ik een heer op een velocipède snel voorbij zag rijden.
âZoo,quot; zei ik, âdus de velocipède of tweewieler.quot;
âZoo, draagt hij dien naam bij u,quot; zei hrj, âwij. noemen hem voetwieler. Wat gij daar ziet is een tweewieler; wij gebruiken echter het meest den driewieler.
âZulke hebben wij ook,quot; zei ik.
âJa maar, dat zal een driewieler wezen, zooals wij eerst hadden. Onze tegenwoordige driewielers zijn uitstekende vervoermiddelen. Zij zijn gelijk aan de twee-wielers, maar inplaats van één achterwiel, zitten er twee aan een korte stang, en daarboven is een net zitbankje aangebracht, waarop een persoon en een kind kunnen zitten. Zoodoende kan men gemakkelijk met. zijne vrouw een toertje doen. Dokters maken er veel gebruik van, zij laten zich door hunnen knecht rondrijden en doen op die manier visites. Wij hebben ook familiewielers. Daar is een groote zitbank op, soms weL
5i
twee, groot genoeg voor een geheel huishouden, maar daar staan twee groote wielen voor. Dat soort is prettig als men met een geheele familie op het land gaat thee drinken of iets dergelijks. Wat de stoombooten betreft moet gij weten, dat wij zeer ingenomen zijn tegen verbazend groote stoombooten; die zoogenaamde drijvende steden staan bij ons volstrekt niet in hooge achting. Op onze binnenwateren staat de sleepdienst hoog aangeschreven. Wij hebben groote stoombooten, geheel en. al machine, met breeden bodem en het is een zeer eigenaardig gezicht zulk een reus, stoomend en blazend te zien voorbijsnuiven, terwijl een twintigtal schepen aan elkander gehaakt en aan den sleeper verbonden, vreedzaam zich laten voorttrekken.
Dan hebben wij nog iets, dat gij waarschijnlijk niet kent, ten minste gij hebt er niet van gesproken, namelijk de locomotief voor rivier â en kanaalsleeperij. Op eene stelling, gewoonlijk onder tegen den wal of oever, laten wij eene locomotief loopen, welke niets anders doet, dan de groote schepen voortsleepen. Vooral bij steden, die door een kanaal met de zee verbonden zijn, brengt dat binnensleepen der groote zeeschepen veel gemak aan en bespaart veel tijd. Gewoonlijk loopt er aan elke zijde van het kanaal zulk een locomotief: één voor de opgaande schepen en één voor de afvarende.quot;
//Dat is niet onaardig,quot; zei ik.
âHet is nuttig. Maar laten wij nu eens wat anders gaan doen, een beetje muziek maken, een spelletje spelen, zeg maar wat, maar eene kleine afwisseling, want ik ben moe van het spreken. Morgen zullen wij weder het een of ander behandelen.quot;
52
Ik wilde gaarne gelooven, dat hij moede was. Ik stelde hem dan ook voor een partijtje te schaken en eenige oogenblikken later, zaten wij onder het genot van een glas fijnen wijn en van eene geurige sigaar ons te verdiepen in de geheimen van het edele schaakspel.
V.
DOODSTRAF, BEDELARIJ, enz.
Toen ik den volgenden morgen beneden kwam, vernam ik dat Vinnis in zijne bibliotheek was. Onmiddelijk begaf ik mij daarheen. Hij ontving mij met een welge-meenden morgengroet.
âZie zoo,quot; zei hij, ânu ben ik weder tot uwen dienst, vraag mij maar gerust en ik zal u van alles naar mijn beste vermogens uitlegging en verklaring geven.quot;
âWelnu om te beginnen,quot; zei ik, âzeg mij maar kort en goed, of bij u de doodstraf wel eens toegepast wordt.quot;
âGij hadt kunnen beginnen met te vragen, of er bij ons wel eens grove misdaden voorkwamen.
Ja, er worden bij ons wel eens moorden begaan. Niet dikwijls, maar toch zijn er jaren, dat het gebeurt, dat er twee menschen op Venus vermoord worden. Ja, wij hebben kort geleden nog een jaar gehad van vijf moorden. Maar toen was de ontroering op Venus algemeen.
âGoede Hemel,quot; riep ik uit, âmaakt gij u over zulk een klein aantal ongerust, dan moest gij eens op aarde zijn.quot;
54
âJa/' hernam hij, âdaar zullen wel ijselijker dingen gebeuren, maar dat is voor ons geene verontschuldiging. Gij moet echter altijd bedenken, dat ik van het beschaafde gedeelte van Venus spreek, van het onbeschaafde gedeelte weet ik eenvoudig niets. De wilden kunnen elkander dagelijks braden en opeten zonder dat wij er iets van gewaar worden.
Wij hebben dus een jaar gehad van vijf moorden. En gij wilt gaarne weten, wat wij met de moordenaars doen ? Weet dan, dat wij gevangenissen hebben, waarin wij hen, die bewijzen geven, dat zij niet geheel en al voor onze maatschappij geschikt zijn en voor hunne mede-menschen gevaarlijk worden, voor korter of langer tijd opsluiten. Een onzer stellingen zegt: de mensch is dan eerst met recht mensch, wanneer hij blijken geeft, dat hij zijn hartstochten bedwingen kan.
Geeft een onzer bewijzen, dat de hartstochten hem de baas worden, dat hij gevaarlijk wordt voor zijne medeburgers, dan verplichten wij hem eenigen tijd tot eene gedwongen afzondering. Die afzondering is voor de Venusbewoners een zware straf; want frissche lucht en de vrijheid is het schoonste en lieflijkste wat zij kennen. Geeft iemand aanstoot aan de openbare zedelijkheid, steelt hij, of doet hij eenige andere voor zijne mede-menschen nadeelige zaak, dan sluiten wij hem voor eenigen tijd op. Moordenaars verkeeren echter in een ander geval. Natuurlijk overwegen wij wel degelijk onder welke omstandigheden de moord heeft plaats gehad. Blijkt echter, dat de moord lang te voren overlegd is, dat hij in koelen bloede begaan is, dat het dus geheel en al in de bedoeling van den moordenaar lag
55
â om te moorden, dan kent onze wet geen medelijden. Wij hebben een tijd gehad, dat wij een moordenaar tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden, daarvan zijn wij echter spoedig terug gekomen. Wij gingen overwegen, dat zulk een schepsel, wanneer hij twintig of dertig jaren ten koste van zijn medeburgers onderhouden werd, heel wat noodig had, veel meer dan hij wellicht â¢ooit aan het algemeene wereldkapitaal had bijgedragen. Die kosten waren drieledig. Ten eerste, wat hij gedurende dien tijd aan voedsel noodig had, ten tweede, zijn aandeel aan het personeel der gevangenis, hoe minder â gevangenen, des te minder bewakers, ten derde, zijn aandeel in het gebouw der gevangenis, hoe minder gevangenen des te kleiner gebouwen. Zulk eene gevangene kostte dus zijnen medeburgers een schat van geld. Er waren liefhebbers van cijferen, die eens uit gingen rekenen, wat zulk een moordenaar zijnen medeburgers wel kostte. Toen die som bekend werd, en men er over na ging denken, kwam men tot de overtuiging, dat men met datzelfde geld vele eerlijke menschen groote hulp kon verschaffen en toen weifelde men niet langer. Men volgde sedert dien tijd den regel; op duidelijk bewezen moorden volgt de doodstraf. Die doodstraf geschiedde echter niet in het openbaar, maar op de binnenplaats der gevangenis. De terechtzitting had echter in het openbaar plaats, men zorgde er slechts voor, dat zulk eene zitting niet in eene tooneelvoorstelling ontaardde, zooals vroeger wel eens gebeurd was.
Wij hebben een tijd gekend, een tijd van overspanning, het was toen bijna een pleizier moordenaar te zijn. De moordenaar wist namelijk, dat zijn naam op aller lippen
56
was, dat zijn portret in alle deelen van Venus verkocht werd; dat de schoonste dames in groot toilet bij zijn' verhoor tegenwoordig zouden zijn. In één woord: hij' wist, dat er tusschen zijne gevangenneming en terechtstelling een jaar of een half jaar van overspanning, van genot zou verloopen, dat hij gedurende dien tijd de held van een bloedig drama zou zijn, een drama voor het oog der geheele wereld gespeeld. Dat hij al het onaangename, maar ook al het aangename, verbonden aan die hooge rol, zou ondervinden. Hij had slechts te zorgen, dat hij een allergruwelijkste misdaad beging, de bijzonderheden konden niet ijselijk genoeg zijn. Slechts vreeselijke daden konden de belangstelling eener ziekelijke en overspannen maatschappij opwekken. Gelukkig echter, die tijd ligt honderden jaren achter ons; het was in den tijd, die de akkerverdeeling voorafging,, het was in de jaren, toen nog die verschrikkelijke klove tusschen armen en rijken bestond. Zoo handelen wij dus tegenwoordig met de moordenaars. Onze gewone gevangenen, allen afzonderlijk opgesloten (gemeenschappelijke cellen bestaan er op Venus niet) krijgen goed voedsel, maar wij wachten ons wel het hun aangenaam te maken. Wij hebben het advies gevraagd van onze bekwaamste doktoren. Wij vroegen hun de opgaaf van een zeer soberen kost, niet overheerlijk, maar toch gezond en voedzaam genoeg om geen nadeeligen invloed uit te oefenen op het lichaam van een mensch. Volgens het voorstel onzer doktoren zijn sedert dien tijd onze gevangenen gevoed en ik verzeker u zij lijden volstrekt in geenerlei opzicht gebrek, maar toch is hun eten en drinken van dien aard, dat zij liever deel zouden hebben
57
aan het voedsel der armste hutbewoners, dan altijd gevangeniskost te gebruiken. Voor frissche lucht en gepaste beweging zorgen wij uitstekend. Gewoonlijk verlaten dan ook de gevangenen in uitstekende gezondheid de gevangenis. Dit kan ik u echter verzekeren, als zij de groote gevangenisdeuren doorstappen bij het verlaten der gevangenis, doen zij twee zaken te gelijk: eene verwensching en eene belofte. Zij venvenschen in krachtige woorden de gevangenis en zij doen zich zeiven de heilige belofte, dat zij wel zullen zorgen er nimmer weder binnen te komen. Onze gevangenis heeft dus een heilzamen invloed.
Bedelarij komt bij ons uit den aard der zaak weinig voor. â De meeste menschen schamen zich te bedelen. â Broodsgebrek slechts kan iemand tot bedelen drijven.
Broodsgebrek is echter op Venus eene bijna onbekende zaak. Nu weet ik wel, dat er uitzonderingen op den regel zijn en dat er wel wezens bestaan, zoo diep gezonken, dat zij zonder noodzaak de hand uitsteken voor een aalmoes, maar met deze lieden maken wij weinig moeite.
Wij maakten reeds eeuwen geleden onderscheid tus-schen bedelaars buiten staat te werken en bedelaars in het volle bezit van hunne lichamelijke krachten. Zij konden niet in staat zijn te werken door ouderdom, of door een of ander lichaamsgebrek. Ouderdom of lichaamsgebreken werden echter soms voorgewend; de bedelaars waren listig in alles wat kon medewerken om het medelijden op te wekken. Daarom voerden wij al spoedig in, dat zij die bedelden in het bezit moesten zijn van een papier, waarop stond: hun naam, signalement, benevens eene verklaring door een geneesheer onderteekend, waarin
58
de gebreken van den bedelaar geconstateerd werden. Bedelden zij zonder zulk een papier dan liepen zij gevaar opgepakt te worden en een plaatsje in de gevangenis of in het werkhuis te krijgen.
De zoogenaamde gezonde bedelaars werden, zoo zij betrapt werden, onmiddellijk naar het werkhuis gebracht.
Toen echter het land steeds goedkooper werd, en men voor een weinig geld eigenaar of ten minste huurder van een stukje grond kon worden, toen slechts een onverbeterlijke luiaard in het geval kon verkeeren van gebrek te lijden, toen verdween de bedelarij geheel. Daarbij kwam, dat er eene menigte stichtingen verrezen, waarin ouden van dagen een genoegelijk en rustig te-huis konden verkrijgen.
Hierbij komt, dat iemand op Venus niet gemakkelijk tot armoede kan vervallen. Bij u op aarde zijn er drie groote omstandigheden waardoor men arm kan worden. Men kan door brand, door aardbeving of iets dergelijks zijne bezittingen verliezen. De man, de kostwinner van het huisgezin kan plotseling sterven en zijne vrouw en kinderen in armoede achterlaten. Ook kan men door ouderdom of ziekte buiten staat geraken het dagelijksch brood voor zich en de zijnen te verdienen.
Die gevallen bestaan bij ons niet. Gij moet namelijk weten, dat wij bij ons nagenoeg geene belastingen hebben, hoe dit komt zal ik u in een ander gesprek verklaren. Men gaat hier dus niet gebukt onder belastingen en dit is de reden, dat men eene vaste bijdrage kan leveren, ten einde te voorzien in mogelijke rampen. Die vaste bijdrage omvat zoowel eene vergoeding bij
59
brandschade, of bij schade ten gevolge eener aardbeving, als eene uitkeering aan de weduwe of kinderen bij het overlijden van den man en ook eene tegemoetkoming bij ziekte of eene ondersteuning op den ouden dag.
Alle bewoners van Venus doen mede aan die bijdrage, niemand, hoe rijk ook, kan er zich aan onttrekken en juist door die algemeene deelneming, kan de bijdrage zeer laag gesteld worden.quot;
âIk moet weder de gewone opmerking maken,quot; zei ik, âuwe inrichtingen en instellingen zijn zeer voortreffelijk. Ik neem aan dat men bij u niet gemakkelijk tot armoede vervalt. Gij hebt echter op uwe planeet waarschijnlijk de kwaal niet, die wij op de onze hebben en die wij onzen volkskanker noemen, ik bedoel het misbruik van sterken drank. Duizenden boeken zijn er geschreven over de rampen door dat geestrijke vocht teweeggebracht. Vereenigingen zijn er opgericht, wier eenig streven was, dat misbruik tegen te gaan en de mensch-heid van die plaag te verlossen, en toch woekerde het kwaad steeds voort en maakte meer en meer slachtoffers. De vrede der huisgezinnen werd verstoord, vele gezinnen werden tot den bedelstaf gebracht. Diefstal en moord waren de getrouwe gezellen van dronkenschap. En toch durf ik u zeggen, dat wij alle denkbare pogingen in het werk stelden om het kwaad te stuiten. De regeeringen der verschillende natiën sloegen de hand aan den ploeg en zochten door wetten het drankverbruik te beperken ; de resultaten van al hare bemoeiingen bleven echter gering.
Maar gijlieden, gij hier op Venus, gij zult wel vrij ^ijn van die plaag, met uwen gelukstoestand is zij on-
6o
vereenigbaar. Stellig, gij weet wellicht niet eens wat sterke dranken zijn.quot;
Een herhaald knikken van Vinnis, deed mij plotseling ophouden.
âNiet alleen, dat wij zeer goed weten, wat sterke dranken zijn,quot; zei Vinnis, âwij gebruiken er zelfs eene groote hoeveelheid van. Ik zal niet zeggen, dat wij zooveel gebruiken als gij, want over het algemeen zult gij wel opgemerkt hebben, dat het gebruik in een koele luchtstreek grooter is, dan in een warme en gij weet, dat onze gemiddelde temperatuur ongeveer tweemaal die der aarde is; maar toch wordt er hier veel drank gebruikt en soms wel eens misbruikt ook. Vroeger was het drankgebruik hier zonder eenige beperking en dit had wel eens schandelijke tooneelen ten gevolge. Wij hadden drankhuizen ; daar kwamen eenige lieden bij elkander om enkele glazen geestrijk vocht te drinken. Men kon ook minder gevaarlijke dranken in die huizen krijgen en naar die minder schadelijke dranken, kregen die huizen gewoonlijk hunnen naam. Men noemde ze: theehuizen, melkhuizen, koffiehuizen, chocoladehuizen, maar het hoofdartikel van omzet was en bleef sterke drank. In die drankhuizen werd veel gedronken en er hadden dikwijls woeste tooneelen plaats. Het gebeurde wel eens, dat de bezoekers, als zij eindelijk het drankhuis verlieten, geheel bedwelmd waren en in beklagens-waardigen toestand over den weg liepen.
Daarbij kwam nog, dat zij in die huizen dikwijls zoodanige verteringen gemaakt hadden, dat hun huisgezin gedoemd was een week of soms langer, gebrek te lijden. Vrouwen en kinderen leden er onder en daar de drank
6i
sommige der mannen woest en wild maakte, hadden er, nadat zij beschonken thuisgekomen waren, menigmaal hevige twisten plaats. Het is meer dan eens gebeurd, dat zulk een man zijne vrouw op gruwelijke wijze mishandelde. Het werd hoog tijd, dat er aan dien toestand een einde gemaakt werd.
De verschillende besturen begonnen het aantal gelegenheden voor drankgebruik te beperken.Vele drankholen werden op die manier opgeruimd. Eindelijk werden zij alle tegelijk afgeschaft. Er werd gezegd : het tappen van drank in elk melkhuis, theehuis of hoe zulk een huis ook mocht heeten, is, aanvangende met het Nieuwe jaar, voor altijd verboden. De houders van die huizen bleven echter het recht behouden, den voorraad drank, die zij met dien datum nog in huis mochten hebben, bij de maat of flesch uit te verkoopen. Dit was voorloopig niets dan eene verplaatsing van het kwaad, men bracht het van het drankhuis naar de woning. Nu men in een melkhuis of theehuis geen sterken drank meer mocht gebruiken, liet men dien drank in huis halen en vergastte er zich daar op. Die verplaatsing bleek echter weldra iets meer dan eene eenvoudige verplaatsing te zijn, het was eene werkelijke verbetering, het was eene groote schrede nader tot het doel, namelijk tot de uitroeiing van het kwaad, door sterken drank gesticht. Ten eerste; drank, die men in huis gebruikte, was niet vermengd met schadelijke be-standdeelen, zoo als in de drankhuizen nog al eens gebeurde. Ten tweede, was men thuis onder de zijnen ; een liefderijke blik van eene moeder, een vriendelijk woord van eene vrouw, was dikwijls genoeg om den man tot een matig gebruik te beperken en misbruik
62
tegen te gaan. Ten derde, was de atmospheer te huis niet bezwangerd met alle mogelijke ongezonde dampen. Ten vierde, waren de gewone gezellen der dronkenschap: spel en weddenschappen in den huiselijken kring niet denkbaar. En gebeurde het soms eens, dat ter gelegenheid van een of ander vroolijk feest, een der huisgenooten meer gebruikte dan wel goed voor hem was, dan nog waren de omstandigheden voor hem van geheel anderen aard, als wanneer dit in een theehuis zou gebeurd zijn.
Hij liep dan ten minste geen gevaar in beschonken toestand over de straat te gaan tot ergernis van jong en oud en dikwijls met gevaar van eigen leven; want ia dergelijken toestand is noch op de stevigheid der beenen^ noch op de juistheid van het oog staat te maken. Sedert dien tijd nam het drankgebruik sterk af. Er waren wel eenige personen, die de wet trachtten te ontduiken en onder allerlei voorwendsels, bijvoorbeeld het verhuren van zitplaatsen enz., gelegenheid wilden geven tot het gebruiken van sterke dranken, maar de zware boeten,, die op dergelijke overtredingen stonden, benamen den stoutmoedigste weldra den lust met de wet te spotten.
En met de afneming van het drankgebruik hield de toeneming van koffie- en theegebruik gelijken tred. De bewoners van Venus begonnen er smaak in te krijgen een kop sterken koffie of een flinken kop chocolade te gaan gebruiken op dezelfde plaatsen, waar zij vroeger zich te buiten gingen aan sterke dranken. De eigenaars der melk- en theehuizen, die eerst hemel en venus bewogen hadden, omdat zij beweerden groote schade te lijden met die nieuwe regeling, moesten zelf later erkennen, dat sedert de invoering dier wet, hun welvaart eer
63
vermeerderd, dan verminderd was. En in vergelijking van hunne tegenwoordige broodwinning met de vroegere, noemden zij de laatste een âakelige.quot;
Er was echter nog iets, wat medewerkte ons zoo innig verheugd te maken, toen wij vernamen, dat het drankgebruik meer en meer afnam.
Er bestond iets vreeselijks op Venus, ik weet niet of het bij u bestaat?quot;
âWat meent gij?quot; vroeg ik.
âIk heb u gezegd, dat er mannen waren, die door het gebruik van sterken drank woest en wild werden en toegaven aan hevige hartstochten. Er waren mannen, die aan zulke opwellingen zoodanig toegaven, dat die opwellingen een blijvend karakter verkregen, waardoor de menschen geheel en al in eenen toestand geraakten,, welke niet alleen beneden den mensch, maar zelfs beneden de dieren was. Zij werden verward van geest, spraken in zonderlinge onsamenhangende volzinnen, lachten allervreemdst en akelig, meenden onmogelijke dingea te zien.quot;
âIk weet al, wat gij bedoelt, wij noemen dat krankzinnig en als het door het gebruik van sterke dranken ontstaat, hebben wij er nog eene andere benaming voor.quot;
âZoo, gij kent dus ook iets van dien aard. Die toestand kon bij ons ook uit andere oorzaken ontstaan, namelijk uit hoogmoed, geldzucht enz., maar de meeste slachtoffers dier ongelukkige ziekte waren misbruikers van sterke dranken. Wij hielden hen opgesloten in gestichten, waar zij hun kommerlijk leven voortsleepten en waar wij beproefden hen te genezen. Soms gelukte dit laatste ons.
64
Sedert de invoering onzer drankwet, veranderde echter de toestand in de gestichten. Wij vernamen met genoegen, dat het aantal lijders bijna dagelijks afnam. Onze gestichten waren spoedig slechts half bevolkt en na verloop van tijd zag men het eene gesticht na het andere verdwijnen, zoodat zij na eenige jaren gedecimeerd waren.
Dit is de geschiedenis van onzen strijd tegen het drankmisbruik. Let wel, ik zeg niet tegen het drankgebruik, want nog heden wordt er drank op Venus gebruikt.
Vraagt gij mij echter, of ik dat betreur, dan moet ik volmondig antwoorden, dat ons drankgebruik evenzeer strekt om het menschelijk leven te veraangenamen, als om het minder aangenaam te maken. Daarbij komt, dat wij er van houden ons goed te voeden en het is mijne vaste overtuiging, dat sterke drank op een goed doorvoed lichaam, weinig schadelijken invloed kan uitoefenen.
âEn wat denkt gij ?quot; vroeg Vinnis opstaande, want een bediende kwam hem aankondigen, dat er iemand was om hem te spreken.
âIk beaam ten volle, wat gij zegt,quot; zei ik, âen ik kan u niet genoeg dankzeggen voor de volledige inlichtingen welke gij mij verschaft hebt.quot;
âGij behoeft mij niet te bedanken. Het is mij genoeg als ik verneem, dat gij met onze instellingen ingenomen zijt. Ik zou echter bijna een andere zaak van gewicht vergeten te bespreken en toch is het eene zaak die met het drankmisbruik in nauw verband staat. Wacht even, zie zoolang een of ander boek in, ik ben spoedig terug.quot;
Vijf minuten later kwam hij reeds weder de kamer binnen. âIk wilde u nog spreken over de volksverma-
65
kelijkheden, ik heb altijd openbare uitspanningen beschouwd als uitstekende middelen tegen verveling.
Wij hadden reeds vroeg de overtuiging, dat de drankhuizen hun druk bezoek 'des avonds vooral te danken hadden aan de weinige gelegenheid, welke het volk bezat om zich te ontspannen. Menigeen werd door verveling naar het theehuis gedreven. Wij hadden komedie's, opera's, paardenspellen, concerten, wij hadden gelegenheden van vermaak en genoegen in overvloed, maar helaas, het ging velen boven de macht er gebruik van te maken; want de prijzen voor toegang waren zeer hoog en boven het bereik der meeste menschen. Spoedig begrepen wij dat iets gedaan moest worden om onze Qomedie's en paardenspellen voor het publiek geheel toegankelijk te maken en wij deden kort en goed een stouten stap, wij zeiden; zij die zulks verkiezen, hebben vrijen toegang, slechts zij, die niet behoorlijk gekleed zijn of door hun gedrag de voorstelling storen, kunnen verwijderd worden. Wij lieten de rangen voor betalenden bestaan en wel in hunne bestaande verhouding, wij voegden er slechts één rang van niet betalenden bij. Er was aan eiken schouwburg een ingang voor hen, die kosteloos toegang wilden hebben, er waren afzonderlijke ingangen voor de betalenden. De betalenden hadden echter een paar vrijheden, die den niet betalenden ontzegd waren.
Zoo mochten zij bijvoorbeeld gedurende de voorstelling binnenkomen. De niet-betalenden hadden een bepaald uur, bijvoorbeeld tusschen 7 en 8 uren, dat de toegang geopend was.
Ieder, die dus lust had een of ander mooi tooneelstuk
66
te zien, begaf zich maar naar het gebouw en slechts in het geval, dat hij te laat kwam: in het geval, dat alle plaatsen reeds bezet waren, zou dat genot hem ontzegd worden.quot;
âMaar,quot; riep ik uit, âontstond er dan bij u geen gedrang, geen gevecht?5'
âWel neen,quot; antwoordde Vinnis, âwij gebruikten ons verstand en namen de eerste keeren de noodige voorzorgsmaatregelen. Wij waren in het begin wel een weinig bang voor gedrang en daarom bedachten wij er iets om op mogelijke ongelukken te voorkomen. Wij plaatsten voor de deur van ingang een soort van ijzeren loopgang, van spijlen gemaakt, ongeveer ter hoogte van een man. Die loopgang begon wijd, evenals een hoorn van overvloed en liep nauw toe, zoo nauw, dat er eenige meters vóór de deur slechts een wijdte voor één mensch overbleef. Die loopgang was van een groot aantal naar buiten openslaande hekjes voorzien. Toen de eerste proef genomen werd voor toelating van allen, stond er bij elk hekje een agent of rustbewaarder, die zorgde, dat niemand die hekjes van buiten af binnen ging en hij die er uit kwam was verplicht, zoo hij opnieuw zijnen tocht naar de deur wilde vervolgen, weder aan de breede opening van den loopgang te beginnen. Zoo kon men de deur naderen, totdat alle plaatsen bezet waren. De laatstaangekomenen liepen echter wel eens gevaar de deur gesloten te vinden, trouwens dit was een ramp, welke zelfs den betalenden wel eens overkwam, want ook hun gebeurde het wel eens, dat de toegang hun geweigerd moest worden, omdat de plaatsbiljetten uitverkocht waren.
67
Op die manier gaven wij personen, die geen geld hadden om den toegangsprijs te betalen, of die hun geld voor andere zaken beter konden besteden, de gelegenheid van de voorstelling te genieten.
Sedert dien tijd konden duizenden menschen, slecht gezegend met tijdelijke goederen, even goed als rijkeren, genieten van de schoone voortbrengselen onzer groote dichters, schrijvers en componisten. Menig uurtje van genot en ontspanning werd hun daardoor geschonken en hunne kunstzin werd ontwikkeld. Ik behoef u niet te zeggen, dat wij die regeling zoowel op schouwburgen als op gymnastiekzalen en concerten toepasten. En de muziek speelde bij alles een hoofdrol: wij zijn groote liefhebbers van muziek. Ik kan u verzekeren, menigeen die een paar uurtjes onder heerlijke muziek, in een schitterend verlichte zaal, eene keurige voorstelling bijwoonde, voelde zich die uurtjes volkomen gelukkig. Menigeen voelde zich dan een nieuw mensch, droefheid en zorg werden voor een oogenblik op zijde gezet. Ontspanning leidde tot versterking der zedelijke krachten en menigeen voelde zich in staat de moeielijkheden des levens het hoofd te bieden, met meer moed en met meer kracht, dan hij ooit te voren ontwikkeld had.
Het streven van elk Venusbewoner is iets bij te dragen tot het geluk aller menschen. Al is dat iets nog zoo weinig, het wordt gewaardeerd; maar wij hebben geen genade voor hen, die zouden willen trachten het geluk der menschheid te verminderen. Wij hebben de meeste uwer rampen gelukkig niet, maar toch kan de mensch op Venus nog genoeg beproevingen ondervinden. De dood zwaait ook hier zijn machtige sikkel en hoewel
68
voor vele, niet voor alle ziekten, is bij ons kruid gewassen. Zeker is het echter, dat Venus bij de Aarde vergeleken een Eden is. Als ik aan de armoede denk, die bij u geleden wordt, noodeloos geleden, dan gaat mij eene rilling door de leden. Armoede is de moeder van duizend ondeugden en misdaden. Armoede doet den mensch beneden het dier zinken.
Ik begrijp echter niet, hoe het mogelijk is, dat gij onder zulke droevige omstandigheden kunt voortleven. Waarom de hand niet aan den ploeg geslagen. Gij zijt waarlijk voor lieden van een koud klimaat toch al heel weinig praktisch. Wij zouden al spoedig zeggen: er is veel ellende op Venus, veel te veel, waartoe is dat nuttig, tot niets, welnu dan moet die ellende ophouden. Waar zit de oorzaak? Wij willen niet rusten vóórdat wij de oorzaak gevonden hebben. Is de oorsprong der kwaal eenmaal bekend, welnu, dan alles wat mogelijk is gedaan om het kwaad te herstellen. Gij op Aarde verdiept u echter in alle mogelijke hooggeleerde theoriën, in diepzinnige vraagstukken, in groote plannen en gij blijft eeuw achter eeuw in denzelfden toestand. Het eene geslacht na het andere komt op en daalt ten grave, leeft een ellendig leven, ondervindt weinig vreugde, veel verdriet en maakt weer plaats voor een ander. Wij zeggen: de mensch moet gelukkig zijn, den volkomen gelukstoestand bereiken wij zelfs op Venus niet, maar wij trachten er zoo dicht mogelijk bij te komen. De bewoners van Venus zijn er heilig van overtuigd, dat hij, die medewerkt het geluk van allen te bevorderen, groote kans heeft zijn eigen geluk te verzekeren.
Bij ons is geluk regel, ongeluk uitzondering; bij u is
69
het juist omgekeerd. Gij duldt dien toestand toch zeker niet, omdat gij hem zoo begeerlijk vindt.
Waarom brengt gij dan geene verandering aan, ik begrijp u niet, zonderlinge wezens zijt gij. Wat is het, traagheid, onverschilligheid, of domheid. Welke van die drie? Ik herinner mij, dat gij in een uwer gesprekken gezegd hebt, dat er op de Aarde dagelijks menschen van honger sterven, ik heb daar op dat oogenblik niet veel aandacht aan geschonken, maar later ben ik bij mijzelven gaan zeggen: maar hoe is dat dan mogelijk ?
De Aarde is dun bevolkt, de aarde is vruchtbaar en toch sterven er menschen van honger en nog wel dagelijks. Uw antwoord daarop zal wezen ; ja de aarde is wel vruchtbaar, maar het landbezit is bij ons zoo verbazend ongelijk verdeeld. Nu zeg ik echter, maar dat weet gij dan toch reeds lang, waarom geene verandering gebracht ? Er is drinkwater genoeg op de Aarde, denk ik, maar veronderstel nu eens, dat eenige grooten uwer Aarde zich van alle beken, wellen, bronnen enz. hadden meester gemaakt, zoudt gij dan maar doodkalm zeggen: wij zien tot ons leedwezen, dat al het drinkbaar water reeds door tien millioen aanzienlijken in gebruik is genomen, dat het hun eigendom is geworden, wij elfhonderd negentig millioen, wij maken ons dus gereed om van dorst te sterven.
Is het dan nimmer in het hoofd van een uwer opgekomen eens te zeggen : die zonderlinge verdeeling van den aardbodem bevalt mij niet, ik misgun den rijken volstrekt hunnen rijkdom niet, maar zij behoeven niet zulke onmetelijke stukken grond te bezitten; grond is brood, zij moeten zich tot zekere grens bepalen en wat
7°
zij aan grond moeten missen, kunnen zij aan andere zaken van waarde terug ontvangen.
Uwe bespottelijke grondverdeeling doet mij denken aan een maaltijd, dien twee jongelieden hier eens hielden. Beiden waren nog zeer âgroen.quot; Zij hadden een schaal met rijst, een bus kaneel en een vaas met suiker. Na lang beraadslagen kwamen zij tot de volgende verdeeling : de een kreeg de rijst, de ander de kaneel en de suiker. Maar nu heb ik genoeg over uwe armoede gesproken, gij kent mijne ideeën op dat punt en ik moet mij wachten u geheel te ontmoedigen. Laat ik u echter dit nog zeggen; Gij laat u op de Aarde nog te veel door den schijn medesleepen. Wij noemen op Venus iemand een groot man, als hij veel bijdraagt tot het geluk van het menschdom. En nu vraag ik u alleen, zijn er op de Aarde ook groote mannen geweest ?quot;
âVelen,quot; antwoordde ik.
âWelnu, ga hen dan eens in uwe gedachten na en vraag eens, wat hebt gij tot nut der menschheid gedaan, en gij ? Ik denk, dat gij zult zeggen .... luttel weinig, of eigenlijk niets.
Maar nu, beste vriend, eindig ik. Morgen zullen wij wel weder het een en ander bespreken.quot;
VI.
LEGER. VLOOT, BELASTINGEN.
Den volgenden morgen werd ik wakker, doordat men met een steentje tegen het raam mijner kamer gooide. Ik stond onmiddelijk op en zag Vinnis buiten bij het suikerriet staan. Hij wenkte mij, dat ik het raam moest openen en toen ik dit gedaan had, riep hij: âkom, langslaper, wij gaan een beetje varen.quot; In een oogwenk was ik gekleed en beneden. Vinnis ging mij voor en spoedig gleden wij in een allerliefst bootje over het kabbelende water. Vinnis stond achter in de boot en â stuurde en roeide tegelijk. Eerst meende ik, dat hij alleen stuurde, maar uit de snelheid waarmede wij vooruitgleden, begreep ik, dat hij op een of andere manier de boot voortbewoog. Hij lachte toen hij mijn verwonderd gezicht zag.
âIs dit soms weer wat nieuws voor u ?quot; vroeg hij.
âJa, ik begrijp niet, hoe gij met die stang de boot voortbeweegt.quot;
âEr zit wat onder aan,quot; zeide hij, âwij volgen de vleu-gels van de vogels na. Er zijn onder aan die stang
72
twee bladen ; door de strooming gaan zij toe, door eene drukking van mijne hand gaan zij open. Houd ik de stang recht, dan ga ik alleen vooruit, draai ik haar links of rechts, dan stuur ik tevens en eindelijk, draai ik de stang geheel om, dan gaat de boot achteruit.quot;
âIs het een zwaar werk?quot; vroeg ik.
âWel neen,quot; antwoordde hij, âde stang is een hefboom en het steunpunt zit onderaan de boot, de arm van de macht is dus drie- of viermaal zoolang als die van den last.quot;
âVenus is voor mij een wonderland,quot; zei ik, âsteeds zie ik wat nieuws en steeds is het wat goeds.quot;
âJa,quot; zei Vinnis, âhet zal er hier wel geheel anders uitzien dan bij u op de Aarde. Komaan, wij zullen ons nu een beetje laten drijven, wij zullen een geurige sigaar opsteken en wat praten, wat denkt gij daarvan ?quot;
âNu dat lacht mij toe,quot; antwoordde ik, een sigaar uit den koker nemende, dien hij mij voorhield.
âWie zal beginnen met vragen ?quot; vroeg hij.
âIk maar!quot; riep ik.
âNu mij goed, vooruit dan.quot;
âGij hebt legers en vloten, niet waar, gij vecht dus nog ?quot;
âZeker, maar slechts tegen de wilden, onder de beschaafde natiën op Venus bestaat geen oorlog meer.quot;
âIs de oorlog bij u dan geheel afgeschaft ?quot;
âJa.quot;
âWie heeft dat gedaan ?quot;
âHij heeft zichzelven afgeschaft.quot;
âHoe zoo ?quot;
âOm krijg te kunnen voeren zijn er noodig krijgers,, niet waar?quot;
âJa, zeker!quot;
73
âNu, daar er bij ons geen krijgers meer waren, kon er geen krijg meer zijn.quot;
âGij spreekt in raadselen.quot;
âIk zal u geregeld vertellen, hoe wij van den oorlog verlost werden, luister maar.
Het landje Ned.quot; . . .
âAlweer dat landje Ned?quot;
vja, alweer dat landje Ned, maar val mij nu niet weder zoo vrijpostig in de reden. De beweging begon in 't landje Ned. De beweging kreeg eerst recht kracht van leven, toen de akkerverdeeling in Ned een vasten gron-slag had gekregen. Eenige jaren vóór dat tijdstip, had er een oorlog plaats gehad tusschen de Gers en de Frans, zooals gij weet, twee naburen der Neds. De Gers hadden overwonnen en van de Frans het land van 111 afgenomen. Dit land van 111 had vroeger tot Ger behoord en de nationale ijdelheid der Gers vorderde, dat het opnieuw met het groote, lieve vaderland vereenigd werd. De Hls verlangden die hereeniging niet, zij waren één geworden met de Frans en wenschten bij hen te blijven. Daarnaar werd echter niet gevraagd, zij waren Gers geweest en moesten het opnieuw worden. Het ongelukkige land van 111, wreed geteisterd door den oorlog, leed nu nog jaren onder eene ondragelijke regeering. Wilden de Gers hun gezag er handhaven, dan moesten zij krachtige middelen aanwenden en natuurlijk deden die krachtige middelen bij de bevolking van 111, den haat tegen de Gers nog toenemen en werd de zucht meer en meer levendig weder met het land der Frans vereenigd te worden.
De zucht der Frans om 111 terug te krijgen, de zucht
74
der Gers om III te behouden, hield de spanning tusschen de beide groote volken levendig en dreigde steeds opnieuw eenen afschuwelijken oorlog te doen ontstaan. Zoo sleept het eene kwaad een ander na zich. Het was een afschuwelijke oorlog geweest, die oorlog tusschen de Gers en Frans. Duizenden waren sedood, duizenden voor het leven verminkt, vreedzame burgers, geheel onschuldig aan het uitbreken van den oorlog, waren van huis en have beroofd en tot armoede gedoemd geworden. Geheele dorpen waren platgebrand, halve steden verwoest. Het kapitaal der menschheid was op roeke-looze en onzinnige wijze verminderd. Maar wat deerde dat; de krijgstrompet klonk luid, de geheele bevolking onzer planeet volgde met belangstelling den uitslag der worsteling, de helden werden geprezen, lauweren werden op den weg der overwinnaars gestrooid. Toen de uitslag bekend werd, toen de Gers overwonnen hadden, werd hunnen roem overal uitgeschald. Zij waren groot, zij waren machtig. Men vond het natuurlijk, dat zij en niet de Frans overwonnen hadden, hoe zou het ook anders hebben kunnen wezen. En nu moesten de arme Frans nog verder boeten. Wel is waar, hun land was verwoest, hunne dorpen platgebrand, de beste hunner jongelingen lagen op de slagvelden, maar dit was niet genoeg, er moest eene oorlogsschatting betaald worden, eene schatting van onnoemelijk bedrag. De Frans moesten die opbrengen, zij zeiven, hunne kinderen, hunne kleinkinderen, hunne achterkleinkinderen, moesten die schatting betalen, moesten er onder zuchten. De vruchten van hunnen arbeid zouden nog jaren lang naar het land van Ger vloeien ; hadden zij iets verdiend, dan moesten zij
75
niet denken, dat zij dat bedrag geheel voor zich zeiven mochten behouden, neen, in den vorm van belastingen, zouden zij nog jaren moeten betalen voor den oorlog, dien hunne voorouders, neen de vorst hunner voorouders, in één oogenblik, misschien een oogenblik van kwade luim was begonnen. En dat was volgens recht, zei men, want wanneer de Frans overwonnen hadden, zouden immers de Gers hebben moeten betalen. Arm volk! En de helden, die de Frans overwonnen hadden, kregen deel aan dien oorlogsbuit. En wie waren die helden?
Groote mannen natuurlijk. Groote mannen, waarom? Hadden zij begaafdheden, die andere menschen niet bezaten ? Was hun hart edeler, hun geest verlichter, dan die van andere stervelingen? Wij leefden toen nog in den tijd van blinde vereering voor den door het geluk bekroonde. Het stond als een paal boven water; de overwinnaar was een groot man, moest noodzakelijk een groot man zijn. De overwinnaar werd verheerlijkt, werd bewierookt op eene allerdwaaste manier. Het minste woord van hem had beteekenis, er was een of andere diepe zin, een of andere geestigheid in verborgen. Deed zulk een held soms bij toeval een niet onaardig gezegde; een gezegde, niet geestiger, dan een van die, waarvan een eenigszins ontwikkeld man er minstens tien per dag doet, dan vloog dit gezegde op de vleugelen der faam de wereld rond en het menschdom raakte in verrukking over een wezen zoo wijs, zoo geestig.
En waren die helden ontwikkelde, verlichte mannen ? Gewoonlijk niet, zelden trof men er een aan, die eenigszins vertrouwd was met het raderwerk der menschelijke maatschappij.
76
Een geniaal krijgsman was eene zeldzaamheid. Het scheen wel dat hunne hersenen door kruitdamp, door het dwangbuis der discipline, ongeschikt waren gemaakt voor ware beschaving.
Op staatkundig gebied waren zij bijna zonder uitzondering broddelaars en maakten zij al eens plannen, dan riekten die meestal naar de schoolbanken. En dan die moed, wat was die oorlogsmoed toch een zonderling iets. Het strekte dikwijls tot amusement, wanneer men zag, dat generaal D. de oorlogsheld bij uitnemendheid, wiens naam in elk bulletin voorkwam, zuchtte onder de pantoffel van zijn klein mager vrouwtje, dat hij sidderde bij het fronsen harer wenkbrauwen, dat het koude zweet hem uitbrak bij een enkelen ontevreden blik uit haar klein scherp oog. Zonderlinge oorlogsmoed! Wat is het: onverschilligheid of domheid?
Men vliegt tegen de kanonnen op, denkende wat geef ik er om al word ik geraakt; of men vliegt er tegen op en denkt, de kogels zullen mij wel niet treffen. Voor een verstandig mensch is zoo iets niet onverschillig. Het is hem niet onverschillig, of een stuk schroot zijn oog wegneemt, of een kogel hem de kin verbrijzelt. Denkt hij niet aan zich zeiven, dan denkt hij aan zijne vrouw en kinderen, wier steun en beschermer hij heeft beloofd te zullen zijn, of heeft hij geen huisgezin, dan denkt hij aan zijne moeder of aan zijne kleine zuster, voor wie hij het brood moet winnen. Maar oorlogsmoed kan zijn oorsprong vinden in domheid, in botheid.
Ziet men niet in eiken veldslag, dat de nieuw aangeworven lichting, domme boerenjongens, met onverstoorbare kalmte en ijzeren volharding het moorddadigste
77
vuur te gemoet gaat. Is dat moed of domheid? Niet dat ik zeggen wil, dat er toen geen bekwame, geestige mannen onder onze officieren en generaals waren. Onze legers telden vele verdienstelijke mannen. Maar ik kan u verzekeren, waren zij groot, dan waren zij dat in weerwil van den krijgsdienst, niet ten gevolge daarvan. De afkeer tegen den oorlog nam bij ons dagelijks toe. De oorlog werd beschouwd als de verwoester van allen menschelijken arbeid, als de vernietiger van alle welvaart, als de menschenslachter bij uitnemendheid. Door dwaze vooroordeelen waren de volken tegen elkander in het harnas gejaagd, het heette de Frans waren verwaand of laf, de Engs hoogmoedig of laag, de Gers kruipend of trotsch.
Veronderstel eens, dat eene dame van Ned aan drie heeren kennis had gehad: een Ger, een Frans en een Eng, hoe zou haar oordeel luiden ? Haar oordeel zou wezen; het kan zijn, dat de dames dier volken niet bijzonder uitmunten, maar wat mij betreft, ik mocht mijnen gemoedelijken, zachten Ger evenzeer lijden als mijnen vroolijken geestigen Frans en deze laatste staat even hoog bij mij aangeschreven als mijn koele en deftige Eng; in den grond der zaak zijn alle drie, eerlijke, degelijke en achtenswaardige mannen.
Het oordeel van een Ned., die het geluk had gehad, met drie dames der verschillende natiën in aanraking te komen, zou even gunstig luiden.
Ik heb gezegd, dat de beweging in Ned. tegen den oorlog begon, kort na de akkerverdeeling. Die akker-verdeeling was voor een groot gedeelte de oorzaak van dien weerzin tegen den krijg. Door die akkerverdeeling
78
waren bijna alle Neds grondbezitters geworden en tot welvaart gekomen. Zij leidden een rustig en kalm leven; eenige uren werken per dag waren voldoende om hun voedsel in overvloed te verschaffen en wat zij meer werkten, bracht genoeg geld op om zich van kleeding te voorzien, om hunne woningen netjes en gemakkelijk in te richten, om gebruik te maken van alle genietingen welke, in gepaste mate genoten, het leven zoo aangenaam maken. Zij schrikten dus bij de gedachte, dat een enkele oorlog aan dat rustig leventje een einde zou kunnen maken en dat zulk een oorlog instaat zou wezen, hun de vruchten van jaren arbeiden en sparen in één oogenblik te ontrooven. Op die akkerverdeeling was de nieuwe inrichting van het onderwijs gevolgd. In de gymnastiekscholen werden de Neds bedreven in alle lichamelijke oefeningen en langzamerhand kwam men tot de gedachte, dat aan die scholen gemakkelijk schietbanen en exercitieplaatsen konden verbonden worden. Men kwam tot de overtuiging, dat bij eene dergelijke inrichting de jaarlijksche lichting voor een staand leger wel afgeschaft zou kunnen worden. Toen begon men in de scholen het geheele volk weerbaar te maken, de lichtingen voor den krijgsdienst werden jaarlijks kleiner en eindelijk werden zij geheel afgeschaft.
Duizenden jongelieden jaarlijks aan den arbeid ontrukt en tot maanden lang ledigloopen gedwongen, bleven sedert dien tijd voor de productie behouden en het kon niet anders, of de algemeene welvaart moest daardoor met reuzenschreden vooruitgaan.
Het bespaarde geld besteedde men voorloopig tot versterking der doode strijdkrachten. De vestingen van
79
Ned werden in onneembaren toestand gebracht. De levensmiddelen waren in ruime mate overal aanwezig kruit en lood was er in zulk een overvloed, dat de geringste vesting instaat was den vijand geruimen tijd op te houden.
In het bezit van eene uiterst weerbare bevolking, in het bezit van een aantal onneembare vestingen en schansen, was dus Ned wel instaat eenen machtigen vijand af te wachten. Deed zulk een vijand een aanval, dan kon hij er van verzekerd wezen, dat het een volkskrijgzou worden, dat hij stad na stad, huis na huis stormenderhand zou moeten innemen. Hij kon er op rekenen dat zijn leger gedecimeerd zou zijn, vóórdat hij de onderwerping volbracht had. En het was de vraag, of hij niet voor dien tijd af zou deinzen?
Neds rust werd echter niet bedreigd, niet één vijand dacht er ernstig aan, den strijd te beginnen.
Ook nu werkte het voorbeeld van Ned uitstekend. In alle landen begon het langzamerhand de leuze te worden: afschaffing der staande legers, bevordering der volksweerbaarheid, versterking der doode strijdkrachten. De verdedigende factor kwam dus op den voorgrond, de aanvallende geraakte op den achtergrond. Dit was de eerste schrede op den weg tot den algemeenen wereldvrede. Sedert dien tijd verkeerde het beschaafde gedeelte van Venus in gewapende rust, gewapend in zooverre den onneembaren toestand der schansen en de weerbaarheid der bevolking betrof. Langzamerhand geraakte de oorlog in verachting, hij werd eene onmogelijkheid. Geen beschaiafd mensch zou er één oogenblik ernstig over denken, de wapenen aan te gorden, ten
8o
einde eenen beschaafden medert'ereldburger te gaan bestrijden. De afschuw van den oorlog was groot. Men was zoo doordrongen van het schadelijke van die gruwelijke plaag, dat men zich er niet genoeg over verbazen kon, dat die plaag zoolang op Venus bestaan had, dat men zich reeds vroeger er niet van verlost had. Wel bleven legers en vloten op kleine schaal bestaan, maar deze dienden slechts om de nederzettingen der beschaafde volkeren in onbeschaafde landen, te beschermen of uit te breiden. Het werd het streven der natiën geheel Venus beschaafd te maken en zonder ophouden werkten deze volken voort tot bereiking van dat doel.
De oorlog werd dus op Yenus afgeschaft en die afschaffing had groote gevolgen.
Die afschaffing werkte gunstig op de belastingen. Vroeger moesten de Venusbewoners betalen: tot onderhoud van het leger, tot onderhoud van de vloot, tot hetverstrek-ken van goed onderwijs. Nu vervielen die groote posten.
Op Venus bestonden vroeger verschillende soorten van belastingen, alle werden afgeschaft en de inkomstenbelasting werd ingevoerd. Die inkomstenbelasting drukte, toen de posten leger, vloot en onderwijs vervielen, al zeer weinig. Het was eene lichte last.
De publieke uitgaven waren zeer gering. Zij bestonden uit; het onderhoud der wegen en straten, de straatverlichting, de straatreiniging, het onderhoud der rustbewaarders of politieagenten en uit nog eenige andere posten.
Gewoonlijk werd aan ieder Venusbewoner overgelaten te bepalen, wat hij het vorige jaar verdiend had. Hij had slechts op te geven, hoeveel hem na het betalen zijner knechten, na het betalen zijner materialen, na het
8i
doen van nog een menigte andere uitgaven zijn zaak of vak betreffende, overgebleven was tot het onderhoud van zijn gezin.
Had hij dat opgegeven en men vertrouwde gewoonlijk op die opgave, dan moest hij I of V2 percent daarvan bijdragen tot de publieke lasten. Zelden gebeurde het, dat een Venusbewoner eene valsche opgave deed, gebeurde dat, dan was het nog meer ongeluk dan opzet. Ter voorkoming van alle moeielijkheden echter, verkozen de burgers zeiven eenigen uit hun midden met wie zij raadpleegden, vóórdat zij hun opgaaf bij het bestuur inzonden. Een Venusbewoner zou het echter beneden zich geacht hebben een valsche opgaaf te doen. Trouwens de bijdrage was steeds zeer gering. Het bestuur waarvan ik spreek zal wel eenige overeenkomst hebben met uwe gemeentebesturen. Hier op Venus heeft iedere gemeente wel eenigszins het karakter van eenen staat. Zulk een bestuur regeert volstrekt niet, het houdt zich aan zijnen naam, het bestuurt; het regelt de algemeene zaken ten nutte van de inwoners der gemeente. Het bestuur wordt verkozen voor één jaar en wel door alle burgers die grondbezitters zijn, de grootte van het stuk grond doet niets af.
Andere regeering kennen wij sedert de afschaffing van den oorlog op Venus niet. Dikwijls waren echter die gemeenten nog al uitgebreid. Gij moet namelijk weten, dat wij den regel volgen; het is verboden woonhuizen te bouwen hooger dan twee verdiepingen. Wij hebben een afschuw van dat in de lucht wonen, een mensch is geen vogel, bovendien bij brand is het zeer gevaarlijk. Het gevolg van die bepaling is geweest, dat wij zeer
6
82
uitgebreide steden kregen van verscheidene mijlen In omtrek.
De gedaante van de oppervlakte van Venus veranderde daardoor geheel. Vroeger zag men drie of vier millioen menschen opgepakt in eene kleine ruimte wonen, dan volgde er eene groote streek lands, waar men zoo nu en dan als bij toeval een huisje ontdekte en dan kwam men weder aan eene groote stad. Sedert het invoeren dier bepaling sluiten zich als het ware alle gemeenten van Venus aaneen, die groote gapingen zijn vervallen, overal ontmoet gij woningen; Venus is één stad, één dorp of zooals gij het maar noemen wilt.quot;
âMaar als nu eens twee gemeenten het oneens worden en twist krijgen,quot; vroeg ik.
âWelnu,quot; zei Vinnis, âdan onderwerpen zij zich aan het oordeel van een derde.quot;
âEn als die derde oordeelt en de in het ongelijk gestelde partij daar niet mede tevreden is, wat dan?quot;
âDaar moet zij mede tevreden zijn.quot;
âMaar als zij het nu eens niet is?quot;
âNu, dan kan men nog eens een andere derde nemen.quot;
âEn als zij het dan nog niet is ?quot;
âDat is onmogelijk. Daar komt ons gezond verstand tegen op. Wij zien het recht niet door een sluier. Ieder Venusbewoner weet, of ten minste voelt wat recht is.quot;
âMaar als de in het ongelijk gestelde zich verzet?quot;
^Hoe?quot; vroeg Vinnis. âGij bedoelt toch niet met de wapenen? Zoo iets is nu eenmaal op Venus onmogelijk, een bevel tot eenen aanval op eenen beschaafden medebewoner van Venus zou, zoo het gegeven werd, toch niet uitgevoerd worden; integendeel, men zou zich
83
ernstig ongerust maken over den toestand der geestvermogens van den persoon, die zulk een bevel gaf. Wil men zich echter niet onderwerpen aan de uitspraak van een derde, dan wordt het eene gewone rechtzaak en de rechtbank moet beslissen. Begrijpt gij mij nu ?quot;
âVolkomen, maar zeg mij nu eens iets over uwe regeeringsvormen ?''
âDaar heb ik alles van gezegd, wat ik weet.quot;
Gij hebt slechts gesproken van iets dat veel overeenkomst heeft met onze gemeentebesturen.quot;
âWij kennen hier geen andere regeering. Herinner u slechts, dat wij geen leger, geen vloot, geen staatsonderwijs hebben. Wat zou de taak van een centraal bestuur wezen ?quot;
âGij hebt dus geen koningen, geen keizers, geen presidenten enz.?quot;
âNeen, want wij hebben geen landen. Venus is één zooals ik u reeds meermalen gezegd heb.quot;
âGij hebt dus uwe koningen, keizers en presidenten afgeschaft?quot;
âAfgeschaft! Ik dacht, dat gij ons nu genoeg zoudt kennen orn te begrijpen, dat wij zoo iets niet zouden doen.quot;
âHoe verdwenen zij dan?quot;
âKunt gij u niet voorstellen, dat een koningschap zonder legers, zonder vloten, zonder ambassadeurs, zonder den drom van hovelingen en vleiers, die verdween , toen er geen kruimkens (vette baantjes, titels en ridderlintjes) meer van 's konings tafel vielen; kunt gij u niet voorstellen, dat zulk een koningschap, eene waardigheid werd, zoo onbeduidend, zoo weinig beteekenend, dat een
84
verlicht, degelijk en fier man..........
...................?
âHa/' riep ik, opspringende, âik begrijp u, o! gij Venusbewoners, duizendmaal, duizendmaal overtreft gij ons in wijsheid, geef mij de hand wijze Vinnis!quot;
Vinnis wenkte mij met eene angstige uitdrukking op het gelaat, dat ik zou gaan zitten. Ik was echter zoo verrukt over hetgeen ik gehoord had, dat ik er niet op lette; ik sprong naar hem toe.
Het ranke bootje was tegen zulk eene heftige beweging niet bestand, het kantelde en ik plofte in 't water.
âHelp, help!quot; riep ik . . . ........
Plotseling werd de deur van mijne kamer geopend, de scharnieren piepten; ik ontwaakte en zag mijne vrouw in nachtgewaad naast mij staan.
âHoe is het man, gaat gij van nacht niet naar bed?quot; vroeg zij, eenigszins scherp.
âWaar is Vinnis ?quot; vroeg ik.
âVinnis?quot; â
Ik zweeg: ik begreep alles.
8S
G 4-*
lt;Ã (L)
s ^
'n
lt;U C
X) JD
B ^
TD C n3 crj
lt; X
lt; K
C
O T3
O fc-0
|
13 ai rt lt;u N |
|
lt;u J lt;Ã lt;, 'O
lt;D gt;
â 3
c:
lt;u TD u,
a
rt gt;
c3 a3
s
o
TJ
G -4-J
HA 'N
.zP ^ '03 -Q -a
(si c3 2
c M
⢠ü O-, C O ctJ
Q â¢lt;
lt;
13 O»
Z
d
d gt;
TJ
T3 C rt
b/)
£
lt;u
lt;u 1) quot;O
rt d
c
d.
G lt;D
C
JD
13 lt;
qj .
-§ E
S O
(D bG O
C/3
!Z
W gt;
Ph O
z w
H H W
BS
w
bd O
lt;U -Q
lt;u N
d öJ ai XJ
O
'S
ÃJ
.S0
'oj
- ^
à (L) C
lt;D TJ
a3 d
c
(U O
G (U O
c
lt;L) O
lt;3J
a;
s
cj
(U (U QJ U
Â¥ * C (D
d (U
Oh
O
TD C O u.
bi)
E
vo
d O xr»
c
O
lt;u
TD C cö
o o
OJ
c ^
s -s
w -g
a, ^
o _
lt;u
lt;D
s
bJD ai
£ 'U
c
rt
S
aj
O O
lt;L) _ bJD (JJ
r-j
T3
s ^ rt
S ^ c
lt;u T3 C O
vo
lt;u .N *3
T3 C
(L)
s
bo c
â¡
U- (U
O bX)
r-*
Cu ^ O dj O T3
^ s
U lt;u
o v â¢Ãª gt;
O bi) Ih
lt;U gt;
G
(U
G
d
T3 G rt
TD G
cti
T3
lt;Ã
â -a
4-*
O ~
X N
G
a3
G
Q
|
c | ||
|
VO |
lt;u lt;ü |
z u |
|
OJ |
c 1 |
I U |
|
s |
W | |
|
c: |
15 | |
|
lt;u |
1 | |
|
4-) |
V | |
|
c |
_bJ3 |
lt; |
|
4gt; |
vo |
|
c | |
|
-u | |
|
=J | |
|
c; | |
|
gt; |
bo |
|
(U |
quot;5 |
|
O O |
13 |
|
O |
13 c |
|
rt | |
|
ei |
|
V | |
|
bO | |
|
rt | |
|
£ | |
|
O | |
|
OJ | |
|
lt;u | |
|
iâ. | |
|
ü | |
O
â V -g
W
T3 C ^rö
2 O
lt; E
vr~gt;
c
-D O
Bij den Uitgever dezes is mede verschenen:
Bloemen uit den Italiaanschen Lusthof. Stukken van Italiaansche dichters op 't orgineel metrum vertaald door F. M. Lukasco.............Æ i-50
Mevr. LA CHAPELLEâROOBOL, Drie Novellen. â Twee poppen. Een vrouwenhater. Oom Jozef. . / 1.50
JAKOB EIGEMAN, Het Socialisme in het licht der geschiedenis beoordeeld...........f 0.30
EURIPIDES, Medeia. Treurspel. In de oorspronkelijke versmaat uit het Grieksch vertaald door A. Flamenï. / 1.25
Fragmente aus Deutschen Lustspielen, gesammelt und mit Erlauterungen versehen von G. R. Deelman . / 1.50
KARL FRENZEL, Chambord. Novelle naar het Hoog-duitsch................Æ1.90
De Godsdienst der menschheid. Spreuken uit geschriften der Chinezen, Indiërs, Perzen, Joden, Christenen, Grieken, Romeinen, Germanen...........f 0.30
De Godsdienst des Twijfelaars. Uit het Hoogduitsch door J. W. Straatman...../ 1.50 geb. Æ 1.90
Dr. F. GUNST, De onafhankelijke Vrijmetselaars-Loge âPost Nubila Lux,quot; te Amsterdam. Geschiedenis van haar wording en drie-en-dertig-jarig bestaan. Naar authentieke bronnen bewerkt..........f i.â
Dr. H. HARTOGH HEIJS VAN ZOUTEVEEN, Over den oorsprong der godsdienstige denkbeelden van een evolutionistisch standpunt. Met afbeeldingen, Æ 1.90
----Theologisch dubbel boekhouden, met een
Drentschen bril nagecijferd. Een leekebrief, opgedragen aan Professor C. P. Tiele, te Leiden.....Æ 0.30
--Geloofsbelijdenis van een hedendaagsch natuuronderzoeker. Naar de tweede Duitsche uitgaaf Æ0.10
Onze Herinneringsdagen in bladeren en bloemen. (Verjaardag Album in vier talen). In prachtbandje. . f 1.80
J. HOBBEL, Socialistisch onverstand. Met een nieuw voorwoord van Dr. H. j. Betz. Tweede vermeerderde druk. Goedkoope Uitgaaf........./' 0.40
----Pokken en Cholera......../ 0 25
HOOFT HASSELAER, Een hondertal. Verzameling van opgaven voor ontwerpen van notarieele acten in de laatste vier jaren op het Staats-examen voor het notariaat ter bewerking gegeven. Leiddraad voor Studeerenden . f 0.75
VICTOR HUGO, Christus in het Vaticaan. Vrij naar het Franscli door Hendrik van Offel. 2e druk. Æ 0.20
Mr. M. C. L. LOTSY, Het algemeen stemrecht geen recht, maar een eisch van het Nederlandsche volk................/ 0.75
Obscurorum Virorum epistolae tres nuper inter Risvicum et Hagam comitum in via repertae. In lucem edidit Nico-laus de Amerbach, Artium Magister .... Æ 0.25
GEORGE J. ROMANES, De bewijzen vóór de theorie van Darwin. Uit het Engelsch door P. F. Spaink. Met portret van Ch. R, Darwin........Æ i.--
F. B. VON TRENTOWSKI, De Vrijmetselarij geschetst in hare zedeleer. Naar het Hoogduitsch door S. H. ten Gate..............Æ 3.â
UHL1CH, De godsdienst der rede. Bewerkt naar den vijfden Hoogduitschen druk ...... f 0.30
Zal het Socialisme het volk voordeel aanbrengen ?
Vertaling van het debat den 17 April 1884 gehouden tusschen de Heeren H. M. Hyndman en Ch. Bradlaugh te Londen..............f 0 2 5