quot;lt; â¢
'^.msmÃFsm
HET LEGER DES HEILS
PR. yV, yV. j3RONSVEL,D.
(Overgedrukt uit âBOUWSTEENENquot;, Tijdschrift v. Inw. Zending.)
UTRECHT.
C. H. E. B RE IJ ER.
1 8 S 7.
....................................................... £
Prijs f 0.40. - 25 Ex. f8.75.
HET LEGER DES HEILS.
V-i «iS
BjWBfflSBBiüMMMa âBB S â â ' S
â yji â -
HET LEGER DES HEILS.
DOOR
PR. Jk.. yV. ^RONSVELD.
(Overgedrukt uit âBOUWSTEENENquot;, Tijdschrift v. Inw. Zending.)
UTRECHT.
C. 11. E. BREIJER. 1887.
Gedrukt ter âUtreclitsche Stoomdrukkerijquot; te Utrecht. â Jeruzalemstee
Het is mijn voornemen, iets mede te deelen over een verschijnsel, dat in meer dan eón zin (/en(c/^makeud lieeten mag, en waarvan in de geheele protestantsclie christenheid wordt gesproken. Het wordt bespot en verheerlijkt, met geestdrift gesteund en met hoon overladen. En dat verschil van gevoelen openbaart zich onder belijders van het Evangelie, onder mannen, die allen een warm hart hebben voor de nooden van die groote massa in ons midden, welke in de grootste ellende leeft, in de schaduw onzer kerkgebouwen, maar zonder God en zonder Christus. Gij vat, dat wij denken aan the Salvation Army, aan het Leger des heils.
quot;Wij willen trachten het onbevooroordeeld gade te slaan, en allereerst het te beschouwen in het licht van zijn oorsprong, in het licht van de waarlijk edelmoedige en echt-christelijke gedachte, die bij zijn opkomst den hoofdleider bezielde. De rivieren en beken zijn gemeenlijk het zuiverst bij haar bron. Wanneer wij aan't oorspronkelijk beginse^ aan de eerste en oudste drijfveer tot het oprichten van het Leger onze hulde hebben gebracht, en het leven van den generaal Booth hebben geschetst, kunnen wij overgaan tot het vermelden van den omvang, dien deze arbeid verkreeg, en tot het beantwoorden van de vragen, welke
6
middelen het leger tot bereiking van zijn doel zich veroorlooft ; welk oordeel wij daarover moeten vellen; welke theologie aan dezen zoo omvangrijken arbeid ten grondslag ligt â en eindelijk, welke vruchten wij er van mogen verwacliten. Hebben wij die vragen beantwoord, dan zal 't niet moeielijk wezen, de houding aan te wijzen, welke wij tegenover deze poging tot evangelizatie moeten aannemen.
I.
't Is reeds lang geleden, dat Eugene Sue zijn Mystères de Paris het licht deed zien, welk werk spoedig door andere Mystères, als die van Londen en Amsterdam, gevolgd werden. Hoeveel stuitends en treurigs ons ook werd afgeschilderd en verhaald in die opzienbarende maar thans haast vergeten werken, nog altijd bevatten onze zoogenaamde wereldsteden, naar bet blijkt, verborgenheden, die nog slechts voor een gedeelte âonthuldquot; zijn. Ach, hoe vele van die onthullingen hebben wij reeds gehad. Hoeveel sensatie verwekkende geschriften zagen het licht, die een gedeelte ophieven van den sluier, welke de ellende onzer metropolen aan de oogen der meesten onttrekt. In die zelfde steden, waar in de breede, schitterend verlichte straten des avonds de winkels wedijveren in het uitstallen van hetgeen nijverheid en kunst weten voort te brengen; in die steden, waar de uitgezochtste weelde bevrediging en prikkeling zoekt, en dagelijks duizenden worden ten offer gebracht aan genot, aan gerieflijkheid , aan overdaad â leven en sterven tallooze menschen in gangen en holen, aan de afzichtelijkste armoede, aan stuitende zedeloosheid en verdierlijking ten prooi. Die tegenstelling tusschen weelde en gebrek, tusschen welvaart
7
en ellende is misschien in niet één onzer groote steden zóó groot en zóó ten hemel schreiend, als in Londen.
In die reusachtige stad zijn wijken, waaraan men niet zonder ontzetttng denken kan. De Heer Herman Dalton, evangelisch predikant te Petersburg, heeft (wat niet ieders zaak is) een tocht gewaagd door een gedeelte van Oost-Londen. Uit de Aldgate-siva.a.t is hij een engen overdekten weg ingeslagen, en van daar gekomen in zij steegjes, waar armoede, vuilheid en zedeloosheid in de afzichtelijkste vormen zich vertoonen. Aan den ingang van een dier sloppen zeide een politie-agent tot Ds. Dalton; âMijnheer, sla dezen hoek niet om; deze steegjes zijn gevaarlijk, vooral voor iemand, die alleen gaatquot; â âIk ga niet alleenquot; antwoorde hij, âik ben een christen en weet, dat de Heer met mij is.quot; âo Ga dan getroost in Gods naamquot;, hernam de politie-agent.
Dalton is er echter zelf verbaasd over, dat hij heelhuids uit die holen en gangen is teruggekeerd, en verklaart, dat hetgeen hij er heeft gezien, alle beschrijving te boven gaat.
De inwoners van Londen zelve wisten niet, hoe groot de ellende van honderden hunner stadgenooten was, of sloten er de oogen voor. Maar ook de onverschilligste schrikte althans een oogenblik op bij de lezing van de brochure âThe hitter cry of outcast London.quot; Neen, dat wist men niet, dat men in de nabijheid leefde, van zóó veel ongerechtigheid, van zóó veel heidendom. Tot zelfs de Prins van Wales toonde zich getroffen door deze schildering van London's achterbuurten, die tot nog meerdere onthullingen aanleiding gaf, geïllusteerd en niet geïllustreerd.
Ziehier eenige cijfers aan deze mededeelingen ontleend.
8
In een straat, uitkomende op het Leicester-Square, -wonen 246 gezinnen waaryan er slechts 12 nu en dan een kerk bezoeken; in een andere straat, door 4234 menschen bewoond, waren er niet meer dan 39, die ter kerke gingen. Men treft er menschen aan van zestig jaren en nog hooger leeftijd, die nog nooit in een kerk zijn geweest. Zij leven volstrekt zonder gemeenschap met eenigekerk.
Hiermee gaat een zedeloosheid gespaard, welke zelfs Zola ongaarne in al haar naaktheid beschrijven zou. In een slop staan 35 woningen, waarvan er 32 van onder tot boven dienen tot schuilhoeken voor dieven en ontuchtige vrouwen. Op de 100 inwoners is er een kroeg, die dag en nacht vol is. Zoo mogelijk is de armoede, die daar heerscht, nog grooter dan do zedeloosheid. Daar wonen o. a. die ongelukkige wezens, door Hood zoo roerend beschreven in zijn âLied van het hemd.quot; waaryan Beets zulk een meesterlijke vertaling gaf. Hoe velen slapen er daar nooit op een bed, en kennen er niet de allereerste en geringste gerieflijkheden des levens.
O het is om te schreien, dat in een der brandpunten van beschaving, in een stad boven welke zich de koepel verheft der prachtige Pauluskerk, gekroond met het kruis, zulk een heidendom aangetroffen wordt!
Of de christelijke liefde aan dat gedeelte van Londen niet gedacht, en ganschelijk niet er zich over ontfermd heeft ? Het zou zeer onbillijk wezen, te zwijgen van hetgeen door vele edele chistenen onder die diep gezonkenen gearbeid is. Wij moeten hier vermelden de vereeniging tot evangelizatie; de zusters van Mildman-Park met haar stille doch onverpoosde werkzaamheid onder verwaarloosden en verlateaen; de pogingen van Macpherson, Graaf Shaftesbury, Dr. Holland en vele anderen.
9
en Maar ieder gevoelde, dat de bearbeiding der massa,
rk waaraan wij hier denken, eigenlijk nog eerst beginnen
3n moest. Men bad op haar geen vat. Men stond zoo goed
ie als machteloos tegenover een ellende, die door zoo vele
3n bronnen werd gevoed en altijd toevoer ontving van nieuwe
st. krachten.
k. De man, die dezen stier bij de hoornen heeft gevat; Ifs de Hercules, die bezig is dezen Augiasstal te reinigen â [a is William Booth, de Generaal van het âLeger des Heils.quot; er Laat mij iets verhalen van zijn levensloop, en van zijn je vorming tot den post, welken hij nu bekleedt. Hij is ig thans 58 jaren oud, daar bij in 'tjaar 1829 werd geboren, ar Zijn vader was lid der Staats-kerk, maar op zijn 14de 3n jaar sloot quot;William zich aan bij de Methodisten. Onder id degenen, die met den éénen naam van Methodisten worden sts aangeduid, treffen wij velerlei schakeering aan, maar heter geen allen karakterizeert is het plotselinge van hun bete keering, en hun roeping om onmiddelijk na de bekeering
op te treden als arbeider tot redder van zielen.
3n William Booth was 15 jaren oud, toen hij bekeerd werd â
iel en hij trad aanstonds als evangelist op onder de lagere
is, standen van zijn vaderstad Nottingham. Op pleinen, in
danszalen, in stegen weerklinkt de schelle stem van den
3n knaap, en het gelukt hem zijn hoorders te lokken en
id te treffen.
ïn Als hij 17 jaar is, wordt bij door zijn kerk aangesteld
e- tot leeken-predikant, en nu reist bij stad en dorp af â
ot en komt hij ook voor het eerst in Londen. Na zeven jaar
ar aldus gearbeid te hebben, sluit hij zich aan bij de âNieuwe
'S- Methodisten-vereeniging,quot; en zet als haar leeraar met
af toenemend goed gevolg zijn werk voort, trouw bijgestaan
door zijne in zoo menig opzicht voortreffelijke vrouw, die
10
meesterlijk de pen weet te voeren, zeer aangrijpend spreken kan, en in degelijke Schriftkennis uitmunt boven karen man. Wilt gij een proeve van haar welsprekendheid ? Aan een rede, die zij hield tegen de regeling der prostitutie van staatswege, ontleenen wij het volgende : âDe ondeugd een noodzakelijkheid ! Zeker, sommige dingen zijn noodzakelijk , en gij zijt gehouden er op acht te geven, en de groote God daarboven eischt het van u met allen nadruk, dat gij er op letten zult. Tot die noodzakelijke dingen behoort, dat gij acht zult geven op de reinheid van uw kinderen; acht zult geven op Engeland's invloed op de volkeren der aarde; acht er op zult geven, dat deze natie niet ineenzinkt door haar onreinheid, gelijk de geschiedenis ons leert, dat dit reeds met vele natiën is geschied. Gij moet acht geven op den toestand van de niet-onder-wezen en onverzorgde massa's, acht geven op de verspreiding en uitbreiding van het Evangelie. Dat zijn noodzakelijke dingen, waar wij op acht te geven hebben. Laat den duivel acht geven op de noodzakelijkheid van de ondeugd /quot;
Doch over deze vrouw spreken wij later meer uitvoerig.
In 1861 legde Booth de betrekking neer, welke hij bekleedde bij de ânieuwe Methodisten,quot; en ging spreken, waar men verlangde hem te hooren, of waar hij 'tzelf begeerde. Vier jaren lang ging hij Engeland door, nu hier dan daar predikende, en komt zoo ook weder te Londen. Hij sloeg een tent op in een der ellendigste wijken van de hoofdstad, in White Chapel, en sprak er acht achtereenvolgende dagen tot de inwoners dier jammervolle buurt. De gedachte aan de ellende, waarin die duizenden verzonken lagen, liet hem niet weer los en hij begon vast te gelooven, dat de Heer van hem verlangde.
11
in Londen1 s achterbuurten liet licht en den troost te brengen van het Evangelie.
Laat mij u, met de woorden van den heer Dalton, verhalen, op welke wijze dat werk door Booth is aangevangen.
âBij 't begin zien wij den rijk-begaafden man op een dier toenmaals nog woeste, onbebouwde pleinen, welke grensden tot dicht aan de Mile-End-lioad, een straat die loopt door het in zoo diepe ellende verzonken Oosteinde van Londen. Thans zijn die open plaatsen ook daar verdwenen; in 1860 heb ik ze er nog gezien, onbebouwde open ruimten, waar al de vuilnis der ruime omgeving heen gebracht en opgehoopt wordt, een ware stapelplaats voor voddenrapers en verhongerde, onbeheerde honden. Bijna het geheele jaar door bood zulk een woestenij het schouwspel aan van een soort kermis. Hier kon men op kleine schaal schijfschieten, ginds bood men allerlei mogelijk en onmogelijk oud huisraad te koop; daar tusschenin stond de kruiwagen van een kwakzalver, die zijn onfeilbare waar aanbood, de zeep, die de vuilste vetvlekken in een ommezien verdrijft, de zalf, die even gezwind alle lichaamsgebreken geneest. Onder het gegons en gestommel doen zich ter linker en ter rechterzijde hooren de klanken der trompetten van andere kramen, waarin de schoonste of de zwaarste persoon, of een gedrocht uit het dierenrijk vertoond wordt, een reusachtig kind of een nog gedroch-telijker vet varken te zien is. En te midden van die marktschreeuwers en straatzangers, te midden van dat vuil en dat gejoel, zelfs in vochtige kille herfstdagen aan alle weêr en wind blootgesteld, staat alle dagen, bijna elk uur, William Booth, en op luiden toon doet hij te midden van die knjschende klanken zijn evangelie hooren.
12
en dwingt er velen naar hem te luisteren. De groote menigte gaat die magere gestalte voorbij, zonder op liem acht te geven, want hij schreeuwt als de anderen, maar heeft niets om hen te laten zien. Doch Booth houdt vol. In de tusschenpoozen wandelt hij langs de kramen, voorbij zijn collega's die gelukkiger zijn dan hij ; hij leert van hen ; hij luistert hun af de duidelijke taal, de platte grappen , waarmee het hun gelukt het weinigje aandacht der lieden te trekken, en dan hun waar in een ommezien aan den man te brengen. Dat is het nu ook, wat Booth verlangt; wat bekommeren hem de middelen, als het doel maar wordt bereikt ? Hij is niet kieskeurig.quot;
Zonder vrucht geniet hij dit onderwijs niet. Weldra is hij dat eigenaardige dialekt, en dien geheelen trant van zich uit te drukken meester. Niets schrikt hem af. Week aan week staat hij daar, lang, mager, in het oog vallend â gelijk een slimgestelde advertentie, waarop de oogen der lezers alle dagen wel moeten vallen, als een zeer doeltreffende reclame. Hij begon de aandacht te trekken en te boeien, en steeds grooter werd de kring, die zich om hem kwam scharen.
Het gure Novemberweer dwong hem eindelijk, om te zien naar een spreekplaats, waar hij tegen regen en wind althans beschut was. Hij huurde in een der beruchtste stegen een vuile danszaal en daarheen volgden hem zijn luidruchtige hoorders. Deze waren in aanhoudende verbazing over dezen zonderlingen prediker. Hij sprak hun taal; hij ontleende zijn beelden aan hun omgeving; hy beriep zich op hun hart en geweten met een forschheid en een kracht, welke hen verbijsterde. Hoe kende hij de kronkelgangen, de afschuwelijkheid der zonde! En met welke ijzingwekkende kleuren schilderde hij de ver-
13
selirikkingen van de hel! En als hij dat gedaan had â hoe aangrijpend stelde hij hun het behoud voor oogen , dat in Christus is te vinden, en dat men aanstonds , zonder beraad grijpen moest en grijpen kon.
Het gerucht van deze ongewone verschijning doorliep de ellendigste wijken van de stad. Daar kwamen zij aan de mannen en vrouwen, meer dan luidruchtig, uitgelaten, vreemd aan alle orde en allen ernst; maar hoe werden zij aangegrepen door den spreker, die toonde hen volkomen te kennen. Wat hen treft en hen zelfs diep ontroert, is niet alleen het woord van den Heer Booth, maar het optreden van schobbejakken, doortrapte dieven, dronkaards, kaartlegsters , kunstenmakers , zakkenrollers , liederlijke deernen â die betuigen dat zij voor ettelijke dagen nog in de zonde leefden, maar dat zij nu een nieuw leven waren ingetreden, en vrede hadden gevonden voor eeuwig door den Heiland.
En alsof dit niet genoeg ware, om de toegestroomde toehoorders te verbijsteren, werden de bekentenissen der bekeerden op de luidruchtigste wijze toegejuicht en afgewisseld door uitroepen van bewondering, van verrassing, van blijdschap, en hun toespraken ingeleid en gevolgd door do muziek, welke de zaal letterlijk deed dreunen. Trommelen en pauken hebben in 't orkest de overhand. En dan, welk een gezang werd aangeheven? Welke wijzen zijn dat ? Maar dat zijn de wijzen van de bekendste, van de bedenkelijkste straatliederen. Voorzeker, doch de woorden zijn godsdienstig; de woorden, die worden voorgezegd , en die weldra door 't geheele publiek worden aangeheven met een kracht, een heftigheid, waartoe Booth onophoudelijk aanmoedigt en het voorbeeld geeft.
Zonderlinger godsdienstoefening was in het groote, aan
14
verrassingen rijke en aan verrassingen gewone Londen nooit aanschouwd.
Doch tot het houden van zulke samenkomsten bepaalde de Heer Booth zich niet. Het was hem niet genoeg, dat zijn toehoorders tot hem kwamen, hij ging ook tot hen; niet alleen ging hij, maar vergezeld van zijn muziekkorps en van de bonte menigte, welke door zijn âtrommelen en reienquot; werd gelokt uit sloppen en gangen, uit kelders en zolderkamers. Hij daalt in de kelders af, waar nooit de zon in scheen of de maan in lichtte. Hij klimt die steile, uitgesleten, nooit gereinigde trappen op, die onder zijn voeten krakend dreigden in te storten. Uit die plaatsen roept hij zijn toehoorders bijeen, om hen te voeren naar de plaats, waar hij hen toe zal spreken, en als een tweede Orpheus, die door zijn muziekale gaven de wildste dieren temde, doet Booth deze verwilderde menigte luisteren naar zijn woord, en beweegt hij er niet weinigen om onder tranen tot hem te naderen en, aangemoedigd door luide Halleluja's en Amen's, hun zondig verleden te belijden, en zich te geven aan Jezus, den vriend van zondaren, den Heiland der wereld.
Het bezoek der kroegen, der huizen van ontucht nam zichtbaar af â en de oplossing scheen gevonden van het ontzachlijk raadsel; hoe bereiken wij met het evangelie de achterbuurten, de diepst gezonken bevolking van onze groote steden?
Ziedaar het begin van de werkzaamheid des Heeren Booth. Wie moet geen hulde brengen aan zijn brandenden ijver, aan zijn onuitputtelijk geduld, aan zijn groote zelfverloochening, aan zijn liefde voor het verlorene en verwaarloosde?
15
Hij deed, wat niemand had bestaan. Hij had den too-verstaf die ooren opende en trof, welke tot heden het evangelie niet gehoord â of lichtzinnig verworpen hadden.
Ook ligt in dit eerste optreden, in dezen aanvang van evangelizeeren de kiem en de verklaring van degeheele methode, van de deugden en de gebreken, waardoor de arbeid van het Leger des heils zich kenmerkt.
II.
De toehoorders stroomden niet alleen toe, maar ook helpers. Men zal nooit van onzen tijd kunnen zeggen, dat hij geen hart heeft voor de prediking van het Evangelie, voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk. Zegt men, dat wij er geen hart genoeg voor hebben: wanneer deed men meer?
Niet lang duurde het, of de Heer Booth stichtte do East London Christian-Mission (Christelijke Zendings-vereeniging voor het oostelijk gedeelte van Londen.). Duidde die naam een beperkt arbeidsveld aan, de naam in 1870 aangenomen liet het bepalend âOost-Londenquot; weg, en als Christian-Mission zonder eenige beperking werd de arbeid voortgezet. Het bleek toch, dat niet alleen in het beruchtste gedeelte, maar ook in andere wijken der wereldstad honderden leefden en stierven, aan wie het Evangelie zoo goed als onbekend was gebleven.
In 1872 verviel de heer Booth in een zware ziekte, die hem gedurende maanden allen arbeid onmogelijk maakte. Niettemin werd het werk voortgezet door zijn getrouwe helpers, maar die zich beijverden om de men-schen, die door hun prediking bekeerd werden, in te
16
lijven bij de Kerkgenootschappen, waartoe zij zelve behoorden, of althans hen aan de regelen dier genootschappen te onderwerpen. Dit nu was niet naar de bedoeling van den Heer Booth. Hij beoogde niet zoo zeer de verschillende Kerkgenootschappen, welke hem vrij wel onverschillig waren, te versterken, als wel uit de bekeerden nieuwe krachten te vormen voor zijn arbeid.
Inmiddels had zijn echtgenoote niet stil gezeten. Voor haar ijver was het reusachtig Londen een te klein arbeidsveld. In 1873 sprak zij te Portsmouth, en te Chatham voor zeer talrijke menigten van soldaten en matrozen, en de vloed die nu aan 't rijzen was, steeg hooger met ieder jaar. In 1878 werden er reeds 80 Zendings-posten geteld, en waren 127 Evangelisten onder den Heer Booth werkzaam.
Er ontstond dus groote behoefte aan leiding, aan or-ganizatie. Haar te ontwerpen en in te voeren was een werk. waartoe William Booth zich evenzeer geschikt en geroepen achtte als tot het prediken. Toen hem in 1878 een verslag werd voorgelegd van hetgeen de Christian-Mission had verricht, en van die Mission werd gezegd, dat zij een vrijwillig leger was van bekeerde medewerkers, zeide hij: Neen, wij zijn geen vrijwilligers, want wij gevoelen, dat wij hetgeen wij doen, doen moeten, en staan aanhoudend onder de wapenen. Hij schrapte het woord âvrijwilligquot; door, en zette er voor in de plaats: Salvation. Het woord was gevonden, dat de geheele beweging kenmerken zou! Yoortaan heette de Heer Booth âgeneraalquot; en verkreeg alles een militair karakter.
In Augustus 1878 werd de Christian-Mission formeel ontbonden, en weldra zagen de Orders and Regulations het licht, (Verordeningen en Regels) waaraan ieder, die
17
in het Leger dient, zich heeft te onderwerpen, en die nog worden aangevuld door instructies, welke niet openbaar zijn gemaakt. Wij komen op die verordeningen terug.
Het leger verkreeg nu ook een vaandel. Op bloed-rooden grond vertoont het een Kruis met een slang er omheen in den vorm van een S, en daarover twee zich kruisende zwaarden. Binnen een stralenkrans prijken de woorden Bloed en Vuur (waarmee het bloed van Christus en het vuur des H. Geestes worden bedoeld); onder 't Kruis leest men de The Salvation Army, en 't geheel wordt gedekt door een Kroon. Voorts werd een uniform ingevoerd en begon een der zonen van den Heer Booth te Manchester de vorming {training) van eenige jongelieden tot het werk van het Leger. Hieruit zijn de Training houses voortgekomen.
Het orgaan des Legers werd de War Cry , dat uitsluitend aan de belangen van de S. A. gewijd is, en de lezers op de hoogte houdt van het merkwaardige, dat het Leger verricht. Het bevat uittreksels uit toespraken, nieuwe liederen, berichten omtrent den indruk door toespraken gemaakt, de bevordering of verplichting van officieren enz. Het blad wordt bij honderdduizenden van exemplaren verspreid. Voor kinderen wordt geschreven âDe Kleine soldaatquot; (The little Soldier); en AU the World, een maandschrift, verhaalt de werkzaamheden van het Leger buiten Engeland.
Het optreden der zoogenaamde Halleluja-meisjes {Halleluja lasses) ving in dienzelfden tijd aan, en het manhaftig optreden dezer vrouwelijke officieren wordt geroemd als een der oorzaken van het groote succes des Legers. Zij hebben zich dan ook soms in Zigeunergewaad getooid v om bij een optocht te meer opzien te verwekken.
18
Het hoofd-kwartier is in 1881 verplaatst van White-capel naar de Queen Fictona-straat in het midden van de City. Het trekt door den uitgestoken vlag van 't Leger en de talrijke opschriften in den gevel reeds van verre de aandacht. Het bevat een boekwinkel, een vergaderzaal, talrijke bureau's, o. a. voor architekten, die plannen uitwerken voor barakken, kazernes enz., en werkplaatsen voor meisjes, die uniformen vervaardigen. In 1880 begaf de heer G. Railton zich met eenige hallelujha-meisjes naar N. America; in 1881 ging er een expeditie naar Zuid-Australië, en onder leiding van miss Cath. Booth, âla maréchalequot; ving in April van datzelfde jaar de werkzaamheid aan van het Leger te Parijs. Met dit krachtig optreden naar buiten ging een versterking in de inwendige organizatie gepaard. Met weinig beteekenis werd gehecht aan de doeltreffende inrichting van de Training houses, de plaatsen, waar de mannelijke eu vrouwelijke officieren worden opgeleid.
Hoe groot toen reeds de inkomsten waren van het Leger kan daaruit blijken, dat te Clapton, in het noordoosten van Londen, een bebouwd terrein werd aangekocht voor f273.000, en kort daarop het beruchte logement âde Arendquot; met het aangrenzende âGrieksche Theaterquot; voor ruim twee tonnen gouds het eigendom werd van het Leger, en een middenpunt van zijn werkzaamheden. Zelfs de aartsbisschop van Canterbury en de bisschop van Londen droegen tot dezen laatsten aankoop bij.
In 1882 werd het jaarfeest van het Leger in Alexandra-park met grooten luister gevierd. De Generaal marcheerde naar die plaats der samenkomst aan 't hoofd van 8000 soldaten, en niet minder dan 70,000 personen verkregen tegen betaling van entree er toegang.
19
Onderscheiden betuigingen van sympathie werden er voorgelezen van bisschoppen , parlementsleden , gerechtshoven , politie-commissarissen , en zelfs een van H. M. de Koningin van Engeland. Welk een tegenzin en afkeer het Leger echter bij anderen opwekte, blijkt niet alleen uit het optreden van het âSkelet-leger, maar uit de volgende feiten : in 1882 werden 50 gebouwen, aan de S. A. toebehoorende, aangevallen en min of meer beschadigd ⢠600 âheils-soldatenquot; werden door het gepeupel onder den voet geloopen, en onder hen waren 250 vrouwen. Maar was eerst de politie meer op de hand van het Skelet-leger, van lieverlee won het Leger des Ileils in waardeering.
De gezamenlijke bisschoppen der Staatskerk namen de vraag in overweging, in hoever zij met den Heer Booth konden samenwerken; in het Hoogerhuis verhieven zich stemmen ten zijnen gunste; het Koninklijk Gerechtshof stelde zijn aanklagers in het ongelijk.
Zoo verkreeg het steeds vaster voet, en het werk won voortdurend in omvang. In 1885 telde het Leger in Amerika en Califonië 149 corpsen met 313 officieren; in Canada 141 corpsen met 418 officieren. In datzelfde jaar werden in laatstgenoemde britsche bezitting 70,000 bijeenkomsten gehouden, waarin 20,000 personen âredding gezocht en gevonden hebben.quot; Verbazingwekkend is de ijver en de inspanning van de officieren. Zoo legde de Heer Coombs in 23 dagen een afstand af van 3911 engel-schen mijlen, waartoe hij 200 uren in een rijtuig zat; hij leide 26 groote {tremendous) bijeenkomsten, (daaronder niet begrepen de marsehen, parades, maaltijden enz.) Hij voerde in dien tijd het woord tot 27,000 mensehen; en in de 26 bijeenkomsten wierpen zich 500 personen op de boetebank.
20
Men ziet hieruit, hoe het Leger van alles aanteekening houdt, en ook een âdagboekquot; zou kunnen leveren van zijn âgoede werken.quot;
Ongelooflijk is de inspanning, die de vertegenwoordigers van de S. A. zich gegeven hebben in Britsch-Indië. In 't najaar van 1882 hield de Heer Lantour-Tucker met zijn kameraads zijn intocht in Bombay. Het bekende vaandel ging voorop; de Heeren waren gekleed in 't gewaad der inlanders, gezeten in een ossenwagen, en werden vooraf gegaan door een hoornblazer. De Regeering liet hen gevangen zetten, doch, niet het minst op aandrang van de inlandsche pers, werden zij spoedig weder vrijlaten. De bekende Babu Keshab Shundersen sprong vooral moedig voor hen in de bres. De âWar Cryquot; telde weldra 15,000 koopers; de âoorlogquot; was in korten tijd in vollen gang, en talrijk waren de âgevangenen.quot; De Heer Pestalozzi merkt op, dat deze heidenen en mohammedanen in denzelfden korten tijd âgeredquot; {saved) en bij het leger ingelijfd worden als de Christenen. De Heer Tucker nam in 6 maanden meer dan 3000 Hindoo's op in de armee.
Om ook de laagste volksklasse, de Fakirs, te Avinnen, namen heils-soldaten het schamele kleed dier lieden aan, sliepen als zij op planken, voedden zich met hun spijze, en betoonden een ijver, dien sommigen met het leven moesten betalen.
In Australië zijn 170 korpsen werkzaam met bijna 350 officieren, en men erkent in de dagbladen, dat zij vele diepgezonken menschen als herschapen hebben, en bewogen tot een ingetogen leven.
In Z. Afrika, ja op St. Helena, zijn de mannen en vrouwen van de S. A. mede aan den arbeid. En nog is de heer Booth op grooter veroveringen uit. Hij heeft
21
zich voorgesteld ook zee-soldaten uit te rusten, en evenzeer een vloot onder zijn bevelen te hebben als een leger.
Vermelden wij nu het een en ander van de werkzaamheden der S. A. op het vasteland van Europa.
In 1882 is de âaanvalquot; op Zweden en Noorwegen begonnen , en ondanks den aanvankelijk hevigen tegenstand heeft het Leger er vasten voet gekregen, en reeds in menige plaats zijn gewone werkzaamheden verricht.
Moeielijker was de arbeid in Frankrijk. Het schijnt, dat ten platten lande aldaar, vooral de bergstreek der Cevennes, in de departementen Ardèche en Gard, toegankelijk zich betoonde voor de S. A. Maar hoe is de stand van zaken te Parijs ? Zoo als wij reeds zeiden, is daar het opperbevel in handen van mej. Booth, genoemd la Maréchale. Ook haar ijver en onvermoeide bezigheid verdient onze hulde- Niet alleen, dat zij het blad En Avant redigeert, en veel administratief werk verricht, maar zij houdt talrijke toespraken en inspectie-reizen, en geen koude van een December-avond houdt haar terug van zich te plaatsen aan den ingang van een schouwburg, om de elegante dames en heeren eer zij binnen treden een nommer te koop aan te bieden van de âEn Avant,quot; of hun een kort maar ernstig woord toe te roepen. In de taal van mej. Booth heet deze bezigheid Sharps-hooting.
Bekend is het, tot welke oproerige tooneelen het verschijnen van het Reddingsleger in Zwitserland aanleiding gegeven heeft. Miss Booth bracht er 12 dagen door in de gevangenis, en haar kameraden hebben er aan smaad en mishandeling bloot gestaan. Het heftige optreden van Mevr. de Gasparin in haar brochure Lisez et Jugez. Armeé â Soidisant â dü Salut , heeft, indien wij ons
22
niet bedriegen meegewerkt tot liet ontvlammen van den hartstocht van het Zwitsersche volk.
In Dnitschland ving het Leger zijn operaties aan; het plan de campagne was reeds lang vastgesteld, en, Stuttgart is het punt, dat men het eerst denkt âaan te vallen.quot;
Dat sinds eenige maanden ook te Amsterdam de S. A. zich heeft vertoond, mogen wij als bekend vooronderstellen.
Thans heeft de âgeneraalquot; Booth te beschikken over ruim 800 corpsen met ongeveer 1800 officieren. In alle eenigzins belangrijke steden van Brittannië heeft hij zijn getrouwen, en door zoogenaamde kavallerie-korpsen worden de dorpen bewerkt. Op groote wagens, die logies aanbieden kunnen voor 12 personen, voorts zijn beladen met kleederen, levensmiddelen, boeken, kooktoestel, toiletbehoeften enz. en den naam dragen van âfortenquot; worden kleiner tochten ondernomen, die het oorlogsvuur doen ontbranden in tal van dorpen en kleine plaatsen.
In 1885 bedroegen de uitgaven van de S. A. niet minder dan f 840.000 terwijl men hier bij moet voegen hetgeen de verschillende korpsen kosten, die zelve in hun onderhoud moeten voorzien.
De wijze, waarop in de samenkomsten wordt gekollek-teerd, en de kollekte wordt aanbevolen, laat aan openhartigheid en vrijmoedigheid dan ook niets te wenschen overig.
Doch genoeg van de uitbreiding en den omvang, dien het werk der S. A. genomen heeft
Wij willen thans letten op de middelen, waarvan de Heer Booth zich meent te mogen bedienen, om de wereld voor zijn leger te winnen.
23
III.
Wij hebben het eerste optreden, en de uitbreiding van het Leger des Heils geschetst, en onze hulde gebracht aan de edelmoedige, christelijke gedachte, welke den Heer Booth bezielde, aan den grooten ijver, dien hij met zijn helpers, mannelijke en vrouwelijke, in meer dan één land en werelddeel heeft ten toon gespreid. Wij zullen dus niet van vooringenomenheid of partijdigheid tegen het Leger kunnen beschuldigd worden, wanneer wij nu een ongunstig oordeel gaan uitspreken over meer dan één middel, waarvan de Heer Booth zich neemt te mogen bedienen, om zijn werk tot behoud van verlorenen te volbrengen.
Het Leger wil de wereld voor den Heiland veroveren, en heeft dus tot heden een aanvallend karakter. Maar dit zou niet zijn af te keuren, indien die aanval geschiedde op een wijze, welke met den aard van hot evangelie» met het geestelijk karakter van Christus' rijk niet in strijd was. Doch de Heer Booth wil kennelijk niet, dat men langer zal kunnen zeggen: de kinderen der wereld zijn listiger dan de kinderen des lichts. Hij vindt het niet noodig, dat 'slleeren discipelen een zekere schuchterheid en kieschheid in acht nemen in de wijze van hun optreden en evangelizeeren. Wat uitwerking heeft, onmiddelijk en tastbaar, wat het aantal heilssoldaten doet toenemen en 't gerucht van het leger â dat is goed, dat wordt goedgevonden door God, gelijk zulks blijkt uit het succes. Het woord succes is door-en-door wereldsch, en geheel iets anders dan het christelijke woord: zegen. Yoorden Heer Booth is het een karakteristiek, een kenmerkend woord. Laat ons eerst letten op de organizatie van het
24
leger. Aan 't hoofd ervan staat de generaal William Booth, ook door zijn familie-leden met dien militairen titel altijd aangesproken, en een onbeperkt gezag uitoefenend over het leger in al zijn rangen. Naast hem staat de chef van den staf, die met zijn staf-officieren werkzaam is op de bureau's. De officiers-betrekking wordt bekleed zoowel door vrouwen als door mannen; en als sergeants doen personen dienst, die hun maatschappelijk beroep niet prijs geven, maar hun vrijen tijd gebruiken, om het Leger van dienst te zijn. Mevrouw Booth zegt, dat elke andere wijze van organizatie is beproefd, doch dat God zelf het heeft geopenbaard, dat alles op militairen voet moest worden geschoeid. In dit militaire stelsel wordt nu, terecht, groote waarde gehecht aan de opleiding der officieren. Zij geschiedt in de reeds vermelde Training houses, waarvan het voornaamste dat van Clapton is. Aldaar worden 150 a 200 cadetten, van beiderlei geslacht, aangetroffen. Zij leven er zeer eenvoudig, worden er stelselmatig gehard tegen allerlei ontberingen, tegen hitte en koude, worden gewekt ten half 6 of ten half 7 uren, en gaan ten half elf uren ter rust. Viermalen 's daags wordt er spijs genuttigd, en even zoo vele malen een bidstond gehouden van een half uur. De oefeningen bestaan in lessen die men aanhoort, en verder in Knee-drill, Sharpshooting, Bombarding, Speaking-drill, Leading-drill, War-Cry selling, enz. (knieoefeningen, scherpschie-ten, bombardeeren, oefeningen in 't spreken, 't leiden van een vergadering, 't verkoopen van de War-Cry).
Deze cadetten zijn in drie klassen verdeeld. De hoogste, de Koninklijke, bestaat uit personen, die ten allen tijde, binnen 't verloop van een uur, gehoor moeten geven aan't bevel, om derwaarts te gaan, waarheen zij gezonden worden.
25
Langer dan zes maanden blijft men nimmer in de Training houses, waarvan de inrichting onlangs weder eenige wijziging onderging, en waar men niet in behoeft te zijn gevormd, zoo als blijkt uit het feit, dat verdienstelijke officieren zelfs van hoogeren rang die scholen niet bezocht hebben.
Voor zoo ver bekend is, is het te Londen gevestigde hoofdkwartier verdeeld in 17 departementen, 't Gebeurt, dat er op één dag 2000 brieven en berichten worden bezorgd. Onder de departementen is er een voor âkleine soldatenquot;, een voor den door het Leger gedreven boekhandel, een voor do drukkerij, een voor den handel enz.
Met de grootste nauwkeurigheid wordt alles bestudeerd en geïnstrueerd, wat strekken kan om de aandacht der menigte te vestigen op het Leger.
Zoo werd gelast, dat in de TVar Cry van wege de divisie-officieren ingezonden zullen worden opzien-wek-kende berichten; dat de soldaten, die maar eenigzins in staat zijn om iets op te stellen, worden aangemoedigd om balladen en mededeelingen in te zenden; dat de War Cry ook door officieren zeiven op straat wordt verkocht; dat men vooral per telegraaf zijn berichten moet overzenden, enz.
't Middel bij uitnemendheid, waarvan zich het Leger bedient, om zielen te winnen zijn de vergaderingen, en wel die, waarin met âgranaten en bommenquot;, met âgrof geschutquot; en met âchargesquot; de duivel bestookt wordt, en gemeenlijk eenige âdoodenquot; vallen.
Wij hebben meer dan één beschrijving van zulk een bijeenkomst gelezen, en moeten bekennen, dat die beschrijvingen onderling vrij wel overeenkomen. Dat kan ook
26
geen verwondering baren, want alles wat er plaats grijpt, geschiedt naar de regels en instructies, die van liet Hoofdkwartier uitgaan.
Toch wordt de een door hetgeen in die bijeenkomsten plaats vindt, krachtiger aangegrepen, dieper geschokt dan de ander. Wie min of meer satiriek is van aard, kan allicht van hetgeen hij zag en hoort een voorstelling geven, die aan sommigen ongewijd en ongeestelijk toeschijnt.
Nu beweren wij volstrekt niet, dat de Heer O. Funcke in zijn boek over Engeland zich heeft vergrepen aan den ernst van het Evangelie, of aan den ernst van de taak, die 't Leger des Heils vervult. Maar men heeft er zich aan geërgerd. Daarom nemen wij hier niet over, wat deze geestrijke en ernstige schrijver verklaart te hebben gezien en gevoeld in een samenkomst, waarin 't L. d. H. een âscherp gevechtquot; leverde âmet Satan.quot;
Wij geven echter 't woord aan twee mannen, door wier geschriften volstrekt geen eenigzins satirieke ader loopt, en wel allereerst aan den heer Pestalozzi.
âBegents-Halljie plaats voor de bij eenkomst, is een ruime, hooge zaal, in welker middenruimte vier rijen banken staan, terwijl langs drie zijden een tamelijk breede galerij is aangebracht, waarop wel 1000 menschen plaats kunnen vinden. De vierde zijde wordt ingenomen door 't zoogen. platform, dat bestaat uit rijen banken, die van den vloer opklimmen tot dicht bij de zoldering. Voor de onderste bank staat een kleine spreekplaats, door een balustrade omgeven, waarop de leiders der vergadering plaats nemem; onmiddelijk daar voor staat de zoogen. boetebank. Het platform zelf wordt ingenomen door de heilssoldaten en 't muziekcorps. Ik schat hun aantal daar in Regents-
27
Hall op 300. De zaal mist alle inwendige versieringen; slechts zijn eenige spreuken vastgeliecht langs de gaanderij en de wanden, zoo als: âGod ziet n den geheelen dagquot; enz.
âDe zaal is reeds een half uur vóór don bepaalden tijd, waarop de vergadering geopend zal worden, zeer vol, mot menschen uit allerlei rangen der maatschappij. Naast de oude vrouw, die gehuld is in een vuile, afgedragen doek, zit een elegante dame in fiuweelen mantel rijkelijk met bont gezoomd ; en naast den Westend Swell, die zelfs hier niet komt zonder roos in 't knoopsgat gestoken te hebben, ziet men schamele lieden in een werkpak, verdachte gestalten in gescheurde, morsige kleêren, en in lompen gehulde straatjongens, die met een mengeling van spot en verlegenheid wachten op de dingen, die komen zullen. Plotseling weerklinkt aan den ingang de schetterende muziek, en alles staat op, om aanstonds de binnentreden-den te kunnen zien. Het bekende roode vaandel vertoont zich in de deur, en onmiddelijk daarop verheft zich uit honderde keelen 't geroep: Halleluja; men wuift met zakdoeken, en lustig blaast men de trompetten; de heer Herbert Booth schrijdt door de zaal, en ter eerevanhem en zijn begeleiders weerklinken de geestdriftvolle kreten van bijval. Uit de krijgsschool van Clapton waren de lichte en zware brigaden aangerukt, eenige menschen, mannen, en een contingent Halleluja-meisjes in eenvoudige, donkerblauwe kleederen, op het hoofd de evenzoo donkere Armeéhoed, versierd door een smal, rood lind met het opschrift Salvation Army. Over de borst droeg ieder witte sjerpen met hetzelfde opschrift in roode letters. Het platform was weldra vol; de mannen, die hun overkleederen hadden afgelegd, stonden nu in hun roode, nauwsluitende
28
tricotpakken, met het opschrift Salvation Army, en ook zij waren met witte sjerpen versierd. Weldra had ook de muziek haar plaats ingenomen, en begon een melodie te spelen, die veel op een marsch geleek, welke 't publiek al spoedig met haar gezang begeleidde.
âInmiddels was de heer Booth met zijn gevolg verschenen op de kleine estrade, had hij een kort gebed gedaan, en dan in een langere toespraak, die telkens door zingen was afgebroken, getracht de vergadering duidelijk te maken wat zonde en verderf, en wat verlossing is, enz. Hij trachtte m. a. w. in allerlei wendingen het thema te varieeren: gij leeft een leven dei-zonde, dat u naar de hel voert. Komt tot hot Leger des Heils, daarbij is vrede en vreugde! Ziet ons allen aan; in ellende en gebrek leefde deze en die, tot het Leger d. H. hem opnam, en er hem toe bracht zijn zonde vaarwel te zeggen, en den wensch in hem opwekte, om gered te worden. Ziet eens die vroolijke aangezichten; allen zijn gelukkig, want wij zijn geheel gered; wij zijn in 't bloed des Lams gewasschen, en met den H. Gr. vervuld.
âEr waren oogenblikken, waarin men zich diep getroffen gevoelde. De heer B. is geen redenaar, die spreekt in de verwachting, dat deze of gene uit zijn hoorders 't een of ander woord wel op zich zal toepassen, en dat hem zulks tot een blij venden zegen wezen zal. Neen, wij hadden hier een worsteling tusschen een ge-heele vergadering en een enkel, onverschrokken man, dien men soms kon vergelijken met een jong held, die tegenover een vijandig gezinde menigte staat in de vaste overtuiging: âIk zal over u zegevieren, gij zijt reeds in mijn macht sinds het oogenblik, dat ik hier den voet in deze zaal gezet heb. Komt gij van daag niet tot de
29
boetebank, dan komt gij toch morgen, of later. Eust hebt gij niet meer; ik heb in u een vuur ontstoken, dat in u branden en werken zal, totdat gij er u aan overgeeft.quot;
âDoch lang kunnen wij ons aan onze overdenkingen niet overgeven; weldra weerklinkt weer muziek en gezang, en melodiën dringen tot ons gehoor door, die wij vaak genoeg van liedjeszangers hebben gehoord, of van een straatorgel. Met lichaam en ziel zingt het platform meê, want de zingenden slaan niet alleen met handen en armen, en soms met hun voeten de maat, maar zij klappen op commando in de handen en 't gebeurt, dat, de een of ander in zijn vervoering zich slaat op knie, elleboog en hoofd, alsof hij aan den dans is, en een tamboerijn bespeelt.
âJa, de melodie is zoo wegslepend, en voert den zanger zóó met zich mee, dat de herinnering aan de woorden , die hij er in vroeger tijd bjj zong, hem te sterk wordt, en de heilsoldaat voor een oogenblik weer verandert schijnt te zijn in den voormaligen losbol. Maar de directeur heeft zijn oogen en ooren overal, en een teeken met de hand of de signaalfluit, brengt den droomor weer tot bezinning. Nadat het geheel ongeveer een uur heeft geduurd, gaat men over tot de collecte. De heer Booth beval haar krachtig aan , terwijl hij wees op de vele onkosten, welke deze buitengewone veldtocht mot zich bracht, en de geduchte uitgaven, welke het Leger voortdurend te doen had.
âVijf-pond-billetten willen wij heden hebben, laat niemand een knoop er in werpen!quot; Schaterend gelach volgt op deze en dergelijke grappen; maar ik moet bekennen dat de indruk van een en ander niet zoo stuitend was , als men bij 't lezen wellicht denkt.
30
âMen kan soortgelijke vereenigingen niet vergelijken met kerkelijke godsdienstoefeningen.quot; De lieer P. zegt, dat het slaan op trommen in alle hoeken der zaal door kinderen en ander betoon van vroolijkheid en al die luidruchtigheden samenhangen met den geheelen aard van 't Leger, en in verband daarmee moeten beoordeeld worden. Onder 't collecteeren wordt ook de War Cnj druk verkocht , want het lied, dat op de 3e bladz. voorkomt, zal gezongen worden.
âEn nu begint,quot; zoo gaat de heer Pestalozzi voort, âde Prayermeeting, waarin voor 't behoud der vergadering gebeden zal worden. De leider werpt zich op de knieën, en met hem alles wat heilssoldaat heet, en een gebedskamp begint, als men dat woord wil gebruiken voor hetgeen nu gebeurt, en dat bijna onbeschrijfelijk is. Terwijl de voorbiddende met inspanning van alle krachten van lichaam en ziel God aanroept, dat Hij zich over alle verlorenen, hier tegenwoordig , ontfermen moge, arbeidt op dezelfde wijze ieder heilssoldaat voor zich zelf. Met dicht gesloten oogen, vaak onder 't bewegen van de gelaatstrekken , alsof zij de vreeselijkste smarten lijden, stooten de soldaten hun gebeden met gedempte stem uit, en hun armen zijn in gestadige beweging; zij slaan met de vuisten op de banken, ja zij stampen met de voeten, indien niet spoedig iemand nadert tot de boetebank, want God moet medehelpen, nu, op dit oogenblik, het Red-dingsleger wil het; zonder een aantal geredde zielen mag de vergadering niet eindigen, dat zou een nederlaag zijn. De H. Geest moet komen; hij blijft ook nooit uit, en luider en luider roept alles; Halleluja weerklinkt het uit dezen hoek; o God save fhem uit genen, en plotseling lost zich al het doffe, siddering wekkend gedruis op in de een
31
of andere zangwijs , om eenige oogenblikken daarna met vernieuwde krachten weer te beginnen. En eindelijk naderen wankelend een paar gestalten tot de boetebank, werpen daar zich neer, en zijn weldra door officieren van het Leger omringd, die hun toespreken.
âMaar dat is niet genoeg. âHierquot;, roept de leider der vereeniging, terwijl hij op een groep toehoorders wijst, âhier zit een geheele rij van de zoodanigen, wier geweten hen bestormt, en dringt om te voorschijn te komen; weerstreeft toch niet, komt nader, daar op de boetebank vindt gij vergeving, troost, blijdschap en zaligheidquot;, en weer komen eenigen nader. âVijf zijn er reedsquot;, klinkt het van 't platform, âslechts vijf uit de duizenden? Wilt gij dan allen 't verderf in de armen loopen, in de kaken der helquot; ? En op het platform begint onder do honderde heilssoldaten een nog sterker worstelen; als indehelsche angst krommen zich hun lichamen, verwringen zij hun gelaatstrekken; het is, alsof ieder in het bijzonder God den Vader, den Zoon en den II. Geest persoonlijk bedreigde en trachtte te dwingen, nu, juist nu, daar hij het hebben wil en hebben moet, een bijzonder wonder te doen.
âKan men er zich over verwonderen, als het officieele-bericht van zulk een vergadering bijv. het volgende meldt;
âIn weinig minuten staat de geheele vergadering in vlammen. Onze soldaten hielden met krachtig geloof vast aan God, terwijl zij den hemel omlaag trokken, die het geheele tooneel scheen te vervullen.
âWij hadden een echte heilsverzameling. De soldaten vol âvuurquot;. Geen oponthoud, ieder bereid een schot op het vijandelijke leger af te vuren. Het volk hoorde ademloos toe, en er is geen twijfel aan, of het zaad.
32
dat op dezen dag uitgestrooid werd, zal opgaan en vruchten yoortbrengen tot roem en eer van Gods grooten naam. Het bevel werd gegeven tot er op inhouwen. ÃTiet een oogenblik ging verloren; verwachtingen groot; 't geloof groeide sterk aan; gebeden stegen omhoog ; een machtige zegen stroomde neer; de duivelen sidderden van angst; de engelen legerden zich rondom ons; hemel en aarde waren vereenigd; een roemrijk einde!quot;
Een niet onbelangrijke plaats wordt op de samenkomsten van het leger des Heils ingenomen door de getuigenissen van hen , die âgeredquot; zijn. Er is geen geringe eentoonig-heid bij afwijking, wat de bijzonderheden betreft, in deze met groote vrijmoedigheid afgelegde bekentenissen. âIk weet, dat ik gered ben, want ik woon geen hondengevechten meer bij,quot; zegt de een; âik drink geen bier meer, ik ben een heilssoldaat,quot; zegt de ander.
AVat toespraken, hartstochtelijk gezang en tal van âgetuigenissenquot; niet vermogen; wat opstaan, en handgeklap, zoo luid mogelijk en dikwerf herhaald â wat al die aangrijpende middelen niet uitwerken, dat verwacht men van de muziek. Een der muziekanten van het Leger had geleerd op de trompet te blazen, welke hij vast hield met de rechterhand, terwijl hij tegelijker tijd met de linkerhand en met de beide voeten speelde op de harp.
Het lievelings-instrument van het Leger is echter de trom, de groote trom, en in vollen ernst worden aan haar slagen, vele bekeeringen toegeschreven.
In 't officieele oorlogsbericht van 1885 wordt op de beteekenis van de trom en de trommelslagers bijzonderlijk de aandacht gevestigd. Wij lezen daar o. a.: âDe groote trom wordt misschien als een zonderling iets of als iets bijzonders bij het Leger des Heils beschouwd, en veel
33
is er reeds over gesproken in ongunstigen zin. Maar hoe zouden zij, die dat gedaan hebben , zich verwonderen, indien zij bedachten, dat waar een trom is, ook een trommelslager moet zijn, en indien zij tot de ontdekking kwamen, dat deze in de meeste gevallen een voormalig, een groot dienaar des duivels is geweest en nu bereid, zich alle bezwaren en alle mogelijke smaadredenen te getroosten om anderen er toe op te wekken, ook de groote verlossing te zoeken, die zijn eigen leven op zoo wonderbare wijze hervormd heeft.quot; âDe kerkklokkenquot;, zoo vernemen wij daar verder, âhebben haar aantrekkelijkheid voor de groote menigte verloren, maar als de trom des Legers weerklinkt, dan worden er steeds geleid tot het heil, op wie sinds jaren elke godsdienstige invloed niets vermocht had.quot;
Laat ons nu een oogenblik het woord geven aan den heer Dalton. Hij woonde de groote wapenschouwing bij, welke de âGeneraalquot; in Juni 1885 te Sheffield hield, en deelt er ons o. a. het volgende van mee; âDen anderen morgen vroeg ging ik naar de grootste zaal, die in de stad voor feestelijkheden beschikbaar is, de Albert Hall. Op weg daarheen aan alle hoeken van straten, in de bontste kleuren, reusachtige aanplakbil-letten, die tot deelneming aan de wapenschouwing in den trant van een marktschreeuwer uitnoodigden. Geen merkwaardigheid der kermis, geen paardrijdster wordt op zulk een opzienbare wijze aan 't geacht publiek voorgesteld en [aanbevolen. De groote zaal was om 7 uur slechts matig bezet; een knee drill, een oefening op de boete-bank, zou gehouden worden. Op het platform vielen vooral drie Halleluja-cadetten in 't oog, met hun roode Jersey-jassen met de groote S op de borst, die aankondigde
3
34
dat zij behoorden tot de Salvation Army. Zij maakten den indruk van leden eener gymnastiek- of roeiclub, die zich gereed maakten om voor hun club op de Theems, ten aan-schouwe van 't geheele land de overwinning te behalen. JSTog kort geleden waren die drie mannen predikant bij de Staatskerk, maar zij hadden de toga verwisseld met de jas, omdat zij liever, zoo als een hunner mij zeide, het koningrijk Gods instoomden met âden bliksemtrein dan met een vervelende, alledaagschen hummeltxQmquot; Een paar honderd toehoorders, mannen, vrouwen en kinderen uit den laagsten stand waren aanwezig.
âEen der cadetten noodigt uit tot het zingen van een lied, dat aan den ingang verkocht werd. Denkt nu echter niet aan een kerklied. Als een straatdeun wordt het aangeheven, met voetgestamp, en alles behalve zuiver. Nadat op die wijze de sluizen geopend waren, brak de woordenvloed onafgebroken los. Zeer korte toespraken, vaak slechts 2â3 volzinnen, op eenvormige wijze hetzelfde thema opdreunende: âIk was een zondaar, ik ben gered. Halleluja!quot; en de allerbijzonderst-licht te vol-doenen menigte geeft teekenen van bijval en roept Amen en Halleluja, zoodat er een helsch gedruisch ontstaat.
âDubbel stuitend is die handelwijs voor ieder die de âverordeningenquot; kent, welke opwekken tot vroolijkheid en tot dat einde bepaalde maatregelen voorschrijven, en die een blik heeft geworpen in de literatuur, waarin menig voorbeeld van zulke uitboezemingen gegeven is, met het roemen op een telegrammenstijl, die het mogelijk maakt, dat bij zekere gelegenheid in 67 minuten 66 mannen en vrouwen het woord hebben gevoerd. Meer tijd werd ingenomen door de toespraken der Hallelujacadetten. Een zekere onervarenheid en linksheid viel
35
bij de voormalige predikanten duidelijk waar te nemen; zij hadden zich de hier gebruikelijke wijze van spreken nog niet eigen gemaakt; hun woorden herinnerden nog te veel aan de school; verrieden nog eenigen samenhang van de gedachten, een zekere consequentie, ook al bepaalde hun Schriftverklaring zich tot het uitspreken van de gewisheid van de vergeving der zonden in Christus Jezus, en tot het aandringen met alle mogelijke kracht op oogenblikkelijke bekeering.
âNu ging men over tot den hoofdaanval. Een onstuimig lied â en daar trad een vrouwelijke kapitein naar voren om te bidden. Steeds dringender, steeds meer den hemel als bestormend, steeds krampachtiger werd de taal en ook het gebaardenspel waarbij bijna het geheele lichaam in heftige beweging geraakte. De woorden drukten haar als een zware last op de ziel; het scheen, alsof zij in stuiptrekkingen vervallen zou. Het angstzweet droppelde langs haar gelaat, en langs dat van menigeen der aanwezenden. Eindelijk kwam het Amen, dat langen weerklank vond in de zaal.
âZij, die gebeden had en haar adjudanten zagen nu uit naar den indruk, door dezen aanval teweeg gebracht. Maar de gesloten gelederen weken niet; doch een trek van verbijstering op sommige aangezichten gold den deskundigen van het Leger d. H. voor een bewijs, dat men een wond had ontvangen. Dus een nieuwe uitval was noodig. Weer een lied, weer een paar vluchtige bekeeringsbelijdenissen, dan op nog hartstochtelij kei-toon een gebed, onder hetwelk de biddende als in strijd met een onzichtbare macht scheen te worstelen. Nu weer uitzien naar den uitslag. Daar schijnt een ziel in tweestrijd te geraken; een officier ijlt toe en overreedt, dringt
36
vooruit, en nu werkelijk: de zwaar gewonde grijpt moed, sleept zich voort tot aan de boetebank voor het platform, en zinkt daar neder. Vuriger wordt er gebeden, vuriger gezongen. Nu komt een tweede, een derde; lachend, een weinig bedeesd een meisje aan de hand van haar moeder. Het voorbeeld werkt aanstekend. Eindelijk liggen er elf op de boetebank. Op den een en den ander, bij wien de wedergeboorte slechts bezwaarlijk en langzaam schijnt plaats te grijpen, treedt een mannelijke of vrouwelijke officier toe, valt naast hem op de knieën, slaat den arm om zijn hals en fluistert hem woorden toe, die de handeling bespoedigen moeten. Eindelijk is de geboorte geschied. De wedergeborene staat op, roept: ik ben gered, ik heb vrede! Daarop kreten van bijval, handgeklap op de banken, evenals de blijdschap dei-moeder bij den eersten kreet van haar kind. De officier haalt nu zijn zakboek te voorschijn, en teekentden naam en 't adres van den geredde, als man van zaken,'op. De zaak is klaar; het geheim der wedergeboorte voor aller oogen tot stand gekomen. Pas aangeworven treedt de nieuweling als werver op. Mij werd het daar zeer benauwd onder, en mijn hart brak over zulk een ontwijding van het heilige; een traan van schaamte en onwil kwam op in mijn oogen. âGij schijnt Jezus niet lief te hebbenquot;, duwde mijn buurman mij toe, die mijn toorn scheen bemerkt te hebben. âJuist mijn liefde tot Jezus dringt er mij toe, tegen zulk poppenspel de stem te verheffenquot; hernam ik op den toon der verontwaardiging âO, indien gij Jezus maar lief hebt, mijnheer, dan verheug ik mijquot;, was het kalme antwoord Ik ijlde naar buiten, als ontvluchte ik een krankzinnigengesticht, in de vrije, frissche lucht.quot;
De Heer Dalton kwam buiten tot eenigzins andere
37
gedachten, althans tot kalmer stemming. Ka verloop van een paar uren was hij weder in de Albert-Hall, en wij willen hem zelf laten verhalen, wat hij zag en hoorde ; âDe hoofd-bijeenkomst zou aanvangen. Onder luide muziek, met wapperende banieren kwamen er van alle zijden de verschillende corpsen aangerukt, 't een uit de stad, 't andere mijlen ver van 't platte land, andere met extra-treinen van zeer verre, een menigte alleen van 500 officieren, de meeste met troepen afdeelingen tot de wapenschouwing van hier en ginder gezonden. Ook de grootste zaal kon de menigte niet bevatten; meer dan 10,000 waren er zeker bijeen, mannen en vrouwen in hun bijzondere kleeding, met de teekenen van hun rang. De Generaal Booth wees mij een der beste plaatsen aan op het platform, en stelde een der oversten van den Generalen staf tot mijn beschikking, een groot aanlegger van spoorwegen uit het westen van Engeland. Het kan niet geloochend worden, dat de blik van 't platform op deze bonte schaar van duizenden, meerendeels behoorende tot de laagste volksklasse , vóór korten tijd nog verslaafd aan drank en ontucht, thans in welvoegelijke kleeding, vol stralende blijdschap, ruw maar hartelijk elkander begroetende, alsof zij leden van één gezin waren, een overweldigenden indruk maakten. Nu nadert onder luid gejubel der menigte de Generaal met zijn geheele familie, met zijn generalen Staf en een uitgelezen schaar van mannelijke en vrouwelijke officieren, en neemt plaats op het platform. Mijn overste noemde mij eenige namen, en stelde mij aan sommigen voor. . , . Die man daar met het dweepziek vlammend oog was voor een jaar nog een befaamde bokser; zijn nabuur een dronkaard, dien men bijna eiken nacht op straat zag liggen. Die vrouw
38
daar met het in 'toog vallende leelijk hoofddeksel der vrouwelijke officieren, met die zedige, eenvoudige kleeding en de ernstige gelaatstrekken verraadt in niets meer, dat zij voor weinige maanden nog een liederlijk leven leidde.
Dicht vóór mij zat met een harp een dochter van den generaal, een zeer aantrekkelijke verschijning , hleeke, ernstige gelaatstrekken, die een onverzettelijken wil verraden , het stralende groote oog nu eens zwaarmoedigen ernst verradende, dan weer schitterend van een vuur, dat dweepzucht weerkaatst; in de trekken iets ongenaakbaars en toch iets , dat machtig aantrekt; men bespeurt het dat zij zonder aarzeling voor haar zaak martelares zal willen worden; haar gevangenschap in Zwitserland is voor haar een zaak geweest, die van zelf sprak , en slechts een klein offer in vergelijking van datgene, wat zij, te oordeelen naar haar gelaatstrekken, zou kunnen doen. . . . Daar staat de generaal op, door duizenden luide begroet. Een hooge, slanke gestalte met zwart haar, dat echter begint te grijzen. Scherpe lijnen vertoont dit gelaat met zijn vollen dichten baard; een scherpe adelaarsneus steek ver vooruit; de vastgesloten mond toont een ijzeren wil; de levendige oogen zijn wijd geopend en overzien de menigte; alle trekken van 't gelaat zijn even levendig, en niet zelden gaat er een vroolijkeglimlach over henen. De man is in zijn gansche optreden een volksman, zich van zijn invloed op de menigte wel bewust. Hij verlangt, dat men een slaglied zal zingen. Een machtig lied, als stormgeloei door duizenden gezongen; als 'trefrein van elk couplet komt: pull, sol-diers , jndl the glory down, vallen alle instrumenten in, dan grijpt de harpspeelster vóór mij in de snaren, de cymbalen en trompetten schetteren, de zakdoeken wuiven,
39
maar boven alles uit klinkt het kraclitig gezang, waar de geheele vereeniging mee instemt. Ik liad geen lust daarin bij 'teerste couplet; bij liet tweede neuriede ik mee ; maar liet derde zong ik luide even als de anderen, en lang, zeer lang is dit lied mij bijgebleven. Degene-raai bemerkt, dat in een boek van bet koor bet wuiven met zakdoeken wordt nagelaten. Hij gebiedt stilte,roept den nalatigen een aanmoedigend woord toe, en nu gaat liet weer voort, onafgebroken, overweldigend.quot;
liet komt ons overbodig voor, na deze onverdachte getuigen gehoord te hebben, langer stil te staan bij de middelen, waarvan het Leger meent zich te mogen bedienen.
IV.
Het oordeel, dat wij over dezen arbeid meenen te mogen en te moeten uitspreken, laat zich niet gemakkelijk in een enkel woord samenvatten.
quot;Wij kunnen bij het opmaken van ons oordeel ons nu eenmaal niet ontdoen van onze nationalen aard, welke zoo geheel] anders is dan die van het Britsche volk.
De arbeid ter verbreiding van het Evangelie is bij de Britten geworden wat zij noemen een matter of business.
quot;Wij, Nederlanders, trachten zoo lang mogelijk het geestelijke te houden op een zeker gereserveerd gebied, waar wij alles wat wereldsch en zinnelijk is, buiten sluiten. Het is ons al vrij wel, dat ons gezang begeleid wordt door het statig orgel, maar harpen, tamboerijnen, trommels in een kerk â wij schrikken er van. quot;Wij laten liefst alles over aan de stille werking van het woord, en meenen dat zij oneerbiedig en ongewijd handelen, die door zang, door een anecdote, door banieren en optochten op de harten werken, en zielen winnen willen.
40
Wat ons derhalve tegen de borst stuit, vindt men in Engeland alleszins geoorloofd. Zelfs Spurgeon zou in zijn wijze van doen en spreken ons aanstoot geven, ons niet âgewijdquot; genoeg toeschijnen. Laat ons dit niet vergeten, maar voorop stellen.
Verders t wij leien wij geen oogenblik aan den ernst en de oprechtheid van de hoofdaanvoerders en tal officieren van het Leger. Wij beginnen met daarop te wijzen. In hun borst blaakt een heilig vuur. Zij zijn met ontferming bewogen over de scharen, die zijn als schapen zonder herder. Het is een edele gedachte, het is een brandende ijver, het is een heilige liefde, welke hen beweegt bij de groote inspanning, bij den ontzachlijken arbeid, dien zij zich getroosten.
Maar dit sluit niet uit, dat die arbeid en die toewijding gepaard kunnen gaan met groote en gevaarlijke dwalingen, ja daaraan misschien hun grootste prikkel ontleenen.
Laten wij daarom een en ander mededeelen van de theologie, welke aan deze geweldige beweging ten grondslag ligt. Wij bedoelen niet, dat zij haar godgeleerde denkbeelden heeft belichaamd in een stelsel; maar zij gaat toch van zekere meeningen betreffende God en zijn dienst uit, welke haar bestieren en leiden. In 1881 verscheen een boekske The Doctrine and discipline of the Salvation Army. (Londen, Headquarters 273, Whitechapel Road E). Wij loopen het door, en schrijven er enkele karakteristieke vragen en antwoorden uit over:
Fr. Kunt gij eenig schriftuurlijk bewijs geven voor de Driëeenigheid van het goddelijk wezen ?
A. Ja, de Bijbel is er vol van.
Vr. Strekken de zegeningen van Christus' verlossingswerk zich uit over alle menschen ?
41
in A. Ja, zij werden verworven, en zijn bedoeld voor de
ijn geheele wereld; d. i. voor allen die nu leven, en voor
iet allen die hier namaals leven zullen,
sn, Vr. Hoe bewijst gij, dat Christus stierf voor alle menschen?
A. 1. Uit hetgeen wij weten van Gods goedertieren en karakter kunnen wij afleiden, dat Hij in Zijn genadig plan
â en 't geheele menschelijke geslacht besluit. Iemand prijs te
In geven zou ons toeschijnen als een volstrekte wreedheid,
ng 2. Daar is geen tekst in den Bijbel, die zegt, dat hij
Ier niet stierf voor alle menschen.
ide 3. Er zijn vele teksten in den Bijbel, die zeggen, dat
de hij voor allen stierf.
zij 4. De Bijbel zegt ook, dat Christus stierf voor âde
wereld,quot; voor de âgeheele wereld.quot; ng Vr. Kunt gij uitleggen, wat door de Calvinisten geleerd
en, wordt over de leer der uitverkiezing ?
A. Ja; de Calvinisten leeren, dat God, uit vrijmachtig de welbehagen, en tot zijn eigen verheerlijking, van alle
id- eeuwigheid uitverkoren of verkoren heeft, zonder eenige
rde aanmerking van 't geloof of het leven der enkele personen
aat zeiven, een gedeelte van het menschelijk geslacht om
nst behouden te worden, en heeft goedgevonden, hen in den
Jen hemel te brengen.
ion Vr. quot;Wanneer werden deze calvinistiche leerstellingen
E). het eerst in de Kerk geleerd ?
;ke A. Zij worden niet aangetroffen in de geschriften van
eenig christelijk leeraar vóór ongeveer 300 jaar na Cristus. oor Vr. Wat verstaat gij door de voorkennis van God?
A. Door voorkennis versta ik, dat God vooruitziet, of van te voren weet wat zal gebeuren, gs- Vr. Hebt gij nog andere teksten aan te voeren tegen
deze leerstellingen der predestinatie ?
A
42
A. Dea halven bijbel. Maar vooral die teksten, welke ons God's innig medelijden leeren met menscben, die omkomen.
Fr. Kan Gods Geest worden wederstaan ?
A. Ja, ongetwijfeld. De menscb kan den Geest wederstaan , en bij doet bet; dat is, bij weigert te doen, wat God van bem vraagt.
Fr. Geven wedergeboorte en bekeering dezelfde zaak te kennen ?
A. Ja, zij.
Fr. Kan een menscb weten, of bem de zonden vergeven zijn?
A. Ja, ongetwijfeld.
Fr. Wat is heiligmaking ?
A. De heiligmaking is de sebeiding der ziel van de zonde, en de toewijding van bet gebeele wezen aan den wil en den dienst van God.
Fr. Is 't mogelijk een zondelooze volmaaktheid in dit leven te bereiken ?
A. Neen! Een onvolmaakt scbepsel kan niet volmaakt gehoorzamen aan een volmaakte wet, en een menscb, die onvolkomen is beide naar lichaam en geest, is ganscbelijk onbekwaam tot het houden van Gods volmaakte wet.
Fr. Als wij spreken van heiligmaking, of geheiligd te zijn, bedoelen wij dan daarmee in 't algemeen: al geheel e heiligmaking ?
A. Ja, en wij bedoelen dezelfde ervaring, als wij spreken van volmaakte liefde of heiligheid of zegen, ofge-heele verlossing, of een rein hart, en dergelijken.
Fr. Welke is de derde voorwaarde voor algeheele heiliging ?
43
A. De dadelijke, en werkelijke overgave aan God van den geheelen menscli en alles wat hij bezit.
Fr. Gelooft gij aan een hel ?
A. Ja, gewisselijk.
Fr. Gelooft gij, dat de straf eeuwig duren zal ?
A. Ja, eeuwig.
Fr. Is de leer, dat de ziel vernietigd zal worden, valsch ?
A. Ja, stellig.
Fr. Hoe zal ik â een soldaat van 't Leger de Heils â liet beste gebruik van mijn bijbel maken ?
A. 1. Lees hem geknield.
2. Lees weinig achtereen.
3. Lees in 't geloof, ieder woord geloovende, dat gij leest.
4. Vertrouw op den H. Geest, om do ware bedoeling aan uw ziel te openbaren.
5. Prent de meest praktische gedeelten in uw geheugen.
6. Leg wat gij leest aan het volk uit in woorden, en met voorbeelden, die zij verstaan kunnen.
Fr. Houdt het leger den doop voor een plicht, die moet volbracht worden ?
A. Beslist neen. Het leger houdt slechts één doop onmisbaar tot zaligheid, en dat is de Doop des H. Geesfes.
Fr. Wat leert het Leger aangaande 's Heeren Avondmaal ?
A. Indien zulk een instelling bevorderlijk is aan 't geloof onzer soldaten , dan bevelen wij er 't gebruik van aan.
Fr. Is het deelnemen aan het Avondmaal onmisbaar voor 'tlidmaatschap van het Leger, of tot zaligheid?
A. Beslist neen. Alleen een heilig leven, liefde tot God en menschen, gegrepen en staande gehouden door de kracht des H. G., door 't geloof in Christus bloed, is onmisbaar tot zaligheid.
44
Het komt mij voor, dat deze aanhalingen voldoende zijn, om ons een juist denbeeld te geven van hetgeen het Leger beweegt tot het aanwenden van de door ons genoemde middelen. Het ziet in ieder mensch, zoolang hij niet is bekeerd, een wezen â op weg naar de hel, naar het eeuwig verderf. Maar wie hij wezen moge, hij kan worden gered , nu , onmiddelijk en volkomen.
Hij heeft slechts te gelooven, zich slechts te geven aan Jezus ; en dan is hij gered. En daarom â er op uit, om die verlorenen te zoeken, hen te dwingen, om in te gaan! Daarom niet gerust, voordat allen, allen de blijde tijding hebben gehoord, en gesteld zijn voor de keuze tusschen hemel en hel. Indien zij maar willen, zij kunnen behouden worden.
En als zij zich aan den Heiland overgeven, dan hebben zij niet noodig opgenomen te worden in eenige Kerk. Zij worden ingedeeld bij het Leger, bij het zegevierend, rusteloos kampend en immer voorwaarts trekkend leger. Jehova is hun eenige generaal; Michael hun generaal-majoor; de generaal Jezus, die stierf is nu de arts van het Leger, en de almachtige eerste officier van gezondheid; hij benoemt alle officieren, en gelijk hij Adam benoemde tot generaal-majoor van 'tparadijs, zoo benoemt hij nu de soldaten in het Leger der heils. Hij zeide niet tot Adam: benoem een comité, beleg vergaderingen , roep een Synode samen, maar hij maakte hem tot den grooten generaal van Eden.
quot;Welnu, wie onder de vanen van dat Leger gestreden heeft, en gestorven is op het veld van eer, hij moet met groote militaire praal en plechtigheid begraven worden; treurmuziek moet daarbij weerklinken, en in de War Cry moeten zijn heldendaden, zijn laatste gesprekken uitvoe-
45
rig worden vermeld, en men geeft hem de verzekering na, dat hij zijn zegevierenden intocht heeft gedaan in den hemel.
Wij willen met het Leger hier geen polemiek openen, doch wel getuigen, dat het optreden van vrouwen in de vergaderingen, met grooten nadruk, en niet zonder gevatheid is verdedigd geworden, o. a. door Mevr. Booth, zonder dat zij ons heeft kunnen overhalen tot haar gevoelen.
Een zonderling denkbeeld vormt het Leger zich van de hekeering eens menschen. Als in een wervelwind, met een tooverslag worden de menschen door de heilssoldaten en officieren overgebracht van den staat der zonde in dien der genade.
Wat moet er toch omgaan in het gemoed van die menschen, die uit het liederlijkste leven, uit de diepste onwetendheid, ja uit het heidendom gister kwamen opdoemen, en heden reeds getuigen, dat zij Jezus gevonden, dat zij vrede ontvangen hebben, en nu anderen opwekken, om hen te volgen?
Is de naam Jezus dan een tooverwoord, en de bekeering een soort optisch bedrog?
De bekeerden hebben dan ook geen rust. Onverpoosd moeten zij, die âoverwonnenquot; worden, er op uit om anderen te winnen. En zoo zij opleiding ontvangen tot die taak, dan bestaat die grootendeels daarin, dat hun geleerd wordt, vergaderingen te leiden, de algemeene aandacht op het leger te vestigen, sensation te verwekken, reclame te maken. Zulk een opvatting van het christelijke leven weet van tentatie of meditatie niet of weinig. Het wordt dus niet gevoed door die meer verborgen bronnen, welke de wortelen van ons geestelijk leven moeten drenken. Het wordt verteerd, en ontvangt geen
46
brandstof. Het is stroo-vuur en geen wel onderhouden haard. Het houdt altijd-door bezig met anderen, en keert nooit in tot zich zelf. Het verdiept zich niet, maar het loopt voort, op groot gevaar van te verloopen en te smoren in het zand. De Heer Booth deed wel met de ellendigen en verwaarloosden der groote stad Londen op te schrikken en te brengen onder de prediking van het Evangelie; hij doet verkeerd met de wereld te willen bekeeren, en dat te doen door menschen, die zelve alle onderwijs ontbeerden.
Gods Koninkrijk houdt, in zijn ontwikkeling, altijd rekening met historisch geworden toestanden. Gods woord overstroomt de wereld niet, maar volgt de beekskens, de rivieren, die God laat wandelen door de landen, 't Leger des heils houdt met geen lands- of volkskerken rekening, met geen nationaliteiten of tradities, doch komt daar bruisend als een bergstroom aangerold. Hier en daar zet het een akker, een dal onder, ginds besproeit het ook wel een dorre plaats, die dadelijk opluikt â maar wat het na zal laten?
Wij hebben een andere bedenking. Een groot deel van de kracht des Legers schuilt in zijn organisatie. En die organisatie is zoo krachtig mogelijk. De âGeneraalquot; heeft een macht, misschien even groot als die van den generaal der Jezuïten-orde.
Hij zendt zijn officieren, waarheen hij wil. Hij benoemt en ontslaat hen. Zonder zijn toestemming treedt geen mannelijk of vrouwelijk officier in het huwelijk; hij ver-hiedt hen geregeld de gewone nieuwsbladen te lezen; zij mogen ze inzien, meer niet; romans of andere verhalen zullen zij evenmin lezen mogen als eenig gewoon godsdienstig geschrift; zij mogen lezen den bijbel, hun
47
Gezangboek, de algemeene âOrders,quot; waarvan ieder dag een deel gelezen worden moet â de War Cry, en de boeken, door het Leger zelf uitgegeven, enz.
Wij hebben hier dus een poging, om op evangelisch, protestansch terrein over te brengen het beginsel van militaire gehoorzaamheid, dat zoo dikwerf is toegepast in de roomsche Kerk, maar dat strijdt met de vrijheid van een christenmensch. Neen, zoo mogen wij ons niet laten beheerschen door een mensch, als een heils-officier geregeerd wordt door zijn generaal.
De generaal beschikt over de wereld, alsof zij hem door Christus zelf ten eigendom geschonken is; wat zal het zijn, indien eenmaal bij het aftreden van den Heer Booth, die een vroom man is, zijn macht in handen komt van een eerzuchtige, die eigen macht en voordeel boven alles bedoelt en najaagt?
Niet minder is ons de profanatie tegen de borst van hetgeen ons heilig is. Wij hopen niet, dat aangeboren Nederlandsche âdeftigheidquot; ons hier parten speelt, maar er zijn toch grenzen, die zelfs geen Brit overschrijden mag. De Kermis-kramer, de straatventer, de man met levens-elixir, met horoskopen, met wonderzalf, en de gelukkige eigenaar van een kalf met drie pooten, of een varken met twee koppen: zy mogen met trompet en getier de aandacht trekken van het groote publiek â de prediker der blijde boodschaps des heils gnjpe naar andere middelen.
't Levend water behoeft niet altijd in gouden en zilveren of kristallen bekers te worden aangeboden; die dorst heeft drinkt het ook met smaak uit een ruwen houten nap â maar die nap moet rein wezen en 't water geen bijsmaak hebben. De prediker worde nooit een clown.
48
Het ia een bewijs voor de armoede aan denkbeelden, voor 't gebrek aan diepte in de prediking der salutio-nisten, dat zij door op hetzelfde nederkomende verhalen en door grappen van niet verheven aard, hun toespraken meenen te moeten kruiden.
In ons land verwachten wij van den arbeid des Legers nagenoeg geen heil. Het zal enkele personen, enkele gezinnen misschien een tijd lang met een verblindenden ijver vervullen, om hen daarna, vermoedelijk, voor altijd ongeschikt te maken tot allen degelijken arbeid, tot alle geregelde werkzaamheid. Wij leven echter in een vrij land, en vinden 't onbetamelijk en ergerlijk, dat men door laffen spot en door gedruis de samenkomsten van het Leger in verwaring zoekt te brengen. Voor 't geduld, waarmee dit alles gedragen wordt, heb ik ongeveinsde bewondering.
Wij, vrienden der Inwendige Zending, moeten een-nieuwen prikkel tot verhoogde inspanning ontvangen van de mannen en vrouwen, die zoo moedig en onvermoeid het verlorene zoeken. Zij doen ons zien, welk een macht en kracht daar ligt in dat door velen verachte Evangelie.
Doet het Leger ons denken aan een stortvloed, die niet aan kan houden, â moge het blijken, dat als zijn wateren afvloeien, onze rivieren en kanalen er door gevoed werden!
---
den, itio-alen iken
igers kele aden voor )eid, )r in 'ijk. isten Voor b ik
Uitgaven van C. H. E. BREIJER te Utrecht.
Boiiwsteenen, Tijdschrift voor Inwendige Zending, onder redactie van Dr. L. Heldring. Prijs per Jaargang Æ 3.â
De Stem der Liiefde, Maandblad van de Nation-Christen-Geheelonth. vereen. Prijs per Jaarg. Æ 1.25 Hieruit zijn overgedrukt:
Dr. T. de Witt Talmage, Des werkmans
ergste vijand.........Æ 0.05
T. D. Crothers , Het nauw verband tus-schen de volksgezondheid en de tot dronkenschap leidende drinkgewoonten ,, 0.05 Dr. J. J. P. Valeton, Wee dien, die zijnen
naaste te drinken geeft.....â 0.03
Miss Agnes Weston en hare christel. geheelonthouders-arbeid op de Eng.
oorlogsvloot.......... 0.07^
Kapt. Bakker, De drinkgewoonten onder
zeelieden........... 0.03
Een brief van Miss Weston . â 0.03
Jaarboekje voor In- en Uitwendige Zending en Philanthropie. Prijs Æ 0.75
A. M. Fairbairn , Het Cliristeiulom in de Ã9e eeuw. Prijs Æ 0.75
S. Ulfers, De sociale vragen en de Evangelic-dtenaar. Prijs Æ 1.â
â ?