ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

VAN DE

'/

IE.

ocr page 4

1'^','; • ■. ; . 1 ■; .v '

P-? j ^ gt;

, ■

' '■ gt; '

|!;!

rlt;\ ' ... ■ - •

-ï.. •. . ..

Éls

'S-.•. .»'■•. .. quot; ■ •'gt;i ' .

ègt;- '

m 'i- - v

^••lt;V r. ■ .quot;s;

1 quot;, ■

'

.4 •, K '

■)- '

■t V

■ /gt;-• •

-v... , • -

ry' t'

vd' , .■ -

a

it ^ -.

--i

' 'd- , iii) X'

■ W.

:gt;':V \ ^ ■ v-' ■- ■ - • • X :' i.

ocr page 5

y wé» '

GeJaelta «r litargie,

IM OVERWEGING GEGEVEN

Oud-bisschoppelijke Cieresie.

(Ten bate van het Oud-Katholiek Ondersteuningsfonds.)

UTRECHT,

RICH. J. HOOIJKAAS. 1S89.

ocr page 6
ocr page 7

„Dat alles tot stichting, betamelijk en met orde geschiedequot;.

I Korinthers XIY, 20, -10.

Eerst na langdurig beraad besloten wij de hier volgende „Gedachtenquot; den geestelijken en leeken der Cleresie in overweging te geven. Slechts eene oprechte belangstelling in en hoogschatting van den eeredienst gaf ze ons in. We wenschten zoo gaarne verbetering en herstel daar, waar onzes inziens in geen geringe mate verval is te bespeuren. Zoo dikwijls toch, als wij de opdracht der heilige Offerande mogen bijwonen, mengt zich, bij zooveel wat sticht, ook veel wat ons, helaas! de stichting telkens weer voor een goed deel ontneemt. Doch we vragen: Moest niet alles stichten ? Mag zelfs datgene, wat bij den eeredienst tot de hoofdzaken gerekend kan worden, een oorzaak van ontstichting zijn? En toch dit is, jammer genoeg, maar al te zeer het geval. Sommige plechtigheden, die den luister van onze voormiddag-godsdienstoefeningen moeten verhoogen en het gemoed godsdienstiger behooren te stemmen, beantwoorden in den veelal gebrekkigen vorm, waarin ze verricht worden, geenszins aan haar doel.

Wolk Christen toch, die op zon- en feestdagen onze kerken bezoekt, zal niet hebben opgemerkt, zoo hij zich rekenschap geeft van hetgeen hij ziet en hoort en niet gedachteloos daar neder knielt, dat liet gezang.

ocr page 8

4

het orgelspel, de verrichtingen van de altaardienaars te zeer op den voorgrond treden, in plaats van bescheiden den voorrang te laten aan het voornaamste en te blijven wat ze behooren te zijn: eene veraan-schonwelijking, de illustratie van de heilige handeling aan het altaar?

Is liet niet, alsof het zangkoor geheel uit het oog verloren heeft, dat het gezang ivgeweven is in de liturgie, dat het uit zijn aard geen afzonderlijk deel van den eeredienst uitmaken lean? Welk eene begripsverwarring ook schijnt er te bestaan omtrent het gebruik van het orgel, dat hier toch niet, als bij den eeredienst der Hervormden, moet overstemmen, aanvoeren, voorspelen, maar dat in onze liturgie geen recht van bestaan heeft, tenzij als hulpmiddel, ter ondersteuning van het gezang. En wie, die bij het onbescheiden optreden van het orgel met voor-, tusschen- en naspelen, telkens als de priester intoneert, vermoeden zou, dat dit instrument eigenlijk zwijgen moet, wanneer de priester zingt, dat het hem hoogstens den toon mag aangeven?

Gesteld nu eens, dat de priester niet geoefend is in de voordracht van het liturgisch gezang, dat hij, ook de wetenschappelijke vorming in dit gedeelte van den cultus missend, niet weet, hoe zicli als zanger aan het altaar te gedragen naar den letter en in den geest van de aloude voorschriften der Kerk. Immers is hij dan wel genoodzaakt zich over te geven aan de leiding van den organist? Maar wanneer deze nu zelf geen rekening weet te houden met de eischen van het liturgisch gezang? Erger nog, als de organist met de even onkundige koorzangers, hun taak opvattend als eene gewone liefhebberij, meenen in de kerk den toon te moeten aangeven. Tot welken trap van onkerkelijkheid kan dan het kerkgezang niet afdalen!

Niet zelden zijn het ook de altaardienaars, nog wel

ocr page 9

de vertegenwoordigers van de gemeente, die ontstichting veroorzaken door hun overhaast, gebrekkig uitgesproken en daardoor zinloos geworden latijn, door ruwe behandeling van altaarschel, wierookvat en cere-moniestok.

Bedenkelijker nog dan het werkelijk bestaan van toestanden als hierboven geschetst, is het feit, dat ze door de kracht der gewoonte niet eens opgemerkt worden. Alleen hieraan-kunnen wij het toeschrijven, dat de bisschoppen, de opperste liturgen, zooals zij oudtijds heetten, de verwaarloozing, liet verval van het liturgisch gezang en van wat verder dient tot opluistering van den ritus, lijdelijk toezien. Eene andere oplossing voor hunne onthouding in deze, naar het ons voorkomt, hoogst gewichtige aangelegenheid weten wij niet. Het is toch niet aantenemen, dat onze bisschoppen dit element van den eeredienst van ondergeschikt belang zouden achten, of dat zij van oordeel zijn, dat in onzen kleinen, afgesloten kring de middelen ter verbetering ontbreken.

Maar, mogen wij dan vragen, door welke vreemde invloeden kan het kerkgezang, door alle eeuwen heen zóó beroemd, zóó machtig, in waarde gezonken zijn? Zou de Kerk, onder wier beschavenden invloed kunsten en wetenschappen weleer het toppunt van bloei bereikten, nu moeten achterstaan bij de maatschappij, die inmiddels reuzenschreden deed op dit gebied ? Zouden de rollen in dier voege verwisseld zijn, dat de primitieve vormen van onzen eeredienst niet meer kunnen spreken tot het gemoed, zoowol van den een-voudigen als van den in beschaving hooger staanden geloovige? Of, wat men ook wel eens hoort aanvoeren, zouden de plechtigheden van de Mis slechts berekend zijn op groote schaal en zich in hel kleine niet voegen?

ocr page 10

6

Nocli het een, nocli het ander! Het ceremonieel van onzen eeredienst behoeft nergens zijne uitwerking te missen, ook niet in de bescheiden verhoudingen, waaraan wij gewend zijn. Het is waar, het huiselijk karakter van onze bedeplaatsen, in overeenstemming met den smakoloozen tijd, waarin de meeste werden gebouwd en ingericht, moge nu juist niet veel bijdragen tot verheffing van den geest, tot verhooging van de stemming; maar hierom behoeft onze plechtige Godsveree-ring nog niets te verliezen van haar eenvoudig verheven karakter; de uiterlijkheden, welke toch alleen ten doel hebben don tragen geest op te voeren tot het bovenzinnelijke, mogen nimmer zoo ver op den voorgrond treden, dat zij het voor godsdienstige indrukken vatbare gemoed kunnen ontstemmen. Kon men in waarheid getuigen, dat die accessoria niet meer in onzen tijd of in onze beperkte omgeving passen, dat hetgeen ter opluistering bestemd is, nu eerder afleiding van de hoofdzaak bevordert, dan rustte immers op onze bisschoppen de plicht om zang, orgelspel en verder alles, wat niet tot het wezen van de heilige handeling behoort, te verbannen uit de misliturgie? 1)

Neen, de oorzaak, dat de uitvoering van den ritus in de gemeenten van de Cleresie in menig opzicht niet beantwoordt aan de redelijke eischen, is niet te zoeken in den voorgeschreven vorm, als zou die in dezen meer verlichten tijd of in eene kleine omgeving misplaatst zijn, maar wel hierin, dat die vormen deels verwaarloosd, deels tot het onkenbare vervalscht worden.

Waardeering is niet van onkundigen te verwachten. En hoe vinden onze toekomstige geestelijken aanleiding tot de beoefening van de kerkelijke oudheidkunde, zoolang die niet wordt aangemerkt als een onmisbaar deel hunner theologische studiën? Het onderricht in liturgie bepaalt zich in het Seminarie immers tot het

ocr page 11

7

onontbeerlijkste, en daarbij schijnt aan eene eigene traditie de voorkeur gegeven te worden boven de algemeen geldende regelen. Zoo komt het, dat onze geestelijken, ieder zijn natuurlijken aanleg en smaak, of het in zijne gemeente aangenomen gebruik volgend, die oude vormen opvatten, wijzigen of nalaten naar het hun het beste voorkomt; dat zij weerloos staan tegenover de ergerlijkste vrijheden en afdwalingen van hen, die mede een rol te vervullen hebben bij de uitoefening van den ritus. Hoe zal de priester, bij de meestal bolangelooze verrichtingen van koorzangers en organist en van zijn altaardienaars, zooveel overwicht verkrijgen, dat hij die kan leiden in den geest dei-liturgie? Hoe zal hij aan geheel oningewijden de onontbeerlijkste kennis, den smaak bijbrengen voor kunstvormen, die niet meer van onzen opgesmukten tijd zijn, wanneer hij zelf vreemdeling is op dit gebied, zelfs in die mate, dat hij niet zelfstandig optreden kan als zanger aan het altaar? Onvoldoende voorbereiding van den toekomstigen liturg moet immers geringschatting, verwaarloozing van de liturgische vormen na zich sleepen?

Ten allen tijde heeft de Kerk dan ook den eisch gesteld aan hen, die tot de priesterlijke waardigheid geroepen zijn, dat zij van den kerkzang eene bijzondere studie maken. Reeds tijdens het leven van den h. Gregorius, nog duidelijker in de tweede kerkvergadering van Nicea, de achtste van Toledo, van die te Trente en de laatste kerkvergadering, te Rome gehouden onder Benedictus XHI, wordt de meeste nadruk gelegd op het voorgaan en den heilzamen invloed van in de gewijde zangkunst ervaren geestelijken. Het verwaarloozen van de kerkelijke voorschriften, tengevolge eener verkeerde kunstrichting, heeft, na een tijdperk van bloei, zulk een boozen geest van onkerke-

ocr page 12

8

lijkheid en smakeloosheid over de gewijde toonkunst gebracht, dat anno 1749 paus Benedictus XIV, aan het slot van zijne voor de kennis van de toenmalige kerkelijke toonkunst hoogst belangrijke encyclica: Annus qui hunc, zijn klachten samenvatte in de veel zeggende opmerking, dat de h. Augustinus, die van zich zeiven getuigt tranen te hebben gestort bij het hooren van de kerkgezangen, ook thans weder tranen storten zou, maar tranen van smart, niet van godsvrucht!

Zou niet nog heden ten dage dezelfde opmerking gelden voor den toestand ten onzent? Terwijl in de laatste vijfenveertig jaren over de geheele R. K. Kerk van de beschaafde wereld de geest tot herstel van de aloude voorschriften, tot zuivering van den bedorven kerkzang is vaardig geworden, terwijl ook in de R. K. Kerk van Nederland met vrucht werd toegepast het bekende woord van Karei den Groote: „Keert weder „tot de bron van Gregorius, wiens zangwijze gij ver-„valscht hebt,quot; terwijl onze roomsche broeders nu in het bezit zijn van de zuivere liturgische zangwijze, van correcte liturgische boeken, zoowel in oöicieele als in goedkoope volksuitgaven en met gemakkelijke orgelbegeleiding, van eene wijdvertakte St. Gregorius-veree-niging (1878), van eene rijke literatuur, in één woord van eene volledige organisatie, is bij ons voor de hoofdzaak niets gedaan! Ja, de desorganisatie is nog verergerd door het toelaten van willekeurige veranderingen en vertalingen, die met het begrip van liturgie onbestaanbaar, zelfs muzikaal gedacht onmogelijk zijn en die den goeden smaak nog meer beleedigen! Wij zijn een: „Prijzen wij het heilig teeken,quot; een berijmd Te Deum op de gregoriaansche zangwijs, een dito Magnificat, eenige even sterk vloekende hollandsche vesperhymnen rijker geworden!

Alvorens iu een nader onderzoek te treden van dezen

ocr page 13

betreurenswaardiger! toestand, willen wij, om niet den schijn van overdrijving op ons te laden, dankbaar erkennen, dat lang niet overal do eisch der gemeentenaren gerechtvaardigd zijn zou, dat zij niet gestoord of geërgerd, maar geholpen willen worden in hun gebed. Er zijn gemeenten van de Cleresie, waar een gelukkige samenloop van omstandigheden medewerkt tot stichting, ondanks de daar eveneens geijkte onregelmatigheden. Zulke verblijdende uitzonderingen hangen evenwel geheel samen met het onzekere toeval. Zij zijn dus juist een krachtig bewijsmiddel voor den hoog noodzakelijken terugkeer tot de kerkelijke voorschriften, omdat deze aan den ritus het behoud van het liturgisch karakter waarborgen, ook onder de minst gunstige omstandigheden en ondanks de meest beperkte middelen ter uitvoering.

De algemeen geldende regelen, hier bedoeld, vloeien als van zelf voort uit het juiste begrip van de liturgie en zijn dus zeer gemakkelijk te volgen. Aanduiding van enkele hoofdlijnen zal voldoende zijn om het wezen van de liturgie ons zuiver voor den geest te roepen, waartegen dan liet misvormde beeld, dat wij kennen, des te meer zal afsteken.

De officieele Godsvereering van de katholieke Kerk of liturgie wordt ons nader omschreven 2) als eene voortdurende, openbare belijdenis, gebed en lofprijzing, zich uitend in heilige, hoog verhevene poëzie; dat is in woord, in zang en in zinnebeeldige handelingen. Deze uitingen der ziel, weergegeven in ivoorden, of, door eene meer plechtige voordracht, in tonen opgevoerd en onbewust tot zang geworden, zij getuigen, met de daarmee gepaard gaande ceremoniën, van het geloof, dat de ziel belijdt, van de hoop, waarmede zij bidt, van de liefde, waarmede zij looft. In de samen.

ocr page 14

10

vatting van lïet liturgisch woord, van den liturgischen zang en van de liturgische handelingen ligt dus alles wat tot den openbaren eeredienst behoort.

Nauwer en inniger dan de zinnebeeldige handelingen, die uit haren aard niet zoo onmiddelijk werken, is het gesproken of gezongen woord aan de liturgie verbonden. Het gesproken of gezongen woord, want hier hebben woord en toon den innigsten samenhang. Door de meer plechtige voordracht wordt het natuurlijk uitgesproken liturgisch woord als van zelf toon, muziek; het draagt zijne eigene melodie in zich. Het is deze innige samenhang met den liturgischen tekst, welke aan de liturgische toonkunst met de geringste middelen zulk een eigenaardig karakter verleent, dien soberen, echt godsdienstigen toon, hemelsbreed verschillend van hare jongere, ruim bemiddelde zuster, de wereldsche toonkunst, ja zelfs den zoogenaamden strengen kerkstijl in de schaduw stellend.

En geen wonder! Hoe groot is niet de afstand van de latere muziek tot de liturgische of gregcriaansche, waarbij de melodie hare uitdrukking alleen vindt in de juiste declamatie van de tekstwoorden, en die ook geen maat, noch harmonische begeleiding kent!

Geen maat, geene begeleiding. Het declamatorische karakter van den gregoriaanschen zang sluit de begeleiding van zelf uit. Zoo is dan iedere begeleiding van hetgeen de priester bij de misliturgie te zingen heeft, van af het eenvoudigste recitatief opklimmend tot het meer kunstige gezang van de prccfatlo, al geschiedde die begeleiding door den eersten toonkunstenaar ter wereld, op zich zelf reeds eene onmogelijkheid. En zelfs bij liet eigenlijke kunstgezang fKyrie, de neumata, Ite rnissa est, enz), oudtijds aan geoefende geestelijke zangers toevertrouwd, blijft de later uitgedachte harmonische begeleiding toch altijd een zoeken,

ocr page 15

11

hoe het minst afbreuk te doen aan de natuurlijke uitwerking van den voorgedragen zang. Een deskundige bij uitnemendheid, Fr. X. Witt noemt de begeleiding met het orgel een groot ongeluk voor de gregoriaan-sche zangkunst, omdat zij eene ziellooze voordracht in de hand werkt. Hij toont aan, dat zij alleen passen kan en ook van oudsher gebruikt is, althans gedeeltelijk, bij de beurtgezangen met het volk; de responsoria, de psalmodie 3).

Wordt nu eenmaal, te recht of te onrecht, eene orgelbegeleiding toegepast, dan spreekt het van zelf, dat zij hare bestanddeelen ontleenen moet aan de zuivere diatonische tonaliteit, d. i. aan hetzelfde toonstelsel, waarin het gregoriaansch geschreven is. Het later uitgedachte weekelijke, chromatische toongeslacht toe te passen op het gregoriaansch is een grof anachronisme, eene mislukte poging om twee geheel verschillende stelsels samen te doen gaan, eene cchip-permethode, waarbij het liturgisch gezang zijn verheven kerkelijk karakter noodzakelijk verliezen moet. „Quoi-„qu'on fasse, on ne donnera jamais un caractère véri-„tablement réligieux a la musique, sans la tonalité „austère et sans rharmonie consonnante du plainchant,quot; zegt een der grootste muziekgeleerden van zijn tijd 4), en verder: „autant la tonalité du plainchant est im-„puissante a exprimer les passions, autant le caractère ,,passionné de la tonalité et de rharmonie moderne est „antipathique au sentiment réligieuxquot; 6).

Aan deze eenvoudige, als van zelf sprekende beginselen den toestand ten onzent toetsend, zoo bevinden wij al aanstonds, dat het verwarren der toonstelsels, het hinken op twee gedachten, zoowel in den zang des priesters als in de overige liturgische gezangen, ongestoord zijn gang gaat in onze kerken, 't Is alles een

ocr page 16

12

ijdele klank van liet gregoriaansch geworden, „un „plain-chant massacrequot;! Zelfs het pronkjuweel van de gezongen misliturgie, de pi-cefatio, die heerlijke lofprijzing, is men gaan zetten op halve tonen! Werd de Pater noster met zijn kortere strophen, zooals het behoorde, gezongen in de hoogdiensten, misschien zou het dan uitkomen, hoe afschuwelijk dit gekruiste gregoriaansch klinkt voor niet bedorven ooren. Liturgische gezangen, die zich niet leenen tot zulk geknoei, zooals die van het ordinarium missce, zijn om die reden nauwelijks met name bekend aan onze koristen. En toch zijn zij het officieele misgezang voor het kerkelijk jaar! Daarvoor doen dienst de halfslachtige missce novce en de met den ernst der plaats in 't geheel niet overeenstemmende Keulsche enFransche missen, almede dagteekenend uit den ergsten vervaltijd van de kerkelijke toonkunst! Ook schijnt niemand zich er aan te stooren, dat in diezelfde missce novce de meest uiteen-loopende tekst, de biddende Kyrie en Agnus, de jubelende Gloria en Sanctus, de van deze weer zoo verschillende Credo, alle naar éen en hetzelfde motief bewerkt zijn, in den trant dus van de XVde en XVIde mis: tono Te Deum en tono Veni creator. 6). Onkunde, tegenzin in hetgeen aanvankelijk vreemd klinkt, sleur (of moet het gemakzucht heeten?) gaan zoo ver, dat het zuivere, het ongekruiste gregoriaansch wordt uitgekreten als eene nieuwigheid!! Ja, vreemd zouden die echt kerkelijke tonen ons zeer zeker tegenklinken, zij drongen nog nimmer tot ons door. Maar, al hebben onze ooren nu eenmaal rust gevonden bij die in het moderne pak gestoken kerktonen, in de kerk zijn en blijven ze wanklanken. Bovendien, hier valt niet te redetwisten over smaak, wij hebben ons te richten naar het in de liturgie ons voorgehouden model. Den geest, dien zij in hare muziek legt, algemeen verstaan-

ocr page 17

baar te maken, den bedorven smaak in die richting te ontwikkelen, dat is onze zaak.

Doet zulk een willekeurig verwringen van het gre-goriaansch naar onze moderne opvatting reeds afbreuk aan liet liturgisch karakter, niet minder is dit het geval met een ander euvel: liet misbruiken van het orgel.

Wie zal wraken een bescheiden gebruik van het koninklijk instrument, indien het zich doet hooren daar, waar het pas geeft en zóo, dat het als 't ware den achtergrond uitmaakt van het liturgisch gezang? Dan blijft het altaar het glanspunt; het koor zal den weerklank geven van hetgeen de priester aan het altaar verricht. De toonkunst dienares van het liturgisch woord, ziedaar de juiste verhouding! Een zichtbare voorstelling hiervan gaf oudtijds de plaatsing van koorzangers en orgel in de onmiddellijke nabijheid van het altaar. Met de allengs in zwang gekomen verwijdering van de zangers- en orgeltribune tot naar den achterwand van het kerkgebouw, is tevens het noodzakelijk verband verscheurd, eene noodlottige begripsverwarring in de hand gewerkt, wat betreft de zoo uiteenloopende eischen van den roomschen en van den protestantschen eeredienst. Niet meer, zooals oudtijds, wordt al het gewicht gelegd op de vorming van een liturgisch zangerskoor; het bezit van een orgel, krachtig genoeg om het gezang te kunnen voortsleepen, is thans de hoofdzaak. Zangvereenigingen — en hielen daar, het moet gezegd worden, zeer verdienstelijke — vervullen als ter loops tevens het gewichtig ambt van liturgische zangers. Maar wat beteekent het verouderde gregoriaansch ook bij de muziekmis! Voorbereiding, geregelde oefening, zelfstandigheid, eenheid in de voordracht van het gregoriaansch is thans overbodig. Tn dit alles voorziet immers het voorspelende-,

ocr page 18

met den mantel der liefde bedekkende orgel! Dat bij zulk eene ongunstige verhouding tusschen vocale en instrumentale krachten niets terecht komen kan van den liturgischen zang, springt in het oog. Te sterke begeleiding moedigt als 't ware aan tot een wedstrijd in het maken van geluid. Juiste, gelijkmatige voordracht, een hoofdvereischte van het gregoriaansch, wordt bovendien bemoeilijkt, nu men zich niet meer vereenigt om éen dubbelen lezenaar, waarop ter weerszijde de machtige foliant. De zangers, gescheiden door de orgelkast, verdiepen zich in hun gebedenboek en laten zich telkens door het orgel herinneren aan hun eigenlijke taak. Voeg bij de luidruchtigheid in het vervullen van die taak door zangers en organist, nog het tentoonspreiden van een zekere onafhankelijkheid, die den priester dwingt te wachten, waar het niet behoort, en - ziedaar de kerkelijke toonkunst, de dienares, behcerscheresse geworden van het liturgisch woord!

Tot die omgekeerde verhouding draagt nog een ander misbruik van het kerkorgel bij, en niet in geringe mate. Het heeft al den schijn, alsof de dienst geen voortgang hebben kan, als niet de organist voortdurend klavier en pedaal in beweging houdt. Het is een rusteloos voor-, tusschen- en naspelen, een onzinnig aan elkaar lijmen van het koorgezang aan het gezang des priesters, aan wien de organist almede mondigheid schijnt te willen ontzeggen. Hoort hem als 't ware hunkeren naar het oogenblik, dat de priester de stem verheffend, zijn gebed gaat besluiten met: per omnia scecula sceculorum. Die onmerkbare overgang van woord tot toon wordt immers gejjarodieerd door het kunstigste orgelspel! En van welken aard is de opgedrongen begeleiding, waar met bet aangeven van de toonshoogte reeds meer dan genoeg gedaan zou zijn? Eene fantasie, een kunststukje van den organist, hoever hij wel

ocr page 19

15

kan afdwalen van het onderwerp en het toch te rechter tijd weer opvatten! Wij vragen eindelijk, is het niet de grootste ongerijmdheid, als op des priesters intonatie

Gloria_____ Credo____, bij dicentes aan het slot van de

■prcefcitio niet het koor invalt (al is het in een anderen of aanverwanten toon) met hetgeen onmiddelijk volgen moet, maar als in dit ondeelbaar oogenblik de organist alweer eene fantasie komt tusschenschniven, bij wijze van overgang! Kunnen zulke tegen alle liturgische regelen, tegen het gezond verstand indruischende misbruiken den Celebrans niet bewegen zich los te maken van de verwarring stichtende begeleiding met het orgel, hem doen besluiten zijne zelfstandigheid te hernemen?

Mendelssohn, een protestantsch kunstenaar, had zulk een levendig besef van de schoonheden en van de eischen der roomsche liturgie, dat hij aan haar roemen kon; de verrassende afwisseling van het gezang des priesters met dat van het koor, dikwijls in geheel verschillenden toonaard, „zonder eenigc voorbereiding.quot; En in tegenstelling met „het louter modern spektakelquot; van de nieuwere kerkmuziek, waardeert hij in het gregoriaansch en in de aanverwante oud-Itali-aansche meesterwerken deze eigenschap, dat de muziek „geheel en al ondergeschikt blijft aan de plechtigheid, „dat zij slechts daartoe medewerkt, evenals de wierook „de kaarsenquot; 7). Hoe zou naar dien maatstaf het oordeel wel moeten luiden over ons gemoderniseerd gregoriaansch met zijne onvoegzame, geruchtmakende aanhangselen? 8)

Hoe gering overigens het bewustzijn is van de innerlijke waarde onzer onovertroffen liturgie, kan nog afgeleid worden uit eene andere verkeerde gewoonte, welke wij in de derde plaats wenschen te bespreken ; het wijzigen, vervangen, weglaten van liturgische ge-

ocr page 20

16

zangen ten koste van de eenheid der verschillende deelen en van het algemeen karakter der liturgie.

Slechts enkele voorbeelden. Om te beginnen met den introïtus missw, behoort die, na het afzingen van het psalmvers, niet te worden herhaald, even als de priester zulks doet? Volgens welke ordinaire variant, gemakkelijk misschien door hare hulpnoten en cadansen, maar onkerkelijk en onroomsch 9), worden bij ons geïntoneerd en gezongen Dominus vobiscum, Oremus, de oratio, het evangelium? Mag in de Hoogmis — en wij hebben geen andere gezongen diensten —, wanneer de oratio en de prmfatio gezongen is, een uitzondering gemaakt worden voor Pater noster, voor de postcommunio met lie missa est? Reeds merkten wij op, dat missen novce zich gedrongen hebben in de plaats van 't oorspronkelijk bij de liturgie behoorende Ordi-narium miss®, waarvan de verschillende Kyrie1 s: in Jestis duplicibus, in festis beatai Marice, in dominicis, enz. geschreven zijn in den toon van Ite missa est op genoemde dagen. Derhalve beteekent het nalaten van ■het officieele misgezang en het niet zingen van Ite missa est zooveel als, om het eens plat uit te drukken, het ontnemen van kop en staart aan de gezongen Diensten! Hoe nauwgezet is men weer niet van den anderen kant in het opvolgen van voorschriften, als ze meer in den smaak vallen. Zoo wordt de dogmatische en daarom voor den zang minder geëigende prcpfatio in festo S. S. Trinitatis hier en daar gebruikt op de zondagen, voor welke geen eigene prtefatie is aangewezen, krachtens een nieuwe rubriek van het door Urbanus VIII anno 1634 herziene Missaal, zijnde de jongste herziening-

Zouden van de volgende onregelmatigheden verkeerde smaak en sleur niet de hoofdschuldigen zijn? Van do vijf in de liturgie behouden gebleven sequenties

ocr page 21

17

worden de twee oorspronkelijkste, de paascli- en pinkstersequentie, nimmer gezongen; wèl daarentegen de veel jongere, het dogma verheerlijkende Landa Sion en de Stabat mater. Zij worden echter, evenals de morgenhymne Te Deum laudamus, wederom behandeld, als waren ze bestemd voor Vespers en Lof. De beantwoording door het koor van Pax Domini etc. geschiedt altijd even achteloos op dienzelfden toon, als of voor het et cum spiritu tuo geen eigen toon genoteerd was in het Missaal. De bekende strophen van de Pange lingua hoort men ad henedictionem steeds aanheffen op de ,,nieuwe zangwijzequot;, nimmer in haar eigen toon. En welk een zonderling gebruik wordt doorgaans niet gemaakt van dien laatsten, niet meer tot den eigenlijken Dienst behoorenden Zegen! Zooals bij ons de predicatie meestal niet na, maar onder den h. Dienst gehouden wordt, kan van dien Zegen, on-middelijk volgend op het h. Misoffer, hetwelk is besloten met Bcnedicat vos, gezegd worden: abundat, qui habet plus, habet minus; de ontvangen indruk wordt daarmede eerder verzwakt, dan verhoogd 10). Worden, na predicatie, vóór of na Vespers en Lof, ad benedic-lionem gezongen de laatste strophen van Pange lingua of van Lauda Sion, dan brengt het oudere, meer ratio-neele gebruik mede, dat niet de priester, maar dat het zangkoor die aanheft bij de uitstelling van het Allerheiligste. Het geven van den Zegen met het Sanctissimum volgt eerst na het afzingen van die strophen, terwijl zang en orgel zwijgen.

Bestendiging van verkeerde gewoonten doet de schoone beteekenis onzer godsdienstvormen allengs verloren gaan voor den minder ingewijde. Zoo b. v. ook het geregeld vieren, eenige dagen na de begrafenis, van de zoogenoemde uitvaart, eene godsdienstoefening, geheel berekend voor den dag van liet overlijden of

2

ocr page 22

18

van de uitvaart, cl. w. z. het uitdragen ter begrafenis (die ohiius seu depositionis defuncti). Zelfs met het oog op de naaste betrekkingen van den overledene, zou het houden van de exequien, h. Dienst en beaarding, onmiddelijk vóór de teraardebestelling in vele gevallen beter voegen.

De belangstellende lezer dezer „Gedachten zal hebben opgemerkt, dat bij het aanduiden van eenige sterk sprekende karaktertrekken van onze liturgie, als van zelf ter sprake kwamen de tekortkomingen en de Mij-heden ten onzent in zwang; afwijkingen van den alge-meenen regel, waarbij men zich allicht zou gaan nedei-leggen, als nu eenmaal gewettigd door het gebruik, indien ze niet zoo karakterbedervend waren en voor verdere misvorming ruimte lieten.

Als zoodanig kenschetsten wij ons gemoderniseerd gregoriaansch, de verwaarlozing van het liturgisch gezang, het ongepaste gebruik van het orgel, het willekeurig en onoordeelkundig ingrijpen in verschillende onderdeelen van de liturgie, ten koste van de eenheid van het geheel. En vandaar die bittere klachten over het onkerkelijke, vaak ontstichtende, dat zich hecht aan onze gezongen Diensten.

Van den niet bevooroordeelden lezer verwachten wij instemming, maar tevens hooren wij hem ons tegemoet voeren, dat ondanks dien als onkerkelijk en ontstichtend gebrandmerkten toestand, er nog vele eenvou-digen van geloove in de Cleresie zullen zijn, zoo niet de meeste, die daaraan geen aanstoot nemen. Waarom ter wille van enkele fijnvoelende en fijnhoorende kerkbezoekers die velen wakker geschud? Ze zijn bij die gebruiken, of, zoo men wil, misbruiken, groot gebracht en weten niet beter, of het behoort zoo te zijn en te blijven.

ocr page 23

39

Daargelaten, ut' zoodanige onbekendheid met onze godsdienstvormen op den duur kan stand houden, of de meer ontwikkelde daarin berusten mag, of men in alles wat den dienst van het Pluis des Heeren betreft, niet naar de volmaaktheid behoort te streven, past bier de wedervraag: Zouden dezulken, die beweren stichting te vinden bij zooveel wat den toets niet kan doorstaan, niet veel meer gesticht worden door eene godsdienstoefening, aan welke iedere weerklank aan het wereldsche vreemd is, van welke verheven eenvoud en eenheid bij verscheidenheid de kenmerkende eigenschappen zijn? Die soberheid en kalmte mogen aanvankelijk minder aanstaan, op den duur moeten degelijke godsdienstzin en gezonde smaak toch de overhand behouden. En bovendien beleven wij thans. God dank! andere tijden, nu de zin voor het schoone, goede en ware het verloren kerkelijk terrein weder gaat innemen. Dat armzalig en jammerlijk zingen en orgclon, die oude sleur moge vroeger wellicht minder geschaad hebben, heden ten dage begint men ook hier dezelfde eischen te stellen van waarheid en van goeden smaak als in de burgerlijke maatschappij 11). De Cleresie zal, zij kan hierin niet achterblijven. Wil zij de belangstelling in de openbare godsdienstplechtigheden niet meer en meer zien verkoelen, dan moet met de billijkheid dier eischen rekening gehouden worden.

Hoe en in hoeverre dan de noodzakelijk geachte restauratie van de liturgie zou te bereiken zijn in den kleinen kring van de Cleresie, willen wij nu trachten uiteentezetten.

Het woord restauratie in zijn eigenlijke beteekenis geeft reeds te kennen, dat behoudend te werk gegaan dient te worden, d. w. z. niet herstel van de kerkelijke voorschriften, die wij, gehoor gevend aan den bedor-

2*

ocr page 24

20

ven smaak van de achttiende eeuw, nu slechts als doode letter bezitten in onze liturgische boeken. Eerst waar hooger belangen om den voorrang strijden, zouden o. i. enkele afwijkingen van den roomschen ritus gewettigd zijn, mits deze steunen op het in de oude Kerk gevolgde gebruik en derhalve niet te kort doen aan het algemeen karakter. Wij hebben hier meer bepaald op het oog de meer dadelijke deelneming aan den altaardienst door de gemeente, zooals die nog bestaat in de Engelsche Kerk en bij de Oud-katholieken in Duitschland weder hersteld is; de ontwikkeling van den roomschen ritus heeft medebracht, dat die zeer gewenschte gemeenschap slechts door de bemiddeling van altaardienaars en koorzangers onderhouden wordt. Het komt ons voor, dat hiermede de natuurlijke grenzen voor eene restauratie aangegeven zijn.

En hoe de beoogde hervorming met goed gevolg te ondernemen? Vaste leiding van hooger hand, ernstige voorbereiding in ons Seminarie, zoowel door studie als door de praktijk bij de godsdienstoefeningen aldaar, zullen wel de twee hoofdvoorwaarden zijn. De eene om de zich hier en daar openbarende zucht naar hervorming in het rechte spoor te houden, de andere om te voorkomen, dat de jonge pastoor, zooals thans, li el aas! het geval is, machteloos staat tegenover het hem in zijne gemeente tegemoettredende dilettantisme.

Bij eene gedachtenwisseling over liturgie in „De Oud Katholiekquot; heeft de eerwaarde redactie bij alle waardeering van het wenschelijke, dat in het Seminarie meer studie en betere toepassing mocht gemaakt worden van die gewichtige zaak, eene bedenking geopperd ; dat nml. „met het oog op beperkte krachten, niet van alle vakken eene opzettelijke studie kan gemaakt wordenquot; 12).

Moet wegens de bedoelde omstandigheden veel worden

ocr page 25

21

prijs gegeven, wat tot de weteiiscluippelijke vorming van den toekomstigen bedienaar van den godsdienst behooren zou, dan toch zeker niet de kennis en de beoefening van de liturgische muziek, zonder welke een priester als zanger aan het altaar onmogelijk zijne waardigheid kan ophouden, noch ook zorgen kan, dat de kerkelijke voorschriften op dit stuk, waaraan hij zelf gebonden is, worden in acht genomen door zijne zangers en organist, die hunnerzijds gehouden zijn mede te werken in liturgischen geest. Van hoe groot belang het is voor de waardige viering van den eeredienst, dat de beoefening van bedoeld leervak niet afhankelijk gesteld is van den meerderen of minderen aanleg en goaians maak van den jongen geestelijke, hebben wij getracht aan het licht te stellen. Aanbeveling aan dc studeerende jongelingschap van de beste werken over liturgie, bij voorkeur van dezulke, die het onderwerp ook praktisch behandelen, aanmoediging van geregelde zangoefeningen uit de geautoriseerde nieuwe uitgaven onzer zangboeken, dit zal toch wel niet tot het onbereikbare behooren, al ontbreken de speciale leerkrachten ?

Onze zeventiende eeuwsche voorvaderen, overal belemmerd in de uitoefening van den eeredienst, lieten zich door de scherpste vervolging niet weerhouden van de getrouwe naleving der liturgische voorschriften en van het bevorderen van den kerkzang; zoo zelfs, dat hun ergste vijanden, de indringende monniken, zich een deel van die verdienste toeeigenden. „Zelfs „in dorpen worden de mis, vespers, completen, lauden „op gregoriaansche zangwijze gezongen.... Hier zou „zich een groot veld openen, om te zeggen, wat de „wereldlijke priesters voor den eeredienst, den zang „al gedaan hebben.quot; Aldus schrijft de Haarlemsche pastoor Jodocus Cats anno 1628 aan Rovenius, ter

ocr page 26

22

weerlegging van het aanmatigend verslag over den kerkelijken toestand, door den Minorieten pater Fran-ciscus Paludanus opgezonden naar Rome. En dan volgt de opmerking: „In liet eollege te Leuven werd in deze zaken opzettelijk onderwijs gegevenquot;13). Zie hier een welsprekend voorbeeld uit den hesten tijd onzer kerkgeschiedenis om ons naar te richten, eene beschamende herinnering tevens, dat de zorg voor eene waardige uitvoering van den eeredienst allerminst mag worden verwaarloosd door ons, zonen der vrijheid en der beschaving.

Evenals in der tijd het Leuvensch college, zij dan ons Seminarie de normaalschool voor den verbeterden liturgischen zang. Overeenkomstig de bedoeling van bet concilie van Trente: paeri cantus disciplinam discant1*), worden het aanleeren en de beoefening van den gregoriaanschen zang reeds in het eerste studiejaar verplichtend gesteld, en alzoo de grond gelegd voor bet later onderzoek en het verkrijgen van eene juiste opvatting van het liturgisch systeem. Bij het volgen van dezen weg, den eenig mogelijken, die tot eene geleidelijke, duurzame restauratie leidt, zullen de leerkrachten van de te Amersfoort gevestigde Gregorius-school ons goede diensten kunnen bewijzen. Tevens moeten wij ons eigen maken de rijke vruchten, welke de liturgische hervorming in de H. K. Kerk opleverde: de gezuiverde gezangboeken, en de hulpmiddelen bij het onderwijs en voor zelfonderricht^ hier en in Duitsch-land verschenen.

Bij de nieuwe uitgave van het Graduale, Antipho-narium, Vesperale, Directorium chori etc., bezorgd dooide congregatio sacrorum rituum, hebben wij groot be-lane. Het zal er eenmaal toe moeten komen en die tijd is niet meer veraf, dat zij ons een welkome toevlucht zijn zal in den nood. Het thans uitsluitend

ocr page 27

23

in onze Kerk nog gangbare Graduale en Antiphona-rium, Belgische nadrukken aan eene onzuivere bron ontleend, geraken zoo langzamerhand uitgeput. Wie onderneemt het die gezangboeken, vervalscht, vol fouten en onnauwkeurigheden 15), te herdrukken, nu voor uiterst geringen prijs en in de gewensebte verscheidenheid authentieke uitgaven verkrijgbaar zijn, bewerkt naar de beste bronnen? Men vindt ze in de gewone formaten en in groot folio, zoodat een of twee exemplaren voor een zangkoor kunnen volstaan; men 1 leeft ze geheel compleet of ook alleen voor de zondagen en daarmee gelijkstaande feesten en heiligen dagen ingericht 16); ook zoogenaamde volksuitgaven in hedendaagsch notenschrift en mot een woordelijke vertaling bij den latijnschen tekst ontbreken niet. Eene afzonderlijk verkrijgbaar gestelde orgelbegeleiding, niet al te streng en vierstemmig behandeld, vergoedt bovendien hot gemis aan bedrevenheid in het grego-riaansch bij den organist, en heft eiken twijfel op aan het karakter der toonsoorten. Want — ^n dit is voorzeker een niet gering te schatten voordeel, aan liet gebruik dezer boeken verbonden, — aan hot hinken op twee toonstelsels is hier voor goed de pas afgesneden.

Evenwel, de onmiskenbare voortreffelijkheid van do nieuwe gezangboeken boven de onze, het meerder gemak en voordeel, dat ze aanbieden, de overtuiging zelfs, dat die bedorven boeken ons eerlang toch ontvallen moeten, zal ons nog niet tot vrij willigen afstand bewegen. Veeleer is het te voorzien, dat de invoering van de nieuwe boeken en daarmede van de correcte zangwijze, naar gelang de# nood aan gezangboeken zich hier en daar begint te openbaren, dus eerst najaren, algemeen baar beslag gekregen zal hebben. Zoo is het ook gelegen met de uitbreiding aan hot liturgisch onderricht der seminaristen te geven, indien daartoe

ocr page 28

24

werd besloten; een doeltreffende maatregel bij uitnemendheid, maar — en dit mag niet over 't hoofd gezien worden — zulk een, die uit zijnen aard eerst op tijd werkt. Het wankelend gebouw onzer liturgie behoeft al dadelijk een hechten steun, in afwachting en ter voorbereiding tevens van de algeheele restauratie volgens opgenoemd plan. In het belang van eene algemeen waardiger viering onzer godsdienstplechtigheden zal dadelijke voorziening onvermijdelijk zijn.

Hoe stellen wij ons die dadelijken steun aanbrengende voorzieningen voor?

In de roomsche Kerk, waar dezelfde bezwaren in den weg stonden, is het nu voltooide hervormingswerk voorbereid door de afkondiging van een afzonderlijk hoofdstuk: de cantu ecclesice 17) van het anno 1865 te Utrecht gehouden provinciaal concilie. In gelijken geest zou het kerkelijk gezag ten onzent, tegenover zoo vele onregelmatigheden, welke aan onze openbare godsdienstviering ten koste van haar verheven karakter eene lokale kleur geven, kunnen stellen eenige grondregels betreffende a) het liturgisch gezang en h) het gebruik van het kerkorgel. In hetzelfde aanbevelend schrijven zou dan tevens bepaald moeten worden c) in hoeverre de moedertaal is toe te laten bij den ritus en hoe in 't algemeen kan worden toegegeven aan den wensch tot meer onmiddelijke deelneming aan de godsdienstviering door de gemeente.

Het komt ons voor in verband met de voorafgegane beschouwingen, dat de meest doeltreffende regeling van de drie genoemde hoofdpunten zou zijn als volgt:

ocr page 29

25

Het liturgisch gezang.

Do liooge beteekenis van dien zang, als het gezongen liturgisch woord, en de verplichting van geestelijken en koorzangers, om den zang der Kerk, het gregori-aanscli, te beoefenen en naar den eisch voor te dragen, worde allereerst aangetoond.

In afwachting van het volledig herstel van den edelen diatonischen kerkzang, ontwrongen aan het moderne toonstelsel, worde althans de zang, zooals die genoteerd is in het Missaal, nauwkeurig en zonder vreemde bijmengselen weergegeven in den toonaard van het gregoriaansch.

Ter vervanging van, althans bij voorkeur boven de missie novse, worden aan de koorzangers dringend aanbevolen de misgezangen uit het or dinar ium missie 18). Bedoelde officieele misgezangen onderscheiden zich wezenlijk van de nieuwe — een inheemsch fabrikaat, hetwelk voor den zeer uiteenloopenden tekst doorgaande dezelfde melodie verwerkt —, doordat hier de zang is de uiting van het in ieder deel behandelde onderwerp. Zoo is b. v. de credo, die bij de verschillende missen van het Ordinarium behoort, als recitatief gedacht, de eenig denkbare vorm voor eene gezongene geloofsbelijdenis. Bovendien behooren zij met de missa pro de-functis tot de minst vervalschte gedeelten van ons Graduaal; het is niet wel mogelijk ze anders dan plat te zingen.

Het gebruik van het kerkorgel.

Onder den h. Dienst worde het orgel, overeenkomstig zijne bestemming, alleen gebruikt ter begeleiding.

De begeleiding van den zang des priesters toone door uiterste spaarzaamheid en soberheid aan, dat dit gezang, met name de recitatieve gedeelten, is een voort-

ocr page 30

26

gezet lezen met stemverheffing, en dat het optreden van het orgel hierbij, tenzij om de toonshoogte aan te geven, is eene anomalie. Het zinstorende moduleeren, waardoor het verband verbroken wordt tusschen tekstwoorden, die niet te scheiden zijn [Gloria en et in terra pax, Credo en patrem omnipotentem,.... dicentes en Sanctus,. .. per omnia en het voorafgegane gebed), en waardoor weder andere op zich zelf staande gedeelten van de liturgie [Kyrie en de intonatie van Gloria, dit gezang en de intonatie van Credo, Agnus met het voorafgegane et cum spiritu tuo) aan elkaar worden gelijmd, zal van zelf vervallen, als het orgelgebruik in dier voege wordt beperkt.

Voor de begeleiding van het zangkoor blijve het orgel mede steeds op den achtergrond. De voordracht van den zang moet daardoor aan duidelijkheid en gelijkmatigheid, aan uitdrukking en derhalve aan ernst en waardigheid belangrijk winnen.

Het toelaten van de hol/andsche taal bij den ritus en andere middelen van rechtstreeksche gemeenschap met het altaar.

Hier betreden wij een terrein, waarop reeds menige schrede is gewaagd in eene richting, strijdig met den liturgischen geest. Intusschen het zoeken naar den rechten gemeenschapsweg duidt op het bestaan eener behoefte, die, naar het schijnt, zich allengs meer gevoelen doet.

Men heeft het gewenschte verband gezocht in het met luider stemme lezen van de geheele misliturgie, dus ook van die gedeelten, voor welke het secreto legenda uitdrukkelijk is voorgeschreven in do rubrieken. Opmerking verdient, dat hetgeen eerst is ingesteld als een hulpmiddel „om den zwakken geest op te heffen

ocr page 31

27

tot do beschouwing der bovennatuurlijke dingenquot; 19), nu wordt nagelaten als een beletsel, ja zelfs, belachelijk wordt voorgesteld 2 ')! Men zou mogen vragen, of bij stille Diensten de Celebrans een half uur lang zoo zal kunnen spreken, dat de stembuiging — indien zij zich niet houdt aan de eentonigheid van hel/ formulier — een opwekkende uitwerking behoudt op de medebiddende omstanders van zoo verschillende gemoedsstemming? Wij meenen dit met grond te mogen betwijfelen. ^

Het vertalen van sommige liturgische gezangen zou zeer zeker een meer doeltreffend gemeenschapsmiddel gebleken zijn, indien eene ernstige voorbereiding en vaste leiding daaraan niet had ontbroken. Nu kunnen dc daarvan geleverde op zich zelf staande proeven, hoe goed ook bedoeld, slechts vermeld worden als knutselwerk van lang niet onschuldigen aard. De getrouwste dichterlijke overzetting — en hierin blijft wijlen Dr. Bennink Janssonnius onovertroffen — van het latijn-sche proza laat zich immers niet samenkoppelen met den ongekunstelden gregoriaanschen zang! Ondanks den rhytmus van het ondergeschoven gedicht, zal de zang den indruk, den vorm, het accent van het oorspronkelijk proza behouden. Als één geheel gedacht, zijn ze niet te scheiden. Hoe is het dan mogelijk, dat zulk een bespottelijk mengelmoes als de hollandsche Te Demi, Magnificat, Victimce paschali, enz. 21) nog gezongen kan worden!

Onder geoefende hand zou van de evenzoo bewerkte (?) vesperhymnen althans iets bruikbaars geworden zijn, omdat de hymnen, Avier vorm meestal overeenstemt met de regelen der klassieke metriek, een gezang op onberijmde dichtmaat is, en dus heel wat gemakkelijker in onze taal weer te geven dan het rhytmisch gezang der psalmen, prosai en cantica. Hier

ocr page 32

28

heeft echter de dichterlijke vrijheid van den vertaler den argeloozen bewerker leolijke parten gespeeld! Dr. Janssonnius meende in liet meestal eenvormige metrum onzer vesperhymnen wat meer afwisseling te mogen brengen en koos voor zijne overigens zeer getrouwe overzetting nog al eens een andere versmaat. Zoo werd, evenals bij de straks genoemde rhytmische gezangen, ook hier de samenhang van tekst en melodie jammerlijk verbroken! Door het toelaten voor kerkelijk gebruik van zulke wanstaltige misgeboorten als het „Katholiek gezangboekquot;, te Amsterdam verschenen, bevat, is aan het reeds zoo verwaarloosde kerkgezang onherstelbare schade toegebracht.

Terstond aangewende pogingen om althans de grofste misgrepen goed te maken en Te Deum en Mcynificat te vervangen door proza-overzettingen 22), mochten niet meer baten. Ook de voorbereide omgewerkte uitgave van het inmiddels uitverkochte „Katholiek gezangboekquot;, te Groningen uitgegeven, moest worden opgegeven, wegens de onverwachte verschijning in 18/9 van het „Godsdienstig gezangboek voor Oud-Katholiekenquot;, een nieuw zoogenaamd „stukjesboekquot;, hetwelk bestemd scheen om het zooeven genoemde te verbeteren, maar, naar onze bescheiden meening, aan die verwachting niet beantwoordt. De melodiën van dit gezangboek, volgens het „Berichtquot; „door een bekwame hand herzien of vernieuwdquot;, vertoonen dezelfde fouten als die van zijn voorganger en nog eenige meer. En, met allen eerbied voor de „van vromen zin en godsdienstige kennisquot; getuigende rijmdichten van wijlen den heer C. Kuiper van der stam, meenen we, dat voor kerkelijk gebruik verre te verkiezen is een bloemlezing uit de hymnen, die in de Kerk weerklonken, vóór de algemeene invoering van het romeinsche brevier, „ontleend aan de beroemdste dichters van de

ocr page 33

•29

„katholieke Kerk, die bloeiden van de vijlde tot aan „de zeventiende eeuwquot; 23)) en in onze taal getrouw weergegeven door Janssonius.

Het is licht te begrijpen, dat de opvolgende verschijning en het in gebruik nemen van liturgische gezangen in de moedertaal 24), en de zich openbarende neiging om langs dien onregelmatigen weg verder voorttedringen, den HEW. Aartsbisschop H. Loos hebben genoopt bij rondgaand schrijven van 17 Nov. 1866 aan de geestelijkheid een drietal vragen voor te leggen. Zij geven een weideenden indruk van den hoogen ernst, waarmede het onderwerp hier wordt opgevat, en luiden als volgt:

„1°. Moet het noodzakelijk, althans in hooge mate „nuttig geacht worden, verandering in het kerkgezang „te brengen? 2°. Zou het in de positie, waarin do „Cleresie verkeert, raadzaam kunnen geacht worden? „3°. Aangenomen, dat de twee eerste vragen bevesti-„gend zouden moeten beantwoord worden, wat zou „dan ten deze als practisch goed en uitvoerbaar moe-„ten aangemerkt worden?quot;

Hoewel wij van de uitgebrachte adviezen weinig of niets vernamen, kan uit den loop, dien de zaak verder genomen of niet genomen heeft, afgeleid worden, dat het oordeel omtrent de eerste en misschien ook omtrent de tweede vraag vrij algemeen bevestigend is uitgevallen ; dat de laatst gestelde vraag nog wacht op eene voldoende oplossing.

Met die drie vragen als leiddraad gaan wij nu beproeven eene geschikte regeling te vinden voor het aan de orde zijnde derde en laatste hoofdpunt;

Het toelaten van de hollandsche taal, enz.

Gesteld, dat het wijzigen van de roomsche liturgie naar de behoefte van den huidigen tijd in hooge mate

ocr page 34

nuttig geacht wordt, dan vordert de eigenaardige positie van de Cleresie in de R. K. Kerk, dat zoodanige wijziging te verklaren en te verdedigen is uit den ontwikkelingsgang van de liturgie zelve en uit de praktijk, gevolgd in andere bisdommen van de R. K. Kerk, waar, zooals b. v. in Duitschland bij het veld winnen der Hervorming en later onder den invloed van keizer Joseph IT, aan dienzelfden drang gehoor gegeven is 28). Van dit beginsel uitgaande, is minder gevaar te duchten voor verzwakking van een dèr meest sprekende bewijzen onzer katholiciteit26), en voor bet toegeven aan nieuwigheden, die in het karakter der liturgie niet voegen.

Zoo is, om ons bij de R. K. Kerk in Duitschland te bepalen, bij liet toelaten van liet zoogenaamde Deutsche Ami en van de Nachmittagsandacht, toch de latijnsche misliturgie behouden voor de hoogdiensten, insgelijks de latijnsche vespers voor de hoogfeesten. Wij, die slechts ééne gezongen Mis vieren, welke dus altijd hoogdienst is, zouden, om tot de gewenschte onderscheiding te komen, ons derhalve op de hoogfeesten streng te houden hebben aan de officieele latijnsche misliturgie, terwijl dan voor den h. Dienst van de gewone zon- en heiligendagen konden gelden eenige hierna te noemen wijzigingen.

Met het invoeren van eene namiddag-godsdienstoefening in de moedertaal, zouden wij, volgens het zelfde beginsel, meer de vrije hand hebben, als zijnde de vespergetijden alleen door het gebruik tot gemeente-godsdienstoefening geijkt. Daartoe zijn ze bijzonder geschikt, omdat het hoofdbestanddeel, de psalmodie, een beurtgezang bij uitnemendheid is. Eene overzetting van de latijnsche vespers in onze taal, met dien verstande, dat de psalmodie ook over andere dan de eigenlijke vesperpsalmen wordt uitgebreid, zou dan

ocr page 35

31

ook verre de voorkeur verdienen boven eene navolging van de Nachmittagsandacht. Het psalmodieeren op eene gedeeltelijk metrisch ingerichte overzetting van de psalmverzen is zeer wel mogelijk 27). De latijnsche Antiphonen zouden onaangeroerd moeten blijven, want hier is tekst en melodie één. Ook eenige sterk melis-matische hymnenmelodiën passen kwalijk bij eene vertaling; in dit geval kan men eene minder versierde lezing of de volkswijze in de plaats stellen. Voorbeelden van aldus ingerichte vespers zijn te vinden in meerdere Duitsche diocesaan-gezangboeken 28). Ook de liturgisten van de Altkatholiken, Thürlings en Bauer, hebben dien weg gevolgd.

Zij, die de hervorming van de latijnsche vespers in eene hollandsche godsdienstoefening „onvermijdelijkquot; achten, zeggen: „voor de morgengodsdienstoefening „bestaat, althans wat den h. Dienst zei ven betreft, „eene zoo dringende behoefte nietquot; 29). In deze uitspraak van het orgaan der Cleresie ligt alzoo een minder gunstige beoordeeling van het latijnsche gezang-bij den h. Dienst opgesloten. Naar het ons voorkomt, zeer te onrecht. De latijnsche misliturgie, mits gezongen zooals het behoort en voorgeschreven is, beantwoordt even goed aan de eischen van eene gemeentegodsdienstoefening als de zoogenaamde stille Dienst. Een hoofdgrief tegen onze gezongen Diensten schijnt te zijn: „het zingen van het koor, terwijl de priester aan „het altaar staat te biddenquot; 3l)), nml. iets anders; maar dit verwijt treft juist een onzer vele tekortkomingen. Dat de h. handeling aan het altaar met de uiting daarvan door het koor niet altijd gelijken tred houden kan, is enkel en alleen het gevolg van de verplaatsing-van het zwaartepunt naar de zangers- en orgeltribune. Wordt voldoende gewaakt tegen het onnoodig rekken van ilen koorzang en tegen het gebruik van onlitur-

ocr page 36

giscbe gezangen, die daartoe aanleiding geven, wordt bovenal aan de heerschappij van het orgel paal en perk gesteld 31), dan is daarmede de gewenschte aansluiting van den zang aan de h. handeling bereikt.

Alleen in de missen, waarbij de Gloria is voorgeschreven, blijft het afzingen daarvan door bet koor samenvallen met het lezen van Collecten en den Epistel. Maar, gedurende den advent- en vastentijd, wanneer, in plaats van Gloria, de Collecten en Epistel gezongen worden door den priester, zouden deze — en hier zijn we genaderd tot de blz. 30 bedoelde wijzigingen in den Dienst op gewone zon- en heiligendagen — met meer vrucht voor de gemeente en zonder te kort te doen aan het karakter van de liturgie, kunnen worden gebeden en gelezen in de moedertaal. Insgelijks het Evangelie op alle gewone zon- en heiligendagen 32).

Wordt de Credo, zonder tusschenspel ingezet, overeenkomstig zijnen aard in den eenvoudigen vorm gezongen als het Ordinarium misste aangeeft 33), dan zal men den priester ongestoord kunnen volgen van het begin der eigenlijke offerande af. Anders verdient aanbeveling het gebruik, o. a. in het Keulsche bisdom gevolgd, waar van den Credo alleen gezongen wordt het lyrische gedeelte: Qui propter nos homines, etc. tot en met; et liomo factus est. En wat betreft het afzingen van den Sanctus door het koor, terwijl do Canon reeds begonnen is, het storende hiervan wordt immers in vele gemeenten reeds voorkomen, wijl hier do priester met de voortzetting van de h. handeling wacht, totdat dit gezang geëindigd is? Indien de geheele gemeente dit jubelende slot van de heerlijke lofprijzing des priesters mede aanstemmen kon, zou zij voorzeker uitdrukking geven aan het gevoel, dat haar hier bezielen moet 3*).

ocr page 37

33

Naast de officieele liturgie voor de hoogfeesten, zouden voor den Dienst op gewone zon- en feestdagen de genoemde wijzigingen o. i. volkomen te rechtvaardigen zijn, als voortvloeiende uit eene gezonde opvatting van de kerkelijke voorschriften en van hier en daar bestaande gebruiken.

De meermalen uitgesproken wensch naar eene recht-streeksche deelneming door de gemeente aan de gezongen misliturgie vindt zijn volle bevrediging in eene oordeelkundige navolging van het in alle Duitsche bisdommen sedert meer dan een eeuw aangenomen „Deutsche Amtquot;, eenen aan het „Hochamtquot; vooraf-gaanden Dienst, welke geheel begeleid wordt door het gezang der gemeente in de moedertaal Dien overeenkomstig zou ten onzent op gewone zon- en feestdagen de latijnsche liturgie zeer gevoegelijk afgewisseld kunnen worden met het gebruik van eene of meer dei-meest bekende „Deutsche Singmessen,quot; zooals ook in onze gemeente op Nordstrand van oudsher geschiedt 35). De deelneming in de h. handeling kan zeker niet levendiger gevoeld en uitgedrukt worden dan wanneer de gemeente met het daarmede overeenstemmende lied in hare taal telkens krachtig invalt. Bovendien voorziet dit algemeen gezang uitnemend in de behoefte, waar die bestaan mocht, aan een voldoend zangkoor. Het feit evenwel, dat van eene in 1870 verschenen welgeslaagde navolging van het meest populaire misgezang „Hier liegt vor deiner Majestatquot; 36) een goed deel der oplage ongevraagd is blijven liggen, ondanks ruime verspreiding onder belanghebbenden, moet wel tot de gevolgtrekking leiden, dat deze misgezangen minder in den smaak vallen, of dat gemeentegezang bij den h. Dienst niet algemeen begeerd wordt 3T).

In de aangeduide richting kan nog meer gedaan worden om het gemeenschapsgevoel levendig te houden.

3

ocr page 38

34

Zou b. v. het gebruikelijke hollandsch gezang na lt;le Mis niet beter tot zijn recht komen, als men het afwisselend zingen van liet koor met den voorzanger dan naliet en de overbekende wijzen geheel door de gemeente liet zingen; met dien verstande, dat de gezangen met referein — en zoo zijn er vele 38) — bij ieder vers door het koor ingezet en door de gemeente beantwoord worden? Zulk een opwekkend gezang kan zijne uitwerking niet missen.

En dan onze misdienaars. Kan de gemeente hare vertegenwoordigers herkennen in de in getal en maat symmetrische figuranten, die den priester aan het altaar ter zijde staan? Zou, in de plaats \'an die meeren-deels niet dienende geesten in den dartelen knapen-leeftijd, hier niet beter voegen één bezadigd man, achtenswaardig lid der gemeente, die tevens het kostersambt kan bekleeden, en met de noodige assistentie bij plechtige gelegenheden? Althans in vele R. K. gemeenten van Duitschland blijkt zulk eene opvatting te bestaan.

Deze wenken, aan welke wij, om het reeds op zware proef gestelde geduld van den lezer, geen nieuwe toevoegen, mogen hem doen inzien, dat de laatste, de hoofdvraag van de Aartsbisschoppelijke circulaire bevredigend op te lossen is, zonder dat de positie, waarin de Cleresie verkeert, of hare katholiciteit in gevaar komt. Met andere woorden, dat aan den wensch van hen, die eene meer dadelijke deelneming door de gemeente aan de morgengodsdienstoefening voorstaan, zeer wel is tegemoet te komen, enkel uit de rijke middelen, welke onze overschoone liturgie aan de hand geeft.

En hiermede achten wij tevens het ter regeling aanbevolen derde hoofdpunt voldoende toegelicht.

Mocht het hooge kerkelijk gezag besluiten, het ver-

ocr page 39

35

waarloosde gebouw onzer liturgie in do aangewezen, het meest bedreigde drie hoofdpunten krachtig te schragen, dan zal het mettertijd op nieuw uitblinken in al den strengen eenvoud zijner lijnen en door beproefde degelijkheid ten zegen blijven aan ons kerkgenootschap. Want — en het is noodig hierop nadruk te leggen — niet slechts ter wille van de hooge kunstwaarde onzer liturgie geven wij deze lang gekoesterde „Gedachtenquot; in overweging aan geestelijken en leeken; bovenal drong ons een levendig besef van het ernstige gevaar, dat ons kerkelijk leven bedreigt, als we om den hoofdinhoud het schoone uiterlijk te zeer versmaden; eene eigenaardigheid, die, hoewel zij ons kerkgenootschap tot eere strekt, toch het andere uiterste is van dat, waarin onze roomsche broeders vervielen.

Juist hier is de samensmelting van den schoonen vorm met innerlijke deugdzaamheid 39) volkomen aan hare plaats. Hier vindt de kunst hare hoogste uiting in den godsdienst!

Zal het ons toebetrouwde kleinood zoo lang zijn blootgesteld aan de inwerking van vreemden invloed totdat de echte, duurzame bestanddeelen niet meer te onderkennen zijn van hetgeen slechts schijnbare, voorbijgaande waarde heeft? Dat zij verre!

Handelen wij dan naar het woord van den psalmdichter : „Heere, ik heb den luister uws huis bemind en de woonplaats uwer heerlijkheidquot; 40).

Y.

ocr page 40
ocr page 41

AANTEEKENINGEN.

1) Het is beter voor de geloovigen de mis te lezen, „dan boven zijn krachten eene plechtigheid te beproeven, waarbij de ceremoniën vaak jammerlijk verminkt „worden en door een ongepaste muziek en zang de „godsvrucht veeleer verjaagd dan opgewekt wordt.quot;

Eerste provïnc. Concilie van Westminster, deer. XVIII, N0. 20.

2) Vgl. M. J. A. Lans, Ecrediensi en toonkunst. Leiden, 1882.

3) Inleiding tot Organum comitans ad Or dinar ium misses. Het begeleiden van den koorzang volgens de bij ons gebruikelijke methode J. G. Mettenleiter, voor iedere noot een akkoord, gaat, volgens Witt, niet op. Men moet, evenals de meesters van de Palse-strijnsche school, doorgaande akkoorden toepassen op de begeleiding; omdat dit beter strookt met den eenvoud van het gregoriaansch, en omdat de melodie daarbij meer op den voorgrond treedt en zich vrijer bewegen kan.

4) Fétis, Résumé pJiilosophique de Vhistoire de la musique.

ocr page 42

38

5) Traité complet de la théorie et de la pratique de l'harmonie.

6) Men leze over deze missen het oordeel van N. A. Janssen, Een woord over het gregoriaansch. 's Boscli 1860, blzn. 60 en 53.

7) Mbndelssohns's Briefe aus den Jahren 1830—1847.

8) Men vergelijke ook: Decreta disciplines Sympro-vincicc metropolitans Ultrajectensis circa septem ecclesicn sacramenta. De sacrificio missce, II: „Nobis consenta-„neum videtur ecclesise intentioni, ut in elevatione „corporis et sanguinis J. Christi et post, usquedum „cantatur Pater noster, sileant organa et omnis cantus,quot; etc. Aldus bepaald in 1763.

9) Vgl. N. A. Janssen, De ware grondregels van den gregoriaanschen zang. Mechelen 1845, blzn. 134 en volgende. Fr. Haberl, Magister choralis, theor. prakt. Anweisung zum gregorianischen Kirchengesang für Geistliche, Organisten, u. s. tv. Volgens de „Lijst van officieele gezangboekenquot; a 85 ets. verkrijgbaar bij Wed. J. R. van Rossum. Utrecht. „Dit werkje, „waarvan thans (1887) reeds de achtste vermeerderde „en verbeterde druk is verschenen, is een uitmuntend „hulpmiddel voor de juiste uitvoering van het authentieke kerkgezang volgens de geschiedenis en de over-„levering; een aanbevelenswaardig leerboek voor semi-„nariën, geestelijken, zangers en organistenquot;. (De wetenschappelijke Nederlander van 15 September 1887).

10) Het hier gewraakte gebruik is zeker niet in den geest van het boven aangehaalde tweede Utrechtscho concilie. Vgl. het besluit de sacrificio missae, IV: „De-„siderat sancta Synodus, ut dcinceps S. S. altaris sa-„cramentum rarius exponatur publice, exceptis S. S. „corporis festivitate, eius octava, necnon cum laudes

ocr page 43

39

„singulariter instituentur in honorem et adorationem „J. Christi in hoc S. S. altaris sacramento.quot;

n) Zie het „Ingezondenquot; stuk in De Oudkatholiek van Februari 1888, bl. 13.

De Oudkatholiek van November 1887. blz. 86 en het December-nummer 1887. blz. 91.

13) Bijlage van De Oudkatholiek: „Kerkelijke toestanden in Nederland gedurende de laatst voorgaande eeuwenquot;, blz. 142. Thans ook afzonderlijk verkrijgbaar.

14) Sessio XXIII, c. 18, de reformatione. Dit besluit is hernieuwd door de kerkvergadering te Rome anno 1725, alwaar het heet: cantum gregorianum addiscant.

is) Vgl. N. A. Janssen, De ware grondregels enz., noot op blzn. 85 en 86, en Een woord over het gre-goriaansch, noot op blz. 9.

16) Voornamelijk ten dienste van Seminariën; waarom aan deze uitgave toegevoegd zijn regels voor het zingen van oratio, lectio, evangelium, etc. A^oor de verschillende uitgaven raadplege men de „Lijst van offi-cieele gezangboekenquot; met de supplementen b. a. g. en de bespreking in het St. Gregoriusblad van October en November 1885, van Mei en Juni 1886, ook op blz. 7 van dien jaargang. Vooral de eerst verschenen jaargangen, 1876 en volgende, leiden het onderwerp uitnemend in.

1T) Tit. V, cap. 6. Zie blzn. 1 en volgg. van den eersten jaargang 1876 St. Gregoriusblad. Ook afgedrukt als bijlage achter J. J. Graaf, Vromer en beter door goeden kerkzang. Leiden, 1880.

Op onzen toestand passen volmaakt de aldaar genoemde regels betreffend beoefening en uitvoering van het liturgisch gezang des priesters en van het zangkoor, over do

ocr page 44

40

orgelbegeleiding enz. Deze zeer behartigenswaardige wenken zijn verbreid en uitgewerkt door het St. Gre-goriusblad, sedert 1878 orgaan van de toen opgerichte „St. Gregorinsvereenigingquot;, en worden toegepast op alle zangkoren, tot de vereeniging toegetreden.

18) Eenige van die missen zijn in ons Graduaal achteraan te vinden, na die pro defunctis; zij zijn van later dagteekening dan de misgezangen van het eigenlijke Ordinarium: tempore paschali, in festis solemnibus, duplicihus, in missis h. Maries, in dominicis per annum, etc.

19) Concilie van Trente, Sessio XXII, c. 5: de solemnibus missce sacrificU cceremoniis, zegt dit met zoo vele woorden. Zie ook aldaar de sacrijicio missce, canon IX,

20) De OudkatholieJc van November 1888, blz. 90.

21) Vgl. het Katholiek Gezangboek naar het latijn, I. Mis- en Vesperzangen, II. Lofzangen, Amsterdam en Groningen 1862. De bewerker van de Lofzangen, een zoogenaamd „Stukjesboek,quot; heeft nog getracht overeenstemming te brengen in den rhytmus van het gregoriaansche proza en van het gedicht, evenwel zonder zich rekenschap te kunnen geven, waar de moeilijkheid van samenrijming schuilde.

2a) Eene prozavertaling van Te Deum laudamus, met korte historische aanteekeningen. 's Gravenhage 1865, en eene dito van Magnificat, Benedicamios, ad Benedic-tionem en Rorate, kort daarop z. t. of j. verschenen, in navolging van de Octo toni cantici B. M. V. adiunctis aliquot Benedicamus Domino etc. Laatstgenoemd verbeterblad moge gelden als eene proeve, hoe de psalmodie interichten bij de gewenschte en veelbesproken hollandsche vespers. De nieuwe bewerking van Te Deum durven we niet onvoorwaardelijk aanbevelen. Liever het oorspronkelijk in volle kracht en

ocr page 45

41

daarnaast een hollandsch „Grosser Gott, wir lobcn dichquot;, het kernachtige volkslied in de roomsche Kerk van Duitschland zeer algemeen.

23) Vgl. „ Aanteekeningquot; op het Katholiek gezang-hoek, Groningen. Hier zij in 't algemeen nog opgemerkt, dat bij de gebruikelijke plaatsing van de verzen onder elkaar, zóo dat voor alle dezelfde muzieknoten dienen kunnen, de tekst haast niet is te overzien en geen indruk maken kan. Verder, dat bij een gezangboek van dien aard eene vierstemmige zetting voor den organist onmisbaar is.

!24) Wij hebben slechts de voornaamste genoemd. Over het Algemeen gezang hij den h. Dienst der mis, in 1870 verschenen, hierna blz. 33.

25) Michaël Vehe 's Gesangbüchlein van 1537, het eerste Duitsche R. K. gezangboek na de Hervorming, bevat alleen nog maar duitsche gezangen vóór en na de preek, bij bedevaarten, enz. Dat van Leisentritt, 1567, gaat reeds veel verder; hij kwam dan ook in verdenking van ketterij. De XVIII6 eeuw bracht, bij veel wansmaak, de moedertaal een goede schrede verder in de liturgie (verschillende Deutsche Sing messen, AndachtenJ. Onder von Wessenberg 's bestuur over het bisdom Constanz, welks gebied zich tot in Tyrol en Zwitserland uitstrekte, werd de la-tijnsche taal een tijdlang geheel verdrongen door zijn Gesang- und Andachtsbuch, 1812 (30sto druk in 1863), en Ritual nach dem Geiste und den Anordnungen der Katholischen Kirche (2e druk in 1833).

as) Yg], j)e Oudkatholiek van November 1888, eerste bladz. laatste alinea.

27') Vgl. de proeve van een hollandsch Magnificat, aangehaald in de noot 22.

ocr page 46

42

28) Vgl. o. m. Cantuarium Sancti Galli, Römischer Choralgesang der St. Gallischen Stijtslcirche, enz. St. Gallen

1845. Dit klooster heeft den gregoriaanschen zang, naar een aldaar aanwezig authentiek exemplaar van Grego-rius' Antiphonarium en de overlevering, door de werkzaamheid van de beroemde meesters Ratpert, Notker, Tutilo en Hartmann en anderen, eeuwenlang zuiver bewaard; na een tijdperk van verval kwam ook hier, doch tijdelijk (1835—1845) von Wessenbeeg 's Con-stanzer Gesangbuch (zie noot 25) in gebruik. Het genoemde Cantuarium St. Galli vat den verloren histori-schen draad weer op en maakt dien tevens dienstbaar aan nieuwere behoeften. Het kan voor de nieuw in te richten vespers met vrucht geraadpleegd worden. Evenzoo het Gesang- und Gebetbuch für die Diözese Trwr, herausgegeben vom bischöflichen Generalvicariat,

1846. En voor de inrichting der psalmen het meergenoemde von Wessenbergsche Gesangbuch. Vgl. „Vorredequot; van het Cantuarium St Galli door C. Greith, blz. XH.

29) De Oudkatholiek van Januari 1888, het slot van „Iets over liturgiequot;, waarvan het eerste gedeelte in het December-nummer 1887. Het hoofdartikel van October 1887 „De vespersquot; lokte eene gedachtenwis-selling uit, waarop betrekking hebben de ingezonden stukken in het November-nummer 1887, blz. 86 le kolom en in dat van Februari 1888 blz. 13.

30) Dc Oudkatholiek, November 1888: „Over het bijwonen van den h. Dienst der mis.quot;

31) Ook uit dit oogpunt beschouwd, is de voorgestelde regeling van het liturgische gezang en van liet gebruik van het kerkorgel noodzakelijk. Feitelijk hebben zangers en organist het nu in hunne hand den ge-regelden voortgang van den h. Dienst te beletten, of

ocr page 47

43

dien langer te doen duren dan met eene onverdeelde aandacht van de gemeente bestaanbaar is. Verschillende provinciale concilies in de R. -K. Kerk (van Westminster (1852), Halifax (1857), New-York (1858), en ook bet b. a. g. van Utrecht (1865), Tit. V, cap. '2.) bevatten voorschriften hiertegen. Dat van Haarlem (1867) bepaalt bovendien: „dat de gezongen mis met „preek in den regel niet over het anderhalf uur „gerekt wordequot;. Een dergelijk voorschrift bestaat in het bisdom van Mechelen.

32) In tegenstelling van den meer plechtigen Dienst op de hooge feestdagen, Vgl. blz. 30, tweede alinea.

Bij stille Diensten geschiedt reeds hier en daar, ter bevordering van de algemeene stichting, voorlezing onder den Dienst in het hollandsch. Waarom ook niet op de dagen als er gepreekt wordt onder den Dienst, d. i. onmiddelijk na het Evangelie ? Eene herhaling van den predikstoel is dan licht te vermijden.

33) Vgl. hier voor blz. 25, derde alinea.

34) Niet het latijn is hier een beletsel, veeleer de nietszeggende zangwijze van de missen novae en dergelijk fabrikaat.

35) Vgl. de voorrede van De vesperen van alle de zondagen en heilige dagen, door W. K., tot Utrecht bij Cornel. Guilel. Ie Febvre, 1729, afzonderlijk gedrukt z. t. of j. als „Verhandeling over het vieren van de zondagen en heilige dagenquot;, aldaar § VIII.

36) De daaraan toegevoegde „Aanteekeningquot; geeft een beknopt historisch overzicht van het duitsche misgezang. De vierstemmige orgelbegeleiding, niet gedrukt wegens de geringe navraag, bevat tevens wenken voor het doelmatig gebruik naar onze behoeften.

ocr page 48

44

37) Voor zoover bekend maakt alleen de Haagsche gemeente er nog steeds gebruik van.

38) De veelvuldig voorkomende zangwijzen Adoro te -Altitudo - Ave Jesu - Benedicta sit - Bone Jesu - Cor meum — Dulcedo — Ecce panis — Jesu dulcis memoria — O Jesu mi - O mernoriale - O panis vitce - Quid ita fristis es - en andere.

39) Het ■/.ccXoxayaifov,

40) Psalm XXV, vs. 8.