uil Recht kn Wet, Tijdschrift voor het Xotarisa/nl/t.
Het Wetsontwerp op het Notariaat.
In deel 38 (all. 1 en 2) van dit tijdschrift heb ik getracht een kort overzicht te geven van hetgeen over de herziening der notarieele wetgeving tot in Januari 188(; was geschreven, ten einde aldus gemakkelijker te kunnen nagaan hoe de meerderheid dergenen die in de eerste plaats over hot notariaat kunnen oordeelen, zich een nieuwe wet. als het meest in overeenstemming met de behoeften en de ontwikkeling des tijds, voorstelde.
I gt;e geschriften in dat opstel aangehaald en waaruit ik liet oordeel der meerderheid opmaakte, waren alle gewijd aan beschouwingen over het Ontwerp-Sannes en dat der herzieningscommissie. Ik eindigde het opstel met de verklaring dat die ontwerpen vele nuttige bepalingen bevatten, zoowel in hoofdbeginselen als in onderdeden en dat deze den ontwerper der nieuwe wet ongetwijfeld belangrijke diensten konden bewijzen. Het lag voor de hand dat zij met de daarover uitgebrachte beschouwingen tot grondslag zouden strekken voor het derde Ontwerp, dut eindelijk de meesten, zoo niet zon kunnen bevredigen, dan toch zou kunnen voldoen en in vele behoeften kon voorzien.
De Minister van Justitie, die in het najaar van 188ó beloofde dat in Maart daarna een Ontwerp van wet op het notariaat den Raad van State zou bereiken, heeft woord gehouden, zoodat het in November j.1. aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kon worden aangeboden. In
10quot;
den aanhef der Memorie van Toel.chting op het wetsontwerp deelt Zijne Exceffentie, zooals dan ook te verwachten was, mede dat de Regeering met de talrijke geschriften en beschouwingen over eene nieuwe wet haar voordeel heett gedaan en die met belangstelling werden nagegaan, dat zij voorts met dankbaarheid heeft gebruik gemaakt van het goede dat in de beide hierboven bedoelde ontwerpen voorkomt. Door haar wordt hulde gebracht aan de heeren Saxnes c. s., voor den belangrijken arbeid door hen aan de herziening verricht en voorzeker zal menigeen daarmede instemmen, wanneer hij onpartijdig en nauwlettend nagaat van welk een omvang en hoe moeielijk dat aanvangswerk moet geweest zijn.
Niet minder hulde komt echter der llegeering toe en inzonderheid den Minister van .Justitie, die niet alleen van zijn optreden af toonde een groot en ernstig voorstander van herziening te zijn, doch ook, zooals werkelijk het ontwerp op vele plaatsen getuigt, een welwillend en belangstellend oor leende aan de opmerkingen en waarschuwingen die voorkwamen in de talrijke hiervoor bedoelde geschriften.
Vele goede bepalingen in de ontwerpen van de heeren Sannks c. s. zijn in het Regeerings-ontwerp overgenomen, menig slecht, onpractisch en nutteloos voorschrift is weggelaten of herzien en verbeterd geplaatst en voorzeker zal de meerderheid der deskundigen thans een beter en gunstiger oordeel vellen dan voorheen. Het ontwerp komt me voor eene reeks van goede bepalingen te bevatten, die in menig opzicht in de behoeften en leemten zullen voorzien, en dat met gerustheid aan de Staten-Generaal ter behandeling â kan het zijn ter spoedige behandeling â kan worden aanbevolen.
Hieruit mag echter niet worden afgeleid, dat het door mij als onberispelijk wordt beschouwd en dat ik dweep
met alles wat claariu voorkomt. Geenszins, lu de eerste plaats toch komt het mij voor. dat het niet ver genoeg gaat en er van de gelegenheid tot verbetering van menig punt geen gebruik wordt gemaakt, wat zeker te bejammeren is als men nagaat met hoeveel moeite eene wet in Nederland tot stand komt; terwijl voorts sommige bepalingen mij nu eens ongewenscht, dan weer onpraetisch toeschijnen.
ITet doel van dit opstel is, eenige beschouwingen over het Ontwerp te leveren, voornamelijk door te wijzen op hetgeen mij aanleiding geeft tot meer of minder gewichtige op- en aanmerkingen.
De Hegeering gaat uit van de stelling dat geen verandering behoort te worden gebracht in het wezen van het notariaat en heeft, waar haar de keuze openstond tussclien drie stelsels, besloten tot het behoud van het tegenwoordige karakter der instelling. Dat zij niet lang nagedacht heeft over de invoering van het z.g. vrije notariaat, zal menigeen en naar ik wel mag veronderstellen iederen deskundige zeer begrijpelijk voorkomen. Hoe weinig aanbeveling dit stelsel verdient, wordt genoegzaam aangetoond door het feit dat het nooit een voorstander vond in een man van het vak. noch in personen die door hun ambt dikwijls met het notariaat te maken hebben; geen enkel candidaat-notaris schijnt er voor te wezen en toch zou het voor dezen een middel zijn om oneindig veel vroeger dan thans tot een zelfstandige positie te geraken. Terecht laat de heer Sannes, in zijne toelichting op het le ontwerp, de Regeering terugdeinzen voor een stelsel, dat aan iemand die slechts het bewijs leverde zekere kennis te hebben opgedaan, eene groote mate van vertrouwen schenkt, die' aan anderen niet wordt gegeven, dat van zulk een
t1
4
[jersuon Je zekerheid, de rust en het fortuin der familiën afhangen en deze den volke wordt aangewezen als iemand wien de hoogste mate van geloofwaardigheid wordt toegekend !
i)e heer Wattel, die a tort et a travers plotseling als voorstander van het stelsel (?) wordt beschouwd (1) en de vrijheid neemt zioh tegen die beschuldiging te verzetten in het Weekblad voor Notarisambt en Registratie (2), voert de gronden aan waarop hem het vrije notariaat on-gewenscht toeschijnt. De schrijver wijst er op hoe het stelsel het toezicht zou bemoeielijken, dat thans reeds zoo noodig, dan zeker dubbel scherp zou moeten wezen; hij voegt daarbij de noodzakelijkheid van een bepaald aantal door de Regeering aangewezen standplaatsen, omdat do wet in vele gevallen den authentieken vorm voorschrijft; hij wijst op do wensehelijkheid van een langdurig verblijf van denzelfden ambtenaar op dezelfde plaats, om de nood-znkelijke kennis van personen en toestanden op te doen en op de moeielijkheden van het bewaren en overbrengen van minuten en repertoria. Bij dit laatste had hij nog kunnen voegen de moeielijkheid om van dat leger van trekvogels die dan hier en dan daar zullen gevestigd zijn, afschriften, uittreksels en grossen te verkrijgen, benevens stukken en bescheiden die zich nog in hunne handen bevinden. Kn dan de lastpost voor de Regeering, die waarlijk niet gering te achten zou zijn en stellig eene afzonderlijke afdeeling aan het departement van justitie zou noodzakelijk maken om besluiten tot benoeming en ontslag van notarissen klaar
(i) Men leze het naschrift dei' redactie van de Economist in «le Jnli-allovering van 1886 op een daarin door den heer Laxdre te Vlijmen geplaatst stuk over het notariaat.
^ No. 880.
te maken! NVaut eene Koninklijke benoeming zou, met het oog op art. 4136 B. R.. toch zeker wel noodig blijven.
Het notariaat tot een bezoldigd staatsambt te maken zon meer overweging verdienen. Het denkbeeld stuitte bij de Hegeering echter af op financieele bezwaren en ook op de vrees dat de notaris zijne diensten in dat geval met minder ijver zou vervullen dan thans.
Het laatste bezwaar komt mij weinig afdoende voor. Waarom zou bij dit stelsel een notaris zijne diensten minder goed vervullen dan een ander ambtenaar met een vaste jaarwedde? En ware dit bij enkelen het geval, welnu, het Toezicht zou hen dan toch tot hun plicht kunnen brengen terwijl hen bij herhaling ontslag zou kunnen worden gegeven. Dit toch is steeds de gewone loop bij ambtenaren, die niet deugen willen. En wat het geldelijke der zaak betreft; men zou natuurlijk de diensten, die de notaris aan het publiek bewees, laten betalen ten bate van het Rijk. waardoor het financieel bezwaar zeer waarschijnlijk weinig zou beteekenen. Ten overvloede zou men dan den notaris daarvan een zeker percentage kunnen toekennen waardoor de door de Regeering noodig geachte prikkel der verdiensten zou blijven bestaan. Het stelsel stuit echter, naar het mij voorkomt, af op de moeielijkheid tot het maken en naleven van een tarief en op die der onderscheiding tusschen no-tarieele en niet notarieele werkzaamheden. Die moeielijkheden bestaan thans en zouden, waar de Staat de verdiensten genoot, evenzeer blijven bestaan.
De keuze der Regeering dus, om het bestaande stelsel te behouden, komt mij als de juiste voor.
1 let ontwerp van den heer Sannks en dat der herzieningscommissie geven zes hoofdpunten van verschil aan met de bestaande wet. Het zijn;
(â gt;
1quot;. liet toezicht.
2°. de kassierderij,
S0. de benoeming voor liet leven,
Iquot;. liet ressortenstelsel.
ö'l het beschikken over het protocol. (gt;quot;. de plaatsvervanging.
lt;H)k wat de onderdeden betreft waren vele veranderingen en aanvullingen â al waren het dan niet altijd verbeteringen â voorgesteld, voornamelijk gegrond op de jurisprudentie en de meeningen der schrijvers sedert '42. Later werden die zes hoofdpunten door sommigen nog met een zevende aangevuld, n.1. met dat wat de eischen van benoembaarheid. inzonderheid hel examen, betreft.
Hut regeeringsontwerp geeft ten aanzien der hoofdpunten slechts vier afwijkingen der bestaande wet. Het zijn: 1°. het toezicht,
2°, de tijdelijke vervanging der notarissen,
de verplichte tegenwoordigheid der instrumentaire getuigen.
1°. het recht tot aanbeveling van een notaris als bewaarder
der akten en registers.
Het bevat dus niet â zooals de beide eerste ontwerpen â bepalingen tegen de kassierderij; het behoudt de benoeming voor bet leven; het brengt geen wijziging in het ressortenstelsel en ook niet in de eischen van benoeni-liaarbeid, speciaal het examen betreffende. (1) Daarentegen onderscheidt het zich van die ontwerpen door ook aan het
cl ) Dal hot L'Numen eonigszius uitgebreider zal woideu door in ari. IT» komiis van de Nederlaudsche Staatsinriehling en van de regeling dlt;'i- reehterlijke bevoegdheid in burgerlijke zaken op te nemen zal. boe wensibelijk ook deze opname is, toeli niet nis een ingrijpende verandering kunnen beschouwd worden.
getuigenstelsel der bestaande wet een min of meer gevoeligen knak toe te brengen.
Dat liet geene bepalingen zou bevatten tegen de z.g. kassierderij der notarissen was reeds vroeger door den Minister van Justitie, bij de behandeling van Hoofdstuk IV der Staatsbegrooting voor 1886, te kennen gegeven. Daaromtrent was men dus genoegzaam gerustgesteld en dat de liegeering geen plan daartoe schijnt gehad te hebben blijkt ui. i. voldoende uit de omstandigheid, dat men in de Memorie van Toelichting te vergeefs zoekt naar eenige beschouwing over dat zooveel besproken en tot zooveel verbittering aanleiding gegeven hebbend punt. Wel een bewijs', dat zij dergelijke en soortgelijke bepalingen als de beide eerste ontwerpen bevatten als volkomen hersenschimmig beschouwt.
In de toelichting op art. 2 van liet wetsontwerp zet de liegeering uiteen waarom zij de bepaling dat de notaris door den Koning voor zijn leven wordt aangesteld heeft behouden en niet medegaat met de heeren Saxnes c. s., dir het verleenen van ontslag ook en in ieder geval aan den Koning wilden laten, dus de benoeming voor het leven uitsloten. Reeds meermalen is er op het minder ingrijpende van die verandering gewezen. (1) Ook de Regeering wijst er op en verwerpt voorts de wijziging om de alles afdoende reden, dat zij in het stelsel van dit ontwerp niet past. Hij de bevoegdheid, die zij aan de Kamers van Toezicht wil toegekend zien en die zich nooit verder kan uitstrekken dan tot administratieve bemoeiingen, is deze opvatting alleszins juist.
(1) Zie o. mijn opstel t. a. p. ijl. en volgeiKio en â¢ir» jiidoai
j/e.noernde so 11vi; verf».
s
liet outwerj) brengt geene wijziging in het ressortenstelsel. Dat lt;le Uegeeriug niet wilde medegaan niet liet stelsel der beide eerste ontwerpen, dat zoovelen verwerpelijk toeschijnt, komt mij zeer begrijpelijk voor. Wilde zij echter niet aan de z.g. unijicatic der ressorten, n. 1. den notaris overal bevoegd verklaren tot het verlijden van authentieke akten, een stelsel, waarover geheel gezwegen wordt, doch dat naar het schijnt het meest in overeenstemming is met do roeping van den notaris, dat ernstige verdedigers had en zeer weinig tegenspraak heeft ondervonden (1); wilde zij dus, zooals zij deed, het bestaande stelsel behouden, dat geenszins verwerpelijk is en zeer veel goeds heeft, dan had zij moeten tlt;; gemoet komen aan het bezwaar dat daartegen op zoo. vele plaatsen met recht is aangevoerd, het bezwaar n.1. dat de notaris, die op de grenzen van het arrondissement zijn standplaats heeft, niet mag praktizeeren in gemeenten tot zijne naaste omgeving doch tot een naburig arrondissement behoorende 1 loe gemakkelijk is in liet bezwaar te te voorzien door te bepalen, zooals .Mr. Rijke (2) voorstelde, dat de notaris, wiens standplaats op de grenzen van een arrondissement gelegen is, ook op de grensplaatsen zijn ambtsbediening kan uitoefenen. Het is hatelijk voor een grensbewoner die soms uren ver moet gaan om een notaris in het arrondissement zijner woonplaats, terwijl vlak in zijn buurt, doch in een ander arrondissement, een notaris gevestigd is. die hem zon kunnen helpen wanneer de wet dit niet verbood. Bij het bestaande stelsel dat de bevoegd-beid plotseling doet ophouden en geen in elkander loopende ressorten kent, kan het voorkomen â zooals dan ook wel
O) /i«' luiju opstel t. a. p. bl. l.V.) eu volg. en 'Ir aMaar gouoennlc soli rij vers.
(2) Tiwmis, deel 10 (April 188,quot;)) 1.1. 'Ml.
9
eens liet geval is geweest â dat de notaris die van verre moet worden gehaald te laat komt, omdat hij die nog uiterste wilsbeschikkingen wenschte te maken bij die aankomst reeds overleden is.
Daarenboven komt het mij voor, dat door de voorgestelde wijziging de billijkheid wordt betracht jegens den notaris die op de grens van een arrondissement gevestigd is; deze is toch thans van slechter conditie dan hij wiens standplaats zich meer in het midden van het arrondissement bevindt en wiens praktijk zich dus naar alle kanten kan uitstrekken.
Dit laatste argument zou vermoedelijk niet overwegend genoeg worden bevonden; waar echter de belangen van den grensbewoner en van den grensnotaris te gelijk kunnen worden gediend, schijnt er genoegzame reden te bestaan Tot het aanbrengen der wijziging.
Moge de Regeering zich over dit punt nog eens bedenken 1
in de toelichting op art. 14 van het wetsontwerp wordt o. a. gezegd: ,.Het jaarlijks toenemend aantal van hen, dir âhet examen van candidaat-notaris wenschen af te leggen, ..heeft den ondergeteekende op middelen doen bedacht zijn ,,om den duur van het examen, die in 1885 tot drie en ..een halve maand gestegen was, te bekorten. Eene split ..sing der examen-commissie in twee afdeelingen schijn* . .daartoe wenschelij k.quot;
Toen ik deze toelichting voor het eerst onder de oogen kreeg, meende ik stellig te zullen lezen, dat de ondergeteekende op middelen bedacht was geweest, om dat jaarlijks toenemend aantal mei tracht tegen k (/aan, door de invoering van vergelijkende examens. En hoewel hot misschien onnoodig voorkomt dat de wet dit bepaalt, aangezien de maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in liet
10
laiitstu lid van art. 17, dit punt aldus zou kunnen regelen, schijnt er van vergelijkende examens geen sprake te zijn. i 'it blijkt voldoende wanneer men de toelichting op art. 14 verder leest. De Minister toch schijnt een steeds toenemend min tul adspiranten te verwachten en wil daarom in de wet bepaald hebben dat het examen reeds aanvangt op 1 Juni.
lïeeds vroeger (1) besprak ik deze quaestie en noemde cenige voorstanders van het stelsel der vergelijkende exn-mens, waarvan de invoering ook mij wenschelijk toescheen. Ongetwijfeld zou daardoor niet alleen de overproductie van candidaten worden tegengegaan, doch zou ook het gehalte der toegelatenen aanmerkelijk verbeteren.
In de vergadering der Notarieele Vereeuiging te Amsterdam van 27 November j.1. behandelde de heer H. -T. van Doorn B.Az., notaris aldaar, de vraag; âWat hopen wij van de nieuwe regeling van het notarisambt?quot; In eene interessante lezing besprak ooIj hij de examen-quaestie. Hij meende dat vergelijkende examens geen reden van bestaan hebben, dat de knapste niet altijd de beste is en dat aan de Regeering de taak is opgedragen om naast voldoende bedrevenheid, te eischen een helder hootd, een warm hart, een kloek verstand!
Hij wilde zelfs verder gaan en de staats-commissie twee malen in het jaar zitting doen houden, ten einde den adspirant die was afgewezen, in de gelegenheid te stellen reeds een half jaar later een beter succes te behalen'.
Mr. Treub beweerde daarna eveneens dat van vergelijkende examens in elk geval geen sprake kan zijn, om de eenvoudige reden dat nominatie en keuze a priori onmogelijk zijn. Hij noemde zulk een stelsel zelfs een onding.'
Igt;e bezwaren door die heeren aangevoerd komen mij
(i) In mijn opstel t. a. p. bl. UHJ en volg.
11
weinig gewichtig voor. Dat de knapste niet altijd de beste is. wie zal het den heer v. IX tegenspreken, doch dit argument bewijst niets, men zou daartegen kunnen inbrengen, dat de domme altijd de slechtste is. want al hoeft deze dan nog zulk een warm hurl, hij is en blijft niet berekend voor zijn taak; het warme hart alleen is niet voldoende, er wordt tegenwoordig meer gevraagd. Ik beweer echter dat de knapste in den rec/el de beste zal zijn en dnt knapheid zeer goed met het bezit van een warm hart kan gepaard gaan. Het is toch waarlijk niet onverschillig hoe de zaken worden behandeld, wanneer men slechts nagaat hoe partijen door verkeerde toepassing der wet kunnen worden benadeeld, als: door slechte redactie, inzonderheid van uiterste wilsbeschikkingen, bij scheidingen van boedels waarin zich allerhande vreemde gevallen kunnen voordoen en waarbij het nadeel dan toch groot genoeg kan zijn. al beloopt het niet juist meer dan een vierde. En nu is het zeker waar dat men bij ingewikkelde zaken het advies van een rechtsgeleerde kan inwinnen en dat dit dan ook dikwijls geschiedt, het belet echter niet dat in vele gevallen geen advies wordt gevraagd en de notaris meent het zeil' best te weten. Waarom dan echter het examen niet nog veel eenvoudiger gemaakt, waarom dan voorgeschreven dal de notaris practisch bedreven moet zijn in het stellen van notarieele akten? liet is dunkt mij zijne roeping, dat bij, door eigen studie en aangeworven kennis, weet wat hem te doen staat en niet in ieder geval dat maar eenigszins van de dagelijksche sleur afwijkt het advies van een advocaat moet inwinnen.
lt; hmoodig zal het zijn nogmaals te betoogen dat het bezit van het diploma, afgegeven door de Staatscommissie, geen maatstaf oplevert dat de candidaat voldoende op de hoogte is. Do zekerheid daarvan bestaat llmm al even weinig als
vóór de wet van 1878, al wordt dan ook in de meeste advertentiën van candidaten die kantoren zoeken medegedeeld dat ze van liet S. E. (Staatsexamen) zijn I Eenige merkwaardige staaltjes van ontwikkeling bij candidaten vindt men in een stukje van den heer P. R. in het quot;Weekblad voor Notarisambt en Registratie (1). Ze zijn te curieus om ze niet letterlijk over te nemen. Hij vraagt: Wat zal ..de vreemdeling zeggen wanneer hij onder de oogen krijgt ..een volmacht onlangs door een der notarissen van onze âgroote steden verleden, op wiens kantoor twee candidaten â gt;. E. (schwer examinirt?) werken, luidende: ââsont âcompares devant moi notaire .... Monsieur .... et Madame
â¢!..... declarants, qu'ils ont institué comme leur plein
..pouvoir ?quot;quot;
âZelden werd dan ook een meer waar oordeel geveld, dan ...Mr. Tjïeub in \\ eekblad no. 884 deed, dat ââonze schoone âmoedertaal het waarlijk van de notarissen in hunne akten âal hard genoeg te verduren heeft.quot;quot;
..Een paar grepen uit mij ter registratie aangeboden ..akten mogen als bewijs dienen dat ik dit gaarne onder-. schrijf.quot;
âHerhaaldelijk zie ik in koopakten: ....Deze/i verkoop is âgeschiede; haddemle de verkooper het goed verkregenquot;quot;; â,.de kooper verklaarde aan den verkooper de koopprijs .,cerschuld te zijnquot;quot;; ââwordt verkocht een karnalie (bedoeld âkanarie-) vogel.quot;quot;
âEen andere grappenmaker schreef: ââwordt verkocht âeen kar en ezel, de kar gerepareerd, de ezel niet.quot;quot;
..Wat zegt men wel van deze tiraden? ââWordt verkocht: âde gasfabriek te O. met alle buizen benoodigd voor de .,(/asuitvoeringquot;quot;-, â..eene aak zonder bodem, welks bodem
rh No. 8S7.
âgereserveerd wordtquot;quot;. Een ander licht schrijft steeds: ââWaarvan akte, verleden ten kantore mijns notaris, in
âtegenwoordigheid van..... als getuigen ten deze nan-
zochtquot;quot;-, en in schuldbekentenissen: âârentende . . ..procent ..ten honderd.quot;quot; Toen ik op dit laatste den candidaat-notaris âwees en hem zeide, dat hij zich verschreven had, gaf hij âdoodleuk ten antwoord; â..Neen, want liet zou anders ook ..wel zooveel procent per duizend kunnen zijn.quot;quot;
..() heilige onnoozelheid! Zou men haast gelooven dat âbij bovenstaande voorbeelden de akten nagenoeg alle âgeschreven waren door candidaten der nieuwe wet ?
â:t Is waar, maar treurig.quot;
De hoer P. R. heeft wel gelijk wanneer hij den toestand treurig noemt. Men behoeft niet te vragen of personen met zulk eene ontwikkeling in staat zijn een wet te begrijpen en toe te passen en hoe de inrichting, uiteenzetting, redactie enz. hunner akten zijn zal.
Aan de Regeering de taak zegt de heer van Dnonx, om naast voldoende bedrevenheid, te eischen een helder hoofd, een warm hart, ecu kloek verstand. Ik ben het daarmede ten volle eens en waar de Regeering dus ziet dat de tegenwoordige inrichting van het examen niet deugt, zal zij dus ten einde haar taak behoorlijk te kunnen uitvoeren, die inrichting dienen te veranderen.
I ie qualificatie van Mr. TiiKn;, dat het stelsel van vergelijkende examens een onding is, ga ik stilzwijgend voorbij, doch zijne bewering, dat hij die aan het vergelijkend examen deelneemt en tot toelating in aanmerking komt, dadelijk notaris moet zijn komt mij geheel ongegrond voor. Zulk een persoon is dan natuurlijk candidaat-notaüs en komt na eenigen tijd â veel korter don tegenwoordig â in aanmerking om tot notaris te worden benoemd. Een adspirantdie geplaatst wordt na te hebben deelgenomen aan het verge-
w
lijkend examen u. a. bij tie directe belastingen, bij de registratie, wordt toch ook niet dadelijk ontvanger, doch eerst surnumerair of ome/«/aaf-ontvanger. En dat men nu juist bij de benoeming tot notaris niet altijd consequent op het verkregen nommer van den candidaat kan letten, al zou dit dan zooveel mogelijk moeten geschieden, is geen overwegend bezwaar tegen het stelsel.
Het is echter een feit, dat al wil de liegeering niet aan vergelijkende examens, zij het in de hand heeft het programma bedoeld in art. 17, zoodan'g in te richten, dat het peil der toegelatenen verbetert en het aantal vermindert.
J ii de memorie van toelichting op het wetsontwerp treedt de liegeering in eenige beschouwingen over de hoofdpunten van verschil tusschen de bestaande wet en de wetsvoor-dracht.
fn de eerste plaats behandelt zij het Toezicht. Zij toont uit de geschiedenis aan dat dit onder de wet van Ventóse, noch onder die van 1842 heeft beantwoord aan zijne roeping en dus op dit punt eene verbetering ten zeerste gewenscht is. Zij meent echter dat een terugkeer tot het stelsel van vóór de wet van '42 â met de noodige verbeteringen â zal zijn een stap in de goede richting. Zij onderscheidt tusschen het houden van toezicht en het opleggen van straften en heeft geen bezwaar met het eerste bijzondere colleges te belasten, wel echter is zij er tegen aan die colleges rechtsmacht toe te kennen, zooals de ontwerpen öankes dit deden. Wat de samenstelling der Kamers betreft, wijkt zij ook van die ontwerpen af; volgens het wetsontwerp zal de Kamer van Toezicht bestaan uit den president der rechtbank als voorzitter, twee leden, een kantonrechter en één /ioo/c/ambtenaar der registratie, door de Regeering daartoe aan te wijzen, en twee notarissen, door hunne
in
arnbtgenooten te verkiezen. Het ontwerp-SANNKs stelde voor; drie rechterlijke ambtenaren, twee /(oo/r/ambtenaren der registratie en twee notarissen, te benoemen door den Minister van Justitie. Het gewijzigd ontwerp; drie reehter-lijke ambtenaren, twee amhfenaren der registratie en twee notarissen, te benoemen op dezelfde wijze.
Verder meent de Regeering, dat hoewel vele beoordeelaars bezwaar hadden tegen de opneming van ambtenaren der registratie in de Kamers van Toezicht, dat clement daarin niet behoort te ontbreken (1), omdat die ambtenaren veel notarieele akten onder de oogen krijgen en daardoor dus kunnen waken tegen slordigheid, onvolledigheid, onduidelijkheid, kennelijke verdraaiing van het ware karakter der handeling ter ontduiking van rechten, de opname door gebrekkige rechtskennis van bepalingen in de akten, die rechtens onbestaanbaar zijn, of niet overeenkomstig de bedoeling van partijen en tegen het begaan van nietigheden waarop geen boete is gesteld. Zij laat alleen /(oq/c/ambtenaren der registratie voor het lidmaatschap in aanmerking komen omdat dezen met meer notarissen in een bepaalde streek bekend zijn dan de ontvangers. Ten slotte vindt zij de toevoeging van eeu
(1) Dat men echter dit beginsel niet te ver moet tloortlrijven schijnt iiien ook in België te vintien. In een opstel van Mr. TJuke, getiteld : âLe notariat Hollandaisquot;, geplaatst in de Revue Pratique du Xotarint lielge, Livraison du 20 Juillet 1886, zegt de redactie in een noot op pag. iOS: »En faisant entrer des fonctionnaires de Tenregistrement au sein des chambres de discipline, ce n'est pas de 1 energie morale qu'on obtiendra, mais une subordination contraire it tons les principes hiérar-chiques, en mème temps qu'au but de relèvement moral qu on se propose d'atteindre. TTun autre coté, les lois fiscales donnent déjii trop de moyens de persecution aux préposés du fisc centre les notaires: il serait dangereux pour la dignité et 1 avenir de 1 institution notariale. d ajouter ii ces moyens la persécution disciplinaire, vexation permanente gt;iui finirait par faire du notariat le vassal du fisc.
IB
:itzoiiilerlijken secretaris aan de Kaniers van Toezicht on-noodig, wiens werkzaamheden door een der leden kunnen worden verricht.
De heer Watïkl, die in een belangrijk stuk, getiteld: ..De Staatszorg met betrekking tot het notariaatquot;, opgenomen in dit Tijdschrift (1), de mogelijkheid veronderstelde dat nog eens niet het stelsel der Kamers de proef zal worden genomen en die meende dat een Staatstoezicht op het notariaat zal zijn het toezicht der toekomst, het stelsel wellicht der volgende eeuw, heeft goed geprofeteerd, (reen staatstoezicht, uitgeoefend door opzettelijk aangewezen, quot;jt-duitend daarmede belaste, met en tegenover de toestanden van het notariaat volkomen bekende en onpartijdige staatsambtenaren, de bekwaamsten of meest energieken uit de mannen van het vak. Geen toezicht zooals hij zich dit voorstelt en zooals dit door hem op zoo uitstekende wijze wordt geschetst en dat naar het mij voorkomt als het eenige ware te beschouwen is, omdat het aan zijne roeping zal kunnen voldoen en dus zal kunnen beantwoorden aan de eischen van eene goede onpartijdige controle. Niets daarvan. De Regeering heeft voldaan aan de wenschen van zoovelen die Kamers van Toezicht willen en die wellicht de publieke opinie nog altijd voor zich hebben, wel voornamelijk omdat het stelsel niet nieuw is en men daarvan, bij eene verbeterde samenstelling, veel heil verwacht.
De toekomst zal het leeren of de Kamers hare roeping naar behooren zullen vervullen, of de leden daarvan in staat zullen zijn, bij hunne eigene drukke bezigheden, een toezicht in den waren zin te voeren, of niet te veel zal worden afgegaan op de adviezen van dat enkele lid der kamer dat door zijne betrekking het meest met de notarissen
(;1) Deel .rgt;7 ;ill. 'i. li um i. hl. 110 en volg.
17
in aanraking komt, op de meening van don Inspeoteuv der registratie, die natuurlijk weer kan geïntluënceerd worden door de onder hem staande ontvangers, waarvan niet allen tot de notarissen in de beste verhouding staan. Noemen do dienaren van den fiscus niet reeds spoedig de of andere handeling eene poging tot ontduiking van rechten? Dat ontduiking wel eens plaats heeft op mindere kiesche wijze mag niet worden ontkend. Men zal echter ook moeten toegeven, dat de registratie zooals zij nog altijd moet worden toegepast eene belasting is op woorden, waarvan het gebruik tot de heffing van meer of' minder recht lean aanleiding geven. Dat men de redactie zóó inricht, dat het minste recht geheven wordt, kan dus niet als eene ontduiking-worden beschouwd, de schuld ligt dan aan de wet. i)e notaris is verplicht partijen zoo goedkoop mogelijk te helpen en moet alle geoorloofde middelen daartoe aanwenden.
Dat men echter, wanneer men Kamers van Toezicht wenscht, moeielijk een ambtenaar der registratie daarin kan missen, omdat hij van zoovele zaken, het notariaat betreffende, meer ziet dan zijne medeleden en dus in vele gevallen zal moeten voorlichten, is zonder quaestie.
1 )at die ambtenaar, zooals de memorie van toelichting zegt, in zijne betrekking het meest kan waken tegen slordigheid, onvolledigheid, onduidelijkheid, door hiervan aan de Kamer van Toezicht kennis te geven en dat de Kamer daartegen volgens de wet maatregelen kan nemen schijnt buiten tegenspraak. Aannemende dat de Inspecteur daarover steeds kan oordeelen, begrijp ik echter niet welke middelen de Kamer moet aanwenden tot het tegengaan der opneming, door gebrektü/f rechtskennis, van bepalingen, die rechtens onbestaanbaar zijn of niet geschikt om de bedoeling van partijen te bereiken. De vraag rijst of de
IS
notaris zich niet met grond kan beroepen op de lijdelijke rol die hij vervult; doch dit er huiten gelaten en aangenomen dat die opname een gevolg is van gebrekkige rechtskennis, wat dan te doen? Den notaris ontslaan? De wet laat dit niet toe. Hem waarschuwen? Stel dat de wet dit toelaat, wat ik betwijfel, wat zou dit dan nog baten? Gebrekkige rechtskennis vermindert niet door eene waarschuwing. En hem verplichten in het vervolg niets buitengewoons uit te voeren zonder rechtsgeleerd advies, gaat evenmin. Met gehalte der candidaten te verbeteren, waarover hiervoor reeds is gehandeld, is dus het eenige middel dat in de toekomst kan baten.
.Moge echter het door de Regeering voorgestelde Toezicht niet aller goedkeuring wegdragen, toch is het stelsel eene verbetering te noemen, en waar men niet alles kan krijgen wat men als het beste wenscht, mag men het in zijn oog minder goede niet verwerpen. Gaarne willen wij er dus het beste van hopen en den wensch uitdrukken dat men steeds zal kunnen gewagen van een voldoend en onparhjdifi toezicht!
De onderscheiding die de Regeering maakt tusschen het houden van toezicht en het opleggen van straffen zal velen zeer juist voorkomen. De rechterlijke macht moet met het laatste belast blijven en dat men dit in de ontwerpen-SANNEs óók aan de Kamers opdroeg was steeds het groote struikelblok (1).
Ook de samenstelling zal naar het mij toeschijnt veler goedkeuring wegdragen. Zij is beter dan die in het ontwerp-Sannes, omdat tot de Kamer slechts één hoofdambtenaar
(1) Zie mijn opstel t. p. bl. 170 en volgende en de daar genoemde schrijvers.
19
der registratie behoort, die er in nooclig is, doch waarmede m. i. kan worden volstaan, en oneindig veel beter dan die in het gewijzigd ontwerp, omdat dit ook ontvangers der registratie tot leden toeliet.
Xiet onjuist zegt de heer Sannes, dat hij Aoo/c/ambtenaren wenscht, âomdat de verhouding van dezen tot de notarissen âeen geheel andere is, dan die van de ontvangers en hypotheekbewaarders tot de notarissen en de ontvangers en âhypotheekbewaarders ter eene en de notarissen ter andere âzijde in zekere gegeven omstandigheden er belang bij âkunnen hebben tot elkander in vriendschappelijke verhouding te staan, welk belang tusschen de hoofdambte-ânaren der registratie en de notarissen niet bestaatquot; (1). Hij had daar nog kunnen bijvoegen âen omdat die verhouding ook wel eens iets te wenschen overlaat.quot; Het eene is al even slecht als het andere.
Twee leden van de rechterlijke macht zullen wel voldoende wezen, het is echter ui. i. j uist gezien dat daaronder steeds een kantonrechter moet behooren, aangezien deze stellig meer met notarissen in aanraking komt dan andere leden van de rechterlijke macht.
Voorts is het een gelukkig denkbeeld der Regeering, dat de leden-notarissen door hunne ambtgenooten moeten worden aangewezen. De redenen die zij hiervoor aangeeft n.lâ dat de ambtgenooten beter dan de Regeering kunnen beoor-deelen welke der notarissen het meest geschikt zijn voorde betrekking en dat bij aanwijzing door de Regeering het
(i) .lauuner maar dat deze woorden zoo weinig overeenstemden met liet voorschrift van art. 33, no. 9 van zijn ontwerp, de condiiite-lijsten lietreö'ende, die toch stellig niet zonder toezicht door de ontvangers hadden kunnen worden opgemaakt.
De regeering heeft dat voorschrift zeer wijselijk achterwege gelaten 1
20
publiek allicht daarin eene aanbeveling van harentwege van den benoemden boven zijne ambtgenooten zou zien. schijnen niet ongegrond te wezen.
l)at de Regeering zou voldoen aan den, men kan haast zeggen, algemeenen wensch om de tijdelijke vervanging van notarissen aan candidate!) op te dragen, was te verwachten. Zij voldoet echter ook aan veler verlangen om de vervanging facultatief te stellen, dus de notarissen daarvan niet uit te sluiten.
Dat deze maatregel, zooals de Hegeering te recht aanmerkt, inzonderheid op het platteland, heilzaam zal werken, valt niet te betwijfelen. In de eerste plaats zal het publiek nooit verstoken zijn van notarieele hulp, wat niet genoeg kan worden gewaardeerd, in de tweede plaats zijn de notarissen er mede gebaat en in de derde plaats de candidaten, wier lot in den regel toch al niet zeer benijdenswaardig is. Gewoonlijk zal een candidaat, wanneer er althans een beschikbaar is, met de waarneming moeten worden belast, dit schijnt de bedoeling der Regeering te wezen en zal dan ook wel gewenscht zijn. omdat de akten die voor den candidaat-plaatsvervanger worden verleden, op het kantoor dat wordt waargenomen, blij ven berusten en dit blijkens liet ontwerp niet het geval is met de akten van den notaris-waarnemer. Ik erken de moeielijkheid om in sommige gevallen te bepalen welke akten zouden behooren tot het kantoor dat waargenomen wordt en welke niet en dat de een of andere notaris-waarnemer wel eens bij voorkeur in laatstgemelden zin zou beslissen, en vermoed dat dit bezwaar de reden is geweest dat de Hegeering dit punt ongewijzigd liet. Van de meeste akten die de notaris-waarnemer verlijdt zal echter zeer goed uit te maken zijn waar ze eigenlijk t huis behooren, desnoods zou
â¢21
de wet het partijen kunnen laten bepalen, met verplichting daarvan in de akte melding te maken, terwijl voorts hij een goed toezicht door de Kamer, de waarnemer zich nog wel eens tweemalen zou bedenken vóór hij een akte mede-nam die eigenlijk behoorde tot het kantoor dat wordt waargenomen. En daarenboven, de meeste notarissen zouden de onderscheiding zonder twijfel in het oog houden omdat zij daartoe verplicht zijn.
De derde gewichtige afwijking van de tegenwoordige wet bestaat in de afschaffing, in vele gevallen, van de verplichte tegenwoordigheid der instrumentaire getuigen. Het ontwerp wenscht de getuigen te behouden, wanneer een of meer der verschijnende personen de akte niet onderteekenen en bij openbare verkoopingen, verhuringen en aanbestedingen. Ook bij testamenten blijven ze bestaan, omdat dat onderwerp in de burgerlijke wet wordt geregeld, en de Regeering niet wil vooruitloopen op de beslissing der Staatscommissie, die belast is met de herziening van gemeld wetboek. De memorie van toelichting wijst er op, dat ile Regeering van het beginsel is uitgegaan, dat aan een notarieele akte, verleden in bijzijn van partijen endoor haar onder teel: end, voldoende ycloof en vertrouwen l-nn worden ge-heeht. dat dit echter niet het geval is en die tegenwoordigheid dus wordt gevorderd wanneer een of meer der verschijnende personen de aide niet onderteekenen en bij publieke zaken, omdat gemis aan onderteekening alsdan een gewoon verschijnsel is. Zij meent dat hij gemis aan onderteekening door een of meer der comparanten de aide zelve het bewijs niet oplevert van hunne medewerking tot de daarin geconstateerde handeling. Verder wijst zij er op hoe reeds vroeger in het ontwerp der Staatscommissie van 1867 en ook door den Minister van Ixinhkn van Sandenbpug in een ontwerp,
aangeboden in de zitting van 1876/7, werd voorgesteld de getuigen af te schatten, dat de voorstanders van het behoud van het stelsel in die tegenwoordigheid althans nog eenigen waarborg zien en de tegenstanders er een onnoodigen waarborg in zien bij den eerlijken, een gansch onvoldoenden bij den oneerlijken notaris. Tot staving, dat ook naar haar fiei'oelen die teyemcoordigheid. geen waarborg hoegenaamd, oplevert, haalt zij het gevoelen aan van den King 'slierto-genbosch der Broederschap van Notarissen; ze neemt letterlijk de volgende zinnen daaruit over: ieder notaris zal volmondig verklaren, dat de getuigen bij notarieele akten âgeen enkelen waarborg tegen knoeierijen opleveren, indien ..de notaris zich daaraan wil schuldig maken. Het publiek âis over het algemeen zeer sterk tegen de getuigen, die ..vooral ten platten lande oorzaak zijn dat de inwoners âeener plaats bij een notaris op een andere plaats hunne âovereenkomsten laten maken, omdat zij vreezen, dat de âgetuigen die zullen verklappen. Men moge in de steden âde nadeelen van het getuigenstelsel minder ondervinden, op âhet platteland is het een bron van onaangenaamheden voor ânotarissen en cliënten en werkt het demomliseerend, zonder âeen enkelen waarborg op te leveren tegen kwade praktijken.quot;
Ten slotte meent de Regeering dat de tegenwoordigheid van meer ontwikkelde getuigen, al was zulk een stelsel practisch uitvoerbaar, groot gevaar zou opleveren voor de geheimhouding van den inhoud der akte.
Eenigszins uitgebreid heb ik uit de Memorie van toelichting het gevoelen der Regeering overgenomen en op sommige plaatsen gecursiveerd, ten einde des te beter te doen uitkomen hoe weinig zij, naar ik met bescheidenheid opmerk, zich omtrent dit punt gelijk blijft en hoezeer zij van twee gedachten schijnt uit te gaan. die volstrekt niet met elkander overeenstemmen.
23
111 ijk*( uit lt;lc uiteenzetting van het beginsel waarvan de Ilegeering uitgaat niet in de eerste plaats, dat er van vertrouwen in den notaris zeer weinig sprake is ? Doch dit daargelaten. Ze verlangt getuigen wanneer slechts één comparant niet onderteekent, dan wordt dus eerst aangenomen dat de akte zelve het bewijs oplevert van de medewerking van dien comparant tot de daarin geconstateerde handeling, dan is eerst de meerdere geloofwaardigheid aangebracht (1). En toch -bewijst de Regeering â â o. a. door overname der woorden van den ring 's Hertogenbosch, die men dus als de hare kan beschouwenâ. dat in de tegenwoordigheid dei-getuigen geen waarborg hoegenaamd, is gelegen voor de meerdere soliditeit der akte ! Deze opvattingen zijn m. i. met elkander in lijnrechten strijd Bestaat die waarborg niet, dan is men dus evcirniin verzekerd dat de bewuste comparant tot de handeling heeft medegewerkt.
Wanneer het dus waar is, dat er geen waarborg hoegenaamd bestaat, dat het stelsel is een bron van onaangenaamheden voor notarissen en cliënten, dat het zelfs demo-raliseerend werkt, dat het dus in geen enkel opzicht tot iets dient, integendeel nog kwaad doet daarenboven, waartoe het dan toch nog in vele gevallen gehandhaafd ?
Of het een öf het ander dus ; het stelsel behouden in al zijn omvang, of er mede gebroken, doch dan ook zonder eenig voorbehoud. Men middelweg kan niet worden ingeslagen. Hecht de Tlegeering niets aan de getuigen â en deze meening is volkomen juist (2) â. waartoe dan nog langer geaarzeld en den knoop niet gehed doorgehakt? Want aarzeling en niets anders schijnt bij haar te hebben
|
verklaring van «h Doch waartoe dient o. a. mijn opstel 1 â¢n ambtenaar schijnt dan de instelling van . a. y». hl. 101 en volg. (1) De waarde ! (2) Zie |
van nul en geener het notariaat ? |
â¢2!
voorgestaan ; zij is overtuigd dat het stelsel geen waarborg geeft tegen knoeierijen, dat het publiek de getuigen met leede oogen aanziet, en toch schijnt zij er nog waarde aan te hechten en niet te kunnen besluiten het vierkant overboord te gooien. Het publiek haat de getuigen, omdat het niet wenseht dat twee vreeraden hunne dierbaarste zaken kennen en liet niet verzekerd is dat zijne geheimen niet aan den klokklepel zullen worden gehangen; de Regeering schijnt dit te voelen, doch alleen ten aanzien van dat gedeelte van het publiek dat de akte onderteekent, alsof zij die om de eene of andere reden niet onderteekenen geene geheime belangen kunnen hebben!
Waarom ten slotte bij openbare verkoopingen. verhuringen en aanbestedingen getuigen noodig zijn, zullen velen verklaren niet te kunnen begrijpen. Knoeierijen â aangenomen al dat de twee lijftrawanten van den notaris daartegen een behoedmiddel zijn â kunnen toch bij publieke zaken het allerminst plaats hebben, ze kunnen daarbij dus zeker worden gemist en in ieder geval, of de comparanten onderteekenen of niet.
Het niet handhaven van het recht tot aanbeveling van een notaris als bewaarder der akten en registers, dat art. 68 der wet van '42 toelaat en zooals dit door art. 10 dei-wet van '78 nog is uitgebreid, behoort tot de laatste hoofd-afwijkingen van de bestaande wet (1).
Oe redenen die de Regeering daarvoor opgeeft en die alle belanghebbenden kennen, zijn zoo gewichtig dat daar-
(1) Dat de negatieve bepaling niet idlclrul.I.elijl; ijehoeft te worden opgenomen, zooals flit in de o n t werpen -Sa nn ks geschiedde, schijnt do Regeering terecht te hebben ingezien, althans er wordt in het ontwerp eenvoudig over dit punt gezwegen.
25
aan niets is toe te voegen. De handel in protocollen, want een anderen naam verdient die zoogenaamde aanbeveling niet. zal met de invoering der nieuwe wet voor goed geëindigd zijn, in de eerste plaats ten voordeele van het publiek, in de tweede van den pas aangestelden notaris die thans niet meer door die aanbevelings-surprises zal gedupeerd worden.
Ook de onderdeelen der wet geven mij tot eenige beschouwingen aanleiding, bij de ontwikkeling waarvan ik de volgorde in de memorie van toelichting wil blijven in acht nemen.
Artikel 1.
I )e notaris is openbaar ambtenaar, aangesteld tot het verlijden van akten wegens alle feiten en hemdelinyen.
De wet van Ventose zegt; Les notaris sent les fonction-naires publics, établis pour recevoir tous les ewles et contreicts: de bestaande wet: De notarissen zijn openbare ambtenaren, uitsluitend bevoegd om authentieke akten te verlijden wegens alle handelingen, overeenkomsten en be*chikkin(ien; het ontwerp-SANXES: De notaris is openbaar ambtenaar, uitsluitend bevoegd tot het verlijden van authentieke akten wegens alle rechtshandelingen; en bet gewijzigd ontwerp; De notaris is de openbare ambtenaar, uitsluitend bevoegd tot het verlijden van authentieke akten wegens alle rechtshandelingen.
Stellen deze verschillende uitdrukkingen ook verschillende begrippen voor?
Volgens de schrijvers over de t'ranschc wet oefenen de notarissen de z.g. vrijwillige rechtsmacht uit; daaronder wordt eenvoudig verstaan datgene wat onze notaris volgens de wet van 12 moet doen. Met de woorden ode»et rnnJrnr.t*
wordt hetzelfde bedoeld als niet de woorden: Imiulclingev,, overeenkomsten en heschikhingen (1).
Ook de ontwerpen-SANNEs willen blijkens de memorie van toelichting met het woord rechtshandelingen hetzelfde uitdrukken wat onze wet onder drie woorden begrijpt. Zeer juist wordt aldaar betoogd dat overeenkomstenquot;, reeds onder de uitdrukking âhandelingenquot; begrepen zijn en dat elke uitoefening van burgerlijke rechtsbevoegdheid in het woord ârechtshandelingquot; ligt opgesloten, zoodat daartoe dus ook uiterste willen behooren.
Het wetsontwerp spreekt van ,,feiten en handelingen''. Drukken deze woorden twee begrippen uit? Of vallen ze ook beide onder het begrip ârechtshandelingenquot; waarvan we de beteekenis hiervoor hebben leeren kennen? Dit zal wellicht de bedoeling wezen, doch waarom dan de uitdrukking van het ontwerp-sannes niet overgenomen? Zal men nu niet kunnen vragen of die beide woorden wellicht in ruimeren zin moeten worden opgenomen dan het woord ârechtshandelingquot; en of wellicht het gevoelen van Air. Colenbrander, dat b.v. het breken van ruiten, het onder water staan van een stuk land, door een akte door een notaris opgemaakt, die de feiten waarneemt, wettig kunnen worden bewezen ?
Ik kan niet aannemen dat het de bedoeling is aan de functie van den notaris zulk eene uitbreiding te geven ; echter geven de beide woorden naar het schijnt tot zulk een op va tti ng aanl ei di n g.
Art. 2.
Dat de bepalingen van dit artikel, overeenkomende met
(I) Zie s. v. K. Do wot op hot Notaiisainht. -h* ilniU, bijgoworkt iloor J. li. Vroom, bl. 8 on volg.
â¢27
hetzelfde artikel der bestaande wet, in het stelsel van hot ontwerp passen, is hiervoor reeds behandeld.
Art. 4.
ITot le lid van dit artikel drukt, liij eenige redactieverandering, hetzelfde uit als dat van art. 5 der bestaande wet.
Het 2e lid is echter nieuw: Het honden van bijkantoren buiten zijn standplaats is verboden.
Art. 5, al. 2 der ontwerpen-Saxxra verboden den notaris âhet houden van zitdagen buiten zijn standplaatsquot; zonder verlof van den Minister van Justitie.
Het houden van een bijkantoor is blijkens de memorie van toelichting, het zich scheppen van een tweede standplaats op eene andere plaats, waar de notaris niet op bepaald aangewezen dagen, maar voortdurend een kantoor opent tot bet ontwerpen en verlijden van akten.
De memories van toelichting op de ontwerpen-Sannks geven geen definitie van een ongeoorloofd en âzitdagquot;. De bedoeling blijkt er echter genoeg. Men verstaat er onder, het middel dat door den onedelen en onkieschen notaris wordt aangewend om buiten zijn standplaats â liefst op die van den ambtgenoot â op bepaalde dagen en uren zich te bevinden ten einde zich van praktijk meester te maken, die anders zijn deur zou voorbijgaan. Het zich opdringen aan het publiek, het systeem dus van ..onderkruiping . van ..hel schieten onder dc dnirenquot;.
Stemt het begrip van een âbijkantoorquot; overeen met dat van een ..zitdagquot;? Neon, liet laatste is oneindig veel strenger. Zitdagen worden in den lande veel gehouden, bijkantoren niet, naar ik meen. Hoorde men ooit van een plaats waar de notaris uit eene andere plaats voortdurend een kantoor hield tot het ontwerpen en verlijden van akten? Wel van
zulk een plaats waar die notaris op bepaald aangewezen da,gen tot dat doel zich bevond. Doch een kantoor aldus gehouden, valt niet onder het begrip âbijkantoorquot;.
H et schijnt dus wenschclijker het woord âzitdagquot; en niet het woord âbijkantoorquot; te bezigen, tenzij men aan die beide woorden dezelfde beteekenis hecht, wat dan nader zou dienen te blijken.
Het verbod van het ontwerp-SANNEs schijnt dus veel beter dan dat van het Wetsontwerp. Ik zou echter willen bepaald zien, dat niet de Minister van Justitie, maar de Kamer van Toezicht dispensatie kon geven, doch tot veder-opzegging toe, ten einde in geval van misbruik deze te kunnen intrekken. Waartoe dien omslag, daarmede den Minister te belasten, de Kamer van Toezicht zou er toch steeds in gehoord moeten worden en zal onpartijdig genoeg wezen om van hare bevoegdheid geen misbruik te maken.
Art. 5.
()ver de ressorten-quaestie is hiervoor reeds gehandeld. Moge de Regeering er nog toe overgaan overeenkomstig het advies van Mr. Rijke, aan dit art. zulk eene redactie te geven, dat do notarissen, gevestigd op de grenzen der arrondissementen, hunne ambtsbediening in de grensplaatsen van bel naburig arrondissement mogen uitoefenen; of wat wellicht eenvoudiger was, het artikel te doen luiden a. v.: De notaris oefent zijne ambtsbediening uit in den geheelen omtrek van het arrondissement, waarin zijn standplaats gevestigd is en in die grensgemeenten der naburige arrondissementen als bij maatregel van inwendig bestuur worden aangewezen.
Bij eene dergelijke redactie zou de notaris in het midden van een arrondissement gevestigd dus ook in die grensgemeenten mogen praktizeeren, waartegen echter naar het schijnt weinig bezwaar kan bestaan, omdat de praktijk zich
in den regel niet verder uitstrekt dan tot de standplaats en haren onmiddellijken omtrek.
Art. li.
liet le lid van dit artikel verklaart welke lietrekkingeu met die van notaris onvereenigbaar zijn. In't algemeen mag de notaris niet zijn: rechter-plaats ver vanger; de uitzondering der bestaande wet is hier niet overgenomen. Deze uitbreiding komt mij zeer juist voor, het is voorzeker wenschelijk dat de notaris zoo weinig mogelijk met z.g. hijbetrekkingen wordt belast en vooral dat hij niet mag wezen plaatsvervangend kantonrechter, omdat hij als zoodanig kan geroepen worden te staan over boedelscheidingen, opgemaakt door een ambtgenoot, die in den regel daarop weinig gesteld zal zijn, inzonderheid wanneer de harmonie tusschen beide ambtenaren te wenschen overlaat.
Het 3e lid is nieuw en door de Regeering opgenomen, omdat de waardigheid van het ambt de vrijheid niet gedoogt, daarbij allerhande takken van bedrijf uit te oefenen. Deze opvatting schijnt de ware te wezen en kan weinig-bezwaar opleveren, omdat de Koning van het verbod ontheffing kan verleenen: waar dus groote belangen op 'tspel staan en de waardigheid van liet ambt er niet onder lijdt zal die ontheffing in den regel wel worden verleend. Voor den notaris die bij het in werking treden der wet een ander patentplichtig beroep uitoefent, bevat art. 100 eenlt;-geleidelijke overgangsbepaling.
Art. 7.
Eene bepaling als dit artikel bevat, komt noch in de bestaande wet noch in de ontwerpen-SANNES voor. Zij schijnt overbodig, omdat de notaris volgens art. 19 reeds
HO
geheimhouding heeft gezworen en bij niet nakoming art. 85 fius toch reeds zou kunnen worden toegepast.
Art. i).
(leen afschaffing van het tarief. We notaris toch mag voor zijne werkzaamheden geene andere belooning in rekening brengen dan die welke bij het bestaande of nader te maken tarief is bepaald. Het is van algemeene bekendheid dat het bestaande in den regel niet wordt opgevolgd, ten eerste omdat liet meestal niet op te volgen is, ten t weede omdat, waar dit echter mogelijk is, de rekeningen tot zoodanige hoogte kunnen worden opgevoerd, dat de klachten over de buitensporigheid daarvan stellig niet zouden verminderen. Feitelijk dus is het tarief reeds afgeschaft. Zoolang er geen nieuw is, moeten de notarissen het echter volgens dit artikel toch opvolgen. Wanneer dit voorschrift dus streng wordt toegepast kunnen moeielijkheden genoeg ontstaan.
De Regeering erkent dan ook dat de tariefwet voor verbetering vatbaar is en wil bij aanneming van het wetsontwerp de herziening daarvan ter hand nemen. Moge zij er in slagen een zoodanige te redigeeren die voor naleving vatbaar is. Dit schijnt echter twijfelachtig, niettegenstaande de voorlichting der Kamers van Toezicht. De daarin zitting hebbende notarissen zullen juist degenen zijn die het minste zullen bijdragen tot de samenstelling van een tarief, aangezien zij â als deskundigen â- op de onmogelijkheid daarvan zullen wijzen.
De tarief-quaestie is eene zeer lastige en moeielijke zaak. Ware eene regeling te maken, die voor naleving vatbaar is, ongetwijfeld zou dit wenschelijk zijn, te meer daar de belanghebbende dan zelf eenige controle zou kunnen uitoefenen en de Kamer van Toezicht of wie dan ook met de
.11
taxatie der rekening zou worden belast, naar eeu eenigsssins vasten maatstaf zon kunnen handelen, terwijl eene taxatie zonder tarief, zooals de Regeering terecht opmerkt, altijd willekeurig zal kunnen genoemd worden.
Wat echter te doen? Tot liet onmogelijke is niemand gehouden. Geen tarief schijnt dus het meest verkieselijk en wanneer ieder belanghebbende het recht had zijne rekening door de Kamer van Toezicht te laten begrooten zouden de adviezen der leden-notarissen veel dienst kunnen doen.
Art. 10.
Dit artikel bevat vele verbeteringen. De ontheffing van, zegelrecht schijnt echter afhankelijk van het al ot niet verschuldigd zijn van eren red It/ registratierecht. Is dit recht verschuldigd, dan is de akte ook niet vrij van zegel. Zulk een reserve bevat artikel 27 no. 6 der zegelwet niet.
Art. 1!.
Een ambtszegel zou gemist kunnen worden, wanneer het voorschrift dat daarmede bladen en stukken moeten worden vastgehecht niet bestond. De noodzakelijkheid van zulk een vasthechting schijnt echter zeer twijfelachtig, waarover later. ⢠i Let nut dat uit te geven stukken van een afdruk van het ambtszegel voorzien zijn, kan m. i. evenmin op deugdelijke gronden worden aangetoond.
Het houden van zulk een zegel is een overblijfsel uit vroegeren tijd, toen bet misschien noodig was; die noodzakelijkheid bestaat echter thans niet meer. (1)
Art. 12.
De redactie van dit artikel voorziet in een^leemte^die
(1). Zie S. v. K. t. ii. p. op art. iquot;
82
art. 6 der bestaande wet opleverde en al is de bedoeling-van dit laatste artikel zeker niet anders geweest dan die van het wetsontwerp, het gaf toch aanleiding tot de vraag of verhooging van het maximum geldig was nadat dit voor het eerst bij Kon. Besluit dd. 20 September 1842 (StaatMad no. 23) was geregeld. Op die geldigheid was stellig nog al iets af te dingen.
1 )e bepaling der bestaande wet, van één notaris op de rierdwkcnd zielen, heeft de Regeering onveranderd gelaten. Ook de Ontwerpen-SANNKs hielden een gelijk voorschrift in. Wellicht ware het beter geweest op het voetspoor der Staatscommissie van 1867 te bepalen, één notaris op de vljfilmzerut zielen. Er schijnt geen behoefte te bestaan aan vermeerdering van het corps, integendeel. En wanneer bij het iti werking treden der wet het maximum wordt herzien, ter voldoening aan al. 3 van dit artikel, zullen er naar men met zekerheid kan venvachten weer verscheidene kunnen worden aangesteld, waartoe dan allicht wordt overgegaan.
A i dkf.i.ini; 111.
De Minister van Justitie schijnt niet te deelen in de meening van zijn ambts-voorganger, die zekerheidstelling dooiden notaris wilde, ilet Ontwerp-S.wNEs bepaalde die opeen minimum van f4000 en op een maximum van f 25000. in het ontwerp van '70 bedroeg zij ten minste f2000 en ten itoogste f 12000.
Zijne Excellentie verwerpt het denkbeeld der Staatscommissie, op grond dat een waarborg van f12000 zoo weinig beteekent, waar het verhaal gewoonlijk tot veel grootere bedragen zou noodig zijn. Dit is tot op zekere hoogte waar: beloopt de schadevergoeding b. v. f 100.000 dan, zinkt een bedrag van f12000 daar wel eenigermate hij in't niet, doch
daai' staat tegenover, dat de keus tusschen dit laatste bedrag en niets toch zeker niet moeielijk is. Het is toch altijd betev dat er nog iets terecht komt, al is het dan niet veel.
Men zou echter het maximum op het voetspoor van het Ontwerp-SANNES op f 2-5000 kunnen bepalen en dan zou het er toch wel eenigszins op gaan gelijken. Men moet daarbij in aanmerking nemen, dat toch ook niet altijd de schadevergoeding over zulke énorme bedragen zal loopen.
Strijd met de billijkheid, omdat tal van onbemiddelde adspiranten door den eisch tot zekerheidstelling zouden zijn gedupeerd kan m. i. niet worden toegegeven. Vermoedelijk zouden er wel onbemiddelden zijn voor wie zij een bezwaar zou opleveren, dit zou dan echter veelal hun eigen schuld wezen, want een onbem'ddelde van onbesproken gedrag zal in den regel wel iemand vinden die voor hem in de bres springt, die hem helpt, zooals dit in vele andere gevallen zoo dikwijls plaats heeft.
Het stelsel schijnt mij nog niet zoo verwerpelijk toe, terwijl het tevens een middel van controle kan zijn, om vele personen op wier gedrag en eerlijkheid wel iets is aan te merken, uit het corps te weren.
Art. 13.
Tot notaris is alleen benoembaar hij die: le enz., 5e een werktijd van twee jaren, nadat hij dat examen (bedoeld in punt 4) met goed gevolg heeft afgelegd, op een of meer notariskantoren heeft volbracht.
Dit laatste, geheel overeenstemmende met punt 5 van art. 10 der bestaande wet, is niet voldoende.
De ontwerpen-SANNEs eischten een werktijd van driejaren, waarvan minstens één jaar in den loop der twee laatste jaren aan cle benoeming tol notaris voorafgaande, op een notariskantoor moest zijn doorgebracht. Waarom deze bepaling
niet overgenomen, waardoor geene personen, die van het notariaat weinig of niets meer afweten, ten nnócele van hel publiek, tot notarissen kunnen worden aangesteld. Ook zij die hun vak getrouw blijven zouden er mede gebaat zijn, die nu en dan nog wel eens bij de hierboven genoemden moeten achterstaan.
Art. 14.
Over de examen-quaestie heb ik hiervoor reeds het een en ander aangemerkt, zoodat daarover weinig meer te zeggen valt.
De reden die Zijne Excellentie aangeeft voor het benoemen van tien leden der Staatscommissie, is ter bekorting van den duur van het examen alleszins geldig. Er schijnt uit die leden maar één voorzitter te worden benoemd, die echter bij de door den minister gewilde splitsing der commissie natuurlijk niet in elk gedeelte als zoodanig kan fungeeren.
Ware het niet wenschelijk ten einde opwekking tot ontevredenheid en verdenking van partijdigheid te voorkomen, dat tot de Staatscommissie geen personen behoorden, die zich met de opleiding tot het examen belasten?
Art. 16.
De bepaling in art. 28 van het gewijzigd ontwerp-ÃANNEs dat men om tot het examen te worden toegelaten 20 jaav moet zijn, komt mij, wanneer het programma niet noemenswaard wordt veranderd en geene meerdere algemeene kennis wordt geëischt, op de gronden die voor de opname daarvan zijn aangegeven, zeer wenschelijk voor. Hoe jonger men examen mag doen des te minder kennis men heeft van datgene hetwelk iemand uit den beschaafden stand niet kan missen.
Art. 22.
lt; )p het voetspoor van de ontwerpen-SANNEs verklaart dit
artikel welken titel iemand toekomt, die met goed gevolg-het examen heeft afgelegd, bedoeld bij art. 15. De bestaande wet zwijgt hier geheel over. Ook art. 106 geeft voorzieningen voor degenen die onder de wetten van '78 en '42 die examens hebben afgelegd.
Men ontleent den titel dus voortaan niet meer aan het gebruik, doch aan de wet.
Art. 2H.
De candidaat-waarnemer vermeldt naast zijn qualiteit van plaatsvervanger, den naam en de standplaats van den notaris dien hij vervangt en gebruikt het ambtszegel van dien notaris.
Art. 23 van het ontwerp-SANNEs vorderde alleen, dat de waarnemer zijne qualiteit van plaatsvervanger vermeldde, terwijl hij een bijzonder ambtszegel moest hebben, houdende als âambtquot; de qualifieatie ânotaris-plaatsvervangerquot;, terwijl de opname eener standplaats verviel.
De regeling ojj de laatstvermelde wijze komt mij juister voor, al schijnt zij dan ook niet onberispelijk.
Wanneer de waarneming van een kantoor, tengevolge van overlijden, eervol ontslag of ontzetting aan een candi-daat is opgedragen, moet deze dus den naam en de standplaats vermelden en het ambtszegel gebruiken van iemand die daar geen notaris meer is, dus ook geen standplaats of ambtszegel meer heeft. En wanneer men nu den candi-daat dat ambtszegel eens niet wil afgeven ?
Is onder plaatsvervanger eigenlijk niet te verstaan het tijdelijk in de plaats treden voor iemand die in leven en op de bewuste plaats nog notaris is?
Is de plaats vacant â ook b.v. tengevolge van overplaatsing â dan vervangt men dus niemand, doch neemt het kantoor der notarieele standplaats waai-.
Art. 28.
Dat ook de candidaat onder toezicht zal staan, is met het oog op eene aanstaande benoeming tot notaris zeer wenschelijk en zal hem daarbij aansporen tot aanhoudende studie.
Aangezien er kleine arrondissementen zijn, kan het wenschelijk wezen dat er b.v. twee tot één ressort eener Kamer worden samengevoegd. Het is echter, met het oog-op een degelijk toezicht, te hopen dat daarvan weinig gebruik zal worden gemaakt en het ressort zich in den rec/el slechts tot dat van het arrondissement zal bepalen.
Art. 30.
In punt 4 van dit artikel zijn de Kamers van Toezicht belast met het zoo mogelijk bijleggen van de geschillen over de berekening van het honorarium en de verschotten der notarissen.
De tariefwet belast met de taxatie dier rekeningen den president der rechtbank.
Het schijnt wenschelijk, dat bij de herziening dier wet de taxatie aan de Kamer van Toezicht wordt opgedragen, zooals art. 33 no. 5 van het ontwerp-SANNES dit voorschreef. De Kamer toch zal beter tot de beoordeeling der rekening in staat zijn, vooral omdat tot de leden twee notarissen beboeren.
Art. 32.
Dit artikel kan men grootendeels eene verbeterde redactie noemen van art. 21 der bestaande wet.
Reeds vroeger (1) heb ik gevraagd, waarom het verbod
(1) In eene brochure, houdende eonige beschouwingen over het gewijzigd ontwerp-sannes, iu 1884 uitgegeven bij a. van Loon te Tiel.
37
in het le lid van art. 43 van het gewijzigd ontwerp-SANNES, overeenkomende met dat in het Ie hd van dit artikel, zoo uitgebreid werd behouden. Ook hier schijnt die vraag op hare plaats. Waarom mogen de notarissen voor hunne naaste familiebetrekkingen geene openbare verkoopingen, verhuringen en aanbestedingen houden? Voor samenspanning of knoeierijen bestaat toch bij publieke zaken geen vrees? Thans stoort men zich maar zelden aan het verbod. Met uitzondering van openbare verkoopingen van onroerende zaken, verkoopen en verhuren de notarissen voor hunne familieleden alles wat er te verkoopen of te verhuren valt. Dit geschiedt dan op eens anders naam. Men heeft geen lust of vindt het gewoonlijk niet der moeite waard voor iedere kleinigheid een anderen notaris te laten komen.
Art. 34.
Eene vermelding dat de getuigen den notaris bekend zijn, schijnt het 2e lid van dit artikel niet te verlangen.
Ook onder de bestaande wet is dit onnoodig. Blijkens al. 3 van art. 4ó van het gewijzigd ontwerp-SANNES moest de bekendheid worden vermeld.
Art. 35.
In overeenstemming met de bestaande wet laat dit artikel de bekendmaking van verschijnende personen door twee attesteerende getuigen toe. De ontwerpen-Sannes lieten het aan den notaris over zich van de identiteit dier personen te overtuigen op de wijze waarop hij dat goed vond en achtte het niet wenschelijk daarvoor eenigen weg aan te geven. Daartegenover stond dat de notaris dus steeds verantwoordelijk zou zijn voor die identiteit.
De regeling in hel wetsontwerp schijnt de juiste te wezen.
3S
omdat daardoor een middel voor den notaris bestaat zich bij gebrek aan voldoende gegevens om zich van de identiteit te verzekeren, van alle verantwoordelijkheid te ontslaan, en hij dus niet verplicht is zijn dienst te weigeren, waartoe bij het stelsel-SANNES allicht zou worden overgegaan.
Het voorschrift dat de attesteerende getuigen den notaris moeten bekend zijn is rationeel.
Kan uit het le lid van art. 36 en uit punt 5 van art. 38 worden opgemaakt dat de attesteerende niet tevens mogen zijn instrument aire getuigen?
Art. 36.
Door de plaatsing van het voegwoord âtequot; tusschen de woorden âverhinderdquot; en âwordenquot;, blijkt thans duidelijk dat de verklaring van niet te kunnen onderteekenen in elk geval van den comparant moet uitgaan. Het ontbreken van dat voegwoord op die plaats in art. 30 der bestaande wet, maakt dat de notaris de verklaring moet doen bij verhindering; dat dit echter dikwijls ondoenlijk is behoeft geen betoog.
Wanneer het niet onderteekenen een gevolg is van onkunde, behoeft de reden niet te worden opgegeven. Art. 30 der bestaande wet geeft aanleiding tot dezelfde opvatting (1).
Art. 37.
De meening der Regeering dat eigenlijk door de getuigen en niet door den notaris de authenticiteit wordt verzekerd, blijkt ook weer uit dit artikel en dat, niettegenstaande hare opvatting, dat de getuigen geen waarborg hoegenaamd vcor de soliditeit der akte opleveren!
(1) Zie over rlit een en ander S. v. E. t. a. p. bl. '205.
S9
Bij inventarissen zal men nn geregeld twee getuigen dienen mede te nemen, die de geheele handeling moeten bijwonen, want men weet niet vooraf of er weigerachtigen onder de comparanten zullen zijn. Een lastig voorschrift, dat juist hier waar de toestand van den boedel geheel wordt blootgelegd, allerminst gewenscht schijnt.
Art. 3S.
De geheel onnoodige vermelding van het verkregen sup-pletoire patent, bedoeld in art. 27 der bestaande wet, wordt in dit ontwerp terecht niet voorgeschreven.
De aanhaling van het patent van den comparant, wiens handeling het patentplichtig beroep betreft, bedoeld bij art. 31 der wet van 21 Mei 1S19, blijft noodig. Het afschaffen van dit voorschrift, dat misschien in overouden tijd recht van bestaan had, schijnt niet minder wenschelijk.
Dat zij die een patentplichtig beroep uitoefenen behoorlijk van patent voorzien zijn, behoort niet tot de zorg van de in het aangehaalde art. 19 genoemde ambtenaren, doch tot die der directe belastingen, aan wie zij dan ook best is overgelaten.
Art. 41.
Hoewel du noodzakelijkheid van het le lid van dit artikel niet kan worden ingezien, omdat bijvoegingen als in de toelichting op dit artikel worden genoemd wel nooit zullen voorgekomen zijn, is het voorschrift daarom gewenscht omdat hot, zooals de Regeering terecht opmerkt, voor den notaris niets dan gemak oplevert.
Het zegelpapier der notarissen zal dus een bepaald aantal regels dienen te bevatten, had deze wet dit niet kunnen bepalen, of is het de bedoeling de zegelwet tot dat einde aan te vullen ?
De ontwerpen-SANNES verboden op een kant meer dan
40
35 regels te stellen. Dat was te weinig, het zegelpapier zon daardoor nog duurder worden. Een kant kan zeer gemakkelijk minstens 50 regels bevatten.
Art. 42.
Dit artikel bevat vele verbeteringen.
Het le lid bepaalt echter niet dat de akten met inkt moeten geschreven worden, wel dat gedeelten van regels of vakken door wiistrepen voor verdere beschrijving onbruikbaar moeten worden gemaakt. Plet ware wellicht wenschelijk het le lid aan te vullen, echter zonder de bijvoeging dat de inkt âdeugdelijkquot; (1) moet zijn, waarvoor de notaris moeielijk verantwoordelijk kan worden gesteld.
Deze opmerking geldt ook voor artikel 61.
Art. 44.
Blijkens dit artikel moet nu de notaris in ieder geval de verklaring doen. Dit blijkt ook uit art. 83, punt 6 waarin is bepaald dat de notaris een boete verbeurt van hoogstens f50, bij overtreding van dit artikel.
Art. 8 der wet van 16 Juni 1832 (Staatsblad no. 29) schreef voor, dat bij bekendheid van titels en overschrijvingen dc notaris deze moet opgeven, terwijl de negatieve verklaring van partijen moet uitgaan. De minder gelukkige redactie van dit artikel gaf tot deze ongerijmdheid aanleiding.
Art. 45.
Dit artikel bevat wat dc aanhechting van bladen betreft, een m. i. geheel onnoodig voorschrift.
Eene uitdrukkelijke bepaling dat de bladen met een snoer of draad bij elkander moeten worden gehouden is
(i) Zie artt. 51 en W der ontwerpen-SANNKs.
n
misschien gewenscht al gebeurde dit dan ook altijd, niettegenstaande de wet van '42 daaromtrent geheel zwijgt; dat ze echter steeds met het ambtszegel moeten worden vastgehecht is lastig en geeft geen enkelen waarborg tegen vervalsching of verduistering. De notaris die daartoe in staat is laat zich door een lak je niet weerhouden, dal zeer gemakkelijk te verbreken en door een nieuw te vervangen is.
Van verlies van stukken, tengevolge van gebrekkige aanhechting, hoort men nooit, en evenmin van vervalsching of verduistering. Aangezien dus de noodzakelijkheid van zulk een voorschrift niet is gebleken, heeft het m. i. geen reden van bestaan.
Ook de nommering en waarmerking door den notaris â die echter zeer gemakkelijk zijn te bewerkstelligen â schijnen vrij nutteloos.
Voor de aanhechting, nommering en waarmerking die art. 60 ook voor grossen, afschriften en uittreksels voorschrijft, valt meer te zeggen.
Artt. -lü en 47.
De redenen die de Regeering noopten om de echt-erkenning van onderhandsche en buitenlandsche volmachten te laten vervallen, komen mij zeer juist voor, doch diezelfde redenen kunnen m. i. worden aangevoerd om de niet-nood-zakelijkheid aan te toonen van art. 47.
Art. 4s.
Waar de wet op zoovele plaatsen allerhande voorzorgen bevat tegen knoeierijen enz., komt het mij voor dat het le lid van dit artikel daarvan minder blijken geeft. Dat bij bijvoegingen op den kant der akte geschreven slechts een verwijzing door een kennelijk teeken noodig is naar de plaats
42
waar zij moeten worden aangebracht en niet de regel moet worden vermeld schijnt onvoldoende.
Art. 51.
In originali kunnen worden uitgegeven, akten van verhuring van huizen of landerijen wanneer de huurprijs niet meer bedraagt dan f 50 in het jaar. Een gelijke bepaling-bevat de bestaande wet. Of ze veel zijn voorgekomen valt. om het geringe bedrag van den huurprijs, te betwijfelen. Misschien ware het wenschelijk het wat hooger te stellen.
Blijkens de memorie van toelichting op dit artikel is niet overgenomen de bepaling in art. 38 der bestaande wet, dat ook huwelijksaangiften in originali kunnen worden uitgegeven, omdat deze niet voor een notaris worden opgemaakt. De Regeering meent dat daarmede vermoedelijk bedoeld zijn volmachten om een huwelijksaangifte te doen. die echter reeds onder de akten van machtiging vallen.
Is dit wel juist? Volgens art. 106 1gt;. W. kan men aangifte doen, hetzij in persoon, hetzij in geschriften waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenooten met genoegzame zekerheid kan blijken. Met die geschriften worden geen akten van lastgeving bedoeld, doch verklaringen die aan den ambtenaar van den burgerlijken stand worden toegezonden en in onderhandschen vorm, door den aangever moeten onderteekend zijn, doch bij onkunde in het onderteekenen door den notaris kunnen worden opgemaakt.
Art. 02.
Dit artikel voldoet aan veler wenschen. Geoorloofd is hel afgeven en medenemen van de ter verificatie benoodigde stukken, terwijl de verantwoordelijkheid daarvoor van dat oogenblik af op den Inspecteur overgaat. Hetzelfde gebeurt thans in den regel ook, met dit onderscheid echter dat de
43
wet het. bepaald verMedt en de notaris dus steeds verantwoordelijk blijft. Ongeveer gelijke voorschriften bevatten de ontwerpen-Sannes: art. 65 van het Xe ontwerp beval den notaris evenwel de afgifte van âzijne aktenquot;, terwijl art. 62 van het gewijzigde sprak van âzijne geregistreerde aktenquot;. Dit artikel spreekt van âakten waarvan de termijn van registratie is verstrekenquot;.
Het komt mij voor dat de woorden in het gewijzigd ontwerp-sannes de juiste zijn, en die in het wetsontwerp aanleiding zullen geven tot verkeerde uitlegging. Art. 21 der wet van Frimaire zegt, dat testamenten door de zorg der erfgenamen enz. moeten worden geregistreerd binnen drie maanden na het overlijden van den testateur. Heeft nu, volgens art. 52 van het wetsontwerp, de Inspecteur het recht de overgave te eischen van testamenten die nog niet geregistreerd zijn, doch waarvan de termijn van registratie is verstreken en kan hij dus dientengevolge de opening van gesloten olographische en geheime uiterste willen vorderen? Art. 54 der wet van Frimaire dat eveneens den notaris de verplichting oplegt den ambtenaar der registratie zijne akten te vertoonen, zondert daarvan uit âtestamens et autres actes de liberalité a cause de mort du vivant des testateursquot;. Deze woorden gaven reeds aanleiding tot de vraag of de ambtenaar der registratie na het overlijden van den testateur het recht had de hiervoor bedoelde opening te eischen. Deze vraag werd echter in den regel, en m. i. terecht, ontkennend beantwoord. Eene dergelijke bevoegdheid toch moet viitdrukkelijk worden toegekend en aan de niet met elkander overeenstemmende bepalingen in art. 21 en al. 3 van art. 54 der wet van Frimaire kan men haar moeielijk ontkenen.
De woorden van art. 52 van het wetsontwerp schijnen echter veel verder te gaan en den Inspecteur het recht toe
!4
te kennen ongeregistreerde testamenten mede te nemen en zoo noodig hare opening te vorderen, mits de termijn van registratie verstreken zij. De registratie zal dus dan niet meer plaats hebben âa la diligence des héritiersquot; enz. doch a la diligence du préposé de 1'enregistrement, want waartoe zouden ze anders door hem kunnen worden medegenomen ? Dat door fiscale ambtenaren de overlegging ter registratie kan worden gevorderd van openbare en aan den notaris open ter hand gestelde olographiscbe testamenten kan ik mij voorstellen, dat zij echter de opening van gesloten olographiscbe en geheime uiterste willen kunnen eischen, komt me bedenkelijk voor en behoort m. i. meer tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht, in casu van den kantonrechter. Eene kleine aanvulling in bet Burgerlijk Wetboek zou daartoe voldoende zijn.
Als reden tot opheffing van het verbod tot afgifte der stukken aan den Inspecteur, wijst de Regeering ook op indirecte nadeelen die bij handhaving daarvan zijn te vreezen. Zij zegt: âDe Inspecteur toch is somwijlen verplicht ,.de gastvrijheid aan te nemen der notarissen, wier akten .,hij verifieeren Avil. Onwillekeurig kan door eene zoodanige nauwere verstandhouding de onafhankelijkheid van dien âInspecteur eenigermate lijden en, met het oog op dewen-âschelijkheid dat het toezicht, hetwelk de ambtenaren der âregistratie op de notarissen behooren uit te oefenen, zoo âstreng mogelijk zij, is het van het hoogste belang, dat de âzelfstandigheid der ambtenaren van de registratie tegen-âover de notarissen door niets worde verminderd.quot;
Uit de algemeenheid der bewoordingen zou men inderdaad moeten opmaken dat de Kamers van Toezicht slechts figuranten zullen zijn en hare functiën eigenlijk geheel behooren bij de ambtenaren der registratie. Doch waarlijk, er blijkt al weer uit het aangehaalde, dat men al te.
\h
oprecht kan zijn. De woorden â die m. i. vrijelijk achterwege hadden kunnen blijven â zijn voor de notarissen alles behalve aangenaam ; dezen zijn echter in den laatsten tijd op dit punt niet verwend. Ze schijnen evenwel ook minder vleiend voor de Inspecteurs der registratie. Verdenkt men niet de notarissen van de minder schoone eigenschap dat zij de inspecteurs door beleefdheden willen overhalen het niet zoo nauw te nemen en acht men deze laatsten â zij het dan ook op allerbeleefdste wijze opgemerkt â niet in staat zich daartoe te laten vinden?
Op zulk een wijze kunnen iemands beste bedoelingen verkeerd worden uitgelegd. Hoe zou nien het vinden wanneer de notaris van iemand uit den fatsoenlijken stand, die eenige dagen ambtshalve bij hem moet doorbrengen, volstrekt geen notitie nam ? En wanneer hij zoo iemand dan eenige beleefheden bewijst, of liever voldoet aan de plichten die de eischen der gastvrijheid hem opleggen, mag men hem dan van nevenbedoelingen beschuldigen De inspecteur heeft er gewoonlijk niets op tegen van de hem aangebodene gastvrijheid gebruik te maken, doch ziet er en terecht niets anders in dan het voldoen aan de eischen der wellevendheid.
Art. öd.
Het voorschrift dat een uittreksel o. a. al de onder de akte geplaatste onderteekeningen moet bevatten, schijnt omslachtig en onnoodig.
Art. 60.
Zie voor dit artikel het slot mijner beschouwing over art. 45.
Art. 65.
Het komt mij wenschelijk voor bij de wet te bepalen, dat de notaris elk jaar een nieuw repertoire moet aanleg-
â¢IC.
gen. ten einde op die wijze te bevorderen, dat bij iederen jaargang akten het z. g. aanwijzings-register aanwezig is. Vele notarissen doen dit reeds nit eigen beweging en liet gemak daarvan springt in het oog, inzonderheid bij het onderzoek bedoeld in artt. 72 en volg.
Waar de inrichting van liet repertoire toch grootendeels door dit art. wordt geregeld had men hierin het weinige dat art. 50 der wet van Frimaire nog vordert, zeer geschikt kunnen opnemen, waardoor men zich voorloopig niet aan twee voorschriften zon behoeven te storen. Het eenige wat uit de wet van Frimaire nog toepasselijk schijnt, is de bepaling dat het repertoire moet bevatten : 1'indication des biens, leur situation et le prix, lorsqn'il s'agira d'actes qui auront pour objet la propriété, l'usufruit ou la jouissance de biens-fonds.
Ten slotte maakt dit art. uit door wien het register moet worden gekantteekend en gewaarmerkt. De Regeering zegt dat hierdoor de vraag wordt beslist, door loien die formaliteiten moeten plaats hebben, door den president der rechtbank of door den kantonrechter; zij had er tevens kunnen bijvoegen âen of wel eens volgens bestaande voorschriften die formaliteiten kunnen worden gevorderdquot;. Dit punt schijnt zeer quaestieus (1).
Art. 70.
De notaris is, in geval van verplaatsing naar een ander kanton, verplicht aan den krachtens art. 79 aangewezen notaris of candidaat-notaris den vrijen toegang tot zijn archief te verleenen.
Bij verplaatsing binnen het kanton neemt hij dus zijn
(â 1) Zie Moll, Beknopte Hajidleiding tot de kennis der zegel- en lesistratiewetten. S 117.
47
archief mede. Tot eene gelijke oplossing geeft het 2e lid van art. 62 der bestaande wet aanleiding; zie ook art. 80 al. 2 van het wetsontwerp. Dit is uitgemaakt bij vonnis der rechtbank te Breda van 31 Maart 1857, hetwelk werd bevestigd door den Hoogen Tiaad, bij arrest dd. 26 Juni daarna (1).
Is die verplaatsing ontstaan door verandering van standplaats binnen het kanton, liedoeld in al. 3 van art. 3, dan is hiertegen geen bezwaar, wordt echter daardoor een vacante plaats aangevuld, zoodat de plaats die verlaten is vacant wordt, dan komt het mij minder gewenscht voor, aangezien hij die op deze laatste plaats wordt aangesteld dan geen protocol vindt. In dit laatste geval is eene nota. rieele standplaats tijdelijk onbezet en moet de voorzitter der Kamer van Toezicht, ingevolge art. 79, een naburig notaris of candidaat aanwijzen om ten aanzien van dc akten en registers van den ontbrekenden notaris al datgene te doen enz. Doch er zijn geen akten en registers, want de verplaatste notaris heeft ze medegenomen.
En hoe moet het gaan met die stukken, die de ingevolge art. 3 binnen het arrondissement verplaatste notaris moet achterlaten, wanneer de verandering van standplaats voorvalt huiten het kanton, wanneer dus door zijne verplaatsing geene vacature ontstaat? Een bewaarder daarvan kan niet worden aangewezen, omdat er geen plaats is die tijdelijJ: is onbezet, zooals al. 1 van art. 79 bedoelt en aangezien er zulk eene plaats niet is, kan ook art. 75 niet toepasselijk zijn.
Zou het dus niet wenschelijk wezen te bejoalen, dat bij het ontstaan van een vacature de akten en registers steeds tot de vacante plaats moeten blijven behooren en dat zij bij verandering van standplaats, bedoeld bij art. 3, â als
(I) Zie S. v. K. t. a. p. hl. 369 en volg.
wanneer dus geen vacature ontstaat â steeds door den notaris kunnen worden meegenomen?
Art. 77.
Volgens het laatste lid van punt 2 is de bewaarder bij eene herbenoeming niet verplicht de opdracht aan te nemen. Moet een notaris zich dus eene eerste, benoeming laten welgevallen ?
Art. 79.
Blijkens al. 1 van dit artikel wijst do voorzitter van de Kamer vaii Toezicht, wanneer eene notarieele standplaats tijdelijk onbezet is, een naburigen notaris of candidaat-nota-ris tot waarneming van het vacante kantoor aan.
De eerste moet natuurlijk een notaris zijn uit het arrondissement der vacante standplaats. De tweede schijnt dit met den notaris gemeen te hebben, dat hij ook uit de huur.' moet zijn. Doch hoever strekt zich die uit? Toch stellig tot het ressort der Kamer van Toezicht, dat echter volgens al. 3 van art. 28 onderscheidene arrondissementen kan bevatten. Men moet door art. 25 tot deze conclusie komen. Immers de candidaat kan slechts aan één Kamer van Toezicht kennis geven dat hij zich beschikbaar stelt.
Aangezien het zou kunnen voorkomen, dat zich in het ressort eener Kamer geen candidaat beschikbaar stelde, was het misschien wenschelijk dat ook candidaten uit andere â zoo mogelijk naburige â ressorten voor eene waarneming konden in aanmerking komen.
Art. 84.
Punt 5 van dit artikel straft met eene boete van hoogstens f25 den notaris, die zich schuldig maakt aan overtreding der voorschriften omtrent de registers bij de artt. 65, GC) en 68 gegeven.
Wie is echter belast met het constateeren van overtredingen ten aanzien der registers bedoeld in art. 68?
Niet de inspecteur der registratie, aan wien volgens art. 52 moeten worden afgegeven alten en een der dubbelen van het repertoire. Het vorderen van inzage dier registers zou dan ook minder eigenaardig tot zijn werkkring behooren.
Wellicht dus de Kamer van Toezicht. Heeft deze echter het recht zich naar liet kantoor van den notaris te begeven en inzage van akten en registers te eischen? Zoo ja, dan ontleent zij dit aan de roeping die zij heeft te vervullen, aan de taak haar in het algemeen opgelegd, niet aan een bepaald voorschrift der wet.
Art. 86.
Voor den tijd van ten hoogste zes maanden wordt geschorst de notaris, die zich o. a. schuldig maakt aan overtreding van art. 54, bepalende, dat hij geen grossen, afschriften of uittreksels van eene akte noch inzage of mededeeling van akten mag geven, dan aan de onmiddellijk belanghebbende personen, hunne erfgenamen of rechtverkrijgenden.
Deze straf, die bij dergelijke overtreding, (d i* zij dan ooi; te goeder trouw gepleegd, moet worden toegepast, schijnt niet vrij van al te groote gestrengheid. Het facultatieve, voorkomende in het le lid van dit art., ware wellicht ook hier meer gewenscht.
Art. 105.
Waarom tot de benoembaarheid van candidaten van vóór 78 ook niet de z.g. stage geöischt? Dit zou bepaald in liet algemeen belang wezen, waardoor zulk eene kleine afwijking-van de beginselen van overgangsrecht voldoende zou zijn gerechtvaardigd.
öO
Ten slotte schijnt hier nog op haar plaats eene kleine opwekking tot afschaffing der wet van den 22sten Pluviose jaar VII en die te doen volgen door eene Nederlandsche wet op den openbaren verkoop van roerend goed, ontdaan van al den bombast, die nog in dat kostelijk overblijfsel der Fransche overheersching voorkomt. Mocht de samenstelling van zulk eene wet echter bezwaren opleveren, dat dan in die van Pluviose geschrapt worde datgene wat haar het meest belachelijk maakt, nl. het stelsel van voorloopige aangifte, bedoeld in art. 2, dat vooral voor den notaris in wiens standplaats geen registratiekantoor gevestigd is een waar kruis is te noemen. Met één pennestreek zijn die volkomen doelloozc en belemmerende bepalingen opgeruimd!
Thans ben ik genaderd aan het einde van mijn opstel. Zooals te verwachten is zullen ook anderen en wellicht meer bevoegden dan ik, hunne beschouwingen doenhooren en er het hunne toe bijdragen de Regeering aan te sporen om hier en daar nog enkele zeer gewenschte veranderingen in het wetsontwerp aan te brengen.
Dit kan m. i. geschieden zonder opoffering van beginselen en met zeer weinig moeite.
Moge deze Minister van Justitie in 1887 de voldoening smaken zijn ontwerp te verdedigen en tot wet verheven te zien, opdat zijn naam voor goed worde verbonden aan het Nederlandsche notariaat I
T. VAN EviCKJ)l,NilKV
Huren, Januari 1887