-ocr page 1-

wsss'-'

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE ZWANEZANG.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

,20

LEO, Graaf TOLSTOÏ.

13© Zwanezang.

GESCHIEDENIS VA» EEN MUSICUS.

vertaling van

F. VAN BURCHYLIET.

I

j i

's-Gravenhage W. A. M O R E L 1889.

■IBLJOTHEEK OER *ÜKSUN)VERSlT£tT U T R E C H Ti

-ocr page 8-

Ut

-ocr page 9-

I.

Vijf rijke jongelieden traden om drie uur in den morgen een café, in een der straten van Petersburg, binnen. Er was veel Champagne gedronken. Zeer jeugdige heeren en bijzonder schoone meisjes vormden het gezelschap. Met orchest, dat uit een piano en een viool bestond, deed de eene polka na de andere hooren. Aan het gedans en gewoel scheen geen eind te kornen.

Toch heerschte er een geest van verveling. Men was niet op zijn gemak. Ieder gevoelde, zonder te weten waarom, dat de genoegelijke stemming kwijnde. Herhaaldelijk trachtte men de vroolijkheid te verlevendigen, doch deze geveinsde opgewektheid was erger dan de verveling zelve.

Een van dequot;1 vijf jongelui scheen nog minder tevreden dan de anderen ; hij zelf, zijn vrienden, de wijze, waarop hij den avond had doorgebracht, dat alles stemde hem ontevreden. Met een gevoel van walging stond hij op, zocht zijn hoed en besloot ongemerkt te verdwijnen. Hij vond niemand in de vestibule en wilde zich juist wegspoeden, toen hij in een nabijgelegen kamer twee twistende stemmen hoorde. De jonge man stond stil en luisterde.

»Gij kunt niet binnengaan; er zijn bezoekers,quot; zeide een vrouwenstem.

-ocr page 10-

6

«Laat mij maar, ik bid u, ik zal niemand kwaad doen,quot; smeekte een man op zachten toon.

•Dat mag ik niet doen zonder de toestemming van madame. Waar gaat gij heen? Ach, wat zijt gij toch voor een man!quot;

Plotseling werd de deur geopend en vertoonde er zich een zonderlinge, mannelijke verschijning op den drempel. Toen de dienstbode den jongen man bespeurde, die geluisterd. had, weerhield zij den dringenden aanhouder niet langer, waarop de wonderlijke figuur, bedeesd groetende en op zijn kromme knieën knikkende, de wachtkamer binnenging.

Hij was een man van middelbare lengte, met vierkante schouders en een eenigszins gebogen rug; zijn lange haren vielen ordeloos neer. Hij droeg een korte jas en een nauwe gescheurde pantalon, die op zijn ongepoetste schoenen viel. Zijn das, welke veeleer een touw geleek, omsloot een langen, blanken hals. Zijn vuil overhemd was alleen zichtbaar aan het randje van de manchetten, welke zijn dorre handen omgaven. Ondanks zijn buitengewone magerheid had zijn edel gelaat geen ziekelijk bleeke tint: een zacht blosje kleurde zelfs zijn wangen, welke gedeeltelijk bedekt waren door een bruinen baard en een dunnen knevel. Zijn ongekamde, naar achteren gestreken haren, ontblootten een laag, bijzonder blank voorhoofd. Zijn donkere oogen hadden een afgematten, doch zachten en waardigen blik, welke geheel in overeenstemming was met den vriendelijken trek om zijn mond. Na eenige schreden voorwaarts te zijn gegaan, stond hij stil en wendde zieh met een gedwongen glimlachje tot den jongen man; van af het oogenblik, dat dit lachje zijn gelaat verhelderde, glimlachte ook deze, zonder nochtans te weten waarom.

-ocr page 11-

7

«Wie is die meneer?quot; vroeg hij aan de dienstbode, toen de zonderlinge verschijning de balzaal was binnengegaan.

»Een muzikant van het theater, een groote dwaas, die van tijd tot tijd mijn meesteres komt bezoeken.quot;

»Waar gaat gij heen, Delessov?quot; riep men op dit oogen-blik van uit de zaal.

De jonge man, dien men Delessov noemde, keerde op zijn schreden terug. De musicus stond juist aan den ingang van de deur en keek naar het dansen. Zijn glimlach, zijn oogen, zijn voeten, die zich op de maat der muziek heen en weder bewogen, dat alles getuigde van het genoegen, dat de aanblik van dit tooneel hem verschafte.

»Kom, waarom gaat gij ook niet dansen?quot; vroeg een der toeschouwers hem.

De musicus boog het hoofd en wierp een vragenden blik naar de eigenares der inrichting.

»Nu, als de heeren het je zelf vragen, kunt ge wel dansen,quot; zeide deze.

De magere gestalte van den jongen man bewoog zich daarop voorwaarts en, terwijl hij met de oogen knipte, en zich glimlachend op den punt van den voet uitrekte, sprong hij met een weinig sierlijke beweging de zaal in. Een vroolijk officier, die uitstekend danste en midden in een quadrille stond, stootte bij ongeluk tegen den rug van den musicus, wiens waggelende beenen dien schok niet konden verdragen ; hij wankelde en viel in zijn volle lengte op den grond. Ondanks den zwaren slag, welke zijn val teweeg bracht, weerklonk er plotseling een luid gelach, dat echter weldra voor een algemeene stilte plaats maakte, toen de jonge man niet weer opstond ; zelfs de pianist staakte zijn spel. Delessov was een der eersten, die, met de vrouw des huizes, op den ongelukkige toe-

-ocr page 12-

8

snelde; deze bleef, op zijn elleboog' rustende en de oogen strak op den grond gericht, onbewegelijk liggen. Toen men hem opgenomen en op een stoel gezet had, maakte hij een beweging met zijn hand om zijn haren naar achteren te strijken en glimlachte zonder op eenige vraag te antwoorden.

«Meneer Albert! Meneer Albert!quot; riep de eigenares, »hebt ge u pijn gedaan? Ik heb je wel gezegd, dat ge niet moest dansen. Hij is zoo zwak,quot; vervolgde zij tot de omstanders. »Hij kan nauwelijks loopen, hoe zou hij dan kunnen dansen.

»Wie is hij?quot; vroeg iemand.

»Een arm kunstenaar, een beste jongen, maar zeer ongelukkig, zooals gij ziet.quot;

Zij sprak aldus, zonder zich om de tegenwoordigheid van den musicus te bekommeren. Deze kwam langzamerhand weer tot zich zeiven en, alsof iets hem vrees inboezemde, deed hij de menschen, die in een kring rond hem stonden geschaard, uiteen gaan.

quot;Het is niets,quot; zeide hij plotseling, met moeite opstaande. En om te bewijzen, dat hij zich in het minst niet bezeerd had, richtte hij zich in het midden van de kamer in zijn volle lengte op, waagde een sprong, doch wankelde en zou andermaal gevallen zijn, als men hem niet had opgevangen. Ieder gevoelde zich pijnlijk getroffen; men zag hem aan, zonder een woord te zeggen.

De oogen van den ongelukkige werden weer dof en, alles rond zich vergetende, wreef hij zijn knie met zijn hand. Plotseling richtte hij het hoofd op en, één bevenden voet voorwaarts zettende, terwijl hij met de gewone be-weging van zijn hoofd zijn haren naar achteren wierp, trad hij op den violist toe en nam hem zijn instrument uit de handen.

-ocr page 13-

9

»Het is niets,quot; herhaalde hij, met de viool zwaaiende. »Kom, mijne heeren, een beetje muziek!quot;

»Welk een zonderling mensch!quot; klonk het van mond tot mond. «Misschien een miskend genie!quot; meende een der omstanders. «Welk een allerinnemendst gezicht! Hij moet een buitengewoon man zijn,quot; zeide Delessov; »nu, wij zullen hem hooren!quot;

11.

Albert liep op dat oogenblik, zonder zich om iemand te bekommeren, met de viool op zijn schouder, rond de piano om zijn instrument te stemmen; een onverschillige trek had zich om zijn lippen gegroefd en zijn blik dwaalde af. Doch zijn smalle, magere rug, zijn lange, blanke hals, de knikkende knieën en het donkere hoofd, met de ordelooze haren, leverden nu wel een zonderling maar geenszins een belachelijk schouwspel op. Toen hij de viool gestemd had, sloeg hij even met een zekere hand aan en, het hoofd oprichtende, wendde hij zich tot den pianist, die zich gereed maakte hem te begeleiden.

quot;Mélancolie — G-durquot; zeide hij met een bevelend gebaar.

In hetzelfde oogenblik echter, als wilde hij voor zijn gebiedende houding vergiffenis vragen, wierp hij e-en be-deesden blik in het rond en streek nog eens met zijn rechterhand zijn haren naar achteren.

Albert stond nu bij de piano stil en streelde met een gelijkmatige beweging van zijn strijkstok de snaren. Daarop weerklonken zuivere, welluidende, goddelijk schoone tonen. Een diepe stilte heerschte in de zaal. De violist begon met een voorspel, dat een vurige opwelling, iets ideëels en verhevens scheen te zijn. Zijn geheele, innerlijke wezen

-ocr page 14-

10

ontwaakte uit zijn vcrdooving en ontsloot zich vol vreugde voor die wonderlijke, grootsche wereld, welke hij te lang reeds voor het grove, luidruchtige genoegen vergeten had.

De tonen volgden elkander op vol gevoel, harmonie en zuiverheid, zonder dat ook maar een enkele wanklank de bekoring verbrak; zij verspreidden als het ware een onverwacht, zacht streelend licht, dat de gemoederen der betooverde toehoorders binnendrong; allen volgden zwijgend en door een vage hoop beroerd, aandachtig en diep getroffen de ontwikkeling van het muzikale thema. Elke harmonische gedachte wekte in hun harten lang vervlogen herinneringen op en dat verleden doemde voor hen op met zachtheid en kalmte, met een vurige begeerte naar liefde en eerzucht, of wel met het smartelijke berouw over het verraad aan een schuldelooze liefde gepleegd.

Al deze verschillende gemoedstoestanden doorleefde ieder hunner, zich onderwerpende aan de toovermacht van dien wonderstok. De klanken vermengden zich en smolten samen, totdat zij in een melodieusen stroom overgingen.

Albert scheen zich bij eiken toon meer en meer te verheffen. Hij was nu in het minst niet leelijk of belachelijk. De kin op zijn viool geleund, met een hartstochtelijke aandacht naar zijn eigen muziek luisterende, bewoog hij zijn voeten zenuwachtig op en neder, zich nu eens in zijn volle lengte oprichtende om zich een oogenblik later weer sterk voorover te buigen. Zijn linkerhand, met de magere vingers, krampachtig krom getrokken, scheen aan den hals van de viool als vastgeklonken, terwijl zijn rechterhand haar bevallige bewegingen voortzette, waarvan het publiek zich ternauwernood rekenschap gaf.

-ocr page 15-

11

Zijn gelaat straalde van geluk; zijn oogen schitterden, zijn neusvleugels trilden, terwijl zijn roode lippen als in verrukking geopend waren.

Van tijd tot tijd boog hij zijn hoofd meer over de viool voorover, sloten zich zijn oogen en verspreidde er zich over zijn gelaat, dat gedeeltelijk door zijn haren bedekt was, een uitdrukking van kalme vreugde. Soms ook richtte hij zich plotseling op en zette één voet vooruit; dan las men op zijn blank voorhoofd en in zijn stralenden blik, welke door de zaal dwaalde, zijn grootheid, zijn trots en het bewustzijn van zijn macht.

Eens vergistte de pianist zich door een valsch accoord aan te slaan; een huivering ging den musicus door de leden, als voelde hij plotseling een felle, lichamelijke pijn. Hij hield op en, in kinderlijke woede met den voet op den grond stampende, riep hij: »Mol! Denk toch aan de mollen 1quot; De pianist hernam zich onmiddellijk. Albert sloot weer de oogen, glimlachte en, zichzelven, de omstanders, de gansche wereld vergetende, gaf hij zich geheel aan zijn ingeving over.

Zoo lang Albert speelde, bleef zijn gehoor onder de betoovering; ieder scheen door die muziek te herleven.

De vroolijke officier van zooeven stond onbewegelijk bij het raam; zijn ademhaling stokte, terwijl hij zijn doffen blik op den grond gericht hield. De jonge meisjes, die, onder een diep stilzwijgen, langs den muur neerzaten en nauwelijks bekomen waren van een verbazing, welke zij zich niet konden verklaren, zagen elkander tersluiks aan.

Het volle gezicht van de vrouw des huizes straalde van genot. De pianist zag Albert voortdurend aan, altijd vreezende, dat hij zich zou vergissen, en deed al het mogelijke om zijn gedachten te raden en hem te volgen.

-ocr page 16-

12

Een van de bezoekers, die meer dan de anderen gedronken had, bleef op den divan uitgestrekt liggen en bedekte zijn gelaat om zijn aandoening niet te verraden.

Delessov ondervond de meest ongewone gewaarwordingen. Het was alsof een koude luchtstroom nu eens in engen dan weer in breederen kring zijn hoofd omgaf. Zijn haren rezen te berge. Een rilling ging hem door de leden. In zijn keel steeg er al hooger en hooger iets, dat zijn neus en zijn gehemelte als met spelden prikkelde, en onwillekeurig vielen er tranen over zijn wangen. Hij deed al het mogelijke om ze terug te houden en zich te be-heerschen, doch tevergeefs: steeds welden zij op nieuw in zijn oogen.

Door een zonderling samentreffen van gewaarwordingen en gevoelens, voerden de eerste tonen der viool Delessov naar zijn prille jeugd terug. Hij, de afgematte, levensmoede, uitgeputte man zag zich plotseling terug op den leeftijd van zeventien jaren, knap, tevreden over zich zelf, onschuldig en door zijn zorgeloosheid gelukkig. Hij herinnerde zich zijn eerste liefde voor zijn nichtje, in haar rose kleedje, zijn bekentenis van die liefde in de lindenlaan; de onbegrijpelijke weelde van de eerste kus en van de tooverachtige geheimzinnigheid der natuur, die hem op dat oogenblik omgaf. In zijn overprikkelde verbeelding trad zij schitterend en rein boven de sfeer der niet verwezenlijkte verwachtingen, niet begrepen wenschen en het volstrekt geloof in de mogelijkheid van een onmogelijk geluk te voorschijn. Elk waardeerbaar oogenblik van dien vervlogen tijd doemde voor hem op en verscheen hem niet met de onbeduidendheid van de voorvallen uit het dagelijksche leven, maar in heldere visioenen, welke zijn gemoed in opstand brachten en hem van schaamte deden

-ocr page 17-

13

blozen bij de tegenstelling, welke het verleden met het heden vormde.

Met welgevallen beschouwde hij die visioenen en weende. Niet, omdat hij dien vervlogen tijd beter had kunnen besteden (want, al had men hem dien tijd kunnen teruggeven, dan had hij er niet voor durven instaan dien beter te zullen gebruiken), neen, hij weende omdat die tijd vervlogen was en nimmer zou wederkeeren.

Zijn herinneringen waren langzamerhand verlevendigd, terwijl de viool van Albert altijd hetzelfde herhaalde: „Voor u is hij voorbij, voor altijd voorbij, die tijd van jeugd, liefde en geluk; hij is voorbij en zal nooit wederkeeren. Betreur hem, schrei heete tranen, sterf met die tranen in de oogen, hem steeds beweenende, dat is het eenige geluk, wat u overblijft!quot;

Op het eind van de laatste variatie was Albert's gelaat met een hoogrooden blos bedekt, zijn oogen schoten vonken, het' zweet parelde op zijn voorhoofd, de aderen van zijn hals zwollen, zijn geheele lichaam schokte hoe langer hoe meer, zijn witte lippen bleven geopend en al zijn trekken getuigden van een toomelooze begeerte naar genot.

Daarop legde hij na een laatste, snelle trilling van zijn lichaam en een beweging van zijn hoofd, waarmede hij zijn haren achterwaarts wierp, zijn viool met een trotsch, zelfvoldaan lachje neder en zag zijn toehoorders aan. Toen kromde zich andermaal zijn rug, zijn hoofd zonk neder op zijn borst, zijn lippen klemden zich op elkaar en zijn blik werd beneveld; hij wendde zich bedeesd af, als schaamde hij zich over zich zeiven, en, waggelend op zijn beenen, begaf hij zich naar het aangrenzende vertrek.

-ocr page 18-

14

III.

Het was de toehoorders zonderling te moede; zonderling ook was de stilte, welke op het spel volgde, alsof ieder had willen uitdrukken wat hij gevoelde, zonder hierin te slagen.

En welke uitwerking had die verheven muziek ook in een dergelijke omgeving kunnen hebben: een warm vertrek, een zee van licht, opgetooide vrouwen, terwijl de dageraad door de vensters gluurde en de koortsachtige geesten zich met moeite losmaakten van den reinen invloed der zooeven genoten tonen ?

Niet een der omstanders trachtte het zich te verklaren; integendeel, zij poogden zich aan die al te verheven indrukken, welke zij niet konden begrijpen, te onttrekken. Na een korte vlucht naar die hoogere sferen der kunst, vielen zij, met een zucht van verlichting, in de grove werklijkheid terug en gevoelden zich hier dan ook meer op hun gemak.

»Maar hij speelt werkelijk goed,quot; zeide de officier.

«Verwonderlijk goed,quot; antwoordde Delessov, ter sluiks met zijn mouw een traan van zijn gelaat wisschende.

»Nu is het tijd om weg te gaan, heeren,quot; zeide degene, die zich op den divan had uitgestrekt. »Maar wij mogen hem wel wat geven. Kom, laten wij een inzameling doen.quot;

Albert vertoefde intusschen alleen in een andere kamer; op een sofa gezeten, met den elleboog op zijn magere knieën rustende, streek hij met zijn vuile, klamme handen over zijn gezicht en schudde glimlachend zijn haren heen en weder, voldaan over zich zeiven. De inzameling leverde veel op en Delesso/ belastte er zich mede, het bedrag aan zijn bestemming te doen toekomen; hij wilde hem persoon-

-ocr page 19-

15

lijk een dienst bewijzen, want zijn spel had hem diep getroffen en bovendien zijn belangstelling in zijn lot opgewekt. Hij nam zich voor, zijn huis voor hem open te stellen, hem te kleeden, een plaatsing voor hem te zoeken, in één woord, hem aan dien vernederenden toestand te onttrekken.

»Zijt gij niet vermoeid?quot; vroeg hij, op hem toetredende.

Albert glimlachtte.

»Gij hebt veel talent; gij moest u ernstig op de muziek toeleggen en trachten in het publiek te spelen.quot;

»Ik zou gaarne wat drinken,quot; antwoordde Albert, als uit een droom ontwakende.

Delessov ging onmiddellijk wijn halen, en gretig ledigde de musicus twee glazen.

»Welk een heerlijke wijn!quot; zeide hij.

»Die »Mélancoliequot; is een prachtig stuk,quot; hernam Delessov.

»0, ja, ja!quot; zeide Albert glimlachend. »Maar, vergeef mij, ik weet niet, met wien ik de eer heb te spreken. Misschien zijt gij een graaf of een prins en kunt gij mij wat geld leenenrquot;

Na een wijle vervolgde hij:

quot;Ik bezit echter niets, ik ben een ongelukkig schepsel en zou het u niet terug kunnen geven.quot;

Delessov bloosde en gevoelde zich niet op zijn gemak; hij haastte zich, den musicus het bedrag van de inzameling ter hand te stellen.

»Ik dank u hartelijk,quot; zeide Albert, het geld in ontvangst nemende. »Laten wij nu nog wat muziek gaan maken, ik zal zoo lang voor u spelen, als gij maar wilt; alleen moet ik wat te drinken hebben! Ja drinken!quot; herhaalde hij, opstaande.

Delessov bracht hem nog meer wijn en verzocht hem) zich bij hem neder te zetten.

-ocr page 20-

16

»Vergeef mij, dat ik openhartig met u spreek,quot; zeide Delessov. »Uw talent boezemt mij veel belang in en het doet mij leed, dat ge in zulke benarde omstandigheden verkeert.quot;

Albert zag nu eens Delessov dan weer de vrouw des huizes, die inmiddels was binnengekomen, aan.

• Veroorloof mij,quot; vervolgde Delessov, «wanneer ge iets noodig mocht hebben, u mijn diensten aan te bieden. Gij zult mij een genoegen doen, wanneer ge eenigen tijd bij mij komt wonen; ik leef alleen en kan u misschien met iets van nut zijn.quot;

Albert glimlachte, doch antwoordde niet.

«Maar, waarom bedankt gij meneer niet?quot; zeide de eigenares. »Wat hij u aanbiedt, zou een zeldzaam buitenkansje voor u zijn. Alleen, ik zou het u niet aangeraden hebben,quot; vervolgde zij tot Delessov.

»Ik ben er u zeer dankbaar voor,quot; zeide Albert toen eindelijk, met zijn klamme handen die van Delessov drukkende. «Maar, nu eerst wat muziek!quot;

De overige bezoekers maakten zich reeds gereed om te vertrekken, en gingen, ondanks alle bidden en smeeken van Albert, heen.

Albert nam daarop eveneens afscheid van de vrouw des huizes en, zijn versleten hoed, met de breede randen, opzettende, en zich in zijn oude almaviva, die te dun was voor het seizoen, wikkelende, volgde hij Delessov.

Toen de jonge man met zijn pas verworven vriend in een rijtuig was gestapt en getroffen werd door de onaangename lucht van spiritualiën en onzindelijkheid, welke van den musicus uitstraalde, had hij bijna spijt van de edelmoedige opwelling, welke hem den ongelukkige had doen opnemen.

-ocr page 21-

17

Bovendien was hetg-een de violist zeide zoo dom en alledaagsch en werd zijn dronkenschap onder den invloed van de buitenlucht zoo walgelijk, dat Delessov zijn afkeer nauwelijks bedwingen kon.

«Wat zal ik met hem doen?quot; dacht hij.

Na een rit van ongeveer een kwartier, zweeg Albert; zijn hoed was voor zijn voeten gevallen, terwijl hij zelf in een hoekje van het rijtuig was teruggezonken en zwaar snurkte. De wielen van het voertuig knarsten eentonig op de bevrozen sneeuw ; een zwak schijnsel van den aan-brekenden dageraad drong ternauwernood door de bevrozen raampjes. Delessov wendde zich naar zijn buurman, wiens lang lichaam onbewegelijk naast hem lag. Het scheen hem toe, dat een groot hoofd op dat uitgestrekte lichaam heen en weer waggelde; doch, hem van nabij beschouwende, merkte hij dat, hetgeen hij voor een neus en een gezicht hield, slechts de haren van den musicus waren en dat het eigenlijke gelaat daar onder lag.

Hij boog zich voorover en nam de trekken van dat gelaat in oogenschouw; het fraai gevormde voorhoofd en de fijnbesneden mond, die nu kalm gesloten was, troffen hem op nieuw. Onder den invloed van een zenuwachtige afmatting, van het vroege morgenuur en de muziek, die hij gehoord had, werd Delessov andermaal naar die wereld van geluk en begoocheling teruggevoerd, welke hij dezen nacht voor de eerste maal was binnengegaan; weer herinnerde hij zich zijn gelukkige jeugd en betreurde het niet meer, Albert te hebben medegenomen. Op dat oogen-blik hield hij hartstochtelijk veel van hem en nam het ernstige besluit zijn weldoener te worden.

-ocr page 22-

18

IV

Toen Uelessov den volsjenden morgen wakker werd om zicli naar zijn dienst te begeven, werd hij onaangenaam getroffen door den aanblik van zijn oud kamerschut, zijn knecht en zijn horloge, dat op zijn nachttafel lag.

»Wat zou ik dan anders willen zien dan datgene, wat mij gewoonlijk omringt?quot; zeide hij bij zich zelf.

En hij herinnerde zich de zwarte oogen en den eigen-aardigen glimlach van den musicus, als ook de melodie van la Mèlancolie en dien geheelen zonderlingen nacht.

Hij had echter geen tijd om na te denken of hij er al of niet goed aan had gedaan, Albert bij zich te nemen.

Terwijl hij zich kleedde, verdeelde hij in gedachten zijn dag, nam zijn papieren, gaf de noodige bevelen aan zijn knecht en deed in allerijl zijn jas en overschoenen aan. Toen hij de eetkamer voorbijging, wierp hij door de openstaande deur een blik naar binnen en zag Albert op den met katoen bekleeden divan liggen, het gelaat in de kussens gedrukt, de borst slechts gedeeltelijk bedekt door het vuile, gescheurde hemd, op dezelfde plaats, waar men hem den afgeloopen nacht zwaar beschonken had nedergelegd.

«Hij kan daar zoo niet blijvenquot;, dacht Delessov. »Gavan mijnentwege naar Boriouzovsky en verzoek hem zijn viool eenige dagen aan dezen meneer te leenenquot;, zeide hij tot zijn knecht. «Wanneer meneer wakker wordt, moet ge hem koffie brengen en hem wat van mijn linnengoed en van mijn oude kleeren geven; in één woord, ge moet hem goed verzorgen.' Des avonds kwam Delessov laat tehuis en vond, tot zijn groote verbazing, Albert niet.

Waar is hij dan ?quot; vroeg hij zijn knecht.

quot;Meneer is onmiddellijk na tafel uitgegaan en heeft zijn

-ocr page 23-

• 19

viool medegenomen. Wel beloofde hij binnen een uur terug te zullen zijn, maar tot nu heb ik hem nog niet gezien.quot;

«Zoo,quot; zeide Delessov op spijtigen toon. «Maar waarom hebt gij hem laten gaan, Zakhare ?quot;

Zakhare was een lakei uit St. Petersburg en diende reeds sinds acht jaren bij Delessov. Zijn meester was ongehuwd en woonde alleen ; onwillekeurig maakte hij den knecht tot zijn vertrouwde en raadpleegde hij hem over alles, wat hij ondernam.

«En hoe zou ik hem hebben durven beletten om uit te gaan rquot; antwoordde Zakhare, met de charivari van zijn horlogeketting spelende. «Wanneer u mij bevolen hadt, hem daarvan terug te houden, Dmitri Ivanovitch, zou ik het gedaan hebben, doch u hebt mij alleen orders gegeven met betrekking tot het linnengoed en de kleeren.''

«Ach, wat spijt mij dat! . . . . En wat deed hij hier zonder mij Zakhare glimlachte.

«Ja, wat zal ik u daarvan zeggen ? men ziet dadelijk, dat hij een artist is, Dmitri Ivanovitch. Onmiddellijk, nadat hij was opgestaan, heeft hij om madera gevraagd en daarop is hij gaan praten met de keukenmeid en den knecht van de buren. Wat een zo^jjderling mensch! . . . Toch is hij goedhartig. Ik heb hem eerst thee en vervolgens brood gebracht, maar hij wilde niet alleen eten en verzocht mij zijn maal te deelen, En wat speelt hij goed viool! Waarlijk, zulke artisten zijn er niet veel bij Izler. Zulk een man moest op prijs gesteld worden. Toen hij Moeder Wolga voor ons gespeeld heeft, zou men gezegd hebben, dat er een man schreide. Ach, het was te mooi! van elke verdieping kwamen de bewoners aan onze deur luisteren.quot;

-ocr page 24-

20 •

»Hebt gij hem kleeren gegeven ?quot; vroeg zijn meester hem.

• Zeker ! Ik heb hem een van uw hemden en mijn jas gegeven. Zulk een man moet men helpen ; het is een alleraardigst mensch.quot;

Zakhare glimlachte en vervolgde :

»Hij vroeg mij voortdurend welke uw graad is, of u rijke familie hebt en hoeveel lijfeigenen u bezit.quot;

»Nu, het is goed. Maar wij moeten hem trachten te vinden. Voortaan geeft ge hem niets te drinken, want daarmede bewijst ge hem geen dienst.quot;

»Dat is waarquot;, zeide Zakhare, »hij schijnt niet gezond te zijn. Bij mijn vorige barine was er ook een ondergeschikte.....quot; Dmitri Ivanovitch, die reeds lang de geschiedenis van den bediende, die te veel dronk, kende, liet Zakhare den tijd niet om te voleindigen ; hij beval hem, alles voor den nacht in orde te brengen en vervolgens Albert te gaan zoeken.

Daarop legde hij zich te bed, blies het licht uit, doch kon den slaap niet vatten. Zijn gedachten waren bij Albert.

»A1 moge het velen van mijn vrienden vreemd toeschijnenquot;, zeide hij bij zich zelf, «men kan zoo zelden goeddoen, dat men God moet danken, wanneer de gelegenheid zich daartoe voordoet, en die zal ik dan ook niet voorbij laten gaan. Ik zal alles en alles doen om hem te helpen. Misschien is hij in het geheel niet krankzinnig, maar alleen onder den invloed van het overmatig gebruik van alcohol. Bovendien zal het mij niet veel kosten, wanneer er eten is voor één, is er ook ook genoeg voor twee.quot;

»Voorloopig kan hij bij mij blijven en dan zullen wij later een plaats voor hem trachten te vinden of een concert voor hem op touw zetten. Laten wij hem ten minste de behulpzame hand bieden, dan kunnen wij later verder zien.quot;

-ocr page 25-

21

Een aangenaam gevoel van zelfvoldoening maakte zich na deze redeneering van hem meester.

»Ik ben werkelijk zoo kwaad niet. Als ik mij bij anderen vergelijk, kan ik zelfs zeggen dat ik goed ben.quot;

Hij was op het punt van in te slapen, toen het gedruisch van een deur, die open gedaan werd, en van voetstappen in de zijkamer hem uit zijn verdooving wekt.

«Daar is hij eindelijk. 'Ik zal hem streng behandelen, dat is beter voor hem en dat ben ik ook verplicht.quot;

Hij schelde.

»Hebt gij hem medegebracht ?quot; vroeg hij aan Zakhare, die binnentrad.

»Het is een beklagenswaardig mensch, Dmitri Ivanovitch,quot; antwoordde Zakhare met een veelbeteekenend hoofdschudden, terwijl hij de oogen sloot.

»Is hij dan weer dronken ?quot;

»Ja, hij staat niet heel vast op de beenen.quot;

»Heeft hij quot;de viool medegebracht?quot;

»Dat heb ik gedaan; de madame heeft haar mij gegeven.quot;

sWelnu, laat hem thans hier niet binnenkomen ; leg hem te bed en belet hem morgen uit te gaan.quot;

Doch, voordat Zakhare den tijd had gehad de kamer te verlaten, was Albert die reeds binnengetreden.

V

»Wilt ge reeds gaan slapen?quot; vroeg hij, glimlachend. »Ik ben daarginds, bij Anne Ivanovna geweest en heb er een genotvollen avond doorgebracht. Wij hebben muziek gemaakt en gelachen; er waren alleraardigste menschen. Mag ik een glas van het een of ander drinken ?quot; vroeg

-ocr page 26-

22

hij, de karaf nemende, die op de nachttafel stond; »maar geen water.quot;

Albert verkeerde in denzelfden toestand als den vorigen avond; dezelfde liefelijke glimlach speelde om zijn lippen en in zijn oogen; de uitdrukking van zijn gelaat getuigde van opgewektheid en bezieling ; alleen zijn lichaam scheen als altijd alle veerkracht verloren te hebben. De jas van Zakhare paste hem uitstekend. De breede kraag van zijn nachthemd, die schoon en goed gesteven was, viel schilderachtig rond zijn langen, blanken hals en gaf hem een onschuldig, kinderlijk aanzien.

Hij zette zich aan het voeteneind van Delessov's bed neder en zag hem met een vroolijken, dankbaren glimlach aan. Delessov beantwoordde zijn blik en gevoelde, dat hij andermaal door dien glimlach in verzoeking werd gebracht. Hij had geen slaap meer, vergat onmiddellijk zijn besluit om streng te zijn en wenschte niets liever dan genoegelijk samen te wezen, wat muziek te hooren en des noods tot aan den morgen vertrouwelijk met Albert te praten. Hij beval Zakhare een fiesch wijn, cigaretten en de viool te geven.

«Dat is eerst goed!quot; zeide Albert; »het is nog niet laat, wij gaan wat muziek maken en ik zal spelen zoolang gij maar wilt.quot;

Zakhare bracht met een ondubbelzinnig genoegen een flesch Chateau-Lafitte, twee glazen, fijne cigaretten, welke Albert rookte, en ook de viool. Daarop stak hij een sigaar op en zette zich in plaats van te gaan slapen, zooals Delessov hem bevolen had, in het aangrenzende vertrek neder.

»Laten wij liever wat praten,quot; zeide Delessov tot den musicus, die de viool reeds ter hand nam.

-ocr page 27-

23

Albert zette zich onderworpen aan het voeteneind van het ledikant neder, terwijl een gelukkige glimlach zijn gelaat verhelderde.

»Ach ja!quot; zeide hij plotseling, zijn hand aan zijn voorhoofd brengende en een bezorgd, nieuwsgierig gezicht zettende (de verschillende uitdrukkingen, welke zich op zijn gelaat afspiegelden, gingen altijd aan zijn woorden vooraf), »mag ik u eens vragen . . . hij aarzelde eenigs-zins. »Die meneer, die gisteren avond bij ons was, noemde ii dien niet X ... r Is dat de zoon van den beroemden X... ?quot;

«Zijn eigen zoon,quot; antwoordde Delessov, die niet begreep in welk opzicht dat Albert eenig belang kon inboezemen.

«Juist,quot; zeide hij met zekere ingenomenheid. »Ik zag dadelijk, dat hij aristocratische manieren had. Ik houd van aristocraten. Er is iets bevalligs en aangenaams in hen. En die officier, die zoo uitstekend danst, vond ik alleraardigst. Hij is zoo vroolijk, zoo welopgevoed. Is hij niet de adjudant van X.. . . ?quot;

»Wie ?quot;

»Degene, die mij op het bal dien stoot gaf. Dat moet een goede jongen zijn.quot;

«Hij is zeer onbeteekenend.quot;

»0 neen!quot; hernam Albert vol vuur. »Hij is alleraardigst.

En bovendien is hij een goed musicus. Hij heeic een mooi air uit een opera gespeeld. In lang heeft iemand niet zulk een aangenamen indruk op mij gemaakt als hij.quot;

»Ja hij speelt goed, maar ik houd niet van zijn manieren,quot; zeide Delessov, die het gesprek op de muziek wilde brengen. »Hij heeft niet het minste begrip van klassieke muziek; want Donnizetti en Bellini hebben geen ware muziek gemaakt? Vindt ge niet?quot;

-ocr page 28-

24

»0, neen, neen!quot; zeide Albert met geestdrift om den officier te verdedigen. »De oude muziek is muziek en de nieuwe is muziek. In de laatste is zelfs buitenec-woon veel moois. Bij voorbeeld, la Somnambule en de

finale uit de Lucie, en Chopin, en Robert.....Ik denk

vaak,quot; hij hield op als om zijn gedachten te verzamelen, »dat indien Beethoven nog leefde, hij van vreugde zou weenen, wanneer hij la Somnambule hoorde. Men kan in alles iets schoons vinden. Ik heb la Somuambide de eerste maal gehoord, toen Madquot;10 Viardot en Rubini in Rusland zijn gekomen .... Zoo was het .. . .quot; zeide hij zijn handen op zijn borst leggende, als wilde hij er iets aan ontrukken. »Nog iets meer en men had zich niet langer kunnen bedwingen.quot;

»Nu, en wat zegt gij tegenwoordig van de opera?quot;

^La Bozzio is mooi, zeer mooi, zeer bevallig, maar vzij weet dit niet te treffen,quot; zeide hij, wederom op zijn ingevallen borst slaande. »Om zangeres te zijn, moet men hartstocht hebben, en dien bezit zij niet. Zij schenkt ons genoegen, maar zij doet ons niet schreien.quot;

quot;En Lablache dan?quot;

»Ik heb hem vroeger te Parijs, in de Barbier de Seville gehoord; toen was hij eenig, maar nu is hij oud en geen kunstenaar meer.quot;

»Wat doet er dat toe, of hij oud is? In samenspel is hij nog zeer goed,quot; zeide Delessov, die dat altijd beweerde, wanneer er over Lablache gesproken werd.

»Hoe? Wat of het er toe doet, dat hij oud is?quot; vroeg Albert op gewichtigen toon. »Hij moest niet oud zijn;een artist mag niet oud wezen. De kunst vereischt veel eigenschappen, en voornamelijk eischt zij de heilige vonk!quot; riep hij met schitterende oogen uit, terwijl hij de handen ten hemel hief.

-ocr page 29-

25

Plotseling- tintelde zijn gelaat van geestdrift.

»0, mijn God, kent gij Petrov, den schilder, niet?quot; vroeg hij eensklaps.

»Neen, ik ken hem niet,quot; antwoordde Delessov glimlachend.

»0, hoe gaarne zou ik willen, dat gij hem leerdet kennen! Met hoeveel genoegen zoudt gij met hem praten! Welk een juiste opvatting heeft ook hij van de kunst! Vroeger ontmoetten wij elkander dikwerf bij Anna Ivanovna; nu is zij boos op hem, ik weet niet waarom, en komt hij niet meer. Ik zou u gaarne met hem in kennis hebben gebracht! Hij heeft veel talent.quot;

»In welk opzicht? Maakt hij mooie schilderijen?''

»Dat geloof ik niet, maar hij is op de Academie van schoonc kunsten geweest. Welke denkbeelden heeft hij! Wanneer hij spreekt, kent onze verwondering haast geen grenzen. O, Pétrov is een groot genie. Alleen, hij leidt een te vroolijk leven, en dat is jammer!quot; voegde hij er met een glimlach aan toe. Daarna stond hij op, nam de viool en begon haar te stemmen.

»Is het lang geleden, dat ge naar de opera zijt geweest?quot; vroeg Delessov.

Albert zag om en zuchtte.

»Ach, ik kan niet meer!quot; zeide hij, zijn hoofd met beide handen vattende; en weer zette hij zich bij het bed neder. »Ik zal u zeggenquot; .... zijn stem daalde, totdat hij bijna fluisterde — nk kan er niet heengaan .... ik kan er niet spelen : ik heb niets, niets .... Geen kleeren, geen tehuis, geen viool .... Een armoedig leven .... aller-armoedigst! .... En waarom zou ik er ook heengaan .... Waartoe zou het dienen? Het is onnoodig. Ach, die Don Juan

-ocr page 30-

26

En hij sloeg op zijn hoofd.

»Laten wij dan eens samen ergens heen gaan,quot; zeide Delessov.

Albert stond op, zonder te antwoorden en begon de finale van de eerste acte uit Don Juan te spelen, er uit eigen beweging den inhoud van de opera bij vertellende.

Delessov voelde, dat zijn haren te berge rezen, toen Albert de rol van den Ridder vertolkte.

»Neen, ik kan vandaag niet,quot; zeide hij, de viool neder-leggende, »ik heb te veel gedronken.quot;

En daarop naar de tafel gaande, schonk hij een glas wijn in en ledigde het in één teug; toen zette hij zich weer op het bed van Delessov neder.

Geen oogenblik verloor deze hem uit het oog. Van tijd tot tijd glimlachte Albert, hetgeen Delessov op dezelfde wijze beantwoordde. Beiden bewaarden het stilzwijgen; doch door hun blik en hun glimlach overtuigden zij elkander van hun wederzijdsche sympathie, die nog elk oogenblik toenam. Delessov gevoelde, dat hij steeds meer van dien man ging houden en die wetenschap schonk hem een onuitsprekelijk geluk.

»Zijt ge ooit verliefd geweest?quot; vroeg hij plotseling aan Albert. De musicus bleef eenige oogenblikken in gedachten verdiept. Een droevige trek groefde zich om zijn mond.

Hij boog zich naar Delessov voorover en zag hem strak in de oogen.

«Waarom vraagt gij mij datrquot; zeide hij op gedempten toon.... »Maar, ik zal u alles vertellen. Gij hebt mijn sympathie gewonnen,quot; vervolgde hij, rond zich ziende. »Ik zal u niet misleiden, ik zal u alles, van af het begin, mededeelen.quot;

Hij hield op en zijn blik werd hard en verwilderd.

-ocr page 31-

27

«Gij weet, ik heb zwakke geestvermogens,quot; zeide hij plotseling.

«Ja, ja, Anna Ivanovna heeft het u zeker verteld; zij zegt aan iedereen, dat ik krankzinnig ben. Zij gelooft het echter niet, zij zegt het maar in scherts; zij is een goede vrouw. En toch ben ik sinds eenigen tijd ernstig lijdende.quot;

Wederom bewaarde hij het stilzwijgen en zag met zijn starre oogen, die hij wijd had opengesperd, in de richting van de donkere opening der deur.

«Gij vraagt mij, of ik ooit verliefd ben geweest. Ja, dat ben ik,quot; zeide hij, de wenkbrauwen optrekkende. »Dat is mij langen tijd geleden overkomen, toen ik nog aan het theater verbonden was. Ik speelde de tweede viool en zij, zij woonde de opvoering bij in de baignoire d'avant-scène, aan de linkerzijde.quot;

Hij stond op en boog zich naar Delessov voorover om hem iets in het oor te fluisteren.

»Maar, neen, waarom zou ik u haar naam zeggen. Gij kent haar waarschijnlijk. Iedereen kent haar,quot; hernam hij.

»Ik deed niets dan haar bewonderen, wetende dat ik slechts een arme musicus was en zij een dame uit de

groote wereld.....Ik wist dat zeer goed, ik volstond dus

met mijn blik op haar te laten rusten en dacht verder aan niets.quot;

Albert verdiepte zich in zijn herinneringen, als wilde hij ze verzamelen.

»Hoe het gebeurd is, weet ik niet meer. Op zekeren dag liet zij mij verzoeken bij haar te komen, om haar op mijn viool te begeleiden. ... Maar ach! ik . . . een arme artist. . .. Neen, ik kan het niet vertellen,quot; zeide hij, zijn hoofd in beide handen vattende . . . »ik kan het niet. . . . O, wat was ik gelukkig!quot;

-ocr page 32-

28

»Zijt ge dikwerf bij haar geweest?quot;

»Een enkele maal . . . maar het was mijn eigen schuld, ik was als krankzinnig.... Ik, een arme musicus en zij een dame van de groote wereld! . . Ik had haar niets moeten zeggen, maar ik was gek en deed allerlei dwaze dingen. Sinds dien dag was alles uit. Petrov zeide zoo terecht: ge hadt haar nooit anders dan in het theater moeten zien . . .quot;

»Maar wat hebt gij dan gedaan?quot;

»Wacht, . . . wacht. . . Neen, ik kan het niet vertellen.quot;

En, zijn gelaat met beide handen bedekkende, bewaarde hij andermaal het stilzwijgen.

»Op zekeren avond kwam ik wat laat in het orchest; wij hadden niet Pétrov een glas wijn gedronken en ik was eenigszins beneveld. Zij bevond zich in haar loge en sprak met een mij onbekend generaal. Zij zat voor in de loge en liet haar hand op den fluweelen rand rusten. Zij droeg een wit kleed en een snoer paarlen om den hals. Al sprekende met den generaal, zag zij mij tweemaal aan. Haar kapsel was .. . zoo... Ik speelde niet, ik zat bij de bas ... en bewonderde haar. Op dat oogenblik vond er iets zonderlings in mij plaats: zij lachte den generaal toe, terwijl zij mij aanzag. Toen begreep ik, dat zij over mij sprak en plotseling zag ik mij niet langer in het orchest, maar in haar loge, aan — haar zijde, haar arm in den mijne.quot;

»Wat kon dat beduiden?quot; vroeg Albert na een wijle.

»Spel der verbeelding,quot; zeide Delessov.

«Neen, neen .... maar och, ik kan het niet vertellen. Toen was ik reeds arm, ik had geen dak om onder te slapen en somtijds bleef ik daar . . . .quot;

»Waar? in het theater? In een ledige donkere zaal?quot;

-ocr page 33-

29

»0, dat is mij geheel onverschillig; maar wacht ... nadat iedereen vertrokken was, ging ik naar haar loge en trad er binnen... Dat was mijn ecnige geluk! Welke nachten heb ik daar doorgebracht! Er ging dan zooveel aan mijn geestesoog voorbij, dat ik het u thans onmogelijk alles zou kunnen vertellen.quot;

Albert sloeg de oogen neder.

»Wat zou dat wel kunnen beteekenen?quot;

»Het is zeer zonderling,quot; zeide Delessov.

Neen, wacht . . . wacht . . . .quot;

En, zich naar Delessov voorover buigende, vervolgde hij op gedempten toon;

»Ik kuste haar hand, ik schreide en fluisterde haar allerlei woorden toe . . . De geur der parfumeriën, welke zij gewoon was te gebruiken, trof mij ... ik hoorde haar stem. . . Op zekeren nacht sprak zij tot mij; toen nam ik mijn viool, ik ging spelen en speelde langen, langen tijd. Plotseling, echter, werd quot;ik angstig. . . Anders ben ik niet bang voor dergelijke dwaasheden en bekommer er mij niet om, maar ik was bang voor mijn arm hoofd,quot; zeide hij met een aandoenlijk glimlachje, »ik was bang voor mijn arm verstand, want het scheen mij toe, dat er iets in mij brak.. . Misschien beteekent dat evenmin iets? Wat denkt gij er van ?quot;

Beiden bewaarden ecnige oogenblikken het stilzwijgen. »Und wenn die Wolken sie verhüllen Die Sonne bleibt doch ewig klar,quot;

zong Albert met een flauw glimlachje om de lippen. En hij voegde er aan toe:

»Ich auch habe gelcbt und genossen.quot;

quot;O, de oude Pétrov zou dat alles verklaard hebben.quot;

Delessov beschouwde zwijgend en met schrik het bleeke, verwrongen gelaat van zijn vriend.

-ocr page 34-

30

»Kent gij de Juristen Waker? riep Albert plotseling uit. En, zonder het antwoord af te wachten, stond hij op, greep de viool en begon een vroolijke wals te spelen. Zich geheel vergetende en zich verbeeldende, dat een orchest niet hem mede speelde, glimlachte hij, wiegde op zijn beenen heen en weder, stampte met de voeten en speelde met woede.

»En nu, weg met de vroolijkheid,quot; zeide hij, toen hij geëindigd had. «Nu ga ik praten,quot; vervolgde hij, zich weer op den rand van het bed nederzettende. »En gij, gaat gij met mij mede ?quot;

'Waarheen rquot; vroeg Delessov verwonderd.

»Naar Anna Ivanovna. Daar is het vroolijk, er wordt leven en muziek gemaakt en er zijn veel mcnschen.quot;

Eerst wilde Delessov toestemmen, doch hij bedacht zich en trachtte Albert te overreden, dien avond niet uit te gaan.

»Ik zal niet lang uitblijven,quot; antwoordde hij.

»Geloof mij, ga van avond niet uit.quot;

Albert slaakte een zucht en legde de viool neder.

»Dan zal ik thuis moeten blijven.quot;

Hij wierp een blik naar de ledige flesch en, na zijn vriend een goeden nacht toegewenscht te hebben verliet hij de kamer.

Delessov schelde.

»Let op, laat meneer Albert niet uitgaan, zonder mij te waarschuwen,quot; zeide hij tot Zakhare.

VI

De volgende dag was een feestdag. Na opgestaan te zijn, begaf Delessov zich naar zijn salon en

-ocr page 35-

31

gebruikte, al lezende, zijn koffie. In het aangrenzende vertrek, dat door Albert bewoond werd, hoorde men nog niet het minste gedruisch. Zakhare deed behoedzaam de deur open en keek in de eetkamer. »Zoudt gij het wel willen gelooven, Dmitri Ivanovitch, dat hij zoo maar op den divan slaapt, zonder matras of deken. Hij heeft niet gewild, dat men iets onder hem legde. Werkelijk, het is precies een kind 1 Een waar artist! . . .quot;

Tegei1 twaalf uur hoorde men Albert kuchen.

Zakhare ging andermaal zijn kamer binnen en weldra ontstond er een kleine woordenwisseling tusschen hen. Zakhare liet zijn stem dalen, terwijl die van Albert smeekend klonk.

»Wat is er?quot; vroeg de barine, toen Zakhare terugkwam.

»Hij verveelt zich, Dmitri Ivanovitch; hij wil zich niet wasschen; hij is somber en vraagt steeds om te drinken.quot;

»Neen, wij moeten volhouden,quot; zeide Delessov bij zich-zelven. En, geen order gevende om Albert wijn te schenken, hervatte hij zijn lectuur. Onwillekeurig luisterde hij echter wat er in de eetkamer voorviel. Het was er doodstil; slechts een enkele maal hoorde hij hem pijnlijk hoesten en opgeven.

Aldus verliepen twee uren. Delessov ging zich kleeden, doch alvorens uit te gaan, wilde hij zien wat zijn huisgenoot deed. Albert zat 'onbewegelijk bij het raam; zijn hoofd rustte op zijn over elkander gekruiste armen. Toen Dmitri Ivanovitch binnentrad, zag hij om; zijn geel, weggetrokken gelaat had een droevige, innig treurige uitdrukking. Hij trachtte te glimlachen, wat hem een nog ongelukkiger aanzien gaf; het was alsof hij op het punt stond van in tranen uit te breken. Niet dan met moeite stond hij op en groette.

-ocr page 36-

32

»Mag ik u om een klein glaasje brandewijn verzoeken,quot; zeide hij smeckend. »Ik ben zoo zwak... Ik bid ul.. .'

«Koffie zou veel beter voor u zijn; gebruik die liever.'

Koel en zonder te antwoorden, zag Albert met matten blik uit het venster en zonk achterover in zijn stoel.

»Wilt ge liever ontbijten?quot;

»Neen, dank u, ik heb geen honger.quot;

Delessov legde de viool op tafel neder.

«Wanneer ge wilt spelen, hindert het mij niet.'

Albert wierp een minachtenden blik op de viool.

„Neen, ik ben te zwak, ik kan niet spelen.quot;

Tegelijkertijd schoof hij het instrument weg.

Daarop stelde ACblt;5t hem voor, te gaan wandelen of des avonds naar het theater te gaan. . . Als eenig antwoord knikte Albert onderworpen met het hoofd.

Delessov ging heen. Hij legde eenige bezoeken af en dineerde in de stad. Alvorens naar het theater te gaan, keerde hij huiswaarts om zich te kleeden en iets naders omtrent den musicus te vernemen.

Albert zat in de zijkamer in het donker en leunde met zijn hoofd op zijn handen, den blik gericht op den snorrenden kachel. Hij was netjes gekleed, gewasschen en gekamd. Van af den morgen, echter, was hij hoe langer hoe zwakker geworden, daarvan getuigden zijn ingevallen oogen en de afgematte houding van zijn geheele lichaam.

»Hebt gij gedineerd, meneer Albert?quot; vroeg Delessov.

Albert knikte toestemmend en na Delessov met een soort van angst aangezien te hebben, sloeg hij de oogen neder. Dmitri Ivanovitch gevoelde zich niet op zijn gemak.

«Van daag heb ik met den directeur van de opera over u gesproken,quot; zeide hij, op zijn beurt de oogen neder-

-ocr page 37-

33

slaande. Hij is genegen u in zijn orchest op te nemen, wanneer ge u zoudt willen doen hooren.quot;

«Dank u, ik kan niet spelen.quot; mompelde Albert zeer zacht. Daarop ging hij naar zijn kamer, de deur behoedzaam achter zich sluitende. Eenige oogenblikken later deed hij haar weer open en bracht de viool mede, welke hij op een stoel nederlegde, terwijl hij een heimelijken, boosaar-digen blik op Delessov wierp.

Dmitri Ivanovitch haalde de schouders op en glimlachte.

»Wat kan ik nog meer voor hem doen?... In welk opzicht kan hij zich over mij beklagen rquot; vroeg hij zich af.

Daarop begaf hij zich naar het theater.

»Nu, en de musicus?quot; was zijn eerste vraag, toen hij midden in den nacht thuis kwam.

quot;Het gaat slecht met hem,quot; zeide Zakhare kortaf en onvriendelijk. »Hij doet niets dan zuchten en hoesten; hij spreekt geen woord, alleen heeft hij mij herhaaldelijk om brandewijn gevraagd. Ik heb hem een klein glaasje gegeven , want door het hem altijd te weigeren, Dmitri Ivanovitch, zou men hem wel eens kwaad kunnen doen. Die bediende, bijvoorbeeld. . . .quot;

»Speelt hij geen viool?quot;

»Hij raakt haar zelfs niet aan. Ik heb hem haar tweemaal gebracht, maar altijd legde hij haar weer stillekens neder,quot; antwoordde Zakhare. »lk mag hem dus geen wijn geven ?quot;

»Neen, wacht nog een dag, dan zullen wij zien hoe het gaat. Wat doet hij nu ?quot;

»Hij heeft zich in het salon opgesloten.quot;

Delessov trad zijn werkkamer binnen en zocht er eenige Fransche boeken uit, alsook een Evangelie in het Duitsch.

quot;Leg die boeken morgen in zijn kamer en draag zorg dat hij niet uitgaat.quot;

3

-ocr page 38-

34

Den volgenden dag deelde Zakhare zijn barine mede, dat de musicus den geheelen nacht niet geslapen en in alle kamers rondgedwaald had.

• Hij is zelfs naar het buffet gegaan en heeft getracht het te openen, gelukkig had ik er uit voorzorg den sleutel afgenomen.quot;

Zakhare vertelde voorts nog dat hij, den schijn aannemende, alsof hij sliep, Albert in de duisternis had hooren spreken en had gezien dat hij de handen ten hemel hief.

Albert werd van dag tot dag somberder en stiller; hij koesterde schijnbaar vrees voor Delessov, want zijn gelaat verried een ziekelijke ontsteltenis, wanneer hun oogen elkander ontmoetten. Hij raakte noch de viool noch de boeken aan en antwoordde op geen der vragen, welke men hem deed.

Op zekeren avond kwam Delessov vermoeid en ontevreden thuis; het was reeds Iaat. Hij had den geheelen dag boodschappen gedaan voor een zaak, die hem zeer eenvoudig toescheen, en had die, zooals dat zoo vaak gaat, ondanks alle genomene moeite, geen schrede vooruitge-bracht. Bovendien had hij in de club nog geld verloren. Hij was dus uiterst slecht geluimd.

»Laat hem zijn gang gaan!quot; zeide hij tot Zakhare, die hem op de hoogte bracht van Albert's droevigen toestand. »Morgen zal ik de zaak wel uitmaken. Wil hij al dan niet bij mij blijven en mijn raad opvolgen ? Anders des te erger voor hem. Dan heb ik althans alles gedaan, wat in mijn vermogen was. Men moet goed willen doen! Ik getroost mij allerlei last om zijnentwille, ik houd dat onzindelijke schepsel, dat mij verhindert des morgens bezoek te ontvangen, in mijn huis! Ik doe mijn best, ik tracht hem een plaatsing te bezorgen en hij beschouwt mij als

-ocr page 39-

35

een beul, die hem bij wijze van vermaak, in een kooi gevangen houdt. Bovendien wil hij niet medewerken, zoo zijn zij allen!quot; vervolgde hij. (Dit „allenquot; had betrekking op de mannen in het algemeen en in het bijzonder op hen, met wie Delessov in den loop van dien dag te doen had gehad.) »Wat gaat er toch in hem om? Wat denkt hij? Waarover heeft hij verdriet? Betreurt hij het tuchtelooze leven, waaraan ik hem ontrukt heb ? De vernedering en ellende, waaruit ik hem gered heb ? Ach, waarschijnlijk is hij zóó laag gevallen, dat het hem thans moeielijk valt een fatsoenlijk leven te leiden. Neen, werkelijk, het was te naïf van mij om zoo te handelen. Hoe kan ik mij opwerpen om anderen te verbeteren, als ik niet eens weet mij zelf goed te gedragen ?' Daarop besloot hij Albert onmiddellijk te laten vertrekken, doch, na eenig nadenken, wilde hij dat liever tot den volgenden dag uitstellen en ging toen naar zijn slaapkamer.

Hij stak zijn kaars aan en luisterde, niet zonder verwondering, naar een woordenwisseling in het aangrenzende vertrek.

»Wacht eens, ik zal het aan Dmitri Ivanovitch zeggen,quot; zeide Zakhare op dreigenden toon, terwijl Albert allerlei onverstaanbare woorden prevelde.

Delessov stond haastig op en liep met zijn kaars naaide andere kamer. Zakhare, in nachtgewaad, verdedigde de deur tegen Albert, die, in zijn almaviva gewikkeld, met zijn breedgeranden hoed op het hoofd, hem daarvan wilde verwijderen, hem op klagenden toon toeroepende: »Gij kunt mij hier niet houden; ik heb een paspoort en ik heb niets gestolen. Gij kunt mijn zakken doorzoeken.._ Ik zal naar den commissaris van politie gaan.

»Ziet eens aan, Dmitri Ivanovitch,quot; zeide Zakhare, nog

-ocr page 40-

36

altijd dc deur verdedigende, quot;meneer is in den nacht opgestaan, heeft de sleutels uit den zak van mijn jas genomen en een geheele flesch liqueur leeg gedronken. Is dat een fatsoenlijke manier van handelen? Nu wil hij weggaan; maar ik mag dat niet toelaten; u hebt het mij immers verboden ?quot;

Toen Albert Delessov bespeurde, voer hij nog heftiger tegen Zakhare uil.

«Niemand kan mij hier houden, niemand heeft het récht daartoe!quot; riep hij, zijn stem hoe langer hoe meer verheffende.

»Laat hem, Zakhare,quot; zeide Delessov. »Ik kan en wil u niet weerhouden; ik had u alleen willen raden, tot morgen ochtend te blijven,quot; vervolgde hij tot Albert.

quot;Niemand kan mij hier houden, ik zal naar den commissaris gaan!quot; hernam deze, zich nog steeds tot Zakhare wendende, zonder Delessov aan te zien. «Hulp! Hulp!quot; riep hij uit alle macht.

quot;Waarom schreeuwt gij zoo? Wij zullen u niet weerhouden,quot; zeide Zakhare, de deur openende. Toen eerst zweeg Albert.

»Het is hen niet gelukt ... Zij wilden mij ten onder brengen. Maar neen!quot; zeide hij, zijn overschoenen aantrekkende. Hij verliet het huis, zonder afscheid te nemen en ging steeds voort met het prevelen van allerlei onverstaanbare woorden. Zakhare lichtte hem bij tot aan den koetspoort en keerde toen terug.

»Het is zoo beter, Dmitri Ivanovitch. De verzoeking was hem anders misschien te groot geweest. ... Ik mag er wel aan denken het zilver te tellen.quot;

Delessov schudde, als eenig antwoord, het hoofd.

Hij herinnerde zich weer de twee eerste avonden, die hij met den musicus had doorgebracht, alsook de droevige

-ocr page 41-

37

dagen, welke daarop gevolgd waren. Bovenal dacht hij aan het zonderlinge gevoel van bewondering, liefde en medelijden, dat Albert hem had ingeboezemd; en hij beklaagde den ongelukkige nog dieper.

»Wat zal er nu van hem worden? zonder geld, zonder warme kleederen en geheel alleen in het midden van den naehtr...quot; Hij wilde hem Zakhare achterop zenden, doch bedacht zich, dat het te laat was.

»Is het koud?quot; vroeg hij.

«Het vriest hard, Dmitri Ivanovitch. Ik heb nog vergeten u te zeggen, dat ge voor het eind van den winter hout zult moeten inkoopen.quot;

»En ge zeidet, dat er zou overblijven.quot;

VII.

Het was inderdaad zeer koud. Doch Albert, verhit door den alcohol,quot; dien hij gedronken had, als ook door zijn twist met Zakhare, gevoelde het niet,

Eenmaal buiten gekomen, zag hij rond zich heen en wreef zich verheugd in de handen.

De straat was verlaten; de lange rijen lantaarns verlichtten die nog met haar roodachtig schijnsel. De hemel was onbewolkt en met sterren als bezaaid.

'Nu ? . . zeide hij, naar de verlichte vensters van Delessov's woning opziende.

En zijn handen in de zakken van zijn pantalon stekende, boog hij zich voorover en vervolgde met onvasten, zwaren tred zijn weg.

In zijn beenen en in zijn maag gevoelde hij een onbeschrijfelijke zwaarte, in zijn hoofd gonsde het, een onzichtbars macht wierp hem nu eens naar links dan weêr

-ocr page 42-

38

naar rechts, doch hij bewoog zich nog steeds in de richting van Anna Ivanovna's huis.

De meest onsamenhangende gedachten woelden in zijn verward brein. Het eene oogenblik herinnerde hij zich zijn laatsten twist met Zakhare, het andere stond hem plotseling de zeereis voor den geest, welke hem naar Rusland had gebracht. Een klein winkeltje voorbijgaande, dacht hij terug aan den genoegelijken avond, dien hij daar met een van zijn vrienden had doorgebracht.

Daarop kwam hem plotseling een bekende melodie in het hoofd, welke hem het voorwerp van zijn vurigen hartstocht en den vreeselijken nacht, dien hij in het theater had doorgebracht, in de gedachten riep. Ondanks het totale gemis aan samenhang, deden zich al deze herinneringen zoo duidelijk aan zijn geest voor, dat hij niet meer wist wat werkelijkheid was: hetgeen hij deed of hetgeen hij droomde. Hij gaf zich geen rekenschap van de beweging, welke hem naar zijn doel sleepte, noch op welke wijze zijn beenen hem droegen; hij stootte zich tegen de muren, en vervolgde werktuigelijk zijn weg, door een in-stinktmatige, onzichtbare kracht voortgedreven. Hij zag en voelde slechts datgene, wat zich in zijn verbeelding in den meest fantastischen vorm opvolgde en verwarde.

In de Malaia-Morskaia-straat struikelde hij en viel. Eenige oogenblikken later weêr tot zijn bewustzijn komende, vervolgde hij zijn weg en bevond zich weldra voor een prachtig groot gebouw. Aan den hemel stonden geen sterren, geen maan; geen schemering daagde; ook de lantaarns waren verdwenen en toch was alles duidelijk te onderscheiden. De vensters van het groote huis, dat zich voor Albert verhief en in zijn verbeelding hoe langer hoe meer naderbij kwam, schitterden van licht. Hij ging er

-ocr page 43-

39

binnen: de lichten flikkerden en verdwenen plotseling, toen hij den drempel van de groote poort had overschreden. Het was er donker; zijn voetstappen klonken hol onder het hooge gewelf; schimmen slopen rond en vloden heen, toen hij binnentrad. »Waarom ben ik hier eigenlijk heen gegaan?quot; dacht hij. Doch een onoverwinlijke macht voerde hem mede naar de groote zaal, in welker midden een verhevenheid stond, omringd door mannen van kleine gestalte.

»Wie zal er spreken?quot; vroeg Albert.

Niemand antwoordde; een hunner wees hem slechts de katheder, welke was ingenomen door een grooten, mageren man, met borstelige haren, en gehuld in een bontge-kleurden kamerrok. Albert herkende onmiddellijk zijn vriend Pétrov.

«Hoe vreemd, dat hij hier is!quot; zeide hij bij zich zeiven.

«Neen, broeders,quot; zoo begon Pétrov, op iemand wijzende, »gij hebt de-n man niet begrepen, die in uw midden leefde, gij hebt hem niet begrepen 1 Hij was niet een veil kunstenaar, een werktuig, hij was niet krankzinnig! Hij was een genie, een groot muzikaal genie, die onopgemerkt en onbegrepen in uw midden wegkwijnde!quot;

Albert vermoedde dadelijk van wien zijn vriend sprak, doch hem niet willende storen, boog hij bescheiden het hoofd. »Evenals een stroohalm liet hij zich geheel verteren door de heilige vonk, wier dienaren wij allen zijn, en hij onderging zijn noodlot. Daarom moet hij een groot man genoemd worden. Gij kunt hem verachten en vernederen, hem den martelaarskroon op het hoofd zetten,quot; ging Pétrov met trillende stem voort, »toch zal hij boven u allen verheven blijven. Hij is gelukkig, hij is goed, hij heeft ieder even zeer lief of veracht hen, wat precies

-ocr page 44-

40

hetzelfde is, maar hij buigt zich alleen voor de kunst en heeft slechts één zaak waarachtig lief; het schoone, dat het eenige ware geluk van deze wereld is. Ja, zoo is hij; kniel dus voor hem neder.quot;

«Knielen!quot; riep hij met donderende stem.

Daarop verhief zich van de tegenovergestelde zijde dei-zaal een andere, zachte stem.

»Ik wil niet voor hem knielen!quot; zeide zij.

Albert herkende ook deze stem; zij was die van Delessov.

»In welk opzicht is hij dan een groot man? Waarom zouden wij ons voor hem nederbuigen ? Gedroeg hij zich dan zoo uitstekend ? Was hij dan zoo nuttig voor de maatschappij ? Weten wij niet allen, dat hij geld leende, zonder het ooit terug te geven, dat hij eens een viool van een vriend gestolen heeft om die te verpanden.quot;

»Mijn God, hoe weet hij dat alles ?quot; vroeg Albert zich af, het hoofd nog dieper buigende.

»Weten wij niet allen, hoe hij voor de laagste menschen kroop, alleen om geld van hen meester te kunnen worden ? Hoe hij uit het orchest van het theater is weggejaagd ? Hoe Anna Ivanovna hem naar het politiebureau heeft willen laten brengen ?quot;

»Groote hemel, dat alles is waar!quot; zeide Albert en slaakte een diepen zucht. »Maar gij, gij, die weet waarom ik het deed, verdedig mij dan toch! . . .quot;

«Genoeg! Wee u!quot; hernam Pétrov. »Met welk recht beschuldigt gij hem? Hebt gij zijn leven geleefd? Zijn vreugde en zijn smart gedeeld?quot;

«Dat is waar! dat is waar!quot; mompelde Albert.

» De kunst is de meest verheven uiting van het menschelijk kunnen. Die goddelijke gave worden slechts enkele uitverkorenen deelachtig en deze verheft hen tot zulk een hoogte,

-ocr page 45-

41

dat zij licht door een duizeling overvallen worden en moeijelijk hun verstand kunnen bewaren. In de kunst, evenals in eiken anderen strijd, zijn er helden, die voor hunne zaak sterven, zonder den triomf te hebben mogen wegdragen!quot;

Pétrov zweeg; Albert hief het hoofd op en riep uit alle macht: «Dat is waar! dat is waar!quot;

Maar zijn stem bracht geen enkel geluid voort.

«Dat is uwe zaak niet!quot; zeide Pétrov hem op strengen toon. quot;Ja, verneder hem, veracht hem,quot; vervolgde hij, «hij is en blijft toch de edelste en gelukkigste van allen l1' Albert, die deze woorden met vreugde vernam, kon zich niet langer bedwingen. Hij snelde op zijn vriend toe en wilde hem omhelzen.

8 Loop naar den duivel! Ik ken je niet!quot; zeide Pétrov,

hem van zich stootende, «Ga uws weegs......quot;

«Wat is hij dronken,quot; vervolgde de agent, op wien Albert zich geworpen had. »Hij zal niet spoedig t'huis zijn.'' Albert stond stil en verzamelde al zijn krachten ; zich alle moeite gevende om zijn evenwicht te bewaren, sloeg hij een smal straatje in. Het huis van Anna Ivanovna was nog slechts enkele schreden van hem verwijderd. Sleden en rijtuigen stonden voor de koetspoort stil, terwijl het licht uit de vestibule op de sneeuw voor het huis viel. Zich met zijn verstijfde handen aan de leuning vastklemmende, liep hij snel de trap op en schelde. Het slaperige gezicht van de dienstbode verscheen door een kier van de deur.

« Gij kunt niet binnenkomen. Madame heeft mij verboden u in te laten,quot; zeide zij norsch en sloot de deur.

Albert zette zich op den grond neder, leunde met zijn hoofd tegen den muur en sloot de oogen. Een oogenblik later was hij weer door allerlei vage en toch welbekende

-ocr page 46-

42

visioenen omringd, die zich krachtiger dan ooit van hem meester maakten om hem mede te voeren naar het vrije rijk der droomen.

«Ja, hij is de edelste en gelukkigste!quot; klonk het altijd in zijn verbeelding. Daarbinnen werd een polka gespeeld, welker tonen eveneens zeiden, dat hij de edelste en gelukkigste was. De klok van de naburige kerk speelde en ook zij verkondigde, dat hij de edelste en gelukkigste genoemd kon worden.

« Ik ga weer naar die zaal,quot; dacht Albert, «Petrov heeft zeker nog veel te zeggen.quot;

De zaal was echter ledig; in plaats van den schilder Pétrov stond Albert nu zelf op de verhevenheid en speelde op de viool, datgene wat de stem zooeven gezegd had. Zijn viool was zonderling samengesteld en geheel van glas: men moest haar met beide handen vasthouden en haar zacht tegen de borst drukken om er tonen aan te ontlokken; en deze waren zoo zacht en zoo smeltend, dat het Albert toescheen ze nooit zoo gehoord te hebben. Hoe meer hij die viool tegen zijn borst drukte, des te gelukkiger gevoelde hij zich. Toen de accoorden luider weerklonken , verspreidden zich ijlings de schimmen en werden de muren van de zaal door een nog doorschijnender licht beschenen. Dat instrument moest uiterst behoedzaam bespeeld worden om het niet te breken; Albert wist dat en was voorzichtig. Hij bracht zulke schoone melodiën ten gehoore, dat hij zelf gevoelde dergelijke nimmer meer te zullen hooren. De vermoeienis begon hem reeds te overvallen, toen hij werd afgeleid door een verwijderd vaag geluid: het was een klok, die sprak. »Ja,quot; zeide zij, »hij schijnt u diep rampzalig toe, gij veracht hem, en toch is hij de edelste en de gelukkigste. Niemand zal dat

-ocr page 47-

43

instrument meer bespelen.quot; Deze woorden schenen Al. bert zoo waar, zoo nieuw en zoo juist toe, dat hij zijn spel staakte. Lang-zaam hief hij de oogen en de handen hemelwaarts ; hij gevoelde, dat hij edel en gelukkig was. Hoewel er zich niemand in de zaal bevond, richtte hij zich in zijn volle lengte op, wierp het hoofd fier in den nek en bleef op de verhevenheid staan, opdat ieder hem zou kunnen zien en bewonderen.

Plotseling werd er voorzichtig een hand op zijn schouder gelegd, hij zag om en bespeurde in het halfdonker een vrouw, die hem droevig aanzag, terwijl zij bedenkelijk het hoofd schudde. Hij gevoelde, dat hij verkeerd handelde en schaamde zich.

«Wat is er?quot; vroeg hij.

Wederom zag zij hem lang en strak aan en boog droevig het hoofd.

Ja, dat was zij, zijn geliefde; zij droeg hetzelfde gewaad als te voren. Rond haar blanken, gevulden hals droeg zij een pa-relensnoer, terwijl haar onberispelijk gevormde armen bloot waren. Zij nam hem bij de hand om hem uit de zaal te leiden.

»De uitgang is aan de andere zijde,quot; waarschuwde Albert. Zij glimlachte zonder te antwoorden en, zonder dat hij begreep hoe, kwamen zij buiten. Toen ontrolde er zich een vreemd, maar prachtig schouwspel voor hem: onder zijn voeten, boven zijn hoofd, aan zijn linker- en aan zijn rechterhand, voor en achter hem, strekte zich overal een onmetelijke, kalme watervlakte uit, samensmeltende met het bleeke schijnsel der maan; deze scheen niet meer te bestaan, doch haar blauwachtig schijnsel was over het water verspreid en verlichtte hen beiden. Albert wierp zich met haar in de maan en in het water; hij begreep, dat hij haar, die hij boven alles liefhad, thans aan het hart kon drukken en gevoelde zich onbeschrijfelijk gelukkig.

-ocr page 48-

44

»Maar is het geen droom?quot; vroeg' hij zich af.

Neen, het was meer clan werkelijkheid, het was werkelijkheid en herinnering beide.

Hij gevoelde, dat dit onuitsprekelijke geluk hem zou ontvlieden om nimmermeer terug te keeren.

»Waarom schrei ik toch rquot; vroeg hij aan zijn gezellin.

Droevig zag zij hem aan. Albert begreep wat zij wilde zeggen. quot;Wat dan? Ik leef....quot;

»Dat is ontzettend! Hoe zal ik haar verklaren, dat ik leef?quot; vroeg hij zich ontsteld af. »Mijn God, ik leef, begrijp dat dan toch 1quot; mompelde hij.

»Hij is de edelste en de gelukkigste,quot; zeide een stem.

Albert voelde zich hoe langer hoe meer benauwd. Was het de maan of het water? Waren het de tranen en de omhelzing van zijn geliefde? Hij wist het niet. Hij gevoelde slechts, dat hem de tijd zou ontbreken om alles uit te spreken en dat weldra alles geëindigd zou zijn.

Twee getrouwe bezoekers van Anna Ivanovna's huis stootten, huiswaarts keerende, tegen het bewustelooze lichaam van den musicus; een van hen ging terug om haar te roepen.

»Dat is al te wreed!quot; zeide hij. «Gij zoudt hem van koude doen sterven!quot;

»Ach, het is Albert! Neen, daar heb ik genoeg van!quot; antwoordde Anna Ivanovna. »Annouchka,quot; zeide zij tot de dienstbode, »leg hem ergens in een kamer.quot;

Toen Albert werd opgenomen, bleek het, dat hij reeds

Nog eenmaal smolt het droombeeld met de werkelijkheid samen en kon de stem zeggen, dat hij de edelste en de gelukkigste van allen was.

-ocr page 49-

DE GESCHIEDENIS VAN EEN PAARD,

-ocr page 50-
-ocr page 51-

I.

üc schaduwen des nachts vloden henen voor de eerste stralen der opgaande zon ; de dageraad kleurde den hemel, welks gewelf zich hoe langer hoe meer scheen te ver-hoogen. De matzilveren dauw leek hoe langer hoe witter

en in het woud keerde de levendigheid terug.....

Ook in den hof van de stallen der groote stoeterij scheen alles te ontwaken; de paarden hinnikten van ongeduld en snoven en trappelden in het stroo.

»Hola! Is er zulk een haast bij? Hebt jelui zoo'n honger:quot; riep een oude knecht van de paardenfokkerij, terwijl hij de koetspoort, welke op haar hengsels knarste, openmaakte.

»Waar wilt ge heen?quot; vervolgde hij, de hand leggende op een jonge merrie, die van de gelegenheid gebruik wilde maken om door de openstaande deur te ontsnappen.

Nestor, de oude knecht, droeg een caftan, om het middel door een met stalen knoppen versierden riem bijeen gehouden, de zweep lag over den schouder, aan zijn gordel hing, in een doek, een stuk brood, terwijl hij een zadel en een hoofdstel in zijn hand hield.

De paarden schenen noch verschrikt noch gegriefd door den norschen toon van hun bewaker; zij sloegen geen acht op hem en verwijderden zich met langzamen tred

-ocr page 52-

48

van de deur. Slechts een oude, donkerbruine merrie, met lan^e manen, spitste de ooren en keerde hem zijn croupe toe.

Van deze gelegenheid gebruik makende, begon de jeugdige weerspannige, wien de berisping van den knecht in het minst niet gold, luid te hinniken en bracht een oud paard, dat onbewegelijk naast hem stond, een ruwen slag toe.

»Hola!quot; riep de oude nu op nog dreigender toon, zich achter in den hof begevende.

Onder allen was er één, een bont paard, dat afgezonderd onder het afdak stond, zonder eenig teeken van ongeduld aan den dag te leggen. Met half gesloten oogen lekte hij den eikenhouten balk van het dak.

»Geen dwaasheden!quot; zeide de knecht, op hem toetredende, terwijl hij het zadel en het versleten dekje, welke hij in de hand hield, op een mesthoop nederlegde. Het bonte paard hield op en zag den ouden Nestor lang en zonder zich te bewegen aan. Hij glimlachte niet, maakte zich niet boos, zag niet stuursch of ontevreden, maar ging een schrede voorwaarts, slaakte een diepen zucht en wendde zich af.

De knecht sloeg den arm rond den hals van het dier om hem het hoofdstel aan te doen.

»Waarom zucht gij toch?quot; vroeg hij.

Het paard bewoog als eenig antwoord zijn staart heen en weder, als wilde hij zeggen:

»Het is niets. Nestor.quot;

Nestor legde hem eerst het dekje en toen het zadel op; het dier legde de ooren achterover, alsof hij daardoor zijn ontevredenheid wilde toonen, dat hij met zoo weinig eerbied bejegend werd. Toen de oude den singel wilde aanhalen, blies het paard zich op en hield zijn adem in; Nestor

-ocr page 53-

49

echter, stak den vinger in zijn mond en gaf hem een schop tegen zijn buik, zoodat het dier den adem moest uitblazen. Ondanks deze bestraffing, sloeg hij andermaal, terwijl de oude met zijn tanden den singel aanhaalde, de ooren neder en schudde zijn groot hoofd heen en weder. Ofschoon hij volkomen overtuigd was, dat alle tegenstand nutteloos was, rekende hij het toch lot zijn plicht, te toonen dat de wijze, waarop met hem gehandeld werd, hem onaangenaam was en dit altijd voor' hem zou blijven. Eens gezadeld, bewoog hij een van zijn voorbeenen, dat eenigszins stijf was, en ging op zijn gebit bijten, ongetwijfeld met een bijzonder oogmerk, daar hij op zijn leeftijd wel wist, dat staal geen smaak had.

Nestor klom op het paard, nam de zweep in de hand, trok zijn caften af, zette zich dwars op het zadel en nam de teugels in de hand. Het paard hief het hoofd op, daarmede te kennen .willende geven, dat hij bereid was te gehoorzamen, doch hij verroerde zich niet; sinds lang wist hij, dat er, alvorens te vertrekken, verscheidene orders aan den jongen knecht, Vaska genaamd, gegeven moesten worden.

Nestor begon dan ook inderdaad luidkeels te roepen.

»Vaska 1 zeg, Vaska! Hebt gij de merries losgelaten? Waar gaat gij, duivel, heen? Heidaar! slaapt ge? Doe de deur open en laat eerst de merries uit.quot;

De deur ging knarsend open. Vaska, die slaperig en woedend was, hield de teugels van zijn paard vast en liet de andere paarden naar buiten gaan, Een voor een gingen zij, het stroo besnuffelend, voorbij; eerst kwamen de jonge merries, daarop volgden de kleine veulens en eindelijk de drachtige merries, die uiterst behoedzaam den drempel overschreden. De jonge merries schaarden zich met hun tweeën of drieën bij elkander; zij

4

-ocr page 54-

50

legden hun hoofd op den rug van hun makkers en konden zoodoende, toen zij bij de deur gekomen waren, geen pas meer vooruit gaan. Zij werden bestraft en drongen zich tengevolge daarvan des te dichter tegen elkander aan. De heele kleine veulens verloren hun moeder, wierpen zich voor andere merries neder en antwoordden door hun gehinnik op het geroep van de eerste.

Een jonge, ondeugende merrie boog het hoofd en schopte, zoodra zij zich in vrijheid gevoelde, terwijl zij een droevig gehinnik liet hooren. Zij durfde zich echter niet voor de oude, grijze merrie Jouldiba plaatsen, die altijd met een bedaarden langzamen tred, waggelend aan het hoofd van de stoeterij ging.

De hof, die eenige oogenblikken te voren nog zoo vroolijk was, werd stil en eenzaam. Men zag niets dan de verlaten plaatsen en de hoopen stroo.

Dit sombere tooneel scheen het bonte paard te bedroeven en toch was hij er sinds lang aan gewoon. Langzaam hief hij het hoofd op, boog het daarna weder even langzaam neder, als wilde hij iemand groeten, zuchtte in zooverre de singel het hem veroorloofde en volgde toen, zich op zijn oude, stramme beenen met moeite voort bewegende, met Nestor op den rug, zijn andere makkers.

»lk weet wat hij nu gaat doen,quot; zeide hij bij zich zelf; quot;zoodra wij op den grooten weg komen, zal hij zijn pijpje uit zijn zak halen, dat door middel van zijn vuursteen aansteken en gaan rooken. Ik mag dat wel. De geur van de tabak, vermengd met de frissche morgenlucht, is mij in den ochtend recht aangenaam en herinnert mij steeds aan den goeden, ouden tijd !

Het is alleen maar jammer, dat de oude zich allerlei dingen verbeeldt, wanneer hij die pijp in den mond heeft;

-ocr page 55-

51

hij richt zich fier op in den zadel, hangt de groote heer uit, houdt juist zijn twee beenen tegen de zijde, die mij

pijn doet..... Maar ach, God zij met hem! Het is voor

mij niets nieuws te lijden ten genoegen van anderen, ik begin zelfs er op mijn wijze, eenige voldoening van te smaken. Laat hij zijn beenen dan maar aan die zijde houden!quot; zeide het oude paard bij zich zeiven, langzaam met zijn zwakke beenen, op het midden van tien weg voort-tredende.

II.

Toen Nestor den oever van de rivier bereikt had, waaide paarden moesten grazen, steeg hij af en ontdeed zijn ros van zadel en hoofdstel. Langzamerhand verspreidde de troep zich langs den groenen zoom, die nog met dauw bedekt was ; • een dunne nevel steeg van den vochtigcn bodem op en verhief zich langzaam. Na het zadel afgenomen te hebben, streelde Nector den hals van het oude paard, dat om zijn dankbaarheid te bewijzen, de oogen sloot.

»Hij mag dat wel, mijn oudje!quot; zeide Nestor.

Het paard vond echter niet het minste genoegen in die liefkoozing en deed alleen uit beleefdheid, alsof hij er bijzonder mede ingenomen was. Toestemmend boog hij het hoofd.

Plotseling en zonder de minste aanleiding stootte Nestor, die misschien vermoedde, dat het paard deze liefkoozing als een bewijs van te groote gemeenzaamheid zou aanmerken, het hoofd van het dier ruw van zich af en gaf hem bovendien een slag met de teugels; daarop verwijderde hij zich zwijgend en zette zich bij den ouden boom-

-ocr page 56-

52

stam neder, waar hij zijn dag- placht door te brengen. Deze onbescheidenheid griefde het oude paard, niettegenstaande hij er niets van liet blijken, en al grazende en zijn staart heen en weder bewegende, begaf hij zich naar de rivier. Hij bekommerde zich in het minst niet om de jonge merries en de kleine veulens, die, gelukkig in hun vrijheid, dartelden en stoeiden. Bij ervaring wetende, dat niets zoo gezond is als des morgens, op de nuchtere maag, koud water te drinken, ging hij naar den oever van de rivier, zocht het minst diepe plekje uit, waar de strooming tevens het minst snel was, en stak zijn neusgaten in het water; langzaam slurpte hij nu met zijn oude, ingescheurde lippen het koele vocht op. Naarmate zijn buik zwol, ging hij zich des te behagelijker gevoelen, en, om dit welbehagen aan den dag te leggen, bewoog hij zijn afgesleten, kalen staart heen en weder.

Een kleine, lichtbruine merrie, die er altijd vermaak in schepte om den armen oude te plagen, deed alsof zij hem niet zag en morste in het water, dat hij met zooveel genot dronk. Het bonte oudje was reeds klaar; hij deed alsof hij den trek, welken de kleine merrie hem had willen spelen, niet bespeurde, trok zijn beenen een voor een uit het water terug en ging vreedzaam op eenigen afstand van de jeugd grazen. Hiermede ging hij gedurende drie uren met den meesten ernst voort, zich steeds alle moeite gevende het gras zoo min mogelijk te vertrappen. Toen hij verzadigd was, hing zijn buik als een zak omlaag, waardoor zijn huid strak over zijn magere flanken werd getrokken. Daarop ging hij op zijn vier beenen staan, op alle gelijkelijk rustende, ten einde zich zoo min mogelijk te vermoeien, en sliep kalm in.

Er zijn allerlei soort van ouderdommen: de eerbied-

-ocr page 57-

53

waardige ouderdom, de afschuwwekkende ouderdom en die, welke ons een diep medelijden inboezemt. Die van het oude paard was afschuwwekkend en eerbiedwaardig tevens; hij bood een afstootend beeld van het verval, terwijl de vlekken op zijn huid nog tot zijn leelijk uiterlijk bijdroegen, en toch gaf zijn kalmte, het bewustzijn van de echtheid en de kracht van zijn ras hem een zekere grootheid, die ontzag inboezemde. Hij had een hooge gestalte, zijn huid was eertijds zwartbont geweest, maar langzamerhand vaalbruin geworden. . . . Hij had drie groote vlekken: een op zijn hoofd, aan de rechterzijde, bij zijn mond, welke zich tot in den hals uitstrekte; de tweede bevond zich op zijn rechterzijde en liep tot halverwege den buik, de derde besloeg den geheelen croupe. Zijn lange, ongekamde manen waren half bruin en half wit, terwijl de punt van zijn staart deze beide kleuren in een onzindelijke tint vereenigde. Zijn groot beenig hoofd, met de twee diepe holten boven zijn oogen en de zwarte, ingescheurde lip, scheen aan zijn magere gebogen nek slechts te hangen. Door zijn half geopenden mond zag men een gedeelte van zijn zwartachtige tong en de gele overblijfselen van zijn ondertanden. Zijn ooren, waarvan er een gespleten was, hingen aan weerszijden van zijn hals en richtten zich slechts uiterst zelden op om de al te lastige vliegen te verwijderen. Van zijn maantop waren nog maar eenige weinige haren over, welke achter zijn linkeroor hingen. Het ontbloote voorhoofd was ingevallen en rimpelig; zijn vel was te ruim voor de magere wangen ; de aderen vormden groote knoopen langs zijn hoofd en hals en trilden telkens als een vlieg er zich op nederzette. Zijn voorbeenen, die zich boogvormig gekromd hadden, waren rond de hoeven gezwollen; het linker had

MS-

-ocr page 58-

54

bovendien een groote bult bij de knie. De achterbeenen waren minder gebrekkig-, maar doordien hij ze altijd tegen elkander sloeg, hadden zij sinds lang hun haar verloren. In vergelijking met het lichaam, schenen de beenen veel te lang. De flanken waren, ofschoon rond, toch mager en slechts door de huid bedekt, welke tusschen de ribben als vastgeplakt scheen. De schoft en de rug droegen de sporen van oude bestraffingen; meer achterwaarts zag men nog een nieuwe wond en een andere van vroeger datum, met haren bedekt, strekte zich op den bruinen croupe uit, terwijl op het rechter schouderblad een lidteeken zichtbaar was. Op het bovengedeelte van den dunnen staart teekenden zich de laatste rugwervels af; alle haar was verdwenen van dien staart, welke, evenals de hakken, door een voortdurende aandoening van zijn ingewanden, altijd vuil was. Het korte haar van zijn huid was over zijn gehcele lichaam ruig.

Toch zou een kenner, ondanks zijn afzichtelijk voorkomen, in hem onmiddellijk een raspaard gezien hebben. Hij zou namelijk hebben opgemerkt, dat slechts één ras in Rusland zulke hoeven, zulk een gebogen hals, zulk fijn haar en zulke zware beenderen had.

Zijn uiterlijk getuigde van oneindig veel leed en een onuitputtelijk geduld. Hij was als het ware een levende ruïne, te midden van de groene weide en de jonge paarden, die zich naar alle zijden verspreid hadden en de lucht met hun gehinnik vervulden.

III.

De zon was reeds boven het woud opgegaan en wierp haar schitterende stralen op de weide en op de rivier.

-ocr page 59-

55

Langzamerhand verdween de dauw en verspreidde de nevel zich in een lichte damp. Kleine, witte wolkjes pakten zich samen, doch de lucht bleef helder. Aan de andere zijde van de rivier strekte zich een veld met nog onrijp koren uit. De geur van bloemen en groen vervulde de lucht. In de verte hoorde men den koekoek, terwijl Nestor, op den rug liggend, berekende hoeveel jaren hem nog te leven zouden overblijven. De leeuwerikken verhieven zich boven de weiden. Een haas, die zich verlaat had, werd door de paarden ingesloten, doch wist nog in allerijl te ontkomen, verborg zich toen achter een struik en spitste de ooren.

Vaska was, het hoofd in het gras latende rusten, intus-schen weer ingeslapen.

De merries, die van haar vrijheid gebruik maakten, verspreidden zich naar alle zijden. De oudste onder haar kozen een stil plekje uit, waar zij ongestoord konden grazen, doch zij graasden niet meer, zij zochten slechts sappige grassprietjes uit, waarop zij vol genot kauwden. Onwillekeurig begaven allen zich in dezelfde richting, en weer ging de oude Jouldiba aan het hoofd en wees hun den weg.

De jonge merrie Mouchka, die voor de eerste maal gejongd had, hinnikte voortdurend, terwijl zij zich spelend met haar klein veulen bezig hield. De jeugdige Allhskaïa, met haar zijde-achtige huid, speelde met het gras, en boog daarbij het hoofd zoover voorover, dat heur haren heur oogen en mond geheel bedekten. Zij beet een grasje af en wierp het vervolgens weg, terwijl zij met haar fijnen hoef op den vochtigen grond stampte. Een van de oudste veulens, die een nieuw spel liad uitgedacht, liep voor de twintigste maal rond zijn moeder, den staart als een pluim ophoudende; deze echter, gewoon aan het opgewekte

-ocr page 60-

56

humeur van haar jong, ging kalm met grazen voort en wierp hem slechts nu en dan een blik uit haar donkere oogen toe. Een van de kleinste veulens daarentegen, een zwartje met een groot hoofd en den maantop recht overeind , wat hem een verwonderd aanzien gaf, volgde onbewegelijk met verbaasden blik de uitgelatenheid van zijn kameraad en scheen zich af te vragen waarom hij al die kromme sprongen maakte. Men zou niet hebben kunnen zeggen of hij de bijzondere levendigheid van den ander goed- of afkeurde. Eenige van de kleintjes zagen er verschrikt uit; andere, die doof waren voor de roepstem van hun moeder, begaven zich, met hun jonge longen uit alle macht hinnikende, naar de tegenovergestelde zijde. Weer andere rolden in het gras. De oudste volgden het voorbeeld van de groote paarden en stonden vreedzaam te grazen. Twee merries, die moesten jongen, hielden zich op eenigen afstand van de anderen en schenen zich moeielijk voort te bewegen. Men zag, dat haar toestand eerbied inboezemde, zelfs aan de jeugd, die haar niet durfde lastig vallen. Wanneer een overmoedige het al waagde in haar nabijheid te komen, was één beweging van den staart of van het oog voldoende om hem tot de orde te roepen en hem de onvoegzaamheid van zijn gedrag onder het oog te brengen. De veulens, die den leeftijd van één jaar hadden bereikt, achtten zich reeds te groot om aan de uitgelaten vroolijkheid van hun jongere kameraden deel te nemen. Zij graasden kalm voort, hun halzen bevallig nederbuigende en hun nog korte staarten heen en weder bewegende om de ouderen na te doen; evenals deze rolden zij in het gras of wreven elkander den rug.

Het vroolijkste groepje was dat van de merries, die

-ocr page 61-

57

twee a drie jaar oud waren. Zij wandelden, evenals jonge meisjes, op eenigen afstand met elkander. Zij kwamen bij elkander staan; de een legde haar hoofd op den hals van de andere, zij besnuffelden elkander, maakten allerlei sprongen en gingen dan weer plotseling op de vlucht.

De mooiste en vroolijkste van allen was een lichtbruine merrie. Al de anderen volgden haar na in haar spelen en gingen, waar zij ook heen liep. Zij gaf den toon aan. Dien dag was zij uitgelaten vroolijk en scheen gestemd om zich bijzonder te vermaken. Reeds des morgens, bij de rivier, had zij in het water gemorst, dat het oude paard zoo vreedzaam stond te drinken; daarop had zij, den schijn aannemende ot' zij verschrikt was, de vlucht genomen, gevolgd door de geheele drift, zoodat Vaska ze niet dan met veel moeite had kunnen opvangen. Thans verzadigd, rolde zij in het gras of plaagde de oude merries door vóór deze te gaan loopen. Toen zij zag, dat een van de kleine veulens gezoogd werd, maakte zij hem aan het schrikken, liep hem achteraan en deed alof zij hem wilde bijten. De bezorgde moeder hield op met grazen, terwijl het veulen met een klagende stem ging schreeuwen, niettegenstaande de overmoedige merrie hem in het minst geen kwaad deed. Tevreden, dat zij haar kameraadjes, die haar met belangstelling gadesloegen, vermaakt had, verwijderde zij zich, alsof er niets gebeurd was. Daarop kreeg zij den inval een grijs paard, dat door een boer bereden, naderbij kwam, het hoofd op hol te brengen. Zij stond stil, wierp een trotschen blik rond zich, boog haar mooi hoofdje, schudde zich en hinnikte op kwijnenden toon. Dit gehinnik liet een belofte van liefde en een onbevre-digden wensch vermoeden.

De waterhoenders sprongen tusschen het riet en riepen

-ocr page 62-

58

hun vriendinnen met zaciite, hartochtelijke geluiden; verderop zongen de koekoek en de kwartel het lied der liefde en zonden de bloemen elkander in het zachte koeltje haar geurig zaad toe ... .

»Ook ik ben jong, schoon en sterk,quot; zeide het gehinnik van de overmoedige merrie, gt;;en toch heb ik de genoegens van dat overweldigende gevoel nog niet gesmaakt; geen enkele minnaar heeft mij zelfs ooit bewonderd.quot;

Het gehinnik klonk uitdagend en smartelijk tevens, en trof tot in de verte het ongelukkige paard van den moujik, dat de ooren spitste en stilstond. De boer gaf hem een schop, doch nog steeds onder den invloed van die trillende roepstem, bleef het dier staan en hinnikte op zijn beurt. Toen werd de moujik boos en gaf hij hem zulk een harden schop tegen zijn buik, dat hij midden in zijn gehinnik bleef steken en zijn weg vervolgde. Hij was droevig te moede en luisterde nog langen tijd naar de teedere roepstem, welke van uit de verte tot hem kwam; langen tijd ook drong zijn klagend, hartstochtelijk gehinnik, nu en dan dooide ruwe stem van den moujik onderbroken, tot in de vlakte door. Wanneer de stem van de kleine merrie het grijze paard reeds zijn plicht kon doen vergeten, wat zou er dan van hem gekomen zijn, als hij haar had gezien zooals zij was: schoon, met schitterende oogen, met volle teugen de frische lucht inademende, terwijl er een rilling door haar fraai gevormd lichaam ging? Doch de kleine deugniet hield er niet van lang bij hetzelfde stil te staan. Toen de stem van het grijze paard in de verte verstomde, hinnikte zij op spottenden toon, woelde met haar hoef den grond los en, daarop den oude ziende, die kalm lag te slapen, liep zij naar hem toe om hem te wekken en te plagen. Het arme, bonte paard was de zondebok van de

-ocr page 63-

59

gelukkige jeugd, die hem nog meer kwelde dan de menschen, en toch had hij noch den een noch den ander ooit eenig kwaad gedaan.

De menschen hadden er behoefte aan, maar waarom lieten de jongen paarden hem niet met rust?

IV.

Hij was oud, zij waren jong; hij was mager, zij waren doorvoed; hij was droevig, zij waren vroolijk. Hij was een vreemde, een afzonderlijk schepsel, dat hen niet het minste medelijden kon inboezemen. Paarden hebben geen mededoogen dan voor zich zeiven of voor hen, in wier huid zij zouden kunnen komen.

Was het de schuld van het arme paard, dat hij niet op hen geleek, dat hij oud, mager en leelijk was? . . . . Schijnbaar was het niet zijn schuld, doch volgens de logica der paarden was dat wel het geval. Hij had alles tegen en zij, die jong, sterk en gelukkig waren, die nog een toekomst voor zich hadden, die hun staart als een pluim omhoog konden doen gaan en bij de minste aanraking trilden, zij hadden alles voor in de wereld. In zijn oogenblikken van kalme overdenking moest het bonte paard zelf erkennen, dat hij niets in zijn voordeel had, dat zijn leven ten einde spoedde en dat hij voor het vervlogen genot moest boeten, doch hij was maar een paard en kon zich niet genoeg beheerschen om niet in opstand te komen tegen die jeugd, welke hem strafte voor hetgeen hen allen in een meer of minder verwijderd verschiet wachtte. Nog een andere aanleiding voor hun wreedheid was hun trots op hun afkomst. Ieder van hen stamde door zijn vader of moeder van den beroemden Smetanka af.

-ocr page 64-

60

Het bonte paard daarentegen was een vreemdeling van onbekenden oorsprong, die drie jaar geleden voor 80 roebels op een jaarmarkt was aangekocht.

De bruine merrie deed, alsof zij rondwandelde, trad op het oude paard toe en stootte als bij toeval tegen hem aan. Deze wist vanwaar de slag kwam en ging, zonder de oogen te openen, een schrede achteruit. De merrie keerde hem den rug toe en deed, alsof zij hem een flinken schop wilde geven, waarop het oudje de oogen opende en zich kalm verwijderde. Zijn slaap was nu echter geweken en stillekens ging hij weer grazen. Doch de kleine deugniet was nog niet tevreden. Door haar kameraadjes vergezeld, zocht zij andermaal den ouden stumperd op. Een merrie, twee jaar oud, bijzonder dom, die in alles de mooie vos nabootste en haar op den voet volgde, naderde eveneens het paard en overschreed, evenals alle navolgers, de grenzen der scherts; de andere deed nog altijd, alsof zij den oude niet zag en liep hem herhaaldelijk met een zekere drukte voorbij, zoodat deze zich telkens afvroeg of zij wel boos op haar zou worden, te meer daar zij zoo bijzonder vermakelijk was.

Zij begon weer op de gewone wijze, maar haar vervolgster liep recht op het paard toe en gaf hem een schop. Deze liet zijn tanden zien, wierp zich met een snelheid, waarop niemand voorbereid kon zijn, op haar en beet haar in de zijde. Daarop viel de kleine hem op haar beurt aan en sloeg hem uit alle macht tegen zijn arme, magere flanken. Het oudje begon te snuiven, met het voornemen zich andermaal op haar te werpen, doch scheen zich nog in tijds te bedenken, slaakte een diepen zucht en liep een anderen kant uit. De geheele jeugd vond waarschijnlijk, dat zijn gedrag voor hen allen een doode-

-ocr page 65-

61

lijke beleediging was; men liet hem clan ook dien ge-heelen verderen dag geen oogenblik met rust, zoodat hun bewaker herhaaldelijk tusschenbeide moest komen om hen tot de orde te roepen.

Het arme paard gevoelde zich zoo ongelukkig, dat, toen het oogenblik gekomen was, waarop zij naar den stal terug zouden keeren, hij zelf op den ouden Nestor toetrad en zich gelukkig gevoelde, toen deze, na hem het zadel te hebben opgelegd, zich op zijn rug nederzette. God alleen kon de gedachten doorgronden, welke het brein van den armen oude bestormden, toen hij Nestor medevoerde. Dacht hij met bitterheid aan de wreedheid van de jeugd of vergaf hij hun hunne beleedigingen met de minachtende toegeeflijkheid, welke den ouderdom eigen is? Men kon niet bevroeden wat er in hem omging, want op zijn gelaat was gedurende den geheelen tocht naar huis niets te lezen.

Dien avond kwamen eenige kameraden van Nestor hem zien; toen zij het dorp doorgingen, had hij hun wagentje voor de deur van zijn hut zien staan. Hij scheen gehaast om zich bij hen te voegen en had dus ternauwernood den hof bereikt of hij sprong van het paard af en ging heen, zonder hem zelfs het zadel af te nemen, terwijl hij Vaska toeriep dit voor hem te doen, wanneer hij met zijn bezigheden gereed zou zijn; doch Vaska dacht er geen oogenblik meer aan.

Was het door de beleediging de achterkleindochter van Smetanka aangedaan door een paard, wiens vader noch moeder bekend was, of omdat dit paard het hooge zadel zonder ruiter op den rug hield en daardoor een potsierlijk figuur maakte, dat al de paarden, jonge zoowel als oude, hem dien nacht vervolgden en hij moeite had om de

-ocr page 66-

62

slagen, die van alle zijden op hem neerkwamen, af te weren? Eindelijk was hij uitgeput van vermoeienis en, de onmogelijkheid voorziende, om zijn vervolgers te blijven ontwijken, hield hij midden in den hof stil. Zijn gelaat getuigde van een machteloozen haat; hij sloeg de oogen neder; toen gebeurde er plotseling iets, dat de woede van zijn makkers als met een tooverslag bezwoer. De oude merrie Viasopourikha trad op hem toe, besnufifelde hem en slaakte een zucht, waarop de oude eveneens met een zucht antwoordde. . ..

V.

Midden in den door de maan verlichten hof verhief zich de hooge, magere silhouette van het oude, nog steeds gezadelde paard; de vooruitstekende knop van het zadel kwam boven zijn hoofd uit, hetgeen hem een zonderling aanzien gaf. Rondom hem stonden de andere paarden stil en onbewegelijk, alsof zij uit zijn mond iets nieuws en buitengewoons zouden vernemen.

En inderdaad vernamen zij het volgende:

EERSTE NACHT.

Ja, ik ben de zoon van Lioubeznóv I en van Baba. Mijn naam is, volgens de genealogische tafel, Moujik I; maar door de geheele wereld ben ik bekend onder den naam van Kholstomer, naar aanleiding van mijn snellen, vluggen gang. Tengevolge van mijn afkomst is er geen paard van zoo zuiver ras als ik. Ik zou het u niet gezegd hebben ; waartoe zou

-ocr page 67-

63

het gediend hebben! Viasopourikha, die met mij te Krenovo was, zou mij evenmin ooit herkend hebben, terwijl gij mij niet geloofd zoudt hebben, wanneer ik Viasopourikha niet tot getuige had. Ik zou dus het stilzwijgen bewaard hebben, want ik heb geen behoefte aan het medelijden van paarden, doch gij hebt het zelf gewild. Ja, ik ben die Kholstomer, wien de kenners zochten en die door den graaf verkocht is, omdat hij bij de wedrennen zijn ge-licfkoosden Lebed overtroflen heeft.

Toen ik ter wereld kwam, wist ik niet wat het woord «bonf wilde zeggen, ik wist slechts dit eene, dat ik een paard was. De eerste aanmerkingen, welke op mijn gewaad gemaakt werden, wekten in hooge mate de verwondering van mijn moeder en mij op. Waarschijnlijk kwam ik des nachts ter wereld, want des morgens stond ik reeds, door mijn moeder gereinigd, op mijn vier beenen. Ik herinner mij, dat ik een onbéstemden wensch koesterde, welken ik onmogelijk onder woorden zou kunnen brengen, en dat ik alles, wat er rond mij voorviel, even merkwaardig als eenvoudig vond. Onze stallen lagen in een lange, verwarmde gang, afgesloten door traliedeuren, waardoor men alles kon zien. Mijn moeder wilde mij zoogen, maar ik was nog te naïf om dat te begrijpen. Plotseling ging zij op haar zijde liggen ; zij had namelijk den stalknecht, die dienst had, zien naderen. Hij keek door de tralies van de deur, die hij tevens openmaakte.

• Zoo zoo, Baba, is het gebeurd?quot; zeide hij, binnentredende.

Hij nam mij in zijn armen.

«Zie eens, Tarass: wat is hij bont!quot;

Ik rukte mij uit zijn armen los en viel door een misstap op mijn knieën.

-ocr page 68-

64

«Zie dien kleinen duivel eens aan!quot; zeide hij.

Mijn moeder maakte zich ongerust, doch, mij niet durvende verdedigen, volstond zij met een zwaren zucht te slaken, waarop zij zich verwijderde. Al de andere stalknechts schaarden zich nu rond mij om mij op hun gemak te bekijken. Een van hen ging ijlings het bericht van mijn geboorte aan den pikeur brengen. Zij lachten allen, terwijl zij elkander opmerkzaam maakten op de vlekken van mijn huid en gaven mij de zonderlingste namen. Niet alleen ik, maar ook mijn moeder kon de beteekenis van hun woerden niet begrijpen. Tot dusverre was er nog geen bont |oaard in onze famillie geweest, doch wij wisten niet, dat daar iets op viel af te dingen. Wat echter mijn vormen en mijn krachten betreft, die bewonderde men reeds de eerste dagen na mijn geboorte.

'Ik geloof, dat hij vurig zal zijn. Men kan hem met moeite houden,quot; zeide een der stalknechts.

Eenigen tijd later kwam de pikeur; hij was uiterst verbaasd, toen hij mij zag en scheen zelfs pijnlijk getroffen te worden.

-Op wien kan dat monster lijken?quot; zeide hij; »de generaal zal hem nooit in de stoeterij willen houden. Maar, Baba, wat hebt gij mij een leelijken trek gespeeld!quot; vervolgde hij tot mijn moeder.

• Wanneer hij een bles op zijn voorhoofd had, zou het minder zijn, maar hij is gevlekt!quot;

Mijn moeder antwoordde niet, alleen slaakte zij, zooals men gewoonlijk in dergelijke gevallen doet, een diepen zucht.

»Op wien kan hij toch lijken? Het is een echte moujik. Hij kan onmogelijk in de stoeterij blijven — het is een ware schande! En toch is hij goed gevormd... Zeer goed!quot; zeide hij, mij nader onderzoekende.

-ocr page 69-

65

Eenige dagen later kwam de generaal zelf en werden de verontwaardigde uitroepen over mijn uiterlijk hernieuwd. Iedereen scheen woedend en weet aan mijn moeder de schuld, dat mijn kleedje zulk een zonderlinge kleur had, wat echter niet wegnam, dat zij allen beweerden: »En toch is hij zoo mooi!quot;

Tot aan het voorjaar liet mei-i ons met onze moeders in de warme stallen. Somtijds als het mooi weer was en de sneeuw onder de stralen der lentezon begon te verdwijnen, mochten wij met haar in den grooten , met stroo belegden hof gaan. Daar maakte ik voor het eerst kennis met al mijn min of meer verwijderde familieleden en daar zag ik ook al de beroemde merries met hun jongen uit de stallen komen. Onder haar bevond zich ook de oude Gollanana, Mouchka, de dochter van Smetanka, Krashoukha en het rijpaard Dsbrokhotikha. Eenmaal bij elkander, besnuffelden zij elkaar en rolden in het strooi, als waren zij de eenvoudigste stervelingen geweest......

Ik zal den aanblik van dien hof met de schoonste mer-

rien, welke men zich denken kan, nooit vergeten.....

Gij zijt verwonderd bij de gedachte, dat ook ik jong en vroolijk ben geweest, en toch is het zoo. Viasopoarikha, die gij daar ziet staan, was op dat tijdstip nog maar een jaar oud. Zij was een aardig opgewekt merrietje, maar zonder haar te willen beleedigen moet ik zeggen, dat hoewel gij haar als van het zuiverste ras beschouwt, zij een van de leelijkste uit de geheele stoeterij was. Zij zou dat zelve moeten erkennen. Mijn uiterlijk, dat de menschen in zoo hooge mate mishaagd had, werd door de paarden ten zeerste gewaardeerd. Zij schaarden zich rond mij, bewonderden mij en gingen met mij spelen. Ik was de onvriendelijke woorden van de menschen al bijna vergeten

5

-ocr page 70-

66

en genoot van de hulde, welke de paarden mij brachten, toen ik het eerste leed van mijn leven ondervond, dat mij nog wel door mijn moeder werd aangedaan.

Toen de sneeuw geheel gesmolten en de lucht zuiver en geurig was, zooals dat in de lente het geval is, en do musschen onder het afdak zaten te tjilpen, werd mijn moeder geheel anders tegenover mij. Haar humeur veranderde plotseling geheel. Zonder de minste aanleiding ging zij in den hof dartelen en stoeien, wat met haar moederlijke waardigheid al zeer weinig in overeenstemming was. Nu eens was zij afgetrokken en hinnikte zij droevig, dan weer beet zij haar zusters en gaf haar schoppen; somtijds ook naderde zij mij, besnuffelde mij en stootte mij dan met een ontevreden gezicht van zich. Zij ging ook vaak in het zonnetje wandelen, liet dan haar hoofd op den schouder van haar nicht Kouptchitka rusten, en streek deze langen tijd, met een droomerigen blik, over den rug en belette mij daardoor te zoogen.

Op zekeren dag kwam de pikeur haar een halster aandoen en nam haar mede. Zij hinnikte. Ik antwoordde en wilde haar volgen, doch zij ging heen zonder ook maar een blik tot afscheid tot mij te richten. De stalknecht Tarass nam mij in zijn armen op het oogenblik, dat de deur achter haar dichtviel. Ik rukte mij uit die omhelzing los, wierp hem op het stroo en snelde zelf naar de deur, doch vond deze gesloten en hoorde slechts het gehinnik van mijn moeder, dat echter langzamerhand in de verte verloren ging. Dat gehinnik gold schijnbaar niet mij, maar had een geheel andere beteekenis. Een krachtige stem antwoordde op de hare. Later vernam ik, dat het die van Dobry I was, welke twee stalknechts naar een plaats brachten, waar zij een samenkomst zouden hebben .... Ik herinner mij niet

-ocr page 71-

67

meer op welke wijze Tarass den hof verliet; ik was te bedroefd, want ik gevoelde, dat ik voor altijd de genegenheid van mijn moeder verloren had.

En dat alles, omdat mijn huid gevlekt is, zeide ik moedeloos tot mij zeiven, mij de kwaadsprekende gezegden van de menschen herinnerende. Ik kreeg zulk een hevigen aanval van woede, dat ik met mijn hoofd, mijn knieën en mijn geheele lichaam tegen de muren van den stal ging stooten, totdat ik van uitputting moest ophouden ... Eenigen tijd later keerde mijn moeder terug. Ik hoorde haar met haar lichten tred den stal naderen. Toen men haar de deur opende en ik haar zag binnenkomen, herkon ik haar nauwelijks, zoo was zij veranderd. Ik vond haar veel mooier en jeugdiger. Zij besnufifelde mij en hinnikte; onmiddellijk zag ik, dat zij niet meer van mij hield. Zij vertelde mij van Dobry's schoonheid en van zijn liefde voor haar. Hunne samenkomsten werden voortgezet en de verhouding tusschcn ons beiden werd hoe langer hoe koeler ....

Korten tijd later werden wij uitgezonden om te grazen. Van toen af smaakte ik nieuwe genoegens, welke mij het verlies van mijn moeder deden vergeten. Ik kreeg vrienden en vriendinnen. Wij leerden gezamenlijk gras eten, evenals de groote paarden met opgeheven staart hinniken, rond onze moeders springen, enz. Het was een allergelukkigste tijd. Iedereen bewonderde mij, had mij lief en vergaf mij mijn dwaasheden; maar dit duurde niet lang. Weldra overkwam mij iets vreeselijks.quot;

Bij deze woorden slaakte het oude paard een diepen zucht en verwijderde zich.

De dageraad brak aan, de deur werd knarsend geopend en Nestor verscheen.... De paarden gingen bij zijn

-ocr page 72-

68

komst uiteen en, nadat hij het zadel op nieuw had vast-gegespt, liet hij de geheele drift naar buiten gaan.

VI.

TWEEDE NACHT.

Zoodra de paarden weer in den hof waren teruggekeerd, schaarden zij zich rond den oude, die zijn verhaal aldus vervolgde.

»In de maand Augustus werd ik van mijn moeder gescheiden, doch dat stemde mij in het minst niet droevig. Ik had opgemerkt, dat zij mij spoedig een broeder zou schenken, den later zoo beroemden Okssane, en dat ik dan geheel op den achtergrond zou treden. Ik was niet jaloersch op dien nieuwen broeder; ik gevoelde alleen, dat ook ik niet meer dezelfde genegenheid voor haar koesterde.

Bovendien wist ik, dat, wanneer ik eenmaal van haar gescheiden was, ik, in gezelschap van mijn jonge kameraden, eiken dag naar de weide of het veld zou gaan. In den stal had ik Mily tot vriend. Hij was een rijpaard. Toen hij groot was, viel hem de eer te beurt door den Keizer bereden te worden en op al zijn portraiten te worden afgebeeld.

In dien tijd was hij nog maar een klein veulen, met zacht haar, een sierlijk gebogen hals en rechte, dunne beenen. Hij was altijd goed geluimd, altijd gereed om te stoeien, zijn vrienden te lekken en met paarden en men-schen den spot te drijven. Daar wij altijd tezamen waren, sloten wij een innige vriendschap, doch deze was maar van korten duur. Zooals ik reeds gezegd heb, had hij een vroolijk, doch zeer lichtzinnig karakter.

-ocr page 73-

69

Van jongsaf had hij aan de kleine merries het hof gemaakt. Hij dreef altijd den spot met mijn onnoozelheid, Door zijn plagerijen geprikkeld, volgde ik tot mijn ongeluk, zijn voorbeeld, en werd ik weldra verliefd. Deze vroegtijdige hartstocht was de oorzaak van een groote verandering, welke in mijn lot plaats vond, want het kwam zoo ver, dat ik mijn hartstocht niet meer bedwingen kon. Viasopourikha was een jaar ouder dan ik. Wij waren altijd groote vrienden, doch tegen het eind van den herfst bespeurde ik plotseling, dat zij mij ontweek. . . Nog herinnert zij zich de noodlottige liefde, welke ik voor haar koesterde. . . De stalknechts wierpen zich op ons, joegen haar weg en gaven mij een pak slaag. Des avonds werd ik op een afgezonderde plek opgesloten en bracht daar, wanhopig hinnikende, den nacht door, als had ik een voorgevoel van hetgeen mij den volgenden dag zou overkomen.

Des morgens kwamen de generaal, de pikeur, de stalknechts en de oppassers bij mij. Iedereen sprak tegelijkertijd en maakte de levendigste gebaren. De generaal werd boos op den pikeur, die zich verontschuldigde door te zeggen, dat hij er niets aan kon doen, maar dat het de schuld van de stalknechts was. Daarop zeide de generaal, dat hij hun allen een pak stokslagen zou laten geven en dat men de kleine hengsten zóo niet kon houden. De pikeur beloofde, dat alles volgens den wensch van den generaal zou geschieden , waarop ieder zich verwijderde.

Ik begreep er niets van, maar ik had een voorgevoel, dat zij een complot tegen mij smeedden.

Den volgenden dag werd ik, hetgeen ik thans ben en hield ik voor altijd op te hinniken. Ik werd voor mijn

-ocr page 74-

70

geheele omgeving onverschillig en verdiepte mij in aller-fei sombere gedachten. In den eersten tijd gevoelde ik mij bijzonder ontmoedigd, ik at noch dronk, en dartelen of spelen bestond in het geheel niet meer voor mij. Somtijds kwam de wensch bij mij op om eens te schoppen, te hinniken of rond mijn kameraden te galopeeren, doch dan vroeg ik mij droevig af: Waarom ? Waartoe zou het dienen? en op hetzelfde oogenblik wenschte ik het niet meer.

Op zekeren avond liep de pikeur met mij, na een touw om mijn hals te hebben gedaan, op en neder vooi den hof, juist op het oogenblik, dat de paarden van de weide terugkeerden. Reeds van verre zag ik de stofwolk en de welbekende gedaanten van onze merries. Ik hoorde haar getrappel en haar vroolijk gehinnik. Ondanks het touw, dat in mijn hals drong en mij oneindig veel pijn deed lijden, liet ik mijn blik rusten op de drift paarden, zooals men nederziet op een voor altijd verloren geluk. Naarmate zij naderbij kwamen, kon ik de gezichten van mijn oude vriendinnen een voor een onderscheiden, zij waren nog even schoon, gezond, fier en wel doorvoed als tevoren. Sommigen merkten mij op en zagen mij strak aan. De pikeur trok mij met geweld mede, doch ik bekommerde mij niet om hem. Ik was mijn hoofd kwijt en ging hinniken en springen, maar mijn stem klonk vreemd en quot;zelfs belachelijk. De paarden lachten niet om mijalleen zag ik dat zij, als uit beleefdheid, het hoofd afwendden. Het was duidelijk, dat ik hen slechts afschuw, medelijden en schaamte inboezemde. Voornamelijk was ik bijzonder leelijk in hun oog met mijn dunnen hals, mijn groot hoofd (ik was erg vermagerd), mijn hooge beenen en mijn dwazen gang (ik deed niets dan om den

-ocr page 75-

71

pikeur loopen). Niemand beantwoordde mijn geroep en alle wendden zich van mij af. Plotseling ging er een licht voor mij op en begreep ik welke afgrond mij van hen scheidde. Wanhopig volgde ik den pikeur en ik weet niet meer hoe ik in den stal ben gekomen.

Van jongsaf was ik geneigd mij aan droefgeestige overpeinzingen over te geven; mijn ongelukkige toestand kweekte die neiging slechts des te meer aan. Mijn uiterlijk, dat den menschen zulk een diepen afkeer inboezemde, mijn zonderlinge verhouding tegenover de andere paarden, waarvan ik een flauw vermoeden had, zonder die evenwel goed te begrijpen, dat alles deed mij hoe langer hoe meer tot mij zeiven inkeeren. Ik ging ernstig nadenken over de onrechtvaardigheid van de menschen, die mij de kleur van mijn huid verweten. Met bitterheid dacht ik aan de onstandvastigheid der moederliefde en der vrouwenliefde in het algemeen, welke bijna altijd van phy-sieke eigenschappen afhankelijk zijn. Vooral peinsde ik over de natuur van dat zonderlinge dierenras, waaraan wij zoo nauw verbonden zijn en dat wij menschen noemen. Het karakter van deze wezens en de ware beteeke-nis van mijn toestand werden mij op de volgende wijze duidelijk:

Het was in den winter, gedurende de feestdagen. Den geheelen dag kreeg ik niets te drinken of te eten. Latei-hoorde ik dat dit gekomen was, omdat al de stalknechts zwaar beschonken waren. Dien dag kwam de pikeur, de ronde doende, juist in mijn stal en, ziende dat ik geen voedsel had, maakte hij zich op den afwezigen stalknecht boos en liep brommend heen. Den volgenden dag kwam de stalknecht ons eten brengen; ik zag dat hij erg bleek zag en droevig gestemd was. Ontevreden en norsch wierp

-ocr page 76-

72

hij den haver door de tralies en gaf mij, toen ik mijn kop op zijn schouder wilde leggen, zulk een harden slag, dat ik plotseling terugdeinsde; hij liet het er echter niet bij en gaf mij nog een stomp voor den buik, terwijl hij mompelde:

»Als het niet om dat schurftige monster was, zou hij mij niets gedaan hebben.quot;

• Waarom niet?quot; vroeg zijn kameraad.

«Omdat hij naar de paarden van den graaf nooit omziet en daarentegen die van hem zelf tweemaal per dag bezoekt.quot;

»Heeft men hem dan het gevlekte paard gegeven r

»Ja, gegeven of verkocht, dat weet ik niet; maar, weet ge, ik zou de paarden van den graaf van honger kunnen laten sterven en hij zou er niets van zeggen en wanneei het zijn veulen ook maar aan iets ontbreekt maakt hij een geweld . . . »Ga liggen,quot; zeide hij mij, en toen heeft hij mij geslagen! Meer behoef ik je niet te zeggen! Hij is geen christelijk mensch. Hij heeft meer medelijden met een dier dan met een mensch. Ik geloof, dat hij niet gedoopt is. Hij telde zelf de slagen. Nooit heeft zelfs de generaal zoo hard geslagen, mijn geheele rug is één groote wond. Neen, hij heeft geen christelijk gemoed.quot;

Ik begreep de beteekenis van de zweepslagen en van de christelijke liefde volkomen. Voor het overige vatte ik niet goed wat hij met zijn veulen bedoelde; ik leidde er alleen uit af, dat zij eenige betrekking zagen tusschen den pikeur en mij. Maar welke was die betrekking ? Ik kon mij die op dat oogenblik niet voorstellen. Eeist veel latei, toen ik van al de andere paarden verwijderd was, begreep ik wat het beteekende.

Het woord mijn paard scheen mij even weinig logisch

-ocr page 77-

73

toe als mijn aarde, mijn lucht, mijn water, en toch maakte het diepen indruk op mij. Sinds dien heb ik er over nagedacht en eerst geruimen tijd later, toen ik de menschen beter leerde kennen, kon ik mij dat alles verklaren.

De menschen, weet ge, laten zich niet door daden maar door woorden leiden. Zij geven de voorkeur boven het een of ander te doen, dan het een of ander in bij voorbaat door hen overeengekomen termen te bespreken. En deze termen, die van groot belang voor hen zijn, zijn de volgende, de mijne, en de inynen. Zij bezigen die, al sprekende, over de verschillende levende wezens, de menschen, de paarden, enz. Het is ook gewoonte, dat wanneer zij over het een of ander voorwerp spreken, slechts één persoon dat met het woord mijn kan bestempelen, terwijl degene, die in staat is dat woordje mijn op vele zaken toe te passen, door de andere als zeer gelukkig geacht wordt.

Waarom is dat zoor Ik weet het niet, maar zeker is het zoo. Langen tijd heb ik mij afgevraagd of die questie van het belang niet alles beheerschte, maar later heb ik begrepen, dat niet daarin de oorzaiik lag van hetgeen mijn verwondering in zoo hooge mate opwekte.

Bij voorbeeld verscheidene van die menschen, die mij als hun eigendom beschouwen, bedienen zich nooit van mij, het waren juist anderen, die mij bereden, die mij voedden en verzorgden, zooals koetsiers, hoefsmeden en over het algemeen vreemdelingen, in plaats van hen, aan wie ik toebehoorde. Later heeft de horizon van mijn waarnemingen zich uitgebreid en heb ik begrepen, dat niet alleen met betrekking tot ons paarden, maar voor de geheele wereld het begrip van dat mijn de grondslag is

-ocr page 78-

74

van dat lage dierlijke instinct, dat de menschen gevoel of recht van eigendom noemen.

Een mensch zegt: mijn huis, doch hij bewoont het niet, hij laat het alleen bouwen en onderhoudt het; een koopman zegt: inijn winkel en hij zet er nooit een voet, of wel mijn lakenmagazijn en hij koopt er geen meter laken. Er zijn menschen, die zeggen; mijn grond, zonder dien ooit gezien te hebben; er zijn er zelfs, die het woord mijn bezigen, met betrekking tot hun gelijken, menschelijke wezens, die zij niet kennen en wien zij alle mogelijke leed berokkenen. Zij zeggen ook mijn vrouw als zij spreken over eene vrouw, die zij als hun eigendom beschouwen, niettegenstaande zij met een anderen man leeft. Het hoofddoel, dat de menschen zich stellen is niet datgene te doen, wat zij goed en rechtvaardig vinden, maar zij haken er alleen naar in de mogelijkheid te zijn het woord mijn op zooveel mogelijk voorwerpen te kunnen toepassen ; en ik ben overtuigd, dat daarin hoofdzakelijk het verschil bestaat tusschen de menschen en ons. Daarom dan ook kunnen wij zeggen, om nog van al de andere voordeden, welke wij op hen hebben, te zwijgen, dat wij op den maatschappelijken ladder een trede hooger staan dan zij. Nog een andere opmerking: de werkzaamheid van de menschen, welke ik kende, bestond slechts in woorden. Deze ervaring trof mij zeer en de overdenkingen, welke mijn avonturen in mij opwekten, hebben dan ook het ernstige, afgetrokken paard van mij gemaakt, dat ik tegenwoordig ben.

Ik was op drieërlei wijze ongelukkig; door mijn uiterlijk, door mijn geslacht, dat er geen meer was en omdat de menschen zich hebben ingebeeld, dat ik niet slechts aan God en aan mij zeiven toebehoorde, zooals elk levend wezen, maar

-ocr page 79-

75

ik het eigendom van den pikeur was, omdat hij het recht had mij mijn paard te noemen en daarom den stalknecht zoo wreed geslagen had.

De gevolgen van die beschouwing ten mijnen opzichte waren talloos; ik werd beter gevoed, beter verzorgd, gescheiden van de andere paarden en genoot vroeger de eer van aangespannen te worden. Nauwelijks had ik den leeftijd van drie jaar bereikt, toen men mij reeds aan het werk wilde zetten. De eerste maal dat ik ingespannen werd, kwam de pikeur, die mij als zijn eigendom beschouwde, de plechtigheid bijwonen. Vreezende, dat ik mij er heftig tegen verzetten zou, hielden zij mij met touwen vast, legden een groot lederen kruis op mijn rug en hechtten dat met riemen aan de beide boomen van het rijtuig vast om mij te beletten achteruit te schoppen, terwijl ik niets liever wenschte dan mijn lust tot werken te toonen.

Hun verbazing was dan ook groot, toen zij mij als een oud paard zagen loopen. Daarna werd ik eiken dag ingespannen om in draf te leeren gaan en ook eiken dag maakte ik nieuwe vorderingen, zoodat de generaal zelf er op zekeren morgen verwonderd over was. Doch vreemd, van af het oogenblik dat de pikeur met den generaal het woord mijn op mij toepaste, had mijn talent niet meer dezelfde waarde.

Toen echter mijn broeders, de hengsten, werden aangespannen , werd de afstand van hun stappen gemeten, werden zij voor vergulde rijtuigen gezet en met fraaie dekkleeden versierd, terwijl ik voor zeer eenvoudige rijtuigen werd gespannen en met den pikeur boodschappen ging doen. En dat alleen; omdat ik een gevlekte huid had en vooral omdat ik niet aan den graaf, maar aan den pikeur toebehoorde!

-ocr page 80-

76

Morgen zal ik u, wanneer wij nog in leven zijn, vertellen welke voor mij de andere gevolgen waren van die

verandering van eigenaar.quot;

Den geheelen dag waren de paarden vol eerbied voor Kholstomer. Alleen Nestor, de knecht, behandelde hem nog evenals vroeger, dat is te zeggen op zeer onheusche wijze.

VI

D E R D E N A C H T.

De sikkel der maan verlichtte andermaal de onbevallige gedaante van Kholstomer, die onbewegelijk en, omringd door zijn kameraden, in den hof stond. Hij vervolgde zijn den vorigen nacht afgebroken verhaal.

»Een van de zonderlingste gevolgen van het feit, dat ik noch aan God noch aan den graaf, maar aan een eenvoudig pikeur toebehoorde, is, dat een eigenschap, welke bij andere paarden van groote waarde is, mij als een misdaad werd aangerekend en bovendien de oorzaak van mijn verbanning was. Ik bedoel mijn snellen gang.

Op zekeren dag, dat wij, de pikeur en ik, boodschappen hadden gedaan, zagen wij, tehuiskomende, dat Lebed rond de rendbaan werd geleid. Wij traden naderbij. Lebed ging langs ons. Hij liep goed, maar, al hield hij het hoofd ook nog zoo fier omhoog, hij had niet mijn snellen gang, vooral miste hij die bijzondere eigenschap om onmiddellijk den eenen hoef op te lichten, nadat de andere den o-rond raakt, zoodat er niets van de krachten verloren gaat, en elke beweging er het hare toe bijbrengt om

vlug vooruit te komen.

»Als ik mijn bontje eens met hem het loopenr nep

-ocr page 81-

77

de pikeur, en, toen Lebed ons de tweede maal voorbij ging, liet hij mij met hem samengaan. Bij de eerste ronde was hij mij voor, daar hij reeds in zijn vaart was, maar bij de tweede haalde ik hem in en liet hem weldra achter mij

Wij begonnen op nieuw, en ik was weer de gelukkige, Ongetwijfeld had ik vlugger gang. Ieder was er verbaasd over. De generaal verzocht, mij zoo spoedig mogelijk te verkoopen, ver weg, opdat hij nimmermeer iets van mij zou hooren. Aan zijn verzoek werd weldra gevolg gegeven, en ik werd verkocht aan een paardenkooper. Bij hem bleef ik niet lang; spoedig kwam ik door den aankoop van de remontepaarden in bezit van een huzaar.

Dat alles was zoo onrechtvaardig, zoo wreed, dat het mij een genoegen deed. mijn geboortestreek, mijn familie en mijn kameraden te kunnen verlaten. In hun midden was het leven mij al te pijnlijk ; zij hadden een schoone toekomst, de liefde, de roem en de vrijheid wachtten hen . . . En mij, mij wachtte niets dan arbeid en vernedering! Arbeiden tot aan het eind van mijn leven! En waarom? Omdat ik gevlekt was en ik daardoor het eigendom van den een of ander werd! . . .quot;

Kholstomer kon dien avond zijn verhaal niet voortzetten. Er gebeurde iets in den hof, dat al de paarden van streek bracht.

Kouptchikha, een merrie, die het verhaal van den oude met belangstelling volgde, verliet haar plaats en verwijderde zich met langzamen tred in de richting van het afdak. Daarop hoorde men haar plotseling kermen, wat de opmerkzaamheid van al de paarden opwekte. Zij ging liggen, stond weer op en ging andermaal liggen; de oude merries traden naderbij en zagen onmiddellijk wat er gebeuren moest, terwijl de jonge zoo bewogen waren, dat geen van

-ocr page 82-

78

haar meer naar het verhaal van Kholstomer kon luisteren. Allen schaarden zich rond de zieke.

Den volgenden morgen lag er een klein veulentje bij de merrie. Nestor riep den pikeur, die het medenam en de moeder naar een anderen stal bracht.

De andere paarden gingen als gewoonlijk naar de weide.

VIII

VIERDE NACHT.

Des avonds, zoodra de koetspoort achter Nestor gesloten was, vervolgde het paard zijn vei haal.

»Ik was op mijn zwerftochten in de gelegenheid, de paarden en menschen van nabij gade te slaan. Bij twee van mijn meesters bleef ik het langst: bij den prins, den ofticier der huzaren, en bij een goede oude dame, die te Moscou bij de St. Nicolaaskerk woonde. De tijd, welken ik bij mijn militairen meester doorbracht, was de aangenaamste en de beste. Hoewel hij later de oorzaak van mijn val en voor alles en ieder onverschillig was, hield ik veel van hem. Wat mij in hem behaagde, was dat hij knap, rijk en gelukkig kon genoemd worden en toch van niemand hield. Gij moet dat fijnere gevoel van een paard begrijpen. Zijn koelheid en mijn afhankelijkheid wakkerden slechts mijn hartstocht voor hem aan.

»Dood mij, kwel mij,quot; dacht ik in dien tijd, de aangenaamste van mijn leven, »en ik zal er slechts des te gelukkiger om zijn!quot;

Hij had mij gekocht, omdat niemand bonte paarden

had. Ik verliet dus den paardenkooper, aan wien de pikeur mij voor tachtig roebels verkocht had.

-ocr page 83-

79

Zooals ik reeds zeide, bracht ik bij hem de aangenaamste jaren van mijn leven door. Hij had een maitresse. Dat wist ik, omdat ik hem eiken dag naar haar toe bracht en ik hen dikwijls samen reed. Zijn maitresse was een schoone vrouw, hij een knap man en ook zijn koetsier had een gunstig uiterlijk. Daarom hield ik veel van hen en was ik gelukkig bij hen.

Mijn leven ging kalm voorbij: des morgens kwam een palfrenier, een jonge moujik, mijn toilet maken. Hij deed den stal open, dien hij zorgvuldig schoon maakte, nam mijn dek af en roskamde mij. Ik beet hem spelenderwijs in de vingers en stampte dartel met mijn hoef op den grond om hem te bedanken; daarop ging hij mij wasschen en, na deze bezigheid verricht te hebben, beschouwde hij vol bewondering mijn zijdeachtige flanken, mijn bee-nen, die bijzonder recht waren en in een breeden hoef eindigden, mijn glinsterende croupe en mijn sterken rug. Na hooi in de ruif en haver in den etensbak gedaan te hebben, verwijderde hij zich, en kwam de koetsier zien of alles in orde was. .. .

Deze, Pheophane genaamd, geleek op zijn meester; beiden vreesden niemand en hadden niemand lief en juist daarom bewonderde ieder hen en had ieder hen lief. Pheophane droeg altijd een rood hemd en een pantalon en een caftan van peluche. Ik zag hem gaarne als hij op een zon- of feestdag, netjes gekleed en gekapt, den stal inkwam en met luider stem riep: »Kom kom, wat doet ge daar?quot; terwijl hij mij, gekscherend en in het minst niet om mij pijn te doen, een slag gaf; ik spitste dan de ooren en liet mijn tanden zien.

Wij hadden ook een zwarten hengst, welke vaak des avonds met mij werd voorgespannen. Hij heette Polkane.

-ocr page 84-

80

Hij had een onaangenaam karakter en niet het minste begrip van scherts; het was een ware duivel en daar onze stallen naast elkander stonden, kreeg ik dikwerf ernstige onaangenaamheden met hem.

Pheoschaw was niet bang voor hem: somtijds gaf Polkew een luide gil, wanneer hij hem naderde, als of hij woedend en op het punt was om hem te vermoorden, en toch deed hij niets dan hem zijn halster om den nek werpen.

Op zekeren dag maakten Polkew en ik ons in een der hoofdstraten van Moskou, Kouznetschy Most, meester van de teugels. Onze meester en zijn koetsier waren niets verschrikt. Lachend waarschuwden zij de voorbijgangers, teneinde alle ongelukken te voorkomen en overreden dan ook niemand. In hun dienst verloor ik mijn kostbaarste eigenschappen en de helft van mijn leven. In hun dienst heb ik op een verkeerd oogenblik gedronken cn ben ik gevallen, waardoor mijn knieën kaal zijn geworden; toch wil ik niet klagen: het waren de beste jaren mijns levens.

Om twaalf uur werden mijn manen en mijn maan-top gekamd^ mijn hoeven schoongemaakt en werd ik opgetuigd. Onze slede was klein , van gevlochten stroo met fluweel bedekt; het tuig met stalen knoopen versierd, was buitengewoon mooi. Als ik gereed was, kwam Pheophane, in een fraaien caftan met een rooden gordel onder de armen vastgemaakt, zoodat zijn middel breeder leek dan zijn schouders, zien of alles in orde was. Na het tuig in oogenschouw genomen te hebben, klom hij, voldaan over zijn onderzoek, op den bok, trok zijn caftan recht, zette den voet in den stijgbeugel, mij altijd een schertsend woordje toevoegende en nam de zweep in de hand, niet om mij te slaan, want dat deed hij bijna nooit, maar alleen omdat het kranig stond. Daarop riep

-ocr page 85-

81

hij: »Vooruit!quot; ik zette mij in beweging en voorwaarts ging het in snelle, sierlijke vaart.

De keukenmeid, die uitgegaan was om het vuile water weg te werpen, stond op den drempel van de deur stil j de moujik, die hout gebracht had, volgde ons met de oogen. Wij hielden spoedig voor het heerenhuis stil. Dan schaarden de lakeien en de andere koetsiers zich om ons heen en maakten wij, op onzen meester wachtende, een praatje met hen; somtijds moesten wij drie uur voor de stoep wachten, alvorens hij verscheen. Intusschen vertelden wij, door al de bedienden omringd , elkander al de nieuwtjes, die wij gehoord hadden, en gingen vervolgens, om niet altijd op dezelfde plaats te blijven staan, een klein toertje maken, keerden weer naar het huis van onzen meester terug, in afwachting van het oogenblik, waarop het hem zou goeddunken uit te rijden. Eindelijk hoorden wij eenig leven in de zijkamer; Pikhoue, de knecht in zijn zwarten rok, kwam toegeschoten en riep; »Kom hier 1quot; In onzen tijd was men niet zoo dom om: quot;Voorwaarts 1quot; te roepen, alsof wij niet wisten, dat wij niet achterwaarts moesten gaan.

Pheophane reed voor en onze meester naderde, achteloos met zijn sabel slepende; zijn schoon gelaat was gedeeltelijk bedekt door den bonten kraag van zijn pels en door zijn shako. Zonder in het minst acht op ons te slaan, wij die toch door ieder, behalve door hem, bewonderd werden, stapte hij in de slede en reden wij weg. Van ter zijde wierp ik altijd een blik op hem, terwijl ik mijn hoofd schudde en mijn nek bevallig kromde.

Somtijds was de prins goed geluimd en schertste hij.

Pheophane antwoordde hem dan, ternauwernood het hoofd omwendende en de armen altijd gebogen om de leidsels vast te houden. Hij maakte met deze een bijna

6

-ocr page 86-

82

onzichtbare beweging, welke ik zeer goed begreep en die wilde zeggen: Kom kom, hoe langer hoe sneller, en, terwijl de modder en de sneeuw onder mijn hoeven weg-spatten, snelde ik als een pijl uit de boog voorwaarts.

De koetsiers hadden toen niet de dwaze gewoonte om te roepen: »0!quot; alsof zij ergens pijn hadden.

»Heidaar?quot; riep Pheophane.

De menigte ging voor ons uiteen en wendde het hoofd om, ten einde het mooie paard, den mooien koetsier en den mooien barine langer te kunnen bewonderen.

Mijn grootste genoegen was een goeden draver te ontmoeten en dien voorbij te snellen . . ., Zoodra Pheophane en ik in de verte een span zagen, dat onzer waardig was, verhaastten wij onzen gang en vlogen voorwaarts. Langzamerhand haalden wij hen in; reeds vielen de modderspatten op het achtergedeelte van de slede, weldra was ik op gelijke hoogte met dengene, die daarin had plaats genomen en liet ik mijn adem over zijn hoofd gaan, daarop bereikte ik den koetsier, vervolgens het paard, totdat ik het eindelijk voorbijsnelde en het weer uit het oog verloor. Nog even hoorde ik de schelletjes van zijn tuig weerklinken, doch ook weldra ging dit verloren. Intusschen bewaarden Pheophane en ik het stilzwijgen en namen wij den schijn aan, alsof dit onze gewone wijze van doen was en wij het zelfs niet opmerkten, dat andere paarden minder snel liepen. Ik hield er dus van goede dravers vooruit te komen, evenals ik het aardig vond ze te ontmoeten. Gedurende een seconde wisselden wij een blik en vervolgden daarop, ieder in tegenoversestelde richting, onzen weg.quot;

De deur knarste en men hoorde de stemmen van Nestor en Vaska.

-ocr page 87-

83

VIJFDE NACHT.

Het weer begon te veranderen: sedert den morgen was de hemel bewolkt en was er geen dauw gevallen. Het was drukkend warm en de vliegen werden onverdragelijk lastig. Des avonds schaarden de paarden zich als naar gewoonte rond den oude, die zijn geschiedenis aldus eindigde;

»Mijn gelukkig leven was helaas niet van langen duur! Op het eind van den winter beleefde ik de grootst mogelijke vreugde, waarop, echter weldra een vreeselijk ongeluk volgde.

Het was carnaval. Wij gingen met den prins naar de wedrennen, en daar zag ik mijn oude kameraden Atlasny en Bitchok. Ik wist eigenlijk niet wat zij daar deden. Onze meester stapte uit en beval Pheophane naar de renbaan te gaan. Ik herinner mij, dat ik daar binnen werd geleid en naast Atlasny, die door een pikeur bereden werd , moest plaats nemen; ik was voor een slede gespannen. Bij de eerste ronde liet ik Atlasny reeds achter mij en werd ik met geestdrift begroet. De menigte volgde mij en meer dan vijf personen boden vijf duizend roebels voor mij. De prins antwoordde lachend, terwijl hij zijn mooie, witte tanden liet zien.

»Het is geen paard, het is een vriend, men zou mij bergen goud kunnen geven, zonder dat ik hem ooit zou willen afstaan! Tot ziens, heeren!quot;

Dit zeggende, stapte hij weer in de slede en riep: »Naar Ostojenda!quot; Dit was het adres van zijn maitresse. Wij reden weg. Dit was de laatste gelukkige dag van mijn leven.

Wij hadden het huis zijner maitresse spoedig bereikt. Hij

\

-ocr page 88-

84

noemde haar »cle zijne', maar zij had een ander lief en was met hem vertrokken. De prins moest dit van haai

kamenier vernemen .

Hij beval zijn koetsier haar spoor te volgen, en, zonder mij den tijd te laten adem te halen, moest ik mijn tocht vervolgen. Voor de eerste maal in mijn leven werd ik duchtig geslagen en ook voor de eerste maal deed ik een misstap. Ik wilde even ophouden, maar mijn meester riep: »Kom! Voorwaarts! Zoo vlug mogelijk!quot; En weer renden wij voort. Wij haalden haar op een afstand van vijf-en-twintig wersten in.

Nadat ik eenmaal het doel van de reis bereikt had , kon ik niet eten en lag ik den ganschen nacht te beven. Des morgens gaf men mij drinken, en vanaf dat oogen-blik was ik verloren. Ik werd vreeselijk gekweld de menschen noemen dat aderlaten. De wanden van mijn hoeven vielen af, mijn voeten zwollen en werden krom. Ik gevoelde mij zwak en lusteloos.

Ik werd verkocht aan een paardenkooper, die mij met wortelen enz. Voedde; zonder mij te genezen, maakte hij mij vet, doch mijn krachten kwamen niet terug, zoodat iemand, die er geen verstand van had, zich in mij ha-

kunnen vergissen.

Zoodra er een kooper kwam, overlaadde mijn meeste-mij met slagen, zoodat ik in een aanval van woede all lei dwaze sprongen maakte. Eindelijk kocht mij eer oude dame.

Zij ging trouw naar de St. Nicolaaskerk en sloeg..haar koetsier geregeld eiken dag; de ongelukkige man V. dan bij mij in den stal zitten schreien. Bij die gelegenb quot;i merkte ik, dat tranen een eenigszins bitteren, maar genamen smaak hebben. Eenigen tijd later stierf de Ou.(

-ocr page 89-

85

dame. Haar intendant bracht mij naar buiten en verkocht mij aan een marskramer. Ik kreeg koren en werd nog zieker. Daarop kwam ik in handen van een moujik, die mij het land liet beploegen. Slecht gevoed, slecht verzorgd, had ik bovendien nog het ongeluk mijn been te verwonden. Ik was nu weer ziek. De moujik deed mij over aan een Zigeuner, die mij onophoudelijk martelde en mij ten slotte aan onzen intendant verkocht.

Zoo ben ik bij ulieden gekomen . . . .quot;

Al de paarden bewaarden het stilzwijgen . . .

De regen daalde neder.

IX.

Toen de paarden den volgenden dag huiswaarts keerden, ontmoetten zij hun meester in gezelschap van een vreemde. De oude Jouldiba wierp, naderbij tredende, een vragenden blik op hem. Hun meester was nog een jonge man, de ander een oud-militair, met een gezwollen gezicht. De oude merrie ging hen kalm voorbij, doch de jongere zagen verbaasd op, vooral toen hun meester zich in hun midden plaatste en zijn vriend iets aanwees. . . .

»Ik heb die appelgrauwe merrie bij Voieïkov gekocht,quot; zeide hij.

»En van waar hebt ge die jonge merrie, met die witte hoeven ? Die is wel mooi.quot;

Zij bezichtigden aldus verscheidene paarden en onder anderen ook de vos.

»Die is van het ras van Khrienoor, zeide de meester.

..

Doch op deze wijze konden zij de paarden niet in oogen-schouw nemen. Nestor, die nog te paard zat, werd geroepen ; hij kwam haastig naderbij, zijn hoed diep afne-

-ocr page 90-

86

mende. De arme, oude gevlekte was kreupel en toch liep hij nog zoo gewillig, dat men zien kon hij zelfs niet de minste ontevredenheid aan den dag gelegd zou hebben, wanneer men hem bevolen had harder te loopen dan zijn krachten toelieten. Hij wilde zélfs gaan galopeeren en deed dat bij voorkeur op zijn rechterbeen.

.Er is in geheel Rusland geen beter merrie dan deze,quot; zeide de meester op een van de jongere wijzende.

De vreemde bewonderde haar beleefdheidshalve. De ander liep in zijn opgewondenheid om alle paarden te laten zien heen en weder en vertelde van elk de geschiedenis van zijn ras. Zijn vriend verveelde zich doodehjk, doch hij verzon allerlei vragen om den schijn aan te nemen eenig belang in de paardenfokkerij te stellen

ïgt;Ja, ja,quot; antwoordde hij, verstrooid naar den ander luisterende. »Zie eens hier,quot; hernam deze, »zie eens naar die beenen. Zij heeft mij duur gekost, maar ik heb van haar ook reeds een derde paard, dat al ingespannen kan worden.quot;

»En loopt hij goed?quot;

Zoo namen zij al de paarden in oogenschouw en bleef er niets meer te bezichtigen over. De vreemde kon zich niet langer bedwingen en zeide:

»Kom, gaan wij nu weg?quot;

»Ja, dat is goed!quot; En beiden verwijderden zich m de

richting van de deur.

De bezoeker, blijde dat hij eindelijk van die kwelling bevrijd was, verheugde zich reeds bij de gedachte dat hij huiswaarts kon keeren, waar hij kon eten en drinken en kalm zijn sigaar rooken. Nestor voorbijgaande, die onbewegelijk de orders van zijn meester afwachtte, sloeg hij met zijn grove hand op de croupe van het bonte paard.

-ocr page 91-

87

»Wat ziet hij er dwaas uit! Ik had er precies zoo een. Daar heb ik je wel eens van verteld, weet ge wel?quot;

De ander, bemerkende dat zijn vriend zich niet meer niet zijn paarden bezig hield, lette in het minst niet op hetgeen hij zeide en volgde met zijn blik de drift viervoeters. Plotseling hoorde hij een zwak, bevend gehinnik. Het was het oude bontje, die bedeesd bleef staan en over zijn eigen stoutmoedigheid verlegen was. Noch zijn meester noch diens vriend bekommerden zich om hem, beiden begaven zich in de richting van het huis.

De oude Kholstomer had in den oud officier zijn veelgeliefden meester, den cavalerieofficier, herkend.

X.

Het regende den geheelen morgen; het was donker en somber in den hof, doch dat zag geen der bewoners van het kasteel.

In een met veel weelde ingerichte salon , rond een wel voorziene theetafel hadden de eigenaar van het kasteel, een jonge vrouw, en de oud-officier plaats genomen. De jonge vrouw was in gezegende omstandigheden, wat aan haar geheele houding en vooral aan haar groote oogen, die een ernstige, zachte uitdrukking hadden, zichtbaar was-De samovar stond voor haar en zij was bezig thee te schenken. De heer des huizes had een kistje sigaren van voor tien jaren in de hand. Niemand had er zoo een, beweerde hij. Het was een knap jongmensch van ongeveer vijf-en-twintig jaar, volgens de laatste Engelsche mode gekleed. Aan zijn horlogeketting hingen allerlei charivari en

-ocr page 92-

88

mooie knoopen van turkoozen sloten zijn manchetten. Zijn baard was a la Napoleon III geknipt. De twee fijne puntjes, waarin zijn knevel eindigde, waren zoo onberispelijk opgedraaid, dat een Parijzenaar hem dit niet zou hebben kunnen verbeteren.

De dame droeg een gebloemd zijden japon, van een groot patroon a la Pompadour. In haar mooi zwaar haar, dat zij echter niet alles het hare kon noemen, schitterden gouden haarnaalden van zeer eigenaardigen vorm; kostbare armbanden en ringen versierden haar armen en handen.

De meubels van het salon waren van gedraaid hout en met een lichte stof bekleed. Het behangsel was als met groote donkere bouquetten bezaaid. Bij de tafel deed een mooie hazewindhond zijn zilveren ketting heen en weer gaan; hij droeg een Engelschen naam, die bijzonder moeielijk was uit te spreken en die zijn meester dan ook zeer slecht uitsprak, daar hij geen Engelsch kende. In een hoek, half achter bloemen en zeldzame planten verborgen , stond een piano van ingelegd hout.

Een knecht, onberispelijk gekleed in zijn zwarten rok, zijn wit vest en witte das, stond, onbewegelijk als een beeld, de orders af te wachten. De samovar was van zilver, het theeservies van fijn porselein. Alles was uiterst zeldzaam, kostbaar en volgens de laatste mode, doch smaak en sierlijkheid ontbraken en alles getuigde van het volkomen gemis aan kunstzin en verstandelijke ontwikkeling.

De eigenaar van het kasteel, een hartstochtelijk sportliefhebber, was een man van een volbloedig gestel en tamelijk gezet; hij was nooit ziek geweest. Hij behoorde tot die heeren, welke marterbont dragen, de duurste wijnen drinken, in de meest gezochte restaurants eten,

-ocr page 93-

89

een van hen, die men overal ziet, bij de wedrennen, in het theater, die de kostbaarste maitresse hebben, en prijzen uitloven bij de wedrennen, waaraan zij hun naam geven.

Zijn vriend en gast, Nikita Serpoukhovsky, was de veertig overschreden; hij had een hooge, kloeke gestalte, was eenigszins kaalhoofdig en had een zwaren knevel en bakkebaarden. Vroeger moest hij knap geweest zijn; thans was hij zedelijk zoowel als lichamelijk en geldelijk achteruit gegaan. Zijn schulden waren zoo hoog, dat om niet gevangen gezet te worden, hij bij het gouvernement een plaats had aangevraagd in een paardenfokkerij van den staat; dank zij zijn aanzienlijke familiebetrekkingen had hij deze plaats verkregen; hij was nu op weg naar zijn post, die in de hoofdstad van het gouvernement gelegen was. Hij droeg een militaire uniformjas en blauwe broek. Zijn kleeren en linnengoed hadden zulk een onbe-rispelijken snit, dat alleen een rijk man zich op die wijze kon kleeden.

In zijn jonge jaren had hij een fortuin van twee millioen roebels verkwist en voor twintig duizend roebels schuld gemaakt. Na zulk een leven blijft zoo iemand altijd nog een onbegrensd crediet over, alsmede de mogelijkheid om nog ■gedurende tien jaren zeer weelderig te leven. Deze tien jaren spoedden echter ten einde. Zijn goede naam van een rijk man verminderde en hij vond zijn leven recht droevig en bitter. Toen kreeg de gewoonte om zich te bedrinken de overhand, dat wil zeggen, hij kon den wijn niet meer zoo goed verdragen als vroeger, want hij had altijd gedronken. De meest opvallende teekens van zijn val spraken uit zijn onrustige oogen (deze dwaalden altijd rond), uit zijn onzekere bewegingen ?n even onzekere taal. Dit

-ocr page 94-

90

gebrek aan zekerheid was des te opvallender, omdat zij niet met zijn karakter samenging1; men kan begrijpen hoeveel zedelijk leed die man had doorworsteld, alvorens hij tot dien armzaligen toestand vervallen was.

De heer en vrouw des huizes zagen dat alles; zij zagen elkander aan, wisselden teekens van verstandhouding en stelden meer uitgebreide overdenkingen over dit onderwerp uit, tot aan het oogenblik, dat zij op hun kamer zouden zijn gekomen. Zij verdroegen den armen Nikita zooveel mogelijk en hadden zelfs veel oplettendheden voor hem. Het geluk van den jongen man beschaamde Nikita en boezemde hem, bij de gedachte aan het verleden, een ziekelijke jaloezie in.

• Hindert de rook u niet, Marie?quot; vroeg hij aan de jonge vrouw op dien even beleefden als gemeenzamen toon, welken mannen van de wereld weten te bezigen om een maitresse van een fatsoenlijke vrouw te onderscheiden ; niet dat hij zijn gastvrouw wilde beleedigen, integendeel, hij wilde gaarne in haar gunst komen, hoewel hij zich dat lage, zelfzuchtige gevoel nooit bekend had. Hij wist bovendien, dat zij verwonderd en beleedigd zou zijn geweest , wanneer hij haar anders bejegend had; hij oordeelde het noodig, dien eerbiedigen toon voor de wettige vrouw van zijn gelijke te bewaren. Tot deze dames sprak hij altijd zeer behoorlijk, niet, dat hij de denkbeelden deelde, welke in de tijdschriften gepredikt worden (die dwaasheden las hij nooit) om den eerbied te weten, dien men aan elk menschelijk wezen verschuldigd is en de nutteloosheid van het huwelijk te leeren kennen, maar alleen omdat alle welopgevoede heeren op die wijze spreken en omdat hij een welopgevoed man was, al waren zijn omstandigheden niet meer rooskleurig.

-ocr page 95-

91

Hij nam een sigaar. Zeer onhandig' bood zijn vriend hem er een handvol aan:

»Probeer ze eens, dan zult ge zien hoe goed zij zijn. Kom!quot;

Nikita wees de sigaren van de hand; aan de uitdrukking van zijn ooger. had een slimmer man dan zijn gastheer kunnen zien, dat hij gegriefd was.

• Dank je.quot;

Hij opende zijn sigarenkoker en zeide:

»Probeer de mijne eens.quot;

De vrouw des huizes was vlugger van begrip dan haar man; zij merkte het op en hervatte haastig het gesprek.

• Ik houd ook veel van tabak,quot; zeide zij, »en ik zou zeker ook rook en, wanneer niet reeds ieder rond mij rookte.quot; Een zacht, goedig glimlachje speelde om haar lippen; hij beantwoordde dat eveneens met een flauw glimlachje, waardoor het zichtbaar werd, dat hij twee tanden miste.

«Maar neem dan toch deze,quot; zeide zijn gastheer, die niet vlug van begrip was, »de anderen zijn te licht. »Frits,quot; vervolgde hij tot den lakei, «bringen sie noch cine Kasten, dort sind zwei.quot; Welke wilt gij? Lichte? Zware? Deze zijn zeer goed. Neem ze allen 1quot; zeide hij, de sigaren met geweld in de hand van zijn vriend willende leggen.

Hij was schijnbaar gelukkig, dat hij tegenover iemand kon pochen en bespeurde niet, dat hij zijn vriend in verlegenheid bracht.

Nikita stak een sigaar aan en trachtte een andere wending aan het gesprek te geven.

»Hoeveel heeft Atlasny je gekost?quot; vroeg hij.

• Zeer duur,quot; antwoordde de ander, »niet minder dan vijf duizend roebels, maar nu ben ik ook gerust.... Als gij haar veulens zaagt!quot;

-ocr page 96-

92

»Loopen zij goed?quot;

»Dat geloof ik! Een van hen heeft de drie eerste prijzen gewonnen, die van Tula, van Moscou en St. Petersburg en als mededinger had hij de paarden van Voieïkov.quot;

»Die Atlasny zou mij een weinig te dik zijn,quot; hernam Nikita.

»En de merries zijn prachtige dieren ; dat zult gij morgen zelf zien. Voor Dobrynia heb ik drie duizend roebels en voor Laskovaïe twee duizend roebels betaald.quot;

En daarop begon hij al zijn rijkdommen op te sommen.

Zijn vrouw bemerkte maar al te goed, hoe pijnlijk dit gesprek voor Nikita was; zoo spoedig mogelijk viel zij hem in de rede.

»WiIt gij nog een kopje thee?quot; vroeg zij.

»Dank je,quot; antwoordde de heer des huizes en vervolgde op dezelfde wijze zijn gesprek.

Toen zij zag, dat niets hem kon doen ophouden, stond zij op. Hij nam haar nu in zijn armen en omhelsde haar vol teederheid.

Nikita sloeg hem glimlachend gade; doch, toen zij achter de portière verdwenen waren, veranderde de uitdrukking van zijn gelaat, dat thans slechts van neerslachtigheid, vermengd met een zweem van ergernis en wanhoop, getuigde.

XI.

De heer des huizes kwam spoedig terug en zette zich glimlachend tegenover Nikita neder; gedurende eenige oogenblikken bewaarden beiden het stilzwijgen.

»Gij zeidet dus, dat ge Atlasny van Voieïkov hebt gekocht?quot; vroeg Nikita op achteloozen toon.

-ocr page 97-

93

»Ja, ik had liever de merries van Doubovitsky gekocht, doch hij had geen goede meer over.quot;

«Heeft Doubovitsky niet bankroet geslagen?quot; vroeg Nikita. Hij hield op en zag rond zich heen; hij herinnerde zich plotseling, dat hij aan dienzelfden bankroetier twintig duizend roebels schuldig was en dat, wanneer men van een bankroetier sprak, men dat eerder van hem kon zeggen. Hij begon te lachen.

Weer heerschte er een lange stilte. De heer des huizes gaf zich alle moeite om te bedenken over wat hij nog zou kunnen pochen, terwijl Nikita van zijn kant zocht te toonen, dat hij zich niet als een geruïneerd man beschouwde. Geen van beiden vond echter iets om elkaar te zeggen, niettegenstaande beiden zich daar, onder het rooken van een sigaar, op spitsten,

»Wanneer zouden wij wat gaan drinken,quot; dacht Nikita.

»Ik moet zoo spoedig mogelijk wat gaan drinken of ik sterf van verveling,in gezelschap van dien man,quot; dacht zijn vriend.

«Blijft ge nog lang buiten?quot; vroeg eindelijk de oudofficier der cavalerie.

»Ja, nog ongeveer een maand. Willen wij wat gaan gebruiken? Fritz, is het gereed?quot;

Zij gingen naar de eetkamer, die door een hanglamp verlicht was. Op de tafel stonden candelabres en de zonderlingste voorwerpen als siphons, kurken in den vorm van kleine poppetjes, allerlei vreemde wijnsoorten in karaffen, buitengewone spijzen, brandewijn, enz. enz.

Zij aten en dronken naar hartelust, en het gesprek werd weer levendiger. Nikita's gezicht was met een hoogroode kleur bedekt en zonder aarzeling vloeiden de woorden van zijn lippen.

Zij spraken over vrouwen en somden al degenen op,

-ocr page 98-

9

die door hun vrienden onderhouden waren, danseressen, Frangaises, Zigeunsche meisjes, enz.

»Hebt ge la Mathieu verlaten?quot; vroeg de heer des huizes.

Dit was de maitresse, die Nikita geruïneerd had.

»Niet ik heb haar verlaten, maar zij heeft mij verlaten. O, broeder, wanneer ik denk aan al het geld, dat ik in mijn leven verspild heb, en dat ik mij nu tevreden moet stellen met éen duizend roebels .... Ik ben blijde, dat ik Moscou verlaten moet, ik zou er niet kunnen leven. Maar wat geeft het, of ik daar al over spreek rquot;

Het verveelde den ander reeds, naar die klaagliederen te luisteren; hij had liever zelf het woord gevoerd om zich andermaal op zijn rijkdom te kunnen beroemen, terwijl Nikita van zijn schitterend verleden wilde vertellen. Hij schonk hem nog een glas wijl» in en verbeidde met ongeduld het oogenblik, dat hij geëindigd zou hebben om hem te zeggen, welk een paardenfokkerij hij op zijn landgoed had aangelegd, een fokkerij, zooals er geen tweede te vinden was, en hem bovendien te verzekeren, dat Marie hem om hemzelf en niet om zijn geld liefhad.

»Ik wilde je nog zeggen, dat in mijn fokkerij . . .quot; begon hij, doch Nikita viel hem in de rede.

»Ach, dat was een goede tijd, dat moet ik zeggen. Toen had ik lief en wist ik te leven... . Hadt ge het over sport? Ja? Vertel dan eens, welke is je snelste draver?quot;

De ander vatte de gelegenheid om over zijn fokkerij te spreken gretig aan en wilde daar juist over uitwijden, toen Sherpoukhovsky hem andermaal in de rede viel.

»Ja, ja, ik weet wel, gij sportmannen, gij hebt paarden uit ijdelheid en niet voor genoegen. Met mij was dat niet het geval. Zooals ik je vandaag vertelde, heb ik een

-ocr page 99-

95

bont paard gehad, dat leek op datgene wat je stalknecht nu heeft. O, wat een paard was dat! Dat zoudt ge niet kunnen gelooven; het was in het jaar :42. Ik was juist in Moscou gekomen; ik ging naar een paardenkooper en vond in zijn stal een gevlekt paard, dat prachtig gebouwd was. Ik vroeg den prijs. Duizend roebels. Dat beviel mij, ik kocht het en ging het onmiddellijk rijden. Ik moet zeggen, dat ik nooit zulk een paard had gehad en ook gij zult er nimmer zoo een krijgen. Hij had zijn gelijke niet in schoonheid, kracht en snelheid. Gij waart toen nog een jongen en hebt hem dus niet gekend, doch ik hoop, dat ge over hem hebt hooren spreken; geheel Moscou kende hem.

»Ja, ik heb er over hooren spreken,quot; antwoordde zijn vriend gemelijk, »Ik wilde je nog van de mijnen vertellen , dat.....quot;

»Hebt ge over hem hooren spreken? Ik kocht hem maar zoo, zonder zijn ras te kennen, zonder het minste bewijs van zijn geboorte. Eerst later hoorde ik van wien hij afstamde. Met Voieikov heb ik zijn geslachtsboom opgezocht. Welnu, hij is een zoon van Loubezny I, genaamd Kholstomer. Om zijn gevlekte huid had men hem aan den pikeur van de fokkerij gegeven, waarin hij geworpen was. Deze had hem goed verzorgd en hem later aan den paardenkooper verkocht. O, zulke paarden

zijn er niet meer, mijn beste! Ach, de jeugd......'

Hij zong een Zigeunsch wijsje. Hij begon dronken te worden.

quot;Dat was een goede tijd!quot; vervolgde hij. »Ik was vijf-en-twintig jaar, had twintig duizend roebels inkomen, geen grijs haar en tanden als parelen. . . . Alles wat ik ondernam gelukte mij, en dat is nu alles uit. ...quot; 1

-ocr page 100-

96

»Ja, maar toen waren er onder de paarden niet veel goede dravers/' zeide de ander, van de kleine stilte gebruik makende, waartoe zijn vriend, ademloos van het drukke praten, eindelijk besloten was. «Mijti eerste paarden begonnen te loopen zonder. . .

«Uw paarden ! maar indertijd waren zij veel beter dravers.''

»Hoe dat?quot;

»Wel zeker, veel beter dravers! Zoo herinner ik mij ( dat ik op zekeren dag in een slede bij de wedrennen van Moscou kwam; ik had juist Kholstomer laten inspannen. Mijn paarden liepen niet, ik hield niet van harddravers, ik had slechts raspaarden; generaal Cholet, Mahomed en Kholstomer. ... Ik had ook een goed koetsier, van wien ik veel hield, doch die geëindigd is met te gaan drinken. ... ik kwam er dus aan. »Serpoukhovsky, zeide men mij, wanneer zult ge je nu ook eens harddravers aanschaffen?quot; — Bah! al jelui harddravers zijn niets dan moujiks; de duivel hale ze! Ik heb een trekpaard, dat jelui beste dravers voorbij loopt.quot;

•Kom! . .

»Willen wij om duizend roebels wedden?quot;

»Zij namen het aan, en de paarden werden op de baan gebracht: De mijne kwam vijf seconden voor de anderen aan en deed mij de duizend roebels winnen. Maar dat is nog niets. Met drie raspaarden heb ik, in drie uren tijds, honderd wersten afgelegd. . . Geheel Moscou weet dat.quot;

En Nikita ging daarop met een verrassende welsprekendheid en met een woordenrijkheid, welke zijn vriend niet meer veroorloofde ook maar een enkele maal tusschen-beide te komen, over allerlei wonderen uitwijden; zijn vriend bleef onbewegelijk, met de verveling op het gelaat, zitten. Om zich eenige afleiding te geven, schonk hij

-ocr page 101-

97

steeds wijn in. De dageraad brak aan. Zij zaten nog altijd tegenover elkander. Dé heer des huizes verveelde zich onbeschrijfelijk. Eindelijk stond hij op.

»Komaan, al kunnen wij misschien niet slapen, dan kunnen wij toch naar bed gaan,quot; zeide Nikita, eveneens opstaande. Hij wankelde en haalde schijnbaar moeielijk adem. Daarop ging hij naar de kamer, welke voor hem in gereedheid was gebracht.

De heer des huizes was met zijn maitresse ter ruste gegaan.

»Neen, hij is onbetaalbaar,quot; zeide hij. »Hij was dronken en heeft mij allerlei onmogelijke dingen verteld.quot;

»En mij heeft hij het hof gemaakt,quot; fluisterde de jonge vrouw.

»Ik vrees, dat hij geld ter leen zal vragen.quot;

Nikita had zich intusschen, zonder zich te ontkleeden, op het bed uitgestrekt.

»lk geloof, dat ik wat veel gepocht heb,quot; dacht hij. »Maar ach, wat doet het er toe, zijn wijn is goed! Hij heeft iets van een varken; er is ook iets van een koopman in hem. Ik ben ook esn varken. Vroeger onderhield ik anderen en nu onderhouden zij mij. Ja, ja Winkler onderhoudt mij! Ik krijg geld van haar! Des te erger voor haar minnaar! Maar nu moet ik mij eerst uitkleeden. . .. Ik kan die laarzen nooit alleen uit doen .. ..quot;

»Hei daar! Is daar niet iemand!quot; riep hij, maar de knecht, die tot zijn beschikking was gesteld, sliep reeds lang. Hij richtte zich op in zijn bed, deed zijn uniformjas en zijn vest uit, slaagde er in ook zijn pantalon en zelfs

7

-ocr page 102-

98

een van zijn laarzen uit te trekken, doch was met de andere minder gelukkig: zijn zwaarlijvigheid verhinderde hem dat. Hij wierp zich weer in zijn kussen, den eenen voet wel en den andere niet geschoeid, en snurkte al heel spoedig, de kamer met een lucht van tabak, wijn en onreinheid verp estende.

XII.

Dien nacht kon Kholstomer zich niet in zijn herinneringen verdiepen. Vaska kwam hem storen, wierp hem een kleed over den rug en bracht hem naar de deur van een herberg, waar hij tot aan den morgen, in gezelschap van het paard van een moujik, moest wachten. De twee dieren lekten elkander. Den volgenden dag voegde Kholstomer zich weer bij zijn kameraden ; doch zijn huid jeukte onophoudelijk. »Ik weet niet wat het is, maar ik heb vreese-lijke jeuk,quot; dacht hij.

Vijf dagen verliepen. Eindelijk werd de veearts geroepen, die op vroolijken toon verklaarde :

»Het is schurft! Laat ik hem aan een zigeuner ver-koopen!quot;

»Waarom? Laten wij hem liever dooden, van daag nog.quot;

Het was een kalme, heldere morgen; de drift paarden werd naar het land gebracht, alleen Kholstomer bleef op sta!.

Een vreemde, magere, donkerkleurige man, in een mor-sigen caftan gekleed, trad binnen. Het was de paardenvilder. Hij nam het paard, zonder naar hem te zien, bij den teugel en verliet den stal. Kholstomer volgde hem langzaam zonder om te kijken, sleepte als altijd zijn beenen achter zich aan en raakte met zijn croupe het stroo in het voorbijgaan even aan.

-ocr page 103-

99

Toen het paard de koetspoort uit was, strekte het 't hoofd naar de put uit, doch de vilder trok het bij den teugel en zeide: »Dat is der moeite niet meer waard.quot;

De vilder en Vaska kwamen op een open plek, achter de steenloods en, alsof deze zeer gewone plek hen een bijzonder belang inboezemde, hielden zij er stil. De vilder gaf de teugels aan Vaska, deed zijn caftan uit, stroopte zijn mouwen op en kreeg uit de schacht van zijn laarzen een mes en een slijpsteen.

Het paard strekte zijn hoofd naar den teugel uit, waarin hij uit verveling wilde bijten, doch hij kon er niet bij. Hij slaakte een zucht en sloot de oogen. De tong hing hem uit den mond, zijn gele afgesleten tanden werden zichtbaar en, gewiegd door het geluid, dat het aanzetten van het mes veroorzaakte, dommelde hij in. Alleen zijn ziek en stijf been beefde. Plotseling voelde hij, dat hij werd aangegrepen en men zijn hoofd opbeurde. Hij opende de oogen. Twee honden stonden voor hem; de een snuffelde aan de kleeren van den vilder, de tweede, echter, scheen het paard als den eersten persoon in hetgeen voor zou vallen te beschouwen. Kholstomer streek, terwijl hij naar hen keek, met zijn wang over de hand, die hem vasthield.

»Dat is zeker om mij te genezen,quot; dacht hij, »het is goed 1quot;

Inderdaad voelde hij, dat men iets aan zijn keel deed. Het deed hem pijn: hij sidderde, bewoog zijn been, doch hield zich stil en wachtte af wat er verder gebeuren zou ... Wat er volgde? Een straal vocht vloot langs zijn keel en over zijn borst. Een zucht deed zijn flanken op en neer gaan en hij gevoelde zich verlicht, zeer verlicht. . .

Verlicht van den zwaren last des levens!

Hij sloot andermaal de oogleden en liet zijn hoofd hangen, niemand hield hem meer tegen. . . Daarna begonnen zijn

-ocr page 104-

100

beenen te beven, zijn geheele lichaam waggelde: wat hij ondervond was meer verbazing dan vrees . . . Alles kwam hem zoo vreemd voor! Hij werd hoe langer hoe meer verbaasd, hij wilde vooruit, omhoog gaan, maar in plaats daarvan werden zijn beenen, terwijl hij ze op de plaats zelve bewoog, zwaar; hij voelde dat hij op zijn zijde viel, hij wilde nog een stap voorwaarts doen, doch hij stortte op zijn borst en zijn linkerzijde ter aarde.

De vilder wachtte het einde der stuiptrekkingen af, verwijderde de honden, die naderbij wilden komen, nam toen het paard bij de beenen, keerde het op den rug om, en, terwijl hij Vaska zeide het vast te houden, begon hij zijn werk.

«Het was toch een paard 1quot; mompelde de knecht.

»Als hij wat vetter was,quot; zeide de vilder, »zou zijn huid mooier zijn.quot;

.. . Des avonds kwamen de andere paarden op korten afstand voorbij, en, die op den linkervleugel liepen, zagen daarginds iets roods, waarom zich verscheidene honden bewogen en waarop raven en gieren kwamen aanvliegen. Een hond hield met twee pooten het aas vast en verscheurde, terwijl hij verwoed het hoofd heen en weer schudde, gretig het stuk, dat hij had weten te bemachtigen. Ook een veulen bleef stilstaan en strekte het hoofd en den hals; langen tijd bleef het staan snuffelen, en slechts met veel moeite kon men het bewegen voort te gaan.

Tegen den morgenstond deden eenige jonge wolven in een ravijn van het oude bosch hun vroolijk gebrul hooren. Zij waren met hun vijven, vier waren bijna even groot en de vijlde was heel klein, zijn hoofd alleen was dikker dan zijn geheele lijf. De wolvin, die mager en aan het verharen was, kwam juist uit het kreupelhout en zette

-ocr page 105-

101

zich bij haar jongen neder. Deze gingen in een halven cirkel voor haar staan; zij begaf zich naar den kleinste, liet den staart hangen en, haar bek naar den grond voorover buigende, maakte zij eenige stuipachtige bewegingen; zij opende haar bek, die van groote tanden voorzien was, en spuwde met veel moeite een grooten bout van het paard uit.

De groote wolven wilden er zich van meester maken, doch zij hield ze met een dreigend gebaar tegen en gaf alles aan den kleine.

Deze, schijnbaar boos, nam brommend het stuk onder zich en ging het verscheuren. Op dezelfde wijze spuwde de wolvin iets uit voor den tweede, den derde en zoo vervolgens voor alle vijf. Eerst daarna strekte zij zich bij hen uit om wat rust te nemen.

Acht dagen later was er achter de steenloods niets meer van het paard overgebleven dan de schedel en de voorbeenen; het overige was verdwenen. Tegen den zomer nam de moujik, die de beenderen voor den beenfabrikant bijeenzamelt, de voorbeenen en den schedel mede, die ook op hunne beurt hun weg vonden.

Het lijk van Serpoukhovsky (den ouden meester van het paard), die zich veel in de wereld vertoond en naar hartelust gegeten en gedronken had, werd veel later begraven. Noch zijn huid, noch zijn lichaam, noch zijn beenderen waren voor iemand van eenig nut.

Daar de tegenwoordigheid van den overledene gedurende twintig jaren zwaar op zijn omgeving gedrukt had, was zijn heengaan nog slechts een last te meer. Sinds lang was hij tot niets meer nut, sinds lang hinderde hij iedereen. En toch hebben de »doodenquot;, die de dooden begraven, het noodig geoordeeld zijn lijk in een mooie

-ocr page 106-

102

unitorm en mooie laarzen te kleeden, het in een nieuwe, aan de vier hoeken rijk versierde lijkkist uit te strekken, deze nieuwe lijkkist in een tweede looden kist te plaatsen, die naar Moscou te laten vervoeren en daar de oude beenderen op te graven, om in hun midden dat in ontquot; binding verkeerende lijk (dat in zijn nieuwe uniform en zijn gepoetste laarzen, door de wormen verteerd zal worden) te leggen en het geheel daarna met aarde te bedekken.

-ocr page 107-

DE DECEMBRISTEN.

-ocr page 108-
-ocr page 109-

105

DE DECEMBRISTEN. (')

f Fragment van een onvoltooiden roman, welke dezen naam droeg.)

I.

Het was nog niet lang geleden, dat, onder de regeering van Alexander II, in een vroeger tijdperk van beschaving, vooruitgang en woelingen, in dat van de herleving der Russen, enz. enz., het Russische leger zegevierend van Sebastopol, dat den vijand overgegeven was, terugkeerde, dat geheel Rusland in de vernietiging van de vloot in de Zwarte Zee juichte, en datMoscou, de over-blijvenden van de bemanning dier vloot binnen haar witte muren ontving, hun een teug Russischen Vodka en volgens de goede Russische gewoonte ook brood en zout aanbood, en daarbij het hoofd tot de aarde boog. Het was in den tijd, dat Rusland in de persoon van zijn jeugdige^ maar scherpzinnige staatkundigen treurde over de vernietiging van dien schoonen droom, om in de groote St. Sophia-kerk de mis te kunnen zingen, en over het voor het vaderland zoo gevoelige verlies van twee mannen, die in den oorlog den dood gevonden hadden (de een, medegesleept door de vurige begeerte om in genoemde kerk de mis bij te wonen, op het slagveld in Wal-lachije gevallen, op welk zelfde veld hij bovendien twee escadrons cavalarie deed vallen; de ander, de

') Dezen naam geeft men aan hen, die deel hebben genomen aan den opstand van den i4dequot; December 1825, bij de troonsbeklimming van Nicolaas I.

-ocr page 110-

106

niet genoeg te waardeeren man, die de gewonden bijstond , en het koren en het geld van anderen verdeelde, zonder nochthans iemand te bestelen). Het was in den tijd, dat van alle zijden, in alle takken der menschelijke werkzaamheid, de groote mannen als paddestoelen opschoten, voornamelijk groote veldheeren, ambtenaren, economisten, schrijvers, redenaars, eenvoudig groote mannen, die geen bijzondere roeping hadden. Het was in den tijd, dat, ter gelegenheid van een jubileum van een tooneelspeler in Moscou, de openbare meening, die alle schuldigen wilde kastijden, in haar opinie versterkt door een (te ongelegener tijd uitgesproken) toast, zich zoo hevig uitte; dat commissiën van uit St. Petersburg naar het Zuiden werden gezonden om vol gestrengheid de dieven bij het binnenlandsch bestuur te ontmaskeren en te straffen; dat er in alle steden feestmaaltijden werden aangericht, waarop toasten ter eere van de helden van Sebastopol werden uitgebracht; in den tijd, dat het redenaarstalent zich zelfs bij het volk zoo snel ontwikkelde, dat een herbergier zich bij elke gelegenheid tot schrijven genoopt voelde en uit het hoofd zulke gewaagde toasten uitbracht, dat er van hooger hand strenge maatregelen tegen zijn welsprekendheid moesten genomen worden; in den tijd, dat men zelfs in de Engelsche club een afzonderlijke kamer voor de bespreking der publieke zaken aanwees; dat er tijdschriften verschenen, die allerlei meeningen huldigden, die Europeesche denkbeelden op Europeesche grondstellingen, doch volgens Russische begrippen ontwikkelden en andere, die, met uitsluitend Russische stellingen, Russische denkbeelden volgens Europeesche begrippen ontwikkelden; dat er plotseling zooveel tijdschriften verschenen, dat er schijnbaar gebrek aan titels had moeten

-ocr page 111-

107

ontstaan; (»de Boodschapperquot;, »hct Woordquot;, »de Opmerkerquot;, »de Sterquot;, »de Arendquot;, en vele andere) en dat er toch nog steeds nieuwe, met nieuwe titels verschenen.

In den tijd, dat een geheele school van schrijvers en denkers opstond, die aantoonden, dat de wetenschap voor ieder toegankelijk eu niet voor ieder toegankelijk kan zijn en ook het tegenovergestelde van dien, enz. enz. Andere schrijvers en artisten zetten er zich toe om beschrijvingen te geven van den zonsopgang, den storm, de liefdesgeschiedenis van een Russisch meisje, de traagheid vaneen en het slechte gedrag van vele Russische ambtenaren enz.

In den tijd, dat er van alle zijden vragen van den dag werden opgeworpen (zoo noemde men in 1836 de samenloop van omstandigheden, waarvan niemand iets begreep), dat besproken werd het vraagstuk van het cadettencorps, van de hoogeschool, van de wet op de pers, van de justitie, van het geldbeheer, van de talen, van de politie, van de vrijheidsbeginselen, enz. enz. Allen zochten nog nieuwe vraagstukken en allen trachtten deze op te lossen. Er werd geschreven, gelezen, gesproken; allen wilden verbeteringen invoeren, onderdrukken, veranderingen of wijzigingen aanbrengen, en alle Russen geraakten als èén man in de meest hartstochtelijke geestdrift. Deze toestand is in de negentiende eeuw reeds tweemaal in Rusland in het leven geroepen: de eerste maal in 1812, toen wij Napoleon I gefopt hebben, en de tweede maal in 1836, toen wij door Napoleon III gefopt zijn. In een woord, het was de gedenkwaardige, onvergetelijke tijd van de herleving der Russen!.....

Evenals de Franschen zeggen, dat hij, die niet gedurende de groote omwenteling leefde, niet geleefd heeft, durf ik beweren, dat hij, die niet in 1856 in Rusland leefde, niet

-ocr page 112-

108

weet wat leven is. Hij, die deze regelen nederschrijft, heeft niet alleen in dien tijd geleefd, maar hij heeft er bovendien een groote rol in vervuld. Hij heeft niet alleen weken lang in de blindeeringen van Sebastopol doorgebracht, maar hij heeft ook een werk over den Krim-oorlog geschreven, een werk, dat hem beroemd heeft gemaakt, en waarin hij nauwkeurig, tot in de kleinste bijzonderheden, beschreven heeft, hoe de soldaten in de bastions hun geweren aftrokken, hoe men in de hospitalen de gewonden de windsels aanlegde en hoe men op het kerkhof de dooden begroef. Na al deze heldendaden verricht te hebben is hij, die deze regelen op papier zet, naar het middenpunt van het land teruggekeerd, waar hij de lauweren van zijn werk inoogstte. Hij heeft de geestdrift aanschouwd van twee hoofdsteden en van een geheel volk; hij zelf heeft ondervonden, hoezeer Rusland ware verdiensten op prijs weet te stellen. De machtigen der aarde zochten allen kennis met hem te maken, hem de hand te drukken, hem aan hun tafel te noodigen, hem bij zich te ontvangen, en, om van hem de bijzonderheden van den oorlog te vernemen, maakten zij hem deelgenoot van hun vaderlandslievende gevoelens. Daarom kan de schrijver van deze regelen dat grootsche, onvergetelijke tijdperk waardeeren. Maar daarvan is nu geen sprake.

.... Tegen dien tijd hielden twee reiswagens en een slede voor de deur van het voornaamste hotel in Moscou stil. Een jonge man ging het bordes op, om te vragen of er kamers beschikbaar waren. Een oude heer, die met twee dames in een van de reiswagens was gebleven, sprak over den bouw van de brug Kouznetsky, uit den Franschen tijd; het was het vervolg van een gesprek, dat, bij het binnenkomen van Moscou begonnen was, en de oude heer met zijn grijzen baard, in een pels

-ocr page 113-

109

gewikkeld, zette kalm het onderhoud in het rijtuig voort, alsof hij hierin den nacht doorbrengen moest. De twee dames, zijn vrouw en zijn dochter, luisterden wel naar hem, maar wierpen toch van tijd tot tijd een blik vol ongeduld naar de deur van het hotel. Eindelijk kwam de jonge man met den portier en een knecht terug.

»Nu, Serguey?quot; vroeg zijn moeder, haar vermoeid gelaat onder het licht van de lantaarn voorover buigende,

Was het uit gewoonte of wel uit vrees, dat de portier hem om zijn korte pels voor een lakei zou aanzien, dat ook Serguey in het Fransch antwoordde, dat er kamers beschikbaar waren terwijl hij het portier opendeed.

De oude heer wierp een vluchtigen blik op zijn zoon en vleide zich op nieuw achter in de reiswagen neder, alsof hetgeen Serguey zeide hem niet gold:

quot;Toen was er nog geen theater . . . .quot;

«Pieter . .zeide zijn vrouw, haar mantel dichtknoopende. Doch de oude Decembrist vervolgde:

•Mevrouw Chalmier woonde op de Tverskaïa . .

Een frissche, heldere lach weerklonk achter uit het rijtuig.

»Stapt u toch uit. Papa, u verpraat uw tijdquot;.

De grijsaard scheen alleen te begrijpen, dat zij het doel van de reis hadden bereikt, en wierp een blik rond zich heen.

»Maar stapt u toch uit.quot;

Hij zette zijn reismuts diep in de oogen en stapte onderworpen uit. De portier nam hem bij den arm, doch toen hij zag dat de oude heer nog goed ter been was, bood hij zijn diensten aan mevrouw Nathalia Nicolaevna aan, die in zijn oog een dame van de groote wereld was, zoowel om haar pels van marterbont, als om de langzaamheid waarmede zij uit het rijtuig stapte en om de wijze waarop zij op

-ocr page 114-

110

den arm van haar zoon leunde, toen zij met een stijve houding en zonder zich om te keeren de stoep opging; wat de jonge dame betrof, deze onderscheidde hij niet van de kameniers, die uit den anderen reiswagen stapten. Evenals deze droeg zij een klein pakje en bovendien nog de pijp van haar vader; zij kwam achteraan. Eerst toen hij haar lach hoorde en hij bespeurde, dat de oude heer haar vader was, begreep hij wie zij was.

»Niet daarheen, Papa, rechts,quot; zeide zij, haar vader bij zijn pels vattende.

En op de trap, te midden van het gedruisch door het open en dicht doen van deuren veroorzaakt, hoorde men denzelfden lach als in het rijtuig, die, wanneer men hem eenmaal gehoord had, u telkens deed denken; »Wat lacht zij gul!quot; Serguey. de zoon, belastte zich met al de bijzonderheden en de stoffelijke zorgen van de reis, zonder er eenig begrip van te hebben, doch met den ijver en de voortvarendheid, welke aan den nog zoo jeugdigen leeftijd van vijf-en-twintig jaren eigen zijn. Onophoudelijk en misschien zonder noodzakelijkheid, liep hij zonder overjas naar de slede, en keerde dan huiverend van koude terug, daarbij twee of drie treden van het bordes tegelijk opspringende.

Nathalia Nicolaevna waarschuwde hem telkens geen koude te vatten, doch hij verzekerde, dat het niets was en ging weer voort met het geven van orders, met het slaan van deuren, met heen en weer te loopen, hoewel inderdaad de tusschenkomst van de bedienden en de moujiks meer noodig was dan de zijne. Herhaaldelijk liep hij al de kamers door, verliet het salon door de eene deur om er door een andere weer binnen te komen en zocht altijd iets te doen.

»Wilt u een bad nemen, Papa? Wil ik eens gaan vragen ?....»

-ocr page 115-

Ill

Papa, echter, was uiterst verstrooid en scheen zich van zijn omgeving' geen rékenschap te geven. Hij hoorde de woorden, doch begreep ze niet; plotseling riep hij;

»Ja, ja, dat is goed, ga maar eens vragen; dicht bij de brug Kameny. . .

Daarop liep hij met haastigen, gejaagden tred de kamer op en neder en nam toen weêr in zijn armstoel plaats.

»Komaan, nu moeten wij beslissen wat wij zullen doen ; wij moeten ons hier maar inrichten. Komaan, kinderen, helpt ons een handje. Draagt aan, dan kunnen wij schikken, Morgen zullen wij Serioja 1) met een enkel woordje naar zuster Marie Ivanovna, bij de Nikitines, zenden, of misschien kunnen wij zelf gaan, niet waar, Natacha? 2J En laten wij nu voortmaken.quot;

»Morgen is het Zondag; ik hoop, dat ge ten eerste naar de mis zult gaan, Pieter?quot; zeide zijn vrouw, die geknield lag voor een koffer, welken zij opende.

»Dat is waar, het is Zondag; wij moeten bepaald allen naar de hoofdkerk van Ouspénié gaan; daar mede zullen wij onze terugkeer beginnen.... Mijn God! als ik aan den dag denk, dat ik voor de laatste maal naar die kerk gegaan ben .... Herinnert ge u het nog, Natacha? Maar laten wij daar nu niet aan denken.quot;

Haastig stond hij op.

»Nu moeten wij ons hier inrichten.quot;

En, zonder iets te doen, liep hij van de eene kamer naar de andere.

»Gaan we nu theedrinken? of zijt ge te vermoeid? Wilt ge wat rust nemen?quot;

1

verkleining van Serguey.

2

„ „ Nathalia.

-ocr page 116-

112

»Ja, ja», antwoordde zijn vrouw, iets uit den koffer krijgende.

»Maar, ge wilt immers een bad nemen?»

»Ja.... in mijn tijd was daarvoor gelegenheid in de nabijheid van de brug Kamény; Serioja, ga eens vragen of die badinrichting nog bestaat. Deze kamer zal ik voor mij en Serioja houden. Vindt ge dat goed, Serioja?»

Maar deze was reeds verdwenen.

»Neen, dat gaat niet, dan hebt gij geen rechtstreekschen toegang tot het salon. Wat denkt gij ervan, Natacha?»

»Wees bedaard, Pieter, alles zal wel in orde komen,» antwoordde Natacha van uit de andere kamer, waar de knechts de bagage juist brachten.

Pieter verkeerde in een toestand van vervoering, het gevolg van het feit, dat hij het doel van zijn reis bereikt had.

«Wees voorzichtig, haal het goed van Serioja niet door elkaar. Zij hebben zijn schaatsen bij voorbeeld al in het salon gegooid .. ..quot;

Vol zorg raapte hij ze zelf op, alsof de ordelijkheid van de geheele kamer daarvan afhing. Hij hing ze aan den muur op, doch een oogenblik later, toen hij zich weer verwijderd had, vielen zij met veel gedruisch neder. Nathalia Nicolaevna verschrikte en keek ontstemd op, doch toen zij zag wie er de oorzaak van was, zeide zij eenvoudig: »Sonia, mijn kind, raap dat eens op.quot;

»Raap op, kind», herhaalde de oude heer. «Ik ga den chef van het hotel eens opzoeken om een en ander met hem af te spreken; anders komen wij nooit klaar».

»Pieter, zou het niet beter zijn hem hier te laten komen ?»

Pieter stemde toe.

»Sonia, roept gij den,... hoe heet hij? Meneer Cave-Ler.... Zeg hem, wilt ge, dat wij een en ander met hem willen bespreken».

-ocr page 117-

113

«Chevalier, Papa,» zeide Sonia, die op het punt was de kamer te verlaten. Nathalia Nicolaevna, die op kalmen toon haar bevelen gaf, liep zachtjes van de eene kamer naar de andere; nu eens droeg zij een doos, dan weer een kussen en zette alles op zijn plaats. Toen zij Sonia genaderd was, had zij den tijd om haar toe te fluisteren: «Ga niet zelf, zend den knecht».

Terwijl deze den chef van het hotel ging halen, wilde Pieter zijn vrijen tijd benutten; onder voorwendsel van zijn vrouw te helpen, verkreukelde hij haar japonnen en stootte zich eindelijk aan een ledige kist; hij moest zich aan den muur vasthouden om niet te vallen en zag glimlachend in het rond; zijn vrouw was druk bezig en deed alsof zij niets zag; Sonia was het evenmin ontgaan, doch haar schalke oogen wachtten slechts op de vergunning om te mogen lachen ; hij stond haar deze gaarne toe en lachte zelf zoo hartelijk, dat allen, die in de kamer waren, van af Nathalia Nicolaevna tot de kameniers en de moujiks, eveneens in lachen uitbarstten. Deze algemeene vroolijkheid prikkelde den ouden man nog meer. Hij vond, dat de divan in de kamer van zijn vrouw en dochter slecht geplaatst was, niettegenstaande deze het tegendeel verzekerden en hem tot bedaren trachtten te brengen. Op het oogenblik, dat hij, geholpen door een moujik, beproefde een meubel te verzetten, trad de chef van het hotel, een Franschman, de kamer binnen.

»U hebt mij laten verzoeken hier te komen rquot; zeide hij op gewichtigen toon, en om zoo al niet zijn minachting dan toch minstens zijn onverschilligheid te toonen, haalde hij langzaam zijn zakdoek te voorschijn, ontvouwde dien langzaam en gebruikte dien langzaam.

sja, mijn waarde vriend,quot; zeide Petr Ivanovitch. «Ziet

8

-ocr page 118-

114

ge, wij, mijn vrouw en ik, weten nog niet hoe lang wij hier zullen blijven.quot;

Petr Ivanovitch had de zwakheid in elk mensch zijn naaste te zien, daarom maakte hij nu den vreemde met zijn familiezaken bekend. Chevalier deelde die zienswijze niet ; de inlichtingen, welke Petr Ivanovitch hem gaf, boezemden hem niet de minste belangstelling in, maar het zuivere accent, waarmede deze Fransch sprak (zooals bekend is, geldt de kennis der Fransche taal voor een titel in Rusland) en zijn beschaafde manieren gaven hem een gunstiger indruk van zijn gasten.

»In welk opzicht kan ik u van dienst zijn rquot; vroeg hij. Deze vraag was voor den ouden Decembrist niet moeiehjk te beantwoorden. Hij gaf dus zijn wensch te kennen, dat Chevalier eenige kamers tot zijn beschikking zou stellen, zou zorgen voor thee, een samovar, avondeten, middageten, voeding der dienstboden, in een woord voor alles, waartoe de hotels zijn ingericht. Toen Chevalier, die verwonderd was over de naïveteit van den ouden heer, welke zich waarschijnlijk in de steppen verdwaald waande en zich verbeeldde, dat men hem dat alles voor niets zou geven, hem zeide dat hij hem alles wat hij verlangde zou verschaffen, riep Petr Ivanovitch verheugd uit;

»Dat is uitstekend! Zeer goed! Dat is dus overeengekomen ; wij zullen het wel samen vinden! .. .quot;

Hij voelde zich echter niet op zijn gemak, toen hij begreep, dat hij reeds teveel over zichzelf had gesproken en begon nu met Chevalier over diens familie en zijn zaken te praten.

Serguey Petrovitch, die inmiddels was binnengekomen, scheen de wijze, waarop zijn vader met Chevalier sprak, niet goed te keuren. Hij zag, hoe de chef van het hotel

-ocr page 119-

115

er over ontstemd was en bracht onmiddellijk het gesprek op de badinrichting. Petr Ivanovitch scheen gaarne te willen weten hoe het mogelijk was, dat een Fransch hotel in 1856, in Moskou zaken kon maken en op welke wijze Chevalier zijn tijd doorbracht. Eindelijk maakte de chef van het hotel een buiging en vroeg of men verder nog iets verlangde.

»Wij gaan theedrinken, nietwaar, Natacha? Thee, als het u belieft. En wat ons gesprek betreft, mijn waarde heer, dat zullen wij later nog wel eens hervatten . . . Wat een beste man !quot;

»En uw bad. Papa?quot;

«Ach ja; neen, dan geen thee,quot;

Zoo doende had het gesprek met den chef van het hotel niet het minste gevolg, doch Petr Ivanovitch was nu daarentegen zeer trotsch en zeer gelukkig met de wijze, waarop hij de kamers ha() ingericht.

De koetsiers kwamen hem een fooi vragen en brachten hem eenigszips uit zijn goeden luim, omdat Serioja geen klein geld had. Petr Ivanovitch wilde andermaal den heer des huizes laten komen, doch hij bedacht, dat hij dien avond niet alleen gelukkig moest wezen en veranderde van inzicht. Hij nam twee bankbilletten van drie roebels en, een er van aan de koetsiers ter hand stellende, zeide hij;

»Dat is voor u,quot; (Petr Ivanovitch had de gewoonte om iedereen met ^uquot; aan te spreken, zijn familieleden uitgezonderd). »En dat is voor u/' zeide hij tot den anderen koetsier, de billetten van de eene hand in de andere latende glijden, zooals men doet, als men een dokter zijn visites betaalt.

Hierop werd hij naar de badinrichting gebracht. Sonia had zich op den divan nedergezet; zij leunde met haar hoofd op haar arm en begon te lachen.

-ocr page 120-

116

«Ach, wat heerlijk, Mama! Wat is het hier prettig!quot;

Zij legde nu ook haar beenen op den divan, rekte zich uit, vleide zich behagelijk neder en sliep weldra den zwaren, verkwikkenden slaap van een jong meisje van achttien jaar, dat gedurende zes weken gereisd heeft.

Nathalia Nicolaevna, die nog altijd bezig was haar slaapkamer in orde te brengen, bespeurde waarschijnlijk vol moederlijke bezorgdheid, dat Sonia zich niet meer bewoog en ging de kamer weer binnen om naar haar te zien.

Zij nam een hoofdkussen en met haar lange, blanke hand het rooskleurige gezichtje, dat gedeeltelijk door heur haren bedekt was, oplichtende, legde zij het kussen behoedzaam onder de schouders van haar kind.

Sonia haalde diep adem, bewoog zich even, en liet haar hoofd weer vallen, alsof het van zelf gebeurd was en zij niets bespeurd had.

»Niet daarop, niet die, Gariolovna. Laat eens zien, Katia,quot; vervolgde Nathalia Nicolaevna, zich tot de kameniers wendende, die de bedden opmaakten, terwijl zij de loshangende haren van haar dochter terloops gladstreek.

Zonder zich te overhaasten of tijd verloren te laten gaan, zette zij alles op haar plaats, en, vóórdat haar man en haar zoon huiswaarts keerden, was alles in orde.

Alle ledige kisten en koffers waren verwijderd en in de kamer van Petr was alles geschikt, zooals het gedurende tien jaren te Irkoutsk geschikt was geweest. Zijn kamerrok, zijn pijp, zijn tabaksdoos, het glas suikerwater, het Evangelie, dat de oude Decembrist des nachts las, alles lag op zijn plaats; zelfs het kleine heiligenbeeldje was aan het hoofdeneind van zijn bed opgehangen op het fraaie behangselpapier van mijnheer Chevalier, die van dergelijke zaken geen gebruik maakte. Nathalia Nicolaevna

-ocr page 121-

117

deed daarop haar kraag en manchetten, die ondanks de reis nog zeer schoon waren, recht, streek heur haar glad en zette zich aan de tafel neder. Haar mooie, donkere oogen staarden voor zich uit en zagen in de toekomst. Het was of zij rust nam, niet alleen voor de vermoeienis van de reis en de moeitevolle jaren, daarginds gesleten, neen, zij scheen rust te nemen voor een geheel leven en dat verschiet, waarheen haar blik zich richtte, waarin zij levende, geliefde wezens zag, dat verschiet was de rust, waarnaar zij verlangde.

Was zij gebroken door de heldhaftige liefde, welke zij haar man bewezen had, of door de moederlijke liefde, welke zij voor haar kinderen had gevoeld, toen deze klein waren. Door een smartelijk verlies of een eigenaar-digen trek van haar karakter! Hij, die haar aandachtig had gadegeslagen, zou bespeurd hebben, dat er van haar niets meer te verwachten was, dat zij zich reeds sinds lang aan het leven ten offer had gebracht en dat er van haar »ikquot; niets meer was overgebleven; daarvan bestond nog slechts iets waardigs, iets eerbiedwaardigs, bij wijze van een schoone en droevige herinnering. Men kon zich haar niet anders voorstellen dan door eerbied en alle comfort des levens omringd. Honger hebben, gulzig eten, vuil linnengoed dragen, een misstap doen, vergeten haar zakdoek te gebruiken, men zou zich niet kunnen voorstellen, dat haar iets dergelijks overkwam: dat was zedelijk en stoffelijk onmogelijk. Waarom ? Dat weet ik niet, maar elke harer bewegingen getuigde van bevalligheid en majesteit en beloofde geluk aan ieder, die met haar in aanraking kwam.

»Sie flechten und weben

Himmlische Rosen in's irdische Leben.quot;

-ocr page 122-

118

Zij kende die dichtregelen en las ze gaarne, doch paste ze niet op zich zelve toe; toch was haar geheele natuur de uiting van die gedachte en haar geheele leven een onbewuste invlcchting van onzichtbare rozen in het leven van ieder, die haar ontmoette.

Zij volgde haar man naar Siberie, alleen omdat zij van hem hield; zij dacht er niet over na wat zij wel voor hem zou kunnen doen, maar handelde alleen bij instinct. Zij maakte zelf zijn bed op, hield zijn kleederen en zaken in orde, maakte zijn middagmaal, zijn thee voor hem gereed en was altijd bij hem; geen vrouw zou haar echtgenoot meer geluk hebben kunnen schenken.

De samovar stond op een ronde tafel in het salon. Nathalia Nicolaevna zat voor de tafel, terwijl Sonia glimlachte en allerlei potsierlijke bewegingen maakte onder de hand van hare moeder, die haar kittelde. Vader en zoon kwamen inmiddels tehuis; zij hadden gerimpelde vingertoppen en een glimmend voorhoofd (vooral dat van den vader, dat kaal was, glom bijzonder;) hun zwarte of grijze haren waren glanziger en voller dan gewoonlijk.

«Men zou zeggen, dat het lichter is in de kamer, sinds gij zijt binnengekomen,quot; zeide Nathalia Nicolaevna. »Mijn hemel, wat is hij schoon!quot;

Ditzelfde zeide zij jarenlang, eiken Zaterdag, en ook eiken Zaterdag gevoelde hij zich door die kleine vleierij gestreeld.

Zij zetten zich rond de tafel neder. Weldra verspreidde zich in de geheele kamer de geur van tabak en van thee, evenals het gedruisch der verschillende stemmen van de ouders, de kinderen en de bedienden, die in dezelfde kamer hun thee gebruikten. Kluchtige avonturen, welke hen op reis waren overkomen, werden in herinne-

-ocr page 123-

119

ring gebracht; het kapsel van Sonia werd bewonderd; in één woord, men was opgewekt en vroolijk. In werkelijkheid hadden zij een afstand van vijf duizend wersten afgelegd in een hen onbekende omgeving, doch in hun gedachten waren zij nog in hun vorige woning, in den toestand waarin een langdurig, afgezonderd familieleven hen geplaatst had. Den volgenden dag zou het niet meer hetzelfde zijn. Petr Ivanovitch ging zijn pijp aan den samovar aansteken. Hij was niet zoo vroolijk als zooëven.

»Welnu, zoo zijn wij dan eindelijk hier gekomen,quot; zeide hij, »het is mij recht aangenaam, dat wij van daag niemand zien. Dezen laatsten avond zullen wij nog onder ons doorbrengen, onder ons!...quot; Met een grooten slok thee brak hij zijn woorden af.

«Waarom den laatsten, Papa?quot;

«Waarom? omdat de jonge arenden reeds hebben leeren vliegen; zij zullen nu weldra zelf een nestje kiezen en, ieder naar zijn zijde, het oude nest ontvlieden» ....

»0, neen!quot; zeide Sonia, zijn glas aannemende, terwijl zij hem toelachte, zooals zij dat tegen ieder deed. »Het oude nest is zoo goed.quot;

»Het oude nest is droevig en somber. De oude man heeft het niet kunnen maken: hij werd gevangen gezet en in die gevangenschap schonk hij het leven aan kinderen; later heeft men hem losgelaten, doch toen konden zijn vleugels hem niet langer dragen . . . Neen, de jongen moeten zich zeiven een nestje maken, dat hooger, schooner, meer nabij de zon is. Als zijn kinderen, zal zijn voorbeeld hun tot nut zijn. En wat den oude betreft, zoo lang hij nog niet blind is, zal hij zien en wanneer hij dat mocht worden, zal hij luisteren, . . Schenk nog wat rhum in . . . nog meer . . . dank je.quot;

-ocr page 124-

120

«Nu, dan zullen wij eens zien, wie van ons, de anderen het eerst verlaat,quot; zeide Sonia, haar moeder tersluiks aanziende, als schaamde zij zich in haar tegenwoordigheid zoo te spreken.

•Wij zullen eens zien, wie het eerst heengaat 1quot; hernam zij. 'Noch voor mij, noch voor Serioja ben ik ook maar eenigszins bang!quot;

Gedurende dit gesprek liep Serioja de kamer op en neder, de volgende vraag ernstig beschouwende: hoe hij den volgenden dag zijn rok zou bestellen, of hij zelf naaiden kleermaker zou gaan of dat hij dien zou laten verzoeken bij hem te komen.

Het gesprek tusschen Sonia en haar vader boezemde hem niet het minste belang in.

Sonia begon te lachen.

»Wat hebt gij? Waarom lacht gij?quot; vroeg haar vader.

quot;U zijt jonger dan wij. Papa, heusch! Veel jonger!quot; zeide zij, op nieuw glimlachende.

«Hoor eens aan!quot; zeide de oude heer, en de ernstige trek om zijn mond plooide zich tot een teederen, minachtenden glimlach.

Nathalia Nicolaevna boog zich achter dens amovar, wat haar belette haar man te zien.

«Sonia heeft gelijk, het is, alsof gij nog zestien zijt, Petr! Serioja is jonger dan gij, wat zijn karakter betreft, maar gij zijt jonger van harte. Wat hij zal doen, kan ik voorzien, maar gij, gij bereidt mij nog altijd een verrassing.quot;

Keurde hij innerlijk de juistheid van deze opmerking goed of wist hij, eenigszins door haar woorden gevleid, niet wat te antwoorden, zeker is het, dat de oude man stilzwijgend bleef rooken en zijn thee gebruikte; alleen zijn oogen schitterden.

-ocr page 125-

121

Serioja stelde nu, met de zelfzucht, die aan de jeugd eigen is , belang in het gesprek, omdat zijn naam genoemd was. Hij stemde toe, dat hij inderdaad zeer oud was, dat zijn komst te Moscou en zijn nieuw leven hem in het minst niet behaagden, maar dat hij kalm over de toekomst dacht en peinsde.

»Om het even, het is de laatste avond,quot; hernam Petr Ivanovitch; smorgen zal het niet meer hetzelfde zijn.quot;

Mij schonk zich andermaal wat rhum in en bleef nog langen tijd bij de theetafel zitten, als iemand die nog veel te zeggen heeft, zonder dat er iemand is die naar hem zou luisteren. Hij zette de flesch met rhum bij zich neder, doch zijn dochter nam die weèr stillekens weg.

II.

Na weer in zijn huiskamer teruggekomen te zijn, deelde Chevalier aan- zijn wederhelft zijn indrukken over de nieuw aangekomen reizigers mede. Madame Chevalier was in kant en zijde gekleed en stond, volgens Fransche gewoonte, achter haar bureau. In dezelfde kamer bevonden zich verscheidene trouwe bezoekers van het hotel.

Serioja had, toen hij naar beneden was gegaan, die zaal en haar gasten reeds opgemerkt. Ieder, die Moscou bezocht heeft, zal haar waarschijnlijk opgemerkt hebben. Wanneer ge bescheiden zijt, wanneer ge Moscou niet kent en gij te laat zijt voor een diner in de stad of wel indien gij ten onrechte gerekend hebt op de gastvrijheid der Moscovieten, die u niet uitgenoodigd hebben om u aan hun tafel te zetten, zooals gij verwachttet, of eenvoudig wanneer gij in een der restaurants van de stad niet eten kunt, kiest gij dat hotel. Gij begint met de vestibule binnen te gaan,

-ocr page 126-

122

waar drie of vier lakeien fluks opstaan om uwe peis uit te doen, terwijl zij u een voorspoedig nieuwjaar of een goeden vastentijd of een welkom wenschen of eenvoudig opmerken, dat gij in lang niet gekomen zijt, zelfs wanneer gij er nog nooit geweest zijt. Daarop gaat ge de eetzaal binnen, waar u allereerst een lange tafel opvalt, die op het eerste gezicht prachtig gedekt en van een menigte smaakvolle schotels voorzien schijnt te zijn; dit is echter een dwaling: voor het meerendeel bestaan die schotels uit opgezette fazanten, ongekookte kreeften, bonbons en suikerwerken. Eerst heel aan het eind, als ge goed weet te zoeken, vindt ge brandewijn, een stukje gesmeerd brood met eén klein vischje, door een gazen klok overdekt, welke te Moscou in de maand December geheel overbodig is, maar daarentegen volkomen gelijkt op die, welke te Parijs gebruikt worden. Voorts bespeurt ge, waneeer ge uw blik verder laat gaan, een andere zaal, waarin een dame achter een schrijfbureau heeft plaats genomen. Deze dame heeft een bijzonder onaangenaam uiterlijk, maar is zeer zindelijk en nieuwerwetsch gekleed. Bij haar ziet ge een officier met een loshangende jas, die een stukje brood eet na een glas brandewijn gedronken te hebben, vervolgens een burgerheer, die de courant leest, alsmede jongelui, burgers of militairen, die op de met fluweel bekleede stoelen hebben plaats genomen. Het gesprek wordt in het Fransch gevoerd en van tijd tot tijd door een min of meer hartelijken lach onderbroken.

Wanneer ge wilt weten wat er in die kamer voorvalt, raad ik u aan er niet binnen te gaan, maar er alleen een blik in te werpen, alsof ge er langs kwaamt om een boterham te nemen; anders zoudt ge u niet op uw gemak gevoelen in die stilte, welke onder de gewone bezoekers van

-ocr page 127-

123

dat salon heerscht en onder de vragende blikken, welke zij op u gericht houden, en zoudt ge ongetwijfeld niet zonder verlegenheid naar een der tafeltjes in het groote salon of het wintersalon de vlucht nemen. Niemand zou u dat beletten, want die tafeltjes zijn tot ieders beschikking; en daar, afgezonderd van de anderen, zoudt ge den knecht kunnen roepen en hem zooveel truffels bestellen, als ge maar wilt. De zaal, waarin de Frangaise zetelt, is slechts toegankelijk voor de jeunesse dorée van Moscou en om tot dien uitgelezen kring toegelaten te worden, is niet zoo gemakkelijk als men wel denkt.

Chevalier ging dat vertrek binnen, vertelde zijn vrouw dat de meneer uit Siberië zeer vervelend was, maar dat zijn zoon en dochter daarentegen zoo flink ontwikkeld waren, dat men dergelijke kinderen alleen in Siberië kon groot brengen.

»Het meisje is een rozeknoplquot;

»0, hij houdt van blozende vrouwen, de oude!quot; zeide een van de gasten, die een sigaar rookte.

Het gesprek werd natuurlijk in het Fransch gevoerd; ik vertaal het nu maar in het Russisch, wat ik in het geheele verhaal zal volhouden.

»Ja, daar houd ik veel van!quot; stemde Chevalier toe. »De vrouwen zijn mijn hartstocht! Gelooft gij het niet?quot;

quot;Hoort ge het, mevrouw Chevalier?quot; riep een gezet officier der Kozakken, die veel geld schuldig was aan den heer des huizes en gaarne met hem sprak.

»En hij, hij heeft dezelfde smaak als ik!quot; zeide Chevalier, den officier op den schouder kloppende.

»Is zij waarlijk mooi, dat meisje uit Siberie ?quot;

Chevalier sloot de vingertoppen van zijn rechterhand aaneen en kuste die luid. Daarop werd het gesprek meer

-ocr page 128-

124

vertrouwelijk en hoe langer hoe vroolijker; men sprak over den grooten Kozak en vertelde hem schertsend wat er van hem gezegd werd.

»Hoe kan iemand zoo weinig smaak hebben!quot; riep een van de gasten luid lachend uit. «Juffrouw Clarisse, weet ge wat Strogov het meest in een vrouw bewondert ? De kippenbilletjes 1quot;

Hoewel Madame Chevalier den zin van deze scherts niet begreep, barstte zij in een luiden lach uit, die zoo helder klonk als haar leelijke tanden en haar ver gevorderde leeftijd het haar veroorloofden.

»Heeft die jonge dame uit Siberië hem op die gedachten gebracht!quot;

Nu begonnen allen nog luider te lachen.

Chevalier zelf stikte bijna van lachen en herhaalde onophoudelijk :

»Die oude deugniet! Die oude deugniet!quot; En sloeg daarbij nu eens op het hoofd dan weer op de schouders van den officier der Kozakken.

»Maar wie zijn toch die gasten uit Siberie?quot; vroeg een van de heeren,quot; toen hij eenigszins bedaard was. «Fabrikanten of kooplieden?quot;

»Nikita, ga de paspoorten van de pas aangekomen reizigers vragen.quot;

De knecht verliet het vertrek en kwam onmiddellijk terug.

«Wij, Alexander, Keizer aller Russen. . .quot; begon Chevalier, het paspoort lezende; doch de officier rukte het hem uit de handen, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat van groote verwondering getuigde.

«Welnu, raadt eens wie hij is?quot; zeide hij; »gij kent hem allen althans bij naam.quot;

»Ja, hoe moeten wij dat raden ? Laat het ons liever zien!

-ocr page 129-

125

Misschien Abd-el-Kader ? Ha! ha! ha! Cagliostro ? Peter III ? Ha! ha! ha!quot;

»Kom, lees het ons voor!quot;

De Kozak vouwde het papier open en las:

»Voormalig prins Petr Ivanovitch . . daarop volgde een van die Russische namen, welken iedereen kent en dien men met genoegen en eerbied uitspreekt, vooral, wanneer men van den persoon, die hem draagt, als van een vriend of een bekende spreekt. Wij zullen hem La-basov noemen.

De officier herinnerde zich flauw, dat die Petr Labasov in 1825 op de een of andere wijze beroemd geworden en tot dwangarbeid veroordeeld was, doch hoe hij die beroemdheid verworven had, wist hij niet; de overige gasten wisten dat evenmin en riepen toch:

'Ach, wat een beroemd man 1...quot; evenals zij dat zouden gezegd hebben van Shakespeare, de schrijver van den Aenëas. Zij konden zich eerst een begrip vormen van Labasov's gewichtige persoonlijkheid, toen de officier hun mededeelde, dat hij de broeder van prins Ivan, de oom van de Tchikine's en van gravin Pronk was, in een woord, dat hij zeer bekend was.

quot;Maar dan moet hij zeer rijk zijn, wanneer hij de broeder van prins Ivan is,quot; merkte een der jongelui op, «vooral, wanneer zijn goederen hem teruggeven worden. Er zijn er, die ze terugkrijgen.quot;

«Hoeveel van die bannelingen zouden er nu wel zijn wedergekeerd?quot; vroeg een ander. «Werkelijk, er zijn er misschien meer teruggekeerd dan verbannen. Zeg eens, Gikinsky, vertel nog eens dat verhaal van den 18°quot;quot;, zeide hij tot een officier van de schutterij, die den naam had van goed te kunnen vertellen.

-ocr page 130-

126

»Ja, vertel dat eens!quot;

»Het is ten eerste een ware geschiedenis en het is hier in de groote zaal bij den heer Chevalier gebeurd: ürie Decembristen komen dineeren, zij zetten zich aan een dei-tafels neder, eten, drinken en praten. Tegenover hen zet zich eenige oogenblikken later een ander heer neder, met een zeer eerbiedwekkend uiterlijk, die van denzelfden leeftijd als zij schijnt te zijn en nauwlettend luistert naar alles, wat zij van Siberie vertellen. Plotseling doet hij hun een vraag, zij gaan met elkander praten en hij vertelt, dat ook hij uit Siberië komt.

»Kent u Nertchinsk?quot;

• Zeker, daar heb ik gewoond.quot;

»En kent u Patiana Ivanovnarquot;

»Zeker.quot;

»Mag ik dan zoo vrij zijn u te vragen of u eveneens verbannen zijt geweest?quot;

»Ja, ik was zoo ongelukkig. En gij ?quot;

»Wij allen zijn verbannen geweest om de zaak van den 14°quot; December. Het is vreemd, dat wij elkander niet kennen als u ook om den 14ei1 verbannen is. Hoe is uw naam?quot; «Fedorov.quot;

«En ook om den 14en verbannen ?»

«Neen, ik om den 18en.»

«Welken achttienden?

«Wel, den achttienden September, om dat gouden horloge. Ik werd van diefstal beticht, maar ik was onschuldig.»

Allen barstten in een homerisch gelach uit, behalve de verteller zelf, die een zeer ernstig gezicht zette, zijn gehoor kalm gadesloeg en verzekerde, dat het een ware geschiedenis was.

Toen het verhaal geëindigd was, stond een van de

-ocr page 131-

127

jongelui op om zich naar de club te begeven. Hij ging door de speelzalen, waar verscheidene oude heeren écarté zaten te spelen, ging vervolgens even bij den toen reeds beroemden Pontchine luisteren, bleef eenigen tijd bij de billarten. waar een klein oud heer, een persoon van gewicht, rond drentelde, die ternauwernood zijn bal kon raken. Daarop wierp hij een blik in de bibliotheek, waar een generaal ernstig over zijn bril heen las, terwijl hij de courant ver van zich hield en waar een jong man één voor één de tijdschriften inzag, daarbij trachtende zoo min mogelijk gedruisch te maken. De jonge fat nam plaats in de billardzaal op een divan, waar twee jongelieden, even fatterig als hij, samen een gezelschapsspel speelden.

Dien dag was het in de club drukker dan gewoonlijk; er waren veel bezoekers en onder hen ook Ivan Vavilo-vitch Pakhtine. Hij was een man van ongeveer veertig jaren, middelbare lengte, krachtig gebouwd, eenigszins gezet met vierkante schouders en breede heupen; zijn hoofd was zeer kaal en zijn zorgvuldig geschoren gelaat zeer verwelkt. Hij speelde niet, maar stond bij prins D., wien hij gemeenzaam toesprak. Hij weigerde het glas champagne niet, dat deze hem aanbood, en vleide zich zoo behagelijk op een divan neder alsof hij er voor de eeuwigheid moest blijven zitten, rookte een sigaar, slurpte zijn champagne en was recht gelukkig, dat hij in zijn onmiddellijke nabijheid prinsen, graven en zoons van ministers had.

De tijding van Labasov's komst stoorde hem in zijn rust.

»Waar gaat gij heen, Pakhtine?quot; vroeg de zoon van een minister, toen hij zag, dat Pakhtine opstond , zijn vest aftrok en zijn glas met één teug ledigde.

»Sévernikov heeft mij genoodigd,quot; zeide Pakhtine, die een

-ocr page 132-

128

soort van jeuking' in zijn beenen gevoelde. »En gij, komt ge ?quot;

quot;Anastia! Anastia! open mij de deur!quot; neuriede hij.

Het was een toen zeer bekend wijsje.

»Misschien. En gij?quot;

• Hoe zou ik dat kunnen doen, een oud getrouwd man ?quot;

»Kom, kom!quot;

Pakhtine begaf zich glimlachend naar de spiegelzaal om Sévernikov op te zoeken. Zijn laatste woord moest altijd een aardigheid zijn en dat was ook nu het geval.

«Zoo, hoe gaat het met de gravin?quot; vroeg hij, op Sévernikov toetredende, die hem volstrekt niet genoodigd had, maar die, volgens Pakhtine, belang moest stellen in het groote nieuws, dat Labasov teruggekomen was.

Sévernikov was als vriend van alle Decembristen eenigs-zins betrokken geweest in de zaak van den I4den. De gravin nam steeds in beterschap toe, hetgeen Pakhtine veel genoegen deed.

»Weet ge al, dat Labasov vandaag teruggekomen en bij Chevalier afgestapt is ?quot;

«Ja? Ach, wij zijn oude vrienden! Dat doet mij recht veel genoegen ! Hij is zeker oud geworden, de arme man! .... Zijn vrouw schreef aan de mijne. . . .quot;

Doch Sévernikov vertelde niet wat zij geschreven had, want op dat oogenblik waren zijn medespelers in de regels van het spel te kort gekomen. Al sprekende met Ivan Pavlovitch , wierp hij een zijdelingschen blik naar hen en boog zich nu plotseling over de tafel, sloeg er met beide handen op, luid roepende, dat het spel weer met den zeven beginnen moest.

Ivan Pavlovitch stond op en, een ander tafeltje naderende, vertelde hij aan een gewichtig personage de be-

-ocr page 133-

129

langrijke tijding; daarop begaf hij zich naar een derde tafeltje en deed evenzoo.

De eerbiedwekkende personages waren allen zeer verheugd over de terugkomst van Labasov, zoodat, toen Ivan Pavlovitch in de billardzaal terugkeerde, hij, die aanvankelijk niet wist of hij zich verheugen moest over de terugkomst van Labasov, zonder eerst, bij wijze van inleiding, over een bal of een nieuw artikel inden «Boodschapperquot;, over de gezondheid of het mooie weer gesproken te hebben, zich nu onmiddellijk tot ieder wendde met het heugelijke nieuws van Labasov's terugkomst.

De kleine, oude heer, die nog altijd tevergeefs poogde zijn witten bal met de lange keu te raken, moest zich, volgens Pakhtine, bijzonder in de blijde tijding verheugen. Hij trad op hem toe.

»U speelt goed. Excellentie,quot; zeide hij op het ogenblik, dat de kleine, oude heer zijn keu in het roode vest van den markeur stootte, wat zeggen wilde, dat hij moest opteekenen.

Dat »Uw Excellentiequot; bezigde hij niet uit overdreven beleefdheid, zooals men misschien zou denken, want dat was in 1856 nog niet in gebruik; Ivan Pavlovitch noemde den ouden heer gewoonlijk bij zijn naam of toenaam; dat hij dien dag Excellentie zeide, was in scherts, als wilde hij daardoor den spot drijven met hen, die hem aldus aanspraken, en ook om te toonen, dat hij wist tot wien hij zich wendde. Hij was dan ook in het minst niet gedwongen, integendeel hij was zeer vroolijk.

»Ik heb zooeven gehoord, dat Petr Labasov teruggekomen is; hij komt rechtstreeks uit Siberië met zijn familie.quot;

Pakhtine sprak deze woorden juist op het oogenblik, dat de cude heer wederom misstootte; dat trof ongelukkig.

9

-ocr page 134-

130

• Wanneer hij even dwaas teruggekeerd is, als hij is heengegaan, is het overbodig zich over zijn terugkomst te verheugen!quot; zeide Zijn Excellentie op norschen toon, geërgerd over zijn onverklaarbaar, ongelukkig spel op dien avond.

Deze woorden brachten Ivan Pavlovitch, die nu niet wist of hij zich al dan niet in Labasov's terugkomst moest verheugen, in verwarring. Om zich op dat punt zekerheid te verschaffen, begaf hij zich naar de zaal, waar zich gewoonlijk verstandige menschen verzamelden, die wisten te spreken, die de waarde en het gewicht van elke zaak kenden, in één woord, die op de hoogte van alles waren.

Ivan Pavlovitch was op even goeden voet met deze meer ontwikkelde bezoekers als met de jeunesse dorée en de gewichtige personnages. Wel is waar nam hij geen vaste plaats onder hen in, doch niemand was verwonderd, als hij zich bij hen nederzette. Men besprak op dat oogenblik juist de vraag, in welk jaar en bij welke gelegenheid er tusschen twee Russische tijdschriften een twist was ontstaan. Van een oogenblik stilte gebruik makende, deelde Ivan Pavlovitch het nieuws mede, niet als iets heugelijks, evenmin als iets gewichtigs, maar als iets dat zeer natuurlijk ter sprake gebracht kon worden. Ivan Pavlovitch begreep onmiddellijk aan den toon, waarop de ontwikkelden (zoo zal ik hen maar noemen) over de komst van Labasov spraken, dat dit de juiste plaats was, waar de tijding vermeld moest worden, dat deze hier eerst haar beslissende wijding zou ontvangen en dat men haar dan vervolgens ergens anders kon plaatsen, wetende waar men zich aan te houden had.

»Labasov ontbrak nog slechts,quot; zeide een van hen; »nu zijn al de Decembristen, die nog zijn overgebleven, in Rusland teruggekeerd.quot;

-ocr page 135-

131

Hij behoorde tot het beroemde zevental. . begon Pakh-tine op weifelenden toon, gereed om, zoo het noodig mocht zijn, een ernstige of spottende wending aan zijn woorden te geven.

»Zekerl Labasov is een van de belangrijkste mannen van zijn tijd. In 1819 was hij tweede-luitenant bij het regiment van Semenov en werd met een zending voor hertog Z. naar het buitenland gezonden; hij keerde terug en werd in 1824 in de eerste loge der vrijmetselaren ontvangen ; alle broeders vereenigden zich bij D. of bij hem. Ge weet, hij was zeer rijk. Prins J., Fédor D. en Ivan P. waren zijn boezemvrienden. Toen nam zijn oom, prins Vessarion, hem mede naar Moscou, om hem uit dezen kring te verwijderen.quot;

»Neem mij niet kwalijk, Nicolai Stépanovitch,quot; viel een der anderen ontwikkelden hem in de rede, »ik geloof, dat het in 1823 gebeurde, want Vessarion Labasov werd in 182 benoemd tot commandant van het derde legercorps en bevond zich toen in Warschau. Hij wilde hem met zich nemen als adjudant en deed hem eerst na zijn weigering verplaatsen. . . Maar, neem mij niet kwalijk, dat ik u in de rede ben gevallen.quot;

»Neen, ga voort . . . .quot;

«Neen, neen, dat is aan u.quot;

»Wel zeker niet, gij moet het beter weten dan ik; uw geheugen en uw bekendheid met de zaak zijn overtuigend gebleken.quot;

»Toen hij te Moscou was gekomen nam hij, tegen den wensch van zijn oom, zijn ontslag,quot; vervolgde degene , wiens geheugen en bekendheid met de zaak overtuigend gebleken waren.quot;

»Daar vormde zich rond hem een andere kring, waar-

-ocr page 136-

132

van hij het middenpunt was. Men zegt, dat hij zeer rijk, knap, verstandig, ontwikkeld en beminnelijk was. Mijn tante heeft mij vaak verzekerd , dat zij geen aangenamer man dan hij kende. Toen, eenige maanden voor de onlusten, huwde hij mejonkvrouwe Krinsky.quot;

»De dochter van Nicolas Krinsky, die bij den slag van Borodino was . . .quot;

quot;Ja, de beroemde Krinsky,quot; viel een ander in de rede.

»Haar groot fortuin is hem nu nog overgebleven. Zijn vermogen is aan zijn jongeren broeder, prins Ivan, die toen minister was, toegevallen.quot;'

»Wat zeer eigenaardig is, is de wijze waarop Petr Laba-sov zijn broeder behandeld heeft ,quot; vervolgde de verteller. »Toen hij gevangen genomen werd, had hij nog maar alleen tijd om diens brieven en papieren te doen verdwijnen.quot;

• Was zijn broeder er ook in betrokken ?quot;

De ander zeide niet «ja;1' hij volstond met de lippen op elkander te drukken en veelbeteekenend met de oogen te knippen.

»Bij het verhoor ontkende Petr Labasov alles, wat betrekking had op zijn broeder en stelde zijn leven meer dan al de anderen in de waagschaal. Al zijn goederen vielen daarop prins Ivan toe, en wat het eigenaardigste is, deze zond zijn broeder nooit één enkelen kopek.quot;

»Men zeide, dat Petr Labasov er uit eigen beweging afstand van had gedaan, nietwaar ?quot;

quot;Ja, omdat prins Ivan hem voor de kroning van den keizer schreef, dat, indien hij de goederen niet in bezit had genomen, men z;e verbeurd zou hebben verklaard ; voorts maakte hij zijn verontschuldigingen, dat hij ze op dat oogenblik niet kon teruggeven, omdat hij kinderen en

-ocr page 137-

133

veel schulden had. Daarop antwoordde Petr Labasov met enkele regels: «Noch ik, noch mijn erfgenamen zullen ooit meer de minste aanspraak maken op de goederen, welke u door de wet zijn toegevallenquot;. Dat was alles. Wat zegt ge daarvan. Prins Ivan slikte die pil, sloot dit document met zijn effecten in zijn brandkast en liet het nooit aan iemand zienquot;.

Een van de bijzonderheden der «ontwikkeldenquot; was, dat zij, wanneer zij wilden, alles wisten wat er in de wereld voorviel, zelfs de meest geheimzinnige zaken.

'Bovendien is het nog de vraag,quot; zeide een ander, of het rechtvaardig was aan de kinderen van prins Ivan een fortuin te ontnemen, waarbij zij waren groot ■ gebracht, dat hun een opvoeding gegeven had en waarop zij meenden recht te hebben.»

Het gesprek veranderde aldus in een platonische beschouwing, welke Pakhtine geen belang inboezemde. Hij gevoelde meer behoefte de tijding aan anderen te gaan mededeelen, stond op en doorliep langzaam, nu eens hier dan weer daar den een of ander een woordje toevoegende, de verschillende zalen van de club. Een ambtenaar, die tot hetzelfde departement als hij behoorde, hield hem staande om hem het nieuws van de komst der familie Labasov te vertellen.

»Ieder weet dat reeds,quot; zeide Ivan Pavlovitch met een kalm glimlachje en wendde zich naar den uitgang.

Het groote nieuws had de ronde reeds gedaan en keerde tot zijn uitgangspunt terug. Ivan Pavlovitch had thans niets meer in de club te doen en begaf zich naar een van zijn vrienden, die een soiree gaf.

Dit was geen partij van genoodigden , maar een salon waar men eiken dag ontving. Er waren ongeveer een achttal dames en een oude kolonel; iedereen ver-

-ocr page 138-

134

veelde zich gruwelijk. Alleen het glimlachende gelaat en de flinke gang van Pakhtine verlevendigden reeds de vroolijkheid onder de dames en de jonge meisjes. Het nieuws kon des te beter geplaatst worden, nu gravin Fux en haar dochter zich in het salon bevonden. Toen Pakhtine bijna woordelijk had verteld wat hij van de „ontwikkeldenquot; vernomen had, nam mevrouw Fux hoofdschuddend het woord, er zich over verwonderende, dat zij al zoo ou 1 werd en vertelde, dat zij tegelijk met Natacha Krinskaïa, nu Labasov, haar intrede in de wereld had gedaan.

»Haar huwelijk is een zeer romantische geschiedenis, ik heb dat alles bijgewoond. Natacha was eerst bijna verloofd met Mïatline, die later in een duel gedood werd. Terzelfder tijd komt Petr in Moscou, die op Natacha verliefd wordt en haar ten huwelijk vraagt. Haar vader, echter, gaf aan Miatline de voorkeur (Labasov werd over het algemeen gevreesd, omdat hij vrijmetselaar was), en sloeg zijn aanzoek af. Doch de jonge man bleef Natacha op de bals en bij alle publieke vermakelijkheden ontmoeten, hij sloot vriendschap met Miatline en smeekte hem ten zijnen gunste van Natacha afstand te doen. Miatline stemt toe. Prins Petr tracht het jonge meisje te overreden met hem te vluchten; zii keurt dat goed, doch na eenig nadenken gaat zij naar haar vader, deelt hem mede dat alles voor haar vlucht gereed is, dat zij hem had kuniie i verlaten, maar dat zij nog vertrouwen had in zijn goedheid. Haar vader schonk haar inderdaad vergiffenis, ieder deed een goed woord voor haar en eindelijk gaf hij zijn toestemming. Zoo is dat huwelijk tot stand gekomen! En welk een vroolijke bruiloft was dat! Wie van ons allen had kunnen denken, dat zij haar man een jaar later naar Siberie zou volgen, zij, eenige dochter, het rijkste, mooiste meisje van

-ocr page 139-

135

luiar tijd ! Keizer Alexander merkte haar zelfs op de bals op en hoe vaak heeft hij met haar gedanst! Toen gravin G. een gecostumeerd bal gaf, was Natacha, als ik mij niet vergis, als Napolitaansche gekleed. Wat zag zij er lief uit! Telkens als de Keizer te Moscou kwam, vroeg hij wat er van de schoone Napolitaansche gekomen was. En diezelfde vrouw heeft in haar zeer bijzondere omstandigheden (onderweg schonk zij het leven aan een zoon) geen oogenblik geaarzeld om haar man naar Siberie te volgen en zonder eenige voorbereidselen, zooals zij was, een afstand van vijf duizend wersten af te leggen!quot;

gt;/0, ja, het is een bewonderenswaardige vrouw,quot; zeide de dame des huizes.

• Zij beiden, hij zoowel als zij, hebben zeldzame karakters,quot; merkte een andere dame op. »Men heeft mij wel eens verteld, ik weet niet of het waar is, dat overal waar zij in Siberië, in de mijnen, geloof ik, noemen zij dat, te zamen werkten, de dwangarbeiders onder hun heilzamen invloed, brave menschen werden.quot;

»Maar zij heeft nooit in de mijnen gewerkt,quot; zeide Pakhtine,

Dit was in het jaar 1856. Drie jaar tevoren dacht niemand aan de Labasov's of, wanneer men zich hunner al herinnerde, was het met dat gevoel van onbewuste vrees, waarmede men van overledenen spreekt, die korten tijd tevoren zijn weggenomen. En met welk een vreugde herinnerde men zich thans de oude vriendschapsbetrekkingen met de nieuw aangekomenen en hunne uitstekende eigenschappen.

Ieder van de dames maakte een plan om de Labasov's van dienst te zijn.

»Hun zoon en dochter zijn met hen gekomen,quot; zeide Pakhtine.

-ocr page 140-

136

»Als zij maar zoo mooi zijn als hun moeder,quot; hernam gravin Fux. . . Hun vader was ook zeer knap.....quot;

»Hoe hebben zij hun kinderen daarginds een opvoeding kunnen geven rquot; vroeg de vrouw des huizes.

•Men zegt, dat zij zeer wel opgevoed zijn, en dat de jonge man even ontwikkeld en gemanierd is, alsof hij zijn opvoeding te Parijs had ontvangen.quot;

»Ik durf die jonge dame veel succes voorspellen,quot; zeide een leelijk meisje. »A1 die dames uit Siberië hebben de gave om platte aardigheden te zeggen, die zeer in den smaak vallen.quot;

»Ja, juist 1quot; stemde een ander meisje toe.

•Dat is al weer een rijk meisje, dat het aantal van de huwbare jonge dames komt vermeerderen,quot; zeide een ander.

De oude kolonel, die van Duitsche afkomst was en drie jaar geleden te Moscou was gekomen om in de gelegenheid te zijn een rijk meisje te trouwen, besloot zoo spoedig mogelijk de bewuste jonge dame ten huwelijk te vragen, terwijl de jongelui haar komst nog niet vernomen hadden.

De jonge meisjes dachten ongeveer hetzelfde met betrekking tot den jongen Labasov: »Die zal waarschijnlijk voor mij bestemd zijn,quot; dacht een jonge dame, die gedurende acht jaren alle bals bezocht om een man te vinden; »en dat zal dan ook zeker een betere partij zijn dan die dwaze baron, die mij niet ten huwelijk heeft gevraagd; ik zou zeker ongelukkig met hem zijn geweest.quot;

• Wat zullen zij weer jaloersch zijn, als ook deze verliefd op mij wordt!quot; dacht een jonge, schoone vrouw.

Men spreekt veel van het kleinsteedsche in de kleine plaatsen, maar nergens heerscht die geest van kleinsteedschheid meer dan in de groote wereld. Daar is de verschijning van een nieuweling iets zeldzaams en is ieder bereid hem

-ocr page 141-

137

op tc nemen; hier daarentegen is het een zeldzaamheid als men hen, zooals met- de Labasovs het geval was omdat zij tot denzeltden kring behoorden, opneemt en dan baart de komst van dergelijke menschen veel meer opzien dan in een kleine stad.

III.

«Ach, Moscou! Moscoul Klein moedertje met uw witte muren 1quot; riep Petr Ivanovitch den volgenden morgen uit, terwijl hij zich de oogen wreef en naar het gelui der klokken luisterde.

Niets dat het verleden zoo leven dig voor den geest roept als dit geluid, en het klokkenspel van Moseou's torens herinnerde Petr Ivanovitch niet alleen aan het Moscou, dat hij dertig jaar geleden gekend had, maar aan het oude, het vroegere Moscou met zijn Kremlin, zijn Ivans, enz. enz. dat hij in zijn hart droeg. Hij was kinderlijk gelukkig een Rus te zijn en in Moscou te wezen.

Gekleed in een Bokharaschen dolman, die op zijn breede borst openviel en zijn Indisch hemd liet zien, zijn pijpje met het barnsteenen mondstukje tusschen de lippen, nu en dan een vluchtigen blik werpende op de lakeien, die heen en weder liepen en uitstekend beleefd waren, onder het genot van den geur van thee en tabak, gevoelde Petr Ivanovitch zich, voornamelijk bij het hoeren van de stemmen zijner kinderen en ondanks de luidruchtige stem, welke in de kamer van den heer Chevalier weerklonk, evenzeer tehuis als dat hij te Irkoutsk, te New-York of te Parijs was geweest.

Ondanks mijn voornemen om den heldhaftigen Decembrist als verheven boyen alle menschelijke zwakheid voor

-ocr page 142-

138

te stellen, moet ik der waarheid getrouw blijven en bekennen, dat Petr Ivanovitch zich met bijzondere zorg schoor en kamde en telkens in den spiegel zag. Hij was niet tevreden over zijn rok, die in Siberië gemaakt was; herhaaldelijk knoopte hij zijn vest los en maakte het weer vast.

Nathalia Nicolaevna trad, in haar ruischend zwart moiré zijden kleed, het salon binnen; haar manchetten waren van een eenigszins zonderlingen vorm en de linten van haar muts niet geheel nieuwerwetsch en toch zat alles zoo netjes, dat zij er niet alleen niet belachelijk, maar zelfs zeer deftig uitzag. In dit opzicht bezitten de vrouwen een bijzonder zintuig, een zesde, en hebben daarbij een waarnemingsvermogen, dat met niets in vergelijking kan komen. Ook Sonia was netjes gekleed, al was zij twee jaar met de mode ten achter. De moeder was het beeld van somberen eenvoud, de dochter van bevallige opgewektheid.

Serioja was juist wakker geworden, zoodat zij zonder hem, doch vergezeld door den ouden heer, kerkwaarts gingen. Papa en Mama zetten zich op de achterbank van het rijtuig neder, terwijl Sonia tegenover hen plaats nam. Vassili klom op den bok en het huurrijtuig bracht hen naar het Kremlin. Bij het uitstappen streken de dames haar eenigszins verkreukelde japonnen glad. Petr Ivanovitch nam zijn vrouw aan den arm en begaf zich met opgeheven hoofd naar den ingang van de kerk.

Het publiek van het kerkplein dat, grootendeels uit kooplieden en officieren bestond, kon zich geen rekenschap geven van den maatschappelijken stand, waartoe zij behoorden. «Wie is die oude heer, met dat door de zon verbrande gezicht en die tallooze groeven? Zulke rimpels krijgt men niet in de Engelsche club! Wie is hij, met

-ocr page 143-

139

dien grijzen baard, dien zachtcn oogopslag cn dien flinken gang? Wie is die groote eerbiedwekkende dame, met die mooie oogen en dien afgematten blik ? Wie is dat frissche, gezonde, slanke meisje, dat niet volgens de laatste mode gekleed en toch in het minst niet verlegen is? Het zijn geen kooplieden, ook geen vreemdelingen; misschien zijn het adellijken. Maar die zien er zoo niet uit; toch zijn het gewichtige personen.quot;

Zoo dachten degenen, die hen de kerk zagen binnengaan, en ik weet niet waarom, maar zij stonden hun eerder en gereeder hun plaats af dan aan andere kerkgangers, eerder zelfs dan aan de gouden epauletten.

Petr Ivanovitch behield dezelfde majestueuze houding, als bij het binnenkomen; kalm en eenvoudig deed hij zijn gebed. Nathalia Nicolaevna knielde vlug neder, kreeg haar zakdoek en schreide veel gedurende het gezang der Cherubijnen. Sonia deed een poging om te bidden, maar zij was niet gestemd om tot zichzelve in te keeren; toch kruiste zij zich vol aandacht, zonder rond haar heen te zien.

Serioja was tehuis gebleven, deels omdat hij te laat was opgestaan, deels omdat hij er niet van hield in de kerk te moeten staan; zijn beenen werden dan stijf. Hij kon zich niet begrijpen waarom het hem niet vermoeide veertig wersten op schaatsen af te leggen, en toch het bijwonen van een mis voor hem een van de grootste lichamelijke smarten was, welke hij zich denken kon. De voornaamste reden echter waarom hij niet naar de kerk was gegaan, was dat hij zich een nieuwe jas moest aanschaffen. Na zich gekleed te hebben, begaf hij zich dan ook naar den brug Kouznetsky. Geld had hij genoeg Zijn vader was gewoon hem na zijn een-en-twintigste jaar zooveel te geven, als hij maar wilde. Het hing dus slechts van Serioja

-ocr page 144-

140

af, zijn ouders in geldelijke moeilijkheden te brengen.

Hoezeer betreur ik de twee honderd vijftig roebels» welke hij in het kleederenmagazijn besteedde. De eerste de beste voorbijganger op straat zelfs zou hem gaarne een anderen winkel hebben aangewezen en zou zich gelukkig geacht hebben, wanneer hij met hem zulk een groote bestelling had mogen doen; maar zooals dat altijd gaat, hij ging in de menigte verloren. Altijd nog met zijn reismuts op en zonder rond zich heen te zien, ging hij den brug Kouznetsky over en trad het eerste magazijn, recht over hem, binnen. Hij verliet het in een zeer nauwe, bruine jas (en er werden juist zeer wijde gedragen), een wijde, zwarte pantalon (en de mode schreef zeer nauwe voor) en een gebloemd satijnen vest, dat een van de gasten van Chevalier zijn lakei zelfs niet zou hebben laten dragen; voorts had hij nog verscheidene andere inkoopen bij Kuntz gedaan. Deze, echter, was niet uitgesproken over de slanke gestalte van den jongen man en wijdde er steeds tegen iedereen over uit. Serioja wist reeds, dat hij een goede gestalte had, maar dit nam niet weg, dat de loftuitingen van een man als Kuntz hem bijzonder aangenaam waren. Hij verliet den winkel met twee honderd vijftig roebels minder in den zak en was zoo slecht gekleed, dat zijn nieuwe kleeren weinige dagen later aan Vassli, werden gegeven. Van die inkoopen bleef hem nog langen lïjd een onaangename herinnering over.

Toen hij in het hotel teruggekeerd was, ging hij naar de gemeenschappelijke eetzaal, nam daar plaats en richtte zijn blik naar de zaal der gewone gasten van Chevalier's inrichting. Daarop bestelde hij voor zijn dejeuner zulke zonderlinge spijzen, dat de knechts er in de keuken om moesten lachen. Toen vroeg hij een tijdschrift en deed,

-ocr page 145-

141

alsof hij er in las. De knecht, die door zijn onbeholpenheid daartoe aangemoedigd werd, sprak hem aan, doch Serioja zeide hem, blozende: »Ga naar je plaats !quot; en deed dat op zulk een fleren toon, dat de ander oogenblikkelijk gehoorzaamde.

Toen de oude lui en Sonia thuiskwamen, vonden zij zijn keus zeer goed.

Herinnert ge u nog de vreugde uit uw kinderjaren, als men u op uw verjaardag uw mooiste kleeren aandeed om naar de mis te gaan en dat gij, met een glans van genoegen op het gelaat thuiskomende, vrienden en speelgoed vondt ? Gij wist, dat ge dien dag niet naar school be-hoefdet te gaan, dat het zelfs voor de »groDte menschenquot; een feestdag was en dat het voor de geheele omgeving een bijzondere en genoegelijke dag was. Gij wist, dat gij alleen de oorzaak van die plechtigheid waart, dat, wat ge ook deedt, men u vergeven zou, en het scheen u vreemd toe, dat de menschen op straat u niet geluk wenschten, zooals men dat thuis gedaan had. Elk geluid klonk u helderder in het oor, elke kleur scheen u levendiger toe, in een woord, het bewustzijn van uw geluk overspande uw gemoedsleven.

Dit gevoel ondervond ook Petr Ivanovitch, toen hij uit de kerk terugkeerde. Het sein, dat Pakhtine den vorigen dag gegeven had, miste zijn uitwerking niet. In plaats van speelgoed, vond Petr Ivanovitch, thuiskomende, visitekaartjes van Moscou's aanzienlijkste inwoners, die het zich in 1856 tot een heiligen plicht rekenden den meesten eerbied te bewijzen aan den beroemden banneling, dien zij drie jaar geleden niet zouden hebben willen kennen.

Op het zien van de schitterende equipages, waaruit naar den Decembrist gevraagd werd, rees deze plotseling

-ocr page 146-

142

met verbazingwekkende snelheid in de achting van Chevalier, den portier en de bedienden. Dit alles waren de verjaargeschenken voor Petr Ivanovitch. Hoe beproefd en verstandig de mensch ook zij, hecht hij aan de achting van zijn medemenschen, die door de groote menigte hooggeschat worden. Petr Ivanovitch was recht-verheugd, toen Chevalier hem met allerlei buigingen voorstelde andere kamers in gebruik te nemen, hem verzocht slechts te bevelen, bewerende dat het hem een groote eer was Petr Ivanovitch bij zich te hebben. Ook was hij verheugd, toen hij, een blik werpende op de visitekaartjes, die hij vervolgens op den kaartenbak legde, de namen vond van graaf S., prins D., enz. enz. en toen Nathalia Nicolaevna hem zeide, dat zij niemand ontving, omdat zij zoo spoedig mogelijk naar Maria Ivanovna wilde gaan, en hij toestemde, niettegenstaande hij zich gaarne met zijn vrienden had onderhouden.

Een enkele bezoeker slaagde er in, ondanks de gegeven order, tot hen te worden toegelaten, en dat was Pakhtine. Wanneer men hem gevraagd had, waarom hij van zoo verre was gekomen om hen te bezoeken, zou hij geen rechtstreeksch antwoord hebben kunnen geven en misschien alleen gezegd hebben, dat hij hield van alles wat nieuw was en dat hij Petr Ivanovitch een bezoek bracht, omdat hij hem als een merkwaardigheid beschouwde. Oogenschijnlijk zou men verlegen moeten zijn als men iemand, dien men niet kent alleen daarom gaat bezoeken, doch daarvan was bij hem niets te bespeuren; integendeel, Petr Ivanovitch, zijn zoon en zijn dochter waren verlegen; alleen Nathalia Nicolaevna was te zeer een vrouw van de wereld om zich over wat ook verlegen te toonen. De vermoeide blik uit haar mooie, donkere oogen

-ocr page 147-

143

rustte kalm op Pakhtine, terwijl deze opgewekt en beminnelijk als altijd, zich als een vriend van Maria Iva-novna voorstelde.

«Zoo!quot; zeide Nathalia Nicolaevna.

»Geen vriend, want daarvoor verschillen wij teveel in leeftijd, maar zij is altijd zeer goed voor mij geweest.quot;

Volgens zijn eigen woorden behoorde hij tot degenen, die Petr Ivanovitch, wiens kameraden hij kende, sinds langen tijd grooten eerbied toedroegen, en hij hoopte de nieuw aangekomenen in eenig opzicht van dienst te kunnen zijn. Hij zou reeds den vorigen dag zijn gekomen, wanneer hij daarin niet onverwachts verhinderd was geworden, en waarvoor hij nog wel zijn verontschuldigingen maakte. Hij nam plaats en bleef langen tijd praten.

»Ja, ik moet u zeggen, dat ik sinds mijn vertrek in Moscou veel veranderd vind,quot; zeide Petr Ivanovitch, in antwoord op een vraag van Pakhtine.

Zoodra de beroemde Decembrist begon te spreken, was het opmerkenswaardig om te zien, hoe Pakhtine met eerbiedige aandacht elk woord, dat van diens lippen vloeide, opving en hoe hij na eiken zin, nu eens door met zijn hoofd te schudden, dan weer door een glimlach of door te knipoogen, deed gevoelen, dat hij elk woord begrepen en voor altijd in zijn herinnering gegrift had.

De vermoeide blik van Nathalia keurde deze wijze van doen goed. Serguey Petrovitch scheen te vreezen, dat het gewicht van het gesprek zijns vaders niet in overeenstemming was met de aandacht van diens toehoorder. Sonia, daarentegen, lachte nauwelijks zichtbaar, maar schijnbaar voldaan, evenals wanneer men de belachelijke zijde van iemand ontdekt heeft. Zij zag, dat er van dien bezoeker niets te verwachten viel en dat hij slechts een lastig man

-ocr page 148-

144

was, van wien men niet gemakkelijk zou afkomen, een mensch uit die rubriek, waaronder zij en haar broeder verscheidene andere personen rangschikten.

Petr Ivanovitch vertelde voorts, dat hij op zijn reis verscheidene veranderingen had bespeurd, waarmede hij zeer was ingenomen, dat het ongelootelijk was hoezeer de man uit het volk zich ontwikkeld had en hoe deze veel meer dan vroeger het bewustzijn van zijn waardigheid had. Hij vertelde dat alles als een oude, afgezaagde phrase.

»Ik moet dan odIc zeggen, dat juist het volk mij altijd het meeste belang heeft ingeboezemd, en dat altijd zal blijven doen; de kracht van Rusland ligt niet in ons, maar in het volk.quot; Petr Ivanovitch ontwikkelde daarop met de hem eigen geestdrift de meest oorspronkelijke gedachten over de belangrijkste vraagstukken. Wij zullen nog dikwerf in de gelegenheid zijn er hem breedvoerig over te hooren uitwijden. Pakhtine straalde van vreugde en was het in alle opzichten met Petr Ivanovitch eens.

»U moet bepaald met de Aksatov's kennis maken; mag ik hen eens aan u voorstellen, prins ? Zooals u weet, heeft men aan een van hen toegestaan een werk uittegeven, waarvan morgen de eerste aflevering zal verschijnen. Ik heb een van zijn belangrijkste artikelen gelezen over het verband van de theorie der abstracte wetenschappen; zeer, zeer belangrijk. Van hem is ook nog de geschiedenis van Servië in de Xle eeuw, eveneens zeer lezenswaardig. In het algemeen zijn wij veel vooruitgegaan.quot;

«Zeker,quot; zeide Petr Ivanovitch, doch al die mededee-linge schenen hem maar weinig belang in te boezemen. Hij kende noch den naam noch de geschriften van al die menschen, welke Pakhtine als bekende schrijvers noemde. Nathalia Nicolaevna beweerde, zonder de noodzakelijkheid

-ocr page 149-

145

van al die menschen en hun maatschappelijken invloed te kennen, al dan niet te verwerpen, om haar man te rechtvaardigen, dat hij de tijdschriften te laat ontving, maar dat hij toch veel gelezen had.

»Papa, nu moeten wij naar tante gaan,quot; zeide Sonia» binnentredende.

»Ja, maar eerst zullen wij dejeuneeren. Zult u ook iets gebruiken rquot; vroeg hij aan Pakhtine.

Deze bedankte natuurlijk; doch Petr hield met de gastvrijheid, aan alle Moscovieten en aan hem in het bijzonder eigen, aan, dat Pakhtine met hen zou dejeuneeren. Petr Ivanovitch dronk een glaasje brandewijn en een glas rooden Bordeaux. Pakhtine merkte op, dat, als hij inschonk, Nathalia Nicolaevna als bij toeval het hoofd afwendde en dat Serguey de handen van zijn vader met bijzondere aandacht beschouwde. Pakhtine vroeg nu Petr Ivanovitch's oordeel over de hedendaagsche letterkunde en haar nieuwe strekking, over den oorlog, over den vrede, enz. (Pakhtine wist allèrlei onderwerpen vlug achter elkander in het gesprek te vlechten). Petr Ivanovitch antwoordde met algemeen aangenomen waarheden. Was het door den wijn of door het levendig gesprek, maar zijn oogen werden vochtig ; ook die van Pakhtine vulden zich met tranen en zonder in het minst verlegen te zijn, verklaarde deze, dat Petr Ivanovitch zich nu aan het hoofd van de meest ontwikkelde mannen moest plaatsen en dat het zijn plicht was de leider van alle partijen te worden. Petr Ivanovitch werd hoe langer hoe meer opgewonden; hij geloofde wat Pakhtine zeide en hij zou maar steeds doorgesproken hebben, indien Sonia haar moeder niet overreed had om haar mantel aan te doen en zij zelf haar vader niet had gewaarschuwd, dat het tijd was heen te gaan. Toen

10

-ocr page 150-

145

hij zich den nog overblijvenden wijn inschonk, dronk Sonia zijn glas ledig.

«Wat doet gij daar?quot;

«Ik heb nog niets gedronken, Papa; neem mij niet kwalijk.quot;

Hij glimlachte.

«Komaan, dan maar op weg naar Maria Ivanovna. U duidt het ons niet ten kwade, mijnheer Pakhtine!..quot; En met fier opgeheven hoofd verliet Petr Ivanovitch de kamer. In de vestibule ontmoette hij een generaal, een oude bekende, die hem een bezoek kwam brengen; zij hadden elkander sinds vijf-en-dertig jaar niet gezien. De generaal had intusschen zijn haren en zijn tanden verloren.

«En gij, wat ziet gij er nog jong uit!quot; zeide hij. «Daar ziet men aan, dat het in Siberië beter is dan in Petersburg. Is dat je familie? Stel mij eens voor. Welk een knappe jongen is je zoon. Dan tot morgen, op het eten !quot;

Op de stoep ontmoette hij den beroemden Tchikhaiev, eveneens een oude kennis.

«Maar hoe hebt ge gehoord, dat ik teruggekomen was ?quot;

»Het zou een schande voor Moscou zijn, indien wij dat niet wisten; het is zelfs een schande, dat men u niet bij het binnenkomen van de stad tegemoet is gegaan. Waar dineert gij? Waarschijnlijk bij uw zuster Maria Ivanovna? Goed, dan kom ik er ook.quot;

Petr Ivanovitch maakte altijd op hen, die door zijn streng uiterlijk niet konden vermoeden hoe goed en gevoelig hij was, den indruk van een trotsch man te zijn. Vooral in dit oogenblik ontdekte Nathalia Nicolaevna iets ongewoon fiers in hem op en glimlachte Sonia, toen zij hem aanzag. Zij kwamen nu spoedig bij Maria

-ocr page 151-

147

Ivanovna, die de peettante van Petr Ivanovitch en tien jaar ouder dan hij was; bovendien was zij niet getrouwd.

Later zal ik vertellen, waarom zij een oude jonge juffrouw was en ook de geheele geschiedenis van haar jeugd mede deelen.

Zij woonde sinds veertig jaar te Moscou en had die stad nooit verlaten. Zij bezat noch een ontwikkeld verstand noch een groot verinogen en liet zich in het minst niet voorstaan op haar aanzienlijke familiebetrekkingen; toch was er niet eén man, die haar niet zeer hoogachtte. Zij was zoo innig overtuigd, dat allen haar moesten eerbiedigen, dat allen dit ook inderdaad deden. Slechts eenige vrijgeesten van de hoogeschool wilden haar macht niet erkennen; zij spotten echter niet dan in haar afwezigheid. Wanneer zij slechts met haar trotschen gang een salon binnenkwam en met haar kalm gelaat en vriendelijken glimlach begon te spreken, waren allen reeds overtuigd.

Haar vrienden waren meerendeels ontwikkelde mannen; zij hield niet van vrouwen. Toch had zij lieden, van beiderlei kunne, in haar huis opgenomen, die door onze letterkundigen diep geminacht werden. Zij koesterde echter achting voor Skopine, die zijn geheele fortuin verspeeld had, en voor Madmc Béchov, die door haar man verstoeten was; beiden onderhield zij. Verder kende zij maar twee gevoelens, welke haar leven beheerschten en haar twee broeders golden : haar innige genegenheid voor Petr Ivanovitch en haar haat voor Ivan.

Zij wist niet, dat Petr Ivanovitch haar een bezoek zou brengen. Zij kwam thuis van de mis, gebruikte haar koffie in gezelschap van den vicaris van Moscou, mevrouw Béchov en Skopine, en deed hun een verhaal over

-ocr page 152-

148

den jongen graaf V., die van Sebastopol teruggekeerd was; voor dezen jongen man had zij een groote genegenheid opgevat (zij koesterde altijd een hartstocht voor dezen of genen) en had hem dienzelfden middag bij zich aan tafel genoodigd.

De vicaris stond op om afscheid te nemen; zij weerhield hem niet. Ten opzichte van geestelijken was zij zeer vrijzinnig; hoewel zij zeer godsdienstig was, hield zij niet van monniken, dreef den spot met de dames, die hen naliepen, beweerde ronduit, dat zij even goed mannen waren als de anderen en dat men zijn geluk beter in de wereld dan in het klooster kan bevorderen.

»Geef order, dat ik niemand ontvang,quot; zeide zij tot mevrouw Bcchov. »Ik ga aan Petr schrijven; Ik begrijp niet waarom hij nog niet gekomen is, Waarschijnlijk is Nathalia Nicolacvna ziek.quot; Marie Ivanovitch meende, dat Nathalia Nicolaevna niet van haar hield, terwijl zij zich zelf als haar vijandin beschouwde; zij kon haar niet vergeven, dat zij Petr Ivanovitch naar Siberie was gevolgd en hem haar fortuin had geschonken, in plaats dat zij zelve dat had gedaan. Herhaaldelijk had zij het haar broeder aangeboden, maar deze had altijd geweigerd. Na verloop van vijf-en-dertig jaren scheen zij eindelijk meer genegen te zijn van haar broeder aan te nemen, dat Nathalia Nicolaevna de volmaaktste vrouw ter wereld en de beschermengel van Petr was; toch was zij nog altijd jaloersch van haar en vond zij veel in haar af te keuren.

Zij stond op en wilde zich juist naar haar werkkamer bcgeven, toen de deur geopend werd en mevrouw Béchov met een even ontsteld als verheugd gelaat om den hoek zag.

«Maria Ivanovna, wees voorbereid . . .quot; zeide zij.

-ocr page 153-

149

»Een brief?quot;

»Neen, meer dan dat. . . Zij had den tijd niet te voleindigen. In het aangrenzende vertrek weerklonk een mannenstem.

»Maar, waar is zij dan? Ga toch eens zien, Natacha.quot;

»Hij!quot; riep Maria Ivanovna uit en liep met vluggen tred op haar broeder toe. Zij begroette hen allen, alsof zij ze den vorigen dag nog gezien had.

»Wanneer zijt ge teruggekomen? Waar zijt ge afgestapt? Hoe hebt ge de reis gemaakt? In een rijtuig?quot;

Deze vragen deed Maria Ivanovna hem, toen zij met hen naar het salon ging, en, zonder naar hun antwoorden te luisteren, zag zij, met haar groote oogen nu eens dezen dan weer genen aan. Mevrouw Béchov was verbaasd'over zooveel kalmte en onverschilligheid en kon die niet goedkeuren. De geheele familie glimlachte. Plotseling werd het gesprek afgebroken en liet Maria Ivanovna stil en ernstig den blik op haar broeder rusten.

»Hoe gaat het je?quot; vroeg zij, zijn hand vattende.

Hij sprak haar met mquot; aan, terwijl zij »jequot; zeide.

Maria Ivanovna zag naar den grijzen baard, het kale hoofd, de tanden en het doorgroefde, gebruinde gelaat van haar broeder; doch ondanks de verandering in zijn uiterlijk had zij hem onmiddellijk herkend.

»Dat is mijn Sonia.!'

Zij keerde zich zelfs niet om.

»Welk een dwa.....quot; Haar stem stokte en met

haar groote, blanke handen vatte zij het kale hoofd van Petr Ivanovitch,

»Welk een dwaas zijt gij, dat ge mij niet gewaarschuwd hebt!quot; wilde zij zeggen, doch haar borst en schouders schokten, haar gelaat werd verwrongen en

-ocr page 154-

150

zij barstte uit in snikken, het kale hoofd nog steeds aan haar hart drukkende, terwijl zij nu telkens uitriep: »Wat een dwaas zijt ge, om mij niet te waarschuwen!quot;

Petr Ivanoviteh gevoelde zich niet meer zulk een groot en gewichtig man als op de stoep van Chevalier. In een armstoel zittende, liet hij zijn hoofd in de armen van zijn zuster rusten, terwijl zijn neus, die hem in-tusschen begon te jeuken, met haar corsage in aanraking kwam; zijn haren waren verward en tranen welden in zijn oogen; toch was het hem wel te moede.

Toen deze eerste aandoening bedaard was, begreep Maria Ivanovna eerst wat er gebeurd was en zag ieder op zijn beurt aan. Doch telkens maakte zich in den loop van dien dag, als zij zich herinnerde hoe zij vroeger en wat zij nu waren, als het lief en leed van vroeger zich in levendige kleuren aan haar verbeelding opdeed, dezelfde aandoening van haar meester. Zij stond op en herhaalde andermaal: »Wat zijt ge een dwaas, Petroucha, om mij niet te waarschuwen!quot;

«Waarom hebt ge niet uw intrek bij mij genomen? Ik zou je deze kamer hebben afgestaan,quot; zeide Maria Ivanovna. «Nu moet ge ten minste blijven eten. Ge zult je niet vervelen, Serguey, ik krijg nog een jongen gast, een held van Sebastopol. Kent gij niet den zoon van Nicolaï Mikhaïlovitch ? Hij is schrijver en heeft iets zeer belangrijks in het licht gegeven; ik heb het niet gelezen, maar het wordt zeer geroemd en het is een alleraardigste jongen. Ik zal hem een uitnoodiging zenden; Tchikhaiev wilde ook komen, maar ik houd niet van hem; hij praat te veel. Is hij je niet reeds een bezoek komen brengen? En Nikita, hebt ge hem gezien? Maar laten wij daar nu niet over spreken; vertel mij liever eens,

-ocr page 155-

151

wat gc denkt tc doen? Hoe g-aat het u allen, en voornamelijk met Nathalia? Wat zult ge met dien knappen jongen en dat mooie meisje beginnen?quot;

Het gesprek vlotte niet.

Voor het diner ging Nathalia Nicolaevna met de kinderen een oude tante bezoeken; broeder en zuster bleven alleen, waarop hij haar zijn plannen mededeelde.

«Sonia is nu volwassen, ge moet haar in de wereld brengen en daarvoor moet ge te Moscou wonenquot;, zeide Maria Ivanovna.

«Dat nooit.quot;

«Serioja moet in dienst gaanquot;.

«Voor niets ter wereldquot;.

«Ach, ge zijt nog altijd even dwaas!quot;

Maar ondanks die dwaasheid hield zij nog altijd hartstochtelijk veel van hem.

«Aanvankelijk moet ge hier blijven en dan naar buiten gaan om de kinderen alles te laten zienquot;.

»Ik heb voor gewoonte aangenomen mij niet met familiezaken in te laten,quot; zeide Maria Ivanovna, na wat kalmer te zijn geworden, »en nooit raad te geven, maar dit moet ik je toch zeggen: een jonge man moet dienen dat heb ik altijd goed gevonden en dat vind ik nu meer dan ooit goed. Gij weet niet wat er tegenwoordig omgaat, Pelroucha, gij weet niet wat de jongelui tegenwoordig doen, maar ik ken hen. De zoon van Prins Dmitri, bij voorbeeld, is verongelukt, maar het is zijn eigen schuld ... ge weet, ik vrees niemand, ik ben een oude vrouw . . . maar dat is niet goed.quot;

Daarop bracht zij het gesprek op het gouvernement, waarmede zij niet was ingenomen wegens de groote vrijheid, welke het in alle opzichten toestond.

-ocr page 156-

152

»Het eenige goeds wat zij gedaan hebben is, u allen de vrijheid teruggegeven te hebben. Ja, dat is eerst goed!quot; Petroucha wilde aanvankelijk het Gouvernement verdedigen, maar met Maria Ivanovna ging dat niet zoo gemakkelijk als met Pakhtine. Zij werd hoe langer hoe meer opgewonden.

»Kom, kom, waarom zoudt ge het willen verdedigen ? Het staat niet aan u dat te doen. Ik zie wel, dat gij nog altijd even dwaas zijt.quot;

Petr Ivanovitch bewaarde het stilzwijgen, niettegenstaande zijn glimlach liet blijken, dat hij in het minst niet overtuigd was, maar hij wilde niet met haar redetwisten.

»Gij lacht? O, dat ken ik. Ge wilt niet met mij, een vrouw, redetwisten,quot; zeide zij op vroolijken toon, haar broeder schalks aanziende, wat men van haar, met haar streng gelaat, niet had durven verwachten. »Bovendien kunt ge mij niet overtuigen, mijn beste; ik heb reeds het zevende tiental achter mij en ik heb niet voor niets geleefd: ik heb veel van het leven gezien en begrepen. Uw boeken heb ik echter niet gelezen en zal dat ook nimmer doen; zij behelzen niets dan dwaasheden.quot;

»En wat zegt ge dan van mijn kinderen, van Serioja?quot; vroeg Petr Ivanovitch met denzelfden glimlach.

»Neen, neen,quot; antwoordde zijn zuster, hem met den vinger dreigende, »ik laat mij niet van ons gesprek afleiden, later zullen wij over je kinderen spreken. Ik wilde je eerst nog dit zeggen: in je oogen zie ik, dat gij nog dezelfde dwaas zijt, die ge altijd zijt geweest. Men zal je tot in de wolken verheffen, dat is tegenwoordig de mode, en gij zijt op dit oogenblik in de mode____ Ja, ja, gij zijt nog even dwaas als vroeger,quot;

-ocr page 157-

153

zeide zij, in antwoord op den glimlach van haar broeder. »Houdt je in hemelsnaam op een afstand van de vrijzinnigen van den tegenwoordigen tijd. God weet wat zij in hun schild voeren. Het loopt nooit goed af. Het gouvernement bewaart thans het stilzwijgen, maar wanneer het zijn tanden laat zien... Ik zeg je, denk er aan ..., Ik ben zoo bang, dat ge je weer in gevaar zult brengen. Laat die dwaasheden toch. Bedenk, dat ge kinderen hebt.quot;

»Men kan zien, dat ge mij nu niet kent, Maria Iva-novna.quot;

»Goed, goed, wij zullen zien of ik je niet ken of dat gij u zeiven niet kent. Ik heb je alleen gezegd wat mij op het hart lag; wilt ge naar mij luisteren, des te beter. Laten wij nu eens over Serioja spreken. Hoe is hij ?quot;

»Hij viel niet bijzonder in mijn smaak,quot; wilde zij zeggen, maar zij volstond met er aan toe te voegen:

»Hij lijkt sprekend op zijn moeder. Sonia vind ik allerliefst... allerliefst. Zij heeft iets zeer innemends, iets openhartigs ... in een woord, iets zeer aantrekkelijks ... Waar is zij toch? O, ja, dat zou ik vergeten!quot;

»Wat zal ik je zeggen? Sonia zal een goede vrouw en een goede moeder zijn; maar mijn Serioja is ontwikkeld, zeer ontwikkeld; dat zal ieder moeten erkennen. Hij heeft veel gestudeerd, al was hij wat lui. Hij had bij zonderen aanleg voor natuurkunde en daarom deed het ons veel genoegen, dat wij zulk een uitstekenden meester hadden. Hij wil nu op de hoogeschool den cursus voor de natuurkundige wetenschappen, chemie enz. bijwonen. ..quot;

Maria Ivanovna had tot dusverre verstrooid toegeluisterd. Toen haar broeder echter over natuurkunde

-ocr page 158-

154

begon te spreken, scheen zij bedroefd te worden en ontstelde zelfs, toen hii van chemie sprak. Zij slaakte een diepen zucht en antwoordde in de stemming, welke de natuurwetenschappen bij haar hadden opgewekt.

»Als ge wist, hoe zeer ik hen allen beklaag, Petrou-cha!quot; zeide zij op zachten, maar op recht droeven toon. »Ik heb zoo innig medelijden met hen. .. Zij allen hebben nog een leven voor zich, en wat zullen zij nog moeten lijden!. . .quot;

»Laten wij hopen , dat zij gelukkiger zullen zijn dan wij.quot;

»God geve het! Het leven is zoo zwaar, Petroucha, volg mijn raad, ik bid je, en wil niet al te zeer voor een wijze doorgaan . . . Wat zijt ge nog dwaas, Petroucha ! O, zoo dwaas! Maar nu moet ik voor mijn gasten gaan zorgen! Ik heb er zoovelen genoodigd .. . Wat zal ik hun te eten geven ?quot;

Zij pinkte een traan weg, keerde zich om en schelde.

»Laat Tarass bij mij komen.quot;

»Nog altijd dezelfde oude?quot; vroeg haar broeder.

»Nog altijd dezelfde! Maar, in vergelijking met mij is hij nog een kwajongen!quot;

Tarass, even zindelijk als altijd, scheen ontstemd, maar ging aan het werk.

Spoedig daarop kwamen Nathalia Nicolaevna en Sonia met trissche, opgeruimde gezichten binnen. Serioja moest nog inkoopen doen.

»Laat mij haar nu eens zien .. . .quot;

Maria Ivanovna nam Sonia onder de kin.

Nathalia Nicolaevna begon te vertellen ....

Einde.

-ocr page 159-
-ocr page 160-
-ocr page 161-
-ocr page 162-
-ocr page 163-