W'
quot;h -
⢠iW.
if ^ l »$lt;-
gt;amp;lt;--
#{-
%â )lt;--
SK !§lt;-
gt;j4lt;-4^-
Sf^-g4-
g«-
öâ 4^-
r
Tquot; ^Jr1-
! S4-
i
!
8t«-«*-
glt;-
S^-8^-mt*-4^
a^-SH-
ö1-g«-
iy^-
Hqt amp;-
i tó^-i 0,-=-i Wr1-li-
s3-'~ amp;*-
nts.
^,
^ . u i i i n M H i H 4 LLLiiJLi M.-f1 L *'? t?.*â¢.*â¢*â¢â¢?ï-S' »â¢*â¢Â¥.â¢* -â â **quot;* *â¢*â * â quot;â¢lt;
voor
i! HANDELSBEDIENDEN,
SIBlilOTHfcEK PE« ffUKSUHiVERSlTflT 1gt;;T'Sà ECH T. '
do O]
K TV. SCIiALLENBERG.
-**s
Uitgegeven van wege te Yereeniging van MdelsDcdienden âMERCURIUS,quot;
tea voordeéle vtiii het op te vichteu fonds.
4JH-ö4-
S*-| â
Sbquot;
,:A^
. .,r , 'quot;V-
lt;(:5.
â¢. * r. â *â ; ï
w t rttv.f
-'S ROTTERDAM,
-gt;{ i
J! 1888.
^rrv^' i v/
/V quot;⢠*::i!-.t-jâ .t't-*'-tamp;
TttTTTTtt t t Ti TfTTT TT tTtt â¢
â¢i . ⢠. « * «
; ..... â¢*â¢â ».» â¢
' kJ '* * quot;? fj
B miifois
' ' i I
voor
.
HANDELSBEDIENDEN,
door
B. W. SCHALLED BERG.
BIBLIOTHEEK OER «IJ^SUWIVEftSITE^T
v UTRECHT.
â â */ 1 *' quot;quot; quot;
Uitgegeveii m wege ae Vereenigiig van HaMelsliedieMei âIERCüRIüS,quot;
ten voordeele van het op te richten fonds.
KOTTEKDAM ,
1888.
VOORREDE.
Dc Vereeniging van Handelsbedienden âMercuriusquot; alhier, opgericht tot bevordering van de belangen van handelsbedienden, heeft tot dusver bijna uitsluitend zich bepaald tot het aangeven en beschikbaar stellen van middelen, die strekken kunnen om het intellectuëel peil van onzen stand te verhoogen.
Haar bestuur, waarvan ik de eer heb deel uit te maken, oordeelt intusschen, dat zoo mogelijk ook de stoffelijke belangen van handelsbedienden door haar behooren te worden voorgestaan. In verband daarmede heb ik op mij genomen, de zeer dringende vraag te onderzoeken, in hoeverre het mogelijk is, een pensioenfonds aan onze Vereeniging te verbinden. Waar ik mij van die taak kwijt in het openbaar, ga de waarschuwing vooraf, dat mijn? denkbeelden niet anders dan leeke-gedachten kunnen zijn, waaraan vanzelf veel moet ontbreken, en vergunne men mij bij voorbaat de opmerking, dat ik voor mijne meeningen en plannen geene instemming of goedkeuring vraag, maar slechts dit éene wensch, dat men er aanleiding in moge vinden, de zaak, die het hier geldt, ernstig in overweging te nemen. Moge ieder, die in onzen stand belangstelt, zich daartoe gedrongen gevoelen; mogen niet alleen de leden onzer Vereeniging, maar al onze collega's daarbij voorgaan, opdat de voor ons allen gewichtige aangelegenheid eens voor goed en in zoo breed mogelijken kring in behandeling kome en eene bevredigende oplossing vinde. Ik heb geene hoogere ambitie dan haar aan de orde te hebben gesteld. Daartoe bied ik hier de gegevens, door mij verzameld; de denkbeelden, bij mij gerezen; in de hoop, dat bij de gedachtemvisseling, die over deze zaak onder ons nog aanvangen moet, mijn arbeid als uitgangspunt van eenigen dienst moge zijn.
De Schrijver.
Koitekdam, December 1887.
EEN PENSIOENFONDS
VOOR
Het was in 1882, tijdens de oprichting der Vereeniging, in eene der voorbereidende commissie-vergaderingen, waarin de grond-
o o ⢠o
slagen van âMercuriusquot; werden gelegd, dat door mij voor het eerst het denkbeeld van een Pensioenfonds ter sprake werd gebracht.
Sedert zijn bijna 6 jaren verloopen, zonder dat de zaak schijnbaar iets vorderde. Nu en dan werd er in de bestuursvergadering over gesproken, eenmaal zelfs in eene ledenvergadering (van Januari 1886) het voorstel gedaan, om een prijsvraag uit te schrijven, waarbij de leden zouden hebben aan te geven, op welke wijze men tot de stichting van een fonds zou moeten geraken, doch verder verluidde er niets. Hoogstens een enkel ontwijkend antwoord op een desbetreffende vraag door een belangstellend lid nu en dan in de Ledenvergaderingen gedaan.
Het had den schijn, alsof het denkbeeld was losgelaten. Toch was dit gedurende die jaren geen oogenblik het geval. Ik liet het niet los, of beter, het liet mij niet los.
Ik dacht aan den tijd, wanneer ons oog niet meer zoo scherp, onze hand niet meer zoo vast, ons brein niet meer zoo vaardig zal zijn ; waarin de oude dag komt aankloppen met zijne gebreken. De ambtenaar, hoogere en mindere, bij Staat of Gemeente, heeft pensioen; tal van geëmploieerden aan openbare inrichtingen hebben pensioen; tegenwoordig kan men zelfs van vele werklieden hetzelfde zeggen, en deze allen kunnen den ouderdom zonder bezorgdheid zien naderen. Doch de handelsbediende, hoe is het met hem? Hij is zonder zoodanige zekerheid en heeft alléén de hoop. dat, wordt hij eenmaal gebrekkig, zijn patroon het goed met hem zal maken. Alsof patroons dit altijd kunnen! Hoe
6
menige goede patroon is vóór zijn ouden bediende ten grave gedaald, de hoop, die op hem gebouwd was, met zich nemende? Hoevele firma's zijn ontbonden of in vreemde handen overgegaan, waardoor de bejaarde bediende verplicht werd, nog naar eene andere beti-ekking om te zien, (een moeilijk, vaak vruchteloos pogen), in plaats van na den langen arbeid rust te krijgen?
En willen de patroons wel altijd den ouden dag van hunne bedienden verzorgen ? 0 , ik ken heerlijke voorbeelden van edelmoedige principalen, die den ouden dienaar niet ledig henen-zonden , toen hij tot werken ongeschikt werd, maar zijne grijsheid nog verheugden met bewijzen hunner hartelijkheid en waardeering voor vroeger bewezen diensten. Ik ken er verscheidenen, die het zich getroostten, den zwakken en sukkelenden oude zijn plaats aan den lessenaar te laten behouden, al was hij tot weinig meer nut, en die het geduld hadden te wachten, tot de dood aan het setob een einde maakte.
Als lid van het bestuur eener Vereeniging, die veel van de welwillendheid van patroons heeft ondervonden, zou het met recht verwondering baren, indien ik hunne goede gezindheid, ten aanzien van hunne ondergeschikten, in twijfel trok. Doch zij hebben het immers niet altijd in de hand hunne plannen van verzorging en hulp uit te voeren. En bovendien, wie zal kunnen ontkennen, dat, nevens den goeden, ook de minder welwillende principaal staat, die maar al te zeer geneigd is, om practisch en business-like, den ouden bediende zijn congé te geven, bedenkende, dat jongere krachten goedkooper en beter zijn? En wanneer zulk een congé den afgewerkten handelsbediende treft, staat hem een treurige ouderdom voor de deur, een ouderdom vol afhaLkelijk-heid. dikwijls met vernedering gepaard, soms door armoede verbitterd, en altijd door zorg vergezeld.
Op de hulp van den principaal komt het in den regel aan. Wordt die verleend in den vorm van pensioen, dan mag de oude handelsbediende zijn goeden patroon wel zegenen. Wordt zij verleend in den vorm van voort te mogen âwerkenquot;, dan is er mede stof tot erkentelijkheid, ofschoon ik hoop er voor bewaard te blijven om op die wijze oud te worden. Wordt zij echter ten eenenmale onthouden, dan zijn onze bejaarde collega's eerst recht te beklagen, want dan zijn zij ongelukkig; tenzij zij zeiven intijds gezorgd hebben voor hun ouderdom en niet uitsluitend gerekend hebben op den bijstand van hun patroon, die niet altijd op afdoende wijze kan helpen.
Dat zorgen voor den ouden dag komt, helaas, zeldzaam voor.
Het is een treurig feit, dat de oude handelsbediende in de meeste gevallen, zoo zijn principaal zich onttrekt, totaal afhankelijk wordt van de barmhartigheid zijner omgeving.
Hij verdiende dikwijls een goed salaris, maar ... de eischen van het leven zijn hoog, zijne positie bracht mede, dat hij en de zijnen altijd fatsoenlijk voor den dag moesten komen, en zoo gebeurde het, dat hij wel geen schulden maakte, maar toch dankbaar was, als aan het eind van het jaar de beide eindjes
7
aan elkaar konden worden geknoopt. Daar was geen sprake van oververdienste; het sommetje, dat bij enkele buitenkansjes werd opgelegd, moest in dagen van ziekte of tegenspoed weer worden ingeteerd; al het geld, dat hij verdiende, moest ook weer worden uitgegeven . . . En zoo vindt hem de ouderdom , arm en hulpeloos.
Ik wil zulk eeu overleg noch prijzen, noch laken. Het is mij voorloopig om het feit zelf te doen. En dit staat vast. Laat men rondzien in zijne omgeving en men zal bijna overal tot de zelfde slotsom komen: de oude handelsbediende is buiten staat zich zeiven te onderhouden.
Dat âMercuriusquot; aan de zoodanigen de helpende hand zou reiken, hun eene uitkeering verzekeren , die den ouden dag minder zorgvol en het gansche leven geruster en kalmer zou maken, was eene vriendelijke gedachte, die ik niet gaarne prijs gegeven zou hebben. En dat de Vereeniging , althans tegenover hare leden, verplicht was om maatregelen te beramen en schikkingen te treffen, ten einde hen voor een kommervolle grijsheid te bewaren ; de ernst en het klemmende van dien eisch gevoelde ik diep. Doch hoe die gedachte te verwezenlijken. hoe aan dien eisch te voldoen? Somtijds scheen het mij een hersenschim; het spiegelbeeld van een vromen wensch; op andere tijden een ideaal, dat ver boven het bereik mijner krachten zweefde. En indien het tot voortgezet nadenken en uitwerken kwam, beschreven mijne becijferingen en plannen een hopeloozen cirkelgang, die immer naar zijn uitgangspunt terugvoerde. Niets is zoo eenvoudig als een pensioenfonds te wenschen, maar tegenover bepaalde gegevens heeft het iets meer bezwaar in, er een op te richten. Haastige vrienden hebben mij toegevoegd, niet te kunnen begrijpen, dat er al niet lang een fonds was. Ik kon slechts glimlachen en antwoorden, dat het mij ten minste niet uit den mouw viel.
Mijn streven was een eigen fonds. âMercuriusquot; zou met behulp van speciale donatiën en uit eventuëele overschotten dei-kas een waarborgfonds stichten, om zekerheid te verschaffen, dat het minimum der uitkeering onder alle omstandigheden zou kunnen worden verstrekt. Al het overige zou uit de bijdragen der leden moeten gevonden worden, welke bijdragen, wiskunstig berekend, in juiste verhouding zouden moeten staan tot vaste uitkeeringssommen, waarvan de jaarlijksche betaling zou ingaan op een voor allen gelijkelijk aangenomen ouderdom.
Men zou enkele afdeelmgen kunnen vormen, bijv. voor pensioenen van Æ 300.â , Æ 500.â en Æ 1000.â; de premiën inde resp. afdeelingen in evenredigheid zooveel grooter. En de leeftijd, waarop pensioen-uitkeering begon, zou voor ieder op 65 jaar worden gesteld. Alleen leden der Vereeniging zouden aan de combinatie deelnemen, verlies van lidmaatschap zou verbeurte van rechten medebrengen, bij overlijden zouden de betaalde bijdragen aan het fonds vervallen, en het beheer zou worden uitgeoefend door of onder de hoede van Heeren Commissarissen der Vereeniging.
8
Er bestond kans, dat, op die wijze ingericht, het fonds voordeelen voor de deelnemers zou opleveren, die zij bij eene Levensverzekering-Maatschappij vruchteloos zouden zoeken, üe administratie behoefde niets te kosten: de bestuursleden zouden natuurlijk het werk gratis behandelen; de geheele organisatie van âMercuriusquot; stond ten dienste, en indien extra bodenloon of drukwerk moest bestreden worden, kon dit gevoegelijk dooide Vereenigings-kas worden gedragen. Voorts was er geen sprake van winst, zooals bij eene assurantie-maatschappij; â geen cent behoefde er alzoo gelegd te worden op de bijdrage, die door een deskundige als netto-premie zou worden aangegeven. Wij konden dus, zoo meende ik, bij gelijken prijs hooger uit-keering verzekeren dan eenige maatschappij en daarbij nog eenige bizondere voordeelen aan ons fonds verbinden. Het waarborgkapitaal zou immers rente afwerpen, en die rente, gevoegd bij de sommen, die beschikbaar werden door bedanken van leden, vormde een tweede kas, waaruit invalide leden een jaargeld konden trekken en aan zieke of buiten betrekking geraakte leden eenige ondersteuning kon worden verstrekt.
Toen de omtrekken aldus bij mij vast stonden, wilde ik voor mij zei ven zekerheid hebben . dat de redeneering, die mij juist voorkwam, ook door cijfers als juist zou worden gestaafd. Ik ontwierp dus mijne eerste globale berekening, aan het resultaat waarvan ik nauwlijks twijfelde. Als grondslag nam ik aan de sterfte-tafel der 17 Engelsche Maatschappijen; de rente stelde ik op 4 pCt.; den leeftijd der deelnemers op dien, welken zij in het jaar hunner toetreding nog moesten bereiken. Gemakshalve nam ik het getal levenden op 21jarigen ouderdom, dat op de sterfte-tafel was aangegeven (die cijfers telkens gedeeld door 1000, boven het half duizend voor 1, daar beneden voor 0 rekenende); om de zelfde reden stelde ik, dat allen op gelijken leeftijd toetraden, en dat de door hen te betalen jaarlijksche premie was/ 10.â
Ziehier de slotsom, waartoe ik kwam.
Van 93 leden op 20 (resp. 21) jarigen ouderdom toegetreden, voleindigen er 47 hun 65ste jaar.
Die 47 hebben a Æ 10.â per jaar gecontribueerd per lid
in 45 jaren..............Æ 450.â
vermeerderd met rente op rente a 4 pCt. ...» 811.67
maakt totaal per lid . . f 1261.67
de 47 te zamen dus . . f 59298.49
De overige 46 leden zijn overleden, en hunne bijdragen zijn in hun sterfjaar aan de kas vervallen.
Die bijdragen beloopen. . . . f 12210.â
-f- rente op rente a 4 pCt. ... - 29504.76 - 41714.76
zoodat er ter verdeeling in kas is aan 47 leden . f 101013.25
(per lid f 2149.22)
'J
Eene mooie som, bijna 5 maal zoo groot als het bedrag der ingebrachte preinien ! Doch er komt spoedig een groot gat in, als men aan het uitkeeren gaat. De lieden op de sterfte-tafel leven wanhopig lang; niet minder dan 489 uitbetalingen moeten er plaats hebben, en al verdeelt zich dit nu al over meer dan 25 jaren; al maakt men dus gedurende dien tijd nog rente over het saldo in kas, â dit verhindert niet, dat het beschikbare pensioen zeer bescheiden afmetingen gaat aannemen, dat het inderdaad per hoofd en per jaar niet meer bedraagt dan circa f 264.â
Die eerste calculatie was mijn eerste ontnuchtering. Onverbiddelijk wezen de cijfers uit, dat men om een pensioen van /quot;500.â te genieten op G5jarigen ouderdom, reeds als 20jarige beginnen moest met jaarlijks circa Æ20.â te contribueeren. Eu hoeveel zouden dan ouderen wel moeten betalen ?! Het was zulk eene teleurstelling, dat ik moeite had mij er aan te onderwerpen. En dat bij een eigen pensioenfonds!
Nogmaals onderzocht ik of mijne calculatie wel juist was; een ruwe proef, die ik maakte, gaf mij de overtuiging dat hoogstens enkele rekenverschillen van weinig beteekenis mogelijk waren; in de methode kon ik geene vergissing ontdekken.
Het moest dus zoo zijn. En toch wilde ik liet niet gelooven. In deze stemming vroeg ik den heer Dr. Th. van Doi-.sbüugh , directeur der gemeente-gasfabriek alhier, om een onderhoud. Ik wist, dat hij een zeer welwillend man is, die als deskundige hoog staat aangeschreven, en bij eene andere vereeniging van kantoorbedienden , als zoodanig en uit louter sympathie met het goede doel, reeds groote en gewichtige diensten had bewezen. Het onderhoud werd mij op de meest heusche wijze toegestaan. Ik had gelegenheid de aanvankelijke plannen te ontwikkelen, en mijne ongelukkige becijfering ter tafel te brengen. En het einde was, dat Dr. van Doksbuugh mij later schreef: âNa rijpe overweging is mijn advies, dat ik u niet kan aanraden zulk een fonds voor de leden van âMercuriusquot; op te richten.quot;
Dit negatieve advies was intusschen niet het eenige resultaat van Dr. van Doksbükgh's bemoeiingen. Heb ik hem dank te weten voor de vriendelijke wijze , waarop hij mij te woord stond, en mijne denkbeelden in overweging nam, ik heb hem ook erkentelijk te zijn voor zijn raad om liever in contact te treden met eene solide Levensverzekering-Maatschappij, en voor zijnen wenk om daarbij speciaal te letten op de zeer voordeelige tarieven, die de Nationale Leveusverzekeringbank,alhier,voor werklieden-pensioenen heeft vastgesteld.
Op die tarieven mag ik wel voor een oogenblik de aandacht vestigen. Het is verwonderlijk hoe laag ze zijn, vergeleken met het gewone tarief dier zelfde bank, dat voor particuliere personen geldt.
10
|
Een paar cijfers ten bewijze: | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Met het gewoon tarief voor particulieren vergeleken is dus het extra tarief van 7 t-ot 15 pCt. lager. Dat zegt op zich zelf niet veel, maar wel als men in aanmerking neemt, dat de gewone premiën vrij wel concurreeren met die van andere solide maatschappijen, en menigmaal aanzienlijk daar beneden blijven. De extra tarieven mogen dus als zeer voordeelig worden beschouwd. En de gelegenheid om daarvan gebruik te maken stelt de Bank voor elke, ook voor onze (*) corporatie open, op deze enkele voorwaarde, ,,dat de premiën in hun geheel zonder onkosten voor de Bank aan haar worden ter hand gesteld, daar commissie, bodenloon etc. niet van deze premiën kan worden toegekend.quot;
Doch, daar de Bank als particuliere instelling winst moet beoogen, zullen haar premien toch immers hooger blijven dan die van een eigen fonds, dat geen winst verlangt? De opmerking schijnt juist, en toch is zij 't niet. Ik calculeerde, dat in een eigen fonds bij inschrijving op 20jarigen leeftijd met eene jaarlijksche premie van Æ 10.â eene uitkeering kon verzekerd worden op 6quot;)jarigen ouderdom vrn Æ 264.â. Welnu, de N. L. B. vraagt in gelijke omstandigheden
f 3.42 premie voor Æ 100.â uitkeering, of - 10.â » » - 290. - »
en verzekert dus bij de zelfde contributie een pensioen van/quot;26.â i. e. 10 pCt. meer.
Mij dunkt, dat bij deze cijfers de kwestie van een eigen fonds, althans ter verzekering van een minimum-uitkeering, voorloopig kan blijven rusten. De vraag blijft open, hoe het mogelijk is. dat eene particuliere instelling zulke premien kan aanbieden. Straks zal ik gelegenheid hebben daarop terug te komen en daarbij dan tegelijk de geschiedenis der tarieven voor werklieden-pensioenen bij de N. L. B. met een enkel woord te bespreken. Mijne bedoeling met het nu reeds vooropstellen dier tarieven is alléén om ze als maatstaf te gebruiken bij de be-
(*) Ik heb mij hiervan opzettelijk vergewist.
11
oordeeling van andere bestaande fondsen, waarvan ik de bepalingen nu na wil gaan om m onderzoeken, of er iets bruikbaars in kan gevonden worden voor ons doel. Zonder eenig vast punt van vergelijking, zou men gevaar loopen, zich in de massa cijfers te verliezen, en een zeer onvruchtbaar werk te doen. Daarbij komt, dat het al bizonder lichtvaardig zou zijn, op de enkele gegevens, die ik tot nog toe verstrekte, definitief af te gaan , en ons hals over kop aan eene inrichting te verbinden , die slechts bewezen heeft goedkooper te kunnen werken dan wij. Er is op het gebied van pensioneering, vooral in den laatsten tijd, zoo veel tot stand gebracht, in Binnen- en Buitenland, dat het wel de moeite belooft te loonen, als wij ons onderzoek daarheen uitstrekken. Eerst daarna zijn wij tot een eind-oordeel in staat.
Indien ik bij dit onderzoek uitvoeriger ben dan voor mijn doel wel noodig schijnt, dan vinde men daarvoor de verklaring in wat ik vooropstelde, nm: dat ik niet in de eerste plaats schrijf om mijne conclusieu ingang te doen vinden, maar om de gegevens, die ik verzamelde, onder het bereik te brengen van een grooteren kring. Mijne gevolgtrekkingen kunnen onjuist of eenzijdig zijn: daarom breng ik ze in discussie. En ik kan zeer belangrijke factoren over het hoofd gezien hebben; daarom geef ik wat mij dient en wat mij niet dient, opdat anderen het door mij verzuimde mogen herstellen en wellicht parelen vinden, waar ik niets dan schelpen zag.
Wij beginnen van huis nit met
de Neilerlandsche Handels-reizigers Vereeniging, opgericht 1 December 1874, gevestigd te Rotterdam.
Het doel der Vereeniging is:
O O
a. tijdelijken onderstand te verleenen aan leden buiten verdienste ;
b. een fonds op te richten tot het doen van uitkeeringen bij overlijden.
De leeftijd voor toetreding is gesteld van 18 tot 50 jaar.
De contributie bedraagt bij toetreding in den ouderdom van:
18-25 jaar 25â30 » 30-35 » 35â40 » 40 -45 » 45â50 »
f 15.â per jaar
- 18.â » » - 21,â » »
- 24.â » »
- 27.â » »
- 30. â » »
Opzegging van lidmaatschap heeft verlies van alle rechten ten gevolge en verbeurte van de reeds betaalde contributiën.
De tijdelijke onderstand bedraagt,
bij een ongeluk: hoogstens /'15.â per week , gedurende 8 weken; bij verlies van betrekking: hoogstens /10.â per week, gedurende 8 weken.
De uitkeering bij overlijden bedraagt eene jaarlijks door een deskundige te bepalen som, tot aan een maximum van f 500.â
12
Aan het jaarverslag van 1881/2 ontleen ik de volgende cijfers. Er waren destijds 106 leden en 86 donateurs. In het afgeloopen jaar was de bezitting der vereeniging vermeerderd met circa /'2000.â en bedroeg nu Æ 11717.â
De Inkomsten bestonden uit:
contributiën Æ 1189.10
donatiën - 859.50
rente van effecten - 364.50 Æ 2413.10.
De Uitgaven bedroegen aan:
onkosten / 432.91i/3
toelagen - 120.â
uitkeeringen - nihil Æ 552.91V2 (*)
Het tweeslachtig karakter dezer vereeniging maakt vergelijking onmogelijk. Zij is eene verzekering tegen ongelukken en tevens assureert zij uitkeering bij overlijden.
Men zou kunnen opmerken, dat de leden voor eene uitkeering van Æ 500.â minstens een derde te veel aan premie betalen, maar daar staat tegenover, dat zij tevens in bepaalde gevallen recht op ondersteuning hebben . en dit laatste berust op eene kansrekening, die voor zoover ik weet nog niet onder cijfers gebracht is. De reden, waarom ik van deze vereeniging sprak, is dat zij ondersteuning en uitkeering combineert in één fonds, zooals ik dat aanvankelijk voor ,,Mereuriusquot; gewenscht heb, en dat zij daarin voorloopig niet ongelukkig schijnt te slagen. Ik wil daarbij vooral wijzen op twee eigenaardigheden:
1°. dat het fonds niet uitsluitend drijft op de prernien der leden, maar voor een zeer groot deel ook op de schenkingen van donateurs; â zoodat uitkeeringen en toelagen grooter kunnen worden, dan door de enkele premiebetaling zou mogelijk zijn;
2°. dat een deskundige telken jare het cijfer bepaalt, dat uitgekeerd kan worden, resp. dat veilig aan de baten kan worden onttrokken; zoodat wél de hoegrootheid der uitkeering zeer wisselvallig kan zijn, maar nooit meer vermag te bedragen dan de vereeniging missen kan.
Waarschijnlijk is de laatste bepaling in de statuten opgenomen, ten einde de koninkl. goedkeuring op de statuten te kunnen verkrijgen, die vóór 1882 bij fondsen niet gegeven werd, zoolang niet aan alle wetenschappelijke eischen was voldaan. In het onderwerpelijk geval was het zeer moeielijk eene vaste som te bepalen, die eventueel bij overlijden zou uitgekeerd worden. afhankelijk als men was van het grooter of kleiner bedrag aan ,.toelagenquot;, waarop de leden aanspraak mochten maken, en waarvoor geene wetenschappelijke premie berekend kon worden. Dat niet te becijferen recht op âtoelagenquot; bracht iets zwe-
(â¦) Over 1887 waren de cijfers als volgt: Er waren 141 leden en 111 donateurs. Er werd uitgekeerd /500.â aan de Erven van een overleden lid en /040.â voor onder-steuninsr aan diversen. De kas wees weder een overschot aan van /2000.â en het kapitaal was geklommen tot /23000.â Een legaat van /1000.â was nog te incasseeren.
13
vends, iets onzekers in het fonds; het was betrekkelijk een âsprong in het donkerquot;, waartoe de vereeniging zich waagde, en waarmede althans een deel der voor uitkeering bestemde gelden in gevaar werd gebracht, aan die bestemming te zullen worden onttrokken. Doch met de bepaling van den deskundige staat de vereeniging in één slag weder op vasten grond. Hoe nu ook de âtoelagenquot; zich mogen uitbreiden, hoeveel geld daaraan ook zal worden besteed, nooit zal de vereeniging in verzoeking komen, van het overblijvende meer uit te keeren dan met de soliditeit van haar fouds bestaanbaar is, want haar deskundige bepaalt telken jare het bedrag.
Indien wij ooit aanleiding mochten krijgen onze Vereeniging ten bate harer leden eveneens een sprong in het donker te laten doen, dan zal het goed zijn ons den deskundige der handelsreizigers te herinneren. Tegelijker tyd een regulator en een veiligheidsklep.
Meer in rechtstreeksch verband tot ons onderwerp, staat het Peusioenfonds voor liet notariaat in Nederland,
waarvan het concept beschreven wordt in afi. 3 en 4 van het tijdschrift âRecht en Wet,quot; onder redactie van den heer P. J. Laboyrie te 's Hage.
Het geheel is eene navolging van het fonds der vereeniging van Notarissen in Oostenrijk.
Door het fonds worden gewaarborgd:
1°. Invaliditeits- en Ouderdoms-Pensioenen;
2°. Weduwen- en Weezen-Pensioenen.
Er zijn voor beide categoriën fZm'e klassen: Æ 300, Æ 600, Æ 900. Leden van het fonds zijn: gewone leden en begunstigers. Ieder, die tot het notariaat behoort, kan toetreden, mits niet ouder dan 60 jaar.
Het pensioen gaat in op 65jarigen leeftijd, of bij invaliditeit; deze laatste komt ter beoordeeling van een Jury.
De leden verzekeren zich zeiven of kunnen door derden verzekerd worden.
De inkomsten van het fonds worden gevormd:
a. door een waarborgfonds van Æ 20.000.â bijeen te brengen uit het jaarlijksch saldo der rekening van de Broederschap; h. door de bijdragen van leden en begunstigers;
c. door de rente van uitgezette kapitalen;
d. door de extra bijdragen.
De premien der leden bestaan in a. inleg; h. halfjaarlijksche contributie, vooruit te voldoen. De inleg kan betaald worden in 6 halfjaarlijksche termijnen, met bijstorting van 4 pCt. rente. Er worden geen dokters-attesten verlangd.
Leden moeten hun contributie doen betalen. Daarentegen worden door het Bestuur geene administratiekosten in rekening gebracht.
Eerst na 3 jaren lidmaatschap verkrijgt men recht op uit-
14
keering. Langer dan 6 maanden nalatig in het betalen der contributie, vervalt liet lidmaatschap.
De pensioenen worden maandelijks bij vooruitbetaling uitgekeerd.
Wordt een pensioen in drie jaar niet opgevorderd, dan vervalt het.
Ter verzekering van een lumliditeits- en Ouderdoms-pensioen wordt berekend naar
Tabel I.
Bij toetreding Halfjaarlijksche premie Toor
op den leeftijd van;
25 jaar of jonger 30 ,
35 â
40 â
45 ,
50 â
55 â
60 ,
Ter verzekering van een berekend naar
Ouderdom van man en vrouw
25 jaar en jonger 30 ,
35 â
40 ,
45 â
50 ,
55 ,
60 â
Ter verzekering als van Weduwen-Tabellen I en 11 gecombineerd berekend.
Tabel II.
f 212.â f 15.50 f 38.75 f 62.â
, 283.10 â 17.76 â 44.40 â 71.04
, 252.42 â 20,26 â 50.65 â 81.04
â 268.59 â 23.04 â 57.60 â 92.16
, 279.95 â 26.86 â 67.15 , 107.44
B 286.15 â 33.20 , 83.â â 132.80
â 285.â â 44.06 â 110 15 â 176.24
â 276.â â 71.64 â 179.10 â 286.56 zoowel van Invaliditeits- en Ouderdoms-,
en Weezen-pensioenen worden de beide
De lust bekruipt mij de pen neder te leggen, vragende wat men nog meer kan verlangen. Ziedaar dan een Onderling Pensioenfonds, waarbij niet alleen de ouderdom van het lid verzorgd wordt, maar hem ook zekerheid wordt beloofd, ingeval van invaliditeit, terwijl tevens aan vrouw en kinderen een jaargeld wordt gewaarborgd bij zijn overlijden. Alles wat wij verlangen, â en meer! De premien zijn mede niet hoog, en als men er de inleggelden uitlicht, (die betrekkelijk hooge entrees zouden voor menigen handelsbediende een onoverkomelijk beletsel kunnen zijn,) als men ze m. a. w. tot by slag op de premien herleidt, krijgt men een tarief, dat men zou willen overnemen zonder meer. Om de cijfers beter te kunnen beoordeelen, laat ik die herleiding hier volgen, mij kortheidshalve bepalende bij de premie van 25 jarigen.
Voor de zoodanigen wordt bij Tabel 1 een iuleggeld ge-
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Weduwen- en Weezenpensioen wordt | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
15
vorderd van / 111.28. Een 25jarige heeft bij de N. L. B. voor uitkeering van j 100,â op 65jarigen leeftijd in eens te betalen f 78.97 of in eene jaarlijksche premie f 4.60. Volgens dezen maatstaf zou betaling iu eens van / 111.28 gelijk staan aan eene jaarlijksche premie van Æ 6.48, en ik zou dus, het inleggeld ecarteerende, de premie met een bijslag van f 6.48 moeten verhoogen.
Het komt mij echter voor, dat ik beter doe, bij de herleiding geen vreemd tarief toe te passen, (het genoemde is immers alleen op ouderdoms en niet óók op invaliditeits-pensioen aangelegd), maar mij alleen te houden bij de gegeven cijfers in Tabel I.
Er is verschil tusschen de contributie voor f 300, 600 en 900 grooter dan door de verhoudiiigscijfers 1:2:3 gemotiveerd wordt. Dit grootere verschil moet door het inleggeld zijn veroorzaakt, dat, even groot voor de laagste als voor de hoogste klasse, natuurlijk aan de premie van de laagste klasse het meest ten goede komt. De premien moeten immers in rechte reden staan tot de uitkeeringen, en eene bijdrage voor f 600.â zal dus juist 2 x zoo groot moeten zijn als eene voor f 300.â. Men heeft alzoo, om het inleggeld tot jaarpremie te herleiden, eenvoudig te zoeken naar het cijfer, dat, aan de resp. premien toegevoegd, hen in de verhouding brengt van 1: 2: 3. Dat cijfer is hier Æ7.38. (Juist het bedrag der halfjaarlijksche premie voor Æ 300.â) Men krijgt nu:
Halfjaarlijksche premie ?oor / 300.â / 600.â f 900.â
f 7.38 f 18.45 f 29.52
of per jaar f 14.76 f 36.90 /' 59.04 -f- het tot jaar premie herleide
inleggeld, als boven ... - 7.38 - 7.38 - 7.38
f 22.14 t 44.28 f 66.42
1/3 1/6 1/9
of per f 100.â f 7.38 f 7.38 f 7.38 JBij Tabel II wordt voor 25jarigen een inleggeld gevorderd van f 212.â. Herleidt men deze entree tot jaarpremie volgens boven aangegevene methode, dan vindt men als zoodanig Æ 15.50. Deze Tabel wordt dan:
f 300.â f 600,â f 900.â
f 46.50 f 93.â f 139.50
1/8 1/6 1/9
of per Æ 100.â f 15.50 f 15.50 f 15.50 Analyseert men de zoo gevonden totaal contribution nu, dan vindt men, dat voor ouderdoms èn invaliditeits-pensioen door het onderl. fonds wordt berekend, per Æ 100.âuitkeering Æ 7.38 terwijl naar den maatstaf der premie van de N. L. B. (6.48 : 7.38 â 4.60:) alleen voor ouderdoms-pensioen onder dezelfde voorwaarden de jaarpremie uitkomt per Æ 100.â op - 5.24
zoodat het invaliditeits-pensioen den leden te staan komt op Æ 2.14 per /' 100.â rente, of op bijna 30 pCt. der premie.
10
Voor de weduwen en weezen-peusioenen komt de totaal contributie buitengewoon voordeelig uit. Zij bedraagt als
boven.................f 15.50
per f 100.â uitkeering, voor 25 j., man en vrouw,
terwijl de N. L. B. voor gelijke verzekering een premie stelt van................quot; ^5.67
een profijt dus voor de leden van.......f 10.17
waarbij dan nog komt, dat ook hun weezen recht op pensioen verkrijgen, wat in de premie der N. L. 13. nog niet eenmaal begrepen is.
Er zullen er zijn, die zich afvragen, hoe het mogelijk is, dat er zulk een groot verschil bestaat tussclien het tarief voor ouderdoms en voor weduwen-pensioen. Hun merk ik op, dat het eerstgenoemde pensioen nooit aanvangen kan vóór het 65ste jaar, terwijl het laatstgenoemde spoedig na het sluiten der verzekering reeds intreden kan, immers dadelijk na het overlijden van den geassureerde. Er is dus een zeer groot verschil in de risico tusschen het een en het andere.
En , zal men vragen, worden deze betrekkelijk lage contributiën toch niet ten slotte hoog, te hoog voor den handelsbediende? Gesteld, men wil voor zich zeiven èn voor zijne vrouw een pensioen verzekeren van f 500quot;â en daarvoor zal een 25jarige (dus in het gunstigste geval) eene jaarlijksche premie hebben te betalen van f 114.40. Dit is eene uitgaaf, die maar weinigen zich kunnen veroorloven.
De opmerking is niet onjuist, doch men moet in het oog houden, dat, is de premie belangrijk, de daarmede verkregen garantie eveneens belangrijk is. Eene uitkeering van / 500. toch staat gelijk aan de rente van een kapitaal van niet minder dan f 10000.â en wil men bij overlijden zulk een kapitaal aan zijne weduwe nalaten, dan zal men daarvoor tot aan zijn dood eene jaarlijksche premie van circa / 200.â moeten besteden, en dan zonder uitzicht op een ouderdoms-pensioen. Bovendien, men kan tusschen de beide tabellen kiezen; de leden zijn niet geforceerd heide verzekeringen te sluiten, en behouden het lecht om gedeeltelijk, bijv. voor het ouderdomspensioen, van het fonds gebruik te maken; terwijl zij ten bate hunner betrekkingen elders eene verzekering naar goedvinden kunnen aangaan, hoewel, dit moet erkend, eene zeijde verzekering nergens tot lager tarief door hen gesloten zal kunnen worden, dan waartoe het eigene fonds hun gelegenheid biedt.
Lage premien zij n intusschen geen goede maatstaf, waarnaar men een dergelijk fonds beoordeelen kan. Integendeel, zij zijn een zeer slechte en gevaarlijke maatstaf.
Er blijven dan ook vrij wat gewichtiger en ernstiger vragen over, die in deze van de allerhoogste beteekenis zijn. Wenscht deze vereeniging op hare tarieven de Koninklijke Goedkeuring J. Uit de bepaling in het Ontwerp, dat de Vereeniging minstens 50 leden moet tellen, mag worden opgemaakt, dat die niet wordt
17
verlangd, daar de wet voor zulk een fonds met vaste uitkee-ringeii minstens 500 leden vordert. Eu, - - dit is de alles be-heerschende vraag, die zicli als van zelf aan de eerste vastknoopt, â welken waarborg geeft de Vereeniging dan , dat zi) hare verbintenissen zal nakomen? Ik moet hierop het antwoord schuldig blijven. De zaak heeft nog geene geschiedenis. Wat ik hierboven aangaf, is immers slechts een ontwerp , en de tijd zal dus uitspraak moeten doen, in hoeverre de rekening tusschen premie en risico sluit. Maar nu reeds valt het niet te ontkennen, dat de invaliditeitspensioenen zeer kunnen tegenvallen, vooral met de bepaling, dat geen gezondheids-attest hoegenaamd wordt vereischt. Wel is daar minder gevaar voor bij de overige pensioenen, omdat die binnen het gebied der gewone Levensverzekering vallen, waar men ten hunnen aanzien reeds zooveel ervaring opdeed; â wel heeft men dus daarvoor de kansrekening zoo wetenschappelijk mogelijk kunnen opmaken, maar het blijft zeer de vraag, of algemeene statistieken wel op kleine vereenigingen van een vijftigtal leden met gerustheid kunnen toegepast worden.
Tegenover deze bezwaren staat het op te richten waarborgfonds van Æ 20.000. â, plus de bijdragen der begunstigers, plus de rente, plus de extra bijdragen. Dat zijn de waarborgen, die de uitkeering dei vaste pensioenen boven allen twijfel moeten verheffen, afhankelijk van de vrijgevigheid dergenen, die bijdragen zullen schenken. Dat de zoodanigen zouden komen, en ruim geven, was destijds nog een wensch, evenals de som, waartoe het waarborgkapitaal zou stijgen, toen ook niet meer dan een wensch was. Wordt deze vervuld, dan is alles âpour le mieux.quot; Dan zal men het recht hebben, al naarmate de schenkingen vloeien, dit voordeelige fonds ook een solide te noemen, en men zal dit alweder moeten danken aan de samenwerking tusschen belanghebbenden en belangstellenden, waarbij de laatsten door donatien aanvullen, wat aan de contributien der eersten ontbreekt.
Doch het is immers mogelijk, dat die wensch niet vervuld wordt, en wat dan? Welnu, dan zal ik van mijne ingenomenheid met deze combinatie eenvoudig alles moeten prijs geven. Zon even zinspeelde ik er reeds op, dat de invaliditeits-pensioenen kunnen tegenvallen , en ik zeide dit, omdat die, naar ik meen, op geen enkelen wetenschappelijken grondslag gebaseerd kunnen zijn. De weduwen- en weezeupensioen-tarieven zijn bedenkelijk laag, zoo laag, vergeleken met die van solide maatschappijen, dat men zich afvragen moet, of bij de berekening daarvan óók wel van exacte gegevens is uitgegaan. Is het nu gewaagd, te veronderstellen , dat bij het bepalen der cijfers al te veel is gerekend op donatien, en wordt dan de zaak niet onzeker, als straks die donatien minderen of uitblijven? En dat is het ergste, wat men van een fonds kan vreezen. Contribueer uw gansche leven een aanzienlijk bedrag, en kom dan op uw ouden dag tot de ontdekking, dat het pensioen, waarvoor gij al dien tijd hebt gespaard, niet kan worden uitgekeerd! Zelfs de gedachte aan zulk eene mogelijkheid moet verre blijven , zy is al te verschrikkelijk.
2
18
Ik ben de laatste om te willen beweren, dat de deelnemers aan dit ouderling pensioenfonds zich op die wijze in hunne verwachting zulten bedrogen zien ; ik vertrouw van de vrijgevigheid zyner begunstigers, dat het integendeel al zijn beloften zal vervullen, maar dit is mijn grief, dat men die beloften onder vaste cijfers (uitkeeriugen van Æ 300.â, Æ GOO.â, f 900.â) gebracht heeft, terwijl men de noodzakelijke waarborgen nog moest zien te verkrijgen. Eerst garantie, dan belofte. Men mag op dit gebied niets toezeggen , of men moet absolute zekerheid hebben, ook in de ongunstigste omstandigheden zijn woord gestand te kunnen doen. Bezit men die zekerheid niet, of nog niet, dan doet meu beter het voorbeeld der handelsreizigers te volgen, die beginnen met eene hooge contributie, en niets meer verzekeren dan wat door die contributie volkomen wordt gedekt, die verder wel het voordeel van schenkingen aan hun fonds verbinden, maar daarop geen uitkeeriugen in de toekomst baseeren, en er alleen een gelegenheids-gebruik van maken, voor zoover dat ,iiaar deskundig oordeel, met het belang van alle betrokkenen strookt.
De conclusie ligt voor de hand. Het onderling pensioenfonds biedt veelzijdige ondersteuning, tegen verlokkelijk lage tarieven, docli zonder voldoende waarborgen. Er schijnt daarbij, in plaats van uitsluitend op streng wetenschappelijke gegevens, ook op donatien gerekend te zijn, die uit haren aard wisselvallig, wèl de kracht van een fonds kunnen verhoogen, maar er nooit den grondslag van kunnen uitmaken. Het geheel krijgt daardoor een onzeker aanzien, en kan dus niet tot voorbeeld strekken van wat âMercuriusquot; tot âzekerheidquot; voor haar leden wenscht op te richten.
Wij moeten dus verder, en gaan het nu eens over de grenzen beproeven, of daar iets passends voor ons te vinden is. Te Manchester bestaat sedert 1855 de Manchester Warehousemen ami clerks' Provident-Association,
ten doel hebbende, uit de bijdragen der leden fondsen te vormen: 1°. voor wekelijksche toelagen aan leden buiten betrekking; 2U. » geneeskundige hulp en medicijnen;
3°. » pensioen aan oude en invalide leden; 4°. » ondersteuning aan hulpbehoevende leden; 5°. » uitkeering bij overlijden van leden of voor begrafenis
hunner echtgenooten.
Het onder 1°. genoemde is voor de vereeniging hoofdzaak; en daarop speciaal zijn de contributiën aangelegd.
Toetredende in den ouderdom van:
18â30 jaar 30â35 »
35--1:0 »
40â45 »
45â50 »
Ontvangen de leden ingeval van ziekte of buiten betrekking eene toelage per week:
Bij een jaarl. contributie van:
£ 1. 4, -
» 1. 6.â
» 1.10.â
» 1.13 â
» 1.16.â
in de derde 4- treken
in de volgende
4 weken £ â.10,-
in de eerste 4 weken £ 1.-.-
£ -.5.â
19
Er bestaan nog twee hoogere klassen, waarin uien resp. l1^ en 2 maal de bovenstaande contributie betalen moet en waaraan in evenredigheid hoogere toelagen zijn verbonden.
Voor het begrafenisfonds, (punt 5,) moeten de leden. die zich daarbij aansluiten, extra contribueeren, en betalen dan voor eene uitkeering van £ 20â/â bij overlyden, eene premie van 8sh. tot 16sh. per jaar, of voor eene storting van £ 10.â/â bij overlijden van hunne echtgenooten, van 5sh. tot 12sl!, de premie opklimmende met den leeftijd van toetreding.
⢠De overige voordeelen der Vereeniging: geneeskundige hulp, pensioen en ondersteuning zijn zonder extra betaling aan het gewone lidmaatschap verbonden.
De geneeskundige hulp is op zeer ruimen schaal ingericht; een groot aantal doktoren , waaronder specialiteiten , staat daarbij der Vereeniging ten dienste.
De ondersteuning wordt door het bestuur verleend, âvoor zoover de fondsen zulks permitteerenquot;, terwijl daaronder ook begrepen is het verleenen van speciale giften aan weduwen en kinderen van overleden leden. Die giften mogen niet meer bedragen dan de helft van het bedrag der betaalde contributiën, eventueel verminderd met de som van vroeger genoten ondersteuning, en worden alleen verstrekt, indien het lid minstens 10 jaren achtereen gecontribueerd heeft.
Pensioen aan oude en invalide leden wordt verleend in verhouding tot de betaalde bijdragen en den eventueel genoten onderstand. Men moet minstens 20 jaren lid geweest zijn en den leeftijd van 60 jaren bereikt hebben, alvorens pensioen-uit-keering kan plaats hebben, en deze geschiedt zelfs dan nog niet, tenzij het blijke , dat men in behoeftige omstandigheden verkeert, of onbekwaam tot werken is.
Het lidmaatschap der Vereeniging staat open voor personen tusschen den 18 en 50 jarigen leeftijd.
Zij, die zich uitsluitend bij het pensioenfonds willen aansluiten , kunnen dit doen, en contribueeren dan 1 Guinea per jaar of 10 Guineas in eens. Daar men hiermede echter de overige voordeelen prijs geeft en slechts 3 sh. bespaart, wordt van deze bepaling zeldzaam gebruik gemaakt.
In 1880 was het getal leden dezer âAssociationquot; 2400; gedurende de drie laatste jaren waren niet minder dan 1000 nieuwe leden toegetreden. Sedert de oprichting was er betaald aan ondersteuningen £ 25112.â, en aan dokters honoraria £ 9263.â, terwijl het gezamenlijk kapitaal nu £ 16100.â bedraagt.
Aan een schrijven van den secretaris der Vereeniging, dato 13 Januari 1887, wordt omtrent het ouderdoms-pensioen nog het volgende ontleend:
» Wij garandeeren geen minimum jaargeld; het hangt geheel af van »de gezondheid en de omstandigheden der leden op OOjarigen leeftijd.
»Er wordt voor pensioen niet expres gecontribueerd; er «zijn zeer weinig guinea-leden , eu wij ontvangen voor het fonds »ter nauwernood eenige donatie.
20
» Van het algemeene touds, dat niet minder dan £ 2000.â mag »bedragen, boeken wij van tijd tot tijd sommen op het pensioensfonds over. Het is 30 jaren ondervinding en gewone contributie, «waardoor het pensioenfonds nu £ liOÃO.â beloopt.
»Er zijn slechts 5 pensioentrekkenden, die van 10 sh. tot 15 sh. »per week ontvangenquot;.
Het zou te ver voeren, indien alle onderdeelen van deze Vereeniging derwijze besproken moesten worden . dat zij in hare geheele werkzaamheid volkomen helder begrepen werd. Doch het vorenstaande zal reeds voldoende zijn om een denkbeeld te geven van wat samenwerking op eenigszins uitgebreide schaal vermag. De vaste voordeden, toelagen en geneeskundige hulp, zijn niet gering, en zeker groot in verhouding tot de bescheiden contributie, doch zou eene kleine Vereeniging niet veel gevaar loopen bij een weinig tegenspoed reeds met deze voordeelen te ver te gaan en schipbreuk te lijden V Niet alzoo echter de Manchester corporatie. Door haar groot aantal leden neutraliseert zij de kleine tegenslagen, en breidt zélfs hare verplichtingen nog uit door onderstand en pensioen. Eigenaardig is de wijze, waarop in de toepassing daarvan rekening gehouden wordt met hetgeen betaald en genoten is, zoodat de Vereeniging in hare verbintenissen toch niet te veel belooft en zij, die langen tijd lid waren, bevoordeeld worden boven hen, wier lidmaatschap van jonger dagteekening is. Eigenaardig is ook de bepaling, dat alleen zij, die er behoefte aan hebben , pensioen verkrijgen, waardoor het karakter van verzekering min of meer verloren gaat. Het geheel mankt dan ook niet zoo zeer den indruk van een onderling fonds, dan wel van eene groote combinatie, berustende op het beginsel der samenwerking, en waarbij men elkander wederkeerig belooft te zullen helpen en ondersteunen, zoodra zulks noodig zal zijn. Zeer wel mogelijk, dat een lid zijn leven lang zich aan deze combinatie heeft aangesloten, zonder immer een penny voordeel daaruit getrokken te hebben. Hij verlangt er ook niet naar; want om voordeel te trekken, moet hij in ongelukkige omstandigheden verkeeren. Zijn eeuige doel bij toetreding was, niet geïsoleerd te zijn, als de booze dag soms komen mocht, maar dan den zegen der gemeenschap te ondervinden. Geef mij 2000 zulke leden, en alle vraagstukken van pensioen-regeling en wat dies meer zij, zijn opgelost. Er is bijna niets. wat aan de massa niet gelukt. Wie weet, hoe spoedig wij dan ook ons fonds van li/z ton hebben!
Doch keeren wij uit het rijk der illusien terug. Het voorbeeld der Manchester corporatie moge ons een prikkel zijn tot meer samengaan: zoover als zij het bracht, zullen wij het wel niet
21
brengen, en wij kunnen het er dus niet op laten aankomen, dat de handelsbedienden, zich in massa vereenigende, op die wijze eene oplossing aan ons vraagstuk geven zullen. Zien wy dus verder.
De âVerein für Handlinigs-Comniis von 1858quot;, te Hamburg,
heeft den lsten Juli 1886, dus in het 289te jaar van zijn bestaan, een pensioen-fonds opgericht, onder de volgende bepalingen.
Alleen leden der Vereeniging kunnen aan het fonds deelnemen, mits zij den leeftijd van 50 jaren niet overschreden hebben.
Bij toetreding is noodig een certificaat van twee leden van het fonds of een dokters-attest, waaruit blijkt, dat men eene goede gezondheid geniet. Bij verzekering van de echtgenoote van een lid wordt zulk een certificaat niet vereischt.
Er zijn drie atdeelingen, waarin men zich verzekeren kan; de keuze daarvan staat vrij; vrouw en man kunnen in verschillende klassen deelnemen; latere overschrijving in eene andere klasse is geoorloofd.
Zij die geen gezondheids-attest overleggen, kunnen alleen worden ingeschreven voor het ouderdoms-pensioen.
Eindigen van lidmaatschap heeft uittreden uit het fonds ten gevolge. Een gedeelte van de betaalde bijdragen wordt dan echter terugbetaald en wel na 5 jaar lidmaatschap 1/5 » 10 » » 2jb » 15 » » 3/5
De onderdeelen, waarin het fonds zich splitst, zijn het Garantie-fonds; » Ouderdoms-pensioenfonds; » Invaliden-fonds;
» Weduwen- en Weezenfonds; » Algemeen-Reservefonds.
Het, Garantie-fonds wordt samengesteld uit;
a. M. 25000.â als eerste bijdrage uit het kapitaal des Vereins,
dadelijk bij de oprichting gestort;
h. Verdere sommen, uit het jaarlijksche overschot der Vereeniging aan te wijzen;
c. Legaten en schenkingen, speciaal voor het pensioenfonds;
d. Gezamenlijke overschotten in de pensioenkas, gedurende de eerste 5 jaar;
v. De eigen rente van het garantiefonds.
Het maximum voor dit fonds is gesteld op M. 250,000._.
Is dit cijfer bereikt, dan wordt de rente in het algemeen reservefonds gestort.
Het Algemeen Reservejonds wordt opgevoerd tot aan liet bedrag-der reserve voor ieder lid van zijn minimum-aandeel.
Daarna worden overschotten aangewend tot verhooging der pensioenen tot aan de daarvoor gestelde maxima.
22
voor leden in het 5e jaar.
voor nieuw®
le en in het 4-e jaar.
voor ledeu in het 3e jaar.
voor nieuwe
leden in het 2e jaar.
esteld:
I
II III
M.
Afd.
O.
10.â 20. \
Afdeeling 11.
Afdeel in ï 1.
i voor nieuwe \ leden in het 3e jaar.
Hiervan zijn vrije leden, die in de eerste twee jaren,
nieuwe leden, die in het eerste jaar na hun toetreding, leerlingen en leden, die vóór hun 20° jaar, zich bi] het fonds aansluiten.
Toetreding van leden na het 5° jaar sedert de oprichting van het fonds, en van nieuwe leden na het 4e jaar van hun lidmaatschap, wordt niet meer toegestaan.
De contnhutiën zijn bi] alle leeftijden dezelfden. De minimum uitkeeringen geschieden echter naar een tabel, en deze uitkeeringen zijn grooter, naarmate men langer heeft bijgedragen. Als leeftijd wordt aangenomen die, welke op den laatsten geboortedag bereikt was , indien sedert nog geen G maanden zijn verstreken; anders geldt de ouderdom , die op den volgenden geboortedag zal bereikt worden.
De contributie wordt jaarlijks bij vooruitbetaling voldaan, óf kwartaals-gewijze met rente-bijslag.
Daarbij zijn de volgende cijfers aangenomen;
De deelnemers hebben bij toetreding een Entreegeld te storten en quot;vvel voor:
quot; ^ 10. - . M. 15,-
20,â 4eiaar- , 30,-
i voor nieuwe
40. 1. led!n .in , 60.
Afdeelinquot;; III.
Contr. Maxim. 80.â 2000.â 20.â 1600.â 40.- 4«0.â 120.â 240.â 360. -480.â
Maxim. 1000.-800.-240,â 60.â 120â 180â 240â
Contr.
40. -10. -20. -
Contributie.
M. 20.â
* 5.-
* io.-
voor 1 kind
Voor: Ouderdoras-pensioen Invaliden â
Weduwen-en Weezen ,
Maximum uitkeering.
500.â
400.â
120.â
30.â
2 kinderen 60.â
, â 3 â 90.-â meer â 120.â
Betaling der volle contributie houdt op bij voleinding van het 50ste levensjaar, indien toegetreden uiterlijk op 34jarigen leeftijd, » 60ste » » » van 35 tot 50 » »
Daarna wordt betaald:
door de leden . . . . . ⢠I tier vroegere contributie,
en voor hunne echtgenooten . I /0 \
tot dat een der pensioenen ingaat.
Kan een lid verdere contributie niet meer betalen, dan heeft hij het recht, zich zijne pensioenen te doen reserveeren, in verhouding tot de betaalde premiën.
Bij overlijden van een lid. echtgenoote of weduwe, vóór ingang van het ouderdoms-pensioen, worden de voor dat pensioen betaalde bijdragen aan de erven terugbetaald.
De leden behouden hun recht op pensioen, onverschillig waar zij gaan wonen, behoudens bijzondere bepalingen voor hen, die zich buiten het Rijk vestigen.
23
Voor liet o?lt;(/mZ('//ts-pensioeii garandeert de V'ereenighig do uitkeering van het minimum volgens tabel. Iedere twee jaar wordt dit fonds door een deskundige gecontroleerd.
Als ingangstijd van dit pensioen kunnen de leden stellen, tot op 34jarigen leeftijd: den 55, 60, 62, 64, 66, 68, 70jarigen ouderdom, van 35-50j. » » â â 62, 64, 66, 68, 70 » »
Het Invaliden- en Wednwen-pensioen treedt 5 jaren na oprichting van het fonds in werking, en houdt op bij den aanvang van het ouderdoms-pensioen. De leden moeten minstens 2 jaar gecontribueerd hebben, alvorens zij eenige aanspraak op die afdeeling kunnen doen gelden. De Vereeniging geeft voor deze pensioenen geene gai-antie hoegenaamd, en laat de deelnemers alleen partici-peeren in het beschikbare gedeelte der gelden, die onder dit hoofd zijn aangelegd , in verhouding tot de door hen betaalde bijdragen.
Om een denkbeeld te geven van de beteekenis dezer Vereeniging, laat ik hier nog eenige cijfers volgen, ontleend aan het jaarverslag over 1885.
Het aantal leden bedroeg destijds 15813; leerlingen 1151. De contributie was M. 6.â. Totaal ontvangen contributiën M. 90248.55. Overschot M. 5533.93. Kapitaal M. 110613.28.
Er werd betaald in 1885;
voor ondersteuning aan zieke leden......M. 3150.â
» » » noodlijdende handelsbedienden » 3191.91
aan uitkeering door het zieken- en begrafenisfonds » 6276.95 » » » de commissie van onderstand » 2235.20
Met moeite weerhoud ik mij nog meer van deze prachtige Vereeniging te zeggen, die in oneindig sterker mate dan haar Manchester-zuster, een toonbeeld mag heeten van wat aaneensluiting vermag. Ditmaal wilde ik echter vooral het licht op het pensioenfonds doen vallen, dat ten slotte toch hoofdzaak is, en onthield mij dus van de nevenzaken.
Het bestuur zegt, waar het de oprichting van dit fonds vermeldt, dat het de vrucht is van jarenlange overweging, gerijpt nadat een aantal andere plannen als onpractisch of onvoldoende waren ter zijde gelegd. Eene bemoediging voor ons, die nog geen 6 jaren zoekende zijn naar de oplossing, en die over zulke reusachtige hulpmiddelen niet beschikken kunnen.
Het springt onmiddellijk in het oog. dat een goed deel van het Hamburgsche plan voor ons een vrome wensch moet blijven. Immers, de in uitzicht gestelde pensioenen zijn schitterend: M. 500 tot M. 2000 voor ouderdoms-; M. 400 tot M. 1600 voor invaliden-; M. 120 tot M. 480 voor weduwen-renten; maar . . . deze berusten op geen wetenschappelijke basis, en worden dan ook niet door de Vereeniging gewaarborgd. Uitdrukkelijk wordt gezegd, dat er in de eerste jaren geen sprake van kan zijn, die maxima uit te keeren, en dat, wat de beide laatste categoriën betreft, men zich vooreerst tevreden zal hebben te stellen met een evenredig aandeel in de beschikbare gelden, d. w. z., althans voor de
24
eerste jaren, in de rente van het tot fonds aangroeiend kapitaal. Doch waar men met eene corporatie te doen heeft, die beginnen kan met M. 25000.â af te staan, en er jaarlijksche overschotten van M. 5500.â op nahoudt, die zij bereid is voor het goede doel te offeren , daar kan het niet zoolang duren, of de maxima zullen werkeliikheid worden. Wat in onzen mond pralerij en grootspraak zou zijn, is in den haren eenvoudig eene belofte, die wel niet dadelijk, maar dan toch over een zekeren tijd stellig zal worden vervuld.
Toch mag niet onopgemerkt blijven, dat de Vereeniging in geenen deele bereid is, al hare middelen aan te wenden tot verdeeling, teneinde tot bereiking der maxima te geraken. Eerst wil zij zekerheid; daarna zal aan de verhooging der pensioenen gedacht worden. Vandaar de bepaling, dat een garantiefonds moet worden samengesteld uit de overschotten en de giften , tot aan het niet geringe bedrag van M. 250.000.â, ten einde daardoor de minimum-uitkeering van het ouderdoms-pensioen te waarborgen , waartoe de Vereeniging zich verbindt. De tabellen kunnen tegenvallen; het kan blijken, dat de premiën te laag zijn berekend en de levenskracht der deelnemers grooter is dan naar de sterfte-tafel getaxeerd werd. Dan kunnen er ongedacht zware offers van de kas worden gevergd, en er moet dus een groote som ter zijde worden gelegd, ten einde in zulke noodgevallen het ontbrekende aan te vullen. Van daar ook de bepaling, dat het invaliden- en weduwen-pensioen eerst in werking treedt 5 jaren na de oprichting, d. w. z. nadat er 5 jaren gecontribueerd zal zijn. Wèl neemt de Vereeniging in deze geenerlei verbintenis op zich, maar zij wil toch eenige zekerheid verschaffen aan de leden , dat de jonge inrichting niet reeds van de geboorte af een kwijnend bestaan zal leiden; en dit zou het geval zijn . indien in den eersten tijd i-eeds krachten aan haar werden onttrokken, hoe weinig ook, die zij tot versterking en uitbreiding noodig heeft. Want, zooals vanzelf spreekt, wordt een fonds niet alléén met het aantal leden , maar ook met het aantal jaren krachtiger; en er moet al heel wat contributie ontvangen zijn , wil men jaarlijks b. v. / 400 kunnen uitkeeren, zonder dat dit aan het rente-cijfer zwaar merkbaar is. Dit geldt voor alle jaren, het meest echter in den eersten tijd, als er nauwelijks sprake van rente kan wezen, omdat het kapitaal nog te nanwernood er is. Daarom is het een maatregel van voorzichtigheid, waar bepaald wordt, dat het fonds althans in de eerste 5 jaren rustig zal mogen aangroeien.
De verhooging der pensioenen zal plaats hebben, doch eeist als aan die veiligheids-maatregelen voldaan zal zijn. Dan zullen giften en overschotten, die anders in het garantiefonds vloeiden , gebruikt worden om de Algemeene Reserve te versterken, en van daar uit weder de pensioenen te vermeerderen. Aan elk fonds afzonderlijk kunnen dan schenkingen worden gemaakt, waartoe het bestuur inzonderheid het weduwenfonds aanbeveelt, omdat dit zoodanige versterking (waarschijnlijk wel met het oog op de buitengewoon lage premiën) meer dan de andere fondsen zal behoeven.
25
Een welbeliagelijke toestand zal het worden voor den Ham-burgschen handelsbediende, als de gulden tijd der Maxima zal aangebroken zijn. Thans toetredende, zal hij zich tevreden moeten stellen met bescheiden aanspraken. Voor het ouderdoms-pensioen geen kans vooreerst op iets meer dan het minimum, dat overeenkomt met het bedrag, dat hij zich bij eene maatschappij tegen de zelfde premie ook zou kunnen verzekeren (zooals wij straks zullen zien); en voor invaliden-en weduwen-pensioen zal hij voor-loopig zich in de hoop moeten verblijden , dat alle leden leven en gezond blijven zullen, daar .,het beschikbare deelquot;, tot uit keering bestemd, in de eerste jaren wel geene buitengewone proportiën zal aannemen. Doch als de leden moedig zijn, en op de betrekkelijk nog onzekere wateren zich in massa inschepen; als de gelden dan aanwassen, de algemeene sympathie door zoo eenstemmig streven wordt opgewekt en de giften vloeien ; als straks het garantiefonds overvol, van zijn rijken inhoud gaat uitstorten in de bijfondsen, waardoor de jaargelden al hooger en hooger klimmen tot aan het schitterend punt, nu nog slechts schemerend zichtbaar uit de verte:het Maximum! . . Welnu, mijne Hamburgsche collega's, ik zal u dan misschien een weinig benijden, maar zeker in gedachte hartelijk gelukwenschen met dit succes op uw werk. Uw krachtig en vruchtbaar streven naar vereeniging, uw energie om iets te durven ondernemen, (1) al loopt gij gevaar zelf met een bescheiden deel uit te komen en de vruchten van uw aanpakken voor uwe opvolgers te laten, deze beiden zullen dan een schoonen triomf' vieren!
Want men merke op, hoe voordeelig, bij bereiking der maxima, de tarieven van het Hamburgsche fonds worden.
Leggen wij er eens die van het Notarisfonds naast.
Zooals wij zagen wordt per 100 gulden uitkeering aan jaar-
lijksche premie berekend door het door bet
Notarisfonds. Hamburgschefonds.
voor Invalid, en ouderd.-pensioenen f 7.3S f b.25
» Ouderdoms-pensioenen alléén - {j.24 - 4.â
» Invaliditeits » » - 2.14 - 1.25
» Weduwen- en weezeu-pensioenen - 15.50 - 8.33
Daarbij blijft dan nog buiten aanmerking, dat ik van het Notarisfonds de cijfers nam voor de jongste categorie, van 25 jaar en jonger, terwijl de Hamburger Verein zelfs voor 50 jarigen de maxima nog in uitzicht stelt, ofschoon deze wel in de laatste plaats daarvan zullen profiteeren; en verder, dat voor het eerstgenoemde fonds de premie-betaling duurt tot aan den aanvang van het pensioen (op 65jarigen leeftijd), voor het Hamburgsche daarentegen slechts gedurende hoogstens 30 jaar.
Eene vraag ,,en parenthésequot;: Hoe komt het. dat ik mij tegen de tarieven van het Notarisfonds verzette, terwijl ik de zooveel lagere premiën van Hamburg met sympathie vermeld? Doodeenvoudig omdat aan de eersten vaste jaargelden worden vastgeknoopt.
1
31 December 188G, telde het fonds reeds 7*23 deelnemers, waaronder 173 vrouwen ran leden.
26
waarop men recht cjeeft te bouwen, zonder zekerheid te hebben, dat men uitkomen zal. â en de laatsten alleen in perspectief een hoog nitkeerings-cijfer toonen , dat in het gunstigste geval zal worden bereikt, maar waaromtrent men niets stelligs belooft, allerminst garandeert.
Doch wat garandeert het Hamburgsche fonds dan wèl ? Speelt het op âzien komenquot;, zooals de Manchester corporatie, die op het punt van pensioen niets bepaalds, althans geen enkel vast cijfer belooftV Dat niet. Het garandeert een minimum voor het ouderdoms-pensioen. Doch daarvoor alléén. Dat het zulks ook niet deed voor Invaliden- en Weduwen-renten, verklaar ik hieruit, dat voor de eersten moeielijk een wiskunstige basis was te vinden, en deze, voor de tweeden wèl bestaande, echter tot zóó hooge premien moet Ijiden, dat zij buiten het bereik der belanghebbenden zouden vallen. Men had dus moeten waarborgen zonder of beneden de exacte cijfers, eu men deed verstandig zich daaraan niet te wagen.
Laat ons nu ten slotte zien, hoevèrde garantie der minimum-uitkeering van ouderdoms-pensioen gaat. Een paar cijfers slechts.
Ik sprak reeds een en andermaal van een tabel, waarnaar de minima zijn geregeld. Tot grondslag voor de berekening dier tabel is genomen : a. de sterftetafel der 1 7 Eng: Maatschappijen , h. eene rente van 3Va pCt.
Volgens die tabel, zal tegen eene contributie van M 20.â, welke betaald moet worden tot het 50e jaar ten volle, daarna slechts voor 1I5, door 20jarigen kunnen verzekerd worden:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoe staan nu deze cijfers, die Hamburg garandeert, en die zij immers, wat betreft de uitkeeringen, zoo hoog heeft kunnen stellen als bij een groot onderling-fonds, zonder winst, met weinig risico en (teen administratie-kosten, slechts mogelijk is,â hoe staan deze cijfers in verhouding tot die der N. L. B. ? | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
27
Welnu, de HamburgscheVereeniginq; geeft bi] 31 jaren contribuiie a M 20.- bij toetreding op 20 jarigen leeftijd, eene uitkeering op 5b jarigen ouderdom van M. 114.â
De N. L. B. stelt de contributie, met teruggaaf van premiën bij overlijden, voor 24 jarigen, voor eeue jaarrente, ingaande op 55 jarigen leeftijd, dus ook na 31 contributie-jaren, (men heeft dan nog het voordeel minstens 3 jaren later te kunnen toetreden) op / 17.38 voor Æ 100.â rente, of op f 19.81 voor f 114.â, d. i. circa 1 pCt. lager dan Hamburg,
Dit moge ons troosten! Al blijft de beteekenis onzer Vereeniging nog lange jaren zeer verre beneden die van den Hamburger Verein; al zal dus gedurende al dien tijd de benijdenswaardige inrichting van het Hamburgsche fonds voor ons waarschijnlijk niets meer zijn dan een schoon maar onbereikbaar ideaal; â toch kan het cijfer, dat ginds den leden onder bijzonder gunstige auspiciën kan yewaarhorcjd worden , ook hier aan ouze leden worden verzekerd, al wordt dit voordeel dan niet aan een eigen , maar aan een vreemd fonds ontleend.
Wij zijn wellicht wat uit het veld geslagen door al het uitnemende en tevens onbereikbare van het Hamburgsche fonds, en zullen dus wèl doen op den klassieken bodem der âVereinsquot; nog eens rond te zien naar een van bescheidener afmetingen en minder indrukwekkend karakter. Ik kies uit velen nog den
âKaufiminnisclier Vereiuquot;, te Frankfort a/Main,
in 18G4 opgericht, en in 1884 aan leden 2284 sterk.
Deze Vereeniging heeft een fonds opgericht onder den naam van âBernhardt-stichtingquot;, aldus genoemd âtot eerend aandenken aan den overleden grondvester des Vereins, Heinrich Bernhardt, den 27sten December 18(36 gestorvenquot;. (1)
Het doel dezer stichting is, om leden der Vereeniging, die door ouderdom, ziekte of lichamelijke gebreken tot werken onbekwaam geworden, of door ongeluk buiten hun schuld in behoeftigen toestand geraakt zijn, dooi: enkele toelagen of jaarlij ksche pensioenen te ondersteunen. Onder zekere omstandigheden kan ook aan niet-leden ondersteuning verleend worden.
Elk jaar beslist de Algemeeue Vergadering over het bedrag, dat aan de Bernhardt-Stichting zal worden overgedragen, en stelt de som vast, die voor ondersteuningen en pensioenen zal worden aangewend.
Verder kunnen aan de stichting speciale schenkingen gedaan worden.
Door de leden wordt niet afzonderlijk daarvoor gecontribueerd.
Om ondersteuning of pensioen moet aanvrage worden gedaan.
De Algemeene Vergadering beslist op voorstel van het bestuur omtrent het verleenen van pensioen.
1
Het is aandoenlijk, in liet 20e jaarversla;? nog hartelijke en dmkhare woorden ter gedachtenis aan dez- u man te lezen , die toch niet meer dan 2 jaren voor de zaak heeft kunnen werkzaam zijn.
28
Zooflra het fonds Af. 15000.â bereikt, kan door rle Algeineene Vergadering aan een of meer der oudste medeleden , oudste zoowel in leeftijd als lidmaatschap, ook zonder dat dezen zulks aanvragen, een eeré-pensioen worden toegekend.
In 1880 bedroeg het fonds M. 12863.27 » 1884 » » » » 19048.76 waarvan M. 18400.-- in Effecten belegd.
De patroons te Frankfort, die met goed gevolg van het Bureel tot plaatsing gebruik maken, zijn gewoon eene donatie aan de stichting te vereeren.
In 1884 is een proef genomen om door middel van eene loterij , â er waren 180000 loten a 1 Mark, â het fonds te stijven, doch deze proef mislukte.
De stand van het fonds was over 1884 als volgt;
Saldo 31 December, 1883 .....M. 17551.92
Schenkingen of Legaten......» 1236.26
Donatie der Algemeene Vergadering . » 100.â Renten...........» 641.48
M. 19529.66
af aan ondersteuningen in 1884 . . » 480.90 Saldo 31 December, 1884 .....» 19048.76
Dit lijkt weer meer op Manchester, met dit onderscheid, dat daar voor de ondersteuning expres gecontribueerd wordt, hier echter èn ondersteuning èn pensioen eenvoudig voortvloeien uit het recht van lidmaatschap zonder meer. Voorts ook hier geen sprake van eenige verbintenis, veel minder van een minimum pensioen, zooals te Hamburg. Alles verbliift ter beslissing aan het bestuur of aan de Algemeene Vergadering, die natuurlijk rekening houden met de beschikbare middelen, en niets aan uit-keering verleenen, of het moet ânoodigquot; zijn , en âgemistquot; kunnen worden. Zooals uit de cijfers over 1884 blijkt, was het uitgekeerde bedrag nog zeer bescheiden, en wat pensioenen betreft, heb ik niet kunnen vinden, dat daaraan nog ooit iets is besteed.
Doch naar het schijnt strekken de aspiratiën der Vereeniging zich vooralsnog niet zoover uit, â en dat is juist het karakteristieke. waarop ik de aandacht wil vestigen. Men wil te Frankfort wel gaarne een fonds bezitten, maar men heeft daar het geduld er eerst een te willen vormen. Dit klinkt belachelijk. Alsof een fonds niet altijd eerst gevormd moet worden, voordat het er is ! Doch is het niet véél belachelijker. een fonds te willen oprichten , in de verwachting er dadelijk nut van te zullen trekken ; het samenbrengen van gelden en het nitkeeren b. v. van pensioenen in éénen adem te noemen , zooals men toch inderdaad veel gevaar loopt bij dit onderwerp te doen, en zooals ook dikwijls gedaan wordt? Alsof de jonge plant niet eerst tot een boom moet opwassen, vóór er vruchten aan worden gezien !
29
De Fraiikforter collega's hebbe» zulk een haast niet. Zij getroosten zich de wetenschap, dat het hun tyd wel zal uitdienen, alvorens' hun stichting tot pensioenfonds zal zyn verheven. Zij doen afstand van de geringe voordeden, die zijzelven nu zouden kunnen trekken, ten einde groote voordeelen in de toekomst mogelijk te maken. Zij zien hun plant groeien en gedijen, en verheugen zich in de schaduw, die zij eenmaal geven zal; in de vrucht, waarvan een ander zal eten. En middelerwijl garen zij wat zij kunnen, om den wasdom te bevorderen.
Want de inkomsten van het fonds bestaan niet uit groote overschotten, die de Vereeniging uit hare kas toewijst. Die bijdrage beloopt over 1884 de luttele som van M. 100. - Waar het fonds van groeien moet. behalve van de rente, die jaar op jaar noodwendig grooter wordt, dat zijn de schenkingen, die aan de stichting worden gedaan, en die over het meergemelde jaar M. 1236.2(3 bedroegen. Ik zou wenschen de lijst dier donatiën hier te kunnen overschrijven, welsprekend ais zij is met haar vele cijfers en namen. Het zijn niet enkelen , die met belangrijke sommen de nuttige zaak steunen; neen, liet zijn velen, die, elk naar zijne bijzondere krachten, van de algemeene sympathie een grooter of kleiner blijk gaven, ik tel toch niet minder dan 137 namen van gevers, die allen zonder eenige verbintenis, geheel vrijwillig, hun banknoot of penningske offerden; en onder de bedragen ontmoet ik getallen van Af. 200.â , maar ook van 70 en 80 pf, van M. 1.â.1/. 1.10 .1/. 1.50. enz. Dankbare menschen zijn er onder, die bij gelukkige familie-omstandigheden de stichting niet een ,,Godspenningquot; bedachten , en lieden , die een weddenschap gewonnen hebbende, liun winst aan het fonds uitkeerden.
Zoo groeit de boom , en naarmate dat hij grooter wordt, groeit hij sneller. Mogen velen van de tegenwoordige leden der Frankforter-Vereeniging hem nog aanschouwen in al zijn luister en vruchtbaarheid : eene belooning voor hun geduld en volharding. En terwijl het moeizame werk nog voortgaat, â laten wij er iets van zien , â- en iets van leeren.
Wij loopen gevaar, eenmaal in Duitschland zi)nde, en de Vereenigingen aldaar besprekende , een zwerftocht te aanvaarden , in den trant van Ahasverus. Bekend is het toch, dat de Duitsche Vereins talrijk zijn, als de sterren aan het firmament. Laat ons dus, om zulk een lot te ontkomen, naar het vaderland terugkeeren. Van wat daar tot stand kwam, moet een en ander nog worden opgemerkt. Onze eigen stad bezit eene instelling,
De Vereenigiug van Kantoorbedienden.
die in 1850 opgericht, zich ten doel stelt, aan weduwen of kinderen van overleden kantoorbedienden eene uitkeeriug voor ééns te verzekeren. Het komt rnij voor, dat nitde geschiedenis dezer Vereeniging, al is zij geen pensioenfonds, voor ons nog wel eenig nut is te trekken.
30
Volgens liet 25e jaarverslag (18c3) telde dit londs toen 643
leden en 127 donateurs. Behalve de zoogenaamde wetenschappelijke
reserve, bezat zij eene extra-reserve van / 4759.42Va- ,_1 In de jaarrekening vinden wij als geïnd aan contributiën / 4o9ö. i i
en aan donatien Æ 1490.â. io ⢠â¢
Leden der Vereeniging ziju kantoorbedienden van lo-54jaiigen
leeftijd. . ,
De contributiën, ter wille van de koninklijke goedkeuring op de statuten, in 1878, door een deskundige berekend, zijn gebaseerd op eene uitkeering bij overlijden van Æ 300.- Dit is het nunitnum, dat aan de leden door de Vereeniging gegarandeerd wordt. Dank zi] de aanzienlijke jaarlijksche donatiën, is het echter mogelijk nog eene surplus-uitkeering te bewerkstelligen, die tot aan een maximum van J 200.â aan de erven der leden kan ten goede komen, bedert 1874 is dat maximum telken jare bereikt geworden; de toestand vau het fonds is zoodanig, dat ook iu de toekomst (bij even groote donatiën) op eeue zelfde uitkeering mag worden gerekend , en het verzekerde bedrag kan alzoo veilig op f 500. worden gestek .
Om te doen uitkomen, welk een groot voordeel door deze Vereeniging aan handelsbedienden aangeboden woidt, volgen uei
enkele cijfers uit de tarieven van eenige binnen-en biutenlandsche
maatschappijen. Men betaalt voor eeue uitkeering vau / 100
bij overlijden, de premie ingaande op 25 jaren, BOjaren, 35 jaren,
Bij La Nationale 1................/ 2-21 2.49
â de Phenix *.................., 2.21 2.49 2.84
â de Maatsch. v. Levensverz. te Rotterd. â 2.21 2.53 2.94
â de Compagnie d'Assurances * . . â 2.21 2.49 2.84
â de Hollandsche Soeieteit * . . . . â 2.22 2.53 2.95
, Victoria *....................* 2.18 2.52 2.91
â Nederland....................» 2-16 2.41 2.7o
â North British and Merc. Iiisur.-Cy. â 2.11 2.40 2 75
,, de Rationale Levensverz.-Bank * . â 2.07 2.3U 2.75
â Eigen Hulp *..................v 2 02 2.28 2.67
â New-York *......... * 1 99 2-27 2-64
. 1,96 2.26 2.58
Preussische
, Germania.......... , l-9^ 2.19 2.53
, Teutonia........... , I-92 2.20 2.53V.
, de Vereeniging van Kantoorbedienden â 1.30 1.50 1.75
Dit resultaat wordt natuurlijk slechts door de donatiën van patroons mogelijk gemaakt, die door ruime bijdragen den leaen teo-emoet komen in hun zorg voor vrouw en kind. In zooverre is0het fonds een monument van de milde hulpvaardigheid van Rotterdam's koopmansstand, ten aanzien van zijn ondergeschikteii; een niet alledaagsch en zeker een bemoedigend blijk van welwillende gezindheid, die hier vele patroons ten opzichte van hunne bedienden bezielt. Te meer mag het verwondering wekken , dat het
ledental der Vereeniging niet meer bedraagt dan een luttele 00 J.
1
Met aandeel in de winst.
I
31
Bestaat er dan onder ons geen verantwoordelijkheids-gevoel; geen zorg over wat daar komen zal over de hoofden onzer dierbaren,
als onze vlijt hen niet meer ondersteunen kan, en onze liefde hen niet meer beschermen? Of, â moet ik deze gedachte als te ongerijmd ter zijde stellen, â kan men dan niet rekenen? Men verzekert zijn leven; goed! Maar waar? Bij maatschappij A. of 13.
Waarom niet bij de Vereeniging? Zij is expres voor handelsbedienden opgericht, en is sterk geworden door schenkingen, expres voor handelsbedienden bestemd. Het zou schande zijn, als anderen dan handelsbedienden van deze goede inrichting profiteeren mochten.
Maar waarom profiteeren zij zeiven er dan niet van? De cijfers wijzen het toch uit, dat men bij de Vereeniging van de premie uitspaart, die men bij eene Maatschappij moet betalen. En is de uitkeering van Æ 500.â niet groot genoeg naar den zin van sommigen, â welnu, men sluite een surplus-bedrag ergens elders,
maar de éérste Æ 500. â sluite men hier. Men doet anders eenvoudig zich zeiven te kort, door / 9.00 en hooger te besteden voor iets, wat hier tegen Æ 0.50 aangeboden wordt.
Men vergeve mij deze uitwijding. Ons doel, ik weet het,.is niet deze of gene inrichting aan te prijzen. Doch waar wij,
betrekkelijk eenzijdig, ons over een pensioenfonds beraden, daar kan de herinnering; aan het bestaan van eene Vereenisins als die der kantoorbedienden niet overbodig heeten. Het eene vult het andere aan. En waar ik zoo gaarne zal zien, dat dat ééne wordt ondersteund door velen, daar kan ik mijn leedwezen niet ver-kroppen , dat dat andere nog door zoo weinigen wordt gewaardeerd.
De tegenwoordige bestuurders der Vereeniging van kantoorbedienden mogen trotsch zijn op de resultaten, waarmede hun pogingen in het belang van onzen stand tot dusver bekroond werden. Zij hebben daarmede een goed werk gedaan. En te meer roem mogen zij dragen op hun arbeid, naar mate zich meer strijd en moeielijkheid op hun weg heeit voorgedaan. Dat het hun daaraan niet ontbroken heelt, leert de geschiedenis der Vereeniging,
die wel een âLuctor et Emergoquot; tot opschrift mag dragen; althans tot vóór een tiental jaren was het eene voortdurende worsteling om boven te blijven.
Moest ik de oorzaak van dezen onzekeren toestand aangeven,
ik zou haar zoeken in de omstandigheid, dat men aanvankelijk
zonder eenigen deskundigen bijstand bleef. In het begin becijferde
men niet; men raadde. En zoo werden er verkeerde grondslagen ' ...
gelegd, die het voortwerken moeielijk en gevaarlijk maakten.
Reeds de telkens veranderde contributiën zijn van dit beweren eigenaardige illustratiën.
Bi] de oprichting werd een âproef genomen met de volgende tabel: (1)
1
Er scliijuen vóór l.b64 nog' 2 tarieven te zijn geweest:
Afdecling I Afdeeling II Afdeeling TIT Afdeeling IV
het 1ste f 3.â f 4.50 / 0.â f 9.â
, 2de - 4.â - 6.â - 8.â - 12.â
32
Leden, die toetraden in den leeftijd van :
betaalden :
Æ 5, -
20â30 jaar 30 -40 ' » 40â50 » 50-60 »
- 7.50
- 10.50
- 15.â
|
20â25 jaar f 5.â 25â30 ' » » 6.25 30â35 » » 7.50 |
35â40 » » 9.â 40â45 jaar f 10.50 In het 10de jaarverslag vind ik deze »proefquot; als volgt uitgebreid: 45â50 » - 12.75 50â55 » - 15.â 55â60 » - 17.50 |
Doch zelfs deze verbeterde editie kon niet beletten , dat de uitkeeringen somtijds beneden de Æ 300.â bleven, reden waarom door de leden een bijfonds werd gesticht uit vrijwillige bijdragen van Æ3.â 's jaars, ten einde het cijfer der uitkeeringen te verhoogen. Dit bijfonds leefde 6 jaren. Toen ging men over, het was in 1875, tot eene meer radicale hervorming. De onpractische verdeeling der leden in klassen werd opgeheven, en voor iederen leeftijd eene bepaalde premie gesteld. Een ISjarige betaalde toen / 5.â En zelfs die regeling liet te wenschen over, want toen in 18/8 de tarieven door eeu deskundige werden nagerekend, bleek het, dat zij te laag waren en werd een 4de tarief, circa 10 0'0 hooger, vastgesteld, zooals dit nu nog bestaat.
Dezelfde onzekerheid als bij de contributiën vidt bij de uitkeeringen waar te nemen. Het beginsel , waarvan men daarbij uitging, kwam op het volgende neer. Alle donatiën werden afzonderlijk gehouden tot vorming van eeu reservefonds. Daarvan werd in geen geval iets uitgekeerd. De contributiën echter, die in den loop van het jaar ontvangen werden, vermeerderd met de rente van het reserve-kapitaal, strekten tot uitkeering aan de erven der in datzelfde jaar gestorven leden tot aan een maximum van / 500.â. Bleef er een overschot, dan werd het saldo rente bij de reserve gevoegd, en het saldo contributie op het volgend jaar overgeschreven , om dan zoo noodig tot uitdeeling te worden aangewend. Was er een te kort, dan moesten de erven zicli met minder tevreden stellen.
Eenvoudig genoeg! Maar juist? Ik ben er verre af, hier scherpe critiek te willen uitoefenen, maar ik mag toch niet verzwijgen, dat het te verwonderen is. hoe deze âeenvoudige methode de zaak niet voor goed in den grond booi'de. Zoonis men begrijpen zal, wordt bij levensverzekering de som der uitkeering gevormd uit de som der rente op rente uitgezette contributiën. Als 100 leden gedurende 30 jaren Æ 10.â jaarlijksche premie betaald hebben, dan zal de kas een som van Æ 30000.â plus de rente moeten inhouden, en die som moet, als het goed is. juist de tegenwoordige waarde vertegenwoordigen der 100 verzekeringen. Er behoort dus voor elke verzekering eene evenredige waarde in kas te zijn.
De methode van uitkeering bij de kantoorbedienden bracht echter mede, dat alles, wat in kas was, werd uitgekeerd, zoodat
33
geen cent van de bovenbedoelde waarde overig bleef. Al had men 15 jaar lang aan het fonds gecontribueerd, men bezat er evenveel in als een pas aangekomene, of liever even weinig. Want in bet lö® jaar werd de zak uitgeschud als in het l1, en aan bet einde was er zooveel als bij het begin.
Doch niet alleen, dat deze manier bedenkelijk was, zij veroorzaakte, natuurlijk! ook hoogst onregelmatige uitkeeringen. Er werd in de eerste 15 jaren resp. betaald: (1)
1 2 2 3 1 1 4.
222.07 385.61 323.36 381.11 500.â 500.â 359.89
2 3 1 7 ö 6 5
500.â 459.21 500.â 266.26 500.â 318.01 400.90 Dus gemiddeld in het ls'e vijftal f 343.18 » » 2de » - 437.92 » » 3do » - 365.68 Het spreekt van zelf, dat uit deze ongeregelde stortingen tal van teleurstellingen moesten voortvloeien. Sommigen ontvingen het maximum, anderen nauwelijks de helft, om geen andere reden dan dat het aantal sterfgevallen in het eene jaar kleiner was dan in het volgende. Wat minder groote uitkeering als exceptie, wat meer zekerheid als regel, had ieder ongetwijfeld boven zulk een toestand vol wisselvalligheden verkozen.
En de Reserve? Zooals reeds niet een enkel woord aangestipt, moet deze zich geleidelijk vormen uit de contributien. Hier, waar het fonds aanhoudend zich zeiven verteerde, had van reserve geen sprake kunnen zijn, indien er geen donateurs waren geweest, die voor schenkingen zorgden, en geen bestuurders, voorzichtig genoeg, om althans die donatien aan te wenden tot vorming van eenig kapitaal. Doch de donatiën vloeiden en het bestuur spaarde. Eu zoo ontstond, naast de ledige contributiekas, een voller en voller wordende buidel van opgespaarde giften.
Men vleide zich dat eventueele misslagen door dit extrafonds zouden kunnen goed gemaakt worden. en het misschien gebrekkige der inrichting geene nadeelige gevolgen zoude vermogen na zich te slepen, die niet door dit fonds konden geneutraliseerd worden. Toch vergiste men zich hierin eenigermate. Want wat bleek er in 1878, toen de eerste »wetenschappelijkequot; balans door een deskundige opgemaakt werdV L)at er niet meer dan Æ3400.â extra in kas was, terwijl er toch tot op dat oogenblik aan donatien, zonder de rente, niet minder dan circa Æ 14000.â was ontvangen. Men had dus onwillekeurig. en terwijl men zich wellicht vleide, nog het volle extra kapitaal te bezitten, feitelijk meer dan % er van, zegge Æ 10.600.â uitgedeeld! (2) En indien de donatien eens minder ruim geweest waren , had men ongetwijfeld een tekort geconstateerd.
3
1
kort in de contributie-kas ad / 13939.91 tot op f 3414.75 verminderd.
34
Na 1878 is voor goed aan al die onzekerheden een einde gekomen. Men was boven water, (al was het aanvankelijk minder hoog dan men dacht), en men bleef er boven. Eene gansch andere regeling werd gemaakt, waarbij de contributien zoodanig zijn gesteld, dat zij nog iets meer vormen dan de noodzakelijke reserve tot uitkeering van een minimum ad Æ 300.â, terwijl het surplus uit die contributien met de donatiën te zamen worden gebezigd om eene extra uitkeering van Æ 200.â te doen, en zoo te komen tot het maximum van / 500.â.
Elke 5 jaren wordt op nieuw eene wetenschappelijke balans opgemaakt, om zich van de financiëele kracht der Vereeniging te overtuigen. De laatste maal geschiedde dit in 1884. Toen stelde zich de extra-reserve als volgt:
Zij beliep in 1879 / 3414.75 en was in 1884 afgenomen met - 915.11
daar zij toen slechts bedroeg Æ 2499.64 het surplus uit de contributie beliep 1879â1884 - 2259.781/2 zoodat de extra reserve te staan kwam op Æ 4759.42V2 Zij was dus, niettegenstaande bij elk sterfgeval, dus 40 maal, het maximum was uitgekeerd, toch /' 1344.67Va aangegroeid.
Doch tegelijk blijkt het, dat de deskundige der Vereeniging goed heeft gezien, toen hij de contributie wat ruim stelde, zóó dujt er een overschot uit kon gevormd worden. Immers, de donatiën zijn, mèt de rente der extra-reserve, nauwelijks voldoende tot dekking der extra uitkeeringen.
In 1884 zou, zonder de surplus-contributie, de reserve met Æ915.11 verminderd zijn. Een dergelijk verschijnsel merken wij op bij vergelijking der cijfers van de laatste jaren. De Extra-Reservekas ontving:
aan Donatiën en Rente: en betaalde aan Uitkeeringen;
in 1884 f 1835.5G f 2400.â
» 1885 - 1730.27 - 1600,â
» 1886 - 1704.58 - 1200.â
f 5270.41 f 5200.â
Dank zij de weinige sterfgevallen in het laatste jaar, balan-ceeren de cijfers thans eenigermate, doch bij den minsten tegenslag moet weder een tekort ontstaan, dat echter geen zorg behoeft te baren, daar het surplus uit de contributie, bij de aanstaande wetenschappelijke balans van 1888 te constateeren, wel ruimschoots voldoende zal zijn om zoodanig tekort te dekken.
Trouwens, nu alles wetenschappelijk geregeld is, bestaat er ter nauwernood meer eenig gevaar van welken aard ook, wèl kans, groote kans zelfs op gestadigen bloei en . . . toenemende soliditeit.
Ik hoop niet van onbescheidenheid beschuldigd te worden, als ik uit de stormachtige jeugd der Kantoorbedienden-Vereeniging eenige leering tracht te putten voor ons zeiven, en met al de cijfers, daaromtrent verzameld, mij afvraag: Hoe ware de toe-
35
stand der Vereeniging au geweest, indien zij van den beginne af eens anders ware ingericht geworden ?
Wij zagen, dat de contributiën telkens verhoogd moesten worden, omdat zij te laag bleken; maar waren zij inderdaad zoo laagV
Wanneer ik de primitieve tabellen van vóór 1869 buiten aanmerking laat, omdat dit meer proefnemingen dan tabellen waren, (in compensatie laat ik dan de stortingen in het bijfonds en de verhoogde contributie 1875â1878 óók buiten rekening), en ik neem dus het tarief volgens liet 10e jaarverslag, dat tot 1875 heeft gegolden, dan kom ik tot eigenaardige resultaten.
De optelling der contributiën volgens dat tarief bedraagt /quot;417.50 en » » » » van de »ïeutonia,quot; van
het 20e tot het 59° jaar, voor Æ 300.â uitkeering, bedraagt - 387.25
ergo was het tarief der Vereeniging hoog er .... Æ 30.25 Vergelijking met de tegenwoordige tabel geeft nog ongunstiger uitslag. Zoo even kwam ik tot de conclusie, dat zij lager was dan die van eeuige maatschappij, maar ik rekende toen op eene uitkeering van f 500.â eene som, waarop, ik herhaal het, de deelhebbers, bij den tegenwoordigen toestand, recht hebben- zich te baseeren. Wetenschajjpelijk zijn de premiën echter op eene uitkeering van slechts f 300.â aangelegd. Herleidt men het tarief nu in verhouding tot die mindere som, dan krijgt men voor eene uitkeering van f 100.â de premie ingaand op
25 jaar 30 jaar 35 jaar bij de Vereeniging f 2.11 f 2.50 f 2.92
In plaats van de goedkoopste, wordt zij dan een van de duursten.
De optelling der contributiën, volgens dit tarief, van het 20e tot
het 54e jaar bedraagt...........f 347.85
en de optelling der contributiën van de »Teutoniaquot;
over dezelfde jaren............- 304.32
ergo is het tarief der Vereeniging hooyer.....f 43.53
Na 1869 kan dus niet beweerd worden, dat de premiën van het fonds te laag waren per se. Voor eene uitkeering van f 300.â kon men er overal voor terecht. Maar de inrichting veroorzaakte, dat zij te laag bleken. Door de indeeling der leden in klassen betaalde bijv. een 25jarige te veel en een 29jarige te weinig. Door het kleine ledental was de risico onvoldoende verdeeld ; (in het eene jaar was er één sterfgeval , in het volgende waren er zeven). En die risico was buiten verhouding groot door het ontbreken van geneeskundig onderzoek, dat eerst na 1885 wordt ingesteld. Rekent men daarbij nu nog, dat er dikwijls meer werd uitgekeerd, dan in verhouding tot de baten bestaanbaar was, dan is het niet te verwonderen, dat energieke maatregelen als bijfonds en contributie-verhoogingen, zoowel als ruime donatiën noodzakelijk waren om de onderneming voor ondergang te behoeden.
Het haperde dus niet aan de tarieven, maar aan de inrich-
36
ting. Om deze laatste van den aanvang af goed en practiscli te doen zijn, stonden, naar het raij voorkomt, slechts twee wegen open. Men had de hulp van een deskundige kunnen inroepen tot het vaststellen der contribution en het aangeven der organisatie. Dan ware alles op wetenschappelijken grondslag gevestigd en van variëerende tabellen, noch van ongestadige uitkeeringen ware sprake geweest. Alléén zou het twijfelachtig geweest zijn, of men wel een deskundige had kunnen vinden, bereid om eene Vereeniging, die aanvankelijk slechts een 50tal leden telde, op den voet eener Levensverzekering-Maatschappij in te richten. Mij dunkt het zeer waarschijnlijk , dat een bekwaam en voorzichtig man aan het bestuur van zulk eene kleine vereeniging zou toegevoegd hebben: tracht eerst althans een paar honderd leden te krijgen, want bij een fonds op zoo beperkte schaal heeft de statistiek, dus ook de wetenschap, geen vat; daarbij kan ik ü met den besten wil niet helpen; zelfs indien ik buitensporige premiën stelde, zou nog de kans van teleurstelling te groot blijven.
Men deuke zich dit bezwaar niet te licht. De statistiek geeft aan, dat van 93 2Ujangen niet minder dan 47 den 65jarigen leeftijd bereiken. Dit gaat op, of' liever, het staat vast, hij millioeuen; de wetenschap zegt het; â maar het gaat niet op bij tientallen.
Eene groep van 93 menschen op ééne plaats, kan in het eerste jaar door eene epidemie gedecimeerd worden; en 40 jaren later is er wellicht geen enkele meer in leven. Wie zich by zulk een klein aantal op wiskunstige gegevens wilde verlaten , zou blijk geven van schromelijke luchthartigheid.
Wachten dus, totdat het ledental tot 2UU zou aangegroeid zijn, en anders geen deskundige bijstand. Doch dan had de Vereeniging niet minder dan 10 jaren moeten wachten, want eerst in 1868 was het ledeucijfer tot 200 geklommen. Zelfs van het lankmoedigste bestuur ware zulk een geduldproef niet in billijkheid te eischen, en de leden, die dadelijke zekerheid wenschten, hadden zich kwalijk in zoo'n langdurig uitstel kunnen vinden.
Er bestond echter nog een andere weg, dien men inslaan kon. Het doel der Vereeniging was tweeledig: 1°. eene verzekering uit eigen bijdragen, 20. eene uit donatiën open te stellen. Bij de eerste zou de uitkeering evenredig zijn aan de premiën; bij de laatste aan de schenkingen. De laatste vulde de eerste aan, maar behoefde niet noodzakelijk met haar saam te groeien. Beide verzekeringen, die men voor zijn geld, en die men gratis verkreeg, konden naast elkander, ofschoon van elkander gescheiden, bestaan. Indien dit toegegeven kan worden, en ik vrees niet dat het mij wordt betwist, dan stel ik vertier, dat bij scheiding van beide vormen, de premiën der leden ten meeaten bate van hen â persoonlijk, de bijdragen der Donateurs ten meesten bate der gemeenschap behoorden te worden aangewend. Ook zonder nader betoog ziet men dit in.
Op welke wijze nu konden de leden voor hunne contributiën
37
het hoogste cijfer van aitkeering en tegelijk de meest mogelijke zekerheid verkrijgen? Men raadt reeds mijn antwoord. Door een contract met eene solide Lcvensvercekering-Maatschappij. Dat is de weg, die der Vereeniging, hoe klein ook, openstond, en ik aarzel niet, dien aanbevelingswaardig te achten. Om een aantal redenen, waarvan ik op deze plaats slecht deze ééne wil noemen, dat men dan zeker geweest ware, tegen de zelfde premie, eene hooyere aitkeering te verkrijgen dan het cijfer van f 300,â minimum, waarop die premie aangelegd was. Vergelijkt men toch de tabellen der Vereeniging met die eener maatschappij als de Teutonia, (zie pag, 35), dan komt men tot de conclusie, dat de leden van 1859-1878 aan opgetelde contributiën een som van /' 417,50 betalende, daarvoor bij genoemde Maatschappij eene uitkeering bij overlijden hadden kunnen verzekeren van Æ 323,40, en zij van 1879â1883, eene premie stortende van, opgeteld / 347,85, daarvoor bij de Teutonia hadden kunnen bedingen eene uitkeering van Æ 342.90.
Zonder eenige donatie van de zijde der patroons, waren zij dan reeds gevrijwaard geweest, van ooit minder dan de f 3)00, minimum te zullen ontvangen. Opzettelijk zwijg ik daarbij dan nog van eventnëele reductie op het gewoon tarief, waartoe elke Maatschappij bij contract met eene Vereeniging te vinden zal zijn. Er liggen aanbiedingen van een zoodanig contract voor mij van hoogst solide ondernemingen, waarbi] men genoegen neemt met eene reductie op de gewone tabellen van 3 tot 8 pCt,, terwijl, zooals wij zagen, de N, L, B, tusschen gewoon en extra tarief een verschil maakt van niet minder dan 7 a 15 pCt, Ik neem echter aan, dat de Vereeniging altijd eenige administratie-kosten zal te bestrijden houden, hoewel bij contract met eene maatschappij natuurlijk veel minder dan bij fonds in eigen beheer, en dat,â wat zeer onwaarschijnlijk is â het volle voordeel van eene even-tuëele reductie door die kosten zal worden verslonden.
Dit, wat de premiën der leden betreft. En hoe nu met de bijdragen der Donateurs? Het komt mij voor, dat men, ten meesten bate van de gemeenschap, daarmede nooit beter had kunnen doen, dan wat de bestuurderen der Vereeniging van Kantoorbedienden beoogden, maar, helaas, door de gebrekkige inrichting van het fonds, verplicht werden los te laten; â namelijk, die donatiën tot kapitaalvorming aan te wenden, en alléén de rente te gebruiken tot verhooging der nitkeeringen. Laat ons zien, hoever men daarmede gekomen zou zijn.
|
De Donatiën waren aangegroeid tot: |
hadden b 4 pCt. aan rente afgeworpen: |
die verdeeld over de sterfgevallen ; |
eene extra uitkeering had mogelijk gemaakt van: |
waardoor de totaal uitkeering zou gestegen zijn tot: | |
|
ii Miste vijftal jaren/- 1900.- |
f 216.â |
7 |
f 31,â |
f 354,â | |
|
* V 2o |
* . â 4774,- |
â 704.40 |
11 |
, 64,- |
â 387.- |
|
u v v B373, |
â 1375.88 |
24 |
â 57,- |
â 380.- | |
|
ti â 4e |
â â â 13899, |
â 2302.76 |
24 |
r 96.- |
, 419,- |
|
n , 5c |
â â â 21197.â |
â 3633.40 |
40 |
, 90,- |
â 432,- |
38
Vergelijkt men hiermede nu, wat feitelijk uitgekeerd werd, dan krijgt men de volgende cijfers:
Volgens vorenstaande calculatie zou totaal uitbetaald
zijn................j 43191.â
terwijl door de Vereeniging in liet geheel uitgekeerd is - 47796.â zoodat er in het eerste geval ininderzouzijngeprofiteerd / 4G05.â of over de 106 sterfgevallen f 43.44 per overledene.
Daartegenover staat echter, dat de uitkeeringen meer stabiel waren geweest en nooit schommelingen hadden vertoond van j 266.â op Æ 500.â. Verder dat het aantal sterfgevallen bij contract met eene maatschappij zeker minder zou geweest zijn , daar geene onderneming ooit verzekering zou gesloten hebben zonder dokters-attest, wat de Vereeniging wel deed. Ook nog, dat ongetwijfeld van het kapitaal eene hoogere rente (in dien tijd !) had kunnen gekweekt worden dan de 4pCt., die ik stelde. En â last not least, â dat het extra reservefonds in 1883 dan de respectabele som van circa Æ 21200.â zou bedragen hebben, in plaats van de circa Æ 4800 , die toen feitelijk extra in kas was. Het komt mij voor, dat het gunstig verschil daar van Æ16400.â wel opwegen kan tegen het ongunstig diiferent ad / 4600.â , bij de uitkeeringen geconstateerd. En hoe groeit, eenmaal op zulk eene hoogte, dat reservefonds nu aan!
In 1883 zou er extra in kas zijn geweest » 1884 werden aan donatiën ontvangen » 1885 » » » »
» 1886 » » » »
zoodat het toen zou geklommen zijn tot met eene jaarlijksche rente a 4 pCt. van 1047.28
Eene vermeerdering dus in 3 jaren met j 4985.â, gepaard aan eene verhooging der vaste inkomsten (door rente) van circa Æ 200.â Stel nu daarnaast, welke vorderingen de extra-kas onder de bestaande inrichting maakt, â van f 3415.â in 1879, tot Æ 4760.â in 1884; eene vermeerdering dus van slechts Æ 1345.â in 5 jaren , dan springt het voordeel van het door mij ontwikkelde systeem ten duidelijkste in het oog.
Inderdaad is dit voordeel groot. Resumeerende vind ik
in 1883 eene extra-kas van Æ21200.â, tegen/4800.â⢠^quot;toestancf8*quot;quot;11 die kas jaarl. aangroeiend met - 1662.â, â - 269.â //
de jaarl. rente van die kas in 1883 - 848.â, , - 192.â â
en die rente jaarl. klimmend met - 66.â, , - 11.â ,
Het is nog twijfelachtig, of de uitkeeringen minder zouden geweest zijn, maar zeker ware de toestand van het fonds veel behagelijker. Elk jaar het extra-kapitaal aanzienlijker, elk jaar de rente ter verdeeling onherroepelijk grooter, zou het niet zoo lang meer duren, of de uitkeeringen gingen het maximum van Æ 500.â overschrijden , en nadere bepalingen moesten in het leven geroepen worden, om óf dat maximum te verhoogen , óf de aangroeiende geldmiddelen voor weduwen-pensioenen of op andere wijze ten bate der leden aan te wenden.
Æ 21197.â
- 1712.â
- 1648.â
- 1625.â Æ 26182.â
39
Heb ik mij lang met de Vereeniging van kantoorbedienden bezig gehouden, ik deed dit omdat hare langdurige geschiedenis, van welke bijna alle cijfers voor mij liggen , beter dan het helderst betoog, in staat is ons aan te wijzen, waarheen wij ons te richten, waarvoor wij ons te wachten hebben. In zooverre hoop ik, dat mijn uitstap geen tijdverlies is geweest.
Van een eigenlijk pensioenfonds bestaat er hier te lande nog eene eigenaardige inrichting aan de
o o o
Nederlandsche Gist- en Spiritus-Fabriek, te Delft. (1)
De Directeur, de heer J. C. vav Maukkx Ju., was zoo beleefd de noodige gegevens dien aangaande ter mijner beschikking te stelleu, waarvan ik hier een dankbaar gebruik maak.
In eene brochure,,Participatie en Pensioenregelingquot;, uitgegeven in 1880, wordt door den heer van Marken hetgronddenkbeeld voorgesteld en bepleit. Naar aanleiding van de balans over 1879 had de Algemeene Vergadering der fabriek beslist, dat Æ 3000.â van de winst zou afgezonderd worden tot oprichting van een pensioenfonds voor het personeel. Daarmede was het beginsel uitgemaakt, en de heer van Marken bespreekt nu de wijze van toepassing.
Waar de Staat na 40 jaren diensttijd, 1/s van het genoten loon als pensioen verleent, waarvoor de ambtenaren door korting op hun tractement zelf zorgen . daar wil hij uit de winst dei-fabriek aan zijn personeel na evenveel dienstjaren een pensioen verzekeren, ongeveer zoo groot als het in dien tijd gemiddeld door hen verdiend salaris.
Op zijn verzoek berekende de heer David. J. A. Samot, wiskundige der N. L. B., de premie, die men van 21â60 jarigen leeftijd zou moeten betalen voor Æ100. â lijfrente, ingaande met het 60» levensjaar, die bevond, dat daarvoor eene netto-premie van f 6.26, eene bruto-premie van f 7.67 zou noodig zijn.
Ook de Hoogleeraar A. J. van Pksch werd tot dezelfde calculatie aangezocht, en deze kwam tot het resultaat, dat de netto-premie f 6.40, de bruto-premie f 7.20 moest bedragen. (2)
Op deze hoeksteenen nu, bouwde de heer van Markkn zijn plan. Hij stelde verandering van de Statuten der fabriek voor in dien zin, dat van de overwinst aan Aandeelhouders en Directeur voortaan minder zou worden uitgekeerd, en dat mindere, te zamen 10 pCt., als aandeel der werklieden zou worden beschouwd, om daaruit een eigen pensioenfonds te creëeren. Indien het tantième zulks toeliet, zou daaruit telken jare eene premie van / 6.26 ten name van iederen beambte en werkman der fabriek gestort worden voor elke f 100.â vast loon, in dat jaar verdiend. Was de aldus verzekerde bij den aanvang der premie-betaling
1
De N. L. B. berekent f 6.73.
40
niet ouder dan 21 jaar, en bleef hij tot zijn 60e jaar onafgebroken bij de onderneming werkzaam, dan kon hij met ingang van den GOjarigen leeftijd rekenen op een pensioen, ongeveer zoo groot als het loon, dat hij in den eersten tijd verdiende Wel werd, naar mate hij opslag van salaris ontving, de premie in dezelfde verhouding verhoogd, doch wat op lateren leeftijd gestort wordt, heeft veel minder invloed op de hoegrootheid van het uit te keeren pensioen, dan wat in de eerste jaren daarvoor wordt betaald. Bovendien was het, hoewel waarschijnlijk, toch niet uitgemaakt, dat de onderneming elk jaar zooveel winst zou afwerpen, dat het tantième van het personeel daaruit regelmatig zou kunnen bestreden worden. Het was mogelijk, dat in sommige jaren niets daarvoor zou overschieten , en in zulk een geval moest de premiebetaling dan ook achterwege blijven, zoodat in de stortingen gapingen zouden ontstaan, die de som der pensioenen vanzelf zouden drukken.
Dit laatste had een ernstig bezwaar kunnen zijn, ingeval de pensioenen op regelmatige jaarlijksche premien waren gebaseerd. Daaraan had intusschen de heer van Marken gedacht, en hij stelde dan ook voor, de stortingen niet te beschouwen als premien, maar als betalingen in eens tot aankoop van lijfrente op (30 j. in dezer voege:
op 21 j. /quot;6.26 gestort. geeft een rente van/'5.74perjaar, op 60 j., » 22 » - 6.26 » » » » » - 5.44 » » » » » enz., het totaal van 40 jaar storting geeft/100.â » » » » »
Gesteld, na de tweede storting betaalde men niets meer. Dan verhinderde die staking niet, dat men toch op zijn 60c jaar de eenmaal gekochte f 11.18 jaarrente ontving.
Het was een lievelings-denkbeeld van den heer van Maiiken, dat deze regeling onder zijn eigen beheer zou worden gehouden , zoodat alle voordeden het fonds zelf zouden ten goede komen. Hij kon dan de netto-premie aanleggen, het fondskapitaal op rente zetten, hooger, naar hij hoopte, dan de bij de berekening aangenomen 4 pCt.; een deel van zijn personeel kon hij met de administratie belasten, zoodat daarvoor geen kosten behoefden gemaakt te worden , en hij behield vrije hand om uitzonderingsbepalingen in het leven te roepen, waar hem dit noodig zou voorkomen.
Aldus het aanvankelijk voorstel.
Doch het in eigen beheer nemen vond bedenking. Op een desbetreffend verzoek van den heer van Makk en, die tot meerdere zekerheid het oordeel van eene autoriteit inriep, verklaarde professor van Pesch :
»Met een klein getal deelnemers moet men zeer oppassen. »Ik heb indertijd geadviseerd dat onze levensverzekering (van »Eigen Hulp) (1) gerust met 500 verzekerden kon beginnen, »maar dat, als er geene groote toeneming plaats vond, men »die spoedig aan eene der groote maatschappijen moest over-
1
Z, H. G. ii van die onderneming technisch adviiear.
41
»doen. Ditzelfde zeg ik u. Bij een pensioenfonds komt de »fout. als die er is, veel later te voorschijn, maar neemt gt;dan ook grooter proportiën aan.quot;
Dit oordeel was voor een eigen fonds niet gunstig. De Hoogleeraar sprak van het gevaarlijke om met 500 te beginnen, en het personeel der fabriek telde geen 100. Z. H. G. sprak van een mogelijke fout, niet in de goed berekende premiën, maar in de toegepaste sterftetafel, die geheel verschillend kon blijken van de feitelijke sterfte onder het kleine personeel, en waarvoor in de netto-premie geene enkele reserve was gemaakt. Alles moest uitkomen zonals de deskundige dat had gesteld, en anders riskeerde men een tekort. Deze en andere overwegingen brachten den heer van Markkn aan het wankelen, en toen nu bovendien verschillende bevoegde personen hem betuigden, dat de lijfrenteverzekering bij maatschappijen hoogst zelden bevredigende uitkomsten, meestal teleurstellingen opleverde, toen zwichtte hij, en deinsde, zooals hij later verklaarde, voor de verantwoordelijkheid van een eigen fonds terug.
Er werd nu besloten te trachten, op zoo voordeelig mogelijke voorwaarden een contract te sluiten met eene solide rauatschappij. Onderhandelingen werden aangeknoopt met de directie der N. L. B. en het was bij die gelegenheid, dat door genoemde Bank de tarieven voor werklieden-pensioenen, waarvan ik in den aanvang sprak, ontworpen werden. Op die tarieven heeft de heer van Marken ten behoeve zijner werklieden met de Bank eene overeenkomst getroffen, in hoofdzaak nederkomende op het oorspronkelijk door hem ontwikkelde plan. Alleen heeft de fabriek hare toelage nog verhoogd, en bepaald, dat als de beschikbare middelen zulks veroorloven, 7 pCt. van het raste loon over het afgeloopen jaar ten bate barer beambten en werklieden by de Bank gestort zou worden tot aankoop van pensioen.
Ieder die aan de fabriek werkzaam is, bezit nu een pensioenboekje , waarin de aangekochte lijfrenten telkens worden bijgeschreven.
Na lang omwandelen zijn wij, zooals men bemerken zal, van lieverlede weder tot ons uitgangspunt teruggekeerd. Wij begonnen te spreken van een contract met de Nationale Levensverzekering Bank, â en aan het einde spreken wij er opnieuw van. Indien er eenige vrucht in ons onderzoek schuilt, dan zal het deze wezen, dat wij er thans met meer overtuiging en beslistheid over spreken kunnen.
Overigens aarzel ik om de resultaten onzer nasporingen te reiumeeren. Ik laat dit liever aan ieder voor zich zeiven over. Alléén dit. Het moet ons nu duidelijk zijn:
dat geene verzekering door ons zou mogen opengesteld worden,
die niet berust op een wetenschappelijken grondslag; dat evenmin vaste beloften mogen worden gedaan, waarvan de vervulling niet volkomen zeker is;
42
dat particuliere fondsen hun wetenschappelijke premiën in den
regel niet lager stellen dan solide maatschappijen;
dat, voor zoover aan particuliere fondsen bizondere voordeelen verbonden zijn, deze niet hoofdzakelijk voortvloeien uit goed-koope administratie en onderlinge winstverdeeling, â maar uit donatiën of extra toelagen, buiten de premiën der leden om ; dat met donatiën, etc. een fonds wel versterkt of aangevuld mag worden, doch dat daarop geene vaste uitkeeringen mogen worden gebaseerd;
dat, ondanks al het voorgaande, toch veel kan tot stand gebracht
worden, indien ve/en zich tot hetzelfde doel aaneensluiten; dat, eindelijk, in zake fondsen, zij het meeste weten te volbrengen , die de kunst verstaan van geduld te oefenen.
Het komt mij voor, dat wij ons van deze waarheden goed moeten doordringen, alvorens tot het ontwerpen van eenige regeling over te gaan, omdat geene organisatie goed en vertroiiw-baar kan wezen, die daarmede geene rekening houdt.
. # 7 o o
Doch nu rijst de vraag: Is er in het aangevoerde genoegzame aanleiding om, liever dan zelfstandig op te treden, ons aan eene maatschappij te verbindenV Ik antwoord: Gedeeltelijk, ja, - voor wat althans betreft de uitkeering, die wij ons willen verzekeren tegen eene wetenschappelijk berekende premie. Wat dat aaugaat bleek het, dat wij niets winnen door zelfstandig op te treden, wèl veel in de waagschaal stellen. Was het onze bedoeling om, op de wijze van den Frankforter Verein, iets op te richten, waarvan een volgend geslacht eerst profiteeren zal, de zaak ware anders. Doch het is onze wensch, om van stonde aan eenigen waarborg voor onze toekomst te verkrijgen, en daar is de zekerste èn voordeeligste weg de onze. Dien weg gaan wij niet, door op onszelven te blijven. Want hoevelen zullen zich aansluiten V Geen duizenden, zooals te Hamburg, waar deze trouwens toch niets extra met hun premie verkrijgen, wèl met de schenkingen en overboekingen, die de premie komen verhoogen. Het zullen hoogstens honderden zijn, die medegaan. En dan herinner ik aan de waarschuwing van Professor van Pesch, waar hij spreekt van de fout, die bij een Pensioenfonds zulke groote proportiën kan aannemen, en die bij een klein getal zóó licht voorkomt; aan de houding van den heer van Markkn. die voor de groote bezwaren terugdeinst, en zijn lievelingsdenkbeeld van een eigen fonds opgeeft. Zou dat onze zekerheid zijn , als wij aan het einde bemerkten, dat wij bedrogen uitkwamen ?
En het voordeel ? Ik hecht aan mijne eigene berekening geene voldoende waarde om daarop de conclusie te durven bouwen, dat een zelfstandig fonds geene lagere premie zou veroorloven dan die, welke eene maatschappij stellen moet. Doch wat wij van andere Vereenigingen zagen, bevestigt toch in zooverre de door mij verkregen uitkomst, dat bij vergelijking mei exact berekende premiën, die der N. L. B. vrij wel het veld hebben kunnen behouden
43
tegenover die van onderlinge fondsen. Waar zou dan het voordeel blijven?
Bij de oprichting van het Nederlandsch Werklieden-fonds, 1878-1884, heeft deze zelfde vraag, al of niet zelfstandig, velerlei discussie uitgelokt. De commissiën van oprichting hebben het denkbeeld van eigen beheer steeds voorgestaan, en ten slotte heeft dit de zege weggedragen. Of zulks te danken is aan de mérites van het beginsel zelf, of aan andere overwegingen, is voor mij niet twijfelachtig. Men redeneerde aldus : Indien wij een contract met eene maatschappii ter verzekering van werklieden aangaan, dan zal de werkman daarin geen vertrouwen stellen. Hij zal meenen, dat met zijn premie aan de maatschappij een voordeel bezorgd wordt, en dat dus niet hij, maar de maatschappij de bevoordeelde zal wezen, misschien wel ten zijnen koste. Daarentegen zal de werkman voor een eigen fonds meer hart hebben. Alle voordeelen daarvan komen hem ten goede. Het zal zijne zaak zijn, die geheel ten zijnen bate wordt geëxploiteerd. En bij eigen beheer zal propaganda gemaakt kunnen worden , door overal agentschappen op te richten, of commissiën samen te stellen, die de werklieden zullen voorlichten en aansporen tot toetreding.
Het spreekt van zelf, dat deze redeneering in het onderhavige geval niet geheel onjuist kan genoemd worden, en ik verwonder mij niet, dat zij ten slotte den doorslag gaf. Daarmede is in-tusschen betreffende het beginsel nog niets gezegd, wel omtrent de toepassing daarvan onder eene bepaalde categorie van personen, van wie ondersteld werd, dat zij niet scherp onderscheiden, en wier argwaan men niet opwekken wilde, wier vertrouwen men winnen moest. Toch heeft het nog strijd en hoofdbreken genoeg gekost, alvorens dit opportuniteits-argument zegevierde. Het eeiste plan der commissie van oprichting was, om de werklieden de gelegenheid te openen, tegen netto-premiën zich lijfrenten te verzekeren, waarbij dus niets was gerekend voor administratiekosten en eventueelen tegenslag door meerdere sterfte. Daaren-
~ O
tegen zou uit schenkingen een waarborgfonds worden opgericht, tot bestrijding der noodzakelijke uitgaven, en tot dekking van de sterfte-risico. Terwijl verder bepaald werd, dat de premiën ook voor de reeds toegetredenen zouden verhoogd worden, indien later blijken mocht, dat zij te laag waren gesteld!' Men ontveinsde zich dus de slechte kansen niet, die zelfstandigheid zou medebrengen, en om erger teleurstelling te voorkomen ontwierp men een zekerheids-maatregel, die a//es op losse schroeven zette. De oppositie bleef niet uit. In eene meeting. April 1882, te Amsterdam gehouden, vond de aldus opgezette zaak hevige tegenkanting, en eene nieuwe commissie werd benoemd, ten einde eene minder onzekere regeling te ontwerpen. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die krachtig had bijgestaan , o.a. door toezegging van eene jaarlijksche gift van f 1000.â, om de oprichting van het fonds te bevorderen, trok zich voorloopig terug. De pers, met de N. R. Ct. aan de spits, mengde zich in den strijd, en in het genoemde hoofdorgaan kon men in dien tijd een pleidooi vinden
44
tegen de voorgestelde zelfstandigheid, en vóór aansluiting aan eene solide levensverzekering-maatschappij. In de Economist van November, 1882, kwam de heer D. J. A. Samot de maat dei-oppositie volmeten met een geharnasd artikel, dat ik wel in zijn geheel zou willen overnemen, glashelder en overtuigend als het bewijst, dat de in dier voege aangeboden zelfstandigheid uitermate verwerpelijk was. Hij wees er o.a. op, dat het waarborgfonds een niet te becijferen bedrag moest inhouden, zijnde de contante waarde van alle administratie-kosten in de toekomst: eene groote onbekende, daar men onmogelijk weten kon, of het fonds over 20 jaren uit 10000 dan wel uit 50000 deelnemers zou bestaan. Terwijl er bij de netto-premiën ook niet gerekend was met de sterfte-risico, zoodat de bijslag daarvoor evenzeer uit het waarborgfonds moest geput worden: óók eene enorme onbekende, daar de praktijk aangaande sterfte onder werklieden nog geenerlei resultaten had verzameld. Daarom ziet hij geen anderen uitweg, dan dat bruto-premiën worden berekend, waarin voor kosten en risico eene percentage is opgenomen, die de inkomsten verhoogen zal in verhouding tot vermeerderende deelneming. Edoch, de werkman zal de zooveel hoogere bruto-premiën niet kunnen betalen. Het fonds zal dan de uoodige zekerheid aanbieden, maar men zal er geen gebruik van maken. En de cirkelgang: netto-premiën zonder zekerheid, bruto-premiën zonder deelnemers, begint van voren af aan.
De Heer Samot waarschuwt ook tegen de stelling, dat men noodwendig een eigen fonds moet oprichten, ten einde de te maken winsten onderling te kunnen verdeden. Winsten? â ,,Geen man ,,vaii practische ervaring op het gebied der levensverzekering,quot; zegt hij, ,,die van uitgestelde lijfrente winsi. verwacht. De maatschappijen âhouden er dezen vorm van verzekering op na, ter wille van de âvolledigheid hunner tarieven; zij vergenoegen zioh dan met de âbruto-premiën, doch yeene is er bekend, die met het uitgestelde âlijfrente-tarief zaken gemaakt heeft. Daarom is het ook bijna regel âom de verzekerden volgens dat tarief niet in de gemaakte winsten âte doen deelen.quot;
Alzoo het waarborgfonds, tot dekking van het tekort op de netto-premiën, eene onmogelijkheid; bruto-premiën een beletsel tot deelname; en de winst, om welke te behouden een eigen fonds vooral gewenscht scheen, de winst . . . . een hersenschim. Men kon het er mede doen!
Tot zelfs in den boezem der commissie van oprichting vond deze strijd weerklank. Het lid dier commissie, de Heer van Marken, stond aan de zijde dergenen, die zelfstandigheid afkeurden, en een contract met eene maatschappij verdedigden. In eene uitvoerige memorie aan zijne medeleden, zette hij zijne denkbeelden uiteen, waarbij hij o. a. aantoonde, hoe de netto-tarieven, die men voorstelde, honger waren, dan de premiën der Nationale Levensverzekeringbank, en zich op zijne eigene ervaring beriep, die hem geleerd had, dat een contract de veiligste weg en tevens de voordeeligste was. Verder redeneert hij als volgt:
45
Eene vereeniging, uitsluitend tot verzekering van lijfrente, moet, volgens deskundigen, onvoordeelig werken; Dit is niet onverklaarbaar. Zij, die zich aansluiten, zijn niet in den regel de ziekelijken of zwakken, maar de gezonden , die zich sterk gevoelen om lang te leven en hun waarschijnlijken ouderdom verzorgen willen. Daarbij komt, dat met pensioen in het vooruitzicht, dit besef eener verzekerde toekomst aan velen eene rust schijnt te schenken, die het leven rekt. De maatschappijen, aldus gaat de heer van Marken voort, kunnen zich deze slechte kans laten welgevallen , omdat zij ook andere vormen van verzekering behandelen , die in tegenstelling van de Lijfrente, een lang leven voordeelig voor hen maken. Blijkt er verlies op de Lijfrente, dan zal dit gecompenseerd kunnen worden door winst op de Levensverzekering. Zij hebben dus méér kansen, terwijl eene pensioen-vereeniging er maar ééne heeft. En die ééne is eene zeer slechte !
Hij verwacht daaruit teleurstelling, die aan de goede zaak wel eens den doodsteek zou kunnen geven.
Dat deze en dergelijke argumenten wèl geschikt waren .om eenigen indruk te maken, is duidelijk. Bij de latere voorstellen der Commissie is daarmede dan ook degelijk rekening gehouden, al gaf men, om het vroeger gemelde motief, het beginsel van zelfstandigheid niet prijs.
Zooals nu, sedert 1884, het Nederlandsch Werklieden-Pensioenfonds is ingericht, wordt niet alleen lijfrente, maar óók uitkeering bij ovei'lijden verzekerd, zoodat de twee kansen vereenigd zijn. De maxima zijn respectievelijk Æ 14 ])er week, en Æ 1000.â voor ééns, doch voorloopig zal niet meer dan de helft kunnen gesloten worden , en de Directie behoudt zich voor, om de verzekeringen in zooverre te beperken, dat zij in verhouding blijven tot het Waarborgfonds. Men wil niet beginnen met hoog te vliegen en daardoor de kans beloopen, laag te vallen. Intusschen is nu, ter wille van de zelfstandigheid, de vrije werking der zaak eenigszins belemmerd. Eene algemeene deelneming der werklieden, hoe gewenscht in
o o 'o
abstracto. zou in de u'eu'even omstandigheden meer verlegenheid
o o ~ o
dan voldoening veroorzaken.
Voor ons, die wel met geene andere beweegredenen dan feiten en cijfers te doen wenschen te hebben, kan de vraag of het wensche-lijk is, eene overeenkomst met eene maatschappij aan te gaan, geheel objectief beantwoord worden. Biedt zelfstandigheid ons inderdaad geen enkel profijt, wel groote kans op beslommering, zorg, teleurstelling en schade, de voordeden, aan een contract verbonden, zijn daarentegen zeer groot. En zij spreken zóó voor zich zelf, dat ik zonder veel toelichting vermeen te kunnen volstaan met ze hier kortelijk op te sommen. Een contract 1°. ontslaat ons van de verplichting, een waarborgfonds op te richten, dat uitsluitend zou mogen dienen tot zekerheid van de door ons aangegane verbintenissen. Eene solide maatschappij bevit in den regel een aanzienlijk kapitaal, dat als Waarborgfonds dienst doet;
46
2°. maakt het voor ons omioodig, eene uitgebreide, moeielyke, eli vaak kostbare administratie in te richten, daar wij dan met eenvoudige aanteekening der diverse verzekeringen ons kunnen vergenoegen, en al het overige aan de maatschappij overlaten;
3°. ontheft ons mede van de zorg voor deskundig toezicht, aangezien de deskundige der maatschappij over alle verzekeringen, dus ook over de onzen, een wakend oog houdt;
4°. biedt ons meerdere zekerheid , daar eene groote maatschappij verzekeringen in alle denkbare vormen sluit met vele duizende personen van beiderlei geslacht, in de meest verschillende omstandigheden verkeerende, en tot totaal cijfers van tientallen millioenen, waardoor geene enkele risico uitgesloten blijft, en de wetenschappelijke calculatie, die bij kleine sommen faalt, nu beter tot haar recht komt;
6°. schenkt ons minstens de zelfde voordeelen, i. e. de zelfde lage tarieven, die een eigen fonds maar zou kunnen geven;
6°. brengt ons dadelijk in de positie van eene door de wet erkende vereeniging, waardoor wij den wellicht niet gemakke-lijken eisch ontgaan om minstens 500 contribuanten te moeten aanwijzen, alvorens op onze inrichting de Koninklijke Goedkeuring kan worden verleend; (1)
7°. maakt het ons mogelijk, veel meer afwisseling in de verzekeringen toe te laten dan bij een eigen fonds uitvoerbaar zou zijn; want bij eene maatschappij zullen alle pensioen tabellen ons openstaan , en alle bedragen, zonder minima of maxima, verzekerd kunnen worden ; terwijl men de meest onbeperkte keuze zal hebben van den leeftijd, waarop men het pensioen wenscht te doen ingaan; (2)
8°. stelt den deelnemer vrij om al of niet lid onzer Vereeniging te blijven. Bij uittreding behoeft dan zijne verzekering niet te vervallen. Van dat oogenblik af ontgaat hem alleen de reductie op het tarief, die uitsluitend aan de vereenigings-leden ten goede komt, â en kan hij, mits bet gewone tarief voortaan betalende, zrjn eenmaal begonnen polis continueeren;
9°. verzekert aan de deelnemers alle voordeelen, die eene maatschappij aan hare polissen verbinden kan, zooals ai koop, voorschot, overboeking in eene andere categorie, verhooging of verlaging van verzekeringsbedrag, cessie aan derden, etc., in welke faciliteiten een onderling fonds niet zou kunnen treden, omdat daarmede eene te omslachtige administratie gepaard zou moeten gaan en eene technische vaardigheid gevorderd wordt, die niet van leeken-bestuurders kan worden verwacht.
(1) Zie Ontwerp van Wet betreffende Levensverzekeringen.
(2) Bij den Hamburger Verein, de veelzijdigs^e onder die, welke wij bespraken , vonden wij sltehts drie klassen van pensioen, allen met teruggaaf van premiën; slechts drieërlei contributie, voor oudeu en jongen dezelfde; en het pensioen ingaande op 7 bepaalde leeftijden.
47
Ik vermeen het hierbij te kunnen laten. De opgenoemde voordeelen zijn m. i. aanzienlijk. En kost het onzer eigenliefde iets, het denkbeeld van een zelfstandig fonds te moeten loslaten, dan trooste ons de gedachte, dat het hier niet de eer der oprichters, maar het belang onzer leden geldt.
Vóór ons hebben reeds vele anderen het ingezien, dat een contract met eene maatschappij meer aan te bevelen is dan geïsoleerd optreden, en wij gaan daarmede dus geen ongebaand pad op. Hier te lande gaf, meen ik, de heer van Makken het voorbeeld. In Duitschland heeft het denkbeeld reeds burgerrecht verkregen. Zoo heeft de Levensverzekering-Maatschappij te Leipzig contracten loopende, ter verzekering van de resp. ambtenaren, met de hoofdadministratie der Keizerlijke Posterijen te Berlijn; de Keizerlijke Regeering van Elzas-Lotharingen; de Staatsspoonveg-Directiën te Berlijn, Frankfort a/Main, Elberfeld, Dresden;
de Gemeentebesturen van Dusseldorp, Halle, Werdau, Witten, Beuthen, Glatz, enz ;
de firma Friedii. Krüpp, te Essen;
de Algemeene Duitsclie Vereeniging van Onderwijzers. (1) Men ziet het, niet alleen kleine, maar ook zeer groote lichamen komen hieronder voor. En nu noemde ik slechts ééne maatschappij. De lijst zou heel wat langer worden, indien ik ook andere maatschappijen meespreken liet.
Ik zal mij daarin echter niet verdiepen, overtuigd als men nu reeds zijn kan, zich in goed en talrijk gezelschap te zullen bevinden.
Doch, indien nu de wenschelijkheid van een contract vast staat, bij welke maatschappij zullen wij ons dan aansluiten ?
Bij eene solide instelling, die ons de voordeeligste conditiën aanbiedt. Opzettelijk stel ik dit ruimer dan ik zelf goedkeur, teneinde de mededinging zoo vrij mogelijk te houden. En wie biedt nu de voordeeligste conditiën?
De meest voor de hand lio-srende methode om ons daaromtrent
oo
te vergewissen, is, de tarieven te vergelijken. Ik koos kortheidshalve de tabellen van eeiiige der goedkoopste maatschappijen en bevond, dat voor een jaarlijksch pensioen van/100.â, ingaande op 65jarigen leeftijd, en de premie-betaling beginnende in den
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Wij (2) hebben echter nog eene andere methode gevolgd , door |
(1) Zie brochure van F. L. Rijps, inspecteur der Maatschappij.
(2) Het Bestuur der Vereeniging âMercuriusquot;.
48
ons rechtstreeks tot sommige aanzienlijke maatschappijen te wenden, met de vraag, hoedanig hunne premiëu zouden zijn, indien onze Vereeniging daarop een contract met hen sloot tot verzekering harer leden. Wij deden dit in de veronderstelling, dat in de tabellen (behalve in die van het Werklieden-Pensioenfonds der N. L. B.) het laatste woord wel niet gesproken zou zijn. En het bleek, dat wij juist gezien hadden.
Men bood ons, op de tarief-premion, reductiën aan van 2Va pCt tot 8 pCt! Natuurlijk noem ik hier geen namen. Dergelijke onkiesch-heid zou eene slechte vergelding zijn voor de heuschheid, waarmede men ons tegemoet kwam. Doch ook zonder dat, kunnen wijde cijfers vergelyken. Zij stellen zich, na de reductie, als volgt:
Voor eene jaarrente, ingaande op 65jarigen ouderdom, van / 100.â, de premie-betaling aanvangende op den leeftijd
van..........20 jaar, 25 jaar, 30 jaar,
berekent aan jaarpremie
de Maatschappij A...../quot;5.19
gt; » B.....- 4.38
» » C.....- 4.34
» » D.....- 4.27
» Nationale Levensverz.-Bank volgens haar extra tarief .
6.29.
L. B. ge-
- 4.60
Na dit onderzoek achtte ik het pleit voor de N.
wonnen. Mij is nog geene maatschappij voorgekomen, die zulke lage pensioen-premiën stelt, als zij.
f ö.52
- 5.79
- 5.631/2
f 8.79
- 7.87
- 7.84
- 7.55
En hiermede is nog niet alles gezegd. Zoo even, bij de bespreking van het Nederlandsch Werklieden-Pensioenfonds, zweeg ik opzettelijk over zijne tabellen. Het is hier de plaats, het schier ongeloofelijke feit te vermelden, dat deze hooger zijn dan die der N. L. B. Men oordeele. Voor eene jaarrente van _/ 100.â, (*) ingaande op den leeftijd van:
65 jaren. 70 jaren.
- 3.42
55 jaren. ! 60 jaren.
S=
11.67 15.89 22.15 32.11 49.65
g=
6.94 9.31 12.69 17.81
â¢s
1.90 2.52 3.85 4.56 6.33
6.84 8.61 11.92 16.98
3.85 5,10 6.87 9.44 13 37
3.42 4.60 6.29 8.77 12.66
1.65 2.20 2.98 4.13 5.84
10.93 15.04 21.27 31.27 49.08
26.04 25.23 72.79 69.08 5 pCt.
18.66 16.80 10 pCt.
de N. L. B. dus lager 3 pCt.
Indien zelfstandigheid nog veroordeeld moest worden, zou zij in deze cijfers haar vonnis vinden. Zeker behoel ik verder
berekent bij intrede op den leeftijd van: 20 jaren.
30 â 35 â 40 ,
opgetelde premiëu:
38.63 35.74 7 pCt.
131.47 127.59
(*) Bij deze en de beide vorige vergelijkende tabellen is steeds er op gerekend, dat de premiën bij vroeger overlijden verbeurd zijn.
49
de goedkoopte der tarieven van de N. L. B. niet nader in het licht te stellen.
Ons financieel geweten krijgt echter te doen met de vraag, hoe het mogelijk is, dat eene particuliere vennootschap, die toch winst beoogt, zooveel lager kan offreeren, dan een onderling fonds, dat alleen het belang zijner leden te behartigen heeft. Eigenlijk gaat dit ons niets aan. Wil een solied lichaam zich met een contract desnoods eene opoffering getroosten, â dat is zijne zaak; de partij, waarmede gecontracteerd wordt, kan daarbij geen kwaad, want de soliditeit desgenen, die aanbiedt, waarborgt de behoorlijke uitvoering der verbintenis, ook als verlies er het y-evolt'quot; van is. Trouwens, ik had reeds gelegfenheid in
O O ' O O
het voorgaande nu en dan enkele redenen aan te stippen, die eener maatschappij het stellen van lage premiën veroorloven. Verplaatsen wij ons in het geval van iemand, die eene groote zaak heeft opgericht , waarvan het drijven hem eene bepaalde som jaarlijks kost aan huur, licht, belasting, knechts, enz. Die som zal nagenoeg even hoog zijn , of hij veel of weinig omzet. Het is dus eene levenskwestie voor hem. om te trachten een errooten omzet te verkrijgen, en naarmate hij meer klanten heeft, zal hij die goedkooper kunnen bedienen, want bij 100 klanten zal hij, met 25 pCt. winst verkoopende, nauwelijks zijn kosten goed maken, terwijl hij aan 1000 klanten slechts 5 pCt. winst heeft te berekenen, om èu het bedrag van zijn kosten te dekken, èn nog een even-groote som voor zich zelf over te houden.
Aldus is de zaak ook bij de N. L. B. Eene groote aanwinst van deelnemers veroorzaakt haar quot;'eene noemenswaardige ver-hooging harer algemeene kosten , en zij kan dus met een bescheiden avans tevreden zijn. Want haar kapitaal, haar personeel, haar techniek, haar administratie,-âalles is er, en met een contract vermeerdert zij alleen haar clientèle. (1) Daarbij behoeft zij, als groote en veelzijdige maatschappij, op de reeds aangevoerde gronden, veel minder marge op hare premiën te leggen, dan waartoe een klein , éénvormig fonds , tot dekking van eventueelen tegenslag, genoodzaakt zou zijn. De risico vermindert, naarmate de vormen van verzekering zich vermenigvuldigen.
En nu wil de N. L. B. zich in deze met eene kleine winst tevreden stellen. Dit blijkt uit de korte geschiedenis der onder-werpelijke tarieven. Het was, zooals gezegd, op initiatief van den Heer van Marken , dat de X. L. B. de bewerking dier tarieven ter hand nam. Zij werd daarbij o. a. ook geleid door den wensch, om iets nuttigs en goeds te bevorderen. De Heer van Marken zegt: (2) ,,De samensprekingen, die ik met de Directie der ,,N.L. B. had, naar aanleiding van de verzekering mijner werklieden, âhebben bij mij de overtuiging gevestigd, dat de genoemde âDirectie bij de publiceering van deze hare tarieven, zonder âmoedwillige verwaarloozing van de belangen harer aandeel-
(1) Economist 1882.
(2) Memorie aan de Commissie tot oprichting van een Ned. Werkl.-pensioen-fonds.
4
âhouders. wel degelijk ook door overwegingen van sociaal âbelang is geleid geworden.quot; â Toen de tarieven verschenen, (einde 1881), werden er niet minder dan 7000 exemplaren onder de fabrikanten hier te lande verspreid; er werd voor gereisd, en geen geld ontzien om er propaganda voor te maken. En wat de N. L. B. daartoe bewoog, verklaarde het lid harer Directie, de Heer A. S. v.vn Reesema, toen hij in eene vergadering (188o) van de Vereeniging voor de Statistiek, naar aanleiding van het voorstel, 0111 doorliet Ned. Werkl.-fonds een contract met de N. L. 13. te doen aangaan, liet volgende zeide: âDe reden van âons aanbod lag vooral in onzen wensch, om uit een maatschappelijk âoogpunt met de commissie mede te werken tot het toekomstig âwelzijn van den werkman, wat wij ook voor ons niet schadelijk âmeenden, omdat het voor eene maatschappij toch nooit kwaad âkan, hare clientèle uit te breiden.quot;
Volgens het uitvoerig verslag, in 1882 verschenen, over den toestand der N. L. 13. over het vijfjarig tijdvak 1878/82, waarbij eene uitgewerkte staat gevoegd is, ingericht naar de speciale eischen der Engelsche Wet, bezat de Bank een Aandeelen-
Kapitaal van...........Æ 1,000.000.â (1)
met een extra-Reservefonds van .... - 52.112.â het totaal der verzekeringen beliep 38415, waarop
een bedrag was gesloten, te zamen groot - 12,783.580.â en waarvoor de wetenschappelijke reserve
was uitgetrokken met.......- 2,830.723.â
terwijl het totaal der baten beliep. ... - 3.086.370.â waaronder tot uitkeering of overschrijving
bestemd, wegens winst in 5 jaren ... - 74.595.â
Na al het voorafgaande behoef ik nauwelijks mijne conclusie te formuleeren, dat wij tot verzekering van een pensioen op de basis van wetenschappelijk berekende premiën, niet beter kunnen doen , dan ons bij contract aan te sluiten bij eene groote en solide maatschappij, en daartoe onderhandelingen te openen met de N. L. B., die, voor zoo ver mij bekend is, momenteel de laagste premiën stelt.
Zonder op de details van die overeenkomst te willen vooruit-loopen. veroorloof ik mij toch. reeds nu op een paar punten te wijzen, die m.i. overweging verdienen.
Onze administratie moet eenvoudig blijven, en dit is mogelijk, ook waar aan de deelnemers volle vrijheid wordt gelaten, om te kiezen uit de verschillende pensioens-tabellen, eene premie te betalen zoo groot of klein als zij goed vinden, en den ingang van het pensioen te stellen naar eigen zin. Doch de N. L. 13. vordert bij haar extra-tarief, dat de premiën zonder kosten aan haar worden ter hand gesteld. Wij zullen dus voor de incas-seering en storting van die premiën te zorgen hebben. Eu
1
Waarop aanvankelijk 10 pCt.. is gestort.
51
dixaroni acht ik liet wsnschelijk. dat een vaste tijd in het jaar worde bepaald, waarop alle verzekerden hunne contributie schuldig worden. De premiën voor tusschentijds te sluiten verzekeringen zouden door belanghebbenden bij ons moeten worden bezorgd.
Om de zelfde reden zou ik de splitsing der jaar-premiën in die per kwartaal of per maand bedenkelijk achten, en iedereu deelnemer willen verplichten, zijne premie in eens te storten.
Het is mogelijk, dat patroons verzekering willen sluiten voor hunne bedienden. Daarvoor moet de gelegenheid open gesteld worden, hetgeen te doen is door eene ouderscheiding te maken tusschen deelnemer en verzekerde; deelnemer kan iedereen zijn, verzekerde slechts hij, die lid der Vereeniging is.
In het reglement van het Ned. Werklieden-fonds komt de bepaling voor, dat de verzekerden het recht hebben, den ingang van hun pensioen te verschuiven, zoodat iemand, die aanvankelijk den leeftijd, waarop zijn pensioen zal beginnen, gesteld heeft op 55 jaar, en dien ouderdom bereikende , zich krachtig genoeg gevoelt om nog een 5 tal jaren te werken, uu kan bedingen, dat het jaargeld eerst op zijn üOstc jaar zal aanvangen', waardoor het dan natuurlijk zooveel hooger zal zijn. Ik acht deze bepaling zeer nuttig. In de volle kracht van het leven is het moeielijk te gissen, hoelang ons werkvermogen het zal uithouden. Laat ons daarom voorzichtig zijn, en beginnen met een leeftijd aan te nemen, waarop de meesten nog flink zijn, waarop gij en ik echter, bij wijze van uitzondering, gebrekkig kunnen wezen. Blijft alles goed gaan, en vinden wij ons bij het naderen van den aangegeven ouderdom nog onverzwakt, dan geven wij aan de Bank eenvoudig kennis, dat wij ons pensioen nog 5 jaren willen uitgesteld zien. Deze verschuiving moet vrij zijn, en zoo vaak herhaald kunnen worden, als men verkiest.
Op het voetspoor van den Heer van Marken zou ik willen bepaald zien, dat elke premie-betaling, ook voor hen, die zich voor regelmatige jaarlijksche premiën verbinden, beschouwd wordt, als eene storting in eens, waarvoor men zich over zooveel jaren eene lijfrente koopt. Wil men b.v. op 20 jarigen leeftijd eene premie betalen van f 3.42 en daarmede tot zijn (358te jaar voortgaan, om dan een pensioen van f 100.â te erlangen, dan wordt voor die f 3.42,
gestort op: 20 jaar, een lijfrente gekocht van /'5.57 op 65 jaar,
21 ,, ,, ,, ,, ,, - 5.30 ,, ,, ,, enz. ïe zamen zullen die aangekochte lijfrenten dan evenzeer de som van Æ 100.â vormen. Het voordeel van deze manier is, dat men de premiën-betaling staken of uitstellen kan, zonder dat dit op het voortduren der verzekering invloed uitoefent. De Bank steK in hare voorwaarden het recht van den verzekerde, om eventueel zijne betaalde premiën als stortingen in eens te doen beschouwen. Deze moet daartoe dan echter binnen zekeren termijn aanzoek doen, en daar zulks wel eens verzuimd zou kunnen worden, is het beter van te voren te bedingen, dat alle premiën als zoodanige stortingen beschouwd worden.
52
Er moet mede gelegenheid worden gegeven om pensioen te verzekeren aan de vrouwen der leden. Niet bij wijze van weduwen-pensioen , want dat zal, zooals wij zagen, menigeen te duur worden, doch in den trant waarop die nu voor de leden zeiven voorgesteld wordt, namelijk na bereiking van een zekeren ouderdom. Bij eene desbetreffende clausule in hetcontractzouhetdeu leden vrijstaan, de lijfrente, die zij zich koopen, gedeeltelijk op hun naam en voor een ander deel op dien hunner vrouw te doen stellen, zoodat bij het overlijden van den man, zijne vrouw in het genot van haar aandeel in het pensioen kan blijven. De tarieven zouden voor dat geval eenigszins verhoogd moeten worden, daar vrouwen in den regel langer leven dan mannen. (Â¥) Er is mij van bevoegde zijde uitzicht geopend, dat die verhooging eventueel in een vasten opslag zou worden aangegeven, wat voor ons wel de gemakkelijkste methode zou zijn.
Een eventueel contract zou voor niet langer dan 3 of' 5 jaren mogen worden gesloten, omdat intusschen andere maatschappijen even voordeelige of nog voordeeliger voorwaarden kunnen aanbieden, waarvan de Vereeniging altijd gelegenheid moet behouden na afloop van het contract te proüteeren, Al ware het alleen tot verhooging harer zekerheid door verdeeling der risico. Ons uitsluitend aan ééne maatschappij, hoe solide ook, te verbinden, zou niet voorzichtig zijn.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(*) Het Nederlandsch Werkliedenfonds stelt de tarieven voor vrouwen van 8â14 pCt. hooger dan die voor mannen. |
Vau de Werklieden-tarieven der N. L. B. heb ik van lieverlede reeds een aantal cijfers genoemd. Tot beter overzicht wil ik de voornaamsten er van hier nog een plaats geven.
Er zijn bij de N. L. B. voor pensioen 3 tabellen:
Tabel E : met verbeurte van de betaalde premiën bij overlijden; ,, El: met teruggaaf ,, ,, ,, ,, zonder interest,
bij overlijden vóór het tijdstip van den aanvang der rentebetaling;
,, E2: met teruggaaf van de betaalde premiën, zonder interest, bij overlijden vóór of na den aanvang der rentebetaling.
Volgens deze tabellen wordt aan premiën berekend, voor eene uitgestelde lijfrente van Æ 100.â ingaande op den leeftijd van
70 jaren:
E El E 2
1.65 2.42 2,76
2.20 3.23 3.86
2.98 4.54 5.54
4.13 6.34 8.15
5.84 9.05 12.40
8.57 13.22 19.71
13.21 20.01 33.27
53
Het spreekt van zelf, dat de uitkomst van Æ100.-âjaarrente dezelfde blijft, of men deze cijfers als premiën, dan wel als stortingen in eens beschouwt. Voor het geval men intnsschen weten wil, hoeveel pensioen men voor een bepaalde som kan koopen, is er nog een tweede stel tabellen uitgegeven, waarvan ik nu, omdat de verhoudingen toch onderling dezelfde blijven, alleen eenige cijfers vermeld uit Tabel E.
Men ontvangt, voor storting van Æ 10.â, een pensioen, ingaande op
Ouderdom bij 55 jaren: 60 jaren: 65 jaren: 70 jaren: de storting. Bedrag van het pensioen jaarlijks:
|
20 |
jaren |
f 5.4285 |
f |
8.9992 |
f 16.2786 |
f 33.1016 | |
|
25 |
V |
â 4.2224 |
D |
6.9998 |
V |
12.6630 |
, 25.8866 |
|
30 |
n |
â 3.2805 |
V |
5.4386 |
n |
9.8386 |
â 20.1166 |
|
35 |
V |
â 2.5376 |
T) |
4.2073 |
7.6120 |
â 15.5617 | |
|
40 |
D |
, 1.9496 |
V |
3.2326 |
V |
5.8493 |
, 11.9602 |
|
45 |
t) |
, 1.4777 |
v |
2.4502 |
n |
4.4338 |
, 9.0661 |
|
50 |
V |
, 1.1095 |
â¢n |
1.8296 |
V |
3.3109 |
â 6.7704 |
Deze cijfers behoeven weinig toelichting. Zooals men ziet hebben de jongeren veel voor. Een twintigjarige kan op 65 jaar een pensioen verkrijgen van Æ 1000.â tegen eene jaarlijksche premie van Æ 34.20, terwijl iemand van 35 jaar daarvoor reeds Æ 87.70 jaarlijks zou moeten besteden. Jammer dat juist in de jonge jaren het minst aan verzekering gedacht wordt.
Van veel invloed is ook de leeftijd, waarop men het pensioen laat ingaan. Dezelfde gelukkige 20jarige kan, / 500.â in eens stortende, daarvoor op 70jarigen leeftijd eene rente verzekeren van f 1C55. â, doch laat hij die rente ingaan op 55jarigen leeftijd, dan ontvangt hij slechts Æ 270.â.
De tabellen E 1 en 2 bevelen zich aan voor hen, die nevens zekerheid voor hun ouden dag, de premiën zelf nog willen doen strekken tot vorming van eene uitkéering aan hunne betrekkingen, ingeval van overlijden. Het prijsverschil, vooral bij E 2, de tabel, die het best aan dezen eisch voldoet, is echter vrij aanzienlijk en men zal wel doen om telkens te overwegen, of men liever dan dezen vorm te kiezen, niet beter doet, zich bij E te houden voor pensioen, en voor het waarschijnlijk bedrag der te betalen premiën eene verzekering voor uitkeering bij overlijden te sluiten. Op 30jarigen leeftijd bijv. zich aansluitende, betaalt men voor / 100.â rente op 65 jaren, eene premie naar Tabel E van Æ 6.29, en naar Tabel E2 van f 11.44. Om eventueel de premiën te doen uitkeeren, getroost men zich dus een prijsverschil van f 5.15. De gemiddelde levensduur van een 30jarige op 50 jaren stellende, bestaat er alzoo kans, dat de uitkeering bij overlijden zal bedragen 20 X f 11.44 = /' 230.â. Verzekert men zich nu bij de âGermaniaquot;, dan betaalt men voor eene uitkeering van f 100.â, (de promie-betaling niet
54
langer aanhoudende dan tot het 65e jaar), Æ2.47 of voor/5.15 eene uitkeering van Æ 209. â. Wel is waar, iets minder, â doch dit mindere bedrag wordt óók betaald, als men het volgende jaar reeds overlijdt, terwijl volgens Tabel E2 dan slechts de ééne premie van f 11.44 gerestitueerd zou worden. Ieder moet dit echter voor zich zelf beoordeelen. Wil men de kans loopen, dan kan die zelfde Tabel E 2 veel voordeeliger worden dan eene gewone verzekering, daar bij het bereiken van den üöjarigen ouderdom de premiën in het zoo even gestelde geval een totaal som beloopen van /'400.â, alsdan 2 X het bedrag, dat de âGermaniaquot; kan geven.
Ten slotte een voorbeeld van verschuiving der leeftijden, waarop het pensioen zal ingaan. Een 25jarige verzekert zich eene rente van Æ 300.â en stelt die voorzichtigheidshalve in te gaan op 55jarigen ouderdom, waarvoor hij dus (E)Æ45.12jaarlijksche premie betaalt; 54 jaar oud geworden zijnde, verschuift hij den ingangs-termijn tot op GOjarigen leeftijd, waardoor het pensioen Æ 500.â in plaats van Æ 300.â wordt. Met zijn 59e jaar stelt hij het nogmaals 5 jaren uit, en nu klimt de jaarrente tot _/ 900.â. üe premie-betaling na de verschuiving voortzettende, worden deze cijfers resp. Æ 524.â en Æ 980.â .
Het voordeel, dat âMercuriusquot; door een contract den handelsbedienden , die een pensioen voor hun ouden dag wenschen, kan aanbieden , bestaat dus uit eene vrij aanzienlijke reductie op het gewoon tarief, dat zij, zonder die tusschenkomst ten volle zouden hebben te betalen , terwijl hun verder faciliteiten worden in uitzicht gesteld, die zij als particuliere deelnemers bezwaarlijk zouden kunnen bedingen. Met dit belangrijk resultaat, door samenwerking te verkrijgen, behoeven wij ons echter niet tevreden te stellen. Want wij hebben immers tot heden slechts het deel besproken, dat de handelsbediende zelf in zijne verzekering draagt, de wijze waarop zijne bijdrage tot verkrijging van een minimum-uitkeering het veiligst en voordeeligst kan worden aangewend. Zoo zeker intusschen als de bediende niet bestaanbaar is zonder den patroon, even zeker is ons fonds niet wel mogelijk zonder donatiën. Zooals al de door ons opgenoemde onderlinge fondsen juist aan donatiën hun kracht en aantrekkelijkheid ontleenen, zoo zullen ook wij die zéér noodig hebben, al willen wij niet, op het voetspoor der anderen, contributie en schenking samen doen vloeien, maar ze elk afzonderlijk houden: niet in, maar nevens elkaar.
Het behoeft toch geen betoog, dat zelfs bij de lage premiën. die de N. L. B. bij contract ons aanbiedt, slechts weinige handelsbedienden in staat zullen zijn , zich een pensioen te verzekeren , groot genoeg, dat hun oude dag daardoor âverzorgdquot; kan worden genoemd. Nemen wij de eischen gematigd, en stellen wij dus een pensioen van /' 600.â, in te gaan op 65 jaren, dan zal een 25jarige daarvoor toch jaarlijks Æ 27.60 te betalen hebben.
55
Zijn er niet velen order ons, lt;lie met reden tegen zulk eene uitgave op hun budget bezwaar zouden maken V En de ouderen zijn er nog erger aan toe; dezen zouden, bij even bescheiden aanspraken, premiën te storten krijgen, die eenvoudig hunne kracht te boven zouden gaan. Daarom zal ons fonds geene uitzondering op den overal geldenden regel kunnen maken; daarom zal de premie van den handelsbediende door die van den patroon moeten worden gesteund.
Is het vermetel op dien steun te hopen? âMercuriusquot; ontving tot dusver circa Æ 1200.â jaarlijks aan donatiën, ofschoon haar programma nog niet verder reikte dan de intellectueele ontwikkeling van hare leden. Zeker een schoon doel, doch dat in den regel meer aangeprezen wordt dan geldelijk bevorderd. Hoe zal het dan zijn, als dit programma zich gaat uitstrekken tot de stoffelijke belangen van onzen stand, als daar van ons eene wekstem uitgaat tot den liotterdamschen handel om behulpzaam te zijn in het verzorgen van den ouden dag zijner bedienden ? ik kan mij voorstellen, dat verschillende patroons tot heden zich nos terughielden in het schenken van biidragen aan onze Ver-
. * i 1' P
eeniging, doch geen enkele koopman, die een warm hart heeft voor zijne ondergeschikten, zal zich blijven onttrekken, wanneer wij voor deze goede zaak bij hem aankloppen.
Multatuli had zijne âFancyquot;. Ik heb de mijne, al is zij van nederiger afkomst. Zij fluistert mij in : ,,Wanneer het werk maar flink wordt aangevat, zal het resultaat u medevallen. Laten de leden uwer Vereeniging zich iu grooten getale vereenigen, al ware het tot eene Commissie van honderd,'''' en laten zij de taak onder elkander verdeden. Rotterdam is groot, en zijne kantoren zijn talrijk; maar veel handen maken den arbeid licht, en 20 sub-commissiën brengen meer tot stand dan 10000 circulaires. Niemand, die tot den handel behoort, uiag daarbij worden overgeslagen; ieder moet in de gelegenheid worden gesteld, zijne gave âtot oprichting van het fondsquot; te offeren. Aan de grooten moet ergevraagd worden, maar óók aan de kleinen; aan de patroons, maar óók aan de bedienden. Als grondkapitaal zult gij een Æ 20.000.â noodig hebben, en een tiende daarvan als jaarlijksche donatie. Welnu, wie weet of gij zoodoende uw wensch niet verkrijgt. Er is nog zoo weinig aan handels-pensioenen ten koste gelegd; wellicht zullen er velen hunne schade willen inhalen . . ..quot;
Ziedaar een droombeeld, doch waarvan de werkelijkheid in hoofdzaak, naar ik hoop, niet zoo heel ver afblijven zal. Misschien zullen er zijn, die het idee van een rondgang door Rotterdam's straten verwerpelijk zullen achten. Men stelle dan een ander middel voor, â mits het doel maar bereikt worde. Dat doel, een eenigszins belangrijk stam-kapitaal, â is het ,,to he or not to hequot;, want bereiken wi] dat, en verzekeren wij ons daarenboven een zeker bedrag aan vaste jaarlijksche schenkingen, dan houd ik het welslagen van ons pensioenfonds voor eene uitgemaakte zaak. Indien wij thans optreden met een contract zonder meer.
56
en de gelegenheid openstellen, om tegen de werkelijk lage tarieven der N. L. B. lijfrenten te koopen, dan vrees ik, dat de deelneming verre van algemeen zal zijn. Kunnen 'wij echter wijzen op een betrekkelijk aanzienlijk kapitaal, dat wij reeds bezitten, dat jaarlijks flink zal aangroeien, en waarvan de deelnemers mede genieten zullen, dan acht ik de kans op instemming veel grooter.
Daarom moet het ons eerste werk zijn, gelden tot een fonds bijeen te zamelen, en eerst later gaan wij dan over tot liet sluiten van contracten.
De wijze, waarop m. i. de schenkingen ten bate der verzekerden moeten aangewend worden, behoef ik, na het besprokene op pag. 37 en 38, niet meer breedvoerig uiteen te zetten. Geen uitdeeling van kapitaal; men slacht dan de kip, die de gouden eieren legt. Laat het kapitaal groeien, en laat ons geduld hebben om toe te zien, hoe het groeit. Elk jaar wordt het grooter, en dus ook elk jaar wordt de rente, die het afwerpt, meer. In den eersten tijd zullen wij waarschijnlijk in staat zijn, ook die rente bij het kapitaal te voegen, en zoo den groei te verhaasten. Doch later, zno laat als wij het zelj stellen zullen, kan die rente tot verhooging der pensioenen worden gebezigd, â aanvankelijk wellicht nog geene belangrijke verhooging, â maaide ouderen zullen zicli dat willen getroosten in het belang van de jongeren, die zoodoende op een niet onaardigen toeslag kans zullen krijgen.
Opmerkelijk is, dat wij langs dezen weg dan toch nog ons zelfstandig fonds zullen krijgen, dat zijne eigene regeling behoeft.
Naar mijn oordeel zou die regeling hoofdzakelijk op het volgende moeten nederkomen.
Het fonds der Vereeniging wordt beheerd door eene Commissie uit Commissarissen van âMercuriusquot;, die zich uit de Bestuurs-of gewone leden der Vereeniging de noodige hulp kan assumeeren; en die zich kan doen bijstaan door een deskundige.
De rente van het fonds dient tot verhooging der pensioenen van die leden der Vereeniging, die zich door hare tusschenkomst eene lijfrente hebben verzekerd van minstens /' 300.â op G5 jarigen leeftijd of de pariteit van dat bedrag op anderen ouderdom.
Het maximum der verhooging zal voorloopig niet meer bedragen dan j 300.â per hoofd, en zal toegekend worden in verhouding tot den duur van het lidmaatschap in dezer voege, dat elk jaar wordt geacht recht te geven op 1/40 der extra-uitkecring, zoodat men b.v. na 10 jarig lidmaatschap 1/4
gt; 20 » » 1/2 » 40 » » het totaal
van het gestelde, maximum ontvangt, of in de zelfde evenredigheid zooveel minder als er ter uitdeeling zal blijken beschikbaar te zijn.
De verhooging gaat voor alle verzekerden in op G5jarigen ouderdom, onverschillig of zij den aanvang van hun pensioen op vroegeren of lateren leeftijd hebben gesteld.
57
Zi], die liet lidmaatschap verliezen, verbeuren daarmede alle aanspraken op het fonds der Vereeniging.
De kosten van administratie en deskundigen bijstand worden uit de kas der Vereeniging bestreden.
Het fonds-kapitaal wordt gevormd uit speciale giften en uit dat gedeelte der gewone inkomsten van de Vereeniging, dat de jaarlijksche Algemeene Vergadering voor dat doel zal aanwijzen. Het behoort in eigendom toe aan de Vereeniging, met dien verstande, dat het nimmer aan zijne oorspronkelijke bestemming mag worden onttrokken.
Bij ontbinding der Vereeniging richten de beheerende Commissarissen van het fonds eene Pensioen-Vei'eenigiug op, bestaande uit kooplieden en handelsbedienden, aan welke Vereeniging het fonds-kapitaal onder de zelfde voorwaarden in eigendom zal overgaan.
Dit zijn natuurlijk maar enkele hoofdbeginselen, die later meer uitgewerkt zullen moeten worden. Een paar punten ver-eischen toelichting.
Hoewel het fonds aan de Vereeniging toebehoort, zal niet ieder lid daarvan mogen profiteeren. Ik meen daarmede in den'' geest van onze aanstaande begunstigers te handelen, die niet zullen wenschen voor personen te zorgen, die het voor zich zeiven niet doen. Alleen zij, die door tusschenkomst der Vereeniging verzekerd zijn, en zulks voor een bedrag, groot genoeg, om het vermoeden te wettigen, dat de verzekerde de verzorging van zijn ouden dag ernstig ter harte neemt, alléén die leden verkrijgen aanspraak op toelagen uit het Vereenigingsfonds.
Die aanspraken moeten niet grooter worden, naarmate de leden zich hoogere lijfrenten koopen, maar naarmate zij langer aan de Vereeniging verbonden zijn. Het zou zeer onbillijk wezen om aan iemand, die, op GOjarigen leeftijd lid wordende, zich dan eene uitgestelde lijfrente van Æ 500 kocht, meerdere rechten op het fonds der Vereeniging toe te kennen, dan aan een lid, dat van zijn 20e jaar af, aan âMercuriusquot; zijne krachten gewijd had, doch wiens lijfrente slechts Æ 400â beliep. Daarom hier, zooals overal elders , hoe meer ,,dienstquot;-jaren , hoe hooger uitkeering. Ik stelde 40 jaren als het tijdperk, dat recht geeft op het hoogste cijfer, omdat de gemiddelde leeftijd, waarop handelsbedienden tot onze Vereeniging toetreden, wel niet ver van de 25 jaren verwijderd zal zijn. Elk jaar geldt dan voor 1/40. of men premie gestort heeft of niet. Voor de tegenwoordige leden der Vereeniging be-
O ~ O O
hooren de gepasseerde jaren van lidmaatschap eveneens mede-geteld te worden.
Of het maximum van / 300â ooit bereikt wordt, zal veel afhangen van de vrijgevigheid onzer begunstigers. Bij de sterke mutatie onder onze leden; bij de bepaling, dat men zoo langen onafgebroken lid moet geweest zijn om de hoogste uitkeering te ontvangen; en vooral bij het guustig succes, dat op onze pogingen verwacht mag worden, acht ik dit intusschen volstrekt niet onmogelijk. Trouwens , er wordt niets gegarandeerd. Mochten de
58
middelen een zoodanig maximum nog niet veroorloven, dan zullen wij ons voorloopig met minder tevreden stellen.
Als algemeene leeftijd, waarop de extra-toelage zal beginnen, werd 65 jaren genoemd, omdat allen daaromtrent gelijke rechten moeten hebben, en de meesten een pensioneering, onder gewone omstandigheden, vóór het G5C jaar, althans van den handelsbediende , wel meer als een luxe dan als eene noodzakelijkheid zullen beschouwen.
De overige bepalingen hebben de strekking om het fonds zooveel mogelijk met waarborgen te omringen, het kosten te besparen, of' het inkomsten te doen toevloeien, en spreken voor zich zelf.
Mocht dit plan voor verwezenlijking vatbaar blijken, dan zal het 'voor iederen handelsbediende mogelijk worden, zijn ouden dag voldoende te verzorgen, mits hij daarmede niet te lang drale. Als 25jarige toetredende en onafgebroken bij de Vereeniging lid blijvende, zal hij zich een pensioen op 05jarigen leeftijd kunnen verzekeren van circa Æ 600 - en daarvoor jaarlijks niet meer te storten hebben dan / 13.80: eene uitgaaf, die wel iedereen zich zal kunnen veroorloven. Voor de helft zal hij dit aan zich zeiven, voor de wederhelft aan de Vereeniging te danken hebben, want hij kocht zich /' 300.â lijfrente, en zijn 40jarig lidmaatschap geeft hem recht op eene toelage van even zooveel. Men ziet het, ons contract eenerzijds. ons fonds ter andere zijde, hebben dit resultaat tot vrucht, waartoe èn de premie van den bediende èn de donatie van den patroon zullen hebben saamgewerkt.
Liefst voegde ik hier nog een voorstel aan toe omtrent Invaliditeits-Yicr\s\ome\\. Ik ben echter huiverig, nu reeds daarmede te beginnen, waar nog zooveel zwevende is, en het voorzichtiger schijnt, niet alles tegelijk aan te vatten. En dit te meer , omdat de verzekering tegen Invaliditeit door gansch andere factoren beheerscht wordt dan die der gewone lijfrente. Bij deze is een gezondheids-attest overbodig, bij gene is dit noodzakelijk. Bij deze begint de kans van betalen eerst over een bepaalden tijd, bij gene staat zij aanhoudend voor de deur. Bij deze aijn alle gegevens verzameld, waarmede men de risico becijferen kan, bij gene ontbreken zij ten eenenmale. Dit laatste is het ernstigste bezwaar. De hoogleeraar van Geer schreef in zijn toelichting der voorloopige tabellen van het Nederlandsch Werklieden-fonds , dat hij daarin geene premiën voor verzekering tegen invaliditeit had opgenomen, dewijl zulk eene verzekering naar afzonderlijke regelen moet worden ingericht en gereglementeerd. ,,De onder-geteekende,quot; zegt hij verder, ârekent zich buiten machte, daarvoor eenig tarief saam te stellen . daar hem sreene ffenoefjzame quot;elevens
CJ O O O O O
voor de invaliditeit bekend zijn, en verklaart tevens, weinig waarde te hechten aan tarieven, die hieromtrent bij verschillende particuliere fondsen zjin aangenomen.quot;
En de Heer Samot antwoordde mij op mijne vraag dien-
59
aangaande, dat hero geene maatschappij bekend was, die tegen invaliditeit verzekeringen sloot. (1)
Toch hoop ik, als het oudendag-pensioen ons gelukken gaat, dat ook tegen de treurige gevolgen van invaliditeit eenige zekerheid aan de leden onzer Vereeniging zal kunnen verschaft worden.
Dit zou te doen zijn door:
öf op het voetspoor van Hamburg onderling een fonds te vormen uit bijdragen van bijv. / 4,â per jaar, waaruit aan ongelukkig geworden deelnemers, in verhouding tot de door hen gestorte contributiën, eene jaarlijksche ondersteuning kon worden verstrekt; öf met eene maatschappij te overleggen, in hoeverre liet haar mogelijk zou wezen, zoodanige verzekering ten behoeve onzer leden op zich te nemen, waartoe, naar mij van bevoegde zijde werd te kennen gegeven, men waarschijnlijk te vinden zou zijn.
In beide gevallen zouden de aldus verzekerden mede aanspraak moeten hebben op toeslag uit de Pensioenskas der Vereeniging, waaruit dan eene jaarrente, in verhouding tot hun aandeel, niet eerst op 65jarigen leeftijd, maar dadelijk bij gebleken invaliditeit behoorde te worden uitgekeerd. Het is misschien nuttig .deze reserve, ten behoeve onzer invaliden, reeds nu te maken, opdat bij eventueele regeling der Vereenigings-pensioenen ook met hunne mogelijke aanspraken daarop worde rekening gehouden. Voor het overige moet de invaliditeits-kwestie rn. i. blijven nisten, totdat wij omtrent de hoofdzaak, het oudendag-pensioen, meer zekerheid zullen bezitten.
Omtrent Weduwen-pensioenen kan ik niet tot uitstel, maar moet ik kortweg tot afstel adviseeren. Indien wij die in onze regeling opnamen, zouden wij, bij eventueel contract, misschien ook daarvoor eenige reductie op de zeer hooge premiën kunnen bedingen , doch billijkerwijze zouden wij daarmede gepaard moeten doen gaan het recht, ook voor die pensioenen, op toeslag uit het Vereenigingsfonds. Dit nu acht ik bedenkelijk. In het gunstigste geval zal ons fonds in de eerste jaren niet meer aan rente beschikbaar kunnen stellen dan, laat ons hopen, circa/ 1000.â. Een mooi cijfer, waarmede wij zeker niet weinig gelukkig zouden zijn, â doch dat stellig onvoldoende is, om ook maar een gering deel van de groote risico te dragen, aan weduwen-pensioenen verbonden, waarbij de verzekeraar verplicht kan worden, gedurende 40 of 50 jaren lang, rente te betalen aan eene en dezelfde post! Ons kleine fonds mag in zulk eene risico niet meedeelen. Later, veel later, breekt misschien de tijd aan, dat daarover gedacht mag worden, als de kapitalen eene zoodanige uitbreiding hebben verkregen, dat de geregelde uitkeering der maximum-verhooging
1
Het eenisre, wat ik onder de talrijke door mij geraadpleegde tarieven vond, dat cenigszins naar verzekering tegen invaliditeit zweemt, is de bepaling, door de âVictoria*' onder hare voorwaarden opgenomen, dat bij gewone verzekering de verplichting tot premiebetaling ophoudt bij invaliditeit van den verzekerde, en hem alsdan jaarlijks 5 pCt. over het verzekerde bedrag zal worden uitgekeerd, totdat de uitkeering zelve plaats heeft.
60
van het oudendag-pensioen meer clan verzekerd is. Doch het zou dwaas zijn, nu reeds op dien gulden tijd te anticipeeren.
Er is echter nog eene andere reden, waarom ik de opname van weduwen-pensioen niet kan aanraden. Gesteld , dat wij bij contract eeue reductie van 10 pCt. bedongen op de tabellen, dan nog zouden zij zóó hoog blijven, dat er bijna geen aankomen aan zou zijn.
De âTeutoniaquot;, waarlijk geen duur fonds, berekent voor _/ 100â weduwen-pensioen, vrouw en man 30 jaren, niet minder dan / 21.59 jaarlijksche premie. Aannemende, dat eene weduwe , met kinderen, jaarlijks kan rondkomen met /'500. â, dan zou men. om haar dat te verzekeren, het bagatel van Æ 107.95 elk jaar te storten hebben. Ik geloof niet, dat zich daarvoor veel liefhebbers zouden melden.
Bovendien komt het mij voor, dat de gewone levensverzekering in dit geval de voorkeur verdient. Dezelfde âTeutoniaquot; berekent voor eene uitkeering bij overlijden van /'2000.â aan een 30jarige eeue jaarlijksche premie van / 44.06, waarvoor men dus nauwelijks Æ 200.â pensioen zou bekomen. Is nu eene weduwe met eene som van Æ 2000.â, waarmede zij eene zaak kan overnemen, of iets anders tot haar onderhoud beginnen, niet veel beter geholpen dan met eene jaarwedde van Æ 200.â, waarvan zij onmogelijk kan bestaan? Waarbij dan nog komt, dat bij weduwen-pensioen het vroeger overlijden der vrouw de gestorte premiën waardeloos maakt, terwijl bij levensverzekering de uitkeering óók aan de kinderen geschieden kan.
Om deze redenen acht ik de opname van weduwen-pensioenen in ons fonds bepaald ongewenscht.
In den aanvang wees ik er op, als op een treurig feit, dat de handelsbediende in den regel niet zorgt voor zijn ouden dag.
Ik had sedert gelegenheid aan te toonen boe hoog de tarieven, ook der goedkoopste maatschappijen, liepen, en hoe zwaar liet vallen moest, zich daartegen een matig pensioen te verzekeren. Zeer waarschijnlijk lag daarin een reden voor de meesten om de zorg voor de toekomst eenvoudig op te geven; zeer zeker ligt daarin een reden voor ons, en wie in ons belangstelt, om de handen aan het werk te slaan. Er moet iets gedaan worden om het verkrijgen van een bescheiden jaarwedde op den ouden dag onder het bereik te brengen van handelsbedienden, en zooals reeds aangestipt, het laat zich aanzien, dat dit mogelijk kan worden, langs den door mij aangegeven weg.
âMercuriusquot; biedt zich dan aan als bemiddelaarster voor den handelsbediendè, mits men, natuurlijk, zich bij haar aan-sluite. Dit is geene onrechtmatige voorwaarde, daar men immers geen diensten zal willen aannemen van eene Ver-eeniging, aan welke men zich niet heeft verbonden. En het is ook geene bezwarende conditie, sedert de Algemeene Vergadering
61
van 23 December 1887 in beginsel heeft besloten, om de contributie voor het gewone lidmaatschap te stellen op niet meer dan Æ 4â,
waardoor zij de deur, om bij ons binnen te komen, zoo wijd mogelijk heeft open gezet.
En hetgeen door haar tusschenkomst dan verkregen kan worden is niet zoo weinig. Laat ik het nog even resumeeren. Behalve de veel verlaagde premie, het uitzicht op een niet onbeduidenden toeslag. Tegen eene opoffering van nog geen Æ 14.âjaarlijks, (voor 25 jarigen), de kans op een pensioen van Æ 600.â op 65jarigen leeftijd. En daarbij faciliteiten, die het onmogelijk maken, dat de verbintenis ooit een drukkende last kan worden. De verzorging van den ouden dag geen onbereikbaar ideaal dus meer, maar vrij wat dichter gebracht onder den greep van ieder, die haar zal begeeren.
Dan zal het dus in de hand van ons en onze collega's zijn, eenige zekerheid te brengen, waar tot dusver volslagen onzekerheid heerschte , en de toekomst, die er voor menigeen zoo somber en dreigend uitzag, minder zorgvol, minder beangstigend te maken. Vele handelsbedienden hebben nooit rust gekend, doch moesten, oud en soms gebrekkelijk, voortwerken tot het einde, âzoo hun niet erger overkwam. Voor ons kan een tijd aanbreken , waarin wij de boeken sluiten en de pen neerleggen; waarin het rustuur geslagen zal zijn voor goed. Ons kan een vriendelijke levensavond toewenken, â mits wij thans onzen plicht doen.
Onze plicht. Ik heb daaraan nauwelijks te herinneren. Het moge waar zijn, dat die plicht veeltijds ongedaan bleef, doch daarvoor waren immers redenen. Nu er uitzicht bestaat, dat de bezwaren zullen opgeheven worden; nu er mogelijkheid schijnt te komen om dien plicht ten volle te vervullen; nu zal zich ook niemand willen onthouden. Want zelf moeten wij de handen uit de mouwen steken, waar het er op aankomt ons lot te verbeteren; en zoo de middelen daartoe in ons bereik zijn, moeten wij die aangrijpen, mogen wij die niet ongebruikt laten. Heeren Patroons zullen ons helpen, mits het blijke, dat wij ons zeiven helpen willen. Wanneer wij zeiven zorgen kunnen, hoe zouden wij dan verantwoord zijn, indien wij die zorg aan anderen overlieten, en hoe zouden wij later durven klagen, als anderer zorg ons dan onthouden werd?
Ik verwacht van onze collega's tweeërlei ondersteuning:
1° toetreding tot het fonds; 2° medehulp bij de oprichting.
Ja, óók medehulp, door hun sympathie, door hun voorspraak bij hunne patroons, en door hun bijdragen. Het voorbeeld van Frankfort moge hen daarbij bezielen, waar groote en kleine gaven het fonds helpen vormen. Wie ingenomen is met ons voornemen, gorde zich aan als vrijwilliger iu onze gelederen, en helpe steentjes bijdragen tot den bouw. Eene aanstelling onzerzijds zullen zij daarbij wel niet behoeven; elk medestander kan er zeker van zijn, hartelijk door ons te worden welkom geheeten.
De taak is groot, eu wij zijn zoo weinigen! Moge thans, nu
62
het zoo noodig is, de geest van vereeniging eu samenwerking, die over onze Dnitsche collega's zoo vaardig is, ook onder ons zich doen gelden en ons aansporen tot eensgezind, krachtig, gemeenschapjjelijk handelen.
Onze patroons zullen ons helpen. Niet uitzooals wellicht een âoutsiderquot; zal gissen, die niet weet, dat er tusschen patroon en bediende zeer dikwijls een band bestaat van hartelijkheid en waardeering, waardoor het den ondergeschikte mogelijk wordt, hulp van zijn superieur te aanvaarden, die hij van elk ander wellicht zou moeten weigeren. Zy zullen ons helpen, voor zoover zij zich verplicht zullen achten, bij te dragen tot de verzorging van onze toekomst, wanneer onze diensten zullen ophouden waarde voor hen te hebben, en wij toch leven moeten. En die hulp zullen wij dankbaar aannemen.
Trouwens, is het ook niet eenigszins de zaak onzer principalen, die wij voorstaan V Of' is het hun onverschillig, wat het lot hunner oude dienaren wezen zal, met wie zij jaren lang, misschien hun gansche leven, op vertrouwelijken voet hebben omgegaan; die vaak in moeielijke omstandigheden hen trouw ter zijde stonden; die altijd hun plicht vervulden, niet alléén om den broode, maar ook uit hartelijke toewijding? Zóó zijn er immers velen, en zoo hopen wij allen immers ook te worden, oud met eere, van wie zulk een getuigenis kan worden afgelegd? Welnu, als zulk een oude heengaat, zal dan de patroon niet gaarne zien, dat hij goed verzorgd blijft, dat hem niet een oude dag vol vernedering en ontbering wacht, maar dat hij kan uitrusten van den langen arbeid, en het overige van zijn dagen in vriendelijke kalmte slijten?
En zou de patroon daartoe niet willen medewerken?
Laat ons het niet verbloemen; wij rekenen op die hulp. Zonder haar is ons plan een doodgeboren kind, dat wij niet spoedig genoeg kunnen ter zijde leggen. Mèt haar gelooven wij eene goede zaak tot stand te kunnen brengen, die menig handelsbediende in zijn ouderdom zegenen zal.
Die onontbeerlijke steun kan verleend worden ten behoeve van bepaalde personen. In ons eventueel contract tot pensioenverzekering zal eene clausule voorkomen, waarbij bepaald wordt, dat ten behoeve der verzekerden ook door derden kan worden deelgenomen.
Daarmede zal aan den koopman de gelegenheid zijn opengesteld om zijn personeel een pensioen toe te leggen, of in het verzekeren daarvan mede te dragen. Eene hier gevestigde firma heeft reeds sedert jaren de gewoonte eene som, ten beloope van eene maand salaris, voor ieder harer bedienden jaarlijks aan premiën voor levensverzekering uit te betalen. Een schitterend voorbeeld, dat ook op het gebied van pensioen-verzekering voor navolging vatbaar is. In andere, vooral in industrieele kringen, wordt dit stelsel reeds algemeen toegepast. En zorgt ook de
63
Staat niet voor de pensioneering van zijn ambtenaren, zij het dan uit hun eigen zak ? Op meer genereuse wijze, doch in denzelfden trant, kome dan de patroon zijnen bediende tegemoet, waar deze in het betalen van eene voldoende premie te kort mocht schieten, of waar men hem meer mocht willen toedenken, dan hij zich zeiven veroorloven kan.
Doch wat het zwaarste is, wege het zwaarst. Ons fonds, ten bate van allen, lijde niet onder den steun , ten behoeve van enkelen. Ook die enkelen, zullen medegenieten, indien ons fonds gedijt, terwijl bij mislukking de gevolgen zich tot allen zullen uitstrekken. Het zon d'vaasheid zijn, hier te beweren, dat wij met weinig geholpen zullen wezen. Een fonds, waarvan alleen de rente beschikbaar is, moet groot zijn, wil het eenigszins nut stichten. Daarom moeien wij hopen op een flink begin. Met f 1000â bijv. zouden wij meer dan 75 jaar rente op rente kunnen sparen, alvorens f 20000.â te bezitten. Zelfs de geduldigste zal moeten toestemmen, dat zoolang te wachten boven mensche-lijke krachten gaat, en op dien voet een fonds op te richten niet raadzaam zou zijn.
Ik stel mij voor, dat wij aanvankelijk geholpen zouden wezen met een kapitaal van /'20000.â (waarmede dan op eens de 75 jaren wachtens waren overgesprongen), en voorts met /2000.â jaar-lijksche donatiën. Onze Vereeniging bestaat nog geen G jaren , en de duur van lidmaatschap, welke op maximum-uitkeering recht geeft, stelde ik op 40 jaren. Wij hebben dus nog 34 jaren den tijd, te meer daar onze leden meest tot de jongeren behooren. JSog 34 jaren, alvorens althans van maxima sprake kan zijn. Tegen 4 pCt. nu, groeit een kapitaal van Æ 20000. â in 34 jaren
aan tot circa.............f 7(5000.â
Donatiën van j 2000.â p. a. maken in 34 jaar . - 68000.â en deze donatiën werpen in dien tijd een rente af van - 77000.â zoodat wij dan eene bezitting zouden verkregen
hebben van.............J 221000.â,
die ons een jaarlijksche rente tot uitkeering beschikbaar stelt van f 8840.â of bijna 30 maxima. Bij groote toetreding zou dit nog niet veel zijn, en de kans, om in zoo korten tijd tot dit cijfer te klimmen, is mede niet groot, daar wij ons toch wel niet geheel, gedurende die periode , van uitkeeringen zullen verschoond zien, ofschoon wij dit desnoods zouden kunnen bepalen. Men zal dus moeten erkennen, dat al schijnt mijne vraag overdreven, er niet veel minder kan worden gesteld, wanneer men iets tot stand wil brengen, dat aan redelijke verwachtingen beantwoorden zal.
Toen de Hamburger-Verein met zijn pensioen-plan optrad, schonk eene Hamburgsche tinna aan het jonge fonds eene donatie van M. 5000.â. Eene koninklijke gift, die echter niet uitsluitend in Duitschland mogelijk is, maar waartoe sommigen onzer Hollandsche kooplieden ook wel in staat zouden zijn.
En al geeft men niet zoo vorstelijk, als allen willen mededragen, ontvangen wij reeds meer dan wij vroegen. Het geldt eene instelling, ten behoeve der bedienden van den handel;
64
die beheerd zal worden door eene commissie uit den handel (onze commissarissen); en die dus èn de sympathie èn het vertrouwen van den handel kan verwachten.
Er zullen bovendien nog wel mannen uit anderen kring bereid worden bevonden, om in de oprichting van ons grondkapitaal behulpzaam te wezen, voor zoover zij iets zullen gevoelen voor ons streven, om in deze materie onszelven te helpen, en de kans op welslagen daarvan willen verhoogen.
Indien zij aldus, niet aan ons persoonlijk, maar aan onzen stand in zijn geheel, een blijk van instemming en waardeering geven wilden, zeker zouden wij dat erkentelijk aanvaarden.
En voorts, wie deze onze poging met sympathie begroet, hij spreke die uit. Indien hij dwaling daarin ontdekt, hij merke die op. Indien hij te verbeteren weet, hij geve dit aan. En zoo hij met woord of' daad helpen kan, hij onthoude zich niet!
Nog eens, de taak is zoo groot, en wij zullen zoo veler steun behoeven. Doch deze gedachte schenke ons moed: het groote ontstaat meestal uit het kleine. De meest ontzagwekkende kathedraal is gevormd uit afzonderlijke steenen. Bij het uitgraven van de fondamenten was nog niets te bespeuren van den trotschen bouw, doch mettertijd verrezen muren en torens tot eene machtige schepping, doordat vele nijvere handen steen aan steen te zamen voegden.
Zoo ga het ook ons fonds. Thans nog een ideaal, dat nauwelijks bereikbaar schijnt. Doch als straks de grondvesten gelegd zijn, dan rijze de stichting en breide zich uit door veler gulle en ijverige medewerking. Hetzij over korteren of langeren tijd, de voltooiing is zeker. Indien maar het begin goed is. Goed begonnen is half volbracht.