ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

5 ir,

IS AANVULLING WENSCHELIJK VAN DE WETTELIJKE BEPALINGEN OMTRENT DEN VOORRANG TUSSCHEN SCHULDEISCHERS ?

DOOR

Mr. H. L. DRUCKER.

Het was eene gelukkige gedachte van het Bestuur der Nederlandsche Juristen-Vereeniging om, naar aanleiding van eene opmerking van Prof. Asser in de Vergadering van

1884, de vraag aan de orde te stellen, of en in hoeverre onze wettelijke bepalingen omtrent voorrang tusschen schuld-eischers aangevuld behooren te worden met het oog op de behoeften van het moderne verkeer. Het zeer algemeen geformuleerde onderwerp is thans nader bepaald door de prae-adviezen, die twee onzer uitnemendste rechtsgeleerden hebben geleverd. Immers, al loopen hunne conclusiën op menig punt uiteen, de opsomming van de vraagstukken, die hier zijn op te lossen, is bij beiden grootendeels dezelfde. Twee daarvan wensch ik ter sprake te brengen :

lc. hypotheek of pandrecht ten behoeve van houders van papier aan toonder;

2°. waarborgen voor houders van pandbrieven van hypotheekbanken.

Vooraf echter eene algemeene opmerking, meer van theo-retischen aard. Zij wordt mij vooral in de pen gegeven door eenige beschouwingen van Mr. Hingst {Handelingen,

1885, I, bi. 73—76, 77 n4. 1 , 97) over „de taak van het

ocr page 4

recht.quot; „Daaromtrent zijn twee gangbare , doch uiteenloo-„pende voorstellingen. Volgens sommigen heeft het positieve „recht slechts zijn oorsprong in eene reeks van nuttigheids-„maatregelen. .. Anderenquot; — en daartoe zullen wij den geachten praeadviseur zelf mogen rekenen — „gelooven aan „een prototype van de uiterlijke rechtsbronnen, waaraan „deze kunnen worden getoetst.quot; Volgens de laatsten is des wetgevers taak eenvoudig te registreeren , wat als recht leeft in de maatschappij; zijn scheppend vermogen wordt ontkend. In Duitschland, waar deze leer vooral wordt verkondigd, lijdt zij reeds aan eenzijdigheid ; op onzen bodem overgeplant , schijnt zij mij nog minder in overeenstemming met den werkelijken toestand. Ja, er zijn onderwerpen waar de overtuiging van het volk of althans van de meer ontwikkelden zoo luide spreekt, dat wij ons den wetgever niet anders kunnen voorstellen, dan deze overtuiging constateerende. Men denke aan de voorschriften van art. 84, 86, 1374 B. W. Daarnaast echter bevat onze wetgeving tal van bepalingen , door den wetgever bedacht als middelen om eene behoefte te bevredigen, die door het volk of een beperkt deel des volks min of meer vaag wordt gevoeld, soms zelfs om een doel te bereiken, waarvan de wenschelijkheid slechts weinigen of alleen deu wetgever zelf' voor oogen staat. Het politierecht bevat daarvan voorbeelden te over.

Hoe is het in ons quot;'eval? Omtrent de regeling der hier

~ O o

bedoelde rechtsbetrekkingen bestaat geene gemeene overtuiging onder de rechtsgeleerden, veelmin onder het volk. Alleen de behoefte aan regeling wordt gevoeld; vooral dooide juristen wordt zij opgemerkt. Nu komt men tot den wetgever, en zegt; verschaf ons met uwe kennis, met uwe techniek een middel dat die behoefte bevredigt.

Geenszins worde beweerd, dat in Nederland in 1885 van den wetgever eene groote scheppende kracht uitgaat. De feiten leeren ons helaas dagelijks het tegendeel. Maar in het algemeen die scheppende kracht ontkennen, is, dunkt mij , de werkelijkheid uit het oog verliezen. Zij, die alles willen

ocr page 5

afleiden uit de rechtsontwikkeling in het volk, die door den wetgever slechts wordt geboekstaafd, moeten zich dan ook voortdurend redden met gefingeerde delegaties van macht. Het volk laat, volgens hen, de behandeling der bijzonderheden, de regeling van technisch-juridische onderwerpen over aan de rechtsgeleerden; deze delegeeren hunne taak weder aan den wetgever. Het is zeer de vraag, of door deze fictiën') de zaak duidelijker wordt, dan door erkenning van het feit, dat, bij de vorming van het recht, naast de volksovertuiging , ook de wetgever, voorgelicht door de wetenschap, eene rol speelt.

De behoefte wordt gevoeld om toonderpapier door pand of hypotheek te verzekeren; de wensch wordt uitgesproken, dat de pandbrieven der hypotheekbanken een bijzonderen waarborg zullen vinden in de hypotheken, door die banken gesloten. Bij het onderzoek naar de daartoe geschikte middelen , kunnen buitenlandsche wetgevingen uitstekende diensten bewijzen. Niet alleen bij de uitwerking in detail, gelijk Mr. Asser opmerkt, maar ook reeds dadelijk bij de bespreking der beginselen. Met concrete voorbeelden voor oogen, zal men zich den aard en de mogelijke vormen van dergelijke wettelijke regeling beter kunnen voorstellen. De Oostenrijksche Minister G1 a s e r wees er op, dat men zich in deze materie nog in het tijdperk der experimenten bevindt. Elke proef, elders genomen, is dus van waarde.

En nu ter zake.

Wat geldt tegenwoordig in Nederland omtrent hypotheek ten behoeve van papier aan toonder? Mr. Hingst (t. a. p., I, bl. 7G—78) acht den bestaanden rechtstoestand voldoende. „Het is genoegzaam dat iemand optreedt als houder der „blanco stukken en de verleende hypotheek doet inschrij-„ven — wat hij als houder verwerft, daarop kan iedere

') D e r u b u r g, die Bedeutung der Rechtswissenschaft fiir den modernen Staat, bl. 11, noemde ze onlangs terecht „gesuchte und nicht haltbare Stützeu.quot;

ocr page 6

4

„houder na hem zich beroepen.quot; In dit gevoelen staat de geëerde praeadviseur bijna alleen. Inschrijving van hypotheek ten behoeve van toonderpapier wordt door onze schrijvers eenparig onmogelijk geacht. De artikelen 1231 en 1235 B. W. verzetten zich, door hunne geschiedenis en strekking meer nog dan door hunne bewoordingen, tegen te boek-stelling eener hypotheek ten name van „de gezamenlijke houdersquot; of van ,A' als houder.quot; Men tracht dus langs een omweg het doel te jbereiken. Het Provinciaal Gerechtshof in Noord-Holland, bij arrest van 4 Febr. 1858 (W. v. h. li., nquot;. 1984), eene inschrijving „ten behoeve der gezamenlijke aandeelhoudersquot; nietig verklarende, onderrichtte tevens de belanghebbenden ,dat het geheel afhangt van „zoodanige houders, om zich door een bepaalden persoon „voor de vestiging en inschrijving der hypotheek te doen ver-„tegenwoordigeu, om een en ander met wettig gevolg te „kunnen bewerkstelligen.quot; Dien raad schijnt de practijk te volgen. Men stelt de hypotheek ten name van lasthebbers, bewindvoerders of commissie van beheer, voor de obligatie-houders optredende1). Volgens Mr. Asser voldoet ook deze wijze van handelen niet aan de eischeu der wet; „men behelpt zich daarmede.quot; Overigens is de verpanding van alle bezittingen van den schuldenaar, die zoo vaak in prospectussen en obligatiën voorkomt, meestal niets meer dan eene phrase.

Even groote onzekerheid bestaat er ten aanzien van het pandrecht op roerende zaken, ten behoeve van „gezamenlijke houdersquot; van obliscatiën eener j^eldleening (bevestigd. De

o o o o o

') Twee voorbeelden uit den allerlaatsten tijd. Voor eene leerling1 van de D ui tsch - Hollandse he Bou wmaatsu ha p p ij werd hypotheek verleend en deze ingeschreven ten name der Rotterdamsehe Bank (zie vonnis der Rechtbank te Rotterdam van 9 Maart 1S85, Pal. v. Just., 1885, Nquot;. 23*). Het prospectus dor onlangs uitgegeven Obliga-tieleening „eerste hypotheekquot; der Kon. Ned. Ij o e a a 1 s p o o r w. Maatsch. zegt, dat tot zekerheid der obligatiehouders eene hypotheek zal worden ingeschreven ten name van den commissaris der geidleening.

ocr page 7

Arnhemsche Rechtbank nam in 1881 rle geldigheid aan. Naar ons positief recht schijnt de juistheid dezer beslissing aan twijfel onderhevig.

Het thans gebruikelijke middel wilde de Staatscommissie voor de herziening der wetgeving op de eigendoms-overdragt enz. uitdrukkelijk in de wet erkennen (a. 35 van h. Ontw.). Deze regeling is echter geheel onvoldoende. Het werd reeds overtuigend aangetoond door Mr. Levy (Hand. Jur. Ver., 1878, I, bl. 95 vlg.). Mr. Asser komt dit betoog bevestigen. Tal van vragen zouden onopgelost blijven, Hoe bijv., wanneer de ingeschreven gemachtigden hunne betrekking neerleggen, of overlijden? Hoever gaat de bevoegdheid der gemachtigden ten aanzien van de uitoefening van het pandrecht? Hoe komt men tot doorhaling der hypotheek? Zijn de commissarissen bevoegd. van de hypotheek afstand te doen, wanneer het belang der obligatiehouders dit medebrengt?

Het is te vreezen, dat men in deze materie geen bevredigende oplossing zal vinden, wanneer men niet een beginsel aanneemt, dat reeds in meer dan eene wetgeving zijne intrede heeft gedaan, maar ten onzent nog geene plaats in het positieve recht heeft verworven: het beginsel van de organisatie der houders van Obligatiën in leeningen (zoog. Partialobligationen), meestal door zedelijke lichamen of naamlooze vennootschappen uitgegeven. De wenscheiijkheid daarvan wordt in het praeadvies van Mr. Asser herhaaldelijk uitgesproken (t. a. p., bl. 39, 43, 47 nt. 1, 52, 53); op andere plaatsen is zij tusschen de regels te lezen.

De rechtstoestand der houders van obligatiën is, naar de meeste wetten , een vrij ongunstige; practisch ontbreekt hun vaak de mogelijkheid hunne belangen te handhaven tegen handelingen van den schuldenaar '). Kan men den vroegeren wetgevers daarvan geen verwijt maken, thans behoort rekening te worden gehouden met de groote vlucht die de naam-

') Zie bijv. Prof. Asser, de Naamlooze Vennontschap,\Sl$ ,h\. 2~i vlg.

ocr page 8

(j

looze vennootschappen hebben genomen en met het feit, dat deze lichamen zich aanzienlijke sommen plegen te verschaffen door leeningen, die in oneindig kleine deelen gesplitst zijn. Enkele stappen in de gewenschte richting kunnen worden geconstateerd. De Belgische wet op de vennootschappen van 1873 geeft den obligatiehouders de bevoegdheid , de jaarlijksche balans enz. in te zien, eu met eene raadgevende stem deel te nemen aan de vergadering van aandeelhouders (artt. 68—70). Verder gaat een Ontwerp voor Luxemburg, onlangs op last der Regeering bewerkt door Prof. Nyssens te Leuven. Kort na de uitgifte der leening komen de houders bijeen , om een of meer commissarissen te kiezen. Deze hebben toegans; tot de algemeene vergade-

O O O

ringen en ontvangen ter inlichting dezelfde bescheiden als de aandeelhouders. Op hun verlangen moet het Bestuur de bezitters van obligation bijeenroepen. Is er hypotheek beloofd, dan zorgen zij voor de inschrijving; ook zien zij toe, dat, wanneer de opbrengst der leening voor een bepaald doel is bestemd, ze inderdaad daartoe wordt aangewend ').

Gewichtiger echter dan toekenning van rechten aan de obligatiehouders is m. i. regeling eener vertegenwoordiging tot handhaving hunner rechten. Het eerste kan voor elk bijzonder geval aan de overeenkomsten van partijen worden overgelaten, ten aanzien van het laatste behoort de wet algemeene voorschriften te geven. De noodzakelijkheid eener wettelijk geregelde vertegenwoordiging springt bij de quaestie die ons bezighoudt — inschrijving en uitoefening van hypotheek — duidelijk in het oog. Eveneens bij het verleenen van pandrecht op roerende zaken (Mr. Asser, t. a. p., bl. 38—40). Maar ook in andere gevallen zal zij goede diensten kunnen bewijzen. Theoretisch is wellicht de tegenwoordige toestand geheel gezond: ieder obligatiehouder kan tegen schending zijner rechten opkomen. Maar in de practijk

') Enkele bepalingen hieromtrent komen ook voor in het Ital Wetb. v. Kooph. (artt. 171 —175).

ocr page 9

7

baat die fraaie bevoegdheid weinig. Den enkelen houder ontbreken meestal ') de lust en de middelen om eene moeilijke procedure aan te vangen , waar zijn financieel belang slechts een nietig deel is van het geheel. Het gevolg is, dat handelingen, voor de houders van obligatiën zeer nadeelig, ongestraft kunnen plaats hebben. Hunne organisatie zou daaraan te gemoet komen. Waar zij eene enkele maal buiten de wet om en daardoor op min of meer gebrekkige wijze plaats heeft, is het nut gebleken.

Doch er is meer. Het welbegrepen eigenbelang der obligatiehouders kan vorderen, dat zij afstand doen van hunne hypotheek, of een voorrecht toekennen aan eene later aangegane schuld. Men denke bijv. aan een spoorweg, die bij gebrek aan rollend materieel de exploitatie niet kan voortzetten , terwijl de leverancier weigert de wagens te verschaffen, ten/ij hem een voorrang boven vroegere hypothecaire schuld-eischers worde verleend. Om den executorialen verkoop te voorkomen, kan mede opoffering van recht wenschelijk zijn. Moet nu echter een enkele crediteur, houder wellicht vau één obligatie, die niet is op te sporen of zijn toestemming weigert, het tot stand komen eener schikking kunnen verijdelen?

Het zou daarom aanbeveling kunnen verdienen, de vraagpunten , door het Bestuur grootendeels naar aanleiding der conclusiën van Mr. Asser gesteld, aan te vullen met eene vraag, ongeveer aldus luidende: „Behoort de wet regelen

') Meestal, niet altijd. Br zijn uitzonderingen. De Ne der lan dsch e C en t raa 1-Spoo rw eg m aat sell ap pij — de vennootschap, waarop in ons land de experimenten worden genomen — heeft dit een en andermaal ondervonden. Men zie een vonnis der rechtbank te Utrecht van 20 Juni 1883 ( W. v. h. li., nquot;. 4917), juridisch vooral belangrijk om de beslissing, dat de overeenkomst, door de maatschappij met den obligatiehouder gesloten, is eene wederkeerige in den zin van a. 1302 B.W. Minder juist schijnt de wijze, waarop de schadevergoeding werd berekend. Eene andere zeer opmerkelijke procedure, tegen dezelfde maatschappij door een obligatiehouder ingesteld, wordt medegedeeld in W. v. h. R., nquot;. 5142.

ocr page 10

te geven, volgens welke de houders van obligatiën ten laste van naamlooze vennootschappen of zedelijke lichamen, met betrekking tot hunne gemeenschappelijke belangen als zoodanig, kunnen worden vertegenwoordigd?quot; Tot de beantwoording ook van deze vraag moge het thans volgende overzicht der buitenlandsche wetgevingen eene bijdrage leveren.

In de eerste plaats komt in aanmerking de Oostenrijksche „Curatorenwetquot; (Gesetz v. 24 April 1S74 betr. die gemeinsame Vertretung der Rechte der Besitzer von auf Inhaber lauUnden üder durch Indossament nbertragbaren Theilschiddverschrei-hun gen nnd die biicherliche Behandlung der /nr solche Theil-schuldverschreibnngen eing er dunden Hypothekarr echte 'j. Lag de aanleiding dezer wet vooral in de droevige gebeurtenissen van het jaar 1873, het algemeen belang der regeling werd geenszins over het hoofd gezien. Vooral door den toenma-ligen Minister van Justitie Glas er werd het nut van de vertegenwoordiging der schuldeischers duidelijk uiteengezet 2). Hoe nu echter die vertegenwoordiging te bereiken? De wetgever achtte het minder geschikt, door de schuldeischers zelf commissarissen te doen verkiezen. De ervaring leert immers overal, dat slechts weinigen, en meestal niet eens de meest betrouwbare houders, ter vergadering opkomen. Bovendien, vroeg men, met welk recht zou de meerderheid dwang kunnen uitoefenen over de minderheid? Eindelijk, zou de verleende volmacht ook volgende houders binden? Zoo besloot men tot staatstusschenkomst; de rechter zou een „gemeinsamen Curatorquot; benoemen. Een aanknoopingspunt vormde § 276 Oostenr. 13. W., dat benoeming van een curator toelaat voor afwezigen en onbekende belanahebben-

O ~

den. De vraag deed zich verder voor, of dadelijk bij de uitgifte der leening een blijvende curator ter behartiging van de belangen der obligatiehouders zou worden aangesteld,

') Met de gewisselde stukken uitgegeven als no. 17 in de verzameling: Oesterreichische Gesetze mit Materialieu, von Dr. J. K aserer.— Wien, Holder, 1874.

') Zie de aangehaalde uitg., bl. 47 vlg.

ocr page 11

9

of dat men eerst bij concreet gebleken behoefte tot die aanstelling zou overgaan. Men koos liet laatste. De curator kan worden benoemd in twee gevallen: 1° wanneer „die Rechte der Besitzer wegen des Mangels einer gemeinsamen Vertretung gefahrdetquot; en 2° ,dle lie elite eines Anderen in ihrem Gauge gehemmt würden.quot; Faillissement des schuldenaars, onder iiu. 1 begrepen, wordt nog opzettelijk vermeld om twijfel uit te sluiten.

liet initiatief tot de benoeming gaat in liet tweede geval uit van dengene die in de uitoefening zijner rechten belemmerd wordt. In het eerste geval kan het verzoek gedaan worden door iederen houder , die zijne hoedanigheid als zoodanig staaft, met opgaaf' van aanleiding en doel der ge-wenschte curateele. Oefent de Staat toezicht uit over de onderneming-schuldenaar, dan kan ook het orgaan van dat toezicht de curateele uitlokken. De rechter kan van den houder zekerheidstelling voor de kosten verlangen , als voorwaarde voor de benoeming.

Acht de rechter het verzoek gegrond, dan stelt hij een curator aan met vermelding alweer van aanleiding en doel. Bekendmaking van een en ander verschaft den houders de gelegenheid, zich met den curator in betrekking te stellen-Sommigen vreesden misbruik: men zou den schuldenaar, wien dergelijke publicatie, al ware zij ongegrond, onaangenaam moest zijn, als middel tot afpersing dreigen met indiening van een verzoek om curateele. Een amendement, strekkende om de rechterlijke beschikking eerst bekend te maken, wanneer de curator reden vond tot actief' optreden, werd echter verworpen.

Ten aanzien der rechten en verplichtingen van den curator gelden de algemeene regels van burgerlijk recht omtrent curators, die voor enkele zaken zijn aangesteld. De rechter, die hem benoemde, fungeert als Curatelsbehörde. De kosten der curateele komen ten laste van den schuldenaar, behoudens zijn verhaal op dengene die zonder reden de benoeming van den curator uitlokte. Tot de verplichtingen

ocr page 12

10

(les ciu-ators behoort het verschaffen van inlichtingen aan de houders , auf kurzem Wegequot; , bijv. door aanplakking in zijn kantoor, door circulaires, enz.

Eene zeer gewichtige bepaling bevat §9: „In Angelegen-jheiten, welche gemeinsame Rechte der Besitzer von Tlieil-„schuldverschreibungen betreffen '), können die einzelnen „Besitzer ihre Rechte selbstilndig nicht geltend mach en.' Alleen staat bet hun vrij, op eigen kosten te interveniëeren in het geding, dat de curator voert. Bovendien kunnen zij den rechter opmerkingen doen toekomen over de geschikt-lioid of de betrouwbaarheid van den curator; de rechter kan hem desnoods ontslaan. Het was vooral deze regeling, die tegenstand ontmoette. Men achtte het bedenkelijk, den enkelen houder, zoodra het een gemeenschappelijk belang betreft, het recht tot optreden te ontzeggen , zelfs dan wanneer de rechter heeft geweigerd een curator te benoemen. Een amendement wilde, bij afwijzing van het verzoek om curateele, den houder toestaan, zelfstandig zijne rechten te handhaven. Doch deze poging mislukte. Opmerking verdient intusschen, dat de rechter, alvorens den curator te benoemen , alleen onderzoekt, of de aangevoerde feiten de curateele zouden wettigen, niet of die feiten inderdaad juist zijn.

Zoover het eerste Hoofdstuk der wet. Over de rechten zelf, die aan de houders toekomen, handelt de wet niet. De door ons besproken bepalingen betreffen alleen de handhaving der van elders bestaande rechten. In Hoofdstuk II worden zij al dadelijk benuttigd voor de inschrijving van pand of hypotheek ten behoeve van obligatiehouders. Zelfs de tegenstanders der wet erkenden de noodzakelijkheid van deze regeling. De wijze en vorm van inschrijving vindt men in §§ 11 en 12; zij vermeldt niet de vordering des gerechtigden, maar veeleer de schuld van den debiteur, nam. het geheele bedrag en de voornaamste bepalingen omtrent de

J) Over de interpretatie dezer woorden zie Entscheidungen des Reichs-gcrichts, I, no, 30, bl. 59 vlg.

ocr page 13

11

uitgifte der obligatiën, hun uantal, grootte en atiossiug. De inschrijving wordt met haar dagteekening en nummer op de obligatiën aangeteekend, echter door den emittent zelf. Verdere waarborgen wist men, althans in verband met het onderwerp van deze wet, niet te verleenen. Met de obligatie gaat het pandrecht op nieuwe verkrijgers over; zijn rang is echter alleen bepaald ten opzichte van de geheele vordering. Voor doorhaling der hypotheek is in het algemeen toestemming des curators onder rechterlijke goedkeuring noodig. Wordt echter aangetoond, dat de obligatiën zijn afgelost en vernietigd, dan kan zij op dien grond plaats hebben. Bij ondernemingen onder Staatstoezicht staande kan bovendien een deel van het verbondene worden ontslagen op verklaring van het Staatsorgaan, dat dit voor de zekerheid der obligatiën geen gevaar oplevert. Is eene hypotheek verleend ten behoeve van houders van obligatiën in staats-, provinciale of gemeentelijke leeningen , dan zijn de bepalingen der wet, voor zoover de inschrijving en uitoefening der hypothecaire rechten betreft, in hoofdzaak ook daarop van toepassing.

Gedeeltelijk ten gevolge der abnormale tijdsomstandigheden, werd de wet reeds spoedig bij herhaling in praktijk gebracht'). Hare werking werd echter niet algemeen gunstig beoordeeld. Sommigen beweerden, dat zij meer strekte om „schwindel-hafte Eisenbahnen und Banken gegen Execution zu schüt-zenquot; , dan om de obligatiehouders te beschermen. Belangrijke discussiën werden hieromtrent gevoerd in het Oostenrijksche Heerenhuis (zitting van 22 Febr. 1877), naar aanleiding van een wijzigingsontwerp, door de Regeering ingediend. Een bezwaar had zich namelijk doen gevoelen, dat men , met behoud van de grondslagen der wet, wilde wegnemen. Waar het gold gewichtige beslissingen, bijv. omtrent afstand van voorrechten of hypotheken, had het vaak den curator en

') O. a. in de bekende couponprocessen. Zie liechlsyel. May., I, bl. 235 vlg., 500. — Zeitschr. f. d. ges. TIK., 27, bl. 512 vlg.

ocr page 14

den rechter, die zijne handeling moest goedkeuren, aan het noodige licht ontbroken; de verantwoordelijkheid tegenover de belanghebbenden was hun ook dikwerf te zwaar gevallen. De houders bij meerderheid zelf laten beslissen, wilde men nu evenmin als in 1874. De Regeering stelde daaroiq voor, dat in dergelijke belangrijke gevallen de houders zouden worden bijeengeroepen om hun gevoelen te doen kennen tot inlichting van curator en rechter. In den loop der beraadslaging onderging het Ontwerp ingrijpende wijzigingen. De inhoud der aanvullingswet van 5 Dec. 1877 ') komt nu in hoofdzaak hierop neder. Wanneer het bij de benoeming van een curator volgens de wet van 1874, met het oog op de aanleiding, waarschijnlijk is te achten, dat de curator eene rechtshandeling zal moeten verrichten, waarvoor wegens haar belang rechterlijke machtiging noodig is, dan zorgt de rechter voor bijeenroeping der door den curator vertegenwoordigde houders. Omtrent de wijze van oproeping bevat de wet eene zeer zorgvuldige regeling. De vergadering, die door den rechter wordt geleid, heeft tweeërlei taak. Vooreerst bespreking van en stemming over de voorstellen, dooiden curator of door anderen gedaan ; van een en ander wordt ter informatie des rechters een proces-verbaal opgemaakt. Voorts kiest de vergadering 3 Vertrauen.imanner en 3 plaatsvervangers om den curator van advies te dienen. Vraagt deze rechterlijke machtiging, dan moet hij hunne adviezen overleggen. De beschikking des rechters wordt gepubliceerd. Een of meer der vertegenwoordigde houders kunnen met de wettelijke rechtsmiddelen daartegen opkomen. De rechten der enkele bezitters zijn dus door deze wijzigingswet belangrijk uitgebreid. De vrees werd zelfs uitgesproken, dat men met de laatstvermelde bepalingen te ver ging: een enkele bezitter zou thans een nuttigen maatregel kunnen beletten ol ten minste vertragen.

') No. 29 der boven aangehaalde verzameling.

ocr page 15

18

Ook audere wetgevers hebben zich met het onderwerp, althans gedeeltelijk, beziggehouden. Het waren vooral de obligatiën ten laste van spoorwegen , die de aandacht trokken. Verschillende andere gezichtspunten komen daarbij in het spel, o. a. de moeilijkheid om hier het stelsel van speciale aanduiding van het verpande goed consequent toe te passen, maar vooral het publiek belang bij de onbelemmerde exploitatie van den spoorweg. Eene Hongaarsche wet van 7 April 18(38 (gewijzigd in 1881) opent de rij: zij verschaft de gelegenheid, om ten behoeve van spoorwegobligatiën eene hypotheek op den spoorweg in te schrijven. In Oostenrijk geldt eene uitvoerige wet van 19 Mei 1874 ^betreffend die Anle(jun(j von Eisenbahnbüchern, die Wirkung der an einer Eisenbahn eingeriiumten Hypothekarrechte und die bücherliche Sicherung der Pfandrechfe der Besitzer von Eis en-bahn-Prioritatsobligationen* '). Volgens deze wet mag de uitgifte van spoorweg-prioriteitsobligatiën eerst na inschrijving van het pandrecht 2) plaats hebben. Voorrechten, voor haar in werking treden aan vroegere leeningen toegekend , worden thans, naar tijdsorde der verleening, aangeteekend en aldus bevestigd. De straks vermelde wet omtrent de vertegenwoordiging der obligatiehouders geldt ook hier.

Eenigszins afwijkend is eene Zwitsersche Bondswet van 24 Juni 1874 „über die Verpfandung und Zwangsliquidation der Eisenbahn en.quot; Bij deze wet 3) staat het doel op den voorgrond, om de bestemming van den spoorweg voor het publiek verkeer te verzekeren en tegen belemmering door executiën te vrijwaren. Pandrecht op den spoorweg kan niet

') Ho. 21 der boven aangehaalde verzameling.

^ Ken voorbeeld van zoodanige inschrijving levert het uittreksel uit het Eisenbahnbuch , afgedrukt bij Ex nor, das oesterr. Ihjpotlielcenyecht, Beilage VI.

:lt;) De wet is te vinden in Zeitschr. /'. d. yes. HR., 21, bl. 426 vlg. Zie ook Meili, das Pfand-und Concursrecht der Eisetibahnen (Leipzig, 1879), eene verdienstelijke rechtsvergelijkende studie Uit dit werk blijkt de veelvuldige practische toepassing der wet.

ocr page 16

14

gevestigd worden zonder toestemming van den Bondsraad, die afhankelijk is van het bewijs, dat het dient ter verzekering van reeds bestaande schulden, of' van leeningen ten nutte der onderneming aan te gaan. De verpanding van spoorwegen wordt ingeschreven in een bijzonder register, en wel door vermelding van het bedrag der leening, den rang en verdere bedingen. Voor de rechten van schuldei-schers, in wier titels vóór het in werking treden der wet voorrang was toegezegd, is behoorlijk gewaakt. — Waaide gezamenlijke houders moeten optreden, worden zij ter vergadering bijeengeroepen. Zoo in art. 8, waar het geldt afstand te doen van het pandrecht of van den rang. Stemt de meerderheid der vertegenwoordigde obligatiën vóór den afstand, dan wordt dit besluit bekend gemaakt. Wie niet binnen 30 dagen er tegen opkomt, wordt geacht zich te onderwerpen. Wie reclameert, behoudt voor zijne obligatiën de vroegere rechten. — De eenheid der vordering komt vooral uit in geval van liquidatie. „Jedes Anloihen, auch wenn es in Partial-Obligationen zerfiillt, bleibt eine einheitliche Forderungquot; (art. 15). Wordt de liquidatie door enkele houders verlangd , dan roept het Bundesgericht eene vergadering der houders bijeen, die bij meerderheid, naar het bedrag der vorderingen berekend, beslist '). Eerst wanneer de schuldenaar met de betaling van verschenen kapitaal of rente een jaar lang in verzuim is , wordt tot liquidatie overgegaan ook op verzoek van slechts enkele houders. In elk geval wordt den schuldenaar nog een termijn toegestaan om aan zijne verplichtingen te voldoen. — Bij faillissement behoeven de obligatiehouders zich niet aan te melden; de curator brengt ze ambtshalve op de lijst der schuldeischers.

Vestigen wij thans de aandacht op het Duitsche Rijk. Op 3 April 1879 en bijna onveranderd weder op 27 Febr. 1880 werd den Rijksdag een wetsontwerp voorgelegd „betreffend

') Het begiiifiel van beslissing dooi' de meerderheid wordt verdedigd door Mei li, t. a. p., bl. 81—89.

ocr page 17

15

das Pfandrecht an Eisenhahnen und die Zwanysvollstreckuny in dieselben11 , met eene hoogst belangrijke Memorie van Toelichting als no. 33 der stukken van den Rijksdag 1880 gedrukt. De Bijlage A geeft een volledig overzicht van den bestaanden rechtstoestand op liet stuk van verpanding van spoorwegen en speciaal van de rechten der obligatiehouders in Pruisen, in de andere Duitsche Staten en in het buitenland. Uit deze uitvoerige samenstelling blijkt, op hoe verschillende wijzen men getracht heeft, bij de uitgifte van spoorwegobligatiën waarborgen aan de houders te verschaffen , nu eens door hun een voorrecht boven alle latere leeningen of boven alle schuldeischers der maatschappij toe te zeggen, dan weder door hun den spoorweg te „verpanden.quot; Door deze verklaring, die iu de obligatiën van een aantal maatschappijen voorkomt, is echter slechts bij uitzondering een werkelijk pandrecht tot stand gekomen, eensdeels omdat de inschrijving ten behoeve van toonder bezwaar oplevert, anderdeels omdat de wetgevingen den spoorweg met zijn materieel enz. niet als een geheel beschouwen en dus alleen door de uiterst omslachtige inschrijving op elk stuk grond het doel kan worden bereikt. Hoe fraai dus oppervlakkig de gebruikelijke naam Prioritcitsobli-(j at ionen ook moge klinken, hoe soliede de obligatie door het verleende pandrecht moge schijnen, juridiek beteekeuen deze waarborgen weinig of niets. Wettelijke regeling van het recht der spoorwegobligatiën kwam vooral daarom wensche-lijk voor, omdat het publiek, vertrouwende op den voorrangen het pandrecht '), ze als volkomen zekere geldbelegging-pleegt te beschouwen en honderden millioenen erin geplaatst heeft. Reeds in de Konkursordnung werd het onderwerp

') Soms werd de illusie, dat de zoogenaamde prioriteitsobligatiën een voorrang hebben boven andere schuldvorderingen, op harde wijze verstoord Zoo bij het faillissement der C refel d-K r e is-Ke m pe n e r Spoorweg-maatschappij. Zie Keyssner in Zeitschr. f. d. ges. II Ti., 25 , bl. 425. Yerg. ook Stobbe, Hanclb. d. deutsch. l'fivalrechts , II, § 111, nt. 24{.

ocr page 18

1(i

aangeroerd. § 17 van de invoeringswet laat het aan de landswetten over, aan de houders van obligatiën in leeningen van genieenten, naamlooze vennootschappen enz. een pandrecht toe te staan op roerende zaken, zoodanig dat deze worden gesteld in de macht van een vertegenwoordiger dei-gezamenlijke houders alleen of gemeenschappelijk met den emittent, of om hun een voorrecht te geven boven andere schuldeischers door inschrijving in een openbaar register. De rijksregeering verloor intusschen de zaak niet uit het oog. De wensch om het onderwerp te regelen in verband met bepalingen ter verzekering van de ongehinderde exploitatie der spoorwegen in geval van executie of faillissement leidde tot het bovengenoemde Ontwerp, dat echter niet tot wet schynt te zijn verheven.

Het Ontw. beschouwt den spoorweg niet al zijn toebe-hooren als een geheel (Bahneinheit). Voor elke Bcihneinheit kan een register {Eisenbahnbuch) worden aangelegd. Pandrecht op den spoorweg ontstaat alleen door inschrijving in dat register. Het Ontwerp zelf kent geen pandrecht toe; het verieenen daarvan blijft aan den eigenaar overgelaten. Geregeld wordt het bovendien slechts in zooverre „de bijzondere aard van het verpande voorwerp tot eene bepaalde inrichting van het instituut noodzaaktquot;; het overige is ter beoordeeling der verschillende landswetten. Eene eigenaardigheid ligt vooral hierin, dat het pandrecht op spoorwegen meestal gevestigd • wordt ten behoeve eener in talrijke stukken aan toonder verdeelde leening. Het Ontwerp gevoelde nu de noodzakelijkheid om die obligatiehouders in sommige gevallen tot eene eenheid te organiseeren. Het Oostenrijksche stelsel werd vei-worpen; „voor eene zoodanige ontkenning van het recht cles houders schijnt geen voldoende reden te vindenquot;, zegt de M. v. T., en elders: „de zelfstandige liandhaving van de rechten eens houders wordt niet beperkt; zulk eene beperking zou eene niet te rechtvaardigen uitzondering zijn op algemeene rechtsbeginselen.quot; „liir zijn echter gevallen, waar de halsstarrigheid van enkele schuld-

ocr page 19

17

eischers of de traagheid van een niet op te sporen schuld-eiscber in liet doen gelden zijner rechten de verwezenlijking van maatregelen zou kunnen beletten, die voor de scbuld-eischers niet minder voordeeiig zijn dan voor den schuldenaar, al sluiten zij een gedeeltelijken afstand van rechten in zich. Juist bij spoorwegen, waar de verzilvering bij executie groote moeilijkheden oplevert, kan zoodanige afstand van rechten soms de onderneming en daarmede ook de schuld-eischers redden.quot; Vandaar, dat men, naar analogie van de bepalingen omtrent het accoord bij faillissement, het nemen van bindende besluiten door de meerderheid mogelijk maakte.

Uit het omvangrijke Ontwerp releveeren wij slechts die bepalingen, die voor onze quaestie van belang zijn. Zij betreffen vooral vier punten:

1quot;. Inschrijving van het pandrecht (§§ 12 vlg.). Wanneer de schuld, hetzij ze een kapitaal of eene rente tot voorwerp heeft, in deelen is gesplitst waarover schuldbekentenissen aan toonder zijn uitgegeven, kan de inschrijving geschieden zonder vermelding van den schuldeischer; zij wijst dan aan het totale bedrag, aantal, omschrijving en hoofdsom der obligatiën en de voorwaarden van aflossing. Elke obligatie moet, behalve datum en onderteekening, nog opgaaf van haar bedrag inhouden, alsmede een kenmerk om ze van andere te onderscheiden (nummer , enz.), de conditiën van betaling en de totaalsom der schuld. De inschrijving wordt door de dagbladen gepubliceerd. Waarmerking der obligatiën door het openbaar gezag wordt niet voorgeschreven. Zelfs in haar eenvoudigsten vorm zou zij den hypotheekbewaarder een ontzaggelijken last en eene nauwelijks overzienbare verantwoordelijkheid opleggen. Door de gepubliceerde inschrijving is het geheele bedrag der leening bekend. Misbruik door herhaalde uitgifte van obligatiën met hetzelfde nummer

O O

achtte men nauwelijks te vreezen. Om niet te praejudiciëeren op de wettelijke regeling der bevoegdheid tot uitgifte van toonderpapier, en ontduiking van het vereischte der goedkeuring van Staatswege, waar dit bestaat, te voorkomen,

ocr page 20

18

is bepaald , dat eeue schuld , ten name van een bepaalden schnldeischer ingeschreven , alleen met toestemming des eigenaars in deelen zonder aanduiding des schuldeischers kan ■gesplitst worden.

2quot;. Te niet gaan van het pandrecht (§§ 21—24). In aansluiting aan de nieuwere hypotheekwetten, verklaart het Ontwerp de spoorwegschuld alleeu opgeheven door doorhaling in het register. Om deze te verkrijgen moet de eigenaar eene gerechtelijke of notariëele akte overleggen ten bewijze dat de obligatiën door hem vernietigd zijn. De doorhaling wordt bekend gemaakt.

3°. Afstand van het pandrecht in geval van executie (§§ 31 — 35). Het staat eiken schnldeischer vrij, de executie uit te lokken; ook de obligatiehouder wordt in dit opzicht niet, gelijk in de Zwitsersche en vooral in de Oostenrijksche wet, beperkt. Alleen de wijze van executie is bijzonder geregeld. Bij de executie kan het pandrecht voor eene in obligatiën verdeelde spoorwegleening geheel of gedeeltelijk worden prijsgegeven door besluit van eene vergadering der schuldeischers, die door den rechter wordt belegd, wanneer

a. de autoriteit, die toezicht over de spoorwegen uitoefent, dit vordert;

h. het verzoek daartoe, onder nederlegging eener som voor de kosten, wordt gedaan door den eigenaar van den spoorweg of' door schuldeischers, wier obligatiën te zamen 4% van het bedrag der schuld uitmaken. Hierin liggen waarborgen reeds tegen ongemotiveerde belegging der vergadering. Dé bijeenroeping geschiedt door openbare kennisgeving met vermelding van het doel. De leiding der bijeenkomst berust bij den rechter. Tot het nemen van een besluit is noodig, dat de meerderheid der aanwezige of vertegenwoordigde houders uitdrukkelijk toestemt, en het gezamenlijk bedrag hunner vorderingen minstens drie vierde der geheele schuld vormt. Als houders komen alleen zij in aanmerking, die hunne titels, ten genoege des rechters, hebben gedeponeerd. Het besluit der vergadering behoeft de goedkeuring

ocr page 21

Ill

des rechters: ieder houder kiin er testen in verzet komen, idles in hoofdzaak volgens de regels, in de Konkursordnung ten aanzien van het gerechtelijk accoord vastgesteld. Over hot geheel sluiten de hier besproken bepalingen zich nauw daarbij aan. Zoo is het ook hier een vereischte, dat alle houders gelijk worden behandeld en dat het besluit niet strijdt niet het gemeenschappelijk belang.

4°. Faillissement der spoorwegonderneming. Aan het Hoofdstuk, dat daarover handelt, ontleen ik slechts eene enkele bepaling. De obligatiehouders behoeven zich niet aan te melden. De voorschriften omtrent hunne bijeenkomst (zie onder 3n) gelden ook hier; zij komen o. a. bij het gerechtelijk accoord te pas ').

Eindelijk verdient nog vermelding eene Brunswijksche wet') van 30 Maart 1881 .die Hypotheken fiir die auf den In-haber lendenden Schuldverschreibimgen und Verpjlichtungs-scheine betreffend.11 Ziehier hare voornaamste bepalingen. Met toestemming der Regeering kan eene hypotheek worden ingeschreven ten behoeve der gezamenlijke houders van obligatiën aan toonder, en wel op naam van Syndiken als vertegenwoordigers. Omtrent de vervanging dezer commissarissen, even als omtrent verschillende andere punten, moeten vooraf regels gesteld zijn in de overeenkomst die over de uitgifte der leening wordt gesloten {General-Obligation). De commissarissen vertegenwoordigen de houders met betrekking tot de hypotheek in en buiten rechte; deze kunnen zelfde hypothecaire rechten niet tegen derden doen gelden. Afgezien van het geval van aflossing der leening, behoeven de commissarissen voor handelingen, waardoor het pandrecht opgeheven of verminderd wordt, machtiging in de Genercd-Obligaiion of goedkeuring door de algemeene vergadering.

') Dergelijke bepalingen van het Engelsche recht vermeldt de Bijlage tot het Ontwerp, bl. 103. De Zwitsersche en de verschillende door ons besproken Oosteiuijksohe wetten zijn aan het slot van hot Ontwerp afgedrukt.

quot;) Opgenomen in ZeiUchr. f. cl. ges. 11 li., 27, bl. 484 vlg.

ocr page 22

20

Deze is eveneens noodig ter benoeming van nieuwe commissarissen , wanneer al de aangewezene ontbreken. De wijze van bijeenroeping der vergadering moet in de General-Ohli-gution bepaald zijn. Hare besluiten zijn, behoudens bijzondere regeling in de G. O., voor alle schuldeischers verbindend , wanneer zij door de meerderheid — naar het bedrag berekend — der verschenen houders zijn aangenomen.

Resumeeren wij, dan blijkt, dat de verschillende wetgevingen de gelegenheid openen, op eenvoudige en practische wijze eene hypotheek te vestigen voor eene leening, uit schuldbrieven aan toonder bestaande. Ook bij ons kon dergelijke inschrijving voor de leening in haar geheel worden toegestaan. Omtrent de uitoefening van de rechten der schuldeischers bestaat meer verschil. Eene zekere mate van organisatie wordt overal gevonden. Het verst ginquot; de oor-

o o o O

spronkelijke Oostenrijksche wet door den enkelen schuld-eischer een zelfstandig recht tot ageeren geheel te ontzeggen en zoo noodig een curator ter behartiging der geza-

cï o O O o

menlijke belangen te laten optreden. De Zwitsersche wet en het Duitsche Ontwerp doen in verschillende gevallen de meerderheid der schuldeischers beslissen. Ook daar wordt voorkomen, dat een enkele houder het tot stand brengen van een voor allen nuttigen maatregel belemmere. Ook in deze richting zal ten onzent iets behooren te worden gedaan '). De Zwitsersch-Duitsche regeling schijnt mij de voorkeur te verdienen boven de Oostenrijksche. Beslissing bij eenvoudige meerderheid der verschenen houders (Brunswijk) is echter bij uitstek gevaarlijk.

J) Als een bewijs, hoe zeer de behoefte aan zoodanige regeling wordt gevoeld, moge nog dienen liet boven aangehaalde vonnis der Rechtbank te Rotterdam. Men leest daar: „O. dat de aansprakelijkheid ... is vervallen en gedekt door de in de vergadering van obligatiehouders . . met nagenoeg algemeene stemmen verleende décharge; O. . . . dat het besluit, in een wettig te zamen geroepen vergadering door de meerderheid genomen, voor de minderheid is verbindend . . .quot; Zeer practisch, maar ook in overeenstemming met de wet?

amÊÊÊ—mÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊmmm

. .

•gt; ^

ocr page 23

Wanneer wij thans overgaan tot bespreking van den rechtstoestand der houders van pandbrieven van hypotheekbanken, clan geschiedt dit, omdat deze kan dienen als type voor eene geheele categorie van verschijnselen in het moderne verkeersleven. Ook in andere gevallen ziet men , dat een deel van de activa des schuldenaars economisch in verband staat met een deel zijner passiva en bijzonder tot dekking daarvan bestemd is. Men stelt zich dan de vraag, of dat economisch verband tot een juridisch moet worden verheven. In meer dan een opzicht schijnt het wenschelijk, de hypotheekbank als voorbeeld te nemen. Maatschappelijk is zij van groot belang. Haar werkkring is eenvoudig, hare juridische natuur onbetwist; de beschouwing levert dus geene moeilijkheid op. Eindelijk genieten wij hier het licht, door verschillende buitenlandsche wetgevingen ontstoken. Vooral het wetsontwerp „betreffend das Faustpfandrecht fiir Ff and-brie fe and ahnliche Schuldverschreibungenquot; , met eene voortreffelijke Toelichting in 1879 den Duitschen Rijksdag voorgelegd, is eene rijke bron van inlichting. Kon dit Ontwerp ondersteld worden ten onzent in ieders handen te zijn, wij zouden vaak met verwijzing erheen kunnen volstaan. Waarschijnlijk is dit echter niet het geval; zelfs in de beide praeadviezen, hoe belangrijk ook op dit punt, bleef het merkwaardige stuk onvermeld.

Vooral door 01 i v i e r 's werk : Over yrondcrediet en hypo-theelcbanken (Gorinchem, 1855) is de geschiedenis dezer instellingen bekend. Twee soorten moet men onderscheiden: 1°. de Pruisische provinciale corporation van grondbezitters; 2quot;. de tegenwoordige hypotheekbanken. Een enkel woord over den eersten vorm, die iu Nederland slechts zeldzame toepassing heeft gevonden'). Op initiatief van F rede rik

'j Zie over dezen vorm Stobbe, t. a. p., § 104, n'. 57 vlg. — Julian G ol d s ch m i d t, Deutsche IIypot hekenba nlcen. Inleiding en bl. 184 vlg. — Vooral echter; het Ontw. Duitsche liijkswet (1879, n0. 50), bl. '5 vlg. en Bijlage A. Uit eene uitdrukking van ilr. Hingst (bl. 91 n'. H) zou men kunnen afleiden, dat in Duitschland alleen deze

ocr page 24

22

II ontstond liet eerst in Silezië omstreeks 1770, later ook iu andere provinciën van Pruisen, eene vereeniging van landeigenaars met het doel liet grondcrediet te verheffen en

O o

den gedrukten toestand van den landbouw te verbeteren, door in plaats van de aansprakelijkheid der enkele debiteuren die van de geheele vereeniging te stellen. Bij enkele was de deelneming verplicht, bij de meeste facultatief; wie een hypothecair voorschot op zijne goederen wenschte, trad toe. Het voorschot werd verschaft door de Vereenitnns. die

O O quot;

voor het bedrag pandbrieven uitgaf. Voor deze „oudequot; pandbrieven is vooreerst het speciaal daarin genoemde goed verbonden. Bovendien zijn alle deelnemers met hunne bezittingen er voor aansprakelijk. In zoover zijn alle pandbrieven gelijk, zooals de Reglementen het uitdrukken; doch ieder heeft zijn bijzonder onderpand. De pandbrief is niet slechts economisch, maar ook juridiek gedekt door de hypothecaire schuldvordering, waarmede hij correspondeert. De bemiddelende werkzaamheid der Vereeniging is eigenlijk eeue administratieve. De geheele inrichting Iaat zich eenigermate vergelijken met de onderlinge verzekering. Deze „oudequot; pandbrieven worden thans bijna niet meer uitgegeven.

Dezelfde vereenigingen {Landschaften) kregen later de bevoegdheid, geld te schieten ook op landgoederen, die niet tot het verband behooren, onder uitgifte van zoogenaamde „nieuwequot; pandbrieven. Deze hebben geeue bijzondere hypotheek; de Vereeniging is met al hare bezittingen aansprakelijk; bij sommige dezer inrichtingen kan de pandbriefhouder zich tot zijne bevrediging door den rechter eene of meer der hypotheken doen toewijzen. Eene Commissie van controle ziet toe, dat het evenwicht tusschen hypotheken en pandbrieven wordt gehandhaafd. Sommige Reglementen verleenen aan de pandbrieven een voorrecht op de hypothe-

vorm voorkomt. Die gevolgtrekking zou onjuist zijn. Ook de nuain „hy-potheekbankenquot; voor deze corporatiën (t. z. p., bl, 97) kan tot misverstand leiden.

ocr page 25

28

ken, door te bepalen dat andere schuldeischers op geenerlei wijze hun verhaal daarop mogen zoeken.

Als overgang tot den tweeden grondvorm kan men de neuere land scha ftliche Kreditvere.ine beschouwen, die sedert 1857 in verschillende Pruisische provinciën zyn tot stand gekomen. Vooropgesteld wordt daar de aansprakelijkheid van het vermogen der Vereeniging; de solidaire verbintenis der deelgenooten treedt hier meer en meer op den achtergrond. Ook hier vindt men waarborgen voor naleving van den evenwichtsregel, alsmede een privilege voor de pandbrief-houders.

De moderne hypotheekbank is een zelfstandig lichaam, in den regel eene naamlooze vennootschap, die als tusschen-persoon tusschen geldnemer en kapitalist optreedt door eener-zijds geld op hypotheek uit te zetten, anderzijds door leening zich de noodige middelen daartoe te verschaffen. Haar ontstaan dagteekent uit de laatste dertig jaren. In Nederland gaf zij omstreeks 1860 aanleiding tot eene vrij uitgebreide literatuur. Thans wordt haar nut niet meer betwijfeld. Ten onzent bijv. ziet men telkens nieuwe Banken verrijzen. De pandbrieven zijn eene zeer gewilde geldbelegging geworden. In Duitschland alleen berekent men, dat er voor meer dan duizend millioen marken in omloop zijn. Dat zij ook in ons land groot vertrouwen genieten , bewijst het feit, dat zij tegen een rentevoet van 4quot;/0 koopers vinden. De vraag doet zich voor: is dat vertrouwen gerechtvaardigd ? verschaft de pandbrief inderdaad de daarvan verwachte zekerheid? Ziet men af van bijzondere statuten- en wetsbepalingen, dan is de pandbrief der moderne hypotheekbank niets anders dan eene gewone schuldbekentenis ten laste eener naamlooze vennootschap. De houder staat met hare overige schuldeischers volkomen gelijk '). Die schuldbekentenis zal in economischen

') Aldus reeds Mr. G. J. A. Faber, de Nederl. /////gt;. Banh (Rotterdam, 1861), bi. 26. quot;Wanneer Mr. Buys, de ] Iypotheekhank (Haarlem, 1861), bl. 57 zegt; „de pandbrief is dus eigenlijk een hypothecaire titel en wol een zeer deugdelijkequot; dan is dit juridiek min Juist. Zie

ocr page 26

24

zin voldoenden waarborg geven, wanneer de Bank soliede is ingericht en goed wordt beheerd. Daartoe behoort, dat

O O

de uitgegeven pandbrieven steeds gedekt zijn door een minstens gelijk bedrag van deugdelijke hypothecaire vorderingen — deugdelijk, zoowel wat betreft den aard als de overwaarde der onderpanden. Niet minder echter, dat de Bank zich onthoude van andere transactiën, die haar verbintenissen zouden kunnen opleggen. Juridieke zekerheid wordt den pandbrief houders verschaft, wanneer hun op rechtsgeldige wijze de hypotheken tot bijzonderen waarborg worden gegeven. Men stelle zich echter daarvan niet te veel voor. Het juridieke voorrecht baat weinig, wanneer het evenwicht wordt uit het oog verloren , ot wanneer het onderpand minwaardige bestanddeelen bevat.

Raadplegen wij thans de statuten, vooreerst van de Nederlandsche Hypotheekbanken. Op de meeste punten ver-toonen zij eene groote overeenstemming. De werkkring is beperkt tot het sluiten van hypotheken en het uitgeven van pandbrieven '); daarnaast is alleen toegestaan aankoop van een gebouw voor kantoor en overneming van verhypothekeerde goederen ter voorkoming van verlies. „Alle andere handelingen zijn verbodenquot;. Omtrent de te sluiten hypotheken — alleen eerste zijn geoorloofd — vindt men bepaald, dat het onderpand moet bestaan in onroerende, niet moeilijk realiseerbare goederen , in Nederland gelegen, van voldoende overwaarde. Een Raad van Toezicht oefent controle uit en verleent medewerking bij gewichtige hande-

ook 11 run nor in Endemann's llatulb. den deutsch. IhiHdels-, Sev-und WechselR., II, bl. 20:2. — Art. 17 van hot Fransche Decreet van 20 Febr. 1852 luidt: „les porteurs de lettres de gage n'ont d'autre action . . . que celle qu'ils peuvent exercer directement contre la sociétó.'

') Anders alleen de Statuten dor Nederlandsche Hypotheekbank, thans in liquidatie. Zij kon gelden of waarden in depót nemen en deze op termijn tot het meest voordeelig gebruik uitzetten. Ook wegens deze bepaling trok Mr. F a b e r in zijne zooeven aangehaalde en in nog eene andere brochure hevig tegen deze Bank te velde.

ocr page 27

25

lingen. Algemeen is de regel, dat het bedrag der uitgegeven pandbrieven dat der uitstaande hypotheken niet mag overtreffen en dat alle gelden, door aflossing van hypotheken in de kas vloeiende, tot intrekking van pandbrieven moeten worden besteed. De Arnhemsche Bank doet de pandbrieven voorzien van een visa door den notaris, te wiens overstaan de akte van hypotheek is verleden. Gebruikelijk is ook beperking van het gezamenlijk bedrag der pandbrieven tot het tienvoud van het maatschappelijk kapitaal. Tot waarborg der pandbrieven strekken al de hypothecaire schuldvorderingen, het kapitaal en de reservekas, die meest tot een maximum van een vijfde van het kapitaal gevormd wordt. Aldus de bijna stereotype bepaling in de door mij geraadpleegde statuten. De Nationale Hypotheekbank voegt er nog een bijzonder waarborgfonds bij. Van zakelijke zekerheid is geen sprake; men copiëert eenvoudig artt. 1177 en 1178 B. W. Mocht zich ooit het geval voordoen, dat eene hypotheekbank failleerde, dan zouden de pandbrieven geen voorrang genieten boven gewone schuldvorderingen. Eindelijk is op te merken, dat sommige statuten aan de pandbriefhouders het recht geven, de algemeene vergaderingen bij te wonen met raadgevende stem , terwijl enkele hun eenigen invloed verzekeren bij ontbinding der vennootschap.

Ter 'vergelijking werpen wij een blik op de statuten der Duitsche Hypotheekbanken, gelijk wij ze afgedrukt en geresumeerd vinden als Bijlage B. van het boven aangehaalde ontwerp. Een rijke verscheidenheid openbaart zich hier ten aanzien der middelen tot waarborging der pandbrieven. Men onderscheidt vier groepen. De eerste bepaalt eenvoudig, dat er evenwicht moet zijn tusschen pandbrieven en hypotheken en stelt al de hypotheken en andere bezittingen dei-Bank aansprakelijk voor de pandbrieven. Dus het bij ons gevolgde stelsel. Alleen wordt meestal de naleving van den evenwichtsregel op de pandbrieven geconstateerd, bijv. door een Regeeringscommissaris. In de statuten der tweede categorie wordt den pandbriefhouders een voorrecht op de

ocr page 28

26

hypotheken toegekend, zoodat deze eerst na volledige bevrediging der pandbrieven voor andere schulden der Bank verbonden zijn, echter zonder verdere maatregelen ter verzekering van dat voorrecht. Eene derde aanzienlijke rij van Banken gaat verder; zij trachten ten behoeve der pandbrieven een voorrecht of pand te vestigen, door de hypotheken van het overig vermogen der Bank af te zonderen en onder afzonderlijke bewaring te stellen; en dit weder op zeer verschillende wijzen, o. a. door dépot der hypotheekakten in de kelders der Bank onder medebewaring van een regeeringscommissaris, of door overgifte aan een van Staatswege aangesteld notaris die ze namens de gezamenlijke houders in bezit neemt '). Opmerking verdient, dat vele Duitsche Banken door hunne statuten niet tot hun eigenlijk hoofdbedrijf beperkt zijn; sommige zijn geheel vrij. andere hebben althans de bevoegdheid tot bepaalde handelingen. En van die bevoegdheid wordt feitelijk gebruik gemaakt 2). De vraag krijgt daardoor te meer gewicht, in hoever de toekenning van privilege en pandrecht — die in elk geval getuigenis aflegt van den goeden wil dei-Bank — als rechtens geldig is te beschouwen. Bij hare beantwoording moet rekening worden gehouden met de veelsoortigheid der in Duitschland geldende hypotheekwetten. Gelukkig heeft de rechter deze vraag nog niet behoeven te overwegen. De Mem. van Toel. tot het Ontwerp-Rijks-wet concludeert, dat, mocht al naar deze of gene landswet een voorrang wettig zijn tot stand gekomen 3), de geldigheid

') üe vierde groep wordt gevormd door de Bremische Hypothekenbank, die de hypotheken verwerft voor de gezamenlijke pandbriefhouders. Ze worden ingeschreven ten name van .,de pandbriefhouders der B. II., vertegenwoordigd door do 15, H.quot;

') Uit de tabellen bij Max W i r t h, Grundziige der Nationalökonomie, blijkt bijv., dat 6 instellingen, waar de hypotheekbank slechts eene afdeeling is, voor omstreeks 150 millioen Mark pandbrieven uitgeven.

J) Dit is bijv. het geval bij de „nieuwequot; pandbrieven der Landschaften, daar hunne, door de overheid vastgestelde, Reglementen als speciale wetten worden beschouwd.

ocr page 29

27

daarvan tegenover de bepalingen der Konkursordnnng en der Civilprozessordnuwj aan grooten twijfel onderhevig moet zijn.

Ook in Oostenrijk bestond onzekerheid omtrent de krachs der statutaire bepaling, dat de pandbrieven bevoorrecht zouden zijn op de hypotheken. De hypotheekbank is daar in den regel slechts een tak van dienst bij de credietin-stellingen; zoo o. a. bij de Nationalbank.

Keeren wij na dit uitstapje naar onze Nederlandsche Banken terug. Wij zagen reeds, dat zij geene poging beproeven, om aan hunne pandbriefhouders een voorrang boven andere schuldeischers te verschaften. Doch zouden zij dit doel kunnen bereiken? Of staan de bepalingen onzer wet hun in den weg? Mr. Asser (t. a. p., bi. 58) schijnt stilzwijgend het laatste aan te nemen. Anders Mr. Hingst (bl. 95), volgens wien „ons bestaand recht ruimte genoeg laat om het verlangde „verband te vestigenquot;. De geachte praeadviseur vindt in ons wetboek „de dubbele voorstelling der hypotheek, de acces-„sorische en de principale aan de fiducia verwante atzonde-„ring van het verhypothekeerde uit het overige vermogen „des schuldenaarsquot;. Bij beide opvattingen acht hij het doel bereikbaar; bij de accessorische „verpande men de inschuld „volgens a. 1199 B. W.quot;, bij de principale „stelle de „hypotheekbank als voorwaarde dat de schuldenaar zich „niet hypothecair verbinde tegenover haar, maar tegenover „den houder van het toonderpapier.* Ik laat nog ter zijde het bezwaar van hypotheek ten behoeve van toonder, de prac-tische moeilijkheid der toepassing van a. 1199 B. ^. op ons geval en de groote onzekerheid omtrent de werking

O O _.

van verpanding eener inschuld '). Maar zoo al op die wijze een verband kan worden gevestigd, zal dat dan „het verlangde verbandquot; zijn? Wat toch bedoelt Mr. Hingst? De aanwijzing van een bijzonder onderpand voor eiken pandbrief. Daarmede echter zouden wij slecht gediend zijn. Mr.

') Zie daarover eene opmerking in Rechtsgel. May-, UI, bl. 124. Verg. thans ook D. E. Lioni, de verpanding van imchulden, Amsterdam , 1885, vooral bl. 259.

ocr page 30

28

Hingst heeft zelf de groote bezwaren gevoeld en uiteengezet. Zoodra de Bank in moeilijkheden geraakte, zou de waarde der pandbrieven ongelijk worden; de gemakkelijke verhandelbaarheid, een hunner grootste voordeelen, zou verdwijnen. De zekerheid voor den pandbriefhouder bestaat juist mede hierin, dat hij, het zij dan rechtens of althans economisch, gedekt is door een aantal zorgvuldig uitgekozen hypotheken, zoodat de miuwaardigheid van enkele daarvan — mocht zij voorkomen — weinig of geen schade toebrengt. Wat verlangd wordt, is dat de gezamenlijke pandbrieven bevoorrecht zullen zijn op de gezamenlijke hypotheken. Dat zoodanig verband naar onze wet mogelijk is, heeft ook Mr. Hingst niet aangetoond.

Verschillende, ja de meeste buitenlaudsche wetgevers hebben zich genoopt gezien, door bijzondere bepalingen de soliditeit der hypotheekbanken en der pandbrieven te ver-hoogen. Kortelijk moge op de voornaamste daarvan de aandacht worden gevestigd ').

In Engeland geldt eene wet van 29 .luni 1865 {Mortgage debenture Act) met eene aanvulling van 1870. Uitgifte van pandbrieven is alleen toegestaan aan instellingen, die zich inet geene andere operatiën bezig houden dan het drijven eener hypotheekbank, en wel met inachtneming van verschillende bepalingen. Zoo is de aard der hypothecaire onderpanden wettelijk bepaald; industriëele inrichtingen zijn bijv. uitgesloten. Alle hypotheken, waartegen men pandbrieven wil uitgeven, worden ingeschreven bij de Office of Land Registry; de akten blijven daar berusten. Op dien grondslag kan de uitgifte plaats hebben van een gelijk bedrag aan endossabele pandbrieven op naam, door genoemd Office gewaarmerkt. De ingeschreven hypotheken zijn verbonden uitsluitend voor de kapitaal- en rentevordering dei-pandbrief houders , die overigens allen gelijke rechten hebben.

') Een Overzicht geeft Bijlage D. van het Ontwerp-Daitsche Rijkswet. Wat in den tekst omtrent Engeland wordt medegedeeld, is uitsluitend daaraan ontleend.

ocr page 31

29

De Bank kan niet over de hypotheken beschikken; alleen de bedongen artossingen mag zij aannemen. Ontslag uit het verband wordt slechts verleend, wanneer wordt aangetoond dat het evenwicht tusschen pandbrieven en hypotheken daardoor niet wordt verstoord. Is de Bank ook slechts korten tijd iu gebreke met betaling van kapitaal of rente, dan kan elke pandbrief houder onverminderd zijne gewone actie — benoeming van ean receiver ter behartiging van de belangen der gezamenlijke houders uitlokken.

Iu Frankrijk stelde het Decreet van 28 Febr. 1852 verschillende regels voor de Sociétés de crédit foncier. Voor hunne oprichting is toestemming der Regeering noodig. Zij staan onder Staatstoezicht en zijn in hun werkkring beperkt. Daarentegen genieten zij bijzondere voorrechten, o. a. met betrekking tot de executie. Lang was het Crédit foncier de eenige instelling van dien aard, totdat in 1879 de Bcntque hypothécaire werd opgericht. De wet van (i Juli 18(i0 stond aan het Crédit foncier toe, leeningen te verstrekken aan provinciën, gemeenten, enz., en daartegen obligatiën uit te geven. In art. G bepaalt deze wet: „Les créances pro-„venant des prêts aux communes, aux départements etaux ,associations syndicales sout afïectées par privilege au paye-„ment des obligations crcées en vertu de la présente loi. — „Les créances provenant des prêts hypothécaires demeurent „aftectées par privilege au payernent des obligations créées „en representation de ces prêts.quot;

Uit een civielrechtelijk oogpunt zijn vooral belangrijk: de Oostenrijksche wet en het Duitsche Ontwerp. Zij kunnen tot voorbeeld strekken voor twee stelsels : privilege en pandrecht.

De Oostenrijksche wet van 24 April 1874 „betr. die Wahrung der Rechte der Besitzer van Pfandbriefenquot; ') dankt haar ontstaan aan den wensch om het geschokt vertrouwen in de pandbrieven te herstellen. Zij onderscheidt: Iquot;. de instellingen die reeds de bevoegdheid tot uitgifte

J) No. 18 der boven aangehaalde verzameling.

ocr page 32

30

van pandbrieven hebben verkregen (§§ 1—3). Te hunnen aanzien worden alleen de statutaire bepalingen omtrent het voorrecht der pandbriefhouders door de wet gesanctioneerd en de vraag of zij tegen derden kunnen gelden voor goed uitgemaakt. Over de tot dekking bestemde waarden kan de Bank niet anders beschikken dan met toestemming van den Regee-ringscommissaris, die ze alleen verleent, wanneer hij overtuigd is, dat de waarborg der pandbrieven daardoor niet wordt in gevaar gebracht. Bij executie moeten de overige schuld-eischers den voorrang der pandbrief houders respecteeren; bij faillissement vormt het geheele dekkingsfonds eene afzonderlijke massa, waaruit de gezamenlijke pandbriefhouders zich bij voorkeur betalen. In sommige gevallen heeft ook hier benoemingc van een curator volgens de wetten van

O O

1874 (en 1877) plaats. Ten opzichte van bestaande instellingen wilde men niet verder gaan om verkregen rechten niet aan te tasten. Kennen hunne statuten aan de pandbrieven geen voorrang toe, dan brengt de wet daarin geene verandering ;

2quot;. de instellingen die eerst na het in werking treden dezer wet de bevoegdheid tot uitgifte van pandbrieven zouden verkrijgen (§§ 4—6). Van hen wordt gevorderd, dat zij de vermogensobjecten, die bijzonder tot dekking der pandbrieven bestemd zijn, op eene voor derden zichtbare wijze van hun overig vermogen afscheiden door ze „als cautie te stellen.quot; Bestaat de dekking uit geld of papieren van waarde, dan geschiedt dit door afzonderlijke bewaring onder toezicht van den Regeeringscommissaris: is echter het vermogensobject daarvoor vatbaar, dan wordt de bestemming om tot dekking

o o

te dienen in de openbare registers aangeteekend — zoo bij hypotheken. Voor inschrijving en doorhaling zorgt de Regeeringscommissaris. Het optreden van een curator is daartoe niet noodig. De wensch werd uitgesproken. dat ook de bestaande instellingen hunne statuten vrijwillig in overeenstemming zouden brengen met deze bepalingen.

In Duitschland trad omstreeks het jaar 1876 de „Pfand-

ocr page 33

31

brieffrage' op den voorgrond. Er ontstond eene zekere ongerustheid; het vertrouwen in de soliditeit geraakte aan het wankelen, zoodat de hypotheekbanken moeilijkheid ondervonden bij de plaatsing hunner pandbrieven. Dit noopte hen , zelf aan te dringen op wettelijke regeling ter vervulling van het verlangen der pandbriefhouders naar zakelijke zekerheid (kon kursrechtliche Realsich erheit). Had § 17 van de invoeringswet der Konkursorclnung ook voor dit geval de regeling aan de landswetten overgelaten, toch nam ook hier de Rijksregeering het initiatief en diende in Maart 1879 bij den Rijksdag een uitvoerig wetsontwerp in (bestaande uit 50 artikelen) betr. das Faustpfandrecht fïir Pfandbriefe tind ahnliche Schuldverschreibungen '). Dit ontwerp, iioewel uiet tot wet verheven, is echter wetenschappelijk van hooge waarde. De voortreffelijke toelichting maakt het tot een goudmijn voor degenen, die zich verder met de regeling van het onderwerp zullen bezighouden. Het ontwerp in alle bijzonderheden na te gaan, zou ons te ver voeren. Slechts op eenige hoofdpunten worde gewezen.

§ 1 luidt: ,Korporationen, Aktiengesellschaften, Komman-„ditgesellschaften auf Aktien und eingetragene Genossen-,schaften, welche statutenmassig auf Grund hypothekarischer , Beleibung von Grundeigenthum Schuldverschreibungen „(Pfandbriefe) ausgeben, deren Gesammthöhe nach dem „Nennwerthe den Gesammtbetrag der hypothekarischen For-„derungen nicht fibersteigen darf, können den Pfandbrief-„glaubigern an den hypothekarischen Forderungen. . . ein „Faustpfandrecht im Sinne des § 40 der Konkursordnung. .. „gewahren.quot; De bepalingen worden verder toepasselijk verklaard op inrichtingen. als onze Maatschappij voor Gemeen-tecrediet. Uit het dilemma: voorrecht of pand, koos de Ontwerper het laatste, als het meest in overeenstemming

') No. 50 der stukken van den Rijksdag 1879. Den hoofdinhoud vindt men bij Julian Goldschmidt, Uier den Entwurf eines Gesetses etc., Jena, 1880.

ocr page 34

32

met den aard der zaak, met de bestaande statuten en met de vigeerende wetgeving, vooral de Konkursordnung. De wijze van vestiging van liet pandrecht was, wegens het groote verschil der in Duitschland geldende wetten, niet gemakkelijk te regelen; hoe ongaarne ook, moest men eenigszius vooruitloopeu op het algemeene Burg. Wetb. Om het pandrecht tot stand te brengen zijn twee dingen noodig: 1quot;. verklaring van den wil tot verpanding, die ten aanzien van elke h3'pothecaire vordering plaats heeft door aanteeke-ninlt;f van wequot;;e de Bank in een register: 2quot;. in het leven

O O O '

roepen van een voor derden herkenbaren uiterlijken toestand. Voor het laatste zijn, met liet oog op de verschillende landswetten, meerdere wijzen toegelaten, o. a. bewaring der hypotheekakten door een vertegenwoordiger der pandbrief houders. Kennisgeving aan den derden schuldenaar is niet noodig, maar ook niet voldoende. Alle pandbrieven geven gelijke rechten; er is geen speciaal onderpand voor eiken pandbrief.

Terwijl, buiten het geval van faillissement, de zelfstandige handhaving van rechten door den afzonderlijken houder niet wordt uitgesloten, is toch voor eene vertegenwoordiging gezorgd. Een 1'fandhalter wordt aangesteld, die toeziet, dat het evenwicht tusschen pandbrieven en hypotheken bestaat en blijft bestaan; de noodige middelen tot controle worden hem gegeven. Alleen hypotheken, die aan de voorschriften der statuten voldoen, brengt hij in berekening. Hij waarmerkt de pandbrieven ten bewijze dat de dekking in orde is; bij gebreke daarvan missen ze het pandrecht. Naast, en in zekeren zin boven hem, daar zij zijne afzetting kan uitlokken, staat de algemeene vergadering van paudbriel houders. In sommige gevallen kan deze bij meerderheid besluiten nemen, die voor allen verbindend zijn.

Het Ontw. bevat belangrijke bepalingen omtrent de liquidatie , die, bij faillissement der Bank, door den rechter , naar aanleiding van eene uitspraak der algemeene vergadering , kan worden bevolen. De Pfandhalter treedt daarbij

ocr page 35

83

in den regel op als liquidateur van het onderpand ten bate der gezamenlijke pandbrief houders. De algemeene vergadering kan geheel of gedeeltelijk van het pandrecht afstand doen, byv. om door schikking met eene andere hypotheekbank tot een bevredigend resultaat te komen. Omtrent dezen afstand gelden in hoofdzaak dezelfde regels als wij boven in het andere üuitsche Ontwerp hebben ontmoet.

Eenige strafbepalingen strekken tot sanctie. Zij zijn gericht tegen den Pfandhalt er, die opzettelijk ten nadeele der houders handelt, tegen dengene, die voor de Bank desbewust meer pandbrieven uitgeeft, dan haar in verhouding tot het aanwezig onderpand vrijstaat, en tegen hem, die den Pfand-halter omtrent den stand van zaken opzettelijk verkeerd inlicht.

Evenals de Oostenrijksche wet beperkt zich het Ontwerp tot regeling der juridieke zekerheid voor de pandbriefhouders. Met de economische , feitelijke waarborgen laat het zich niet in; de behandeling daarvan wordt voor eene even-tueele latere wet voorbehouden. Alleen onderstelt het Ontwerp, dat het evenwichtsbeginsel in de statuten wordt gehuldigd. De critiek heeft den twijfel uitgesproken, of door dit beperkte doel de geheele omslag van het Ontwerp wordt gerechtvaardigd1). De Commissie uit den Rijksdag, die overigens in hoofdzaak aanneming voorstelde, voegde daarbij de volgende resolutie: „der Reichstag wolle beschliessen, „die Frage einer reichsgesetzlichen Regelung der Bedingun-. gen für die Errichtung und die Geschilftsführung der Pfand-„briefanstalten dem Herrn Reichskanzler zur Berücksichti-„gung zu iiberweiseu.quot;

') Verg. Jul. Goldschmidt, Entwurf, bl. 28 en Hypothekenliankcii, bl. 197. Toch pnjst deze Schrijver in het Ontwerp den „geradezu mus-tergiltigen erschiipfenden Ausbau des ihm zu Grimde liegenden legia-lativen Gedankens bis in seine feinsten Verzweigungen quot;

Zeer onlangs kwam in het Hertogdom Gotha eene wet tot stand hetr. die Siclierstellung der Rechte der Besitzer von Pfandbriefen (van 4 April 1885). Het systeem en tal van artikelen zijn aan het Ontwerp ontleend. De kennis dezer wet dank ik aan de vriendelijke mededeeling van Dr. Jul. Goldsohmidt te Berlijn.

ocr page 36

84

Thans eindelijk een enkel woord over on.s jus consti-tuendum. Bestaat er hehoefte aan wettelijke voorziening? In Duitschland is vaak beweerd, dat de pandbriefhouders zich voorstellen titels met zakelijke zekerheid te bezitten. Die bewering is ook weer tegengesproken. Denaam pandbrief, die iu alle talen voorkomt, geeft er allicht aanleiding toe. In Duitschland kon men voor de tusschenkomst des wetgevers bovendien aanvoeren, dat een aantal Banken reeds in de statuten een pandrecht hadden toegekend, dat zij uitdrukkelijk om wettelijke bevestiging daarvan hadden verzocht. Bij ons zwijgen de statuten, en de belanghebbenden schijnen niet op regeling aan te dringen. Dit behoeft intusschen den wetgever niet te weerhouden om de waarborging althans mogelijk te maken , om de bezwaren op te heffen, die thans door de wet zelve daaraan zijn in den weg gelegd. Dat de behoefte zich op dit oogenblik niet dringend doet gevoelen, is juist een voorrecht. In kalme tijden kunnen dergelijke maatregelen beter worden overwogen, dan wanneer de nood dringt. In dagen van crisis zon het bestaan van eene juridieke zekerheid veel kunnen bijdragen tot geruststelling van het publiek. Zelfs een tijdelijk en ongemotiveerd wantrouwen in de soliditeit der pandbrieven is doodend voor de hypotheekbank, die zonder voortdurende nieuwe emissiën haar bedrijf niet kan voortzetten.

Er is nog een ander gezichtspunt. Verkrijgen de pandbrieven, door des wetgevers zorg, meerdere zekerheid naar rechte, dan zouden zij in aanmerking kannen komen voor opneming in het lijstje van secure geldbeleggingen in art. 449 B. W. In Engeland, Frankrijk, Oostenrijk enz. komt zoodanige bepaling voor.

Wil men niet, gelijk o. a. in Engeland, een Staatstoezicht invoeren, maar zich integendeel met eene bloot civielrechtelijke regeling tevreden stellen, dan is de hoofdvraag: privilege of p an d ? Het laatste schijnt mij de voorkeur te verdienen, ook omdat het de geringste afwijking vordert van ons tegenwoordig rechtsstelsel. Men zou mogelijk moeten maken de verpanding van

ocr page 37

35

elke door de Bank verkregen vordering ten behoeve der gezamenlijke pandbriefhouders. Daartoe zou noodigzijn: 1quot;. wijziging en vereenvoudiging, althans voor dit geval, van art. 1199 B. W.; 2quot;. regeling eener vertegenwoordiging der pandbriefhouders door commissarissen en door eene algemeene vergadering. In beide opzichten kan het Duitsche Ontwerp tot voorbeeld strekken. De taak van onzen wetgever is in zoover veel gemakkelijker, als hij slechts met céne burgerlijke wetgeving rekening behoeft te houden. Toch bewijst het genoemde Ontwerp, dat, wil men eene eenigszins afdoende regeling tot stand brengen, men op een aantal details zal hebben te letten. Niet meer dan hoog noodig belemmere men het bedrijf der hypotheekbanken. Zoo zou m. i. geene aanbeveling verdienen het denkbeeld van Mr. Asser om aan de pandbrieven rang toe te kennen volgens den tijd hunner inschrijving in een register. De verhandelbaarheid der pandbrieven , eene levensvraag voor de Banken, zou daardoor bemoeilijkt worden.

Niet alle aanhangige vragen werden door mij besproken; evenmin werd omtrent de besproken punten eene bepaalde oplossing voorgesteld. Toch kunnen misschien de hier verzamelde gegevens van eenig nut zijn tot voorbereiding van het aanstaand debat in onze Juristenvereeniging.

(Overgedniht uit het liccltisycleercl Magazijn.)

ocr page 38
ocr page 39