/ cl gt; ,
/
{0^---------
Jüp* 1Samp;
-c; a-
j' «
K ^
|
flrl Ãfuiuig (5uniu]cftc.
CHRISTELIJK MAANDSCHRIFT
ONDER REDACTIE VAN
Dr. J. CRAM EE en Dr. G. EL LAMERS
Iloogleeraren te Utrecht.
â TV,''
18 87. i
«r
^ . . gt;
N0. 8.
OE ÃÃIONDIGING M H[T [ÃANGELIE EE! ÃEEIWIJZING ilüR HEI BEGIN,
DOOR
A. POWCKEH IIOKDIJK.
UTRECHT.
A. H TEX BOKKEL HUININK. , 18S7. J
De verkondiging van liet Evangelie een lieenwijzing naar liet begin.
1 Joh. 1 ; 1â3.
In een der apokryfe Evangeliën, lict Evangelie der kindsheid, lezen wij van Jezus, die door Jozef en Maria naaiden meestor gebracht wordt. Zoodra deze Hem ziet, schrijft hij Hem het hebreeuwsche abc voor, en gebiedt Hem de, eerste lettor, Alef, te zeggen. Daarna beveelt do meester Hem de tweede letter, do Beth, uit te spreken. Maar de Heer Jezus zegt tot hem: zeg mij eerst de betookonis dor letter Alef en dan zal ik do liotli uitspreken. Deze legende komt ons voor den geest, wanneer wij don bijbel openen en het allereerste hoofdstuk overwegen, âIn den beginne schiep God den hemel en de aardequot; lezen wij Genesis 1:1 en terstond houden wij op.
Immers die eeisto uitdrukking âin don beginnequot; geeft reeds zooveel te denkon, dat wij niet kunnen nalaten daarbij stil te staan. âIn den beginnequot; staat er geschreven op het eerste bijbelblad en het is voorzeker niet slechts eene overeenstemming in klanken, maar wel degelijk ook in gedachten, wanneer Johannes do evangelist, die met de oudste christenen de boeken van Mozes in de synagoge had hooren lezen, zijn evangelie met deze woorden aanvangt: âin don beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.quot; Diezelfde Johannes nu begint zijn eersten brief mot het woord, waarover wij willen nadenken : âHetgeen van den beginne was... verkondigen wij U.quot;
Hoe dikwijls hebben deze woorden indruk op ons gc-
8
114
maakt. Vergunt ons dat wij de gedachten pogen weer te geven, die zich bij do lezing in ons vermenigvuldigen.
Dr. Beets plaatst boven een opstel over de eerste verzen van dezen Jolianneïschen brief, liet opschrift: âwat Johannes verkondigt.quot; Dat nu is even juist als eenvoudig uitgedrukt. Elke verkondiging toch moet niets anders zijn dan een aan het licht brengen van wat van den beginne was.
Wij zullen zien dat Jezus ons daarin is voorgegaan. Dat zij, die van den beginne zeiven aanschouwers en dienaars des Woords waren, Hem daarin gevolgd zijn. Dat alle ware profeten daarin overeenstemmen. Dat onze ervaring het ten volle moet beamen.
Eerst willen wij nog opmerken dat elke evangelieverkondiging even goed beschouwd kan worden als een heen wij zing naar het einde, terwijl eene prediking, die noch van een begin noch van een einde, die noch van een scheppingsdaad noch van een oordeelsdag wil weten. God en wereld vereenzelvigt , pantheïstisch gekleurd is of het bestaan van een God en Vader, van een Schepper ontkennende, in stofver-goding vervalt. Aan ons, eindige wezens is een begin en een eiude gesteld, terwijl wij met eerbied en aanbidding de openbaring der eeuwigheid verwachten.
Elke prediking moet ook op hot einde letten, moot een getuigenis zijn van do wederkomst van Jezus Christus, van de dingen, die welhaast geschieden zullen. Nog is het einde niet, maar wie onzer weet, hoever 't begin van het eiude reeds achter ons ligt. Beide verkondigingen strijden ook niet met elkaar. Beide zijn even ernstig en even vertroostend. Tc gevoelen hoe ver wij afweken van het begin is niet minder indrukwekkend dan te vernemen wat het einde van den zondaar zijn zal. liet oog op te heffen naar het nieuwe Jeruzalem, dat van den hemel afdaalt, is niet minder vertroostend dan de aanschouwing van het paradijs en van den boom des levens, waarvan wij in den aanvang lezen. Het begin en het einde zien wij trouwens één in Hem, die van
115
zichzelven getuigt, dat Hij is de Alpha en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. Het begin en hot einde verliezen zich in de eeuwigheid. Voor den Eeuwige is geen begin en geen einde en op ons maken zij daarom indruk, omdat wij beide als uit de eeuwigheid te voorschijn tredend en daarin nederdalend, als met de eeuwigheid samensmeltend beschouwen, gelijk, van ouze aarde gezien, de zon in het Oosten uit den eindeloozen oceaan te voorschijn treedt, in het quot;Westen in de onmetelijke wateren verdwijnt en lucht en water beide hare tinten mededeelt. Het begin en het einde zijn aan de eeuwigheid verwant, vertoonen iets van het karakter, van den heiligen ernst der eeuwigheid. Hoe nader wij aan het begin staan, des te frisscher is alles en nadert het einde des to plechtiger wordt alles, ⢠gelijk niets ons den hemel nader brengt dan een sterfbed.
Het komt er maar op aan, dat wij in aanraking komen en blijven met het onbewegelijk koninkrijk; dat wij hot hart verheffen naar de eeuwigheid en naar den Vader der eeuwigheid, van Wien alles zijn oorsprong heeft en tot quot;Wien alles wederkeert. quot;VVie vermag dat nu eer en meer in ons hart te werken dan onze Heer en Heiland, die zelf de eenige en groote getuige is van de dingen, die van den beginne waren. En dat is nog te weinig gezegd. Hij is zelf het begin l), de Opgang uit de hoogte 2); Hij treedt uit de eeuwigheid bij ons binnen en brengt ons in Zichzelven het eeuwig Evangelie. Evenals do Dooper zeide: âZie hot Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt,quot; zoo zeggen wij in aansluiting aan des Doopers getuigenis; âZie hot begin.quot; Evenals men Dan te, den grooten dichter van Hel, Vagevuur en Hemel met ontzetting fluisterend nawees, als iemand, die werkelijk in do hel moest geweest zijn, zoo staren wij Jezus na met heilig ontzag, zonder ontzetting en vreeze, want Hij is het begin. Hij komt uit den schoot der eeuwig-
1) Coloss. 1 : 18. 2) Luc. 1: 78.
116
heid, en geeft steeds den indruk, dat Hij niet alleen uit den hemel is neergedaald maar dat hij ook op aarde steeds in don hemel blijft verkeeren.
Aanschouw Hem, die de reinigmaking onzer zonden door zichzelven teweeggebracht heeft l). Onze zonden beletten ons het begin te zien. Er zijn scheidsmuren opgetrokken, nevelen onderscheppen het zonlicht. De chaos belet ons den kosmos te bewonderen. De opeenvolging der tijden, de opeenhooping der gebeurtenissen, de dikke stoflagen, die zich neergezet hebben, de velerlei handen , die het zwarte bord der historie hebben beschreven, alles roept om reinigmaking, alles vraagt: laat ons de dingen zien, gelijk zij waren; alles gaat uit naar het ideaal, naaiden logos. Toetsing aan het begin is levensbehoefte. Men schrijft schoone dingen over traditie en ideaal in het volksleven ; over de eenheid der wetenschap en het recht van het ideaal, over traditie, kritiek en den eisch van het ideaal. Men getuigt tegen valsche eenvormigheid. Dat is alles een bewijs, dat men de wereld en de dingen in de wereld van het begin verwijderd ziet, dat men behoefte gevoelt om tot het oorspronkelijke weder te keeren. Ontwikkeling moet er zijn, vooruitgang, volmaking, maar den band met den oorsprong moet men blijven gevoelen. Men zie naar voren, maar eerst dan, wanneer men tot zichzelven gekomen is, eerst na de bekeering kan men zich naar de toekomst wenden.
Wij vergeten hetgeen achter is, ja, maar alleen als Paulus 2), gegrepen door Christus .Tezus. Eerst wanneer wij met den verloren zoon tot inkeer gekomen zijn, kunnen wij opstaan en tot don Vader gaan. Dat heengaan naar den Vader is toch eigenlijk een teruggaan, een wederkeeren. Het is een zich herinneren, een tot zich zeiven komen, een gehoor geven aan de goddelijke roepstem in het binnenste.
1) Uebr, 1 ; 3. 2) Philipp, 3 : 14.
117
Dit heb ik tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten zegt die stem tot onze bescliaming, en God, die de eeuwigheid in ons hart gelegd heeft, doet ons, dikwijls na smartelijke ervaringen, tot het inzicht komen, dat het zoete, het zalige, het schoone en het eeuwige niet bij den voortgang, door ons zelf gemaakt, maar bij het begin, door God gegeven, met ons was.
In Jezus zien wij, hoe God wil dat alles zijn zal. Na Jezus doop hooren wij: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wien Ik Mijn welbehagen heb. Jezus alleen is de Gezalfde. Hij blinkt van louter Heiligen Geest. Hij weerspiegelt den Eeuwige, Hij. die zelf ongeschapen is en uit de eeuwigheid komt. Er is niets dat meer verheft dan de leiding te mogen genieten van hen, die werkelijk boven ons staan. Er is geen leiding, die weldadiger is, dan die van Jezus Christus. Die Hem ziet, ziet den Vader, Hij toont ons den Vader. Hij alleen vermag dat, want Hij is één met den Vader en in Zijnen schoot. Hij leert ons zoowel de dingen, die van den beginne geweest zijn, als wat van den beginne alzoo niet is geweest. !) Eenig is de opvoedende kracht, de reinigende macht, die van Jezus Christus uitgaat en zich aan ons mededeelt. Als deze zon opgaat ziet men de in het slijk gevallen dauwdruppelen weer schitteren; zij herinneren zich hun hoogeren oorsprong.
Jezus komt maar niet met geweld. Hij volbrengt de reinigmaking als een verlossingswerk, niet op uitwendige wijze, maar zoo, dat Hij afdaalt in de ongoddelijke diepten dor wereld en Zijne kracht daarin openbaart, zóó, dat Hij het bederf der wereld, hare zonde en haren dood, in zijn eigen hart ondervindt, maar in den heiligen en goddelijken levensgrond van dat hart laat sterven. Door aanraking en strijd van den dood met het leven, van de zonde met de heiligheid, wordt do reinigmaking teweeg gebracht, en
1) Matth. 19; 3 eu 8. Ernstige woorden over huwelijk eu echtscheiding.
118
aldus bereikt Christus hot doel Zijns levens, de verlossing en de verzoening met God. Wij verkondigen Christus en dion gekruist; het begin de knop, de kruisiging, de offerande van Zichzelven, de ontloken liefde, de aanbiddelijke voltooiing. Zulk een einddoel wordt slechts gewerkt door zulk een begin.
Het teweegbrengen dezer reinigmaking is het leggen van eon nieuw fundament; in Christus gevoelen wij, dat oen nieuw begin een aanvang neemt. Dit begin heeft een eeuwig karakter, en daarom zullen wij weldoen ons aan dat begin altijd en alleen te toetsen.
Er zijn er, die zich aan beginselen houden, die meer in het midden liggen, die niet tot den aanvang reiken. Het zijn halven, zij verrichten stukwerk. Zij mogen ijzersterk zijn, het zal blijken, dat zij in leomen hutten wonen. Hier kan de scheikunde, die kritiek, dat doordringen tot het begin in de natuur, ons bescheidenheid loeren. Is niet het ijzer zoowel als het leem b.v., is niet alles stof en verbinding van stof, God echter is geest en onze Koning is van God gegeven; in Christus woont, uit Hom stroomt de volheid des H. Geestes; in Hem hebben wij een goddelijken aanvang, een goddelijke levenskiem, die tot de rijkste ontwikkeling in staat stelt, omdat Hij in de diepten der eeuwigheid geworteld is. Conservatief zijn is goed, maar men moet wel weten wat men conserveert. Bewaart gij Christus of stelsolen op Hem gebouwd en niet altijd uit Hem voortgekomen? Israël in de woestijn mocht het manna niet bewaren maar moest het eiken morgen versch inzamelen en dat worde in alle omstandigheden door ons toegepast. Liberaal zijn is niet minder goed, want liberaal is hij, die vrij is, vrij als een kind in het huis zijns vaders. Liberaal is hij, die zich als zoodanig gedraagt, maar hoe ver zijn deze beginselen afgeweken; hoe weinig herinnert men zich de oorspronkelijke beteekenis en hoe noodig is ook hier de toetsing aan het begin. Tegenstand tegen het
119
ware begin is hetzelfde als woderstaan van. den. Heiligen Geest en uiterst leerzaam is de valsclio behoudzuebt van Israels priesterschaar, die Jezus heeft overgeleverd.
Laten wij den korten tijd ons verleend alleen gebruiken om te onderzoeken of wij met het begin samenhangen en stellen wij ons ook niet met eene uitwendige reformatie tevreden.
Wel is elk confessioneel streven eerwaardig, in dien zin dat het eene behoefte verraadt, om zich den tijd van opge. wekt leven, toen do kerken werden geboren en zich haar eigenaardigheid bewust werden, te vertegenwoordigen; om uit de bronnen te putten, met de kloeke gestalten der hervormers mee te leven en door te dringen tot het begin. Elk réveil is een wakker worden. Men was ingeslapen; men verlangt frissche morgenlucht in te ademen. Maar men worde dan ook werkelijk wakker; men sta vroeg op, om getuige te zijn van den opgang der zou. Men keere niet halverwege terug; men neme de moeite door de zeventiende naar de zestiende eeuw terug te gaan, maar ook daar blijve men niet staan, al is het nog zoo uitlokkend. De middeleeuwen hebben ook wat te zeggen; er zijn hervormers voor de hervorming geweest.
Wanneer wij dat alles echter in ons hebben opgenomen, dan zijn wij nog niet, waar wij wezen moeten. Want al die eeuwen, al die helden hebben alles te danken gehad aan Hem, die allen, ook ons, een algonoegzaam Zaligmaker zijn wil; de traditie is eerwaardig en do historie niet minder; de leidingen des Geestes eveneens moeten worden gekend en genoten, maar de bron is Christus en de geschriften, die van Hem getuigen, zijn door niets te vervangen. Christus verkondigt alleen groote beginselen, geen toepassing op bijzondere gevallen; do eerlijke en eenvoudige evenwel leert door de leiding des H. Geestes, die ons ton dienste staat in de gemeenschap met Christus, in alles de bedoeling en den wil des Vaders verstaan.
Laat ons dan dieper delven, meer achterwaarts, meer naar
120
het cenig ware begin,, naar Jezus Christus teruggaan. Hervorming, reformatie blijft altijd, de taal verraadt do halfheid, bij hot uitwendige, bij de vormen staan. liet is te materieel, te algemeen, hot is niet geestelijk genoog. Waar het levensbeginsel is, zullon de vormen in eindolooze verscheidenheid van zelf ontstaan. Jezus zegt: âindien gij, elk voor u, u niet verandert en wordt gelijk do kinderen' zoo zult gij in hot koninkrijk der hemelen geenszins ingaanquot; l). Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk van God niet zien 2). De Farizeën wezen Jezus op Mozes, maar Jezus verwijst naar het begin. Mozes, de groote wetgever, moest van wogo de hardigheid der harten liet een en ander toelaten, Jezus getuigt en, het kan niet anders, met een zucht naar boven en op een onvergetelijk weemoedigen toon: âvan den beginne is het alzoo niet geweest.quot; O, Hij,, die éér dan Mozos, éér dan Abraham was, Hij is de eenige maat van, de eenige toetssteen voor alle dingen. Die zich aan Hom hecht en aan Hem alleen on aan Hem geheel staat niet alleen. Anderen, het kon niet anders, door zulk oen magneet aangetrokken, van de schepping der wereld af, met zulk een Emmanuel wandelende, zij hebben oene bij God bekende gemeente gevormd, eene gemeente van uitverkorenen, eene gemeente van den bo-ginno, die aan het einde openbaar worden zal. Zij dachten soms als Elia, dat zij alleen stonden, zij stonden niet alleen. Er vormde zich eene wolk van getuigen, een keurkorps van getrouwen, eene schare, uit groote verdrukking gekomen, die niemand tellen kon. Vader, zegt Jezus, in hot hoogepriestorlijk gebed. Vader, verheerlijk Mij bij Uzelvon, met de heerlijkheid, die Ik bij ü had, eer de wereld was. Het is geschied. Do Zoon is gezeten met den Vader op Zijnen troon, maar Hij zit daar als hoofd des lichaams en
1) Jlatth. 18 : 3. 2) Joh. 3:3.
121
waar Hij is daar zal ook Zijn dienaar zijn. Die eeuwige heerlijkheid heeft Jezus steeds voor oogon gehouden. liet eeuwig beginsel ontwikkelde zich tot volkomen heerlijkheid. En wat ons betreft, o, het groote woord staat tot onze vertroosting gcschreven; âGod is geen God der doo-den maar der levenden. Zij leven Hem allen.quot; Ook onze heerlijkheid bestond mot Christus verborgen in God, voor wij er bewustheid van hadden. Want waarom heffen wij het hoofd opwaarts, waarom tracht onze blik door de wolken te boren? Wat is dat voor eene naïveteit, die ons in een kind zoo bekoort; waarom kunnen wij in liet voorjaar buiten geuren soms inademen, die ons op eens de liefelijkste beelden onzer jeugd, eener voorwereldlijke eeuwige lente ons te binnen brengen? Waarom vragen ook wij soms als knapen, in aansluiting aan Jezus, te midden eener zich verhardende wereld: âWist gij niet dat Ik zijn moet in de dingen Mijns Vaders?quot; Vanwaar dat geheimzinnig, van God gegeven hoogore geestelijke in ons, dat onuitputtelijk is, en waaraan wij ons laven kunnen ons leven lang? Wie reikte ons die onzichtbare hemelladder, waarlangs wij zelf door Gods genade naar boven klimmen kunnen, en hoe komt het, dat men soms verwonderd vraagt: hoe weet deze do schriften, daar Hij ze niet heeft geleerd? O, mijn lezer, het is hun gegeven, die van den beginne zijn, die het eeuwige beginsel hebben aanschouwd, wier oor geopend is en die nu oorspronkelijke, eeuwige, goddelijke harptonen hooren.
Ja, er resten overblijfselen van het beeld Gods in ons. Wij hebben een geweten; wij mogen getuigen van aspiration; het geestelijke, oorspronkelijke, dat in ons woont heeft een instinctmatig besef van God en van Zijne heerlijkheid en de prediking zou niet baten als zij niet aan zulk een goddehjken aanvang aanknoopen kon.
Daarom is Jezus ons dierbaar omdat Hij dat alles in ons wakker roept. Evenals de kinderen gaarne hooren ver-
122
tollen zoo luisteren wij mot ingeliouden adem naar Jezus oenige en diepzinnige verkondiging van het Evangelie dor verlossing, lieenwijzcmlo naar het begin en ons don weg wijzende, lioe wij wederom tot dat begin vermogen te geraken en uit dat beginsel kunnen leven. Hij alleen brengt ons do eeuwigheid nader. Hij schuift het gordijn weg on laat ons den hemel zien. Hij trekt ons teerhartig naar zich toe en laat ons in het boek der oorsprongen lozen. Hij toont ons den Vader eu het is ons genoog.
Wat Jezus gedaan heeft hebben Zijne jongeren ook gedaan. Hoe dichter zij bij Jezus gestaan hebben, des te ernstiger, des te inniger, des te heerlijker hebben zij van het begin kunnen getuigen.
Johannes do Dooper getuigt van den Heer als van den eerderen en meerderen dan hij. Johannes is de heraut, Jezus is de koning. Do heraut wordt niet moede te roepen dat met Jezus het heil begint, dat door Hem het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Wij lezen verder hoe de eerste discipelen met Jezus in aanraking kwamen. Sommigen vergeten nimmer dat begin. Zij herinneren hot elkaar of zichzelven. Het was do tiende ure, en voor hun dankbaar besef steeds hun eerste ure, liun geboortostond. Veel hebben zij gelezen in de heilige Schriften, het ware begin moest nog komen, de eeuwigheid moest nog openbaar worden. jS!u roepen zij het elkander juichend toe: âWij hebben dien gevonden, van welken Mozes in do wet geschreven heeft en do profeten.quot; De zonen van Zebedeüs beginnen als visschors van menschen op te treden; Simon erlangt vastheid, hij zal een Petrus worden; Thomas zal zoo beginnen dat hij eindigen moot mot do belijdenis: mijn Heer en mijn God. Onuitputtelijk blijkt do rijkdom van Christus te zijn; Hij houdt de Zijnen aan zich geboeid door Zijn woord, door Zijn geest, door Zijne teekenon, door Zijne liefde. De Samaritaansche vrouw leert het verstaan: Hij is de profeet. Wie van het water gedronken zal hebben.
123
dat Hij gcoft, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; hot water dat Hij zal geven zal in hem worden eeno fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Allen getuigen om strijd: Hij is de weg, de waarheid, de opstanding en liet eeuwige leven. Het profetische woord schatten zij hoog. Zij prijzen het aan. Later schrijft Petrus daarvan: wij hebben het profetische woord, hetwelk zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in eene duistere plaats, totdat, voegt hij er bij, de dag aanlicht en de morgenster opga in uwe harten. Op Jezus doolt hij, van wien hij getuigt in dezen zelfden brief; wij zijn aanschouwers geweest van Zijne majesteit, toen wij met Hem op den heiligen berg waren. Op eene heilige berghoogte waren zij altijd, zoolang zij met Jezus verkeerden. Het kon niet missen, zij moesten elkander steeds toeroepen: Het is do Heer! Zij waren steeds met de hoogere wereld in aanraking, zij zagen door Jezus de dingen, gelijk zij waren en zoo als zij van den beginne door God waren bedoeld. Geen wonder dat zij daardoor veranderd werden en voorbereid tot het ontvangen van den Heiligen Geest. Het beginsel der kracht van Christus Jezus werd in hen overgeplant en het woord kwam in vervulling: âde werken, die Ik doe zult gij ook doen, en gij zult meer doen dan deze; want Ik ga heen tot mijnen Vaderquot; !). Het kan ons niet moeilijk vallen do getuigenissen te vermenigvuldigen van allen, voor wie alles nieuw werd door de aanschouwing van den Heiland. Stefanus zien wij aan, blinkt zijn aangezicht niet als het aangezicht van oenen engel ? Van waar die glans, die reinheid, die schittering ? Is het niet, omdat hij de oogen naar den hemel houdt, waar Inj de heerlijkheid van God ziet? Wij slaan den kamerling uit Mooren-land gade; behoeven wij nog to vragen, waarom hij zijnen weg met blijdschap reist ? Evenals Philippus den moorman.
l) Joh. U.
124
zoo wijst Petrus Cornelius don weg en Ananias zegt tot Saulus: âSaul, broeder! de Hoer heeft mij gezonden, n. 1. Jezus, die u verschonen is, op don weg, dien gij kwaamt, opdat gij woder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.quot; quot;\Yat heeft Barnabas tot een zoon der vertroosting gemaakt en de discipelin van Joppe tot eene Dorcas ? A\rat bekoorde Lydia en hoe kwam de stokbewaarder te Philippi er toe om te vragen: wat moot ik doen, opdat ik zalig worde ? Wat treft ons toch eigenlijk zoo, vragen wij, bij de lozing van de Ilandelingeu dor Apostelen? quot;Wat bekoort ons zoo in do schilderij, die Lucas ons vertoont van de Pinkstergemeente? Het is immers niets anders dan het nieuwe, het frissche, de beschrijving van wat van den beginne was. Lucas gevoelt dit zelf liet best, wanneer liij aanvangt te schrijven: âhet eerste boek, het evangelie, heb ik gemaakt, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leeren.quot; Het evangelie hoorde hij het liefst van hen. die van het begin zeiven aanscliouwers en dienaars des woords geweest waren. Lucas' tweede boek bevat de voortzetting van het werk des Hoeren, maar die voortzetting is een voortzetting van liet begin, een eerste, een nieuw hoofdstuk der kerkgeschiedenis, eenig, oorspronkelijk, zich badende in het licht des hemels, vol des Heiligen Geestes en getuigenis gevende van de eeuwigheid. Later zijn er groote theologen en eerwaardige kerkvaders verwekt, de opvolgers der apostolische vaderen. Een naglans, eene afkaatsing der oorspronkelijke heerlijkheid is verspreid in hunne geschriften, wij ontkennen dat niet maar bewonderen het liever. En toch, die eenvoudige menschen, die tijdgonooten van Jezus, die getuigen der eerste dingen, hoeveel meer nog trekken zij ons aan. Johannes inzonderheid leeft enkel door aanschouwing. Hij redeneert niet, hij ziet, hij hoort; hij verkondigt ons wat aldus onmiddellijk te zijner kennis is gekomen en zelfs de diepzinnigste bespiegeling der apostolische geschriften,
125
al wat wij lezen aangaande Hem, in wien al de scliatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn l), al wat in den brief aan de Hebreen of in welken brief van Paulus ook van Christus geleerd wordt, alles treft ons door oorspronkelijkheid, alles is een getuigenis van, een heenwijzing naar het begin.
Alle ware profetie is trouwens niets anders. Profetie ziet niet alleen op de toekomst, profetie ziet niet minder op het begin. Profetie is heilige aanschouwing van het hoogste ideaal. Profetie is waarzegging, in dien eenigen zin, dat ons de hoogste, de eeuwige waarheid door haar ontsluierd en naderbij gebracht wordt. Een profeet is een ziener. Kritiek is profetie. Kritiek is doortasten tot het begin, blootlegging en aanwijzing der eerste beginselen, waaruit alles opgebouwd werd en predikers moeten critici zijn, zieners, getuigen door innerlijke aanschouwing van de dingen, die van den beginne waren. quot;Wij roepen tot getuigen op behalve allen, die na Christus geweest zijn en uit Zijne volheid geput hebben, de mannen van wie Zacharias, de priester, gewaagt in zijn lofzang: âGelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijnquot; 2). Van den aanvang af zijn er profeten geweest, Henoch, die met God wandelde, Noach, die de ark bouwde, en hoe meer zij het begin verheerlijkten, door het tegenwoordige daaraan te toetsen en aldus voor de ware toekomst voor te bereiden, des te moer beantwoordden zij aan hun heilige roeping. Verheerlijkten zij het verleden eenzijdig? neen, zij beschouwden tot leering en beschaming hunner tijdgenooten het verleden in het licht der eeuwigheid. Mozes spreekt in zijn lied tot een verkeerd onverdraaid geslacht: âgedenk aan de dagen van oudsquot; 3). Jezaja zegt: âIk zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren; Ik zal u uwe rechters wedei-
1) Colos. 2 : 3. 2) Luc. 1 : 70. 3) Deuter. 32 : 5, 7.
126
geven en uwe raadslieden als in den beginnequot; 1). De Heer zal dit doen en Jeremia smeekt om vernieuwing: âHeer! bekeer ons tot u, zoo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van oudsquot; 2). âIk overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen,quot; zegt de psalmist1). En elders: âO God! wij hebben met onze ooren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hunne dagen, in de dagen van oudsquot; 2). âIk zal de daden des Heeren gedenken,quot; zoo zingt hij, âja, ik zal gedenken uwe wonderen van oudsherquot; 5).
Alle profeten hebben gedaan wat ook ons wordt voorgehouden : Hebreën 8: 5b, vgl. Ex- 25: 40, Handel. 7: 44. De hoogere wereld zij dan het voorwerp onzer geestelijke aanschouwing. De onzienlijke dingen worden dan meer en meer door ons in het oog gehouden en kunnen wjj niet nalaten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben, ons getuigenis zij in overeenstemming met de hemelsche schoonheid van hetgeen God zelt' ons toonde en niet ophoudt te toonen. De hemelladder voor Jacob opgericht, de idealen voor Jozef verwerkelijkt, de roepstem door Samuël verstaan, het hemelsch Kan aan door Abraham, door Mozes gezocht, alles zij ons een spoorslag om ook aan het goddelijk gezicht ons geschonken, niet ongehoorzaam te zjjn. Voorzeker, onze ervaring beaamt deze dingen. Het tegenwoordige vergankelijke gaat voorbij. Wanneer Gods uur slaat zal het rijk des Geestes voleindigd zijn; dan zal de natuur door onderwerping aan en doordringing met den Geest van haren ban zijn ontheven; haar karakter van bewegelijkheid en wisselvalligheid zal zij verliezen en in het onbewegelijke koninkrijk, waarop alles van den beginne was aangelegd, overgaan. âHet schepsel verwacht als met opgestoken hoofde, do openbaring der
1
1) Jezaja 1 : 25, 26. 2) Klaagl. 5: 21. 3) Ps. 77: C.
2
Ps. 44 : 2. 5) 77 : 12.
127
kinderen van God! Wij weten, dat het ganschc scbcpsc] samen zucht en samen als in barensnood is tot nu toe. Ook wij zeiven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zeiven zuchten in ons zeiven, verwachtende de aanneming tot kinderen, n. 1. de verlossing van ons lichaamquot; l).
Op Hem slechts blijve ons oog gericht âwiens uitgangen zijn van ouds, van do dagen der eeuwigheidquot; 1). Op Hem, die genoemd wordt: het begin, de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, de opstanding en het eeuwige leven. Hij maakt alle dingen nieuw. Een nieuw gebod geeft Hij ons, dat wij eikanderen lief zullen hebben. Nu, de ervaring leert dat wij elkaar geen grooter liefde kunnen betoonen, dan door, te midden van een praktisch materialisme, elkaar naar een ideaal heen te wijzen, dat moer en meer de hoogste realiteit bleek te zijn. Er is een uiterste hoeksteen gelegd, er is een nieuw begin, een nieuw verbond gemaakt; een nieuwe naam is ons gegeven, er worde nu ook een nieuw lied gezongen, een lied der dankbaarheid tot in eeuwigheid.
Ik schrijf u, vaders: zegt Johannes, âwant gij hebt Hem gekend, die van den beginne is.quot; 2) Zijn het niet altijd de jongelingen, die het vermogen te erkennen, dat in de schcol van Christus alleen alle schatten der wijsheid en der kennis getoond worden, de vaders, zij hebben het, dikwijls na vele omzwervingen, leeren verstaan. Wie wij ook zijn, als wij willen, als wij eerlijk willen, als wij Gods wil willen doen, dan zullen wij van Jezus' leer bekennen, dat zij uit God is. Hij zocht Gods oor. Hij vervulde Gods wet. Is er iets mannelijk kloeks, iets vrouwelijk teeders ooit innig vereenigd te zien geweest; is er iets waarlijk navolgenswaardigs, iemand, aan wiens aanschouwing men zich nimmer verzadigen kan, ooit door God ons geschonken, ieder zal moeten toe-
1
1 Joh. 2: 13.
128
stemmen, in Christus is ons ideaal vervuld; Hij is het karakter, het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid Gods. Danken wij dan den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht; die ons moed en kracht geeft om te getuigen van een begin, dat zulk een energie bezit en zulk oen eind verwerft, van een evangelie, eeno blijde boodschap des heils, even ernstig als hoopvol, want het brengt ons tot inkeer, tot terugkeer, tot een nieuwen aanvang, op eene levenshoogte dikwijls, vanwaar wij de toekomst zien schitteren in het licht der eeuwigheid. Van tijd tot tijd zien wij naar boven; wij gaan naar onze binnenkamer, wij aanbidden op den rustdag in hot huis des gobeds, wij oriënteeren ons op nieuw; het hindert niet aan ons werk, integendeel, hot bemoedigt ons, het vuurt onzen ijver aan, het verruimt onzon horizon. âDanken wij den Vader, die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in hot koninkrijk van den Zoon Zijner liefde, inwien wij de verlossing hebben door Zijn bloed, n. 1. de vergeving dor zonden, die het beeld is des onzienlijken Gods, do eerstgeborene aller kreaturen. Want door Hem zijn allo dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij Troonen, hetzij JIcorschappijen, hetzij Overheden, hetzij Machten : allo dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alle dingen, en allo dingen bestaan te zamen door Hem: en Hij is het hoofd des lichaams, n. 1. der gemeente, Hij, die het begin is,quot; l) op wien wij blijven staren, van wien wij niet moede worden te getuigen, naar wien wij heenwijzen, niet alleen door ons woord, maar, door Gods genade, ook door onze persoon, in ons gansche leven, overal en eenmaal door ons sterven, wanneer wij aan het einde van onze loopbaan, evenals de grijze Simeon mot het kindoke Jezus in zijne armen, â het begin zullen aanschouwen van eene eindelooze heerlijkheid.
Maastricht. A. Pijnacker Hordijk.
1) Colosa. 1 : 12âIS.
BERICHT.
HET EETJWKi EVANGELIE vorschijnt als Maandschrift telkens met ecue op zich zelf staande proeve van stichtelijke lectuur voor den beschaafden Christen.
Voor het jaar 1SS7 (20ste jaargang) wordt gerekend op bijdragen van do H.II.:
Dr. J. Cramer,
E. C. Seoers.
Dr. J. J. vax Toorexenberges Dr. A. J. ïh. Jonker.
Do prijs voor het Maandschrift is per jaar f l.SO. Men verbindt zich telkens voor eon geheelen jaargang. Bij iederen Boekhandelaar is de inteekening opengesteld.
De Uitgever
Hoogleeraav te Utrecht.
Predikant â Leiden.
Hoogleeraar â Amsterdam.
Predikant â Rotterdam.
A. IT. TEN BOKKEL IIUININK.
Gedrukt ter âUtrechtsche Stoom-Prukkergquot; te Utrecht â Jenizalemsteeg.