J: / //^;// /V/
WALRAVEN VAN MEURS,
tegenbisschop te Utrecht.
De merkwaardige bijdrage over dezen onrecht matigen elect van Utrecht, onlangs door Dr Q. Brom geleyerd in dit Archief (d. XVI, hl. 372) gaf ons aanleiding, bijeen te zamelen en in het kort hier mede te deelen, wat de oudheid over dat kind des ongeluks ons heeft bewaard. Doch eerst een paar woorden over zijne voorvaderen.
Reeds vóór den aanvang der 14e eeuw was het geslacht der graven van Meurs hier te lande inheemsch. Goederen te Beuningen en Ewijk in het Maas- eu Waalsche, Teeds in 1270 door den aartsbisschop van Keulen aan Dirk van Meurs te leen gegeven, werden in Septemb. 1308 door den leenheer op nieuw toegewezen aan een gelijknamigen Dirk heer van Meurs. (Sloet, Oorkondenb. van Gelder en Zutphen n0. 919, 998, en Nijhoff, Gedenkwaardigheden I, n0. 101).
In Febr. 1315 zijn Jan, Walraven proost van Emmerik en Frederik, jongere broeders van laatstgemelden Dirk |van Meurs, met den graaf van Gelre in geschil
0.a. over het kasteel van Didam. (Nijhoff, Gedenkw,
1, n0. 153).
De Didamsche goederen, op het stamhuis terug gevallen, werden in Maart 1346 toegedeeld aan Dirk, Jan en Walraven, jongere zonen van voorgaandenDirk
002
heer (tfraaf) van Men ra, terwijl Frederik de oudste zoon i.. Im'I graafifcluip opvulirile. (La'conililer, ürknn-denbuuh 111, nu. 42li). De/.e liiatste won een zoon, die van Dirk zijn grootva icr den naam orl', in lb5G met Meurs werd beleerd en in of vóór 1359 trouwde met Elisabeth van Zuilen tot Anholt, erfdochter der bannerij van Baer. Zij schonk hem o.a. een zoon, Frederik, die in 13.5 met Meurs en in 1385 met Baer werd beleend. Deze, gehuwd met quot;Walburg erfdochter van Hendrik graaf van Sarwerden, won 'de volgende kinderen:
Frederik, graaf van Meurs en Sarwerden, gehuwd met Engelberta dochter van Adolf graaf van Cleef en van der Marck, â bij wie hij een zoon won Vinceht genaamd, en eene dochter Walburg later in den echt verbonden met Willem van Egmond broeder tot Gelre ;
Dirk, aartsbisschop van Keulen 1414â-1463;
Hendrik, bisschop van Munster 1424â1450;
Jan, getrouwd met Alix dochter van Hendrik heet van Hohengeroltreck;
Margriet, gehuwd aan Gerard heer van Blanckenheim;
Beatrix, in 1458 abdis van Sint Quirijn bij Neuss; en
Walraven, heer van Baer en Didam, tegeubisschop te Utrecht, later elect van Munster.
Van Spaen ^ wil dat heer Walraven in 1415, dom-custos te Keulen was; niettemin vertoefde hij doorgaans in Gelderland, bezegelde in 1418 mede het verbond der Geldersche ridderschap en steden, werd in den zomer van 1423 gekozen tot lid van den raad der
!) Inleiding tot de Historie van Gelderland, I, bl. 387, waar ook menige aanteekening uver het voorgeslacht werd geborgd.
003
zed'/fuen, din ilen iiiimierj.-irigpn lieitcg Arnouil van ^jelre moest bijstaan, en wordt ininier aan liet Imofti van dien raad vermeld tot zelfs op 3 Septeml). 1435 (Geilenksv. IV nquot;, 2, 3, 104, 149).
Toen op Sint Maarten 1423 te Utrecht de opvolger van bisschop Frederik van Bianckenbeim werd gekozen^ viel eene minderheid van stemmen op Walraven van Meurs, ') een andere minderheid op Sweder van Culen-borg domproost te Utrecht, terwijl Roelof van Diepholt proost te Osnabrugge de groote meerderheid op zich vereenigde en als postulaat werd uitgeroepen. (Ant. Matthaei Analecta V, bl. 410â414). Doch paus Mar-tinus V, die in overleg, naar het schijnt, met den overleden bisschop de keus van den opvolger deze keer zich had voorbehouden, benoemde Zweder van Culen^ borg, die op 20 en 21 Juli 1425 plechtig in de domkerk te Utrecht werd gestoeld. (Analec. V, hl. 414â422),
Sedert 10 Mei 1425 verschijnt âWalraven van Moirse here tot Bare in de rij der Geldersche ridders. (Gedenkw, IV, ;n0. 31, 54, 134).
Op 24 Februari 1427 zegelt jonker Walraven van Meurs. heer tot Baer een brief, waarmede aan Eoelof van Diepholt den postulaat veda wordt aangekondigd. (Register op het pro vine. Archief van Qverijss. Aanhangs, bl. 251). Op Zondag oa Siut Jacob van 't zelfde jaar wordt door bemiddeling van Willem heer van Burei} en Beusichem vorengemelde vede gezoend; Walraven heet daar âheere tot Bair ende tot Diedeqj.quot; (J. J. Dodt,
â ) Moll, Kerkgeschied. van Nederland, II, I, bl. 481, noenU hem in 1423 reeds proost van St Maria ad Gradus te Keulcrt; doch met het oog op 't geen in dit Archief XVI , bl, ,389 wordt, valt dit moeilijk aan te nemen.
004
Archief voor Kerk. en Wer. (leschied., II, bl. 220). De zoen schijnt te zijn verbroken ; want den 28sten Febr. 1430 wordt gewaagd van eene vernieuwing des bestands in 1427 door Willem van Buren en Beusichem bemiddeld. (Provinc. Arch. v. Overijs. Aanh. 257/8).
Op 10 Octob. 1427 bekent hertog Arnoud van Ãelre aan W. v. Meurs heer van Baer schuldig te zijn 2500 Amhemsche guldens en verpandt daarvoor 's Graven-weerd bij Brummen. (Gedenkw. IV, n0. 55).
In Febr. 1429, bij den zoen tusschen den hertog van Gelre en den graaf van Meurs, wordt ook Walraven naast zijne drie oudere broeders vermeld. (Gedenk. IV, n0. 63).
1433, 6 Mei. W. v. Meurs heer van Baer verbindt zich, aan het kapittel van Zutphen te zullen betalen de pacht der tienden van den Havikkerweerd en Inge-raemsmate. (Register op het Archief der stad Zutphen n0. 1054).
Den 16deB Sept. 1433 maakte Sweder van Culenborg, gewezen bisschop van Utrecht, te Basel zijn testament en stierf 5 dagen later in den nacht van Sint Mattheus. De kanunniken, die voor een groot deel, gehoorzaam aan den Paus, bij de droeve scheuring in 1426 aan bisschop Sweder getrouw blijvende, uit Utrecht waren geweken, om te Arnhem hunnen zetel te vestigen, keerden in 1432 en 1433 (tengevolge der beschikkingen door 's Pausen legaat Johannes bisschop van Ma90n in 1432 te Vianen getroffen en in het volgend jaar door paus Eugenius IV bevestigd), ook hierin gehoorzaam aan den Paus, bijna allen naar bet Sticht terug. Alleen Peter van Steyn proost van Oudmunster en en Mr. Hendrik van Compostel, kanunnik derzelfde kerk, met Gijsbert van Lockhorst en Gijsbert van Riet-
005
felt, benevens een zes- of achttal ongenoemden lieten zich verleiden door den ongelukkigen Joannes Passert ') voorheen prior der Regulieren te Utrecht, om in de droeve scheuring te volharden, in Novemb. 1433 ver-ko/en /.ij liuunen vicaris capitularis. (Mieris, Groot Oharterboek, IV, ld. KJ.quot;)5). Ten antwoord daarop gaf hertog Philips van Boergondie op 3 Decemb. van hetzelfde jaar last aan zijne onderdanen van Holland, Zeeland en Friesland, om de geestelijke rechtsmacht van bisschop Roelof te erkennen. (Gr. Charterb., IV, bl. 1028). In spijt hiervan vergaderde het kleine dozijn scheurzieken in Febr. 1432 2) te Dordrecht, en koos daar, op gansch onwettige wijze, Walraven van Meurs tot tegenbisschop. (Dodt, Archief I, II, bl. 64). Om
') De schrijvers vermelden hier Peter Passert, kanunnik van St. Marie, 's priors broeder. Doch dit kan moeilijk waar zijn. Want als bisschop Roelof met den raad der stad Utrecht, op Woensdag na St. Crispyn 1434 aan al de «afgedwaalde Canoniken» op 's Pausen aandrang genade verzekert en herstel in hunne oude beneficiën, dan worden met name vermeld Peter van Steyn proost en de drie bovengenoemde kanunniken en verder «alle ander horen raedesculdige(n).» (Burman, Utreclitsche Jaarboeken, I, bl. 456). Ware de kanunnik Passert de hoofdaanlegger geweest, dan moest hij, dunkt ons, hier gewis met name zijn vermeld.
Deze bepaling steunt op het volgende gegeven: Den 4lt;ten Novemb. 1434 schreden de provisoren en dekens van Walcheren enz. aan het Consilie van Basel: «utpote qui jnrisdictionem «spiritualem ipsius Trajectensis ecclesiae in nostris terminis ex «bonae memoriae domini Swederi de Culembourg, quondam «epi Trajectensis, ipso vivente, fere septem annis primum, deinde «post ejus obitum ex obedientis et exulantis ejusdem ecclesiae «vicarii generalis fere tribus mensibus seeundo, et demum ex «sui successoris, illustris Walranmi de Moirsa, jam fere octo ((mensibus â commissionibus .... reximus.» â Ecclesia obediens et exulans had door verloop des tijds een vasten zin gekregen, en duidde op de aanhangers van bisschop Sweder.
(joe
cfe gevolgen hiervan te weren, sloot de heftog vaf», Boergondie op den laatsten derzelfde maand eene overeenkomst met bisschop Eoelof, waarbij de uitoefening der geestelijke rechtsmacht van den Utrechtschen kerkvorst in Holland, Zeeland en Friesland werd geregeld» (Gr. Oharterb. IV, bl. 1029).
Hoe onwettig Walravens keus oo£: bleek te zijn^ toch schonk de aartsbisschop van Keulen zijne goedkeuring er aan en bevestigde de heillooze daad- (Dodt, Archief I, II, bl. 64 en Groot Charterboek, IV, n0. 1056), Toen paus Eugenius dit vernam, wees hij den aartsbisschop ernstig daarover terecht en noemt den elect ânobilem viruin Walravum de Morse, fratrem tuum, non in ordinibus sacris constitutum seque in actis bellicis et aliis laicalibus officiis exercentem. (Eccard, Corpus Hist. Medii Aevi II, colom 1325).
Walraven vestigde zich te Dordrecht en âwoonde in 't hooghe huys, zijnde het eerste aen de slinker zijde; ^als men achtef 't groot choor nyt de groote kercke komt.quot; (Gouthoeven, Oude Chronycke ende Historiëiï van Holland, I, bl. 456)lt;
Straks toog de elect, die Utrecht voor zich geslote» vond, naar Basel en maakte zijne zaak voor het Concilie aanhangig. Bisschop Eoelof werd in persoon voorgedaagd , die in zoover daaraan voldeed dat hij zijn zaakgelastigde zond, gesteund onder anderen door een schrijven van de geestelijkheid, ridderschap en steden tan Utrecht, (Gr. Charterb., IV, bl. 1045).
Intusschen bevestigde Philips van Boergondie op 12 Juni 1434 de geestelijke rechtsmacht van bisschop Eoelof over 's greven landen, (v. Limburg-Brouwer, Borgoen|sche Charters, bl. 22).
ïii weerwil hiervan richtten de provisoren en dekens
oor
van Holland; Zeeland en Gelderland op 4 Novemb. 1434 gezamenlijk een schrijven aan de Vaders te Basel, om de zaak van Walraven voor te staan. (Gr. Charterboek, IV, bl. 1055).
1435, 25 Maart gelast hertog Philips op nieuw, om in zijne landen de geestelijke rechtsmacht van bisschop Roelof te erkennen. (Borgoen/sche Charters, bl. 26).
Den laatsten Maart 1436 sloten de geestelijkheid, ridderschap en steden van het Sticht een verbond, om Walraven te weren en Rndolf als bisschop te handhaven. (Matth. Anal. V, bl. 497 en Rerum Amers-furt, bl. 293.)
In den zomer van 1436 deed het Concilie van Basel uitspraak en maakte in Juli aan de Nederlanden bekend, hoe het na onderzoek der geschillen tusachen K. v. Diepholt en W. van Meurs heeft bevonden, dat eerstgemelde geen recht hoegenaamd heeft op den ütrechtschen stoel, en dat het den laatstgemelde heeft erkend en bevestigd als bisschop van Utrecht, en dat de regering dezen zal moeten erkennen. (Enschedé, Inventar. van 't Archief der stad Haarlem,.!, bl. 19 en Stoppelaar, Inventar. van 't Archief der stad Middelburg, J, bl. 49, n0. 190.)
Bisschop. Roelof beriep zich op paus Eugenius, die de zaak in handen gaf aan de bisschoppen van Spalato en Cavalli, waarna deze bij rechterlijk besluit van 25 Augustus 1436 â aangeplakt o. a. op de deuren der kerken van Emmerik, Rbenen en Vianen â den elect en zijnen aanhang binnen 80 dagen naar Bologna dagvaardden. (Dodt, Archief I, II, bl. 63.)
Tegelijkertijd ongeveer schreef paus Eugenius aan den hertog van Boergondië, aan den hertog van Gelre, aan de Staten van Utrecht en aan de steden van
008
Overijssel, bij allen aandringend om bisschop Roelof te erkennen en te steunen. (Dodt a. w, bl. 72â76.)
De uitspraak der bisschoppen van Spalato en Cavalli viel ten gunste Tan bisschop Roelof; bij schrijven van 31 Mei 1437 werd de uitvoering van het vonnis door paus Eugenius opgedragen aan den bisschop van Sabina, den proost van St. Pieter en aan den domdeken te Utrecht; welke laatste twee op 2ó Augustus van hetzelfde jaar zich van die taak kweten, (Dumbar, Kerkel, en Wereldl. Deventer, II, bl. 102,) Intusschen zochten de bisschoppen van Keulen en Munster met Prederik graaf van Meurs ten bate van hun broeder Walraven aanhang in Overijssel te winnen; doch een schrijven, door de stad Deventer aan hen gericht, wees dien toeleg kortweg van de hand. (Dumbar, Deventer, II, bl. 112/3.)
In spijt van 's pausen beslissing bleef Walraven de geestelijke rechtsmacht uitoefenen. Op 27 Juni 1437 bevestigde hij eene wisseling van beneficie tusschen den vicaris van St, Christoffel in de kerk van Zwammer-dam en dien van St. Pieters altaar in de Pieterskerk te Leiden. (Dodt, Archief I, II, bl. 76.)
Straks poogde hij ook in Arnhem zich te doen gelden. Hierover loopen de volgende vijf stukken uit het jaar 1438, ') bewaard in het archief van gezegde stad, op den Inventaris bl. 100 vermeld.
') Schoon de Inventaris van het Oud 'Archief der gemeente Arnhem, bl. 100, deze stukken plaatst tusschen 1448 en 1455, Kagen we ons niettemin gedrongen ze op het jaar 1438 te stellen. Ziehier waarom. Het eerste stuk, dat met de vier volgende blijkbaar samenhangt en wel van zoo nabij dat alle uit een en hetzelfde jaar moeten stammen, is gedagteekend van Zaturdag, dsage na St. Jacob. Dit feest viel derhalve toen op Vrijdag. In
009
Burgemre, Schepenen ende Eait der stat Tan Arnhem (aan) Wijnant Ridder ende Wouter van Aller, onsen Lieven vrunden ende medegesellen.
Wij gheven uwen Lieffden te kennen, hoe dat die Eerweerdige in Gade her Walrave van Moirse Elect t'Utrecht gisteren op Sente Jacobsdach Apostoli mit sinen vrienden .... op onss Eaitkamer was, daer opdoende van sijnen rechten, geworven in den Heiligen Concilio van Basell, op die kercke ende gesticht van Utrecht, hoe dat her Rodolff van Diepholt ende hie tot Baaell . . - gedaegt waren dair te komen in horea selfs persone, dair H. Walrave vors, selve geweest is ende H. Rodolf sijn ambassiaten ende procuratores ge-hadt heeft; ende sijn dair mit malkanderen overkomen ende eens geworden, dat se te beiden sijden guede bullen hebben, dat die paipschap van beiden sijden blijven solden onder sulcker gehoirsamheit, als se doo Waren, malch bi den sijnen, thent dat recht dair aff geëynt ende gesleten were. Des hedde ons pastoir l) onder sijnre obediencien geweest, daer hi aff getreden were, ende hedde dat Sacrament des heiligen krees-doms t' Utrecht doin halen. Hierom hedde her Wal-
al den tijd nu dat W. v. Meurs den titel van elect kon voeren (Febr. 1434 tot Jan. 1449), valt het leest van St. Jacob slechts eenmaal op Vrijdag en wel ia 1438. Om den inhoud der stukken, die beter met het jaar 1435 of 1436 strookt, vreesden we aanvankelijk , in het afschrijven ons te hebben vergist, en Zaterdag te hebben gelezen, waar Dinsdag of Donderdag stond. Doch de geachte heer archivaris J. F. Bijleveld schrijft ons â hem zij dank daarvoor â dat er staat: des Satersdaiges.
') Willem van Meirbach, monnik uit het klooster van Prume, dien we in 1422 en vervolgens tot 1443 als pastoor te Arnhem vinden.
010
rave voers. onsen pastoir doin citiren tot Munster voir den richter, die hoen dat Heilige Concilium daer gesatt; heeft; dair die pastoir nyet en quam, soedat hem her Walrave voirs. verwonnen hedde ende te banne gebracht ende also lange als onse pastoir bynnen der stat were, soe most men cessieren a divinis. Ende begeerde dat wij hoen gunnen wolden hier enen te setten, (die) en tijt langh die Goidsdienst dede, opdat van sijnre wegen gheen versumenisse dairynne en viele. Hi gesanne oich, oft sake were dat hi den pastoir om sijnre ongehoirsomheit wille straffende, off wes mit recht an hem kerende wurde, dat wij onss des nyet onderwynden en woulden, opdat hem gheen noit en were op onss ennige rechtvurderinge dairom te doin ofte te belasten; ende (be)gheerde des onse antwoirde'. Daer wij hoen noch nyet op geantwoirt en hebben dan al so voele, hoe wij onsen pastoir toegesecht hebben hem te beschirmen voir ge walt ende oncost; ende baden Sijare Genaden, dat hi die sake in gueder mathen opsetten woulde enen tijt langh nemelich thent Laurencii neest komende. Wij woulden schrijven aen den Abt ende Convent van Pruemen, gelijck wij huden gedaen hebben ende oich onsen pastoir spreken, te besyen off men hier en bynnen ennige guede wege gevynden konde, dat men der saecke te vreden quame. Voirt mer seyde her Walrave dat hem die van Sente Wal-bofgen ende die Commeduer van Sente Johan obedientie tóegeseegt ende gelaeft hebben endé mede dat se singen willen als onse pastoir hyer nyet en is, Also^ lieve vriende; hebben wij huden, in crastino Jacobi, den pastoir die saken ende dat opdoen heren Walravens yoirgeseegt ende te kennen gegeven. Die onss antwoirde , hoe dat sijn recht guet were ende dat hi nyet
OM
te banne en is, want hi van der citatien heren Wal» ravens ther gueder tijt appelliert hedde^ende en (be)gheert anders nyet, dan dat her Walraven sijn rechten stellen wille an doctoren en meisteren van rechten tot Loeven, dyea gheen parthie en dragen ende der voele dair is, ââ hie wille sijn appellacie, antwoirt ende rechten dair tegen leggen, dat tesamen besegeit dair the seynden op sijnen kost; ervyndt sich dan dat hi in den rechten is, men laat 'a hem genyeten ende weer hie in den onrechte, hie wolde's ontgelden ende lijden dair aff, des hem te liden stunde. Ende die pastoir gesanne noch an onss, dat wij hoen beschttdden ende beschirmen willen voir gewalt. â Ende want men nu, lieve vriende, in allen kirchen cessiert ende nergent gaidsdienst en duet, oich als ghi weet dat wij ghenen kreesdom en hebben, ende die tijt kranck ende die lude vast siecklick sijn-; so is om des aaken wille voele seggens en mur-jnuracien onder onsen burgeren; ende (wij) besorgen, blijft dit in dusker mathen langhe ataen, dat vurder laat ende onlede dairuyt komen mocht. (Wij) begeren hieromme van u, onaen Genedigen Here van Gelre de/e saken op the doen, Sijnre Gnaden oitmodelich biddende, aijne vriende hier te achicken ende datrtoe té willen helpen ende raden, dat dit gehavent ende mit gevoege nedergelacht werde om vorderen last te verhueden . . . Qeacreven onder ons stat secret', dés Sjatersdaigea in Craatino Jacobi tegen den avent.
(get.) Burgemeiatere, Scepene ende Rade der ataf Arnhem.
Naar 't oorspronkelijke op papier. Boek VIII n0.170.
012
Walraven van Moersse (aan) den eerberen Burgemr6n, Schepenen ende Rade der stat Arnhem.
So ghij mij geschreven hebt, wo ghij mit her Wilhem van Merbach mijne worde, die ick up Sente Jacops dagh neestverleden op uwer cameren midt u gehadt hebbe, hem to verstain gegeven hebt; die daerup geantwort heefft, dat hie sijn recht teghen dat mijne vur eynighen gelerden dootoir te Loeven liggen wille, die wilcke doctoir na onser beyder aenspraken ende antworden erkennen sal, off die her Wilhem vurs. off ick recht hebben off onrecht etc. . . â heb ick wael verstanden. Ende (ick) begere Uwen Lieffden daerup to weten, dat mijne aaken gerechtverdicht ende gepuert sijn van denghenen, daer die rechte eyn oerspronck van hebben ende rechtmacht hebben, nye recht to setten off des noit were; sodat mijne sake dursehen is ende gepuert, als man golt puert, van 5 of 600 meysteren van rechten; ende want dit to Basel in den Concilio gescheit is, dat wilke Concilium eyn alreoeverste tribunal is up deser erden. Dammb en gebuert mij nyet der vurs. mijner saken vur yemant anders to rechten to stain dan daer. Ende is ('t) sake dat hie meynende is, her Wilhem vurs., dat mijn richter, die doemdeken to Monster, oem onrecht doe, so wil ick gherne. Uwen Lieffden to eren ende to dancke, myt den vurs. her Wilhem vurkomen to Basel vur dat heilighe concilium, to nemen ende to gheven, dat men mij daer wisende wurde; mer nyet to mijn sal ick dencken mijn recht to vorderen up her Wilhem vurs. ende up die anderen, als mij des noit geboeren sail. Gegeven to Bare onder mijnen segel, des neesten Sonnendages na Sant Jacobs dage Apostoli.
(get.) Walraven van Moerssb,
elect to Vtrechi.
Naar 't oorspronkelijke op papier. Boek VIII n0. 216.
013
Also als die praist van Pruemen ende her Walraven onsen Genedigen Here van Gelre geseegt hebben, dat se hoen tot Coelne bespraken ende beraden hebben mit doctoren ende geleerden personen op die sake des ge-stichts van Utrecht, ende willen Gaids dienst weder doen, indyen onse Genedige Here dieghene, die se hier setten die kircke te bewaren, beschirmen wille, ende dat willen sa laden op hoir consciencie ende verantwoirden voir den Paeuws, den Concilio ende voir allen recht. Dair Onse Gened. Here op antwoirde, dat hi se beschirmen wille ende sijnen richter bevelen se te beschirmen, indien wij hem bistant doin willen. Soe hebben wij den praist ende heren Walraven voirs. dairop geant-woirt: Onse Gened. Here weer onse lanthere ende hedde te gebieden ende verbieden; wanneer wij dan van Onsen Gen. Here off van sijnen richter bistants vermaent warden, so willen wij hoen sulck bistant dairynne doin als wij sculdich sijn te done, Ende wij willen Onsen Gen. Here bidden, alle banne uyt ons stat te weren en Onsen richter bevell dairvan the doin.â Dese antwoirt gaven de scepene den Heren op Sente Laurentius-dach.
Los stuk papier. Boek VIII n0. 172.
Walraven van Moersse Elect to Utrecht (aan) den eerberen Burgem,en, Schepenen ende Raet der sta^t van Arnhem.
.....So ghij mij nu nelinx^ener geschreven hebt mij
biddende, dat ik die gemeyne vicarii in Uwer prochien-kercken to Arnhem loss ende quyt wille doin schelden van suiker citatien als sij citeert waren to Monster van mijner weghen, ende begert vort die quytschel-dinghe over te senden Uwen Eerberheiden mit desen uwen baden, wie uwe brieff vort inheit, â heb lek wael verstanden. Ende ick begeren Uwen Eerberheiden toe
014
welen, dat ghij vaste voel beden an mij stellet, die mij Bweerliken ende aen *) groeten anxt ende ver-sumenisse mijns gueden rechten neit to doin en staint;; aengeseen dat ghij mij in vurtijden geschreven hebt, off lek aen mijne ongehoersame ondersaten, die lek rur den helighen Concilio, vur den Pawes ende vur den Keyser richtliken verwonnen hebbe, yet tastende wurde off die mijne, dat ghij mij des neit gestaden ,en woldt ende decht dat to keren, u theghen mij des â toe quijtende; dat mij geburt kont to doin denghenen die dat to richten hebben. Soe goede vriende, off lek voel umb-uwen willen dede, ende ghij mij sulken loen weder doin wolden, als ghij schrijft, wil mij be-duncken dat dat onbehoerliken were. Doch to ant-werden up uwe begerde, so begeren ick u to weten, so langhe als die vicarii ende die cappellaen gebrukeu yemants anders Sacramenta dan der mijner, so en geburt mij van mijner aenspraken in ghenerley wijs to laten, ,want ick anders mijnen gueden rechten to kurt dede. Ende wanner die vicarii vurs. mit hoeren cappellaen mij daerynne ende in anderen behoerliken zaken gehoer-aamheit doint, so sail ick gherne Uwen Eerberheiden to lieve dan schriven an den richter to Monster, dat hie ' die vurs. vicarii des geriehts verlaet, ende dat ik mij wael to willen sij; want dede ick anders, so sede fok mij selver ende mijnen verkreghen rechten to kurt.., Gegeven onder mijnen segel up Onser Vrouwendftgh Assumptio.
(get.) Walraven van Moerbsb,
elect to Utrecht,
Naar het oorspronkelijke op papier. Boek VIII n0.177.
') .Amyverwant met het Duitsche ohm = zonder.
T
015
'füeh stnk zonder naam- of dagtfiekening-, do'-b kennelijk. geactiréve'n met dezelfde-hand aU het eerste, luidt:
Des Wonsdaigs na Nativitatis Marie was die eer-â weerdige in (ïaide here Walrave van Moirse, eleot t'Utrecht mit sijnen vrienden op ons raitkamer, daer «eggende hoe hi op Sente-Jacobsdach voirleden op der kaïneren geweest were ende hedde dair opgedaen van sijnen rechten geworven in den H. Concilio van Batell op die kircke ende 't gesticht van Utrecht ende van des pastores sakén. Ende doe solden Sijne Genaden mit onss ende wij iait Sijnen Genaden overkomen wesen, dat malch tusschen dier tijt ende Sent-Laur.enciusdaige uytwesen ende sien solde om enen gueden man, die van sijnre obediencien were, onse kirche te regieren : â hoe die woirde Onss Heren van Utrecht doe luyden etc. Ende want ons soepenen ende raide weynich bi een waeren, antwoirden dieselven die dair waren Sijnre Genaden, se woulden hoir vriende tegen des anderen daigs treffliken bijeen doin komen ende hoen dan een antwoirt gheven. So is sijnen vrienden den praist van Eist, ') meister Johan van Hueven ende meister Johan Zuermont des anderen daigs geantwort ende hoeren laten, wes mit Onss Heren Genaden van Utrecht óp Sente-Jacobsdach. verkalt wart ende hoe wij onsen Here van Utrecht baden, die sake in gueder mathen op the setten thent Sente-Laurencinsdaige, wij woulden schrijven aen den abt ende convent van Prumen, van hoiren vrienden hier te scbicken te besyen, off men
') Waarschijnlijk Zweder van Boecholt, in i422 en vervolgens proost te Eist, een der vurigste aanhangers van bisschop Zweder van Gulenborg.
016
«nnige guede voege dairyn gevynden kunde1, dat men der sake te vreden quame. Des is hier die praist Tan Priimen gekomen mit sij ander an Onsen Gened. Here van Gelre, Sijnre Genaden opdoende hoe se hoen tot Coelne bespraken ende beraden bedden mit doctoren ende geleerden personen op die sake des gesticbta van Utrecht, emle wolden Gaids dienst weder doin, indyen Onse Gened. Here dieghene, die se hier setten die kirche te bewaren, beschirmen wille ende dat wolden si laden op hoir conscientie, ende verantwoirden voir den Paeuws, den Ooncilio ende voir allen recht. Want dun onse Gened. Here van Gelre den heren van Prumen ende denghenen se hier setten beschirminge toegeseegt heeft ende sijnen richter bevalen se te beschirmen, 00e en kunden wij buten weten Onss Genedigen Heren van Gelre gheen vorder antwoirt gegeven op seggen Onss Heren van Utrecht, als off hi op die cappelanen wes vorderende wurde, off wij ons des oick onder-wynden ende bynderen solden willen.
Naar een los stuk papier. Boek VIII n0. 171.
Daarop dreigden de Meurschen in het sticht te vallen; doch Utrecht, Amersfoort en Rbenen, geholpen door de ridderschap, grepen naar de wapenen om geweld met geweld te keeren. Septemb. 1438. (Burman, Jaarb. I, bi. 499â501.)
Tegelijkertijd zond het Concilie van Basel een schrijven aan de stad Harderwijk (22 Sept. 1438), deze aansporende om tegen bisschop Koelof op te staan en den elect Walraven met alle hulp, raad en gunst te steunen. (Efistor. Genootsch. van Utrecht, Kronijk X, bl. 379.) Dergelijke brieven schijnen ook naar Holland en Zeeland te zijn gezonden; want een schrijven van hertog
017
Philips, geteekend 7 Juli 1439, zegt ons, dat hij niet lang voor dezen een schrijven had doen uitgaan, met -strengen last om aan de bevelen en brieven der vaderen van Basel geen gevolg te geven. (Dodt, Archief I, II, bl. 77.)
1440, 19 Juni. W. v. M., elect te ütreoht, verpandt zijne tollen te Tiel en Herwarden aan Steven Scherff en Hendrik Beernts. (Nijhoff, Gedenkw. IV, n0. 185 en 186.)
In 1440 en 1441 bekrachtigt Walraven van Meurs zoowel als Roelof van Diepholt een brief van den pastoor te Doesburg, die aan de Fraterheeren aldaar had vergund, eene eigen kapel op hun erf te bouwen, (Archief van Doesburg, Inventaris bl. 79.)
1441, 6 Octob. Verordening van Hertog Philips, uitgelokt door de brieven van het Baselsche Concilie an van den elect Walraven, die beweerden dat zijne vroegere bevelschriften tot gehoorzaamheid aan bisschop Roelof tegen zijnen wil waren gegeven; hij hernieuwt thans ten strengsten zijne bevelen tot erkenning van Roelof van Diepholt. ^Borgoensche Charters, bl. 65.)
Waarschijnlijk heeft Walraven v. M. thans Dordrecht verlaten om zich te Arnhem onder de hoede van hertog Arnoud te vestigen. Deze had aanvankelijk Walraven aiet als elect erkend; in zijne brieven van 1 Novemb. 1434 en 3 Septemb. 1435 noemt hij hem slechts âhere toa Bare.quot; Doch sedert 1437, toen 's hertogs broeder-Willem van Egmond met Walburg van Meurs eene nicht van den elect in 't huwelijk werd vereenigd, selrijnt er verandering te zijn gekomen. In het volgende treedt hij openlijk voor Walraven op;
1443, 5 Mei. Hertog Arnoud van Gelre geeft afschrift van twee keizerlijke besluiten, rakende het
018
proces tegen de steden Utrecht, Amersfoort, Deventer, Kampen, Zwolle en Oldenzaal over het versmaden van Walraven van Meurs als bisschop. (Archief der stad Deventer, I, hl. 249, n0. 1492.)
Toch slonk Walravens partij meer en meer. Januari 1445 meldt ons de verzoening van den kerkvorst van Munster, Walravens broeder, met den bisschop van Utrecht (Matthaei, Analect. V, bl. 84.) In April van hetzelfde jaar is bisschop Roelof ook te Zutphen erkend ; want op den 19den dier maand bezegelt hij de goedkeuring eener overeenkomst tusschen het kapittel en het stadsbestuur aldaar, (v. Heussen en v. Rijn, Bisdom Deventer, bl. 538 der folio-uitgaaf.)
In den aanvang des jaars 1448 geraakte de stad Utrecht in gespannen verhouding met haren bisschop. Het liep straks zoo ver, dat Jan Proeys de domdeken aan bisschop Roelof dreigend te kennen gaf, dat hij toe mocht zien, hoe op den bisschoppelijken stoel zich te handhaven. Toen de bisschop daarom in gramschap de stad uitreed, werd deze niet slechts voor hem gesloten, er werd zelfs van gerept om den tegenbisschop Walraven het roer in handen te geven. (Heda, Histor. Episcoporum Ultraject., bl. 286/7.) Hoogst waarschijnlijk hangt hiermede samen het verbond dat Walraven op 17 Aug. 1448 sloot met eenige edelen en de vier kleine steden der Velue, luidende als volgt:
Wij Walraven van Moerss , elect confirmaet t'ütrecht, Otte here to Bronckhorst ende to Borkelo, Reynalt van Homoet here to Dorenweert ende wij Burger-meisteren, Schepenen ende Rait der steden in Veluwen, alse Herderwijck, Wagenyngen, Hattem ende Elburch doen kont allen luden ende bekennen mit desen openen brieve: Want lange tijts herwerts die ondersaten ends
019
y.ngesetenen in Veluwen in horen rechten mit ongeladen tegen hoir lantbrieve ende lantgewoenten overvallen sijn, daerbij Onse Genedige Here seer in sijne sere ende voirtganck vernedert wort ende wij alle ende die gemene ondersaten ende ingesetenen in Veluwen daerby verderffellic gesjen ste.et to werden, werde dat niet verhuedt; daerumme wij oick seer treffeliek mennich jaer lanck van den ondersaten ende ingesetenen vuers, angeroepen ende vervolcht sijn geweest, see daerynne bij to staen ende to helpen vervolgen na inhout des Terbonts; â
So hebben wij ons daertoe gegeven, öode to eren, onsen Genedige Heren van Gelre, sinen lande ende ondersaten to vrome ende to bate, dieselve overgrepen, gewalt ende ongenaden, den ondersaten ende ingeseten in Veluwen gedaen, to wederstaen, richtinge ende beteringe hem te helpen geschien, so wij dat van verbonts ende rechtveerdicheit wegen ummers schuldig sijn te doen; so hebben wij malcanderen geloeft ende loven, alse guede mannen in gueden trouwen, bij onser eren, die gewalde, overgrepen ende ongenaden te vervolgen ende to wederstaen ends daervan niet of to laeten, die en weren ofgedaen, gericht ofte te gu.ed$f utdracht gebrocht; ende weer 't oick sake, dat yemant ons ofte die onse hierumme veden, haten of archwilleo welde, dat doch namelic umme des vervolghs ende wederstaens wille sonder argelist geschiede, daar suller wij malcanderen ynne bijstandich, geradich ende b.quot; hulpelic wesen, na onser macht den to wederstaen ons selves cost, also lange dat die bevede van daervan ontslagen waer; behoudelic ummars altijt onae.-Genedigen Heren van Gelre te doen, wee wij Bculdfc-sijn te doen,, ende allent sonder argelist.
020
EnJe want wij dit alltMit, alse vuers. is, aamelic alc den amleren geloeft hebben, onverbreckelic alse guede manue lo houden, so hebben wij des to orkonde onse segele ende onser stede segele an desen brief gehangen; gegeven in den jare Ons Heren duaent vier-hondert achtendeviertich up andagh ') des hilligen Mertelers Sinte Laurencius.
Naar het oorspronkelijk perkement, bewaard in het archief der stad Harderwijk, loquet 14 n0.10. De zegels van Harderwijk, Wageningen en Hattem zijn afgevallen; dat van den elect in rood was is in zoover behouden, dat men de wapens van Utrecht en Meurs, die hij naast elkander voert, nog goed kan onderscheiden, doch de letterzoom is er grootendeels afgebrokkeld.
Intusschen was kardinaal Nicolaas, die van het dorp Ones aan de Moesel zijnen naam draagt en den Nederlanden bijzonder genegen was omdat hij zijn eerste opleiding te Deventer had ontvangen, in aantocht om namens den Paus een algelieele verzoening in het Bisdom van Utrecht tot stand te brengen. In de bisschopsstad, waar hij op de vrijheid van Sint Jan in de volkstaal predikte, schijnt hij niet te zijn geslaagd; maar tnsschen bisschop Eoelof en Walraven zijn tegenstander mocht hij een zoen bewerken, die het gelukkig gevolg had, dat de laatste omstreeks het einde des jaars 1448 van zijne aanspraken op den TJtrechtschen stoel afstand deed. 2) Den IG4®0 Januari 1449 hecht
^Andagh = achtsten dag, dies octava. Zie Niihoffs Bijdragen
ï, bl. 285.
a) Aldiis meenen we, onder voorlichling van Burrnan (Jaar-I-Oilhen. If, H. 127) en van Dr Brom (Archief , d. XVI, bl. 373), ' -eten verst.arr. ⢠ai iLJa. (a. w. bl. 287) schnjil over den
021
de paus zijne goedkeuring daaraan en begiftigt Walraven met de expectantie der domproostdij en van een of
zoen tusschen Roelof van Diepholt en Walraven van Meurs. Want de twee onderscheiden overeenkomsten, omstreeks het einde van 1448 en van 4451 tusschen die beide kerkvoogden gesloten, worden algemeen door de schrijvers ineen geward. De eerste, naar we meenen, moet kardinaal Nicolaas hebben bemiddeld, wijl ze geheel in zijnen werkkring valt; aan de tweede, die aan weerszijde naar eigenbaat riekt, durven we den kardinaal om zijn bekend karakter geen deel te geven. Die beweert dat de kardinaal in 1448 de Nederlanden niet heeft gezien, hem verwijzen we met Burman (Jaarb.. II bi. 122) naar de d'Attichy die in zijne Flores Historiae Cardinalium (II bl. 191 vv.) getuigt, dat Nicol. van Cues in 1448 ons vaderland wel degelijk heeft bezocht. â Hier vinde ook het volgende zijne plaats: Bij vriendelijk schrijven van 14 Juni 1.1. heeft Dr G. Brom te Rome mij gemachtigd in zijnen naam mede te deelen, dat de oorkonde, in dit Archief, XVI bl. 373 aangehaald, moet gesteld worden op 16 Januari 1449, en wel omdat in 's Pausen caneellerie vaak als regel geldt, «het jaar te beginnen niet met 1 Januari maar met den 25sten Maart.» Van de betrokken brieven tusschen deze twee datum's vallend, moet alzoo het jaartal met één worden vermeerderd, om met de gewone telling in overeenstemming te komen. Dat dit in dezen het geval is; blijkt uit het pausenjaar; pontificatus nostri anno secundo; paus Nicolaas, gekroond 19 Maart 1447, was op 16 Januari 1448 nog in zijn eerste jaar; â waaruit volgt, «dat mijn datum (blz. 373) a0 1448 XVII Kal. sFebruarii pontificatus nostri anno secundo volgens de nieuwe «tijdrekening zijn moet 16 Januari 1449.» â Zoover over de dagteekening van bl. 373; nu over die van bl. 388. Dr Brom, die het HS. op nieuw heeft nagezien, schrijft het volgende: «Er staat in de Regesten (tom. 388, fol. 70 v0) 1448 IX Kal. M., «waarvan ik in den tijd Maji gemaakt heb en zulks na raadpleging van allezins bevoegden. Het zou evenwel ook Martii «kunnen wezen, en dat het zulks in dit geval beteekent, daar-«voor levert uwe oorkonde van 17 Aug. 1448 (de hierboven «meegedeelde uit het archief van Harderwijk) het waarschijnlijk «bewijs.» Had namelijk Walraven in Januari 1448 van zijne aanspraken op den stoel van Utrecht afstand gedaan er; drie maanden later van den Paus daarvoor eene vergoedirg on*.-;- cgee,
02£
'twee andere digniteileo in de collegiale kerken var-Keulen (Archief XVI bi.' 373); 21 Febr. 1449 kent, paua Nicolaas aan Walraven v. Meurs voor den gedanen afstand eene vergoeding toe, te verstrekken uit de inkomsten der geestelijkheid zoo van stad als bisdoüi Utrecht, nader te bepalen door kardinaal Nicolaas van Cues, den bisschop van Luik enz. (Archief XVI bl. 385'.)
1449 , in de Kruisdagen , ontving Walraven van Meurs vrijgeleide en kwam met een gevolg van 25 personen binnen de stad Utrecht (Burman, Jaarb. II, bl. 128 n.)
4 Juli 1449 staat âWalraven van Moirze here tot âBair ende tot Diedamquot; als getuige over de bezegeling der lijftocht, welke hertog Arnoud van Gelre aart Catherijne van Oleef zijne gemalin verschrijft. (NijhofFs Gedenkw. IV, n0. 257.)
1450 den lsten Maart is Walraven in bet bezit der proostdij van Sint Mariengraad te Keulen (Archief XVI, bl. 389.)
1450, 2 Juni stierf te Ahaus Hendrik van Meurs, bisschop van Munster; den 5den Juli van hetzelfde jaar werd Walraven van Meurs op de aanbeveling van zijn broeder den aartsbisschop van Keulen door het Munster-sche kapittel, op het slot Duimen vergaderd, tot bisschop van Munster gekozen. (Matth. Analect. V, bl. 123.)
dan kon hij op 17 August, vain heizelfde jaar zich niet meer «elect Confirmaet t' Utrecht» noemen. Leest men echter 1448 IX Kal. Martii pontific. nostri anno secundo, dan krijgen we volgens onze gewone telling 21 Februari 1449, en alles is in overeenstemming. Want als het jaar 1449 in 's Pausen cancellerie met 25 Maart aanvangt, dan wordt 21 Februari daar nog onder het voorgaande jaar geteld; ook is paus Nicolaas, gekroond op 19 Maart 1447, den 21sten Febr. 1449 nog in zijn tweede jaar. â Op denzelfden grdnd moet de oorkonde van Bijlage B (Archief bl. 388) gesteld twcien op 1 Maart 1450. Het pausenjaar anno tertio toont dit aan
J2igt;
-intusschen had Jan van Heinsberg bisschop van Luik o.s.uitvoering gegeven aan 's Pausen besluit van 21 Febr. 1449 en bepaald, dat het 14e gedeelte der inkomsten, welke de geestelijkheid van het bisdom Utrecht in het jaar genoot, aan Walraven van Meurs eens moeat worden uitgereikt. Wijl bisschop Roelof zijne goedkeuring aan deze beschikking van den Luikschen kerk-vooo-d had gehecht, richtten de vijf Utrechtsche capittelen aan eerstgemelden het volgend schrijven:
Mijn Here van Utrecht.
Eerweerdige Vader in Gode, lieve genadige Here. Onsen willigen ende oitmoedigen dienst voirs.
Wij geven Uwer Genaden te kennen, hoedat wij in corten dagen verleden bij gerufte ende famen vernomen hebben, dat die eerweerdige Vader in Gode, heren Johan bisschop van Ludyck een proces gefulmineert soude hebben bij bede Joncker Walravens vanMoerse, dat hij in eischende is een subsidium van der ganser Geestelicheit des crisdoms van Utrecht etc., daer die-selve (Jwe Genade een transfixbrieff doersteken heeft, die seer exhorbitant is tegens allen geesteliken personen, also dat wel bewijselic is voir Paeusen ende Keiseren, gebiende allen uwen ondersaten ende weerliken richters, denselven joncker Walraven daer bijstander in te wesen dese scattinge te heffen ende te bueren; daer ons seer vreemde toe heeft (gedacht), aengesien dat Uwe Gnade ons mit besegelder brieven geloeft hebben onder andere punten, huer zake als van 't bisdom van Utrecht te vervolgen op hoirs selfs cost, ende geen zuen ofte dedinge aen te gaen mit heren Sweer van Oulenborch of mit yemant anders ruerende van der zake voirs., thensij bij consent ende wille unser ecclesie voirs. ende
ons, daer gheen cost, scattinge ofte bezwannge vaa laten te hebben, noch van enigen brieven ofte mandaten die van den Stoel van Romen comen mochten, mer ons daervan te ontheffen ende die of te doen buten onsen cost ende scade.
Waerom, lieve gnadige Here, wij seer oitmoedelike aen derselver Uwer Gnaden begeren, dat die (sich) willen verweerdigen aen te sien alsulke last ende be-zwaringe, die wij om deser wille voirs. gehad ende geleden hebben ende noch dagelix hebben ende lijden, â ende dese(n) transfixbrief voirs. of te doen ende te wederroepen, ende onser appellacien daerop gedaen adheriren ende bistandich wesen, ende ons van alsulken mandaten ende brieven te ontheffen, sodat wij daer geen cost ofte scade meer van en hebben, also dieselve Uwe Qnade van rechtswegen sculdig is te doen.
Ende wes Uwer Gnaden hierinne gelieven sal te doen ter eren Goeds ende onser kerken rechten, daerof begeren wij een guetlike bescreven antwoirde, daer wij ons na vuegen moegen. Onse Here God etc. . .
Naar een goed geschreven ontwerp op papier, bewaard in het archief van den Dom te Utrecht, D. 6. A. Receuil van Brieven quot;1380â1497, bl. 3. Naar de letter te oordeelen en het papiermerk, de P, zooals zij in het midden der eeuw dikwijls voorkomt (zie Stoppelaar, pi. XII), zou men zeggen dat wij hier het oorspronkelijke ontwerp voor ons hebben. Of A. Matthaeus een ander stuk heeft gevolgd, of wel slordig heeft afgeschreven, moeten wij in het midden laten. Den brief zelf, die naar den bisschop ging, heeft hij niet in handen gehad, wijl ook bij hem het slot en de datum ontbreekt (Analect. V, bl. 503/4.)
Den 7den Novemb, 1.450 sloten de vijf ütrechtsche kapittelen, die reeds appel tegen de beschikking van
025
den Luikschen bisschop hadden aangeteekend, eene overeenkomst met het kapittel van Deventer om ge-zamelijk hun hooger beroep met kracht door te zetten Daarenboven richtten zij aan den Luikschen kerkvoogd den volgenden brief:
Mijn Here van Ludijch.
Eerweerdige Vader in Gode, lieve genadige Here Onsen willigen ende oitmoedigen dienst voirs.
Also wij onlanxleden meester Willam Paedze v) onsen medecanonick tot Uwer Gnaden gesant hadden, om te insinueren een appellacie van onaer wegen gedaen tegens alsulke processen ende mandaten die Uwe Genade tot bede joncker Walraven van Moerse gefulmineert hadden, merende van een subsidium etc,, begerende dat Uwe Gnade om zeker zaken ende punten, aldaer geöpent, huer deser zaken ontladen wouden, daer die-selve Uwe Gnade op die tijd geen uutdragende antwoirt op en gaven; mer als wij verstaen, so soude derselver Uwer Gnaden bijgebracht wesen, dat sommige prelaten onser kerken dit subsidium ende scattinge selver in souden geset ende geordineert hebben.
Waerop, lieve gnadige Here, wij Uw Gnaden te kennen geven, dat wij daer onderling inquisitie ende onderzueck of gedaen hebben, ende in der waerheit bevynden, dat daer nyemant van onsen prelaten ofte canonicken over geweest en hebben , daer dit subsidium aldus geordineert ende ingeset is, ende hebben daer voirt op een confederacie ende verbont mit malcandere eendrachtelic gemaect, dese zake te wederstaen ende onse appellacie ten eynde te vervolgen als van rechts gebueren sal; ende hopen Onsen Heiligen Vader den
') Willem Paedze, 1436 en 1468 kanun. v. d. Dom te Utrecht,
1/26. , ,
Paews uut vele redelike zaken ende punten anders ende bet te onderwisen, dat hij ons alsul(c)taniger onrede-liker mandaten ende brieven vertigen ]) sal. Waerom wij derselver Uwer Gnaden oitmoedeliken bidden, om alle arringe, verdriet ende onraste, die hieruut comen raoegen, te verhueden, ende om alle dienstes ende gunste, die wij derselver Uwer Gnaden ende den uwen tot enigen tiden doen moegen, dat die (sich) willen verweerdigen, huer deser zo onredeliker zaken te ontladen ende ons mit genen processen ofte mandaten meer te bezwaeren, mer ons ende onse kerken in onsen rechten ende privilegiën laten berusten, gelijc Uwe Gnade wilde, dat wij op andere tijden Uwe Gnade ende den Uwen in geliken zaken deden of doen mochten; daer dieselve Uwe Gnade ons altijt bereyt in vynden sal na onsen vermogen; â die onse Here God altijt bewaeren wil salich ende gesond etc.
Naar een ontwerp op papier, geschreven op het tweede blad van hetzelfde vel, waarop de voren-gaande brief aan den bisschop van Utrecht staat. Vergelijk A. Matthaeus, Analect. V, bl. 504, doch met dezelfde bemerking als boven.
Voor den verderen loop dezer zaak, zie dit Archief XVI, bl. 379 vv., onder bijvoeging van dit volgende: 1458, 26 Juni. Jan Pollart proost van Arnhem getuigt, dat de vijf hoofdkerken van Utrecht hun aandeel in de vergoeding, aan Walraven v. Meurs verschuldigd, betaald en verder daarover zich verdragen hebben â exsolverunt et assignaverunt aliasque desuper se concor-daverunt â (Matth., Anal. V, bl. 499.) quot;Wat er toen is overeengekomen, leert ons, dunkt mij, de volgende brief
s) Duitsch: verzichten d. i. afstand doen, aflaten.
027
Edele geboirlig ind vrome lieve Joncher.
(Jwer Edelheyden brieve nu ain unss gesant, inhai-dende, woe unse Heylige Vader der Paeus Johan uwea soea mit tweëa provende to Utreclit versien hait, neem-iichen mit eyner aldair primo (in dem) Dome ind mitter anderen (t)zo Sent Salvatoir verschinende etc., mit meer ander woirden in demselven uwen brieve begrepen,â hain wir guetlich ontfangen ende wael verstaen.
Wairop mij Uwe Edele Yroemheyden vruntlich begeren tzo weten, dat wij die bullen mitten processen ind instrumenten gelesen ende waill duersien hebben; ind willen ouch, wan sich die tijt gebuert, dat in enich van den voirseiden kercken enige provende ver-schinen, mitten geboirtigen heren Gijsbrecbt van Brede-rode doimproist (t)zo Utrecht ende mit unsen anderen frunden, die wij dairvon gesproken hebben, alle unse vermogen dair inne doin, dat uwe soin voirg. mitten voirgerorten bullen, processen ind instrumenten ge-furdert werde ain den besten.
Kenne Got almeechtich, die Uwe Qeboirtige Vroem-heiden al tijt bewaeren will vrolick ind gesont.
Grescreven t' Utrecht in crastino Invencionis sancte Crucis anno (XIVC)LXVI.
(get.) Hermannus Scholl ind Girlacub van dek Donck, canoniken then Doim t' Utrecht.
('t Opschrift luidt:) Edelen geboirtigen ind vromen Joncher Vincent gr eve tzo Moirse ind tzo Sarwerden etc., unsen lieven seer geminden Joncher.
Naar de oorspronkelijke kladde, bewaard in het archief van den Dom te Utrecht, Recueil van Brieven, D. 6. A. bl. 28.
') Het H.S. las; inde.
028
1452, 20 Januari, treedt Walraven van Meurs elect te Munster met den proost van St. Walburg te Arnhem als bemiddelaar op in een geschil tusschen Walraven 7an Wamel pastoor te Arnhem en het Agnietenklooster aldaar, (Archief der stad Arnhem, Inventaris bl. 104.)
Spoedig daarop, wellicht reeds daarvoor had de elect van Munster, die, in spijt der pauselijke bevestiging, met geweld van zijn bisschoppelijken zetel werd geweerd , e.en verbond gesloten met den bisschop van Utrecht, waarbij was bepaald, dat, als Munster door hunne wapenen of anders kon worden gewonnen, Walraven van zijn recht op den zetel van Sint Ludger ten behoeve van Coenraad van Diepholt neef van den Utrechtschen bisschop afstand zou doen, onder voorbehoud van een jaarlijks inkomen uit het bisdom van Munster (Dumbar, Analecta II, bl. 189.)
Omstreeks Paschen 1452 toog de Utrechtsche kerkvorst te velde en had spoedig de sloten Ahaus en Ottenstein ingenomen (v. Hattum, Geschied, der stad Zwolle, I, bl. 411 en Eacer, Overijs. Gedewkst., III, bl. 124.) In spijt van alle krachtsinspanning gedurende drie volle jaren mislukte de toeleg van bisschop Roelof. Ook had de elect van Munster in dien tijd niet stil gezeten. Een blijk hiervan levert het archief der stad Doesburg, 't geen een charter bewaart van 21 Febr. 1454, waarbij Walraven v. Meurs heer van Baer bekent aan Steven van der Hoeven schuldig te zijn de som van 1000 Rijns-gulden. (Inventaris, bl. 13.)
Ook de hertog van Gelre bood Walraven zijne hulp en viel, van Groenlo uit, herhaalde malen in Munsterland. (Nijhoff, Gedenkw., IV, bl. LXXXII.)
't Bleef al vruchteloos. De bisschop van Utrecht , Walravens ijverigste bondgenoot, overleed den 24sten
029
Maart 1455 op zijn slot te Vollenhove; in het yolgend jaar kwam de beurt aan den elect van Munster, die omstreeks St. Michiel te Arnhem stierf en daar werd begraven. âUund dusse verse sijn op sijn graf ge-schrivenquot;:
«Ab ortu Christi MCCCC cum quinquaginta «Et sex connumera; tunc tulit mors1) generosum «Electum Walramum, Arnhem qui post sepelitur, «Hoiënsis gladius vetuit hunc, adire templum.quot;
(Mattb. Analect. V, bl. 129.)
Hoewel de schets van Walravens leven, zoover dit onder ons oog viel, geen gunstigen indruk maakt mocht N. Schaten *) toch van hem het volgend getuigenis geven:
Quippe optimus praesul tertia Octobris inter aerum-nas consumptus, Arnhemii in Geldriae Ducis urbe excessit e vita, ubi honorifico sepulcbro in primaria aede a Duce illatus. Adscriptum sepulcbro Epitapbium, quo brevi elogio innocentia ejus, constantiaque natatur. Morti vicinus omnibus Sacramentis sibi de felici vitae exitu provideri voluit; interque morbi afflictiones hoe unum identidem ingeminare auditus est: Haec mihi consolatio sit, ut affligens me More non parent; veluti oum Augustino diceret: Hie ure, hic seea, ut in aeter-num pareas. Virum hunc sibi intime cognitum tanti fecit ob eruditionem, pietatem, modestiam et vitae integritatem Nicolaus Cusanus Apostolicae sedis Lega-tus} ut ex omnibus Germaniae Episcopis Pontifici
') In plaats van «mors» stond hier een onverstaanbaar «el » ') Annales Paderborn. bl. 478/9. De Feller, Diction. Historique. getuigt van dit werk; «Ouvrage, selon un critique peu suspec'; fort estimé, exact, plein de grandes recherches.quot;
030
Maximo commendaret in Collegium Cardinalium adop-, tandum; cui et Pontifex sub extremum vitae galerum transmisit. Dignus meliori sorte, quam apud Monasie-denses rep^rit; ged adeo corrupta aetas erat, ut optimos Spiscopos etiam populi malitia non ferret ampliua.
Schalkwijk, 27 Juni 1889.
J. H. Hofman.
DE HOOGW. AARTSPR. VAN HEES,
In het eerste deel van dit Archief, bi. 311, wordt gezegd; â1731 2 Julii Ultrajecti [obiit] Ampl. D. Mar-tinus van Hees, archipr. Ultraj. et pastor ibid.quot; â Hier moet eene vergissing in de dagteekening zijn binnengeslopen. Want bet dcodenboek der Twijestraats-kerk, op het bureel van den Burgerl. Stand te Utrecht bewaard, getuigt met zekerheid : âDen 22aten Juli [1731] gestorven den Seer Eerw. Heer M. van Hees, Aerte-priester en Pastoer deser gemeente.quot;
J. H, H.
'7 /