GEWIJZIGDE WET
TOT RECrRrrNf. VAX
HET LAGER ONDERWIJS
ter vergeiijking naast de Wet van 17 Augustus 1878 gesteid.
TWEEDK DRUK.
H A A R L E M . H. ü. TJEENK WILLINK, 1889.
Prijs 40 Cents.
1
L. oct.
2WI
. â 2. Z
^-â¢v/. y
GEWIJZIGDE WET
van den 8sten December 1889 (Staatsblad 1°. 175)
TOT REGELING VAN
HET LAGER ONDERWIJS
H. D.
ter vergelijking naast de Wet van 17 Augustus 1878 gesteld.
TWEEDE DRUK.
£ CvA
HAARLEM, TJEENK WILLINK. 1889.
.1
|
Wei van den 17dm Augustus 1878 (Sthl. aquot; 127) tot regeling van het lager Onderwijs , zooals zij is gewijzigd hij de roetten van 27 Juli 1882(Sthl. nquot; 117), S Jan. en 11 Juli 1384 (Sthl. nquot; 2 en 123), 15 April 1886 (Sthl. nquot; 64). TITEL I. ALGEMEENE BEPALINGEN. Art. 1. (Gelijkluidend.) Art. 2. Oniler lager onderwijs begrijpt deze wet liet onderwijs in a. het lezen; b. het schrijven; c. het rekenen; (l. de beginselen der vormleer; e. die der Nederlandsche taal; Æ. die der vaderlandsche geschiedenis ; (j. die der aardrijkskunde; h, die van de kennis der natuur; |
Wet van den 8*ten December 1889 (Sthl. nquot; 175j, houdende herziening van de Wet van 17 Augustus 1878 (Sthl, nquot; 127) tol regeling van het lager Ondenoijs. TITEL I. ALGEMEENE BEPALINGEN. Art. 1. Lager onderwijs is huis- of schoolonderwijs. Onderwijs, gegeven aan kinderen van ten hoogste drie gezinnen gezamenlijk in de woning van het hoofd van een dier gezinnen, is huisonderwijs. Ieder ander onderwijs waaronder ook het onderwijs in armeninrich-tingen, gods-, gast- en werkhuizen, gestichten van weldadigheid en andere instellingen van openbaar nut gegeven, wordt voor de toepassing dezer wet als schoolonderwijs beschouwd. Art. 2. ()nder lager onderwijs begrijpt deze wet het onderwijs in a. het lezen; b. het schrijven; c. het rekenen; d. de beginselen der Nederlandsche taal; e. die der vaderlandsche geschiedenis ; Æ. die der aardrijkskunde; (j. die van de kennis der natuur; |
|
Wet van 1878. i. het zingen; k. de nuttige handwerken voor meisjes. Aan lagere scholen kan bovendien onderwijs gegeven worden in l. de beginselen der Fransche taal; m.die der Hoogduitsche taal; n. die der Engelsche taal; o. die der algemeene geschiedenis; p. die der wiskunde; q. het handteekenen; r. de beginselen der landbouwkunde; s. de gymnastiek; t. de fraaije handwerken voor meisjes. Art. 3. Lagere scholen, waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk door de gemeenten of het Rijk worden gedragen, zijn openbare, alle andere zijn bijzondere scholen. Door waterschappen of provinciën worden geene uitgaven ten behoeve van het lager onderwijs gedaan. Onverminderd het bepaalde in het 1ste lid, worden als bijzondere scholen beschouwd de zoodanige, waaraan onderwijs gegeven wordt in een of meer der vakken, genoemd in art. 2 onder l, m en n, en het vak aldaar genoemd onder p, en aan welke van wege de gemeente subsidie wordt verleend onder de voorwaarden, die de gemeenteraad noodig acht. Op deze scholen zijn de artt. 4 en 5 en het lste en 2ile lid van art. 33 toepasselijk. Art. 4. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. i h. het zingen; i. de eerste oefeningen van het handteekenen; j. de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek; k. de nuttige handwerken voor meisjes. Aan lagere scholen kan bovendien onderwijs gegeven worden in l. de beginselen der Fransche taal; m.die der Hoogduitsche taal; n. die der Engelsche taal; o. die der algemeene geschiedenis; p. die der wiskunde; q. het handteekenen; r. de beginselen der landbouwkunde ; s. de gymnastiek; t. de fraaije handwerken voor meisjes. Art. 3. De lagere scholen opgericht en onderhouden door het Rijk of de gemeenten zijn openbare, de overige zijn bijzondere scholen. Door waterschappen of provinciën worden geene uitgaven ten behoeve van het lager onderwijs gedaan. Aan bijzondere scholen noch aan bijzondere inrichtingen tot opleiding van onderwijzers mogen van wege de gemeente geldelijke bijdragen of eenige andere ondersteuning middellijk of onmiddellijk worden toegekend , dan in de gevallen en onder de voorwaarden in deze wet genoemd. Art. 4. Art. 5 der wet van 1 Juni jl865 {Staatsblad Nquot;. 58) is toepasselijk op alle lokalen, waarin lager schoolonderwijs gegeven wordt. |
â 5 â
Gewijzigde wet.
Bij algemoenen maatregel van inwendig bestuur worden door Ons, zoowel in het belang van de gezondheid als van het onderwijs, alge-meene regelen vastgesteld, omtrent den bouw en de inrichting der lokalen, waarin openbaar lager schoolonderwijs gegeven wordt, alsmede omtrent het aantal kinderen dat daarin mag worden toegelaten, met bepaling of en in hoeverre deze regelen verbinden.! zijn voor de lokalen, waarin door gemeenten gesubsidieerd bij zonder lager schoolonderwijs wordt gegeven.
Art. 5.
Geen lager schoolonderwijs wordt gegeven in lokalen, welke door den inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht zijn afgekeurd als schadelijk voor de gezondheid of van onvoldoende ruimte voor het aantal schoolgaande kinderen.
De inspecteur spreekt de afkeuring uit bij schriftelijke en met redenen omkleede verklaring en zendt daarvan afschrift aan Gedeputeerde Staten en tenzelfden dage aan het gemeentebestuur , aan den districtsschoolopziener en aan het hoofd der school. Gedeputeerde Staten gelasten burgemeester en wethouders der gemeente, waarin het lokaal ligt, deze verklaring af te kondigen binnen een door hen te bepalen termijn.
Bij Gedeputeerde Staten kunnen tegen de uitspraak van den inspecteur in hooger beroep komen
o. de districts-schoolopziener;
b. het hoofd der school;
c. de eigenaar of bruiker van het lokaal;
d. de ouders of verzorgers van schoolgaande kinderen.
Het beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop het afschrift der verklaring van den inspecteur op last van Gedeputeerde Staten
Wet van 1878.
Art. 5. {Gelijkluidend.)
â 6 â
Gewijzigde wet.
door het gemeentebestuur is afgekondigd.
Gedeputeerde Staten geven aan elk der in beroep gekomen belanghebbenden schriftelijk kennis van hunne beslissing.
Ieder die bij de beslissing partij geweest is, kan daartegen bij Ons in hooger beroep komen.
Dit moet ingesteld worden binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop de kennisgeving van de beslissing van Gedeputeerde Staten den belanghebbenden is toegezonden.
Hangende de termijnen van beroep en tot de eindbeslissing kan met het geven van onderwijs in het afgekeurd lokaal worden voortgegaan, ten ware de inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht om dringende redenen, in zijne verklaring uitdrukkelijk te vermelden, anders mocht hebben bevolen.
Indien de inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht schriftelijk verklaart dat het afgekeurde lokaal voldoende verbeterd is, of dat het aantal kinderen genoegzaam beperkt is, kan het onderwijs worden hervat.
Art. 6.
Niemand mag lager onderwijs geven, die niet in het bezit is der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid.
Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning.
Art. 7.
De bepalingen van het voorgaande artikel zijn niet toepasselijk op
a. hen, die uitsluitend aan kinderen van één gezin lager huisonderwijs geven;
b. hen, die, van het geven van lager onderwijs geen beroep makende en zich zonder geldelijke belooning daartoe bereid verklarende, van Ons
Wet van 1878.
Art. 6. (Gelijlfliiidend.)
Art. 7.
{Gelijkluidend.)
|
Wei van ISTR. Art. 8. Jongelieden van beiderlei kunne mogen, met scliriftolijke goedkeuring van den arrondissements-sehoolop-ziener, in de school als kweekelingen worden toegelaten en aldaar behulpzaam zijn, mits zij a. hun vijftiende jaar ingetreden zijn en hun negentiende niet volbragt hebben; b. tot geene werkzaamheden in de school gebezigd worden dan de zoodanige , welke zij onder het regt-streeksch toezigt en onder de leiding van een bevoegde verrigten, en c. na drie maanden als kweekeling geplaatst te zijn geweest, in het bezit zijn van een bewijs, niet ouder dan een jaar en onderteekend door het hoofd der school, waarin zij tijdens de afgifte waren toegelaten, dat hun zedelijk gedrag en hunne vorderingen voldoende zijn. |
Gewijzigde wet. vergunning hebben verkregen tnt het geven van zoodanig onderwijs. Vrijgesteld van het bezit van een der bewijzen van bekwaamheid bij het voorgaande artikel bedoeld is hij, die voor het vak of de vakken, waarin hij onderwijs geeft, bevoegd is ingevolge het Koninklijk besluit van 2 Augustus 1815, nquot;. 14, de wet van 28 April 1876 (Staatsblad nquot;. 102), of de wet van 2 Mei 1863 (Staatsblad nquot;. 50). Art. 8. â¢longelieden van beiderlei kunne mogen in de school als kweekeling worden toegelaten en aldaar behulpzaam zijn, mits zij a. hun vijftiende jaar ingetreden zijn en hun negentiende niet volbracht hebben, of de acte, bedoeld in art. 56 onder a, bezitten; b. tot geene werkzaamheden in de school gebezigd worden dan de zoodanige, welke zij onder het toezicht en de leiding van een in hetzelfde schoolvertrek aanwezigen bevoegde verrichten, en c. na drie maanden als kweekeling geplaatst te zijn geweest, inliet bezit zijn van een door den arron-dissem ents-schoolopziener sch rifte-lijk goedgekeurd bewijs, niet ouder dan een jaar en afgegeven en onderteekend door het hoofd der school, waarin zij tijdens de afgifte waren toegelaten, dat hun zedelijk gedrag en hunne vorderingen voldoende zijn. Ingeval de arrondissements-school-opziener zijne goedkeuring weigert, kan het hoofd der school, binnen veertien dagen na die weigering, de beslissing van den districts-school-opziener inroepen. Deze beslist binnen eene maand. Het hoofd der school geeft van de toelating van een kweekeling in zijne school minstens drie dagen te voren |
|
Wot van 1878. Art. 9. Hij, die in strijd niet liet voorschrift van art. 5 schoolonderwijs geeft in een afgekeurd lokaal, of die, als hoofd der school, daarin kweekelingen toelaat anders dan op den voet, bij het voorgaand artikel bepaald, wordt gestraft met eene geldboete van vijf en twintig tot vijftig gulden voor de eerste maal; bij herhaling met eene boete van vijftig tot honderd gulden of gevangenisstraf van acht tot veertien dagen, en vervolgens telkens met gevangenisstraf van eene maand tot een jaar. Tegen hem, die buiten de grenzen zijner bevoegdheid lager onderwijs geeft, wordt de helft dezer straffen uitgesproken. Art. 463 van het Wetboek van Strafrecht en art. 20 der wet van 29 Junij 1854 {Staatsblad Nquot;. 102) zijn ten deze toepasselijk. Art. 10. {Gelijkluidend.) Art. 11. {Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. schriftelijk kennis aan den arrondis-sements-schoolopziener. Art. 9. Hij, die in strijd met het voorschrift van art. 5 schoolonderwijs geeft in een afgekeurd lokaal, of die, als hoofd der school, in een vertrek meer leerlingen toelaat dan het naar de in art. 4 bedoelde regelen mag bevatten of daarin kweekelingen toelaat zonder dat de vereischte schriftelijke kennisgeving daaraan is voorafgegaan of wel anders dan op den voet, bij het voorgaand artikel bepaald, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vorige veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden of met hechtenis van ten hoogste veertien dagen. Bij tweede of volgende herhalingen gepleegd telkens binnen twee jaren nadat de laatste veroordeeling wegens eerste of volgende herhalingen onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste één jaar. Art. 10. Behalve de gevallen, hierna vermeld, vervalt de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs voor hem, die bij eindvonnis is veroordeeld a. wegens misdaad; b. tot een der straffen omschreven in art. 28 nos 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht. Art. 11. Hij, die de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs verloren heeft, kan haar niet terugbekomen, |
|
Wet van 1878. Art. 12. Van Rijkswege worden kweeksclio-len voor ouderwijzers opgerigt en onderhouden. De inrigtiug dezer kweekscholen wordt bij algemeeaen maatregel van inwendig bestuur geregeld. Indien eene kweekschool voor onderwijzers door eene gemeente wordt opgerigt en onderhouden, kan daarvoor eene bijdrage uit 'sRijks kas worden verleend, doch tot geen hoo-ger bedrag dan van de helft der kosten, zoo van oprigting als van onderhoud, en onder voorwaarde dat de kweekschool in allen opzigte aan de door Ons voor de Rijkskweekscholen gestelde vereischten voldoe. In gemeenten, waar hiertoe geschikte gelegenheid bestaat , worden van Rijkswege normaallessen tot opleiding van onderwijzers ingesteld en bekostigd. Het geven van dergelijke lessen kan aan alle bevoegden worden opgedragen. IJe gemeenteraad kan op gelijke of andere, bij plaatselijke verordening te regelen, wijze ter opleiding van onderwijzers voorzieningen treffen. Art. 13. (Gelijkluidend.) Art. 14. Onverminderd het bepaalde in art. 5 en met uitzondering van het geval, voorzien in art. 19, kan van elk besluit, krachtens deze wet doorGede- |
Gewijzigde wet. behalve in de gevallen, in artt. 29, 31 en 53 voorzien. In deze gevallen kan zij hem door Ons worden teruggegeven. Art. 12. Van Rijkswege worden kweekscholen en normaallessen tot opleiding van onderwijzers opgericht en onderhouden. De inrichting wordt bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. Ten behoeve van de opleiding van onderwijzers kan eene Rijksbijdrage worden verleend, 1quot;. aan gemeentelijke en aan bijzondere kweekscholen; 2n. aan normaallessen en aan hoofden van scholen, voor elk der door hen opgeleide personen die de akte bedoeld in art. 56 onder a hebben verkregen, volgens door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen regelen en voorwaarden. Op de door het Rijk of de gemeenten opgerichte en onderhouden kweekscholen en normaallessen zijn het lste en S'le lid van art. 33 van toepassing. De bepalingen sub a en c van art. 8 en die van art. 9, voor zoover deze op de toelating van kweekelingen betrekking hebben, zijn niet van toepassing op de leerscholen, verbonden aan door Ons aangewezen kweekscholen. Art. 13. Waar in deze wet van onderwijzers gesproken wordt, zijn hieronder ouderwijzeressen begrepen, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij. Art 14. Onverminderd het bepaalde in art. 5 en met uitzondering van de gevallen, voorzien in art. 19, sub. a, b, c, d en Æ, kan van elk besluit krach- |
|
Wet van 1878. puteerde Staten genomen bij Ons in hooger beroep worden gekomen door ieder, die bij de vernietiging of verbetering van het besluit van Gedeputeerde Staten belang beeft. Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag waarop het besluit openbaar gemaakt of den belanghebbende toegezonden is. Art. 15. Deze wet is niet toepasselijk op a. hem, die uitsluitend in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder i, k, q, r, s en t, bijzonder onderwijs geeft; b. de scholen, uitsluitend bestemd voor het onderwijs in een of meer dier vakken; c. de scholen, waarin geene kinderen boven de zes jaren worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs gegeven wordt, behoudens dat ook deze scholen onderworpen zijn aan de bepalingen van artt. 5 en 73 dezer wet; cl. militaire onderwijzers en het onderwijs, door hen gegeven aan militairen; e. de scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen en idioten; Æ. de scholen in gevangenissen, be-delaarsgestidhten of Eijkswerkinrig-tingen en in Kijksopvoedingsgestichten, behoudens de bepalingen omtrent de bevoegdheid van hen, die lager onderwijs geven. TITEL II. VAN HET OPENBAAR ONDERWIJS. § 1. Van de scholen. Art. 16. In elke gemeente wordt voldoend lager onderwijs gegeven in een ge- |
Gewijzigde wet. tens deze wet door Gedeputeerde Staten genomen, bij Ons in hooger beroep worden gekomen door ieder, die bij de vernietiging of verbetering van het besluit van Gedeputeerde Staten belang heeft. Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop het besluit openbaar gemaakt of den belanghebbende toegezonden is. Art. 15. Deze wet is niet toepasselijk op: a. hem, die uitsluitend in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r, en t, bijzonder onderwijs geeft; b. de scholen, uitsluitend bestemd voor het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder /(, i, j, k, q, r, s en t; c. de scholen, waarin geene kin-derer. boven de zes jaren worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs gegeven wordt, behoudens dat ook deze scholen onderworpen zijn aan de bepalingen van artt. 5 en 73 dezer wet; d. militaire onderwijzers en het onderwijs, door hen gegeven aan militairen; e. de scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen en idioten; Æ. de scholen in gevangenissen, be-delaarsgestichen of Rijkswerkinrichtingen en in Rijksopvoedingsgestichten, behoudens de bepalingen omtrent de bevoegdheid van hen, die lager onderwijs geven. TITEL II. VAN HET OPENBAAR ONDERWIJS, | 1. Van de scholen. Art. 16. In elke gemeente wordt voldoend lager onderwijs gegeven in een ge- |
|
Wet van 1878. noegziiam aantal scholen, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindten toegankelijk ziju. Het onderwijs omvat de vakken, in art. 2 vermeld onder aâk, en daar waar genoegzame behoefte aan uitbreiding bestaat, een of meer of wel alle vakken, vermeld in dat artikel onder lât. Naburige gemeenten kunnen zich, met inachtneming van art. 121 der wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad Nn. 85), vereenigen tot het oprigten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen of tot het vaststellen eener regeling omtrent de toelating van kinderen uit de eene gemeente op de scholen der andere. Art. 17. (Gelijkluidend.) Art. 18. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. noegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toegankelijk I zijn. Het onderwijs omvat de vakken in art. 2 vermeld onder aâk, en daar, waar genoegzame behoefte aan uitbreiding bestaat, een of meev of wel alle vakken, vermeld in dat artikel onder lât. De in de school toegelaten kinderen zijn in elke klasse verplicht aan het onderwijs in alle de aldaar onderwezen vakken deel te nemen, met uitzondering van de vakken vermeld in art. 2 onder j en s. Naburige gemeenten kunnen zich , met inachtneming van art. 121 der wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad n0. 85), vereenigen tot het oprichten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen of tot het vaststellen eener regeling omtrent de toelating van kinderen uit de eene gemeente op de scholen der andere. Art. 17. Voor zooveel doenlijk wordt aan hen, die het gewoon school-onderwijs genoten hebben, gelegenheid gegeven tot het genieten van herhalings-on-derwijs. Het herhalings-onderwijs kan zich uitstrekken tot een of meer der vakken vermeld in art. 2 onder lât, al zijn die vakken niet begrepen geweest in het genoten gewoon schoolonderwijs. Art. 18. De besluiten van den gemeenteraad , betreffende het getal der scholen en de vakken, welke op de scholen zullen onderwezen worden, worden aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. Zoo Gedeputeerde Staten het getal scholen of den omvang van het onderwijs onvoldoende achten , bevelen zij, den inspecteur gehoord , vermeerdering. |
_ 12 â
|
Wet. van 1S78. Art. 19. De besluiten van den gemeenteraad, betreffende a. de plaats waar een schoollokaal zal zijn gevestigd; b. de vermindering van het getal scholen of van den omvang van het onderwijs; c. de vereeniging eener school met of hare vervanging door andere; cl. de sluiting eener school of de schorsing van het onderwijs aan eene school; e. het verleenen van een subsidie aan eene der scholen, bedoeld in het laatste lid van art. 3, worden aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen. De artt. 196, 197, 19S, 200, 201 en 202 der wet van 29 Junij 1851 (Slaat.ibhul Nquot; 85) zijn ten deze toepasselijk. Art. 20. {Gelijkluidend.) Art. 21. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. Gelijke vermeerdering kan. Gedeputeerde Staten gehoord, door Ons worden bevolen. Art. 19. De besluiten van den gemeenteraad, betreffende: a. de plaats, waar een schoollokaal zal zijn gevestigd; b. de vermindering van het getal scholen of van den omvang van het onderwijs; c. de vereeniging eener school met of hare vervanging door andere; d. de sluiting eener school of de schorsing van het onderwijs aan eene school; e. den leeftijd welken de kinderen moeten bereikt hebben vóór zij op de openbare school worden toegelaten, en van dien waarop zij die school moeten verlaten; Æ. het verleenen van ontslag aan onderwijzers in de gevallen bedoeld in art. 29 onder b en c; worden aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen. De artt. 196, 197, 198, 200, 201 en 202 der wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad n11 85) zijn ten deze toepasselijk. Art. 20. Sluiting eener school voor bepaalden tijd kan door Gedeputeerde Staten bij een met redenen omkleed besluit worden bevolen. Zij hooren in het geval van dit en het voorgaande artikel vooraf den inspecteur van het lager onderwijs. Gelijke sluiting kan door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord, worden bevolen. Art. 21. De regeling van de schooltijden en van de vacantien, de vaststelling van het leerplan en van de bij het onderwijs te gebruiken boeken en de verdeeling der school in klassen ge- |
â 13 â
|
Wet van 1878. Art. 22. (Gelijkluidend.) $ 2. Van de onderwijzers. Art. 23. (Gelijkluidend.) Art. 24. Het hoofd der school wordt bijgestaan door ten minste één onderwijzer, zoodra het aantal schoolgaande |
Gewijzigde wet. schieden door het hoofd der school en, zoo de regeling voor meerdere scholen gelijkelijk werkt, door de hoofden dier scholen gezamenlijk, onder goedkeuring van burgemeester en wethouders en van den districtsschoolopziener. Bij verschil tusschen burgemeester en wethouders en dendisiricts-schoo!-opziener beslist Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. Art. 22. Bij de regeling der schooltijden wordt door het vrijgeven van uitdrukkelijk in de regeling genoemde uren gezorgd, dat de schoolgaande kinderen van de godsdienstleeraren godsdienstonderwijs kunnen genieten. Onder voorwaarden door burgemeester en wethouders in overleg met den districts-schoolopziener te bepalen, worden de schoollokalen, des noodig verwarmd en verlicht, voor dit godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld. Bij verschil is het laatste lid van het voorgaande artikel toepasselijk. § 2. Van de onderwijzers. Art. 23. Aan het hoofd van elke school is een onderwijzer geplaatst, die deu leeftijd van drie en twintig jaren moet volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezit. De waarneming van het bestuur eener school kan echter tijdelijk worden toevertrouwd aan een onderwijzer, die den gevorderden leeftijd of den rang van hoofdonderwijzer niet bezit, mits aan de school geen onderwijzer in het bezit van dien rang, ingevolge art. 24, verbonden zij. Zoodanige waarneming mag niet langer duren dan zes maanden. Art. 24. Het hoofd der school wordt bijgestaan door ten minste één onderwijzer, zoodra het aantal school- |
|
Wet van 1878. kinderen meer dan veertig, door ten minste twee onderwijzers, zoodra het zes en tachtig bedraagt. Voor elk vijf en veertigtal schoolgaande kinderen boven de vijf en tachtig wordt een onderwijzer meer vereischt. Wanneer het aantal onderwijzers, aan de school verbonden, meer dan vier bedraagt, moeten minstens twee, wanneer het meer dan acht bedraagt, minstens drie hunner den leeftijd van drie en twintig jaren volbragt hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten. Onder de onderwijzers, in dit artikel bedoeld, worden zij, die uitsluitend in een of meer der vakken, genoemd in art. 2, onder iât, ouderwijs geven, niet medegerekend. Op geene school mogen meer dan zes honderd kinderen gelijktijdig worden toegelaten, tenzij hiertoe door Ons om bijzondere redenen vergunning wordt verleend. Bij de toepassing van dit artikel wordt tot grondslag genomen het aantal kinderen, die op den vijftienden dag der maand Januarij van het loopende schooljaar als werkelijk schoolgaande bekend staan. Art. 25. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. gaande kinderen meer dan veertig, door ten minste twee onderwijzers, zoodra het een en negentig bedraagt. Voor elk vijf-en-vijftigtal schoolgaande kinderen boven de negentig wordt een onderwijzer meer vereischt. Wanneer met inbegrip van het hoofd der school het aantal onderwijzers ingevolge de voorafgaande bepalingen van dit artikel aan de school verbonden meer dan vier bedraagt, moeten ten minste twee, wanneer het meer dan acht bedraagt , ten minste drie hunner den leeftijd van drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten. Onder de onderwijzers, in dit artikel bedoeld, worden zij, die uitsluitend in één of meer der vakken, genoemd in artikel 2, onder hât, ouderwijs geven, niet medegerekend. Op geene school mogen meer dan zeshonderd kinderen gelijktijdig worden toegelaten, tenzij hiertoe door Ons om bijzondere redenen vergunning wordt verleend. Bij de toepassing van dit artikel wordt tot grondslag genomen het getal kinderen, die op den vijftienden dag der maand Januari van bet loopende schooljaar als werkelijk schoolgaande bekend staan. Waar die grondslag ten gevolge van het tijdstip van oprichting dei-school niet kan worden vastgesteld, geldt het aantal kinderen dat op den laatsten dag der maand volgende op die waarin de school geopend is, als werkelijk schoolgaande bekend staat. Art. 25. Wanneer de school in verscheidene klassen verdeeld is, wordt het onderwijs in de laagste klassen bij voorkeur aan onderwijzeressen, dat in de hoogste klassen, behalve aan de scholen uitsluitend voor meisjes bestemd, bij voorkeur aan onderwijzers opgedragen. |
15 â
T
|
Wet van 1878. Art. 26. Aan eiken onderwijzer wordt eene vaste jaarwedde toegelegd. Die jaarwedde bedraagt in geen geval minder dan zeven honderd gulden voor het hoofd der school, niet minder dan zes honderd gulden voor de onderwijzers, met rang van hoofdonderwijzer, die volgens art. 24 moeten aanwezig zijn in scholen met meer dan vier onderwijzers, en niet minder dan vier honderd gulden voor eiken anderen onderwijzer. Door Ons kan, Gedeputeerde Staten der provincie gehoord, voor elke provincie bepaald worden waar en tot welk bedrag het minimum van jaarwedde voor de verschillende onderwijzers aan de onderscheidene klassen van scholen hooger zijn zal dan het bedrag iu de voorgaande zinsnede bepaald. De twee voorgaande zinsneden gelden niet voor de onderwijzers, uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, genoemd in art. 2 onder iât. Het hoofd der school geniet bovendien vrije woning, zoo mogelijk met eenen tuin. Ingeval hem geen vrije woning kan verschaft worden, ontvangt hij eene billijke vergoeding voor huishuur, waarvan het bedrag door Gedeputeerde Staten wordt bepaald. Met inachtneming dezer voorschriften worden de jaarwedden der onderwijzers door den gemeenteraad onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten geregeld. In geval van hooger beroep bij Ons van het besluit van Gedeputeerde Staten, wordt bij Onze beslissing de vereischte regeling vastgesteld. Art. 27. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. Art. 26. Aan eiken onderwijzer wordt eene vaste jaarwedde toegelegd. Die jaarwedde bedraagt in geen geval minder dan zeven honderd gulden voor het hoofd der school, niet minder dan zes honderd gulden voor de onderwijzers, met rang van hoofdonderwijzer, die volgens art. 24 moeten aanwezig zijn in scholen met meer dan vier onderwijzers, en niet minder dan vier honderd gulden voor eiken anderen onderwijzer. Door Ons kan. Gedeputeerde Staten der provincie gehoord, voor elke provincie bepaald worden waar en tot welk bedrag het minimum van jaarwedde voor de verschillende onderwijzers aan de onderscheidene klassen van scholen hooger zijn zal dan het bedrag in de voorgaande zinsnede bepaald. De twee voorgaande zinsneden gelden niet voor de onderwijzers, uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, genoemd in art. 2 onder /iât. Het hoofd der school geniet bovendien vrije woning, zoo mogelijk met eenen tuin. Ingeval hem geen vrije woning kan verschaft worden, ontvangt hij eene billijke vergoeding voor huishuur, waarvan het bedrag door Gedeputeerde Staten wordt bepaald. Met inachtneming dezer voorschriften worden de jaarwedden der onderwijzers door den gemeenteraad onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten geregeld. In geval van hooger beroep bij Ons van het besluit van Gedeputeerde Staten, wordt bij Onze beslissing de vereischte regeling vastgesteld. Art. 27. Om als onderwijzer benoemd te kunnen worden, wordt het bezit vereischt a. eener acte van bekwaamheid; b. van een getuigschrift van zede- |
16
|
Wet van 1878. Art. 28. De onderwijzers, aan de gemeentescholen verbonden, worden door den gemeenteraad benoemd. Betreft die benoeming den onderwijzer, aan het hoofd der school geplaatst, zoo gaat daaraan een vergelijkend examen vooraf. Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt de wijze, waarop dit examen wordt afgenomen, door Ons geregeld. De benoeming geschiedt in dat geval uit eene voordragt van minstens drie en hoogstens vijf onderwijzers, door den districts-schoolopziener aan den raad schriftelijk in te zenden. |
Gewijzigde wet. lijk gedrag, afgegeven door den burgemeester der gemeente of de burgemeesters der gemeenten, waar hij, aan wien het wordt uitgereikt, in de twee laatste jaren gewoond heeft. Bij weigering van een der burgemeesters kan het getuigschrift worden verleend door Onzen Commissaris in de provincie. Met zoodanig getuigschrift wordt gelijk gesteld het getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven door de bevoegde overheid buiten 'slands, onder welker gebied de bezitter in de twee laatste jaren heeft gewoond. Art. 28. De onderwijzers . aan de gemeentescholen verbonden, worden door den gemeenteraad benoemd. De benoeming van den onderwijzer, aan het hoofd der school geplaatst, geschiedt uit eene voordracht van minstens drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders en den districts-schoolopziener. Indien burgemeester en wethouders en de districts-schoolopziener niet tot overeenstemming kunnen geraken, gaat aan de benoeming een vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten vooraf. Melden meer dan zes bevoegden zich voor het onderzoek aan, dan kunnen burgemeester en wethouders, in overeenstemming met den districtsschoolopziener, bepalen welke candidaten , mits niet minder dan zes, daaraan zullen worden onderworpen. Bij gemis aan overeenstemming omtrent de keuze der op te roepen personen, worden alle candidaten die zich hebben aangemeld tot het onderzoek toegelaten. Ingeval de benoeming na voorafgaand vergelijkend onderzoek plaats heeft, wordt de voordracht, bestaande uit minstens drie bevoegden, dooiden districts-schoolopziener opgemaakt en door dezen met een schrif- |
|
Wet van 1S78 In gemeeuteu waar meer dan ééne school bestaat, kan de onderwijzer aan liet hoofd der eene geplaatst, aan het hoofd der andere worden gesteld, zonder voorafgaand vergelijkend examen en voordragt, indien de gemeenteraad na overleg met den dis-tricts-schoolopziener hiertoe besluit. De benoeming van andere ouderwijzers geschiedt uit eene voordragt van minstens drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders in overleg met den arron-dissements-schoolopziener, na ingewonnen berigt van het hoofd dei-school, waaraan de benoeming geschieden moet, en onder overlegging van het berigt van het hoofd der school aan den raad schriftelijk ingezonden. De onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend door het Rijk bekostigd, worden benoemd door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. Op de benoeming van het hoofd van zoodanige school is het tweede lid van dit artikel toepasselijk. Art. 29. Ontslag aan onderwijzers; aan gemeentescholen verbonden, wordt door den gemeenteraad verleend a. rogtstreeks overeenkomstig eigen verzoek, met ingang van den dag door den gemeenteraad te bepalen; b. op voordragt van den districts-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, aan het hoofd eener school geplaatst; c. op voordragt van burgemeester |
Gewijzigde wet. telijk, met redenen omkleed advies omtrent de voorgedragen candidaten aan den raad ingezonden. Al wat verder het in dit artikel bedoeld onderzoek betreft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. In gemeenten waar meer dan eene school bestaat kan de ouderwijzer, aan het hoofd der eene geplaatst, aan het hoofd der andere worden gesteld zonder voordracht, indien de gemeenteraad na overleg met den dis-tricts-schoolopziener hiertoe besluit. De benoeming van andere ouderwijzers geschiedt uit eene voordracht van minstens drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders, in overleg met den arron-dissements-schoolopziener, na ingewonnen bericht van het hoofd dei-school , waaraan de benoeming geschieden moet. Het bericht van het hoofd der school en het schriftelijk, met redenen omkleed advies van den arrondissements-schoolopziener worden aan den raad overgelegd. De onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend door het Rijk bekostigd, worden benoemd door Onzen Minister die met de uitvoering dezer wet belast is. Art. 29. Ontslag aan onderwijzers, aan gemeentescholen verbonden, wordt dooiden gemeenteraad verleend a. rechtstreeks overeenkomstig eigen verzoek, met ingang van den dag door den gemeenteraad te bepalen; 6. op voordracht van burgemeester en wethouders of van den districtsschoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, aan het hoofd eend-school geplaatst; c. op voordracht van burgemeester |
|
Wet van 1878. en wethouders, of van den arrondisse-meuts-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, die niet aan het hoofd eener school is geplaatst. In de twee laatste gevallen kan het ontslag niel-eenol worden verleend. Door Gedeputeerde Staten kan worden verklaard, dat de niet eervol ontslagen onderwijzer de bevoegdheid tot hetgeven van onderwijs heeft verloren. Aan onderwijzers, verbonden aan eene school, uitsluitend door het Rijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen verzoek, hetzij ambtshalve, ontslag verleend door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. Art. 30. (Gelijkluidend) Art. 31. {Gelijkluidend.) Art. 32. In de tijdelijke waarneming der door schorsing, ontslag of ontstentenis aan eene gemeenteschool opengevallen plaats wordt door burge- |
Gewijzigde wet. en wethouders of van den arrondisse-ments-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft , die niet aan het hoofd eener school is geplaatst. In de twee laatste gevallen kan het ontslag niet-eervol worden verleend. Door Gedeputeerde Staten kan worden verklaard, dat de niet eervol ontslagen onderwijzer de bevoegdheid tot hetgeven van ouder wijs heeft verloren. Aan onderwijzers, verbonden aan eene school, uitsluitend door het Rijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen verzoek, hetzij ambtshalve, ontslag verleend door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. Art. 30. Een onderwijzer, aan eeue gemeenteschool verbonden, kan op voorstel van den arrondissements-schoolop-ziener voor hoogstens eene maand door burgemeester en wethouders worden geschorst. Zij geven hiervan onmiddellijk kennis aan den gemeenteraad en aan den districtsschoolopziener met opgave van de redenen der schorsing. De schorsing geschiedt zonder stilstand van jaarwedde. Zij kan binnen den tijd, waarvoor zij is uitgesproken, door den gemeenteraad worden opgeheven. Art. 31. Behalve op de wijze, in de twee voorgaande artikelen bepaald, kan de schorsing of het ontslag, doch in het laatste geval slechts niet-eervol, op voordracht van den districts-school-opziener door Gedeputeerde Staten worden uitgesproken. Op dergelijk ontslag is het voorlaatste lid van art. 29 toepasselijk. Art. 32. In de tijdelijke waarneming der door schorsing, ontslag of ontstentenis aan eene gemeenteschool opengevallen plaats wordt door burge- |
|
Wet van -1R78. meester on wethouders in overleg met den arronrtissements-schoolop-ziener voorzien. Indien in de vervulling, waar het betreft het hoofd der school, niet door den gemeenteraad is voorzien binnen zes maanden, nadat de plaats is opengevallen, geschiedt zulks met inachtneming van het tweede lid vim art. 28 door Gedeputeerde Staten. Ingeval van tijdelijke verhindering kan, op gelijke wijze als in het eerste lid van dit artikel is bepaald, in de waarneming worden voorzien. De schorsing van onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend van Rijkswege bekostigd, en de voorziening in de tijdelijke waarneming aan dergelijke scholen geschieden door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast. Art. 32bis. (/s aan de Gewijzigde wet nieuw toegevoegd.) Art 33. (Ceiijkluidend.) |
Gewijzigde wet. meester en wethouders in overleg met den arrondissements-schoolop-ziener voorzien. Indien in de vervulling, waar het betreft het hoofd der school, niet door den gemeenteraad is voorzien binnen zes maanden nadat de plaats is opengevallen, geschiedt zulks door Gedeputeerde Staten, na voorafgaand vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten. Ingeval van tijdelijke verhindering kan, op gelijke wijze als in het eerste lid van dit artikel is bepaald, in de waarneming worden voorzien. De schorsing van onderwijzers, verbonden aan scholen , uitsluitend van Rijkswege bekostigd, en de voorziening in de tijdelijke waarneming aan dergelijke scholen geschieden door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast. Art. 32bis. Wanneer in eene gemeenteschool jongelieden, in het bezit der akte, bedoeld in art. 56, onder a, op den voet van art. 8 als kweekelingen zfjn toegelaten, zijn deze bij schorsing, ontslag, ontstentenis of tijdelijke verhinderingvan eenen onderwijzer in die school, op aanwijzing van het hoofd, bevoegd en verplicht tot de waarneming der opengevallen plaats, hangende het overleg, in het eerste lid van art. 32 voorgeschreven. Art. 33. Het schoolonderwijs wordt onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden. De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten wat strijdig is met den eerbied verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden. |
20 â
Gewijzigde wet.
De onderwijzer, die zich in dit op-zigt aan plicht verzuim schuldig maakt, kan door Ons voor hoogstens een jaar en bij herhaling der overtreding voor onbepaalden tijd in zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan eene openbare school geschorst worden.
Het geven van godsdienstonderwijs blijft aan de godsdienstleeraren overgelaten.
Art. 34.
Op bezwaarschriften tegen het in de school gebruik maken van bepaald aangewezen leerboeken wordt beslist door Onzen Minister, die niet de uitvoering dezer wet is belast.
Zijne beslissing wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt.
Den onderwijzer, die een aldus afgekeurd leerboek gebruikt , wordt door burgemeester en wethouders verboden hiermede voort te gaan.
In geval van ongehoorzaamheid wordt aan den onderwijzer een niet-eervol ontslag gegeven.
Art. 35.
Het is den onderwijzers op straffe van ontslag verboden handel te drijven of eenige nering of beroep, behalve het geven van onderwijs , uit te oefenen.
Art. 36.
Het is hun op gelijke strafte verboden ambten of bedieningen te be-kleeden of te gedoogen, dat te hunnen huize handel of nering gedreven of eenig beroep uitgeoefend worde door de leden van hun gezin.
Zoowel van het eene als van het andere verbod kan vrijstelling worden verleend door Gedeputeerde Staten, den districts-schoolopziener gehoord.
Het ontslag, in dit en de twee voorgaande artikelen bedoeld, wordt verleend , hetzij door den gemeenteraad op voordracht van den districts-
Wet van 1878.
Art. 34.
(Gelijkluidend.)
Art. 35. {Gelijkluidend.)
Art. 36. (Gelijkluidend,)
|
Wet van â¢1S78. Art. 37. (Gelijkluidend.) Art. 38. (Gelijkluidend.) Art. 39. Aan den onderwijzer, die ten gevolge van de opheffing der school, waarvan hij het hoofd was, wordt ontslagen en niet in de termen valt om pensioen te genieten, wordt ten laste van het Kijk een wachtgeld verleend tot een bedrag van de helft der jaarwedde, die hij op het tijdstip van zijn ontslag genoot. Dit wachtgeld vervalt na vijf jaren, of wanneer de ouderwijzer in de termen komt om |
Gewijzigde wet. schoolopziener of van burgemeester eu wethouders of van den arrondisse-ments-schoolopziener naar de onderscheidingen, in art. 29 onder b en c gemaakt, hetzij ingevolge art. 31 door Gedeputeerde Staten, hetzij aan scholen , uitsluitend door het Kijk bekostigd, door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast. Art. 37. Aan de onderwijzers wordt, in de gevallen bij art. 38 en onder de voorwaarden bij artt. 41 en 42 dezer wet gesteld, pensioen verleend ten laste van het Kijk. Art. 38. Kecht op pensioen wordt verkregen door na volbrachten vijf en zestigjarigen leeftijd bekomen ontslag. Pensioen kan insgelijks verleend worden aan een onderwijzer, die na tienjarigen diensttijd uit hoofde van ziels- of lichaamsgebreken voor de waarneming zijner betrekking ongeschikt is en op dien grond ontslag heeft bekomen. Die ongeschiktheid wordt aangenomen op de verklaring van den districts-schoolopziener en van Ge-I deputeerde Staten. Bij de berekening van het pensioen komen alleen in aanmerking diensten vóór of sedert het in werking treden dezer wet als onderwijzer aan eene openbare school ten behoeve van het lager onderwijs bewezen. Art. 39. Aan deu onderwijzer hoofd eener school die ten gevolge van de opheffing der school, en aan den ouderwijzer, die, wegens opheffing der ! school of wegens opheffing zijner betrekking, omdat het krachtens deze wet in de school gevorderd aantal onderwijzers is overschredeu, wordt j ontslagen en niet in de termen valt pensioen te genieten, wordt ten laste van het Kijk een wachtgeld verleend |
|
Wet van 1878. pensioen te genieten, of zooveel vroeger, als hij tot eene betrekking van rijks-, provincie- of gemeentewege wordt benoemd, waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dit overtreft, of zoodanige betrekking, hem niet van rijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, aanvaardt. Bij de aanvaarding eener betrekking, niet van rijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag dier bezoldiging. Behalve in het laatstgenoemde geval rekent de tijd, gedurende welken het wachtgeld wordt genoten, mede voor aanspraak op pensioen. Art. 40. (Gelijkluidend.) Art. 41. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. tot een bedrag van de helft der jaarwedde, die hij op het tijdstip van zijn ontslag genoot. Dit wachtgeld vervalt na vijfjaren, wanneer het geldt het hoofd eener school, na twee jaren wanneer het geldt een onderwijzer, of wanneer het hoofd of de onderwijzer in de termen komt om pensioen te genieten, of zooveel vroeger als hij tot eene betrekking van rijks-, provincie- of gemeentewege wordt benoemd , waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dit overtreft, of zoodanige betrekking, hem niet van rijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, aanvaardt. Bij de aanvaarding eener betrekking, niet van rijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag dier bezoldiging. Behalve in het laatstgenoemde geval rekent de tijd, gedurende welken het wachtgeld wordt genoten, mede voor aanspraak op pensioen. In de aan onderwijzers, geen hoofden van scholen, te verleenen wachtgelden, wordt door de gemeente de helft aan het Kijk vergoed. Art. 40. Het pensioen beloopt voor elk jaar dienst een zestigste deel van de jaarwedde , die over de laatste twaalf maanden, aan het ontslag voorafgegaan, tot grondslag gediend heeft voor de bepaling der bijdrage, in het volgend artikel vermeld, doch mag nimmer het twee derde gedeelte dier jaarwedde te boven gaan. Art. 41. Als bijdrage voor pensioen wordt door de onderwijzers jaarlijks betaald twee ten honderd van de jaarwedde aan hunne betrekking verbonden. De jaarwedde wordt berekend met inbegrip van hetgeen de onderwijzer, |
â 23 â
|
Wet van ISTS. Art. 42. (Gelijhluidend.) Art. 42ö(s. De artt. 6, 26, 27 litt. a en 35â42 gelden niet voor de onderwijzers, aan openbare scbolon uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2, onder â /, h, (â /, r, s en t. § 3. Van de-kosten van het onderwijs. Art. 43. {Gelijkluidend.') Art. 44. Die kosten zijn a. de jaarwedden der onderwijzers; b. de vergoeding aan onderwijzers, aan het hoofd van scholen staande, wegens gemis van vrije woning; |
Gewijzigde wet. aan het hoofd eener school geplaatst, op grond van art. 26, vierde lid, dezer wet geniet. Het bedrag dezer inkomsten wordt door Gedeputeerde Staten bepaald. De bijdrage komt ten voordeele van het Rijk en wordt door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan 's Rijks schatkist verantwoord. Art. 42. De bepalingen van de artt. 7, 16, derde lid, 22, 23, 24, 26, 27,28,29, 30, 31, 32, 37, 40 en 41 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 {Staatsblad nquot; 64), zijn op de pensioenen der onderwijzers van toepassing. Art. 426;.?. De artt. 6, 26, 27 litt. n, en35â42 gelden niet voor de onderwijzers, aan openbare scholen uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r en t. De artt. 26 en 35â42 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen die uitsluitend in een der vakken of in beide vakken vermeld in art. 2 onder j en s onderwijs geven, dan wel daarnevens mede onderwijs geven in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r en t. 'i 3. Van de kosten van het onderwijs. Art. 43. Elke gemeente voorziet in de kosten van haar lager onderwijs, voor zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden. Art. 44. Die kosten zijn n. de jaarwedden der onderwijzers; b. de vergoeding aan onderwijzers, aan het hoofd van scholen staande, wegens gemis van vrije woning; |
|
Wet van quot;1878. n. de toelagen en bijdragen tot opleiding van onderwijzers; d. de uitgaven ten behoeve van bet herhalings-onderwijs; e. die voor het stichten en in stand houden of voor het huren der schoollokalen en onderwijzerswoningen ; Æ. die voor het. aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen en der schoolboeken, leermiddelen on schoolbehoeften; (j. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden der schoollokalen; h. die van het plaatselijk schooltoe-zigt en van de vergelijkende examens; i. die voor de schoolbibliotheken, belooningen en eereblijken. Art. 45. Door het Rijk wordt over elk dienstjaar aan de gemeente vergoed dertig ten honderd van het bedrag der kosten bedoeld in het vorig artikel, onder: 1°. letter aâd; 2°. letter c, doch uitsluitend voor zooverre zij betreffen het stichten en huren der schoollokalen en onderwijzerswoningen, zijnde onder âstichtenquot; ook het verbouwen begrepen; 3°. letter Æ, doch uitsluitend voor zooverre zij betreffen het aanschaffen der noodzakelijke schoolmeubelen, bij eerste inrigting van nieuwe schoollokalen. Voorschriften omtrent de uitvoering dezer bepaling worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gegeven, met inachtneming van het beginsel dat, behoudens aanvulling of terugbetaling na vaststelling der gemeenterekening, de uitkeering der vergoeding geschiedt : |
Gewijzigde wet. c. de toelagen en bijdragen tot opleiding van onderwijzers; d. de uitgaven ten behoeve van het herhalings-onderwijs; e. die voor het stichten en in stand houden of voor het huren der schoollokalen en onderwijzerswoningen; Æ. die voor het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen en der schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften ; g. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden der schoollokalen; h. die van het plaatselijk schooltoezicht en van het vergelijkend onderzoek ; i. die voor de schoolbibliotheken, belooningen en eereblijken. Art. -15. Door het Rijk wordt over elk dienstjaar aan de gemeente eene bijdrage verleend: 1° o. voor elk hoofd eener school van negentig en minder leerlingen tweehonderd vijftig gulden; van een en negentig tot en met eenhonderd negen en negentig leerlingen driehonderd gulden; van tweehonderd tot en met driehonderd negen leerlingen vierhonderd gulden; van drie honderd tien tot en met vierhonderd negentien leerlingen vijfhonderd gulden; van vierhonderd twintig en meer leerlingen zeshonderd gulden. b. voor elk der onderwijzers, die het hoofd der school bijstaan, voor zoover die bijstand volgens art. 24 verplichtend is, voor scholen: van een en veertig tot en met negentig leerlingen eenhonderd vijftig gulden; |
25
|
Wet van 1878. met betrekking tot de kosten in het vorig artikel sub litt. a-d bedoeld , en tot die van het huren der schoollokalen en onderwijzerswoningen, bij wijze van voorschot, op den grondslag der goedgekeurde begroo-tingscijfers; 2°. met betrekking tot de overige kosten, in verband met de betalingstermijnen. |
Gewijzigde wet. van een en negentig~en meer leerlingen tweehonderd gulden, doch voor elk dier onderwijzers die den leeftijd van drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten, voor zoover zulks volgens art. 24 gevorderd wordt, driehonderd gulden. c. indien het aan de school verbonden onderwijzend personeel het minimum van onderwijzers, bij art 24 gesteld, overschrijdt: voor scholen van negentig en minder leerlingen eenhonderd vijftig gulden en van een en negentig tot en met driehonderd negen leerlingen tweehonderd gulden voor één onderwijzer; voor scholen van driehonderd tien en meer leerlingen tweehonderd gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers; doch omvat het onderwijs behalve de vakken lt;iâk tevens ten minste twee der vakken ouder l, m en n en het vak onder p van artikel 2 genoemd : voor scholen van negentig en minder leerlingen tweehonderd gulden voor één onderwijzer; voor scholen van een en negentig tot en met eenhonderd negen en negentig leerlingen tweehonderd vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers; voor scholen van tweehonderd en meer leerlingen tweehonderd vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste drie onderwijzers. Indien een onderwijzer in den loop van het jaar wordt in dienst gesteld, ten gevolge van ontslag de school verlaat, of overlijdt, wordt de bijdrage berekend naar den maatstaf sub a b en c vermeld, in evenredigheid van het aantal volle maanden dat hij in dat jaar aan de school verbonden is geweest ; 2° vijf en twintig ten honderd van de kosten wegens het stichten, ver- |
3
â 26 â
Wet van 1878. Gewijzigde wet.
bouwen of aankoopen van schoollokalen voor zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden.
Voor de sub 1 vermelde bijdrage komen niet in aanmerking de scholen waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst oplevert van gemiddeld tachtig gulden of meer per leerling en per jaar.
Voor de berekening daarvan dient tot grondslag het aantal leerlingen waarnaar volgens den maatstaf in art. 24 vermeld het aantal onderwijzers geregeld wordt.
Voorschriften omtrent de uitvoering dezer bepalingen worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven, met inachtneming van het beginsel, dat behoudens aanvulling of terugbetaling na afloop van het dienstjaar de uitkeering der bijdrage geschiedt:
u. bij voorschot;
die sub 1° a en b bedoeld naar het aantal onderwijzers dat ingevolge het bepaalde bij de artt. 23 en 24 aan de school moet verbonden zijn;
die sub 1° c bedoeld, voor zoo ver het aantal op 1 Januari van het dienstjaar aan de school verbonden ouderwijzers voor de bijdrage in aanmerking komt;
h. die sub 2° bedoeld in verband met de betalingstermijnen.
Art. 46.
Ter tegemoetkoming in de kosten, welke voor rekening der gemeente blijven, wordt voor ieder schoolgaand kind, met uitzondering van bedeelden , en van hen die, schoon niet bedeeld , onvermogend zijn , een schoolgeld geheven van ten minste twintig cents per maand.
De minvermogenden worden, indien het schoolgeld voor ieder kind van dezelfde klasse gelijk is, slechts voor een gedeelte aan de heftlng onderworpen.
Art. 46.
Ter tegemoetkoming in do kosten, welke voor rekening der gemeente blijven, kan eene bijdrage van ieder schoolgaand kind worden geheven.
|
Wet van 1R7H. Het invoeren, wijzigen of afschaffen van dit schoolgeld geschiedt met inachtneming van de artt. 232â236 der wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad N0 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258â2G2 dier wet. Bedeelden eu zij, die, schoon niet bedeeld, onvermogend zijn, worden niet, de minvermogenden niet of slechts voor een gedeelte, aan de hefting onderworpen. Art. 47. {Gelijkluidend.) Art. 48. Tenzij bij eene regeling, krachtens het laatste lid van art. 16 gemaakt, anders is bepaald, bedraagt het schoolgeld voor de kinderen uit andere gemeenten niet meer dan dat voor de kinderen uit de heffende gemeente. Voor twee of meer kinderen uit één gezin, gelijktijdig ter school gaande, kan het bedrag van het |
Gewijzigde wet. Vrijstelling van verplichting tot het betten van schoolgeld kan aan eene gemeente door Ons worden verleend bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State geboord. Intrekking dezer vrijstelling geschiedt op dezelfde wijze. Het invoeren, wijzigen of afschaffen van dit schoolgeld geschiedt met inachtneming van de artt. 232â230 der wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad nquot; 85), met dien verstande dat aan de verordening tot heffing Onze goedkeuring niet wordt ontbonden dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord. De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258â262 dier wet. Indien bet schoolgeld, bebalve voor zooveel betreft de gevallen in bet 2'^ lid van dit artikel en in artikel 48 vermeld, voor ieder kind van dezelfde klasse niet gelijk is, zijn daarop de artt. 264â266 dier wet, gelijk die gewijzigd is bij de wet van 28 Juni 1881 {Staatsblad n= 102), mede van toepassing, met dien verstande, dat het schoolgeld voor geen kind meer bedrage dan hetgeen voor het ouderwijs van dat kind kan geacht worden voor rekening der gemeente te blijven. Art. 47. Het gemeentebestuur bevordert zooveel mogelijk het schoolgaan dei-kinderen van bedeelden, on vermogenden en minvermogenden. Art. 48. Tenzij bij eene regeling krachtens het laatste lid van art. 16 gemaakt , anders is bepaald, bedraagt het schoolgeld voor de kinderen uit andere gemeenten niet meer dan dat voor de kinderen uit de bettende gemeente. Voor twee of meer kinderen uit één gezin, gelijktijdig ter school gaande, kan bet bedrag van het |
â 28 â
|
Wet van 1878. schoolgeld lager gesteld worden dan liet, berekend voor ieder afzonderlijk, wezen zou. Behoudens de vrijstellingen, in art. 46 dezer wet bedoeld, is voor ieder kind van dezelfde klasse het schoolgeld gelijk. Art. 49. {Gelijkluidend.) Art. SO. (Gelijkluidend.) TITEL III. VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS. Art. 51. {Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. schoolgeld lager gesteld worden dan liet, berekend voor ieder afzonderlijk, wezen zou. Art. 49. Indien Wij , Gedeputeerde Staten gehoord, oordeelen, dat eene gemeente, door de uitgaven, tot eene behoorlijke inrichting van haar lager onderwijs vereischt, in verhouding tot hare middelen en andere uitgaven onbillijk zou worden bezwaard, kan haar uit 's Rijks kas tijdelijk subsidie verleend worden. Ons daartoe strekkend en met redenen omkleed besluit wordt, tegelijk met het advies van Gedeputeerde Staten, in de Staatscourant openbaar gemaakt. Art. 50. De bestekken voor en de gunning van den bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen, ter bekostiging waarvan aan de gemeente overeenkomstig art. 49 uit 's Kijks kas tijdelijk subsidie wordt verleend, behoeven de goedkeuring van Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast; deze beslist, den districtsschoolopziener gehoord. In alle overige gevallen worden de bestekken aan de goedkeuring van den districts-schoolopziener onderworpen. Ingeval deze bezwaar maakt zijne goedkeuring te verleenen, kan de beslissing van Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, worden ingeroepen. TITEL III. VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS. Art. 51. Tot het geven van bijzonder onderwijs wordt vereischt het bezit a. eener akte van bekwaamheid; |
â 29 â
Gewijzigde wet.
0. van een gelijk getuigschrift, als in art. 27, lit. b, is vermeld, en waarop het voorlaatste en het laatste lid van dat artikel toepasselijk zijn;
c. van een bewijs, dat deze beide stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het ouderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden.
Burgemeester en wethouders geven hiervan aan den districts-schoolop-ziener berieht.
Art. 52.
Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld in lit. c. van het voorgaand artikel, wordt uiterlijk binnen vier weken, te rekenen van den dag, waarop de aanvrage daartoe geschied is, door burgemeester en wethouders beslist.
Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de beslissing aan den belanghebbende niet is kenbaar gemaakt, wordt beroep op Gedeputeerde Staten toegelaten.
Xa afwijzing door Gedeputeerde Staten, of indien binnen den tijd van zes weken na het ingesteld hooger beroep hunne beschikking aan den belanghebbende niet is kenbaar gemaakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen.
Art. 53.
De onderwijzer, die bij het geven van bijzonder school- of huisonderwijs leeringen verspreidt strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kan op voordracht van burgemeester en wethouders of van den districts-schoolopziener door Gedeputeerde Staten worden verklaard zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren te hebben.
Deze bepaling is ook toepasselijk op den onderwijzer, die zich aan een ergerlijk levensgedrag schuldig maakt.
Wet van 1878.
Art. 52. f Gelijkluidend.)
Art. 53.
(Gelijkluidend.)
â 30 â
Gcwijzigdo wet.
Art. 54.
De onderwijzer, die de lessen der school bestuurt, wordt geacht aan haar hoofd te staan.
Hij moet den leeftijd van drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten.
Van deze vereischten wordt vrijstelling verleend in geval eener tijdelijke waarneming, mits het niet langer dure dan zes maanden, dat een onderwijzer, die den gevorderden leeftijd of den hoofdonderwijzersrang niet bezit, aan het hoofd der school staat.
Aan bijzondere lagere scholen kan onderwijs gegeven worden in dezelfde vakken als aan de openbare.
Art. óihis.
Door het Rijk wordt over elk dienstjaar aan de besturen der bijzondere lagere scholen eene bijdrage verleend volgens denzelfden maatstaf als bij art. 45 sub 1° aan de gemeente ten behoeve der openbare lagere school wordt toegekend, mits:
1°. de school staat onder het bestuur van een instelling of vereeni-ging, die rechtspersoonlijkheid bezit;
2U. het onderwijs de vakken omvat in art. 2 vermeld onder aâj, alsmede k, tenzij , wat het laatste vak betreft, blijke, dat de schoolgaande kinderen daarin elders voldoend onderwijs ontvangen ;
3U. dat onderwijs gegeven wordt gedurende ten minste achttien uren per week, waarvan ten hoogste twee uren in het vak vermeld onder k van art. 2, volgens een aan den arron-dissements-schoolopziener medege-deelden en in een der schoolvertrek-ken op eene zichtbare plaats opgehangen rooster van lesuren, waarop tevens de feestdagen en vacantie-tijden zijn vermeld;
4quot;. het aantal onderwijzers voldoet I aan de voor de openbare scholen
Wet van 1878.
Art. 54.
(Gelijkluidend.)
Art. 54fti.s.
Gewijzigde wet nieuw loe-
(Is aan de gevoegd.)
_ 31 â
Wet van 1878. Gewijzigde wet.
gestelde eischen ia de artt. 23 en 24, het 3de lid uitgezonderd.
Voor die bijdragen komen niet in aanmerking de bijzondere scholen:
a. waarvan het aantal leerlingen boven zes jaren, dat als werkelijk schoolgaande bekend staat, berekend naar den maatstaf in art. 24 vermeld, minder dan 25 bedraagt;
b. waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst oplevert van gemiddeld Æ 80 of meer per leerling en per jaar;
c. wanneer bij vacature in het onderwijzend personeel tusschen het ontstaan daarvan en de aanvaarding zijner betrekking door den benoemde een langere tijd verloopt dan: wat het hoofd der school betreft, van zes maanden, wat de overige onderwijzers betreft, van vier maanden;
d. waarvan blijkt, dat zij gehouden worden als winstgevend bedrijf.
Voor de berekening van het sul) b vermelde wordt het voorschrift ge-1 volgd dienaangaande bij art. 45 gegeven.
De besturen zijn gehouden aan Onzen Minister, met de uitvoering i dezer wet belast , en aan Gedepu-i teerde Staten der provincie, waarin de school is gevestigd, alle inlichtingen te geven verlangd met betrekking tot litt. aâd in dit artikel vermeld , en zulks op straffe van verval van aanspraak op de bijdrage.
Jaarlijks in de maand Januari zendt het bestuur, dat op eene Rijksbijdrage krachtens dit artikel over het voorgaande jaar aanspraak maakt, zijne daartoe strekkende aanvrage aan de Gedeputeerde Staten van de provincie, waarin de school is gevestigd.
Deze beslissen vóór 1 Mei daaraanvolgende of de school voldoet aan de eischen en voorwaarden, in dit artikel tot het verleenen eener Rijks-
â 32 â
|
Wet van 1878. TITEL IV. VAN DE AKTEN VAN BEKWAAMHEID TOT HET GEVEN VAN LAGER ONDERWIJS. Art. 55. (Gelijkluidend.) Art. 56. De akten van bekwaamheid zijn : a. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de vakken, vernield in art. 2, onder aâi, en aan onderwijzeressen tevens in het vak, aldaar genoemd onder /r,- |
Gewijzigde wet. bijdrage gesteld, bepalen het bedrag dier Rijksbijdrage overeenkomstig de eerste zinsnede van dit artikel en deelen hun besluit onverwijld mede aan Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast, alsmede aan den j inspecteur van het lager onderwijs, in wiens ambtsgebied de school is j gevestigd, en aan het bestuur, dat ; de aanvrage deed. Binnen dertig vrije dagen na de dagteekening van dat besluit kan daarvan bij Ons in beroep worden gekomen door Onzen Commissaris in de provincie en door den inspecteur en het bestuur in het vorige lid bedoeld. Het bedrag, waarop het bestuur aanspraak mocht kunnen maken, wordt alsdan bij Onze eindbeslissing vastgesteld. De voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden door Ons gegeven bij algemeenen maatregel van bestuur. TITEL IV. VAN DE AKTEN VAN BEKWAAMHEID TOT HET GEVEN VAN LAGER ONDERWIJS. Art. 55. De bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs wordt verkregen door het afleggen der in deze wet omschreven examens. Art. 56. De akten van bekwaamheid zijn: a. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de vakken, vermeld in art. 2, onder aâi, en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken, genoemd onder J en /lt; in art. 2 der wet; |
|
Wet van 1878. b. die, waarvan het bezit met ilon rang van hoofdonderwijzer de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en school-onderwijs niet alleen in de vakken, vermeld in art. 2, onder aâl of uâk, maar ook in die, aldaar genoemd onder o, /) en q; c. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot huis-onder-wijs of tot huis- en schoolonderwijs iu bepaalde vakken. Art. 57. Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56. onder a, wordt vereisoht a. de volbragte leeftijd van achttien jaren; b. het afleggen van een examen, waartoe twee malen 'sjaars de gelegenheid in elke provincie wordt opengesteld, voor eene commissie, zamengesteld uit den inspecteur van het lager onderwijs in de provincie en vier districts- of arrondissements-schoolopzieners. Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast, wijst de leden dier commissien aan en bepaalt den tijd, waarop zij vergaderen. Hij kan bij verhindering van den inspecteur een districts-schoolopzie-ner in diens plaats als voorzitter benoemen. Art. 58. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wot. b. die, waarvan het beziv met den rang van hoofdonderwijzer de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs niet alleen in de vakkeu, vermeld in igt;,rt. 2, onder aâi, maar ook in die, aldaar genoemd onder o en q, en tevens bevoegdheid kan verleeneu tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken, genoemd onder j en k, in art. 2 der wet; c. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs of tot het geven van huis- en schoolonderwijs in bepaalde vakken. Art. 57. ïer verkrijging der akte, vermeld iu art. 56, onder a, wordt vereisoht a. de volbrachte leeftijd van achttien jaren; b. het afleggen van een examen, waartoe minstens eenmaal 'sjaars de gelegenheid in elke provincie wordt opengesteld, voor eene commissie, samengesteld uit deu inspecteur van het lager onderwijs iu de provincie en vier districts- of arrondissementsschoolopzieners. Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast, wijst de leden dier commissien aan en bepaalt den tijd, waarop zij vergaderen. Hij kan bij verhindering van deu inspecteur een districts-schoolopzie-ner in diens plaats als voorzitter benoemen. Art. 58. De zitting der commissie wordt in de provincie Koordholland te Amsterdam en in de andore provinciën in de hoofdplaats der provincie gehouden. De tijd, gedurende welken de examens worden afgenomen, wordt door den inspecteur bij openbare |
|
Wet van 1S7S, Art. 59. (Gelijkluidend.) Art. 60. Het examen omvat: goed lezen en schrijven; kennis der zinsontleding, der spelregels en der eerste gronden der Xederlandsche taal; vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, juist en gemakkelijk uit te drukken; de beginselen van de vormleer; het rekenen, zoowel met geheele getallen, als met gewone en tieu-deelige breuken, en kennis van de leer der evenredigheden en vanhet Xeder-landsch stelsel van maten en ge-wigten; de beginselen der aardrijkskunde, inzonderheid van Nederland en zijne overzeesche bezittingen; |
Gewijzigde wet. aankondiging ter algemeene kennis gebracht. De commissie kan zich door deskundigen doen bijstaan. De examens, behalve die van onderwijzeressen , worden in het openbaar gehouden. Art. 59. Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen, meldt zich tijdig aan bij den schoolopziener van liet district zijner woonplaats, of, komt hij van buiten 's lands, van de plaats, waar hij voornemens is zich te vestigen. Hij legt daarbij een of meer getuigschriften over van zijn zedelijk gedrag en zijne geboorte-akte. De dag en de plaats van het examen worden hem door dendistricts-school-opziener bekend gemaakt. Hij legt het examen af in de provincie , waarin hij woont, of, van buiten 's lands komende, voornemens is zich te vestigen. Art. 60. Het examen omvat: goed lezen en schrijven; de kennis der zinsontleding, der spelregels en der eerste gronden der Nederlandsche taal; vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, juist en gemakkelijk uit te drukken; de eerste oefeningen van het hand-teekenen ; het rekenen, zoowel met geheele getallen als met gewone en tien-deelige breuken en kennis van de leer der evenredigheden en van het Nederlandsch stelsel van maten en gewichten; de beginselen der aardrijkskunde, inzonderheid van Nederland en zijne overzeesche bezittingen; |
|
Wet van 1878. ile grondtrekken der vaderlandsche geschiedenis; de beginselen van de kennis der natuur; de theorie van het zingen; de beginselen van onderwijs en opvoeding. Van onderwijzeressen worden bovendien bewijzen van bedrevenheid in de nuttige handwerken gevorderd. Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eeuer akte van bekwaamheid in dit vak volgens art. 65amp;(S. Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van bekwaamheid als onderwijzer kosteloos uitgereikt. Art. 61. Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56 onder b, wordt vereischt (i. het bezit der akte, vermeld in art. 56 onder u; li. het bewijs van minstens tweejarige werkzaamheid als onderwijzer aan eene of meer openbare of bijzondere scholen van lager onderwijs, afgegeven door het hoofd of de hoofden dier scholen, of het bewijs, afgegeven door den bestuurder eener kweekschool van onderwijzers, voldoende aan de vereischten, in art. 12 vermeld, van gedurende twee jaren aan die school de lessen ter voor- |
Gewijzigde wet. de grondtrekken der vaderlandsche geschiedenis; de beginselen van de kennis der natuur; de theorie van het zingen; de beginselen van onderwijs en opvoeding. Aan allen, die hiertoe bij hunne aangifte het verlangen hebben kenbaar gemaakt, wordt, nadat tot hunne toelating is besloten, de gelegenheid gegeven, bewijzen van bekwaamheid in de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek, aan onderwijzeressen bovendien bewijzen van bedrevenheid in de nuttige handwerken voor meisjes te leveren. Aan ieder die voldaan heeft, wordt eene akte van bekwaamheid kosteloos uitgereikt. Op de akte van bekwaamheid van hen, die bij het examen in de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek of in de nuttige handwerken of in die beide vakken hebben voldaan, wordt daarvan aan-teekening gedaan. Van het examen in de eerste oefeningen van het handteekenen zijn vrijgesteld zij die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid in het vak I/ volgens art. 65fc(s. Art. 61. Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56 onder b wordt vereischt: a. het bezit der akte, vermeld in art. 56 onder o; b. het bewijs van minstens tweejarige werkzaamheid als onderwijzer of, na aflegging van het examen, vermeld in art. 56 onder a, als kwee-keling aan eene of meer openbare of bijzondere scholen van lager onderwijs , of als onderwijzer aan eeno of meer scholen voor doofstommen, blinden,spraakgebrckkigen of idioten, afgegeven door het hoofd of de hoofden dier scholen, of het bewijs, af- |
36
|
Wet van 1S78. bereiding van dit examen, na afleg-ging van liet examen, vermeld in art. 56 onder n, te hebben gevolgd; c. liet afleggen van een examen, loopende, behalve over de vakken, in art. 2 vermeld onder aâ//, over die, aldaar genoemd onder o, p eu(/, voor eeue der commissien, in art. 62 bedoeld. Van dit examen zijn, voor zooveel het vak 7 betreft, vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid volgens art. 656«. Art. 62. (Gelijkluidend.) Art. 63. Hij, die zich aan het examen vvenscht te onderwerpen, meldt zich tijdig aan bij den voorzitter der commissie, voor welke hij wenscht te verschijnen, en legt daarbij over a. zijne geboorte-akte; |
Gewijzigde wet. gegeven door den bestuurder eener door Ons aangewezen kweekschool voor onderwijzers, van gedurende twee jaren aan die school de lessen ter voorbereiding van dit examen, na aflegging van het examen, vermeld in art. 56 onder a, te hebben gevolgd; c. het afleggen van een examen, loopende, behalve over de vakken, in art. 2 vermeld onder aâ9 , over die, aldaar genoemd onder 0 en q, en over methode van onderwijs en opvoeding voor eene der commissien, in art. 62 bedoeld. Van dit examen zijn, voor zooveel het vak q betreft, vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid in dit vak volgens art. 65 his. Art. 62. Jaarlijks worden door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast , een of meer commissien tot het afnemen der examens, in het voorgaand artikel bedoeld, benoemd en de tijd wanneer en de plaatsen waar zij hare zittingen zullen houden, tijdig aangewezen. De voorzitters en leden dezer commissien genieten uit 's Rijks kas vacatiegelden en vergoeding voor reis- en verblijfkosten. De voorzitter der commissie brengt den tijd, gedurende welken de examens worden afgenomen, bij openbare aankondiging ter algemeene kennis. De examens, behalve die van onderwijzeressen, worden in het openbaar gehouden. Art. 63. Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen, meldt zich tijdig aan bij den voorzitter der commissie, voor welke hij wenscht te verschijnen, en legt daarbij over a. zijne geboorte-akte; |
|
Wet van 1878. h. een of meer getuigschriften van zedelijk gedrag; c. zijne akte van bekwaamheid als onderwijzer, bedoeld in art. 56 onder a; d. het bewijs, vermeld in art. 61 onder b. De dag en de plaats van het examen worden hem door den voorzitter bekend gemaakt. De omvang van het examen, de wijze van afneming en wat verder tot dit examen betrekking heeft, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer kosteloos uitgereikt. Art. 64. ïer verkrijging eecer akte, die de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs in enkele vakken, vermeld in art. 2 onder nâh, wordt vereischt a. de volbragte leeftijd van achttien jaren; b. het afleggen van een examen in de vakken, waarvoor de bevoegdheid verlangd wordt, voor eeue der commissien, in art. 57 vermeld. De bepalingen van artt. 58 en 59 zijn ten deze toepasselijk. Aan ieder, die voldaan heeft, wordt kosteloos eeue akte van bekwaamheid uitgereikt als huisonderwijzer, waarin de vakken, over welke het examen met goed gevolg is afgelegd, worden uitgedrukt. Art. 65. ïer verkrijging van eene akte van bekwaamheid voor huis- en school |
Gewijzigde wet. b. een of meer getuigschriften van zedelijk gedrag; c. zijne akte van bekwaamheid als onderwijzer, bedoeld in art. 56 onder a; d. het bewijs, vermeld in art. 6] onder ft. De dag en de plaats van het examen worden hem door den voorzitter bekend gemaakt. De omvang van het examen, de wijze van afneming, en wat verder tot dit examen betrekking heeft, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van bekwaamheid kosteloos uitgereikt. De aanteekening, bedoeld in het voorlaatste lid van art. 60, wordt op de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer overgeschreven. Art. 64. ïer verkrijging eeuer akte, die de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs in enkele vakken, vermeld in art. 2 onder oâr/, wordt vereischt: a. de volbrachte leeftijd van achttien jaren; b. het afleggen van een examen in de vakken, waarvoor de bevoegdheid verlangd wordt, voor eene der commissien, in art. 57 vermeld. De bepalingen van artt. 58 en 59 zijn ten deze toepasselijk. Aan ieder, die voldaan heeft, wordt kosteloos eene akte van bekwaamheid uitgereikt als huisonderwijzer, waarin de vakken, over welke het examen met goed gevolg is afgelegd, worden uitgedrukt. Art. 65. ïer verkrijging eener akte van bekwaamheid voor huis- en school- |
|
Wet van â 1878. onderwijs in een of meer der vakkeu , vermeld in art. 2 ouder l, m, n, r, eu s, wordt vereischt a. het bezit der akte, vermeld iu art. 56 onder a; b. het afleggen van een examen voor eene der eommissien, bedoeld in art. 69 der wet van 2 Mei 1863 (Staatsblad N0. 50). Al wat verder de in dit artikel bedoelde exameun betreft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. Art. 656/.V. Van tijd tot tijd wordt gelegenheid gegeven om door het afleggen van een examen voor bijzondere eommissien , daartoe benoemd door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, eene akte van bekwaamheid te verkrijgen voor huis- en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 ouder k,q en t. Al wat de iu dit artikel bedoelde examens betreft, wordt door Ous bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. Art. 65to-. (Is aan de gewijzigde wet nieuw toegevoegd). |
Gewijzigde wet. ouderwijs in een of meer der vakken , vermeld in art. 2, ouder l, m. 71. p. r en s, wordt vereischt; a. het bezit der akte, vermeld in art. 56, ouder a; b. het afleggen van een examen voor eene der commissiën, bedoeld iu art. 69 der wet van 2 Mei 1863 (Staatsblad u0. 50). Al wat verder de iu dit artikel bedoelde examens betreft wordt door Ous bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. Art. èöbis. Van tijd tot tijd wordt gelegenheid gegeven om door het afleggen van een examen voor bijzondere eommissien , daartoe benoemd door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, eene akte van bekwaamheid te verkrijgen voor huis- en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder j, k, q en t. Al wat de in dit artikel bedoelde examens betreft , wordt door Ous bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. Art. 65ter. Voor het afleggen der examens worden de navolgende sommen bij vooruitbetaling voldaan: voor het examen, vermeld in art. 57, onder b, vijf gulden; voor het examen, vermeld in art. 61, onder c, tien gulden; voor het examen, vermeld in art. 64, onder b, loopende over één vak, twee gulden; voor het examen, vermeld in art. 64, onder b, loopende over meer dan één vak, vier gulden; voor het examen, vermeld in art. 65, onder b, iu elk der vakken, genoemd onder l, m , n, p ,r en s in art. 2, vijf gulden; |
â 39 â
|
Wet van '1S78. Art. 66. (Gelijkluidend.) TITEL V. VAN HET TOEZIGT OP HET LAGER ONDERWIJS. Art. G7. [Gelijklvidend.) Art. G8. (Celijl,luidend.) |
Gewijzigde wet. voor het examen, vermeld in art. 656« in elk der vakken, genoemd onder j en /,-, in art. 2, twee gulden. voor het examen, vermeld in art. 650« in elk der vakken, genoemd onder q en l, in art 2, vijf gulden. Deze gelden worden in 's Rijks schatkist gestort. ⢠Art. 66. De akten van bekwaamheid , volgens de voorschriften dezer wet verkregen , gelden, wat de daaraan verbonden bevoegdheid betreft, voor het geheele Rijk en zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. TITEL V. VAN HET TOEZIGT OP HET LAGER ONDERWIJS. Art. 67. Het toezicht over het lager onderwijs in het geheele Rijk is opgedragen aan Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast. Dat toezicht wordt onder zijne bevelen uitgeoefend door de inspecteurs, de districts-schoolopzieners en de arrondissements-schoolopzieners. Art. 68. Het ambtsgebied van iederen inspecteur omvat eene of meer provinciën , dat van iederen districts-school-opziener een der districten, waarin de provinciën door Ons worden verdeeld. De inspecteurs en de districtsschoolopzieners worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. Zij genieten, behalve eene vaste jaarwedde, vergoeding voor reis- en verblijfkosten uit 's Rijks kas. Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder onze toestemming. In geval van ziekte, afwezigheid, schorsing of ontstentenis wordt een inspecteur door een districts-sch ooi-opziener, een districts-schoolopziener |
40 -
Gewijzigde wet.
I door eeu arrondissements-schoolop-zieuer vervangen.
Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast , wijst den plaatsvervanger aan.
Art. 69.
Elk schooldistrict wordt door Ons verdeeld in minstens twee arrondissementen.
In ieder arrondissement is een arrondissements-schoolopziener.
Die schoolopzieners worden door Ons benoemd voor den tijd van zes jaren.
De aftredenden zijn weder benoembaar.
Zij kunnen ten allen tijde door Ons worden ontslagen.
Zij genieten vergoeding voor reis-en verblijfkosten uit 's Rijks kas.
Zij staan den districts-schoolop-ziener ter zijde.
De verdeeling der werkzaamheden tusschen de districts- en arrondisse-ments-schoolopzieners wordt door Ons geregeld.
Art. 70.
Het plaatselijk toezicht wordt uitgeoefend door burgemeester en wethouders.
De gemeenteraad kan ter nadere verzekering van het plaatselijk toezicht eeue commissie instellen, welke de bevoegdheden bezit, in de artt. 73 en 74 dezer wet omschreven.
Eene plaatselij ke verordening regelt hare zamenstelling en inrichting.
Art. 71.
Do leden der plaatselijke commis-sien, de arrondisHements-schoohip-zieners , de districts-schoolopzieners en de inspecteurs leggen bij de aanvaarding hunner bediening den eed of de belofte af, dat zij hunne plichten getrouw en naar behooren zullen waarnemen.
De aflegging van den eed of van de belofte geschiedt door de leden
Wet van dS'S.
Art. 69. {Gelijkluidend.)
Art. 70. {Cetijkluidend.)
Art. 71.
(Gelijkluidend.)
â 41 â
|
Wet van 1878. Art. 72. (Gelijkluidend.) Art. 73. Voor leden vau het collegie van burgemeester en wethouders, voor de voorzitters en leden der plaatselijke commissiën van toezigt, voor de arromlissements-schoolopzieners, voor de districts-schoolopzieners en voor de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied, moeten alle scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, zoo openbare als bijzondere, steeds toegankelijk zijn. De hoofden dier scholen en de overige onderwijzers zijn gehouden aan hen of aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, de verlangde inlichtingen omtrent de school en het ouderwijs te geven. Zij ziju hiertoe verpligt in eiken vorm, waarin die inlichtingen gevraagd worden, hetzij schriftelijk. |
Gewijzigde wet. der plaatselijke commissie in handen van den burgemeester eu door den burgemeester, is deze zelf tot lid der commissie benoemd, in handen van den kantonrechter; door de arroudis-sements-schoolopzieners en de districts-schoolopzieners in handen van Onzen Commissaris in de provincie; door de inspecteurs in handen van Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast. Bij herbenoeming wordt de eed of belofte niet op nieuw afgelegd. Art. 72. Behalve de ambtenaren, iu art. 8 van het Wetboek van Strafvordering genoemd, zijn tot het opmaken van proces-verbaal van de overtredingen dezer wet en van andere verordeningen op het lager onderwijs bevoegd de leden van het collegie van burgemeester en wethouders, de voorzitters en ledeu der plaatselijke commissiën van toezicht, de arron-dissemeuts-schoolopzieners en de dis-tricts-schoolopzieners en de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied. Art. 73. Voor leden van het college van burgemeester en wethouders, voor de voorzitters en leden der plaatselijke commissiën van toezicht, voor de arrondissements-schoolopzieners, voor de districts-schoolopzieners en voor de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied,moeten alle scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, zoo openbare als bijzondere, steeds toegankelijk zijn en op hunne aanvrage onverwij ld worden geopend. De hoofden dier scholen en de overige onderwijzers zijn gehouden aan hen of aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, de verlangde inlichting omtrent de school en het onderwijs te geven. Zij zijn hiertoe verplicht in eiken vorm, waarin die inlichtingen gevraagd |
4
â 42 â
|
Wet van 1878. hetzij mondeling, en zoowel bij gelegenheid van het schoolbezoek als op andere tijdstippen. Weigering in deze wordt gestraft met eene boete van vijf en twintig gulden en gevangenisstraf van drie dagen te zamcn of afzonderlijk. Bij herhaling en vervolgens worden telkens beide straffen te zamen opgelegd. Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van 29 Junij 1854 [Staatsblad Xquot;. 102) zijn ten deze toepasselijk. Art. 74. [Gelijkluidend.) Art. 75. {Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. worden, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, en zoowel bij gelegenheid van het schoolbezoek als op andere tijdstippen. Art. 74. De plaatselijke commissien houden een nauwkeurig toezicht op alle scholen in de gemeente, waar lager onderwijs gegeven wordt; bezoeken die ten minste twee malen 'sjaars, hetzij gezamenlijk, hetzij door commissien uit haar midden; zorgen dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nageleefd worden; houden aanteekening van het onderwijzend personeel, van het getal leerlingen en van den staat van het onderwijs; doen jaarlijks vóór 1° Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag van den toestand van het onderwij s in de gemeente en zenden daarvan afschrift aan den arrondissementsschoolopziener; deelen aan dezen de belangrijke veranderingen mede, die het schoolwezen heeft ondergaan; geven hem, den districts-schoolop-ziener en den provincialen inspecteur alle inlichtingen, die deze verlangen; verleenen den onderwijzers, die hare voorlichting, hulp of medewerking vragen, bijstand en beijveren zich den bloei van het onderwijs naar vermogen te behartigen. Art. 75. Dearrondissements-schoolopzieners zorgen voortdurend bekend te blijven met den toestand van het schoolwezen i in hun arrondissement; bezoeken i tweemalen 'sjaars alle daarbinnen |
â 43 â
Gewijzigde wet.
gelegen scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, en houder, van dat schoolbezoek nauwkeurig aanteeke-ning; waken dal de verordeningen op het lager onderwijs stipt nageleefd worden; treden in overleg met de plaatselijke schoolcommissien en de gemeentebesturen; doen zoowel aan dezen als aan de districts-schc ol-opzieners de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs achten; doen aan den districts-schoolopziener na verloop van elke drie maanden opgave van de door hen gedurende dat tijdvak bezochte scholen; geven hem kennis van al hetgeen hun bij het schoolbezoek belangrijk is voorgekomen en verstrekken hem alle inlichtingen, die hij verlangt; behartigen de belangen dor ouderwijzers, bevorderen hunne bijeenkomsten en wonen die zooveel mogelijk bij.
Art. 76.
De districts-schoolopzieners zorgen zoo door schoolbezoek als door mondeling en schriftelijk overleg met de arrondissements-schoolopzieners, plaatselijke commissien en gemeentebesturen voortdurend bekend te blijven met den toestand van het lager schoolwezen in hun district en de verbetering en den bloei daarvan te bevorderen; zij oefenen het hun opgedragen toezicht met nauwlettendheid uit en waken, dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt worden nageleefd; zij doen aan den inspecteur de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs achten en geven hem alle inlichtingen die hij verlangt.
Elk hunner doet jaarlijks vóór 1° Mei een beredeneerd verslag van den toestand van het onderwijs in zijn district aan den inspecteur toekomen en zendt daarvan afschrift aan Gedeputeerde Staten der provincie. Art. 77.
De inspecteurs trachten, zoo door schoolbezoek als door mondeling en
Wet van 1878.
Art. 76. (Gelijkluidend.)
Art. 77. (Gelijkluidend.)
â 44 â
|
Wet van 1878. Art. 78. {Gelijk luidend.) Art. 79. Bij het ontbreken eener plaatselijke commissie kunnen burgemeester en wethouders, in overleg met den arrondissements-schoolopziener, geschikte personen, buiten hun collegie gekozen, met het doen van schoolbezoek belasten. Op zoodanige gecommitteerden is liet eerste lid van art. 73 toepasselijk. TITEL VI. VAN BEVORDERING VAN HET SCHOOLBEZOEK. Art. 80. {Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. schriftelijk overleg met de districtsschoolopzieners en arrondissementsschoolopzieners, plaatselijke commis-sieu en gemeentebesturen, de verbetering en den bloei van het lager schoolwezen te bevorderen; zij lichten Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, voor omtrent alle onderwerpen, waarover hnn oordeel gevraagd wordt; zij vervaardigen uit de jaarlijksche verslagen der districtsschoolopzieners en uit hunne eigene aanteekeningen jaarlijks een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het onderwijs in de provincie of provinciën en zenden dit vóór 1° Juli aan Onzen Minister voornoemd. Art. 78. De inspecteurs, districts-schoolop-zieners en arrondissements-school-opzieners hebben toegang tot de vergaderingen van alle plaatselijke com-missien binnen hun ambtsgebied en kunnen zoodanige vergaderingen beleggen. In de vergadering hebben zij eene raadgevende stem. Art. 79. Bij het ontbreken eener plaatselijke commissie kunnen burgemeester en wethouders, in overleg met den arrondissements-schoolopziener, geschikte personen, buiten hun college gekozen, met het doen van schoolbezoek belasten. Op zoodanige gecommitteerden is de eerste zinsnede van art. 73 toepasselijk. TITEL VI. VAN BEVORDERING VAN HET SCHOOLBEZOEK. Art. 80. Jaarlijks vóór 1quot; Februari zenden de hoofden der openbare en bijzondere scholen, waar lager onderwijs gegeven wordt, aan burgemeester en wethouders der gemeente eene lijst |
â 45 â
Gewijzigde wet.
der bij hen op 1° Januari schoolgaande kinderen van boven de zes en beneden de twaalf jaren.
Die lijst bevat de namen der kinderen met bijvoeging der voornamen, ouderdom en woonplaats.
Gelijke opgave wordt vóór ge!ijk tijdstip aan burgemeester en wethou-pers gedaan door de huisonderwijzers omtrent de kinderen van dien leeftijd, die van hen onderwijs genieten.
Art. 81.
Burgemeester en wethouders maken eene lijst op der kinderen boven de zes en beneden de twaalf jaren, welke zieh op 1quot; Januari van het loopende jaar in de gemeente bevonden.
Van de zoodanigen, welke niet gevonden worden op de lijsten, bij het vorig artikel bedoeld, en waarvan het niet bekend is, dat zij zich niet meer in de gemeente bevinden, maken zij vóór 1° Maart een staat op.
Die staat wordt ter secretarie ter lezing gelegd.
Ouders of verzorgers van op dien staat voorkomende kinderen verkrijgen geene ondersteuning, geneeskundige hulp uitgezonderd, van wege de gemeente, tenzij zij aantoonen, dat hunne kinderen ten onrechte op dien staat zijn gebracht of het niet schoolgaan van deze aan hen niet is te wijten.
Art. 82.
De gemeenteraad kan, voor zooveel dit niet bij de wet is geschied, verbodsbepalingen omtrent het arbeiden van kinderen beneden de twaalf jaren vaststellen.
Door het uitloven van openbare belooningen en eereblijken kan het getrouwe schoolbezoek van wege het gemeentebestuur worden aangemoedigd.
Ten einde de aanspraak op die belooningen en eereblijken te kunnen beoordeelen, kan aan de hoofden
Wet van 1878.
Art. 81. (Gelijkluidend.)
Art. 82. (Gelijkluidend.)
â 46 â
|
Wet van 1878. Ã1ÃEL VII. OVERGANGSBEPALINGEN. Art. 83. (Gelijkluidend.) Art. 84. (GeUjkluldend.) Art. 85. Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld iu art. 56 dezer wet onder a, geeft die van hulponderwijzer en hulponderwijzeres na Iü Januarij 1858 eu de akte vau algemeene toelating |
Gewijzigde wet. der openbare en bijzondere scholen het invoeren van schoolboekjes, waarin van het schoolbezoek aan-teekening gehouden wordt, bij plaatselijke verordening worden voorgeschreven. TITEL VII. OVERGANGSBEPALINGEN. Art. 83. Allen, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, wettig in betrekking zijn als onderwijzers of kweekelingen, of,als voorzitters en leden van plaatselijke commissien, behoeven geene herbenoeming of erkenning om hunne betrekking te blijven bekleeden. Art. 84. Tot 1° Januari 1883 kunnen kweekelingen, op den voet der wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad n0.103), worden aangenomen. Ten behoeve van deze en van de kweekelingen, die er op het tijdstip van het in werking treden dezer wet zijn, blijven de bepalingen van laatstgenoemde wet toepasselijk tot 1quot; Januari 1886. De toelagen voor genoemde kweekelingen, die aan openbare scholen zijn verbonden, worden in dat tijdvak tot geen minder bedrag geregeld, dan waarop zij bij het in werking treden dezer wet waren vastgesteld. De toelagen voor kweekelingen, die in het bij deze wet toegestaan overgangstijdperk aan openbare scholen worden geplaatst, worden door den gemeenteraad geregeld; zijn besluit wordt aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen. Art. 85. Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer wet onder a, geeft die van hulponderwijzer en hulponderwijzeres na 1quot; Januari 1858 eu de akte van algemeene toelating |
â 47 â
|
Wet van 1878. van den derden rang vóór dat tijdstip verkregen. Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer wet onder b, geeft die van hoofdonderwijzer of hoofdonderwijzeres na 1° Januarij 1858 en de akte van algemeene toelating van den eersten en tweeden rang vóór dat tijdstip verkregen. Hetzelfde geldt van de akte als schoolhouderes, voor 1quot; Januarij 1858 verkregen, doch alleen binnen de gemeente of provincie, waar zij is afgegeven. Zij, die in het bezit zijn eener akte van huisonderwijzer of huisonderwijzeres, na 1° Januarij 1858 verkregen voor het geheele Kijk, of vóór 1quot; Januarij 1858 binnen de gemeente , behouden de bevoegdheid welke zij op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, bezitten. De vóór dit tijdstip op de akten van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs gestelde aanteeke-ningen wegens het met gunstig gevolg afgelegd examen in een of meer der vakken, vermeld onder kâp van art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 {Slaalsblncl N0 103), geven gelijke bevoegdheid met opzigt tot die vakken als de bijzondere akten, vermeld in art. 56 ouder c. Art. 86. {Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. van den derden rang vóór dat tijdstip verkregen. Gelijke bevoegdheid ais (ie akte, vermeld in art. 58 dezer wet onder b, geeft die van hoofdonderwijzer of hoofdonderwijzeres na 1° Januari 1858 en de akte van algemeene toelating van den eersten en tweeden rang vóór dat tijdstip verkregen. Hetzelfde geldt van de akte als schoolhouderes, voor 1° Januari 1858 verkregen, doch alleen binnen de gemeente of provincie, waar zij is afgegeven. Zij, die in het bezit zijn eener akte van huisonderwijzer of huisonderwijzeres, na 1quot; Januari 1858 verkregen voor het geheele Rijk, of vóór lu Januari 1858 binnen de gemeente, behouden de bevoegdheid, welke zij op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, bezitten. De vóór dit tijdstip op de akten van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs gestelde aanteeke-ningen wegens het met gunstig gevolg afgelegd examen in een of meer der vakken, vermeld onder kâp van art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad nü. 103) geven gelijke bevoegdheid met opzicht tot die vakken als de bijzondere akten, vermeld in art. 56 onder c. De vrijstelling, bedoeld in de laatste zinsnede van art. 61, geldt ook voor hen, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid of aanteekening voor het vak vermeld onder o van art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad n0. 103). Art. 86. Alle op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, dienstdoende openbare onderwijzers en onderwijzeressen blijven, zoolang zij hunne betrekking bekleeden, in het genot eener jaarwedde minstens gelijk aan die, welke op dat tijdstip aan hunne betrekking verbonden was, vermeer- |
â 48 â
|
Wet van 1878. Art. 87. {Gelijkluidend.) Art. 88. De termijn tot het in werking brengen der voorschriften van art. 2-1 dezer wet toegestaan, eindigt 1° January 1890 en die tot het in werking brengen der voorschriften van art. 26 1° Januarij 1883. De voorschriften ter verzekering der geleidelijke uitvoering worden door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord , vastgesteld. Art. 89. (Gelijlihiidend.) |
Gewijzigde wet. derd met de door hen genoten wisselende inkomsten. Ter bepaling van het bedrag dezer inkomsten wordt tot grondslag genomen het gemiddeld cijfer van hetgeen in de laatste vijf jaren, voorafgaande aan het jaar, waarin deze wet in werking treedt, of voor de ouderwijzers of onderwijzeressen, die korter in dienst zijn geweest, over het kortere tijdvak, jaarlijks uit dien hoofde is genoten. De bij art. 29 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad nquot; 103) bedoelde vergoedingen, die bij het in werking treden dezer wet nog over eenig aan dat tijdstip voorafgegaan tijdvak verschuldigd zijn of worden, blijven na dat tijdstip invorderbaar. Art. 87. Bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 4 dezer wet, worden tevens de noodige voorschriften gegeven omtrent de lokalen, welke bij het in werking treden daarvan voor het geven van lager onderwijs in gebruik zijn. Art. 88. De termijn tot het in werking brengen van de voorschriften van art. 24 dezer wet toegestaan, eindigt voor de openbare school op 1 Jan. 1892. De termijn tot het in werking brengen van de voorschriften van art. 23 dezer wet eindigt voor de bijzondere scholen die voor de Bij ksbijdrage bedoeld bij art. bibis in aanmerking komen op 1 Januari 1891 en die tot het in werking brengen der voorschriften van art. 24 der wet eindigt voor deze scholen op 1 Januarij 1899. Voorschriften ter verzekering der geleidelijke uitvoering worden door Ons gegeven. Art. 89. De bestaande bepalingen omtrent de examens en vergelijkende examens blijven gelden, tot dat die onder- |
â 49 â
r
\
|
Wet van 1878. Art. 90. (Gelijkluidend.) Art. 91. (Gelijkluidend.) t, Art. 92. {Gelijkluidend. Art. 93. (Gelijkluidend.) |
Gewijzigde wet. werpen overeenkomstig deze wet op nieuw zullen zijn geregeld, doch niet langer dan 1° Januari 1883. Art. 90. Thans genoten subsidien, welke na het tijdstip, waarop de/.e wet in werking treedt , niet meer voor het eerst zouden kunnen worden verleend, kunnen na dat tijdstip nog gedurende tien jaren, doch tot geen hooger bedrag, noch op andere voorwaarden, worden genoten. Art. 91. Onderwijzers, niet in het bezit van den hoofdonderwijzersrang, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, uit kracht van de artt. 20 of 51 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad n0 103), wettig aan het hoofd eener school staan, blij ven bevoegd die betrekking waar te nemen. Art. 92. De districts-sc.hoo [opzieners en de inspecteurs, die op het in art. 93 vermelde tijdstip in betrekking zijn, worden door het in werking treden dezer wet van rechtswege eervol ontslagen. De inspecteurs, die op dat tijdstip den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, behouden le-! venslang hunne volle wedde als â wachtgeld; de inspecteurs die op dat tijdstip dien ouderdom niet hebben bereikt, hebben aanspraak op wachtgeld volgens de bepalingen van Ons besluit van 21 Juli 1869 (Staatsblad n0 142). Art. 93. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. Behoudens de voorschriften van dezen titel vervallen met hare invoering de wet van 13 Augustus 1857 Staatsblad X0 103) en alle andere het lager onderwijs betreffende alge- |
50 â
|
Wet van 1878. Artikel 4 der wet van 11 Julij 1884 {Staatsblad n0 123). De wijziging, bij deze wet gebragt iu art. 45 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad u0 127), wordt voor liet eerst toegepast op het dienstjaar 1885. Over de voorafgaande dienstjaren blijft art. 45, zooals dat thans luidt', van kracht, doch met dien verstande, dat over het dienstjaar 1884 met betrekking tot die kosten waarvoor in het vervolg geen vergoeding meer zal worden uitgekeerd, dertig ten honderd zal worden vergoed hoogstens over de sommen, voor die kosten uitgetrokken op de gemeentebegroo-tingen voor dat dienstjaar, zooals die vóór 1 Junij 1884 door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd, of aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring zijn aangeboden. Hetgeen over de dienstjaren 1883 en 1884 te veel door eene gemeente mogt zijn genoten, wordt in de schatkist teruggebragt binnen drie maanden, nadat het juiste cijfer der uitgaven ingevolge de artt. 222 en 223 der wet van 29 Junij 1851 [Staatsblad n0 85) is vastgesteld. |
Gewijzigde wet. meene, provinciale en plaatselijke verordeningen, voor zoover zij met de voorschriften dezer wet in strijd ! zijn. Artikel 5 der wijzigingswet. De wijziging, bij deze wet gebracht in art. 45 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n0 127), zooals dat artikel luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad n= 123), wordt 1 voor het eerst toegepast op het dienst-i jaar 1891. Over de voorafgaande dienstjaren blijft artikel 45, zooals dat thans t luidt, van kracht, met dien verstande evenwel dat over het dienstjaar 1890 ! 1°. in de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen, eene rijksbijdrage van vijf en twintig ten honderd zal worden uitgekeerd; 2°. de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van onderwij zerswoningen, en die wegens het aanschaffen van noodzakelijke schoolmeubelen voor eerste inrichting van nieuwe schoollokalen bij de vaststelling der Eijksvergoe-i ding niet in aanmerking komen, ten ware de bestekken voor den bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen vóór 24 September 1889 aan de bij art. 50 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad nquot;127), zooals dat artikel luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad n1 123) |
1
De noodige voorschriften omtrent de uitvoering dezer bepalingen worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gegeven.
â 51 â
U'ct van 1878. Gewijzigde .vet.
gevorderde goedkeuring zijn onderworpen in welk geval dertig ten honderd van het bedrag dier kosten zal worden vergoed.
] ndien de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, volgens het bij deze wet gewijzigd artikel 45 der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad nquot; 127) over eenig dienstjaar voor eene gemeente minder mocht bedragen dan de som der Rijks vergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet mede gerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen, waarop die gemeente krachtens evengenoemd wetsartikel, zooals dat luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad nquot; 123), over 1889 aanspraak kou doen gelden , zal het Kijk aan zoodanige gemeente in plaats van de bijdrage in de jaarwedden vau ouderwijzers, hierboven vermeld, I uitkeeren het bedrag, waarop zij, naar den regel van het aangehaald art. 45 der wetten van 1878 84 als Rijks-vergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van de noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichting van I nieuwe lokalen, over dat dienstjaar | aanspraak zoude hebben gehad, doch in geen geval tot een hooger bedrag dan haar dienovereenkomstig over 1889 toekwam.
De uitkeering dezer vergoeding ge-â schiedt met inachtneming van het : gestelde maximum en behoudens aanvulling of terugbetaling, na vaststelling der gemeenterekening bij wijze van voorschot op den grondslag der goedgekeurde begrootingscijfers.
Zoodra over eenig dienstjaar de bepaling van het derde lid op eene gemeente niet behoeft toegepast te j worden, houdt zij voor die gemeente
â 52 â
|
Voorschriften, tot uitvoering van dit artikel noodig, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gegeven. |
Gewijzigde wet. op voor den vervolge te gelden. Artikel 54 bis wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1890, doch met dien verstande, dat indien over dat jaar het aantal onderwijzers aan de school verbonden niet voldoet aan de eischen voor de openbare scholen gesteld in artt. 23 en24, het 3'' lid uitgezonderd, de aanspraak op de Rijksbijdrage voor de aan die scholen verbonden onderwijzers daardoor niet verloren gaat. Over de jaren 1891 tot en met 1898 gaat wegens het niet voldoen aan het voorschrift van art. 54 bis, sub 4U, de aanspraak op de Rijksbijdrage eerst dan verloren wanneer de bijzondere scholen ' ten aanzien van het onderwijzend personeel niet voldoen aan art. 23 of, voorzoover art. 24 betreft, niet voldoen aan de door Ons krachtens art. 88 der wet te geven voorschriften. Met afwijking van het bepaalde bij het voorlaatste lid van art. 24, : zooals dat artikel bij deze wet wordt gewijzigd, geldt, voor de bij het in werking treden dezer wet bestaande bijzondere lagere scholen die voor de Rijksbijdrage bedoeld bij art. 54 bis in aanmerking komen, voor het jaar 1890, tot grondslag voor de toepassing van art. 24, het aantal kinderen dat op 31 December 1889 als werkelijk schoolgaande bekend stond. Het aantal onderwijzers bij het in werking treden dezer wet aan de gemeentescholen verbonden mag niet worden verminderd, behoudens voor zoover het volgens het bij deze wet gewijzigd art. 24 gevorderd aantal is overschreden. Voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden door Ons gegeven bij algemeenen maatregel van bestuur. Artikel 6 der wijzigingswet. Het bij deze wet bevolen onderwijs in het vak, genoemd in art. 2 onder |
â 53 â
Wet van 1878. Gewijzigde wet.
j, wordt verplichtend op 1 Januari 1893.
Gedurende de zes jaren, volgende op dit tijdstip, kan door Ons telkens voor ten hoogste twee jaren, outlief-ling worden verleend aan bepaalde scholen van de verplichting tot het , doen geven van dit onderwijs.
Zij, door wie vóór of op 1 September 1889 overeenkomstig art. 15a en art. 42amp;js der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n0 127), zooals die is gewijzigd bij de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad 11quot; 123), onderwijs gegeven werd in het vak in art. 2 vermeld onder lit. s kunnen met het geven van dat onderwijs voort gaan op den i voet, waarop het door hen werd ge-| geven.
i Zij , die vóór het in werking treden dezer wet, de akte, vermeld in art. 56 onder a of b hebben verkregen I of in het bezit zijn der daarmede ge-j lijk gestelde akten of toelatingen, zijn bij het afleggen van het in art. 65öis vermelde examen in het vak j vrijgesteld van het in art. 6óter daarvoor bepaalde examengeld.
Artikel 7 der wijzigingswet.
Subsidiën thans genoten krachtens art. 3, 3quot; lid der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n0 127), kuunen nog na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt doch tot geen hooger bedrag, noch op andere voorwaarden worden uitgekeerd.
Andere subsidiën welke onder de werking der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad nquot; 127) door gemeenten zijn verleend, doch na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet meer verleend kuunen worden, kunnen nog gedurende vijf jaren na dat tijdstip, docli tot geen hooger bedrag noch op andere voorwaarden worden uitgekeerd.
Gewijzigde wet.
Artikel 8 der wijzigingswet.
Onderwijzeressen, welke de akte, vermeld in art. 56, onder a, der quot;wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n0 127), of die, vermeld onder b van dat wetsartikel, vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n0 127) gelijkgestelde akten of toelatingen , behouden de bevoegdheid tot het geven van huis-en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder k in art. 2 dier wet, binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.
Allen, die de akte, vermeld in art. 56, onder b, der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad nquot; 127) vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad nquot; 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, behouden de bevoegdheid tot het geven van huis- en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder p in art. 2 dier wet, j binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.
De akte, vermeld in art. 56, onder u, der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad nquot;. 127), vóór het in werking treden dezer wet verkregen, geeft, tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de eerste oefeningen van het handteekenen, gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56, onder a, zooals dat artikel bij deze wet is gewijzigd.
Artikel 9 der wijzigingswet.
De bestaande bepalingen omtrent de examens, ter verkrijging der akten van bekwaamheid, vermeld in art. 56 onder a en b, en omtrent de vergelijkende examens blijven gelden, totdat die onderwerpen overeenkomstig deze wet opnieuw zullen zijn gere-
â 55 â
Gewijzigde wet.
geld, doch niet langer dan 1 Januari 1891 en met dien verstande dat de voorschriften in art. Sótfir met het tijdstip van het in werking treden dezer wet voor alle in dat artikel bedoelde examens van kracht zijn.
Wet van 1S78.
|
Artikel 5 der wet van 11 JtiliJ 1884 (Staatsblad nquot;. 123.) Deze wet treedt iu werking op tien Isten September 1884. |
Artikel 10 der wijzigingswet. Peze wet treedt in werking op 1 Januari 1890. |
Bij den Uitgever dezes zijn mede verschenen
KV WK
! )E
7\ rn
TWEEDE DRUK.
P r ij s 6 0 Cents.
DE IIEÃÃWE GRONDWET
VOOR HET
Koningrijk der Nederlanden.
TWEEDE DRUK.
P r ij s 5 0 Cents.