ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

lü I

,

f

!

ü . j.

ocr page 4

H||||||

^Êk' I ■

WÊÊSSmÊk

| ^

ocr page 5

IN HUTS EN OP STRAAT.

ocr page 6

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0738 9574

ocr page 7

fjs, yAN j^ENNES.

Huis en op Straat

lt;hclielsen van een DaijblaJcorresponden /.

TWEEDE, VERMEERDERDE DRUK.

ZWOLLE,

W. E. J. TJEENK WILLINK.

ocr page 8
ocr page 9

't Zijn meestal plotseling opgewekte en even plotseling weergegeven indrukken, die de lezer in dit bundeltje zal aantreffen.

Op enkele uitzonderingen na vonden de aehterstaande schetsjes reeds eene plaats in de Nieuwe Rotte rda rise In; Courant, en toen ik ze voor dat blad schreef, vermoedde ik niet dat men er ooit waarde genoeg aan toekennen zou, om ze te verzamelen en te herdrukken.

Zij werden echter in de courant door velen met genoegen gelezen — ik spreek hier mijn dank uit voor menig even vriendelijk als vleiend bewijs, dat mij daarvan gewerd — en dit bracht ongetwijfeld den uitgever dezes tot de meening, dat velen ook gaarne die schetsjes vereenigd zouden bezitten. Zijn aanbod om tot de uitgave er van over te gaan nam ik dankbaar aan en wat mij van het door mij geschrevene daartoe geschikt voorkwam, wordt thans het publiek met bescheidenheid aangeboden.

Mogen deze Schetsen van een dagblad-correspondent

ocr page 10

even welwillend ontvangen worden als de afzonderlijke stukjes in de Nieuwe Rotterdamsche ('owran.t, en brenge dit boeksken mijn oprechten dank aan den hoofdredacteur van dat blad, den heer Dr. J. A. Lamping, voor de aanmoediging, die hij, reeds bij mijne eerste schreden op dit gebied, mij schonk.

November '81.

DE SCHRIJVER.

Bij den tweeden druk, die thans door de zorgen van de firma ïjeenk Witxtn'k het licht ziet, voegt het mij mijnen dank te herhalen voor de vriendelyke ontvangst, die mijn werk bij liet publiek te beurt viel.

Ik heb in dezen druk enkele wenschelijk gebleken verbeteringen aangebracht en door noten eenige noodzakelijk geworden toelichtingen gegeven. Voorts heb ik deze uitgave met een vijftal nieuwe schetsen vermeerderd, die, als meer speciaal op Utrecht betrekking hebbende, geacht konden worden eene plaats in dezen bundel te verdienen.

November '87.

DE SCHRIJVER.

ocr page 11

I N H O U D.

liladz.

De Visohmarkt....................... ^

Het glazen Huis...................... 13

Een Volkstype.......................' 20

De Zaterdagsche Veemarkt................. 29

Spoorwegambtenaren.................... cj-g

Het „Spookhuisquot; in de Voetinssteeg............ 51

Een avondje op het Bureau van Politie.......... 60

Herinnering aan een gestorven Rederijker........ 73

Afscheidswoord aan het „Wagentje van Diegesquot;..... 91

Het Huis in de Voetinssteeg................ 93

Hoveniersmaandag...................... 95

De Omroeper........................ 99

Aan den Portier vau den Rijnspoorweg..........103

De Loterij.............................

Een Spoorweg-ongeluk...................HO

Li nksboeren wijfjes.................... ^J3

Bram de. Mop...................... jiy

ocr page 12

I N II O U I).

liladz.

De laatste dagen des jaars.................122

Onverdraagzaamheid in de omstreken van Utrecht.... 127

Hoe Tivoli geworden is, wat het is............131

De groenen-Komedie....................140

St. Nicolaas-avond.....................144

De Molen de Kat......................149

De Spring-Processie.....................152

Rederijkers.........................1G4

Dat is me een „Heerquot;!..................1G9

Dronken vrouwen......................175

De beuk uit den Spaanschen tijd.............178

Oude herinneringen.....................184

Nars.............................188

|k

i

ocr page 13

De V i s c h ni a r k t.

Een voorname plaats onder de plaatsen waar men zich kostelijk en kosteloos amuseeren kan. Uekleedt te Utrecht de vischmarkt. Niet omdat men vroolijk gestemd wordt door het gezicht van een spartelenden, levend gevilden paling; of door het dartelen der garnalen in het koude water, waarin zij boven het vuur worden gehangen; of door de zachtzinnige wijze, waarop men een grooten snoek ziet transportee-ren, dien men gemakshalve vinger en duim in de oogen steekt; of bij den aan een paar touwtjes in een winkel hangenden karper, die gedurende eenige dagen met geweekt wittebrood wordt vetgemest. Och neen! al die martelingen zijn niet geschikt blijde gedachten op te wekken. Zijdoen alleen de hoop ontstaan dat de dierenbeschermers hunne beschermende blikken ook eens op de laatste levensdagen der visschen zullen richten.

v. Ukköks. i

ocr page 14

o

Maar de markt zelf, ile kooplieden en koopers, de levendigheid, die er heerscht — dat alles te zarnen maakt zulk een prettigen indruk, dat men er gaarne oen oogenblik vertoeft. En daar de vischmarkt in de nabijheid van den Domtoren gelegen is — the »highquot; attraction der vreemdelingen — zijn er ook van die heeren en dames slechts weinige, die niet en passant op de Maartensbrug blijven stilstaan, om het eigenaardige schouwspel gade te slaan.

De TJtrechtsche grachten zijn vrij algemeen bekend, althans zij zouden dit wel verdienen. Zes of zeven meter boven den waterspiegel ligt de straat, aan wier buitenrand ijzeren balies staan, die den mensch voor naar beneden vallen moeten behoeden, doch die men voorzichtig doet in dat opzicht niet al te zeer te vertrouwen, wegens de eeuwigdurende quaestie, wie voorset onderhoud te zorgen heeft: de bewoners der gracht, of de gemeente. Hier en daar ziet men dan ook telkens, gedurende weken en maanden, op bijzonder zwakke punten, vóór de balies palen met ruwe dwars-planken staan, wier aanwezigheid wel zeer nuttig, maar niet minder leelijk is.

Veel lager dan de straat, slechts even boven het water,

heeft men aan beide zijden werven, waarop de onder de straat liggende pakhuizen en kelders, die dikwijls ook tot •

woningen zijn ingericht, uitkomen.

Die werven zijn met kastanje- of lindeboomen beplant, en wanneer deze des zomers in vollen bladerentooi prijken, dan levert de Oudegracht, van een harer vele bruggen gezien,

een zoo frappanten, — en door de talrijke kippen, kinderen

ocr page 15

3

en »goedquot; spoelende, en van tijd tot tijd in't watervallende dienstmeisjes, die de bevolking der werven uitmaken—een zoo eigenaardigen en levendigen aanblik op, als men slechts in weinig steden van ons vaderland zal vinden.

Ongeveer iti het midden — op het smalste gedeelte dezer Oudegracht, die van het zuiden naar het noorden door de stad stroomt, vindt men de vischmarkt— een echt ouder-wetsche vischmarkt. Al de huizen der vischverkoopers zijn voorzien van groote luifels, waaronder hooge, groote, helder geschuurde tafels met opstaanden rand zijn geplaatst, die herinneren aan een biljart in een oude boerenherberg — evenals de achter sommige tafels staande ruime banken, met rug- en zijplanken, doen denken aan de banken eener dorpskerk. In zoo'n bank zit een geheele familie garnalen te pellen, die door ieder lid der familie in een jenever-, bier-, punch- of ander glaasje worden gedaan, om latei- op een groote schaal te worden verzameld en tentoongesteld. Allen moeten een gelijk aantal glaasjes vol gepelde garnalen afleveren,. doch voor »het soortquot; van glaasjes wordt met de meerdere of mindere geoefendheid rekening gehouden. Vóór de groote tafel — die tot het schoonmaken en uitstallen van visch dient — staan op de straat hooge tonnen, waarop ondiepe, groene, van binnen rood geschilderde vaten rusten, in welke de »visch van den dagquot; zwemt, drijft of opgestapeld is. »Mooie schellevisch. meneer?quot; of «juffrouw blievi ook zoutevisch? Lop nou nie deur; kek is watte mooie tong! Kom is hier, ik ken ommers altijd nogal an je verkoope; 'k zei 't goed mi-je maoke, mins! Wij kenne mekaor wel

1*

ocr page 16

A

nuuwaor?quot; — Dat of zoo iets dergelijks hoort men bij iedere schrede.

Op het midden der markt treft men eene brug aan, die men met twee hooge stoeptreden opgaat. Op die brug verheft zich een dak op palen, waaronder aan de eene zijde vaste werkbanken staan en aan de andere een houten tralie-kast. die tot bergplaats van afgekeurdeh visch, manden en ander gereedschap dient. Aan de voorzijde is een klein steenen kamertje, onder een frontispies, waarboven een klok hangt, gemetseld, aan weerszijden geflankeerd door een nog veel kleiner kamertje — zóó klein, dat sinds jaar en dag onder de sollicitanten naar de betrekking van «boekhouder van den afslagquot; — die in het rechtsche zitting houdt — de magerste sollicitant altijd de meeste kans heeft gehad.

Het linksche kamertje is bijna altijd gesloten, en het inwendige daarvan is alleen aan het personeel van den afslag bekend, voor hetwelk alleen de sleutel beschikbaar is. Maar in het middenste hok is de plaats van den gewichtig-sten man van de geheele vischmarkt. Daar zetelt de «afslagerquot;. Zetelen is eigenlijk misschien een minder juist woord; want de man staat altijd. Van de voorzijde van het kamertje is de bovenste helft geheel open, zoodat dan ook alleen des afslagers bovenlijf voor het publiek zichtbaar is. Het gedeelte van zijn lichaam, dat begrensd wordt door zijne schoenzolen en den tweeden knoop van zijn vest, is verborgen achter een gele plank, waarin twee langwerpig vierkante gaten zijn gezaagd, die van ruiten zijn voor-

ocr page 17

zien. De bovenkant der gele plank is, vooral in het midden, verveloos en geheel zwart, vanwege de voortdurende wrijving, welke zij ondergaat van des afslagers vingers, die daarop altijd rusten, terwijl hij zijne eentonige bezigheid verricht.

Die bezigheid begint des morgens ten »hallef tiejenquot;, en 't is geene zeldzaamheid als zij, met korte tusschenpoozen, eerst in den nacht eindigt. Voor het hok van den afslager staan binnen een boogvormig hek (de zoogenaamde »ringquot;) de visschen in manden (iedere mand bevat »een koopquot;, bestaande uit 2, 4, 6, 8 of meer stuks, al naar de soort van visch) gereed, en daaromheen staan de koopers, terwijl op eene bank langs de binnenzijde van den sringquot; de voornaamste handelaren van de markt gezeten zijn. De afslager luidt zijn klok, waarvan het trekijzer hem juist voor de punt van zijn neus hangt, en beginnende met vijftig, veertig, dertig of twintig stuivers (men rekent hier nog altijd bij stuivers), wat van de marktkoers afhankelijk is, telt hij op de vervelendste manier met 19, 18, 17,16 voort, totdat hij plotseling, soms door vier of vijf personen tegelijk, luidkeels met het woordje smijnquot; in de sredequot; gevallen wordt. Die mijnroepers steken allen tegelijk den vinger op, maar de afslager heft kalm zijne rechterhand van de gele plank, en wijst met zijn vinger den persoon aan, wien de »koopquot; wordt toegewezen, 't Is opmerkelijk: ieder legt zich bij die uitspraak, ofschoon soms pruttelend, neer. Hooger beroep schijnt niet mogelijk te zijn. Op de vischmarkt geldt het dogma; «Wanneer de afslager

ocr page 18

6

ex cathedra een vingerwijzing doet, dan is hij onfeilbaar.quot;

Geestverheffend is zijne taak intusschen niet, en het is te begrijpen dat men , jaren lang niets anders doende, er eindelijk »sufquot; van wordt. Dat is onze afslager echter niet; maar één gebrek heeft hij toch door dat onophoudelijke aftellen gekregen: hij kan niet meer opwaarts tellen! Al ware het van 1 tot 10 — met den besten wil der wereld — hij zou het niet kunnen. »Maar aftellen des te beter! Al was 't van een millioen, as te beste, hoor!quot;

Een zijner voorgangers — jaren geleden — moet, naaide overlevering luidt, ook een hinderlijk gebrek uit de langdurige vervulling zijner betrekking gehouden hebben. Deze kon namelijk in het laatst van zijn leven geen getal uitspreken of hij telde onmiddellijk door naar beneden. De man was tevens voorzanger in de Buurkerk, en op een goeden Zondagmorgen, toen zijn gebrek zich voor het eerst openbaarde, noodigde hij de gemeente uit hem hare aandacht te schenken bij het voorlezen van Mattheus 28, 27, 26, 25... Hij hield niet op, voordat een zijner vrienden onder de toehoorders »mij nquot; geroepen had, dien hij daarop onmiddellijk tot stichting der vrome gemeente, met den vinger aanwees, waarbij hij zoo hevig met den arm zwaaide, alsof hij hem al zijne vingers tegelijk naar het hoofd wilde gooien.

Den tegenwoordigen afslager kan zoo iets niet gebeuren : hij is geen voorzanger. Hij zwaait ook niet zoo met den

ocr page 19

arm; hij doet dat kalm en «netjes!quot; En als hij den kooper heeft aangewezen, dan treden vooi' een oogenblik twee andere personen op. Daar verschijnt in een langen blauwen kiel de groote gestalte van den vermaarden metalen-kruisridder, die in den tiendaagschen veldtocht zijn officier het leven redde dooi- hem uit een kuil met ongebluschte kalk te trekken; die sinds menschengeheugenis bij groote parades de rol van genoodigde vervult, en gekleed ineen langen blauwen kuitendekker, versierd met medailles en ridderkruizen, de troepen voor zich laat defileeren, en complimenten met de autoriteiten wisselt.

Met hem treedt — als er »mijnquot; geroepen is — een andere man, een die twee voet kleiner is dan hij, te voorschijn. Diens naam — Nier, heet hij — zal nimmer eene bladzijde der vaderlandsche geschiedenis versieren — hij heeft nooit »gediend.quot; Hij heeft een zeer groot hoofd en een «kwaal,quot; waaraan hij al heel wat »verappeteekerdquot; heeft. Het is de ziekte, die meer algemeen bekend staat onier den naam van »volkskwaal,quot; en die bij hem — zooals hij zelf zegt — voortspruit uit een »droge lever.quot; Van zijn hoofd kan men zich een denkbeeld maken — althans van de diepte van zijn mond — wanneer men weet dat een sigaar van gewone lengte voor drie vierde in dien mond verdwijnt, zonder dat hem dit in het minst bij het spreken of schreeuwen schijnt te hinderen. En wie hem ooit zonder sigaar in den mond gezien heeft, kan zich als curiositeit laten kijken.

Als die twee mannen optreden, heerscht er leven en

ocr page 20

6

ex cathedra een vingerwijzing doet, dan is hij on-feilbaar.quot;

Geestverheffend is zijne taak intusschen niet, en het is te begrijpen dat men, jaren lang niets anders doende, er eindelijk »sufquot; van wordt. Dat is onze afslager echter niet; maar één gebrek heeft hij toch door dat onophoudelijke aftellen gekregen: hij kan niet meer opwaarts tellen! Al ware het van 1 tot 10 — met den besten wil der wereld — hij zou het niet kunnen. «Maar aftellen des te beter! Al was 't van een millioen, as te beste, hoor!quot;

Een zijner voorgangers — jaren geleden — moet, naaide overlevering luidt, ook een hinderlijk gebrek uit de langdurige vervulling zijner betrekking gehouden hebben. Deze kon namelijk in het laatst van zijn leven geen getal uitspreken of hij telde onmiddellijk door naar beneden. De man was levens voorzanger in de Buurkerk, en op een goeden Zondagmorgen, toen zijn gebrek zich voor het eerst openbaarde, noodigde hij de gemeente uit hem hare aandacht te schenken bij het voorlezen van Mattheus 28, 27, 26, 25... Hij hield niet op, voordat een zijner vrienden onder de toehoorders »mijnquot; geroepen had, dien hij daarop onmiddellijk tot stichting der vrome gemeente, met den vinger aanwees, waarbij hij zoo hevig met den arm zwaaide, alsof hij hem al zijne vingers tegelijk naar het hoofd wilde gooien.

Den tegenwoordigen afslager kan zoo iets niet gebeuren : hij is geen voorzanger. Hij zwaait ook niet zoo met den

ocr page 21

arm; hij doet dat kalm en «netjes!quot; En als hij den kooper heeft aangewezen, dan treden voor een oogenblik twee andere personen op. Daar verschijnt in een langen blauwen kiel de groote gestalte van den vermaarden metalen-kruisridder, die in den tiendaagschen veldtocht zijn officier liet leven redde door hem uit een kuil met ongebluschte kalk te trekken; die sinds menschengeheugenis bij groote parades de rol van genoodigde vervult, en gekleed in een langen blauwen kuitendekker, versierd met medailles en ridderkruizen, de troepen voor zich laat defileeren, en complimenten met de autoriteiten wisselt.

Met hem treedt — als er »mijnquot; geroepen is — een andere man, een die twee voet kleiner is dan hij, te voorschijn. Diens naam — Nier, heet hij — zal nimmer eene bladzijde der vaderlandsche geschiedenis versieren — hij heeft nooit «gediend.quot; Hij heeft een zeer groot hoofd en een »kwaal,quot; waaraan hij al heel wat »verappeteekerdquot; heeft. Het is de ziekte, die meer algemeen bekend staat onier den naam van »volkskwaal,quot; en die bij hem — zooals hij zelf zegt — voortspruit uit een «droge lever.quot; Van zijn hoofd kan men zich een denkbeeld maken — althans van de diepte van zijn mond — wanneer men weel dat een sigaar van gewone lengte voor drie vierde in dien mond verdwijnt, zonder dat hem dit in het minst bij het spreken of schreeuwen schijnt te hinderen. En wie hem ooit zomler sigaar in den mond gezien heeft, kan zich als curiositeit laten kijken.

Als die twee mannen optreden, heerscht er leven en

ocr page 22

8

»la\vaai.quot; »Vijf en veertig cent,quot; roept de een met heesche stem; »voor Van den Brinkquot; roept de ander, die in schorheid niet bij den eerste achterstaat. Dan hoort men ook al de bijnamen, die de bekende koopers dragen, en heeft een ter vischmarkt onbekende «gemijnd,quot; dan wordt hij bij het een of ander kenmerkend kleeding-stuk of eenig ander onderscheidingsteeken aangeduid: »Die heer mit tie handschoenen an;quot; svoor de juffrouw mit ter mooie mus op;quot; «voor dat messie mit tat lieve wipneusie.quot; En meer van diergelijke, soms dubbelzinnige aardigheden, die menig lief kind doen blozen en haar, terwijl zij door de lachende toeschouwers dringt, de verklaring doen afleggen; »ik bedank mijn juffrauw; die ken zellef hier na toe gaan, as ze visch van de-n-af-slag wil eten!quot;

Is er soms een ontevredene, die meent meer recht op een »koopquot; te hebben dan degeen aan wien die wordt toegewezen, dan troost hem de man met de skwaal,quot; door hem met een buiging toe te voegen; »morrege-n-ochchunt!quot; En wordt de betrokkene dan boos, zoodat hij hem toesnauwt: «Hou jij je der buite, ik sprik niet teuge jou!quot; dan maakt de man met het groote hoofd een nog diepere buiging, en zegt met onverstoorbare kalmte: »dan morrege-n-avunt!quot;

Er wordt gelachen, en zoo is ook deze quaestie op vredelievende wijze beëindigd. Op de vischmarkt schikt men alles in der minne. Men schreeuwt er en scheldt; men raast en tiert er, maar — alles in der minne. En

ocr page 23

1

9

wanneer men haar, soms met een zucht verlaat, flan

geldt die zucht niet de markt en wat men daar zag;

neen, het is de stille verzuchting: »Och, mochten overal 'f. elders in de wereld alle quaestiën zóó tot oplossing worden gebracht!quot;

Februari 1880.

BI.] HET OVERLIJDEN VAN NIER.

Nier is dood! Mijn Nier! Nier — neen Hart en Slagader — van den vischafslag heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld! Helaas, is het dan toch waar, moeten wij allen sterven? De een voor, de ander na, zie ik al mijne vrienden heengaan en weldra zal ik alleen staan — alleen, slechts levende met de herinnering aan de origi-neelen, die de vreugd waren van mijne jonkheid en mijn mannelijken leeftijd.

Nier gestorven! En die treurmare moest ik uit het Utrechtsch Dagblad vernemen! De krant verstijfde in mijne vingers toen ik het las. De letters dansten voor mijne oogen als scrillige spookgestalten. De N scheen mij een akelig geraamte, dat met zijn nijdige haken voor- en achterwaarts naar zijne prooi greep; en de i, met zijn gedecideerde punt, riep mij toe «tot hiertoe en niet verder!quot; En of de e, met zijn gaatje, mij al scheen te willen beduiden, dat er nog wel dóórkomen aan was; de r met

f

ocr page 24

10

zijn gebogen kopje voegde mij toe; zet jij maar in de advertentie, dat je er stilletjes in berust, er is toch niets aan te doen.

Die r heeft gelijk! En waarachtig, Nier! jij bent nog zoo kwaad niet af. Ik heb zoovelen van onze goeie vrinden naar de Schans of naar de-n-Oost zien gaan, ik heb zoo menigeen zijn troost in het koude water of aan een eind touw zien zoeken, ik — neen wij hebben lui zich dood zien borrelen, hè, oude jongen! maar jij, goddank! hebt na een eerlijk en werkzaam leven, een eerlijken en rustigeu dood op je eigen bed gevonden.

O, dat ik je niet voor het laatst de hand heb mogen drukken! Goeie Nier! Hoe heb jij je den hemel toch wel voorgesteld?! Sigaren van een meter lengte, zoodat er althans nog een behoorlijk stuk van buiten je mond stak?! Altijd, van den vroegen ochtend tot den laten avond versche visch binnen den sringquot; en daarbuiten omheen niets anders dan »meisjes met lieve wipneusjesquot; waarvan je zoo'n vurig bewonderaar waart! En als je keel schorder was dan gewoonlijk van het schreeuwen en je oude kwaal, je «droge leverquot; zijn aanspraken deed gelden, dan altijd zoo'n »belquot; klare bij de hand, hè?! O, Nier! ik hoop dat al je wenschen bevredigd zullen worden. Je hebt het verdiend, man.

Je zult voortleven in de vriendschappelijke herinnering van allen, die je gekend hebben. Jij was een onwraakbare getuige, als er soms een enkele maal verzet kwam tegen de uitspraak van den onfeilbaren afslager! Als jij

ocr page 25

I-I

zei: »die heeft het eerst smijnquot; geroepenquot; dan was het uit, al pruttelde men wel eens: »'t is er alweer een met een wipneusje.quot; Toch hielden allen wel veel van je, oude bromtol! En vooral de vischvrouwen! Jongen, Nier! ik weet het niet zoo recht, maar .... je kon tusschenbeien zoo met schubben zitten. Als je nog praten kon, zou je misschien zeggen, «dat kwam omdat ik den heelen dag zelf met viscli te doen had!quot; Maar neen, Niertje; zulke schubben waren het niet vrind! Het waren schubben uit de tweede hand. Nier!

Enfin! het is nu het oogenblik nog niet om een oordeel over je uit te spreken. De geschiedenis zal, als van alle groote mannen, aan een later geslacht je deugden en je ondeugden leeren kennen!

Nu, Nier! sentimenteel ben ik niet, dat weet je. Ik zie je in mijne gedachten naar het kerkhof brengen, waar je eene fatsoenlijke begrafenis wacht, en al stort ik geene tranen bij die groeve aan welke menig vriend met een laatsten blik je stoffelijk overschot zal volgen, je verscheiden heeft toch weer eene weemoedige gedachte bij mij opgewekt. Ik ben maar zoo bang. dat dit ongeluk weer niet alleen zal komen! Bram de Mop loopt ook op zijn laatste klompen en wee! wee! als die mij komt te ontvallen — dan heb ik niets anders meer dan gemeenteraadsleden. Dan zijn alle mannen van beteekenis hier opgeruimd!

Och, dat ge mij niets hebt nagelaten! Uw portret niet, geen haarlok zelfs van dat gedenkwaardig groote

ocr page 26

12

hoofd, niet eens een eindje sigaar uit dien onpeil-baren mond!

Misschien dat uw notaris, dit laatste woord van toewijding lezende, zich mijner erbarmt en mij een klein aandenken aan u nog »doet geworden .

Rust inmiddels in vrede. Nier!

November 1886.

ocr page 27

Het glazen Huis.

Als men van het Rijnspoorwegstation gaande in rechtsche richting zich naar de stad begeeft en dus over de Willemsbrug haar binnenkomt, dan worden de eerste schreden, die men binnen Utrecht doet, gezet op de Mariaplaats. 't Is een fraai plein, op welks midden zich het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen verheft, ter plaatse ongeveer waar vroeger de kerk van St. Maria stond. Aan die kerk ontleende het plein zijn naam, evenals de pomp, die tegen haar aangebouwd was, den haren. De kerk, die in den laatsten tijd van haar bestaan tot concertzaal diende, verdween onder het houweel en den moker, en de pomp werd verplaatst naar een ander deel van het plein, dat den naam van Vleeschmarkt draagt. Dezen naam, die vroeger met zooveel eere gedragen werd, toen men er iederen Zaterdag een dubbele rij van portatieve vleesch-winkels zag verrijzen — men wordt er tegenwoordig

ocr page 28

14

slechts aan herinnerd door één enkel «stalletje , dat rondom behangen is met de debris van een beest, tusschen welke de verkooper staat, wiens beroep dooi het woord sbullenslagerquot; wordt aangeduid.

Op dat gedeelte van het plein staat tegenwoordig de Mariepomp, en, zooals eens een Utrechtsche pruldichtei gezegd heeft:

Zij is eene pomp onder de pompen

Wat een paar verlakte bottines is onder klompen.

En met recht heeft hij dat gezegd. Waar op de wereld staat de pomp, die zoo wijd vermaard is als de Utrechtsche Mariepomp?! Waar stroomt het water, dat zooveel wonderen gewTOcht heeft als het Utrechtsche Mariewatei?! Te Lourdes misschien? 't Mocht wat! Een vat Lourdes-water was nog geen cent waard, toen voor een k i u i k Mariewater in Amsterdam reeds een schelling betaald werd! Jaren lang is de dorst van geheel de hoofdstad des Rijks met Mariewater gelescht. De Amsterdamsche waterhandelaars kwamen met hunne schepen hierheen; een lange houten bak werd onder den bronzen leeuwenkop bevestigd, en onder liet dozijn blikken tuiten aan het uiteinde van dien bak stonden een gelijk getal Keulsche kruiken. Dan golfde uren lang achtereen het heerlijke, frissche, gezondheid brengende water uit den wijden leeuwenmuil door de houten geul, en de kruiken met haren koelen inhoud werden onophoudelijk met kar en paard naar de schepen gevoerd.

ocr page 29

15

Geen vorst, die ooit de stad bezocht, of een karaf rnet Utreehtsch Mariewater prijkte op de koninklijke tafel.

En vreemdelingen! Des Zondags stonden geheele troepen Anasterdamsche heeren en dames om de pomp geschaard, want »nauwe me toch hier binne, nau wille me-n-ouk eraisies een glaasie Utrechs merriewater voor niemendal drinke! En an de pomp zeivers, wa seit uwes, meneejer?quot;— Het »glaasiequot; werd hun »bereidwilligquot; geleend door den tapper op den hoek. Och ja! de man deed het gaarne, want hoe heerlijk de Amsterdammers het water ook vonden, zij werden er toch wel wat flauw van. »'t Was toch niet tat.quot; En op dat water »vielquot; zoo'n »spatjequot; wel. Trouwens onder dat water was zoo'n spatje ook wel «gevallenquot;; althans, even vóórdat zij aan de pomp kwamen, hadden zij er ook al een «genomenquot;. Daar was ook een sriejale Amsterdammerquot; niet tegen bestand!

Achter het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, grenzende aan den tuin van dat gebouw, stond een huis (het staat er nog) dat zij voorbij moesten, en boven welks benedendeur een uithangbord was (het is er niet meer), bestaande uit twee planken, die met den gevel van het huis een gelijkbeenigen driehoek vormden. En op het ééne been van dien driehoek — dat wat zij bij hunne komst in de stad konden zien — lazen zij onder een aankomenden spoortrein de behartigenswaardige woorden; »De eerste stuiver!quot; Dat was zoo'n bescheiden wenk, dat men niet nalaten kon er gevolg aan te geven,

ocr page 30

16

• hIp rtes avonds den anderen be evenmin als men ^ vertrekkenden tvem op het

scheiden wenk gt;e o n ))den patsten stuiverquot;,

tweede been stond, op te vc _ ^ g;ng

dien men in Utrecht u1^' ^ , enhe;d is gekomen, verteren. Sedert er ove. Uoed.^ . ^ ^ en

om tusschen den spooitiem e opschrift zijn

• tp o-even, neeit i

laatste stuvvers -t ^ ^ ^ de driehoek vervangen

#rtUSOn boolmiquot; uitsteekbord, waarop zedi^k ver-door een boogvorm . ^^nkquot; te verkrijgen

- - quot;«r..T.r^l * «■

quot;ü * ^ .7

Lr voorziet - met njne» »««» «

ir.rr' leelilk, vierkant, nuu0

Het is een log, leen.) , het den

Gte„ K*. » ..t

naam van

.eerwaardig men

^ quot; t^r X1 mea' zoolang zal staan als het

de hoop, dat J 11 verwonderen dat

reeds gestaan heeft. _ weffgeloopen zijn. Den

, . t av no o- met mee ^

„Ie huisdieren e, no ^ ^ ^

r«rrrJ^«e,.,-e,.»ergr..t.nn-

oefend, tet.nt eder g « kookt en eet en

loon apnitement wn-oh _ H Glmnl.uis

werkt en sl.apt eene geheele femd.e

ocr page 31

telt wel twintig zulke apartementen, waarvan er nooit een onbewoond is 1).

Langs een smalle, donkere trap, waarvan de treden geheel zijn uitgesleten, zoodat men op verscheidene plaatsen door reten en gaten een lichtstraal ziet schemeren, bereikt men de drie bovenverdiepingen; en de «stoutste verbeeldingquot; is niet in staat zich een denkbeeld te scheppen van de geuren, die op deze trap de reukorganen prikkelen van den waaghals, die haar beklimt en aan de lucht des huizes niet gewoon is.

Sommige familiën in deze woning houden zelfs nog een commensaal! In die qualiteit woonde daar vroeger een in Utrecht welbekend persoon, 't Was Klokke — Klokke uit het Glazen huis! 't Was een klein kereltje met een hoogen rug en een goed hart. Zijn linkerbeen was veel langer dan het rechter. Vandaar de gewoonte om de knie van dat langere been een weinig te buigen, hetgeen, wanneer men hem links zag passeeren, altijd den indruk maakte alsof hij zóó op het punt stond op een drafje te gaan loopen. Zijne armen reikten tot aan zijne knieën: en wanneer hij door de straten stapte, dan zwaaide hij, bij iederen stap van het lange been, zoo hevig met den rechterarm, alsof het de zwengel eener pomp was, die in beweging gebracht werd. Hij was het levende bewijs dat de mensch ook zonder bevallige proportiën tevreden leven kan.

1

Kenschetsend is zeker de bijzonderheid dat toen voor een paar jaren de eigenaar, zwichtende voor hoogeren drang, het huis eene geheele vernieuwingskunr deed ondergaan , hij bijna geene bewoners meer voor zijne apartementen kon vinden, waarvan de meesten geruimen tijd ledig bleven, October 1887.

ocr page 32

18

Hij was barbier — met bitter weinig klanten — maar hij deed overigens alles waar hij op eerlijke wijze wat meê verdienen kon. Voor een bakker in de buurt deed hij Zondagsmorgens tegen een kleine beloonmg boodschappen. Wat was hij dankbaar voor den afgedragen, langharigen mantel van des bakkers 12-jarigen zoon, toen deze hem (de mantel — niet de zoon) op een kouden winterdag over zijn dunne jasje werd gehangen! De bakker was al lang dood, en zijn zoon was al lang een man geworden, die zelf een zoon had, toen Klokke nog dien mantel droeg. En kwam hij dan den man tegen, die in zijn jeugd onder dat kleedingstuk beschutting tegen de koude gevonden had, dan klonk zijn groet vriendelijk. »Goeje morgen, meneer. Hij zit me nog maar wat warm! Da's sterk goedje geweest, hoor, meneer!quot; Nooit heeft iemand van een kleedingstuk langer spiezierquot; gehad, dan de zoon?van dien bakkerij

Het brave, ijverige mannetje onderscheidde zich door een onoverwinnelijken afkeer van ziekenhuizen. Alleen de gedachte van in een »gasthuisquot; te moeten sterven, deed hem ontstellen en verbleeken. Hij was gelukkig nog gezond. Och ja, als Onze Lieve Heertje hem daar maar voor bewaarde, dat hij niet ziek kwam te leggen. Want bij die menschen in 't Glazen huis dat begreep hij zelf Wel — daar kon hij dan niet blijven. En anders had hij geen mensch op de wereld. »Geen levende ziel, m'n goeje meneer! Hij zou dus naar het gasthuis moeten; daar zat niets anders op; dat sprak van zelf. En och

ocr page 33

19

God, daar was hij zoo akelig van. Daar had hij als knaap op een helderen, zonnigen herfstdag zijne moeder de oogen dichtgedrukt, en toen hij op die groote zaal en tusschen al die menschen hij haar doodbed zat te schreien, om het verlies van het dierbaarste en 't laatste wat hij in de wereld had, toen waren allen om hem heen zoo koel en onverschillig gebleven, alsof er geen moeder gestorven was, die een hulpeloozen, gebrekkigen knaap achterliet, welken zij, juist om zijn misvormd lichaam — zoo zijn die dwaze moeders — nog te meer had liefgehad. En als hij nü nog, na zooveel jaren, maar voorbij het gasthuis liep, dan ging hem een rilling over 't lijf, dan kwam hem al die akeligheid weer voor den geest! En dat was dan ook alles wat hij van Onze Lieve Heertje vroeg — hij had het in zijn leven nooit zoo heel pleizierig gehad, en deze eenige wensch zou dus misschien wel bevredigd worden, dacht hij: — dat hij toch maar geen ziekbed mocht hebben. Zóó gezond, zóó dood, meneer! zou 'k maar 't liefste willen.quot;

Onze Lieve Heertje heeft zijn gebed verhoord. Hij wikkelde zich naar gewoonte in zijn mantel, en legde zich op zijn matras ter ruste. Des morgens vond men hem dood.

Het is reeds eenige jaren geleden. Alleen de menschen in »Het Glazen huisquot; hebben den commensaal gemist. Anders niemand. In eene wereld vol wanstaltigheden naar lichaam en ziel, wordt het verdwijnen van een armen, misvormden dwerg niet opgemerkt.

Maart 1880.

«2*

ocr page 34

Een Volkstype.

Er wordt hier sedert jaren door knapen en meisjes langs de straat een handel gedreven, die dikwijls veel levendigheid in onze anders nog wel eens stille straten aanbrengt. Wat toch verhoogt die levendigheid meer dan het geschreeuw — zij het dan ook weinig welluidend — van hen die hunne waren langs den weg venten. Kom bij voorbeeld op een Zaterdag-avond in den »Weg naar Romequot; — den naam danken wij aan een vroegeren bewoner van het hoekhuis op de zuid-oostzijde van de Bakker-steeg, een devoot katholiek, die te voet een pelgrimstocht naar Rome had afgelegd — en ofschoon «hooren en zien vergaatquot; van het geroep der tallooze jonge en oude vrouwen met wagentjes of manden, die met schelle stem vei-kondigen;

Sinusappele! mooie waar!

Vier en vijf vour een dubbeltjie maar!

het is levendig en vroolijk op dat punt, en men zou den diender wel in het koudste hok van het politiebureau

ocr page 35

quot;21

gesloten wenschen, bij wiens naderen al die handelaarsters zwijgen en zich in beweging stellen. Want zij mogen daar niet blijven stilstaan.

Maar de thans door ons bedoelde handel onderscheidt zich hierin van de gewone straatneringen, dat men soms, geheel onafhankelijk van het jaargetijde, eenige dagen en weken lang er niet van hoort, om dan plotseling weer weketi en maanden lang aclitereen dagelijks en soms meermalen per dag met het artikel te worden overstelpt. Dan hoort men er mee venten in de geheele stad, in de binnen- en buitenwijken, in de stilste en drukste straten, 's morgens vroeg en 's avonds laat. Het is de handel in «nieuwe telegrammen.quot; Vóór het bureau van de courant, die een afzonderlijk bericht zal verspreiden, staan een groote troep schamel gekleede jongens, en ook eenige meisjes. Zij verdringen elkander, om het eerst de bulle-tijns machtig te worden. En als zij ze hebben, dan vliegen zij voort, naar alle richtingen; geen straat of zij weergalmt van het geschreeuw:

Nuuwe tillegrarame! De extra nuuwe tillegramme!

A.rme kleine jongens, wier financiën hun niet permitteerden een grooten voorraad tegelijk in te slaan, blijven in de buurt van het bureau, om, als de enkele stuks die zij bezitten verkocht zijn, spoedig een dubbele hoeveelheid (zij verkoopen met 100 pet. winst) te kunnen aanschaffen, waarmede zij zich dan al verder en verder verwijderen.

Oorlogen en dynamiet-ontploffingen zijn natuurlijk factoren, die, zoo al niet onmisbaar voor dezen tak van

ocr page 36

22

handel, dan toch het meest tot den bloei er van bijdragen. Maar zoodra hij tot een zekeren graad van bloei gestegen is, dan hebben ook niet meer de knapen en meisjes het monopolie er van: dan achten ook volwassenen het niet beneden zich er hunne kapitalen in te steken.

Zoo bijv. bij den Fransch-Duitschen oorlog. Toen verdiende menig huisvader met het venten der telkens nieuw verschijnende telegrammen een aardig stukje brood, respectievelijk een aardig glaasje jenever. Een groot aantal volwassenen, natuurlijk geen werkzame ambachtslieden, legden zich in dien tijd op dezen handel toe. En onder die allen was er één, die door de wijze waarop hij deze zaak dreef eene Stichtsche vermaardheid heeft verkregen.

't Was Scholts — of liever Scholtsie, zooals hij door iedereen en ook door zichzelven genoemd .werd. Een dronkaard in optima forma, die een derde gedeelte van zijn leven opgesloten zat wegens openbare dronkenschap, en, als hij niet opgesloten was, geregeld minstens éénmaal per dag in »veri'egaandenquot; zoodanigen staat verkeerde. Toen hij eens — voor een paar jaren — in den verst gaanden staat van dronkenschap werd aangetroffen, waarin iemand hem nog ooit gezien had, is hij in den jenever «gebleven,quot; naar men wil, ook tengevolge eener «verkeerde behandeling,quot; van de makkers, die hem naar huis zouden brengen.

Maar in den Fransch-Duitschen oorlog was Scholtsie — ook wel, niet oneigenaardig, dronken Scholtsie geheeten —

ocr page 37

23

nog in zijn volle kracht. Altijd den zak vol geld, altijd dronken. Daar kwam hij des avonds aanzeilen, met zij ne krachtige stem, waarmede hij een diepe smart trachtte uit te drukken, het uitbulderende in de straten: «Bloed!! Bloed !!! Honderten dertigduuzend Fransche mittéén schot! Ze stane al an de Bilt, de Pruise! Mijn hebbe ze-n-ook al gerokt, kek maar!!quot; En zijn boezeroen openende, vertoonde hij de met bloed besmeerde borst van zijn hemd. Bijna altijd verscheen hij met zijn bundel telegrammen in de hand op vaste tijden in dezelfde straten, en men wachtte daar dan reeds op hem; maar als Scholtsie dat bemerkte, dan verschalkte hij de jongens, die op den uitkijk stonden, en als men hem reeds niet meer verwachtte, of op een plaats in de straat, waar men geheel niet op zijn komst was voorbereid, klonk eensklaps weer zijn jammerende stentorstem; Bloed! Bloed!!

Toen er eens een paar oude dames doodelijk verschrikt van hem waren, werd hem dit geschreeuw verboden, en moest hij zich bepalen tot de gewone aankondiging, welke hij toch altijd nog van zooveel grappen en grimassen deed vergezeld gaan, dat hij overal den lachlust opwekte.

Hij was altijd gekleed in een blauwen boezeroen, en zag er steeds proper uit; dat had hij te danken aan zijn kenarievogeltje, zooals hij .... de moeder zijner kinderen noemde. Meestal droeg hij eene pet, maar soms als hij van een of anderen student een ouden cilinderhoed of eenig ander hoofddeksel had gekregen, dan zette hij ook dit op. Dat de straatjeugd hem dan achtervolgde, is te be-

ocr page 38

24

grijpen; maar nauwelijks scheen hem liet aantal jongens voldoende toe om gegronde aanleiding tot eene klacht te geven, of Scholtsie stapte naar den commissaris van politie en verzocht of »meneer em assieblief 'n regent wou mee-geve, want 't was erreg zoo'n las as tie van die jonges had, 't was nooi soo beleef zoo gemeen as teugeswoordug die jonges ware!quot; Met een vermaning om zijn pet op te zetten, werd hij natuurlijk zonder geleide weggezonden. Hoewel de politie veel last van hem had, werd er wegens zijne aardige grappen nog al iets van hem door de vingers gezien, terwijl Scholtsie integendeel beweerde dat men het op hem »gemuntquot; had. Want sas ter 'n blouwe boezeroen dronke over de Nuuwe brug lop, en der staat een diender op te Ketrijne, dan zeit ie; O da sel Scholtsie wel weze. En dan schref tie me-n-op, meneer, en dan bin ik ter bij of ik hoog spring of laag spring, en al kon ik bewijze da'k tien dag in et tuchhuis gezete had, dan bin 'k ter nog bij.quot;

Hij had het ook zeer ver gebracht in het «schilderenquot; van levende dieren. Met kermis of op paardenmarkten kon men hem altijd zien met een groote mand of kooi, waarmede hij langs de koffiehuizen liep, om de daarin bevatte merkwaardigheid te laten zien. Dan kwam voor den dag een hond, of een kat, of een konijn, of een duif — hij zorgde voor gepaste afwisseling — die hij eenvoudig in een aftreksel van provencehout gedompeld had. Met een bezwaarlijk onderdrukten glimlach zag hij dan zijn publiek aan, alsof hij de grootste bijzonderheid

ocr page 39

der wereld liet kijken, en shieldquot; de pet sopquot;. De meesten wierpen er iets in, en die het niet deden, werden zeer beleefd naar de reden gevraagd. En zei soms zoo iemand, om van hem af te komen: «ik heb geen centenquot;, dan was Seholtsie de wellevendheid in persoon, en dadelijk bereid er «meneer een tot morgen te leenen quot; En als meneer morgen weer op het Vreeburg kwam, dan kon hij er zeker van zijn dat Scholtsie hem zou herinneren aan den cent, dien hij nog van meneer kreeg.

In de straat, waar Scholtsie woonde, had ook een varkensslachter zijne tabernakelen opgeslagen. Evenals Scholtsie altijd dronken, overtrof hij dezen nog in gemeenheid. Scholtsie, die anders alle menschen liefhad —-en bedroog zooveel als in zijn vermogen was, had aan dezen slager »een intiemen hekelquot;. Niet omdat hij zoo dikwijls dronken was. »Daar wou hij niks van /.egge, 'n borrel kwam een mins toe.quot; Ook niet omdat hij in dronkenschap fdtijd zijn vrouw sloeg. «Och neen, da mos iederen-deen voor zen eige wete. Hij sloeg zijn kenarievogel nooit, maar da dee der niet toe. Hij had'n heeleboel kennisse. wier vrouwen nie soo sterk waren as zijn kenarievogel, die't wel deeje en hard ook, en dat ware toch doodgoeie kerels, daar niks — nie sooveul op te zegge viel.quot; Neen. hij had andere grieven tegen den slager. Eens, op een Zaterdagochtend, was er een oploop voor het huis van dezen, en Scholtsie, die de verstreken uren van den dag had doorgebracht met het transporteeren van nuchtere kalveren, bij welke bezigheid hij steeds blijken gaf van eene merk-

ocr page 40

26

waardige, slechts door langdurige oefening zoo gestaalde »koelbloedigheid'' — Scholtsie kwam daar voorbij, en mengde zich in het gedrang. De slager was weer woest aan den gang. Hij sleep een groot mes op de steenen van den winkelvloer, nam op ruwe wijze een zijner kinderen onder zijn arm, en liep, met het mes zwaaiende, daarmee het trapje van een opkamer op, waar men de vrouw hoorde jammeren: »Och neen, man! Och God! neen, man!quot;

Niets natuurlijker dan dat het volk de politie ging waarschuwen. Maar de slager »zou de pelisie zellet wel roepe as ti ze noodig had. Moch tie geen mes slijpen en moch tie zen kind niet dragen — de pelitie bleef zen deur uit.

»My house ist my castle.quot;

Maar — als hij maar met het puntje van zijn neus «buitenquot; de deur kwam, dan was hij sbinnenquot;. Niemand, die het onwettig heldenfeit — waarvoor de politie evenwel voor ditmaal de oogen zou sluiten — dorst onderstaan, den slager in zijn huis aan te tasten en op de stoep te sleepen, waar hij onmiddellijk een prooi der gerechtsdienaren zou geworden zijn.

Twee boeren ontdekten Scholtsie, die met dezelfde koelbloedigheid, waarvan hij bij het vervoer van nuchtere kalven blijk gaf, de huiselijke scène stond gade te slaan. »Allo, Scholtsie! durf jij 't niet? Komaan, van ons ieder drie borrels!quot; — Tweemaal drie is zes! Zes borrels!! Leid ons niet in verzoeking! 't Was te veel voor Scholt-

ocr page 41

sie's wankelbaar gemoed. Hij zal het »bewerkstelligen.quot; Hij vliegt het trapje in den winkel op, en grijpt den woesten slager aan. Maar geen seconde later ligt Scholtsie met bloedend achterhoofd op de straatsteenen, terwijl hem duizenden sterretjes voor de oogen dansen. Een lap van des slagers witte jas klemt hij in zijne rechterhand, maar daarentegen zijn de beide mouwen van zijn boezeroen in het bezit van den vijand gebleven. Na eenige oogen-blikken in den half bewusteloozen toestand, waarin men gewoonlijk na dergelijken schok verkeert, kalm naar de blauwe lucht te hebben liggen kijken, schoot hem plotseling de gedachte aan de beloofde zes borrels door het hoofd, en fluks stond hij overeind, maar — de boeren waren verdwenen.

En dit was de reden van haat tegen den slager, dat deze de oorzaak was, dat hij zoo gemeen, »zoo honds-gemeenquot; bedrogen was, door twee »lompequot; boeren. En nog zou hij hem dit vergeven hebben, als de slager maar seen rejale kerelquot; was geweest. Hij wist het toch dat Scholtsie zes borrels door hem te kort was gekomen. Hij had hem er zelfs nog om uitgelachen, toen hij met een pleister op zijn hoofd, die onder zijn pet uitkwam, voorbijging. En had hij nu maar ééns in zijn leven gezegd: sZie dèr, Scholtsie! één zij je der toch van hebbe!' Maar jawel, blaze, hoor! Nog niet zóóveul as ter hier op men hand leit. Geen drop. En daarom; ik wou datte kerel stikte!quot;*quot;

Zijn wensch is niet vervuld. De slager drinkt nog steeds door, terwijl hij zelf reeds lang begraven is. En zijn

v Aco/vc

ocr page 42

28

vijand bekreunde er zich zelfs niet om, toen men hem kwam vertellen dat Scholtsie's laatste woorden bij het naderen van zijn einde waren geweest; »ik wou dat hij 't was in plaats van ikke!quot;

Integendeel! »hij ging er derek nog een op Scholtsie s «gezondheidquot; nemen!quot;

Maart IS80.

ocr page 43

De Zaterdag'sche Veemarkt.

Wie den Zaterdag ten volle genieten wil. . . . die moet — zou men snedig in de rede kunnen vallen — te middernacht beginnen. En de interruptie zou niet alleen snedig, maar ook bijna juist zijn. Want waarlijk, indien men al hetgeen den Zaterdag te Utrecht merkwaardig maakt wil zien en opmerken-, dan moet men zeer vroeg opstaan, al is het juist niet noodig er de nachtrust geheel voor op te offeren. Wat vóór 4 uur in den ochtend valt waar te nemen, zijn eigenlijk meer de naweeën nog van den Vrijdag. En ofschoon ook deze dikwijls belangwekkend genoeg zijn — van welken dag der driehonderd vijf-en-zestig dagen van een jaar zijn zij het niet? — wij zijn thans aan den Zaterdag, en deze vangt hier des ochtends ten 4 uur aan.

Men beginne bij het begin — in het onderhavige geval het Vreeburg. Als men eenige oogenblikken vóór »vierenquot; midden op het plein gaat staan — dan is het honderd tegen één, dat men er moederziel alleen staat.

ocr page 44

30

Wellicht ziet men in een der talrijke koffiehuizen juist nog de laatste gaspit uitdooven, en gaat waggelend of lachend en tierend een troepje »uit blij versquot; langs de trottoirs huiswaarts; maar anders ziet men niets in de duisternis — niets als hoog in de lucht dat slechts even dooide maan beschenen spookachtige huis tusschen boomen en struiken als in een hangenden tuin, daarboven op het oude bastion van het kasteel Vredenburg — het Spanjaardsoord. Voor weinige jaren nam de gemeenteraad het besluit dit monument van middeneeuwsche bouwkunst te doen sloepen — het staat vrij wel in den weg — maar een storm stak op in den lande onder de mannen van het vak, onder de des- en oudheidkundigen. Dat ware vandalisme in den superlatief! En daaraan zou Utrecht zich schuldig maken, de stad met een gebouw voor «kunsten en wetenschappenquot;? — Het monument van middeneeuwsche bouwkunst werd niet gesloopt, en het staat er nog als een monumentaal bewijs hoe een monument in den weg en tegen den zin van een gemeenteraad kan staan 1). Ter zijde van dit Spanjaardsoord — dat sinds een paar jaren des zomers niet meer als Beiersch bier »salonquot; wordt gebruikt — wat maar goed is óók, want de ijskelder-atmosfeer, die er heerschte, was alleszins geschikt om iemand, die op een warmen Julidag bezweet daar binnen trad, eene verkoudheid op en in den hals te halen — ter zijde van dit Spanjaardsoord, doch

1

Nu is het voor een paar jaren gesloopt.

ocr page 45

31

meer in noordelijke richting op het plein vooruitspringend, en met het front naar het oosten staat een huisje, dat in het duister niet zoo in het oog valt als dat boven op het bastion. Maar het staat er toch, en al behoeft men de daaraan verbonden herinneringen niet in de middeneeuwen na te sporen, zooals van het Spanjaardsgat — het is een zeer belangwekkend huis, juist omdat er nog velen zijn, die van de treurige geschiedenis dezer kleine woning getuigen waren. Vóór dat huis weerklonk in vroeger jaren het gejammer der rampzalige vrouwen, die daar gegeeseld werden; van de ellendigen op wier tot bloedens toe geslagen ruggen het gloeiende ijzer van den beul sissend het nooit meer uit te wisschen schandmerk drukte. Op de binnenplaats van dat huis werd het schavot bewaard, en daar vóór had de terechtstelling plaats, terwijl voor de bovenramen de heeren »van den gerechtequot; zaten toe te zien, dat de opgelegde straf naar eisch en billijkheid werd uitgevoerd.

Zoo zijn er nog meer plaatsen en gebouwen op en nabij het Vreeburg, die, zelfs in het halfduister misschien, de aandacht zouden trekken. Maar onze aandacht wordt afgeleid.

't Is reeds lang vier uur. En hoor! daar in de verte klinkt een geloei, alsof honderden runderen tegelijk den benauwden stal verlieten en in het welige gras badend, op hunne wijze den dageraad begroetten. Maar het gras staat nog niet welig in Maart, en de dageraad is nog verre. Het wordt luider, dat geloei; van alle zijden nadert

ocr page 46

82

het. Van het Zuiden, van het Noorden, van het Oosten, van het Westen! Nu wordt het ook nog met andere geluiden vermengd; eerst de menschelijke stem. En wanneer men haar hoort, dan verwondert men zich, dat men haar al niet vroeger gehoord heeft — lang vóórdat het gebulk der runderen het oor bereikte. Want nu men haar eenmaal hoort, nu overschreeuwt zij alles. Het geluid van tien met bovenrunderlijke stemmen begaafde koebeesten zou niet in staat zijn dat van éénen koedrijver te overstemmen. En daartusschen door klinkt onophoudelijk een geluid — dat steeds de menschelijke stem voorafgaat of volgt — alsof een kuiper bezig ware zijne vaten in elkander te hameren. Het zijn de slagen van de dikke knuppels, die zonder ophouden op de koppen en alle mogelijke andere lichaamsdeelen der beesten regenen, en waarmede de drijvers aan hunne geschreeuwde vermaningen kracht bijzetten.

Daar naderen zij van allen kant. Halt! tot hiertoe en niet verder! Halt! gij boeren en veekoopers! Zoudt gij met uwe loeiende beesten en met uw geschreeuw en met uwe stokslagen den onschuldigen slaap, dien de onschuldige bewoners van het Vreeburg slapen en dien zij zoozeer noodig hebben, willen storen, alleen om maar een goede plaats te bekomen aan de »lijntquot; (hier een reeks van dikke ijzeren kettingen)? — Misgerekend! niet vóór vijf uur in den zome? en zes uur in den winter komt gij op het marktplein. En verdringt nu elkander vóór de Catharijnebrug en aan den ingang van de Catharijnestraat en van de Korte en Lange Vie-

ocr page 47

33

stegen en van alle straten en stegen, die tot het plein toegang geven, en schreeuwt en slaat en bulkt, zooveel ge wilt; brengt al die straten en stegen in opschudding, maakt daar alles wakker: menschen en kinderen, honden en katten — maar eerbied voor de rust der bewoners van het Vreeburg! Die zult gij niet storen vóór het daartoe vastgestelde uur.

Maar is dat uur dan ook aangebroken; vaarwel dan zoete rust! Als er dan nog één levend wezen in de huizen van geheel dat uitgestrekte plein is, dat nog slapen kan — wel, dat schepsel zou in staat zijn dooi1 een dynarniet-ontploffing in zijn slaapkamer «heenquot; te slapen. Het rumoer is onbeschrijfelijk! Het schreeuwen van daareven was fluisteren; het dringen van daar straks was geen gedrang; het slaan dat men toen deed was streel en — bij het schreeuwen dat men nu hoort, bij het dringen dat men nu ziet, bij het slaan dat er nu gedaan wordt. Maar weldra zijn alle beesten aan den ketting gebonden: en die nu nog successievelijk aankomen, hebben slechts te kiezen tusschen de plaatsen, die nog open zijn. En nu begint het »loven en bieden.quot; Nu slaan de menschen elkander — niet met knuppels, maar met de vlakke hand en op de vlakke hand. En de koe wordt nog eens over de ruggegraat gestreken en boven den staart en in de schinkels geknepen en onder den buik getast; de koopman gaat een pas achteruit om een laatsten schaftenden blik over het dier te laten gaan — nog eenige handslagen gegeven en ontvangen — en de koop is geklonken.

v. Hennes. 3

ocr page 48

34

De schaar komt te voorschijn, en een plekje haar woi-dt op den staart, of op de linker- of rechterbil, hooger of lager, meer naar voren of naar achteren — ieder koopman heeft zijn eigen teeken — weggeknipt, en: »Brenk em maor nao de B'ronquot; zegt de Belg, wat voor den ver-kooper genoeg is om te begrijpen dat hij de koe naaiden stal der maatschappij tot exploitatie van veestallen kan brengen, die onder direktie van den heer baron Van Har-denbroek staat, en op den Leidschen weg aan deze zijde der kazerne op Damlust gelegen is. Zoo is in weinig tijds al wat op de markt naar de gading der groote Vlaamsche veehandelaars was »nao de B'ronquot; gebracht; en nu spoeden zij zich naar buiten de stad, om de nog met hun vee aankomende boeren, die niet zoo'n haast hadden, nog vóór zij op de markt zijn reeds hunne beesten af te koopen.

Inmiddels is er ook in ander opzicht meer leven op het plein gekomen. De koffiehuizen zijn reeds geopend, en zijn nu in waarheid »kofflequot; huizen. Groote kruiwagens met zuur en eieren hebben hunne vaste standplaatsen ingenomen; stalletjes met halsters, gebitten, touw-en lederwerk en wat verder een boer of een veehandelaar kan noodig hebben, zijn verrezen, en menschen, die zich onledig houden de koeien op de markt suit te melken' (»vroeger ware ze blij as je 't voor niemedal dee, toe moeste ze der 'n kwêrtje voor hebbe en nou kij je zoo'n boer dei' al twalef stuivers voor neerlegge-n-of je bief teraf,quot;) die menschen ziet men overal tusschen en onder de koeien zitten en in die bezigheid verdiept.quot;

ocr page 49

35

Later op den morgen komt de man met slijpsteenen »voor één kwartje,quot; waarmee hij een expresselijk voor deze gelegenheid meegebrachte oude verroeste zeis, die hij eerst nog eens met den tot snijden bestemden kant over een grove vijl haalt, in een oogwenk zóó scherp maakt, dat hij, tot verbazing van heeren, boeren en burgerlui, een stukje papier op zijn kant er mee doorsnijdt.

Dit alles wordt afgewisseld door het geschreeuw dei-zwijnen, die van of naar de naburige varkensmarkt van tijd tot tijd langs het Vreeburg vervoerd worden. Dan ziet men de vette varkens, die hijgend en zacht knorrend en op de straat snuffelend, met langzamen tred, voor hunne geleiders uitstappen; en de magere varkens, die schreeuwen als »een mager varken,quot; en een ingekanker-den hekel hebben om over eene brug te gaan, wat bij de Catharijnebrug dikwijls tot de vermakelijkste tooneelen aanleiding geeft. Dan ziet men ook de kleine, heldere biggetjes bij dozijnen in platte manden gepakt, of als ze al wat grooter zijn met een touw om »het middelquot; gebonden een grooten kerel voorttrekken, als een hond die zijn blinden meester geleidt (maar niet zoo zachtmoedig). Of zoo'n jeugdig zwijn hangt om den hals van een boer, die de voor- en achterpooten met zijne beide handen vóór op zijn borst vasthoudt. Maar alle schreeuwen zij, de kleine lieve dieren, alsof zij «gekeeldquot; werden, zooals men van varkenskinderen ook niet anders kan verwachten. De vieze beer, met zijn kwaadaardige slagtanden, met een dik touw om een achterpoot, die hem bij de minste nijdige

3*

ocr page 50

36

beweging onder het lijf wordt uitgetrokken, sluit de varkensfamilie.

Nu is het ook drukker geworden in de koffiehuizen, en de koffie heeft plaats gemaakt voor den «bitteren jenever.quot; Overal waar men komt ziet men boeren en veehandelaars te zamen aan een tafeltje zitten. Dan wordt er afgerekend: de boer «geeft er tweequot; op den koop, en de dikke portefeuille met bankpapier van den handelaar wordt successievelijk dunner. De straatjongens staan voor de glazen naar binnen te turen, en zien met begeerigen blik al dat geld op de tafeltjes liggen — saw we 't missen viere maar hadde, dan ware me nog goettaf,quot; — ofschoon zij toch ook hunne aandacht niet geheel onthouden aan de stoep, waarop met zulke dagen menig »eindjequot; sigaar neergeworpen wordt, dat de moeite van oprapen nog wel waardig is.

Tegen 2 uur raakt de veemarkt »op zijn end.quot; De gelagkamers worden spoedig aangeveegd, de ramen en deuren opengezet om de stallucht te verdrijven (want waar men meê omgaat daar wordt men mee besmet), nieuw zand wordt gestrooid, en de café's zijn weer tot de ontvangst van de gewone dagelijksche bezoekers gereed. Dezen laten zich niet wachten: Evenmin de mannen van den stads-reinigingsdienst, die, met groote bezems en kleine wagentjes gewapend, met ijver aan het werk gaan om de laatste »verschijnselen,quot; waaruit blijkt dat het veemarkt geweest is, en nog den volgenden dag door een scherpe muskuslucht daaraan herinneren, van de straten te doen verdwijnen.

ocr page 51

37

quot;Weer slaat het 4 uur, en na een half etmaal op de veemarkt te hebben doorgebracht, past een welverdiende rust en een welkome verkwikking. In het Haagsche Koffiehuis vindt men beide. Daar treedt ook op dat uur een loopjongen van het Utrecht soh Dagblad binnen met het sdagelijksch weerbericht,quot; en men kan ten slotte nog kosteloos profiteeren van de aardigheid, die de kellner debiteert, als hij dat bericht u aanbiedt, met de vraag: sweet meneer al waar de wind vandaan komt?quot;

April 1880.

ocr page 52

Spoor w e g a 1111) t e n a r e n.

Neem schreeuwenden honger en razenden dorst. Voeg daar met groote tusschenpoozen, één voor één, zoo lang guldens bij tot het schreeuwen ophoudt. Daarna — stil laten razen! Bedek dan het mengsel met twee dikke lagen «instructiesquot;. Houd het vijf minuten boven den wasem van een locomotief, en laat het in een vorm stollen. Trek het dan een jas aan; steek het onder den eenen arm een tweepersoons-goeden wil en onder den anderen een driepersoons-ijver. Geef het een levensgezellin wier vruchtbaarheid »geene grenzen kentquot;, en — gij hebt een spoorwegambtenaar.

Wie naar bovenstaand recept gereed gemaakte, sslecht-geproportioneerdequot; schepselen bij geheele kudden wil zien, moet in Utrecht wezen — in Utrecht, de »stad bij uitnemendheidquot; van spoowegambtenaren, en tevens de stad van «spoorwegambtenaren bij uitnemendheid.quot; Hier vindt men spoorwegambtenaren in alle soorten. Van den veteraan

ocr page 53

39

met 38 dienstjaren, tot den volontair in zijn »proefquot;-maanden. Mannen met '20 gulden en mannen met één gulden daags traktement. Knappe en domme, ijverige en luie spoorwegambtenaren — met al de tusschen deze uitersten liggende «nuancesquot; —.zijn hier in overvloed vertegenwoordigd. En onder die allen is de «ijverigequot; spoorwegambtenaar de man, die 't meest in 't oog valt. Dienstijver staat op zijn gelaat te lezen; dienstpapieren puilen uit al zijn zakken; een groote dienstportefeuille draagt hij onder den arm, als hij met heel kleine, haastige dienstpassen naar zijn huis stapt; diensttijd kent hij niet — al zijn tijd is diensttijd; eten en drinken doet hij alleen om nieuwe krachten te vergaren voor den dienst; slapen alleen om uit te rusten van den dienst; spreken — nooit over iets anders dan over den dienst. En als hij werkt! Vreeselijk! Het aan te zien alleen doet iemand het zweet uitbreken. Met de rechterhand schrijft hij een brief naai1 een Duitschen spoorweg, met de linker zoekt hij tegelijkertijd de stukken bijeen, die noodig zijn om er straks een te schrijven naar een Belgischen. Het rechteroog rust op zijn werk — het linker is bestendig vol eerbied op zijn chef gericht, en verraadt de spanning, waarmede hij een blijk van goedkeuring op 's mans gelaat tracht te ontdekken.

Hoe ongunstig steekt bij dien sijverigenquot; ambtenaar, zijn minder vlijtige collega af. Met een wordt-het-dan-nooit-vier-uur-gezicht zit deze te werken, en werpt van tijd tot tijd een ontevreden blik op den vóór hem han-

ocr page 54

40

gen den kalender, om te berekenen hoeveel dagen het nog duurt voor het weer «traktementquot; is.

Met een medelijdend oog slaat hij den ijver van zijn collega gade. Hij herinnert zich den tijd. toen hij óók zoo was, bijna twintig jaar geleden. Hij gevoelt zelf dat hij in dien tijd veel »minderquot; geworden is. Kon het ook anders?! Twintig jaren datzelfde werk! Alle goede geestesgaven, die hij in zijn jeugd bezat —zij zijn verstikt onder die eentonige, geestdoodende, nimmer afwisselende bezigheid. Hij is een knap ambtenaar. Zeker! zijn werk verstaat hij op een »prikje'quot;; daar droomt hij van, dat is de toespijs bij zijn middagmaal. Maar over een anderen tak van dienst kan hij alleen oppervlakkig meespreken. Zich daarin practisch te oefenen, daartoe had hij geen gelegenheid. Men heeft hem laten uitdrogen; hij is een specialiteit geworden! — Een spoorweg is een groote specialiteiten-fokkerij! —

De hoop op een betere positie heeft hij al lang laten varen. Zijn eerzucht is verdoofd. Men heeft hem leeren begrijpen, dat «bescheidenheidquot; in het wenschen een dei' schoonste deugden van den mensch in het algemeen en van den spoorwegambtenaar in het bijzonder is. Eéns was een laatste vonkje van hoop nog weer eens bij hem opgeflikkerd. Er kwam een «baantjequot; open, dat was als voor hem »gekniptquot;. Maar toen kwam het »neefquot;potisme,

en.....men troostte hem met de «bemerkingquot; dat

het «hemd nader is dan de rokquot;. Bij een spoorweg geschiedt niets zonder «bemerkingquot;.

ocr page 55

41

Hij wou nog liever dat zijn «jongens de pokken kregenquot;, dan dat zij »aan 't spoorquot; gingen. Dit is evenwel een verschijnsel, hetwelk men niet alleen bij hen, die het beroep van spoorwegambtenaar uitoefenen, kan waarnemen. Iedereen — hij moge arts of groefbidder, stukadoor, schoorsteenveger, bakker, slager, kruidenier of levensmiddelen vervalscher zijn — als zijn arbeid hem geen batig saldo oplevert, als hij altijd maar «dezelfdequot; blijft, of erger nog, als hij achteruit gaat, denkt evenzoo.

Maar wat het beroep van spoorwegambtenaar met geen enkel ander beroep gemeen heeft, is dat niemand van hen, die het drijven, niet primitief een a n d eren werkkring had of althans daarvoor was opgeleid. Nog nooit, zoolang er spoorwegen over den aardbol loopen, is er iemand voor spoorwegambtenaar »in de wieg gelegdquot;. En geene professie bestaat er op geheel deze ondankbare wereld (zelfs die van dominee of pastoor niet uitgezonderd), welke niet om de spoorwegen verlaten werd. Geen geschikter menschen om onbewoonde gewesten te koloni-seeren, dan spoorwegambtenaren. Dertien, die men er heen zendt, vertegenwoordigen zeker twaalf ambachten, mits men er bij zijne keuze voor zorg drage de personen niet enkel uit de «krijgsheldenquot; te nemen. Dezen zijn bij de spoorwegen in zulk een aantal, dat de Utrechtsche linie er voldoende mee kan bezet worden. Oud-militairen van alle rangen en van alle wapens. Gepensioneerden en niet-gepensioneerden. Dapperen , die den tiendaagschen veldtocht «bepaaldquot; vrijwillig zouden meegemaakt hebben.

ocr page 56

42

■als zij toen maar geleefd hadden — en lafhartigen, die liever »bij de brandspuitquot; zouden gaan, dan hun vroegeren rang innemen bij de schutterij. Oud-soldaten, bij wie het orgaan der vaderlandsliefde zoo sterk ontwikkeld is, dat zij geen kind op eene trom kunnen hooren slaan, of zij grijpen moedig naar hun knipmes en snijden wreed-aardiglijk.....een punt aan hun potlood — en gedropen tweede luitenants, die wel twaalf tamboers, onder het kommando van een grooten stok met zilveren knop en punt, en aan het hoofd van een geheel regiment, zonder de minste aandoening voorbij de ramen van het bureau kunnen zien trekken, en dan zelfs nog binnensmonds prevelen, dat het »in dienst nog beroerder boelquot; is!

Maar hoe verschillend ook de elementen mogen zijn waaruit het personeel hij de spoorwegen is samengesteld, nog oneindig grooter is de verscheidenheid van meeningen en beginselen, die onder dat personeel heerschen. Drie personen bijeen te brengen, die het over eenig onderwerp — welk dan ook — eens zijn, is »gladquot; onmogelijk; twee is een groote zeldzaamheid — ja, men treft zelfs zeer dikwijls spoorwegambtenaren aan, die het met zich-zelven nooit eens zijn. Deze laatsten zijn oorzaak dat het spreekwoord: 99 spoorwegambtenaren 100 beginselen, in de wereld — of liever in de stad, want het is buiten Utrecht nog niet veel bekend — gekomen is.

Bijna iedereen, die een betrekking bij het grootste vervoermiddel onzer eeuw «deelachtigquot; is geworden, acht zich geroepen beginselen er op na te houden en — wat

ocr page 57

A3

erger is — die bij elke gunstige gelegenheid te verkondigen Geen vervelender mensch dan zoo'n beginselen-verkondigende spoorwegambtenaar! Nauwelijks heeft een surnumerair of volontair zijne aanstelling als ambtenaar, of de tot dusver sluimerende beginselen ontwaken. Eerst probeert hij het met beginselen op spoorweggebied, maar die worden door zijn collega's, die een jaar langer ^dienstquot; hebben, met zoo'n onbescheiden en verpletterende minachting ontvangen, dat hij voortaan alleen zijn papa er van laat profiteeren. Ofschoon deze er »geen steekquot; van begrijpt, hij luistert geduldig naar zijn zoon, dien knappen jongen, wiens talenten hij gisteren nog voor een vriend blootlegde niet de woorden; »Nou ! wist je dat niet ? Neen man, asjeblieft, Fransch, Duitsch, Engelsch, behalve zijn Hollandsch natuurlijk, meetkunde, algebra en mathesis en wiskunde en .... nog een heeleboel meer! Nou man , psst! hooi'!quot; 't Is jammer dat deze loftuitingen zoo luid gesproken werden, dat onze directeur-generaal in spe ze hooien kon. Het geeft hem den moed om — hoewel hij dan zijn premières moet opgeven — zich op een ander terrein beginselen aan te schaffen. Staatkunde of godsdienst! Ah bah! godsdienst; niet de moeite wérd om van te spreken! Niet practisch! Obligeer meneer nu eerst eens door hem te vertellen, wat practisch nut la religion voor hem heeft. Tout simplement: welk practisch nut! Wat voor geld brengt liet hem in den zak? Kunt ge dat niet, embèteer meneer dan s'il vous plait — wat ik u bidden mag — niet langer met.... met . . ..

ocr page 58

u

met uw religion. Maar de politiek. Oh, la politique! Ontzettend! Daar kan meneer over meêprèten. — Dan geraakt hij in geestdrift en vergeet zijn Fransch. — Ze moesten al die kérels wegjêgen! En als die eerst weg zijn — dan die andere kérels, de ministers, ook! En die kérels van de Eerste en Tweede Kêniers — die doen toch niks als kletsen — ook wegjêgen. Stênd leger. — Ontzettend! wegjêgen! Vestingen — afbreken! Allemaal ontzettende gekheid! Als de moffen komen, hebben ze ons toch in den tijd van 24 uren »ingepiktquot;. De Hooge Rêd — wegjêgen! Kleppers — ook wegjêgen, zelfs van 't kleinste durpje van ons vêdeiland. Geloof mij, meneer!quot; — zegt hij tegen een ISjarigen collega, die hem met volkomen instemming aanhoort — «geloof mij. als wij niet een totêle opruiming houden, dan komt er uit dien ontzettenden chaos van willekeur en ongerechtigheid nooit iets goeds tot stand. En mij dunkt — wij hebben nu al lang genoeg verdrêgen en geduld en geleden en gesouffreerd! «Meer dan ooitquot; is thans het oogenblik aangebroken, waarop wij ons moeten schêren — wat zeg ik! — waarop wij ons moeten vereenigen, onder de banier, die wij hoog boven onze hoofden zullen lêten wapperen, en waarop in bloedige, gothische letteren geschreven stêt ons aller leuze, de leuze waarvoor wij goed en bloed zullen veil hebben: «Geen blanke slêven meer!quot;

»Laat je dan potlooje, aap van een vent!quot; roept een »dagschrijverquot;, die op een afstand aan zijn lessenaar zit en een vrouw, een gulden daags en vier kinderen heeft,

ocr page 59

45

welke laatste drie »omstandighedenquot; oorzaak zijn, dat de boterham, waarvan hij juist een groot stuk in den mond heeft, niet zoo dik is als hij wel wenschen zou. De »aap van een ventquot; is niet gewoon op zulke sinsinuêtiesquot; te antwoorden, en verlaat het bureau om te gaan sdejeu-neerenquot; in gezelschap van zijne vrienden, allen leden dei-door hem gestichte »Intelligentenclubquot;. De leden dezer club verbinden zich tot het dragen van het hoofdhaar a la képi-kapoen, alsmede tot het dragen van een lorgnet, tenzij door een geneeskundig attest bewezen wordt, dat dit voor de oogen nadeelig zou zijn. Verder nemen zij op zich alleen «notitiequot; te nemen van de slntelligentenquot; onder de collega's. De anderen bestaan voor hen niet; slechts bij wijze van uitzondering is in dien zin eene afdaling tot de hoogere rangen toegelaten.

Wanneer zij, die zich zeiven en hunne goederen met den spoorweg laten vervoeren eens een enkele maal de moeite namen er over na te denken, welke aanhoudende aandacht, welk een geduld, welk een onverstoorbare kalmte van een spoorwegambtenaar gevorderd worden — wat zou de rubriek «ingezonden stukkenquot; een gevoeligen slag krijgen. Komt toch eens gij pruttelaars, gij inzenders en klachtenboekvullers! Komt allen, gij zeurkousen en verwijlt eens een etmaal op een druk station van een spoorweg — in Utrecht bij voorbeeld. Komt maar eens in een kouden winternacht, kleed u goed warm en houdt de hand voor den mond, want er waait een scherpe

ocr page 60

46

noordenwind. Van de sneeuw hebt ge geen last; gij staat onder de kap. Maar daar buiten loopen ze er tot de enkels toe door. Hoort ge dat schelle fluiten van de locomotief en dat ratelende gepiep der mondlluitjes? Daar is men bezig de zwaar beladen wagens tot treinen samen te koppelen, die straks in vijf richtingen ons land zullen doorkruisen om u hun rijken inhoud aan te brengen, of dien voor u weg te voeren tot ver over de grenzen. Zie, als groote lijkstaatsies rijden zij voorbij — de wagens; hoog opgestapeld, met zwarte kleeden bedekt, waarop zelfs in het duister de naam van Prins en Zwanenburg in witte letters te lezen is, alsof die Groningsche verhuurders van dekkleeden lijkbezorgers waren. En zuchtend en steunend en gillend trekt de locomotief ze voort of stoot ze met geweld tegen andere wagens aan, die elkander dien stoot weder mededeelen, zoodat men een snel opvolgend gestamp hoort, dat wel veel luider, maar overigens niet ongelijk is aan het geluid dat de schutterij voortbrengt, wanneer zij gehoorzaamt aan het kommando: zet af 't geweer!

Maar boven dat alles uit hoort men de zware stem van een man (dien men binnen kort reeds 25 jaren zal gehoord hebben en ))die eigenlijk Bart hiet, maar zellef nie weet waarom ze-n-ern allemaal Tienus noemenquot;quot;! die den machinist toeroept welken kant hij op moet.

»Een stootjie op ten doojequot; doet één wagen op het doode spoor loopen.

«Naar de zevende!quot; met een verschrikkelijken nadruk

ocr page 61

47

uitgeroepen, brengt den trein op het zevende spoor, en snaai1 de schijf' is het teeken om een wagen naar een draaischijf te brengen. Ontelbare dergelijke signalen hoort men, en alles gaat gepaard met een gefluit en een gegil en een gedraaf om »de wissels om te gooienquot; dat men «zijn hart vasthoudtquot;. Van deze spoorwegambtenaren geldt het woord; »zij liggen met het hoofd op een rail en met de beenen in de celquot;.

Even weinig benijdenswaardig als het lot dezer onderste lagen eener spoorwegmaatschappij, is dat van hem, die over hen het onmiddellijk bevel voert — den stationchef. Plaats u eens naast dien man bij een zeer drukken trein, bijv. op den Zaterdag voor Pinkster. Daar nadert een oude heer, met een vriendelijken glimlach op het gelaat en met een zeker iets in zijne trekken, hetwelk verraadt, dat hij ieder oogenblik van den dag en tegen ieder, die naai1 hem luisteren wil, bereid en geneigd is zijne geheele levensgeschiedenis en die zijner kinderen en kleinkinderen te gaan vertellen. »0 God!quot; zucht de stationchef, die door langdurige ervaring dat zeker iets al op een grooten afstand waarneemt. »Meneer de chef,quot; zoo groet de minzame oude heer. «Meneer 1quot; antwoordt de stationchef. »Ik kom van Groningen, ziet u meneer de chef!quot; Meneer de chef doet zijn best om op zijn gelaat een uitdrukking te voorschijn te roepen, die gelijk staat aan de woorden: «dat doet mij pleizier!quot; Maar hij kan het niet verder brengen dan tot: sdat kan mij niet schelen ?quot; Inmiddels worden zij gedrongen en gestooten en wel twintigmaal

ocr page 62

48

hebben voorbijgangers den stationchef gevraagd: »de trein naar Amsterdam, meneer?quot; — ))Is deze voor Rotterdam?quot; — «Arnhem, meneer! waar staati?quot; — »Is de Staatsspoor al weg, meneer?quot; — Deze laatste vraag vooral wordt verscheidene malen beantwoordt met: «Haast u, hij zal zoo vertrekken!quot; Al dat antwoorden heeft niet belet, dat de oude heer telkens weer begon te verhalen: »Ja, ik kom van Groningen, zietu!quot; Eindelijk vertrekken een paar treinen, waaronder ook die van den Staatsspoorweg, en er komt een weinig »luchtquot;. Nu gelukt het ook den ouden heer zijn verhaal voort te zetten. Stille berusting is op liet gelaat van den stationchef te lezen , als hij het aanhoort dat de man elk jaar met Pinksteren gewoon is zijn oudste dochter te gaan bezoeken, die getrouwd is, — «heel goed getrouwd meneer!quot; — en al een paar allerliefste kinderen heeft — »een jongentje en een meisje, meneer! rijkelui's wensch!quot; — die natuurlijk altijd naar grootvader verlangen. — «Meneer heeft zelf zeker ook wel kinderen en misschien nog wel een vader ook. (Ja, allebei). Nou dan weet meneer er alles van, dan behoef ik er meneer niets van te vertellen.quot; — Enfin dan, zoo is verder de korte inhoud van het lange verhaal; verleden jaar is hij ook naar zijn dochter geweest, en toen heeft hij het erg ongelukkig getroffen. Want toen hij Dinsdag weer in Utrecht terug kwam was de laatste trein van den Centraal al weg — «meneer de chef zal het zich nog wel herinneren; hè, herinnert meneer het zich niet meer?quot; — zoodat hij 's avonds niet meer thuis kon komen.

ocr page 63

49

En nu was zijn vriendelijk verzoek of meneer de chef aanstaanden Dinsdag — dan kwam hij ook weer terug — den Centraaltrein niet zou laten vertrekken, voordat de Staatsspoorweg »aanquot; was, al kwam deze dan ook wat laat. «Moest u met de Staatsspoorweg mede?quot; sJa, naar den Bosch!quot; -oEn u laat daar den laatsten trein voor uw neus weg vertrekken ! Nu zult u moeten wachten tot morgen !quot; »Wat blief je?quot;

Ja, wat blief je! Als de oude heer geen syllabe meer gesproken had — wat hij niet deed — dan nog zou de wijze, waarop hij deze drie woordjes uitsprak, voldoende zijn geweest om de teleurstelling en gramschap te begrijpen , die in 's mans borst waren opgewekt. De trein vertrokken zonder hem. en terwijl hij nog wel met den stationchef — verbeeld je met den chef van het station zelven — staat te praten en hem vertelt dat hij uit Groningen komt en op weg is naar ... .zijn oudste dochter, die zoo heel goed getrouwd is en al twee allerliefste kinderen heeft! «Maar mensch! je kon toch wel begrijpen, dat ik naar den Bosch moest!quot;

Zulke wezens ontmoet een stationchef bij eiken trein. Meestal blijft hij er kalm onder, want zeer spoedig is hij óók gewoon aan teleurstellingen — van anderen.

Hoe gelukkig dat onze wijze wetgevers begrepen hebben, dat een spoorwegambtenaar geen 24 uren in ieder etmaal zóó werken kan, en hem daarom bij algemeen reglement voor den dienst op de spoorwegen een zeker aantal uren voor rust gewaarborgd hebben. In die bij de wet ge-

V. llKNXEf. ^

ocr page 64

50

waarborgde vrije uren, die wel niet vele zijn, (slechts 8 van de 24) maar dan toch eiken dag, z e 1 f s op Zondagen, terugkomen, mag de spoorwegambtenaar doen wat hij verkiest; eten, drinken, slapen en zich vermaken. Bevoorrecht wezen!

April 1880.

ocr page 65

Het „Spookhuisquot; in de Voetiussteeg.

In hoevele jaren was er geen zonnestraal in dat huis doorgedrongen! Heden voor het eerst na langen, langen tijd knarsten de vermolmde luiken aan de voorzijde van de woning op hunne verroeste hengsels, en gunden den nieuwsgierigen voorbijganger een blik in het inwendige van dat geheimzinnige gebouw. Slechts twee vensters werden beneden half ontsloten; en men zag nog enkele achtergebleven spinnen — die het daar zeker warm genoeg hadden gehad naar haar zin — snel langs de dunne draden van haar web wegvluchten om zich hier of daar in een hoekje of gaatje te verschuilen. De spinraggen, die zij tusschen de luiken en de ramen gesponnen hadden, werden verscheurd en bleven gedeeltelijk tegen de vensterglazen , gedeeltelijk tegen de luiken kleven. De vensters der bovenverdieping werden alle geopend, en geen enkele ruit was in die ramen nog heel gebleven; maar ook daar hadden de spinnen overal haar web gevlochten. Het

4*

ocr page 66

5'2

venster voor den winkel naast de deur bleef gesloten. Op de luiken daarvan had reeds voor lang een schildersjongen in den vroegen ochtend met gele verf in groote letters het woord Spook geschilderd. Men had niet noodig-alvorens binnen te treden, aan de geestenwereld herinnerd te worden. Nauwelijks was de krakende deur weer achter den bezoeker gesloten, en ontving hij slechts licht in den winkel door de reten der planken waavmede die deur was bespijkerd, of de vunzige stollucht deed hem denken aan spoken, die in vuile, sedert jaren niet gewasschen hemden in de duisternis om hem heen dansten.

Wat een rommel! Eene kaars wordt ontstoken, en men kan een blik in 't rond werpen. De toonbank in den kleinen winkel is ter zijde tegen den wand geschoven. Op den grond staan manden en kisten vol boeken. Links bereikt men met een trapje een opkamertje, waarvan een venster geopend is, 'en waar men dus beter zien kan. Hier schijnt de eene of andere vandaal reeds aan het redderen te zijn geweest. Ook manden vol boeken en papieren en stapels drukwerken op den grond; langs den wand hangen kleine ouderwetsche gravures in zwarte lijstjes; in een lioek staat een oude vierkante schuiftafel; en maar zeer weinig stof bedekt dat alles. Als men het trapje weer afgaat heeft men daartegenover, rechts van den winkel, eene deur, die toegang geeft tot een ruime kamer met ledige boekenkasten langs den wand, en met een grooten hoop scheurpapier op den grond. In eene tob liggen hossen ganzenveders, waarvan men ook geheele dichtgebonden pakken.

ocr page 67

53

zooals zij vroeger van den leverancier ontvangen zijn, in het vertrek verspreid ziet. Eene mand vol linialen, driehoeken , teekenpennen en kleine aardglobes voltooit met pakken postpapier, te zamen gebonden boekwerken en fleschjes half gevuld met inkt.' het ameublement van deze kamer. Door eene deur in den hoek komt men in een smaller vertrek met ouderwetsch behangsel vol bloemen en bladeren, dat van onderen tot aan de lambriseering is afgescheurd. Boven den hoogen houten schoorsteen is een groote bloempot met ruiker afgebeeld. Daartegenover staat een ledige boekenkast, waarnevens een oude smalle wormstekige lessenaar, rustende op twee kastjes, tusschen welke ruimte was voor de beenen van den boekhandelaar, die vóór jaren, ook in de koude, daaraan zat te werken — als ten minste de acht ronde gaten in de plank, waarop zijne voeten rustten, dienen moesten om de warmte der doof kolen tot zijne verkleumde beenen toe te laten. Een ragebol — wat is er weinig dienst van dat instrument gevorderd in dit huis I — een tob, een ladder, een rol oud lood onder den schoorsteen, men kan niets bedenken wat daar niet te vinden is.

In de keuken onder den vierkanten schoorsteen staat een steenen fornuis, waarin zeker wel in geen jaren een vonk gegloord heeft. want al het keukengereedschap dat men er ziet is totaal onbruikbaar. Een koperen ketel, die geheel groen geworden is, emmers met gebarsten bodem, gebroken potten en pannen, bierkruiken waarvan het oor of de hals is afgebroken, een oude waggelende

ocr page 68

54

stoel met hooge vierkante leuning, alles verkeert er in een desolaten toestand. In een hoek ligt nog een hoopje krullen, alsof de vroegere bewoonster zichzelve wilde wijsmaken dat zij haar fornuis nog wel eens aanmaakte; en naast dat fornuis stond op een haast instortend bankje een kleine, bijna vergane vuilnisbak vol asch, die er uitzag alsof zij reeds een eeuw oud was, en die de krankzinnige misschien bewaarde om te kunnen gelooven dat zij zoo pas het vuur had uitgedoofd.

De keuken ziet op den tuin uit, en welk een tuin! Een klein vierkant stuk grond, waar in een hoek een oude, kromme, knoestige boom een armzalig leven voortsleept , in gezelschap • van eenige hooge struiken, die schijnen te snakken naar het zonlicht dat haar, tusschen die hooge muren, in haar geheele leven nog niet gekoesterd heeft. Alles in en om dat huis schijnt zijnen aard — evenals de bewoonster — geweld aangedaan te hebben. De klimop zelfs heeft het tegen den muur niet kunnen uithouden. Hier en daar hangen slechts enkele bladerlooze takken kwijnend naar beneden; maar midden in den tuin, op den weeken grond, daar groeit hij welig en spreidt zich als een tapijt over den bodem uit, alsof het afgesneden takken waren, die daar ordelijk waren nedergelegd. In den tuin staat een turfhok, waarachter een binnenplaatsje, dat door een hoogen muur van den tuin gescheiden is, en waar eenige steenen en dakpannen opgestapeld liggen. In het turfhok liggen een paar bedpeluws en een deken, en door de pannen van het dak hangen

ocr page 69

55

de dunne twijgen omlaag van het onkruid dat daar bovenop groeit.

Door een dwarsgang komt men uit het turfhok weer in het portaal achter den winkel, en daar vindt men de deur van de eenige kamer die de zonderlinge vrouw bewoonde. Twee hooge ramen geven uitzicht in de Voetius-steeg, maar zij zijn van buiten met planken dichtgenageld, die geen enkelen lichtstraal doorlaten. Aan de andere zijde ontvangt de kamer door een smal venster het licht uit den tuin. Voor dat venster, gezeten in dien breeden armstoel met rood trijp, heeft dan die ongelukkige vrouw haar eenzaam leven gesleten. Daar, altijd starende in dien naargeestigen, woesten tuin, die zelfs door de vogelen vermeden werd, daar heeft zij in stille eenzaamheid hare lange dagen doorgebracht, angstvallig elk levend, denkend schepsel vermijdende, en slechts denkende aan de broeders, die haar waren voorgegaan en haar alleen hadden achtergelaten. In een klein vierkant vertrekje achter haar had de laatste broeder den jongsten snik gegeven, in het ledekant dat daar nog staat. Drie matten stoelen en een kleine tafel maken er het meublement van uit. Op de zitting der stoelen ligt de schimmel zoo dik, dat men bijna niet gelooven kan dat het schimmel is. Trouwens schimmel heeft zich in dat huis op alles gezet. Het is er schrikkelijk vochtig.

Keeren wij naar de kamer der vrouw terug. In een hoek staat hare legerstede, een bruinhouten ledikant zonder gordijnen, waarvan de rug (aan het hoofdeinde)

ocr page 70

56

naar binnen schuin afloopt, terwijl het benedeneinde geheel open is.

Het bed hangt half over den rand van de zijplank, en de dekens en kussens en peluw liggen op twee stoelen, alsof het bed eerst zooeven was «afgehaaldquot;. Een half rond tafeltje met marmeren plaat en twee geribde naar beide zijden opschuivende deurtjes staat er nevens. Op dit tafeltje staan behalve een muizenval, twee presenteer-trommetjes: een rond en een vierkant; het ronde nog gevuld met vierkante, en het vierkante met ronde beschuiten. Een grootere tafel is beladen met aardewerk, dat uit de kasten is te voorschijn gehaald; en daaronder op den vloer staan twee paar groote mansschoenen, met lederen riempjes, die geheel beschimmeld zijn, en een paar laken vrouwenpantoffels.

Vóór den schoorsteen staat een hooge spaarkachel, daarnevens een groote bruine zijden paraplu, waarop nog nooit een drop regen schijnt gevallen te zijn. Langs den wand hangen weer kleine gravures in zwarte lijsten; een kleine spiegel met vergulde lijst, op wier kop — voor zoover in 't halfduister te onderscheiden valt — een knaap met pijl en boog op een leeuw gezeten is. Boven een kastje, waarop nog enkele stukken van een antiek servies staan, hangt in een geelhouten lijst een Tableau historique et chronologique du royaume des Pays-Bas, geflankeerd door twee kleine zwarte gravures. Al die voorwerpen hangen aan gewoon schilderij-koord, maar bij het binnentreden denkt men dat het kabeltouw

ocr page 71

57

is, zoo dik heeft zich daaraan het stof van jaren gehecht.

Langs een krakende, hoekige trap bereikt men de bovenverdieping, die niet minder dan negen groote en kleine kamers telt. Op de zonderlingste wijze verdeeld, kan men bijna geen weg vinden in die hoeken en hokken, die bijna alle gevuld zijn met boeken. Hier zijn deze in kasten, die tot den zolder reiken, zorgvuldig gerangschikt; daar liggen zij in de grootste wanorde op den grond. Groote folianten, in perkamenten banden, liggen tusschen stapels misdruk, en overal kraken onder den voet de glasscherven der gebroken ruiten, die over den grond verspreid ligtren. Op een kastje ligt een Lexicon Graeco L a t i n u m in houten band met koperen hoeken en sluiting. De band is geheel vermolmd, en duizenden ronde gaatjes vindt men niet alleen in den band, maar door al de bladen van het boek heen. Men beweert dat er onder dien voorraad boeken zijn van groote waarde.

De kleinere kamertjes schijnen bijna alle tot slaapvertrekken te hebben gediend. In vele er van vindt men althans nog ledekanten. Uit eene oude kleerkast kwamen, zorgvuldig in doozen weggeborgen, een paar zwart flu-weelen hoeden te voorschijn, van een omvang die voldoende is om een tegenwoordig dameskapsel met den grootst mogelijken chignon te bergen; en aan een knop in een deur hing nog een »wei-onderhoudenquot; mansjas, uit welker kraag alleen een hedendaagsch coupeur wel een geheel costuum zou kunnen maken.

ocr page 72

58

Op een portaaltje boven ziet men het luikje, waaruit de bewoonster een enkele maal het hoofd stak, om met de jongens die hare muren beschreven, of met de meiden die het waagden de matten tegen haar huis uit te slaan, te kijven.

Nog eene trap op, en men is op den grooten ruimen zolder. Ook daar vindt men nog in een afgeschoten vertrekje, zorgvuldig dichtgebonden, maar naar het schijnt bijna vergaan drukwerk. Midden op den zolder staat een oude mangel, die men niet zou durven aanraken, uit vrees dat hij in elkaar stortte. Groote koffers met lederen deksels zijn ook het lot van alles daar in huis niet kunnen ontgaan, en zien er zoo wrak en verhavend uit, alsof zij eene reis om de wereld hadden gemaakt en iederen dag aan een ander vervoermiddel waren overgegeven. Zelfs de droogstokken schijnen niet meer in staat een half dozijn zakdoeken te dragen, en de vloer van den zolder hangt met ijzeren spijlen aan de kap.

Het eenige wat er in het huis in zijn natuurlijken toestand verkeert, dat zijn — de spinnewebben. Die vindt men overal: boven en beneden, in alle hoeken! 't Is of men zich daar op de spinnenteelt heeft toegelegd; en als men ons dan vertelt dat Anna Maria van Schuurman (1) dit huis heeft bewoond, dan zou men haast geneigd zijn

1

Voor weinige jaren werd met eenige plechtigheid en een toespraak van Nicolaas Beets een gedenksteen in den gevel, dit feit vermeldende, geplaatst.

October 18b7.

ocr page 73

59

ook aan het praatje geloof te slaan, dat deze dichteres gaarne spinnekoppen at.

Intusschen, wat daarvan zij, het geheimzinnige, en daarom voor velen zoo merkwaardige gebouw, zal spoedig zijne merkwaardigheid verloren hebben.

De beklagenswaardige vrouw, die het bewoonde, is in het krankzinnigengesticht geplaatst, om haar de vrijwillige onthouding van licht en lucht te beletten. Het huis met zijn inhoud zal publiek worden geveild, en weldra zal die sombere woning met haar altijd gesloten vensters, naar men hoopt, een vroolijker aanblik opleveren.

Niet uit gierigheid en om de belasting te ontduiken (zooals men heeft willen doen gelooven) waren die luiken dichtgespijkerd; maar de smart over het verlies harer broeders en de eenzaamheid hadden de hersenen dei-arme vrouw gekrenkt en haar menschenschuw gemaakt.

October 1880.

ocr page 74

Een avondje op liet bureau van politie.

»De Dom van Utrechtquot; mag zich verheugen in een vrij algemeene bekendheid, en't mag er bijgevoegd worden, zijne reputatie is, zoowel binnen- als buitenslands niet slecht. Niet alleen dat hij hoog is, maar hij heeft »hevallige proportiënquot;, en is rijk. Nu, als men rijk is, is het dikwijls niet moeilijk hoog te zijn, en zelfs zonder bevallige proportiën kan men zich dan de «achting der w-ereldquot; verwerven.

Maar de Dom van Utrecht verdient respect. Vijf eeuwen reeds heeft hij 's levens stormen getart — en wat om hem viel, hij stond pal. Nog even fier als voor vijf honderd jaren heft hij zijn spits naar den hemel, en vertoont aan gansch den wijden omtrek met zijn windwijzer het beeld der menschlievendheid: St. Maarten, zijn mantel met zijn zwaard in tweeën snijdende om een naakten bedelaar de helft te geven. En al ontbreken aan den toren thans vele versierselen, die de beeldhouwer daar in

ocr page 75

61

vroegeren tijd heeft aangebracht — als de avondzon haar gouden gloed over de stad werpt, dan — of men op het veld is of in de straten — dan richt ieder vol bewondering een blik naar dien eerwaarden kolossus, die in de purperen zonnestralen bloost, alsof hij zich verheugt over de vrijheid en welvaart die hij aan zijne voeten ziet — hij, die van zooveel priesterdwang, van zooveel ellende en strijd getuige was. Dan klinken de heldere tonen van het carillon zoo vroolijk door de lucht, en herinneren u dat het in de Mei is, en tusschen zes en zeven uur des avonds, ■wat ge trouwens ook op de wijzerplaat kunt zien. En als de klokkenist eindigt zooals hij begonnen is: met het Meilied, dan wordt ge door dit alles zoo lustig gestemd, dat ge wel gevolg zoudt willen geven aan de uitnoodiging, die de metalen klepels u toeroepen:

Kom, pater, geef je non een zoen,

en de frissche boerendeern die ook het schouwspel staat gade te slaan, eens hartelijk zoudt willen omhelzen.

Edoch! er bestaat nog een Dom van Utrecht, minder hoog, minder oud. minder algemeen bekend en ... . ook minder merkwaardig, maar toch merkwaardig genoeg om er eenige oogenblikken van aandacht aan te wijden.

Het is een groot gebouw, dat van oudsher den naam van De Dom van Utrecht draagt. Het staat op de Ganzenmarkt, achter het stailhuis. op welks achterplaats het een uitgang heeft. Het gebouw op zichzelf heeft niets wat bijzonder de aandacht trekt, maar sinds eenige

ocr page 76

62

jaren is er het hoofdbureau van politie in gevestigd, en als zoodanig levert het zeer veel merkwaardigs op.

't Is Woensdag avond in 't begin van Mei. 's Morgens waren er in deze stad een groot aantal huwelijken gesloten. De burgerlijke stand had het zeer druk gehad, en de dominé had eene heele kerk vol huwelijken te gelijk ingezegend.

't Is Woensdag avond in 't begin van Mei. In het bureau van politie is een ruim vertrek, waarop vier cellen uitkomen. Ofschoon 't nog niet laat is, is een dier cellen reeds bezet; men hoort achter een dier gesloten deuren een zware, maar geregelde ademhaling, 't Is een dronkaard. die daar zijn roes uitslaapt; 'tis een habitué, 'tis Kareltje! Kareltje is een kerel van zes voet, die al een heele slagerij »door zijn keelgat gejaagd heeft.quot; Vroeger gezeten burger, is hij thans zoo laag mogelijk gezonken; voorheen slachtte hij zijn eigen beesten, thans hoedt hij die van anderen. Zijn «gemoedstoestandquot; is altijd dezelfde: van den vroegen morgen tot den laten avond — altijd dronken. Alle schaamtegevoel heeft hij verloren, en toch — zonderlinge tegenstrijdigheid — toch schijnt de herinnering aan zijne vroegere positie, aan de vrij goede opvoeding, die hij gehad heeft, nog een zekeren trots bij hem op te wekken. Als hij op zijn dronken manswandeling, met de onafscheidelijke, geschilde boorntwijg in de hand, fatsoenlijk gekleede lieden tegenkomt, dan laat hij hun wat gaarne hooren, dat hij Fransch geleerd heeft, en met een diepe buiging klinkt zijn groet; »Bonjour, monsieur et madame! J'ai

ocr page 77

6:!

rhonneur devous saluer. Ah! voussemblez étonnés, vouz pensez que je suis Franpais. Mais non! Waarachtig niet! Ik ben Hollander, zoo goed als de beste! Oranje boven, hoor! »Maisquot; j'ai eu une bonne education. Mon père et ma m è re.....quot;

Ma mère! Nu zal hij toch maar doorstappen. De gedachte aan de vrouw, wier tranen zoo dikwijls zijn voorhoofd hebben besproeid, en aan wier borst, als zij den toen nog niet geheel bedorven jongeling biddend in hare armen knelde, hijzelf zoo bitterlijk zijne misstappen heeft beweend — de gedachte aan zijn moeder wekt zelfs in dezen dronkaard voor een oogenblik nog een beter gevoel op. Wie is ook zóó diep bedorven dat, als het lieflijk beeld der moeder voor zijn geest oprijst, er in zijn hart geen plaats meer is voor goede gedachten!

Kaveltje stapt door en in de eerste kroeg langs zijnen weg — en dien heeft hij zeer spoedig bereikt— «neemt hij er nog een.quot; Het is Kareltje's gewoonte trouwens niet vele kroegen voorbij te gaan, en zoo komt het dat hij is habitué van het bureau van politie, en daar ook nu zijn roes ligt uit te slapen.

't Wordt inmiddels later: de wachthebbende inspecteur heeft zijn post betrokken en achter het hek der gérechtig-heid plaats genomen.

Wet en recht te koop of te huur! On vermogenden pro Deo! Wie zal er van gediend wezen! ?

Het duurt niet lang of er komen liefhebbers. Men

ocr page 78

64

hoort ze al in de verte aankomen. Een huwelijk cum annexis! Om de verhitte hoofden wat af te koelen, was men met het geheele gezelschap, wel toegerust met de noodige llesschen jenever, een wandelingetje door Utrecht's straten gaan maken, waarbij men al hossende en zingende den rustigen ingezetenen mededeelde, dat men «van nacht gepierewierewiedquot; en nog volstrekt geen plan had om te scheiden «zoolang als de lepel in de breipot stak,quot; en meer van dergelijke intieme huiselijke aangelegenheden, waarmede anderen eigenlijk minder temaken hebben. Ongelukkigerwijs was, wat voortaan één moest zijn, hossende, drinkende en zingende in tweeën gevallen, en het «jeugdig echtpaarquot; was op dien eersten dag des huwelijks elkaar in het haar gevlogen, en natuurlijk hadden vaders, moeders, getuigen en gasten zich in den strijd gemengd. Dat achtten een paar eerzame klabakken hinderlijk voor de rust en veiligheid der Stichtsche burgers, en rukten daarom de belhamels, in casu de pas gehuwden, in. Het geheele gezelschap vergezelde hengen nauwelijks in de wacht gekomen, ving de moeder van den heer des huizes tegen den inspecteur aan; «Aach, meneer de commissaris! (wat een menschenkennis lag er in 't gebruik van dien titel) aach meneer de commissaris, u mot et nie soo erg opnemen, 't Is een bruilof van me zoon Tienes. ziet u! Die's vandaag getrouwd met Keegie Kors, van de frutvroüw op het Zand, ziet u. — Neen, houwe jullie je nou is stil. Laamij-n-et meneer nou maar is vertelle. — Ziet u, meneer! en nou hadde

ocr page 79

65

me van avond plezierig bij mekaar gezete, zoo as ons soort van minse dat dan doen: voor de messies en de vrouwen een glaasie brandewijn mit suiker en voor de manlui een borreltje bitter. Ja, je lach er om meneer! maar 't ken bij ons zooveul nie lije, da begreppie. Neen, is 't nou waar of niet? Wij kenne geen wijn drinke, wa seg u der nou van? Nou! en nou zatte me zoo plei-zierig bij mekaar en toe zeit er in eens een: we mosten is wa chaan loope. En toen zee ik nog, neen, zee ik, laome dat nou niet doen, want dan krijg ie sewijle nog las mitte pelisie en wat hebbie deran. Maar ze mosten en ze zouwe gaan loope. Nou wa sijje doen. Ik en me man gonge-n-ook mee. We wouwe dan toch ook geen spulbrekers zijn, ook niet. Nou et ging gelukkig allemaal heel goed. Daar is niks geen gemeenigheid gebeurd, we hebbe heel fesoendeiijk loope zinge, vraag u dat maar an de regente. Maar nou zijne me bijna thuis, en daar zeit Tienes niks anders dan dut simpele woord — en werachtig hij zeê et uit gekheid, meneer! want as ter een is die Tienes ken dan bin ik 't en hij zei zoo ies nie seggen as tie et meent. Maar daar vlieg zij me-n-in eens op — ze is altijd zoo driftig, ik heppet ter al zoo dukkels gezeid meneer; als hij is wa seit, zee ik, hou jij dan je mond, maar ze ken nooit ter mond houwe. En das verkeerd, meneer! geloome! Een vrouw mot onderdanig weze, zeg ik maar. Och lieve God as ik zoo had wille doen, mit mijn man: Moorden en doodslagen ware der gebeurd, meneer! niewaar man!quot; De man legde v. rknkep. 5

ocr page 80

66

een bevestigende verklaring af, en de inspecteur vond gelegenheid om te vragen wat Tienes dan toch eigenlijk gezegd had. »Och, meneer, hij meende-n-et niet. 't Was

maar gekheid van em. Hij zee: ik bin een stomme bl.....

dakkie genome heb. Maar 't was maar uit gekheid, datti 'tzee!

»Ja maar gustre zee die et toch ook al teuge me,quot; viel hier de echtvriendin huilende in, terwijl zij haar hand hield op het blauwe oog, dat haar wederhelft haar zooeven geslagen had.

»En trouw jij dan zoo'n vent nog, die je den dag te voren zoo iets zegt?quot; Aldus de inspecteur. Zij bloosde. »Ja meneer as ik niet gemotte had!. . .

\ »0 zoo! Nou komaan, jullie moeten het samen maar zien te vinden. Rukt nu maar uit, en geen lawaai meer langs de straat of jelui slaapt hier ieder apart op een brits, hoor je!quot; De, stoet trekt af; de aanraking met autoriteiten brengt altijd eenige rust in de gemoederen, en vóór zij de gemeenschappelijke woning betraden, waren Kee en Tienes weer verzoend. »Vöor zoolang as et duurt,quot; mompelde de klepper, die hen achterna gegaan was.

't Stond niet stil. Het incident was nog niet vergeten — en dergelijke incidenten vergeet men op het bureau van politie al zeer spoedig — of »al weer wat andersquot; zei de inspecteur.

«Meneer, asjeblieft! Mag ik u dat maar zoo geven!quot; zei een student, en tegelijk wierp hij den inspecteur een uithangteeken voor de voeten, zooals de bakkers hier voor hunne winkels uitsteken, om aan te duiden dat zij Utrecht-

ocr page 81

67

sche theerandjes verkoopen. «Meneer, asjeblieft! Onbeheerd op den openbaren weg gevonden! Ik was juist op weg om het naar dit heiligdom in veiligheid te brengen, toen een dienaar der politie het mij wilde ontnemen. Daartegen verzette ik mij met al de kracht, die in mij is. Niemand anders dan ik heeft het gevonden, en ik wil dus ook als vinder in uwe registers figureeren, want als na een jaar en zes weken de wettige eigenaar zich niet mocht hebben opgedaan, dan kan ik, zoowel volgens Cicero als volgens Thorbecke het als mijn rechtmatig eigendom opeischen!quot;

»Zoo hebt u dat gevonden? Zeker boven de deur van Van Rennes op de Marieplaats, he?

«Haast zou ik gevraagd hebben, waaraan ziet meneer de inspecteur dat zoo gauw? Maar gij zoudt die vraag misschien als een zelfbeschuldiging opvatten, en ik verheel daarom mijne verbazing over uwe scherpzinnigheid, die Socrates zou doen verbaasd staan. Bovendien zie ik nu ook dat de naam van den oprechten theerandjesbakker er in roode letteren op staat. Maar ik verklaar u plechtig, meneer! dat ik die drie blokken gevonden heb, liggende op de straat — die drie blokken namelijk. Ik struikelde er over en viel, en neem daarom deze gelegenheid te baat u te verzoeken maatregelen te nemen, dat de veiligheid der studeerende jongelingschap dooi- dergelijke voorwerpen niet meer in gevaar worde gebracht. Ik zou mij anders genoodzaakt zien mij tot den wijzen en achtbaren Raad dezer

5*

ocr page 82

68

»Breng hem in arrest!quot; Met dit kort bevel werd een einde aan de speech gemaakt, en met eenige moeite werd de «eerlijke vinderquot; gebracht in het ruime vertrek waarop de vier cellen uitkomen, in ééne waarvan Kareltje nog altijd lag te slapen. Nog nauwelijks was de deur van het vertrek achter hem gesloten, of weer werd er een in het bureau gebracht: een lange student tusschen twee kleppers, van welken ieder hem met ééne hand een pols omkneld hield, terwijl hunne andere hand zich bevond tusschen zijn hals en zijn boordje. In elke hand had de student een viertal schelknoppen. Zoo werd hij voor den inspecteur geplaatst.

«Wederom voert het noodlot mij voor uwe balie, o heer! Ik ben het slachtoffer van een betreurenswaardig misverstand! Ovidius zegt niet te vergeefs....quot;

»Hoe kom je aan die bellen?quot; vroeg de inspecteur; «zeker ook gevonden, he? Je vrind van de theerandjes zit al boven!quot;

»Ik vraag wel excuus, ik heb geen vrienden van theerandjes; ik wou dan herinneren dat Ovidius niet te vergeefs .....quot;

5.Wij hebben hem gepaktquot;, viel een der kleppers in, «terwijl hij bezig was nog een bel te moeren en deze leeds bij zich had.quot;

«Misverstand! Betreurenswaardig misverstand, veroorzaakt door de duisternis des nachts! O hadde ik als Diogenes een lantaarntje bij mij gedragen! Wanneer de heer inspecteur zijn dienaren gelasten wil hunne handen

ocr page 83

09

van mijn hals te verwijderen, daar deze mijne ademhaling een weinig bemoeilijken, dan zal ik het hem in minder dan geen tijd ophelderen.quot;

Nadat men hem had losgelaten, vervolgde hij: sik ben pas lid geworden van het vischgezelschap »De gekreukelde hoed.quot; Wij zouden dezen nacht gaan visschen, en als jongste lid rustte op mij de verplichting om mijne medeleden te gaan wekken. Dat is de reden waarom ik mij in dit nachtelijk uur op straat bevind. En wat nu het bezit dier schellen aangaat, mijn waarde heer! een studen-tengrap. niets dan een studentengrap! Kennelijk met geen ander doel dan om mij op mijne posteriores te laten vallen, hadden mijne medeleden het ijzerdraad van de schellen aan de binnenzijde losgemaakt, en bij den eersten ruk schoot de knop er uit. Niet minder dan driemalen is de list gelukt, en tuimelde ik achterover. Toen werd ik voorzichtiger en . ...quot;

«Vent! je liegt! De vischtijd is immers nog niet eens geopend!quot;

«Meneer! Dat gaat u niet aan. Wij Waren voornemens in eene naburige gemeente te gaan visschen, en tegen die overtreding hadden dus de autoriteiten aldaar te waken.quot;

»Kom vooruit maar!quot; Dit korte woord was voldoende, om hem niettegenstaande zijn luidruchtig protest spoedig in gezelschap van den theerandjes-vinder te brengen.

Deze had zich intusschen zeer onrustig gedragen Eerst had hij zich geoefend in het nabootsen van het geluid van allerlei dieren: van het gekraai van den haan, tot het

ocr page 84

70

gebalk van den ezel. Toen hem dit verveelde, ging hij met den rug tegen de deur zijner gevangenis staan en beproefde de kracht zijner beenen door op een vervaarlijke manier met de hielen tegen de deur te schoppen. Ook dit vermaakte hem spoedig niet meer, en juist zette hij zich neder om een lustig studentenlied aan te heffen, toen de laatst aangekomene door een Hinken duw tot midden in de kamer stoof. Tegelijkertijd werd Kareltje wakker, en liet door een luid gegeeuw van zijne tegenwoordigheid blijken.

sHoerah!quot; riep die van de theerandjes; »wij zijn compleet; Tres faciunt collegium!quot;

«Hetgeen in het Hollandsch overgezet zijnde beteekent: Drie is een »zoorljequot;, zei die van «De gekreukelde hoed.quot;

))Zeg, wat ben jij voor een pierewaaier, daar achter die deur, he?quot;

»Moi, je suis een fatsoenlijkemanskindquot;, antwoordde Kareltje, met schorre stem, door een getraliede opening boven de dein- zijner cel; et vous, qui êtes vous?

»Wij zijn studenten.quot;

»Ah, viveiit les étudiants! Och, hebben de heeren ook het 'een of ander te drinken bij zich? Mijn tong is net een stukje kurk. Och, asjeblieft heeren;quot; en met een zucht liet bij er op volgen; »al was het maar schoon water!quot;

»Neen jongen, je zult je moeten behelpen. Maar we zullen wel gauw zien los te komen, en dan nemen we jou mee, hoor! Zing onderdehand maar een stukje, da's goed voor je keel. Allo, 'tlo vivat.quot;

ocr page 85

71

En Kareltje, die den Latijnschen tekst van het lied niet kende, zong het zooals het door 't volk in 't Hol-landsch gezongen wordt, en met een verschrikkelijk gebrul, dat door het geheele gebouw weerklonk. hief hij aan:

lo vivat! lo vivat!

De studenten, die zijn braaf!

De stmlenien dat zijn heeren.

Zij dragen hoeden met veeren

lo vivat, lo vivat De studenten, die zijn braaf!

ï)Hoerah! lang leven de Utrechtsche studenten!quot; Met dien laatsten uitroep besloot hij zijn lied, en nu werd met vereende krachten op de deuren getrommeld en er tegen geschopt, en geschreeuwd en gezongen en zoo'n helsch leven gemaakt, dat de inspecteur, die als het kon gaarne een dutje had willen doen, naar boven kwam om hen tot zwijgen te brengen. Dat was hun doel. Een goed woord vindt een goede plaats, en als zij maar wilden, hadden zij er in overvloed tot hunne beschikking. Na opgaaf van naam en woonplaats werden zij ontslagen en verkregen zelfs dat ook het inmiddels weer nuchter geworden Kareltje de vrijheid weergegeven werd.

Met een »tot weerziensquot; aan den inspecteur verliet het drietal het bureau van politie en scheidde daarbuiten van elkander. De studenten om hun bed op te zoeken en morgen met haarpijn te ontwaken; Kareltje om de eerste ki'oeg de beste binnen te gaan en zijn verschroeide keel

ocr page 86

met jenever te laven, daartoe in staat gesteld door de paar laatste dubbeltjes van zijn medearrestanten.

Nog in de verte hoorden zij hem schreeuwen: »La bonne nuit, messieurs les étudiants! Je suis né a Breda, prés de Bois-le-ducl Los Dos Hermanos M a z u r a n o s 1), bloedwo rst, leverworst! J' a i eu iine bonne education! Mon père et ma mère......quot; Toen werd alles stil!

Juni 1881.

1

De iiaam van een toenmalig café-chantant-, gymnastiek- of dergelijk kermis-gezelschap.

ocr page 87

Herinnering aan een gestorven Rederijker.

Hij is niet meer! En met hem is de szieke jongelingquot; gestorven, begraven, verdwenen voor altijd! . . . .

Ach! wie kon zóó dat heerlijk gedicht van Jan van Beers voordragen als gij ! Ik zie u nog optreden met dat hoog ernstig gelaat, dat eensklaps met een boosaardige uitdrukking naar den behangersknecht, rechts achter de coulissen werd gekeerd. De man trok te vergeefs aan het verkeerde touwtje, zoodat slechts de eene helft der schuifgordijnen zich opende en de andere u gedeeltelijk aan het oog der glimlachende toeschouwers onttrok. Gedeeltelijk slechts; want ge hadt, uit de achterste coulissen te voorschijn tredende, uwen »draaiquot; als altijd goed genomen en stondt zuiver midden op de planken. Alleen de linkerhelft van uw gramstorig gelaat, van uw onberispelijke zwarte rok en broek is zichtbaar. Gelukkig springt onverschrokken de souffleur (gij hadt er gewoonlijk een

ocr page 88

Ti-

noodig) van achter zijn vuurscherm op het tooneel en met voorbijzien van touwtjes en behangersknecht, grijpt hij de gordijn, schuift haar op zijde en vertoont u in al uw majesteit.

Welk een schouwspel! Daar staat gij, met gestukadoorde hals en polsen, onbeweeglijk stil. Uwe armen, die door hunne lengte de symetrie van uw overigens welgevormd lichaam eenigszins verstoren, hangen langs uw zijden, als de slingers van een pomp. Wat wist ge spoedig uwe gelaatstrekken te beheerschen. Het was of een zuidewindje langs uw aangezicht gleed en de alsem daarvan wegstreek, om niets als honig achter te laten.

En uwe oogen! Hoe zacht en kwijnend en ziekelijk werd hunne uitdrukking. Met uwe oogen alleen bracht gij — gezonde, dikke, blozende grutter — uwe hoorders — en hoorderessen vooral — in den waan, dat daar de «zieke jongelingquot; in eigen persoon vóór hen stond. En die onderlip! waarmede gij zoo duidelijk, zonder een woord te zeggen, wist te kennen te geven, dat ge iets smartelijks gingt verhalen. Nooit vergeet ik die lip! Als mijn vierjarig kind pruilt om een koekje, denk ik steeds aan die zieke jongelings-lip van u, mijn helaas, te vroeg gestorven vriend!

Gij begint. ... en weet zoo juist den verbalenden toon te treffen, als gij — de rechterhand vooruitgestoken als een presenteerblaadje —- uwen hoorders mededeelt, dat 3gt;het gras gehooid en het koren binnen was.'' Hoe duidelijk en hoe sierlijk tevens weet ge aan te toonen, dat de

ocr page 89

/5

•«blonde boerinnen de juichende boeren ten dans verzeilenquot;, en dat zij dit gearmd doen. — Gij laat daartoe uw bovenlijf zacht naar de rechterzijde overhellen en brengt uw rechterhand op de plaat?. waar uwe heup zichtbaar moest zijn, als ge niet zoo goed in het vleesch waart gegroeid.

Mensch! wat waart gij een rederijker!

Gij gaat voort — en als gij den zieken jongeling aan het venster, naast zijne moeder gezeten, schetst, dan gelijkt uw gelaat een onweerswolk. God! hoe roerend zweeft die «droeve glimlach om uw grauwe lippenquot; als ge uwe moeder op het mooie weêr opmerkzaam maakt en haar (nu met de linkerhand; want links hebt ge in uwe gedachten het kermisplein geplaatst) wijst op de vroolijke paren, die rond de kramen «wemelenquot; en al beginnen te dansen. En als die moeder zuchtend uwe vraag ontwijkt of «'t waar zou zijn, dat gij sterven gaatquot;, dan zijn er tranen in de stem, waarmede zij den kranke tot berusting in Gods wil aanspoort. En daarna het refrein; dat refrein, dat zoo dikwijls wederkeert en de klip is, waarop alle andere rederijkers schipbreuk lijden : hoe meesterlijk wist gij die moeilijkheid te overwinnen. Er moet sclimaxquot; zijn en daarom spreekt ge het de eerste maal op zachten toon uit. Met een meewarig gezicht ziet ge uw publiek aan en spreekt gedurende eenige seconden geen woord. Dan strekt zich de linkerarm uit, en de wijsvinger gericht naar het kermisplein, klinken droevig de woorden;

-En ginds bij de linden klonk vedel en trom.quot;

ocr page 90

7(i

De wijsvinger staat niet meer alleen, maar de geheele hand is geopend en draait en zwaait zachtkens, terwijl ge vervolgt:

quot;Daar draaide en daar zwaaide de vroolijke drom.quot;

En eindelijk keert ge uw gelaat en geheel uw lichaam naar de zijde van het kermisplein, steekt beide armen recht voor u uit en zegt;

quot;Daar woelde eu krioelde het alles dooreenquot;

Met de linkerhand »woeltquot; en met de rechter «krioelt'' gij en na het uitspreken van dien schoonen regel vallen de beide handen met een flinken slag tegen uwe dikke dijen; maar voor een oogenblik slechts zijn ze in rust; want weer heft de linkerhand zich op en, het hoofd zacht schuddende, het nog altijd meewarig gelaat afgewend van de kermis, maakt gij met de hand eene afwerende beweging, terwijl ge den laatsten regel doet hooren :

quot;Maar lijden en sterven, daaraan dacht er geen.quot;

Heerlijk! Een oogenblik rust om den indruk niet te bederven. Sommige dames snuiten den neus; het zijn tranen, die met geweld van den gewonen weg zijn teruggedrongen. Laat ze gerust over uwe wangen biggelen, lieve vrouwen! zij strekken u tot eer en ge weet niet hoe goed ze een rederijker doen.

En de jongeling sprak weer, (niet gij, mijn onvergetelijke vriend! — toen nog een gezonde achtenveertiger;

ocr page 91

77

thans helaas, een afzichtelijk geraamte van vijftig—maar He zieke jongeling van Van Beers sprak weer) en hoe sprak hij ? — Omdat zijne moeder op de vraag of «hij sterven gaatquot; een ontwijkend antwoord heeft gegeven, deelt hij zelf eenige bijzonderheden omtrent zijn gezondheidstoestand mede, die ontegenzeggelijk tot het besluit leiden, dat zijn einde niet ver meer verwijderd is. Hoe plechtig slaat hij de oogen naar boven, als hij verklaart: »Ja, ik weet — Gods goedheid schikt het al,quot; maar toch niet wil gelooven, dat hij nog zal genezen. »Zle mijn handen eens hoe mager, hoe doorschijnend!quot;

Jammer! eeuwig jammer! (een beetje stijfhoofdigheid was uw eenig gebrek) dat gij nooit mijn raad hebt willen volgen, om bij het uitspreken van die wooiden, de handen in uwe zakken te steken. Gij vertoondet ze aan het publiek; de duimen tegen elkander gedrukt, staakt gij de beide handen vooruit en och! zij waren niet mager, niet doorschijnend, uwe handen. Integendeel, ze waren dik en breed en knokkelig; het waren handen, daar ge irotsch op mocht zijn; zij getuigden van uwe arbeidzaamheid. 't Is waar, uw gelaat en uw geheele lichaam zagen er ook veel meer welgedaan uit, dan men van een teringachtig jongeling mocht verwachten; maar dat werd alles goed gemaakt door uwe oogen en uw lip. Doch uwe handen misten die welsprekende hulpmiddelen en in menig vochtig oog flikkerde plotseling een schalksche glans, als ge zoo de geheele aandacht van het publiek op uwe brave, eerlijke knuisten hadt gevestigd. Wanneer ik u

ocr page 92

78

het verkeerde ei- van onder het oog wilde brengen, voerdet gij mij knorrig toe, dat het dan even dwaas was om in een of ander tooneelstuk, bij voorbeeld als fransch edelman uit de 16e eeuw op te treden. Nu ja, onvergetelijke! daarin hadt ge volkomen gelijk, dat is zelfs nog veel dwazer. Ik heb u dit dan ook altijd ontraden. Een grutter is niet op zijn gemak in het rijke kostuum van zoo'n fransch edelman; hij weet niet hoe deze zich bewoog, hoe hij stond, hoe hij zat, hoe hij sprak. Hij weet het niet en — hij leert het nooit, ook dan niet, wanneer hij zich met den meesten ijver er op toelegt het te leeren en op die .wijze een kostbaren tijd aan zijne zaken onttrekt — wat gij gelukkig niet deedt.

Maar om op den zieken jongeling terug te komen (zie vergevend uit den hoogen op mij neder, Toon 1 dat ik het waagde in uwe voordracht iets af te keuren); — reeds bij de volgende woorden verdwijnt de schalksche flikkering uit de oogen uwer hoorderessen, wanneer ge op roerenden toon zegt: ))Ach! ik voel, dat ik langzaam, langzaam wegsterf, waar ik zit in mijnen stoel.quot; — Uw sympathetisch geluid dringt door tot het hart. Maar niet alleen uw geluid, geheel uwe houding, uwe gebaren persen bewondering af — niet het minst van kenners, van rederijkers. Als gij begint te «voelenquot; dat gij langzaam, langzaam wegsterft, slaat gij de beide handen op uwe borst en trekt een gezicht, zoo vermoeid, zoo afgemat, alsof ge den Domtoren te Utrecht in vijf minuten hadt beklommen; maar daarna vallen de armen langs

ocr page 93

79

uw lichaam — langzaam, omdat ge langzaam, langzaam sterft — en, een weinig van de beenen verwijderd, houdt gij de handen half gesloten, als omvatten zij de leuningen van een ziekenstoel; en wanneer ge nu de knieën even buigt, dan is de indruk volkomen, dat gij «zit in uwen stoelquot; en in stille berusting de verzuchting slaakt: »want ik heb de tering, moeder!quot;

Pas twintig jaren oud en verleden jaar nog zoo blij en blozend, nog deelnemend aan den dans.

»Ha! die luide vreugdekreten en dat dansen daar. gaat mij snijdend door 'net harte, moeder! als een wreede spotternij!quot;

Meesterlijk, dat gebaar met uwe rechterhand! Alsof ge er een mes in geklemd hieldt. brengt gij haar op de plaats, waar een rederijker zijn hart draagt — iets te hoog — en maakt eene beweging of ge er een klein sneedje in geeft — klein, want ge moet er nog niet aan sterven ; het is slechts een pijnlijke wond , die u wordt toegebracht; straks komt eerst de doodsteek. Uitstekend opgevat! Bravo!

En nu de moeder, die — thans schreiend — haren Hendrik vermaant, »toch te zwijgen en niet te lasterenquot; maar liever te denken »dat God het zoo gewild heeft.quot;

Mensch! wat greep mij dat aan! Wie weende niet met die arme, voorbeeldig berustende moeder mede? Wie? — Alleen de aanwezige mannen niet, behalve .... nu ja, behalve ik en nog iemand , die tegenover mij zat. Misschien weende hij, omdat hij 't mij zag doen, zooals

ocr page 94

80

dat met geeuwen wel eens gebeurt; maar ik had toch reden dit te betwijfelen. Het was namelijk de onderwijzer mijner kinderen en juist voor een paar dagen was mijn oudste met een versje thuis gekomen, eene parodie van zijn schoolmeester op een bekend gedicht, welke luidde:

«Ik ween met hen, die weenen;

'/En deel met hen hun lot.

«Ik duns niet hen, die dansen,

quot;En dans mijn schoenen kapot!quot;

Wie zóó kan dichten moet een diep gevoel hebben en het w-aren dan ook zeker tranen uit het hart gesproten, die des schoolmeesters wangen besproeiden, toen hij mijn vriend »de zieke jongelingquot; hoorde voordragen.

Gelukkig volgde een oogenblik van verademing: het refrein. Ditmaal, wegens den sclimaxquot;, met eenigszins luider stem dan de eerste maal, doch overigens met dezelfde fijn bestudeerde gebaren voorgedragen, gaf het niet alleen den hoorders, maar ook den zieken jongeling gelegenheid om een weinig van de ontroering te bekomen en op kalmen toon het gesprek met moeder voort te zetten. Hij verhaalt hoe hij 't vorige jaar op de kei'mis Roosje van den molenaar heeft leeren kennen; hoe hij den geheelen middag met haar gedanst had en haar eindelijk «toen de avond neervielquot; dwars door het bosch heen, zonder een woord met haar te spreken («want zijn harte klopte zooquot;) naar huis had gebracht. Hoe hij bij het afscheid nemen ook geen woord sprak, maar haar smeekend

ocr page 95

84

aanzag en uit den blos, dien zijn blik op hare wangen te voorschijn riep, afleidde, dat zij hem beminde. «Onze harten hadden plots elkaar verstaan.quot; De moeder hoort het verhaal zwijgend aan en antwoordt ook niet op zijn verzoek, om na zijn dood Roosje te vertroosten en haar moeder te zijn.

De goede jongen had zich vergist; misschien gevoelde de moeder het en bewaarde zij daarom het stilzwijgen.

De vierde afdeeling van het gedicht doet het ons hooren; doch eerst het refrein. Nog meer »cliniaxquot;! nog luider uitgesproken! maar weer dezelfde gebaren, ofschoon iets heftiger «gewoeldquot; en «gekrioeldquot; wordt.

Welk een blijde glans verspreidt zich over uw gelaat, als gij denkt, dat Roosje thans wellicht in de «Lieve vrouw kapelquot; om u weent en voor u bidt. Welk een diepe smart drukt het uit, als gij de mogelijkheid vooronderstelt, dat ze u «vergeten heeft.quot; En God! — ik heb het gezien, Toon-! — bleek als een doode werdt gij, toen ge, den blik naar buiten slaande. Roosje tusschen de dansende paren meent te ontdekken. Verstijfd van schrik, de handen krampachtig om de leuningen van den denkbeeldigen stoel geklemd, het bovenlijf naar voren gebogen, de oogen starende naar dat plein, waar al uw geluk de bodem in gedanst wordt — roept ge uit: «Moeder! moeder! staat zij daar niet aan den dans?quot; En daar ge zeker op het gelaat dier arme vrouw leest, dat het inderdaad zoo is, slaat gij de handen tegen het achterover zinkend hoofd en zwak klinken uwe laatste v. Hennes. 6

ocr page 96

82

woorden: ))Ha! vergeten eer ik dood ben! God laat mij maar sterven thans!quot;

Snikkend grijpt de moeder u bij de verstijfde hand. Zij gelooft niet, dat gij dood zijt. Zij roept u bij den naam: «Hendrik!quot; Geen antwoord. Nogmaals en nu luider en op angstiger toon: «Hendrik!!!quot; Daar wordt het haar duidelijk en neerzijgend barst zij uit: »God hij spreekt niet meer!quot;

Bedwing uwe tranen niet, lieve, gevoelige vrouwen! Laat ze vrij vloeien. Zie, hoe Toon's oude moeder, die ook in de zaal is, door haar tranen heen, glimlachend en bemoedigend naar hem opziet. Goede vrouw! weinig vermoeddet gij op dien voor uwen zoon zoo triumfante-lijken avond, hoe spoedig gij aan zijn ziekbed, dat zijn sterfbed moest worden, zoudt gezeten zijn.

Slechts korten tijd daarna kluisterde eene kwaadaardige ziekte hem aan zijne legerstede en gij dacht, terwijl gij zijne hand in de uwen gekneld hieldt, aan die berustende moeder, die ge zoo gaarne zoudt willen, maar niet kunt navolgen. Hij was u zoo lief, zoo dierbaar, uw eenige zoon-; het viel u te zwaar, niet te morren. Maar toch hebt gij God er voor gedankt, dat uw Toon als oude vrijer stierf; hij hield u in zijne laatste stonde niet bezig met een gesprek over kermishouden en eene ontrouwe geliefde, neen, hij sprak steeds van zijne liefde voor u, van de smart, die hem de scheiding van zijne beminde moeder veroorzaakte. en zijn laatste woord was nog een

ocr page 97

83

woord van innigen dank, voor al de teedere bewijzen van liefde, die gij hem geheel zijn leven geschonken hadt.

Maar op dezen avond denkt gij aan geen scheiding, nu gij — schreiend van aandoening en bewondering tevens — uwen zoon daar hoort toejuichen en om u heen al die zakdoeken naar de oogen ziet brengen.

Ook de schoenen-kapot-dansende schoolmeester heeft weer tranen in de oogen en ditmaal — wat ook straks de reden er van moge geweest zijn — ditmaal zeer zeker niet, omdat hij mij of een ander mannelijke toehoorder bewogen ziet. Want ook ik had thans mijne tranen bedwongen, of liever zij waren niet bij mij opgeweld. Niet omdat de voordracht mij niet getroffen had — o! meer dan ooit! Maar de vrees, dat mijn vriend zou haperen, dat zijn geheugen hem (zooals wel meer gebeurde) in den steek zou laten — onderdrukte de uiting van elk ander gevoel en bracht mij zoo in spanning, dat ik, ofschoon niets mij ontging, het geheele treffende sterftooneel huiverend, maar met kurkdrooge oogen aanhoorde.

't Is waar, er stond voor het tooneel een vuurscherm c;n daarachter zat, voor het publiek verborgen, een souffleur. Maar dit jeugdige souffleerende medelid had de gewoonte, bij feestelijke gelegenheden wel eens een ietsje te veel te gebruiken — en aangezien ik zeer verdachte bewegingen meende op te merken, waaruit ik afleidde, dat de gevoellooze knaap, onder de voordracht, van tijd tot tijd uit een geheimzinnig fleschje zijn keel wat al te

6*

ocr page 98

84

veel bevochtigde, vertrouwde ik op zijne hulp, ingeval van nood , niet veel.

Maai- gelukkig! hulp was niet noodig. Geen syllabe werd gemist. Gij stierft, zonder eenige hapering, zóó goed, zóó natuurlijk, als gij het een half jaar later bij mogelijkheid op uw bed hebt kunnen doen.

Weer volgt nu het refrein, maar thans met eene kleine variatie. Wat laat gij op de woorden: »En ginds bij de linden klonk vedel en tromquot;, met eene verpletterende minachting volgen; »En Roosje was daar bij den vroolijken drom.quot; Dat »wasquot; vooral geeft ge een kolossalen nadruk, en terecht: Hendrik heeft niet verkeerd gezien en zijn moeder ook niet; neen, zij was daar werkelijk! Zie! daar draait en daar zwaait zij het plein op en neer en neen — de ontrouwe! — aan heur Hendrik en denkt zij niet meer!

De maan gaat op, omhult heel het dorpje met haar zilveren looveiglans en werpt ook haar stralen op het smalle venster, waar Hendrik met zijne moeder gezeten heeft. Zij heeft het lijk van haren zoon op de arme sponde gelegd, maar, naar 't schijnt, verzuimd de gordijn voor 't venster te laten vallen; althans aan voorbijkomende kermisbezoekers wordt de gelegenheid aangeboden, dit hartverscheurend schouwspel gade te slaan.

«Kalm en statig rees de maan aan de oostertransquot; ja, maar niet zoo kalm en statig als uwe rechterhand (het oosten ligt altijd rechts van den rederijker) de oprijzende

/

ocr page 99

85

beweging maakte, waarvan die woorden vergezeld gaan. Zóó kalm en zóó statig rees die hand, dat gij ook de volgende woorden: «Heel het dorpken zacht omhullend met haar zilveren tooverglansquot; hadt uitgesproken, alvorens zij den geheelen boog door de lucht had beschreven, die op uwen linkerschouder eindigde.

Met die ééne meesterlijke beweging uwer hand hadt gij dus het opkomen der maan, zoowel als het smet tooverglans omhullen van het dorpjequot; verduidelijkt.

Gij laat dien rechterarm over uwe borst liggen, terwijl ge met de linkerhand wijst naar het smalle venster, waar de maan haar licht in schoot; maar hoe schoon die sposequot; ook is, zij verzinkt in het niet bij de slotscène, als gij de handen gevouwen onder de kin brengt en bijna schreiend uitroept; »God! mijn zoon, mijn zoon is dood!quot;

Weer die lip! weer die oogen!

Ach! waarom hebt ge er nooit in willen toestemmen u in die houding te laten photographeeren ?

Ongeduldig zitten de toeschouwers met handen en voeten gereed; men luistert bijna niet naar het laatste refrein, hoe schoon ook voorgedragen. Daar barst het los: éénmaal, tweemaal, driemaal wordt gij teruggeroepen met daverend gejuich! O! had men geweten . . . .! men zou u met lauwerkransen en bouquets gegooid hebben; men had u gedwongen den geheelen avond op de planken te blijven en al uw schoons te doen hooren: uw Kerkportaal, uw Metseldiender, uw Dochter van Herodias, uw Legende

ocr page 100

86

van den Drachenfels, uw Hondentrouw (niet te vergeten) en al uw andere creaties.

Maar men wist niet, dat men u voor de laatste maal

liad gehoord........................

Het rederijkersseizoen was ten einde en toen de volgende wintei' weer zijn sneeuwkleed over de aarde spreidde,

bedekte het ook uw kille graf...............

Gij zijt uit ons midden weggerukt; gij zijt heengegaan naar de plaats, waar helaas! geen rederijkers getolereerd worden. En wij, wij staren u treurend na. de »oogen bevochtigdquot; zooals gij zelf het in een gedicht, bij een blijdere gelegenheid door u gemaakt, poëtisch hebt uitgedrukt. Alleen de herinnering aan uwe groote gaven troost ons en zal ons tot leering blijven strekken.

Wij, uwe vrienden, leden uwer kamer (gij waart niet alleen haar voorzitter, maar ook haar stichter — daarom zeg ik: uwer kamer) wij brachten u ten grave. Het was op een schoonen herfstdag, den 1 7™ October '18... — Grillig toeval! «juist 23 dagen later zoudt ge uwen ^gsieii verjaardag gevierd hebben.quot;

De hamer, waarmee ge zoo vaak de orde onder ons gehandhaafd hadt — de insignia van onze vereeniging en van zoovele binnen- en buitenlandsche vereenigingen, die u tot haar eerelid hadden benoemd (niet om u, maar om zichzelf te vereeren) — de prijzen, met welke gij uit zoo menigen wedstrijd roemrijk waart teruggekeerd — lagen op uwe kist en verkondigden den volke, welk een groot

ocr page 101

87

man daar naar zijne laatste rustplaats gedragen werd. Één ding slechts ontbrak aan al die versierselen — een ridderorde! Ja, maar al te zeer werd het machtige woord van dien verblinden staatsman: »Kunst is geen regeerings-zaakquot; ook op ons gebied toegepast en tot nog toe was slechts smadelijke miskenning van de zijde der regeering uw deel geweest. Maar het lijdt geen twijfel of eindelijk zouden ook in de residentie de oogen voor uwe groote verdiensten open gegaan en de belooning niet uitgebleven zijn, als .... gij maar waart blijven leven. Te vroeg rukte de dood u weg!

In de kist lag, onder uwe gevouwen handen, een pracht-exemplaar van de werken van uwen geliefden dichter Jan van Beers. Ah! konden alle exemplaren van die werken begraven worden, diep onder den grond! Nimmer verschijnt er toch iemand meer, die ze ons naar waarde kan doen schatten, zooals gij!

Vier afgevaardigden van de grootste rederijkerskamers uit Noord- en Zuid-Nederland hielden de slippen van het lijkkleed. Achter de rouwkoets volgden (niet in rijtuigen — de overledene hield niet van ijdelen praal — maar te voet, dan werden zij zelf ook beter gezien) alle werkende leden, versierd met het insigne der kamer en vooraf gegaan door »schrijverquot; en «schatbewaarder.quot; De droefheid dezer beide laatste heeren werd aanmerkelijk verhoogd door de gedachte aan den berooiden toestand, waarin de kas der vereeniging, onder hun beheer, doch zonder den gewichtigen steun van den overledene, werd achtergelaten.

ocr page 102

88

Nabij de begraafplaats voegden zich een 200-tal kunstlievende leden, met de banier in rouwfloers gehuld, bij den stoet, en eene onafzienbare schare van andere belangstellenden.

Alleen de zusteikamer in onze stad zelf was niet officieel bij de plechtigheid vertegenwoordigd. De leden dier vereeniging, die bij zijn leven steeds hadden getracht 's mans groote gaven te verkleinen, vervolgden hem met hun haat tot aan het graf. Hoogstwaarschijnlijk zat er wel hier of daar op het kerkhof een van hen, in een grafspelonk verscholen, met duivelachtige vreugd te juichen in het onherstelbaar verlies dat ons trof, waardoor zij nu hoop hadden de eerste rederijkerskamer van de stad te kunnen worden. Kleingeestigen!

Of er gesproken werd bij dat graf? Ja! er werd gesproken , er werd veel gesproken 1 Maar wat er gesproken werd — ik weet het niet meer; ik was te ontroerd om er veel aandacht aan te wijden. Maar dit weet ik, dat ik wel tienmaal, telkens als een spreker geëindigd had, den mond opende, om te bedanken voor de laatste eer aan mijnen vriend bewezen, maar dat ook telkens de woorden in mijn mond bestierven; want ieder keer was een nieuwe spreker mij voor, die altijd weer langer scheen te praten dan zijn voorganger.

Eindelijk gelukte het mij eenige weinige woorden stamelend uit te brengen en zoowel voor mij zelf als namens de treurend achterblijvende moeder van den overledene, dank te zeggen voor de laatste eer aan het zielloos overschot van den grooten redelijker bewezen.

ocr page 103

89

Men heeft mij latei' eene opmerking gemaakt, die mij zeer veel genoegen heeft gedaan, niet om mij zelf, maar om de nagedachtenis van mijn dierbaren vriend. Men zeide mij, dat, toen ik die weinige woorden bij zijn grafkuil sprak, mijn lip en mijne oogen treffend geleken op zijn lip en zijne oogen in de »zieke jongeling.quot;

M ij n lip en m ij n e oogen bij die gelegenheid waren niet bestudeerd; integendeel, zij kwamen voort uit innerlijke, diepgevoelde ontroering. Wel een bewijs dus hoe echt natuurlijk mijn gestorven vriend kon zijn!

De werkende en kunstlievende leden hadden reeds den dag te voren eene oproeping tot een plechtige buitengewone vergadering ontvangen, die onmiddellijk na afloop der begrafenis in het gewone lokaal der vereeniging zou plaats hebben en waar dan ook geen enkel lid ontbrak.

Daar werd door den schrijver — wiens oom concierge bij de tweede kamer der staten-generaal was en die dus weten kon hoe het behoorde — de volgende motie voorgesteld;

»De vergadering — van oordeel, dat de dood van den »voorzitter en stichter der rederijkerskamer ***** n;et is »in het belang dier kamer in het bijzonder, noch in dat »van de tot den Nederlandschen Rederij kersbond be-»hoorende kamers in het algemeen — gaat over tot de «orde van den dag.quot;

Nadat deze motie met unanieme stemmen was aangenomen, verwijderden zich allen met gepasten ernst en gingen over tot hunne gewone dagelij ksche werkzaamheden.

ocr page 104

90

Een eenvoudig monument, door vriendenhanden opgericht, wijst aan het nageslacht de plaats waar zijn gebeente rust. Nederig als hij, hebben wij gemeend ook in zijnen geest te handelen door het zoo goedkoop mogelijk aan te leggen. Niets als een staande steen, waarop gebeiteld is:

Anthonius Klievers,

Grutter en Rederijker.

Geb. 9 November 18 . . .

Overleden 17 October 18 . . .

Zijne assche ruste in vrede!

Juli 1877.

ocr page 105

Afscheidswoord aan het „Wagentje van Diegesquot;.

Het gebeurt slechts zelden, dat een doodsbericht met algemeene vreugde wordt vernomen. Dezer dagen kwam er echter in, de Utrechtsche dagbladen een voor, dat slechts bij weinigen een gevoel van weemoed zal hebben opgewekt.

De diligence-onderneming tusschen Utrecht en Zeist gaf kennis van haar verscheiden. Zij heeft den '20('n Mei haren

dienst gestaakt. Zij is niet meer......Zacht en kalm, na

een langdurig lijden en niet onverwacht is zij heengegaan en wordt door niemand teruggewenscht. Van haar zal men in volle oprechtheid kunnen getuigen: haar heengaan is gewin!

De tram heeft haar vervangen . . .

En toch.... vaarwel, »wagentje van Dieges!quot; «Waarheen uw weg ook voortaan moge leiden; of 't zal zijn een eenzame, smalle, hobbelige dijk, dan of 't. als tot dusver, een schaduwrijk pad langs prachtige villa's en heerlijke tuinen zal wezen; of men bakkerswagens of

ocr page 106

92

brandhout van u zal maken — vergeten zullen wij u niet. Met menige zoete herinnering aan gelukkige oogen-blikken, in die schoons natuur gesleten, zijt gij, die ons daarheen bracht, zoo onafscheidelijk verbonden, dat ook de gedachte aan u in ons zal blijven leven.

Met liefde zullen wij aan u denken, óók dan wanneer ons uwe lage zoldering en onze gedeukte hoed voor den geest komen, en vooral dan, wanneer we ons uwe gelukkig veel te smalle coupe's en de tegenover ons gezeten lieve schoone herinneren! ....

En gij, arme paarden! .... Wat zal uw lot zijn? Zult ge nog dieper zinken?. Een trekschuit misschien! .. . .

Och, arme! .. .

Met hoeveel vertrouwen aanvaardden wij met u de reis!... Op hol gaan? ... Gij dacht er niet aan! Zweepslagen met gloeiend telegraafdraad hadden u niet kunnen bewegen één stap harder te loopen, dan noodig was om in den bepaalden tijd het traject af te leggen.

Den draai te kort netnen en met uwe kostbare vracht in de vaart tuimelen?... Al sliep de koetsier als een rhinoceros, gij bracht ons heelhuids in Zeist.

Het ga u wel! goede, trouwe, magere knollen! Uw noodlot kunt gij niet ontgaan, maar wij wenschen u in de laatste dagen uws levens een niet al te wreeden baas toe, en is éénmaal het uur ook voor u gekomen, bewijs ons dan nog één laatsten dienst — en sterf zóó mager, dat het niet meer de moeite waard is u als rookvleesch in den handel te brengen.

Mei 1879.

ocr page 107

Het Huis in de Voetiussteeg. 1)

Onder de vele merkwaardigheden, die Utrecht bezit — en waarvan, zooals bekend is, de fltrechtsche Dom de hoogste, en de mislukte put op het Vreeburg de diepste merkwaardigheid is, -j-) — is er ééne, die men een geheimzinnige merkwaardigheid zou kunnen noemen.

Wanneer men den naasten weg van het Domplein naar het St. Pieterskerkhof wil gaan, dan moet men de Voetiussteeg passeeren. Op den zuidwestelijken hoek van deze steeg, halt' verscholen achter het dicht gebladerte van

1

Zie over dit huis het in dezen bundel opgenomen stukje onder den titel: Het spookhuis in de Voetiussteeg.

f) Deze put werd gegraven op de plaats waar thans de pomp staat en ofschoon dit werk eenige jaren duurde en de gemeente op aanzienlijke kosten te staan kwam, werd geen drinkbaar water verkregen ondanks de diepte van eenige honderd meter die men bereikte. OF het ook den wethouder Roijaards, aan wiens krachtig initiatief de aanvang en voortzetting van dit werk voornamelijk te danken was, niet een aanzienlijke som gelds zal gekost hebben, daaraan twijfelde in die dagen niemand.

October 18b7.

ocr page 108

1)4

eenige breedgetakte linden, staat een huis, dat een antirevolutionair — als hij, na met «eervolle middelenquot; den verkiezingsstrijd gestreden te hebben, huiswaarts keert — niet zonder een huivering kan voorbijgaan; een huis, waar een bijgeloovig katholiek een kruis slaat of een «Vader onsquot; prevelt, en waar kinderen van elke gezindheid allerlei heksenfiguren en namen op den muur of de luiken schrijven.

Het is dan ook een huis om voor te huiveren. Het is een huis om uwe naar kattekwaad jeukende vingeren aan te vergrijpen, o dartele jeugd! ofschoon ge er elkander allerhande spookhistories van weet te vertellen. — Voor vele jaren was er een boekwinkel in; nu is het echter reeds sinds langen tijd gesloten — hermetisch gesloten, zou men bijna zeggen; want aan beide zijden van het huis zijn de blinden dicht gespijkerd; voor de ramen der bovenverdieping, waarvoor geene luiken waren, zijn (aan den buitenkant — evenals de blinden) ruwe planken vastgenageld. De schel is van de deurpost verwijderd en aan de huisdeur prijkt geene knop meer. De kleine, vierkante opening, die daardoor in de deur is ontstaan, is, naar men zegt, de eenige waardoor de bewoonster — want het huis is bewoond — een blik in de wijde, wijde wereld werpt. Het is eene oude, eigenzinnige vrouw, die zichzelve daar tot eenzame opsluiting heeft gedoemd, slechts hoogst zelden iemand bij zich ontvangt, en aan wie slager, bakker en andere voedsel brengende geesten, dooi' een eigenaardig kloppen op de deur van hunne aanwezigheid kennis moeten geven. Nooit drong, ook op

ocr page 109

95

den donkersten avond, een lichtstraal door de reten van die planken naar buiten en nooit drong een nieuwsgierig oog tot het inwendige van dat spookachtig huis door — en dienstboden, die er iets van zouden kunnen vertellen, heeft de bewoonster niet.

't Is niet te verwonderen, dat juist dooi' die onbekendheid met hetgeen daarbinnen omgaat, de belangstelling voor het uitwendige, voor die slecht onderhouden, geheel verweerde muren en planken versterkt wordt, en dikwijls ziet men dan ook tegenover deze woning teekenaars — veelal vreemdelingen — die hun schetsenboek verrijken met de schets van eene «geheimzinnige merkwaardigheidquot; van Utrecht.

Juli ! 879.

ocr page 110

H o v e ii i e r s ni a a n d a g.

Hoveniersmaandag — of zooals men hier zegt: Hove-niersche maandag — is de eerste en meestal ook de drukste dag van de eigenlijke kermisweek — de tweede, 't Is een van die officieel vastgestelde dagen, waarop onze goede stad letterlijk »aan de boeren is overgeleverdquot;.

Wij vinden in den almanak een vastenavond-Zaterdag, boerenzaterdagen, boerinnenzaterdagen, altegader dagen, waarop onze landbouwende natuurgenooten uit de omstreek in grooter getale dan op gewone marktdagen de stad met een bezoek vereeren en op de meest luidruchtige wijze van hunne tegenwoordigheid doen blijken. Hoveniersmaandag spant van al die dagen de kroon en den stedeling wordt dan vooral ruimschoots de gelegenheid gegeven de zeden en gewoonten onzer plattelandsbewoners, als zij »uitquot; zijn, op te merken.

Het onderscheid tusschen een boer en een hovenier bestaat eigenlijk alleen in de producten, die zij van den

ocr page 111

97

vruchtbaren bodem trekken; overigens gelijken zij in alle opzichten op elkander, als de eene straatsteen op den anderen. Zij zelf nemen het met dit onderscheid ook zoo nauw niet; althans de boeren versmaden den Hoveniersmaandag evenmin, als de hoveniers het den boeren- en boerinnenzaterdag doen.

Onder de hoedanigheden, die hen bij dergelijke gelegenheden vooral kenmerken, behoort de ontzaglijke boeveelheid «zoete koekquot; met »bittere jeneverquot;, die zoo'n rustieke maag kan verorberen. En zij steken het niet onder stoelen of banken. Neen, voor het open raam der tot den nok gevulde herbergen zit zoo'n menschenpaar aan het heerlijk gebak en den lekkeren drank te smullen, dat de aanschouwer zelfs er — zeeziek van wordt.

Maar bovenal vermakelijk is, hen gade te slaan eenigen tijd vóórdat twee een paar geworden zijn. Die dikwijls vergeefsche pogingen, door hem in het werk gesteld om den arm te bemachtigen van haar, die in het voorbijgaan op straat zijn hartstocht heeft opgewekt; de cynische wijze, waarop hij — versmaad zijnde — plotseling zijn hartstocht voor een ander lid der vrouwelijke sekse laat ontbranden, zijn inderdaad koddig. En wanneer hij het eenmaal zoo ver gebracht heeft, dat hem aarzelend wordt te kennen gegeven: »ik most het aigelijk nie doen 1quot; dan grijpt hij naar de paraplu — de groene besteedster met den koperen ring — en als hem die wordt toevertrouwd (ook bij het mooiste weer heeft eene boerin die op kermis bij zich) dan is hij de wereld

v. Rknnes. 7

ocr page 112

98

te lijk, want hij is zeker, dat zij voor dien avond »zain maidquot; is.

Wee hem, zoo hij de paraplu vergeet of verliest. Zijn kans is voorgoed verkeken!

Helaas! al die opmerkingen kunnen wij heden niet maken. Hoveniers en boeren schitteren door hunne afwezigheid. Ons kermisplein gelijkt een moeras. Het regent telegraafdraden en met een volharding, een kurk-drogen zomer waardig. En niet alleen heden, maar ook gisteren regende het zoo; en gisteren was het Sint Margriet en

Als het regent op Sint Margriet,

Dan zie je in zes n'eken het end niet!

Het is een teleurstelling voor velen: de pleinen zijn verlaten, de straten uitgestorven. Slechts hier en daar ziet inei^ een groepje mannen, doch dat zijn halfbeschonken lieden, wier gewoonte het is, ook buiten de kermis aan den Zondag eene uitbreiding te geven tot Dinsdag ochtend.

Als het Bestuur der Vereeniging tot veredeling van volksvermaak er iets aan kon doen, dat het ieder jaar in de kermis zoo regende, dan zou zij daardoor zeker een krachtigen bondgenoot voor de afschaffing der kermissen hebben gewonnen.

Het is een weêr om, zooals iemand opmerkte, er een photographie van te maken en daaronder te schrijven: «Hondsdagen.quot;

Juli 1879.

ocr page 113

De omroeper.

Bij al wat door den geest onzer eeuw, den geest van vooruitgang en verbetering, verdrongen werd, is er ééne aloude instelling in de grijze bisschopstad, die zich niet — als de trekschuiten en diligences, als de walmende oliepitten en stinkende vetkaarsen — heeft laten verdringen. Ten spijt van dag- en weekbladen, van aanplakborden en «volgeadverteerdequot;' muren, wordt de betrekking van stads omroeper hier nog steeds in eere gehouden- En het is geen sinecuur, die betrekking van stadsomroeper! Integendeel. Dagelijks ziet en hoort men den titularis in de straten zijn ambt uitoefenen; dikwijls zelfs meermalen per dag «roept hij omquot;.

Hij is een verblijdend verschijnsel, die man! quot;Waar hij komt, daar is men zeker lachende gezichten te zien. Of het de last der jaren is, die hem drukt, dan wel het besef zijner zware verantwoordelijkheid, men weet het niet; maar zeker is het, dat »de oudste menschen zich niet herinnerenquot; Pieterse ooit rechtop te hebben zien gaan.

ocr page 114

100

Misschien wordt de scheeve hoek, dien zijn lichaam vormt, veroorzaakt door de zwaarte van liet koperen bekken, dat altijd aan zijn linkerhand bengelt. Dat bekken is zijn trots! De baker van een eersteling schept niet meer behagen in haar speldenkussen — dien pronk van de kraamkamer — dan hij in zijn glad gepolijst, helder spiegelend, koperen bekken.

Met den hoogsten ernst neemt hij de sigaar uit den mond en drie slagen met den ivoren knop van zijn korten stok op de metalen schaal doen ieder, die in zijn nabijheid is, stilstaan of aan de deur komen, om met aandacht naar hem te luisteren. Dan — met een krachtige stem, dezelfde van voor 25 jaren — en met een flux de bouche, die menig publiek-spreker hem zal benijden — verkondigt hij den volke, en in 't bijzonder aan »al wie gading heeftquot; wat er op den svisch-afslagquot; zal verhandeld worden. Is er elft, dan stelt hij een enkele maal zijn stadgenooten, die gewoon zijn hem deze als stwaluf' te hooren aankondigen, te leur en roept »elluf.quot; Dit wekt dan nog meer den lachlust, dan wanneer hij stwalufquot; hadde geroepen. Maar de vroolijkheid stijgt ten top, als hij bekend maakt, dat er tong verkocht zal worden. Dan — in plaats van na het gewone preludium den naam van dien visch uit te roepen — steekt hij zijn eigen vleeschelijke tong uit en wijst daarnaar plechtig met den ivoren knop van zijn stok.

En welk een tong geeft hij Ie zien! Als men haar niet uit den mond van een omroeper zag hangen zou

ocr page 115

101

men geneigd zijn haar voor een ossetong te houden. Na zijn xbeginsel van de spreekkunstquot; eenige oogenblikken aan de buitenlucht te hebben blootgesteld, roept hij deze of gene vrouw toe: sbuurvrauw zij je 't assieblief is an je buurvrauw zegge assieblief!quot; en stapt met het lako-niekste gezicht verder, om op den hoek der volgende straat dezelfde en nog andere aardigheden te herhalen.

Men zal toestemmen, dat de man — mits met mate genoten — vermakelijk is, vooral wanneer men daarbij denkt aan het echte, onvervalschte Utrechtsche dialect, dat hij spreekt of liever — schreeuwt. Behalve door een affreuse, niet weer te geven uitspraak van de a en de e, kenmerkt zich dit dialect vooral door het weglaten van de t, daar waar zij volstrekt niet gemist kan worden, en het gebruik er van op plaatsen waar hare tegenwoordigheid in het minst geen vereischte is. Wanneer iemand, die het Utrechtsch dialect volkomen machtig is, in den eersten persoon spreekt, dan »staatquot; of »valtquot; hij met een t. terwijl hij »zitquot; zonder die letter.

Maar niet altijd is onze omroeper zoo grappig ! Soms — als zijne rede aanvangt met: »Aar is verlore!quot; kan men het hem aanzien, dat hij de boosheid der menschen kent en er aan twijfelt of het arme dienstmeisje haar gouden broche — die gedachtenis van hare moeder — wel zal terugkrijgen; dan merkt men, dat hij wel zou willen roepen: »er is gestolen een schoothondje van een oude juffrouw met wit haar en korte pooten.quot;

En wanneer hij, op een donkeren winteravond, als ge-

ocr page 116

402

jaagd door de straten rent, gevolgd door een troep jongens en vrouwen, dan leest men het op zijn bekommerd gelaat, dat zoo pas eene beangste, schreiende moeder bij hem was, die hem bad en smeekte zich toch te haasten; shaar kind, haar lieveling is zoek!quot; En hij haast zich!! In een oogenblik weet men het in de geheele stad, en Mj moedigt de jongens aan: »Zoek, jonges! zoek! Een goeje belooning, jonges! Maar al kreegie niks, denk is an je eige moeder!quot; En voort gaat hij weer, altijd denkende aan de moedersmart, waarvan hij getuige was. En als hij aan een gracht komt, dan ziet hij angstig rechts en links of nog niemand komt aanloopen met het kinderlijkje, want liij weet het: verloren kinderen worden zoo dikwijls slechts weergevonden — op den bodem van dat water!

Augustus 1879.

ocr page 117

Aan den portier van den Rijnspoorweg.

Het perron van 't Rijnspoorwegstation alhier heelt dezer dagen een groot verlies geleden. Een man, aan bijna alle reizigers, die Utrecht van tijd tot tijd passeerden — maar vooral aan de Utrechtschen zelf — bekend, is gestorven en heeft eene groote leemte achtergelaten. Een menschenleeftijd heeft hij op het station doorgebracht. Twee en dertig en een halve zon rolden hem op dat station over het hoofd 1

Wie herinnert zich niet zijne kloeke, dikke figuur, altijd op zijn post, van den vroegen morgen tot den laten avond? Geen trein kon vertrekken zonder hem. Daar stond hij; de rechterhand opgeheven en gekneld om den riem, die aan den klepel van de signaalklok bevestigd is, volgt hij met zijn altijd waakzame oogen den stationchef. Op 50 meter afstand ziet hij het kleinste knikje van diens hoofd en dit, of een zachte beweging met de hand, is voldoende: daar dreunen reeds de drie heldere vroolijke slagen door de lucht; Ting-ting-ting!

ocr page 118

1Ü4

Wie kon dat zoo als hij ? Niemand!

Hoort slechts zijn plaatsvervanger. Dof klinken thans die tonen, 't Is of de klok zelve treurt om het verlies van dien trouwen kameraad, zoo droevig is haar toon en zoo somber gonst de nagalm.

En hoe ontevreden staat het gelaat van dien plaatsvervanger! Het is of iiij 't beneden zich acht de treinen »af te luiden.quot;

Hester! Zalige overledene! Ziet ge het? Keert ge u niet om in uw graf? De taak, die gij uw halve leven met zooveel ijver, zooveel toewijding hebt vervuld, wordt thans geminacht. Onverschillig wordt de klepel tegen den binnenrand der klok geslagen: de rust achter den eersten slag wordt verzuimd en de drie slagen klinken alle even luid. Het schreit ten hemel! Uwe oogen, die altijd in tranen zwommen — waart gij dan altijd verkouden. Hester! of hoe kwam het? — zij zullen overloopen van verdriet bij 't aanschouwen van zooveel ongevoeligheid!

Maar dat komt, die man is zich ook niet bewust hoeveel nut hij in zijne betrekking kan stichten. Gij wel; gij wist dat! En uwe kameraden wisten dat ook!

Als gij op het perron waart — en gij waart er den geheelen dag — dan stondt gij niet te luieren of te slapen! Neen, met uwe scherpziende oogen overzaagt gij het geheele uitgebreide rangeerterrein en niets van wat daar voorviel ontsnapte aan uwe aandacht. Het ging u niets aan, maar dikwijls staakt gij de beide wijsvingers in den mond en het schril geluid, dat gij dan voortbracht.

ocr page 119

105

deed allen, tot op den grooteten afstand, omzien. Men wist dat het een waarschuwing was. Men kende dat fluitje van Hester.

De machinisten stopten; de wachters zagen naar alle zijden om; de rangeerders sprongen tusschen de wagens uit en allen richtten zij den blik naar het perron, van waar de goede, dikke Hester met zijn stentorstem hen op het een of ander verzuim opmerkzaam maakte.

Voor de reizigers ^vas hij een vraagbaak. Niet altijd even beleefd, maar steeds kort en duidelijk waren zijne antwoorden.

Deze nederige man, maar een voorbeeld van plichtsbetrachting, is niet meer! Een hevige zenuwkoorts maakte in weinige dagen een einde aan zijn leven.

Slechts weinige uren vóór zijn dood meende hij, ijlende, eene botsing van twee treinen te zien, en op zijn sterfbed nog stak hij de vingers in den mond en door zijne kleine woning weerklonk het schelle fluiten — dat fluiten, dat hem zeker nog lang in de vriendelijke herinnering van velen zijner ambt- en tijdgenooten zal doen leven.

September 1879.

ocr page 120

De 1 o t e r ij.

Wie hier op een Maandagmorgen tusschen acht en tien uur over de Oude Gracht gaat, zal zich verwonderen over een gedrang op eene stoep, dat reeds op een grooten afstand in het oog valt. Men zou willen vragen waarom al die menschen elkander zoo dringen en duwen en stooten om toch maar het eerst in die woning te komen; maar het huis naderende, geeft een groot plakkaat voor een der vensters reeds de noodige opheldering: «Heden trekt de loterij.quot;

Daar woont een collecteur en al die menschen zijn loterij dol. Zóóveel haast hebben zij om in 't bezit van hun ^briefjequot; te komen, dat menigeen in de hitte van het gedrang een pand van de jas of een slip van het jak verliest, en niet zelden gebeurt het dat des collecteurs ruiten verbrijzeld worden. De man heeft de reputatie van sgelukkig in het spelquot; te zijn, en ofschoon zijne loterijbriefjes uitdrukkelijk vermelden, dat zij, ingebleven

ocr page 121

107

zijnde, verwisseld kunnen worden u i t e r lij k Vrijdags vóór de trekking, is hij menschlievend genoeg om in het belang van den werkman, die eerst Zaterdagsavonds zijn zuurverdiend loon sbeurtquot; ook des Maandagsmorgens de gelden in ontvangst te nemen, die aan deze philantropische staatsinstelling worden ten offer gebracht.

'-En daarom is de drukte hier zoo groot!

«Dat roept een vreu^degelach op ieders wezen!

zou Jan van Beers zeggen, en wellicht jongelingsdroomde hij er nog bij:

En dat is alles om het aardsche slijk . . .

O God! hoe ijselijk! hoe ijselijk!

Ja, wel is het ijselijk als men denkt aan al die verwachtingen , die opgewekt worden; aan die hoop om zonder ijver en spaarzaamheid rijk te worden: aan de luchtkasteelen, die gebouwd worden — en aan de bittere teleurstelling, die er op volgt.

Ja maar......het heeft toch verleden jaar nog in de

krant gestaan: die vrouw — hier in Utrecht — een arme schoonmaakster, die had, om haar briefje te kunnen verwisselen, het geld bij de buren moeten leenen, zóó arm was zij!

En die heeft toch de twintig duizend gehad!

En daarom — de jongen heeft een paar nieuwe schoentjes wel hard noodig en als de boter niet als met een scheer-kwastje over zijn boterham werd gesmeerd, dan zou hem die denkelijk ook wel beter smaken; maar dat kan nu niet anders!

ocr page 122

108

Moeder staat ook in het gedrang en haar zesjarigen knaap heeft zij aan de hand. In de andere hand heeft zij het geld.

Maar straks, als zij voor het raampje van den collecteur komen — nu zou hij het misschien nog verliezen — dan stopt zij het in zijn kleine hand en zij tilt hem op, want hij moet het lot koopen.

In z ij n zondenregister hebben de engelen nog zoo weinig te noteeren gehad, dat Onze Lieve Heer hem mogelijk wel een gelukkig nummer in de onschuldige hand zal laten komen.

En als er »wat op komtquot;, dan — dat hebben de oude lui vast afgesproken — dan zal hij seen goeiequot; hebben in... een spaarpot, dien ze dan voor hem koopen zullen.

lederen avond, gedurende de trekking, stapt vader met den jongen, na afloop van het werk, naar het huis van den collecteur om de trekkinglijst, die voor het venster staat, in te zien. In de vijfde klasse, als de nieten komen, gaat hij dikwijls met kloppend hart.

't Is de derde week al! Wat staati mooi! Wat staati mooi! De honderd duizend er nog in! De vijftigduizend er nog in! En i k er nog in! Wat staati mooi!

Met een lucifer of het vuur zijner pijp verlicht hij de trekkinglijst; 35 — 39 pf.! 37 gelukkig niet! Maar nu volgt weer 32 . . . De nummers staan niet in volgorde . .. Och God ja! daar staat 37 ook!

«Kom maar jongen! Dat zal moeder tegenvallen. Alweer een niet.quot;

ocr page 123

-109

))Op dat briefje, dat ik gekocht heb, va?quot;

»Ja jongen! op dat briefje, dat jij gekocht hebt!quot;

«Hejakkes!quot;

))Och! dat is voor ons niet weggelegd, jongen! Dat

zal zeker wel weer voor zoo'n rijken ber.....g wezen!

De duuvel......quot;

Na het uitspreken van dit vulgaire spreekwoord stapt hij nijdig door.

Zijn humeur wordt er niet beter op , nadat hij onderweg er hier en daar »een genomen heeft.quot;

Moeder had het wel gedacht, toen zij zoo lang wegbleven, dat het weer een »nietquot; was .... Zij is ook van opinie, dat het wel weer iemand wezen zal, die het niet noodig heeft, op wiens nummer de hooge prijs zal vallen. Misschien nog wel op een heel lot! Zoo gaat het immers altijd! — De arme schoonmaakster van verleden jaar is vergeten.

Zoo gaan zij ter ruste. Armer nog dan vroeger — doodarm! — aan geld, en rijker dan voorheen—schatrijk ! — aan ontevredenheid.

October 1879.

ocr page 124

Een spoorweg-ongeluk.

)jAlweer een zijn been afgereden, meneer!quot;

»Zoo, zoo! wanneer?quot;

«Daar net, meneer! Met den trein van één uur tien naar Rotterdam ?quot;

«Zoo, zoo! En wie is 't? Ken ik hem?quot;

))U zult hem wel kennen, — zoo'n lange jongen met een hooge zijden pet op! Piet Brinkering!quot;

»0 ja, dien ken ik! Zoo, zoo! En is er al iemand bij hem?quot;

»Ik kom juist van den chirurgijn, meneer! Die zou dadelijk komen.quot;

»Zoo, zoo!quot;

't Was sdaar netquot; gebeurd!

Haastig moesten nog een paar veewagens worden aangehaakt, en vlug als altijd sprong hij tusschen de wagens om de koppeling te bevestigen. Met het fluitje in den mond gaf hij zelf het teeken dat »alklaarquot; was; de trein wordt afgeluid en zet zich langzaam in beweging; dan klimt hij er tusschen uit. Dat heeft hij immers wel duizendmaal gedaan.

ocr page 125

Ill

Wel duizendmaal! Maar ditmaal niet.

Een vreeselijke gil wordt honderdvoudig door de ijzeren kap weerkaatst en doet den omstanders het bloed in de aderen stollen. De reizigers steken de hoofden buiten het portier en twintig fluitjes tegelijk waarschuwen den machinist.

Houd op! Daar ligt een inensch onder die verschrikkelijke wielen!

De machinist stopt.

Om Gods wil, nu staat het tweede wiel juist op zijn been! Terug! Terug! Een eindje terug!

De trein gaat een eindje terug en uu wordt de ongelukkige onder den wagen uitgesleept.

»De trein had door dit ongeval gelukkig slechts ééne minuut oponthoud,quot; luidde het in 't officieele rapport.

Medelijdende kameraden dragen hem naar de conducteurskamer — de kamer der smarte — en leggen hem op de tafel.

»0 God, mijn been! mijn been!quot; kermt hij.

»Zoo zooquot; komt ook eens kijken. »Zoo zooquot; is iemand met een gevoelig hart, maar hij laat dat niet graag merken. Hij heeft zulke verminkingen, en ergere nog, al zoo dikwijls gezien! Hij is ook »aan het spoorquot; en er aan gewend.

«Zoo zooquot; heeft eens in een mand, zoo maar door elkaar geworpen, stukken vleesch — menschenvleesch! — en beenderen — menschenbeenderen! — en stukken blauw laken en koperen knoopen gezien, wat alles te zamen, een halfuur voordat «zoo zooquot; het zag, nog een kapelmeester van de infanterie was geweest.

ocr page 126

H'2

En op die tafel — diezelfde tafel, waar Piet nu op ligt te kermen — och, och, daar zijn wel andere zuchten geslaakt dan »o God! mijn been! mijn been!quot;

»0 God! mijn arme vrouw! mijn arme kinderen! o God! mijn goede oude moeder!quot;

En dan zij, die niet kermden, die niet zuchtten! Die alleen maar onophoudelijk met het hoofd schudden, en wie tusschen de gesloten oogleden uit, de tranen over de verbleekte wangen biggelden — tranen, niet van pijn — ach! daaraan dachten die brave vaders niet — maar tranen van droefheid over hen, die zij achterlieten en wier eenige verzorgers zij waren.

»0 God! mijn been! mijn been!quot;

»Zoo zooquot; vindt toch dat dit ook verschrikkelijk is. Een jonge, flinke borst! Werkzaam, oppassend, de hoop, de trots zijner ouders wellicht? — 't Was maar een arbeider, maar ook de ouders van arbeiders mogen wel eens trots op hunne kinderen zijn. — En nu voor zijn geheele leven verminkt!

Den langen weg naar het graf zal hij voortaan op een kunstbeen moeten afleggen.

Zal het een lange weg zijn? »Zoo zooquot; staart den brancard na, waarin men den verminkte naar het ziekenhuis brengt en schudt twijfelend het hoofd. Hij hoorde den chirurgijn zacht tot den stationchef zeggen: »Hij houdthet niet!quot; 1) October 1879.

1

Toch heeft hij het wel gehouden en heeft later, zooals dat de lof-waardige gewoonte bij de spoorwegmaatschappijen is, eene betrekking gekregen, die hij ook, verminkt als hij was, kon vervullen.

October 1887.

ocr page 127

L ink s b o e r e ii wij f j e s

is eene uitdrukking, waarvan zonder toelichting, de be-teekenis door de meeste Nederlanders niet zal begrepen worden. In onze stad is zij echter bij velen bekend en vooral in de maand October van elk jaar hoort men haar zeer veel gebruiken. Het is een kunstterm, die gebezigd wordt in een barbaarsch spel, dat in het eerwaarde Utrecht, op de openbare straten en pleinen, onder de oogen der politie, in het jaar 1879 nog ongestoord dooide lieve jeugd gespeeld wordt. Men kan geene straat passeeren of overal ontmoet men een jeugdigen beul, die bezig is een armen vogel te martelen.

Het kleine dier zit hijgend op eene kruk, die de knaap in de hand houdt. Het open bekje, dat zwoegende, kleine borstje, die vleugels, die hem slap langs het lijf hangen, het zijn teekenen, dat het beest doodelijk vermoeid is. Kn 't is geen wonder! Tienmalen achtereen heeft zijn eigenaar het — op verzoek en onder toejuichingen der v. rekkes. 8

ocr page 128

1 14

hem omringende makkers — dat kunststuk uit de hoo-gere vliegschool laten uitvoeren, dat bekend staat onder den weidschen naam van slinksboerenwijfjesquot;. Dit vermaarde kunststuk bestaat daarin, dat den vogel de kruk niet met een ruk onder de pooten wordt weggetrokken, maar dat men door een flinken zwaai, waarmede een kwart cirkel van links naar rechts met dat instrument beschreven w:ordt, het beest een eind ver de lucht inwerpt. Dan houdt de knaap de kruk achter den rug en laat het teeder vogeltje — een sijsje dikwijls — rondvliegen, den last van eenige strengetjes ruw garen achter zich aan slepende, totdat het van vermoeienis bijna ter aarde valt. Zeer dikwijls is het dier werkelijk zoo uitgeput, dat het de eindelijk opgestoken kruk niet meer bereiken kan en op den grond stort. Dan wordt het touw ingekort tot op een meter of vier, en een forsche ruk trekt den vogel van de straatsteenen en slingert hem in de hoogte om, neervallende, meestal eerst na vele vergeefsche pogingen, op de kruk terecht te komen.

Gelukkig slaat het schooluur en het beestje wordt in de kooi gezet, als het juist nog kracht genoeg heeft om bij het fonteintje te komen en door vele schielijke teugen van het frissche water zich eenigszins te herstellen. Na weinige uren rust begint echter de pijniging opnieuw, tot het arme dier op een goeden morgen dood in zijn kooitje wordt gevonden.

Somtijds gebeurt het, dat het touw breekt en de kleine vogel ontsnapt. Vroolijk tjilpend vliegt hij naar den top

ocr page 129

115

van den hoogsten boom en huppelend van tak tot tak, klinkt voor het eerst na vele dagen weer zijn dartel liedje — het liedje van de vrijheid. Helaas! korte vreugde! Het eindje garen, dat nog aan zijn »broekjequot; is blijven zitten — het wart zich om de dunne twijgen, waarover het beest zoo blijde heen en weer springt en weldra fladdert het in den boom, als een oogenblik te voren aan de kruk, tot het eindelijk, uitgeput, stil blijft hangen en den hongerdood sterft.

Zóó martelt men onze schoonste vogels: vinken, putters, robijnen, roodborstjes, sijsjes. Al die lieve zangers worden op de kruk gedresseerd.

En hoe!

quot;Wat men op straat ziet is nog niets, vergeleken met hetgeen binnenshuis plaats heeft. De vogels, die men buiten laat vliegen, zijn reeds safgeëxerceerdquot;. Maar vóór zij zoover waren! In een donkeren gang of portaal, waar het beest niets zien kan, wordt de vogel uren achtereen skrukvastquot; gemaakt. Telkens wordt de kruk onverwachts onder het beest weggerukt, dat instinctmatig deze eenige hem bekende rustplaats navliegt.

Hoe dikwijls het daarbij echter in den eersten tijd tegen andere voorwerpen aanvliegt of neervalt laat zich begrijpen en de meesten bezwijken dan ook van afmatting, alvorens zij het ver genoeg gebracht hebben om in het publiek op te treden.

Twee vogels op ééne kruk en aan éénen draad is het hoogste wat in de vogeldressuur denkbaar is, en dit ziet

8*

ocr page 130

116

men gelukkig dus ook maar hoogst zelden. Maar als liet nog eens weer te zien kwam ('t is nu in een vijftal jaren niet vertoond!) wel, als het juist zitting van den Gemeenteraad was, zij zou opgebroken worden om den wetgevers de gelegenheid te geven dat hartverheffend schouwspel te gaan genieten 1).

October 1879.

1

Korten tijd na de verschijning van dit stukje in de Nieuwe Rotter-damsche Courant quot;besloot de Utrechtsche Raad — als ik mij niet vergis, op initiatief van den heer Van BejJningen — dit barbaarsche spel te verbieden.

ocr page 131

Bram de Mo p.

Acht gulden de honderd! 't Is ontzettend! Het woordenboek voor de Nederlandsche taal, dat van een oester alleen zegt: »een bekend weekdier,quot; had beter gedaan haar te noemen: seen duur, een schandelijk duur weekdier!quot; — Een bekend weekdier! .... 't Is ironie! Hoe menigeen kent van de zeden en gewoonten der oesters weinig meer dan dat zij, uren en dagen lang, onbeweeglijk achter de spiegelruit van een vischverkooper kunnen liggen en dat zij zich laten annonceeren tegen een gulden het dozijn, met geroosterd brood en citroen.

Neen, dan mag haar zwarte natuurgenoot op meer algemeene bekendheid bogen! De mossel, dat is een dier! Die valt onder ieders bereik, en om haar te sleerenquot; eten, haar lekker te vinden, behoeft men al geen langere oefening dan noodig is om smaak in oesters of jenever te krijgen. Men eet mossels met olie en azijn en peper, en drinkt er een glas gewoon Hollandsch bier bij. Zoo sbehoorenquot; mossels gebruikt te worden, terwijl een oester — dat aristocratisch beest — zich «gekleineerdquot;

ocr page 132

118

zou achten, als zij niet met Moët of ten minste met Pale-ale grafwaarts werd gespoeld.

En even groot als het verschil is tusschen die grijze en zwarte schelpdieren zelf, even groot is het verschil tusschen hen, die ze verkoopen en gebruiken. Het zijn prachtige, groote winkels waar de oesters verkocht worden; maar wie heeft ooit van »mossel paleizenquot; hooren spreken? Een mosselschuit, een mosselwagen, dat zijn de nederige plaatsen, waar die zwarte lekkernij verkocht wordt. En zij worden langs de staten gevent met luid geschreeuw.

Bram de Mop verkoopt ze.

Er hangt een dikke mist. »I)e Dom is uitte stadquot;, zegt Bram, en wil daarmee te kennen geven, dat van dien hoogen toren op twintig passen afstands niets te ontdekken is. In dien dikken mist loopt Bram de Mop met wijd geopenden mond en kondigt met heesche stem, half zingend, half schreeuwend, zijn koopwaar aan.

Hoort! het dringt tot uwe huiskamer door;

Zee ... ie ... zee . . ie . . . Zeeland!

Zeelan......semoes!

Loo . . o . . o . . o . . opan, loo—pan!

An de Meertjiesbrng leit te schui—tan!

Aan de Maartensbrug ligt de schuit, en men moet aanloopen, aanloopen! om van de Zeelandsche (Zeeuwsche) mosselen, die zij in heeft, te kunnen koopen. Want straks vaart zij weer door naar een ander deel der stad en dan schreeuwt Bram het daar uit, dat de schuit »an de Jecobiebrug leit.quot;

ocr page 133

119

Vroeger — heel, heel lang geleden — lag de schuit meestal aan het Kermiswaterpoortje, en Bram heeft het jaren lang volgehouden — toen dat eerwaardige overblijfsel onzer vestingwerken reeds opgeruimd was — nog altijd met dien naam de ligplaats van zijn schuit bekend te maken. Maar eindelijk heeft hij het nagelaten. Zijns ondanks moest hij smet zijn tijd mee.quot; »Maar an de Nuuwe brug he'k toch nooit wille roepe meneer.quot; Neen, daartoe was hem de herinnering »an 't Kèrremuswaoter-portjiequot; te dierbaar.

't Is een van de merkwaardigste mannen onzer stad — die Bram de Mop. Bram is een verkorting van zijn aartsvaderlijken vóórnaam, en de Mop is een bijnaam, dien hij reeds van zijne jeugd af draagt en waarschijnlijk te danken heeft aan zijne kleine, dwergachtige gestalte en zijn welbesneden gelaat, dat eenigszins aan den kop van den mophond herinnert. Hoe zijn ware naam is, weet niemand; dat is een diep geheim — een secret de familie! Nog een ander geheim hult Bram's leven in een eenigszins mystiek waas. Wanneer slaapt hij, of slaapt hij zelfs wel ooit? Zóó vroeg kan Gods lieve zon niet aan de Oosterkimmen rijzen of hare eerste stralen — voor zoover die Utrecht's straten bereiken — beschijnen Bram de Mop. Op welk uur van den dag of den avond men voorts op de visch- of botmarkt, of elders in de stad komt, men hoort en ziet Bram zijn bedrijf uitoefenen. En 's nachts?! Kleppers, lantaarnopstekers, studenten en anderen, wier maatschappelijke positie meebrengt, dat zij

ocr page 134

•120

's nachts langs de straten zwerven, zouden kunnen getuigen, dat ook het lieflijk licht der maan en de zacht flikkerende sterren den wandelenden de Mop bestralen. Geen sneeuw of regen, geen stormwind is in staat hem van de straten te verdrijven, en zijn sgoeje navendquot; — zoolang het donker is, zegt Bram, om Mlen schijn op te houden,quot; tegen studenten altijd »goeje navendquot; — klinkt dan zoo schor — hij heeft, wat men noemt een grog-, een erge grogstem — en zóó onverwacht den voorbijganger in de ooren, dat deze er van schrikt. Is het een vroolijk troepje studenten, die hem op eene nachtelijke excursie ontmoet, dan is Bram de gelukkigste der stervelingen. Dat zijn zijne vrienden, zijne beschermers! Welk student kent Bram de Mop niet! In welke plaats van ons land »staatquot; de dominé, de dokter, de advocaat, die als student in Utrecht «gelegenquot; heeft, en zich Bram de Mop niet herinnert! Een studentenfeest zonder Bram is geen studentenfeest. Bij een gecostumeerden optocht is hij de belachelijkste anonymus, dien men zich kan voorstellen. Bij een rijlol zit hij in potsierlijke kleeding op den bok van het eerste rijtuig en bij zoo menigen anderen jool vervult hij de eene of andere rol. Helaas! aan dien omgang met de studeerende jongelingschap heeft hij, behalve een paar woorden Latijn, ook de weinige donkere stippen te danken, die somtijds, in de meer dan 50 jaren, dat hij aan de zijde eener trouwe gade den levensweg bewandelt, zijnen anders zoo helderen huwelijkshemel verduisterd hebben. Want bij die feesten kent Bram «zijn maatquot;

ocr page 135

niet, en hij komt clan wel eens wat vreemrl thuis. niet zelden op een ladder. En bij zulke afwijkingen van het pad der deugd is »zijn oudequot; niet gemakkelijk. Maar met manlijke energie weet hij ook dan zijn prestige te handhaven, en ofschoon niet zoo welsprekend als anders, toch nog krachtig genoeg om haar het zwijgen op te leggen, schreeuwt hij «as et nou lang genog isquot; zijne wederhelft toe: ■oWijf hou je mond! Volks popeli, volks deeji! En nou na je bed, hoori! Sst!! . . geen woord meer! Hooreki nog?!quot;

Intusschen — al die sbataillesquot; zijn Bram niet »in zijn kleeren gaan zitten.quot; Hij takelt af! Bij het laatste Sint Nicolaasfeest werd hij reeds gemist, tenzij hij achter een der menigvuldige drakenkoppen verscholen is geweest, 't Is waar, hij telt ook al een goede zeventig, maar — »'t is zen eige schuld! asti zen eige nie soo mit tie jonge lui opgehouwe had, dan wasti misschien nou al wel negentig gewistquot;, zegt zijn buurvrouw.

Hij heeft het zich in den laatsten tijd wat gemakkelijk gemaakt. De zware mand, die hij vroeger aan den arm droeg, heeft hij afgeschaft, en een handwagentje heeft ilie vervangen. Moge hij op dien weg kunnen voortgaan en in staat zijn het zich in zijne laatste levensjaren steeds gemakkelijker te maken. Zijn leven, hoe nederig ook, is werkzaam genoeg geweest om dat te verdienen, en dan kan Utrecht in hem ook nog lang een origineel type bezitten.

December 1879.

ocr page 136

De laatste dagen des jaars.

Niets maakt zulk een treurigen indruk als het zingen van kerstliederen langs de straat, wat hier nog altijd, ofschoon aanmerkelijk minder dan vroeger, in zwang blijft.

Altijd zijn het jonge meisjes, die door de ouders worden uitgezonden om zingende te bedelen, en gewoonlijk zijn het er twee, van welke de eene veel grooter is dan de andere. Eén schoudermantel beschut beiden tegen de kou, en het bleek gezichtje van de kleinste steekt zoo droevig uit de opening, die de oudste met hare rechterhand aan de voorzijde maakt, dat men er medelijden mee moet krijgen. Zoo gaan zij voor een winkel staan, waarvan de oudste de deur met haar klomp op eene reet houdt, door welke zij dan haar lied naar binnen zingen. In de buitenwijken of in de stillere gedeelten van de stad ziet men dikwijls zoo'n paar kinderen des avonds op eene hooge stoep staan zingen met den mond voor de sleuf van de brievenbus in de deur, opdat toch hun klagende toon doordringe tot

ocr page 137

4 23

de warme binnenkamer en het medelijden der beter bedeelden opwekke. Hoort! hoe hun lied klinkt:

Maria, better in-offecie eu al ope gedaan!

En daar heeft ze -n-uit gelee . .. hee ... ze En astat ter nn Koning zou gebore zijn.

Uit een zuivere maagdelijn !

Zoo volgen nog eenige coupletten, totdat eindelijk in het laatste een beroep wordt gedaan op de liefdadigheid

In den . .. heu ... ze korst . . . avende.

Somtijds ontvangen de kleinen iets; meestal worden zij zonder kerstgave weggezonden of door een blaffenden hond, die uit den winkel op hen toeschiet, verjaagd. En als zij geen geld genoeg te huis brengen dan wacht haar wellicht een pak slaag ... Is het wonder, dat zij aanhouden; dat zij — wat wij noemen — «brutaalquot; zijn!

Gelukkig! met de «donkere dagen vóór Kerstmisquot; is ook deze droeve verschijning in Utrecht's straten verdwenen.

En een vroolijker dag zijn wij tegemoetgesneld; den dag van «vergeten en vergevenquot;.

Maar ach . . . men merkt niet meer dat het oudejaarsavond is! Schieten mag men niet meer; groote taptoe is er niet meer; de torenwachter blaast niet meer; oesters eet men niet meer; vergeven doet men niet meer!

Hoe geheel anders was het vroeger! Ruysch de vuurwerkmaker (pyrotechnicus, heet zoo'n industrieel tegenwoordig) woonde op de Mariaplaats — in het huis, waar thans internationaal bier wordt geschonken — en van den

ocr page 138

vroegen ochtend werd zijn winkel bestormd. Voetzoekers 1 ct.; sissers twee voor 1 ct,; zevenklappers: vijf voor vier duiten ct,); een Rorneinsche pijl voor een stui

ver; een groote zon voor een stooter ('12 V2 cent). Wie kon de verzoeking weerstaan om daaraan zijn geld te besteden! Reeds voordat het donker was, vlogen de voetzoekers door de lucht. Dames en paarden verschrikten en gingen op hol (de laatsten namelijk; de eersten vielen alleen maar). En 's avonds ten 9 ure groote taptoe met »volle muziekquot; van de veld-artilleiie door de stad. En dan werd er geschoten met pistolen, zoo maar tusschen de menigte in! En dan werd er tusschenbeiden eens een zwaar gekwetst of doodgeschoten... dat hoorde er bij!

En om tien uur blies de torenwachter voor het eerst! Op dezen avond was het niet zijn gewone eentonige melodie, die hij ieder half uur deed hooren; niet zijn Ra-ta-ta-ta-ta-dera! Neen, vroolijke deuntjes klonken boven uit de peperbus (Buurtoren), totdat hij, klokslag 12 uur, 't quot;W i e n N e e r 1 a n d s c h bloed en Wilhelmus van Nassau en liet hooren, waarvoor hij met een luid hoerah! der menigte op straat beloond werd. Helaas, ook dit is afgeschaft! En dat is een verlies, dat Utrecht nooit geheel te boven gekomen is of te boven komen zal. We hebben nog een torenwachter, ja! maar een niet-blazende torenwachter, 't Is een torenwachter-telegrafist! Misschien is telegrafeeren een veel beter middel om wakker te blijven, dan blazen op een trompet; 'tis mogelijk (ofschoon we 't niet ondervinden, want de groote branden zijn

ocr page 139

125

hier eerst inheemsch geworden na de opheffing der trompet); maar wie weet het dat die man op den toren wakker is? Niemand dan een inspecteur van politie aan de hoofdwacht, die misschien zelf niet wakker is. Vroeger wist de geheele stad het of kon het althans weten. Ieder half uur klonken de schetterende tonen door het luchtruim, en men vlijde zich zoo gerust neder met de wetenschap, dat daar een scherpziend oog over ons waakte en ons voor levend verbranden behoedde. Meer nog dan de klepperman van Van Alphen maakte hij dat men goed slapen kon. Hij blies uit de vier . . . neen, slechts uit drie hoeken van den toren. En ja, dat was wel eens een reden, dat men als kind minder goed sliep. Want in dien vierden hoek, waar hij niet blies — zoo luidde het bakerpraatje — daar spookte het, en al de voorgangers van dezen torenwachter, die het gewaagd hadden toch uit dien hoek te blazen, waren hals over kop door het spook uit het raampje geworpen en op de straat te pletter gevallen. Deze torenwachter was wijzer!

Ja, wel was hij wijs! Ook in andere opzichten gaf hij daarvan blijken. Zoo bijvoorbeeld in het ophalen der belasting, die hij sinds jaar en dag, in den vorm van kermis- en nieuwjaarsfooien, der burgerij oplegde.

Nauwelijks was in Juli de kermis voorbij, of de torenwachter kwam u «veel heil en zegen in 't nieuwe jaarquot; wenschen. En de maand Januari was nog niet ten ein.de, of het spleizierige kermisquot; werd u reeds gulhartig door hem toegeroepen. »Hij had zooveel menschen na te loopen.

ocr page 140

dat hij wel wat vroeg beginnen moest om op tijd overal geweest te zijn.quot;

Dat heeft men hem kwalijk genomen, en sedert lang is hij geen torenwachter meer. Nu, hij zal daarom niet van verdriet gestorven zijn. Sinds de invoering van de telegrafische verbinding tusschen zijn toren en het politiebureau, had hij een tegenzin in de bediening van zijn ambt. Hij hield niet van »die nieuwe uitvinsels. De minse zelle nog net zoolang an 't uitvinde blijve, datter heelegans geen minse meer noodig binne,quot; verklaarde hij.

December 1879.

ocr page 141

Onverdraagzaainheid in de omstreken van Utrecht.

Te Driebergen en in liet naburige Rijsenburg werd in het voorjaar de algerneene belangstelling gewekt door een geschil tusschen een lijken grondbezitter en een logementhouder aldaar — een geschil, dat wellicht tot een belangrijke rechtsquaestie kan aanleiding geven, maar in ieder geval thans reeds door de omstandigheden een allerbe-lachelijkst karakter heeft.

Op de grens tusschen de gemeenten Driebergen en Rijsenburg loopt eene laan — de Loolaan — die dooiden straatweg gesneden wordt. Het gedeelte der laan links van den straatweg wordt uit vrijwillige bijdragen van ingezetenen tot een flinken, harden, berijdbaren weg gemaakt; de laan ter rechterzijde van den straatweg is een mulle zandweg, met diepe wagensporen, en die bij de minste regenbui in een moeras verkeert. Deze laan is een publieke weg, die toegang geeft tot eenige boerderijen en ook tot een perceel grond, dat voor een paar jaren

ocr page 142

1'28

door den rijken grondliezitter aan den logementhouder is verkocht. Deze heeft op dien grond een fraaie villa doen bonwen, met het doel die te verhuren, en niets natuurlijker dus dan zijn streven om den toegangsweg tot zijn perceel in begaan- en berijdbaren toestand te brengen en te houden. Die toegangsweg — de laan — is echter het eigendom van den rijken grondbezitter, ofschoon hij geen recht heeft dien af te sluiten of den toegang voor iemand, wie het ook zij, op eenigerlei wijze te belemmeren. Reeds vóór twee jaren bracht de logementhouder puin en steenen op dien weg, en vooral onder de wagensporen, en het gelukte hem van de rnodderlaan een vrij goed begaanbaren weg te maken. Dezen winter zette hij dien arbeid voort; maar nu komt voor een drietal weken de eigenaar en laat hem gerechtelijk sommeeren de laan in haar vorigen toestand terug te brengen. De logementhouder meent echter in zijn recht te zijn, wanneer hij voor zijne kosten een weg tracht te verbeteren waarover hij recht van toegang heeft — en waaraan de eigenaar zich niets laat gelegen liggen — en gaat voort met liet doen instampen van puin. En wat gebeurt er nu! Een proces? Neen! Ook de heer L. (de rijke grondbezitter) zendt evenals de logementhouder een arbeider naar de laan. De een is gewapend met een houweel, de ander met een stamper. Zij ontmoeten elkander aan den ingang van de laan. «Gemerrege Jaep!''

«Gemerrege Teun!quot; »'t Is frisch van merrege jong!quot; )),(ae Teun! we zullen ierst maar es upstèke, he? wat

ocr page 143

129

zeg jai!quot; »Wel zéker, Jaep! 't et gien haost!quot; Zijsteken eens op en babbelen nog een wijl, maar eindelijk aan het werk. En welk werk! Als er ooit in deze onver-draagzame wereld monnikenwerk is gedaan, dan is het geweest in het voorjaar van 188Ü, in de Loolaan te Driebergen.

Jaep met den stamper gaat vooruit, en hij stampt er de steenen in, alsof zij er nooit meer uit moeten! Teun met het houweel volgt onmiddellijk achter Jaep en pikt er de steenen uit, alsof zij er nooit meer in moesten 1 Zoo gaat het een poos voort, tot Jaep zich omkeert en, terwijl hij Teun een «pruimpjequot; aanbiedt, zegt: »'t Is toch werrem as ie werkt, Teun!quot; Teun, die juist bezig is een handvol van den hem aangeboden tabak met de tong te verzamelen en op de daartoe bestemde plaats in den mond te brengen, kan slechts bevestigend knikken en werpt tevens een «beteekenendenquot; blik op den voet van een boompje, waar de beide arbeiders spoedig vertrouwelijk nevens elkander zitten. Teun haalt een (leschje voor den dag en terwijl zij^ zoo genoegelijk tot «schofttijdquot; zitten te praten over de dwaasheid der menschen, komt het niet bij hen op, dat de inhoud van hun fleschje een «kanker aan de volkswelvaartquot; zou zijn. »De onverdraagzaamheid welquot;, meende Jaep.

Na «schoftenquot; komen zij terug, en Jaep begint weer te stampen, met Teun achter zich, waar hij 's morgens begonnen is.

Dagen lang heeft die «toestandquot; geduurd en wekte

v. Renkes. 9

ocr page 144

430

niet weinig den lachlust dei' ingezetenen op. Eindelijk zegevierde het «slijk der aardequot;. De grondbezitter zond vier arbeiders — en hij zou desnoods een geheel leger gezonden hebben — en de logementhouder trok den zijnen wijselijk terug. Hij wilde zich niet arm stampen! De laan is weer een mulle zandweg met diepe wagensporen, en de fraaie villa, die de logementhouder voor twee jaren op het van den grondbezitter gekochte perceel bouwde, staat nog altijd ledig.

Wat er nu gebeuren zal, is nog niet uitgemaakt 1). Zooveel is zeker dat de weinig aristocratische handelwijze van den heer L. bij niemand sympatliie vindt. Zelfs circuleert er reeds eene lijst, waarop voornamelijk door standgenooten van den heer L. ruime bijdragen zijn ingeschreven om den logementhouder voor de kosten van een eventueel proces schadeloos te stellen.

April 1880.

1

Later heeft de grondeigenaar, door de publieke opinie gedwongen, de laan aan den logementhouder voor een billijken prijs verkocht.

ocr page 145

Hoe ïivoli geworden is, wat het is.

Het zwaard van Damocles, dat sedert eenige jaren het kunstlievend publiek alhier boven het hoofd hing, scheen eindelijk te zullen nedervallen.

T i v o 1 i zal worden verkocht!

Het is niet te verwonderen, dat den ondernemers de moed ontzonk: er is met Utrecht niets te beginnen. Men klaagt dat. er zoo weing gelegenheid tot ontspanning is, en die eenige gelegenheid, welke er nog is, wordt niet gesteund. Men klaagt en blijft thuis. Nu meene men niet, dat de voornaamste oorzaak van deze onthouding van publieke vermakelijkheden gelegen is in de kerksch-heid, waarvan Utrecht in den lande de reputatie heeft (er zijn er zeer velen, die zich een eerzaam Utrechtsch huisvader niet anders kunnen voorstellen als met een witte das).

Och neen, in dat opzicht verdienen wij onze renommee niet. Men heeft een vaste plaats in de eene of andere

9*

ocr page 146

132

kerk, neemt anderhalve cent meè — de heele voor het diakenzakje en de halve voor dat van de narooiers — en dat is al het geld wat men aan de kerk ten offer brengt. Vandaar dan ook dat het kerkbestuur der Nederduitsch Hervormde gemeente zich eenige jaren achtereen «geroepenquot; voelde, om met een hoofdelijken omslag te dreigen, als inen niet wat vrijgeviger beliefde te worden.

Er is hier wel eene zekere partij in de stad, die uit godsdienstige overtuiging het park Tivoli op den Index heeft geplaatst, maar die is betrekkelijk niet zeer groot. Wanneer zij, die den schouwburg, het stadsconcert, de studentenconcerten (deze vooral: kostelooze introductie) bezoeken, ook slechts Van tijd tot tijd de wekelijksche concerten in Tivoli (die toch inderdaad het aanhooren wel waard genoemd mogen worden) met hunne tegenwoordigheid wilden bevoordeelen, de zaak zou zeker meer levensvatbaarheid hebben dan thans. Maar neen, het is voor eene stad van 70,000 inwoners werkelijk een zeer klein aantal abonnés dat Tivoli telt, en het zijn zoo zeker eiken Zondag morgen en eiken Zondag avond dezelfde gezichten, die men er ziet, gelijk de Domtoren van gisteren, dezelfde is als de Domtoren van heden.

Waai' het aan ligt ? Tivoli was vroeger jaren onder een andere directie, een zomertuin, die bijna uitsluitend bezocht werd door de hoogere klasse. l)e burgerij waagde liet niet daar den voet te zetten. Zij herinnerde zich maar al te wel het verhaal van den timmerman, die op een Zondagmorgen, gekleed in een nieuwe bruine jas van dege-

ocr page 147

133

lijke stof — die zijn geheele verdere leven moest duren; men kon die toen nog krijgen — oen zijner aristocratische klanten, aan wien hij veel geld verdiende, op de wandeling ontmoette. Deze hield hem staande en zei met een «minzaamquot; lachje, hem bij een pand van de nieuwe jas vattende: «Wel, wel, wat een mooie jas! Kijk eens, het goed is haast nog mooier dan het mijne. Je moet me morgen je rekening maar zenden, hoor!quot;

Dat laatste woord had beteekenis. De timmerman, die zich vermat zoo'n mooie jas te dragen, heeft nooit meer seen slagquot; voor zijn klant gedaan.

Die geschiedenis — en meerdere van dien aard wellicht — hielden de burgers een tijdlang uit de nabijheid der hoogere standen.

Toch — het waren zeker vrijdenkers — kwamen er langzamerhand burgers in Tivoli.

Eerst »grootequot; m mufacturiers en kruideniers.

Met hunne komst verdwenen graven en gravinnen.

Toen kwamen sgrootequot; kamerbehangers, bakkers en zelfs slagers.

Weg waren de baronnen en baronnessen!

En het zoele windje van schoenmakers en andere neringdoende lui, dat daarna kwam opzetten, verdreef jonk-iieeren en jonkvrouwen en wat verder nog het sieraad van Tivoli uitmaakte.

Daar zat nu de burgerij «onder mekaarquot; elkander te begluren en van elkander kwaad te spreken, duizendmaal

ocr page 148

134

erger dan zij zich verbeeld had dat de sgroote luiquot; het van haar deden.

Een heilzamen schrik hielden dezen er in door zich een enkelen keer bij buitengewone gelegenheden nog eens te vertoonen en dan had menige timmerman zijn Zondagsche jas wel het binnenste buiten willen keeren, als hij een klant herkende. En zijn tafeltje bleef dan den geheelen avond «blanco.quot; Zijn vrouw en dochters moesten haar dorst maar «ophoudenquot; en hij sloop, na voor den schijn eerst in zekere andere richting geloopen te hebben, wel eens ongemerkt naar het buffet.

Dat men zich niet amuseerde is zonneklaar.

Men had geen moed de ware oorzaak te bekennen en zocht andere (veelal ongegronde) redenen, waarom men zeide er liever niet heen te willen. Zoo kwijnde Ti voli voort; verstoeten door de grooten en machtigen der aarde, half verlaten door de burgers.

Er kwam nieuw leven. Een zaal geschikt voor groote concerten en andere uitvoeringen was voor Utrecht een dringende behoefte. Zij weid dooi- den ondernemenden eigenaar in T i v o 1 i gebouwd en — door wiens schuld zij thans daargelaten — de som die als benoodigd geraamd was en waarvoor eene leening was gesloten, bleek veel te gering te zijn.

Dat was noodlottig voor de zaak, het werkte nadeelig op de inrichting van de zaal, in hoevele opzichten deze ook aan liet doel bleek te beantwoorden.

Van dien tijd dagteekent een steeds flauwer wordende

ocr page 149

135

belangstelling. Hoeveel goeds de ondernemers ook voortdurend het publiek aanboden, meestal werd de onderneming met koelheid en on verschil ligheid bejegend.

Vandaar een begrijpelijke zucht orn de zaak te quitteeren. Eene poging om een gedeelte in perceelen voor bouwterrein te verkoopen, stuitte af op den op dat oogenblik niet zeer grooten bouwlust. Later moeten onderhandelingen gevoerd zijn over den verkoop van het geheele terrein aan eene roomsch-katholieke broederschap, maar ook deze zijn afgesprongen.

In het vorige jaar, eindelijk, scheen het ernst te worden en Tivoli zou verkocht worden zonder als uitspanningsoord voor Utrecht verloren te gaan. Integendeel, het zou een bloem- en diergaarde worden.

Een Commissie werd gevormd; een vergadering belegd; in minder dan een jaar tijds waren ongeveer twintig duizend gulden bijeen! — Wat moeten de eigenaars hebben? was de vraag. En —• honderd twee-en-negentig duizend gulden, was het antwoord. Te veel! de eigenaars moesten «afkomenquot;. De eigenaars kwamen niet af. En toen, na nog eenige vergaderingen, werd besloten honderd zestig duizend gulden te gaan bieden, met twintig d u i z e n d in den zak!

Men verzekert, dat beide partijen zich bij dat bod sgoedquot; gehouden hebben en zelfs niet hebben geglimlacht.

Nu zal eindelijk tot den publieken verkoop worden overgegaan. En het schijnt, er van te zullen komen. De lust tot bouwen blijkt weer aangewakkerd te zijn.

ocr page 150

136

althans, terreinen, zeker veel minder gunstig gelegen dan Tivoli, waren, nadat bekend was geworden dat zij uit de hand te koop waren, in de vorige week in één dag verkocht. Men hoort reeds spreken van combinatiën van aannemers, die gezamenlijk Tivoli zullen bebouwen, en ook een Amsterdamsche ondernemer van publieke vermakelijkheden wordt genoemd, die een bod zal doen.

Maart 1880.

Op eigenaardige, bijna zou men zeggen, echt Utrechtsche wijze werd hier later weer te werk gegaan in zake dezen uitspanningstuin. 't Is waarlijk grappig zich die reeks van vergaderingen te herinneren, die door «belangstellendenquot; in het tijdsverloop van ongeveer een jaar gehouden werden. Wat gaf de vraag, of het Park tot een bloem- en diergaarde zou worden ingericht, aanleiding tot een leerrijk debat over de stellingen: De handelingen door apen in het openbaar gepleegd, werken nadeelig op de moraliteit der kinderen en kindermeisjes, en: Het gekras van papegaaien heeft een storenden invloed op liet genot van liefhebbers van goede muziek.

Niet zoozeer om de welsprekende wijze waarop deze theses verdedigd werden, als wel omdat het doel financieel onbereikbaar bleek, werden alle dieren, behalve huis-mussciien en pieren, onverbiddelijk uit Tivoli gebannen. Ergo — Tivoli zooals het was en is — zoo zou hel blijven! Nu volgden eenige bijeenkomsten van «belang-

ocr page 151

]37

stellendenquot; om te overleggen welke som men voor het terrein betalen zou. De door eene commissie van deskundigen getaxeerde waarde was door de eigenaars afgewezen; de gevraagde som vond men vrij algemeen te hoog, en dus nu was het: »ra, ra, wat zullen we meer geven?quot; Men kwam op iedere vergadering iets hooger, maar bleef nog altijd beneden den eisch. En wat de gezelligheid van deze bijeenkomsten niet weinig verhoogde was dat op iedere er van weer nieuwe «belangstellendenquot; kwamen, die aan de discussiën der vorige avondjes vreemd, de oude reeds herhaaldelijk behandelde denkbeelden omtrent de waarde van Tivoli telkens weer als spiksplinternieuwe oprakelden en niet loslieten voordat alle mogelijke en onmogelijke — maar in ieder geval reeds te dikwijls gehoorde — argumenten waren uitgeput. Eindelijk — gezegend zij die dag! — werd er eene meerderheid gevonden, die besloot de gevraagde som toe te staan 1). Fluks nu aan liet werk om het benoodigde kapitaal bijeen te krijgen; en met hoeveel ijver men dit deed, hoeveel overredingskracht de toenmalige leden der Commissie moeten bezitten, blijkt uit het feit dat zij er werkelijk in slaagden — ten spijt van «stillequot; tegenwerking — den anti-tivoliaanschen geest uit een voldoend aantal stadge-

1

Vermakelijk was op die vergaderingen, dat talrijke ambtenaartjes vóór de motie stemden: Tivoli moet voor Utrecht behouden blijven. Zij, van wie het geld moest komen, waren er tegen, althans tot zulk eenen prijs. Maar de quot;meerderheidquot; besliste er voor.

ocr page 152

138

nooten te verdiijven, en in korten tijd het kapitaal — behoudens eene betrekkelijk kleine som — volteekend hadden. Nu nog gauw een vergaderingetje van de inschrijvers en de zaak was geklonken! Ja, boven de socie-teit De Vriendschap kwamen de vrienden bijeen... en daar hadt je waarachtig het oude ge. . . debatteer weer! Een paar inschrijvers hadden nog niet onder de «belangstellendenquot; behoord — hoeveel «belangstellendenquot; behoorden wel niet tot de inschrijvers! — en vroegen heel kalmpjes of al dat geld nu maar zoo klakkeloos voor Tivoli zou betaald worden. Nu, gezelliger dan op de vroegere belangstellersbijeenkomsten is het — naar men wil — op deze . vergadering van inschrijvers met »de vriendschapquot; onder hunne voeten niet geweest. Maar dit daargelaten — het slot was, dat eene commissie benoemd werd, aan wie vrije beschikking over het voorhanden kapitaal tot het bekende doel werd verleend. Deze had succes op haar werk en kocht Tivoli eenige duizende guldens minder dan de eigenaar primitief gevraagd had.

De eerste helft der ingeschreven som moest gestort worden, en dit ging — behoudens een enkele uitzondering met beroep op schending der voorwaarden van inschrijving — vrij geregeld. Maar nu begonnen natuurlijk de vergaderingen weer — en dit was de bron van een stroom van welsprekendheid, die alles dreigde weg te spoelen wat door volhardenden arbeid was tot stand gebracht.

Maar al te begrijpelijk is het dat eenige leden der commissie, dit onophoudelijk gekibbel moede, de zaak opgaven

ocr page 153

139

en hun mandaat neerlegden. Dat daaronder behalve eenige anderen, die de zaak uitmuntende diensten hadden kunnen bewijzen, ook de man was, die van den aanvang af de meest krachtige medewerking had verleend, heeft velen leed gedaan.

Zoo is hier de geest der burgerij. Kleinsteedsch! Alles afkeuren en afbreken wat anderen doen, zonder zelf iets beters te doen of zelfs maar aan te wijzen. Wanneer hier iemand in een vergadering opstaat en op min of meer welsprekende wijze een bestuur of eene commissie, die belangloos een moeilijke taak op zich nam, een scherpe critiek laat hooren, dan kan hij er altijd zeker van zijn een groote minderheid, zoo niet een meerderheid te vinden, die hem bij dit werk der dankbaarheid wil steunen. En heerschte die geest nog alleen onder de hier zeer talrijke rederijkers — van mannen, die meestal de eerste beginselen niet kennen van de taal, welker schoonste voortbrengselen zij trachten te vertolken, zou men zoo iets over het hoofd kunnen zien — maai- in bijna alle colleges, ook waar men zich het minst op «mooiquot; praten heeft toe te leggen, treft men dienzelfden zin voor contradictie aan.

Het is te hopen dat de commissie, die op het oogenblik het bestuur van Tivoli in handen heeft en waarin vele ijverige en welmeenende mannen zijn, niet door tegenstribbeling zal worden ontmoedigd.

Als het er straks op aankomt te bepalen op welke wijze de zaak in exploitatie gebracht zal worden, staat haar anders nog iets te wachten!

Sept. IS SO.

ocr page 154

De groene n-K o m e (1 i e.

Wanneer een vreemdeling in onze goede stad eens een tooneel- of operavoorstelling in den stadsschouwburg bezocht , dan zou hij zeker verbaasd staan over een verschijnsel, waaraan wij Utrechtschen reeds zoo gewoon zijn, dat wij het niet gaarne zouden missen. Vóórdat het orkest zijne eigenlijke wnrkzaamheden begint, heft het 'tlö vivat aan, en in een oogwenk zijn alle mannenhoofden ontbloot, 't Is verwonderlijk, maar nauwelijks klinkt de eerste i van dat studentenlied door de zaal, of alle hoeden zijn verdwenen, en mocht er soms een verstrooide zijn, die hem niet afnam, dra is zijn buurman bereid hem door een klein stootje en een blik naai' bet gevaarlijke hoofddeksel aan zijn verzuim te herinneren. Wee den vermetele, die opzettelijk zijn onbeschaamden kop bedekt houdt! De geschiedenis leert dat elke eeuw slechts twee zulke wezens oplevert, maar de storm, die er bij liunne verschijning opsteekt, zou, als hij wat lang aanhield, ruim voldoende

ocr page 155

-ui

zijn om den ganschen schouwburg te doen instorten. Vijftig stokken tegelijk worden omhoog geheven, en: hoed af! buldert het uit honderd monden door de zaal. Daar vliegt de ))kiepquot;' den ploert van het hoofd, en wordt onder den voet getrapt. Bis! Nog eens het lö vivat! Nu zal hij het toch nog eens blootshoofds aanhooren, en ... . schitterend is de eer van het vlekkeloos studentenlied gewroken !

Soms, zooals eens bij de uitvoering van de Fr ei sc hütz door het Rotterdamsch Operagezelschap, soms staan alle aanwezige studenten in den Bak op, en trachten door het gezamenlijk aanheffen van hun lied, onder begeleiding van 't orkest, het publiek in de vereischte stemming te brengen om de prachtige ouverture te genieten.

Nu, zoo'u beetje levendigheid kan hier geen kwaad; men zou hier in de komedie anders al spoedig even stem-migjes zitten kijken als in de kerk.

Als het wat vol is, dan ziet men van tijd tot tijd een »vertraagdequot; student boven de hoofden van het publiek in liggende houding naar het midden van 't parterre transporteeren en heeft zich een niet-student in de stu-dentenbanken gewaagd .... nu, die heeft spoe lig een staanplaats.

Men kan begrijpen als het bij gewone voorstellingen reeds vrij rumoerig in het parterre is (dames ziet men er natuurlijk nooit, ofschoon deze toch volstrekt niet aan studentenschuwheid lijden), hoe levendig het in den schouwburg was, toen vanwege het Utrechtsche studententooneel

ocr page 156

■I 42

door de novitii eenige stukjes werden vertoond voor een publiek dat voor verreweg het grootste gedeelte uit studenten bestond.

Het was een vermakelijk gezicht die loges, waarin anders onze deftige Utrechtsche schoonen en dito leelijkers gezeten zijn, thans gevuld te zien met vroolijke, rockende en drinkende studenten.

Uit de gouverneursloge tuurden een viertal schoenzolen met de grootste aandacht naar de vertooners, terwijl achter uit die loge eene stem — waarschijnlijk die van een der eigenaars van de schoenzolen, luid beweerde dat »die kerels kletsten als oude wijven!quot; Zakte de gordijn, en begon de muziek te spelen, dan zakten ook de schoenzolen over den rand der loge, en begonnen vroolijk de maat te slaan. Stelt men zich hierbij nog voor, dat in andere loges eenige academievrienden gezellig onder een paraplu gezeten waren ; elders een jongmensch uit het parterre bij de armen en den kraag van zijn jas in een loge werd geheschen; in het parquet een student uit een viool van een muzikant afschuwelijke tonen te voorschijn bracht, die straks door de slagen op een trom weiden vervangen; de vriendschappelijke vermaningen om den .... mond te houden, die den geheelen avond door de zaal klonken; de niet minder beleefde vragen telkens tot een nieuw optredend medespeler gericht, hoe meneer heette; en voegt men bij dit alles dan; naar beneden vallende hoeden en ledige charnpagneflesschen, een regen van champagne uit die flesschen (ware het nog maar alleen zulke champagne

ocr page 157

geweest) clan zal men begrijpen, dat het dien avond zeer vermakelijk was in onzen schouwburg, maar men zal zich tevens verwonderen, dat alle medewerkende novitii zich onder al dat leven nog vrij goed van hunne taak kweten. Menig geroutineerd acteur zou spoedig de kluts zijn kwijt geraakt.

October 1880.

ocr page 158

St. Nicola a s-a v o n d.

't Zou wel eens aardig zijn zich een beeld te vormen van Utrecht — zonder studenten. Op zoo'n dag, bijvoorbeeld als de St. Nicolaasdag.

Een lange schare van poorters en poorteressen loopen fluisterend door de straten en beschouwen de «fraaie étalages.quot;' De vaders, die er onder zijn, doen dat met een gezicht, waarop het niet te veranderen voornemen staat uitgedrukt om, wat ook hun gezelschap omtrent het schoone, het goedkoope, enz. van eenig voorwerp moge verklaren, geen centime uit hunne beurs in die van den winkelier te laten overgaan.

Zij volgen precies den weg, dien de Utrechtsche Ct. hun reeds gedurende eenige dagen in hare kolommen heeft vóórgewandeld. Dan zijn zij zeker dat zij alles zien, wat bezienswaardig is. Slechts hier en daar wordt hunne kalmte gestoord door een troep dienstmaagden met hare

ocr page 159

-145

minnaars, in wier armen zij «hangenquot;, terwijl zij hossende en vreeselijk achteruitschoppende, het uitgillen dat het »zooquot; goed gaat, maar »zooquot; nog beter.

Hoofdschuddend gaat men verder, totdat eindelijk de blijde boodschap uit den mond der vrouwen klinkt, dat die Sint-Nicolaaswandeling toch begint te vervelen. Met een verruimd hart keert men huiswaarts, na alvorens bij den bakker, waar men nu al 25 jaren zijne letters koopt, te hebben vernomen dat de man al bang was geweest, dat men hem dit jaar eens zou vergeten. Want met al die concurrentie en dat geadverteer, ziet u, 't zijn «teugeswoordig zukke rare mense!quot; Een glaassie pons, een lange pijp en een warme 1 — met vóórletters van de namen zijner kinderen houdt een burger van Utrecht zich niet op — besluit den avond.

Maar Utrecht met studenten op St. Nicolaasdag!

De St. Nicolaasviering hier is cenig in ons land, en dit jaar vooral was het zooals het in jaren niet gezien was. In de Lijnmarkt en Choorstraat en op een deel dei-Oude Gracht kon men over de hoofden loopen. Ongeveer ten 2 ure des middags vertoonden zich de eerste ge-costumeerden en nog ten 12 ure des nachts zag men er verscheidenen op straat.

In een landauer met twee paarden bespannen, reed the man of the day met twee zwarte knechts op de treden en strooide met milde hand versnaperingen rond.

Een kar met Zigeuners, die een draaiorgel bij zich

v. Ren nes. 10

ocr page 160

146

hadden en de goede gedachte hadden gehad een hunner te voet met een bus bij de toeschouwers te laten »bedelenquot;. De bedelaar was nog laat in den avond onvermoeid «werkzaam.quot; Moge hij in eene goede recette het loon voor die inspanning gevonden hebben, dan zullen ook de armen der stad. voor wie hij bedelde, hem erkentelijk zijn.

Nog een andere kar met Zigeuners, bespannen met drie kleine paarden, gaf ook een vrij duidelijke voorstelling van zulk zwervend volkje.

De tocht naar de Noordpool werd voorgesteld door een soort van schuitje op het onderstel van een wagen, gevuld met matrozen, waarvan er een op het «achterdekquot; stond met de Nederlandsche vlag en een bord met een opschrift, waaruit men kon afleiden dat de Willem Barendsz daar voorbijreed.

Een met een hit bespannen groentewagen was behalve met manden vol groenten, voor en achter beladen met een als hovenier gekleed student, die niet alleen de groenten aan minder bedeelden., maar ook bouquetten aan dametjes ronddeelden.

Hollands oude roem »voor 't eerst in Utrechtquot;, roepen eenige visschers uit een botkar, en boeren en boerinnen in sjeezen herinnerden aan de welvaart onzer plattelandsbewoners. Voor de boerinnen had men eene goede keuze gedaan. Hoe later het werd, hoe meer hunne wangen op die van eene dooi' de zon verbrande boerin begonnen te gelijken.

ocr page 161

-147

Voorts zag men nog een kar met Zeeuwsche boeren in gebloemde frakken en met slaapmutsen op; een rijtuig waarin «Eine feine Familiequot; gezeten was, die zich bespottelijk had opgedirkt en nog eenige andere groepen. Ook -waren er eenige gemaskerden te voet. Daaronder was een dienstmeisje in paars katoenen japon en met witte muts op, dat alleen door de straten zwierf en klagend haren vrijer zocht, die haai1 verleid en daarna snood verlaten had. Daar zij vermoeden scheen te hebben dat hij ergens in een herberg zich verscholen had, was zij een trouw bezoekster der koffiehuizen en omdax men daar toch iets moet verteeren was de invloed van de «dubbele anijsquot; 's avonds bij het ongelukkige kind nogal merkbaar. Zij zocht en vond eindelijk troost in de armen van een boer, die in Rapp's bierhuis wanhopig bier zat te drinken, wijl zijn boerin »zoo èkelig eworde was, dattie 'r na huus had motte bringe, jong !quot;

Al deze groepen bewogen zich niet in geregelden optocht, maar waren over al de voornaamste straten verdeeld, soms slechts toevallig in grooter of kleiner aantal bijeen.

De gecostumeerden maakten voortdurend onschuldige grappen, en daar zij vrij gul met wijn en sigaren waren, was elk rijtuig natuurlijk door een hoop jongens en mannen omringd, waarvan er verscheidenen zelfs »als gastquot; medereden.

Het was dus niet te verwonderen dat duizenden en duizenden op de been waren. Vooral op liet brandpunt der

10*

ocr page 162

148

beweging, vóór het bureau der StichtscheCourant, 1) was het gedrang dikwijls zoo groot, dat de menschen meer dan een kwartier op hunne plaats genageld bleven. De politie had echter flinke maatregelen genomen, zoodat ongelukken voorkomen werden.

December 1880.

1

Sedert opgeheven en door den uitgever, den heer F. J3. van Ditmar, vervangen door het Utrechtscii Nieuws- en Advertentieblaadje, waarvan het bureau thans is gevestigd in het gebouw naast Groot Blankenburg op de Oudegracht. Het bureau van de St Ct. was in der tijd op den hoek van de Zadelstraat en Choorstraat.

ocr page 163

De Molen de Kat.

Op den Vleutenschen weg, nabij den Rijnspoorweg, staat of liever stond een molen, de molen De Kat.

Voor eenige jaren werd hij door brand vernield, en nu staat er nog slechts een steenen ruïne, die hier en daar zwart geblakerd is door de vlammen. Slechts weinige dagen vóór den brand was de eigenaar boven in den molen werkzaam, toen eensklaps de vang losschoot, de molen in beweging kwam en den molenaar het hoofd verpletterde. Den dag na zijne begrafenis brandde de molen af.

De tijd van spoken is voorbij, zegt men. Maar toch, daar, in dien afgebranden molen, daar is het niet pluis!

Als de maan haar zilveren stralen op dien hollen steenklomp werpt, en men staart van een afstand door de groote vierkante gaten, die vroeger vensters waren, dan is het, als de wolken daar voorbij jagen, duidelijk een geest, dien men daarbinnen ziet rondwaren.

Als de voorjaarswind door die openingen en reten huilt,

ocr page 164

150

is het alsof men het kennen van den ongelukkigen molenaar hoort, telkens afgebroken door dien éénen luiden smartkreet. Hu! En als ge vermetel genoeg zijt om daar te middernacht binnen te treden, dan voelt ge het spook om u heen springen. Het gromt en bromt en brult van woede, dat men het in zijne rust stoort, en eindelijk vlucht het weg met een akelig gekras als van een uil.

En ge hoort het wegfladderen, en kleine steentjes vallen met groot geruisch om u heen naar beneden, en de weinige schuine latten, waarop vroeger de omloop rustte, die het vuur nog gespaard heeft, kraken alsof het spook daarop ging zitten.

En als ge om u heen ziet in dien grooten, zwart ge-blakerden schoorsteen, dan schijnt heuschelijk, door iedere opening, het spook naar binnen te turen. De vleermuizen vliegen u onheilspellend om het hoofd, en als ge bij een nieuwe windvlaag van schrik wegvlucht stort de spokende molenaar met een akeligen gil weer in zijne verblijfplaats, en kermt en gilt u dreigend achterna.

De een zal het gelooven, en de ander niet. Maai'er zijn er die het gelooven en die er zelfs bij vertellen, dat daarom die leelijke ruïne daar zoolang blijft staan, want er zou geen metselaar in geheel Utrecht te vinden zijn, die moeds genoeg heeft om den moker tegen dit verblijf van den geest op te heffen.

Nu, dat het er spookt is mogelijk. Als geloofwaardige buren toch op hun «woord van waratjequot; verklaren dat het zoo is, wie zou dan nog twijfelen? Maar dat men daarom

ocr page 165

151

dien molen nog niet heeft afgebroken, kan op goede gronden tegengesproken worden. Dit is al evenmin waar als het gerucht dat men door het sin stand houdenquot; van dergelijke ruïnes, zooals de oude stukken wal op het Vreeburg, Utrecht nóg aantrekkelijker voor vreemdelingen wil trachten te maken dan het reeds is.

Allemaal praatjes! De armen zijn het, die het sloepen van den molen beletten. Ja, de armen! De Roomsche armen en de Oud-Roomsche armen! Die hebben — zoo zijn de armelui tegenwoordig, 't is me een wereld! — die hebben een .... hypotheek op dien molen. En de Roomsche armen — dat schijnen »echtequot; armen te zijn — hebben zich tijdens het leven van den eigenaar tevreden gesteld met een deel van de hun verschuldigde rente, terwijl de Oud-Roomsche armen — die het niet zoo hard schenen noodig te hebben — «alles of nietsquot; eischten. De man had niet meer. en zij kregen dus niets.

Maar nu het op verkoopen en deelen aankomt, willen de Oud-Roomschen aan de Roomschen de ontvangen rente in rekening brengen, terwijl dezen beweren, dat, wanneer de Oud-Roomschen die rente ook hadden aangenomen, dat geld nu niet verdwenen zou zijn; — want de molenaar maakte ei- geen spaarpotje van.

Vim daar verschil. De advocaten zitten in den boel; en als het naar hun wensch gaat, zullen de armen zich nog arm procedeeren.

Mei 1881.

ocr page 166

De S p r i n g-P r o c e s s i e.

Water! Water! Het geheele groothertogdom voor een emmer water! Met dien uitroep liep ik gisteren avond alles omver wat ■ mij in mijn hotel in den weg kwam. Zonder aanzien des persoons — of het Zi m m e r k e 11 n e r of Zim mermad che n waren ,■— op zijde! Eerst water! Oef, wat een steenkolen! Kolen in mijn neus, kolen in mijn ooren, kolen in mijn oogen, overal kolen. Dertien uren in den trein op Pinkster-maandag. Op ieder station kwamen er menschen bij, nergens ging er een uit; het scheen dat ze allen naar het eind van de wereld gingen, 't Was op het laatst dan ook niet meer om uit te houden.

't Was voor het eerst van mijn leven dat ik op Pink-ster-maandag in een spoortrein Hollandsch, Fransch, Duitsch en Engelsch tegelijk heb hooren spreken. Een Rus was er ook nog in, maar die behielp zich bij gebrek aan Russen niet Duitsch. Ik zat over hern en raakte met hem in gesprek, en interviewde hem natuurlijk onmiddellijk

ocr page 167

153

over den politieken toestand van zijn vaderland, maar daar liet hij zich niet veel over uit. B e s t i a 1 i s c h! was het eenige wat hij ei- van zei. 't Moet een nihilist geweest zijn en 'k was blij dat hij in Gerolstein uitstapte. Niet alleen uit vrees voor dynamitische ontploffingen, maar ik zat tusschen een Israëliet, die uit een Hebreeuwsch en een priester die uit een Latijnsch gebedenboek zat te lezen, en beide vroome heeren hadden zoo'n eerbiedwaardige corpulentie dat mijn arme lichaam, van mijn ziel wil ik nu maar niet eens spreken, verschrikkelijk in het gedrang was. En toen nu de Rus opstond, vloog ik plotseling tusschen de twee dikzakken uit en nam diens plaats in. * Ik moet er toen zeker erg heidensch uitgezien hebben, want zoowel de priester als de Israëliet keken mij lang niet vriendelijk aan en sloten al zeer spoedig hunne gebedenboeken.

't Was haast te vol om naar buiten te zien. Toch bemachtigde ik eindelijk op de- Eifelbaan een hoekje en kon genieten van de heerlijke natuurtafereelen, die zich daar telkens en telkens weer aan het oog vertoonen. Over bergen, langs bergen, om bergen heen, onder bergen door, bereikten we eindelijk Trier. Daar zou ik blijven, maar 't was anders beschikt. Dinsdag 7 Juni was de spring-processie te Echternach en om die tijdig te kunnen bijwonen moest ik nog onmiddellijk door.

Ik kan geen beschrijving geven van het plaatsje hoe gaarne ik het ook doen zou, en hoezeer het dit ook waard is. De indrukken die ik heden heb opgedaan laten het

ocr page 168

154

mij niet toe. Alleen dit wil ik zeggen, dat wie van trotsche natuurgexichten houdt, van steile rotsen, van vruchtbare bergen, van snelstroomende rivieren — en wie houdt van dit alles niet? — naar Echternach moet gaan. Maar hij ga niet op Dinsdag na Pinksteren. Wat men hem ook vertelle van hel interessante schouwspel dat de spring-processie aanbiedt, hij blijve thuis en ga liever op een anderen dag in den zomer en geniete van de schoone natuur en van de vriendelijkheid der gastvrije bewoners.

Hoort wat de meest waarschijnlijke oorsprong der springprocessie is. Tegen het einde der 7e eeuw leefde er in Engeland in de abdij van Malmesbury, Sint Aldhelmes, stichter en abt dier abdij. Hij was tevens aartsbisschop en missionaris en was zoo bemind, dat hij bij terugkeer van zijne reizen altijd dooi' een lange rij van priesters met gezang en wierook ontvangen werd, maai' bovendien door eene groote menigte leeken, die ter zijner eer eene soort van regelmatigen dans uitvoerden.

Willebrordus, die terzelfder tijd geleefd heeft en ook in Ierland was geweest, kende dit gebruik waarschijnlijk en heeft het vermoedelijk naar Echternach, waar hij een abdij gesticht heeft, overgebracht.

Zoo leest men in de korte beschrijving, die door den abbé J. Bern Krier van la procession dansante gegeven wordt en deze onderstelling wordt nog aannemelijker als men bedenkt dat in Utrecht, alwaar Willebrordus de eerste bisschop was, eene straat bestaat, die de Springweg heet en in vroeger tijd — zooals o a. uit officieele

ocr page 169

155

bescheiden blijkt — ook de huppelweg genaamd werd. Het is dus zeer wel mogelijk dat Willebrordus ditzelfde gebruik ook naar Utrecht heeft overgebracht.

Wanneer men nu nog de opmerking van dr. Broers (in zijn Historische Wandelingen door Utrecht) in het oog houdt, dat het springen van eenige passen vooruit en daarna van een kleiner aantal achteruit, het symbool zou zijn van de volharding, waarmede Willebrordus bij de bekeering der heidenen te werk ging, waarbij hij zich door geen enkelen hinderpaal liet afschrikken en ook eindelijk zijn doel bereikte — welnu dan is de oorsprong

dier processie een vrij onschuldige. Maar.....er is een

maar bij, een maar met een verschrikkelijk groote hoofdletter en met een onafzienbare reeks r's achteraan.

Ofschoon men dat nu schrijft en dus de vreemdelingen zeer juist omtrent de zaak inlicht — de ingezetenen en de bewoners van den omtrek koopen die boekjes niet; die weten het wel van den pastoor — ofschoon men dat nu schrijft, het volk dat aan de processiën deelneemt en zij die ze eerbiedig aanschouwen, zij gelooven allen dat de processie is een remedie tegen de vallende ziekte. Vraag wien ge wilt — ik heb het misschien wel honderd personen gevraagd — van allen hetzelfde antwoord: voor de vallende ziekte. Dat is de nienschen op een dwaalspoor brengen of althans op een dwaalspoor laten, en wie, als ik, getuige geweest is van zoo'n »Rotterdainsche kermis van doofstommenquot; als er ieder jaar te Echternach gehouden wordt, zal het erkennen dat het is een schande voor onzen tijd, dat

ocr page 170

156

duizenden en duizenden van menschen in den waan gelaten worden een goed werk te verrichten, een werk waardoor zij zich zeiven of anderen gezondheid kunnen aanbrengen, door zich drie uren per jaar als krankzinnig aan te stellen.

Maar dit alles daargelaten. Laat ik u de processie zelve thans beschrijven.

Ten ongeveer 8 uur komt aan de overzijde van de Saure, dus op Pruisisch grondgebied, de menigte te zamen. Daar staat in de open lucht een soort van kansel, uit welken een priester het woord tot het volk voert. Teh circa 9 uur zet zich de stoet in beweging. De priesters voorop! Die zijn echter zoo wijs om niet te springen en maken in hunne .witte koorkleeden den indruk, alsof zij bij dezen optocht denzelfden dienst verrichten als pijpen Bengaalsch vuur bij eene serenade. Achter de priesters volgt de stoet. En welk een stoet!

Hij is verdeeld in verschillende ploegen, zal ik 't maar

noemen--en ik heb mij de moeite getroost zoo'n ploeg

zoo nauwkeurig mogelijk te tellen en ik kwam het cijfer van duizend ver te boven. Iedere ploeg wordt voorafgegaan door muziek en als ik nu zeg dat ik minstens 16 muziek «korpsenquot; geteld heb, dan kan men zoo ongeveer berekenen hoeveel duizenden lieden aan de processie heden deelnamen.

De muziek is allerkoddigst. Er zijn twee of drie vrij goede korpsen bij; de anderen zijn grootendeels wat wij hier van de Duitsche muziek gewoonlijk bij kermissen op de straat te genieten krijgen. Voorts zijn er ploegen die

ocr page 171

157

worden voorafgegaan door een klarinet met twee violen en een trom, door een trom en twee dwarsfluiten, zelfs eene door twee harmonica's, welke door zeer schamel ge-kleede (haast had ik geschreven: ongekleede) jongens bespeeld werden. Al de instrumenten spelen dezelfde eentonige melodie en hoe aangenaam om te hooren deze is kan men zich voorstellen, wanneer men bedenkt dat men meestal minstens twee van die «korpsenquot; tegelijk hoort. Bij het springen is dan ook volstrekt van geen «maal houdenquot; sprake. Alleen vlak voor en achter zoo'n orkest, daar springt men vrij regelmatig en daar bevinden zich dan ook de ijverigsten in den geloove.

Die springers loopen in rijen van drie tot zes personen, gearmd of hand aan hand; de vrouwen houden zich, zooals bij ons de meiden als zij kermis gaan bonden, dooide zakdoeken verbonden of door hare parapluies, die zij dan met beide handen stijf tegen den buik houden De mannen , die stokken bij zich hebben, doen met die stokken evenzoo.

Overigens loopen mannen en vrouwen door elkander op ééne rij, al naar het valt.

Nu heeft men de springers te onderscheiden in drie soorten — en men heeft dit wel op te merken om zich een denkbeeld te kunnen vormen van den indruk dien de processie op den aanschouwer maakt. De eerste soort is die der schuivers. De tweede zijn de dansers en de derde wordt gevormd door de hossers. De schuivers (en dit is het meerendeel) maken het zich bijzonder ge-

ocr page 172

158

makkelijk. Deze verzetten of liever verschuiven eenvoudig de voeten driemaal voorwaarts en eenmaal achterwaarts of vijfmaal voorwaarts en tweemaal achterwaarts. Dat is een zeer gemakkelijk werk, dat geen bijzondere inspanning vereischt. Zij schudden daarbij wel een weinig met het lichaam, maar die het zeer licht opnemen, en zoo zag ik een paar stokoude mannetjes, geven alleen maar eenige knikjes met het hoofd. Alles van den vloer behalve de beeneh, zou men van de schuivers kunnen zegsen.

/ OO

De dansers maken zich drukker. Maar toch menige jonge dame bij ons te lande vergt op een bal oneindig veel meer van hare krachten dan de dansers in deze processie. Dezen maken werkelijk sierlijke polkapassen, waarbij zij zich nu eens rechts dan weer links half omwenden.

Maar de hossers, dat is een verschrikkelijk volkje. Ze kunnen niet beter vergeleken worden dan bij onze boeren

als zij op marktdag op de straat aan het hossen zijn.

M 9

Maar zij springen hooger, wel een.voet van den grond. Hun aantal is dan ook veel geringer dan dat der anderen en bestaat meestal uit vrouwen. Een zoo'n hosseres, die bijzonder hoog sprong en welke ik daarom met verbazing, die zich oploste in een sterk geprononceerden glimlach, aanstaarde, had de aardigheid om mij — ik ben overtuigd opzettelijk — van een hoogte van twee voet op mijn likdoorn te springen.

't Was juist bij tijds, want ik stond op het punt om in lachen uit te barsten en dat was mij misschien slecht bekomen. Als ik na dien sprong op mijn voet naar mijn

ocr page 173

159

gemoed te werk was gegaan, had ik de dame een draai om de ooren gegeven, maar ik was lafhartig genoeg ook dat niet te durven, en stelde mij tevreden door met geheel mijn ziel te wenschen dat al dat hossen haar geen drommel helpen zou.

Daar komt de stoet aan. Duizenden van rijen! Tjieng toem, tjieng toem, tralalalala, tjieng toem, tjieng toem, tralalala, tjieng toem, tralalala. 1) Asjeblieft! dat gaat zoo maar drie uren achtereen door.

Nu zijn er rijen, die enkel uit schuivers of enkel uit dansers bestaan (geheele rijen hossers komen niet voor) maar de meeste rijen bestaan uit schuivers en dansers, uit schuivers en hossers of zelfs uit alle drie de categoriën van vromen. Men kan nu denken welk een indruk zulk een optocht maken moet. Hier een vrouwenhoofd, daalde breede kop van een toch al grooten boer, zich bij sprongen een voet boven die menigte verheffende en weder plotseling verdwijnende. Daar langzaam en in rechte lijn voortschrijdende schuivers, te midden van welken zich mannen of vrouwen links en rechts omwenden. Dan is er, zooals reeds gezegd, geen quaestie van maat houden, zoodat wanneer de eene rij vooruitspringt, de andere juist de achterwaartsche passen maakt, tengevolge waarvan de buiken der eerste rij dikwijls zeer onzacht in aanraking komen met hetgeen achter de buiken zit van die der

1

Het is de wijs van het bekende liedje :

Nathan, die heeft zeven zonen Zeven zonen heeft Nathan.

ocr page 174

160

andere. Alleraardigst was in dit opzicht een stevige dikke boerin, die, vlak voor een orkest dansende, toch de maat miste en dientengevolge telkens tegen de Turksche trom sprong. De man, die deze trom met een riem om den hals droeg, kreeg dan natuurlijk telkens een flinken stoot van zijn instrument tegen den buik, en er was niet veel physionomie-kennis voor noodig, om aan zijn gelaat te zien, dat de hevige slagen, waarop hij dan ad majorem Dei gloriam zijn dons onthaalde, eigenlijk bestemd waren voor het lichaamsdeel der boerin, dat telkens daarmede in aanraking kwam.

Ik liep tegen den stoet in en prentte mij zooveel mogelijk typen in het geheugen. Toen weer terug en dwars door de springers heen (wat ik er zoovelen zag doen, zoodat het niet oneerbiedig scheen te zijn) zocht en vond ik een kor-teren weg naar de kerk dan de stoet nam. Bij dat dringen door de springers hoorde ik mij door de toeschouwers aan de vensters lachend naroepen; Ach Sieh ein Herrl Komm Herr, springen Sie auch mal ein Tourchen mit! Zoo wordt er gedurende de geheele processie gelachen en geschertst; van eerbied bij de toeschouwers geen spoor!

Maar wenden wij ons naar de kerk. Ik trad door de rechterdeur binnen toen het hoofd van den stoet reeds door de linkerdeur daar was binnengekomen. De trap, waarmede de kerk bereikt wordt, is 64 treden hoog en zelfs op die trap zetten sommigen het springen voort. Ik posteerde mij tegen een pilaar en bleef daar meer dan anderhalf uur slaan om allen te zien voorbijgaan. Met de muziek

ocr page 175

161

en de banieren voorop trekt men springende door de kerk langs de linkerzijde om het altaar (waar men e n passant armer in aardsche goederen wordt) en ter rechterzijde het gebouw weer uit. Dan op het plein voor de kerk nog eens om een houten kruis en — de taak is afgeloopen.

Daar zag ik allen weder, die ik had opgemerkt op de straat. Allen nog frisch en gezond, zoodat ik niet aannemen kan wat men verhaalt, dat het dikwijls voorkomt dat inenschen zich bij die processie dooddansen.

Eene oude matrone van minstens 60 jaar, met grijze toertjes, sprong nog zoo sierlijk met voorovergebogen bovenlijf haar polkapas, tusschen hare twee jongere gezellinnen, die zij door zakdoeken vasthield, alsof zij zoo pas begonnen was.

Daar die rij van vier oude vrouwtjes, even groot, even dik, even leelijk; verbonden door twee groote parapluies, hossen zij nog zoo lustig als meisjes van i 8 jaar.

En zij dan, die daar alleen springt! Wel straks op de ongelijke hobbelige steenen was zij al de beste danseres van de vijftienduizend, zou zij nu op dien gladden vloer minder sierlijk zijn. Zie, ze veegt zich telkens met den zakdoek het zweet van 't gelaat, 't Is dan ook een erg dikke meid en; sie hat gewiss ein Gelübde ge than, hoor ik achter mij fluisteren.

Drie heeren. die in Holland geen minuut meer losliepen! In vuile witte hemdsmouwen, openhangend vest, met groote ongekamde krullekoppen, gemeene tronies, dansen die kerels met zulke vervaarlijke sprongen, dat iedereen voor en achter eenige ruimte laat. Het zijn v. Remises. 11

ocr page 176

162

huurlingen, zooals er in den stoet duizenden zijn, die tegen betaling doen wat een ander eigenlijk doen moest. 1)

Mijn twee eenige vrienden in blauwe kielen, die ik heb kunnen onthouden! Landlieden zijn dan ook het best in den stoet vertegenwoordigd en, zooals bij ons, boerenkoppen hebben niet veel aantrekkelijks. Maar voor deze twee had ik dadelijk sympathie opgevat. Die nemen de zaak niet ernstig op. Zij dansen samen zoo netjes naast elkander voort, lachen en praten vroolijk te zamèn en hebben ook nog een knipoogje over voor deze of geene schoone onder de toeschouwers, die ben bewonderend gadeslaat. Van schoonen gesproken, wat regeert onze Koning-Groothertog over leelijke bedevaartgangers! Met de meest optimistische vrouwenbeschouwing — en daar was ik vandaag inderdaad toe gestemd — is het mij niet mogen gelukken onder al die huppelende vrouwen ook maar één gelaat te ontdekken, dat zelfs nog maar dragelijk kon genoemd worden.

Zoo waarlijk daar schuift mijn ge m ü t h 1 i ch er Luxemburger ook de kerk binnen, 'k Had den vorigen avond van Wasserbillig met hem en zijne vrouw en schoonzuster gereisd en mij alleraangenaamst met hem onderhouden. Maar dat is een eerste schuiver! Aan iederen arm een

1

Opmerkelijk is, fiat zulke «dansers voor den broodequot; telkens dooide toeschouwers heendringen en vragen: Herr of Madame will ichfiir^ie tanzen? Ook nog als zij eenmaal een quot;vrachljequot; hebben, komen zij weer uit den stoet — zooals ik deze drie kerels herhaaldelijk zag doen — en doen die vraag opnieuw aan anderen, zoodat zij voor de gezondheid van ziel of lichaam van twee of meer personen tegelijk dansen. De belooning wisselt, naar ik vernam, af tusschen één en drie Mark.

ocr page 177

163

vrouw, zijn beide handen op de borst en daarmede zijn stroo-hoed vasthoudende, loopt hij me waarachtig met liet genoege-lijkste gezicht van de wereld te schuiven en te zingen. Tjieng, toem, tralalalala! Jawel, van hem heb ik die woorden. Hij knikt me vroolijk toe en stoot met beide zijne ellebogen zijn dames aan om ze op mij opmerkzaam te maken.

Mis. kat! Als ik daar niet snel achter den pilaar gesprongen was, dan zou die duivelsche hosseres mij weer op de toonen getrapt hebben. Wat heeft die toch tegen me ? Als ik ooit weer hier kom, neem ik sinaasappelschillen mee en werp haar die voor de voeten.

Allen zag ik ze weer, ook haar, dat ongelukkige kind, dat de vallende ziekte heeft of zich zoo aanstelt. Reeds drie jaren achtereen springt zij mede en na de processie blijft de ziekte weg tot het volgend jaar tegen Pinksteren, zoo zegt men. Met akelige zenuwtrekkingen van armen en beenen springt zij mede. Zij is alleen, niemand ondersteunt haar. Nu eens springt zij op één been voort met beide armen omhoog, geheel haar gelaat vertrokken; dan weder op beide beenen en trekt vreeselijk met de armen.

Afschuwelijk om te zien! Ja afschuwelijk! Komt ontvlucht met mij dit walgingwekkend schouwspel. Naar buiten, naar de bergen! Daar waar alles zijnen Schepper looft naar zijnen aard! Daar waar ieder bloeiend plantje, iedere lieflijk kweelende vogel, elk dier des velds spreekt van een Almacht, van een Almacht ja, maarniet van eene. die gediend is met vijf passen voor- en twee achterwaarts.

Juui 1S8I.

li*

ocr page 178

Reder ij kers.

Er is gewis geene stad in ons vaderland, waar op het gebied van taal- en letterkunde zooveel geliefhebberd wordt als in Utrecht. Men heeft aan de hoofdstad van het Sticht al verschillende namen gegeven, waaronder die Vondel haar gaf »een paradijs van weeldequot;, de meest verhevene, en die iedereen haar geeft, »de stad der Theerandjesquot;, de meest verdiende is.

Maar toch, tegenwoordig zou men haar ook wel )),de stad der rederijkersquot; mogen noemen.

Men kan geen gebouw binnentreden, waar zalen verhuurd worden, of er zijn minstens in twee daarvan taalliefhebbers aan het srepeteeren.quot; Menige huismoeder klaagt er over, dat haar man haast eiken avond naar de »rippetiesjequot; gaat.

'Geen courant kan men in de hand nemen, of men leest annonces van gewone en buitengewone voorstellingen, met of zonder bal, en op straat ziet men dikwijls heele troepen liefhebbers tegelijk.

ocr page 179

165

Die rederijkerskamers, tooneelgezelschappen, letterlievende vereenigingen, of hoe men ze noemen mag, telt men hier bij tientallen. Haar ontstaan heeft zoo'n vereeniging in den regel te danken aan de eerzucht van één of twee heeren, »die liever een klein baasje dan een groote knechtquot; zijn, en daarom, in plaats van zich bij een bestaande vereeniging aan te sluiten, waar zij »den boel niet naar hun hand kunnen zettenquot;, met eenige vrienden een nieuw gezelschap stichten, waarvan de eerzuchtigste heer »albedilquot; en de ander president wordt.

De hoogste illusie van zoo'n gezelschap is om «koninklijk goedgekeurdquot; te worden, d. w. z. hun reglement, hetwelk zij dan den weidschen naam vaii «statutenquot; geven. Zoolang zij het zeiven nog wel wat bespottelijk vinden om de koninklijke goedkeuring over him doel en streven af te smeeken, houden de heeren zich bezig met scherpe disputen over... het insigne, dat natuurlijk blauw, de kleur van de faculteit der letteren, moet zijn, maar over welks vorm men het gewoonlijk eerst eens wordt na eenige stekelige gezegden op elkanders familie en na het bedanken van een of meer verdienstelijke leden.

»Die moeten er dan ook maar uitquot;, zegt «albedil.quot; »Aan zulke leden, die altijd dwars zijn, hebje toch niets.quot; «Dwarsquot; zijn natuurlijk al die leden, die niet gewillig naar des albedils pijpen dansen.

Nu zal men zeggen, «'t Is een vrij onschuldige liefhebberij. 't Moge dan al geen nut stichten, kwaad kan het toch ook niet.quot;

ocr page 180

106

Dat is nog maar zeer twijfelachtig.

Er zijn verscheidene voorbeelden van, dat om die liefhebberij belangrijker zaken worden nagelaten; dat jongelieden, door het luidruchtig applaus van hunne familieleden en vrienden in den waan gebracht, dat zij werkelijk aanleg voor het tooneel hadden, weldra aan niets anders meer dachten en eindelijk zich aan een sechtquot; toneelgezelschap verbonden, waar hun niets als teleurstelling wachtte.

Maar het bedenkelijkste verschijnsel dat zich openbaart, is wel dat de vrouwen en dochters onzer rederijkers zich ook op de planken beginnen te vertoonen. Albedil weet de mannen en vaders net zoolang te bepraten, dat zij eindelijk hunne zeer gerechtvaardigde tegeningenonienheid overwinnen, en ofschoon nog ongaarne, ten slotte toegeven. Dat moest albedil niet doen. Onze vrouwen en meisjes hebben waarlijk wel wat beters te doen dan meestal laffe tooneelstukjes mee te vertoonen.

Een twintig jaren geleden werd hier de eerste rederijkerskamer opgericht, en het duurde niet lang of er verrees eene »zusterkamerquot;.

Nu, de kamers mogen zusters geweest zijn, de leden gedroegen zich alles behalve als broeders! Een eerzuchtig lid der eerste kamer had de tweede gesticht, en vandaar gloeiende vijandschap tusschen de leden der beide vereeni-gingen, een vijandschap, die zich zelfs in de reglementen door allerlei exclusieve bepalingen openbaarde. Die haat werd des te heftiger, omdat de eerzuchtige de eenige «goeje marqué uit de heele stadquot; en dus een groot verlies

ocr page 181

167

voor de oudste zustei' waf?. Ja, 't was een marqué le klasse! Een Veltrnan van een kerel! Hij had kromme beenen en een grooten neus; en zijn oogen! hé, wat een oogen! Wat kon hij «draaienquot; met die oogen! En zijn lichaam! O! zijn lichaam kon hij net wringen, zooals hij dacht dat een slang dat zou doen, als zoo'n beest armen en beenen had. Grimeeren kon hij zich ook prachtig; als de toeschouwer niet door zijn beenen heen het geheele achterdoek van het tooneel had kunnen zien, zou hij den marqué niet herkend hebben.

Van zijne costumes waren altijd de schoenen het gedeelte, dat de meeste aandacht verdiende — althans van den costumier; want deze had ze in den regel zes weken na de voorstelling nog niet terug. De marqué »was zóó in zijn rolquot;, dat hij er al dien tijd op bleef loopen, hetgeen sommigen ook aan den desolaten toestand van 's mans eigen laarzen toeschreven. Maar die dit beweerden waren leden der andere kamer, en dus weinig vertrouwbaar.

Elkander te critiseeren en te belasteren, was het aangenaamste wat de heeren doen konden. Men ontweek elkander. Publieke plaatsen, waar men wist zijne «concurrentenquot; te zullen aantreffen, werden vermeden. De kruidenier van de ééne kamer haalde zijn brood niet meer bij den bakker van de andere, en de hakker kocht zijne koffie en zijn ballen voortaan bij een buitengewoon lid van zijne eigene vereeniging.

Zelfs zijn er voorbeelden van botsingen op den openbaren weg. Een jeune premier en een père noble liepen

ocr page 182

168

eens met zooveel geweld tegen elkander, dat er nog denzelfden avond door beide vereenigingen eene buitengewone vergadering belegd werd, om te beraadslagen wat »in dezequot; te doen was. Beide colleges kwamen tot het besluit. dat »in deze niets te doenquot; het beste was, en men door een plechtig zwijgen het gevoeligst zijne verachting kon doen blijken.

In de laatste jaren merkt men van dit alles weinig of niets meer. De heethoofden zijn van het groote tooneel verdwenen, en er bestaan hier thans zeker een twintigtal dier vereenigingen vredig naast elkander, en ofschoon men elkaar nog wel eens een bij een wedstrijd behaalden prijs benijdt en dan het publiek onthaalt op een schriftelijke kibbelarij in Hollandsch van een geheel nieuwe spelling, de vroegere kinderachtigheden blijven achterwege en — zooals aan zonen van één vaderland past — men verdraagt elkander.

't Is gelukkig! Want na religiehaat is er geen hartstocht, die treuriger gevolgen kan hebben dan rederijkershaat.

September 1881.

ocr page 183

is

Dat

me een

„Heerquot;!

Hij is van mindere burgerafkomst wat hem niet vernedert, en hij heeft zich een vrij goede positie in de maatschappij weten te verwerven, wat hem tot eer verstrekt.

«Maar hij is en blijft een »heerquot;; iemand, die zich bewust is, dat hij «net zoo goed is als een anderquot; en om dit te toonen zich geheel anders gedraagt dan een ander. Of hij spreekt over personen of zaken — als hij op een publieke plaats is kan iedereen zijn luide stem hooren. En hij spreekt over alles en over iedereen met een vrijmoedigheid, die verbazing wekt.

Als op zijn gelaat niet altijd een glimlach prijkte, die van 's mans zelfvoldaanheid, van zijn ingenomenheid met zich zeiven getuigde, dan zou zijn voorkomen eenigszins aan dat van een papegaai doen denken. Dezelfde kromme neus, dezelfde glinsterende oogen vlak tegen dien neus — precies een papegaaienkop; en als hij zoo aan het doorkakelen is dan zou men meenen, dat de kuif omhoog

ocr page 184

-170

stond en dat men zoo'n vogel hoorde schreeuwen ka-ka-ka-ka-ka-ka- kaaaaaA!

Hij is op een groot effectenkantoor, heeft het vertrouwen van den patroon weten te winnen en zich, door de minder aangename zijden van zijn karakter, den haat zijner collega's op den hals gehaald, die liem allen schuwen als de pest.

Met zijn papegaaien-oogjes ziet hij ontzettend ver in de toekomst en menig rentenier of weduwe heeft zooveel vertrouwen in zijn blik en zijn praatjes, dat zij geen effectje koopen of verkoopen zullen zonder den sheerquot; te raadplegen. Natuurlijk komt het wel eens aveiechts uit, maar dan nog weet de sheerquot; zijne patienten te overtuigen, dat zij hem hun vertrouwen nog-onverminderd kunnen blijven schenken.

»Ja zie jequot; — zoo spreekt hij dan — »wie had nu

kunnen denken dat Rusland.....quot; Als Rusland niet

gedaan had, wat Rusland wel gedaan heeft, dan was het precies zoo uitgekomen als de sheerquot; voorspeld had. Heere, ja! Dat kon dan toch ook geen mensch, zelfs de sheerquot; niet weten dat Rusland dat zou doen! Wat een knap ventje is die sheerquot; toch!.... Wel met wat minder geld, maar meer dan ooit overtuigd van des sheerenquot; knapheid gaan de lui naar huis.

Het merkwaardigste is de sheerquot; als hij onder het genot van een glas bier, rust van de vermoeienissen, die zooveel knapheid een mensch als van zelf veroorzaakt. Men moet hem gadeslaan als hij het locaal binnentreedt, dat hij met zijne geregelde bezoeken bevoordeelt. De

ocr page 185

171

deur wordt zoo wijd mogelijk geopend en met den deurknop in de hand, schalk glimlachend tegen en over zich zelf, staat hij een oogenblik stil en staart de aanwezigen aan. Geen kennissen! Zijn gelaatsuitdrukking verduistert een weinig, al blijft ook de glimlach zijn gezicht rimpelen. Hij had bepaald op een meer triomfantelijke ontvangst gerekend. Maar het is niet anders. Hij sluit de deur achter zich, loopt, zonder zich te verwaardigen de hee-ren te groeten — 't zijn toch óók maar heeren — een paar schreden de zaal in en werpt dan zijn toekomst-blikken onderzoekend door het ruime, en wegens den sigarendamp nevelachtige locaal. Niemand zijner talrijke vrienden ontdekt zijn scherpziend oog. »Jaan!quot; zoo klinkt het eindelijk luide uit zijn mond (hij noemt de kellners nog altijd Jan en spreekt dien naam uit overeenkomstig het dialect van de stad zijner geboorte) s.laan! is meneer Die er nog niet en meneer Die ook niet, of binne ze al weg? 't Zit er zeker weer niet an vandaag!quot;

De kellner beduidt den sheerquot; op een toon, die gunstig bij dien des sheerenquot; afsteekt, dat meneer Die en meneer Die in de achterzaal aan het biljartspelen zijn.

»0 zoo, dan zè'me ze der is een vijftig an der broek smeren!quot; En de sheerquot; stapt met deze woorden naar achteren, niemand ziende, die de eer niet heeft hem particulier te kennen, en bereikt met een gelaat, dat één enkele glimlach is, de biljartzaal, waar de heeren juist de queue op de baltafel werpen.

ocr page 186

172

»Kom. nog een partijtje!quot; zegt (ie sheerquot;; »dan doe ik ook mee!quot;

Dat: ik, moest loch wel den doorslag geven.....

maar de heeren waren vermoeid en wilden liever »een poosje kletsen.quot; Een van hen moest hem dan ook juist iets vragen. »Zeg heb jij ook iets gehoord van timmerman X.?quot;

»Van X.?! Of ik van X. wat gehoord heb?! Wel, ik heb gisteren nog een wissel bij hem laten protesteeren van vijf honderd gulden en vandaag is er weer een onbetaald terug van honderd zeventig. Hij kwam nog bij me om uitstel. Toe, meneer! zei die. Maar ik zee: ik heb niks met je toe .meneer te maken; geld, zee ik of ik stuur hem terug, zee ik.quot;

«Jongen, jongen;quot; merkte een ander op; «ik heb altijd gedacht, dat het zoo'n soliede kerel was. Zou het ook een tijdelijke ongelegenheid zijn? Iedereen kan wel eens in de war zitten!quot;

«Tijdelijk?! Ha, ha, ha!quot; lachte de heer nog luider dan te voren. «Tijdelijk?! Nou, ik zeg niks meer. Kom lane me maar een partijtje biljarten!quot;

De vrienden gaven gehoor aan zijn wensch en weldra stond een viertal met de queue's gewapend.

«Trekken!quot; zei de «heer.quot;

«Och, laten we liever zien wie de langste queuci hebben, dat gaat gauwerquot;, meende een ander.

«Neen, trekken!quot; hield de «heerquot; vol. «Je zult mij niet bij 't lijf hebben, vrindje! Je hebt ze zeker al netjes

ocr page 187

17:5

uitgezocht, hè? Maar dat valt je tegen, hoor! Trekken zal je!quot;

En men trok. Wie zou zoo'n »heerquot; zijn zin niet geven?! Het spel begon en nu stond de kuif voortdurend overeind; ka-ka-ka-ka-ka-ka-kaaaaA! Daar was geen woord tussehen te krijgen. De drie vrienden glimlachten om de geestigheden van den sheerquot; en hoorden zijn uitroepen geduldig aan. «Van de rooie, kerel! Daar komt zóó ommers niks van!quot; Nu, gewillig waren zij voor den sheer,quot; maar dat deden zij dan toch niet. Zij speelden »hun eigen spel.quot; En terwijl hun bal nog liep, riep de sheer:quot; shij komt er niet, hij komt er niet!quot; En als hij den carambolebal naderde, schreeuwde hij nog: neen . . . . neen .... neen! zeg ikkie! heb ik 't je niet gezeid?!quot; En hij stampte met de queue op den vloer van blijdschap, dat de carambole op een haar af miste en zijn voorspelling dan toch bewaarheid was. In het omgekeerde geval zou hij wel iets dergelijks gehad hebben als; »wie had nu kunnen denken, dat Rusland ....!quot;

Er kwam eenige afwisseling. Aan een tweede biljart werd eene partij begonnen door een paar heeren, die zich niet in de sympathie van den sheerquot; schenen te mogen verheugen. Nu had men hem moeten hooren. Opmerkingen tintelend van geest, kwinkslagen zoo grappig, dat ze alleen uit het brein van een sheerquot; kunnen voortkomen. Nn eens iets op het beroep der heeren aan het andere biljart, dan weer op hun vermoedelijk negatieve vermogen! 't Was alleraardigst; plotseling verstomt die wijde mond!

ocr page 188

174

Het glimlachend gelaat zet zich in een ernstige plooi.... de zoon van zijn patroon treedt binnen. De sheerquot;, die tot nog toe met den hoed op het hoofd gespeeld had, groet eerbiedig met dat hoofddeksel en zet het niet meer op. Met een onderdanig lachje nadert hij zelfs den zoon en vraagt: »als u soms spelen wilt, wij kunnen er wel uitscheiden.quot; De gentleman dankt natuurlijk voor die beleefdheid en de »heerquot; zegt zeer beleefd ; »Nu, we zijn dadelijk klaar, meneer, dan kunt u ons biljart krijgen. Ik speel toch nooit meer dan één partijtje en dan nog maar twee of driemaal in een jaar !quot; In zijn haast om de partij te eindigen telt hij twintig te veel voor zijn tegenpartij en orn te toonen dat hij maar twee- of driemaal in een jaar één partijtje speelde, miste hij alle caramboles en riep telkens: »ik leer het nooit! ik doe het ook te weinig!quot;

Hij liet zijn glas onaangeroerd staan, moedigde zijne medespelers voortdurend aan met de woorden: »Kom, jongens, gauw, ik moet naar huis!quot; en bood toen de partij eindelijk uit was, met de woorden: »dat is een goeie, meneer!quot; zijn warme queue aan den zoon aan, die den balstok voorzichtig aan liet boveneind aanvatte en in een hoek zette.

Een zucht van verademing ging door de zaal toen de man verdween en op aller gelaat kon men lezen dat de grootste overeenstemming heerschte in het oordeel, dat zich uitspreekt in de woorden:

Dat is me een «heer!quot;

April 188G.

ocr page 189

Dronken vrouwen.

Twee vriendinnen, die een extraatje verdiend hadden, zaten op een morgen genoeglijk bij elkander op eene kamer in de Kroeselaan — ook bekend onder den naam van Philosophenlaan — en verdiepten zich in philoso-phische bespiegelingen over de wisselvalligheid van al het ondermaansche. Gisteren niets, en heden zoovéél verdiend, dat zij met de portie jenever, die zij gisteren hadden moeten ontberen, de dosis van vandaag konden vermeerderen. Er werd nóg voor zestien centjes gehaald, en nóg eens, en dra werd de lust vaardig over haar om als meisjes van fatsoen eene wandeling te gaan doen in het jeugdig groen.

Dat was een noodlottig besluit! Want nauwelijks ademden zij de met wat winterkou bezwangerde frissche lentelucht in, of het bleek, dat hare beenen niet meer met die vastheid van karakter werden neergezet, die anders, bij hare gewone «bezighedenquot;, hare langzaam heen en weder gaande schreden kenmerkten.

ocr page 190

17G

Een timmerman, die de beide dames tegenkwam, maakte de opmerking dat hare «schragenquot; wat zwak begonnen te worden, en gaf haar den raad om ze eens opnieuw te laten szwaluwstertenquot;. Een schoenmaker beweerde door zijn openstaand venster, dat het zoo erg niet was, maar dat »de meisies alleen een beetje de kramp in d'rschoen-riempies haddenquot;. En een troep jongens vergastte ons op de rijke verscheidenheid van uitdrukkingen, die ons humoristisch volk bedacht heeft om te kennen te geven dat iemand dronken is. Tusschen het ouderwetsche »stuk in den kraagquot; en het meer van jongere dagteekening »als een straalquot; ligt eene gansche serie van benamingen, waarvan het moeilijk is de beteekenis te vatten, anders dan wanneer er sprake is van den kennelijken staat.

Met stoïcijnsche kalmte zeilden de twee vriendinnen arm in arm onder al dien spot langzaam voort, totdat zij te dicht aan den waterkant kwamen en eene van haar een koud bad nam. Zij werd spoedig gered en in eene loods te drogen gelegd, terwijl hare vriendin, door twee inmiddels aangekomen politieagenten op krachtdadige wijze ondersteund, tot groote vreugd van de lieve straatjeugd naar het politiebureau weid geleid.

Din vreugde openbaarden de beminnelijke jongens door een luid gezang, waarmede zij de sierlijke groep tot in de stad begeleidden en dat nu eens klonk;

Schoon Sophie, mijn engelin,

Eu die-n-ik zoo teer bemin;

dan weder:

ocr page 191

177

Alles iu den wind, alles iu den wind.

Nooit geen klein kind in den wind.

Sophie — zoo heette de dronken engelin — scheen inmiddels tegen hare gedwongen wandeling alleen twee bezwaren te hebben, namelijk de twee vuisten der agenten, die haar, tot steun op dit stukje levensweg, in de okselholten hadden gevat. ))Ik zal wel meegaanquot;, stamelde zij, »maar la'me assieblief los.quot; Het mensch zou in elkaar gezakt zijn, als aan haar verzoek gevolg was gegeven, en daarom werd zij met loshangende haren en de eens zoo witte muts op den rug voortgeduwd naar de plaats der rusfe.

Hare vriendin zou later per brancard worden afgehaald, en ofschoon ik dat niet gezien heb, kan ik mij voorstellen dat dit vervoer toch veel minder stuitend moet geweest zijn dan dat van de minder beschonkene. Vooral vrouwen op zulk eene wijze tusschen agenten van politie langs de straten te zien gaan is een walgelijk schouwspel, dat men zoo min mogelijk aan onze jeugd te genieten moest geven, daar het zeker niet veredelender werkt dan het slachten van rund- en ander vee, dat men toch zooveel mogelijk in het verborgen tracht te doen.

Al lacht men onwillekeurig, als men een voorbij varenden schipper hoort roepen: »die meid is ook scheef gelaje, hoor!quot; of een ander hoort getuigen, dat de regen naar binnen geslagen is — het zou toch altijd beter zijn, als men zorgde dat dronken vrouwen de stof voor dergelijke opmerkingen niet konden leveren.

April 18S6.

v Ren nes. 12

ocr page 192

De beuk uit den Spaanschen tijd.

Hij staat te sterven!

Hij, de vriend onzer jeugd en van onzen mannelijken leeftijd; hij, die onzen gullen lach en blijden vreugdekreet hoorde, hij, die ons dikwerf in stille en smartelijke overpeinzing vond.

Hij, niet alleen onze vriend, maar de vriend ook van een voorgeslacht als het zand aan de oevers der zee.

Och, hoe menigeen zag hij komen, hoevelen zag hij gaan, die reus, die Methusalem onder onze hoornen—en eindelijk zal ook hij zelf gaan, is ook zijn tijd gekomen!

Welk een droevig gezicht, zoo'n stervende boom! Die lange doodstrijd van zoo'n krachtigen, 360-jarigen grijsaard, dien men zoo fier en zoo bloeiend gekend heeft, is afschuwelijk om te zien. De stam heft zich nog forsch omhoog, maar de sterke takken beven bij het minste zuchtje van den wind. En de weinige bladeren, die de uitgedroogde levenssappen nog hebben kunnen voortbrengen,

ocr page 193

•179

ritselen zoo klagend en steunend, alsof een oude afgeleefde man stamelend van zijn vroolijke, gelukkige jeugd vei'haald.

Och, of het waar was, dat die bruine beuk ons zijne levensgeschiedenis vertellen kon! Wat zoudt gij gretig luisteren, gij allen in den lande, die ooit de Maliebaan bezocht en daar, in den tuin Buitenlust, verpoozing en verkwikking vondt onder zijne lommerrijke takken, die geen zonnestraaltje doorlieten. Wat zoudt gij weemoedig toehooren, als gij daar nu, de zonnestralen op uw hoofd voeldet branden en dien hulpeloozen oude zaagt, die in stille berusting het oogenblik verbeidt, dat zijn laatste blaadje zal zijn gegroeid en verdord.

Toen hij pas van den moederstam was afgescheurd, heeft de kleine hand van een 16-jarig meisje, de schoone dochter van den toenmaligen eigenaar, hem daar geplant. Zij heeft hem in zijne jonkheid met al de zorgen omringd, die een jonge beuk behoeft, en zijn voordeelig opgroeien met vreugde en bewondering aanschouwd. Hij heeft zich recht dankbaar getoond, die beuk, en zijne verzorgster veel geluk aangebracht. Weinige jaren nadat hij de eerste levenssappen uit den vetten bodem had gezogen en eenige weinige takken reeds uit zijnen stam waren te voorschijn gedrongen, zat het meisje, dat inmiddels eene schoone, blozende maagd was geworden, op eene bank tegen haren beuk te schreien. Nevens haar zat een ranke jongeling, die de tranen van hare wangen kuste. »Vlucht!quot; snikte zij, »vlucht! als vader komt......quot;

Maar hij wilde alles trotseeren, hij zou op zijne knieën

12*

ocr page 194

180

den dwingeland smeeken, hij zou zijn hart vemurven! Vader kwam; maar niets mocht baten. Hij werd smadelijk weggejaagd, met zweepslagen gedreigd als hij het ooit mocht wagen terug te keeren. In den nacht klom hij

over den muur en..... hing zich, vlak tegenover het

venster van de geliefde, aan een der takken van den beuk op. Maar de beuk liet dien tak breken; door het geluid van den val werden vader en dochter tegelijk wakker, en door zooveel liefde getroffen, gaf de oude heer zijne toestemming. Ter gedachtenis hieraan lieten de gelieven op hunnen huwelijksdag een zilveren ring, waarin hunne namen waren gegraveerd, om den knot van den tak leggen, die de poging tot zelfmoord had doen mislukken. Van geslacht tot geslacht is deze legende bewaard gebleven en zelfs de tegenwoordige eigenaar wijst, ii nog gaarne den boomtronk, waar het blijk van vereering van de twee gelieven thans geheel is ingegroeid.

Hoe vaak ook de plaats, waarop de beuk stond, van eigenaar is verwisseld, door allen werd hij, om deze roerende geschiedenis, met eerbied en liefde bejegend. Wat ook viel, de beuk stond pal. Zelfs de richting van den Oosterspoorweg werd, zoo vertelde men indertijd, om dien beuk te sparen, een weinig verlegd.

Donkere dagen heeft de boom, vooral in zijne jeugd, doorleefd. Toen hij nog een beukje van 50 jaren of daaromtrent was, dreunde het kanongebulder over de stad en was de hemel hel verlicht van den brand, waarmede de Spanjaarden de weerbarstige burgerij tuchtigden. Somber

ocr page 195

181

stond de beuk daar, en het was alsof de tint zijner bladeren donkerder werd van smart bij al den rouw, dien hij om zich henen zag. Het morgenrood verdrong het licht van den brand, zware schreden weerklonken, vloekend werd op de poort geslagen, die eindelijk bezweek voor de geweerkolven der Spaansche soldaten, die binnendrongen en zich onder den beuk legerden. Het is eene ruwe bende, die een troep aan elkaar gebonden gevangenen wegvoert. Hun wreede hoofdman roept lachend: »Ha, ha, wat een mooie boom. Tel me eens hoeveel takken ei' aan zitten!quot;

Een korporaal en twee man hebben fluks de takken geteld en deelen de uitkomst van hun werk mede: 210.

»Per dios!quot; vloekt de hoofdman: «dan komen we er 10 te kort. We hebben maar 200 gevangenen en ik had er zoo graag aan iederen tak één gehangen. Kijk eens in huis of daar nog niet wat van die ellendelingen zijn!quot;

Spoedig kwam men met de verschrikte bewoners aan: vader, moeder, de meid en vijf kinderen. Overigens was er geen levend wezen in huis dan de hond en de kat.

«Ook er maar bij, voor den duivel! dan zijn we net compleet,quot; raasde de hoofdman; «hang die twee maar vast onder in den boom aan hunne staarten, dan zorgen die voor muziek. Deze lieve familie moet bovenin hangen, dat zal goed staan. Maakt de stroppen klaar!quot;

Hij sprak — en donkere wolken pakten zich boven den beuk zamen en krijschende gieren vlogen in wijde kringen om zijne kruin.

ocr page 196

•182

»Ha. ha, die merken wat een lekkere hap hun wachtquot;, lachte de wreedaard, maar plotseling verbleekte hij. Terwijl zijne mannen bezig waren, onder woest gelach touwen aan de staarten van den hond en de kat te binden en hen zóó op te hangen, begon plotseling de beuk geweldig met zijne takken te schudden en stond hij zoo heftig te beven en Ie sidderen, dat de grond, waarop zij stonden, er van trilde. Bliksemflitsen doorkliefden de lucht, de gieren verdubbelden hun gekrijsch.

Slechts één oogenblik zagen de bijgeloovige Spanjaarden dat aan, toen vluchtten zij, hun hoofdman vooraan, en lieten hunne gevangenen in de steek.

• De lucht klaarde op. de gieren waren weg, de boom stond alsof er niets gebeurd was, en de gevangenen waren vrij.

Maar ook blijde, vroolijke dagen heeft de beuk gekend, toen in het begin dezer eeuw de kozakken in een kring om zijnen voet vetkaarsen aten en levertraan dronken en naast hunne paarden zoo rustig onder zijne kale takken sliepen alsof het in Augustus was, in plaats van op 28 November. En aan uitgelatenheid grensde zijne vroolijkheid toen de plek waar hij stond, een uitspanningsoord, «een eet- en drinkgelegenheidquot; was geworden. In de eerste jaren scheen hij zich met dat vele drinken niet te kunnen vereenigen, maar toen er al heel wat sterke drank op zijne wortels gemorst was en hij. wegens de massa citroentjes met suiker, die onder zijn lommer werden gedronken. den eernaam van Citroenboom had verworven, fleurde hij weer geheel op en breidde zijne takken steeds

ocr page 197

183

verder uit, zoodat het aantal stoelen, dat om tafeltjes, onder zijne bladeren kon staan, thans tot 500 was gestegen.

Deze merkwaardige boom, wiens bladeren door den avondwind bewogen, zoo vaak harmonisch het zacht gefluister van minnende menschenharten begeleidden — deze merkwaardige boom zal weldra bestemd worden . ., wellicht om doodkisten van te maken. Geen menschelijke hulp kan meer baten! Hij kwijnt weg!

quot;Wie zal hem vellen? Zullen dat onze gewone boomsnoeiers doen, zonder eenige plechtigheid, zonder eenigen eerbied zelfs? Of zal, gedachtig aan des beuks roemrucht verleden, een Gladstone geroepen worden om door zijne bijlslagen dien fleren reus tegen de aarde te doen ploffen, terwijl Coenen ons kerkhofmuziek laat hooren?

quot;Wel neen! Mij dunkt, ik zie al zoo prozaïsch mogelijk een paar mannen met handzaag en bijl in den boom klauteren en een voor een de takken wegzagen of kappen, totdat er niets meer overblijft dan de kale, naakte stam, die dan eenvoudig, nadat de wortels zijn doorgehakt, met een paar touwen wordt omgetrokken dat hij neersmakt — net als een gewone boom, als een boom, die niet kan verhalen van den Spaanschen tijd.

September 1886.

ocr page 198

Oude h e r i n n e r i ii g- e n.

Omstreeks Amsterdantsche kermis, alzoo om dezen tijd gewoonlijk was het, een twintig, vijf-en-twintig jaren geleden, hier in vele buurten nog de gewoonte, dat de kinderen — en dikwijls ook volwassenen — om den »knaapquot; dansten. »Knaapquot; was de naam, dien liet volk gaf aan de zonnebloem, die bij zulk eene gelegenheid in een bak of emmer met aarde midden op de straat gezet werd, terwijl aan de takken van de plant en ook aan de gele bloem zelve zooveel flambouwtjes werden gebonden, als slechts even doenlijk was. Als de schemering viel, dan begon het lieve leven reeds: de flambouwtjes werden ontstoken en al de kinderen uit de straat vormden een grooten kring om den »knaapquot; en dansten hand aan hand daar omheen, terwijl zij zongen:

Al wie de kappen niet naaien wil.

Die zal gebonden zijn!

Rosemarij n, Rosemarijn,

üat zal onze Truitje zijn!

ocr page 199

185

en dan werd onze Truitje met den rug naar de bloem gekeerd en moest zóó in den kring meespringen.

Hetzelfde lied herhaalde men, met verandering van den naam in den laatsten regel, zoolang tot dat alle leden van het gezelschap ruggelings naar den bloem stonden gekeerd, tenzij, wat steeds het eind van het spel was, de flam-bouwtjes zoover waren opgebrand, dat de plant zelve in brand vloog. Dan vielen allen op en over elkander op de bloem aan en grabbelden naar de bruine zaadkorrels, die door sommigen smakelijk werden opgegeten, terwijl anderen er halskettingen of armbanden van maakten.

Wat de oorsprong of de beteekenis van dit spel was, is mij nooit mogen gelukken na te sporen. Thans behoort het geheel tot de geschiedenis, en nog slechts weinige jongeren zijn er, die zich dat onschuldig volksvermaak herinneren.

Zoo is het trouwens met zoovele zaken gegaan. De tijden veranderen en wij met hen!

Wie weet nog van het gezellige buurtleven, dat onze ouders en grootouders gekend hebben, toen men des avonds bij elkander op de stoepen voor de huizen zat op zoogenaamde krukjes — matten of rieten stoeltjes zonder leuning — en onder vroolijken kout of vaak een lustig lied van de volbrachte dagtaak uitrustte?

Waar zijn de groene banken gebleven, die men vroeger voor zoovele woningen zag staan en waarop de heer des huizes na den maaltijd zich welbehagelijk uitstrekte en dikke rookwolken uit zijne lange Goudsche pijp blies!

ocr page 200

186

Verdwenen zijn ze alle. Het langst hebben zij nog hun leven gerekt voor de kroegen, waar zij den vei moeiden voorbijganger met groote witte letters toeriepen, dat daai sterke drank te verkrijgen was. Maar ooR daar vindt men ze niet meer: de onverbiddelijke trottoirs dulden zulke belemmeringen voor den voetganger niet meer.

Het heeft wel heel wat voeten in de aarde gehad eer de brave burgers de meening van hunne overheid deelden, dat zij op hun »eigenquot; stoep niet mochten doen wat zij wilden; maar langzamerhand heeft men zich onderworpen. Het was vroeger dan ook zoo aangenaam; want niet alleen dat men door de vrijheid van handelen zelf voordeel en genot had, maar men kon ook, als men wilde, anderen door zoo'n stoep het leven bitter onpleizierig maken. iets. wat sommige menschen nog aangenamer vinden dan zeiven een pleizierig leven te hebben. Zoo herinner ik me twee nevens elkander wonende winkeliers op den Springweg — ze zijn beiden reeds lang ter zieleVj. Den eene» kon men geregeld iederen namiddag een uur lang tegen zijn deurpost geleund zien. met eene lange pijp in den mond en zijn blikken werpende naar de Marie-plaats. Wat hij daar zag of zocht, wist niemand, maar — het was zijne gewoonte.

Zijn buurman had nooit eenig bezwaar tegen dat staan, dat rooken en dat kijken gehad, al begreep hij ook niet swaar de man al geen liefhebberij in had.quot; Maar op een goeden zomeravond toevallig op eene bovenkamer zijnde, waar hij slechts zelden kwam, kijkt hij door het

ocr page 201

187

met klimop begroeide venster in den tuin zijns buurmans, en ziet hem in eene teedere omhelzing gewikkeld met diens huishoudster. En ware hij nu slechts tevreden geweest met deze kennisse des kwaads van zijnen naaste — maar neen, hij tikte hard tegen de ruiten en deed de beide geliefden verschrikt opzien.

Of nu de verliefde buur het voornemen had, zijne prieel-liefkozingen ongestoord voort te zetten, dan wel of het alleen boosaardigheid van hem was — maar hij liet in zijnen tuin twee palen plaatsen met een planken schot vlak voor het venster van zijn buurman. En deze zette op zijn stoep tegen het hek, dat hem van die zijns buurmans scheidde, eene hooge uitstalkast, waarin hij zijne winkelwaren tentoonstelde, en belette op deze wijs zijnen verliefden buur het uitzicht naar de Mariaplaats. Deze bracht toen al zijne uren in het prieel dooi', en of het daarvan kwam dan wel van ergernis over zijn buurman, genoeg — hij trouwde met zijne huishoudster en stierf kort daarna, zooals booze tongen beweerden, van huwe-lijksverdriet, omdat de liefkozingen van de huishoudster na den trouwdag even plotseling als aanmerkelijk van aard en gehalte veranderd waren, maar volgens den dokter aan Mariaplaatsgebrek.

De booze buurman overleefde hem vele jaren en stierf toen nog niet eens aan wroeging.

October lS8(i.

ocr page 202

N a r s.

Alweer een! Nars heeft de aarde, meer speciaal het gedeelte er van, dat bij geografen en anderen als Utrecht bekend staat, en nog specialer dat stukje van Utrecht, dat stationsplein heet, van zijne beminnelijke aanwezigheid beroofd.

Nars, de fatsoenlijke Nars, die zoo In-fatsoenlijk was, dat hij verklaarde lang niet zoo fatsoenlijk te zijn als zijn broeder, »Hein de Zeemanquot;, wiens necrologie ik een paar jaar geleden gaf, 1) die Nars heeft ook den weg naar betere gewesten ingeslagen.

Tijdens zijn leven was zijn normale stand met de handen op den rug; zijn normale toestand, dronken, en zijne normale standplaats het stationsplein.

Zijn haar droeg hij nationaal-monarchaal — met eene vorstelijke bocht een eindweegs boven den nek, die zorgvuldig glad geschoren was. Zijn gezicht daarentegen —

1

Opgenomen in-den later bij J. L. Ueijers verschenen bundel: Vonken en Vlammen.

ocr page 203

-189

zijne ingevallen, vaalldeurige wangen, zijne kin, zijne lippen schenen nooit met het mes van den barbier in aanraking te zijn geweest, en toch had hij geen baard of knevel. Slechts korte rossige, later min of meer grijzende stoppeltjes bedekten zijn gelaat, en zouden den vreemdeling, die hem voor het eerst zag, hebben doen denken dat Nars de gewoonte had zich slechts op verjaar- en andere algemeen erkende feestdagen te wasschen. En wat zou die indruk glad verkeerd zijn geweest. Nars was de zindelijkheid in persoon.

Zijn licht blauw boezeroen was zoo helder sals een brandquot; ; zijne donkere broek smetteloos als de deugd zijner maagdelijke dochters; zijne schoenen glanzend als een spiegel. En dikwijls scheen hij er zich in te spiegelen. Want vaak vond men hern in gepeins verzonken, met den rug leunend tegen een ijzeren hek, het lichaam zóó gebogen, dat zijne voeten een eind vooruitschoven, en dan staarde hij zoo lang en aanhoudend op die schoenen, dat zijn kameraads eindelijk riepen: ja, ja, ze binne weer mooi, Nars!

Dan ontwaakte Nars uit zijne blijkbaar sombere gedachten, keek minachtend zijne altijd speelsche makkers aan, legde de handen op den rug, en begon eene heen-en weer-wandeling over de breedte van het plein. Maar geen woord had hij over tot antwoord op hunne plagerijen: dat achtte hij beneden zich. Alleen dan, wanneer zij hem in zijne zaken benadeelden: als een jongere borst hem vóór was bij een ouden, vasten klant, wiens bagage hij

ocr page 204

190

al zooveel jaren op zijne schouders getorst had, en hij voor zijne oogen zag hoe »zoo'n aap, zoo'n snotneus' met het hem van rechtswege toekomende vrachtje ging strijken, dan kende zijne woede geene grenzen. Maar toch hield zijn fatsoen de bovenhand: hij zou niets zeggen zoolang nog reizigers het station verlieten. Integendeel, dan bleef hij met een onbeschrijfelijk vriendelijken glimlach . met de linkerhand boven op het hoofd steeds gereed om de pet af te nemen, met de rechterhand wijzen op alle handbagage, die zijn oog op eenigen afstand ontdekte. Als bij daar zoo stond, gebukt en zoetelijk glimlachende, dan bleek de waarheid van het beweren zijner vrienden, »dat zijn vel te kort was.quot; Dan waren zijne dunne lippen stijf tegen zijn tandvleesch getrokken en heten een paar rijen groote koffiekleurige tanden zien; dan kwamen er zulke plooien in zijne wangen, waarvan er eene een oogenblik te voren zoo strak om een kolossalen skees (het vierde gedeelte van een ons tabak) gespannen was, dat men meende haar te zien barsten; dan kwamen er ook zulke rimpels in zijn anders gladde voorhoofd, dat men begreep, dat het openen van zijnen mond door dien beminnelijken glimlach, oorzaak was dat het overige deel van zijn «overtrekquot; eenige speelruimte kreeg er. daarvan gretig gebruik maakte om zich eens te ontspannen.

Zoo stond hij en lachte totdat alle reizigers verdwenen waren, en als hem geen vrachtje was te beurt gevallen, wee dan hem, die er Nars een had ontroofd of dte het waagde hem er mede te plagen.

ocr page 205

191

Dein was hij ontzettend om aan te zien. Dan ^tond hij in half voorover gebogen houding tegenover zijnen belager; het hoofd nu vooruitgestoken tot bijna onder diens neus; de ellebogen achterwaarts langs het lichaam getrokken, de vuisten gebald als een bokser, alsof hij zoo op zijn slachtoffer zou aanvliegen. Maar zoover kwam het nooit; en dat wist het slachtoffer dan ook wel. want dit bleef meestal kalm, of zijn schreeuwen even hard beantwoordend, voor hem staan, verdroeg zijne van woede fonkelende blikken alsof een schaap hem aanstaarde, keek naar liet schuim op zijne lippen of hij er een zeepbelletje verwachtte, en trok alleen zijn hoofd een weinig terug als Nars wat erg »spatte.quot; Hoevele malen Nars in zoo'n debat zijne pet van links naar rechts zette, en hoe dikwijls en hoe hard hij zich met snel opeenvolgende vuistslagen op de horst sloeg, terwijl hij betuigde, dat hij »zoo ietsquot;' nooit zou doen, heb ik nooit kunnen tellen. Ik weet alleen, dat het einde van het discours in den regel was dat zijn wijsvinger in de wangruimte verdween

en een oogwenk daarna de »keesquot; met een «ziedaar g.....quot;

tegen de straatsteenen te pletter werd gesmeten. Daarna keerde hij zich om, legde de handen op den rug, stapte heen, en ging een eindwegs verder tegen een hek of een muur staan leunen, haalde de tabaksdoos uit den zak, vulde zijne wang weer totdat zij zoo strak stond als een eierschaal, stak zijne voeten vooruit en spiegelde zich in zijne schoenen. Dat hij zich werkelijk spiegelde, acht ik ook nog daardoor bewezen, dat ik hem nooit in zoodanige

ocr page 206

192

houding heb zien staan wanneer hij trijpen pantoffels droeg, hetgeen van tijd tot tijd gebeurde terwijl zijne schoenen gehalvezoold werden. .

Dat hij niet zonder ijdelheid was, was overigens bekend. Hij blufte niet weinig op zijn »gel uk bij vrouwenquot; vooral in de dagen van zijnen militairen dienstplicht, toen er geen keukenmeid tegen hem bestand was, »zoo groot kon ze niet zijn.quot; En toen het tooneelstuk, dat Geluk bij vrouwen heet, opgevoerd werd, was hij het dan ook, die boven van de gaanderij riep: »dat zou ik 'ern in mijn tijd anders gelapt hebben, hoor!quot;

Eéns heb ik Nars anders gekleed gezien dan in eenen blauwen kiel. Het was op het graf van zijnen broeder. Toen droeg hij een hoed van eenen vigelante-koetsier en een veel te nauw zwart pak, dat ik geneigd zou geweest zijn voor zijn trouwpak te houden, indien ik niet geweten had dat hij het huwelijk steeds versmaad had als eene voor edele mannen en vrouwen volstrekt overbodige formaliteit.

Een wit vóórhempje sierde bij die treurige gelegenheid zijne borst, eene dikke zwartzijden das zijnen hais, en een traan, een enkele slechts, zijne wang, waarover hij van stoppeltje tot stoppeltje voortbiggelde, totdat de zwarte das het zilte druppeltje opzoog. »Het was een goeie kerel, die Hein, meneer!quot; zei Nars tot den bidder, die van het kerkhof gaande naast hem liep en met de kalme onverschilligheid, aan zijn beroep eigen, antwoordde: »'k wil 't graag gelooven, Nars.quot;

Na den dood zijns broeders was Nars een dag of wat

ocr page 207

•193

in de war. Niet dat hij zoo bijzonder verdrietig was, maar Nars behoorde tot die menschen, die geene gelegenheid laten voorbijgaan om ergens op te drinken. En nu dronk Nars eenige dagen lang »op zijn goeien broer.quot; Op een dag toen hij heel veel op zijn goeien broer gedronken had en ik dezen juist had beschreven, kwam Nars mij bij toeval tegen en hield mij met de pet in de hand staande. Toen drukte hij mij diep geroerd de hand en terwijl zijne oogen in tranen zwommen, sprak hij: «meneer, dat hebbi nou is netjies over ons geschreven; maar as-i nou is wat voor me te verdienen heb, dat heb ik nog veul liever, want ik bin nou nog maar alleen overgebleve van zeuven broers en zusters.quot;

Zoo was Nars! Zaken gingen boven alles; bij liefde en droefheid, bij dronkenschap en pret, toch vergat hij zijne zaken niet.

Met de politie stond Nars op eenen goeden voet: als hij dronken was, rukte ze hem in, en als hij weer zoo nuchteren was als hij worden kon, lieten ze hem weer los. Verzetten deed hij zich nooit. »Ik speul wel geen: aap wat hebbi een mooie jongen teugen ze, maar vechte mitte pelisie, daar mo'k niks van hebben. As ze mijn m'n naad maar late naaien, dan leg ik ze ook niks in de weg.quot;

Zoo was Nar's wijsgeerige beschouwing over de verhouding van den mensch tot den diender.

Een jaar of tien geleden (hij zal nu een vijftiger geweest zijn) was hij nog een flink en krachtig arbeider. Dan zag men hem slechts op het station, als hij niet v. Rennf.s. 13

ocr page 208

194

met steenkolen dragen of met het lossen van schepen met ruw zout voor de zoutkeet een ruim daggeld verdienen kon. Dan werkte hij van het oogenblik dat het licht aan den hemel kwam. totdat de avond viel onverpoosd door, zich zelfs geen tijd gunnende om thuis het noodige voedsel te nemen. Dan zag men hem op zoo'n kolenwagen zitten en met zijne zwarte knuisten dikke sneden brood naar den mond brengen, en ofschoon hij dan lang niet de fatsoenlijke, zindelijke Nars van het stationsplein was, hij zat daar toch als het toonbeeld van arbeidzaamheid en levenslust, welke laatste hij gaande hield door aan haast elke kroeg »ho!quot; te roepen.

Dat harde werk kon hij echter in de laatste jaren niet meer volhouden. Ja, hij kon nog wel, maar hij was te gauw sop.quot; De geest was gewillig, maar het vleesch was zwak, zoo beweerde hij. En zoo was hij nu gedoemd om altijd op het stationsplein te staan, tusschen jonge sterke kerels op wier leeftijd hij dat gnorderswerk niet zou hebben aangekeken, en moest uitzien naar een koffer dien hij dragen, of een weg dien hij wijzen moest.

Terwijl hij zoo'n handkoffertje op zijn schouder droeg, een voorwerp dat hij vroeger met zijn pink over liet Singel zou hebben gesmeten, zakte hij vóór een paar dagen nabij de Willemsbrug met een dof gerochel ineen.

Eene beroerte had hem getroffen, en op de plek zelve stierf hij, nalatende eenige bijna volwassen kinderen, te oud en te wijs om hun verlies te betreuren.

Mei 1887.

ocr page 209
ocr page 210
ocr page 211