ocr page 1

VIER LEERREDENEN

OVER

PSALM 23,

DOOR

DR. II. F. KÜHLBRÜGGE,

IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-OEREFORMEERDE GEMEENTE

TE ELBERFELD.

AMSTERDAM, SCHEPFER amp; Cquot; 1885.

TWEEDE NAAR DE LAATSTE DUITSCHE UITGAVE HERZIENE DRUK.

ocr page 2
ocr page 3

E E R S T E L E E IIR E 1) E.

Voorzang: Psalm 23, vs. 1 e\ 2.

De God des heils wil mij ten Herder wezen ;

'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vreezen.

Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden ,

Aan de oevers van zeer stille watren leiden.

Hij sterkt mijn ziel, richt, om Zijn Naam, mijn treden

In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden.

Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistre dalen, In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen,

Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden :

Uw stok en staf zal mij altoos behoeden;

Gij troost mijn ziel, en richt, in mededoogen,

De tafel aan, voor mijner hatren oogen.

Psalm 23.

De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil. Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijne tegenpartijders. Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens, en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen.

Het arme hart des geloovigcn wordt door menigen storm bewogen; duizenderlei noodcn en allerlei bekommeringen wer-

Gehouden den 18. October 1857.

1*

ocr page 4

PSALM 23, VS. 1—3.

pen het heen en weder, keeren het om en om; allerlei zwarigheden , waar het uit zich zeiven niet over heen kan, noch over heen komt, liggen het in den weg, en de geloovige vraagt niet éénmaal, maar ach zoo dikwijls: „Wie wentelt ons den steen van het graf?quot; Niemand van Gods kinderen zal voortreffelijker worden dan Johannes de Dooper, van wien de Heere zelf getuigde, dat hij een riet was, door den wind ginds en weder bewogen.

En toch worstelt het hart van ieder kind Grods, om uit den angst uit te komen, om zijnen weg met blijdschap en met een goed vertrouwen te loopen, ook in het aangezicht van nood en dood, en tegenover dreigende vijanden , van olke hem toegezegde heilsweldaad verzekerd te worden en de waarmaking der verkregene belofte te beleven.

Waar zal de geloovige in zulk eene worsteling heen, indien niet tot de belofte zelve ? Waarheen, dan tot de schat- en wapenkamer van het onbedriegelijk Woord Gods, — tot hetgeen geschreven staat?

Waar, in deze van troost en moedgeving overvloeiende kamer zal hij het eerst heenzien? Ik wensch uwe blikken ditmaal te richten op drie dierbare voorstellingen van de hand des Heiligen Geestes, die wij hebben in den drieëntwintigsten Psalm.

Wij gt;den hier ten eerste een schaap en eenen herder — het schaap is de geloovige, de Herder de Heere Jesus.

Vervolgens zien wij een pelgrim, die door een duister dal heen moet. Wij zien den dood, zooals die hem van alle zijden aangrijnst. Wij zien zielevijanden, die uit het dichtst geboomte van een woud hem dreigend aanzien. Wij zien holle wegen, bruisende wateren en gapende afgronden, waarover de pelgrim henen moet. Wij zien geenen begeleider bij hem, toch is het zeker dat hij er eenen heeft, want wij zien een lichtgevenden stok en staf, die niet in do hand van den pelgrim is, maar hem voorgaat.

Ten derde zien wij een rijk voorzienen disch, waaraan de pelgrim zich met den Heere Jesus bevindt; — op den achter-

4

ocr page 5

psalm 23, vs. 1 — 3.

grond staau vole duivelen en mensclien, gelioel in wercldscho pracht en praal, maar met gebrokene bogen en aan handen eu voeten gebonden. De Heere Jesus stort over het hoofd van den pelgrim olie uit een grooten hoorn als een hoorn van overvloed, — en op den diseh zien wij een zilveren beker, tot aan den rand gevuld, en een geheel lam op eene gouden schotel. Engelen snijden groote blauwe en witte druiven af, plukken van het geboomte , waaronder de pelgrim en de Heere aan den disch gezeten zijn, allerlei edele vruchten en leggen die in eenen reiskorf, zeker met het doel om die den pelgrim op den weg na te dragen, — terwijl boven op een hoogen berg, waarheen een engel met den lichtènden staf wjjst, een koninklijk paleis staat, in helder licht met het opschrift: „Eeuwige heerlijkheidquot;.

Thans gaan wij over tot do uitlegging van het eerste beeld, dat wij beschreven vinden in onzen

Tekst: Psalm 23, vs. 1—3.

„De Heere is mijn Herder; mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gereehtigheid, om Zijns Naams wilquot;.

Het schaap zijt gij, die uwe verlorenheid ondervindt, en o zoo gaarne de gelijkenis verneemt van het verloren schaap, terwijl ook gij als zulk een verloren schaap in de woestijn omdoolt, en in gevaar, om door de wolven verslonden te worden, angstig heen en weer loopt, en den herder nablaat, — en o zoo blijde zult zijn, als gij door uwen Herder gevonden zijt. Gij hebt Zijne liefde voor het verloren schaap wel vernomen, hoe het Hem meer waard is dan negen en negentig andere schapen. Gij hebt het vernomen, dat Hij geen rust of duur heeft, totdat Hij liet heeft gevonden, — dat Hij Zich verblijden zal, als Hij het gevonden heeft, het op Zijnen schouder zal leggen en naar huis dragen, ook aan den ganschen hemel vertellen zal,

5

ocr page 6

psalm 23, vs. 1—3.

wat Hij gevonden heeft. Maar gij durft het op u niet toepassen; gij meent, dat Hij van u niets weten wil, en dat gij zult moeten omkomen. Ga maar voort met blaten, — liet uur zal komen, dat gij zingen zult; „De He ere is mijn Herder!quot;

Het schaap zijt gij, die het bij ervaring verstaat en met een verbroken hart bekent: „Wij dwaalden allen als schapen, doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopenquot;.

Het schaap zijt gij, die blaat; „Een dwalend, verloren schaap ben ik; mijn Herder, laat mij Uwe stem hooren, ik zoek Uquot;.

Het schaap zijt gij, die het in ootmoed aanhoort: „Gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeert tot den Herder en Opziener uwer zielenquot;.

Het schaap zijt gij, die heilig lacht bij het vernemen dei-belofte: „Hij, die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen en hem bewaren als een herder zijne kuddequot;, Jer. 31, vs. 10; en die van troost vervuld wordt, om den staf in hope verder te zetten, als gij uwen Heere hoort zeggen: „Mijne schapen hooren Mijne stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun hot eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukkenquot;.

Laat ik het u in weinige woorden zeggen : het schaap zijt gij, die zonder dezen Herder niet leven of sterven kunt, noch wilt, en die van harte gezegd hebt en zegt: Geef mij Jesus, of ik sterf.

Zie dan nu dezen Herder aan, hoe Zijn aangezicht straalt van vreugde en vrede en genegenheid tot u; — gij kunt, nadat gij een langen bangen nacht gedwaald hebt of Hem verloren hadt. Hem in dezen drieëntwintigsten Psalm niet aanzien zonder Hem te aanschouwen als den groeten Herder der schapen, dien God voor u uit de dooden heeft wederge-bracht; dan zegt gij met Johannes, terwijl gij Hem aanschouwt in Zijne macht en in Zijne bereidwilligheid, om u

6

ocr page 7

PSALM 23, VS. 1—3.

de zouden te vergeven en u aan te nemen in ontferming: „Het is de Heerequot; (Joh. 21, vs. 7). Gij ziet, hoe Hij Zijn leven heeft gegeven voor Zijne schapen, en gij, die des doods zijt, verkrijgt zoodanige vrijmoedigheid, dat gij u met Hem één gevoelt en zegt: Hij is de goede, do trouwe Herder, Hij is mijn Herder, en ik bon Zijn schaap.

Dat kunnen zij niet zeggen, die hunnen lust, den buik, den Mammon dienen, die eenen anderen god begiftigen, — ofschoon zij wenschen zouden door den eenigen Herder goed geheeten te worden, — maar zij zijn bokken en hebben den duivel tot hunnen herder. Waar echter het geloof worstelt met het tegenstrijdige, waar men verlaten ter neder ligt, en verlangt rechtvaardig en heilig voor Grod te zijn, en wel in een weg, waarin aan de deugden en volmaaktheden Gods niets te kort wordt gedaan, — waar het dus niet gaat om eene vrouw, om eenen akker, om vijf juk ossen, maar om den levenden God en Zaligmaker, om het blijven in Zijn Woord en gebod, om het bevonden zijn in Hem, waar men niet dan zonde en nood, ondergang en dood voor oogen heeft, — daar werkt de Geest met dit beeld, met dezen Psalm zoo, dat de aangevochtene terstond vrijmoedig belijdt, des Hoeren schaap te zijn, en zegt: Deze Heere is mijn Heere en mijn God, deze Herder is mijn Herder!

„Als ik u maar hebquot;, zegt de dorstende ziel in een anderen Psalm; !) — en het geloof kan niet „mijnquot; zeggen, of het vindt in dezen Herder leven en overvloed; — met Hem komt de geloovige over alle hindernissen henen en wordt uit elke bekommering geholpen.

7

„Kom, ga mot ons de kromme wegen, gij moogt, zoo gij wilt, bij uw geloof blijven, doe maar met ons mede, zoo verkrijgt gij wat vleesch en bloed noodig heeft. Geef wat toe van uw geloof en grijp met ons naar het leven in eigene

1) Ps. 73; 25 naar de vertaling van Lnther, „Als ik U maar heb, dan vraag ik niet naar hemel en aardequot;.

ocr page 8

8 psalm 23, vs. 1—3.

hand, zoo hebt gij rust en goede dagenquot;, — dus spreken duivel en wereld; — en wil men niet mede, zoo is het terstond: „Wij snijden u allen leeftocht af; zóó komt gij nooit terecht; zóó hebt gij niet genoeg voor de eeuwigheid!quot; — Maar neen:

Hij hoedt u wél, Hij leidt u goed,

Zoodat gij nimmer twijflen moet.

God is een Vorst, die redding geeft.

Voor droefheid vreugd en blijdschap heeft.

Tegen alle bedreiging van gebrek aan geestelijk voedsel, waarmede degenen dreigen, die met werken omgaan ; en aan lichamelijk voedsel, waarmede degenen dreigen, die een geloof willen zonder die werken, waarin God de Zijnen geschapen heeft in Christus Jesus, — is deze Herder Borg. Deze Herder is de Heere; Hij heeft den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is, en heeft door Zijn: „Hot is volbracht!quot; de Zijnen volmaakt. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij is het begin en het einde, — altijd dezelfde. Hij heeft de sleutels der hel en des doods. Hij zegt: Vreest u niet voor degenen, die het lichaam dooden, en daarna niets meer kunnen doenquot;, en: „Zijt niet bezorgd, wat gij eten of drinken zult, of waarmede gij u kleeden zult, gij gaat vele muschjes te boven, ook de haren uws hoofds zijn allen geteldquot;. „De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddeloozen zal gebrek hebbenquot;; — en Hij geeft genade en eere en is een God van volkomene zaligheid-

Met het oog op de trouw van dezen Herder, op de macht eu algenoegzaamheid van dezen Heere, spreekt de geloovige ziel, ofschoon aangevochten door het tegenstrijdige: „Mij zal niets ontbrekenquot;.

Dit woordje „nietsquot; is een klein woordje, maar zegt groote dingen, namelijk: Omdat ik oenen Zaligmaker heb, bon ik met Hem en in Hem een erfgenaam des hemels en der aarde en van alle onzichtbare en zichtbare goederen. „Ik heb allesquot;, zeide Jakob tot Ezau (Gen. 33, vs. 11). En op de vraag

ocr page 9

PSALM 23, VS. 1—3.

9

van dezen Herder: „Als Ik u uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken ?quot; was aller antwoord: „Niets Heere!quot; (Luk. 22, vs. 35.) De mensch leeft niet alleen van brood, en een schaap kan zich zeiven niet voeden of verweren; een schaap kan zich zeiven niet voorzien van de wol der goede werken. Het wil in de weide blijven, wil bij den Herder blijven, in Zijn quot;Woord. Dit quot;Woord zal alles voor Zijnen voet wel laten uitspruiten en opwassen, ook hem zeiven wasdom geven; want hot blijft geschreven staan voor leven en dood, wat de Geest door Mozes spreekt: „Hij kent uw wandelen door deze zoo grooto woestijn; deze veertig jaren is de Heere, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbrokenquot; (Deuter. 2, vs. 7). „Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jesus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in den hemel in Christusquot; (Efez. 1, vs. 3). O het is een goed land, waar de Heere ons weidt! Al is ook de tafel karig voorzien, al is ook eene vliering onze woning, — voorwaar nochtans een goed land, al klaagden wij zoo even nog, dat er niets groeien wil; — als Hij maar de tranen van de oogen afwischt, of den ver-legenstaanden knaap de oogen opent (2 Kon. 6, vs. 17). O, het is een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgeboomen en granaatappelen; een land van olierijke olijf-boomen, en van honig; een land, waarin gij brood zonder schaarschheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal. (Deuter. 8, vs. 8, 9). Wij bevinden ons midden in zulk een goed land. Als de Heere ons verschijnt in Zijn Woord als onze Herder, en Hij door Zijnen Heiligen Geest liefelijke woorden met ons spreekt, zoodat wij beginnen psalmen te zingen in de verlatenheid en eenzaamheid, — dra is de nood weg, al is het ook, dat die naar het zichtbare nog aanwezig is. Wat drukt de ziel, als de Heere ons den last afneemt? Wat drukt die nog, wien de eene belofte voor, de andere na, voorgelegd en toegeëigend wordt, zoodat de ziel zeggen mag: Hij is mijn, alles is mijn; Hij heeft voor mij alles verworven;

ocr page 10

psalm 23, vs. 1—3.

mij met Hem alles geschonken. Ik ben mijns Herders met lichaam en ziel, voer tijd en eeuwigheid. Hij stilt den geestelijken honger en kommer, mitsdien ook den lichamelijken.

Waarlijk, Hij weidt Zijne schapen niet op eene magere weide, maar bij Hem is overvloed van frisch, groen en malsch gras, dat nooit oud of dor wordt, en welig opgegroeid is, zoodat het schaap zich daarin bevindt als in eene zekere woning. Want Zijn troost maakt veilig en rustig, schept vrede en een vroolijk hart, zoodat men wel zeggen kan: Hij doet mij neder liggen is grazige weidenquot;. Voorwaar eene grazige weide is Zijn dierbaar Evangelie! Het gaat boven melk en honig. Zoo behoeft dan niemand bezorgd te zijn voor geestelijke voeding en wasdom, noch voor lichamelijke verzadiging. Alleen zij het hem daarom te doen, dat de Heere hem weidt, die gezegd heeft: „Zonder Mij kunt gij niets doenquot;, en: „Zalig zijn, die hongeren en dorsten naaide gerechtigheid; want zij zullen verzadigd wordenquot;, en: „Zijn brood wordt hem gegeven, zijne wateren zijn gewisquot;. Daarom volgt er ook; „Hij voert mij zachtjes aan zeer stille waterenquot;. Hij weidt, Hij voert mij; wee dengenen, die zichzelven weiden, die zichzelven leiden. Zalig zijn zij, die zichzelven dit water niet verschaffen, niet geven kunnen, die niet eens weten waar het te vinden is, die in hunnen geestelijken honger en dorst, alsmede in lichamelijken nood, dezen Psalm alzoo voorgelegd en geopend krijgen, dat die hun psalm wordt. De trouwe Herder ontmoet de Zijnen, Zijne noodlijdenden, in Zijn Woord en noodigt hen tot de weide, tot de wateren, en voert hen zelf daarheen. Hiermede zijn de vertroostingen des Heiligen Geestes bedoeld. — O, frische wateren zijn deze vertroostingen! Het hert, dat door vervolgers gejaagd, door dorst geplaagd is, dat naar frische wateren schreeuwt) weet het, welk eene kostelijke gave dit water is, — ik bedoel de ziel, die geschreeuwd heeft naar God. „Als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uwe vertroostingen mijne ziel verkwiktquot;, zoo

10

ocr page 11

PSALM 23, VS. 1 — 3.

lezen wij Ps. 94, vs. 19. Daar gaat liet volgens de belofte: „Te dienzelven dage zult gij zeggen: Ik dank U, Ileere! dat Gij toornig op mij geweest zijt; maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij. En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heilsquot; (Jes. 12, vs. 1, 3). liet is oen water der rust, stilvlietend, zeer klaar, zuiver water, niet vermengd met modder cn vuiligheid. Het schaap mag veilig en in vrede daaraan zijnen dorst lesschen, en het beeld van Zijnen Herder als ook zijn eigen beeld zien in zulk ecne klare onberoerde beek, die voortgekomen is van onder den voet van Gods altaar, van Zijnen genadetroon, den troon Gods en des Lams, zijndecene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, zoo als Johannes die zag (Openb. 22). Dat zijn de wateren van Siloam, die zachtjes gaan, gelijk de Profeet Jesaja zegt (Hoofdst. 8, vs. 6); hot water des Geestes uit de hoogte, waardoor do woestijn tot een vruchtbaar veld wordt (Jes. 32, vs. 15). „Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des Hoeren rust gegeven. Alzoo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U oenen heerlijken Naam zoudt makenquot;, lezen wij daarom bij den Profeet Jesaja Hoofdst. 63, vs. 14; en bij David in Psalm 68, vs. 10, 11: „Gij hobt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uwe erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. Uwe hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uwe goedheid voor den ellendige, o God!quot;

Ten hoogste sterkt Hij wie mat zijn, daarom volgt er ook: „Hij verkwikt mijne zielquot;. Zijn woord zal toch wel waar blijven: „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust gevenquot;. Daar moet men zeer in twijfel van zijn leven zijn geweest; daar moet het leven als uitgegaan zijn; daar moet men rusteloos naar troost uitgezien , en reeds moedeloos uitgeroepen hebben: Kan er voor zulk eenen zondaar nog genade zijn, — mag hij nog op verlossing hopen? O, waar de Heere dan met Zijn quot;Woord en Geest komt, en den levensmoeden geeft, het te wagen in het geloof om uit te roepen: De Heere is mijn Her-

11

ocr page 12

PSALM 23, VS. 1—3.

der — hoe waar wordt liet daar: „De zaehtmoedigen zullen eten en verzadigd worden, zij zullen den Heere prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid levenquot; (Ps. 22, vs. 27); hoe koen durft men het dan menigmaal uitspreken: «Mijn L iefste voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijne banier over mijquot; (Hoogl. 2, vs. 4). Zoo even klaagde men nog: „Zie, Heere! en aanschouw, dat ik onwaard geworden henquot; (Klaagl. 1, vs. 11), en op eens, als de Heere ons met Zijn Woord en Geest verkwikt, gaat het ons, gelijk den Egyptischen man, die op het veld gevonden en tot David gebracht werd, van wien wij lezen: „En toen hij gegeten had, kwam zijn geest weder in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten, noch water gedronkenquot; (1 Sam. 30, vs. 11, 12). Welk eene leiding is deze zachte leiding aan zeer stille wateren! Hoe schikt Zich de geduldige Herder zoo geheel naar de zwakke krachten Zijner schapen ! Hij weet den duivel te woord te staan en den langzamen gang Zijner schapen te rechtvaardigen, terwijl Hij als de ware verstandige Jakob zegt: „Indien men dezelve maar eénen dag afdrijft, zoo zal de geheele kudde sterven, — ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen naar den gang van het vee en der kinderenquot; (Gen. 83, vs. 13, 14). En o, hoe verkwikt Hij de ziel naar Zijne belofte! „Geen inwoner zal zeggen: ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebbenquot;. Daarvan weet de 103'le Psalm veel te vermelden, terwijl de dichter uitbreekt in den lof: „Die al uwe krankheden geneest, die uw leven verlost van het verderfquot;.

Eu als nu de ziel, die nog even te vnren weigerde zich te laten troosten, alzoo verkwikt is geworden, — hoe gaat het dan nu verder? heeft zij dan nu de zekerheid, dat zij niet weder van don weg afwijken, niet weder iu dwaling vallen zal? Vernemen wij het, hoe zij uitbreekt in den lof Zijns Naams, om te vertellen, hoe zij verder geleid wordt; „Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wilquot;, zegt zij.

12

ocr page 13

PSALM 23, VS. 1—3.

quot;Wat is liot spoor dor gerechtigheid? Do Hoere spreekt door den Profeet Jesaja: „En uwe ooren zullen hoo-ren het woord dosgenon, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzolven; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhandquot; (Jes. 30, vs. 21). En insgelijks: „En hot dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woningen der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras mot riet en biezen zijn. En aldaar zal eeno vorhoveno baan, en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden: do onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal yoor dozen zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalenquot; (Jes. 35, vs. 7, 8).

O, wanneer Hjj ons verlost van het geweten der zonde en losmaakt van het booze geweten, en ons troost on vroolijk maakt mot do vergeving van al onze zonden door Zijn Woord, zoo geeft Hij ons wel een duidelijk onderricht van de gerechtigheid uit geloof en van de over ons opgegane, eeuwige genade; evenwel zóó, dat Hij ons niet alleen door Zijn Woord aanwijst, hoe wij leven, gaan en staan moeten, opdat ieder in zijnen stand zijn plicht doe in de liefde Christi, maar vooral dat Hij de Zijnen, nadat Hij hen verkwikt heeft, moor en meer inleidt in de kennis hunner eigene verlorenheid en onwaardigheid, zoodat zij oorst recht beginnen arme zondaars te zijn, nadat Hij hen verkwikt hoeft. Hij toont het hun, hoe zij zoo geheel alles bedorven hebben en tot niets goeds in staat zijn, en hoe zij eeuwig haddon moeten omkomen. Dan toont Hij hun echter tegelijk, hoe Hij is „Jehova hunne gerechtigheidquot;, hoe zij in Hem „gerechtigheid en sterktequot; hebben, en door Hom het recht op het eeuwige leven. In dit spoor, hoe wij rechtvaardig zijn voor God, moeten wij onver-wrikt gehouden worden; want dat is het rechte spoor en de rechte baan, om te komen tot het Jerusalem, dat boven is. Dit is het rechte spoor van het recht-gaan en recht-staan en het ware gezond-zijn, hot rechte spoor en do rechte weg, om allo

13

ocr page 14

PSALM 23, VS. 1—3.

goede werken ter hand te hebben en zoo te wandelen, dat de booze ons niet vat, — dat, dat wij voor God goddeloozen blijven en alleen Zijne vrije genade roemen. Zijne eeuwige ontferming, en ons alleenlijk honden aan Christus en Zijne gerechtigheid en heiligheid, en aan Zijnen ons ter heiliging verworven Geest. — In zulk een spoor kunnen wij ons zeiven echter niet inschuiven, noch ons daarin houden, want vooreerst bekent al het ware volk des Heeren zijne onmacht en zijn onverstand, maar dan ook zijne overige verkeerdheid. Zij zouden gedurig van dit spoor afraken en in de diepte nederstor-ten: daarom verblijdt zich al het volk, dat Hij beloofd heeft: „Mijn oog zal op u zijn. Ik zal u leiden. Ik zal u raad gevenquot; (Ps. 32, vs. 8). Zij verheugen zich ook over Zijne leiding, en bekennen, dat die eene lankmoedige, geduldige, geheel en al onverdiende leiding is; daarom getuigt al het volk: „Niet ons, o Heere! niet ons, maar Uwen Naam geef eerquot; (Ps. 115, vs. 1).

Wij hebben het eerste beeld beschouwd. Het moet u bemoedigen, u troosten, u, die vermoeid en belast zijt, die u dood gevoelt en toch van harte vraagt: zou er voor mij nog genade zijn? Het moet u aangrijpen, waar gij verneemt: Er was een verdwaald schaap, maar de Heere zocht het op, en aan dit schaap werd gegeven te belijden: De Heere is mijn Herder. Wie zulk een schaap is, dat de Heere nablaat, geve den moed niet op, maar zie op Hem, van Wien de Gemeente betuigt: „Zonde, dood, duivel, leven en genade, alles heeft Hij in handen!quot; Zijn bloed, voor het verlorene vergoten. Zijn bloed, waarmede Hij Zijne verdwaalde en nog dwalende schapen gekocht heeft, is machtiger om te verlossen , dan zonde en toorn, duivel en wereld, nood en dood machtig zijn om te verdoemen.

O, mocht gij, die tot hiertoe geen verlangen hebt naar dezen Herder en Zijne leiding, die u door den duivel, door de wereld en uwen lust laat leiden, mocht gij het nog in tijds bedenken, wat tot uwen vrede dient, opdat de dood u niet

14

ocr page 15

PSALM 23, VS. 1—3.

onvoorziens ovcrvallo, want ach, ach! wolk oen schrikkelijk lot, eenmaal aan Zijne linkerhand gesteld, bij de bokken sreschaard te worden, en dan deze donderstem van het toor-

O 7

nende Lam Gods te hooren: „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid isquot;.

O gij kinderen Gods! opdat de wereld met hare pracht u niet verleide noch van den weg afbrenge, opdat do begeerlijkheid dos vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de quot;Tootschheid des levens ons niet wectoovore van de liefde dos

O o

Vaders, laat ons toch bedenken dat wij schapen zijn, schapen, die zichzelven leiden noch verkwikken kunnen, en nog minder zich op den rechten weg kunnen houden. Laat ons indachtig bljjven, dat wij zoo geheel en al, in leven en sterven, voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid afhankelijk zijn van onzen Herder en van Zijne verkwikking, leiding en gerechtigheid , opdat wij leeren de geboden Gods te bewaren en het geloof van Jesus, en indien wij gezondigd hebben, dat wij tot onszelven inkeeron, leeren schreeuwen tot God om een verbreken hart; — maar houden wij bij alle harteleed en berouw over onze verkeerdheden de genadige woorden van onzen Heere en Koning in gedachtenis: „Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide! gij zijt menschon; maar Ik ben Uw Godquot;. — Amen.

Slotzang: Psalm 18, vs. 9.

Ik kan met U door sterke benden dringen ,

Met mijnen God zelfs over muren springen,

Des Ileeren weg is gansch volmaakt en reolit;

Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt.

Hij is een Schild en Schutsheer voor de vromen,

Voor die tot Hem de toevlucht heeft genomen.

Wie is een God, als Hij in tegenheen?

Wie is een Rots, dan onze God alleen ?

15

ocr page 16

TWEEDE LEERREDE.

Voorzang: Lied 37, vs. 2—4.

Schenk ons, Heer, in hart en zinnen,

Wijsheid, raad, verstand en licht.

Dat wij anders niets beginnen ,

Dan wat naar üw wil zich richt.

Geef dat. wij IJ kennen meer En de dwaling van ons weer.

Wil ons Uwe waarheid leeren,

Houd ons in de rechte baan;

Wil het booze van ons weren,

Laat oprechtheid met ons gaan.

Geef dat waar gevoel van schuld Ons , na struikelen , vervult.

Spreek Gij zelf in onze harten.

Dat wij Uwe kindren zijn,

Die op U zien in hun smarten,

Rn in droefheid, angst en pijn;

Want des Vaders liefderoê Brengt ons niets dan welzijn toe.

Tekst: Psalm 23, vs. 4.

,,A1 ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen; want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mijquot;.

Mijne Geliefdon! quot;Wanneer schapen, al hebben zij ook goede weide, niet elk oogenblik onder opzicht gehouden worden, dan zijn zij weldra van de weide af, en geraken op allerlei

ocr page 17

PSALM 23 , VS. 4.

dwaalwegen, waar zjj zich dan in het uiterste gevaar bevinden om gestolen of verscheurd te worden. Wat niet onder opzicht van den herder en bij de kudde blijft, moet weldra gebrek lijden, en het kon in één oogenblik met zijn leven gedaan zijn. De geloovigen laten zich dikwijls wegtooveren van de goede weide — verre weg van hunnen Heere en trouwen Herder, en dan komen zij in gebrek en gevaren, waaruit zij slechts, als door een wonder, door den trouwen Herder weder gered worden.

Dat moet ervaren worden, hoe men zoo dwalen kan in vele omwegen, hoe men nog steeds tot alle kwaad geneigd is, hoe men zoo dikwijls door eigene schuld in eenen nood kan geraken, waaruit naar het zichtbare en naar menschelijke berekening geene redding meer te hopen is, opdat men zich zeiven, zijne kracht, gezindheid en goede bedoeling, zijne beraadslaging en zijn gezond verstand niet meer vertromve, en zich veeleer zoo ellendig, jammerlijk, verward en verstrikt bevinde, dat men van angst en nood der ziel geene schrede meer doen kan, hetzij voor- of achterwaarts, rechts of links, ook nauwelijks durft te zuchten — om dan te ervaren, hoe de trouwe Herder steeds ongedacht en onverwacht daar is, en wederom in genade alles in het spoor der gerechtigheid terecht brengt, — zoo zal men van harte mede instemmen in de woorden : „Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wilquot;.

Wie zulks ervaren heeft, getuigt dankbaar en in geloofsvertrouwen: Ja, Hij heeft mij in het spoor der gerechtigheid geleid. Hij leidt mij zoo, en Hij zal mij leiden. Ik heb het nooit geweten, wat heilig en recht is, weet het ook niet; menschenverstand is niet bij mij, maar onverstand komt uit mijn hart voort, en de wet, die in mijne leden is, strijdt tegen de AVet mijns gemoeds en neemt mij gevangen onder de wet der zonde, die in mijne leden is. Hij alleen moet mij leiden en hoeden, en Hij doet het ook, en terugziende op gemaakte ervaring spreek, ik het met een verbroken hart en dankzeggend uit: „Die in de woestijn dwaalden, in eenen

2

17

ocr page 18

PSALM 23, VS. 4.

weg der wildernis, die geene stad ter woning vonden: zij waren hongerig, ook dorstig, hunne ziel was in hen overstelpt. Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hunne angsten, en Hij leidde hen op eenen weg, om te gaan tot eene stad ter woning. Laat hen voor den Heere Zijne goedertierenheid loven — want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuldquot; (Ps. 107, vs. 4—9).

Ja gewis, Hij doet het om Zijns Naams wil, niet om onze werken of om onze verdienste , zooals Hij ook zegt bij den Profeet: „Ik heb geweten, dat gij gansch trouwelooshjk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genoemd zijt. Om Mijns Naams wil zal Ik Mijnen toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe. Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver. Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellendequot; (Jes. 48, vs. —10).

Op grond van zoodanige belofte, bij liet bewustzijn van eigene ellende en bij de ervaring van de herderstrouw des Heeren, spreekt het geloof met alle vertrouwen : „Wie zal ons scheiden van de liefde Christi? verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den ganschen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) Maar in dit alles zjjn wij meer dan overwinnaars, door Hem, die ons liefgehad heeft. Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jesus, onzen Heerequot; (Rom. 8 vs, 35—39), met onzen tekst: Psalm 23, vs. 4; „Al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaadvree-z e n, want G ij z ij t met m ij; Uw stoken Uwstaf die vertroosten mijquot;.

18

ocr page 19

psalm 23, vs. 4.

Tusschenzang: Lied 37, vs. G.

Wordt ons hart om troost zoo bauge ,

Dat het dikwerf roepen moet,

Ach mijn God, mijn God, hoe lange?

Maak bij de uitkomst, haast en spoed,

Spreek de ziel dan troostlijk aan,

Uat zij moedig blijve staan.

Wij hebben in de woorden van onzen tekst de schilderij of voorstelling van eenen pelgrim, die door een dal gaat, waar het allerwege donker is, zoodat hij nergens licht ziet; hij hoort alleen huilende en dreigende stemmen van zijne zielsvijanden, die uit het dicht geboomte van het woud opkomen en op zijnen val loeren. Onstuimige en schuimende wateren ruischen door het dal heen. Hij moet bedachtzaam, slechts voet voor voet gaan. Hier is eene diepte en daar eene diepte, ijselijke holle wegen, waar hij door den modder henen moet; geen handbreed ziet hij voor zich uit, ook kent hij den uitweg niet; hij weet niet, waar de weg heen kronkelt. Voor zooveel wij den pelgrim zien kunnen, is hij doodsbleek en toch rustig; hij worstelt, om angst en vrees ton onder te houden; het is als moest hij bij eiken stap het verdergaan opgeven, en nochtans ontvangt hij gedurig nieuwen moed. Dezen moed krijgt hij door eenen lichtenden stoken staf; hij zelf heeft dien wel is waar niet in de hand; veeleer gaat die voor hem heen en moet in de hand zijn van eenen onzicht-baren Leidsman, tot wien wij den pelgrim hooren zeggen: Gij zij t met mij.

Een dal is eene vlakte, die tusschen twee bergen of rotswanden doorloopt. Is zulk een dal ongebaand en ons onbekend , is het daar niet zeker, niet veilig voor roovers, dan is het te meer verschrikkelijk en angstwekkend in den nacht vanwege de duisternis, die nog vermeerderd wordt door het zwaar geboomte, dat het dal beschaduwt; en gevaarlijk vanwege de zwellende rivieren of beken, vooral daar het dal nu

2*

19

ocr page 20

PSALM 23, VS. 4.

eens diep dan weer hoog ligt, en rotsblokken of afgronden dikwijls het voortgaan belommeren; bovendien is hot daar vreeselijk koud. Hoe gaarne zou men zich willen spoeden om er uit te komon, maar men durft niet vanwege den gevaarlijken weg. Men zou willen vlieden, doch waarheen ?

De Psalm noemt het een dal der schaduwe des doods; een dal, waarin het naar alle zijden henen stikdonker is, zoodat men noch voor- noch achteruit, noch zijdelings iets zien kan.

Van de „schaduwe des doodsquot; lezen wij: „Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien: en dengenen, die zaten in het land der schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaanquot; (Jes. 9, vs. 1; Matth. 4, vs. 16); en: „Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwe des doodsquot; (Luk. 1, vs. 79); en wederom: „Hij openbaart de diepten uit de duisternis; en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht (Job 12, vs. 22); en wederom: „Want do morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de schrikken van des doods schaduwquot; (Job 24, vs. 17); en: „Gij bedekt ons met eene doodsschaduwquot; (Ps. 64, vs. 20).

„Schaduwe des doodsquot; heet voorts in de Schrift elke steile en gevaarlijke helling, waar men naar boneden moet; verder het onvruchtbare, ledige en woeste, waar niets groeit, en waar men van dorst en honger moet omkomen; ook de toestand van geestelijken dood, waar men zich als levend, zonder uitzicht op leven, midden onder de dooden bevindt; eindelijk eene hoogte, waarop men duizelt. Nog wordt dat woord gebruikt van eene gevangenis, van het graf, van geestelijke blindheid, van den toestand in de Arabische woestijn, van de duisternis, van allerlei onheil en ongeluk. Eindelijk lezen wij dit woord Job 16, vs. 16: „Mijn aangezicht is gansch bemodderd van weenen, en over mijne oogleden is des doods schaduwquot;; en Jer. 2, vs. 6: „Waar is de Heere, die ons opvoerde uit Egypteland, die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid

20

ocr page 21

PSALM 2H, VS. 4.

on schaduw des doods, in oen land, waar niemand doorging, cn waar gocn monscli woonde?quot;

In dit laatste Schriftwoord is veel samengevat van hetgeen „een dal der schaduw des doodsquot; zeggen wil, in verband met de verklaring : „Ik zou geen kwaad vreezen , de Heere is met 11113quot;.

Een dal der schaduwe des doods moeten de geloovigen dikwijls doorgaan gedurende dit aardscho loven, dat toch niet anders is dan een dood, en het is ons allen gezet: eenmaal te sterven.

Het heteekent dus; allerlei zware en schrikkelijke wederwaardigheden , zwaren levens- en stervensnood. In het leven zoowel als in het sterven zijn er voor de geloovigen diepe wogen, or is berooving van hot licht en van den troost, schijnbare verlatenheid. De geloovigen worden dikwijls verschrikt door den Satan; verkeeren monigwerf mot bewustzijn op allerlei wijze in gevaar, om hun geloof te verliezen, worden dikwijls hard geplaagd en medegevoerd door de macht der duisternis, en komen moer dan eens aan den rand dor hel. Het gaat volgens het lied :

„Midden in dit leven

Met den dood omgeven . . .

Wien zoeken wij , die hulp verleent,

Dat wij gena erlangen ?

Wij zoeken Heere ! U alleenquot;.

Op grond van de oude ervaring van do herdorstrouw des Hoeren spreekt alzoo hot geloof, zeggende: quot;Wij zoeken, Heere! U alleen. Ik zal niet vroezen in kwade dagen, als de ongerechtigen mij omringen.

En het is werkelijk waar, dat do liefde, welke in aanvochting on tegenspoed zich eerst recht volmaakt betoont, alle vrees buiten drijft. Omdat het noodig is, moeten de vromen wandelen en loven midden in de schaduwen dos doods; want juist zoo worden zij geworteld en gegrond in het geloof, dat uit de kennisse Gods en Christi voortkomt, wanneer zij midden onder booze monschon, middon onder dooden, die zich het

21

ocr page 22

PSALM 23, VS. 4.

leven aanmatigen, midden onder tirannen moeten wonen, en bovendien dagelijks nieuwe plagen, hetzij luiiselijke, hetzij lichaams- of zieleplagcn ondervinden. Dit leven is voor alle kinderen Gods, die hun deel niet in dit leven hebben, oen dagelijksch ontberen van het licht. Voor hen heeft dit leven dikwijls meer overeenkomst met den dood, dan met het leven; en daar gaat het menigmaal heet toe. „Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij. Banden dor hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mijquot;, zoo lezen wij Psalm 18, vs. 5, 6; en wederom : „Gij hebt mjj in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in dieptenquot;, Ps. 88, vs. 7; en wederom; „Do banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenisquot; (Ps. 116, vs. 3). — Nu weet men niet altijd waarop het uitloopen zal, want als men dat zeker wist, dan zou men geen nood lijden, en het dal des doods zou voor ons geen dal des doods zijn; ook als wij met ernst aan onze laatste ure gedenken, of eindelijk werkelijk sterven moeten, zoo kunnen wij het uit onszelven niet weten, waarheen de dood ons voert, — en deze onzekerheid juist maakt den dood zoo verschrikkelijk.

Daarentegen vernemen wij nu hier de stem der liefde en des vertrouwens: Gij leidt mjj in het spoor der gerechtigheid om Uws Naams wil, en nu, verlaat mij niet, tot dat ik II aansehouwe in Zion. Amen! Gij zult mij niet verlaten; ja, ook dan niet, wanneer ik door den laatsten nood en midden door het dal des doods henen moet: Gij houdt mjj bij mijne rechterhand. Gij leidt mij door Uwen raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Ps. 73.

Zoo worden wij hier onderwezen, met welk gemoed, welke gezindheid en gedachte wij don nood aanzien, en ons in don dood wagen en overgeven moeten tegen doodsnood en doodsvreeze in, namelijk alzoo, dat wij op niets anders onze gedachten richten dan alleen op den Heere Christus. Ofschoon de uitwendige mensch dan ook siddert en vreest, zoo weet toch de

22

ocr page 23

PSALM 23, VS. 4.

inwendige mensch, dat dood en nood geene betaling voor onze zonden zijn, maar een afsterven der zonde en een ingang in het eeuwige leven. De geestelijke mensch echter verlangt niet eerst te zien, om dan te gelooven, maar hij sluit de oogen toe en begeert do plaats niet te zien, waar hij heengaan zal, maar hij ontvangt genade en versterking des Heiligen Goestes, om mot volle vertrouwen en gewisheid des harten zich midden in de duisternis dos doods op Christus en op Zijne genadige tegenwoordigheid te verlaten, welke tegenwoordigheid hij van harte gelooft.

Dat is het, wat de Psalm zegt; „Ik zal geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mijquot;.

Ach! velen beginnen, wanneer nood en dood komt, te studeeren, hoe zij hot wel zouden kunnen gevoelen en weten, waar zij henen gaan; — wie echter in nood en dood gaarne zou ondervinden, dat alle vreeze des doods geweken zij , die beginne den waren Koning Jesus te huldigen, en geve zich-zelven geone rust, totdat Christus door het geloove in zijn hart woning gemaakt hebbe; zoo blijft dan deze Koning altijd bij hem en is een levend God en getrouwe Herder, die wel tegenwoordig is bij de Zijnen in de aanvechting en in den dood, opdat zij onder Zijne vleugelen betrouwen, hopen mogen met toegebondene oogen, en in alle duisternis het ervaren, dat Hij niet liegt, die gezegd heeft: „Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereldquot;, en : „Ik kom weder, en zal u tot Mij nemenquot;.

Wie dus daarnaar verlangt, dat hij in de aanvechting, in den nood en dood niet behoeft te vreezen, die peinze niet op de verlossing of op don hemel; want wij weten den weg niet, kennen evenmin te voren elke toekomstige verlossing, en in den hemel zeiven is niemand vóór zijn sterven geweest, — veeleer moeten wij den weg onzer verlossing en den hemel aan den Herder overlaten, en verder wat ons aangaat onzen grooten God en Zaligmaker, die voor ons den dood gesmaakt heeft, in gedachtenis houden en ons bestendig Hem voorstel-

23

ocr page 24

PSALM 23, VS. 4.

len, die onze zonden ia Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, en met groote stem geroepen heeft: „Mij dorst!quot; — „Het is volbracht!quot; — „Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest!quot; — en die door den Vader voor ons in dc wereld gezonden en van dc dooden opgewekt is, die nu ter Rechterhand Gods zit en voor ons bidt — : zoo zullen wij wel ervaren, dat Hij bij ons is, wel niet zichtbaar of tastbaar voor bet vleescb, maar des te zekerder voor den geest en voor het geloof, zoodat het harte rust heeft in de zekerheid : „Hier is Immanuël!quot; en in deze zekerheid stamelt en zinsrt •

quot; O

O dood, waar is uw prikkel nu!

Waar uw triumf, o helle!

Wij worden nu van deze zalige, allo vrees uitdrijvende nabijheid en tegenwoordigheid niet verzekerd, blijven ook daarvan niet verzekerd door ons verstand of dc gedachtcn cn gewaarwordingen des vleesches; veeleer neemt de vrees do overhand en vermeerdert de treurigheid en droefheid des harten, als wij aan dat verstand, aan die gedachten en gewaarwordingen toegeven; en op eens schuiven nood en dood zich weder tusschen God en onze ziel. De zekerheid, dat de Hecre bij ons is, de bewustheid, dat Hij met Zijne tegenwoordigheid er is, en dat daarom elke vreeze wijkt, hebben wij te allen tijde door Zijn Woord. Dat is wat de Psalmist zegt; „U w stok en Uw staf, die vertroosten mijquot;.

Dat zijn lichtende fakkels in Zijne, niet in onze hand, — lichtende fakkels, die Hij voor ons uitdiaagt, en alleen daaraan erkennen wij, dat Hij bij ons is, — anders lichtten zij niet voor ons uit. „Uw Woord is eene lamp voor mijnen voet, en een licht voor mijn padquot;, lezen wij in Psalm 119, vs. 105 en: „Indien Uwe Wet niet ware geweest al mijne vermaking, ik ware in mijnen druk al lang vergaanquot;, Ps. 119, vs. 92. „Wij hebben hot profetisch woord, schrijft de Apostel Petrus, dat zeer vast is; en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een^ duistere

24

ocr page 25

PSALM 23, VS. 4.

plaats, totdat de dag aanlichtc, en do morgenster opga in uwe hartenquot;, 2 Petr. 1, Ars. 19.

Wie hier op den nood en op den dood, op den weg en de duisternis ziet, wie zich laat afschrikken door de huilende en sissende stemmen van de machten der duisternis, die hem met omkomen bedreigen, bijaldien hij gelooft, en hem toeroepen : Gij moogt u niet aan Christus houden , Hij is niet bij u, gij zijt verloren, weldra zult gij bij ons zijn —: die moet zich aanstonds zonder den onzichtbaren Leidsman «ie-voelen. Maar dan moeten wij om genade schreeuwen, opdat ons de oogen geopend worden en open gehouden worden om op den lichtenden stok en staf te zien, die voor ons uitgedragen wordt, zoo toch verkrijgen wij rijken levens- en ster-venstroost; want alleen het Woord leert ons Christus in gedachtenis te houden en Zijne belofte verzekert ons van Zijne genadige tegenwoordigheid, zoodat wij mogen zeggen: „Zie, om troost was ik zeer verlegen; maar Gij hebt IT over mijne ziel hartelijk ontfermd, opdat zij niet verderven zoude : want Gij werpt al mijne zonden achter Uwen rugquot; l), Jes. 38, vs. 17. En: „Wie zal verdoemen, Christus is hierquot;, Rom. S.

Wat vloesch en bloed zeggen, is altijd in overeenstemming met den duivel, en is daarop uit, om ons van Christus verre te houden. Aan den troost in nood en dood weten wij het evenwel, dat het werkelijk het woord en de belofte van onzen Koning is, waarmede wij ons troosten. En waar Hij met Zijn woord en belofte komt, daar is Hij zelf tegenwoordig met Zijne Godheid, met Zijnen Geest, mot Zijne Majesteit, macht, genade en algonoegzaamheid. Of van waar de kracht, dat een gekrookt riet niet verbroken wordt, dat een zwak mensch staande blijft, als alles om hem heen ineenstort? Vanwaar de Psalm: „God is ons eene Toevlucht en Sterkte;

1) Naar Luthers overzetting. Statenvert.: ,,Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd , dat zij in de groeve der vertering niet kwame : want Gij hebt al mijne zonden achter Uwen rug geworpen.quot;

25

ocr page 26

PSALM 23, VS. 4.

H.J is krachtelijk bevonden eeno Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde dc aarde liaro plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeënquot;, Ps. 46, vs. 2, 3. Van waar de opgeruimdheid, de rust, de zekerheid der overwinning, — in het sterven do zekerheid: „Mijn Zaligmaker verslindt u, o dood! terwijl gij mij overvalt. Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven, maar leven, — door Hem, die mij verlost heeftquot;. Is dat niet alles van het Evangelie van Jesus Christus ? zijn het niet Zijn stok en Zijn staf, die zulke kracht ter zaligheid zelfs den zwakste verleenen ? En waar zich zoodanige kracht verheerlijkt, daar is God, daar is de Koning tegenwoordig, — Hij, wien allo machten der duisternis onder de voeten gezet zijn.

Op dezen stok en staf kunt gij niet zien, gij lijdende, of gjj hebt rijken troost van Gods huis, — en de Heere is alsdan uw licht, ofschoon gij in duisternis zit, een licht voor elke schrede, die gij te doen hebt, en meer dan eene schrede voor u heen behoeft gij niet te zien en begeert gij ook niet te zien.

Wil men een onderscheid maken tusschen „stokquot; en „stafquot;, zoo is het eene het woord des Heeren, als Hij ons ter zelfder tijd kastijdt, gelijk een vader zijnen zoon; het andere Zijne krachtige en in alles ingrijpende voorzienigheid, volgens welke Hij ons koninklijk leidt, wonderbaarlijk uitredt en ons een hoog vertrek en een schuilplaats is tegen alle vijanden onzer ziei; en deze leiding en voorzienigheid is beschreven in Zijn Woord. Van het eerste, waarin wij het meest smaken de zoetigheid Zijner genade en de vergeving onzer zonden, lezen wij veel in het 12'lc Hoofdstuk van den brief aan de Hebreen.

Het schijnt echter, dat ook dc herders twee staven bij zich droegen, — een langen staf, om de schapen te weiden en een register van hun getal te hebben; een korten tegen alle gedierte, dat op de schapen zoude willen aankomen, om dezelve te verscheuren.

Wat nu ook de staf en de stok verder uog beteekenen moge, laat ons dit voor gewis houden, dat wij zonder Gods

26

ocr page 27

PSALM 23, VS. 4.

woord en belofte niets hebben. Alleen door liet Woord, en niet op zichtbare of tastbare wijze is do Heere bij ons in nood en dood, zoodat wij zeggen mogen; „Gij zijt bij mijquot;, — ook wanneer Hij ons schijnt verlaten te hebben. Ongcluk wordt wel gevoeld, ook is er vreeze, treurigheid en droefenis van de zijde des vleesches en van het zichtbare, maar door het Woord wordt de geest opgericht, sterk gemaakt en getroost; de Heilige Grecst komt met het Woord zoodanig onze zwakheden te hulp, dat men met Hem, die alleen redden kan, zoo vertrouwelijk en gemeenzaam spreekt, en Hem looft, alsof men Hem lichamelijk en zichtbaar bij zich had. Op die wijze worden de slappe handen en de struikelende knieën gesterkt en vastgemaakt, zoodat al het werk, door de onmogelijkheid en duisternis heen, wonderbaar wél gelukt in het geloof door des Heeren stok en staf. Ja juist dezen. Zijn stok en Zijn staf, doen het, en niet menschelijke waan, zoodat hier niets door menschen geschiedt, het is veeleer geheel en al des Heeren werk.

Wanneer wij nu bedenken, wat de Heere met den staf van Mozes gedaan heeft in Egypte, aan de Roode zee, tegen Amalek en aan den rotssteen , die water van zich gaf, zoo mogen wij er dien troost van hebben, dat Hij met Zijnen stok en staf voor ons nog grootere dingen doen zal; het is hier immers geen denkbeeldige troost, maar Zijn stok en staf doen altoos enkel wonderen, dat de kracht wel waargenomen en verheerlijkt wordt. Want het Koninkrijk onzes Heeren bestaat niet in woorden, maar in de kracht der eeuwige verkiezing, der vrije genade, des bloeds der verzoening en der vertroosting des Heiligen Geestes.

Dat echter is troosten: als de Heere de hoop levend houdt, zoodat wij getroost zeggen; „Al zou Hij mij ook dooden, zoo zal ik nochtans op Hem hopen; zoodat wij op Hem hopen togen alle hoop aan, en goedsmoeds gemaakt worden, dat Hij ons wel doorleiden zal, dat Hij ons naar Zijne gewisse toezegging het eeuwige leven gegeven heeft en

27

ocr page 28

PSALM 23 , VS. 4.

geven zal, dat Hij ons wel verdedigen zal tegenover den aanklager, ook als trouwe Borg voor ons zal instaan, dat Hij al onze zonden gedragen en achter Zijnen rug geworpen heeft, zoodat niemand ons een haar kan krenken, en niets ons rukken kan uit Zijne en des Vaders hand; — dat Hij alzoo niet zal laten varen do werken Zijner handen, — en als een rechtvaardig Rechter, die Zich te voren in het gericht Gods voor ons gesteld heeft, de kroon voor ons gereed houdt en ons opnemen zal in Zijn paradijs. Met zulk eenen troost springen wij over eenen muur, en vreezen niet, ofschoon er duizend en tienduizend rondom ons zijn , die ons met vernieling en ondergang bedreigen.

O, dat hetgeen in den Psalm besproken en thans door u gehoord is, niet onkel een beeld of schilderij voor ons zij, Mijne Geliefden! want daartoe wordt het u niet voorgehouden, maar dat het bij u waarheid des levens zij. Daartoe is echter voor u noodig, dat gij altijd daarmede begint, waarmede do Psalm begint: „De Heere is mijn Herderquot;, dat is: mijn Koning en mijn Leidsman. Zulks kan niemand zeggen, tenzij hij in den zaligen dienst van dien Koning is overgegaan, en aan den duivel en de wereld, benevens zijn eigen verstand en zijne lusten, den onzaligen harden dienst hebbe opgezegd. Wie dat niet gedaan heeft, mag van eenen Verlosser droo-men , maar daar hij Hem niet als Koning erkent, zoo heeft hjj noch kracht noch troost, wanneer hij door het dal der duisternis en des doods heen moet, veeleer is er alsdan enkel hopeloosheid of de verstokking van het zelfbedrog.

Hjj, de groote Herder Zijner schapen, de overste Leidsman onzer zaligheid, de eeuwige Ontfermer, ontferme Zich onzer, opdat wij in het gezicht van nood en dood, in alle duisternis Hem bij ons hebben, ons daartoe op Zijn woord en belofte werpen, en het geloof behouden, zoodat wij niet naar hel of hemel vragen, maar naar Hem, die do sleutels der hel en des doods draagt, die het eerst door het dal des doods voor ons doorbrak, en nu voor de Zijnen door dit dal henen de

28

ocr page 29

psalm 23, vs. 4.

wog en het leven, de kracht, de lioop en de troost blijft. Van onszelveu en onze zonden, — ook van de duisternis des dals afgezien, en alleen op Hem den blik gericht, al is het ook met gebrokene oogen! — zoo mogen wij eenen blijmoe-digen uitgang en oen zalig einde met zekerheid verwachten. Amen.

Nazang: Psalm 18, vs. 9.

Ik kan met U door sterke benden dringen,

Met mijnen God zelfs over muren springen.

Des Heeren weg is ganspli volmaakt en recht; Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt.

Hij is een Schild en Schutsheer voor de vromen,

Voor die tot Hem de toevlucht heeft genomen.

Wie is een God als Hij in tegenheên?

Wie is een Rots dan onze God alleen?

29

ocr page 30

DERDE LEERREDE.

Voorzang: Psalm 65, vs. 2, 3.

Een stroom van ongereclitigheden

Had de overhand op mij;

Maar ons weerspannig overtreden

Verzoent en zuivert Gij.

Welzalig, dien Gij hebt verkoren

Dien Ge uit al 't aardsoh gedruiscli I)oet naadren, en Uw heilstem hooren,

.Ta wonen in Uw huis.

Daar zal ons 't goede van Uw woning

Verzaden, reis op reis.

En 't heilig deel, o groote Koning!

Van Uw geducht paleis.

Gij, Gij zult vreeselijke dingen

Ons, in gerechtigheid,

Doen hooren, en ons blij doen zingen.

Van 't heil voor ons bereid.

Mijne Geliefden! Er komen van den Heere gedurig uren van verkwikking voor allen, die den goeden strijd strijden. Hij zal niet toelaten, dat de rechtvaardige eeuwig in onrust blijve. „Wanneer de vloed overloopt, zoo zet Hij dien een perk, maar Zijne vijanden vervolgt Hij met duisternisquot;, Nahum 1 vs. 8. Daarom zegt al het volk, dat door het duistere dal henen moet, maar getroost wordt door den staf en stok van den eenig getrouwen Leidsman, en in de macht Zijner

Gehouden den 1 November 1857.

ocr page 31

PSALM 23, VS. 5.

genade in geloof den loop door dit dal voleindigt: „Wat denkt gijlieden (o vijanden) tegen den Heere? Hij zal zelfs eene voleinding maken; do benauwdheid zal niet tweemaal oprijzenquot;, Nalium 1, vs. 9. Wij mogen getroost in het duistere dal zoggen: „De Heere zal des daags Zijne goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.quot; — „Hoop op God, want ik zal Hem nog lovenquot;, Psalm 42. Toen Jakob door Pniël ging, waar hij het aangezicht des Heeren gezocht had, ging hem de zon op. Zoo moet het licht den rechtvaardige in de duisternis opgaan, en vroolijkheid den oprechten van harte.

Niet allen komen gelukkig door het duistere dal henen, veeleer storten velen van den smallen weg in de afgronden neder; en dat komt daardoor, dat zij niet onverwrikt zijn bljjven hangen aan de genade, macht en trouw des Heeren, en daarom zich niet aan Zijn gebod en uitgedrnkten wil gehouden hebben, maar tusschenwegen hebben gezocht, om toe te geven aan het vleesch, en zich te bevrijden van den schrik en angst in dit dal, in plaats van in gebed en worsteling aan te houden totdat de overwinning behaald is. Zij geloofden moer aan het zichtbare, dan aan den onzichtbaren levenden God, voor Wien al het woelen en woeden van het tegenstrijdige toch een niets is. Zoo komen juist in het duistere dal alle degenen om, die wel is waar een goed eind weegs medegereisd zijn op den weg naar het Jerusalem, dat boven is, maar niet volhard hebben tot het einde. Daarentegen allen, wien het uit genade gegeven is, in het duistere dal de vertroostingen van den stok en staf van den eenigen Herder, van den Aanvanger en Voleinder onzes geloofs, voor hunne eenige vastigheid te houden, en die, daardoor getroost, niet afwijken ter rechter- of tor linkerhand, beleven dag en uur van hunne verlossing uit allen nood, — dag en uur, waarin het aan hen vervuld wordt, wat de Heere zelf beloofd heeft: „Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid , want zij zullen verzadigd wordenquot;, Matth. 5, vs. 6.

31

ocr page 32

psalm 23, vs. 5.

In dit licht beschouwen wij nu liet derde beeld of schilderij, beschreven in de woorden van onzen

Tekst: Psalm 23, vs. 5.

„Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijnetegen-partijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiendequot;.

Tusschenzang: Psalm 77, vs. 9.

Door Uw arm en alvermogen Hebt Gij Tsrel uitgetogen,

Jakobs kindren, Jozefs zaad Vrijgemaakt van Faro's haat.

't Water zag, o God! U komen,

't Water zag IJ, en de stroomen Steigerden vol schrik omhoog;

D' afgrond werd beroerd, en droog.

Wij zien hier eene welbereide tafel, waaraan de moede pelgrim, die zoo even uit het duistere dal gelukkig ontkomen is, zich met den Heere Jesus bevindt. De tafel staat in een prieel. Op den achtergrond bevinden zich vele menschen in wereldsche pracht, maar hunne kleederen zijn verscheurd, hun boog is in stukken gebroken, hunne schaduw is van hen geweken; zjj staan daar, en in hun gezelschap vele engelen, die hunne vleugelen verbrand hebben aan het licht, met vastgebonden handen en voeten. Zij schijnen te brullen, maar kunnen den pelgrim geen kwaad doen. Deze blijft rustig aan de tafel; hij eet en drinkt mot zijnen Heere en Verlosser. De Gastheer, de Heere Jesus, laat allerlei spijzen in overvloed op de tafel brengen, zoodat de cene schotel de andere verdringt, en er maat noch einde is aan al de spijzen. Hij overgiet het hoofd van den pelgrim met olie uit een grooten hoorn, gelijk een hoorn des overvloeds. Op de tafel is het middelstuk een lam, geheel gebraden, liggende in een gouden schotel, ook staat er op die tafel een zilveren beker, gevuld tot aan den rand toe met edelen wijn.

32

ocr page 33

PSALM 23, VS. 5.

Dit zeggen de woorden van den Psalm in een beeld; laat ons dezelve nu afzonderlijk nagaan, opdat wij de meening des Geestes beter verstaan mogen.

Wij lezen: „Gij richt de tafel toe voor mijn aangezichtquot;.

Hier wordt niet gesproken van eene ledige tafel, maar van eenen disch, rijkelijk met spjjzen voorzien. Zoo komt het woord „tafelquot; ook voor Ps 78 vs. 9: „Zjj spraken tegen God, zij zeiden: zou God eene tafel kunnen toerichten in de woestijn?quot; Daarop is hier het antwoord van den geloovige: „Hij heeft het gedaan; Hij doet hetquot;. Na den uittocht uit Egypte beleeft men allerlei wonderen. Houd u maar aan den Heere alléén in het duistere dal en blijf staan tegenover den helschen Faraö, of tegenover de wereld, alzoo dat gij geene klauw afgeeft: evenals gij alleen licht hebt gehad in uwe woning, toen gansch Egypte in duisternis zat, en gij van den verderver gered werdt door het bloed des verbonds, toen al de eerstgeborenen in Egypteland geslagen werden, zoo komt gij ook door de diepe zee droogvoets henen. Welaan, er zij aan den uitgang van het duistere dal steeds eene woestijn, waar niets groeit. Hij, die voor u heen gaat, schept u eene oase met twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen, opdat gij u daar legert aan de wateren; en zulke legerplaatsen heeft Hij in menigte.

„Zou God eene tafel kunnen toerichten in de woestijn?quot; vraagt het ongeloof. „De lijdzaamheid werkt bevinding, en de bevinding hope, en de hope beschaamt nietquot; (Hom. 5, vs. 4, 5»). Hier is de tafel in de woestijn. „Gij richt de tafel toe voor mijn aangezichtquot;, antwoordt de ervaring. — Het woord „tafelquot; beteekent derhalve een met spijze voorziene discb, en dit wederom wil zeggen: genieting of ondervinding van allerlei verlossing en uitredding; voldoening en vervulling van al onze behoeften voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid, nadat wij een tijd lang door de vijanden Gods en onzer zielen verdrukt en met ondergang

3

33

ocr page 34

PSAT.M 23, VS. 5.

bedreigd zijn geworden, omdat wij ons hielden bij de gehoorzaamheid des geloofs.

De Heere richt drieërlei tafel toe, of' Hjj discht drieërlei spijze op: eene spijze Zijner almacht voor dit leven, eene spijze Zijner koninklijke genade, eene spijze Zijner eeuwige heerlijkheid, of des eeuwigen levens.

Van de spijze Zijner almacht teerde David in de woestijn, nadat hij de koninklijke tafel van Saul had moeten er aangeven , en ook Nabal hem voor een oproerling had uitgemaakt. Wij lezen (Deuter. 8, vs. 3), dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar dat de mensch leeft van alles, wat uit des Heeren mond uitgaat; zoo ook: „De Heere zal u brood der benauwdheid en wateren der verdrukking gevenquot; (Jes. 30, vs. 20), wat ook te gelijker tijd van de spijze Zijner koninklijke genade gezegd is; en van deze spijze Zijner genade, waarbij David mag gedacht hebben aan de toonbroo-den en aan het paaschlam, alzoo aan het allerheiligst lijden en sterven van den Messias, waaraan ook wij hebben te denken, — vinden wij immers veel opgedischt in het Woord. Zoo Jes. 55, vs. 1, 2: „O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan ? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen.quot; — „Ik zal u geven de gewisse weldadigheden van Davidquot;; en: „De Heere der heirscharen zal op dezen berg allen volken eenen vetten maaltijd maken, eenen maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijnquot; (Jes, 25, vs. 6); en wederom: „De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft hare zeven pilaren gehouwen; zij heeft haar slachtvee geslacht, zij heeft haren wijn gemengd; ook heeft zij hare tafel toegerichtquot; (Spr. 9, vs. 1, 2); zoo ook: „De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd wordenquot; (Ps. 22, vs. 27). Verder lezen wij: „Zalig is

34

ocr page 35

PSALM 23, VS. 5.

liij, die brood eet in het Koninkrijk Godsquot;; en: „Hij zond Zjjnen dienstknecht uit ter ure des avondmaals, om den ge-nooden te zeggen; komt, want alle dingen zijn nu gereedquot;. Luk. 14, vs. 15, 17. Zoo ook: „de tafel des Heerenquot;, „des Heeren Avondmaalquot; (1 Cor. 10, vs. 21; 11, vs. 20).

Van de tafel der eeuwige genade, die overbrengt tot de tafel van eeuwige heerlijkheid, lezen wij: „Velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen wrordenquot;, Matth. 8, vs. 11, 12. En wederom: „Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft; opdat gjj eet en drinkt aan Mijne tafel in Mijn Koninkrijkquot;, Luk. 22, vs. 29, 30. En wederom: „Die overwint, Ik zal hom geven te eten van het manna, dat verborgen isquot;, Openb. 2, vs. 17; en wederom: „Indien iemand Mijne stem zal hooren, en de deur opendoen. Ik zal tot hom inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mijquot;, Openb. 3, vs. 20; en nogmaals: „Zalig zjjn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. Deze zijn de waarachtige woorden Godsquot;, Openb. 19, vs. 9. „En de Geest en de bruid zeggen: kom!quot; Openb. 22 , vs. 17.

Deze tafel wordt toegericht. Het woord „toerichtenquot; zegt ons, dat alle spijs naar eene wonderbare orde en op doelmatige wijze op de tafel gezet wordt, en dat alle groote en kleine schotels op hunne rechte plaats en regelmatig geschikt staan, met behoorlijke tusschenruimte. Zoo komt dit woord ook voor bij de toonbrooden: „Gij zult de tafel daarin brengen, en dezelve toebereidenquot;; en wederom: „Hij zette de tafel in de tent der samenkomst aan de zijde des tabernakels tegen het noorden, buiten den voorhang, en hij scliikte daarop liet brood in orde; voor het aangezicht des Heeren; gelijk als de Heere aan Mozes geboden hadquot;, Exod. 40, vs. 4, 22, 23. Hij, die de tafel toericht, is de Heere Jesus, de trouwe Zaligmaker,

3*

35

ocr page 36

PSALM 23, VS. 5.

die ons gebracht heeft en brengt tot het ware vaderland. Ziet, wij doen het niet. Wij verstaan het niet, deze tafel te dekken en de spijze zoo naar goede orde te laten opdragen. Het geschiedt alles zonder onze moeite en onzen arbeid. Hij doet het echter alles, zooals Hij het bij den Vader gezien en van Hem geleerd heeft, en wij weten wel, wanneer Hij het doet, dat Hij het is. Wij kennen Hem aan het breken des broods, en Hij zegt; „Eet, drink, doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullenquot;. Hoe goed is Hij, hoe vriendelijk, hoe milddadig: „Ulieder hartquot;, zegt Hij , „zal in eeuwigheid levenquot;.

Dit nu is het toegericht-zijn der tafel, of de regeling-der schotels en spijzen, — dat er eerst van het lam gegeten worde, met de bittere saus, alsdan komen de spijzen in zulk eeno volgorde, dat de gezondheid er door gesterkt, en de smaak geprikkeld wordt, zoodat altijd eene volgende schotel nog weder aangenamer smaakt, dan de vorige, en er voor eene geregelde spijsvertering gezorgd is. — O hoe barmhartig is Hij, dat terwijl alle vijanden ons wilden laten verhongeren, omdat wij van hunne giftige spijzen niet konden medeëten, en wij den hongerdood moesten sterven. Hij ons zoo laaft en verkwikt, dat geest en leven in ons wederkomen!

Deze tafel richt Gij toe voor mijn aangezicht, zegt de Psalm, d. i. voor mijne oogen, zoodat mijne oogen het nu zien, naar Uwe belofte en zekere toezegging, wat ik geloofd en gehoopt heb. Zulke toezeggingen toch geeft de Heere overal in Zijn Woord aan degenen, die Hem volgen en bij Hem volharden in het duistere dal, opdat h u n n e oogen en geene vreemde het beloofde heil zien en genieten zullen. Daarom spreekt het geloof: „Laat mij niet beschaamd of tot schande wordenquot;, en: „Gij zijt de menigvuldige verlossing mijns aangezichtsquot;. Wek Uwe macht op voor liet aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manassequot; (Ps. 80, vs. 3) „Uwe gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid des Heeren zal uw achtertocht wezenquot; (Jes. 58, vs. 8). „Uwe goedertierenheid is voor mijne oogenquot;

36

ocr page 37

PSALM 23, VS. 5.

(Ps. 26, vs. 3). „Gij zult het met uwe oogen aanschouwen, en gij zult de vergelding der goddeloozen zienquot;. „Uwe oogen zullen den Koning zien in Zijne schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien — uwe oogen zullen Jerusalem zien, eene geruste woonplaatsquot; (Jes. 33, vs. 17, 20). Daarom: „In God zal ik het woord prijzen, ik vertrouw op Godquot; (Ps. 56, vs. 5).

Deze tafel moeten de vijanden voor den pelgrim laten staan, en zullen er geen dank voor hebben; maar het zal gaan, gelijk geschreven is: „Daarom zegt de Heere Heere alzoo: Ziet, Mijne knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; ziet, Mijne knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; ziet. Mijne knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijnquot;, Jes. 65, vs. 13. —

Hier worden echter zeer booze vijanden bedoeld, die woeden en razen, en den geloovige den dood hebben gezworen, omdat hij zich aan het gebod en aan de eenige genade van Zijnen Heere en Koning houdt. Vijanden zijn het van het ware zaad der Joden, gelijk Haman er een was, — die niet willen, dat de kinderen Gods koopen of verkoopen, maar dat zij allen van honger en gebrek omkomen. Het zijn sterke vijanden, die wel benauwen en vastbinden kunnen, zoodat men niet weet, hoe te ontvlieden. Hun getal is legio in de lucht en in de wereld, die in het booze ligt; zij schuilen ook in het eigen hart en heeten : begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid der oogen en grootschheid des levens; zij maken het den armen pelgrim zwaar in het duistere dal. — Dezen kunnen nu ook met hunne oogen zien, hoe zij zichzelven den kuil gegraven, de ketenen gesmeed hebben, hoe zij in hun eigen jachtgaren gevangen zijn, — en door hunne list, waarmede zij den vrome ten val wilden brengen, zeiven ten val gebracht zijn. Hunne tafel, waarop zij zich verlieten, Gods weldaden, de rijkdom Zijner goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid , waarop zij zich te goed deden, — terwijl zij niet willen weten, dat de goedertierenheid Gods tot bekeering

37

ocr page 38

PSALM 23, VS. 5.

leidt, is voor hun aangezicht tot een strik geworden, tot volle vergelding, tot een valstrik (Ps. 69). — Daar staan zij gebonden door den sterken God Jakobs, mogen geen nadeel toebrengen, en moeten het met hunne oogen aanzien, hoe zij er ook over knarsetanden, dat het ten laatste den rechtvaardige wél gaat, maar dat do Heere hen allen in gescheurde kleederen en in machteloosheid laat wandelen, die zich neigen tot hunne kromme wegen. De pelgrim evenwel bevindt zich, na menigen zwaren strijd, in grooten vrede aan de tafel met zijnen Redder, en zingt en jubelt:

De Heer is mij tot hulp en sterkte,

Hij is mijn Lied, mijn Psalmgezang Hij was het, die mijn heil bewerkte,

Dies loof ik Hem mijn leven lang! (Ps. 118.)

en:

Ik ken Uw gunst, ik ken Uw trouw hieraan ,

Dat zich mijn vijand niet Beroemen zal, noch ik te gronde gaan,

Wijl Gij mij bijstand biedt. (Ps. 41.)

Dat is echter wonderspreukig: vijanden voor zijn aangezicht en in zijne nabijheid te hebben, en in plaats van met zwaard, harnas en helm op hen in te loopen, rustig aan de tafel te blijven zitten, te eten en te drinken en dronken te worden, als ware er geen vijand te zien. Intusschen valt hier geen slag te leveren: de slag is geslagen in het duistere dal, de vijanden zijn overwonnen en gebonden, daardoor dat de pelgrim bij het woord der genade en bij het gebod des levens is gebleven; want zoo heeft het woord hen geslagen en het gebod hen gebonden, en datzelfde woord en gebod houdt hen op de plaats hunner beschaming gebannen; daarentegen houdt zich de pelgrim thans op eene andere wijze bij het woord en gebod, daar hij nu de verlossing en de vervulling van alle goede

38

ocr page 39

PSALM 23, VS. 5.

woorden en toezeggingen, waarop hij in het lijden gehoopt heeft, rijkelijk geniet.

Alzoo sterken hem nu de goede koninklijke spijzen, zoodat hij geheel zonder vrees is, en voor het oogenblik niet behoeft te strijden ; hij heeft te genieten van de tafel des Evangelies, dat hem ten eeuwigen leven sterkt, en hij houdt met den llcere avondmaal, en de Ileere met hem; en deze Heere is met Zijn heil eene vurige muur en verschansing rondom hem. Hij zit aan met den Heere op den heuvel Golgotha; aldaar zijn de vijanden allen verlamd met hunne paarden en wagens. Uc pelgrim denkt alleen aan den Gastheer en aan de spijzen, die hem versterken, zoodat hij zich om de vijanden niet bekommert. Hij wordt echter niet alleen door de spijzen gesterkt, maar wordt ook overgoten met olie der vreugde. Daarom zegt hij: „Gij maakt mijn hoofd vet met oliequot;, d. i. met kostelijken nardus, met kostelijken balsem. Het beeld is ontleend aan de maaltijden der ouden, waarbij de gasten, inzonderheid die men eerde, met kostelijke olie overgoten werden. Zoo lezen wij, dat, toen Jesus in Be-thanië was, ten huize van Simon, den melaatsche, eene vrouw tot Hem kwam, hebbende eene albasten Hesch met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat. Matth. 26, vs. 6, 7.

In den 45stequot; Psalm spreekt de Geest en de bruid tot den Koning: „Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uwe medegenootenquot;. Van deze vreugdeolie, waarmede de Koning zelf overgoten werd, moeten ook Zijne pelgrims hun deel hebben.

Zulk eene zalfolie verkwikte het brein, verruimde het hoofd en maakte het vrij van zwaarmoedige gedachten; verspreidde ook liefelijke geuren en verwekte liefde, lof en dank — alle zinnen werden daardoor aangenaam opgewekt en tot blijdschap gestemd.

Deze olie nu is de Heilige Geest. „Uwe oliën zijn goed tot reuk. Uw Naam is eene olie, die uitgestort wordt: daarom

39

ocr page 40

PSALM 23, VS. 5.

hebben IT de maagden (d. i. de kuische zielen) liefquot;, Hoogl. 1, vs. 3. Want de Heilige Geest laat de pelgrims, nadat zij gesterkt zijn door al betgeen de ITeere en overste Leidsman hunner zaligheid voor hen gedaan en geleden heeft, de gansche volheid van troost Aran den heiligen Jesus-naam ondervinden, zoodat zij zingen en zeggen:

O Jesus, Heer en God te zaam,

Hoe lief, hoe dierbaar is me Uw Naam!

Er kan geen droefheid zijn zoo groot,

Of Uw Naam geeft weer vreugd voor nood.

Zij ook het lijden wreed en fel

üw zoete troost verzacht het wel.

De olie duidt dus aan den Heiligen Geest met de vreugde en den vrede in Hem, door de wondervolle zaligheid, die bereid is bij en in den Heere, in quot;VVien wij hebben gerechtigheden en sterkte; gelijk de maagd Maria, tot wie Elizabet zeide: „Zalig is zij, die geloofd heeftquot;, vervuld met den Heiligen Geest sprak: „Mijne ziel maakt groot den Heere; en mijn geest verheugt zich in God, mijnen Zaligmakerquot;, Luk. 1, vs. 46.

Van zoodanige zalving spreekt ook Johannes meermalen in zijne brieven, o. a. : „Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingenquot;, 1 Joh. 2, vs. 20. EnPaulus: „Die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God; die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegevenquot;, 2 Cor. 1, vs. 21, 22.

Zulk eene zalving doet den in het duistere dal verwonde, den door heeten strijd afgematten pelgrim goed, zeer goed; en waar nu zulk eene zalving, waarmede niemand zichzelven zalven mag of zalven kan, die ook in geens menschen macht is, op het hoofd komt door de liefelijke zachte hand desHeeren, waar zulk eene zalf geroken wordt, — daar gaan de sluizen des hemels wel eens open, daar komen beloften op beloften, de eene psalm vóór, de andere na, tot lof en dankzegging

40

ocr page 41

PSALM 23, VS. 5.

aan zijnen getrouwen God. Daarom staat er verder : „M ij n beker is overvloeiendequot;.

Want dat wordt van den drinkbeker der dankzegging gezegd, zooals ook Paulus schrijft: „Do drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet eene gemeenschap des bloeds Christi?quot; Dat is de drinkbeker na het avondmaal, de laatste beker en de lafenisdronk, wanneer do pelgrim óf van de tafel opstaat en nog een goed einde weegs af te leggen heeft in de kracht der spijzen, óf uit het prieel door de engelen zachtkens overgedragen wordt in de eeuwige heerlijkheid, omdat hij van liefde in onmacht viel of van den dronk insluimerde en zoo niet langer in de hut kon blijven.

Nu geeft de Gastheer ook niet den beker half gevuld, hetzij ter genieting, hetzij tot afscheid, maar Hij schenkt dien overloopend vol; de Gastheer toch is niet karig, neen. Zijne gasten moeten overvloed hebben en met den besten wijn Zijner liefde gelaafd en getroost worden, nadat zij langen tijd veel bekommernis der ziel en velerlei bittere treurigheid hebben geleden. Zulke mildheid heeft de Kerk steeds ia den Gastheer en Koning geprezen; daarom lezen wij: „Gij hebt ons uitgevoerd in eene overvloeiende ververschingquot;, Ps. 66, vs. 12, en; „Hoe dierbaar is Uwe goedertierenheid, o God! dies de menschenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen. Zij worden dronken van dc vettigheid Uws huizes, en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten. Want bij U is de fontein dos levensquot;, Ps. 36, vs. 8 —10, en „Ik zit onder de schaduw van Dien , dien ik begeer, en Zijne vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijne banier over mij. Hij verkwikt mij met bloemen en laaft mij met appelenquot;, Hoogl. 2, vs. 3—5 (Hoogd. vert.); en wederom: „De Heere der heirscharen zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingersteenen zullen te onder gebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruisch maken als de wijn, en zij zullen vervuld worden, gelijk het bekken, gelijk de

41

ocr page 42

PSALM 23, VS. 5.

hoeken des altaarsquot;, Zach. 9, vs. 15. Wanneer nu de Heere Jesus Zijnen pelgrim zalft, zoo is de pelgrim door den Heere tot koning en priester gemaakt Gode en Zijnen Vader, Openb. 1. En wanneer Hij den beker voor den pelgrim alzoo overvloeiende maakt, wordt deze door zulk een beker dusdanig ten eeuwigen loven en ter eeuwige vreugde gesterkt, dat hij ter dood gaat als tot den dans, en met zijn; „Kom Heere Jezusquot;, spreekt hij het in verzekerdheid des geloofs uit: „Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uwe Rechterhand, eeuwiglijkquot; (Ps. 16).

Mijne Geliefden! laat ons acht geven op het „mijnquot; en „mijquot;: mijn Herder, mij zal niets ontbreken, Hij doet mij nederliggen, Hij voert m ij — Gij zijt met m ij, Gij vertroost m ij, Gij richt de tafel toe voor m ij, Gij maakt m ij n hoofd vet met olie, Gij maakt m ij n beker overvloeiende.

Deze: ik, mensch, en Gij, Heere, moeten te zamen komen door verzoening, anders blijven zij wel voor eeuwig gescheiden. Zij het bij aanvang of voortgang voor ons eene zaak des harten, dat deze Psalm onze psalm, deze Herder onze Herder zij! Onderzoeken wij ons toch gedurig, of wij zulks in waarheid gelooven en van harte belijden. — De Psalm moge opgeslagen worden; maar gij, die in uwen onbe-keerdeii zin nog steeds voortleeft, hoor des Heeren woord: „Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!quot; Wie onder u in de wereld blijven hangen, hebben immers wereld en duivel en hunnen eigen lust tot herder; hoe schrikkelijk zal het hun eenmaal zijn, nadat zij hier beneden aan de tafel des Woords gezeten hebben, in den waan, dat zij daarboven ook aan de tafel zouden komen, alsdan van den Koning de vraag te hooren: „Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende?quot; en dan te vernemen : „Bindt hem en werpt hem uit in de buitenste duisternisquot;. Daarom keer tot u zeiven in, eer het te laat is, en word een verloren schaap; wellicht dat de Herder ook u nog vindt, opdat gij ook zeggen moogt :„ De Heere is mjjn Herderquot;.

42

ocr page 43

PSALM 23, VS. 5.

Gij echter, die gaarne het „mijnquot; en „mijquot; van harte zoudt willen uitspreken , maar de machten der duisternis willen u den mond stoppen vanwege uwe zonden, — o leert van dezen Herder, hoedanigen zij zijn, die Hij gaarne opzoekt, — wie het zijn, die Hij gaarne aan Zijne tafel heeft. Ik vraag u: zijn het niet degenen, die hunne ziel bij het leven niet kunnen houden? (Ps. 22, vs. 30).

Maar gij, die wel leest van de tafel, van zalving, van eencn vollen beker, maar die tevens toegeeft aan de wereld, met de wereld boeleert en Gods gebod laat varen om de begeerte uws vleesches, — bedenkt het wel: de pelgrim ging eerst door het duistere dal, daar behaalde hij de overwinning, en alsdan kwam hij aan de tafel. Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Daarom, wie in den strijd is met de zichtbare en onzichtbre machten, die neme wel ter harte, dat het hier om zijne arme ziel gaat; hij grijpe dus moed in God, hij zie af van het vleesch en van de men-schen, van lijden en vergaan, en smeeke om genade, dat hij vasthoude aan des Heeren Woord en gebod en daarbij blijve — of het dan ook steeds duisterder wordt, hij houdc aan met roepen, en geve het Woord niet af; nogmaals, hij grijpe moed, de duisternis is in Gods macht, en de tafel is aireede bereid.

De Heere God in den hemel, die de Zijnen trouwelijk leidt cn in velerlei tegenspoeden hen tevreden stelt en troost, ver-leene ons allen die genade, dat wij aan het Gij en Hij des Heeren denken, zoo als wij hier geschreven vinden: Hij doet nederliggen. Hij verkwikt. Gij zijt met mij, Gij richt toe, G ij maakt vet met olie. Als wij dan in den strijd, in het duistere dal, onze zielen en alles, wat van de aarde en aardsch is, wat noch verdoemen noch zaligmaken kan, verliezen en in het geloof ons vastklemmen aan dit H ij en G ij, zoo hebben wij Hem en houden Hem, die den hemel en de aarde gemaakt heeft en de sleutels draagt der hel en des doods. Zoo ontvangen wij ook met Hem rijke vergoeding, en van Hem

43

ocr page 44

44 psalm 23, vs. 5.

met de vervolgingen houdervoud weder, wat wij er aan gegeven hebben — overvloed voor lichaam en ziel — verzadiging, zalving, en wat willen wij meer dan hetgeen in dit woord ligt: „Gij maakt mijn beker overvloeiendequot;? Dan kunnen en mogen wij met David zeggen : „In eenen overloop van groote wateren, zullen zij hem niet aanrakenquot;. Blijf maar rustig zitten met den Heere aan Zijne tafel, — de groote watoren spoelen don Heere niet weg, daarom de tafel ook niet, zij blijft wel staan, — verder dan tot aan de tafel zullen dezelve niet komen. Amen.

Slotzang: Psalm 66, vs. 5.

Een net belemmerd' onze schreden;

Een enge band hield ons bekneld ,

Gij liet door heerschzucht ons vertreden ;

Gy gaaft ons over aan 't geweld.

Hier scheen ons 't water te overstroomen Daar werden wij gedreigd door 't vuur.

Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen ,

Verkwikkende, ons ter goeder uur.

ocr page 45

VIERDE LEERREDE.

Voorzang: Psalm 89, vs. 1, 2.

'k Zal eeuwiquot;' zingen van Gods goedertierenlieên ;

Uw waarheid t' allen tijd vermelden door mijn reên ,

Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,

Naar Uw gemaakt bestek iu eeuwigheid zal rijzen;

Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken ,

Zoo min zal Uwe trouw ooit wanklen of bezwijken.

„Ik hebquot;, dit was Uw taal , „een vast verbond gemaakt, Met Mijnen gunsteling, dien steeds Mijn oog bewaakt,

Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren ,

Aan David , in Mijn gunst, met eenen eed gezworen ;

Tk zal van kind tot kind , tot aan het eind der dagen Uw zaad bevestigen , en uwen rijkstroon schragen.quot;

Mijne Geliefden! bij den Profeet Jesaja hooren wij onzen dierbaren Zaligmaker, Middelaar en Plaatsbekloeder vrijmoedig uitroepen: „De Heere Heere helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als eenen keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden. Hij is nabij, die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan: wie heeft eene rechtzaak tegen Mij ? hij kome herwaarts tot Mij. Ziet, de Heere Heere helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen ?quot; Jes. 50, vs. 7—9. Diezelfde blijmoedige belijdenis legt Hij, die ook gezegd heeft: „Ik vaar op tot Mijnen Vader en uwen Vader, en tot Mijnen God en uwen Godquot;, — Hij, die opge-

GeUoudeii den 8 November 1837.

ocr page 46

PSALM 23, VS. 6.

wekt is tot onze reehtvaardigmaking, en die ook bij den Vader voor ons bidt, in den mond en in het hart van Zijne armen en ellendigen, door de werking van den Geest der genade.

Wanneer wij ons heil en onze zaligheid buiten ons en alleen in Christus Jesus zoeken, zullen wij dezelve ook ongetwijfeld in Hem vinden , en wanneer wij die aldaar gevonden hebben, zoo worden wij van ons heil en onze zaligheid ook volkomen gewis. — Dat is zake des geloofs, en als het geloofd wordt, zoo ervaren wij het wel, dat alle beloften Gods Ja en Amen zijn in Christus Jesus, onzen Heere.

Zij, die dit ervaren, verkrijgen hoop — niet eene weifelende of doode, maar eene vaste en levende, ofschoon niet onaangevoehtene hoop, eene ware hoop, een op Christi gerechtigheid en de sterkte Zijner macht gegrond vertrouwen in Gods eeuwige genade.

quot;Wat God in Christus voor hen is, voor hen en aan hen gedaan heeft, wat hun door Christus verworven en door God in Christus, door den Geest des geloofs toegerekend en geschonken is, en wat zij daarvan beleven, is hun een onderpand, dat God in Christus Dezelfde zijn zal voor de toekomst, ja in alle eeuwigheid.

De beloften Gods worden dermate in do zielen van de Zijnen ingesproken, dat zij daardoor van Gods waarheid en trouw ingenomen worden, om zich met hunne zielen in Christus daarop te verlaten; en terwijl zij de vervulling meermalen in al do verrassende macht van vertroosting ondervinden , worden zij door den Heiligen Geest verzekerd van hunne volharding bjj de genade en bij de eeuwige zaligheid, zoodat zij al het goede en alle weldadigheid van den almach-tigen God en trouwen Vader en van den Zaligmaker, Heere en Koning Jesus Christus verwachten.

Wanneer de Heere den Zijnen den beker doet overvloeien _ dan geeft Hij hun den troost der volharding, bij al het goede en bij al de weldadigheid, den troost des eeuwigen levens en

4fi

ocr page 47

Psalm 28, vs. fi.

der eeuwige heerlijkheid. Met dezen troost vervuld, spreekt ook de pelgrim in onzen

Tekst: Psalm 23, vs. 6.

„Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal iu het huis des Heeren blijven in lengte van dagen.quot;

Tusschenzang: Psalm 27, vs. 7.

Zoo ik niet had geloofd , dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou ;

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer, godvruchte schaar! houd moed.

Hij is getrouw, de bron van alle goed ;

Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer,

Wacht dan , ja wacht, verlaat u op den Heer !

Dit is nu het vierde beeld of schilderij in het paleis van onzen Koning.

Terwijl de pelgrim met den Heere Jesus aan tafel zit, en een overvloeiende beker hem wordt toegereikt, zijn aan het prieel engelen bezig blauwe en witte druiven van den wijnstok af te snijden, en allerlei edele vruchten te plukken, ook bladeren tot gezondheid of genezing der wonden en kwalen, waaraan de pelgrim op zijnen weg nog lijden mocht. Zij leggen de bladeren, vruchten en druiven in de reiskorf des pelgrims, die, zulks ziende, zijnen Gastheer dankzegt, dat Hij hem niet alleen zoo vriendelijk onthaalt, maar ook nog zoo koninklijk voor de verdere reis zorgt. De korf is hoog opgevuld, wat groot en zwaar voor den zwakken pelgrim, en wij lezen het. uit zijne oogen, hooren het hem ook tot den Koning zeggen, dat hij niet anders kan, dan vertrouwen, dat de Koning hem den korf door Zijne engelen zal laten nadragen; de pelgrim is daarover verblijd, want hij is niet eens sterk genoeg, om den zóó gevulden korf op te beuren. Ondertus-schen toont hem een engel met een lichtgevenden staf een

47

ocr page 48

PSALM 23, VS. 6.

koninklijk slot, gelegen op eenen hoogen berg helder beschenen door de zon, met het gouden opschrift: „Huis Gods, woning der eeuwige heerlijkheidquot;, en de engel zegt: „Daarheen ! daarheen!quot; De Heere Jesus geeft den pelgrim de hand. Hij kust hem en zegt: „Zoo gewis Ik met u hier in het prieel ben geweest, zoo gewis komt gij daarheen. Daar gaat het nog anders toe, daar zult gij Mij geheel zien, zooals Ik ben, en verstaan , wat Ik voor u wasquot;. En — Hij, die den beker zoo vol ingeschonken heeft, ontkomt uit het gezicht van den pelgrim; deze staat op en zingt: „Daar zal Uw huis mij eeuwig ruste gevenquot;, en de engelen volgen hem, met de korf, op onzichtbare wijze.

Laat ons wederom de woorden van onzen tekst afzonderlijk nagaan, opdat wij de meening des Geestes beter mogen verstaan.

In de eerste plaats merk ik op, dat het woordje „immersquot; zoo veel zegt, als: „zonder twijfelquot;, „zekerlijkquot;, omdat de zaak zoo staat, zoo zal ook dit en dat nog volgen. Zoo komt hetzelfde woord voor 1 Sam. 18, vs. 8 en is daar vertaald door: „voorzekerquot;: „Voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijnquot;; en Deuter. 16, vs. 15 lezen wij: „De Heere uw

God zal u zegenen.....in al het werk uwer handen,

daarom zult gij immers vroolijk zijnquot;; Ps. 58, vs. 12: „Immers is er vrucht voor den rechtvaardigequot;; Ps. 73, vs. 1: „Immers is God Israël goedquot;; Jes. 63, vs. 8: „Zjj zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Alzoo is Hij hun geworden tot eenen Heilandquot;; Ezech. 46, vs. 17: „Dan zal het (geschenk) tot den vorst wederkeeren: het is immers zijne erfenis, zijne zonen zullen het hebbenquot;_

Wat de woorden „het goedequot; willen zeggen, leeren wij het best uit de volgende getuigenissen:

2 Sam. 7, vs. 28, alwaar David dankt voor de belofte Christi: „Nu dan, Heere Heere! Gij zijt die God, en Uwe woorden zullen waarheid zijn, en Gij hebt dit goede tot Uwen knecht gesproken '.

2 Sam. 16, vs. 12: „Misschien zal de Heere mijne ellende

48

ocr page 49

PSALM 23, VS. 6.

aanzien, en de Heere zal mij goed vergelden vooi' zijnen (Simeï's) vloekquot;.

Nehem. 2, vs. 10: „Het mishaagde hun, dat er een inensch gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëlsquot;.

Deuter. 28, vs. 12: „De Heere zal u opendoen Zijnen goeden schat, den hemelquot;.

Deuter. 26, vs. 11: „Gij zult vroolijk zijn over al het goede, dat de Heere, uw God, aan u en uw huis gegeven heeftquot;.

2 Kron. 6, vs. 41; „Laat Uwe gunstgenooten over het goede blijde zijnquot;.

Num. 10, vs. 29: „Wij reizen naar die plaats, van welke de Heere gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen: want de Heere heeft over Israël het goede gesprokenquot;.

Ps. 25, vs. 12, 13: „Wie is de man, die den Heere vreest? — zijne ziel zal vernachten in het goedequot;.

Ps. 84, vs. 12: „Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelenquot;.

Ps. 122, vs. 9: „Om des huizes des Heeren onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoekenquot;.

Ps. 128, vs. 5: „De Heere zal u zegenen uitZion, en gij zult het goede van Jerusalem aanschouwen al do dagen uws levensquot;.

Ps. 38, vs. 21 : „En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaagquot;.

Ps. 27, vs. 18: „Zoo ik niet had geloofd, dat ik het goede des, Heeren zou zien in het land der levendenquot;.

Ps. 31, vs. 20: „O hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vreezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der menschenkinderen!quot;

Dit woord wordt in zijne eerste grondbeteekenis gebruikt van eene sappige druif; voorts duidt het aan alles, wat wij

4

49

ocr page 50

PSALM 23, VS. 6.

onder geluk verstaan: zegen, rijke troost, vrede, vreugde en rust dor conscientie.

„Weldadigheidquot; is eigen aan de koningen, vorsten en machtigen, die uit louter welbehagen en vrije gunst kasteelen en bosschen, ja geheele landen wegschenken aan degenen, wien zij genegen zijn. — In de Heilige Schrift komt het van menschen gewoonlijk in dien zin voor, dat men de hulp, de weldaad of goedheid van een ander behoeft, en zonder dezelve hoogst ongelukkig zijn zou. Men kan zichzelven niet helpen, een ander moet het voor ons doen, geheel en volkomen, anders blijven wjj in schrikkelijke angsten, zorgen en nooden zitten, en zijn als het ware des doods; daarom smeeken wij het van een ander af, zonder aanspraak te maken op zijne weldadigheid; smeeken het af als een bedelkind of noodlijdende.

Zoo zeide Abraham tot zijne huisvrouw, toen hij onder de vreemden zijn leven in gevaar zag: „Dit zij uwe weldadigheid, die gij bij mij doen zult: aan alle plaatsen, waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder !quot; Gen. 20, vs. 13.

Naomi zeide tot hare schoondochter: „Gezegend zij hij (Boas) den Heere, die zijne weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doodenquot; (Ruth 2, vs. 20; Vergl. Hoofdst. 3, vs. 10).

Lot z^ide tot den Engel: „Zie toch , Uw knecht heeft genade gevonden in Uwe oogen, en Gij hebt Uwe weldadigheid groot gemaakt; die Gij aan mij gedaan hebt, om mijne ziel te behouden bij het levenquot; (Gen. 19, vs. 19).

En Jakob zeide tot den Heere: „Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uwen knecht gedaan hebtquot; (Gen. 32, vs. 10).

Mozes zeide: „Gij leiddet door Uwe weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uwe sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheidquot; (Exod. 15, vs, 13).

De Heere sprak zelf: „Tk doe barmhartigheid (weldadigheid) aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijne geboden onderhoudenquot; (Exod. 20, vs. 6).

50

ocr page 51

PSALM 23, VS. 6.

Salomo zeide: „Ileere, God van Israël! er is geen God, gelijk Gij — — houdende het verbond en de weldadigheid aan Uwe knechten, die voor Uw aangezicht met hun gansche hart wandelenquot; (2 Kron. fi, vs. 14).

Van de Gemeente Israels lezen wij: „Zij aanbaden, en loofden den Heere, dat Hij goedig is, dat Zjjne weldadigheid is tot in eeuwigheidquot; (2 Kron. 7, vs. 3).

In de Psalmen komt het woord dikwijls voor, en in onze vertaling wordt daarvoor doorgaans „goedertierenheidquot; gelezen, bjjv. Ps. 51, vs. 3: „Wees mij genadig, o God! naar Uwe goedertierenheidquot;.

Ps. 52, vs. 3: „Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dagquot;.

Ps. 42, vs. 9; „De Ileere zal des daags Zijne goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zjjn lied bij mij zijnquot;.

Ps. 52, vs. 10: „Ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoosquot;.

Ps. 57, vs. 4: „God zal Zijne goedertierenheid en Zijne waarheid zendenquot;.

Ps. 59, vs. 17: „Ik zal Uwe sterkte zingen, en des morgens Uwe goedertierenheid vroolijk roemen, omdat Gjj mij een hoog Vertrek zijt geweest, en eene Toevlucht ten dage, als mij bange wasquot;.

Ps. 62, vs. 13: „En de goedertierenheid, o Heere! is Uwequot;.

Ps. 63, vs. 4: „Uwe goedertierenheid is beter dan het levenquot;.

Ps. 6G, vs. 20: „Geloofd zij God, die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijne goedertierenheid van mijquot;.

Ps. 77, vs. 9: „Houdt Zjjne goedertierenheid in eeuwigheid op?quot;

Ps. 85, vs. 8: „Toon ons Uwe goedertierenheid, o Heere! en geef ons Uw heilquot;.

Ps. 88, vs. 12: „Zal Uwe goedertierenheid in het graf verteld worden ?quot;

51

4*

ocr page 52

PSALM 23, VS. 6.

Ps. 89, vs. 2: „Tk zal de goedertierenheden des Heeren eeuwiglijk zingenquot;.

Ps. 117, vs. 2: „Zijne goedertierenheid is geweldig over ons, en de Wciarheid des Heeren is in der eeuwigheidquot;.

Zoo ook Ps. 136: „Looft den God des hemels; want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheidquot;.

Wij verstaan dus onder „weldadigheidquot;, de ondoorgrondelijke en vrije goedertierenheid, genade en barmhartigheid Gods, waarmede Hij eenen mensch, die het in het geheel niet verdient, ook nooit iets vergelden kan, overlaadt.

Het woord „volgenquot; zegt in de eerste heteekenis iemand zoo achterna komen, dat men hem op de hielen of bijna op den rug is, en zulks zonder ophouden, zonder eene grootere tusschenruimte te gedoogen, daar duldt degene, die nakomt, niet, dat een ander zich of iets anders tusschen hem en dien, die gevolgd wordt, indringe. Het woord komt doorgaans voor in den zin van „najagen,quot; dus kort achter iemand aan zijn, die zich niet gaarne laat inhalen. Zoo is het dan het volgen en najagen van den liefdeijver en den liefdegloed des Heeren, waarmede Hij ons, die zoo onvoorzichtig daarhenen gaan, ook niet eens gaarne ons willen laten inhalen, maar veeleer van Hem vlieden, als ware Hij onze vijand, achterna is, en waannede Hij dien, die niet wil, voorkomt, zoodat hij evenwel wil, —- dus het willen en het volbrengen zelf in ons werkt, naar Zijne geweldige genade en machtige goedertierenheid over ons in Christus Jesus.

Van zulk „volgenquot; nu zegt de Psalmist, dat het al de dagen zijns levens zal voortduren.

Het is mogelijk, dat de Psalmist onder „huis des Heerenquot; den tempel verstaan heeft. Intusschen heeft hij daarmede het cederen huis, op zich zeiven beschouwd, niet bedoeld, maar al datgene, wat hij in dezen tempel genoot, te weten: de genadige tegenwoordigheid des Heeren, de liefelijkheden in Zijne Rechterhand, de schoone dienst des Heeren, de verheerlijking van den Naam des Heeren, het loven en danken voor

52

ocr page 53

PSALM 23, VS. 6.

Zijne goedertierenheid en ontferming, de ervaringen Zijner liefde

Zoo zegt ook Jakob: „Uit is niet anders, dan een huis Godsquot; — waar hij toch in het geheel geen huis zag, maaiden hemelladder gezien had in den droom.

Van liet genot in het huis des Heeren lezen wij Psalm 27, vs. 4, 5: „Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al dc dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheden des Heeren te aanschouwen , en te onderzoeken in Zijnen tempel. quot;Want Hij versteekt mij in Zijne hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op eenen rotssteenquot;.

En Ps. 84, vs. 11: „Ik koos liever in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheidquot;; vs. 5: „Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen, zij prijzen U gestadiglijkquot;

Ps. 65, vs. 5: „Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uwe voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleisquot;.

Ps. 92, vs. 14; „Die in het huis des Heeren geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragenquot;.

Ps. 36, vs. 9: „Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizesquot;.

Indien met het „huis dos Heerenquot; het cederen huis bedoeld ware, dan waren allen, die in den Heere stierven, niet zoo gelukkig als de levenden. Het is echter uit al dc Profeten openbaar, dat daarmede het genot der eeuwige heilsgoederen bedoeld werd, — en dit genot was een hemelsch genot; derhalve bedoelt de Psalm met „het huis des Heerenquot; het genot van eeuwige hemelsche heerlijkheid, welke hier bij aanvang

sresmaakt wordt, maar na dit leven eerst recht begint. Ö '

Het woord „lengte van dagenquot; hebben wij in den zin van „eeuwigheidquot; te verstaan; dit wordt ons duidelijk geleerd

53

ocr page 54

PSALM 23, VS. 6.

Deuter. 30, vs. 20: „De Heere is uw leven, en de lengte uwer dagenquot;. Ps. 21, vs. 5: „Het leven heeft Hij van U begeerd, Gij hebt het Hem gegeven, lengte van dagen, eeuwig-lijk en altoosquot;.

„Blijvenquot; is: wonen, verkeeren, zitten, rusten.

Wij hebben nu in deze woorden de leer en de vertroosting van de volharding bij de genade, —- wij allen, die door den Heere uitverkoren zijn; daarenboven dc zekerheid van eeuwig leven en eeuwige heerlijkheid. Immers David zegt dat niet van zich alleen, maar de Geest gaf dezen Psalm over aan de uitverkorene Gemeente.

Wie is goed, gelijk de Heere! O, Hij alléén is goed. Hij is allen goed, en Hij ontfermt Zich over al Zijne werken. In Hem is eene volheid van het goede, Hij is eene bron, die nooit opdroogt, een stroom en oceaan van alle weldadigheid , van alle zaligheid; als zoodanig deelt Hij Zich mede aan al de Zijnen, en hoeveel Hij ook uit Zich mededeelt, Zijne volheid blijft eeuwig dezelfde.

Waar nu Hij, de Heere, den beker doet overvloeien, daar wordt de ziel immers vervuld van hot vertrouwen: zulk een goede Heere blijft eeuwig dezelfde. Hij was, Hij is. Hij blijft mij goed en toegenegen. Zijne goedertierenheid zal mij nooit ontbreken. Wat ook verandert. Hij verandert niet. Zjjne roeping en verkiezing zullen Hem nooit berouwen, want het is en was alles Zijne vrije goedheid; ik heb Hem niets toegebracht. Mijne zonden en ellenden stonden Hem niet in den weg. En toen Hij het verbond met mij maakte, is Hij met eenen eed daartusschen gekomen: „Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen.quot; Al zou Hij Zich ook vreemd gedragen, al zou Hij mij ook dooden, zoo zal ik toch op Hem hopen. Wie is een God, gelijk Hij, die zonde en misdaad vergeeft en dezelve in eeuwigheid niet meer gedenkt, en die gezworen heeft: „Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen ?quot; Of ook de Satan aan hunne rechterhand staat en de Josua's aanklaagt, — hier

54

ocr page 55

PSALM 23, VS. 6.

is een trouwe Borg, die laat Zich van de Zijnen, die Hem de Vader gegeven heeft, niet scheiden, maar zegt: „De Heere, die Jerusalem verkiest, schelde u, gy Satan!quot;

O, ik ben van Zijne liefde, die ik zoo onverdiend genoten heb, en waarmede Hij mij overladen hoeft, — ik ben van Zijne trouw, waarmede Hij mij steeds weder opgezocht en teruggebracht heeft, zeker voor de toekomst, voor de eeuwigheid. Mogen do Simcï's, mogen alle duivelen mij vloeken, moge mijn geweten mij aanklagen, dat ik gedaan heb wat niet goed en recht was, of niet recht is in de oogen des Heeren; mogen ook velen mij dreigen, dat het mij slecht gaan zal; moge de wankelmoedigheid mij influisteren: „Gij zult nog een der dagen door de hand van Saul omkomenquot;, nu Hij, de Heere, heeft mijnen beker overvloeiende gemaakt, mij gezalfd, mij verkwikt, ik ben zeker van Zijne liefde, daarvan heb ik de dierbaarste onderpanden. De genade des Vaders wordt nooit weggenomen van mijnen Koning, en Hij laat niet toe, dat iemand mij uit Zijne hand rukke: Hij heeft mij in Zijns Vaders handen gesteld, en deze geeft aan den duivel niets af, van hetgeen de Zoon op Zijn bevel verlost heeft. Mijn Koning houdt mij vast. In Hem, bij Hem, door Hem ben ik van Zijne goedertierenheid verzekerd.

Het goede, dat de Heere Zijnen uitverkorenen geeft, is een inwendig, een bestendig en eeuwig goed. „Mijnen vrede laat Ik uquot;, zegt de Heere, „en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemenquot;. „Vrees niet, gij klein kuddeken! want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.quot; Ook aan het uiterlijke goed kan het den geloovigen, heiligen en uitverkorenen niet ontbreken. Het is wel waar, dat allen, die in Christus Jesus godzalig willen leven, vervolgd worden; het is wel zoo, dat zij om de belijdenis van den Naam des Heeren Jesus vaak verlies aan eer en goed te dulden hebben. „Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigenquot;, dat is alles waar, edoch er volgt: „maar uit alle die redt hem de Heerequot; (Ps. 34, vs. 20). Daarom hebben wij, die den Heere stand-

55

ocr page 56

PSALM 23, VS. 6.

vastig aanhangen, al is het dat de Heere somtijds terugneemt, wat Hij ons gaf, al is het dat het wel eens zóó gaat, dat wij over Hem in twijfel zijn, in onzen nood in onze ellende genoegzaam reden, om desniettemin te zeggen: „Nochtans is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijnquot;.

Als er dus ook soms gebrek ontstaat, of allerlei wederwaardigheid komt, zoo ervaren wij toch te midden van dat alles zoo veel van Gods ontferming, onverwachte uitkomst, gebedsverhooring, hulp en troost, dat, wanneer wij bedenken , wrat wij met onze zonden verdiend hebben, wij altijd reden hebben, om Hem voor Zijne goedheid te danken en in alle ongelegenheden op dat goede te hopen, dat Hij Zijnen armen en ellendigen bereid en beloofd heeft. De uiterlijke ellende heeft den armen lijdenden Lazarus geen nadeel toegebracht; veeleer is zij mede dienstbaar geweest tot verhooging zijner zaligheid.

Het goede kan alleen dan naar zijne volle waarde worden geschat, als men den gever recht kent; waar het nu alles onverdiende genade is, daar is het armste kind Gods bij uitstek dankbaar voor datgene, wat voor eenen onbegenadigde niet meer is dan eene kleinigheid of eene nietigheid. Dat de Heere ons dikwijls met menschenroeden straffen moet, als wij Zijne geboden overtreden, is Zijner heiligheid overeenkomstig. Als Hij echter de Zijnen voor hunne misdaden ook met harde slagen treft, o hoe weet Hij alles weder goed te maken, daardoor dat Hij deze slagen voor hen doet medewerken, ten einde zij het goed hebben en aan hunne zielen gezond mogen zijn.

Wie onzer kan de weldadigheid des Heeren waardeeren, wie Zijne barmhartigheden tellen? zij zijn gelijk het zand aan de zee. En heeft Hij niet gezegd: Bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen , — bergen megen in de zee verzinken, rotsen aan stukken springen, maar Zijne genade is gegrond in het eeuwig raadsbesluit, is bezworen en vastgemaakt in het eeuwig verbondsbloed. Ging Hij van dit verbond ooit af bij de Zijnen ?

56

ocr page 57

PSALM 23 , VS. C.

Zion moet wol is waar soms klagen; „De Heerc gedenkt mijner niet meer, Hij heeft mij verlaten, Hij geeft mij over aan mijne zonden, en mijnen vijanden stelt Hij mij tot een roofquot;. Zion gedenkt dikwijls aan de vorige dagen van voorspoed, maar: „Toen Gij Uw aangezicht verbergdet, werd ik verschriktquot;. De dochter Zions is dikwijls zeer verlegen om troost en weigert zich te laten troosten; want het is uit met Gods genade, zooals zij meent. Maar de Heere zegt; „Kan ook eene vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars huiks? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch u niet vergeten!quot;

Waar de Heere aanvangt, in Jesus Zijne genade in de ziel te verheerlijken, waar Hij haar de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, daar doet Hij het niet voor dezen tijd alleen, maar daar schenkt Hij ook aan- de ziel het recht op het eeuwige leven. Dit recht handhaaft de Heere Jesus, die onze zaak op Zich genomen heeft, voor de ziel. Zoo zijn dan zulke geschonkene hemelsche goederen en zegeningen met de zaligheid verbondon, zij zijn een geschenk voor de eeuwigheid.

quot;Wel is waar wordt de troost der volharding niet altijd ondervonden of gesmaakt; wel is waar is deze waarheid niet onafgebroken een licht in de ziel; want ach, als Satan ons begeert te ziften, als hij met vuisten slaat, als oude zonden en nieuwe zonden bovendien met macht over ons heen komen, — als wij gevangen genomen en medegesleept worden, om dingen te doen, die ons niet betamen, als wij met Petrus naar buiten gaan en bitterlijk moeten weenen, dan heeft het in de ziel geen houvast, wat do Heere gezegd heeft: „Uw geloof zal niet ophoudenquot;, „Mijne goedertierenheid zal van u niet wijkenquot;. Neen, neen, dan en in vele andere gevallen moeten wij schreeuwen: „O God, wees mij genadig!quot; en hebbenden moed niet, om te zeggen: „Hij is mij genadig!quot; Dan moeten wij klagen: „Heeft God vergeten, genadig te zijn? Heeft Hij Zijne barmhartigheden door toorn toegesloten?quot; Maar

57

ocr page 58

PSALM 23, VS. 6.

juist in zulke wegen geneest Hij al onze krankheden. Wij moeten met onze wonden aanloopen, opdat wij vreten mogen, dat wij wonden hebben en om eenige bladeren ter genezing bidden. De hoogmoedige nek moet gebroken worden, opdat er waarlijk een gebroken hart zij. En het geloof van Petrus, was er dat dan niet meer? Zijn bitterlijk weenen bewijst u, dat het er was. Eu de genade van den Heere Jesus over Zijnen discipel, was die er dan niet meer? Zij was er, dat bewijst Zijn blik, waarmede Hij Petrus aanzag, juist toen deze zich zeiven zoo schrikkelijk vervloekte. Waar genade heerschen zal, daar moeten zonden zijn, opdat genade en zonden, dood en leven met elkander worstelen. Waar barmhartigheid is, daar moet ellende zijn, wonden, hulpeloosheid , zwakheid, onmacht, opdat het zich openbare, dat de sterkte des Heeren is. Daar moet het wonderbaar toegaan, en ons verstand moet onverstand worden, opdat wij ondervinden: de Heere alleen is wijs, en wij weten niets; de Heere alleen is goed en wij zijn tot niets deugende; de Heere alleen is barmhartig, en wij zjjn gansch hulpeloos. Daarom mogen wij op den Heere Heere hopen voor tijd en eeuwigheid, voor lichaam en ziel, en bij dit psalmwoord, deze liefelijke spreuk blijven, opdat, waar nood en dood, zonde en leed ons bezoeken, wij den moed niet opgeven, al is onze ziel ook aangevochten en benauwd; veeleer moeten wij om den reiskorf schreeuwen, die ons nagedragen wordt, opdat wij eenige druiven bekomen tegen onze onmacht, eenige genezende bladeren tegen onze wonden.

O, dat wij onze ellende maar recht grondig erkennen en voor den Heere bekennen, hoe weinig wij een hart voor Zijne goedertierenheid en barmhartigheid hebben, hoe schrikkelijk wij ons uit onszelven dikwijls daartegen verzetten, want wat verstaan wij van Zijne goedertierenheid, trouw, barmhartigheid en genade ? Is dat in onze oogen steeds het goede, wat de eeuwige Wijsheid wil en voor ons bestemd en weggelegd heeft? En ach, hoe menigmaal weigeren wij Zijne

58

ocr page 59

PSA Ij M 23, VS. fi.

barmhartigheid aan te nemen! Welke uitvluchten in hetmen-schelijk hart, om zelf het heil der ziel uit te werken, zelf met eigene werken zich te beteren, en datgene voor God te bedekken wat toch voor Hem naakt en open ligt! quot;Welke moeite en arbeid heeft Hij met de Zijnen ! Ach , als onwil-ligen, als tegenstrevenden vindt Hij ons altijd, want wij wilden liever onzen wil, onzen lust, onze vroomheid, en het moet naar onze inzichten gaan. Dat erkent de psalmist wel, en dat zullen ook wij erkennen, als wij dikwijls ons gestooten hebben, en wij grondig verootmoedigd zijn, en evenwel nog verkwikt worden uit des Heeren overvloeienden beker, en gezalfd met Zijne genade, en gespijsd aan Zijne tafel —: dat Hij, onze eenige Vriend, ons wil volgen, terwijl wij ons gedragen, als ware Hij onze vijand, die ons vervolgen en ombrengen wil. Zoo spreekt dan hier de Psalm het voortreffelijk uit, hoe de volle goedheid en barmhartigheid ons wederstrevenden steeds achterna is en achterna zal blijven gedurende ons gansche leven, opdat de genade op het hoogste verhoogd blijve.

Nu volgt de zekerheid van het eeuwig leven en de eeuwige heerlijkheid.

De Heere houdt niet op met Zijne weldadigheid, en overlaadt daarmede een menschenkind, dat in den grond der zaak niet anders dan ondankbaar is.

Zoo hoeft Hij gedaan in het begin, toen wij nog omdwaalden en naar Zijn huis en Zijne erfenis in het geheel niet vraagden, volstrekt geen verlangen hadden naar Hem, den Vader der eeuwigheid en aller genade, integendeel met den verloren zoon in ons verderf liepen, in onkel weerspannigheid en moedwillige ongehoorzaamheid, en ons lieten verleiden door onzen eigen lust en door allerlei verleiders, — toon was Hij de Eerste, om ons om te koeren en terug te brengen; Hij zond ons eenen honger toe naar de goederen Zijns huizes, zoodat wij wel moesten opstaan en henen gaan tot onzen Vader ; — en toen Hij ons van verre zag, liep Hij ons te gemoet en nam

59

ocr page 60

psalm 23, vs. 6.

ons op in Zijn huis, als verlorene, als uit den dood terug gebrachte kinderen.

Hoe dikwerf hebben wij in onze verkeerdheid Zijn huis weder verlaten; Hij was het altijd , die ons weder tot Zich en in Zijn huis lokte. Wat mag het geloof daaruit besluiten, en voor vast en zeker houden? Is het niet dit; Zijn huis, met al hetgeen daarin is, heeft Hij, tot eer Zijns Naams, tot roem Zijner eeuwige ontferming voor mij, eenen arme, bereid. Zijn huis is en blijft mijn huis; alle goederen, die daarin zijn, zijn om den Zoon des huizes, Jesus Christus, mijne goederen, mijne eeuwige goederen. Zijne genade blijft bij mij, ik verlies haar in der eeuwigheid niet. Aan Zijne trouw klem ik mij vast, aan haar blijf ik hangen, zij is van eeuwigen duur voor mij.

Dat is het, wat wij met den Catechismus belijden : „Van Zijne Gemeente ben ik een levend lidmaat en zal dit eeuwig blijvenquot;.

Des Heeren huis, gebouwd uit levende steenen, is Zijne Gemeente, de vergadering van alle uitverkorenen, geloovigen en heiligen. In deze vergadering verkrijgen wij door Zijn quot;Woorden Geest al wat ons tot het leven, tot gerechtigheid en vrede dient.

quot;Wie in deze vergadering zijn heil en den troost der ziel, stilling van den strijd en van zijnen honger en dorst gevonden heeft, kan niet anders dan begeeren, eeuwig in dezelve te bliiven; en als hij daarvan verzekerd is, dan verblijdt hij zich daarover met eene eeuwige blijdschap.

In deze vergadering leert hij meer en meer den Heere kennen, hoe Hij Zich zeiven daar openbaart als eenen genadigen God en Ontfermer, als eenen volkomen Zaligmaker, als den God, die de goddeloozen rechtvaardigt, op grond van de gerechtigheid eens anderen, en hoe Hij door de tucht, vertroosting en onderwijzing Zijns Geestes, reinigt van alle onreinigheden en heiligt tot eenen Gode welbehagelijken wandel.

In deze vergadering worden zoo alle volmaaktheden en deugden Gods tot troost der ellendigen op het hoogste verheerlijkt. Daar is de Heere in het midden der Zijnen met Zijne Godheid, met Zijnen Geest, met Zijne genade en ge-

60

ocr page 61

PSALM 23, VS. 6.

nadige tegenwoordigheid. Daar vloeien de stroomen der genade uit het heiligdom des hemels; daar deelt de HeereJesus Zijne genadegoederen uit in alle volheid. Daar gaat den verloste het hart open, die een medegenoot is van zoovele in zich zeiven arme zondaren, die nochtans des Heeren heiligen zijn, door Hem gemaakt tot koningen en priesters, nadat Hij hen gewasschen heeft van hunne zonden in Zijn bloed. Daar wordt men gespijsd met het ware brood uit den hemel en gesterkt met den edelsten wijn. Daar worden de naakten gekleed met het beste kleed, en ontvangen den ring der verzegeling des Geestes aan den vinger, en schoenen aan de voeten om te wandelen in Gods wegen.

In deze vergadering, in dit huis, zijn schatten, beter dan goud en veel fijn goud, kostelijker dan paarlen en edelgesteenten , dan wat de wereld biedt en geeft.

In dit huis wordt de ziel genezen van al hare krankheden, hoe boos, wanhopig en doodelijk hare krankheid ook zijn moge. Zoodra zij slechts het geneesmiddel neemt of ontvangt, heeft zij genezing gevonden. Immers dengenen, die in dit huis wonen, worden de dierbaarste beloften geschonken, welke allen daarop uitkomen, dat de Heere hen nooit of nimmer zal uitstooten, dat Hij integendeel de zwakken, die op Hem hopen, zal maken tot pilaren in dit huis.

Door zulke beloften wordt hun dit huis tot woningen dei-eeuwigheid.

Het uitwendige — het zichtbare — van dit huis moge den kinderen des huizes, door vervolging of op eene andere wijze ontnomen worden, het inwendige — wat dit huis eigenlijk beteekent — kan van hen niet genomen worden, want het is in hen, en zoo zijn zij er in. De Heere toch is hun Tempel, het Lam hun Licht.

O zalig gijlieden, die in dit huis met uwe namen ten leven opgeschreven zijt! gijlieden, die den Heere Jesus door een waarachtig geloof zijt ingeplant! Hoe onuitsprekelijk en onmetelijk is uw, is ons geluk; hoe is reeds hier onze stand verheerlijkt!

61

ocr page 62

psalm 23, vs. g.

Het huis des Heeren heeft twee gedeelten, een benedenste en een bovenste. Wij bevinden ons nu nog in het benedenste, weldra gaan wij door den dood heen in het bovenste gedeelte in. Aldaar zijn wij voor eeuwig bevrijd van alle kwaad, van alle zonden, van alle verzoeking, van alle tranen, lijden, zuchten en smarten. Aldaar is verzadiging vau vreugde, en liefelijkheden in Gods Rechterhand, eeuwiglijk.

Aldaar is in waarheid het nieuwe Jerusalem, de stad door God voor ons gebouwd, waarheen wij trekken. Aldaar zijn de vele woningen, in welke de Heere ons plaats bereid heeft. Aldaar zullen wij in het licht zien, wat hier op aarde voor ons donker was; aldaar zullen wjj den Heere zien van aangezicht tot aangezicht, aldaar Hem kennen, gelijk wij van Hem gekend zijn. Aldaar zal geen einde zijn aan de blijdschap, aan de vreugde, en aan het jubelen. Aldaar is niets meer van hetgeen ons hier zoo veel pijn veroorzaakte.

Aldaar zien wij den troon en het Lam, en God in het aangezicht van Jesus Christus, en bevinden ons onder de honderd vier en veertig duizend verzegelden en onder eone schare, die niemand tellen kan, die allen uit do groote verdrukking gekomen zijn en hunne kleederen gewasschen en wit gemaakt hebben in het bloed des Lams. Aldaar slaan wij de harpen aan ea bi-engen eeuwig eere toe aan Hem, die op den troon zit, en het Lam.

Zeggen wij met Job: „Mijne nieren verlangen zeer in mijnen schoot!quot; Amen.

Slotzang: Psalm 116, vs. 11.

Ik zal met vreugd in 't huis des Heeren gaan,

Om daar met lof Uw grooten Naam te danken,

Jerusalem! gij hoort die blijde klanken,

Elk he ff' met mij den lof des Heeren aan.

62

ocr page 63

Bij den Uitgever dezes zijn mede verschenen:

Werken van Dr. H. F. KOHLBRÜGGE.

Lijdenspreeken. Gehouden in de jaren 1847 — 49. 18 Leerredenen /' 2,40

Feeststoffen. 22 Leerredenen.............- 2,40

De Tabernakel en zijne gereedschappen. Achtentwintig Leerredenen gehouden in de jaren 1856 — 59. Uit het Hoogduitseh. . - 2,40

Betrachting over den Eersten Psalm...........- 0,60

Eerste Twaalftal Leerredenen. Tweede Druk........- 1,50

Betrachting over het Eerste Kapittel van het Ev. Mattheus, niet voorrede en aanteekeningen door Ds. J. J. Gobius du Sart. Nieuwe

Uitgave...................- 1,40

Negentallen Leerredenen. 3 bundels, iodor........- 0,70

Historlsch-Theologische gesprekken tussohen twee gerei'. Predikanten,

betreffende den H. Doop. Tweede Druk........- 0,50

Op weg naar den Hemel. Drie Betrachtingen.......- 0,40

Jesus en de Zondares. Drie Leerredenen over Luk. 7 : 36 — 50.

Uit het Hoogduitseh...............- 0,30

Op Goeden Vrijdag. Stichtelijke gedachten........- 0,30

De genadevolle verborgenheid van den Grooten Verzoendag. . . - 0,20 De Taal Kanaans. Een gesprek tusschen twee reizigers naar «Ie

eeuwigheid..................quot; 0,50

Blikken in het Eerste Kap. van het Eerste Boek van Samuël ... - 0,15 Troostwoorden in Dichtregelen, voor allen, die in Nederland miskend worden vanwege de waarheid, die naar de godzaligheid is . - 0,15 Psalm 33 verklaard. Eene wekstem vóór, in en na den oorlog . - 0,15

Het Gebed. Vier Leerredenen. Tweede Druk.......- 0,25

Heere, leer mij Uwe inzettingen! Eene uitbreiding van Psalm

119 ; 33—40..................- 0,10

Vragen en antwoorden ter opheldering van den Heidelbergschen

Catechismus. Derde Druk f 0,60; in linnen siempei/jand ... - 0,90

Kleine Catechismus of Kort begrip der leer. Vierde druk .... - 0,05

Leerrede over Psalm 8...............- 0,15

Drie Leerredenen over Psalm 13............- 0,30

Leerrede over Psalm 16...............- 0,15

Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, ƒ 0,025; bij 25-tallen . . - 0,50

M. Fr. SANDER. Jehova Tsidkenu. De Heere, onze Gerechtigheid. De geloofs- en strijdkracht der Kerkhervormers. Vertaald door

Dr. Kohlbrügge. Derde Druk...........- 0,50

H. VAN DRUTEN. Hoe Dr. H. F. Kohlbrügge predikant werd . - 1,20

ocr page 64

Th. J. LOCHER. Noch Perfedionisme noch Anirnomianisme. Korte

verklaring van Heid. Catech. Vr. en Antw. 114—115, enEom. 7 ƒ 0,40

- De Belijdenis des Geloofs der Geref. Kerken in

Nederland. Met Voorrede en Aanteekeningen. Tweede Druk. . -0,125

bij 25-tallen 0,10

- Vragen en Antwoorden over de Bijb. Geschiedenis.

Vijfde herziene uitgave..............-0,725

De Heidelbergsche Catechismus, met teksten........- 0,10

Dr. M. LUTHER. De vrijheid van den Christenmensch. Vertaald

door Ds. J. van Bolhuis. Pred. te Delfshaven......- 0,30

- Woorden des Geloofs. Uit het Hoogduitsch . - 0,30

J. CALVIJN. Christus, het einde der Wet. Vert door T. M. Lócman - 0,15 Prof. Dr. EDUARD BÖHL. Tot de Wet en tot de Getuigenis. Een verweerschrift tegen de nieuw-Critische studie van het Oude

Testament..................- 1,60

--Christologie des Ouden Verbonds of

verklaring van de meest gewichtige Messiaansche profetiën . - 2,25 P. quot;VV. J. DILLOO. De Moedertaal van onzen Heere Jesus Christus

en Zijne Apostelen. Rectoraatsrede..........- 1,25

- De lofzang van den koning Hiskia. Drie Leerredenen over Jes. 38, vs. 10—20..........- 0,30

THOMAS GrOODVIM. Alle de Theologische Werken vertaald door

Jakobus Koelman................- 4,25

H. VAN LIS. Verzameling van Twintig Oefeningen, enz. le Bundel - 4,50

--------------- Verzameling van eenige Oefeningen, enz. 2quot; Bundel. - 3,00

JUSTUS VERMEER. Verzameling van eenige Oefeningen ... - 3,90 THOMAS quot;WATZOÏT. Alle de Theologische en practicale Werken,

vertaald door J. Fabricius, met het vervolg, compleet . . . - 4,80

JAC. FRUITIER. Sions worstelingen, ingen. ƒ 1,00 gel). ... - 1.50

- Gerichtshandelingen van den Allerhoogsten God

met Zijn volk van Nederland. Vijfde Druk. 2 deelen. ingen. fi,—

gehouden...................- 2,50

CHRIST. LOVE. Theologia Practica, d. i. al de Theol. werken.

Uit het Engelsch vertaald. Mei Portret........- 7,00

G. VOETIUS. De uitnemendheid van de leer der Gereformeerde Kerk

en het troostelooze van de leer der Remonstranten . . . . - 0,60 J. Or. DES BERGBRIES. De ontsluiering van Mozes. Verklaring van de voornaamste typen des O. Testaments. Vertaald door

Ds. J. J. Gobius du Sart.............- 1,—