ocr page 1

LEERREDE

OVER

PSALM 24,

DOOR

DR. H. F. KOHLBRÜGGE,

LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFOEMEEEDE GEMEENTE TE ELBERFELD.

TWEEDE NAAR DE LAATSTE DUITSCHE UITGAVE HERZIENE ^11quot;

AMSTERDAM, SC HEFFER amp; C°. 1886.

ocr page 2

Gedrukt ter »Utrechtsche Drukkerijquot;, te Utrecht.

ocr page 3

LEERREDE.

*Voorzang; Ps. 93, vs. 1. 2. 3. 4.

De Heer regeert! de hoogste Majesteit,

Bekleed met sterkt', omgord met heerlijkheid,

Bevestigt de aard', en houdt door Zijne hand Dat schoon gebouw onwankelbaar in stand.

Gij hebt Uw troon van eeuwigheid gegrond.

De waatren, Heer! verheffen zich in 'trond';

Kivier en meer verheffen hun geruisch 1 Het siddert al op 't woedend stroomgedruisch.

Maar Heer 1 Gij zijt veel sterker dan 't geweld Der waatren, die Uw almacht palen stelt:

De groote zee zwijgt, op Uw wenk en wil,

Hoe fel zij bruisch, hoe fel zij woede, stil.

Uw macht is groot. Uw trouw zal nooit vergaan:

Al wat Gij ooit beloofd hebt zal bestaan.

De heiligheid is voor Uw huis, o Heer,

Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer!

Tekst: Psalm 24.

Een Psalm van David. De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid, de wereld, en die daarin wonen. Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. Wie zal klimmen op den berg des Heeren? en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? Die

Geschreven den 27—29. December 18G2,

ocr page 4

PSALM 24.

rein van handen, en zuiver van hart is, die zijne ziel niet opheft tot ijdellieid, en die niet bedriegelijk zweert. Die zal den zegen ontvangen van den Heere, en gerechtigheid van den God zijns heils. Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen , die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela. Heft uwe hoofden op, gij poorten! en verheft u, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der eere inga. Wie is de Koning der eere? De Heere, sterk en geweldig, de Heere, geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op, gij poorten! ja heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der eere inga. Wie is Hij , deze Koning der eere ? De Heere der heirscharen , die is de Koning der eere. Sela.

Deze Psalm spreekt van Christus, den Koning der eere, en kan beschouwd worden als een sluitsteen der vorige vijf Psalmen.

Eerst wordt in Psalm 19 de heerlijkheid, de kostelijkheid en onbedriegelijkheid van het Evangelie, of van de leer dor zaligheid bezongen, van welke leer de Apostel Paulus, met aanhaling van woorden, die in dezen Psalm voorkomen, schrijft: „Ja toch, hun geluid is over de geheele aarde uitgegaan, en hunne woorden tot de einden der wereld.quot; Hom. 10 vs. 18. Zoo wordt dan de zaligmakende genade Gods, die aan alle menschen verschenen is, geprezen, ook de vrucht van het bljjven bij deze genade aangetoond, en de Heere aangeroepen om volharding bij die genade.

Dan volgt Psalm 20, de belofte van zegen en gebedsver-hooring voor een iegelijk, die in de leere Christi blijft, gelijk ook de Heere Jesus gezegd heeft: „Gij hebt Mij niet uitverkoren , maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uwe vrucht blijve, opdat, zoo wat gij van den Vader begeeren zult in Mijnen Naam, Hij u dat geve.quot; Joh. 15, vs. 16. In dezen Psalm spreekt de Geest in de eerste plaats tot Christus, pro-feteerende, hoe Hij in de dagen Zijns vleesches gebeden en smeekingen tot Dengene, die Hom uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen zoude offeren. De Geest dringt

4

ocr page 5

PSALM 24.

sterk aan tot liet gebed en belooft daarbij de verhooring. Te gelijker tijd spreekt de Geest dezelfde woorden tot allen, die in den strijd met de machten der duisternis aan het lijden en den dood van Christus gelijkvormig gemaakt worden Verder vinden wij in dezen Psalm eene samenspreking van zegepraal, gehouden door alle heiligen met den oversten Leidsman hunner zaligheid, en tevens door de heiligen met diegenen, welke in dezen strijd meer bepaald aan het hoofd staan. De Psalm eindigt met een kreet van overwinning, evenals die: „Gode zij dank, die ons dc overwinning geeft door onzen Heere Jesus Christusen eindelijk stijgt er een geroep op tot God, den Vader, om verdere vervolging en uitroeiing der vijanden; een geroep om volkomene verlossing, opdat de banier dor waarheid in ongestoordon vrede opgericht worde, — en een vurig smeekgebed, dat God de Vader onzen Koning Christus door Zijne eeuwige goedertierenheid in Zijn koningschap doe blijven volharden, opdat Hij voortdurend onze getrouwe en rechtvaardige Voorspraak zij, zoo dikwijls wij tegen onzen nood Zijnen Naam, Zijne sterkte en macht inroepen.

In den 213ten Psalm wordt God de Vader geprezen door onzen Koning en Voorspraak zeiven, gelijk Hij als de Zaligmaker van Zijn volk ter Rechterhand des Vaders gehandhaafd wordt.

In den 22sten Psalm wordt de grond gelegd voor het Koninkrijk der genade van Jesus Christus, als van onzen Plaats-bokleeder, Borg en Voorspraak. Welk een roepen uit de be-naauwdheid tot God, en welk een lof van gebedsverhooring, van vs. 20—26! Hoe liefelijk ontwikkelt zich uit de woorden van Psalm 22: „Dc zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden, zij zullen den Heere prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid lovenquot; — do 23ste Psalm! Daarin wordt vermeld van het Koninkrijk van Christus aan alle einden der aarde, en alle einden der aarde loven Hem, den goeden Herder, voor Zijne trouw, zoodat alle schapen van dc weide des Hoeren in Hem Zijn woord prijzen: Ik ben go-

5

ocr page 6

PSALM 24.

komen, opdat zij het leven hebben, en OYervlocd hebben, Joh. 10, vs. 10.

En hoe heerlijk treedt uit deze woorden van Psalm 22: „Het Koninkrijk is des Heeren, en Hij heerscht onder de Heidenenquot; — de 24ste Psalm te voorschijn!

„Eenen Psalm van Davidquot; hebben wij vóór ons, eenon psalm van hem, die een Profeet was, en wist, dat God hem met eedc gezworen had, dat Hij uit de vrucht zijner lenden, zoo veel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijnen troon te zetten. Handel. 2, vs. 30. Hij spreekt hier, dit voorziende van den Koning Jesus, van Wien de engel Qabriël tot de maagd Maria zeide: „God de Heere zal Hem den troon van Zijnen vader David geven, en Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrjjks zal geen einde zijn.quot;

Deze Psalm is voorzien met ijzer en het hout eener spies, 2 Sam. 23, vs. 6, 7, en tast de mannen Belials aan, hen, die als uit werken rechtvaardig willen worden, die altemaal als doornen zijn, welke weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten. Te gelijker tijd echter brengt de Psalm ons eene koninklijke uitnoodiging tot de rijke tafel des Konings, opdat, gelijk Psalm 22, vs. 30 staat, allen, die hunne zielen bij het leven niet kunnen houden, eten en verzadigd worden. Want, de Koning komt, om Zijne steden te bezoeken, en Hij behoort met eer te worden ingehaald. Hij komt uit eenen grooten veldslag en heeft eene volkomene zege bevochten; Hij houdt nu Zijnen intocht, trekt Zijn paleis binnen, dan begint het bruiloftsfeest; — wie zijn de gasten, die mede zullen aanzitten ?

Men heeft gewild, dat deze Psalm op hot inbrengen van de ark des verbonds betrekking zou hebben, evenals men zoo vele Psalmen daarop heeft willen toepassen, — en alsof de Geest niet op onmiddelijke wijze Christus in de wereld kan inbrengen, gelijk bijv. bij Maleachi 3, vs. 1: „Ziet Ik zond Mijnen Engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal, en

6

ocr page 7

PSALM 24.

sncllijk zal tot Zijnen tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten, de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt. — Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen? en wie zal bestaan, als Hij verschijnt?quot; — Daar wordt geprofeteerd van het komen van Christus in het vleesch, van de gevolgen van dit komen en van de vrucht der prediking van het Evangelie des Koninkrijks; en zoo geschiedt het ook hier in dezen Psalm.

David ziet hier den Heere als eenen in het vleesch geko-mene; ziet tevens de aarde aan, en denkt aan de gevolgen van den zondeval. Adam had de heerschappij over de aarde en over al wat daarop is, verloren. God zeidetothem: „Zoo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.quot; In Adam hebben wij allen de heerschappij over de aarde en hare volheid verloren.

Nu lag het in Gods genadig raadsbesluit, deze door de overtreding van Zijn gebod verlorene heerschappij over de aarde en hare volheid, over de zee en wat daarin is, aan die menschen, welke Hij daartoe wilde roepen, en die in Zijne oogen genade zouden vinden, terug te geven.

De aarde was, als het ware, des duivels geworden, die om die reden „de overste dezer wereldquot; genoemd wordt, en die daarom ook tot Jesus zeide, toen hij Hem al de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid toonde: „Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.quot; Zoo lag de menschheid in zijne strikken gevangen, en bevond zich onder de heerschappij van den overste van de macht der lucht. Doch reeds in het paradijs was het Zaad der vrouw beloofd, Hij, die den duivel zoude verslaan en zijne werken verbreken. Aan dit Vrouwezaad was het erfdeel der aarde, was de vorige heerschappij beloofd, en de vijandschap tusschen het zaad des duivels en het Zaad der vrouw was door God vastgezet.

Allen, die uit het Zaad der vrouw zijn voortgekomen en dit Zaad toebcliooren, hebben door den Geest der genade en

7

ocr page 8

PSALM 24.

der wedergeboorte deze vijandschap tegen den duivel en zijn zaad in zich, en hebben dies door alle tijden henen gevoeld — gelijk wij, die tot het Zaad der vrouw behooren, het nu nog gevoelen, — hoedanig de vijandschap des duivels tegen hen is. Zij hadden, als leden van het Vrouwezaad, in Hem de belofte dat zij het aardrijk zouden beërven. Op deze belofte pleitten zij, daarbij volhardden zij, daarop leefden en stierven zij.

Door de eeuwen heen steeg het geroep naar boven: „Och dat Israëls verlossing uit Zion kwame! Als de Heere de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.quot;

Zoo wachtte men voor de verlossing van de aarde met hare volheid, en van de inwoners der wereld, op den Held, in het paradijs beloofd, op het Zaad van Abraham, in hetwelk alle volken der aarde zouden gezegend worden, op den tweeden Adam, op den Messias, waarachtig menseh en waarachtig God, — van Wien de Apostel Paulus schrijft: „De tweede mensch is de Heere uit den hemel.quot; Op Hem wachtte men, want niemand kon de aarde ontheffen van den vloek, niemand kon zich zeiven, niemand zijnen broeder immermeer verlossen.

David, gedreven door Gods Geest, met de boeken van Mozes vóór zich, en door den Heiligen Geest verlicht, werpt eencn blik in de verre toekomst. Hij ziet den tweeden Adam, den Heere uit den hemel, gekomen op de aarde; hij ziet Hem, den erfgenaam des aardrijke, die allen, die op Hem wachten, tot medeërfgenamen maakt, geboren worden. — De toekomst wordt hem bet heden: de Heere uit den hemel is in het vleesch verschenen, de ware Erfgenaam is er. Hij, de Koning des hemels en der aarde, is op de aarde gekomen. Zoo breekt David uit in juichen, en laat de gemeente der heiligen met hem juichen: „De aarde is des Heer en, mitsgaders hare volheid, de wereld en die daarin wonen.quot; Ja, de aarde is Desgenen, die is, die was en die komen zal, des Gezalfden, tot quot;Wien God gezegd heeft: „Eisch van Mij ,quot; en die zelf heeft gezegd: „Mij is gegeven alle macht in hemel eu op aarde.quot; De

8

ocr page 9

PSALM 24.

aarde is niet meer des duivels, liij heeft zijne prooi moeten loslaten; die daarop wonen, zijn niet meer onder zijne rechtmatige heerschappij. Van nu aan moet hij de landen en de volken los-en vrijlaten; het is gedaan met zijn rijk. De aarde is ook niet meer dergenen, die zich bij uitsluiting voor de erfgenamen houden, al de anderen verachten, en de erfgenamen doodon. Do aarde met hare volheid, de wereld en die daarin wonen, is dos menschen Christus Jesus, des Heeren uit den hemel; — Hij maakt van nu aan alle zachtmoedigen der aarde tot Zijne rijksgonooten, en stelt hen in bezit van het erfdeel, dat Hij voor hen gewonnen en geërfd heeft. Ziedaar de beteekenis van het eerste vers.

Nu volgt het tweede vers: „Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.quot; Het hart van e,éngt; tegelijk, die naar den Heere en Zijne sterkte vraagt, wordt vervroolijkt, wanneer hij er bij bepaald wordt, dat de Heere het uitspansel der aarde uit water gemaakt heeft, — want dan kan Hij haar ook op de zeeën en de rivieren gronden en vestigen. Gewoonlijk legt men dit vers uit als betrekking hebbende op de schepping of grondvesting der aarde, ten dage, toen de hemel en de aarde nog niet waren en door des Hoeren Woord het aanzijn ontvingen, — en maakt daaruit deze vreemde gevolgtrekking: de aarde is des Heeren, dat wil zeggen Zijn eigendom, en dat bewijzen wij daarmede, dat Hij ze op de zeeën gegrond heeft. Zulks zou wel een bewijs voor Zijne almacht zijn, maar niet daarvoor, dat Hij de aarde bezit als Zijn eigendom. Doch, waartoe langer met de blinden naar den wand getast? Het woordje „wantquot; drukt iets anders uit: het duidt de zeeën en rivieren aan als een vijandelijk element, hetwelk de aarde en de wereld zou verderven en verslinden, indien niet hot aardrijk des Heeren was, indien Hij het niet als eigendom verworven had op zulk eene wijze, dat de vijandelijke elementen, die ten verderve bereid waren, Hem ten dienste moeten staan. Zoo heeft Hij do aarde, als hot ware, op den nek Zijner vijanden gegrond en geves-

9

ocr page 10

PSALM 24.

tigd, — gelijk geschreven staat: „Totdat Ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.quot; Ps. 110, vs. 1.

Zoo wordt het ons klaar, hoe de aarde met al hare volheid en de wereld met degenen, die daarin wonen, des Heeren zijn. Wie onzer kon of kan zulke vijandelijke elementen bedwingen ?

ie onzer zou niet aanstonds door de wateren medegesleept en verzwolgen worden ? Laat ons, — opdat wij dit vers en inzonderheid het woordje „wantquot;, goed verstaan mogen, — hooren, wat de Apostel Petrus in zijnen tweeden zendbrief, Hoofdst. 3, vs. 5, 6, schrijft: „Want willens is dit hun (den spotters) onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen (hij bedoelt hier het uitspansel) van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande.quot; Alzoo liet het Woord Gods, dat is, de eerstgeboren Zoon Gods, de aarde uit het water en in het water bestaan. Verder lezen wij: „Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.quot; De aarde was ten tijde van Noach verdorven voor Gods aangezicht en vervuld met wrevel. Was het niet ten gevolge van de verleidingen des duivels en van de booze werken en den wrevel der menschen, dat het Woord Zich terugtrok, de wereld losliet, en haar door den zondvloed liet vergaan? Daar lag de aarde, overstroomd door de wateren; alleen Noach was met zijn achten in de ark; en wederom was er duisternis en dood op den afgrond. De nacht van Gods toorn had zich gelegerd op de wereld, waarin enkel dooden woonden, en de geest uit den afgrond zweefde over do wateren en hield het aardrijk in zijne macht. Maar ziet, daar dreef de ark, door Noach gebouwd, met het overschot der menschen en dieren, goed opgevuld met spijze, hebbende tot grond de zee, tot dragers de wateren; en de vijandige elementen moesten dienen tot hare behoudenis, totdat zij haar droegen op den berg Ararat.

David slaat eenen blik in het verledene, op deze geschiedenis, en vraagt: „Zal do zondvloed nog eens komen, zal de Satan, God tot toorn verwekkende, nog eens zulk eenen vloed

10

ocr page 11

PSALM 24.

doon ontstaan?quot; Daarop leest hij, de Profeet: „En de Heere rook dien liefelijken reuk (des oifers) en de Heere zeide in Zijn hart (het was hij Hem een „voorwaar, voorwaarquot; uit het hart): Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des Menschen wil, want het gediehtsel van des men-schen hart is boos van zijne jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.quot; — En wij zien de vorige heerschappij aan Noach, en in hem aan den God Sems, dat is aan Christus, wedergegeven. De aarde is gezegend, de vloek is opgeheven, — do volheid haar verzekerd. Noach vestigt zijnen koninklijken priesterlijken troon op de nieuwe aarde, hij is haar erfgenaam en bezitter, en de scepter rust in zijne hand, om te heerschen over de volheid des aardrijks. Maar Noach sterft, Sem sterft, waar blijft de troon, waar de scepter ?

Bestaat de gezegende aarde niet nog voortdurend uit het water en in het water door Gods Woord?

ilaar is zij niet wederom en wederom verdorven voor Gods oogen en vol van wrevel? Is niet alle vleesch als gras voor den Heere, en al zijne goedertierenheid als eene bloem des velds? Het gras verdort, de bloem valt af? Hoe bestaat nu het woord Gods in eeuwigheid, — namelijk dit woord: „Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloekenquot;? „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!quot; Om des offers wil blijft het Woord, en in het Woord do aarde met alles wat daarin is, de wereld met allen, die daarin wonen. Het Woord bestaat, en de aarde bestaat, en wordt voortaan niet moer vervloekt, noch geslagen. Wel is het gediehtsel van des menschen hart boos van zijne jeugd aan, maar de zeeën en de rivieren zullen ons niet meer verzwelgen, om des Menschen Christus Jesus wil. „Hier,quot; zegt de Heere tot de zee, „hier moet het geweld uwer baren zich nederleggen.quot; Voorwaar, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze

11

ocr page 12

PSALM 24.

smarten, die heeft Hij gedragen; en gelijk Hij aan de ark van Noach de zeeën tot een grond gaf, om op de wateren te drijven, zoo geeft Hij ook de zeeën en de rivieren tot grond en vastigheid aan Zijne gezegende aarde en aan allen, die daarop wonen. Zij bestaat uit liet water en in het water, nochtans vergaat zij niet. Wie houdt haar in stand op en in het water ? dat doet Hij, de tweede Adam, de Heere uit den hemel. Verheug u, gij aarde! Hij heeft u gegrond, en de zeeën en rivieren zijn Zijne dienaren, opdat gij leven en overvloed hebt.

En dit ware en werkelijke wordt bij de Profeten tot een beeld, dat tot troost dient van al de aangevochtenen, die zich zeiven als eene vervloekte aarde, als aardsch, ja als stof voor God aanklagen en veroordeelen, en zich door duivel, zonden en nood overweldigd gevoelen. Op het noodgeschrei der aangevochtenen : „De rivieren verheffen, o Heere! de rivieren verheffen haar bruisen, de rivieren verheffen hare aanstooting,quot; — komt door Gods Geest als het antwoord de blijde verzekering: „De Heere in de hoogte is geweldiger, dan het bruisen van groote wateren, dan de geweldige baren der zeequot; (Ps. 93); en zoo lezen wij Ps. 32, vs. 6: „Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vin-denstijd; ja, in eenen overloop van groote wateren, zullen zij hem niet aanrakenen Jes. 54, vs. 9: „Want dat zal Mij zijn als do wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren • van Koach niet meer over de aarde zouden gaan; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op a toornen, noch u schelden zal.quot;

De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid, want Hij heeft ze gegrond op de zeeën en gevestigd op de rivieren; dat heeft Hij gedaan, alles ons ten goede gedaan, — Hij, die in de dagen Zijns vleesches geroepen heeft: „Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan do ziel!quot; en verhoord is uit de vreeze, omdat Hij God in eere hield. Zijns is de aarde, en Zijne aarde wankelt niet, hoe de zeeën en rivieren ook bruisen en beroerd zijn; en gelijk zij Zijns is,

12

ocr page 13

PSALM 24.

totdat Hij haar voor de uitvoering van Zijnen raad niet meer behoeft, zoo is ook het aardrijk met al zijne volheid het eigendom van al Zijne heiligen met en in Hem; zoo staat het ook onwankelbaar vast, dat de zachtmoedigen het aardrijk zullen beërven. — De duivel behoeft ons niets te beloven, wij bidden hem niet aan; hij heeft niets, alles is hem ontnomen; alles is onzes Heeren Jesu Christi, en alles is het onze in Hem.

Alzoo blijft de aarde bestaan met hare volheid, de wereld met die daarin wonen, gelijk ook de aarde uit en in het water bestaat. Zoo wij vragen, hoe het mogelijk is, dat zij niet nogmaals, daar zij zoo vol is van boosheid en wrevel, door het water verzwolgen wordt, dan is het antwoord : Zij is met alles wat daarin is, met al hare bewoners, des Heeren Christi; daarom vergaat zij niet.

Dat is de meening van het tweede vers; gaan wij nu tot de volgende vier verzen over: „Wie zal klimmen op den berg des Heeren? en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? Die rein van handen en zuiver van hart is; die zijne ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert. Die zal don zegen ontvangen van den Hoe re, en gerechtiglieid van den God zijns heils. Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.quot;

Wordt dan de aarde niet bewaard tot het oordeel? Voorzeker, maar zoo lang de huishouding der genade van onzen Heere Jesus Christus duurt, en totdat Hij den laatsten vijand, den dood, te niet gemaakt heeft, is het aardrijk Zijns en aller Zijner medeërfgenamen, opdat zij met Hem, den Koning, daarop als koningen heerschen, opdat Hij daarop met Zijne genade en Zijnen Geest als Priester heerschappij voere, en de Zijnen, als priesters met Hem, Zijnen Naam een reukoffer toebrengen. Totdat Hij wederkomt om te oordeelen de levenden en de dooden, klimt uit de Gemeente het loflied tot Hem

13

ocr page 14

PSALM 24.

op: „Hij heeft de aarde gegrond op hare grondvesten, zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelenquot; (Ps. 104, vs. 5). „Uwe getrouwheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staanquot; (Ps. 119, vs. 90). „Hij heeft ze bevestigd. Hij heeft ze niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zouquot; (Jes. 45, vs. 18). „In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne, Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt, en Zijne handen hebben het drooge geformeerdquot; (Ps. 95, vs. 4, 5). Gelijk eertijds de ark van Noach rustte op den berg Ararat, tot een onderpand van de vernieuwing der aarde, en tot bewaring van hare bewoners, zoo is er thans nog een berg, de berg Moria, de berg des Heeren. Op dezen berg rust nog voortdurend eene ark; in deze ark is de ark des verbonds, het verzoendeksel, bevestigd in het bloed des verbonds; daar woont de Heere, en rondom dezen troon der genade hebben zich al Zijne heiligen gelegerd. Waarom ging toenmaals hot water over de hoogste bergen der aarde, — was het niet, opdat allen zouden vergaan, die niet hunne toevlucht tot de ark genomen, zich niet daarin geborgen hadden? Over den berg Moria gaat het water van den zondvloed niet heen. Daar staat de ark des verbonds, daar is de plaats der heiligheid des Heeren, en van dezen berg af wordt de geheele aarde overzien; dagelijks wordt dit waargenomen, en deze lof den Heere toegebracht: „O Heere, Uwe goedertierenheid is tot in de hemelen; Uwe waarheid tot de bovenste wolken toe. Uwe gerechtigheid is als de bergen Gods, Uwe oordeelen zijn een groote afgrond; Heere! Gij behoudt menschen en beestenquot; (Ps. 36).

Heeft David hier den zichtbaren berg Zion bedoeld, op welken hij van uit zijn paleis zien kon, of het zichtbare huis des Heeren, waarin de houten ark des verbonds was, zijnde als het ware een tastbaar onderpand der tegenwoordigheid Gods? Ik antwoord hierop; Ja, voor zooveel deze zaken

14

ocr page 15

PSALM 24.

schaduwen van toekomende dingen waren, en neen, voor zooveel hij wist, dat deze zichtbare dingen zouden ophouden. Zelfs profeteert hij hier, dat zij zullen ophouden, want in onzen Psalm spreekt hij volstrekt niet over den Mozaïschen dienst en de offeranden; ja, hij verwerpt de offeranden, voor zooveel er niet iets anders aanwezig is; hij veroordeelt alle onbekeerde offeraars; zegt het vrij uit, dat hunne offeranden hun niets baten, en dringt aan op eene aanbidding in geest en in waarheid, op eene waarachtige, geestelijke en redelijke godsdienst. Daarbij geeft hij tot troost voor zijn eigen hart en tot troost van het ware volk Gods de zekere kenteekenen op van degenen, die God niet dienen, en van degenen , die Hem dienen. Voorzeker werd David het meest bestreden door hen, die enkel de uiterlijke gedaante van godzaligheid hadden, van „het klimmen op den berg des Heerenquot; en van „het staan in de plaats Zijner heiligheid.quot;

De vraag: „Wie zal klimmen op den berg des Heeren, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?quot; is gelijk aan de vraag van den Catechismus: „quot;Worden dan alle menschen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden ?'' waarop het antwoord luidt: „Noen, maar alleen degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd, en al Zijne weldaden aannemen.quot; David verstaat onder den berg des Heeren en de plaats Zijner heiligheid hetzelfde wat de Profeten Jesaja, Hoofdst. 2 en Micha, Hoofdst. 4 daaronder verstaan. „En het zal geschieden in het laatste der dagenquot;, schrijven zij, „dat do berg van hot huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. En vele Heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des Heeren, en ten huize van den God Jakobs.quot; Nu de aarde des Heeren Christus is, nu de bewoners van do wereld allen Zijne zijn, worden zij dan nu allen, of zijn zij allen verlost van den toekomenden toorn Gods , van

15

ocr page 16

PSALM 24.

eiken zondvloed Zijner rechtvaardige oordeelen; zij allen; die zich uiterlijk op Gods raad en verbond verlaten, uiterlijk tot'de ark Zijner woning de toevlucht nemen, die uiterlijk Joden zijn, uiterlijk Christenen worden? En hierop is het antwoord: neen.

Laat ons hierbij opmerken, eerst wat de Heere door den mond van Jesaja betuigt, ïïoofdst. 1: „Waartoe zalMijzjjnde veelheid uwer slachtoffers? — Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uwe hand geëischt, dat gij Mijne voorhoven betreden zoudt? — ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet, want uwe handen zijn vol bloed;quot; verder, wat de ïïeere door Je-remia spreekt, Hoofdst. 4, vs. 4: „Besnijdt u den Heere, en doet weg de voorhuiden uwer harten.quot; De profeet Micha zegt, Hoofdst. 2, vs. 11: „Zoo er iemand is, die met wind omgaat en valschelijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteeren voor wijn en voor sterken drank, — dat is een profeet dezes volks,quot; en Amos, Hoofdst. 4, vs. 5: „Rookt van het gedeesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het hooren, want alzoo hebt gij het gaarne, gij kinderen Israëls! spreekt de Heere Heere.quot; — „Hoor ditquot;, zoo luidt het bij Jesaja, Hoofdst. 48, vs. 1, „hoor dit, gjj huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israël — die zweert bij den Naam des Heeren, en vermeldt den God Israëls, maar niet in waarheid noch in gerechtigheid.quot; Vergelijken wij verder daarmede Jes. Hoofdst. 66, 3: „Wie eenen os .slacht, slaat eenen man; wie een lam offert, breekt eenen hond den hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die eenen afgod zegent. Deze verkiezen ook hunne wegen, en hunne ziel heeft lust aan hunne verfoeiselen.quot; En Hoofdst. 59, vs. 2—8: „Maar uwe ongerechtigheden maken eene scheiding tusschen ulieden en tusschen uwen God, en uwe zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort. Want uwe handen zijn met bloed bevlekt, en uwe vingeren met ongerechtigheid; uwe lippen

16

ocr page 17

PSALM 24.

spreken valschbcid, uwe tong dicht onrecht. Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand , die voor de waarheid in het gericht zich begeeft: zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen, mot moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerecbtigheid. Zij broeden basiliskus-eieron uit, en zij weven spinnewebben; die van hunne eieren eet, moet sterven; en als het in stukken gedrukt wordt, er berst eene adder uit. Hunne webben deugen niet tot kleederen, en zij zullen zicli zeiven niet kunnen dekken met hunne werken: hunne werken zijn werken der ongerechtigheid, en een maaksel dos wrevels is in hunne handen. Hunne voeten loopen tot het kwade, en zij haasten, om onschuldig bloed te vergieten ; hunne gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hunne banen. Den weg des vredes kennen zij niet', en er is geen recht in hunne gangen; hunne paden maken zij verkeerd voor zich zeiven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.quot;

Wat is nu „klimmen op den berg des Heer enquot; ? Dat is: waarljjk in Gods genadeverbond en in Zijne Gemeente opgenomen zijn, en alzoo verlost zijn van de verdoemenis, van den toekomenden toorn, met andere woorden: Christus door een waarachtig geloof ingeplant zijn. En „staan in de plaats Zijner heiligheidquot; is: Den Heere te aanbidden in geest en in waarheid, het is dat, waarvan Paulus aan de Pilippensen schrijft, Hoofdst. 3, vs. 3: „Wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jesus roemen, en niet in het vleesch betrouwen;quot; met andere woorden: „staan in de plaats van des Heeren heiligheidquot; is al de weldaden van Christus aannemen, in Hom blijven, opdat men naar Zijne belofte veel vrucht drage.

Alzoo wordt in dezen Psalm het vleeschelijk Israël bestraft, dat op zijne afkomst uit Abraham en op zijne offeranden steunde, en de gerechtigheid uit geloove, bijgevolg Christus, verwierp; — het wordt hun verkondigd, dat allen , die hunne gerechtigheid als uit werken zoeken, geen recht hebben, om

2

17

ocr page 18

PSALM 24.

op den berg des Heeren te klimmen, dat zij daar ook niet blijvend zullen verkeeren, maar van boven nedergeworpen en medegesleept worden, als de vloed komt, hoe zij ook roepen: Des Heeren tempel zijn dezen! Zij worden gekend aan hunne vruchten, — daaraan toch wordt de boom gekend — namelijk dat zij de ware heiligen vervolgen, weduwen en weezen verdrukken, dat zij den Heere dienen met de lippen, maar hun hart verre van Hem is; dat daarin allerlei booze streken zijn, dat zij anders zeggen en bevestigen dan zij doen, alsof het eene kleinigheid ware, Gods bevel in den wind te slaan, en Hem de geloften niet te betalen.

Velen willen de woorden: „Die rein van handen en zuiver van hart is,quot; van Christus uitleggen. Zij lezen den Psalm met hunne bevlekte conscientie en zeggen dan: „Dat zijn wij nietquot; — waarmede zij voorzeker de waarheid zouden zeggen, indien zij het oprecht meenden, en toch willen zij als rein van handen en zuiver van hart aangezien worden. Wij moeten hier niet zeggen: „Zoo is niemandquot;, want er staat hier in vs. 6 geschreven: „Dat is het geslacht der genen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken.quot; Zoo iemand van zich zeiven zegt: „Ik ben zoo niet, ik heb geene reine handen, geen zuiver hart,quot; zoo be-kenne hij, dat hij niet tot Jakob behoort, niet naar den Heere vraagt — of hij bekeere zich, wassche zijne handen, reinige en besnijde zijn hart.

Het is bewezen, dat beide, Joden en Grieken, onder de zonde zijn, gelijk geschreven staat: „Er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe,quot; — „wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde, en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij.quot; Eom. 3, vs. 12, 19.

Allen, die op den berg des Heeren klimmen, in waarheid daarop klimmen, hebben van den Heere zeiven het recht daartoe ontvangen, ook het recht om daar in eeuwigheid te wonen, voor Hem te staan en Hem te dienen, — en wel daardoor,

18

ocr page 19

PSALM 24.

dat zij God geloofd hebben, dat is, dat zij om niet gerechtvaardigd worden uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jesus is. De Ileere nu, die hen gerechtvaardigd heeft, die hen in Zich opgenomen heeft, zoodat zij Hem ingeplant zijn, laat hen ook in Hem de vrucht van die rechtvaar-digmaking dragen, dat zij namelijk door Hem gereinigd worden, gelijk Hij rein is, opdat zij van hun geloof uit de vruchten verzekerd mogen zijn. Diegenen dus, welke in genade door God aangenomen worden en in des Heeren zaligen dienst zijn overgegaan, hebben zich bekeerd en bekeeren zich; zij staan af van alle ongerechtigheid. „Die in gerechtigheden wandelt, on die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijne handen uitschudt, dat zij geene geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geene bloedschulden hoore, en zijne oogen toesluit, dat hij het kwade niet aanzie, die zal in de hoogten wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijne wateren zijn gewis,quot; zoo getuigt Jesaja (Hoofdst. 33, vs. 15. 16), en Ezechiël (Hoofdst. 18, vs. 8, 9): „Die niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijne handen van onrecht afkeert — die rechtvaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heere Heere.quot;

Had dan David reine handen, was hij zuiver van hart in de geschiedenis met Bathseba en Uria ? Neen, voorzeker niet, maar de 51ste Psalm volgde daarop: „Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij God mijns heils! — Schep mij een rein hart, o God!quot;

„Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!quot; dat is de prediking van den Apostel Jakobus, Hoofdst. 4, vs. 8.

Wat David hier in korte woorden zegt, wordt in de brieven van Johannes herhaaldelijk verkondigd: Wie uit God geboren is, blijft in de leere Christi; hij heeft God en de broeders lief; hij is niet gelijk Kaïn, die zijnen broeder doodsloeg, en alzoo zijne handen met broederbloed bevlekte, omdat hij wilde, dat zijne booze werken als goed zouden erkend worden, en

19

ocr page 20

PSALM 24.

zijne godsdienst zonder geloof gelden zou. AVie uit God geboren is, laat zich door den rechtvaardige slaan (Ps. 141, vs. 5); hij logt af allo kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappiugen; hij is begeerig naar de redelijke onvervalschte melk en neemt met zachtmoedigheid aan het woord, dat in hem geplant wordt.

„Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen God zien,quot; spreekt de Heere. Zij zullen dus klimmen op Zijnen borg en staan in de plaats Zijner heiligheid. Dezen hebben hunne harten gereinigd door het geloof; dezen zijn zuiver van hart, want zij hebben hunne zonden voor God bekend en bedekken dezelve niet (Ps. 32). Zij zijn niet dubbelhartig, noch dubbel van tong. Het is hun oprecht en geheellijk daarom te doen, dat hun werk voor God in waarheid zij. „Wien heb ik nevens U — niets lust mij nevens U —als ik U maar heb,quot; dat is hunne leus. Zij doen niet gelijk Ezau, die met den mond om den zegen schreeuwde, terwijl hij een linzenkooksel had verkozen boven den zegen der eerstgeboorte.

In het hart van eenen iegelijk, die geen behagen heeft in valsche leer, en „die zijne ziel niet opheft tot ij delheid,quot; tot datgene, wat onzin en nietigheid is, leven de woorden van den 25s,equot; Psalm: „Tot U, o Heere! hef ik mijne ziel op,quot; en van Psalm 42: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziel tot TJ, o God!quot; Hij doet den Heere Jesus Christus aan, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden. Hij geneest zich met Gods Woord, en gebruikt gewillig deze bittere medicijn, opdat Gods goede, welbehagelijke en volmaakte wil aan hem volbracht worde.

Hij, „die niet bedriegelijk z w e e r tquot;, zweert niet iets, wat hij niet voornemens is te houden. Hij is getrouw. Wat hij zegt is hem ernst; geene bijoogmerken heeft hij; hij zal niet beweren, dat zijn weg goed is, als die slecht is. Gods Naam aanroepen en dien Naam gebruiken, en te gelijker tijd kromme wegen gaan, en God en den naaste bedriegen, is

20

ocr page 21

PSALil 24.

hem een gruwel. Wat hij met eede bevestigt, is welgegrond, en wat uit zjjuen mond gegaan is, daarnaar doet hij; dat vervult hij uit liefde Gods en des naasten, uit liefde tot de waarheid. Hij zegt niet: „Er is een leeuw op den weg, daarom kan ik het niet houden, maar toch meen ik het goedquot; — veeleer valt hij den leeuw aan, en betaalt Gode zijne geloften, zonder zijn vleesch te ontzien. Het is bij hem alles waarheid in Jesus, zoodat vervuld wordt wat Jesaja zegt: „Wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid, en wie zweren zal op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid,quot; Hoofdst. 65, vs. 16. Hij ziet niet op zijne eigene schade, waar het om Gods eere te doen is, maar op Gods eere en op het heil des naasten; ten minste daarop, dat zijn naaste inwendig overtuigd worde, dat Gods kinderen niet het zichtbare, maar het onzichtbare aanmerken (2 Cor. 5, vs. 10). Die ons nu daartoe bereidt, is God, gelijk geschreven staat: „Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelenquot; (Ef. 2, vs. 10).

„Dat is het geslacht,quot; het ware huisgezin, de ware familie Gods, van welke Hij de Vader is, — het geslacht „dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob.quot; De overigen zijn niet Jakob, niet Israël, ofschoon zij Israël heeten; de overigen vragen niet naar God, en zoeken Zijn aangezicht niet, gelijk van hen gezegd wordt Ps. 36, vs. 2, 4: „De overtreding-der goddeloozen spreekt in het binnenste van mijn hartquot; — ofschoon zij de gedaante hebben van godvruchtig te zijn — : „er is geene vreeze Gods voor zijne oogen; — de woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog, hij laat na te verstaan tot weldoen.quot; Daarentegen worden zij, die naar den Heere vragen, die Zijn aangezicht zoeken, steeds gesterkt en tot vroolijkheid opgewekt, als zij in hunne harten de woorden uit Psalm 105 vernemen; „Vraagt naar den Ileere en Zijne sterkte, zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.quot;

21

ocr page 22

PSALM 24.

„Dat is Jakob,quot; zegt de Psalm; dat beduidt: Dezen zijn de ware Jakobs, die met God en menschen worstelen om den zegen, dat is, om bet heil des Heeren, terwijl zij zich zeiven verloochenen en alle dingen overgeven om des Heeren wil, om de eere Zijns Naams en om het heil dos naasten.

Deze zelfverloochening — van welke de Heere gezegd heeft: „Zoo wie achter Mij wil komen, die verloochene zich zelven, en neme zijn kruis op en volge Mijquot;, — heeft haar loon; dit betuigt onze Psalm: „Die zal den zegen ontvangen van den Heere, en gerechtigheid van den God zijns heils.quot; — Den zegen zullen zij ontvangen tegen den vloek, den zegen, die daarin bestaat, dat zij, daar zij des Heeren geboden bewaren, van den Vader bidden wat zij willen, en het wordt hun gegeven; de gerechtigheid ontvangen zjj, dat is niet alleen dat God hun recht zal laten wedervaren tegen alle onrechtvaardigheid der menschen, inzonderheid der huichelaren, maar ook dat de God hunner zaligheid hun die gerechtigheid zal toerekenen en schenken, waarmede Hij de godde-loozen rechtvaardigt, omdat zij in God gelooven.

Het woord „Selaquot;, dat aan het einde van vs. 0 staat, wil zeggen : Houdt hier eens rust, en laat ons in stilte nadenken, dat dit alles gewisselijk waar is. Wie de gehoorzaamheid des geloofs heeft, die heeft van Christus wege het recht op het eeuwige leven; hij mag op den berg des Heeren klimmen en staan in de plaats Zijner heiligheid, en hij alleen zal daar eeue eeuwige verlossing vinden tegen eiken zondvloed van Gods toorn.

De bedoeling van vers 3—6 is dus geheel in overeenstemming met de uitspraken der Apostelen; van Paulus Rom. 2, vs. 28, 29 : „Want die is niet een Jood, die het in liet openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in bet openbaar in het vleesch is; maar die is een Jood, die liet in het verborgen is, en do besnijdenis des harten, in don geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de men-

22

ocr page 23

PSALM 24.

schen, maar uit Godquot;; en van Petrus Handel. 10, vs. 34: „Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is ; maar in allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam.quot; En Joh. 4, vs. 21, 23 lezen wij : „De ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jerusalem, den Vader zult aanbidden. —- De ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den A ader aanbidden zullen in geest en waarheid: want do Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzoo aanbidden.quot; En 1 Joh. 3, vs. 7, 8 : „Kinderkens! dat u niemand verleide; die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is. Die de zonde doet, is uit den duivelquot;.

De vier laatste verzen van onzen Psalm hebben vele uitleggers zóó verklaard, alsof er, gelijk Luther ook vertaald heeft, stond: „poorten en deuren in de wereldquot;, en dan zouden onder die poorten en deuren de machtigen onder de volken en de volken zeiven te verstaan zijn; waar echter Lnther „deuren in de wereldquot; vertaald heeft, staat in het Hebreeuwsch: „deuren der eeuwigheid.quot; In het He-breeuwsch luidt de tekst aldus : „Heft, gij poorten, uwe hoofden op, ja heft u zeiven op, gij deuren der eeuwigheidquot;! Hiermede overeenkomstig staat er in den llS11™ Psalm: „Doet mij de poorten der gerechtigheid open.'' De poorten, die hare hoofden moeten opheffen, hebben tot op het tijdstip, dat zjj aangesproken worden, hare hoofden als het ware omlaag gehouden. Deuren der eeuwigheid, eeuwige deuren, zijn deuren, die vóór de grondlegging der wereld gevestigd zijn en eenen ruimen doorgang gehad hebben. Als nu deze poorten hare hoofden hebben laten nederzinken, dan heeft de wet van Mo zes dit veroorzaakt; ais de eeuwige deuren zoo verlaagd zijn, dan is het door diezelfde wet, dat zij zoo ter neder geslagen, en hare hoofden zoo ter aarde gedrukt zijn, dat er nauwelijks meer een doorgang is te bespeuren. AVat zijn nu de poorten en deuren der eeuwigheid, zoo niet die in de beloftenissen geopende toegangen tot de genade, van de grondlegging der

23

ocr page 24

PSALM 24.

wereld af reeds bereid, in het paradijs en later den aartsvaders geopend, — zoo niet, die ruime vrije toegangen tot de genade, nadat men door het geloof gerechtvaardigd is? Deze toegangen, deze poorten toch hadden in de harten der armen en ellendigen hare hoofden laten neerzinken, en waren geheel vernauwd door de wet, die evenwel enkel daarom daartusschen gekomen was, om de zonde recht openbaar te doen worden. Een Apostel zegt: „Wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?quot; (Handel. 15, vs. 10). De be-teekenis der woorden van onzen Psalm is dus: Verheerlijkt u in de harten der inwoners der aarde, gij oude ruime beloftenissen! die aan de menschen den toegang geeft in het geloof, tot den troon der genade, tot het harte Gods, — hoewel hun alle werken der wet, van het „doe datquot;, ontbreken. De wet vernietigt u niet. Rijst op en opent u zoo wijd als mogelijk is, opdat de Koning door u heen in de harten dei-volken Zijnen intocht houde; Hij, quot;Wien alleen de eere toekomt, Wiens alleen de heerlijkheid is, die wij menschen allen bij God moesten hebben, maar nu derven (Eom. 3, vs. 21). Deze Koning heeft alleen den roem, de heerlijkheid, dat Hij de voui' God eeuwig geldende genoegdoening en gerechtigheid heeft aangebracht, en den vrede met God voor ons weder hersteld heeft; alzoo is Hij de Koning der eere. De belofte wordt door do wet, die later daarbij is gekomen, niet te niete gemaakt; zij mag en zal niet te niete gemaakt worden, maar vrij te voorschijn treden, als poort en deur der eeuwigheid hoog en wijd open staan, en ten hoogste verheven worden.

Komt nu tegen die beloften, die van de grondlegging-der wereld af bestaan, deze vraag op: „Wie is de Koning der eere?quot; AVie is Hij, want Hij draagt niet het versiersel der wet, maar „verdorven was Zijn gelaat,quot; — zoo is het antwoord, volgens Jes. 52 : „Alzoo zal Hij vele Heidenen besprengen, ja de koningen zullen hunnen

24

ocr page 25

PSALM 24.

mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.quot; Ja, dit is het antwoord: „De Heere, sterk en geweldig, deHeere, geweldig in den strijd,quot; die den sterke bindt en hem zijnen roof ontneemt; die gekomen is, om de werken des duivels te verbreken, om de macht te ontnemen dien, die het geweld des doods had, en om te verlossen degenen, die met vreeze dos doods der dienstbaarheid onderworpen waren. Hij is de Heere, geweldig in den strijd, die de pers alleen getreden en alles overwonnen heeft.

Nu wordt het nogmaals herhaald, het beroep op al de beloftenissen van oudsher, welke voor de armen en ellendigen, die verbrijzeld zijn van geest en voor Gods Woord beven, den ruimen toegang tot het hart en de genade Gods, door bet geloof, in het bloed van het eenige voor God geldige offer wijd en hoog open zetten, hoe de wet dezen toegang ook poogt neêr te drukken en te sluiten. Immers, Gods beloftenissen worden niet herroepen, veeleer moeten zij tegen alle vervloeking der wet en tegen al het tegenstrijdige, dat wij hier ondervinden des te luider en duidelijker worden verkondigd; voor Christus moet de weg des te ruimer gemaakt worden, hoe meer de hel er tegen woedt, en de wereld er tegen opstaat met de wet der werken. Daarom luidt het ten tweeden male, vs. 9: „Heft uwe hoofden op, gij poorten! ja heft op gij eeuwige deuren! opdat de Koning der eere inga!quot; Nog eens komt nu, bij het zien van de nietige gedaante van dezen Koning der cere, die Zich zeiven vernietigd en vernederd heeft door het aannemen van de gestaltenis eens dienstknechts, de vraag: „Wie is Hij, deze Koning der eere?quot; En hierop wordt, tegen al de verachting in, waarmede vleesch, en allen die naar vleesch wandelen. Hem verachten , nog korter en krachtiger dan de eerste maal geantwoord; „DeHeere der heirscharen. Die is de Koning der eere.quot; Zoo wordt Hij, die als God geopenbaard werd

25

ocr page 26

PSALM 24.

in het vleescli, ook gerechtvaardigd in den Geest; openlijk blijkt het, dat Hij het is, Wien alle macht gegeven is in den hemel en op de aarde; dat Hij het is, Wien alle engelen moeten aanbidden, voor Wien zich alle godea moeten buigen, en dat geene macht Hem verhinderen kan, dat Hij de Zijnen niet volkomenlijk zoude verlost en tot eere gebracht hebben.

Ja, onze Heere Jesus is „de Koning der eere.quot; Wij zijn beschaamd vanwege onze zonden en liggen voor Hem tor neder in onze schande. Hij nochtans richt ons op; Hij is den armen genadig en trekt ons naar boven tot Zijnen heiligen berg. Hij geeft al den Zijnen door Zijn Woord en Zijnen Gees*-met vrijmoedigheid toe te gaan tot den troon der genade, te staan, te wandelen en met vrijwilligheid te dienen in de plaats Zijner' heiligheid. Zoo zijn wij, onder de heerschappij van Zijne genade, door Hem, in Hem en tot Hem, als in de ark van Kbach wél geborgen, en op eene hoogte gezet, boven eiken zondvloed verheven. Ja, Hij, die ons genade en eere verwerft en schenkt, — Hij is de Koning der eere!

„Sela.quot; Hier houden wij stil, en denken over hetgeen wij gehoord hebben na, alles bewarende in onze harten. En de lofzang is in stilheid tot U, o God! in Zion; en U zal de gelofte betaald worden; de heiligheid is Uwen huize sierlijk. Lof en eere zij het Lam, dat geslacht is, en dat de zonden der wereld draagt en wegneemt, opdat de aarde, ofschoon zij uit het water en in het water bestaat, toch in stand blijve, totdat Hij den laatste dergenen, die Hij met Zijn bloed gekocht heeft, binnen heeft! Den Overste der koningen der aarde, die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed, en die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijnen Vader, — Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid!

De aarde is onzes Heeren Christus mitsgaders hare volheid, de wereld, en die daarin wonen. De strik is gebroken, en wij zijn ontkomen!

26

ocr page 27

psalm 24.

Onze hulp is in den Naam des Heeren Heeren, die Zijnen Jakob zegent, en niemand kan Hem verhinderen. Amen.

Slotzang: Psalm 118, vs. 13, 14.

Gezegend zij de groots Koning,

Die tot ons komt in 's Heeren Naam !

Wij zeegnen u uit 's Heeren woning

Wij zegenen u al te zaam.

De Heer is God, door Wien we aanscliouwen

Het vroolijk licht, na bang gevaar:

Bindt de offerdieren dan met touwen Tot aan de hoornen van 't altaar.

Gij zijt mijn God, U zal ik loven,

Verhoogen Uwe Majesteit!

Mijn God! niets gaat Uw roem te boven;

U prijs ik tot in eeuwigheid!

Laat ieder 's Heeren goedheid loven,

Want goed is de Oppermajesteit:

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

27

ocr page 28