ocr page 1

D E

E

L

E R R E

OVER

PSALM 32,

DOOR

DR. H. F. KOHLBRÜGGE,

IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFORMEERDE GEMEENTE

TE ELBERFELD.

AMSTERDAM, SCHBFFER amp; Cquot;. 1886.

UIT HET HOOGDUITSCH.

ocr page 2

Gedrukt ter „Utrechtache Drukkerijquot; te Utrecht. — Jeruzalem steeg.

ocr page 3

LEERREDE.

*Voorzang: Ps. 119, vs. 15, 16.

Weer snood bedrog, o God! van mijn gemoed;

Laat Uw gena mij Uwe wetten leeren:

Ik kies den weg der waarheid voor mijn voet,

Om mij van 't pad der zonden af te keeren:

Uw rechten, die zoo heilig zijn en goed,

Stelde ik mij voor, die wil ik needrig eeren.

Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd;

Het zal op Uw getuigenissen hopen :

Beschaam mij niet, wil mij , in U verheugd,

Tot Uwe vrees, o Heer! gestadig nopen.

Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd,

Zal ik het pad van Uw geboden loopen.

Tekst: Psalm 32.

Eene onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij , wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mensch , dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd, in mijn brullen den ganschen dag. Want Uwe hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. Mijne zonde maakte ik U bekend, en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. Hierom

Gehouden den 26. Mei 1850.

ocr page 4

PSALM 32.

zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in eenen overloop van groote wateren, zullen zij hem niet aanraken. Gij zijt mij oenc verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vroolijke gezangen van bevrijding. Sela. Ik zal u onderwijzen, en u leeren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake. De goddelooze heeft vele smarten, maar die op den Heere vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen. Verblijdt u in den Heere, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vroolijk, alle gij oprechten van harte!

Johannes de Dooper roept en getnigt van onzen Heere Jesus Christus: „Zie liet Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!quot; Jesaja, de Profeet, getuigt van Hem: „De Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen;quot; — en God de Heere beveelt van den hemel in Zijne Wet, dat wij op het hoofd van dit Lam onze hand zullen leggen, en geeft daarbij de belofte: „Opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenenquot; (Lev. 1, vs. 4).

Waar wij zulke getuigenissen en zulk een bevel hebben, waarom zijn wij dan menigmaal zoo treurig en moedeloos gestemd? „Dat komt door onze zonden, die maken scheiding tusschen ons en onzen God.quot; Dat is naar waarheid geantwoord! Maar zullen wij op deze zonden blijven zitten? Wanneer maken onze zonden scheiding tusschen ons en onzen God? Wil ik het u zeggen ? — De zonden maken scheiding tusschen ons en onzen God, zoolang als wij onze zonden niet belijden willen en ons daarbij van God en Zijne heiligheid verkeerde voorstellingen maken. Zoolang als wij onze zonden niet belijden willen, gaat het onzen zielen niet wél Als wij echter Gode onze zonden geven, en de vrije rechtvaardiging in het bloed des eenigen offers aannemen, dan gaat hot onzer ziel zeer wél; want dat is des Heeren rijkswet: dat wij Hem het onze geven, en dankbaar aannemen datgene, wat Hij ons geeft als een vrij geschenk. En als wij dat aannemen, wat

4

ocr page 5

rsAi.M 32.

Hij ons geeft als een vrij gesclienk, dan zijn wij ook vroolijk, opgeruimd en goedsmoeds, en hebben een goed vertrouwen tot God. quot;Waar wij echter Zijn vrij geschenk van ons afwijzen, en God niet in het recht willen stollen, die ons gestraft heeft, wijl wij volstrekt goede, brave, eerlijke, rechtschapene, vrome menschen zijn willen, en alles doen, om onze zonden te bedekken, om ze te loochenen of zelf het bedorvene tc herstellen, dan vervalt ons gezicht, en zien wij er uit als Kaïn, hebbende geenen vrede in onze beenderen.

Dit bewijst ons de twee en dertigste Psalm, eene hartversterking voor allen, die doen als de verloren zoon, die, tot zich zeiven gekomen zijnde, zeide: „Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd!quot; — In dezen Psalm verhaalt ons ook een mensch, hoe het hem gegaan is, toen hij zijne zonden ontkennen en verzwijgen wilde. Die het verhaalt is David, de man naar Gods hart. Hij deed ook eens zooals wij allen doen; als wij volstrekt vroom willen wezen, en daarbij te schande geworden zijn, dan willen wij desniettemin onze vroomheid niet laten varen , maar houden dezelve staande. Zoo wilde ook eenmaal David zijne vroomheid niet prijsgeven; wilde zonder waarachtige bekeering, zonder ware verootmoediging voor God, zonder verzoening voor zijne hem ontdekte schuld, zonder vergeving zijner erkende zonde gezocht en gevonden te hebben, toch gaarne in het huis Gods verkeeren als een vroom Israëliet, in wyien geen bedrog was. Toen ging het hem echter zeer slecht, God kwam hem tegen en liet hem geene rust, zooals Hij allen Zijnen uitverkorenen geene rust laat, totdat zij voor God en menschen hunne schuld erkennen, en belijden: ik heb gezondigd! De overigen laat Hft in hunnen eigen wraan en in het zich beroemen op hunne werkheiligheid , totdat zij zich geheel in het verderf gestort hebben.

Hoe slecht het nu David ging, toen hij zijne vroomheid handhaven en zijne zonden niet bekennen wilde, dat deelt hij

5

ocr page 6

PSALM 32.

ons in de volgende woorden mede: „Toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd, in mijn brullen den ganschen dag. Want Uwe hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in z om er dr o o g t en. Sela.quot;

Dit was een benauwde toestand, waarin zich David bevond. Deze toestand is hier naar het leven beschreven, geheel zooals men het ondervindt, zoo lang men zijne zonden niet voor God belijdt. Ach, hoe is men dan met God en met zich zeiven in strijd! Hoe wordt men daar inwendig verteerd, zoodat alle sap en alle frischheid des levens verdwijnt! Hoe gevoelt men in de conscientie onkel toorn en verschrikkingen Gods! Hoe maakt de kwade conscientie iemand zoo zwak en ellendig! Hoe wijkt dan alle licht der oogen! Hoe brult men daar als een leeuw van louter angst der helle! Wat zou men niet willen geven, om van de angst der conscientie bevrijd te zijn! wat niet geven, als men maar zijnen ouden vrede en de vorige rust weder mocht hebben, wel is waar zonder te moeten vallen met al zijne deugd en vroomheid! Is echter God eenen mensch genadig, dan baat hem alles niets, wat hij ook moge aanvangen. Als God eenen mensch niet genadig is, dan dekt de mensch zijne zonden zelf toe, doet, alsof er niets geschied ware, en helpt zich met een geloof, dat hem niet gegeven is; en zoo blijft hij nochtans een vrome, rechtvaardigt zich-zelven, totdat hij bedrogen ontwaakt in de eeuwige duisternis. Of de mensch brengt zijne conscientie allengskens tot twijgen, zegt, dat hij zich steeds ernstiger op de heiligmaking wil toeleggen, en wentelt zich aan het einde toch weder gelijk de gewasschene zeug in het slijk. Is God echter met den mensch, dan maakt God, de Heere, dezen toestand voortdurend erger. Daarom zegt ook David: „Uwe hand was dag en nacht zwaar op mij;quot; want God laat den Zijnen dag noch nacht rust, totdat zij zichzelven aangeklaagd. God in het recht gesteld en de gerechtigheid aangenomen hebben, die voor Hem geldt. Daarom drukt en perst God den mensch

6

ocr page 7

PSALM 32.

met zijne hand, terwijl Hij hem Zijnen toorn, Zijne grimmigheid en verschrikkingen doet gevoelen, opdat de bekentenis uit het hart korae: Gij, o God, hebt recht! ik ben niet vroom, ik deug niet! Gij alleen zijt goed! — en waar deze bekentenis is; „Ik deug niet, ik ben gansch onnut! Gij alleen zijt heilig, vroom, goed, waarachtig en rechtvaardig,quot; —daar heeft God ook weldra van uit den dood tot het leven geleid, zoo dat de ziel blij te moe wordt, want men heeft van boven vrede en rust in het gebeente.

Derhalve zegt ook David: „Mijne zonde maakte ik U bekend, en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet;quot; het is, als of hij zeggen wil: de prikkel was bij mij zoo diep ingedrongen, dat ik het van zielesmart niet langer kon uithouden; ik was door Uwe hand in de diepte mijner ellende en van den kommer mijner ziel ingevoerd, Gij had mij zoo op Uwe genadige pijnbank uitgestrekt, dat ik mijn vroom leven niet langer kon volhouden ; en waar zou ik heen, indien niet tot U? Uwe hand en Uw Geest hielden mij vast, dat ik Uw gezicht niet kon ontloopen. Toen kwam het alles te voorschijn; toen bekende ik mijne diepe, innerlijke vijandschap tegen U, mijn afschuwelijk en vervloekt tegenstreven tegen Uwe genade; ik bekende mijne liefde tot de zonde en al mijne innerlijke goddeloosheid, die mij slechts dreef om mij tegenover U te handhaven, als ware ik vroom. Eu hoe hebt Gij U toen dadelijk als eenen gansch anderen bewezen, dan waarvoor ik U hield!

„Ik zeide: ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Ileere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonden.' Eerst dacht ik, dat om Uwen troon slechts vrome lieden staan mochten, en toen hield ik mij ook voor vroom. Daarna werd ik aan mijne innerlijke goddeloosheid ontdekt; ik wilde dezelve echter niet erkennen, veeleer ontkende ik ze; ik wilde mijne oude verlorene vroomheid weder oprichten, en alsdan weder voor Uwen troon komen. Gij wildet mij echter leeren en onderwijzen, dat Gij slechts éénen

7

ocr page 8

PSALM 32.

Vrome ter Uwer llechterband liebt, namelijk Hem, die liet onschuldige Lam is, en dat alle anderen, die Gij tot U doet naderen, zondaren zijn, die alleenlijk door de genade des Lams, uit louter barmhartigheid, bij ü wonen. En dezulken moeten het weten, dat zij enkel zondaren zijn, opdat zij zalig zijn voor U in de zaligheid des Lams. Dat wilde ik niet verstaan, veeleer verzette ik mij daartegen; Gij echter voerdet mij zoo in de engte, dat ik geenen uitweg meer vond. Toen moest ik wel mijne zonden bekennen, en ik bekende ze ook: mijnen hoogmoed en mijn vertrouwen op de verdienste mijner goede werken; en dat ik niet vroom ben, veeleer zóó verdraaid, dat ik Uwe genade tegenstreefde, — dit alles verbergde ik niet; — en o, hoe openbaardet Gij U toen als eenen God van wondere genade! Het woord was mij nauwelijks van de lippen: „ik wil den Heere mijne rebellie en mijn tegenstreven tegen de genade bekennen,quot; aan U had ik het nog niet eens gezegd, en Gij liept mij reeds te gemoet, en Gij vergaaft mij de verkeerdheid van al mijne dwaalwegen!

Ziet, Mijne Geliefden! welk eene aan heil en troost rijke onderwijzing wij in dezen Psalm hebben; terwijl wij onderricht worden, wat wij te doen hebben, zoo dikwijls wij door den Geest Gods gestraft worden, en Hij ons zegt, dat wij tot niets deugen. Daartegen verzet zich dan wel in ons de hoogmoed en de waan der vroomheid; wij willen ons niet gaarne laten onderwijzen, en zouden gaarne onzen stand en weg yoor God en onze eigene werken handhaven, zouden zoo gaarne hetgeen slecht gedaan is voor goed laten doorgaan, en zoo komen wij niet licht voor God met de erkentenis onzer schuld. Maar als wij kinderen Gods zijn, zoo wordt ons geene rust gelaten, en wij worden doodelijk krank. Wat raad is er dan ? Is het niet deze, dat wij het maken als David, en ook zeggen: „ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heerequot;; belijdenis doen daarvan, dat ik volstrekt vroom en niet een zondaar zijn wil, die aan de vrije genade genoeg heeft. Ziet, waar dit voornemen ten uitvoer gelegd wordt, daar is men

8

ocr page 9

PSALM 32.

onmiddelijk gezond, gezond aan het geheele lichaam en aan alle leden, en men wandelt zijnen weg met blijdschap.

Er is echter bij ons eene traagheid, die David „bedrogquot; of valschheid noemt, gelijk hij betuigt: „Welgelukzalig is de mensch, in wiens geest geen bedrog isquot;; — eene traagheid, om te gaan tot de geopende fontein tegen de zonde en de onreinigheid; eene traagheid, om op het Lam te zien, dat voor onze zonden geslacht is; eene traagheid, om met de belijdenis te komen: Ik heb gezondigd, Gij, mijn God, Gij hebt alleen recht, en in mij is gansch geene gerechtigheid; eene traagheid, om den Heere God onze zonde te brengen, en van Hem genade te nemen om niet; eene traagheid, waarbij wij liever alles doen en dulden, dan erkennen, dat wij zondaren zijn, en voor God in ootmoed belijden, dat onze vroomheid niet dan boosheid is, en wij met al onze werken slechts onnutte dienstknechten zijn. Zoolang echter zulk eene traagheid bij ons heerscht, zijn wij innerlijk zwakke en kranke mcnschen, en wij hebben geenen vrede in onze beenderen, wat wij ons zelven ook mogen diets maken. De trouwe God is echter wel achter de Zijnen heen, zoo dat zij zichzelven verwerpen. God echter hen prijst; dat zij zichzelven verachten. God echter hen eert; dat zij zichzelven verdoemen. God echter hen rechtvaardigt; dat zij voor God inkomen met hunne schuld, en God hen vrijspreekt; dat zij voor God hunne krankheid openleggen, en Hij hengezond maakt; dat zij voor God hunne verkeerdheid, hunnen afval, hunne rebellie en vijandschap tegen Zijne genade, en hun opstaan tegen Zijne barmhartigheid niet verbergen, en God hun alsdan moed inspreekt, ja hunnen mond vervult met roemen over hunnen welstand in God, over de gelukzaligheden, die zij deelachtig geworden zijn in Z-jne genade.

Daarom begint de Psalm ook alzoo: „Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welgelukzalig is de mensch, dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.quot;

9

ocr page 10

PSALM 32.

Dat is nu een roem zonder werken. Wij hooren hier van niets dan van vergeven, bedekken en van niet toerekenen der misdaad. Wat hier „bedrogquot; beduidt, dat hebben wij reeds gezegd; het is de traagheid, om zijne zonden te bekennen. „Overtredingenquot; is het herhaalde donker- of somber-zien, waar men verneemt, dat men niet deugt, en het zich verzetten daartegen, dat men uit louter genade verlost is. „Zondequot; heet hier alle werk, dat wij doen, hetzij vroom of goddeloos, wat niet vrucht des Geestes is; — en „ongerechtigheidquot; is de verdraaidheid, dat, zoo dikwijls God zegt: „Zóó zult gij zijn, en zóó zal dit en dat zynquot;, de mensch antwoordt: Welnu, zoo ben ik ook, en zoo maak ik het ook, en zoo wilde ik het juist doen; zoodat men het steeds Gode wil afwinnen, en Hij niet gerechtvaardigd zij in al Zijne woorden. Zoo vat onze Psalm het geheele bedenken des vleesches, zooals het vijandschap tegen God is, met al de werken des vleesches samen, en verklaart, dat zulks alles de zonde en de schuld des menschen is, terwijl hij dien welgelukzalig prijst, wien dit alles vergeven en bedekt is, wien dit alles niet toegerekend wordt, en die het van zich voor God weten wil, dat in hem niets anders woont dan onbekwaamheid. De mensch, van wien hier sprake is, is een goddelooze, maar zulk een, die zijne innerlijke goddeloosheid bekent, God daarentegen rechtvaardigt hem; — zoo is dan deze mensch wel is waar een goddelooze, nochtans is hij rechtvaardig, heilig, volmaakt, gezond en welaangenaam voor God. Want de Schrift zegt, dat die mensch welgelukzalig is, ja dat diens zaligheid en welgelukzaligheden geen einde hebben.

Indien gjj zulks nu goed verstaat, gij, die het gevoelt, dat er tot dusver vanwege uwe zonden eene scheidsmuur tusschen u en God opgericht staat, dan legt gij uwe kwade gedachten, die gij van God en Zijne genade hebt, af, dan geeft gij Gode uwe kwade gedachten van God en Zijne genade. Als ik zeg: gij geeft Gode uwe zonden, dan bedoel ik: gij houdt het voor gewis dat God uwe zonden op Zijn Lam gelegd, en dat dit Lam

10

ocr page 11

PSALM 32.

dezelve weggedragen heeft; en gij neemt aan, hetgeen God ii genadiglijk geeft, namelijk: de onschuld en gerechtigheid van Zijn Lam, — dat wil zeggen: Zijne genade, zooals zij genade is.

Er zijn wel velen, die zeggen, dat zij van niets, dan van genade willen weten, dat zij niet doorkomen, indien de genade hun niet doorhelpt; maar zij willen met hunne vijandschap tegen do genade, met hunne verkeerdheid en zonde niet voor God komen, zij willen zich niet als goddeloozen laten rechtvaardigen; daarom is in hen het werk der genade niet. Hoedanig zich echter het werk der genade openbaart bij degenen, die met hunne goddeloosheid voor God inkomen, en aan Dien gelooven, die den goddelooze rechtvaardigt, zonder de werken der wet, dit beschrijft David zeer fijn, zeggende: „Hierom zal u ieder heilige aanbidden in vin-denstijd; ja, in eenen overloop van groote wateren zullen zij hem niet aanraken. Gij zijt mij eene Verberging; G ij behoedt m ij v o o r h e n a u w d h e i d; Gij omringt mij met vroolijke gezangen van be-vr ij di n g.quot;

Dit is dus het werk der genade en der vrije rechtvaardig-making, dat God te vinden is en Zich wil laten vinden, als er kruis en droefenis is; want al wie uit werken rechtvaardig, heilig en vroom is, heeft geenen God, als de nood aan den man komt; zij hebben dan ook geene hulp te verwachten, moeten veeleer ellendig omkomen, als Gods lankmoedigheid een einde heeft. Is er echter kruis, aanvechting en droefenis, dan is het juist de tijd, waarin God Zich laat vinden door allen, die gelooven in Dien, die den goddelooze rechtvaardigt om niet. En dit zijn Zijne „heiligenquot; of Zijne edelmoedigen '), die deze edelmoedigheid in zich hebben, dat zij van zichzelven niets weten willen, dan dat zij onnutte dienstknechten zijn, zij prij-

1) Volgens de grondbeteekenis geeft het hebreeuwsche woord, hier met heilige** vertaald, iemaud te kennen, die gaarne en rijkelijk geeft, die vrijgevig, groot en edelmoedig is. — In dezen samenhang zijn zij zoo geheeten, die zichzelven verwerpen, Gode alleen alle eer geven, die dus in dit opzicht vrijgevig of edelmoedig zijn,

11

ocr page 12

PS AM 32.

12

zen echter God, dat Hij zoo rijk is aan ontferming. De zoo-danigen, de een zoowel als de ander, die geene andere belijdenis hebben dan deze: „Mij is barmhartigheid geschied,quot; kennen ook geenen anderen grond, waarop zij zouden geholpen worden, dan deze barmhartigheid, — en op dezen grond hebben zij een goed toevoorzicht tot God en eenen vrijen toegang tot den troon Zijner genade in al hunne nooden. Zoo loopen zij den Heere aan met gebed en smeeking, en ervaren : hoe ook de wateren van aanvechting en droefenis, van ziels- en lichaamsnood, van nood, waarmede de duivel hen plaagt, of doodsnood op hen aanstormen, — do genade voert heerschappij, zij regeert! en daarom heet het: „Tot hiertoe zult gij komen en niet verder! hier zullen zich leggen uwe hoogmoedige baren '). En zoo is dan het inwendig bewustzijn der vrije rechtvaardigmaking, der eeuwige genade en barmhartigheid de oorzaak, dat een iegelijk, dien God gezond maakt van zijne geestelijke krankheid, en dien Hij genezen heeft van zijn vleeschelijk-gezind-zijn, het met geloof en vertrouwen uitspreekt: „Gij zijt mij eene Verbergingquot;, gelijk ook elders betuigd wordt, dat de genade Christi gelijk eene tent over Zijn volk is. — Daar is wel angst, maar die wordt den Heere geklaagd; daar is wel verschrikking, want men vreest te vergaan; daar is een voortdurend gevoel van diepe verlorenheid, maar men stort zijn hart uit voor Dien, die alleen behouden kan, en betuigt in geloove; „Gij behoedt mij voor benauwdheid!quot; en gansch geene verwachting hebbende van zichzelven, roemt hij in den Heere, die alleen hem bevrijdt, en zegt: „Gij omringt mij met vroo. lijke gezangen van bevrijding.quot; Dit is nu een helder inzicht in de Wet Gods, want zij wil, dat wij vroohjk zijn over al do goedertierendheid des Heeren, den beker der verlossingen opnemen en Zijnen Naam alleen roemen voor Zijne ontferming.

1) Job 38, vs. 11. Luthers overzetting.

ocr page 13

PSALM 32.

Op zulk eeu gebed geeft de Heere ook antwoord; — want ik wil u wel zeggen, waarmede de duivel ea de wereld de ziel plaagt eu haar benamvdheid aanjaagt, die van niets anders weten wil, dan van de vrije rechtvaardiging, welke uit genade is en niet uit werken. Duivel en wereld, alsmede het vreesachtige hart maken den mensch beangst vanwege de werken en de heiligmaking, en willen zoo de ziel van de genade en van het geloove wegtooveren, — en de ziel kan toch niet anders dan van genade leven. — Vanwaar dan nu de goede werken? Vanwaar de heiligmaking? Vanwaar het waarachtig wandelen in de geboden Gods ? Daar geeft ons de Heere God zelf eene heerlijke belofte: „I k z a 1 u onderwijzen, en u leeren van don weg, dien gij gaan zult, Ik zal raad geven, M ij n oog zal op u z ij n.quot;

Daar heeft het nu met alle bedenken des vleesches een einde. Opdat echter de hoogmoed van liet vleesch en de aanmatiging van het verstand zich niet andermaal daartegen verheffe, zegt God: „We est niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat liet tot u niet gen a k e.quot; — Het is paarden en muilezels eigen, dat, indien men hun niet toom en gebit in den muil legt en hun de zweep niet laat gevoelen, zij niet te regeeren zijn; zij moeten voelen. Daar om zijn wij wel diep gezonken, als wij gelijk paarden en muilezels zijn, en God ons toom en gebit in den mond moet leggen, opdat wij gaan zooals Hij wil; want daar krijgt men slagen en heeft pijn op den weg, en wij zelf zijn er de schuld van. En dit is ons onverstand, onze dwaasheid, dat wij meenen, uit ons zeiven te weten, wat in de oogen Gods goed en heilig en in overeenstemming met Zijnen wil is. Dit zal echter ons verstand, onze wijsheid zijn, zoo wij met Agur bekennen : „Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik tieb geen menschenverstand; eu ik heb geene wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekendquot;

13

ocr page 14

PSALM 32.

(Spr. 30, vs. 2, 3). Want daar ziet men niet op den weg, maar op zijnen Leidsman; daar is Christus onze weg, en wij volgen het Lam, waar het ook henen gaat. Gods oogen zien naar het geloove, en Hij wil geene paarden of muilezels, maar schapen op Zijne weide hebben. Van Zijne schapen echter getuigt Hij: „Mijne schapen hooren Mijne stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij, en Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. Mijti Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders, Ik en de Vader zijn één.quot; (Joh. 10, vs. 27—30.)

Dit alles. Mijne Geliefden, is nu zeer gemakkelijk met de ooren gehoord en vernomen, maar niet zoo gemakkelijk gedaan en in praktijk gebracht; immers de mensch vindt gaarne het leven in eigene hand, ziet liever, gevoelt liever, rust liever op zijne werken, en wil liever de uitkomst zijner wegen berekenen, opdat hij wete, dat hij geen gevaar loopt, — in plaats van dat hij God gelooven zou, zonder te zien. Daar wordt het echter wel waarheid wat de psalmist zegt: „De goddelooze heeft vele smarten.quot;

Een „goddeloozequot; is zulk een, die de gehoorzaamheid des geloofs niet wil en toch meent, dat hij God eert en dient op de beste wijze. Er is wel geene goddeloosheid grooter, dan deze, dat de mensch vleeschelijk gezind is en mitsdien vijandig tegen God, en zich deswegens der vrije rechtvaardigmaking en eeuwige genade niet onderwerpt, zooals hij is; waarlijk, daar hebben de smarten geen einde; want daar kwelt men zich dag en nacht, om godvruchtig en heilig te zijn en allerlei te ondernemen voor God en voor den naaste, en toch kan men de bestraffing niet ontgaan: gij kent God niet, en Hij weet van alle uwe werken en van uwe vroomheid niets.

Ik heb echter dezen Psalm den armen zondaren tot troost gepredikt, opdat zij leeren bij den aanvang en bij den voortgang huns wegs, zoo dikwijls zij de stem der waarheid ver-

14

ocr page 15

PSALM 32.

nemen: „gij deugt niet, gij zijt een goddeloozequot;, liet hoofd niet to laten hangen als eene bies, maar van harte uit te spreken: Gij hebt recht, o mijn God! — en ook leeren, trots alle geweld des duivels, en alle tyrannie der zonde, voor God in te komen, zooals zij zijn , Hem alles te bekennen en te klagen, en zichzelven te verdoemen, en alzoo zonder werken, verdienste , vroomheid, deugd of heiligheid, in Dien te gelooven, die den goddelooze rechtvaardigt; want waar zij zulks doen, daar zullen zij ervaren, hoe waarachtig het is, wat de Psalm zegt: „Maar die op den He ere vertrouwt, dien zal de goedertierenheid — of: de barmhartigheid, omringen.quot;

Dit is echter „op den Heere vertrouwenquot;, dat wij alle hoop op ons zei ven en op eigene vroomheid prijsgeven, en van alle verledene, tegenwoordige en toekomstige heiligheid, van de Wet en hare vervulling onzerzijds afstand doen, en vaat en onbewegelijk op dezen grond blijven: „Ik ben een zondaar, dat is waar, maar Christus heeft mijne zonde, en ik heb door Hem en in Hem Gods gerechtigheid. Aan Hem blijf ik hangen als een arme en een ellendige; Hij echter, die Zich over mij ontfermd en mij aangenomen heeft, zal mij ook leiden in alle goede werken en alle waarachtige heiligheid. Want die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.quot;

Waar wij zulks doen, daar zullen wij wel gezond zijn in onzen God, zullen vroohjk en opgeruimd en goedsmoeds zijn, want waarheen wij ons dan ook wenden eu keeren, of waar wij ook henen blikken, overal zien wij ons omringd van goedertierenheid en barmhartigheid. Dat is om te huppelen en te springen van louter blijdschap in God. Daarom eindigt ook de Psalm alzoo: „Verblijdt u in den Heere, en verheugt u, gij rechtvaardigen! cn zingt vroolijk, alle gij oprechten van harte!quot;

Hebt gij het vernomen, gij, die aan u zeiven vertwijfelt, gij, die bedroefd zijt naar God, gij die een mishagen hebt aan u zelven, — gij zijt de rechtvaardigen, die hier bedoeld zijn; want dezen zijn voor God rechtvaardig, die daarmede van

15

ocr page 16

psalm 32.

harte tevreden zijn, dat zij uit het geloove gerechtvaardigd zijn of rechtvaardig worden. En dezen zijn voor God de oprechten van hart, die hunne zonde, schuld en misdaad voor God niet verzwijgen, die het voor Hem niet verbergen of verhelen , dat zij niet oprecht zijn van hart en slechts van den oprechten God leven en aan de hand Zijner genade willen wandelen. Hebt gij het gehoord, wat de Heilige Geest zegt: Welaan, gij hebt niet den roem der wereld, der eigenge-rechtigen, der heiligen des duivels; en waar de verklager komt, daar hebt gij niets in te brengen; — laat u desniettemin den mond niet stoppen! Beroemt u in den Heere, en spreekt vroolijk en met roem in God aldus: Dat ik zonde heb, is mijne sehande; dat ik niet deug en een goddelooze ben, is mijne schuld; de verdoemenis heb ik verdiend; nochtans wil ik ten spijt der gansche hel, mijnen Borg noemen, die voor mij volkomen betaald heeft, en die den dood een gif en dei-hel eene pestilentie is. Hij is mijne heiligmaking, en voor den Rechterstoel daarboven is mijne eeuwige zaligheid vastgelegd; ik ben vrijgesproken, leef en sterf op eeuwige goedertierenheid, op vrije genade, op enkel barmhartigheid! Amen.

* Nazang: Psalm 145, vs. 6—7.

De Heer is recht in al Zijn' weg en werk;

Zijn goedheid kent in 't gansoh heelal geen perk.

Hij is nabij de ziel , die tot Hem zucht;

Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht;

Dat ongeveinsd, in 't midden der ellenden ,

Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden.

Hij geeft den wensch van allen, die Hem vreezen;

Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

De Heer bewaart de ziel, die Hem bemint;

Maar Hij verdelgt, dien Hij godloos bevindt.

Mijn blijde tong zal roemen in den Heer,

En alle vleesch zal juichen tot Gods eer.

16

ocr page 17
ocr page 18
ocr page 19