ocr page 1

VIJFTAL LEERREDENEN

DOOR

DR. 11. F. KGII LB ROGGE,

PKKDIKANT DER NEDEBLANDSCH-GEKEFORMHERDE GEMEENTE TE ELBERFELD.

1c cn Ic o'l'i j n ci a 11', in IS5S cit IS(?3

A M S T E R D A M, S 0 H E F P E E amp; 0°.

18 9 1.

'CC

ocr page 2
ocr page 3

LEERREDE

OVER

Deuteron. 21 : 23.

ocr page 4

Gedrukt ter „Utrechtsche Stoomdrukkerijquot; — te Utrecht.

ocr page 5

L E E U R E 1) E

OVER

IDeu.te3?ono SI vs. S 3_

* Voorzang: Ps. 103 : 4, 5 en 6.

ITij heeft voorheen aan Mozes Zijne wegen , Aan Isrels zaad, tot hun behourl genegen,

Zijn daên getoond, en trouwlijk hen geleid. Barmhartig is de Heer en zeer genadig;

Sehoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig; De Heer is groot van goedertierenheid!

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden ; Hij is het, die ons Zijne vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden; Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden, Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

Zoo hoog Zijn troon moog' boven d'aarde wezen. Zoo groot is ook voor allen, die Hem vreezen, De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan.

Zoo ver het west verwijderd is van 'toosten. Zoo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, Van ons de schuld en zonden weggedaan.

*) Gehomlen 14 Februari 185S.

ocr page 6

4

Tekst: „Eeu opgehangene is Gode een vloek.quot;

Mijne Geliefden! In onzen HeidelbergsehenCatechismus hebben wij in de IS116 Zondagsafdeeling de alleszins gewichtige vraag: „Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met eenen anderen dood gestorven ware?quot; — Deze vraag werd gedaan, om den vanwege zijne zonden bekommerden mensch den onuitsprekelijken troost mede te deelen, wrelke voor hem door den kruisdood onzes Heeren aangebracht is. Die troost wordt medegedeeld in het antwoord: „Ja het, want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft, omdat do dood des kruises van Grod vervloekt was.quot;

Laat ons deze waarheid, dat de dood des kruises van God vervloekt was, eens nader nagaan, om de gevolgtrekking, die de Catechismus uit die waarheid maakt, met Gods Woord tot onzen eeuwigen troost te bewijzen en voor ons te bevestigen.

Dat de dood des kruises van God vervloekt was, dat die dood in betrekking stond tot den vloek Gods, waarmede wij vervloekt waren vanwege de zonde, en wel in die betrekking, dat dezelve, als een van God vervloekte dood, den vloek Gods van de Gemeente des Heeren heeft weggenomen, leert ons de Apostel Paulus duidelijk genoeg in den Brief aan de Galaten. „Christusquot;, schrijft hij, „heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want daar staat geschreven: Vervloekt is oen iegelijk, die aan het hout hangt.quot;

Deze uitspraak van den Apostel is op zichzelve afdoende genoeg, opdat wij de zekerheid mogen kennen der dingen, waarin wij onderwezen zjjn. Zij is ons genoeg, om bepaaldelijk als Goddelijke waarheid aan te nemen, wat de Heidelbergsche Catechismus, Vraag en Antwoord 39, tot onzen troost van den dood onzes Heeren aan het kruis ons leert. De opsteller van de vraag: „Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is

ocr page 7

5

geweest, dan of Hij met ecnen anderen dood gestorven ware?quot; wist, wat liij schreef', en op welken grond hij in hot antwoord hot borgtoclitelijke en plaatsbekleedende van 's Heeren dood leerde. Dat was van hem gcene schoolsche opvatting, geen napraten van Anselmus en anderen. Hij had des Apostels uitspraak tot zijnen troost verstaan en deelde in zijn ouderwijs dien troost aan de Gemeenten des Heeren mede. Zoo grondt zicli de Catechismus voor des Heeren borgtocht en plaatshe-kleeding op de woorden des Apostels.

Maar nu kan het voor een ieder, die denkt, niet onverschillig wezen na te gaan, op welken grond dan de Apostel bouwt, als hij het borgtoclitelijke en plaatsbekleedende van den dood des Heeren leert. Letten wij goed op zijne woorden, zoo vernemen wij, dat hij ons voor die waarheid geene eigene denkbeelden geeft, geen willekeurigen, zelfbedachten grond logt, maar dat hij zich grondt op hetgeen er „geschreven staaf'. „Want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangtquot;, zoo luiden de woorden van den Apostel.

Als iemand nu zegt: „want daar is geschrevenquot;, dan hebben wij die geschrevene plaats op te slaan, en eerst te onderzoeken , of het daar zoo geschreven is, en ten andere of de gevolgtrekking werkelijk uit de aangehaalde plaats is op te maken.

Uc Apostel verwijst ons naar hetgeen wij geschreven vindon in het 5° Boek van Mozes, het 21stc Hoofdstuk, Vers 22 on 23, Aldaar lezen wij het volgende: „Wanneer in iemand cene zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben; zoo zal zijn doode lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult het zekerlijk ten zelven dage begraven: want een opgehangene is Gode een vloek. Alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de Heere, uw God, ten erve geeft quot;

Er is eenig verschil in de woorden by Mozes en bij Paulus.

ocr page 8

6

Bij Mozcs lezen wij: „Een opgehangen.e is Gode een vloekquot;; bij Paulus: „Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.quot; Paulus volgt, door den Geest geleid, de vertaling der Zeventig; deze hebben: „Want al wie aan het hout hing, is van Ood vervloekt geweestquot;. Daarvoor zegt hij nu naar zijne apostolische vrijmoedigheid: de vloek ligt op eenen iegelijk, die aan liet hout hangt.

In den zin komt het op hetzelfde neer: als een opgohangene Gode een vloek is, dan is het elk opgohangene. Als Paulus de toevoeging „Godequot; weglaat, dan doet hij het, om ons te doen gevoelen, dat de vloek om onzentwille op Christus kwam; — en als hij op het woord „oen iegelijkquot; drukt, dan doet hij het, om ons te bewijzen, dat Christus, aan het hout hangende, van dezen vloek niet uitgezonderd is.

quot;Wij zouden dus uit de aangehaalde woorden met den Apostel de volgende sluitrede kunnen opmaken: God zegt: een opgohangene is Gode een vloek, Christus was een opgehangene, dus was Hij Gode een vloek.

Daartegen zoude men kunnen beweren: dat mag van alleu waar zijn, maar van Christus kan zulks niet waar zijn, want Hij was onschuldig. — Maar de Apostel geeft zulk beweren niet toe. Hij drukt op het woord „een iegelijkquot;, dus Christus ook. Vraagt men verder, hoe is dit mogelijk bij Christi onschuld, zoo antwoordt Paulus: Christus is een vloek geworden voor ons. Hij was het in onze plaats.

Maar als nu de Apostel uit de woorden Gods bij Mozes de gevolgtrekking heeft gemaakt, dat Christus een vloek geworden is voor ons en ons dus van den vloek der Wet verlost heeft, dan rijst de vraag op, of Christus daarom als gehangene aan liQt hout een vloek geworden is, omdat vroeger over opge-hangenen aldus bepaald was, en Christus dus onder dezelfde kategorie kwam, — dan, of die vroeger opgehangenen Gode een vloek waren, voor zooverre God in dezelve heeft laten afschaduwen, wat Christus als een aan het kruis gehangene voor ons wrezen zoude.

ocr page 9

7

De gevolgtrekking vau den Apostel blijft staan; zoo wij het eerste aannemen, nemen wij liet tweede aan, en wordt de gevolgtrekking nog meer bevestigd.

Grode zijn alle Zijne werken van eeuwigheid bekend. Wij zien uit do geschiedenis van 's Heeren lijden, dat de Joden op eens op den inval kwamen, om te roepen: kruist Hem, kruist Hem, — en dat die dood niet aan den Ileere zou voltrokken zijn geweest, zoo God niet Zelf de Joden onder de heerschappij der Romeinen gebracht had. Alles geschiedde hier naar Gods hand en bepaalden raad, Nu kunnen wij niet verstaan, waarom bepaaldelijk God van degenen, die aan een hout hingen, zeide, dat zij Gode een vloek waren, zoo Hij niet op Christus gezien en in Zijnen raad bepaald had, dat Dezelve aldus voor ons een vloek worden zou.

Wat do eigenlijke misdaad was, waarop die dood stond, dien het ophangen tengevolge moest hebben, wordt in do Boeken van Mozes niet opgegeven. Er waren meer misdaden, waardoor men zich des doods waardig maakte, waarbij evenwel het ophangen geen plaats had. Het is dus eene bijzondere misdaad geweest, eene zeer groote of' zware zonde. Wij lezen: „Zoo er in iemand eene zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan een hout zult opgehangen hebben.quot;'

Het ophangen aan een hout, met de aanwijzing van de misdaad waarop deze straf volgde, vinden wij in de Boeken van Mozes alleen in het 4',e Boek in het 25ste Hoofdstuk. Wij lezen daar (Vs. 3 en 4): „Als nu Israël zich koppelde aan Baal-Peor, ontstak de toorn des Heeren tegen Israël. En de Heere zeide tot Mozes; Neem al de hoofden des volks, en hang ze den Heere tegen de zon, zoo zal de hittigheid van des Heeren toorn gekeerd worden van Israël.quot; — Wij zien daaruit, dat de hittigheid van 's Heeren toorn gekeerd was tegen Israël vanwege de misdaad, dat zij zich aan den schandgod Baal-Peor gekoppeld hadden, dat de hoofden des volks op Gods bevel genomen en opgehangen werden tegen de zon, dus tot een exempel niet alleen, maar ook als die de

ocr page 10

8

misdaad des gcheelcn volks droegen en dus genoegdoening brachten aan Gods beleedigde gerechtigheid; — zij waren dus publieke personen, van God vervloekt; als zoodanigen droegen zij den vloek en de straf van het geheele volk, en daardoor, dat zij als een vloek aan het hout hingen, werd het volk van den vloek verlost.

De oversten zijn hier aangemerkt als schuldigen en vervloekten in plaats van het geheele volk.

De misdaad was eene schandelijke, en verdiende hij, die ze beging, den vloek Gods naar recht.

Maar die vloek, die op het geheele volk lag, werd van het volk afgenomen en eerst losgelaten op de oversten, toen zij tusschen hemel en aarde tegen de zon hingen tot een exempel.

Wie hier gecne afschaduwing van den dood Christi aan hot kruis, als van een door God vervloekten dood ziet, om onzen vloek weg te nemen, — wie hier dus geene afschaduwing van de plaatsbeklceding Christi ziet, is willens blind.

De misdaad is eene godslasterlijke afgoderij, gepaard met de vuilste zelfbezoedeling, — daarom liggen allen onder den vloek, en moeten allen opgehangen worden; de oversten des volks komen in de plaats van die allen, voor zooverre ten minste, dat Gods toorn van allen afgewond wordt.

Die opgehangenen hingen daar tot een toonbeeld voor allen van Gods vloek over allen, een toonbeeld van Gods wraakvorderende gerechtigheid en van de machteloosheid van de Wet.

Of het hout een boom of een hout met een dwarshout was, zooals de Zeventig Joz. 8 : 29 het vertaald hebben, dan of het later een bijzonder gevormd kruis was, doet aan do overeenkomst van schaduw en beeld even weinig af, als het opgehangen- of gekruisigd-zijn. De overeenkomst ligt in het ten voorbeeld stellen en in het dragen van den vloek voor anderen met dat gevolg, dat de vloek van de overigen van het volk afgewend of weggenomen en bijgevolg in zegen veranderd wordt, of in stede van vloek de zegen wederkomt.

Indien men wilde zeggen, dat de oversten om hunne eigene

ocr page 11

9

zonde van nalatigheid opgehangen zijn naar Gods bevel, zoo is dit gedeeltelijk waar — maar dat is de gcheele waarheid, dat zij in plaats van de overige zondaars opgehangen zijn, — eenigen voor allen — anders had hun vloek niet tengevolge gehad, dat Gods toorn van de overigen werd afgewend.

Brengen wij hetgeen wij tot opheldering gevonden hebben in Numcri 25 in verband met hetgeen wij lezen in Deuter. 21 Vs. 22, 23, zoo zien wij, dat de bepaling van Gods quot;Wet alleen als Christus afschaduwende kan opgevat worden, voor zooveel Christus een vloek geworden is voor ons en Zijn hangen aan het kruis eene betooning geweest is van Gods rechtvaardigheid, en ons tot een toeken en verzekering verstrekt, dat Christus ons door Zijnen dood aan het kruis van den vloek der Wet verlost heeft.

„Wanneer in iemand eene zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het bout zult opgehangen hebben.quot; (Vs. 22.)

De zonde, hier bedoeld, moet eene bijzondere misdaad, eene publieke misdaad geweest zijn, tengevolge waarvan er één voor velen genomen werd. Dit blijkt uit Num. 25. Of het misdaad van godslastering en afgoderij geweest is, zooals de Joodsche geleerden willen, of ook de misdaad van ongehoorzaamheid, zooals anderen beweren in verband met Vs. 18—21, zooda^ er eene steeniging voorafging, blijkt niet uit de Schrift. Is het beweerde waar, zoo blijkt de overeenkomst des te meer.

Zeker is het, dat Adam eene publieke misdaad heeft begaan, en wij allen in hem, en dat alle onze zonden publieke misdaden zijn voor het heilig oog Gods en voor don geheelen hemel. Zeker is het ook, dat het aan do Joden niet gelegen heeft, dat onze Heere niet om voorgegevene godslastering gesteenigd is; het is mede zeker, dat het Sanhedrin bij monde van Kajafas uitriep: Wat hebben wij meer bewijs van noode, gij allen hebt Zijne godslastering gehoord. Het is evenzeer zeker, dat de Talmud lasterlijk beweert, dat de Heere aan hot kruis is opgehangen, omdat Hij duivels tooverkunst heeft uitgeoefend

ocr page 12

10

en Israël aandreef en verleidde tot gruwelijken afgodsdienst. Dat is ook boven alles zeker, dat Adam een ongehoorzame zoon is geweest, en dat wij allen in hom en door ons eigen toedoen tot ongehoorzamen voor God gesteld zijn.

De één, die voor velen vanwege dc publieke misdaad genomen werd, werd dus zoodanig gestraft, dat hij gedood en voor allen publiek opgehangen moest worden.

De overigen leerden daaruit, wat zij allen te zamen verdiend hadden, — en de opgehangene hing daar tot eene betooning van Gods rechtvaardigheid. En niet alleen dit, maar hij hing er ook tot eene genoegdoening aan die rechtvaardigheid.

In de betrekking, waarin hij daar hing, was hij een gruwel voor God — of Gode een vloek; het geheele volk was in hem gepersonifieerd, — de vloek, die op allen moest komen, werd op hem alleen gelegd. Do begane misdaad kon door zijnen dood alleen niet verzoend worden; de verzoening kon alleen daardoor geschieden, dat hij als een publieke schandvlek voor aller oogen verheven hing aan een hout; de geheele last van Gods toorn en de geheele schandvlek der misdaad word zoo op hem geworpen.

Als gehangene was hij dus Gode een vloek of een gruwel, — in hem hing de geheele misdaad, die ook anderen verdiend hadden, publiek voor hemel en aarde ten toon.

Indien dit alles geene afschaduwing van Christus is, zooals Hij voor ons aan het kruis een vloek geworden is, dan ligt er spel, maar geen wezen of waarheid, Gode waardig, in de verordeningen omtrent het ophangen aan een hout, — dan heeft het geene beteekenis; de opgehangene is Gode een vloek, maar dan kon dit evengoed van eenen ter dood gesteenigde gelden, te meer zoo wij in aanmerking nemen, dat door het ophangen der oversten de hitte van Gods toorn tegen Israël gestild werd, — en dat oen opgehangene, juist omdat hij een vloek Gods is, het land verontreinigt.

Zoo het zeker is, dat hij de onreinigheid, door zijn hangen over het land gebracht, wegnam als hij begraven werd, — dan

ocr page 13

11

is het ouk zeker, dat liij door zijn hangen God verzoende, dat is, verzoend had tegen het ondergaan van do zon.

Is liet nu zeker, dat Christus voor ons Gode een vloek was, toen Hij aan het hout hing, dan is het ook zeker, dat Hij door dat hangen aan liet hout als vloek voor ons, tegen het ondergaan van de zon God verzoend heeft, want het was tegen het ondergaan van de zon, dat Hij uitriep: Het is volbracht!

Het is alsof men de geschiedenis van het lijden onzes Hoeren aan het kruis leest, als men het 225te en 2iisti: Vers van Deuteronoiniuin 21 aandachtig nagaat.

Des Heeren doode lichaam mocht en zou niet aan het hout overnachten; des Heereu bevel: Gij zult het zekerlijk ton zeiven dage begraven, is vervuld door Jozef van Arimathea ; en die aarde, die eens om onzeutwil vervloekt was en dien vloek gevoelde, toen de Hoere aan het kruis hing, zoodat zij beefde en de steenrotsen scheurden, — werd, toon Hij er in begraven werd, rein gemaakt en geheiligd.

liet is opmerkelijk, dat deze straf, om aan een hout gehangen en zoo Gode een vloek te worden, niet gelegd werd op of voltrokken aan vreemdelingen, neen, maar aan een van Abrahams zaad, een van 's Heeren volk, dus aan eenen Israëliet uit do Israëlieten; — het was dus eene vloek dragende en vloek wegnemende straf voor en onder 's Heeren volk bij uitsluiting, — bij of voor de vreemden heeft het Gode niet behaagd alzoo te verheerlijken Zijne rechtvaardigheid eu Zijne genade.

Nu is Christus een Profeet uit het midden Zijner broederen, een Zoon Abrahams, een Israëliet uit do Israëlieten. Hij kwam in Zijn eigendom, maar de Zijnen namen Hem niet aan; en Hij werd Gode oen vloek voor Zij n volk, voor het volk, voor hetwelk Hij sterven wilde, dat is voor allen, die voor het zaad gerekend worden.

Dat onze dierbare Zaligmaker inderdaad Gode een vloek geworden is als hangende aan een kruis, is wel openbaar uit do schrikkelijke angsten en smarten, die Hij aan ziel en lichaam vooral in de drie-urige duisternis geleden heeft, zijnde dezelve

ocr page 14

12

zoo helsch on hevig, dat Hij eindelijk uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!

Dat er in Christus geene zonde of misdaad was, belijden wij tot troost onzer zielen, maar evenzoo belijden wij: de Heere wierp onzer aller zonden op Hem.

En zoo hing Hij dan aan het hout als publiek persoon openlijk ten toon voor hemel en aarde, voor al het volk, voor alle engelen en duivelen, beladen en belast met de zonden van het geheele uitverkorene volk. Hij werd midden uit dat volk uitgenomen, de vloek van het geheele volk werd op Hem losgelaten, — en toen Hij daar zoo hing als een schouwspel of exempel der Goddelijke rechtvaardigheid, die in wraak-doening over het geheele volk had moeten komen, was Hij, ofschoon de Vaderlijke betrekking tot den Zoon nimmer ophield , toch als Plaatsbekleeder, als Zoenborg Gode een vloek, gruwel en afgrijzen, — en doordat Hij als zoodanig aan het hout hing, en genoegdeed aan jGods straf-eischende en wraakvorderende rechtvaardigheid, had Hij van Zijn volk den vloek af en op Zich genomen, en stilde Hij de hittighcid van 's Heeren toom, die anders onuitbluschbaar over het Israël Gods bad moeten komen.

Ik meen, dat de overeenkomst te treffend is, dan dat er nug eenige twijfel bij iemand, die heilbegeerig is, kan overblijven omtrent Gods oogmerk met Zijn bevel aangaande eenen opgehangene aan het hout.

Aan hot hout, zeg ik, en het valt mij daarbij als vanzelf in, dat de hel in nijd tegen Adam hem van den boom te eten gaf, met het opzet om het daarheen te brengen, dat Adam aan dien boom mocht opgehangen worden, en dat haar dat opzet ook zou gelukt zijn, zoo niet Christus op Zich had genomen, om Zich in plaats van Adam aan het hout, waarvan Adam den dood at, te laten hangen, opdat Adam geen schouwspel werd voor hemel en hel en onder den vloek niet omkwam, maar in Christus voldeed aan de Goddelijke rechtvaardigheid, om zoo door Christus gezegend te zijn en eeuwig televen.

ocr page 15

13

Na het verhandelde zien wij, Geliefden! met hoeveel grond de Catechismus de gevolgtrekking maakt; daardoor dat Christus aan het kruis gestorven is, ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft. Die gevolgtrekking rust dus geheel op Gods Woord.

Wat wij dienaangaande uit Gods Woord bijgebracht en bewezen hebben, moet aan de ziel goeddoen, die voor Gods vierschaar cn heiligen troon verslagen en verbroken ligt.

Ach! wij weten niet, wat God en Zijne Wet zegt, zoolang wij niet zaligmakend onderwezen zijn, — maar als het ons door licht en overtuiging van 's Heeren Geest opengelegd wordt, wat er bij ons in hart en nieren schuilt, maar als wij alzoo zaligmakend van onze zonden overtuigd worden, dat wij inzien en gevoelen, hoe wij den heiligen God daarmede op het hoogst vertoornen, en dat wij dus hel-, vloek- en doemwaardig zijn, dan slaan ons de woorden als de donder door het hart: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der Wet, dat hij dat doe.

Zoo gevoelen wij dan, dat Gods vloek op ons ligt, — en waar dan heen ? Ach, wij zijn niet bij machte dien vloek van ons op te heffen, wij dragen veel meer dood en verdoemenis en benauwdheid der hel met ons om. Het is ons in ons binnenste waarlijk zoo, dat wij als een schouwspel voor hemel en hel reeds tusschen hemel en aarde hangen — en wij kunnen niets doen, — de schande is op ons, — den toorn Gods in al deszelfs hitte gevoelen wij in ons, en zoo er geen uitkomst komt, blijven wij zoo hangen en worden eens openbaarlijk zulk een schouwspel van vloek en schande. Dat is om te vergaan, zoo ons in zulk eenen toestand de Heere God niet uit vrije genade door de hand Zijns Geestes in Christus inplant door een waarachtig geloof, hetwelk Hij werkt door Zijn Evangelie.

Maar het is die Christus, dien Hij ons alsdan voorhoudt als zonder zonde en toch zonde voor ons gemaakt, — als den Plaatsbekleeder, als den vrij willigen en algenoegzamen Zoenborg.

ocr page 16

14

Deze nu wordt aan liet verslagene en beangste gemoed voorgehouden, zooals Hij daar tot een exempel en betooning van Gods rechtvaardigheid, als een schouwspel voor hemel en aarde, als een genoegdoende vloek tegen onzen vloek, waarmede God ons uit kracht Zijner heilige Wet vervloekt, aan het kruis hangt.

Daar wordt nu het zielsoog des bekommerden geopend, om den Borg aan het kruis te zien, als een vloek, gruwel en afgrijzen Gods, als zulk een, op Wien do Heere alle onze ongerechtigheden heeft doen aanloopen, als zulk een, die van God zonde gemaakt is voor Zijn volk.

Het geloofsoog wordt geopend om te zeggen: Gij, Heere Jesus, kunt niet vervloekt zijn, geen gruwel in Gods oogen, want Gij zijt en blijft de Gezegende des Vaders; evenwel zijt Gij daar aan het kruis Gode een vloek, zoo is het dan onze vervloeking, die Gij op U geladen hebt. Waar Gij dan onze vervloeking op U genomen hebt, zoo hebt Gij ons van de vervloeking verlost, — en dat onze wordt bij nadere toepassing des Geestes mijne, dat het heet; Hij heeft de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen; — de Geest geeft getuigenis, doordat Hij de ziel met dien troost verruimt, dat de bekommerde zegt: „ik ben er zeker vanquot;; en waar nu de hel met nieuwe bestormingen komt, om naar den grond der zekerheid te vragen, daar zoekt de ziel dien niet in zichzelf, maar het teeken en de verzekering er van zoekt en vindt zij in den dood Christi aan het kruis, — en deze verzekering en waarheid is haar zoo dierbaar, dat zij op de vraag: Heeft dat iets meer in zich, dat Hij gekruist is geweest ? onmidde-lijk, zonder omzien en bedenken, uit den drang des innerlijken levens en van den inwendig daarvan ontvangenen troost, antwoordt: Ja het!

Mochten nu maar allen dit met den Catechismus kunnen zeggen: ik ben er zeker van, dat dit zoo is.

Niemand kan dit den Catechismus nazeggen, die niet bevindelijk den vloek kent. Gelukzalig, die zichzelven beproeft

ocr page 17

eu met geeneu gestolen troost daarheen loopt; maar driewerf' gelukzalig, die, zijnen vloek bij aanvang of voortgang gevoelende, niet hier en ginds ziet, maar om geopende oogen bidt en om ontferming, genade en barmhartiijheden, opdat zijn zielsoog straks onmiddelijk en blijvend gericht zij op Christus aan het kruis, zooals Hij daar Grode een vloek is tegen onzen vloek. O, hoe gevoelt hij zich bij dat gezicht en geloovige omhelzing van zulk eenen Plaatsbekleeder en Borg gezegend voor heden, voor morgen en voor de eeuwigheid! Amen!

* Nazang: Ps. 32 : 1 en 6.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mensch, wien 't mag gebeuren,

Dat God naar reeht hem niet wil schuldig keuren,

En die, in 't vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank' oprechtheid voedt.

Rechtvaardig volk! verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vroolijk ; roemt Zijn deugden t' aller tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt!

ocr page 18
ocr page 19

II.

LEERREDE

OVER

a n d e 1. 2 6: 1

ocr page 20
ocr page 21

L E E li R EDE

OVER

a. n. cl e 1 i IX g-e n SS vs. 18_

Voorzang; Ps. 130 ; 1—3.

Uit (]ie2Jten van ellenden

Hoep ik , met mond en hart,

Tot U, Die heil kunt zenden ,

O Heer! aanschouw mijn smart;

Wil naar mijn smeekstem hooren!

Merk op mijn jammerklacht;

Verleen mij gunstig' ooren,

Daar 'k in mijn druk versmacht.

Zoo Gij in 't recht wilt treden ,

O Heer! en gadeslaan Onz' ongerechtigheden;

Ach! wie zal dan bestaan ?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij , Heer ! met beving,

Hecht kinderlijk gevreesd.

Gehoiulen te Delft in de Waalsch-Gerefomeerde Kerk, 18 Juli 1858.

A /

Jamp;./j. óf. /?amp; .

ocr page 22

20

Ik blijf den Heer verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord; Ik hoop, in al raijn klachten ,

Op Zijn onfeilbaar Woord. Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den Heer, Dan wachters op den morgen ; Den morgen! Ach , wanneer ?

Mijne Geliefden! quot;Welk eene weldaad en genade viel aan het oude Gods-volk ten deel, toen het hij hen allen licht was in hunne woningen, terwijl daarbuiten over een geheel land en volk eene dikke duisternis heerschte. Wij lezen daarvan in het tweede Boek van Mozes, Iloofdst. 10:21—23: „Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uwe hand uit naar den hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal. Als Mozes zijne hand uitstrekte naaiden hemel, werd er eene dikke duisternis in gansch Egypteland, drie dagen. Zij zagen de een den ander niet, er stond ook niemand op van zijne plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hunne woningen.quot; Deze weldaad en genade was des te grooter, omdat op dezelve na drie dagen een nacht van volkomene bevrijding van de macht van Farao, ja een triumfuittocht volgde, waarbij niet eene klauw achterbleef, terwijl de duisternis zelve, — voor de Egyptenaren zoo zwaar, dat drie dagen lang de een den ander niet zag, en ook niemand vanwege den angst van zijne plaats opstond, — gevolgd werd door den dood van 's lands eerstgeborenen en den ondergang van Farao en diens heir.

Er is nog een ander licht, hetwelk in de harten en woningen van velen gevonden wordt, hetwelk zij als eene onverdiende weldaad en genade, ja als een wonder begroeten, en dat hen daarom zoo gelukkig maakt, omdat het hun een onderpand is van een wonen in het eeuwig licht, van eenen dag, dien zij beleven zullen, waarop geen nacht meer volgt, gelijk geschreven staat: Aldaar zal geen nacht zijn. Er is ook eene andere

ocr page 23

21

duisternis on donkerheid, welke inmiddels niet drie dagen, maar aldoor, gelieele volken en koninkrijken, geheele steden en huizen en zoo veler harten bedekt, en welke daarom zoo treurig is, omdat zij, die er zich in bevinden, of het niet weten, of meenen, dat zij in het licht zijn, en het ook niet gewaar worden, voordat zij, de een na den ander, ongedacht in den kuil vallen van hot eeuwig verderf en van het onuitblusschelijk vuur.

Onder dat licht verstaan wij de zaligmakende kennis Gods in het aangezicht Christi, onder die duisternis de aangeborene blindheid van alle menschen aangaande hun hoogste goed en de zaligheid hunner zielen. — Het eerste is een aanvang van het eeuwige licht, het laatste van alle onzaligheid; het eerste een eeuwig wél, het laatste een eeuwig wee.

Daar het laatste een eeuwig wee is, zoo kunnen wij nooit genoeg waardeeren de weldaad der genade onzes Hoeren Jesu Christi, naar dewelke Hij door de verkondiging van Zijn eeuwig Evangelie een helder licht laat ontsteken, opdat degenen, die blind zijn, het zien mogen, degenen, die in de duisternis zich ongelukkig gevoelen, tot het licht gebracht worden, en degenen, die in het licht zijn, bemoedigd worden, dat zij komen tot volkomene verlossing en het ontvangen van de eene weldaad voor, de andere na, door het geloof alleen.

Immers is dit des Hoeren allerheiligste wil, dat door de prediking van het Evangelie wij menschen, door het geloovc Jesu, verlost van de blindheid der ziel, deelgenooten worden van het hemelsche licht, dat wij, uitgerukt zijnde uit de tirannie en heerschappij des Satans, bekeerd worden tot God, opdat wij, begiftigd met de vrije vergeving van onze zonden, een aandeel aan de eeuwige erfenis erlangen onder des Heeren geheiligden. Het is uit kracht van dien wil, dat ik u te dezer ure voorhoud, wat de Heere van den mensch zegt, die zonder zaligmakende kennis Gods is; wat gedachten Hij aangaande dien mensch heeft; en wat goedertierenheden de Heere hem laat wedervaren, dien Hij door de prediking Zijns quot;VVoords tot Zijn licht en tot God brengt.

ocr page 24

22

Mochten, terwijl wij u deze stukken voorhouden, velen bij Goddelijk licht, dat het Woord ontsteekt, overtuigd worden van hunne natuurlijke blindheid, en deswegens zoo zielsbenauwd worden, dat zij het zonder den Heere Jesus niet meer kunnen uithouden, en bemoedigd worden om tot Hem te loopen; mochten zij, die over donkerheid klagen, mede bemoedigd worden, om tot het waarachtige Licht te gaan; en zij, die in het licht wandelen, daarin zulke behoefte ontwaren, om alle werken der duisternis van harte af te leggen; mochten zij er door tot Grod gedreven worden om de goedertierenheden, die de Ileero geven Avil, te smaken! Onze tekstwoorden nemen wij daartoe uit de Handelingen der Apostelen, Hoofdstuk 2(3.

Tekst: Hand. 26 vs. 18.

Om hunne oogen te openen, en heu te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

Tusschenzang; Ps. 117.

Loof, loof den Heer, gij heidendom!

Gij volken! prijst Zijn' Naam alom!

Zijn goedheid is, in nood en dood,

Voor ons. Zijn volk, oneindig groot.

Zijn waarheid wankelt nimmermeer.

Zingt, Hallelujah! zingt Zijn eer.

Om hunne oogen te oenen, en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij. Deze woorden sprak do Heere Jesus tot Saulus, toen hij zich op den weg naar Damaskus bevond, om in die stad te binden allen, die den Naam des Heeren Jesus aanriepen, en de Heere dicht voor do stad hem in genade tegenkwam, hem omschijnende met een licht boven

ocr page 25

23

den glans der zon, en hem met cenc stemme toeroepende: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? liet is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan.

Die stem des Heeren, die eens van Golgotha den voorhang in den tempel en do rotsen scheurde, verbrijzelde hier een der hardste harten, en Zijn licht maakte Saulus blind, opdat hij zijne geestelijke blindheid zou gevoelen; en toen hij zoo blind daar nederlag, vernam hij deze woorden, om, drie dagen daarna, nadat hij weder ziende was geworden, er omniddclijk naar te doen.

Wij lezen deze woorden niet in het verhaal zijner bekeering, hetwelk ons de Evangelist Lukas geeft in Hoofdstuk 9, maar do Apostel deel^ ze mede, terwijl hij, om zich te verantwoorden, voor oenen stadhouder en eenen koning in banden staat, en daar was het ter plaatse. Waren er maar ooren geweest om te hooren, en harten om te verstaan!

Gaan wij eens de beteekenis onzer tekstwoorden na uit het verhaal van hetgeen er voorviel, toen dezelve medegedeeld werden.

Verplaatsen wij ons met onze gedachten in de stad Cesarea aan de Middelandsche Zee. Hoe schoon is zij daar gelegen! welk een liavendam, hier gelegd op twintig vademen diepte, een wonder der wereld, een gewrocht uit steenen van vijftig voet lengte, naar het plan van den weelderigen Herodes, volkomen veilig tegen eiken storm! Hoe wemelt hot hier van schepen van allerlei natiën, — duizenden zijn hier bezig op de kaden om te lossen en te bevrachten. Welk eene stad! nog geheel nieuw , —- alle openbare gebouwen niet alleen, maar ook alle particuliere woningen van marmer. Welk eene weelde en welvaart! Syriërs, Grieken en Joden, Egyptenaren en bewoners der eilanden, alles jaagt hier naar genot en winst. Hier houdt de machtige en gevreesde Romeinsche stadhouder zijn hof, en ziet, hoe het wemelt en woelt op de straten! Koning Agrippa is in de stad en met hem zijne zuster, de beruchte Bernice, die met hem in bloedschande leeft. Staatsiekoets op staatsiekoets rijdt voor het paleis des stadhouders voor, — gaan wij

ocr page 26

24

mede op in de hofzaal! — zij zijn hier allen vergaderd: de stadhouder, de koning en koningin, de njksgrooten, raadsheeren en ridders, en de rijkdom der stad, gezeten op tronen; en — een keldertrap op, en door eene zijdeur wordt een man binnengelaten, niet groot van statuur, vermagerd door eene tweejarige gevangenschap, met ingevallen wangen, vorstelijk van blik,— op dien man zijn aller oogen gevestigd, en hij, hoewel geklonken aan eene keten, onbedwongen in de ziel en in zijne houding, spreekt, spreekt deze woorden, en onwederstaanbaar in de macht der prediking slaat hij stadhouder en koning in boeien.

Ach, welk eene duisternis op de schepen, op de kaden, in de straten! en doorzie onze hofzaal, welk een glans en pracht en rijkdom, welke talenten, en daarachter de dood en de hel, dikke duisternis, — en die man in banden staat alleen in het licht, alleen in zijne ziel is licht en vrede. „Gij raastquot;, roept de een; en de ander heusch en hoofsch; „Gij beweegt mij bijna een Christen te wordenquot;; — en Paulus: „Ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstandquot; — en nog eens: „Ik wenschte wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij , maar ook allen, die mij heden hooren, zoodanige wierden, geljjk als ik ben, uitgenomen deze bandenquot;.

Zoo was in die hofzaal niemand gelijk als Paulus, niemand dien de oogen opengegaan waren; allen bevonden zich in de duisternis en in de macht des Satans, en, ofschoon geschud en geschokt in hun geweten, elk ging in zijne staatsiekoets weder tot het zijne, en Paulus werd weder in de gevangenis geleid.

Waren er in de stad, die gelijk als Paulus waren? Twintig jaren vroeger leefde daar de hoofdman Cornelius, die er met zoo velen van zijne maagschap en bijzondere vrienden tot het licht bekeerd werden; misschien was die nog in leven, of althans leefden er nog velen van, op wie toen de Heilige Geest gevallen was; ook woonde er Filippus de Evangelist met zijne vier dochters, maagden, die allen profeteerden, ook de Profeet Agabus en andere heiligen des Heeien, die, dikwerf

ocr page 27

25

voorbij do gevangenis komende, waarin des ITeeren Apostel lag, geenen anderen troost wisten dan deze; Verblijd u niet over mij, o mijne vijandin! wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Ileere een licht zijn. (Micha 7 ; 8.)

Wij zagen in Cesarea, wat duisternis is en wat liclit is; wij bemerkten, wat het geweld des Satans is, en wat het is God tot zijn deel te hebben; wij konden wel denken, wat eindelijk liet lot moest worden van hoog en laag, die in de duisternis bleven; wij hebben niet veel begrip noodig om te zien, wat licht er in Paulus' ziel en in zijne gevangenis straalde, wat licht er bij de heiligen, die er bovendien in Cesarea waren, en in hunne woningen was, en waar hen dat heen gebracht heeft.

En nu de tekstwoorden zelve.

quot;Wij vernemen hier woorden, niet maar van eenen van hooger licht en genade afhankclijken Profeet of Apostel; hoewel wij ons aan dezelve te onderwerpen hebben in hetgeen zij van den mensch zoggen, die zonder zaligmakende kennis Gods is, zoo moet vooral alle tegenspraak ophouden, waar wij Dien hoeren. Die alleen kan zeggen: Tk ben de weg en do waarheid en het loven, — Tk ben het licht der wereld.

De Heere Jesus spreekt; — wat Hij zegt, zegt Hij (volgens het voorafgaande Vors) van hot Joodsche volk en van de Heidenen (d. i. van alle overige volkeren), dat is dus van oenen iegelijken mensch. quot;VVij menschen zijn daarin van de dieren onderscheiden , dat wij redelijke wezens zijn, begaafd met verstand en wil. De mensch omvat en doorklieft met zjjn verstand het hoogste en het diepste; wie kan de grenzen aanwijzen van zijn begrip, of het vermogen schatten van zijne wijsheid? en wat vermag niet de kracht van zijnen wil? met zijnen wil maakt hij bergen vlak en zeeën droog. En of het wel waar is, dat hij in dezen afhankelijk is van hooger wijsheid en wil, laat ons van den mensch niets beweren wat zijns Makers lof verkleint.

Maar van dienzelfden mensch zegt de Heere Jesus het volgende : De mensch, wie hij ook zij, kan, wat zijne zaligheid

ocr page 28

26

cn dc kennisse Gods aangaat, niet zien; zijne oogen zijn gesloten door blindheid, hij zit in de duisternis, dat is in do volslagenste onwetendheid omtrent het licht, omtrent de kennis der zaligheid, hij is van die kennis verwijderd als door eene wijde kloof, hij kan en zal zich ook tot het licht niet wenden, omdat hij er geen begrip van heeft. Hij heeft dus bij alle verstand, wijsheid en begrip in het natuurlijke, volstrekt geen verstand, wijsheid of begrip omtrent zijn wezenlijk geluk, en kan bijgevolg met zijn verstand niets vatten dan wat aardsch of duivelsch is.

Verder: De menseh, wTie hij ook zij, kan, wat zijne zaligheid, wat God, zijn hoogste Goed, aangaat, met al zijne wilskracht niets willen; hy heeft geenen wil, die iets uitrichten kan, hij is in de macht des Satans, dus in geenen deele vrij om te kiezen, maar een slaaf, lijfeigene en gebondenedes Satans, die hem vasthoudt in zijnen wil, en als Satan hem ook opzet in vijandschap tegen God, zoodat hij zich tot God niet wenden kan en ook niet wenden wil.

Hij heeft dus bij alle wil en wilskrachten in het natuurlijke, volstrekt geenen wil tot Gods wil, en kan dien niet willen.

Elk mensch, hij zij wie hij zij, moet eerst geopende oogen ontvangen om te zien, dat hij niet ziet, om te zien, dat hij zich in de duisternis en in de onzaligste onwetendheid bevindt aangaande de kennisse Gods en zijner ziele zaligheid.

Uit die duisternis kan hij, al heeft hij geopende oogen ontvangen, niet uitkomen; hij weet nog niets van het licht, en moet door des Heeren Woord en Geest tot het licht gebracht worden.

Als hij tot het licht gebracht wordt, dan begint hij God te zien, maar hij wordt nu eerst zijnen onwil en zijne onmacht, zijne volslagene machteloosheid gewaar, hij ziet zich in des Satans macht, banden en boeien, en kan er niet uit; de vijandschap tegen vrije genade moet in hem gebroken worden, een ander dan hij zelf moet hem vrijmaken van des Satans boeien, en hem tot God brengen.

Elk mensch, hij zij wie hij zij, die niet van dc duisternis

ocr page 29

27

tot het licht, van de macht des Satans tot God bekeerd is, heeft geene vergeving van zonden, neen, maar zijne zonde en schuld liggen voor zijne eigene rekening, — hij zie hoe hij genoegdoening en betaling brenge! — hij heeft geen erfdeel met degenen, die zalig worden, er is voor liem niet aan te denken, dat hij in den hemel zal komen, waar God woont, veelmeer kan hij er van verzekerd zijn, dat zijn deel zal wezen eeuwige rampzaligheid met den Satan in de eeuwige duisternis.

Niet daardoor dat men geopende oogcn ontvangt, tot het licht komt, of tot God bekeerd wordt, komt de vergeving dei-zonden , het eeuwig erfdeel onder allo geheiligden van den Heere Jesus. Vergeving van zonden en het erfdeel komt van God, — de bekeering is het gebracht-wórden tot God; en als men tot God gebracht is, dan is de vergeving van zonden en het erfdeel een geschenk van vrije goedheid, •— dat wordt door ons komen tot God niet verdiend, ook daardoor niet, dat wij de duisternis verlaten en aan Satan den dienst opzeggen.

Er is hier geene sprake van zelf bekeering, van het zich vormen naar een zeker godsdienstig model, van het uitoefenen van godsdienstige plichten of wetten en regelen, die do mensch zichzelven oplegt, maar er is hiervan sprake, dat een mensch door den dienst van een ander, dien de Heere zendt, krachtdadig bekeerd wordt tegen des menschen natuurlijk verstand en aangeborene vijandschap en onwil in.

Het quot;Woord des Evangelies doet het, hetwelk een zondaar, maar van den Heere begenadigd en gezonden, zijnen medezondaren verkondigt, — dat Woord, dat niet weder ledig terugkeert tot den Heere, maar uitwerkt waartoe Hij het zendt; — als de Heere en Zijn Geest zenden, zoo opent do Heere, dat is de Heilige Geest, blazende waar Hij wil, het hart, dat acht gegeven wordt op hetgeen door des dienaars mond verkondigd wordt.

Opening der oogen, licht en bekeering verheerlijken den mensch niet, maar maken hem ootmoedig; hij leert zijne blindheid, zijne onmacht en zijnen onwil, dat hij uit zichzelven

ocr page 30

28

nimmer zou gekomen zijn, en hij leert Gods vrije ontferming roemen en prijzen, en Groei op het hoogst verheffen.

Verder zegt de TTeere van den mensch, dat hij hij God geene vergeving van zonden, geen erfdeel der zaligheid, geenc heiligheid, geen eeuwig wonen onder des Heeren geheiligden vindt, dan door het geloof in den Heere.

Wie dan tot God bekeerd wordt, vindt als eeuwige oorzaak zijner vrije rechtvaardigmaking: onverdiende goedheid, zuivere liefde Gods, eeuwige ontferming, — als verdienende oorzaak den Heere Jesus en Zijne genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid; als een goddelooze ontvangt hij de gave der rechtvaardiging, en de Geest, die hem door het Evangelie tot God gebracht heeft, wordt in hem een Geest des gebeds en des geloofs, om op des Heeren Woord te pleiten, ontsteekt kennis Gods in het aangezicht Jesu Christi, geeft vertrouwen, hetwelk alleen berust op des Heeren Jesu offer aan het kruis, zet de ziel zoo in Christus over, en eigent den mensch alle weldaden Christi, de beloften cn het beloofde toe. Dat is het wat de Heere Jesus zegt: door het geloof in Mij, — dus door niets anders.

Wat gedachten de Heere Jesus van dien mensch denkt, die zoo blind en zoo goddeloos, zoo zonder licht en zonder God in de wereld is, is uit Zijne wilsverklaring duidelijk. Als Hij tot Saul zegt: „Ik zal u verlossen van dat volk (dat is het Joodschc volk) en van de Heidenenquot;, zoo zegt immers de Heere, dat Hij van den mensch slechts vervolging, dwaasheid en tegenstand verwacht, maar terwijl Hij daarbij voegt „tot dewelke Ik u nu zonde, om hunne oogen te openenquot;, zoo heeft Hij immers andere gedachten dan de mensch heeft, zoo heeft Hij immers gedachten des vredes over eenen blinden, weerbarstigen en Hem vijandigen mensch, gedachten om hem weder te halen in 's Vaders huis en hem voor tijd en eeuwigheid gelukkig te maken met een geluk, dat de mensch tot dusverre noch kent noch wil. O, hoe zeer geldt in dit opzicht, wat de Heere zegt door den mond van den Profeet Jesaja; Zoekt den Heere,

ocr page 31

29

terwijl Hij te vindon is, roept Hem aan, terwijl Iljj nabij is, de goddelooze verlate zijnen weg, enz. (Jes. 55 ; 6—11).

Wij hebben het uit de tekstwoorden zelve ontvouwd, wat de Ileere Jesus, de waarachtige Getuige, van den mensch, die zonder zaligmakende kennis en dus zonder God in de wereld is, zegt; wij hebben tevens aangestipt, wat gedachten de Heere van dien mensch denkt, — wij toonen nog gaarne even aan, dat de Heere hetzelfde elders zegt en door Zijne Profeten en Apostelen laat vernemen.

Omtrent de natuurlijke blindheid zegt de Heere elders; „Zoo lang Ik in de wereld ben, ben Ik het Licht der wereld. Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien blind wordenquot; (Joh. 9.); en Hoofdst. 3; „Dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het Lichtquot; enz. Hoe het des Heeren zaak alleen is, verstand, kennis en oordeel te verlichten, en dat er anders geene kennis Gods on Cbristi is, vinden wij wel gestaafd door hetgeen wij elders van den Heere hoeren: Uit des mensehen hart komt voort.... onverstand; en: O onverstandigon en tragen van harte, om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben. Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. (Luk. 24). „Verstaat gij ook wat gij leestquot;, vraagde Filippus den Moorman; „hoe zoude ikquot;, antwoordde hij, „zoo mij niet iemand onderricht?quot; Uit de natuurlijke blindheid en onwetendheid, d. i. uit de duisternis, komt niemand uit zich-zelven terecht, daarom lezen wij Luk. 10 : 42: „Maar nu is het voor uwe oogen verborgen.' Het hangt hier alles af van vrij welbehagen, daarom vinden wij het oordeel: „Hij heeft hunne oogen verblind en hun hart verhard, opdat zij met de oogen niet zien.quot; (Joh. 12 : 40.) Daarentegen luidt de smeekbede: „Verlicht mijne oogen, dat ik aanschouwe de wonderen Uwer Wet;quot; (Ps. 119:9) en het is iiet gebed voor de Gemeente om verlichte oogen des verstands. (Efeze 1 : 18.) En het is des Heeren raad en bevel: „Zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat

ocr page 32

30

gij zien moogt.quot; (Openb. 3 : 18.) Van des menschen volslagene blindheid in liet geestelijke getuigt ook de Apostel Paulus: „De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn: want zij zijn liem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.quot; (1 Oor. 2 : 14.) Van de krachtdadige bekeering van de duisternis tot liet licht schrijft de Apostel Petrus: „Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht;quot; en; „Gij waart eertijds als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielenquot; (1 Petr. 2 : 9 en 25), en de Apostel Paulus: „Eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichtsquot;, (Efeze 5 : 8) en nog eens: „Dankzeggende God en den Vader; die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en ons overgezet heeft in het Koninkrijk des Zoons Zijner liefde.quot; Omtrent des menschen gebondenheid in de macht des duivels, vernemen wij des Heeren woorden; „Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke. Gij wilt tot Mij niet komen. Gij zijt uit den vader den duivel. Indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. Daarna komt de Satan en neemt terstond het woord uit hunne harten wegquot; — en dergelijke waarheden meer. De Apostel Paulus schrijft aan Timotheüs (2 ïim. 2 ; 25, 2G): „Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan, of hun God te eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid, en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot Zijnen wil;quot; en aan de Romeinen (Hoofdst. 8); „Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook nietquot;, en aan de Efezen, Hoofdstuk 2, schrijft hij van den Geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; en aan de Corinthiërs (2 Oor. 4 ; 3 — 6): „Is ons Evangelie bedekt, zoo is het bedekt in degenen, die verloren gaan: in welke de God dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de

ocr page 33

BI

verlichting van liet Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het Eeeld Gods is. Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jesus, den Heere; en onszelven, dat wij uwe dienaars zijn om Jesus wil. Want God, die gezegd heeft, dat het licht uit dc duisternis zou schijnen, is Degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jesus Christus.quot;

Wat de gedachten des Hoeren aangaat omtrent den blinden mensch, kunnen wij verstaan uit hetgeen wij lezen Luk. 1: 7 G—80; en ook: „Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en dengenen, die zaten in het land en schaduwen des doods, denzelven is een licht opgegaanquot; (Matth. 4 ; 16); en andermaal: „Om den gevangenen te prediken loslating, enden blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheidquot; (Luk. 4 : 19).

Van do verlossing en het erfdeel schrijft ook Paulus (Col. 1 : 14) : „In Denwelkon wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk do vergeving der zonden;quot; en (Titus 3 : 3—7): „Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid lovende, hatelijk zijnde, en elkander hatende. Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijne liefde tot de menschen verschonen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jesus Christus, onzen Zaligmaker; opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.quot; *

De verklaring des Heeren Jesus in do woorden onzer overdenking, en zoovele andere getuigenissen der Heilige Schrift moesten den mensch genoegzaam wezen, om den waan aangaande zijn verstand en zijnen wil in de kennisse Gods en Zijner zaligheid af te loggen, — was hij niet zóó blind, dat hij dit alles

ocr page 34

32

niet ziet, zóó doof, dat hij er niets van hoort. Intusschen staat het vast, dat, indien een mensch niet wedergeboren wordt, hij het Koninkrijk Gods niet zien kan. Heeft de mensch nog verstand en wil, zoo is dit genoegzaam om zijne verdoemenis te verzwaren, maar den waan, dat hij er wat mede vermag, om God te kennen en tot God te komen, zal hij moeten afleggen voor 's Heeren Woord: „Ik dank U, Vader, Ileere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen den wijzen en verstandigen hebt verborgen , en hebt dezelve den kinderkous geopenbaard; ja Vader! alzoo is geweest het welbehagen voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijnen Vader, en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon , en dien het de Zoon wil openbaren.quot; Zijn niet alle menschen zonder Christus, dat groote Licht, blind, als hot van Christus heet: „Hij is het Licht, dat oenen iegelijken mensch verlicht, komende in de wereldquot; ? Wat kan de mensch met zijnen wil, als het heet: „Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft hetzelve niet begrepenquot;? Waarlijk, indien de Heidenen verstand gehad hadden, het wTas niet van hen waar geworden; „Zich uitgevende voor wijzen zijn zij dwaas geworden, en hebben de heerlijkheid des on vergankelij ken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch;quot; waarlijk, indien zij een vrijen wil hadden gehad, zij hadden zich niet overgegeven om hunne eigene lichamen te schenden met zichzelven, en het natuurlijk gebruik des lichaams te veranderen in een gebruik tegen natuur. Ik betuig het in den Heere, schrijft Paulus, de Heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds, verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding hunner harten, die ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinheid gierighjk te bedrijven.

Van de Joden en van alle rechtvaardigen door werken van wet heet het tot op den huldigen dag: Wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. Niemand van de

ocr page 35

33

oversten der wereld heeft Gods wijsheid gekend; want indien zij die gekend hadden, zij zouden den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben. Dat is de wijsheid der wereld, dat zij door hare wijsheid God niet gekend heeft, — en heeft niet God de wijsheid dezer wereld dwaas gemaakt? Zoo is het dwaze Gods wijzer dan de menschen, en het zwakke Gods sterker dan de menschen, en blijft Christus alleen der uitverkorenen Wijsheid. Of' aanzie de Joden en hunnen godsdienst, welk een onverstand, terwijl zij het Evangelie kunnen kennen, en welk een onwil, welk eene gebondenheid onder de macht des Satans, — zij willen geene vergeving van zonden in het bloed van Jesus van Nazareth, en wat goeds Hij ook gedaan heeft, en wat wonderen ei ook op Golgotha gebeurden, zij vervloeken den Naam , waarin alleen hunne zaligheid is. Of aanzie de Heidenen, hun knielen voor de stomme afgoden, — het Heidensch Rome hield en houdt evenals heel de Heidenwereld met verstand en wil zioh ver van de banier des kruises, — maar aanzie ons eigen volk, waar het den Sabbat des Heeren in alle brooddronkenheid en losgelatenheid schendt, waar des Heeren Wet bij hoog en laag met voeten getreden wordt; verstand en wil ontdekt gij er meer dan bij eenig ander volk dei-aarde , maar wat aangaat de kennisse der zaligheid, wat betreft het eeren en het doen van den wille Gods, — hoe waar is het van ons volk: „Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de kribbe zjjns heeren; maar Israël heeft geene kennis. Mijn volk verstaat nietquot; (Jes. 1:3). Maar aanzie eindelijk een iegelijk zichzelven, wat belijdt hij, zoo hem zijne oogen zijn opengedaan? „Wij dwaalden allen als schapen, een iegelijk keerde zich naar zijnen wegquot; — ontdoe u eens zelf van de banden en boeien der zonde en der vijandschap tegen God, als gij gaarne mocht, — zie eens, of gij wat ziet, zoo gij zien mocht en geen licht hebt.

Ach, sedert de duivel onze eerste ouders had wijsgemaakt, dat hunne oogen zouden opengaan, dat zij zouden wezen als God, en weten wat goed en kwaad is, — wat al onverstand en booa-

3

ocr page 36

34

lieid bij don beste, bij den edelste, bij den wijste, bij den sterkste in wilskracht, in betrekking tot God, tot Christus, tot der eigene ziele zaligheid. „Uwe wijsheid en wetenschap heeft u afkeerig gemaaktquot; heet het tot het T5abel aller eeuwen. (Jes. 47: 10.)

„Ik zie het betere en keur het goed en kies wat slecht isquot; is eene bekende spreuk. De wijste der koningen strekt ten bewijze, wat er zelfs van des bekeerden wijsheid wordt, als God hem alleen laat gaan, en hij sloot daarom, door schade en schande geleerd, zijn wijsheidsboek met deze verklaring: „Ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen menschenver-stand; en ik heb geene wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.quot; Daarom ook die Apostel, —• die boven zijne tijdgenooten in wijsheid en in geleerdheid uitblonk, die onderwezen was aan de voeten van Gamaliël, — nadat hij geleerd had, hoe een mensch met al zijn verstand Christus haten, en met al zijnen wil slechts ter dood toe vervolgen kan, hetgeen alleen zijn geluk uitmaakt, — na zijne bekeering van niets wilde weten dan van Christus, Gods wijsheid en Gods kracht, ons tot wijsheid gegeven, opdat wij in Christus alleen gerechtigheid hebben en sterkte. Zoo blijft dan die waarheid staan : „Zij zullen allen van God geleerd zijn; een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.quot; (Joh. 6: 45.) Zoo blijft dan ook die verbondsbelofte vast: „Zij zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere: want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zouden niet meer gedenken.quot; (Jerem. 31 : 34.)

Naardien wij vernomen hebben, Mijne Geliefden! dat wij zonder verlichting der oogen, zooals de Heere ze geeft door Zijn Woord en Geest, blind zijn, zoo laat ons bij aanvang of voortgang vóór alle dingen tot den eenigen Arts ons begeven, om in Zijn Evangelie verlichting der oogen te bekomen, opdat wij waarachtige bekeering mogen ontvangen hebben. Nemen wij de genade en weldaad des Heeren ter harte, dat

ocr page 37

85

Hij ons Zijn Evangelie geeft, dat wij Zijn Woord hebben. Leeren wij bij die eenige bron van kennis te blijven. Opening der oogen komt van den Ileere uit Zijn Woord, in ons is hot licht niet. Zien wij heden niet, morgen gaan wellicht de oogen open. Het hangt hier alles af' van Zijne vrije goedheid, maar gij verneemt het uit Zijne woorden, hoe de Heere die bij ons, onwaardigen, verheerlijken wil. Immers wil Hij de oogen openen, anders zendt 11 ij Zijn Woord niet. Dat bij ons het gebed zij: Heere Jesus, Gij Zoon Davids, ontferm U over mij blinden, ontferm U over ons! — zoo zal Hij wel Zijn „Effathaquot; doen hooron — dat wij zeggen, al was het ook slijk, dat Hij ons op de oogen deed : ik wiesch mij, en ik zag, en: één ding weet ik, dat ik blind was, maar nu zie ik; en: o Heere, zekerlijk ik bon Uw knecht, ik ben de zoou Uwer dienstmaagd. Gij hebt mijne banden losgemaakt. — Zekerlijk, Hij, Die de kromgebogene vrouw, die achttien jaren lang van den Satan gebonden was, eerst eenc dochter Abrahams noemde en haar daarna rechtop deed gaan, is altijd gewillig, gebondenen los te maken en hen tot Zijnen Vader te geleiden door Zijn Woord, — zoo wij tot Hem opschreeuwen, waar de banden ons knellen.

Tot bestuur van dezen en genen merk ik gaarne op, dat de Heere de oogen niet opent, om in de duisternis te laten zitten, maar opdat wij onze duisternis zien eu verlangen naar het licht. Hier geldt de vraag: „Waaruit kent gij uwe ellendigheidquot;? en het antwoord is: „Uit de Wet Godsquot;. Daar zijn de oogen niet recht opengegaan en is de bekeering valsch, waar men dadelijk licht ziet; bij ware bekeering gaat het naar de woorden, die wij overwogen hebben. Eerst worden de oogen opengedaan, dan ziet men geen licht, maar dat ziet en erkent de bedroefde van geest, dat hij in de duisternis zit; daar moet hij uit, hij kan het er niet in uithouden, hij moet wat anders hebben, maar wat dat is, daarvan heeft hij geen begrip; wat licht is, weet hij niet, al heeft hij het zijn leven lang uit den Catechismus geleerd; het licht komt hem van

ocr page 38

36

uit dc verte of van nabij tegen, zoodat hij het begint te zien maar tot het licht te komen, is hem onmogelijk, hij vreest de afgronden, vertrouwt den weg niet, hij moet er gebracht worden, — de duisternis heeft allerlei dwaallicht — maar als hij tot het licht gebracht is, dan moet hij meer hebben, hij moet Hem hebben, Die in dat licht woont, hij moet eenen verzoenden God voor zijn hart hebben; alleen God. het hoogste Goed, niet het licht kan hem tevreden stellen, — (ongelukkig hij, die zich met het licht alleen tevreden stelt, en waant er nu te zijn!) — maar nu tot God te komen, het is hem ondoenlijk; als hij wil kan hij niet, als hij kan wil hij niet; hij gevoelt de banden des Satans, desgenen, die hem wederstreeft, nu eerst recht, hij kan er zich niet van ontdoen; o, welk een strijd is in een arm hart tegen vrije genade, tegen een geheeldoodvallen met al zijn doen voor de voeten van souvereine genade! welk een strijd tegen een geheel en zuiver zich werpen zooals men is op den eenigen grond van behoudenis! de mensch, hij kan niet tot God komen, hij moet tot Hem gebracht worden.

Maar wat, zegt de Heere, is het, dat wij ontvangen, als wij tot God gebracht zijn? O, geheel wat anders ontvangen wij daar, dan wij vermoedden. Wij hadden het vonnis des doods reeds onderteekend, meenden te moeten sterven, meenden, wij zouden voor Zijne voeten doodgeslagen worden, en ziet, zingen mogen wij: Wij hebben den eeuwigen dood verdiend en ontvangen het eeuwige leven. — Zoo leert men God eerst recht kennen daarin, dat Hij ons de zonden vergeeft; en niet alleen vergeeft Hij de zonden, maar Hij doet veel meer. Hij geeft ook het recht op het eeuwige leven onder alle Zijne geheiligden, geheiligden door Zijn bloed en Zijnen Geest.

Maar op welken grond vergeeft God de zonden ? Op grond van de eeuwiggeldende genoegdoening vau onzen Heere Jesus Christus. Hoe komen wij echter daaraan ? Eerst tot God gebracht, en dan, zegt de Heere, zullen wij dat alles ontvangen. Het wordt uiet verdiend, zelfs niet door een zucht oi' traan.

ocr page 39

37

Verdient het geloof daa niets, het geloof in den Heere Jesus? gt;Teen! dc Heere Jesus heeft hot alleen verdiend door Zijne volmaakte gehoorzaamheid. Het geloof is de hand, welke ontvangt wat van Godswege toegerekend en geschonken wordt, namelijk de volkomene gerechtigheid en heiligheid Christi. Maar zoo het slechts de hand is, waarom hangt de lieere Jesus dan alles daaraan? Daarom, om ons in Zijn bloed oenen vasten grond te geven van hetgeen wij van God hopen, al is het tegen hope, en ons in Zijne volmaakte offerande alleen te doen berusten mot afzien van alle werk, wijsheid, krachten gerechtigheid des vleesches. God wil, dat wij voor Zijnen rechterstoel den Naam Jesus oproepen, en met dat vlekkelooze en onschuldige Lam tevreden zijn voor onze conscientie; als Hij dat in ons heeft en ziet, zoo spreekt Hij ons als Eechter vrij, eens voor altijd, en zoo dikwerf als wij komen om genade in den nood onzer ziel. Maar de Heere Jesus belooft geene genade, die met dit leven zoude ophouden. quot;Waar zich genade verheerlijkt, daar wordt de mensch in Christus als kind aangenomen, om des eenigen Zoons Gods wille, en is hij een kind, zoo is hij ook een erfgenaam en staat in het nieuwe testament van onzen Heere Jesus Christus.

Het is op dien grond , dat ook de Heidelbergsche Catechismus vraagt: „Wat baat u nu, dat gij dit alles gelooft!quot; Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens. (Erfgenaam adoptionis iure.)

Daar wij nu des Heeren wil vernomen hebben, vermanen en bidden wij allen, die aan God en deze dingen geene kennis hebben, dat zij eens stilstaan op hunnen weg, en zichzelven deze dingen voorhouden, en bij zichzelven dit besluit opmaken: ik ben blind, want ik heb geen geloof in den Heere Jesus; — het is dus bij mij alles, zooals in de geheele wereld, óf ongeloof óf bijgeloof; — ik zit in de duisternis, want ik heb geen geloof, — immers verlicht liet geloof in den Heere Jesus alleen, — wat doe ik met mijn verstand zonder geloof, met mijnen wil, daar ik niet tot God gebracht ben; — zonder ge-

ocr page 40

38

loof hob ik geene vergeving van zonden, — maar als ik sterf, heb ik niets meer, geene wereld en geenen (rod, — en ben dus eeuwig verloren, als het niet anders met mij wordt.

Mochten zulke overleggingen eens tot dat opmerken brengen van hetgeen de Heere in onze tekstwoorden zegt, dat allen, die mij hoorèn en wel weten, dat zij blind zijn, door genade gedreven worden, om bij den Heere te bedelen om geopende oogen en redding van lijf en ziel. Ach, wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Dengenen, die zeggen: „wij hebben kennis aan deze dingenquot;, roep ik toe: „De nacht is voorbijgegaan, de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts. Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen, niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; maar doet aan den Heere Jesus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden.quot; (Rom. 13 ; 12—14.)

„Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.quot;

Mijne Geliefden! terwijl wij eindigen, des Heeren Jesu woorden vernomen hebbende, begeven wij ons andermaal in onze gedachten naar Cesarea. De koning heeft des Heeren woorden gehoord, hij is getroffen; als man van de wereld wil hij het niet weten, hij wenkt, staat op, en zijne rijksgrooten, al die scherpe vernuften met hem .... „Deze mensch kon losgelaten worden, indien hij zich niet op den keizer had beroepenquot;, zegt hij terzijde tot den stadhouder; — en Paulus werd weder in de gevangenis geleid, — en koning en Bernice en stadhouder en rijksgrooten, een iegelijk keert weder tot het zijne.

Welk een gewoel op den havendam en op de kaden! Syriërs en Grieken, en die van Egypte, van Italië en andere landen en eilanden, in hunnen bonten dracht, denken aan niets anders dan aan winst en genot! In de haven ligt een schip naar Adrametum; in hetzelve begeven zich vele reizenden, en daar komen eenige aan in boeien, begeleid van krijgsknechten;

ocr page 41

39

oiitk-r die gevangenen is er oen, die onopgemerkt mede scheep gebracht wordt, — enkele menschen , mannen en vrouwen in eenvondige kleeding, hebben een hartelijk afscheid van hem genomen en keeren zielsbedroefd weder; — het schip gaat in zee — men staart het na —- een witte punt op het blauwe water nog, en die punt wordt ook niet meer gezien — Paulas is weg. — Sla nog een blik op de marmeren colonnades, zuilen, amphitheaters en trotsche gebouwen der stad; — de Heidenen hebbeu niet gehoord, de Joden hebben niet gehoord, — zij hebben zich bekommerd over Jerusalem en tempel, wet en gebruiken, maar niet om hunne eigene ziel. Paulus heeft gesproken, op zijne woorden is niet gelet, — en wat zal nu blijven, het Woord van den Heere Jesus of Joodsche eigengerechtigheid en Griekschc wijsheid, des Heeren Woord of de marmeren stad met wonderen havendam en weelde en welvaart? Wacht vier jaren, — en twintig duizend Joden, mannen, vrouwen en kinderen liggen in die stad verslagen in hun bloed; — wacht nog eenige jaren, sn de woelige kaden der trotsche stad zijn geheel leeg, geen schip daar meer, de colonnades, zuilen en marmeren gebouwen liggen vergruisd tot puin.

Welgelukzalig hij, die niet aanziet wat hij ziet, maar die door genade Dien liefheeft. Dien hij niet ziet; hij wandelt met alle kinderen des lichts in het licht van 's Heeren aangezicht, en — hoe donker het om hem heen zij, geloovende , dat de Heere Jesus alleen waarachtig en alleen een groot Koning is, houdt hij zich aan Zijn Woord. Omtrent den avond zal het licht zijn, als de goddeloozen zwijgen moeten in de duisternis! Amen.

Nazang; Ps. 119 ; 65, 66.

Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!

Dies zal mijn ziel die ook getrouw bewaren;

Want d'oopning van Uw woorden zal gewis,

Gelijk een licht, het donker op doen klaren;

Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis

Van zulk een' glans een' eeuw'gen nacht zou baren.

ocr page 42

40

Ik heb mijn' mond begeerig opgedaan,

11c heb verlangd, gehijgd naar Uw geboden.

Zie, zie mij dan met gunstig' oogen aan.

En wees mij nu genadig in mijn nooden,

Naar 't recht van hen, die, deugdzaam van beslaan ,

Uit lieïde tot Uw' Naam van 't kwade vloden!

ocr page 43

XXX-

LEERREDE

ÜVKH

2 Kon. 22 en 23 : 1 c

ocr page 44
ocr page 45

L E E 11 K E L) E

OVElv

S üoxiingen. SS GXX Qt3 -VS. 1—3

Voorzang: Ps. 51 : 8, 9.

Ilecr! open Gij mijn lippen door Uw kracht, Zoo zal mijn mond Uw' lof gestaag vermelden: Geen otter kan voor mijne zonden gelden ; Behaagd' U dat, straks wierd het U geslacht. Indien Gij lust in brandend' off'ren hadt, Dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken; Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat. Maar zou 't altaar van offervee doen rooken.

Gods otters zijn een gansch verbroken geest,

Door schuldbesef getroffen en verslagen :

Dit offer kan Uw heilig oog behagen;

't Is nooit, o God! van U veracht geweest. Doe Zion wel, laat om mijn' zwaren val Uw goedheid niet van zijne burg'ren wijken;

Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal, Door Uwe straf, voor 's vijands macht bezwijken.

(Jchoudcu te Delft, in de Waalsehe Kerk, den 38. Juni 1863, des avonds.

ocr page 46

44

Mijne Geliefden! Ver boven ons verheven, ver verheven boven al het menschelijk willen en loopon, boven alle menschelijke woelingen eu bedoelingen, bestaat er een Gebod, is er een Woord, dat alle dingen draagt, en alles regelt en regeert naar zijnen wil; een Woord en Gebod is er ver boven ons, dat door geenen aanslag van menschen wordt te niet gedaan, noch verijdeld door der machtigen overleggingen, door der volken woelen eu woeden, door der menschen schijnbare wijsheid. Dat Woord en Gebod, dat zoo ver verheven is boven al het menschelijk doen en werk, is het Gebod, is het Woord van dien God, Die dan nog leven zal, als wij er allen niet meer zijn, en Die als de opperste Gebieder een ieder trekken zal en een ieder trekt voor Zijnen heiligen Eechterstoel. Dat een ieder doe wat hem lust, wat hem invalt, dat een ieder menschenwoord en menschengebod zich ten regel stelle , — hemel en aarde zullen vergaan, maar Gods Woord blijft, en: in alle volmaaktheid zag ik een einde, maar Gods Gebod is zeer wijd, het omvat het verleden, het tegenwoordige, en heeft de toekomst in zijnen schoot. Als keizer Augustus de geheele wereld schat, zoo loopt deze schatting op niets uit, maar verborgen voor de wereld wordt die schatting het middel, dat Gods Woord vervuld wordt, en dat bet Gebod des eeuwigen levens gehandhaafd wordt. En als de krijgsknechten van Titus tegen zijn gebod eene brandfakkel in het heiligdom te Jerusalem werpen, of eene nog geheel staande kleine poort naast den tempel afbreken, zoo weten zij niet wat zij doen, maar des Hoeren Woord is gekomen: Uw huis wordt u woest gelaten, en geen steen zal op den anderen gelaten worden.

Dat Woord, dat Gebod wordt niet met luide stem van den hemel vernomen, maar God gaf het ons in een Boek, hetwelk wij daarom de Heilige Schrift noemen. Dit Boek bevat onuitsprekelijk dierbare beloften van zegening op zegening, maar het bevat ook vreeselijke bedreigingen, vreeselijke vervloekingen ; aankondigingen bevat het van leven of dood, van gewisse behoudenis of van wissen ondergang. Waarom zetten wij

ocr page 47

45

menschen ons boven dat quot;Woord en Gebod? waarom gelooven wij het niet, onderwerpen ons niet daaraan? waarom beloven wij ons zonder dat Gebod geluk, zonder dat Woord eenige zaligheid, — of is dat niet de zoude onzer dagen?

Luider en luider vernemen wij eene stem als van eenen onder-aardschen donder in de gewetens der menschen als van eenen onhoudbaren toestand. als van eene ophanden zijnde oplossing van alles wat tot nog toe ais wet en orde gold, — eene zucht wordt geslaakt uit vele boezems, vanwaar kan er hoop zijn op herstel?

Als eene stem van vele wateren vernemen wij daartegen in: Israël, gij brengt uzelven in het ongeluk, uw heil staat alleen bij Mij! — dat is de stem van dien God, Die boven den kloot der aarde zit, en voor Wien alle volkeren zijn als een droppel aan den emmer, als een stofje aan de weegschaal.

Zoekt in het Boek des Heeren, en leest; niet één van dezen zal er feilen, het eene noch het andere zal men missen: want Mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen. Jes. 34 : 16.

Gods oordeelen eu vloeken zijn gekomen en zullen komen over een volk, dat zijnen God verwerpt, dat Zijn Woord en Gebod vergeet en versmijt, maar te midden des toorns wil Hij der ontferming gedachtig wezen, — zij kunnen en zullen nog opgehouden worden, deze oordeelen en vloeken, zoo een volk, zoo ieder voor zich zijnen radeloozen toestand voor God belijdt, en zich daarover van harte voor den Heere verootmoedigt.

Groot is de ontferming Gods, en daarin bewijst Hij Zijne ontferming, dat Hij Zelf Zijn AVoord en Gebod alzoo bij de menschen verheerlijkt, dat zij het voor Zijn Woord en Gebod houden, en Hij eenen verslagenen en verootmoedigden geest geeft, opdat Hij vrede geve dengenen, die Zijne sterkte aangrijpen en vrede met Hem maken.

Mijne Geliefden! Deze waarheid breng ik u in des Heeren Naam, en opdat gij weet, dat het des Heeren waarheid is, zoo bevestig ik haar. voor u uit des Heeren W oord, uit het ons

ocr page 48

46

ten voorbeeld overgegeven verhaal van hetgeen wij van den koning Josia lezen in 2 Koningen 22 en 23 : 1—3.

Tekst; 2 Kon. 22 en 23 vs. 1—3.

Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jerusalem; en de naam zijner moeder was Jedida, eene dochter van Adaja, van Bozkath. En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren; en hij wandelde in al den weg van zijnen vader David, en week niet af ter rechter- noch ter linkerhand. Het geschiedde nu in het achttiende jaar van den koning Josia, dat de koning den schrijver Safan, den zoon van Azalia, den zoon van Mesullam, zond in het huis des Heeren, zeggende: Ga op tot Hilkia, den hoogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis des Heeren gebracht is, hetwelk de wachters des dorpels van het volk verzameld hebben; en dat zij dat geven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis des Heeren; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis des Heeren is, om de breuken van het huis te beteren: Aan de timmerlieden, en de bouwlieden, en de metselaars, en om hout en gehouwene steenen te koopen, om het huis te beteren. Doch er werd met hen geene rekening gehouden van het geld, dat in hunne hand geleverd was, want zij handelden trouwelijk. Toen zeide de hoogepriester Hilkia tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek in het huis des Heeren gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. Daarna kwam Safan, de schrijver, tot den koning, en bracht den koning bescheid weder, en hij zeide: Uwe knechten hebben het geld, dat in het huis gevonden was, samengebracht, en hebben het gegeven in de band der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des Heeren. Ook gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht des konings. Het geschiedde nu, als de koning de woorden des wetboeks hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde. En de koning gebood Hilkia, den priester, en Ahikam, den zoon van Safan, en Achbor, den zoon van Michaja, en Safan, den schrijver, en Asaja, den knecht des konings, zeggende: Gaat henen, vraagt den Heere voor mij, en voor het volk, en voor het gansehe Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden

ocr page 49

47

is: want de grimmigheid des lleeren is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden dezes boeks, om te doen naar al wat voor ons geschreven is. Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Aehbor, en Safan, en Asaja henen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tikva, den zoon van Harhas, den kleederbewaarder, (zij nu woonde te Jerusalem, in het tweede deel) en zij spraken tot haar. En zij zeiden tot hen: Zoo zegt de Heere, de God Israëls: Zegt tot den man, die u tot mij gezonden heeft: Zoo zegt de Heere: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en over hare inwoners, namelijk al de woorden des boeks, dat de koning van Juda gelezen heeft. Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zoo zal Mijne grimmigheid aangestoken worden tegen deze plaats, en niet uitgebluscht worden. Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft, om den Heere te vragen, alzoo zult gij tot hem zeggen: Zoo zegt de Heere, de God Israëls: Aangaande de woorden, die gij gehoord heb; omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en der-zelver inwoners, dat zij tot eene verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uwe kleederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zoo heb Ik u ook verhoord, spreekt de Heere. Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uwe vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uwe oogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten den koning het antwoord weder. Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van Juda en Jerusalem. En de koning ging op in het huis des Heeren, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jerusalem, en de priesters en Profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hunne ooren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des Heeren gevonden was. De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des Heeren aangezicht, om den Heere na te wandelen, en Zijne geboden, en Zijne getuigenissen, en Zijne inzettingen met ganschen harte en met ganscher ziel te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het gansche volk stond in dit verbond.

ocr page 50

48

Tusschenzang: I's. 68:1,2.

De Heer zal opstaan tot deu strijd ;

Hij zal Ziju haters, wijd en zijd ,

Verjaagd, verstrooid doen zuchten;

Hoe trotsch Zijn vijand wezen moog',

Hij zal, voor Ziju ontzaglijk oog,

Al sidderende vluchten.

Gij zult hen, daar G' in glans verschijnt,

Als rook en damp, die ras verdwijnt,

Verdrijven en doen dolen.

't Godlooze volk wordt haast tot asch;

't Zal voor Uw oog vergaan, als was,

Dat smelt voor gloênde kolen.

Maar 't vrome volk, in ü verheugd,

Zal huppelen van zielevreugd,

Daar zij hunn' wensch verkrijgen:

Hun blijdschap zal dan , onbepaald ,

Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode bigde Psalmen aan!

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan ;

Laat al wat leeft Hem eeren!

Bereidt den weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn Naam is Heer der heeren!

quot;Wij zien in dit verhaal den desolaten toestand van Israël, zijnde zonder des Heeren Woord; de groote ontferming Gods, die dat Woord weder vinden laat en eenen jeugdigen koning verwekt, die dat Woord voor Gods Woord houdt, daarvoor beeft, zich verootmoedigt, belofte ontvangt van een ophouden van Gods oordeelen en vloeken; en de vrucht daarvan, dat hij met het geheele volk overgaat in het genadeverbond.

Wij vernamen'niet zonder verbazing en schrik, dat het Wetboek des Heeren, dat is Zijn heilig Woord, uit het huis des Heeren was weggeraakt, en dus geheel in onbruik was

ocr page 51

49

gekomen; zelfs de hoogepriester las het niet meer. dus ook de overige priesters en profeten des volks niet. De koning had het ook niet in gebruik, en het volk was dus volslagen zonder Gods Woord.

Daar noemen wij dan billijk den toestand, waarin zich koning en volk bevonden , desolaat, wanhopig, — het volk sliep boven eenen afgrond en had er geen besef van; het at en dronk en bracht geld bijeen tot herstel van den tempel, tot instandhouding-van den uiterlijken godsdienst; — de steden van Juda kwamen um te aanbidden in het huis des Heeren, en zij waren toch zonder Grods Woord, zij kenden noch des heiligen Wet-boeks zegen, noch deszelfs vloek. — Wij vragen billijk, hoe was het mogelijk, dat bij een volk, als Israël was, dat Wetboek vergeten en versmeten kon worden, en wij zouden ons dit niet kunnen verklaren, wisten wij niet, dat een mensch wegens zijne ondankbaarheid door de dieren bestraft wordt, zooals wij lezen Jes. 1:3; „Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de krib zijns heeren; maar Israël heeft geene kennis, Mijn volk verstaat niet.quot;'

Onder koning Manasse, die vijfenvijftig jaren regeerde, had men heidensche altaren opgericht in het huis des Heeren; daar was den leiders des volks het Wetboek Gods in den weg, en men legde het terzijde, en of die koning zich al persoonlijk bekeerde, zoo bleef zulks zonder invloed op het volk; onder Josia's vader, Amon, werd het niet beter, — des Heeren Woord was vergeten.

Zoo leefden dan de hoogere en lagere standen, alsof er geen Wetboek Gods meer bestond.

Het hooger en het lager onderwijs legde dus Gods Wetboek niet meer tot grond van godsdienst, tot grond van handel en wandel. Hooge en lage scholen hebben ook toen bestaan, op de eerste gold Gods Boek niet meer, op de laatste leerde men er niet meer uit.

Er ontstond dus een geslacht en na hetzelve nog een geslacht, dat geene kennis had aan God, aan Zijn Woord, aan

ocr page 52

50

Gods groote daden met Zijn volk, aau des volks wonderbare reddingen; een geslacht, dat leefde zonder Gods Wet, dus geene ware kennis meer had van zonde en ellende, een geslacht, dat God niet zocht, niet beefde voor Zijn Woord, en zoo ook geene behoefte meer had aan het verbond Zijner genade. Wel was er nog eene uiterlijke kennis van zonde, hier en daar behoefte naar stilling van boezempijn, ja behoefte om het geweten tot rust te brengen en zich in de zonde te stijven. Daartoe prees de een dezen, de ander genen afgod aan, en men stelde zich tevreden met den afgodsdienst voor godsdienst te houden, en die wat verder wilde, zocht het in inrichtingen, gelijk aan de latere monniken-ordeningen, welker uitvoerders de Schrift schandjongens noemt.

Werkelijk ging bet volk over tot allerlei afgodendienst: alle afgodische leer werd gehuldigd, en het volk viel dezelve bij hoopen toe; de eene leer, de ware waarheid, de leer: „Ik ben de Heere, uw God, gij zult geene andere goden voor Mijn aangezicht hebbenquot; werd verdrongen, als ouder-wetsch beschouwd, als orthodox veracht, — en waar men God de gehoorzaamheid had opgezegd, daar was aan geene onbepaalde gehoorzaamheid aan vader en moeder, aan leeraars en overheid meer te denken. Waar men den kuischen wandel met God niet meer kende, daar moest bij afgodendienst onkuischheid de overhand nemen, en waar God niet meer het hoogste goed was, daar was geen houden of stuiten meer aan het begeeren van datgene, wat des anderen was, op moord en doodslag af.

Maar zijn de groeten zonder Woord Gods, zoodat zij eer alles lezen dan dat Woord, eerder alles in praktijk zetten, dan naar Gods Wetboek te handelen, en zijn de gemeene lieden zoo zonder Woord, dat het niet meer in de scholen geleerd, niet meer in de huizen gelezen wordt, — en schijnt het daarbij den volke wél te gaan, — des volks toestand is desolaat, omdat het in den hoek geworpen Woord Gods Woord blijft, en dus alles zeker komen moet en komen zal, ook wat dat Woord dreigt. — ja het is er reeds, wat dat Woord

ocr page 53

51

dreigt, als een volk het Woord loslaat. Het volk wordt losgelaten en overgegeven aan allerlei afgoderij en aan allerlei onreinheid, om te doen dingen, die niet betamen.

Maar nu waren er nog andere oordeelen op handen, die in Gods Wetboek geschreven stonden, en waaraan het volk niet dacht, omdat het Gods Wetboek verworpen had, en welke oordeelen naderhand zoo zeker gekomen zijn, als alles zeker uitkomt, wat Gods Boek zegt.

In dien radeloozen toestand zien wij nu Gods groote ontferming.

God Iaat Zijn \Vetboek Zelf weder voor den dag halen, die God, Die altijd de Eerste is, om genade voor recht te laten wedervaren.

Een hoogepriester moet het vinden, moet het overgeven aan eonen staatsdienaar, deze moet het eenen achttienjarigen koning voorlezen; die koning verscheurt bij het vernemen van de woorden des Boeks zijne kleederen, dat is: hij schrikt voor Gods vloeken, gedreigd op de zonden, hij verootmoedigt zich voor God, het anders harde hart, waar het van oordeelen hoort, wordt week, en hij weent voor Gods aangezicht, ofer nog eene ophoudinge van die gedreigde oordeelen wezen mocht, — of nog genade te vinden zij, of er nog gedachten des vredes bij God zijn voor hem en voor zijn volk.

Zoo geeft God naar Zijne groote ontferming, dat Zijn Woord en Gebod, Zijn dreigen en Zijn beloven weder als Gods Woord en Gebod bij het volk, evenals bij den koning, op den troon komt, — zoo geeft Hij het, dat dit Woord geloofd wordt, opdat Hij Zijn volk nog eenigen tijd moge weldoen; Hij geeft het, dat dit Woord geloofd wordt,, opdat men voor Zijne gerechtigheid in de schuld valle, met belijdenis van welverdiende straf; — de Heere wil nog genade groot maken, daarom laat Hij om genade roepen; Hij neemt het volk, om nog de uitverkorenen, die er onder zijn, te redden, in Zijn verbond op.

Treffend is het, hoe God Zijn Woord in alle opzichten daarbij handhaaft — : de koning bidt niet alleen tot God, als begeerde hij eene buitengewone openbaring, neen, hij zendt zyne voornaamste hovelingen, om den Heere te vragen, tot

ocr page 54

de Profetesso Hulda; bij deze is des Hoeren quot;Woord, bij deze geringe vrouw, wonende in liet armste gedeelte Vein de st;ul, bij deze, die hare zielskleederen bewaarde, evenals haar man de kerkkleederen.

De grooten der aarde mogen zich dezer nederige vrouw niet schamen, — die vrouw ziet niet aan wat voor oogen is, zij spreekt niet anders dan Gods Wetboek spreekt, zij herroept de vloeken en bedreigingen niet, belooft geen heil van de bergen eii heuvelen, zij staaft des Heeren W oord, maar ook dat deel van des Heeren Woord staaft zij, wat wij lezen Jes. 57 : 15: „Want alzoo zegt de Hooge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van eenen verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Tk levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.'

„Zegt tot den man, die u tot mij gezonden heeftquot;, — is haar heilig oordeel, als zij Gods onherroepelijke vloeken aankondigt; - jjzegt tot den koning van Judaquot;, is hare blijde boodschap, als zij vernemen laat, dat en lioo God den ootmoedigen genade geeft; — verscheurt de koning voor God zijn purperkleed, zoo kleedt hom der koningen Koning met eeuwig purper!

Welk eene ontfenningo Gods, om bij des volks radeloozen toestand Zijn Woord, Zijn heilig Wetboek onder het lezen met zulk eene onwederstaanbare kracht in eens jongen mans hart in te laten gaan, dat hij alleen dat Woord hoort, voor niet anders meer een oor heeft; dat hij alloon dar Woord gelooft, en op niets anders meer daarnevens bouwt, dat hij dat Woord onbepaald voor waar en waarachtig houdt en daarom het voor even waar en waarachtig houdt, dat de Heere God Zijne vloeken kan ophouden, zoo Hij wil, — het voor onbepaald waar houdt, dat God te midden des toorns aan ontferminge denkt.

De eerste Christenen lazen het Oude Testament; een Nieuw Testament hadden zij nog niet in den apostolischen tijd; — kwamen zij dan anders tot kennis van den vloek, die op den zondaar rust, dan Josia, daar zij datzelfde Boek lazen, wat eens Josia las;'

ocr page 55

„Vervloekt is een iegelijk, die uiet blijft in al hetgeen geschreven staat in het Boek der Wet, dat hij dat doe;quot; dat was des Heex-eii vloek van ouds; wie heft dien op,—zooniet, bij scliuldbelijdenis, de genade en de zegen .Tesu Cliristi?

Wie van de menschenkinderen is machtig, als de Geest des Heeren hem van zonde overtuigt, om de woorden van Hoofdstuk 28 en 29 van Mozes' vijfde Boek onder de antiquiteiten te werpen?

Wij veronderstellen, dat de achttienjarige Josia voornamelijk dit Hoofdstuk heeft hooren lezen! Maar ziet, welk een geloof aan des Heeren Woord ! Hoe, zijn er voor hem geene uitvluchten? Gaan dan de vloeken hem aan? Van zijn achtste jaar heeft hij begonnen den Heere, den God zijns vaders Davids, te zoeken; met zijn twaalfde jaar begint hij den beeldendienst af te schaffen, bestelt alles om den tempel te Jerusalem te hernieuwen en te zuiveren; hij heeft het getuigenis, dat hij doet hetgeen recht is in de oogea des Heeren, dat hij wandelt in al den weg zijns vaders Davids, dat hij niet daarvan afwijkt ter rechter- of ter linkerhand. Zegt niet dit laatste getuigenis, dat hij het eerste gebod hield, waarin de vervulling ligt van alle geboden? Waarom verootmoedigt zich dan een man nog zoo, scheurt zijne kleederen, weent voor den Heere met een verslagen en verootmoedigden geest, en zoekt genade ? O, dat deed hij deswegens, omdat hij onbepaald geloofde, welke doodelijke krankheid hij en zijn volk bij alle schijnbare gezondheid onder de leden had, en welk een pestwind er stond los te breken!

In hetgeen Adam gezondigd heeft, zijn de kinderen Adams solidair verbonden; de kinderen eens volks in hetgeen hunne vaderen zondigden; ons vroeg zoeken van den Heere, zoo wij het al doen, onze ijver voor Zijn huis, ons blijven bij het eerste gebod, het is ons geen roem, wij zijn in dit alles onnutte knechten. — Letten wij op hetgeen uit 's Heeren mond gaat, op hetgeen er geschreven staat; dat Woord blijft, dat Woord komt, al is het niet meer in 's Heeren huis, in de huizen der groeten en der geringen, al wordt het niet meer volledig erkend op hoogescholen, niet meer gelezen op lagere

ocr page 56

54

scholen. — Kunnen wij de vloeken, die in dat Woord op de zonden staan, kunnen wij die oordeelen nog uitgesteld bekomen ? mogen wij het nog beleven, dat wij althans met de onzen nog gered worden door in het genadeverbond over te gaan ? Wat zegt ons het Woord daaromtrent in dit verhaal van Josia en zijn volk, wat zegt ons het Sacrament van den heiligen Doop? — Verootmoedigen wij ons voor den Heere als een eenig man, houden wij ons niet onschuldig aan hetgeen de vaderen deden, daar wij toch, als wij ons nauw onderzoeken , hetzelfde doen; of wie van ons houdt het eerste gebod ? zien wij den zin en de meening van dit gebod eens na in onzen Catechismus! deden wij daarnaar, ja doen wij daarnaar? ge-looven wij Gods Woord geheel en al? houden wij het in zijn geheel voor Gods Woord? O, zoo de Geest van ons het getuigenis gaf of geeft, dat Hij van Josia geeft, dan hebben wij niet meer roem dan hij, die geene andere toevlucht heeft voor zich en de zijnen, dan: in Gods genadeverbond,— of ijdel is onze roem.

Neen, neen, wij hebben gezondigd, wij en onze vaders! Richten wij Gods Woord op in onze harten en in onze huizen, dat wij het gelooven; laat ons daders des Woords zijn en niet vergeefsche toehoorders! Anderszins is er groot gevaar. Wordt Gods Woord echter voor Gods Woord gehouden, dan is er groote vrede, gelijk de Heere spreekt: Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft! Amen.

Nazang: Ps. 72 : 7.

Nooddruftigen zal Hij verschoonen:

Aan armen , uit gena,

Zijn hulpe ter verlossing toonen;

Hij slaat hun zielen ga.

Als hen geweld en list bestrijden,

Al gaat, het nog zoo hoog,

Hun bloed, hun tranen en hun lijden,

Zijn dierbaar in Zijn oog.

ocr page 57

LEERREDE

OVER

Hooglied 1 : 4.

ocr page 58
ocr page 59

L E E K U E D E

OVER

PIoogliecL 1 -vs. 4.

Voorzang: Ps. 25 : 4, 5.

's Heeren goedheid kent geen palen;

God is recht, dus zal Hij door Onderwijzing hen , die dwalen,

Brengen in het rechte spoor;

Hij zal leiden 't zacht gemoed In het effen recht des Heeren:

Wie Hem ned'rig valt te voet,

Zal van Hem Zijn wegen leeren.

Loutre goedheid, liefdekoorden,

Waarheid zijn des Heeren paan Hun, die Zijn verbond en woorden Als hun schatten gadeslaan.

Wil mij, Uwen Naam ter eer,

Al mijn euveldaan vergeven;

Ik heb tegen U, o Heer!

Zwaar en menigmaal misdreven.

Gemeente des Heeren, die den Heere te dezer plaatse wordt toevergaderd, en allen, die mede Zijnen Naam ter zaligheid aanroept, genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en van' Christus Jesus, onzen Heere!

De keus, welke eens de zwaar beproefde en toch aan eene diepbedroefde moeder zoo getrouwe Ruth deed ; „Uw volk is

Gehondeu te Fijnaart iu Noord - Brabant, 30 Aug. 18G3, 's voormiddag^.

ocr page 60

5S

mijn volk, en uw Grod is mijn God'quot;, was toch uenc gelukkige keus. Eene geheel andere dan het ongeloof doet. Het was eene geloofskeus, waarbjj zij wel eerst niets zag dan ellende, maar Hij, Die den nacht verdrijft, schept den dag. Wat al heerlijkheid zag zij niet daarna op die keus volgen in hare vereeniging met den rechtvaardigen en machtigen Boas. Lang was zij na die gedane keus eene arme en als bedelende jonge vrouw, maar onder het vergaderen van de garven der armen kreeg zij op eens zes maten in haren schoot, — en weldra ook de zevende; zij kreeg, nadat de wet haren persoon niet had willen aanvaarden , den man der eere, en bij hem haren Obed, cn een rijk huwelijksgoed; ja, zij verkreeg alles weder, wat hare moeder verloren had. Hoevelen uwer deden deze keus, hoevelen deden ze niet? ik meen; de gelukkige keus: „Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn Godquot;?

Tk treed te dezer ure voor u op, om u, die deze keus deedt, dezelve in herinnering te brengen, opdat gij weet, wat gij gekozen hebt, en wat voor u bereid en weggelegd is; ook voor u treed ik op, die deze kous nog niet deedt, of gij ze nog heden doen moogt in de mogendheden des Heeren. Tk treed voor u op met blijdschap, omdat ik met eene Goddelijke roeping hierheen geroepen werd door uwen herder en leeraar; ik treed voor u op in de liefde Christi tot een volk, waartoe ik door almachtige genade behooren mag, en met hetwelk ik veel liever verkoos smaadheid te lijden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben; ik treed voor u op in eenen ring van Gemeenten, waar de Heere van ouds Zijne wonderen aan de Kerk en ook aan Oranje en Vaderland heeft grootgemaakt; ik doe het met dankbaarheid en met grootmaking van des Heeren lof voor Zijne wondere leiding, dat ik ook tot u mocht komeiy, — iets, waarnaar ik bij de veertig jaren verlangen droeg, om mede vertroost te worden onder u door het onderling gelooi', zoo het uwe, als het mijne.

Wij weten, dat Ruth tot schamens toe achter de maaiers ging om garven op te zamelen tegen hare en harer moeder

ocr page 61

09

armoede; wij weten, dat zij het ia een der voor haar schrik-kelijkste nachten waagde, zich aan de voeten te leggen van haren losser, — zij moest den losser hebben voor zich envoor hare moeder, en zij kreeg hem ook.

Gij volk, dat de keus gedaan heeft: „Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn Godquot;, — gij volk, dat achter de maaiers gaat om garven voor den honger, — zeg het vrij, wat is uwe zielsbehoefte? zeg het voort, wat gij wilt, wat gij zoekt! Is het niet uwen Losser, den Losser uwer zielen, den Losser van de Kerk?

Daarmede wil ik niet zoggen, dat allen, die tot des Ileeren volk behooren, dien Losser niet voor hunne zielen zouden gevonden hebben, maar de behoefte om dien Losser is eene algemeene behoefte, voor zoover alle leden lijden, als één lid lijdt, of als het geheele lijf krank is.

Dat gij doorbreken moogt, zooals Ruth in den nacht, toen zij haren losser kreeg, daartoe komt de prediking des Woords. Maar hoe zullen wij doorbreken, zoo de Losser Zelf door Zijne vriendelijkheid ons den moed niet geeft, zoo Hij ons de woorden, die wij tot Hem zeggen zullen, niet Zelf in den mond legt ?

En dat doet Hij. Zijne Woorden, die Hij ons in den mond legt, hebben wij in onzen

Tekst: Hooglied 1 vs. 4.

ïrek mij, wij zullen U naloopen!

Tusschenzang: Ps. 119 : 18.

Doe mij op 't pad van Uw geboden treên;

Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen;

Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.

Ai! neig mijn hart en vurig zielverlangen,

O Heer! naar Uw getuigenis alleen,

Laat gierigheid mij in haar' strik niet vaugen.

Het boekske van Ruth gaf ons de Heilige Geest, om ons te troosten met de wondere wegen van des Heeren voorzienig-

ocr page 62

60

heid; het predikt ons, hoe nog nooit iemand beschaamd of te schande geworden is, die op den Heere gehoopt heeft. Naomi zal niet Mara blijven, maar weder Naomi worden. God is een Man der weduwen en een Vader der weezen. Het boekskc van Ruth leert ons verder, wat vrucht een ieder heeft van de goede keus, van het eenige, dat noodig is, en predikt ons op verbloemde wijze, hoe de ziel in den waren Boas, d. i. Christus, haren Losser vindt, en hoe die Losser door Zijne rechtvaardigheid en vriendelijkheid de vrijmoedigheid geeft om het te wagen, zich aan Hem over te geven, al is ook in ons binnenste een : kom ik om, zoo kom ik om.

Het Hooglied gaf ons de Heilige Geest, om ons te troosten met de wondere wegen van des Heeren verlossing en verkwikking der ziele; het predikt ons, hoe de liefde Gods en Christi wordt uitgegoten in onze harten door den Heiligen Geest, en hoe daarom de hope niet beschaamt. Al is de Sulammith zwart, zoo zal zij toch sneeuwwit wezen en de Sulammith blijven. Het Hooglied leert ons, wat vrucht een ieder daarvan heeft, die uitverkoren is om voor zich de keus te doen van dien Vriend, Die blank en rood is. Die de banier draagt boven tienduizend (Hoofdst. 5 ; 10); het predikt ons op verbloemde wijze, hoe de ziel in den waren Salomo, d. i. Christus, Dien Koning des vredes, Die alleen onze vrede is, het alles eenig en geheel vindt, wat tot hare zaligheid en gelukzaligheid van noode is; en hoe die Koning door Zijne liefde en almachtige trekking de vrijmoedigheid geeft, om het te wagen, zich geheel en onverdeeld aan Hem over te geven, hoe ellendig men ook in zichzelven zij. Als die Koning kust met de kussen Zijns monds, dan zijn wij als eene, die vrede gevonden heeft, dan heeft Hjj Zjjn hart en zin, Zijn leven en Zijne liefde in ons ingestort, dan heeft Hij Zichzelven met alles, wat Hij voor eenen verlorene is, door Zijn Woord en Geest in ons ingeademd. Als Hij ons Zijne liefde doet smaken, dan zeggen wij, dat zij uitnemend is, en wij werpen den wijn, wij werpen de wereld en de genietingen der zoude bij zulke

ocr page 63

61

liefde weg. Als Hij ous met Zijne olieën overgiet, ons van Zijne zalving, Zijnen Geest, geeft, zoo rieken wij eenen reuk des levens ten. leven en van allerlei zielsverkwikking en genezing tegen onze inwendige krankheden in. Als de Koning Zijnen Jesns-naam niet besloten houdt, maar voor ons uitstort, zoo vlieden duivel, zonde en dood van ons; en de ziel, die in waarheid zegt; Geef mij Jesus, of ik sterf,

Jesus is het zieleleven;

Buiten Jesus slechts verderf!

die het bekent: „Jesus alleen, en anders geen!quot; behoort onder de maagden, die Hem liefhebben, omdat Hij haar eerst liefgehad heeft; onder de maagden, die vanwege den reuk Zijns Naams zeggen: „Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijne Sterkte (Psalm 18); en: „Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen/' (Psalm 116.)

Maar die Koning blijft nier, altijd zoo bij Zijne Bruid, dat zij Hem steeds hoort, ziet of voelt. „Ik zal zijnquot; is Zijn Naam, en zoo moet haar inenigwerf de eens gogevene en herhaalde kus Zijns monds, ja nog veel meer Zijn eens gegeven woord: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefdequot; genoeg zjjn wat haren staat aangaat.

Ue ware Salomo is een koning des vredes bij Zijn volk, — maar Hij maakt geenen vrede met de hel; de door God gezette vijandschap is eene blijvende; de Koning is een Held, die uitgaat om te overwinnen. Daar is de vraag: Zal de Bruid zitten blijven in hare binnenkameren? neen, zij wil bij den Koning blijven, zij wil mede in het veld — zij zal en moet mede, maar zij kan niet. Wat is de oorzaak, dat zij niet kan, of zij wel wil en moet? De oorzaak ligt in hare zwakheden, hare veelvuldige zwakheden.

Wonderlijk is de Naam van onzen Koning, wonderlijk is Zijne wijze van den strijd te voeren. Wie had het ooit kun. neu denken, dat een voet met vermorzelde verzenen den harden kop der slang vertreden en vertrappen zou? dat een van God verlaten en in het stof des doods door God geworpen worm ^

ocr page 64

62

ea geen menscli, een spot der lieden en eene verachting des volks, met doorstoken Landen en voeten, triumfeerend zou uitroepen ; „het is volbracht'quot;? Dat Een Zich zou laten binden in de smarten des doods, met opzet, dat de dood Hem zou moeten weder ontbinden en zoo tevens loslaten alle kinderen des doods? Zag de Kerkbruid niet van oudsher op tegen zulk eene wijze van strijdvoeren ? „Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van den sterkequot; — was dat niet steeds een raadsel, tot men het opgelost zag? tot men den helschen leeuw verslagengt;,ag, en deszelfs woeden der Kerkbruid had moeten medewerken ten goede? Of stonden de discipelen niet allen van verre, toen de Koning Zijne macht toonde van liet kruis ? of zeiden zij niet: Wij meenden, dat Deze Israël zoude verlossen, en het is heden reeds de derde dag? Het strijdvoeren van onzen Koning, dien sterken God Jakobs, was steeds zoo, dat Hij den vijand alles liet innemen en Zijn koninklijk kleed en het kleed Zijner Kerkbruid door allerlei woest gedierte in flarden liet scheuren, totdat Zijne zilveren krijgsklaroen het lied blies: „Beraadslaagt (gij vijanden allen) eenen raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan, want God is met ons!quot; (Jes. 8: 10.)

Is Zijn strijdvoeren thans anders? Is het thans anders in ons eenmaal zoo bevoorrecht vaderland? Waar gaat de klacht niet op: „Uwe wederpartijders hebben in het midden Uwer vergaderplaatsen gebruld, zij hebben hunne teekenen tot teekenen gezet. Een ieder wordt er bekend als een, die de bijlen omhoog brengt in het midden van Uw geboomte?quot; (Ps. 74.) Is het niet alsof de Koning aan het wild gedierte de ziel Zijner tortel-duive overgaf, alsof Hij den hoop Zijner ellendigen vergat?

Wie der geloovigen vindt zulk een strijdvoeren niet vreemd? Wie ziet er niet tegen op om mede te trekken? Niet dat wij den vijand te verslaan hebben, dat zal de Koning doen. Zien wij maar niet op de vijanden, maar op den Koning. Zijn wij bjj Hem? dat is de vraag. Gaan wij met Hem door onbezaaide zoowel als door bezaaide landen? Volgen wij het Lam, waar

ocr page 65

68

Het ook heengaat. Wie voelt hier niet zijne zwakheid, zijne volslagene machteloosheid ?

Maar er is meer. Er is een heilig opzien tegen Zijne Majesteit. De Bruid is arm, zij is niet schoon, maar zwart in eigene oogen; zij gevoelt zich zulk eenen Koning niet waard; zij is verkeerd van aard, en heeft met dien verkeerden aard aldoor te strijden, zonder dat zij dezelve te boven komt. En toch, eene bruid is gaarne door den bruidegom aangetrokken, —■ des Heeren Gemeente is gaarne aangetrokken door haren Heere, als zij de zalfolie van Zijnen Naam riekt en van Hem verneemt: Ik heb u vrijwillig lief. Zij durft Hem niet trekken, zij kan Hem niet trekken, daarom bidt, roept en schreeuwt zij: Trek mij, Gij groote Koning, Gij groote Ontfermer, zonder Wien ik niet leven kan trek mij!

Wat geeft dit trekken te verstaan? Er staat geschreven Hosea 11:4: „Ik trok hen met menschenzeelen, met touwen der liefdequot;, dat is: Ik wist, dat zij menschen waren, en behandelde hen menschelijk als menschen; Ik overreedde hen op menschelijke wijze, — zoo trok Ik hen tot Mij; Ik bracht hen in de banden Mijner liefde, met Mijne geheele barmhartigheid en ontferming overwierp Ik hen, zoodat zij van Mij niet afblijven konden; Ik ben hun met Mijne liefde te sterk geworden en heb overmocht. Met die menschenzeelen, met die touwen der liefde, moge Hij ons trekken, zóó trekken, dat wij nimmer of nooit meer van Hem af kunnen, dat is de bede, dat zijn de woorden, die de groote Koning des vredes Zelf Zijner Bruid in den mond legt.

Er is met dit trekken geen aanvankelijk trekken gemeend. Het is niet die trekking, waarvan de Heere zegt: „Memand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.quot; (Joh. 0 : 44.) Die zoo getrokken zijn bidden hier, dat zij door den Zoon mogen getrokken worden, dat is, dat Hij met Zijne liefde, genade en barmhartigheid over hen komen moge. Het is hier geen trekken om genot der minne, maar om den gang te doen in de binnenkameren;

ocr page 66

r.4

eu di6 giiug loopt door de woestijn, loopt door dat veldliecn, waar de Koning het vol doode lichamen maakt, waar Hij den-gene verslaat, die het hoofd is over een groot land, — volgens Psalm 110; — daar wil de Bruid doorheen getrokken worden.

Hoe trekt die Koning? Dat doet Hij door Zijn Woord en Geest, waardoor Hij ons het verstand verlicht en deu wil overbnigt. Wat zien wij, als Hij zoo ons verstand verlicht? Wij zien, dat al het ondermaansche en al ons zijn en doen zonder dezen Koning niet dan ijdelheid is. Zoo zien wij dan, dat elke plant, die de Vader van onzen hemelschen Koning-niet geplant heeft, uitgeroeid zal worden; dat wie vader oi moeder, broeder en zuster, vrouw en kind, huis en schuur liever heeft dan dezen Koning, Zijns niet waard is; dat wij ons onzen Koning en Zijne woorden en bevelen niet behoeven te schamen, — en naar hemel of aarde niet behoeven te vragen, als wij Hem maar hebben; dat wij met Hem geen gevaar loopen; dat Hij eigenlijk reeds alles volbracht heeft, en wij dus van de overwinning zeker zijn, maar bovenal dat Hij een vriendelijk Koning en goedertieren Heere is. Die wel woord houdt, als Hij eens tot ons gezegd heeft: „Ik heb gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden; wees verre van verdrukking, want gij zult niet vreezeu, en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken. . . Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken. (Jes. 04.)

Wat willen wij, als deze Koning onzen wil overbuigt? Alles wat de Koning wil, zonder voorbehoud.

Welaan, mijn ziel! het ga zoo quot;t wil,

Stel u gerust, zwijg Gode stil,

Hij immers zal uw Rotssteen wezen.

Wij willen dan het onzichtbare, bet blijvende, het eeuwige, — en van ons willen en loopen geene sprake meer, . . . „Uw wil geschiedequot;; Zijnen wil willen wij in hart en huis, voor onszelven en voor de onzen. Hij wil, dat wij Hem alles zeggen, alles klagen en alles vragen, daarom doen wij het ook, en dedeu

ocr page 67

65

wij het maar meer. Hij wil, dat wij zalig zijn; daarom zijn wij zalig in hope. Hij wil, dat ons Zijne genade genoeg zij; daarom is zij ons genoeg.

Als Hij ons trekt, dan gebeurt er wat; — dan kan de ge-heele hel, dan kunnen zonde, wereld en dood, dan kan geen vermeend gevaar ons weerhouden; dan kan het ons niet weerhouden , dat wij geene kracht hebben, — er wordt naar geene kracht gevraagd, als Hij ons trekt. Do kracht ligt in Zyn trekken, — wij loopen, wij loopen Hem na, waar Hij ook heengaat, gelijk geschreven staat Openb. 14 : 4. Als Hij trekt, dan verwijdt Hij ons het hart, dat wij zeggen: Ik zal den weg Uwer geboden loopen, als Gij mijn hart zult verwijd hebben. En in dat naloopen krijgen wij nieuwe kracht, zooals beloofd is Jes. 40: „Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden.quot; Daarom zegt David Ps. 63 : 9: „Mijne ziel kleeft U achteraan, Uwe Rechterhand ondersteunt mij.quot; Als Hij trekt, dan is er geen afval in den tijd dei-beproevingen, maar geduld en volharding ouder het kruis en onder allerlei lijden, ook wat men van zijn eigen vleesch lijdt, en men kent den troost der woorden: „Opdat de beproeving uwa geloofs kostelijker zij dan van het goud.quot; (1 Petr. 1:7; Hebr. 12:1.) En zoo brengt dan de Koning eindelijk in dc binnenkameren; wij komen er vanzelf niet in, en hoe waar wordt het daar, wat wij Psalm 25 lezen: „De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vreezen, en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.quot; Daar verheugen wij ons dan, en verblijden ons in dezen Koning, gelijk de Gemeente betuigt: „Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Heere, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijne zaligheid.quot; (Jes. 25.) Wij zullen Zijne uitnemende liefde als ver boven alle wereldsche genietingen met lofzangen vermelden en ook aan anderen vertellen, wat de Heere aan onze ziel gedaan heeft,

5

ocr page 68

66

Eéne ziel is getrokken, barmhartigheid is haar geschied, — dat hooren anderen; deze gelooven dat getrouwe en alle aanneming waardige woord, dat Christus Jesus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, — en zij loopen Hem mede na. Dat is voor God „billijkhedenquot;, Jesus lief te hebben; en dat is voor God „onrechtquot;, Hem niet alleen en onverdeeld te kiezen tot zaligheid en gelukzaligheid.

Gemeente des Heeren, en gij allen, die mij heden hoort, — die de goede keus gedaan hebt: Ziet niet zoozeer op den toestand van Kerk en land, als op uwen eigenen toestand, en dan: zwerft niet om! Er staat geschreven: „Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijne wortelen uitslaan als de Libanon. — Efraïm, wat heb Ik meer met de afgoden te doen ? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien. Ik zal hem zijn als een groene denneboom, uwe vrucht is uit Mij gevonden.quot; De schuld van het verval zit bij geene regeering op zichzelve, in geene wetten of vormen, maar bij des Heeren volk zelf: in woord zonder wandel, — in wetteloos of wettisch bestaan, — in vasthouden aan het aardsche en vergankelijke, — in menschen-vrees en gemakzucht, — in het blijven zitten op zonden, — en in het niet willen weten, wat de eigenlijke zonde is, — in het bepalen en beperken van de liefde Gods en van de genade, macht en waarheid van onzen Vredekoning.

Het zij en worde ons gebed: Trek mij! — en wij loopen den Heere na en den Achabs vooruit, — en er zal regen komen, dat liet land zijn gewas geve, en het overblijfsel behouden worde. Amen.

Nazang: Ps. 117.

Loof, loof den Heer, gij Heidendom!

Gij volken! prijst Zijn' ISlaam alom!

Zijn goedheid is, in nood en dood,

Voor ons, Zijn volk, oneindig groot.

Zijn waarheid wankelt nimmermeer.

Zingt, Hallelujah, zingt Zijn eer.

ocr page 69

V.

LBEPvREDE

OVER

Hooglied 3 : 6-11 en 4

ocr page 70
ocr page 71

LEE R REDE

OVER

Iamp;ioog-lied. 3 vs. ©—11 exx 4 vs. 1©_

Voorzang; Ps. 45 : 2.

Gord, gord, o Held! Uw zwaard aan Uwe zijde, Uw blinkend zwaard, zoo scherp gewet ten strijde;

Vertoon Uw' glans, vertoon Uw Majesteit;

Kijd zegerijk in Uwe heerlijkheid Op 't zuivre woord der waarheid; rijd voorspoedig, En heersch alom rechtvaardig en zachtmoedig. Uw Rechterhand zal 't Godlijk Eijk behoên.

En in den krijg geduchte daden doen.

Tekst; Hooglied 3 vs. 6—11 en 4 vs. 16.

„Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers? Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël; die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijne heup, van wege den schrik des nachts. De Koning Salomo heeft Zich eene koets gemaakt van het hout van Libanon. De pilaren derzelve maakte Hij van zilver, haren vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de doohteren van Jerusalem, Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren van Zion , den Koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijne moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en

Gehouden te Fijnaart in Noordbrabant, 30 Aug. 1863, des avonds.

ocr page 72

70

op den dag der vreugde Zijus barten..... Ontwaak , Noordewind!

en kom, gij Zuidewind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijnen hof kwame , en ate Zijne edele vruchten!quot;

Wie is zij, die daar opkomt uit de woest ij n, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers.

Wie is zij, — zeggen de zwakgeloovigen tot hunnen eigen troust en hunne versterking, terwijl zij de Kerkbruid zien opkomen, gelijk een rijsken uit een dor aardrijk.

Wie is zij, — vragen zij, en weten het niet, dat zij het zijn.

Wie is zij, die daar opkomt in hare lange witte kleederen, die door zoovele vijanden ten onder gehouden was, zoodat aan geen opkomen te denken was. Dezen, die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn zij ? en vanwaar zijn zij gekomen? Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen, en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. (Opeub. 7 : 12, 13.) Vraagt gij, wie zij is in zichzelve, zoo zal zij antwoorden: ik ben een niets, ik ben een onwijs en bot kalf. Vraagt gij, wie zij is door haren Bruidegom, zoo zal zij antwoorden: ik ben de Bruid. Ellendig en mismaakt in zichzelve, en toch heerlijk en volmaakt; bevlekt in zichzelve, en toch zonder vlek; arm eu toch rijk, zwak en toch sterk, treurig en toch altijd blijde; klagende en kirrende als de tortelduif en toch lofzeggende; stervende en ziet, zij leeft!

Ja, zij komt op, gelijk geschreven staat in de Psalmen. Zij komt op, want hare hulpe is van den Heere, Die hemel en aarde gemaakt heeft, Die haren ingang en uitgang behoedt, en haren voet niet laat struikelen. Zij komt op uit de woestijn, gelijk Israël, door eene hooge Hand uit Egypte verlost, uit de woestijn opkwam, opkwam in het beloofde land. Uit die groote en vreese-lijke woestijn komt zij op, waar zij schier van dorst versmachtte. Zij komt op, niettegenstaande al hare zielsvijanden; op, uit de woestijn vol slangen en scorpioenen, en waar de brieschendc

ocr page 73

71

leeuw zich ophoudt, zoekende haar te verslinden, üit de woestijn van duizende narigheden en zwarigheden komt zij op, uit de woestijn van zonden en zorgen, van nooden en angsten, van allerlei beproevingen en verdrukkingen; — zij komt op en had het zelf het minst gedacht, dat zij daaruit ooit zou opkomen. Hare uiterlijke gedaante was verwoest in de woestijn, en toch komt zij er als eeno goede strijdster uit op. Zij heeft er het loven afgebracht, en niet alleen liet leven, zij heeft het geloof behouden, en heeft om alles niet opgehouden haren God aan te roepen, en Hem in het openbaar te belijden. Zij gaat op, rechtop als rookpilaren, het hart is naar boven gekeerd tot haren getrouwe» God en Schepper; — als pilaren gaat zij op, van rook, niei van eenen akeligen en duisteren rook, maar van eenen helderen en aangenamen rook en reuk. Zij ver. breidt haren geur naar boven heen en om zich heen, zij is geheel doorgeurd met mirre en wieraok, met balsemen, kostelijker dan al het goud der wereld. Zij draagt eenen ge-heelen schat aan zich; het is alles haar verworven en geschonken door haren Bruidegom, alles voor haar gevraagd en verkregen van Zijnen Vader; — zoo is zij den Vader haars Bruidegoms een goede reuk van haren Bruidegom in degenen, die met haar uit de woestijn opkomen, en in degenen, die in de woestijn vanwege hun ongeloof vallen en omkomen. — En niet alleen de mirre van haar's Bruidegoms verdiensten, niet alleen de wierook Zijner gebeden hebben haar vervuld, maar ook allerlei poeder des kruideniers, allerlei gave van den Geest haars Bruidegoms; die wondere Geest heeft ze bereid en heeft haar een hart gegeven om Zijne stem te hooren: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid;quot; (Jerem. 31.) „Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult den Heere kennen.quot; (Hosea 2.) Die Geest overstrooide haar blijvend met geloof, hoop, liefde, met zielsuitgangen en zielsgebeden tot haren Bruidegom, met liefde tot hare medemenschen, met psalmen in den nacht, met moed en volharding om uit de woestijn uit te komen.

ocr page 74

72

Wie is zij ? Zij is met de Zon der gerechtigheid bekleed, z|j heeft de maan, de wereld, onder hare voeten, en om haar hoofd eene kroon van twaalf sterren, dat is: eene kroon der apostolische leer, haar eer en sieraad.

Dat is de Bruid, en zij gaat heen tot haren Koning; zij gaat heen tot hare rust, gelijk geschreven staat: „Zoo zegt de Heere: het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik heenging om hem tot rust te brengen.quot; (Jerem. 31.)

Deze rust wordt nu beschreven onder het beeld van een bed, — van dat, waarop de rust genoten wordt, — immers de rust vindt men in de rust.

Ziet, het bed, dat Salomo heeft, — onze Salomo is de ware en eenige Vredemaker tusschen God en Zijne welbeminde; — daarom heet Hij de Vorst des vredes.

Nu twijfel, dan geloof, zoo gaat hot op en neer,

Waar vindt de ziel haar rust? Rust vindt zij bij den Heer. En deze Zijne rust is heerlijk. (Vergel. Jes. 11 : 10.)

In dat bed komt al wat niet gelooft, niet in, gelijk wij lezen Psalm 95: „Ik heb in Mijnen toorn gezworen, zoo zij in Mijne ruste zullen ingaan!quot; Ja, er is nog een sabbatismos, eene ruste, open voor het volk Gods. Onze Salomo geeft den vermoeiden en belasten rust voor hunne zielen. Wat nu die rust aangaat, die inwendige, die verborgene rust, zij is wel bewaard: Om dat bed staan zestig helden, — een getal, welks uitlegging ons te veel zoude ophouden, maar waarin de hoofdgetallen liggen opgesloten van Salomo's tempel, waarin de ark rustte. Deze helden mogen deels de engelen zijn, gelijk wij lezen Ps. 34: 8; Ps. 91: 11 ; Ps. 103: 20; — het zijn deels zeker alle trouwe wachters op Zions muren, degenen, wien de Koning Zijn Woord heeft toevertrouwd, en die Hij ook heeft getrouw geacht; — het zijn niet minder alle armen van geest, die den zoeten troost kennen van do rechtvaardigheid des ge-loofs en van de volharding der heiligen. En daar vraag ik nu menigeen: waarvoor is hij dan nog bevreesd ? en waarom

ocr page 75

73

is hij niet zelf een held? Immers staat de belofte vast: De zwakke zal zeggen: ik ben een held. — Zij zijn van de helden van Israël. Een dubbel getal van de helden, die eens David had. Zij zijn van de helden van Israël, zij hebben Israël lief. Zij hebben allen in hunne kracht zich vorstelijk gedragen met God. Te Bethel hebben zij Hem gevonden , te Pniël hebben zij mede den nieuwen naam van Israël ontvangen. Die uitverkorenen Gods, die de Heere bijzonder verwaardigt, om voor de eer Zijns Naams en voor de rust, die Zijn volk in den Heere heeft, in de bres te springen, dragen altemaal zwaarden, niet één is'er ongewapend, zij zijn alle gewapend met het zwaard des Geestes, hetwelk is, gelijk de Apostel Paulus zegt, het Woord Gods, — dat zijn tweesnijdende woorden. Zoo lezen wij Hebr. 4 : 12: „Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel, en des geestes, en der zamenvoegselen, en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten,quot; en, zoo staat er 2 Cor. 10 ; 4; „De wapenen van onzen krijg zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God, tot neder-werping der sterkten.quot; Zij zijn geleerd ten oorlog; het zijn geen nieuwelingen, die van het bedde Salomo's wegloopen, maar het zijn oude beproefde soldaten, die met David zeggen, Ps. 18: 35: „Hij leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is.quot;

Elk hebbende zijn zwaard aan zijne heup, — elk heeft des Heeren Woord in levende bevinding, elk legt dat Woord niet af, maar heeft het in zijnen gordel der waarheid aan zijne heup dag en nacht, vooral in de nachten, van wege den schrik des nachts, — als wanneer de Bruid in alle gevaren is, om uit hare rust, die zij in den Bruidegom heeft, opgeschrikt, ja, uit die rust verdreven te worden. Zóó wordt de belofte vervuld, Ps. 91 : „Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; u zal geen kwaad wedervaren, en geeno plage zal tot uwe tent

ocr page 76

74

naderen.quot; Het bevreemdt ons niet, dat menigeen zich niet iu de ruste begeeft, die er voor des Heeren volk open staat. „Heerequot;, bad de Profeet, „open dezen jongen de oogenquot;; die jongen zag niets dan vleeschelijke paarden cu wagenen om zicli heen, die verderf dreigden, — de Heere hoorde het gebed , en opende den jongen zijne oogen, en deze zag den berg vol vurige paarden en wagenen. Deze belden, die om bet bedde Salomo's staan, zijn niet als die in de lucht slaan, maar zij treffen den vijand met gewissen slag', en strijden zoo den goeden strijd; — elk van ben is steeds bereid, alles neder te werpen wat zich verheft tegen de kennisse Gods en Cbristi. Schrikkelijk is de nacht van dwaling cn vervoering, maar zij zijn niet bang, zij vertrouwen op hun zwaard uit Zions tuighuis, en zijn zoo om bet bedde, waarop de Bruid rust, opdat de vijand haar niet verschrikke noch wegvoere.

Zoo is die rust in God, die rust in den Bruidegom wél bewaard, en die uit het bedde wegloopen en zich afscheiden, zien op den nacht, op deszelfs schrik, op den vijand — en vergeten de getrouwe wacht, die niet sterft noch overgeeft.

Maar er is nog meer dan deze wacht en maebt; hebben de vijanden wagens, vreeselijke, schrikkelijke wagens, om Gods volk, om Gods Bruid in schrik en vrees te houden, ja te onderdrukken, de Bruidegom heeft nog eenen anderen wagen — deze wagen behoeft geene scherpe zeisen en sikkels, hij is zoodanig vervaardigd, dat bij vanzelf den vijand schrik aanbrengt en hem op de vlucht drijft, zoodat deze allen des doods worden vau wege zijne heerlijkheid. Eene koets heet die wagen in onze vertaling, — wij behouden dat woord, als bet best verstaanbaar, al beet het ook eigenlijk eene draagbaar. Was bet eene draagbaar, zoo moesten allen voor die draagbaar wijken, — zoo moet voor die koninklijke koets alles wijken. Salomo, de Koning des vredes, maakte ze, — geen ander kon ze maken. Hij maakte ze door Zijne eeuwige wijsheid; — Hij maakte ze voor Zich, dat is ter Zijner eere, om er met Zijne Bruid in te rijden. Hij maakte ze van het hout van

ocr page 77

7-5

Libanou, dat is van cederenhout, hetwelk niet verrot, dat altijd blijft, dat onvergankelijk ia, daar de tand des tijds of de worm niet aan of inkomen kan.

Die koets van Salomo is Zijn Woord, dat in eeuwigheid blijft, dat Woord komt van den hemel, waarvan de Libanon een beeld is.

Die koets heeft een gehemelte of, zooals wij zeggen, eenen hemel over zich, om te dekken en te schutten voor zonnebrand en regenvlaag; die hemel is van purper, dat is Zijn verzoenend bloed, waardoor Hij eene bedekking is; die hemel rust op pilaren, dat is op vastigheden, van zilver, dat is van Zijne waarachtige en onschuldige mensch-heid en volbrachte gehoorzaamheid. De vloer of liever het achterkussen, waar het hoofd en bovenlijf op leunden, is van goud, dat is, het leunen des lichaams is op Zijne waarachtige Godheid, waardoor Zijn lijden eene oneindige waardij heeft, — is tevens het geloof van onzen'Vredekoning en Diens vertrouwen, door den eeuwigen Geest op God den Vader daargesteld. Het binnenste was bespreid en blijft bespreid met de werken der liefde aller ware geloovigen, die zij allen voor hunnen Koning afwerken en afgewerkt hebben.

Zulk eene koets kan niemand meer maken, en niemand mag die aantasten, en niemand wordt toegelaten ze af te breken. Het is eene eeuwige koets, van hemelschen staat, voor den Bruidegom en voor de Bruid alleen. Die koets gaat recht voor zich heen en weet van geen wijken of omwegen maken — daarvoor moet alles wijken en bezwijken, wat in den weg wil treden, wat niet mede wil. Van die koets vinden wij onder andere heelden eene beschrijving bij den Profeet Ezechiël, Hoofdstuk 1.

Zoo is des Heeren Woord. Welgelukzalig, die het voor zoodanig eenen wagen houdt; — welgelukzalig, die moede en mat op den weg ter neder ligt, en zeggen mag: „Eer ik het vermoedde, zette Hij mijne ziel op den wagen van Zijn vrijwillig volk.quot;

ocr page 78

76

De Geest vraagt: Wie is zij? zij, die de Bruid is, — Hij noemt haar niet, maar beschrijft haar, hoe hare gehecle heerlijkheid inwendig is. Zoo is dan des menschen uitwendige heerlijkheid ijdelheid, — de Bruid heeft het alles inwendig en niet bovenop.

De Geest beschrijft de rust, waarin de Bruid is ingaande, en hoe wèl bewaakt en bewaard die rust is. Zoo is dan de Bruid alleen veilig in die rust, en wat niet in die rust is , dat wordt een prooi van den schrik des nachts.

De Geest denkt aan de vijandelijke wagens en paarden, die de helden Israëls en het bed van Salomo verderven willen, — en zet daartegenover den wagen, dien Salomo Zich heeft gemaakt, en beschrijft de majesteit van eene koets, die de vijanden op de vlucht drijft; Hij beschrijft ook de duurzaamheid van deze koets; zoo heeft dan Sulammith niets te vreezen, omdat zij met den Koning in de koets is, daarentegen hebben de vijanden alles te vreezen, die met hunne wagens zich opmaken tegen deze koets, ik zou willen zeggen tegen deze locomotief, of liever „wagen des Geestesquot;.

Het Woord Gods blijft in eeuwigheid. Maar de Koning is en blijft de hoofdzaak, om Hem en door Hem en tot Hem is de Gemeente, is de rust, is de sterke wacht dier rust, en is het eeuwig blijvend Woord.

Daar Hij de hoofdzaak is, — wat wonder, dat op dit alles volgt: Gaat uit. Gaat uit, uit u zei ven en uit uwe hoeken, waarin gij u verborgen houdt of laat houden, komt te voor-sehijn! — en aanschouwt, zet er met vlijt de oogen uwer zielen op, hier is de vervulling der belofte Jes. 33 : „Uwe oogen zullen den Koning zien in Zijne schoonheidquot;; — gij dochter en van Zion, die in Zion geboren zijt! — den Koning, ons van God gegeven, Salomo, die onze Vrede is, — met de kroon, met de heerlijkheid, die op Zijn lijden gevolgd is, gelijk beloofd is Jes. 53: „als Hij Zijne ziele tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zal Hij zaad zienquot;; — waarmede Zijne moeder, de Heilige Geest, Hem kroonde

ocr page 79

77

op den (Lig Zijner bruiloft, op Zijnen Pinksterdag, en op don dag dor vreugde Zijns harten, toen Hij Zijne Bruid als een verloren sdiaap binnen kreeg in Zijn paleis.

O, als wij op dien Koning Salomo zien en op die kroon, — wat is dan de aarde, wat de wereld, wat de hel, wat elke vijand bij deze heerlijkheid? Dat wij maar om onzen eigen tuin en om waarachtige vrucht ter Zijner eere en verheuging bekommerd zijn, en daarom den Heiligen Geest smeeken, dat Hij ontwake als uit den slaap, dat Hij als een groot Ontfermer en machtig Werker onwederstaanbaar blaze, •—■ vooreerst als een noorde-wind, die heel scherp, koud on droog is, maar die de lucht, waarin zoo vele boosheden en kwade dampen zijn, zuivere en gezond make, en het te weelderig uitslaan van allerlei planten verhindere, en dan als een zuidewind, dio de vruchten sappig maakt en tot rijpheid brengt. Zoo mogen dan des Heer en specerijen, die Hij Zelf geplant heeft, in onzen hof uitvloeien. Onze hof is Zijn hof. O, dat mijn Liefste, mijn eenig eeuwig Al, tot Zijnen duurgekochten hof kwame! Ja, kom Heere Jesus, en eet Uwe edele vruchten,— Gij moet het alles genieten, wat wij door U gedaan hebben. Wij werpen onze kroonen aan Uwe voeten: „Gij alleen zijt waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid en sterkte, en eer en heerlijkheid en dankzegging!quot; Amen.

Nazang: Ps. 118 : 8.

Gods Eechterhaml is hoog verheven;

Des Heeren sterke Reehterhand Doet door haar daan de wereld beven;

Houdt door haar kracht Gods volk in stand.

Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven,

Maar leven; en des Heeren daan,

Waardoor wij zoo veel heils venverven,

Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.

ocr page 80

WERKEN VAN DR, H, F. KOHLBRÜGGE,

uitgegeven doob

SCHEFFER amp; Co., Amsterdam.

Betbachting ovee het Eerste Kapittel van het Evang. van Mattheüs, met eene voorrede en aanteekeningen

vermeerderd door Ds. J. J. gobids du sart. NieUWC

Uitgave.................ƒ 1-40

Betrachting ovee den Eersten Psalm.......„0.60

'Feest stomen.

le Stuk 5 Keestpreeken............ 0.60

2e „ 7 Paaschpeeeken...........„0.80

3e „ 3 Hemelvaaetspreeken , ter perse......,0.30

4C „ 7 Pinksterpreeken , „ „.....„0.80

De Tabernakel en zijne gereedschappen. Acht en twintig Leeeeedenen gehouden in de jaeen 1856—59. Uit het

Hoogduitsch vertaald............. 2.40

Leerrede ovee Psalm 8. Uit het Hoogduitsch . . . . „0.15

Drie Leerredenen ovee Psalm 13. Uit het Hoogduitsch. „ 0.30

Leerrede over Psalm 16. Uit het Hoogduitsch. . . . „ 0.15 Viee Leerredenen over Psalm 23. Tweede naar de

laatste Duitsche editie herziene druk........ 0.40

Leerrede over Psalm 24. Idem.........»0.15

„ „ „ 32. Uit het Hoogduitsch. . . . „ 0.10 Eerste Twaalftal Leerredenen. Gehouden te Elbebfeld

in de jaren 1846 en 1847. Tweede druk....... 1-50

Negen Leerredenen. Drie Bundels. Iedere Bundel . . „0.70

Onze Heere voor Kajafas en Pilatus. Viee Leeeeedenen. „ 0.40 Jesus en de Zondaees. Dbie Leeeeedenen ovee Luk. 7

vs. 36 — 50. Uit het Hoogduitsch........» 0-30

ocr page 81

Op weg maak den Hemel. Drie Betraciitingeu.

I. „Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak.quot;

II. „Heere, dat ik ziende mag worden !quot;

III. „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en

voor U.quot; Tweede druk.........ƒ 0.40

Twee Leerredenen over Galaten 2 vs. 19 en 20. Uit

het Hoogduitsch..............„0.25

Genesis 3 voor de gemeente uitgelegd. Derde naar de

laatste Duitsche editie herziene druk........ 0.45

Blikken in het Eerste Kapittel van het Eerste Boek

van Samuël...............„0.15

Psalm 33 verklaard. Eene wekstem vóór, in en na den

oorlog...................0.15

Op Goeden Vrijdag. Korte stichtelijke gedachten bij

het lezen van het évangelie aangaande het lijden en sterven van onzen heere en zaligmaker jesus

Christus. Tweede druk............ 0.30

De genadevolle verborgenheid van den GrOOTEN verzoendag, naar het 16c Kapittel van Leviticus ; benevens eene inleidende verklaring van den geheelen

Offerdienst onder het Oude Verbond......„ 0.20

Heere . bekeer ons tot U, zoo zullen wij bekeep.d zijn.

Leerrede over Klaagl v. .Teremia 5 vs. 21a. . . . „ 0.05

Leerrede over Zacharia 4...........„0.15

De Heere, Philippus en Nathanaël. Leerrede over

Joh. 1 vs. 43 — 51.............„0.10

Het Ambt der Presbyters. (Ouderlingen, Opzieners, Bisschoppen). Uiteengezet naar aanleiding van 1 Petrus

5 vs. 1 — 4, tevens met inachtneming en toepassing

der overige Schriften, inzonderheid der brieven van

Paulus aan Titus en ïimotheüs........,, 0.50

Historisch-Theologische gesprekken tusschen twee Geref. Predikanten, een Oom en een Neef, betreffende het

lezen, bij de bediening van den heiligen doop, van het geiieele formulier, vooral echter van den aanhef van het gebed: „dle naar Uw streng oordeel ....

door hetwelk de Doop beduid wordt.'' Tweede druk. „ 0.50 De drie stukken van ons Formulier om het Heilige Nachtmaal te houden. Nader overwogen en toegepast

in eene Leerrede.............. 0.05

ocr page 82

Hoogstbeiangrijke briefwisseling tüsschen Dr. H. f. Kohlbrügge en een van de meest beroemden zijner

TIJDGENOOTEN OVER DE LEER DER HEILIGMAKING. NAAR AANLEIDING VAN EN VERMEERDERD MET EENE LEERREDE

over Rom. 7 vs. 14............./0.40

De Taal Kanaëns. Een Gesprek tüsschen twee reizigers

NAAR DE EEUWIGHEID. VGOR HET VOLK........0.50

Het Gebed. Vier Leerredenen over Heidelb. Catechismus Vraag en Antw. 116—118. Tweede druk. . „ 0.25 Leerrede over Handelingen der Apostelen. Hoofdst. 10

vs. 42 en 43.................0.05

Vreest God, eert den Koning. Leerrede over 1 Petr. 2 vs. 11—17, wat de Gereformeerde Kerk leert omtrent

de gehoorzaamheid aan de Overheid....... 0.15

Heere, leer mij Uwe inzettingen ! Eene uitbreiding van

Psalm 119 vs. 33—40. Derde druk.......»0.10

Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste....... 0.025

bij 25-tallen ƒ 0.50, bij 100-tallen........ 1.50

Vragen en antwoorden ter opheldering van den Hei-

delbergschen Catechismus. Vierde druk.....„0.60

In linnen stempelband............0.90

Eenige vragen en antwoorden tot zelfonderzoek en

ZELFOEFENING OF BIJ HET DOEN VAN BELIJDENIS DES GELOOFS.

Tweede druk................. 0.10

Kleine Catechismus of Kort begrip der leer, enz.

Zesde druk................„0.05

Korte verklaring van Genesis 1 vs. 27. (Uit de handschriftelijke nalatenschap)........... 0-10

H. VAN DRUTEN , Hoe Dr. H. P. Kohlbrügge predikant werd. . . ...............1-20

J. H. F. KOHLBRÜGGE, Lijst van werken en geschriften van en over Dr. H. P. Kohlbrügge, benevens

eene voorrede , bevattende eenige bijzonderheden betreffende diens afzetting als proponent en verhouding tot afscheiding enz. voor vrienden in het licht gegeven................ 0.80

ocr page 83
ocr page 84
ocr page 85