1 A
10
KOHLBRUGGE ARCHIEF.
JO
1 ojuotv ^ »-n
^ /amp;C O^j^ök^-ö^vv*^öic^ iaâ¬M^CXV^»vXldKi. ItXii 3 ^ *^v CU Xo-vrdo^^ ^ _ yo
é v«x. 3^1-^ ^\~*ki
y quot;iifuuJt) CoA 1quot; '9^ a
TWEE LEERREDENEN,
OVER
PSALM 77 vs. 1-14 en MATTHEÃS 8 vs. 17b.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
m -
r
TWEE LEERREDENEN,
I
over
Psalm 77 vs. 1-14 en lattheiis 8 vs. 17b.
nook
Dr. II. F. KOHLBRÃGGE,
in leven Predikant hij de Nederlandsch-Gere formeerde Gemeente te Elberfeld.
f
Gehouden in November 1849 tijdeus het heerschen der cholera.
Uit het ^oogduitsch.
M2
^vfcrbum jehov^k MANET IN i sternum b
AMSTERDAM, S C ir E F F E R amp; Co.
1892.
De liederen, die de lezer in deze leerredenen vindt, zijn die van den Duitsclien gezangbundel, in gebruik bij de Nederlandsch-Gerefor-meerde Gemeente te Elberfeld. Hunne vertaling is gedeeltelijk ontleend aan de berijming van A. Velingius en I). E. Ottcrbein. (Amsterdam, 17 .⢠S )
L E E II E E L) E
OVER
PSALM 77 vs. 1 â 14.
Voorzang: Lied 249 vs. 2 en 3.
'k Mocht, door mijn schuld, geen ruste viuden,
Maar, met een diep ontrust gemoed,
Was ik een prooi van woeste winden,
Geslingerd door den wilden vloed. Verkeerdheid bleef mij immer eigen,
't Bevlekt geweten bleef mij dreigen
Met diep' ellend' en bitt'ren nood. Vertwijf'lend door de kracht der golven, Was 'k onder zond' en schuld bedolven, En streed met leven en met dood.
Doch onder al mijn' nood en lijden Aanschouwde Jesus mijne smart;
Hij zag mijn bidden en mijn strijden, En toonde mij Zijn Midd'laarshart.
Hij schonk mij krachten in 't gelooven,
Waar twijf'liug mij Zijn Woord zou rooven;
, En nu verkwikt Zijn vrede mij !
Hoe groot, mijn Jesus, is Uw liefde:
Gij troost, waar bitt're nood mij griefde, En wie verkwikt, wie troost als Gij ?
Gehouden 4 November 1849.
LEERREDE OVER PSAL5I 77 VS. 1â14.
Tekst; Psalm 77 vs. 1 â14.
1. âEen Psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jedütliun. 3. Mijne stem is tot God, en ik roep; mijne stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen. 3. Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere; mijne hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijne ziel weigerde getroost te worden. 4. Dacht ik aan God, zoo maakte ik misbaar; peinsde ik; zoo werd mijne ziel overstelpt. Sela. 5. Gij hieklt mijne oogen wakende ; ik was verslagen, en sprak niet. 6. Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen. 7. Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overleide ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht; (8.) Zal dan de Heere in eeuwigheden verstooten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? 9. Houdt Zijne goedertierenheid in eeuwigheid op? heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? 10. Heeft God vergeten genadig te zijn? heeft Hij Zijne barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela. 11. Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de Rechterhand des Allerhoogsten verandert. 12. Ik zal de daden des Heeuen gedenken, ja ik zal gedenken Uwe wonderen van ouds her; (13.) en zal Uwe werken betrachten, en van Uwe daden spreken. 14. O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?quot;
âAl Mijn berouw (volgens Luther: Mijne barmhartigheid) is te zamen ontstoken; Ik zal de hittighcid Mijns toorns niet uitvoeren.quot; (Hos. 11 vs. 8 en 9.)!) âDeze woorden heeft de Heere in de week, die nu achter ons ligt, bij ons waargemaakt. Wederom zijn wij allen in het leven gebleven, ofschoon wij vóór anderen den dood verdiend hebben. Wij allen spreken het uit: âGeloofd zij Zijn heilige Naam, Zijne barmhartigheid over ons heeft geen einde, Zijne goedertierenheid is eiken morgen nieuwquot;.
6
Deelen wij thans elkander mede, wat wij in de week, die nu voorbij is, ondervonden hebben, en scheppen wij uit do troostbron van het levende quot;Woord Gods eenen frisschen, laven-den dronk, om onze reis door deze woestijn wederom zeven dagen voort te zetten. â Wat is daartoe wel geschikter dan
1) De aangehaalde woorden luiden bij Luther aldus: âMijne barmhartigheid is te vurig, zoadat Ik niet doen zal naar Mijnen griratnigen toomquot;.
LEERREDE OVER PSALM 77 VS. 1
7
â 14.
do zeven-en-zeventigste Psalm ? Wilt dus met alle aandacht uit dezen Psalm vernemen, hoe het eenen ellendige in nood en gevaar des lichaams en der ziel te moede is, hoe groot de benauwdheid des harten kan worden, hoe beangst het geweten kan zijn, en hoe hij door den Heere geholpen wordt.
Deze Psalm is een Psalm van Asaf, van eenen man, wien zijne verdorvenheid zeer in het bijzonder ontdekt is, die veel ellende gezien heeft, in groote aanvechting geweest is, en menigmaal in allerlei angsten des gewetens der vertwijfeling nabij was, die echter bij Gods waarheid volhard heeft, en daarom bij al zijn roepen: âIk ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?quot; met Paulus in hot binnenste der ziel rust, heerlijke rust gevonden heeft, waarom hij door den Heiligen Geest betuigt: âIk dank God, door Jesus Christus, onzen Heerequot;.
Asaf bestemde dezen Psalm voor den opperzangmeester, om hem voor te zingen; hij gaf hem dus, om gebruikt te worden door de Gemeente Gods, opdat allen, die met hem of na hem in dergelijke aanvechting zijn, wanneer z|j dezen Psalm hooren of lezen, zouden weten, dat zij niet de eenige geplaagden in de wereld zijn, maar dat hun weg dezelfde is, welken de gansche broederschap te gaan heeft; â ook dat deze Psalm juist voor hen gemaakt is.
Wij willen eerst het 2de Vers afzonderlijk behandelen, daarna uit het 3de, 4au en 5tle Vers vernemen, hoe het in de aanvechting toegaat; vervolgeus willen wij nagaan, hoe de ziel allengs weder uit de aanvechting opkomt, en wel, naar het 6tlc en 7'1lt;: Vers, met betrachting van hetgeen zij vroeger van de goedertierenheid Gods ervaren heeft; en, naar het 8stl!, 9dc en 10le Vers, met overdenking van hetgeen een einde maakt aan de vertwijfeling: de Heere toch blijft de oude getrouwe God; ten slotte willen wij overwegen, hoe de ziel wederom moed grijpt, en hoe h et te allen tijde Gods wijze is geweest. Zijne macht te verheerlijken in onze machteloosheid, en ons te leiden, zooals wij het nooit verwacht hadden.
leerrede over psalm 77 vs. 1 â 14.
Tusschenzang; Lied 196 vs. 8.
Als 't gezicht van mijne zonden
Mijn gemoed ternederslaat,
Vrees en twijfeling, verbonden,
't Sidd'rend hart geen ruste laat;
Als mijn oog Gods hulp verbeidt,
Als 't in nooden tot Hem schreit; â
O laat mij dan niet versmachten,
Vrucht'ioos op Uw sterkte wachten.
I.
Mijne stem is tot God, en ik roep; mijne stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.
Ik roep, zegt Asaf, opdat de aangevoclitene het hoore en ook roepe, of, zoo hij reeds roept, daarin niet vertrage. â Uit de diepte des harten, uit de diepte der ziel, waar alle ellende, nood en zonde, die op het hart drukt, zich ophoopt, breekt de stem gelijk de bliksem uit het graf der ellende naar buiten; eene stem, hoezeer ook aanvankelijk weerhoudeu, baant zich eenen weg naar boven. â Waarheen? Tot God, tot den levenden God en eenigen Verlosser. De ziel kan het niet langer uithouden in den nood, ia de zonde, in den dood, in het gevaar van om te komen. Tot God moet zij heen, ofschoon God toornt, ofschoon Zijne hand dag en nacht zwaar op den mensch is, zoodat zijn sap wordt veranderd in zomerdroogten.
Mijne stem is tot God, herhaalt Asaf. Ofschoon do dood ons aangegrepen heeft, ofschoon alle duivelen ons willen medesleuren, ofschoon wij aan den rand der hel staan,âjuist vanwege deze verlorenheid, vanwege het omkomen roepen wij tot God. Bij onszelven kunnen wij het niet vinden, bij geenen mensch meer; menschen kunnen niet helpen, niet troosten, geen leven geven, zij kunnen de zonden niet vergeven, het geweten niet stillen, noch het hart reinigen; zij kunnen allen niet zalig maken; in de gansche wereld is geene hulp te vinden. Wij
8
LEERREDE OVER PSALM 77 VS. 1 â14.
voelen ons geheel zonder God. Met Hem, ons hoogste Goed, moeten wij weder vereenigd zijn. Van Hem alleen kan de hulp komen. Hij alleen kan verlossen, Zijne macht alleen is daartoe genoegzaam, Hij alleen kan den zondaar rechtvaardigen, Hij alleen Zich over hem in zijne ellende ontfermen, hem barmhartigheid laten wedervaren, en een woord tot de ziel spreken, waardoor wij de zekerheid verkrijgen, dat ons de zonden vergeven zijn, dat wij aan onzen God eenen genadigen, verzoenden God en Vader hebben. Daarom: Mijne stem is tot God.
De arme zondaar, hij, die den ondergang nabij is, verneme het, opdat ook hij tot God roepe; want als de nood, de aanvechting, als dood, zonde en rampspoed op ons aanstormen, dan wil de duivel ons altijd den mond sluiten en ons worgen, opdat wij toch niet tot God roepen. Daarom bedelft de duivel ons onder allerlei oude en nieuwe zonden, zegt ons, dat God de zondaars niet hoort; vervult bovendien het hart met allerlei Godslasterlijke gedachten, als: âWaarmede heb ik dat verdiend?quot; of: âDat hebt gij nu daar- of daarvoorquot;, en hij wil, dat de mensch God in zijn hart zegene en zich onttrekke met do gedachte: âGod wil mij toch nietquot;. Daarom herhaalt Asaf het: Mijne stem is tot God, als wilde hij zeggen: Tot God, tot God, zeg ik, moet ik heen, tot Hem maak ik mij nochtans op; ik weet wel, dat ik het niet verdiend heb, dat Hij mij helpt; maar waar zal ik anders blijven dan voor de deur der genade? ïot de duivelen kan en wil ik niet gaan.
Terstond daarop nu betuigt hij, dat zijn roepen niet ver-geefsch is; dat, hoewel het scheen, alsof God niet wilde, alsof Hij niet op hem, maar wel op anderen lette, zijn roepen toch
vernomen is. Daarom schrijft hij: Hij verhoort mij. M __
9
Hij neigt het oor tot mij, arm schaap, dat vanwege den groeten nood niet ophoudt tot Hem te blaten. Dat is geschreven tot troost van den aangevochtene, die denkt: âGod verhoort mij nietquot;, als de nood nog hooger klimt, en hij in het geheel
1) Aldus vertaalt Luther.
LEERREDE OVER PSALM 77 VS. 1 â14.
geen uitzicht op hulp of verademing heeft. Asaf wil zeggen: Dierbare Gemeente Gods! ik ben zulk een arm dier, ik vertwijfelde aan mijn leven, ik was ten prooi aan den grootsten angst, terwijl ik dacht: God zou Zijn Woord bij mij niet waarmaken, niet aan mij Zijne barmhartigheid verheerlijken. Toen ik echter tot God riep, â tot God, zeg ik, hoezeer ik ook door gevoel van zonde, nood, dood en ellende weerhouden werd, â zoo liet Hij Zich toch verbidden. Daarom, vergeten wat achter ons ligt, en tot God hoen! Hij zal, Hij moet u vcrhooren!
En zoo hebben wij het ervaren in de laatste week. Daarom heete het ook bij ons in deze week: âTot God, tot God is mijne stom, en Hij verhoort mijquot;. Immers heeft Hij ook gezegd : âMijne duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, doe Mij uwe stem hoorenquot;. (Hoogl. 2 vs. 14.)
II.
In de aanvechting gaat het zóó toe, dat men, terwijl men tot God roept, zich als zonder God gevoelt; God houdt Zich verborgen, Hij schijnt Zich niet te willen laten vinden. Daarom zegt Asaf: Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere. Dat is geene geringe benauwdheid, waarvan hij spreekt, maar eene zware, ja de zwaarste aanvechting, die alle kinderen Gods door te maken hebben. Het gaat naar den 22sten Psalm: âMijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten? Benauwdheid is nabij, en er is geen helper!quot; (Vers 2 en 12.) Daar gaat men dan aan het zoeken in het gebed, in het Woord, of er niet een straal van troost komt, of niet de Heere komt. Men zoekt Dien, Die alleen verlossen kan, Dien men liefheeft, men zoekt den Heere, gelijk Maria Magdalena, die vroeg: âHebt gij mijnen Heere weggenomen?quot; â men zoekt den Heere Zijner Gemeente. Wat heeft Hij niet aan ons gedaan, wat ons niet al beloofd! Hij alleen kan verlossen uit zulk eene diepte, â maar men ziet slechts nood en dood, en den Heere vindt men niet. Het geloof moet
10
leerrede over psalm 77 vs. 1 â 14.
den Hcere hebben, maar het geloof kan niets meer vasthouden. Des nachts, als de menschen sliepen, was mijne hand uitgestrekt, in de duisternis, uitgestrekt tot Hem, en liet niet af; en of ons daarbij ook al eene geruststellende gedachte inviel, zoodat wij in onszelven zeiden: âJozef leeft nogquot;, het hart was toch van geheel andere dingen vervuld, en geloofde de boste woorden niet, want de Heere was niet gekomen, en intusschen was de nood dermate gestegen, dat de hulp geene seconde meer uitblijven mocht. Wat is troost des Woords zonder daden des quot;Woords, zoolang men meer op den nood ziet dan op het Woord, zoolang de Heere met Zijne tegenwoordigheid geen einde gemaakt heeft aan den nood ?
Mijne ziel weigerde getroost te worden, schrijft Asaf daarom, d. i. zij verwierp allen troost, zoolang zij uiet den Pleere Zeiven had, dat Hij haar rechtvaardigde en hielp.
Hoe men echter ook den Heere zoekt. God blijft uit. Men zendt bode op bode tot den Heere, men roept en roept nogmaals, â en intusschen ligt Lazarus op sterven.
O, dan vermenigvuldigen zich de gedachten aan God, wanneer wij zoo den dood voor oogen hebben en ons onzer ellendigheid en hulpeloosheid zoo gansch en al bewust worden, en alle duivelen met ons den spot drijven. Dacht ik aan God, aldus vervolgt de Psalmist, zoo maakte ik misbaar. Ja, hoe diep bedroefd wordt men dan, als men aan God denkt! Waarom komt Hij niet? waarom is Hij toch niet hier? Bekommert Hij Zich dan in het geheel niets moer om mijnen nood? O, ik weet het, ik heb alles verzondigd; daarom heet het nu tot mij; âIk zal lachen in uw verderf. Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komtquot;.
Ach, hoe is mijne ziel ontroerd, als ik van Hem spreek tot anderen, als ik dit alles overpeins â: Peinsde ik, zoo werd mijne ziel overstelpt! Met deze woorden beschrijft Asaf zijne en aller geloovigen zware aanvechting, dat zij gaarne van Gods ontferming zouden willen spreken, doch in hun binnenste slechts vreeze gevoelen, â van Zijne vrije
11
LEERREDE OVER PSALM 77 VS. 1 â14.
genade, maar door hunne zonden terneergeslagen worden, â van Zijne waarheid, maar niets kunnen gelooven, niets voor zichzelven voor waar kunnen houden. Welk eene benauwdheid is dat in het binnenste! âSelaquot;, schrijft Asaf, als wilde hij zeggen: Ach, hoe lang duurt deze aanvechting!
G ij h i e 1 d t m ij n e o o g e n wakende. Ach, de sombere gedachten, waarmede men zich aftobt op zijne legerstede, vermenigvuldigen zich zoozeer; men zo\i zoo gaarne een weinig-slaap hebben, maar ook dat geeft God niet, en zoo begint men dan welhaast te klagen: âIk ben zóó uitgeput, dat ik niet meer spreken kanquot;, â ik was verslagen, en sprak niet, zoo lezen wij verder in onzen tekst. Ik heb geen enkel wapen meer tegen alle aanvallen des boozen; alles is weg, ik lig hier neder in mijne ellende en mijnen jammer; ik zou willen uitroepen: âPak u weg, duivel, en ga naar Golgotha!quot; maar ook daartoe heb ik den moed niet. Ik word hier niets anders gewaar, dan dat de dood het leven spoedig zal verslonden hebben, en Gij zijt verre van mij, mijn God!
Deze en dergelijke aanvechtingen zal misschien menigeen onzer verleden week doorgemaakt hebben, en mocht iemand zulks in deze week of later doormaken, dan wete hij, dat er ook een Asaf, dat er nog meer geweest zijn, die aan zooda-uigen angst en zulk eene machteloosheid overgegeven ternederlagen, zoodat zij den moed niet hadden, om te zeggen, wat zij toch zeggen mochten.
III.
Dat moeten wij vóór alle dingen weten, dat God toch niet zoo ver van de ziel is, als deze wel meent. Hij is met Zijne verborgene ondersteuning haar wel nabij, en geeft door Zijnen Heiligen Geest den aangevochtene gedachten in, door welke hij allengs uit de aanvechting weder opkomt. â Daartoe laat Hij de ziel ten eerste overwegen, wat zij vroeger van de Goddelijke goedertierenheid ondervonden heeft. Daarom schrijft
12
LEERREDE OVER PSALM 77 VS. 1 â 14.
Asaf: Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen; ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overIeide ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht; want als de nood ons prangt, dan woi'dt de ziel, al kunnen wij ons ook niet met vroegere ervaringen helpen of' troosten, toch allengs uit de diepte van den nood opgeheven door de overdenking, hoe de Heere haar te voren menige genade bewezen, menige verlossing beschikt heeft; en ofschoon zoodanige overdenking de aanvechting nog heviger schijnt te maken, gevoelen wij toch werkelijk eenige verlichting, als wij God eens mogen voorhouden, hoe Hij ons toch van moeders buik af gekend, en zoo menigmaal als op arendsvleugelen doqr alles heen en over alles heen gedragen heeft. En als wij dan bedenken, hoe dikwijls wij van harte gezongen hebben: âDe Heer is mij tot hulp en sterktequot;, dan wordt de begeerte, om deze hulp en sterkte bij vernieuwing te ondervinden, recht levendig. Daarom begint het vreesachtige hart aldus te spreken: âDe oude, trouwe God zal toch wel kunnen wederkeeren en verlossen; Hij heeft toch zoo dikwijls geholpen en wonderen gedaanquot;; daarom moet de geest onderzoeken, of de Heere het verlorene toch niet weder zou kunnen en willen zoeken en herstellen. Zoo is dan de Heere, Die gezocht wordt, ofschoon Hij Zich verborgen houdt, zeer nabij, en heeft Zijne genaderijke tegenwoordigheid bewezen, door het verslagene hart weder op te wekken tot eene zoete overpeinzing der Goddelijke weldaden, door welke Hij Zijne liefelijkheid heeft te smaken gegeven aan degenen, die Hom vreezen, en tot het gedenken aan de veelvuldige hulp, die de Heere aan Zijne Gemeente heeft bewezen, en de groote heilsgoedcren, met welke Hij haar altijd in hare armoede rijk gemaakt heeft.
Ten andere laat Hij de ziel uit hare aanvechting daardoor weder opkomen, dat Hij haar door het onderzoeken op allerlei vragen brengt, die wel de vertwijfeling nog grooter schijnen te maken, maar inderdaad de vertwijfeling doen ophouden.
13
LEERREDE OVER PSALM 77 VS, 1 â14.
De vragen zijn namelijk alle van dien aard, dat de aange-vochtene ziel op geene enkele beslist âjaquot; kan zeggen, maar eindelijk moet uitroepen; âNeen, neen!quot;
De Heere heeft mij verlaten, heet het, waarom verstoot Gij mij van Uw aangezicht? Ach, hoe lange, hoe lange! Zal het dan eeuwig zoo blijven? Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoeten? Zal Hij mij laten uitdrogen, zoodat alle leven en sap voor eeuwig weg is? En als antwoord wordt vernomen: Het is onmogelijk, dat God Zijn erfdeel zou haten, dat Hij degenen, die Hij eenmaal aangenomen heeft, niet meer zou aannemen, en hun niet meer genadig zou zijn, die Hij begenadigd heeft in den Geliefde.
Daar ontstaat reeds in de ziel de gedachte aan genade, een honger en dorst naar genade, een roepen: âZijt mij genadig, o God! naar Uwe groote goedertierenheid!quot; en een vragen: Zal de Heere voortaan niet meer goedgunstig zijn? Deze wonderbare genegenheid jegens ons, met welke Hij ons tot dusver genegen is geweest, deze vrije liefde, die zich door geene zonde heeft laten weerhouden, zal Hij haar niet meer bewijzen? Daar krijgt het harde ongeloof eenen stoot; het geloof is gewekt: Ja, Hij moet genade bewijzen! Daar wordt de hoop gewekt; ook zij begint te klagen en te vragen: Houdt Zijne goedertierenheid in eeuwigheid op? hoeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Dat kan toch niet waar zijn; Zijne goedertierenheid duurt immers tot in eeuwigheid, en Zijne toezegging moet immers komen. Gods mond kan niet liegen. Zijn Woord kan den mensch niet bedriegen. De duivel werpt wel dit woord in het hart: âZijne goedertierenheid houdt in eeuwigheid op. Zijne toezegging geldt u niet!quot; â maar door des Heeren ingeving is ongemerkt in het hart het woordje âgoedertierenheidquot; en het woordje âtoezeggingquot; opgedoken, en er is een worstelen, totdat het ten slotte heet: âNeen, Zijne goedertierenheid kan niet ophouden, goedertierenheid is goedertierenheid, zij stoort zich niet aan zonde, zoekt geen
14
LEERREDE OVER PSALM 77 VS. 1 â14.
werk van onze handen; goedertierenheid verlost en zet in vrije ruimtequot;.
âBergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheidquot;, heeft Hij gezegd, âzal van u niet wijkenquot; (Jes. 54 vs 10), en: âDe toezegging zal op het einde komen en niet achterblijvenquot; (Hab. 2 vs. 3); en onwrikbaar vast staat immers het woord; âDe rechtvaardige zal door zijn geloof levenquot; (Vers 4). God is getrouw en waarachtig. Zijn Testament is vast door den dood Zijns Zoons.
Allengs wordt het versaagde hart met rust vervuld, en de vertwijfeling moet plaats maken voor de liefde, opdat ook do liefde beginne te vragen en te klagen: Heeft God vergeten genadig te zijn? hee ft Hij Zij n e b ar mhar ti gh ed e n door toorn toegesloten? Sela. Kan de Almachtige Zijne natuur verloochenen. Hij, Die toch rijk is aan genade over allen, die Hem aanroepen, en mild om het leven te geven aan zulken, die niets verdiend hebben dan den eeuwigen dood ? Zou Hij niet meer gedachtig zijn, dat Hij eens voor altijd op Zich genomen heeft, niet moede noch mat te worden, maar Zijne genade rijkelijk te laten komen over armen en ellen-digen? Keen, God moet toch God blijven! En zou Zijn toorn machtiger zijn dan Zijne barmhartigheid ? Is een, dat is onmogelijk !
De vragen zijn van het hart genomen. Het aangevoch-tene gemoed heeft Gods deugden genoemd: dat Hij de Heere Zijner Gemeente is, dat Hij genade bewijst, dat Zijne goedertierenheid tot in eeuwigheid is, dat Zijne getuigenissen getrouw en waarachtig zijn, en dat Zijne toezegging eeuwig-is, â dat Hij der genade gedachtig is, en dat Hij Zijne barmhartigheid wel ontsluiten kan.
Zoo ging het in de vorige week menigeen onzer in zijnen nood, en wien het in deze week of later zoo gaat, die wetQ, dat Asaf ook zoo gevraagd heeft, dat alle heiligen in hun lijden, kruis en aanvechting zoo vragen, en dat het door zulke schijnbaar wanhopige vragen tot verdrijving der wanhoop, tot genezing en tot een hartelijk vertrouwen op God den Ileore komt.
15
LEEEBEDE OVER PSALM 77 VS, 1 â14.
IV.
Dat zien wij bij Asaf eerst in het llae Vers, waar wij naar het Hehreeuwsch lezen: Daarna zeide ik: Mij te krenken, d. i. my te onderdrukken, mij te laten omkomen, ware do Rechterhand des Heeren te veranderen.
Willen wij bij de gewone vertaling blijven, die aldus luidt; âDaarna zeide ik; Dit krenkt mij; maar de Rechterhand des Allerhoogsteu verandertquot;, dan is de beteekenis bijna dezelfde als die van Paulas' woord: âDe verdrukking werkt lijdzaamheid, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoopquot;. Asaf nu heeft willen zeggen: âZiet, zoo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?quot; Hij spreekt hier uit, wat Paulus uitspreekt in het laatste gedeelte van Rom. 8: âWie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?quot; Been, God kan Zijne barmhartigheid niet door toorn toesluiten ; daarvoor hebben wij eenen goeden Borg. Het is even onmogelijk, dat eenige macht, welke ook, mij zou kunnen ten onder houden en te niet maken, als het onmogelijk is, dat Gods Rechterhand zou ophouden Zijne Rechterhand te zijn, om niet in den toestand verandering te brengen. En daar verstaat hij onder Gods Rechterhand: Gods voornemen der genade, Zijn raadsbesluit tot onze zaligheid. Zijnen eed, dien Hij den erfgenamen Zijner belofte gezworen heeft, Zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht, waarmede Hij alle dingen regeert en de Zijnen wonderbaar uithelpt.
Dit hartelijk vertrouwen wordt vervolgens versterkt door de overdenking, hoe het altijd Gods wijze is geweest, Zijne macht te verheerlijken in onze machteloosheid, ons armen en ellendigen ten goede, en ons zóó te leiden, als wij nooit gedacht hadden.
Hij spreekt daarom van de onvergetelijke daden des Heeren en van Zijne wonderen van ouds her, zeggende: Ik zal de daden des Heeren ge den ken,ja ik z al ge denk en Uwe wonderen van ouds her; en zal al Uwe werken betrachten, en van Uwe daden spreken.
IG
LEERREDE OVER PSALM 77 VS. 1â14.
Dat zullen de aangevochtenen ter harte nemen, om ook zulke daden, wonderen en werken des Heeren, zooals zij die uit de Heilige Sclirift kennen, en ook zeiven ervaren hebben, den Heere voor te houden in hunne gebeden, in allen nood, alle kruis en lijden; want dat geeft ons moed in alle moedeloosheid, opdat ons het hart niet ontvalle, en dat heeft de Heere gaarne, dat wij Hem Zjjue vorige wonderen voorhouden; dan wil Hij er ook nieuwe aan toevoegen, zoodat wij gelijk Asaf Hem spoedig beginnen te prijzen, terwijl hij, die zooeven in zijne wanhoop nog klaaglijk weende en jammerde, op eenmaal uitroept: O God! Uw weg is in het heiligdom (of, naar Luthers overzetting: is heilig); wie is een groot God, gelijk God?
Gods weg is Gods raad, naar welken Hij ons leidt. Deze weg ligt altijd anders, dan vleesch en bloed zich dien voorstelt. Gods weg is in het heiligdom; want dat moet de vrucht van alle aanvechting zijn, dat wij van harte het lied zingen ;
Gij maaktet. Heer, tot priester mij,
Dies raag ik Uwen Tempel vrij Betreden zonder schromen.
De voorhang scheurde door Uw' dood.
En 'k mag als bond- en deelgenoot Thans voor Uw aanschijn komen.
In de aanvechting worden wij namelijk te niet gemaakt, opdat Christus alleen het leven zij. Dan kennen wij Christus als de macht en wijsheid Gods, zoodat wij ook uitroepen; âWie is een groot God, gelijk God?'' â machtig om ons te bewaren, Zijnen eed te houden. Zijne belofte te vervullen, en voor ons te blijven een Verlosser, onze gerechtigheid en onze heiliging; met genoegzame macht bekleed, om ons bij de verworvene verlossing te beschutten en te bewaren.
Daarvan willen wij eenen anderen keer nog een en ander
2
17
leerrede O vee psalm 77 vs. 1 â14.
nader overwegen. ') Wat wij nu beschouwd hebben, is voldoende geweest, om te vernemen, dat, als onze stem tot God is, tot God, zeg ik. Hij ten slotte toch hoort, en dat, wordt ook de aanvechting zeer hevig, de Heere Zich toch niet zoo verre van Zijn volk houdt, als dit wel meent, veeleer door de verborgene werking Zijns Heiligen Geestes midden in den angst ons levend maakt, zoodat wij toch ten slotte Hem prijzen vanwege Zijne wonderen en daden, en blijmoedig van Hem belijden, dat de zaligheid alleen in Zijnen Naam staat. Al het volk, dat den Heere kent, moet door de diepte heen; het wordt echter in het eind tevreden gemaakt met des Heeren weg, en wil geenen anderen God dan dezen levenden Helper in den nood. Daarop zegge een iegelijk onzer: âAmen, ja amen!quot;
Nazang: Lied 224 vs. 5.
Houdt Hij Zich ook soma verborgen,
Toch blijft Hij mij welgezind,
18
Blijft als Vader liefd'rijk zorgen Voor Zijn zwak en hulp'loos kind, Dat Hij beide handen biedt, Als hem alle hoop ontvliedt.
1) Tot deze voortzetting is het destijds echter niet gekomen. Wel heeft Dr. Kohlbrügge in 1859, dus 10 jaren later, toen de cholera eveneens teEIberfeld heerschte, over dezen Psalm drie leerredenen gehouden, die door eene vriendenhand onder de voordracht zijn opgeschreven, en waarvan dezer dagen mede eene Kederlaudsche vertaling verschijnt.
L E E E E E D E
over
MATTHEÃS 8 vs. 17''.
Voorzang: Lied 270 vs. 1 en 2.
Mijn Heiland neemt de zondaars aan, Die met hun' zwaren last van zonden
Tot mensch noch engel kunnen gaan, Wijl daar geen redding wordt gevonden. Wien heel de wereld rust ontzegt. Die buigen onder 't heilig recht.
Naar 't welk de Wet hen moet veidoemen, En die God daarin billijk noemen, â Die mogen toch tot Jesus gaan,
Want Jesus neemt de zondaars aan.
Zijn trouw en zondaarlievend hart Bracht Hem van Zijnen troon op d' aarde ;
Hem trof het leed, de. vloek en smart, Die onze groote schuld Hem baarde; Op Hem lag onze last en nood!
In angst verzonken tot den dood,
Heeft Hij Zijn eigen dierbaar leven Tot een rantsoen voor ons gegeven,
En dus aan 's Vaders eisch voldaan; â Nu roept Hij: 'k Neem de zondaars aan.
Gehouden 11 November 1S49.
leerrede over mattheus 8 vs. IT1'.
Mijne Geliefden! Laat ons in deze ure met elkander overwegen een kort maar beteekenisvol woord uit liet eerste der Evangeliën. Ik noem u als mijnen
Tekst: Mattiieüs 8 vs. IT1'.
âHy heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragenquot;,
of, gelijk Lutlier vertaalt: âHij heeft onze zwakheid op Zich genomen, en onze pestilentie heeft Hij gedragenquot;.
Ziedaar een getuigenis van onzen Heere Jesus Christus. Het make uw hart verslagen en verootmoedige het, het ver-heffe en vertrooste het. Het grijpe u aan en doe u ontroeren, het sterke uw geloof, en stemme u tot lof ea dank aan dien eenigen Naam, in welken voor ons redding was, en is, en zijn zal!
Naardien dit getuigenis rijk aan beteekenis is en betrekking heeft op alle menschelijke ellende, lichamelijke zoowel als geestelijke, zoo geeft de Heilige Greest ons vrijheid, het toe te passen op de zwakheid, die wij gevoelen bij de plage, welke alle gemoederen bezighoudt en waarvan een ieder aan zijn lichaam iets medeondervindt, â en op de plage zelve.
Tusschenzang: Psalm 91 vs. 1.
Hij, die op Gods bescherming wacht,
Wordt door den hoogsten Koning Beveiligd in den duist'ren nacht,
Beschaduwd in Gods woning;
Dies noem ik God, zoo goed als groot
Voor hen, die op Hem bouwen,
Mijn' Burg, mijn Toevlucht in den nood.
Den God van mijn betrouwen !
I.
Bij do tegenwoordige plage, die alle gemoederen bezighoudt, en waarvan een ieder aan zijn lichaam iets medeondervindt,
20
LEEREBDE OVEIi MAïTHEDS 8 VS. 17l'
ontwaren wij onze zwakheid. Ik spreek hier niet van allen, De kinderen der wereld, van welke het heet: âZij bekeerden zich niet tot God, Die macht heeft over deze plagenquot;, kennen die zwakheid niet, van welke ik thans spreek. Zij hebben allerlei dingen, waarop zij vertrouwen, waarachter zij zich verbergen; â zij maken zich óf uit dé voeten, totdat het oordeel hen elders of op eone andere wijze treft, óf zij verdrijven met hunne genoegens elke gefechtc' aan dood en oordeel, en als zij wat onrustig worden bij hetgeen zij vernemen, dan spotten zij er maar op toe, slaan het geweten op den mond met allerlei zelfrechtvaardiging cn wachten gerust en zorgeloos de ure af, die hun toeroept; âEeuwige verdoemenis!quot;
Voorts zijn er geloovigen, die zóó vervuld zijn van eigenliefde, dat zij van geene zwakheid willen weten. Andere geloovigen worden door schaamte gedreven, om te ontkennen wat zij toch wel gevoelen. Wederom anderen stellen zich gerust op allerlei gronden van bijgeloof of van overgeloof. Dezen hebben ook met zwakheid niet veel te doen. Eindelijk mogen er wel sommigen zijn, â want God is vrij in Zijne gaven, â die door den Heere Zeiven over alle vreeze en allen angst worden heen gezet.
Den meesten onzer is het in deze dagen anders gegaan, gaat het anders, en zal het ook morgen en overmorgen anders gaan; zij hebben hunne zwakheid gevoeld en gevoelen ze. Dezen zijn intusschen niet allen van dezelfde soort. Sommigen hunner was en is het schrikkelijk bang, en eene siddering gaat hun door de leden, zoo dikwijls zij van de vele sterfgevallen in deze dagen iets vernemen. Dan gevoelen zij ook wel hunne zwakheid, doch zij maken zich niet op tot den Heere om genade, om leven, om geloof, om waarachtige bekeering. Dezen raad ik aan, om zich tot God te wenden met hunnen dood, en niet te rusten, voordat zij Gods sterkte hebben aangegrepen, en vrede met Hem gemaakt hebben. â Anderen is het bijwijlen bang, maar zij verkwikken zich aan het Woord, houden het er ook voor, dat zy op elk geval voorbereid zijn^
21
LEERREDE OYER MAÃTIIEUS 8 VS. 171gt;.
22
of dat de plage hen niet treffen zal, en eigenen zich te dien einde den 91sten Psalm en andere beloften toe; â intussehen zijn zij blijven zitten en blijven ook verder zitten op hunne gierigheid, woekerzucht en andore booze stukken. Hun raad ik opnieuw, dat zij acht geven op des Heeren woord; âTenzij de goddelooze het pand wedergeeft, â tenzij hij niet rooft!quot; en: het deel der leugenaars zal zijn in den poel, die niet vuur en zwavel brandt. â Nog anderen echter, â verneemt dit, gij ware kinderen Gods, tot uwen troost, â nog anderen ging en gaat het, gelijk het Paulus ging. Zóó lezen wij van hem in het laatste Hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen (Vers 15): âEn van daar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons te gemoet tot Appiusmarkt en de drie tabernen; welke Paulus ziende, dankte Hij God en greep moedquot;. Hoe? Had dan deze voortreffelijke Apostel op zijne reis van twaalf dagen God in zijn hart niet geprezen of gedankt? Was dan dezen machtigen geloofsheld, hoewel hij zoo nabij het doel zijner reis was, overeenkomstig des Heeren woord: âHeb goeden moed, Paulus! want gelijk gij te Jerusalem van Mij betuigd hebt, alzoo moet gij ook te Kome getuigen !quot; â was hem opeens het hart ontvallen en had hij alle toevoorzicht op God verloren ? Ja, â waarom niet ? Hoort, wat deze Apostel vroeger van zich getuigde, toen hij de heer-lijkheid, heiligheid en wonderbare schoonheid der Wet Gods met bewondering aanschouwde, en voor deze Wet zijne vol-slagene ellende, zijne zwakheid ten diepste gevoelde, â met een verbroken en verslagen gemoed riep hij uit: âDe Wet is geestelijk, maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zondequot;. Maar daar op de onstuimige zee, toen in vele dagen zon noch gesternte zich lieten zien, en alle hoop van behouden te worden weg was, verhaalde immers deze Apostel: âDezen zelfden nacht hoeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben. Welken ook ik dien, zeggende: Yrees niet, Paulus! gij moet voor den Keizer gesteld worden; en zie. God heeft u geschonken allen, die met u varen. Daarom zijt goedsmoeds, man-
LEERREDE OVER MATTIIEUS 8 VS. 17''.
non! want ik geloof Gode, dat het alzoo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd isquot;. En nu is het uit met zijn toevoor-zicht, en komt in twaalf dagen geen dank van zijne lippen? Hij had toch alles ondervonden, wat de engel tot hem gezegd had; hij was toch viermalen bij en na de schipbreuk aan eenen gewissen dood ontkomen, en welke wonderen der macht Gods had hij aan zich ervaren gedurende zijn oponthoud van drie maanden op liet eiland Malta! Ja, zoo was het. En dat zijn bewijzen daarvoor, met welke oprechtheid der verbrijzeling hij het uitgeroepen heeft: âIk ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods!quot; â maar ook bewijzen daarvoor, hoezeer het do taal zijns harten was, wat hij eenmaal schreef: âIk heb voorgenomen, onder u niets te weten, dan Jesus Christus en Dien gekruisigdquot;. En juist omdat hij zich zijner zwakheid zoo bewust was, schrijft hij ook tot onzen troost van den Heere: âHij moest in alles den broederen gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester zou zijn in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komenquot;. En wederom; âWij hebben geenen hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zondequot;.
Gelijk Paulus trots alle ervaringen zijne zwakheid gevoeld heeft, zoo hebben ook wij , gewone geloovigen, die niet de kunst verstaan van ons voor te doen, alsof wij iets bijzonders hadden, onze zwakheid ervaren en ervaren ze in deze dagen. Maar gelijk Paulus, zoo heeft ook ons zulks diep neder-gebogen, nedergeworpen en lang nedergehouden, â of buigt ons neder, overweldigt ons en werpt ons neder. En gelijk zulke zwakheid den Apostel deze diepe verzuchting, dezen noodkreet ontperste; âIk ellendig mensch!quot; â zoo heeft zij ook ons menige verzuchting en menigen noodkreet ontperst!
Zwakheid is iets zeer gevaarlijks. Is iets gezond, dan kan
23
LEERREDE OVER MATTHEUS 8 VS. 17''.
men er iets aanhangen; is liet gebroken, clan doe ik het niet; is liet echter zwak, en ziet het er krachtig uit, dan zal ik alles op het spel gezet hebben, als ik er iets kostbaars aan hang. Een onverwachte stoot van buiten, en het ligt stuk op den grond, te gelijk met het kostbare, dat ik er aan toevertrouwde.
Allerlei zwakheid hebben wij in deze dagen tot onze diepste beschaming ontwaard, en op allerlei wijzen de bestraffing daarover in ons hart gevoeld. quot;Wij mogen niet zwak zijn, wij schenden en beleedigen Gods Wet, als wij zwak zijn. En nu, welke ervaringen der macht en der trouwe Gods hebben wij achter ons, â hoe vele Eben-Haezers op onzen weg! hoe vele kostelijke beloften, hoe vele goede woorden van eenen trouwen Heiland, die toch alle bij ons geworden zijn Ja en Amen. En daartegenover â : welke kwade, welke Godslasterlijke, welke ongeloovige gedachten! â Het staat geschreven: âDie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw! Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentiequot;. â Zijn wij zoo voorzichtig geweest gelijk de slangen, die in hare koele schuilplaats blijven zitten? hebben wij ons niet door den geweldigen jager laten lokken van onder de schaduw des Almachtigen? uit de schuilplaats des Allerhoogsten, zoodat de voeten onzes harten reeds verward zaten in zijnen strik? O hoe dikwijls vloden wij met onze gedachten over alle bergen henen, en lieten, uit angst voor het blaifen van den hond, do sterke, trouwe Vaderhand los. Hoe dikwijls lieten wij ons tot aan de hel sleepen, in plaats van onze toevlucht te nemen onder des Heeren vleugelen, gelijk de kiekens zich verbergen onder de vlerken hunner moeder! â Mat en traag in 't gebed, in het roepen, lieten wij ons helm, zwaard, schild en gordel rooven, lieten alles loopen, en lieten ons braden als een offerdier, om geworpen te worden op het altaar der pestilentie. Wat is gebleven? Gods barmhartigheid; zij heeft gered van den
24
LEERREDE OVER MAT TI [ELS 8 VS. 17h.
strik des jagers, maar liet is ons tot schuld geworden. Waarom is ons deze schuld niet toegerekend, waarom zijn wij om zulke schuld niet mede weggeraapt door Gods grimmigen toorn ? O, dat wij allen een hart hadden, om te verstaan hoe groot de liefde Christi is; â aldus luidt het antwoord: âHij heeft onze zwakheid op Zich genomenquot;.
II.
25
Bij zoodanig antwoord moet het ons tot buitengewonen troost zijn, verder te vernemen: âHij heeft onze ziekten gedragenquot;. Hoewel het woord âziektequot; in het Grieksch in 't meervoud staat, en in 't algemeen allerlei lijden en kwaad, gelijk ook ondeugden, gebreken, eenen hevigen ingewortelden hartstocht, en wat er anders voor krankheden zijn, beteekent, â zoo houden wij het daarvoor, dat het niet zonder eene bijzondere leiding Gods door Luther is vertaald geworden door het woord âpestilentiequot;; gelijk het ânochtansquot; in den 46stei1 Psalm en het âalleen door het geloofquot; in Kom. 3 van Godswege uit Luthers pen vloeide '), Zijner ware Gemeente ten troost en tot sterkte tegen den antichrist, zoo kwam ook van Godswege uit dezelfde pen het woord âpestilentiequot;, tot onzen troost in eenen tijd, welken wij alleen door Gods almachtige barmhartigheid kunnen doorkomen, â dus: onze ziekte, deze kwaadaardige, besmettelijke ziekte, waarmede onze stad wordt bezocht, heeft Hij gedragen, â⢠Hij, onze dierbare, genadige, barmhartige Heiland Jesus Christus. En dat is het woord, dat de Heere mij deed vinden, om het u mede te deelen, opdat het u als een nieuw almachtig Woord doorhelpe door de nieuwe week. En hier gnjpe het geloof met beide handen toe, en duizenden tranen van dank moeten uit de oogen stroomen voor zulk een
1) Lulher vertaalt I's. 46 vs. 5; ,,1V o c h t a n s zal de stad Gods zich verblijden in hare fonteinen, daar de heilige woningen des Allerhoogsten zijnquot;, â en Kom. 3 vs. 28 : âZoo stellen wij dan vast, dat de mensch rechtvaardig wordt zonder de werken der wet, alleen door het geloof'.
LEERREDE OVER MATTHEÃS 8 VS. 17h.
genadig woord uit het Evangelie van onzen grooten God en Zaligmaker.
Maar is liet onze ziekte, die ons, die nog allen in leven zijn, niet getroffen heeft? Ik antwoord: Hoewel wij, die hier voor Grods aangezicht zijn, nog allen in het leven zijn gebleven, zoo is zij toch hier en daar â en zoo niet zij zelve, dan toch des te meer haar angst en schrik, â in ons lichaam gedrongen, zoodat deze en gene onder ons het wel zeer noodig heeft, om door de machtige hand Gods gesteund te worden, opdat hem het kruis van Christus niet van voor de oogen des harten worde weggerukt, waar hij leest of heeft gelezen: âHij zal u dekken met Zijne vlerken; gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt, voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt, voor het verderf, dat op den middag verwoest; geene plage zal uwe tent naderen!quot; â terwijl hij deze waarachtige beloften toch niet aan zich of zijn huis vervuld ziet. Dezulken, die klagen moeten: âAl deze dingen zijn mij wedervaren!quot; zullen niet zeggen: de ziekte, â maar âonze ziektequot;.
Toorts doe ik u opmerken, dat de plaag, die deEgyptenaren getroffen heeft, ook de plaag der kinderen Israëls was. Bij de laatste plaag wierp God de kinderen Israëls met de Egyptenaren op éénen hoop. Anders had God den kinderen Israëls niet bevolen, hunne deurposten en dorpels te bestrijken met het bloed des Lams, aan welk bevel werd toegevoegd het woord: âopdat de engel des verderfs aan hen voorbij gaquot;. Daar verneemt gij, dat niets de kinderen Israëls van de Egyptenaren heeft onderscheiden dan het bloed des Lams, en dat, als aan het huis van een der kinderen Israëls dit bloed niet ware gevonden, de engel des verderfs de eerstgeboorte van dat huis ook niet zou gespaard hebben. Ook Mozes werd te voren met de Egyptenaren op éénen hoop geworpen; toen hij nml. naar Egypte trok, om den Egyptenaren de plagen aan te kondigen, en hij op den weg in de herberg was, wilde de Heere hem dooden, wierp hemzelven dus de ziekte op het lichaam,
26
LEERREDE OYER MATTHEÃS 8 VS. 17b.
omdat Mozes tot hiertoe zijnen eerstgeborene den Heere niet geheiligd had door het bloed der besnijdenis en door wegwerping der voorhuid.
Overigens heeft een kind Gods een wonderbaar geschapen hart. Aan den eenen kant juicht het over Gods oordeelen, waarvan het een voorgevoel heeft gehad, die het te voren gezien en ook aangekondigd heeft; want alleen zóó zullen de menschen, die het anders niet willen weten, het leeren verstaan, dat er een God is. Die op aarde gericht houdt; aan den anderen kant is elk kind Gods een barmhartig koning, barmhartig, gelijk God barmhartig is, â en zoo zou het eiken nood zijner medeschepselen gaarne lenigen, of wegnemen. Een kind Gods is daarvan vervuld, dat de menschen des aardbodems door de oordeelen mogen verootmoedigd worden, gerechtigheid leeren, en het gunt aan eenen iegelijk het hemelrijk, want waarachtige genade was nooit jaloersch. Maar bovenal is dat een kind Gods eigen, dat het zich gevoelt als den voornaamsten der zondaren; daarom kan het zich boven niemand verheffen. Waar Gods oordeel komt, weet een kind Gods niet meer van vroom en goddeloos, maar zwijgt Gode, verootmoedigt zijne ziel tegenover allen, met allen en voor allen, âdaarom: ,ouze ziekte heeft Hij gedragen!quot;
Aldus staat geschreven: âOok wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende, â maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijne liefde tot de menschen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jesus Christus, onzen Zaligmaker, opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. Dit is een getrouw woordquot;. â Hebt acht op deze genade Jesu Christi.
27
LEERREDE OVER MATTIIEUS 8 VS. 17''.
Midden in onzen dood, â want daarbij blijft het; âO Heere! hoor mijn gebed, neig de ooren tot mijne smeekingen; verhoor mij naar Uwe waarheid, naar Uwe gerechtigheid; en ga niet in het gericht met Uwen knecht, want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn!quot;â midden in onzen dood, midden iu onze ziekte, (want liet is onze ziekte, of ze ons treft of niet), mogen wij met vertiouwen do toevlucht nemen tot Gods barmhartigheid, hebben wij eenen sterken troost tegen het gevoel van den toorn en de grimmigheid Gods, en mogen en zullen wij God danken, gelijk Paulus God dankte, toen hij de bioeders zag. Een was er in ons midden in het vleesch. Een is er nog in ons midden, hoe gebeten wij ook ternederliggen, met Zijne macht, Majesteit, Geest en genade. Hij schaamt Zich uiet, ons, die in onze ziekte ternederliggen, broeders te noemen. Yerlichte oogen geve ons de Heere, om op Hem te zien, Die ons van Gods genade, naar Gods eeuwigen raad, voornemen, wil. Wet en -welbehagen gegeven is in deze woestijn; verlichte oogen geve uns de Heere, oogen des geloofs, om te zien op dezen barmhartigen Heiland en getrouwen Hoogepriester.
Zóó betuigt ons het Evangelie: âHij heeft onze ziekte gedragenquot;. Zoo gewis de koperen slang den dood verdreef, en het leven aanbracht voor eenen iegelijk, die op haar zag, hoezeer ook aangetast door het venijn der slangen, zoo gewis verdrijft ook Hij den dood, en brengt het leven aan voor eenen iegelijk van ons, wien het gegeven wordt, in Hem te gelooven, zooals God Hem voor ons tot ziekte gemaakt heeft, opdat wij niet zwak, maar in Hem krachtig en gezond zijn, d. i. in overeenstemming met de quot;Wet.
Waarom heeft Gods toorn ons in ons ongeloof niet mede weggeraapt? Aldus spreke een iegelijk onzer met een dankbaar gemoed: Onze ziekte heeft Hij gedragen, â daarom heeft ons onze ziekte niet verslonden!
Ziet op naar Golgotha, naar het kruis Christi, gij allen, die mij heden boort. Aan het kruishout beeft Hij, Die van geene ziekte wist, onze ziekte gedragen. âIndien gij Mij zoekt, zoo laat
28
LEERREDE OVER MATTHEUS 8 VS. 171'.
dezen heengaan!quot; â dat is Zijn almachtig woord geweest, waardoor wij, die Zijnen jSTaam aanroepen, nog allen hier zijn. Van Hem, Die daaraan voor ons stierf, heet het: âDie Man zal zyn als eene verberging tegen den pestwind, en eene schuilplaats tegen den vloedquot;.
De duivel predikt wraak; maar God wil midden in den toorn der barmhartigheid gedenken, en aan het kruis heeft de genade de overwinning behaald op wraak en ziekte. De duivel wil u, die vreest en beeft, den dood, de zonde, de ziekte voor oogen stellen, maar het kruis Christi verre van uwe oogen houden. Bloed en water vloeide uit de zijde van Hem, Die aan dit kruis hing; en die het gezien heeft, die heeft het getuigd, opdat ook gij gelooft. Wat gelooft? Dit: âOnze ziekte heeft Hij gedragenquot;.
Ziet op naar het kruis, gij, die hoog zit in uw geloof, en niet ziet, wat voor uwe voeten ligt; gij, die, hoe velen ook rondom u door de ziekte weggeraapt worden, er niet eens aan denkt, al uwe ongerechtigheid met al het gestolene en geroofde van u te werpen. Moge het woord: âOnze ziekte heeft 11 ij gedragenquot;, u aangrijpen, opdat gij u opmaakt tot eene hartgrondige bekeering van al de ongerechtige dingen, waarop gij blijft zitten, meenende, dat de Heere Jesus u zoo, met het onrechtvaardige goed, zal binnenlaten in Zijn paleis, terwijl gij toch geen bruiloftskleed aanhebt. O, dat u de liefde Christi bekeerd hebbe, die u in deze dagen betuigt: âOnze ziekte heeft Hij gedragen!quot;
Opgezien naar het kruis, gij en gij, die mij heden nog hoort, maar in dezen nacht, of morgen van de ziekte overvallen wordt; en, heeft ook de blauwe dood al uwe leden aangegrepen, â aan de eene zijde is er wel zonde, toorn, vloek, verdoemenis en oordeel, maar aan de andere zijde moogt gij doen gelijk de moordenaar aan het kruis, â gij hebt het woord vernomen: âOnze ziekte heeft Hij gedragen!quot; en wat tot Hem komt, Hij geneest het!
Hij nu, onze groote God en Zaligmaker, onze lieve Heere
29
leerrede over mattiieus 8 vs. 17b.
en Heiland Jesus Christus, Die in deze dagen zielen zoekt, welke hunne ziekte op Hem geworpen hebben en zich aan Hem vasthouden met een waar en vast geloof, werke in u door Zijnen Heiligen öeest al wat Gode welbehaaglijk is, en drukke Zelf het woord Zijns Evangelies tegen nood, dood, zonde en ziekte, tegen den duivel, het beschuldigend geweten en de verdoemende Wet op uw hart â het waarachtige woord: âOnze ziekte heeft Hij gedragenquot;. Amen.
Nazang: Lied 270 vs. 3.
Nu vindt de ziel in Jesus' schoot Een' zek'ren toevlucht, troost in lijden;
Gekweld door zonde, nood en dood,
Mag z' in Zijn vrijspraak zich verblijden.
Haar zonden, een ontelbaar heir,
Zijn in 't onpeilbaar diepe meir Van Jesus' liefdedood verzonken;
Gods goede Geest is haar geschonken,
Door Wien wij tot den Vader gaan;
Ja, Jesus neemt de zondaars aan!
30