LEERREDE
OVER
PSALM 16,
DOOR
DR. H. F. KOHLBRÃGGE,
IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFORMEERDE GEMEENTE
TE ELBERFELD.
AMSTERDAM, SC HEFFER amp; C0. 1885.
UIT HET HOOGDUITSCH VERTAALD,
Gedrukt ter âUlrechtsche drukkerijquot; te Utrecht.
Voorzang: Lied 82, vs. 1â3.
Wat licht die Morgenster met glans, Vol heil aan 's hemels hoogen trans,
Uit Jesse voortgekomen! Gij , Davids Zoon , uit Jakobs stam, Die als mijn Vorst en Bruigom kwam, Gij Ivebt mijn hart genomen! Hoe goed!
Hoe zoet 1 Schoon en heerlijk,
Zeer begeerlijk.
Hoog ver he vei»
Zijn de gaven, U gegeven.
O Gij, mijns harten vreugde en kroon, Gij Godes en Maria's Zoon,
Der schepping Heer en Koning! Met blijdschap roem ik Uwe eer; Uw Godlijk Woord, Uw zoete leer Gaat boven melk en honing! Hartlijk Wil ik U steeds prijzen.
En bewijzen Uwe sterkte, â
Wat Uw Geest in mij eens werkte I
Ontsteek in mij Uw liefdegloed,
O Gij, mijn God, mijn hoogste goed I Wil die gena mij schenken;
Gehouden den 12. April 1S63.
psalm 16.
Och , dat ik altijd in IJ blijv',
Dat leed noch smart mij van U drijv',
Uw trouw ooit doe verdenken!
Wil Gij In mij Vreugd vermeêren,
En mij leeren U verbeiden;
Laat de dood ons zelfs niet scheiden 1
Tekst: Psalm 16.
âEen gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. O mijne ziel! gij hebt tot den Heere gezegd: Gij zijt de Heere, mijne goedheid raakt niet tot IJ; maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is. De smarten dergenen, die eenen anderen god begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; Ik zal hunne drankofferen van bloed niet offeren, en hunne namen op Mijne lippen niet nemen. De Heere is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot. De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja, eene schoone erfenis is mij geworden. Ik zal den Heere loven, die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijne nieren. Ik stel den Heere geduriglijk voor mij; omdat Hij aan mijne rechterhand is, zal ik niet wankelen. Daarom is mijn hart verblijd, en mijne eer verheugt zich; ook zal mijn vleesch zeker wonen. Want Gij zult mijne ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uwe rechterhand, eeuwiglijkquot;.
De God en Yader van onzen Heere Jesus Christus, de God des vredes en van eeuwige vertroosting, verleene ons de genade, dat wij door Zijnen Heiligen Geest met den inhoud en de uitspraken van den zestienden Psalm zoo vereenigd worden, als ziel en lichaam vereenigd zijn, opdat deze Psalm ook voor ons zij en hlijve, wat die voor den Profeet David was, namelijk een gouden kleinood. quot;VVant dit kleinood is ons van den hemel gegeven en is kostbaarder dan goud en veel fijn goud,
4
I'SALM 16.
en geen mcnscli â al bracht hij ook al hot goud der aarde bjjeen â zou zich zulk oen kleinood kunnen verkrijgen. Hot is een vrij geschenk en een duur verworven kleinood, door Jesus Christus Zijner kerkbruid nagelaten, opdat zij in leven en in sterven daarmede vertroost zij, wetende, dat bij den Heere Heere uitkomsten zijn tegen den dood, en dat Hij een God is van volkomene zaligheid, die ons dag bij dag met Zijne gunstbewijzen overlaadt (Psalm 68, vs. 20, 21).
Zoo is deze Psalm een stok en staf in het lijden en tegen den dood, om alle aangevochtenen door alle lijden heen te helpen, en over alle lijden en over den dood heen te zetten, en ons te vervullen met volle blijdschap in den Heere, opdat deze blijdschap onze sterkte zij.
Het is een Psalm Christi, d. w. z.: Christus spreekt in dezen Psalm. Is het echter een Psalm Christi, zoo is het ook een Psalm van allen, die Christus door een waarachtig geloof ingeplant zijn en al Zijne weldaden met een geloovig hart aannemen ; die daarom Zijne woorden en werken tot hunne woorden en werken maken en alleen Zijne woorden en werken laten gelden, gelijk geschreven is Kom. 6, vs. 5: âWant indien wij met Hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zoo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstandingquot;.
In deze tweevoudige betrekking willen wij den Psalm overwegen,
âBewaar mij, o God! want ik betrouw op Uquot;. Dit is de taal des geloofs Christi, en dezelfde taal ligt in den mond en in het hart van al Zijne heiligen, geloovigen en uitverkorenen. Het is echter een wonderbaar woord, naar den aard des geloofs; want het luidt niet: âBewaar mij, o God! anders moet ik omkomenquot; â maar: âBewaar mij, o God! want ik betrouw op TJquot;. Christus acht het geenen roof, Gode evengelijk te zijn, maar Hij ontledigt Zich; Hij wil in Zich zeiven niet sterk zijn. Hij, van AVien de kracht uitging, om allen te genezen, neemt hier de toevlucht tot den sterken God, schuilt bij Hem; sluit Zich, als het ware bij God in, doet
5
PSALM 16.
evenals de kiekens, die onder de vleugels der hen vluchten, en wacht zoo alles af, wat over Hem komen zal, zooals Hij ook op eene andere plaats zegt: âIk zal Mijn betrouwen op Hem stellenquot; (Hebr. 2, vs. 13; Ps. 18, vs. 3). Hij vertrouwt niet daarop, dat Hij de Zoon is; niet op Zijne gaven, wijsheid, macht, wil en voornemen, maar Hij wil om onzentwil de zwakste aller zwakken zijn, en zoo is Hij dan ook zulk een, die slechts dan de vijanden op Zich kan zien aankomen, als de sterke God Hem bewaart.
Ik zeg. Mijne Geliefden! hot is eene wonderbare taal des gcloofs, waarbij God vastgehouden wordt, zoodat Hij wel bewaren en Zijne beloften vervullen moet; gelijk geschreven staat: âZiet, Mijn Knecht, dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in denwelken Mijne ziel een welbehagen heeftquot; (Jes. 42, vs. 1).
Dat was de kennisse Christi, door welke Hij naar Jes. 53, vs. 11 velen rechtvaardig maakt: â wie God gelooft, tot Hem de toevlucht neemt, zich in Hem bergt, dien zal de sterke God ook bewaren.
Wij leeren daaruit, op welke wijze de tweede Adam hersteld heeft, wat de eerste verloren had, namelijk: Hij heeft op God betrouwd. Vervolgens, hoe sterk de vijanden onzer ziel zijn, dat Christus Zich niet veilig voor hen heeft gerekend, dan alleen in de scbuilplaats der Goddelijke bewaring. Zulk eene taal legt de Heere ook allen, die de Vader Hem gegeven heeft, in mond en hart. Immers dezen bekennen allen: âWij zijn van ons zeiven zóó zwak, dat wij niet een oogen-blik kunnen bestaan; en daartoe houden onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch niet op, ons aan te vechtenquot; (Heidelb. Catech. Vr. 127). Hier leert ons dus Christus, dat wij slechts door liet geloof voor God rechtvaardig, slechts in geloove Hem welbchagelijk zijn; en aangezien wij in het geloove Hem welbehagelijk zijn, zoo kan, zoo wil on zal Hij ons ook bewaren. In ons geloof wil Hij de oorzaak vinden, ons, die zich zeiven niet bewaren kunnen, in Zijne genadige
6
PSALM 16.
bewaring en machtige bescherming te nemen. quot;Wij moeten en mogen daarom tot God aldus spreken: quot;VVjjl ik op U betrouw, zoo bewaar mij! want Gij kunt hon niet verlaten, die op U betrouwen; Gij zult niet van U stooten, noch aan de vijanden , aan hunnen list en hunne woede prijsgeven, die bij U schuilen.
Christus spreekt echter deze bede niet in dien zin uit, alsof Hij den heeten strijd vreesde, of dat Hij maar van Zijn lijden zou willen ontheven zijn; den strijd aanvaardende stelt Hij Zich zeiven geheel den Vader in handen, werpt Zijn Ik en Zijne geheele bewaring op God, en is dus Zijne bedoeling deze; âDraag Gij zorg voor Mij, dan zal Ik zorgen voor Uwe eer en waarheid, voor den roem van Uwen grooten Naamquot;, â en er ligt in deze bede voor ons de leering, dat wij niet deswege om de bewaring Gods bidden moeten, om daarna stil te zitten en zich daarin te vermaken, maar dat wij om die bewaring bidden moeten met overgave van ons zeiven en van al hetgeen ons het naaste en liefste is, met een voornemen des harten, om Gods raad te volbrengen eu onze roeping en verkiezing vast te maken, zooals de Heidelb. Catech. in Antw. 127 dit uitdrukt: âWil ons toch behoeden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd (den vijanden) sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten eenemaal de overhand behoudenquot;. De zin van dit gebed is, als zeiden wij: âHeere, almachtige God, ik vertrouw op U; terwijl ik nu den strijd aanbind tegen Uwe en mijne vijanden tot eer van Uwen Naam, van Uwe gerechtigheid en waarheid, zoo zorg Gij voor mij, voor mijn doorkomen, voor mijne nooddruft, voor al wat mij betreft; want dat ik voor Uwen Naam mij in de bres stel, is Uw werk, hetwelk Gij mij bevolen hebt, en ik doe het gaarne, maar Gij, bewaar mij nu, want ik kan mij in dezen strijd om mij zeiven niet bekommeren of mij zeiven bewaren. Uwe eer en Uwe waarheid te handhaven, acht ik mijne zaak; â mij te bewaren is Uwe zaak. Dat vertrouw ik U toe! Wilt Gij het doen, doe het dan; ik heb niets te eischen, maar ik
7
PSALM 16.
kon Uwo beloften, die Gij Uwen oprechten strijders gegeven hebt, aan hen, die alleen op U vertrouwen.
Als God deze bede verhoeren wil 'en verhooren zal, dan moet Zijne souvereiniteit, dat is Zijne vrijmacht, erkend worden, â de vrijmacht om te redden en te helpen of te laten varen. Bij de erkentenis dezer vrijmacht en oppermajesteit Gods, houdt men zich alleen aan beweegredenen, die in God liggen, als daar zijn: de verheerlijking Zijner macht. Zijner waarheid en Zijner genade; men heeft geene beweegredenen 5n zich zeiven, die God zouden kunnen bewegen, â tenzij het onze jammer en ellende ware, alsmede de list en het geweld der vijanden.
In dezen zin spreekt ook Christus in Vs. 2: âO mijne ziel! gij hebt tot den Heere gezegd: Gij zijtde He erequot;.
Christus wil liiermede zeggen: âToen Gij Mij den drinkbeker des lijdens op de handen gezet hebt, toen heb Ik Uwe oppermajesteit erkend en Mij aan Uwen wil vrijwillig onderworpen, ofschoon Ik wist, dat het met Mij in den dood, in den smar-telijken en smadehjken dood des kruises ging. â Wat buigt gij u neder, o Mijne ziel! en zijt onrustig in Mij? Ik nam dit lijden, dat Mijn God Mij oplegt, vrijwillig op Mij, tot verheerlijking Mijns Gods. De Heere blijft Gij , of Gij Mij troosten wilt of niet, of Gij Mij helpen wilt, of verlaten. Ik heb, daar Ik zonde en vloek geworden ben voor alle uitverkorenen , niets te eischen; maar wie zal Mij bewaren, wie zal Mij verheerlijken, dat Ik in dezen strijd eindelijk overwin, indien Gij het niet doet? Indien Gij wilt, dan kunt Gij Mij wel helpenquot;.
Zoo leert ook onze Heere Christus ons, die de Zijnen zijn, spreken; gelijk eenmaal Hiskia tot Jesaja zeide, toen deze hem Gods oordeel aankondigen moest: âHet woord des Heeren, dat gij gesproken hebt, is goed; ik heb niets tot mijne verontschuldiging in te brengen, ik heb het verdiendquot;. God is vrijmachtig, en Hij blijft heilig en rechtvaardig â wil hij zeggen â
8
PSALM 16,
maar âik hoop toch voor mij eu mijns volks Icvon, zoo lang ik nog hier benedon verkeer, op Zijne barmhartigheidquot;. Zoo sprak ook David tot den Profeet Gad: âMij is zeer bange; laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijne barmhartigheden zijn vele; maar laat mij in de hand van menschen niet vallenquot;. En Psalm 39, vs. 8: âEn nu, wat verwacht ik, o Heere! mijne hoop, die is op U!quot; Het blijft alzoo het gebed van allen, die in Christus Jesus lijden: âGij zijt de Heere, ik heb niets te eischen; de Heere zijt Gij en blijft Gij; al wierpt Gij mij ook in de hel, zoo zou ik nochtans Uwe oppermajesteit en vrijmacht roemen en loven. Maar Heere, als Gij wilt, kunt Gij mij wel helpenquot;.
De woorden, die nu volgen zijn: âMijne goedheid raakt niet tot IJquot;. Luther vertaalt: âIk moet om Uwentwil lijdenquot;. Anderen: âMijne goedheid bekommere u nietquot;, d. w. z. âOm mijnen welstand zij het U niet te doenquot;. De zin komt op hetzelfde neêr. Onze Heere Cluistus spreekt als Middelaar Gods en der menschen: âDe Yader is meerder dan Ikquot;; en hoewel Christus nu wel alle recht en oorzaak in Zich zeiven bezat, om voor Zijne redding en verheerlijking bij God in te komen, gelijk Hij ook spreekt: âIk heb U verheerlijkt op de aarde, â en nu verheerlijk Mijquot;, â zoo maakt Hij Zich daarvan toch geen eigen roem. Hij doet in dezen Psalm van zulke rechten en oorzaken afstand, waar de Heere onzer aller zonden op Hem heeft doen aanloopen, waar Hij voor ons een vloek geworden is, en toorn, dood en hel zich tegen Hem verheffen. Hij ziet voor Zich zeiven geene verdienste, noch grond voor eenige aanspraak in Zijn lijden en in al Zijne rechtvaardige en heilige werken. Hij werpt Zich in den afgrond onzer verlorenheid, in den poel onzer verdorvenheid, in de diepte des toorns, in het geweld des duivels, laat alle zonden en allen vloek op Zich werpen; â het is om Uwentwil, dat Ik dat alles lijde, spreekt Hy. â Ik erken het, dat het zoo naar Uw wezen is, U betaamt; want Gij zijt toch de Heere! Niet om al Mijne goede werken bid Ik U om bewaring; â geene
9
PSALM 16.
verlossing, goeno verheerlijking zonder Mijn volk! Dat volk zal in en met Mij bewaard, verlost en gezaligd worden. Dit is de beteekenis dezer woorden, â gelijk Christus ook in den 22en Psalm in gelijken zin spreekt: âIk zal Uwen Naam Mijnen broederen vertellenquot;, en Psalm 69: âLaat hen door Mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o ïïeere, Ileere der heir schar en!quot;
De algenoegzame God heeft op zich zeiven geene nuttigheid van het lijden en de goedheid Christi gehad, en zal die ook nooit er van hebben. Hij is daardoor in Zich zeiven niet grooter of heerlijker geworden. Het lijden Christi heeft God niet bestemd of er toe gebracht, om Zich zeiven met ons te verzoenen, integendeel, ChHstus en Zijn lijden, de goedheid Christi, ging van God uit, van Zijne vrijmachtige ontferming. âGod was in Christus, de wereld met Zich zeiven verzoenende (naar den grondtekst: de wereld met Zich zeiven uitwisselende), hunne zonden hun niet toerekenendequot;. âAlzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeftquot;. âGod bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars warenquot;.
Zoo hebben wij dan wel het allerminst oorzaak, de bede om bewaring op ons goeddoen te gronden, of te meenen, dat wij met ons lijden God zouden verhoogen, Hem nuttigheid of iets anders zouden toebrengen. Christus leert het alzoo den Zijnen, Hem na te zeggen: âGij zijt de Heere, Gij hebt alleen macht en heerschappij over mij! wilt Gij mij laten lijden, welaan, hier ben ik! ik ben Uw knecht en heb voor mij zeiven niets te bedingen. Mijn lijden kan U niet groot maken, en dat ik Uw kind ben en Uwen wil doe, geeft mij geen recht of aanspraak op eenige uitzondering of verlossing. Maar doe het voor alle degenen, die Gij U hebt toebereid, dat zij Uwen lof verkondigen, â opdat ik het hun tot hunnen eeuwigen troost kan mededeelen: âKomt, hoort toe, o allen gjj, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijne ziel gedaan heeft. Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! stort ulieder
10
PSALM 16.
hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons con toevluchtquot; (Ps. 06, vs. 16; 62, vs. 9).
Daarom lezen wij in vs. 3: âMaar tot do heiligen, die op de aarde zij n, en do heer 1 ij ken, in denwelken al Mijn lust isquot;. Zoo vervult Christus op volmaakte wijze de Wet Gods. Hij heeft God, Zijnen Heere lief, van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganscher gemoedo en met allo krachten. Hij heeft Hom lief in Zijne oppermajesteit, in Zijne vrijmacht als Zijnen Heere, en verheft Hem verre boven Zich en Zijne goedheid, en Hij heeft Zijnen naaste lief als Zich zeiven. God, de Heere, Zijn Heere, â zoo bidt Hij, â mocht toch Zijne souvereiniteit of vrijmacht verheerlijken, niet ten verderve, maar tot verlossing en bewaring. Hij doe het niet ter wille van de goedheid des Middelaars op zich zeiven, maar op grond Zijner vrije ontferming, Zijner eeuwige liefde en goedgunstigheid, en daar moge Hij niet alleen Christus met Zijne goedheid behouden en bewaren, maar met Hem alle degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Het is eene voorbede en een voortdurend werkend gebed. Christus ligt hier als voor den troon en rechterstoel Gods. Op aarde heeft Hij Zijne heiligen, â niet dat zij heiligen in zich zeiven zijn; zij zijn het, omdat de Yader hen aan den Zoon gegeven heeft, en Deze hen heiligt en verheerlijkt in Zijn bloed. In den hemel heeft Hij ook Zijne heerlijken, die nu tot één Hoofd gebracht worden in de verzoening aan het kruis. In lien, zegt Christus, heeft Hij al Zijnen lust. Hij weet, dat het der liefde Gods, des Hoeren, behaagt, dat Christus daarin al Zijnen lust heeft. Daarom bidt Hij tot God, dat Hij toch alle deze heiligen trekke, opdat zij tot Christus komen, Hem door een waarachtig geloof ingelijfd worden en alzoo de vrucht daarvan genieten, dat God Hem bewaart om Zijns zelfs wil, en wil alzoo deze heerlijken mot de heiligen in Hem voleinden.
Zoo stelt Christus in Zich zeiven, als Middelaar, Hoofden Borg, do gemeenschap der heiligen daar, en zij zullen het
11
PSALM 16.
allen weten, dat en hoe Christus al Zijnen lust in hen heeft, hoe deze Zijn lust Gode, den Vader, behaagt, hoe daarom Zijne voorbidding voor hen verhoord wordt, hoe daarom God de Vader steeds naar Zijne vrijmacht in zich zeiven verdoemens-waardige zondaars trekt, dat zij tot Christus komen, om door Hem met Hem eeuwig bewaard, verlost en gezaligd te zijn. En nu is er in deze gemeenschap het gebed van allen voor allen, zooals Paulus schrijft: âBidt voor al de heiligenquot;, en vandaar komt het, dat een ieder, die aan Christus en al Zijne schatten en gaven gemeenschap heeft, zijne gaven ten nutte en tot zaligheid der andere leden gewillig en met vreugde aanlegt; â dat, waar één lid lijdt, zij allen lijden, en waar één lid zich verheugt, zij zich allen verheugen, en allen van harte spreken: âWie is der bruid des Lams gelijk?quot; en; âZoete banden, die mij binden â aan des Heeren lieve volk!quot;
Waar echter op God vertrouwd wordt in het diepst gevoel van eigene zwakheid, waar God als de Heere geliefd, Zijne oppermajesteit en vrijmacht niet alleen erkend, maar ook hoogelijk geliefd wordt, â waar de innigste liefde is tot hen, die door God geliefd worden, â daar is ook haat tegen alle overtreders van het eerste gebod: âGij zult geene andere goden voor Mijn aangezicht hebbenquot;. Daarom betuigt Christus in vs. 4: âDe smarten dergenen, die eenen anderen god begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; Ik zal hunne drankofferen van bloed niet offeren, en hunne namen op Mij ne lippen niet nemenquot;.
âBegiftigenquot; zegt zooveel als: âhet huwelijksgoed of het morgenoffer eenen anderen god brengenquot;. Zoo vertaald wijst het ons henen naar Ezech. 1G, vs. 18, 19: âGij hebt Mijne olie en Mijn reukwerk voor hunne (der afgoden) aangezichten gesteld, en Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt Gij ook voor hunne aangezichten gesteld tot eenen liefelijken reukquot;. Vertalen wij het met anderen door: âeenen anderen god nahoereerenquot;, dan is de zin naar Hosea's bestraffing te verstaan: âHet land
12
PSALM 16.
13
hoereert ganschelijk van achter den Heerequot;, en; âWant Israël heeft zijnen Maker vergeten, en tempelen gebouwdquot; (Hos. 1, vs. 2; 8, vs. 14). Luther zegt: âNaloopenquot; dat is in den zin, zooals Paulus schrijft aan de Galaten: âIk verwonder mij, dat gij zoo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangeliequot; (Hoofdst. 1, vs. 6). De âdrankofferenquot;, waarvan hier sprake is, werden voor God of voor de afgoden uitgegoten, naar Jer. 7, vs. 18; 19, vs. 13; 32, vs. 29. Het uitgieten der drankofferen beteekent: dat men verklaart, aan dien alles verplicht te zijn, voor wien men dezelve uitgiet. Een ware gruwel, waar men ze voor den Heere uitgoot en tegelijkertijd zich aan moord en doodslag schuldig maakte, zooals zelfs de overpriesters en oudsten des volks deden op het Paasch-feest, toen zij hunnen Christus onschuldig ter dood veroordeelden. Van zulke offers staat in Jes. 66 geschreven: âWie eenen os slacht, slaat eenen man; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offertquot;. Het rechte drankoffer vinden wij in 2 Sam. 23, vs. 15â17, waar wij lezen: âEn David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Beth-lehems bornput, die in de poort is? Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den Heere en zeide: het zij verre van mij, o Heere! dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinkenquot;. â Christus spreekt hier als Profeet: Die Uwe oppermajesteit en vrijmacht. Uwe liefde en genade, Uwe regeering en Uwen Gezalfde versmaden, zullen daarvoor smarten op smarten lijden, hier beneden zoowel als eenmaal in de eeuwige pijn. Hij spreekt als Hoogepriester: zulke offers giet Ik voor U niet uit; hunne handen zijn bevlekt met bloed, en onschuldig vergoten bloed is in hunne offers. Het uitgieten der drankoffers was het ambt van den priester, en nu spreekt
PSALM 16.
14
Hij; âHunne namen zal Ik op Mijne lippen niet nemenquot;, gelijk Hij op eene andere plaats zegt: âIk zal u uit Mijnen mond spuwenquot;, en: âIk bid niet voor de wereldquot;. Christus snijdt hiermede alle verkeer met zulke afgodischen af, wil ook van hen geene ondersteuning of hulpe hebben, die toch anders het vleesch, hetwelk met de afgodendienaars meeloopt, zoo zeer begeert. Hij spreekt echter zulks uit eerbied voor de oppermajesteit Gods, en Hij laadt gaarne den haat van hen, die God haten, op Zich, en haat hen met eenen volkomen haat. Zulk eene gezindheid en zulk een gebed geeft Hij aan al Zijne heiligen, en Hij maakt hen tot maagden, die met afgodische mannen zich niet laten bevlekken, maar het Lam volgen, waar het ook heengaat. Er wordt niet gevraagd, of men daardoor ook lijden zal hebben door te maken, veeleer wordt aan God den Heere do oorzaak van al dit lijden voorgehouden, het wordt Hem voorgehouden, dat men niet anders kan, ook niet anders wil; â ook wordt er niet naar gevraagd, of men er ook schade bij lijden zal. Veeleer heet het: âHet ga, zoo't wil!quot; Tegenover dit alles ziet men in Gods majesteit en vrijmacht het vrije en ongehoudene en genadige Zijner eeuwige verkiezing. Men ziet van al het zichtbare, dat niet God is, af en houdt zich aan den Onzienlijke, alsof men Hem zag. Men heeft in den levenden en souvereinen God al zijn welbehagen, zijn één en zijn al, zijn zilver en goud, heil, eer en leven, eene rijke erfenis, â dat wij aan Zijne genade genoeg hebben en een rijken troost hebben in Gods raadsbesluit, naar hetwelk alle ding tot onze zaligheid dienen en medewerken moet; â gelijk Asaf spreekt: âWien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheidquot; (Ps. 73, vs. 25, 26). In dezelfde blijdschap en vreugde in den eeuwigen en volzaligen God, uit Wien en door quot;Wien en tot Wien alle dingen zijn, en in Wien men zijn hoogste goed heeft, wordt het gezegd, wat wij in Vs. 5 en 6 lezen:
PSALM 16.
âDe Heere is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lotquot; (woordelijk: âGij zult vergrooten mijn lotquot;).
Christus, ofschoon Hoogepriester , laat dus den hoogepriester en den anderen priesters hun rijk inkomen en hun deel aan de drankoffers. Mijne woning, Mijn spijs, Mijn drank is de Heere, de trouwe Verbondsgod, die Mij tot Zijnen Knecht gekozen heeft. Ik heb aan alles genoeg, waar Ik dezen rijken God heb. âMijne spijze is, dat Ik doe den wil desgenen, die Mij gezonden heeftquot;. Ja, Heere, of Ik al niets anders heb om te toonen, dan een kruis, waaraan men Mij gehangen en vastgenageld heeft, â Gij onderhoudt. Gij vergroot het Mij toegevallen lot; immers Gij zult Uw Woord vervullen: âHij zal heerschen van de zee tot aan de zeequot;, gelijk Gij gesproken hebt: âEisch van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezittingquot;. En zoo is het ook waarheid geworden. â »Mijquot;, sprak de Heere na Zijne opstanding, âis gegeven alle macht in hemel en op aardequot;. Ik vraag alle uitverkorenen, die in Christus Jesus godzaliglijk willen leven, en die daarom vervolgd worden, of deze vreugde van Christus, ons Hoofd, die Hij in den Heere heeft, niet ook onze vreugde is en blijft? evenals de vreugde en de dankzegging, door Christus uitgesproken in vs. 6: âDe snoeren zijn Mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja eene schoone erfenis is Mij gewordenquot;.
In de oudheid mat men iemand zijne erfenis toe met snoeren, waarmede men de akkers mat. In het woord âvallenquot; ligt de verrassing, dat het iemand boven alle verwachting gegaan is. â âEene schoone erfenis is Mij gewordenquot;, of woordelijk: âde erfenis is schoon geworden voor mijquot;, wil zeggen: zij behaagt Mij meer, dan Ik zeggen kan.
Wij voor ons verstaan hieronder, dat God uit vrije genade onze genadige, verzoende God geworden is en ons in de gemeenschap van alle Zijne heiligen opgenomen heeft, en dat nu onze wandel, als die Zijner rijksgenooten, met Goden in den
15
PSALM 16.
16
hemel zijn moge. quot;Wat Christus verwierf, schonk Hij den Zijnen naar Gods wil, zoodat wij erfgenamen Gods en medeerfgenamen van Christus zijn, zoo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Voor Christus waren de snoeren gevallen in het hart en aan den boezem Gods, die alles naar Zijnen bestemden raad en naar Zijn voornemen over Hem komen liet; voor Hem was de erfenis, die Hem zoozeer behaagde, Zijne Gemeente, zij, die de Vader Hem gegeven had, â alsmede de volheid, die God Hem gaf, om ons allen te vervullen, en in allen alles te zijn. Christus ziet hier echter over dood en graf henen. Hij ziet wel is waar het kruis, maar Hij gelooft de heerlijkheid, en Hij heeft dezelve ook verkregen, en nu laat Hij prediken: âZing vroolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vroolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen der eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde! â Maak de plaats uwer tent wijdquot;. Leeren wij van Christus, welke dankzegging ons op de lippen gelegd wordt, als wij onze vermeende kennis van goed en kwaad, om Gods wil, prijsgeven. Zijne oppermajesteit. Zijne vrijmacht, den raad Zijns welbehagens en Zijne alleen wijze regeering hoog eeren, dientengevolge onzen weg en ons lot Hem in handen stellen, op Hem vertrouwen en ons door Hem laten leeren en leiden. Hij, Christus, die de eeuwige Wijsheid zelf is, wilde niets ondernemen, doen of leeren, dan hetgeen Hij bij den Vader zag en van Hem hoorde. âWie is er blind als Mijn Knecht, en doof, gelijk de Bode, dien Ik zende? Wie is blind, gelijk de Volmaakte, en blind gelijk de Knecht des Heeren?quot; (Jes. 42, vs. 19). âDe wil Mijns Vaders, dat Ik Mijn leven laat, is de beste. Zijn raad moet goed uitkomen, al gaat het ook door den doodquot;, zoo dacht de Heere, en Hij zag het loon en het einde van zulke gehoorzaamheid, gelijk Hij het in deze woorden uitspreekt: âIk leg Mijn leven af, opdat Ik hetzelve wederom nemequot;; en in plaats van de Hem voorgestelde vreugde heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht. Daarom
PSALM Ifi.
zegt Hij, vs. 7â9: âIk zal den Heere loven, die Mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onder-wijzen Mij Mijne nieren. Ik stel den Heere geel u r i g 1 jj k voor Mij; omdat IIij aan Mijne rechterhand is, zal Ik niet wankelen. Daarom is Mijn hart verblijd, en Mijne eer verheugt zich, ook zal Mijn vleesch zeker wonenquot;.
De Heere heeft Zijnen Christus raad gegeven, wijselijk te handelen, onze zonde en vloek op Zich te nemen, aan het kruis in den dood te gaan, denzelven dood geheel te smaken, en hem, die het geweld des doods had, alzoo te niet te doen. Nu prijst Christus dezen raad, of zegt veeleer: Ik zal den Heere daarvoor loven. Deze raad, meent Hij, zal en moet goed uitkomen; en in den nacht, dezen nacht Mijns lijdens, der duisternis en der verlatenheid, onderwijzen Mij Mijne nieren; d. w. z. al Mijn verlangen en begeeren is, dat deze raad nu ook aan Mij groot en waar gemaakt worde; zij onderwijzen Mij, bij zulken raad te blijven. Zoo onderwijzen Hem Zijne nieren â waar Hij in Gethsemané bidt of waar Hij aan het kruis uitroept: âMijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; â om bij zulken raad te blijven; gelijk Hij ook spreekt, Jes. 50: âIk ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaartsquot;. Het blijven bij dezen raad had ten gevolge, dat Christus den Heere geduriglijk voor oogen had, gelijk wij dat in Zijn gansche lijden gewaar worden; o. a. in Gethsemané: âOf meent gij, dat Ik Mjjnen Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten ? Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzoo geschieden moet?quot; En toen Hij aan het kruis voor de overtreders bad, die Hem daaraan genageld hadden, zeide Hij: âVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot;
De Heere beschaamt echter niet degenen, die Hem voor hunne oogen stellen; hun is Hij zeer nabij, zoodat zij wel Zijne hulp ontwaren in hun binnenste. Daarom spreekt Hij:
9
17
PSALM 16.
âOmdat Hij aan Mijne rechterhand isquot;. Daarvan heeft Hij den troost en de gewisheid: âDaarom zal Ik niet -wankelenquot;, maar volstandig blijven in het lijden, totdat Ik roepen zal: âHet is volbrachtquot;. Zulk eene hnlpe en zulk een heerlijk einde ziet Christus in dezen raad, dien Grod Hem geraden heeft. Daarover is Hij zoo hoogelijk verblijd, dat Hij bij Gods raad blijft. Dat vervult hart en tong met lof, vreugde en dank, en niet alleen ziet Hij Zijne ziel tot eere gebracht, die zoo diep vernederd en bedroefd zoude worden â neen, âook Mijn vleeschquot; zegt Hij â âzal zeker wonenquot;. Dat is: niet alleen Mijne ziel, maar ook hot lichaam zal de Heere de verlossing naar Zijnen raad laten ondervinden, ook Mijn lichaam zal in de groeve voor den tand des doods veilig zijn, gelijk Mijne ziel voor alle duivelen. Ik zie in dezen raad Mijne ziel gered en ook Mijn lichaam. Dezen troost en deze gewisheid, dat alles zoo komen zal, gelijk Grod, quot;VVien alle Zijne werken van eeuwigheid af bekend zijn, het besloten heeft voor allen, die op Hem vertrouwen, spreekt de Heere vs. 10 uit:
âWant Q-jj zult Mijne ziel in de hel niet verlaten; Gr ij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving ziequot;.
De Heere Christus ziet hier allereerst in Gods raad de bewaring Zijner ziel. âVerlatenquot; beteekent: âachterlaten, prijsgevenquot;. âIn de helquot; zoo lezen vij, gelijk in bijna alle overzettingen. Wij houden ons aan de overzetting, die de Apostel Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, in een beslissend oogenblik, toen het om de juiste opvatting dezer woorden ging, gevolgd is. Hij zegt naar den grondtekst zooveel als: in der helle pooien; (Handel. 2, vs. 27) gelijk Christus elders zegt: âDe poorten der hel zullen Mijne Gemeente niet overweldigenquot;, d. i. het gericht en de aanslagen der hel (want in de poorten hield men het gericht) zouden Christi ziel ook niet overweldigen. Aan deze poorten dor hel zou God Zijnen Christus niet prijsgeven; God zou Hem niet
18
PSALM 16.
achtorlatcn ^ als Hij iii dezo poorten kwam; Hem ook niet verlaten. De duivel zou Hem daar niet insluiten, Hem daarin niet vasthouden, God zou aan Zijne rechterhand blijven. Waar liggen deze poorten der hel? Hoe kwam de ziel van Christus in deze poorten? Had Hij niet gezegd: âVader, in Uwe handen beveel Ik mijnen Geestquot;? Toen Christus den Geest gaf, ging toen Zijne ziel niet opwaarts door de lucht naar boven? Waarom spreekt nu Paulus van geestelijke boosheden of geesten der boosheid in de lucht? Efeze 2 en 6. Daar deze in de lucht zijn, zoo zijn de poorten der hel allerwege, waar deze geesten zijn. Meent niet, dat de booze geesten in de lucht de ziel van Christus onaangevochten hebben laten opvaren; maar God was bij de ziel met Zijne heilige engelen, en zoo kon de ziel van Christus niet in des duivels gericht komen, maar moest vrij en zegepralend overgaan in de handen des Vaders. Dat zegt Christus van Zijne ziel; en aangaande Zijn lichaam betuigt Hij, dat het de verderving niet zien zal. Dat zag nu Christus in Gods raad, en in Zijn Woord en belofte, dat Hij niet tot aan den vierden dag in het graf blijven, maar opstaan zou op den derden dag, en alzoo Zijn vleesch de verderving niet zien zou; d. i. dat geen spoor van verderving aan Zijn lichaam zou gevonden worden. Daarover verheugt Zich Christus. Dat Hij echter zonder verderving gewis als overwinnaar uit de macht des doods met Zijn lichaam zou opstaan, wist Hij daaraan, dat Hij Gods Knecht, de Rechtvaardige, was. Daarom noemt Hij Zich âUw Heiligequot;; en dat Hij zou opstaan, daarvoor geeft Hij Gode lof, als wist Hij zelf niet, hoe het werkelijk zou toegaan. Daarom zegt Hij, vs. 11:
âGij zult Mij het pad des levens bekend makenquot;.
Christus wil zeggen: Ik loof U, omdat Gij Mij raad gegeven hebt; in dezen raad toont Gij Mij ook aan, waar Ik Mij in den dood geef, hoe dat Ik ook weder uit dezen dood verlost word en het eeuwige leven beërf. Het pad maakt Gij Mij bekend, dat Ik bij Uwen raad blijf, ofschoon Ik niets
19
PSALM 16.
voor oogen heb als den dood. Het ligt in dezen raad, Mij genade en eere te geven; en gelijk Gij Mij verkoren hebt, om te lijden en te sterven onder Uwe oppermajesteit, zoo staat het ook in Uwe macht, Mij weder uit den dood te doen opstaan. En dat zult Gij doen, want Gij laat Mij niet varen; Gij laat niet varen de werken Uwer handen.
Bij God ziet Christus het pad des levens, en Hij verneemt van Hem de belofte, dat Hij overeenkomstig Zijn vertrouwen op God, in Zijne ziel kracht uit God verkrijgen zal, zoodat de ziel in het lichaam zal wederkeeren en het lichaam levend maken. En dan vaart Hij op tot Zijnen God. Dat zegt Hij aan het slot: âVerzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht, liefelijkheden zijn in Uwe Eechter-hand, e e u w i g 1 ij kquot;. â Christus wil zeggen; Ik zal Uw aangezicht spoedig wederzien, alsdan zal Ik de volheid der-vreugde hebben, dat Ik het werk voleindigd heb, dat Gij Mij op de aarde gegeven hebt om te doen. Dan zit Ik eeuwiglijk aan Uwe Eechterhand, leef voor U eeuwiglijk, en uit Uwe Rechterhand zult Gij al Mijn lijden om Uwentwil en alle doorgemaakte smarten goedmaken met lieflijkheden eeuwiglijk, terwijl Ik Uwe vrije genade op de aarde en in den hemel verheerlijkt zie aan de groote schare, die voor Uwen troon komt en U eeuwiglijk prijzen zal, tevreden zijnde met Uw Lam, dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld.
Dit gebed legt nu Christus ook Zijnen uitverkorenen in mond en hart.
Ik loof den Heere, dat Hij mij raad gegeven heeft, tegen dood, zonden, duivel en helle aan, in Hem te gelooven en Zijne wegen te gaan en te honden, al gingen die ook schijnbaar in den dood. In alle nachten mijns lijdens onderwijzen mij mijne nieren, om bij dezen raad te volharden en daarin te gelooven, geenen anderen weg te gaan dan Zijnen weg, en in duisternis zittende op Hem te hopen en te vertrouwen. Terwijl ik bij Zijn Woord blijf, deelt Hij mij de genade Zijns
20
PSALM 16.
Greestes mede, dat ik, niet ziende, nochtans zie en Hem steeds voor oogen heb. Ik heb Hern gedurig voor mijne oogen gesteld, om den duivel niet te gelooven en geenen afgoden de eer te geven; daarbij ondervind ik, dat Hij mijne rechterhand en mijne sterkte is, en zoo ben ik daarvan gewis, dat niets ons scheiden zal van de liefde Grods, die daar is in Christus Jesus, onzen Heere. Ik ben van de genade der volharding bij Zijne genade in Christus Jesus gewis. Daarom verheugt zich mijne ziel en al wat in mij is, is vroolijk; wantik weet, dat Zijn raad bestaat in eeuwigheid, en dat de gedachten Zijns harten, die gedachten zijn des vredes over Zijn volk, blijven van geslacht tot geslacht. Mijne ziel komt met eere door alles henen, door alle duivelen in de lucht henen, als ik eenmaal den laatsten adem uitblaas. Ja, aan duivel en dood zal geen klauw gelaten worden; ook mijn vleesch zal in het graf rusten in de zekere hope der opstanding. En al ziet mijn vleesch de verderving, â ik weet, dat mijn Verlosser leeft, Hij zal mij opwekken en mijn sterfelijk lichaam heerlijk stellen, opdat het gelijkvormig zij aan Zijn verheerlijkt lichaam. Dan is er geen dood meer, noch rouw, noch zonden, noch smart; dan worden alle tranen van de oogen afgewischt! Hij maakt mij het pad des levens bekend, dat ik mij aan Uwe eeuwige genade en aan Uwen Christus houd, en alzoo heerlijk uit het graf verrijs. Dan aanschouw ik Uw aangezicht, o mijn God, in gerechtigheid ; dan is alle honger en kommer gestild; dan zullen er zijn aan Uwe Eechterhand lieflijkheden, lieflijkheden van nieuwe openbaringen aangaande het âhoequot; en het âwaaromquot; van alle de wegen, die Gij met mij gehouden hebt, en aan die lieflijkheden zal geen einde zijn!
O eeuwigheid! gij donderwoord â voor al degenen, die eenen anderen god begiftigen! O eeuwigheid! gewenschte eeuwigheid, â voor mij en voor u, voor allen, die hun heil alleen stellen in Gods oppermajesteit, vrijmacht en ontferming, en die, in het gevoel van zich zeiven niet te kunnen bewaren, niet op hun goeddoen vertrouwen, maar zonder eenige aan-
21
psalm 16.
matiging blijven en volharden bij het vurig gebed: âBewaar mij, o Grod! want ik betrouw op U!quot; Amen.
Slotzang; Psalm 33, vs. 6.
Maar de altoos wijze raad des Heeren
Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht;
Niets kan Zijn hoog besluit ooit keercu,
't Blijft van geslachte tot geslacht.
Zalig moet men noemen,
Die hun Maker roemen
Als hun Heer en God;
't Yolk door Hem te voren,
Gunstig uitverkoren Tot Zijn erf en lot.
22
Uitgaven van SCHEFFER amp; C0., te Amsterdam.
Werken van Dr. H. F. KOHLBRÃGGE: Lijdenspreeken gehouden in de jaren 1847â49. Achttien Leerredenen. Ingenaaid................Æ 2.40
Feeststoffen. Twee-en-twintig Leerredenen. Ingenaaid. .... - 2.40
Betrachting over den Eersten Psalm............- 0.60
Vragen en Antwoorden ter opheldering van den Heidelbergschen
Catechismus. Derde druk. Ingenaaid..........- 0.60
Idem, gebonden.................- 0.90
Kleine Catechismus of Kort Begrip enz. Vierde druk.....- 0.05
Negen Leerredenen. Drie Bundels............- 2.10
Eerste Twaalftal Leerredenen. Tweede druk.........- 1.50
Betrachting over Mattheus I, met Voorrede en Aanteekeningen door
Ds. J. J. Gobius du Sart. Nieuwe uitgave. 1.40
Blikken in het Eerste Kapittel van het 1° Boek van Samuel .... - 0.15
Troostwoorden in Dichtregelen, enz............- 0.15
Psalm 33 verklaard. Eene Wekstem...........- 0.15
Het Gebed. Vier Leerredenen.............- 0.15
De Artikelen van ons ongetwijfeld Christelijk geloof. Drie Leerredenen.....................- 0.25
De bekeering tol God en het geloof in onzen Heere Jesus Christus . - 0.10 De Heer, Filippus en Nafhanaël. Leerr. over Joh. 1 ; 43â51 . . - 0.10 Barabbas of Jesus Christus. Leerrede over Matth. 27 : 15â23 . . - 0.10
Fragment eener Leerrede. Gehouden 6 Mei 1854.......- 0.10
âHeere, leer mij Uwe Inzettingenquot;. Eene Uitbreiding van Psalm
119 : 33â40. Derde druk.............- 0.10
De koningin van Scheba bij den koning Salomo. Eene betrachting . - 0.10 Eenige vragen en antwoorden tot zelfonderzoek, enz. Tweede druk . - 0.10 Hist. Theol. Gesprekken over het Formulier van den heiligen Doop.
Tweede druk..................- 0.50
Op Goeden Vrijdag. Stichtelijke gedachten, enz........- 0.20
De genadevolle verborgenheid van den Grooten Verzoendag .... - 0.20
Betoog over I Cor. 15 enz...............- 0.60
Onze Heer voor Kajafas en Pilatus. Vier Leerredenen.....- 0.60
Het Ambt der Presbyters, uiteengezet naar aanleiding van I Petr.
5 : 1â4..................... 0.50
Op weg naar den Hemel. Drie betrachtingen over Mare. 5 : 25â34;
Matth. 20 : 29â34; Luc. 15: 1, 2, 11â20. Tweede Druk . . - 0.40
Twee Leerredenen over Galaten 2: 19, 20.........- 0.25
Jesus en de Zondares. Drie Leerr. over Luc. 7 : 36â50. ... - 0.30
Leerrede over Psalm 8................- 0.15
Drie Leerredenen over Psalm 13.............- 0.30
Th. J. LOCHER. Noch Perfectionisme noch Antinomianisme. Korte verklaring van Heid. Catech. Vr. en Antw. 114â115, en Rom. 7. / 0.40
___- De Belijdenis des Geloofs der Geref. Kerken in
Nederland. Met Voorrede en Aanteekeningen. Tweede Druk . .-0.12'
bij 25-tallen.......- 0.10
- Vragen en Antwoorden over de Bijb. Geschiedenis.
Derde Uitgave. In Vier Stukjes...........- 0.75
Dr. M. LUTHER. De vrijheid van den Christenmensch. Vertaald
door Da. J. van Bolhuis. Pred. te Delftshaven......- 0.30
_____ Woorden des Geloofs. Uit hot Hoogduitsch. . - 0.30
THOMAS GOODWIN. Alle de Theologische Werken vertaald door
Jakobus Koelman................- 4.25
H. VAN LIS. Verzameling van Twintig Oefeningen, enz. lquot; Bundel - 4.50
-- Verzameling van eenige Oefeningen, enz. 2quot; Bundel. - 8.00
JUSTUS VERMEER. Verzameling van eenige Oefeningen. ... - 3.90 THOMAS quot;WATZOÃT. Alle de Theologische en practicale Werken,
vertaald door J. Fabrioius, met het vervolg, compleet. ... - 4.80
JAC. FRUITIER. Slons worstelingen, inyen. Æ 1.00 geb. ... - 1.50
- Gerichtshandelingen van den Allerhoogsten God
met Zijn volk van Nederland, Vijfde Druk 2 deelen ingen. f 2.â
gebonden....................quot; 2.50
CHRIST. LOVE. Theologia Practica, d. i. al de Theol. werken.
Uit het Engelsch vertaald. Met Portret.........- 7.00
J. Gr. DES BERGBRIES. De ontsluiering van IVlozes. Verklaring van de voornaamste typen des O. Testaments. Vertaald door
Ds. J. J. Gobius du Sart.............- 1-â
J. CALVIJN. Christus, het einde der Wet. Vert, door T. M. Looman. - 0,15 L. OLEVIANUS. De vaste Grond, d. i. de artikelen van het oud
waarachtig, ongetwijfeld Christelijk geloof, enz......- 0.40
G. VOETIUS. De uitnemendheid van de leer der Gereformeerde Kerk
en het troostelooze van de leer der Remonstranten.....- 0.G0
Prof. Dr. EDUARD BÃHL. Tot de Wet en tot de Getuigenis. Een
verweerschrift tegen de Nieuw-Critische studie van het O. Test. - 1.60 M. Fe. SANDER. Jehova Tsidkenu. De Heer, onze Gerechtigheid. Do geloofs- en strijdkracht der Kerkhervormers. Vertaald door Dr. Kohlbrügge. Derde Druk............quot; 0.50
De eenige troost in leven en in sterven. Zeven-en-vijftig Leerredenen, met een hervormingspreek, waaronder van Dr. Kohlbrügge, Krummacher, Monod, enz. Met 2 Portretten.......- 3.50