ocr page 1

is St v ///. aj-

T

H E HDBlsTKT Nquot; Gr

ïijfeotk;

Hum

iElillll,

Jjfliilulj L a.ViE

LEERREDE

I TIM. I: lgt;

D1TOBSPROKEN IX DF. OEOOTE KKUK TH AUXHK.M,

(/cw 2'ïjteii Q/iint' /S86,

J H. L R 0 0 Z E M E U E R.

ARNHEM, j. W. amp; C. F. SWAAN. [ 886.

S'BUOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT

ocr page 2
ocr page 3

HERDENKING

MliSlMl EïilELMDIli

LEERREDE

OVER

I TIM. 1:12,

ÜITGESPEOKBN IN DE GROÜTE KERK TE ARNHEM ,

den 2(ïfeu q/hui 7SS6,

DOOR

J. H. L R 0 0 Z E M E IJ E R.

ARNHEM, J. W. amp; C. F. S W A A N. i 8 8 6.

SIBLiOTHEEK DER «1JKSUNIYERSITEIT

UTRECHT.

ocr page 4

Eerste Voohzang: Ps. 130 : 2 Gelezk.n : Psalm (JXXXVIII. Tweede Voohzang: Ps. 103 : 1, Tüsschenzang : Gez. 2 : 1,3. Nazang: Gez. 96.

ocr page 5

Weest mij welkom in het huis des Heeren, Geliefden ! die herwaarts opgekomen zijt om met mij gedachtenis te vieren mijner vervulde Vijfentwintigjarige Evangeliebediening. Moge ook dit ons samenzijn , al draagt het van zelf een ander karakter dan eene gewone godsdienstoefening, door God geheiligd, en voor ons aller hart gezegend zijn!

Gij vergeeft het niet slechts, gij verwacht zelfs, dat in eeue ure als deze het persoonlijke niet outbroke, dat anders van elke Evangelieverkondiging verre moet blijven. Hoe zou de mond des predikers, in zulk eene ure des herdenkens, geheel kunnen zwijgen van die persoonlijke herinneringen, die zijn hart bewegen? Voor mijnen geest gaan in dezen oogenblik de jaren voorbij, aan verschillende plaatsen in de bediening des Woords doorgebracht. Aan de drie jaren gedenk ik, doorleefd in de stille dorpsgemeente, het liefelijk Vleiden, waar mijn beminde leeraar De la Saussaye mij had gewijd tot het ambt, waarvan hij zelf een zoo rijkgezegend drager was; aan de twee jaren te Nieuw Loosdrecht, met al hun smart en vreugde, zoowel in de gemeente als in den huiselijken kring; aan de veertien jaren in mijn

ocr page 6

4

onvergetelijk Middelburg, waaromtrent het woord is bevestigd, eens uit den mond van eenen grijzen ambtsbroeder vernomen ; «banden, door God gelegd, worden door scheiding niet verbrokenquot;; en eindelijk, aan de zes laatste jaren in uw midden doorgebracht, geliefde Gemeente van Arnhem, waarin het vertrouwen van telkens meerderen mij steunt, waarin de liefde van zeer velen mij zoo beschamend is gebleken, in het vorig jaar bij de beroeping naar 's Gravenhage, en in deze laatste dagen op nieuw. Neen! ik kan, ik mag van al die zegeningen niet zwijgen; 't zou schandelijke ondank zijn jegens Hem, die ze schonk!

Maar toch, die persoonlijke ervaringen kunnen slechts aangestipt worden. De herdenking geldt de vervulde Evangeliebediening zelve, — en zoo blijven wij binnen den kring van datgene, wat de gemeente pleegt saam te voeren in het huis Gods. De feestelijke ure maakt niet den dienaar tot middelpunt , maar het woord, dat hij verkondigt, en den Heer, dien hij dient. De feestelijke ure is eene ure der dankzegging; eene ure, — hoe kan het voor den Christen anders zijn? — eene ure der diep ootmoedige dankzegging. Noch rechtstreeksche, noch zij-delingsche verheerlijking eens menschen is haar doel, maar nederige verheerlijking van Hem, Wien,inhet midden der gemeente Zijner verlosten en gezegenden, ééniglijk prijs en eere toekomt. Zoo zij het ook thans in ons midden, waar ik aan onze overdenking het woord des Apostels ten grondslag leg, dat gij vindt opgeteekend in

ocr page 7

5

1 Timotheus T : 12.

En ik dauk Hem, die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen IFeer, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende.

Wie liet woord eens Apostels overneemt met toepassing op zichzelven, is wel van zelf zich bewust van den afstand, die van den Gezant des lleeren hem scheidt. Zoo kan en mag dan de dank des harten voor ondervonden ze^en in de Evanaielie-

O O

bediening uitgedrukt worden meteen woord, waarmede Paulus op zijn loopbaan terugziet. Waar hij Timotheus raad en leiding gaat geven voor de op. gedragen taak, herdenkt hij aanbiddend den weg, waaropzijn Zender hem gevoerd heeft, — en ook eene ure als deze is van zelf aan zulk een terugblik gewijd, hoe verschillend dan ook arbeidskring en geschonkene gave moge zijn.

Maar, is dan toch dit niet met den ootmoed in strijd , die daar betaamt bij de herinnering aan veelvuldige schuld, dat men een woord zou overnemen, waarin Paulus van zichzelven zegt, dat de Fleere bem getrouw geacht heeft? Het zou dat zijn, indien uit het woord van den Apostel eenig zelfgevoel sprak; waar echter de Apostel onmiddellijk laat volgen: «Hij heeft mij getrouw geacht, die te voren een Godslasteraar was en een vervolgerquot;, — daar blijkt wel zonneklaar, dat hij van dit getrouw-zijn geen stof des roemens maakt; daar blijkt, dat zijn woord niets anders wil zeggen, dan dat de Heer

ocr page 8

Ö

hem een vertrouwenspost heeft gegeven, iets gewichtigs hem toevertrouwd heeft. Neen! zijn woord vraagt geen roem voor hern; zijn woord brengt in-nigen dank aan den Heer.

Zoo mag dan dit woord ten grondslag liggen aan de herdenking van ondervonden zegen in de bediening des Woords- Achtereenvolgens doet het tekstwoord stilstaan bij

I. DE TOEBETROTJWDE BEDIENING, en bij 11. DE VERLEENDE BEKRACHTIGING.

Moge onze overdenking van dit tekstwoord eene zoodanige zijn, dat er de Heer door verheerlijkt, en Zijn koninkrijk door uitgebreid worde! Dat zij zoo!

I.

Het ambt, door den Apostel vervuld, en later, in hunne mate, door do leeraars waargenomen, heet in de taal des Nieuwen Verbonds eene «bedieningquot;. Eigenaardig en beteekenisvol is die naam. Heeft het Oude Verbond zijne priesters, die als middelaars tusschen het volk en God stonden, het Nieuwe Verbond kent die niet, maar heeft daarvoor dienaren des Woords in de plaats. Middelaarschap van menschen is vervallen, sinds de éénige ware Middelaar Gods en der menschen verscheen. De dingen, die bij God te doen waren , zijn volbracht; een dienst, van Godswege aan de menschen te vervullen, treedt daarvoor in. Wat bij God geschieden moest is geschied; wat nu verder noodig is, is alleen, dat het volbrachte werk den menschen beketid gemaakt, en aan het

ocr page 9

7

hart gelegd worde. Daarom heet deze bediening de bediening des Woords; wie daar arbeiden in de gemeente en in de wereld, heeten, naar Jezus eigen woord, getuigen van Christus, of naar het woord des Apostels, gezanten van Christus.

Een getuige, een gezant van Christus te zijn: ziedaar. Gel.! de éénige, maar tevens de zwaarwichtige roeping van den leeraar dei'gemeente. Hij is geen priester, — tenzij daii in dezen zin, dat de voorbede der liefde gestadig uit zijn hart moet opgaan. Hij is geen wijsgeer, die met de vrucht van zijn denken; geen dichter, die met den gloed zijner verbeelding de schare leert of opheft. Hij is gezant; hij heeft eene boodschap te brengen. Hij is getuige; hij moet zijnen Zender doen kennen. En wat is het dan, dat hij te verkondigen heeft? Wat anders, dan de blijde boodschap van de liefde Gods in Christus ? Jezus Christus en dien gekruisigd te prediken; al de volheid te openbaren, die daar is in den volheer-lijken Godmensch, — dat moet het eenig doel zijns levens wezen- Daartoe alleen is hij gezonden; die prediking alleen draagt vruchten voor het Godsrijk. O gewis! bij het licht, dat van den Christus afstraalt. wordt te gelijk de ellende des menschen openbaar, die zulk een verlosser behoeft: dat is de lichtstraal die in de diepte valt. De taak des levens, in de veelvoudige eischen der heiligmaking. wordt onderkend : dat is de lichtstraal, die in de breedte verheldert. Het einde van den weg, het Vaderhuis met de vele woningen, wordt in schemering gezien; dat is de lichtstraal, die naar de verte zich uitstrekt.

ocr page 10

8

Iets van de mysteriën Gods; iets van de raadselen der Godsregeering wordt aanschouwd; dat is de lichtstraal, die naar boven uitstraalt. Maar al deze stralen gaan van één middelpunt uit: Christus, de gekruisigde en verrezene. Zonder Christus is het

O O

Evangelie geen Evangelie meer, en het woord der prediking wordt zielloos; in Christus is de gansche volheid besloten van al wat God aan 't arme en schuldige menschenhart heeft te geven. Christus te verkondigen was de eenige wijsheid en kracht van een Paulus; Christus te verkondigen is nog de eenige taak van de dienaren des Woords.

Christus, de Godmensch, de levende Jacobslad-der, die hemel en aarde verbindt; Christus, het Lam Gods, geslacht voor de zonde, — dat is de inhoud van liet eeuwig Evangelie, het ééne Evangelie, voor alle tijden en alle volken, omdat liet Gods antwoord is op de behoeften van het menschenhart. Zoo blijft de inhoud der prediking dezelfde, al verschilt de vorm naar de omstandigheden. De eerste predikers hadden deze boodschap Gods te brengen tot de Jood-sche en Heidensche wereld, die haar niet kende; de latere dienaren hebben haar te verkondigen in het midden der christenheid, die ze kent, maar die op hare behoefte aan deze boodschap moet worden gewezen. En ook in die christenheid wijzigt zich de vorm der verkondiging, waar nu eens deze, dan weder gene zijde der heilswaarheid op den voorgrond moet worden gesteld. Ten tijde der Hervor-miog, bijvoorbeeld, tegenover de werkheiligheid der kerk van Rome, moest de nadruk worden gelegd

ocr page 11

9

op de vrije genade Gods, en herinnerd worden; 't is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. In onzen tijd, nu in de wijsgeerige stelsels de noodlotsleer wordt gehuldigd; onder ons volk, waarvan de lijdelijkheid de voorheerschende karaktertrek is , brengt de roeping van den evangeliedienaar mede op het tegenovergestelde den nadruk te leggen, en aan de verantwoordelijkheid des menschen te herinneren, waar alle roepstemmen en vermaningen Gods op wijzen. Maar in welken vorm dan ook, altijd blijft van de evangelieverkondiging dat ééne het middelpunt: de prediking van den rijken Heiland voor den armen zondaar, de verkondiging van den éénigen Christus.

Dien Heiland heeft de dienaar des Woords te prediken aan de onbekeerden, opdat ze hunne behoefte aan dien Redder leeren voelen, en zich schuldbelijdend henen wenden tot Hem. Dien Heiland heeft hij te prediken aan de zoekende zielen, opdat zij bij Jezus alleen komen vragen, wat Jezus alleen heeft te geven. Dien Heiland in al Zijne volheid heeft hij telkens, en telkens weder te prediken aan de reeds toegebrachte)!, opdat zij ten volle zouden erkennen wat hun in den Zoon des Vaders is geschonken, en alzoo zouden opwassen in Zijne genade. Die taak is nooit ten einde. Daarin juist toont het Evangelie, dat het uit God is: altijd blijft het frisch en nieuw; zijn prediker raakt niet uitgepredikt maar vindt telkens weer schatten in de onuitputbare mijn.

Dat Evangelie te verkondigen was ook mijne taak.

ocr page 12

40

gedurende deze verloopene vijfentwintig jaren. Zie ik op de wijze waarop ik die vervuld heb, — dan moet van wege velerlei gebrek de schaamte mijn aangezicht bedekken. Maar vraagt gij , of ik in deze Christusprediking liet doel van mijn ambt heb erkend, dan mag ik antwoorden met een dankbaar en vreugdevol: ja! Dooi' Gods genade heeft van den aanvang mijner bediening af tot op heden, mijne prediking geen anderen inhoud gehad dan het volle Evangelie der Schriften. En wat de Heer mij nog van tijd en kracht tot de bediening wil schenken, dat geve Hij mij tot niets anders te besteden, dan tot de verheerlijking van dien Eenigen Naam, waarin voor zondaren de zaligheid is!

Voor zulk een taak te mogen leven, — laat liet mij uitspreken in dezen tijd, waarin het ambt der Evangeliebediening waarlijk niet overschat wordt, — dat is een eere en een zegen. Daarom spreekt Paulus er van als van eene hem toevertrouwde bediening. Hij acht zich bevoorrecht met een post van vertrouwen, waar de Heer hem die bediening geschonken heeft. Dat toebetrouwen, — we zagen het reeds, — geschiedde bij hem niet uit aanmerking zijner eigene verdienste; niet wat hij was endeed, maar wat Gods genade van hem maken zou, was de grond, waarop dit toebetrouwen steunde. En zoo is het immers met een iegelijk, wien de Heer in latere tijden de bediening toebetrouwt? Wat is hij in zichzelven anders dan een zondig mensch, onbekwaam om zich zeiven te redden. hoeveel te minder om anderen ten zegen te zijn? Wat hem

ocr page 13

'11

tot dienaar des Evangelies maakt, dat is de uitwendige en inwendige roeping Gods; de uitwendige, in de leidingen zijns levens, die hem de krachten en gaven schonken tot het ambt; de inwendige, die hem zeiven een arm zondaar deed worden, door Christus verlost en geheiligd. Neen! daar is geen stof des roemens, hetzij openbaar of verborgen; alles, alles is genade, waar God een menschenkind tot dienaar van Zijn Evangelie maakt: Hem alleen zij eeuwige eere!

II.

Niet slechts dat hem de bediening is toevertrouwd, vermeldt de Apostel als een zegen; hij spreekt zijn dank uit, dat hij tot de vervulling dier bediening is in staat gesteld. )gt;Ik dank Hem, die mij bekrachtigd heeft, namelijk Jezus Christus, onzen Heer.quot; Voorwaar! de genade aan hem bewezen, was niet ijdel geweest. Overvloediger dan alle andere Apostelen had de Heer hem doen arbeiden. Op de Heidenwereld had hij voor zijnen Koning de eene overwinning na de andere behaald; gansche landstreken had hij vervuld met het Evangelie. De macht der machtigen was niet bestand geweest tegen de kracht zijns woords ; de wijsheid der wijzen was overwonnen door de schijnbare dwaasheid der Christusprediking; de hartstochten der menigte hadden hem niet doen verstommen, maar uit die menigte had hij zielen gewonnen voor zijnen lieer. Wel was hij overvloedig bekrachtigd; wèl moest

ocr page 14

12

zijn terugblik hem stemmen tot ootmoedigen dank!

En kan dan nu ook dit woord des Apostels door een gewonen dienaar des Evangelies worden overgenomen? Als het geldt, den omvang en de vruchten van den arbeid te vergelijken, zeker! dan plaatst geen prediker zich naast den Apostel; dan zinkt zijn eigen werk en werkkring daarbij in het niet. Maar de Heer gebruikt in Zijn Koninkrijk niet slechts hoogbevoorrechte geesten; ook de geringste dienstknecht arbeidt mede aan dezelfde taak als de rijkst-begaafde Apostel. En waarin zij ook mogen verschillen, zóó verschillen dat iedere vergelijking-wegvalt, — de geringste dienaar heeft, even als de grootste Apostel, voor dezelfde bekrachtiging te danken. Dat hij is, die hij is; dat hij werkt, wat hij werkt, — dat is door die bekrachtigende genade alleen.

Waartoe is die bekrachtiging noodig ? Gel.! aan den bedienaar des Woords is een kostbare schat toevertrouwd, — maar hij draagt dien schat in aarden vat. Zelf is hij van nature een zondig mensch ; de strijd, dien ieder geloovige heeft te strijden om het geloof te bewaren, is ook de zijne. De wereld der zichtbare dingen verbergt ook voor zijnen blik zoo licht de onzichtbare wereld; de overgeblevene macht van zonde en zelfzucht dreigt ook hem ieder oogenblik los te rukken van dien Heer, in Wiens gemeenschap alleen het leven is. Zijn eigen geestelijk leven wordt bedreigd door dezelfde gevaren, als dat van zijne broeders en zusters, — en als zijn geestelijk leven kwijnt, wat komt er dan van

ocr page 15

13

vervulling der toebeti'ouwde bediening ? Dan kan hij een echo zijn, die de leer der waarheid herhaalt, maar bezieling gaat dan niet uit van zijn woord , en vrucht draagt die werktuigelijke arbeid niet. Slechts als getuige van Christus brengt hij zegen, — en hoe kan hij getuige van Christus wezen, tenzij het leven van Christus in hem werkt ? O, meent toch niet, dat voor den bedienaar des Woords de onderhouding van het geestelijk leven van zelf gaat, noch zelfs, dat voor hem de aanvechting minder sterk is dan voor anderen. Er ligt een ontzachelijk gevaar in den dagelijkschen, in den voortdurenden omgang met de heilige dingen; een gevaar van onaandoenlijk, verstompt te worden door de macht der gewoonte. Neen! niet aan zichzelven, niet aan de omstandigheden heeft hij het te danken, zoo zijn geloof is bewaard; de dank behoort aan Hem, die hem bekrachtigd heeft.

De bekrachtiging van 't leven des geloofs is de eerste en voornaamste. Daarnevens echter is ook die andere dankend te prijzen, die naar ziel en lichaam sterkte tot de opgelegde taak. Hoe zou ik van deze kunnen zwijgen, waar het mij zeiven menigmalen tot een wonder geweest is, hoe de Heer mij genadiglijk steunde tot vaak afmattenden arbeid bij zwakte des lichaams, en frischheid des geestes bewaarde bij veelvuldige inspanning ? Tot roem zijner ontferming moet ik het uitspreken met ootmoedigen dank: de bediening des Woords is mij geen last, maar een lust. Zeldzaam door krankheid verhinderd, heb ik tot hiertoe mijn taak mogen

ocr page 16

14

vervullen: Hem zij de dank endeeere, Die ook ffai voorrecht mij schonk!

Nog eene derde bekrachtiging is er noodig om iti de bediening met vrucht werkzaam te zijn, eene bekrachtiging aan de eerstgenoemde verwant, en toch daarvan onderscheiden. I [et is de bekrachtiging van den goeden moed onder de wisselende omstandigheden, de versterking des vertrouwens, dat men geen vergeefsch werk doet met den arbeid der Evangeliebediening. Die bekrachtiging is noodig, deels bij persoonlijke ervaringen, deels bij den blik op het geheel, waarin men leeft. Wie in deze laatste vijfentwintig jaren in de bediening des Woords is werkzaam geweest, is opgetreden in een tijd, toen menschelijke wijsheid het Evangelie der Schriften bijna geheel had verdrongen, — en hij heeft daarvoor eene andere geestesstrooming in de plaats zien treden, die voor de gemeente dezes tijds de taal en de vormen van vervlogeno eeuwen terug-begeert. Zoo kan het hem dan geschieden, dat hij eerst voor achterlijk en steil werd gehouden, eu later niet meer als ten volle zuiver wordt aangemerkt, waar hij toch, toen en nu, niet anders predikte dan het Evangelie der Schriften. Zie, dan is er bewaring noodig van goeden moed, om dat oordeel der menschen op de rechte waarde te schatten. — Maai- bij dat persoonlijke komt de blik op het geheel. De tijd, waarin wij leven, is op geestelijk gebied geen lentetijd. Vragen omtrent uiterlijke dingen, strevingen naar een zuiveren kerkstaat verdringen de vraag: wat moet ik

ocr page 17

is

doen om zalig te worden ? en die andere: wat kan ik doen, om mijn naaste voor den Heiland te winnen? Voorwaar! in zulk een tijd is bekrachtiging noodig, om goeden moed te houden; bekrachtiging, om te blijven vertrouwen: toch doet het Evangelie zijne werking, toch komt het koninkrijk Gods!

Maar wat wij behoeven in onzen tijd, Paulus had het niet minder noodig in den zijnen, toen het Evangelie tegenstand vond bij Heidenen en Joden en Joden-Christenen samen. En wat hij behoefde is hem van zijnen Heer geschonken. Die trouwe Heer blijft het schenken, aan al Zijne dienaren. I.aat ons tot roem zijner genade nagaan, hoe Hij bekrachtigt.

Hij steunt en sterkt, door bewaring van het geloofsleven. Waar eigen ontrouw en biddeloosheid dat leven zou doen verkwijnen, daar spreekt Zijn Geest weer vermanend en bestraffend; daar voeren zegeningen of beproevingen op nieuw tot het gebed. Onze trouwe Heer houdt Zijne dienaren onder Zijne tucht; Hij weet, wat zij dragen kunnen; Hij weet wat hun schade zou doen. En tegenover de gevaren, aan het ambt verbonden, heeft Hij voor de dienaren Zijns Woords ook een bijzonderen zegen bereid : de prediking, die zij brengen, is allereerst hun eigen hart tot voedsel. Hoe menigmaal wordt de ziel des predikers niet onder het prediken verkwikt, zoodat hij bemoedigd van den kansel afdaalt, in zorg of in dorheid der ziele bestegen, als onder zijn spreken de Heilige Geest zich heeft voelbaar gemaakt aan zijn hart! Daarbij, hoe vaak wordt in de veelvuldige aanrakingen, waarin het ambt hem met allerlei menschen

ocr page 18

16

brengt, de dienaar des Woords niet verkwikt door ervaringen van geestesgemeenschap, door blijken van welwillendheid en vertrouwen! Gel.! eenenreals deze geeft tot bijzondere toespraken geene aanleiding; maar behoefte is het mij, dankend te erkennen, hoe in uw midden de eenheid des geestes met ambtge-nooten en kerkeraad mij tot vreugde en steun is. En dan, hoe vaak is niet een bezoek aan het krank-bed geloofsversterkend voor den dienaar, die kwam om te troosten! Ook dat is een bekrachtiging, gezonden van den Heer!

Hij bekrachtigt, — ook door zegen op den arbeid te schenken. Niet telkens doet Hij dien aanschouwen: Zijne wijsheid weet, dat dit niet goed voor ons zijn zou. Maar nu en dan, als vriendelijke bemoediging , toont Hij, dat het gepredikte woord niet ledig is wedergekeerd; dat er zielen zijn aangetrokken tot Jezus, of inde goede keuze bevestigd. Een onderwerp als dit kunnen wij slechts aanstippen, — maar onvermeld mocht niet blijven, wat méér dan iets anders den moed ondersteunt.

Eindelijk, Hij bekrachtigt, ook door gedurige schuldvergiffenis, schuldvergiffenis ook voor het gebrek in de bediening. Noemen wij dit in de laatste plaats, 't is niet, omdat dit het minste, maar omdat dit het hoogste is. Geliefden! hoe zou een dienaar des Woords durven terugzien op denafgeleg-den weg, als niet deze troost hem sterken mocht? De toevertrouwde bediening legt een zware verantwoordelijkheid op. In de uitdeelers der verborgenheden Gods wordt geëischt, dat zij getrouw bevon-

ocr page 19

17

den worden; dat zij niets achterhouden van den ganschen raad Gods; dat zij met liefde en geduld, met volhardenden-ijver worstelen om de zielen, hun toevertrouwd, voor Jezus te winnen. O ik weet het: niet de kansel, maar de binnenkamer is de plaats voor schuldbelijdenis en verootmoediging; maar toch, ook in uw midden moet ik het uitspreken: daar is voor mij geen andere troost of toevlucht, dan in het alreinigend bloed des kruises! Hoeveel teederder had mijne liefde, hoeveel grooter mijn geduld moeten zijn! Hoeveel meer had ik een leesbare brief van Christus moeten zijn, opdat er te zien ware in den voorganger, hoe zalig het is , een Christen te zijn, en met hoe heerlijke roeping de Heer Zijne geloovigen begenadigt. O weest er zeker van: elke dank en alle liefde, die den dienaar des Woords toegebracht wordt, verootmoedigt. des te dieper: want te sterker doet dat gevoelen, hoe anders de bediening nog had moeten zijn. Meer hiervan spreken mag ik niet; wat de ziel tot haren God heeft te zeggen, geschiede in de stilte! Maar dit, dit zij openlijk dankend vermeld: ook daardoor bekrachtigt de Heer Zijnen dienstknecht, dat Hij door Zijnen Geest gedurig aan het hart verzekert: Ik delg uwe overtredingen uit; Ik gedenke uwer zonden niet! En waar dan het schuldgevoel neerboog, daar heft die genade weer op, om voort te gaan in de aangewezen taak, en te arbeiden in de mogendheid van Hem, die door onwaardige dienaren Zijn heerlijk werk volbrengt: Hem zij de dank ook voor deze bekrachtiging in de toevertrouwde bediening!

ocr page 20

18

»Ik dank Hem, die mij bekrachtigd heeft.quot; Geliefden, waarin zal die dank zich te hetoonen hebben? Wat zal een mensch den Heere vergelden? Al wat wij hebben is Zijne gave; wat kunnen wij dus Hem geven dan het Zijne? Dit zij mijn dank voor de ondervondene genade, dat ik met vernieuwde toewijding alle krachten in Zijnen dienst bestede. Hoe lang of kort de Heer mij nog in de bediening zal laten, 't is Hem alleen bekend; dit ééne geve Hij, dat ik datzelfde heerlijk Evangelie, tot dusverre verkondigd, van den rijken Heiland voor den ai-men zondaar, ook verder verkondige, maar — mocht het zijn! — met minder gebrek, met inniger liefde , met hartelijker aandrang! Daartoe sterke mij God!

Doch, als ik voor mij zei ven in deze ure het tekstwoord overneem, dan vergeet ik daarbij niet, dat ook gij met mij dankt, die mij zoo ondubbelzinnig uwe toegenegenheid toont. En dat gij met mij dankt, het doet mij vertrouwen, dat gij ook met en voor mij hidl- Dat is mij tot steun en bemoediging. Indien de Apostel, wiens danktoon wij vernamen, gedurig de voorbede zijner broederen inroept, opdat zijn dienst gezegend zij, hoeveel te meer hebben daaraan uw leeraren behoefte, die zich in zijne schaduw niet stellen kunnen ! Gemeente des Heeren! het woord, dat in u geplant wordt, moet gedrenkt worden door de vruchtbaar makende werking des Heiligen Geestes. Zóó alleen kan het zwakke men-schenwoord dienstbaar worden tot verwekking van bekeering en wedergeboorte. Alle dorheid op geestelijk gebied is aanwijzing, dat er niet genoeg ge-

ocr page 21

•10

beden wordt. O laat mij dan in deze ure, voor mij zeiven en voor mijne ambtgenooten, u mogen vragen: wordt daarin meer overvloedig! Gij steunt uwe leeraren door uwe liefde; gij steunt en bemoedigt hen door uwe offervaardigheid tot eiken christelijken lief-dearbeid; steunt ons óók door uwe dagelijksche voorbede! Indien het gepredikte woord wordt ontvangen met zachtmoedigheid, en daarbij zij, die bidden geleerd hebben, den zegen inroepen, die van Boven is, dan kan het niet anders, of de bediening moet rijke vruchten dragen.

Moge zij die dragen vooru, die altijd nog op twee' gedachten hinkt, — en daarom altijd nog buiten staat. O gewis! wij veronderstellen niet, dat er onder u zijn, die geheel onverschillig zijn voor God en Zijn dienst, dezulken achten zich in onzen tijd boven het kerkgaan verheven. Maar hoevelen zijner, die opgaan naar Gods huis, — en toch niet in Gods heiligdommen ingaan; begeerig, en toch weer niet begeerig; willende, en toch weer niet willende! Och, dat het Evangelie ook u eens ware dankstof worde: 't is nog het heden der genade; de deur is geopend, en de weg is gebaand!

Broeders en Zusters! gij die Jezus uwen Heiland moogt noemen, weest medearbeiders met uwe leeraren door uwe voorbede, door uwen christelijken wandel. Groote nooden en ellenden heerschen er op allerlei gebied; ongeloof en bijgeloof, beide, bestrijden het Godsrijk met groote kracht; maai' wat deert het, zoo het oog van leeraren en gemeente biddend opziet tot God ? De Koning Zijner duurge-

ocr page 22

•20

kochte Gemeente zal haar niet vergeten, haar weder opheffen uit dorheid en kwijning, en tot haar telkens toevoegen, die zalig zullen worden.

Biddend voorwaarts! Dat zij onze wederzijdsche gelofte op dezen gedenkdag! Dat brenge ons allen vermeerdering van geestelijk leven, versterking der gemeenschap met Hem, die ons leven is. Dan volgt op dat bidden een eeuwig danken. Geliefden! hier beneden is alles stukwerk; maai' het danken wel bovenal. Hier zijn de danktonen nog slechts stamelende klanken. Maar heeft de Heer ons hier beneden tot zijne biddende gemeente gebracht, dan voert Zijne hand ons naar het Vaderhuis, waar het eeuwig danklied weerklinkt, het eeuwig Halleluja aan Vader, Zoon en Geest, den trouwen God des Verbonds, Amen!

ocr page 23

i