ocr page 1

LEERREDENEN

DOOR

Dr. H. G. KLEYN,

Hoogleer aar te Utrecht.

Endenken

TOT EEN

AAN DE

HERVORMDE GEMEENTE TE HOOGE ZWALUWE

vgt;quot;'

AANGEBODEN.

HARDERWIJK. — A. BERENDS. 1889.

74

K.

quot;V

ocr page 2

LEERREDENEN

DOOR

Dr. H. G. KLEYN,

Hooyleeraar te Utrecht.

X v

tot EES AANDENKEN aan dk

HERVORMDE GEMEENTE TE HOOGE ZWALUWH

AANGEBODEN.

ocr page 3

F

quot;

.

-

;v-}' , ■,;: i

v -:

, ^.....

f ' ■■ ' ■ -

.

■ . : •gt;.-;■ \ ■•- •■ J ' ' ■'■- '■ •} • - . ■■ ' ■•

'- . ■ . V . ■■ /

■

•» .i' J'- - .


■

/ ' iv

r(' h '; , ■ ■

;-l;

.

.

: ; /v. i

'r:-

i ■ A ■ -'

• . ^ -i

V'

■ ■/ '

V

■

ï

quot;■ 7. 'ï* '

. ^ :

'•v

ƒ'

v-r

.

■

■ ■

-^■'v quot; ■' ■ ■■ ■'

. t: -

I

ocr page 4

ZES LEERREDENEN.

ocr page 5
ocr page 6

ZES

LEERREDENEN

van

IDr. HE. Gr.

Hoogleeraar te Utrecht.

tot een AANDENKEN aan de

HERVORMDE GEMEENTE TE HOOGE ZWALUWE

aangeboden.

HARDERWIJK. A. BERENDS. 1889.

ocr page 7
ocr page 8

Gemeente van H o o ff e Z w al uw e.'

Indien ik niet geweten had, dat het uitgeven van een zestal Leerredenen, door mij te Hooge Zwaluwe uitgesproken, u welkom zoude zijn, zoude ik er niet aan gedacht hebben ooit eene mijner leerredenen in het licht te geven. Nu mij gebleken is, dat dit het geval is heb ik geene vrijmoedigheid om ze terug te houden. Zoo verschijnt dan deze bundel mede als bewijs onzer wederzijdsche toegenegenheid. Toch heeft die uitgave nog een ander en hooger doel. Zij brenge u tot vernieuwde overdenking der levenswaarheid, ivelker verkondiger ik in uw midden mocht zijn! Heilige de Almachtige en Genadige God en Vader onzes Heer en Jezus Christus deze waarheid aan uwe harten! Gehruike Hij daartoe in Zijne Gunst ook de hier volgende leerredenen! Blijft voorts Gode en den Woorde Zijner Genade bevolen

door uwen voormaligen herder en leeraar H. G. KLEYN.

XJ t r e cht 1 Februari 1889.

ocr page 9
ocr page 10

INHOUD.

Bladz.

De wil Gods en de mensch (Matth. 21; 28—32).................... 1

Eene prediking der banden (Philipp. 1:12—14)........................................15

De rechte oorzaak der blijdschap (Luc. 10; 20)..........................................29

Geloovige berusting (II Sam. 15:25, 26)......................................................43

Het steunen op Gods waarachtigheid en trouw (Micha 7 : 7—10)..........56

Dankbaarheid (Ps. 103:2)................................................................................68

ocr page 11
ocr page 12

De wil Gods en de mensch.

Mattheüs 21 ; 28—32. Maar wat dunkt u'? Een mensch had twee zonen, en gaande tot den eerste, zeide: Zoon ! ga heen, werk heden in mijnen wijngaard.

Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.

En gaande tot den tweede, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet.

Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan ? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.

Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te gelooven.

M. G. T.! Er is slechls een boek ter wereld, dat den mensch ganschelijk niet vleit, noch verheerlijkt, dat is de Heilige Schrift. Er is maar een boek op deze aarde, dat altijd en op alle plaatsen God verheerlijkt, het is weder des Heeren heilig Woord. Zoekt, waar gij wilt, onder welke volken ook. neemt de verhevenste boeken ter hand, die niet op dat Woord zijn gegrond, en gij znlt altijd zien, dat het schepsel verhoogd wordt ten koste van den Schepper, dal de zondaar verontschuldigd wordt ten koste van Gods heiligheid en rechtvaardigheid.

Daarom is ook de Bijbel de eenige Gods openbaring, de eenige kenbron der' waarheid, als ingaande tegen het verduisterd versland en hel vleeschelijk harl der menschen, als zijnde niet uit den wil

1

ocr page 13

2

des vleesches noch uit den wil des mans ontstaan, maar uit God, maar uit den hemel nedergedaald door de werkzaamheid van den Heiligen Geest.

Vandaar ook, dat dit Woord Gods niet in zijn waren zin kan verslaan worden door den natuurlijken mensch, vandaar dat deze zich verzet tegen het oordeel, dal dit Woord over hem uitspreekt, en geen gevoel heeft voor de heerlijkheid van Gods genade in Jezus Christus Zijnen Zoon aan arme zondaren bewezen, gelijk zij daarin geopenbaard wordt. Vandaar ook de onwil van den onwedergeboren mensch om naar dit Woord te hooren, om den wil Gods te doen.

De tegenstand, welken de mensch biedt, openbaart zich op tweederlei wijze, of als eene besliste weigering, eene zelfbewuste ongehoorzaamheid, of als eene toestemming, eene gehoorzaamheid in schijn, een zich inbeelden, dat men inderdaad den wil des Heeren doet, terwijl de mensch nochtans geen lust heeft in de ware gehoorzaamheid, en, meenende God te dienen, een dienstknecht blijft der wereld en van haar Overste, den Booze.

Maar wat gebeurt nu? Indien men tot deze schijnbaar gewilligen, tot deze eigengerechtigen, zegt: Gij dient niet God, maar hel vleesch, maar de zonde, dan bekomt men tot antwoord? Neen, maar wij dienen den IIeere, wij danken Hem, dal wij niet zijn als die anderen, welke openlijk en beslist het gezag Gods verwerpen, die zich overgeven aan ergerlijke zonden. Ga eerst tol hen, zij hebben genezing, zij hebben bekeering noodig.

Dan antwoordt de Christus verontwaardigd: Voorwaar, ik zeg u, dal de tollenaars en de hoeren u voorgaan in hel Koninkrijk Gods.

Niet alsof er in die menschen iets zou zijn, waarom zij Gode welbehagelijk waren, want dit weten wij: God heeft niet lief, omdat wij Hem liefhebben, maar opdat wij Hem zouden liefhebben. Hij komt niet lot degenen, die Hem zoeken, Hij komt tol de menschen, opdat zij Hem zoeken zouden. Maar gelijk de Christus den Vader dankt, dat Hij deze dingen den wijzen en verslandigen verborgen heeft, maar heeft dezelve den kinderkens, den onwetenden, geopenbaard, zoo wijst de Heiland hier op hel onwedersprekelijk feil, dat de diepslgezonkenen menigmaal diegenen voorgaan, welke vrij braaf en eerlijk hebben geleefd. Zoo worden deze laatslen dan beschaamd, opdat, mocht hel zijn, het trotsche en hoogmoedige

ocr page 14

3

hart worde gebogen, en de rnensch, die meent Gods wil te doen, zichzelven onderzoeke, of hij wel in waarheid is, wat hij schijnt.

Terwijl nu des Heilands vraag, in de voorafgaande verzen vermeld, strekken moest tot ontdekking van den valschen schijn van Israels overpriesters en ouderlingen, bezigt Jezus deze gelijkenis om hen nog meer te vernederen, en hen over hunnen hoogmoed te bestrallen.

Bij de behandeling van ons tekstwoord, vragen wij eerst naaide verklaring der gelijkenis, vervolgens naar hare toepassing op de tijdgenooten des H e e r e n, op de aanzienlijke en geëerde leden van den Joodschen raad. Dan biedt zich van zelve de gelegenheid aan om het antwoord van den Christus ook in betrekking tot onzen tijd te beschouwen.

Een mensch had twee zonen, zoo vangt de gelijkenis des Heilands aan. Twee zonen, geheel verschillend in karakter, gedrag en handelwijze, maar hierin overeenkomende, dat zij niet naar den wil huns vaders hoorden, één derhalve in hunne zondige natuur. Op zekeren dag stelt de vader hun den eisch der gehoorzaamheid. «Zoon!quot; zegt hij tot den eerste, »ga heen en werk heden in mijnen wijngaard.quot; Maar helaas! deze zoon wenscht zich niet langer te onderwerpen aan des vaders wil. Hij verdraagt het in zijn oog knellend juk der onderdanigheid niet verder. Hij wil genieten van het jonge leven en doen wat hemzelf behaagt. Hij meent recht te hebben op vrijheid, en, daar hij de ware vrijheid niet kent, beschouwt hij zijnen vader als een dwingeland, die hem kwelt. Driest en vermetel voegt hij hem het weigerend woord toe: »Ik wil niet.quot;

Daar is niets, dat dezen jongeling kan verontschuldigen. Alles getuigt tegen hem. Hij verwerpt immers het gezag van zijnen vader, dien God over hem gesteld heeft, die hein liefheeft, die hem tot zijn bestwil geboden en bevelen geeft, die hem te gelegener tijd ook de genoegens niet onthouden zal. Deze zoon is diep verdorven, maar, wat wonder! hij ontplooit slechts wat in het hart van ieder zondaar woont: de zucht naar onafhankelijk-

ocr page 15

lieid, de begeerte naar hel verbodene, de lust om de wereld en de zonde te dienen.

Zoo gaat dan de ontaarde zoon zijn eigen weg, den breeden weg der vermaken en wellusten, hij dompelt zich in hel genot en de bandeloosheid, hij dwaalt al verder en verder at' van des vaders wijngaard. Maar ziet, door Gods goedheid komt hij tot nadenken over hetgeen hij gedaan heeft, het komt hem voor den geest, hoe zeer zijn vader hem liefhad in de dagen zijner kindsheid, hij ziet in hoezeer hij dien vader heeft bedroefd door zijn woord en daad. Hij krijgt berouw, en treurend over zijne ongehoorzaamheid, slaat hij den weg naar den wijngaard in. Hij lijgt aan het werk, dat hij geweigerd had te doen, en gedraagt zich als een ijverig arbeider. En wanneer de vader des avonds zijn wijngaard bezoekt, vindt hij . zijn ongehoorzamen zoon druk bezig, vindt hij hem boetvaardig en treurend over zijn onwil, en hij verblijdt zich, dat zijn verloren zoon is wedergekeerd.

Doch tegelijk smart het hem zeer, dat hij zijn tweeden zoon daar niet vindt. Ook hem had hij den. last gegeven te gaan arbeiden in zijn wijngaard, en deze had dadelijk geantwoord: »Ik ga, heer, ik ben bereid uw- wil te doen.quot; Wat mag de reden zijn, dat hij evenwel niet is heengegaan tot zijn arbeid? De oorzaak daarvan is deze: Tusschen de harten, tusschen de gezindheid der beide zonen is geen verschil. Geen van beiden vond zijne hoogste lust in de tevredenheid des vaders. Maar de tweede was niet oprecht genoeg dit voor anderen en voor zichzelf te erkennen. Hij wilde gaarne een gehoorzaam zoon zijn, maar tegelijkertijd moest dan ook die gehoorzaamheid kunnen samengaan met het volgen van zijn eigen zin. Hij zou er niet aan denken in opstand te komen tegen zijnen goeden vader, hij kan niet anders dan zijne bereidwilligheid betuigen om hem te gehoorzamen. Zoo behoudt hij den naam van een goed zoon en heeft hij zich geene groote overtreding te verwijten. Maar.... nu moet hij aan het werk, nu moet hij de daad bij het woord voegen. En dat is moeielijk. Hij begint met te talmen, voordat hij aan den arbeid gaat, komt hij nabij den wijngaard, dan ziet hij een goeden vriend, even gehoorzaam als hij; een enkel woord slechts, voordat hij met werken begint, dat zal zijn vader dezen bereidvaardigen zoon niet kwalijk nemen. Zijne bedoeling is

ocr page 16

5

immers goed. Zoo wandelt liij langs den wijngaard op en neder, zonder er in te gaan. En als dit oponthoud is afgeloopen, komt er een ander bezwaar, en dan nog eene noodzakelijke verhindering, en... de schaduwen van den avond dalen en nog is hij in den wijngaard niet werkzaam geweest. Komt hij des avonds weder in huis en vraagt hem zijn vader naar de oorzaak, zijn antwoord is gereed; »lk was volkomen bereid uwen wil te doen, gij hebt mij niets te verwijten, ik zou gearbeid hebben, indien allerlei omstandigheden, die mij kunnen verontschuldigen, niet daar geweest waren.quot; Maar het woord des vaders is dit: «Gij hebt gezegd: Ik ga, lieer, en gij hebt toch mijnen wil niet gedaan, al uwe bezwaren zijn opgezocht en uitgedacht, üwe eigenlijke lust is niet den wil uws vaders te doen, maar uw eigen wil. Bekeer u dan, en word gelijk aan uwen broeder, die berouw heeft gehad en is heengegaan.quot;

Tot zoover de gelijkenis door den Christus voorgesteld. De Heiland teekent daarin een beeld, en het is niet moeielijk uit het verband op te maken, welke zijne bedoeling is. Wij vinden hier hetzelfde, dat de gelijkenis van den Verloren zoon ons leert, maar van een andere zijde beschouwd. Gene dient om de handelwijze van den Zaligmaker, die zich tot de tollenaars en zondaars wendde, te rechtvaardigen, deze om de overpriesters en ouderlingen aan (e wijzen, hoe ongegrond en zondig de hoogmoed was, waarmede zij zich verhieven boven de diepstgezonken leden der Joodsche maatschappij. Als Jezus zijne vijanden vraagt: Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan ? en zij niets anders kunnen antwoorden dan: »De eerstequot;, wijst hij er op dat zij in dit antwoord hun eigen oordeel hebben uitgesproken. Zijzelven zijn den tweeden zoon gelijk, die zeide: Ik ga, heer, en niet ging. Immers als Johannes de dooper lot hen kwam in den weg der gerechtigheid, zoo hebben zij hem niet geloofd, maar die den eersten zoon gelijk waren, de drieste overtreders van Gods geboden en inzettingen, de ergerlijkste zondaren, die verworpenen der Joodsche maatschappij.

ocr page 17

(gt;

zij die hunne eer, ja hun lichaam hadden veil gehad voor eene somme gelds, zij hebben hem geloofd, en gij, o overpriesters en oudsten van Israël, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad om hem te gelooven.

Zullen wij de bedoeling van den Christus recht verstaan, dan moeten wij ons voorstellen, wie deze overpriesters en oudsten, wie deze tollenaars waren. De overpriesters en oudsten of ouderlingen maakten gezamenlijk den grooten raad der Joden uit. De overpriesters waren de familieleden van de hoogepriesters, die de aanzienlijkste ambten in Israël bekleedden, de ouderlingen of oudsten waren de vertegenwoordigers des volks, de achtbaarste mannen uit de stammen Israëls. Over het geheel kan men zeggen dat de overpriesters Sadduceën, de oudsten Pharizeën waren. Sadduceën, dat zijn dezulken, vooi wie het heilige reeds sedert lang zijne eerbiedwaardigheid heeft verloren, die den dienst Gods uitoefenen als een bedrijf. Het Sadduceïsme is het bederf in de priestermaatschappij. Onder de Pharizeën moogt en moet gij u nimmer denken huichelaars en bedriegers, hoewel deze ook onder hen werden gevonden, maar hen, die hunne gerechtigheid zochten door de werken. Ja er was een tijd geweest, en dat mogen wij niet vergeten, waarin de Pharizeën de kinderen Gods waren in Israël. Dat was vóór de dagen der Makkabeën, toen men zich bijna schaamde te leven naar do wet. Toen waren de Pharizeën de getrouwen, zij hielden ondanks bespotting en vervolging aan do wet huns Gods en de afscheiding van Israël tegenover de volken vast. Maar ziet, toen die dagen van hangen strijd voorbij waren, toen scheen het hun nakroost toe, alsof het krampachtig vasthouden aan de inzettingen der wet reeds zalig maakte, en de godsdienst was verstijfd en versteend tot eene doodende wettelijkheid. Zoo zien wij dan, wie zij waren, die de Heiland vergeleek met den tweeden zoon in de gelijkenis, namelijk de wereldschgezinde priesters en de streng wettische ouderlingen, de eerste achtbaar door hun ambt, de laatste door hun gedrag.

Wie zijn het. die tegenover hen worden gesteld? Het zijn die vrouwen, welke alle schaamtegevoel schenen te hebben uitgeschud, die eenen schandelijken handel dreven, in wal der kuische vrouw heilig is, op wie de maatschappij nederzag, zoo niet met de

ocr page 18

7

diepste verachting, dan toch met de grootste meewarigheid. Hot zijn die mannen, immers ook zonen Abrahams, die als tollenaars, ontvangers der heidensche schattingen, eene betrekking hadden gekozen, welke hen dwong ieder oogenblik zich te verontreinigen, en dus de wet te overtreden, die om des gewins wille de getrouwe dienstknechten waren van de heidensche overweldigers.

En ziet Johannes de dooper was gekomen, predikende en doo-pende, den eisch der hekeering stellende en wijzende op den Christus, die na hem komen zoude en aldus Wet en Evangelie vereenigende. Hij kwam in den weg der gerechtigheid, en door zijne indrukwekkende prediking waren tollenaars en hoeren aan hunne schuld ontdekt en zij hebben hem geloofd. Zij hebben hun vorig leven verlaten en vergeten, en zich uitgestrekt tot hetgeen voor hen was. Zij hebben zich onderworpen aan het woord des IIkeren en gehongerd en gedorst naar de ware gerechtigheid, die is in Christus Jezus.

Maar de overpriesters en ouderlingen — voorzeker ook zij kwamen tot Johannes, ook zij wilden zich wel laten doopen, maar zij verlangden dien doop zonder bekeering, zonder verbrijzeling des harten, als ware deze wassching slechts een goddelijk zegel op de voortreffelijkheid van hun gedrag. Toen had Johannes hen moeten afwijzen. Neen, noch het brengen der dagelijksche offeranden in Jeruzalems tempel, noch de belangstelling in de wet des Heeren maakt iemand in het oog van Johannes tot een waarachtig kind Abrahams, voorwaar zeg ik u, luidt des Doopers woord, dal God ook uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. Gedoopt kunt gij worden, doch eerst als gij vruchten voortbrengt der bekeering waardig. Gij, die bij u zeiven meent Code te behagen, gij zijt adderengebroedsels, die even goed de bekeering noodig hebt, als de diepstgevallene tollenaars en zondaressen. En toen — toen hebben die geëerde Israelieten zich verontwaardigd afgekeerd van den gestrengen prediker en geen berouw gehad om hem te geloo-ven. Toen hebben zij zich weten te verontschuldigen en te rechtvaardigen met allerlei uitvluchten en zijn'zij voortgegaan op den ouden weg, van dag tot dag meer verhard in hun zelfbedrog.

ocr page 19

8

De zondaar is geneigd, wanneer hij in het Evangelie leesl van de vijanden van den Christus, zich die op zoodanige wijze voor te stellen, dat hij zelf met hen volstrekt niet kan vergeleken worden. Vandaar de wijdverbreide meening, dat de Phariseën huichelachtige bedriegers waren, zulke lieden, als waarvoor ieder latsoenlijk man zich thans zou wachten, terwijl men daarbij steunt op een verkeerde opvatling van het woord «geveinsden, schijnheiligen,quot; dat in waarheid geen opzettelijk bedrog aanduidt. Daar tegenover stelt men zich de tollenaars en zondaressen liefst voor als zwakke men-schen, die door hartstocht medegesleept tol zonde, zware zonde, zijn gekomen, maar, aanstonds uit dien zondeslaap ontwaakt, vlieden tot den Christus, die hen om hunne zondige zwakheid niet veracht, maar medelijdend opneemt.

Bij zulk eene beschouwing zal het getal der personen niet groot zijn, die in onzen lijd te vergelijken zijn met phariseën en tollenaars, saddueeën en zondaressen. Zoo heeft dan het woord des Heilands zijne toepasselijkheid in onze dagen voor een goed deel verloren, behoeft het ons niet meer te ergeren of te beschamen, te bemoedigen of te vertroosten; het gaat ons niet aan. Maar aldus is het niet. Voorzeker, in achttien eeuwen verandert veel, verandert de benaming, die wij aan de dingen geven, verandert de uiterlijke vorm, de meer bepaalde richting van verstand, gemoed en wil des men-schen, de omstandigheden, waaronder menschen leven en verkeeren, maar wat niet verandert, is het menschelijke hart met zijne inner-lijkste drijfvêeren en tochten, dat hart, welks gedichtsel nog altijd boos is van zijne jeugd aan, dat hart, dat nog als in de dagen Jeremia, arglistig is, ja doodelijk.

Wij behoeven daarom niet te vragen, of ook in onzen tijd dit alles zijne toepassing vindt, of er nog zijn, die in den tweeden zoon uit de gelijkenis hun beeld moeten terugvinden, die met hunne woorden altijd bereid, met hunne daden nooit gereed zijn, die bovendien zich verre verheffen boven hen, die den eersten zoon volgend met kracht den wil Gods wederstaan. Inderdaad de wereld maakt scheiding lusschen slechte, goede, zeer goede menschen, en voor zoover dit oordeel niet wordt uitgesproken over hel hart, maar over de daden en handelingen is het bestaanbaar

ocr page 20

!)

mei Gods Woord, maar wanneer nu dit oordeel ook wordt geveld over des menschen liart, staal het tegenover de Heilige Schrift, die leert dal alle menschen zondaren zijn, en, zullen zij gerechtvaardigd worden, alleen kunnen gerechtvaardigd worden door de verzoening, die in Christus Jezus is. Doch de wereld scheidt willekeurig de zondaren in slechte menschen, die der maatschappij lol last waarschijnlijk nimmer zullen terecht komen, in goede, die hunne plichten volbrengen en belangstelling loonen in den dienst van God, in zeer goede, die uitmunten in deugden en voor den Godsdienst zelfs lijd en geld over hebben. Wal boven en builen dezen is, is dweeperij of veinzerij. Ge vindt hier de oude verdee-ling terug: tollenaars en zondaars, gewone Israelieten van Phari-seeuwsche of Sadduceeuwsche gezindheid en heilige Phariseën en schriftgeleerden.

Ontkend wordt niet, dal de bekeering noodig is voor de diep gezonkenen des volks. Slaven van drank of ontucht behoeven, zullen zij ooil aan de macht der zonde ontkomen, eene bekeering, zij moeten berouw hebben over hunne schandelijkheden. Maar brave en eerlijke menschen, maar uiterlijk belangstellenden, waarover zouden zij berouw moeten hebben, waarvoor zij vergeving ontvangen? Misschien geeft men toe, dat eene dagelijksche bekeering van telkens herhaalde tekortkomingen noodig is, maar dat ook die, welke goeden naam en eer in de wereld bezitten eene gelieele omkeering van leven en levensrichting behoeven, dal wordt meestal ontkend.

Ontkend? vraagt gij. Ja gewis, evenwel niet altijd met den mond en met het versland. De ervaring leert ons dat de eisch der bekeering en de noodzakelijkheid der wedergeboorte erkend worden, door velen, die desniettegenstaande zichzelven hoog verheven achten boven de verworpelingen der maatschappij, door de zoodanigen, die. hoezeer ook ingenomen met hun eigen persoon, en vertoornd, wanneer men hen van zonde zou willen overtuigen, toch bevreesd zijn, dat weg te werpen, dat zij van ouders en leeraars hebben vernomen, dat ieder mensch is ontvangen en geboren in zonde, geneigd tol alle kwaad en daarom verdoemelijk voor God.

Maar ontkend wordt het metterdaad. En wat mag de reden daarvan zijn ? De gelijkenis van Jezus geeft daarop het antwoord:

ocr page 21

10

Ik ga, heer, zegt de tweede zoon lol den vader. Hel is dit bereid zijn, dil loeslemmend antwoord op den eisch Gods, dat voor zoo menigeen een struikelblok is, waardoor zoo menigeen zich bedriegt, waarop zoo menigeen zich verheft. Het is de schoone schijn van gehoorzaamheid aan des Heeren gebod. Het is de ontveinzing van den onwil, die zich verschuilt achter de woorden: Ik ga, uitgesproken door hem, die niet gaat en eigenlijk niet gaan wil.

Evenals de tweede zoon bedriegt zoo iemand zich. Hij meent te willen en wil eigenlijk niet, en houdt voor wil, wal in werkelijkheid niet anders is dan eene gedachtelooze toestemming. Weet gij wat het zegt te willen? Hel is datgene, waartoe het verstand overreedt, waartoe het gevoel drijft, vast te houden en na te jagen met alle kracht. Wanneer men iets wil, spant men alles in, om te komen tot zijn doel. Wil men daarom weten, wat het is dat de mensch in den grond der zaak wil, men ga dan na, waartoe hij zijne krachten gebruikt. Is het alleen om door de wereld te komen, gelijkt men het noemt? Is het om zijne plichten tegenover de maatschappij te vervullen? Is het om eer en lof bij de men-schen in le oogsten ? Is het om zich te bevredigen, zich genot te verschaU'en, ook in edelen zin? Is het om zich te rechtvaardigen tegenover zijn geweten of hel Woord van God? Of is het de wil des menschen dat hij Gode behagen mag, dat de Naam des Heeren worde grootgemaakt, dat Christus worde geeërd, gelijk men den Vader eert? Men bedriege zich hierin niet. Er was zoo menigeen, die meende God le dienen en het niet deed, die meende zijne ziel op te helfen tot God en slechts zijne verbeelding streelde, die meende Gods eer te bedoelen en inderdaad zich zeiven zocht. Dal men werkelijk den wil Gods wil doen, daarvan is een kenmerk, dat men ter wille van die gehoorzaamheid zich zeiven verloochent, zijn eigen zin en lust opofterl. En nu zij aan degenen, die mee-nen Gods wil te doen, gevraagd, of deze gehoorzaamheid hun reeds iets van belang gekost heeft, of zij hunne genoegens en vermaken, hunne vreugde en lust den Heere ten offer hebben gebracht, het aan Hem overlatende, dal Hij hun die lerugschenke naar de mate en in den lijd van Zijne welbehagen, en bereid zijnde om ook het bittere en het smadelijke te dragen om den Naam van Christus, indien het des Heeren wil is, dat dit geschiedeh. zal, of zij ook

ocr page 22

II

al wal hun gewin was in de dagen van hunnen vleeschetijken wandel schade achlen om de uitnemendheid der kennis van Christus? Indien dit niet het geval is, indien zij eigenlijk het vleesch nimmer hebben gekruisigd, indien zij niets noemenswaards hebben opgeolïerd, indien zij nooit zoo den wil Gods hebben gedaan, dat zij daardoor de vijandschap of den spot der wereld hebben verduurd, dan zijn zij den tweeden zoon uit de gelijkenis gelijkvormig, die sprak: Ik ga, en hij ging niet.

Hel spreekt van zelf, dat, toen de jongste zoon zijne gehoorzaamheid vergeleek met die van zijn broeder, hij goed en groot was in eigen oog. Dat is de gewoonte der brave menschen, die God niet kennen. «Inderdaad,quot; zeggen dezen, «het is toch afgrijselijk om zoo vermetel tegen zijn vader te durven spreken. Zoo ben ik dan toch niet. Ik heb kinderlijk ontzag voor mijnen vader.quot; Dat woord wordt door alle eeuwen herhaald in bet openbaar, meer nog in het verborgene. Met zelfvoldoening kan men op zichzelven staren, als men denkt aan de verachten der maatschappij, aan dieven of vechters of zondaressen. Men is zoo niet, men heeft nooit ééne ergerlijke zonde gepleegd, men is nooit de grenzen van het betamelijke te buiten gegaan, men heeft zijn goeden naam nooit in het slijk geworpen, men heeft God nooit in het aangezicht gelasterd, men beeft altijd het huis des IIeeren bezocht. Neen, ik dank U, o God, dat ik niet ben als deze verachtelijke tollenaars. Met minachtenden blik ziet men op dezen neder, of de meewarige wensch komt van de lippen: «Waren zij maar gelijk wij zijn.quot; Indien zij waren, gelijk gij, deugdzame man of vrouw, dan waren zij even ongelukkig, wellicht nog rampzaliger dan ze nu zijn. Weet gij wat het onderscheid is tusschen u en hen ? Het is dat tusschen een gepleisterd en een open graf. In dat open graf ziet gij de ontbinding, het bederf, de verrotting. In het gepleisterde graf vindt gij hetzelfde, maar gij ziet het niet. Invloeden buiten uwen wil omgaande hebben uw leven gevormd, gelijk hel is. Gods Voorzienigheid is hel, die u aldus geleid heeft en u heeft bewaard voor die ergerlijke en afgrijselijke ongehoorzaamheid, die gij in anderen verfoeit. Maar gij, die hoogmoedig zijt op uw woord: Ik ga. Heer, en meent, dat daarom voor u de bekeering niet noodig is, gij hebt eene ongehoorzaamheid, die meer geregeld en hardnekkig is.

ocr page 23

12

Gij sluil uw hart voor de roepstemmen, die in Gods Woord tol u komen en zegt: »zij gelden de zondaren, maar mij gaan ze niet aan; de laaggezonkenen hebben bekeering van noodo, maar wat mij betreft: ik wil immers doen, wat God gebiedt, ik heb Hem nooit wedersproken, en op mijn leven is geene aanmerking van eenig belang te maken, en mijne werken en verdiensten getuigen niet togen mij; lot mij komt alleen de vermaning tol heiliging, en die wenscli ik te volgen.quot; Zoo stelt gij u boven de tollenaars en zondaren, terwijl de Heilige Schrift u als zondaar daarmede gelijk stelt, zoo verhoogt gij uzelven, daarom zult gij naar Christus'woord vernederd worden, en tollenaars, en boeren zullen u voorgaan in het Koninkrijk Gods.

ü voorgaan, zeggen wij; neen, dat Koninkrijk is niet gesloten voor den schriftgeleerde en den saddueeër. Gods Woord is machtig ook het arglistige en trotsche hart van den brave en eigengerechtige te verbrijzelen, en als dezen dan zien, hoe de tollenaars hen voorgaan, dan zullen ook zij berouw hebben en aan bet werk gaan in den wijngaard, en zichzelven kennende, zullen wij aan de zondaren hun voorrang ten volle gunnen.

M. G. T.! De tweede zoon zeide: Ik ga, en hij ging niet. Ach, hierin hebben wij het beeld van zoo talloos velen, ook in ons midden. Het is zoo diep bedroevend, dat men zich in slaap wiegt met het denkbeeld: »ik ben niet ongehoorzaam, ik ben God eu Christus niet vijandigquot;, dat men den heiligen eisch van Gods wet niet erkent in zijne volstrektheid en volledigheid, dat men, als het maar niet te erg is, zichzelven zijne overtredingen vergeeft en ze links laat liggen, alsof het niet de ITeeue God zelf was, tegen Wien wij zondigen.

M. G.! indien het bij u tot op dezen dag was: Ik ga, zonder dat gij met achterlating van alles uitgingt om den wil dos Heeren te doen, ziet op dogenen, welke gij verachttet, die zich hebben rondgewenteld in het slijk der zonden, maar, nu tot zichzelven gekomen, arbeiden in den wijngaard dos Heeren. Ziet op hen.

ocr page 24

d3

toetst uwe trouw, uwe gelioorzaamheid, uwe liefde aan de hunne. En zegt mij; wenscht gij niet hun gelijk te worden, gevoelt gij niet, dal wat hen onderscheidt van u, dit is, dat bij hen waarachtig is, wat bij u slechts schijn is of verstandswerk, dat zij door meer dan menschelijke macht zijn omgekeerd, door Gods genade in Jezus Christus?

Of zult gij zeggen; »Ja, maar het zijn huichelaars, het zijn dwee-pers, zij doen te veel omdat zij vroeger te weinig hebben gedaan?quot;

M.G.! De Christus kent geen te veel en de Christen klaagt altoos over een te weinig. »Wat zal ik dien getrouwen God voor Zijn gena vergelden?quot; Immers het kan nooit genoeg zijn, en al de werken, die wij doen, zijn slechts genadegaven, zij zijn in zichzelve met zonde bevlekt, maar God wil ze aannemen, omdat Hijzelf ze geboden heeft en het bloed van Christus reinigt van alle zonde, en alle ongerechtigheid verzoent.

M. G.! Indien Christus niet is uw een en uw al, uw eenige Borg, uw eenige Voorspreker, uw eenige Leeraar en Koning, dan beteekent al uw zeggen; »lk ga, Heère, ik ben bereid Uwen wil te doen,quot; niets, dan is dit slechts een hinderpaal voor uwe rechte zelfkennis, eene hoogte die gij in uw hart opricht tegen de Majesteit des Heeren. Mocht gij er door Gods genade toe komen, niet meer te zeggen; »Ik ga, IIeere,quot; maar «Leid Gij mij en doe mij gaan in Uwen weg, want mijn hart trekt mij naar de wereld en naar beneden, maar alleen Uw Woord en Uw Geest kunnen mij brengen tot den arbeid in Uwen wijngaard, tol hel volbrengen van Uwen wil. Laat mij mijne sterkte en steun en roem niet zoeken in mijn voornemens, in mijne dankbaarheid, maar alleen in Uwe trouw, o onveranderlijke God des Verbonds, in Uw volkomen werk, o Christus Gods, in Uwe gemeenschap, o Geest des Vaders en des Zoons. Verbreek Gij in mijn binnenste allo hoogte, elke hooge toren en eiken vasten muur van zelfbehagen en eigengerechtigheid, en leer mij te zijn, als het kindeke, dat zichzelf niet kan helpen, maar derwaarts uitziet, van waar zijne hulp komen kan.

M.G.! Indien gij aanvankelijk uzelven hebl leeren kennen, hebt leeren inzien de ijdelheid van uw zelfvertrouwen, hebt gevoeld uwe doemwaardigheid voor een Heilig en Rechtvaardig God, indien dit alles bij u niet is een oppervlakkig naspreken van anderen, maar

ocr page 25

u

waarheid, indien gij daardoor'u rampzalig gevoelt, tot u komt het woord des Zaligmakers: Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering. Blijft niet liggen in uwe zonden, maar komt tot Hem, die u helpen kan en wil, wien geen zondaar tevergeefs heeft aangeroepen in den nood. Hij zal nietver-stooten, die in oprechtheid tot Hem komt, en het bij Hern alleen zoekt.

M. G.! Indien gij den Heere kent. ja veel meer van Hem gekend zijt. Tegenover u staat de eiscb der wet niet meer met zijn vloek. Christus heeft den vloek voor u gedragen. Er is geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Maar Hij die u lust gegeven heeft in het doen van Zijn wil. Hij hoeft u geschapen in Christus tot goede werken, opdat gij in dezelve zoudt wandelen. Bidt God, dat Hij u geve getrouw te zijn in uwe Christelijke roeping. Bidt Hem dat gij meer en meer der zonde moogt sterven en der gerechtigheid leven, dat gij moogt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis riep tot Zijn wonderbaar licht. Hij wil met u zijn al de dagen, Hij zal u niet begeven, noch verlaten. Indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden, wat gij Hem bidden zult in den Naam van Jezus, gij zult het ontvangen. Hij is immers de Botssteen uws harten en uw Deel in eeuwigheid. Amen.

ocr page 26

Eene prediking der banden.

Philippensen 1 :12—44. En ik wil dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is.

Alzoo dat mijne banden in Christus openbaar geworden zijn in het gansche rechthuis en aan allo anderen;

En dat het meerder deel der broederen in den Heere, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het woord onbevreesd durven spreken.

M. G. T.! Wanneer de apostel Paulus in den brief, waaraan ons tekstwoord ontleend is, zijne verwachting uitspreekt, dat gelijk ten allen tijde, zoo ook nu, Christus zal grootgemaakt worden in zijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door den dood, is dit geene ijdele verwachting en geene ongegronde hoop, maar eene overtuiging berustende op de ervaring van zijn geheele leven. Zoo iemand, dan heeft Paulus het ervaren en gevoeld, wat het zegt een instrument te zijn in den dienst des Heeren, niet meer voor eigen rekening en op eigen gezag te arbeiden, maar in alles te staan in den dienst van den getrouwen Heiland en zich geheel te stellen als eene levende, heilige, Gode welbehagelijke ollèrande. Inderdaad hij, die afstand heeft gedaan van het schijngenot, dat gelegen is in het zijnszelven zijn, die met Paulus kan uitroepen: Mij is het leven Christus, zal het ondervinden dat een dienstknecht des Heeren, wanneer en zoo menigmaal hij in den arbeid zijns Meesters is, ook verwaardigd wordt dien Christus groot te maken, bekwaam wordt, al draagt hij zelf den schat in aarden vaten, des

ocr page 27

If)

ondanks le werken tot uitbreiding van Gods Koninkrijk, en mag hij bevinden dat zijn werk niet ijdel is in den Heer. Paulus zelf had, toen bij deze woorden ter-neder schreef, eene rijkgezegende loopbaan achter zich. De gemeente van Galatië, Ephesus, Corinthe, Philippi, en zoovele andere eerden hem als baar geestelijken vader. Zijn naam werd genoemd, zoo dikwerf als men dacht aan het heil door 's Heerein machtigen arm gewrocht.

En toch — nu scheen het wel, alsof aan dien gezegenden arbeid een einde zoude komen niet alleen, maar ook alsof het werk door hem tot stand gebracht groote schade zoude lijden. Hoe dat? Paulus, de verkondiger des Evangelies, was gevallen in de handen van het gerecht, zijne vijanden hadden zooveel vermocht, dat hij was gevangen genomen, dat hij naar de hoofdstad des rijks, naar Rome, was gevoerd, dat hij aldaar terecht moest staan en geene vrijheid had de keizerlijke stad te verlaten. De man, die anders zoo ijverig werkzaam was, moest, stilzitten, de mond, die zoo overtuigend van den Christus gesproken had, kon zich niet meer voor het volk doen hooren Geen wonder dan ook, dat de Christenen, niet alleen uil liefde tot den apostel, maar ook uit bezorgdheid voor de zaak van Christus, jammerden en klaagden over deze ramp. Daarbij kwam nog rneer. Het Evangelie had reeds met genoeg vijandschap le worstelen in deze wereld, en indien daaraan nog werd toegevoegd, dal zijn verkondigers gevaar liepen voor het gerecht gebracht te worden, zoude dan niet menigeen de moed ontzinken, zoodat men niet meer durfde spreken in den naam van Christus? Er was dus reden genoeg om bezorgd le zijn over hetgeen aan Paulus was overkomen.

Doch nn komt in ons tekstwoord de Apostel zelf den moed der gemeente opwekken, door eene blijde ^tijding. Hoe? was hij dan vrijgesproken en losgelaten? Neen, Paulus is nog in banden, en uil die banden spreekt bij zijne gemeente le Filippi toe. De gebonden Paulus is verblijd, en die blijdschap deell hij den zijnen mede. Het is gebleken, krachtdadig gebleken, dal, al is hij gebonden, hel woord Gods niet gebonden is, ja dal wal aan hem is geschied, de zaak van Christus niet beeft geschaad, maar veeleer bevorderd. Zijne banden zelf zijn het middel geworden, waardoor aan hel Evangelie meer dan eene zegepraal is bereid, waardoor de

ocr page 28

17

kracht van het woord des Kruises in ruimeren kring en in meerdere mate is ervaren.

Waarin die zegen bestond zullen wij hebben te zien, wij zullen daarbij Paulus' banden beschouwen als eene prediking des Evangelies aan hen die verre waren, als een grond van vertrouwen voor het meerder deel der broederen, als een middel tot aanvuring van den ijver om het Woord onbevreesd te spreken.

»Ik wil dat gij weet, broeders! dat hetgeen aan mij geschied is, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is.quot; Paulus weet dat hij schrijft aan broeders, wier grootste vreugde het is te hooren; dal de naam van Christus een zaligmakende naam geworden is, voor degenen, die Hem nog niet kenden, en daarom haast hij zich hun dit mede te deelon. De gemeente van Philippi was eene gemeente, waarvan de Apostel schrijven kon: En dit bid ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen, eene gemeente dus, in wier midden de rechte Christelijke liefde woonde, waarom zij zich ook verblijdde over alle vordering van het Evangelie, in hoever verwijderde deelen ook, en bedroefd was over eiken hinderpaal, die aan de uitbreiding van het Woord der verzoening in den weg stond. Nu waren de Philippensen bedroefd, omdat Paulus in banden was, niet alleen om zijnentwille, ofschoon zij hem hartelijk liefhadden, ja de eenige gemeente vormden, van w'elke Paulus iets tot zijn onderhoud wilde ontvangen, maar inzonderheid om de schade, die de prediking des Evangelies daardoor leed. En nu komt Paulus hun boodschappen: Treurt niet, zijt niet verslagen, neen, juist mijne gevangenschap is meer tot bevordering van het Evangelie gekomen, juist deze banden hebben geen schade opgeleverd, maar een groot gewin, en daarom kan bij met des te zekerder verwachting uitroepen, dat Christus zal grootgemaakt worden niet alleen door zijne banden, maar ook, zoo noodig, door zijnen dood.

Immers wat blijkt daaruit? Dat de zaak van Christus niet eene zoodanige is, dat zij afhankelijk zoude zijn, van hetgeen

2

ocr page 29

18

mcnschen voorspoed of tegenspoed noemen, maar dat alle dingen, kwade en goede, te zamen medewerken tot vervulling en voltooiing van het werk des TIeeren, en dat, terwijl wij kortzichtige men-schen meenen dat de bevordering van den bloei van het Koninkrijk Gods gebonden zoude zijn aan bepaalde middelen, in waarheid alles, wat het ook zijn moge, dienstbaar is en moet zijn aan den wil van Hem, die Zijne gemeente door Zijn Woord en Geest uit alle geslachten des aardbodems vergadert, haar beschermt, haar bewaart.

Het eerste dan, waarin de bevordering des Evangelies aanschouwd wordt, is dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het gansche rechthuis en aan alle anderen. Vragen wij eerst, wat daarmede wordt bedoeld! Paulus zegt dat zijne banden (Jpenbaar geworden zijn in het gansche rechthuis. Het rechthuis waarvan hier gesproken wordt, is niet de rechtbank, maar het woord wordt overigens verschillend verklaard. Sommigen houden het voor het huis des keizers, anderen voor het verblijf van den veldheer, die tevens rechter was. Maar zij stemmen hierin overeen, dat bet een huis was, waarin de Apostel als gevangene gevestigd was, en waar hij door heidenen was omringd. Nu wil hij niet zeggen, dat de heidenen, welke in het rechthuis waren en alle anderen, die hem hadden gezien, hem als een gevangene hadden leeren kennen, zijne banden hadden aanschouwd, maar hij zegt, dat zijne banden in Christus openbaar zijn geworden, dat is te zeggen, dat men hem heeft leeren kennen, als een die om den naam van Christus gebonden was. Maar ook daarmede zijn wij tot de bedoeling des Apostels nog niet doorgedrongen. Niet alleen hebben zijne huisgenooten hem van de andere misdadigers leeren onderscheiden, maar zij hebben ook in de wijze, waarop hij de banden, die hem aangelegd zijn, draagt, hem in zijn Christenzijn aanschouwd, zij zijn er daardoor toegebracht naar den Christus te vragen, om wiens wille hij gebonden was, en die hem toch in die banden vrij deed zijn.

Wanneer wij zeiden, dat de banden van Paulus eene Christusprediking waren, drukten wij daarmede hetzelfde uit, dat de Apostel zegt. Zij, die in het rechthuis waren, zagen natuurlijk dikwijls gevangenen en het spreekt van zelf, dat zij wisten, hoe deze zich gewoonlijk gedroegen, klagend en met wrevel vervuld, neerslachtig

ocr page 30

19

of wanhopend. Hoe geheel anders was het bij Paulus! Reeds de hoofdman, die hem naar Rome gebracht had, had hem lief gekregen, zoodat hij hem, gelijk wij in het Boek der Handelingen lezen, in het leven wilde behouden. En wij kunnen ons ook begrijpen, dat de verheven kalmte, die den Apostel in zijne banden kenmerkte, en de vrede des gemoeds, die uit hem sprak, een diepen indruk moest maken op degenen, die hem aanschouwden. Voor niemand kon hel twijfelachtig zijn, of deze gevangene was geen gewoon misdadiger. Wat was dan zijne misdaad ? De Joden hebben hem beschuldigd, omdat hij leert tegen de wet, en spreekt van den Christus en de opstanding der dooden. Natuurlijk moet dit de aandacht «tot zich trekken. Hij wordt ter verantwoording geroepen, en hij geeft rekenschap van zijne zaak, hij bevestigt het Evangelie. Zoo spreekt hij in ruimer kring en wordt daardoor als een discipel en verkondiger van den Zaligmaker openbaar.

Zelfs zijn optreden voor de rechtbank is eene prediking van den Gekruiste, voor degenen, die nimmer daarvan hebben gehoord, maar inzonderheid moet het toch zijn handel en wandel geweest zijn, die eene aanbeveling van den naam van Christus waren. Immers zijne banden in Christus zijn openbaar geworden. Wanneer de heidenen vraagden, hoe hij zoo geheel anders was als de anderen, welgemoed te midden van zijne verdrukking, zegenende degenen, die hem vloekten en vervuld met blijdschap in zijne gevangenschap, hoe zal hij dan ook niet, gelijk tot Agrippa, tot degenen, die hem dal vraagden, gezegd hebben; »Ik wenschte wel van God, dal gij zoodanigen wierdt, gelijk ik ben, uitgenomen deze banden, als die in alles verdrukt worde, doch niet benauwd, twijfelmoedig, doch niet mismoedig, vervolgd, doch daarin niet verlaten, nedergevvorpen, doch niet verdorven, als droevig zijnde, doch altijd blijde, als arm, doch velen rijk makende, als niets hebbende, en nochtans alles bezittende. Ik heb geleerd vergenoegd te zijn, in hetgeen ik ben, ik weel vernederd te worden, ik weel ook overvloed te hebben, alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. Neen, ik ben niet een mensch van andere bewegingen, dan gij, wie is er die mij van anderen onderscheidt? wat is

ocr page 31

20

er dat ik niet ontvangen heb, te roemen is mij waarlijk niet oir-baar, wat ik ben, ben ik door de genade Gods, die met mij is. Maar die genade is dan ook aan mij overvloedig geweest. Mij, den vervolger der gemeente van Christus, is barmhartigheid geschied, en de Christus, die zich aan mij geopenbaard heeft, heeft zich ook in mij geopenbaard. En nu, wat ik leef, dat leef ik door Christus. Hij leeft in mij en door Zijne kracht heb ik geleerd te roemen in de dingen mijner zwakheid. En daarom ben ik in mijne ellende niet verlaten, en in mijne banden niet neerslachtig, want Hij heeft mij onderwezen en mij geleerd; Mijne genade is u genoeg, en daarom wentel ik al mijne bekommernissen op Hem, zeggende: Uw wil geschiede, wetende dat alle dingen moeten medewerken ten goede dengenen, die God liefhebben, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Die op Hem vertrouwt, zal niet beschaamd worden, en de verdrukking in zijne kracht gedragen werkt lijdzaamheid, en de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hope en de hope beschaamt niet. Daarom roem ik ook in de verdrukkingen en aanmerk ik niet de dingen, die men ziet, maar de dingen die men niet ziet, want ik weet dal, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, ik een gebouw van God heb, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Zoo dan, het leven is mij Christus en het sterven mij gewin.quot;

Gelukkig, die in zijne banden, dat wil zeggen, in de verdrukking, in de tegenheden des levens, hetzij ze hem van des menschen hand worden aangedaan, hetzij ze hem rechtstreeks van den Beschikker van zijn lot en leven toekomen, zoo kan spreken, ook al is zijn woord slechts een nastamelen van den Apostel, liet is zoo diep te betreuren, wanneer van Christenen moet gezegd worden, dal wel hunne banden, maar niet hunne banden in Christus openbaar worden. Juist in de verdrukking moet de kracht van den Christus aan het licht komen, moet het onderscheid tusschen de kinderen Gods en de kinderen der wereld worden aanschouwd. Schenkt ook de Almachtige menigmaal verademing en ruimte, opdat het kruis niet te zwaar zoude worden, toch is het kruis en het dragen van liet kruis het eigenaardig kenmerk van den discipel des Heilands en de openbaring van dat, wat hem van de wereld onderscheidt. In dagen van voorspoed te spreken van den Christus

ocr page 32

21

en in Hem te roemen, dat vermag ook het tijdgeloof, dal niet bestand is tegen den druk, maar in dagen van kommer en smart blijmoedig te zijn, eenswillend met den Zaligmaker, het hart met zachtmoedigheid jegens de tegenstanders en met hope voor de toekomst vervuld te hebben, dat is des Christens voorrecht. En niet alleen zijn voorrecht, maar ook zijn plicht; wie anders handelt, miskent den goeden Herder, die hem leidt, en hem ook door tegen-heden gelukkig wil maken, die immers Zijne kracht in zwakheid. Zijn troost in benauwdheid. Zijn rijkdom in armoede des te overvloediger wil mededeelen.

Indien dan de wereld uitroept: Waar is nu die God, op Wien gij hebt vertrouwd, moet het getuigenis des Christens daartegenover slaan: »En nochtans ben ik niet verlaten. De Heere is mijn licht en mijn heil. Hij is mijns levens krachtquot;. Dan moet het aan hem te zien zijn, dat iiij een Heiland heeft, die hem met kracht omgordt en zijn hart ook te midden dezer dingen met blijdschap vervuil. Dat dan niet het woord des ongeloofs van de lippen kome: «Alle dingen zijn tegen mij,quot; want dat heeft de getrouwe Ontfermer niet aan u verdiend. Zoo Hij van verre slaat en Zijn aangezicht verbergt, steun nochtans op Hem, Hij zal het maken, roep uit met den Psalmist: »Mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, de vleeschelijke steun en troost ontbreken geheel, maar de Heere zal mij aannemen.quot; Zoo zullen ook uwe banden, ook uwe verdrukkingen eene prediking van den Christus zijn, en zal het blijken. dal wie Christus heeft lol zijn deel, ook al mist hij al het andere, kan roemen ook in de verdrukkingen en blijmoedig zijn onder het kruis.

»En dal hel meerder deel der broederen, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende.quot; Hel was eerst geheel anders geweest. Eerst waren zij verslagen, toen zij zagen, dat de Apostel was gevangen genomen, gelijk zulke gebeurtenissen menigmaal groote ongerustheid veroorzaken. Het gevoel van onveiligheid maakte zich van de harten meester, en het scheen wel alsof het noodig was, dat Paulus weder vrijgelaten werd, alvorens de ongerustheid werd

ocr page 33

22

weggenomen. Maar ziet, juist de banden van Paul us zijn het middel waardoor zij vertrouwen hebben gekregen. Zij, namelijk de broederen in den Heer, niet de valsche broederen, maar die, welke met Paulus door den gemeenschappelijken band der gemeenschap met Christus verbonden zijn. Voorzeker, indien zij op de woede der vervolgers hadden gezien, zou dit toereikend zijn geweest, om hen te doen verslappen en den moed te doen zinken, maar in de banden des Apostels openbaart zich evenzeer de macht van den Christus.

Het is een eigenaardig verschijnsel, dat wij ook in de geschiedenis van later dagen gadeslaan, dat, terwijl bij de eerste beginselen tier vervolging de ijver schijnt te verflauwen en het vertrouwen verdwijnt, de vervolging slechts wat langer en krachtdadiger behoeft voortgezet te worden, om weder vertrouwen voort te brengen. En geen wonder! Want in dagen van vervolging schijnt wel de Christus de nederlaag te lijden, maar juist dan gaat hij uit overwinnende en om te overwinnen, dan toont zich Zijne kracht, wel niet uitwendig, maar innerlijk, op geheel heerlijke wijze. Want al is het dat de rechtbank veroordeelt en wellicht spot met de getuigenis van een Paulus, de discipelen, die van dit alles getuigen zijn, zien de vervulling van het woord: «Wanneer zij u overleveren, zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult, want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult, want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt.quot; En daarom wanneer zij de getuigenis der getrouwe belijders des Heilands hooren, worden zij aanschouwers van de kracht van Christus, die de zijnen schraagt, die hun vrijmoedigheid schenkt om Zijnen naam te belijden. Dan zien zij in dien gang ten gerichte een zegetocht, waarin de overwinnaar straks gekroond zal worden, misschien met de kroon van het martelaarschap, maar zeker met de kroon der rechtvaardigheid. Dan wordt het woord des Zaligmakers: »In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnenquot; hun tot eene levende waarheid, en al wordt het vonnis geveld en ten uitvoer gelegd, zij zijn toch in staat het lied des lofs aan te heffen.

Zij hebben vertrouwen gekregen door mijne banden, Paulus was een schouwspel geworden door zijne banden, bij was het niet

ocr page 34

23

minder door zijne belijdenis van den Christus door woord en daad. Zij hadden in hem gezien, wat de Christus vermag, en hoe hoogten noch diepten kunnen scheiden van Zijne liefde en Zijne sterkte. Hoe staan zij nu beschaamd over hun aanvankelijk wantrouwen, over hunne wankelmoedigheid ! Hoe hebben zij kunnen meenen, dat de krachi, des Zaligmakers zich niet evenzeer in de verdrukking als in hel geluk Zijner discipelen zoude verheerlijken! Hoe hebben zij kunnen denken, dat voor Hem te lijden niet eene overvloedige genade was en een middel tot grootmaking Zijns Naams en tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk!

Gelijk bij Paulus, zoo wordt de kracht van Christus op dezelfde wijze ook in den tegenwoordigen tijd in het leven der zijnen aanschouwd, Zij vertoont zich in uitredding uit den nood, in bevrijding uil tijdelijke ellende, maar zeker niet hel minst in deri nood en in de verdrukking. De broeders in Christus kregen vertrouwen terwijl Paulus nog in banden was. Hel kruis wordt dan ook niet altijd weggenomen, en indien het wordt weggenomen, zoo keert hel nochtans weder. Maar juist onder het kruis wordt de kracht des Heilands openbaar. Want indien zij opmerken, hoe degenen, die op Hem vertrouwen, worden gesteund en vertroost, hoe zij roemen kunnen in de verdrukkingen, hoe zij moeten verklaren, dat de Heiland hun niet minder, maar meer nabij is, hoe de glans der vreugde kan blinken op hun gelaat, als zij aan Hem denken zoodat zij al hun leed, hunne droefenis, hunne smarten vergeten, dan vatten ook deze aanschouwers weder moed om hunne vreeze en hun kommer, die toch zooveel geringer zijn, op Hem te wentelen, dan worden zij beschaamd over hun wantrouwen en ontevredenheid, dan leeren zij gemoedigd hun kruis opnemen.

Gelukkig dan ook, die door God verwaardigd wordt hel middel te zijn, waardoor het meerder deel der broederen vertrouwen verkrijgt. Dal dan een ieder, die den Naam van Christus in waarheid belijdt, om deze genade bidde, en dat hij niet, als zoo menigmaal, juist omgekeerd eene oorzaak zij, waardoor anderen in het vertrouwen op den Heiland gaan wankelen. Want indien de verwachting wordt beschaamd, indien het kruis niet mol gewilligheid en gemoed.gdheid wordt gedragen, hoe zal daarvan niet hel gevoig zijn, dal zij, die zwak zijn in hel geloof, in plaals van te vorderen.

ocr page 35

24

achteruitgaan op den weg des levens. Nu daarentegen betaamt het ons aan elkanders ware opbouwing mede te werken, en getuigen van den Christus te zijn niet alleen voor de wereld, maar inzonderheid voor de broederen, opdat uit den wederzijdschen overvloed het wederzijdsche gebrek worde aangevuld.

»En dat het meerderdeel der broederen in den Heere door mijne banden vertrouwen verkregen hebbende, overvloediger het woord onbevreesd durven spreken.quot; Indien het de bedoeling der vervolgers geweest is Paulus tot zwijgen te brengen, hem te beletten zijn werk voort te zetten, indien de Christenen zelf bevreesd zijn geweest, dal met Paulus ook het woord Gods werd gebonden, dan is der Joden verwachting en der Christenen twijfel beschaamd. Want in plaats van den eenen mond, die thans van de wereld afgesloten niet meer tot de schare kan spreken, zijn vele monden geopend die vroeger zwegen, maar nu overvloedig het woord onbevreesd durven verkondigen.

Wat de vijanden ten kwade gedacht hebben, heeft God ten goede gedacht. De broederen, welke vroeger weinig ot niet hadden gesproken — hunne tongen zijn thans als het ware losgemaakt. Er is een geest des levens uitgegaan over de gemeente van Rome, hare leden zijn uit den slaap opgewekt, en nu de kracht van Christus hun door de banden des Apostels bij vernieuwing is bevestigd, nu zij weder versterkt zijn in het geloof aan het Koninkrijk van den Christus, dat de koninkrijken dezer wereld overwint, nu zij iets beseffen van het woord: «meer dan overwinnaars door Christus, die hen heeft liefgehadquot;, nu zij de genade hebben aanschouwd van het lijden voor den Heiland, onttrekken zij zich niet langer aan den strijd. Zijn de gevolgen, die dit voor hen hebben zal, niet voor hen verborgen, zij deinzen daarvoor niet terug. De liefde drijft de vreeze builen, en het is de liefde van den Christus, die hen dringt. Ijvervuur vervult hen, de oude slapheid is verdwenen.

Dal is mede een gevolg van de banden des Apostels, welke het middel waren, om hen onbevreesd te doen spreken, die door het vertrouwen op den Zaligmaker daardoor ontstaan, hen bemoedigden

ocr page 36

25

en opwekten. Dil was zeker eene niet geringe blijdschap voor den moedigen Apostel, dat hij deze vrucht van zijne verdrukking mocht aanschouwen. Maar het bewijst ook dat de Heere God zich van menschelijke middelen bedient voor de uitbreiding van Zijn Rijk. Zeer zeker, het is de Geest des Heeren, van wien alle leven en gt; kracht in de gemeente uitgaat, maar de Geest werkt middellijk.

En wanneer men meent dat de Geest des Heeren niet meer werkt, dan wil dit hetzelfde zeggen als dat er geene getrouwe getuigen zijn, en dat is dus tevens eene getuigenis tegen hen, die dit zeggen. Want indien dan niemand sprak van den Christus en Hein voorstelde in al Zijne deugden, in Zijne barmhartigheid en gewilligheid, in Zijne dierbaarheid en getrouwheid, dan moest het hun tot een vuur worden in hunne beenderen, zoodat zij van Hem niet konden zwijgen. De verlevendiging van de gemeente gaat wel oorspronkelijk van den Geest, maar middellijk van menschen, uit, gelijk hier de *gt; banden des Apostels daarvan oorzaak zijn.

Geen wonder dat dit zoo is; want in deze banden wordt de kracht van den Christus openbaar. In hen komt aan het licht, dat hel Evangelie voorwaar geen samenstel is van kunstig verdichte fabelen, maar eene kracht Gods tot zaligheid, dat de beloften Gods, die de sterkte en steun des Apostels uitmaakten, geen ijdele inbeelding of bedenkselen der menschen zijn, maar de getuigenissen van Hem, Die niet liegt en niet liegen kan, dat de genade van Christus eene sterkte is ook te midden der zwaarste verdrukkingen, en niet blijdschap vervullen kan ook de bitter beproefden. Wanneer men dit alles aanschouwt, indien men oogen heeft ontvangen om het te zien, dan wordt niet alleen een nieuw vertrouwen verkregen, maar werkt dit vertrouwen ook vrijmoedigheid om te roemen in het kruis van Christus, en onbevreesd het woord te spreken.

Hiermede komen wij tot iets, dat in onze dagen maar al te veel gemist wordt; men spreekt soms veel over hetgeen noodig is tot de zaligheid, men spreekt veel over de ellenden en schulden der menschen, maar men spreekt weinig over de kracht, welke in zwakheid volbracht wordt. Men is niet vervuld met de zoo heerlijke geschiedenis, ik zeg niet van de oude heiligen des Bijbels, maar van Gods leidingen met hen, Gods genade hun geschonken, en de kracht van Christus, die in hen aan het licht komt. Men

ocr page 37

26

spreekt zoo weinig over dat, waarin men zelf de volmaaktheid des Heeuen, de dierbaarheid van den Christus, de vertroosting op den levensweg en de hulp in benauwdheden heeft leeren kennen, dat, waarin des Heeuen woord. Zijne bedreigingen zoowel als Zijne beloften waarheid zijn gebleken.

Vandaar dat het Christendom, het Evangelie zoo weinig wordt aanbevolen aan de kinderen van dit geslacht. Waarom zoude het hen ook aantrekken, indien zij niet zien, dat het eene kracht is in hel leven? Dat het zijne belijders ook anders maakt, anders doet handelen, anders doet spreken, anders lijden en kruis doet dragen dan de kinderen dezer wereld? Helaas, maar al te weinig zien wij in onze dagen banden, als die van den Apostel Paulus, die eene prediking waren van den Christus. Indien men klaagt over de weinige kracht, die het Evangelie oefent, ziedaar eene oorzaak. Indien men spreekt over de geringe bevordering daarvan, heeft de gemeente des Heeren daaraan niet groote schuld?

En nochtans — de hand des Heeren is immers ook in onze dagen niet verkort. Hij is niet veranderd, en ook de Christus is niet veranderd. Hij is even bereid als voorheen Zijne beloften te bevestigen aan allen, die Hem vreezen. Hel komt er slechts op aan het met Hem te wagen, met Hom alleen. Te gelooven in Zijne liefde, in Zijne trouw, niet te twijfelen of Hij is degeen, die in de H. Schrift geteekend wordt, zoodat, al wat Hij geweest is, terwijl Hij rondwandelde in het vleesch. Hij dat ook wil zijn voor degenen die Hem kennen niet meer naar het vleesch. Hij, die Stephanus nabij is geweest, die Paulus heeft gesterkt, is er nog.

Mochten degenen, die Hem kennen, ook evenals het meerder deel der broederen, door de herinnering aan Paulus' zegenrijke banden, leeren vertrouwen krijgen op Hem, en zoo bekwaamd worden, om overvloediger het woord onbevreesd te durven spreken, dan zou ook in onze dagen de volheerlijkheid der bedeeling des Nieuwen Testaments meer worden gezien, en zoude ook aan de wereld openbaar worden, dat de Christus niet maar een naam is, menigmaal op de lippen genomen, niet maar een leeraar die heeft verkondigd, wat door niemand wordt opgevolgd, maar de kracht Gods en de wijsheid Gods, de overwinnaar dezer wereld, omdat hij niet van deze wereld is, omdat Zijn Koninkrijk is zonder uiler-

ocr page 38

27

lijke gedaante of heerlijkheid en daarom juist het koninkrijk des geestes en der kracht, omdat zelfs de banden der zijnen het aan het licht brengen, dal het Woord des Konings niet gebonden is.

M. G. T.! Het is voor de gemeente hoog noodig om zich hare heilige en heerlijke roeping voor te stellen, en zich daartoe te verplaatsen in de dagen der eerste Christengemeente, en de geschiedenis der getuigen van den Christus. Leeringen toch wekken, maar voorbeelden trekken. Er zijn zeer zeker dingen, die men op aarde niet kan tot stand brengen en daarin heeft ook de oudste gemeente gefaald, zooals in de gemeenschap der goederen. Maar toch is de mensch al te spoedig geneigd om te blijven staan bij het bestaande, op grond van de bewering, dat het nooit anders geweest is, terwijl de Apostel verlangt, dat, die kinderen zijn, ook volwassen zullen worden, en dat ook de gemeenten zullen toenemen in geloof en in liefde. En juist daarom is hel goed te weten, dat het anders moet zijn niet alleen, maar dat het ook anders kan zijn. Bedenkt men dit, dan moei veeleer gezegd worden, dal de apostolische tijden te weinig als een beschamend voorbeeld worden voorgesteld. Zoo ook in dit geval.

Wij denken er zelfs niet aan te zeggen, dal iemand Paulus zou moeten evenaren, de genadegaven worden door den Heiligen Geest uitgedeeld aan een iegelijk, gelijkerwijs Hij wil. Maar toch stellen wij den Apostel als een voorbeeld, en stellen wij het als een eisch voor ieder, die den Naam van Christus noemt, dat hij in Paulus' voetstappen trede, leere roemen ook in verdrukkingen en door die verdrukkingen zelve een getuige zij van den Heiland. Maar hoe is dat mogelijk? Van nature is het onmogelijk, maar, gelijk Paulus zeide; Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft — en dat voorrecht hebben alle Christenen mei hem gemeen — zoo kan ook de Christen zich in tegenheden als een discipel van den Christus gedragen, daar hem de belofte daarvoor gegeven is. Het is des Christens plicht te strijden legen een ongeloof dal hem belet de dingen te zien, zooals zij zijn, dal wil zeggen: in hel licht van het Koninkrijk van Christus. Wanl in dal licht bezien.

ocr page 39

28

is er geene reden om meer bedroefd te zijn onder den druk, dan in ruimte, daar beide eene vreedzame vrucht der gerechtigheid zullen afwerpen. Grieven, teleurstellingen, verliezen, rampen, zij zijn slechts oorzaken en aanleidingen tot eene meer zegenrijke werking der genade, ja nooit is de liefde van Christus den zijnen nader, dan wanneer Hij hen het kruis doet dragen. Daarom juist kunnen zij ook dan het best als getuigen van den Zaligmaker optreden, wanneer zij dit kruis gewillig op zich nemen. Wij zien dan ook nu nog uit de geschiedenis der martelaren, hoe de grootte hunner blijmoedigheid en vreugde in evenredigheid was met de grootte hunner smart.

Hoe wonderbaar dit schijnen moge voor het vleeschelijke oordeel, wij hebben hier met een onwedersprekelijk feit te doen. Wij zien dan ook dat de Apostel Paulus, naarmate hij meer in gevaar is voor zijn leven, des te meer met vreugde en blijdschap is vervuld, dat in die mate ook het vertrouwen zijns geloofs krachtiger is, zoodat hij kan uitroepen in den brief, die als het ware zijn testament is, den tweeden brief aan Timotheüs: Want ik word nu lot een drankoffer geofferd en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Ileere, de rechtvaardige rechter, in dien dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad.

Daarom laat ons deze dingen ons voor den geest roepen, opdat wij den zegen van het kruis mogen ontvangen, dat aan ieder discipel des Heeren op zijnen tijd en in zijne mate wordt opgelegd, Dan zal ook dit kruis niet ij del zijn, niet alleen voor den mensch zelf, maar ook tot bevordering van het Evangelie, want dan zullen de banden in Christus openbaar worden en zullen anderen door deze banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord spreken tot verheerlijking van den Naam Gods en van Zijnen Gezalfde. Amen.

ocr page 40

De rechte oorzaak der blijdschap.

Lucas 10:20. Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat mve namen geschreven zijn in de hemelen.

M. G. T.! Er is naast veel droefheid en verdriet, ook veel blijdschap hier beneden. Veel en velerlei. Indien gij nochtans ernstig onderzoekt naar den grond der blijdschap, zal het u menigmaal treffen dat zij of ongegrond is of een nietige, beuzelachtige oorzaak heeft. Het leven der menschen is veelal zoo oppervlakkig, en daarom is de reden, waarom zij treurig of blijde zijn dat ook. Menigeen is verblijd over een voorbijgaand tijdelijk genoegen, over eenig vergankelijk voordeel, ja over opschik en tooi. Welnu, zoude men daarover moeten treuren? Zoude men zich moeten beklagen over tijdelijk genot en voorspoed ? Ik zal de laatste zijn, om dit te beweren. Maar wel moet ik u wijzen op de betrekkelijke waarde van alle voorbijgaande oorzaken van blijdschap. In zichzelven zijn zij zeker niet altijd verwerpelijk, maar zij zijn het veelal in verband met den toestand des menschen, dien hel aangaat. Indien tegenover de liefelijkheid van enkele bijzondere omstandigheden, staal eene oorzaak van groole droefenis en jammer, die gelegen is in den toestand des harten, dan is hij dwaas te noemen, die behagen schept in nietigheden, terwijl hij zich veeleer verontrusten moest omtrent zijn levenslot, omtrent zijn geestelijken staat. Wat baat het of een mensch de gehecle wereld wint en hij lijdt schade aan zijne ziel ? Wat nut het hem, dat al het uitwendige zoo schoon

ocr page 41

30

mogelijk is. indien het inwendige geheel verkeerd is, indien er geen vrede is voor hel harl?

Daarom zegt de Christus ook: Zalig zijt gij, die nu weent, want gij zult lachen. Zalig zijn de treurenden, want zij zullen vertroost worden. De Christus wil, dat de mensch eerst zal leeren treuren over zichzelf, eer hij zich verblijdt. Hij kent geene gegronde blijdschap, dan die voortvloeit uit het welbehagen, uit de gunst van God. Dan alleen kunt en moogt gij blijde zijn, als gij weet, dat hel niet uw lijdelijk leven, niet uw lichaam, maar uwe ziel welgaat, als gij verzekerd zijl, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen.

Daarin vindt de zondige mensch zijn hoogste oorzaak van blijdschap, en is dit hel geval, dan mag hij ook verblijd zijn over alles, dat hem ontmoet, dan kan hij niet alleen roemen in de verdrukkingen, maar zich ook met recht verblijden over alle tijdelijke voorrechten en weldaden, die hij geniet, zich verblijden over zijn arbeid en zijne liefelijke ervaringen.

Toch blijft er ook dan nog een gevaar, waarlegen hij heeft te waken, en hel is op dat gevaar dal de Christus onze aandacht wil vestigen in ons tekstwoord. Ook als de mensch de hoogste blijdschap kent, loopt hij gevaar het gevoel daarvan te verliezen, indien de geringere blijdschap daaraan niet ondergeschikt blijft. In den mensch werkt het vleesch en nu is er alleen ééne blijdschap, waarin hel vleesch niet groeit, namelijk de blijdschap in de eeuwige zaligheid, daarom is het het bedenken des vleesches om elke andere oorzaak van vreugde voorop te schuiven en de mensch aan te sporen zich te verheugen bovenal in die mindere blijdschap, welke gevonden wordl in hel uitwendige, levenslot of levensarbeid. Daarin is maar al te vaak een deel zelfzucht of heerschzucht of hoogmoed gemengd, en als de Christen daaraan toegeeft, verliest hij allengskens het gevoel der ware blijdschap.

Dat merken wij ook bij de discipelen op en zoo hebben wij sprekend over de rechte oorzaak der blijdschap, u daarbij te bepalen, dat deze gevonden wordt in het bezit van den naam in de hemelen geschreven, niet daarin dat aan ü de geesten onderworpen zijn, evenmin dat u de geesten onderworpen zijn, ook nietdat de geesten u onderworpen zijn. Zoolang of zelfzucht of

ocr page 42

31

heerschzuchl of hoogmoed een deel hebben in uwe blijdschap is het de rechte niet.

Maar, laat ons, voordat wij overgaan tot de behandeling van ons onderwerp, u eerst de aanleiding mededeelen, welke de Heiland zoo doet spreken, als Hij in onzen tekst doet. Het tekstverhaal spreekt van de terugkomst der zeventig discipelen van hunne reis tot prediking des Evangelies. Zij zijn wedergekeerd met blijdschap, zegt het verhaal, zeggende: «llecre, ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam.quot; Waarlijk, de discipelen hadden reden om verheugd te zijn, hun arbeid was welgeslaagd, ook was het geene geringe zaak, waarover zij verblijd zijn, het was de uitbreiding van Gods Koninkrijk en de kracht van den naam van Christus, waarvan zij getuigen waren geweest. En toch was er én in den vorm van hun woord iets dat niet goed was. én in de oorzaak hunner vreugde iets dat niet was naar den Geest des Heeren. Zij zeggen niet: Heere, ook de duivelen zijn Gode onderworpen in Uwen naam, maar zij zijn ons onderworpen. Hier staat het middel, de medearbeider Gods te veel op den voorgrond. En juist omdat zij hierover verblijd waren, omdat zij een welbehagen hadden in hunne macht over de onreine geesten, zij hel ook dat zij er bijvoegen, in Uwen naam, was er blijkbaar in hunne vreugde iets vleeschelijks.

De Christus antwoordt op hun woord. Hij begint met zich te verheugen met eene reine blijdschap: »Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallen.quot; Wat hem tot dankbaarheid stemt, is dat de vijand Gods wordt vernederd, de erfvijand van het men-schelijk geslacht, de menschenmoorder van den beginne, van zijne kracht wordt beroofd. Vervolgens beschrijft bij nog eens de macht, die Hij aan Zijne discipelen had beloofd: »Zie, Ik geve u de macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle macht des vijands en geen ding zal u eenigszins beschadigen.quot; Groot is dus het voorrecht aan de discipelen verleend, een voorrecht niet voor hun persoon, maar voor hun werk. dienstbaar aan de uit-

ocr page 43

32

breiding van Gods Koninkrijk. Evenwel, hoe groot die macht mocht zijn, het moest hun niet te doen zijn, om zich daarin te beroemen, zich te verblijden in eene macht, hun geschonken vanwege de macht van hunnen grooten tegenstander. Het betaamde hun veeleer te roemen in zwakheden, opdat het blijken zou, dat de kracht Godes is.

«Verblijdt u daarin niet dat de geesten u onderworpen zijn, maar verblijdt u veel meer, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen.quot; De onderdanigheid der onreine geesten is alleen een voorrecht, dat uit hunne bediening voortvloeit, dat hen niet rijker of armer, niet ongelukkiger of gelukkiger maakt, dat hen wel met meer moed kan doen aan het werk gaan, en met grooter volharding kan doen voortarbeiden, maar het mag nooit den grond vormen hunner waarachtige blijdschap. Het mag niet de plaats innemen van de blijdschap in God, het mag nooit op den voorgrond treden tegenover het bezit van den nieuwen naam, die op-geteekend staat in de hemelen.

Het zou toch kunnen zijn, dat in den loop hunner bediening dit voorrecht minder duidelijk te zien viel, dat de heerschappij van den Booze somwijlen eene macht betoonde, waartegen hunne prediking voor een tijd tenminste niet bestand bleek, en zouden zij dan niet moedeloos en troosteloos moeten nederzitten, als hun werk niet bekroond werd met zichtbare gevolgen, als deze oorzaak van blijdschap ophield te bestaan?

Maar bovendien, wanneer zij hieraan toegaven, zou dit niet alleen mogelijk zijn, maar het zoude gewisselijk geschieden. Wanneer zij al te zeer zagen op de vruchten van hun werk, zou langzamerhand, ongemerkt, dat deel van hunne taak bij hen op den voorgrond komen te slaan, waarbij de beste gevolgen waren te verwachten, zouden zij zich veel meer toeleggen op den strijd tegen het ongeloof, dan op het ondersteunen der zwakken en het opwekken en vermanen der geloovigen, hunne vrijmoedigheid zou licht overmoed worden, en waar overmoed is, daar is ook de nederlaag niet verre meer; op dien weg ontmoet men de Petrussen, die beloofd hebben hunnen Heer te belijden, maar Hem inderdaad hebben verloochend. Dat dan de discipelen op hunne hoede zijn tegen dit vleeschelijk deel hunner blijdschap, dat zij veeleer hunne vreugde gronden

ocr page 44

33

alleen op den raad des Welbehagens, op Gods verkiezing lot zaligheid, niet op de werken, opdat niemand roeme, opdat het zij; die roemt, roeme in den Heere.

»Doch verblijdt u daarin niet dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen.quot; Wat de discipelen mede met vreugde vervulde, was dat de geesten hun onderworpen waren. Zie, zij hadden tot de bezetenen gesproken in den naam van Jezus Christus, en op hun woord waren de onreine geesten uitgegaan. Al erkennen zij: de kracht daartoe hadden wij uit ons zeiven niet, toch is het hun aangenaam, dat zij het waren, door wier arbeid zulks geschiedde. Verheugd zouden zij ook geweest zijn, als anderen het middel daartoe waren geweest, het zij zoo, maar niet zooals zij nu zijn, nu hunne werkzaamheid is gebruikt. Dit bewijst dat hun eigen ik nog telkens boven komt.

Wat wij bij hen opmerken is geen ongewoon verschijnsel. Helaas! zoekt men eene oorzaak voor sommiger opgewondenheid en an-derer matheid, men vindt die waarlijk niet altijd in de blijdschap over de uitbreiding of droefheid over den schijnbaren achteruitgang van Gods Koninkrijk op aarde en van de gemeenschap van Christus in het eigen hart, maar menigmaal daarin, dat het eigen ik aangenaam of smartelijk wordt aangedaan. Want wanneer de mensch in Christus Zijnen Middelaar en Borg heeft gevonden, dan heeft het eigen ik wel een doodelijken slag ontvangen, waarvan het nooit weder geheel herstelt, maar toch beweegt het zich, roert en woelt rondom zich, toch schikt hel zich, zoo goed als dit gaat, in den nieuwen toestand, zijn voordeel zoekend bij iedere gunstige gelegenheid. Als de Christen nu gaven en krachten verkrijgt, als hij werken mag verrichten, die Gode aangenaam zijn door Christus Jezus, als hij wederstaan kan en overwinnen de verleiding der wereld en van hare begeerlijkheden, als hij een geloof vertoont in liefde werkende, dan is het, als wil dat eigen ik hem wijs maken, dat dit nu ook zijn'eigen zelfstandig werk is, dan is het, alsof het

3

ocr page 45

34

wederom leeft en groeit in deze dingen, en den mensch er toe aandrijft het verheerlijken van Gods vrije genade eenigszins op zijde te schuiven.

Dan is het alsof eene verleidende slem hem toefluistert: Zoo gaat het goed, uw geestelijk leven gaat vooruit, en dat hebt gij aan uw geloof en getrouwheid te danken. Of liever zonder dat de Christen zoo denkt, komt tegenover het bedenken des Geesteseen bedenken des vleesches te staan, een zich vergenoegen in hetgeen de mensch is en doet en werkt, en dit gaat allengskens over in een nalatigheid om God de eere te geven van al zijne werken.

Dan heeft men meer belangstelling in hetgeen men zelf doet, dan in hetgeen anderen verrichten, dan schijnt het, alsof het eigen werk meer de moeite waard was, dan dat van een vreemde, dan is het niet meer de hoogste vreugde, dat de zondaar zich Gode onderwerpt, niet dat Gods wil geschiedt, dat Zijn Koninkrijk komt, maar dat men zelf daaraan eenig deel heeft. Maar ook omgekeerd dan ziet men het weldra gebeuren, dal de mensch zich gekrenkt gevoelt over den tegenstand, dien hij ondervindt, meer dan dat hij bedroefd is over de vijandschap tegen Gods Heiligen Naam, dan is niet de zaak van God zijne zaak, maar ziet hij in zijne zaak de zaak Gods. Dan zou hij, nog dieper zinkend, geneigd zijn zich te verheugen, wanneer hij zelf van de menschen vriendschap en belangstelling geniet, terwijl hij niet bedenkt dat diezelfde menschen den wil Gods ongehoorzaam zijn en weigeren naar Zijn Woord te hooren. De vriendschap der wereld jegens hem begint dan eene te groote plaats in te nemen in zijn hart, te groot, omdat hij ze niet als een kruis draagt, maar als eene oorzaak van vreugde begroet.

Tegenover deze zelfzucht bestaat geen ander wapen, dan zich de oorzaak der hoogste vreugde voor te stellen; «verblijdt u veel meer, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen.quot; Bij alle gaven van Gods genade, die ons ten deel vallen, sta dit voorop: «Wie is er die u onderscheidt, en wat is er dat gij niet hebt ontvangen ?quot; Het eenige dat onderscheid maakt lusschen menschen en menschen, lusschen den diepslgevallen zondaar en den heiligste en Godzaligste is Gods welbehagen. Het is éénzelfde hart, dat allen bezitten, het zijn alle menschen van gelijke bewegingen, dezelfde zonde woont in aller binnenste. En indien» nu in het hart van

ocr page 46

35

den een eene kracht werkt, die in het hart van den ander tevergeefs wordt gezocht, indien de een verwaardigd wordt om gaven te ontvangen en werken te doen, die Gode aangenaam zijn en de ander niet, dan is dit alleen, omdat zijn naam geschreven is in de hemelen; alleen aan de vrije genade Gods en Zijne verkiezing komt de eere toe, en de mensch zie niet op zijne voorrechten en werken, maar op den grond daarvan in Gods raad tot behoudenis van zondaren. Welnu als de mensch zich daarin kan verdiepen, als hij de vrije gunst aanschouwt, die eeuwig den IIeeue bewoog, als voor zijn oog hem levendig geschilderd staat de eeuwige liefde Gods als grond en kracht zijns levens, dan wordt zijn eigen ik zoo klein, zoo nietig, dan en dan alleen gaat de zelfzucht naar den achtergrond, dan komt de overtuiging in het hart: Dit is het groote, het heerlijke, niet dat de macht der zonde voor een tijd mij onderworpen is, maar dat zij onderworpen is aan God zelf.

Verblijdt u veel mepr daarin, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen, want ai uw werk geeft geen grond tot blijdschap, vrede en troost, al dat werk kan in zichzelf niet bestaan voor een heilig en rechtvaardig God, al dat werk moet u in diepe schaamte verootmoedigen, en tegenover alle schuld, die ook het gebruik van Gods genadegaven aankleeft, staat alleen, maar dan ook algenoeg-zaam de naam, opgeteekend in het boek des levens.

Ileere, ook de duivelen zijn ons onderworpen. Wij leggen nu den nadruk niet op hel woord ons maar op een ander woord: onderworpen. De discipelen verheugden zich daarover dat de geesten hun onderworpen waren. Er is zeker reden om zich te verblijden, dat het kind Gods niet aan den duivel onderworpen is, maar dat integendeel het werk des Boozen niet bestand is tegen de macht, welke God aan Zijne kinderen heeft verleend. Ware het anders, diep rampzalig zou des Christens leven zijn. Maar toch straalt in die uitdrukking door, dat de heerschzucht nog eene belangrijke plaats innam in hun hart, dat zij niet alleen blijde waren, dat zij zulk eene macht bezaten, om met die macht Gode dienst-

ocr page 47

36

baar te zijn, maar dat het bezitten van dit gezag zelf aangenaam was voor hun gevoel.

Ook dit is een bedroevend verschijnsel, iederen dag te aanschouwen, dat velen zooveel ijveriger en volhardender zijn, als zij weten dat zij eene macht bezitten, dan wanneer zij in hunne zwakheid alleen alle kracht verwachten van den IIeere God zelf. Ook de zucht naar macht, naar heerschappij is der zondige natuur des menschen aangeboren. De mensch is oorspronkelijk geschapen om te heerschen, niet om te gehoorzamen, en dat gevoel, dat besef blijft bestaan, ook als hij van zijne hooge plaats is nedergestort in den diepsten afgrond. Ja hij zou zelfs zijne zelfzucht, zijn eigen gemak en genoegen er aan willen opofferen, als hij maar kon heerschen. Wanneer nu de mensch door Gods genade van die heerschappij heeft afstand gedaan en zich voor God heeft vernederd, kost het hem toch zooveel strijd anderer dienaar te zijn. Geen wonder, de oude mensch heeft al de eigenschappen van den ouden Adam en in heerschappij voeren is zijne lust. En behaagt het nu Gode den wedergeborene groote gaven en krachten te verleenen, schenkt Hij hem uitnemende talenten en vermogens, o dan is de verleiding als voor de deur om zich te verblijden over de kracht die hij uitoefent, meer dan over de eere Gods, die door het gebruik dier gaven bevorderd wordt. Vandaar zoo groote neerslachtigheid, als die krachten en vermogens niet bij machte zijn het gewenschte doel te doen bereiken, als de pogingen afstuiten op feilen tegenstand, als zulk een mensch bezwijkt tegenover de macht der zonde en niet bestand is tegen de verleiding.

O wie zal den strijd teekenen, welken de teedere kinderen Gods te voeren hebben tegen deze zonde! Dienen moesten zij, en het vleesch prikkelt hen om te willen heerschen, verblijden moesten zij zich als de geesten Gode onderworpen zijn, en zij verblijden zich omdat zij hun onderdanig zijn. Hun vleesch groeit er in als zij de zegenrijke gevolgen zien van hun werk, als zij hun invloed gadeslaan, hunne macht aanschouwen, en toch is die macht hun verleend als eene bedienende macht, zij worden er mede bekleed, omdat God door middelen werkt, niet omdat zij zulks waardig zijn.

Maar het gevolg van dit blijde zijn over eigen macht is dan ook dat die macht afneemt, dat die kracht niet meer van hen uit-

ocr page 48

37

gaat, dat er geen zegen meer rust op hun arbeid. Dan wordt hun arbeid verlamd, en een doorn des Satans hun in het vleesch gegeven, Nu willen zij wel, maar zij kunnen niet, en klimt dan het gebed van den worstelaar lot den troon des Heehen op, dan vernemen zij dat die doorn, die geesel noodig was, opdat zij zouden leeren de heerschzucht vaarwel te zeggen, die hen dreef, om niets meer te zijn dan dienaren Gods en hunner medemenschen. Dan wordt hun andermaal zegen geschonken en blijkt het: Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.

Doch verblijdt u daarin niet dat de geesten u onderworpen zijn, maar verblijdt u veel meer dat uwe namen in de hemelen geschreven zijn. Het moge verblijdend zijn, dat de geesten wijken voor den naam van Jezus, wij moeten ons zeiven daarin niet mengen, en geen aandeel willen hebben aan de heerschappij, die Gode alleen' toekomt. De macht, die God aan zijne gunstgenooten verleent, mag niet worden geminacht, zij mag evenmin worden overschat. Men mag niet zeggen: om de verleiding te ontgaan, wil ik liever die macht niel gebruiken, want de Heere heeft haar tot gebruik gegeven. Maar men bedenke altoos welk eene gevaarlijke verzoeking met die macht verbonden is. Men wake en bidde, dat men te midden van dit alles het oog moge gericht houden op eigen zwakheid en krachteloosheid. Want er moge van die kracht eene werking uitgaan, indien wij het onze er in mengen, vermindert de zegen en verdwijnt hij ten slotte geheel.

Dat het dan voor de oogen der gemeente sta: Verblijdt u veel meer, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen. In het bezitten van de macht, in het uitoefenen der macht ligt geen grond van vreugde, maar wel daarin dat gij verwaardigd zijt die macht te bezitten, gij en andere menschen niet. Uit uzelven hebt gij de macht niet, en al bezat gij de uitnemendste talenten en vermogens, indien uw naam niet opgeschreven was in de hemelen, dan zoudt gij met al die gaven slechts werkzaam zijn tot uitbreiding van het rijk der duisternis in uw eigen hart. Maar nu is het niet zoo. God de IIeere is de eenige die onbeperkte macht, souvereiniteit bezit, Hij heeft, in Zijne Souvereine Genade ook uw naam in de rol Zijns hoeks geschreven, en nu vloeit uit die daad Gods alles voort, wat gij zijt en wat gij vermoogt. Al uwe heerschappij zal

ocr page 49

38

u geene schredo nader brengen tot God, maar veeleer zal uwe krachteloosheid voor u een middel zijn om bij Hem te zoeken wat alleen bij Hem te vinden is. De krachten, die gij oefent, zij kunnen geen grond van blijdschap over uzelven vormen, maar wel het besef, dat gij door God als Zijn dienstknecht of dienstmaagd zijt aangenomen, en dat uw naam geschreven is in de hemelen.

Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, wij leggen thans den klemtoon op het eerste woord. De machten der duisternis waren den discipelen onderworpen, de schrikkelijkste openbaring van de heerschappij des Boozen zelfs week op hun woord. En wederom: dat is eene oorzaak van vreugde. Of be wees het niet, dat de Christus de sterkere was, die de macht van den sterken vijand kon te niet doen, was het niet een blijk, dat de discipelen niet behoefden te vreezen voor eenigen tegenstand, indien zelfs de onreine geesten hun waren onderworpen ? Voorzeker. Zij konden daardoor bemoedigd en vertroost worden bij hunnen zwaren arbeid. Maar toch was er in de blijdschap der discipelen iets, dat had moeten vermeden worden. Naast den Christus stellen zij zichzelven, zij zijn het, wien ook de duivelen onderworpen zijn. Niet alleen bezaten zij macht, en hebben zij die geoefend, maar macht zelfs over de onreine geesten, de onmiddellijke openbaring der zonde. Vandaar dat wij ook kunnen spreken van hoogmoed.

Ook de duivelen hun onderworpen — maar die thans zoo spreken, hoe was het met henzelven geweest, toen zij den strijd met de zonde hadden te voeren in eigen hart, toen voor heteerst het Woord van Gods Wet, Zijn Heilige eisch kwam tot henzelven ? Was hun toen ook die zonde onderworpen? Of moesten zij niet veeleer erkennen, dat zij onmachtig waren tegenover deze, tot dat God zelf den strijd aanbond en door Zijn Geest in hen den tegenstand der zonde overwon, hen gewillig maakte. Dat is nu eenigen tijd, voor enkelen misschien langen tijd geleden — maar zij zijn het immers niet vergeten?

En nu de duivelen hun onderworpen — maar hoe kunnen zij het meenen, waar zij niet eens tegenover de altijd zwakkere macht

ocr page 50

39

der zonde bestand waren, dal nu de onreine geeslen zelf voor hen zouden wijken? Ligt dit dan in den naam van Jezus? Ja, daarin ligt het, maar dan volgt daaruit ook, dal de onreine geesten niel hun, maar Christus onderworpen waren. Hoe komt het, dat dan nog hun hart hoogmoedig is? Het is, omdat zij geen onderscheid maken tusschen het werk des Geestes in den mensch en zijn eigen werk. Omdat de Heilige Geest niet buiten den mensch om werkt, maar met en door de krachten des menschen, omdat zij mede-arbeiders zijn onder de leiding des Geestes, komt, ik zeg niet in hunne beschouwing, maar toch in hun spreken, iets uit van de meening alsof het Geesteswerk hun eigen geestelijk werk was, alsof niet de Heilige Geest de aandrijver was geweest, den stoot had gegeven, alsof niet Hij de werkmeester en zij de werklieden waren geweest.

Zoo is het nog; de hoogmoed, die in het hart woont, verblijdt zich vaak over des menschen, des christens werk. Het schijnt alsof de onderdanigheid der onreine geesten eene gehoorzaamheid is aan den mensch, die aldus is begenadigd. Men vergeet zoo vaak, hoe snel dat werk kan worden verbroken, hoe God er in kan blazen, zoodat het ineenstort, men denkt er niet aan, dat *s menschen geestelijk leven, zoodra de hand Gods hem verlaat, vervalt en slechts een bouwval achterlaat, alleen door diezelfde hand Gods te herstellen. David in de dagen zijner zonde met Dalhseba kan u leeren, welke grond er bestaat voor eene blijdschap over de onderdanigheid van den Booze. Die daarin roemen, zullen misschien bevinden dat hunne onderdanigheid aan den Booze dichterbij is dan zij vermoeden.

Verblijdt u daarin niet dat de geesten u onderworpen zijn, maar verblijdt u veel meer, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen. Wij' hebben gezien: de onderworpenheid der geesten kan en mag geene oorzaak van blijdschap vormen over eigen heerlijkheid of hoogheid. De mensch is er niets meer om, dat de onreine geesten op zijn woord wijken of uitgeworpen worden; integendeel ook hier kan het zijn: die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die hoog over zichzelven denkt, omdat hij in den dienst Gods tot groote dingen wordt geroepen, zal spoedig genoeg reden hebben om zich uil schade en schande te leeren geringachten. Dan zal hij zelf ervaren, hoeveel meer oorzaak er is verblijd te zijn over den

ocr page 51

40

naam in den hemel, dan over iets anders. Want als hem alles verlaat en begeeft, als hij van zijn hoog standpunt is uedergestort en hij zijne schuld erkent, zal hij op niets anders kunnen pleiten, dan hierop dat zijn naam, eens in de hemelen geschreven, niet kan uitgewischt worden, maar blijft tot in eeuwigheid. Als elke stok en staf, waarop de inensch heeft willen steunen, verbroken ligt en hij niets meer weten wil van de blijdschap over vroegere uitingen en werkingen van zijn geestelijk leven, omdat hij nu inziet, hoe die is voorbijgegaan en geheel tot het verleden behoort, dan kan hij nergens troost vinden voor zijn hart en vrijmoedigheid vinden om op te staan uit de zonde, dan alleen hierin, dat zijne zaligheid niet afhankelijk is van hemzelf, maar van Gods verkiezing.

Dan erkent hij, gelukkig niet te laat, want het is voor het kind Gods nooit te laat, hoe schuldig hij gehandeld heeft door zijne blijdschap vast te knoopen aan eenig menschenwerk, al was het ook in den naam van Jezus geschied; dan ziet hij helder en klaar, dat die alleen kan en mag gegrond zijn op eene daad van den On veranderlijken God, door den Getrouwen Zaligmaker voor hem mogelijk gemaakt, door een nimmer moeden Heiligen Geest op hem toegepast.

M. G. T.! Ons tekstverband gaf ons aanleiding om te spreken over de blijdschap der discipelen en zoomede van hen, die in waarheid discipelen en discipelinnen van den Heiland zijn geworden. Wellicht was er de een of ander onder u, die zonder den geestelijken strijd te kennen, bij zichzelf dacht: »Hoe is het mogelijk dat vrome menschen, gelijk de discipelen, hunne blijdschap in iets anders vonden dan in God.quot; Het gebeurt ten minste dikwijls genoeg, dat menschen, die eenige oppervlakkige kennis der waarheid hebben, zich voorstellen, dat zij wel anders zouden handelen. M. G.! indien gij dat denkt, dan kent gij uw hart, arglistig en be-driegelijk als het is, niet, dan hebt gij nog niets verstaan. Het is een algemeen verschijnsel dat die welke meenen God te dienen en getrouw te zijn, ook aan zeer weinig verleiding en beproeving

ocr page 52

41

blootstaan, omdat God alleen degenen die Hem kennen beproeven en louteren wil. Ik zon zeggen: Indien gij niets kent van den strijd tegen hel vleesch, indien gij meent zoo gewillig en getrouw te zijn, indien gij meent uwe blijdschap in God alleen te zoeken en te vinden, dan wordt het hoog tijd, dat gij tot andere gedachten komt. Want blijft gij in dezen toestand, dan staal het te vreezen, dat gij de ware blijdschap nooit zult kennen, neen het is in dat geval zeker. Die de hoogste blijdschap kent, hij heeft ook de diepste smart gevoeld, en hij ervaart ook bij tijd en wijle heftige aanvallen van het zondige vleesch. Is hel bij u niet aldus, vraagt om het ontdekkend licht van den Heiligen Geest, die u alleen de rechte kennis van uwen toestand, van uwe nooden en behoeften kan schenken.

Doch wellicht bekommert gij u om deze geestelijke blijdschap weinig en is het u genoeg, als uw naam hier op aarde met eere wordt genoemd, als gij een goeden naam hebt onder de menschen, misschien is het u alleen om aardsche blijdschap te doen, om zinnelijk en zondig, om nietig of verboden genot, misschien zegt gij nog: de gestolen wateren zijn zoet. Is het zoo met u gesteld, wat zal uw einde zijn? Want weel dit wel, indien uw naam niet geschreven is in de hemelen, dan is hij in de diepten geschreven, en waar uw naam geschreven is, daar is uw huis, daar is uw eigenlijk vaderland, daar is uwe toekomst. Maar wat ik u toeroep, het is dit: Wat zal een vergankelijke blijdschap u anders opleveren dan eeuwig afgrijzen, wat een leven naar het vleesch, dan een eeuwigen dood naar de ziel? Laten de waarschuwingen niet ver-geefsch zijn. Bedenkt u terwijl het nog lijd is en zoekt nog op dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient. Is het nog voor uwe oogen verborgen, het is niet zoo verborgen, dat gij te verontschuldigen zoudt zijn.

En gij, M. G.! die begeert de ware blijdschap te kennen, die onrustig zijt in uw binnenste en niet weet of uw naam in de hemelen geschreven is, houdt aan in den gebede, en kunt gij daarin aanhouden, het is door de kracht van dien God, die niet laat varen de werken Zijner handen. De Christus stoot geenen zondaar, die berouw heeft over het kwade, van zich af. Hij zal ge-wisselijk komen tot elk der zijnen en zeggen: Ik ben uw heil, de grond uwer blijdschap.

ocr page 53

42

Is dat het geval, dan is er ook blijdschap over den hetnelschen naam. Wordt zij bij u gevonden, die gekomen zijt tot de verzekerdheid uwer roeping? Wilt daaraan dan vasthouden. Laat het uw gebed zijn, dal gij uwe blijdschap toch niet zoeken moogt in de gaven der genade, maar alleen in de genade zelve. Al kunnen uwe werken strekken tot bevestiging van de oprechtheid van uw geloof, uw geloof vervangen kunnen zij nooit. Dat geloof vindt alleen zijn steun in den naam, die in de hemelen is geschreven. In hem, die dien naam heeft neergeschreven, in den Onveranderlijken God, die in Christus uw Vader is, hebt gij den eenigen, onmisbaren maar dan ook volkomen grond der blijdschap. Amen.

ocr page 54

Geloovige berusting.

II Samuel 15:25, 26. Toen zeide de koning tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad, indien ik genade zal vinden in de oogen des Heeren, zoo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijne woning. Maar indien Hij alzoo zal zeggen: Ik heb geene lust tot U; zie hier ben ik. Hij doe mij, zooals het in zijne oogen goed is.

M. G. T.! Waaneer wij het persoonlijk leven van koning David beschouwen, kunnen wij dil in twee deelen splitsen, namelijk in den lijd vóór en den tijd na zijne zonde met Bathseba. En waarom maken wij hier eene afscheiding? Waarom niet, toen hij koning werd na den dood van Saul, of nadat hij de stad Jeruzalem ingenomen en tot zijne hofplaats gemaakt had ? Het antwoord ligt voor de hand. Dat zouden wij doen, als wij over David als staatkundig persoon, als vorst spraken, maar nu wij aan zijn persoonlijk leven en levenslot denken, kiezen wij eene andere indeeling. Nu zien wij, hoe David gedurende het eerste tijdperk van zijn leven door God gezegend wordt en hoe zelfs het veelvuldige leed en de groote tegenspoed, die zijn deel waren tijdens het leven van zijn schoonvader Saul, middelen waren in de hand Gods om hem tot zijne latere roeping voor te bereiden, zoodat het jammerlijk rondzwerven in ballingschap voor hem geen teeken was van Gods ongenoegen, maar een harde weg van opleiding. Kennelijk wordt de zegen Gods nog overvloediger, nadat hij den troon heeft beklommen. De tijd van zijn bestuur was een glansrijk tijdperk van Israels geschiedenis en het mocht hem gelukken vele vijanden te overwinnen. En eindelijk

ocr page 55

44

ontving hij de heerlijke belofte, dut zijn geslacht den troon erfelijk zoude bezitten, dat zijn stoel vast zoude zijn tot in eeuwigheid.

Maar nu wordt het geluk van David plotseling verstoord door zijn val in de zonde. Zijn overspel met Balhseba vormt een keerpunt in zijn leven. Het woord van den profeet Nathan komt lot hem: »Zoo zegt de Heere de God Israels. Ik heb u ten koning gezalfd over Israël en Ik heb u uit Sauls hand gered. En Ik heb u uws heeren huis gegeven, daartoe uws heeren vrouwen in uwen schoot, ja Ik heb u hel huis van Israël en Juda gegeven en indien hel weinig is. Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen. Waarom hebl gij dan hel woord des Heeren veracht, doende dat kwaad is in Zijne oogen ? Gij hebl üria den Helhiet met het zwaard verslagen en zijne huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen, en hem hebt gij met hel zwaard der kinderen Ammons doodgeslagen. Nu dan het zwaard zal van uw huis niet afwijken lot in eeuwigheid; daarom dal gij Mij verachl hebl en de huisvrouw van Uria den Helhiet genomen hebl, dal zij u ter vrouwe zij.quot; In de plaats van den voormaligen zegen zou hel oordeel Gods over David en zijn huis komen, en zijn volgend leven zou de gevolgen moeten dragen van zijne verachting van 's Heeren Woord. Gestreng is dit vonnis, maar het is de gestrengheid van een barmhartig God. Want als David zijne zonde belijdt, verneemt hij uil des Profeten mond: »De Heere heeft ook uwe zonde weggenomen, gij zult niet sterven.quot; Zoo was hel oordeel, dal over hem kwam, geen strafgericht, maar hel werd eene kastijding, en terwijl hij in het vuur der beproeving kwam, werd hij daardoor niet verteerd, maar gelouterd, maar behouden als door vuur. Om die reden kon hij ook hel lijden en de verdrukking verdragen als eene welverdiende kastijding, en getroost verduren als eene beschikking van dien God, Die hem ook in Zijne oordeelen bleef liefhebben.

Dal leert ons ook hel tekstwoord, dat wij te behandelen hebben. Het verplaatst ons in een oogenblik van Davids leven, waarin hij moest vluchten voor zijn zoon Absalom, die zich lot koning had laten uilroepen. Groot is de tegenspoed, die David heeft getroffen, toch merken wij in hem aan de eene zijde een vast vertrouwen op God op, en aan den anderen kanl eene gewillige onderwerping aan hetgeen Hij over hem wil beschikken. Slaan

ocr page 56

43

wij achtereenvolgens een blik op Davids toestand, Davids vertrouwen, Davids berusting.

liet oordeel door Nathan uitgesproken ging weldra in schrikkelijke werkelijkheid over. Zoo gelukkig als David naar het uitwendige geweest was vóór zijnen val, zoo ongelukkig was hij daarna. Toen zijne kinderen groot werden, zag hij hen ook wassen in boosheid en ondeugd; in plaats daarvan dat hij zich in hun bezit mocht verheugen, werd zijn leven vergald door hunne onderlinge twisten. Amnon beleedigde zijne halve zuster Thamar op de schandelijkste wijze en haar broeder Absalom doodde den belager zijner zuster. Het spreekt vanzelf, dat David meende Absalom gestreng te moeten straffen, en deze vlood uit vrees voor zijn vader naar Syrië, waar hij drie jaren bleef. Daarna stond David op verzoek van Joab toe, dat Absalom ongehinderd naar Jeruzalem mocht wederkeeren. Toch wilde hij zijn zoon voorshands nog niet in genade aannemen, de prins mocht hel aangezicht van zijnen vader niet zien. Deze toestand hield twee jaren aan, totdat eindelijk het verlof verkregen werd en Absalom in zijne volle waardigheid werd hersteld. Toen scheen het, als was de storm voorbij en toch — hij zoude toen eerst in waarheid uitbreken. Want Absalom had niet uit liefde eene verzoening met zijn v.ader begeerd, slechts om hem te beter te misleiden en wraak te nemen had hij verlangd naar vrede met David. Het plan om zijn vader van den troon te stooten was bij hem gevestigd. Met eene ongeloofelijke sluwheid wist hij het uit te voeren. Hij overhaastte zich niet, doorkneed als hij was in alle listen, waardoor de wereld haar doel weet te bereiken.

liet eerste dat hem te doen stond was: veel van zich te laten spreken. Daartoe liet hij paarden en wagenen, die toenmaals in het land Kanaan zeldzaam waren, bereiden, en liet hij vijftig mannen, als hij uilging, voor zijn aangezicht loopen. Deze buitengewone praal bracht zijn naam op aller lippen en wekte de bewondering op van allen, die zich aan den uiterlijken schijn vergapen. Maar dit was nog niet toereikend. Hij wist hoezeer de stam van Juda

ocr page 57

46

aan zijn vader gehecht was, hoe daarentegen de Noordelijke stammen, gewoonlijk Israel genaamd, altijd min of meer op Juda naijverig waren. Die stammen te winnen was de tweede zet van zijn plan. Wanneer dan ook een man uil het Noorden naar Jeruzalem kwam, om recht te zoeken tegen zijne wederpartij, zorgde hij dat hij dezen het eerst sprak, en als lüj zijne zaak gehoord had, zeide hij: Zie, uwe zaken zijn goed en recht, maar gij hehl geen verhoorder van des konings wege. Zoo vleide hij tegelijk de leden der Noordelijke stammen en ondermijnde hij listig het gezag van zijn vader. Want als zelfs Absalom getuigde, dat zijn vader onrechtvaardig was, zoude het dan niet waar zijn? Stond dan niet werkelijk Israel bij Juda achter? En daarop zeide dan Absalom: Och dat men mij tot rechter stelde in het land! Bovendien trachtte hij te winnen door innemende vriendelijkheid. Wilde iemand zich voor hem nederbuigen, dan greep hij diens handen en kuste hem. Geen wonder dat deze menschen die nog niet hadden ontdekt, dat de vriendelijkheid der grooten maar al te dikwijls uit zelfzuchtige en baatzuchtige bedoelingen voortspruit, daardoor ten hoogste vereerd waren en den vriendelijken Absalom, die hen prees, boven David verhieven. Alzoo, zegt de Schrift, stal Absalom het hart van gansch Israël.

Maar zult gij vragen: Bemerkte David van dit alles niets? Ieder die weet, hoe zelden de lastertaal liet oor bereikt van hem, dien zij geldt, zal zich daarover niet verwonderen. Men is altijd beschroomd om, en dat vooral aan de grooten en koningen, mede te deelen, wat hun minder aangenaam kan zijn. Er behoort groote vrijmoedigheid toe om den koning te onderrichten, dat allengskens een tegenzin tegen hem in het land ontstaat. Men verbergt dit doorgaans zoo lang, totdat de stroom van het ongenoegen zoo gewassen is, dat hij niet meer kan gestuit worden. Toen het zoover gekomen was, achtte Absalom den lijd gekomen om door te tasten, maar in Jeruzalem, dal aan David getrouw was, kon hij dat niet doen. Hij besloot daarom naar Hebron te gaan. Maar om bij David geen kwaad vermoeden te wekken, vraagde hij dezen verlof en zeide: Laat mij toch heengaain om mijne gelofte, die ik den Heere beloofd heb, te Hebron te betalen, want uw knecht heeft eene gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Indien

ocr page 58

47

de IIeere mij zekerlijk weder te Jeruzalem zal brengen, zoo zal ik den Heere dienen. Aldus misleidde Absalom zijnen vader, hij gebruikte de taal der vroomheid, om achter het schild van den godsdienst zijn goddeloos plan te verbergen, en terwijl David zich verheugde, dat zijne ballingschap gediend had om de vreeze Gods in zijn hart te wekken, en hij hem zijn verzoek toestond, zond Absalom inmiddels vertrouwde personen in gansch Israël, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuin zult hooren, zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron. Derwaarts begaf hij zich toen, medenemend tweehonderd mannen, genoodigd zijnde, doch gaande in hunne eenvoudigheid, want zij wisten van géene zaak. Hadden deze menschen geweten, waartoe zij zoo vriendelijk door Absalom werden uitgenoodigd, zij zouden zeker geweigerd hebben, nu gingen ■zij gewillig met den prins mede, en werden zoo door hunne eenvoudigheid in den strik gelokt, die hun gespannen was, en waar zij eens den eersten stap hadden gedaan, was voor de meesten geen terugtreden meer mogelijk. Hunne toekomst was aan die van Absalom nauw verbonden, wat zouden zij van David hebben te wachten, indien zij tot hem terugkeerden? Bovendien, Absalom zou zijn doel wel bereiken, gansch Israël ging hem na, en zelfs Davids raadsman, Achitofel de Giloniet, die toch wel een goeden blik op hetgeen te gebeuren stond, hebben zoude, voegde zich bij den zoon, in plaats van bij den vader. Spoedig kreeg dan ook Absalom vermeerdering van hulp en toen was het, dat een boodschapper tot David kwam, zeggende: Het hart van een iegelijk in Israël volgt Absalom na.

Voorwaar eene verpletterende tijding voor den koning, die van niets onderricht was, en nu hoorde, dat zijn eigen zoon hem niet alleen van den troon wilde stooten, maar bovendien daarbij door geheel Israël gesteund werd. Davids troon wankelde. In Jeruzalem was hij geen oogenblik langer veilig, althans indien hij daar bleef, zou de stad spoedig omsingeld z ijn en, menschelijker wijze gesproken, geslagen worden met de scherpte des zwaards. Wat al bloed zoude er vergoten worden! welk eene ellende zoude er over stad en land worden uitgestort! Neen, liever dan de oorzaak te zijn van al dien jammer, door te volharden in het bezit van zijn troon, wilde David den weg naar Jeruzalem openlaten en voor zijn

ocr page 59

48

zoon uitwijken, om elders, moest het zijn, den strijd met diens legers te voeren. Liever dan in een ongelijken strijd zijn volk ongelukkig te maken en Jeruzalem in eene puinhoop te doen ver-keeren, wilde hij zelf de minste zijn en vluchten naar hel land over den Jordaan. Want David dacht minder aan zijn eer en zijn recht, dan aan het arme volk, dat het slachtoffer zoude zijn van de twisten tusschen vader en zoon. Daarom vertrok hij met zijne getrouwe lijfwacht en anderen, die aan hem gehecht waren. Hij vorderde niemands diensten, hij maakte geen gebruik van de toevallige aanwezigheid van eene krijgsbende Gethieten, maar verlangde dat deze naar haar land zoude terugkeeren, en eerst toen haar overste dit weigerde, nam hij zijn dienst aan.

Treurig was de aanblik van die schare vluchtenden, welke de beek Kedron overtrok, en het volk van Jeruzalem weende met luider stemme, toen het zijnen geliefden koning een laatste vaarwel toeriep. En wel was hier reden voor ongeveinsde droefheid. Was het toch niet smartelijk dien grijzen koning de plaats te zien verlaten, waar hij zoo langen tijd den schepter had gevoerd, iieen te gaan van den koninklijken zetel om als balling te gaan verkeeren in een uithoek des lands, hem te zien wijken voor den listigen overweldiger, dien hij nog zooveel zachtmoedigheid had betoond, hem te zien vluchten voor zijn eigen zoon ? Was bet niet een sprekend bewijs van de vergankelijkheid van aardsche grootheid, van het wisselvallige van het tijdelijk geluk ? Was het niet een getuigenis voor de macht van het kwade in deze zondige wereld, dat Absalom zich in den steun van gansch Israël mocht verheugen?

Daarom verblijdt het ons, dat althans de mannen, die de leiding hadden van Israels eeredienst, niets van Absalom willen weten. De priesters Zadok en Abjathar komen met de Ark des Verbonds, die zij uit hare tent hebben verwijderd, om haar mede te voeren naar de plaats, waarheen David in ballingschap gaat. Zij althans willen niet dat Absalom in Jeruzalem het teeken van Gods tegenwoordigheid, de Heilige Ark, zal aantrellen, als woonde de Heere God met Zijne gunst en Zijne genade nog aan de plaats, die getuige zoude zijn van de schandelijkste overweldiging. Doch hiervan wil David niets weten. Hoe goed ook bedoeld, het plan van de priesters is niet overeenstemmende met den wil Gods. De ark des

ocr page 60

49

Heeren behoort tehuis in de plaats, die God verkoren heeft, om Zijn naam aldaar te doen wonen. Heeft niet het gebeurde in de dagen van Eli bewezen, dat eene uitvoering der ark geen zegen met zich brengt? Neen, zoo mag het niet, de ark moet te Jeruzalem blijven, want David is niet de bewaarder der ark, maar de tegenwoordigheid Gods moet David bewaren. Gaat David heen, dan sta ten minste de Ark des Verbonds in de hoofdstad des lands, opdat deze bewijze dat, moge ook Absalom den troon beklimmen, de Koning Israëls, de Koning der Koningen, evenwel Zijn troon in Jeruzalem behoudt, zonder Wiens toelating ook Absalom zijne hand niet kan uitstrekken, noch zijne tong verroeren.

Maar, vraagt gij, stelde dan David het niet op den hoogsten prijs, dat het heiligdom in zijne nabijheid was? Waarlijk, dat weten wij, David had een lust om in 'sHeeren voorhoven in te gaan, hij vond eene vreugde in het opgaan naar Gods altaren met de gemeente, maar daaraan ontleent hij nog niet het recht, om, waar hij zelf gaat vluchten, het heiligdom uit Jeruzalem mede te nemen, en hun, die moesten blijven, het voorrecht daarvan te ontnemen. Want de Heilige Ark was niet zijn eigendom, noch dat zijner getrouwe aanhangers, maar omgekeerd: David en de zijnen waren het eigendom des IIeeren en het genot van den eeredienst moest hun door dien God geschonken worden, gelijk Hij het hun lijdelijk kon onthouden.

Zoo zien wij dan den treurigen toestand, waarin David verkeert. Beroofd van de liefde van een groot deel zijns volks, beroofd van alle voordeelen van het koningschap, verjaagd door zijn eigen zoon, en eindelijk, wat zeker niet het minste was, verstoken van het voorrecht om op te gaan in de voorhoven des IIeeren en gedwongen om Israëls heiligdom aan de beschikking zijner vijanden overtelaten. Toch was hij daardoor niet geheel ontmoedigd.

Wat was het dan, dat hem zelfs in deze benarde omstandigheden moed schonk? Zijn woorden wijzen er ons op; als wij hem hoo-ren zeggen: breng de ark Gods weder in de stad, voegt hij er aan

ocr page 61

ÖO

toe: indien ik genade zal vinden in des IIeerex oogen, zoo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij doen zien, mitsgaders zijne woning.

Hoe treurig de omstandigheden mogen zijn, David vertwijfelt niet. Gansch Israël is op de hand van Absalom, maar er is een God, voor wien ook dit geheele Israël niets is. David kent dien God, Hij is het, welke hem in zijne jonge jaren als schaapherder uit de klauwen van beer en leeuw verlost heeft. Die is het, in Wiens Naam hij, zwak van kracht, den reusachtigen Philistijn Goliath is tegemoet getrokken, in Wiens Naam hij hem heeft neergeveld en zoo den hoon gewroken aan de slagorden des Heeren aangedaan. Die God is ook nu nog dezelfde. Ook nu nog is het woord van kracht: «Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door groote kracht. Het paard feilt ter overwinning en bevrijdt niet door zijne groote sterkte. Ziet des Heeren oog is over degenen, die Hem vreezen, op degenen, die op Zijne goedertierenheid hopen, om hunne ziel van den dood te redden, om hen bij het leven te behouden in den honger. Onze ziel verbeidt den Heere, Hij is onze hulp en ons schild.quot; Mogen dan anderen roemend vermelden van de veelheid der paarden en der wagenen, en van de talrijkheid der legers, David kan vermelden van den Naam des Heeren zijns Gods. Die is machtiger dan al zijne vijanden, en wat bij menschen onmogelijk schijnt, is bij Hem eene lichte zaak. Hem weder te brengen uit het toevluchtsoord naar de hoofdstad des lands, wat is het voor Hem ? Kan Hij niet in weinige oogenblikken alles veranderen, en een volkomen ommekeer tot stand brengen? Waarom zou dan de menscb vreezen, die op God vertrouwt? Ook als Hij het aangezicht verbergt, ook als Hij lijdelijk Zijne gunst onthoudt, toch is immers Zijne goedertierenheid over degenen, die Hem vreezen; van Hem hangt des menschen lot af en niet van de omstandigheden, niet van de aanslagen der vijanden, niet van de wijsheid hunner raadslagen, niet van de zondige neigingen van bedriegelijke menschen.

Ach, dat menigeen het David konde nazeggen: Indien ik genade zal vinden in de oogen des Heeren, zoo zal Hij mij wederhalen, ach, dat menigeen het levendig gevoelde, dat God machtig is om alle dingen te besturen tot heil Zijner gunstgenooten, dat men zich daarop kon verlaten in de moeielijke omstandigheden des levens,

ocr page 62

51

dan zou men ook nr.et meer gemoedigdheid kunnen voorttreden op zijn levenspad!

Hij zal mij wederhalen en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijne woning. Het is eigenaardig dat David juist spreekt van het zien der ark, het aanschouwen van Gods heiligdom. Het bewijst, dat hij dit stelde boven het bezit der vorstelijke waardigheid, boven zijne eer en macht. Wat hem begeerig maakt om naar Jeruzalem terug te keeren, het is de deelneming aan den openbaren dienst des Heeren, onder het oude verbond aan de uitwendige vormen gebonden. liet is hetzelfde, dat wij in den Psalm lezen: Mijne ziel is begeerig, en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren. Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen, zij prijzen U gestadiglijk.

Als David thans van de ark des Heeren afscheid neemt, gevoelt hij dat zijn God hem haar weder kan laten zien en wel: indien ik genade vind in des Heeren oogen. Letten wij op dat indien. Want het vertrouwen van David op zijnen God is een ootmoedig vertrouwen. Waaraan hij niet twijfelt, wat geheel zeker voor hem is, is dat de Heere regeert en dat de schepter der goddeloosheid niet z a 1 rusten op het lot der rechtvaardigen, is dat de zaak Gods zal zegepralen, en dat het welbehagen des Heeren voorspoedig zal voortgaan. Maar wel verre daarvandaan, dat hij nu ook zou durven zeggen: Ik zal zekerlijk door 's Heeren kracht wederkeeren, zegt hij: Indien ik genade vind. Hij verwart Gods zaak niet met zijne eigene. Wel is in zijn oog de Heere een rechtvaardig God en Absalom een overweldiger, wel weet hij dat de Almachtige zeker recht zal doen, maar hij weet ook, dat hij, verre van op de rechtvaardigheid zijner zaak te kunnen vertrouwen, zich diep te verootmoedigen heeft voor het aangezicht Gods. Moge zijne zaak rechtvaardig zijn, zij is niet de zaak van een rechtvaardige, maar van een zondaar, en indien thans het zwaard der verdrukking over hem is, hij heeft daarover niet te morren noch te klagen, want de oordeelen des Heeren zijn recht. Ten volle verdiend heeft hij het onheil, dat hem nu treft, ja het is eene matige kastijding vergeleken met hetgeen de-billijke straf kon zijn voor zijn diepen val. Immers dat hij nog dien God kan aanroepen, dat zijn hart met Hem is, dat zijn gebed mag komen voor het aangezicht des Heeren,

ocr page 63

b2

is dat niet een bewijs van Gods ontferming? Welnu, dat hij het dan in diepen ootmoed uitspreke: Indien ik genade zal vinden, genade en geen recht, indien de IIeere Zijn liefelijk aangezicht over mij wil doen lichten, dan zal Hij mij wederhalen, en ze mij aten zien, mitsgaders Zijne woning.

Het is dit besef, dat hij niet de minste aanspraak heeft op de gunst des Heeren in zijn tijdelijk leven, dat hem ook berusting schenkt, dan wanneer hij niet mocht wederkeeren naar Jeruzalem. »Maar indien Hij alzoo zal zeggen; Ik heb geenen lust tot u: zie hier ben ik; Hij doe mij, zooals het in Zijne oogen goed is.quot; Zoo eenig woord van David geschikt is om de diepte van zijn gevoel van afhankelijkheid en schuld te doen kennen, dan is het dit. Het oordeel, dat over hem gekomen is, neemt hij gewillig aan, en dat niet alleen, maar hij wordt er door herinnerd aan den werke-lijken toestand zijns harten, zooals die geweest is, zooals die nog is.

Indien Hij alzoo zal zeggen: Ik heb geenen lust tot u, zie hier ben ik. O hoe staat de zondigheid zijns levens hier voor hem, hoe rijzen voor zijne gedachten zijne vele zonden en overtredingen op, de schandelijkheid zijner raadslagen, de onverschilligheid en ondankbaarheid jegens de inzettingen en weldadigheden des Heeren ! Was het wonder dat Hij zeggen zoude: Ik heb geenen lust tot u. Indien Hij hem vergold naar zijne ongerechtigheden, zou het dan niet natuurlijk zijn, dat God sprak: »Zoo wat gij gezaaid hebt, dat zult gij maaien.quot; Maar ook dan nog: Zie hier ben ik. Gij zijt ook dan rechtvaardig in Uw richten, ook dan blijft Gij dezelfde Goddelijke Majesteit, voor wie ik mij als een dienstknecht nederbuig. Gij zijt de IIeere: Doe mij zooals het goed is in Uwe oogen. Zoo zien wij het geloofsvertrouwen gepaard gaan met de gewillige overgave aan Gods wil, en al hetgeen het Hem belieft te beschikken.

Gok hierbij zeggen wij: Mocht hetzelfde gevoelen dat in David was, veler deel zijn. Mocht er een krachtig besef zijn van eigen schuld, mocht er bereidwilligheid gevonden worden, orn zich over te geveu aan den heiligen wil des Heeren. Dan zou het lijden en

ocr page 64

53

de tegenspoed op andere wijze gedragen worden dan thans. Dan zou er een stilzwijgen der ziel zijn bij de nooden des levens. Maar dan ook alleen is God de IIeere werkelijk hoog en heerlijk in onze oogen, indien uit hel volle hart de bede opstijgt: Uw wil geschiede. Hetzij dan goed, hetzij kwaad, als Uw luister maar mag blinken, als Uw Naam maar eere mag ontvangen, ach, wat zou dan de zondaar meer wenschen, die zijne ongerechtigheid leerde kennen, en nu wenscht dat alleen de eere Gods moge heerschen.

Maar juist zulk eene stemming des harten is de stemming van een die genade vindt in de oogen des IIeeren. Hij, voor wien God Zijn aangezicht verbergt, kan zoo niet spreken. Bij hem is er nog altijd strijd tegen de beschikking des Keeren, is er nog steeds eene onwilligheid om het juk op zich te nemen en het kruis te dragen, dal van Gods wege wordt opgelegd. Maar waar deze strijd heeft opgehouden, waar het hart eenswillend is met God, en alles aan Hem overlaat, daar wordt Gods gunst gevonden, daar wordt dan ook de toon der berusting straks vervangen door het lied der hope: Hoop op Hem, want ik zal Hem nog loven, voor de verlossingen Zijns aangezichts.

Zoo was hel bij David: In de wijze waarop hij de kastijding Gods ontving en droeg, ligt reeds de profetie der bevrijding. Want God, die der menschen kinderen niet van harte bedroeft, legt daarom ook niet meer op, dan hetgeen zij vermogen te torsen, en Hij zorgt er voor, dat zij niet gansch en al nederslorlen, maar uitkomsten vinden uit den nood. Evenwel is dit niet in korte dagen geschied; wal thans was geleden, was nog maar een beginsel der smarten, en David moest ook in verdere bezoekingen leeren volharden in dezelfde stemming, gelijk hij tot nu toe gedaan had. Maar die gelooven, haasten ook niet, zij gelooven dat Gods wijze en lijd de beste is, zij schrijven Hem geene regelen voor, naar welke Hij zou moeten handelen, maar zij vertrouwen, dal tegenspoed en teleurstelling hun toegezonden worden, opdat zij ook daardoor zichzelven en hunnen God beter zouden leeren kennen. Menigmaal verkeeren zij, naar den mensch gesproken, in den hoog-sten nood, en is hel alsof alles dienen moet om hun hunne hoop te ontnemen, maar hel is slechts, opdat zij geheel en al van het schepsel zouden afzien en hunne vaste burg en toevlucht zouden

ocr page 65

54

vinden in den Heere alleen. Doen zij dat, dan zullen zij ook niet beschaamd worden, want terwijl zij slechts trachten hun zin en wil te voegen naar den Raad Gods, schenkl de Almachtige hun de uitredding uit den jammerlijken toestand, waarin zij zich bevinden. Dan wordt hun ruimte gegeven in plaats van benauwdheid en olie der vreugde in plaats van treurigheid. Dan kunnen zij weder de harp van de wilgen nomen en de liederen Sions aanhetï'en: De IIeere heeft mij geholpen, de Heere is mijne sterkte en psalm, want Hij is mij tot heil geweest!

M.G. ï.! Wij behoeven slechts aandachtig te letten op de woorden door David uitgesproken, toen hij onder het oordeel Gods gebukt ging. om op te merken, hoe geheel anders het kind Gods daaronder gesteld is dan het kind der wereld. Immers terwijl dit laatste in zulk een toestand alles zal opzoeken, goed en kwaad, dat het daaruit kan verlossen, zijne hulp en sterkte zoekt in men-schelijke wijsheid of aardsche middelen, zien wij daarentegen dat David niet onder het leed als zoodanig gebogen gaat, maar alleen in zooverre als het een teeken is van Gods ongenoegen over zijne vorige zonden, en zoo God hem genadig is, integendeel de ster der hope ziet rijzen aan den gezichtseinder, terwijl hij toch evenzeer bereid blijft te dragen, wat God hem oplegt. Maar wij zien ook een onderscheid tusschen het oordeel des Heeren over de goddeloozen en over degenen, die Hij liefheeft, want de goddelooze wordt door het oordeel verbitterd en verhard, en, zoo zijne kracht somwijlen verbroken wordt is dit slechts schijnbaar en herstelt zij zich weldra, maar bij de Godvreezenden werkt het een dieperen blik op de zondigheid des harten, op de ongehoudenheid van Gods gunst, op de deugden en volmaaktheden van een Heilig en Rechtvaardig God, waardoor zij te meer gedrongen worden om Zijnen Wil te doen en naar Zijnen Raad zich te voegen.

Wij behoeven niet te vragen, wat het meest zegenrijk is. Immers al was het soms bange onder het lijden en de verdrukking, de godvreezende heeft nooit berouw gehad over dezen tijd van treurigheid en nood. Veeleer heeft hij er voor hel geestelijke door ge-

ocr page 66

35

wonnen. Waarlijk, het zijn niet de beste dagen des levens, die in voorspoed en welvaart doorgebracht worden; als de krachtenfrisch zijn en de levensmoed hoog is, verheft zich het menscheiijk hart en roemt vaak in zijne onafhankelijkheid, wordt het geloof zoo weinig beproefd er: daarom niet gelouterd van de onreine en vlee-schelijke bijmengselen, en wordt zoo de helderheid van den geestelijken blik verdonkerd. Maar als men nergens uitkomst ziet, ais alles even duister is, als het hart zich nederbuigt in het binnenste, dan ontstaat levendiger dan ooit de behoefte aan den God des Heils, dan ziet het oog op den Christus, die de eenige troost is in leven en sterven beide. Want dan is die troost meer dan een klank, juist omdat de mensch zich dan zoo diep ellendig en nooddruftig gevoelt. Dan krijgt de hemelsche troost zijn volle en rijke beteekenis.

En nu, M. G.! een ieder uwer zal de uren en dagen kennen van benauwdheid en druk, de een meer, de ander minder, de een in dit tijdelijk leven, de ander op geestelijk gebied, maar allen zult gij ze kennen, wanneer gij staat aan den oever der doodsrivier. En wanneer gij dan niet een aardsch Jeruzalem hebt te verlaten gelijk David, maar de aarde en al wat daarop u lief en dierbaar was, zult gij dan ook evenals David in ootmoedig vertrouwen uwe ziel kunnen bevelen in de handen van den Almachtigen God ? Hebt gij een trooster in uwen nood? Hebt gij de zekerheid dat het goed zal zijn voor u, wat de IIeere Godquot; met u doen zal?

Zonder dal zijt gij diep ongelukkig, maar indien gij dat mist, is het tevens een bewijs, dat gij uw leven niet in den dienst des Heeren hebt doorgebracht, waartoe Gods Woord u verplicht, maar in den dienst der wereld. Dan is het een bewijs, dat gij niet gezocht hebt, wat tot uwen vrede dient, maar eigenwijs en eigenwillig uwen weg hebt bewandeld, als hadt gij geen God, Wiens Woord vermanend en waarschuwend tot u kwam. Maar moogt gij in meerdere of mindere mate, bij aanvang of bij toeneming uzelven den IIeere overgeven en uwe zaligheid buiten u in de Genade Gods in Christus Jezus Zijnen Zoon zoeken, dan hebt gij een schat, die u niet kan ontnomen worden, dan hebt gij ook een hope die niet beschaamt, en een grond van vertrouwen, die niet ijdel zal worden bevonden. Amen.

ocr page 67

Het steunen op Gods waarachtigheid en trouw.

Micha 7 ; 7—10. Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils: mijn God zal mij hooren.

Verblijd u niet over mij, o miine vijandin, wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn.

Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere: Hij zal mij uitbrengen aan het licht, ik zal mijnen lust zien aan Zijne gerechtigheid.

En mijne vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken, die tot mij zegt: Waar is de Heere uw God? mijne oogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding als slijk der straten.

M. G. T.! Gelijk zich in de Messiasbelofte de barmhartigheid en trouwe Gods openbaart, zoo leeren wij uit de Messiasverwachting het geloof van het Bondsvolk kennen. De Messiasverwachting heeft tweederlei vorm. Soms wordt opzettelijk uitgesproken, dal het volk den Koning uit Davids geslacht wacht, Wiens heerschappij tot in eeuwigheid zal duren, dan weder wordt de Koning zelf niet genoemd, maar alleen gehandeld over de gevolgen van Zijn optreden, de herstelling van het bondsvolk. Zoo is het in de plaats van de profetiën van Micha, die heden ons onderwerp zal uitmaken. Die hier sprekend wordt ingevoerd is niet de profeet zelf, maar het volk, de gemeente des Ouden Verbonds. Wanneer zij aldus spreekt, heeft zij tegenover zich eene vijandin, het koninkrijk der wereld, die

ocr page 68

57

zich over haar verblijdt, omdat zij gevallen is. Zij verheugt zich, dat het volk der belofte in de grootste ellende verkeert, dal het gevallen is in de hand zijner vijanden, dat zijn roemen in den God zijns heils ijdel is gebleken, en dat dit niet heeft kunnen verhinderen, dat het tot een diepen val is gekomen.

En toch — die vreugde der vijandin mist eiken grond. Israel houdt ondanks den jammerlijken toestand, waarin het verkeert vast, niet aan het geloof in zijne eigene voorlreffelijklieid, zijne inwendige kracht, zijn onvergankelijk leven, maar aan het Woord des IIeeren, dat niet vergaat, maar blijft in der eeuwigheid. Jlet volk der belofte zal niet te gronde gaan, omdat het het volk des IIeeren is. Het kan de gramschap des IIeeren dragen, overmits het tegen Hem gezondigd heeft, gelijk het die thans draagt, en daarom een spot is in de oogen der vijandin, maar, zoo zegt het, wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan, wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de IIeere mij een licht zijn. Iedere val is tijdelijk, niet eeuwigdurend; mijn God zal mij hooren. Hij zal mijn twist twisten en mijn recht uitvoeren.

De grond van die verwachting ligt in de uitverkiezing van het volk des IIeeren door God, ligt in de eeuwige liefde, waarmede Hij het heeft liefgehad, ligt in de belofte die Hij over dit volk heeft uitgesproken, den eed aan Abraham gezworen, de gewisse weldadigheden van David, die zijn deel zijn. De genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk, ziedaar de grond, waarop het volk, ook onder den zwaarsten druk bleef uitzien naar den Heere, bleef wachten op den God zijns Heils. De Heere is zijne gerechtigheid, daarom gelooft hel vastelijk, dat Hij Zijn volk zal uitbrengen aan hel licht, dat het zijne lust zal zien aan zijne gerechtigheid. Daardoor is met het heil van het volk de eere Zijns Gods gemoeid, daardoor is de toekomst van het Israël Gods innig verbonden aan de verheerlijking van den Naam des IIeeren.

Bij hel overdenken van ons tekstwoord hebben wij stil te staan bij Israels val, bij Israels verootmoediging, bij Israels verwachting.

ocr page 69

58

De profeet Micha is de eerste profeet, die duidelijk en onbewimpeld heeft uitgesproken, dat het volk van Juda een gericht zou moeten ondergaan. Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs en gij vorsten van het huis Israels! die van het gericht een gruwel hebt en al wat recht is verkeert; houwende Zion met bloed en Jeruzalem met onrecht. Hare hoofden rechten om geschenken en hare priesters leeren om loon, en hare profeten waarzeggen om geld: nog steunen zij op den IIeehe, zeggende: Is de Heere niet in het midden van ons? ons zal geen kwaad overkomen. Daarom om uwentwil, zal Zion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhoopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds. Micha heeft geprofeteerd tegen stad en tempel; hij heeft er op gewezen, dat de maat der ongerechtigheden binnen korter of langer tijd zoude zijn vervuld, dat het kwaad ten volle over het zondige volk was besloten.

In ons tekstwoord verplaatst hij zich in de tijd, waarin dat oordeel in vervulling is getreden ; hij schetst Israël als gevallen, als zittende in de duisternis in den tijd, waarin de vijandin des volks, het heidensche wereldrijk, het volk des IIeeren zal bespotten en zich verblijden over zijn val. Hij kan dat doen, omdat hij niet maar vermoedt, dat dit zal gebeuren, omdat er bij hem geen twijfel bestaat, of het woord des Heeren, dat hij had moeten verkondigen, wel zoude worden vervuld.

Inderdaad het gericht over het volk, de verwoesting van stad en tempel was voor den oppervlakkigen aanschouwer het bewijs dat God Zijn volk had verlaten, of dat Hij niet in staat was geweest het le bewaren tegen den vijand. Zoo dachten dan ook de leidslieden des volks. Wij hoorden zooeven de hoofden van het huis Israels zeggen: Is de Heere niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. Dit woord gelijkt veel op geloofstaal maar het is dit niet, liet had den schijn van een vertrouwen uit te drukken op den Heere, ondanks de gevaren, die mochten dreigen, een vasthouden aan Gods beloften, zonder twijfelen, en misschien zoude men in onze dagen wel geneigd zijn de mannen te prijzen, die geloofden: God zal Zijn volk bewaren.

Maar de profeet Micha doet dat niet. Is hij dan minder geloovig, niet vertrouwend op den God der Vaderen? Geenszins. Maar hij

ocr page 70

59

verschilt van zijne lijdgenooten hierin, dat hij eene andere redeneering volgt. Zij zeggen: »God heeft Israël uitverkoren. Hij heeft Zijne woning gevestigd in Jeruzalem, Hij zal daar ook blijven wonen tot in eeuwigheid. Met het welzijn van het Israëlietische volk hangt de eer Zijns Gods innig samen. Eene verwoesting van Zion door de heidenen zoude een nederlaag zijn aan Israels God toegebracht, de vernieling van den tempel door een vreemd volk een smaad aan 's Heeren Naam aangedaan, welke Hij immers zal afweren.quot; Maar Micha antwoordt daarop: »Dit is volstrekt niet zoo. God is niet een mensch, en ook niet te vergelijken met een aardsch koning, die langs geen anderen weg zijne eer kan handhaven dan door de bewaring van zijn volk, Uij is een heilig en rechtvaardig God en de handhaving Zijner eer ligt mede daarin, dat Hij in zijn volk het kwaad niet gedoogt, maar aan de kinderen Israels al hunne ongerechtigheden bezoekt. En wel is Jeruzalem en zijn tempel geheiligd, maar die heiliging neemt niet weg, dat Hij beiden der verwoesting kan prijsgeven, nadat het volk dien tempel tot een huis van koophandel, eene spelonk der moordenaren gemaakt heeft. Gij, o Israelieten, acht het eene oneere voor den naam Gods, wanneer een Heiden deze gebouwen in vlammen doet opgaan, maar gij ziet over het hoofd, dat gij begonnen zijt ze te ontheiligen door uwe eigene goddeloosheden.quot;

En gelijk de oversten des volks dachten, zoo dachten ook de Heidenen. Juist omdat zij den God Israels vergeleken met hunne afgoden, die geen nut doen, en meenden dat Hij dezen gelijk was, verblijdden zij zich over den val van Jeruzalem, als was daardoor gebleken, dat de Heere, de God, waarin de Israëlieten roemden, niet machtig was hen uit de hand hunner vijanden te verlossen. Daarom zegt ook de profeet Ezechiël: »Als de kinderen van Juda tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij mijnen heiligen Naam,quot; en daarbij doelt de profeet niet op hunne zonden maar «omdat men van hen zeide: Deze zijn het volk des Heeren, en zijn uit hun land uitgegaan.quot; Dat wil zeggen: De Heidenen spotten met den Heilige Israels, omdat zijn volk in ballingschap moest gaan, en de Israëlieten zelf waren de oorzaak van dien spot, omdat zij dit oordeel door hunne zonden hadden noodzakelijk gemaakt.

ocr page 71

60

Zoo geeft liet volk des Heeren gedurig aanleiding daartoe, dat Zijn Naam gesmaad wordt onder de heidenen. Waren zij getrouw aan den dienst huns Gods, Zijn zegen zou op hen rusten, en die buiten zijn, zouden, hunne goede werken ziende, den Naam des Vaders verheerlijken. Maar zoo menigmaal zij door hunne zonden in het gericht en onder de kastijdende hand des Heeren komen, zoo vaak strekt dit tot oneere van Hem, die Zich een eigen volk geheiligd heeft, opdat het Zijnen lof zoude vertellen en door woord en daad de deugden verkondigen van Hem, die hen geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Intusschen al is het dat het volk des Heeren tot gerechtigheid geroepen is, de ervaring leert ons, dat het de Springader des levenden waters telkens verlaat, dat zijne toestand zoodanig is, dat de kr-.stijdingen des Heeren niet kunnen achterwege blijven. Gelijk Israël moest worden bezocht door de verwoesting van stad en tempel en de ballingschap naar Babel, zoo moet ook de Gemeente des Nieuwen Verbonds telkens de roede Gods gevoelen in de ellende, welke de vrucht is barer zonde.

Toch bestaat er een groot onderscheid tusschen de ellende dezer wereld en de ellende van liet volk Gods, tusschen de ellende der goddeloozen en die, van zoovelen onder Israël, als geestelijke kinderen Abrahams waren. De profeet Micha doet ons dit in ons tekstwoord gevoelen. «Verblijd u niet over mij, o mijne vijandin, zoo spreekt het Israël Gods, «wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan, wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn.quot;

Het is zoo waar, dat God Zijn volk niet verlaat, en het niet overgeeft tot eene volkomene verwoesting, dat, ook in de ure der verdrukking, het geloovige Israël mag en moet uitroepen: Wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan, dat elk juichen dei-vijandin niet alleen geheel ongepast is, maar ook ongegrond, dat schaamte de plaats zal innemen dezer voorbarige blijdschap, en dat

ocr page 72

f.1

vertreding als slijk der straten het gevolg zal zijn van de ijdele zelfverheffing der vijandin van Gods volk. Dat volk kan niet ondergaan, het staat op ook uit den diepsten val. Maar indien dit zoo is, van waar dan dat het tijdelijk al die ellende moet dragen, welke Israël in de ballingschap had te verduren, welke de gemeente van Christus hier op aarde nog in dezen tijd moet doorstaan? Het ge-loovige Tsraël antwoordt hierop: «Ik zal des IIeeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.quot; Het geloovige Israël mort niet over zijnen val, het staat niet op tegen den Heere zijnen God. Het is bereid om de kastijding te verdragen, omdat de tuchtiging eene volkomen rechtvaardige is, en omdat het volk Gods boven alles verlangt, dat God de Heere Zijn recht en eere zal ontvangen, ook met eigene schade of verlies.

«Want ik heb tegen Hem gezondigd.quot; Was dan, zoo vraagt gij, het geloovige Israël in dit opzicht niet onschuldig? Konden de geloovige zonen Abrahams het helpen, dat er zooveel goddeloosheid was onder het volk, hadden zij daarin toegestemd, hadden zij het kwade goedgekeurd, waren zij daarover niet bedroefd geweest? Zeer zeker, maar dit onthief hen niet van de schuld, die zij mede daaraan hadden. Al was het ook dat zij de ergste gruwelen niet medebedreven hadden, zij konden zich niet vrijpleiten van het aandeel, dat zij daaraan hadden, dat het zoover gekomen was. Het had hun ontbroken aan de rechte waakzaamheid, nauwgezetheid, waarachtigen ijver voor den dienst Gods. Al is het waar, dat het kwaad altoos weder te voorschijn komt, des te meer is het de roeping der getrouwen om op de wacht te staan en niet toe te laten, dat het zich ongestraft kan laten gelden.

Het getrouwe Israël had groote zonde van nalatigheid bedreven, het had verzuimd zijn invloed te gebruiken. En dat niet alleen. Het had ook gezondigd door doen. De dagelijksche zonden en overtredingen, die op zijne rekening stonden, hadden niet nagelaten kwade vruchten te dragen. Ware de gemeente des IIeeren een licht geweest in de wereld, had zij een voorbeeld gegeven van gehoorzaamheid aan Gods Woord, ware zij een voorbeeld geweest van geloof, hoop en liefde, dit alles zoude van zelf krachtig hebben medegewerkt om de macht van het kwaad te breken, de ongerechtigheid des volks te breidelen, eerbied en ontzag te wekken

ocr page 73

6'i

voor den Levenden God ook bij hen, die voor zich zeiven den dienst des Heeren niet verkozen.

»Want ik heb legen Hem gezondigd.quot; Zal dit niet het getuigenis moeten zijn van het Israël Gods ten allen tijde? Eene belijdenis, die niet zoo spoedig, niet zoo oprecht van de lippen komt, wanneer het in een diepen slaap verkeert, maar die toch te voorschijn wordt geroepen, wanneer de oordeelen Gods over de gemeente komen. Is er wel eenige ellende, waaromtrent zij niet belijden moet: Ik heb haar ten volle verdiend. Indien de IIeere met mü deed naar mijne zonde, dan zoude ik nog veel meer verdiend hebben, ja het zou rechtvaardig zijn, dat zulk eene ondankbare en ontrouwe, als ik ben, van het aangezicht des Heeren verworpen werd. Het vertrouwen, dat God in mij gesteld had, toen Hij mij tot een rentmeester Zijner goederen aanstelde, heb ik schandelijk geschonden, en nu Hij mij ter rekenschap roept, kan ik niet éen van de duizend vragen beantwoorden, die Hij mij stelt.

«Daarom ik. zal des Heeren gramschap dragen, gewillig dragen. Het is mij goed, dat ik verdrukt word, opdat mijn God Zijn recht en eere moge ontvangen. Het is goed dat Zijne tuchtigende hand mij treft, opdat ik Zijne wegen leere, en de herinnering aan Zijne kastijdingen mij voortaan waakzamer, getrouwer, volijveriger make.quot;

En gelijk Israël getuchtigd werd door de wegvoering des volks naar Babel, waar het beroofd was van al de voorrechten, welke het als volk had bezeten, zoo wordt ook in onzen tijd niet alleen de kerk, maar ook de enkele mensch menigmaal door de hand des Heeren bezocht. In plaats daarvan dat Gods zegen kennelijk, op hun persoon, op hun arbeid rust, verkeeren zij in een toestand, waarin Gods liefelijk aangezicht zich voor hen verbergt, waarbij zij kunnen opmerken, dat de hand des Heeren tegen hen is, en dat de Almachtige tegen hen getuigt. Mochten zij dan zooals het geloovige Israël spreken: »Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb legen Hem gezondigd.quot;

ocr page 74

63

Zoo komen wij dan nu tot de eigenlijke geloofsbelijdenis. Wij spraken zooeven over de geloofsbelijdenis der oversten des volks: »De IJeere is in het midden van ons, geen kwaad zal ons overkomen.quot; Dat was geene rechte geloofsbelijdenis, omdat zij niet gepaard ging met eeno schuldbelijdenis, omdat zij niet rekende met een Heilig en Rechtvaardig God. Maar bij het Israël Gods moet, zal het wel zijn, de schuldbelijdenis vereenigd worden met eene geloofsbelijdenis. De kastijding zal niet tot in eeuwigheid duren, de straf is eens vervuld. Ik zal Zijne gramschap dragen, zegt Israël, tot dat Hij mijnen twist twiste en mijn recht uitvoere. Er komt een tijd waarin God zelf zich over de zijnen ontfermt en hen verlost. De profeet drukt dat uit door de woorden: mijn twist twisten en mijn recht uitvoeren. Hier worden Israël en de vijandin gedacht als twee partijen voor het gericht, de vijandin heeft genomen, wat Israël toekwam. En Israël heeft deze berooving gedragen, omdat zij deze volkomen verdiend had tegenover God, maar uil menschelijk oogpunt beschouwd, was hier toch een schrikkelijk onrecht gepleegd. De vijandige wereldmacht had geen recht op het land den volke ten erfdeel gegeven, op het volk dat het eigendom des Heeren was, en daarom zal dit onrecht worden gestraft en zal Israels recht worden uitgevoerd, zoodra God de twistzaak Zijns volks voor Zijn gericht brengt.

Dan zal Hij mij uitbrengen aan het licht, dan zal het licht de plaats der duisternis innemen, en ik zal mijn lust zien aan zijne gerechtigheid. Ik zal mij verblijden wanneer God Zijne gerechtigheid openbaart, doordat Hij Zijn recht op Zijn volk handhaaft en het aan de macht zijner vijanden ontrukt, doordat Hij al degenen, die zich verzetten tegen de uitvoering Zijner geloften, verplettert. In dien dag zal de vijandin des Heeren hand zien, en schaamte zal haar aangezicht bedekken, zij zal dan gewaar worden, dat zij te vroeg. gejuicht heeft en dat men nooit ongestraft spot met de macht van den Heilige Israëls, dan zal z ij worden vernederd, als Israël wordt verhoogd, zij zal worden tot vertreding als slijk der straten.

Zoo is ook de ellende der gemeente tot op zekere hoogte gevolg van haar eigen schuld, en van Gods zijds beschouwd volkomen

ocr page 75

64

rechtvaardig, maar zij is ia een ander opzicht een onrecht aan die quot;emeente aangedaan. De vijandin der gemeente is de zonde, en nu moge de zonde zich verblijden, dal zij Gods volk onder den voet heeft gebracht, moge zij triumfeerend vragen: Waar is nu de Heere uw God, die u zoude bewaren?, dat neemt niet weg dat de zonde geen recht heeft op het erfdeel des Heeren, en dat de overste dezer wereld, ook wanneer hij hunne zinnen verblind heeft, toch niet kan pleiten op een rechtvaardig verkregen bezit. Zijne heerschappij over des Christens hart is eene overweldiging. Daarom kan de Christen wel niet tegenover God, maar tegenover de macht der zonde spreken van zijn recht, een recht niet gegrond op eenig menscbenwerk, maar op de onverplichte genaderijke belofte des Heere?» : «Gijlieden zult mijn volk zijn tot in eeuwigheid.quot; Daarom heeft hij er aanspraak op, dat de Booze zijne heerschappij over hem zal laten varen, en dat hij wederom des Heere:* zal zijn. Daarom mag hij er vast op rekenen, dat hij zijne ellende slechts zoolang zal dragen, totdat de Heere zijn twistzaak twist en zijn recht uitvoert.

De macht van Booze, Wereld en Zonde is geene duurzame heerschappij. Dit koninkrijk is een koninkrijk dat te gronde gaat, de schepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen. De vijandin wordt met schaamte overdekt. Zij zal haren roof aan den wettigen eigenaar hebben af te staan. Zij zal zien dat de Levende God zich in Christus eene gemeente heeft uitverkoren ten eeuwigen leven en dal niemand een zijner schapen zal rukken uil Zijne hand.

Daarom mag het Israël Gods ook zeggen: Wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan, wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn! zal mij de Heere een licht zijn. De rechtvaardige kan vallen, zeer diep gelijk een David, als een Petrus, maar hij blijft niet liggen, bij mag zelfs niet blijven liggen. Hij is het aan zijn God en Diens Woord verplicht te gelooven aan de peillooze liefde van dien Ontfermer, Die Zijn volk zal verlossen. Te getuigen: Ik zal weder opslaan, dat is geene vermetelheid, waarlijk wie dat zegt, bedoelt daarmede niet: ik zal dat doen door eigen kracht en eigen strijd, te belijden: de Heere zal mij een licht zijn, het is slechts, ondanks alle onwaardigheid, te blijven gelooven aan de vrije genade

ocr page 76

63

Gods, aan de volkomenheid der Goddelijke verlossing, aan de Eeuwigheid van het Verbond.

Het is geene lichtvaardigheid of vermetelheid, want zoo spreken kan alleen de mensch, die tevens getuigt: Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, en die bereid is ten einde toe te verduren, wat God over hem beschikt. Indien die mensch echter meende, dat deze ellende niet zou plaats maken voor het heil des Heeren, jnist dat zoude niet goed zijn, want het zoude bewijzen, dat hij niet geloofde aan de waarheid van het Verbond der Genade.

Daarom zegt ook Israël: Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils, mijn God zal mij hooren. Dit is quot;de Messiaansche verwachting in Israël. Het is ondanks de oordeelen Gods, die over het uitverkoren volk om zijne zonden komen vast te houden aan eene troostrijke toekomst voor datzelfde volk. »Er is een God des heils, een God, die aan Israël de overwinning, de bevrijding schenkt. Nu is het nacht, duisternis heefl de aarde overdekt, er is niets dat den naderenden morgen voorspelt, veeleer kondigt elk nieuw verschijnsel nieuwe jammeren aan. Maar toch, dit is de bedoeling van het oorspronkelijke, ik zal de wachttoren beklimmen, en evenals de wachter in een belegerde stad uitziet naar het leger, dat ter hulpe wordt verwacht, zoo ook uitzien naar de met volstrekte zekerheid te verwachten hulp des Heeren, naar den dageraad van heil en vrede, als wanneer Sion zal worden vertroost en de Heere zich over zijne ellendigen zal ontfermen.quot;

Die wachttoren is het geloof, en het heil, waarnaar wordt uitgezien, is de herstelling van Davids koninkrijk in volheerlijken luister, eene herstelling, daarin onderscheiden van ieder vroeger heil-betoon, dat een volkomen koninkrijk, een volmaakte heerschappij zal gesticht worden, dat er een Heerscher zal zijn in Israël, naar Michaas woord. Wiens uitgangen zijn van onds, van de dagen der eeuwigheid, die groot zal zijn tot aan de einden der aarde, welke Vrede zal zijn.

Zoo wacht ook de Gemeente des Levenden Gods, die van den God baars Heils door de vervulling der profetische beloften erfgenaam geworden is van een beter verbond, in hare telkens ver-

5

ocr page 77

66

nieuwde ellenden en onder het kruis, dal mede een gevolg is van hare zonden, de volkomen uitvoering en in het lichttreding van het werk van Christus, zoo ziet ook zij uit naar den dageraad van den dag, waarin God alle tranen van de oogen zal afwisschen, den dag der opstanding, waarop geen val meer volgen zal.

M. G. T.! Wat zoude er van de Gemeente des Ouden Verbonds geworden zijn, indien zij niet uitgezien had naar den IIeere, niet gewacht had op den God haars heils. Immers zij zoude van droefheid en rouw geheel zijn vergaan. Voor de wereldlingen die zich paaiden met den troost: Onze God is in ons midden: geen kwaad zal ons overkomen, was er een grond van bemoediging, die voor haar niet bestond. Want zij gevoelde dat het gericht des IIeereis naderde en komen moest, vroeg of laat, en dat van Jeruzalem de eene steen niet op den anderen zoude blijven staan, dat de tegenwoordige toestand van Israël zijn einde moest bereiken. Wat dan, indien zij niet tevens geloofd had, dat Israels taak in de geschiedenis nog niet was afgedaan, en niet zou vervuld zijn, aleer de de Christus Gods, de gezalfde koning uit Davids geslacht, zou gekomen zijn, als wanneer Israël met nieuwe glans en heerlijkheid zoude worden versierd. Inderdaad het geloof aan het heil des Hee-ren was de vertroosting van het volk Gods in het algemeen en van ieder in het bijzonder. Zien op het heil des Heeren, het was blijven gelooven in Gods welbehagen, ook ten opzichte van hun eigen persoon.

En al is nu de Christus in het vleesch gekomen, toch is het er verre van verwijderd, dat daarmede ons tekstwoord niet meer van toepassing zoude zijn. Er zijn er nog, die gelijk de oude Israëlieten steunden op het feit van Israels uitverkiezing, zoo ook nu steunen op den Christus, die gekomen is, alsof daardoor ook voor hen de vrede op aarde zoude zijn nedergedaald, zoodat zij zeggen: Geen kwaad zal ons genaken. Die dit denken zullen bedrogen uitkomen. De Christus is gekomen, voorzeker, maar, dit vraag ik u, is hij gekomen ook in uw hart, heeft hij zich woning gemaakt in uw

ocr page 78

67

binnenste? Houdt gij u aan hem vast, als dengene, die het rechtvaardig oordeel, dat over u komen moest, heeft weggenomen, doordat Hij u heeft aangenomen, en daarom ook uw recht za! uitvoeren? Alleen dan toch, wanneer gij kunt spreken van uw recht, dat veilig is in de handen uws ITeilands, kunt gij ook te midden van uwe ellenden uitden naar het heil des Heeren, anders hebt gij niets, dat u troosten kan, te verwachten. Is Christus uw Heere en Koning niet, dan is het geen roof, indien de bezolding der zonde u ontmoet, indien gij als een prooi wordt weggevoerd door den overste dezer wereld, overmits de zonde uwen wettigen heer.

Gemeente des Heeren! De geloofsbelijdenis in ons tekstwoord vervat zij ook de uwe. Maar gij zult haar alleen dan met waarheid in het binnenste kunnen uitspreken, indien gij u zeiven recht kent, als gij niet blind zijt voor de macht der zonde in uw hart. Vraagt men, waarom de gemeente zoo weinig van het heil des Heeren geniet, het is omdat zij helaas zoo weinig behoefte heeft om uit te zien naar de bergen, vanwaar hare hulpe komen zal. En dan kan zij ook niet recht Kerstfeest vieren. Indien gij echter waarlijk gevoelt, wat de mensch is zonder het vaste vertrouwen op het heil des Heeren, hoe ellendig en nooddruftig gij zijt zonder de verzekering van 's Heeren welbehagen, en het vaste geloof in de onwankelbaarheid van God Verbond, dan zult gij ook meer uitzien naar den morgen, als de wachter in den nacht, dan zal de hope des eeuwigen levens eene meer en meer ruime plaats innemen in uw hart, dan zult gij met Micha kunnen uitroepen; Wie is een God gelijk Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel uwer erfenis voorbij gaal? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Hij zal Zich onzer weder ontfermen. Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja Gij zult al hunne zonden in de diepte der zee werpen. Gij zult Jakob de trouw. Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van ouds af gezworen hebt. Amen.

ocr page 79

Dankbaarheid.

[Dankzegging na het H. Avondmaal).

Ps. 103:2. Loof den Heere mijne ziel! en vergeet geene van Zijne weldaden.

M. G. T.! De Psalmist, wiens woord ons onderwerp zal uitmaken, is vervuld met den lof des Heeren, hij ziet ze voor zich, de tal-looze weldaden, die hij had genoten, straks telt hij ze op: die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest, die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden, die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends. Dan gaat hij over tot de beschrijving der deugden Gods, hij prijst Zijne gerechtigheid ten opzichte van Zijn volk. Hij roemt Zijne barmhartigheid en goedertierenheid, die zich openbaart aan degenen die Hem vreezen. Hij getuigt van Zijne trouw ten opzichte van Zijne gunstgenooten, om te besluiten met Zijne Majesteit en Mogendheden. In die deugden Gods is Zijn handelen met de Zijnen gegrond, en het overdenken van de weldaden des Heeren moet er toe leiden, Hem in dit alles te erkennen, maar dan ook tevens om, Hem kennende, Hem te vreezen en te dienen.

Want zoo zegt de Psalmist in den ISO81011 psalm: Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Het einde, waartoe God Zijn barmhartigheid bewijst is de vreeze van Zijn naam, waarin tegelijkertijd het geluk Zijner schepselen begrepen is. Want naarmate wij

ocr page 80

69

den ITeere God meer vreezen, in die mate is hel ook beter met ons gesteld. Naarmate de Almachtige hooger staat in onze oogen, naar die mate zijn ons Zijne genadegaven heerlijker, zekerder en bewonderenswaardiger. Naarmate wij Hem meer loven, naar die mate zijn wij ook meer gezegend.

Het geestelijk leven toch heeft zijn wortel in God zelf, en als wij * onze kracht zoeken in den IIeere, dan bloeit en groeit het, en wel verre daarvandaan dat wij het zeiven zouden kunnen opbouwen door uitwendige pogingen, moet gezegd worden, dat alle gerechtigheden niets zullen baten, maar dat de vruchten des Geestes groeien op den bodem der kennis van Gods deugden en werken.

Vandaar dan ook, dal zoo wij het leven onzer zielen zoeken, wij er allereerst behoefte aan hebben geene Zijner weldaden te vergeten. Indien deze ons voor oogen blijven, dan hebben wij vrijmoedigheid om alles van den getrouwen God te verwachten niet alleen, maar zullen wij ook gedrongen worden om ons leven in Zijnen dienst te besteden en Hem te loven. Welnu in het Heilig Avondmaal, in de vernieuwde verzekering van Gods liefde en trouw, in de verlevendigde voorstelling van de verzoenende kracht van het lijden en sterven van Christus wordt aan de Gemeente des Hoeren zulk eene weldaad geschonken. O, dat wij hem nimmer vergeten mogen, den rijkdom van barmhartigheid, die gevonden wordt in het Verbond der Genade, waarvan de sacramenten de teekenen en zegelen zijn. Dat wij niet vergeten, wat God gedaan heeft voor zondaren, toen hij aan den armen zondaar een rijken Christus schonk.

Laat ons daartoe ons tekstwoord overwegen en stilstaan bij den zegen, bij de vrucht, bij de n o o d z a k e 1 ij k h e i d van het gedenken van Gods weldaden.

Vergeet geene van Zijne weldaden! Zoo spreekt de Psalmist zijne ziel toe, en het betaamt ons hem na te spreken na de bediening des Heiligen Avondmaals. liet Heilig Avondmaal toch is

ocr page 81

70

de verkondiging en de verzekering van de onuitsprekelijke genadegave Gods, die Hij geschonken heeft in Zijn Zoon. Het is eene spijze en drank ten eeuwigen leven, omdat het de verkondiging is van den dood van den Christus, die zijn leven gegeven heeft, opdat de zijnen zouden leven en overvloed hebben. Daardoor is de bediening zelve een weldaad, geschonken aan eene nooddruftige gemeente, aan degenen die hongeren en dorsten naar de gerechlig-heid. Het is de hernieuwde belofte Gods, dat Zijne goedertierenheid niet zal wijken van degenen, die Hem vreezen. En zijn wij in de rechte stemming en gestalte des harten genaderd tot den Heiligen Disch, dan zullen wij zonder twijfel deze weldaad hebben ontvangen en haar erkennen.

Maar zullen wij haar niet vergeten? Dat wij ons dan allereerst voorstellen den zegen, die gelegen is in het lierdenken dezer weldaad. Indien wij de weldaden gedenken, die wij van menschen ontvangen, indien wij erkennen, wat zij voor ons gedaan hebben, als wij hen liefhebben om hunne goedheid, dan is het gevolg daarvan dat wij een opgeruimd hart hebben, dat wij tevreden zijn en niet licht geneigd tot morren en wrokken. Dan hebben wij moed om ook verder hunne hulp tn te roepen.

Dit is nu nog veel meer het geval ten opzichte van God. Die de weldaden hem door God bewezen vergeet, hij zondigt niet alleen, hij is niet alleen schandelijk ondankbaar, hij verbeurt niet slechts elk verder gunstbewijs, maar hij zal zich ongelukkig gevoelen. Immers wij menschen hebben allen onze nooden en behoeften der ziel, die alleen vervuld kunnen worden door den Ontfermenden God, die alleen verzadigd kunnen worden door het geloofsvertrouwen in den Onveranderlijken God, en tot dit geloofsvertrouwen worden wij alleen bekwaamd door het geloof in Jezus Christus Zijnen Zoon. Indien wij dan de weldaden Gods vergeten, wij zullen ook geen hope hebben om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Zulk een vergeten vloeit voort uit het denken aan onze zelfstandigheid, want als wij arm zijn in ons zeiven, dan gedenken wij als van zelf aan de weldaden des Heeren, als wij nood en behoefte gevoelen, keeren langzamerhand onze gedachten derwaarts terug. Het vergeten dezer weldaden is dus een bewijs, dat wij ons niet gevoelen, zooals wij zijn, maar dat wij meenen onzen

ocr page 82

71

weg te kunnen gaan zonder deze weldadigheid. Maar hoe worden wij dan beschaamd! Want de Christen moge een tijdlang zijn gang kunnen gaan, moge voor een poos zijn kruis niet gevoelen, of wanen het in eigen kracht te kunnen dragen, weldra komt, de tijd, waarin de nooden en behoeften zoo drukken en persen, dat de mensch geneigd is tot bittere klacht. Hij is zijn vertrouwen op den God des Verbonds en op den Middelaar kwijt. Als de tijd nadert, waarin het hem bang wordt, dat hij geen vrede heeft in of voor zichzelf, heeft hij voor het tegenwoordige geen gevoel voor den rijkdom van dien God, die hem met Christus alle dingen kan schenken. Dan is zijne ziel in duisternis en zonder licht.

In dien toestand moet hij blijven, totdat God zelf Zich over hem ontfermt en in zijn hart de gedachtenis terugroept aan de vorige weldadigheden, hem verplaatst in die uren, waarin hem des- Hee-regt;' gunst omscheen. Mag hij daarop de oogen gericht houden, dan komt het oude vertrouwen weder boven, al is het dat hij inmiddels met diepe schaamte zijn gebrek aan erkentelijkheid en dankbaarheid belijdt. Nu ziet hij in, hoe dwaas hij gehandeld heeft toen hij 's Heeren weldaden vergat, den waarborg, dien God hem schonk, het onderpand hem verleend; dat wat hem kon doen hopen in de ure van kommer en zorg heeft hij moedwillig veronachtzaamd, heeft hij verworpen.

Neen, vergeet geene van Zijne weldaden! God verleende ze den mensch, omdat Tlij wist wat wij noodig hebben, omdat Hij weet, dat de Zijnen behoefte hebben aan de kennis en de ervaring Zijner goedertierenheid om daarmede werkzaam te zijn en aldus in de ure van den nood gewapend te zijn tegen angst en vreeze, twijfel en bestrijding. God zoekt het welzijn der Zijnen, daartoe schenkt Hij ook het Heilig Avondmaal. Met het gedenken daaraan, alsmede aan zoovele andere weldaden Gods hangt de rust en vrede der ziel nauw samen. Hoe vaster wij staan in het geloof aan het Verbond der Genade, des te meer vrijmoedigheid zullen wij hebben om te pleiten op de beloften Gods, hoe meer wij de oogen gericht hebben op het sclmldverzoenende sterven van Jezus Christus, hoe meer wij verzekerd zijn dal in het Heilig Avondmaal ook op ons de kracht daarvan wordt toegepast en verzekerd, des te rijker zullen wij ons gevoelen in Hem die ons heeft liefgehad, des te meer

ocr page 83

72

zullen wij ons meer dan overwinnaars gevoelen in Hem, des te meer zullen wij ook verzekerd zijn, dat niets ons kan scheiden van de liefde van Christus.

Vergeet geene van Zijne weldaden! — Stonden wij zoo even stil bij den zegen, die gelegen is in liet gedenken der goedertierenheden des Heeren, wij hebben u thans op de vrucht daarvan te wijzen, namelijk op de dankbaarheid en de werken der dankbaarheid.

Liefde brengt liefde voort. En de liefde Gods voor zondaren is de grond der liefde tot God in des menschen hart. Er is geene andere oorzaak. Welnu de weldaden Gods zijn de bewijzen Zijner liefde en zoo is het gedenken daarvan het middel om liefde tot Hem te wekken. En deze wekt weder de dankbaarheid, want waar geen liefde is, kan deze niet beslaan. Daar vindt men een gevoel van verplichting, besef van verdienste, maar geene bewustheid van het geheel verbeurde van Gods gunst, van onze algeheele onwaardigheid.

Hoe meer daarom de weldaden Gods in gedachtenis worden gehouden, des te meer zal ook de dankbaarheid eene plaats vinden in des menschen hart. Het betoon daarvan geschiedt op verschillende wijze en in de eerste plaats door aanhankelijkheid en gehechtheid. Zoo is het bij den omgang der menschen ook. Indien wij de liefde van onzen naaste ervaren, komen wij hem als van zelve nader, wij worden als met koorden tot hem getrokken, wij zoeken zijne gemeenschap, wij verblijden ons in zijn omgang. Daar is het ons goed.

Welnu zal dat niet nog veel meer het geval moeten zijn ten opzichte van den Ontfermenden God en van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft? Behooren wij ons niet te hechten aan Hem, die ons op zoo uitnemende wijze heeft liefgehad? Moet ons hart niet verkleefd zijn aan den Christus, moeten wij Hem niet aanhangen met ons gansche hart? Indien wij den mensch, die zondigt, aanhangen, moeten wij dit niet veel meer doen den Algoede, en den Heiligen en Barmhartigen Hoogepriester des Nieuwen Verbonds?

ocr page 84

73

Maar bij dit aanhangen komt nu ook het bewijzen, het betuigen van liefde. Het hart gevoelt behoefte om te openbaren, wat daarbinnen omgaat, het wil verklaren de toegenegenheid die het gevoelt, liet wil dit doen voor God zelf, het verlangt zulks ook te doen tegenover de menschen. Dit is het belijden van den Naam Gods, het bekennen van den Christus, het uitkomen voor Zijnen Naam, ook dan wanneer dit leiden zal tol het dragen van de smaadheid van Christus. Die de weldaden des Heeren gedenkt, gevoelt zich gedrongen daarvan te spreken, hij kan niet zwijgen, hij moet getuigen van hetgeen hem geschonken wordt. Dit na te laten zoude ondankbaarheid zijn. Het zoude zijn een ontkennen van Gods barmhartigheden, want de wereld zou, indien zij den Christen zwijgen zag, moeten meenen, dat de genade Gods van weinig beteekenis was. Zoo zou hij zelf aanleiding geven, dat den Naam des Heeren smaadheid werd aangedaan.

Eindelijk bestaat de dankbaarheid in trouw. Betuigingen zijn voor velen eene zeer lichte zaak, en belijdenis van den Christus is, hoe moeielijk zij voor sommigen zijn moge, naar het schijnt voor anderen, iets dat hun weinig moeite kost, zoolang namelijk het leven en het bezit daarmede niet gemoeid zijn. Helaas zoo menigmaal heeft men reeds kunnen zien, hoe weinig kracht er in woorden stak. Daarom is eigenlijk noch de aanhankelijkheid, noch de belijdenis de toetssteen der ware dankbaarheid, maar alleen de trouw en dat is, met betrekking tot God, de gehoorzaamheid. Indien er waarlijk liefde tot God is, is er ook begeerte om te doen wat Hij wil, om zich te gedragen als Zijne dienstknechten en dienstmaagden. Er is dan een vragen, naar hetgeen Hij van ons eischt. Het is er ons dan om te doen, dat God verheerlijkt worde, hetzij door ons leven, hetzij door onzen dood. Deze trouw gaat niet op in algemeenheden, maar doet ons geheel ons leven stellen onder het oordeel van Gods Woord, doet ons in vreeze wandelen den tijd onzer inwoning, daar wij weten, dal de weg des levens nauw is en groot de strijd, dien wij hebben te voeren, ofschoon wij tot onze vertroosting weten dat in het houden van Gods geboden groot loon is. Vandaar een geest des gebeds: Wat wilt Gij dat ik doen zal ?

Treffen wij nu dit alles aan, bij degenen, die geestelijke weldaden van God hebben ontvangen? Hel ware te wenschen, maar

ocr page 85

74

het is helaas niet zoo. Hier zien wij menschen, die hunne naasten liefhebben en jegens hen dankbaar zijn, tegenover den IIeere God van den rechten weg afdolen, zien wij hen flauw en koel, zonder krachtige liefde en trouw. Wij kennen daarvan de oorzaak. In den mensch woont de zonde, wier bedenken vijandschap is tegen God. Maar, vraag ik u, is het niet bedroevend, dat men zoo spoedig de weldaden Gods vergeet en Zijner gaven niet meer gedenkt? Is het niet ontzettend, dat de macht des vleesches zoo groot is, dat zij den Christen tot een snooden ondankbare maakt?Menigmaal is dit des menschen ervaring geweest; Telkens na verlevendiging der liefde is weder afkoeling gevolgd. Zal het ook nu zoo zijn?

Vergeet geene van Zijne weldaden, het is God die ze u bewees. Gij, die de zonde haat, leert ook deze zonde haten. Waakt en bidt, opdat de gedachtenis aan Gods ontferming over ü, rampzaligen, ellendigen zondaar, in uw hart mag blijven, dat de verzekering aangaande Gods beloften, niet alleen voor een oogenblik, maar gedurig u aandrijve tot aanhankelijkheid, liefde en trouw tegenover dien God, die u uit de banden des doods heeft bevrijd, Wien daarom gansch uw leven, uw denken, uw spreken, uw doen behoort.

Vergeet geene van Zijne weldaden! Wij hebben gezien, hoe in het ter harte nemen van dit woord 's menschen geluk ligt en hoe het drijft tot dankbaarheid, wij hebben het thans nog van eene andere zijde te beschouwen. Zoo straks deden wij uitkomen, dat de weldaad een betoon van liefde is en hoe de liefde de dankbaarheid moet opwekken. Wij moeten thans voorop stellen, dat het de liefde is van God zelf, zoodat het dan ook nu onze taak is. er u op te wijzen, dat de weldaad, die geschonken is, moet worden in gedachtenis gehouden. In den aanvang zagen wij, dat de geestelijke zegeningen geschonken werden tot 's menschen gelukzaligheid, wij voegen er nu aan toe dat zij evenzeer gegeven worden tot 'sHeeren heerlijkheid, tot tentoonspreiding Zijner volmaaktheden.

Alles wat van God uitgaat, verkondigt Zijnen lof, de hemelen vertellen Zijne eer en het uitspansel Zijner handen werk. Maar meer

ocr page 86

73

clan door tie natuurlijke schepping wordt Zijne grootheid geopenbaard in het geestelijk Koninkrijk. Zijne rechtvaardigbeid wordt verheerlijkt in hot oordeel over de zonde. Zijne barmhartigheid in het beloon van Zijn welbehagen, in het verleenen Zijner gunst. Nu behoeft het niet gezegd te worden, dat zelfs dan, wanneer er geen mensch was die Hem erkende, God nochtans groot zoude blijven, want Hij ontleent Zijne Majesteit niet aan de aanbidding Zijner schepselen. Maar — en dit moeten wij tevens bedenken — God heeft oorspronkelijk den mensch geschapen, om Hem op eene gansch andere wijze, dan de overige schepselen te loven, niet onbewust, maar met bewustheid, niet ongevoelig, maar met gevoel. En nu wordt Gods doeleinde met de schepping niet bereikt, tenzij de mensch dan ook Hem erkenne en Zijne volmaaktheden aanschouwe. Vandaar dat de mensch, die vleeschelijk is, eigenlijk geen mensch is in den waren zin des woords, al draagt hij er de uitwendige kenmerken van en al is door Gods genade herstel mogelijk. Het eenige doel, waartoe de Heere Zijne barmhartigheid bewijst, is, opdat de mensch weder mensch worde, en dan alleen is hij waarlijk mensch, beelddrager Gods, wanneer hij God in Zijne deugden en werken erkent.

Daarom is het niet alleen heilzaam, niet alleen betamelijk, dat de mensch de weldaden Gods niet vergete, maar dit gedenken zelf maakt het wezen van den nieuwen mensch uit, en, wanneer dit niet geschiedt, kan de mensch wel in den staat der genade ver-keeren, maar de stand der genade ontbreekt ten eenenmale. Gij kent het onderscheid tusschen staat en stand. Onder staat verstaan wij den grondslag van des menschen hart, onder stand het gebouw, dat daarop wordt opgetrokken. Wat den staat aangaat, hieromtrent wordt tol ieder Christen gezegd: »Gij zijl volmaakt in Christus,quot; maar wat den stand betreft: «Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen God zien.quot; Nu is de staal der genade de eenige weg om lot den stand der genade le komen. Maar om dezen stand is het in de tweede plaats te doen. God is niet alleen rechtvaardig, Hij is ook heilig. Daarom zegt de Christus ook; Weest volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.

Dal is geene opwekking, geene raadgeving, hel is niets minder dan de eisch Gods eri het doel der rechtvaardiging. Maar zoo is

ocr page 87

76

liet ook hel doel van de weldaden des Heeren, dat de mensch den God, die ze hem bewees, zal verheerlijken. En die man of vrouw beantwoorden niet aan hunne roeping, die vergeten wat zij van Hem hebben ontvangen.

Vandaar dat de kastijding zich bij dergelijke vergeetachtigheid niet laat wachten. Indien de Christen Zijn ontfermer niet in gedachtenis houdt, verbergt zich het aangezicht des Heeren voor hem, komt er eene scheiding tusschen hem en Zijnen God, wordt de gemeenschap niet meer gezocht, is het voor zijn leven, alsof er geen Levende God en geen Levende Christus bestonden. Zij het dan, dat er ook nu nog een groot verschil bestaat tusschen zijn leven en dat van den wereldling, zijn leven is niet rijker maar armer, want hij geniet noch de vertroosting der wereld, noch de vertroosting Gods. Al laat de Heere niet varen de werken Zijner handen, al wendt Hij zich altoos weder tot het wederhoorig kroost, toch blijft het de roeping des Christens geene Zijner weldaden te vergeten, en moet elk verzuim en elke vergeetachtigheid hem tot zware schuld worden. Gods barmhartigheid mag nooit eene reden zijn, om daarop voort te zondigen, zij moet des te meer leiden tot dagelijksche bekeering, lot eene telkens vernieuwde aanneming van den Christus tot rechtvaardiging.

Vergeet geene van Zijne weldaden! Bedroeft dien Geest niet, waardoor gij wedergeboren zijl tot eene levende hoop! Bedroeft dien God niet. Die u in deze weldaden de middelen schenkt om Zijnen rijkdom beter te kennen! Doet den Christus geene vernieuwde smarte aan, die eens naar lichaam en ziel de schrikkc-lijkste smarten voor u heefl geleden aan Golgotha's kruis.

M. G. T.! Wij hebben het woord van onzen tekst toegepast naar de bedoeling van den Psalmist op de geestelijke weldaden Gods, welke Hij in zoo milden overvloed aan Zijne Gemeente schenkt, maar wij wenschen er thans nog op te wijzen, dal dit woord ook van toepassing is op ieder mensch, daar elk de weldaden Gods ont-

ocr page 88

77

vangt, als bewijzen van Gods lankmoedigheid en goedertierenheid. De Heere is ten opzichte van een afgevallen menschdom tot niets verplicht, dan tot toepassing van Zijn rechtvaardig oordeel. En ziet, terwijl Hij dit oordeel opschort, schenkt Hij regen en vruchtbare tijden, verleent Hij voedsel en kleeding en al wat wij behoeven, in meerdere of in mindere mate. Menigeen kan spreken van den schat der gezondheid, menigeen over uitredding uit krankheden. Wie is er, die, zoo hij zijn leven nagaat, niet heeft te vermelden de tijdelijke weldaden Gods? Welnu zij het dan de vraag, wat was de vrucht dier weldaden bij ü? Hebben zij u geleid tot bekeering ? Hebben zij u gebracht tot overgave des harten aan Hem, die u dit alles schonk? Zijt gij gekomen tot erkentenis uwer onwaardigheid, tot berouw over het kwaad, dal gij hebt bedreven ? Zoo neen, deze ontelbare weldaden zullen eens tegen u getuigen, als gij het hooren zult: Dien God, in Wiens hand uw adem is en bij Wien al uwe paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.

Maar God de Heere laat het bij deze weldaden niet. Hij geeft u niet alleen het tijdelijke. Hij heeft u doen geboren worden onder het geklank van Zijn Woord. Hij liet u door den Doop opnemen in Zijne kerk en u het Verbond der genade verzegelen. Gij wordt geroepen om het eene noodige te zoeken, onderwezen in den weg der zaligheid. Allerlei roepstemmen en vermaningen komen tot u. Wellicht werdt gij opgevoed door een godzaligen vader of moeder in de vreeze des Heeren, zoodal de levende getuigenis van Gods weldadigheid u vergezelde, sinds gij het licht des levens hebt aanschouwd. Welken indruk heeft dat alles gemaakt op uw hart? Sloegt gij de verzenen tegen de prikkels of liet gij u leiden, en zoo gij u leiden liet, zijt gij gekomen tot eene besliste keuze, of is het bij u een hinken op twee gedachten, als waren de dienst van God en de dienst der wereld zaken van gelijke beteekenis en waarde? Vergeet geene van Zijne weldaden! God de Heere is óf ons alles óf Hij is ons niets, Hij is óf de altijd overvloeiende Fontein van alle goed, óf Hij is een God van verre en niet van nabij. Gij kunt niet twee heeren dienen, dit is onmogelijk. Welken zult gij dienen? Hem, Die u met onverplichte goedertierenheden overlaadde, of hem die u niets schonk, dan bevrediging uwer lusten, uwer begeerlijkheden, uwer boezemzonden? Hem, Die u zoekt te

ocr page 89

78

behouden, of hem, die u zoekt te verderven? Kan ernog een keuze zijn? Mag er nog een keuze zijn ?

Zoo neen, waarom blijft gij dan, zooals gij zijt? Al spreekt gij het niet uit, het antwoord is dit: «Mijne ziel is verkleefd aan het stof, ik kan mij niet losmaken uit de banden, waardoor ik omvangen ben.quot; Maar meent gij dan, dat er zegen zal rusten op het vergeten van Gods weldaden, op het niet tellen Zijner geboden? Y/eet gij dan niet, dat wat niet tot voordeel is, ten oordeel zal zijn, wat niet ten leven leidt, ten doode voert? Gij hebt den dood niet lief, gij wilt niet sterven, maar schrikkelijker dan de dood des lichaams is de dood der ziel. üw ziel is uw beter deel. Die ziel te winnen is meer waard dan alle tijdelijke winst, want niets van dit alles zal de mensch medenemen naar het graf, maar die zijne ziel heeft tot eene buit, die is wijs. Daartoe wil de IIeere u door Zijne weldaden opwekken. Laten die weldaden u doen opzien tot den Gever, en wat gij daaruit van Hem kent, zal u tot berouw en bekeering leiden, zal in u de behoefte wekken om eene andere, eene waarachtige kennis van Hem te ontvangen, zal u uitdrijven tot den Christus als den eenigen naam onder den hemel gegeven, waardoor zondaren kunnen behouden worden. Amen.

ocr page 90
ocr page 91
ocr page 92