ocr page 1

fa, /SB^

vr

i/ ï

■A f (tf-tAy* '

6

/

/£-

'LsCsl

'.«a»..

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

Een gunstig teeken.

DOOR

B. V. HOUTHUIJSEN.

Eenige ingezetenen van Semarang machtigden verleden jaar hun stadgenoot, den heer Jolink, bij een volmacht die op een zegel van ƒ1.50 geschreven was, om tot het maximum, naast elks handteekening vermeld, voor elk hunner afzonderlijh goederen, door den gemachtigde aan te wijzen, op vendutie te koopen.

Het vendukantoor echter weigerde die volmacht goed te keuren, en noodzaakte den heer J. van elk zijner lasthebbers over te leggen eene afzonderlijke volmacht elk op een zegel van fl.bO.

De heer J. voldeed aan dien eisch, maar wendde zich tot den Gouverneur-Generaal Van Rees om restitutie van het te veel betaalde.

Het antwoord was een afwijzende beschikking.

Daarop dagvaardde de heer J. de Regeering, om deze te doen veroordeelen tot terugbetaling van hetgeen hij voor de afzonder-lijke volmachten meer aan zegelrechten moest voldoen dan het geval zou zijn geweest, indien de collectieve volmacht door het vendukantoor aangenomen ware.

Bij vonnis van den Raad van Justitie te Batavia van 5 Augustus 1887, opgenomen in nquot;. 1284 van het Indisch Weekblad van het Recht, werd die eisch ontzegd.

Het proces-Jolink werd gevoerd voor rekening der Handels-vereeniging te Semarang, die gaarne ook het Hooggerechtshof in de gelegenheid had gesteld van zijne zienswijze te doen blijken, maar afgeschrikt werd door de kans dat het cassatieproces, indien het verloren werd, haar op veertien honderd gulden Le staan kon komen. En dat om eene beslissing in het hoogste

ocr page 5

39

ressort uit te lokken in eene quaestie over 4 zegelrechten ad /■1.50, samen /'6!

Inmiddels kwam het groote gewicht van het vonnis, in zake Jolink geslagen, helder aan den dag door deze circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur:

Batavia, den llden Juli 1888.

Aan den Resident van....

Bij mijn circulaire van 14 Augustus 1883 n0. 5684 (Bijblad n0. 3950) werd aan UHEd.Gf. o. m. medegedeeld, dat bij verhuur van grond door inlanders aan niet-inlanders, meerdere overeenkomsten bij elkander in één akte kunnen worden gevoegd, mits de huur niet langer dan een oogstjaar loopt.

De vraag is intusschen gerezen, of een zoodanige samenvoeging wel geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de thans vigeerende Zegelordonnantie {Staatsblad 1885 n0. 131 en 1886 n0. 25) en moet op de navolgende gronden bevestigend beantwoord worden.

De Zegelordonnantie in Staatsblad 1885 n0. 131 behelst geen verbod om verschillende akten op één gezegeld papier te schrijven.

In het systeem, waarnaar die verordening ontworpen is, kan men, zooals in de toelichtingen van het ontwerp ad n0. 1 — 3 van de lijst van vrijstellingen is gezegd, een tweede akte beginnen op papier, waarop reeds een andere akte geschreven is, evenzoo als men die kan beginnen op een stuk ongezegeld papier. Het komt er slechts op aan, dat van de akte de belasting betaald is (vide n0. 2406 van het Bijblad op het Staatsblad van Nederlandsch-Indië).

Het is dus slechts de vraag, hoe groot, bij een combinatie van huurovereenkomsten als hier bedoeld, de verschuldigde zegelbelasting is.

Eene dergelijke quaestie nu heeft zich reeds voorgedaan ten aanzien van volmachten, door verschillende personen tot het waarnemen hunner eigene, niet met elkander in verband staande belangen aan één persoon gegeven, bij welke gelegenheid dooiden Raad van Justitie te Batavia bij vonnis van 5 Augustus 1887, opgenomen in n0. 1284 van het Indisch Weekblad van het Becht, is beslist, dat in zoodanig geval evenveel malen het zegelrecht van /150 verschuldigd is, als er verschillende machtigingen zijn.

Ik heb gemeend een en ander te uwer kennis te moeten

ocr page 6

40

brengen, met verzoek daarop te willen letten bij de registratie van de bovenbedoelde overeenkomsten.

De Directeur van Binnenlandsch Bestuur: Van Yleuten.

Derhalve werd op het vonnis, in zake Jolink gewezen, nu de heffing gebaseerd aan een zegelrecht ad /quot;1.50, of samen met het duplicaat-contract ad ƒ 3 voor eiken inlander, die zijnen grond verhuurt van een niet-inlander, met dit gevolg: dat het zegelrecht vaak meer beloopt dan de huurprijs dien een inlander ontvangt!

Dat dit geen overdrijving is, kan blijken uit de volgende aan De Locomotief n0. 202 ontleende feiten:

„Aan een ons bekende suikerfabriek — en in dien toestand verkeeren, bij het verbrokkeld bezit des inlanders, nagenoeg alle — verhuren de grondbezitters eener désa hun sawah's, ten einde voor 1889 met riet te worden beplanL Die sawah's worden verhuurd door 227 gogols, of op den grond rechthebbenden. Volgens bovenstaande circulaire moeten er dus, alleen voor die désa, 227 overeenkomsten zijn in duplo. Aan registratie (lees: zegelbelasting) zou daarvoor moeten betaald worden 227 X f 3 = f 681, terwijl de grondhuur slechts /600 bedraagt!

Dit is een voorbeeld uit vele. Hetzelfde geldt voor de karre-voerders en koeli's. Hun aantal op 600 stellende, wat zeker niet te hoog is, dan zou daarvoor ƒ 1800 aan zegels moeten worden geofferd.quot;

Met verwijzing naar de circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur wendde de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Semarang zich tot den nieuwen Gouverneur-Generaal met het voorstel om, overeenkomstig art. 170 R. O., in het belang der Wet een eisch tot cassatie te doen instellen van het vonnis van den Raad van Justitie te Batavia van 5 Augustus 1887, en legde eene door mij gemaakte nota over die eenige middelen voor een dergelijke cassatie bevatte.

De nieuwe Gouverneur-Generaal heeft aan dat voorstel een gunstig oor geleend: reeds is de Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof uitgenoodigd, in het belang der Wet dat Hof in de gelegenheid te stellen, „van zijne zienswijze te doen blijken!quot;

De nieuwe Gouverneur-Generaal dus is niet gediend met belastingheffingen waarvan de wettigheid wel is waar door den Raad van Justitie te Batavia is erkend, maar door den Hooge-ren Rechter betwist kan worden. Een cassatie-proces neemt te dien aanzien allen twijfel weg.

Welk een verschil met een vorige Regeering, die met onwet-

ocr page 7

41

tige heffingen zeer gediend was; ja, die, zooveel mogelijk, in de hand werkte!

Een zware beschuldiging; maar ten volle verdiend, zooals met bewijzen kan worden gestaafd.

Uit eigen ervaring zijn mij de volgende feiten bekend.

1. Op 6 Mei 1871 werd te Tangerang vendutie gehouden van gemeen onroerend goed. Twee der mede-eigenaren werden koo-pers, — betaalden, onder protest, het overschrijvingsrecht en — dagvaardden de Regeering, tot restitutie, voor den Raad van Justitie te Batavia, die de gedaagde tot betaling eener som van /19 807.50, wegens onverschuldigd geheven overschrijvingsrecht veroordeelde bij vonnis van 24 Februari 1874').

In deze zaak ageerde Mr. Gerritsen, die mij schreef, dat de Regeering, afziende van appèl, hetaald heeft. Door de betaling erkende dus de Regeering uitdrukkelijk de wettigheid der vordering tot restitutie, zoowel als het onwettige der heffing van overschrijvingsrecht.

2. Op publieke vendutie van 6 April 1875 werden te Sema-rang verkocht de, aan verschillende eigenaren, toebehoorende, particuliere landen Simongan c. a. en Krapiak. Elk er van werd toegewezen aan erfgenamen van een mede-eigenaar. Niettegenstaande de Regeering aan evengemeld vonnis van 24 Februari 1874 had voldaan, doch dit geheim gehouden, werd de overschrijving afhankelijk gesteld van de betaling van overschrijvingsrecht, dat echter op, door mij gestelde, requesten werd gerestitueerd.

3. P. en C. kochten, elk voor de helft, de zoogenaamd vrije suikerfabriek „Bendokerebquot; met hare erven, gebouwen, machinerieën, enz., die na betaling van overschrijvingsrecht, op beider naam overgeschreven, op 28 April 1879 in haar geheel, werd toebedeeld aan P. Ook hiervan werd overschrijvingsrecht geheven, doch evenals sub 2, gerestitueerd.

4. Bij een scheidingsakte dd. 7 Januari 1882 der, in de residentie Banjoemas gelegen, suikerfabriek Kalibagor, met Gouver-ments-contract, werd D. door zijne mede-eigenaren uitgekocht. Toen men overschrijvingsrecht vorderde, werd afschrift aangeboden van het Gouvernements-besluit omtrent de restitutie sub 3 bedoeld, waarop aan de Regeering, door den betrokken Resident, de vraag werd gedaan: of de Gouvernements-beslissing omtrent Bendo-kereb ook gold voor Kalibagor. Hierop volgde een toestemmend antwoord, dat de zaak in order bracht.

1) Zie I. W. no. 569, 82 b.

ocr page 8

42

Geene enkele dezer 5 G-ouvernements-beslissingen is te vinden in het Bijblad.

Ware de eerste, in den aanvang van 1874 genomen, in het Bijblad geplaatst, de overige onwettige heffingen — met, wie weet, nog hoeveel andere! — waren voorkomen.

Het zou toch al heel toevallig zijn geweest, dat al de onwettige heffingen vanoverschrijvingsrecht mij ter oore waren gekomen.

Na de ondervinding sub 1 opgedaan had de restitutie ongetwijfeld plaats uit overtuiging dat, bij weigering, een proces gevoerd en de Regeering tot teruggave genoodzaakt zou zijn geworden, met veroordeeling in de kosten.

Leggen proceskosten in groote zaken een flink gewicht in de schaal om af te schrikken van onwettige heffingen; zij werken deze daarentegen krachtig in de hand bij bedragen van / 200 en daarbeneden.

Restitutie toch, daarvan moet gevorderd worden voor den Raad van Justitie te Batavia, terwijl het ministerie van een praktizijn in dergelijke kleine zaken niet verplichtend is.

Woont nu de eischer te Batavia, hij kan zelf zijne zaak bepleiten en behoeft, wordt hij in het ongelijk gesteld, den Landsadvocaat niet te betalen.

De kosten behoeven hem dus niet af te schrikken om recht te zoeken en te vinden.

Toch komen zelf gevoerde processen in belastingzaken zelden voor, omdat te Batavia bij quaestie de betrokken departementschef vaak de zaak schikt en een proces voorkomt, vooral wanneer hij voorziet, dat 's Rechters beslissing den fiscus in het ongelijk zou stellen. Buiten Batavia houdt menige onwettige heffing stand, waaraan een rechterlijk vonnis een einde zou gemaakt hebben.

Voor belastingschuldigen heeft dus een verblijf te Batavia veel voor.

Maar — hoe weinigen wonen te Batavia en hoe kostbaar is een reis derwaarts!

Men moet zich dus laten vertegenwoordigen; doch dit mag alleen geschieden door een, bij authentieke akte daartoe gemachtigden, praktizijn, wiens salaris door den eischer moet betaald worden, al wint hij oolc zijn proces!

Dit is niet het geval bij een vordering boven f 200; doch de keerzijde hierbij is, dat men, bij verlies, niet alleen zijn eigen, maar ook den Landsadvocaat moet betalen en de Raad in het hoogste ressort beslist omtrent vorderingen van / 500 en daar beneden.

ocr page 9

43

Onder deze omstandigheden is liet geen wonder, dat men van twee kwaden het kleinste kiest en zich liever een onwettige heffing getroost, dan een grooter bedrag aan kosten betaalt!

'tls echter beneden de waardigheid der Regeering van die omstandigheden partij te trekken bij het doen van onwettige heffingen.

Is het niet, of den belastingschuldigen sarrend wordt toege-geroepen: „Procedeer maar, dat kost je nog veel meer?!quot;

Zou het daarom niet ernstige overweging verdienen, dat in belastingzaken — desnoods alleen in die van / 200 en daarbeneden — elke eisch tot restitutie kan worden ingesteld voor den Raad van Justitie, onder wien de eischer ressorteert?

Dan is het bepleiten van eigen belastingzaak niet langer een voorrecht, voorbehouden aan bewoners van Batavia, en voor de overige ingezetenen van Ned.-Indië een wassen neus.

Dan kan elk belastingschuldige recht zoeken bij zijn eigen rechter, zonder daarvan te worden weerhouden door de kosten aan een te Batavia gevoerd proces verbonden.

Dan kan elke Raad van Justitie als bolwerk strekken tegen het botvieren van ultra-fiscale neigingen door administratieve ambtenaren met goedkeuring der Regeering. quot;Want, ontbreekt die goedkeuring, dan verflauwen ook die ultra-fiscale neigingen en zijn geen processen noodig: dewijl restitutie mag worden verwacht op behoorlijk gemotiveerde requesten.

Dan wordt ook het doel bereikt door den wetgever beoogd met het niet verplichtend stellen van het ministerie eens prak-tizijns ook in kleine belastingzaken.

Moge weldra in deze groote leemte worden voorzien!

De gouverneur-generaal, wiens naam onder een dergelijke voorziening prijkt, zal in gezegend aandenken blijven bij de belastingschuldigen van Ned.-Indië.

Doch keeren we, na deze uitweiding, tot ons onderwerp terug.

Slechts ééns, in het geval sub 1, heeft de Regeering het tot een proces laten komen; waarschijnlijk rekenende op den invloed der jurisprudentie in Nederland, Frankrijk en België In deze

1) Zou aan dien invloed niet te wijten zijn het bovenaangehaalde vonnis van den Raad van Justitie te Batavia?

Immers, 's Raads beslissing is vooral gebaseerd op de volgende overwegingen:

«dat....... indien de heeren (lastgevers) het voornemen hadden hetzelfde

voorwerp of dezelfde voorwerpen voor gezamenlijke rekening te koopen, zij hadden kunnen volstaan met één geschrift, wijl zij gezamenlijk vormden de lastgevende partij, wier leden hetzelfde belang gemeen hadden en voor wie

ocr page 10

44

landen toch, zijn van kracht de registratiewetten, die derogee-ren aan het Burgerlijk Recht, inzonderheid aan de fictie van art. 1129 N. (= 1083 N. 1. *) B. W. waarin staat dat ieder erfgenaam geacht wordt, „onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde of in de door hem bij aankoop, krachtens artikel 1076, verkregen goederen,quot; en dat geen der erfgenamen alzoo gerekend wordt, „immer den eigendom van de andere goederen der nalatenschap gehad te hebben.quot; Ingevolge art. 573 B. W. geldt art. 1083 voor de verdeeling van elke zaak die aan één persoon toebehoort.

Mr. Gerritsen bleek echter tegen dien invloed bestand en won zijn proces.

derhalve slechts eene akte en één geschrift vereischt werd, omdat de eene overeenkomst allen gelijkelijk bond;

dat echter, nu dit geval zich uiet voordeed, en de lastgevingen uitéén liepen, zonder eenigen band tusschen de lastgevers onderling, elke overeenkomst op zich zelf bewezen moet worden en dus ook een afzonderlijk geschrift vorderde.quot;

Bij het lezen der laatste overweging is men onwillekeurig geneigd te vragen: Heeft die haar aanzijn te danken aan de raadpleging van Nederlandsche, Fransche of Belgische jurisprudentie?

Waarom?

Omdat in genoemde landen vigeert de wet van 22 Frimaire an VII, waarvan art. 11 luidt:

„Mals lorsque dans un acte quelconque, soit civil, soit judiciaire il y a plusieurs dispositions indépendantes et ne dérivant pas nécessairement les unes des autres, il est dü pour chacune d'elles, et scion son espèce un droit particulier.quot;

Is de overeenkomst tusschen 's Raads overweging en art. 11 niet opvallend?

Kunnen de woorden:

„dat, echter, nu.... de lastgevingen uitéénliepen, zonder eenigen band tusschen de lastgevers onderling . . . •quot;

niet beschouwd worden als een, zij het ook wat vrije, vertaling van:

„Mais lorsque.... il y a plusieurs dispositions indépendantes et ne dérivant pas nécessairement les unes des autres . . ..quot;

Of kan niet als uitdrukkelijke tegenstelling daarvan worden beschouwd hetgeen voorkomt in de officiëele toelichting bl. 47:

„Niettegenstaande de meest uiteenloopende onderwerpen, die men in een akte, vallende onder art. 12, zou gelieven op te nemen, is slechts één vast zegelrecht verschuldigd.quot;

Kan het duidelijker? Vooral, wanneer men daarnaast legt art. 12:

„Het zegelrecht van alle niet vrijgestelde en niet in de artikelen 2 tot en met 8, 10 en 11 bedoelde geschriften bedraagt een gulden vijftig centquot;

En tóch werd de eisch om restitutie ontzegd I

1) «Ieder erfgenaam wordt geacht onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde of in de bij aankoop, krachtens artikel 1076, door hem verkregen goederen Geen der erfgenamen wordt alzoo gerekend immer den eigendom van de andere goederen der nalatenschap gehad te hebben. Dit geldt van elke zaak, welke aan méér dan één persoon toebehoort (art. 573 1 = 625 N. B. W.)

ocr page 11

45

En de Regeering?

Zij waagde zich aan geen appèl, noch aan een tweede proefneming; maar zocht en vond ruimschoots vergoeding, door niet in het Bijblad op te nemen eenig besluit, waarbij restitutie verleend werd van de onwettig geheven overschrijvingsrechten.

Even geheimzinnig ging de regeering te werk met de Toelichting op de Concept-Verpondings-ordonnantie, waarvan kennisneming geweigerd werd aan de Kamers van Koophandel en Nijverheid, wier oordeel gevraagd werd over de concept-ordonnantie, zonder de Toelichting te mogen raadplegen!

Vanwaar die weigering?

Waarschijnlijk omdat op:

„Artikel 7.

„De waarde van losse eu vaste werktuigen in fabrieken, trafieken en werkplaatsen blijft buiten aanmerking bij de bepaling van de Verpondingswaarde, hetzij volgens artikel 5, hetzij volgens artikel 6.quot;

de Toelichting aanteekende:

„Zooals ook in Nederland bij de vaststelling der wet van 22 Juli 1873 (Staatsbl. n0. 11G) is aangenomen, beliooren werktuigen, onverschillig of zij aard- of nagel-vast zijn (vergelijk art. 507 n0. 1 B. W.) niet het onderwerp eener grondbelasting uit te maken.

Het is noodig voorgekomen dit uitdrukkelijk te bepalen omdat in menig geval de practijk in Indië van die stelling afwijkt.quot;

Waren nu deze laatste woorden gekomen onder de oogen der Kamers van K. en N., zoo zouden dezen natuurlijk haren plicht hebben betracht door aan de Regeering op te merken; De Toelichting erkent uitdrukkelijk: „Onder de bestaande bepalingen is onwettig de heffing van de verpondingsbelasting, overschrij-vings- en zegelrecht van de waarde van werktuigen. Die onwettige heffing is regel, geenszins uitzondering, zooals de Toelichting door haar „in menig gevalquot; wil doen voorkomen. Moet dus aan die, als onwettig erkende, heffingen niet onmiddellijk een einde worden gemaakt?

Wat had de regeering tegen deze onverbiddelijke logica kun nen inbrengen?

Niets.

Daarom moest de Toelichting voor de Kamers van K. en N. een gesloten boek blijven en ontzag de Regeering zich niet om, lijnrecht in strijd met de door Haar ontvangen Toelichting, aan den directeur van Financiën als Haar gevoelen mede te deelen: dat van de waarde van machinerieën en andere door bestemming

ocr page 12

46

onroerende zaken verpondingsbelasting en, bijgevolg, zegel- en overschrijvingsrecht geheven moesten worden!

Hoe die houding te qualificeeren ?

Is dat een fiscaliteit, rekening houdende met „recht en billijkheid?quot;

Tóch werd dit bij herhaling stoutweg beweerd door den Minister Sprenger van Eijk.

De onwettige heffingen bepaalden zich geenszins tot over-schrijvings-, zegelrecht en verpondingsbelasting.

Ingevolge Gouvernementsmissive dd. 22 Juni 1881 n0. 1228 (alweer niet in het Bijblad opgenomen) is geen overgangsrecht verschuldigd van in Indië bestaande opstal- en erfpachtsrechten, verkregen uit de boedels van wieMngezetenen.

Toch wordt het geheven, zooals nog onlangs bleek.

De Heer H., notaris te Wageningen, mede-eigenaar van een, in de residentie Semarang gelegen, koffieonderneming op een erfpachtsperceel, verloor zijne vrouw, in algeheele goederengemeenschap met hem gehuwd.

Uit de memorie van aangifte, voor het recht van successie, bleek natuurlijk van den mede-eigendom in bedoelde onderneming.

De betrokken ontvanger der registratie gaf hiervan kennis aan het Dep. van Koloniën — en dit aan de Algemeene Secretarie, die, door tusschenkomst van den directeur van Financiën, de heffing opdroeg aan den ontvanger van het recht van successie — in strijd met de Gouvernements-missive van 22 Juni 1881 n0.1228, die eerst bekend werd uit het belangrijk werk van den Heer P. H. van der Kemp: „De Ordonnantie op het Recht van Successie en Overgang in Ned.-Indiëquot;, uitgegeven bij Ogilvie en Co. te Batavia in 1887, bl. 15.

Was de Gouvernements-missive n0.1228 naar behaoren geplaatst in het Bijblad, de Heer H. zou, ten aanzien van het erfpachtsperceel, niet zijn aangesproken tot betaling van niet-verschuldigd verklaard Recht van Overgang, dat, ook in de rechte lijn, geheven wordt over de vólle waarde van een perceel, zonder aftrek van schulden, al is ook, tot meerdere zekerheid voor de betaling daarvan, het onroerend goed hypothecair verbonden!

De geheimzinnigheid, omtrent voor de belastingschuldigen gunstige Regeeringsbesluiten, ging steeds gepaard met openbaarmaking van alle beslissingen, waardoor de belastingen werden opgedreven, bijv. Bijbl. n0. 8929, dat onder Vreemde Oosterlingen „rentenierenquot; tot een patentplichtig bedrijf maakt, wanneer dit geschiedt met kleine sommen, die bijv. op hypotheek of pand

ocr page 13

47

boven /100 worden uitgezet „én de eigenaar daarvan zijn dage-iijksch bedrijf maakt.quot;

Renteniers, die groote sommen uitzetten, betalen geen cent belasting.

Is ook dit misschien een fiscaliteit rekening houdende met recht en billijkheid?

Leggen we eens hiernaast het belangrijk artikel „Een Diagnosequot; met het motto „Chauveau et Helie II concussion,quot; voorkomende in „Het Indisch Weekblad van het Eechtquot; n0. 1069, waarin Mr. P. Maclaine Pont „minachting der Wet en oogendienst tot en met de misdaadquot; signaleert als een Nederlandsch-Indisch kwaad. Hij verwijst hierbij naai' art. 115 Strafwetb. v. Europeanen (conf. 174 C. P.) en toont aan: dat knevelarij begaan wordt, al vloeit ook al het onwettig gehevene in 's Lands schatkist.

Welk een contrast met vroeger vormt de houding, door den Gr. G-. aangenomen! Zijne uitnoodiging, toch, aan den Proc.-Gen. lean leiden tot cassatie eener, voor de schatkist zeer gunstige, rechterlijke beslissing.

Mag uit deze houding niet worden afgeleid, dat de inrichting van het Bijblad een groote verandering zal ondergaan, door de opname niet alleen van voor de belastingschuldigen ongunstige, maar ook van gunstige beslissingen door de Regeering, ook vroeger, genomen?

Een philippica als van Mr. Maclaine Pont heeft de Regeering dan ook niet langer te vreezen.

Integendeel!

Die philippica sproot voort uit verontwaardiging, dat het Gouvernement, ofschoon in beide instanties in het ongelijk gesteld, niettemin, even alsof de rechterlijke macht niets beteekende, voortging met de heffing van onverschuldigde invoerrechten op Eau-de-Cologne.

En wat zien we nu gebeuren?

Onmiddellijk ingaande op het voorstel eener Kamer van Koophandel, stelt het Gouvernement het Hooggerechtshof in de gelegenheid van zijne zienswijze te doen blijken, op het gevaar af, dat een, voor de schatkist gunstige, beslissing worde gecasseerd in het belang der Wet.

Een eisch tot cassatie in het helang der Wet!

Iets zeer gewoons in Patria; maar hoogst zeldzaam, bijna ongehoord in N.-I.

Ik meen het „een gunstig teekenquot; te mogen noemen.

ocr page 14
ocr page 15