ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

---—r

quot;

V

^ / .2) S'o

•;

/ , / w/,

ocr page 4
ocr page 5

M A A G 1) E P A L M E N.

4 r

. CU~.

J fo

ocr page 6
ocr page 7

bibliotheek ned. he8v. .vjak |

ocr page 8
ocr page 9

I NE

-3 v CT L , gt;

K' ■quot;gt;

CD Li_

el s, .quot;J z\'

DEEL

^// -2)

ocr page 10

TYP. P. A. G EU UTS, N MM KG EN.

t

ocr page 11

AAN DE ONVERGETELIJKE NAGEDACHTENIS

VAN DEN

EERW. BROEDER HIERONYMUS,

DIRECTEUR DER SCHOLEN VAN DEN H. VINCENTIUS TE 's-GRAVKNIlAf.E,

ZIJ DIT WERK,

ALS BLIJK VAN DANKBARE HERINNERING AAN MIJNE OPLEIDING,

E E R 1! I E DIG O P G E D R A G E N.

ocr page 12
ocr page 13

I.

i0i.t

|n toen Hij heenging, kwam iemand Hem achterop, | viel Hem te voet en vroeg Hem: Goede Meester, wat „I moet ik doen om het eeuwig leven te verkriigen? En Jesus zeide hem: Waarom noemt gij Mij goed? Daar is er slechts één, die goed is en dat is God. Gij kent 'f'%T' de geboden: Bedrijf geen overspel, sla niet dood, steel CJLO quot;iet; geef geene valsche getuigenis, bedrieg niet, eer uwen vader en uwe moeder. En hij antwoordde en I zeide Hem: Meester, deze alle heb ik van der jeugd af onderhouden. Toen zag Jesus hem aan en beminde hem; en Hij zeide tot hem: Nog ééne zaak ontbreekt u; ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult schatten bezitten

in den hemel; en kom, neem uw kruis op en volg Mij____quot;quot;

Hier eindigde Gertrudis, de dochter van den edelen Pepijn van Landen, en bleef in gepeinzen verzonken. Onwillekeurig wendde zij het hoofd naar het openstaande boogvenster, waaraan zij zat, en vestigde de heldere oogen, wier blauw in schoonheid en diepte met het luchtazuur kon wedijveren, ten hemel.

Verwonderd over haar plotseling stilzwijgen zagen Itta, hare moeder,

1

ocr page 14

MAAÖDEPALMKN.

en Begga, hare zuster, van haren arbeid op, en de eerste vroeg ve

haar, nadat zij de maagd eenige oogenblikken met moederlijke deel- stc

neming beschouwd had, op minzamen toon; ge:

„Gertrudis, lieve dochter, wat schort u?quot; ve^

Gertrudis hoorde de vriendelijke stem niet; in peinzende houding zie

zat zij nog met het gezicht naar het venster gekeerd, en hare lippen he

herhaalden fluisterend: „Ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef ho

het den armen, en gij zult schatten bezitten in den hemel; en kom, dei neem uw kruis op en volg Mij.quot;

„Gertrudis, wat schort u ?quot; klonk nog eenmaal de stem der moeder. on

„Moeder,quot; hernam ditmaal de maagd, „ik overweeg de woorden pr;

des Hollands: verkoop al wat gij hebt, en geef het den armen. Ja, me

ook ik wil schatten verzamelen in den hemel, ook ik wil het kruis he

opnemen en Hem volgen, ook ik....quot; zoi

„Zwijg stil, Gertrudis, gij zijt nog te jong om zoo te spreken,quot; de: hernam de moeder op zacht bestraffenden toon; „wees wijzer en - pr;

ga voort met lezen.quot; Fr:

Gertrudis vestigde zonder een woord tegen te spreken hare oogen vó' weder op den perkamenten kwartijn, die voor haar lag op een fraai

beschilderden, met een afhangenden doek bedekten lessenaar, welks ha.

gebogen standaard aan den arm van haar zetel verbonden was, lag

en liet den blanken vinger langs de sierlijk geïllumineerde regels zu; glijden, om de plaats te vinden, waar zij gebleven was. Vervolgens :i ging zij met lezen voort. • zo( Inmiddels zullen wij haar en het overige gezelschap wat nader J tei

opnemen. Een eenvoudig wit gewaad van Augsburgsch linnen omhult tei Gertrudis' ranke gestalte. Daarover draagt zij een kort overkleed

van eene lichtblauwe wollen stof met gouden boordsels en zeer tec

wijde mouwen, die de nauwsluitende ondermouw tot aan den elle- i

boog laten zien. Hare blonde lokken worden door een gouden haar- de

band in wrongen opgehouden. Zij heeft haar bont beschilderden en va

vergulden zetel, die gemakkelijk drie personen een plaats kan ver- Da schaffen, naar het venster geschoven, opdat het volle daglicht op

haar boek zou vallen. Aan hare voeten staat een met fulp bekleed en

vouwstoeltje, waarop zij eenig borduurwerk, dat haar zooeven nog he bezig hield, heeft neergelegd.

Tegenover haar, op een zetel van geheel ander maaksel en met Ar

eene boogvormige rugleuning, zit hare oudere zuster Begga in een jac

2

ocr page 15

oeg veel kleuriger en rijker gewaad; en een weinig dichter bij hetven-eel- ster de meer bejaarde, statige edelvrouw Iduburga, of zooals haar gemaal haar bij verkorting noemt, Itta, de moeder dezer twee veelbelovende dochters. Aan het andere einde der zaal bevinden ling zich nog twee of drie vrouwen, klaarblijkelijk van lageren rang; pen het zijn dienstmaagden. Eene lange, rijk beschilderde en gebeeld-gt;'eef houwde bank, door middelschotjes in zes afzonderlijke plaatsen ver-om, deeld, dient haar tot zetel.

Al deze vrouwen zijn druk bezig met het vervaardigen van linnen der. onderkleederen en beddegoed of met het naaien en bestikken van den prachtige pronkgewaden. Eene bij haar staande tafel is letterlijk Ja, met naaiwerk van allerlei aard overladen. En geen wonder dat zij ruis het druk hebben: Begga's bruiloft met den jongen hertog Ansegisus, zoon van bisschop Arnulf van Metz, die na den dood zijner gade n,quot; den priesterlijken staat omhelsd heeft, zal binnenkort met al de en pracht en praal, die den zoon eens bisschops en de dochter van den Prankischen hofmeier voegt, gevierd worden; en derhalve moet gen vóór dat tijdstip het rijke uitzet der bruid gereed zijn. quot;aai Nadat zij het hoofdstuk ten einde gelezen had, sloot Gertrudis ïlks haar boek en vatte het borduurwerk weder op, dat aan hare voeten 'as, lag; het was voorzeker een versiersel voor het bruidskleed harer ?els zuster; want noch goud, noch paarlen werden er aan gespaard.

eils „Heer Ansegisus toeft lang,quot; merkte Begga op; „wat mag hem zoolang weerhouden? De zon is reeds aan 't dalen,quot; ging zij voort, ■der ; terwijl zij een blik uit het venster wierp. „Zou hem iets kwaads mlt ter jacht weervaren zijn?quot;

eed );Gij verontrust u al spoedig,quot; hernam de bruchtvrouw veelbe-:eer teekenend glimlachende. „Hoor, daar komt hij reeds!quot;

!lle- Op dit oogenblik deed zich de hoorn des torenwachters hooren, iar- de valbrug werd neergelaten en weldra weerklonk het gedruisch i en van paardenhoeven en vroolijke mannenstemmen over het slotplein, ''er- Dadelijk snelde Begga naar het venster.

op „Inderdaad, hij is het!quot; riep ze met van vreugde stralende oogen eed en in de handen klappend uit, „maar wat heeft hij voor zich op nog het paard?quot;

Het geluid kwam nader en weldra onderscheidde men de stem van net Ansegisus, wiens Romeinsche tongval hem gemakkelijk uit zijne een jachtgezellen deed herkennen.

ocr page 16

MAAGDEPALMEN.

„We hebben eene uitmuntende jacht gehad, liefste!quot; zeide An-segisus tot Begga, die hem met een blij gelaat te gemoet getreden was. „Ge zult nooit raden wat we gevangen hebben; niet waar, Egbert, 't is eene zeldzame vangst; ik voor mij heb ten minste nooit dergelijk wild geschoten.quot; Dit zeggende keerde hij zich met een lachje van verstandhouding tot Egbert; deze dacht echter op het oogenblik aan heel iets anders dan de jacht: zijn blik had dien van Gertrudis ontmoet. Nooit had het gezicht van een sterfelijk mensch zulk een diepen indruk op zijne jongelingsziel gemaakt, maar nimmer ook had zulke schoonheid, gepaard met zulken engelach-tigen eenvoud, zijn oog bekoord. In sprakelooze bewondering staarde hij de maagd aan, die in hare gewone peinzende houding, geheel in haar arbeid verslonden was, en het talrijke jachtgezelschap nauwelijks een blik waardig keurde.

Zoo afgetrokken Gertrudis was, zoo belangstellend en nieuwsgierig was Begga om de bijzonderheden der jacht te vernemen.

„En wat hebt ge dan gevangen?quot; vroeg zij. „Ik zie niets, uwe weitasch is ledig, maar ge houdt iets in de plooien van uw mantel verborgen.quot;

„Ge maakt ons inderdaad nieuwsgierig,quot; sprak Itta. „Wat heeft hij gevangen, Egbert ?... Maar wat ziet ge er peinzend uit!quot;

Begga had inmiddels Ansegisus' rooden, met groene, goudgestip-pelde zoomen afgezetten mantel opgelicht; een kreet van blijde verbazing ontsnapte haar op het zien van een allerliefst kind, dat haar lachend de armpjes toestak.

„Ha! nu begrijp ik waarin die zeldzame vangst bestaat; maar hoe komt ge aan dit lieve kind? Zie eens hoe vriendelijk het lacht, en welke schoone blauwe oogjes!quot;

„Dat wild hebt ge toch niet geschoten?quot; schertste Itta, terwijl zij het knaapje uit Ansegisus' arm nam en het Begga op de armen lei; „hoe hebt ge het dan gevangen? - Gertrudis,quot; ging ze voort, zich tot deze wendende, „zie eens wat Ansegisus van de jacht heeft meegebracht.quot;

Gertrudis, uit hare mijmering opgewekt, trad nu verbaasd en opgetogen op den kleine toe, dien Begga nog steeds in de armen hield en drukte hem een hartelijken kus op het voorhoofd.

„Arme kleine!quot; lispelde zij, „ge hebt bijna geen kleertjes aan. Mag ik hem naar de minne brengen, moeder? Dan kan zij hem aankleeden.quot;

4

ocr page 17

MAAGDEPALMEÏT.

„Ja, doe dat,quot; antwoordde de edelvrouw, „en breng hem dan weer bij ons terug.quot;

De goedhartige jonkvrouw snelde aanstonds met haren kostbaren last de zaal uit.

„Maar verhaal ons nu toch eens hoe ge aan dat kind gekomen zijt?quot; herhaalde Begga, terwijl zij Ansegisus' mantel en gordel aannam en aan den wand hing.

„Dat zal ik u zeggen, als gij me eerst eens laat drinken en bijkomen, want ik versmacht van dorst.quot;

„Hoe is 't mogelijk, dat ik dat vergeten kon?quot; zeide Begga en trippelde met luchtigen tred naar eene aanrechttafel in een hoek van het vertrek, vanwaar zij een met zilver beslagen en op een zilveren adelaarsklauw rustenden drinkhoorn, met wijn gevuld, voor haren verloofde meebracht. Terwijl hij den hoorn op hare gezondheid leegdronk, ontdeed zij hem van zijne rusting en hing die aan den wand. De andere jagers hadden inmiddels onder luidruchtig gesprek en gelach plaats genomen, hunne wapenen afgelegd en laafden zich met ruime teugen aan den koelen wijn, waarvan de vrouwen hen ruimschoots voorzagen.

„En thans, nu ik een weinig bijgekomen ben,quot; begon Ansegisus, „zal ik in 't kort onze jachtavonturen eens verhalen. Chelmoin, onze zoekman, dien we gisteren met den speurhond uitgezonden hadden, kwam ons van morgen diets maken dat hij de laveiplaats van een groot gedaagd hert ontdekt had. Om den neus van den hond te ontstoppen, vertelde hij, had hij hem eene handvol sterken azijn onder de neusgaten gehouden, waarna hij wel tienmaal scherper rook dan te voren. Toen was hij met den hond het woud ingegaan en had eindelijk een met gras begroeid dal gevonden, waar men duidelijk zien kon dat de jonge spruiten en bloesems van de hazelstruiken en abeelen bedaard afgeweid waren. Hieruit maakte hij op dat er een groot hert ter laveie geweest was; de hinden, zei hij, zijn gulziger.quot;

„Het hert zelf had hij dus niet gezien?quot; viel Begga hem in de rede.

„Gezien niet,quot; hervatte Ansegisus, „maar het spoor wist hij op een haar te beschrijven: zool en hiel groot en breed, kloof breed en open, voethoornen rond en grof, en bot aan de randen, stappen breed en laag, de achtervoet een handbreed achter den voorvoet

5

ocr page 18

HAAGDEPALMEN.

en nog twintig verdere kenteekenen meer, waaruit hij besloot dat het een groot, gedaagd hert moest zijn.quot;

„Bekwamer zoekman is er gewis in heel Frankenland niet te vinden,quot; merkte Hugo op, een forsch jonkman in een korenblauwen lijfrok gedost, die niet weinig door de jacht in het wilde woud geleden had. De toon echter waarop hij die loftuiting uitsprak en de glimlach, waarmee hij ze vergezeld deed gaan, deed grootelijks betwijfelen of hij ze wel meende.

„Om kort te gaan, hedenmorgen begaven we ons, met onzen zoekman voorop, het woud in. Volgens Chelmoin was het zeker dat we met een prachtig koningshert thuis zouden komen; want hij had de sporen van het dier tot bij een waterplas gevolgd, waar hij zeker wist, dat het tegen den middag, als het weder warm werd, zou komen drinken. Met de schitterendste verwachtingen volgden wij onzen zoekman. Hier en daar vlogen wel eenige opgeschrikte eidebaars en ander gevogelte op, maar we lieten ze ongedeerd vliegen , zoo vol waren we van de gedachte aan het koningshert. Na een vermoeienden rit, waarbij we niet zelden gevaar liepen over rankerige struweelen te struikelen of ons aan scherpe distels te kwetsen, en nadat onze goede Rodbrecht bijna in een oerenkuil gevallen was, bemerkten wij dat Chelmoin lang zoo ferm niet meer vooruitstapte als in den beginne; meer en meer begon hij te aarzelen en ten laatste stond hij eensklaps stil. Hij wist de laveiplaats niet meer te vinden. De overeenkomst van de streek had hem van 't spoor gebracht, en nu wist hij niet meer op welke plaats van het woud hij zich bevond.quot;

Een luid gelach van al de aanwezigen onderbrak hier den verhaler.

„Ja, ge hebt goed lachen,quot; ging de jager voort, „maar wij hadden op dat hachelijk oogenblik allesbehalve lust tot schertsen. Ik moest me bedwingen, anders had ik dien pochhans van een Chelmoin eens geleerd, edele heeren om den tuin te leiden. De arme kerel beefde als een riet; wij staken echter geen hand naar hem uit. Hij had al genoeg, docht me, aan de bespotting en het lachen, waarvan hij het weerlooze voorwerp was. De vraag was nu, hoe we op de beste manier naar huis zouden komen; want de last tot jagen was ons geheel en al vergaan. Daarenboven begon de lucht te betrekken, en hier en daar vertoonden zich zelfs donderkoppen. Het leed niet lang of een vlammende bliksemstraal, die aanstonds

6

ocr page 19

MAAGDEPALMES.

door een ratelenden donderslag werd opgevolgd, velde een reus-achtigen elk voor onze voeten neer. De regen plaste bij stroomen van den hemel en het was zoo donker onder het dichte loof, dat men bijna geen hand voor de oogen kon zien. Wizo meende nu de streek te herkennen. Wij bemerkten namelijk een pad, dat door het dichte kreupelhout een heuvel opkronkelde. Nu beweerde Wizo dat men, dit pad volgende, op de edelhoeve van graaf Andoin aankwam, die gelijk ge weet slechts een uur van dezen burcht verwijderd is. Chaldo echter wilde volstrekt dat het pad in eene geheel andere richting liep en naar de woudkerk van St. Jan leidde, waar de kluis van vader Simon staat. Eenigen van het gezelschap deelden de meening van Wizo, anderen die van Chaldo en zoo ontstond er een hevige woordenwisseling over hetgeen ons op 't oogen-blik te doen stond. Ik voor mij zeiven wist niet wien ik gelijk moest geven, daar ik in deze streken evenmin den weg weet als in het labyrint van Greta. Na veel over en weer praten werd er besloten dat Wizo en degenen, die het met hem over den weg eens waren, het bewuste pad zouden inslaan, en zoodra zij de woning van graaf Andoin in 't gezicht mochten krijgen, op den hoorn zouden blazen, om ons daarvan te verwittigen. Wij zouden intusschen voortgaan en een ander pad opsporen. Dat andere pad vonden we lang niet gauw, en toen we 't eindelijk hadden, was het niet de weg naar Andoin's hoeve, zooals Chaldo beweerde; maar juist de weg naar de woudkerk; want talrijke pelgrims en andere kerkgangers begaven zich derwaarts. Op dit oogenblik klonk juist de hoorn van Wizo ons in de ooren; er bleef ons dus niets over, dan wederom denzelfden aangenamen tocht door struiken en struweelen, door plassen en modder te maken en dat wel onder het neerpiassen van stroomen van regen. Reeds waren we op het punt van terug te keeren, toen Chelmoin ons op een vijftal landlieden wees, die voorzeker op weg naar de kerk waren, en nu in een druk gesprek gewikkeld schenen over een voorwerp, dat aan den voet van een boom lag, en dat zij nauwkeurig schenen te bekijken. Wij naderden het groepje, dat aanstonds plaats voor ons maakte, en zagen dat het niets anders was dan een klein kindje, dat gerust onder den boom lag te slapen. Het dichte gebladerte en de verhevenheid van den bodem onder den boom hadden het uitmuntend voor den regen beschut; want zijne kleertjes waren nog geheel

ocr page 20

8 MAAGDEPALMEN.

droog. Niemand kon ons zeggen van wien dat kind was; allen stem- ze den echter in met de meening van Chelmoin, dat het waarschijnlijk

door arme ouders aan den kant van het drukbetreden kerkpad te k( vondeling gelegd was, opdat het spoedig zou opgenomen worden.

Aanstonds besloot ik het kind mee te nemen; maar hoe ? Konden oj we met zulk een klein wicht den moeilijken tocht door het woud

maken? en dan met zulk weer? En gingen we naar de kluis van d£

vader Simon, om het kind een onderkomen te bezorgen, dan zou sc Wizo met de zijnen ons tevergeefs wachten. Daarenboven had ik

eene heimelijke begeerte om het zelf mee te dragen en er mijne kc beminde Begga mee te verrassen. Spoedig was er raad geschaft. Een

der omstaande landlieden, die in de nabijheid woonde, bood aan it ons den naasten weg naar den burg van graaf Andoin te wijzen.

Zijne vrouw zou op den ossenwagen meerijden en het kind dragen. ie

En alsof de hemel ons plan begunstigde, brak aanstonds de zon va

door de wolken en de regen hield langzamerhand op. De tocht nam ge

een aanvang, en eer we bij graaf Andoin aankwamen, was het weer hr zoo schoon als we maar konden wenschen.quot;

Hier werd de verhaler onderbroken door het geschal van den horen m des torenwachters en het geluid der voetstappen van een ruiter,

die over het slotplein reed. ov

„Daar is vader!quot; riep Begga vroolijk uit, terwijl ze uit het ven- m

ster zag en haar vader met een doek toewuifde. mlt;

En waarlijk, het was de edele Pepijn van Landen, hofmeier van pr

koning Dagobert. Een nauwsluitende lijfrok van eene donkerroode en

stof omsloot zijne forsche mannelijke gestalte; donkere hozen en va

overhozen bedekten zijne beenen, en een wijde mantel, met een op

gouden haak op den, linkerschouder vastgehecht, golfde hem om de mi

rijzige gestalte. Met een glimlach op het open, rechtschapen gelaat, lie

waarin een paar schrandere oogen fonkelden, trad hij de burchtzaal kl; binnen, waar vrouw en kinderen hem met hartelijke blijdschap

welkom heetten. mi

„Wel, heer Ansegisus,quot; dus begon hij het gesprek: „hoe is de tij(

jacht uitgevallen ?quot; gri

„Uitnemend, heer!quot; antwoordde de aangesprokene met een schal- ze;

ken, zijdelingschen blik op Begga. „Thans hebben we iets gevangen, uit

dat geen van ons en gij zelf wel nooit geschoten hebt.quot; Mc

„Zij hebben inderdaad eene verrassende vangst gehad, hoewel en

ocr page 21

MAAGDEPALMEN.

ze met ledige weitasschen thuis gekomen zijn,quot; hernam Itta.

„Ge maakt mij inderdaad nieuwsgierig,quot; zei Pepijn; „maar daar komt onze Gertrudis aan. die zal mij wei uit de onzekerheid helpen.quot;

„Dat geloof ik wel,quot; zei Begga, „want ze draagt het gevangen wild op den arm!quot; Deze kleine geestigheid verwekte een algemeen gelach.

„Hoe! een kind!quot; vroeg Pepijn verwonderd, terwijl hij het wichtje, dat Gertrudis hem glimlachend voorhield, met verwondering beschouwde.

Ansegisus moest nu nogmaals verhalen hoe hij aan het kind gekomen was.

„Hoe vaart onze genadige heer, koning Dagobert?quot; vroeg daarop Itta, zich tot haar gemaal wendende.

„Hij bevindt zich zeer wel,quot; luidde het antwoord, „en ik heb u iets gewichtigs van zijnentwege mee te deelen, dat ik door de drukte van al die jachtverhalen bijna vergeten zou. Eerstens laat mijn genadige heer u zijne welwillende groete doen, en ten tweede laat hij u zeggen, dat hij morgen hier zal komen middagmalen.quot;

„Heb de goedheid hem morgen mijne eerbiedige wedergroete en mijn dank voor de eer, die hij ons doet, over te brengen.quot;

Op dit oogenblik werd het avondeten opgedragen. De tafel was overvloedig voorzien; want behalve dat ter eere van Ansegisus ditmaal een weinig van den gewonen eenvoud werd afgeweken, voorzag men toch ook dat de eetlust der jagers door de vermoeienis wel geprikkeld zou zijn. Het sterk gekruide wildbraad dampte in de gouden en zilveren schotels; allerhande groenten werden volgens de gewoonte van dien tijd in marmeren, en het gevogelte in glazen schotels opgedragen. Bij het fijne huisbakken brood gebruikte men melk of mee, in zwarte aarden koppen gegoten, en bij de overige spijzen liet men zich den heerlijken wijn, maar vooral de moraat en de klareit goed smaken.

De twee laatste namen komen onzen negentiende-eeuwschen lezer misschien wel wat vreemd voor. Hij wete dan dat men in dien tijd ook reed de kunst der likeurbereiding verstond, en er op groote burchten, zooals die van Pepijn, een sicerator, dat wil zeggen een menger der dranken op na hield, wiens werk het was, uit vruchten en kruiden fijne likeuren te stoken of te vermengen. Moraat was eene soort van moerbeziewijn en klareit werd uit fruit en honing bereid.

9

ocr page 22

MAAGDEPALMEN.

10

Weldra waren huisgenooten en gasten rondom den rijken disch geschaard, waarbij Egbert, de zoon van den landvoogd van Austrasië en een boezemvriend van Ansegisus, hetzij door toeval, hetzij door eigen keus, eene plaats naast Gertrudis bekwam ; en terwijl straks het ruime vertrek van de' luidruchtige tafelvreugd weergalmde, kon de jonkman niet nalaten meermalen in stilte op te zien naar de ingetogen jonkvrouw aan zijne zijde, die te midden van al dien overvloed de woorden overwoog: „Verkoop al wat gij hebt, en geef het den armen.quot;

ocr page 23

Pr heerschte een buitengewone drukte op den burcht J s van Pepijn van Landen. In de laatste dagen had de

............i horen des torenwachters Mina niet stilgezwegen, zoo

fëggJgSlgè) J o o ;

herhaaldelijk had hij de aankomst van bezoekers moeten aankondigen, en telkens was de valbrug neergelaten ftsSvr voor heeren of edelvrouwen, prelaten of dienstlieden van j hun gevolg, die van alle kanten waren saamgestroomd om de bruiloft van Pepijns oudste dochter Begga bij te 1 wonen en op te luisteren.

Daar was vooreerst gekomen bisschop Arnulf, de vader des bruidegoms; bisschop Amandus, de boezemvriend van Pepijn, met zijne zuster Nona, haar gemaal graaf Odoard en hunne kinderen Eligard en Berlendis; verder Amelberga, de zuster van Pepijn, met haar echtgenoot graaf Witger en hunne beide dochters, Gudula en Reinildis, en nog talrijke vrienden en verwanten, zoodat alle zalen en vertrekken van den burcht door de verschillende gasten waren ingenomen.

Vormde die burcht van buiten slechts een vierkanten steenklomp, waaraan alleen de vier ronde hoektorens nog eenig sieraad bijzetten, terwijl de weinige smalle vensters, niet grooter dan schietgaten, hem eer het voorkomen eener gevangenis, dan dat van een vorstelijk verblijf gaven, — daarbinnen was een drukte en gewoel als in een reusachtigen bijenkorf.

ocr page 24

MAAGDEPALMENT.

Zoodra men de zware voorpoort slechts doorgegaan was en het slotplein betrad, maakte de sombere indruk, dien het baksteenen gevaarte van buiten maakte, onmiddellijk voor dien van de gezelligste bedrijvigheid plaats. Van dat slotplein kon men een blik werpen in de groote halle of zaal met haar sierlijk ingelegden vloer, haar bont schilderwerk en de hangtapijten langs de wanden, haar metalen spiegels, en gouden of zilveren lampen, hare rijke aanrecht-tafels met de kannen, bekers en ander vaatwerk, die vandaag alle dienst zullen moeten doen.

De bedienden zijn reeds bezig de schragen klaar te zetten, waarop de lange disch ter eere van het bruiloftspaar zal aangericht worden, terwijl anderen naar keuken en kelder ijlen, om voor het gebraad, de spijzen en de wijnen te zorgen of in moestuin en boomgaard de groenten en vruchten bijeen lezen, welke op de tafel moeten prijken. Hier vertoont zich de burcht met zijne verschillende gebouwen, half van hout, half van steen opgetrokken, van spitse gevels voorzien, nu met leien en dan met gekleurde plankjes gedekt, eerst in al zijne schilderachtige schoonheid! Als honderd vriendelijke oogen zien de talrijke vensters der verschillende gebouwen op het ruime zonnige binnenplein neer, waar de bedienden bedrijvig heen en weer dribbelen en een paar groote pauwen hun goudgroenen dos in het zonnelicht ten toon spreiden.

Doch daar nadert de feeststoet; bruid en bruidegom, thans door bisschop Arnulf als man en vrouw in den echt vereenigd, verlaten de slotkapel om zich naar de groote zaal te begeven. Blozend van jeugd en geluk treedt Begga in haar schitterenden bruidstooi naast haar Ansegisus voort, door heel den stoet van verwanten en vrienden gevolgd, door bruidsjonkers en bruidsmeisjes omstuwd. Het is een bonte optocht, zooals de lange kleurige rij daar voorttreedt over het zonnige plein! VuuiToode en korenblauwe lijfrokken steken frisch en grillig af tegen gi-asgroene hozen of zwavelgele mantels, en overal spelen de zonnestralen op met goud doorwerkte gordels, van diamanten glinsterende gespen en kleinoodiën of met edelgesteenten doorstikte boordsels. Overal schittert ons die pracht tegen, waarvan de oude kroniekschrijvers niet genoeg weten te verhalen, en waartegen de geestelijken van dien tijd niet genoeg wisten te ijveren.

Daar verdwijnt de stoet langs het pand, eene open arcade, die voor deze gelegenheid ook met tapijten behangen is, in de groote

12

ocr page 25

MAAGDEPALMEN.

zaal en neemt het feest een aanvang. De talrijke genoodigden schikken zich om den langen dlsch; heil-en zegenwenschen weerklinken, allen beijveren zich om het jong gehuwde paar op het hartelijkst welkom toe te roepen in den nieuwen staat, dien zij zich voor God verkoren hebben.

Stralend van geluk zitten de beide jongelieden in hunne wit zijden, met goud doorwerkte en met hermelijn omzoomde pronkgewaden, waarover een hemelsblauwe mantel geworpen is, op eene versierde verhevenheid aan het hoofdeinde der tafel en laten den blik over de breede rij genoodigden weiden, die op het oogenblik geen oogen hebben dan voor hen, geen wenschen koesteren dan voor hun geluk.

Waarlijk, zoo ooit een huwelijk onder een gelukkig gesternte gesloten werd, dan is het de echtelijke band, heden door de hand van bisschop Arnulf geknoopt tusschen zijn zoon en de dochter van den edelen Pepijn, beiden jong, beiden edel en vroom en met de rijkste gaven naar hart en geest bedeeld, beiden van hooge geboorte en met eene schitterende toekomst voor zich!

Op het oogenblik dat alle gasten gezeten zijn en de gouden en zilveren drinkschalen worden vol geschonken, opdat ieder het bruidspaar den heildronk kunne toebrengen, wordt het voorhangsel eener deur op den achtergrond opgelicht, en treedt eene bejaarde vrouw, op hare wijze ook in feestkleedij gestoken, met een klein kind op den arm de zaal binnen.

Een kreet van opgetogenheid en verbazing ontsnapt aan de vrouwelijke leden van het gezelschap, doch wordt onmiddellijk onderdrukt, nu de oude minne hare jonge meesteres aldus aanspreekt:

„Gedoog, edele vrouw, dat ik op dezen dag, nu allen u hunne heil-wenschen aanbieden, u ook den heilgroet breng van uw kleinen vondeling.quot;

Door de aanvalligheid van het kind, dat haar de armpjes toestak, bewogen, drukte de jonge vrouw het een hartelijken kus op het voorhoofd, maar bijna onmiddellijk schoten hare oogen vol tranen en zij verborg het gelaat aan de borst harer moeder.

„Wat deert u mijn kind?quot; vroeg de liefderijke Iduburga.

„Ik weet het niet, moeder.... Het is mij____ alsof die vondeling

mij geen geluk zal aanbrengen.quot;

„Hoe!quot; sprak Ansegisus met schertsende verwondering, „en eerst

13

ocr page 26

MAAGD EPALMES.

waart ge zoo ingenomen met mijne vangst? Maar niets noodzaakt u het jonge wild te behouden.quot;

„Geef mij het maar,quot; zei de zachtaardige Gertrudis, de oude minne het kind van den arm nemend; „de arme verstooteling!quot; voegde ze er op medelijdende toon bij.

„O neen.quot; hernam Begga, „ik beschouw dit kind als mij door den Hemel toegezonden, en op den dag, dat God mij zooveel genade schenkt, wil ik niet onbarhartig zijn. Het is dwaas van mij dat ik mij door een kind vrees laat aanjagen,quot; voegde ze er bij, terwijl zij hare tranen afwischte.

Doch wederom begonnen die tranen te vloeien en wederom zocht zij troost bij hare moeder, terwijl Gertrudis zich met het kind verwijderde. „Arm schaap!quot; sprak zij, „zal dan niemand zich over u erbarmen ? Waaraan hebt gij het verdiend, aldus verschopt te worden ? Maar troost u, ik zal wel zorg voor u dragen.quot; En peinzend ging zij zij voort;

„Wat gij den minste der Mijnen gedaan hebt in Mijnen naam, dus spreekt de Heer, dat hebt gij aan Mij gedaan.quot;

De plotselinge treurigheid der bruid had in de feestzaal eene pijnlijke stilte doen ontstaan, en Ansegisus staarde bedremmeld voor zich, terwijl Begga haar vol gemoed aan de borst harer moeder uitweende. Doch bisschop Arnulf sprak met plechtigen ernst:

„Dat het u niet verontruste, zoo de bruid tranen stort. Die frissche paarlen voegen aan haren bruidstooi. Wij zijn hier ten feestdisch gezeten, en wel mogen wij blijde zijn, want waarlijk hier is reden tot blijdschap. Doch niet alzoo of er in ons hart geen plaats meer ware voor weemoedigen ernst. Die ernst is integendeel gepast en ik duid het de bruid niet euvel, zoo haar gemoed heden vol is en lichtelijk overloopt. De tranen, die zij thans schreit, zullen spoedig gedroogd zijn, maar er kunnen — wat God verhoede — dagen komen, dat haar bitterder tranen ontvloeien, tranen die niet zoo licht worden weggewischt. De zoete band des huwelijks kan in een knellend juk ontaarden, en hoe zonnig deze eerste huwelijksdag zij, niets verzekert ons dat hij niet door donkere, stormachtige dagen zal gevolgd worden, zoo min als iemand kan voorspellen wat dit kind, dat thans de armpjes naar zijne pleegmoeder uitstrekt, eenmaal als knaap en jongeling voor haar wezen zal. Ik wil u niet verontrusten, mijn kind,quot; ging de eerbiedwaardige grijsaard voort,

14

ocr page 27

MAAGDKPALMEN.

„wij zijn in Gods hand en hedenmorgen heb ik Zijn besten zegen over ii beiden afgebeden. Ik wil u slechts indachtig maken dat het een groote gewichtige stap is, dien gij heden op den weg uws levens hebt gezet. Met onberaden zijt gij er toe overgegaan; ernstig en waardig hebt gij er u toe voorbereid. Ga alzoo voort bij al wat gij onderneemt en gij zult nooit een onberaden handeling te berouwen hebben. Bedenkt daarom wel eer gij dezen vondeling in uw huis opneemt, welke verantwoordelijkheid gij op u laadt; want waarlijk liet is geen geringe zaak het kind eens anderen tot u te nemen.quot;

Begga had den grijzen prelaat bij zijne laatste woorden aandachtig in het gelaat gestaard. Nu hij eindigde greep zij zijne hand en drukte die innig.

„Ik heb u immers gezegd, mijn vader, dat ik dezen dag niet onbarmhartig zijn wil. Wat er ook moge gebeuren, ik zal voor de opvoeding van dit kind zorg dragen. Die verantwoordelijkheid, waarvan gij spreekt, draag ik immers niet alleen, niet waar Ansegisus ?quot; voegde zij er met een lieven glimlach bij, en de bruidegom, verrukt dat een lach wederom haar betraand gelaat verhelderde, beantwoordde die vraag door een weisprekenden handdruk.

Niet ten onrechte had bisschop Arnulf gezegd dat de tranen der bruid spoedig gedroogd zouden zijn; want geen enkele maal werden hare oogen er dien dag meer door verduisterd en weldra was de vondeling, die er aanleiding toe gegeven had, geheel vergeten. Het was trouwens in die dagen geen zeldzaamheid dat een kind door zijne ouders verstoeten en aan de genade van liefdadige menschenvrienden werd overgelaten.

Dat was nog een overblijfsel van het oud-heidensche vaderrecht, waartegen de christen priesters te recht onvermoeid ijverden. Onmiddellijk na de geboorte van een kind, werd dit op den grond gelegd en de vader geroepen. Raapte deze het op, dan gaf hij daardoor te kennen, het als zijn kind aan te nemen en zich met de opvoeding te belasten. Liet hij het daarentegen liggen, dan wilde dit zeggen dat hij niet voornemens was het met zijne overige kinderen groot te brengen en werd het wicht te vondeling gelegd.

Het was derhalve niet te verwonderen dat de gasten zich niet lang in gissingen omtrent het kind verdiepten en de feestvreugde er niet lang door gestoord werd. Weldra gingen drinkschalen en bekers lustig rond en weerklonken muziek en gezang uit de feest-

15

ocr page 28

MAAGDEPALMEïf.

zaal. Na het schitterende maal schaarden de jongere feestelingen zich ten reidans, terwijl de ouderen en meer bezadigden, die zich in die uitgelaten vroolijkheid minder voegen konden, zich al keuvelend en schertsend in bloemhof en boomgaard verpoosden. De dienstlieden hielden op eigen hand bruiloft en dansten op dorschvloer en deel bij de tonen, die een speelman aan een fluit ontlokte, welke uit een aantal afgesneden rietjes vervaardigd was. Onder de bogenrij van het pand bracht een andere speler of zanger een lied ten ge-hoore, waarbij hij zich zelf op eene soort van lier met vier snaren begeleidde. Het was het geliefkoosde lied van Hetel en Hilde, waarin de lotgevallen van die twee ongelukkige, maar ten slotte toch vereenigde gelieven verhaald werden, en dat bij geen bruiloft mocht ontbreken.

Maar terwijl al de gasten zich alzoo elk op zijne wijze vermaakten, was de stille Gertrudis het feestgewoel ontweken. Zij had den vondeling niet vergeten en zat nu, in het vertrek der oude minne met den kleinen Gonduinus — zoo had zijn jonge pleegmoeder hem genoemd — op den schoot, terwijl twee andere kinderen spelend om hare knieën stonden. Het waren Gertrudis' kleine nichtjes Gudula en Reinildis, met wie zij zich zoo moederlijk kon bezig houden en die haar nu ook uit de feestzaal naar het stille vertrek der minne gevolgd waren. Gudula, de oudste der twee meisjes, was Gertrudis' petekind en beminde haar als eene oudere zuster.

Het was eene schilderachtige groep, dat jonge meisje met den dartelen kleine op den schoot, terwijl de beide andere kinderen zich met zijn gekraai en gespartel vermaakten. De blonde en bleeke Gertrudis was op dat oogenblik schooner dan ooit; een lichte blos kleurde hare wangen, haar blauwe oogen glinsterden van genoegen, en op haar gelaat, dat door het goud harer lokken, welke los van onder den haarband uitgolfden, als met een heiligen-nimbus omgeven was, straalde de weerschijn af van dien bovenaardschen liefdegloed, die haar jeugdige ziel verteerde. Zij boog zich over het kind niet met de hartstochtelijke liefde eener jonge moeder, maar met die zachte teederheid, waarmede de zuster van liefde het arme weeskind koestert.

De kleine Gudula drukte een kus op het mollige handje van het kind, maar deze hief het plotseling op en wees kraaiend naar het open venster. Onwillekeurig keek nu ook Gertrudis in die richting.

16

ocr page 29

MAAGDEPALMEN.

doch sloeg onmiddelijk met een hoogen blos de oogen neder. Daarbuiten stond een jonkman, die de bekoorlijke groep in bewondering gadesloeg.

Het was Egbert, de zoon van den landvoogd van Austrasië en de vriend van Ansegisus, die op diens merkwaardige jacht zijn gezel geweest was en daarna aan den maaltijd op Pepijns burcht had deelgenomen. Ook hij was ditmaal de luidruchtige feestvreugde ontweken en in stil gepeins het slotplein rondgewandeld, tot hem op eens het bevallige schouwspel trof, dat Gertrudis te midden harer lievelingen opleverde.

Opgetogen bleef hij een wijle dat bekoorlijk tooneel aanstaren, en daar hij indertijd tot het vangen van het bewuste wild had bijgedragen, hetgeen hem nu het recht gaf er meer dan een ander belang in te stellen, wilde hij juist het vertrek der minne binnentreden, toen de blik van Gertrudis hem terughield.

Die blik, ofschoon volstrekt niet streng of afstootend, had iets onbeschrijfelijks, dat ook den stoutmoedigste op een afstand zou gehouden hebben. Egbert gevoelde als een geheimzinnig ontzag en na een verlegen groet wandelde hi] bedremmeld en in gedachten voort.

Gertrudis had intusschen het kind aan de oude minne overgegeven, nam hare beide nichtjes bij de hand en wandelde met deze de vertrekken en gangen van den burcht door, tot zij eindelijk in hare eigen kamer was aangekomen. Daar had zij genoeg om de kinderlijke nieuwsgierigheid harer vriendinnetjes bezig te houden en de kleinen lieten dan ook reeds begeerig de blikken in het rond weiden.

Gudula had al aanstonds een lijvig perkamenten boek in het oog gekregen, waarmee ze nu opgetogen kwam aandragen en dat ze hare lieve meter op den schoot lei:

„Toe, Gertrudis,quot; vleide zij, „laat ons de schoone beeltenissen nog eens zien en verhaal er ons de geschiedenis van.quot;

„O ja,quot; voegde haar zusje er aanstonds bij, „verhaal ons van het zoete Kindeken, dat in den stal geboren werd.quot;

„En wijs ons de Engeltjes nog eens, die uit den hemel kwamen om den herders de blijde boodschap te brengen.quot;

„En die' zoo heerlijk zongen____ O Gertrudis, gij moet ons straks

op uw psalter ook dat schoone lied van onze Lieve Vrouwe nog eens zingen.quot;

17

2

ocr page 30

MAAGDEPALMBN.

„Zeker, zeker,quot; zei Gertrudis, de kleinen vriendelijk toelachend, maar alles niet te gelijk. „Komaan, Gudula,quot; voegde ze er bij, op eene fraai gekleurde miniatuur in het boek wijzend, „weet gij nu ook al te zeggen wie die heilige man hier is, met die veder iu de hand en dien vogel adelaar achter zich?quot;

„Dat is Sint Jan de Evangelist,quot; antwoordde de leergierige Gudula onmiddellijk, begeerig hare kunde te toonen.

„Juist, en weet ge mij ook iets van Sint Jan te verhalen?quot;

Op die wijze hield Gertrudis de kinderen bezig; al spelende onderrichtte zij hen en toonde daardoor reeds dien buitengewonen aanleg om anderen hare kundigheden mede te deelen, welken zij in later jaren op de zegenrijkste wijze zou ontwikkelen.

Juist was zij bezig, haar nichtjes, naar aanleiding van den vondeling, dien zij bij de minne hadden achtergelaten, te verhalen van den vondeling Mozes, die door de Egyptische koningsdochter uit het water gered was, toen zachtjes het voorhangsel eener deur tegenover haar werd opgelicht en een man in bisschoppelijk gewaad met statigen tred het vertrek binnentrad. Het was eene rijzige, forsche gestalte, door een mannelijk, eerbiedwekkend hoofd bekroond, terwijl de opslag der oogen iets krachtigs en gebiedends had, dat onwillekeurig ontzag inboezemde en gehoorzaamheid afdwong.

Gertrudis was door de plotselinge verschijning aanvankelijk verschrikt, maar nu glimlachte zij den binnentredende tegen met den uitroep:

„Vader Amaridus!.... gij zoudt mij doen schrikken.quot;

Het was bisschop Amandus, Pepijns boezemvriend, de moedige en ijverige Evangelieprediker, die de bisschoppelijke waardigheid slechts had willen aanvaarden op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij aan geen bepaald bisdom gebonden zou zijn, maar vrijelijk aan de heidenen de blijde boodschap zou mogen verkondigen, schoon hij toch in zijn ouderdom den bisschopzetel van Maastricht nog tot luister zou strekken.

„Het doet mij leed,quot; zeide hij, de meisjes vriendelijk aanziende, „zoo ik u heb doen schrikken, mijne kinderen. Ik was hiernevens in het boekvertrek en hoorde daar mijne lieve Gertrudis haren nichtjes de gewijde geschiedenissen verhalen. Met belangstelling en genoegen heb ik naar uw verhaal geluisterd, Gertrudis, maar nu kan ik toch

18

ocr page 31

MAAGDEPALMEïT.

niet nalaten mijne verwondering uit te drukken dat gij de eenzaamheid van uw salet zoekt, terwijl uwe nichten en vriendinnen zich in de bruiloftszaal verlustigen.quot;

Gertrudis verhaalde hoe de vondeling de aanleiding geweest was, dat zij met de kleine Gudula en Reinildis de feestzaal verlaten had.

„Ik heb innig medelijden met het arme schaap,quot; voegde ze er teerhartig bij.

„Dat strekt u tot eere, mijn kind, en men mag den vondeling gelukkig noemen, die zulk eene verpleegster als gij vinden mocht. Wat zou er van hem geworden zijn, als hij bij voorbeeld in handen van een slavenhandelaar gevallen was. O!quot; ging de edele man voort, wien honderden slaven de vrijheid dankten, „ik heb op de markt te Pavia kinderen gezien, weinig ouder dan hij, die wreed-, aardig van hunne ouders gescheiden werden en vader of moeder voor hunne oogen zagen wegsleuren. Het harte breekt bij het aanschouwen van zooveel ellende, en hoe groot ook mijne blijdschap was, er enkelen te kunnen vrijkoopen, nog grooter was mijne smart ze niet allen te kunnen verlossen.quot;

„Hoe! mijn vader, er zijn dan nog ongelukkigen, die in slavenketenen zuchten?quot; riep Gertrudis met medelijdende verwondering uit.

„Zoolang nog geheele landen in de slavernij van den afgodendienst verzonken liggen, zoolang zullen er ook menschen in slavenketenen zuchten,quot; hernam Amandus, treurig het hoofd schuddend. „Zoolanger heidenen zijn, zullen er slaven wezen. Wat baat het of de bisschoppen al de slavernij verbieden, zoo er nog gansche landstreken zijn, waar hun woord geene kracht heeft?quot;

Amandus had gelijk; de slavernij was een van die ingekankerde heidensche begrippen, welke ook na de uitroeiing van het heidendom nog bleven voortbestaan; de slavenhandel, zegt een gezaghebbend schrijver, schijnt als de oudste tak van den Germaanschen uitvoerhandel te moeten worden beschouwd en kon alzoo een ingeroest kwaad worden genoemd.

„Maar dat mag zoo niet blijven, mijn vader,quot; riep Gertrudis met eene mengeling van verontwaardiging en medelijden uit. „Koop gij ze vrij, koop ze allen vrij; hier is goud,quot; voegde zij er bij, zich den gouden haarband uit de lokken rukkende en den purperen

19

ocr page 32

MAAGDEPALMEN.

gordel ontgespende, waaraan eene zijden tasch hing, door een netwerk van goud omgeven. „Hier is goud; ik zal u alles geven wat ik bezit en al wat ik van liefdadige Christenen verkrijgen kan; mijn vader, mijne moeder zullen ook hunne hand niet voor de

arme slaven sluiten—quot;

„Dank, dank, mijn kind,quot; sprak Amandus bewogen. „Neem die versierselen terug; daarvan behoeft gij u niet te berooven; als ik vertrek, zullen uwe ouders mij niet met ledige handen laten gaan. Maar wat zie ik? Tranen in uwe oogen, en dat op het bruiloftsfeest uwer zuster? Wisch die tranen af; het is heden geen tijd tot weenen, dat had ik moeten bedenken alvorens u over zulk een treurig onderwerp te spreken. Komaan, hang uwe versierselen weer om en ga naar de feestzaal; daar is uwe plaats vandaag en niet in de eenzaamheid, daar aan de zijde der bruid, te midden uwer gespelen, te midden der Looge gasten, opdat ook u spoedig een bruidegom naar het altaar moge leiden.quot;

„Mijn vader!quot; riep Gertrudis op zacht verwijtenden toon uit en bood weerstand aan zijne hand, die haar wilde meeleiden. „Ik zou feestvieren, terwijl honderden onzer broeders in ellende verkwijnen! Ik zou gouden ketenen dragen, terwijl tallooze ongelukkigen gebukt gaan onder de ijzeren boeien der slavernij. Ik zou naar een bruidegom uitzien, terwijl mijn hemelsche Bruidegom reikhalzend uitziet naar duizenden zielen, die Hem nog niet kennen. Ik zou aan éénen mensch denken, terwijl de heele lijdende menschheid mij roept! Neen, mijn vader, dat meent ge niet!quot;

Een hooge blos kleurde thans het gelaat der bleeke Gertrudis; het was de weerglans van den liefdegloed, waarvan haar hart inwendig brandde; het was de heilige geestdrift van den Evangelieprediker en den martelaar, die haar vervulde; het was het besef harer hooge, goddelijke roeping. Het was of de beide onschuldige kinderen dit begrepen, want met stralende oogen zagen zij tot hare bloedverwante op.

Amandus staarde haar met opgetogen blik in de helder blauwe oogen, die thans als lichtende sterren blonken. Hij begreep wat er omging in het hart der teedere maagd, hij die eenmaal als jongeling de weelde van het ouderlijk huis was ontvlucht, om zich in eenzaamheid en strenge zelfkastijding aan God te wijden.

20

ocr page 33

MAAGDEPALMEN.

Hij greep de hand van, het meisje, drukte die lang en innig, en zeide plechtig:

„Ook hier in huis zijn twee zusters gelijk in het huis van Lazarus, den vriend des Heeren, en in waarheid, ik mag tot u zeggen wat onze Heer tot Maria sprak: Gij, Gertrudis, hebt het beste deel verkozen.quot;

21

ocr page 34

È^èm*

ikii ik ^jk

GïV

^fmv nL

-TO/Oir^^^2 'i'-----

fagobert, de groote koning Dagobert, zooals de oude i kronieken hem noemen, zat in zijn binnenste huis-1 vertrek, waar hij gewoon was zich terug te trekken, als hij zich eens recht op zijn gemak wilde voelen, en waar dan ook alleen zijn vertrouwdste hovelingen toegang hadden. Het was eene betrekkelijk kleine kamer, maar gemeubeld en gestoffeerd met die ordelooze ^l9 kwistigheid, welke een bijzonderen smaak voor weelde en gemak verraadt. Onder het venster, waarvan de boog op kolommen van groenen terpentijnsteen rustte, stond een langwerpig ronde tafel, waarvan de opstaande rand en de pooten rood geschilderd en met verguldsel versierd waren. Een zilverlakensch kleed bedekte het blad, terwijl eene drapeering van dezelfde stof rondom van den rand afhing. Op die tafel lagen papieren, boeken, snuisterijen van allerlei aard dooreen, welke onverschillig ter zijden geschoven waren voor een gouden schenkkan met twee bekers van hetzelfde metaal en met ruw bewerkte edelgesteenten omzet.

Met ver van die tafel zat of lag de vorst op eene soort van rustbank of rustbed, dat tegen het wandtapijt stond en waarover een bontkleurig, fijn wollen kleed geworpen was. Hij was met zekere achteloosheid gekleed, schoon de kleur en de stoffage van lijfrok en

ocr page 35

MAAGDBPALMEN.

hozen toch blijkbaar met zorg gekozen waren en aan de zoomen met rijke gouden borduursels prijkten.

Dagobert was een man van middelbaren leeftijd, eer tenger dan gespierd, met iets fijns en verwijfds in het bleeke welbesneden gelaat, en zooals hij daar zat, zou men het hem niet aangezegd hebben dat hij de man was. die zijn gezag met ijzeren hand in het geheele Frankenrijk wist te handhaven, die de aanmatiging der grooten wist te onderdrukken en zonder aanzien des persoons recht deed aan armen en rijken, kortom, die na Clovis de voornaamste der Frankische vorsten en de laatste eigenlijke koning uit het Me-rovingsche huis mag genoemd worden.

Het weelderige hofleven had de krachten van den overigens begaafden en verdienstelijken vorst vóór den tijd gesloopt, en een vroege ouderdom zou het einde wezen zijner schitterende regeering, die onder zulke veelbelovende voorteekenen was aangevangen. Da-goberts vader had hem namelijk als kostbaarste erfenis twee raadslieden achtergelaten, waarvan de een door geen leger, de ander door geen schatten gouds kon opgewogen worden, namelijk den hofmeier Pepijn van Landen, die voor zijn vorst Aquitanië veroverde, en bisschop Arnulf van Metz, die 'skonings eerste raadsman was in de binnenlandsche aangelegenheden. Daarbij had hij in den muntmeester Eligius, den lateren bisschop van Noyons, alsmede in Aman-dus en in den bisschop van Eouaan staatsdienaren en raadgevers, als waarop misschien geen vorst vóór hem had kunnen roemen. Maar niet altijd had hij den welgemeenden raad dier edele, heilige mannen gehoor gegeven. Schoon hij zich over 't algemeen wel door hen liet leiden, waar het de zaken van zijn rijk betrof, stoorde hij zich in zijn bijzonder leven weinig aan hunne vaderlijke raadgevingen, en eens toen Amandus den koning, die zijne gemalin ter wille eener andere wilde verstoeten, als een tweede Joannes de Dooper het non licet toeriep, zond hij den moedigen prelaat eenvoudig in ballingschap. Spoedig kwam hij intusschen van dat onbillijke vonnis terug. De koningin herwon namelijk zijne gunst door hem een zoon te schenken, en daar hij het kind geen beteren geestelijken vader wist te geven dan den vromen Amandus, riep hij dezen uit de ballingschap terug, opdat hij den kleinen Sigebert het heilig doopsel zou toedienen.

Ook Pepijn van Landen moest meermalen de ongenade van den

2o

ocr page 36

MAAGD EP ALMEN.

grilligen vorst ondervinden, omdat hij zich niet ontzag dezen zijn verkeerdheden onder het oog te brengen; maar gewoonlijk duurde die ongenade niet lang, daar de koning verstandig genoeg was om te begrijpen dat hij den rechtschapen dienaar zoo min kon missen als zijn rechterhand.

Tegenover koning Dagobert zat een jonkman, wiens frisch en krachtig uiterlijk een opvallend contrast vormde met de tengere, verweekelijkte gestalte des vorsten. Hij zat op een blauw geschilderden zetel, die eenigermate den vorm van een X had en dus van geene rugleuning voorzien was. Onrustig schoof hij heen en weder op het kussen van zware gele zijde, waarmee de stoel belegd was en liet de armen beurtelings nu op de rechter dan op de linker zijleuning rusten, terwiil zijne beenen, in nauw sluitende hozen van fijn leder gestoken, telkens ongeduldig over elkander geslagen werden. Zijn open, mannelijk gelaat drukte blijkbare bekommering uit en ook de vorst streek nu als in verlegenheid met de fijne, blanke hand, waaraan een kostbare ring schitterde, door de zwarte lokken.

„Het doet mij leed, Egbert,quot; zeide hij, „dat uw oog op geene andere gevallen is. Ge hebt slechts den blik te laten rondgaan, om overal jongedochters van edelen bloede te zien, die zich gelukkig zouden rekenen, als de zoon van den landvoogd van Austrasië hare hand wilde vragen.quot;

Schichtig draaide Egbert zich bij die woorden op zijn stoel om en zeide op half verstoorden, half somberen toon:

„Eene andere?.... nooit!quot;

De koning glimlachte fijntjes om de naïveteit van den jongeling, die zich nu eenmaal in het hoofd gezet had dat alleen de dochter van Pepijn van Landen hem gelukkig kon maken.

„Zeg dat niet te haastig, mijn jonge vriend,quot; hernam hij; „zoo hebben er velen vóór u gesproken, terwijl zij later die woorden moesten logenstraffen. Als Gertrudis u afwijst, zult ge vanzelf wel bij eene andere moeten aankloppen, tenzij ge u de kruin mocht willen scheren en u in een klooster begraven....quot;

„Dat eerder dan eene andere!quot; sprak de jonkman met vuur.

„Dwaasheid,quot; hernam de koning. „Als er een middel te vinden was om uw wensch te bevredigen, zou ik het niet onbeproefd laten. Ge weet dat ge op mij rekenen kunt; uw dappere wapenfeiten in den jongsten veldtocht tegen de Saksen eischen eene belooning, uw

24

ocr page 37

MAAGDEPALMES.

hoogen moed waardig. Mijne vriendschap voor uw heer vader is mij een beweegreden te meer om uwe belangen te behartigen. Zoodra ge mij uw hartewensch hadt blootgelegd, heb ik getracht dien te verwezenlijken. Reeds den volgenden dag ben ik bij den hofmeier te gast gegaan en heb alzoo de gelegenheid gezocht zijne dochter aan het hof te verzoeken. Dat verzoek, hetwelk door ieder ander als de hoogste eer zou aangegrepen zijn, vond hier volstrekt geen gunstig onthaal. Pepijn heeft zich met het hofleven nooit kunnen vereenigen en vrouwe Iduburga acht het allerminst eene geschikte leerschool voor hare dochter. Maar de grootste tegenkanting kwam wel van haar, van wie men die het minst verwachten zou, namelijk van de jonkvrouw zelve. Als men haar naar den verschrikkelijk-sten kerker verwezen had, zou zij niet dringender kunnen gesmeekt hebben onder het ouderlijk dak te mogen blijven, dan zij deed nu men haar naar het hof wilde zenden. Slechts op uitdrukkelijk verlangen haars vaders, die op mijn aandringen ten slotte zijne toestemming gaf, is zij hierheen gekomen, en schoon zij hier door allen met open armen ontvangen werd, gevoelt zij er zich blijkbaar nog volstrekt niet te huis. Zij is intusschen de lieveling geworden van allen die haar omringen, mijne gemalin bemint haar als eene dochter; ik zelf heb haar lief gekregen en wensch niets liever dan haar gelukkig te zien, evenals ik u gaarne een bewijs van mijne erkentelijkheid geven zou. Maar in dit geval kan ik voor geen van u beiden iets doen; zeg zelf of het in mijne macht staat het hart eener jonkvrouw te leiden, gelijk men een mak paard aan de hand leidt.quot;

Egbert staarde verlegen op den keurig ingelegden vloer, die onder de tafel met eene glanzige dierenvacht bedekt was.

„Voorzeker, mijn vorst, hier schiet zelfs de macht van een koning der Franken te kort,quot; zeide hij eindelijk; „en toch,quot; voegde hij er bij, onrustig op het zijden kussen heen en weer schuivende, „toch is Uwe Majesteit er wel in geslaagd, haar naar het hof te tronen.... Wie weet.... ?quot;

„Welnu, en wat hebt gij er mee gewonnen dat Gertrudis aan het hof kwam?quot; viel de koning hem eenigszins verstoord.in de rede. „Niets dan dat ge wellicht nog minder gelegenheid hebt met haar in aanraking te komen, dan toen zij in het ouderlijke huis vertoefde. Zij houdt zich bestendig in de nabijheid mijner gemalin en neemt, zoodra

25

ocr page 38

MAAGDEPALMEN.

zij er gelegenheid toe vindt, de wijk naar de kapel of haar vertrek. Zij schuwt elk luidruchtig gezelschap en verlangt niets dan zich te verbergen. Zij is een hofjuffer gelijk Eligius indertijd een hoveling was, bij lijve aan het hof, maar met den geest steeds in hoogere sfeer. Hare plaats is in een convent, niet in de feestzaal of aan de zijde eens echtgenoots.quot;

Egbert slaakte een diepen zucht en trok aan den hals den purperen boord van het eng sluitende wambuis wat losser, als benauwde hem dit kleedingstuk. Zijn verstand moest den vorst gelijk geven, maar zijn hart sprak anders.

„Gij erkent,quot; ging Dagobert voort, „dat gij het niet waagt Pepijn de hand zijner dochter te vragen, uit vrees dat gi] afgewezen zult worden en alle hoop alzoo verloren zal zijn. Wat wilt ge dat ik dan nog voor u doe?quot;

De jonkman aarzelde en woelde verlegen met de hand in de blonde haren. Eindelijk vermande hij zich, en schoon hij den koning niet in het gelaat dorst zien, zeide hij niet zonder zekere vrijmoedigheid :

„Vergun mij, mijn vorst, eens rondborstig tot u te spreken. Ik weet dat Pepijn, nu Begga haar Ansegisus gevolgd is, ongaarne ook Gertrudis zal zien heengaan; ik vrees daarbij dat het meisje zelf mij niet genegen zal zijn en den vader allicht een voorwendsel aan de hand zal doen om mij af te wijzen. Den koning echter wijst men zoo licht niet af; dat heeft Pepijns toestemming bewezen om Gertrudis naar het hof te zenden. Als gij dus, mijn vorst____quot;

„Eens uw middelaar wilde zijn?quot;

„Dan zou Uwe Majesteit mij eene gunst bewijzen, waarvoor ik u nooit genoeg zou kunnen danken,quot; sprak Egbert met vuur, blijde dat het hooge woord, hetwelk hij niet had durven uitspreken, dooiden vorst zeiven geuit was.

„Wel mag men zeggen dat de liefde vindingrijk is,quot; sprak Dagobert, schalks met het hoofd knikkende. „Dat is inderdaad een middel, hetwelk nog beproefd zou kunnen worden. Welnu, goede vriend,quot; zeide de koning, van zijn rustbed opstaande en ten teeken dat hij eene plechtige belofte ging uitspreken, den edelsteen van zijn ring kussende, waarin het naamcijfer des Zaligmakers, eene dooreengevlochten P en X gesneden was; „ik beloof u op mijn koninklijk woord dat ik zelf voor u de hand van Pepijns dochter vragen

26

ocr page 39

MAA.GDEPALMEN.

zal en haar daarbij een koninklijken bruidschat zal aanbieden.quot;

„Mijn vorst!quot; sprak Egbert opgetogen en kuste in vervoering van vreugde en hoop de hand, die de koning hem toestak.

Deze glimlachte.

„Zijt ge nu tevreden?quot; vroeg hij, „welaan, ga dan en kleed u voor het avondfestijn; wanv, nog hedenavond zal Pepijn weten dat het slechts van hem afhangt binnenkort op zijn burcht wederom bruiloft te vieren, en wel met dubbel zooveel luister als de eerste maal. Ik vertrouw dat dit festijn tevens uw verlovingsfeest zijn zal, en daarom zal het zoo schitterend wezen als er ooit een op Clichy gevierd is. Ik ga onmiddellijk mijne bevelen geven; zorg gij dat ge u van de voordeeligste zijde laat zien; ik zal u mijn kamerling zenden met een mantel, die zoo even uit Venetië is aangekomen.quot;

Buigend verliet Egbert het vertrek van zijn koninklijken beschermer, die bijna in even opgewekte stemming verkeerde als de jonkman zelf, niet omdat hij inderdaad zulk een vertrouwen stelde in de poging, die hij beloofd had in diens belang te doen, maar omdat hij een voorwendsel had om wederom al de schatten van zijn hof, al de pracht en weelde, waarover hij beschikte, ten toon te spreiden. Was koning Dagobert een man op het oorlogsveld en in den raad zijner staatslieden, in de pronk en praal zijner feesten toonde hij al de ijdelheid eener behaagzieke vrouw.

Dien dag hield hij zich bijna uitsluitend bezig met de regeling van het avondfestijn alsof het de gewichtigste staatszaak gold.

ocr page 40

^dquot;^JXTT-TLTxj-u^rxr ■ '' ^T-rurxjrxjquot;^xn^i-n-r LXT-TT.rij- Lrxxxrxr'Lrix

tas oto üte f.'fc ote cfe cfe iSv gfc rjte -g^ t-fc tx^ fe vüt '\C

m

famp;p iv-

e^-sveV/iVcAS)

^ uiiiiiiiiiifiiiiiiiiiinriiiiiiiiiru

r?i ifjflilw ''t- was feest aan het hof van koning Dagobert en wel iraMH 1 een zoo luisterrijk feest, als er maar zelden gegeven

4,..............| was door dien vorst, van wien de kroniekschrijver

Fredegarins ons verhaalt, dat de weelderigheid zijner Oxf. K hofhouding die van koning Salomon evenaarde. eS? '1-quot; De groote rijkszaal was verlicht door talrijke gulden lampen, die van de bont beschilderde en vergulde zol-typ deringen afhingen, en wier flikkerende vlammen duizendvoudig weerkaatst werden door de metalen spiegels en het gouden en zilveren vaatwerk, deels van Moorschen of Frankischen arbeid, deels uit Constantinopel en Venetië aangevoerd en op rijke aanrechttafels of buffetten langs de wanden gerangschikt.

Die wanden waren met kleurig schilderwerk, muziefarbeid of bonte hangtapijten bedekt, welke de meest uiteenloopende tafereelen uit de gewijde en ongewijde geschiedenis, uit de heidensche mythologie of de geschiedenis der Frankische koningen voorstelden en in gloed van kleuren vergoedden wat hun aan de zuiverheid der lijnen ontbrak.

De zoldering rustte op twee rijen kolommen, allen verschillend in vorm, beschildering of versiering. Nu eens werd het kapiteel door een enkel blok van kleurigen steen gevormd, dat alleen aan de hoeken eenigszins was afgerond, en dan weer was het op de geestigste wijze tot allerlei vormen van bladeren, menschenflguren of

ocr page 41

MAAGDEPALMËN.

fantastische gedrochten uitgebeiteld. Bij den eenen pijler besloeg dat kapiteel bijna een derde van de geheele lengte der kolom, terwijl het elders nagenoeg geheel ontbrak. De schacht der zuilen was met allerlei figuren, als ruiten, sterren, kruisen of doppen besneden, en overal had de schilder die vormen door sterk sprekende kleuren doen uitkomen.

In het midden der zaal was eene lange tafel op schragen aangericht, die van boven bedekt was met een wit linnen laken, geheel met gouden en gekleurde draden in verschillende figuren doorstikt, terwijl van den opstaanden rand eene goudlakensche draperie afhing. Op die tafel schitterden allerlei bokalen, drinkschalen en drinkhorens, schotels en schenkkannen van edel metaal, met kleurige steenen bezet en van den meest uiteenloopenden vorm; want eenheid in verscheidenheid, die eerste voorwaarde van het ware schoon, werd in die dagen, toen rijkdom en kostbaarheid hooger golden dan goede smaak, nog maar weinig betracht.

Vandaar dan ook dat in de vormen en kleuren der zetels, die om de tafel gerangschikt stonden, de grilligste afwisseling heerschte. Men zag er hooge en lage, met en zonder rugleuningen, van hout of van brons, in allerlei kleuren beschilderd of verguld en met zijde, fluweel en fulp van allerlei schakeeringen bekleed. De zetels van Dagobert en de koningin stonden op eene verhevenheid aan het hoofdeinde der tafel; zij waren van louter goud en door den kunstvaardigen Eligius gesmeed; in de koppen van het fantastisch gedierte, dat het onderstel uitmaakte, fonkelden oogen van blinkend gesteente en de rugleuning prijkte met twee gouden menschenhoof-den, terwijl de beide zijleuningen met verschillende ornamenten waren versierd. De legende verhaalt omtrent deze gulden zetels, dat de koning tot de vervaardiging van een troon Eligius eene groote hoeveelheid goud verschaft had, waarvan deze naar willekeur gebruik kon maken. Toen nu het kunststuk voltooid was en de koning er opgetogen zijne tevredenheid over uitdrukte, zonder te vragen of er ook iets van het goud was overgeschoten, toonde Eligius hem een tweeden zetel, volkomen aan den eersten gelijk, dien hij van het overschot gemaakt had; geen korrel gouds had de rechtschapen kunstenaar voor zich willen achterhouden.

Aan het andere einde der zaal was eene estrade opgeslagen, bestemd voor de spelers, die het feest met de muziekjjunner instru-

29

ocr page 42

MAAGDEPALMEN.

menten — de harp, de lier, het psalter, het organistrum, het mo-nochordion, den chorus en het triangel — moesten opluisteren. Zij hadden juist eene zachte melodie aangeheven, toen een dienaar het groote, veelkleurige voorhangsel, dat den ingang bedekte, ophief en het halverwege om de schacht eener zuil sloeg.

Daar verschijnt de seneschal of hofmeester in de wijde deuropening en wijst met eene diepe buiging op de bereide feestzaal. Onmiddellijk doen de muzikanten een schelklinkenden welkomstgroet hooren en op de tonen hunner speeltuigen treedt thans de lange rij gasten de ruime zaal binnen. Het is een schitterende stoet, die daai ondei den glans der gulden lampen aan weerszijden der tafel tot aan den troon voortschrijdt: purper, goud en flonkerende gesteenten vereenigen zich tot eene bonte mengeling, waarin het oog verdwaalt.

Maar al die glans wordt nog overstraald, nu koning Dagobert zelf, in de half Frankische, half Eomeinsche koningsdracht van dat tijdvak, en door zijne hovelingen omstuwd, van onder het ronde booggewelf de verlichte ruimte binnentreedt en met een minzarnen glimlach de lange rij van genoodigden begroet. Met een bevalligen zwaai werpt hij den purperen mantel af, die op den schouder met een glinsterenden haak is vastgehecht en door een dienaar wordt aangenomen. De nauwsluitende kleeding, waarin hij zich thans vei -toont, is wel geschikt om zijne welgemaakte gestalte op het voordee-ligst te doen uitkomen. De korte rood fluweelen lijfrok is bezaaid met diamanten, in den vorm van sterren er op uitgestrooid ol in de gouden boordsels van hals en armen gevat, terwijl de geel zijden hozen, tot aan de dij met purperen banden omwonden, sierlijk daartegen afsteken.

Minder kostbaar, maar meer uitgezocht nog dan die des konings is de kleeding van een jonkman, in Dagoberts onmiddellijke nabijheid. Een korte zijden mantel, geheel met veelkleurige vederen bezet, hangt hem om de schouders, en nu hij dien afwerpt, vertoont hij zich in een lijfrok van goudlaken en korenblauwe hozen, met gouden banden omwonden. Het is Egbert, wien de koning zelf ditmaal de nieuwste uitvinding der Venetiaansche weelde bezorgd heeft, opdat hij zich dezen avond in het voordeeligste licht moge vertonnen, schoon men erkennen moet dat de forsche gestalte des jonkmans in eenvoudiger kleeding misschien gunstiger ware uitgekomen dan in dezen schitterenden dos.

30

ocr page 43

MAAGDEPALMEN.

De koning en de koningin nemen op de gouden troonzetels plaats, waarna al de gasten zich neerzetten op de plaatsen, die hun door den seneschal volgens rang en stand worden aangewezen; de prinsen en prinsessen van den bloede in de onmiddellijke nabijheid van het vorstelijk paar, vervolgens de rijksgrooten en raadslieden en daarna de edelen van minderen rang.

Terwijl de spelers nog altijd hun welkomstlied doen weergalmen, gaan de dienaren reeds met de gouden schenkkannen rond om den gasten keur van fijne wijnen aan te bieden, terwijl anderen daarbij geurig gebak ronddienen, dat zijn wasem vermengt met den aroma-tischen geur der vina odoramnntis immixla, der kruiderwijnen en likeuren, van den frisschen bessenwijn af tot den welriekenden hip-pocras, den koning der kruiderwijnen toe.

En als de gasten, aldus gelaafd en gespijsd, allengs in vroolijker stemming geraken en de muzikanten hun spel voor eene wijle sta. ken, dan neemt elk der genoodigden, volgens het gebruik van den tijd, zijn geliefkoosd speeltuig ter hand om onder begeleiding van harp of lier, of het eensnarig monochordion, dat eene bijzondere kunstvaardigheid van behandeling vergt, het een of ander lied voor te dragen.

Beurtelings zijn het ernstige Latijnsche oden of luimige drinkliederen, naar gelang van de keuze der dilettanten en naarmate de deftige bedaardheid in het begin allengs voor eene vrijer vroolijkheid plaats maakt. Maar het liefst laten de gasten zich hooren in de landstaal, die zij het beste verstaan, al geven allen zich gaarne het voorkomen evengoed in het Latijn, de taal van Kerk en Staat, van wetenschap en fraaie letteren thuis te zijn. Weldra weerklinken dan ook de oud-Frankische liederen van eere en minne, van helden en fantastische avonturen, door hen beleefd, of de producten der nieuwere christelijke poëzie, zooals die door de vrome monniken in hunne stille cel of door kunstlievende grooten in hun rijk gestoffeerd boekvertrek beoefend wordt: mystieke heiligenlegenden of naïeve, dichterlijke ontboezemingen, gelijk de jeugd van alle volken die weet aan te wijzen.

Koning Dagobert was een groot minnaar van kunst en fraaie letteren, zooals de vele door hem gestichte of rijk begiftigde kerken en kloosters — die wijkplaatsen van wetenschap en poëzie in die ruwe dagen — en de luister van zijn eigen hof bewezen.

31

ocr page 44

MAAGDEPALMEN.

Juist had hij met belangstelling naar een der meer bejaarde gasten geluisterd, welke het oude lied van „Etzel, der Hunnen koning' ten gehoore gebracht had, toen zijn oog op Egbert viel, wiens betrokken gelaat weinig overeenstemde met de feestelijke vreugde, welke hem omringde, en met zijn eigen opzichtig gewaad, dat onder het flikkerende lamplicht in volle pracht schitterde.

„Hoe heb ik het hedenavond met u, vriend Egbert?quot; sprak hij glimlachend. „Gij, anders de eerste in zang en spel, zit thans als verslagen en hebt zelfs geen aandacht voor dei anderen lied. Eg-bert zag op als ontwaakte hij uit een droom en wilde eene verklaring stamelen, maar de koning viel hem in de rede met de woorden;

„Ons festijn zou zijn grootsten luister ontberen, als gij ons van het genot uwer welluidende stem verstoken liet. Zeg op, wat zult ge ons hedenavond zingen?quot;

„Verschoon mij, heer koning....quot; stamelde de jonkman bedremmeld.

„Geen verschooningen,quot; hernam de vorst. „Wie ten feestdisch verschijnt is verplicht zijn deel tot de feestvreugde bij te dragen, zoo luidt der Franken aloude gastwet, en ik als gastheer ben wel het minst gerechtigd u daarin te verschoonen. Al ware ik zelt geneigd u in dat verzoek te believen, wat ik evenwel geenszins ben, dan nog zou ik mij naar den wil mijner gasten hebben te voegen, die u gewis niet verschoonen zullen.quot;

„Voorzeker niet,quot; klonk het van verschillende zijden, „de tafelwet moet geëerbiedigd worden.quot;

„Egbert moet ons iets ten gehoore brengen, of zijne lier zou er schande van spreken,quot; merkte een uit het gezelschap op.

„Anders laat hij zich waarlijk zoolang niet nooden,quot; zeide een ander.

„Maar ditmaal,quot; begon Egbert opnieuw, „verzoek ik verschooning....quot; En hij blikte daarbij den vorst aan met eene uitdrukking, die dezen een half ondeugenden, half meelijdenden glimlach op de lippen bracht.

„Wij zullen toegevend zijn, maar geen verschooning,quot; hernam hij intusschen onverbiddelijk. „Daaraan zijn we van u niet gewoon.

De jonkman stond op; hij was bleek en zijn hand beefde eenigs-zins, toen hij de lier van den dienaar, die ze hem overreikte, aannam. Zonder de gasten aan te zien en als in gepeinzen verdiept , spande hij de snaren en deed als voorspel eenige zachte accoorden hooren. Daarop begon hij op weemoedigen toon te zingen van de somberheid der natuur als alles nog in den dichten morgennevel

32

ocr page 45

MAAGDEPALMEN.

verzonken ligt; het aardrijk is met een treurig waas overdekt, het groene dal is onzichtbaar onder den grijzen dauw; de bergtoppen in de verte zijn grauw, hoornen en planten schijnen nog in diepen slaap verzonken; alles is kil en doodsch.

Maar daar werpt de zon hare eerste stralen over het landschap en aanstonds ontwaakt alles uit den doodslaap. De leeuwerik begroet de rijzende dagvorstin, die zich in een gloed van goud en purper langzaam en statig boven ds kim verheft; de toppen der bergen weerkaatsen het blijde morgenrood; frisscher en fleuriger wordt allengs het groenende dal; alle kruiden en planten ontvouwen hun groenen dos en elke dauwdrup wordt een fonkelende diamant, stralend van al de kleuren des regenboogs. Al het gevogelte ontwaakt in boomen en struiken en kweelt zijn morgenlied. De nevelgordijn wordt opgetrokken en glansrijk praalt nu de zon op haar troon van roodgouden wolken als eene koningin, tronend in majesteit.

Onder het zingen had de bleekheid op des jongelings gelaat allengs voor een hoogen blos plaats gemaakt en zii'ne dofte oogen glinsterden thans van bezieling, nu hij ze tot de gasten opsloeg. Allen hingen aan zijne lippen, want dit was een nieuw lied, en schoon de jonkman hen meermalen op liederen van eigen dichting vergast had, nooit hadden zij hem zoo vurig geïnspireerd gezien, nooit had er zulk eene kracht gelegen in zijne woorden, noch zulke uitdrukking in zijn gevoelvol spel.

Wederom weerklonken eenige accoorden als tusschenspel en thans daalden stem en toon tot nog dieper somberheid dan straks. Egbert zong hoe het ook in zijne ziel kil en doodsch was als in de natuur, wanneer zij nog onder den morgennevel verzonken ligt. Maar ook hem was een dageraad opgegaan, een liefelijk morgenrood dat al die somberheid zou doen verdwijnen en den schoonsten dag voorspelde. O! hoe brandde hij van verlangen om als de leeuwerik dien opgaanden dag te begroeten; maar die zon, welke zijn levensgeluk moest uitmaken, zou ze wel ooit voor hem stralen?

Bij die vraag daalde de stem des zangers al lager en lager, zijn toon werd somberder, terwijl het snarenspel allengs in zachte trillingen wegstierf. Nog zaten de gasten in spanning te luisteren, verwachtend dat de speler zich nogmaals tot luider en blijder toon verheffen zou, maar plotseling brak hij met een snijdenden wanklank zijn spel af en liet zich, nog bleeker dan straks, in zijn zetel vallen.

3

33

ocr page 46

MAAGDEPALMEN.

Luide toejuichingen waren het loon voor zijn spel, maar hem zelf had het in hevige gemoedsbeweging gebracht, die hij tevergeefs voor het scherpziend oog des konings trachtte te verbergen. Deze wist wat den jongeling deerde; want gedurende zijn lied had hij herhaaldelijk het oog gericht op Gertrudis, die vlak tegenover hem zat; Dagobert kon niet nalaten te glimlachen over het verschil tusschen Egberts moedeloosheid van dit oogenblik en zijne opgewekte stemming, toen hij dien morgen des konings vertrek verliet.

„Lof en dank breng ik u, Egbert,quot; sprak hij, „voor zang en spel, waardoor gij ons allen aan uwe lippen hebt geboeid, en zeker behoef ik niet daarbij te voegen dat ik hiermee het gevoelen uitspreek van al de dischgenooten; want hunne luide toejuichingen hebben u dit reeds onmiddellijk gezegd. Gij hebt ons, waar wij toegevend beloofden te zijn en ons met het minste tevreden verklaarden, met een nieuw lied verrast. Wie van de vrienden zal ons ook op iets

nieuws vergasten ?quot;

Er heerschte een oogenblik stilte in de zaal; want schoon misschien deze of gene wel meende aan de uitnoodiging te kunnen voldoen, na de schitterende voordracht van den begaafden jongeling aaizelde ieder met iets voor den dag te komen, dat misschien al te ongunstig daartegen zou afsteken. Men bewaarde dus het stilzwijgen, terwijl menige blik gericht werd op de jeugdige Gertrudis, die dooi allen als de eenige beschouwd werd, die met goed gevolg aan de uitnoodiging des konings kon voldoen.

Het was of de jonkvrouw, schoon zij bescheiden voor zich zag, toch van die blikken bewust was, want er kwam reeds een vluchtig rood op hare wangen en onwillekeurig boog zij dieper het hoofd, terwijl de goudblonde lokken, vrijelijk van onder den kostbaren haarband uitgolvende, als een natuurlijken sluier vormden. Naast haar zat Iduburga, wier haren volgens het gebruik der gehuwde vrouwen in twee lange vlechten waren verdeeld, die met gouden banden waren omwonden.

Zij kuchte als om hare dochter te bemoedigen en haar aan te sporen de uitnoodiging des konings gehoor te geven; haar moederlijke trots voorspelde hare begaafde dochter eene schitterende zegepraal. Maar Gertrudis zweeg en er liep haar eene lichte trilling door de leden, toen de koning rechtstreeks het woord tot haar richtte.

34

ocr page 47

MAAGDEPALMEN.

„üw aller stilzwijgen,quot; sprak Dagobert, „op mijne uitnoodiging, ons iets nieuws ten gehoore te brengen, gelijk onze vriend Egbert gedaan heeft, zou mij waarlijk doen denken dat alle dichtgeest en zanglust aan mijn hof is uitgestorven. Maar ik weet beter en het is u allen bekend dat Egbert niet de eenige, noch ook de eerste onder ons is, wien de gaaf der poëzie is geschonken. Mijne waarde Gertrudis heeft ons te vaak blijken gegeven van hare gave om bij de tonen van het psalterium haai- dichterlijk gemoed uit te storten, dan dat op dit oogenblik niet aller blikken op haar zouden gericht zijn. Welnu, Gertrudis, stel ons hedenavond niet te leur en laat u niet bidden, gelijk Egbert gedaan heeft.quot;

„Ik zal mij niet laten bidden, heer koning,quot; sprak Gertrudis opstaande, terwijl een lichte blos haar gelaat overtoog; „want ik ben tot uw aller dienst en mijn vorst heeft slechts te spreken, opdat ik hem gehoorzame. Maar dat ik de dischgenooten niet zal teleurstellen, staat niet in mijne macht te beloven. Wat zou ik. eenvoudig meisje, kunnen bijdragen ter vergenoeging van zoo edele heeren en vrouwen als hier vergaderd zijn? Of wat zouden mijne zwakke gaven vermogen in vergelijking van zoo zeldzame vernuften ? Indien Uwe Majesteit alzoo Egbert toegevendheid heeft toegezegd, hoeveel te meer zal ik de toegevendheid der dischgenooten moeten verzoeken.quot;

Een goedkeurend gemompel deed zich onder het geheele gezelschap hoeren en de koning zeide:

„Welaan, Gertrudis, wij zijn geheel oor.quot;

Het meisje stemde een oogenblik de snaren van haar speeltuig en hief thans het volgende kunstlooze lied aan, vervaardigd in den trant der oud-Germaansche poëzie, waar stafrijm en assonantie de plaats van het eerst later gebruikelijke eindrijm innamen:

Blozend bloeien de bloemen,

Geurend in groenende gaarde.

Blauw en bloedrood en witblinkend,

Prijken ze en pronken en pralen.

Wild waaien de wreede winden,

Gaan gierend over de gaarde,

Verbleeken, ontbladren 't gebloemte.

En admloos ligt alles ter aarde!

De zilveren stem en de gevoelvolle uitdrukking, waarmee die eenvoudige woorden gezongen werden, het liefelijk snarenspel.

35

ocr page 48

MAAGDEPALMEN.

waarmee zij werden begeleid en de bevalligheid der zangeres gaven aan hare ongekunstelde poëzie eene frissche bekoorlijkheid, die allen

aan Gertrndis' lippen geboeid hield.

Aanvankelijk eenigszins schroomvallig, ging zij allengs met

stouter bezieling voort:

Schoon schijnt de schittrende zonne.

Fel flikkren en floukren haar flitsen,

Goud gietend en guldene glansen Langs laagten en toppen en transen.

Nu nadert de nare nevel En werpt eene wijle van wolken Over het aanschijn der zonne,

Dat duister en droef zich verdonkert.

Na een welluidend tusschenspel vervolgde zij, terwijl Egberts oog bijna onafgewend op haar gericht was:

Heerlijk en hoog zijn de helden.

Machtig de moedige mannen,

Zwaaiend de zeeghafte zwaarden,

Spelend met spietsen en speren.

Door hun geweldige waapnen Winnend der wereld gewesten.

Vreugdevol vierend victorie.

Tot van het toppunt der glorie,

't Rookend rapier eens verraders Stervend hen stort in het stof.

Aldus bezong zij achtereenvolgens al wat de aarde schoons en groots en heerlijks kan aanbieden, om telkens tot de slotsom te komen dat alles hierbeneden vergankelijk is en dus op geen wezenlijke waarde bogen mag. Hooger rees haar toon en bezielder klonk allengs haar lied, toen zij vervolgens op de oude en altijd nieuwe schoonheid wees, die nooit vergaat.

Blijvend bloeien hierboven De bloemen der hemelsche hoven,

zong zij, en ten slotte stortte zij geheel hare ziel uit in eene heerlijke ontboezeming, gelijk alleen de bovenaardsche bezieling eener heilige, die in den geest reeds aan de aarde ontzweefd is, een sterfelijken mond kan ingeven.

m

ocr page 49

MAAGD iiPALME.N1quot;.

Geen luide juichkreten, maar eene plechtige stilte was de stomme, doch welsprekende uiting der bewondering, welke Gertrudis' lied bij al de tafelgenooten had opgewekt. Allen hingen nog aan hare lippen, toen zij die reeds gesloten en het speeltuig uit de hand gelegd had, en menige edelvrouwe pinkte een traan uit het oog weg. Het hemelschoone gezang had de gasten voor een oogenblik aan de aarde onttogen; eene ernstige, heilige stemming heerschte voor eene wijl in de feestzaal, en schoon die stemming bij de meeste gasten weldra door vroolijker en luidruchtiger feestliederen verdreven werd, Egbert bleef ze den geheelen avond bij, zelfs toen later de bonte hangtapijten werden weggeschoven, welke den ingang der danszaal bedekten en de vlugge paren in dartelen reidans langs den vloer van spiegelgladde estriken zweefden.

Terwijl de jongeren onder de gasten zich in de schitterend verlichte halle in den dans verlustigden, wandelden de ouderen onder de vergulde zuilengangen en de aangrenzende zalen, met al de schatten versierd, die hetzij uit Byzantium en Venetië aangevoerd, hetzij op de kunstrijke Moeren buitgemaakt waren.

Koning Dagobert zag met zichtbaar genoegen den lustigen dans aan en vooral een der paren, dat trouwens de aandacht van al de toeschouwers trok, wekte in het bijzonder zijne belangstelling. Het waren Egbert en Gertrudis, beiden om den frisschen bloei hunner jeugd, om hunne hooge geboorte en buitengewone gaven het glanspunt van het feest. De jonkman was aanvankelijk weinig tot dansen gestemd geweest, en op het oogenblik dat de danszaal geopend werd, was hij in somber gepeins in een der zuilengangen afgedwaald, maar de koning zelf had hem teruggedreven en er op aangedrongen dat hij voor den naasten dans Gertrudis' hand zou vragen, en het meisje had die uitnoodiging niet kunnen afslaan, hoe gaarne ook zij van haren kant de luidruchtige feestvreugde ontweken was.

Thans zweefde zij in haar eenvoudig, maar kostbaar kleed van bleekroode zijde, met een krans van witte rozen om de lokken, aan de zijde van den jonkman, wiens goudlakensch wambuis en koren-blauwe hozen helder tegen het licht gewaad zijner danseres afstaken.

„Wat dunkt u van dit paar, mijn waarde hofmeier ?quot; sprak Dagobert tot Pepijn, die met Iduburga den dans aanzag.

„Vrouwe Iduburga zei zooeven, dat het 't schoonste van de gansche feestzaal was,quot; hernam Pepijn, „en in waarheid, schoon haar oor-

ocr page 50

MAAGDEPALMEN.

deel misschien niet onpartijdig kan heeten, wijl in het oog eener moeder hare dochter altijd het schoonst is, geloof ik toch dat zij gelijk heeft.quot;

„En ik ben van hetzelfde gevoelen,quot; hernam de vorst. „Ja mij dunkt zelfs dat deze twee voor langer gepaard verdienden te zijn dan voor een enkelen dans.quot;

Pepijn en Iduburga zagen den koning in het gelaat.

„Uwe Majesteit meent,quot; hernam de eerste, „dat dit paar dansers ook een schoon echtpaar zou zijn?quot;

„En meent gij dit dan ook niet?quot;

„Ik kan het in waarheid niet loochenen,quot; sprak Pepijn, „schoon ik er ongaarne van hooren zou, daar ik mijne Gertrudis vooreerst nog niet wensch te missen.quot;

„En ik betwijfel ook,quot; voegde Iduburga er bij, „of het meisje wel aan een bruidegom denkt.quot;

„Luistert eens,quot; hernam de vorst en wandelde vertrouwelijk tus-schen den hofmeier en diens gemalin den zuilengang buiten de danszaal om. Het drietal was weldra in een levendig gesprek gewikkeld en keerde eerst in de feesthalle terug, toen de dans geëindigd was en Egbert zijne danseres naar de purperen rustbank, die tegen het wandtapijt stond, terugleidde.

Daar wachtten hen de koning met Pepijn en diens gemalin af, en met een minzamen glimlach maakte de vorst den dansers zijn compliment.

„Inderdaad, Gertrudis,quot; voegde hij er bij, „gij hebt hedenavond een danser uwer waardig gevonden, en ik besprak daar zoo even reeds met uwe ouders hoe schoon het zou zijn, als gij beiden, in plaats van voor een enkelen dans, voor geheel uw leven vereenigd mocht zijn. Uwe ouders stemden daarmede volkomen in, al missen zij u ook ongaarne, en wat Egbert betreft, ik weet zeker dat gij hem door uwe toestemming tot den gelukkigste der menschen zoudt maken. Wat zegt gij er van?quot;

Een hooge blos overtoog het gelaat van het meisje, dat onwillekeurig eene schrede naar hare moeder deed, als om bij deze steun te zoeken. Egbert daarentegen verbleekte een weinig: hij voelde dat thans het oogenblik gekomen was, hetwelk over den schoonsten droom zijns levens zou beslissen.

„Gij spreekt niet, Gertrudis,quot; hervatte de koning, terwijl zijn

38

ocr page 51

MAAGDBPALMEN.

gevolg en verschillende gasten nieuwsgierig nader traden, verwonderd over zulk een blijk van de hoogste gunst des vorsten tegenover een jonkvrouw, die nog pas sedert zoo korten tijd aan het hof verschenen was. „Hebt gij niets te antwoorden op dit voorstel, waarover menige jonkvrouw zich geen oogenblik zou bedenken. Egbert, de zoon van den landvoogd van Austrasië biedt u zijne hand. Uw vader en uwe moeder zien daarin te recht eene buitengewone onderscheiding, die niet elke jonkvrouw te beurt valt, en zij verleenden dan ook volgaarne hunne toestemming. En gij, antwoordt gij er niets op?quot;

Blozend en verlegen boog het meisje het hoofd, terwijl hare hand onwillekeurig die harer moeder zocht. Met eene smeekende uitdrukking hield Egbert het oog op haar gericht en met spanning wachtten de omstanders de ontknooping van dit tooneel af.

„Gij hebt gedurende uw verblijf aan het hof gelegenheid gehad Egbert te leeren kennen. Zeg mij, is er een jonkman, die in rijkdom van gaven naar lichaam en geest met hem kan wedijveren? Wie is zoo schoon van leest, zoo hoog van moed en dapper van daden als hij, wie zoo vroom en vroed reeds in de jaren der jeugd? Is er een onder de velen, die hier dagelijks aan het hof verkeeren, die meer uwe hoogachting, uwe genegenheid waardig is?quot;

Nog altijd zweeg het meisje en hield de oogen op den grond gevestigd.

„Of weet gij er een aan te wijzen van hooger geboorte, van edeler stam of die zoovele bezittingen de zijne kan noemen? Doch zoo u dit alles niet genoeg is, zal ik zelf u een koninklijken bruidschat schenken. De geheele goo Strya ') met het welvarende Oever-berg 1) zij de huwelijksgave, welke de koning u aanbiedt. Hoe, gij zwijgt nog ?----quot;

Verbaasd zagen de gasten elkander aan, terwijl Egbert in angstige spanning op Gertrudis' gelaat de beslissing van zijn lot poogde te lezen. Eindelijk hief zij het hoofd op en sprak met een hoogen blos en met eene licht trillende, doch heldere en vastberaden stem:

„Heer koning, indien de goederen dezer wereld in vergelijking konden komen met die des hemels, ik zou eenige reden hebben den raad Uwer Majesteit op te volgen; maar daar de schitterende huwelijken, de heerlijkheden en schatten der aarde slechts rook zijn

39

1

) Thans Geertruidenberg.

ocr page 52

MAAGDEPALMEN.

in vergelijking met die des hemels, zoo bidde ik u, zeer wijze vorst, mij te vergeven dat ik weiger u hierin te believen, en dat ik, mij alreeds een Bruidegom verkozen hebbende, mijne genegenheid op niemand anders stellen kan. Gij zegt dat hij, die mij ten huwelijk verzoekt, een schoon jonkman is; aangenomen dat dit zoo zij, is hij echter zoo schoon niet, of ongeluk en ziekte kunnen zijne schoonheid wegnemen. Hij is rijk, zegt gij, maar gij zegt niet dat hij arm kan worden, gelijk men er wel grooter en machtiger dan hij tot den bedelstaf heeft zien vervallen. Gij stelt mij ook voor oogen den adel van zijn huis; ik loochen dien niet, maar moet nochtans zeggen dat er nog edeler zijn en dat de luister van den adel dezer wereld nimmer zoo groot is of hij kan verduisterd en te niet gedaan worden. Dit alles overwegende, heb ik tot mijn bruidegom verkozen Dengene, die door zijne schoonheid alle schepselen versiert; die hemel en aarde als zijn eigendom bezit, wiens adel is van een eeuwig geslachte, die de engelen heeft tot hovelingen en aan wiens goddelijke macht alle dingen onderworpen zijn. Houd dus op, groote koning, mij de schoonheden, schatten en genoegens der aarde voor oogen te stellen, terwijl de hemel mij zoo groote tevredenheid en zaligheid belooft, en spreek mij niet meer van aard-sche huwelijken, terwijl ik mij sinds lang heb voorgenomen, mij te vereenigen met dien goddelijken Bruidegom, die onze zielen doet leven in onsterfelijkheid.quot;

In stomme verbazing staarden de koning en zijne hovelingen Gertrudis eene wijle sprakeloos aan, maar Egbert verdween achter het hangtapijt en verliet in aller ijl het hof, waar niemand hem sedert meer terug zag.

40

ocr page 53

X... I

V.

- lechts enkele jaren zijn voorbijgegaan sedert den fees-] j telijken avond, toen Gertrudis ten aauhooren van geheel :ll| het koninklijk hof de plechtige verklaring aflegde dat ^ zij haar hemelschen Bruidegom alleen zou toebehooren. Slechts enkele jaren, maar in die korte spanne tijds is er veel veranderd. Koning Dagobert is gestorven, nadat hij door goede werken en rijke aalmoezen de Sp ergernis had trachten goed te maken, die hij door zijn vroeger leven meermalen gegeven had.

In den burcht van zijn trouwen hofmeier, Pepijn van Landen, is de vroolijke gezelligheid van vroeger voor eene doodsche somberheid geweken. De levenslustige Begga is haar echtgenoot gevolgd en woont op het kasteel Ohèvremont bij Luik. In de ouderlijke woning, die zij vroeger door hare levendige bedrijvigheid vervulde, heeft haar vertrek eene treurige leegte achtergelaten, die door hare ouders te dieper wordt gevoeld, naarmate de gebreken des ouder-doms zich meer bij hen doen gelden.

Pepijn ligt op het ziekbed; maar meer dan zijne ongesteldheid en meer dan de afwezigheid zijner dochter kwelt hem het gedrag zijns zoons. De jonge Grimoald toch was in vele opzichten het tegenbeeld zijns vaders; was Pepijn bij al zijne verdiensten, ook in de dagen dat hij zijns konings rijkste gunst genoot, nederig en vroom

ocr page 54

MAAGDEPALMEN.

van harte, zijn zoon daarentegen toonde zich al vroeg trotsch en heerschzuchtig. Was het Pepijns hoogste eerzucht zijn koning trouw te dienen, Grimoald zocht slechts eigen voordeel en eigen grootheid. Zelden vertoonde hij zich in het ouderlijk huis, daar hij er steeds op uit was door allerlei kuiperijen zijne eerzuchtige oogmerken na te jagen. Het was des hofmeiers schoonste droom geweest, dat zijn eenige zoon in 's vaders voetstappen zou treden en met eere den staf van het majoraat zou zwaaien, doch bij de hoedanigheden, die Grimoald aan den dag legde, kon de grijze Pepijn slechts met bekommering de toekomst tegemoetzien.

Over dit alles denkt de hofmeier na, nu hij op het leger van smarten ligt uitgestrekt, en niet minder kwelt hem ook de gedachte aan de toekomst zijner Gertrudis. Zoo gaarne had hij gezien dat zij evenals hare zuster in een liefhebbend echtgenoot een steunen levensgezel had gevonden. Hij had gemeend haar zulk een beschermer te kunnen verschaften in den edelen Egbert, den gunsteling van koning Dagobert; maar de jonkvrouw had hem afgewezen. Haar antwoord op den vereerenden voorslag des konings had groot opzien gebaard; de meesten beschouwden haar besluit als eene jonge-meisjesgril, sommigen zagen er eene rechtstreeksche belee-diging des konings in. Schoon Egbert zelf, neergeslagen door de besliste weigering van het meisje, zich bescheiden terugtrok en zich niet meer aan het hof liet zien, gaf koning Dagobert het pleit nog zoo spoedig niet gewonnen en hield niet op zijn invloed ter gunste van den jonkman bij Pepijn aan te wenden, en deze meende ten slotte in het belang van zijn kind zelfs zekeren dwang te mogen aanwenden.

Maar vooral van Grimoald had de arme Gertrudis te lijden; deze zag in de voorgeslagen echtverbintenis een groote schrede tot verheffing en verrijking der familie, waarvan hij na Pepijns dood het hoofd zou zijn, en hij kon niet dulden dat zijne eerzuchtige plannen door de hersenschim van een eigenzinnig meisje gedwarsboomd werden.

Hij liet geene poging onbeproefd om het huwelijk zijner zuster door te drijven, terwijl Pepijn er op aandrong om haar een beschermer te verschaften, die haar later, als de vader er niet meer wezen zou, tegen de aanmatiging van den broeder beschermen kon. De dwang, die aldus op de zwakke, maar vastberaden Gertrudis werd

42

ocr page 55

MAAGDEPALMEN.

uitgeoefend, werd zoo kwellend voor haar, dat hare moedei het geraden oordeelde haar voor een tijd uit het ouderlijke huis te verwijderen. Heimelijk vertoefde nu de jonkvrouw in Franconië over den Rijn, bij een priester, die met hare familie bevriend was, tot eindelijk hare moeder haar terugriep.

Van het oorlogsveld was namelijk de tijding gekomen dat de dappere Egbert in den strijd tegen de woeste Friezen gebleven was; niets meer van het leven hopende, had hij om zoo te spreken den dood gezocht en daardoor Gertrudis van eene ondraaglijke kwelling bevrijd. Zij keerde in het huis harer ouders terug, doch sprak vooreerst niet meer van haai- voornemen, zich geheel aan den dienst des Heeren te wijden. Haar vader was namelijk inmiddels ziek geworden en voor het oogenblik scheen zij aan niets te denken dan den grijsaard de weinige levensjaren, die hem wellicht nog zouden overblijven, te veraangenamen en zijne smarten te lenigen. Zij verpleegde hem met al de teederheid eener dochter en met al de toewijding eener liefdezuster.

Thans heeft de zieke een weinig rust genoten en gevoelt hij zich eenigszins gesterkt; daarom zijn Iduburga en Gertrudis hem komen gezelschap houden en het hindert hem zelfs niet dat zijne dochter, die altijd kinderen om zich heen schijnt te moeten hebben, om ze te onderrichten en aangenaam bezig te houden, de kleine Wilfetrudis, het dochtertje van Grimoald heeft meegebracht. Al keuvelend weet de jonkvrouw de dartele kleine ook in het stille ziekvertrek te vermaken en hare jeugdige luidruchtigheid in de perken te houden; zij bezit die zeldzame gave om zich klein te maken met de kleinen, dien onmisbaren tact, welke alleen den opvoeder en den onderwijzer maakt en uit geen boeken te leeren valt.

Pepijns oog rust met welgevallen op dat aantrekkelijk schouwspel en van uit het groote ledekant , welks zware hemel op breede, gebeeldhouwde kolommen rust, volgt hij al de bewegingen van het spelende kind. Dit gezicht doet hem denken aan den tijd, toen Gertrudis en Begga nog als kinderen door het huis dartelden en geen bekommeringen voor de toekomst nog zijn vaderhart verontrustten. Als vanzelf brengt die gedachte hem zijne oudste dochter te binnen, welke op hare beurt reeds moeder is van een zoon, die den naam zijns grootvaders draagt.

„Gertrudis,quot; zegt hij opeens.

43

ocr page 56

MAAGDIOl'ALMKN.

„Wat verlangt gij, vader?quot; herneemt de jonkvrouw, met het kleine meisje aan de hand op de legerstede toetredend, terwijl ook Iduburga belangstellend de oogen opslaat.

„Het is nu reeds verscheidene maanden geleden,quot; ging de zieke voort, „dat ik Begga en Ansegisus gezien heb. Ik zelf zal wel niet meer te Chèvremont komen, dat voel ik----quot;

„Vader, zeg dat niet,quot; viel hem zijne dochter in de rede, bevreesd dat hij het geduchte woord sterven zou uitspreken, en een zijde-lingschen blik werpende op hare moeder, wie de tranen reeds in de oogen schoten bij de gedachte dat haar gemaal haar wellicht spoedig voor altijd zou verlaten.

„Ik weet, dat ik u ga bedroeven,quot; ging Pepijn voort, met de eene hand die zijner echtgenoote en met de andere die zijner dochter grijpende, „maar ik mag het u niet langer verbergen. Ik voel dat mijne aardsche loopbaan ten einde spoedt; zij is mij vaak hard en moeilijk gevallen, maar ik heb ze volgens plicht en eer bewandeld en God heeft mij daarvoor door Zijn rijksten zegen beloond. Ik ga sterven,quot; vervolgde hij, door het luid gesnik zijner echtgenoote on-broken; „ik ga sterven en ik dank God dat ik den dood zonder vreeze kan te gemoet zien; voor mij zeiven verwelkom ik hem als een verlosser uit mijne ellende en alleen de gedachte aan u zal mij het scheiden uit dit leven verbitteren. Ja, dit scheiden zal mij zwaar vallen,quot; voegde hij er bij en thans schoot ook zijn gemoed vol; zijne tranen vermengden zich met die, welke zijne beminde Iduburga en Gertrudis, over zijn sponde gebogen, op zijn gelaat deden druppelen.

„En toch,quot; ging hij voort, „verlang ik als mijn laatsten troost hier op aarde, van allen, die mij dierbaar zijn, afscheid te nemen. Vóór ik henenga wensch ik nog eenmaal mijne Begga te zien met haar echtgenoot en haar kind. Ook mijne zuster Amelberga en haar gemaal wil ik voor het laatst vaarwel zeggen, en als mijne ziel deze aarde gaat verlaten, dan wensch ik dat mijn dierbare vriend Aman-dus de gebeden der stervenden over mij uitspreke en mij de oogen toedrukke____quot;

Beide vrouwen snikten en bedekten het gelaat met de handen.

„Gertrudis,quot; ging de zieke voort, „belooft gij mij, zorg te dragen dat de laatste wensch uws vaders vervuld worde ?quot; —

Be jonkvrouw antwoordde met een zwijgenden hoofdknik.

44

ocr page 57

MAAGDEPALMEM.

„Schrijf hedenavond nog aan al onze verwanten en ]aat morgen omniddelijk de boden afreizen; want ik voel dat mij nog slechts weinige dagen overblijven. God geve dat allen nog intijds komen om mijn laatsten zucht op te vangen.quot;

„Is het dan reeds zoover gekomen?quot; snikte Iduburga.

„Bedenk dat de reis vele dagen zal vorderen,quot; hernam de zieke half ter geruststelling der bedroefde vrouw', „en dat bijvoorbeeld de bejaarde Amelberga ze slechts langzaam zal kunnen maken. Bedenk ook dat het groote moeite kan kosten bisschop Amandus te vinden. Wie kan zeggen te midden van welke woeste heidenen hij op het oogenblik bezig is de boodschap des heils te verkondigen? Hebben wij niet uit zijn laatsten brief gelezen dat hij maar ternauwernood aan den dood ontkomen was, daar de barbaren in de omstreken van Gent hem wilden verdrinken? Wie weet of onze boden hem zullen kunnen opsporen, of het hem wel mogelijk is op mijne roepstem te komen toesnellen. God geve dat mijne bekommering ijdel blijke', want het zou mij zwaar vallen te sterven, als hij mij niet in den doodstrijd bijstond....quot;

De zieke liet het moede hoofd in de peluw zinken; zijne echtgenoote en dochter weenden in stilte en eerst na eenige oogenblikken had Gertrudis de kracht om tot troost harer moeder op te merken dat het weerzien zijner dierbare betrekkingen den grijsaard wellicht tot verkwikking en herstel kon strekken.

Den volgenden dag trokken links en rechts de boden uit om aan de betrekkingen van den ouden majordomus diens ziekte te melden en tevens zijn verlangen om, vóór hij uit dit leven scheiden mocht, hun voor het laatst de hand tot afscheid te drukken. En vóór men dit op den burcht te Landen nog had durven verwachten, kwam Begga reeds aangesneld, vreezende dat zij wellicht te laat mocht komen om den laatsten zucht haars stervenden vaders op te vangen. In hare overijling had zij zich zelfs den tijd niet gegund den terugkeer van haar afwezigen gemaal af te wachten en ze had hare beide kinderen, haar eigen en haar aangenomen zoon, medegebracht, opdat de grijze Pepijn zijn kleinkind vóór zijn dood nog zegenen zou.

Gelukkig bleek hare haast overbodig; de zieke was den dood niet zoo nabij als de beminnende dochter gevreesd had, en gelijk Gertrudis had voorspeld, schonk het weerzien van zijn kind hem eene buitengewone opbeuring. Het was een verkwikkende troost voor

45

ocr page 58

MAAGDEPALMEN.

den grijsaard, de jonge moeder met hare kinderen, allen blakend van gezondheid, aan zijne sponde te zien, en het was ot de onde vroolijke gezelligheid weer in het uitgestorven huis was ■ teruggekeerd, nu Begga was weergekomen.

Met belangstelling vroeg Pepijn haar naar haar gemaal en de jonge vrouw was onuitputtelijk in loftuitingen over haar Ansegisus, die haar tot de gelukkigste der echtgenooten maakte.

„En bisschop Arnulf?quot; vroeg Pepijn.

„Die heeft ons helaas verlaten,quot; antwoordde Begga; „gij weet hoe hij op zijn dringend smeeken van zijn bediening als koninklijk raadsheer ontheven werd; welnu, thans heeft hij ook vei zocht, van den last des kromstafs ontslagen te worden en zijne bisschop-lijke waardigheid nedergelegd, ten einde zich, op het voorbeeld dei heilige kluizenaars, in de eenzaamheid alleen aan de volmaking zijner ziel en aan den omgang met God te wijden. Ver in de wildernis der Vogeezen, in de nabijheid van Kemiremont, heeft hij zich eene kluis doen bouwen, waar hij zijne laatste levensdagen geheel in het gebed en vrome bespiegeling wil slijten.quot;

„Dus heeft de heilige man van al zijne goederen afstand gedaan?quot; vroeg Pepijn.

„Alles heeft hij aan de armen geschonken,quot; hernam Begga, „maar

daarom nog niet willekeurig over ons erfdeel beschikt. Toen het plan bij hem tot rijpheid gekomen was, om de armoede desEvangelies te omhelzen, raadpleegde hij eerst zijn beide zonen, of zij er in toestemden dat hij al zijn goederen aan de armen zou uitdeelen. Cleo-dulf verlangde zijn erfdeel, maar Ansegisus deed er, na mijn gevoelen gevraagd te hebben, gaarne afstand van, en verklaarde in alles zijn

vader te willen gehoorzamen.'quot;

„Dat is schoon,quot; ■ sprak Pepijn, aan zijn eigen zoon Grimoald

denkende.

„En dat besluit behoeft ons waarlijk niet te berouwen,quot; ging Begga voort, „want het heeft ons kind den zegen verschaft van een heilige. Vader Arnulf bedankte Ansegisus voor zijne gehoorzaamheid en voorspelde hem dat hij van God oneindig meer ontvangen zou, dan hij thans bereid was te verliezen, hij zegende hem, en daarop de handen over ons kind uitstrekkende, sprak hij: Dit kind zal groot worden voor God en de menschen, en koningen en keizers zullen zich beroemen zijne nakomelingen te zijn.quot;

46

ocr page 59

MAAGDEPALMEN.

Pepijns oogen straalden van genoegen op het hooren dier zegenbede, door een zoo eerbiedwaardigen mond over zijn kleinzoon en naamgenoot uitgesproken, en zijne stramme handen trokken het spelende kind tot zich. Ook de oude Iduburga streelde het aanvallige jongske en Begga drukte het in moederlijke vervoering een kus op het blonde hoofdje.

De kleine begreep niet, waaraan hij die plotselinge uitbarsting van teederheid moest toeschrijven en trachtte zich zachtjes aan de liefkoozingen te onttrekken om weder met zijn broertje te spelen. Maar deze stiet hem ruw van zich af en in de kleine donkere oogjes straalde blijkbaar het vuur van den nijd, die ook op het verbleekend aangezichtje te lezen stond.

De vrouwen zagen dit tooneeltje verwonderd aan en Pepijn lachte om de toornige gebaren van den kleinen deugniet.

„Foei! zijt ge weer jaloersch, Gonduinus?quot; zei de jonge moeder bestraffend, den kleine met gefronste wenkbrauwen aanziende, en zich daarop weer tot de overigen wendende, ging ze op fluisterenden toon voort:

„Het is ongelooflijk hoe jaloersch hij is, schoon wij hem in alles op denzelfden voet als Pepijn behandelen. Zoo klein als hij is, merkt hij alles op, en Ansegisus vermaakt zich niet zelden met de scherpzinnigheid, waarmee hij nagaat of zijn broertje ook in iets boven hem bevoorrecht wordt.quot;

„Dat is geen trek, om zich mee te vermaken,quot; sprak Iduburga ernstig. „Die jaloerschheid moet ge met zorg tegengaan, wilt ge niet dat ze in nijd en wangunst zal ontaarden.quot;

„Niet ten onrechte,quot; hernam Begga, „zei bisschop Arnulfopmijn bruiloft, dat het geene geringe zaak is, het kind eens anderen tot zich te nemen, en dikwijls herinner ik mij met bezorgdheid het bange voorgevoel, dat mij op mijn huwelijksdag beklemde, als zou deze vondeling mij geen geluk aanbrengen. Doch dan beschuldig ik mij weer van onbillijkheid; het arme schaap is toch waarlijk beklagenswaardig genoeg, zoodat ik ten minste hem geen onrecht mag aandoen. Neen, hij zal zijne moeder geen verdriet berokkenen, niet waar, Gonduinus?quot;

Dit zeggende drukte zij den vondeling een kus op de lippen, even hartelijk als toen zij haar eigen kind omhelsde, maar terwijl Pepijn de liefkoozingen zijner moeder met kinderlijke teederheid beant-

47

ocr page 60

M A AGDEP A.LMEN.

woord had, zag' de kleine Gronduinus liciiir mGt eon sombGrGn, WtUi-trouwigen blik aan, die Iduburga niet ontging, zoodat de oude vronw bekommerd het hoofd schudde.

Deze en dergelijke gesprekken verschaften den kasteelbewoners eene ongewone afleiding; de jonge moeder met hare beide kinderen bracht in den ouden burcht eene levendigheid weer, die daai sinds jaren onbekend was en op den zieke een opbeurenden invloed uitoefende. Toch voelde Pepijn dat het weldra met hem gedaan zou zijn en reikhalzend zag hij naar de komst zijner verdere verwanten uit. Eindelijk verscheen zijne zuster Amelberga, met haar gemaal, graaf Witger, die te Halle aan de Dender woonden en sedert Begga's bruiloft Pepijns familie niet meer hadden gezien. Beiden toch waren evenals de majordomus en zijne gemalin reeds op jaren en wijdden zich geheel aan hun gezin. Hun wederzien deed niet alleen den zieke goed, maar was ook voor de overige huisgenooten een waar genoegen en Gertrudis vroeg al aanstonds met belangstelling naar haar petekind, hare beminde Gudula.

„Gudula laat hare lieve meter hare minzaamste en eerbiedigste groete overbrengen,quot; sprak Amelberga. „Gaarne had zij mij hierheen vergezeld, evenals hare zuster Reinildis, want beiden herinneren zich nog met genoegen de blijde dagen, hier bij gelegenheid van Begga's bruiloft doorgebracht; maar zij vreesden moeie Iduburga in deze treurige omstandigheden te grooten overlast te veroorzaken. Gij zoudt ze niet herkennen; ze zijn bijna volwassen jonkvrouwen geworden, en,quot; voegde zij er bij, zich tot Iduburga wendende, „mijne Gudula is het evenbeeld uwer Gertrudis: men zou ze voor zusters houden.quot;

Inderdaad waren de beide maagden twee zusters naar den geest, schoon in karakter verscheiden en met verschillende gaven toegerust. Eenmaal zouden zij die gaven, in zusterlijke samenwerking, op het zegenrijkst tot heil der toenmalige maatschappij ontwikkelen. Daartoe was het echter noodig dat Gertrudis, van alle beslommeringen der aarde vrij, zich geheel aan den dienst des Heeren kon wijden, en op het oogenblik eischte de verpleging haars vaders nog al hare zorgen. Het bleek weldra dat diens voorgevoel hem niet bedrogen had en de dood met rassche schreden naderde. De zieke verviel met den dag en nog altijd wachtte men vergeefs op de komst van Amandus, die, naar het vurig verlangen des stervenden, diens oogen moest toedrukken.

48

ocr page 61

MAAGDEPALMEN.

De zieke was thans reeds te zwak geworden dan dat hij zijne beminde betrekkingen voortdurend om zich kon hebben; alleen Ger-trudis week niet van zijne sponde, altijd gereed hem op zijne wenken te bedienen en zijne minste wenschen te voorkomen. De overige huisgenooten hielden zich in de aangrenzende zaal op, die slechts door een hangtapijt van het ziekvertrek gescheiden was. Om den slaap van den zieke, die eenige uren rust genoot, niet te storen, voerden zij slechts een fluisterend gesprek.

„Sinds lang heeft mijn gemaal niet zoo lang en kalm gerust,quot; zeide Iduburga. „Gave God dat die slaap het teeken eener spoedige beterschap mocht zijn.quot;

„Slaap is altijd een goed teeken,quot; merkte Amelberga op om hare zuster moed te geven. „Zoodra een zieke rustig slaapt, zegt men, is hij half genezen.quot;

„Wat zegt de arts er van ?quot; vroeg graaf Witger.

„Hij schijnt dien vasten slaap geen goed teeken te achten,quot; hernam Iduburga ; „hij verwonderde er zich over en____quot;

Op dit oogenblik klonk een diepe zucht uit Pepijns slaapvertrek en allen leenden oplettend het oor. Hij was ontwaakt en aanstonds was Gertrudis opgestaan om, medelijdend over de legerstede gebogen, den zieke te vragen wat hij verlangde. De overigen volgden haar zachtjes en schaarden zich in stilte rondom het ledekant.

„Ik heb een verkwikkende rust genoten,quot; sprak Pepijn, „misschien de laatste vóór ik de eeuwige rust inga.quot; Hij richtte zich in het bed op, terwijl Itta hem een kussen in den rug zette. „Laat mij eens drinken, Gertrudis.quot;

Oogenblikkelijk schonk zij wat koelen wijn in eene zilveren drinkschaal en bood ze haar vader aan, die er eenige teugen uit nam en ze daarop teruggaf.

„Is heer Amandus nog niet aangekomen?quot; vroeg hij.

„Een renbode heeft het bericht gebracht dat hij in aantocht is,quot; antwoordde zijne gemalin. „Wij verwachten hem elk oogenblik.quot;

„Ik vrees niet dat hij niet komen zal, maar dat hij komen zal als het te laat is,quot; hernam de kranke met een pijnlijken glimlach.

„Gij hebt immers rust genoten, ge gevoelt u beter?quot;

„Ja, werkelijk beter en toch____ik gevoel dat ik sterven ga.quot;

Hier barstte Begga in tranen los, wierp zich voor de legerstede haars vaders neer en riep, terwijl zij het hoofd aan zijne borst verborg:

4

49

ocr page 62

MAAGDEPALMEN.

„Neen, vader, niet sterven!quot;

De overige vrouwen staarden dit tooneel in stomme smart aan en graaf Witger wendde het hoofd af, om de tranen te veibeigen, die hem uit de oogen welden. Alleen Grimoald, Pepijns zoon, scheen onbewogen en staarde in somber gepeins op den staf van het majoraat, die door de hertogswrong bekroond, boven het hoofd des kranken in den achterwand der vorstelijke legerstede gebeiteld was: hij dacht waarschijnlijk hoe hij dien staf zou zwaaien, als de dood dien zijn vader uit de hand had gerukt.

Pepijn weerde de schreiende Begga zacht van zich af en wees haar op het groote kruisbeeld, dat vlak tegenover den zieke tegen den wand van het ledekant was aangebracht. Het was een waar kunststuk uit dien tijd: een houten kruis, overtrokken met lijnwaad, waarop een grond van gips gelegd was. Daarop was in gioote afmetingen de gekruisigde Verlosser geschilderd, aan de vier hoeken door de zinnebeelden der vier Evangelisten omgeven; teekening en drapeering deden het kennen als een voortbrengsel der Byzantijnsche school en vooral de uitdrukking van het hangende hoofd des Lijders mocht treffend schoon genoemd worden.

.,Mijn kind,quot; sprak Pepijn met zwakke, doch vaste stem, „aanschouw dien Man van smarten aan het schandhout des kruises. Wat is de smart der scheiding, die ons thans doet weenen, in vei-gelijking van wat onze Heer ter liefde van ons heeft \\ illen lijden. Bedenk ook dat onze scheiding niet voor altoos zal zijn en wij elkander zullen wederzien. Matig dan uwe droefheid: zulke onbeteugelde smart betaamt eener Christinne niet.quot;

Begga snikte echter nog luider; de jonge vrouw, de gelukkige echtgenoote en moeder had nog niet geleerd te lijden en zich te onderwerpen. Hare smart gaf zicli met geweld naar buiten lucht, terwijl die bij hare moeder en zuster meer in het binnenste des

gemoeds besloten bleef.

„Ik gevoel dat ik sterven ga,quot; ging Pepijn voort, „de hand zijnei gemalin in de zijne geklemd houdende, terwijl zij de andere voor de oogen hield, „en het smart mij niet. Het leven heeft my weinig meer dan kwellingen en zorgen opgeleverd; ik heb echter mijn plicht gedaan, Gode gegeven wat Gode en den koning wat den koning toekwam, en vertrouw daarom dat God mij mijne-zonden genadig vergeven en mij in zijn rijk opnemen moge. Het was mijn vurige

50

ocr page 63

MAAGDE PALMER.

wensch, dat Amandus, de vriend mijner jeugd en mijner rijpere jaren, de gebeden der stervenden over mij had uitgesproken. God heeft het echter anders gewild. Zijn naam zij gezegend. Eoep thans den slotkapelaan... quot;

Op dit oogenblik verkondigde echter de horen des torenwachters de aankomst van een bezoeker en binnen weinige oogenblikken lagen de beide boezemvrienden in elkanders armen.

„God lof, zoo is dan mijn vurige wensch vervuld,quot; sprak de zieke tot den bisschop, nadat de eerste vervoering van blijdschap voorbij was, „en ik heb u nog vóór mijn dood mogen aanschouwen. Heb dank, o God! voor die onverhoopte gunst. En thans, geliefde vriend, aanhoor de woorden, die ik vóór mijn verscheiden van deze wereld, nog tot mijne dierbare betrekkingen en tot u te spreken heb. — Mijn zoon,quot; ging hij voort, zich tot Grimoald wendende, „kom nader en geef acht op de vermaningen uws stervenden vaders. Gij zult mijn opvolger zijn; op u zal de staf overgaan, dien uw vader, hoe zwaar hij hem soms mocht vallen, steeds volgens eer en plicht heeft gevoerd. Beschouw hem niet als een ijdel eereteeken, nog minder als een werktuig der heerschzucht of een middel tot eigen verheffing en onderdrukking van anderen. Maar eerbiedig hem als het zinnebeeld der van God gegeven macht om in Zijnen naam en dien des konings, zijn gezalfden plaatsvervanger, recht te doen zonder onderscheid des persoons, de zaken des lands volgens het belang der onderdanen te bestieren, onrecht en geweld te beletten en alom het goede te bevorderen. Laat u door heerschzucht noch eigenbaat verblinden en wijk van den weg der gerechtigheid niet af. Eerbiedig de wetten, die ik op last van koning Dagobert heb verzameld voor de nakomelingschap. Wees de beschermer van weduwen en weezen, de vader der armen en duld niet dat hun onrecht gedaan worde door machtigen en grooten, al ware het de koning zelf. Schroom niet hem de wetten des lands voor oogen te houden, als hij die mocht overtreden, ook al zou het u zijne gunst kosten. Want ik weet bij ondervinding dat de gunst der koningen ijdel en onbestendig is en niet in vergelijking kan komen bij de genade van den Koning der koningen, die de harten van vorsten en volken in de hand heeft. Aan mij hebt gij gezien hoe ondank en miskenning vaak het loon zijn van trouw en welgemeende raadgevingen, maar laat de kalmte in het uur mijns doodstrijds u ook leeren dat niets het scheiden uit

51

ocr page 64

MAAGDEPALMEK.

deze wereld zoo zeer verzoet als het bewustzijn der vervulling van

onzen plicht—quot;

Met kwalijk verborgen ongeduld hoorde Pepijns zoon al die vermaningen aan, terwijl hij aan de legerstede zijns vaders geknield lag. Deze ging intusschen voort:

„Mijn zoon, als ik zal heengegaan zijn, zult gij het hoofd wezen van ons huis. TJ zij de ouderdom uwer moeder, u inzonderheid de hoede uwer zuster Gertrudis aanbevolen. Wees haar een plaatsvervanger haars vaders en vergoed haar door uwe liefdeiijke beschei-ming het onrecht dat ik haar wellicht door te harden dwang heb aangedaan en waarvoor ik haar in dit plechtig um vei geving viaag. O, hadde ik voor haar, evenals voor Begga, een echtgenoot kunnen vinden, die haar tot steun en staf had kunnen strekken. Maar tot nog tos heeft niet één jonkman haar kunnen behagen, en weerloos moet ik haar achterlaten. Wees gij haar beschermer, Grimoald, en ook gij, vader Amandus, waak over mijn kind. Zoo Grimoald ooit zijn plicht als broeder vergeten en haar een bruidegom opdringen mocht, die niet de man harer keuze was, laat zij dan ten minste in u een toevlucht, een vader vinden. Gave God, dat gij, eerwaardige vriend, beter dan ik den hartewensch mijner Gertrudis vermocht te raden en haar een bruidegom verschaffen kondt, die harer waardig is----quot;

Hier viel Iduburga haar echtgenoot, die, door bange voorgevoelens beklemd, allengs een somberder toon aansloeg, met een afwijzend gebaar in de rede. Gertrudis bij de hand leidend trad zij op het leger des kranken toe en sprak op plechtigen toon:

„Mijn heer en gemaal, hoor mij. Gertrudis is reeds verloofd, zij heeft het u vroeger zelf bekend. Zij kan dus zonder hare gelofte te breken niemand anders dan haren Bruidegom toebehooren, en ik smeek u uit haren naam, ja uit naam van onzen Heer Jesus, die haar als Zijne bruid uit uwe hand opeischt, geef haar uwe vaderlijke toestemming.quot;

Pepijn zag zijne gemalin en de knielende Gertrudis aan, zuchtte en staarde eenige oogenblikken besluiteloos op het kruisbeeld: hij had voor zijne liefste dochter eene andere toekomst gedroomd.

„Ik zie, edele vriend,quot; sprak Amandus, „wat er omgaat in uwe ziel; gij hadt uwe Gertrudis eene schitterende plaats aan de zijde eens machtigen en rijken echtgenoots toegedacht. Maar op dit uui

52

ocr page 65

MAAGDEPALMES.

zal ik u wel niet behoeven te herinneren dat het geluk niet in de glorie der wereld te vinden is, maar in het volbrengen van datgene, waartoe de Heer ons roept. Ik heb het reeds op Begga's bruiloftsdag gezegd en herhaal het nog: Gertrudis heeft het beste deel verkozen. Dat dan de gedachte aan Gertrudis' levensgeluk u niet weerhoude, en zoo het u zeiven moeite kost de hoop op te geven, waarmee uw vaderhart zich had gevleid, welnu breng ze den Heer dan ten offer.quot;

Pepijn boog in berusting het hoofd.

„Het zij zoo,quot; sprak hij. „Al te lang heb ik Gertrudis'hartewensch gedwarsboomd en de roepstem des Heeren weerstaan; moge de vaderliefde, die mij verblindde,quot; mij tot verschooning strekken.quot;

„Dank, dank, mijn vader,quot; stamelde Gertrudis en bedekte de uitgeteerde hand des stervenden met kussen en tranen.

„Alzoo,quot; merkte Grimoald aarzelend op, „zal Gertrudis den sluier aannemen; mag ik vragen of zij tevens afstand doet van haar vaderlijk erfdeel ?quot;

Een half smartelijke, half verontwaardigde trek vertoonde zich op het gelaat des kranken, en met eene drift, die men van hem niet meer verwacht zou hebben, richtte hij zich in zijne legerstede op.

„Grimoald! Grimoald!quot; sprak hij. „Zijt gij dan nog altijd dezelfde ? Kan zelfs het sterfbed uws vaders u de gedachte aan de ijdele goederen dezer aarde niet uit het hart verbannen? Moet gij mijne laatste ure nog verbitteren door mij reeds het begin te doen aanschouwen van den strijd, die zoodra ik de oogen zal geloken hebben, ontstaan zal om hetgeen ik achterlaat? Wat zal er dan gebeuren, als ik ten grave gedaald ben! Grimoald, Grimoald! God weerstaat den trotsche en hebzuchtige, en mij dunkt, ik zie u reeds hier op aarde de straf dragen voor uw zelfzuchtig en eergierig streven....quot;

Uitgeput zonk de zieke in de armen van Amandus en Iduburga, die hem van weerszijden ondersteunden.

„Toorn niet, lieve vader,quot; sprak Gertrudis, zijne gebalde hand grijpend, die op hare aanraking onwillekeurig losliet, als bracht de stem zijner dochter den vergramden grijsaard onmiddellijk tot kalmte. „Toorn niet in deze ure. Ik zal Grimoald niets betwisten van hetgeen waarop hij aanspraak maakt. Ik verlang niets voor mij en behoud slechts den bruidschat, mij eenmaal door koning Dagobert geschonken en dien hij in zijne edelmoedigheid niet heeft willen terugnemen, al kon ik hem niet te wille zijn. De goo Strya ben ik

ocr page 66

MAAGDEPALMEN.

mijn goddelijken Bruidegom als bruidsgift verschuldigd en ze zal alleen te Zijner eere besteed worden—quot;

„Zwijg daarover, mijn kind,quot; sprak Pepijn, „wat gij na mijn dood den armen wilt wegschenken is uwe zaak, maar bij mijn leven zal ik u niet ten behoeve van een onwaardige te kort doen. Mijne beschikkingen omtrent uw erfdeel blijven onveranderd, en wee Gri-moald, zoo hij het waagt na mijn dood den laatsten wil zijns vaders te weerstreven.quot;

Grimoald wendde zich spijtig af, terwijl zijne zusters zich dichter om haar vader drongen. Toen hij zijne kalmte had teruggekregen, vatte Iduburga hem weer bij de hand.

„Ik dank u,quot; sprak zij, „dat gij eindelijk Gertrudis' wensch hebt vervuld, maar ik heb nog niet uitgesproken. Ook voor mij zelve vraag ik die toestemming, welke gij uwe dochter verleend hebt. Wanneer mijn beminde heer en gemaal mij naar den hemel mocht voorgaan, zal mijn leven hier op aarde slechts eene voorbereiding zijn om er hem spoedig te volgen.quot;

„Dierbare vrouw!quot; riep Pepijn uit en trok haar tot zich, om haar voor het laatst te omhelzen. De tranen der beide echtgenooten vermengden zich, terwijl de aanwezigen dit treffend tooneel met betraande oogen aanstaarden.

Daarop wierp Iduburga zich met Gertrudis aan de hand voor de voeten van bisschop Amandus.

„In uwe handen dan, eerwaarde vader in Christus,quot; sprak zij, „leg ik zoowel uit mijnen naam, als uit naam mijner dochter Gertrudis de plechtige gelofte af, dat wij tot onzen laatsten ademtocht aan onzen Heer Jesus alleen zullen toebehooren. En terwijl wij u voor het vervolg onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zweren, bidden wij u om uwen zegen tot bekrachtiging onzer gelofte.quot;

En de hand zegenend opheffend, sprak Amandus:

„De almogende God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, zegene uw beider voornemen en schenke u de genade het te Zijner eere te volvoeren.quot;

„Amen,quot; klonk het uit den mond der aanwezigen.

Vervolgens wenschte de zieke eenige oogenblikken met den bisschop alleen gelaten te worden, en toen daarna Amandus de betrekkingen des majordomus weer terugriep, opdat zij gezamenlijk met hem de gebeden der stervenden zouden bidden voor de ziel, die

54

ocr page 67

MAAGDEPALMEïT.

deze wereld ging verlaten, bracht Begga haar kleinen Pepijn mede, opdat hij deelachtig mocht worden aan den zegen, dien de stervende over zijn dierbaar kroost zou uitspreken. De grijsaard kuste het kind, dat de moeder tot hem ophief, strekte zegenend de handen over het blonde hoofdje uit en zeide:

„Een heilig man, bisschop Arnulf heeft u reeds voorspeld dat gij groot zult worden in de oogen van God en de menschen: in den geest zie ik die voorzegging reeds vervuld. In u zal het geslacht der Pepijns voortleven en aangroeien in heerlijkheid, om aan de aarde gerechte vorsten en den hemel nieuwe gelukzaligen te geven. God zegene u, mijn kind!quot;

Dit zeggende, kuste hij het nogmaals en gaf het daarop aan de moeder terug. ïhans legde de groote majordomus het moede hoofd neder, vestigde nog eenmaal den blik op het kruisbeeld, sloot toen de oogen en bisschop Amandus begon de gebeden der stervenden.' Aanvankelijk bewogen zich Pepijns lippen nog om op die gebeden te antwoorden, maar allengs nam zijne ademhaling af, zijne trekken verstijfden en namen ten slotte die hemelsche kalmte aan, welke het gelaat versiert der rechtvaardigen, die zacht in den Heer ontslapen zijn.

Pepijn van Landen was niet meer.

ocr page 68

Be^r.!»-^, m'Kv .'^saggt'^ yft'SL,—

VI.

je welwillende lezer volge mij in verbeelding naar de j stad Gertruidenberg, zooals die er uitzag in den tijd,

................................„I waarin de hier verhaalde gebeurtenissen plaats grepen.

Het was toen nog geene stad, zelfs geen dorp; het was slechts eene buurtschap of een gehucht, dat zijne Mj^'és3 opkomst dankte aan de door Gertrudis gestichte kerk, @|§) welke juist heden ingewijd en voor het christen volk ^l9 geopend zou worden. Na dit aangestipt te hebben, is het zeker overbodig te zeggen, hoe het plaatsje, welks bevolking voor een groot gedeelte uit arbeiders bestond, die de kerk gebouwd hadden, in later eeuwen aan den naam Geertruidenberg kwam. Thans heette het in brieven en officieele stukken nog Mons Lit-tor is, dat is Geverberg; maar werd in de wandeling Bergom genoemd.

Doch nemen wij het wat nauwkeuriger op. De pas voltooide kerk is een nederig langwerpig gebouwtje met twee buiten aangebouwde zijbeuken, waarboven het middelschip met zijne kleine raampjes uitkomt; ook in de wanden der zijbeuken zijn kleine vensters aangebracht, die in plaats van met glasruiten, met ruitvormig houten latwerk gesloten zijn. Indien iemand van ons dit gebouwtje gezien had, zou hij het bepaald voor eene nieuwe schuur, en zoo hij een Zeeuw was, voor eene meestoot' gehouden hebben; want daar had het veel van weg. Alleen het kruis op den geveltop en het klokhuis.

ocr page 69

MAAGDEPALMEN.

eene houten stelling naast den ingang, waarin de klok hing, deden het als kerkgebouw kennen, evenals het haphsferium of doophuis, dat er aan de andere zijde tegenaan gebouwd was.

Niet ver van de kerk verheft zich het woonhuis, dat Gertrudis zich hier heeft doen optrekken en waar zij zich zoo gaarne ophield, om in de nabijheid van haar geestelijken vader Amandus en de jeugdige Christenkudde te zijn, die zich door zijne ijverige prediking om de eenvoudige woning der vorstelijke jonkvrouw vormde. In het rond staan de loodsen, die tot berging der bouwstoffen en tot werkplaats der timmerlieden gediend hebben en nu door de van ver toegestroomde menigte tot nachtverblijf gebezigd zijn, benevens de houten woningen der arbeiders.

Ofschoon het nog vroeg is, is alles toch reeds op de been en de ruime plaats rondom de kerk wemelt van menschen, die op en neer wandelen, het gebouw in oogenschouw nemen en met elkander in druk gesprek gewikkeld zijn. Slechts weinig verschil in kleeding kan men hier waarnemen; de vrije mannen vertoonen zich allen in den sierlijken, tot de knieën reikenden, Frankischen lijfrok, en hunne vrouwen in het lange, om het bovenlijf nauwsluitend en aan den hals laag uitgesneden gewaad met korte mouwen. De lijfeigenen en dienstbaren dragen allen grove stoffen, die zij zeiven, hetzij van schapenvachten, hetzij van leder of geweven wol bereid hebben; het leelijkst zijn wel de grove lederen schoenen uit één stuk, die aan de voeten der armen allen vorm benemen. Sierlijk daarentegen omsluiten de hooge overhozen der aanzienlijken den voet en het been, en zijn met veelkleurige linten en banden omwonden.

Het hoofddeksel der vrouwen, de chufia of huif, van waaronder de blonde haren bij de gehuwden in lange vlechten, en bij de meisjes los op den rug neerhangen, geeft haar te gelijk een bevallig en waardig voorkomen.

Zoover men in het rond zien kan, bemerkt men overal goed bebouwde akkers, waartusschen zich hier en daar de schoone, uitgestrekte hoeven der aanzienlijke vrijen verheffen. Ook de houten, met stroo gedekte hutten der lijfeigenen krijgen een meer welvarend voorkomen; sommige prijken reeds met een schoorsteen, in plaats van de ronde opening in het dak, waardoor vroeger de rook zich een weg naar buiten moest banen. Het voorkomen van het landschap is in de laatste jaren aanmerkelijk veranderd. Sedert Amandus

57

ocr page 70

MAAGDEPALMEN.

hier het Evangelie gepredikt heeft, en ten gevolge van die prediking de ruwe heidenen in vrome, vredelievende Christenen herschapen zijn, schijnt in alles een andere geest gevaren.

Het Christendom heeft den vrije geleerd den lijfeigene als zijn gelijke voor God te beschouwen, en hij behandelt dezen nu als zoodanig; de lijfeigene daarentegen gevoelt zich mensch, hij werkt nu niet meer uit dwang, maar uit plichtbesef; de akkers worden beter bebouwd, de landbouwer plukt meer vruchten van zijnen arbeid en eene algemeene welvaart en tevredenheid wordt de grondslag en de hechte steun eener meer geregelde samenleving. Gelijk overal, vertoont zich ook hier het Christendom als de beschaver der volkeren en als de grondvester der welgeordende maatschappij.

Niet zonder vele moeiten en gevaren echter, niet dan met de grootste krachtsinspanning en den vurigsten ijver is het Amandus, mot behulp van Gertrudis, die hem op zijn apostolischen tocht gevolgd is, gelukt het zoo ver te brengen. Geen enkel zendeling vóór hem was er in geslaagd, dit hardnekkige volk voor het kruis te doen buigen; het was Amandus voorbehouden hier de banier des kruises te planten. — Amandus, die met zijn gloeienden ijver en alles trot-seerende onversaagdheid hier het onkruid des heidendoms uitroeide en den grond toebereidde, opdat Gertrudis er later met zorgvuldige hand de plant des Christendoms kon opkweeken, waartoe hij de zaden had uitgestrooid.

Tegen zijn wil had men den kluizenaar, die te Bourges gedurende vijftien jaren in eene eenzame cel van gerstebrood en water geleefd had, tot de bisschoppelijke waardigheid verheven; maar aldus tot opvolger der Apostelen verkoren, verlangde hij ook niets anders dan op het voetspoor der Apostelen de blijde boodschap te brengen aan de volken, die nog in de schaduwen des doods gezeten waren. Hij toog naar de Nederlanden, en wel naar die streken, waar de vroegere geloofspredikers het minst geslaagd waren, namelijk de omstreken van Gent, Zeeland en het westelijk gedeelte van Noord-Brabant. Vooraf had hij zich eene volmacht van koning Dagobert doen geven, opdat het ontzag voor den naam des vorsten ten minste een gedeelte der hinderpalen zou wegnemen, welke de hardnekkigheid der heidenen de geloofsprediking in den weg legde. Desniettemin had hij veel van hen te lijden; herhaalde malen werd hij met scheldwoorden bejegend, mishandeld, ja meermalen in de rivier geworpen.

5.8

ocr page 71

MA A SDEP AXMEN.

Zijne eigen volgelingen verlieten hem, daar hij hun het onderhoud niet meer kon verschaffen. Hij zelf ging echter voort met prediken en leefde van het werk zijner handen.

Een merkwaardig voorval bewerkte eindelijk dat de bevolking gunstiger jegens hem gestemd werd. De moedige geloofsprediker bevond zich eens te Doornik op het oogenblik dat zekere graaf Dotto daar eene rechtzitting hield. Er werd een booswicht voor dezen gebracht, wiens dood door de geheele vergadering geëischt werd, en Dotto beval dat men hem onmiddellijk aan de galg zou hangen; doch thans trad Amandus voor en smeekte dat men den veroordeelde het leven zou schenken.

Al zijne pogingen waren echter vruchteloos, en nadat de schuldige eerst ter dood toe gegeeseld was, werd het vonnis aan hem voltrokken. Doch zoodra Dotto zich met zijn gevolg verwijderd had en de menigte uiteengegaan was, naderde Amandus de strafplaats. Naar allen schijn was de veroordeelde reeds bezweken, doch de heilige liet niettemin het lichaam van de galg nemen en in het huis dragen, waar hij verblijf hield. Daar knielde hij, naar de legende verhaalt, naast den ontzielde neer en bracht den ganschen nacht over in het gebed. Doch des anderen daags verzocht hij zijnen gezellen, hem water te brengen en dezen, meenende dat hij het lichaam wilde wasschen om het daarna te begraven, voldeden aan zijn verzoek. Toen zij echter in zijne kamer kwamen, zagen zij tot hunne verbazing dat de man, dien zij daar voor dood hadden achtergelaten, weer levend en welvarend was en met den bisschop sprak.

Wel droeg hij nog de litteekens der ontvangen wonden, maar die verdwenen zoodra Amandus hem gewasschen had.

Deze wondervolle gebeurtenis werd ruchtbaar niet alleen in de gansche streek, maar door het geheele land, en overal waar thans Amandus kwam, vielen de heidenen hem te voet om hem het doopsel te vragen. Bij geheele scharen stroomden zij thans toe om zijne prediking te aanhooren; met eigen hand vernielden zij hunne heiligdommen en afgodstempels, en in de plaats daarvan bouwde Amandus kerken en kloosters, daartoe in staat gesteld door de vrijgevigheid des konings en van andere godvruchtige personen.

Maar daarmede was de vurige geloofsijver van den onverschrokken kruisheld niet tevreden; hij haakte naar de martelkroon, en in de hoop die bij nog ruwer barbaren te verwerven, trok hij naar de

59

ocr page 72

MAAGDEPALMENT.

Slaven, een volk dat pas uit het Noorden gekomen, zich aan gene zijde van den Donan gevestigd had. Doch ziende dat zijne prediking bij hen in het geheel geen vrucht droeg en zijn arbeid en zweet in de Nederlanden beter besteed waren, keerde hij daarheen terug, en op zijn laatsten tocht was Gertrudis hem gevolgd.

Keeren wij na deze korte uitweiding naar Mons Littoris terug. Een lange stoet van edelen en aanzienlijken, allen van ver samengestroomd, verlaat de woning van Gertrudis, en richt zich langzaam en statig voorttredend, naar de kerk. Gertrudis, door eenige gezellinnen gevolgd, evenals zij in het geestelijke kleed gehuld, treedt achter hen voort. Dan volgt op eenigen afstand een twintigtal priesters, in plechtgewaad, met bisschop Amandus in hun midden, en van eene menigte koorknapen, met brandende fakkels in de hand, vergezeld. Vier van hen dragen op eene met rood fluweel bekleede baar de overblijfselen van den heilige, aan wien de nieuwe kerk zal toegewijd worden; terwijl de priesters in Amandus' onmiddellijke omgeving ieder de eene of andere bij de wijding benoodigde zaak, zooals het wijwatersvat, den wijkwast of het wierookvat, in de hand dragen.

Eindelijk is de stoet tot voor de deur der kerk genaderd; de edelen met Gertrudis blijven hier staan; doch de priesters trekken de kerk driemaal in statige processie en onder het zingen der bij eene kerkwijding gebruikelijke gezangen rond, terwijl de bisschop de wanden met wijwater besproeit. Daar zijn zij wederom aan den ingang genaderd; een der priesters klopt driemaal aan de deur, tot ze door een anderen priester die zich in de kerk bevindt, geopend wordt, en de geheele schaar treedt het heiligdom binnen, om tot de wijding van het inwendige over te gaan.

Bij de geheimzinnige ceremoniën, die nu plaats hebben, zooals het trekken van een kruis dwars door het gebouw en het schrijven van het Grieksch en Latijnsch alphabet op den vloer, mag het volk nog niet tegenwoordig zijn. Met zichtbaar ongeduld staan de edelen altijd nog voor de gesloten deur en het volk achter hen. Eindelijk wordt zij geopend en kan de stoet, door het volk gevolgd, binnentreden. Ook wij kunnen thans de kerk van binnen bezichtigen.

Ofschoon wij, kinderen der negentiende eeuw, de wanden vrij kaal, de steenen versierselen ruw en het schilderwerk onbeholpen vinden, is de kerk voor de eeuw, waarin zij werd opgetrokken, een

60

ocr page 73

MAAGDEPALMEN.

schoon gebouw. Terwijl anders het hout nog de gewone bouwstof is, is ze uit baksteen opgemetseld en behoeft niet onder te doen voor de St.-Thomaskerk te Utrecht, dien eersten christen tempel in Noord-Nederland, welken koning Dagobert heeft doen bouwen, maar die, helaas, steeds het mikpunt is van de aanvallen der heidensche Friezen.

Ook is de stichtster, Gertrudis, voor geene offers teruggedeinsd om het heiligdom des Heeren met passenden luister te omringen. De muurschilderingen van het ronde koor vertoonen afbeeldsels van de Heilige Maagd, den H. Joseph en de Apostelen Petrus en Paulus, terwijl aan het gewelf, op een hemelsblauwen, met zilveren sterren bezaaiden grond, de H. Drieëenheid is afgebeeld. God de Vader troont aan de linkerzijde en zwaait den wereldschepter. God de Zoon zetelt met de kruisbanier aan Zijne rechterhand en de Heilige Geest zweeft in de gedaante eener duif in hun midden.

De twee pijlers, welke den boog ondersteunen, die het sanctuarium van de overige ruimte scheidt, prijken met eene eigenaardige schildering; op beide is de ladder van Jacob afgebeeld; aan de eene zijde klimmen de engelen op , aan de andere zijde dalen zij af. Eene schoone gedachte inderdaad heeft hier den kunstenaar geleid: Hier is het hnis Gods en de ingang der hemelen; hier bieden de Engelen het gebed der menschen als zuiveren wierook den Allerhoogste aan en dalen met gunsten en genaden voor den mensch weder op aarde neder.

De somberheid, die in het gebouw heerscht, en die door de geringe grootte en het kleine aantal der vensters veroorzaakt wordt, werkt niet ongunstig op de genoemde schilderingen, wier ruwheid in het volle daglicht al te duidelijk in het oog zou vallen; daarenboven stemt ze tot stillen eerbied; het is alsof de wereld met haar hel zonnelicht en hare drukte en bedrijvigheid hier is buitengesloten, en de mensch hier in de onmiddellijke nabijheid is van zijn Opperheer.

Inmiddels heeft bisschop Amandus het altaar gewijd en daarin de reliquieën der heiligen neergelegd, onder wier voorbede hier het offer der Nieuwe Wet aan God zal worden opgedragen; het statig klokgelui verkondigt reeds dat de geheimzinnige, onbloedige offerande een aanvang zal nemen en uit de eerste christen kerk in Noord-Brabant rijst het gebed der geloovigen ten hemel!

Welk een mengeling van gevoelens overstelpt het hart der vrome

61

ocr page 74

MAAGDEPALMEN.

Gertrudis op dit plechtig uur, met zooveel godvruchtig verlangen door haar te gemoet gezien! Tranen van vreugde en dankbaarheid biggelen haar langs de wangen, terwijl zij in aanbidding voor den nederigen altaartroon haars hemelschen Bruidegoms verzonken ligt; en als van het altaar de roepstem klinkt: Sursum corcln, verheft uwe harten, dan mag zij in waarheid met de schare antwoorden: Ha-hemus ad Dominum; want hare ziel is der aarde ontzweefd om met de engelen te juichen in den hemel.

Het heilig misoffer is voltrokken en Gertrudis keert met haar gevolg van genoodigden naar hare woning terug om er de toegestroomde priesterschaar te ontvangen, maar nauwelijks heeft bisschop Amandus den voet over den drempel gezet, of reeds in de voorzaal ijlt zij hem te gemoet om haar vol gemoed uit te storten.

„Heb dank, mijn vader,quot; stamelde zij met betraande oogen, „voor deze gelukkige ure, die ik aan u verschuldigd ben.quot;

„Niet mij,quot; herneemt de prelaat, „maar Gode komt de dank toe voor hetgeen heden door Zijne vermogende hulp hier is tot stand gebracht. Moge Zijn zegen rusten op deze jonge christen gemeente, opdat zij groeien en bloeien moge tot in het verste nageslacht.quot;

„Gods zegen kan niet uitblijven, waar een zoo heilige mond dien afsmeekt; staat er niet geschreven, dat het gebed des rechtvaardigen de wolken doorboort? Voorzeker voegt het mij Gode in de eerste plaats mijn hartgrondigen dank te brengen; want zoo de Heer het huis niet bouwt, arbeiden de bouwlieden vergeefs. Maar daarom mag ik toch die bouwlieden niet vergeten en onder dezen komt het eerst aan u, vader, mijn dank toe voor den steun, mij door u zoo bereidvaardig geschonken. Zonder u, mijn vader, zou ik dit uur niet beleefd hebben. Wat zou er van mij geworden zijn, had ik u niet gehad in de droeve dagen na den dood van mijn heer vader? Hoe zou ik, zwakke maagd, hoe zou mijne grijze vrouw moeder den tegenstand van den machtigen Grimoald overwonnen en zijne booze plannen verijdeld hebben zonder u?...quot;

„Spreek niet van Grimoald,quot; viel haar de krachtige grijsaard in de rede en zijne stem trilde nog van verontwaardiging; „spreek niet van Grimoald, noch verbitter de zaligheid van dit oogenblik door zoo droeve herinneringen. Grimoald heeft den laatsten wil zijns stervenden vaders weerstaan; hij heeft onrecht gepleegd aan het ertdeel zijner moeder en zuster, wier bescherming hem was aanbevolen;

62

ocr page 75

MAAGDEPALMEN.

maar de vrucht der ongerechtigheid zal niet gedijen en de zegen zijns vaders zal hem ter vervloeking worden----quot;

„Herroep die woorden, mijn vader, bedenk dat Grimoald de broeder uwer Gertrudis, de zoon uws zaligen boezemvriends is. Moeder en ik hebben hem vergeven, bidden wij dat ook God hem vergeven en zijn hart ten goede neigen moge— Welke vreugde zou het moeder verschaft hebben,quot; liet zij er op volgen, „zoo zij heden in ons midden had kunnen zijn ! Ik herinner mij nog hare blijde voldoening toen het klooster te Nypels '), dat wij op uwe aansporing en onder uwe leiding gebouwd hadden, voltooid was en wij het met onze gezellinnen konden betrekken. O! dat was ook een zalige dag, toen moeder en ik beiden uit uwe hand den heiligen sluier ontvingen en wij bij eede beloofden in het vredig maagdenhuis ons alleen aan den dienst des Heeren te wijden. Met wat ijver aanvaardden wij de taak, ons door uw wijs beleid opgelegd, en onderwezen de doch-teren des volks in de vreeze des Heeren en in de kennis Zijner heilige wet—quot;

63

„Schoone taak inderdaad,quot; riep Amandus uit, „de kroon te zetten op het werk, waartoe wij, verkondigers des Evangelies, slechts de grondslagen kunnen leggen. Luttel vruchts toch zou onze arbeid en ons zweet opleveren, indien de zaden des Christendoms, door onze hand uitgestrooid, in vrome kloosterlingen en Godgewijde maagden geene voortdurende verzorgers en opkweekers vonden. Wij zijn de arbeiders, die den braak liggenden akker moeten omploegen en er het onkruid uitroeien; uwe taak daarentegen is die des hoveniers, welke de ontluikende planten besproeit en opkweekt, tot zij krachtige boomen zijn geworden, die niet voor den eersten stormwind bezwijken. Wat zou onze prediking baten, indien wij geen kerken en kloosters vestigden, die het middelpunt kunnen worden van nieuwe en aanwassende Christengemeenten? Daar blijft het woord der waarheid, dat anders verwaaien zou in den wind der dwaling, veilig bewaard; dag op dag wordt het der bevolking in leering en voorbeeld verkondigd; van de kloosters uit doordringt de geest des Christendoms allengs het geheele land om ten slotte als een zuurdeesem het ge-heele menschengeslacht te doortrekken en het aanschijn der aarde te vernieuwen. Zegenrijk vooral ook is de taak, die vrouwe Iduburga

^ Thans Nijvel of Nivelles.

ocr page 76

MAAGDEPALMEN.

en gij te Nypels op u genomen hebt; door de kinderen des volks, de dochteren van grooten en machtigen vooral, in de wetenschap der waarheid te onderwijzen, werkt ook gij als apostelen en geloofs-predikers en wordt deelachtig aan het loon, ons toegezegd in het woord: „Zij die anderen zullen onderwezen hebben, zullen blinken als sterren—quot;quot;

„Gij weet, mijn vader,quot; hernam Gertrudis, „met welke vreugde wij ons wijdden aan die grootsche taak. Slechts noode verliet ik dan ook het rustige Nypels; maar mijn geliefkoosd Geverberg riep mij; het was de bruidsgift, mij door koning Dagobert geschonken, opdat ik ze mijn bruidegom ten huwelijk zou aanbrengen; het voegde dat ik ze tot eene waardige offerande maakte voor den goddelijken Bruidegom mijner ziel, en daartoe behoorde ze allereerst van de smet der afgoderij gezuiverd te worden. Heden mag ik vertrouwen mij van die schuld gekweten te hebben, en aan u, mijn vader, heb ik het te danken, zoo het mij gelukt is in deze streken, welke nog kort geleden den duivel en zijn aanhang toebehoorden, den waren God een heiligdom te stichten. Door uwe hulp is mijn schoonste wensch, mijne duurste gelofte vervuld. Ö, mijn hart vloeit over van vreugde en dankbaarheid op dezen dag, waarnaar ik verlangd heb van het oogenblik dat de koning mij Mons Littoris tot bruidschat schonk; waarom ik gebeden heb terwijl ik verzuchtte in het land der ballingschap ; waarvoor ik heb gewerkt en gezwoegd, zoodra er mij de vrijheid toe gelaten werd. Wat zal ik, zwakke dienstmaagd, den Heer wedergeven voor alles wat Hij mij heeft geschonken? Voorwaar, groote dingen heeft Hij aan mij gedaan, en Zijn naam zij gezegend.quot;

„Wel moogt gij des Heeren naam zegenen, Gertrudis, om hetgeen Hij door uwen arm heeft gewrocht. Wat mij betreft, ik mag heden met Simeon uitroepen: Laat nu, Heer, uwen dienaar in vrede gaan! Niet dat ik Hem bidden zou mij af te roepen van mijne taak; ik verlang niets liever dan nog veel te arbeiden te Zijner glorie; maar hier toch is mijne taak afgedaan en ik zal dus oorlof van u moeten nemen, om elders mijn zweet te plengen ter bevruchting van den uitgestrekten wijngaard____quot;

„Gij gaat ons dus verlaten, mijn vader?quot;

„De Heer roept mij, mijn dochter. Vrees echter niet: ik zal u mijn trouwsten medehelper, den ijverigen en vromen Grimoald als

04

ocr page 77

MAAGDEPALMENquot;.

herder dezer kudde achterlanen. Hij is nog jong en krachtig en zal u van grooten dienst zijn. Ik echter denk morgen reeds te vertrekken....quot;

„En denkt gij nog te Nypels te komen, mijn vader?quot;

„Met Gods hulp, ja.quot;

„O verhaal dan mijne vrouw moeder van de heilige plechtigheid, die gij heden hier verricht hebt. Meld haar onze vreugde over die heilrijke bekroning van onzen arbeid en zeg haar hoe het ons leed deed, dat zij aan onze blijdschap geen deel kon hebben. Helaas, zij zal den nieuw gestichten tempel van Mons Littoris wel niet meer aanschouwen.quot;

„In waarheid, dat is wel te vreezen, haar hoogen leeftijd en den verren afstand in aanmerking genomen. Maar ongetwijfeld zal zij daarom niet minder onze vreugde deelen, als ik haar de blijde tijding brengen zal. Ook mijne zuster Nona, die ik met haar echtgenoot, graaf Odelard te Merebecchi') hoop aan te treffen, zal er zich voorzeker evenzeer over verblijden.quot;

„Wellicht voert uw tocht u ook nog in de nabijheid van Halle,quot; ging Gertrudis voort, „o vergeet dan niet ook mijn oom Witgeren mijne moei Amelberga te bezoeken en hun zoowel als mijnen nichten Gudula en Reinildis mijne groete over te brengen. Welk een verrassing zal het voor hen allen zijn, te vernemen dat in dezen uithoek der Christenheid, te midden der heidenen, een tempel des Heeren verrezen is!quot;

Een glans van vergenoegdheid straalde uit Gertrudis' oogen en een levendig rood overtoog hare wangen bij de gedachte hoe hare vrome vrienden juichen zouden in het welslagen van haar verheven arbeid, doch de uitdrukking der vreugde maakte plotseling voor die der bangste bekommering plaats. Terwijl zij nog sprak, was haar een bode genaderd, die haar, op de eene knie gezonken, een perkament overhandigde, waaraan een zwart zegel hing; het was het zegel der abdij van Nypels.

(35

Met bevende hand verscheurde de jonkvrouw het en ontvouwde den brief, dien zij in angstige spanning doorliep. Eene diepe bleekheid kwam over haar gelaat; in tranen uitbarstende, wierp zij zich op een bidstoel, die voor een groot kruisbeeld geplaatst was, en liet het hoofd in de handen zinken.

') Meerbeke.

ocr page 78

MAAGD BP ALMEN.

„Hoe, Gerti'udis, wat is dat?quot; riep Amandus verschrikt op haar toetredende.

„Lees gij zelf, mijn vader,quot; snikte de maagd en reikte hem het perkament over. Ook de grijsaard kon zijne ontroering niet bedwingen op het lezen der smartelijke tijding, die hun uit Nypels gebracht werd: de abdis Iduburga was in den Heer ontslapen en nu verzochten hare bedroefde gezellinnen dat Gertmdis, die van den aanvang af de eigenlijke stichtster der abdij geweest was, daar de plaats harer moeder mocht komen innemen.

Die slag trof te zwaar te midden harer vreugde, dan dat Gertrudis, hoe ook onderworpen aan Gods heiligen wil, niet in tranen ware uitgebarsten bij den plotselingen overgang van de zoetste blijdschap tot de diepste smart. Lang duurde het eer zij, onder de troostredenen van Amandus, in kalme berusting kon uitroepen:

„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen; Zijn naam zij gebenedijd.... Ook ik vertrek morgen van hier, mijn vader; wij reizen alzoo gezamenlijk af.quot;

66

ocr page 79

Jet liep tegen den avond en reeds daalde de schemering ll over de boschachtige heuvelen, welke de stad Nypels

......omringden. De onbestrate heirweg, welke daarheen

kronkelde en nu eens onder een dicht bladergewelf, dan weer te midden van bebouwde velden voortliep, was hier en daar geheel duister en volslagen eenzaam. ^i'^Eene diepe stilte heerschte in het rond, zoodat van verre ^l9 de klok der abdij, die tut de Vesperen klepte, hare liefelijke, zacht wegstervende tonen deed hooren.

Een dof hoefgetrappel vermengde zijn eentonig, rhythmisch ge-druisch met de zilveren klokketonen, en in de schemering onderscheidde men een gezelschap van vier personen te paard, die zich in lichten draf stadwaarts spoedden.

„Ik had gehoopt dat wij nog vóór de Vesperen te Nypels zouden zijn,quot; sprak een van het viertal, die blijkens den klank der stem een jong meisje moest zijn. „Maar daar klept de avondklok reeds.quot;

„Het is niets,quot; hernam een oud man, die naast haar reed; „zoo wij slechts vóór de duisternis binnen zijn, zullen we altijd nog tijdig genoeg komen. Ik twijfel niet of we zullen de vrome abdis, mijne waarde nicht, die God moge zegenen, van harte welkom zijn.quot;

„Daar vrees ik evenmin voor, vader, maar wellicht zullen wij de

ocr page 80

MAAGDEPALMEN.

goede kloosterzusters in ongelegenheid brengen door onze onverwachte komst, zoo laat in den avond.quot;

„Ik had inderdaad wel gedaan, een bode vooruit te zenden,quot; hernam de oude, „maar zóó zal de verrassing des te grooter zijn. Ik ben nieuwsgierig of Gertrudis haar ouden oom Witger nog herkent.quot;

„En hare kleine Gudula?quot; hernam deze, want zij was het, die in gezelschap van haar vader en door twee dienaars gevolgd, op weg was naar de abdij van Nypels, waar Gertrudis na den dood harer moeder abdisse was. „Zij placht mij als eene zuster lief te hebben,quot; ging zij voort; „welk eene verrassing zal het dus voor haar zijn, mijn besluit te vernemen!quot;

Deze woorden werden op blijden toon geuit; maar de grijsaard antwoordde er niet op en liet het hoofd peinzend op de borst zinken; blijkbaar deelde hij niet in de blijde stemming, die deze gedachte bij zijne dochter opwekte. Eene wijle reden zij zwijgend naast elkander voort.

De avond valt snel,quot; hetvatte eindelijk de grijze graaf Witger, „en onze paarden laten den kop hangen van vermoeienis. Het doet mij leed dat we ons onderweg zoolang opgehouden hebben met naar de praatjes van dien reizenden marskramer te luisteren.quot;

„Gij meent in ernst dat het maar looze geruchten zijn, vader?quot; vroeg Gudula.

„Ongetwijfeld! Hoe zou de abdij van Nypels door vijanden bedreigd worden, terwijl hare bewoonsters in het land slechts vrienden tellen! Wie zou de hand durven slaan aan het verblijf der vrome Gertrudis, die door al het volk als een heilige vereerd wordt!quot;

„Gij hebt recht, vader, maar de marskramer had toch te Nypels gehoord, dat er reeds gewapende benden in aantocht waren en dat men zich daarover in de stad ernstig bezorgd maakte.quot;

„Gewapende benden in aantocht tegen een nonnenklooster,quot; herhaalde de grijsaard ongeloovig. „Voorwaar, men zou wanen dat de heidensche Friezen weer een inval gedaan hadden en tot het hart des lands waren doorgedrongen.quot;

„Wat mij betreft, ik weet niet wat ik er van denken zal; de Hemel geve dat hier wezenlijk slechts looze geruchten in het spel zijn en dat wij Gertrudis en hare gezellinnen in den besten welstand mogen aantreffen. De laatste maal, dat wij tijding van de abdis ontvingen, was zij lijdend—quot;

68

ocr page 81

MAAG DEP.VLM ION.

„En geen wonder inderdaad bij zulk een oravattenden en ver-moeienden arbeid, die zelfs een krachtiger lichaam dan dat dei-tengere Gertrudis te zwaar zou vallen. Is het niet algemeen bekend dat haar tijd verdeeld is tusschen het gebed en de studie; dat vaak de dag haar niet lang genoeg is tot den arbeid en zij dien door nachtwaken poogt te verlengen; dat zij, zwakke jonkvrouw, de zorgen draagt van het geheele convent en niet moede wordt zelf het onderricht te geven, dat zij aan geen harer gezellinnen kan opdragen? Voegt men daar haar vasten en lijfkastijdingen bij, dan moet men zich veeleer verwonderen, dat het lichaam eener zwakke vrouw tegen zulke rustelooze vermoeienissen bestand is.quot;

„Zij moet wel veranderd zijn,quot; hernam Gudula. „Hoe verlang ik haar te zien! Maar wat hoor ik ?quot; —

Beiden hielden een oogenblik den teugel van hun paard in, om, naar een woest en verward hoefgetrappel te luisteren, dat plotseling uit de verte naderde. Het was eene kleine ruiterbende, die hen in wilde vaart kwam te gemoet rennen en binnen weinige oogenblikken op het viertal stiet.

„Heidaar! waar moet ge heen, oude grijskop?quot; vroeg een der ruiters, die blijkbaar hun aanvoerder was, op ruwen toon aan graaf Witger, terwijl hij dien in het schemerduister van het hoofd tot de voeten opnam.

„Dat zal ik u zeggen,quot; antwoordde de oude, terwijl hij zich met waardigheid in de stijgbeugels oprichtte, „zoodra gij mij zegt wat u het recht geeft mij dit te vragen en eerzame lieden zoo onbesuisd op het lijf te vallen.quot;

„Niet zooveel praatjes, oude,quot; zei de ruiter kortaf; „antwoord mij gauw en goed wie gij zijt en waar gij heen wilt, of ik zal u ergens brengen, waar men u wel tot spreken zal noodzaken.quot;

„Ei,quot; sprak de oude graaf, in wien het vuur der jongelingsjaren nog niet was uitgedoofd, „ik wenschte inderdaad wel te weten wie mij tegen mijn wil tot spreken zou dwingen.quot;

„Welnu, maak dan kennis met onzen hopman,quot; snauwde de ander. „Mannen, rekent dien dwarskop en zijn gevolg in!quot; riep hij zijn volgelingen toe.

„Bij St. Maarten! dat zullen we zien,quot; riep graaf quot;Witger uit en sloeg de hand aan zijn zwaard, terwijl zijne beide dienaars hem ter zijde sprongen.

69

ocr page 82

MAAGDEPALMEN.

„Hoort ge dat, mannen ?quot; riep de aanvoerder der bende, op den uitroep „St. Maartenquot; doelende, die de wapenkreet van Pepijn was. „Het is'een van des hofmeiers trawanten! voert hem mee.quot;

„Weg met den hofmeier! leve de koning!quot; schreeuwden de krijgsknechten en stortten zich op den grijsaard, die zich met zijne beide dienaars dapper te weer stelde. Van weerszijden vlogen de zwaarden uit de scheede en in het duister sloegen de vechtenden in het wilde op elkaar in. Schichtig sprongen de paarden op en van alle kanten renden de ruiters op het viertal aan. verwoed over een tegenstand, dien zij niet verwacht hadden.

Onmiddellijk hadden de graaf en zijne dienaars zich zoodanig geplaatst dat Gudula door hen gedekt was, terwijl zij ter verdere beschutting een zwaren boom achter zich had. Zij konden zich dus nog lang tegen hunne bespringers staande houden, maar het was toch te voorzien dat zij ten slotte het onderspit moesten delven. Wat vermochten drie mannen tegen een meer dan dubbele overmacht, die daarenboven uit krijgers in volle wapenrusting bestond ? Door het plotseling ontstaan van den strijd, had de opvlammende toorn van den grijsaard hem geen tijd gelaten bedaard de gevaarlijke kansen te overwegen, waaraan hij zich en vooral zijne Gudula blootstelde. Thans, in de hitte der worsteling, had hij evenmin den tijd zijne onvoorzichtigheid te berouwen, en de gedachte aan het meisje, dat bevend achter hem te paard zat, gaf aan zijne slagen een ongekende kracht. Als zijn zwaard op den strijdhoed van een der krijgers neerkwam, was dezen al spoedig de lust tot den aanval vergaan en hij deinsde onwillekeurig terug, doch helaas, om onmiddellijk door een makker vervangen te worden.

Op het oogenblik dat de strijd het hevigst was en de ruiters, door de moedige verdediging tot telkens vernieuwende woede geprikkeld, weder op de kleine phalanx invlogen, waar zij echter door verdubbelde slagen werden teruggeworpen, deed zich plotseling in de duisternis een hevig hoefgetrappel achter hen hooren en regende het slagen op hunne ruggen. Het was of eene geheele schaar van vijanden hun plotseling van achter op het lijf gevallen was, zoo kletterden de zwaarden der onzichtbare strijders op hunne kolders en strijdhoeden. Zij waren genoodzaakt zich om te wenden, maar daar de geheimzinnige bespringers gezworen schenen te hebben, zich geen woord of kreet te laten ontvallen, was liet den ruiters

70

ocr page 83

MAAGDEPALMES.

ondoenlijk in de duisternis vrienden van vijanden te onderscheiden. Het gevecht ontaardde in eene verwarde worsteling, waarbij alleen de graaf en zijn gevolg onwrikbaar pal bleven staan in de stelling, die zij van den beginne af hadden ingenomen. De overigen sprongen in het duister als duivels door elkander en verwijderden zich ongemerkt van het viertal, dat het eerste voorwerp van den aanval geweest was, maar nu gelegenheid kreeg om adem te scheppen.

Verschrikt door den onverhoedschen aanval in den rug en thans tusschen twee vuren gebracht, daar graaf Witger en zijne beide dienaren niet ophielden hen van achteren te bestoken, kozen de ruiters eindelijk het hazenpad, en thans stonden de reizigers in het duister tegenover de vreemdelingen, die hen op zoo geheimzinnige wijze hadden ontzet.

Graaf Witger en de zijnen wisten niet of zij met vrienden, dan wel met nieuwe vijanden te doen hadden; de geheele aanval, hét gevecht en het daarop gevolgde ontzet was zoo snel in zijn werk gegaan, het geheele avontuur was zoo onverwacht en de oude graaf was nog zoodanig onder den invloed der vreemde ontmoeting, dat hij een oogenblik noodig had om zijne gedachten te verzamelen en zich van de zonderlinge positie rekenschap te geven. Met de slip van zijn mantel wischte hij zich het zweet van het voorhoofd en trachtte tevergeefs de duisternis, die inmiddels volkomen was geworden, met de oogen te doorboren. Ook van den anderen kant werd nog steeds het stilzwijgen bewaard.

Daar brak op eens de maan door de wolken, die haar tot nog toe verscholen hadden gehouden, en bij haar helder schijnsel herkende de graaf thans drie ruiters, waarvan de voorste op een melkwit ros was gezeten en zich fier in den zadel oprichtte, terwijl hij bij wijze van groet lichtelijk met de hand wuifde. Die plotselinge verschijning had iets onverklaarbaar geheimzinnigs, dat de verwarring van den ouden man nog deed toenemen, en sprakeloos boog hij zich voor den onbekende, terwijl zijne gezellen zich eerbiedig op den achtergrond hielden en Gudula, nog bevend van den doorgestanen schrik, van onder haar sluier steelsgewijze naar den vreemden ruiter keek, wiens geweldig tweehandszwaard, dat in een bandelier aan zijne zijde hing, haar in het maanlicht tegenglinsterde.

Stuk voor stuk zijner metalen rusting werd allengs zichtbaar in het blauwe schijnsel der maan, dat elke gesp, elke spang, elk

71

ocr page 84

MAAGDEPALMEN.

onderdeel van den glimmenden maliënkolder of den ronden helm deed flikkeren. Maar het gelaat des krijgers bleef onkenbaar onder de schaduw van het neusstuk, een lange smalle, afhangende klep, van voren aan den helm aangebracht. Van onder dat masker kon hij intusschen straffeloos de reizigers begluren, en nu de maan op eens haar vollen zilvergloed op het gelaat der jonkvrouw wierp, ontsnapte den vreemden ruiter eene beweging van zichtbare verrassing.

„Gertrudis!quot; riep hij verbaasd en als tot zich zeiven uit, terwijl hij eerbiedig buigend eene schrede terugtrad.

„Gij bedriegt u, edele vreemdeling,quot; sprak thans graaf Witger, „zoo gij meent in deze jonkvrouw mijne waarde nicht Gertrudis te herkennen, schoon ik mij niet verwonder dat de gelijkenis u in het donker heeft misleid. Maar meen daarom niet dat uwe tijdige hulp minderen dank zal inoogsten; want de dienst, dien gij mijne dochter en mij daarmede bewezen hebt, zal door de vrome abdis evenzeer op prijs gesteld worden als wanneer die haar zelve gegolden had. Aanvaard in afwachting van haren dank, alvast den mijnen en dien mijner dochter,quot; ging hij voort, den vreemdeling de hand drukkend; „wie gij ook zijn moogt, gij hebt ons grootelijks verplicht en het zal mij een waar genoegen zijn, te eeniger tijd te toonen, dat graaf Witger niet licht een bewezen dienst vergeet. Daarom bid ik u ons uwen naam te noemen, opdat wij weten mogen wie onze schuldenaar is, en niet minder zoudt ge mii verplichten, zoo gij mij eenige opheldering kondt verschaffen omtrent de bende, die aldus op den openlijken heirweg rustige reizigers aanrandt; want in waarheid, deze zaak is mij zoo duister als dit verwenschte woud.quot;

„Hoe! gij zegt graaf Witger te zijn, de bloedverwant des hofmeiers, en gij weet niet welke storm in het land tegen hem is opgestoken?quot; hernam de onbekende.

„Gij doet mij ontstellen, vreemdeling,quot; sprak de graaf. „De geruchten zouden dus waarheid gesproken hebben! Ik kom met mijne dochter en mijne dienaren van Halle, waar wij afgezonderd van de wereld leven, zoodat het u niet verwonderen moet, indien ik onbekend ben met hetgeen hier omgaat____quot;

„En ge waart op weg naar de abdij van Nypels?quot;

„Om er mijne nicht, de abdis te bezoeken, die God in Zijne heilige hoede neme.quot;

ocr page 85

MAAODEPALMKN'.

„Wel moogt ge dus spreken; want booze dagen staan der abdij te wachten, en zoo ik niet op uw geroep van „St. Maarten!quot; ware toegeschoten, zoudt ge voorzeker het doel uwer reis slecht bereikt hebben. Gaan we thans stadswaarts,quot; voegde hij er bij, den teugel wendende.

„Maar bij St. Maarten!quot; riep de graaf uit, met zijn gezelschap en de ruiters voortrijdend, „wat heeft men dan tegen de abdij voor? Wat hebben de vrome kloostervrouwen misdreven?quot;

„De kloostervrouwen hebben niets misdreven, maar de goeden moeten met de boozen lijden. Gij weet hoe Grimoald, des konings hofmeier, zich door zijne heerschzucht en zijne knevelarijen gehaat heeft gemaakt?quot;

„Dat weet ik.quot;

„Hoe hij na den dood des konings, den jongen Dagobert II tot een speelbal zijner willekeur maakte en het geheele land deed bukken onder het ijzeren juk zijner dwingelandij?quot;

„Ik kan het, helaas, niet ontkennen, dat Grimoald door zijne gruwelen den naam mijns broeders schandvlekt, die met eere is ten grave gedaald.quot;

„Welnu, sedert eenigen tijd heette het dat de jonge koning gevaarlijk ziek lag en het leed niet lang of men meldde zijn vroegtijdigen dood, er bijvoegende dat Grimoalds zoon hem in het rijksgebied zou opvolgen, op grond eener verklaring des ouden konings, waarbij deze den kleinen Childebert tot zoon zou hebben aangenomen____quot;

„Dat alles weet ik,quot; viel Witger hem in de rede.

„Die tijding vond echter geen geloof onder 's konings trouwe vasallen, welke Grimoalds kuiperijen kenden. Zij staken de hoofden bijeen en men fluisterde dat Grimoald het koningskind uit den weg geruimd had, om er zijn eigen zoon voor in de plaats te stellen.quot;

„Wat zegt gij daar?quot; riep de grijsaard met verontwaardiging uit, terwijl hij den teugel van zijn paard inhield.

„Het is gebleken,quot; ging de onbekende bedaard voort, „dat Dagobert II niet gestorven is, maar dat Grimoald hem als een monnik de kruin heeft laten scheren en naar Ierland doen verschepen____quot;

„Vreemdeling, zeg mij uw naam, opdat ik wete of ik u gelooven moet,quot; riep Witger uit.

„Mijn naam doet aan de waarheid van hetgeen ik u zeg niets

r ------

ocr page 86

MAAGDEPALMEN.

af noch toe, en of gij mij al dan niet gelooven wilt staat u vrij,quot; sprak de onbekende kortaf.

„Ik geloof u,quot; hernam Witger, zijn geheimzinnigen tochtgenoot de hand toestekend. „Ga voort.quot;

„Die laatste tijding maakte de maat des misnoegens vol en honderden vasallen, de dwingelandij van Grimoald moede, zwoeren den jongen koning te wreken en den trouweloozen paleismeester te tuchtigen. Van alle kanten ging de kreet op: „Weg met den hofmeier! leve de koning!quot; Nog meer: Dagoberts oom Clovis, die in Neustrië als koning gebied voert, kon de mishandeling van zijns broeders zoon niet aanzien en bracht tegen Grimoald en zijn aanhang een leger te velde, dat niet rusten zal voor Grimoald getuchtigd

en de jonge Dagobert gewroken is____quot;

„Ha! nu begrijp ik waarom ge zeidet dat de goeden met de boezen lijden moeten. Voor Grimoalds misdrijven moet ook Ger-trudis boeten.quot;

„Zij is zijne zuster en de abdij is rijk: Grimoalds vijanden verzekeren dat de abdis haren broeder onderstand schenkt, anderen willen zelfs dat hij binnen de kloostermuren eene schuilplaats gezocht heeft. Arandaar dat de abdij sedert eenige dagen met wantrouwige oogen wordt aangezien, dat gewapende benden tegen haar in aantocht zijn en dat men nauwlettend bespiedt, wie er in- of uitgaat. Bedenk welk een argwaan het wekken moet, als men verneemt, dat gij, Gertrudis' en Grimoalds bloedverwant, naar de abdij komt. Toen ik u den kreet „St. Maartenquot; hoorde uiten en gij mij daarna uw naam noemdet, twijfelde ik niet of gij kwaamt ter hulp der kloostervrouwen toegesneld, daar ik luttel vermoeden kon dat u

niets van Gertrudis' gevaar bekend zou zijn____quot;

„Nogmaals dank, edele vreemdeling, voor uwe hulp en uwe inlichtingen. Wat ware mijn lot en dat mijner Gudula geweest, zoo wij in de handen dier bende gevallen waren! Ik ben u eeuwige erkentelijkheid schuldig; nog eens, zeg mij uw naam.quot;

„Ik heb geen naam,quot; hernam de onbekende somber, en schoon de duisternis den graaf toch belet zou hebben hem te herkennen, trok hij het neusstuk van den helm over het gelaat. „Hij, die eens mijn naam droeg, behoort tot de dooden,quot; ging hij voort. „Doch hier zijn wij de abdij genaderd; de kloostervrouwen zullen wel opschrikken bij zulk een laat bezoek, en dat in deze omstandigheden.quot;

74

ocr page 87

MAAGDEPALMEN.

Dit zeggende, trok hij zijn zwaard en deed het gevest driemaal krachtig op de zware eiken deur neerkomen. Het duurde lang eer zich in den loggen steenklomp, dien de uitgestrekte abdij in de duisternis vertoonde, eenig teeken van leven deed bespeuren. Eindelijk weerklonken voetstappen en het gerammel van sleutels in de stilte; er werd een luikje weggeschoven, dat eene getraliede opening in de deur bedekte, en uit die opening straalde thans een licht, dat de gestalten der late bezoekers spookachtig verlichtte en vlak op het gelaat der ontstelde Gudula viel.

De geheimzinnige geleider liet nogmaals den blik lang en belangstellend op de jonkvrouw rusten, en zich daarop tot de opening in de deur overbuigende, waaruit eene stem vroeg wie zoo laat nog toegang begeerde, zeide hij kortaf:

„De ruiter met het witte ros.quot;

Aan de beweging, die het licht maakte, was het te zien dat de persoon, die het droeg, het schijnsel beurtelings op de verschillende bezoekers liet vallen, om deze te herkennen, maar zoodra de ruiter de gemelde woorden gesproken had, werd de grendel aan de binnenzijde weggeschoven en ging de kloosterpoort wijd open.

De vreemdeling wendde zich reeds om en graaf Witger hield hem tegen om hem nogmaals zijn erkentelijkheid te betuigen, maar de geheimzinnige ruiter onttrok zich aan zijne dankbetuigingen en reed, na eene beweging der hand tot afscheid, in vollen draf weg, door zijne twee gezellen, die op eenigen afstand waren blijven staan, gevolgd.

Graaf Witger, zijne dochter en de beide dienstmannen reden, door den portier geleid, de gewelfde kloosterpoort binnen, stegen op het voorplein van hunne paarden, die zij aan de zorg van een toegeschoten stalknecht overlieten, en volgden hun geleider naar het spreekvertrek.

75

ocr page 88

e.e,eee»M*eee».e®ee*»e#;

1

esse • • • •• • »•#»gt;»• w •

ea«a»«ad*'9«9*«0ai»»«a»aaa«««a»aaiVe«0*'««*a»a»»«a»»««a»»9a*'«a»C»datf»»a»»aaafaa»a«a«9a

! e flikkerende vlam der koperen hanglamp wierp slechts 1 een flauw schijnsel door het vertrek der abdis van 5 Nypels, zoodat de gewelfde zoldering en de bijna naakte wanden in sombere schaduwen wegscholen. Maar op r^'t-yy dien donkeren achtergrond teekenden zich, door het '■ volle licht der lamp bestraald, een paar witte gestalten

(ü§) af, die men bij den eersten aanblik voor eene marme-• ais ren beeldengroep zou gehouden hebben.

De abdis, in het witte wollen kloosterkleed met lange, wijde mouwen en met de zwarte kap over het hoofd, zat in een eikenhouten zetel, welks hooge gebeeldhouwde rugleuning loodrecht omhoog rees, en op den lessenaar voor haar, die met den zetel verbonden was, lag een zwaar boekdeel, in houten, met koper versierden band, opgeslagen. Het was een der Grieksche kerkvaders, met zorg door de kunstrijke handen der kloosterzusters overgeschreven en met sierlijk gekleurde randen en vergulde beginletters opgeluisterd. Grillig kronkelden de roede, groene en gouden arabesken, in den glans van het lamplicht, over het blanke perkament, en verbraken de eentonige regelmaat van den gewijden tekst, als het beeld der poëtische schoonheden, tusschen die woorden van wijsheid uitgestrooid.

Ook het gelaat der abdis werd helder door de lamp beschenen; het was vermagerd en bleek van de studie en het nachtwaken en

ocr page 89

MAAGDEPALMEN.

had die doorschijnende fijnheid, welke men bij teringlijders waarneemt, terwijl in de diepe blauwe oogen die sterren schitterden, welke aan den hemel doen denken. Gertrudis zou dan ook niet lang op aarde vertoeven; maar in dien korten tijd de loopbaan van een lang leven voleinden. Wat had die tengere maagd, wier uitgeteerd lichaam als het ware verdween in de wijde plooien der kloosterpij, in haar kort bestaan reeds tot stand gebracht! Deze geheele abdij, een der brandpunten der christelijke beschaving in die dagen, was haar werk, en sinds zij er, op vier-en-twintigjarigen leeftijd, de waardigheid van abdis aanvaard had, was geheel westelijk Europa als bevolkt door de leerlingen, daar in hare school gevormd.

Van alle kanten kwamen zij toegestroomd, de koningsdochters en adellijke jonkvrouwen, om van Gertrudis' lippen lessen van wijsheid en wetenschap op te vangen; want gelijk de meeste vrouwenkloosters van dien tijd, was ook de abdij van Nypels tevens een opvoedingsgesticht, waar de dochters van de aanzienlijkste grooten des lands en zelfs uit het buitenland hare opleiding ontvingen. Die jeugdige abdisse mocht tot de geleerdste vrouwen van haar tijd gerekend worden; zij was doorkneed in de kennis van de H. Schrift, die der Grieksche en Latijnsche Vaderen, der klassieke dichters en geschiedschrijvers, kortom in de geheele toenmalige gewijde en ongewijde letterkunde.

Daar die boeken nog niet waren overgezet, las zij die in de oorspronkelijke talen, en zij stelde zich niet alleen tevreden met ze te bestudeeren en den inhoud ten behoeve van het onderricht harer leerlingen aan te wenden, maar onder hare leiding werden die boeken in de abdij door afschriften vermenigvuldigd, terwijl zij daarentegen bekwame en geleerde mannen uitzond, om allerwegen, zelfs te Eome en in de lersche kloosters, kostbare handschriften op te koopen, ten einde aldus den boekenschat van het convent uit te breiden.

Doch niet alleen de wetenschap, ook de kunst vond in Gertrudis eene ijverige beoefenaarster en beschermster; de handschriften, die te Nypels vervaardigd werden, waren vaak met meesterstukken van penteekening en miniatuurschilderwerk versierd, terwijl de vrome nonnen in het schilderen met de naaide, in kant- en borduurwerk, meestal voor kerkelijk gebruik, niet minder kunstvaardigheid aan den dag legden.

Behalve de uren, aan de studie, het gebed en het onderricht der

ocr page 90

MAAGDEPALMEN.

leerlingen besteed, was nog een groot gedeelte van Gertrudis' tijd aan eene omvangrijke briefwisseling gewijd, zoo met de ouders haiei kweekelingen als met beroemde en geleerde mannen ot viouwen gevoerd. Want de faam harer buitengewone gaven was tot over de grenzen des lands doorgedrongen en vorsten en koningen stelden ei prijs op, den raad der van God verlichte vrouw bij hunne ondernemingen in te winnen.

Onder zooveel beslommeringen en zorgen was de jonge abdis vóór den tijd verouderd, doch al scheen haar lichaam onder den last der vermoeienissen te bezwijken, haar geest behield al zijne frischheid, ja naarmate hare lichamelijke krachten gesloopt weiden, schenen de 'vei-mogens harer ziel dagelijks een hoogere vlucht te nemen, en ondanks het kwijnende van haar uiterlijk vertoonde haar gelaat de aanminnigheid eener onvergankelijke jeugd, terwijl het heilig vuur, dat in hare oogen schitterde, aan hare trekken eene uitdrukking van onbeschrijflijke bezieling gaf.

Tegenover Gertrudis zat eene veel jeugdiger zuster, nog bijna een kind in vergelijking der wijze abdis. liet was hare nicht quot;W ilfetrudis, de dochter van Grimoald, een der eerste jonkvrouwen, welke te Nypels hare opleiding had ontvangen en die er sedert eenigen tijd ook den sluier had aangenomen.

Zij zag tot Gertrudis op met den eerbied eener dochter en er blonken tranen in hare oogen, nu zij die tot de abdis ophief.

„Ween niet, mijn kind,quot; sprak Gertrudis, „maar bid voor uw heer vader, opdat de goede God den storm afwende, die tegen hem is opgestoken, maar vooral opdat Hij zijn hart ten goede neige. Het gebed eener dochter voor haar ongelukkigen vader kan de Heer niet verwerpen, en op uwe smeekbeden zal Hij Grimoald het gepleegde

onrecht vergeven.quot;

„En gij, eerwaarde moeder, kunt gij mijn armen vader vergeven wat hij u misdaan heeft, en de onheilen, die hij de abdij berokkent ? Want schoon gij het mij verbergen wilt, weet ik maai al te goed hoe het convent den terugslag ondervindt van hetgeen daarbuiten plaats heeft, hoe men in de abdis van Nypels slechts de zuster van den gehaten hofmeier ziet, hoe de edelen hunne dochters van hier terughalen en hoe anderen zelfs booze plannen smeden tegen haar, wie zij veeleer dank moesten weten voor het goede, dooi hunne kinderen hier genoten.quot;

78

ocr page 91

maagdepalmen.

„Het is waar dat sommigen de abdij kwaad willen om Grimoalds wil, maar dat zeg ik u, mijne dochter, dat ik minder in zorge ben om het convent, dan wel om uw armen vader. Voor ons vrees ik niets; wij zijn in Gods hand, en er zijn wel andere stormen over de abdij van Nypels heengegaan, die de Heer van Zijne dienaressen heeft weten af te wenden. Heugt u nog die overrompeling der heidensche barbaren, die in hunne woede het klooster met den grond dreigden gelijk te maken, zoodat ons niets dan de dood, ja nog erger voor oogen stond ? En hoe wonderbaar heeft de Heer Zijne zwakke bruiden weten te beveiligen! Heeft Hij ons niet, als de nood op het hoogst geklommen was, een onverwinbaren kampioen verwekt, die de vijanden van Zijn heiligen naam verstrooide en als de beschermengel van het convent telkens gereedstond, waar het klooster eenig gevaar dreigde?quot;

„De ruiter met het witte ros,quot; sprak Wilfetrudis in gedachten' verdiept tot zich zelve.

„Neen, Wilfetrudis,quot; ging de abdis voort, „voor het klooster vrees ik niets, doch wel voor uw ongelukkigen vader, en daarom zal ik niet ophouden voor hem te bidden; want zoo gij in hem uw vader vereert, ik heb in hem een broeder lief, ondanks het onrecht dat hij mij gedaan heeft en dat ik hem van harte vergeef ter wille van Hem, die voor Zijne doodvijanden gebeden heeft.quot;

„Heb dank, mijne moeder,quot; sprak Wilfetrudis. met eerbied de tengere vingeren der abdis aan de lippen brengend en op deze hare betraande oogen vestigend, welke in het licht der lamp glommen als twee edele saffieren, die den zonnegloed in zich opgezogen hebben. De abdis drukte met moederlijke teederheid de hand harer jeugdige nicht en zeide:

„Ga thans ter ruste, Wilfetrudis; want uw gemoed is bewogen en de slaap zal u de kalmte teruggeven, die gij behoeft. God zegene u, mijn kind.quot;

Daarop maakte zii een gebaar met de hand ten teeken dat de jonge zuster hare cel zou opzoeken, en deze wilde juist het vertrek verlaten, toen zich plotseling een hevig gebons op de kloosterpoort deed hooren, dat in de stilte door de geheele abdij weerklonk.

Wilfetrudis verschrikte en zag angstig naar de abdis op, die kalm het oor leende.

„Wat mag dat zijn____ nog zoo laat ?quot; riep de eerste ontsteld.

79

ocr page 92

MAAGDEPALMEN.

„O! zoo het eens vijanden waren, die ons in den nacht komen overvallen!quot;

„En waakt God niet evenzeer bij nacht als bij dag?quot; vroeg de abdis half bemoedigend, half bestraffend.

Op dit gebons was inmiddels een gestommel binnen de kloostermuren gevolgd, hetwelk bewees dat men daar het gedrnisch gehoord had en zich van het late bezoek rekenschap dacht te geven. Eenige oogenblikken later hoorden de abdis en hare gezellin de zware kloosterpoort op hare scharnieren knarsen en het getrappel van paarden op het voorplein.

Nu naderden voetstappen door de lange gangen en weldra werd er op de deur van Gertrudis' vertrek geklopt.

„Veroorloof mij u een oogenblik te storen, waarde moeder,quot; zei de leekezuster, die de kamer binnentrad. „Zoo even is een edelman (.klaarblijkelijk van hoogen huize, want hij is van twee dienstlieden verzeld) met zijne dochter aangekomen. De broeder-portier aarzelde wegens de booze geruchten de late bezoekers in te laten; maar ziende dat het een grijsaard en een jonkvrouw was, heeft hij hun de deur ontsloten, vooral ook om den geleider die hen herwaarts bracht. Deze toch was niemand anders dan de ruiter met het witte ros; de portier heeft hem met eigen oogen gezien----quot;

„De ruiter met het witte ros!quot; riepen de beide vrouwen verrast uit. „Ziet ge wel, Wilfetrudis,quot; voegde de abdis er bij, „dat de Heer met de Zijnen is. Nauwelijks is het klooster in gevaar, of wederom is zijn beschermgeest nabij. De Heer zij geprezen vooi Zijne goedheid! Maar wie zijn de aangekomen vreemdelingen ?quot; vroeg zij verder aan de leekezuster.

„De naam van den grijsaard is graaf Witger van Halle en zijne

dochter heet Gudula.quot;

„Graaf Witger! mijn oom, dien God moge zegenen! riep Gertrudis uit; „die komt als van den Hemel gezonden. En ook mijne beminde Gudula! Kom mede, Wilfetrudis. laten wij onze waarde verwanten onmiddellijk welkom heeten.quot;

Beide vrouwen snelden naar het spreekvertrek, waar Gudula haar te gemoet trad en zich schreiend om den hals harer beminde meter wierp, die haar met zusterlijke genegenheid omhelsde

,.De Hemel zij gedankt voor dit heuglijk wederzien,quot; sprak zi] na de eerste hartelijke begroeting. „Gij komt als van den Hemel

80

ocr page 93

MAAGDEPALMEN.

gezonden, waarde oom; juist meende ik u morgen een bode te zenden evenals aan heer Ansegisus, graaf Odelard en andere trouwe beschermers der abdij, opdat zij haar in de bange dagen, die wellicht aanstaande zijn, te hulp mogen komen ...

„En ik wist niets van de gevaren, die mijne waarde nicht bedreigen!quot; riep graaf Witger uit. „Dat alles moest ik eerst hooren van den man, die ons uit de handen eener zwervende bende gered en veilig hierheen geleid heeft.quot;

„Hoe, gij zijt onderweg reeds op vijanden gestuit?quot; sprak de abdis bezorgd. „Het is dus waar dat er reeds gewapende benden in den omtrek zijn, die om G-rimoalds wil de wapenen tegen ons keeren.quot;

„Dat hebben wij ondervonden, waarde nicht, en dit is dan ook de oorzaak.dat wij u nog zoo laat in den avond komen overvallen; toch mogen wij St. Maarten nog danken; want, in trouwe, we zouden op dit oogenblik nog ver van hier zijn zonder de welkome tusschen-komst van den onbekende, die ons hierheen gebracht heeft.quot;

„De ruiter met het witte ros,quot; zei de abdis.

„Wie is die vreemdeling,quot; vroeg Witger, „die zonder ons te kennen ons edelmoedig zijne hulp bood en daarvoor zoo weinig dank begeerde, dat hij ons niet eens zijn naam wilde noemen?quot;

„Wie hij is of vanwaar hij komt, weet ik niet,quot; hernam Ger-trudis, „maar telkens als eenig gevaar de abdij bedreigt, daagt hij plotseling als onze redder op, om daarna weer even geheimzinnig te verdwijnen. Het volk ziet in den ruiter met het witte ros dan ook den beschermengel van het convent en ik dank den Algoede, dat Hij ons, zwakke vrouwen, zulk een machtigen kampioen verwekt

heeft____ Maar gij zeidet hierheen gekomen te zijn zonder te weten

welk on weder hier broeit, en dat geloof ik gaarne, daar gij Gudula wel niet opzettelijk aan het gevaar zoudt blootgesteld hebben. Wat dan verschaft mij het genoegen van uw onverwacht bezoek?quot;

„Daartoe was ik de aanleiding, zeer beminde meter,quot; sprak Gudula, op de abdis toetredende; „ik wenschte mij onder uwe hooggeschatte leiding te stellen en het leven van studie en gebed te deelen, dat gij hier binnen deze vrome kloostermuren leidt.quot;

„Waarlijk!quot; riep Gertmdis verrast uit, „zoo ik ooit met vreugde eene nieuwelinge binnen Nypels begroet heb, dan zijt gij het, beminde Gudula; doch gij hebt geen gunstig oogenblik gekozen om

ö

81

ocr page 94

MAAGDEPALME.NT.

uw proeftijd te beginnen; want het is te vreezen dat de vredige stilte van het maagdenhuis spoedig voor luidruchtig krijgsrumoer zal plaats maken, en zoo onze vrienden niet spoedig ter hulp aansnellen, hebben wij iederen dag het ergste te duchten.quot;

„O! in uwe nabijheid en in de hoede mijns vaders vrees ik niets.quot;

„Maar heer Witger zal moeilijk hier kunnen vertoeven,quot; hernam de abdis; „ook hij behoort tot de verwanten des hofmeiers en een zelfde gevaar als deze abdij bedreigt misschien zijne woning, waar moeie Amelberga en nicht Eeinildis wellicht op dit oogenblik reeds reikhalzend naar zijne terugkomst uitzien.quot;

„De bode, dien gij voornemens waart, morgen naar Halle te zenden,quot; zei Witger bedaard, „kan de vrouwen geruststellen en mijne diensüieden van het gevaar verwittigen; onder hunne bescherming zullen mijne echtgenoote en dochter veilig zijn tot mijne terugkomst; ik vertrek niet van hier voor ik zekerheid heb, dat gij mijn zwaard ontberen kunt.quot;

„Morgen zal het tijds genoeg zijn, daarover te beraadslagen,quot; hernam Gertrudis; „thans hebt gij rust en verkwikking noodig en vooral mijne Gudula is het aan te zien dat de vermoeienissen der reis en de ontsteltenis, dezen avond uitgestaan, haar ernstig hebben aangegrepen. Volg mij en laat het nederig avondmaal, dat mijne gastvrijheid u mag aanbieden, u ter dege smaken.quot;

De abdis ging hare gasten voor naar een vertrek, waar op haren last voor de reizigers een verkwikkend avondeten opgediend was, en terwijl de jeugdige Wilfetrudis zich naar hare cel begaf, hield de abdis haar oom en hare nicht onder vertrouwelijke gesprekken gezelschap tot zij zich ter ruste legden.

82

ocr page 95

I [p twee uren afstand van de stad Luik verhief zich, op | een hoogen, steenachtigen heuvel het versterkte burcht-

si.................................1 slot Chèvremont, de woonplaats van Ansegisus, den

0Pzichter der koninklijke domeinen in dit gedeelte des iHr?_ lands. V an de hooge torentinnen des kasteels had men een onbelemmerd gezicht op het fraai afwisselende landschap, waardoor men in de verte de blauwe Maas zag JlSl1 heenkronkelen, terwijl in het verschiet de grauwe muren i der stad uit de groene heuvelen oprezen.

Een smalle, met ruwe steenblokken geplaveide weg leidde al slingerend van den voet des heuvels naar het kasteel, zoodat geen sterveling dit naderen kon zonder reeds lang vóór zijne aankomst door de slotbewoners gezien te zijn. Behalve langs dien moeilijken weg was de burcht niet te genaken, en in tijden van oorlog kon hij dan ook tot eene onneembare sterkte gemaakt worden.

In de laatste jaren was dit echter niet het geval geweest; Ansegisus was een man, die met allen in vrede leefde, bedaard zijn weg ging, zich zorgvuldig onthield van die eerzuchtige kuiperijen, welke zooveel ellende en jammer in de Wereld brengen, en dan ook hoegenaamd geene vijanden had.

Rustig leefde hij met zijne gemalin Begga, zijn stamhouder Pepijn en zijn aangenomen zoon Gonduinus — beiden thans tot kloeke jongelingen opgewassen — in zijn afgelegen burcht en wijdde zich met

4

ocr page 96

IVtAAGbEPALMEtf.

hart en ziel aan de vervulling zijner plichten, die hem, sedert Gri-moald zijn vader in het majoraat was opgevolgd, niet zelden bijzonder moeilijk gemaakt werden. Uit den aard zijner betrekking toch was hij de natuurlijke behartiger van de belangen des konings, en daar de heerschzuchtige Grimoald die belangen steeds meer en meer voor zijne eigene op den achtergrond drong, kwam Ansegisus allicht met den majordomus in botsing.

Hij bevond zich in zijn werkvertrek, een ruime kamer, die op den boven beschreven weg uitzag, en was ijverig bezig met het nazien van verschillende stukken, op het beheer der koninklijke goederen betrekking hebbende, toen zijne beminde Begga hem in zijn arbeid kwam storen.

Deze was eene waardige matrone geworden, het evenbeeld harer zalige moeder Iduburga, evenals deze alleen levende voor haar gezin, eene moeder voor hare onderhoorigen en eene liefhebbende gade voor haar echtgenoot. De zegen, door bisschop Arnulf over dit echtpaar op hun huwelijksdag uitgesproken, rustte blijkbaar op hunne echtelijke woning, die het tooneel was van den zoetsten huiselijken vrede. Nog waren zij niet aangebroken, die stormachtige dagen, waarvan de vrome grijsaard op dien blijden dag gesproken had; nog was hun huwelijkshemel even zonnig als op dat oogenblik. Helaas, dat dit niet altijd zoo zou mogen blijven!

„Nog altijd aan den arbeid, Ansegisus?quot; vroeg zij, vertrouwelijk de hand op den hoogen rug van zijn zetel leggende. „Ik wilde u komen zeggen dat er opnieuw bitter geklaagd wordt over de verwoestingen, door het wilde zwijn aangericht, dat sinds eenige dagen deze streken onveilig maakt. Pachter Udo laat u melden dat het in den jongsten nacht zijn ganschen hof heeft omgewoeld, en op de hoeve aan den heirweg heeft het de geheele schaapskooi vernield.quot;

„Inderdaad, het wordt tijd dat daaraan een einde gemaakt wordt. Pepijn en Gonduinus hebben het verblijf van het dier reeds opgespoord en vlassen niet weinig op dit zeldzaam jachtvermaak. Ook ik stel er mij veel genoegen van voor; maar dringende arbeid heeft mij tot dusver weerhouden—quot;

„Dan mocht ik wenschen, dat niet alleen gij, maar ook de jongelieden in de eerste week door dergelijken arbeid weerhouden werden; want in waarheid, ik zie u maar noode aan de gevaren van zulk eene buitengewone jacht blootgesteld.quot;

84

ocr page 97

MAAGDEPALMEN.

„Vrouwenangst!quot; spotte Ansegisus, „morgen aan den dag gaan wij er op los. Laat mij daarom nog rustig aan den arbeid; anders zouden de arme landlieden nog langer overlast lijden.quot;

„Maar is die arbeid dan zoo dringend? Ik begrijp waarlijk niet....quot;

„Waarover al die papieren en documenten handelen, niet waar?quot; hernam Ansegisus schertsend. „Het is goed dat het beheer van keuken, waschhuis of spinnerij geen zulke ingewikkelde boekhouding vordert; want ik zie wel dat gij er slecht zoudt komen. Maar de koninklijke domeinon vereischen grootere zorg; hier moet nauwkeurig geboekt worden wat er op 's konings hoeven omgaat, welke velden moeten worden omgeploegd, hoeveel ossen er onder toezicht van den ossenaar staan: de opbrengst van akkercijnsen, gesloten verdragen, boeten, tollen, pacht van weiden, velden, molens, bruggen en vaartuigen; inkomsten van markten, wijnbergen, houtmijten, peul- en boomvruchten, bijen, vischwater, huiden—quot;

„Houd op, mijne ooren tuiten er al van,quot; hernam Begga lachend.

„En dan komen nog de inkomsten van honing en was,quot; ging Ansegisus uit schalke plagerij voort, „van ongel en zeep, van moraat, gezoden wijn, meode en azijn; van bier, ouden en jongen wijn, oud en nieuw graan; van hoenders, eieren en ganzen; van visschers, smeden, schildmakers____quot;

„Genoeg! genoeg!quot;

„Van de schatplichtigen; van hengst- en merrieveulens,quot; ging de ijverige administrator voort, „alles opdat de koning in staat zij om te overzien wat en hoeveel hij van elke soort bezit, — schoon mijn arbeid voor den armen koning Dagobert genoegzaam ijdel geweest is,quot; voegde hij er op ernstigen toon bij, „en de hemel weet welken koning thans mijn werk ten goede zal komen; want dat Grimoald er in slagen zal zijn zoon op den troon te plaatsen, kan ik niet gelooven.quot;

Deze woorden gaven ook aan Begga's gedachten plotseling eene ernstiger wending en bezorgd zag zij haar echtgenoot, die peinzend voor zich staarde, in het gelaat.

„God weet,quot; zei hij eindelijk, „of die jongste kunstgreep, waardoor hij de koningskroon in zijn huis denkt over te brengen, hem niet op het verlies van den hofmeierstaf te staan komt, zoo nog geen zwaarder kastijding hem boven het hoofd hangt!quot;

„Waarom,quot; riep Begga uit, „zich ook niet als onze zalige vader

85

ocr page 98

MAAGDEPALMEN.

met dien staf tevreden gesteld! Op zijn sterfbed heeft de edele grijsaard hem nog voor den duivel der eerzucht gewaarschuwd. O, als vader had moeten beleven vrat wij thans aanschouwen—quot;

„Hij ware van verdriet ten grave gedaald; zijn rechtschapen gemoed had die ongerechtigheid niet kunnen aanzien, die verdrukking der zwakken, die onverzadelijke eergierigheid, welke thans zelfs de

hand uitsteekt naar de koningskroon____Vergeef mij, zoo ik in mijne

verontwaardiging voor eene wijl vergeet dat gij Grimoalds zuster zijt, dat het u in de ziel grieven moet, aldus over een broeder te hooren spreken.quot;

„Ik weet het, Ansegisus, gij hebt gelijk,quot; sprak Begga hem de hand toestekende en met de andere de tranen afwisschende, die in hare oogen opwelden. „Ik weet alles.quot;

„Neen, gij weet nog niet alles,quot; hernam Ansegisus met somberen ernst; „mijne liefde hield het u tot dusver verborgen, maar het zal u, helaas! niet altijd verborgen kunnen blijven, en daar gij het toch eenmaal vernemen moet, is het beter dat gij het hoort uit mijnen mond.quot;

„Mijn God! is de naam mijns vaders nog niet genoeg geschandvlekt door de ongerechtigheid zijn zoons ? Zeg op, welke nieuwe misdaad voegt Grimoald bij den roof eener koningskroon?quot;

„Het is al te vreeselijk, dan dat uwe ooren het zouden kunnen verdragen,quot; sprak Ansegisus, het hoofd afwendende.

„Ansegisus,quot; hernam Begga, hem bij de hand grijpende en hem smeekend in het gelaat ziende, „kwel mij niet langer door zoo raadselachtige woorden. Waartoe mij verborgen, wat ik toch eenmaal vernemen moet? Mag Grimoalds zuster niet weten wat men hem ten laste legt?quot;

„Ik zelf kon het niet gelooven, maar helaas! na hetgeen mij in de laatste dagen ter oore gekomen is, blijft er haast geen twijfel over; ik aarzelde er u van te spreken—

„O, daarom vermeedt gij mijn gezelschap en sloot u op in uw werkvertrek____spreek op, Ansegisus!quot;

„Ziet ge wel, dat gij er niet tegen bestand zijt?quot;

„Dat ben ik wel; zie, ik ben kalm, ik hoor u aan,quot; hernam Begga, zich geweld aandoende, „zeg, wat legt men mijn broeder ten laste ?quot;

„Dat hij het koningskind uit den weg zou geruimd hebben voor zijn eigen zoon.quot;

„Groote God!quot; kreet Begga en wierp zich weenend in haars echt-genoots armen.

86

ocr page 99

MAAGDEPALMEN.

„Dat legt men hem ten laste,quot; haastte zich Ansegisus er bij te voegen. „Nog hoop ik dat het laster moge zijn. Pepijn is naar Luik; zijn terugkeer brengt ons wellicht de tegenspraak van het beschuldigend gerucht.quot;

Maar op hetzelfde oogenblik werd het voorhangsel opgelicht, dat den ingang verborg, en het bleek en ontsteld gelaat des jonkmans, die eensklaps de kamer binnentrad, bevestigde maar al te welsprekend de woorden zijns vaders.

„Het is gedaan met den hofmeier! van alle kanten trekt men het zwaard tegen hem,quot; had Pepijn reeds uitgeroepen, voor hij de aandoening bespeurd had, waaraan zijne moeder ter prooi was. Een waarschuwende blik zijns vaders was voldoende om het overige op zijne lippen terug te houden, en met kinderlijke bezorgdheid trad hij toe om de weenende vrouw op te beuren; het hart des zoons had geraden wat er in dat zijner moeder omging: de man, die door zijne eergierige aanmatiging geheel Frankenland tegen zich in opstand gebracht had, was haar broeder.

Toch, hoe smartelijk het haar viel dien broeder te hooren beschuldigen, rustte zij niet vóór haar al de bijzonderheden van Grimoalds laatste gruweldaad bekend waren. Groot was hare verontwaardiging over zijn verraad jegens de kroon, door zijn vader met onwankelbare trouw tot zijn laatsten ademtocht gediend; maar nog grooter was hare smart en haar medelijden, nu zij vernam hoe honderden Frankische grooten de wapenen tegen den hofmeier opgeheven hadden om hun verongelijkten en verschopten koning te wreken, kortom hoe Grimoalds ondergang gezworen was.

„En gij, Ansegisus,quot; vroeg zij haar gemaal, hem met betraande oogen aanziende, „zult ook gij de wapenen tegen mijn broeder keeren?quot;

„Ik zal mijn plicht doen,quot; antwoordde hij kortaf; „ik verlang Grimoalds ondergang niet, maar de koning moet in eere hersteld op den troon zijner vaderen, en geen indringer zal zijne plaats innemen.quot;

Zwijgend reikte Begga haar gemaal de hand tot dankbetuiging en dien dag werd er niet meer over de treurige zaak gesproken; doch schoon niemand des hofmeiers naam noemde, waren aller gedachten toch met Grimoald bezig, en er heerschte in het anders zoo gezellige en levendige gezin op Chèvremont een beklemmend, somber stilzwijgen. Begga zonderde zich af in haar bidvertrek om daar ongestoord haar hart in een vurig gebed uit te storten en aan hare

87

ocr page 100

MAAGDEPALMEN.

tranen den vrijen loop te geven, terwijl Ansegisus met Pepijn en Gonduinus beraadslaagde wat hun in deze netelige omstandigheden te doen stond. Feitelijk had Austrasië op dat oogenblik noch een koning, noch een hofmeier meer, zoodat het rijk aan verwarring en regeeringloosheid ter prooi was; voorwaar, hier was het voor iemand, die volgens plicht en geweten wenschte te handelen, moeilijk een besluit te nemen, en dubbel moeilijk voor hem, die daarbij nog de belangen van dierbare betrekkingen had te ontzien.

De maaltijd, anders het aangenaamste oogenblik van den dag, wanneer het geheele gezin met de dienstlieden zich in de groote eetzaal vereenigde, liep ditmaal somber ten einde. De meesters des huizes waren stil en afgetrokken en de onderhoorigen namen, uit bescheidenheid tegenover die neerslachtige stemming, evenzeer een gedwongen stilzwijgen in acht. Zij verwijderden zich, zoodra de maaltijd afgeloopen was, en lieten heer Ansegisus met de zijnen aan hunne treurige gepeinzen over.

Begga wischte in stilte menigen traan af, die aan haar oog ontwelde, terwijl Ansegisus in diep nadenken verzonken voor zich zag. De jeugdige Pepijn, met zijn open gelaat en zijn helder blauw oog, stapte onrustig de kamer op en neer; de bedachtzame voorzichtigheid zijns vaders verdroot den jonkman, die — zoo het hem alleen te doen stond — een kort besluit genomen had en onmiddellijk handelend was opgetreden. Beurtelings wierp hij een blik van innig me-dedoogen op zijne treurende moeder of een ongeduldigen oogslag op zijn peinzenden vader, en sloeg dan de hand aan het gouden degen-gevest, dat hem in den lederen, met zilver beslagen gordel rinkelde.

Geheel anders was de houding van zijn pleegbroeder Gonduinus, die in de vensterbank zat en met een fraaien ponjaard speelde, welke in het zonlicht onheilspellend glinsterde. Als de plotselinge flikkeringen van dat koude staal waren de vonken, die van onder de donkere wimpers uit zijne gitzwarte oogen schoten, telkens als hij die ter sluiks op zijn pleegvader of Pepijn vestigde. Maar gelijk de verraderlijke glans van het wapen schuil kon gaan in de zachte goudlederen scheede, zoo wist ook Gonduinus den gloed van zijn oog te temperen, telkens als de blik zijner pleegouders den zijnen ontmoette.

Dan straalde de innemendste vriendelijkheid van zijn gelaat, en er werden achterdochtiger naturen vereischt, dan die welke hem

88

ocr page 101

MAAGDEPALMEÏT.

hier omringden, om in dien beminnelijken jonkman een huichelaar te zien. Want een huichelaar was hij, schoon noch Ansegisus, noch Begga, noch Pepijn dit vermoedden.

Het is waar, in de eerste jaren zijner kindsheid en zijner jeugd had hij vaak van de onverdraaglijkste wangunst blijk gegeven jegens den zoon zijner pleegouders, die echter in niets boven hem bevoorrecht werd. Men had er hem als knaap soms op betrapt hoe hij zijn broeder kwelde, diens argelooze genegenheid met koelheid en geheimen wrok beantwoordde en zelfs trachtte hem in de schatting zijner ouders te benadeelen. Hij was toen nog niet verstandig genoeg om in te zien dat zulk een gedrag slechts strekken kon om den argwaan van Ansegisus en Begga op te wekken, en hen veeleer van hem dan van Pepijn te vervreemden; en naarmate hij ouder en sluwer werd, wist hij zich te beheerschen en slechts dankbaarheid en kinderlijke liefde te huichelen, waar hij inwendig door nijd en afgunst verteerd werd. Hij begreep dat men tegenover hem, den vondeling, tot niets verplicht was; dat men hem de weldaden onttrekken kon, waarmee men hem van zijne kindsheid overladen had; en daarom hield hij zijne lage hartstochten in bedwang, slechts op de eerste gelegenheid loerende om zich over de hardheid van het noodlot, dat hem onder een boom te vondeling geworpen had, te wreken op diegenen, wier streven het geweest was dit lot te verzachten, ja het hem te doen vergeten.

Nooit werd in Ansegisus' woning ook maar met een enkel woord op Gonduinus' afkomst gezinspeeld, maar hem zelf stond ze altijd voor oogen en hij kon zijn broeder Pepijn niet aanzien, zonder met bitterheid te bedenken, dat deze de stamhouder van Ansegisus' edel geslacht, hij daarentegen slechts een opgeraapte verstooteling was.

Doch gelijk gezegd is, wist hij die gevoelens in het binnenste zijner lage ziel op te sluiten en uitwendig een beminnelijk gelaat te toonen. Vandaar dat de goedhartige Begga, die vroeger meermalen om de ondeugden van den kleinen knaap gezucht en zich de waarschuwende woorden van haar vader Arnulf op haar bruiloftsdag te binnen gebracht had, thans den Hemel dankte dat het haar gelukt was de kiem van den nijd in het hart haars pleegkinds te verstikken. En Ansegisus dacht er zoo weinig aan, den bedaarden, voorbeeldigen jonkman te mistrouwen, dat hij hem in sommige zaken, welke minder met de krachtige, opbruisende natuur van Pepijn strookten, bij voorkeur zijn vertrouwen schonk.

89

ocr page 102

MAAGDEPALMEM.

Noch hij, noch zijne echtgenoote, noch Pepijn zou op dat oogen-blik, nu bange bekommering om het lot van den bloedverwant, om dat van koning en land, om de toekomst van eigen huis hun hart vervulden, op het denkbeeld gekomen zijn dat Gonduinus het plan kon overwegen uit die verwikkelingen voor zich zeiven munt te slaan, ten koste zijner weldoeners.

„Laat ons niet vergeten, Pepijn,quot; sprak Ansegisus, eindelijk het stilzwijgen verbrekende en om eenige afleiding te brengen in de algemeene somberheid, „laat ons niet vergeten, dat het vóór alles plicht is onze pachters en eigenhoorigen van den overlast te bevrijden, dien zij sedert eenige dagen van het wilde zwijn te lijden hebben. Wie weet wat er binnenkort gebeuren kan, zoodat ons geen tijd tot de jacht meer gelaten is____quot;

„Nu vader,quot; riep de voortvarende Pepijn uit, „wij hebben de schuilplaats van het dier reeds opgespoord en verlangen niets liever dan onze brakken op zulk een zeldzamen buit te onthalen; wat zegt gij, Gonduinus?quot;

„Dat het meer dan tijd wordt aan de verwoestingen van dat gevaarlijk wild een einde te maken,quot; zei deze van zijn plaats opspringende; „ik ben er toe gereed, al was het op staanden voet.quot;

„Voor heden is er geen denken aan,quot; zei Ansegisus, „behalve dat voor zulk een buitengewone jacht bijzondere maatregelen genomen moeten worden, dienen ook de lieden in den omtrek er van verwittigd te worden; stellen wij ze dus op morgen.quot;

„Op morgen alzoo!quot; riep Pepijn met echte jagersgeestdrift uit. „Komaan, Gonduinus, zullen wij de gezellen en honden uitkiezen,

voor de wapenen zorgen, en____ Wat is dat?quot; viel hij zich zeiven

in de rede, op het vernemen van een horensignaal, dat de torenwachter deed hooren.

De drie mannen keerden zich, als door een zelfde beweging gedreven, naar het venster en zagen nu een drietal ruiters de brug van het kasteel oprijden, die gedurende den dag gewoonlijk neergelaten bleef. Ook de burchtvrouw, die, in hare treurige gepeinzen verdiept, zelfs de afspraak omtrent de voorgestelde jacht niet gehoord had, rees thans van haren zetel op om de bezoekers op te nemen.

Het waren edele heeren uit den omtrek, en daar Begga als eene echte chatelaine er prijs op stelde de eer van haar huis volgens den rang haars echtgenoots op te houden, verwijderde zij zich om de

90

ocr page 103

MAAGDEPALMBN.

noodige bevelen voor hunne ontvangst te geven. Toen Ansegisus, door Pepijn en Gonduinus vergezeld, de bezoekers in de voorhalle ontving en hen de groote burchtzaal binnenleidde, stonden dienaars met gouden schenkkannen en kostelijke bekers gereed om hun den welkomstdronk aan te bieden.

„Wat verschaft mij de eer van uw gezamenlijk bezoek?quot; vroeg heer Ansegisus na de wederzijdsche begroetingen en nadat de gasten zich op zijne uitnoodiging in de zware zetels hadden gezet, welke de dienaars hadden aangeschoven.

„In dagen van beroering als deze, edele vriend,quot; hernam de woordvoerder van het drietal, een krachtige Frank, wiens lange, blonde haarlokken en forsche knevels hem den aanblik van een leeuw gaven, terwijl zijne gespierde, tot boven den elleboog ontbloote armen evenzeer van leeuwenkracht getuigden; „in dagen als deze, wanneer het rijk door gevaarlijke schokken bedreigd en de vrede des lands verstoord wordt , is het zaak dat weldenkende mannen de handen ineenslaan om groote rampen te verhoeden. Ik behoef u den toestand van Frankenland niet te schilderen en gij zult de eerste zijn om te erkennen dat wij de regeeringloosheid, welke alom heerscht, niet werkeloos mogen aanzien. Wij zijn daarom tot u gekomen, om te beraadslagen wat ons in deze omstandigheden te doen staat, en geven u in overweging of het u raadzaam voorkomt, ons liever alleen te hooren.quot;

Dit zeggende wees hij met eene beweging van het hoofd op de beide jongelieden, welke aan weerszijden van hun vader hadden plaats genomen, doch thans onmiddellijk opstonden.

„Blijft, mijne zonen,quot; zeide Ansegisus, „zoo deze edele heeren niets tegen uwe tegenwoordigheid hebben, — ik heb in deze aangelegenheden geene geheimen voor hen,quot; voegde hij er bij, zich tot de bezoekers wendende, die ten teeken van goedkeuring bogen.

„Op den voorgrond moet ik u zeggen,quot; hernam de woordvoerder van het gezantschap, „dat wij niet uit ons zeiven komen, maar tot u zijn afgevaardigd' door tal van aanzienlijke edelen des lands, die gezworen hebben het smadelijke juk af te schudden, waaronder Gri-moald ons zoolang heeft doen zuchten____quot;

Ansegisus fronste de wenkbrauwen bij die woorden, maar luisterde niettemin aandachtig toe.

„Niet tevreden met jarenlang den meester over ons, vrije mannen.

91

ocr page 104

MAAGDEPALMEN.

te hebben gespeeld, den koning slechts een schaduw van gezag overlatende, heeft hij eindelijk de maat volgemeten door den afstammeling van Clovis en Dagobert uit den weg te ruimen om ons in zijn zoon een koning van zijn eigen maaksel te geven. Zullen wij dit werkeloos aanzien ? Zullen wij deemoedig het hoofd buigen voor Grimoalds zoon en den melkbaard Childebert als onzen koning huldigen? Te lang reeds hebben wij het juk des vaders geduld; zullen wij thans nog dieper bukken voor den zoon, dien hij eigenmachtig op Dagoberts zetel geplaatst heeft ? Dat nooit! en daarom dood aan den hofmeier! Noch hij, noch zijn zoon zal in Austrasië gebieden. Eeeds hebben tal van edelen en grooten, machtig van wapenen en hoog van moed, Grimoald de gehoorzaamheid opgezegd en hemden dood gezworen. Allen hebben hunne vasallen en dienstmannen te wapen geroepen om hem den oorlog aan te doen; van alle zijden wordt het zwaard tegen hem uit de scheede getrokken. Maar opdat zijne macht voorgoed worde gefnuikt, is het zaak dat de verbondenen een aanvoerder hebben, die hen ter zege leidt, een man van vlekkeloozen en hoogen naam, van edel geslacht, die de vriend is van machtigen en geringen, om wiens vaan allen zich kunnen scharen, die vrijheid en vrede verlangen in Frankenland. En dien man, edele vriend,quot; voegde de spreker er bij, terwijl hij van zijn zetel opstond, „meenen wij gevonden te hebben in u—quot;

Ansegisus en Pepijn zagen verbaasd op. Gonduinus oogen glinsterden, terwijl hij ter sluiks nu zijn pleegvader, dan den bezoeker begluurde.

„Gij zijt de aangewezen man,quot; ging de Frank voort, „om het roemrijke huis van den grooten Pepijn, die in uw zoon herleeft, wederom in eere te brengen en de plaats in te nemen, welke Grimoald heeft verbeurd. Daarom bidden u 'skonings trouwe vasallen, u aan hunne spits te stellen, ten einde Grimoald van het gestoelte der eer te verdrijven, dat hij onwaardig is, en in Frankenland de dagen van Pepijn en den grooten Dagobert te doen wederkeeren. Vivat Ansegisus, Dux et Princeps Francorum!quot; zoo besloot hij en met geestdrift herhaalden zijne beide gezellen den kreet, die, zoo Ansegisus wilde, weldra over geheel Frankenland zou weergalmen.

Maar de edele man wees met verontwaardiging het schitterende aanbod van de hand.

„Hoe!quot; riep hij uit, „gij brandmerkt de aanmatiging van Grimoald,

92

ocr page 105

MAAGDEPALMËN.

die den afstammeling van Clovis van den troon stiet, om plaats te maken voor zijn zoon, en te recht; want heiligschennend heeft hij de hand geslagen aan des Heeren gezalfde. Gij weigert gehoorzaamheid aan den koning van zijn maaksel, maar op uwe beurt verlangt gij een aanvoerder van uw maaksel en handelt alsof het koninklijk gezag in Frankenland was te niet gedaan; alsof het huis van Clovis ware uitgestorven. Zoolang de ongelukkige koning Dagobert, dien God in zijne hoede neme, niet in de ballingschap bezweken is, waartoe Grimoald hem heeft gedoemd, is hij onze meester, wien wij hulde en gehoorzaamheid schuldig zijn. En zoo de zee hem van ons scheidt, welnu, gebiedt niet in Neustrië zijns vaders broeder en voegt het niet aan hem in Austrasië de teugels van het bewind in handen te nemen, die Grimoald zijn bloedverwant heeft ontrukt? Het leger van koning Clovis is in aantocht; hem behoort mijn zwaard en dat mijner getrouwen en met vreugde stel ik het te zijner beschikking, om voor den rechtmatigen koning van Austrasië den troon zijner vaderen op den overweldiger te heroveren. Wat Grimoald betreft, hij is des konings hofmeier, en niet eigenmachtig zal ik het wagen op 's konings besluiten vooruit te loopen, door mij eene macht aan te matigen, die mij niet toekomt en die ik niet begeer. Zegt dit aan degenen, die u gezonden hebben.quot;

Tevergeefs poogden de gezanten den rechtschapen en nauwgezetten man van zijn besluit af te brengen en bezigden, na lange vertoogen en schoone beloften, daartoe bedreigingen. „Zoo gij u niet onmiddellijk tot Grimoalds vijand verklaart,quot; zeiden zij, „zal men u tot zijne aanhangers rekenen, en ook op uw hoofd zullen de slagen neerkomen, waaronder hij zal verpletterd worden.quot;

„Ik zeg niet dat ik Grimoalds vriend ben, maar zoo ik zijne aanmatiging veroordeel, voegt het mij nog niet onrecht tegenover onrecht te stellen, door mij eigenmachtig als hertog en vorst der Franken op te werpen.quot;

Ten slotte trokken de gezanten af, maar nauwelijks hadden zij het kasteel verlaten of in de schemering van den vallenden avond verliet een man, in een donkeren mantel gewikkeld, langs een geheim poortje het slot, om hen achterna te snellen.

Het was Gonduinus.

93

ocr page 106

X.

iet was nacht, een donkere nacht, door geen maneschijn 1 verhelderd, en alles rustte nog binnen de sombere, | zware muren van Chèvremont. Ansegisus, schoon langer dan anders uit den slaap gehouden door bekommeringen voor de toekomst, welke het gewichtig onderhoud van den vorigen dag in hem gewekt had, was verzonken in die rustige sluimering, welke een rein geweten tot oorkussen heeft. Begga werd ter wille van Grimoald door bange droomen gekweld, waarin herinneringen uit hare kindsheid zich op zonderlinge wijze dooreenmengden met voorstellingen, die in de laatste dagen wakend haar geest hadden bezig gehouden. Pepijn sliep den slaap der krachtige, gezonde, argelooze jeugd.

Slechts één waakte er en scheen met fonkelende oogen de duisternis te willen doorboren, als om door den zwarten nacht heen de luchtkasteelen te onderscheiden, welke zijne misdadige verbeelding voor hem opbouwde.

Gonduinus was klaar wakker en woelde onrustig op zijne legerstede. Nu eens lag hij eene wijle peinzend en streek met de hand langs het voorhoofd, waarop een klam zweet parelde; dan weer schoot hij opeens overeind, streek met de hand door de zwarte haarlokken en vertrok het gelaat tot een duivelachtigen grijns, om ver-

ocr page 107

iIAAGDEPALMENT.

volgens weer moedeloos achterover te zinken, als zag hij do onuitvoerbaarheid in van het denkbeeld, dat hem plotseling zoo wild had doen opstuiven.

„Ha! waarom moest men mij afwijzen, terwijl men dien weifelenden femelaaar den hofmeierstaf aanbood!quot; riep hij met bitterheid, terwijl hij woedend in de duisternis voor zich uitstaarde, als stond

daar iemand, wien zijn toorn gelden kon. „Waarom?____Omdat hij

eens majordomus' dochter heeft gehuwd en jarenlang den meester

heeft gespeeld over 's konings goederen!____ Wat heeft hij gedaan

om hun vertrouwen te verdienen?____ Wat kunnen zij van hem

verwachten, die zich in plaats der witte ossen voor 's konings wagen

zou laten spannen, om den afgod in triomf rond te rijden?____ En

waarom voor mij niets dan verachting, niets dan een spotlach, waar

ik hun mijn zwaard aanbied?____ Omdat ik niet bewijzen kan in

het nest der Pepijns te zijn uitgebroed, maar slechts een opgeraapte vondeling ben! — Maar wie zegt dat ook ik niet in een kasteel ben geboren, zoo goed als mijn zoogenaamde broeder?____quot;

„Die lafbek!quot; ging hij voort, terwijl het beeld zijns pleegbroeders hem voor den geest kwam en die beminnelijke gestalte slechts strekte om zijne woede te prikkelen. „Geen woord heeft hij gesproken om den suffenden oude tot handelen op te wekken. En toch, op hem

had men het cog gevestigd____omdat hij Pepijn heet!quot; voegde hij

er boosaardig grinnikend bij. „Omdat hij Pepijn heet, zal de groote

hofmeier in hem herleven____ ha! ha! als het slechts aan den naam

hangt, kan men ook de oude minne wel tot legerhoofd maken!____

Waarom heeft het noodlot, dat mij onder een boom te vondeling wierp, mij ten minste niet den naam van Pepijn gegeven!.!.. O! ware ik in zijne plaats, bij den duivel! men zou iets anders beleven!.... Ik zou meer zijn dan de oude Pepijn, meer dan majordomus en

princeps, ik zou koning zijn!____ Ha! hoe zou ik hen verpletteren,

die nu uit de hoogte op een vondeling neerzien. Knielen, kruipen zouden ze voor mijn zegewagen, en met wellust zou ik hen door mijne witte ossen zien vertrappen!quot;

Een glimlach van duivelsche voldoening krulde zijne dunne lippen bij die gedachte en zijne oogen gloeiden in de duisternis als kolen vuurs. Maar trillend van machtelooze woede erkende hij dat dit denkbeeld een herschenschim wras en driftig sloeg hij zich voor het voorhoofd.

95

ocr page 108

MAAGDEPALMEN.

„Dwaas, die ik ben om mij in zulke droomgezichten te vermeien! Zoodra de morgen grauwt, kan ik weer liefhebbenden zoon en on-derdanigen dienaar spelen! Ik mag het mij tot eene eer rekenen, de paarden en honden van stal te halen, waarmee de burchtheer verkiest ter jacht te rijden. Ik mag hem vergezellen, en als de nood aan den man komt, met mijne borst zijn lichaam dekken. Ik mag, thuisgekomen, zijne gemalin de wonderen van dapperheid verhalen, door hem verricht, en mag mij gelukkig rekenen als ook mij een woordje van loftuiting wordt toegezwaaid! Ziedaar, Gonduinus, uw veldheerstaf en uw koningswagen!quot;

En ook ditmaal weerklonk een razend gelach, maar het was dat van een wanhopige, en woedend wierp hij zich weer op de legerstede en begroef het gelaat in het hoofdkussen, om er den nijd en de gramschap uit te weenen, die hem tot stikkens toe benauwden. Een gesmoord gehuil, meer het gebrul van een verwond dier, dan den smartkreet eens menschen gelijk, ontsnapte aan zijne borst, terwijl hij het hoofd krampachtig in het bevochtigde kussen drukte opdat het geluid, dat hij niet bedwingen kon, hem niet mocht verraden.

Doch dan vloog hij weer op en wierp het kussen ver van zich af, terwijl hij tandenknarsend uitriep:

„Moet ik dan hier als een kind liggen schreien en den kostbaren tijd onnut laten voorbijgaan!.... Is het nu het oogenblik om werkeloos te zuchten en te klagen, thans nu elke dag mij het doel eene schrede nader kan brengen, of het mij voor altijd ontrukken kan?____ Het is nu de tijd van handelen: als wij morgen of overmorgen optrekken om ons bij de troepen van koning Clovis te voegen en Grrimoalds aanhang te vernietigen, zal de rust spoedig hersteld zijn en Austrasië zoowel een koning als een majordomus hebben. Dan zal ik lang kunnen wachten op eene gelegenheid om mij omhoog te werken, want alleen in tijden van beroering komt hetgeen ondergelegen heeft boven en verdwijnt het bovendrijvende in de

diepte. Er moet op het oogenblik en snel gehandeld worden____

Wederom verzonk hij in diep nadenken.

„Maar wat, wat moet er gedaan worden?quot; vroeg hij zich af. „Daar komt het op aan en daar lig ik nu te peinzen, zonder een enkelen uitweg te vinden, terwijl straks de horen der jachtgezellen mij tot het weispel roepen en mij voor een ganschen dag aan mijne gedachten onttrekken zal. Ha! die verwenschte jacht!____En toch,

96

ocr page 109

MAAGDEPALMEN.

zonder die jacht zou Ansegisus wellicht reeds ten oorlog uitgetrokken zijn, zonder de oproeping van koning Clovis af te wachten____

O! zoo deze jacht eens een doodelijken afloop voor hem had! Ha! dat ware eene uitkomst! Ansegisus' dood, op dit oogenblik, zou Begga tot het uiterste drijven. Weerloos zou zij staan tegenover Grimoalds vijanden, die in haar den gehaten hofmeier zouden willen treffen. Thans reeds, nu Ansegisus geweigerd heeft zich aan hun hoofd te stellen, zullen zij niet aarzelen Chèvremont aan te tasten, ik weet het; hoeveel te meer zullen zij Begga niet verontrusten als haar gemaal en verdediger bezweken zal zijn! En in dien nood zal zij niemand anders hebben dan— Pepijn, nu ja Pepijn,quot; liet hij er met een minachtend lachje op volgen, „en mij!quot; riep hij zegevierend uit.

Die gedachte deed hem wederom van onstuimige vreugde opspringen en nog verwijlde hij in den geest bij de gevolgen van zulk een noodlottigen afloop der ondernomen jacht, waardoor Ansegisus uit den weg geruimd zou worden, toen hij eensklaps door het horengetoet van den torenwachter uit zijn gepeinzen werd opgewekt. Deze verkondigde dat wederom een uur van den nacht verstreken was, en het eerste morgenlicht grauwde reeds door de sombere, groene, in lood gevatte ruitjes van het venster.

Gonduinus sprong van zijn leger en schoot zijn jachtgewaad aan, een wambuis en hozen van fijn leder, de laatsten met groene banden omwonden. Behalve dat hij het korte zwaard aangespte, verborg hij in zijn gordel ook den quot;Venetiaanschen ponjaard met de goudleeren scheede en ijlde thans naar de stallen en verblijven der dienstlieden, om alles voor de jacht te regelen.

Hier was alles reeds in beweging; de siezen of speurhonden met hunne groote, open neusgaten, gebogen rug, dikke lendenen, breede schoften, strakke en sterke knieën en pooten, sprongen reeds blaffend rond; de paarden hinnikten alsof zij een voorgevoel hadden van het edele jachtvermaak en snoven de scherpe morgenlucht met breede teugen op; de dienstlieden haalden bogen en aksten en speren voor den dag of slepen en vijlden en hamerden, alles onder lustig gezang en bedrijvig gekeuvel; want nog meer dan rossen en brakken verheugden zij zich in het vooruitzicht der zeldzame jacht.

Vroolijk trad Pepijn, in een dergelijk kleed als Gonduinus gestoken, den lagen, wasemenden stal binnen; met vriendelijken groet kwam hij zijn broeder te gemoet, die hem niet minder hartelijk verwelkomde.

97

ocr page 110

MAAGDEPALMEN.

„Bij St. Maarten, ik wist niet waar gij gisterenavond gestoven of gevlogen waart.quot;

„Ik had een vrome gelofte te vervullen, broeder,quot; hernam Gon-duinus, „en ik wilde mij daarvan kwijten, alvorens aan de jacht deel te nemen____quot;

„Dan zult gij in uw gebed toch ook wel aan ons gedacht hebben.quot;

„Ongetwijfeld, ik heb vader en u en de geheele jacht in de bescherming van Gods lieve heiligen aanbevolen, zoodat ik vertrouw dat de uitslag naar wensch moge zijn.quot;

„Daar zeg ik Amen op, Gonduinus, en daar mogen de eerzame pachters uit den omtrek wel mee instemmen; want het dier heeft

hun al last genoeg veroorzaakt____ Doch waar blijft vader? Hij heeft

mij verboden hem te roepen, uit vrees van moeder te wekken.quot;

„Daar ben ik al,quot; zei Ansegisus, die zich juist op dat oogenblik bij het jachtgezelschap voegde. „Ge hebt uw tijd niet verslapen, maar om den slaap van anderen schijnt ge u al zeer weinig te bekommeren. Is dat een beweging voor dag en voor dauw! Zijt ge vergeten dat der jacht stilte betaamt?quot;

Een half uur later werd de zware poort ontgrendeld, de valbrug neergelaten en trok de geheele jachttreln met paarden en honden het veld in, dat stralend van morgendauw allengs uit den nachtelijken slaap ontwaakte, en waar de wilde bloemen hare kelken als zoovele nieuwsgierige oogen openden om te zien wie zoo vroeg reeds hare rust kwam verstoren.

Ook in den burcht ontwaakte alles allengs tot den nieuwen dag; slotplein en moestuin, waschhuis en spinnerij, alles was binnen een uur vol leven en beweging; deuren werden ontgrendeld en vensters opengeworpen; eene dienstmaagd kwam water putten uit de ommuurde wel op het binnenplein en voor een bovenvenster zag men een dienaar, die zich verslapen had, haastig den lijfrok over het hoofd aanschieten.

Maar terwijl alles in vroolijke bedrijvigheid den nieuwen dag intrad, ontwaakte de burchtvrouw slechts met een gevoel van beklemming uit hare benauwde droomen. Het was of er een last op haar gemoed drukte, dien zij niet vermocht af te werpen. Wel putte zij, in haar bidvertrek voor het kruisbeeld neergebogen, bemoediging in het gebed; wel vond zij afleiding in hare huiselijke bezigheden; maar toch vermocht zij zich niet over hare bange bekommering heen te zetten.

98

ocr page 111

MAAGDEPALMEN.

Voortdurend kwelde haar de gedachte aan het gevaar, waaraan An-segisus en hare beide zonen op dat oogenblik waren blootgesteld, en onder den neerdrukkenden invloed harer sombere droomen zette zich bij haar een angstig voorgevoel dat deze dag haar ongeluk zou brengen.

De huiselijke beslommeringen, anders haar lust en vreugde, vermochten die neerslachtige stemming niet te verdrijven, en hoe verder de dag vorderde, hoe meer zij zich onder den invloed voelde van eene onbestemde vrees, die zich in eene zenuwachtige gejaagdheid openbaarde.

Bleek en zwijgend zat Begga dien middag te midden harer vrouwen in haar gewoon arbeidsvertrek, vanwaar men een ruim uitzicht had op het omringende, heuvelachtige landschap. Vroolijk speelden de zonnestralen door de smalle rondboogvensters en brachten allerlei wisselende schakeeringen in de gekleurde estrikken van den vloer, de bonte muurschilderingen, den groenen terpentijnsteen en het grauwe of melkwitte marmer, — bouwstoffen van oud- Romeinschen oorsprong, die hier tot kapiteelen en schraagsteenen verwerkt waren.

De vrouwen zaten om eene lange tafel geschaard, die geheel bedekt was met lappen linnen en wollen stoffen, fijn lijnwaad en warm Friesch laken, fulp en baragan, een geweven stof, die uit het zuiden aangevoerd werd en waaruit de hozen der mannen vervaardigd werden. Enkele der arbeidsters waren aan die tafel met knippen en vouwen bezig, terwijl anderen vlijtig de naald hanteerden om de afgepaste stukken tot kleederen saam te voegen, waarbij zij wel zorgden den naad haast onzichtbaar fijn te stikken of hem anders onder een op-legsel te verbergen; want eene naaister, die de naden zichtbaar liet, kon den naam niet hebben in haar werk ervaren te zijn.

Weer anderen zaten, met het spinrokken tusschen de knieën of in een voetstel bevestigd, de draden van vlas of wTol te spinnen en bij een der vensters stond een fraai weefgetouw, waaraan eene oude vrouw bezig was fijn lijnwaad te weven. In den hoek lag een half afgewerkt, bont bestikt tapijt, — het werk der burchtvrouw zelve, dat ze echter ditmaal lusteloos had neergeworpen, om zich aan het spinnewiel te zetten. Haar hoofd stond er dien dag niet naar, de bonte kleuren smaakvol te schikken en zorgvuldig de steken te tellen; het eentonig gesnor van het spinrokken liet aan hare gedachten den vrijen loop, en naarmate zij zich in stil gepeins verdiepte of met

99

ocr page 112

MAAGDEPALMEN.

voorstellingen bezig was, die haar gemoed in heviger beroering brachten, vertraagde of versnelde het rad zijne wentelingen.

Werktuigliik liet zij het wiel ronddraaien, minder bezig met het spinsel, dat door hare vingers gleed, dan met de gedachten, die zich in haar ontsteld brein afsponnen en waarvan de draad lang zoo effen niet was, als die zich om de klos woelde.

Elk oogenblik zag zij van haar arbeid op, om een blik uit het venster te werpen, en hervatte dan weer met een pijnlijken zucht het eentonige werk. Hare gezellinnen, anders zoo spraakzaam en vroolijk, zetten eveneens zwijgend den arbeid voort, niet begrijpend waarom de afwezigheid der mannen ditmaal de burchtvrouw zoo somber stemde: een jacht of een avontuurlijke onderneming was toch niets zeldzaams in die dagen en geen reden om den geheelen dag door bange zorg gekweld te worden.

Er heerschte eene stilte als in de werkzaal van een klooster en dat beklemmende zwijgen vormde een pijnlijke tegenstelling met het blijde daglicht en het levendig schouwspel, dat dit vrouwenvertrek aanboodquot;. Al die vrouwen droegen een kleed, dat van even beneden den hals tot de voeten afdaalde, het bovenlijf nauw omsloot, en daarentegen in wijde plooien van de heupen afdaalde. Was echter de snede eenvormig, in de kleuren heerschte eene bonte verscheidenheid: blauw en geel, rood en wit, groen en oranje staken helder tegen elkander af en werden nog verlevendigd door de kleurige gordels en zoomen, hier en daar met gouddraad doorstikt.

De jongsten lieten de lokken ongehinderd over de schouders golven, alleen door een haarband opgehouden; de ouderen droegen sluiers van fijn lijnwaad, die bijna tot op den grond reikten.

Begga was gedost in haar eenvoudig huisgewaad van fijn Augs-burgsch linnen, met roode en gouden draden bestikt en met purperen boordsels afgezet, en haar gelaat was zoo bleek, dat het haast met de blankheid van het lijnwaad kon wedijveren.

Peinzend liet zij wederom den blik naar buiten dwalen en ongemerkt liet zij de hand zinken, zoodat het spinrokken allengs zijn gang vertraagde en ten slotte geheel stil stond.

Zuchtend wendde de burchtvrouw zich daarop tot hare gezellinnen en kon niet nalaten ongeduldig te zeggen:

„Nog altijd zie ik niets opdagen ... Mij dunkt dat de jagers ditmaal lang uitblijven.quot;

100

ocr page 113

MAAGDEPALMEN.

„Het is ook geene jacht als elke andere,quot; hernam de gezellin, die het dichtst in hare nabijheid was, „eene everjacht kan allicht meer moeite en arbeid vergen.quot;

Die woorden, welke strekken moesten om de burchtvrouw op te beuren, hadden eene tegenovergestelde uitwerking; zij maakten haar op den vollen omvang van het gevaar opmerkzaam.

„Dat juist is het, wat mij zoo verontrust,quot; sprak zij gejaagd.

„Maar heer Ansegisus is do man niet om zich met doldriftigen overmoed bloot te geven, en zijn beleid staat ons borg dat ook de andere jachtgezellen geen gevaar zullen loopen.quot;

Begga zuchtte.

„Dat ik hem niet teruggehouden heb!quot; sprak zij hoofdschuddend en op een toon van zelfverwijt.

„Ik vrees dat het u weinig gebaat zou hebben, edele vrouwe, want van het welspel laten de mannen zich zoo licht niet afbrengen en te minder waar het zulk een zeldzame jacht geldt.quot;

„Dat zij mij niet eens gewekt hebben, om oorlof van mij te nemen!quot; ging de beangstigde echtgenoote en moeder voort. „Ik had hen ten minste tot voorzichtigheid kunnen aansporen, hun een spoedige terugkomst aanbevelen, hun zeggen welke onrust de tocht mij baarde!quot;

„Maar de hoeren zullen toch uwe ongerustheid niet noodeloos rekken en stellig ten spoedigste huiswaarts koeren.quot;

„Als hun geen ongeluk overkomen is!quot; voegde Begga er met een diepen zucht bij, en zette hot spinrokken weer in beweging; het gesnor van het wiel scheen het stilzwijgen minder beklemmend te maken en het eentonig geratel op haar gejaagd gemoed eene bedarende werking uit te oefenen, gelijk het regelmatig getik dei-wieg een schreiend kind in slaap sust.

Wederom spon zij ijverig voort, toen zij plotseling als met een electrischen schok opschrikte. De horen des torenwachters weerklonk en dat onverwacht geluid was voldoende om de zenuwachtig gejaagde vrouw eene rilling door al de ledematen te jagen.

„Een renbode!quot; riepen hare gezellinnen, die naar hat venster geijld waren, terwijl Begga zich de hand op de borst drukte, om het onstuimig kloppen van haar hart tot bedaren te brengen.

Na eenige oogenblikken kwam men haar melden dat eene bode van Nypels onverwijld heer Ansegisus verlangde te spreken, waarop zij gelastte dat hij binnengelaten zou worden.

101

ocr page 114

MA AG DE P ALM E N,

„Gij komt van Nypels?quot; vroeg zij, den bestoven ruiter nauwelijks tijd latende om een groet te stamelen. „Wat nieuws brengt gij van de abdij, en mijne zuster, de waarde abdisse?quot;

„Met de abdij is het treurig gesteld, edele vrouwe,quot; hernam de bode. „Het convent wordt van alle zijden door vijanden belaagd; dezen eischen dat de eerwaarde abdisse, die God moge zegenen, hun Grimoalds dochter, de jonge Wilfetrudis zal uitleveren, het klooster in geval van weigering met brandstichting en vernieling bedreigende. Daarom zendt de vrome abdis mij hierheen om van uw heer gemaal hulp te verzoeken. Ziehier het schrijven dat zij tot heer An-segisus richt.quot;

Dit zeggende haalde de bode uit zijne gordeltasch een verzegeld perkament te voorschijn, dat hij de burchtvrouw met eene kniebuiging en een handkus overhandigde.

Begga nam het werktuiglijk aan en staarde den bode bleek van schrik in het gelaat; zij moest zich aan haar zetel vastklemmen om niet van ontsteltenis op dit plotseling bericht te bezwijken. Al hare gezellinnen waren van den arbeid opgestoven en omringden hare meesteres, beurtelings deze en den bode aanstarende.

„Heilige Maagd!quot; kreet Begga. „De abdij bedreigd! Arme Gertru-

dis, wat zult gij aanvangen!____ O! dat mijn gemaal niet hier is!quot;

ging zij voort, wederom een ongeduldigen blik naar buiten werpende. „Mijn God! zoo hij eens niet terugkeerde!quot; En door dat treurig denkbeeld overmand, leunde zij eene wijle in somber gepeins tegen de middelspijl van het venster; doch daarop weer aan hare zuster denkende, ontwond zij met bevende hand het zegelkoord van Ger-trudis' schrijven en kuste de woorden van den aanhef, waarin de abdis haar en Ansegisus hare groeten aanbood.

In koortsige spanning doorliep zij den brief, die met eene fraaie Latijnsche letter geschreven was, en overstelpte daarna den bode met vragen, die deze naar zijn best vermogen beantwoordde, zonder evenwel hare angstige nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.

„Dat Ansegisus niet hier is!quot; herhaalde zij met klimmend ongeduld. „O! zoo hem op dit oogenblik een ongeluk weervaren was!.... Maar ik vergeet dat gij vermoeid zijt van den verren tocht,quot; ging zij voort, zich tot den man wendende, die bedremmeld voor haar stond; klaarblijkelijk lag hem nog iets op het hart.

„Eagnetrudis,quot; sprak Begga tot een harer vrouwen, „schaf hem

102

ocr page 115

MAAGDEPALMEN.

wat te eten en te drinken, dat hij zich verkwikke in afwachting dat mijn gemaal huiswaarts keert.quot;

Daarop wenkte zij den bode de dienares te volgen, maar alvorens hij heenging, meende hij haar nog te moeten zeggen, wat hij reeds lang op de lippen had.

„Duid mij niet euvel,quot; sprak hij, „dat ik u nogmaals verontrusten moet; maar het zou mij deren, zoo ik door verzuim u in ongelegenheid bracht. Weet dan dat ik op mijn weg hierheen op krijgsvolk gestuit ben, dat een aanslag op dezen burcht in den zin schijnt te hebben. Ik vernam dat heer Ansegisus geweigerd heeft zich aan het hoofd van Grimoalds vijanden te stellen en nu—quot;

„Zal men hem als des hofmeiers vriend den oorlog aandoen,quot; voleindde de burchtvrouw „O waarom is hij nu juist met al zijne dienstlieden ter jacht getogen, en zit ik alleen en hulpeloos op het huis! Wat moet ik beginnen! Ga en verwittig de wacht op de voorpoort.quot;

De bode snelde heen, blij dat hij zich van zijn onaangename boodschap gekweten had, en liet de vrouwen in de grootste onsteltenis achter. Een aanslag op den burcht, en dat terwijl zijne voornaamste verdedigers afwezig waren! Wat moest er van de weerlooze vrouwenschaar worden, zoo Ansegisus met de zijnen niet spoedig terugkeerde en zij zich aldus op de tegenweer van luttele dienstlieden verlaten moesten! Bleek en gejaagd verdrongen zij zich om hare meesteres, wier angstige gemoedsbeweging met elk oogenblik toenam. Nu eens leunde zij staroogend tegen de spijlen van het venster, en dan weer zonk ze in haar bont beschilderden, sierlijk uitgesneden zetel.

„Was het niet raadzaam een dienstman uit te zenden om heer Ansegisus op te sporen?quot; zoo waagde een der vrouwen het bekommerd stilzwijgen der burchtvrouw te storen.

„Waar zou die hem zoeken?quot; merkte eene andere op. „Wieweet hoever de jachtstoet is afgedwaald.quot;

„En daarbij,quot; meende eene oudere vrouw, „zal heer Ansegisus niet langer uitblijven dan noodig is; hij weet toch in welken onrustigen tijd wij leven.quot;

„Zoo hem slechts geen ongeluk weervaren is!quot; zuchtte de burchtvrouw, die dit denkbeeld, hetwelk alle andere bij haar op den achtergrond scheen te dringen, maar niet verzetten kon.

„Kwel u zelve niet aldus, edele vrouwe, met u het ergste voor

103

ocr page 116

MAAGDEPALMEN.

te stellen,quot; hernam de oudere gezellin opbeurend. „Zoo onze heer, uw gemaal alleen en onverzeld ware, ik zou uwe vrees billijken;

maar te midden van een talrijk jachtgezelschap____quot;

„Het is waar, Doda, ik bekommer mij wellicht zonder reden, maar

ik weet niet wat angst mij heden door de leden rijdt____God zij ons

genadig!... Wij kunnen voor den oogenblik niets anders doen dan bedaard mijns heeren terugkomst afwachten.quot;

En met zenuwachtige gejaagdheid zette zij zich wederom aan het spinrokken, welks rad zij met duizelingwekkende snelheid deed ronddraaien. Het was als wilde zij door die rustelooze beweging de angstige gedachten verdrijven, welke hare ziel bestormden en die zij zich als de dochter van Pepijn en de echtgenoote van Ansegisus onwaardig achtte. De vrouwen uit dat krachtige tijdvak stelden er niet, als sommige harer zusteren in onze dagen, eene soort van eer in, zwakke zenuwen te hebben.

Ook hare gezellinnen hervatten op het voorbeeld der burchtvrouw den arbeid, maar niet zonder herhaaldelijk daarvan op te blikken om een oogslag naar buiten te werpen; zij staken de hoofden bijeen om elkaar hare bekommeringen en vermoedens mee te deelen, en met het gesnor der spinrokkens, het geritsel der stoffen en het gerinkel van schaar en verder naaigereedschap vermengde zich een onrustig gemompel.

Begga spon met koortsigen spoed voort, als kon zij daardoor den loop der traag voortkruipende uren verhaasten, tot eensklaps het rad met een lichten knak stilstond. De draad was gebroken en het was of der burchtvrouw zelve daarbij een vezel in het hart gesprongen ware, zoo hevig ontsteld schrikte zij er van op.

Het bloed in hare aderen scheen te stollen, hare polsen zonken machteloos neer en doodsbleek liet zij het hoofd tegen de gekus-sende leuning van haar stoel zinken.

„Heilige Maagd, wat overkomt u, edele vrouw!quot; riepen hare gezellinnen verschrikt en ijlden op hare meesteres toe, terwijl de oudste Begga eene drinkschaal aan de lippen zette. De bezwijmde nam er eene teug uit en zeide toen, half stamelend:

„Bij God, die mijner ziele genadig zij, mij docht dat met dien draad de levensdraad mijns gemaals afbrak!quot;

„Begoocheling van het overspannen brein!quot; zeide de oude vrouw. „Jesus, Maria!quot; kreten hare gezellinnen verschrikt.

104

ocr page 117

MAAGDEPALMEN.

„Zie, wie komt daar in zoo groote haast aangerend?quot; riepen een paar anderen, op het venster wijzende.

„Het is Pepijns schildknaap!quot; zei Begga, zich verrast in haar zetel oprichtende. „Wat mag dat wezen?quot;

Nauwelijks had zij den tijd eenige gissing op die plotselinge verschijning te bouwen; van den eenen kant voelde zij de hoop in zich opgewekt, dat de knaap als voorbode van den naderenden jachtstoet was uitgezonden, maar het bange voorgevoel, dat haar den geheelen dag beklemd had, zeide haar dat die overhaaste thuisrit slechts onheil spelde. Van haar zetel opgesprongen, stond zij in het volgende oogenblik tegenover den knaap, die hijgend en ademloos, met bestoven kleederen en verwilderde gelaatstrekken voor haar stond.

„Vlucht, edele vrouwe, vlucht!quot; stamelde hij, door zijne heftige gebaren pogende kenbaar te maken, wat hij niet in woorden uiten

kon. „Vlucht van hier!____ haastig!____ anders____ o die snoode

Gonduinus!quot;

„Waar is Gonduinus? wat raaskalt gij?'' vroeg Begga met angstig ongeduld.

„Heer Pepijn zet hem met het gansche jachtgezelschap na. Elk

oogenblik kan hij hier zijn____ O vlucht, edele vrouwe. Bij mijn ziel.

gij zijt in doodsgevaar!quot;

„Heilige Maagd! wat moet ik daarvan denken?quot; kreet de arme Begga de handen wringende. „Waar is mijn gemaal?quot;

„Dood!quot; schreide de knaap op hartverscheurenden toon. „Wreed

doorstoken!____ de laffe verrader!quot; voegde hij er bij, terwijl zijne

stem van verontwaardiging, smart en adernloosheid stokte.

„Groote God! dood! Ansegisus dood!quot; gilde Begga en moest zich aan hare gezellinnen vastgrijpen om niet te bezwijken. „En wie is de verrader, wie? spreek!quot; perste zij zich met moeite uit de keel.

„Gonduinus Iquot; snikte de knaap. „Ha! de moordenaar! Licht bedreigt hij ook u! Vlucht! vlucht!quot; en in zijn angst stampvoette de knaap van ongeduld, dat het hem onmogelijk was in zijne opgewondenheid de burchtvrouw den omvang van het gevaar te doen beseffen.

Begga hoorde of zag niets meer; al de vermogens van hare ziel en haar lichaam vestigden zich op dat ééne denkbeeld, dat haar thans met verschrikkelijke klaarheid voor den geest stond: Ansegisus vermoord, en dat door Gonduinus. God in den hemel! was het mogelijk! O, haar voorgevoel had haar dan niet bedrogen! Dien dag

105

ocr page 118

M A. AGDEP ALMEN.

moest haar een ongeluk overkomen! Maar zoo vreeselijk, zoo verpletterend had zij het zich in haar felsten angst niet kunnen voorstellen. Dit eene oogenblik had haar geheele leven verwoest. Anse-gisus dood, Gonduinus een moordenaar, — die woorden suisden haar onophoudelijk in de ooren, en met dat inwendig moordgeschrei, hetwelk haar geen oogenblik rust liet, vermengden zich de bange kreten van den schildknaap, die smeekend op vluchten bleef' aandringen, en de angstige uitroepen harer gezellinnen, die haar schreiend en handenwringend omgaven.

„Ansegisus! Ansegisus!quot; kreet zij radeloos. „En Pepijn, waar blijft Pepijn?quot;

„Hij zet den moordenaar na____met den ganschen jachtstoet —

O! zoo Gonduinus hem hier vóór ware!— Vlucht, edele vrouwe!quot;

Haar gemaal doorstoken, Pepijn met al de dienstlieden den moordenaar achterna, zij zelve alleen en hulpeloos op het slot, bedreigd door haar pleegkind, bedreigd door Grirnoalds vijanden, buiten staat hare zuster, die haar om ontzet liet vragen, hulp te verleenen, — dit alles was te veel voor de arme vrouw, en bezwijmd stortte zij in de armen harer gezellinnen, die zelven radeloos en ontzet, dooide onsamenhangende kreten van den uitzinnigen knaap verbijsterd, haar in alle haast een mantel omwierpen, die haar onkenbaar maakte en de wezenlooze met zich voerden.

106

ocr page 119

XI.

I jij St. Maarten!quot; riep graafWitger uit, terwijl hij onrustig het vertrek der abdis van Nypels op en en neer stapte, „tenzij de goede God ons Zijne lieve heiligen te hulp zende, weet ik niet hoe wij dit gevaar ontkomen moeten.quot;

„Dat behoeven wij ook niet te weten, waarde oom,quot; hernam Gertrudis van haar zetel opstaande; „de Heer weet dat Zijne bruiden in gevaar zijn en dat is voldoende.quot; Dit zeggende, wierp zij een blik vol geloovig, kinderlijk vertrouwen op het groote kruisbeeld, dat de kamer sierde: het was hetzelfde crucifix, waaronder Pepijn den laatsten adem had uitgeblazen; dat door zijne gemalin Iduburga vervolgens naar Nypels was meegevoerd en na naar dood als kostbare erfenis aan Gertrudis was ten deel gevallen.

„De eene dag verloopt na den anderen, zonder dat een der verwanten, wier hulp wij hebben ingeroepen, iets van zich doet hooren. Ansegisus, graaf Odelard, niemand schijnt zich om de hulpelooze kloostervrouwen te bekommeren. Zelfs mijne eigen dienstmannen, die ik herwaarts geroepen heb, laten mij in den steek.quot;

„Het uitblijven van de hulp onzer verwanten,quot; ging Gertrudis voort, „verontrust mij minder om wille der abdij, dan om hunnentwil; want zoo het hun eenigszins mogelijk was, zouden zij niet nalaten ons. bij te springen; nu vrees ik, dat zij zeiven in moeilijk-

ocr page 120

■^Qg MAAGDEPALMENt.

heid verkeeren. Het schijnt dat de verbitterde bevolking aan Gri-moalds maagschap den haat wil koelen, dien 2« aan hem zeiven niet kan botvieren. Welk een verschil met den tijd van mijn zaligen heer vader, voor wien het volk partij koos zelfs tegen den koning, wanneer deze zijn trouwen dienaar verongelijkte! Dat heeft Grimoalds heerschzucht gedaan. God zij hem genadig!quot; bad Gertrudis, minder aan het eigen gevaar denkende, dan aan het lot van den broeder,

die haar zoo vaak had verongelijkt.

„En keerden onze boden nog slechts terug!quot; zuchtte Witgeis dochter Gudula, aan hare moeder en zuster denkende, die, terwijl graaf Witger te Nypels was, alleen en hulpeloos te Halle zaten, quot;wie weet hoe het te Halle gesteld is! Misschien ziet moeder reikhalzend naar vaders terugkomst uit! Heeft de bode haar wel eens

kunnen bereiken!quot;

Alles is mogelijk in deze tijden van beroering,quot; sprak de oude graaf somber, „maar over uwe vrouw moeder behoeft ge u met te verontrusten,quot; voegde hij er ter geruststelling zijner dochter bij; „ik kan op mijn volk rekenen. Dat de boden niet terugkeeren is licht te vatten; zij zullen er zich niet aan gewaagd hebben door den ringmuur van vijanden heen te dringen, die de abdij omsingelen,

en liever het hazenpad hebben gekozen.quot;

„Zoo zij niet in 's vijands handen gevallen zijn, waarvoor ik meerder vreeze koester,quot; hernam de abdis, „want hunne trouw wil ik niet

verdenken.quot;

„Dat zou des te erger zijn voor hen en voor ons, daar de vijand alsdan onze boodschappen wel zal hebben weten te onderscheppen;

maar ik vertrouw dat zij gezorgd hebben buiten zijn bereik te blijven.

Van alle zijden is de abdij omringd, zoodat er voor hen toch geen kans bestond hierbinnen te komen. Reeds is de gedachte bij mij opgerezen of het niet raadzaam zou zijn met de weinige mannen, die wij te onzer beschikking hebben, een wanhopigen uitval te beproeven, u en de overige vrouwen in ons midden nemende, ten einde ons alzoo een uitweg door den vijand te banen —

„Vader, waar denkt ge aan?quot; riep Gudula angstig opspringende. ^Dat zou eene hopelooze onderneming zijn,quot; sprak de abdis bedaard. „Het is den belegeraars niet om de abdij, maar om Grimoalds dochter te doen, en met haar in ons midden zouden we ons buiten de kloostermuren wagen!quot;

ocr page 121

MAAGDEPALMEX.

„Daarbuiten kan ons geen grooter dreigen dan hierbinnen, waar men de abdij boven onze hoofden kan doen instorten. Wat kan onze zwakke tegenweer baten, zoo men ons met geweld bespringt? Ik heb alles gedaan wat mogelijk was, om het convent in staat van tegenweer te stellen. Alle toegangen zijn met aarde en puin versperd ; een geheelen voorraad van steenen heb ik op de daken doen brengen, om er onze bespringers onder te verpletteren. Van alle kanten hebben wij de muren met schietgaten doorboord om onze pijlen op den eerste te kunnen richten, die het waagt ons te na te komen. Doch hoe zullen onze weinige verdedigers zich over de geheele uitgestrektheid der abdij kunnen verdoelen, als de aanval van verschillende kanten te gelijk geschiedt? Hoelang zal onze handvol ongeoefende en kwalijk gewapende mannen het tegen die gansche benden krijgers kunnen volhouden? En al spoedig zal het tot een aanval komen; tot tweemaal toe heeft men de arme Wilfe-trudis opgeëischt; nog eenmaal zal die opeisching hernieuwd worden, en dan____!quot;

„Dan zal de Heer uitkomst geven,quot; sprak Gertrudis met onwrikbaar vertrouwen. „Nog nooit heeft Hij Zijne bruiden in het gevaar verlaten; Hij heeft ons in den ruiter met het witte ros een beschermer verwekt, die ons in de dagen des gevaars altijd ter zijde stond en ongetwijfeld ook ditmaal nabij is.quot;

„God geve het!quot; sprak Witger en wilde het vertrek verlaten om nog eens zijn oog te laten gaan over de verdedigingswerken, terwijl de beide vrouwen in de avondschemering, die allengs over de abdij neerdaalde, in gepeins verzonken bleven.

„Arme Gudula,quot; zei de abdis medelijdend, „dat gij juist in deze dagen hierheen moest komen, gij, die hier rust en vrede des gemoeds hadt meenen te vinden.quot;

„En verschaft gij niet juist in deze bange stonden mij het schoonste voorbeeld van dien onverstoorden vrede des gemoeds, van dat ge-loovig vertrouwen, hetwelk alle zorgen werpt op den Heer, van dien geest des gebeds, dien ik hier wilde komen leeren?quot;

„Gij betreurt het dus niet, naar Nypels gekomen te zijn?quot;

„Veeleer betreur ik, u niet spoediger hierheen gevolgd te zijn. Waar zou ik beter kunnen zijn dan onder uwe hoede? O! wat zal ik in uwe school nog veel hebben te leeren!quot;

„Voortaan zullen we samen arbeiden, samen bidden, samen ons

ocr page 122

MAAGDEPALMEN.

over de werken Gods onderhouden, als in de dagen, toen gij nog een kind waart. Herinnert gij n dien tijd nog, üudnla?quot;

„Hoe zou ik hem vergeten, den gulden tijd, dat ik aan den schoot mijner lieve meter stond, aan hare lippen hangende, die mij den inhoud der heilige boeken verhaalden.quot;

Welnu, die dagen zullen thans wederkeeren, als slechts deze storm

is overgedreven—quot;

Een driftig gestommel, in de vredige abdij eene hoogst ongewone stoornis, kwam het gesprek dier beide zuster-zielen onderbreken. Terwijl graaf Witger het vertrek verlaten had, was hij op twee personen gestuit, die zich naar de abdis begaven, en nu stoimde hij, door hen gevolgd, de kamer weer binnen.

„Hier is reeds een bode!quot; riep hij opgewonden. „Wilfetrudis, ontsteek het lamplicht, opdat wij zien kunnen.quot;

De jonge kloosterzuster, die den bode had binnengeleid, liet de koperen lamp van het gewelf dalen en deed de pit ontvlammen. Toen de lamp weer omhoog rees, viel het volle schijnsel op het bleek en ontdaan gezicht van den bode, die in havelooze kleeding en met een verwaarloosd uiterlijk voor den verrasten graaf en de verschrikte vrouwen stond.

„Brieven heb ik niet, eerwaarde vrouwe,quot; zoo begon hij, „wat ik aan papieren bij mij had, heb ik onderweg vernietigd, uit vrees dat de vijand mil daaraan als een bode der abdij herkennen en mij gevangen houden zou...

„Maar hoe zijt gij hierbinnen gekomen?quot; riep graaf Witger.

„Achter aan den moestuin is eene plek in den muur, waar de steenen door de vochtigheid en het dichte struikgewas aan de buitenzijde een weinig zijn losgeraakt; daar heb ik met veel moeite een gat uitgebroken en er mij door heen gewrongen.quot;

„Maar hoe zijt gij tot daar kunnen doordringen?quot;

„Ik weet het zelf bijna niet. Drie dagen heb ik noodig gehad om door de krijgersbenden heen te sluipen, mij bij dag schuil houdende en des nachts als eene slang langs den grond schuivende, door struiken en struweelen, door begroeide kloven en het modderige bed van uitgedroogde beken. Eindelijk bereikte ik, half dood van uitputting den tuinmuur, waar ik langs sloop, onder de struiken naar eene geschikte plek zoekende, waar ik eenige steenen kon loswoelen om mij een doortocht te banen....

110

ocr page 123

MA AGrDE PALMEN.

„Arme man!quot; zei Gudula medelijdend.

„Ge zijt een trouwe borst,quot; sprak Witger, „later zult ge mij dat uitvoeriger verhalen. Ge zijt dus niet in's vijands handen gevallen?quot;

„In hét eerst ja, maar ge ziet dat ik van kleederen verwisseld had, zoodat ik mij voor een arbeider van een der hoeven in den omtrek kon uitgeven. Men heeft mij wel uitgeschud, maar daar men niets bij mij vond, moest men mij wel laten gaan.quot;

„Schrander overlegd, en hoe hebt gij het te Chèvremont gevonden ? Vaart heer Ansegisus en zijn gezin nog wel? Wordt ook hij om Grimoalds wil verontrust?quot;

„Och, edele graaf!quot; stotterde de bode en bedremmeld bleef hij steken, ter sluiks naar de drie kloostervrouwen ziende, wier oogen in gespannen aandacht op hem gericht waren.

„Is ook Chèvremont in gevaar?quot; ging de oude Witger voort, de aarzeling des boden bemerkende. „Spreek op, wat schort er aan?quot;

„'tls eilaas erger nog, heer graaf....quot;

„Bij St. Maarten, spreek dan! Hoe hebt gij Chèvremont verlaten?quot;

„Toen ik heer Ansegisus' burcht verliet, vertoefde noch hij noch zijn gezin meer daar.quot; Wederom hield de man op, angstig de ontstelde vrouwen aanziende.

„Waar zijn zij dan?quot;

„Vrouwe Begga is naar Hespengouw gevlucht.quot;

„Gevlucht!quot; herhaalden allen uit eenen mond. „Wat is er dan gebeurd? Waar is heer Ansegisus en Pepijn en Gonduinus?quot;

„O, het is eene vreeselijke geschiedenis, vrome vrouw,quot; ging de bode voort, thans de abdis aansprekend. „Duid het mij niet euvel, zoo mijne tong aarzelt ze u te verhalen. Doch ik moet wel— Weet dan dat Gonduinus, hoewel in schijn een liefhebbend en dankbaar zoon voor zijne pleegouders, sinds lang in zijn binnenste een boos en schandelijk opzet tegen hen beraamde. Hij verlangde naar Ansegisus' dood, hopende later de hand van vrouwe Begga en daarmede al hare goederen te verwerven____quot;

Allen luisterden in ademlooze spanning toe; de bode ging voort:

„Vooral in deze tijden van beroering zou Begga, na den dood haars gemaals, een beschermer behoeven. Daarop rekende Gonduinus. Hij zou, door haar tegen Grimoalds vijanden te verdedigen, hare erkentelijkheid en liefde winnen; en was hij eenmaal haar gemaal, dan stond hem, meende hij, de weg tot alle eer en grootheid open.

Ill

ocr page 124

MAAGDEPALMEN.

Men had heer Ansegisus den hofmeierstaf aangeboden, doch deze had hem afgeslagen. Gonduinus zou hem niet afslaan en droomde, evenals Grimoald, reeds van het koningschap—quot;

„Ga voort, ga voort,quot; zei graaf WItger driftig.

„Welnu! Gonduinus heeft zijn pleegvader op de jacht in het geheim zoeken te dooden; maar Pepijns schildknaap had hem bespied en riep uit alle macht; „Te hulp! te hulp! men doorsteekt onzen heer!quot; Toen schoten Pepijn en de jachtgezellen toe, maar het was reeds te laat.quot;

„Ansegisus dood!quot; riepen allen uit, bleek van schrik en onstel-tenis den bode in het gelaat starende, als om daarop de logenstraffing zijner woorden te lezen; maar helaas, zijne trekken bevestigden slechts de treurmare zijner lippen.

„Ha! die gevloekte slang!quot; bulderde Witger, trillend van verontwaardiging, „kon ik hem den venijnigen kop verpletteren! Met zijn giftigen angel de borst doorboren, die hem gekoesterd heeit!

Gudula en Wilfetrudis schreiden. Do abdis stond met gebogen hoofd, doodsbleek gelaat en ontkleurde lippen. De pijnlijke trekken van haar uitgeteerd gelaat bewezen dat haar de borst van weedom verscheurd werd, maar toch ontsnapte geen klacht, geen uitroep aan haren mond; hare lippen bewogen zich tot eene stille ontboezeming van gelatenheid en overgeving in Gods heiligen wil, en met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van smart en christelijke onderwerping vestigde zij het oog op het beeld des lijdenden Verlossers.

„Pepijn en de geheele jachtstoet,quot; ging nu de bode voort, als wist hij dat het vernemen dier bijzonderheden althans eenigermate afleiding zou bezorgen van den eersten schrik, „zetten nu Gonduinus na, die terwijl men zijn ontzielden pleegvader te hulp kwam, als een pijl uit den boog het woud was ingeschoten. Maar terwijl zij aldus den voortvluchtige door het geboomte achtervolgden, bereikte deze het kasteel. Hier had Pepijns schildknaap reeds de ontzettende tijding gebracht en vrouwe Begga was in den eersten schrik gevlucht. Nu had Gonduinus vrij spel: met behulp zijner trawanten, die mede de hand in het verraad hadden en wien hij een ruim deel in den buit had toegezegd, maakte hij zicli van Chèvremont meestelen nestelde zich daar. Op het oogenblik moet Pepijn het beleg voor zijn vaderlijken burcht geslagen hebben.quot;

„Mijn God! mijn God!quot; snikten de vrouwen.

112

ocr page 125

MAAGDEPALME,NT.

„De snoodaard!quot; mompelde de oude Witger met opeengeklemde tanden, bleek van verontwaardiging en onsteltenis. Eene wijle stond hij sprakeloos van ontzetting op het vernemen van zulk een snoode ondankbaarheid, waardoor voor altijd het geluk van een geheel gezin was verwoest. Gertrudis bad; in gestadig verkeer levende met haar hemelschen Bruidegom, kon zij vreugde noch smart ondervinden zonder er Hem deelgenoot van te maken en er zich met Hem over te onderhouden. Hare beide gezellinnen schreiden bij de gedachte aan het lijden der arme Begga, zoo wreed door haar pleegkind gegriefd!

De graaf zette vervolgens zijne ondervraging voort; hij rustte niet vóór hem al de bijzonderheden van het vuige verraad bekend waren en herhaaldelijk stampvoette hij in opbruisenden toorn of sloeg de hand aan het gevest van zijn geweldig zwaard, dat zonder scheede in een bandelier aan zijne heup hing.

„En hebt ge ook iets vernomen van Grimoald en zijn ledepóp Childebert, dien hij ons als koning wil opdringen?quot; vroeg hij eindelijk, nadat de bode hem alles had meegedeeld wat hij omtrent den dood des ongelukkigen Ansegisus wist.

„Grimoald zal zich niet tegen zijne vereenigde vijanden kunnen staande houden en koning Childebert zal wel nimmer de kroon van Dagobert dragen,quot; hernam de bode. „Ik heb vernomen, dat____quot;

Hier bleef hij wederom steken, een blik op de ontstelde vrouwen werpende, die met bange nieuwsgierigheid elk woord van zijne lippen opvingen. Slechts Gertrudis was kalm, maar elke vezel van haar gelaat sprak van den angst, die haar inwendig verteerde: het gold immers haar broeder.

„Wat hebt gij vernomen?quot; vroeg quot;Witger ongeduldig, in de verontwaardiging van zijn rechtschapen hart over Grimoalds eerzuchtig opzet vergetende, dat de zuster en de dochter van zijn misda-digen neef hier tegenwoordig waren. „Spreek! blijft hij zijn strooien koning nog handhaven?quot;

„Grimoald is gevangen,quot; sprak de bode; „men heeft hem in de handen van koning Clovis geleverd.quot;

„God! mijn vader!quot; weerklonk een smartelijke kreet, en Wilfe-trudis zonk in de armen der abdis, die haar met moederlijke tee-derheid omvatte.

„Bij St. Maarten!quot; riep graaf quot;Witger, verstoord op zich zeiven; „dat ik er niet aan gedacht heb, het arme kind deze tijding te spa-

8

113

ocr page 126

MAAGDEPALMEN.

ren!quot; En de krasse grijsaard, die niet gebeefd zou hebben, al had hij honderd vijanden onder de oogen gezien, stond thans bedremmeld tegenover het weenende meisje, dat ondanks hare smart nog heftigen weerstand bood aan de pogingen harer gezellinnen, welke haar buiten het vertrek wilden voeren.

„Kom mede,quot; sprak Gudula, haar zacht meetronende, „uwe ooren kunnen deze dingen niet verdragen.quot;

„Neen, ik wil alles weten,quot; schreide het meisje. „Zeg mij,quot; riep zij den bode toe, hare beangste blikken op hem vestigende, „waar heeft men mijn vader heengevoerd? Wat zal er met hem geschieden? Wie heeft hem gevangen?quot;

„Al wat ik u zeggen kan, is dat de hofmeier door eenige edelin-gen gegrepen en den koning overgeleverd is. Licht dat deze hem nog genadig is, vrome jonkvrouw.quot;

„Koning Clovis genadig!quot; riep Wilfetrudis opgewonden. „De strenge vorst zou den man genadig zijn, die zijns broeders zoon van den troon gestooten heeft! Hij, die alleen gekomen is om den verschopten koning te wreken!.... O, ik weet het, wat het lot mijns vaders zijn zal, zoo koning Clovis hem vonnissen moet!.... God! erbarm U over mijn vader!quot; snikte zij en verborg het gelaat aan de borst der abdis.

„Kind! kind!quot; sprak deze troostend, „wat ontrust gij u? Is uw vader niet in Gods hand? Kom,quot; voegde ze er bij, haar willende meevoeren.

„Volg mij,quot; zei graaf Witger tot den bode en wilde met dezen het vertrek verlaten om der vrouwen verdere kwelling te besparen. Maar op dat oogenblik deed zich een langgerekt horengetoet hooren en op dat geluid, hetwelk Gudula en Wilfetrudis angstig deed opschrikken, blikten allen elkander eene wijl sprakeloos aan.

„Het zal de derde opeisching zijn,quot; sprak Witger fluisterend tot de abdis. Maar Wilfetrudis, wier onrustige blikken van het gelaat des grijsaards naar dat van Gertrudis dwaalden, had hem maar al te wel begrepen.

„Men eischt mij op!quot; riep zij uit. „Ik weet het— welnu,levert mij over, brengt u om mijnentwil niet in gevaar!quot;

„Kind, gij weet niet wat gij zegt,quot; sprak de abdis met een moederlijken blik, „kom, volg mij.quot;

„Neen, waarde moeie,quot; riep het meisje, zich uit de armen harer

114

ocr page 127

M A AG-D K PALMEN.

verwante losrukkend. „Laat mij gaan, ik wil niet dat om mij^een

der bewoners van de abdij in gevaar verkeere!____ Laat mij, laat

mij!quot;

„Om Gods wil, waar wilt gij heen, mijn kind?quot;

„Naar buiten! Ik ga mij in de handen van mijns vaders vijanden stellen!quot; riep Wilfetrudis vastberaden en stapte op de deur toe, waar zij door Witger en den bode werd tegengehouden, terwijl Ger-trudis en Gudula haar bij de kleederen terughielden.

„Ik smeek u, laat mij gaan,quot; sprak zij, geen uitweg ziende en zich voor de abdis op de knieën werpende. „Mijn vader is in de macht zijns vijands; zijne dochter verdient niet beter. Men heeft hem gevankelijk weggevoerd; ik wil mij zelve in's vijands handen leveren. Ik wil met hem sterven! O! zoo ik met mijn dood zijn leven koo-pen kon!quot;

„Maar dat kunt ge niet, kind,quot; sprak graaf Witger haar goedhartig bij de hand grijpend.

„Dan kan ik ten minste de abdij redden!' riep het meisje. „Om

mijnentwil zijt gij allen in gevaar____Laat mij gaan! laat mij alleen

sterven! Licht dat ik door mijn dood van God genade verwerve voor mijn armen vader!quot;

Daar verscheen een der verdedigers der abdij, een oude leeke-broeder in de deuropening, en zei tot Witger, terwijl hij een verbaasden blik op het aandoenlijk tooneel wierp, dat het vertrek der abdis aanbood:

„Ten derden male hernieuwen de belegeraars hun eisch, onder bedreiging nog hedennacht de abdij te verbranden.quot;

„Zwijg,quot; duwde Witger hem driftig toe, ziende hoe Wilfetrudis met oog en oor elk woord, elk gebaar opving.

„Maar wat zal ik dan antwoorden?quot; vroeg de onbeholpen verdediger bedremmeld.

„Bij St. Maarten, wat wij reeds tweemaal geantwoord hebben. Ik ga zelf,quot; riep hij, in zijne onstuimige vaart de beide Jobsboden bijna omver loopend.

„Neen, laat mij het antwoord geven, heer graaf,quot; smeekte Wilfetrudis opspringend en hem naijlende. „Hier is Grimoalds dochter, die zij opeischen! Laat mij gaan! Gaarne zal ik mij in hunne handen leveren. Ik zal hun smeeken mij naar koning Clovis te voeren, opdat ik van hem genade verkrijge voor mijn vader. Doe

115

ocr page 128

MAAGDEPALMEN.

met mij naar uw welgevallen, zal ik hem zeggen; dood mij. maar

spaar mijn vader.quot;

Doch graaf Witger was reeds met de beide mannen verdwenen en had de deur achter zich dicht geworpen; schreiend viel Wilfe-trudis op den drempel neer, vergeefsche pogingen aanwendend om zich een doortocht te banen.

De abdis en Gudula poogden haar op te beuren, doch tevergeefs; zij bleef aanhouden dat men haar zou uitleveren.

„Nog hedennacht,quot; riep zij, buiten zich zelve, „zalmen de abdij verbranden, en dat om mij! O! dat ze veeleer mij aan de vlammen prijsgeven! Te lang reeds is het convent om mijnentwille in last! Laat mij ten minste thans de abdij redden, die ik ten verderve strek.

Laat mij gaan—quot;

Lang nog spanden de abdis en Gudula alle pogingen in om hare opgewonden gezellin tot bedaren te brengen; ten slotte deed Gertru-dis een beroep op de gehoorzaamheid, die hare nicht haar als geestelijke dochter gezworen had, en gebood Wilfetrudis zich bedaard in het gebed met haar te vereenigen.

Op eens weerklonk van alle zijden te gelijk een oorverdoovend horengeschal, en een woest gedruisch, als van een opstekenden storm, brak rondom de kloostermuren los. Op hetzelfde oogenblik deed de klok van het convent hare klagende en onrustige noodkreten hooren, om allen in den omtrek, die hulp konden brengen, te verwittigen dat de abdij in gevaar was. Met donderend geraas stortte een zware last op het dak, zoodat het geheele gebouw er van dreunde en het vertrek der abdis, onder een geweldig gekraak, met puin en brokstukken vervuld werd; het was de eerste steen, die uit een oorlogswerktuig naar het convent geslingerd werd.

Bleek en ontzet zagen Wilfetrudis en Gudula door de stofwolken heen de abdis aan, die rustig en kalm een blik op het kruisbeeld wierp en daarop bedaard hare bevelen gaf.

„Zuster Gudula,quot; sprak zij, „dat al de zusters zich in de kapel vergaderen om het Miserere te zingen; dat men het waslicht op don hoogen autaar ontsteke en vader Grimoald ons het heilig Sacrament ter aanbidding uitstelle. Gij, Wilfetrudis, volg mij.'

Eenige oogenblikken later was het heiligdom der abdij met de biddende schare der vrome nonnen gevuld, welke in hare blanke kloosterpijen eene kudde schapen geleken, bereid om ter slachtbank

116

ocr page 129

MAAGDEPALMEN.

gevoerd te worden. Helder omstraalde het zachte licht der ontstoken toortsen het sneeuwwitte altaar, waar onder een baldakijn van wit zijden, met gond geboorde draperieën de gouden pyxis schitterde, terwijl de gouden letteren boven in de randversiering van het baldakijn geborduurd, te kennen gaven dat hier de Jesus Hominum Saivator, de Verlosser der menschen troonde. Het overige der kapel was met een geheimzinnige schemering vervuld, en naarmate zij verder van het verlichte altaar verwijderd waren, verloren zich de witte gestalten der nonnen in de schaduwen, die als nevelige gordijnen van het hooge gewelf langs de wanden schenen neer te dalen.

Op de treden des altaars knielde een priester, in de wijde, rijk-bestikte koorkap gehuld, welke de kunstvaardige handen der kloostervrouwen hem vervaardigd hadden. Het was de vrome Grimoald, dien bisschop Amandus te Mons Littoris had achtergelaten als herder der jeugdige kudde, daar door Gertrudis' bemoeiingen gevormd, en die thans de abdis als zielsbestuurder naar Nypels gevolgd was.

„Deus in adjutorinm meum intendeklonk zijn smeekgebed, „o God, kom ons te hulpe! Heer, haast U, ons te helpen.quot;

En als uit éénen mond antwoordde daarop het koorgezang dei-zusters :

., Confundanlur et reverc.antur, qui quaerunt anhnum mearn, dat zij beschaamd worden en terugwijken, die onze ziel zoeken.quot;

Statig en plechtig galmden die tonen door de heilige ruimte, klagend en smeekend, wel is waar, maar toch vol kalme berusting, geluk de zuchten, opgestegen uit die maagdelijke harten, die wel nu en dan sneller klopten bi] de gedachte aan het gevaar, maar wier geloovig vertrouwen op den bijstand des Hemels toch niet werd geschokt. En terwijl het biddend psalmgezang rustig voortruischte binnen het heiligdom, klepte de stormklok met verdubbelde slagen en brak met onstuimige woede de orkaan los, die de arme abdij scheen te zullen vernielen.

Allerlei woeste kreten, met schetterend horengetoet, paardengetrappel, wapengekletter en het donderend geraas der oorlogswerktuigen vermengd, weerklonken in de stilte van den vallenden nacht en drongen tot zelfs in het heiligdom door. Sidderend schrikten de nonnen op in het koorgestoelte, telkens als het ruwe gebons op de kloosterpoort haar deed vreezen dat deze bezwijken mocht, of als het gedruisch van neerstortende steenbrokken en het gekraak van

117

ocr page 130

MAAGDEl'ALMEN.

splinterende balken haar meldden dat de verwoesting van haar toevluchtsoord een aanvang had genomen.

quot;Wilder en wilder woedde de storm en maar altijd bleef het koorgezang langs de gewelven galmen, gelijk het klagend lied der baren, als de orkanen rondspoken over de fel bewogen zee. Het oog op het altaar gericht, waar het gewijde waslicht haar vriendelijk tegen-straalde en de gouden pyxis in den helderen gloed der kaarsen als eene hoopvolle ster rustig bleef schitteren, zetten de nonnen zonder ophouden haar smeekend gezang voort, en met de melodie dei-psalmen vermengden zich de zuchten harer beangste harten.

In het hooge overhuifde koorgestoelte aan de evangeliezijde des altaars lag de abdis tusschen hare beide nichten Gudula en Wilfe-trudis met gebogen hoofde neergeknield. Geheel weggedoken onder den witten hoofdsluier, onzichtbaar om zoo te zeggen onder de breede plooien der kloosterpij, scheen zij geheel aan de aarde onttrokken, als had zij niets meer gemeens met hetgeen rondom haar omging. En toch, in die tengere gestalte woonde eene scheppingskracht, die dingen gewrocht had, welke eeuwen en geslachten zouden overleven; in dat zwakke, uitgeteerde lichaam woonde een geest van wien de leidende gedachte uitging tot die geheele machtige organisatie, welke de abdij van Nypels heette!

Gertrudis sidderde niet gelijk de anderen telkens als de kreten nader kwamen of het geraas heftiger klonk. Waartoe zou zij zich ook verontrusten? Misschien omdat de abdij, hare schepping, de vrucht van jaren arbeids en zwoegens met vernieling bedreigd werd? Maar bij het tot stand brengen en voltooien dier grootsche stichting had zij niets anders beoogd dan de eer van haar hemelschen Bruidegom, en zoo Hij het tot Zijne eer dienstig achtte haar werk te niet te doen, wat zou zij er dan tegen inbrengen? Misschien omdat haar leven gevaar liep ? Maar sinds lang verzuchtte zij naar niets vuriger dan naar hare ontbinding van het vleesch, ten einde zich ten nauwste met den goddelijken Beminde harer ziel te vereenigen.

De eenige gedachte, die haar folterde, was de blijkbare angst harer gezellinnen, die den dood voor oogen zagen, de zielskwelling der arme quot;Wilfetrudis, die zich beschuldigde de oorzaak te zijn van al dozen rampspoed, en bovenal het bewustzijn dat Grimoald, haar broeder, al deze beroering over het land had gebracht. Daarbij kon

118

ocr page 131

MAAGDEPALMEN.

zij de gedachte niet verzetten aan het ongeluk, dat hare zuster Begga getroffen had en dat de bode haar dien avond had gemeld. Over al deze dingen onderhield zij zich met haar goddelijken Bruidegom, klaagde Hem haar nood, beval Hem al de aangelegenheden aan zoo van haar zelve en hare verwanten, als van de abdij en het geheele geteisterde land.

„ Audit ui meo dahis yaudium et luetitianiquot; bad zij met de woorden van het Miserere, door de nonnen gezongen, „laat mij de stem van vreugde en vertroosting hooren, en juichen zullen mijne vernederde beenderen!quot;

Gudula, die aan hare zijde geknield lag, beefde menigmaal bij de gedachte aan haar ouden vader, die alleen met weinige getrouwen den zwaren last der verdediging van het klooster had te torschen. Zoo dequot; grijsaard in dezen schrikwekkenden nacht eens bezweek, ver van zijn gezin, dat reikhalzend naar zijne terugkomst uitzag en hem nooit zou wederzien!

Maar bovenal werd de jeugdige Wilfetrudis om haars vaders wille gefolterd. Zij kende Grimoalds schuld en ging er onder gebukt, alsof die haar eigen geweten drukte. Was hij het niet, die na het geheele land eerst te hebben doen zuchten onder zijn ijzeren juk, het thans deed bloeden onder de geweldige slagen van oorlog en wapengeweld ? Had hij niet de hand geslagen aan den gezalfde des Heeren, door den koning uit Clovis' geslachte van den troon te stooten, ten einde zijn eigen zoon in dien plaats te stellen? Waren ook de gevaren, die de abdij thans doorstond, niet aan hem te wijten en drukte de schuld daarvan ook niet op haar, die door hare tegenwoordigheid het convent dezen aanval berokkende ? O, als zij dit alles bedacht, gevoelde het zwakke schuldelooze meisje zich als verplet onder het wicht dei-zonde en weenend bad zij de woorden van den boetezang mee:

„Libera me de sanguhnhus, Deus, verlos mij van de bloedschuld, o God, Gij, God mijns heils; dan zal mijne tong Uwe rechtvaardigheid loven.quot;

Gewillig hadde zij zich ten offer gegeven om die bloedschuld uit te delgen; gaarne had zij zich in de handen van Grimoalds vijanden geleverd om de abdij te redden en wellicht de schuld haars vaders uit te boeten. „Si voluisses sacrifiiciumbad zij voort, „zoo Gij een zoenoffer gewild hadt, ik had het U gebracht; maar in slachtoffers hadt Gij geen welbehagen. Een offer voor God is een boetvaardige geest;

119

ocr page 132

MAAGDEPALMEN.

een vermorzeld en ootmoedig hart, o God, zult Gij niet versmaden.quot;

Dieper boog zij het hoofd om zich voor God te vernederen en al de vermogens harer ziel aan Hem ten offer te brengen tot delging der zware schuld, waaronder zij ter wille haars vaders zuchtte, en vol betrouwen blikte zij daarna op tot den tabernakel, terwijl hare betraande oogen als glinsterende gesteenten de vlammen van het waslicht weerkaatsen.

Plotseling deed een geweldige slag het geheele heiligdom dreunen; krakend scheurde het gewelf; een hagelbui van steenbrokken viel voor het altaar neder en vlak naast Grimoald, den priester, kwam een geweldig rotsblok terecht. Een angstige gesmoorde gil ontsnapte aan de borst der ontstelde maagden en als instinctmatig vlogen enkelen van haar bidstoel op. Grimoald echter blikte niet eens om; de moedige priester, die eens met Amandus onder de Heidenen gevaren en dood had getrotseerd, vreesde den dood niet, en zonder trilling in de stem zong hij voort:

„Benigne fac, Domine, in bona voluntalc tua Siou, handel genadig, o Heer, in Uwe goedertierenheid met Sion, opdat de muren van Jerusalem herbouwd worden.quot;

„Dan zult Gij een offer ontvangen,quot; antwoordde het koor dei-zusters als uit éénen mond, „van gerechtigheid, van dankzegging en van liefde; dan zullen wij slachtoffers brengen op Uw altaar.quot;

Nog altijd woedde intusschen de storm voort, en oorverdoovend drong thans het geraas, door de opening, in het gewelf der kapel geslagen, binnen het gewijde toevluchtsoord der maagden door. Duidelijk vernamen de zusters thans de kreten des vijands:

„Dood aan den hofmeier en zijn heele gebroed 1quot; klonk het woedend in hare ooren.

„Dood aan Grimoalds dochter, dood aan Grimoalds zuster! Wy zullen ze hem nazenden, naar koning Clovis, opdat hij recht doe en haar loon naar werken geve!quot;

„Grimoald wilde koning zijn,quot; schreeuwde een ander met bitteren spot, „wij zullen te nacht zijne dochter en zuster tot koninginnen kronen!quot;

„Wat weert gij u nog, grijskop?quot; riep een derde den ouden Witger toe, die overal te gelijk scheen te zijn, waar het gevaar het hevigst was. „Weet ge niet, dat Grimoald reeds in 'skonings handen is en dat deze hem zal vierendeelen ?quot;

120

ocr page 133

MAAGDEPALMEN.

Eon smartelijke kreet ontsnapte aan de borst der arme Wilfetrudis, bij het vernemen dier woorden en met een doffen slag liet zij het hoofd op den lezenaar van het gestoelte vallen. Gertrndis trachtte haar op te beuren, eenige andere zusters schoten toe; maar Wilfetrudis hield de oogen gesloten; doodsbleek rustte zij in den arm harer beminde meter, en toen zij de oogen weer opende, vermocht zij slechts nauw hoorbaar te stamelen:

„Mijn vader! mijn arme vader!... Laat mij gaan, moeder abdisse.... dat mijns vaders vijanden aan mij hun haat mogen koelen.... licht

dat ze hem genadig zijn____laat mij de abdij redden____''

De abdis wilde antwoorden, maar de schrik verlamde een oogen-blik hare tong; wederom weerklonk een geweldige slag en vlak voor hare voeten stortte het verhemelte der koorbank neer, waaronder zij den ganschen avond met hare beide gezellinnen gezeten had. Ontzet vlogen hare gezellinnen op, maar een enkele blik dei-abdis was voldoende om ze terug te wijzen en ongestoord, als ware er niets gebeurd, ging het koor voort met het zingen der litanie van alle Heiligen, dien smeekzang in alle nooden der Kerk;

„ Ut inimicos sanctae Ecclesiae humiliare digneris, dat Gij u gewaar-digt de vijanden der Kerk te vernederen, wij bidden U verhoor ons.quot;

Nog wilder werd de storm; met telkens onstuimiger woede werd de aanval telkenmale hernieuwd. De vijand had klaarblijkelijk op zulk een krachtig verzet niet gerekend; hij had gemeend dat de eerste aanval de abdis wel zou nopen, hem te wille te zijn, overtuigd als zij wezen moest dat tegenstand toch niet baten kon. Nu er toch tegenstand geboden werd, prikkelde dit slechts de woede der aanvallers. Hoe' men zou hun nageven dat zij voor een nonnenklooster het hoofd hadden gestooten! Zij zouden zich laten trot-seeren door eene schaar hulpelooze vrouwen, met een afgeleefden grijsaard en ettelijke simpele leekebroeders tot eenige verdediging! Dat mocht niet gezegd worden, en daarom neer met de abdij! Zij moest met den grond gelijkgemaakt worden. Herbergde zij niet de dochter en de zuster van den gehaten hofmeier?

Een geweldige bons, door een ijselijk gekraak gevolgd, bewees eindelijk dat de zware kloosterpoort voor de mokerslagen bezweken was. quot;Weldra zouden de krijgers het toevluchtsoord der vrome vrouwen binnendringen; deze vernamen reeds duidelijk hunne kreten: „Dood aan Grimoald en Chlldebert, zijn strooien koning! Dood

121

ocr page 134

MAAGDEPALMEN.

aan heel zijn huis!quot; En kalm antwoordde op die wraakkreten het koorgezang der nonnen:

„TJt regibus et principihm Christian is, dat Gij u gewaardigt aan de christelijke koningen en vorsten vrede en ware eendracht te ver-leenen, wij bidden ü, verhoor ons.quot;

„Waar is Grimoalds dochter, waar schuilt de abdis?quot; klonk het al dichter in de nabijheid der zusters, die met van angst sidderende stem voortzongen:

„Ut cuncto populo Christiano, dat Gij u gewaardigt aan al het christen volk vrede en eenheid te verleenen, wij bidden U, verhoor ons.quot;

Nog eenige oogenblikken en ook de verdedigingswerken, door graaf Witger en do zijnen aan de binnenzijde dor poort opgericht, zouden bezwijken voor den aandrang der vijanden, toen eensklaps een driewerf herhaald horengetoet, op een geheel eigenaardigen toon uitgo-stooten, de hoop in de harten der belegerden deed herleven.

„St. Maarten! St. Maarten!quot; klonk het juichend van uit de muren der abdij. „De ruiter met het witte ros!quot; voegde de blijde kreet e:; bij, en nieuwe moed vervulde de borst der trouwe verdedigers, tor-wijl bemoedigende hoop de harten der zusters deed trillen van blijde verwachting en haren stemmen nieuwe kracht gaf tot het gezamenlijk smeekgezang.

Nader en nader klonk inmiddels het bekende signaal van don ge-heimzinnigen beschermer der abdij, den ruiter met het witte ros, in wien het volksgeloof den beschermheilige der Pepijns, St. Maarten, zoo al niet den hemelschen beschermgeest der abdij in het bijzonder zag. Het geraas der worsteling, het wapengekletter en hoefgetrap, hot geschreeuw en rumoer verdubbelden; de ruiter met het witte ros had met zijne gezellen de bespringers der abdij onverhoeds in den rug aangevallen; de onverwachte stormloop van dien nieuwen strijder, die eensklaps in den duisteren nacht was opgedaagd, als ware hij uit de lucht gevallen, en bovenal de bijgoloovige vrees, door de vreugdekreten der belegerden in het hart der belegeraars gewekt, deden dezen versteld staan.

Besluiteloos staarden zij eene wijl in het duister om zich heen, terwijl de krijgers van den ruiter met het witte ros op hen aanstormden en de belegerden met vernieuwden moed hunne steenen en pijlen op hen deden neerregenen.

Voor Sint Maarten en 'sHeeren gewijde maagden!quot; klonk een

122

ocr page 135

MAAGDEP A.LMEN.

doordringende kreet hun donderend in de ooren, en bij het schijnsel van een aantal brandende toortsen, die eensklaps knetterend ontvlamden, ontwaarden zij een ruiter, op een melkwit ros gezeten en van top tot teen in glimmend staal gestoken; als de weerschijnende, telkens van kleur wisselende schubben van een kameleon, glinsterden de maliën van zijn kolder in den rossen gloed der toortsen; als zilver blonk zijn helm en gelijk hij daar met uitgetogen, vlammend zwaard voor hunne verbijsterde blikken oprees, scheen hij een wrekende engel, tot ontzet der abdij van den hemel gedaald.

„De ruiter met het witte ros, de schutsengel der abdij!quot; ging het fluisterend van mond tot mond, en door bijgeloovige vrees bevangen, hoorden de krijgers niet meer naar de bevelen hunner aanvoerders; zij vergaten alles om zich heen, slechts ooren en oogen hebbende voor die geheimzinnige keurbende, welke zoo onverwachts tot redding van het convent was komen opdagen, en welker getalsterkte in het duister niet te berekenen viel.

Maar zoo besluiteloos de belegeraars stonden, zoo onstuimig stormden de gezellen des raadselachtigen ruiters op hen aan, terwijl de verdedigers der abdij met nieuwen moed bezield, onder het luid geroep van „Sint Maarten!quot; onverhoeds een uitval deden en den vijand, die de kloosterpoort reeds binnendrong, woedend terugwierpen.

Er ontstond eene onbeschrijfelijke verwarring; de aanval van weerszijden was zoo bliksemsnel dat de belegeraars geen tijd hadden om tot bezinning te komen en hun heil zochten in een overhaaste vlucht. Woedend achtervolgden hen de ruiter met het witte ros en zijn gezellen; de wilde, roode vlammen der toortsen, die hen als demons der vernieling vooruitzweefden, wierpen een fantastischen gloed op het metaal hunner rustingen en deden hunne speren en zwaarden flikkeren als bliksemschichten. In hun hollende vaart schenen zij helsche furiën, die den vijanden der abdij op de hielen zaten en niet rustten voor de geheele omtrek was schoongeveegd.

Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de zusters in de kapel ternauwernood den tijd gehad hadden haar smeekgezang te voleinden. In statigen optocht met de abdis aan het hoofd trokken zij thans de redders der abdij te gemoet en onder de halfverwoeste kloosterpoort, te midden van steenbrokken, gruis en puin, heette Gertrudis den ruiter met het witte ros en zijne gezellen welkom.

„Dank, dank, edel ridder,quot; sprak zij, hem de hand toestekende,

123

ocr page 136

MAAGDEPALMEN.

die hij. op de knie gezonken, eerbiedig kuste. „Door uwe tusschcn-komst is de abdij wederom gered. O zeg mij, waaraan wij, nederige maagden, uwe hooge gunst en bescherming verdiend hebben. Zeg mij uw naam, dat wij dien in onze gebeden gedenken.quot;

„Ik ken geen anderen naam dan dien van den ruiter met het witte ros; hij, die eens mijn naam droeg, rust bij de dooden,quot; hernam de ruiter plechtig.

„Ook mij heeft hij dit indertijd ten antwoord gegeven,quot; sprak de opgetogen, oude graaf Witger bij zich zei ven.

„Maar zoo gij weigeren blijft, u ons bekend te maken,quot; ging de abdis voort, „sla dan ten minste de gastvrijheid niet af, die de abdij u te nacht aanbiedt. Uwe mannen zijn vermoeid van den strijd; vergun dat wij hun een rustplaats bereiden binnen deze muren, vanwaar gij den vijand verdreven hebt.quot;

„Verschoon mij, vrome vrouwe, zoo ik ook dit aanbod moet van de hand wijzen. Doch zoo ik iets van u vragen mag, spreek dan uw zegen uit over dit zwaard, dat nooit getrokken is dan om hulpe-loozen en onschuldig vervolgden te verdedigen.quot;

„Hier is de priester,quot; sprak Gertrudis, op Grimoald wijzende, die aan hare zijde stond, „laat hij den zegen der Kerk over uwe wapenen uitspreken.quot;

„Den zegen des priesters zal ik niet versmaden, doch ik zal niet van hier gaan, voordat ook gij, eerwaarde vrouwe, het zwaard gezegend hebt. dat uwer verdediging is gewijd.quot;

„Het zij zoo,quot; sprak de abdis en nadat de priester het geweldig tweehandszwaard door den zegen der Kerk had geheiligd, strekte ook de abdis hare tengere, blanke handen over het wapen uit en sprak op plechtiger, toon:

„Zoo mijne nederige voorbede iets vermag bij mijn goddelijken Bruidegom, dan zegene Hij dit zwaard, hetwelk slechts getrokken wordt te Zijner eere en ter verdediging Zijner gewijde bruiden, en waar ooit dit zwaard voor de gerechte zaak uit de scheede worde getogen, daar geve Hij het de zege over de vijanden van Zijn heiligen Naam en de aanranders Zijner dienaren.quot;

„Amen!quot; sprak de ruiter, kuste het wapen, stond op en zeide:

„Gedoog thans dat ik oorlof van u neme, vrome abdis. Ten dage des gevaars zult gij mij wederzien.quot;

En na eene laatste kniebuiging tot eerbiedigen groet besteeg hij

124

ocr page 137

MAAGDKPALMEN.

zijn ros en rende met zijne volgelingen heen, even geheimzinnig in de duisternis verdwijnende als hij gekomen was.

„Ik heb het wel gezegd,quot; sprak Gertrudis, „de Heer heeft ons in Zijne goedheid een beschermer verwekt, in eiken nood tot hulp bereid.quot;

Blijde rees eenige oogenblikken later uit het verscheurde gewelf der kapel het dank- en lofgezang der zusters omhoog, die, toen de morgen daagde, geen enkelen vijand meer rondom het klooster ontwaarden. Doch voor de abdis en hare verwanten was de vreugde niet lang onvermengd; want al spoedig vernam men de tijding, dat koning Clovis, die met geweld van wapenen de rust in het gebied van zijns broeders zoon herstelde, den hofmeier Grimoald, welke de hand naar de koningskroon had durven uitsteken, tot straf voor zijne euveldaden te Parijs had doen ter dood brengen, — en die Grimoald, hoe misdadig ook, hij was toch de broeder der abdis, de vader der arme Wilfetrudis!

125

ocr page 138

Ir zijn eenige jaren voorbijgegaan, sedert Grimoald door i zijne heerschzucht het geheele Frankische rijk in be-| roering bracht. Koning Clovis, die in Neustrië regeer-

r?) (o)

WSWiW had in Sebielt;^ van ziJns broeders zoon, Austra-sië, de rust hersteld en zwaaide thans den schepter over de beide deelen van het Frankische rijk, zondei ^ er zich, naar het schijnt, om te bekommeren of de ver-jtJji, jaagde koning wellicht nog in Ierland als balling rond-| zwierf.

Met ijzeren vuist handhaafde hij de rust in het uitgestrekte gebied, en ook de abdij van Nypels had geen overlast meer te lijden. Thans echter was het convent om een veel ernstiger aangelegenheid in last; Gertrudis, wier tenger lichaam door vasten en nachtwaken was uitgeput, voelde haar einde naderen en met smartelijke bekommering zagen hare gezellinnen het oogenblik te gemoet, dat hare beminde overste haar door den dood ontrukt zou worden.

Gertrudis had thans den leeftijd van drie en dertig jaren bereikt en zij gevoelde dat daarmede hare aardsche ballingschap was ten einde geloopen: ook haar goddelijke Bruidegom had Zijne loopbaan op deze wereld in drie en dertig jaren voleind; het zou Zijne bruid, die in alles getracht had Zijn voetspoor te volgen, wel vergund zijn Hem ook hierin gelijkvormig te worden. Sedert drie maanden had zij zich met niets bezig gehouden dan met de voorbereiding tot het

ocr page 139

MAAGDEPALMEN.

gewichtig oogenblik, waarop zij zich voor altijd met den Welbeminde harer ziel hoopte te vereenigen. Zij bracht hare dagen in een aanhoudend gebed en godvruchtige overweging door en beijverde zich, door het kastijden van haar uitgemergeld lichaam, waarover zij gestadig een haren kleed droeg, ook hare geringste zondeschulden uit te boeten. Eiken morgen verzamelde zij hare gezellinnen om zich heen, ten einde haar eene geestelijke onderrichting te geven, doch de overige lasten van het bestuur der abdij had zij hare nicht Wilfetrudis opgedragen.

De legende verhaalt dat, toen de vrome abdis haar einde nabij voelde, zij een bode afzond naar den heiligen Ultanus, om dezen over het tijdstip van haar afsterven te raadplegen. Ultanus stonh namelijk in zulk een roep van heiligheid, dat men hem algemeen de gave der profetie toeschreef. Hij was een der lersche gelopfs-predikers, welke in die dagen zoo veelvuldig herwaarts overkwamen om vooral onder de heidensche Friezen de blijde boodschap te verkondigen. Met zijne beide broeders Fullanus en Fursanus had hij, de zoon van den lerschen koning, de reis over zee ondernomen om den heidenen het evangelie te prediken, en op hun apostolischen tocht hadden de drie koningszonen de gastvrijheid genoten der abdij van Mjpels, waarheen de roep van Gertrudis' buitengewone geleerdheid hen getrokken had. Sedert dat tijdstip was de abdis voortdurend met hen in betrekking gebleven, en nu het oogenblik van haar verscheiden uit dit leven daar was, wenschte zij Ultanus' voorlichting en voorbede te verzoeken.

„Broeder,quot; sprak zij tot den bode, „ga tot den dienaar Gods Ultanus, die wel ervaren is in de goddelijke dingen, en zeg hem van mijnentwege dat ik ziek ben en buiten hoop van te genezen, ja dat ik verzekerd ben van mijn naderenden dood, maar dat ik hem bidde mij de ure en den dag te laten weten, waarop hij mij treffen zal.quot;

Met droefheid in het hart volbracht de bode zijn last en met niet minder leedwezen hoorde Ultanus zijne boodschap aan.

„Mijn broeder,quot; antwoordde hij, door de inspraak des Hemels voorgelicht, „keer terstond terug; want aldus vereischt het de nood, en zeg aan de heilige maagd dat de ure baars doods in waarheid zeer nabij is; want zij zal morgen sterven om eeuwig met de gelukzaligen te leven. O welk een kroon van glorie is haar bereid! Welk een roemrijken zegepalm zal zij verkrijgen tot vergelding harer ver-

127

ocr page 140

MAAGDEPALMEN.

diensten! Haar verbeidt het glorievolle koor der Apostelen en het heir der hemelsche krachten, maar bovenal zal de heilige Patricius de apostel van Ierland, haar in den doodstrijd ter zijde staan, omdat zij, toen wij uit Ierland herwaarts kwamen, hem in ons heeft geëerd. Daarom haast u en zeg haar dat zij morgen onder den heiligen dienst het lichaam en bloed van onzen Heere Jesus Christus ontvange; want alsdan zal zij uit deze wereld verscheiden om de wellusten en vreugden te gaan genieten, die haar Bruidegom haar heeft bereid.quot;

Haastig keerde de bode naar Nypels terug en kwam er nog den-zelfden avond aan. Met blijde dankbaarheid ontving zijne gebiedster de tijding dat het uur harer ontbinding nabij was en dat de apostel van Ierland haar in heur doodstrijd zou ter zijde staan. Tranen van vreugde welden in hare oogen op en juichend zegende zij den Heer, die zich gewaardigd had haar zoo spoedig uit de aardsche ballingschap te verlossen. Van dat oogenblik waren al hare gedachten gericht op hare aanstaande vereeniging met den goddelijken Bruidegom harer ziel, waarnaar zij zoo vurig had gesnakt. Den geheelen nacht bracht zij door in godvruchtige overwegingen, gebeden en verzuchtingen, hare treurende gezellinnen troostende en vermanende en haar wijzende op de eeuwige gelukzaligheid, waarbij het hoogste heil der aarde slechts verdriet en ellende is.

quot;Weenend stonden de zusters om het bed van smarten geschaard, waarop hare beminde meesteres en leidsvrouw, van bovennatuurlijk heimwee verteerd, lag uitgestrekt. Het gelaat en de handen van de stervende waren zoo blank en doorschijnend als het maagdelijk was der kaarsen, die aan weerszijden van het crucifix brandden , en gelijk die kaarsen ter eere Gods langzaam door de \ lam werden verteerd, zoo verslond het reine vuur der goddelijke liefde allengs de laatste levenskrachten der heilige. Hare oogen bxeven meestal gesloten, terwijl alleen het zachte gemurmel harer lippen en de bijna onmerkbare ademhaling bewezen dat de ziel hare stoffelijke kluisters nog niet geheel had verbroken; doch als Gertrudis de oogen opsloeg om die op de omstanders te vestigen, dan lichtte daaruit een gloed, die de vlam van het waslicht overschitterde.

Gudula en Wilfetrudis knielden schreiend voor de legerstede neer en omvatten elk eene hand harer geliefde bloedverwante.

„Mijne dochters, waarom schreit gij,quot; sprak de stervende hare

128

ocr page 141

MAAGDEPALMEN.

beide nichten aan, „waarom juicht ge niet veeleer in mijne verlossing? Zie, ik ga u verlaten, doch slechts voor korten tijd, want de dagen onzer aardsche ballingschap zijn als niets te achten in vergelijking der eindelooze eeuwigheid. En daar zullen wij elkander wederzien; want ik weet het, gij beiden zult volharden in den dienst des Heeren en groot worden voor God. Gij, Wilfetrudis, zult na mijn dood de abdij van Nypels blijven besturen; gij hebt u, gedurende de dagen mijner krankheid met lof van die taak gekweten; aan niemand beter dan u is ze toevertrouwd. Als ik zal verscheiden zijn, dan zult gij mijn gebeente stellen onder den hoogen autaar, nabij het lichaam mijner moeder Iduburga, en ook de assche mijns zaligen vaders, uw grootvader Pepijn, zult ge van Landen doen herwaarts brengen, opdat zij naast die zijner gemalin en zijner dochter moge rusten. Verder zult gij eene plechtige uitvaart doen houden voor de rust mijner ziel, maar mijn lichaam zult gij noch versieren noch met eenige kostbaarheden toerusten, daar ik zonder eenige praal en in christelijken ootmoed verlang begraven te worden in het haren kleed en de grove wijle, die thans mijne leden omhullen. Ontvang mijn zegen, beminde dochter, opdat gij naar 's Heeren welbehagen Zijne bruiden moogt voorgaan in Zijn heiligen dienst. En gij, geliefde Gudula,quot; ging de abdis voort, zich tot hare andere nicht wendende, „denkt ook gij te Nypels te blijven en u voor eeuwig den Heer te wijden?quot;

„Den Heer zal ik als Zijne bruid gewijd blijven mijn leven lang,quot; hernam Gudula, de bekreten oogen afwisschende; „doch voor het oogenblik roept Zijne stem mij elders dan hier, waar ik weldra mijne leermeesteresse zal verloren hebben. Te Halle verbeiden mij een oude vader en eene hulpbehoevende moeder, wier laatste levensjaren ik mij geroepen acht te veraangenamen. Mijne zuster Reinildis vertoeft in het Heilige Land, mijne ouders hebben niemand dan mij om hen in hun ouderdom bij te staan; aan hen, die mij het leven schonken, wil ik mijn leven wijden, totdat de Heer hen in het rijk Zijner zaligheid opneemt.quot;

„Gij doet wel, Gudula, de stem uws harten te volgen, die de inspraak des Heeren is; eenmaal zal Hij u tot nog grooter dingen roepen; moogt gij immer aldus bereid gevonden worden Zijn heiligen wil te volbrengen. Vaarwel, mijne dochter, tot wederziens in den hemel.quot;

Bij die woorden barstte Gudula in snikken los en drukte de hand

9

129

ocr page 142

MAAGDEPALMEN.

barer beminde meter vaster in de hare; een grijsaard in bisschoppelijk gewaad trad thans nader om haar op te richten en haar zachtjes van de stervende te verwijderen.

„Heugt het u nog, mijne dochter,quot; sprak hij, „hoe ik u eens verraste op het oogenblik dat gij als kind de lessen uwer goede meter aanhoordet; reeds toenmaals hadt gij Gertrudis als eene zustei lief en het smartte u diep haar te moeten verlaten. Ik begrijp dat de scheiding, die thans aanstaande is, u nog dieper bedroeven moet; doch weet dat de hereeniging, die op deze scheiding volgen zal, eeuwig van duur zal zijn en laat dit u ten troost wezen in deze smartelijke ure.quot;

De schreiende Gudula kon van ontroering niet antwoorden, doch de stervende vatte voor haar het woord op en zeide:

„Heb dank, vader Amandus, voor uwe troostwoorden, en nogmaals dank ook voor de goedheid, die u gedreven heeft, trots uwe hooge jaren, de verre reis naar Nypels te ondernemen om mij op de reis naar de eeuwigheid door uwen bijstand en toespraak te versterken. Heugt het u, hoe ge mijn zaligen vader onder ditzelfde kruisbeeld tot don doodstrijd voorbereiddet? O hoe verblijdt mij het vooruitzicht hem en mijne zalige moeder weldra in den hemel weer te zien....quot;

„Bid dat ik, afgeleefde grijsaard, er u spoedig volgen moge....quot;

„O! hoe zal ik er u verbeiden, u en al mijne beminde vrienden en mijne lieve zuster Begga! Helaas, dat zij niet aan mijne stervenssponde kan staan. Zij bevindt zich te Rome in pelgrimage naar de graven der Apostelen en om er zich en haar zoon in de bescherming des heiligen Vaders aan te bevelen. O, mogen hare gebeden verhoord worden; want zwaar is zij beproefd geworden en bitter heeft zij geleden om wille van haar wreedaardig doorstoken echtvriend. Doch thans, ik zie het,quot; riep zij met profetische bezieling uit, „zijn weer schoone dagen voor haar aanstaande. Heeft zii in den snooden Clon-duinus, die zijne gerechte straf heeft ontvangen, een beminden zoon voor den tijd en voor de eeuwigheid verloren, in haar zoon Pepijn leeft haar echtgenoot voort en herleeft tevens onze zalige vader Pepijn. Ja, mijn zoon,quot; sprak zij tot den jongeling, die eerbiedig nader trad en aan hare sponde knielde, „al is het geslacht der Pepijns vernederd, in u zal het tot eene glorie herrijzen, die het nooit heeft gekend. Uw grootvader was majordomus van Austrasië; maar gij zult in uwe handen den driedubbelen hofmeierstaf voeren van Austrasië en

130

ocr page 143

MAAGDEPALMEN.

Keustrië en Borgondie. Pepijn van Landen werd geroemd als de veroveraar van Aquitamë, maar Pepijn van Herstal zal nog hooger triomfen vieren. Hij, die uw vader naar het leven stond, was begeerig naaiden koningstroon, maar ik zegge u dat gij meer dan koning zijn zult en dat één, uit uw geslacht voortgekomen, de kroon zal dragen, niet alleen van geheel Frankenland, maar van de gansche Christenheid. Hem zal onze heilige Vader van Rome kronen tot keizer van een nieuw rijk, dat alle staten en landen der Christenheid omvatten zal. Hij zal de vader der volken, de schutsheer der Kerk en de geesel der heidenen genoemd worden.quot;

Dit zeggende had de stervende abdis zich in hare legerstede opgericht en staarde met bezielden blik voor zich uit, als ontrolde zich de geheele schitterende toekomst voor het oog haars geestes. Daarop strekte zij de blanke, tengere handen over het blonde hoofd van den kloeken jonkman uit en sprak:

„Op u, mijn zoon, rust de zegen van twee zaligen, die bij God in den hemel leven, uw grootvader Pepijn en uw grootvader, bisschop Arnulf, die beiden de vroomheid uwer jeugd gadeslaan en van uit den hemel uwe schreden geleiden zullen. Dat ook mijn zegen u vergezelle, gelijk mijne lessen en raadgevingen u tot dusver geleid hebben bij al uwe handelingen. Vergeet nooit wat de zuster uwer moeder u zoo vaak op het hart heeft gedrukt, dat de gerechtigheid het sieraad der vorsten is en dat het goed der ongerechtigheid niet gedijt, gelijk gij gezien hebt aan Grimoald, uw moeders broeder. Lang en bloedig zult gij nog te strijden hebben; maar vrees niet, de Heer zal u kracht geven tegen uwe vijanden. Wees kloekmoedig in den strijd en nederig in de zegepraal. Wees wijs en goed en gerechtig in alles, en tot in het verste nageslacht zal de naam van Herstal met eere genoemd worden!quot;

Vermoeid liet de stervende het hoofd weder op de peluw zinken en sloot de oogen. Er heerschte eene diepe stilte in het somber verlichte ziekenvertrek, eene stilte, slechts door het snikken en zuchten der aanwezigen afgebroken. Zacht knetterden de waslichten en liepen allengs ten einde, gelijk het leven der heilige, dat als de bijna nitgebluschte kaars nog voor het laatst opflikkerde.

„Ha! de morgen daagt reeds!quot; riep zij in blijde vervoering uit, op het grauwende daglicht wijzende, dat door de hooge vensters binnendrong en het waslicht reeds deed verbleeken. „Dat men thans

131

ocr page 144

MAAGDEPALMEN.

den hoogen autaar bereide voor het offer der misse; want Ultanus, de dienaar Gods heeft mij doen boodschappen, dat ik onder den heiligen dienst mijne ziel aan God zal teruggeven.quot;

Grimoald, de priester verwijderde zich, en kort daarop kwam men de abdis zeggen, dat het heilig offer een aanvang kon nemen.

„Draagt mij dan voor het laatst ter kerke, mijne zusters, en legt mij in de kapel van Sint Agatha, opdat ik vandaar de heilige misse moge bijwonen.quot;

De zusters zagen elkander twijfelend aan; hoe! deze stervende, die nauwelijks de kracht meer had om zich een wijle overeind te houden, zouden zij nog de trappen af en de kille gangen door dragen naar de kapel! Gertrudis bemerkte hare aarzeling en zeide op smeekenden toon:

„Ik bid u, mijne zusters, weigert mij dezen kleinen dienst niet; het is de laatste, dien ik van u verge en dien gij mij bij mijn leven zult kunnen bewijzen.quot;

Zwijgend namen nu vier zusters het bed op en droegen het behoedzaam voort, terwijl Gudula en Wilfetrudis de stervende van weerszijden ondersteunden en andere zusters vooruitgingen om de deuren te ontsluiten en alle hinderpalen uit den weg te ruimen. Het was een lichte last, dit uitgeteerde lichaam, hetwelk reeds klam en koud begon te worden onder den adem des doods, maar waarin het hart nog brandde en gloeide van de liefde Gods.

In de kloosterkerk aangekomen, legden zij dien dierbaren last in de kapel van Sint Agatha aan den voet des altaars neder en allen plaatsten zich zoodanig dat de stervende het onbelemmerd uitzicht had op het hoogaltaar, waar de priester een aanvang maakte met het opdragen van het misoffer.

Nooit werd eene heilige mis met meer godsvrucht en stichting bijgewoond dan deze, waarin Gertrudis hare ziel als een welgevallig offer aan haren Schepper zou teruggeven. Met den priester aan den voet des altaars klopte zij op de borst en beleed rouwmoedig hare schuld; met eerbied volgde zij het evangelie, dat hij voorlas; met onwrikbaar geloof sprak zij hem de woorden van het Credo na; met het brood en den wijn offerde zij haar lichaam en al hare lichamelijke kwellingen, het met tranen doorweekte en met asch bestrooide brood der boetvaardigheid, dat zij gegeten, en den kelk des lijdons, dien zij gedronken had; en toen het hoogheilig oogenblik daar was,

132

ocr page 145

MAAGDEPALMENquot;.

dat de Zoon Gods, in de gedaante des broods op het altaar nedergedaald, zich zeiven door de hand des priesters aan Zijn hemelschen Vader ten offer bracht, toen vereenigde zij al de krachten barer ziel, al de vermogens van haren geest, al de verdiensten harer goede werken, al haar zwoegen, al haar bidden en vasten met de offerande van Christus' Vleesch en Bloed, opdat het uit de oneindige verdiensten van Christus' zoendood waarde mocht putten in de oogen des Allerheiligsten.

Daar naderde de priester om haar het Lichaam des Heeren te reiken.

„Heer, ik ben niet waardig,quot; stamelde zij en boog ootmoedig het hoofd tot op de borst. Slechts met behulp van Gudula en Wilfe-trudis, die haar ondersteunden, vermocht zij het weder op te beuren, doch nauwelijks had zij het Sacrament genuttigd, of weer zonk het moede hoofd neder, de gevouwen handen gleden op de borst af en de geheele tengere gestalte zakte langzaam achterover op de peluw. Gertrudis was niet meer; na de vereeniging met haren Bruidegom in de H. Communie, was zij zich voor eeuwig met Hem gaan vereenigen in den hemel.

Schreiend zonken de zusters rondom het ontzielde lichaam harer beminde abdis op de knieën en bevochtigden het met hare tranen. Als marmer zoo bleek was het gelaat en als ivoor blonken de tengere, ineengestrengelde vingeren; en toch, hoe koud en stijf de trekken waren van het uitgeteerde gelaat, toch schenen ze zich nog tot een glimlach te plooien, toch scheen die mond nog biddend en zegenend te fluisteren, toch scheen het geheele aanschijn nog te leven; het weerspiegelde toch het leven der eeuwige zaligheid, waartoe de heilige was ingegaan.

Naar de legende verhaalt, verspreidde zich een zoete geur, die van het lichaam scheen uit te gaan, door de geheele kapel, als ten bewijze dat Gertrudis in geur van heiligheid in den Heer ontslapen was. Paus Honorius IH stelde haar dan ook, zoo om haar vlekkeloos leven, als om de mirakelen, waardoor God haar tijdens haar leven en na haren dood had verheerlijkt, onder het getal der heiligen, en het aloude Mons Littoris nam te harer eere den naam van Mom Gertrudis, dat is Geertruidenberg aan, welken het nog tot op den huidigen dag trotsch mag zijn te dragen.

Thans werd het lichaam der ontslapene tot voor het hoogaltaar

133

ocr page 146

MAAGDEPALMEN.

gedragen en daar op eene baar tusschen hooge wastoortsen geplaatst, terwijl liet koor der zusters de gebeden voor de afgestorvenen zong. Aldus bleef het kostbaar overschot van Nypels tot den dag der begrafenis in het hooge koor tentoongesteld, en van alle kanten kwam de bevolking toegestroomd om het als dat eener heilige te vereeren.

Maar nog vóór de deuren der kloosterkerk voor de schare geopend werden, drong daar een ridder binnen in volle wapenrusting, die met ontdekten hoofde en wankelende schreden op het lijk toeijlde en als bezweken van smart tusschen de biddende zusters op de knieën neerzonk; het was de ruiter met het witte ros, dat buiten aan de kloosterpoort door zijn schildknaap werd vastgehouden; hij had van de ziekte der abdis vernomen en was toegesneld om een laatste woord uit haren mond op te vangen; doch thans vond hij dien mond voor altoos gesloten. Allen hadden bescheiden plaats voor hem gemaakt en .eerbiedigden zijne smart.

Als overstelpt van aandoening liet hij het fiere krijgsmanshoofd tot op de baar nederzinken en zijne lippen raakten eerbiedig het kleed der ontslapene. Lang bleef hij aldus over het zielloos overschot neergebogen en men zag groote tranen langs zijne mannelijke wangen biggelen en op de gevouwen handen der doode neerdruppelen.

Eindelijk hief hij het hoofd op en blikte de zuster aan, die het dichtst in zijne nabijheid knielde. Ook zij zag hem aan en toen zijn oog het hare ontmoette, stond hij een oogenblik als versteld en liet de blikken van de doode naar de levende dwalen: hij stond blijkbaar getroffen over de gelijkenis tusschen Gertrudis en Gudula, welke hem reeds eenmaal de laatste voor de eerste had doen aanzien.

Eerbiedig trad hij daarna op haar toe, vatte hare hand en zeide met eene stem, die nog door tranen werd verstikt:

„Gij hebt haar als eene zuster bemind. O! gij weet niet, hoe ik haar heb liefgehad; maar omdat gij haar bemind hebt, zal mijn zwaard, dat haar overbodig is, voortaan u toebehooren. Dat zweer ik u bij haar zielloos overschot.quot;

Gudula wilde antwoorden, maar reeds was de geheimzinnige ridder weer verdwenen en bijna onmiddellijk vernam zij den hoefslag van zijn paard op het voorplein.

134

ocr page 147

I Imstreeks dertig jaren waren er voorbijgegaan sedert dien gedenkwaardigen 17en Maart 659 '), waarop Gertrudis, de reine bruid des Heeren, zich voor altijd met haar hemelschen Bruidegom was gaan vereenigen, en in dat lange tijdsverloop was er veel veranderd. Ook hare opvolgster als abdis van Nypels, de vrome Wilfetrudis, had reeds het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Op dertigjarigen leeftijd en in het elfde jaar van haar bestuur I was zij de abdij ontvallen. Bisschop Amandus, Gertrudis' geestelijke vader en leidsman, was in 684 overleden in zijn geliefd klooster Elnon, waar hij ook volgens zijn laatsten wil begraven werd en dat naar hem St. Amand werd genoemd, welke naam nog ten huldigen dage in de aldus geheeten Vlaamsche stad voorleeft.

Gertrudis' voorspellingen omtrent de toekomstige grootheid van Pepijn van Herstal, den zoon harer zuster, waren voor hetmeeren-deel reeds in vervulling gegaan. De jongeling was tot een krachtig man opgegroeid, die het majoraat van Austrasië en Neustrië, dat is Oost- en West-Frankenland in zich vereenigde en feitelijk met bijna onbeperkte macht in het geheele rijk gebood. Lang had hij tegen de vijanden van zijn geslacht moeten worstelen; bloedige veldslagen had hij moeten leveren, alvorens hij tot dien hoogen rang geklommen was, en nog had hij een geweldigen strijd te voeren om de

i) Sommigen stellen den dood der H. Gertrudis in het jaar 664.

ocr page 148

M A A G D EP A LM K NT.

grenzen des rijks tegen de woeste Friezen, die onverzoenlijke vijanden der Franken, te verdedigen.

Herhaaldelijk ondernamen zij strooptochten in de noordelijke streken van Frankenland; het oude Wiltenburg, thans Utrecht, vanwaar zij vroeger noordwaarts waren teruggedreven, was sinds lang weer in hunne macht, en het kerkje, daar in 631 door koning Dagobert 1 gesticht, lag sedert jaren verwoest. De voortdurende twisten en onlusten, welke het Frankische rijk teisterden, hadden hun gelegenheid gegeven telkens hun gebied ten koste der Franken uit te breiden; met steeds aangroeiende vermetelheid hernieuwden zij telkens hunne aanvallen op de noordelijke grensplaatsen van Frankenland en in hun woeste dweepzucht kozen de blinde heidenen bij voorkeur de kerken en godsdienstige stichtingen tot mikpunt hunner woede.

Wederom hadden zij een strooptocht ondernomen en hunne wilde horden drongen moordend en brandend, als een vernielende stroom tot zelfs in Brabant door.

Te Halle, aan de Dender, woonden Gudula en Reinildis in kloosterlijke ingetogenheid op den ouderlijken burcht. Hare ouders, graaf Witger en zijne gemalin Amelberga, waren beiden de laatste dagen huns levens in een klooster aan God gaan toewijden, en nu waren de beide zusters alleen in het ouderlijke huis achtergebleven, waar zij hare dagen in het gebed en in werken van liefdadigheid doorbrachten.

Gudula zat in het ruime huisvertrek tegenover de breede schouw en hield zich onledig met het vervaardigen van grof linnen kleeding-stukken voor de armen. Het linnen huisgewaad, dat zij zelve droeg, was van weinig fijner weefsel en een streng geplooide sluier omhulde haar nog jeugdig hoofd; sinds lang had zij den gouden haarband afgelegd, die in vroeger dagen den rijkdom harer blonde lokken bijeenhield.

Naast den breeden houten zetel, waarop zij had plaats genomen, lag op een lezenaar een opgeslagen boek, waarin de jonkvrouw bij wijlen een blik wierp, ten einde eenige regelen te lezen, waaruit zij stof putte voor hare godvruchtige overwegingen bij den vlijtigen arbeid.

De Julizon neigde met een roeden gloed, die de geheele zaal vervulde, ter kimme, en schoon het op de plaats nabij het venster, waar Gudula zat, nog vrij licht was, verdwenen de hoeken en sombere wandtapijten van het vertrek reeds in de schemering.

186

ocr page 149

MAAGDEPALMEN.

Eensklaps werd de jonkvrouw in hare stille overpeinzingen gestoord door het binnentreden van een bejaard man, een oud en vertrouwd dienaar haars vaders.

„Alweer boos nieuws, edele meesteresse,quot; sprak hij op bezorgden toon, „ik vrees dat het u geraden zal zijn, zoo spoedig mogelnk van hier te vluchten?quot;

„Wat is er nu weer geschied ?quot; vroeg G-udula, zich in haar wijden zetel omkeerende, „komen de Friezen nog altijd nader?quot;

„In de buurtschap gaat de sprake dat zij reeds te Mortsella') zijn.quot;

„Mortsella, waai' graaf Odelards dochter Berlendis vertoeft! De hemel zij het arme convent genadig!quot;

„Het klooster is reeds in brand gestoken en verwoest, naar men zegt....quot;

„Verwoest! en de arme zusters, en Berlendis?quot;

„Ik weet het niet; maar als zij in de handen der heidenen gevallen zijn, behoeven wij het niet te vragen.quot;

„Maar heeft men de zusteren weerloos aan de woede der heidenen overgelaten ?quot;

„Het landvolk is te wapen geloopen, edele jonkvrouw; heer Eli-gard, graaf Odelards zoon, heeft zich aan hun hoofd gesteld, maar eilaas, zij zijn voor de overmacht des vijands bezweken. Bloedig moet er gevochten zijn, doch tevergeefs weerde zich de kloeke jonkman met zijne volgelingen; zijne mannen werden verslagen en hij zelf...

„Is in 'svijands handen gevallen?quot;

„Hij is met het zwaard omgebracht, althans naar de spraak gaat.quot;

„Mijn God! zult gij deze gruwelen nog langer aanzien!quot; riep Gu-dula uit, de handen saamgevouwen en de betraande oogen door het venster ten hemel slaande.

„Maar zult gij, edele jonkvrouw, nog langer hier rustig afwachten tot de heidenen ook ons bespringen en gij wellicht in hunne handen valt?quot;

„Wat kunnen wij anders doen, dan het huis in staat van tegenweer stellen en afwachten wat er gebeurt?quot;

„Vluchten eer het te laat is.quot;

137

„Vluchten, terwijl mijne zuster van hier is? Waar denkt gij aan,

J) Moorselen.

ocr page 150

MAAGDEPALME.NT.

Charibert? En als zij, zelve voor de heidenen vluchtende, hier eene schuilplaats meende te vinden en het huis verlaten vond!quot;

„Jonkvrouwe Reinildis zal wel te Sancten ') gebleven zijn; het is nu geen tijd voor weerlooze vrouwen om de reis van daar naar Halle te maken!quot;

„Maar hoe weet gij of zij niet reeds op weg is?quot;

„Zoo ik dat wist, zou ik haar een paar dienstmannen met eenige eigenhoorigen in het gemoet zenden.quot;

„Verzuim niet daarvoor morgen oogenblikkelijk te zorgen— God geve dat het niet te laat moge zijn.quot;

„En in afwachting daarvan zult gij nog steeds u zelve blijven blootstellen ?quot;

„Ik kan niet van hier, vóór ik weet dat Reinildis in veiligheid is; kwam zij hier in een verlaten huis, zonder er hulp te vinden, ik zou het mij nooit vergeven. Liever liet ik zelve het leven dan haar in gevaar te brengen.quot;

De oude schudde het hoofd over hetgeen hij bij zich zeiven roekeloosheid noemde. Inmiddels was de avond gevallen en Gudula had het naaiwerk, waaraan zij niet meer vorderen kon, van den schoot laten glijden. Zij staarde naar buiten, waar de schemering reeds neerdaalde op de hoeven en hutten, welke het dorp Halle uitmaakten en in schilderachtige onregelmatigheid tusschen akkers en geboomte verstrooid lagen.

Eensklaps werd haar oog getrokken door eene plotselinge beweging, die zij op den onbestraten weg met zijne diepe sporen en tusschen de woningen gewaar werd. Geheele groepen landlieden met stokken, hooivorken en bijlen gewapend, zag zij in kennelijke opgewondenheid, luid sprekend voorbijsnellen, terwijl vrouwen en grijsaards, van kinderen vergezeld en met huisraad of pakken van allerlei aard beladen, het dorp schenen te ontvluchten.

„Daar hebben wij het begin al,quot; sprak de oude dienaar, „de strijdbaren loopen te wapen en de weerloozen vluchten. Wat zullen wij doen ?quot;

„Blijven en de komst van Reinildis afwachten.quot;

Het zou treurig met haar uitzien, als zij nu herwaarts op weg was, terwijl de Friezen het land onveilig maken.quot;

138

„Maar als zij hier veiligheid kwam zoeken.quot;

l) Saiutes.

ocr page 151

MAAGDETA LMEN.

„En hier met hare zuster en met ons allen moest sterven onder

de handen der heidenen?____Want waan niet, edele jonkvrouw, dat

wij weerstand kunnen bieden tegen zulk een vijand, wiens benden als zwermen sprinkhanen het land overstroomen. Het is niet om mij zeiven, dat ik op Vluchten aandring; ik ben oud en grijs en aan de enkele dagen, die mij nog overblijven, is weinig gelegen; ik heb ze voor u veil. Maar slechts luttel zal mijne toewijding u baten en het is om u dat ik mij dus verontrust. Moet ik u in de handen der heidenen zien vallen?quot;

„Mijn heilige beschermengel verhoede het!quot; riep de jonkvrouw uit, rillend van afgrijzen bij het denkbeeld wat haar lot zou zijn in de handen der heidenen.

„Volg den raad van een oud man,quot; ging de grijsaard voort, „en vlucht van hier nu het nog tijd is, gelijk die weerlooze vrouwen, die daar hare kinderen voortsleepen. Wie zal u beschermen, als straks de Friezen komen en de gansche buurtschap in vuur en vlam zetten ?quot;

„Onze dienstlieden____en dan, het landvolk zal ons niet aan den

vijand prijsgeven. De liefde en erkentelijkheid mijner onderhoorigen....quot;

„Is groot, ik weet het; maar als het eigen leven op het spel staat, vergeet men zoo licht den plicht der dankbaarheid, om slechts op zelfbehoud bedacht te zijn. Zie, allen ijlen voorwaarts, zonder om te zien naar degenen die nog achterblijven. Gindsche akkerman, die drie ringbrooden op zijn stok draagt, vraagt er niet naar of anderen er wel aan gedacht hebben, zich van levensvoorraad te voorzien. Ieder denkt slechts aan zich zeiven. Denk ook gij aan u zelve, edele meesteres!quot;

Onstuimiger werd daarbuiten het gedruisch; mannen en vrouwen liepen in wilde verwarring heen en weder; bloedverwanten riepen elkaar van verre toe; kinderen schreiden; het in der haast meegevoerde vee loeide en blaatte; honden blaften en al deze geluiden vermengden zich met het weergalmen der zware voetstappen en het kraken der plompe karren tot een dof, onheilspellend gedruisch als dat van een naderenden stortvloed.

Inderdaad was er ook een stortvloed in aantocht, die alles verzwolg wat hem den weg trachtte te versperren en niets dan verwoesting op zijn doortocht achterliet; waar de zwermen der Friezen overheen gestreken waren, daar zag men niets meer dan vertrapte velden, platgebrande en leeggemoorde dorpen, berookte bouwvallen!

180

ocr page 152

MAAGDEPALMEN.

Meer en meer daalde de avond en de duisternis voegde hare verschrikkingen bij die, welke het vreedzame landvolk reeds in beroering brachten. Slechts een oogwenk kleurde het rood der avondzon nog de hooge spitsen van hoeven en schuren en deed de punten dei-hooivorken en de klingen der bijlen glinsteren, doch weldra verdween alles in de snel invallende duisternis en alleen het doffe rumoer bleef over als het gerommel van een verren donder.

Als ten tijde der voorjaarsstormen plotseling in een laag gelegen dorp de kreet weerklinkt; „de dijk is doorgebroken,quot; dan moge het op dat oogenblik nog zoo stil en vredig zijn, in een oogwenk is alle man op de been en geraakt de geheele bevolking in eene koortsige beroering. Zoo was het ook hier: wel had men sinds eenige dagen in bange verwachting verkeerd, maar men was besluiteloos blijven stilzitten in de flauwe hoop dat de stortvloed eene andere richting nemen zou; doch nu eenmaal de kreet weerklonken had; „de Friezen zijn in aantocht,quot; nu maakte een panische schrik zich van alle gemoederen meester en radeloos liepen de dorpelingen te hoop of sloegen ijlings op de vlucht.

Er werd in het duister op de poort van Gudula's woning gebonsd, en als dan de verschrikte dienstlieden behoedzaam openden, stonden zij een enkele maal tegenover landlieden, die zich ter beschikking harer weldoenster kwamen stellen en zich te harer verdediging aanboden, maar meerendeels tegenover beangstigde vluchtelingen, die Gudula en de haren aanspoorden hun voorbeeld te volgen en naar veiliger oorden de wijk te nemen. Doch de jonkvrouw kon het niet van zich verkrijgen, het ouderlijke huis te ontvluchten, waar hare zuster elk oogenblik kon wederkeeren, om er eene schuilplaats te vinden.

Het was thans volslagen nacht geworden; en in het stille huisvertrek weerklonk duidelijker dan ooit het verward gedruisch van menschen en vee. Op eens deed zich een regelmatig, zwaar gestamp hooren; het naderde en deed weldra den grond als onder een zwaar gewicht dreunen; het was de inderhaast bijeenverzamelde en thans optrekkende bende der strijdbare landlieden, die met hun plompen stap en in dof stilzwijgen naar den ingang van het dorp togen om er den vijand, zoo mogelijk, staande te houden en terug te drijven.

Het gedruisch der zware voetstappen en der rinkelende en rammeiende wapenen van allerlei aard stierf allengs weg en ook het doffe gerommel, dat uit den omtrek scheen op te stijgen, hield lang-

140

ocr page 153

MAAGDEPALMEN.

zamerhand op. Eene doodsche stilte verving het rumoer van zoo even, maar was niet minder beklemmend en beangstigend dan de onheilspellende bedrijvigheid van een uur te voren.

Gudula's huisgenooten waren om haar heen verzameld, gelijk de kuikens zich onder de moederlijke vleugelen der klokhen verdringen, wanneer een koude dwarrelwind de lichte diertjes dreigt te verstrooien. Angst en schrik stonden op de trekken der dienstlieden te lezen, en Gudula, hoewel zelve inwendig met bezorgdheid voor het lot harer afwezige zuster en harer huisgenooten vervuld, moest alle pogingen aanwenden om te beletten, dat zij geheel den moed verloren en in wanhopige moedeloosheid neerzonken.

Eindelijk, daar verbrak het gedruisch van hoefslagen in de verte de nachtelijke stilte; die hoefslagen kwamen nader; ze hielden voor de woning stil; er weerklonk een horensignaal, dat allen deed opschrikken en met beangste blikken elkander aanstaren. Gudula echter scheen dat sein te kennen, want bemoedigend stond zij op en zeide:

„Open gerust; de ruiter, die daar aan de deur staat, is geen vijand, maar een verdediger en beschermer.quot;

Eenige oogenblikken later stond een man in volle wapenrusting te midden der ontstelde huisgenooten. Gudula trad op hem als een bekende toe en reikte hem de hand, die hij eerbiedig kuste.

„Ik heb u een eed gezworen, edele jonkvrouw,quot; sprak hij, zich oprichtende, „dat mijn zwaard uwer bescherming zou gewijd zijn. Hedennacht zal ik dien eed gestand doen. De Friezen zijn in aantocht; zij hebben Mortsella verwoest; een zelfde lot bedreigt ook Hallo. Doch vrees niet, u zal geen leed geschieden, daarvoor blijft mijn zwaard u borg.quot;

„Heb dank, edele ridder,quot; antwoordde de jonkvrouw, zoo voor mij zelve als uit name van deze mijne dienstlieden. Dankbaar neem ik de aangeboden hulp aan, al weet ik niet waaraan ik uwe gunst te danken heb.quot;

„Aan uwe liefde voor ééne, die mij dierbaarder was dan mijn leven — aan de gelijkenis, die u tot haar evenbeeld maakt,quot; hervatte de geheimzinnige ridder met vuur. „Doch het is thans de tijd niet om vele woorden te verliezen. Schoon ik mijne mannen elk oogenblik hier verwacht en ik met hunne hulp wel vertrouw u te kunnen beveiligen, acht ik het toch raadzamer dat gij u door onmiddellijke vlucht aan het gevaar onttrekt; ik zal met mijne vertrouwdste

141

ocr page 154

MA.AGDEPALMEN.

mannen u en uwe zuster in veiligheid brengen, terwijl mijne overige strijders dit huis en zijne verdere bewoners zullen verdedigen.quot;

„Nogmaals dank, edele ridder, maar vluchten kan ik niet, zoolang mijne zuster niet hier is.quot;

„Mejonkvrouwe Eeinildis is niet hier?quot;

„Zij bevindt zich met Grimoaid, den priester, te Sancten, en ik weet niet of zij zal wederkeeren.quot;

„Te Sancten! Heilige Maagd, daar dreigt haar het grootste gevaar, zoo zij niet reeds bezweken is onder de woede der heidenen, die heden te Sancten hunne gewone bloedtooneelen moeten aangericht hebben.quot;

„Jesus! Maria!quot; riep de ontstelde Gudula uit, terwijl een gemompel van schrik en afgrijzen uit al de aanwezigen opging. „Dan moet ik er heen, onmiddellijk er heen!quot;

„Gelijk gij zegt,quot; sprak de vreemdeling op den toon van een kort besluit, „ik voer u op staanden voet van hier, waar doodsgevaar u bedreigt, en voer u naar uwe zuster, terwijl mijne mannen de uwen helpen zullen, om uwe woning tegen den vijand te verdedigen.quot;

Thans verzette zich Gudula niet meer tegen de vlucht, maar sloeg in aller ijl haar mantel om, ten einde den vreemdeling te volgen. Deze deed haar een paard bestijgen, dat buiten gezadeld stond en zette zich zelf op zijn melkwit ros, naar hetwelk hij den naam droeg, waarmee hij overal in bijgeloovig ontzag werd aangeduid. De huis-genooten staarden hem met stomme verbazing aan; eerbiedig maakten zij plaats voor hem, toen hij hunne meesteres naar buiten leidde en den stijgbeugel voor haar vasthield. Hij blies op den horen en als bij tooverslag schoten uit de duisternis van alle zijden gewapende krijgers te voorschijn, die zich in een oogwenk in het gelid schaarden.

„U is de verdediging van dit huis aanbevolen,quot; sprak de ruiter met het witte ros kortaf. „Gij en gij en gij vergezelt mij,quot; voegde hij er bij, een drietal zijner gezellen aanwijzende; in galop sloeg thans de kleine stoet met de beangste jonkvrouw in zijn midden den weg naar Sancten in en was weldra in de schaduwen van den nacht verdwenen.

Zwijgend reed de kleine stoet door de duisternis voort. Gudula was te zeer vervuld met de gedachte aan het lot harer zuster, dan dat zij lust gevoeld' had tot spreken, en de ruiter met het witte ros eerbiedigde hare bekommering, slechts nu en dan het stilzwijgen

142

ocr page 155

MAAGDEPALMEST.

afbrekende om haar voor een kronkelenden boomwortel of eenigen anderen hinderpaal, die den ongebaanden weg onveilig maakte, te waarschuwen.

Bij wijlen ontsnapte een zucht of een beangste uitroep aan hare beklemde borst, maar overigens bleef zij verslonden in een aanhoudend gebed, of liever eene aaneenschakeling van stille verzuchtingen tot God, opdat liet Hem behagen mocht alle onheil van het hoofd harer beminde Reinildis te weren.

Alleen het getrappel der paarden in het mulle zand van den weg, het gesuis der boomtakken en het geritsel van het kreupelhout verstoorden de stilte van den nacht. In de verte echter vernam men een onrustig gegons als het gebruis der zee, dat zich nu en dan tot onsamenhangende, verwarde en onverstaanbare kreten verduidelijkte. Soms was het als sidderde de bodem onder den dreunenden voetstap van zwaargewapende krijgersbenden, die in de verte naderden, en vingen de ontstelde ooren der jonkvrouw enkele galmen op van een verwijderd horengetoet, haar op de vleugelen van den nachtwind toegezweefd.

Het was pikdonker; geene ster verhelderde den hemel, die als eene onmetelijke zwarte lijkwade over het aardrijk was uitgebreid. Het was als drukte die sombere sluier met looden zwaarte op het hart der vluchtenden, en onwillekeurig gaven zij hun paarden de sporen als vermochten zij door een bliksemsnelle vaart de benauwde duisternis te ontloopen, die hun als een nachtmerrie op de borst hing. Er was iets beklemmends, iets drukkends in de lucht, en als het nachtwindje door het wiegewaaiend geboomte suizelde, klonk dit als het angstig gezucht van onzichtbare natuurgeesten, die, door het krijgsrumoer opgeschrikt en opgejaagd, onrustig in den duisteren nacht rondwaarden.

Zelfs de moedige ruiters, zoo onverschrokken als zij den vijand tegenover zich zagen, ondergingen den neerdrukkenden invloed dier verraderlijke stilte, waaruit elk oogenblik onzichtbare vijanden schenen op te dagen. De verre echo van het hoefgetrappel hunner eigen paarden deed hen sidderen als op de plotselinge nadering van geheimzinnige vijanden, die hen in den rug zouden aanvallen. Er was iets verlammends in de zwoelheid van den dampkring, waardoor het hun voorkwam als waren hunne armen machteloos en hunne wapenen nutteloos geworden. De ruiter met het witte ros, anders

143

ocr page 156

MAAGDEPALMEN.

zoo fier in het besef zijner onverwinnelijkheid als een Sint Joris, opgezeten om den draak te doorboren, zat nu met gebogen hoofde op zijn ros, als gedrukt door een bang voorgevoel. Het was duidelijk dat hij veel verouderd was sinds de dagen, dat hij als een bovennatuurlijke redder tot ontzet der abdij van Nypels was komen opdagen ; en schoon zijne wapenrusting nog altijd dezelfde was, schoon aan zijne zijde nog hetzelfde zwaard hing, dat de heilige Gertrudis eenmaal gezegend had, aan zijne gebogen gestalte en stramme bewegingen was duidelijk te zien, dat hij niet meer de kiachtige man, de onverwinnelijke held was van voorheen.

Als bij toeval hief hij een oogenblik het hoofd op en aanschouwde met ontzetting hoe een roode gloed eensklaps den zwarten hemel kleurde.

„God zij ons genadig!quot; riep de ontstelde Gudula: plotseling was haar oor getroffen door een woest geschreeuw, dat ver achtei haai omhoog rees. Allen wendden het hoofd om en bemerkten nu dat de gloed, die den hemel verhelderde, de weerschijn was van een liiaien brand, die boven Halle woedde.

„Heilige Maagd! Halle staat reeds in vlam!quot; kreet Gudula. ,,Wat moet er van mijne lieden worden?quot;

„Zij staan onder de hoede mijner mannen,quot; sprak de ruiter met het witte ros geruststellend, „en op hen kan ik mij verlaten.'

„Ziet gij die zwarte stip te midden van den vuurgloed? Dat is het huis mijner ouders. Wie weet of Reinildis en ik er ooit den drempel meer van zullen overschrijden!quot;

„Mijne mannen zijn daar om het te verdedigen.quot;

„Maar wat zullen zij tegen de overmacht der Friezen vermogen?quot;

„Met Gods hulp zullen zij de heidenen verslaan.quot;

„Gij hebt recht, met Gods hulp vermogen zij alles.... O God! kom hen te hulp, die strijden in Uwen naam; doch niet mijn, maar Uw wil geschiede,quot; voegde zij er met christelijke berusting bij.

„Amen!quot; sprak de ruiter somber. „En thans vooruit! Niet achter ons voegt het den blik te slaan, maar voorwaarts. Achter ons woeden de Friezen en ik dank God dat gij ten minste aan hunne blinde razernij zijt ontsnapt. Vóór ons hebben wij het behoud te zoeken. Eer de dag aanbreekt, zult gij in veiligheid zijn.quot;

„En mijne zuster?quot;

„Ook haar zullen wij redden, als God het in onze macht geeft.

144

ocr page 157

MA A GDEP ALMEX.

En weer rende de kleine stoet voorwaarts langs den ongebaanden weg, zonder dat er verder een woord gewisseld werd. Slechts vluchtig wendden Gudula en hare geleiders nu en dan nog het hoofd om naar Halle, totdat het dichte geboomte en de golvingen van den bodem het aan hun oog onttrokken. Maar zoo het den vluchtelingen niet meer mogelijk was te onderscheiden of de zwarte massa van Gudula's woning nog ongedeerd boven den vuurpoel uitstak, de rosse gloed aan den hemel bewees hun dat de brand nog voort-woedde, en het wilde gedruisch, dat de nachtwind hun nu en dan toevoerde, zeide hun dat de heidenen nog bezig waren met het werk der verwoesting.

Ten laatste verstomde ook dit gedruisch ten gevolge van den afstand, en de rosse brandgloed maakte aan den oostelijken gezichteinder plaats voor een liefelijker rood; de eerste stralen der .opkomende zon worstelden met den dichten nevel, die om de kim gelegerd was, en mochten zij er niet in slagen hun licht door dien nevel een weg te banen, zoo zonden zij toch eene rozige schemering als bode van den naderenden dag vooruit.

Allengs won die schemering veld aan de oosterkim, die ten slotte één gloeiende roode streep gelijk werd, als stond ook ginds eene geheele landstreek in vuur en vlam. Het zwart van den hemel verhelderde zich tot een wazig grauw, en in vale tinten begonnen boo-men en heuveltoppen reeds door den nevel heen te schemeren. Het sombere grauw ging allengs over in een licht, zilverachtig grijs en de geheele natuur ontwaakte thans in het morgenlicht, door het zacht getjilp der vogelen begroet; het was of de gevederde zangers nog besluiteloos waren of zij den nieuwen dag reeds konden vieren, zoo traag en schuchter kwam hij te voorschijn.

„Dat is Sancten,quot; sprak de ruiter met het witte ros, zoodra hij uit den morgennevel eenige zwarte stippen zag opdoemen, en met angstige spanning zag nu Gudula naar die stippen uit, welke allengs grooter en duidelijker werden, maar toch in den nevel niet juist waren te onderscheiden.

„Heilige Maagd!quot; riep zij eindelijk uit, „ook Sancten is verwoest! Ziet gij die berookte daken, die ingestorte gevels?quot;

„Ik verwachtte het, eilaas! Ook over Sancten zijn de Priesche stormvogels heengestreken.... Maar de burcht, zie ik, staat nog overeind.quot;

„God geve dat wij er Eeinildis weervinden.quot;

140

10

ocr page 158

MAAGDEPALMEN.

„Daar bid ik alle Gods lieve heiligen om,quot; sprak de ruiter.

Weldra was men in de nabijheid van het steenen gevaarte en reeds deed Gudula's metgezel zijn hoornsignaal hooren; maar geen antwoord bekwam hij daarop uit den burcht, die daai plomp en zwart voor hen oprees als een ontzaglijk grafgesteente. Die onheilspellende stilte deed Gudula's hart banger kloppen en met verdubbelde vurigheid verzuchtte zij tot God, dat het haar gegeven mocht zijn hare zuster weibehouden te mogen wederzien. Maar een bang voorgevoel beklemde haar het hart en met bevende lippen stamelde zij.

„Vader, Uw heilige wil geschiede.quot;

Daar stonden de vluchtelingen voor het kasteel; de gracht was met takkebossen, de overblijfselen van rieten daken en allerlei brokstukken gevuld; maar ook de valbrug was neergelaten; klaarblijkelijk had dit de vijand gedaan, na eerst over de gedempte gracht het huis te zijn binnengedrongen. Gudnla en hare geleiders reden de brug over en de voorpoort door; de zware eiken deuren hingen verbrijzeld uit hare hengsels en het voorplein vertoonde reeds het schouwspel der schromelijkste verwoesting. Stukken hout en steen, verbrijzeld huisraad en vertrapte voorwerpen van allerlei aard versperden hun den weg; de vensters en deurkozijnen, zelfs de steenen van het plaveisel vertoonden de sporen van den doortocht dei barbaren; hun ijzeren voet had alles te pletter getreden. Mai mei zeiken waren onder den geweldigen stoot van hunne zware wapentuigen te barsten gesprongen, beeldhouwwerk was met bijlslagen vernield, vensterruiten door speerpunten ingestooten. En er kleefde bloed aan die brokstukken, er sijpelde bloed tusschen de steenen en maakte

de treden glibberig.

Met afgrijzen aanschouwde Gudula dat tooneel der verwoesting en sloeg de handen voor de oogen; doch het angstig ongeduld, dat haar aandreef naar hare zuster uit te zien, hield haar staande. De hand vattende van den ruiter met het witte ros, die den stijgbeugel vasthield, liet zij zich van het paard glijden, dat evenals de andere op het met gras begroeide voorplein werd losgelaten. De snuggeie dieren spitsten de ooren, lieten de oogen behoedzaam rondweiden en roken snuffelend aan het vertreden gras, als begrepen ook zij dat hier iets ongewoons had plaats gehad. Blatend en schuchter kwam een jong schaap naar hen toe, als om hun met zijn klagende stem de akelige verwoesting te verhalen.

146

ocr page 159

MAAGDEPALMEN.

Op den arm van haar geleider steunende volgde Gudula de ruiters de treden op, die naar de voorzaal geleidden. Daar waren de wandtapijten afgerukt, de aanrechttafels geplunderd, de kasten opengeworpen of verbrijzeld, en de inhoud, voor zoover die niet de moeite waard was geacht om mee te nemen, over den grond verspreid. Hetzelfde schouwspel boden de overige vertrekken aan; de roofzieke barbaren hadden alles het onderstboven geworpen, alles doorsnuffeld.

Maar de bewoners, waar waren zij gebleven? Hadden de Friezen ze neergestooten ? Maar dan zouden hunne lijken het uitbrengen, en schoon hier en daar het bloed, waarmee drempels en vloeren waren bespat, van eene hevige worsteling getuigde, de lichamen, waaraan dat bloed was ontstroomd, waren niet te zien. Waarschijnlijk hadden de Friezen, na den zwakken tegenstand der bewoners overwonnen te hebben, dezen gekneveld en gevankelijk meegevoerd.

„Reinildis! Reinildis!quot; schreide Gudula, „zijt ook gij in hunne handen gevallen? Zijt ook gij door de heidenen weggevoerd? Waar zijt gij ? '

Een onrustig doorliep de gefolterde jonkvrouw met hare geleiders de eene zaal na de andere, ijlde het eene vertrek in en het andere uit, langs trappen en gangen, overal uitziende naar hare zuster, zonder een enkel spoor van haar te ontdekken. Daar kwamen zij aan eene breede deur, waarin een kruis was gebeiteld, dat meteen verbrijzeld marmeren wijwatersvat daarnaast den ingang der kapel aanduidde. Met een bijlslag hadden de heidenen hun dweepzieken haat aan dat kruis gekoeld.

De deur was dichtgevallen, maar week onmiddellijk terug voorden krachtigen duw van den ruiter met het witte ros, die, het hoofd eerbiedig ontblootend, den gewijden dorpel overschreed. Gudula volgde hem met nieuwsgierig opgeheven hoofd; doch als versteend van schrik bleef zij staan voor het ijselijk schouwspel, dat zich hier eensklaps aan hare blikken voordeed. Aan den voet des altaars lagen drie lichamen uitgestrekt, blijkbaar ontzield.

Ook de ruiter met het witte ros sidderde en hield onwillekeurig Gudula terug; maar angstig drong zij voorwaarts door het ontwijde heiligdom, om op de treden des altaars bewusteloos neer te zinken naast____het lijk barer zuster!

Ja, het was Reinildis, die daar lag uitgestrekt, in het wit linnen huisgewaad, dat ter hoogte der borst met eene groote bloedvlek

147

ocr page 160

MAA6DEPALMEN.

was rood geverfd; op de nadering der wilde heidenen, had zij eene schuilplaats gezocht aan den voet des altaars, in de schaduw des tabernakels, en niet tevergeefs had zij haren goddelijken Bruidegom aangeroepen, want reeds had Jesus Zijne bruid de armen geopend en haar verwelkomd in het rijk Zijner glorie. De Friezen hadden Reinildis doorstoken, maar zoo haar lichaam levenloos op het gewijde marmer neerzeeg, dat zij met haar bloed bespatte, hare ziel vloog opwaarts om zich met haar Bruidegom te vereenigen en uit Zijne hand den palmtak van het martelaarschap te ontvangen.

Ook Grimoald, de priester, was als martelaar gevallen, als een bloedig offer aan den voet des outers, waarop hij zoo dikwijls het onbloedig offer had opgedragen. Wreed was ook hij doorstoken, doch

het gelaat der beide bloedgetuigen weerspiegelde geen angst of schrik;

een blijde glimlach scheen om hunne lippen te spelen, die half geopend waren als om nog in den dood des Heeren lof te vermelden.

„Reinildis! Grimoald!quot; snikte Gudula, uit hare bezwijming ontwaakt. „Ach! waarom ben ik niet hier geweest om uw martelaarschap te deelen! Waartoe moest gij heengaan zonder mij, die van dezen dag alleen in de wereld achterblijf!quot;

Schreiend boog zij zich over het lichaam harer zuster, drukte de koude handen in de hare en kuste eerbiedig het ivoorblanke voorhoofd, waarvan de sluier was afgerukt.

„Reinildis,quot; sprak zij met vuur, „gij zijt nu oen heilige martelaresse voor Gods troon, o verwerf ook mij de martelkroon, dat ik spoedig

met u vereenigd moge zijn!quot;

Maar terwijl Gudula aldus hare smart en hare aandoening aan de zijde der ontzielde Reinildis lucht gaf, hadden de ruiters inmiddels naar het derde lijk omgezien. Waren Grimoald en Reinildis met het zwaard doorstoken, een veel smartelijker dood had het derde slachtoffer moeten sterven. De Friezen hadden den ongelukkigen dienaar drie ijzeren stiften door het hoofd geslagen en hem aldus aan den grond vastgenageld: in het bloedige gelaat was geen menschelijk aangezicht meer te herkennen. Gudula herkende den doode echter aan zijn kleed en wendde van afgrijzen het hoofd af bij den vreese-lijken aanblik van het verminkte lijk.

' „Ook gij, trouwe Gondulphus!quot; riep zij schreiend uit, zich het gelaat met de handen bedekkende. „Mijn God! mijn God! welk een harden doodstrijd hebt gij te verduren gehad; maar ik mag u met

148

ocr page 161

MAAGDEPALMEN.

beklagen; want reeds zijt gij ingegaan ter eeuwige glorie____ üw

gelaat is niet kenbaar meer, maar God hierboven kent u, en waar ooit ter wereld de gedachtenis van Reinildis en Grimoald zal gehouden worden, daar zal men ook u als martelaar gedenken.quot;

Met den eerbied, aan het stoffelijk overschot eens heiligen martelaars verschuldigd, knielde de diepgeschokte jonkvrouw ter zijde van het lijk des dienaars, nam zijn rechterhand in de hare, besproeide die met hare tranen en kuste ze als de reliquie van een gelukzalige. Daarop toevallig het hoofd opheffende, blikte zij den ruiter met het witte ros, die insgelijks op de knie gezonken was, in het gelaat; het was de eerste maal, dat zij dit gelaat aanschouwde, daar de raadselachtige man het steeds achter het neergelaten helmvizier had verborgen gehouden, en met verbazing bemerkte zij dat de geheimzinnige kampioen der H. Gertrudis, dat de onoverwinnelijke, ruiter met het -witte ros, een afgeleefde grijsaard was. Hij weende als een kind, de vroeger zoo krachtige man, en de tranen drupten af op zijn sneeuwwitten baard en zijne stramme vingeren.

De aanblik van den schrei enden grijsaard trof Gudula in de ziel en hare aandoening beheerschende, vroeg zij op medelijdenden toon: „Waarom weent gij, edele man?quot;

„Omdat ik een zwaard heb,quot; antwoordde hij, met het wapen op de zerken stampende, „en er dezen niet mee heb kunnen verdedigen.quot;

„Het zwaard der heidenen heeft hun grooter dienst gedaan,quot; sprak Gudula troostend, „dan het uwe hun had kunnen bieden. Het heeft hun de deur geopend tot do hemelsche glorie, waar zij thans als verheerlijkte martelaren om Gods troon staan.quot;

Op dat oogenblik viel het volle zonlicht door het roosraam boven het altaar en wierp zijn gouden stralen over de bleeke, maar kalme gelaatstrekken der martelaren; het was als de weerglans dei-hemelglorie, waarvan Gudula gesproken had, en den grijsaard bij de hand vattend, wees zij hem op die verheerlijkte bloedgetuigen, deed hem naast zich op de altaartreden neerknielen en bad met heldere, schoon van aandoening trillende stem:

„Heilige Reinildis, Grimoaldus en Gondulphus____quot;

„Bidt voor ons,quot; viel de grijsaard in, „opdat ook wij de martelkroon waardig worden. — Ja, mijn God en Zaligmaker,quot; ging hij voort, den blik naar het verwoeste altaar opslaande, „haal ook mij in Uw rijk, want ik voel het, mijne taak is hier afgedaan; Gij

149

ocr page 162

■^50 maagdepalmen.

verlangt den dienst niet meer van het trouwe zwaard, dat slechts is uitgetogen om Uwe dienaren te beschermen. Welnu, van heden

af zal het in de scheede rusten...quot;

„En hebt ge dan niet gezworen ook mij te beschermen?quot; vroeg

Gudula.

„U zullen Gods engelen voortaan een veiliger schutse verstrekken, dan mijn zwakke arm u verschaffen kan.quot;

„Maar is het thans wel de tijd het zwaard in de scheede te steken,

nu Gods Kerke geweld lijdt?quot;

„Jongeren en sterkeren dan ik mogen thans de taak overnemen, waartoe mij de kracht ontzonken is. Van mijn zwaard is de Heer niet meer gediend; het zwaard van Pepijn van Herstal is tot de eere verkoren om Kerstenrijk ') tegen de heidenen te beveiligen. Op hem rust de zegen van zijn zaligen grootvader Pepijn, van bisschop Arnulf en van zijne moeie Gertrudis; hij is de kampioen van Koi-stenrijk.quot;

') De Christenheid.

ocr page 163

XIV.

fet was de 17e Maart, de sterfdag der heilige Gertrudis, 1 die sedert jaren door de kloostervrouwen van Nypels als een hooge feestdag werd gevierd; en schoon hij ditmaal op Vrijdag in de vasten viel, zou er toch eene plechtige hoogmis in de kapel worden opgedragen. De abdij was vol gasten, die gekomen waren om de feestelijkheid bij te wonen en de reliquieën der heilige te vereeren.

Het stoffelijk overschot der abdis rustte, volgens haar eigen verlangen, tusschen dat harer zalige ouders onder het hoogaltaar, en daarnaast lag op eene verhevenheid, met bloemen versierd, het bed, waarop zij den laatsten adem had uitgeblazen en dat door het geloovige volk, om tal van wonderen, als eene bijzonder kostbare reliek werd vereerd. Bij hooge feesten werd het in plechtigen omgang rondgedragen, doch uit hoofde der vasten moest dit thans achterwege blijven.

Na afloop van het misoffer begaven de zusters zich naar den refter, terwijl de aanzienlijkste gasten door de abdis in eene andere zaal ontvangen werden, om er het middagmaal te gebruiken. Op gewone vastendagen nam men dien maaltijd niet voor na de vesperen, doch op hooge feestdagen in den vastentijd ging men onmiddellijk na de hoogmis ter tafel. Ter rechterzijde der abdis zat de vergrijsde Begga, Gertrudis' zuster, en aan hare rechterhand Gertrudis' petekind Gudula.

ocr page 164

MAAGDEPALMEN.

Onder de overige gasten was ook eene vrouw, Adela genaamd, die, naar de legende verhaalt, weigerde met de anderen aan tafel te gaan. Zij was, naar het scheen, geërgerd over de buitengewone eer, die men de heilige Gertrudis bewees, en verklaarde dat zij ter wille van dien feestdag hare vasten niet wilde verkorten. Zij verliet dan het vertrek met haar zoontje, dat zij had meegebracht, aan de hand, en wandelde den tuin in, terwijl de zusters en de overigen het middagmaal gebruikten.

Weldra was vrouwe Begga met de abdis in een levendig gesprek gewikkeld; zij onderhield haar over een plan, dat in de laatste jaren bij haar tot rijpheid gekomen was. De weduwe van Ansegisus was aanmerkelijk verouderd; de tranen, die zij om haar echtgenoot had geschreid, hadden diepe voren in hare wangen geploegd; het leed dat zij had uitgestaan om Gonduinus en Grimoald, haar pleegkind en haar broeder, die beiden de gerechte straf voor hunne euveldaden hadden ontvangen, had haar voorhoofd gerimpeld en heure haren voor den tijd vergrijsd; de vermoeienissen, op hare pelgrimsreize naar Rome doorstaan, en de last der jaren hadden hare schouders gebogen, en thans verlangde zij niets liever dan in de rustige eenzaamheid van een klooster hare laatste dagen aan den Hemel te wijden. Toch was de bedrijvige natuur, die haar steeds had gekenmerkt, nog niet geheel door den ouderdom verlamd; want zij beraadslaagde met de abdis van Nypels over het plan om op haai ouden dag nog zelf een klooster te stichten.

„Doch daartoe behoef ik uwe voorlichting en uwen bijstand, eerwaarde abdisse,quot; sprak zij; „alleen met uwe hulp durf ik de onderneming aanvaarden.quot;

„Aan mijne bereidwilligheid zal het niet haperen, edele vrouwe,quot; hernam de abdis; „volgaarne zal ik u bij het scboone werk behulpzaam zijn, mijne bekwaamste zusteren te uwen dienste stellen, u van boeken en verdere benoodigdheden voorzien, kortom, alles doen wat in mijn vermogen is, om u te toonen dat de dochteren der heilige Gertrudis zich gelukkig achten aan hare zuster eeniger-mate te vergoeden, wat zij haar te danken hebben. Hebt gij reeds eene geschikte plek uitgekozen?quot;

„Te Andenne, tusschen Namen en Hoei, heb ik uitgebreide goederen liggen, die mij hoogst geschikt voorkomen om er een klooster te vestigen.quot;

152

ocr page 165

MAAGDE PALMEN.

„En wien denkt gij het nieuwe convent te wijden, vrouw nichte?quot; vroeg Gudula belangstellend.

„Ik wenschte deze stichting tot eene blijvende herinnering te maken aan mijne onvergetelijke pelgrimsreize naar de heilige stad. Daarom stel ik mij voor, er zeven bedeplaatsen te doen bouwen, overeenkomstig de zeven kerken van Eome, en die aan dezelfde heiligen te wijden als te Rome worden vereerd. Hunne reliquieën heb ik daartoe reeds van den Heiligen Vader verkregen.quot;

„Een schoon denkbeeld!quot; riep Gudula uit, „moogt gij het tot Gods eere verwezenlijken!quot;

„Doch ook mijne zuster Gertrudis, die thans eene heilige is in den hemel, zal niet vergeten worden,quot; ging Begga voort, „en daarom wilde ik de abdisse van Nypels verzoeken mij het gebeente mijner zalige zuster af te staan.quot;

„Voorwaar, het is geene geringe zaak, die gij daar vraagti edele vrouw,quot; hernam de waardige kloostervoogdesse; „stond het mij vrij uwe bede in te willigen, dan nog zou ik aarzelen de abdij van een zoo kostbaren schat te berooven; doch de uitdrukkelijke wil dei-overledene zelf verbiedt mij uw verzoek ook maar in overweging te nemen. Op haar sterfbed verklaarde Gertrudis te Nypels tusschen hare zalige ouders te willen rusten.quot;

„En dat verlangen moet geëerbiedigd worden,quot; stemde Begga toe, „doch zoo het mij niet vergund is het gebeente mijner zalige zuster mee te voeren, sta mij dan ten minste het bed af, dat door haar laatsten ademtocht geheiligd is.quot;

„Ook dit is nog veel gevergd, edele vrouwe,quot; sprak de abdis; „bedenk dat het hier eene kostbare reliquie geldt, die het den Heer behaagd heeft door tal van wonderen te verheerlijken, en die voortdurend een stroom van pelgrims lokt naar de abdij, welke op het bezit van dien onwaardeerbaren schat mag roemen.quot;

Begga had een antwoord op de lippen, doch eene plotselinge bewoging, die in-de zaal ontstond, belette haar voort te spreken. Van uit den kloosterhof klonk een wanhopig hulpgeroep; de gasten stoven van tafel op en traden naar de vensters, anderen ijlden de deur uit en in een oogwenk was de geheele zaal een en al verwarring.

„Wat is er gaande?quot; riep men van alle kanten.

„Het zoontje van vrouw Adela, dat in den hof liep spelen, is in den welput gevallen,quot; klonk het antwoord.

153

ocr page 166

MAAGDEPALMEN.

„Het arme schaap is verloren!quot; riep een ander.

„Hoe zal men het bereiken? De put is zoo diep!quot;

„Help! help! het kind verdrinkt!quot; klonk de stem der radelooze moeder, die schreiend en handenwringend door den hof liep, nu eens wanhopig naar de plaats des onheils wijzende en dan de handen om hulp naar de omstanders uitstrekkende. Al de gasten volgden haar en weldra verdrong zich eene beslujtelooze, ontstelde schare rondom den put, waarin de kleine verdwenen was en waaruit een oogenblik te voren zijne angstkreten nog opstegen. Vruchteloos had het jongske eene wijle in het water rondgesparteld; tevergeefs had het zich aan den glibberigen steenen wand pogen vast te grijpen; helaas! het was in de diepte weggezonken, en eer het iemand mogelijk zou zijn, den drenkeling boven te brengen, zouden delevens-geesten reeds zijn uitgedoofd.

Tien, twintig mannen en vrouwen verdrongen zich met angstige gebaren om den lagen rand van den put; allen wilden een blik werpen in den ijzingwekkenden, zwarten afgrond, zonder iets van den drenkeling meer te zien of te hooren, zonder zelfs de oppervlakte van het water te kunnen bespeuren. Maar niemand kwam op het denkbeeld iets tot redding te beproeven; met bleeke, ontstelde gezichten staarden zij elkander aan, zonder eene hand ter hulp uit te steken. En weeklagend liep nog altijd de wanhopige moeder rond, met smeekenden blik de toeschouwers aanziende en beurtelings den een na den ander bij de hand grijpend, om hem op den noodlottigen put te wijzen.

„Om Gods wil, help! help eer het te laat is,quot; kreet zij. „Zaldan niemand medelijden hebben met mijn arm kind?quot;

„Stil, goede vrouw!quot; sprak een oud man, die ademloos kwam toegeschoten, de saamgedrongen omstanders met drift op zij duwde en zich een weg naar den put baande. Met krachtige, vastberaden hand greep hij den zwaren houten emmer, die tot het putten van water boven de opening aan eene stevige houten stelling hing.

„Laat mij in den put af,quot; zei hij kortaf, en eer de verbaasde omstanders zijne bedoeling volkomen begrepen hadden, had hij den eenen voet reeds in den emmer gezet, terwijl hij zich met de eene hand aan het touw vastgreep en met de andere wenkte, dat rnen hem zou neerlaten.

Daar verdween de kloeke grijsaard in de diepte en de oogen van

154

ocr page 167

MAAGDEP AI,MEN.

allen, die over den rand gebogen stonden, volgden hem In ademlooze spanning. Weldra was hij echter aan hun blik onttrokken; de zwarte diepte liet het licht, dat daarenboven aan den rand nog door de schaduw van zoovele hoofden en bovenlijven onderschept was, niet tot de oppervlakte van het water doordringen. In doodelijke stilte wachtte men den uitslag der vermetele poging af. Wat zou er gebeuren, zoo het strak gespannen touw brak ? En zoo het den kloeken grijsaard vergund was tot in het water af te dalen, zou het hem dan nog mogelijk zijn den drenkeling weer te vinden ? Zou het touw dien dubbelen last kunnen houden ? En mocht hij het kind al boven brengen, zou het dan niet blijken dat hij zijn leven had gewaagd voor een lijk?

Al deze gedachten woelden door hot brein der omstanders, maar niemand die' ze uitte; er heerschte eene stilte als die des doods, slechts gestoord door het gerammel van het houten raderwerk, waarover het touw liep, en het schuifelend geluid, dat dit deed hooren, terwijl het door de handen van de mannen gleed, die het vasthielden. Eindelijk weerklonk een hol bonzend gedruisch; het was de putemmer, die omhoog rees en tegen den anderen stiet, welke met den moedigen redder neerdaalde.

Nog eenige seconden van ademlooze spanning en beklemmend stilzwijgen; daar weerklonk een zwaar geplomp en bewees dat de emmer het water bereikt had; nu volgde een geklots en geklater, alsof er een drenkeling in het water spartelde. Met bleek gelaat, verwarde haren en verwilderde oogen hing de rampzalige moeder ten halven lijve over den rand van den put, tevergeefs de duisternis pogende te doorboren. Hare borst zwoegde, hare lippen beefden en hare handen omklemden krampachtig het koude steenen metselwerk. Nu en dan scheen het als zou zij zich voorover in de diepte werpen, zoo heftig boog zij zich over den rand, en de omstanders grepen haar bij de armen vast, uit vrees dat zij zich in den afgrond mocht storten.

„Mijn kind! mijn kind!quot; lispelde zij hijgend.

„Haal op!quot; riep eene gesmoorde stem, die uit een graf scheen te komen, en onmiddeliijk waren zes, acht handen weer bezig den emmer omhoog te halen, terwijl het water, dat inmiddels met den anderen emmer was meegekomen, zich in den steenen bak ontlastte, die op den rand van den put was aangebracht. De omstanders zagen elkander aan en loosden een zucht: men vatte moed.

155

ocr page 168

MAAGDEPALMEN.

Daar rees eindelijk de moedige griisaard omhoog, de eene hand om het touw geslagen en met de andere het geredde kind tegen de borst drukkend. Een blijde kreet verwelkomde hem en twintig armen te gelijk werden uitgestoken om den kleinen drenkeling aan te vatten.

„God lof! God lof!quot; klonk het rondom den put en met verruimden boezem schepten allen adem.

„Mijn kind! mijn kind!quot; kreet de moeder hartstochtelijk, hare bevende handen naar het kind uitstekende, dat allengs met zijn redder uit de diepte verrees. Maar naarmate het hooger steeg en allengs in het volle daglicht kwam, maakte een bang gevoel zich opnieuw van de omstanders meester. Met slap neerhangende ledematen rustte het wicht in den arm van zijn redder; het bleeke hoofdje met druipende haren en gesloten oogen lag op zijn schouder en wiegelde heen en weder, terwijl de armpjes hem blijkbaar gevoelloos tegen de borst sloegen.

„Mijn God! het is dood!quot; riep de moeder, die het wicht in blijde vervoering aan den boezem drukte, doch hare liefkoozingen niet beantwoord zag; en opnieuw kuste zij het hartstochtelijk en klemde het met vuur in de armen.

„Geef mij het, arme moeder,quot; sprak een der zusters, die ter hulp waren toegeschoten; „geef mij het, dat wij het ontkleeden en te bed brengen.quot;

Maar de vrouw hoorde het niet en had slechts oogen voor het ontzielde lichaampje, dat slap en druipend van het nat in hare armen hing.

„God! o God! het is dood!quot; barstte zij opnieuw uit en wierp zich nu, als verplet van smart, aan de borst van Gudula, die haar het, doode kind uit de armen nam en de moeder zacht van zich afweerde. Deze stortte op de knieën en de handen in radelooze smart ten hemel heffende, kreet zij op hartverscheurenden toon:

„Mijn kind! mijn kind!.... Heer in den Hemel, geef mij mijn kind weder! Heilige Gertrudis, bid voor mijn kind.quot;

„De heilige Gertrudis zal u uw kind teruggeven,quot; sprak Gudula. „Kom! wij zullen het op haar bed leggen en bidden dat de goede God het op hare voorbede tot het leven terugroepe.quot;

En door de moeder en al de overigen gevolgd, ijlde de liefderijke Gudula thans naar de kapel, waar zij het lijkje op het bed neer-

156

ocr page 169

MAAÖDEPALMEM.

legde, dat als eene reliquie naast het hoogaltaar ter vereering was uitgesteld. In een oogwenk had zij het van de druipnatte kleertjes ontdaan en in een warmen wollen doek gewikkeld, dien Begga haar overreikte. Daar lag thans de kleine drenkeling, doodsbleek en met gesloten oogen op het rustbed der heilige Gertrudis, terwijl de moeder zich weenend over het koude hoofdje boog.

Gudula trok haar zachtjes met zich voort.

„Laat ons thans bidden,quot; sprak zij, dat door de voorspraak dei-heilige Gertrudis dit kind tot het leven moge terugkeeren.quot;

En allen, die zich in de kapel bevonden — kloosterzusters en leeken, mannen en vrouwen — allen knielden neder en beantwoordden met luider stem de gebeden, welke Gudula voorbad.

Smeekend en klagend weergalmde hun gebed langs de hooge gewelven, doch opeens werd het gedruisch der biddende schare overstemd door een luiden jubelkreet, die aan het bed der heilige Gertrudis vernomen werd. Vrouwe Adela drukte in blijde vervoering het kind aan het hart, dat de oogen geopend had en die verbaasd op zijne moeder vestigde; het gebed der schare was verhoord: Adela's zoontje leefde. De kroniekschrijver, die dit wonder geboekstaafd heeft, neemt God tot getuige dat hij het met eigen oogen heeft aanschouwd.

„Heb dank, o Godl heb dank, heilige Gertrudis!quot; jubelde de verrukte moeder. „Heden morgen heb ik u tot oneere gesproken, maar van dit oogenblik zal ik dankbaar uwen naam zegenen!quot;

„Gezegend zij de heilige Gertrudis; want groote dingen heeft de Heer door haar gedaan!quot; galmde de opgetogen schare en allen verdrongen zich om den herleefden kleine, die, door zooveel beweging verschrikt, angstig eene schuilplaats zocht in de armen zijner moeder.

Te midden dergenen, die zich voorwaarts drongen om zich van de herleving des kleinen drenkelings te vergewissen, trad ook met wankelende schreden een zwakke grijsaard op het kind en demoeder toe. Allen maakten eerbiedig plaats voor hem, want het was de man, die met gevaar van zijn leven het kind uit den put had gered, en om wien niemand in de eerste opgewondenheid meer had gedacht. Rillend stond hij daar in zijne nog natte kleederen en aanschouwde met innige zelfvoldoening het geluk der moeder, wie hij haar kind teruggegeven had. Dan zonk hij, op zijn staf leunende, op de knieën en de oogen ten hemel slaande, riep hij uit:

157

ocr page 170

MAAGDEPALMKN.

„Laat nu, Heer, uwen dienaar in vrede gaan; want een schooneren dag dan dezen zal hij niet meer beleven. Was zijn leven aan de bescherming Uwer dienares Gertrudis op aarde gewijd, laat hem dan op den dag harer verheerlijking ingaan tot Uwe heerlijkheid!quot;

Die woorden hadden de opmerkzaamheid der omstanders getrokken en allen staarden vol verwondering den moedigen grijsaard aan, die alleen het waagstuk had ondernomen, waaraan niemand zich gewaagd had; die om het kind van den dood te redden eensklaps, men wist niet vanwaar, was opgedaagd, en op wien door niemand verder meer acht was geslagen. Hij droeg een eenvoudig kleed van donkere stof, dat nog. nat was ten gevolge zijner nederdaling in den welput, en waarover hij, om zich tegen de koude te beschermen, een mantel geworpen had, die hem in statige plooien om de schouders hing. Doch zoo zijn kleed eenvoudig was, op zijn gelaat blonk een adel en eene grootheid van ziel, die eiken beschouwer onwillekeurig eerbied afdwong. Zilverwitte lokken omkransten zijn schedel en een witte baard golfde op zijne borst af.

Gudula beschouwde hem oplettend en zeide toen als bij zich zelve:

„De ruiter met het witte ros!quot;

Die woorden gingen van mond tot mond en allen werden met een geheimzinnigen eerbied bevangen voor den kampioen der heilige Gertrudis, van wiens heldendaden zij zooveel hadden vernomen. Was het mogelijk dat die zwakke, uitgeputte grijsaard de onver-winnelijke ruiter was, welke in vroeger jaren op zijn melkwit ros steeds ter hulp was aangesneld om de abdij van Nypels tegen hare vijanden te verdedigen? Die geheimzinnige beschermer was alzoo geen bovenaardsch wezen geweest, gelijk het eenvoudige landvolk algemeen geloofd had. Het was een sterfelijk mensch, thans gebukt onder den last der jaren en op het oogenblik nog rillende van de koude, bij zijne heldendaad opgedaan.

Men kon het bijna niet gelooven, en toch, hoe meer men dien eerbiedwaardigen grijze aanschouwde, hoe meer men overtuigd werd, dat zoo de ruiter met het witte ros inderdaad een sterfelijk mensch was, hij niemand anders kon zijn dan deze grijsaard. Met eerbiedigen schroom traden de omstanders nader; allen wilden den geheimzinnigen man in het gelaat zien, allen wilden oen blik zijner bezielde oogen, een woord van zijne lippen opvangen.

158

ocr page 171

MAAGDEPALMEN.

Ook vrouwe Begga kon de oogen niet van den grijsaard afwenden; haar blik ontmoette den zijne en eene wijle staarden beiden elkander in de oogen; beiden zochten blijkbaar op elkanders gelaat bekende trekken uit lang vervlogen dagen.

„Kent gij mij niet, zuster van Gertrudis ?quot; vroeg de oude eindelijk. Verbaasd schrikte Begga op: de klank dier stem, de blik van dat oog, die beminnelijke trekken, dat alles kwam haar bekend voor en scheen in verband te staan met voorstellingen uit een ver verleden, zoo ver dat zij het niet meer vermocht na te speuren. Lang beschouwde zij dat vergrijsde hoofd, en riep eindelijk uit:

„Zoo het mogelijk was, dat de dooden tot het leven terugkeerden, zou ik meenen in u Egbert te herkennen, die jaren geleden dooide Friezen gedood werd.quot;

„Zoo wilde het gerucht en inderdaad viel ik in de handen der Friezen, doch het leven ontrukten zij mij niet; alleen beroofden zij mij voor eenige jaren van de vrijheid. En toch sprak het gerucht geene onwaarheid; want inderdaad behoorde Egbert, de zoon van den landvoogd van Austrasië, tot de dooden, doch om voort te leven als de ruiter met het witte ros, ten einde zijne Gertrudis te beschermen. Sinds lang behoeft zij die bescherming niet meer, en ik zou haar die ook kwalijk kunnen verschaften; want mijn arm is machteloos en mijn zwaard nutteloos geworden. Mijn taak op deze wereld is afge-loopen en de tijd is daar dat ik zal ingaan tot de eeuwige rust. Het is mij op aarde niet vergund geweest, vereenigd te worden met haar, die mij boven alles dierbaar was; thans hoop ik voor eeuwig

met haar vereenigd te worden in den hemel____quot;

Eene doodelijke bleekheid overtoog het gelaat des grijsaards, en terwijl Begga nog verbaasd toeluisterde, sloot hij de oogen en zonk achterover in de armen der omstanders. Men bracht den uitgeputten man in een der vertrekken der abdij ter ruste, en de goede zusters omringden hem met de teederste zorgen; doch geen geneeskrachtige kruiden of nauwlettende verpleging vermochten het leven des afge-leefden te verlengen, en nog vóór de avond daalde, scheidde Egbert van deze wereld om in het andere leven, zijne trouwe liefde ten loon, voor altijd het bijzijn zijner beminde Gertrudis te genieten.

Hier op aarde bleef de gedachtenis aan zijn trouwe genegenheid en ridderlijke toewijding jegens de heilige Gertrudis of Sinte Geer-truid voortleven in tal van treffende legenden en volksgebruiken.

159

ocr page 172

MAAGDEPALMEN.

die ten deele tot op onze dagen zijn blijven voortbestaan '). En eeuwen naderhand nog bracht men elkander bij plechtige gastmalen den heildronk van „Sinte Geerten minnequot; toe, „om daar door jegens anderen te betuigen een min, liefde, en genegenheid, en vrindschap, en dat wel zoo ongeveinst, opregt, getrouw, deugdzaam, en standvastig, als die van de vermaarde Heilige Geertrui

„Denken wij daarbij aan de plegtige betuiging van hartelijkheid, van liefde en vriendschap,quot; roept daarbij een vaderlandsch oudheidkundige uit1), „die men elkander met die drinkschaal [de schaal van Nijvel genoemd] toebragt, gepaard met den heiligen wensch, dat eene onzigtbare hand of magt de tafel- of dischgenooten mogt beschermen voor alle ramp en leed op de levensreize; — dan zult gij zekerlijk met mij willen instemmen, dat het te bejammeren is, dat deze drinkinstelling onzer vrome vaderen, van voor de hervor-, ming, thans met zoo vele andere, geheel in onbruik is geraakt, en door den laffen, niets beteekenenden afscheidsgroet van een glaasje aan den way en, te scheep of op den valreep is vervangen geworden.quot;

Gertrudis' zuster Begga leefde nog juist lang genoeg om haar godvruchtig voornemen tot het bouwen van een klooster te Andenne ten uitvoer te brengen. Doch Gudula overleefde haar verscheidene jaren en aan haar werd inderdaad het woord van den ruiter met het witte ros bewaarheid, dat de engelen haar beschermen zouden. Wie toch kent niet de schoone legende, welke de middeleeuwsohe kunst zoo dikwijls tot onderwerp koos, en volgens welke een engel Gudula's licht weer ontstak, toen de stormwind dit had uitgeblazen en zij in gevaar verkeerde, op haar nachtelijken pelgrimstocht naar de Salvatorskapel der abdij van Moorselen te verdwalen?

Na haar dood, in 712, werd ook Gudula te Nijvel begraven, naast hare beminde meter Gertrudis, naast Pepijn en Iduburga, die eerbiedwaardige figuren uit het schoone tijdperk onzer geschiedenis, dat te recht de eeuw der heiligen genoemd is.

Het was een treffend denkbeeld, toen men, bij de herstelling der heerlijke St.-Janskerk te 's-Hertogenbosch, het eerste nieuwe beeld-

160

1

) D. Buddingh. Over oude en latere drinkplegtigheden, 's-Gravenhage 1842.

ocr page 173

MAAGDEPALMEN.

raam van het schip toewijdde aan de gelukzalige stamouders van dat roemrijke geslacht van heiligen, waaraan Nederland zoo groote verplichting heeft. Het stelt het huwelijk voor van Pepijn en Idu-burga, dat zoo bij uitstek vruchtbaar is geweesi voor do christelijke beschaving van ons vaderland ').

') raam is eene scheuking van jhr. J. F. Ridder de van der Schueren. in ieven voorzitter der Commissie voor de Restauratie, die zich ook als zoodanig zoo hoogst verdienstelijk gemaakt heeft.

161

„De Horstquot; driebergen

ocr page 174
ocr page 175

lavcr-Rinvc^.TXTR =

F. T. H. VAN OGTK-OJP,

Lihr. Cens.

Amstelodami die 17 Junii 1886.

!

I

i V..-;.

1

I BIBLIOTHEEK

ocr page 176
ocr page 177

*• ■

BIBLIOTHEEK ; NÉO. 1quot; ' K : • ='