ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

DE VERGADERINGEN DER EVANGELISCHE ALLIANTIE TE KOPPENHAGEN,

BEZOCHT DOOR

Sb JLa V A N DEK H O O R N J

Predikant te Tiel.

Present-exemplaar

VAN

S. A. van den Hoorn.

NIJMEGEN, P. J. Ml LBO RN.

ocr page 4

Nijmegen, Snelpersdruk der Wecsinrichting.

ocr page 5

EEN WOORD VOORAF.

Achterstaande brieven werden oorspronkelijk in „Mara-nathaquot; 1) geplaatst. Ter voldoening aan veler aanvraag, geef ik ze thans afzonderlijk uit. Mogen zij ook op die wijze iets bijdragen tot verheerlijking Gods, zoo zal ik mij opnieuw verheugen, daar ik reeds van onderscheidene zijden vernam, dat zij tot stichting hebben verstrekt.

Dk Scjikijveu.

Ti el, 26 Juni 1885.

1

„Maranathaquot; is een blad, in den vorm van een boekje, dat aan de Evangelisatie is gewijd, en tevens dient tot orgaan der Belgische Zendingskerk. Het verschijnt den Isten en löden van elke maand. Men teekent in voor /quot;2.00 per jaar bij den Uitgever, H. J. Gerritsen te 's Gravenhage, of elders, en ontvangt het dan franco per post. Do Hoofdredactenr is Ds. J. W. A. Notten te Rotterdam gt; die de heeren J. Essor, Ds. J. van Andel, Dr. Mr. W. van don Berg, Prof. S. van Velzen, Ds. De Gaay Fortman en den Schrijver der achterstaande brieven tot vaste medewerkers heeft.

ocr page 6
ocr page 7

DE EVANGELISCHE ALLIANTIE TE KOPPENHAGEN.

L

Geliefde Broeder!

Gij verzookt mij in Maranatha een en ander mede te deelen in betrekking tot mijn bezoek van de 8st0 vergadering der Evangelische Alliantie, van 31 Aug. tot 6 Sept. 1884 te Koppenhagen gehouden. Aan dat verzoek wil ik gaarne voldoen, daar ik weet, op uwe welwillendheid te mogen rekenen. Gij verwacht van mij geen nauwkeurig verslag van alle redevoeringen en van alle bijzonderheden; daartoe had ik mij niet voorbereid , om niet te zeggen, dat zulk een verslag veel te veel ruimte zou eischen, en het dan ook nu wel weer eerlang het licht zal zien. Ik wil slechts op eenige zaken wijzen, welke mijne aandacht trokken , terwijl ik het U of een ander volstrekt niet euvel wensch te duiden, als gij iets, door mij genoemd, minder belangrijk vindt. Ik had haast geschreven: «De gustibus non disputandum estquot;, maar ik mag niet vergeten, dat vele lezers van Maranatha geen Latijn verstaan, en zeg daarom liever; «over den smaak moet men niet twistenquot;; wij weten toch, dat deze verschilt. Dit Latijnsch spreekwoord herinnert mij echter aan eene moeilijkheid met de Latijnsche taal, welke mij op mijne reis meermalen is gebleken. Het is de verschillende uitspraak van deze taal.

ocr page 8

6

Met de Duitschers is dit verschil niet zoo groot; daar het zich hoofdzakelijk bepaalt tot de uitspraak der u als oe, terwijl de g hard wordt, enz,; maar met de Engelschen levert het een aanzienlijk onderscheid. Dit laat zich verklaren, als men bedenkt, dat het Latijn een doode taal is, en elk volk het uitspreekt naar zijne eigene spraak. Maar zoo begrijpt men ook, dat het Latijn op de internationale vergaderingen thans moeilijk dienst kan doen, al waren al de leden er van die taal machtig. Daar die taal echter als schrijftaal bij de verschillende volken gelijk is, zou zij toch op eene bijeenkomst als die der Evangelische Allia,ntie veel voor hebben, indien daar uitsluitend Theologen samen kwamen , maar dit is niet het geval. Op haar lijst staan ook onderscheidene vrouwen en ongelet-terden.

Dat de Alliantie dit jaar te Koppenhagen werd gehouden, gaf het bezwaar, dat men zou komen in een land, welks taal, even als het Hollandsch, weinig bekend is, en dat men er op rekenen kon, dat een goed deel der deelnemers Denen zouden wezen, daar voor dezen de moeiten en kosten het minst aanzienlijk waren.

Hoewel ik geen Deensch versta, zag ik er toch ditmaal begeerig naar uit, de Alliantie bij te wonen. Uit verschillende landen en werelddeelen saam te komen in de belijdenis van denzelfden Vader, Zoon en Heiligen Geest trok mij aan, lachte mij toe.

De wedstrijd der Christenen wordt zoo spoedig een kampstrijd. Op aarde, waar wij slechts ten deele kennen, moeten wij zeker, ook als deelgenooten van hetzelfde geloof, dezelfde hoop en dezelfde liefde, blijven vragen: hoe zal ik die hope het beste beoefenen ; hoe zal ik met die liefde het meest werkzaam zijn tot verheerlijking van den Drieëenige, ook in de bevordering van de komst Zijns Rijks op aarde? Maar zulk een wedstrijd der getuigenis, der heiligmaking en der lofzegging, wordt zoo spoedig een strijden tegen elkander. Zoo lichtelijk wordt vergeten,

ocr page 9

7

dat men in beginsel hetzelfde bedoelt: de eere Gods en do zaligheid van den mensch.

Het is geheel iets anders of gij de stoomschepen van twee bevriende mogendheden met elkander ziet wedijveren, wie het snelst en gemakkelijkst de vaart naar een zeker land zal volbrengen, dan of gij die stoomschepen tegen elkander ziet indruischen, om elkander zooveel mogelijk afbreuk te doen. Zoo ock in de geestelijke loopbaan. Zeker, er moet een wedstrijd zijn. Ik voor mij denk ev niet aan onze Gereformeerde belijdenis prijs te geven. Ik zie in dien weg het meest Gods eer bevorderd. Maar, dat ik de. volmaaktheid zou gegrepen hebben, komt evenmin in mij op.

Dus moeten de samenkomsten der Evangelische Alliantie niet dienen , om de verschillende belijdenissen op te heffen, maar om, bij dit verschil, elkander er aan te herinneren, dat wij in Christus Jezus één zijn. Ziet, zulke vergaderingen zijn de plaatsen, waar men den kruitdamp eens gelegenheid geeft om op te trekken, opdat die nevel niet al te dik worde, en men gevaar loopt eigene broeders of bondgenooten als vijanden te bevechten.

Op eene vergadering, waar de banier der eenheid in Christus Jezus omhoog is geheven, is men ook minder vooringenomen met zichzelven, of, laat mij liever zeggen, daar heeft men een meer onbeneveld of rustig oog, om het goede van andere broeders te aanschouwen. Gelijk in het algemeen het bezoek van andere volken het oog kan openen voor eigene volkszonden en verkeerde gewoonten, zoo kan ook in het bijzonder eene andere kerkelijke omgeving bepalen bij goede dingen, welke men zelf mist.

Ik sprak daar van volksgewoonten. In Denemarken is het gebruik van sterken drank lang niet zoo algemeen als hier. Te oordeelen naar de vrijheid, waarmede de vrouwen zich op straat bewegen, is er de onzedelijkheid niet zoo groot. Beleefdheid en voorkomendheid voor een vreemdeling is opvallend Meermalen is iemand, wien ik

ocr page 10

8

tegenkomende don weg vroeg, met mij mede teruggegaan, om djen te wijzen. Eenmaal heeft zelfs een heer, die halverweg het door mij bezochte Klampenburg woonde, den geheelen weg afgelegd, om mij daar de badplaats te wijzen, waarnaar ik informeerde, om terstond, na deze door mij verlangde inlichting gegeven te hebben, terug te keeren. En zoo iets is daar zoo weinig ongewoon, dat wij niet eenmaal elkanders naam gevraagd hebben. In Denemarken behoeft men ook niet bang te zijn, dat u een rookwalm om het hart zal slaan, als gij eene zaal binnentreedt, want het rooken is er bij lange niet algemeen , en in vele huizen zelfs gansch niet gebruikelijk. Dat het rooken er minder inheemsch is, kan ook blijken uit het feit, dat in gewone spoorwegcoupés niet wordt gerookt. Wil men rooken , dan moet men plaats nemen in een coupé met het opschrift: For Hogere.

Dat in Denemarken de Luthersche Kerk heerschende is, weet gij. Maar wellicht zult gij u verwonderen te vernemen, dat in de stad Koppenhagen, ongeveer met eene bevolking als Amsterdam, slechts weinige honderden Gereformeerden zijn. Gij weet nu wel, dat ik niet als Luthersche ben weergekeerd, maar toch heb ik in die Kerk meer dan ééne goede zaak aangetroffen. Ik spreek niet over de betere, meer fatsoenlijke, minder onverschillige houdingen der kerkgangers, zoodat men daar geen lui neervlijen of gedekte hoofden (bij mannen n.l.) ziet. Evenmin maak ik gewag er van, dat men daar niet gestoord wordt door rondgaande kerkzakjes, wat door Ur. Kuyper niet ten onrechte is aangewezen, als behoo-rende tot »de leugen in de Kerkquot;. Ook wijs ik niet op de meerdere geoefendheid in den zang. Ik wil alleen zeggen, dat de liturgie er met veel meer plechtigheid wordt volbracht dan bij ons, en dat er meer eerbied is bij het lezen van Gods Woord. Onze 12 Artikelen bijvoorbeeld, al zou menigeen ze niet gaarne uit de Kerk zien gebannen , trekken toch weinig de aandacht. Gansch anders is

ocr page 11

9

dit in Denemarken, waar men opstaat bij het lezen van den tekst voor dien dag. Mannen en vrouwen hooren staande aan , wat de Heere te zeggen heeft. En zouden wij opstaan, als een aardsch koning het woord tot ons richtte, dan is het zeker ook niet ongepast, als wij dit doen, als de Koning der koningen in Zijn getuigenis Zich hooren laat.

Maar ik loop vooruit. Ik zou U reeds iu Denemarken verplaatsen, en wij zijn nog niet eens op reis gegaan. Ik zeide dan, dat het bezoek der Alliantie mij toelachte om meer dan eene reden. Ik noemde nog niet de versterking des geloofs. Het geloof bracht Duitschers met Denen en Franschen met Engelschen samen. Het bewustzijn ))kinderen te wezen van een zelfden Vaderquot; bracht onbekenden als broeders tezamen, gekocht door hetzelfde bloed van Gods Zoon, en geleid door denzelfden Heiligen Geest. Zeker zou ik het niet gewaagd hebben alleen naar een vreemd land te gaan, welks taal mij onbekend was, indien ik niet geloofd had daar broeders te vinden van hetzelfde huis. Wat genot het was , in dat gevoel saam te zijn, laat zich niet gemakkelijk beschrijven, en als wij dan zongen, soms in 5 verschillende talen, hetzelfde lied ter verheerlijking Gods, ziet dan was het mij meermalen wonderlijk te moe, zoodat ik zwijgen moest, zou mijne stem niet door weenen gesmoord worden. Van de 1800, die daar samen kwamen, waren geen 20 mij persoonlijk bekend, maar toch gevoelde ik er mij niet vreemd, ja de liefelijke en hartelijke ontmoetingen gaven meermalen een voorsmaak van die plaats, waar men in volmaakte liefde, uit verschillende talen, volken en natiën zal samen zijn ter verheerlijking Gods.

Te Koppenhagen werd het geloof gesterkt door het aanschouwen der liefde, üm in liefde en geloof, en alzoo ook in de hoop gesterkt te worden, wenschte ik,gaarne de Alliantie bij te wonen. Van Bazel was mij een en ander verteld, door wie de bijeenkomst aldaar bezocht

ocr page 12

10

haddon, zoodat ik een goede verwachting had van zulk een samentreffen. En mijne verwachting is overtroffen, verre overtroffen. Wel maak ik rekening, hoe het de eerste maal was, dat ik de Alliantie bijwoonde, en ik alzoo vatbaarder was voor indrukken, maar dit mag mij toch niet doen verzwijgen, dat ik er veel heb genoten.

Eerst ter elfder ure kon ik besluiten er heen te gaan. JNiet vroeger dan Maandag 1 September kon ik my op reis begeven. De vrienden uit Holland waren toen reeds weg, zoodat ik alleen moest reizen. Ook was de tijd van aanmelding reeds verstreken, toen ik oen lid der regelingscommissie te Koppenhagen mijn voornemen om te komen berichtte. Alzoo had ik zoo min bericht der beste reisgelegenheid ontvangen als aanwijzing van logies. Van bevriende zijde vernam ik echter iets van de reisgelegenheid , wat aangevuld werd door een dokter uit deze stad, die voor weinige weken het medisch Congres te Koppenhagen had bijgewoond. Deze dokter wisselde mij ook eenig Deensch en Duitsch geld, en gaf mij o.a ook zijn Baedekers reisgids van Zweden en Noorwegen , waarin men tevens aangaande Denemarken wordt ingelicht, en eene platte grond vindt van Koppenhagen, enz.

Zoo ging ik dan Maandag 4 Sept., 's morgens ruim half acht, hier op den trein naar Arnhem. Grenoemde dokter had mij geraden niet over Zutfen, Salzbergen en Osnabruck te reizen, daar men dan in laatstgenoemde stad naar een ander station moet. Ik sprak in Arnhem nog een paar kennissen, maar hun weg lag niet naar Emmerik, gelijk de mijne. Daar in ons land geen re-tourkaarten naar Koppenhagen, zelfs niet naar Hamburg, verkrijgbaar zijn, nam ik te Arnhem slechts plaats tot Emmerik, om te zien, of ik daar wellicht zulk een billet zou verkrijgen. Te Emmerik ontmoette ik in het station een predikant, maar ook deze ging eene andere richting dan ik. Hij ging zijne familie aan den Duitschen Rijn opzoeken, terwijl ik, ook te Emmerik geen rondreisbillet

ocr page 13

H

kunnende verkrijgen, met een enkele reiskaart via Wezel Dorsten, Haltern, Munster. Osnabruek en Bremen naar Hamburg toog.

Te Wezel had ik eenigen tijd rust, en alzoo gelegenheid om iets te gebruiken, en het station op te nemen. Dit station ligt in het midden der daar kruisende spoorlijnen, en is, gelijk ook andere stations in het buitenland , van keurige tuinen en fonteinen omgeven. De tijd ontbrak mij echter om eene wandeling naar den Rijn te maken, of de stad te bezichtigen, welke ook in de vaderlandsche kerkgeschiedenis nier onbelangrijk is.

Tot Wezel is de weg U bekend, en daarom heb ik zoo min melding gemaakt van de schoone ligging van hoog Elten als van Arnhem; en evenmin heb ik gesproken over het schoone gezicht, dat men van uit Westervoorts omstreken heeft op de oevers der Drususgracht, als van den treffenden aanblik op den Montferland, en op de kronkelingen van den Rijn bij den Eitenschen berg.

Toch wensch ik U verder ook iets te zeggen van het natuurschoon , dat ik aanschouwde. De psalmdichter gaat ons voor met de erkentenis van de grootheid en heerlijkheid Gods, bij het zien van de werken der schepping.

Dat die erkentenis niet onvruchtbaar laat, blijkt uit het slot van Ps. 104, een natuurpsalm bij uitnemendheid, waar wij lezen: «Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn ; ik zal mij in den Heere verblijden.quot; Ik ben meermalen beschaamd over mijn twijfel en ongeloof bij het zien van de grootheid Gods in de natuur. Die altijd-vloeiende beken wijzen op den rijkdom des Heeren, en de bergen en dalen getuigen ons van Zijne macht. En hoe kan het liefelijk groen van veld en woud ons wijzen op de goedheid des Heeren!

Zoo althans ging het mij, toen ik Wezel verlaten had. Nog uit de verte kon ik een afscheidsblik werper op den grootvorst van Europa's stroomen, die jaar en dag, oogen-blik tot oogenblik, zijn duizenden en miliioenen water-

ocr page 14

12

druppelen zendt naar den vaderlandschen bodem; water, dat soms in zijn zwellen of in zijn voortzweepen van ijsschollen vreesehjke verwoestingen aanricht, maar ook aan duizenden bunders vruchtbaarheid geeft. Van af Wezel ging het met den trein noordelijk langs de vlakten, welke de Lippe besproeit. Als een groote zilveren draad doorkronkelt hier dit riviertje uren lang de heerlijk groene velden en bosschen , welke eene schoone mengeling bieden van heuvelen en dalen.

Zoo stoomden wij op Haltern aan, waar wij eenige oogenblikken moesten wachten op den trein, welke van Keulen kwam.

Inmiddels moet ik met mijne verdere mededeeling wachten tot een volgend nummer.

Onder toebidding van Gods genadigen zegen, ben ik

Uw liefh. vriend en broeder in onzen eenigen en rijken Heiland,

S. A. van den Hoorn.

Tiel, 29 Sept. 1884.

II.

Geliefde Broeder!

Zoo was ik dan te Haltern. Daar wij hier, gelijk ik zeide, eenige oogenblikken moesten wachten, stegen de meeste passagiers even uit. Ook ik deed dit, en zag bij die gelegenheid een mij eenigszins bekend heer uit Holland , die ook mjj herkende. Hij ging naar Hamburg, zoodat wij tot daar niet elkander reisden.

ocr page 15

IS

Wjj hadden reeds eenigen tijd de schoone omstreken van Haltern verlaten, toen mijn oog geboeid werd door den aanblik van rotsen. Nog slechts eenmaal (het was te Bentheim) had ik rotsen nauwkeurig opgenomen, en hier was ik op eenmaal in haar midden geplaatst. Het zien van bare scherpe punten en kloven ontlokte mij een woord van verwondering En welk Bijbelkenner weet niet, dat de rotsen herhaaldelijk voorkomen in de Heilige Schrift, en dat zij dikwerf een beeld zijn van onveranderlijkheid, sterkte, veiligheid en verkwikking bij God!

Nog was ik vol verwondering over het schoon der rotsen , toen het op eenmaal duister werd. Welk eene tegenstelling! Zooeven nog het liefelijk zonlicht, en nu zóó donker, als het 's nachts zelden is. Wij gingen midden door de rosten heen, zoodat deze ons van alle zijden omgaven. In dien tunnel bleven wij , naar ik gis , ongeveer S minuten. Slechts een paar malen zagen wij een flauw fakkellicht, maar overigens was het zoo akelig donker, alsof ik mijn gezicht gansch verloren had.

Gelijk ik onverwacht eensklaps in dikke duisternis was gehuld, zoo wordt menig mensch plotseling uit de vroo-hjkheden der aarde verplaatst in de eeuwige donkerheid der buitenste duisternis. Zonder nadenken dartelen velen aan den rand van een akeligen afgrond. Gelukkig wie bereid is te sterven, daar toch de dood ieder uur wenkt. Wij zijn in bestendig gevaar, waaraan ik ook op mijne verdere reis dien dag nog werd herinnerd , toen ik tusschen Bremen en Hamburg de avondschemering telkens door hel lichtende bliksemstralen zag afgewisseld. Toen waren wij natuurlijk Munster en Osnabrück gepasseerd. Dat ik bij eerstgenoemde stad aan de Wederdoopers van de 16e eeuw dacht, en aan hunne heerschappij te dier stede, kunt gij wel begrijpen. Ik had echter bij de wetenschap, hoe deze stad met hare vele kerken thans wel eene Roomsche mag heeten, tevens gelegenheid om te overwegen , dat er in de bestrijding tegen Rome andere wa-

ocr page 16

14

penen noodig zijn dan het uiterlijk zwaard , n.1. het zwaard des Greestes, hetwelk is Gods Woord.

Te Osnaburck hadden wij eenige minuten oponthoud, waarvan ik met de meeste passagiers gebruik maakte, om iets te nuttigen. Hebt gij b.v. te Zwolle, meermalen gelegenheid gehad om te zien, met hoeveel moeite men daar bij het doortrekken iets kan verkrijgen, gij zoudt zeker met mij de doelmatigheid geprezen hebben van de restauratie-gelegenheden in het station te Osnabrück. Er stcnd b.v. eene gedekte tafel met warme spijzen, en eene tafel vol kleine koffiekannen. De laatste was aanstonds geheel bezet, en ieder schonk zijne eigene koffie, enz.

Ook vond men hier, gelijk bijna allerwege in het Buitenland . niet alleen in üuitschland maar ook in België en in Denemarken, frisch drinkwater, en dit ook behoorlijk aangewezen, als verkrijgbaar. Gevulde karaffen met glazen stonden gereed. Kon zoo iets bij onze vaderland-sche stations worden ingevoerd, het zou ra. i. het drankgebruik vrij wat afbreuk doen. Ik zou het wensehelijk achten, dat de Vereeniging tot afschaffing van sterken drank niet ophield op deze zaak bij de spoorweg-directiën te blijven aandringen.

Dat ik met mijn Hollandschen reisgenoot telkens sprak, behoef ik u zeker niet te zeggen. Hij kon mij nog iets vertellen van Koppenhagen, waar hij eenmaal was geweest, maar vooral kon hij mij mededeelingen doen omtrent Hamburg, welke stad hij reeds voor de 213ta maal ging bezoeken. Wist ik, dat ik te Hamburg naar een ander station moest, dan dat onzer aankomst, en had ik mij voorgenomen hiervoor eene vigilante te nemen , zijn aanbod, om mij te vergezellen door Hamburg, was mij te aangenamer, toen ik begreep, dat ik niet goed gedaan had door geen paspoort mee te nemen. Deze heer toch vertelde mij, hoe hij nooit zonder paspoort reisde, en dat hij eenmaal te Hamburg eenigen tijd in arrest was genomen, toen hij niet aanstonds het paspoort kon ver-

ocr page 17

15

toonen, wat hij in zijn koffer geborgen had. Hij bood aan mij veilig door Hamburg te begeleiden, desnoods door als borg voof mij op te treden, wat ik zeer vriendelijk vond.

Ongeveer halftien 's avonds reden wij Hamburg binnen, nadat wij de brug over de Elbe gepasseerd waren. In den avond leverde die rivier met hare honderden lichten op schepen en kaden een eigenaardig gezicht. Hamburg is een drukke handelsstad, veel drukker dan Amsterdam of Rotterdam. Bij onze aankomst hadden wij al aanstonds van die drukte een bewijs in het ontzettende aantal vigilantes (droschken), welke op het stationsplein waren. Ik mag wel zeggen; plein van aankomst; want dat was hier, evenals te Koppenhagen en elders, een ander als dat van vertrek. De reizigers ontvangen een droschke op aanwijzing der politie, zoodat men geregeld op zijne beurt geholpen wordt.

Wij namen dan een rijtuig, en zeiden, dat wij naaide verbindingsbaan Klosterthor moesten voor het Kieler-station. Men heeft te Hamburg, behalve het Panjzener-station (bahnhof), waar wij aankwamen, het Berhjner-, liet Lubeeker- en het Kielerstation. Daar het laatste echter nog al op eenigen afstand van de andere stations ligt, is er daarheen een verbindingsbaan. Onze koetsier bracht ons echter niet naar dat hulpstation. De trein rijdt van Hamburg (Klosterthor) naar Altona in 25 minuten, en doet daarbij 3 halten aan. Altona, eigenlijk eene voorstad van Hamburg, vormt met deze stad ééne huizenmassa. Men rekent voor Hamburg met de voorsteden een half millioen zielen. Wij reden door de voornaamste straten, en hadden alzoo gelegenheid de keurig nette étalages (uitstallingen) in do winkels te bewonderen. Deze getuigen van smaak en van ijver in het vak. Er sprak een handelsgeest uit. Boven de verlichting der winkels schitterde echter die van verschillende pleinen, waar wij langs reden, daar deze van onderscheidene electrische

ocr page 18

16

lampen voorzien waren, en den nacht als in dag herschiepen. Vreesde ik te laat te Altona te komen, die vrees werd beschaamd. Ik kwam er tijdig, Niet wetende, dat de leden der Alliantie hij hun wederkeeren uit Koppenhagen een deel der terugreis gratis konden afleggen, nam ik te Altona een rondreishiljet. Was er hij onze komst in de vrije stad Hamburg geene visitatie gevraagd, thans moest ik deze ondergaan, maar zij werd mij volstrekt niet moeiehjk gemaakt. Ik werd op mijn woord geloofd. In de wachtkamer zag ik rond, of ik ook iemand zag, wiens gelaat of kleeding aanduiding gaf van eene reis naar de vergadering der Alliantie. Uit rondzien werd beloond in de kennismaking met een Luthersch predikant uit Duitschland, die op mijne verdere reis naar Koppenhagen mij een aangenaam reisgezel was.

Onder begunstiging van schoon maanlicht (de laatste sporen van de zooeven genoemde donderbui had ik te Hamburg in eenige oogenblikken van stortregen vernomen) reden wij tegen halfelf van Altona met den spoortrein door Holstein naar Kiel. Al trokken wij ook de kap over (of liever onder of om) de lamp, het slapen gelukte niet. Ik sliep althans weinig, te meer daar de heldere nacht mij telkens verlokte een blik naar buiten te werpen, waar ik het vermaarde Holsteinsche vee duidelijk kon zien weiden. Trouwens, de sneltrein, waarmede wij reisden, rijdt in 2 uur en 5 min. van Altona naar Kiel (een gewone trein doet er bijna drie en een half uur over). Zoo kwamen wij dan halfeen te Kiel. Wij haastten ons daar op de stoomboot naar Korsör te komen , en alzoo gelukte het ons op die boot nog eene slaapkamer met twee kribben machtig te worden.

Nadat wij ons verfrischt hadden, begaven wij ons ter rust. Ik had behoefte den Heere te danken voor de veilige leiding op den jongatverloopen dag. Zijne genade had mij bewaard voor gekende en ongekende gevaren, waaraan wij steeds bloot staan, maar inzonderheid op reis. En thans was ik gereed naar een vreemd land te gaan

ocr page 19

17

over grooto wateren. Ik had ook verder den Heere noodig. Ja, wij waren op een flinke zeebooi;; eene boot met twee schoorsteenen, en de kajuit boven ons hoofd, met hare tafels, welke tot avondeten uitlokten, maar die wij stil voorbijgegaan waren, om de kans op eene slaapkamer niet te ontgaan, de kajuit zag er sierlijk uit; maar toch, wij zouden de golven moeten klieven. Evenwel, waar ik de menschen geloofde, die zeiden, dat deze boot naar Korsör voer, en ik in dit vertrouwen hier was, zou ik mij daar niet veel meer in vertrouwen overgeven aan dien Almachtige, Die ook mij Zijne genade in Christus Jezus had toegezegd, en reeds in zoo menig opzicht doen ervaren?

Met deze vredevolle overdenkingen lei ik mij rustig neer. En al was de matras niet zeer zacht, en al waren de dekens niet zeer verwarmend, ik sliep toch spoedig , zoodat ik van de zeeschommelingen slechts weinig bemerkte. Heb ik aan onze stranden zoo dikwerf de zon in zee zien ondergaan, zoo had ik mij voorgenomen, van deze reisgelegenheid gebruik te maken, om de zon van uit de baren te zien verrijzen. Maar ziet, ik sliep zoo kalm, dat het reefis helder dag was, toen ik ontwaakte. Ik bemerkte, dat ook mijn reisgenoot wakker was, en zei hem, dat het wel tijd zou wezen om op te staan. Ik had mijn horloge in mijn nabijheid gelegd, om het van uit mijn krib te kunnen grijpen, en alzoo te weten, hoe laat hot was. Ik wilde daartoe gaan zitten, toen ik mijn hoofd stootte, dat het bonsde. »0, lieve broeder! men mag hier niet /«ootmoedig zijnquot;; was de geestige opmerking van mijn Lutherschen ambtgenoot, en, alverder sprekende, gevoelde ik niets meer van het stooten. Wij haastten ons , om ons te kleeden, en waren nog niet goed gereed, toen wij te Korsör in Denemarken aan wal lagen.

Het was toen ongeveer halfzeven. Wij verlieten de boot, van welke men door het visitatie-kantoor op het stationsplein komt. Naast het station , en daarmee inwendig verbonden, was, gelijk ik dit op meerdere plaatsen in

2

ocr page 20

-18

Denemarken opmerkte, eene restauratie , waar wij gelegenheid hadden te ontbijten.

Zulk eene restauratie naast het station is m. i., vooral voor kleinere plaatsen, aanbevelenswaardig In ons land toch ziet de buffethouder aldaar minder vriendelijk, wanneer men niets gebruikt. Zijn met de drankwe- de gemeentehuizen uit de herbergen verbannen , omdat men terecht begreep, dat het ten platten lande niet «fatsoenlijkquot; werd geacht, indien men daar kwam en niets gebruikte, nog meer reden is er m. i., om het buffet van het eigenlijke station te scheiden.

Met dat woord «fatsoenlijkquot; brengt men soms aardige gedachten in verband. Om slechts op iets uit eigene omgeving te wijzen; gij weet, dat de Linge hier door de Betuwe stroomt. Over dit riviertje liggen bruggen, waar ook voetgangers tol moeten betalen. Gaat men nu naar Lienden of naar Zoelen of naar Buren, men ontmoet telkens zulk eene tolbrag. En de tolgaarder is tevens herbergier. Nu rekent een gezeten Geldersch burger of boer het onfatsoenlijk daar niets te gebruiken.

Een ander voorbeeld. Ik ken Christenen, die het «om hun fatsoenquot;, zoo zij zeggen, zelfs des Zondags, wanneer zij naar de kerk rijden, niet durven laten, iets te gebruiken in de herberg, waar zij uitstallen.

Ik weet, men behoeft zich aan dergelijke gewoonten niet te storen, maar veel beter zou ik het vinden, de gelegenheid, zoo mogelijk, weg te nemen.

Te Korsör, en ook te Koppenhagen, bemerkte ik nog iets anders bij het station, wat ik navolgenswaardig vind, n.1. een postkantoor, waar men zegeltjes (vnjmerken) en briefkaarten, ook voor het buitenland kan verkrijgen. Ik acht dit, vooral voor de buitenlanders, zeer gewenscht, daar men gewoonlijk niet in de gelegenheid is, zich , vóór zijne aankomst in den vreemde, van aldaar bruikbare zegeltjes te voorzien.

Daar de trein eerst ten acht ure vertrok, kon ik, na

ocr page 21

49

iets gebruikt to hebben, nog- bericht van mijne behoud ene aankomst in Denemarken naar mijne vrouw zenden. Toch overviel mij do tijd van het vertrek der spoor. Geen wonder, liet verschil van Nederlandschen (Amsterdam-schen) en Deenschen (Kopponhaagschen) tijd had ik niet vooruit nagezien. En dit verschil bedraagt SI minuten. Als het hier nog eone minuut vóór half acht is, is het daar reeds acht uur. Ik bracht mijn horloge op Deenschen tijd, maar was weder 22 minnten achter, toen ik later een (kort) bezoek aan de Zweedsche stad Malmö bracht, daar het verschil van tijd tusschen dat land en het onze niet minder bedraagt dan 53 minuten.

In de coupé, waarin mijn Duitsche collega en ik gezeten waren, bevond zich ook een heer uit Koppenhagen, die ons een en ander in betrekking tot do bijeenkomst der Alliantie wist mee te deelen, o.a., dat de vergaderingen gehouden werden in de zaal »Befhesdaquot;, Rötners-gade, waar ik hora ook later meermalen zag. Verder kon hij ons inlichting geven omtrent een en ander, dat op reis onze aandacht trok.

Uw dienstio. in Jezus Christus, S. A. van den Hoorn.

Ti cl, 10 Oct. '84.

III.

Geliefde Broeder!

Aan het einde van raijn vorigen brief waren wij in den spoortrein tusschen Korsör en Koppenhagen. Bestaat Denemarken voor een goed deel uit eilanden , Koppenhagen ligt op het grootste dier eilanden. Soeland geheeten,

ocr page 22

20

zoodat men er niet kan komen zonder te varen. Men behoeft echter geen zeereis van zes uur te maken, gelijk ik deed; daar men ook midden in Holstein, te Neumun-ster, de lijn naar Kiel kan verlaten, om vervolgens door Sleeswijlc over Wamdrup te gaan naar Frederica, in Jutland (eene Deensche provincie). Van Frederica gaat men met eene stoomboot in 15 minuten over de Kleine Belt naar Strib, om van hier tot Nyborg weer met den trein te reizen, dwars door het eiland Funen. Van Nyborg brengt eene stoomboot u ongeveer in anderhalf uur over de Grroote Belt naar Korsör, doch, terwijl men dan bijna 4 uur vroeger uit Altona moet, is men niets vroeger te Korsör.

Zoo spoorden wij dan door het eiland Seeland. Het terrein is er golvend, deels bouw- deels weiland. In de weiden ziet men alleen rood vee, eene eigenaardigheid, welke Seeland heeft in onderscheiding van andere gedeelten van Denemarken. Geen enkele witte, zwart-of roodbonte koe heb jik er gezien, maar roode, sommige vaalrood, bij vijftigtallen. Voor het vee wordt goed gezorgd. Toen ik den !) Sept. met schoon weder Denemarken verliet, waren reeds enkele beesten van dekken voorzien. Ook heeft men, waar het bouw- of weiland niet door bosch of heuvel tegen scherpe winden of regenvlagen is beveiligd, vrij hooge houten schuttingen, soms meer dan honderd ellen lang. In den grond vindt men veel steenen, grootere en kleinere. Deze zag ik herhaaldelijk gebruikt voor afscheidingen der landerijen, alsmede voor de onderste gedeelten der boerenwoningen. Het is een vreemd gezicht die keisteenen van verschillende grootte opeen gemetseld te zien. De daken dier woningen zijn van stroo, en de nokken zijn niet met vorsten gedekt, maar zij schenen mij toe verbonden te worden gehouden door kleine bosjes stroo , sterk aangehecht. Zulke saamgebonden bosjes stroo zag ik ook boven op de kappen der windmolens. Mijne reitigenooten daar en later wezen mij meermalen wind-

ocr page 23

'21

molens aan met te zeggen: daar hebt ge (weer) eon Hollansche molen.

De vele steenen, welke men in den grond vindt, worden ook gebruikt voor de wegen. Men vindt er vele grindwegen , of wegen van keiateenen, maar straatwegen heb ik er niet gezien. Zelfs in de steden heb ik geene klin-kersteenen ontmoet. Meen echter daarom niet, dat het wandelen hierdoor zeer moeiehjk valt. Men heeft nl. iets anders in Koppenhagen en elders, waardoor men ook op zijn gemak kan wandelen. De verhoogde voetpaden (trottoirs), welke in den regel vrij breed zijn, hebben 2 a 3 paden , van zerksteenen. Die zerksteenen-paden vindt men ook dwars en schuins over de pleinen, wat die pleinen veel gemakkelijker doet oversteken, dan zulks in ons land kan geschieden.

Intusschen behoefden wij nog niet te wandelen, om iets schoons te zien. Wij hadden uit onze coupé telkens prachtige gezichten. Meermalen gingen wij schoone bosschen voorbij , welke aan den oever van een meertje of van een zeëinham een treffenden aanblik opleverden.

Dat wij ook naar eenige Deensche woorden vroegen, laat zich begrijpen. Hadden wij bij de Denen opgemerkt, dat zij soms ja en dan weer joa zeiden, aangaande het onderscheid hierin gaf men ons op onze vraag gaarne inlichting. Ja is in het algemeen eene bevestiging; joa bevestigt evenzeer, maar wordt gebruikt, als men meent, dat de vrager een ontkennend antwoord verwacht, dus in den zin van ons: ))ja, toch welquot;. B.v. op de vraag: het is immers nog geen acht uur!? zegt de Deen, als het wel reeds zoo laat is: joa.

Op mijne reis tusschen Korsör en Koppenhagen was ik ook getuige van het opkomen der miliciens, wat mij het wenschelijke van algemeenc dienstplichtigheid to aanschouwen gaf. Immers in Denemarken, waar men deze heeft, even als in Duitschland, zag ik geene tierende en vloekende menigte, maar eene behoorlijk gekleede, fatsoen-

ocr page 24

'22

lijkc troep jonge mensclien. Alleen door hunne groote menigte trokken zij mjjne aandacht, waarop ik vernam, waartoe zoo velen in den trein kwamen, n.1. om in het leger te dienen. Dat gezicht, tegenover de brooddronkenheid en goddeloosheid, welke men bij zulke gelegenheden in ons land beschouwt, was mij een krachtig pleidooi voor algemeene dienstplichtigheid.

Laat ik U echter niet langer buiten Koppenhagen houden , het doel mijner reis. Ten half elf kwamen wij erover zeer breede grachten aan. Tal van open rijtuigen stonden voor de aankomende reizigers gereed. Ook mijn Duitsche collega en ik maakten daarvan gebruik. Het weder was prachtig en de frissche lucht deed ons goed. De straten bij het station zien er vroolijk uit, en even later zagen wij een windmolen, welker zeilen als aanplakbord — natuurlijk met reuzenletters — dienst deden. Wij lieten ons naar Bethesda brengen, en daar de koetsier Duitsch verstond , hadden wij ook bij het betalen geen last.

Hoewel do vergaderingen waren aangevangen, was toch mijn eerste werk te informeeren naar het lid der Rege-lingscommissie, aan wien ik geschreven had. Men vond hem op dat oogenblik niet in Bethesda.

Ik werd echter zoo goed mogelijk voortgeholpen. Men raadde mij eene vigelante te nemen (waarvan er steeds eenige bij Bethesda stonden), en zei den koetsier, dat hij mij, indien ik den heer 11. niet thuis vond, naar diens kantoor zou brengen.

Mijne platte grond van Denemarken gebruikte ik goed, en zag daarop, dat de tram, welke kort voorbij Bethesda reed , correspondeerde op het hoofdplein van Koppenhagen, Kongens Nytorv. Onder deze en andere opmerkingen kwam ik bij den heer II. De koetsier schelde aan een zeer aanzienlijk huis, zoodat ik onwillekeurig dacht: die heer H. schijnt wel in een paleis te wonen! Maar ik wist toen nog niet, hoe de huizen in 't algemeen te Koppenhagen zjjn ingericht. Weet dan , dat die huizen gewoon-

ocr page 25

tgt;3

lijk, vooral in de nieuwe straten, dubbele huizen zijn met vijf verdiepingen, behalve de zolders, en behalve het onderhuis , waarin de portier woont. In den regel heeft een huisgezin slechts ééne verdieping, en dat dikwerf alleen aan de éóue zijde der groote middenpoort. (Er worden echter ook huizen gevonden met de poort aan den kant) Zoo heeft men soms moeite om den winkel te vinden, welke men wil binnengaan, omdat dezelfde poort tot verschillende winkels voert.

Na het schellen van den koetsier doed de portier open , en , terwijl ik den koetsier verzocht had te wachten, vroeg ik den portier naar den heer II. Deze schelde toen voor mij , en weldra bad ik het genoegen den heer H. te ontmoeten. Ik vroeg hem , of hij mij nog een logies kon aanwijzen, waarop hij mij antwoordde, dat ik in het Hotel Garni van Fröken Rosseng, Tordenkjöldsgade 17, nog wel plaats zou vinden, al was het bij deze Evangelische lieden reeds vrij bezet. Van de uitnoodiging, om nog wat te toeven, maakte ik geen gebruik, omdat de koetsier wachtte, maar liet mij gaarne het adres van het Hotel opschrijven. Dit adres liet ik den koetsier zien, die er mij henen bracht. Ik bemerkte toen, dat dit Hotel kort bij Kongens Nytorv gelegen was, dus zeer geriefelijk. Wel zou ik niet gratis logeeren, maar nu had ik ook niet het ongerief, om (gelijk een paar Hollanders mij later zeiden dit getroffen te hebben) ongeveer een uur van Belhesda gehuisvest te zijn.

De koetsier, die mij in mijn Hotel bracht, verstond alleen Deensch; doch hij wist zich goed te redden, toen ik hem zou betalen. Hij nam namelijk zijne portemon-naie, en legde het door mij te betalen bedrag in Deensch geld voor mij. Gelukkig had ik Deensch geld bij nuj , zoodat ik met gelijke munt te geven klaar kwam. De Denen hebben kronen en oeren. Een kroon (ongeveer 70 centen Hollandsch geld) heeft 100 ccren (oer wordt gewoonlijk aldus geschreven: O).

ocr page 26

24

Al was het ook eene kleine kamer, waarmóe ik mij de eerste dagen moest behelpen; bij Evangelische lieden te zijn, waar een Nieuw Testament bij de nachtkaarsen ligt, bood eene vergoeding. De prijs was er zeer billijk, en waar zou ik iets beters vinden ? Ook het etensuur was niet in overeenstemming met onze bijeenkomsten ,

maar daarvoor waren andere gelegenheden genoeg. Zoo was mijn logies bepaald in dit Hotel, wat de 2e en 3e verdieping innam van genoemd nummer 17. Beneden waren, gelijk in vele andere hotels, winkels.

Weldra ging ik, volgens mijn platten grond, de '■ails der tram volgende, van af Kongens Nytorv naar Betlmda,

om nog het einde der morgenzitting bij te wonen. Met onderscheidene treden komt men van twee zijden op eene flinke zerken stoep , welke toegang geeft tot de vestibule van dit Zendingsgebouw. Op de eerste verdieping heeft men eene kleine zaal, waar een deel der samenkomsten,

op het Program onder Sal 13 aangegeven, gehouden werden. Op de tweede verdieping is Sal A, vrij groot en van galerijen voorzien. Na mij van Program en Liederenboek voorzien te hebben, ging ik hierheen, om den Deenschen Hoogleeraar II. Scharling te hooren, van wiens «Humaniteit en Christendom 1)quot; ik voor eenige jaren zooveel genoten had.

Reeds Zaterdagavond was de welkomstgroet geschied,

in de groote Universiteitszaal, welke smaakvol was versierd.

Eerst had men bij die gelegenheid gezongen het welbekende lied van Luther: Een vaste burcht is onze God. De Hollandsche vertaling van dit lied kent gij. In het ^

liederenboek der Alliantie stond die Hollandsche vertaling niet, maar gelijk ook van sommige andere liederen, wel,

1

) ])it iu 't Doonsch versehonon work is, door do vertaling in't Duitscli,

ook in Nederland nog' al bekend geworden. In do „Studiënquot; is van dit werk eon uitvoerig1 overzicht gegeven, gelijk ook ik er op gewezen hol) in mijn artikel: „Iets over Humanismequot; in de „Stemmen voor Waarheid on Vredequot;, 1878, Febr,

ocr page 27

'25

naast het DuitschT de Deensche, Fransche en Engelsche overzetting.

Na het zingen van dit lied volgde het plechtige welkom van den grijzen Voorzitter, Dr. Kalkar. Hij sprak in het Deensch, maar eene Engelsche vertaling van dezen welkomstgroet werd uitgereikt aan wie ze begeerden. Het was, in eenheid des Geestes, een groot verschil van volken ; Denen, Zweden, Noren, Engelschen (ook Schotten en Ieren), Amerikanen (ook uit Engelsch-Amerika), Fran-schen, Zwitsers, Russen, Italianen, Belgen en Hollanders werden er gevonden, terwijl Spanje en Oostenrijk, zelfs ook Griekenland, mede vertegenwoordigd was. En , als gij bedenkt, dat bij dit verschil van volken ook het onderscheid kwam van Lutherschen en Gereformeerden, van Presbyterianen en Episcopalen, van Methodisten en Hernhutters, alsmede, om niet meer te noemtn, van Staats-Kerken en Vrije Kerken , dan zult gij met mij de macht en wijsheid bewonderen van dien God en Vader, Die in Christus, Zijnen Zoon, door den Heiligen Geest, zoo groot eene verscheidenheid weet saam te brengen in de eenheid der broederlijke liefde, staande op hetzelfde fondament, en belijdendo hetzelfde geloof.

Na Dr. Kalkar sprak eerst de Lord-Mayor (de Burgemeester, van Londen; vervolgens o. a. GraafBernstorffuit Berlijn, de predikanten Recolin en Pressensé uit Parijs, kolonel van Büren uit Bern (Zwitserland) en Graaf van Bijland uit 's-Gravenhage. Zij allen brachten hunne groeten en zegenbeden over, en werden beantwoord dooiden Secretaris, proost Vahl, een iegelijk in de taal, waarin hij gesproken had. Daarop besloot een statig «Hallelujah, Amen!quot; door een geoefend koor gezongen, die eerste samenkomst.

Des Zondags, 31 Augustus, waren er predikdiensten op verscheidene plaatsen en in onderscheidene talen.

Des Maandags begonnen de eigenljjke samenkomsten.

Deze hadden plaats van 10—1 des voormiddags, van

ocr page 28

'20

3 tot half vijf des namiddags, en begonaen des avonds weer ten 7 uur, om ten 9 a 10 uur te eindigen. Na dit einde waren er nog gezellige samenkomsten in eene nabij gelegene Restauratie (die van den heer Thun), waar ook het bureau der Alliantie sommige uren geopend was (Linnósgade 25), en waar voor de leden der Alliantie tot civielen prijs gelegenheid was, om een middagmaal te gebruiken. Onder leiding van eenige Engelsche vrienden , was er daarenboven eiken morgen ten half acht uur gemeenschappelijke samenkomst tot gebed, waar verschillende broeders in onderscheidene talen voorgingen, in Sal B van Bethesda.

Des Maandags, 1 Sept. 's morgens 10 uur, werd de eerste samenkomst geopend in Sal A. Er werd begonnen met organiseering der Vergadering, zoodat Secretarissen, enz. benoemd werden. Daarna gaf probst Vahl een overzicht over den kerkelijken toestand in Denemarken, pastor Oestberg over dien in Zweden , en professor Rabergh over dien in Finland. In deze bijeenkomst werd bijna alles in 't Deensch verhandeld.

's Middags was er geene algemeene bijeenkomst, 's Avonds was er eene openbare bijeenkomst. Eerst werd er gesproken over het Christelijk leven in betrekking tot huisgezin en maatschappij, waarbij de vroegere Voorzitter der Wes-leyaansch-Methodistische Kerk in Engeland, de Eerw. T. Mc. Cullagh, de eerste voordracht had, en de Eerw. JJr. W. P. Watkins uit de Vereenigde Staten de tweede. Daarna sprak de Eerw. li. Mac Cheyne Edgar uit Dublin over de kracht des gebeds.

Gelijk ook in de volgende avond-zittingen , werd hetgeen in vreemde talen gesproken was in het Deensch overgezet. Des avonds kwam men alleen in de groote zaal (A) bijeen.

Dinsdagmorgen werd in zaal B een overzicht gegeven over den kerkelijken toestand in Duitschland door pastor Baumann uit Berlijn , en over dien in Zwitserland door professor Oetli uit Bern. In zaal A had inmiddels pasteur

ocr page 29

27 •

Recolin uit Parijs hetzelfde gedaan in betrekking tot Frankrijk, toen Prof. Scharling uit Koppenhagen aan het woord kwam over de opleiding tot het predikambt hij de. Noorsche üniversiteiten.

Onder diens spreken kwam ik de zaal binnen. Deze hoogleeraar is niet jong meer. Hij sprak niet zeer luide, en ik was achterin de zaal. Daarenboven, hij sprak Deenseh, zoodat ik er bijna geen woord van kon verstaan. Dus bracht dit eerste zijn in eene vergadering, waarvan ik mij zooveel had voorgesteld, mij geene geringe teleurstelling.

Er is slechts Eén, Die nooit teleurstelt. Het is de Heere. Onze hoogste en schoonste voorstellingen, onze meest verhevene, onze schitterendste idealen bereiken op verre na niet de heerlijke werkelijkheid, welke bij God wordt gevonden. Naarmate wij ons heil meer alleen bij den Ileere zoeken , zullen wij minder teleurgesteld worden, terwijl wij nooit beschaamd zouden worden, indien wij ons heil niet zochten buiten Hem. Maar dit doen wij van nature altijd, en ook als aanvankelijk wedergeborenen nog maar al te vaak. In den Hemel zal het echter niet meer worden gevonden. Trouwens, in den Hemel zal elke belemmering zijn weggenomen. Daar zullen al Gods liefhebbers elkander volkomen verstaan; niet slechts zal men uitwendig elkander verstaan, maar ook inwendig. Er zal volkomene overeenstemming wezen in het streven , om God te verheerlijken.

Al verstond ik niet, wat Prof. Scharling sprak, toch geloofde ik, dat hij zich hooren deed toi bevordering der komst van Gods Kijk, en alzoo tot verheerlijking Gods. Maar hoe dikwerf wordt dit laatste door broeders in Christus uit het oog verloren , als men op eene andere wijze ziet bouwen, dan men zelf doet. Zeker, niet allea is goud en zilver of kostelijk gesteente, wat op het fondament wordt gevestigd, maar, al worden wij vermaand toe te zien, hoe er op het fondament gebouwd wordt.

ocr page 30

• 28

toch mogen wij nooit vergeten het beginsel der eenheid, hetwelk bij hetzelfde fondament, Jezus Christus, gevonden wordt.

]n het besef dier eenheid, eindig ik dezen met broe-dergroete

8. A. van den Hoorn.

Ticl, 28 Oct. '84.

IV

Geliefde Broeder !

Zoo was mij dan, gelijk ik U schreef, eene teleurstelling bereid, toen ik bij mijn eerste binnentreden in de Vergadering der Evangelische Alliantie een spreker vond, van wien ik zoo goed als niets verstond. De Heere echter heeft meer dan écnen zegen. Ik had gelegenheid om de zaal onzer samenkomsten op te nemen.

Die zaal zag er vriendelijk uit. Zij heeft een geschilderd plafond, waarop ook duiven geteekend zijn. Een verguld beeld met een kruis staat op het klankbord, terwijl onder de lessenaar van het breede en ruime spreekgestoelte een lam is afgebeeld. Ter rechterzijde van dit spreekgestoelte staat, op een vergulden ondergrond, eene levensgroote teekening van Christus, mot een lam op den arm, en boven die teekening ziet men eene X met eene P op en boven het bovenste gedeelte, zijnde de Grieksche aanvangsletters van «Christus, de Meester 1).quot; ïer linkerzijde ziet men een man, die een kind op den schouder draagt, dwars door een stroom baden, en boven deze

') liet zou, jwlijk hot daar staat, ook kunnoii betookonon : Christus, Die kracht geeft; maar dit is m. i. te gezocht.

ocr page 31

'29

teekening, eveneens op vergulden ondergrond, staan de bekende aanvangsletters van : «in hoe signoquot;; »in dit teekenquot; (I. H. S.), zoo in elkander gewerkt, dat de I midden in de S staat, en tevens midden in H, welke de S. omvat.

Vóór liet spreekgestoelte zat het Bestuur der Vergadering aan eene tafel, terwijl degenen, die weldra zouden spreken gewoonlijk ter linkerzijde zaten, en aan den rechterkant stoelen stonden met vergulde leuningen voor de Koninklijke Familie. Deze woonde meermalen, hetzij allen, hetzij sommigen, de vergaderingen bij. Dinsdags avond was het geheele Hof aanwezig; Koning en Koningin ; Kroonprins en Kroonprinses 1); Koning en Koningin van Griekenland, met gevolg.

Nadat ik de zaal een weinig had opgenomen, ging ik nog voor het einde der samenkomst heen. Bij het uitgaan las ik, o. a., dat er den volgenden middag, bij goed weder, een uitstapje zou worden gemaakt naar Röskilde, waarvoor de leden der Alliantie op het Bureau eene kaart konden halen tot één uur dien morgen. Juist had ik nog vijf minuten tijd, om mij van zulk eene kaart te voorzien. Ik kwam niet te laat, en kreeg het verlangde.

Des namiddags hoorde ik in zaal B Ds. Anet (de jonge) uit Brussel, over den kerkelijken toestand in België. Na het eindigen zijner rede had ik nog gelegenheid hem te spreken, o. a. over de Bijbeltent, welke het volgende jaar op de Wereld-Tentoonstelling te Antwerpen zal worden geplaatst. Als Secretaris van «Filippusquot;, welk Traktaatgenootschap haar tent te Antwerpen leenen zal, en tevens de traktaatverspreiding steunen, had ik er belang bij, om over deze zaak een onderhoud met hem te hebben. Dat Ds. Anet in 't Fransch sprak, en mij daarenboven niet geheel onbekend was, daar ik hem vroeger op eene Synode der Belgische Zendingskerk te Brussel had ont-

') Ecno kloimloc.htor van wylen onzen Prins Fred or ik

ocr page 32

30

moet, was mij eene vergoeding voor de teleurstelling van de morgen-samenkomst.

Des avonds sprak Prof. Schaft' uit New-York over de roeping der Evangelische Alliantie, of: overeenstemming en verschil onder de Christenheid.

Met een tweetal dubbele buigingen begon deze lloog-leeraar, welke als Duitscher ook in't üuitsch sprak, zijne schoone rede, welke een heldor inzicht gaf in de verzoenende denkbeelden der sprekers. Als in overeenstemming met de harmonie, waarop Dr. Schaft' wees, en waartoe liij opwekte, was de deftige voordracht er van.

Het was een echt alliëerend (vereenigd) woord, wat hij hooren deed. Wel verloor m, i. de spreker wel wat te veel uit hot oog, dat ook in het midden der Christenheid nog onkunde, ongeloof en onheiligheid is, wat bepaald bestreden moet worden , maar toch was het stichtelijk. Kwam de eenheid in helderder licht dan de verscheidenheid , ik werd er niet aan geërgerd, wetende, dat zoo dikwerf het omgekeerde geschiedt. Neen, 't deed mij goed dit woord te hooren. In mijne ziel leefde het: Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders ook samenwonen (Ps. 133 : 1) !

Prof. Schaff zeide, dat er drie hoofdafdeelingen der Christenheid waren, welke elk hare eigenaardigiieden hadden. Die afdeelingen zijn de Grieksche, de Latijnsche en de Protestantsche Kerken. Ook bij de erkentenis van de zegeningen, welke de Heere in de geschiedenis door middel der andere Kerken gegeven heeft, schroomde hij toch niet de Protestantsche Kerk aan te wijzen als die van den onmiddelijken omgang met God. Is zij menigvuldig in vormen, dit neemt hare Goddelijkheid niet weg. Integendeel zien wij, dat God Zich in de natuur op menigvuldige wijzen openbaart. Bij de eenheid van Gods werk in de natuur is er een rijke verscheidenheid, daar elk blad en elke bloesem, elke tak en elke bloem een anderen vorm heeft. Evenzoo heeft men in de Protestan-

ocr page 33

31

sche Kerk zoowel Calvinisten als Arminianen, zoowel Lutherschen als Gereformeerden, zoowel Baptisten als Paedobaptisten (voorstanders van den kinderdoop).

Verder noemde hij do Luthersche Kerk in Denemarken zuiverder dan in Duitschland, waarschuwde tegen termi-nologisme, omdat de waarheid niet aan bepaalde uitdrukkingen gebonden is, en noemde het bigoterie (schijnheiligheid) en miskenning der gave Gods, indien men deed, alsof men het monopolie der waarheid had.

Al was de rede o. i., gelijk wij zeiden, niet van eenzijdigheid vrij te pletten , toch was de spreker sterk in het betoog: dat, wat do Christenen gemeen hebben, is meer dan hetgeen bij hen verscheiden is. Zij hebben gemeen denzelfden Vader met Zijne eeuwige liefde; zij hebben gemeen denzelfden Zoon, met Zijne genadige kooping door Zijn dierbaar bloed; zij hebben gemeen denzelfden Heiligen Geest met Zijne almachtige werking. Deze gedachten moet hen alliëeren, moet hen vereenigen, in de eere voor den Drieëenige.

Nadat de hoofdzaak dezer rede in het Deensch was weergegeven, zongen wij vs. 1 en i van nummer 78 uit ons liederboek, waarna het woord werd verleend aan Ds, Th. Monod uit Parijs.

Over diens voordracht D. V. eene volgende maal.

Heilbiddend,

üio liefh. en dienstw. in Jezus Christus, S. A. van den Hoorn.

Tiel, 20 Nov. '84.

ocr page 34

Geliefde Broeder!

Ds. Theod. Monod uit Parijs sprak zijne rede uit in welluidend Fransch, en boeide ook door zijne uiterlijke voordracht. Zjjn onderwerp was: »Onze gevaren, onze plichten en onze verwachtingen.quot;

Hij noemde het Christendom den Godsdienst van het kruis, en gaf verscheidene schoone gedachten ten beste, zooals:

«Wij moeten onszelven weervinden in Jezus Christus: wij moeten weêrkeeren tot onzen oorsprong.

«De Christelijke Godsdienst is de Godsdienst van den mensch, die God werd, en de Godsdienst van God, Die mensch werd.

»Niet wij moeten een Godsdienst hebben , maar de Godsdienst moet ons hebben.

»Jezus Christus had niet den Joodschen geest, niet de geest der beschaving en humaniteit, maar de Geest van God.quot;

Maar hoe schoon de rede naar haar vorm en inhoud ook was, toch kreeg ik den indruk, dat de spreker te veel wijsgeer trachtte te zijn, zonder onwrikbaar te staan op den vasten bodem der Heilige Schrift. Aan den anderen kant mag ik echter ook niet ontkennen, dat de spreker zich hooren deed met een gloed en warmte,, welke getuigenis gaven van een vurigen ijver voor Gods eer, en van eene hartelijke liefde tot Golgotha's kruis.

Als ik mij niet vergis, gaf ook de wijze, waarop vers 1 van ons 49ste lied aan het einde werd opgezongen, er getuigenis van, dat de spreker iets van zijn geestdrift op de hoorders had mogen overplanten.

Die hoorders werden nu verzocht een oogenblik te wachten, omdat de Koninklijke Familie, door ons midden heengaande, het eerst de samenkomst kon verlaten.

ocr page 35

*

Den volgenden morgen (Woensdag) zorgde ik tijdig ter vergadering te zijn. Prof. Cliristlieb, van wien ik reeds zooveel had gehoord en gelezen, zou het woord voeren.

Nadat wij n0. 24 uit ons liederenboek gezongen hadden (Luther's Credo |Lied van het geloof in den Drieöenige]), en ook deze ure met gebed was geopend , betrad genoemde Hoogleeraar het spreekgestoelte. Hij sprak over »de onverschilligheid omtrent den Godsdienst bij de verschillende standen in de maatschappij, en de beste middelen hiertegen.quot;

Niet alleen de inhoud dezer rede was alleszins degeljjk , maar ook de voordracht was levendig. Alleen was zij veel te lang, zoodat de volgende sprekers, die naar luid van 't program ook moesten optreden, hiervoor geen tijd meer hadden. Toen de Professor, ondanks dat zijn tijd verstreken was, maar het woord hield, klom men tot do hooge spreekplaats op , om hem aan den tijd te herinneren ; doch ook dit hielp niet. Hij bleef spreken, totdat zijne rede uit was, anderhalf uur lang. Natuurlijk is zulk een aanhouden eene zonde tegen de orde, en voor een wachtend spreker om het geduld te verliezen, zoodat het moet worden afgekeurd. Maar de hoorders kregen zooveel schoons, zooveel nieuws en zooveel belangrijks, dat zij zich niet behoefden te vervelen.

Men verwachte van mij echter geen volledig overzicht ook van deze zaakrijke rede.

Alleen zeg ik, dat Prof, C. ons o,a het volgende deed hooren:

»Waar strijd is, is leven. Daarom is strijd te verkiezen boven de Pilatusvraag: Wat is waarheid! Dat indifferentisme , die onverschilligheid voert tot nog erger. Het is de voorbode van haat, van openbare vijandschap en van dweepzieke woede tegen al wat heilig is. Dit openbaart zich in het atheïstisch nihilisme onzer dagen.

«Tegenover het toenemend ongeloof onzer dagen, is er ook toenemende weerstandskracht, in do pers en in allerlei Christelijke inrichtingen

ocr page 36

»Wij willen niet alles van de beste zijde beschouwd hebben, maar, zonder optimist te wezen, mogen wij toch ook geene pessimisten worden. Overigens valt het niet te ontkennen , dat er ruime stof is, om kwaad te aanschouwen , en de toekomst donker in te zien. Reeds in Engeland ziet het er niet rooskleurig uit, In Londen , met 4 millioen inwoners, komen 1 millioen 2 maal honderduizend menschen nooit ter kerk. In Edinburg komen er van de 250.000, veertigduizend nimmer. InGlasgowgaan,opeenebevolkiiigvan 700.000, tweehonderdduizend nooit naar het huis des gebeds, terwijl in Boston een vierde der bevolking zich nooit derwaarts begeeft.

»De droevige gevolgen van dit kerkverzuim blijven niet achter. Terwijl sedert 1816 de bevolking in Engeland met 28 percent is toegenomen , zijn de rechtsveroordee-lingen met 102 0/0 vermeerderd. De statistiek der laatste 20 jaren leert, dat over het algemeen in die plaatsen, waar men het meest het kerkgaan verwaarloosde, ook de misdaden het meest zijn toegenomen.

»Ook in Frankrijk is het droevig gesteld. In Parijs worden meerdere Grodloochenaars gevonden, dan in eenige andere groote stad. Bijna iedere werkman is daar een vrijdenker. De haat tegen den Godsdienst is er zoo groot, dat men in sommige leesvereenigingen zelfs de geschiedenis van Robinson Crusoe niet wil laten rondgaan , omdat de held van het verhaal het bestaan van God erkende.

«Nergens echter is, naar mijne overtuiging, de toestand der dingen zoo treurig als in Duitschland. Door zeer velen wordt hier de Zondag half verslapen en verdronken.

»In Berlijn woont slechts 2 percent der bevolking de Godsdienstoefeningen bij , terwijl dit in Engeland nog op 290/0 kan geschat worden. In het geheel heeft men er 50 kerken tegen 200 in New-York. Men heeft er kerspelen met 50.000 inwoners en slechts ééne kerk. Berlijn wint het op droevige wijze b. v. van Leipzig en Lubeck ; maar ook elders is het treurig gesteld. In Hamburg, met 3 a 400.000 inwoners, gaan niet meer dan 5000 geregeld tor kerk.

ocr page 37

35

»In West-Pruisen wordt des Zondags morgens meer gewerkt dan gekerkt. De kerkgangers zijn daar gewoonlijk niet veel meer dan eenigo kinderen. Des middags worden de lusthoven door gansohe familiëo van, arbeiders bezoclit, en dan gebeurt het niet zelden, dat een der voornaamste, oen hoofd der arbeiders, in zulk eene uitspanning, onder brande wijngeuren. voDrleest uit... Rónan's «Leven van Jezus.quot;

))In Oost-Pruisen is evenmin voel hart voor den Godsdienst. Ten bewijze daarvan deel ik U mede, dat eeno Protestantsche pastorie door een gendarme wordt bewoond , en eene andere door een Roomsch geesteljjke is betrokken , omdat men, ook na lang zoeken, daarvoor geen Evangelisch leeraar vinden kon.

»Dat de vruchten hiervan openbaar worden, laat zich begrijpen. In enkele districten van Noord-Duitschland hebben 30 a 40 zelfmoorden per week plaats.

»Is de geringe eerbied voor Gods gebod de voornaamste reden van Zondagsarbeid, de geringheid der loonen draagt er mede toe bij, dat men zijne inkomsten gretig zoekt te vermeerderen, door ook op den eersten dag der week te werken. Men vergeet daarbij, dat de Heere ook een tijdelijken zegen heeft beloofd op Sabbathsrust.

»Bij dit alles is het te droeviger, dat schier aan allo Duitsche Universiteiten de ongeloovige geest de overheer-schende is. Terwijl de huisgodsdienstoefeningen allerwege verwaarloosd worden, en de zelfzucht op den troon zit, is hierin weinig verbetering te verwachten van de aankomende predikanten en andere voorgangers en geleerden , daar de lloogleeraars en leeraars bijna allen apostelen zijn van het Darwinisme of het Pantheïsme.

«Onlangs sprak een jong student tegen mij over den onvrede zijns harten, en hoe hij er over dacht, om de studie der Godgeleerdheid op zij te zetten. Hij had dooide wijze, waarop het nieuwere rationalisme de waarheid behandelt, ja mishandelt, het geloof verloren.

»De rationalistische prediking wordt steeds geesteloozer.

ocr page 38

80

Geene vermaning tot bekeering, geene boetpredikatie wordt vernomen. Er wordt geene stem gehoord, welke getuigt van datgene, wat in waarheid leven, liefde, geloof, hoop en heiligheid heeten mag.

»Men heeft de bron der echte humaniteit weggegraven, en die der bestialiteit in de plaats gegeven.

»Wij mogen echter de handen niet slap laten hangen. Er moet gebeden en gewerkt worden. Laat ons bidden en arbeiden, dat er predikers verwekt worden, die zich het Evangelie van den Gekruisigde niet schamen! Er is gebrek aan arbeiders in het Eijk van Christus. Terwijl men in Duitschland op elke 250 Joden een Rabbijn heeft, geeft Oost-Pruisen slechts op elke 1870 zielen één prediker, wat in Berlijn daalt tot één op elke 8000.

«Laat ons bedenken, dat wij, bij den arbeid in het Godsrijk, ook de door God gestelde ordeningen voor oogen moeten houden ! Het Evangelie moet in de eerste plaats door geordende ambtsdragers gebracht worden. En dat moet spoedig geschieden. Est periculum in mora. Het gevaar der sociale revolutie dreigt

»Maar ook een ieder moet het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, aangorden. Dit kan plaatshebben door verspreiding van Christelijke lectuur, en door te helpen met den Samaritaandienst der Christelijke barmhartigheid. Wij mogen ons met geene Christelijke woorden tevreden stellen. Er worden daden van ons gevraagd. Al het volk moet ons licht zien.quot;

Met de bede : »zoo zij het, in Duitschland, hier en elders !quot; eindig ik mijn overzicht der rede van Prof. Christlieb, en daarmede dezen brief.

Met broedergroete,

Uw Ucfh. cn diamtrv. in onzen Heiland, S. A. van dkn Hoorn.

Tid, 10 Dcc. '84.

ocr page 39

37

VJ.

Geliefile Broeder '

Gelijk ik U in mijn vorigen brief schreef, nam Prof. Christlieb voor zijne rede meer tjjd, dan hem was toegestaan, zoodat Dr. Marchall Lang, uit Glasgow, die na hem over hetzelfde onderwerp in zaal A moest spreken , niet meer aan het woord kon komen, evenmin als Professor Bedford uit Londen, die spreken zou over »do behandeling der sociale vraagstukken van onzen tijd, in het licht des Christendoms.quot; Beide voordrachten werden uitgesteld. Inmiddels had dien Woensdagmorgen in zaal 13. Prof. Geymonat van Florence gesproken over den Godsdienstigen toestand van Italië. Maar hoeveel belang ik ook in dien toestand stel, en hoe gaarne ik eene rede wilde hooren in het szoetvloeiendquot; Italiaansch , ik meende beter te doen door naar Prof. Christlieb te luisteren.

Te meer was ik blijde hem gehoord te hebben, toen bij zich, dien middag bij den maaltijd juist aan mijne zijde plaatste, en wij alzoo spoedig met elkander in gesprek waren. Vernemende, dat ik uit Holland was, toonde hij ook daar niet geheel vreemd te wezen, en deelde mij o.a. mede, wat mij trouwens niet onbekend was, dat hij voor een paar jaren Dr. A. Kuyper bij zich had geliad.

De namiddag van Woensdag 3 September was bestemd voor een uitstapje naar Röskilde, wat door het weer niet werd verhinderd. In het station werden wij voorzien van oen strikje van de Deensche kleuren (rood en wit), en van een kaartje, dat als ingangsbewijs moest dienen in den tuin te Röskilde, waar ons eenige ververschingen zouden worden aangeboden. Een bijzondere trein stond voor do leden der Alliantie gereed, en de reis geschiedde, zoowel als het gebruiken der ververschingen, kosteloos. In de coupé, waar ik zat, kwam ik o.a, in kennis met Mr. J.

ocr page 40

38

Lambert Jones van Dublin , Penningmeester van de lersche tak der Alliantie. Yernemende , dat ik Hollander was, sprak hij met dankbare erkentenis over den Willem van Oranje, dien Holland aan Engeland gegeven heeft, en die voor het Protestantisme zoo gezegend is geweest.

Deze Ier maakt bijzondere studie van vergelijkende statistiek tusschen Romanisme en Protestantisme, zooals ook uit een artikel van het jongste Augustus-nummer van «Evangelical Christendomquot; blijkt. De verhouding van deze twee machten maakte dan ook den hoofdinhoud uit van ons gesprek. In verband met een van hem ontvangen uittreksel uit genoemd artikel, kan ik het volgende mee-deelen:

Bij het einde der vorige eeuw waren er ongeveer 120,000,000 Roomschen en 40,000,000 Protestanten; in 1884 bedroeg het getal der eersten omstreeks 184 millioen, en dat der kaatsten 148 millioen, zoodat de Protestanten ongeveer met 250 percent, en de Roomschen slechts met 50 percent zijn toegenomen.

In de onderstaande verschillende landen is de verhouding ongeveer aldus:

J'fotestauton.

Roomschon.

Brittanje

30,000,000

1,200,000

Ierland

1,200,000

3,700,000

Duitschland

29,000,000

16,000,000

Frankrijk

700,000

29,200,000

België

20,000

5,500,000

Nederland

2,700,000

1,600,000

Oostenrijk-Hongarije

3,800,000

25,000,000

Italië

00,000

26,660,000

Zwitserland

1,700,000

1,100,000

Spanje

30,000

16,500,000

Portugal

4,300,000

Zweden en Noorwegen

0,000,000

Denemarken

2,140,000

8,000

Ilusland (Europeesch)

6,000,000

7,000,000

ocr page 41

39

lloomschon.

400,000 5,500,000 1,900,000 700,000 1,000,000 50,000 1,000,000 9,000,000 1,000,000 2,000,000 100,000 '2,000,000 0,000,000 2,000,000

Verder zijn er omstreeks 100 rnillioen Grieksche, Kop-tische en Armenische Christenen. Deze verwerpen alzoo ook het Roomsche fitelsel, en berooven Home van hare beweerde meerderheid, ja, plaatsen haar in eeno aanzienlijke minderheid, daar men dus tegenover 184 millioen Koomsche Christenen 248 millioen niet-Koomsche verkrijgt.

Maar al verheugen wij ons over die meerderheid , het is eene verheuging met beven. Wij weten toch maar al te goed, dat, gelijk bij de lioomschen, alzoo ook bij de niet-Roomschen, velen in ongeloof daar henen gaan, zoodat hun Christendom geene waarheid is voor God.

Met de bede, dat de Christenheid meer de zalving des Heiligen Geestes moge openbaren, en het Protestantisme allerwege ernstig tegen elke ongerechtigheid protesteere in woord en in daad, eindig ik dezen brief.

S. A. VAN DEN HOOKN.

Ticl, 30/12 '84.

Protostauton.

Turkije (Europeesch) enz. 100,000

Amerika (Vereen. Staten) 50,500,000

» (Britsch) 3,050,000

Australië 2,500,000

Eilanden van den Stillen Oceaan 800,000 Britsch Afrika, Transvaal, enz. 1,000,000 Afrika (elders) en de eilanden 3,000,000 Mexico 100,000

Staten der landengte van Amerika 20,000 West-Indië en de eilanden 1,000,000

Guyana 250,000

Republieken van Zuid-Amerika 150,000 Keizerrijk Brazilië 20,000

Azië 1,000,000

ocr page 42

40

VII.

Geliefde Broeder!

Zoo maakte ik dan , al sprekende , de reis van Koppenhagen naar Röskilde. De afstand is ruim 4 mijlen, waarover de spoortrein gewoonlijk ongeveer drie kwartier rijdt. Men komt met den spoortrein aan in het hoogste gedeelte der stad, welke allerschoonst gelegen is aan eenen inham van den zeeboezem Isefiord. Röskilde heeft ruim 3000 inwoners, en is dus niet groot. Toch is het bekend, daar het vroeger de oudste bisschopszetel van het Rijk was, en tot 1443 de residentie der Koningen. Zeer beroemd is aldaar de Kathedraal of Drievuldigheidskerk, waarin 20 koningen en koninginnen van Denemarken begraven liggen.

Bij onze aankomst gingen wij eerst naar die hoofdkerk. Uit vele woningen had men ter onzer eer de vlag uitgestoken. Toonde dit belangstelling, anderzijds was men zoo beleefd, dat men het ons door onbescheiden gedrang niet moeilijk maakte. Men bleef op behoorlijken afstand, waartoe trouwens de breede straat en de lengte der wandeling eene behoorlijke gelegenheid gaven.

Toen wij onder orgelspel het schoone kerkgebouw binnenkwamen , stond de domproost en 3 andere geestelijken in ornaat voor het altaar, om ons te ontvangen. Zij waren niet alleen van eene toga voorzien, maar hadden daarop ook eene groote, witte, geplooide kraag (priesterkraag geheeten), zooals men in vorige eenwen ook in ons land heeft gedragen. De zilveren haren, welke bij meer dan één geestelijke over die kraag golfden, maakten een plech-tigen indruk. Over het geheel heeft de Luthersche Kerk, in Duitschland reeds, maar vooral in Denemarken, Zweden en Noorwegen, voor het zinnelijke van den mensch, veel meer dan de Gereformeerde. De schoone gewelven

ocr page 43

41

van Röskilde's Domkerk waren met heerlijke fresco's beschilderd. Aan het oosteinde der kerk stond het hoogaltaar met het kruis. Maar meer dan het genoemde en do geschilderde Apostelen greep mij de gedachte aan, hoo hier verschillende natiën in één bedehuis vereenigd waren. Gij weet, bijzonder zenuwachtig ben ik niet, maar toch werd mijn gevoel bijna overmeesterd, toen wij onder die trotsche gewelven samen zongen in onderscheidene talen N0. 30 uit ons liederenboek (waar het in 4 talen stond): »0, groote God! wij loven Uquot;; enz.

Daarop werden wij in eene hartelijke rede van den domproost verwelkomd. Die vrij lange toespraak in het Deensch kon ik niet nagaan, maar zooveel begreep ik er van, dat wij herinnerd werden aan de eenheid des geloof's in den Drieëenige. Vervolgens zongen wij K0. 33 uit ons bock: «Een vaste burcht is onze Godquot;, enz., en daarbij was het mij, als gevoelde ik meer dan ooit de sterkte des Heeren, die zooveel verschillende tongen en harten tot één loflied weet te vereenigen.

Onder gewijde indrukken verlieten wij thans onze zitplaatsen , om de verschillende graven te bezoeken Ik waag het niet, ook maar te beginnen met de opsomming van de rijke en vele kostbaarheden, welke daar gevonden worden, veel minder kan ik U de talrijke inscripties rnee-deelen, welke ik daar zag, en, ten deele althans, las. Alleen dit kan ik u toeroepen : Wilt gij kostelijk beeldhouwwerk in marmer, wilt gij koninklijke, edele metalen, wilt gij datgene, wat van aardsche grootheid getuigt, als in ééne groep saamgevat met de prediking der vergankelijkheid, ga dan de praalgraven der Deensche Koningen bezichtigen. Een Hollander zei mij daar nog: »wij gaan naar Delft, en meenen in die praalgraven reeds veel kostbaars te aanschouwen, maar wat men daar ziet, is immers slechts weinig, vergeleken bij hetgeen hier wordt gevonden !quot;

Dat bij het zien van zoovele vroegere grootheid de ge-

ocr page 44

Â¥2

dachten mijns harten zich als van zeiven vermenigvuldigden, zult gij wel begrijpen. Ik dacht aan de ontzielde lichamen, door zooveel luister omgeven. Ik dacht aan de kilte des doods, ook bij den meest betooverenden glans. Ik dacht aan het lot der zielen van hen, aan wier stoffelijk overschot nog zooveel eere wordt toegebracht. Ik dacht er aan, hoe Koning en bedelaar eens voor denzelfden Rechter moeten verschijnen, om rekenschap te geven, een iegelijk van de talenten, welke hem op aarde zijn toevertrouwd , en hoe dan menige Koning zou wenachen, dat hij slechts een door de menschen vergeten burger of een onbeduidend bedelaar mocht zijn geweest. Ik dacht aan .... veel en velerlei, maar moest onwillekeurig komen tot de erkentenis: »de ware grootheid is bij God! Zalig zijn niet de Koningen der aarde, maar de Koningen der gerechtigheid !quot;

Die heerschappij zij steeds meer ons begeeren! In gemeenschap met den opgestanen Heiland, deelt de Heilige Geest ze ons mede. In de kerk der praalgraven te Rös-kilde werd mijne aandacht] dan ook getrokken door de Latijnsche spreuk, welke ik tegenover den predikstoel in een gewelf las: »0, God! Uwe Regeering door den Heiligen Geest maakt de vroomheid sterk.quot;

Uw lIrfh. vriend en broeder in ./. G. S. A. vax den Hoorn.

Tiel, 15 Jan. '85,

VIH.

Geliefde Broeder!

Nadat wij een tijdlang de praalgraven van Röskilde's hoofdkerk bezichtigd hadden, werd het sein gegeven om verder te gaan.

ocr page 45

43

Uit de kerk komende ontrolde zich voor ons nog een allertreffendst gezicht. Bij de kerk toch begint de helling van den berg, waarop ook zij is gebouwd. Men is er op eene aanzienlijke hoogte (natuurlyk echter geene als die der Alpen) , zoodat men de driemasters in de diepte aan den voet der helling ziet in den zeeinham, welke door bosch en groenland is omzoomd, en dit in zijnen effenen spiegel doet weerkaatsen. En de helling tusschen de kerk en de zee vormt een heerlijk groen tapijt, met sierlijke hoornen omgeven.

Wij daalden langs de helling af, toen wij al spoedig bij eene bron kwamen (lioeskilde beteekent Roe's bron). Hier had zich eene vrouw geplaatst met tal van glazen , en menigeen maakte van die gelegenheid gebruik, om zich met het heldere , koele, levende water te verfrisschen. Eenige passen verder vonden wij, langs enkele landhoven gaande, eene fontein, welke blijkbaar overvloedig door de bron van zoo even voortdurend gevoed wordt. Nog eenige schreden verder kwamen wij aan den ingang van een rijkelijk met vlaggen voorzienen tuin, waar wij binnen gelaten werden, tegen afgifte van de door ons ontvangene eetkaart. In den tuin waren tenten opgeslagen , waaronder lange tafels met borden, messen, flesschen, glazen, enz. Daar wij meer dan 1000 man sterk waren, en eenieder zich behoorlijk kon voorzien, begrijpt gij wel, dat de voorraad niet gering was. Er was ook eene zeer rijke verscheidenheid van koude spijzen, bieren, limonaden, enz., terwijl na den maaltijd koffie en thee met versnaperingen werden rondgedragen. In het midden van den tuin lag een schoone vijver, liefelijk tusschen bloemen, planten en nagebootste rotsblokken. Schuin tegenover dien vijver stond een spreekgestoelte, op de wijze onzer zendingsfeesten. Uit werd weldra beklommen door den een voor en den ander na (ook Ds. van Rhijn van Doe-tinchem sprak er nog), en verhoogde niet weinig het liefelijke van dit samenzijn , waarvan ook eene photographic werd genomen.

ocr page 46

u

Reods neigde de zon naar do wostcrkinimen, toen van af de rotsblokken een zangkoor een krachtig en treffend lied deed hooren. De kalme avondstond; die liefelijke toonen , te midden van liet schoone groen aan de helling van den berg; bovenal het genot van den vrede in Christus bij het verschil der talen en natiën; alles werkte hier samen, om te stemmen tot het lied:

))Hier wordt de rust geschonken (Ps. 3G : 2),quot;

Maar al geeft Gods genade en gunst de voorsmaken der eeuwige rust, toch is de rust zelve op aarde niet. Weldra werd het sein tot optrekken gegeven. liet duurde dan ook niet lang, of wij lieten de kalme zee achter onzen rug in de diepte, en bestegen een berg. Weer ruischte de beek langs onzen weg, en herinnerde aan God, Die in Christus Jezus de eeuwige Bron is van levend water. Zijne rijke ontferming zou ons nog eene nieuwe verrassing bereiden. Bij het opklimmen zagen wij de Domkerk verlicht, hetgeen uit de diepte een treffende aanblik opleverde. Onze geleiders volgende, gingen wij andermaal die kerk binnen, en werden er vergast op prachtige kerkmuziek. Niet alleen het zangkoor van de Vrouwe Kerk te Koppenhagen, maar ook andere schoone stemmen deden ons de Deensche zangers en zangeressen bewonderen, welke o. i. het gevoelvolle van het Duitsche lied vereenigen met het forsche van de Noorsche stemmen. De rijke verscheidenheid van het zevental uitvoeringen moet zelfs voor hem, die minder gevoel heeft voor muziek, opwekkend zijn geweest. Orgel en viool, mannen- en vrouwenstemmen, wisselden of vergezelden elkaar, terwijl ook solo's werden vernomen. De schoonste stukken van Beethoven , Hartman, Matthison-Hansen en anderen werden ten gehoore gebracht. Nu werd op deze, dan op gene galerij, nu een psalm, dan een loflied, nu een grafzang, dan een bruiloftszang gezongen. Dat het orgel volksliederen van verschillende natiën ten beste gaf, laat zich bij eene gelegenheid als deze zeer wel verstaan. Nog herinner

ocr page 47

45

ik mij, hoe mijne gedachten het bekende »Wat verkeere, Neerland eere, In Oranje Uw liefde en macht!quot; medezongen. Toch trof mij het meest die rijke herhalingen van het «Geloofd zij God!quot; en andere dergelijke woorden, waaronder het: «Zalig zijn zij, die het Woord Gods hooren en hetzelve bewaren!quot;

Reeds lang was de tijd, voor het vertrek van onzen bijzonderen trein bepaald, verstreken, toen wij de kerk verlieten. Ik begreep echter, daar niemand was heengegaan , dat men aan het spoor thans op een later vertrek rekende. Wij vonden dan ook onzen trein nog niet vertrokken , kregen weldra gelegenheid in te stappen, en kwamen ongeveer half elf weer in welstand te Koppenhagen, hoogst voldaan over het hartelijk onthaal te Rös-kilde, waarbij ons zooveel liefde was betoond.

Met heilbede,

('w lirfh. Vriend rn Broeder in J. C.

S. A. van den Hoorn.

Tiel, 30/1 '85.

IX.

Geliefde Broeder!

Had in de Romeinsche Domkerk te Roeskilde o.a. het «slaap zachtquot; in mijne ooren weerklonken, ik wenschte, toen ik mij dien Woensdagavond ter ruste begaf, in een anderen zin zacht te slapen dan de Deensche Koningen, over wier grafkelders (van Herald I, gestorven 985, tot Prederik VII, in 1863 overleden) het lied had geruischt. Ik legde mij neer met den wensch, van weer tijdig te mogen ontwaken. Had ik te Roeskilde, o.a. in de kapel van Christiaan IV (gestorven 1(548), de fresken van Mars-tand bewonderd, ik wenschte van nog andere oude kunst-

ocr page 48

40

stukken getuige te zijn. En des Donderdagsmorgens vroeg (even als in den vroegen morgen van Dinsdag) was er, door eene goedgunstige beschikking, voor de leden der Alliantie gelegenheid, om het oude kasteel Rozenstein met zijne vele kostbaarheden te bezichtigen.

Gelukkig was ik Dondermorgen dan ook tijdig voor het kasteel, alwaar mij en anderen, op vertoon onzer kaart van lidmaatschap der Alliantie, ondanks de dubbele militaire wachten, vrije toegang werd verleend. •

liet paleis bezit een grooten tuin, waarin een vijver; het heeft drie verdiepingen en onderscheidene zalen, welke grootendeels genoemd worden naar de Koningen, uit wier tijd de meubelen en andere kostbaarheden dier zalen dag-teekenen. Andere zalen ontleenen haar naam aan den aard der voorwerpen, welke zich daarin bevinden. Zoo heeft men er eene marmeren zaal, omdat aldaar alles van marmer is. De ridderzaal, op de derde verdieping, is do grootste der zalen, waar dan ook de groote receptiën gehouden werden. Hier ziet men een marmeren schoorsteen, en aan de wanden allerkostelijkst tapijtwerk, geschiedkundige tafereelen voorstellende. O. a. staan er verder, tusschen hooge zilveren spiegels en kandelaars, twee stoelen met overdekking onder een fluweelen hemel, en in de nabijheid dier stoelen 3 levensgroote metalen leeuwen. Eindelijk vindt men hier zoowel een oud kostelijk haardscherm, als den koninklijken doopbeker. De spiegelkamer brengt onwillekeurig de lachspieren in beweging. Verbeeld u, in het midden dier zaal ziet gij; altijd binnen een omheining, zoodat ook geene aanleiding tot onkuische gedachten wordt gegeven; spiegels op den grond, gelijk zolder en zijwanden eveneens spiegels zijn. Werpt gij nu een blik op de beneden-spiegels, zoo ziet gij uzelven zevenmaal, telkens hooger of lager , al naar gij uwe oogen richt, terwijl ook de zijwanden uwe gestalte herhaaldelijk vermeerderen.

Dat het mij , zonder catalogus , onmogelijk is u de andere

ocr page 49

47

vele kostelijkheden in het bijzonder te noemen, zult gij wel begrijpen. Tot die bijzonderheden zouden dan o.a. behooren een massief zilveren stoel, met eene kroon er op , eene oude muziekdoos en een tafel in mozaiek, waaraan 4 menschen 30 jaren gewerkt hebben, Ook zijn er vele andere werken in mozaiek, plafonds met schilderwerk en gipsbeelden. Ik bemerkte een rijke verscheidenheid van amber, barnsteen, topaas, diamant, agaat en saffier; spiegels, omringd van juweelen; gekroonde spiegels en schilderijen; allerlei stoelen, haarden, kasten, lampen, canapés en tafels, de een al kostbaarder dan de ander; gestikte kleeding , borduurwerk , een oud bruiloftskleed en vele wapenrustingen ; velerlei ringen, horloges en kettingen, met en zonder diamanten, flacons met juweelen ; een kostbaar toilletservies ; kristalwerken en porselein ; een zilveren wijnkan en bak; gouden lepels en vorken, enz. enz. Onder de verschillende ridderorden trok die van den kousenband met zijn: xgt;IIoni soit, qui mal y pense (schande voor hem, die er kwaad van denkt),quot; mijne aandacht.

Neen, ik dacht en denk geen kwaad van al die kostbaarheden. Maar kwam het, omdat ik don vori^en dalt;r

' o o

gewandeld had op de graven van hen , die zooveel heerlijks bezeten hadden ? Misschien was het daaraan wel toe te schrijven , dat die grootheid mij betrekkelijk nietig scheen. Immers van al die pracht hadden zij niets kunnen mede-nemen naar het graf. Al die weelde had hun geen vrede des harten kunnen schenken, niet kunnen redden van den dood, en zal hun in het gericht niet baten.

Hoeveel grooter schatten zijn dan niet de goederen van het Koninkrijk Gods! Zij geven waren vrede, en blijven over dood en graf. In dit besef verdroot het mij niet het kasteel Rozenstein met zijne vele kostbaarheden te moeten verlaten, en mij weer naar de vergadering der Evangelische Alliantie te begeven, om daar te hooren over de heilgoederen, welke God uit genade in Christus Jezus heeft geopenbaard, en ten deele reeds op aarde genoten

ocr page 50

48

worden door den Heiligen Geest, en dat te meer, naarmate het oog des geloofs daarvoor meer is geopend, en alzoo ons liart er meer mee bezig is.

Uw licfh. vriend c.n broeder in J. C.

S. A. van dtcn Hoorn.

Tiel, 17 Febr. '85.

X.

(idiefde Broeder!

Dondermagmorgen in Bethesda komende, moest ik weer kiezen tusschen zaal A en B. In zaal 13 zou eerst Ds. William Arthur (M. A.) uit Londen spreken over sde Godheid van Christus en zijne verzoening, als do hoofdzaak van ons geloofquot;; en daarna zouden Prof. Mac Vicar uit Montreal en Dr. Sinclair Paterson uit Londen zich doen hooren over ))het moderne ongeloof, en de beste methoden om het te bestrijden.quot; Gaarne zou ik mij hierheen hebben begeven, maar in zaal A zouden Prof. Godet van Neuschatel en Dr. Fabri uit Bannen het woord voeren , evenals Prof. Myrberg van Upsala. Aan den eerste was ik voorgesteld, bij gelegenheid, dat ik hem in den tram ontmoette. Maar reeds zonder dit begrijpt gij, dat ik niet gaarne zou verzuimen, om beide laatstgenoemde, zoo bekende Godgeleerden te hooren , nu ik reeds zoo dikwerf van hen had gelezen Ik begaf mij dan onder het gehoor van Prof. Godet. Zijn onderwerp was: ))de grondslag voor het Goddelijk gezag des Nieuwen Testaments.quot;

Tot mijn leedwezen heb ik van deze rede niet veel verstaan. Prof. Godet is reeds op jaren, en zijne uitspraak was ook niet zoo duidelijk als van Ds. Monod. Daarbij bevond ik mij niet vooraan in de zaal. Stellig is hij voorin

ocr page 51

40

beter verstaan. Althans, na aHoop der rede, toen wij N0. 38 uit ons liederenboek zouden aanheffen, stond de Koninklijke familie op , wat weldra door allen werd gevolgd. Dat lied, hetwelk wij in het Fransch, Deensch, Duitsch en Engelsch hadden, is, als ik mij niet vergis, van Vinet. Vergun mij er eene Ilollandsche, onberijmde vertaling van te geven (/)! Het is getiteld :

IN DEN AFGROND DER ELLENDE.

In den afgrond der ellende,

Waar ik hijgde, ver van U,

Is uw goedheid. God mijner vaderen!

Tot mij nedergedaald.

Gij spraakt, en mijne oogen werden geopend;

Voor mijn radeloozen hlik Werden uwe geheimen ontdekt;

Ik was dood, en ik werd levend.

Maar mijn leven is nog zwak.

En ik gevoel tot heden In het geloof', dat gaat ontluiken.

Meer wroeging dun liefde;

Ik bewaar hot aandenken

Aan een verleden, dat mij verootmoedigt;

Ik zie op mijzelven, en ik vergeet,

Dat liet God is, van Wien de zegen moet komen.

(') in „Maranathaquot; van I Moi stond hot volgondo, goteokond C. S. A. v. S. (do bokondo initialoii van don dichter C. S. Adama van Schoitonia):

IN DKN AFGROND DKR KLLENDK.

Wijze; Ps. 42.

In don afgrond dor ellendo.

Waar ik hijgde, on afgedwaald Mij al verder van U wenddo,

Zijfc, mijn God, Gij afgedaald.

Gij spraakt, on door U gewokt.

Zijn geheimen mij ontdekt,

lgt;io mijn harte doden boven;

Ik was dood. Gij schonkt mij 't levon.

4

ocr page 52

bO

O God! moet men U vreezen,

Bovenal wilt («ij bemind worden;

Bemind te worden, dat is Uw Kijk;

Uw roem is het bemind te worden.

Wie U niet bemint, o getrouwe God !

Vertreedt met oproerigen voet De heilige en vaderlijke wet Van de hemelsclie stad.

Hooger dan alle gedachte

Heeft uwe hand de hemelen uitgebreid;

Gij spreekt, en hun gloeiend gewelf Wordt met nieuwe vuren bevolkt.

Maar, zonder liefde, en zonder geloof.

Zijn alle hemelen en hun grootheid Voor uw roem niet zooveel waard

Als een enkele zucht van een eenige ziel.

Geest van den God mijns gebeds!

Ach, werk dit zuchten in mij.

Dat vuur, waarover nog nooit

Berouw is ontwaakt in liet hart.

Laat mijne ziel aan de liefde zich wijden.

En deze eindeloos wederkeeren !

Lieven, lieven, dat is leven!

Doe mij leven. God van vreê !

Na het zingen van dit lied begaf Z, M., de Koning van Denemarken. zich naar Prof. Godet, en drukte hem

Ach, hoe nwak is nog 't ontwaken

Van mijn ziele uit nacht en dood!

Wroeging, vrees blijft haar genaken In 't zoo lietlijk morgenrood!

't Beeld, dat mij 't verleden biedt,

Weck uit mijn herinn'ring niet;

Help mij. Hoer, doe mij gedenken.

Dat (ie Uw vrede mij wilt schenken.

lieer. In heiligheid te vreezen.

Liefde zijt (lij bovenal,

fiicfdo, die gekend, geprezen Kens van allen wezen zal.

ocr page 53

51

dankzeggend de hand. Terwijl wij nu een oogenblik pauze kregen, ging de Koninklijke familie heen.

Na de pauze hoorde ik Dr. Fabri uit Barmen, die, met zijne levendige voordraclit , sprak over het weder-keeren tot echte Christelijke eenvoudigheid, als het noodzakelijke middel tot herleving van den waarachtigen Godsdienst in onzen tijd. Datzelfde onderwerp werd ook behandeld door Prof. Myrberg uit tlpsala. Deze Zweedsehe Iloogleeraar sprak in zijne eigene taal, en daarenboven zeer zacht, zoodat ik er bijna niets van verstaan kon, al heeft het Zweedsch ook veel overeenkomst met het Deensch. ik ging daarom naar zaal B, waar ik, van de zooeven genoemde sprekers, Prof. Vicar hoorde. Deze heeft eene bijzonder levendige voordracht, en zijne rede werd, op echt Engelsche wijze, telkens afgewisseld — 't scheen, dat de spreker zelf er telkens op rekende — door het: hoor, hoor! ja, ja! Zelfs de Kroonprins, die er met zijne

Wie, gegrepen in 't gemoed.

Niet l)ij kruis U valt te voot,

Daar geen liefde weet te smaken,

Zal Uw Sion niet genaken.

Hooger dan ons oog kan blikken,

llelit Gij 's hemels blauw gespreid,

En het woord van Uw beschikken Schiep' en schraagt zijn heerlijkheid;

Maar moog grootsch die luister zijn,

Meer is liefdo's wederschijn In de ziel, U toevergadord,

Die tot U in ootmoed nadert.

(ieost mijns Heeren, Dien Zijn sterven

Tot een Trooster mij verwierf.

Hoed mij voor oen weder zwerven Ver van Hem, Die voor mij stierf:

Laat mijn ziolo, God gewijd.

Hem aanschouwen t' aller tijd,

Tot een in Hem zalig sterven Mij Zijn eeuwig hoil doet erven.

Kaar 7 onberijmde van „Maranaihaquot;.

ocr page 54

50

0 God! moet men U vroezen,

Bovenal wilt Gij bemind worden;

Bemind te worden, dat is Uw Kijk;

Uw roem is hot bemind te worden.

AVie U niet bemint, o getrouwe God!

Vertreedt met oproerigen voet De heilige en vaderlijke wet Van de liemelsche stad.

Hooger dan alle gedachte

Hoeft uwe hand de hemelen uitgebreid;

Gij spreekt, en hun gloeiend gewelf Wordt met nieuwe vuren bevolkt.

Maar, zonder liefde, en zonder geloof.

Zijn alle hemelen en hun grootheid Voor uw roem niet zooveel waard

Als een enkele zucht van een eenige ziel.

Geest van den God mijns gebeds!

Ach, werk dit zuchten in mij,

Dat vuur, waarover nog nooit

Berouw is ontwaakt in liet hart.

Laat mijne ziel aan de liefde zich wijden,

En deze eindeloos wederkeeren!

Lieven, lieven, dat is leven!

Doe mij leven, God van vreè!

Na het zingen van dit lied begaf Z, M., de Koning van Denemarken, zich naar Prof. Godet, en drukte hem

Ach, hoe zwak is nog 't ontwaken

A'au mijn ziele uit nacht eu dood 1 Wroeging, vrees blijft haar genaken In 't zoo liotlijk morgenrood 1 't Beeld, dat mij 't verleden hiedt, Week uit mijn horinnVing niet;

Help mij, Heer, doe mij gedenkon, Dat üe Uw vrede mij wilt schenken.

Heer, in heiligheid te vreezen,

Liefde zijt (iij bovenal.

Liefde, die gekend , geprezen Eens van allen wezen zal.

ocr page 55

5-1

dankzeggend de hand. Terwijl wij nu een oogenblik pauze kregen, ging de Koninklijke familie heen.

Na de pauze hoorde ik Dr. Fabri uit Bannen, die, met zijne levendige voordracht, sprak over het weder-keeren tot echte Christelijke eenvoudigheid , als het noodzakelijke middel tot herleving van den waarachtigen Godsdienst in onzen tijd. Datzelfde onderwerp werd ook behandeld door Prof. Myrberg uit TJpsala. Deze Zweedsche Iloogleeraar sprak in zijne eigene taal, en daarenboven zeer zacht, zoodat ik er bijna niets van verstaan kon, al heeft het Zweedsch ook veel overeenkomst met het Deensch. Ik ging daarom naar zaal B, waar ik, van de zooeven genoemde sprekers, Prof. Vicar hoorde. Deze heeft eene bijzonder levendige voordracht, en zijne rede werd, op echt Engelsche wijze, telkens afgewisseld — 't scheen, dat de spreker zelf er telkens op rekende — door het: hoor, hoor! ja, ja! Zelfs de Kroonprins, die er met zijne

Wie, gegrepen in 't gemoed.

Niet bij 't kniis ü valt te voet.

Daar geen liofilo weet to smaken,

Zal Uw Sion niot genaken.

Hooger dan ons oog kan blikken,

Hebt Gij 's hemels blauw gespreid,

En liet woord van Uw beschikken Schiep en schraagt zijn heerlijkheid;

Maar moog grootsch die luister zijn,

Moer is liefde's wederschijn In do ziel, U toevergaderd,

Dio tot U in ootmoed nadert.

Uoost mijns Heeren, Dien Zijn sterven

Tot een Trooster mij verwierf.

Hood mij voor een weder zwerven Ver van Hem, Die voor mij stierf;

Laat mijn ziolo, God gewijd,

Hein aanschouwen t' aller tijd,

Tot oen in Hem zalig sterven Mij Zijn eeuwig hoil doet orvon.

Naar 7 onberijmde van „ Maranaihaquot;.

ocr page 56

eega en eenig gevolg tegenwoordig was, knikte telkens met het hoofd, ten teeken van instemming.

Gaf alzoo de Koninklijke familie duidelijke blijken, dat zij een open oog en hart hadden ook voor hetgeen van elders kwam, in een volgenden brief wil ik U een en ander meedeelen van hetgeen ik buiten de Alliantie in Koppenhagen aanschouwde.

Uw liefh. vriend en broeder in ■/. C.

S. A. van den Hoorn.

Tiel, 3 Maart '85.

XI,

Geliefde Broeder!

In mijn vorigen brief deelde ik als mijn voornemen mede U thans iets te melden van hetgeen ik te Koppenhagen zag buiten de Alliantie Ik wil dan beginnen met iets te zeggen van den algemeen vereerden beeldhouwer Thorwaldsen, daar deze toch aan heel de stad iets van zijn kunstzin heeft megedeeld, Waren de Denen nog Heidenen , ongetwijfeld zouden zij dezen kunstenaar bovenaan plaatsen in de rij hunner halfgoden. En zijn de reproducties van Thorwalden's meesterstukken in het buitenland zelfs vrij algemeen bekend, zoo is het geen wonder, dat bijna iedere Deen hulde wil brengen aan diens scheppenden geest. Gij weet, dat ik geen kunstenaar ben, maar toch ben ik meermalen getroffen en verslagen geweest, bij het zien van hetgeen deze meesterhand heeft voortgebracht, en heb ik uitgeroepen : «Indien God een mensch weet te bekwamen, om levenloos steen of marmer zóó te bezielen, zóó te doen spreken, hoe groot moet dan de Ileere zelf niet zijn!quot; Haast zou ik zeggen; wie

ocr page 57

de scheppingen van Thorwaldsen ziet, kan niet langer twijfelen aan de scheppende macht van dien God, van Wien ook Thorwaldsen zijne bekwaamheid ontving.

Gij verwacht van mij geene levensbeschrijving van Thorwaldsen ; geene schets van het worstelperk, dat ook hij moest betreden, om tot de hoogte zijner kunde op te klimmen; geene teekening van den roem, reeds bij zijn loven ingeoost; het zij u genoeg herinnerd te worden; daar gij in elk algemeen woordenboek meer van dezen beroemden beeldhouwer vinden kunt: dat Berthel Thorwaldsen 19 November 1770 te Koppenhagen geboren werd, en ter voltooiing zijner studiën jaren lang in Kome heeft vertoefd. Na reeds door de academie te Florence tot honorair Professor te zijn aangesteld, werd hij in 1805 tot lid der academie te Koppenhagen en tot leeraar aan die instelling benoemd. Eerst in 1819 echter, na eeno afwezigheid van 25 jaren, keerde hij naar zijn vaderland terug. Zijne terugkomst werd met opgewondenheid gevierd, en heeft zich gekenmerkt, zooals mij door een bewaarder in zijn museum werd meegedeeld, door eigenaardige natuurverschijnselen. Met gloed deelde die bewaarder mij mee, hoe God uit den hemel zijne hooge goedkeuring deed blijken op dien terugkeer, door buitengewoon noorderlicht en anderszins.

Later werd Thorwaldsen niet alleen door onderscheidene Vorsten van eereteekenen voorzien, maar ook aan onderscheidenen hunner voorgesteld. Toen hij in 1841 , op zijne reis van Koppenhagen naar Rome, door Duitschland trok, geleek die reis een ware triomftocht, en schier zonder voorbeeld is het, dat een kunstenaar overal met zooveel geestdrift werd begroet, gelijk ook zijne aankomst te Rome zeer feestelijk werd gevierd.

Het volgende jaar kwam hij weer in zijne geboortestad, en stierf daar den Sasten Maart 1844. Zijne geheele kunst-nalatenschap had hij vermaakt aan het museum zijner werken te Koppenhagen , dat zijne voltooiing naderde,

ocr page 58

54

toon hij overleed. Hij heeft ongeveer 700 kunstproducten in het aanzijn geroepen, waarvan zeer velen zijne eeuw zullen overleven. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven zegt in zijne »Encyclopaedie, Geïllustreerd Woordenboek voor wetenschap, kunst, enz:quot; «Over de zeldzame verdiensten van Thorwaldsen is slechts ééne stem; diep doordrongen in den geest der antieken, begaafd met eene wonderbaarlijke gemakkelijkheid van uitvoering, met een buitengemeen scherp oog en met eene even groote kloekheid als rijke phantasie, heeft hij geschitterd als eene ster van de eerste grootte aan den kunsthemel der 19de eeuw.quot; Zijn leven is menigvuldig beschreven, o. a. door Prof. J. M. Thiele. Dr. J. van Vloten getuigt van Thorwaldsen, dat bij »met de onuitputtehjkste verbeelding een onafzienbare reeks van werken schiep , waarin de zedelijke adel, de verheven eenvoud en de kuische bevalligheid van den bloeitijd der Grieksche kunst geheel als herleefden , en dat hij den getroffen aanschouwer verrukte door een eenvoud van opvatting en eene volkomenheid van vorm, als men sedert de eeuw van Phidias niet meer bewonderd had. Mogen zijne gewrochten de daemonische kracht, de tragische verhevenheid van die eens Michaël Angelo derven , zij herinneren er slechts te levendiger aan de edele rust der oudheid door, en niemand, die ze er daarom ook in missen zalquot; ^).

Maar laat ik IJ eerst zeggen, op welk eene aangename wijze ik kwam tot de beschouwing der meesterstukken van Thorwaldsen. Na een ochtend-vergadering verliet ik de zaal met het voornemen, een en ander van Thorwaldsen te gaan bezichtigen, toen ik al sprekende voortliep met een lid der Alliantie. Deze vroeg mij o. a., of ik de kunstgewrochten van Thorwaldsen reeds bezichtigd had. Ik zei hem toen mijn zoo even genoemd voornemen. Daarop werd ik uitgenoodigd dezen broeder te vergezellen, daar

ocr page 59

hij 2de priester was van de Frue-Kerk, waar de beroemde marmeren beelden gevonden worden van Christus, Zijne Apostelen, en de evenzeer beroemde doopengel met vont, alles van Thorwaldsen.

De »Frue-Kerkquot; (Onze Lieve Vrouwekerk) is de kathedraal der stad, in zijnen tegenwoordigen vorm ten jare 1807 uit de asch de? oude herrezen, welke door een hevig bombardement was vernield. Bij de herrijzing dier kerk is tot versiering de kunst van Thorwaldsen ter hulp gekomen. En dat is op heerlijke wijze geschied; want, nevens het bovenstaande, vindt men er ook eene voorstelling van de intrede des Heilands in Jeruzalem , alsmede van de prediking door Johannes in de woestijn.

Het heeft voor ons, die leeren, dat men de beelden in de kerken niet als boeken der leeken lijden mag, ongetwijfeld iets vreemds, dergelijke voorstellingen in een tempel te aanschouwen. Toch — niemand duide het mij kwalijk! — had het voor mij niets stootends. Ik — doch laat mij eerst zeggen, hoe ik door mijn vriendelijken leidsman werd ontvangen. Genoemde Priester heet Prior, en is ijverig bezig met Evangelisatie onder de scheepslieden. Als zoodanig bezocht hij ook, tijdens de wereldtentoonstelling te Amsterdam, deze stad, met het oog op de Scandinavische kerk , welke alhier voor de matrozen dier landen gevonden wordt. Priester Prior woonde kort bij zijne kerk, zoodat hij mij eerst even zijne woning binnen leidde. Op zijne studeerkamer zag ik o. a. het bekende werk van Motley over onze vaderlandsche geschiedenis. Tegen Zondagavond verzocht hij mij (en vroeg mij, die uit-noodiging ook aan mijn landgenoot Dr. Grerth van Wijk te doen) in het Evangelisatie-lokaal, waar hij en andoren voor de zeelieden spraken. Dit lokaal is eene drijvende kerk. Ik had het reeds meermalen zien liggen, in de Nieuwe Haven , bij het hoofdplein, en alzoo in het middenpunt der stad. Ik had het echter aangezien voor eene bad-inriohting, omdat het in het water ligt. Wel staat

ocr page 60

50

er een groot gouden kruis op, maar kruisen vindt men in Koppenhagen op vele plaatsen.

Zoo kwamen wij al sprekende in de Prue-Kerk. Ik zag daar de beelden, on bewonderde ze. Onbegrijpelijk is het mij, hoe men uit dood en vormeloos marmer zulke schoongevormde en sprekende beelden te voorschijn kan roepen. De plooien dor mantels bij de Apostelen zijn zoo natuurlijk, dat men denkt werkelijke plooien te aanschouwen. Het meest van allen word ik getroffen door het Christusbeeld. Onbeschrijfelijk is de majesteit, welke afstraalt van het gelaat, en van geheel die houding. Die blik noopt tot ontzag. Had ik niet geweten, dat het een beeld was, ik had neergezonken aan de voeten van den Heiland met eerbiedige bewondering. En zelfs nu ik wist, dat hier niet do levende Christus voor mij stond, gevoelde ik mij, tegenover die verhevene gestalte, zoo gering, dat ik den moed miste, om te blijven staren op dat ontzagwekkend gelaat. Bij het aanschouwen dacht ik: o, het kan niet anders, of de vijanden des Ileeren moeten hun aangezicht verbergen, als zij zulk eene verhevene openbaring zien van den levendon Zaligmaker!

Gelijk ik zoo even zeide: het zien van deze beelden in eene kerk had voor mij , als Gereformeerde , niets stootends. Immers, ik zag ze daar niet als «boeken der leekenquot; ('), maar als scheppingen der kunst, welke ook eene gave Gods, en vrucht van Geestes wijsheid is. En dan vind ik het eigenaardig, dat men, door zulke scheppingen in eene kerk te plaatsen, het uitspreekt, dat ook de kunst den Heere gewijd moet zijn. Ik ben niet genoeg met Thorwaldsen bekend, om te kunnen zeggen, of hij per-

(') Jlim begrijpt, dat ik bij dozo biatsto uitdrukking donk aau vraag 98 van onzen Hoidelborgschon Catechismus. Welnu, ovoumiu als geboeldhouwde |)roekstoolon ou praalgraven in Geroformoordo kerken daar zijn tot onderrichting van oonvoudigon, of David mot zijne harp op tal van orgels, in Gereformeerde kerken, daartoe dienen moot, ovenmin zag ik die kuustge-wrochton als „boeken dor leekonquot;.

ocr page 61

57

soonlijk den Christus als Levensvorst ook voor zijn hart kende; maar dit is ongetwijfeld, dat hij heerlijke Christelijke denkbeelden op grootsche wijze wist te belichamen En dat hij werkelijk tot zijn volk gesproken heeft, is duidelijk. Hij leeft in aller hart. Tal van beeldengroepen in Koppenhagen's schoone parken herinneren aan hem. En zijn museum (door mij bezocht, nadat ik Onze Lieve Vrouwenkerk had verlaten) is mede daarvan het bewijs. Tiet is toch met onbekrompen hand door do stedelijke Regeering gesticht, voor een goed deel uit vrijwillige bijdragen , en alzoo een gedenkteeken der nationale vereering van kunst en kunstenaar beide. Het bevat niet minder dan '21 zalen, waar U hier een leeuw, daar een paard, nu eene historische voorstelling, zoo als Alexander's zegevierende intocht in Babel, dan eene symbolische, zoo als van de jaargetijden, en van dag en nacht, tot bewondering dwingt; terwijl gij onwillekeurig nu bij een Eliëzer, dan bij eene Rebekka stilstaat, om van andere beroemde personen niet te spreken. Het trok ook mijne aandacht, dat hier slechts reproducties gevonden worden van hetgeen in de hoofdkerk uit marmer gehouwen aanschouwd wordt. Is dit niet, zoo vroeg ik mij, is dit niet eene erkenning, dat het beste, ook van de scheppingen der kunst, aan God moet zijn gewijd? Daarom, terwijl het toch ondoenlijk is, U de verschillende meesterstukken uit Thorwaldsen's musëum te noemen, vergun mij U terug te leiden naar Onze Lieve Vrouwekerk. Gaarne geef ik dan het woord aan Professor Van Oosterzee, als deze schrijft : ))Het is bekend, dat Thorwaldsen tot vijfmaal toe eene proef had genomen, eer hij er in slaagde een vorm te scheppen, die te gelijk aan zijn eigen eisch en dien van den Protestantschen eeredienst voldeed. Thans echter kan hij ook gezegd worden »den Heer der Ge-

(') 0]i ruis. liltulon uit do portotuuillo. Niouwo, hur/.iuno ou vonucoi'-donlo uitgavo, Itlz. 311 vv.

ocr page 62

58

meentequot; — dien naam zou ik liefst onder dat verheven beeld willen schrijven — op eene wijze voor haar oog en als in haar midden geplaatst te hebben, die steeds minder te wenschen overlaat, hoe meer men nadenkt en opmerkt. Gij kent het beeld, dat waardig is in een zijner duizende afgietsels de schrijftafel of het studeervertrek van eiken Christelijken Theoloog te versieren. Het domineert, waar het staat, gelijk hier, en ziedaar reeds voor mijn gevoel aan een eerste vereischte voldaan. liet is niet de »Jezus der Bergredequot;, zooals Hij in den staat zijner vernedering eenvoudigen en kinderen leert; ook niet ))de Christus van den Olijfbergquot;, zooals Hij zich reeds boven de aarde verheft, die Hij straks voor altijd verlaat, maar de opgewekte Levensvorst, zooals Hij zich voor het oog Zijner Gemeente openbaart, die in Zijnen naam is vergaderd. Daarom draagt hij ook geen kleed, geljjk 11 ij in die dagen Zijner vernedering droeg — het historisch element is hier aan het ideöele ten offer gebracht — maar een licht omhulsel, gelijk men zich wellicht dat van den Verrezene voorstellen mag, dat schouder en linkerzijde ontbloot laat; om alzoo te gelijk het lidteeken der wonde in laatstgenoemde te toonen. Het hoofd, waarvan de haardos op het midden gescheiden is en op de schouderen neervalt, is met de edelste uitdrukking beneden en voorwaarts gericht; de uitgebreide armen en open handen schijnen het troostvol woord te herhalen: ))komt tot Mij, gij allen, die vermoeid en beladen zijt!quot; het los omgeslagen kleed, dat de leden omgolft, strekt tot de voeten zich uit, die krachtig en vast op de aarde staan. als om te toonen, dat Hij waarlijk onzer één is geworden. Een Christus, in één woord, menschehjk genoeg om vertrouwen te wekken, maar ook Goddelijk genoeg om tot aanbidding te stemmen ; een Godmenschelijke koningsgestalte, ziedaar den Christus van Thorwaldsen, de persoonlijke uitdrukking van het woord; »Ik ben met u alle do dagen.quot; Zeker, onbeschrijfelijk schoon, het wordt door allen erkend, is de

ocr page 63

50

beroemde Doopsengel van dezelfde hand, die, het hoofd met een onsterfelijke bloemkrans gesierd, op gebogen knie de schaal met het bad der inwijding opheft; iets hemelsch straalt u tegen uit geheel deze reine figuur, waarin het sexueele ten eenenmale terugtreedt, en de schoonste idee in den waardigsten vorm is belichaamd.

Men kan niet nalaten, gedurig nog eens tot het beeld van dien hemeling weer te keeren, maar nog minder, telkens weer van hem tot het Christusbeeld op den achtergrond op te zien , die hier in ieder opzicht de Meerdere, de geheel Eenige blijft.

Dat bleef Hij ook op dit gebied in onze eerbiedige schatting, toen wij de Apostelbeelden in het schip der kerk het een na het ander beschouwden. Het dichtst hij den Heer stonden ter rechterzijde Petrus met de sleutelen, aan de linkerhand Paulus met het zwaard in de handen, en nu voorts in regressieve volgorde na den eerstgenoemde Mattheus, Johannes, Jakobus zijn broeder, Philippus en Judas, niet de Iskarioth; na den anderen Simon Zelotes, Bartholomeus, Jakobus Alfeus-zoon , Thomas en Andreas ; alle kloeke, meer dan levensgroote figuren, kennelijk genoeg aan de uitdrukking van gelaat of aan de keus der omgeving, dragers van het Woord en den Geest, die van den Meester daar ginds als hoofdpersoon uitgegaan zijn. Men heeft beweerd, dat deze Apostelgestalten bij den eersten opslag meer aan Griekse he wijsgeeren, dan aan Getuigen en Martelaren doen denken, en niet genoeg beantwoorden aan den eisch der geschiedenis.

Maar — om niet te zeggen, op hoe menig punt de traditie hier schuilt in het duistere, en dus eene wijde speelruimte voor de phantasie des kunstenaars overliet — men heeft slechts nauwkeurig acht te geven op hetgeen de eene hguur onderscheidt van de andere, om terstond te ontdekken, dat Thorwaldsen hier in geenen deele zonder voorafgaande historische en psychologische studie aan het werk is getogen. Welk een diepe opvatting van

ocr page 64

00

gindschen twijfelmoedigen Thomas, die het oog maarniet schijnt te kunnen afwenden van den kleinen winkelhaak, dien hij tegen zijn linkerborst drukt; beeld van het eindig verstand, dat vruchteloos tracht het Oneindige onder zijn meetsnoer te vatten. Hoe gelukkig contrasteert hij met de figuur daar tegenover hem, waarin de rust en de kalme vreugd van het biddend geloof op de treffendste wijze schijnt weergegeven ! Ook door Matthëus werd onze opmerkzaamheid in groote mate geboeid, zooals hij gereed is op zijn schrijftafel neer te stellen, wat de Engel aan zijne rechterzijde hem ingeven zal, terwijl voorts zijn voet steunt op een rots, en de beurs aan dien voet veel be-teekenend op den voormaligen tollenaar heenwijst. Maar bovenal werd mijn oog door Johannes geboeid, die , met den adelaar voor zijne voeten , het edel hoofd opwaarts verheft, de schrijfstift in handen, om het woord der Openbaring in geschrift te brengen; een kind des tijds, maar die zich reeds hier in het licht der eeuwigheid baadt. Philippus symboliseert u de smart; Jacobus Zebedeus-zoon daarentegen, de eerste Apostel-martelaar, den stervensmoed in de vreugd des geloofs. Aan het Andreaskruis, dat naar de legende zijn marteltuig worden zal, hebt gij reeds den broeder van Simon Petrus herkend, terwijl daarentegen Bartholomëus u het beeld van den ouden dienstknecht van Jezus Christus vertoont, die reeds zware stormen over zijn hoofd voelde gaan, maar het geloof van zijn hart mocht behouden.

Mijn brief overschrijdt reeds de maat, en ik zwijg daarom van de schoone voorstelling der intrede van den Heer in Jeruzalem, waarop ons oog nog eenige oogen-blikken bij het verlaten van dit heiligdom rustte. Toch kan en mag ik van de prachtige Frontispice niet zwijgen, die boven den ingang ons geheel in de laatste voorbereiding van de volheid der tijden verplaatst, en ons een voorstelling der prediking van Johannes den Dooper in de woestijn doet aanschouwen, boven welke ik geene schoonere

ocr page 65

61

ken. Inderdaad ook hier is Grieksohe schoonheid en Grer-maansche diepte op het gelukkigst samen vereenigd, en het is of de Sculptuur der oude wereld na eeuwen rust uit de dooden is opgestaan , om den Koning van het Godsrijk te groeten. In het midden verheft zich natuurlijk (quot;fè imposante gestalte van den Profeet der woestijn; zijn rechterhand is opgeheven om boete en bekeering te prediken, terwijl de linkerhand een staf houdt omklemd, gesierd met een kunsteloos kruis , en het open kemelsharen gewaad u een deel der gespierde borst doet aanschouwen. Wat harmonie, en toch wat rijke verscheidenheid tevens in de verschillende groepen, die hem ter wederzijde omringen ! Die jongeling, als in stille overpeinzing van het woord der waarheid verzonken; die grijsaard met zijn zoon, die luisterend op vaders schouderen leunt, zonder dat deze daarvan iets schijnt te merken ; die half geknielde moeder met haar kind, dat haar met zijne kleine arm omstrengelt; en daartegenover aan den anderen kant die jongeling, met den diepen ernst op het aangezicht, kennelijk gereed den heiligen Doop te ontvangen, in de dichte nabijheid van den Phariseër in zijn rijken mantel gehuld , die den Wegbereider met een blik van voorname minachting aanziet; die jager met zijn hond, die een oogenblik in het voorbijgaan blijft toeven om het woord des predikers aan te hooren, en die twee kinderen, wier aandacht geheel op gemelden hond is gevestigd, hoezeer toch het jongste zijn zusje schijnt toe te wenken, dat zij liever stilstaan en luisteren zal; die moeder met dat heerlijk kind op haar knie, dat zij half vergeet om aan de lippen des predikers daartegenover te hangen; die half slapende herder eindelijk, die hier ook tegenwoordig is, zonder dat hij er wezenlijk en innerlijk bij is; dat ensemble — en de optelling is nog niet volledig, — maakt een indruk , dat men zich slechts tot scheiden kan dwingen door het voornemen op te vatten van hier stellig vóór de tehuisreis nog eenmaal weder te keeren.quot;

ocr page 66

4

02

Wel mocht wijlen Prof. Van Oosterzee na deze teeke-ning uitroepen: shoe heerlijk is toch de kunst, wanneer zij hare roeping verstaat, om het Heilige door het Schoone te dienen !quot; Eens zullen de Koninkrijken van God en van Zijnen Christus wezen. Dan zullen alle gaven en krachten , ook elke kunst en wetenschap dienstbaar worden gemaakt aan de verheerlijking des Allerhoogsten. Onwillekeurig rijst de bede omhoog: »Och, brak die dag toch spoedig aan!quot; Nu toch is het dikwerf anders. Maar, waar er aanvankelijk iets van wordt gezien, laat ons daar ook opmerken, en zulke beoefenaars bemoedigen in hun strijd!

Inmiddels blijf ik gaarne, heilbiddend,

Uw liefh. vriend cn broeder in J. C. S. A. van den Hoorn.

Tiel, 24 Maart '85.

XII.

Geliefde Broeder!

Ben ik in mijn vorigen brief wat uitvoerig geweest in betrekking tot Thorwaldsen , zoo mag ik op dien weg niet voortgaan, wat de andere merkwaardigheden van Done-marken's hoofdstad betreft. Toch heb ik, ook buiten de vergaderingen der Alliantie, en behalve bij de kunstgewrochten van Thorwaldsen , aldaar te veel genoten, om er verder geheel het stilzwijgen over te kunnen bewaren.

Reeds den dag mijner aankomst bezocht ik den bota-nischen tuin, welke in de nabijheid van »Bethesdaquot; gevonden wordt. Ik zag daar eene rijke verscheidenheid van planten en gewassen. De tuin ia zeer golvend, met een grooten vijver in 't midden. Men vindt er zoowel rots-

ocr page 67

63

(op aldaar aangebrachte rotsstukken) als waterplanten; ook zijn er zeer groote broeikassen. In eene dezer werd o.a. mijne aandacht getrokken door eene plant, wier bladeren even lang zijn als ik, terwijl ik gestaan heb onder de bladeren van eene andere plant, welke grooter waren dan eene ouderwetsche 2 mans-parapluie ; door middel van eene ijzeren trap boven in die kas geklommen zijnde, zag ik, boe de thermometer aldaar 291/2 graad Celsius aangaf.

Aan de andere zijde van sBethesdaquot; ligt een golvend park met beeldengroepen, en in 't midden, in de laagte, eene gracht. Dit park is, even als de botanische tuin, rijk voorzien van banken en prieeltjes, die als tot rusten uitnoodigen, en tot genieten van de schoone gezichten.

Dat ik niet elk der 2C2 kerken', welke in Koppenhagen gevonden worden, heb bezocht, zult gij wel begrijpen. Van Onze Lieve Vrouwe Kerk vertelde ik iets in mijn vorigen brief. Van de andere kerken , welke ik gezien heb, noem ik alleen de Russische. Van uit mijn hotel naar de Vergaderingen gaande, was ik meermalen geboeid door den verblinden glans dor drie koepeltorens dezer kerk. Deze toch zijn geheel verguld, en schitteren in de zonnestralen als blinkend goud U tegen. Hierdoor werd ik verlangend, om ook een blik te werpen op het inwendige dier kerk. Betrekkelijk valt dit tegen. Gij herinnert IJ met mij de Domkerk van Antwerpen , welke in hare kolossaio afmetingen een steonen woud gelijkt, en zijt zeker, evenmin als ik, het tal van gouden en andere geschenken vergeten, hetwelk ons in Brussel's Hoofdkerk tegenblonk ; maar hier vindt gij noch die groote afmetingen, noch die groote schatten. De Russische kerk te Koppenhagen is slechts klein. Toch is zij keurig netjes. Haar vloer van mozaiek, hare prachtige ramen, hare kostelijke kruisen, hare schitterende priesterkleeding, alles is evenzeer voor de zinnen aantrekkelijk, zoodat ook niet weinig nieuwsgierigen dit gebouw bezoeken.

Vindt men meestal torens bij kerken , laat mij dan ook ,

ocr page 68

01.

bij het bericht van mijn bezoek aan kerken , TJ melden, dat ik in Koppenhagen een eigenaardigen toren heb beklommen. Het was die der Triniteitskerk. Het eigenaardige van dezen vrij Imogen en dikken toren is, dat men daar bovenop komt, niet door klimmen, maar eenvoudig door tegen eene steilte op te loopen. Een breed pad, zoodat een rijtuig met twee paarden zich er zeer gemakkelijk zou kunnen bewegen, leidt tot bijna bovenaan den toren, en, alsdan nog enkele treden klimmende, is men op den omloop, van waar men een schoon vergezicht heeft over de stad en hare omatreken.

De Joodsche kerk te Koppenhagen is kort bij de zeer groote en fraaie beurs. Onwillekeurig dacht ik, bij het aanschouwen hiervan, aan het droevig verschijnsel, dat de Israeliet ten huldigen dage gewoonlijk meer liefde toont tot het geld en den handel, dan tot de wet en den Godsdienst. En hoe dikwerf zijn wij lauw tegenover dat verschijnsel! Ja, er wordt nog wel wat gearbeid voor het geestelijk heil van Israël, maar hoe zelden bemerkt men iets van die liefde, welke Paulus zeggen deed, dat de verharding van dit volk hem eene groote droefheid, en zijn hart eene gedurige smart was (Rom. 9 : 2).

Toch mogen wij nooit vergeten, dat de zaligheid uit de Joden is, en dat onze voorouders Heidenen waren. Op levendige wijze werd ik daaraan herinnerd in het Oud-Noordsch museum. Hier doorloopt men in korten tijd de geschiedenis van eeuwen.

Eerst is men in het steenen tijdvak. Daar wordt men teruggevoerd tot ongeveer vijfhonderd jaren vóór Christus. Ik zag er ruwe wapens en huis- of keukengereedschappen van steen en been, door de eerste bewoners dier Noord-sche landen gebruikt.

Vervolgens is men in de bronsperiode, daarna in die van ijzer. Men vindt hier steeds vooruilgang in de werktuigkunde , maar de eerste sporen van het Christendom, een kruisteeken en het Monogram van den Christus

ocr page 69

65

welke ik vervolgens in bet tijdvak der Middeneeuwen aanschouwde, meent men, dat eerst afkomstig zijn uit den tijd, toen reeds eeuwen der Christelijke jaartelling verloopen waren. Van het aan Denemarken onderhoorige IJsland zag ik de deur der oudste kerk. In het tijdvak der Middeneeuwen voortgaande, zag ik tal van houtsnijdingen , aan den Bijbel ontleend , altaarkleeden en kerksieraden , doopvonten en heiligenbeelden, welke alle te samen getuigenis geven van het zinnelijke van den eere-dienst, terwijl van het doorbreken der Hervorming in de vijfde afdeeling van het-jSToordsch Museum weinig of niets wordt bespeurd. Dit kan ons, mot het oog op denaard der Hervorming in deze landen, niet zoo grootelijke verwonderen , daar zij op Luthersche en niet op Gereformeerde wijze plaats had, en dus niet in de eerste plaats in verbreking van het zinnelijke openbaar werd. Van meubelen en andere kostbaarheden , uit deze afdeeling van den nieuweren tijd, heb ik U reeds een en ander gezegd, bij de mededeeling van mijn bezoek aa,n Rozenstein, zoodat ik er thans niet op terug kom, daar het voor een goed deel slechts herhaling van het daar aanschouwde zou wezen.

Nog verscheidene andere zaken hebben te Koppenhagen mijne aandacht getrokken, terwijl ik vele andere merkwaardigheden niet heb bezichtigd; maar ik mag niet al te uitvoerig worden, en daarom wil ik IJ alleen nog iets zoggen van de omstreken dezer stad.

Gij weet, hoezeer ik bewonderaar ben van ons strand-genot; hoe gaarne ik des zomers eenige dagen doorbreng in de nabijheid van de onrustige zee, welke mij juist tot kalmte stemt. Welk een genot is het mij reeds jaren achtereen geweest, bij geliefde vrienden, eenige dagen gastvrijheid te genieten, en dan beurtelings onder en aan de zee mijne zenuwen te sterken! Neen, niet slechts

ocr page 70

66

Zij, die de zee bevaren

Met schepen, rijk bevracht,

Zien op de groote baren

(jlods ■wijsheid, gunst en macht;

Daar leeren zij de daan Des nkeken klaar bemerken,

En in de diepe paan Zijn groote wonderwerken.

(Ps. 107 : 12);

maar hetzelfde is mij meermalen geschied aan haar strand. Ik heb de zee ook wel gezien, dat gansch haar strand bedekt was door heftig bruisende baren, welker schuim ons op de duinen in het aangezicht woei; dan levert zij zeker een treffend tooneel. Maar toch verlustig ik mij gewoonlijk meer, als de golven zoo statig aanrollen, een weinig duikelend, maar toch weer spoedig terug wijkend, en altijd een breed strand latende, om daar beurtelings te wandelen of zich neer te zetten. Gij weet ook, dat Koppenhagen eene zeestad is, wier havens aan een vierduizendtal schepen eene veilige ligplaats bieden. JNa eene morgenvergadering der Alliantie, wilde ik niet alleen de zee gaan bezichtigen, maar ook gebruik maken van eene der badinrichtingen. Ik zat reeds op den tram , met het voornemen aan het noordeinde der stad te gaan baden , toen mij werd aangeraden bij het eindstation van den tram over te stappen in den stoomtram, welke naar Klampenburg gaat, alwaar eene meer frissche en geschikte gelegenheid was tot baden. Ik gaf aan dezen raad gehoor, en had geen berouw van aldus de reis naar Klampenburg te maken. De stoomtram volgt den gewonen weg. Wij gingen tal van kleinere en grootere buitenverblijven voorbij, welke meest aan de glooiing van heuvels gelegen waren, en uitzagen op de zee. Wij gingen ook door een visschers-dorp, en ik had gelegenheid de vischvrouwen te zien, in haar nationaal kostuum, met hare groene rokken, aan het ondereinde van rood omzetsel voorzien. Die vrouwen droegen, gelijk ik ook bij eenigc burgervrouwen in Kop-

ocr page 71

01

penhagen had opgemerkt, shawlmutsen, zal ik ze maar noemen, daar het omslagdoeken zijn, welke tevens als muts moeten dienen, ongeveer zooals gij ze door nonnen wel hebt zien dragen. De vischschuitjes waren maar zeer klein. Trouwens, de Oostzee is geheel anders dan de Noordzee. Het verschil in de hoogte van het water is zeer gering. Men vindt aan den kant zoo min strand, als dijken of duinen. Soms reden wij met den tram zoo kort langs de zee, dat men uit den wagen in het water zou hebben kunnen springen. Toch vond ik dat niet zoo ijzingwekkend, daar het aan den kant zeer ondiep is. Wat mij zeer verwonderde was, dat de duidelijk zichtbare bodem niet van zand of klei is, maar van groote keisteenen. üp onderscheidene plaatsen zag ik particuliere badhuisjes, en te Klampenburg begaf ik mijzelven eerst naar eene badinrichting voor hoeren. Het baden in de Oostzee; althans aan de Deensche kust, want, naar ik later vernam , heeft men aan de Zweedsche kust evenzeer zand als wij; het baden in de Oostzee gaat geheel anders, als aan het vaderlandsche strand der Noordzee. Men gaat een eindweegs op een hoofd, wat ongeveer een honderd el in zee uitsteekt. Aan dit hoofd bevinden zich bij eene groote inrichting, als waarvan ik gebruik maakte, onderscheidene zijarmen , waarop houten badkamertjes gebouwd zijn. Aan de buitenzijde dier kamertjes bevindt zich eene trap van 8 a 10 treden, in welker nabijheid een touw af hangt in het water. Aan dit touw moet men zich stevig vasthouden, en bij stormachtig weder niet te diep onder water te gaan, ten einde zich niet te kwetsen aan de scherpe steenen. Waarschijnlijk had ik (er was toen vrij wat wind.) mij te ver naar beneden laten zakken, en mij aan den voet door de sterke deining een weinig tegen de rotsblokken gewond; want, hoewel ik in het water niets had bemerkt, liep er toch eenig bloed langs mijn voet, toen ik weer in mijne badkamer was opgeklommen. Gelukkig waren de wondjes, door het opleggen van een aan

ocr page 72

68

oen sigaar ontnomen dekblad, weldra genezen. Toch kwam ik door dit bad tot de overtuiging, dat het baden op onze kust te verkiezen is, boven dat aan die nabij Koppenhagen. Ook mist men daar het heerlijk strandgenot. Toch heeft, met name Klampenburg, niet weinig bekoorlijkheid. De restauratie, in welker tuin ik op de stoomboot naar Koppenhagen wachtte, ligt niet alleen aan don oever der zee, waarover men een heerlijk vergezicht heeft, maar ook biedt zij een gezicht op den rijweg met zijn tram , terwijl het als aan den voet van de Klampenburger diergaarde ligt. Gij weet uit Kleef, met haar aan Nederlanders zoo bekende diergaarde, dat men daarbij niet altijd te denkon hoeft aan een tuin met allerlei dieren. Evenals te Kleef, is de diergaarde te Klampenburg een schoon woud, ja nog grootscher. Heb ik ook elders statige eiken en berken aanschouwd, nergens zag ik tot dusverre zulke kolossale dennen. Niet alleen rijzen deze torenhoogo boomen zoo recht als eene kaars omhoog, maar zij zijn ook van buitengewone dikte. Van één uit vele dergelijke wilde ik do maat nemen, en daar ik geen oliemaat bij mij had, moest ik door omspanning hiervan op de hoogte komen. Jk zag echter, dat ik nauwelijks de helft kon omspannen, hoe wijd ik ook mijne armen uitbreidde. Heeft U meermalen het schoon van Allernaarder- en Haarlemmerhout, alsmede van het Haagsche bosch getroffen, gewis zoudt gij in dit veel grootore bosch met mij genoten hebben, 't Was een heldere hemel, en toch, slechts hier en daar viel oen zonnestraal op den grond, welke een waar na-tuurbod vormt. Ik gevoelde mij in dien «tempel van ongokorven houtquot; zoo nietig, tegenover de grootheid Gods, en toch ook weer zoo gelukkig, in het bewust/ijn, zulk oen verheven Schepper in Christus Jezus mijn God en Vader te mogen noemen.

Slechts noode verliet ik dit woud. Ik wist, dat ik, behalve met den tram, waarmede ik de heenreis gemaakt had, ook terug kon mot den spoortrein en met de stoom-

ocr page 73

69

boot. Het spoorwegatation van deze lijn te Koppenhagen was nabij het station onzer aankomst. Gaarne had ik met dien trein de terugreis aanvaard, en alzoo gebruik gemaakt van een wagen met twee verdiepingen, gelijk die wel in Frankrijk gevonden wordt, maar in ons land onbekend is. Toch ging ik nog liever met de stoomboot, waarom ik mij naar de zoo even genoemde restauratie begaf. Van uit den tuin dier restauratie, ging ik naar de ook van af den openbaren weg bereikbare aanlegplaats. Deze is een klein vierkant houten plein, een paar minuten in zee op palen gebouwd. Langs een broed hoofd komt men er op. Het ligt zoo ver in zee, opdat de zeebooten , welke meermalen daags van Koppenhagen naar Helsingör, of omgekeerd, varen, zouden kunnen aanleggen.

Ik stapte op de boot, waar ik niet meer dan 40 oeren (ongeveer f28 ets) behoefde te betalen. De boot slingerde nog al wat. Geen wonder. Ik zat met anderen niet aan de windzijde; daar sloeg de golf telkens over de ballu-strade; maar zelfs over het glazen paviljoen heen spatte het water, zoodat de dames te dier oorzaak van hunne parasols gebruik maakten. Toch kwamen wij veilig te Koppenhagen, na nog aan het bovengenoemde visscher-dorp te hebben aangelegd. Van de zeezijde de stad naderende , had ik gelegenheid op hare sterke vestingwerken een blik te worpen.

Inmiddels had het aanschouwen der boschnjke kusten en het watertochtje mij zooveel genoegen verschaft, dat ik besloot, om, zoo de Heere wilde, eer ik Koppenhagen verliet, nog eens even naar de Zweedsche kust, een zeereisje van nagenoeg 2 uren, over te steken. Aan dat voornemen heb ik later gevolg kunnen geven. Meermalen per dag vaart er van Koppenhagen eene stoomboot naar Malmö, met hare beroemde handschoenfabrieken , en van zulk eene gelegenheid heb ik gebruik gemaakt, om, al was het dan ook slechts voor enkele uren, den Zweedschen bodem te betreden. Ook op die

ocr page 74

70

reis bleef ik, door Gods goedheid, vrij van zeeziekte.

Malmö, eene stad van 40,000 inwoners, waar ik met Deensch geld goed terecht kon, heeft een flinke haven. Daar aangekomen, ging ik langs het spoorwegstation naar de stad Dat station, met zijn torenklok er boven op, en zijn frisschen tuin er voor, zag er flink uit, zoo van binnen als van buiten. Ook onderscheidene andere gebouwen, zoo als b.v. het postkantoor, hadden torens. Over het geheel getuigt Malmö, welker uitbreiding van de laatste jaren dagteekent, van gevoel voor het schoone. Niet alleen zag ik aan het stadhuis, op oen ruim plein staande, fraai beeldhouwwerk, maar ook in eene restauratie vond ik eene vloer van mozaïek, canapés staande onder een hemel met spiegels er boven achter, terwijl ook ijzeren schommelstoelen bij de marmeren tafeltjes ge-plaats waren.

Tot mijne blijdschap vond ik deze restauratie niet zeer bezocht. Immers, hoe gemakkelijk en noodig zulk eene inrichting voor den reizende is, het blijft te bejammeren, als de stedelingen daar heengaan, in plaats van hun vreugde te zoeken in eigene woning. Het huisgezin is eene instelling Gods, en al stel ik het voorrecht op prijs, dat ik gewoonlijk des zomers eenigc dagen vacantie mag hebben, en alsdan, meer dan anders, van natuur en kunst mag genieten, toch herinner ik mij niet, ooit op reis te zijn geweest, zonder dat weder de gedachte bij mij levend werd: »oost west, thuis best!quot;

Heilbiddend, ook voor uw huiselijk genot, dat eerst daar recht wordt genoten, waar ook de Heere telkens Zijne zalige tegenwoordigheid laat ervaren, en Hij de groote Huisheer is, ben ik

Uw lief h. vriend en broeder in J. C.

S. A. VAN DEN HOÜKN.

Tiel, 27 Maart '85.

ocr page 75

71

XIII.

Geliefde Broeder!

Heb ik U in mijne beide voorgaande brieven bezig gehouden met een en ander, wat ik buiten do Alliantie te Koppenhagen en hare omstreken zag, thans wensch ik U in den geest tot hare vergaderingen terug te brengen.

Donderdag namiddag spraken Domheer Anderson (M. A.) uit Bath en Dr. Conder uit Leeds over de »Overeenstemming tusschen wetenschap en Openbaring.quot; Menigeen, die meent, dat de tegenwoordige wetenschap in strijd is met Gods Woord, had hier die meening op krachtige wjjze kunnen hooren weerleggen.

Des avonds voerde Pastor Munch uit Christiana het woord over Christelijken moed en standvastigheid in het dagelijksch leven, terwijl het werk dor Zondagsscholen besproken werd door Dr. John Hall uit New-York, en door den Heer Fountain J, Hartley uit Londen, Secretaris der Zondagsschoolvereeniging aldaar.

Des Vrijdags morgen moest ik weer kiezen tusschen zaal A en B.

In zaal A moest eerst optreden Dr. Marshall Lang uit Glasgow, daar deze, vanwege het lange spreken van Prof. Christlieb, op Woensdag niet aan het woord had kunnen komen, en dat over hetzelfde onderwerp als genoemde Bonner Hoogleeraar, n.1. »De Godsdienstige onverschilligheid onder de verschillende standen en de beste middelen om deze te bestrijden.quot; Daarna zou Ds. R. S. Ashton, B. A. uit Londen, handelen over ))de roeping in het Rijk Gods , om mild te geven voor het werk des Heeren.quot; Vervolgens had Dr. Gerth van Wijk uit 's Gravenhage te spreken over «den arbeid der Christelijke liefde in Holland,quot; terwijl eindelijk mededeelingen zouden geschieden van dien arbeid in Denemarken.

In zaal B zouden verschillende sprekers het woord

ocr page 76

72

voeren over de «Christelijke verantwoordelijkheid in betrekking- tot de toenemende onzedelijkheidquot;, n.l. Pastor Hoick, Dr. Dalton uit Petersburg en Pastor Stoeker, het lid van den Duitschen Rijksdag, bekend o. a. door zijn strijd tegen de Socialisten. Daarna zou Pastor lleisekiel uit Maagdenburg een overzicht geven over den Christelijken liefdearbeid in Noord-Duitschland, en Pastor Kotschy over dien in Zuid-Duitschland en Oostenrijk.

Hoeveel lust ik ook had om den beroemden Hussischen Godgeleerde te hooren, evenzeer als den deels hoog ge-vierden, deels fel bestreden Berhjnschen Hofprediker, toch meende ik, dat het vaderlandsch bloed, gevoegd bij persoonlijke kennis, de boventoon moest hebben.

Ging ik dus ook eerst naar zaal B, het was om er niet langer te blijven, dan totdat Dr. Gerth van Wijk aan het woord kwam. In zaal B vernam ik, dat Ds. Stoeker niet spreken zou. Ben ik goed ingelicht, dan is deze predikant niet weggebleven, om de mindere hartelijkheid tusschen Duitschland en Denemarken; daar de Denen nog niet vergeten hebben, dat hun Sleeswijk-Holstein door Pruisen in geannexeerd; maar moet do voornaamste reden elders zijn te zoeken. In Denemarken zijn n.l. vele Socialisten, en men vreesde, dat de komst en het optreden van een fel bestrijder hunner beginselen, zooals Stoeker, tot botsing zou leiden.

Het rationalisme en liberalisme, waarin de Deensche Staatskerk verzonken is geweest, heeft n.l. ook daar velen tot het Socialisme gebracht. Gelukkig is er ook anderzijds meer beslistheid gekomen. In een spoorwegstation werd mijne aandacht getrokken door een Deensch Nieuw Testament, dat mij, bij inzage, bleek hot eigendom te zijn van het Britsch- en Buitenlandsch Bijbelgenootschap, hetwelk het daar ter lezing gaf. In verband met een en ander herhaal ik hier gaarne, wat de heer I. Esser in Maranatha van 15 Jan. 1884 schreef, onder het opschrift «Nuttigheid der goddeloozen.quot;

ocr page 77

73

»In Denemarken meende men 20 jaren geleden, dat drie a vier duizend exemplaren van den Bijbel voldoende zouden zijn voor het gebeele volk. Op meer debiet rekende het Britsch Bijbelgenootschap er niet. In 1833 verspreidde het er echter 40.000 exemplaren of ruim 50Ü0 meer dan eenig vroeger jaar, Waaraan is dat toe te schrijven? Aan de omstandigheid, dat Godloochenaars, vrijdenkers en Socialisten, en onder deze allen, mannen van talent en van naam , openlijk verkondigen , dat er geen God, geen Zaligmaker, geen eeuwig leven is. Dat stout optreden van het ongeloof heeft Godsdienstige opwekking veroorzaakt. Leeraren wekken mannen en vrouwen op, om den goeden strijd voor het geloof te strijden, en allerwege grijpt men weder naar den ouden Bijbel!quot;

Van die opwekking werden de bewijzen gehoord en genoten door hen , die te Koppenhagen ter Alliantie waren ; genoten in de hartelijke ontvangst; gehoord in hetgeen aan het einde van den Vrijdagmorgen in zaal A werd medegedeeld.

Gelijk ik zeide, was ik eerst naar zaal B gegaan, waar over de onzedelijkheid werd gesproken. Dr. Dalton liet zich daarbij op dezelfde wijze hooren, zooals wij dat in ons land gewoon zijn van Ds. II. Pierson te vernemen, opkomende voor do rechten der vrouw, die aan een schandelijk onderzoek wordt onderworpen, opdat de man met te meerdere vrijmoedigheid zijn lusten zou durven botvieren.

Van zaal B ging ik naar zaal A, toen Dr. Gerth van Wijk aan het woord kwam. Hij sprak in het Duitsch, Een goed deel zijner rede was gewijd aan don strijd, dien wij op het gebied van het lager onderwijs hebben te strijden. Maar, hoewel hij den vreemdeling niet wilde vermoeien met den kerkelijken strijd, die daarmee samenhing, wilde hij toch ook niet verzwijgen, dat eene Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag was verrezen. Verder werden verschillende Christelijke inrichtingen van

ocr page 78

74

liefdadigheid genoemd, en zoowel het bestaan vermeld van het Nederlandsch Werkliedenverbond «Patrimoniumquot;, als de pogingen, welke werden aangewend, om eene »Yereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders ^)quot; op te richten. Daar de spreker eene Hollandsche vertaling zijner rede in ))De Herautquot; heeft gegeven, acht ik verdere mededeeling onnoodig.

Grenoot onze landgenoot de eer, om in de groote zaal te spreken, des te meer kwam het nu ook uit, dat er moed toe behoort, om over een klein landje, als het onze, in zulk eene vergadering van verschillende natiën, het woord te voeren. De hoorders tocli waren betrekkelijk zeer weinige, en daarom was ik te meer blij, dat ik althans mij niet elders bevond.

Des namiddags was er geene samenkomst, en had ik alzoo te beter gelegenheid, iets buiten de Alliantie te gaan bezichtigen. Dat ik die gelegenheid niet ongebruikt heb gelaten, is U gebleken uii hetgeen ik reeds vroeger meedeelde.

Des avonds spraken eerst Pastor RindHeisch uit Dantzig en Pastor Dalhoft' uit Koppenhagen over «onmatigheidquot;, en vervolgens Dr. Gritton uit Londen en Pasteur Halm uit Grenève, over »de beteekenis en den invloed van den Zondagquot;.

Was er herhaaldelijk geklaagd, dat de referaten te lang waren, zoodat er geen tijd voor niet-officiëele sprekers overbleef, dezen avond waren de voordrachten wat korter, zoodat ook nog aan Dr. Hardly uit Londen het woord kon worden verleend.

Ook werd ons dien avond nog voorlezing gedaan van een brief, vroeger door de Koningin van Denemarken geschreven.

Het doel der Evangelische Alliantie is aan de eene zijde, om, te midden van de verscheidenheid der Kerken

(') Thans door Gods goedheid tot stand gokonien.

ocr page 79

75

van de Hervorming, de diepere en hoogere eenheid in Christus te openbaren, overeenkomstig het Iloogepriester-lijk gebed des Verlossers (Joh. 17 : 20, 21); en aan den onderen kant, om alle uiterlijke vervolging om des geloofs wil tegen te gaan. De inhoud van genoemden brief had betrekking op hot laatste. De Evangelische Alliantie heeft n.1. tot een gezegend middel mogen dienen ter bevrijding van de Madiais in Florence, en van Matamoros, Alhama, Trigo, en anderen iu Spanje. De naam van Matamoros staat mij nog levendig, uit mijne kinderjaren, voor de aandacht, Nog herinner ik mij, hoe mijne geliefde moeder eene Israölietische buurvrouw en nog eene andere Joodsche dame wist te bewegen, het adres om diens bevrijding mede te teekenen, gelijk ik ook nog weet, met welk eene opgewektheid mijn oudere, thans in den Heere ontslapene broeder van het eerste Nationale Zendingsfeest weerkeerde, en meedeelde, dat hij Matamoros had gezien, die om des geloofs wil zoo zeer vervolgd was geweest. Welnu, ten behoeve van dien Matamoros en zijne medegevangenen , had de Koningin van Denemarken aan die van Spanje een brief geschreven, waarin Hare Majesteit aandrong op bevrijding o.a. door er op te wijzen, hoe ook in haar land vrijheid van Godsdienst bestaat.

Yan dien, in 't Fransch geschreven brief werd ons voorlezing gedaan.

Heeft de Evangelische Alliantie vroeger gepleit voor vrijheid van verdrukte Protestanten in Zweden, Oostenrijk en Rusland, op deze achtste vergadering werd eene motie aangenomen, in beirekking tot het Heilsleger van Generaal Booth, en de vervolgingen, welke het in Zwitserland heeft te verduren gehad. Deze motie, welke naar den Zwitserschen Bondsraad zou worden gezonden, luidt aldus : »De Evangelische Alliantie, zich onthoudende van uitspraken in betrekking tot de methodes van evangelisee-ren, door het Heilsleger gebruikt, protesteert tegen de schending der Godsdienstvrijheid, onlangs in Zwitserland

ocr page 80

70

gepleegd , bij gelegenheid der bijeenkomsten van dat Heilslegerquot;.

Gij weet, dat ik mij met de methodes van dat leger niet kan vereenigen, maar toch zult gij met mij het beginsel dezer motie goedkeuren. Immers, de Heiland heeft nadrukkelijk gezegd : ))Allen , die het zwaard nemen , zullen door het zwaard vergaanquot;.

Met de bede , dat wij hoe langer hoe meer mogen beseften, dat Gods Woord het beste zwaard is tegen on-en bijgeloof, en dat wij veel mogen ervaren: »Niet door kracht of geweld, maar door Gods Geest zal het geschiedenquot;, ben ik, heilbiddend,

Ulo liefh. en dienshv. br. in J. C.

S. A. van den Hoorn.

Tiel, 19 Mei 1885.

__ \

XIY.

Geliefde Broeder!

Eer ik U een en ander mededeel van hetgeen Zaterdag behandeld werd, wil ik U nog zeggen, dat Vrijdagavond nog een brief werd voorgelezen van Prof. Schaft', waarin deze datgene herriep, wat hij in zijne rede had gezegd, in betrekking tot Duitschland en Denemarken, en den Denen minder aangenaam had toegeschenen.

Vele bladen, ook in ons land, hebben het doen voorkomen , alsof de politieke verhouding tusschen beide genoemde Rijken voor velen op de Alliantie iets gespannens had veroorzaakt. Wij willen niet verzwijgen, dat er betrekkelijk weinig Duitschers waren, maar evenmin, dat in deze grootelijks is overdreven, 't Was zeker wol opmerkelijk , dat de hoofdinhoud der Deensche redevoeringen niet in 't Deensch, maar in 't Engelsch werd weergegeven, doch dit is zeer begrijpelijk voor hen, die er op letten, dat er 5 Engelschen waren tegen 2 Duitschers,

ocr page 81

77

Ook het minder aangename voor Denemarken in de rede van Prof. Schaftquot; is zeer overdreven. Gij zult dit zelf begrijpen, als gjj er over nadenkt, dat de Koninklijke familie niet alleen do rede van Dr. Schaft ten einde toe heeft aangehoord. maar zelfs in do zaal bleef (om Prof. Monod te hooren), nadat zij den hoofdinhoud dier rede in het Deensch hadden hooren weergeven.

Gelijk ik U vroeger schreef, er was op de Vergadering een geest van liefde en eendracht. Wel gaven de Noren van hunne instemming met het gehoorde geen blijken door applaus of luide bijvalsbetuigingen, gelijk de Engelschen, maar toch zag ik menigen handdruk geven, om hetzelfde gevoel in stilte aan te duiden. Zelfs Noorsche vrouwen gaven hare echtgenooten getuigenis van haar genot. Meermalen merkte ik, dat eene predikantsvrouw , die haar arm vertrouwelijk om den schouder baars mans had geslagen — gij bemerkt hieruit, dat do Noordsche beschaving niet aan de Pransche gelijk is — krachtig op dien schouder drukte, bij het vernemen van eene treftende gedachte.

Zulke gedachten werden des Zaterdags meermalen gehoord.

's Morgens sprak in zaal A, Dr. Murray Mitchell uit Edinburg over ))de roeping der Christelijke Kerk in betrekking tot de uitwendige Zendingquot;, en Dr. L. B. White uit Londen over ))de Christelijke literatuur als middel om de Zending te bevorderenquot;. In zaal B. zou Pastor de le Roi uit Elberfeld zich doen hooren over »de Zending onder de Jodenquot;, en onze landgenoot Dr. van lihijn. Emeritus-predikant te Doetinchem (die in de gedrukte ledenlijst stond aangeduid als Professor van Rhijn uit Dretschen) over »dc Zending in de Ilollandsche Koloniënquot;.

Ik moest alzoo weer het een of ander verzuimen. Daar ik op de heenreis voor een deel het genoegen van Ds. de le Boi's gezelschap had gehad, en Dr. van Rhijn mijn landgenoot is, besloot ik, mij naar zaal B. te begeven. Moest ik alzoo de belangrijke voordrachten van een in de Heiden wereld zoo goed bekend Godgeleerde als Dr. Mur-

ocr page 82

78

ray Mitchell, en van den bekenden Secretaris van liet door heel de wereld heen arbeidende Londensch Traktaatgenootschap missen, dit gemis werd een paar dagen later, althans eenigszins, op verrassende wijze vergoed, toen ik juist met dit tweetal logeerde bij den algemeenen Secretaris van de Achtste Vergadering der Evangelische Alliantie, proost Vahl.

In zaal B nu sprak eerst Ds. de le Roi. Deze, die als leeraar onder Israël bekend is , en in ons land geen vreemdeling kan heeten, begon met de mededeeling, dat hij gevraagd was, om te spreken over de Zending onder de Joden. Dit veld was echter zoo groot, dat hij zijn onderwerp had beperkt, en nu als zijn onderwerp wenschte aan te geven: »de tegenwoordige verhouding der Joden tot de Christenheid, gebracht onder het gezichtspunt der Zendingquot;. De verschillende Vereenigingen voor Israël werden daarbij niet vergeten. Uit ons land werd zoowel de Zending onder Israël van do Christelijke Gereformeerde Kerk genoemd, als do Nederlandsche Vereeniging voor Israël. Opmerkelijk is het, dat ook voor Ds. de le Hoi de Zending, uitgaande van de Kerk, ideaal is. Ik acht het een gelukkig verschijnsel, dat, gelijk Prof. Christlieb in betrekking tot de inwendige Zending, zoo ook Ds. de le Hoi in betrekking tot de Zending onder Israël, het noodig acht, om verband te brengen tusschen Zending en Kerk. Alleen in dien weg toch heeft de Zending een vaste bodem, en weet tevens, waarheen zij hare geredden moet honen leiden, om dezen te verbinden met de zich openbarende Gemeente der geloovigen.

Vergun mij dezen te eindigen met de bede, dat de noodzakelijkheid der Kerkelijke Zending hoe langer hoe meer worde beseft.

Uw lief li. om dienstw, hr. in J. C.

S. A. van den Hoorn.

Tiel, 20 Mei 1885.

ocr page 83

79

XV.

Geliefde Broeder!

Na Ds. de le Roi trad Dr. van Rhijn op, die, geljjk gij weet, persoonlijk in de Hollandsche Koloniën kennis heeft genomen van den Zendingsarbeid aldaar. Ook hij sprak in het Duitsch. Zou het Hollandsch door bijna niemand zijn verstaan, indien men de zaak, door verberging der waarheid, kon veranderen, zou ik wel gewild hebben, dat hij in deze taal had gesproken, 't Is toch een schande voor het Christelijk (?) Nederland, wat hij daar moest zeggen. Vroeger ging Godsdienst voorop, gevolgd door het recht, en kwam handel in de laatste plaats, in het gevolg van den Gouverneur-Generaal; thans is het juist andersom. Maar al te waar is het bekende gezegde , dat de Nederlander onder de linie zjjn Godsdienst verliest. Ja, er wordt voor de uitbreiding van Gods Rijk wel iets gedaan in onze Oost, van uit Nederland en van uit andere landen, maar veel, veel te weinig. Toch is de Zending geen onvruchtbare arbeid. Dit is zij ook niet geweest in onze Oost. Denkt aan Minahassa! Professor De Vriese, wiens getuigenis, als van een tegenstander der Zending, in dit opzicht te meer waarde heeft. Prof. De Vriese getuigde: »Als ik de Heidensche Alfoeren vergelijk met de Christenen in de Minahassa, dan ben ik bij de laatsten als in een Eldorado.quot; En nog dit jaar noemde een koopman deze Heidenen van weleer, met hunne tegenwoordige kleeding, een model van een Indisch volk.

Des namiddags was er geene samenkomst.

Des avonds had de laatste plaats. De groote zaal (A) was gevuld, 't Was een plechtige ure. Eerst sprak Dr. Clemance uit Londen , over den doop des Heiligen Geestes, en daarop volgde het slotwoord van den grijzen Dr. Kalkar , die een historisch overzicht gaf van de Evangelische

ocr page 84

80

Alliantie, en haren invloed op en bevordering' van de Christelijke eenheid en Godstdienstvnjheid. Dat die twee en tachtigjarige leeraar in de laatste drie maanden vóór de Alliantie ruim 2000 brieven heeft geschreven, bewijst niet alleen zijne jeugdige kracht, maar geeft ook getuigenis van zijn warm hart voor de zaak der Alliantie. Die warmte bleek ook in zijne slotrede Geen wonder! Hij is een getrouw bezoeker der Alliantie.

Na lang bidden, wikken en wegen werd in 1840, door voorname geestelijke voorgangers uit de vele verschillende kerkgenootschappen in Engeland, een verbond of alliantie gesloten, door gemeenschappelijke aanneming van negen fundamenteele leerstukken, en alzoo den grondslag gelogd voor de samenkomsten, welke sedert te Londen, Parijs, Berlijn, Genève, Amsterdam, New-York en Bazel gehouden zijn;

Thans liep ook de samenkomst te Koppenhagen ten einde.

In de sluitingsrede begon genoemde Voorzitter zijn levendigen en ootmoedigen dank te betuigen aan God, den Vader van onzen Ileere Jezus Christus, in Wiens Naam wij wilden eindigen, Vervolgens wees hij er op, dat het doel der Alliantie was en is, om de waarheid te betoonen van het aloude: Ziet, hoe goed en hoe liefeljjk is het, dat broeders ook samenwonen (Ps. 133: 1)! Het Christendom is eene macht, welke de harten vereenigt. Dit is ook gebleken in de Evangelische Alliantie, wier eerste samenkomst reeds door den spreker is bijgewoond. In hare verschillende samenkomsten zijn heerlijke redevoeringen en hartelijke gebeden gehoord; er zijn woorden van schuldbelijdenis en van verootmoediging vernomen, maar ook is, tot bemoediging in den strijd, gewezen op den grooten en machtigen Koning Zijner Gemeente. Onderscheidene Christenhelden, die op de vergaderingen gesproken hebben, zijn niet meer; Chalmers en Krummacher, Tholuck en d'Aubignó, Adolf en Frederik Monod, van Oosterzee en Cohen Stuart rusten in het graf. Doch de behoeften,

ocr page 85

81

welke zjj gekend hebben, zijn niet ten grave gedaald. Ja, wanneer was Evangelische Alliantie meer noodig dan thans? Verdeeldheden verzwakken, en juist in onze dagen worden Jeruzalem's poorten door list en geweld, door verguizing en snijdenden spot, aangevallen. JJe machten der hel ontplooien het vaandel, voorgevende,

dat zij de wereld zullen verbeteren door......dynamiet,

en het menschdom zullen bekeeren door..... dolk en

revolver.

Laat ons elkander dus niet, gelijk de Joden ten tijde der belegering van Jeruzalem, door inwendige verdeeldheid verteren!

De spreker verheugt er zich over, dat hij lid is eener zijns inziens nog zuivere nationale kerk. Toch erkent hij de opoffering en den gewetensstrijd dergenen, die haar moesten verlaten. Omgekeerd, wenscht hij ook, dat men niet met verachting op de moederkerk neerzie. En dat er behoefte is aan openbaring der hoogere eenheid, daarvoor getuigt het bestaan der Alliantie, wier samenkomsten, te Koppenhagen ook, de Heere genadiglijk moge achtervolgen met Zijnen zegen, opdat de eenheid in Christus hoe langer hoe duidelijker worde, en het besef er van sterke en bemoedige in den strijd en arbeid van Gods Koninkrijk.

Het warme woord van Dr. Kalkar scheen tal van harten in vlam te hebben gestoken; althans, na het eindigen zijner rede, werd door onderscheidene sprekers het woord gevraagd. Dit kon echter slechts aan een paar worden verleend, daar men ons in de hoofdkerk van Koppenhagen wachtte. Na plechtige sluiting gingen wij dan ook, te 9 ure ongeveer, daarheen. Ik heb u reeds een en ander van die kerk, Onze Lieve Vrouwe Kerk (Frue-Kirke) meegedeeld, en voeg er thans alleen aan toe, dat ook bij de gasverlichting rekening is gehouden met de Christelijke kunst. Het Christusbeeld was n.1. omgeven van een zee van licht; ongeveer 4 maal 75, dus 300 vlam-

0

ocr page 86

82

men! Tegenover dien vuurgloed was het overige der kerk als in het duiater.

Treffend beeld, niet waar? van onze roeping! Zelfs de Apostelen waren als niet verlicht, in vergeljjking van den Christus ; en wie zijn wij tegenover de Apostelen ? O , wat moest ons leven niet meer wezen, in overeenstemming met hetgeen in die Frue-Kirke wordt gezien! Het is mij nog, als zie ik dat gansche gebouw in schemering gehuld, en Christus in het volle licht. Toen de verheerlijking op den berg had plaats gehad, zagen Petrus, Jacobus en Johannes niemand meer, dan Jezus alleen. Jezus alleen, Jezus in het volle licht, welk eene rijke gedachte! In het licht van Zijn reinigend bloed verliezen wij den last onzer schulden. In het licht van Zijn vrede verdwijnt de onrust der aarde. In het licht Zijner Majesteit vragen wij alleen naar Zijnen wil. In het licht Zijner liefde worden wij tot wederliefde genoopt. In het licht Zijner heerlijkheid gevoelen wij ons gesterkt in den strijd.

Alle gaven en krachten den Ileere gewijd! Die gedachte vervulde mij op genoemden Zaterdagavond in Koppenhagen's hoofdkerk, üaarop wees ook het schoone gezang en de liefelijke toonen, welke toen voor de bezoekers der Alliantie ten gehoore gegeven werden.' Gelijk te Röskilde, zoo werd ook hier te genieten gegeven. Daar ik echter over het concert te Röskilde U reeds een en ander heb meegedeeld, haast ik mij U nog iets te melden van den Zondag, dien ik te Koppenhagen doorbracht.

Nadat ik een bidstond had bijgewoond, ging ik naaide reeds meermalen genoemde hoofdkerk, ten einde eene Deensche Godsdienstoefening bij te wonen.

Hoewel ook andere belijdenissen (behoudens toezicht op zedelijkheid) geoorloofd zijn in Denemarken, is toch byna alles Luthersch. De Deensch-Luthersche Kerk heeft meerdere ambten en eene rijkere liturgie, dan de Gereformeerde. De voorlezer heet deken, en boven de priesters zijn

ocr page 87

83

proosten en bisschoppen. De laatste dragen boven de toga een wit kleed, en op dit witte kleed een breede kraag van paarsch fluweel met gouden kruis, zooals de Roomsche priesters. Voor en na elke predikatie worden de Artikelen gelezen, gevolgd door het »Amen!quot; der Gemeente en van het zangkoor. Ook hoort men het »Onze Vaderquot; meer dan eenmaal bij elke preek. Natuurlijk had een en ander voor mij iets vreemds. Wat ik echter zeer plechtig vond, was het opstaan van allen, zoo dikwerf een gedeelte van Gods Woord werd gelezen. Dit lezen maakt daar, veel meer dan in ons land, een wezenlijk deel uit van de Godsdienstoefening. Reeds bij het eerste lezen waren allen tegenwoordig. Helaas, is dit in ons land dikwerf anders. Velen beschouwen het Bijbellezen als eene tijdkorting voor degenen, die wat vroeg in de kerk zijn Anderen luisteren nauwelijks naar hetgeen gelezen wordt, en zullen het, veel minder nog, opzoeken. Nog anderen toonen uitwendig weinig eerbied voor het Woord Gods. Daartegenover vond ik het zeer eerbiedig , gelijk ik U vroeger schreef, dat allen gingen opstaan bij het lezen van een gedeelte der Schrift.

De Deensche kerkboeken zijn ingedeeld naar het kerkelijk jaar, en reeds vóór liet begin der Godsdienstoefening zag ik onderscheideneu bezig met het lozen der pericopen voor den Zondag (den 13den na Triniteits-Zondag). Daar ik reeds een half uur voor het begin aanwezig was, had ik in de zeer bezette kerk eene goede plaats. Zelf was ik niet in het bezit van een Deensch kerkboek, maar mij werd welwillend inzage gegeven.

Het onderwerp der prediking was de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan. Terwijl de geplunderde en geslagene het uitgangspunt was der beschouwing, werden wij vermaand op hem te letton;

a. op zijn verloren toestand en ook op den onze;

h. op zijne redding, en op de redding, welke daar voor ons is in Christus Jezus. Zalig, zoo wij waarlijk hooren

ocr page 88

84

on verstaan, wie Jezus is, van wien Pitatus zeide: »ziet, de tnensch!quot;

c. wij moeten uitgaan , om , in navolging van den barm-hartigen Samaritaan, en bovenal in navolging van Jezus Christus, het verlorene te zoeken.

De prediking duurde drie kwartier (de altaargang had ten 9 uur plaats; de eigenlijke Godsdienstoefening begon ten halftien, en de prediking kwart over tien), waarna de liturgische dienst werd voortgezet. Eiken Zondag is er gelegenheid om Nachtmaal te houden, en elke priester heeft zijne zoogenaamde biechtkamer bij zijne kerk, waar men hem over geestelijke belangen komt spreken (Priester Prior heeft mij de zijne laten zien, welke, geheel anders dan do Roomsche biechtstoelen, niets van eene gewone spreekkamer onderscheiden is).

Uit de kerk komende, werd ik droevig aangedaan door het zien der geopende winkels. Volgens de Deensche Zondagswet moeten alleen die bedrijven van 9 tot 4 uur stilstaan, welke hinderlijk zijn voor den eeredienst. Er waren bijna geene geslotene winkels. Trouwens, in Lu-thersche landen vindt men algemeen slechts weinig, wat aan den Rustdag doet denken.

Aangejiaam was het mij daarentegen , dien avond tegenwoordig te zijn in het Evangelisatielocaal voor zeelieden. De meergenoemde priester Prior had de leiding der vergadering , waar verschillende sprekers het woord voerden, en onderscheidene dames door orgelspel en zang het alge-meene lied steunden. Ik had daar ook het genoegen in kennis te komen met Dr. Dalton uit Petersburg. Deze Godgeleerde , wiens werken in verschillende talen (ook in het Hollandsch) worden overgezet, houdt zich ook bezig met Evangeliesatiearbeid onder de zeelieden in Rusland. Mijne kennismaking, als Secretaris van «Filippusquot;, met Dr. Dalton en met Ds. Prior heefc ten gevolge gehad, dat thans traktaten van »Pilippusquot; ook verspreid worden onder de Hollandsch sprekende matrozen , welke de

ocr page 89

85

Oostzee bezoeken, en Koppenhagen of Kroonstad aandoen.

Na het eindigen der samenkomst maakte ik gebruik van de uitnoodiging, om het overige van den avond bij priester Prior door te brengen. Dat was daar een genoeglijk, ik mag wel zeggen «internationaalquot; avondje, aangezien onderscheiden natiën vertegenwoordigd waren, terwijl de gastvrouw, niet minder dan de gastheer, het ons zoo aangenaam en onderhoudend mogelijk trachtte te maken. Bij het afscheid voegde een Hollander mij toe: «laten wij elkander nu maar eens in onze moedertaal groeten!quot; Gaarne voldeed ik hieraan, en ik dacht nog meermalen aan dien groet, aangezien meer dan drie dagen verliepen, eer ik weder een Hollander sprak.

Zeker, het reizen in den vreemde heeft ook zijne schaduwzijde. Maar daarom wil ik het niemand ontraden, vooral niet, als het in verband staat met eene vergadering, als ik te Koppenhagen mocht bijwonen. Integendeel, ik zou zelfs zeggen, voor hem althans, die geen vreemdeling is van de moderne talen, is het wel eenige opoffering waard. Het verruimt den blik, verlevendigt den ijver, staalt den moed, en biedt vele genietingen. Vraagt men, waar dè volgende vergadering der Alliantie zal worden gehouden, zoo kan ik daarop niet met zekerheid antwoorden.

Naast Denemarken was Zweden het sterkst vertegenwoordigd te Koppenhagen. De predikanten van de Zweed sche landskerk trokken op de Alliantie de aandacht, door dat zij altijd een klein befje met zwarten predikrok dragen. Is het door mij gelezen bericht juist, dan zal de volgende samenkomst wel te Stockholm plaats hebben, en anders waarschijnlijk te Londen.

In elk geval hoop ik, dat ook gij er dan zijn moogt. Doch ook in dezen weten wij te zijn in de hand des Heeren.

Hoe die hand mij van Koppenhagen veilig huiswaarts

0*

ocr page 90

SG

heeft geleid , hoop ik U in den volgenden brief te melden , welke dan tevens de laatste zal wezen over deze reis. Heilbiddend,

Uw liefh. en dienstw. hr. in J. G. S. A. van den Hoorn.

Tiel, '18 Juni 4 885.

XVI.

Geliefde Broeder!

üit Koppenhagen vertrekkende, kwam ik in eeno zelfde coupé te zitten met den algemeenen Secretaris der Alliantie, Proost Vahl, met Dr. Murray Mitchell en met Dr. L. B. White, van welke beide laatsten ik ü in mijn voorlaatsten brief sprak. Op dringende uitnoodiging van Proost Valil, bij wien deze broeders zouden logeeren, stapte ik te Nevsted mede uit, van waar wij in diens rijtuig naar zijne pastorie te Karebaek reden, altijd nog op hetzelfde eiland, waarop Koppenhagen ligt (n.1. See-land). Deze pastorie is zoo groot, dat zelfs mijne Engelsche medegasten zeiden, zoo iets in hun land niet te kennen. Niet alleen het met 2 paarden bespannen rijtuig, dat ons door eene heerlijk golvende landstreek huiswaarts had gebracht, behoorde tot de pastorie, maar ook eene zoo groote boerderij, dat men er bezig was met eene stoommachine te dorsohen. Huizen, stallingen en schuren waren gebouwd rondom een groot, vierkant plan, welks ééne zijde werd ingenomen door de niet hooge, maar toch groote pastorie. Deze gebouwen lagen boven aan eene langzaam afhellende strook gronds, die begrensd werd door een fjord (een zeeinham). Ik ken in ons land onderscheidene schoon gelegen pastoriün, wier heerlijk lommer u bekoort.

ocr page 91

87

Maar nooit zag ik eene , zoo liefelijk gelegen , als die te Karebaek. Achter de pastorie heeft men eerst een groote tuin, waar heerlijke bloem- en grasperken afgewisseld worden door verschillende, hoog opgaande hoornen en lagere struiken. Onze wandeling van daaruit voortzettende, kwamen wij in een grooten tuin voor allerlei vruchten. En aan het einde van dezen kwamen wij in een weiland, dat wij niet geheel afliepen, anders hadden wij daar gestuit tegen den vischrijken zeeinham , waar tal van scheepjes zich vertoonden.

Te midden van zulk een overvloed werden de ellendigen niet vergeten. Had ik te Koppenhagen geene gelegenheid gehad het diakonessenhuis te gaan bezichtigen , hier vond ik er eene tak van. Nabij de pastorie (gelijk ook op andere plaatsen in Denemarken) is een huis, waar eene diakones woont, welke zooveel mogelijk zich bezig houdt met Christelijken liefdearbeid, terwijl in dat huis tevens een klein weeskindje verzorgd werd.

Dat Proost Vahl eenige leden der Alliantie uitgenoodigd had, hem naar zijne pastorie te vergezellen, had eene bijzondere aanleiding. Dien dag n.1., en wel ten 3 ure, zou in zijne Gemeente het kerkelijk oogstfeest (onze aloude dankdag voor het gewas) worden gehouden, en nu wilde hij gaarne, dat de leden Zijner Gemeente ook iets zouden hooren uit den mond van eenigen dier buitenlandsche dienaren Gods, die in zoo grooten getale het Deensche vaderland bezochten. Hoewel het verzoek, om mede een woord te spreken, mij wel wat onverwacht overkwam, meende ik toch, tegenover al de mij bewezene vriendschap, niet te mogen weigeren, gelijk de genoemde Engelsche broeders het reeds vroeger hadden aangenomen.

Tegen 3 uur vertoonden zich tal van rijtuigen op het plein der pastorie. De paarden werden in de stallingen geplaatst. Proost Vahl en Priester Levinsen, welke laatste reeds mede in de pastorie woonde, daar hij met eenige

ocr page 92

dagen Proost Vahl in de pastoralen arbeid te Karebaek zou opvolgen, kleedden zich in ambtsgewaad. Onder het luidde der torenklok gingen wij ten 3 ure de kerk binnen. Deze was vol volks, eene aandachtige schare. Elke bank was, aan de zijde van het pad, met bloemen en rijpe, volle korenaren gevuld. Proost Vahl, Priester Levinsen, Dr. Murray Mitchell, Dr. L, B. White en ik namen plaats voor het altaar, waarop naar Deensch-Luthersche wijze een paar waskaarsen brandden , al was het ook nog helder dag tijdens onze Godsdienstoefening. Eerst las de deken. Vervolgens verrichtte Proost Vahl- het overige van den liturgischen dienst, en beklom daarna den kansel. Daarop spraken de genoemde Engelschen in hunne taal, wat in het Deensch werd overgezet. Eindelijk sprak ik in het Fransch (er was niemand, die eenig Hollandsch kende), wat eveneens door «Pasterquot; Levinsen in het Deensch teruggegeven werd. Naar aanleiding van het smaken der eenheid in Christus Jezus, wees ik op de redding, welke daar is door het geloof in Zijn naam. Ik herinnerde er aan, dat wij allen verloren zijn in onszelven, en dat het hesef hiervan noodig is, zoowel om het heil in Christus te begeeren, als om het genot van dat heil, bij Geestes leiding, dankbaar te erkennen, door, in navolging van Jezus Christus, het verlorene te zoeken; enz. enz. Terwijl de vreemdelingen spraken, staken tal van hoorders hunne hoofden vooruit, opdat hun toch geen woord zou ontglippen. En nog dienzelfden avond vernamen wij, hoe sommigen gezegd hadden: »het was als op het eerste Christelijk Pinksterfeest: onderscheidene talen en één Geest.quot;

De avond werd door ons zeer gezellig in de pastorie doorgebracht. Tot die gezelligheid droeg ook de gastvrouw met haar kinderen het hare bij. Deze toch wisten zich ook goed in het Engelsch uit te drukken. Toch werd ik ook nog gevraagd, om in een album het Hollandsche versje te plaatsen, waarop ik des middags in de kerk had gewezen, het bekende:

ocr page 93

89

Good vovloron, iets vüi'loi'cn;

Moetl verloren, voel verloren;

Eer verloren, moer verloren;

Ziel verloren, al verloren.

Verder was hot eon oigonaardig genoegen te bemerken, hoe mannen, dio zelfs in het Syrisch on Arabisch aardig to huis waron, en een waarvan geen vreemdeling was zelfs in het Sanskriet, zich pijnigden om b.v. »'s-Graven-hagequot; en »Schoveningenquot; uit te spreken. Terwijl o. a. Dr. White ons een kijkje gaf op verschillende talen, waarin hot Londensch Traktaatgenootschap lectuur verspreidt; Dr, Murray Mitchell er aan herinnerde, hoe hij zijn Schotsch Kerkgenootschap op de Synode der Chr. Ger. Kerken in Nederland had vertegenwoordigd, en de Denen onderscheidene mededeelingen gaven over het Theologisch, kerkelijk en maatschappelijk leven, vooral uit hun land, was de avond voorbij, eer wij het bemerkten.

Den volgenden dag ging Dr, Murray Mitchell langs een anderen weg naar Schotland terug, terwijl Dr. White en ik van Nevsted, over Masnedsund, Orehoved en Njykö-ping naar Rostock reisden. Masnedsund was het laatste station, dat wij op Seeland ontmoetten. Als doorgaande reizigers reden wij met den trein een eindweegs in zee, op een daarvoor gebouwd havenhoofd. In het midden van dit havenhoofd staat een muur, welke de reizigers, die hier moeten uitstappen , om op de boot naar Orehoved plaats te nemen, tegen wind en golfslag moet beschermen, Nadat wij do Gfroote Belt met de stoomboot doorkliefd hadden, vonden wij aan de overzijde, bij Orehoved, een gelijk havenhoofd Wij plaatsten ons daar in den trein, en reden zoo door het eiland Falstar, dat om zijne vele boomgaarden bekend is , en met recht eene ooftschuur mag heeten, naar Njyköping (paa d. w. z. op Falstar), wel te onderscheiden van andere plaatsen met gelijken naam, in Denemarken (op Seeland) en elders. Van het station te Njyköping reden wij met rijtuig naar do boot,

ocr page 94

90

welke ons naar Rostock bracht. Wij moesten eenige uren op de Oostzee doorbrengen, doch dit was met het schoone weder niet onaangenaam. Tegen het vallen van den avond liepen wij Warnemunde binnen, om vervolgens langs de Warne naar Rostock te varen

Te Rostock kwamen wij ongeveer halfacht aan. Wij logeerden in het Hotel de Russie, midden in de stad. Rostock, dat als sterfstad van onzen landgenoot Hugo de Groot bekend is, is, met zijne schoone, heuvelachtige omgeving , wel waardig bezocht te worden. Het trof mijne aandacht, dat bijna alle winkels reeds ten 9 ure gesloten werden. Als eene eigenaardigheid deel ik U ook mede, dat de kwartieren daar door de groote toren zoowel worden aangewezen als de uren. Eene kleine klok slaat zooveel kwartieren, als in het laatste uur zijn verloopen, en dan slaat de groote klok het uur.

Terwijl Dr. White nog in Rostock bleef, vertrok ik den volgenden ochtend vroeg, om vervolgens eenige uren te Lubeck door te brengen. Juist, toen ik daar was aangekomen, trok eene menigte huzaren met schoone en krachtige muziek uit de stad Lubeck, dat als oude Hanzó-en vrijstad bekend is. Het heeft nog schooner omgeving dan Rostock, terwijl ook de plaats zelve veel meer vertier heeft, vooral door haar zeer uitgehreiden houthandel. Het ligt aan de Trave, niet ver van zee, gelijk daar dan ook , nog meer dan te Rostock, tal van zeeschepen gevonden worden, terwijl ik aan het station meer dan honderd wagens zag, met hout geladen. Van het station naar de eigenlijke stad gaande, komt men langs eene oude poort (een gedeelte van het vroegere bolwerk). Die oude poort is zeer groot en fraai, en van vele torentjes voorzien, terwijl zij tot opschrift heeft: domi concordia foris pax. Dit opschrift, hetwelk ik in de verte kon lezen (gelijk gij weet, beteekent het: de eendracht des huizes is de vrede der deur), mocht werkelijk wel wat meer bedacht en betracht worden.

ocr page 95

01

Eendracht geeft vrede, en , gelijk ook een oud Hollandsoh spreekwoord zegt: eendracht maakt macht.

Te Lubeck vond ik nog iets, wat mij aan het oude Holland herinnerde, n.1. een barbier, die tevens tandentrekker was, en bij wien men voor één mark (ongevee 60 cents) eene aderlating kon ondergaan.

Overigens had Lubeck tal van fraaie winkels naar den nieuwsten tijd, wat my minder boeide dan het zeer schoone stadhuis, met zijne prachtige gewelven onder zijne zalen. Te midden der stad vond ik onderscheidene fonteinen, die een overvloed van frisch water opwierpen , terwijl de prachtige hoornen en het golvend terrein rondom de stad tot wandelen uitlokten. Slechts korten tijd kon ik van die wandelingen genieten, zou ik mijn reisplan voor dien dag volbrengen. Ik stapte dus weder op den trein, na my overtuigd te hebben, dat Emanuel Geibel ook hier in de natuur wel voedsel vond voor zijn dichterlijken geest. Deze Duitsche dichter, die onderscheidene Christelijke liederen vervaardigd heeft, welke hem nog lang zullen overleveren, was in den morgen van den jongst-verloopen Palmzondag in deze zijne geboortestad overleden.

Niet slechts Lubeck's onmiddelijke omgeving, ook andere streken van het Mecklenburgsche geven ruime gelegenheid, om de schoonheden van Gods aardsche schepping te bewonderen. Behalve de stranden der Oostzee, treft men nog andere landschappen aan, die door het water iets aantrekkelijks bezitten. Het Groothertogdom Mecklenburg-Schwerin bezit vele groote en kleine meren, welke, niet minder dan heuvel en dal, het land bijna overal een vriendelijk voorkomen geven, daar zij in den regel door dichte bosschen zijn omringd. Hoewel ik in den trein dit niet in bijzonderheden kon opnemen, heb ik er toch iets van gezien en genoten.

Een gansch ander gezicht dan het gitzwarte water, in de schaduw van het hout, waren de zandheuvelen, welke ik zag, toen wij Wandsbeck genaakten. Dat ik onwille-

ocr page 96

9'2

keurig aan de Wandsbecker-bode dacht, behoef ik U niet te zeggen. Maar wel wil ik U mededeelen, dat ik mij Wandsbeck veel armer en onaanzienlijker had voorgesteld. En dat er veel weelde is, laat zich, bij het uiterlijk aanzien, niet betwijfelen, Ik kreeg zoo den indruk: het ligt bij Hamburg, gelijk Zeist bij Utrecht. Behalve met den trein is er dan ook van Wandsbeck, althans in don zomerdag, over-vloedig gelegenheid van vervoer, ook met den stoomtram.

Ik reisde van Wandsbeck met don spoortrein naar Hamburg, en kwam alzoo aan het Berlijner-station aan.

Reeds vroeger schreef ik U een en ander van deze groote koopstad, welke alleen meer handel heeft dan heel ons land. Daarom zal ik U niet bezig houden met het verhaal van mijn verblijf aldaar, daar ik er niets bijzonders ontmoette, waardig U openlijk te melden, terwijl ik uit Hamburg vertrok van af het Parijzer-station, waar ik ook de eerste maal was aangekomen.

Mijne terugreis, over Osnabruck—Rheine —Oldenzaal„ volbracht ik door Gods goedheid voorspoedig, en had hot voorrecht familie en Gemeente in welstand weer te ontmoeten. Gevoelde ik mijzelven door de reis verfrischt en gesterkt, zoo was het mij ook aangenaam te bemerken, dat velen in mijne Gemeente zich over deze ontspanning mede verblijd hebben.

Moge het U en mij meer en meer door 's Hoeren genade gegeven worden, om al onze gaven en krachten, dua ook al onze genietingen, te besteden in den dienst van hot Koninkrijk Gods, en alzoo ook tot opbouwing der Gemeente, waarover de groote Herder ons heeft gesteld ! ü in elk opzicht Gods gcode in Christus Jezus bevelende, blijf ik gaarne,

heilbiddend,

Uw Hef li,, m dienstw. hr. in J. G. S. A. van dkn Hoorn.

TiA, 2:! Juni 1885.

ocr page 97