ocr page 1

HUGINSELEN

l'.N

rr o i; k o M s t

DOOR

r. VAN BEMMELEN

gt; I I) VAN If KT (i E 11 E Q T S 11 O F T E A II N II E M

NAAR AANLEIDING VAN

P 0 L IT I E K E V 0 0 R U I T Z IG T E N

DOOll

'\WV

. Mr. .1. T. BUYS

1. E I DEN.

— E. 1885.

ocr page 2

■ ■ ■ ' , ■ ■ ■ ' ^ -

■ Wamp;M ;lï«if:l:'

: -'.-■; ' ■ v r::

'■ ;;-.:w,' .'v: ,• y'v'' quot;'ri VS ('

si1 'S: -,. ^'sr'■'v..^ -'^.v ■ '

1 ' igt; ' 1 ' ' / ''' ' . . 1 ' ,

\ - v, . v', , ' ■ .■... v ,■,;■■ ^ .; ,/. .

^ Y,: •■ ■ . '% l' v.' ■, ■ ■■ '•■ , .:^ ^ %■ ' V r^y;' ' ;':r.:!';\ / . V ''![\ -■■lt;:'''■[■''

:mss\a;;r:

■

- -■-■■i' ■:■- r:v;,v-gt; ■.:■•.,■ ■-,

1

\ ': ' ' ■ '.. •■ -

■ I i

■ .0 ■■ •

quot;

,

.

. .■;, i •gt;■ , ;■ , (,,..■■

• ' .

: ^ ' . ' ■, i V

'

, , ..... , . .

i''1 ■■ ' '1 ■■. V ■ c / '

Vi ^ ■.f;, . ';. ■ - -

■•• V'-'V ' .- V ■••'

Ék . .quot; V v '■ ' ■ quot; V . '

■

.

. ■■,■■■., ■ ' ■ ■ . ■■... ■• . . . . ■ iiquot; ■ . ' •• » - , ' ' ■ ' . •■■■■■.■:■ .

■ ■. ,. ■ . i •■ ! ƒ •,: ■ t . .. • ■ . '

quot;■■ ■.■

.

■• • • , ' . ' ' 'v ' i

,

. ■ ■ ■ , ■ ■ ■

1 MM

I V''

.

-4 quot;v -:V «... ■.', . , gt;v'

.

■

■

;

. . , . • ■ - ■ ■. ■ ;

. •

;

■

■ ■ ■

.

V, !■';quot; •; • - . / • gt; ■ ,/ ■ ■ (: ; :v

.

,

,

;

'

.

■ .■ 1 ■ f : ■ ■ '

_________ii

ocr page 3

METIS.

1885. — I.

BEGINSELEN EN TOEKOMST DER LIBERALE PARTIJ

naar aanleiding van „Politieke vooruitzigtenquot; (Gids, n0. 1, 1885) door Prof. Mr. J. T. BUYS.

INHOUD:

BKGIN SICLKN.

bladz.

dc laatste verkiezingen.................3.

de tegenwoordige regering................4.

de financiele quaestie..................4.

de electorale quaestie..................G.

de schoolquaestie...................10.

verdraagzaamheid en staatszorg............13.

TOEKOMST.

stilzwijgen des hoogleeraars...............16.

heeft de liberale partij «uitgewerktquot;? . . ..........17.

haar verleden... anticonservative partij...........17.

haar heden... moderne... antioud-christelijke partij.......19.

liberale unie..................21.

hare toekomst... antiradicale en antisociaaldemokrntisehe partij. . . 22.

hare toekomstige beginselen...............33.

hare toekomstige waarde................25.

independenten.................20.

hare toekomstige verzoening met de oud-christelijke partijen .... 27.

pscr. liberale splitsing ... ...........30,

ocr page 4
ocr page 5

BEGINSELEN.

Het is volkomen overbodig om de publieke aandacht te vestigen op dit nieuwe kerstgeschenk, ons door den hoogleeraar Buys in het veelgelezen tijdschrift „de Gidsquot; geboden. Doch met het oog op de vraag „wat zijn thans de beginselen der liberale partij, en wat mag hare toekomst zijnquot; is het artikel van onzen zoo scherp zienden, voor Onpartijdige kritiek nimmer terugdeinzenden en invloedrijken hoogleeraar op dit kritisch oogenblik te belangrijk om slechts gelezen en niet nader in druk besproken te worden. Tot beantwoording der voormelde vraag kan geen beter punt van uitgang gekozen worden.

Niemand zal verwachten dat de heer Buys ons goude de laatste verbergen belooft. Hij meent evenwel, dat de liberale partij kie/'mgequot; reden van tevredenheid heeft over de laatste verkiezingen,

en dat deze iets goeds voor de politieke toekomst doen verwachten. Hij verheugt zich echter niet in den verkie-zingstrijd tegen de katholieke en protestantsch-orthodoxe partijen gevoerd; van het eenige - negative - beginsel dat de laatste verkiezingen beheerscht heeft, spreekt hij met geen enkel woord. Maar hij prijst de belangstelling dooide liberalen betoond ten aanzien der personen hunner can-didaten. Terwijl zij toch vroeger met de grootste onverschilligheid steeds weder de oude leden inkozen, ontstond er thans eene „geheel spontane bewegingquot; tot uitstooting van de schismatische minderheid der liberale afgevaardig-

ocr page 6

4

den, ten einde „den in den boezem der partij ontstanen factiegeest te onderdrukkenquot;. Het ware moeielijk om met treffender iroaie te doen uitkomen dat de liberale partij geen positief beginsel meer heeft, dan de hoogleeraar het deed door zijne loftuiting, vergezeld van zijn minachtend stilzwijgen over het negative beginsel dat onlangs als electorale leuze dienst deed en thans weder door de amster-damsche „Burgerpligtquot; op den voorgrond wordt gesteld, de tegemvoor- De heer Buys zou het betreuren, zoo het tegenwoordig g S ^ ministerie aan het bewind bleef bij de verplaatsing der meerderheid, en beurtelings twee verschillende meerderheden vertegenwoordigde. Dit bezwaar kan ik niet deelen. Het komt mij voor dat dit kabinet met eere kan aanblijven zoolang de politieke toestand, niettegenstaande den omslag der tweede kamer, blijft wat zij geweest is, d. i. zoolang de liberale en de antiliberale onmagt om te regeren blijven bestaan. Maar het komt mij tevens voor, dat deze regering aan het land een aanmerkelljken dienst bewijst, zoo zij in de gegevene omstandigheden wil aanblijven. Ea zoo denkt n.f. de meerderheid. Dit is zeker, dat zoo het tegenwoordig ministerie voorloopig de school-quaestie laat rusten, het geen gevaar loopt om liberale beginselen te schenden die het vroeger geëerbiedigd heeft. Zulke gevaarloopende beginselen zijn niet aan te wijzen, de flntincieie Zeer weinig optimistisch spreekt de hoogleeraar over de quaestie financiele quaestie. Hij teekent ironisch het contrast tus-schen het verleden, toen men voor onze financien zoo beducht en zoo zorgzaam was, toen de liberale partij de leuze „bezuinigingquot; in haar vaandel geschreven had, en het heden, waarin men zich bij ons reeds gewend heeft om gerust te midden van tekorten te leven, en waarin een deel

ocr page 7

5

der liberalen voor de wassende deficitten ongevoelig blijft, en andere liberalen, hoe zij ook cijferden, geen deficit konden vinden. — ïïoe nu echter ons financieel evenwigt te herstellen? Door nieuwe belastingen? Mr. Buys spreekt er niet van, en schijnt in dit opzigt noch van de antiliberale coalitie , noch van de liberalen iets te verwachten. Door bezuiniging? Te dien aanzien rekent hij niet op de regering; want hij erkent dat „de administratie die de minister tegenover zich heeft, is eene geduchte magt, welker feitelijke beheersching eene taak is tegen welke maar weinigen zijn opgewassenquot;. Het in de laatste jaren gevolgde stelsel van besnoeiing bij gelegenheid van de behandeling der begrooting acht hij bedenkelijk, omdat het bij ongenoëg-zame kennis van zaken en ongenoegzaam oordeel des onderscheids het gevaar van veelvuldige en grove mistasting oplevert. Tevens wijst hij er op, dat zich in dit stelsel openbaart „eene der bedenkelijkste fouten van het moderne parlementarisme, de fout om zonder eerbied voor de zelfstandigheid van andere magten elke daad van gezag tot zich te trekken, onverschillig of die al dan niet in zijne handen pastquot;. De hoogl. ziet slechts- één middel tot besnoeiing der administrative weelde: onbarmhartige afstemming van elke begrooting van ieder departement, waarin zich sporen van weelde vertoonen. Zou echter dit héroique middel niet nog bedenkelijker zijn dan de besnoeiingsmethode? Zal men nog ministers vinden die het met deze afstemmingsmethode willen beproeven? Zal men steeds het koren om het onkruid verwerpen? Waar zal de grens zijn, zoo men meent te mogen en te moeten afstemmen, zoolang de begrooting van eenig departement nog aan weelde lijdt? Ook is het niet alleen op weelde of op „overcomplete per

ocr page 8

6

fectiequot; maar op bureaukratische geldverspilling dat men te bezuinigen heeft. In mijne brochure „Verzoening en herziening, IV, de financiele quaestiequot; wees ik op eene tweede kamer-enquète omtrent „de verminderbaarheid der uitgaven van 's lands bestuurquot;, als het natuurlijk correctief van zekere slechte gevolgen van het liberale parlementarisme. Het lag alzoo op den weg des hoogleeraars, bij het schrijven van dit artikel, om de voorgestelde parlementaire enquête goed of af te keuren, of haar te amenderen, of iets anders in hare plaats te stellen. Doch hij zwijgt. Ook in dit opzigt schijnt hij niets meer te verwachten van de liberale partij ; ofschoon een krachtig financieel programma, en daaronder eene hernieuwde bezuinigingsleuze, aan deze partij thans grooten dienst zou kunnen bewijzen.

De heer Buys meent, dat wij thans inderdaad uitzigt hebben op de spoedige invoering eener nieuwe strafwetgeving; maar ongelukkig is dit geen „politiek vooruitzigtquot;. De te verwachten grondwetsherziening is dit wel. Doch de groote vraag is niet, welke veranderingen in de grondwet zullen gebragt worden, maar welke hervormingen wij zullen verkrijgen, hetzij binnen de grenzen der tegenwoordige grondwet, hetzij daarbuiten na herziening. De hoogl. bespreekt eigenlijk slechtamp; twee onderwerpen: de electorale en de schoolquaestie.

do electorale Met betrekking tot de electorale quaestie voorziet hij

quaestie n i -rv i i

strijd over de samenstelling der eerste kamer. De liberalen, zegt hij, wenschen de keuze door de provinciale staten te behouden, ten einde de zelfstandigheid dier kamer te verzekeren ; de antirevolutionairen en althans zeer vele katholieken wenschen meer eene volkskeuze , ten einde de harmonische samenwerking der beide kamers te waarborgen. Blijkbaar

ocr page 9

7

spreekt de hoogl. hier ironisch, en wil hij zeggen, dat dit de ware motiven niet zijn; doch dat eigenlijk de liberalen de keuze der eerste kamer-leden door de liberale provinciale staten voorstaan, en de antiliberalen meer voor hunne can-didaten verwachten van de volkskeuze, en dat de rollen zouden omkeeren, indien wij in alle provinciën beslist antiliberale staten verkregen. Zeker bedoelt hij niet, dat de liberalen juist voor „de zelfstandigheid van ieder staatslichaamquot;, de antiliberalen juist voor „de harmonische samenwerking van staatslichamenquot; bezorgd zijn. — Verder prijst hij het behoud van het bestaande kiesstelsel ten sterkste aan, ten einde eene zelfstandige en met weerstandsvermogen legen de uit volkskeuze voortgekomen tweede kamer begaafde, eene in haar politieke samenstelling min bewegelijke en slechts in die eigenschappen hare raison d'être bezittende eerste kamer te behouden. Alleen drukt hij der liberale partij op het hart dat zij medewerke om de beperking der keuze tot de hoogstaangeslagenen te doen vervallen, opdat de provinciale staten uit de besten in plaats van uit de rijksten zullen vermogen te kiezen.

Ten aanzien der tweede kamer verklaart de hoogl. zich onbewimpeld voor het stelsel door Mr. Farncombe Sanders in de grondwetscommissie voorgedragen en in „de Tijdspiegelquot; toegelicht, door die commissie in haar verslag voorgesteld , en door Dr. Schaepman in zijne brochure „Grondwetsherzieningquot; sterk aanbevolen: het stelsel dat niet zij die een zeker minimum van belasting voldoen, noch zij die een minimum aan huishuur besteden, maar allen die ter zake van „bewoningquot; belast zijn en hunne belasting betalen , kiesgeregtigden zijn voor het parlement. Het komt mij ook voor, dat dit stelsel het eenvoudigste, rationeelste

ocr page 10

8

en meest consequente is wat men vinden kan, zoolang men niet terugkomt op bet demokratiscli dwaalbegrip der directe volkskeuze, waarover ik thans niet zal uitweiden. Het werpt, gelijk ook de heer Buys doet opmerken, een dam op tegen het algemeen stemregt, het bevat eene finale oplossing der electorale quaestie, zoolang men het algemeen stemregt buiten quaestie stelt. Tegenover het door de grondwetscommissie aangevoerde bezwaar, dat „bewoningquot; te eeniger tijd onbelast mogt blijven, of dat ons personeel gemeentebelasting mogt worden , stel ik het vooruitzigt, dat men er toe komen zal om eene door het rijk gehevene algemeene — rijks, provinciale en communale - verteringsbelasting en luxegebruiksbelasting, waarin ons personeel opgelost zal zijn, in te voeren1). Kiesbevoegden voor tweede kamer, provinciale staten en gemeenteraden zullen dan zijn allen die in deze belasting zijn aangeslagen en haar betalen. Mij dunkt, het lag op den weg des hoogleeraars om , zoo hij bij de liberalen eenigen ijver voor belastinghervorming onderstelde, over het zeer eenvoudig denkbeeld eener zoodanige belasting een enkel woord te zeggen. Zooveel doet hij echter opmerken, dat al ware het personeel geheel gemeentebelasting, hetzelve, behoudens de gemeentelijke autonomie wat het quantum betreft, volgens de wet zou kunnen en behooren geheven te worden. — Over de quaestie der kiesdistricten en de verdere electorale indeeling spreekt de hoogleeraar niet. Ik vraag of men iets beters zou kunnen doen dan het voorstel van Dr. Schaepman (p. 71/2 zijner brochure) aannemen: 14 kiesdistricten, nl. de 11 provinciën en de 3 groote steden, voor ongeveer elke 40.000 inwoners

1

Verg. luijno brochure V. en H. IV. financiele quaestie.

ocr page 11

9

één kamerlid kiezende, te zamen ten getale van 100.

In de electorale quaestie geeft de heer Buys alzoo deze conclusie: 1. behoud der provinciale staten-keuze voor de eerste kamer, met 2. afschaffing der beperking tot de hoogstaangeslagenen , en 3. voor de tweede kamer afschaffing van den census en uitbreiding- van het kiesregt tot allen die be woningsbelasting betalen. Hoe voortreffelijk men die conclusie moge achten, men kan niet beweren, dat de hoogleeraar daarmede tot zijne partijgenooten zegt; blijft getrouw aan de oude beginselen der liberale partij. — De samenstelling der eerste kamer niet door volkskeuze maar door de provinciale staten is eene instelling van „conservativenquot; oorsprong en aard; en zoo de directe verkiezingen goéde resultaten gaven voor de liberale partij , dan was er geen reden om diezelfde verkiezingen niet te verlangen voor de samenstelling der eerste kamer. De provinciale staten-keuze is eene van ouds niet liberale instelling, welke thans aan de magt der partij voordeelig is. — De beperking tot de hoogstaangeslagenen was bij het overwigt eener rijke vooral grondeigendom bezitttende aristokratie eene „conservativequot; instelling, en zij is bij het overwigt van een rijken burgerstand eene „liberalequot; instelling. Dat die beperking moet worden afgeschaft om bij voorkeur capaciteiten en mannen van inorelen invloed in de eerste kamer te kunnen brengen, is voorzeker geen „liberaalquot; partij beginsel. — Eindelijk het voorstel om den census los te laten en de kiesbevoegdheid te laten afdalen tot allen die slechts woningsbelasting betalen , is het opofferen van een der grondpijlers van het liberalisme en het berusten in het onvermijdelijke ten einde aan iets nog ergers - aan het algemeen stemregt -te ontsnappen.

ocr page 12

10

schooiquaestic Wat de schoolquaestie betreft, houdt hij het „noch voor billijk, noch voor verstandig, dat de liberalen zich onverzettelijk handhaven op hun ultraconservatief standpunt waarop zij eischen dat geen tittel noch jota van het tegenwoordig art. 194 der grondwet worde losgemaaktquot;. Hij zegt dat rekening moet worden gehouden met de sedert 1848 en 1857 zoo veranderde omstandigheden . met den tegenwoordi-gen feitelijken toestand waarin de oppositie tegen de gemengde volksschool zich niet slechts in woorden maar ook in offervolle daden zoo krachtig openbaart. Deze woorden van een der corypheen en der onpartijdigste leden der liberale partij zullen, zoo men hopen mag, in den boezem dier partij wel overwogen worden.

De hoogl. acht echter de herziening van art. 194 der grondwet onnoodig. Hij meent dat dit artikel genoegzame ruimte laat voor allerlei schoolstelsels en niet belet dat er slechts zooveel „openbare schoolquot; zal bestaan als de vrije maatschappij zelve verlangt, met andere woorden niet meer dan er gevraagd wordt. In het „overalquot; van art. 194 kan hij niet anders lezen dan „dat de gelegenheid om gemengd publiek onderwijs te genieten, voor allen die het verlangen, moet openstaanquot;. Is echter de schoolquaestie opgelost, zoo men deze interpretatie aanneemt? En zouden de bezwaren tegen art. 194 weggenomen zijn, indien de derde zinsnede van dat art. door de aangehaalde woorden vervangen werd ? Ik geloof het niet; want wat kunnen die woorden anders aanduiden dan het gewraakte voorschrift, dat in elke gemeente des rijks waar voor een minimum van kinderen gemengd publiek schoolonderwijs verlangd wordt, eene school moet openstaan; dat is een schoolkamer, zoo niet een schoolgebouw, met een onderwijzer, eenig meubilair,

ocr page 13

11

verwarming enz.? Alleen dan, wanneer er zich niemand opdeed — of slechts een of twee leerlingen, met het oog op het „tres faciunt collegiumquot; — zou, niet de toepasselijkheid van het voorschrift, maar de mogelijkheid om het toe te passen verdwijnen. Streng genomen zou, als er slechts één of twee kinderen opkomen, aan deze door den daartoe aangehouden onderwijzer gemengd onderwijs aan huis van staatswege moeten worden gegeven. „Openbaar onderwijsquot; beteekent toch in de aangehaalde woorden, gelijk in a. 194, al. 3,, „onderwijs van staatswegequot;, niet „onderwijs in eene schoolquot;. De derde alinea van a. 194 zou dus, na geamendeerd te zijn, juist beteekenen wat het in het licht der wordingsgeschiedenis 1) van dat art^ en volgens de natuur-' lijke opvatting van het woord „overalquot;, thans beteekent.

De heer Buys wenscht art. 194 te behouden om het staatsonderwijs niet op losse schroeven te stellen, om te voorkomen dat elke zegevierende partij het steeds naar haren zin zal kunnen veranderen en beurtelings de staats-onderwijzers naar huis zal zenden of in triomf weder binnenhalen. Eenigzins anders dacht hij in zijn kerstartikel „Winter en Zomerstormenquot; (Gids, Jan. 1806), toen hij zeide: „ik zou vermoedelijk niet hebben medegewerkt om art. 194 in de grondwet te brengen, omdat ik geloof dat die zuiver politieke bepaling daar „niet op hare plaats isquot;. Destijds heb ik het artikel tegen den hoogl. verdedigd2). Thans meen ik, dat art. 194, even als zoovele deels overbodige, deels hinderlijke beginselen van wetgeving, niet in

1

Cf. mijn art. quot;Geschiedenis van art. 194 der grondwet'quot; in do .Bijdrage

2

voor Staats-, 1'rov. en Gera. Bestuurquot; van 1866, p. 184—227.

ocr page 14

12

de grondwet op hunne plaats zijn. Voorzeker, de vermelde afwisselende schoolpolitiek zou noodlottig zijn; maar zij is niet bij ons, evenals in Belgie, te vreezen. Het ware geneesmiddel daartegen is, niet een steeds aan verschillende opvattingen blootgesteld beginselartikel der grondwet, maar het inzigt dat transactie onvermijdelijk is, niet alleen om den politieke vrede te sluiten, maar ook om voor elke partij haar „schoolbezitquot; te verzekeren; het inzigt dat voor beide partijen niets onwenschelijker is dan de afwisselende heerschappij der publieke godsdienstlooze en der bijzondere godsdienstige school.

De grondwet, zegt de hoog!,, „het grondwettig verbondquot; gelijk men vroeger zeide, behelze een „modus vivendiquot; tusschen de partijen. — Een „modus vivendiquot;, dat wil zeggen, eene transactie. Men versteene die liever niet in de grondwet om haar langs dien weg tot een nieuw geschilpunt te maken; de transactie ontwikkele en wijzige zich vrijelijk in het politieke leven volgens de veranderlijke denkbeelden, behoeften, omstandigheden.

De heer Buys houdt zich overtuigd dat „een gedeelte der liberale 'partij zal willen medewerkenquot; om art. 194 zóó te wijzigen als men (z. i. ten onregte) zou meenen dat noodig is tot het doen van billijke concessien aan de-tegenstanders. Welke concessien hij billijk acht en zelf geneigd zou zijn te brengen, dit zegt hij niet; waarschijnlijk omdat hij meent, dat er toch niets van de zaak komen zal. Zijn stilzwijgen is echter zeer te bejammeren. Want om tot de oplossing der schoolquaestie een stap verder te komen, is thans niets noodiger dan dat de corypheen onder de liberale „moderadosquot; — gelijk de hoogleeraar Buys (in het politieke), en laat ik er bijvoegen, de hoogleeraar Kuenen (in het gods-

ocr page 15

18

dienstige), - verklaarden „tot welke concessien zij bereid zijnquot;.

Inderdaad lag liet niet buiten den weg van den heer Buys om zoodanige verklaring te doen, al bad ik hem daartoe niet nadrukkelijk uitgenoodigd in mijn woord „liberale onverdraagzaamheidquot; (Verzoening en herziening IV, flnanciele quaestie, p. 115), Daartoe gaf hem gereede aanleiding,

zoo niet bet voor hem onaannemelijk programma van Dr.

Scbaepman, dan toch de gematigde transactie door mij voorgesteld en geformuleerd (Verz. en herz. III, schoolquaestie, p. 37/8, 47/8), waarvan - in tegenstelling met het „overalquot;-de hoofdtermen waren: 1°. neutraal publiek lager onderwijs zij subsidiair; 2°. geene gemeenteschool voor niet meer dan 20 kinderen tot niet meer dan 10 gezinnen behoorende. —

Inmiddels mogen wij akte nemen van de verzekering door een hoofdorgaan der liberale partij gegeven, dat een deel der partij zoozeer bereid is tot concessie, dat het om die mogelijk te maken tot herziening van a. 194 der grondwet zou willen medewerken.

quot;Wat moet er dan in dit artikel veranderd worden? Alleen op de derde zinsnede, en bepaaldelijk op het woord „overalquot;, komt het aan. Alleen uit dien hoofde is het artikel „hevig bestooktquot; geworden. Laat men de derde zinsnede weg, zoo zal het geheele artikel uit de politiek verdwijnen, het zal geen liefde of haat meer wekken; het zal een even neutraal artikel worden als het volgende art. 195 omtrent het armbestuur. De derde zinsnede nu, waarvan het woordje „overalquot; de raison d'etre is, moet inderdaad wegvallen om op de ubiquiteit of alomtegenwoordigheid der publieke lagere school inbreuk te kunnen maken.

Bij het bespreken der onderwijsquaegtie vergist de heer verdraagzaam-

Buys zich geheel omtrent mijne denkbeelden over verdraag- !'C1(1 en staatsquot;

Off

ocr page 16

14

zaamhdd en staatszorg. Vooreerst vermeldt hy, dat ik op hitteren toon aan de liberale partij hare onverdraagzaamheid heb verweten. Ik ontken de bitterheid van den toon. en de algemeenheid van het verwijt. Ik geloof «openhartigquot; en zonder omwegen maar tevens geheel objectief gesproken te hebben; en in plaats van alle liberalen onverdraagzaam te noemen, heb ik juist beweerd ') dat de moderaios, waaronder de heer Buys voorzeker eene eerste plaats inneemt, talrijker zijn en meer beteekenen dan het partijrumoer zou doen denken.

De hoogl. geeft toe dat de liberale partij niet vlekkeloos rein is in materie van verdraagzaamheid en daarin is achteruitgegaan ; maar in vergelijking met hare liberale naburen acht hij ze toch nog vrij verdraagzaam ; en ik doe haar on-regt als ik »schijn baar blind voor zooveel dieper liggende oorzaken in allerlei betrekkelijk kleine omstandigheden de oorzaken meen te vinden van onzen kerkdijken strijdquot;. Dit is een volkomen misverstand. Ik heb ') eenige kleinere con-cessien en in de schoolquaestie eene groote concessie voorgesteld, ten einde tot verzoening te geraken. Maar de dieper liggende oorzaken van den — niet enkel kerkdijken, maar - politiek-religieusen strijd, bij ons sedert vele jaren gevoerd, heb ik »met de mij (volgens den hoogl.) eigene openhartigheidquot; zoo diep mogelijk opgehaald en uiteengezet').

Verder zou ik de verdraagzaamheid van het Oosten aan de liberale partij ten voorbeeld hebben gesteld, terwijl deze verdraagzaamheid berust op het uoostersche quietismequot;, dat geene hand uitsteekt om de zwakken in den moeielijken strijd des levens te steunen, dat niets weet van de »pligten , welke de moderne staat ook tegenover de individuen te vervullen heeftquot;,

1) V. en H. IV, p. 115.

2) V. en H. I, p. 16—31 en III.

3) Reeds in 1869 breedvoerig in mijn geschrift »Een politisch vredebeginselquot;; onlangs kort in V. en H, III, schoolquaestie, p. ü5—28. Cf. IV, p. 112/3.

ocr page 17

15

en welke hem noodzaken om »de vrijheid van groepen, kringen en genootschappen aan zekere grenzen te hindenquot;. Ook dit is louter misverstand. De verdraagzaamheid van het Oosten is niet het quietistisch niets doen van den »oosterschen staatquot; of van de mahomedaansche magthebbers; het is de algeuieene onderlinge verdraagzaamheid in denken en doen, die ook door de magthebbers niet verloochend wordt. Ik heb geen stelsel van ;gt;008tersche verdraagzaamheidquot; aan de liberalen ten voorbeeld gesteld. Ik heb slechts doen uitkomen, hoeveel onverdraagzamer men bij ons gevoelt en handelt dan in het Oosten1), en hoe men zich, hier teruggekeerd, over de bij ons nog bestaande beperkingen van godsdienstvrijheid schaamt. Ook zeide ik, dat de onverdraagzame liberalen hier te lande hunne intolerantie zouden inzien, als zy verdraagzaamheid in het Oosten aanschouwd hadden '). Dit is alles.

De in het Oosten niet erkende »pligten van den modernen staatquot; heeten met andere woorden staatszorg. Hoe komt de hoogl. er toe om die tegen mij te verdedigen? Waar heb ik de leer verkondigd, dat onderwijs, wetenschap, hygiène, armwezen, welvaart, geen onderwerp van staatszorg zon mogen zijn? In 1866 verdedigde ik tegen hem het destijds en nog heden bestaande stelsel van staatszorg in zake van onderwijs 2). Hij treedde toen op als »regtzinnig economistquot;, die meende: »dat kunstmatige bescherming van de staatschool, 't zij door het verstrekken van kosteloos onderwijs anders dan aan behoeftigen, 't zij door het toekennen van andere voor-deelen, de bijzondere school feitelijk onmogelyk, en dus het gegeven regt illusoir maakt; dat, zoomin als de vrije nijverheid, het vrjje onderwijs kan bloeien onder de heerschappij van een protectionnistisch stelsel; en dat geen volk genoog heeft aan staatsonderwijs, al is dat in den aanvang nog zoo voortreffelijkquot;. Zonder juist het toen gesprokene te moeten

1

V. cn H. I, p. 18, 23/4.

2

Bijdragon, 1.1., p. 3C3, 371.

ocr page 18

16

herroepen, treedt de hoogl. thans op als verdediger van den tot staatszorg geroepen modernen staat; doch wat doet hem onderstellen, dat ik, vroeger staatsverzorgender dan hij, nu van staatszorg afkeerig zou zijn geworden, en in een oostei-ach quietisme, dat geene staatszorg kent, ook voor ons het na te streven ideaal zou zien? — Staat het in verband met die onderstelling, dat hij mij beschouwt als een dergenen »die onder ons meer bijzonder op den naam van progressisten aanspraak makenquot;? Wat hiervan zij, dien aanmatigenden naam verwerp ik van ganscber harte. Voor de duitsche Fortschritts-partei of Fortschrittler heb ik geenerlei sympathie. In het zich progressief wanende streven der radicalen zie ik niets dat naar vooruitgang zweemt. Noch vroeger, toen ik de beginselen der reformatoire gezindheid uiteenzette, noch nu onlangs — bij hot aanbevelen van verzoening en herziening, van transactie in zake van onderwys, en van herstelling van financieel even-wigt en verbetering van ons belastingstelsel — heb ik mij voorgedaan als een apostel van socialen vooruitgang, in tegenstelling met liberalen of anderen. De tijden zijn er waarlijk niet naar om »vooruitgangquot; in zijn vaandel te schrijven. Men moet al blyde zijn zoo men op sociaal gebied achteruitgang kan voorkomen.

TOEKOMST.

stilzwijgen des Aan het einde van zijn opstel gekomen noemt de hoog-loo,., leeraar Buys de slotsom zijner beschouwingen „weinig be

moedigendquot;. Over de toekomst der liberale partij, thans voor het eerst sedert vele jaren niet meer over de parlementaire meerderheid beschikkende, over hare uitzigten op een nieuw leven en streven, op verjonging en herstel van krachten, vernemen we van hem geen woord. De oorzaak van zijn stilzwijgen kan geene andere zijn dan dat hij te dien aanzien pessimistisch denkt.

ocr page 19

17

Dit zwijgen van een hoofdorgaan der partij in dit kritisch tijdsgewricht zou het vermoeden kunnen steunen, dat zij geene levenskracht meer heeft en van nu af langzaam zal wegkwijnen en zich oplossen. Ik geloof daarentegen,

dat de liberale partij eene toekomst heeft, schoon ook eene andere dan men zich nu pleegt voor te stellen.

Een lid der tweede kamer, laatstelijk als een onberis- heeft de partij

quot;Uitgewerktquot;?

pelijk liberaal herkozen, zeide mij onlangs: „De liberale partij heeft uitgewerkt,, en daarom weet zij niet, wat zij wilquot;. Zijne bedoeling was n. ƒ., dat die partij al wat in haar was heeft te voorschijn gebragt en verwezenlijkt, en thans op non-activiteit gesteld is. Meende hij verder, dat ze nu ook uitgeleefd is en uitgediend heeft en door andere politieke formatien zal vervangen worden; of wel dat er na eenigen tijd nieuw leven in haar zal opborrelen; of ook dat de uiterlijke omstandigheden haar een nieuw politiek streven zullen aanbrengen? Ik weet het niet; doch ik meen dat men, om te weten wat er van haar worden zal, zich „openhartigquot; rekenschap moet geven van hetgeen zij was en is.

Gelijk ik vroeger uitvoerig in Metis (sociaal-politische baar verleden gezindheden, 1872/3) uiteenzette en onlangs in Verz. en herz. I résumeerde, en gelijk klaar is voor alle onbevan-genen: was de „liberalequot;' partij hier te lande, gelijk elders op het continent, niet eene vereeniging van wijze en deugdzame vrienden van vrijheid, geregtigheid en vooruitgang,

maar eenvoudig de partij van den burgerstand die zich stelde tegenover de „conservatiefquot; genaamde partij der aris-tokratie. De politiek dier partij was haar voorgeschreven door de belangen en de denkbeelden van haren stand. Zij heeft voorgestaan 1°. de afschaffing der aristokratische voorregten

ocr page 20

18

en het compromis tussoheu het oude régime en de revolutie, dat zich ten haren nutte in de constitutionele monarchie, het parlementaire régime, de door den census beperkte directe verkiezingen heeft verwazenlijkt; voorts 2°., in het belang der particuliere winstondernemers of van handel, industrieën verkeer, de vrije particuliere concurrentie, de niet-concur-rentie van den staat, de afschaffing zooveel mogelijk van alle voor particuliere winstonderneming schadelijke of hinderlijke belastingen en vervanging daarvan door directe of persoonlijke belasting; 3°. de toepassing van dit alles ook op de koloniën; eindelijk 4°. de proportionele deel

neming van den burgerstand aan de regering, aan den staatsdienst, aan het genot der voordeelen welke de schatkist kan afwerpen. Het is waar, zij kleedde hare politieke en hare economische beginselen in zeer doctrinaire vormen, en zij maakte zich groote illusien over hare verstandelijke en zedelijke waarde en over de waarde harer leerstellingen , instellingen en legislative gewrochten. Maar het belang van haren stand verloor zij daarbij nimmer uit het oog, en voor vrijheid en socialen vooruitgang heeft zij inderdaad niets bijzonders gedaan. Naar socialen vooruitgang heeft zij niet gestreefd, en voor de vrijheid was er althans bij ons vóór 1848 slechts weinig, na 1848 niets meer te doen. — Hare overwinning in het sedert 1848 verloopen derde gedeelte eener eeuw is volkomen geweest. Haar politiek en economisch programma is ten volle gerealiseerd; hare beginselen zijn gemeengoed geworden, zijn overgegaan in de wet en in de praktijk. In het bijzonder hebben alle partijen zich van al de geliefkoosde politieke kunstbegrippen en kunstverrlgtingen van het liberalisme - als koninklijke onschendbaarheid, ministeriele verantwoordelijkheid en homo-

ocr page 21

19

geniteit, begrootingsafstemraingen en kamerontbindingen, parlementaire en electorale manoeuvres - overvloedig bediend. In dien zin kan men zeggen, dat de partij heeft uitgewerkt, dat is hare volle werking beeft uitgeoefend,

zoodat haar niets meer te bewerken overblijft. Tegelijkertijd zijn hare conservative tegenstanders, wier bestrijding haar bezig hield en aan de partij als zoodanig reden van bestaan gaf, baar ontvallen. Er is nog eene verzwakte aristokratie, die in klimmende mate door den burgerstand geabsorbeerd wordt; doch de „conservatiefquot; genoemde aristokratische partij heeft als zoodanig opgehouden te bestaan.

Gelijktijdig met het verkwijnen en verdwijnen der cón- haar Wlon servative partij ontwikkelde zich een ander proces op godsdienstig gebied. De protestantsche burgerstand werd modern;

eene minderheid ultramodern. In den kleinen burgerstand,

onder de landelijke bevolking had eene sterke oud-protes-tantsche reactie plaats. Daarop reageerde weder de moderne en ultramoderne burgerstand , en de liberale partij werd onverdraagzaam en fanatisch '). Zij geraakte in steeds heviger strijd met de protestantsche orthodoxie en het katholicisme, die weldra aan scherp geteekend politieke partijen het aanzijn gaven. Zoo verkreeg de liberale partij nieuwe tegenstanders, een nieuw voorwerp van strijd in de neutrale-lagere, deels ook middelbare - publieke school, een nieuw

1) De heer Buys zegt, dat hij eene betrekkelijke verdraagzaamheid voor eene onbetwiste goede eigenschap der ne lerlundsche liberalen hield. Is het niet de onbetwistbare verdraagzaamheid van onzen hoogleeraar, die hem belet de onverdraagzaamheid zijner partijgenooten te zien? Van personen die ten aanzien van alle godsdienst op een geheel negatief standpunt staan ) vernam ik daarentegen, dat zij getroffen waren door het fanatisch karakter hetwelk de laatste electorale beweging aan liberale zijde had gekenmerkt.

ocr page 22

20

partij beginsel in het voorstaan dier naar haren zin ingerigte school tegenover de bijzondere godsdienstige scholen en in het niet sparen van 's lands geld ten behoeve dier scholen en ten koste der beurzen harer nieuwe tegenstanders. Aldus werd zij, wat zij in vroeger dagen zoozeer aan de antirevo-lutionnaire partij als iets ongeoorloofds verweten had, eene reliyieuse partij op politiek gebied, eene partij wier tegenstelling tegen de door haar clericaal genoemde, doch beter christelijk, of zoo men wil oud-christelijk, geheeten partijen, hare eenige raison d'etre was, en die haren tradi-tionelen naam zeer wel met den naam van moderne partij had kunnen verwisselen. In deze nieuwe gedaante heeft de liberale partij een deel der aristokratie. dat een afkeer had van de orthodoxie even als van het katholicisme, tot zich getrokken. Wie dit betwijfelt, doorloope slechts de onder-teekeningen der aanbevelingen van liberale candidaten in de dagbladen tijdens de laatste verkiezingen. Die verkiezingen hebben ook eiken ongeloovige kunnen overtuigen, dat de liberale partij geene andere politieke tegenstelling meer heeft dan die tot de orthodoxe en katholieke partijen, geen ander politiek beginsel dan de verdediging der niet christelijke, of wil men, der niet oud-christelijke staatschool. De amsterdamsche „Burgerpligtquot; heeft met onbewuste ironie de oprigting voorgesteld eener „Liberale Uniequot; zonder politiek programma, doch welker leden zullen verbonden zijn in de eerste plaats „door hun afkeer van den staatkundigen invloed der kerkelijke partijenquot;, in de tweede plaats slechts door „hunne liefde voor de toepassing der liberale beginselenquot;. Die liefde voor ongenoemde liberale beginselen is inderdaad niets; en te regt heeft „de amsterdammerquot; gevraagd; „welk nut het kan hebben - door deze onopregte

ocr page 23

21

samenvoeging, door deze bedekking eener voor niemand verborgene armoede - te bemantelen , dat de liberalen op dit oogenblik geene andere punten, waarop zij zich te zamen vereenigen kunnen, welen aan te wijzen, dan den afkeer van kerkelijke politiekquot;? Te regt zegt de arnhemscbe courant (5 Jan.) dat, zoo men de beide negatien „anti-antirevolutionair en anti-katboliekquot; wegneemt, niets overblijft voor de active politiek der liberalen. De leidscbe boogleeraar Fockema Andreae maakt zich de illusie, dat zoo er eene liberale unie met een centraal vertegenwoordigend comité wordt opgerigt, men door discussie politieke beginselen zal ontdekken, een politiek programma zal vinden. Doch ten aanzien der laatste verkiezingen merkt hij scherpzinnig op, dat „zoo de liberalen ook nu weder ten strijde zijn getogen onder de negative en daarom bedenkelijke leuze anti-clerieaal, dit ongetwijfeld hieraan te wijten is, dat voor eene hetere leus de geyevens ontbrakenquot;.

Te vergeefs zou de liberale partij eene toekomst zoeken liberale in de „liberale uniequot;. Het zou haar niet gelukken om de geavanceerden of radicalen te annexeren en tot eene volgzame fractie te maken. Deze zullen daarentegen vorderen dat hunne denkbeelden en eischen door de liberalen, die zij als achterblijvers beschouwen, gevolgd worden. Veree-niging met deze radicalen zou het spoedigst tot de hevigste oneenigheid voeren, op gelijke wijze als zulks in de bel-gische association libérale tusschen liberalen en radicalen is geschied. Vormt men daarentegen ieder eene afgezonderde partij, zoo coaliseert men zich gemakkelijk, bij de verkiezingen of in het parlement, tegen een gemeenschap-pelijken vijand of om een gemeenschappelijk doel te bereiken. — Waarschijnlijk heeft men het nog nieuwe denkbeeld

ocr page 24

22

eener liberale unie aan Engeland ontleend. Doch de omstandigheden zijn da4r anders dan hier te lande. Immers de oude liberalen of whigs hebben zich daar met de radicalen - dat is den burgerstand met eenige geavanceerde en ideologische elementen - verbonden, op voorwaarde dat de liberalen in alles, waar de voorzigtigheid bet toelaat, den zin der radicalen zouden doen, en zulks onder de dictatoriale leiding van Gladstone. Bij ons zou de liberale unie alleen dan iets kunnen uitwerken, indien de liberalen konden goedvinden om de achterhoede der radicalen te worden en om als prijs voor hunnen bijstand de toepassing der radicale beginselen aanvankelijk eenigzins te matigen en den snellen voortgang van het radicalisme eenigzins tegen te houden, imic toekomst Doch om te blijven bestaan behoeft de liberale partij noch bij haren religieusen strijd te volharden, noch zich bij de radicalen te verhuren. Eene gebeel andere toekomst wacht haar. Zij heeft slechts regtsomkeer te maken, en zij zal in plaats van hare verdwenen conservative tegenpartij een nieuwen tegenstander strijdvaardig voor zich zien staan , een tegenstander dien zij tot dusver niet of weinig bemerkt had of niet had willen ben.erken, ofschoon deze haar reeds getergd en gesmaad had. En achter dien onvriende-lijken tegenstander zal zij een tweeden zien staan, die haar met de vuist dreigt. De eerste, het behoeft nauwelijks gezegd te worden, is de radicale partij; de tweede is de sociaaldemokratie, die hier te lande nog geene politieke partij is , doch alle krachten inspant om het te worden , eerst nog buiten het parlement en den verkiezingstrijd, daarna in het parlement, in de provinciale staten, in de gemeenteraden. De liberale partij zal, zoo zij den haar door radicalen en sociaaldemokraten toegeworpen handschoen opneemt,

ocr page 25

23

eensklaps weder politieke beginselen verkrijgen, en in plaats van eene religieuse partij, gelijk zij thans is, weder., wat zij zich vroeger beroemde te zijn, eene zuiver politieke partij worden.

Ik geloof dat zij wat vroeger of wat later, iets sneller of iets langzamer, tot het bewustzijn zal komen, dat de veranderde realiteit voor haar eene nieuwe periode heeft doen aanbreken, en dat zij in plaats van den verdwenen tegenstander regts een nieuwen tegenstander links heeft bekomen. Ik geloof dat zij, baars ondanks, door de magt der omstandigheden gedrongen, den strijd met hare nieuwe tegenpartij zal aanvaarden. Niets is dan ook natuurlijker en consequenter dan deze omkeer. Het hoofdbeginsel der liberale partij is geweest transactie in haar belang tusschen het oude régime en de revolutie. Dus ook strijd zoo tegen het oude régime als tegen de revolutie, voorzoover een van beiden naar magtsuitbreiding streeft of eene voor den burgerstand hinderlijke magt ontwikkelt. Tot dusver heeft de liberale partij bij ons tegen de overblijfselen van het oude régime te strijden gehad; doch dit heeft opgehouden sedert de monarchie is geneutraliseerd en de aristokratie is weggevallen of ontzenuwd. Thans verheft zich bij ons weder derevolutie, en de liberale partij moet dus uitsluitend naar die zijde slag leveren. Natuurlijk is het tevens, dat een grooter deel der vroegere „conservative partijquot; zich in dien strijd bij haar zal voegen en vervolgens door haar geabsorbeerd zal worden, dan het deel dat zich thans aansluit aan den liberalen strijd tegen de orthodoxe en katholieke partijen.

Ziehier de beginselen die zij, naar ik vermoed, o. a. zal hare toekomstige

, beginselen

voorstaan en met alle kracht verdedigen.

ocr page 26

24

1. De kiesbevoegdheid alleeu van hen die woon- of algemeene persoonlijke belasting betalen, tegenover het algemeen stemregt.

2. Het constitutioneel koningschap tegenover de repu-blikeinsche neigingen of eischen der radioalen en sociaal-demokraten.

3. De souvereiniteit van koning en parlement tegenover plebisciten en referendums.

4. De zelfstandigheid der parlementsleden tegenover het demokratische imperative kiezersmandaat.

5. Eene zelfstandige magistratuur tegenover jury, gekozen regters enz.

6. Benoeming van de leden der eerste kamer door de provinciale staten, niet door volkskeuze.

7. De handhaving onzer nationale zelfstandigheid, waarop door de radicalen en vooral door de internationaalgezinde sociaaldemokraten minder prijs wordt gesteld; en daarbij op financieel gebied ook eenige opoffering voor onze defensie.

8. Financiele belangstelling in wetenschap , kunst, hoo-ger onderwijs, onstoffelijke belangen, welke door radicalen en vooral door sociaaldemokraten minder op prijs worden gesteld.

9. Handhaving van den individuelen grondeigendom; bescherming van verkregen regten en van het kapitaalbezit tegen de zonder schadevergoeding onteigenende en door belastingen of andere maatregelen het kapitaal aantastende en de fortuinen nivellerende radicalen en vooral sociaaldemokraten.

10. Bescherming der individuele en der economische vrijheid tegen de die vrijheid geringschattende en voor

ocr page 27

25

T

staatsbemoeiing en staatsabsolutisme ijverende radicalen en meer nog sociaaldemokraten.

11. Behoud der koloniën en behartiging der koloniale belangen tegenover de voor de koloniën - als der volksklasse geen onmiddelijk voordeel brengende - onverschillige radicalen en meer nog sociaaldemokraten.

Hiermede heb ik niet gezegd, hoe ik de liberale partij iiara toekom-zou wenschen, maar hoe ik vermoed dat zij worden zal.

Met de voormelde beginselen zal zij nog geene ideale partij zijn, geene onbaatzuchtige partij die zich slechts beginselen en pligten voor oogen stelt, zoo als diegene zou zijn welke beantwoordde aan de door mij vroeger 1) geschetste „refor-maioire sociaal-politische gezindheidquot;. Zij zou essentieel '

blijven eene stands^viï], die in de eerste plaats hare belangen voorstaat en hare beginselen aan hare belangen ontleent; en slecbts langzaam zou zij zich ontdoen van hare oude politische en economische dwaalleeringen. Toch geloof ik, dat zij meer waarde zou hebben dan in hare eerste levensperiode, omdat zij kostbare sociale goederen tegen het onbesuisde of nihilistische streven van radicalen en sociaaldemokraten of anarchisten zou verdedigen, omdat zij op hare beurt niet alleen „conservatiefquot; zou zijn, dat is in haar belang en naar haren zin het bestaande willende behouden, maar ook een „parti conservateurquot; zou vormen, in den zin van het „behoeden der geordende en beschaafde maatschappijquot; tegen omkeering en oplossing. Ook zou zij die rol kunnen vervullen op eene eerlijker en opregter wijze dan vroeger het geval was met het weefsel van schijn en onwaarheid der liberale doctrine op politisch en economisch

[ '

v'

1

Metis, Sociaal-politische gezindheden 1872/3, p. 153—207.

ocr page 28

26

gebied J). Inzóóver zou zij den lof verdienen die ook toekomt aan de engelsche torypartij, welke wel voor hare eigene aristokratische en grondeigendomsbelangen, maar tegelijk voor nationale en algemeen maatschappelijke belangen tegen de „radicalsquot; strijdt. Het is echter te vreezen dat onze liberale partij bij haren voormelden strijd, evenmin als voorheen en elders, een steeds geopend oog zou hebben voor de belangen der werkende klasse en voor de noodwendigheid eener sociale verandering, welke, zonder alles te nive-leren, de actuele krasse en schreeuwende ongelijkheid tus-schen in theorie gelijke en gelijkberegtigde wezens , tusschen beschaafde, genietende , bezittende mensckeu en onbeschaafde , hardwerkende, bezitlooze mensckeu, zal opheffen; dat zij zich genoegzaam zal laten gelegen liggen aan de sociale quaestie. indcpemlenten Vooralsnog geloof ik niet, dat er buiten de op een godsdienstig verband en belang gegronde partijen, als die der katholieken en der orthodoxen, eene niet op standen of klassen gegronde, maar a priori geheel op beginselen steunende politieke partij te verwachten is. Hieruit volgt echter m. i. geenszins, dat ieder die niet meent zich aan de katholieke of aan de orthodoxe partij te moeten aansluiten, zich bij de toekomstige liberale - antiradicale en antisociaal-demokratische - partij zou moeten voegen. Het is niet noodig dat waar een volk in partijen verdeeld is, ieder mensch tot eene dier partijen behoore. Het is veeleer goed dat er ook nog independeuten zijn, toeschouwers van den partijstrijd, die dezen strijd onpartijdig gadeslaan en beoordeelen, die op een vrijer standpunt staan dan het particularistische en egoïstische standpunt van bijzondere bevolkingsklassen en

1) Metis, S. pol. gezindheden, p. 67 —112.

ocr page 29

27

standen. Bij de vertegenwoordiging der minderheden zouden die independenten kans hebben om in het parlement te komen; doch zelfs daarbuiten blijvende, kunnen zij, bij genoegzaam talent, genoeg invloed uitoefenen. Is het ook thans niet te bejammeren, zoo mag men vragen, dat mannen die inderdaad onafhankelijk zijn, alleen van beginselen uitgaan en buiten het politieke strijdperk staan - en ik noem als voorbeelden onzen hoogleeraar Buys en onzen hoogleeraar Kuenen -, zich niet buiten en boven de partijen plaatsen, maar zich nog bij de liberale partij blijven indeelen. Als independenten zouden zij meer invloed kunnen uitoefenen dan thans, nu zij in de banden hunner partij bevangen blijven.

Doch wat heeft het voorgaande, zoo vraagt men, met toekomstige ver verzoening en herziening te doen? — Het verband is niet ver te zoeken.

Ik geloof dat op sociaal gebied - in verhouding tot onze wenschen en idealen en tot hetgeen als rationeel en heilzaam , als eenvoudig en ligt uitvoerbaar, voor de hand schijnt te liggen - alle dingen niet op de beste, of zelfs op redelijk goede, maar op de allerslechtste wijze geschieden;

en dat hetgeen zonder slag of stoot zou gelukken, indien slechts een klein getal goede, vroede en kloeke mannen de zaak ter hand namen, toch niet pleegt te gebeuren. Desalniettemin meen ik wel gedaan te hebben om verzoening aan te prijzen , om te trachten haar nader te brengen aan de voorstelling van enkelen mijner met het denkbeeld niet vertrouwde landge-nooten. Want indien het nu eens onverhoopt gebeurde, dat - zij het slechts - een tiental mannen , uitgerust met hetgeen mij ontbreekt, nl. met naam en gezag, talent en

ocr page 30

28

invloed, zoo als bijv. onze hoogleeraar Buys en onze hoogleeraar Kuenen, zich opgewekt gevoelden om krachtig tot verzoening te vermanen, dan zouden zij een grooter aantal anderen medeslepen, dan zou de massa ten slotte volgen, en de verzoening zou tot stand komen. Doch, ik herhaal het, ik geloof niet, dat zoo iets gebeuren zal. De besten en wijsten onder de liberalen zullen zeggen: „Het gaat toch nietquot;; en zij zullen in het oude vaarwater blijven ronddobberen. Anderen zullen zeggen : „Godsdienstvrede is eene goede zaak, maar niet tot eiken prijs; van hetgeen waarop wij inderdaad prijs stellen, willen wij niets prijs gevenquot;; of wel: „Vrede is goed, wij zijn ook vredelievend, maar onze tegenstanders zijn het niet; alzoo que messieurs nos ad-versaires commencentquot;. Nog anderen meenen dat de (darwinistische) natuurstrijd ook op maatschappelijk gebied, ofschoon op onbloedige wijze, behoort gevoerd te worden. Of althans, zij vatten het onderscheid niet tusschen A. den theoretischen strijd op wetenschappelijk gebied en B. den prak-tischen strijd over de toepassing op staatsgebied van uit-eenloopende godsdienstige , ethische , esthetische denkbeelden of van uiteenloopende inzigten over hetgeen heilzaam of schadelijk is. Zij vatten niet, dat strijd op het gebied der wetenschap te huis behoort en geene beperking behoort te ondergaan; doch dat, waar zij elkander niet tot andere gedachten kunnen brengen , de politisch samenlevende men-schen, volgens den aard en het doel dier samenleving, tot het vermijden van strijd en tot de meestmogelijke transactie geroepen zijn. Daarbij ontgaat het aan de meeste onzer liberalen, dat thans de maatschappij waarin zij loven, niet is eene katholieke of eene orthodox-protestantsche, maar eene moderne maatschappij , dat alzoo niet van de andere zijde

ocr page 31

29

maar van hunne zijde concessien kunnen gebragt worden, en dat zij bij het slaiten van transactiën iets van hun hezit zullen moeten opofi'eren. „Hebt gij wel opgemerkt, zeggen zij, wat Dr. Schaepman onlangs in zijne brochure gevorderd heeft, en hoe onverantwoordelijk het dus zou zijn om in de scboolquaestie iets aan zijne partij toe te gevenquot; ? Ik vrees dat het weinig zal helpen, of men hun antwoordt: „Behoudens de vrijheid van het onderwijs, bezit gij alles wat gij in zake van schoolwetgeving en schoolbestuur wenschen kunt. Dr. Schaepman wenscht juist het tegenovergestelde, nl. de afschaffing der neutrale staatschool; Jhr. de Savornin Lobman wenscht dit ook, en beider geestverwanten wenschen het evenzeer. Nu zal de schooltransactie daartoe leiden dat gij iets van uw hezit inboet en uwe tegenstanders iets meer van hunne wenschen. De transactie is juist een vergelijk tusschen hetgeen gij helt en zij verlangenquot;.

Verzoening verwacht ik dus niet van het vrije initiatief der liberale partij in haren tegenwoordigen toestand, maar slechts van haar intreden in hare toekomstige levensphase; immers van de aanvaarding harer tegenstelling tot en barer bestrijding van de radicalen en sociaaldemokraten. Dien ten gevolge zal zij niet alleen hare tegenstelling tot het nevelbeeld harer oude „conservativequot; tegenstanders geheel opgeven, maar ook geneigd zijn om zich met hare actuele oud-christelijke tegenstanders te verzoenen en hun te dien einde concessien te brengen. De verzoende partijen zullen daarna tot herziening kunnen samenwerken. Hoe eer dus bij de liberale partij het bewustzijn harer toekomst ontwaakt, hoe eer wij verzoening en herziening zullen verkrijgen.

15 Jan. 1885.

ocr page 32

30

Pscr.

liberale splitsing De „amsterdammerquot; en de arnhemsche courant (17 Jan.) hebben laatstelijk ronduit verklaard , dat de liberale partij uit twee groepen of fractien bestaat, eene conservative en eene geavanceerde, welke te zeer uiteen-loopen om in eene liberale unie aaneengesmeed te kunnen worden, en dat bet geneesmiddel waaraan de partij thans behoefte heeft, niet is eene „liberale uniequot; maar eene „liberale splitsingquot;. „Wij zijn niet éénig meer, zegt de arnhemsche courant (19 Jan.), niet omdat wij het niet willen zijn, maar omdat wij. het niet langer zijn kunnen', en omdat wij het niet zijn hunnen, moeten wij het ook niet langer willen zijn en zelfs niet willen schijnenquot; — Ziedaar de taal der waarheid. Zóó noemt men de dingen bij hunnen naam. Zóó breekt men geheel met de taktiek om van het streven der partij nimmer eenig rekenschap te geven doch het steeds te doen voorkomen, alsof het woord liheraal voldoende was om de onbekrompene, verlichte en edele inzigten en bedoelingen van alle leden der partij te kenmerken. — Voegen wij er nog bij, dat de beide elke baars weegs gegane sectien, in plaats van „conservatief liberalenquot; en „geavanceerd liberalenquot;, behooren te heeten liberalen en radicalen. De eerste sectie is die van het oude, ware, onveranderde, op den rijken en den gegoeden burgerstand steunende liberalisme. De tweede is geenszins die der met hunnen tijd medegegane liberalen, gelijk men van radicale zijde beweerd heeft, maar eene nieuwe, in hare opkomst verkeerende, op lagere bevolkingslagen steunende partij. Tot de vertegenwoordigers der radicale

ocr page 33

31

partij beliooren ook geenszins de schismatische (niet heretisché) kamerleden, welke men ten deele heeft nitgestooten. Aan radicale zijde heeft men aan die kamerleden „avancesquot; gemaakt en het willen doen voorkomen , alsof zij „geavanceerdenquot; waren die de achterhoede der „ware liberalenquot; of heter gezegd „radicalenquot; uitmaakten. Inderdaad bohooren zij geheel tot de liberale sectie; en als de splitsing tot stand komt, zullen zij of sommigen hunner blijven fron-deren en zich independent houden, maar zeker zullen zij zich niet bij de radicalen aansluiten.

19 Jan.

ocr page 34
ocr page 35

liftte : 'mmsmm ■ ssa- -■

i ■ . , , ■ ■ ,

H

,

• * : , ; ■; . ■ , ,

i

■ 1 ■ ■ !

'/' ■ r ! . i'

| | | | |

1

|

-1 |

r

' ^

vv:-'V'rquot; ' 11

V ' ■ • quot; . ( ■ - ■ ;' .

|

- ' -v ' , , ' : - ■ • . lt; Vtt |

|

V:' ' '

• V,V '*' • l -

.

'

..

■.lt;w ' •

,

P

i't

v

' .

■ /■ {k

quot;v-r: ':}

■

■

'A4.

: v- ..

.

■

' ' '

■ 'V-V'r,., - :v■■ ft: ft;-- • ■ ■ ft:;:v'ift

i

t -ftft. ö :lt;:m . . ■- ■ ■■ -ft

... . .. • ... ft , • . ■ ■gt; •. , ■ . . ' . ,. • ... u-fl

■ ft . / / ' ■ '■ ' 1 ■ ■ . ; 'r.#iI

^ ~ ^ ^ J

- ' 1 • 'I

1

: •'.ft. iftt.f'ft ■■•:,■;.■ 7quot;'^.'■' -4' 'Jft: v-:,;:; Vft::-,:!

V'ft l-.ft- V ■. • , 1 .'..ftft ...... ■•! - . , . gt; quot;ft v. , .. •■*.

;■■■■■.•■■, 11•••■•■■ ..' , ■ ' .. ■ .ft-ft; •gt; .J

■■ ■

I^^ft'v- quot;y V. ^V ;^ ::;Nv- .i

■ ■ . i. '2 _______ . _ ft _ _ _j

'

,:ƒ•■!

' ft^ft'.; .

. vquot;^ v

V']

■m

I

-

■ :gt; AT.

■'■ • V»

• ; , ',

■

gt;5 • •'ï, ,■•■.

■

' 1 , gt;

■ Vgt;'; (?

. V pK

. '/ * '^V-. ■•

\

•■ ]\A.

ocr page 36

Reeds verschenen:

leryociiiiiü' en Iloraoiniiff

I (Inloidiiip1.....('I t\(.!|lt;;ssl l'',N)

if. EKDSQUAESTTE

III. S( IIOOI.QUAKSTIK

A

IV. I INANCIELE QUAESTIE.

J

Bij don Uitgever dezes is afzonderlijk verkrijgbaar uit

METIS, Iste Jaargang:

SDCIAA L

DOOK

P. v. BEMMELEN

Prijs /' 1.25,