ocr page 1

t

■ quot;J- V v

fik

/

De 22ste Januari dezes jaars zal voor Prof. Dr. J. H. Gunning te Leiden, voor zgne familiebetrekkingen, voor zgne vele vrienden en vereerders zeker onvergetelgk big ven. Op dien datum immers mocht hg den dag herdenken, waarop hg, veertig jaren geleden, door zgnen vader, dien wg in onzen studententgd, als emeritus predikant, tijdens zijn leven, te Utrecht, nog wel hebben gekend, tot de evangeliebediening te Blauwkapel werd ingeleid, nadat hij reeds als hulpprediker, eerst te Antwerpen en daarna te Heusden, was werkzaam geweest.

Den geachten jubilaris werd namens eene Commissie, die tot voorzitter had Mr. O. W. Star Numan te 's Graven-^aSe» griffier van de Eerste Kamer der Staten Generaal en Curator der Leidsche Hoogeschool, een door de zorgen der firma ten Hoet te Ngmegen artistiek uitgevoerd, en fraai gebonden album aangeboden, bevattende den eigenhandig geschreven naam van onze Koninginne Eegentesse, een zeshonderdtal handteekeningen en vriendschapsbe-wgzen, met photographieën en bgschriften uit de verschillende plaatsen, waar hg heeft gewoond en gearbeid, te beginnen met Vlaardingen, waar ?gn vader, derwaarts uit Olst beroepen, predikant was en waar hg 20 Mei 1829 werd geboren en. 7 Juni gedoopt. Geen enkele

Prof. De. J. H. GUNNING.

ocr page 2

PROF. DB. J. H. GUHNING.

plaats werd in dat album vergeten. De eerste photographic, die van Vlaardingen, was een type van vele volgende. Men ziet daar de haven en onwillekeurig vergelgkt men de cartons van het album met de vroolgk gewimpelde, rijk gevulde haringbuizen; de cartons, ruim voorzien van geestesproducten, met zout besprengd, in meer dan Attisch zout gezouten. Wisten wy niet dat jocis tam-quam sale paree utendum (scherts evenals zout met mate moet gebruikt worden) we zouden tegen de naturalistische kritiek, tegen Taine en anderen het voorbeeld van prof. Gunning kunnen aanvoeren, dat hoogstrevende geesten ook uit lage landen kunnen voortkomen en fijne geestesproducten gedistilleerd worden zelfs uit haring en kaas. Edoch, niemand is slechts van beneden.

Hoorn, waar het eerste haringnet werd gebreid. Hoorn, waarheen het gezin van Vlaardingens herder en leeraar (zyne echtgenoote heette Anne Elisabeth van Campen, hij zelf Johannes Hermanns evenals zgn zoon, kleinzoon en achterkleinzoon, allen thans te zamen te Leiden woonachtig) in 1832 vertrok; Hoorn, door Huygens de Vrouwe van de Klaveren geheeten, West-Frieslands hoofdstad weleer, welker wortelengewas zelfs door keizer Tiberius niet werd versmaad, het echt Noord-Hollandsche Hoorn is met zgn kaasmarkt ook vertegenwoordigd ; Leeuwarden, waar de vader van 1835 af is werkzaam geweest en zeker nog by die hem kenden in gezegend aandenken voortleeft, Frieslands hoofdplaats, de landstreek, in het geschrift Beginsel en Meeningen I5*6 druk bl. 121, 2de druk bl. 134 en 135 door onzen Schryver bg zyn gaan naar'sHage besproken, is evenmin vergeten geworden. Utrecht zien wy en de Domsteeg, waar prof. Gunning zyn studietgd doorbracht in het huis van zyn oom dr. Dompeling, en waar hy reeds van zich deed hooren, ook door bydragen in het destijds bestaande Studentenorgaan; Barneveld,

328

ocr page 3

PROF. DR. J. H. GUNNING-.

waar hg later, 6 Jan. '54 huwde met eene der dochters van den predikant Hoog, een der voortreffelykste van de Veluwe, en waar hy velerlei, vooral historische lessen gaf aan het destyds vermaarde instituut van den heer Kapteyn; Antwerpen, waar hij gedurende de ziekte en na het overlijden van den jongen predikant Stockfeld, opvolger van den naar Nijmegen vertrokken Stoop, als ambtgenoot van den hoogduitschen Spörlein den predikdienst in de Hollandsche en ook iu de fransche taal vervulde en waar de later evangeliedienaar geworden schilder van der Waeijen Pieterszen grooten en heilzamen invloed had op de ontwikkeling van zijn geestelijk leven, Antwerpen prijkt ook in het album met zyn kathedraal, zijn protes-tantsch bedehuis en zijn bibliotheek uit het museum Plantijn.

Daarna komt Heusden, waar Voetius leefde die als hoogleeraar te Utrecht sprak „over het nauwe verband tusschen de godzaligheid en de wetenschappen,quot; ofschoon vroomheid en Scholastieke godgeleerdheid bij hem dikwerf „unvermittelt neben einanderquot; lagen, een klip door dr. Gunning steeds met zorg ontzeild, alhoewel een fijn opmerker tusschen hem, toen naar ik vermoed onder Opzoomers en Piersons invloed, en zyn leermeester dr. Chantepie de la Saussaye verschil kan ontdekken, een verschil trouwens in Ernst en Vrede en elders door beiden uitgesproken, waar de verhouding tusschen ge-looven en weten aan de orde komt. Zooals de predikant Wielandt te Heusden ons schreef is dr. Gunning ook daar nog niet vergeten ; vooral zyne bijbellezingen hebben een indruk achtergelaten, die niet licht uitgewischt zal worden. Toen reeds maar meer nog in het naby Utrecht gelegen Blauwkapel, welks kerkje en pastorie evenzeer in het album pryken, arbeidde de jeugdige evangeliedienaar voor de pers. Vooral onderwerpen aan natuur- en letterkunde ontleend hielden hem bezig.

329

ocr page 4

PROF. DR. J. H. OUNNIKO.

In 1853 was een tijdschrift verschenen, Pantheon genaamd, een tydschrift ter verspreiding van nuttige kennis, onder redactie van dr, J. W. Gunning, den tegenwoor-digen Amsterdamschen chemicus, Mr. O. van Rees, dr. L. Mulder e. a. Wy vinden daar, in verschillende jaargangen, evenals in de vaderlandsche letteroefeningen uit die jaren en in „Ernst en Vredequot; belangrijke artikelen van onzen auteur en reeds in het begin in 1853 een schoon stuk over de literatuur en hare verhouding tot de beschaafde samenleving van onze dagen.

Ofschoon dr. Gunning zijne letterkundige voorliefde nooit verloochend heeft zoo gelooven wy toch dat de theoloog, althans als auteur, in Hilversum, waar hg van 1857 tot 1861 gearbeid heeft, eerst recht zijne wieken heeft ontplooid. Wij weten evenwel, en het album be-wyst het, dat ook de herder en leeraar in Blauwkapel niet is vergeten. Toch treedt de literator vooralsnog op den voorgrond en ziehier in welken geest:

„De ware smaak, lezen wij ergens in een Pantheonartikel, is eene zedelijke vertuositeit in 't uitkiezen van het betamende, aangename, schoone, en het afwyzen van 't onaangename, leelyke, in kunst en wetenschapen leven. Hy is als 't ware de uiterlyke vorm waaronder de zielsadel van den beschaafden mensch zich openbaart. Hij is het verstand van het hart. De innig zedelyk-godsdienstige mensch, die met het oog des geestes de wereld in hare duizenderlei schakeeringen heeft bespied en begrepen, die alleen heeft den waren nimmer falenden smaak.quot;

Reeds toen trad zyn streven naar voren, om het hoofd, ook het rykst begaafde hoofd onderworpen te maken aan wat in den mensch het meest centrale moet blyven. Uit het hart, zegt hij, „uit het hart komen voort al de goede en kwade dingen, ook de goede en kwade smaak.quot; Wat

330

ocr page 5

PROF. DR. J. H. GUNNING.

de letterkunde aangaat, zy mag zich niet eraancipeeren. „De literatuur zelve mag niet en kan niet het hoogste doel des levens zgn. Zij is een middel, niets meer. Niet alles is hetzelfde voor allen. Wat voor den eenen een staf kan zyn, dat wordt vaak in de hand eens anderen eene slang.quot;

Ook over de historie worden voortreffelijke dingen gezegd. Door ieder zal, terwyl wg slechts een paar handvollen grypen uit een rijken oogst van schitterende gedachten, door ieder zal b. v, het ware en behartigenswaardige toegestemd worden van hetgeen in het volgende wordt aangeprezen:

„Vorm uw hart uit de geschiedenis, door aan den boezem te liggen van de groote mannen, wier werken gy dd^r van hen ziet getuigen. Wanneer wg lang en dikwyls in hoog aanzienlgke kringen verkeeren, zoo nemen onze manieren zekere fijnheid en edele sierlyk-heid aan. Onze trekken worden kalm en innemend, onze houding waardig en schoon. Zelfs in gevaren en moeielgke omstandigheden ziet men den man van hooge opvoeding zekere vastberaden kalmte handhaven en zyne meerderheid stilzwijgend doen erkennen, terwijl anderen in angstige onrust zichzelven vergeten. Stelt voor dien uiterlyken omgang het zielen-verkeer, en gy hebt den zegen der geschiedenis bevat. Zij leert ons op die wijze zekeren genialen afschrik van het kwade, omdat het leelyk is en den waarachtigen smaak beleedigt: eene bedaarde hooghartigheid tegen het lage en onedele, zoodat men vele dingen in ons byzyn niet eens durft te noemen: een onverschrokken fierheid tegenover de wereld. Zoekt eerst en bovenal dat uit de geschiedenis en de goede smaak voor de literatuur zal u wel toegeworpen worden.quot; Deze beginselen zyn door prof. Gunning, die by de meest eenvoudige levensbehoeften op aristocratie des

331

ocr page 6

PROF. JJi:. J. H. GXTNKING.

geestes steeds den hoogsten prijs heeft gesteld, immer in toepassing gebracht.

Taal, letterkunde, natuurkunde , geschiedenis, ziedaar de sferen waarin de heer Gunning in deze periode zyns levens bij voorkeur zich beweegt , en hoe vcelzgdig hy dat doet, hoe hoog hg zijne idealen stelt, daarvan levert elk zijner woorden liet bewijs. „De taalstudiequot;, zoo lezen wy, „de taalstudie als voornaamste middel ter vorming van de kinderlijke ziel, verdient dat wantrouwen niet dat tegenwoordig een al tc sterk vooroordeel ten gunste van de meer positieve wetenschappen haar tegenstelt. Eerst en bovenal de ferme trouwhartigheid van de Hollandsche moedertaal; maar dan ook de sierlijke regelmatigheid van de Fransche, de krachtvolle welluidendheid van deEngel-sche, de muziekale liefelykheid der Italiaansche, de majestueuze volheid der Spaansche of de schoone mengeling van zachtheid en nadruk in de Noordsche talen, — ze laten alle haar indruk na, niet alleen in het geheugen, maar ook in de ziel van het kind.quot;

Ziedaar de man, die ons weldra zyne boekbeoordeelingen van Elise van Calcar, mevr. Bosboom-Toussaint, W. J. van Eavesteyn, over Engelsche stichtelijke literatuur enz. zal schenken; die uit Blauwkapel in het Utrechtsche leesmuseum eene voordracht komt houden over het Evangelie en de literatuur om later in de hofstad zyne leerlingen in het studeervertrek, zyn gehoor in de spreekzaal en zyne lezers met Bunyan, Kingsley, Göthe, Schiller, Dante en Shakespeare evenals met zyne reisindrukken te boeien.

Fijne psychologische opmerkingen, eigen aan Vinet en eenig by dezen grooten christelijken denker, zoeken wij in al zijne stukken nergens te vergeefs en dat by onzen schryver in de kritiek evenals by prof. Brill barmhartigheid het beginsel zyu wil van ware kracht, daarvan strekke dit echt Gunningiaansche staaltje ten bewyze;

332

ocr page 7

PROF. DR. J. H. GUNNING.

„Verlos ons van den Booze — en van de metaphora!quot; In dezen uitroep ontlastte zich het gemoed van Paul Louis Courier, na een pleitgeding, waarin de declamatorische overdrijving van den advokaat zijner tegenparty over zgn rechtvaardig belang had gezegevierd. Wy voor ons hebben ons door den hedendaagschen recensie-toon dikwerf genoopt gevoeld', tot begeerte om verlost te worden van het tegendeel van het tweede der door den gees-tigen pamphletist verwenschte bezwaren. Niet zeldzaam is het geval, dat eene warme ontboezeming des harten, met welke zorgeloos de binnenste tinteling des gevoels was uitgeademd, onder de küle aanraking der kritiek, die zoo gaarne dddrin hare (immers gemakkelykste!) triomfen viert, tot geheele onkenbaarheid wordt misvormd. De indruk, dien wy daarvan ontvangen, is een dergelyke als op ons gemaakt worden zou door de beschryving van een kunstbeoordeelaar, die, geroepen om eene statue van Michael met den draak te waardeeren, verslag deed van de anatomische juistheid der spierspanningen , of de graden bepaalde van den hoek, dien het vooruitgezette rechterbeen des aartsengels met zyn linkerbeen maakte. Van hollen pathos of metaphorische nevelachtigheid zyn wy zoo afkeerig als iemand; maar wij beweren dat aan een kunststuk terstond reeds dd^irdoor onrecht geschiedt, wanneer er eischen aan worden gedaan, op welker bevrediging het geene aanspraak maakt — veel meer nog, wanneer die eiscuen als maatstaf van zyne waarde genomen worden. (Zie het evangelie en het gezellig verkeer, tevens antikritiek op eene beoordeeling van mevr. van Calcar's „Evangeline,'' door den heer van Limburg Brouwer in de Gids. Mei 1855.)

Trof ons in Heusden en Blauwkapel het eigenaardig literarische in het optreden van onzen hoogvereerden leermeester, ofschoon hy als redacteur van „de Referentquot;

333

ocr page 8

1 , —

334 PROF, DE. J. H. GUNNI*a.

ook aan de theologie zgne zorgen wgdde, (de referent, welk tydschrift een jaargang beleefde en onder een anderen titel, wederom een jaar door dr. A. Pierson voortgezet, de gaping aanvult tussehen de oude en nieuwe jaarboeken voor wetenschappelgke theologie), in Hilversum begint zijn theologisch en inzonderheid zyn homile-tisch standpunt sterk op den voorgrond te treden.

Een merkwaardig voorbeeld daarvan levert de preek door hem in 1858 uitgegeven, en daarna zyn woord over sommige vereischten der hedendaagsche prediking, ') welker beginselen vooral door prof. Prins in de godgeleerde bydragen en door W. B. J. van Eyk in de Nieuwe jaarboeken voor wetenschappelijke theologie in een opstel, getiteld „een nieuwe lap op een oud kleed/' 6 Dec. 1861, ter sprake werden gebracht. De Heer Gunning verdedigde zyn standpunt o. a. in den 10den jaargang der „Magdalenaquot;, maar, naar het ons wil voorkomen, heeft vooral een zich v. d. H. teekenende bevriende recensent de gevoelens van den heer Gunning toen het duidelykst toegelicht.

De titel der preek luidde: Een bazuin Gods. Beschry-ving van het uitleggend gedeelte der Godsverheerlijking door de Hervormd-Christelgke gemeente te Hilversum, op den eersten Augustus 1858, voorafgegaan door een woord tot de gemeente, van J. H, Gunning Jr. (Ten voordeele van de armen dezer gemeente.) Hilversum, P. M. van Cleef. 1858. Prgs 25 cent.

In een voorbericht geeft hg de reden op, die hem by wgze van uitzondering deze leerrede laat drukken. Ook later zgn er zelden preeken van den heer Gunning in het licht verschenen; doch wel bestaan er schriftelyke

1) In 1861 verschenen met negen vertaalde cliristelijke toespraken van Ch. Kingsley.

ocr page 9

PROF. DR. J. H. GUNNING.

opteekeningen en enkele daarvan, in 's Gravenhage bewaard, zyn verschenen iu „Een liefdegave voor een liefdewerk, ten voordeele van het diaconessenhuis te 's Gravenhage , Utrecht, Breger 1892.quot; In een belangrgk voorwoord deelt de schryver met beschamende openhartigheid zgnen vrienden zyn oordeel over eigen kanselwerk mede.

Van 1866—1870 ingeschreven als leerling van het Haagsche gymnasium hadden wy het voorrecht den heer Gunning, die in 1861 uit Hilversum zgne intrede in de residentie gedaan had, als catechisant, in de kerk en in de spreekzaal geregeld te volgen. Wanneer ik den indruk ververschen wil dien hy toen op mij maakte, dan sla ik het gedenkboek op der Evangelische Alliantie in 1867 te Amsterdam gehouden, waar bl. 558 zyn beeltenis gevoegd is bg de verhandeling over christendom en wetenschap toen door hem gehouden. Zoó stond de heer Gunning voor my in het kleine spreekkamertje van het in de buurt der Luthersche kerk, waar ik Ds. Schuurman zoo gaarne hoorde, door hem bewoonde huis, als ik my bij hem aanmeldde; zoó, gelyk zyn zoon, de Leidsche leeraar, die toen in een zystraat hoepelde, nu is, maar toch weer anders, was hy toen; zóo was hy, toen hij ons met den heer Roëll als ouderling tot lidmaten aannam, op dien vriendelijken dag tegen Paschen van het jaar 70, en toen ik, namens een groot aantal leerlingen, hem eenige woorden van dank toesprak, maar vergat van het kleine geschenk melding te maken, dat echter voor my lag; zóo was hy, als hy met energieken stap het locaal in de Torenstraat binnenkwam, waar eene talryke schare hem verbeidde, waar velen, vriendinnen vooral, yverig aanteekening hielden van het met bezieling gesproken, beeldryke woord, en waar ik. God dankende voor het paradys der herinnering waarin ik bleef, o. a. het eer-

335

ocr page 10

PROF. DK. J. H. GtTKNING.

waai'dige hoofd van den heer Singendonck opmerk, nu onlangs in zyne ruste ingegaan. Zóo was hg, als hy ons, terwyl onze harten dikwerf brandende in ons waren, de Schriften opende, de formulieren van eenigheid uitlegde, en van de toekomst van Christus sprak; zóo zie ik hem door de straten zich spoeden, door ieder gegroet, en zóo stond hg op den kansel naar boven ziende met opgeheven gelaat, diepzinnig predikend maar verstaanbaar voor velen en voor anderen die het namaals hebben verstaan.

De heer Gunning was gewoon de boekjes van prof. Doedes als leiddraad te nemen bg zgn catechetisch onder-wys. Ook heeft hij eens een begin gemaakt met een uitgebreide toelichting tot des hoogleeraars „Leer der Zaligheidquot;, blijkens een prospectus, van het jaar 1865 dateerend. Later, in 1873, werden de geschriften van C. Ernst, hoogl. aan de theol. school te Herborn , De Raad Gods en Vraagboekjen' in woorden der H. Schrift door hem met eene voorrede in onze taal uitgegeven en gebruikt. Steeds was de bijbel hoofdzaak en werden de belijdenisschriften onzer kerk met pieteit verklaard en aangeprezen.

Hebben wy op zijn literarisch, daarna op zyn homi-letisch en catechetisch werk gewezen, thans willen wy van den polemicus spreken.

Het was toen Ds. Gunning in 1861 zyne standplaats Hilversum met 's Gravenhage verwisseld had een stormachtige tyd in den lande. De heer Zaalberg en met hem Ds. Hoevers stonden in de residentie pal voor het modernisme. De heer Groen van Prinsterer verdedigde met onverbiddelyke logica het confessioneele standpunt en de christelijk historische richting. De irvingianen en de dar-bysten zwegen niet en de heer Esser verhief zyne stem op de straten. Ik moet zeggen, het was een belangryke

336

ocr page 11

PROF. DR. J. H. aUVNING.

tijd, een tyd vol frischheid, vol spanning, vol nadenken, vol leven. Waartoe verwonderd? riep Ds. Gunning. Is er geen oorzaak? de heer Groen. Eén weg, den modernen, den sedert 18.. nieuwen, wees Dr. Zaalberg. Eén weg, verlevendiging van het kerkbewustzyn, den confessioneelen, den sedert 16 .. ouden weg ried Mr. Groen van Prinsterer in te slaan. Eén doel, twee wegen zei Ds. Gunning. Onderscheid vorm en geest, kerkvorm en geloof, beginsel en meeningen, zoo schreef hy en de kracht der waarheid tot overwinning zal zegevieren. Hy wees op de vrgheid der gemeente gelijk later op de zelfstandigheid der gemeenten, steeds door eigen vredestichtend voorbeeld, te midden van den moeielgksten stryd, getuigend van de zaligmakende roeping van het lichaam, waarvan Christus het Hoofd en de overste leidsman is, in onderscheiding van iederen kerkvorm en elke party.

De diepe onzedelykheid onzer kerkelijke toestanden verbloemde hy niet, en ernstig klonk zyne vraag: Is er blydschap by de christenen over de nederlaag der modernen? evenals later zyn noodkreet: Wij mogen niet na zyne belydenis: onze schuld tegenover de gereformeerden.

Op het goede maar ook op het gevaarlyke van chris-telyke vereenigingen vergat hij niet te wyzen, op het kerkelyk verband, in betrekking tot de zondagscholen b. v. werd steeds nadruk gelegd. Reeds in Hilversum had dr. Gunning eene roeping naar de vrije evangelische gemeente te Amsterdam niet kunnen aanvaarden. De redenen van ds. de Liefde, hoewel ernstig, toch niet fijn genoeg, hadden hem niet kunnen bewegen. De volkskerk, de nationale kerk, de historisch geworden vader-landsche kerk, behield zyne liefde, ook later, tydens de doleantie, tydens den heftigen stryd met dr. Kuyper. Weinigen hebben zooals dr. Gunning den raad des bijbels opgevolgd: beproeft de geesten, onderzoekt ze, of zy uit

22

337

ocr page 12

PROF. DR. J. H. GUNNING.

God zgn. Weinigen zgn zoo ver als hy doorgedrongen in de eigenaardigheden van allerlei tegenstanders, moderne, vrykerkelgke zoowel als confessioneele. Weinigen hebben zooals hg, naar een, ik zeg niet hoogere,ik zeg liever diepere eenheid gezocht tusschen woordvoerders van de meest tegenstrgdige geestesrichting. Zoo verdedigde hij, om iets te noemen, het stemrecht der gemeente en tevens, hierin van de la Saussaye verschillend, de behoefte aan een centraal geestelijk gezag. Weinigen hebben zooveel behoefte geuit aan sympathie en zooveel medeleden betoond in onze kerkelijke, staatkundige, maatschappelgke toestanden en verhoudingen, waarvan de meeste binnen zyn gezichtskring vielen, binnen het bereik van zijn vaardigen, slagvaardigen, veel omvat-tenden geest. Vooral had het onderwas, hooger en lager onderwya, en de onderwijzersstand zyne liefde en toewijding. Zgn woord tot de chr. gemeente over school-onderwys, ruim 30 jaren geleden uitgegeven, zgn zeven stemmen over schoolonderwys, zijn schoolwetsherziening, zyne opstellen in de paedagogische bijdragen vergeten wij niet, al willen wg hierop nu niet ingaan, daar wij ons voorbehouden by eene latere gelegenheid over de stellingen door mr. v. d. Brugghen, mr. Groen van Prin-sterer, de la Saussaye, Gunning, Beets e. a. in het lager onderwys ingenomen, te spreken.

De meest uiteenloopende onderwerpen worden in de lange Igst zgner geschriften behandeld. Behalve allerlei boekbeoordeelingen, telkens woorden naar aanleiding der tydsomstandigheden. Zoo in Hilversum reeds, gelijk later in 's Gravenhage, over de inenting; voorts over de dronkenschap en over de geheel-onthouding; over de Koomsche kerk, over de Waldensen, over Atchin, over Gods Raad met de volken, over Nederland en de Oostersche volken. Kuim 150 grootere en kleinere werken heb ik geteld.

338

ocr page 13

PROF, DR. J. H. GUNNIKG.

nog afgezien van courantenartikelen, die mij ontgingen.

de grootere werken denkt ieder aanstonds aan de vier deelen der Blikken in de Openbaring en aan het lijvige werk bet leven van Jezus, waarop wg met zooveel genoegen een register vervaardigden. De Blikken met meer waardeering beoordeeld door Roorda van Eysinga dan door dr. H. Oort; het Leven van Jezus, mede door de teruggenomen eerste aflevering in den tijd door velerlei monden besproken, maar, gelijk de Blikken, door menigen mystiek gestemden, wijsgeerig aangelegden, theosophisch bevoorrechten stille in den lande genoten.

Evenals prof. Beets by de aanvaarding van zgn ambt eens verklaarde, gg zijt volkomen op de hoogte ook van hetgeen ik niet ben zoo is ook prof. Gunning steeds bereid bevonden om de woorden van den apostel Paulus over te nemen: „opdat (2 Cor. 12:6) niemand van mij denke boven hetgeen hy ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoortquot;, en daarom durft zelfs mgne pen neder te schreven, dat het mg wil toeschijnen, de kracht van mynen hoogvereerden leermeerster ligt niet zoo zeer in het samenstellen van wat wij gewoon zyn boeken te noemen. Daarvoor was zijn geest te licht bewogen, zgn gemoed te gevoelig. Boven alles was dr. Gunning schrgver van vlugschriften. Daartoe werd hij gedrongen evenals ongetwgfeld zgne correspondentie van grooten invloed op zgne tgdgenooten zal zgn geweest. Dr. Gunning was, men zegt niet altgd de meest logische, immer de meest puntige, maar stellig de meest nobele en de meest gulle toezender van belangrgke brochures.

Nooit zou hij, zooals Busken Huet het hem heeft gedaan , iemand persoonlyk kwetsen. Steeds was hij bereid het minste onrecht, den minsten aangedaan, te belgden en liever zag hg overeenstemming dan verschil. Het vele dat hij zag eu gevoelde kon hg niet in zich houden,

22*

339

ocr page 14

PROF. DR. J. H. GTJlfNIKO.

540

moest hij mededeelen en dat oogenblikkelgk, vandaar by het diepzinnige in elkander het breede achter elkander gestelde. Vandaar de vele noten en naschriften die niet opgenomen werden in den tekst, de voorwoorden, die dikwyls vooruitgrepen op den inhoud, de afdwalingen van het onderwerp, de invallende gedachten, de beelden en vergelykingen, aan allerlei gebied ontleend, die de verstandelgken ontevreden maken maar toch ook weer velen van hen die verstand hebben van de dingen des geestes sympathiek zijn. De abstractie immers doodt maar de geest is dichter. Zoo geeft God ieder eigenaardige talenten en niemand heeft meer dan prof. Gunning met de vele gaven hem geschonken, gearbeid zyn leven lang. Een dergelyk boekje als het voor mij althans allerinteressantste werkje van prof. Acquoy, onlangs verschenen: „handleiding tot de kerkgeschiedvorsching en kerkgeschiedschrijvingquot; zou ik niet licht van prof. Gunning verwachten, evenmin eenige bibliographische ontdekkingen of naspeuringen op eenig gebied der wetenschap, en toch behoeft het geen betoog dat de invloed die van dr. Gunning, ook als hoogleeraar, uitgaat en zal blijven uitgaan minstens even verreikend en diep indringend is als van den meest acribistisch, microscopisch bevoorrechten geest onder zijne tydgenooten. De heer Gunning gaf ons een verrekijker in de hand, bij zag steeds in het oneindige of liever in den oneindige en wel in het aangezicht van Jezus Christus, den middelaar, maar toch nooit over het eindige heen, getuige de meest praktische levensvragen, waarvoor bg oog en hart behield, allen willende vervullen tot de mate der volheid van Christus. De grammatische en historische kritiek bekoorde hem minder dan de psychologische, maar het heeft ons ook altoos willen toe-schgnen dat het woord: zoek eerst het Koninkrijk Gods en alle dingen zullen u worden toegeworpen, van toe-

ocr page 15

PROF. DR. J. H. GUNNING.

passing is ook bg wetenschappelgk onderzoek, als maar verstaan wordt de zedelijke band tnsschen den geest die onderzoekt en het levende voorwerp der beschryving. Staat men in het midden, bestygt men de hoogte, dan ziet men terstond den omtrek en het dal, dan eerst kan men anderen het best den weg wijzen die tot de kennis der bijzonderheden voert. Intuitie en empirie kunnen elkander niet ontberen en allerminst in de theologie. Op den vloed der speculatie volgt de eb der empirie; na iederen vloed onderzoeke men wat achterbleef op het strand. Hoevele theologen verrekten onze wetenschap door hunne empirische methode, door de strenge school waarin zij waren gevormd en anderen den weg wézen. Hoe ryk is onze vaderlandsche theologie ten allen tyde aan detailonderzoek. Bewonderenswaardig, meesterlik was Kuenen; rijk aan talenten Scholten en met groote dankbaarheid denken wij aan onze TJtrechtsche hoogleeraren. De heer Gunning neemt met zyn ouderen tydgenoot de la Saussaye eene afzonderlijke plaats naast hen in. Bij hem is de vereeniging van intuitie en empirie niet zoo harmonisch zou ik zeggen als bij wylen dr. Chantepie de la Saussaye, doch beiden kwamen hierin overeen dat niet ideeën het voorwerp hunner bespiegeling waren, maar werkelyk-heden, de levende God en de gemeente des Heeren, voorwerpen van vorschend nadenken en bezielde beschryving.

Van dr. Gunning bezitten wy geen doorwrochte bundels leerredenen, geen serieën lezingen, geen schriftverklaringen als b. v. den schoonen commentaar op den brief aan de Hebreen, die de la Saussaye ons gaf. Maar by dr. Gunning is stellig evenveel intuitie; reikt de tbeoso-phische blik verder, is niet minder spiritualisme maar vooral niet minder realisme, terwyl beiden, van eenzydig individualisme afgewend, de volheid van Christus en zyne

341

ocr page 16

PROF. DE. J. H. GUHKING.

342

gemeente, de kosmische beteekenis van den Zoon, de rijkdom der openbaring in de gansche Schrift hebben aangewezen en aangeprezen, Gunning meer op ambt en sacramenten, de la Saussaye vooral op het woord den nadruk leggend. Steeds stond dr. Gunning evenals zgn door hem zoo hoog geschatte leermeester in de bres, waar het de verdediging gold der hoogste belangen, de een den ander steunende en aanvullende; denk, om iets te noemen, aan Spinoza en de idéé der persoonlgkheid des eenen, aan de opstellen in Ernst en Vrede en in de Protestantsche Bydragen des anderen vooral; aan het pleidooi voor de Theologische faculteit, aan de encyclopedische vraagstukken, aan het ethisch karakter der waarheid, aan de signatuur van de verschgnselen des tijds. De la Saussaye meer zich zelf bezittend en innerlyk strydend, Gunning meer vooruitstrevend en naar buiten tredend. De een is van ons weggenomen, de ander behoort nog tot de strijdende gemeente. Werd eens prof. de la Saussaye door de theologische faculteit te Bonn honoris causa de doctorstitel geschonken, prof. Gunning verkreeg te Utrecht eershalve den graad van doctor der Wijsbegeerte, en wel op voordracht van prof. Opzoomer, met wien hg steeds in ernstige maatschappelgke en wetenschappelijke relation was gebleven. Doch boven deze eerbewgzen stelden zij voorzeker de liefde en vereering hunner tgdgenooten, hunner leerlingen, het bewustzijn niet te vergeefs geleefd en gestreden te hebben. Het bene de me scripsisti Thoma zal prof. de la Saussaye wel niet zgn onthouden en, wat prof. Gunning betreft, ook hem eens toeklinken, als wg denken aan het schoone, hartverheffende dat zgne pen ons blgft schenken. Hij heeft ons doen hooren „het lied dat in het dogme slaapt,quot; hij heeft steeds tegen dogmatische versteening gewaarschuwd en altoos de hand aan den ploeg gehouden, niet

ocr page 17

PKOP. DR. J. H. GUNNING.

omziende maar vooruitziende naar de toekomst van Christus, de gemeente helpende toebereiden als eene reine bruid voor haren bruidegom.

Schoon zyn zgne letterkundige studiën, rgk zgne Blikken in de Openbaring maar inzonderheid geliefd die kleinere, meermalen herdrukte boekjes als: Lgden en Heerlgkheid, Wat is het geloof? Gordel en Wijnkruik.

Een van de meest gelezen geschriften van onzen auteur is ongetwijfeld „Christus de Gekruisigde voor en in ons.quot; De vierde druk is in 1881 te Amsterdam bg Kirberger verschenen, maar de kiem er van moet gezocht worden in het tijdschrift Beréa. Een overdruk uit dat tgdscbrift, eenigszins uitgewerkt, kwam in 1861 te Amsterdam bg Klgn in het licht onder den titel „het kruis des Verlossers.quot; Besprak „Gordel en Wijnkruikquot;, iu 1859 bij Kemink en Zoon ter perse gelegd, op aangrijpende wgze de zonde en hare ellende, hier wordt op het heil in Christus de klemtoon gelegd. Kunnen wg ons met moeite weerhouden om uit Gordel en Wijnkruik enkele schoon e blad-zyden over te schrijven, aan „Christus de gekruisigde vóór en in onsquot; willen wy toch enkele woorden ontleenen, waarby de eigenaardige gave des schrijvers, om historische vergeiykingen en beelden in zgne rede in te vlechten, eene gave, die in elk zgner schrifturen voor den dag komt, ons door eene voortreifelijke proeve duidelyk zal worden,

„Gy hebt ons woord „plaatsvervangerquot; gehoord en gg zyt teruggedeinsd, niet waar myn broeder? Want gg denkt aan de dogmatiek, die gg verworpen hebt en wier herinnering u bg de woorden „plaatsvervangingquot; en „toerekeningquot; met diepen weêrzin aan een koopmansverdrag doet denken, aan eene kwitantie, tusschen God en de menschheid gewisseld. O weg met de heiligschennis, die uit versteende lava wiskunstige figuren houwt en dan

343

ocr page 18

PEOF. BB. J. H. GÜKNIMa.

zegt, dit is de werking des vulkaans! Als ik spreek van plaatsvervanging, dan trilt mijne ziel tot in hare binnenste diepte bg de aanschouwing van een wonder der volkomen goddelijke liefde, en zg hoort onuitsprekelijke dingen, die het een mensch niet gegeven is, hier beneden volledig uit te spreken. Zal ik u door benaderende vergelijking dit heilig wonder duidelgk pogen te maken? Zoo denk dan aan die verrukkelijke, door ge-meene naturen niet te begrijpen geheimenis van het rgk der liefde, waardoor in de samenleving, in de vriendschap, in het huisgezin, de diepste zielen ten allen tgde voor en door en in de plaats van de oppervlakkige lyden. Denk aan de wondermacht der liefde, die haar voorwerp geheel in zich, en zich in haar voorwerp overplaatst. Denk aan de smart der moederliefde, die de moeder voor den bedreigden lieveling oneindig feller dan hemzelven doet Igden. Denk aan Arnold Winkelried, die de Oosten-rgksche speren, tegen de harten der Zwitsers gericht, tezamenvat en tegen zgne eigene borst drukt om den zijnen doortocht te geven. Denk aan het lijden, dat om den wille der zondige en ongelukkige wereld u in vroeger ongekende mate ten deel werd, sedert gy begonnen zgt, ook maar een weinig de wereld in Christus lief te hebben, en meet naar de overblyfselen der verdrukking van Christus, welke Zgne uitverkorenen om den wille en in de plaats van anderen lyden, de volheid Zyner plaatsvervangende, dat is: oneindig liefdevolle, smarten af.quot;

Zoo hebben wij den heer Gunning, naar aanleiding van de feestviering, die weder achter ons ligt, trachten te waardeeren en wel zooals hg ons voor den geest staat. Anderen mogen het gebrekkige aanvullen en niemand vergete dat wij niet in de eerste plaats den Amsterdam-schen kerkelyken hoogleeraar noch den Leidschen professor in hem op het oog hadden, maar den herder en

ocr page 19

PROF. DK. J. H. GÜNNIK». 345

leeraar, wiens onderwas wij in 's Gravenhage persoonlek genoten, den kerkleeraar, zooals wy hem het best hebben gekend. Wanneer ik mg afvraag wat hg voor mg steeds was en bleef van het oogenblik dat hij, by mgne aanneming, ons vroeg schriftelgk hem persoonlijk met redenen te willen zeggen waarom wij dien stap begeerden te doen, tot het laatste gesprek en den laatsten brief toe, dan treedt het priesterlijke in hem op den voorgrond. Zgn hoofd, welks scherp geteekend profiel, groote schaduwen werpend tegen de witte muren der catechisatiekamer, ik nog zie, zooals het was een kwart eeuw geleden; zijn schedel, calvus et calvinista, maar toch ook iets midden-eeuwsch, zoo dat ik er by voeg — et Bonaventura; zijne gestalte gehuld in een kamerjapon, die mij aan een monniksgewaad deed denken, mg met een kaarslicht voorgaand op den trap, om de logeerkamer te wgzen zijner gastvrge woning; zijn licht oog, zgn zoekend woord, zgn innig gebed, in den familiekring knielend gedaan, zgn altoos ernstig gesprek, zgn immer naar boven strevende geste, dat alles teekent mg den kerkvader; niets men-schelgks is hem vreemd maar met het goddelgke is hg evenzeer vertrouwd; bemiddelend is zgn handel en wandel, naar het heiligdom gekeerd, zooals hg in zgn Hil-versumsche preek dat wenschte, maar ook naar de gemeente gewend, om haar van Boven te zegenen met de zegening, die hg zelf eerst ontving, en het kruis haar voor te houden, dat den vollen zin der zelfverloochening daarom leert, omdat het tot zelfveroordeeling stemt. Zoo zien wg onzen jubilaris, en zoo bidden wg dat God hem staande boude, opdat hij, stervende tot het spernere sperni toe, in Christus ons het nieuwe leven der opstanding toone tot den einde.

Onvergetelijk zullen voor ons die als commissieleden de vereerende taak vervulden aan de bezorging van het

ocr page 20

prof. db. j. 11. gdmning.

album verbonden, de dagen blgven toen de cartons terug kwamen, de cartons, uit Nijmegen uitgezonden, naar alle oorden van het land, uitgezonden in de verwachting dat zeer velen hun hart zouden willen uitstorten, om onzen booggeschatten jubilaris te eeren en te vieren. Wij werden niet te leur gesteld. Onwillekeurig werden |wij, door eene geheimzinnige associatie der gedachten, herinnerd aan de psalmregels:

Hoe vroolijk gaan de stammen op

Met Isrels achtbre Taad'ren!

De vorsten van elk huisgezin Zij trekken aan: hier Benjamin,

Daar Juda's stam ,

Ginds Nafthali (n Zebulon.

346

Daar kwamen de cartons als bet gevogelte naar Noachs arke, als duiven tot hare vensteren. O moge dit een voorbesef, een voorafschaduwing wezen van de eenheid des geestes, van de gemeenschap der liefde, waarnaar onze ziele uitgaat, waarnaar ons harte dorst. Ach! ons kerkelgk leven doet ons dikwijls denken aan een grooten haard vol kolen, gedoofd, uitgebluscht onder de asch Er gloren er echter nog, ondanks de asch der zonde, ondanks de verkoeling, de verkonding door de hartstochten; de beschreven cartons zgn getuigen van dat gloren, van dat glimmen, van dat gloeien van velen. Hooggeschatte Heer Gunning! zoo roepen wy uit de verte onzen leermeester toe, wees nog lang in ons midden een verwarmende haard, een hart vol brandende, anderen in gloed zettende liefde.

A. PijNACKBE Hordijk,

ocr page 21

1265

v'Ih rfj

KRONIEK.

vraag stellen, of zulk een organizatie verkieslik zou wezen boven de tegenwoordige, en of zg zou kunnen ingevoerd worden.

Wij raeenen, dat het ontwerpen van zulk een schets meer inspanning zal kosten, dan men vermoedt. Inmiddels zouden wij de Broeders smeeken willen: helpt niet langer de illuzie aankweeken, dat de bron onzer jammeren is te zoeken in de organizatie. Wg willen gaarne toegeven, dat zij voor verbetering vatbaar is, maar er zijn zoo vele andere dingen, die nog meerder en eerder roepen om verbetering. Denkt slechts aan onze onafzienbare reeks van vacante gemeenten, aan het gevaar,

dat ons van Rome bedreigt, aan het feit, dat wij een ,

vijand tegenover ons hebben als „de doleerendenquot;. Onze ' ^ £. f zwakheid tegenover die nooden en gevaren schuilt niet in de verkeerde organizatie, maar in onze lauwheid, in onze traagheid, in ons ongeloof. Deden wij niet beter, met tegen die booze machten eendrachtig te strgden ?

Het zij ons vergund, den Heer Gunning welkom te heeten, als hoogleeraar te Leiden! Van de Eede, waar-meê hy dit zijn ambt aanvaardde, kunnen wy hier geen beoordeeling geven. Wel willen wy zeggen, wat er ons in trof. En dat is de besliste belijdenis van het geloof in Jezus Christus. Het zegt weinig, dat geloof uit te spreken in een kring van geestverwanten, of als hoofd eener party.

Maar ieder weet, waar prof. Gunning stond, toen hg zijn inaugureele oratie te Leiden hield. Zgn wg wél onderricht, dan heeft zgn optreden op velen een diepen indruk gemaakt; en dat kan ons, bg het lezen vau zgn Rede, niet verwonderen.

Men heeft gezegd, dat de leidsche godgeleerde faculteit zich min of meer gekrenkt heeft betoond over de benoe-

ocr page 22

KRONIEK.

ming niet van een aanbevolen geestverwant, maar van den Heer Gunning.

Wij kunnen dat gerucht niet gelooven. Veeleer nemen wg aan, dat de leidselie hoogleeraren het met den man eens zgn, die zeide dat hy onder hen, die naar waarheid zoeken, geen tegenstanders maar slechts bondgenooten kende. De wetenschap heeft, voor zoover wy weten, nergens haar monopolie gevestigd; en een man van zooveel kennis, en van zoovele nobele aspiraties als de Heer Gunning strekt zeker aan geen faculteit tot oneer, terwijl zijn geëleveerde beschouwing der dingen een waarborg is tegen onedelen wedstryd. Al kunnen wy 't ons verklaren , dat de leidsche faculteit den Hoogl. Rauwenhof gaarne door een geestverwant had zien vervangen, wij twijfelen er niet aan, of zy heeft, alle gedachte aan iets anders ter zyde stellende, den Heer Gunning hartelijk welkom geheeten, met een humaniteit, die zulken hooge-priesters in het heiligdom der wetenschap betaamt.

De bekwame en wakkere Voorzitter van het hoofdbestuur van het Nederlandsch Bybelgenootschap, de heer J. J. van ïoorenenbergen, heeft op 11. 20 September de algemeene vergadering van genoemd genootschap geopend met een be-langryke redevoering; hij toont daarin duidelyk aan, hoe het Genootschap steeds de verspreiding van den Bijbel in onze koloniën hand aan hand deed gaan met de zending, daar de uitdeeling of verkoop van groote getalen bijbels aan Chineezen en andere heidenen nog geen bewijs is, dat zij kwamen in handen van belangstellenden. „Aan den man brengen is nog niet altyd een brengen aaii den rechten man.quot; Een koopman zonder meer, een colporteur, die ook niet eenigermate zendeling is, doet al licht meer kwaad dan goed. Tot zyn leedwezen moest de heer v. Toorenenbergen vermelden, dat het ledental van

1266

ocr page 23
ocr page 24

Lijden en Heerlijkheid door J, H. Günning Jr. Arasterdam, B. van Land, 1875.

Met blijdschap zien wij dit boeksken er op aan. De schrijver, dien wij onzen vriend en broeder mogen noemen, was krank — maar ziet. God heeft hem opgericht. Uit de dagen zijner ziekte, brengt hij als levens- en als zegeteeken deze bladzijden meê, die dus spreken van een afgewend gevaar, van een dierbaar leven, dat bedreigd, maar gespaard werd. Reeds daarom was dit geschrift ons welkom.

Maar niet daarom alleen. Wij wisten het wel, dat Gunning

ocr page 25

BIBLIOGÜAFISCH ALBUM.

niet zoo vele weken daar alleen zou ter neder liggen, zonder ons in hoofdzaak meê te deelen, wat God hem deed ondervinden. Ik ken onder onze begaafdste tijdgenooten niemand, wiens gedachten zich zoo spoedig crystallizeeren tot een dag-blad-artikel, een brochure, een boek als dit het geval is bij Gunning. Onvermoeid opnemend wat onder zijn bereik valt is het voor zijn geest behoefte, oin zich te uiten. Hij denkt hardop. Voor de meesten zon zulks een straf zijn, een oordeel, een vonnis; Gunning mag vrij zijn hoofd en hart voor ons openen. Er hut nur eine Passion, und das ist Er! Gij kent, dit woord — cn zijn beteekenis. Hij zal veel zeggen wat misschien niet strookt met andere uitspraken; hij zal u verbazen meer dan eens door iets, dat u als een machtspreuk in de ooren klinkt; hij zal niet altijd helder voor u maken wat hij zeggen wil: hij zal u gedurig prikkelen tot weerspraak — maar gij blijft hem achten, gij blijft van hem leeren. Het intieme boekje, welks titel wij daar afschreven, bevat bladzijden van uitnemende schoonheid. Lees eens het hoofdstuk : De zegen des lijdens. Dat is stichtelijk in de hoogste mate. Die bladzijden verkwikken en sterken. Hoe aangrijpend en vol gevoel is niet de opdracht aan prof. Ch. d. 1. Saussaije! Wij kunnen met die opsomming niet voortgaan; wij zouden zoo veel moeten noemen.

Moeten wij nu hier ook onze bedenkingen uitspreken ? Wij doen 't liever later; als wij een andere aanleiding or toe hebben. Dit boekske behoude voor ons iets van een Souvenir, dat wij niet willen beoordeelen. Alleenlijk zeggen we nu, dat vooral het vijfde hoofdstuk bij ons bedenking heeft gewekt. Moge God den geliefden Auteur nog lang sterken en tot een zegen stellen!

A. W. B.

131»

ocr page 26
ocr page 27

KRONIEK. 527

metu »dat niet alleen de oprechtheid der duiven, bedachtiiame voorzichtigheid door de Heere Jezu^i^cirJt aanbevolen!^

Al de B. B.^wibben de slotresolutie^j^ESrvan wij zoo even iets raededeeldaS^^net een plegjllfg amen bevestigd. Ik wil 't gelooven, en de vermaning, welke

»tot de kerken dezer landeniJ^aï,,,g§richt worden.

Ik wensch Utrecht ei^^eluk meê, oStehet niemand heeft gecommitteerd, om^ïeel te nemen aan dit'^amenzijn, dat niemand tot i^èsverhond, maar slechts dienen nroegt, om wat raniM^e verwekken, 't Is toch jammer, dat Dr. foty-per rigfi groote talenten tot het organiseeren van zulke bijeenkomsten gebruiken moet.

Prof. J. H. Gunning Jr. verrastte ons dezer dagen met een woord aan de gemeente over »de Proponentsformule.'» Hij doopte het zelf »Irenischquot; De hoofdstrekking van dit geschrift is, dat de aanstaande leeraren zullen belooven »niet tegen de Schrift en de Belijdenis te leeren.quot;

Die eisch moet allereerst bezwaar wekken bij hen, die meeoen, dat Schrift en belijdenis niet in alles overeenstemmen, zoodat men tusschen deze twee moet kiezen, uit gehoorzaamheid aan de Schrift tegen de Belijdenis zich verklaren. Dat geval is niet ondenkbaar; neen, het doet zich werkelijk vooi\ Hoe kan ik dan belooven, dat ik noch tegen de Schrift, noch tegen de BeUjdenis prediken zalV JVIoet ik dan een terrein kiezen, waar Schrift en Belgdenis buiten staan, en dus ook elkander niet tegenspreken ? Maar Dr. Gunning bedoelt, dat de Belijdenis en de Schrift moeten worden opgevat, precies zoo als zij daar liggen. Dat is natuurlijk, zou ieder zeggen. Gij moogt er niets bij- of afdoen. Maar mijn vriend G. bedoelt iets anders met die woorden. Hij zegt het in dichterlijke taal. Schritt

Jiv

ocr page 28

KRONIEK.

eu Belijdenis moeten worden opgevat »uaïef, ongerept, zou (

zooals ze uit het hart der heilige mannen vloeiden, zoo beidi

als ze van de atmosfeer der eeuwigheid gedrenkt zijn, en spre

met de dauw der hoogere wereld bedropen.quot; zwjj,

Dr. Gunning wil zich aansluiten bij 't eenvoudige volk . ^0

(jods, dat niet redeneert, maar lief heeft, en de hand op,, /ez(

den Bijbel leggend zegt: Van dit woord Gods ga ik , ^pre

niet af.quot; en ,

Maar er volgt op, dat het onmogelijlc is, ook bij den zjci1

ernstigsten wil, voor een beschaafd, wetenschappelijk man eu ]

de belijdenis verstandelijk geheel te beamen. Maar, waar p

laat hij dan zijn verstand, als hij belooft niets tegen een £

belijdenis te zeggen, waartegen hij toch znlke ernstige a(ivj bezwaren heeft? Zijn dan de syllogismen van den catechismus allen juist? Heeft te Dordrecht de logica altijd gezegevierd? En zal ik nu, het tegendeel inziende, belooven moeten,

daarvan altijd te zwijgen? ;n(j

En hoe maken wij het met die feiten des heils, waarmeê de belijdenis, waarmeê ons geloof staat en valt? Hoor

Dr. Gunning: »Is de evangeliedienaar, »modern,quot; d. i. j

geloovende aan de wet zonder de genade te kennen, die aal]

tot het volbrengen van de wet in staat stelt, welnu, zoo zaa

belooft hij de wet te prediken: dit kan voob velen nog j^gj.

iets goeds hebben. Maar hij verbindt zich door onze clausule qu

er tevens toe, zijn loochenen van de opstanding des Heeren 00],

niet op den kansel noch in de katechiseerkamer te brengen. v0{

Aldus wordt hij tot geen onoprechtheid verplicht; van eei hem wordt slechts gevorderd, dat hij zwijge over wat hij

niet gelooft Wat hij gelooft dat moge hij prediken.quot; ni6

Maar wat zal uu zulk een moderne doen op den Hemel- eet

vaartsdag? Zwijgen! En op het Paaschfeest? Zwijgen; Zwijgen V0( over al het bovennatuurlijke in Schrift en Belijdenis, want prediken Jean hy het niet, eu bestrijden mag hy het niet. Maar

528

I

ocr page 29

KRONIEK.

P*-' zou dat zwijgen niet een leeren zijn tegen Belijdenis en Schrift 500 beiden; en hoe kan mijn vriend Gunning, die zoo gaarne en spreekt, omdat hij gelooft, een expediënt zoeken in het zwijgen, omdat men niet gelooft, of liever omdat men niet ïlk , gei00ft wat de belijdenis leert? Zou er zekerder middel op* -ezen, om met volle handen twijfel te zaaien dan dit niet J opreken ? Eu zou iemand van een hartelyke overtuiging en van een warm gemoed kunnen zwijgen, en tot zwijgen 'eu zich verbinden? Zielkundig ondenkbaar is zulk een belofte, ian eu haar vervulling.

iar Bij al het schoone, dat wy in dit advies evenals bijna 611 in al de werken van Dr. G. aantreffen, heeft ons toch dit !ëe advies, hetwelk de kern is van zijn «Irenischquot;, bevreemd. 'us Men kan niet zulk een belofte afleggen; en hoe zwaar zou ^' de taak worden van hen, die zulk een belofte afnemen !U' moeten, als zij, bi] hun votum, moesten afgaan op »den indruk van onheiligen zin, van koude beslistheid voor het naturalisme, van persoonlijk ongeloofquot; op hen teweeg-l0r gebracht.

i- Neen, dan acht ik het veel beter, dat men van den '*e aanstaanden leeraar in onze kerk vraagt, dat hij de hoofd-00 zaak (of hoe men dat formuleeren wil) van de leer onzer kerk geloovig verkondigen zal. Het advies van onzen broeder Gunning kan niemand bevredigen. En hoeveel liefde ik eu ook onze kerk toedraag, nooit zal ik de liefde, welke ik !l1* voor haar belijdenis koester, vergelijken met de liefde welke 111 een kind gevoelt voor zyn moeder. Vergeten wij het toch nï niet: we zijn gewikkeld in een kerkrechterlijken strijd, en niet het belyden, maar de belydenis, de als formulier van eenigheid te boek gestelde geschriften — zy worden ons 311 voorgelegd ter onderteekening, en niets tegen haar te leeren 11' kan ik met een goed geweten niet belooven.

ar

529

ocr page 30

KRONIEK.

530

A. W. Buonsveld.

Te Utrecht kwam weder de Nederlands ene Hervormde Predikanten- Veremiging bijeen. Zij werd bezocht door 140 leden en was zeer gezegend. Meer en meer beginnen haar samenkomsten wortel te schieten in de gemeente alhier. Zij werden ook dit jaar gewijd en ingeleid door een biduur, voor ieder belangstellende toegankelijk, en op den avond van den eersten dag stond de vergadering open voor manlijke lidmaten. Vooral die bjjeenkomst was zeer opbouwend en leerrijk. Bittere woorden zijn niet gesproken, ook al was er verschil. Men wist zich gedragen door den Geest der broederlijke liefde, die blijft. God brenge ons nog menigmalen zóó te zamen!

Utrecht, 27 April 1883.

ocr page 31

KRONIEK.

tische party-bedoelingen zijn moge, dat de dogmatiek in dienst ga bij de journalistiek, de vorm van wekelgksehe dagbladartikelen is misschien niet de gelukkigste voor de éénheid van een dogmatisch systeem. Dit o. a. maakt het tot een eisch der billykheid: aan de dogmatiek vai Dr. K. geen hooge eischen te stellen. Daardoor vervalt echter de mogelijkheid van een onderzoek naar den eigenlyken grondslag van zgn dogmatisch systeem. Van Calvijn sprak Dr. A. Kuyper met kwalyk verborgen minachting; hg wendde zich met ,duidelijk merkbaren wrevel af van diens crypto-Roomsche tendenzen; later echter sprak over Calvyn Dr. Kuyper met uitbuudigen lof in zyn bekenden trom-pettenstgl. Ook Dr. Kuyper behandelt gaarne dogmatische vraagstukken naar privaatrechterlijk gedachtenver-band, maar verder durf ik wat aangaat de overeenkomst van zyne dogmatiek met die van Calvyn voor het oogen-blik niet te gaan.

„En wat de juridische kennis van Dr. A. Kuyper betreft, het valt niet te ontkennen , dat Dr. Kuyper, het is waar, met grootsprakigen opbef, deels ook met luimige stoutheid, grillige, pseudo-juridische arabesken weet te ontwerpen, d. i. de juridische gedachte bij Dr. A. Kuyper beweegt zich in de vormen, welke de willekeur aan de hand doet, en zulks met die naïef-beredeneerde aanmatiging, waarmede de schalksche onkunde hare eigene onvolkomenheid meent te bedekken, en inderdaad, voor bet oog der tot oordeelen weinig bevoegden zeer gemak-kelgk bedekt.

„Het gaat dus niet aan — hetzij men het dogmatisch, hetzg men het juridisch denken van Dr. A. Kuyper in het oog vat — te meenen, dat hg met den inhoud van het Corpus juris civilis bekend is.quot;

Wij schreven hier ook gaarne over, wat Mr. A. G. de

1165

ocr page 32

kroniek,

530

A. W. Bronsveld.

Te Utrecht kwam weder de Nederlandsche Hervormde Fredihanten-Vereeniging bijeen. Zij werd bezocht door 140 leden en was zeer gezegend. Meer en meer beginnen haar samenkomsten wortel te schieten in de gemeente alhier. Zij werden ook dit jaar gewijd en ingeleid door een biduur, voor ieder belangstellende toegankelijk, en op den avond van den eersten dag stond de vergadering open voor manlike lidmaten. Vooral die bijeenkomst was zeer opbouwend en leerrijk. Bittere woorden zijn niet gesproken, ook al was er verschil. Men wist zich gedragen door den Geest der broederlijke liefde, die bljjft. God brenge ons nog menigmalen zóó te zamen!

Utrecht, 27 April 1883.

ocr page 33

KRONIEK.

tische party-bedoelingen zgn moge, dat de dogmatiek in dienst ga bij de journalistiek, de vorm van wekelijksche dagbladartikelen is misschien niet de gelukkigste voor de éénheid van een dogmatisch systeem. Dit o. a. maakt het tot een eisch der billykheid: aan de dogmatiek van Dr. K. geen hooge eischen te stellen. Daardoor vervalt echter de mogelgkheid van een onderzoek naar den eigenlyken grondslag van zyn dogmatisch systeem. Van Calvijn sprak Dr. A. Kuyper met kwalyk verborgen minachting; hy wendde zich met duidelyk merkbaren wrevel af van diens crypto-Roomsche tendenzen; later echter sprak over Calvyn Dr. Kuyper met uitbundigen lof in zyn bekenden trom-pettenstyl. Ook Dr. Kuyper behandelt gaarne dogmatische vraagstukken naar privaatrechterlijk gedachtenver-band, maar verder durf ik wat aangaat de overeenkomst van zyne dogmatiek met die van Calvyn voor het oogen-blik niet te gaan.

„En wat de juridische kennis van Dr. A. Kuyper betreft, het valt niet te ontkennen, dat Dr. Kuyper, het is waar, met grootsprakigen ophef, deels ook met luimige stoutheid, grillige, pseudo-juridische arabesken weet te ontwerpen, d. i. de juridische gedachte by Dr. A. Kuyper beweegt zich in de vormen, welke de willekeur aan de hand doet, en zulks met die naïef-beredeneerde aanmatiging, waarmede de schalksche onkunde hare eigene onvolkomenheid meent te bedekken, en inderdaad, voor het oog der tot oordeelen weinig bevoegden zeer gemak-kelyk bedekt.

„Het gaat dus niet aan — hetzy men het dogmatisch, hetzy men het juridisch denken van Dr. A. Kuyper in het oog vat — te meenen, dat hij met den inhoud van het Corpus juris civilis bekend is.quot;

Wy schreven hier ook gaarne over, wat Mr. A. G. de

1165

ocr page 34

/ rp/

1166 KRONIEK.

Geer schrgft over de wetenschappelgke beteekenis vau Jhr. Mr. Lobman, die in bet openbaar erkende, dat hg Dr. Kuyper in alles als zgn meerdere erkende — docb wg kunnen met bet hier overgenomene volstaan.

Het blgft in onze vaderlandsche kerk woelig. Een betreurenswaardig feit is bet, dat er dit jaar zoo weinig studenten in de theologie aan onze vaderlandsche universiteiten zgn ingeschreven. Zg het ons vurig gebed tot God, dat dit cgfer voortaan een reeks van jaren moge stijgen, want ons volk gaat verloren, als er geen kennis is; en boe zal bet kennen, indien het niet, of slechts weinig wordt onderwezen?

Wat openbaar wordt van bet zedelijk gehalte van vele doleerenden is bedroevend. Wie de Brochures van de H.H. H. W. Vethake en C. F. Creutzberg na elkander leest, wendt zich met weerzin af van den eerstgenoem-den uit zyn ambt ontzetten predikant. Hoe zgn de gewetens verward, indien men meent, dat op die wgze Gods eer bevorderd wordt! En boe slecht staat het met een party, die zulke middelen, en zulke menschsn te baat neemt!

Of wij ons dan van geen gebrek en tekortkomingen bewust zgn? En of er geen reden is, om van onze „schuld' tegenover de „Gereformeerdenquot; te spreken? Dr. J. H. Gunning jr. heeft in zgn dezer dagen verschenen bekende brochure die vraag gesteld en beantwoord. Wij erkennen gaarne, dat er in dit geschrift treffende gedachten en passages voorkomen, en wy kunnen ons de gramschap verklaren, die het heeft opgewekt bg „de Herautquot; (zie van dat blad het n0 van 23 October 11.). Dr. Kuyper verkiest „de grofheden van Dr. Bronsveldquot; boven het schryven van prof. Gunning. By deze vergelijking stel ik nay geen party, maar ik heb

ocr page 35

KRONIEK.

mg afgevraagd: waarin hebben wij nu in 't by zonder tegenover de ^Gereformeerdenquot; gezondigd? Dat zij langs den kerkrechterlyken weg uit de Kerk worden verwg-derd, keurt Dr. Gunning goed, en hg kwalificeert de houding der „gereformeerdenquot; en de middelen, die zy aanwendden, kras genoeg. Maar wat is dan tegenover hen onze schuld?

Indien ik het wel begryp is zij tweeledig. Allereerst bestaat zg daarin, dat wij niet volmaakt zyn geweest; en ten tweede, dat wij niet zijn getreden in een voorstel tot oplossing der kerkelyke kwestie, dat vrij wel de Kerk zelf had opgeheven.

Wat nu dat eerste punt betreft — een belydenis van schuld, waaraan zeer velen deel hebben, kan gemakkelgk worden afgelegd. Wie zegt niet gaarne met Jacobus: Wij struikelen allen in velen ? Maar ik zie niet in, dat wij daarmeê zoo veel beter worden. Ook is 't mg niet duidelgk, dat nu juist de „Gereformeerdenquot; zich zoo bgzonder over ons te beklagen hebben. Hebben wg ook niet onze „schuldquot; tegenover de modernen, en de evan-gelischen, en de materialisten? Ik meen, dat men daarover met evenveel recht zou kunnen spreken. Wil men spreken over onze schuld tegenover de sociaaldemokraten, tegenover de roomschen, joden, mohammedanen en heidenen, men kan het doen, en breed zal ons zonden-register zgn. Maar dat wg zoo bgzonder diep in de „schuldquot; moeten vallen tegenover de „Gereformeerdenquot;, zie ik niet in. — En dat wg niet onzen bgval hebben kunnen schenken aan een voorstel, tot oplossing leidende van onze kerk, kunnen wg tot heden ons zeiven niet toerekenen als schuld. Wg volharden bij onze afkeuring daarvan. Het gezegde neemt echter niets weg van het genot en de leering, welke deze brochure ons bracht, Wg gevoelen daardoor op nieuw onze „schuldquot; aan Dr, Gunning vergroot.

1167

ocr page 36

KRONIEK.

„Weeat niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben.quot; Wij willen in Gods kracht ons voornemen, van die schuld ook tegenover de Gereformeerden ons te kwyten, en indien wy onder den indruk van Gunnings woord met nieuwe kracht hiertoe ons aangorden, is hij zeker over ons niet ontevreden.

Er zijn onderhandelingen geopend tusschen gedeputeerden van „de Gereformeerdenquot; en van de Christelijk-Gereformeerden over een vereeniging tusschen deze beide gereformeerde fracties. Men kwam reeds samen — en zal het nog eens doen. Zal men weldra mogen spreken van een „Unie van KampenV Het komt mij voor, dat die unie de populaire reeks vergrooten zou van stukken, waaraan men den naam van Kampen verbindt. Hoe kunnen de Christelgk-Gereformeerden er over denken, om tot een vergelgk te komen met een man, die hen steeds zoo uit de hoogte, en zoo onwaardig bejegende?

Zy doen mg denken aan de bekende fabel van de boomen, die de doornenstruik tot koning ontvangen. Ik verkoos liever de vrgheid, die zg thans genieten; maar zy moeten het zeiven weten. Vermoedelgk is ook hiei „de Vrije Universiteitquot; de spil, waarom deze poging tol unie zich beweegt. Reeds nu wordt Dr. Bavinck genoemd als opvolger van Dr. Hoedemaker.

Het leven, het licht. Dit is de titel van een klein geschrift van onzen tachtigjarigen Broeder H. Höveker. Wy lazen dezer dagen het treffend en vereerend getuigenis aangaande hem gegeven door den Heer A. C Kruseman in „Bouwstoffen voor een geschiedenis va, den Nederlandschen Boekhandel. Dl. 11. Stuk 2. bl. 59-± Wij lezen aldaar: „Höveker's boekhandel heeft een on-berekenbaren invloed uitgeoefend op zyn tyd en zyn volk,

1168

ocr page 37

KRONIEK.

Was niet Paulus de eerste Ariaan ? Col. 1: 15, ver gel. vs. 13 : »de Zoon van Gotls liefde, het beeld des ouzienlijken Gods — de eerstgeborene van alle creaturen.''''

Ademt het w a a r h e i d, van de werkelijkheid der verzoening van God en mcnsch te spreken? Was dan God niet in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, 2 Cor. 5 : 19. Of verzoende hij ook zich met de wereld? Paulus zegt, Paulus kent dat niet.

filet ivonder hij uitnemendheid.quot; Is dat iets anders, dan de menschwordiwj van Gods Zoon ? Moet men, om aan deze te gelooven, aan de waaraehiige Godheid van J. C. gelooven ? Spreekt men waarheid, als men dit verzekert ? God heeft zijn Zoon gezonden, geworden uit een vrouw. Dit is waarheid, Gal. 4 : 4.

437

Wie aan de waarachtige Godheid van J. G. niet gelooft, — — — loochent hel feit, dat het Christendom maakt iot den eenig waren godsdienst. Is dit waarheid? Is het iets anders, dan een magtspreuk, een holle klank, die zoo min waarheid als vrede ademt, daar hij ook tot niets anders strekt, dan tot verdachtmaking van allen, die aan de «waarachtige Godheid van J. 0.quot; niet gelooven?quot;

G.

N.

Ik antwoord op niet een van deze vragen. 'N is voor mij niemand, en wie spreekt er nu tot niemand?

Een vriend zeide my, toen ik hem de aankondiging van het doodvonnis liet lezen, dat men er zeker mijn naaste betrekkingen door had willen voorbereiden op den slag, die hen treffen zou. Het spijt me, dat zij zich noodeloos hebben verontrust. Gij kunt er uw voordeel meê doen, mijn lezer.

A. W. Bronsveld.

Haarlem, 26 Maart 1878.

ocr page 38

S/t

KRONIEK,

„Weest niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben.quot; Wg willen in Gods kracht ons voornemen, van die schuld ook tegenover de Gereformeerden ons te kweten, en indien wij onder den indruk van Gunnings woord met nieuwe kracht hiertoe ons aangorden, is hij zeker over ons niet ontevreden.

Er zyn onderhandelingen geopend tusschen gedeputeerden van „de Gereformeerdenquot; en van de Christelijk-Gereformeerden over een vereeniging tusschen deze beide gereformeerde fracties. Men kwam reeds samen — en zal het nog eens doen. Zal men weldra mogen spreken van een „Unie van Kampen ?quot; Het komt mij voor, dat die unie de populaire reeks vergrooten zou van stukken, waaraan men den naam van Kampen verbindt. Hoe kunnen de Christelgk-Gereformeerden er over denken, om tot een vergelijk te komen met een man, die hen steeds zoo uit de hoogte, en zoo onwaardig bejegende?

Zij doen mij denken aan de bekende fabel van de boomen, die de doornenstruik tot koning ontvangen. Ik verkoos liever de vrgheid, die zg thans genieten; maar zg moeten het zeiven weten. Vermoedelijk is ook hiei „de Vrye Universiteitquot; de spil, waarom deze poging tol unie zich beweegt. Reeds nu wordt Dr. Bavinck genoemd als opvolger van Dr. Hoedemaker.

Het leven, het licht. Dit is de titel van een klein geschrift van onzen tachtigjarigen Broeder H. H'óveher. Wij lazen dezer dagen het treffend en vereerend getuigenis aangaande hem gegeven door den Heer A. O Kruseman in „Bouwstoffen voor een geschiedenis va, den Nederlandschen Boekhandel. Dl. 11. Stuk 2. bl. 59-i Wij lezen aldaar: „Hoveker's boekhandel heeft een on-berekenbaren invloed uitgeoefend op zijn tijd en zyn volk,

1168

K

ocr page 39

kroniek.

Was niet Paulus de eerste Ariaan ? Col. 1: 15, vergel. vs. 13: »de Zoon van Gods liefde, het beeld des ouzieulijkeu Gods — de eerstgeborene van alle creaturen.''''

Ademt het waarheid, van de werhelijkheid der verzoening van God en mensch te spreken ? Was dau God niet in Christus de wereld met zickzelven verzoenende, 2 Cor. 5 : 19. Of verzoende hij ook zich met de ivereld? Paulus zegt, Paulus kent dat niet.

vUet ivonder hij uitnemendheid.quot; Is dat iets anders, dan de menschwording van Gods Zoon? Moet men, om aan deze te gelooven, aan de waarachtige Godheid van J. C. yelooven ? Spreekt men waarheid, als men dit verzekert? God heeft zijn Zoon gezonden, geworden uit een vrouw. Dit is waarheid, Gal. 4 : 4.

437

Wie aan de ivaarachtige Godheid van J. G. niet gelooft, — — — loochent hel feit, dat het Christendom maakt tot den eenig waren godsdienst. Is dit waarheid? Is het iets anders, dau een magtspreuk, een holle klank, die zoo min waarheid als vrede ademt, daar hij ook tot niets anders strekt, dan tot verdachtmaking van allen, die aan de «waarachtige Godheid van J. C.quot; niet gelooven?quot;

G.

N.

Ik antwoord op uiet een van deze vragen. jvquot; is voor mij niemand, eu wie spreekt er nu tot niemmd?

Een vriend zeide my, toen ik hem de aankondiging van het doodvonnis liet lezen, dat men er zeker mijn naaste betrekkingen door had willen voorbereiden op den slag, die hen treffen zou. Het spijt me, dat zij zich noodeloos hebben verontrust. Gij kunt er uw voordeel meê doen, mijn lezer.

A. W. Bronsveld.

Haarlem, 26 Maart 1878.

ocr page 40

BIBLIOGRAFISCH ALBUM.

Zur Einführung Sliakespeare's in die christ-liche Familie. Eine populare Erlauterung der vor-ziiglichsteu Dramen desselben, von Moritz Petri, Pastor zu Dimgelbeck bei Hannover. Zweite ver-mehrte Auflage mit Shakespeare's Portrait in Stahl-stich. Hannover, Carl Meyer 1877. KI. 8°. 292 S.

Toen de geschiedenis van de geestelijke ontwikkeling der menschheid, door mij aan de leerlingen van een gymnasium verhaald, mij tot Shakespeare bracht, heb ik afzonderlijk zijn voornaamste drama's met hen besproken. Bij die gelegenheid heb ik ook dit werk van Petri geraadpleegd, en beveel het gaarne met warmte aan. Deze schrijver geeft niet, zooals sommige anderen, slechts een opgave van treffende plaatsen, die dan Shakespeare's christelijkheid met meer of minder juistheid bewijzen. Maar hij geeft by elk drama de hoofdgezichtspunten aan, uit welk het moet worden beschouwd. Behalve de voornaamste historische stukken behandelt hij na een zeer goede inleiding, den Hamlet, Macbeth, Othello, Romeo en Julia, den koopman van Venetië, koning Lear en Julius Caesar. Het doel dat hij zich voorstelt, bepaalt ook den inhoud. Eenige dezer

ocr page 41

b1bl10gkafisch album. 439

beschouwingen stonden vroeger in de Ev. Kirchenzeitung, en ik zal niet zeggen dat sommige, b.v. die over Hamlet, niet nog dieper zouden hebben kunnen ingaan in de hoofdidee, — een groote gedachte, die niet tot daad worden kan en daarom hem, die haar met te geringe krachten draagt, schier overstelpt. Maar over het geheel is hier zeer veel te leeren, en voor zijn doel is het boekje uitstekend geschikt. Shakespeare staat hier vóór ons als een christelijk dichter, die het heidensche fatum door de eigen verand-woordelijkheid en zedelijke vrijheid des meuschen vervangt. »De zonde is bij hem altijd afval van God, de verzoening is altijd het zoeken naar genade.quot; In zijn historische dramen is bovenal merkwaardig de getrouwheid, met welke (doorgaands en in de hoofdzaken) de geschiedenis gevolgd, en zoo de poëzij de werkelijkheid, het ideale iw het reëele gevoeld wordt. Ook den voortgang in Shakespeare's ontwikkeling ziet men duidelijk, wanneer men b.v. den Hendrik VI met den Hendrik VITI vergelijkt. Hiermede echter houdt onze schrijver zich minder op, en bepaalt ons meer bij de historische gerichten Gods, door welke de schuld ook nog op het derde en vierde lid thuis wordt gezocht.

Ik hoop van harte, dat dit geschrift er toe zal bijdragen om den grooten Shakespeare in christelijke familiën in te leiden en de heerlijkheid Gods ook in dit allesomvattend genie te doen bewonderen. J. H. Gunning Jr.

Passionsschule, von G. A. Süskind, evangel. Pfarrer im Bissingen unter Teek in Wurttemberg. Wittenberg, Verlag von Herm. Koelling, 1S78.

Met de meer gebruikelijke indeeling: het Voorhof, het Heilige en het Heilige der heiligen, geeft de schrijver een bewerking van de lijdensgeschiedenis voor geestelijken en

; r'quot;

ocr page 42

440 BIBLIOGRAFISCH ALBUM.

leeraars niet alleen, maar ook voor gewone cliristeueu die stichting zoeken in den waren zin des woords, d. i. ook door uitbreiding van hunne kennis en verruiming van hun gezichtskring door een blik op het rijke veld der wereld, die rondom dit middelpunt ligt. Wij aarzelen niet dit boek voortreffelijk te noemen. De heer Süskind toont groote belezenheid op allerlei gebied, vooral ook archeologische en historische kennis. In eene menigte hoofdstukken wordt woord voor woord verklaard en uitvoerig toegelicht. De menigte dingen, die wij te lezen ontvangen, is wel eenigs-zins bont, gelijk een blik op drie uitvoerige registers, die elk der afdeelingen van het werk besluiten, ons daarvan terstond een voorstelling geeft; en soms gaat de eenheid der geschiedenis, de groepeering der bijzonderheden rondom een hoofdgedachte, er min of meer bij te loor. Doch het zijn dan ook geen overdenkingen (zooals b.v. bij Krum-macher, Besser en vele anderen), die ons hier aangeboden worden, maar slechts aanmerkingen, toelichtingen vau allerlei aard. Daardoor is dit werk een der boeken, die niet zoo zeer alleen waarde hebben om de gedachten, welke zij geven, als wel om die welke zij in ons opwekken. Niet dat wij geeue aanmerkingen hebben. Er is onzes inziens hier en daar aan valsch vernuft en min doelmatige zucht naar eene menigte van historische parallelen en anti-parallelen toegegeven. Ook zouden wij de aangehaalde plaatsen uit het Oude Testament nauwkeuriger verklaard willen zien in haar historisch verband eu daaruit voortvloeiende beteekenis. Maar dit ontneemt weinig aan de waarde van het geheele werk, dat in Duitschland reeds met veel welverdienden lof aangekondigd is. Nu de prediking der lijdensgeschiedenis weder aangevangen is in de gemeente, haasten wij ons. op dit schoone nuttige boek de aandacht te vestigen. J. H. Gunning Jr.

ocr page 43
ocr page 44
ocr page 45
ocr page 46