ocr page 1
ocr page 2

1

ocr page 3

J. HL. 1J11I .J 1 i ,

le 's Gracenhaye.

Al wat te voren geschreven is, is tot onze leering; te voren g-eschreven.

Rom. XV : 4.

UTRECHT,

C. H. E. BREIJER. 1885.

ocr page 4
ocr page 5

^ROEVE EENER pESCHIEDENIS

DER

DRANKEN EN DRINKGEWOONTEN IN ISRAËL.

ocr page 6

1

1 1 fïJbi etAmi^isI

lüfRITÉiiftMsPZiml

W.^.LEOSöervrj^

ocr page 7

G

PEOEVE EENEE GESCHIEDENIS

Mi El Mlffili

IN

ISRAËL,

DOOK

J. H. B R E IJ E R,

TE 's GUAVENIIAGE.

Al wat te voren geschreven is, onze leerinff te voren geschreven.

Rou. XV

f BIBLIOTHEEK DER

s RUKSUNIVERSlTamp;n U T R E C H T.

UTRECHT,

C. H. E. BREIJER. 1885.

rr

ocr page 8

WAGISNINGSCHE BOEK- EN MUZIEK DRUKKE RIJ.

ocr page 9

VOORREDE.

Naar aanleiding van Otto Euncke's Beelden en Schetsen uit Engeland, schreef ik: Eenige opmerkingen, (uitgegeven bij C. H. E. Breijer te Utrecht.)

Deze opmerkingen bevatten eene veroordeeling van Funcke's onjuiste voorstelling en onware beoordeeling van den strijd, dien de christenen in Engeland hebben aangebonden tegen de heerschappij der drinkgewoonten.

Funcke's woorden over dit onderwerp verkondigen luide, dat hij eene zaak bespreekt, waarvan hij niet op de hoogte is, en blijkens de tegenspraak in zijne eigene redeneringen, is hij onbevoegd om daarover een oordeel uit te spreken.

Ik ben zoo vrij geweest hem aan te raden kennis te maken met het zeer belangrijke werk: The Temperance Biblecommen-tary by Dr. Frederic, Eichard, Lees F. S. A and Eev. Dawson Burns. M. A. New-York. 1870, daar de inhoud van dat boek hem volkomen op de hoogte brengt van het vraagstuk, en hem in staat zal stellen over den strijd der Teetotalers een juist oordeel te vellen.

De lezing van dit boek, dat m. i. moet geroemd worden als een doorwrochte en volledige bewerking van dit onderwerp, deed bij mij de gedachte rijzen, na te gaan, wat wij in onze Heilige Schriften over dranken en drinkgewoonten vinden ojsgeteekend.

ocr page 10

v o o k u e d e.

De volgende bladzijden bevatten de vrucht van mijn onderzoek, en tevens de slotsom mijner nasporingen.

Dat ik bij mijnen arbeid werd voorgelicht en ingelicht door de genoemde Temperance Biblecommentary wil ik hier uitdrukkelijk vermelden, omdat ik dit niet altijd deed bij het schrijven der volgende bladzijden. Tevens echter moet ik hierbij voegen, dat mijne eindbeschouwing of de slotsom, waartoe ik ben gekomen, verschilt met die van de schrijvers der commentary.

De Proeve bepaalt zich tot den inhoud van de boeken onzer Heilige Schriften, omdat door hetgeen wij daarin vinden m. i. de gedragslijn, die wij als Christenen moeten volgen wordt aangewezen. ïe wijzen op de eischen, die onze christelijke roeping in dezen aan ons doet, is de hoofddrijfveer geweest van mijn onderzoek en mijn schrijven.

Ik meen te mogen beweren, dat ik, zooveel mogelijk, onbevooroordeeld en getrouw heb onderzocht, en hoop dat de lezers dezer bladzijden het besproken vraagstuk zóó ernstig ter harte zullen nemen als dit, m. i. noodzakelijk is.

Ik heb getracht beknoptheid te paren aan volledigheid en duidelijkheid. De lezer oordeele of ik mijn doel heb bereikt.

Moge op deze regelen de zegen rusten van de stemme des roependen in de woestijn; — mijn doel is toch ook geen ander dan dit: mede te werken om onzen Heer een toegerust volk te bereiden.

vi

J. H. BKEIJER.

's Geavexhage, Mei 1885.

ocr page 11

INHOUD.

pap.

Inleiding................................1

Genesis.................17

Exodus.................21

Leviticus................25

Nujieri.................28

Deuteronomium..............33

De geschiedkundige en poëtische boeken tot aan het

le boek der Koningen...........42

Juda en Israel, de Peopiieten.........fi7

De evangeliën en de brieven.........135

ocr page 12
ocr page 13

I N L E I D I N G.

Na de toebereiding der aarde plaatste God den mensch daarop, eu gaf liem te kennen, waarmede liij zich moest of moo-t voeden.

O

Omtrent hetgeen hij mogt drinken wordt niets bepaald door God. Dit lag in den aard der zaak, want daaromtrent kon geene keuze worden gedaan; de eenige drank, dien de mensch vond was: het water.

Hieruit blijkt dat het water drank is, dien God voor den mensch heeft bestemd. Deze bewering wordt tot zekerheid bevestigd door hetgeen wij lezen van den togt der kinderen Israels door de woestijn. Gedurende de veertig jaren hunner omzwerving hebben de Israelieten niet anders gedronken als water, (Zie Exod. XV : 24, 25: X\rII : 3. Deut. 11 : 6. 28; XXIX; 6,) en wij lezen niet, dat zij een anderen drank hebben begeerd, maar wel dat zij zich beklaagden over het gemis van begeerlijke spijze en belust waren op vleesch. (Num. XI : 4—.) [Jit alles wat wij in de Heil. Schrift ontmoeten, omtrent het lesschen van onzen dorst, moeten wij besluiten dat het water de voortreffelijkste drank is, dien God ons heeft geschonken '). (Verg. I Kon. XIX : 6. Jes. XXXIll : 16; LV : 1.)

1) Waar wij van Ezra lezen, dat hij vastte, als rouwbetoon over de overtreding' der weggevoerden, wordt dit omschreven met de woorden: ..at hij geen brood en dronk geen water,quot; (Ezra X : 6) een bewijs dnt de godvruchtige Joden het water zeer in eere hielden. (Zie ook Hf Ezra IX : 3. Ook uit Jesaja XXI : 14: „Komt den dorstigen tegemoet met waterquot;, blijkt de hooge achting, die men het water bewees. (Verg. Rigt. IV : 25 en Sir. XXIX : 25.)

i

ocr page 14

Weldra echter moest de mensch tot de wetenschap komen, dat de melk als voedende drank groote waarde heeft. Immers liet kind wordt gevoed door de moedermelk, en waar de door God geschapen beesten levende jongen voortbrengen, is de melk der moeder, even als bij het kind van den mensch, het eenige, en, voor gernimen tijd, voldoende voedsel. Het is dns niet te verwonderen, dat de menschen er zich reeds zeer vroegtijdig op hebben toegelegd om een veestapel te verkrijgen, en zich het genot van het melkdrinken daardoor hebben verzekerd ').

De hooge waarde der melk wordt vooral ook duidelijk uit verschillende uitspraken in de Heil. Schrift. Immers onder de beloften van den aartsvader Jacob aan zijne zonen, vinden wij ook het overvloedig gebruik van melk, waardoor de tanden wit worden, als het voorregt dat Juda zal genieten, (Gen. XLIX : 12) en

2) Niettegenstaande het vleeschgebruik reeds vroeg- in zwang- kwam, was de veestapel hoofdzakelijk bestemd voor het leveren van melk. Zelfs in de dagen van Apostel Paulus was dit nog het geval; immers vraagt hij in den brief aan Korinthiërs (I Kor. IX : 7:) „wie hoedt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde?quot;', van het vleesch der kudde spreekt hij niet; — wel spreekt hij van het eten der melk, en erkent daardoor dat de melk een voedende drank is. Het bereiden der boter uit melk was in de dagen van Abraham reeds in zwang (Gen. XVIII : 8.) Van kaas, uit melk bereid, lezen wij eerst later, (I Sam. XVIII : 18) maar het groot vee, de koeijen, werd hoofdzakelijk gehouden voor de melkboter (Deut. XXXII : 14-.) terwijl de melk van het klein vee, (schapen, geiten) voor dagelijksch gebruik was bestemd, en ook hunne wol op hoogen prijs werd gesteld. (Spr. XXVII : 26. XXXI : 13.) Dit blijkt ook uit het gebod om het bokje niet te kooken in de melk der moeder. (Exod. XXIII: 19. XXXIV : 26. Deut. XIV : 21 en vooral uit Spr. XXVII: 27.) Slechts, bij bijzondere gelegenheden werd een vet of gemest kalf geslagt. (Gen. XVIII : 7. Tobias VII : 9.) Dit was zelfs nog het gebruik in de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde, want in de gelijkenis van den verloren zoon, (Luk. XV : 11—32.) verwijt de oudste zoon den vader, dat hij hem nooit een bokje heeft gegeven, opdat hij mogt vrolijk zijn met zijne vrienden, terwijl hij het gemeste kalf voor een onwaardigen ten beste gaf. (Verg. Gen. XXXI : 38.) — Daar de kemel en de ezel den Israelieten onrein waren (Lev. XI : 4. Exod. XIII : 13) komen deze alleen in aanmerking als lastdieren.

ocr page 15

3

de Propheet Jeremia roemt, als eene heerlijkheid der edelen van Sion, dat zij witter waren dan melk. (Klaagl. IV : 7. Eene meer juiste vertaling dezer woorden luidt als volgt: „Hunne Nazirëers waren zuiverder dan sneeuw, witter dan melk, hun ligchaam was schooner in roode kleur dan de robijn en overtrof den gepolijsten saphier.) Doch vooral nit de wijze, waarop het beloofde land wordt voorgesteld als een land vloeijende van melk en honig, blijkt dat de melk een voortreffelijke drank is. (Exod. III : 8, 17; XXXIII : 3. Lev. XX : 24. Num. XIII : 27; XIV : 8. Deut. VI : 3; XI ; 9; XXVI : 9, 15; XXVII: 3; XXXI : 20; XXXII : 14. Joz. V : 6.) ').

Ofschoon nu Datau en Abiram het land van Egypte ook roemen als een land vloeijende van melk en honig, (Num. XVI : 12—14) had het beloofde laud deze zegeningen zeer zeker iu ruimer mate, en Mozes maakt er de kindereu Israels opmerkzaam op, dat zij daarenboven in het land, waar zij henen togen, niet zouden hebben te kampen met de bezwaren, die zij in Egypte moesten over-winnen, want terwijl Egypte moest besproeid worden als een kruidhof, ontving het beloofde land den zegen des hemels en dronk dien in. (Deut. XI : 11.)

Staat dus het water als geschenk van God op de eerste plaats in den rij der dranken, uit het bovenstaande blijkt dat de melk mede onder de zegeningen Gods behoort. Doch meerdere dranken ontmoeten wij niet onder de schepselen Gods. De dranken, die wij, behalve deze twee, vermeld vinden, zijn bereid door de menschen uit de voortbrengselen der aarde, of ook uit hetgeen wij als een geschenk van de dieren ontvangen.

Zulk een geschenk is de h ou if), — en waar het beloofde land wordt verheerlijkt als een land vloeijende van melk.

1) Opmerkelijk is het dat in de geschiedenis van Ruth (II : 8, 9, 14.) door de Syrische vertaling wordt toegevoegd : en zij (quot;Ruth) doopte haar brood in melk, terwijl de Arabische vermeldt: „en zij goot melk daarover uit.quot; (nam. over het brood.)

ocr page 16

4

wordt in eenen adem daaraan toegevoegd: en van honig. Hoewel nu de honig niet behoort tot de vloeistoffen, is hij toch vloeibaar, en wij vinden daarvan een sprekend bewijs in de geschiedenis. (I Sam. XIV : 26). In liet woud dat Jonathan betrad, bij het najagen der Philistij-nen, vond hij den grond als door een vloed bedekt met honig; hij doopte het einde van zijn staf in eene honigraat, en at daarvan; (vs. 27.) maar uit deze mededee-ling blijkt tevens dat er, onvermijdelijk, veel honig te loor moest gaan. Het is dus meer dan waarschijnlijk dat er reeds zeer vroeg pogingen zijn aangewend om den honig magtig te worden '). Dat de mensch, bij dat pogen, spoedig kennis maakte met de kwaadaardigheden der bij, lijdt geen twijfel. Mozes vergelijkt reeds de hittige vervolging der kinderen Israels door de Amorieten, met den aanval der bijen, (Dent. I ; 44) en de Psalmdichter beklaagt er zich over dat de volken hem hebben omringd, omsingeld, als de bijen, (Ps. CXVIH : 12.)

In Gen. XLIH : 31 wordt voor het eerst melding gemaakt van honig, als een geschenk voor den man in Egypte. (Jozef.)

Het Hebreen wsche woord voor honig geeft te kennen iets dat taai is en week, en vele uitleggers zijn van oordeel, dat men hier niet moet denken aan honig dei-bij. Daar in Egypte overvloed was van honig zou 't geene houding hebben gehad om honig ten geschenke aan te bieden, als iets voor een Egyptenaar zeer begeerlijks en kostelijks 1). In Hoofdst. XXXVII : 25 wordt ook

1

Zie bl. 3. Ofschoon nu Datan enzv.

ocr page 17

de honig niet genoemd bij de dingen, die de Ismaelieten afbrengen naar Egypte. Evenmin kan 't zijn honig, d. w. z. ter dikte van honig uitgedampt vocht uit den dadel, daar Egypte rijk is aan dadelpalmen. (Dr. A. Clarke.) Nagenoeg volkomen zekerheid heeft het gevoelen van Dr. T. Shaw, den bekenden reiziger, die beweert dat het He-breeuwsche woord wordt gebezigd voor eene zelfstandigheid, ter dikte en taaiheid als honig, bereid uit druivensap, hetwelk de Arabieren nu nog met denzelfden naam noemen, en ook nu nog, jaarlijks, uit de omstreken van Hebron naar Egypte wordt verzonden.

In Exod. XVI : 31 lezen wij dat het Man 1) smaakte als tarwebloem gemengd met honig; — de smaak was dus zoet; maar ook onder de dranken, die al zeer spoedig in zwang kwamen, is eene groote reeks, die den naam dragen van zoeten dranh, en waarvoor in 'tHebr. het woord shakar wordt gebezigd. Bij de Israëlieten werd de honig niet met water gemengd. Voor den zoeten drank, die daardoor ontstaat, vindt men wel een woord bij de Grieken methu, waarvan Mee, mede (Nederd.) Meth (Hoogd.) Me-thegehn (Engelsch) l.jjdromel (Fransch) afstammen, maar eene aanwijzing, dat dergelijke drank door de Israelieten gebruikt wordt, vindt men niet. — Daarentegen is het woord shakar het stamwoord, waarvan in zeer vele talen de afleiding wordt gevonden, om zoeten drank aan te wijzen. De Grieken hebben shakar vervormd in sikera, een woord dat bij geen der Grieksche schrijvers wordt gevonden, maar alleen voorkomt bij de LXX en in het N. T. Het Grieksche sakchar verraadt evenzeer zijne afkomst als het Latijnsche saccharum, en de woorden suiker,

1

Zeer eigenaardig wordt het Man beschreven en verheerlijkt in het Boek der Wijsheid XVI : 20. 21. en de honig n Sir. XI : 3.

ocr page 18

6

Zucker, sucre, sugar, enz. behoeven, wat hunne afleiding betreft geene toelichting. Zhaggery is nu zelfs nog de naam voor het vocht uit dadels uit den palmboom, en de syroop, daaruit bereid.

Mr. Palgrave verhaalt in zijn werk over Arabië het volgende: Voor drie penningen kocht ik een handdoek vol heerlijke dadels. Om ze te vrijwaren tegen de mieren hing ik ze aan een balk van het dak, en gedurende drie achtereenvolgende dagen druppelde daaruit een zoet vocht zóóveel dat 't een groote plas suikerstroop vormde.

Waar nu de vruchten zulke vochten vanzeive afgeven of loslaten, is 't niet te verwonderen, dat de mensch die tot een aangenamen drank bereidt. Kenmerkend in dit opzigt zijn de druif en de olijf. Vandaar dat wij in Exod. XXII ; /9 lezen: Uwe volheid, d. w. z. de met olie gevulde rijpe olijven, en uwe tranen, d. w. z. de rijpe druiven, die het geurig nat als tranen laten neervallen, zult gij niet uitstellen, d. w. z. de eerstelingen daarvan den Heer dankbaar aanbieden.

In de landen, waar de druif tot volkomen ontwikkeling en rijpheid komt, leveren deze tranen den meest gezochten wijn. — Dit is vooral het geval in Spanje. De overrijpe trossen worden opgehangen, en het daaruit neerdruipend vocht is de meest edele wijn, dien men vindt, en draagt ook daar den naam van tranen. In Hongarije behandelt men de druiven op dezelfde wijze en verkrijgt daardoor den beroemden Tokayer Aushruch, en in Palestina, waar de druif zoo goed zich ontwikkelt en de trossen zoo verbazend groot en zwaar worden, werd de edele traan overvloedig geoogst.

Wat de grootte en zwaarte betreft van de druiventrossen in Palestina, hieromtrent vinden wij eene belangrijke mededeeling in Num. XIII: 23. Behalve de granaatappelen en de vijgen bragten de verspieders mede een tak of rank V met een tros druiven, zoo groot en zoo zwaar, dat hij door ^ t twee mannen aan een draagstok moest gedragen worden.

ocr page 19

7

Men meene niet dat hier aan overdrijving moet gedacht worden. Nu nog ziet men in Syrië druiventrossen van twintig tot veertig Engelsche ponden, en zelfs nog zwaardere. De druiven waren zeer groot, indien er tenminste overeenkomst is tusschen deze en de druiven die men nu nog in die streken vindt, naar hetgeen de reizigers in onze dagen mededeelen. Nau verzekert (bl. 458) dat hij in omstreken van Jericho druiven heeft gezien ter groote van een mansduim. Dandini, hoewel als Italiaan gewoon aan het zien van uitnemende druiven, was verbaasd over de grootte, die de druiven in den Libanon verkrijgen; zij worden, zoo verzekert hij (bl. 79) zoo groot als pruimen. Mariti (111.184) verzekert dat hij op verschillende plaatsen in Syrië druiven heeft aangetroffen van bijzondere grootte, zoodat één tros daarvan voor één man een voldoende vracht is. Neischutz zegt naar waarheid te kunnen verklaren dat hij in het gebergte van Israel druiventrossen heeft gezien, en ook daarvan heeft gegeten, die de lengte hadden van eene halve el, terwijl elke druif ongeveer twee vingergeledingen lang was. lu onze eigene streken, zoo verhaalt Dr. Lees, die in Engeland woont, in zijn boek: „Tirosh lo Yayin, 184quot; heeft een rank van Syrische druiven, voor eenige jaren, te Welbeck een tros voortge-bragt, die door den Hertog van Portland aan den markies van Rockingham ten geschenke werd gezonden, en negentien ponden (Eng.) woog. Hij moest meer dan twintig mijlen ver vervoerd worden en werd door vier mannen bezorgd, die hem, twee aan twee, aan een stok droegen, als een sprekend bewijs voor de waarheid van hetgeen wij in de geschiedenis van Israël lezen. De langste diameter van dezen tros was negentien en een halve (Eng.) duimen, de omtrek bedroeg vier en een halven voet, en de lengte ongeveer drie en twintig duimen (inches).

De druif was dus, om eens zoo te spreken, de koningin onder de vruchten van het beloofde land. Saprijk als zij is, lag 't voor*[de hand, dat uit haar een drank werd

ocr page 20

8

bereid, die ook aan het hoofd der dranken wordt geplaatst, , en de eer geniet om met een afzonderlijken naam te prijken, terwijl de dranken, uit de overige vruchten bereid, geene onderscheidende namen dragen.')

Op zeer vele en verschillende wijzen werd de druif behandeld en uitgeperst, en liet daardoor verkregen vocht wordt ook met verschillende namen genoemd, doch in 't algemeen wordt steeds van wijn gesproken, als van uitgeperst druivensap.

/ ' 1. Het Hebreeuwsche woord voor wijn is yajin, en wordt Cfjtt- »41 malen in den Bijbel gevonden. Dit woord met de —- verwante Arabische woorden is afgeleid van yavan, en beteekent; koking, schuimend, troebel, zoodat het daarvan afstammende yayin te kennen geeft het schuimende druivensap, dat bij het uitpersen der druiven te voorschijn komt. — Dit gevoelen wordt bevestigd door liet Chal-£, / ,deeuwsche woord voor wgn, 'Khamar, eene afleiding van Khemer, bruis, schuim, dat evenzeer gebezigd wordt voor het schuim van het zeewater, als voor het bruisen of koken van de bitumen en van roode vloeistoffen.

a. Het woord wijn wordt soms ook gebezigd voor de druiftrossen die nog aan den wijnstok hangen, zooals in Deut. XXV1H : 39, (verg. Jer. XL ; 10 en Sir. XXXIII: 16) waar gezegd wordt dat de worm den wijn zal verslinden, zoodat er geene inzameling zal kunnen plaats hebben. In Jez. XYI : 10 en Jer. XLVHI ; 33 bedoelt het woord wijn, de druiftrossen, die bestemd zijn om getreden of geperst te worden. In Ps. CIV : 15, Jer. XL : 10, 12 is evenzeer bedoeld de druiventros, die uit de aarde voort-

1) 2olt;p'.a .Te.'sa? Kslt;f. A'. (Sixt. uitg. van L, van Esz.)

Cap. 33 : 17. lt;ui xaXa/j.cwfisïoe 3-caw rquyErüiv, EÜXoyta. Kufiou itpVaaa, xa! tu? zsuyw'J èTzXrfiwrra Xrjvov. (als een die halmen inzamelt achter de vruchtenlezers, heb ik den zegen des Heeren verkregen, en als een vruchtenlezer heb ik de pers gevuld). Een bewijs dat niet alleen de druif werd uitgeperst maar alle sappige vruchten; waaruit dan de zoete drank (st. dr.) werd bereid.

vt

ocr page 21

9

spruit, (Ps. CIV : 14) en met de zomervruchten wordt ingezameld.

1. Daar de uitgeperste druiven een troebel, eenigsints dik vocht afgeven wordt het woord wijn ook wel in dien zin gebezigd. De vermelding der heldere, niet troebele druif, die een rood gekleurd vocht afgeeft, wettigt deze onderstelling. Aan derge]ijken wijn deukt men bij het lezen van Gen. XLIX : 12 en Jes. LX1II : 1 — 3. In Job XXXII : 11 is 't wijn, die begint te gisten. Hoogl. V : I 09 (verg. VII : 9 goede wijn) bedoelt een zoeten, ouschnl- /£

digen wijn, waarmede zelfs jeugdige vrouwen in overvloed • '

zich kunnen laven. Ook de Targums vatten deze plaatsen

in denzelfden zin, want in Hoogl. VIII : 2 gebruiken zij het Chaldeeuwsche woord Khaniar.

c. In Spr. IX : 2, 5 wordt door het woord wijn be- quot;jrgt; doeld: gekookt druivensap, uitgedampt ter dikte van sy-roop, dat door bijvoeging van water drinkbaar werd, en anders met melk werd gebruikt. (Jes. LV : 1, waar de O LXX aan den room der melk hebben gedacht, want zij -vertalen vet, (ore??). Sommige uitleggers zijn van meening dat men in Jes. VII : 22 en Ezech. XXVII : 17 aan drui-venhonig moet denken. 1) De druivenhonig wordt door de Perzen shire genoemd, en met water gemengd: shir ah,

(zoet water) waarvan onze woorden syroop, sorbet, enz.

zijn afgeleid.

2. Behalve het woord yayin wordt ook het woord ahsis D 'X) II door wijn vertaald. Het komt voor in vijf plaatsen, nam.

Hoogl. VHI: 2. Jes. XLIX ; 26 Joel i : 5. III (Hebr. IV) 18; Amos IX : 13. Dit woord stamt af van ahsas,

en geeft te kennen „iets dat vertreden of uitgetreden is.quot; Het beteekent zuiver druivensap, eu heeft nimmer den dubbelzinnigen twijfelachtigen zin van het Gr. qlenhus of het Lat. inusfum, dat soms ontegenzeggelijk wordt gebe- /2 zigd voor druivensap, dat reeds is begonnen te gisten. , /

1

Zie bldz. 4 onderaan.

ocr page 22

10

lt;7 0 De woorden in Joel III ; 18 dat de bergen „zoeten wijn . f (alisis) zullen druipen,quot; moeten letterlijk verstaan worden.

Over den wijnoogst in Hongarije wordt door Pallas, in 1793 berigt dat de druiven in Augustus rijp worden, openbarsten en het vocht loslaten. De Shirnoidruiven zijn rijk aan sappen, en als ze rijp zijn barsten zij open. (Ook Amos IX : 13). Dat de vijanden dronken zullen worden van hun eigen bloed bewijst, dat hier niet aan dronken, maar aan f / verzadigd moet gedacht worden; bloed is niet bedwelmend

I ' /LaU. of dronken makend, en dus de nieuwe wijn evenmin.

(Jes. XLIX : 26.) Ahsis van granaatappelen bewijst dat / ƒ dit woord soms in de uitgebreide beteekenis wordt ge-bruikt, waar toe zijne afleiding regt geeft, w ^l'7) 3. Sovéh oi sobhe, van s«//6a/i-drinken tot verzadiging.

' /V i'f'Li Konit slechts driemalen Voor. (Jes. I : 22. Hos. IV ; 18, /quot;lt; , ' Spr. XXIlt : 21.) De aard van den wijn, dien het woord OjJ^ytA t*/- soveh te kennen geeft, wordt duidelijk uit de verwante ( { woorden in andere talen. Het Latijnsche sapa, o vereen-J ƒƒ stemmende met het Italiaansche en Fransche sahe en het

Grieksche hehséïna voor gekookt druivensap. De verdikte wijnen defructum en syraeum genoemd, behooren volgens Plinius tot deze soort. De mogelijkheid om over te gaan in bederf wordt in de organische stoffen voorkomen of opgeheven, volgens Liebig, door ze te verhitten tot op het kookpunt, doch defructum, loopt volgens Columella, nog altijd gevaar om zuur te worden. (Verg. Hos. IV ; 18.') 4. Khamar is het Chaldeeuwsche woord voor het He-breeuwsche yayin, en wordt slechts gevonden in Ezra en

'èf/

1) De Engelsehe vertaling- van Hosea TV : 18 verschilt grootelijks van de St. Vert. Hun soveh is zuur, (bitter scherp). St. Yert. Hunne zuiperij is afvallig'. In de Kantteekeningen geven zij eene betere overzetting, nam. hun wijn is stinkende, d. w. z. bedorven. Uit Spreuk. XXITI: 20 blijkt duidelijk dat soveh de beteekenis heeft van drinken tot verzadiging, en de toevoeging van het woord wijn. beslist over den aard van den drank, dien men gebruikt. De vertaling van Louis Segond is zeer vrij; nam.: A peine ont ils cessé de boire. Luther heeft: Sie haben sich in die Schwelgerei gegeben.

ocr page 23

11

Daniël. Het is afgeleid van het Hebr. Khemer (zie Deut.

XXXII: 14. Ps. LXXV : 8.) dat gevoegelijk wordt vertaald door: bruisend, troebel, schuimend. Het heeft dus eene uitgebreide beteekenis, en alle soorten van wijn worden door dien naam aangewezen, maar niet eene eenige soort.

05. Ivhometz beteekent eenvoudig zure wijn, wijn dier?(quot;7 zuur is geworden, azijn. Hoofdzakelijk wordt hienuede' ^

bedoeld de schrale, zure drank, die verkregen wordt bij

de laatste uitpersing der druiven, waarbij water wordt gevoegd, welke drank gelijk staat met het posca 1) der Romeinen. Zuur geworden, gegiste paarden- en kameelmelk wordt in het Oosten Koumiss genoemd. In Spr. X : 26 wordt Khometz door de LXX vertaald met: omphax dat onrijp beteekent, en voor onrijpe druiven of olijven wordt gebezigd.

Uit deze vertaling blijkt dat de Israëlieten groote waarde hechtten aan de onrijpe druiven, die zij verzamelden bij het uitdunnen der druiftrossen. Uit die onrijpe druiven werd dus ook azijn bereid, en het eten van onrijpe druiven, dat op eenige plaatsen door den propheet Jeremia wordt genoemd vindt daardoor zijne verklaring.

6. Tirosh, hoewel ook door wijn of most vertaald, is u/i 'ƒ! noch het een, noch het ander, maar de vrucht van den i.--u-p, wijnstok in zijn natuurlijken staat. Bij de vertaling van

dit woord heeft de schromelijkste willekeur voorgezeten;

nu eens wordt 't vertaald door: bezie, vrucht, dan weer door mostwijn, wijnoogst, druiventros. Julius Bate. M. A.

merkt echter reeds op in zijn Critica Hebraea' 1767, bij Micha VI: 15: 't Is dus duidelijk dat tirosh te kennen geeft de druiven, die getreden of geperst moeten worden.

Tirosh wordt, waarschijnlijk zeer juist, afgeleid van y ar ash bezitten, erven, zooals Hierusalem van y ar ash en

1

Posca = gesuikerd azijnwater, druivendroessem gemengd met water.

ocr page 24

jj^ tj/. (/L h**. Huj Ij*, //V fnj^ci^U-Lj $$jt,

12

salem, bezit van vrede. Bij de verklaring van Gen. XXVII : 28 merkt Drasius (1617) op, dat het begrip van bezit ills van zelf aan tirosh werd verbonden, omdat onder alles wat door erfenis wordt verkregen, de opbrengst van den wijnstok voor den Israeliet liet voornaamste is, en deze daarom met dien naam werd aangewezen. /Tirosh komt steeds voor als vrucht, en dat wel in vereeniging met de hoofdvoortbrengselen der aarde op deze wijze: graanvrucht, — wijngaardvrucht, — boomgaardvrncht.

7. Yeqer (Arab, ükeh, hol zijn) oorspronkelijk iets dat hol is, knip of vat, waarin de druiven en olijven werden gedaan om geperst of getreden te worden, en later ook het vat, waarin het vocht werd opgevangen. VX) //- 8. Meselc, een mengsel; aanwijzende allerlei verschillende vermenging van wijn met water of specerijen of kruiden.

Q c : Ashishah, welligt afgeleid van een wortel, die vuur

beteekent, geeft te kennen; een (gebakken) koek van gedroogde druiven. Het woord vindt men in II Sam. VI: 19. I Kron. XVI : 3. Hoogl. II : 5. Hos. III ; 1 '), en wordt helaas! vertaald door: flesch en flesch wijn.

10. Shemarim ingemaakte vruchten van sham ar inmaken, als shemanim, die vet zijn, van shenien vet of olie. Zulke ingemaakte vruchten behooren in het Oosten tot de geregten van het feest. Nehem. VIII ; 10. Zij eten het vette (shemen) en drinken het zoete.

11. Shakar, zoetedrank. Zie bl. 5.

Wordt de wijnstok in de Oostersche landen, en bepaald

Q

ye-

in Palestina, in de eerste plaats beschouwd als geschikt, om er drank uit te bereiden? óf — wordt de vrucht van den wijnstok ook nog als voedingsmiddel aangemerkt? Deze vraag zou kunnen oprijzen door bovenstaande

1) Louis Seg-ond. Docteur en Théologie geeft in zijne vertaling van den Bijbel, uitgekomen in 1SS0: gateau de raisin, druivenkoek in al deze plaatsen

ocr page 25

13

mededeelingen, omtrent de verschillende wijzen om uit de druif een aangenamen drank te bereiden, doch in de Heil. Schrift wordt de vrucht van den wijnstok altijd ouder de voedingsmiddelen gerangschikt.

Het beloofde land wordt door Mozes beschreven als een land van tarwe en gerst, en wijnstokken en vijgeboo-men en granaatappelen: een land van olierijke olijfboo-men en van honig (Deut. VHI : 8.) Ook Jozua spreekt op dezelfde wijs als hij tot Israel zegt: gij eet van de wijngaarden en olijfboomen, die gij niet geplant hebt. (Joz. XXIV : 13.)

Als een voorregt, dat Israel genoot onder de regeering van Salomo, wordt ook genoemd het zeker wonen, van een iegelijk, onder zijn' wijnstok en ouder zijn' vijgeboom, waarmede te kennen wordt gegeven het ongestoord genot hunner vruchten. (I Kon. IV : 25.) Ook Rabsake gebruikt de uitdrukking van Jozua ') als hij de Joden aanspoort om zich te onderwerpen aan den Koning van Assyrië, a)

1) In I Makkab. XI: 23 komt dezelfde uitdrukking' voor.

2) Rabsake's woorden gronden zich op de algemeen aang-enomen of bestaande leefwijze der Joden, en evenzeer als 'tin de dagen van Hizkia (712 jaren v. C.) de gewoonte was om de druif als voedsel te nuttigen, en zij als zoodanig veel hooger stond aangeschreven dan als bron van allerlei wijnsoorten, is dit ook nu nog het geval. Rev. Smylie Robson, een zendeling onder de Joden in Syrië, deelt het volgende mede in een' brief uit Damaskus, van February 184-5. opgenomen in Missionary Herald (Irisch Presbytersan} van April en Mei 1845.) ..Het is algemeen bekend dat sommige streken van den Libanon het digst bevolkt en het best bebouwd zijn. Dit deel van het land wordt door mij meest bereisd. Het voedsel dei bewoners bestaat hoofdzakelijk uit vruchten, melk en groenten, en brood van tarwebloem en Turksche weit. De tarwe wordt overal verbouwd, en het daaruit bereide brood is een zeer algemeen en veel gebruikt voedsel Onder de vruchten bekleeden de olijven en de druiven de eerste plaats Olijven worden raauw gegeten ot ook op verschillende wijzen toebereid, maar zij zijn het meest in achting om de olie. Jn sommige jaargetijden bestaat het voedsel hoofdzakelijk uit groenten in deze olie gekookt, die dan mét of ook zonder brood worden genuttigd. Voor het licht, dat men brandt gebruikt men slechts deze olie. In deze streken wordt de olijfboom overal gekweekt. Een ander hoofdzakelijk deel van de voeding bestaat uit do vrucht van den wijngaard. Omstreeks Augustus zijn de druiven rijp, en

ocr page 26

14

(II Kon. XVIII : 31 en 32) en door de woorden van den Propheet Jesaja krijgt Jvida de verzekering eener volko-mene verlossing, zoodat ze zelfs weer wijngaarden zullen planten en van hunne vrucht zullen eten (II Kon. XIX : 29, verg. Jes. LXV : 21), terwijl de Propheet Micha er over jammert, dat er geen druif is om te eten (Mich. VII; 1).

Ook uit het spreekwoord van het eten der onrijpe druiven, dat wij vinden bij de Propheten (Jer. XXXI : 19, 20, Ezech. XVIII : 2) blijkt 't dat de druif tot de voedingsmiddelen behoort, waarmede overeenstemt de wijze, waarop tirosh steeds voorkomt, als vrucht van den wijnstok met de graansoorten en de vruchten van den boomgaard (zie bl. 11).

Hieruit volgt echter niet dat het tegen Gods bedoeling is om uit de druif of ook uit de boomvruchten drank te bereiden. Zoo lang de drank, dien men op deze of

worden dan gedurende vier maanden g-eg-eten. In dat tijdsverloop zijn zij «aan de orde, niet als een aang-enaam nageregt om het gehemelte te stree-len, nadat de eetlust is bevredigd door een voedzame maaltijd, maar als een wezel ijk deel van het maal; zoo zeer zelfs, dat van af Augustus tot December, de inwoners zich voeden met brood en druiven. Uit zeer dunne broodkoeken van tarwebloem of van gerstemeel. gemengd met bloem, waarbij volop druiven worden genoten, bestaan de maaltijden van de bewoners van den Libanon, 's morgens, 's middags en 's avonds. Ik kan hierbij de verzekering voegen, dat men gerust, tot verzadiging toe, druiven kan eten. Ook hier, even als in Europa, worden de druiven in groote hoeveelheden gedroogd, om ze zoo als rozijnen te bewaren, en als de druiventijd voorbij is, worden deze als voedsel genuttigd. De druiven worden bijeengevoegd, en dan geslagen, waardoor men een voeht verkrijgt dat dibs wordt genoemd. (Zie bl. 4- en 5.) Nadat het is gezuiverd, heeft het de dikte van honig, en gelijkt daar veel op. G-edurende den winter en het voorjaar zijn brood en dibs het algemeen voedsel. Er bestaan twee soorten van dibs; het een bereid uit druiven, het andere uit rozijnen. In den druiventijd is de gewone prijs van de beste soort, (purperkleurige druiven) een penning het pond (Eng.) of vier stuiver (Eng.) de veertien ponden. Deze soort is de aangenaamste van smaak. Een ander zeer goed soort, uit de groene druif bereid, kost ongeveer zes stuiver de veertien pond. Nog wordt er bereid uit zeer groote roode druiven, en deze is hooger in prijs, maar niet zoo algemeen. Voor een digt opeengepakte bevolking in een drooge en warme luchtstreek is de druif een onwaardeerbare weldaad.

ocr page 27

gene wijze verkrijgt, de voedende eigenschappen blijft behouden door God aan de vruchten geschonken, waaruit de drank wordt gemaakt, wordt de bedoeling van God niet verijdeld, en God spreekt Zijne bedoeling duidelijk nit in Gen. I : 29, als Hij zegt: „alle geboomte, in hetwelk zaadzaaijende vrucht is, het zij u tot spijze.quot;

Sedert de zonde in de wereld is gekomen, heeft ook de dood zijne heerschappij aanvaard. Ten gevolge van die heerschappij des doods heeft zich eeae magt ontwikkeld, die vijandig is tegen de bedoeling Gods. Tegenover de roeping van den mensch om de aarde te onderwerpen, en hare voortbrengselen steeds meer tot ontwikkeling, tot volmaaktheid, tot verhoogd leven te brengen (Gen. I : 28, II : 3) plaatste zich de magt ten ver-derve, die hare heerschappij aanvaardt als de dood het leven, dat door God is, heeft vernietigd.

Zeer vatbaar en zeer toegankelijk voor deze heerschappij des verderfs zijn vooral de vochten, die verkregen worden door het uitpersen van druiven en boomvruchten. Zoodra het plantaardig levensbeginsel is verstorven, begint zich liet verderf te ontwikkelen, en openbaart zich door gisting 1).

1

Hieromtrent zegt Liebig- het yolgende: ,.Het is in strijd met alles wat een onpartijdig' onderzoek aan 't licht heeft gebragl, om te beweren dat in het dierlijk of plantaardig1 leven de oorzaak of aanleiding totg-isting-wordt gevonden. De meening dat dit leven in eenig opzigt deel neemt aan zulk een ziekteproces moet verworpen worden als eene onderstelling, waaraan alle grond ontbreekt. De ontleding heeft aangetoond dat in alle fungi (sponsachtige gewassen) suiker aanwezig is, en deze wordt eerst dan omgezet in alcohol en koolzuur, als het leven is geweken. Van af het oogenblik, dat de dood begint te heerschen. ontstaat er eene verandering in de kleur en in de bestanddeelen, dan begint de wijnachtige gisting. Deze werking is juist het tegenovergestelde van het levensproces. Gisting, bederf, verwoesting zijn de opeenvolgende toestanden der ontbinding, en het slot of eindgevolg is dat de grondstoffen der organische ligchamen herleid worden tot het bestaan, dat zij hadden, voor zij werden opgenomen in het proces des levens. Langs dezen weg wordt, dus eene verzameling van organische atomen der hoogste soort herleid 'tot verbindingen eener lagere orde, namelijk tot die verbindingen der grondstoffen, waarvan zij afstammen. (Chem. Brieven. 2e Ser. 184-5.)

ocr page 28

Deze gisting tast de voedende bestanddeelen aan, en vernietigt die. Het druivensap, liet vocht der uitgeperste druiven, bevat eene aanzienlijke hoeveelheid suiker, die met het aanwezige eiwit dat vocht tot een' voedzamen, versterkenden, gezonden drank maken; doch door de gisting gaan deze geheel en al te loor, en worden vernietigd '). Zij, die beweren, dat de alcohol aanwezig is in den suiker, bewijzen daardoor, dat zij onbekend zijn met de eerste beginselen der scheikunde. Op allerlei wijzen en langs allerlei wegen heeft men getracht den alcohol in eere te brengen, maar alle daartoe aangewende pogingen hebben schipbreuk geleden op het scheikundig onderzoek. Alcohol is een voortbrengsel van de magt des verderfs, — een vijand van God, — een belager van het tijdelijk en eeuwig geluk van den mensch.

Indien men nu met den veranderden toestand behoorlijk rekening had gehouden, zou men zeker voor dranken met eigenschappen zoo geheel en al verschillende van de oorspronkelijke, ook andere namen hebben bedacht, maar dit is het geval niet geweest. De mensch is verschalkt geworden en gevangen genomen in een' strik, die nog over de geheele aarde is gespannen. Waar wij dus met het oog op de dranken Israels geschiedenis beschouwen, moet de vermelding der feiten ons oordeel bepalen, en ons doen zien of wij aan zuiver, ongegist druivensap of

1) De oude chemische formule voor suiker is: Oxyg*. 3 Hydrog*. 3 Carbon. 3 of Zuurstof. 3 Waterst. 3 Koolst. 3.

De nieuwe oxyg. 3. hydrog. 6. carbon 3 ; maar als de suiker werdt ontbonden, vormen zij andere verbindingen, die alcohol en koolzuur voortbrengen dus:

O. H. C. O. K. C.

ni. S®'®; 13 3 ,T. (alcohol 10 2

(Jucl.{carb. 0 n . JSieuw) r. i

2 0 1 jcarb. acid. 2 0 1

3. 3. 3. 3 6. 3.

Nu wordt daardoor in de granen en vruchten niet slechts de suiker verwoest, maar ook het eiwit wordt omgezet in yist, zoodat de voedende krachten verdwenen zijn.

ocr page 29

17

vruchtennat, een' zegen Gods, moeten denken, of aan vochten, waarin zich de magt des verderfs heeft genesteld, om den mensch voor tijd en eeuwigheid te gronde te rigten.

G E N E S I S.

De geschiedenis van den wijn begint met een zeer treurig voorval in het leven van Noach, waartoe de noodlottige aanleiding door den teug der bedwelming werd gegeven (Gen. IX : 20—27). Of het bedwelmend druivensap vóór den zondvloed onbekend was, en dus ook de dronkenschap, kan niet beslist worden, maar zóóveel is zeker dat het gebruik van bedwelmend vocht terstond met onmatigheid gepaard ging, en een regtvaardig, god-vreezend man (Gen. VII : 1), de prediker der geregtig-heid (II Petr. II : 5) er het slagtoffer van werd, — én — de gevolgen lieten niet op zich wachten; het huiselijk geluk werd verstoord, de huiselijke vrede verwoest en de vloek des vaders daalde neder op het hoofd van den schuldigen zoon.

In Gen. XIV : 18 wordt ook gesproken van wijn. Daar in deze plaats brood en wijn vereenigd voorkomen, is 't meer dan waarschijnlijk dat hier druiventrossen worden bedoeld (verg. de noot op bl. 13). Ook in Jer. XL : 10 wordt het verzamelen van wijn en zomervruchten genoemd, waaruit volgt dat door wijn in die plaats, druiventrossen worden bedoeld.

Dat Melchizedek Abraham brood en wijn aanbood, heeft welligt eene hooge beteekenis, maar zijne handeling is toch ook ligt natuurlijk te verklaren. Als Priester des Allerhoogsten Gods was 't liem, zeker niet minder dan

2

mr-

I

I i

ocr page 30

18

Lot, eeue smartelijke kwelling, dat de inwoners van Sodom zich zoo erg aan onuatuurliike ontucht overgaven, en terwijl 't hem nu verheugde dat 't Abraham gelukt was Lot te bevrijden, kwam bij hem de vrees op dat Abrahams knechten zich misschien te goed zouden doen aan den wijn, dien zij hadden buitgemaakt, én eenmaal bedwelmd, waren zij zeer zeker de weerlooze slachtoffers geworden van de onreine driften van Sodoms burgers. Om dit te voorkomen maakte hij zich op met brood en wijn (waarschijnlijk druiventrossen) en voorkwam daardoor de zonde, die hij vreesde, dat zou gepleegd worden.

Dat er onder liet geroofde, hetwelk Abraham buit maakte, zeer zeker eene aanzienlijke hoeveelheid wijn was, wijn uit de velden van Sodom, (verg. Dent. XXX1I1 : 32) lijdt ra. i. geen twijfel. Wij lezen dat Ahraham de Koningen des nachts overviel. Zulk een overvallen zou niet mogelijk geweest zijn, indien het leger zich ter ruste had neergelegd, want dan waren er zeker wachten uitgezet, maar zich overgevende aan buitensporig genot, waarbij de wijn de hoofdrol vervulde, en tot in den nacht toe voortzwelgen de, was 't Abraham mogelijk gemaakt om de veel sterkere magt der vier vereenigde koningen te overvallen en te verslaan ').

Men meene nu niet dat ik den wijn, het door gisting verontreinigde druivenbloed, oneer aandoe door te beweren, dat hij medepligtig is geweest aan de zonde van Sodom's inwoners, want weldra treedt hij op als bondgenoot der verfoeijelijkste ontucht, nam. der bloedschande. (Gen. XIX : 30—35.)

1) Deze voorstelling omtrent de toedragt dezer gebeurtenis, die zich zeer geleidelijk uit de woorden der mededeeling laat verklaren, wordt daarenboven op dezelfde wijze verhaald door Josephus. Misschien grondt hij zich op eene overlevering als hij zegt: „dat eenigen sliepen in hunne legersteden, en de overigen zich niet konden verdedigen, omdat ze volslagen dronken waren.quot;

ocr page 31

19

Waarschijnlijk was Lot onbekend met de uitwerking van den wijn, anders zon hij zich zeker wel hebben gewacht, en wellicht hebben zijne dochters hem kunnen misleiden door de toevoeging van kruiden, die den aard van den drank onherkenbaar maakten, en zijne werking zooveel te zekerder. Van zulke vermenging leest men reeds vroeg bij de volken der oudheid ').

In Gen. XXVII : 22—37 ontmoeten wij den wijn opnieuw. Isaak wil zijnen zoon Esau zegenen. Jacob, door Rebekka aangespoord en overgehaald, maakt zich meester van dien zegen, dien hij ontvangt, nadat Isaak heeft gegeten en wijn heeft gedronken. In tegenstelling met de geschiedenis van Sodom en Lot bevinden wij ons hier op 't gebied van het heilige; de godvreezende vader wil zijnen zoon zegenen, en waarschijnlijk om het heilige van deze handeling sterk te doen uitkomen, heeft de Targum van Jonathan het volgende ingevoegd: „Evenmin had hij (Jakob) wijn onder zijn bereik, maar een engel had dien voor hem bereid en bracht hem wijn, die van af de schepping in de druif was bewaard geworden, en gaf

1) Onder de gegiste wijnsoorten zijn er eenige, die (volgens de beschrijving. welke Athenaeus (gestorven 198) daarvan geeft in zijn ..Deipnoso-phistaiquot;) zelfs het hoofd niet aandoen en aan koortszieken zonder gevaar kunnen gegeven worden. Hij zegt zulks van Egyptische wijnen. De verslaafde drinker was hiermede echter niet tevreden; deze begeerde sterker gegiste wijnsoorten of ook met kruiden vermengd. Zulke vermenging vond men bij de oude volken op groote schaal. Pharmakeia is het woord dat daarvoor bij de Grieken werd gebruikt, en of het gebruiken van een geneesmiddel, öf van een vergif, bf van een toovermiddel te kennen geeft. In het N. T. heeft dit woord eene zeer ongunstige beteekenis (Zie G-al. V : 20, vergiftiging; Openb. IX: 21, venijnmenging, XVIII: 23, tooverij, XXI: 8, XXII: 15, toovenaars).

Uit hetgeen wordt gevonden omtrent deze menging volgt, dat het bedwelmend vermogen van sommige wijnsoorten niet groot was, en dit wordt bevestigd door hetgeen wordt medegedeeld van een foVr — oinos krithinos — gerste-wijn — ook zuthos genoemd, waarvan Riemer in zij » Gr. Deutsch. Handwörterbuch zegt: ein Gerstendecoct oder Gebrande. Gebniu, Bier, (der Aegypter) Strabo. 3 p. 155, Died. Sic. 1, Saufer im Alterthum redu-cirten sich zuletzt aufs Bier, wie jetzt auf den Branntwein.

ocr page 32

20

dien in Jakob's hand, eu Jakob bragt hem aan zijn vader, die daarvan dronk.quot; ')

En Isailk zegende Jakob en gaf hem den dauw des hemels, die vruchtbaarheid schenkt, en koorn (de vrucht des velds,) en wijn (tirosh zie hl. 11, de vrucht van den wijngaard (vs. 28 en 37).

De nu volgende berigten of mededeelingen omtrent den wijn verplaatsen ons in Egypte. De schenker vertelt zijnen droom aan Jozef, (Gen. XL : 9 — 13, 21) eene algemeen bekende geschiedenis. Naar aanleiding van dit verhaal rijzen er natuurlijk vragen over den wijnbouw en het wijn verbruik in Egypte, maar het ligt buiten ons bestek daarover uit te wijden, en merken slechts op dat wij ook gaarne dagelijks een beker, gevuld met versch uitgeperst druivensap, zouden ledigen.

Yan meer gewigt, voor ons doel, is hetgeen wij lezen in Gen. XLIII : 34, over het drinken van Jozef en zijne broederen.

En zij (de broeders) dronken, en werden dronken met hem (Jozef). Zoo lezen wij in de St. Vertaling. De vertaling van Luther en ook die van Segond zijn daarmede eensluidend. De Engelsche vertaling heeft: and were merry with him. Zij geraakten dus in eene vroo-lijke opgewelde stemming; deze vertaling is de juiste. De Nederd. Luth. vert. voegt er tot opheldering bij: niet vol en dol, maar verzadigd en vroolijk — en ook de St. Vert, teekent er bij aan: zij werden vroolijk, en verwijst daarbij naar Ps. CIV : 15, Hoogl. V ; 1, Hagg. A I : 1 en voor de Grieksche Vert. naar Joan. II : 10. De Ned. L. Vert. verwijst naar Hoogl. I : 6 en Joan. II : 10.

Hoe jammer dat men aan zulke onjuiste vertalingen den voorkeur heeft gegeven, en de juiste opvatting daardoor aan velen onthield. De Hebr. tekst heeft hier shakar

]) Uit deze legende blijkt tevens dat het Chaldeeuwsche Ithamar (zie bl. 9) hier wordt gebruikt voor: ongegist druivensap.

ocr page 33

21

en de LXX gebruiken metliuo (zie bl. 5). Men is 't toch aan iedex-een, en vooral aan godvreezende personen verschuldigd om hen van de gunstigste zijde te beschouwen.

In Gen. XLIX : 11, 12, vinden wij de prophetische woorden van Jacob over zijn zoon Juda, dien hij aan 't hoofd zijner zonen plaatst, en met de rijkste zegeningen als overstort.

Den jongen ezel en liet veulen der ezelin zal hij binden aan den wijnstok van de edelste soort, niet vreezende voor de verwoesting die zij zouden kunnen aanrigten, omdat hij overvloed heeft, zoo zelfs dat de wijn hem is als water en het wijndruivenbloed (volg. 't Hebr. parallelisme is hier wijn gelijk met wijndruivenbloed) evenzeer, zoodat hij er zijne kleederen in wascht. Wijn en melk zullen door hem zoo overvloedig genoten worden, dat 't men zal kunnen bespeuren aan de kleur zijner wangen en de frische witheid zijner tanden ').

EXODUS.

Wij zijn genaderd aan Exodus. Dit boek biedt ons zeer belangrijke bijdragen voor het onderwerp dat wij behandelen.

De Grieksche naam, dien het boek draagt, geeft te kennen dat de uittogt der kinderen Israels, hunne ver-

1) De verklaringen dezer verzen zijn velen, en verschillen ook veel. Ook de Vertalingen loopen zeer uiteen. Sommigen geven zelfs cene prophetische opsomming- van de heerlijkheid en de schoonheid, die de Messias zal bezitten, en brengen alles over op Zijn' persoon. (Zoo de Targum van Jonathan en de Jeruzalemsche Targum.) De Targum van Onkelos luidt aldus: Israel zal zijne stad bewonen; het volk zal zijnen tempel bouwen, en in hunne stad zullen zij de geregtigheid handhaven, en daders zijn van de leer der Wet. liet schoonste karmozijn zal zijn kleed zijn, en zijn opperkleed van zijde in scharlaken gekleurd en met andere kleuren versierd. Zijne borgen zullen rood zien van de wijngaarden, en de heuvelen zullen van wijn overvloeijen (ba-khamar). zijne velden zullen wit zien van het koorn en de kudden der schapen.

Het is duidelijk dat hier geene sprake kan zijn van vertalen.

ocr page 34

22

lossing uit Egypte, de hoofdinhoud vormt zijner berigten. De eerste hoofdstukken geven ons een overzigt van het verzet van Pharao, en zijne telkens hervatte worsteling tegen den God der Hebreën. Eindelijk is hij verwonnen ; hij buigt zich onder den opgeheven arm en de magtige hand des Heeren, en hij laat het volk Israels trekken. En Israel trekt op om te zijn een heilig volk des Heeren, om Hem te zyn tot een volk des eigendoms uit alle volken, die op den aardbodem zijn. (Deut. VII: 6.) De feiten van verlossing en heiliging vallen samen, en worden in liet Paschafeest vereenigd herdacht.

Indien wij nu vragen waardoor het volk Israels in het vieren van liet Paaschfeest er telkens aan herinnerd werd, dat zij den Heer geheiligd waren, om Hem te zijn tot een volk des eigendoms, dan ligt het antwoord voor de hand. Hun werd geboden gedurende den geheelen feesttijd zich te onthouden van alles wat gegist was; zij moesten ongezuurd brood, ongedeesemde koeken eten. (Exod. XII: 8, 15,17—20, 34, 39.) Gedurende zeven dagen mogt er geen zuurdeesem in hunne huizen zijn, en wie in die dagen iets gedeesemds zoo nuttigen, zon die overtreding met zijn leven moeten boeten, zoowel de vreemde als de inboorling.

Waarom gaf God dit gebod? Willekeurig, zonder een heilige bedoeling werd 't toch zeker niet gegeven; daarvoor zijn ons Gods wijsheid en Zijne liefde borg. Apostel Panlus geeft het antwoord op die vraag. Waar hij er de Korinthiërs op wijst dat hun roem zeer is misplaatst, en door de strafwaardige onheiligheid, die in hunne gemeente openbaar was geworden, overschaduwd werd, gebruikt hij als beeld eener steedsvoortwoekerende verontreiniging, de werking van den zuurdeesem. Hij wil dat ze den ouden zuurdeesem zullen verwijderen, en daarvan gereinigd, als ongezuurd, d. w. z. niet langer verontreinigd, maar geheel gezuiverd, voor het oog der wereld zullen optreden, en hij dringt zijne vermaning aan door te wijzen op

ocr page 35

23

Christus als ons Pascha. Door deze herinnering aan het Pascha der Israelieten in verband met de roeping tot volkomen reinheid voor de gemeente des Heeren, spreekt hij 't duidelijk uit, dat de gisting eene verontreiniging is van de goede gaven Gods in de schepping ons geschonken, en hij bevestigt zijn gevoelen met de woorden: laat ons dan feest houden in ongezuurde [brooden] van oprechtheid') en waarheid. (I Kor. V : 8.) Deze apostolische woorden stemmen geheel overeen met hetgeen over gisting in dit schrijven wordt gezegd ten opzigte van het druivenbloed en liet vruchtensap, (zie blz. 15, 16.) Evenzeer als de voortwoekerende zonde den mensch verderft, en de bedoeling Gods met den mensch verijdelt, zoodat hij onmogelijk het geluk kan smaken, waarvoor hij door God is bestemd, evenzeer verderft de voortwoekerende gisting de heerlijke gaven Gods voor onze voeding, verijdelt de bedoeling, waarmede God ze heeft geschapen, zoodat zij onmogelijk kunnen beantwoorden aau de bestemming, die zij moeten vervullen. Nu ligt de vraag voor de hand waarom wordt, in dit gebod, alleen gesproken van brood? Waarom lezen wij niets van ongegiste dranken ?

Op deze vraag vinden wij het antwoord in de murme-ringen der kinderen Israels; (zie blz. 1) waar zij zich beklagen over het gemis van gewenschte en begeerlijke spijze, spreken zij niet van eenigen drank, waaruit volgt dat zij geen anderen kenden of beter gezegd gebruikten als water. Omtrent het gebruik van drank kon dus geen voorschrift of gebod worden gegeven. Dat de dranken, in zoo verre zij gegist waren, ook bedoeld werden, blijkt uit de wijze waarop de LXX hebben vertaald. Deze vertaling is gemaakt lang na Mozes tijd, toen de bedwelmende teug, helaas ! verre van onbekend was, en nu ver-

1) De Ned. Luth. Vert. heeft; louterheid — reinheid. Segond; pureté. Luther: Lauterkeit.

ocr page 36

24

talen zij ongezuurde of ongegiste dingen, (azuma) en ook de Vulgata heeft meest vertaald: azyma. ') Daardoor worden de dranken mede ingesloten, en ook in liet N. T. wordt gesproken van ta azuma (Mark. XIV : 1 en zoo ook in Luk. XXII : 1, en Hand. XII : 3. XX: 6, en I Kor. V : 8. d. w. z. de ongezuurde (dingen).

Waar het volk Israels optreedt als verlost door den Heer, om Hem te zijn een heilig volk, wordt het opheffen van den hand, die den mensch ligchamelijk met het rijk der duisternis verbindt tevens het prophetische zinnebeeld voor zijne geestelijke reiniging. En geheel de togt door de woestijn draagt dezen prophetischen symbo-lischen stempel ; immers Mozes herinnert aan de kinderen Israels dat ze geen brood hebben gegeten, en geen wijn of eenig vruchtensap hebben gedronken, (Deut. XXIX : 6.) en hunne ligchamen dus beveiligd waren geworden voor verontreiniging door de voeding. Indien men zou willen beweren dat deze woorden in tegenspraak zijn met

1) Eeeds in de later geschreven boeken van het O. T. wordt gesproken van alles wat ontjezumd is; dus worden daardoor ook de gegiste dranken uitgesloten. II Kron. XXX: 13 en 31. en XXXV ; 17, en Ezeeh. XL V; 21 Ksdra VI : 22. Ook in III Esdra 1:10 lezen wij: ta azuma; zoo ook in vs. 19, waar het Pascha daarenboven wordt vermeld, en III Esdra VII: 14 azuma.

Dat de LXX bij de vermelding van de eischen voor het Pascha niet alleen aan brood maar ook aan gegiste dranken dachten, blijkt, onder anderen, ook uit hunne_ vertaling van Dent. XVI : 16, waar wij lezen: en tei heortei ton azumon, — op het feest der ongezuurde (dingen). De V. heeft in solemnitate azymorum.

2) In Deut. XXVI wordt gesproken van het aanbieden der eerstelingen, en de woorden, die de Israeliet bij die gelegenheid moest uitspreken, worden ook opgegeven; nu staat er in vs. li en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins; wat ligt in deze verklaring opgesloten?

Zelfs bij de Heidenen heerschte het begrip dat gisting eene vrucht is van verontreining en verontreinigt, Plutarchus maakt de opmerking in zijne „Komeinsche Vragenquot; (109) en Gellius in zijne „Attische Wachtenquot;, dat :t aan de Priesters van Jupiter verboden was om f/est aan te raken, want hij was, ook voor hen, de vrucht en tevens de moeder van verontreiniging.

ocr page 37

25

hetgeen de Heer zegt in Math. XIII : 33 over het zuur-deesem, alsof Hij door die woorden het zuurdeesem in bescherming neemt, dan is die bewering even juist als de volgende: de Heer zegt Hij zal komen als een dief Openb. III : 3. XYI ; 15, bijgevolg: de Heer neemt den dief en den diefstal in bescherming.

In beide gevallen moet men letten ojj het punt van vergelijking.

LEVITICUS.

In het boek Leviticus vinden wij de voorschriften em-trent de offers, die de Israelieten den Heer moesten brengen; hetzelfde beginsel, waardoor het Paaschfeest wordt gekenmerkt, treffen wij ook hierbij aan. Alles wat ge-deesemd is of gegist wordt verboden. Zuiver, rein moet alles zijn wat op het altaar mag worden toegelaten.

Daarenboven bevat Leviticus in het Xe hoofdstuk een voorschrift of liever een bevel voor de priesters, gedurende den tijd hunner dienst aan het altaar. Of deze bepaling een gevolg is van de zonde der zonen van Aaron is moeijelijk te beslissen, en evenzeer is 't onbewijsbaar, dat er eenig verband bestaat tusschen het een en het ander; maar zeer opmerkelijk is 't dat aan de dienstdoende priesters het gebruik van wijn en vruchtensap wordt verboden (vs. 9) ').

1) De St. Verf. heeft hier; wijn en sterke drank; Luther; Wein noch stark Getranke, Ned. Luth. Verf.; wijn noch sterke drank; Segond; ni vin ni boisson enivrante. In de kantteekening der St. Vert, wordt ge-zegd; „Het Hehr. woord Schechar befeekent allerlei drank, waardoor de raenschen kunnen dronken worden.quot; — eene bewering, die g'eheel in strijd is niet de oorspronkelijke beteekenis van het woord (Zie bl. 5).

ocr page 38

26

In deze plaats komt liet woord shaJcar liet eerst voor als naamwoord. De LXX vertalen: Sikera (zie bl. 5). Indien hier moet gedacht worden aan gegist druivenbloed en gegist vruchtensap, welke beide bedwelmende dranken zijn, is 't zeker ligt te begrijpen dat het gebruik daarvan den Priester verboden wordt ')■ Ih't gevaar dat de priester die de wetenschap moest bewaren, en uit wiens mond de wet gezocht werd, omdat hij is een Engel des Heeren (Mal. II ; 7) zich in een onwaardigen staat zon vertoonen voor het aangezigt Gods en voor het volk des Heeren, werd daardoor voorkomen; — maar, — zoude 't den priester ooit gevoegd hebben zulk een' drank te drinken? Het onderscheid tusschen bet heilige en onheilige, tus-schen het reine en onreine spreekt in de voorschriften voor de offers zóó sterk, dat daaromtrent, naar 't mij voorkomt, geen voorschrift of bevel noodig was. M. i. is quot;t waarschijnlijker dat hier niet moet gedacht worden aan eenig, door gisting verontreinigd vocht, maar dat door dit bevel wordt voorkomen elke vadsigheid of achteloos-

1) Het werkwoord en ook het naamwoord snahar wordt gewoonlijk vertaald door: dronken drinken en bedwelmenden wijn, — maar niet altijd beteekent het dat, en kan 't dat zelfs onmogelijk beteekenen. De gedachte van: „verzadigd te worden met zoeten drank,quot; is de oorspronkelijke, eu deze is later overgegaan in: „verzadigd te worden met gegist druivensap.

Zoo ook het Grieksche methuo en methe, dat meest met dronkenschap in verband wordt gebragt. Eerst later kon dit het geval werden, namelijk, toen de genotzucht zich niet bepaalde bij zoete dran/i, maar men zich gaarne verzadigde met bedwelmend vocht. Duidelijk blijkt dit, bijv. uit Deut. XXXII : ia. „Ik zal mijne pijlen dronken maken van bloed;quot; — kan toch niet anders beteekenen dan dit: ze zullen zoo zeer met bloed worden gedrenkt, dat ze daarvan als verzadigd zullen zijn. In 't Hebr. staat hier: shakar door de LXX wordt methuo gebruikt.

Vergelijk Judith VI : 4. „hunne bergen zullen dronken worden in hun bloed.quot; Gr. methuo, en Sirach 1: 15. „De verzading der wijsheid is den Heer vreezen, en zij maakt ze dronken van hare vruchten.quot; Gr metkusko, stamw. methuo. Zoo ook Jes. XLIX: 26: waar de zoete wijn eigenlijk is: het schuimende druivenbloed (zie ook Sir. XXXII: II*) methusko. XXXIX : 36 (22) methuo.

ocr page 39

27

heid of ongepaste vroolijkheicl en loszinnigheid, die den priester iu minachting moest brengen l)ij het volk, eu een meestal onvermijdelijk gevolg is van een volop genieten, terwijl hij daardoor tevens in gevaar zou komen om zich zoodanig in zijn dienstwerk te vergrijpen, dat hij door God met den dood moest gestraft worden.

Was het volk den Heer geheiligd, hoeveel te meer de priester! (verg. Ezech. XLIV : 21).

Doch hoe men deuke over den aard dezer dranken, hetzij men ze indeele bij het onreine eu onheilige of bij liet reine en heilige, in elk geval is dit gebod een breidel ter beteugeling van de genotzucht; die genotzucht, waarvoor de Psalmdichter zóó bevreesd was, dat hij dringend bad daarvan bevrijd te mogen blijven (Ps. CXIX : 36) '). En dat dit gebod aan de Priesters werd gegeven, is een ernstige wenk voor alle voorgangers der gemeente Gods.

In het boek Exodus wordt aan de gist, die het deeg doorzuurt, eene plaats aangewezen iu het gebied van het onreine eu onheilige; 1) — dat de dranken uiet afzonderlijk worden genoemd bewijst dat iu die dagen het water nog de hoofddrank was voor het volk Israels en

1

Op vele plaatsen waar wij in de vertaling vinden: ongedeesernd brood, moest eigenlijk zuurdeeg of gist staan, (seor.) zoo als in Exod. XII: 15. Ook wordt voor het gezuurde (brood) het woord Khornetz gebezigd. (Zie bl. 11.) Dat door den Israeliet, die God vreesde, het gegiste of gedeesemde brood als onrein werd beschouwd, blijkt ook nog uit Judith X: 5, waar wij lezen, dat zij reine brooden medenam. (Verg. Hos. IX: 3.) De wijn dien zij met zich voerde, was natuurlijk ongegist, want zij nam dien mede om vrij te zijn van het drinken van het ontreinig de druivensap, dat de vijanden gedruikten. (Zie ook Tobia I: 11, 12 en Judith XII: 12, IS, 19.)

ocr page 40

28

zij in Egypte niet geleerd hadden bedwelmend vocht te gebruiken. In Leviticus wordt het gedeesemde van het altaar geweerd, en tevens aan de priesters verboden druivensap of vruchtennat te gebruiken, gednrende hun dienst aan het altaar

N U M E R 1.

Het verbod, aan het slot van het vorige hoofdstuk vermeld, wordt in dit boek belangrijk uitgebreid voor ieder, die zich, als Nazireër, Gode afzondert. Behalve het drinken van het druivenbloed en het vruchtennat, dat hem wordt ontzegd, mag de Nazireër ook zelfs niets eten van de vrucht van den wijnstok, van de kern tot de bast, noch de druif, 't zij versch of gedroogd. (Num. VI : 1—4).

Waarom wordt den Nazireër het eten van de vrucht van den wijnstok verboden ? Die vrucht was toch niet onrein; en aan deze opmerking knoopt zich als van zelf de vraag: behooren dan de dranken tot de onreine, door gisting ontheiligde vruchten ?

Wijn wordt genoemd zonder eenige nadere bepaling zoo ook Skakar (bl. 5). Vervolgens Khometz yayin en Khometz skakar. Khometz (zie bl. 11) is een drank verkregen uit wijn of ook uit zoeten drank, zuur van smaak. Wanneer de druif is geperst, getreden, wordt het overgeblevene nogmaals uitgeperst ouder toevoeging van water, en het alzoo verkregen vocht (waartoe de bast en de kern de hoofdbestanddeelen afgeven) is zuur; zuurder nog is de drank, dien men zoodoende uit andere vruchten perst, en van daar dat het woord azijn daarvoor wordt gebezigd. Wijnazijn kan ook ontstaan door gisting

ocr page 41

29

vau wijn, en welligt werd ook uit de onrijpe druiven, Jer. XXXI : 19-20, Ezech. XV11I : 2) azijn bereid; maar de toevoeging, dat hij niet zal drinken van eenige vochtigheid van de druif maakt het verbod zoo duidelijk mogelijk; doch evenmin mogt hij iets eten, dat gemaakt was van den wijnstok des wijns.

En nu herhaalt zich de vraag: behooren de opgenoemde dranken tot de onreine, onheilige vochten? Dat zij er toe konden behooren is zeker. Maar gesteld zij behooren er niet toe, evenmin als de vruchten waaruit zij bereid zijn, en dat 't zóó is, is voor mij boven allen twijfel verheven (zie bl. 45, 46), wat volgt daar dan uit? Dat er in dit verbod eene les ligt opgesloten van groote levenswijsheid; dan wordt door dit gebod erkend de macht van het genot, de magt van 't geen ook nu nog op zulk een eigenaardigen toon „lekkerquot; wordt genoemd, en opmerkzaam wordt er opgemaakt hoe ligt het genot van het geoorloofde aanleiding wordt tot ongeoorloofd genot, en men zich ter wille van eene onverstoorde levensgemeenschap met God, dikwijls zelfs, het geoorloofde moet ontzeggen, uit vrees van te geraken onder de magt dei-zinnelijkheid.

Immers hoe ligt zou het genot van ongegist druivensap den lust hebben kunnen prikkelen om ook het onreine vocht te proeven, en aanleiding zijn geworden tot zondige handelingen; en waar tot geheel liet volk de roepstem weerklonk: „Zijt heilig, want Ik ben heilig!quot; en die heiliging ook in verband wordt gebracht met de voeding van het ligchaam (Lev. XI: 44, XIX : 2) spreekt die vermaning te sterker voor een ieder, die zich Gode wil afzonderen en toewijden.

Het ligt in den aard der zaak, dat eene volkomen goed geregelde dienst, zooals de Wet die eischte, en evenzeer de regeling der maatschappelijke toestanden (zie Dent. I : 9—18), eerst van lieverlede tot stand kon komen. In eenige hoofdstukken van Exodus wordt

ocr page 42

30

de vervaardiging verhaald van alles wat betrekking heeft op de zamenstelling van den tabernakel en van het gereedschap voor de dienst, en tevens de heiliging van Aaron en zijne zonen tot het Priesterambt, maar eerstin Num. X wordt gewag gemaakt vau de instelling hunner dienst tot het bijeenroepen der menigte voor verschillende doeleinden, terwijl eerst in Num. Ill eu IV. de dienst dei-Levieten wordt bepaald, waarna in hoofdst. VIII. hunne wijding tot de dienst wordt beschreven, en volgens Deut. X. hunne volledige ambtsverrigting eerst aanving na den dood van Ailron. Zoo ook kon eerst in 't tweedejaar na den uittogt uit Egypte, aan den eisch van het Pascha behoorlijk voldaan worden.

Terwijl de invoering dezer hoogstgewigtige verordeningen werd voorbereid en geregeld, togen de kinderen Israels heen en weder, en hadden allerlei ontmoetingen met verschillende volken: Moabieten, Amorieten, Canaa-nieten, (Exod. XVI11. Dent. XXXI : 4) die zij versloegen en overwonnen, waardoor opnieuw bepalingen noodzakelijk werden, vooral met het oog op den buit (have, vee en menschen.)

Een groot zedelijk gevaar dreigde altijd bij de aanraking met de vreemde, afgodische volken, en daardoor wordt het, m. i. zeer verklaarbaar, waarom de bepalingen der Wet, die de Heer onder deze omstandigheden ten einde bragt, en die het zedelijk gevoel bij het volk moest opwekken en hun hart tot den Heer neigen, ten opzigte van rein en onrein, heilig en onheilig; steeds uitvoeriger worden.

Vooral met het oog op de overwonnen volken, wier zonden zóó groot waren geworden, dat ze moesten worden uitgeroeid en verdelgd, (Gen. XV : 16.) was 't noodig dat de Israelieten werden gewapend door een' scheidsmuur, die dan ook door de Wet werd opgerigt, en die wij vinden in de steeds toenemende scherpere bepalingen van af het Pascha- en het offer tot het Nazireerschap. Daarom juist

ocr page 43

81

moesten de bepalingen omtrent druivenbloed zelfs en vrucli-nat zoo beslissend zijn, opdat Israël zon leeren inzien hoe groot het gevaar voor hen was, om, door het genot van ontheiligd druivenbloed en verontreinigd vrnchtensap mede verstrikt te worden in het wet der ontucht, waarin deze volken door hunne onbeteugelde genotzucht gevangen zaten.

Nu volgt het verhaal van den togt der verspieders en van hetgeen zij medebragten, waaromtrent reeds een en ander is opgemerkt, (bl. 7.) zoodat wij kunnen volstaan met daarheen te verwijzen.

In Hoofdst. XVIII. vinden wij bepalingen omtrent de dienst van Aaron en zijne zonen en de Levieten, en het deel, dat hun door God wordt gegeven van de offers des volks. In vs. 12 wordt gesproken van het beste van de olie, en al het beste van most en van koorn, — vs. 13. de eerste vruchten van alles. Het woord hierdoor most vertaald is tirosh. (Zie bl. 11.) Ook in Gen. XXVI. 28, 37. wordt tirosh op dezelfde wijze genoemd, (Zie bl. 11.) en het is duidelijk dat hier de vrucht van den wijnstok wordt bedoeld. Het woord wordt 19 malen genoemd, en in onze St. Vert, steeds door vwst teruggegeven, en omtrent die vertaling, die meer dan onjuist is, vindt men in de kantteekeningen volstrekt geene opheldering.

Uit hetgeen in vs. 27 en vs. 30 wordt gezegd: volheid van wijnpersbak of perskuip, blijkt dat het zuiver druivenbloed aan de Levieten tot hun deel was geschonken.

Zeer eigenaardig is het loflied op het water, dat ons zoo onverwacht tegenruischt, en dat Israel uit het hart vloeide, toen zij de onwaardeerbare weldaad ontvingen, waarvan zij bij beurte zongen. (Num. XXI : 16 — 18.)

Zeer pijnlijk daarentegen is de indruk, dien wij ontvangen na de mededeelingen van hetgeen er tusschen Ba-lak en Bileam voorviel. (Num. XXH — XXIV.) Bileam geeft den raad (Num. XXXI : 16) om onder den schijn van vriendschapsbanden aan te knoopen, de kinderen Is-

ocr page 44

32

raels uittenoodigen om deel te nemen aan de feestelijke maaltijden, die de Midianieten hielden ter eere van Baill Peor, den god der ontucht,1) waardoor hij hoopte hen te verstrikken in zingenot, ontucht en afgodendienst, en het volk Gods strafbaar werd. Zijn toeleg gelukte maar al te zeer; Israel werd gevangen in den strik, dien hij hen spande, en koppelde zich aan Baal Peor. (Ps. CVI: 28) Dat bij zulke uitgietingen van overdaad en ontucht het ontheiligde druivenbloed eene hoofdrol vervulde, behoeft geen betoog. Slechts daardoor is de onbeschaamde driestheid te verklaren, die wij in Num. XXV : 6 vinden op-geteekeud, waardoor in Pinehas de ijver Gods ontbrandde, en hij beide zondaren doorstak.

„Och! dat mijn volk naar mij gehoord hadde! dat Israel in mijne wegen hadde gewandeld!quot; (Ps. LXXXI: 14.) Met deze klagt voert Asaf God sprekende in, in zijnen Psalm, nadat hij in zijn geest Israel geschiedenis heeft herdacht. Hij ziet hen nederbuigen voor een vreemden God, en denkt daarbij ook het verblijf in Sittim, aan Bi-leams raad, aan de feesten der losbandige ontucht, en aan Israels afgoderij. Voorwaar een diepe val.

Apostel Panlus denkt er evenzeer aan als hij (1 Kor. X : 7, 8.) tegen afgoderij en ontucht waarschuwt, en er aan herinnert dat tengevolge van die overtreding vierentwintig duizend menschen den dood vonden. (Verg. Deut. IV : 3, 4.)

Och! dat Israel gehoord hadde naar de stemme Gods! Duidelijk toch had de Heer te kennen gegeven in de eischen voor het Pascha, de offers, — en het Nazireer-schap, dat het gegiste tot het rijk der duisternis behoort, en liet gevaar bestaat om bij de verontreiniging van het lichaam met deze magt des verderfs, ook geestelijk ontheiligd te worden.

1

In I Makk. II: 20, wordt de naam genoemd van den man, dien Pinehas doodde, (Num. XXV: lé) nam.: Zatnri, de zoon van Salom.

ocr page 45

33

Maar Israel heeft 't niet begrepen, — en wij ?......

Voor het onderwerp, dat ons bezighoudt, sluit Numeri met een voorschrift dat betrekking heeft op de offers. (XXVIII : 7.) De Hebr. tekst heeft Shakar „zoete drankquot; (bl. 5.) Niettegenstaande de St. Vertaling luidt „sterke drank,quot; teekent zij bij dit vers aan, dat men moet denken aan wijn, die in vs. 14 wordt genoemd. In beide verzen is er, in elk geval, sprake van reine drank, ongegist vocht. Het gegiste mogt niet op den altaar gebragt worden. ')

DEÜ TERONOMIUM.

Wat ons in Deutronomium het eerst treft, is het gebod, aan de kinderen Israels, om bij het verzoek dat zij doen aan hunne broederen, de afstammelingen van Esau, om door hun land te mogen trekken, do verzekering te voegen, dat zij voor geld water van hen zullen koopen, opdat zij mogten drinken. (Dent. II : 4—6, zie ook vs. 28.) Maar Edom weigerde het verzoek, en Israel week van hem af. (Num. XX : 14—21.) Hieruit blijkt opnieuw dat het water, zoo al niet de eenige, dan toch de voornaamste drank was van Israel, gedurende de omzwerving door de woestijn.

De uitvoerige beschrijving, die Mozes in de eerste hoofdstukken geeft, van al de heerlijkheden, die in het

1) Dat de Israelieten deze bepaling kenden als zoodanig, en haar eerbiedigden, wordt duidelijk uit vele uitdrukkingen, die zich, zooals men zegt, ongezocht, aan ons vertoonen. Dat deze bepaling steeds werd opgevolgd, door de godvreezende hoogepriesters, zien wij ook nog uit Sir. L : 15, waar hij getuigt van Simon, de zoon van Onias, — strekte hij zijne handen uit tot den offerbeker, en offerde druivenbloed, (haimatos staphulees.

3

ocr page 46

34

beloofde land voor Israel ziju weggelegd, is meer dan schoon, en roerend is het om te lezen met welke bezorgdheid hij vervuld is, als hem, telkens weder, de vrees overvalt, dat de weldaden Gods, welverre van het volk te bewegen tot wederliefde, eene aanleiding zullen worden tot afval en verwijdering van den Heer, in stede van hen, als met koorden der liefde aan Jehovah te verbinden.

Bij de vermelding van al het goede, dat hen wacht, wordt de wijngaard niet vergeten, (VI ; 11. VIII : 7, 8) en op eenige plaatsen worden: koorn, wijn en olie opnieuw bijeengevoegd, als de vrucht van liet land, bestemd tot voeding. (VII ; 13, XI : 14, XII : 17, XIV : 23. XXVIII ; 51.) ')

1) In den Hebreeuwschen tekst vindt men hier ook weder tirosh. Uit de vertaling der Vulgata van Til: 13 blijkt dat St. Hieronymus de eigenlijke beteekenis van het woord goed heeft begrepen. Hij geeft: vindemia, wijnoogst — inzameling der druiven. Voor deze plaats hebben wij daarenboven het voorregt om te kunnen vergelijken een voor ons gespaard gebleven gedeelte van de Grieksche Vertaling van Aquila, die geroemd wordt als zeer naauwkeurig en juist. Hij geeft oporismon sou, — uwe herfstvrucht, d. w. z. de gerijpte druif. En deze vertaling is in overeenstemming met de verschillende beteekenissen: bezitten, bezitnemen, wegnemen, die yahrash heeft, (de wortel van tirosh).

Jammer dat de V. zich in dezen niet gelijk is gebleven, want in XI: 14 lezen wij: et vinmn, — en wijn. — In XII: 17 wordt gesproken ya.n eten, zoo ook in XIV : 23. Nu spreekt 'tvan zelf dat wj?» niet kan gegeten worden, 't Zou toch meer dan belagchelijk zijn om te beweren dat een toast gegeten wordt.

In al deze plaatsen hebben de LXX, mijn, maar oudtijds was de beteekenis van dat woord niet beperkt tot hetgeen wij wijn noemen. Ook in 't Hebreeuwsch hebben wij hiervan een voorbeeld in Jer. XL; 13, waar wij lezen, dat de Joden mijn en zeer veel zomervruehten verzamelden; hier beteekt wijn de druif. Bij een Grieksch schrijver der oudheid vinden wij het woord mijn op dezelfde wijze gebruikt, als hierboven in 't Hebreeuwsch. Wij ontmoeten liet bij Athenaeus, (boek VI. sect. 89,) in een uittreksel uit de „Keistogtquot; van Nyinphodorus van Syracuse, die in 'tjaar 320 voor Christus leefde. „Ten tijde der feesten, zoo lezen wij daar, toog hij (Dri-macus, de krijgsoverste) uit, en verzamelde w/jn uit de velden — ek ton agron oinon, — en voor de offers beesten, die gezond waren, en er goed uitzagen.quot; Nu zal toch zeker niemand zóó dwaas zijn om te beweren, dat hij gegisten en in flesschen of lederzakken afgetapten wijn uit de velden verzamelde.

ocr page 47

35

Deut, XIV : 26. En geef dat geld voor alles wat uwe ziel

gelust ..... en voor wijn .... voor sterken drank, en

voor alles wat uwe ziel zal begeeren, en eet aldaar voor het aangezigt des Heeren uws Gods, en wees vroolijk gij en uw huis.

Deze woorden worden door de voorvechters en verdedigers van de gedistilleerde dranken onzer dagen meest zeer triomfantelijk aangehaald, om de juistheid van hunne meening te bevestigen, en het sterke drank gebruik als door God in bescherming genomen, voortestellen. Dat zulks zeer ten onregte geschiedt, blijkt uit de volgende opmerkingen. Volgens de bepalingen in hoofdst. XII : 17, mogten de Israelieten de tienden ) niet nuttigen in de stad hunner inwoning, maar moesten dit doen ter plaatse, die de Heer hun God hun zou aanwijzen. (XIV ; 23.) Het onvermijdelijk gevolg dezer bepaling was dit: bijeen grooten afstand van die plaats werd 't zeer bezwarend om de tienden in natura daarheen te brengen, en nu wordt dit bezwaar weggenomen door de vrijheid, die hun in vs. 24 en 25 wordt verleend, terwijl 't hun, volgens hetgeen wij in vs. 26 lezen, daarenboven werd vergund, om voor het geld, dat de tienden hadden opgebragt, alles te koopen, wat zij zouden begeeren, om dat te eten ter bestemder plaatse, voor Gods aangezigt, en vroolijk te zijn met de hunnen.

In Exod. XXII : 29 en 30, en XXIII : 16—19 vinden wij die tienden ook genoemd als eerstelingen van de eerste vruchten des lands, (19) 1) doch in XXII : 29 wordt slechts gesproken van de tranen en de volheid. Hieruit volgt op nieuw dat tirosh (XIV : 26) niet anders kan beteekenen als de rijpe druif, en de olie de olijven met

1

Verg. Deut. XVTTT: 4. (Hebr. tirosh.)

ocr page 48

36

de overige boomvruchten vertegenwoordigt, (dns alles behalve de druif); waardoor wijn en sterke drank, zooals die in ats. 26 worden genoemd, niet mogen verstaan worden in den zin van drank, maar als vruchten moeten worden aangemerkt. Indien men echter verkiest om wijn en sterken drank op te vatten in de beteekenis van drank, dan is duidelijk dat hier aan tranen-wijn moet gedacht worden, en shakar niets anders kan beteekenen als „zoete drankquot;, (verg. bl. 5.) maar dan vervalt de bepaling dat de tienden zouden gegeten worden1).

De opvoedende en ontwikkelende strekking der Wet treedt in vele plaatsen duid elijk op den voorgrond in de vele aansporingen tot barmhartige liefde jegens de verarmden en behoeftigen, vooral jegens de weduwe, den Avees en den vreemdeling (zie onder velen Deut. XXII; 4, XXIII : 24, XXIV : 21). Zeer eigenaardig zijn vooral de bepalingen voor het jaar der vrijlating, (Dent. XV.) en dringend, wordt Israel vermaand om den vrijgelaten Hebreër of Hebrëinue rijkelijk te schenken van zijnen overvloed, en daarbij wordt uitdrukkelijk genoemd de zegen van den wijnpers of de persknip, (vs. 14) d. w. z. het uitgeperste druivensap, het druivenbloed.

Zoo ook moesten de priesters de eerstelingen ontvangen van koorn en most (tirosh, — dus druif of wijnstok vrucht) en olie, (XVIII : 4), opdat ze geen gebrek zouden lijden, want als dienaren van het heiligdom konden zij niet zeiven in hun onderhoud voorzien.

1

In „the Temperance Bible-Commentaryquot; wordt bij deze plaats het volgende aangeteekend: „De Athene.s prezen Amphietyon, een' hunner Koningen, die eenen altaar oprigtte voor den W ar en B ae c h u s, omdat hij hun voorschreef den wijn met water te mengen, waardoor de dronkenschap zeer veel afnam; maar het is voor de advocaten der alcohilische dranken onzer dagen weggelegd, om aan eene gunstige beschikking, ten gerieve van godvruchtige Joden, eene uitlegging te geven, die in hare toepassing en gevolgen de schromelijkste verwildering na zich zou slepen en de ze— deliikheid zou dooden, door een Gode geheiligd feest te herscheppen in eene verachtelijke zwelgpartij.

ocr page 49

37

Ook bij de bepalingen omtrent het optrekken in den krijg, ontmoet ons de liefdezorg des Heeren, want behalve de overige redenen van vrijstelling, die wij vinden opge-teekend, lezen wij in Hoofdst. XX : 6: „Wie is de man, die een' wijngaard heeft geplant en van zijne vrucht niet heeft gegeten? die ga henen en keere weder tot zijn huis, opdat hij niet misschien in den krijg sterve, en een ander die geniete!quot;

Kenmerkend in hooge mate is het voorschrift dat de Israelieten ontvingen voor de vruchtboomen, die zij zouden vinden in de nabijheid eener stad, die zij zouden belegeren. Ook hierin treedt ons de liefdezorg des Heeren te gemoet, want hun wordt geboden die vruchtboomen niet om te houwen (vs. 19, 20), terwijl de bijvoeging: „want het geboomte des velds is des menschen spijze,quot; het gebod in het juiste licht plaatst.

Blijkt uit alles wat ons omtrent wijngaard en vruchtboomen wordt gezegd, dat God ze heeft bestemd tot voeding van den mensch, dan volgt daaruit dat slechts die dranken, welke uit vruchten worden bereid, in overeenstemming zijn met de bedoeling Gods, welke de oorsjjron-kelijke natuur der vruchten nog bezitten; alleen op het gebruik van zulke dranken kan Gods zegen rusten; doch waar de voedende bestanddeelen zijn verwoest, en het vocht door ontbinding en gisting in liet gebied der duisternis is verplaatst, wordt het beheerscht door de magt des verderfs, en kan het gebruik daarvan geen' zegen brengen, daar ze wapenen zijn geworden in de hand des Boozen.

Deze magt des verderfs treedt ons weldra op nieuw te gemoet, en nu in den zoon des huizes. Werd bij de eerste vrucht van het ontheiligd druivenbloed do vader het verschalkte slagtoffer, en daalde daardoor de vadervloek neder op het hoofd van den schuldigen zoon, nu ontmoeten wij een' zoon als een slaaf der lust, wederspannig en oproerig, onverbeterlijk en ontoegankelijk voor de vermaningen

ocr page 50

38

der ouders, zoodat zij hem moeten brengen voor de oudsten der stad; en dan — daalt Gods vloek op hem neder eu de steeniging maakt een einde aan zyn schuldig leven op aarde; — zóó moest het booze uit het midden des volks worden weggedaan, en gansch Israel zal 't hooren en vreezen. (XXI : 20, 21) i).

Indien wij hier eene geschiedenis aantroffen, waarvan men kon zeggen, dat zij op zich zelve stond, was 't zeker zeer bedroevend, maar ontzettend bedroevender is 't, dat het noodzakelijk was geworden zulk een gebod te geven. Hieruit toch blijkt, dat het kwaad moest bestreden worden, en dus eene gevaarlijke hoogte en bedenke-lijken omvang had bereikt; — een bestaande toestand, een' nu reeds ingekankerde ziekte was geworden, waartegen strijd met woord en daad noodzakelijk was.

De onverbeterlijkheid van den zoon '1), waarvan vs. 18 en 19 spreken, wordt in onmiddelijk verband gebragt met dóórbrengen, brassen, (Verg. Luk. XV : 13 en 30) en drinkzucht. Het woord zuiper in onze St. Vert, is in

1

Eene liefelijke tegenstelling biedt ons de raad, dien de vader van Tobias hem medegeeft (IV : 16). „Kind!quot; zoo spreekt de vrome, bezorgde vader, „drink geen' wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met u reizen op uwen weg.quot; — Jammer dat hier door de St. Vert, het woord dronkenschap wordt gebezigd. Uit hetgeen wij vinden in hoofdst. 1:11 en 12 blijkt 't dat de oude Tobias zulk een' afkeer had van het onreine, d. w. z. van hetgeen niet mogt komen op den altaar des Heeren, dat hij zelfs geen gedeesemd brood nuttigde, hoeveel te minder dus door gisting verontreinigd druivensap. De godvruchtige Israeliet dronk dat vocht niet; hij dronk: druivenbloed, reine wijn; maar ook daarvan wilde hij niet. gebruiken tot oververzadiging, eis methequot;; methe is hier niet dronkenschap maar oververzadiging ~ onmatigheid.

ocr page 51

39

het Hebreeuwsch: Sobeli. (Verg. bl. 10). Dit woord geeft slechts te kennen, „drinken tot verzadiging.quot; Uit Hos. IV : 8 blijkt echter dat het „tot verzadiging toe drinkenligtelijk wordt een volop genieten, dat de perken der matigheid te buiten gaat zoodra het gegist druivensap in den beker parelt, en ligtzinnige vroolijkheid de perken der bedachtzaamheid verbreekt, en zich paart aan brassen en doorbrengen.

Uit de vertaling der LXX van Spr. XXIII : 21, blijkt dat ze wijn en hoererij als onafscheidelijke gezellen in 't maatschappelijk leven hebben zien optreden, en Sirach (XIX : 2) deelt in hun gevoelen; er blijft dus geen twijfel over. De zoon, aan wien hier gedacht wordt, is een onverbeterlijke lichtmis en doorbrenger, een vooraan-zitter bij de feesten der overdaad en der ontucht.

Het gegeven gebod ligt een' sluijer op, waardoor wij zien dat de onverzadelijke worm der genotzucht zich reeds eene plaats had verzekerd in het huiselijk leven van Israel, en zijn onafscheidelijke bondgenoot, het ontheiligde druivenbloed in Israel evenzeer burgerregt had verkregen.

Dat deze bewering niet te sterk is gekleurd, maar den toestand juist beschrijft, bevestigen de woorden in Hoofdst. XXIX : 19: En het geschiede, als hij (de man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die het hart van den Heer afwendt) de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zich zeiven zegene in zijn hart, zeggende: „ik zal vrede hebben, ofschoon ik naar mijns harten gceddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige.quot; (Segond vertaalt: et que j'ajouterai l'ivresse ii la soif; the auth. Version: to add drunkenness to thirst).

Aan welke vertaling men ook den voorkeur geve, het blijkt steeds dat: öf de dronkaard zóó dorstig is, dat hij altijd meer begeert, (verg. Spreuk. XXIII : 35) óf dat hij zich aansluit bij den dorstige om zich opnieuw aan den drank te vergasten, of den dorstige tot onmatigheid tracht te verleiden.

ocr page 52

40

Waar de wetgever het noodig aclit om zulke woorden uit te spreken, en daaraan toevoegt de bedreiging: de Heer zal liem niet willen vergeven, maar zijn naam van onder den hemel uitdelgen, is de maatschappelijke toestand van het volk verre van gezond.

Hartverheffend zijn de woorden, waarmede Mozes de zegeningen beschrijft, die Jehovah voor zijn volk heeft weggelegd, maar tevens treedt ons een ontzettende ernst tegemoet in de bedreigingen met onheil en ramp, die het volk zullen treffen bij hun afval.

Voor het doel, dat ons bezig houdt, zijn vooral de woorden in XXXII vs. 14 en vs. 32, 33 merkwaardig.

Vs. 14. „Boter van koeijen en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Basan weiden, en der quot;feokken, met het vette der nieren van tarwe en het druivenbloed, 1) reinen wijn, hebt gij gedronken quot;

De Hebr. tekst maakt 't duidelijk, dat hier sprake is van versch uitgeperst druivensap, dat schuimend in de kuip nedervalt 2) (verg. bl. 10 Khamar). Dit druivenbloed wordt in éénen adem genoemd met de overio-e

a o

zegeningen, die Mozes vermeldt, en dus daarmede gelijk gesteld; — dit geschiedt met het volste regt, want het scheikunstig onderzoek heeft bewezen dat het ongegiste, onbedorven druivennat eene eerste plaats inneemt onder

1

De onderscheiding van: reine wijn, druivenbloed en het gegiste druivensap, — de onheilige, onreine wijn, — was den Israelieten zeer wel hekend, en treedt op vele plaatsen in een helder licht, — (zooals in dit onderzoek wordt aangetoond) vooral echter ook in Sir. XXXIX; 30 (20): liet voornaamste wat tot het leven des menschen noodig is, is water en vuur en ijzer en zout en tarwemeel en melk en honig, druiven— Woed (2B haima staphkleès) en olie en een kleed.

2

Vergelijk Ps XLVI:4, laat (de wateren) beroerd worden. Hier gebruikt de Hebr. tekst khamar. Dit beroerd worden (Luther: Wallen) is

us de beweging, die schuim veroorzaakt, en volstrekt niet in verband staat met iets wat naar gisting zweemt.

ocr page 53

41

de krachtigste voedingsmiddelen, en als vloeibaar voedsel gelijk staat met boter en melk en het vette der tarwe en lammeren en schapen en bokken.

Geheel tegenovergesteld is de indruk, dien de woorden in vs. 32 en 33 verwekken. „Want hun wijnstok is uit den wijnstok van Sodom en uit de velden van Gomorra; hunne wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven, (druiven van gal. Eng. vert.), zij hebben bittere beziën.quot; vs. 33. „Hun wijn is vurig draken venijn, en een wreed adderenvergif.quot; De afval van Israel van den waren God, dien Mozes met prophetischen blik aanschouwt, doet hem deze woorden uitspreken. Dat hij dit beeld kiest, plaatst het in een geheel eigenaardig licht.

Wordt in vs. 14, de wijn, d. w. z. het reine druivenbloed, geroemd en geprezen, en in den rij der gezegeude en zegenbrengende voedingsmiddelen opgenomen, — hier geschiedt het tegenovergestelde.

De wijnstok en zijne vrucht, alles wat hij is en voortbrengt wordt gebrandmerkt als eene geboorte uit het land van Sodom en de velden van Gomorra.') De aanbouw en het kweeken van dien wijnstok geschiedde dus reeds met een misdadig doel, en dat doel was geen ander dan het onbeteiTgeld bot vieren aan vleeschelijke lust. Die wijn, wel verre dus van een onschuldig en Gode verheerlijkend genot te schenken, was een vergiftigd en vergiftigend vocht geworden, de beker der bedwelming.

1) Opmerkelijk is 't dat de wijn uit Sodom en Gomorra wordt genoemd drakenvenijn en adderen vergif, en de goddeloozen met deze zelfde woorden worden omschreven. „Zij hebben vurig* venijn naar de gelijkheid van vurig* slangen venijn; zij zijn als eene doove adder, enz. (Ps. LYIII : 5). Zoo ook in Ps. CXL : 4. Zij scherpen hunne tong* als eene slang*; heet addervergif is onder hnnne lippen. Vergelijkt men nu hiermede wat in Spr. XXTII: 29—35 wordt gezegd van den wijn, die ten laatste bijt als een' slang en steekt als een' adder, dan is 't niet moeijelijk om te beslissen of de wijn. het ontheiligde druivenbloed, bij het rijk der duisternis of des lichts behoort.

ocr page 54

42

(vs. 18) die rondging bij de maaltijden der ontucht, ter eere der afgoden (vs. 21, verg. Ps. CVI: 28.)

De beschrijving, die Mozes geeft herinnert zoo zeer aan Spreuk. XXIII — 29—35, dat wij niet behoeven te vragen of wij hier aan ontheiligd en verontreinigd druivenbloed moeten denken, en dit is juist het opmerkelijke, dat die wijn, de wijn uit Sodom, wordt voorgesteld als de bondgenoot der ongeregtigheid.

Wij hebben het eerste deel van den Hebreeuwschen kanon ten einde gebragt. Geschiedenis en Wetgeving hebben hare getuigenissen vereenigd tot ééne waarschuwende vermaning: „Ontheiligt de gaven Gods niet, wacht u voor den teug der bedwelming, verheerlijkt den Gever door Zijne zegeningen te genieten te Zijner eer, — en indien niet, — zoo wete een ieder, dat hij een' weg bewandelt, die ten verderve leidt, als loon voor het verderf, waaraan men Gods weldaden heeft prijs gegeven.quot;

DE GESCHIEDKUNDIGE EN POËTISCHE BOEKEN ■ TOT AAN HET II. BOEK DER KONINGEN.

Het boek Jozua bevat geene belangrijke mededeeling voor ons onderzoek.

Het eenige wat onze aandacht trekt is het woord van Jozua: (XXIV : 13.) „Ik heb u een land gegeven waaraan gij niet hebt gearbeid; steden, die gij niet hebt gebouwd, eu gij woont in dezelve, en gij eet van de wijngaarden en olijfboomen, die gij niet hebt geplant.quot;

Ook Jozua was van oordeel, dat de vrucht van den

ocr page 55

43

wijnstok tot voeding was bestemd; hij maakt dus geene uitzondering op den regel.

Indien er onder de boeken der Heil. Schrift één is waarvan de lezing een' pijnlijken indruk geeft, dan is 't zeker het boek der Rigteren. De gedurig herhaalde afval der kinderen Israels van den waren God, levert het bewijs, dat de terugkeer tot de dienst van Jehovah slechts uit nooddwang was geschied, en het hart vervreemd was gebleven van den God des heils.

Het behoeft geen betoog, dat de goede zeden zeer veel leden door deze dienst der vreemde goden, bij welke dienst zwelgerij en ontucht steeds voorzaten '). Uitdrukkelijke aanwijzing en mededeeling daaromtrent vinden wij niet, maar de geschiedenis geeft ons ongezocht eene schilderij naar het leven, aanschouwelijk, onbedriegelijk ■).

De burgers van Sichem, steunende op Gaal, die zich met de zijnen bij hen had gevoegd, nu Abimelech hatende, dien zij vroeger hadden gesterkt, om zijne broeders te dooden, togen uit in het veld, lazen hunne wijnbergen af, traden de druiven, en maakten lofliederen;

1) Eigenaardig en zeer kenmerkend is de wijze, waarop Sirach de Rig-ters des volks gedenkt in den lof, waarmede hij de heerlijke mannen prijst (XLIV : 1). Hij zegt in hoofdst, XLVI; 13: En de Eigters, elk met zijnen naam, welker aller hart niet heeft gehoereerd, en zoo velen niet zijn afgekeerd van den Heer, derzelver gedachtenis is ook gezegend.

Het behoeft geen betoog dat Sirach een' pijnlijken indruk ontving toen hij dacht aan dat tijdsgewricht uit de geschiedenis zijns volks.

Niet aller hart heeft gehoereerd, — en voor zoo ver eenigen niet zijn afgekeerd van den Heer.... helaas! waar zóó iets moet getuigd worden van de verlossers des volks, hoe zal 't daar gesteld zijn met het volk?

2) Een paar opmerkingen omtrent den wijngaard, die geheel en al op zieh zeiven staan, mogen hier eene plaats vinden.

Jliyt. VIII : 2. Uit deze woorden blijkt, dat de landstreek, waarin Ephraïm woonde, zóó rijk was aan zeer vruchtbare wijngaarden, dat de nalezing daarvan nog meer opleverde dan de oogst der wijngaarden van Abi-ezer.

IX: 13, 13. Hier staat in 't Hebr. tirosh; er wordt dus van de druii gesproken, evenzeer als van de vruchten der andere boomen.

ocr page 56

44

en zij gingen in liet huis huns Gods, en aten en dronken en vloekten Abimelech. (IX : 27).

De grimmige gemoedsstemming, die hen bezielde toen zij uittogen, beheerscht ook hunnen wijnoogst; van eene vrolijke, dankbare stemming kan geene sprake zijn. Zij lezen de wijnbergen af, de trossen worden terstond uitgetreden. Het ontbreekt daarbij niet aan de liederen der wijnlezers, maar 't zijn geene juichtoonen van vreugde, hun zang ademt wraak en moord. Zij verlaten de pers-kuipen om in het huis van hunnen afgod een1 oiïermaal-tijd te houden, zij eten en drinken, — en de vloek, die in hart huisvest, wordt ontbonden door den drank, die den eersten vadervloek op aarde bragt; en zij vloeken Abimelech in het huis van hunnen God, bij hun overdadig en strafbaar genot.

Deze verschijnselen van overdadig en strafbaar genot bedreigden Israel met een' volkomen ondergang. Bras-serij en zwelgerij, die de ontucht steeds als medgezel bij zich hebben, schenen in Israel onvermijdelijk de overhand te zullen verkrijgen, want overal, nu hier, dan daar, dau weder elders, kwam de afgodendienst in eere, en, vermaagschapt als deze is aan brasserij, zwelgerij en ontucht, moest bij de godvruchtigen de vrees geboren worden dat dienst van den waren God weldra volkomen zou verdrongen zijn. (Verg. Rigt. V : 8. II : 12, 13, 17. III : 7, 12. IV : 1. VI ; 1. vill ; 33) en als voortzetting van dezen toestand: X : 6. XIII : 1).

Dat deze voorstelling geheel en al overeenstemt met den feitelijken toestand, wordt bevestigd door hetgeen wij vervolgens lezen. Daar Israel het niet begreep of ook niet wilde erkennen, dat zwelgerij en brasserij de vruchten zijn der afgoderij, en tot afgoderij leiden, is 'tzeer natuurlijk, dat God hen tot dat inzigt wil brengen, en zijne maatregelen daarmede in overeenstemming brengt. Immers als Hij zich opnieuw gaat ontfermen over zijne trouwlooze kinderen, en hun een redder en verlosser wil

ocr page 57

45

scheuken, acht Hij 't noodig een' Nazireev voor deze taak te bekwamen. (XIII : 1 —25).

Merkwaardig is het dat de belofte aan Manoach's huisvrouw, gepaard gaat met liet voorschrift om zelve gedurende hare zwangerschap als Nazireër te leven. Dat Manoach en zijne huisvrouw tot de godvruchtigen in Israel behooren, lijdt geen twijfel, maar daardoor winnen de woorden van den Engel in ernst en beteekenis. Spreekt dat gebod stilzwijgend uit, dat ook de god-vreezende vrouw in Israel den gevaarvollen weg bewandelt, die uitloopt op vervreemding van God? Ligt daarin een waarschuwing voor alle vrouwen, en wordt haar daardoor tevens de weg aangewezen om het kwaad te bestrijden? Is 't eene aanwijzing voor haar, die den moederzegen verwachten, om zich vooral in die dagen te wachten, opdat de vrucht van haren schoot niet reeds vergiftigd en verkocht aan de magt der zinnelijkheid, liet levenslicht aanschouwe?')

Mij dunkt het lijdt geen twijfel, dat al deze vragen een toestemmend antwoord vereischen, en het gebod van den Engel den sluijer opligt, waardoor wij aanschouwen hoe diep Israel was gevallen, en welk een ontzettende omvang het zedelijk bederf had verkregen.

Daarenboven blijkt uit de woorden van vs. 14, dat in de

1) Het was bij de volken der oudheid zeer goed bekend dat een zoogenaamd matig gebruik van bedwelmenden drank nadeelig werkt op de vrucht in den moederschoot. Plato, Aristoteles, Plutarchus, enz. hebben reeds opgemerkt de erfelijkheid van zinnelijke neigingen en hartstogten. en de wetgeving, die de vrouwen tot geheel onthouding van bedwelmenden drank verpligtte, bedoelde daarmede om aan het kroost eene goede gezondheid te verzekeren, mens sana in corpore sano, (eene gezonde ziel in een gezond ligchaam.) Zeer teregt merkt Mathew Henry op, dat vrouwen, die in blijde verwachting zijn. zich voorbedachtelijk moeten onthouden-van alles, waarvan zij kunnen vermoeden, dat het eenige schade zou kunnen berokkenen aan de gezoudheid of den welstand van de vrucht van haren schoot.

ocr page 58

46

voorschriften voor den Nazireër geen gegist, maar ongegist druiven- en vruchtensap wordt bedoeld, (zie bl. 29.) Het wordt duidelijk door de toevoeging der woorden : „niet iets onreins eten.quot; Hierdoor toch wordt de wijn en de sterke (lees: zoete) drank, dien zij niet mogt drinken, evenzeer als rein beschouwd als de vrucht van den wijnstok rein is, waarvan zij niet mogt eten, tot zelfs niet de kern of de bast. Onrein wordt het druivenbloed en het vruchtensap slechts door gisting ^).

Simson's uiteinde laat ons een blik slaan in het leven der volken, in Israel's omgeving, waaraan ook Israel niet vreemd was.

Simson blijft, helaas! niet getrouw aan zijne roeping. Hij wordt verward in den strik der ontucht, en ontheiligt zijn Nazireërschap. Duur komt hem dit te staan. Met zijne beide oogen verliest hij tevens zijne vrijheid. De Philistijnen juichen, en besluiten een feest te vieren ter eere van hunnen god Dagou, die hunnen vijand in hunne hand heeft gegeven. Terwijl de toebereidselen tot dit feest worden gemaakt, is Simsons kroon, zijne lange haren, die tevens liet teeken zijn zijner onderwerping aan God, (Verg. 1 Kor. XI : 15.) weder aanwezig, en de Philistijnen, die niet verzuimen hem te honen bij hun optrekken naar het feest, (vs. 24) geven zich zorgeloos over aan de gewone luidruchtige vrolijkheid hunner feestgelagen.

Nu lezen wij in vs. 25 : „En het geschiedde als hun hart vrolijk was.quot; Deze uitdrukking is een kenmerkend taaleigen, waardoor te kennen wordt gegeven de heer-

1) Simson was Nazireër voor geheel zijn leven; hieruit volgt, dat zijne ligchamelijke kracht niet geschraagd werd door het gebruik van wijndruivenbloed. een voedende en versterkende drank, — en, indien de reine wijn daartoe niet wordt vereischt, daarvoor niet noodig is, maar gemist kan worden, brengt de onreine wijn zeer zeker geene versterking voor het ligchaam.

ocr page 59

47

schappij van de toomelooze hartstogtelijkheid, die zich openbaart, nü het drinken van bedwelmenden wijn '). Reeds in Rigt. IX : 27—29 vinden wij een voorbeeld van dergelijke uitgelatenheid, (zie bl. 43 en 44) doch van Nabal lezen wij dat „zijn hart vrolijk wasquot;, — én — hij was tevens „zeer dronkenquot;, (I Sam. XXV : 36.) En toen Absalom het voornemen wilde uitvoeren, waartoe zijne wraaklust hem aanspoorde, stelde hij voor zijne knechten dit ten teeken : „Let er nu op als Amnion's hart vrolijk is van den wijnquot;, (II Sam. XIII : 28) en ook Ahasveros „hart was vrolijk van den wijnquot;, en zijne dwaasheid werd openbaar door zijn onbetamelijken, beleedigenden eisch aan de Koningin Vasthi. (Esth. I : 10.)

Hoe sober staat hier tegenover wat wij lezen van Jozef en zijne broederen: (Gen. XLITI ; 34) „En zij dronken, en zij dronken tot verzadiging met hen.quot; (Zie bl. 20 en 21.)

Slaan wij, voorgelicht door deze uitdrukkingen, een blik in het leven der afgodische volken, in wier midden Israel woonde, dan blijkt daaruit, dat ook in Israel de onreine wijn veeltijds voorzat bij hunne feesten. Ook daar verloochende hij zich niet, maar was steeds de bondgenoot van strafbaar zingenot, wraaklust, moordaanslag en wat meer nog behoort tot de werken der duisternis; en verplaatsen die uitdrukkingen ons in verschillende tijdperken, wij zien daaruit, dat dronkenschap, ontucht, moord en doodslag die dagen kenmerken.

Na het boek der Rigteren vinden wij in onze Bijbels het boek Ruth.

1) Waar de teug der bedwelming- niet vooraanzit, blijft ook de vrolijkheid binnen de palen der betamelijkheid en godewaardigheid, zooals blijkt uit Ruth II : 7, waar wij van Boaz lezen: .,Als nu Boaz gegeten en gedronken had en zijn hart vrolijk was. zoo kwam hij om neder te liggen aan het einde van een' korenhoop.quot;

Verg. Rigt. XIX: 21, 22.

ocr page 60

48

Hoewel door deze plaatsing de opéénvolging der boeken volgens den Hebreeuwsclien Kanon wordt verbroken, zullen wij ons toch aan eerstgenoemde volgorde houden, omdat ze, uit een geschiedkundig oogpunt, kan gezegd worden geregtvaardigd te zijn.

Hoe verkwikkend is de indruk, dien de lezing van dat boek op ons maakt, nadat het boek der Rigteren heeft opgehouden ons te bedroeven met de mededeelingen van afval en gruwel, van dronkenschap en doodslag.

Welk een eerbied gevoelen wij voor den godvruchtigen Boaz, die niet schroomt zijne maaijers het eerst aan te spreken, om hun de beschermende nabijheid des Heeren toe te wenschen, en met welk eene groote mate van achting en liefde beantwoorden zij zynen wensch, als zij, voor hem nêerbuigende, zeggen: „de Heer zegene U!quot; En hoe voorkomend en vriendelijk is hij voor Ruth als hij heeft vernomen wie zij is én wat zij is. Blijf op dit veld, niemand zal zich jegens u eenige onbetamelijkheid veroorloven, daarvoor is u mijn woord borg; en als dorst, ga dan onbeschroomd tot de vaten en drink van het water, (dit is de beteekenis van het Hebr. woord,) dat de jongelingen hebben geschept. (II : 8, 9.)

Water. De rijke, zeer welvarende Bethlemiet gaf dus aan zijne maaijers: water. Uit zuinigheid of schraapzucht? Voorzeker neen! dat blijkt uit de woorden tot zijne maaijers, en uit den overvloed, dien Ruth 's avonds voor hare moeder tehuis bragt. (II : 15—18.) Neen! Boaz vereerde in het water het onwaardeerbare geschenk Gods, en ook zijne maaijers erkenden 't met hem, dat water de beste, de oorspronkelijk door Grod voor den mensch bestemde drank is.

Daarom ook kon Gods zegen rusten op den arbeid en de arbeiders, en voerden orde, tucht en betamelijkheid bij zijnen oogst haren vreedzamen schepter.

En toen liet etenstijd was noodigde Boaz haar uit, om mede te eten van het brood en hare bete te doopen in

ocr page 61

49

den azijn (vs. 14.) (In het Hebreeuwsch staat: Khometz — zure wijn. (Zie bl. 11 ').

Welk een' liefelijke schilderij! Ach! dat alle menschen wijs waren, en God lief hadden en Hem ook daarin eerden dat hun eten en hun drinken Hem verheerlijkten!

Al te spoedig moeten wij ons losmaken van dit tafereel van vrede en rust ook bij den bedrijvigen arbeid, en den huiselijken kring verlaten om ons op den maatschap-pelijken stroom te begeven.

De eerste hoofdstukken van Samuels eerste boek leiden ons ook wel binnen in een' huiselijken kring, mnar daar heerscht de vrede niet. Elkana had twee vrouwen; hoewel dit niet verboden was, het strookte toch niet met Gods bedoeling. Die overvloed van vrouwen baarde, als natuurlijke vrucht: gemis van vrede, en bande huiselijk geluk. Elkana was godvreezend, ook Hanna, zijne meest beminde huisvrouw, en welligt was Peniona ook tot de vreeze Gods genegen, maar de zegen, dien zij genoot doordien de Heer haar zonen en dochteren schonk.

1) De hier bedoelde azijn is waarschijnlijk van dezelfde soort als de posca, ~ gesuikerd azijnwater, drnivendroessem gemengd met water, die door de E-omeinsche legioenen werd gedronken. Dr. Gills merkt hierbij op: „Om het heete jaargetijde werd, volgens hetgeen Jarchi en Aben Ezra mededeelen, azijn gebruikt tot verkoeling en verfrissching; Plinius kent aan den azijn dezelfde eigenschappen toe, en zegt daarenboven dat hij den geest verfrischt, de zenuwen sterkt, en het geheele ligchnam veerkracht geeft. In Italië wordt in den oogsttijd, als het zeer warm is, deze azijn ook nog gebruikt, terwijl er in sommige streken, zoo als Lavater mededeelt, ook wijn wordt gedronken, die met azijn en water is verdund. Voorts deelt een bekwaam scheikundige nog mede dat sommige maaijers geen wijn gebruiken, maar azijn vermengd met veel water, welken drank zij huiswijn noemen; met olijvenolie en brood vormt dit een verkoelenden maaltijd voor arbeiders en reizigers in zonnige streken, de Targum noemt dit azijnsoep. De Romeinen hadden een of azijnsaus, waarin

zij hun voedsel doopten; Theocritus spreekt ook van azijn, die door de maaijers werd gebruikt.

4

ocr page 62

50

maakte haar hoogmoedig en hooghartig; zij tergde hare deelgenoote in het huwelijksleven, en verbitterde hare dagen, door haar hare onvruchtbaarheid te verwijten.

Hanna wist aan wien zij haar' nood kon klagen en wie haar kon vertroosten. Bitterlijk bedroefd stort zij haar hart uit voor den Heer, en bidt van Hem, dat Hij ook haar de moedervreugde schenkel En — indien haar gebed wordt verhoord, — dan — ja! dan zal de zoon harer sraeeking den Heer geheiligd zijn; zij zal hem niet lossen, maar hij zal den Heer dienen al de dagen zijns levens, en niet alleen zal hij als priester optreden, maalais Nazireër zal hij den Heer verheerlijken, en zich geheel aan Hem toewijden! (I Sam. I ; 11. De LXX voegen hieraan toe de woorden: oinon (wijn) en methusma (zoete drank) zal hij niet drinken (zie hl. 5).

Wat bewoog Hanna tot het doen dezèr gelofte ? Mij dunkt dat in vs. 3 van het eerste hoofdstuk het antwoord wordt gegeven op deze vraag, in de vermelding, dat te Silo de twee zonen van Eli, Hophni en Pinehas, priesters des Heeren waren. Hun schandelijk gedrag, waardoor zij de offeranden des Heeren in minachting bragten bij het volk (hoofdst. II : 17) en hun ontuchtig leven, (vs. 22) dat als een invretende kanker het godsdienstig bewustzijn bij Israel ondermijnde, waren algemeen bekend. Zij stonden te boek als kinderen Belials. Wat het zegt een Belialsman of kind of vrouw of getuige te zijn, wordt duidelijk uit I Sam. XXV : 25, waar Abigail Nabal een Belialsman noemt, — dus: een wijnzuiper, een dronkaard '), de onmisbare voorwaarde om steeds dieper

1) Belial — aan hetgeen niet in de hoogte gaat, en dus in de diepte neerdaalt. Het woord herinnert aan Spr. XV :2k „De weg des levens is den verstandigen naar boven, opdat hij afwijke van den doodenhouder beneden.quot; Door het woord Belial wordt te kennen gegeven het inbegrip van alle kwaad. Deut. XIII: 13 afgoderij. XV : 9. verdrukking van den naasten. Rigt. XIX : 22. Onnatuurlijke ontucht. XX : 13. Schaamtelooze on-

ocr page 63

51

te vallen en vaster geketend te worden door de banden der ongeregfcigheid. Zij zag 't duidelijk in hoe die wandel in brasserij en ontucht van hen, die het volk tot den Heer moesten leiden, het volk Israels goddeloos moest maken, en terwijl zij reikhalzend uitziet naar het optreden van waardige priesters, verheft zich haar hart tot den Hoorder der gebeden, en hopende dat Hij hare bede in gunst zal aannemen, stelt zij zich voor welk een geluk zij zal smaken als haar zoon het daartoe verkoren werktuig zou mogen zijn. Den teug der bedwelming, dien bondgenoot en kweeker van goddeloosheid en ontucht, hatende met een volkomen haat, ziet ze haar lieveling als een Nazireer Godes, door heiligen wandel de zonde veroordeelen, en doet de gelofte, dat 't alzoo zal zijn. Het geschenk dat zij van God begeert, zal weder aan God geschonken worden, en terwille van het zedelijk en godsdienstig heil van haar volk, zal hij zich onthouden zelfs van den reinen wijn en de geheele vrucht van den wijnstok.

Deze gedachten hebben haar vervuld en bezield, toen zij lang bleef bidden voor het aangezigt des Heeren, (vs. 12.) zóó lang dat liet Eli's aandacht trok, en tevens zijn' argwaan wekte. Want Hanna sprak in haar hart, alleen-lijk roerden zich hare lippen, maar hare stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken, (vs. 13.)

tucht. I Sam. X: 27- Verachting- van de magt door God gesteld. XXV : 17, 35. onredelijkheid, drinkzucht. XXX: 23. afgunst. II Sam. XXI: 1. oproer. I Kon. XXI: 10, 13. Spr. XIX : 28 valsch getuigenis.

Zie ook Rigt. XX: 13. I Sam. X: 27. II Sam. XXITI: 6, II Kron. XII: 7. Job. XXXIV: 18. Ps. XVIII: 5. (II Sam. XXII: 5) Ps. XLI : 9. Cl: 3. Spr. XVI: 17. VI: 12. Nah. 1:11, 15.

Dat de benevelende drank, de ontheiligde gave Gods, bij dat alles eene hoofdrol vervulde lijdt geen twijfel. Ook de Belialskinderen onzer dagen hebben hun „courage water.quot;

1) Hunne onbeteugelde lust voor vleesch eten (II : 13—17) herinnert aan Spr. XXIII : 20, waar tevens aan wijnzuipers wordt gedacht, en waarbij de LXX, de ontucht voegen.

ocr page 64

52

Zóó ver was 't dus met Israel gekomen, dat eene spra-kelooze zielverhefting tot God, waarbij alleen de lippen zich bewogen, zonder eenig bezwaar of eenig onderzoek, wordt aangezien voor eeu1 toestand van dronkenschap én nog wel bij eene vrouw!

Sterker sprekend bewijs voor liet zedelijk verval in Israel is moeijelijk te vinden. ') „Hoe lang zult gij in uwe dronkenschap volharden? en den schijn van godvruchtig vertoonen? Doe uwen wijn, uwe dronkenschap, van u; als gij nuchter zult zijn, kom dan bidden voor het aangezigt des Heeren.quot; (vs. 14.) Maar Hanna verheft zich met waardigheid, gekreukt en beleedigd als zij zich gevoelt door deze woorden, en zich voor Eli plaatsende zegt zij met ernst en nadruk: „Neen, mijnheer! ik ben eene vrouw bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch zoeten drank gedronken, maar ik heb mijne ziel uitgestort voor het aangezigt des Heeren. (vs. 15.) Acht toch uwe dienstmaagd niet eene dochter Belials. (vs. 16.)

Een nieuw bewijs dat dronkenschap het leven der god-deloozen kenmerkte, en hier dus gedacht wordt aan gegist druiven- en vruchtensap; doch tevens ligt in de woorden, die Hanna tot hare verdediging en regtvaardi-ging uitspreekt, het bewijs, dat de dochteren Belials in Israel niet vreemd waren. Eli is blijkbaar verheugd over deze ontdekking, en beantwoordt hare verdediging met de woorden; „Ga henen in vrede! en de God Israels zal uwe bede geven, die gij van Hem gebeden hebt.quot; (vs. 17.)

Het behoort tot de zeldzaamheden, dat licht en duisternis zich zoo naast elkander aan ons oog vertoonen als dit hier het geval is; — aan welke zijde zal de zege verblyven ?

1

Dat de vrouw niet slechts in dre dagen., maar ook in later tijd zich aan dronkenschap overgaf, is ligt af te leiden uit de beschrijving der overdadige zwelgerij, waarmede zich steeds de ontucht paarde, en zelfs nog in de dagen van Sirach was 'tgeene zeldzaamheid eene beschonken vrouw te ontmoeten, zoo als duidelijk wordt uit zijne woorden in hoofdst. XXVI: 9.

ocr page 65

53

En de God Israels gaf Hanna's bede. Toen zij het van den Heer begeerde kind, haren Samuel, had gespeend neemt zij hem met zich opwaarts, en vergeet niet een geschenk mede te brengen voor Eli, en eene flesch (lederzak óf kruik) wijn; maar het kind bragt zij in het huis des Heeren te Siloh, en het kind was jong. (vs. 24.) De wijn, waarvan hier gesproken wordt is natuurlijk ongegist, zuiver druivenbloed, reine wijn. Hanna zal zich wel gewacht hebben voor den wijn der kinderen Belials, en dat verontreinigd vocht zou ze niemand, en vooral niet den Hoogepriester ten geschenke hebben aangeboden.

De jongeling Samuel nu werd groot en diende den Heer voor het aangezigt van Eli. Zijn wandel was in overeenstemming met de heilige eischen zyner roeping, en het woord des Heeren, zooals dat door gezigten openbaar was geworden in vroeger dagen, doch nu door de goddeloosheid van Eli's zonen schaarsch geworden, werd door Samuel op nieuw vernomen.

De Heer rigtte de zonen van Eli; gaf de Arke des Verbonds over aan de vijanden; Eli zelf verloor het leven van schrik over de vernedering van het heiligdom des tabernakels door zijne vijanden, en gansch Israel van Dan tot Berseba toe, erkende dat Samuel bevestigd was tot een profeet des Heeren. Het volk begon van lieverlede in te zien en te gevoelen, dat zij zich grootelijks tegen den Heer hadden verzondigd, en gansch Israel klaagde den Heer achterna. Samuel verordent een boete- en vaste-dag; hij rigtte de kinderen Israels te Mizpa, en zij bekeerden zich tot den Heer hunnen God.

Het is boven allen twijfel verheven, dat de tuchtigende hand des Heeren deze ootmoedige stemming had verwekt, maar evenzeer is 't volkomen zeker, dat de godzalige wandel van Samuel als een bederfwerend en vruchtbaarmakend zout liet volksleven had veredeld en geheiligd, en nu, na de overwinning op de Philistijnen, die daardoor zeer vernederd werden, bleef de steen Eben Haezer een

ocr page 66

54

getuige van de liulp des Heeren, aan Wiens dienst zij zich liadden gewijd. Zoo verbleef de zege aan het ryk des lichts!

Weldra echter vertoonde zich weder eene dreigende wolk. Samuels zonen wandelen niet in zijne voetstappen, en daaruit neemt het volk aanleiding om een' Koning te begeeren. Samuels bedenkingen brengen het volk niet af van hun wensch, en Saul wordt Koning over Israel. Zyne ongehoorzaamheid kost hem het erfelijk bezit van den troon, en hij gevoelt liet dat David zijne plaats zal innemen. Hierdoor in vijandschap tegen David ontstoken, tracht hij hem te dooden, maar David verijdelt zijn voornemen door te vlugten. Onder de vele en verschillende ontmoetingen op zijne zwerftogten, is er één, die hier vermeld moet worden.

De rijke Nabal heeft een feest bereid voor zijne scheerders. David verneemt het, en daar hij en zijne mannen de kudden van Nabal hebben beschermd, wenscht hij eeni-germate deel te hebben aan dat feest, en verzoekt om eene feestgave. Had hij Nabal gekend, hij zou zich wel gewacht hebben voor dat verzoek, hoe billijk ook. Onbeleefd en beleedigend is het woord, waarmede hij Davids knechten afwijst, en zeer kenmerkend zijn de woorden: „Zou ik mijn brood en mijn water en mijn vleesch, dat ik voor mijne scheerders heb bestemd, aan mannen geven, die ik niet weet van waar zij zijn? Doch wij ontmoeten hier geen' Boaz, die zich by zijne knechten neêr-zet om met hen het maal te gebruiken, — hier is het water voor de scheerders, die zich wellicht in de open lucht of op den dorschvloer moeten neervlijen, maar het feest wordt in huis genoten, en de bedwelmende wTijn is voor den rijken herdersvorst. Ja! als een vorst hield hij feest en deed zich terdege te goed '), en zijn hart

1) Vs. 36, eens koningsmaaltijd, — eigenlijk: een drinkgelag als eens konings, (niW'D LXX kutos paacliajs V. convivium regis). Welk een

ocr page 67

55

was vrolijk in liem, want hij was zeer dronken; een echt Belialsman, overgegeven aan onmatigheid en genotzucht; hardvochtig jegens zijne dienaren; onbeschoft tegen hen, die hij niet vreesde, en wier goede zorgen hij niet wil erkennen. Het geslacht der kinderen Belials was dus nog niet uitgestorven, helaas! ook niet met den dood van Nabal (XXV). Aan Davids zwerftogten komt nu echter weldra een einde. De nederlaag der Israëlieten en de dood van Saul en zijne zonen brengt hem op den troon, en nu is de koninklijke regeering in zijn geslacht gevestigd en verzekerd.

Eer hij den troon beklimt, ontmoeten wij hem echter nog, op weg om aan de vijanden, die Ziklag, gedurende zijne afwezigheid hebben verbrand, have en goed te ontweldigen, dat zij geroofd hebben (hoofdst. XXX). Hij haalt hen in, en vindt hen in zorgeloosheid, overgegeven aan buitensporig genot, feestvierende (LXX) op heidensche wijze, en, natuurlijk, ontbrak de spotter niet en de woelachtige drank evenmin; zoo kon David hen overvallen en verslaan, en hij en de zijnen erlangden alles terug, wat hun ontroofd was. (Verg. bl. 17. en 18).

David trekt daarna op naar Hebron (11 Sam 11 : 1). Zeven jaar en zes maanden verliepen eer David erkend werd als koning over gansch Israel. Zeer opmerkelijk is de ongekunstelde vreugde, die zoo duidelijk spreekt uit de woorden, die ons mededeelen, hoe al de strijdbare mannen der verschillende staramen zich opmaken naar Hebron om David tot koning over gansch Israel uit te

bedroevend licht werpt deze uitdrukking- op de feestmalen van vorsten en prinsen, hoofden en aanzienlijken, rijken en welvarenden, ook reeds in die dag-en. Wie denkt hierbij niet aan de woorden van Jes. XXII : 13: „Daar is vreugde en blijdschap met runderen te dooden en schapen te kelen, vleesch te eten en wijn te drinken, want morgen zullen wij sterven.quot; Vs. IA Maar de Heer der heirscharen heeft zich voor mijn ooren geopenbaard, (zeggende): „Indien ulieden deze ong-eregtigheid verzoend wordt totdat gij sterft!quot;

ocr page 68

56

roepen. Zij waren daar bij David drie dagen lang etende en drinkende, want hunne broeders hadden voor hen toebereid, en ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar en Zebulon en Naphtali, bragten brood op ezels en op kemels, en op muilezels, en op runderen meelspijs, stukken, vijgen en stukken rozijnen, en wijn en olie en runderen en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israel. (1 Kron. Xll : 30, 40.) En dat bij deze feestelijke stemming geen wanklank wordt vernomen, bewijst dat de spotter niet geduld werd; het ongegist druivensap kon geen wanklank verwekken. Voorwaar, een sterk sprekend bewijs voor Israels zedelijke hoogte in die dagen, waar zoo vele duizenden bijeen waren. Toen zijn koninklijk gezag zich had gevestigd, en de Philistijnen tot tweemalen toe, op nieuw door hem waren verslagen, was 't een zijner eerste zorgen om de Arke des Heeren weder aan hare plaats te brengen in de tente der zamenkomst, die nu in de stad Davids eene plaats had verkregen.

Voor het geheele volk was deze plegtige optogt een feest, waarbij de dankoffers niet ontbraken, en David voegde er nog eene feestgave aan toe voor het gansche volk (II Sam. II en VI). ') Aan de gansche menigte van Israel, van de mannen tot de vrouwen toe, aan een iegelijk een broodkoek en een schoon stuk [vleesch] en eene flesch [wijn] (vs. 19). Zoo lezen wij in onze Statenvertaling. Het Hebreeuwsche woord door flesch vertaald, waaraan het woord tvipi werd toegevoegd om er een' verstaanbare beteekenis aan te geven, is as// ishah 1), en beteekent eeji druivenkoek, — de LXX vertalen: een koek met olie in de braadpan gebakken. De V: tarwebloem in olie gebakken = een zoete koek. Het is tamelijk onverklaarbaar hoe de St. vertalers, en velen met hen, aan een' flesch hebben kunnen denken. Gesenins beweert

1

Zie bl. 16.

ocr page 69

57

dat hier moet gedacht worden aan druiven-koek, die, tot op zekere hoogte, werd gedroogd en dan in een vorm werd geperst. Deze koeken zijn niet alleen zeer smakelijk, maar tevens verkwikkend en verfrisschend. Ook van gedroogde druiven en van vijgen werden dergelijke koeken bereid ').

Dit feest, den Heer gewijd 1), hoe liefelijk steekt het af tegen die onzinnige vreugdebedrijven, die ons voor den geest treden als wij David vergezellen op zijn togt ter achterhaling der vijanden, die Ziklag hebben verbrand en alles hebben geroofd! Ach! waarom moest David zelf verward raken in de strikken der zonde! Hoe was dat mogelijk? Waarom werd hem die val niet bespaard?

Wij lezen in Gen. XX hoe God Abimelech bewaarde van tegen Hem te zondigen, doch ook hoe Abimelech kon verklaren, dat hij alles in opregtheid zijns harten, en in reinheid zijner handen had gedaan, en daarom werd het hem belet tegen God te zondigen (vs. 6); doch dit was geenzins het geval met David. Niettegenstaand het uitdrukkelijk gebod in Dent. XYH : 17, waar 't den Koning wordt verboden de vrouwen te vermenigvuldigen, had David te Hebron reeds zes vrouwen, en toen hij merkte dat de Heer hem tot een koning over Israel had bevestigd, en Hij zijn koningrijk verheven had om zijns volks Israels wil, nam David nog meer bijwijven en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was. II Sam. HI : 2—5, V : 12, 13. I Kron. XIV : 3—8). Maakt nu de schrijver van het boek der Wijsheid, ziende op de regeering Gods, de gevolgtrekking, dat iemand met datgene wordt gestraft, waaraan of waarmede hij zicli

1

Vergelijk hiermede I Kron. XVT:7—30.

ocr page 70

58

heeft bezondigd, (Wijsheid XI : 17), dan moest David op de wijze ten val komen, die wij dat lezen in II Sam. XI. '

Dat ééne overtreding of één zondeval gewoonlijk de moeder wordt eener tweede, bewijst ook Davids val; en welke bondgenoot zou hem in dezen beter en zekerder kunnen dienen dan de wijn? (vs. 13) Ook aan David was dus de teug der bedwelming niet onbekend, maar in dit geval faalde zi]ue berekening; ware hij zoo wijs geweest dien onheiligen spotter uit zijn huis geweerd te hebben, wie weet of het Absalom dan wel zou gelukt zijn om zijne wraak aan Amnion ten uitvoer te brengen? (II Sam. XIII : 28.) (verg. bl. 47).

Wat wij nog vinden over den wijn, gedurende Davids regeering is van ondergeschikte beteekenis; (II Sam. XVI : 1 en 2) dat echter de opbrengst der wijngaarden van groote beteekenis was, blijkt uit het berigt dat daarover een afzonderlijke opzigter was aangesteld, terwijl de zorg over de wijngaarden zeiven weder aan een ander was toevertrouwd. (I Kron. XXVII : 27.) Op akkerwerk en landbouw volgt de wijngaard, als de voornaamste onder de vruchtdragende boomen, waarna de olijfboom en de vijgenboom wordt genoemd, en daarna de veestapel.

Het is dus zeker dat de wijngaard in Israel eene raagt was; — ten goede óf ten kwade ? — hierover besliste het al of niet aanwezig zyn der vreeze Gods; vooral bij de koningen en vorsten^ die in dezen door hun voorbeeld een zegen of een vloek waren.

Voor een geleidelijken gang van het onderzoek is 't m. i. het beste om nu inzage te nemen van het boek der Psalmen, en vooral te letten op den inhoud van die liederen, welke door David en zijne tijdgenooten zijn vervaardigd, en waaarin de vrucht van den wijnstok of ook de zoete drank uit andere vruchten bereid, worden genoemd.

ocr page 71

59

Wij beginnen met te wijzen op Ps. IV : 7. Gij, o Heer! liebt vreugde iu mijn hart gegeven, meer dan ter tijd als hun koorn en hun most (tirosh — vrucht van den wijnstok) vermenigvuldigd zijn.

Waarschijnlijk is deze psalm gedicht ter herinnering aan de dagen der omzwerving in de woestijn, en beschrijft David de vreugde in Zijnen God, die hem toen zoo zeer vertroostte, dat zij verre de vreugde overtrof van hen, die zich in het bezit van een overvloedigen aardschen zegen verblijden. ')

Kenmerkend eigenaardig is ook de ontboezeming van David in Ps. XVI; 5. De Heer is het deel mijner erve en mijns bekers. Gij onderhoudt mijn lot. Waar de Heer de snoeren in liefelijke plaatsen doet vallen, en Hy eene schoone erve schenkt vult Hij ook den beker, maar zekerlijk niet met het verontreinigde druivenbloed; daarmede vult de goddelooze zijnen beker, en zoo wordt vuur en zwavel en een geweldige stormwind, de ontstoken begeerte der ontbondene zinnelijkheid, het deel zijns bekers (Ps. XI : 6.) Waar de Heer het deel is des bekers, onderwijzen des nachts de nieren, (Ps. XVI : 7) daar is de diepste grond van het gemoed naar God gekeerd, en geschikt om het licht uit den hoogen in zich op te nemen.

In deze benijdenswaardige stemming kan er geene sprake zijn van den teug der bedwelming. De goede Herder voert aan wateren der rust, en niet aan de beken Belials, (Ps. XVIII : 5.) Hij bereidt de zijnen de tafel tegenover hunne vijanden; Hij zalft hun hoofd met olie, en doet hunnen beker overvloeijen; (Ps. XXIII.) en bij het genot der aardsche ligchamelijke zegeningen voegt de goedheid Gods de vreugde der verkwikkingen door zijnen Geest; zij

1) Er bestaat eenig verschil in de vertaling- dezer woorden door de LXX met den Hebr. tekst. De LXX deelen het vers af in twee deelen, en vertalen het laatste gedeelte alzoo: door of met. of van wege de vrucht van hun koorn en wijn en olie zijn zij voldaan geweest.

ocr page 72

60

worden dronken van de vettigheid van uw hnis, o God! Gij drenkt hen uit de beek uwer wellusten. (Ps. XXXVI: 91.)

Komt in deze plaats onder het zinnebeeld van hekelde wijn voor als een zegen van God, in Ps. LX : 5 wordt gesproken van harde dingen, die God zijn volk had doen zien, dat Hij had verstooten, daar Hij toornig op hen was geweest en hen gedrenkt had met zwijmel wijn 2), d, w. z. met wijn, die hen had doen beven en sidderen, of ook wijn, die hen had beneveld en bedwelmd, waardoor ze in verwarring en in angst waren gekomen, en in het ongeluk waren gestort

Waar nu de wijn, zoo als uit vroegere aanhalingen reeds bleek, genoemd wordt om er maatschappelijke toestanden, en ook strafgerigten des Heeren mede te vergelijken, en in verband te brengen, heeft dit geene andere oorzaak dan deze: dat de wijn eene magt is geworden in het

1

In Ps. XXTTI : 5. gebruiken de LXX victhusko, een vorm van methuo afgeleifl, en zegden: „Uw beker maakt dronken ten sterkste = overvloedig-. Het blijkt uit geheel den zamenhang dat zij aan hunne vertaling denzelfden zin hechten als de Hebr. tekst, en methusko hier dus wil zeggen: ten volle gevuld. Zoo ook in Ps. XXXVI : 9, waar dronken niet anders kan beteekenen als: ten volle verzadigd, zoo als de Hebr. tekst dit ook uitdrukt. De LXX. gebruiken hier ook methuo, dit kan dus geene andere beteekenis hebben dan die van verzadigd te worden; waaruit op nieuw blijkt dat slechts de omstandigheid waarin het woord wordt gebruikt beslist of er aan bedwelming of dronkenschap mag gedacht worden.

2

Verg. Zach. XIÏ : 2. Jes. LI : 17-

ocr page 73

61

leven des volks, en wel eene verdervende, van God vervreemde magt, waaraan de vergelijking ten sterkste herinnert.

Deze bewering wordt bevestigd door de kkgt van David in Ps. LXIX : 13. Die in de poort zitten hebben den mond vol over mij, en die shakar (zie bl. 5) drinken, maken liederen op mij, ') en David gaat voort met zijne klagt, want te vergeefs verwacht hij eenig mededoogen; smaad, schande en beschaming worden zijn deel; zij spijzen hem met gal; woorden der bitterheid zijn hunne barmhartigheden; zij drenken mij met khometz;1) (Zie bl. 11.) met schampere beleedigingen word ik verzadigd, (vs. 23.) Zij, die zich niet ontzien om den el-lendigen en vernederden meer nog te kwetsen en dieper nog neer te drukken, kunnen geene andere lieden zijn dan wijnzuipers en drankdrinkers; aan hunne maaltijden zit overdaad voor, en voert zwelgerij den schepter, van daar dat de miskende en geplaagde lijder, zijn hart uitstort in de ontzettende wraakbede: „hunne tafel worde hun tot een strik, tot volle vergelding, tot een valstrik; laat hunne oogen duister worden, dat zij niet zien, en doe hunne lendenen gedurig waggelen; (vs. 23) de strafgevolgen van buitensporig zingenot eu overdadige wijnzwelgerij .

In Ps. LXXV spreekt vs. 9 ook van een beker, gevuld met schuimenden wijn. (St. Vert, de wijn is beroerd.) De Eng. Auth. Version heeft rood, waardoor de vertaler te kennen geeft, dat hij aan gistend druivennat heeft gedacht. ^ En dit is hier zeer zeker het geval; want

1

De LXX hebben shakar teruggeg-even door mijn en zoo ook de T.

ocr page 74

62

daarenboven zijn er, in ruime mate kruiden in gemengd; de wijn is dus niet slechts onvermengd, d. w. z. niet vermengd met water, maar zijne benevelende werking is nog versterkt door de toegevoegde kruiden. Zóó toebereid moet de inhoud van dezen beker (in de Targnm „beker der vervloekingquot;) gedronken worden, maar de goddeloozen zullen zijnen droesem uitzuigende drinken.

Dat de goddeloozen afzonderlijk worden genoemd, en en de droesem van den bodem des bekers hun ten deel wordt gegeven, bewijst dat ook de godvruchtigen niet onschuldig worden geacht.

Het land en al zijne inwoners waren verslagen en krachteloos door angst en vreeze, (versmolten, vs. 4) maaide dichter heeft de hoop doen herleven en het geschokte vertrouwen hersteld (de pilaren vastgemaakt vs. 4) Hij heeft op den Heer gewezen als de regter, die den schuldigen geenzins onschuldig houdt, en daarom zullen ook de godvreezenden niet verschoond worden, want ook zij zijn strafbaar; — en de beeldspraak, waarin het oordeel wordt aangekondigd, ontdekt tevens de bron, waaruit al het onheil is voortgevloeid, en waardoor geheel het volk wankelende is geworeen en zijn' val nabij is gekomen. De beker met den schuimenden, gemengden wijn wijst op den teug der bedwelming, waardoor het land was verstrikt geworden en verontreinigd. Wel een bewijs, dat ook in Davids dagen reeds de magt van bedwelmend zingenot eene verontrustende hoogte had bereikt, (verg. bl. 46, 54, 55, 58.)

Vreemd klinken de woorden in Ps. LXXXVIII : 65.

zegt: „mijn hart was gistendquot; — d. w. z. het had zijne liefelijke, zachte stemming verloren, zoo als de gisting de zoetheid verdrijft. Jesaia zegt hetzelfde in de woorden: de zoete drank zal bitter worden. (XXIY : 9.)

Het is zeker zeer vreemd dat de LXX hier vertalen: was verblijd; dachten zij aan de beweging, die door blijdschap in 't hart ontstaat? — maar de Aldine- en Complut uitgaven hebben ontvlamd. Ook de V heeft ontvlamd.

ocr page 75

63

Toen ontwaakte de Heer als een slapende, als een held, die juicht van den wiin.

De Israeliet was er zeker van dat zijn bewaarder niet zou sluimeren of slapen, (Ps. CXXI; 4.) Zoo zong hij hij zijnen opgang naar de feesten te Jerusalem, en waar hem tegenspoed treft en smaad en schande en onheil over het volk worden uitgestort, terwijl de Heer zich onbetuigd laat en zijne hulp vertoeft, roept hij Hem aan met de woorden; „Waak op, waarom zoudt Gij slapen Heer! Ontwaak.....(Ps. XLIV : 24).

Waar dus in Psalm LXXXVHI de dichter den Heer als ter hulpe snellende zich voorstelt, is het niet vreemd dat hij dit doet onder het beeld van een' ontwakenden van den slaap; maar hetgeen dan volgt klinkt, voor mij ten minste, zeer vreemd. Het is echter niet moeielijk eenen beteren zin te verkrijgen, De Hebr. tekst kan, zeer gevoegelijk, vertaald worden alzoo : als een held, die den wijn overwint, d. w. z. die zich vrij houdt van het wijngenot, om zijne hulp niet uittestellen, daar hij ook van den wijn geen heil verwacht voor de betooning zijner kracht.

Volgens deze voorstelling zou dus, ook reeds in die dagen, de dwaze meening geheerscht hebben, dat de teug der bedwelming den moed verhoogde, en voor den krijgsman onontbeerlijk is.

In Ps. LXXX wordt Israël vergeleken bij een' wijn stok. (vs. 9.) Dit zinnebeeld wordt door de Propheten meermalen herhaald. (Jes. III : 14. V : 1—8. Jes. II : 21. XII: 10. Joël I : 7.) Worden wij aan de woorden: ,Uit Egypte heb ik mijnen zoon geroepen,quot; (Hos. XI ; 1.) herinnerd in Mattb. II : 15, en aan de uitspraak van Jesaja over den knecht des Heeren in hoofdst. XLII : 1—4 ') in

1) De LXX gebruiken hier het woord: pais, dat ook de gemeente in den mond wordt gelegd in Hand. IV : 30, en door St. Yert. wordt teruggegeven door: Kind.

ocr page 76

64

Mattli. XII : 17—21, de Heer zelf herinnert aan het beeld van den wijnstok in Joan. XV.

Geroepen om als zoon des Allerhoogsten den rang van eerstgeborenen in te nemen onder de volken, (Exod. IV ; 22) ') om hen tot de kennis des Heeren te brengen, had de eernaam van Knecht des Heeren geene andere betee-kenis en bedoeling.

In beide opzichten heeft Israel gefaald, en niet beantwoord aan zijne roeping.

Heeft Adam de taak niet vervuld, die hein was opgedragen, namelijk om de aarde Gode te onderwerpen, (Gen. I : 28) en was daardoor het optreden van een tweeden Adam noodzakelijk geworden; (verg. I Kor. XV : 47. Rom. V. : 14) wij zien den Heer ook optreden als een tweede of andere Eerstgeborene, (Joan. I : 14) en als de getrouwe Knecht des Heeren, om het welbehagen Gods op aarde te vervullen.

Ook het beeld van den wijnstok (verg. Jes. V : 1—7) wijst ons op dezelfde roeping. Uitlokkend door zijne voedende en verkwikkende vrucht, had Israel, gelijkvormig aan den wijnstok, de volken naar zich toe moeten trekken en aan zich verbinden. Daardoor zouden zij geënt zijn geworden door den wijnstok door Gods hand geplant, 1) en zoo zou Israël de aarde voor den Heer hebben veroverd; — maar ook alzoo heeft Israël God teleurgesteld. Doch nu komt onze Heer als de ware, de waarachtige wijnstok (verg. Joan. I : 17), onverderfelijk' en onbevlekkelijk, te midden eener van God vervreemde wereld, opdat beiden. Jood en Heiden, Hem zouden worden ingeënt, en door Hem geheiligd met Zijn leven zouden bezield worden.

Als ik mij den wijnstok alzoo voorstel, verschijnt hij

1

In E-ora. XI 17-24lt; gebruikt Ap. Paulus het beeld van den wilden en lammen olijfboom op dezelfde wijze.

ocr page 77

mij in den lichtglans van Gods ontfermende liefde en genade, en komt de vraag mij op de lippen: Is er grooter miskenning en grooter verachting en bespotting denkbaar dan deze: om de vrucht van den wijnstok te verlagen tot bondgenoot van zwelgerij, dronkenschap en ontucht, — van moord en doodslag?! Voorwaar! wij behoeven niet in 't onzekere te gissen van waar deze verguizing van Gods heerlijke gave haren oorsprong heeft genomen. De vader der leugen, de menschenmoorder van den beginne, heeft zijn' stempel en zijn zegel gezet op deze ontheiliging van een der schoonste zegeningen van den Vader der lichten.

Wij komen nu aan Ps. GIV. 't Zij deze Psalm is gedicht door David als eene voortzetting van Ps. CIII, of een andere godvruchtige Israëliet zijn gemoed daarin heeft uitgestort, duidelijk is 't dat de dichter in vs. 15 den wijn (yayin) onder de zegeningen Gods rangschikt. Wat in lïigt. IX : 13 van den wijn, (tirosh, vrucht van den wijnstok, druif) en in Ps. IV v. 7 (ook daar tirosh) op dezelfde wijze voorkomt, wordt hier aan den wijn toegekend. Uit deze gelijkstelling van tirosh en yayin blijkt 't dat er geen sprake is van gegist druivensap; — trouwens als de dichter daaraan had gedacht, zou hij zich wel gewacht hebben om dat vocht te verheerlijken als een zegen van Israels God.

JSTa alles wat wij reeds opmerkten van den wijn, het ontheiligde druivenbloed, als eene magt des verderfs in Israels volksleven, is 't waarlijk eene verheuging voor het hart, uit deze ontboezeming te mogen besluiten, dat de reine wijn door den godvrnchtigeu zoon van Abraham tot verkwikking en versterking en verheuging werd genoten.

Onze vreugde is echter, om eens zoo te spreken, van korten duur, want in Ps. CVII ; 27, wordt het beeld van dronkaard zoo juist geteekend: als in een' kring rond-loopende en heen en weder wankelende, zoo als de dronkaard, {Kasli-shikker, van Shakar, LXX hos ho methnon,

ocr page 78

66

van metliuo, hier beiden in de beteekenis van zicb vol drinken aan bedwelmend vocht) dat daaruit blijkt dat zelfs de openbare dronkenschap, het wankelend, waggelend rondscharrelen op de straat, zeer zeker niet onbekend was. ')

Indien 't noodig of wenschelijk mogt zijn om nog eenige uitspraak te kunnen toevoegen aan den lof van het water, dan zonde het woord in Ps. CX : 7 in ruime mate daartoe voldoende zijn. In dezen Messiaanschen Psalm toch lezen wij dat de Gezalfde des Heeren op den weg uit de beek zal drinken; een andere verkwikking zal Hij op zijne zwerftogten niet begeeren, en door dien teug ver-frischt zal Hij het hoofd opheffen.

Besluit het boek der Psalmen voor ons doel met een lofzang op het water, — ook de wijnstok wordt daarin ten slotte nogmaals verheerlijkt, met een beeld zoo liefelijk en schoon als op aarde kan gezien worden; „uwe huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis,quot; (Ps. CXXVIH : 3). Zoo wordt de zegen Gods in de huishouding der schepping met het genot van den zegen des huisgezins in éénen adem genoemd, en bij den wijnstok mag de olijfboom niet ontbreken, die hier ook niet vergeten wordt.

Ach! hoe is die zegen Gods zoo verduisterd geworden!

1) Zeer eigenaardigquot; is èn in 'tHebr. èn in 't Gr. het slot van het vers: vZoo als de wijn de wijsheid heeft verdronken bij den dronkaard, heeft de waterstorm de wijsheid der schepeling-en verdronken; — dit is natuurlijk, eene omschrijving.

ocr page 79

JUDA EN ISRAEL, DE PROPHETEN.

Licht en duisternis, — vreeze Gods en boosheid dei-kinderen Belials, — wij zien deze magten in Davids dagen tot groootere en sterkere ontwikkeling komen. De strijd wordt steeds heviger; — hoe zal 't zijn in de dagen van van Salomo's regeering?

De indrukken, die wij ontvangen hij de lezing van het le Boek der Koningen en het 2e Boek der Kronyken, zijn zeer verblijdend.

Juda en Israel, toenemende in menigte, at en dronk en was verheugd. (I Kon. IV : 20,) Van welken aard die vreugde was, wordt duidelijk uit vs. 25 waar wij lezen : Juda en Israel woonden zeker, een iegelijk ouder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgenboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo, (verg. I Makk. XIV. : 12.) Eene liefelijke beschrijving van den kalmen, ongestoor-den vrede, dien het volk smaakte in het genot van huiselijk geluk.

Mijns inziens verdient 't opmerking, dat bij de opgave in vs. 22 en 23 van hetgeen dagelijks voor Salomo's hofhouding noodig was aan voedsel, geene melding wordt gemaakt van eenigen drank. Zou daaruit de gevoltrek-king moeten gemaakt worden, dat die drank bestond uit water, en de geitenmelk bij de vaste spijzen genuttigd

ocr page 80

68

werd, (Spr. XXVII : 27. 1) en zou 't gewaagd mogen heeteu om te beweren, dat de dertig Kor meelbloem en de zestig Kor meel, die dagelijks gebruikt werden, zonder gist werden toebereid ? Er wordt immers niet van brood gesproken, maar alleen van meel, dat eiken dag in die hoeveelheid werd verteerd.

Dat er bij den overvloed van tarwe en gerst geen gebrek was aan wijn eu olie, blijkt uit II Kron. II ; 10, waar sprake is van 20000 bath wijn en van eene gelijke hoeveelheid olie voor de houthouwers.

Welvaart eu overvloed kenmerkten de regeering van Salomo. Allerlei moeilijke, zware doch nuttige arbeid werd volbragt, en aan genot van allerlei aard ontbrak het niet; maar was daarmede steeds het geluk verbonden? De wijze man, die in het boek, dat wij de Prediker noemen, optreedt, heeft die bemoeijingeu en vermoeijingen gadegeslagen, zich op het zeer bewogen levensgebied van die dagen bewogen, en getracht tot een' slotsom te komen, een antwoord te verkrijgen op al de vragen, die in zijn gemoed oprezen. En wat heeft hij gevonden? Dat de man uit het zoogenaamde volk, in zijne omstandigheden, meer nog geniet van den zegen Gods dan de rijke en voorname, omdat hij niet gekweld wordt door de beslommeringen, die den meer gegoeden verontrusten. (II : 24.)

Voorts vond hij dat God alle dingen regt en goed heeft gemaakt, maar de mensch vele vonden heeft gezocht,' en daardoor veel maatschappelijk goeds wordt verdorven. (VII: 29.) Ook den wijn gedenkt hij (IX : 7.) als een geschenk Gods, dat het levensgenot verhoogt. Dat hij daarbij

1

Kon. X: 5 en II Kron. IX : 4, waar gesproken word van de schenkers aan de tafel van den Koning Salomo. Het Hebr. woord is eene afleiding van het woord drenken, dat gebezigd wordt voor het drenken der kudden, en dus in de eerste plaats aan water doet denken.

De LXX hebben hier. wel is waar, wijnschenker, maar dat bewijst niet. De V. heeft: pincerna = schenker, schenker des konings.

ocr page 81

69

uiet denkt aan liet gegiste druivensap, dat tot overdaad verleidt, mag als zeker worden aangenomen , volgens de woorden (X ; 17 Verg. Spr. XXXI ; 4): „Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon is der edelen,1) en welks vorsten ter regter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij,quot; 2) en uit den twijfelachtigen zeer betwistbaren lof, dien hij den wijn toezwaait als verheuging voor de levenden, op maaltijden om te lagclien, terwijl het geld alles moet beantwoorden, (vs. 19.)

Welke opvatting men ook hebbe van het Hooglied van Salomo, zooveel is zeker, dat daarin de monogamie wordt verheerlijkt boven bi- of poly-gamie; en hieruit volgt onwedersprekelijk, dat met den wijn, die in het boek wordt genoemd, geen andere wijn kan bedoeld zijn, dan bet reine druivenbloed; daar het gegist druivennat steeds de bondgenoot en de medepligtige is der ontucht. •') 3)

Is er, naar aanlieding van hetgeen de geschiedenis ons omtrent Salomo mededeelt, (II Kron. VIII : 11) en ook als gevolgtrekking uit hetgeen wij lezen in de Prediker en het Hooglied, grond om te beweren, dat het zedelijk godsdienstig bewustzijn bij de godvreezenden in Israel tot meerdere ontwikkeling en rijpheid was gekomen, wij worden in dat gevoelen versterkt door den lof, dien wij

1

eigf. Vrijen, zooals ook de LXX vertalen, vrij — in welken zin?

2

haar regt kwam, blijkt uit vele mededeelingen in de H. Schriften en ook uit Sir. XL : 32 en XLI; 2(3.

3

Dat de monogamie bij de godvreezende Israelieten van lieverlede tot

ocr page 82

70

ook in het boek der Spreuken vinden aan de monogamie. ') (V : 15-19, XI : 16, XII : 4, XIV : 1, XVIII : 22, XIX : 14, XXXI : 10—31.) Uifc de vermaningen tegen ontucht en overspel, die wij in datzelfde boek aantreffen, (II ; 16, V : 1-14, VI: 24, 31-35, VU : 1—27, IX : 13—18, XXII: 14, XXIII : 27, 28, XXX : 3), zien wij echter dat ook velen nog in Israel onder de magt van de zinnelijkheid gebukt gingen.

Daarenboven blijkt ook dat de zucht naar vermeerdering van bezit bi] sommigen, misschien zelfs bij velen, aanleiding gaf om zich te onttrekken aan de optebrengen offeranden van de eerstelingen der inkomsten; de woorden die wij lezen in hoofdst. III : 9, 10 wijzen daarop. „Vereer den Heer met uw goed, en van de eerstelingen van al uwe inkomst; zoo zullen uwe schuren met overvloed vervuld worden, en uwe perskuipen van most overloopen.quot; — (In den Hebr. tekst staat tirosh; hier is dus geen sprake van 'most\ de vertaling moest zijn: en de vrucht van den wijnstok zal uwe kuipen doeu overvloeien.)

Verleidde de hebzucht er toe van de eerstelingen aan den Heer te onttrekken, zij was tevens de gezellin der genotzucht, die voerde tot het zich verrijken door ongeoorloofde middelen; waardoor zij, die zich daaraan schuldig maakten, het brood der goddeloosheid aten en zich te goed deden aan den wijn van enkel geweld. (IV : 17.) Deze woorden herinneren aan de aansporing om het goed niet te onthouden aan de regthebbenden (IH : 27) en

1) Kenmerkend en eigenaardig is de vergelijking, van Sirach in zijn boek (XV : 1-5) waarmede hij het geluk beschrijft van hem, die voldoet aan de eischen van de vreeze des Heeren. Eerst spreekt hij. om de beschermende hoede dezer wijsheid uittedrukken, van een moeder, die haar kind te gemoet gaat,; dan wijst hij op het huiselijk geluk, dat gesmaakt wordt door hem, wien het te beurt valt eene vrouw te verkrijgen, die nooit aan een ander [heeft toebehoord, en hem dus de onverdeelde volheid harer jonkvrouwelijke liefde kan schenken; eene vergelijking die ten duidelijkste doet zien, dat het bezit van slechts ééne vrouw onder de vrome Israelieten van die dagen als een voorregt werd beschouwd.

ocr page 83

71

aau de waarschuwingen tegen eene bedriegelijke weegschaal en valsche maten en gewigten (XI : 1. XVI : 11, XX : 10. 23,) zoo ook aan liet voorbedachtelijk opdrijven van den prijs der levensmiddelen, om zich daardoor te verrijken; (XI : 26,) al te maal vermaningen, die wijzen op den voortwoekerenden kanker der genotzucht en der geldgierigheid, en het bewijs leveren, dat goede trouw en eerlijkheid nog verre waren van algemeen eigendom te zijn in Israel.

Ofschoon ook in het hoek der Spreuken met zulk een lof over het water wordt gesproken, dat daaruit blijkt, dat het water de natuurlijke en de beste drank is voor den raensch, (V : 15, XI : 25, XXV : 21, 25,) wordt er toch geene opzettelijke beschouwing aan gewijd.

In dit boek worden de twee groote magten: de vreeze des Heeren en de liefde tot de genietingen der zonde, tegenover elkander geplaatst in beelden aau het dagelijksch leven ontleend, en daarmede geheel in overeenstemming. Nadat reeds in Spr. I : 20—35 de Wijsheid ') hare stem heeft doen hooren, wordt zij in Spr. VIII, sprekende ingevoerd, en hare hooge en eenige beteekenis in 't licht gesteld.

Al aanstonds zijn hare woorden een scherpe tegenstelling met de verlokking der zondaren in Spr. I : 10 — 19-Beter dan goud of zilver en edelgesteente zijn de zegeningen, die zij schenkt aan die haar liefhebben; zij vermenigvuldigt de dagen, en jaren des levens zullen worden toegedaan aan hare beminnaars, -) (IX : 11) terwijl de jaren der goddeloozen verkort worden. (X : 27.)

Kenmerkend echter in hooge mate is de beeldspraak waarin zij hare voortreffelijkheid kleedt en aanbeveelt. (IX : 1—5.) Zij zwaait geen herderstaf, en spreekt niet

1) Op vele andere jjlaatsen wordt de wijsheid ook nog genoemd en geroemd. Zie; Hoofdst. III: 13-20. IV : 7-10. V : L Til: 4.

2) Zie ook hoofdst. IV : 10.

ocr page 84

72

van wateren der rust; zij belooft geen overvloed van melk en honig; zij doet niet zeker wonen onder wijnstok en vijgeboom, en spreekt evenmin van een loopbaan ; zij gebruikt geen beeld van dien aard. — Zij heeft een huis gebouwd, en dat versierd met zeven pilaren, die het dus steunen, met de kracht der heiligheid Gods. In dat huis heeft zjj een maaltijd toebereid; en het voornaamste geregt van dien maaltijd is niet meelbloem en honigkoek. — neen! slagtvee en wijn, en de wijn vooral is hoofdzaak, want waar in (vs. 5) het brood wordt genoemd en het slagtvee niet voorkomt, wijst zij nogmaals op den wijn, die zij heeft gemengd.

Het beeld van het huis doet denken aan kalmen vrede en gezellig zamen zijn; eene eigenaardige voorstelling van den tijd der regeering van den koning, rijk aan vrede. De maaltijd doet ons denken aan het streven, vooral ook van die dagen, om zich het leven aangenaam te maken ; en het slagtvee, dat slechts bij feesten op den disch verscheen, en, de wijn, doch deze laatste bovenal, wijzen op het hoofdgenot, dat de maaltijden boden.

Plaatsen wij hier tegenover de waarschuwingen tegen overmatig genot, ') (XXIV : 13. XXV : 16 : 27. XXVII : 7 XXIII : 1 — 3, 6—8, 20, 21, 29—35) en vooral de uitspraak dat een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, beter is dan een gemeste os met haat daarbij, (XV : 17) en eene drooge bete en rust daarbij, beter dan een huis vol van geslagte beesten met twist, (XVII : 1) dan verkrijgen wij daardoor eene tamelijk uitvoerige en, in elk geval, zeer naauwkeurige voorstelling, van hetgeen in die dagen vooral begeerlijk werd geacht. Het genot van vleesch werd hoog gewaardeerd. Was nu de wijze, waardoor men zich dat genot verschafte de oorzaak van

1) Eigenaardig* is de uitdrukking' in Spr. XIII: 25, waar wordt gezegd, dat de regtvaardige eet tot verzadiging, hij begeert ook niet meer; hij voldoet aan zijne behoefte; maar der goddeloozen buik, zoo vertaalt Luther, heeft nooit genoeg.

ocr page 85

73

haat eii twist — óf — bragt het genot zelf allerlei lage hartstogten van afgunst en begeerte iu beweging? — Waarschijnlijk moeten wij beide vragen, voor verschillende gevallen, toestemmend beantwoorden; zóóveel is ten minste zeker, dat men soms ter voldoening aan de lust om vleesch te nuttigen zijne welvaart verwoestte. „Weest niet onder de wijnzuipers, noch ouder de vleesch vraten, want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering ') doet verscheurde kleederen dragen. (XXIII: 20, 21.) Deze waarschuwing wijst op de twee groote factoren, die het maatschappelijk en huiselijk geluk in die dagen dreigden te ondermijnen, en de LXX voegen er in hunne vertaling als onafscheidelijk gevolg aan toe: het zich overgeven aan ontucht.

De Wijsheid wil het volk redden en beschermen 2) tegen den dreigenden ondergang, en bezigt daartoe de meest geschikte middelen, 't Is of zij zegt: ,Vreest niet voor mij; ik ben niet aikeerig van genot en genoegen. Ook ik heb mijn slagtvee geslagt en mijnen wijn gemengd; ook ik heb mijne tafel toebereid. Eet van mijn brood :') en drink van den wijn, dien ik heb gemengd, (IX ; 2 en 5.)

De Wijsheid leeft in het gebied van het heilige en

ï) Deze sluimering is niet die van den luiaard, (VI: 9-11) maar de slaap, die den beschonkene overvalt na het overmatig- wijn- en vleeschgebruik. waarvan hier sprake is.

Dr. Gi's deelt mede dat „volgens de Misnah als vraat en dronkaard wordt gebrandmerkt een ieder die aan een maaltijd een half pond vleesch eet, en een kwart pint Italiaanschen wijn drinkt,quot; „in de schatling onzer hedendaag-sche Bacchus-kinderen zeker eene zeer geringe hoeveelheid maar in den tijd toen het begrip van betamelijkheid strenger eischen deed' meende men dat deze hoeveelheid te veel was.quot; Zoo spreekt Schickard. Zie ock Spr. XXI: 17.

2) Zeer eigenaardig is de lof, dien Sirach aan de wijsheid geeft, als hij zegt (XL : 11)) \V ijn (hier reine wijn) en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer dan beide.

3) Zou de ijsheid door te spreken van haar brood, te kennen geven, dat zij rein brood, ongezuurd brood, honigkoeken, te smaken geeft, in-tegenstelling van het gerezen, door zuurdeeg eenigermate verontreinigd brood? Verg. bl. 27 noot 2.

ocr page 86

74

reine. De wijn, dien zij aanprijst is dus ook reine wijn; zij heeft dien gemengd, ') maar daardoor niet ontheiligd, (verg. lloogl. VIII : 2.) Van dien wijn kan men gerust drinken tot verzadiging, daar is geen gevaar aan verbonden. Zij wil den verstandelooze (vs. 4) in bescherming nemen door hem te verkwikken van haren maaltijd, en hem alzoo ontoegankelijk maken voor de verleiding (vs. 16) der zotte, woelachtige vrouw; (vs. 13.) die zich met hare genooten in de diepten van den doo-denhouder bevindt, (vs. 18.)

En wat wordt er nu getuigd van den wijn, die dooiden weg des doods in de magt van het verderf is overgegaan ? 1) ^

De wijn is een spotter (XX : 1). Wat daarmede in het boek der Spreuken wordt gezegd blijkt duidelijk uit hoofdst. IX ; 7, 8, XIII : 1, XIV : 6, XV12, XIX :quot;25 -Wél hem, die niet nederzit met de spotters, en hunnen drank niet begeert! (Ps. 1:1.)

Sterke drank (shakar, hier natuurlijk: gegist vruchtennat) is woelachtig. Waaraan de Schrijver bij dit woord denkt, is niet raadselachtig. Men zie hoofdst. VII : 11, IX ; 13. Wél hem, die niet afdwaalt op de paden hier bedoeld: wegen des grafs, dalende naar de binnen kameren des doods. (VII : 27.) — Eu nu volgt in hoofdst. XXIII : 29—35, eene beschrijving en opsomming van al de ellenden, die het deel worden van hen, die bij den wijn vertoeven, en gedreven door een' on-verzaadbare lust, zich op weg begeven om den gemeng-den drank (eigenlijk gemengden wijn) te zoeken. Evenzeer als deze wijnen behooren tot het gebied van dood en verderf, zijn ook de vruchten, die zij voor hare liefhebbers afwerpen geene andere dan van dood en verderf. Spotziek en woelachtig, onverbeterlijk en ongeneeslijk,

1

Verg. bl. 15 noot 1.

ocr page 87

75

wordt ligcliaam, ziel en geest onherroepelijk een prooi van den afgrond; — want het eenige wat het ongelukkig slagtoffer rest, is de ontembare begeerte naar vernieuwd genot: „ik zal hem nog meer zoeken.quot;

De uitvoerige en naauwkeurige schilderij, ') die ons . hier voor oogen wordt gesteld, in de beschrijving van de kenmerken Viin gistenden wijn, in de teekening van den toestand des verslaafden dronkaards, levert liet bewijs dat beiden zeer bekend waren in Israel; en daardoor juist bewijst de Wijsheid hare wijsheid dat zij tegen dezen voortwoekerende kanker hare stem verheft, om indien mogelijk den steeds sterker wordenden stroom des ver-derfs in zijne vernielende vaart te stuiten.

In het laatste Hoofdstuk, dat geheel op zich zelf staat, vinden wij nog eene zeer wijze raadgeving van de moeder van koning Lemuel aan haren zoon. Zij begint met hem te waarschuwen tegen het strafbaar verkeer met vrouwen en de laakbare eerzucht om het gebied van zijn rijk uit-tebreiden ten koste van het grondbezit van andere koningen. (vs. 3) Terwijl zij deze woorden uitspreekt denkt zij, alsvan zelve aan den bondgenoot en den me-depligtige van geweld en ontucht, en laat er terstond op

1) Vergelijk hiermede XXVI : 9. Een doorn gaat in de hand eens dronkaards, d. w. z. de dronkaard, in plaats van zich te wachten voor den doorn, en dien te verwijderen, bezeert zich daarmede; alzoo is eene spreuk in den mond der zotten, d. w. z. in stede van zich te wachten voor het kwaad, waartegen de spreuk hem waarschuwt, loopt hij dat kwaad in den mond, en wordt er door overwonnen.

Om het woord khometz (zie bl. 11) moet melding worden gemaakt van Hoofd. XXV : 20, waar dit woord wordt gebruikt als edik (khometz) op salpeter (nather). Deze natrum is niet de salpeter, die in den handel voorkomt, maar een soort potasch, die met olie vermengd, in het Oosten als zeep wordt gebruikt. In sommige streken van Syrië wordt hij met aarde vermengd. Als men er azijn opgiet brukcht het op. (Volgfens Oostersch spraakgebruik: gist het), en in deze opbruisching ligt het punt van vergelijking; namelijk dit: er wordt slechts eene onaangename gisting of opbruisching teweeg gebragt.

ocr page 88

76

volgen: O, Lemuel! liet komt den koningen niet toe wijn te drinken, noch den prinsen sterken drank (skakar) te begeeren, (vs. 4.), en terwijl haar gedachte zich richt op de eischen, die den koning gesteld worden, ziet zij, als een ander natuurlijk gevolg van het wijndrinken, en het genot van bedwelmend vruchtensap door de hooggeplaatste personen in de hofhouding van den vorst, het vergeten van de voorschriften van het regt, en het miskennen en vertrappen van de billijke eischen der verdrukten. 1)

Wat nu volgt vs. 6 en 7 heeft allerlei bedenkingen uitgelokt en wordt op verschillende wijzen verklaard. In verband met vs. 4 en 5 zou men gevoegelijk kunnen vertalen, „indien gij bedwelmend vruchtensap geeft aan hem, die in rampspoed dreigt ondertegaan of wijn aan hem, die door droefheid wordt verslonden, zal hij drinkende, zijne armoede vergeten en zijner moeite niet meer gedenken, hoeveel te eerder zal dus de vorst door drinken, regt en billijkheid uit het oog verliezen.

Salomo's regeering spoedt ten einde; maar eer zijn ligchaam aan de groeve wordt overgegeven, bedroeft hij met den Heer zijnen God, te onteeren door den dienst der afgoden van de vele en vreemde vrouwen, die hij zich had genomen, tegen het gebod, dat in dezen zeer duidelijk en beslist spreekt (Deut. XVII : 17.) Niet alleen nam hij vele vrouwen, maar daarenboven vreemde, van welke de Heer had gezegd, dat zich de kinderen van zijn volk daarmede niet mogten verzwageren, uit vreeze van verleiding tot afgodendienst. (Exod. XXXIV : 16.

1) Sommige uitleggers zien in deze woorden een verband met het voorschrift voor de Egyptische koningen, wien het niet geoorloofd was wijn te drinken, welk gebod gehandhaafd werd tot aan de regeering van Psammetichus: (GIO v. C.) wel te verstaan: het gebruik van bedwelmenden wijn; het drinken van het druivenbloed was den koningen geoorloofd. (Zie Gen. XL : 11)

ocr page 89

77

Deut. AAII : 3.) De schrijver van het boek der Koningen gedenkt die overtreding, hij herinnert aan het verbod, (I Kon. XI : 1—13.) en geeft het aantal op van Salomo's vrouwen: zevenhonderd vrouwen, vorstinnen en driehonderd bijwijzen.

Waar Salomo's hart aan die vrouwen met liefde hing, zóó zeer dat zij zelfs zijn hart van den Heer afvallig maakten, is 't mijns bedunkens, boven allen twijfel verheven, dat ook de eenvoud van den maaltijd voor zijn buis, d. w. z. ziju eigen maaltijd (Zie bl. 67 en 68.) geweken was. In volkomen nuchteren toestand zou Salerno zóó diep niet gevallen zijn, — zonder den teug der bedwelming is deze afval ondenkbaar. (Zie Esth. I. 1—9, en Dan. V ; 1—3 en I Sam. XXV : 36.) De betreurenswaardige scheuring Aran liet rijk was de straf en het gevolg zijner zonde; tevens had hij door zijne overtreding van het gebod, om vele en daarenboven vreemde vrouwen te nemen, een voorbeeld gegeven, dat maar al te veel navolging vond. Ook Rehabeam neemt vele vrouwen (achttien vrouwen en zestig bijwijven) en nadat hij het koningrijk had bevestigd, verliet ook hij de wet des Heeren, en gansch Israel niet hem, (11 Kron. XI : 21. XII : 1.) Ook Abia, hoewel in sommige opzigten een godvreezend vorst, neemt zich veertien vrouwen, maar — hij wandelt ook in de zonden van zijnen vader Rehabeam, (1 Kon. XV : 3.) Welke waren die zonden? Stonden zij in verband met de veelwijverij ? Wijst liet aanleggen der vastigheden, vijftien in getal, met hunne voorraadschuren van spijs, olie en wijn, niet alleen op sterke vestingen, maar ook op eene weelderige levenswijze, die zoo ligt den doodsteek geeft aan innige godsvrucht? (II Kron. XI : 5—12.) ') Zijn de verfoeiselen, die door den vromen ko-

1) Waar in II Kron. XIV : G, 7 van Asa wordt vermeld dat hij vaste steden bouwde, lezen wij niet dat hij er tevens voorraadschuren in aanlegde. Ook van Josaphat wordt vermeld dat hij burgten en schatsteden bouwde in Juda, (II Kron. XYII : 12) maar deze schatsteden dienden,

ocr page 90

78

ning Asa worden uitgeworpen, uit Juda, Benjamin en de steden, die hij van het gebergte Epliraim genomen had (II Kron. XV : 8. verg. XIV : 3—5) afgodsbeelden, met hunne altaren, dan zullen deze vruchten van Salomo's afval zeer zeker bevorderd en bestendigd hebben de heerschappij van den spotter, en de dienst van den woelach-tigen drank.

Dat deze onderstelling meer is dan eene bloote gissing bewijst m. i. uit wat wij lezen in I Kon. XIV : 3. De vrouw van Jerobeam moet voor den proheet Ahia als geschenk medenemen tien brooden en koeken en eene kruik honig. Waarom ontbreekt aan dit geschenk de wijn? De wijn zou haar toch niet verraden; immers de wijn was voorzeker niet uitsluitend des koningsdrank , — maar de toen algemeen gebruikelijke wijn was ontheiligd druivenbloed, en met dat vocht zon een propheet des Heeren zich niet verontreinigd hebben. Dat wist Jerobeam, want de man Gods uit Juda, die tegen den altaar profeteerde, had verzekerd dat hij in die plaats geen brood zou eten of water zou drinken; (I Kon. XIII : 8, 9, 16, 17, 18, 19, 22, 23,) en zij 't nu dat door water drinken ook andere dranken worden bedoeld, de gedachte aan bedwelmend vocht is uitgesloten. Ook lezen wij later van den Propheet Elia, dat hij aan de beek Krith geen anderen drank ontving dan het water der beek, (I Kon. XVII : 34) en naderhand op zijne vlugt vond hij bij zijn' gebakken koek eene flesch water. (I Kon. XIX : 6.) —

Dat de goddeloosheid van Juda, in die dagen, den afval van Israel nog verre overtrof, wordt ons verzekerd in I Kon. XIV : 22—24. ') Zij deden meer dan al hunne

naar het schijnt, slechts om daarin op te nemen de schatting-, die hij jaarlijks ontving- van de Philistijnen, en van de Arabieren : zevenduizend zevenhonderd rammen en zevenduizend zevenhonderd bokken (vs. 11.)

1) Zie ook Jer. 111:6—11. Voorts wordt de afval van Juda en Israel op zeer vele plaatsen vergeleken met de ontrouw een er vrouw aan haren man en de ontucht eener hoeleerster, (zie onder anderen Ezech. XVI en XXIII) een bewijs, dat die zonde toen zeer algemeen was.

ocr page 91

79

vaderen gedaan hadden, zoo zeer zelfs , dat er ook scliand-jongens in liet land waren, niettegenstaande de Heer daartegen uitdrukkelijk had gewaarschuwd. (Dent. XKIII : 17.)

Onder de loffelijke daden van koning Asa vinden wij ook vermeld, dat hij schandjongens wegdeed nit het land, (XV : 12) maar dat kwaad had zulke diepe wortelen geschoten, dat 't eerst aan Josaphat gelukte hen meester te worden. (XXII ; 47.) ')

Waar hel zedelijk peil van het volksleven in Juda zóó laag is gedaald, dat zelfs deze afschuwelijke zonde in-heemsch is geworden, en, om zoo te spreken, burgerregt heeft verkregen, is de wijn uit den wijnstok van Sodom, uit de velden van Gomorra geen vreemdeling gebleven, en de wijnstok des Heeren grootelijks ontheiligd. Draken-venijn en adderenvergif (Deut. XXXIII : 32, 33) heeft flan zijne werking voltooid, en de onbeschaamdste zoude-dienst paart zich aan onbeteugeld zingenot, dat zijn toppunt bereikt in den roes der bedwelming bij den beker, die rood gekleurd is door het regtopgaand parelend vocht, dat in het einde bijt als een1 slang, en steekt als een adder. (Spr. XXIII : 31, 32.)

Zóó was 'tin Juda gesteld; — en als wij nu lezen hoezeer de afgodendienst in Israel algemeen werd door Je-robeam, die Israel zondigen deed, (I Kon. XIV : 7 — 11 — 16) en zien, hoe zij daarenboven bosschen maakten (vs. 15) om er hunne ontuchtige feesten te vieren, kunnen wij ons bijna geene juiste voorstelling maken van de diepte en den omvang van liet algemeen verval. In het boek dei-Wijsheid, XIV : 23—27 (zie ook XIV : 12,) vinden wij eene opsomming van al de gruwelen, die de afgodendienst doet geboren worden, en haar vergezellen. Wij lezen daar: Want of zij hnnne offeranden, waarin zij hunne kinderen dooden, of verborgen godsdiensten, of razende brasserijen, naar andere wetten plegen, zoo bewaren zij

1

Verg-. II Kon. XXIII: 7.

ocr page 92

80

doch voort niets meer, noch leven, noch echten staat, rein, maar, of de een brengt den ander om, door list, of doet hem smarte aan door overspel, maar het is al onder elkander vermengd bloed, en moord en dieverij en bedrog, verderving, ontrouw, beroerte, meineedigheid, onrust der vromen, vergetenheid der weldadigheid, besmetting der zielen, verwisseling des geslachts, ongeregtig-heid des huwelijks, overspel en dartelheid, want de dienst der afgoden, die men zelfs niet behoort te noemen, is het begin en de oorzaak en het einde (toppunt) van alle kwaad. (Verg. Baruch, VI : 42, 43.)

De propheet Ahia is er zóó zeer en doordrongen zeker van, dat de godsvrucht onherroepelijk uit Israel is geweken, dat hij na het oordeel te hebben uitgesproken over het huis van Jerobeom, aan den koning denkt, dien de Heer zich verwekken zal, en daarbij droevig uitroept; maar wat zal ook nü ( = dan) zijn?quot; (I Kon. XIV: 24.) Jerobeam wordt opgevolgd, door zijn' zoon Nadab. Baesa doodt Nadab, en plaatst zich op den troon; Ela, zijn zoon, volgt hem op. Doch ook over Baesa komt het oordeel van Jerobeam, en, na eene regeering van twee jaren, wordt Ela verslagen door zijn dienaar Zimri, wien deze moord niet moeijelijk valt. Immers Ela was te Tliirza, (toen de hoofdstad van Israel) zich dronken drinkende in het huis van zijn' hofmeester Arzia. (I Kou. XVI : 9) lu deze plaats staat in 't Hebr. shakar; de LXX, hebben methuo.)

Mij dunkt dat de bijzondere vermelding van de plaats, waar hij zich overgeeft aan zijne brasserij, een zeer bedroevend licht verspreidt over deze uitgieting der overdadigheid. Waarschijnlijk was hij zóó buitensporig in het botvieren aan zijne lage driften, dat hij schroomde daaraan in zijn paleis te voldoen, om zich niet te zeer te schandvlekken in de oogen zijner omgeving, waarom hij zich liever in het huis van zijnen hofmeester begaf. Deze toch was bekend met de wijze waarop hij zijne lusten

ocr page 93

81

bevredigde, welligt zi)n deelgenoot; zoo kou hij zicli onbespied en ongestoord alles veroorloven, waartoe zijne ontketende hartstogten hem zouden opwekkeu. Zimri, bekend met de gangen van Ela, maakte gebruik van zulk een zwelgpartij, die hem eene gunstige gelegenheid aanbood, om zijn misdadig voornemen te volvoeren.

Het is verre van verkwikkend om zich te verplaatsen in die dagen van Israel diepgaanden afval van zijnen God, vooral omdat er in die duisternis geen licht opgaat. Al de elkander opvolgende vorsten zijn goddeloozen. Zimri wordt al aanstonds aangevallen door Omri, en verkiest den vuurdood boven het lot, dat hem wacht, als hij in zijns vijands hand valt. Omri, hoewel op zijne beurt door Tibni bestookt, behoudt het veld, en handhaaft zich op den troon. Hy sticht Samaria, en doet wat kwaad is in de oogen des Heeren, ja! hij deed erger dan allen, die vóór hem geweest waren, en laat den troon na aan Achab, zijn zoon, die op zijne beurt meer nog doet, dan één zijner voorganger wat kwaad is in de oogen des Heeren; zoo wordt de maat der onge-regtigheid tot overloopens toe vol. (I Kon. XVI : 15—33.)

Niettegenstaande in later dagen Juda's ongeregtigheid Israel regtvaardigde, (Jer. III : 11) ontmoeten wij toch nog steeds eenige verblijdende lichtpunten in Juda's geschiedenis. Koning Asa hernieuwt het verbond met den Heer, en gansch Juda zweert Hem trouw, en is verblijd over dien eed, want zij hadden met hun ganschen wil Hem gezocht. (II Kron. XV : 13). Hoe jammer dat de laatste levensjaren van Asa hem in een minder gunstig licht plaatsen. (II Kron. XVI ; 7—1-4.)

Zeer verblijdend is daarentegen wat wij lezen van zijnen zoon Josaphat, die hem opvolgde, en wiens hart zich verhief in de wegen des Heeren. (II Kron. XVII : 6) Dat bleek vooral ook in zijne zorg voor het onderwijs, (vs. 7, 8,) een onderwijs, dat voorgelicht werd door liet wetboek des

ocr page 94

82

Heeren. (vs. 9) [dus geen neutrale school.] Daarenboven stelde hij regters in het land aan. (XIX ; 5.)

Josaphat regeerde over Juda toen Achab koning was in Israel. Het strekt hem niet tot eer dat hij zich verzwagerde met Achab, en later met Aliazia, zijn zoon, ook won zijn rijk er niet bij aan welvaart.

Zouden wij gevolgtrekkingen mogen maken uit hetgeen wij vermeld vinden over het feestmaal, dat Achab bereidde voor Josaphat en zijn hofstoet? (II Kron. XVIII : 2.) Schapen en runderen werden in menigte geslagt, maar de wijn wordt niet genoemd. Zou Achab den spotter geweerd hebben, wel wetende, dat hij zich daardoor te eerder van Josaphats medewerking zou kunnen verzekeren? Voorgelicht door het Wetboek des Heeren, heeft Josaphat zich zeer zeker gewacht voor den wijn uit den wijnstok van Sodoms velden.

De vruchten der goede verstandhouding met Achab bleven niet uit. Josaphat's zoon, zijn opvolger, Joram, nam zich eene dochter van Achab tot vrouw, (verg. II Kron. XXII ; 2—4), en wandelde in de wegen van Acliabs huis.

Was Achab als zoon van Omri, reeds van der jeugd af, gewoon geraakt aan een leven in afgoderij, hij werd daarin nog meer verstrikt door zijn huwelijk met Jzébel, de dochter van Eth-Baiil, den koning der Sidoniers. (I Kon. XVI : 31.) Onder eene goede leiding zou hij met zijn zwak en volgzaam charakter, dat voor allerlei indrukken vatbaar was, waarschijnlijk godvreezend zijn geweest; wat wij van hem vinden opgeteekend als eene verootmoediging en vernedering voor Gods aangezigt, (I Kou. XXI : 29) na den moord aan Naboth gepleegd, en de aankondiging der strafgerigten, die tengevolge daarvan, over hem zouden komen, regtvaardigt deze meening.

Daar de Heer evenmin aan zijn dood lust had, als aan den dood van eenig zondaar (Ezch. XVIII : 23,) kan 't ons niet verwonderen, dat Hij zich ook aan Achab openbaart als de God in Wiens hand de adem is van aller

ocr page 95

83

inenschen leven, en Hij 't is die verhoogt en vernedert. Zigtbaar en tastbaar ondervond hij dit in den strijd tegen de Syriërs, welken strijd hij voorzeker tot een beter einde had moeten brengen, doch daarin openbaart zich weder zijn zwak charakter. (I Kon. XX : 32—42).

Wij kunnen den strijd met Benhadad niet onopgemerkt voorbij gaan, omdat wij daarin opnieuw een bewijs vinden voor de meer dan groote verdorvenheid, die in die dagen aan de koninklijke hoven heerschappij voerde.

Op den middag, d. w. z. toen de zon haar hoogste toppunt had bereikt, toog Achab uit, en toen reeds was Benhadad zich dronken drinkende (Hebr. shoteh shikhor, van schakar; LXX. pinon kai methuon) in zijne tent, en de tweeendertig koningen, zijne bondgenooten, zwelgden met hem! Of de drank, dien zij dronken bedwelmend was? Wie zon daaraan kunnen twijfelen. Slechts een krijgsoverste, die de slaaf is geworden zijner onverzadelijke lust tot opwinding en bedwelming, kan op het midden van den dag een gastmaal, eene zwelgpartij, aanrigten, en dan daarbij uitnoodigen al zijne ondergeschikte bondgenooten, zonder eenige voorzorgsmaatregelen. Dit blijkt uit de overhaaste vlugt, met achterlating van den geheelen legertros. Zoo men mogt twijfelen aan de gegrondheid dezer onderstelling, die twijfel verdwijnt bij het aan-hooren der dwaze taal, die zijn overmoedig dronkenmans-brein hem ingeeft, toen hem wordt geboodschapt dat de vijand nadert, (vs. 18,) Bij Benhadad is 't dus niet: die dronken zijn; zijn des nachts dronken; (I Thess. V : 7) hij beschaamt zelfs dat woord. Hij kan den avond en den nacht niet afwachten; midden op den dag is hij reeds een' afschrikkend voorbeeld van de walgelijke dronkenschap, waarin zijne medepligtigen voor hem niet onderdoen.

Tot hiertoe zagen wij van tijd tot tijd propheten en zieners optreden om koning en volk te waarschuwen, en te vermanen tot bekeering, doch hoewel hunne woorden en daden, en ook van sommigen de namen ons zijn be-

ocr page 96

84

waard gebleven, wij bezitten geene afzonderlijke geschrifte^ waarin wij hen zien optreden in hun ambt, bij de vervulling hunner roeping. Na al het bedroevende wat ons het geschiedverhaal mededeelt omtrent Jorara, Ahazia en Athalia in Jada, en Joram, die door Jehu wordt opgevolgd in Israel, wordt de rij der propheten, wier geschriften ons zijn bewaard gebleven, geopend door Joel, die optrad onder de regeering van Joas in Juda, (884—844 v. C.) zoodat hij ook nog onder Joahas en Joas in Israel propheteerde.

De inhoud dezer prophetiën verspreidt zeer veel licht, vooral ook over het onderwerp, dat ons bezig houdt.

De ontzettende verwoesting door rups, sprinkhaan, kever en kruid worm over het land gebragt, wijst op eene hooge mate en groote uitgebreidheid van genotzucht, die zich op allerlei wijzen te goed deed, maar meest door ontheiliging van de vrucht van deu wijnstok; immers, niet als bij voorkeur, neen! uitsluitend worden genoemd de dronkaards ') en de wijndrinkers. Weenen en huilen moesten zij om den nieuwen wijn, (Hebr. asliis. Zie bl. 9) omdat hij was afgesneden van hunnen mond. (Joel 1:1 —5)

In de overvloedige inzameling van de druif lag niet alleen het vooruitzigt op een overvloedige hoeveelheid van reinen wijn, nieuwen wijn, - maar daardoor werd

1} Het Hebr. woord voor de dronkaards shikorim, is waarschijnlijk eene zinspeling- op sJiakar, waardoor het wijst op alle drinkers van die dag-en, liefhebbers van skakar, (vruchtensap uit den dadel, den granaatappel, enz. én de liefhebbers van yayin. (druivensap.)

De nieuwe wijn, het versch uitgeperste druivensap, is zeer merkwaardig, volgens Henderson, om zijn' liefelijken geur en aangenomen smaak, zonder in het minst te kunnen bedwelmen. De vertaling door: nieuwe wijn, is zeer juist. Jammer dat het Hebr. tirosh, de vrucht van den wijnstok, — de druif, — op eenige plaatsen ook door nieuwe wijn wordt vertaald. De LXX vertalen: „ontwaakt = wordt nuchter, (eknèpsate = wordt als onthouders, als waterdrinkers, zoo als ook in Gen. IX : 24« en I Sam. (LXX I Koningen) XXV : 37.) V. heeft ehrii — dronkaards' — qui bibitis vinum duleidine — die wijn drinkt met zoetheid, de T. heeft al Kkamar mar at h om den zuiveren of zoeten wijn.

ocr page 97

85

ook de mogelijklieicl geboren om zich te goed te kunnen doen aan liet door gisting ontheiligde druivenbloed.

Dat in de prophetie van Joel de nieuwe wijn wordt genoemd, en alléén de nieuwe wijn, wijst er m.i. op dat ook de godvruchtigen in die dagen in overmatig zingenot waren verstrikt. Deze opmerking wordt bevestigd door hetgeen wij lezen in vs. 7, waar den Heer de woorden in den mond worden gelegd; „het heeft mijnen wijnstok gesteld tot verwoesting.' Het leger der sprinkhanen heeft den wijnstok in de velden verwoest, — en herinnert het woord mijn wijnstok aan het volk zelf, dan vertegenwoordigen de verwoestende legerbenden den drom van zouden, die Juda tot verwoesting heeft gesteld. Deze voorstelling, wordt volkomen geregtvaardigd dooide woorden in vs. 9 en vs. 13 waaruit blijkt dat de verwoesting zóó algemeen en zóó ontzettend groot is, dat zelfs de offerdienst daardoor wordt gestremd. !)

De propheet gaat voort met de aankondiging van nieuwe strafgerigten, die door de sprinkhanen over het land zullen voltrokken worden, en roept allen inwoners van het land toe, dat ze door beving zullen worden aangegrepen, doch tevens wekt hij op tot bekeering des haiten, opdat vvelligt het strafgerigt nog worde afgewend, — en de belofte der vertroosting laat niet op zich wachten, de belofte, dat zij weder verzadigd zullen worden met de vruchten van akker, wijnstok en boomgaard, koorn-, druif- en boomvrucht, (II; 19) ja: de perskuipen zullen ten boorde toe gevuld worden met druif- en boomvrucht, (tirash ve yitzhar) om getreden te worden, (vs. 34)

In het lHe Hoofdst. wordt de lezer bepaald bij het oordeel, dat over de Heidenen zal komen in het dal van

1) In vs. 10 staat St. Vert. most. Hebr. tirosh. Het Hebr. woord voor verdroogd wordt gebezigd voor planten, boomen, gras; de oogst des velds. (vs. 11) De olie is In-ai k, (Hebr. umlalystzhar) de vrucht van den boomgaard versmacht. Een bewijs dat ystzhar en tirosh worden beschouwd als boomvruchten.

ocr page 98

86

Josapliat. Deze uitdrukking herinnert aan II Kron. XX : 16, waar liet dal wordt genoemd, waarheen Josaphat zich moest begeven om te aanschouwen de hulp des Hee-ren, en de vruchten van die hulp te plukken. De volken, die tegen hem waren opgetrokken, hadden, bij Israels togt naar Kanaan, geene vijandschap maar goedwilligheid en goede trouw van hen ondervonden. Daarom klaagt Josaphat hen aan in zijn gebed een gebed dat tevens een noodkreet is, en uit de woorden van Joël zou men kunnen besluiten, dat deze volken zich ook nu aan trouw-looze ondankbaarheid hadden schuldig gemaakt; — doch indien dit ook niet zoo ware, dit is zeker, dat zij zich op strafwaardige wijze aan Israel hebben vergrepen. Welk een schandelijken handel dreven zij met de gevangenen, die hun door 't lot waren toegewezen: zij hadden een jongsken in ruil voor eeue hoer, ') eu een meisje, zeker nog te jeugdig om haar te kunnen misbruiken, voor wijn, opdat ze mogten drinken, (vs. 3)

Waar wij den wijn ontmoeten, d. w. z. het door gisting ontheiligde druivenbloed, bevindt hij zich meest in gezelschap met ontucht, en veelal zelfs, gepaard met doodslag. Hij wordt zijn' meester nimmer ontrouw. De Booze heeft hem de natuur van Gods toorn ingeblazen, en maakt hem, zooveel mogelijk dienstbaar aan zijn rijk; maar de onbeschaamheid, waarmede wij de zedeloosheid van die dagen zien optreden, verbaast en bedroeft; én was de onbeschaamdheid der goddeloosheid groot onder de volken iu Israels omgeving, in Juda en Israel waren de goddeloozen niet minder gruwelijk.

Nogmaals wordt in vs. 12 het dal Josaphat genoemd, en in vs. 13 wordt opnieuw aan den wijnoogst herinnerd, in het beeld vau een strafgerigt, ten bewijze dat de zegen

1) Luther vertaalt in plaats van hoer spijze, omdat hij aan 't Hebr. woord een andere afleiding toekent. De LXX en de V. hebben „hoer.quot;

ocr page 99

87

van cleu wijnstok door de zonde der onmatigheid (verg. IV Esdr. V : 10) in een vloek was verkeerd.

Maar voor de godvruchtigen blijft de zegen Gods een zegen; —• als de goddeloozen znllen omkomen, zullen voor lien de bergen druipen van zoeten d. w. z. nieuwen wijn ; (ashis Zie bl. 9) de melk in overvloed vloeijen, en de waterstroomen van Juda zullen vol zijn met den verkwik-kenden teug, dien God den mensch heeft geschonken. Uit deze opklimming bij het vermelden der dranken blijkt het, dat ook door den propheet Joël aan het water, als de schoonste gave Gods, de hoogste eereplaats wordt toegekend.

De propheet Joël treedt op onder de regeering van JoasT koning van Juda, terwijl Jelui en zijn huis over Israel regeerden. Amazia volgt Joas op, en had Jerobeam II als koning van Israel naast zich. In die dagen trad Jona -) op als propheet, maar berigten of mededeeling of geschiedverhalen, die licht geven op 't onderwerp dat wij behandelen komen bij hem niet voor.

Amazia wordt opgevolgd door Uzzia. (ook Aza-ria genoemd.) In Israel was het toen een tijd van verwarring en regeeringloosheid, maar de koningszetel werd toch weder bezet, en achtereenvolgens beklommen door Zacharias, Sallum, Menahem, Pekahia en Peka. Deze allen doen wat kwaad is in de oogen des Heeren, zoodat onder de regeering van Peka de koning van As-syrië Tiglath Pileser een groot deel van Israels grondgebied in bezit nam, en de inwoners gevankelijk wegvoerde. Deze eerste, zeer belangrijke wegvoering 1) geschiedde toen Jotham koning was in Juda; 3) deze werd opgevolgd door

1

Onder de regeering van Achaz werden ook vele gevangenen naar

ocr page 100

88

zijn zoon Achaz. Onder de regeering dezer verscliillende vorsten treden als propheten op Amos, Obadja') en Bosea. Daar Hosea ook nog ouder koning Hizkia heeft gepro-pheteerd, zullen wij onze aandacht liet eerst bepalen bij Amos, dan bij Obadja eu vervolgens bij Hosea.

De propheet vangt zijne woorden aan met eene aankondiging vau ontzettende strafgerigten over Syrië, de Phili-stijnen , Tyrus , Edom , de kinderen Anmions en Moab , en eindelijk ook over Juda en Israel. 1)

Zijne voorliefde voor de kudde, die vroeger aan zijne herderlijke zorg was toevertrouwd, bestuurt den gang zijner denkbeelden. Zijne eerste klagt wijdt hij aan de hutten der herders, en aan de grazige weiden van Karmel, (verg. I Sam. XXV : 2) terwijl hij de inwoners van Samaria aanspreekt met de woorden: „Koeijen van Basan,quot; (IV : 1) de vruchtbare streek, bewoond door de kinderen van Gad, (I Kron. V : II) Naphtalie en Ma-nasse, (VI : 62) waar zij zich weidden ten koste der verarmde broeders. Terwijl Israel zich aan deze gruwelen schuldig maakt, maakt Juda 't erger nog, want boven eu behalve deze gruwelen verkoopen zij zelfs, en dit bij voorkeur, den regtvaardigen voor geld, en den nood-druftigen voor een paar schoenen; (11 vs. 6, :|) zoo

1

In het tweede hoofdstuk, het vijfde vers van het boek Tobias worden de woorden herdacht van den propheet Amos. Daaruit blijkt dat bij de godvreezenden in Israel, in die dagen, de bedoeling van de woorden der propheten hoofdzaak was; want het is geene letterlijke aanhaling van eenig woord.

3j D. w. z. indien een regtvaardige geld had ter leen ontvangen, en hij

ocr page 101

89

gaan de armen steeds gebukt onder de smart, en worden de zachtmoedigen steeds bemoeiielijkt in hun' godvruch-tigen wandel, (vs. 6, 7) Waartoe nu dit alles? Om te kunnen botvieren aan hunne booze lusten. Waar de ontucht wordt gediend, kan de wijn niet ontbreken; (vs. 8) dat onheilige vocht wordt overal gevonden, waar onmatigheid en zwelirerii een verbond sluiten met zedeloosheid

O O «'

en ontucht. De wijn, die als boete ') was opgebragt moest in het afgodshuis de eereplaats innemen. En de Heer had den Amoriet, den inwoner des lands, juist om die gruwelen, verdelgd; door het woord zijner prophe-ten daartegen gewaarschuwd; door de instelling der

dat niet kon terug- geven, werd hij voor die schuld verkocht, en z.00 ook de behoeftige, indien hij het schoeisel hem verstrekt, niet kon terug betalen. (Verg. Arnos VIII : G.)

De woorden in vs. 7 geven een blik in het allerontzettendst diep verval van zeden in Israel. Immers hier is geene sprake van eene vrouw, die zich aan ontucht heeft overgegeven, maar van eene jonge dochter, die daartoe wordt genoodzaakt. Zij doet daardoor eenige schuld af hetzij van hare ouders, of van haar zelve, en moet zich daarom overgeven, én aan den vader én aan den zoon: het toppunt van onbeschaamde en schaamtelooze ontucht. eene volkomene miskenning en verkrachting van de beginselen in Lev. XX uitgesproken. Voorts werd de ontucht nog gepleegd bij den altaar des afgods. Ou de verpande kleederen moest de ongelukkige zich nederleggen om zich te laten onteeren; voor dien prijs loste zij hare kleederen in. Dlt;3 aanwezigheid of de nabijheid van den altaar moest de waarborg zijn voor het nakomen van het gegeven woord, r.am. om voor dien prijs de verpande kleederen terug* te geven. (Zie Exod. XXII : 25—27 over woeker en kleed.) Wat de onbeschaamdheid betreft in het plegen van ontucht, deze had niet alleen toen eene ontzettende hoogte bereikt, maar zelfs nog in de dagen van Sirach was ze meer dan groot (Zie Sir. XXVI : 13.)

1) De LXX gebruiken hier Int woord suhophantccs, d. w. z. iemand, die eene klagt indient over vijgen. In Athene bestond de wet dat er geene vijgen uit Attica mogten worden uitgevoerd, en dit woord werd van lieverlede gebruikt voor elke aanklagt, en later ook voor den aangeklaagde.

2) „Tot propheten verwekt.quot; Eenige vertrouwbare uitleggers heblen beweerd dat deze woorden betrekking hebben op jongelingen, die in de propheten-scholen werden opgeleid, en tevens Nazireërs waren, zoodat wij hier moeten denken aan wetenschappelijk ontwikkelde personen én aan gewone Israelieten. Hierdoor verkrijgt de beschrijving (bij Jesaja en Jeremia) van de onmatigheid bij priesters en propheten een nog veel ern-

ocr page 102

90

Nazireers den weg afgebakend om beveiligd te zijn tegen de verleiding; — maar alles te vergeefs — den prophe-ten werd het spreken verboden, en de Nazireërs werden verlokt en verleid om wijn te drinken; (II : 11, 12.) van welk gehalte die wijn was, behoeft geen onderzoek.

In het eerste vers van het vierde hoofdstuk lezen wij van het verdrukken van armen en het verpletteren van nooddruftigen, (verg. Deut. XV : 1 — 4, 7, 8, 9, enz.) waartoe hunne heeren werden gedrongen, (het waren dus: daglooners.) opdat de koeijen van Basan zich aan den ivijn te goed zouden kunnen doen! Dus ook hier de bondgenoot van onderdrukking en geweld; eene vrucht der zonde en zonde barende, — een prikkel der genotzucht en tot genot prikkelende, ^ waarlijk! het kan geene verwondering baren, dat de Heer in verontwaardiging en ijver zijne strafgerigten aankondigt, en geheel het volk met reinheid der tanden, wegens gebrek aan brood, wordt gedreigd. '1).

De diepte van het zedelijk verval in Israel en Juda had de godvruchtigen in die dagen tot boete en trouw moeten stemmen, en hen moeten dringen tot vasten en geween, — maar ook zij waren, helaas! zóó zeer gewoon geworden aan den verpesten en verpestenden dampkring, die hen omgaf, dat zij als „genisten in Sion en zekeren op den

1

waar wij vinden, dat de ontuchtige begeerte Holophernes dringt tot wijngenot, en die begeerte hem zoo zeer beheerscht dat hij zóó onmatig veel drinkt., dat dat hij nooit zooveel op éénen dag gedronken had, van hij geboren was af.

ocr page 103

91

berg van Samariaquot; worden aangesproken. (VI : 1.) In stede van door woord en daad te getuigen tegen de keerschende drinkgewoonten, en door hunne onthondiiig als Nazireërs Gods een dam op te werpen tegen den stroom des verderfs, waartoe de nood der tijden hen had moeten dringen, voorgelicht als zij waren en werden dooide Nazireërs, vergenoegden zij zich met hunne gewone vreeze Gods, meenende dat de strafgerigten nog verre waren. Zoo werd de heerschappij des gewelds door hun gedrag bevestigd en bestendigd, (vs. 5.) In zekeren zin deden zij dan ook niet onder voor de goddeloozen. Weelderig en genotziek in hooge mate, vertoonden zij daarbij nog een schijn van vroomheid, met de muziekinstrumenten zooals David ze had ingesteld, voor de dienst in het huis Gods, — maar — de wijn werd uit schalen ') gedronken en de olie der zalving mogt niet ontbreken. De Heer evenwel rekent het hun tot zonde, dat zij zich niet in zak en asch neerzetten en het water der bedruktheid drinken, om de verbreking ,2) van Jozef, (vs. 6.) wiens naam niet zonder bedoeling door den propheet hier wordt genoemd. In de zegenbede van Jakob wordt Jozef genoemd; de Nazireër onder zijne broederen (Gen. XLIX : 26. Luther vertaalde Nuzir). Hij was de eenige onder de zonen Jakobs, die zich aan God had gewijd met een volkomen hart, van der jeugd aan. Afgezonderd, stond hij tusschen hen als een getuige Gods, en nu! . . . . Jozef was vernederd door zonde op zonde, en in stede van te zijn gebleven de Nazireër ouder zijne breeders, had hij zelf de Nazireërs Gods tot afval verleid. Waarlijk! er

1) vs. G. Wijn uit schalen', de LXX vertalen: wijn, die doorgezegen is, en daardoor gezuiverd, geklaard is. Zij denken dus niet aan gegist druivensap, maar versch druivenbloed, dat van de dikkere deelen der druif door het doorzijgen is ontlast.

2) Verbreking d. w. z. in den aanstaanden krijg, dien de vijanden zouden aanbinden tegen Israel, zal Israel, als door wrijving en stooten verbroken worden.

ocr page 104

92

was meer dan overvloedige redeu voor de godsvruclitigen om in zak en ascli neer te zitten; doch, liet ging Imn, helaas! niet ter harte, en de naderende verbreking was in hunne schatting nog zeer verre verwijderd. Tont connne chez nous.

Het ligt niet op onzen weg om een overzigt te geven van het verval van zedelijkheid en godsdienstzin in de dagen van Amos; wij hebben slechts aan te wijzen het verband tusschen den afval van Israel en het huldigen der drinkgewoonten; wij meenen dit te hebben aangetoond.

Ook de propheet Amos besluit, evenzeer als Joël, met het vooruitzigt op herstel. De vervallene hut van David zal weder opgerigt worden, (IX : 11) en de dagen zullen komen dat de ploeger den maaijer zal volgen, en de druiventrede!' den zaaijer, en de bergen zullen druipen van zoeten wijn, (ashis. Zie bl. 9) en de heuvelen zullen smelten. Met andere woorden: uwe volheid en uwe tranen zult gij den Heer weder kunnen aanbieden. (Exod. XXII: 29.) (Zie bl. 6.)

De propheet Obadja (Zie bl. 88) berispt vooral de hardvochtigheid der Edomieten; hij bestraft hun leedvermaak over de vernedering van Juda, en hunne hulp den vijanden verleend, om de vlugtelingen op te vangen en te dooden. Daarenboven wijst hij op een gebruik, dat zeer kenmerkend is voor de zedelijke ontaarding van die dagen. Doorgedrongen tot in Jeruzalem hadden de vijanden den heiligen berg, de plaats, waar de Tempel stond, ontheiligd door hunne feestvreugde der overwinning te vieren in eene uitgieting van overdadigheid, door te drinken en te zwelgen en den lof te verkondigen hunner goden, die hun de overwinning hadden gegeven. Wat zij dronken is niet twijfelachtig, en de LXX geven het duidelijk te kennen door te vertalen, in het tweede lid van vs. 16, „zoo zullen alle volken wijn drinken. Maar was de wijn, dien de vijanden dronken op den heiligen berg gegist druivensap, de wijn, dien zij als vergelding voor hunne godde-

ocr page 105

93

loosheid zonden moeten drinken, is de wijn der zwijmeling, de beker van den toorn Gods, dien zij ten bodem toe zouden moeten ledigen, als of er niets in geweest ware.

Het was dus in die dagen, zoo als 'fc nu bij ons is; — men kan geene vreugde smaken zonder den teug der bedwelming, en ontziet zich niet om daarbij zelfs het heiligste te ontheiligen.

Onder de godvreezende koningen bekleedt tlizkia ') eene eerste plaats. Indien hij vroeger ware oj^getreden, zou het hem misschien gelukt zijn eene meer algemeene hervorming te bewerken; nu echter slaagde hij maar ten halve. (Jit hetgeen wij lezen in II Kron. XXX blijkt dat de goddeloosheid zoo driest en onbeschaamd mogelijk hare stem deed hooren, (vs. 10) doch dat ook de godvreezenden onbeschroomd den naam des Heeren heiligden; (XXX1 ; 1) en de bereidvaardigheid, waarmede de eerstelingen ') en de tienden werden opgebragt pleit zeer sterk voor de opregtheid hunner vreeze des Heeren. Onder de regeering van Hizkia werd Hosea, de koning van Israel door Salmanasser onttroond, en Israel gevankelijk weggevoerd, terwijl het land in bezit werd gege-

1) Opmerking- verdient het, dat Sirach, waar hij den lof vermeldt der g'odvruchti'ye koningen van Juda, slechts noemt: David en Hizkia en Josia als die zich aan geene mishandelingen hebben vergrepen. (XLIX : 1—5) In XLVIII : 19 vermeldt hij Hizkia met bijzonderen lof; en hoewel hij Salomo's wijsheid en zijne gelukkige regeering hoog waardeert, hij betreurt zeer zijn' afval van den levenden God. (XLVII : 20—22) Daardoor wordt het duidelijk, dat hij door mishandeling verstaat: eenige gemeenschap met afgodendienst ot afgodendienaar, — voor Israel voorzeker ook de zonde bij uitnemendheid: — de vrucht van weinige achting en geringen eerbied voor den God huns heils, — en eene miskenning, die hen zeker ten ver-derve moest brengen, zooals hij dan ook de val van het rijk der X stammen, met volle regt, toeschrijft aan de weigering om zich te bekeeren van de dienst van Baal. (XLVIII : 16)

2) Lees in plaats van most — druif en in plaats van 0^0 — boomvrucht of olijven; sommige uitleggers meenen dat men in plaats van honig moet lezen dadels. (XXXI : 5) Door deze opvatting wordt het verklaarbaar hoe er, in vs. ö, 7 en 9, gesproken kan worden van hoopen.

ocr page 106

94

.ven aan onderdanen van den koning van Assyriê, die .«en' godsdienst leerden huldigen welke eene vermenging was van heidendom en Israëlitische beginselen. (II Kon. XVII : 5 enz. XVIII : 11, 12.) Een blik op deze toestanden is noodzakelijk tot regt verstand van de woorden der propheten, die in die dagen optraden.

Opmerkelijk is het dat de propheet Hosea de afvalligen in Juda en Israel dreigt met den dood door dorst. (II 2. ') De schandelijke miskenning van den God des hemels en der aarde, waardoor als gnnst der afgoden wordt beschouwd, wat eene gave is Zijner liefde, had haar toppunt bereikt, (vs. 4.) Onverholen wordt dit uitgesproken, en meer dan gegrond is de klagt des Heeren, als Hij zegt: „Zij, de overspelige, erkent toch niet, dat Ik 't ben, die haar geef koorn en druif en boomvruchtquot; (vs. 7.) Daarom zal de Heer al die zegeningen wegnemen, en doen ophouden alle feesten (vs. 8, vs. 10) en nu wordt de verwoesting aangekondigd van den wijnstok en den vijgenboom, (vs. 11.) Waarom worden juist deze genoemd? Wat den wijnstok betreft, ligt het antwoord voor de hand; de vrucht van den wijnstok werd tot een verontreinigd vocht verlaagd, dat bij de onheilige feesten den toon moest aangeven. Maar de vijgenboom? Het Hebr. stamwoord, waarvan het woord vijgenboom is afgeleid, wijst op boom in 't algemeen, maar herinnert tevens aan het stamwoord, waarvan het woord echtelijke omhelzing is afgeleid; door die woordspeling wordt het duidelijk, dat hier wordt gedoeld op de ontucht, die het wijngebruik steeds vergezelt, en onder eiken groenen boom werd gepleegd. ^) Verwonderen kan 't dus niet dat de propheet den dood aankondigt door dorst; dit strafgerigt is in overeenstemming met het

1) Ver». Amos IV : 8, en I Kon. XVII ; 1.

2) Zie Hosea IV : 13, li.

ocr page 107

95

vergrijp aan de heilige gave Gods, en door eene vergelijking met hetgeen wij vinden in de prophetiën van Micha wordt het nog te meer duidelijk waarom die dood hen zal overvallen. Immers terwijl aan Amos het propheteren wordt verboden, omdat het straigerigten aankondigt, (Amos VII: 10—13) treedt Micha op met de woorden: „als iemand tot n komt in den leugengeest en zegt: ik zal u propheteren over wijn en sterkendrank, (Hebr. shakar) dat is een propheet naar het hart van dit volk!quot; (II : 11) 1)

Het volk was dus eene prooi geworden van omtembare en onbedwingbare lust tot zwelgerij en dronkenschap, en de woorden van Jesaja den propheet bevestigen deze uitspraak.

In denzelfden ernstigen en bestraffenden toou, waarin Rosea de oordeelen Gods aankondigt, treedt ook Jesaja op voor

1

In: The Temperance Biblecommentarv wordt bij deze woorden de volgende opmerking gemaakt: Zeer bevreemdend mag men 'tnoemen, dat niettegenstaande zulke teksten als deze in de geschiedenis der Joden dikwijls voorkomen, mannen van erkende vroomheid en onmiskenbaar verstand en kennis, verblind zijn door de buitensporige misleiding dat in wijnlanden, — en vooral in de Oostersche — de matigheid inheemsch is! Het is er zooverre van af, werkelijk het geval te zijn. dat de Hebr. tekst mededeelt dat het volk zóó verzot was op het genot van bedwelmende dranken, dat een ieder, wie ook, (al miste hij alle kenteekenen van een' waar propheet) die hun daarvan overvloed beloofde, met graagte werd aangehoord, als ware hij werkelijk propheet, hoe valsch en zinnelijk zijne prophetic ook mogt zijn.

Hetzelfde verschijnsel ziet men in onze dagen; een gewillig oor wordt verleend aan hen, die, op allerlei valsche gronden, de maatschappelijke drinkgewoonten verdedigen en in bescherming nemen, en de, door men-schelijke vinding, bereidde vuurwateren verheerlijken als ..goede gaven of schepselen Gods.quot;

Zij die verstrikt zijn door de bedriegelijke meening, dat de ligte wijnen niet gevaarlijk zijn voor de goede zeden, mogen zich laten teregtwijzen door de volgende getuigenis uit Frankrijk: ..De overvloedige oogst van 1858 heeft de armoede veel verminderd, en bijgevolg ook de misdaden en de vergrijpen, die het gebrek na zich sleept, maar de rijke wijnoogst heeft daarentegen de slagen en de wonden doen toenemen, door twisten in de kroegen, door beleediging, verzet en aanranding der politie. In dergelijke omstandigheden vertoonen zich ook steeds dergelijke feiten.quot; — Revue cTEconomie Chrétienne. Paris. 1862. p. 171.—2.

ocr page 108

96

liet volk. Zijne woorden hebben echter iets zeer kenmerkends, daarin nam. dat hij ons de toekomst, als tegenwoordig voor oogen stelt. Door deze wijze van voorstellen verkrijgen zijne woorden eeneu dubbelen zin. Zoo bevat het 7e vers van Hoofdst. I, dat eene toekomstige verwoesting van het land verkondigt, tevens, op figuurlijke wijze, de beschrijving van den invloed der omringende heidensche volken, waarvan in vs. 6 de beschrijving reeds begint, en zoo wordt daar door Zion, de naam voor de godvreezenden in Israel, tevens aan Jeruzalem herinnerd, (verg. Jes. XXXVIII : 22.) in de aanstaande benaanwdheden. Maar dat Zion treedt daar op in zijne eigenlijke beteekenis, — vervullende de roeping van waken en beschermen, in wijngaard en komkomtnerhof, — en hoewel zwak en eenzaam, als een wachthut en eene tent des wakers, — toch ook tevens als eene versterkte stad, die door den vijand belegerd wordt. Staat het Zion van Jesaja voor zijn oog als liet zont in Israel en Juda, hij ziet tevens hoe de vijandschap der goddeloozen zich opmaakt, om de godvreezenden te belagen, en door het beeld eener belegerde stad plaatst hij zijne dagen in hetzelfde licht, waarin Hosea, Amos, Obadja en Micha het volk voorstellen.

Beschermend en behoedend treedt de gemeente des levenden Grods op; zwak en teeder als een loof hutje, en toch ook sterk als eene stad, die belegerd wordt. In dit schoone en zoo juist gekozen beeld schetst de propheet den werkelijken toestand van die dagen, en de zinspeling, die hij in vs. 22 maakt op het zilver en de soveh (wijn) is niet minder kenmerkend. Evenals hun zilver door hunne geldgierigheid en hebzucht (Zie V : 8) tot onedel schuim was geworden, dat in den smeltkroes zijne nietswaardigheid en onreinheid openbaart, was de soveh. (Zie blz. 10.) een der meest gezochte lekkernijen bij de maaltijden, dooide toevoeging van overtollig water ook smakeloos geworden en bedorven; — dus zelfs het voortreffelijkste was verwerpelijk geworden (Zie I : 11—14.)

ocr page 109

97

Over deu wijnstok of wijngaard in Jes. V, hebben wij reeds gesproken, (Zie bl. 64) maar moeten er nu op wijzen boe door de woorden in vs. 11 een toestand wordt geschilderd, die volkomen overeenstemt met de klagtvan Micha (II : 11), Hosea (II ; 4.) en Amos. (II : 6 — 12.)

Het tooneel, dat de propheet ons voor oogen stelt, verplaatst ons in den morgenstond. Vroeg maken zij, waarvan hier sprake is, zich op, — en waartoe? om sterkendrank na te jagen. Het is alsof ze 't Benhadad willen nadoen, of misschien hem nog voorbij streven in zwelgerij en brasserij. (Zie bl. 82, 83.) Sterke drank (Hebr. Shakar, hier zeer zeker gegist vruchtensap) wordt begeerd, en die begeerte prikkelt hen reeds in den morgenstond, Wij zien hier dus verslaafde drinkers voor ons. Dit blijkt ons te meer uit het vertoeven tot in de avondschemering, al drinkende en zwelgende, tot dat de wijn, de onheilige teug der bedwelming, het zijne er toe heeft bijgedragen om hen als in vlam te zetten. Deze beschrijving geldt hun dagelijksch leven, maar op hunne maaltijden moeten harpen en luiten en trommelen en pijpen het feest opluisteren, de wijn heeft het eergestoelte, én ten slotte moet het geld alles verantwoorden, (Pred. X : 19). Daarom heeft de ongeregtigheid de overhand verkregen, en worden huizen en akkers langs allerlei slinksche wegen in eigendom verkregen, en volgen de vrouwen in pracht, weelde en dartelheid de mannen op hunne wegen der goddeloosheid. (III : 14—26)

Do propheet Jesaja laat ons hier een' blik slaan in het leven der grooten, der aanzienlijken, der oudsten. (IH : 14) Hunne miskenning der vreeze Gods verbergt zich nog onder een schijn van betamelijkheid, — maar in de lagere standen en in de volksklasse zien wij de grofste onbeschaamdheid in de uitgietingen van zwelgerij en ontucht. (Zie bl. 87—91).

Wordt een icee uitgesproken over de brassers en slempers, hetzelfde wee treft allen, die er eene eer in stellen

7

ocr page 110

98

om veel wijn te kunnen drinken, (vs. 22.) De LXX, vertalen deze woorden zóó dat de belden of oversten tevens de met gezag bekleeden des volks zijn; en ook de mannen, die kloek zijn om sterkendrank te mengen, zijn volgens hunne vertaling tevens de machtigen, die hunne kennis ook handhaven als macht, met Sikera te mengen, d. w. z. het gegist vruchtensap nog smakelijker en begeerlijker, en ook nog meer benevelend weten te maken. Opmerkelijk is 't dat de LXX, ook bij deze woorden aan de hoofden en vorsten van het volk doen denken; — 't wordt daardoor duidelijk dat ook zij zich het volk voorstellen als krank en melaatsch, van het hoofd tot de voetzool.

Dat deze woorden ons werkelijk de bestaande toestanden schetsen, blijkt uit hetgeen wy vinden in Hosea VII ; 5: „het is de dag onzes Konings; de vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijne hand voort met de spotters.quot; De feestdag wordt dus een dag van wijn-zwelgen tot opwinding en verhitting; de spotter verleidt den vorst om gemeeue zaak te maken met de spotters; de vreugde en blijdschap bestaan in runderen te dooden en schapen te kelen, vleesch te eten, en wijn te drinken; en te zeggen: „Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij!quot; (Jesaja XXII : 13.) En wanneer nu de Heer angst en benauwdheid over hen brengt, zoodat zij op hunne legersteden huilen, is dit niet eene droefheid tot bekeering, helaas! zij verzamelen zich, d. w. z. zij komen zamen in hunne tempels om van hunne afgoden te begeeren het koorn en den druiftros (Hos. VH ; 14) !) In overeenstemming met deze voorstelling zijn de woorden, waarin de Propheet Jesaja het strafgerigt aankondigt, dat op zulke zwelgerij en brasserij noodzakelijk moet volgen. „De druif (tirosh) treurt, de wijnstok kwijnt, zij zullen geen wijn drinken met gezang; de zoete

1) Verg. Hos. IX : 2) „de dorschvloer en de wijnpers zal hen niet voeden, en de druiftros (die hier alle vruchten vertegenwoordigt, volgens Ge— oenius) zal ontbreken.

ocr page 111

99

drank (shakar) zal bitter zijn, dengenen die hem drinken; de vreugde der trommelen rust, het gezang der vrolijk-huppelende houdt op, de snaren der harp zwijgen. (XXIV : 7. 8. 9. 11.)

Het is niet bevreemdend, dat de Heer onder zulke omstau-digheden laat aankondigen, dat Hij allen stok des broods en allen stok des waters zal wegnemen (Jes. III: 1.) en tien bunders wijngaard niet meer zullen opbrengen dan één bath, en een bomer zaads slechts één epha; ') (V : 10.) terwijl de overvloed der wijnbergen voor de doornen en de disteleu zal zijn. (VII : 23) Immers, welke vrucht hadden de zegeningen Gods gekweekt in 't hart des volks? Afval van de dienst des Heeren. 1) Zij hadden Hem den trotschen nek toegekeerd, en waren, geestelijk afhoererende, de prooi geworden der schandelijkste ontucht, 2) der meest vernederende dronkenschap, en der laagste genotzucht, zoodat de propheet met volle regt klaagt: hoererij en wijn en druif' (Hebr. tirosh) heeft het hart ingenomen, (Hos. IV : 11) en Micha opnieuw aankondigt, ook indien de olijfboom'3) en de wijnstok vruchten zouden gedragen hebben: olijven zult gij treden, doch u niet met olie zalven; de druif (tirosh) zult gij treden, doch den wijn zult gij niet drinken terwijl ook de dorschvloer ledig zal blijven. (Mich. VI : 14) Alle stok des broods en alle stok des dranks zal verbroken worden, zoo als Jesaja het reeds had aangekondigd. (III : 1 4) „Wee mij!quot; zoo jammert Micha, „er is geen' druif (tirosh,) om te kunnen eten!quot; (VH : 1 c).

Zeer kenmerkend is hetgeen wij vinden in Jes. XIX : 14. De verdwaasdheid, waaraan de vorsten van Egypte wor-

1

3) Verg. Hosea X : 1.

2

Verg. Jes. XVI : 8, 9, 10; XXIV : 7, 11, 13.

3

Deze voorstelling- is het gevoelen van G-esenius.

4

Zie Wijsheid XI \r : 12.

ocr page 112

100

den prijs gegeven, wordt door den propheet voorgesteld als het gevolg vau een bedwelmend vocht, dat zy hebben gedronken. God-zelf heeft dien misleidenden drank gemengd; zij zijn dus geslagen met dwaasheid, (verg. Rom. I : 28) en van den weg des verstands afgedwaald, zoo zeer zelfs, dat hunne beraadslagingen doen denken aan de afzigtelijke vertooning, die de dronkaard te aanschouwen geeft, als hij het ingezwolgen vocht uitbraakt, en zich in dat uitspuwsel heen en weer wentelt.

Uit deze voorstelling blijkt ten duidelijkste dat de dronkenschap een buitengewone onbeschaamdheid had bereikt ; immers, de beschrijving van dit schandelijk tooneel onderstelt algemeene bekendheid van zulke voorvallen, omdat deze dikwijls, ja! misschien dagelijks werden gezien. Of nu deze en dergelijke toestanden ook in Egypte tot de bekende en gewone behoorden, wordt door deze woorden niet beslist; zooveel is echter zeker dat ze niet alleen in Israel maar ook in Juda, zoo 't schijnt, burgerregt hadden verkregen.

Wie daaraan twijfelen mogt, leze hoofdst. XXVIII van den propheet Jesaja. „Wee de hoovaardige kroon der dronkenen van Ephraim!quot; Deze beeldspraak wijst ous op Samaria, de hoofdstad van het land, die door de bloeijende wijnbergen, die haar omringden, getooid was als met een krans. Maar nu zul die krans, de bloemenkrans van den zwelger, weldra en spoedig verwelken, als de oordeelen des Heeren de zeer vette valleijen zullen treffen van hen, die verslagen of geslagen zijn door den wijn (vs. 1) (verg. Spr. XXIII : 35.) De hoovaardige kroon, de feesttooi de zwelgers, ') der

1) Aanleiding* tot deze beeldspraak vinden wij in de gewoonte, die bij de Romeinen evenzeer als bij Grieken in zwang* was, om zich bij feestmaaltijden met bloemenkransen te tooijen.

ocr page 113

101

dronkenen van Ephraim, zal vertreden worden, (vs. 3.) ').

Doch deze woorden bepalen zich niet tot Ephraim, — ook Juda deelt in die uitgieting der overdadigheid, waartoe de overvloed van Ephraim verleidt.

Priester en propheet beiden, dwalen van den wijn, dolen door den sterken drank, (shakar LXX sikera,) — zij dwalen in het gezigt en waggelen in 't gerigt, en zijn dus volkomen onbekwaam en ongeschikt voor de vervulling hunner roeping; (vs. 7.) want al hunne tafels zijn vol uitspnwsel en drek, zoodat er geen plek (rein) is. (vs. 8.) Zij 't nu dat hier op figuurlijke wordt gesproken over nitspuwsel en drek, de keuze der vergelijking bewijst de bekendheid met de toestanden, die door dronkenschap en brasserij te voorschijn treden.

Terwijl vroegere schilderingen ons de vorsten voorstellen, en ons tevens in blik doen slaan op de oudsten en welvarenden en den aard hunner ongeregtige handelingen; en erkennen wij zedeloosheid en ontucht als de zonde, die alles en allen beheerscht, deze woorden wijzen ons op de leiders des volks, die door hunne verslaafdheid aan den bedwelmden teug onvatbaar zijn voor hooger licht en ongeschikt om anderen te onderwijzen, en inplaats

1) Wij lezen in Joan IV : 5 dat de Heer door Samaria gaande te Sychar komt. Dit Sychnr is het oude Sychem of Sheehem, eene stad in Ephraim, zeer schoon gelegen tusschen den berg Ebal en den berg Gerizim. Onder den. naam van Nablous, eene verbastering van het Grieksche Neapolis (Nieuwe stad) bestaat zij nog. De naam van Sychar kan aan het vroegere Sychem om twee redenen door de Joden zijn gegeven, 1°. als afleiding van shahfer — leugen — als zetel van de afgodendienst, of van shikkor = dronkaard, als zinspeling op Jes. XXVIII : 7 en 8, waar de dronkenschap der Samaritanen wordt beschreven. De verachting, die de godvreezende Joden voor Sichem gevoelden, dagteekent van zeer vroegen tijd. Keeds Sirach zegt: „over twee volken is mijne ziel verstoord, en het derde is geen volk. (nam ) die hun zitplaats hebben op den berg van Samaria, en lieden, die in der Philistijnen land wonen, en het zotte (dw.-.ze) volk dat te Sichem woont. (I. 25, 26.) Waarschijnlijk dus als zinspeling op hunne dronkenschap, want Samaria was de zetel der afgoderij, als hoofdplaats uit vroeger dagen.

ocr page 114

102

van leiders tot verleiders zijn geworden. t) Tegen dezen overweldigenden stroom der goddeloosheid zal door de genadige leiding Gods een dam verrijzen. In Zion zal een grondsteen worden gelegd, die vastheid zal geven aan het Godsgebouw. Was de dochter Zions eerst slechts als een hutje in wijngaard en komkommerhof, omringd door vijanden, die haar benaauwen, nu wordt dat anders; het oordeel Gods zal haar verheerlijken, en het verbond met den dood en den doodenhouder, door priester en propheet ter hunner bescherming gesloten, zal vernietigd worden, omdat het niet nit God is.

Indien deze schildering van den zedelijken toestand van Juda en Israel, met de vermelding van de oordeelen, die daardoor over het volk worden gebragt, aanleiding mogt geven tot het doen der vraag; „zou dan ook zelfs een matig gebruik van den wijn, (hier gegist druivensap.) als ongeoorloofd moeten gerekend worden; zou 't tegen Gods bedoeling zijn geweest dat de Israeliet dat vocht dronk; mag de vreugde dan nimmer hare stem doen hooren?quot; indien, zoo herhalen wij, die vragen mogten oprijzen, dan is het antwoord gereed.

Veel te algemeen nog is de meening, dat de vreeze des Heeren (de uitdruking, in de Schriften van het 0. Testament, voor het geen wij, Christenen, bedoelen met het woord godzaligheid,) de vreugde bant. De gelijkenissen, die wij uit den mond des Heeren vernemen, leeren bet tegendeel. (Luk. XIV : 16—24, Mattb. XXII : 1—14.) Immers als Hij spreekt van een maaltijd en een bruiloft, is het duidelijk, dat Hij de vreugde niet buiten slnit, en in dezen slaat het O. Testament dezelfden toon aan. (Zie onder velen Spr. IX : 2.) Maar dat het den Israeliet, als in tegenspraak met Gods bedoeling, verboden of, wil

1) Zoude de profeet Jesaja ook hebben ingestemd met de woorden: „Bij den chocolade-ketel en de water-en-melk-karaf kweekt men geen geslacht van kloeke Calvinisten.'' — Hij verwachtte althans geen heil uit de wijnflesch.

ocr page 115

103

men liever, ontraden was het door gisting verontreinigd druivensap te drinken, is buiten kijf; — de veie waarschuwingen tegen het gebruik van dat vocht spreken meer dan duidelijk. Als wij bijv. in de Spreuken lezen: „Zieden wijn niet aanquot;, (XXIII : 31) volgt daaruit zeer natuurlijk, dat hij niet in den mond wordt genomen. )) Maar het gebruik van wijn, d. w. z. van druivenbloed, wordt door God niet veroordeeld, ofschoon door de woorden, die ons als uit den mond Gods door de propheten worden medegedeeld, dat gebruik niet wordt aangemoedigd, zelfs niet wordt genoemd. Integendeel, hoewel onder de beloften, die wij in de prophetiën van Jesaja aantreffen, ook deze behoort: „En de Heer der heirscharen zal op dezen berg allen volken een' vetten maaltijd maken, eenen maaltijd van reinen wijn, van vet vol merg, van reine wijnen, die gezuiverd zijnquot;, (XXV : 6) wordt daardoor het wijngebruik niet in bescherming genomen, zooals uit eene juistere vertaling en omschrijving blijkt.

De vette maaltijd herinnert aan Deut. XXXII: 14, waar gesproken wordt van het vette der nieren, d. w. z. de kern, het wezenlijke, der tarwe. Een maaltijd van reinen wijn is eene uitdrukking, die zichzelve tegenspreekt, en een gebrekkige vertaling verraadt; de Hebreeuwsche tekst bedoelt ook iets anders, en spreekt van ingelegde vruchten, die als bijzondere lekkernijen bekend stonden. Vet vol mercj wijst waarschijnlijk op den rijkdom aan voedende meel der peulvruchten, (zooals bij ons bijv. de ca-pucijner-erwten) — in elk geval op eene bereiding van voedingsmiddelen, die zich onderscheiden door krachtvol gehalte. Nu volgt: „reine wijnen, die gezuiverd

ocr page 116

104

zijnquot;, — eigenlijk eene vruchtbereiding, (nu waarschijnlijk uit de druif) die met groote zorg is vervaardigd. Geheel in overstemming met deze belofte zijn de woorden in Jes. LV : 1: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren! en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en

eet,......wijn en melk! Ook hier blijkt uit de

uituoodiging tot eten, dat er geen sprake is van wijn, als vocht, maar of van druiven, die met keur van tarwebrood ') werden gegeten, of aan eene bereiding der druif, die met melk werd genuttigd.

Uit beide deze plaatsen komt men tot de gevolgtrekking, dat de wijnstok door God steeds wordt aangemerkt als, door zijne vrucht, behoorende tot de voedingsmiddelen, terwijl den dorstigen het water, en geen andere drank, wordt aangewezen; waaruit op nieuw blijkt dat het water de door God voor den mensch bestemde drank is.

Opmerking verdient het, dat de godvruchtigen in Israel de hooge waarde van het water steeds hebben erkend. Zelfs ook in de dagen na den terugkeer uit de ballingschap, vinden wij daarvan sterk sprekende bewijzen. Waar Mozes tot het volk zegt: het leven en den dood heb ik u voorgesteld, (Dent. XXX : 19) daarbij denkende aan het al of niet onderhouden der geboden Gods, gebruikt Sirac.h (XV : 16) het beeld van vuur en tvater, waar hij de vruchten van de vreeze des Heeren plaatst naast de vergelding der goddeloosheid; en zeer eigenaardig is het gebruik, dat hij maakt van de belofte in Jes. XXXIII : 16, als hij de ligchamelijke en geestelijke zegeningen der vreeze Gods zamenvat in de woorden: „Zij zal hem spijzen met brood des verstands en met water der wijsheid zal zij hem drenken.

Mozes' woord; wijn '1) en sterkendrank hebt gij niet ge-

1

Bij deze woorden teek'ent The Temperance Bible-commentary het volgende aan: „Wij zien hieruit dat het volk van Israel, gedurende hun'

ocr page 117

105

dronken, (Dent. XXIX: 6) was voor lien niet te vergeefs gesproken, en zij hebben zich wel ter dege gewacht, niet slechts voor den bedwelmenden teug, waartegen Sirach nitdrukkeliik waarschuwt als tegen den bondgenoot der ontucht, (XIX ; 2) maar ook voor het gebruik van reinen wijn, in zooverre als verheuging des harten en verzadiging der begeerte, zoo ligt aanleiding wordt tot vergeten en verzuimen der waakzaamheid. Daarom waarschuwt hij: (IX : 10) bij eene getrouwde vrouw zit geheel en al niet, en maakt geen gelach met haar bij den wijn, dat niet te eeniger tijd uwe ziele tot haar neige, en gij met uwen geest niet valt in het verderf. Het is duidelijk, dat hij hier niet denkt aan ontucht; (zooals in XIX : 2) hier denkt hij aan de verwarring des gemoeds en aan een strijd des geestes, dien men gehouden is te ontvlugten. ') (verg. Dent, XXXII : 15.)

Wij merkten vroeger reeds op dat sommige strafge-rigten, die de Heer over zijn volk brengt, worden aangekondigd onder het beeld van zwijmelwijn, wijn der beving. (Zie bl. 60—62.) Ook de propheet Jesaja bezigt dit beeld, zoodat het niet twijfelachtig is waar de wortel moet gezocht worden van de boosheid, die het volk heeft verdorven. De helcer der grimmigheid 1) (van de hitte zijns toorns) spreekt het duidelijk uit, dat het onheilige vocht, waarmede deze

1

Zie bl. 10 op 4 hharnar, dat op eenige plaatsen wordt vertaald door: vurig venijn, heet vergif. Verg. JDeut. XXXII ; 24-. Job XXI : 10 Ps. LVIII : 5. Hos. YII : 5.

ocr page 118

106

werd gevuld, het volk heeft verdorven, (LI: 17) en daarom tot op den bodem moet geledigd worden; terwijl de bedoeling van het beeld, — het strafgerigt Godes ten gevolge van het wijngebruik, d. w. z. de verraderlijke teug der bedwelming, — in vs. 21 in een helder licht wordt geplaatst door de woorden: „gij dronkenen, doch niet van wijn!quot; (verg. XXIX : 9.) Daar het aangekondigde strafgerigt het doel zal bereiken, dat God zich voorstelt, nam. de verootmoediging van het volk en zijn terugkeer tot de dienst des Heeren, zal die beker worden weggenomen van de hand, waarop hij was gezet, en den vijanden worden voorgehouden, die Israel hebben vertreden, en aan dezelfde zonden zich hebben schuldig gemaakt, (vs. 22 en 23.) ')

Deze bekeering des volks was echter, helaas! verre van algemeen. Dit wordt duidelijk door de afwisselende aankondiging van zegen en straf, en vooral door de woorden, waarvan de propheet zich daartoe bedient.

Zoo lezen wij in zeer liefelijke beelden heerlijke beloften in Hoofdst. LV11I : 11, LX : 6, 7, LXI : 5, 6, LXII: 8, 9 en LXV : 21, Verg. Ezech. XXVIII ; 26, (zie ook XXVII : 2, 3,) doch tegenover deze verkwikkende woorden, ontmoeten wij een paar beschrijvingen van toestanden, die 't meer dan duidelijk aantoonen, dat de magt der onverzadelijke genotzucht, die alles vertrapt wat edel en schoon is, verre van gefnuikt was. En wat dezen toestand tot een der meest bedroevende maakt is dit: het zijn juist de leidslieden, zij, die als beschermers en wachters moesten optreden, welke hunne dagen in brasserij en zwelgerij doorbrengen, en door hun voorbeeld de goddeloosheid bestendigen en bevorderen. „Komt herwaartsquot;,

1) Tot welk een ontzettende diepte het zedelijk peil van het volk was gedaald, blijkt uit Hoofdst. XXXII : 10 en 12, waar wij lezen dat de wijnstok geen oogst zal opleveren, en de vruchtbaarheid der beste akkers zal ophouden, en men ook zal klagen over de borsten, — een bewijs dat alle spijze en drank op godonteerende wijze werd misbruikt, en de onteering van het ligchaam daarmede gelijken tred hield.

ocr page 119

107

zoo spreken zij, „ik zal wijn halen, ') en wij zullen sterken drank zuipen, en de dag van morgen zal zijn als de dag van heden, groot, buitengewoon, — dus nog overvloediger in 't genot, waarin men zich heden heeft gebaad (LVI : 12). 1) Zoo ook leveren ons de woorden in Hoofdst. LXV : 11 eene schilderij, waarin de priesters opnieuw optreden als den berg des Heeren ontheiligende door het aanrigten van maaltijden, na de offeranden aan allerlei afgoden, en het plengen van gemengden drank voor de Fortuin, van welke men allerlei aardsche goederen afsmeekte. 2)

Wij zijn aan het einde van Jesaja's woorden. Indien wij ons plaatsen voor de vraag: hoe moeten wij ons den toenmaligen toestand van Juda voorstellen? dan kan het antwoord niet anders zijn als: bedroevend.

Immers, niettegenstaande de pogingen der vrome koningen om de dienst des Heeren in vorigen luister te herstellen en te bestendigen, en de herhaalde opwekkingen aan het volk om zich van harte tot den Heer te bekeeren, handhaafde de zonde hare heerschappij over het grooter deel van de inwoners des lands, en openbaarde hare dienst

1

Hebr.: sah-bah — tot verzadiging drinken, — hier: overmatig drinken = zuipen; (zie bl. 10) voor Shakar sterke drank, zie bl. 5.

2

Bij deze woorden teekent The Temperance Biblecommentary het volgende aan: „opvullers des dranks voor dat getal.' (Hebr. lasnéni mimsahJt) een' gemengden drank voor Fortuna; LXX, kaïplerountes tei tuchee kerasma, die don gemengden drank vult voor F.: Vuig., te libatien super cam (Fortunam) en gij hebt plengoffers gemaakt voor haar (Fortuin ) Medi was waarschijnlijk de naam eener godin, die door de afgodische Joden werd aangebeden, en aan welke eene offerande werd aangeboden van gemengden drank (mimsahk), bestaande uit wijn en allerlei kruiderijen.

ocr page 120

108

op de meest onbeschaamde wijze m al de giuwelen, die de afgodendienst steeds vergezellen en die haai top punten einddoel bereikten in zwelgerij en ontucht, waartoe het plegen van alle andere goddelooze ongere^ ti«-heden moesten medewerken. Blijkt het da J godvreezenden het water, de melk, het druivenbloed en het vruchtensap, oorspronkelijke en natuurlyke dranken, in eere werden gehouden, en groote achting genoten, de van-God-vervreemden kenden geen hooger genot dan het drinken en zwelgen van het door gisting 01 heiligde, bedwelmende druiven- en vruchtensap, den wijn

Gil den sterken clrcUilv.

De propheet Hosea slaat denzelfden toon aan. Al bes

hij zijne woorden met een zeer liefelijk beeld_ van vi ede en rust en welvaart, waarbij hij den edelsten wipi gedenkt, dien het Joodsche land oplevert, den wijn van den Libanon 1V (XIV ; 8.) in de voorafgaande hoofdstukken vi den wij treurzangen, die klagten uitstorten over de mt-. spattingen, waaraan het volk zich, in onbedwmgbaren lust,

hin7n Spreekt hij van het feest des konings en de daarmede gepaard gaande schandalen en m het IXe hoofdst.

6lel »ii ie .wat «H g5 lt;gt;» ém lt;**»

gezetten hoogtijdsdag en op een feestdag des Heeien^ want hun was aangekondigd, dat ze geen drankofieis van wijn zouden plengen, die den Heer toch met zouden be-

wit:

den -wijn, c ie j .o-ouden wijn). De gewoonte om het drui-

onder den naam van ^ in \0 Hpt tefenwoordipr

venbloed te koken, vond hij bijna overal In quot;Jn boek ,Het ^ogenw g

roede is gekookt, heeft hij nagenoeg den smaak van Bordeau. J .

ocr page 121

109

hagen; liet geofferde zou zijn als treurbrood, en verontreinigen, wie het zouden eten, daarom zouden zij zeiven het eten, en het niet in het huis des Heeren mogen brengen. Hadden zij spijs en drank ontheiligd; en in hunne wulpsche feesten zich daarmede verontreinigd, zoo ontvingen zij nu hunne vergelding, naar de wegen die zij hadden bewandeld.

Ook door dezen propheet klaagt de Heer op dezelfde wijze als door den propheet Jesaja, toch vernemen wij ook uit Zijnen mond dat Israel Hem steeds dierbaar bleef. Immers als druiven, die men in de woestijn vindt, en als de eerste vrucht van den vijgeboom, (IX : 10.) zóó was Hem Israel geweest, — maar zij verzwagerden zich aan Baal-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gansch verfoeijelijk in hunne boelerij. Dat hier uitdrukkelijk aan Baill-Peor wordt herinnerd, is niet zonder reden. Indien de Israelieten zich hadden bekeerd van dien boozen weg, zon het woord van den God, die gaarne vergeeft en de zonden niet meer gedenkt, zich ook hier niet verloochend hebben, — maar het is ons uit alles wat wij vonden, meer dan duidelijk geworden, dat Israel zich met wellust baadde in de genietingen der zonde, en zich daarin omwentelde als een dronkaard in zijn uitspuwsel. En zoo is Israel geworden een uitgeledigde wijnstok; hij brengt vrucht voor zich, maar naar de veelheid der vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd. (X : 1.) ') Hij heeft geene der vruchten den Heer geheiligd en afgezonderd, integendeel, met zorg heeft hij den wijnstok van zijne vruchten beroofd om ze dienstbaar te maken aan de dienst der afgoden. Welke bedroevende en voor Israel beschul-

ocr page 122

110

digende beelden, rijzen door deze woorden op voor onzen geest: Btiill Peor, de wijnstok, zijne heerlijke vracht, zijne ontheiliging, de ontheiliging van den wijnstok Gods, — helaas, helaas! — zóó wordt de verontreinigde gave Gods de bondgenoot en de steun der schande!ykste ondankbaarheid. Ach! dat Israel naar Mij gehoord hadde, dat Israel in mijne wegen hadde gewandeld! Ps. LXXXI : 14. Zóó moest de Heer klagen over Zijnen Eerstgeborenen, dien Hij zich ten heiligdom had afgezonderd.

Onder de laatste werkzaamheden van Hizkia vinden wij opgeteekend, dat hij scliathnizen maakte voor de inkomsten van koren en most en olie. ') Deze scliathnizen, geene schatsteden of vastigheden, dienden allerwaarschijnlijkst als voorraadskamers voor de menigte der dienaren, die liet opzigt hadden over zijne goederen; en uit de woorden tirosh en yitzhar blijkt, dat het verzamelde en opgetaste gebruikt werd tot voeding. Hizkia zal het genot van druivenbloed, reinen wijn, zeker niet versmaad hebben, maar hij eerbiedigde toch ook tevens de bedoeling Gods, die de vrucht van den wijnstok onder de voedingsmiddelen plaatste. Geheel anders deed, zooals wij vroeger opmerkten, Rehabeam, (zie bi. 77) die in zijne vijftien schatsteden ook den wijn, natuurlijk den spotter, niet liet ontbreken.

Zoo ontsliep Hizkia, en met zijn heengaan sluit een der schoonste tijdperken van Juda's geschiedenis; schoon en heerlijk, door de pogingen om de dienst des Heeren in hare oorspronkelijke reinheid te herstellen; pogingen die, hoewel slechts ten deele geslaagd, het losbreken der strafgerigten over Juda vertraagden. Van afwenden kon echter geene sprake meer zijn, want de meest onbeschaamde goddeloosheid had eene schikbarende hoogte bereikt, en was hemeltergend geworden.

1) Lees: koren en de vrucht van den wijnstok (Hebr. tirosh) en de olijven en overige boomvruchten. (Hebr. Yitzhar.)

ocr page 123

Ill

De zoon van den vromen Hizkia wandelde niet in de wegen zijns vaders. Op twaalfjarigen leeftijd den troon bestijgende, werd Manasse waarschijnlijk al zeer spoedig verward in de strikken, die hem werden gespannen; want had de krachtige persoonlijkheid van Hizkia door zijn beslist handelen de boosheid in bedwang gebonden en velen genoopt tot een vertoon van vroomheid waaraan alle ernst vreemd was, nu hij was heengegaan verhief de goddeloosheid onbevreesd haar hoofd, en werd het masker der vreeze Gods met vreugde weggeworpen. Meer dan zeker is 't dat de regeering van Manasse rijk is geweest aan allerlei uitspattingen van zedeloosheid, waarbij de spotter eene hoofdrol vervulde, maar daar zipie geschiedenis zeer beknopt wordt verhaald, vinden wij dienaangaande niets opgeteekend, en ook het gebed van Manasse, in de apokr. boeken, vermeldt daaromtrent niets.

Niettegenstaande Manasse's bekeering wandelde zijn zoon en opvolger Anion als een afvallige van den God Israels, doch in Josia ontmoeten wij een' der voortreffelijkste vorsten die over Juda hebben geregeerd. ')

In zijne dagen en ook in de dagen zijner opvolgers, loahas, lojakim, lojachin en Zedekia, traden als propheten op: Jeremia, Habakuk, Zefanja en Nahum.

Zeer uitvoerig wordt ons in II Kon. XXII en XXIII, zijn streven, tot herstel der vreeze Gods onder het volk medegedeeld. ') Het is eene breede lijst, die ons de na-

1) Zeer opmerkelijk zijn de uitdrukkingen, die Sirach beziet om zijn lof te vermelden. Hij zegt: De gedachtenis van Josia is als een tezamen gemengd reukwerk, toebereid door de kunst des apothekers; zij is zoet in den mond van een iegelijken als honig, en als een muziekspel in een wijnbanket. Hij heeft zich regt gedragen in de bekeering des volks, enz. (XLX : 1—o). In een wijnbanket — en sumposio oinou-, een bewijs, dat in de dagen van Sirach niet bij elk gastmaal de spotter het hoogste woord voerde, maar soms ook de muzen voorzaten; mousikon kai liton deipnon. — volgens Riemer: ein philosophisches und frugales Mal, wobey die Musen prasidiren.

2) Hiermede overeenstemmende is de inhoud van li Kr. XXXIV en XXXV.

ocr page 124

112

men vermeldt der afgoden, wier dienst liij verstoorde, waaruit blijkt, dat de afgoderij, waaraan Salomo zich schuldig had gemaakt, zich had staande gehouden tot in zijne dagen. (XXIII : 13) Niet minder bedroevend is hetgeen wij lezen in vs. 7. De tegennatuurlijke ontucht, welke hier genoemd wordt, werd reeds in de dagen van Kehabeam gepleegd, (I Kon. XIV : 24) en niettegenstaande Asa er zich op toelegde om dien gruwel uit te roeijen, (l Kon. XV : 12), vinden wij van Josaphat opgeteekend dat luj deze ergernis verder opruimde, daar 't zijnen vader niet gelukt was die geheel te verdrijven (I Kon.XXII: 47). Het kwaad was echter door deze maatregelen wel gestuit, maar niet uitgeroeid, zooals blijkt uit de woorden in vers 7.

Wat wij daarenboven nog vinden van hetgeen de vrouwen bezighield, voltooit de afschuwelijke schildering, die ons het zedelijk verval in zijne diepte doet aanschouwen. Wijzen de mededeelingen omtrent bosschen en hoogten en groene boomen ') op het plegen van ontucht, die de afgoderij steeds vergezelt, het weven van huisjes 1) voor het bosch had ook geene andere bedoeling dan deze, om tot liet plegen van ontucht uit te noodigen, en dit gemakkelijk of uitlokkend te maken. Immers liet woord hosch wijst op de dienst der Venus van de Sidoniërs, de Aschera ook Astharoth genoemd. (Verg. bl. 88.) Dat de wijn uit de velden van Sodom zijnen naam als vurig drakenvenijn en heet adderenvergif ook bij deze schandelijkheden handhaafde, en bewees dien naam volkomen te verdienen, wie zou daaraan kunnen twijfelen V

Verwonderen kan 't dus niet dat aan Josia in den naam des Heeren werd geboodschapt, dat het kwaad zeer zeker zal komen en de verwoesting niet zal uitblijven, doch dat hij tot zijne vaderen zal verzameld worden, en zijn stof

1

De St. Vert, heeft hier de geheel overtollige inlassching [beeld van het].

ocr page 125

113

in vrede in het graf zal worden neergelegd, zoodat zijne oogen de verwoesting niet zullen aanschouwen, (II Kon. XXII : 20) en waar wij in Jer. XXII : 10 waarschijnlijk eenige regelen lezen uit den klaagzang, dien de Propheet bij het afsterven van Josia ontboezemde, (II Kron. XXXV : 25) kan 't ons niet bevreemden dat hij uitroept: 3Weent niet over den doode, en beklaagt hem niet!quot;

De zoon van Josia, die hem opvolgde, werd afgezet en gevankelijk weggevoerd 1) naar Egypte, en zijn kleinzoon naar Babel 2) terwijl na verloop van drie maanden en tien dagen ook zijn zoon naar Babel werd gebracht en zijn broeder Zedekia op den troon werd geplaatst. „Weent vrij over dien, die weggegaan is; want hij zal nimmer meer wederkeeren, dat hij het land zijner geboorte zie.quot; :!) Zoo jammert de Propheet, die zijn vaderland meer dan zich zelf bemint, en terwijl hij die jammerklagt uitspreekt, rijzen voor zijn betraand oog de beelden der zonde van Juda's koningen; hij ziet de weelderige paleizen, hoort het geroep der werklieden, die tot God schreijen om hun loon, en bloedvergieten, verdrukken, overlast aandoen, alles trekt voorbij zijn' geest, en als bron en toppunt van die gruwelen aanschouwt hij de onverzadelijke genotzucht, (St. Vert, gierigheid) waaraan oor/ en hart zich hebben overgegeven, (vs. 37). 4)

1) II Kon. XXIII : 30—34. Pharao Necho nam Joahaz mede naar Egypt® al waar hij stierf.

2) II Kon. XXIV: 15. Zoo voerde hij (Nebukadnezar) Jojachin weg naa • Babel enz.

3) In Jer. XXII: 11 wordt de zoon van Josia, koning1 van Juda-Sallum genoemd. Zeer waarschijnlijk is deze naam eene toevoeging- of bijvoeging aan den naam Joahaz, na de geruststellende verzekering door den Propheet dat Josia in vrede zal heengaan ter belooning zijner godsvrucht. Joahaz beteekent: God is houder behouder d. i. die het bezit verleent, en Sallum wil zeggen: Vergelder, aan Joahaz toegevoegd ter herinnering aan de belofte van God. Verg. 1 Makk. II: 1—5. Het is niet waarschijnlijk dat met Sallum wordt bedoeld de vierde zoon van Josia. (I Kron. III: 15) daar deze niet heeft geregeerd.

4-) Ook hier gebruiken de LXX het woord: pleonexia. Vergelijk bl. 27 de noot onder 1).

8

ocr page 126

114

Het woord genotzucht zooals 't hier voorkomt, wijst dus op de meest weelderige levensw^ze, die men kon bedenken; de wellustige dartelheid, die daarmede onafscheidelijk gepaard gaat, ja! bron en gevolg daarvan is, vond zeer zeker in den spotter een bondgenoot harer waardig, terwijl zij zich het bezit van oog en hart zoo zeer had verzekerd, dat er geen lust ontstaan kon tot bekeering, en zelfs de vrees voor de aangekondigde strafgerichten geene verandering kou te weeg brengen. Ook Zedekia wordt verzadigd met de vrucht zijner handelingen, (XXI : 14) en de heerlijkheid van Juda gaat onder in bloed en rook en vlammen! Van de annsten des lands mochten er eeni-gen achterblijven als wijngaardeniers en akkerlieden (II Kon. XXV : 12 en Jer. XXXIX ; 10 en Lil : 16,) maar het meerendeel werd gevankelijk weggevoerd en velen werden gedood, (vs. 11, vs. 20.)

De berigten, die uit de geschiedenis van die dagen tot ons zijn overgekomen, bevatten geene mededeelingen, waarin iets voorkomt over het wijngebruik en zijn invloed op het maatschappelijk leven; — wij zullen dus de schriften der propheten moeten raadplegen om te zien of deze ons daaromtrent inlichten.

Wij beginnen met Zephanja. De oordeelen, die hij aankondigt en de vooruitzigten van verlossing en bevrijding voor hen, die den Heer zullen zoeken, zijn geheel en al in overeenstemming met hetgeen vroegere propheten hebben gezegd. AVij mogen dus veilig vaststellen, dat de toestand van het zedelijk leven des volks niet verbeterd was.

Lezen wij, dat het vermogen, grootelijks door roof verkregen, ') ten roof wordt overgegeven, en zullen hunne huizen, die zij door onregt hebben verkregen en nog bezig zijn te bouwen, door verwoesting getroffen worden, dan staan deze oordeelen in verband met de zondige begeerte,

1) Vergelijk Jer. XXII: 13—17 en vs. 11, 12, met Zeph. I; 1—3 en vs. 13.

ocr page 127

115

waaraan zij hebben bot gevierd, — en zoo is ook de vermelding van den droesem, die aan afgetapten wijn doet den -ken, eene herinnering aan hun buitensporig wijngenot; daarom zullen zij wel wijngaarden planten, maar den wijn daarvan niet drinken (vs. 12, 13). De propheet spreekt niet van het eten van de vrucht des wijnstoks; daar denken de Beliaskinderen niet aan; zij kennen geen hooger genot dan drinken, — en zeker is de spotter een waardig dischgenoot bij den roover en den onregt-vaardigen!

Terwijl Zephanja ook over Nineve het oordeel verkondigde, is de prophetic van Nahum daar geheel mede vervuld; en daar wij reeds in II Kron. XXXIII : 9 lezen, dat Juda en de inwoners van Jeruzalem erger deden dan de Heidenen, die de Heer voor het aangezicht der kinderen Israels had verdelgd, maken wij ons niet schuldig aan overdrijving als wij beweren dat het zedelijk peil van Israel niet hooger stond dan dat der inwoners van Nineve.

Van hen lezen wij nu, dat zij in elkander gevlochten zijn als doornen, welke voorstelling ons een beeld levert van de banden der zonde, (waaraan de doorn herinnert. Zie Gen. III : 18) die hen vereenigen en geketend hebben; en daarmede gepaard is hunne overgegevenheid aan het wijngenot, waardoor ze, als onbekeerlijke kinderen des toorns, door het vuur zullen verteerd worden, (vs. I : 10 1).

De prediking van den propheet Jona had dus slechts een oppervlakkige en voorbijgaande bekeering uitgewerkt. Zeer opmerkelijk zijn de woorden, die in hoofdstuk III : 11 voorkomen: „Ook zult gij dronken worden,quot;

1

De Hebr. tekst luidt: uk sahvahm, seauim: „daar zij met hun sohv (Zie bl. 10.) ~ genrigcn wijn, doortrokken zijn. De LXX vertalen geheel anders. Zij zeg-gen: want zelfs zijn grondveste zal ontbloot worden, en zal verdaan worden als ineengewrongen struiken, en als verdroogd stroo.

De V. heeft: sic convivium corum pariter potantium, zoo is hun feest als (dat) der zwelgers of zuipers.

ocr page 128

116

zoo spreekt de propheet, „gij zult u verbergen, ook zult gij eene sterkte zoeken van wege den vijandquot; en deze woorden zijn letterlijk vervuld geworden. Diodorus Siculus, die de inname beschrijft van Nineve door Arbaces, de Mediër en Belesis, de Babyloniër, verhaalt dat de Assy-riërs, nadat zij eene overwinning hadden behaald op hunne belegeraars in de vlakke velden, zich zeer zorgeloos aan feestelijkheden en dronkenschap overgaven; de vijand kreeg daarvan kennis, overviel hen en na eene geduchte nederlaag, verjoeg hij allen die niet werden gedood of gevangen genomen, naar de sterkten der stad, die echter later werd ingenomen en verwoest. Hetzelfde lot zou Juda treffen; — ontkomen zou onmogelijk zijn; — ook zij, de inwoners van Jeruzalem, gaven zich zoo zorgeloos over aan losbandige genotzucht, bij wijn en ontucht, dat ze onvatbaar waren voor bekeering, en de strafgerigten hen onvermijdelijk moesten treffen.

De woorden van den propheet Habakuk dragen, naar 't mij voorkomt, den stempel, dat ze de uiting zijn van een diep bewogen gemoed. Het aanschouwen der ongeregtig-heid grieft hem, en de zekerheid, dat de vijand zal opkomen, en de verwoesting zijne schreden zal kenmerken, ontzet hem, — en toch, te midden van al zijne smarten, vertroost en versterkt hem de gedachte dat de aarde vervuld zal worden met de kennis des Heeren gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. (II : 14.) Maar de vijand zal zich verhoovaardigen, en zooals de visscher vertrouwt op zijn garen, zal hij zijne kracht eeren als zijn God, en deze verheffing zijns harten zal hem tot een1 strik worden en een' val. En terwijl de propheet dit aanschouwt, rijst ook voor zijn zieners oog de bondgenoot en medgezel der trouweloosheid en der trotschheid — de wijn. (II : 15.) 0

1

Hebr. ve-aph ki hay yayin bogad: nu waarlijk de wijn is bedriegend

ocr page 129

117

De zonden der vijanden en de overtredingen van zijn volk betwisten elkander beurtelings den voorrang voor zijn prophetisclien blik, 1) en zoo vertoont zicb aan zijn' geest een tooneel, dat hem met diepe smart vervult, niet alleen omdat het tooneel zelf hem pijnlijk aandoet, maar vooral ook omdat hij daarin eene der grootste belemmeringen erkent voor het spoedig aanbreken van de heerlijke dagen, waarin de aarde vervuld zal zijn met de kennis des Hee-ren (11 : 14.) Immers, na liet uitspreken dezer heugelijke belofte, ontsnapt hem aanstonds een wee! der jammer-klagt, — en zie! opnieuw is 't de wijn, die hier weder optreedt als de bondgenoot van het rijk der duisternis, en die klagt — geregtvaardigd wordt zy slechts daardoor, dat door dat wee! wordt gewezen op een toestand, die het leven des volks kenmerkt en beheerscht. '2) Herinnert het woord naaktheden aan de eerste vrucht, die de teug der bedwelming afwierp, het wijst tevens op de bedoeling van den schenker, dien het daardoor gemakkelijk zijn geweld kon plegen en zijn roof volvoeren; — maar hun

1

Opmerking- verdient de uitdrukking: Kwade gierigheid, in II : 9 De LXX hebben hier: pleonexian kakeen d.i. eene begeerte naar overvloed, die van ongeoorloofde middelen gebruik maakt. Luther vertaalt: der da geizet zum Ur.g-lück seines Hauses. Segond: a celui qui amasse pour sa maison des gains iniques.

2

Verg-. 5. „gij die uwe wijnflesch daarop voeg-t.quot; „Gij, die hem uwen verhittenden (venijnachtigen) drank schenkt,quot; is eene juistere vertaling. Het Hebr. heeft hier eene werkw. dat uit Khamar is gevormd Zie bl. 10 en de daar vermelde teksten.

ocr page 130

118

loon zullen ze ontvangen, die godvergeten boosdoeners, en de Heer zal hun den beker zijner regterhand, den strafbeker der vergelding, doen ledigen: zoo zal hunne heerlijkheid tot schande worden, en de onbesneden voorhuid van hun onbekeerlyk gemoed worden aanschouwd, Avanneer hun eigen uitbraaksel hunne goddelooze verheerlijking zal verontreinigen en bezoedelen.

Is 't wonder dat het gemoed van den proheet, in gestadige beweging gebragt door de tooneelen, die zich aan hem vertoonen, tot in zijne nieren is geschokt en ontroerd? Waar hij de vergelding voor de goddeloozen ziet naderen en tevens aan de redding deukt, die God voor de zijnen beschikt, troost het hem dat hij de benauwdheid niet zal aanscbouwen, III : 16. Maar toch verwacht hij zware tijden berooving der kudden, ontbloo-ting der stallen, misgewas der velden, vijgeboomen zonder vrucht, olijfboomen, die hunne vrucht afwerpen eer ze rijp is, en ook een wijnstok die geene vrucht zal dragen, — maar, niettegenstaande dit alles, zal hij van vreugde opspringen in den Heer, en zich verheugen in den God zijns heils! Zóó eindigen de woorden van Habakuk.

Wij zijn genaderd tot de woorden van Jeremia. Ook hij klaagt evenals de andere propheten over de ontrouw van het volk, en gebruikt in het He hoofdstuk, in vs. 21 hetzelfde beeld, dat wij bij den propheet Jesaja vinden in het Ve hoofdstuk, namelijk het beeld van den wijnstok. Wijst de keuze van het beeld op de voortreffelijkheid van de vrucht van den wijnstok dan is 't buiten kijf dat het ontheiligen van die vrucht eene goddeloosheid is van groote beteekenis, waarmede dan ook de afval van den waren God wordt vergeleken. De woorden „verbasterde ranken van een vreemden wijnstokquot; herinneren aan den wijnstok van Sodom, (Deut. XXXII : 32) zij geven tevens, als zinnebeeld van Israels afval, zeer duidelijk te verstaan

ocr page 131

119

hoe de propheet denkt, neen! hoe God-zelf denkt, over de ontheiliging van het druivenbloed in een teug, die bedwelmt en benevelt.

Ook de woorden van den propheet Jeremia stellen ons altijd den afval van God voor als een geestelijke hoererij, waarmede die des lichaams steeds gepaard gaat. Daarin was Israel voorgegaan, en Juda was Israel gevolgd, en had 't nog erger gemaakt in zijn' afwijking. (III : 11.) De woorden in Jer. III : 24 en 25, waar gesproken wordt van eene schaamte, die niet alleen schapen en runderen, maar ook de zonen en de doch-teren heeft verslonden, herinneren nadrukkelijk aan de altaren, opgerigt voor de vele afgoden, wier dienst hoofdzakelijk bestond in het onteeren des ligchaams, en die in hoofdst. XI : 13 en Hos. IX : 10 genoemd worden. Wordt door Hosea Baal Peor afzonderlijk genoemd, de dienst der Melecheth en der Astharoth was niet minder gruwelijk, en zulke afwijkingen zijn onmogelijk zonder de hulp van den spotter. De offermaaltijden, aan de dooden gewijd, werden opgeluisterd door den offerwijn, een wijn, die den godvreezenden Israeliet een verfoeisel was, zooals blijkt uit de woorden van Esther: „uwe dienstmaagd, o Heer! heeft niet gegeten aan de tafel van Ha-man, noch den maaltijd des Konings verheerlijkt, noch gedronken van den offerwijn !quot;(aanhangsel Esther. XIV: 17.)

De hartgrondige verslagenheid van den propheet ontboezemt zich telkens in allerlei jammerklagten over de strafgerigten, die hij ziet naderen, en die zeer zeker zullen komen, omdat het volk zoo onbekeerlijk is. Immers aan de kinderen reeds wordt 't geleerd hout op te lezen voor het vuur, dat de vaders ontsteken, om er de koeken op te bakken, welke de vrouwen gekneed hadden voor de koningin des hemels, die zij ook door door hunne drankoffers eeren en daarenboven ook aan andere goden aanbieden. (VII : 18.) Daarom dan ook zouden alle inwoners des lands, de koning niet uitgezonderd, evenmin als de priester en de

ocr page 132

120

inwoner van Jeruzalem, eene prooi worden der dronkenschap. (XIII : 12, 13.) (verg. Jes. XXVIII : 7, 8.)

In het XVIe lioofdsfc. vs. 7 lezen wij van een troost-beker, waaruit gedronken werd bij het overlijden van vader of moeder. Zou dit gebruik zijn overgenomen van de volken, die Israel omringden, en in strijd zijn met de verklaring in Deut. XXVI : 14 ? ') Zou in die dagen reeds de smart zijn weggespoeld door het bedwelmend vocht, en alzoo krachteloos ziju gemaakt het woord van den Prediker: „Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds, want in hetzelve is het einde aller menschen, en de levende legt het in zijn hart?!quot; Mijns inziens is deze opvatting of verklaring zeer gegrond, en in elk geval is de troostbeker de schakel, die den levenden met den dooden op zulk eene wijze zamen-houdt, dat zich de offeranden der dooden daaruit g er eedelij k' laten afleiden of verklaren, (verg. Ps. CVI : 28.)

Door den propheet Jesaja wordt meermalen gewezen op het strafbare van het onmatig gebruik van wijn en sterken drank ; uit zijne woorden blijkt het dat dit misbruik zich aanvankelijk openbaarde in het huiselijk en maatschappelijk leven; van lieverlede echter namen niet alleen de priesters deel aan die brasserijen, (verg. Jes. LVI : 8 — 12) maar werd ook de dienst van Jehovah verdrongen door de vereering der afgoden, die steeds met zwelgerij gepaard ging. (zie Jes. LXV : 11) Het godsdienstig zedelijk leven daalde daardoor, natuurlijk, hoe langer hoe meer, en in de dagen van den propheet Jeremia was de afval zeer groot. Niet alleen toch zien wij uit

1) Geg-eveii tot eenen doode,quot; zou dan beteekenen tot verheerlijking van een doode; — eene verheerlijking- die zich, naar het schijnt, bepaalde tot vader of moeder; aan Ezechiël wordt verboden eenig rouwbetoon te bedrijven bij het verlies zijner vrouw, en hoewel daar wordt genoemd: het eten van der lieden brood, (XXIV : 17) hetwelk waarschijnlijk te kennen geeft dat de rouwklagende, ongeschikt in zijne droefheid om in het bereiden zijner spijze te voorzien, van zijne vrienden het noodige voedsel ontving, wordt de troostbeker daar niet genoemd.

ocr page 133

121

hetgeen hier boven reeds is medegedeeld over de dienst van de Melecheth hoezeer het volksleven daardoor was vergiftigd, en de dienst van den Heer verdrongen, maar hetgeen wij op andere plaatsen lezen leert ons dat bijna ieder huisgezin daarmede was besmet, (Zie XIX : 13, XXXII : 29, XLIV : 17,18, 19, 25,) en de Joden zelfs zóó verdwaasd waren dat zij de vroeger genoten welvaart aanmerkten als eene vrucht van hunne zonde.

De vergelding moet dan ook eindelijk komen, en nu is opnieuw de beker, die getuige is geweest van hunne goddeloosheid en wiens bedwelmenden inhoud hunne schaamtelooze overtredingen vergezelde, het zinnebeeld der oordeelen, die alles met verwoesting zullen slaan. Beginnende van Jeruzalem zal de beker, die gevuld is met den wijn van de grimmigheid des Heeren, door alle omliggende volken gesmaakt worden; zij zullen drinken en beven en dol worden, en spuwen en nedervallen,1) maar nu niet als de vrucht hunner zwelgerij, angst en vrees zal hen overvallen vanwege het zwaard, dat ze niet kunnen ontvlieden (XXV ; 15—28.) 3)

Bijzondere opmerking verdient wat wij in hoofdst. XXXV vinden over de liechabieten. Volgens I Kron. II : 55

1). Verg. Jer. XLVIII ; 25, 26., XLIX: 12, LI: 7 en Klaagl. IV; 2,

2). Onder de beloften, waarbij Israel herstelling' wordt beloofd, lezen wij ook in hoofdst. XXXI : 5. Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten en de vruchten genieten. De vrucht wordt hier voorgesteld als voedsel; én — als drank gedacht, als het voedende druivenbloed, dat zijne versterken kracht niet heeft verloren door gisting. (Verg. XXXII : 15).

In vers 13 lezen wij in de St. Vert. most. In het Ilebr. staat: tirosh, de vrucht van den wijnstok, en yitzhar, olijf en boomgaardvrucht.

Hoe onjuist het is om maar altijd van dronken te spreken, blijkt ook nog uit Jer. XXXI : 14-. Ik zal de ziel der priesters dronken maken me' vettigheid. Hier wordt in 't Hebr. gebruikt het werkw. rahvah d. i. ver- -zadigen ; het woord door verzadigd vertaald is: sah-ba d. i. voldoen of tot bekomst toe genieten. Voor rahvah geven de IXX methuo en de V vertaalt: inebriabo. Zoo ook vs. 25. Voor 29 en 30 zie bl. 10. (Vergelijk Jer. XLVI : 10).

ocr page 134

122

waren zij afstammelingen der Kenieten, en deze staraden af van den schoonvader van Mozes, letbro of Hobab. (Rigt. I : 16) Zij woonden in vrede onder Israel en waren hunne bondgenooten. (Rigt. IV : 11. I Sam. XV : 6) Hoewel wij lezen van tenten, waarin de Kenieten woonden, ontmoeten wij hen toch ook in steden, zoo als blijkt uit I Sam. XXX : 29. De stam verdeelde zich in Ho-babieten en Rechabieten. Beiden bestaan nog tot in onze dagen. In 1836 ontraoette Dr. Wolif den sheikh van den stara Hobab, die van de Rhechabieten sprak als van een' anderen tak van denzelfden stam. De vraag: wie Rechab, de vader van Jonadab was, is niet ligt te beantwoorden. Indien hij dezelfde is als die waarvan wij lezen in II Kon. X : 15, zou het gebod, dat de Rechabieten in afzondering houdt van liet gewone maatschappelijke leven in de dagen van den propheet Jeremia, hun reeds voor ruim 200 jaren zijn gegeven. Mogelijk is 't echter dat dit gebod van later dagteekening is, maar in elk geval vinden wij daarin eene veroordeeling voor Israel en Juda, die de schande hunner goddeloosheid in een onbeneveld licht plaatst.

De propheet moest de Rechabieten uitnoodigen tot het gebruik van wijn. fvs. 5) En wat is hun antwoord ; zij zeggen: „Wij zullen geen wijn drinken ; want Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, heeft ons geboden, zeggende: Gijlieden zult geen wijn drinken, gij, noch uwe kinderen tot in eeuwigheid. Ook zult gij geen huis bouwen, noch zaad zaaijen, noch wijngaard planten, noch hebben, maar gij zult in tenten wonen al uwe dagen, opdat gij vele dagen leeft in het land, alwaar gij als vreemdeling verkeertquot;, (vs. 6 en 7.)

Uit de laatste zinsnede dezer woorden blijkt, dat de Rechabieten niet bij Israel waren ingelijfd, maar wandelden als de godvreezenden uit de kinderen Abrahams. „Opdat gij vele dagen leeft,quot; is het woord, dat wij dikwijls

ocr page 135

123

ontmoeten, ter aansporing tot de onderhouding der geboden Gods. Het was alzoo Jonadabs bedoeling om zijne afstammelingen te vrijwaren tegen het gevaar van afval van God, en daartoe achtte hij noodig hen te verpligten om te wonen in tenten; zij moesten dus een zwervend herdersleven leiden, op landbouw of wijnteelt mogten zij zich niet toeleggen, zelfs geen wijngaard bezitten, en evenmin een huis bouwen. Het wonen in dorp of stad was hun des ontzegd, waarom? — omdat Jonadab de vrees koesterde, dat het aanhoudend gezellig verkeer met stedelingen of dorpbewoners te verleidelijk voor hen mogt zijn, en zij mede afgetrokken zouden worden in den afval, en afgoderij zouden leeren plegen. Om nu zeker te zijn dat zijne bedoeling niet nog te eeniger tijd zoude verijdeld worden, ontzegt hij hun het gebruik van wijn. Toelichting of opheldering is tamelijk overbodig. Dit gebod van den vader, die bezorgd is voor het tijdelijk en eeuwig heil zijner kinderen, plaatst den wijn aan het hoofd van den invloed, die de zedelijkheid van het volk ondermijnde, en het volk zelf is, in zijne oogen, zóó zeer verdorven, dat hij elke aanraking daarvan met zijn geslacht zoo veel mogelijk, wil voorkomen. Daarom maakt hij elke zamenwoning onmogelijk, opdat zij niet zouden worden aangestoken door de besmettende pest, die overal van het volk uitging! Kan het erger? Is een strengere veroordeeling mogelijk ?

Het oordeel over Juda kon niet uitblijven. Zij weigerden zich te bekeeren van hunne afgoderijen, ontuchtigheden en brasserijen, en werden alzoo overgegeven in de handen hunner vijanden, die hen gevankelijk weggevoerden naar Babel.

De klaagtoonen, die de propheet Jeremia ons laat hooren over de oordeelen, die over het volk Israels zijn uitgestort vervullen ons met smart en weemoed. Maar ook zelfs in zijne klagt kan hij zich niet losmaken van de herinnering aan de eerste en voornaamste aanleiding tot den val, — de wijn, de bondgenoot der afgoderij,

ocr page 136

124

de metgezel der ontucht. Hij gedenkt de wijnpers, maar niet getreden door zingende druiventreders, ook niet door dartele en wulpsclie danseressen, — neen! hij ziet den Heer, die de wijnpers treedt Zijns toorns, en dei-dochter Jnda's de vergelding harer trouwloosheid op haar hoofd doet nederkomen. (Klaagl. I : 15). Eu als in het IIe hoofdst. de klaagtoon over de verwoesting zamensmelt met den smartkreet der belegering) plaatsen zich de wanhopige moeders voor zijnen geest, en hij ziet nogmaals hoe kind en zuigeling versmachten, en te vergeefs koorn en wijn begeeren, (II : 12.) 1) En wat hem zeiven betreft, — de Heer heeft hem vervuld met bitterheid en verzadigd met alsem. (III : 15.) Zoo is dan ook Juda's heerlijkheid ondergegaan, en zijn naam uit den rij der Koningrijken weggenomen.

Schande heeft de kinderen Abrahams overdekt, en met schaamte moeten zij terug zien op de vervlogen dagen en jaren, waarin zij die schaamte hebben verheerlijkt, waardoor deze schande hen heeft getroffen.

Dat het genot van het ontheiligde druivenbloed bij dit

1) De Hebr. tekst heeft hier yayin. Waarschijnlijk zal in deze plaats yayin gelijke beteekenis hebben met tirosh. Iets dergelijks vinden wij in Jer. XL : 10 en 12, waar de V. in vs. 10 vertaald: vindemiam, vrucht van den wijnstok, doch, zichzelf ongelijk in vs. 12, vinum-wijn te lezen geeft. Indien hier aan mju moet gedacht worden, wijst dit woord op een toestand van overgeërfde drankzucht: een toestand zeker niet onmogelijk in die dagen, maar dien wij toch liefst als uitzondering willen beschouwen.

3) Ook in deze plaats heeft de St. Vert, dronken gemaakt. Nu is 'tzeer zeker dat de Heer zijn propheet niet dronken zal maken. (Verg. het gezegde over Jer. XXXI : 14lt; bl. 11 in de noot.) Door het woord alsem kan bedoeld zijn eene bereiding van het druivenbloed met zekere kruiden. In zijne „Keizen in Oostenrijkquot;, spreekt J. Gr. Kohl over alsem-wijn. en zegt daarvan het volgende: vOp den berg Badatschon, ten noorden van het Platten-meer wordt eene soort wijn bereid, door het druivensap te kooken met zekere kruiden; deze wijn draagt den naam van: ,.Badatschonsche alsemquot; en wordt evan hoog geacht als in Hongarije de ..Tokay er Essence '. Ook deze wordt bereid door het koken van het druivenbloed met zekere soort kruiden. Op dezelfde wijze doet men met de uitgezochte Schomlan-druiven. om de Schomlan—alsem,: ie verkrijgen. (P. 374« London, 184-5.)

ocr page 137

125

piles eene hoofdrol vervulde, is niet twijfelachtig. Mogt iemand de waarheid dezer bewering betwijfelen, dan is het gebod, aan de Hechabieten gegeven, meer dan voldoende om allen twijfel weg te nemen. De onverzadelijke dorst naar de ontheiligde heerlijke gave Gods heeft zicli gewroken in de verdierlijking van geheel liet volk, waarin zich Gods toorn heeft geopenbaard. (Rom. I : 18-32.)

De woorden van den propheet Ezechiël zijn voor ons onderzoek in zooverre niet belangrijk als zij geene berigten of mededeelingen bevatten, die een nieuw licht ontsteken. Hij bevestigt door zijne redenen wat ook de propheten, die vóór hem en gelijktijdig met hem getuigden, nam. de diepe en zware val van het volk, en kondigt van het 32e tot het 35e vers in hoofdst. XXIV, ook onder het beeld van een beker, de verwoesting aan, waaraan het volk zal worden prijsgegeven, doch in de laatste hoofdstukken zijner prophetiën spreekt ook déze propheet de hoop uit eener heerlijke herstelling.

In den propheet Daniël leeren wij iemand kennen, wiens opregte vreeze-Gods eerbied afdwingt, terwijl de moed, dien hij later betoont, om liever alles, ja! zelfs zijn leven, te verliezen dan de gunst des Heeren te verbeuren, onze bewondering opwekt.

Reeds bij den aanvang zijner loopbaan wordt zijne trouw aan de voorschriften der wet op eene zware proef gesteld. Daar de deelen van de spijze des konings, die hem en zijne gezellen werden toegedacht, evenzeer als de wijn van des konings drank, (I : 5,) hem onrein waren, besloot hij daarvan niet te gebruiken, opdat hij zich niet ontreinigde. (vs. 8.) Hetzij dat die spijzen op zoodanige wijze werden toebereid, dat ze hem daardoor onrein waren, of dat ze door eenige toewijding aan Bel, den afgod van Babel, on-

ocr page 138

126

heilig waren geworden, hij achtte zich verpligt niet daarvan te nuttigen, en zoo ook wilde hij niet drinken van des konings drank.1)

Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniël en zyne gezellen, besloot gehoor te geven aan zijn verzoek. Gedurende de tien dagen, waarin zij zich voedden met het gezaaide, en slechts water dronken, (vs. 12) waren allen niet slechts gezond gebleven, maar zij overtroffen in schoonheid van kleur en frischheid van vleesch, al de andere jongelingen, die de stukken van de spijze des konings hadden genoten, (vs. 15.) Hierdoor verkrijgt Melzar de vrijmoedigheid om Daniël en zijne gezellen te ontheffen van het voorschrift des konings (vs. 5.) en hij zette hun niets anders voor als alleen het gezaaide, (dus brood, ongerezen, en groenten, of ook de vruchten tot het gezaaide behoorden, blijkt niet) en hun drank bleef: het water.

Toen hij later, geëerd door zijnen Vorst, als hooggeplaatst ambtenaar, een eigen paleis bewoonde, en zijne spijze voor zich liet bereiden zoo als 'them goed-dacht, keerde hij terug tot de wijze van voeding, die gebruikelijk was onder de godvruchtige Joden. Dit blijkt uit hoofdst. X ; 3. „Begeerlijke spijze at ik niet, en vleesch of wijn kwam niet in mijnen mond,quot; — Worden wij door de woorden: „Begeerlijke spijzequot; gereg-tigd om daaronder te verstaan een of andere schotel, die als eene lekkernij werd beschouwd, en dus, waarschijnlijk niet altijd op zijne tafel werd gevonden, dan volgt daaruit dat het vleesch ook niet tot het dagelijksch voedsel behoorde, en de wijn evenmin. Dat de wijn, dien

1). Uit hetg-een hieromtrent reeds vroeger is medegedeeld uit het boek Tobias en Judith en aanh. Esther, en naar hetgeen blijkt uit Hosea IX : 3, zou men kunnen besluiten, dat de onreinheid in de bereiding moet gezocht worden. De wijn waarvan hier sprake is, was natuurlijk onrein.

ocr page 139

127

Daniel dronk, druivenbloed, reine wijn was, zal wel geen betoog behoeven. ')

Wat liet boek Esther betreft, daarin vinden wij de vermelding van een zeer opmerkelijk gebod, dat getuigt van een goeden zin in Ahasveros; — dit gebod namelijk; „dat men niemand dwingen zoude, met betrekking tot het drinken; want alzoo had de Koning vastelijk bevolen, aan alle grooten zijns huizes, dat zij doen zouden, naar den wil van een' iegelijk.quot; (I ; 8.) en daardoor werd bij den maaltijd de gelegenheid tot matigheid verzekerd.

De geschiedenis van Hainan heeft voor ons onderzoek geene beteekenis. De bepaling van Mordechai dat de vernietiging van Hamans raadslag jaarlijks op den der-tiendeu dag der twaalfde maand en vervolgens (Hoofdst. IX : 26—32.) zoude gevierd worden door de Joden als de dagen Purim, geeft den schrijvers van The Temperance Bible-Commentary aanleiding tot de volgende mededeelin-gen. „Het Purimfeest leverde het aanschouwelijk bewijs dat deze feestdagen voor menig huisgezin de bron van vreugde belemmerden om die van zorg en verdriet wijd te openen. De verspreide Joden onzer dagen worden over 't algemeen geroemd om hunne ingetogenheid, wat betreft het gebruik van bedwelmende dranken, maar dat het vieren van het Purimfeest hun' goeden naam in dezen niet bevestigt, en dit feest zelfs in de Heilige Stad op onheilige wijze werd doorgebragt, blijkt uit de volgende anekdoten, medegedeeld, door een onderwijzer aan de En-gelsche school te Jeruzalem. Aan een meisje werd gevraagd waarom, zij op het Purimfeest de school niet zou kunnen bezoeken, zooals zy had opgegeven, en zij ant-

1) Over hetgeen wij lezen in hoofdst. V : 1—30 behoeven we hier niet te spreken, omdat dit alles buiten het volksleven der Joden staat. Met dit hoofdstuk, kan Jes. XXI : 5 en vervolgens vergeleken worden.

ocr page 140

128

woordde, in alle ounoozellieid: „Wel! dan zijn wij allen dronken!quot; Gaarne zouden wij ons troosten met de gedachte dat zij zich grammaticaal vergiste en den passi-ven vorm bezigde in plaats van den activen. (De schrijvers bedoelen welligt dat zij mocht gemeend hebben: „dan drinken wij allen tot verzadiging.quot;) Maar deze onderstelling wordt ons onmogelijk gemaakt door de herinnering aan hetgeen de oude Rabbijnen dienaangaande voorschrijven: „Op dit feest is een ieder verpligt zooveel spijze te eten, en wijn te drinken .... totdat hij beschonken is, en door dronkenschap overmeesterd in slaap valt.quot; (Hillkoth Megillah CII, 5). De Talmud stemt op fol. 7 hiermede volkomen overeen: „Men is er toe gehouden om op het Purimfeest zich aan wijn zóó dronken te drinken, dat men geen onderscheid meer kan maken tusschen: gevloekt is Haman en gezegend is Mordechaï.quot; Daarenboven wordt het volgende nog daaraan toegevoegd. Rabba en Rabbi Zira vierden tezamen hun Purimfeest. Toen Rabba dronken was doodde hij Rabbi Zira. Op den volgenden dag had hij groot berouw en smeekte om vergeving, en ziet Zira werd weder levend. In het volgende jaar noodigde Rabba, Rabbi Zira uit om het Purimfeest weder met hem te vieren; maar hij antwoordde: „Wonderen gebeuren niet iederen dag.quot;

Welk eene bedroevende tegenstelling met het gebod van den Heidenschen koning!

Het boek Ezra bevat niets wat betrekking heeft op het wijngebruik in het volksleven. In hoofdst. VI : 9 en VII : 22 wordt de wijn vermeld met het Chaldeewsche woord Khamur gelijk aan het Hebr. Khem er. (Zie bl. 10 en 11.)

Blijkt nit Ezra X : 6 dat het water als drank bij de godvreezende Israelieten de eereplaats innam, de woorden in Neh. IV : 23 bevestigen de hooge achting, die zij voor dien drank koesterden, en die zich, naar het schijnt,

ocr page 141

129

daarop vooral ook grondde, dat God aan het volk in de woestijn ivater schonk om hunnen dorst te lesschen, (IX : 15 en 20) en 't aan de Ammonieten en Moabieten tot een voortdurend verwijt wordt herinnerd, dat ze de kinderen Israels niet met water waren tegemoet gekomen, (XIII ; 2).

Als een onvermijdelijk gevolg van het verbouwen en herstellen van Jeruzalem's muren, kon de noodige tijd niet gevonden worden voor akkerbouw en boomkweeken; hieruit ontstond schaarschte van levensmiddelen en verhooging der prijzen. De meer gegoeden, instede van de voorschriften der AVet op te volgen, lieten zich door hunne hebzucht verleiden, en verdrukten hunne broederen. Van daar de klagt, die wij in het Ve hoofdstuk lezen, over het verpanden ook van de wijngaarden, (vs. 3) en de beraadslaging van Ne-hemia met de edelen en de oversten om alles terug te geven, en daarenboven het honderdste deel ook van de vrucht van den wijnstok. (Hebr. tirosh vs. 11.) Plaatst Nehemia tegenover de inhaligheid der landvoogden, die vóór hem het volk hadden bestuurd, (vs. 15) zijn onbaatzuchtig gedrag, (vs. 14) zijn verrigten arbeid, enz. hij herinnert er tevens aan (vs. 17 en 18) voor hoevelen zijner land-genooten en van de hen omringende volken hij dagelijks de tafel liet bereiden, en spreekt daarbij ook van wijn. De Hebr.-tekst bedoelt allerlei of velerlei soorten van wijn. Berigten omtrent die velerlei soorten komen niet voor in de boeken van den Hebr.-Kanon. In do Apokriefe boeken vinden wij daarvan iets vermeld, in het IIIe boek der Makkabeën, in hoofdst. V : 1, 5, 30. Uit hetgeen wij daar lezen (verg. I Makk. VI : 3-1) blijkt dat de wijn gemengd of bereid werd door de toevoeging van allerlei kruiden, vooral door wierook, en dat ook in de niet-vermengde wijnsoorten eene groote verscheidenheid werd gevonden, terwijl de werking van die alzoo toebereide wijnen zeer sterk blijkt te zijn.')

1) Het is een onbetwistbaar bewezen daadzaak, dat in de oude tijden de

9

ocr page 142

130

Dat de wijnsoorten, waarop Neliemia zijne gasten onthaalde niet tot de bedwelmende behoorden, kan zonder gevaar voor misleiding ondersteld worden; zijne hooge lichting voor het water is ons daarvoor borg 1). Daarenboven blijkt uit hoofdstuk Vlll : 11, dat de gedachte aan bedwelmend vocht verre van hem was. „Gaat, eet het vette (der nieren van tarwe, Dent. XXXII : 14)

wijn op zeer verschillende wijzen werd bereid, — en dit verschil indebe-reiding bepaalde ook zijne hoedanigheid en zijne werking. Hoewel Plinius niet kan optreden als een beschrijver der Oostersche gewoonten, die vijf honderd jaren vóór hem bestonden, hij bevestigt dat in zijne dagen honderd vijf en negentig verschillende wijnsoorten werden gevonden, en dat dit aantal zeker verdubbeld zou kunnen worden, indien men alle kleine verschillen in rekening wilde brengen, Wij mogen dus veilig besluiten dat de „Kahl yayinquot; van Nehemiah ruim moet worden opgevat. Sommige wijnsoorten waren waarschijnlijk jong, andere oud, sommige zuiver, andere gemengd, eenige frisch van het vat, andere gekookt, sommige met water verdund, andere dik, eenige zoet als honig, andere dun en wrang. In elke landstreek bestond eene verschillende wijze van bereiding, en waarschijnlijk had elke wijnbouwer daarenboven nog iets eigenaardigs in de wijze van bereiding. (Noot uit The Temperance Bible Commentary.)

1) In The Temperance Bible Commentary wordt bij deze woorden het volgende opgemerkt: Eenige der wijnsoorten bij de ouden waren dik en overzoet als gelei, en moesten merkelijk met water verdund worden eer men ze kon drinken; andere, die de gewone vloeibaarheid bezaten, werden naar gelang de aard der druif dit vereischte met een mindere of meerdere hoeveelheid water vermengd, zoodat zij, indien er ook gisting had plaats gehad, toch een zeer gering bedwelmend vermogen bezaten, en slechts het gebruik eener zeer groote hoeveelheid dronkenschap kon veroorzaken. De stam van het Hebr. werkw. mamtiqqim is mathag d.i. zuigen, inzuigen (de moedermelk) drinken en zoet zijn. Rev. B. Parsons teekent hierbij aan: „het is opmerkelijk dat de oude Britten een zoeten wijn kenden, die door de bewoners van quot;Wales meddyglyn, door de Engelschen metheglin wordt genoemd. Het woord metheglin stamt af van metteg of mettek — zoet en glijn — lijmig, kleverig en geeft alzoo te kennen wat het wezenlijk is: een zoete strooperige drank. Het is duidelijk dat de Saxische metheg en het Walesche meddyg in het Hebreeuwsche mettek hetzelfde woord is. Het woord werd bij de oude Britten gebruikt voor een drank bereid uit honig. Uit denzelfden wortel stamt af het Grieksche methuö en methuskó — vullen met of tot verzadiging toe drinken van zoeten drank, en het Egyptische meth gaf evenzeer te kennen vol, zooals blijkt uit metheris de moeder God. (Verg. bl. 5.)

ocr page 143

131

en drinkt liet zoete, enz. Dit zoete wordt door LXX ook als zoete dranken opgevat en ook de V, spreekt van een honig-zoeten drank, waardoor de onderstelling van gegist vocht is uitgesloten. ') Geheel het charakter der bijeenkomst én der feestviering sluit het denkbeeld aan bedwelming ten eenmale uit. (vs. 1—12.) Vermaand zijnde om alle rouwbetoon na te laten, gaat het volk dan ook heen om te eten en te drinken, en om deelen te zenden en groote blijdschap te maken. (vs. 13.)

Sedert den terugkeer uit de ballingschap kenmerkt zich het volkscharakter der Joden door eene sterke beslistheid in het aanhangen van hunnen God des heils, die zich openbaarde in nauwgezet volbrengen van de voorschriften der Wet, (X. vs. 37 Hebr. tirosh ve-yitzhar vruch1; van den wijnstok en olijf- en boomgaard-vrucht, zoo ook in vs 39. XIII : 5, en vs 12.) met erkentenis van de schuld hunner voorvaderen, die zich hadden afgekeerd van de geboden des Heeren. (verg. Hoofdst. IX en XIII: 15. en 23 27 en Esra IX en X.) Is daardoor alle afgoderij onmogelijk geworden, zoo zijn daarmede tevens verdwenen de ontuchtigheden, die de afgoderij steeds vergezellen, en is dan ook het gebruik van het gegiste druivenbloed een bijna doodenden slag toegebragt. Het vereeren der afgoden vertoonde in dat opzigt steeds hetzelfde charakter (verg. II Makk. VI : 4) en het was den godvruchti-gen Joden tot groote vreugde den tempel van die onreinheid gezuiverd te zien. (X : 7.)

Lezen wij in III Makk. welke groote beproeving over de Joden kwam, wij vernemen tevens dat zij hunne verlossing vierden met groote vreugde. In de woorden van het besluit, deze verlossing jaarlijks feestelijk te herdenken.

3). Nehemia zou zeker niet hebben ingestemd met de woorden: Mit Wasser bleib mir ferne! en hij zou zeer zeker, evenmin als Ezra,gevaar hebben gezien in de water-en-melkkaraf voor de vorming van kloeke Schriitgeleerden: — ook de chocoladeketel, indien hij dien had geker d, zou hem geene vrees hebben aangejaagd.

ocr page 144

132

door vreugdedagen niet in drinker ij en brasserij, maar om de verlossing, die liun van God geschied was, (VI : 32 en 38 VII : 17.) ligt ontegenzeggelijk opgesloten dat vroegere feestvieringen den stempel der Godsverheer-liïking niet altijd vertoonden, (Verg. bl. 127 Purimfeest) en tevens vinden wij daarin liet bewijs dat de wijn, die hun op last des konings gedurende zeven dagen werd verstrekt, ongegist druivensap is geweest, (vs 27) Trouwens een Egyptische konig gebruikte geen bedwelmenden wijn, (zie bl. 20) en onrein druivensap zouden deze Joden zeer zeker niet hebben gedronken. Waar hun godsdienstige en maatschappelijke vrijheid wordt verzekerd, vinden wij uitdrukkelijk vermeld: dat de Joden gebruiken mogen hunne eigene spijzen, (II Makk. XI : 31) d. w. z. de spijzen, die 't hun geoorloofd is te gebruiken, en toebereid op zoodanige wijze als hunne wetten dit vereischen. De spotter is uit het volksleven verdwenen, en blijft geweerd. Lezen wij vroeger de beschuldiging: „gij hebt den Nazi-reërs wijn te drinken gegeven,quot; (Amos II ; 12) in den heiligen oorlog tegen hunne onderdrukkers, verwekken de godvruchtigen de Nazareërs, die hunne dagen vervuld hadden, (I Makk. III ; 49.) overtuigd als zij waren, dat deze door hun geloofsvertrouwen gesterkt, met te meerder moed zouden strijden. Zelfs het gebruik van het druivenbloed werd, als niet van gevaar ontbloot, niet onvoorwaardelijk aanbevolen, zoo als blijkt uit het slot van het tweede Boek der Makkabeên: Want altijd wijn of water te drinken is niet vermakelijk, (St. Vert, is ongezond) maar somtijds wijn en somtijds water te drinken, dat is aangenaam, enz. (Luthersche vertaling); de St. V. spreekt van wijn met water gemengd. ') (Verg. bl. 76, noot 1, en 99 en 100.)

1) Zach. X : 7. hun hart zal zich verblijden als (van) den wijn. Het woord wijn bedoelt hier het ongegist druivenbloed. Wij vinden dat ook in Ps. IV : 8 en Eigt. IX : 13 (waar in 't Hebr. tirosh staat) en Ps. CIV : 15. (Hebr. yayin) Zach. XII : 2, drinkschaal der zwijmeling. De

ocr page 145

133

De woorden der Propheten Haggaï en Zacharia, die onder liet volk optraden bij liet begin van den terugkeer nit Babel, spreken niet van den wijn d. w. z. van zijn gebruik in het dagelijks leven. Evenmin vinden wij dienaangaande iets in de woorden van den laatsten der Propheten, Maleachi, die ongeveer honderd jaren latei-optrad. 1)

Wij hebben de boeken van den Hebreeuwschen Kanon ten einde gebragt, en ook een blik geslagen in de Apo-kriefe geschriften van het O. Testament, en moeten nu de vraag beantwoorden; „tot welke slotsommen heeft het onderzoek geleid?quot;

Naar 't mij voorkomt kan het antwoord geen ander zijn als dit: de oorspronkelijke, door God aan den mensch

bedoeling- dezer uitdrukking- is reeds vroeger besproken. [Zie bl. GO tot 6-2.)

Mal. III : 11, bevat eene belofte van herstelling der zegeningen van den oogst, zooals wij die op andere plaatsen aantreffen en reeds bespraken. Ook de wijnstok zal in dien zegen deelen.

1). Haggai I : 0. uit de woorden: g-ij eet, maar niet tot verzadiging, volgt dat: vgij drinkt, maar niet tot dronken worden toequot; —geene andere beteekenis kan hebben als deze: drinken tot voldoening.

In vs. 11 most. In 't Hebr. staat tirosh d. i. vrucht van den wijnstok; ook hier worden koorn, druif, en olijf- en boomgaardvrucht naast elkander g'eplaatst. De belofte in Zacharia III : 10, het zitten onder den wijnstok en onder den vijgeboom, vinden wij als vervuld in I Makk. XIV ; 12. Het kalme, huiselijke leven, in vrede en overvloed, wordt door deze woorden bedoeld. (Verg. bl. G7). Eene zeer eigenaardige en sterksprekende teg-enstelling met de woorden, waarin de Propheten in de dagen van Israels afval aan hunne zwelgpartijen met wijn en aan hunne ontucht onder den groenen boom herinneren. Ook uit deze belofte blijkt dat de druif door God tot voeding was bestemd.

De woorden in Zach. IX : 15 worden op vele en zeer verschillende wijze vertaald. Ze zijn, wat ons onderzoek betreft, van ondergeschikte beteekenis en niet belangrijk; van meer gewigt is wat wij lezen in vs. 17. ..Hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zijne schoonheid! Het koorn zal de jongelingen en de vrucht van den wijnstok (tirosh, dus niet most) de jonkvrouwen voorspoedig doen groeien.quot; (niet spreken). Dus ook hier de druif als middel tot voeding.

ocr page 146

134

geschonken drank, liet water, werd door de godvruchtigen in Israel steeds zeer gewaardeerd. Als voedende drank werd de melk algemeen genoten en geacht. Het vocht der druif, in zijn natuurlijken toestand, als druivenbloed, werd mede gerekend tot Gods zegeningen te behooren, evenzeer als het oorspronkelijke, niet door gisting ontheiligde vruchtensap.

Als wijn en sterke drank, d. w. z. door gisting overgegaan in de magt der duisternis, hebben deze vochten eene ontzettend noodlottige rol gespeeld in het Israelie-tische volksleven, en als vrucht van en aanleiding tot afgoderij en de daarmede gepaarde zedeloosheden, het volk ontzenuwd en tot een beklagenswaardig diep verval gebragt.

Door de ballingschap tot bezinning en inkeer gekomen, is het gegist druivensap, hoewel niet geheel en al uitliet volksleven verdwenen, toch erkend geworden in zijn waren aard van verleider en bedrieger, en uit eenige uitdrukkingen uit de Apokriefe boeken mogen wij besluiten, dat de godvruchtige Joden ook van het ongegist druivensap slechts een beperkt gebruik maakten, en het, op verschillende wijze toebereid, zijne plaats onder de voedingsmiddelen bleef behouden.

ocr page 147

DE EVANGELIËN EN DE BRIEVEN.

Ter wille van de volledigheid is 't wensclielijk ook te onderzoeken wat de schriften des N. Testaments omtrent ons onderwerp bevatten, en terwijl wij ons daartoe neerzetten, rijst aanstonds de vraag in ons op: „waarom moest de wegbereider des Heeren, Johannes de Dooper, Nazi-reër zijn ?

Was de toestand van het volk in de dagen der Rigteren van dien aard, dat God liet noodig keurde den verlosser uit de onderdrukking tot Nazireër te heiligen, om daardoor te waarschuwen tegen de zwelgerij en de brasserij, die het zedelijk en godsdienstig leven met ondergang bedreigden, (zie bl. 44) uu was dit niet het geval. Dit blijkt duidelijk uit den verschillenden inhoud der eischen, die de Dooper aan de scharen stelt. Maar de Nazireër vertegenwoordigt het beginsel der vrijwillige toewijding aan de dienst des Heeren, eene toewijding, die zelfs niet terugdeinst voor het brengen van het gevraagde, onvermijdelijke offer om zich zelfs het genot van het geoorloofde en aangename te ontzeggen, als God met minder niet kan gediend of verheerlijkt worden. En deze eisch der liefde Gods is daardoor met onuitwischbare letteren geplaatst boven den ingang in

ocr page 148

136

liet koningrijk der hemelen. „Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht,quot; — dut zal het kenmerk zijn van de onderdanen van den waren Melchizedek, koning van Salem. (Ps. CX : 3. Hebr. VI : 20 VII : 1 en 2). Het optreden van Johannes de Dooper als Nazireër heeft déze beteekenis, en daardoor juist wordt de schaduwzijde van het toenmalige volksleven aangewezen. Zij, die geroepen waren om het volk vóór te gaan op den weg der godzaligheid, hielden hun hart verre van God, terwijl zij Hem naderden met de lippen, (Matth. XV : 8, 9) en onder den schijn van godzaligheid allerlei gruwelen pleegden, (Mark. XII; 38—40, Matth. XXIH : 14, 25, 27, 28) zich verdiepende in vele spitsvondige zifterijen als of deze zaken waren van het hoogste gewigt. (Matth. XXIII : 23) Verschilde de levenswijze der Phariseën in sommige op-zigten willigt veel van die der Joden in de dagen van den propheet Jeremia, ook hun zou men met regt kunnen gevraagd hebben: „Zijt gij verlost om al deze gruwelen te doen?quot; (Jer. VII : 10.)

De Dooper herkent ze, en spreekt ze aan, met den naam, niet van geveinsden of blinde leidslieden, die de Heer hun geeft, maar met dien van adderengebroedsel. (Matth. III : 7). Zou deze zinspeling op Deut. XXXII: 33 en Spreuk. XKIII : 32 gedoeld hebben op brasserijen en zwelgerijen, waaraan zij zich in 't verborgen schuldig maakten, de Sadduceën evenzeer als de Pharizeën, zoodat ook van hen kon gezegd worden: hetgeen in 't verborgen door hen geschied, is te schandelijk om't uit te spreken ? (Eph. V : 12). Niemand meene dat deze bewering geen grond heeft; — waar de Heer hen vergelijkt met witgepleisterde graven, die er van buiten schoon uitzien, aantrekkelijk zelfs, maar van binnen gevuld zijn met doodsbeenderen en allerlei onreinheid, en daarop laat volgen dat ook zij vervuld zijn met geveindsheid en ongeregtigheid en hun drinkbeker vol is van onmatigheid, (Matth. XXII: 27, 28, 25) is het zeer geoorloofd te beweren dat de

ocr page 149

137

spotter den toon aangeeft in hunne, voor het oog der wereld verborgen, brasserijen 1).

Blijkt liet uit deze voorstelling dat de spotter de eere* plaats in het volksleven had ingeboet, zoodat hij als bondgenoot van het rijk der duisternis, nog in 't verborgen slechts werd geëerd, uit hetgeen wij lezen in Matth. IX : 17 zien wij dat het ongegist druivensap met groote zorg werd behandeld, omdat men dien heerlijken, ver-frisschenden en voedzamen drank op hoogen prijs stelde, en hem in ongeschonden toestand wilde houden en genieten. Men doet geen nieuwen wijn, zoo lezen wij daar, in oude lederen zakken, anders scheuren de zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de zakken verderven; maar men doet nieuwen wijn in nieuwe (lederen) zakken, en beide te zamen worden behouden, (gelijkluidend zijn Mark. II : 22 en Luk. V : 37 en 38.)

De gewone uitleg dezer woorden komt hierop neder: men gebruikte de nieuwe lederen zakken, omdat zij bestand waren tegen de uitzetting door liet koolzuur dat zich bij gisting ontwikkelt; doch deze verklaring is niet aannemelijk, want indien men gegist druivensap begeerde, werd het vocht uit de pers in een daaronder geplaatst vat (gr. trapoleenion. Lat. lacus) opgevangen, en zóó aan de gisting blootgesteld; daarenboven zou elke nieuwe lederzak, hoe stevig en sterk ook, voor de ontwikkelde gassen zijn bezweken, indien men zoo onuoozel mogt geweest zijn om daarvan de proef te nemen.

En die proef -was genomen, in een sedert lang reeds vervlogen tijdperk. In Job XXXII : 19 lezen wij: Zie! mijn buik is als de wijn, (die) niet geopend is; gelijk

1

De Gr. tekst heeft hier: akrasia, — dat in dit, geval g-elijk staat met: akrateia en akratia, — welke woorden het teg-enueel uitdrukken van: en-krateia, d. w. z.: zelfbeheersching*. Waar nu de onhetoomde lust het woord voert heeft de spotter zeer zeker de begeerte naar meer opgewekt (verg, Sjir. XXIII: 29—3ö). Ook de woorden: boos en overspelig geslacht (Matth. XVI: 4) herinneren aan toestanden in het O. Testament opgeteekend en beschreven, waarin de teug der bedwelming eene hoofdrol vervulde.

ocr page 150

138

nieuwe lederen zakken zou hij bersten '), d. w. z.; Zoo als nieuwe wijn die in gisting komt, de nieuwe lederen zakken doet bersten, waarin hij is besloten, zoo ook is mijne gemoedsbeweging zóó onwederstaanbaar, dat ik moet spreken; of met andere woorden: de spieren, die in mijn buik in verband staan met mijne ademhaling, persen mij om mijn gemoed in woorden lucht te geven '2)- Het is duidelijk dat de Heer hier denkt aan de maatregelen, welke in de dagen Zijner omwandeling op aarde werden genomen, om de gisting van het druivenvocht te voorkomen, door het nat door te zijgen en het alzoo te ontdoen van een groot deel van zijne lijmachtige deelen, en het dan in lederzakken overtegieten met eene zwavelberoo-king; of door het vocht tot op het kookpunt te verhit-

1) Het boek Job is door mij buiten beschouwing gelaten, omdat het m. i. buiten het Israelietische volksleven staat, d. w. z. daartoe niet behoort en daarover geen licht verspreidt. Ook de inhoud van dit boek legt geene gunstige getuigenis af voor den invloed, dien het gegiste druivensap in het maatschappelijk leven uitoefent. Uit het eerste hoofdstuk toch blijkt dat Job vrees koestert voor het betamelijk, d. w. z. Godewaardig gedrag zijner kinderen, en dat het wijngebruik daarvan de oorzaak moet zijn ligt voor de hand. (I : 4, 13, 13.)

In hoofdst. XII : 25 lezen wij van een' dronkaard, die dwaalt, d. w. z. die niet zeker is van zijn weg, en hebben daarin het bewijs, dat in die dagen reeds dronkenschap, 't zij veroorzaakt door het gebruik van gegist druivenbloed of gegist vruchtensap, zóózeer tot het algemeen bekende behoorde, dat Joh daaraan herinnert om zijne woorden op te helderen of toe te lichten.

Dat ook in die dagen het water de eer genoot om als de beste der dranken het eerst genoemd te worden, blijkt uit de woorden van Eliphaz (XXII : 7) en zoo zien wij dat de wijn in de dagen van Joh en in het land, dat hij bewoonde dezelfde verraderlijke rol speelde, waardoor hij het volksleven in Israel vergiftigde, en het volk ten val bragt.

2) Thé Temperance Bible-commentary téekent hierbij het volgende aan: Het Hebr. yayin geeft hier te kennen druivensap, dat in gisting overg-aat, en wordt door de LXX vertaald met gleu/ios, Symnachus heeft oinos ncos, de V, mwstum en de ïargum; khamar khadath. De woorden in den tekst zijn eene bevestiging van de geweldige kracht van uitzetting van gas die zich door de gisting ontwikkelt, waardoor zelfs de hechtste vaten ('tzij uit huiden bereid of van hout met ijzeren hoepels) moeten bezwijken, indien men onverstandig genoeg zou geweest zijn het vocht daarin te doen. De

ocr page 151

139

ten, waardoor alle gisting, waaraan het zou blootstaan, werd beteugeld, waarna het in lederzakkeu of andere vaten luchtdicht werd afgesloten. Het ligt voor de hand, dat voor het bereiken van dit doel de wijnzakken zeiven geene aanleiding moesten kunnen geven tot gisting, en om daarvan zeker te zijn was 't noodig volstrekt nieuwe lederen zakken te gebruiken. Indien men oude, d. \v. z. gebruikte lederen zakken daartoe zou gebezigd hebben, bestond het gevaar, dat eenig afgescheiden eiwit, dat aan de binnenzijde was vastgekleefd, door de werking dei-lucht in een soort deesem of gist (Hebr. seor) ware omgezet, of deze door langdurig gebruik in de hitte, scheuren of openingen hadden gekregen, waardoor de lucht onopgemerkt had kunnen binnen sluipen, en het vocht, daardoor in gisting gebragt, de lederen zak weldra zou hebben doen bersten, zoodat én de wijn én de lederenzak verloren zouden zijn gegaan; doch door den wijn over te schenken in volkomen nieuwe d. w. z. ongebruikte lederen-zakken, was er geen aanleiding tot gisting en werden dus beiden behouden. Uit de woorden in Luk. V : 39. „En niemand, die ouden (wijn) drinkt, begeert terstond nieuwen ; want hij zegt: de oude is beter ; wil men afleiden dat er wel degelijk sprake is van gegisten wijn; doch

overeenkomst tusschen de ontroering' van het gemoed en de gisting-van den wijn, is het punt van vergelijking-; tenzij er eene opening kome is, in het eene geval, de gezondheid van het ligchaam in gevaar, en in het andere, het vochthoudend vat. vHij zou bersten indien hij moest zwijgen,quot; is eene bekende spreekwijze ook bij ons. Zeer ten onregte wordt deze tekst aangehaald bi j Matth. IX : 17. Eliphaz denkt aan druivenvocht dat in gisting overgaande, in nieuwe lederen zakken van de lucht wordt afgesloten, 't zij uit onachtzaamheid of uit onbekendheid met den toestand van den wijn; terwijl de Heer integendeel spreekt van nieuwen wijn, versch uitgeperst druivensap, eer er eenige gisting aanwezig is, juist ter voorkoming van gisting, waardoor én het vocht én de lederenzak verloren zouden zijn. De gangbare en te^i onregte algemeen aangenomen uitleg brengt Christus in tegenspraak met Eliphaz door te bevestigen dat het druivenbloed in nieuwe lederzakken zou kunnen gisten, als deze luchtdicht zouden gesloten zijn, zonder eenig gevaar voor de lederen zakken.

ocr page 152

140

ook deze bewering houdt geen steek. De ongegiste oude wijn, door Mr. Wright ') bereid, is veel sterker van smaak dan de nieuwe, zoodafc ook in deze bereiding het verschil tusschen oud en nieuw evenzeer tot ziin re^t komt. 1)

De inhoud der woorden, die wij hierboven bespraken, verplaatst ons in het volksleven, en geeft ons het regt om te beweren, dat niet het gegiste, maar het ongegiste druivensap de drank was, dien de Joden in die dageu gebruikten.

Doch ook het water had gewigtige beteekenis als drank. Dit leeren ons de woorden in Math. X : 42 en Mark. IX : 41, want ook zelfs de geringe hoeveelheid van een gevulden bekey zal niet onopgemerkt blijven, waar die aan een der kleinen zal geschonken worden. Welligt moeten wij eenig gewigt hechten aan het woord koud; een' teug koud water was, en is toch ook nu nog, eene belangrijke weldaad in die warme streken voor een aanmechtigen reiziger; waaruit te meer duidelijk wordt dat de woorden van den Heer niet bedoelen, dat het water als zoodanig eene gift is van geringe

1

bi. 45 46.

ocr page 153

141

beteekenis, maar dat Hij op de hoeveelheid, — slechts een beker vol, — de beteekenis legt.

Het is opmerkelijk en bedroevend dat betrekkelijk slechts weinigen het optreden van Johannes den Dooper en van den Heer juist begrepen. De Pharizeën wilden het niet begrijpen, (Matth. XVI ; 1—4) en waarschijnlijk is 't de vrucht hunner boosaardigheid, die den Heer de klagt doet uitspreken: „Waarbij zal ik dit geslacht vergelijken?quot;

De leefwijze van Johannes, als een den Heer afgezonderde, kreten zij uit als een verschijnsel van bezetenheid; en den Heer, die geene uitzondering maakte op den gewonen regel, wilden zij brandmerken als huichelaar, die schijnbaar onberispelijk wandelde, maar in 't verborgen zich schuldig maakte aan dezelfde zonden, die hun geweten bezwaarden. Hij moest in de oogen der schare een vraat zijn en een wijnzuiper; en de erbarmende liefde, die Hij aan tollenaren en zondaren bewees, moest dienen om hunne aanklagt schijn van waarheid te geven, in dien zin namelijk alsof Hij hun medgezel en deelgenoot was.

Deze woorden, [Math. XI : 18, 19, Luk. VII ; 33— 35,] waarmede men den Heer prijs gaf aan de alge-meene verachting, herinneren aan Spr. XXIH ; 20, 21, en de wijn daar bedoeld, is zeer zeker de teug der bedwelming. Dat in de beschuldiging, tegen den Heer uitgesproken, geen andere dan die teug wordt bedoeld, duldt geen twijfel. Immers er staat niet wijnzuiper, d. w. z. iemand, die eene groote hoeveelheid wijn inzwelgt, maar wijndrinker. Nu is 't duidelijk dat het drinken van druivenbloed niemand in verachting zou kunnen brengen; slechts het gebruiken van den teug der bedwelming, die sedert de ballingschap uit het leven der vromen was verwijderd, kon een' smaad brengen op den persoon, die zich daaraan schuldig maakte; om nu den invloed van de woorden, de daden en het leven van den Heer op de schare, zooveel mogelijk te verijdelen, schoot

ocr page 154

142

hun niets anders over dan liet volk deze lastering in te blazen i)

Waar wij in de schriften van het 0. T. meermalen bij gelijkenis lezen van een wijngaard, kan 't ons niet ver-

1) Het woord des Heeren in Matth. XV ^ 11. „Hetgeen den mond ingaat ontreinigt den mensch niet; maar hetgeen den mond uitgaat, dat ontreinigt den menschquot;, wordt door velen aangemerkt als een vrijbrief of eene aanbeveling voor het gebruik van bedwelmende vocht. Omdat er van dit woord zulk een gebruik wordt gemaakt, is't, m. i. noodig het volgende daartegenover te plaatsen.

Vooreerst; hier is geene sprake van eenige spijze of drank, maar van eten met ongewasschen handen. Indien nu ook de hand niet onberispelijk schoon zou zijn wanneer ze gebruikt wordt, om het eten in den mond te brengen, is dit geen bezwaar; zoo iets kan den mensch niet onrein maken.

Ten tweede. De Pharizeën spreken in vers. 2 van brood eten. De spijze, die zij noemen, is rein en kan dus niet onrein maken.

Ten derde: Als Israeliet, onder de bepalingen der Wet levende, was 't onmogelijk, dat de Heer door dit woord zou hebben kunnen bedoelen, de vrijheid te verkondigen om zonder onrein te worden alles te eten, wat gegeten kan worden. (Verg. Lev. XI : 1—4-7. In vs. 10, 11, 12, 13, 23, 41, wordt zelfs gezegd: zij zullen u een verfoeisel zijn; én vs. 42: zij zijn

een verfoeisel; vs. 43 maakt nwe zielen niet verfoeljelijk, aan.......dat

gij daaraan verontreinigd zoudt worden.) Hier, namelijk bij de Pharizeën, was sprake van eene inzetting der ouden.

De Heer brandmerkt die leer der ouden als eene plante, die de Vader niet heeft geplant, (vs. 13) en die zal worden uitgeroeid. Zoo ook zullen alle leerlingen, die ten onregte op dit woord des Heeren gebouwd, worden uitgeroeid, en de blinde leidslieden ónzer dagen staan evenzeer als de Pharizeën van toen, aan het gevaar bloot, om met hunne volgelingen in de gracht te vallen.

Zoo beweren de onmatigen in het eten, dat 't geene zonde is zooveel mogelijk te verorberen, mits mits men maar zorge, dat er niets weder den mond uitgaat, (m. a. w. dat men niets uitbrake) — want, dat zou verontreinigen. Zit bij déze verkrachting van het woord des Heeren de vraatzucht voor, bij diegenen, die den teug der bedwelming door dit woord geregtvaardigd achten, moge het zedelijk gevoel niet in die mate zijn uitgedoofd als bij de beschermers der vraatzucht, onbetoomde genotzucht beslist toch ook bij hen.

Welk een beklagenswaardige en verachtelijke moed bezielt een' ieder, die den Heer durft voorstellen als aanbevelende en beschermende het gebruik van vochten, die de booze hartstogten in den mensch ontketenen, en de diepte van zijn' val zoo jammerlijk openbaren. Waarlijk! Zij weten niet wat zij doen, en begrijpen niet hoezeer zij den Heilige Gods daardoor ontheiligen.

ocr page 155

143

wonderen, dat wij ook in de boeken vsm het N. T. dit beeld terug vinden. In Matth. XXI: 33—41; Mark.XII: 1—9 en Luk. XX : 9 —16 wordt van een' wijngaard gesproken, ook wordt de wijnpers genoemd; doch in de drie Evangeliën zien wij dat liet O. Testamentische spraakgebruik wordt gehandhaafd, want in allen wordt gesproken van de vrucht van den wijnstok, waaruit blijkt dat de druif, ook in die dagen nog, werd geacht te behooren tot de voedingsmiddelen, en dus ook het druivenbloed, als ongegist vocht, daaronder werd begrepen.

Het is méér dan waarschijnlijk, dat bij het eten en drinken in de dagen vóór den vloed, waarvan de Heer spreekt in Math. XXIV : 38, en Luk. XVII : 26-28, herinnerende aan zorgelooze overgave aan vleeschelijk genot, de teug der bedwelming niet heeft ontbroken, maar onjuist en onwaar is het dat het woord: dronken, zoo als wij dat iu sommige plaatsen vinden, moet verstaan worden in den zin, dien wij daaraan hechten. Luther.heeft dit erkend en hij vertaalt in Luk. XII : 45 (St. Vert, dronken te worden) sich voll zü saüfeu. Hij blijft daardoor trouw aau de oorspronkelijke beteekenis van méthuo, waarover wij vroeger reeds meermalen spraken. De woorden in Matth. XXIV ; 48, 49 krijgen, daardoor ook eene gewijzigde beteekenis, en doen dan even als die uit Lukas, hoofdzakelijk denken aan overmoedige brooddronkenheid, die het gevolg is eener weelderige voeding, zooals wij die ook nu nog kunnen waarnemen bij de dienstknechten eu de dienstmaagden van sommige aanzienlijke en hooggeplaatste personen.

Aan den teug der bedwelming denkt de Heer als Hij zijne jongeren waarschuwt, zeggende: „Wacht u, dat uwe harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brasserij. (Luk. XXI : 34). Het Grieksche woord „kraipalèquot; beteekent den roes, dien men zich drinkt, met de daaraan verbonden gevolgen van hoofdpijn en duizeligheid. Het woord: bezwaard worden verkrijgt daardoor zijne eigen-

ocr page 156

144

aardig juiste beteekenis van zwaar en loom in de leden des ligchaams, ten gevolge van het drinken van benevelend vocht, waarbij dan nog komt de dronkenschap, d. w. z. het volop gebruiken van dat vocht, terwijl de zorgvuldigheden des levens eigenlijk beteekenen; de overleggingen om het leven toch vooral lekkerlijk te genieten.

Opmerkelijk is het dat in III Makk. VI : 33 dezelfde woorden, drinkerij en brasserij, gevonden worden, als eene tegenstelling van vreugdebetoon over de verlossing door God beschikt, eene heilige en geheiligde vreugde, bij welke de spotter, natuurlijk, niet werd toegelaten. Bestaat er nu geene reden om te onderstellen, dat de godvreezenden in Israel, in de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde, tot andere gedachten waren gekomen, dan volgt daaruit dat op de bruiloft, die de Heer met zijne tegenwoordigheid eerde, (Johan. II : 1—11.) geen gegist druivensap is gedronken. Indien deze opmerking door de vertalers ware gemaakt, zouden zij den vorm van methuo (dat ook hier voorkomt) beter hebben begrepen, en zich zeker hebben gewacht om den Heer te vernederen tot een medgezel van beschonkenen niet alleen, maar door het verrigte wonder, de dronkenschap bevorderend ; immers zou Hij, die zijne discipelen daartegen waarschuwt, dan bij zijn optreden het eerste wonder, dat Hij verrigt, dienstbaar maken aan het voldoen van de eischen eener onbehoorlijke en reeds te zeer gevoedde genotzucht. Segond schaamt zich niet om te vertalen: après qu'on s'est enivré, en Luther heeft: „wenn sie trünken worden sind.quot; (in vs. 10). De Engelsche vertaling: „and when men have well drunkquot; stemt overeen met onze St. vertaling; „wanneer men wél gedronken heeft.quot; — Tot welke slotsom moet men nu komen? Geeft methuo te kennen; drinken tot verzadiging toe, en dat is zijne beteekenis, ^1) dan zijn de gasten aan den brui-

ij Eiemer heldert in zijn Gr. Duitsch Woovdenb. de beteekenis van methuó op, door te zeg-gen: ..getriinkt, wie wir olgetrilnktes Papier sagen

ocr page 157

145

loftsdisch bepaald dronken geweest, (volgens Segond en Luther) want niemand kan volop bedwelmend vocht gebruiken zonder dronken te worden; — óf men heeft tot verzadiging toe ongegist druivenbloed gedronken. In het eerstgestelde geval is de Heer een medgezel geweest der dronkaards, en waren in die dagen ook zelfs de fatsoenlijke, overigens zedelijke Joden van meening, dat een' bruilofspartij en dronken zijn bij elkander behoorden, (tont comme chez nons!) en dan heeft het wonder, dat de Heer heeft verrigt, gediend om hunne overdadige genotzucht aan te moedigen en hunne dronkenschap heeft Hij door dat wonder tot eene betamelijke daad gestempeld. Wij vinden deze opvatting afschuwelijk en gruwen daarvan. Wij zijn er van overtuigd, dat de Joden aan dien disch tot de godvreezenden in Israel behoorden, en zij zich wel zouden gewacht hebben voor den bedwelmenden teug, en zich nooit door het gebruik van een onheilig vocht verontreinigd zullen hebben. Integendeel, — wanneer men tot verzadiging toe goeden wijn d. w. z. zeer smakelijk druivenbloed, had gedronken, werd eeu mindere soort opgezet, met een tweeledig doel; vooreerst, als eene waarschuwing tegen overdadig genot, en ten andere, om de lust tot overdadig genot, waar die mogt ontwaakt zijn, te breidelen en teleurtestellen, dooiden minder aangenamen smaak van het minder soort druivenbloed.

In dat licht moeten de woorden van den hofmeester beschouwd worden, (vs. 10) Indien men mogt goedvinden ze optevatten in de beteekenis, die men in ónze

overigens spreekt hij van: ungemischten Wein trinken, en wijst daarbij op methu, dat hij vertaalt door meth, ürsprünlich aüs Honig- mit Wasser gebrannt. Of uit honig met water, een benevelend vocht kan verkregen worden, doet ter zake niet af, maar dat honig met water verdund, in zijn natuurlijken toestand geen bedwelmend vermogen bezit, maakt het noodzakelijk om methuó dan slechts te mogen verstaan als, zich dronken drinken, als er geen' andere opvatting mogelijk is. Zie bl. 5.

10

ocr page 158

146

dagen aan zulke woorden moet liecliten, verlaagt men dit feest, dat de Heer door Zijne tegenwoordigheid heiligde, tot eene brasser ij en drinkerij Zijns onwaardig niet alleen, maar ook geheel in strijd met den godsdienstzin der gasten. In stede van dronkenschap met het zegel der betamelijkheid te stempelen door het water in goeden wijn te herscheppen, werd daardoor op de heerlijkheid des Hee-ren opmerkzaam gemaakt, en de vrucht bleef niet uit: zijne discipelen geloofden in Hem.

Zou de vrucht des geloofs bij een dronkenmanspartij kunnen geboren worden? Onmogelijk. ^

Wij hopen later aan het hierboven gezegde nog een en ander toe te voegen, en keeren nu terug tot de volgorde, die wij een weinig hebben verbroken.

Wij zijn genaderd tot aan het laatste Paaschfeest, dat de Heer op aarde heeft beleefd. Vroeger reeds (zie bl. 22—24) hebben wij er op gewezen dat onze vertalingen ten onregte slechts spreken van ongezuurd brood; in den oorspron-kelijken tekst wordt in Matth. XXVI : 17 1) gesproken van ongezuurde of ongedeesemde dingen in het algemeen, en worden dus de gedeesemde of gegiste dranken evenzeer uitgesloten als het gedeesemde brood.

De beker der dankzegging, dien de Heer zegende, was

1

In Mark. XIV : 1 lezen wij: Na twee dagen was het Pascha, hetwelk is (het feest) der ongezuurde dingen. In Luk. XXII : 1 staat: Het feest nu der ongezuurde dingen, dat Pascha wordt genoemd, naderde.

ocr page 159

147

dus gevuld met druivenbloed; ') de Heer spreekt dan ook (in de drie Evangeliën) van: de vrucht des wijnstoks; en deze uitdrukking waarborgt ons dat het vocht ongegist was, indien het voorschrift omtrent het ongedee-sende of ongegiste welligt geen vertrouwbaren waarborg, voor sommigen, mogt bevatten.

Maar een onwedersprekelijk bewijs levert daarboven het woord van Ap. Paulus, die den drinkbeker der dae-monen plaatst tegenover den drinkbeker des Heeren en Zijn avondmaal, 2) en zegt dat 't onmogelijk is om beiden deelachtig te zijn. Is de inhoud van den drinkbeker des Heeren de vertegenwoordiging van zijn bloed, d. w. z. van zijn leven; moet dat bloed noodzakelijk gedronken worden door ieder Adamskind om het verloren leven terug te erlangen, (Joan. VI : 53—56) dan is 't eene onmogelijkheid, dat het vocht in den beker iets anders zou kunnen zijn als reine wijn, druivenbloed, waarvan Mozes spreekt in Deut. XXXH : 14. Daarentegen herinnert de drinkbeker der daemonen aan den wijn uit Sodoms velden, het draker.-venijn en addervergif, (vs. 32, 33) dat verhit en belust maakt met onheilige drift bij de offeranden der dooden, waarbij de schaamte schaamteloos wordt vertreden. (Ps. CVI : 28. Verg. Num. XXV : 1—3.)

Is uit hetgeen wij tot hiertoe vonden in de schriften des N. Testaments gebleken, dat de godvruchtige Joden waarschijnlijk nooit den gegisten, en met vorzigtigheid den reinen wijn genoten, wij bezitten daarenboven in het voorbeeld, dat ons de Heer ook in dezen gaf, eene zeer sterk sprekende vermaning tegen het gebruik van eenig bedwelmend vocht.

Stellen wij ons den Heer voor zoo als Hij daar, uitgeput en afgemat door foltering en bespotting, bij zijn

1). Matth. XXVI : 27-29. Mark. XIV ; 23—25. Luk. XXII : 17—20,

2). I Kor. XI : 25—28. X : 1G—21. — Verg. Baruch IV : 7.

ocr page 160

148

kruis staat, om daarop te worden vastgenageld. Welligt vreezeude dat hij onder hunne handen zou bezwijken, gaven zij Hem te drinken azyu of edik met gal gemengd, (Matth. XXVII : 34) of volgens Markus gemirreden wijn, maar Hij nam dien niet. (XV : 23.) De drank hier bedoeld was gegist druivensap, dat zuur was geworden; ') deze drank bezat een opwekkend vermogen, voor de spierkracht van het ligchaam, en werkte tevens bedwelmend en beneveld op de geestvermogens. T) De Heer proefde dien teug, (vs. 34) erkende zijnen aard, en weigerde hem; Hij nam hem niet. (Mark. XV : 23.) De volle onbelemmerde heerschappij over zijue geestvermogens woog Hem zoo zwaar, achtte Hij zoo begeerlijk, ja! noodzakelijk, dat Hij liever' de felle ligchaamssmarten der kruisiging in volle hevigheid wilde dulden, dan de helderheid van zijn geest, al was 't slechts eenigermate, zou willen missen. Eu, zoo verhoogd aan het kruishout, spreekt Hij zijne laatste woorden, zijne onvergetelijke kruiswoorden. Bijna bezweken door de pijn, die Hem foltert, en den dorst, die Hem kwelt, geeft de edikteug Hem nog zooveel

1) Oxos d. i. iets dat scherp van smaak is azijn zure wijn. Het woord door gal vertaald, wordt in 't Hebr. ook voor alsem gebezigd, daardoor wordt in 't algemeen bedoeld iets dat bitter smaakt — zooals ook de myrrhe, die door Markus wordt genoemd.

2) Bij de woorden uit Mark. XV : 23 teekent The ïemp. Bib. Comm. het volgende aan: gemirreden wijn of wijn bereid of geurig, smakelijk gemaakt door myrrhe. Omtrent smnrna of myrrha (van het Hebr. mor), zegt Kohison in zijn N. ïest. Lexicon „dat 't eene harsachtige zelfstandigheid is, die droppelsgewijze uit de schors van een kleinen doornachtigen boom vloeit, 't zij langs den natuurlijken weg of door insnijding. Deze struikachtige boom groeit in Arabië, maar vooral in Abissynië; deze druppels of tranen worden zeer spoedig hard, en leveren dan eene bittere welriekende gom, die door de oude volken zeer gewaardeerd werd. en als wierook en reukwerk werd gebruikt.quot; Omtrent dezen myrrh—boom is. zelfs nu nog, zeer weinig bekend. In den Babylonischen Talmud wordt aan Rabbi Chusda het volgende toegeschreven. „Hem die ter dood wordt geleid, geve men een korrel myrrhe (of wierook) opgelost in een glas wijn, opdat hij den ernst van het oogenblik vergete.quot; De historische-zekerheid dezer bewering ligt echter in 't duister.

ocr page 161

149

lafenis, dat Hij zijn geest met hoorbare stera in de handen des Vaders kan overgeven; en het hoofd buigende gaf Hij den geest, ') én verlaat deze aarde als de waarachtige Nazireër, en daardoor tevens de Verlosser der menschheid.

Wij hebben opmerkzaam gemaakt op de waardering, die de wijn genoot in de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde. Naar 't mij voorkomt is 't zeer zeker dat het gegist druivenbloed uit het dagelijksclie leven der Joden was verbannen, en slechts de Pharizeën, en wellicht ook de Sadduceën, in hunne heimelijke braspartijen den teug der bedwelming in eere hielden; den teug der onheiligheid, de waardige medgezel hunner onheilige maaltijden.

De juistheid mijner meening wordt m. i. bevestigd door hetgeen wij lezen in Joan XV, waar de Heer van zich-zelven getuigt: „Ik ben de waarachtige wijnstok.quot; Op de beteekenis en de bedoeling dezer woorden heb ik reeds vroeger opmerkzaam gemaakt, (zie bl. 64 en verv.) Waar de Heer aan den wijnstok herinnert, moet de godvruchtige Israeliet zich eensklaps verplaatst gevoelen in de geschiedenis van zijn volk, en voor zijn geest plaatst zich onvermijdelijk al de zonde en al de ellende, die de wijii; als misbruikte vrucht van den wijnstok, over zijn volk en zijn land heeft gebracht. Treedt daarbij tevens voor zijn' geest de voorstelling van het druivenbloed, de reine wijn, die door den priester in het heilige werd gebragt, dan moet hem te meer beschaming en smart aangrijpen, als hij .bedenkt hoe de instellingen van God, die het volk aan Zijne dienst moesten verbinden, door de macht van dat onheilige vocht werden vertreden. Indien nu dezelfde toestanden nog aanwezig waren geweest, zou

1) Matth. XXVII : 18-50 Mark. XV : 36-37. Lu!;. XXIII: 36-46. Joan. XIX ; 23—30.

ocr page 162

150

't den Heer onmogelijk zijn geworden dit beeld te gebruiken. Immers als men zicli voorstelt dat de Heer in onze dagen optrad, zou Hij zich van dit beeld niet kunnen bedienen. De gedachte toch aan den wijnstok en aan den wijn, als zijne misbruikte vrucht, roept in ons op alles wat doet denken aan vervalsching, lengen, bedrog, zwelgerij, vuile taal, ontheiligende spot, ontucht, en wat dies meer zij; van alles wat onrein is, en waarvan de Apostel des Heeren zegt: 't zij onder n zelfs niet genoemd. (Eph. V : 3 en 4.) Doch nu de spotter, sedert de bittere les der ballingschap, uit het volksleven was verbannen, en het druivenbloed in de eer was hersteld, die het behoort te ontvangen, kon zich daaraan tegelijkertijd het denkbeeld of de voorstelling van volstrekte heiligheid verbinden; en door het vrucht dragen, waarvan de Heer spreekt, moest bij de discipelen de tegenstelling duidelijk worden van de vruchten der onheiligheid, die dood, verderf, schande en verachting, als een vuur des Heeren, hadden uitgegoten over de onvruchtbare, stinkende druiven-voortbrengende-ranken in de dagen der vaderen.

Maakten wij vroeger reeds de opmerking, dat in de dagen vóór 's Heeren omwandeling op aarde, het water in hooge achting stond, ^ de Heer zelf heeft het water de hoogst mogelijke eereplaats aangewezen. Johannes de Dooper, ziende op het reinigend vermogen van het water, wijst daarop als het zinnebeeld der reiniging en heiliging, die de H. Geest zal schenken; met welken de Heer de Zijnen zal doopen, (Mattheus III: 11, Mark. I : 8, Luk. III : 16) maar de Heer wijst op het water als het zinnebeeld van zijn levensstroom, waardoor de wegstervende en bezwijkende menschheid zal behouden worden. (Joan III : 14, VH ; 37 — 49) Waarlijk meerder eer kan het water niet ontvangen, en tevens wordt door

1) Zie bl. 131 en de noot.

ocr page 163

151

deze onderscheiding het water erkend als de heilzaamste en noodzakelijkste drank voor ons lichamelijk leven

Wij meenen in ons goed recht te zijn, wanneer wij beweren, dat de zedelijke toestand der Joden, in die dagen, zeer gunstig afsteekt bij dien der overige volken. Dat het zedelijk gehalte bij deze volken tot een zeer laag peil gezonken was, moet vooral worden toegeschreven aan de dienst der afgoden, die overal gepaard ging met overdadig genot, vooral van het onheilige druivenbloed. De afkeer, dien Israel jegens de afgoderij en hare dienaren steeds levendig hield, was hun een waarborg tegen elke toenadering, ook tot hunne levenswijze; en waar een zoon van Abraham de zijde koos der afgodendienaars, was hij zijnen stamgenooten een gruwel geworden. Deze afscheiding, verwerping en uitbanning uit elke gemeenschap met de godvreezenden, zooals wij die elkens ontmoeten in de boeken der Makkabeën, nam steeds toe in beslistheid, waardoor, als natuurlijk gevolg, de gaping in verschil van levenswijze ook gaandeweg wijder moest worden Daar de wijn den rol van verleider vervulde, nam Israel zich natuurlijk in acht voor dien verleider, maar nu, door de verkondiging van het Evangelie, in Jood en Heiden weldra een nieuw schepsel optrad, (Eph. II : 15) werd die afkeer van lieverlede opgeheven en weggenomen. Deze nieuwe toestand was niet zonder invloed op de leefwijze, gelijk wij later zien zullen.

Het Evangelie wordt eerst den Joden verkondigd. Op den Pinksterdag daalt de Heilige Geest neder op de discipelen des Heeren; door dien Geest bezield, verkondigen zij in allerlei tongvallen de groote daden Gods. (Hand. II.) Spotters veroorloven zich uit te roepen: „Zij zijn vol zoeten icijn!quot; (vs. 13) en willen met deze woorden

1) Hoe sterk die afkeer was, blijkt uit de woorden van Matth. XVIII: 17-

ocr page 164

de heilige geestvervoering stempelen tot een verschijnsel en eene vrucht der dronkenschap. De vreemdsoortige Avijze van optreden, die wij in het 0. T. vermeld vinden, waar gesproken wordt van propheteren, gaf dezen spotters eene welkomen aanleiding om die bewering uit te spreken, want ook Philo, die in die dagen leefde, meldt dat zelfs de meest nuchtere personen, als zij zich onder den invloed bevonden eener heilige bezieling soms den indruk gaven dat ze dronken waren. (Over Dronk. 136). Nu gebruiken die spotters voorbedachtelijk het woord nieuwe of zoete injn, en plaatsen daardoor al de discipelen des Heeren in den rij der huichelaren. Immers nieuwe of zoete wijn is ongegist druivensap, en zelfs een overdadig gebruik van dien wijn kan niet benevelen;1) bijgevolg is hunne woordkeuze zoo kwaadaardig mogelijk; zij wilden er mede zeggen: „dat zijn van die vromen, die zoo ingetogen leven, en van uit de hoogte op ons neerzien; daar staan ze nu, — dronken en wel, — dat is zeker van den nieuwen wijn, dien ze gedronken hebben!quot; daarmede bedoelende: „zij hebben zich te buiten gegaan aan het gegiste druivensap.quot; Indien ergens dan blijkt vooral hier hoezeer de Heilige Geest den Apostel Petrus bezielde. Van zijn opbruisend en opvliegend charakter zou men verwachten, dat hij die verachtelijke beschuldiging met eene alleszins verklaarbare heftigheid van zich zou werpen, en wij zien juist het tegendeel. Zeer bezadigd en op zeer waardige wijze beantwoordt hij de laaghartige verdachtmaking. Door het woord methuo, dat wij in den Gr. tekst vinden, en waarvoor hij zeker Hebr. Shalcar heeft gebezigd, (zie hl. 5,) laat hij 't onbeslist of zij bedoelen vei--

1

Gleukos. (g-lukus) Most, süsser, ungegorner oder eingekochter Wein; Sect, (gleukos, aol. betont, einerlei rait glukos von güad, galokos, glakos.) Milch und Most sind süss-, imd den Most die Milc/i der Keben zu nennen ist fur die Poesie jener Zeit so naturlich als fur unsere das Blut der Ee-ben. Riemer. Gr. D. Handw.buch.

ocr page 165

153

zadigcl met zoeten wijn of beschonken door liet gebruik van gegist druivensap, maar hij ontzenuwt hunne beschuldiging iu elk geval, door er op te wijzen dat 't eerst de derde ure van den dag is. ('s morgens 9 uur).

Zoo wordt dan bij de vestiging van het Koninkrijk der hemelen, bij de geestelijke geboorte der gemeente, het heilige terstond miskend, en door het slijk gesleurd; en welk voorwendsel grijpt de Booze aan om het heilige verachtelijk te maken? Hij gebruikt daartoe den naam van zijn ouden, beproefden bondgenoot, —- den wijn, Waarlijk! ernstiger waarschuwing tegen het ontheiligde druivenvocht kan moeijelijk bedacht worden.

De beschuldiging, beter gezegd: de verdachtmaking, waarmede de spotters de door Gods Geest bezielden en geheiligden begroeten, werpt een eigenaardig licht op de maatschappelijke toestanden van die dagen. Vooreerst blijkt daaruit dat dronkenschap iemand verachtelijk maakte; daarenboven volgt daaruit dat slechts de minder ernstig gestemden en ligtzinnigen zich aan dronkenschap schuldig maakten; — en hierin ligt opgesloten dat déze wèl het gegiste druivensap in eere hielden, maar de godvreezenden zich immer in acht namen vooi-den spotter, en zij slechts het druivenbloed, den reinen wijn genoten. De kwaadaardige beschuldiging, die de discipelen eene plaats aanwees onder de geveinsden, keert dus als een waarachtig woord op het hoofd der spotters weder, en brandmerkt hen als leugenaars en goddeloozen, die zich, welligt dagelijks, schuldig maken aan de zonde, waarmede zij de volgelingen des Heeren betichten.

De berichten, die tot ons kwamen, 't zij als traditie of als geschiedenis beschouwd, bevatten de sterkst mogelijke tegenspraak met de taal dezer spotters, want zij verzekeren ons, dat niet alleen Petrus maar ook de broeders des Heeren zeer overhelden naar de leefwijze der Nazi renen en Rechabieten. Eusebius haalt Hegesippus aan, die de getuigenis aflegt dat Jakobus, de broeder des Heeren, de

ocr page 166

154

schrijver van den Algemeenen Zendbrief, „geen wijn of sikera dronkquot; (oi'non kai sikera onk epien). Deze getuigenis is geheel in overeenstemming met hetgeen wij lezen in de brieven, die wij van Apostel Petrus bezitten.

Al aanstonds moet liet onze aandacht trekken dat wij in Hoofdst. I : 13 de woorden ontmoeten: nuchteren zijnde. Wat bedoelt Ap. Petrus met die woorden? Volgens de kantteekening der St. Vertaling dit: ,45. Dit doet de Apostel daarbij, gelijk ook Christus Luc. XXI : 34 ^ omdat een mensch, die met spijs en drank overladen is. alzoo onbekwaam is om geestelijke dingen te betrachten, als om zijnen weg spoedig te vervoorderen. Zie ook I Thess. Y : 6 en vs. 8.quot; Dij eenig nadenken moet de lezer tot het besluit komen dat de Apostel die woorden daarbij doet met eene grootelijks verschillende bedoeling; immers Ap. Petrus wekt op, vermaant tot iets, en in Luk. XXI : 34 waarschuwt de Heer tegen iets, en ook de Staten A7ertalers zien in deze woorden slechts eene waarschuwing tegen het overladen met spijs en drank. Zij verwijzen daarbij naar 1 Thess. V : 6, maar ook daar is 't eene aansporing tot nuchter zijn. In de kantteekening te dier plaatse (15) wordt dezelfde toon aangeslagen als in die hierboven in 45. In I Petr. IV : 7 en V : 8 wordt ook nog gesproken van nuchter zijn, maar de Staten Vert. vergenoegt zich om bij die plaatsen te verwijzen naar de reeds opgenoemden. In al de opgenoemde teksten lezen wij in 't Grieksch het werkw. nepho. Wat nejdio bedoelt geeft Riemer in zijn woordenboek aldus op: ich bin, — lebe nüchtern; faste; vorzüglich: ich trinke keinen Wein: davon nèphao, nèphaine, nèphalos — ès, nèphaleos u. s. w. Die erste Bedeutung scheint nass, nassen, niltzen, wasser-trinkeu zu involviren, und freilich mag nicht nuchterneres erfunden werden als dieses Element, das Empedocles auch nèstis nennt, AVie man demi auch nicht glaubte

1) Zie bl. 143.

ocr page 167

155

class eiii Wassertriuker ein Poët sein könne; ja wasser-trinken unci kolmilusern sind clem Grieclien synonyma. Ap. Petrus bedoelt dus iets, dat grootelijks verschilt van overdaad; liij bedoelt volstrekte onthouding van alles, wat bedwelmt of benevelt. ') Door deze vermaning wil hij bij ieder Christen de deur sluiten, wanneer het bedwelmende vocht zou willen binnen komen; het is in zijne oogen eene ontheiliging en verontreiniging om iets te gebruiken, dat bedwelmt, — zooals de geloo-vigen eer zij bekeerd waren tot den Herder en Opziener hunner zielen wel deden, — want hij voegt daar aanstonds aan toe de vermaning; gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, zoo weest ook gij zeiven heilig in al uwen wandel, (vs. 14 en 15).

In het IVe hoofdst. vs. 7 ontmoeten wij de vermaning tot nuchter zijn voor de tweede maal: „En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchter en waakt in de gebeden,quot; zoo ook vertalen de Staten, willekeurig en onjuist. Vissering is getrouw, als hij vertaalt: „Weest clan ingetogen 3) en nuchter tot de gebeden.quot; De zamen-voeging dezer werkwoorden geeft aan de vermaning eene dubbele kracht en de kracht dezer woorden kan zonder breede omschrijving in onze taal niet teruggeven worden; maar zooveel is ten minste zeker, dat men geen waardig gebed kan uitspreken, in een, als is 't ook slechts eeniger-mate, benevelden toestand. De heiligheid van het gebed sluit de mogelijkheid om beneveling toe te kunnen laten

1) De bedoeling' van r.epho wordt zeer juist toegelicht door het woord van i\p. Paulus in 1 Kor. XV : 31*, waar wij lezen: Waakt op regtvaar-dig-lijk, en dat Vissering- veel juister vertaalt: Wordt nuchter gelijk het behoort. Het werkwoord dat daar wordt gebruikt is nepho met het voorvoegsel ek en beteekent: Ontnuchteren, nuchter worden, weder bij zijn zinnen komen, een roes uitslapen.

2) Het werkw. dat hier in den Gr. tekst gevonden wordt: sophroneo. heeft eene zeer eigenaardige beteekenis. Riemer zegt: eigl. sanae mentis esse, g-esunden Verstand od. gesimde Seele, ohne Krankheit, Fehler Leiden-schaft, haben: überh. bei Verstande od. klug sein; vorzüglich: enthaltsam massig, züchtig, schamhaftig, bescheiden sein und handeln.

ocr page 168

156

of te kunnen dulden, zoo volkomen uit, dat Ap. Petrus hier zeer voorbedachtelijk dewerkw. „sophroneo cn nepho zamen voegt; en waar hij de geloovigen herinnert aan het einde aller dingen als nabij, is 't meer dan duideliik dat hij zijne vermaning als levensregel wenscht geëerbiedigd te zien.

Voor de derde maal vinden wij in V ; 8 nuchter zijn genoemd. „Zijt nuchter en waakt!quot; Hier wordt nuchter zijn verbonden met waken. t Spreekt van zelf dat ook zelfs eene geringe beneveling aan bet vermogen om waken afbreuk doet, en waakzaamheid den teug der bedwelming uitsluit. En dit geldt voor altijd, want de duivel houdt niet op met ons te beloeren en ons te belagen, maar hij is in dezen gelijk aan een leeuw, die steeds voortgaat, al brullende, zijne prooi te zoeken. Daarom mag de wapenrusting niet worden afgelegd, en moet de waakzame steeds op zijn post zijn, — en is de bedwelming in den teug, die haar verwekt, den Christen steeds een valstrik.

Behalve door deze vermaningen tot nuchterheid wordt de wijn uitdrukkelijk vermeld in Hoofdst. IV : 3 5. ,Het is ons genoeg, enz.quot; Bij deze woorden moeten wij even stil staan. Het woordje ons plaatst Ap. Petrus in de rij derzulken wier doen hij vermeldt en veroordeelt. Xu is 't eene onmogelijkheid dat dit werkelijk het geval zou geweest zijn. Petrus behoorde tot de godvreezenden in Israel, wier wandel zich kenmerkte door een beslisten afkeer van alle Heidenen, en elke gemeenschap met hunne leefwijze die hier wordt veroordeeld. \ an beioep visscher, oefende hij een bedrijf uit, waaraan geene bijzonder groote voordeden of verdiensten waren verbonden. Volgens de getuigenis der Joodsche overheid behoorde Petrus tot de ongeletterde en ongeoefende (onontwikkelde, eenvoudige) menschen, 1) en was hij dus niet in de gele-

1

In den Gr. tekst wordt het woord idiotès gebruikt. Dit woord geeft te kennen: iemand uit de laagste volksklasse, die in de republiek geen ambt kan Vekleeden, en tevens arm is. Ons tegenwoordig spraakgebruik deelt dezulken in bij „het niet-denkend deel deel der natie.quot;

ocr page 169

157

genheid kostbare zwelgpartijen bij te wonen. Onmogelijk kon onze Heer znlk een' onwaardigen hebben toegeroepen : „Ik zal n een visscher van mensehen makenquot; (Matth. 1 : 19). Gedurende zijn omgang met den Heer kon er natuurlijk geene sprake zijn van eenige onbetamelijkheid, en na de Hemelvaart des Heeren met den Heil. Geest vervuld, was elke onbetamelijkheid in leefwijze volgens Heidensche zeden, eene onmogelijkheid geworden. Het mij dus groot genoegen dat Vissering in plaats van ons — u leest volgens een' bestaan den variant; dus: „Het is n genoeg,quot; of zooals wij zouden zeggen; „Het is al erg genoeg, dat gij .... en nu volgt eene lijst van alles wat de Apostel veroordeelt, en daaronder ook: wijnzuiperijen en drinkerijen. Wat hij daar opnoemt is eene beschrijving van den toestand der Heidensche maatschappij die met de waarheid overeenstemt, en waartegen hij dus de Christenen met volle regt waarschuwt.

De vermaningen in den eersten brief geven het volle regt om te beweren dat de eerste Christenen, ook die uit de Heidenen, den teug der bedwelming verafschuwden, of althans leerden verafschuwen. De strekking dezer vermaningen is geene andere; en waar Petrus zich gedrongen gevoelt om zich ten tweede male uittespreken in leering en vermaning, wil hij dat de Christenen opwassen in de kennis des Heeren, en wijst hun den weg, dien zij daartoe moeten bewandelen, in de woorden: „Voegt bij uw geloof, deugd; bij de deugd kennis ; bij de kennis matigheidquot; (II Petr. 1: 6) Het woord „matigheidquot; wordt door Vissering met ,ingetogenheidquot; vertaald; m. i. is de beste vertaling: zelfbeheersching. ') De V. vertaalt: abstinentia en denkt dus aan onthouding, waardoor natuurlijk wordt bedoeld onthouding van het gebruik van bedwelmend vocht, waardoor de zelfbeheersching steeds in gevaar wordt gebragt.

1) Zie O. bi. 7. a. Ook hier staat het woord enkrateia Zie ook: Hand. XXIV : 25. De Yert. van Wiclif is ook: abstynence.

ocr page 170

158

Uit alles wat naar aanleiding der woorden van Ap. Petrus door mij wordt opgemerkt, volgt, m. i. onweder-sprekelijk, dat de clirisielijke roeping den teug der bedwelming brandmerkt als eene ergenis en eeu struikelblok op den weg ten leven, en de gescbiedscbrijver Baro-nius in zijn goed regt is als bij beweert dat de eerste Cbristenen in den regel gebeel-ontbouders waren.

Dat ook in de dagen van Ap. Petrus de melk als voedende drank in eere werd gebonden, blijkt uit zijne vermaning, waarin bij de geloovigen bij kinderen vergelijkt, die eerst onlangs bet levenslicht aanscbouwden, en daar bijvoegt, dat zij naar de redelijke onvervalscbte melk in de Evangelie-verkondiging even begeerig moeten zijn als de pasgeboren kinderen naar de moedermelk, opdat zij daardoor op wassen zouden. (I Petr. II : 2.)

Van bet water en zijn reinigend vermogen spreekt bij in zijn eersten brief, (III : 23) maar van bet water als drank maakt hij geene melding.

In den brief van Ap. Jakobus, die gerigt is aan de twaalf stammen, die verstrooid 'zijn onder de Heidenen, (diaspora) wordt bet woord ^ijn niet genoemd. Indien nu ook bet „overspelers en overspelerssenquot; (IV : 4) regt geeft om aan uitspattingen te denken, waaraan die teug der bedwelming niet vreemd was, eene hoofdrol vervulde hij niet. In dat geval zou Jakobus zeer zeker tegen den vijand gewaarschuwd hebben. Ik laat deze opmerkingen vooraf gaan omdat daaruit blijkt, dat de Joden van die dagen geen ontheiligd druivenbloed gebruikten, en den reinen wijn met voorzigtigheid genoten; zooals ik dat reeds vroeger heb aangewezen.

Ons rest nu nog om na te gaan wat Ap. Paulus denkt over het onderwerp, dat wij behandelen. ')

1) In de brieven van Ap. Joannes komt niets voor wat op ons onderwerp betrekking- heeft. Hij schreef dus waarschijnlijk aan nuchtere Christenen.

ocr page 171

159

De gemeenten aan welke lüj zijne brieven rigtte, bestaan uit Joden en Heidenen, die tot den Heer zijn bekeerd, en in lieideusche omgeving leven. Het leven onder de Heidenen en liet verkeer met de geloovigen viit de Heidenen, die in dat opzigt niet allen aanstonds liet juiste inzigt hadden, had zijne eigenaardige gevolgen, en deze gaven aanleiding tot de vermaningen, die wij in de brieven van Ap. Paulus vinden.

In den brief aan de Hebreen vindt men geene vermaning, die betrekking heeft op het gebruiken van ongegist of gegist druivensap.

Wij lezen de eerste vermaning in Kom. XIII : 13. „Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen,quot; Eerlijk in de oudere uitgaven der St. Vertaling, is in de latere vervangen door betamelijk Vissering heeft welvoecjelijk. Als in den dag-, in het volle daglicht wacht men zich voor onbetamelijkheid of onwelvoegelijkheid, en zóó, wil de Apostel zeggen, moet ge u altijd, ook des avonds en des nachts gedragen, want wij die des daags zijn, moeten nuchteren zijn. (I Thess. V : 8.) Hieruit volgt dat de uitspattingen, waartegen hij waarschuwt, des avonds en des nachts plaatsgrepen en in strijd waren met de eischen der nuchterheid. Brasserijen, — het Gr. woord herinnert aan feesten ter eere van Comus, den god der brasserij en aan de feesten ter eere van Bacchus, die gewoonlijk werden besloten met een' nachtelijken optogt onder het zingen van liederen en het brengen van serenaden. Hierop volgt: dronkenschap-pen — Ap. Paulus denkt hier natuurlijk niet aan hetgeen wij door dronkenschap verstaan, nam. het zich bevinden in een toestand van magteloosheid, naar ligchaam ziel en geest, tengevolge van overmatig gebruik van bedwelmend vocht; indien hij tegen dronkenschap had willen waarschuwen, zou hij niet gesproken hebben van dronkenschappen. Hij veroordeelt door dit woord het volop verzadigen van de maag, dat niet anders is als het voldoen aan de lust, zonder zich te bepalen bij het ver-

ocr page 172

160

vullen der behoefte. Met volle regt lezen wij hier echter het woord dronkenschappen, (méthais) want eten of drinken uit louter genoegen, met miskenning van behoefte en betamelijkheid, is het wezen van de zonde der dronkenschap.

Die onmatigheid in spijs en drank, (of men hierbij denkt aan bedwelmend vocht maakt weinig verschil) wreekt zich onmiddelijk, want zij is de vruchtbare moeder der zonden, die ten slotte worden genoemd. Tegenover dat alles plaatst hij het aandoen van den Heere Jezus. Hij begeert dat het beeld van Hem den mensch zoodanig vervulle en hij in Hem opwasse dat al hunne (en dus ook onze) handelingen Hem vertoonen. die zelfs bij het kruis den beker der bedwelming afwees, en nooit heeft te kort gedaan aan de eischen der nuchterheid, in den strengen zin dien Ap. Paulus daaraan verbindt. ')

In het 21e vers van het XlVe hoofdstuk lezen wij de woorden: „Het is goed, geen vleesch te eten, noch wijn te drinken, noch (iets te doen) waaraan uw broeder zich stoot of geërgerd wordt of (waarin) hij zwak is. De gemeente te Rome bestond uit geloovigen uit de Joden en uit de Heidenen. De inhoud van het XlVe hoofdstuk verplaatst ons in den kring der geloovigen uit de Joden. Door de ongeloovig gebleven Joden uitgeworpen, was elke gemeenschap met hen voor de Christenen uit de Joden onmogelijk geworden. Zij moesten dus hun vleesch koopen bij Heidenen, en hoe zouden zij er nu zeker van kunnen zijn dat dit niet op eenige wijze onrein was geworden óf dat hun vleesch werd verkocht, waarvan het gebruik door de Wet werd veroordeeld ? De geloovigen, die in dezen geen bezwaar maakten, aten alle vleesch,en van daar deze strijd. Wat den

1) Deze opmerkingen gelden evenzeer voor Gal. V: 19—31.

2) Dat het nuttigen van spijzen, voor de Joden, die God vreesden eene zeer gewig-tige levensvraag was, blijkt zeer sterk uit II Makk. XI: 31. waar wordt toegestaan: „Dat de Joden gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten, gelijk als te vorenquot; enz.

ocr page 173

161

wiju betreft, deze vraag was ook van zeer teederen aard. Het tijdperk der nieuwe bedeeling (de toekomende eeuw) was aangekondigd door een Nazireër; liet levensbeginsel voor de gemeente des Heeren kon dus geen ander zijn dan dit: volkomen overgave en toewijding aan de verheerlijking van God, zooals die zigtbaar waren geworden in Joannes den Dooper en den Heer-zelf. ') Was daarmede nu te rijmen het gebruik van wijn ? (hier: ongegist druivensap, reine wijn, druivenbloed.)

Deze vraag door sommigen toestemmend, door anderen ontkennend beantwoord, werd van lieverlede een struikelblok voor eenigen; en nu zegt Ap. Paulus: laat na liet gebruik van vleesch; ontzegt u het genot van wijn; behaagt niet u zeiven in het handhaven van de voorreg-ten der vrijheid, waarin uw geloof u plaatst, maar ziet op uwen zwakken broeder, geeft hem geen aanstoot; daardoor zult gij Gode welbehagelijk zijn, en aangenaam den menschen, en bevorderen hetgeen tot vrede en tot stichting dient.

De gemeente in Korinthe bestond voor het grootste gedeelte uit Christenen uit de Heidenen. Toen deze stad, in het jaar 146 vóór Chr. den Romeinen in handen viel, viel daardoor van lieverlede ook bij den Romein den eerbied voor goede zeden en godsdienst. Korinthe, de stad van weelde en kunst, was zoozeer de stad van onzedelijkheid en overdaad geworden, dat het woord: „Ko-rintische zedenquot; de aanduiding werd van het meest weelderige leven, vreemd aan allen zedelijken ernst.

Toen in deze stad, waarin de Heer veel volks had, (Hand. XVIII : 10) het woord der prediking den zedelijken ernst had opgewekt en versterkt in hen, die geloofden, waren er zeker zeer velen, die eensklaps en zeer beslist de heidensche zeden vaarwel zeiden, en zich aan-

1) Welke hooge achting' de Nazireers genoten, sedert den terugkeer uit de ballingschap, kan men zien in I Makk. III: 49.

ocr page 174

162

sluitende bij de geloovigen uit de Joden hunne ingeto-gene, nuchtere leefwijze overnamen. Zij echter, die hunne christelijke roeping aanvaardden zonder daarbij tevens dien ernst der nuchterheid te gevoelen, ondervonden weldra de gevolgen; en hun wandel, die der gemeente tot oneer en den Heer tot schande was, noodzaakte den Apostel tot het uitspreken van zeer ernstige vermaningen en ■waarschuwingen.

Dat het zedelijk gehalte der gemeente nog al te wen-schen overliet, blijkt uit den inhoud van bijna elk hoofdstuk van den eersten brief; dat Ap. Paulus ook om zeer bijzondere redenen met nadruk wijst op de werking van het zuurdeeg, is m. i. zeker. Immers terwijl hij in den brief aan de Galaten slechts even herinnert aan de werking van het zuurdeeg, en daar alleenlijk gewaagt van zijn alles doordringend vermogen, (Gal. V : 9) wijdt hij in (Kor. V. ; 6—8) zijne beschouwing over den zuurdeeg uit, en wijst daarbij uitsluitend op zijn verontreinigend vermogen. Tegenover deze verontreiniging plaatst hij den Christus als het onbesmette, volkomen heilige Paasch-lam, en sluit zijne vermaning met de woorden: zoo laat ons dan feest hoaden, niet met of in het oude zuurdeeg noch in het zuurdeeg der kwaadheid of der boosheid, maar in alle ongezuurde dingen, d. \v. z. in alles wat rein is. Dat hij door deze woorden ook het gebruik van den onreinen wijn, het door gisting ontheiligde druivenbloed uitschrapt van de lijst der gebruiken, die den Christen betamen, lijdt geen twijfel. Slechts een vluchtige blik in I Kor. X is meer dan overtuigend; hij is beslissend.

Waar Ap. Paulus aan al de afdwalingen herinnert, die den togt der kinderen Israels hebben gekenmerkt bij hun doortrekken der woestijn, legt hij bijzonderen nadruk op den inhoud van den beker der daemonen, en stelt dien tegenover den beker der dankzegging, die het reine vocht bevat, dat de heilige levenskracht des Heeren vertegen-

ocr page 175

163

woorcligt.') Vandaar dat in Hoofdst. V : 11 en VI : 10 de dronkaard wordt uitgesloten buiten de gemeente en buiten liet Koningrijk der hemelen; dronkaard (metlmsos) is volgens die woorden iemand, die volop zoeten drank-drinkt;, én is nu het gegiste vocht door den Apostel van de lijst der dranken afgevoerd, dan kan hij hier niet anders bedoelen dan een overmatig gebruik van ongegist druivenbloed, want een zoodanig gebruik ontzenuwt de christelijke waakzaamheid en zet de deur open voor allerlei onbetamelijkheid. (Zie hoofdst. X : 20—22, 33, 34. Verg. Rom. XIII : 14b.' Gal. V : 13, 14.)

Ook Ap. Paulus rangschikt de vrucht van den wijnstok onder de voedingsmiddelen; (I Kor. IX ; 7) ook de melk acht hij een voedzamen, versterkenden drank vooral voor jeugdigen en volwassenen, (I Kor. III: 2. IX : 7. Verg. Hebr. V : 13) maar aan het water scheukt hij de hoogste eer; immers waar hij spreekt van het water uit de steenrots, dat het volk Israels voor bezwijken en omkomen behoedde, voegt hij daaraan aanstonds toe de verklaring, dat hun geestelijk leven werd gedrenkt door het water uit den geestelijken steenrots, uit den Christus. (I Kor. X : 1—4.)

Over Eph. V : 18 meen ik de volgende opmerkingen te moeten neerschrijven. Wij lezen iu de St. Vert.: „Wordt niet dronken van wijn;quot; Luther vertaalt: „Saufet euch nicht voll V/einsquot;; zijne vertaling is juister. De Apostel stelt tegenover elkander het volworden van het ligchaam door het drinken van wijn én het vervuld worden in (Gr. en) den geest door het gebruiken van geestelijk voedsel, waarvan de vrucht is het onder elkander spreken met psalmen, lofzangen, geestelijke liederen enz. In het eerste geval is overdaad d. w. z. losbandigheid, die tot allerlei dingen verleidt, die niet oorbaar zijn, en waartegen hij in de voorafgaande woorden zoo ernstig heeft

1) Verg-, bl. 117.

ocr page 176

164

gewaarschuwd. Indien de Apostel aan dronkenschap had gedacht zou hij zeker hebben gezegd: wordt niet dronken door (beuevelenden) wijn, want dan verbeurt gij het Koningrijk der hemelen.

Op de beteekenis van het nuchter zijn, waartoe én Apostel Paulus én Apostel Petrus zoo uitdrukkelijk aansporen, is reeds gesproken. Wat daaromtrent vóórkomt in den eersten brief aan de Thessalonicensen is toegelicht.

Geheel en al in overeenstemming met de vermaningen en eischeu, die hij den Christenen stelt, zijn de bepalingen, die Ap. Paulus in I Tim. III geeft als leiddraad voor de verkiezing van opzieners, diakenen en diakouessen.

De opziener moet zijn nuchter (nephatios, St. Vert, ingetogen) (vs. 2), niet geneigd tot wijngenot, (vs. 3). Hetzelfde eischt hij van de diakenen: en van de vrouwen wenscht hij uiets anders, ook zij moeten nuchter, (nèphalios St. Vert, wakker) zijn. Hieruit volgt dat het wijngenot waartegen hij waarschuwt is het gebruik van ongegist druivenbloed, zooals hij dat bedoelt in Eph. V : 18, — en ook de wijn, dien hij Timotheus aanraadt een weinig te gebruiken is uiets anders als het zuivere,1) niet door gisting ontheiligde druivenbloed. (V : 23).

Wij hebben onze taak ten einde gebracht. Wat in de Openbaring over wijn wordt gezegd behoort niet tot het gebied dezer Proeve. Slechts dit nog. Uit Openb. II : 14, blijkt dat ook in die dagen de wijn nog steeds optrad als verleider en vijand van het Godsrijk.

De geschiedenis der dranken en drinkgewoonten in Israel levert het bewijs, dat het water de drank is, dien God voor den mensch heeft bestemd; dat de melk is een voedende, versterkende drank, en ook het ongegiste druiven- en vruchten-sap tot diezelfde soort behoort;

1) Deze opmerkingen gelden evenzeer voor den brief aan ïitus, in welken de woorden: nèphalios, sophron zie bl. enkrates zie bl. 157 worden gebruikt.

ocr page 177

165

doch dat het gegiste druivensap een magtige bondgenoot is van den Vorst der duisternis, die hem reeds menige prooi heeft verzekerd, omdat het gebruik van dien drank den weg baant voor de zonde in iederen vorm.

Mogt iemand vragen: waarom ook het N. Testament door iny werd behandeld ? dan is dit mijn antwoord. Dooide daad van verwerping van het Evangelie door de Joden, heeft er eene verwisseling plaats gegegrepen, en zijn wij, Christenen, geworden het Israel Gods, (Rom XI : 15) waardoor alle eischen aan Israel gesteld, als knecht des Heeren, eerstgeboren Zoon van God enz. enz., door den Christus op ons zijn overgegaan; en onder de vermaningen, die de Apostel des Heeren ons heeft nagelaten, vinden wij ook deze (en zy heeft groote beteekenis):

H e t z ij dan dat g ij lieden eet, h e t z ij g ij drinkt, h e tz ij g ij iets [an de r s] d o e t, d o et het al ter eere Gods. (I Kor. X : 31).

ocr page 178
ocr page 179

mÊÊÊÊÊÊ.