ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

m

c.

V-'.i •

0K:

■•m

■

'■ gt;■ .. It Is

_

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

V ft K -f-'i

DE HEILIGE.

fVamp;L cTr-^ctA yOtX-^-^

C

. l-i

NOVELLE

a o^a- v

VAN

ö-^-^

CONRAD FERDINAND MEYER.

rgt;v

UIT HET DUITSCH

NADI.

/AET EEN yOORBERICHT VAN )V. JT. poENEN, Leeraar aan het Gymnasium en do H. B. Scliool te Amersfoort.

D. MIJS. — TIEL. — 1887.

ocr page 8
ocr page 9

CONRAD FERDINAND MEYER.

»Wij waden en baden in kleine kunst,quot; aldus ongeveer meende, nog niet zoo heel lang geleden, de heer Max Rooses in een zijner literarische opstellen*), »Onze romanschrijvers hebben tegenwoordig een voorliefde voor kleine, onbeduidende onderwerpen, de stof van hun verhaal, de karakters hunner personages beschouwen zij als bijzaak; als menschen en zaken maar keurig en kleurig geschilderd zijn, bekreunt men er zich weinig om of zij onbeduidend zijn of niet.

Wat betreft de keus van het onderwerp, bestaat er tus-schen onze novellisten en onze dichters slechts dit verschil, dat de laatsten onbeteekenende dingen uit hun eigen bestaan in verzen brengen, terwijl de eersten niet veel gewichtiger voorvallen uit het leven van anderen in alledaagsch proza weergeven.quot;

Dit verschijnsel doet zich volgens den heer Rooses niet alleen in ons land en in de Zuidelijke Nederlanden voor; het kenmerkt, in grooter of kleiner mate, de letterkundige voortbrengselen van dat deel van Europa, dat gewoon is op het gebied der kunst den toon aan te geven.

De volgende bladzijden zijn niet geschreven met het doel om te onderzoeken, in hoeverre deze beschouwingen, die waarschijnlijk, te recht of ten onrechte, reeds lang tegenspraak hebben uitgelokt, juist zijn. Vruchtbaarder dan het

De jongste ricliting in de Zuid-Nederlandsche letterkunde. Zie de Gids van Juni 1883.

ocr page 10

IV

redetwisten over de meerder of minder grootsche opvatting, hunner taak, welke onze hedendaagsche schrijvers, en met hen in zeker opzicht die van het beschaafd Europa in het algemeen onderscheidt, is het voorzeker te wijzen op een auteur, dien de heer Max Rooses wel tot de gunstige uitzonderingen zal willen rekenen.

Conrad Ferdinand Meyer, van geboorte een Zwitser, wordt als episch en lyrisch dichter in zijn vaderland en in Duitsch-land reeds naar verdienste geëerd. Daar zijn naam echter, naar het schijnt, in ons land nog al te weinig is doorgedrongen 1), gelooft de schrijver dezer bladzijden aan ons lezend publiek geen ondienst te bewijzen, wanneer hij, bij deze eerste Hollandsche vertaling van diens meesterwerk, het merkwaardige talent, dat hem kenmerkt, eenigermate tot zijn recht tracht te doen komen.

Reeds meer dan eens heeft zich de Zwitsersche poëzie als een reinigende en verfrisschende stroom over Duitschlands literarische velden verspreid en haar verjongenden en versterkenden invloed doen gevoelen. Rij na te gelijk met Luthers optreden waagde een Niklaus Manuel het, flinker en moediger dan eenig dichter voor hem, de ongerechtigheden der Katholieke geestelijkheid te wraken. Een paar honderd jaren later waren het wederom een paar Helvetiërs, Rodmer en Rrei-tinger, die het letterkundige Duitschland, dat in kleingeestige navolging van onbeteekenende Fransche modellen dreigde op te gaan met een Miltonschen geest trachtten te bezielen.

1

In de Nederlandsche Spectator van 30 Januari 1886 leverde Dr. G. W. C. Bijvanck eene korte beschouwing over Meyers novellen. Ook hij prijst de buitengewone gaven des schrijvers en noemt hem den meestbeteekenenden der jongere (Duitsche) novellisten. quot;Der Heiligequot; laat hij echter onbesproken.

ocr page 11

En naast hen beiden trad een Halier op, die in dikwijls verheven verzen de schoonheden zijner vaderlandsche Alpen bezong en die in een tijd, dat het rococo nog bijna aller-wege zijn schepter zwaaide, van eene ongekunstelde, vrije natuur en van onverdorven zeden droomde.

Onwillekeurig komen ons bij het noemen van C. F. Meyer deze namen voor den geest. Er bestaat verwantschap tusschen de vroegere reformatoren en dezen modernen poëet. Hetzelfde koene en grootsche, dat genen onderscheidt, is ook bij hem aanwezig. Is dit een gevolg der hen gelijkelijk omgevende natuur ? Oefent de aanschouwing der bergkolossen met hun stille, grootsche wereld van ijsmassa's en eeuwige sneeuw; der meren, die nu eens spiegelhelder het blauw en groen van lucht en woud weerkaatsen, dan wederom in hoog opgaande, dreigende golven zich verhellen; der breede dalen, wier liefelijke, bloemrijke hellingen ten laatste gekroond worden door de ernstige gletschers van sombere bergreuzen, — oefent dit zoo indrukwekkend landschap op zijne zangers zulk een veredelenden en vooral verhelïenden invloed uit? Plaatst het hen boven het peil der gewone dichters? — Wie vermag op deze vragen een beslissend antwoord te geven, al moge bet alhier geconstateerde feit der verwantschap ook onweerlegbaar zijn.

Stil en kalm is het leven van Meyer tot dusverre voorbijgegaan; geen merkwaardige voorvallen hebben er belangrijke storingen in teweeg gebracht. Den 12ea October 4825 werd hij in Zörich geboren, in de stad waarin, meer dan in eenige andere Zwitsersche, een levendig intellectueel leven heerscht; waar zoowel een Gottfried Keller als een Leuthold het levenslicht aanschouwden. Meyers familie was van patricische afkomst en woonde daar reeds meer dan

ocr page 12

VI

tweehonderd jaren. Zij zond den veelbelovenden jongeling naar hel gymnasium zijner vaderstad, waar hij volgens eigen getuigenis niets verwierf dan eene grondige kennis der klassieke talen, die hem sedert bijgebleven is. Na afloop dezer studiën hield de aankomende student zich langen tijd in Lausanne en Genève bij intieme kennissen zijner moeder op. Zoo werd het Fransche gedeelte van Zwitserland voor hem een tweede vaderland. Ongaarne in Ziirich teruggekeerd, liet hij zich aan de universiteit als student in de rechten inschrijven, doch weldra boezemde het droge en systematische dezer studiën hem een onoverwinlijken tegenzin in. Ofschoon de beroemde Bluntschli eene groote belangstelling voor hem aan den dag legde, liet hij spoedig de colleges varen eu begon een eenzaam leven, niet werkeloos maar doelloos. In dien tijd heeft hij ontzettend veel gelezen en zich vooral met hartstocht in historische studiën verdiept, menige oude kroniek doorsnuffeld en zoodoende gedeeltelijk uit de bronnen zelve den geest der verschillende eeuwen leeren kennen. »Ook daarvan,quot; deelt hij mede 1), »is mij iets bijgebleven: de historische grondslag en de spaarzaam aangewende locale kleur, die ik later aan al mijne gedichten heb kunnen geven zonder er een boek voor op te slaan. Dit in mij zelven gekeerde, teruggetrokken leven heb ik tientallen van jaren geleid, daar mijne goede moeder mij eene volkomen vrijheid liet en na haar dood een lieve zuster met mij samenwoonde. AVij teekenden beiden en in die lange jaren heb ik de beeldende kunsten liefgekregen. Toch was deze voortdurende, slechts door de bezoeken van eenige trouwe vrienden afgewisselde eenzaamheid niet geschikt om mij goed te doen.

1

Zie de literarische studie van Anton Reitler, getiteld „Conrad Ferdinand Meyer.quot;

ocr page 13

VII

al trachtte ik ook in lichaamsoefeningen, in zwemmen, gymnastiseeren en in het maken van tochten door het hooggebergte de noodige afleiding te vinden. Eens heeft de doelloosheid van mijn bestaan mij bijna tot wanhoop gebracht en slechts een snelie vlucht naar Fransch-Zwitserland heeft mij toen gered. Wat mij overigens nieuw leven schonk, waren herhaalde reizen in het buitenland. Een geruimen tijd heb ik in Parijs doorgebracht en herhaaldelijk Italië bezocht. In Zürich bijna een vreemdeling geworden, had ik ondertusschen de stad verlaten en eene woning aan het meer gevonden. Achtereenvolgens bewoonde ik buitenverblijven te Küsnach, te Meilen en wederom te Küsnach. Na mijn huwelijk met de dochter van den overste Eduard Ziegler (4875) verkreeg ik ten laatste de kleine buitenplaats te Kilchberg, waar ik thans met vrouw en kind leef.quot;

In tegenstelling met de meeste dichters van beteekenis heeft het talent van Meyer zich betrekkelijk laat ontwikkeld. Eerst op vijf en veertigjarigen leeftijd gaf hij eene schepping in het licht, die wel is waar niet dadelijk naar verdienste werd gewaardeerd, doch die al de zeldzame eigenschappen van zijn schitterenden geest in het helderste licht doet uitkomen en waarschijnlijk wel het meest tot zijne onsterfelijkheid zal bijdragen '). »Het jaar 1870,quot; aldus deelt Meyer ons dan ook mede, »was voor mij het gewichtigste mijns levens. De groote oorlog, die ook in Zwitserland de gemoederen verdeeld had, besliste een tweestrijd in mijne ziel. Door een onmerkbaar gevoel van stamverwantschap krachtig aangegrepen, wierp ik het Fransche in mijne natuur van

*) Julian Schmidt, een der scherpzinnigste en gestrengste der Dnitsche critici uit zich over „Huttens letzte Tagequot; aldus ; „Nach meiner festen Ueberzeugung setzt sich dies Gedicht den hesten deutschen Dicktungen aller Zeiten würdig an die Seite.quot;

ocr page 14

VIII

mij en innerlijk genoodzaakt deze veranderde gezindheid te uilen, dichtte ik «Huttens letzte Tage.quot; De eigenaardige kleur van dit gedicht vindt zijne verklaring in mijn eigen afgezonderd leven. Het eiland ürfenau lag zeer nabij mijn woning en zoo kwam ik er als van zelf toe den daar eenzaam gestorven Hutten tot held te kiezen. Het gedicht verscheen en vond talrijke lezers. In 1872 volgde «Engelberg eene idylle, reeds vroeger geschreven maar sinds in portefeuille gebleven. Reeds lang had eene historische figuur, de grootste uit de geschiedenis van Bünden mijn geest vervuld. Van Graubünden was mij door herhaalde en langdurige uitstapjes om zoo te zeggen iedere voetstap bekend en in zijne kronieken was ik volkomen tehuis. Nadat ik mij lang spelend met de slof had bezig gehouden schreef ik onder de kastanjeboomen mijner woning te Meilen den roman Jürg Jenatsch (4876). Den Franschen geschiedschrijver Auguslin Thierry had ik reeds in Lausanne bestudeerd en de »Récils des temps méro-vingiensquot; in hel Duilsch vertaald. Uit de «Histoire de la conquête de l'Anglelerrequot; was mij de raadselachtige gedaante van Thomas Becket tegemoet getreden en ik heb zoo lang aan haar gewerkt en gevormd, dal zij mij bijna kwellend voor den geest stond. Ik bevrijdde mij van dit spookbeeld door het schrijven van »Der Heiligequot; (1880). Hel jaar 1882 bracht de «Gedichte,quot; waarin ook vroeger uitgegeven balladen en romancen in omgewerkten vorm waren opgenomen. Vier kleinere novellen (»Das Amulet,quot; «Der Schusz von der Kanzei,quot; «Plautus im Nonnenkloster,quot; «Gustav Adolf's Pagequot;) verschenen in 1883. Mijne nieuwste werken zijn; «Das Leiden eines Knabenquot; (1883) en «Die Hochzeit des Mönchs (1884) 1). In 1880 heeft de universiteit mijner

1

In October 1885 verscheen bovendien nog «Die Richterin.quot;

ocr page 15

IX

vaderstad mij den titel van Doctor honoris causa verleend.quot;

Als lyrisch en als episch dichter opgetreden, is Meyer toch in hoofdzaak het laatste. Zijne «Gedichte,quot; hoe voortreffelijk ook bij eene nadere kennismaking, zullen slechts door hen, die zijne novellen en zijn «Huttenquot; kennen, naar waarde worden geschat. Ook behoort verreweg het grootste aantal dezer gedichten tot het genre der romancen en balladen en bijgevolg tot het gebied der epische poëzie.

Eene zelfs maar oppervlakkige beschouwing dezer verdienstelijke gedichten en van zijne zoo schoone schepping «Huttens letzte Tagequot; zou de grenzen dezer kleine schets verre overschrijden. Een enkel woord over Meyers novellen en in 't bijzonder over «Der Heiligequot; moge echter hier nog zijne plaats vinden.

Gelijk zoo even opgemerkt is, munt onze dichter het meest uit in zijne novellen, zijne historische vertellingen. En in dit genre vindt men dan ook in de gansche Duitsche literatuur nauwelijks zijnsgelijke, althans niet licht iemand, wiens in den aanvang reeds zoo buitengewoon talent zich bij voortduring in zoo verschillende richtingen ontwikkeld heeft als het zijne. ReedsinJürgJenatsch, Meyers eerstelingsroman van eenigszins langeren adem, treedt zijne grootste eigenaardigheid aan den dag, n.1. zijne buitengewone objectiviteit. Geen woord verraadt hier de toch echt mensche-lijke sympathie van den auteur voor den held van zijn verhaal. In deze objectiviteit vinden de uitnemende eigenschappen van den novellist hare verklaring, vooral zijne hem alleen eigene taal. Hij is meester van den epischen stijl. Rustig en als in breede golven rollen de door hem verhaalde gebeurtenissen ons voorbij, door niets in haar 'oop opgehouden, door geen storende reflecties vertraagd.

ocr page 16

slechts door haar eigen beteekenis den lezer roerend en hem medesleepend. Het is hem eene behoefte de kinderen zijner fantasie geheel los te maken van zijn eigen ik. liit dit streven ontstond zijne techniek der novelle, die in zijne belangrijkste scheppingen steeds terugkeert, hem alleen eigen is en merkwaardig genoeg is om eene afzonderlijke beschouwing te verdienen.

Gelijk ieder verhaal onderstelt ook de novelle iemand, die haar vertelt. Bijna altijd wordt deze in den dichter zeiven gevonden, doch noodzakelijk is zulks daarom nog niet. Een kring van nauw verbonden menschen verhaalt in de Decamerone zijn novellen en anecdoten en Meyers beroemde landgenoot, Gottfried Keller, heeft in zijn »Sinn-gedichtquot; eveneens de verschillende vertellingen aan verschillende personen in den mond gelegd. De nu algemeen gehuldigde methode om den dichter met den verhaler te vereenzelvigen, brengt zelfs een niet gering te achten gevaar met zich: zij verleidt zoo licht tot subjectiviteit. Meyer echter dwingt, doordien hij zijne novelle een ooggetuige of tijdgenoot in den mond legt, zich zeiven tot een kalm en bezadigd handelen en snijdt zich voorgoed den weg at om met eigen opmerkingen en overdenkingen den loop dei-voorvallen te sloren. Dat deze techniek de rnoeielijkheden, waarmede de novellist te kampen heeft, niet weinig vermeerdert, ligt voor de hand. Hij heeft nu eene persoon meer te teekenen en moet zich er dubbel voor in acht nemen uit den localen loon te vallen.

Doch ook de voordeelen, aan deze wijze van compo-seeren verbonden, zijn niet gering. Niet alleen verhoogt zij de geloofwaardigheid van het medegedeelde; zij verzekert ons ook den zoo gewenschlen localen tint van het geheel. Ieder lezer weet reeds, na de eerste inleidende woorden.

ocr page 17

XI

waarmede de verhaler wordt geschetst, van welke soort de geschiedenis is, die hij te verwachten heeft. Meyers kleine novelle «Plautus ira Nonnenklosterquot; wordt ons voorgedragen door Poggio, den ontdekker van den Romeinschen blijspeldichter, den schrijver der vroolijke Facetiae. In »die Hochzeit des Mönchsquot; is Dante aan het woord. Een stoutmoedige greep, doch gelukt! Van de velen, die het beproefd hebben, een groot man sprekend en handelend voor ons te doen optreden, hebben de meesten schipbreuk geleden. De Dante, die hier voorgesteld wordt, wekt in ons werkelijk het geloof aan zijn bestaan op. Hoe vluchtig hij ook geteekend zij, wij meenen in zijne ziel te blikken.

Wellicht nog gelukkiger gevonden is de wijze van voorstelling in «Der Heiligequot;. Geen groot of buitengewoon ontwikkeld man is hier de verteller. Hans, de voetboogmaker, staal in beschaving niet boven het gros zijner tijdgenooten, doch blijkt in hooge mate vatbaar te zijn voor de indrukken, die hij van alle kanten ontvangt en die hij in een meesterlijk getrolïen, trouwhartigen toon weergeeft. Zijne jeugd is niet zonder stormen en zonder schuld voorbijgegaan, quot;zijn zwerftochten door een deel van Europa hebben hem in vele opzichten een ruimen blik gegeven en zijn verwijlen in het Moorsche Spanje die vrijzinnige opvatting op het punt van godsdienst en kerk, die hij noodig had om den tragischen strijd tusschen Thomas Becket en koning Hendrik H zonder vooringenomenheid te schetsen. Doch eenmaal aan het verhalen wordt hij er zijns ondanks toe verleid ook zijne eigen lotgevallen mede te deelen. Hij doet dat op zulk eene onopgesmukte, geloofwaardige wijze, dat iedere twijfel aan de waarheid er van in ons verstikt wordt, er de worsteling tusschen den koning en den heilige zoodoende een nog dieperen indruk op ons maakt.

ocr page 18

XII

Eindelijk dient, zij het dan ook slechts terloops, melding gemaakt te worden van de eigenaardige taal, waarin het laatste werk geschreven is; een Duilsch, bijna niet tovertalen, maar waarin men als 'tware den harteslag der optredende personen hoort kloppen, en dat tevens zoo jeugdig en frisch, zoó krachtig en toch zoo onopgesmukt en eenvoudig is, zoo vol koene, verrassende wendingen en met zoo veel voorzichtigheid geheel zonder eenige overdrijving met het kenmerk van een ver verleden voorzien, dat juist dit bijna onnavolgbare Duitsch Meyer tot een der groote artislen van den tegenwoordigen tijd stempelt.

Thans nog een enkel woord over de hoofd- en de bijfiguren van den roman.

Rekende men Thomas Bcckel, van geboorte een Sakser, vroeger eenvoudigweg tot de strijders der kerk, zoo heeft Augustin Thierry hem tot een voorvechtei' van de onderdrukte Saksers gemaakt, van dat krachtige doch ruwe ras, die flinke eters en drinkers, dapper maar weinig beschaafd, van hoofsche zeden afkeerig, in vele opzichten een tegenstelling uitmakende met de meer ridderlijk gevormde Nor-mandiërs. Zulk een figuur kon de dichter voor den held zijner novelle niet gebruiken. Meyers Becket heefl Moorsch bloed in de aderen, zijne moeder was eene Saraceensche 1), hij zelf heeft lange jaren aan het hof van Granada geleefd, heeft aldaar eene Saraceensche vrouw getrouwd en is eerst na haar vroegen dood naar Engeland teruggekeerd. Met zijn teeren, eleganten lichaamsbouw, zijn rijk ontwikkelden kunstzin en zijn afschuw van bloedvergieten en van

1

Meyer heeft in de tallade #Mit zwei Wortenquot; Beckets moeder geteekend. Hoewel niet tot zijne voortreffelijkste behoorend, moge dit gedicht als een staalde van de lyrische poëzie des Züricher dichters hier eene plaats vinden:

ocr page 19

XIII

iedere daad van geweld gevoelt de kanselier zich slechts weinig aan de Saksers verwant, die hem van hun kant als een afvallige beschouwen, terwijl hij bij de Normandiërs als een voorbeeld van voorname adellijke manieren geldt. In Granada heeft hij vele eigenaardigheden van zijn volk afgeworpen, ook zijn geloof in den christelijken godsdienst is er verzwakt. Hij schikt zich echter in de vooroordeelen, waarmede hij rekening heeft te houden, en doet zich in

MIT ZWEI WORTBN.

Am Gestade Palastinas, auf und nieder. Tag um Tag,

«London ?quot; frug die Sarazenin, wo ein Schiff vor Anker lag. „London!quot; bat sie lang vergebens, nimmer ward sie müd und zag, Bis zuletzt an Bord sie brachte eines Bootes Rndersclilag.

Sie betrat das Deck des Seglers und ilir wnrde niclit gewehrt.

Meer und Himmel. «London?quot; frug sie, von der Heimath abgekehrt, Sucbte, blickte, durch des Schiffers ausgestreokte Hand belehrt,

Nacli den Küsten, wo die Sonne sich in Abendglut verzehrt.. .

quot;Gilbert ?quot; fragt die Sarazenin ira Gedrang der groszen Stadt, Und die Menge lacht und spottet, bis sie dann Erbarmen hat. quot;Tausend Gilbert giebt's in London!quot; Doch sie schreitet nimmer matt. quot;Labe dich mit Trank und Speise!quot; Doch sie wird van Thranen satt.

quot;Gilbert!quot; quot;Nichts als Gilbert? Weiszt du keine andern Worte ? nein ?quot; quot;Gilbert!quot;.... „Hort, das wird der weiland Pilger Gilbert Becket sein — Den gebraunt in Sklavenketten glüher Wüste Sonnenschein — Dem die Bande heimlich loste eines Emirs Töchterlein —quot;

quot;Pilgrim Gilbert Becket!quot; dröhnt es, braust. es langs der Themse Strand. Sieh, da kommt er ihr entgegen, von des Volkes Mund genannt, Uber seine Schwelle führt er, die das Ziel der Keise fand.

Liebe wandert mit zwei Worten glaubig über Meer und Land.

ocr page 20

XIV

alles voornaam, teruggetrokken, in zekeren zin menschen-scluiw voor. Hij gelooft een dubbel bestaan te kunnen leiden: als man, die in staatszaken wel ervaren is, een wereldscb, als zedelijk mensch een stil, ideaal leven. Doch hij heeft zich hierin vergist. Eene liefelijke dochter, die hij in de stille der wouden opvoedt, wordt door zijn eigen koning verleidt en komt daarbij om. Dit feit wordt de oorzaak van de verandering in zijn karakter en eindelijk van zijn gewelddadigen dood en latere heiligverklaring.

Alhoewel hier en daar een weinig fragmentarisch behandeld, is het beeld dezer demonische natuur misschien nog dieper opgevat dan dat van Jürg Jenatsch, den stoutmoe-digen volksleider van Graubünden. De gedaante van den. heilige is in hel laatst eene zoo grootsche, overweldigende, dat alle andere personen uit den aard der zaak door hem naar den achtergrond gedrongen worden. Toch zijn zij met niet minder kunst ontworpen en in al hunne eigenaardigheden geteekend dan Thomas Becket — de koning met zijn opvliegend karakter, wiens gemoedsaandoeningen zoo dikwijls in toorn overgaan, onbuigzaam, zoowel in liefde als in haat geen maat kennend, zonder zelfbeheersching, eene vulkanische natuur; Richard Leeuwenhart, die met zijn kinderlijk openhartig gemoed aan Beckets zijde staat en wien de haat zijns vaders tegen den kanselier het hart verscheurt de episodische figuur van Bertrand de Born, in bioedroode kleuren geschilderd, een contrast met de stralende gedaante van Becket; Gratia eindelijk, wier zachtheid en schoo.i-heid, wier leven en sterven ons tot in de ziel roert.

Zoowel wat vorm als wat inhoud betreft, is Meyers novelle bijna volmaakt te noemen en Otto Brahm, die in de Deutsche Rundschau van 1880 er eenige waardeerende bladzijden aan wijdt, eindigt zijne studie met de opmerking,

ocr page 21

XV

(lat de beoordcelaar, die het als een heilig principe mocht beschouwen orn bij iedere critiek althans iets te berispen, tegenover dit werk schier in verlegenheid zoude geraken.

Inderdaad behoort «Der Heiligequot; tot het beste en meest grootsche, wat de Duitsche literatuur in een reeks van jaren heeft voortgebracht. Moge zij al, wat pracht van koloriet betreft, door »Die Hochzeit des Mönchsquot; en, wat bewegelijkheid der handeling aangaat, dooc »Jürg Jenatschquot; overtrollen worden, deze schepping staat boven beide door de verhevenheid der leidende gedachte, door de scherpte der karakterteekening, door de echt menschelijke gevoelens, welke alle figuren doortrillen en hen als 'tware in levenden lijve voor onzen geest tooveren. «Der Heiligequot; is meer dan eene novelle, die slechts eene vluchtige stemming bij ons opwekt; men leest het boek bijna gelijk men eene tragedie van Shakspeare leest; men geraakt er door in eene hoogere, ja bijna plechtige stemming, die niet zoo licht weder verdwijnt.

Amersfoort, 27 Juli 1887.

W. N. Coenen.

ocr page 22
ocr page 23

I.

/

Langzaam nedervallend bedekte de sneeuw het vlakke veld en de daken van enkele alleenstaande hoeven ter rechter- en linkerzijde van den grooten weg, die van de warme baden aan de Limmat naar de rijksstad Zurich leidt. En alsof zij het bleeke morgenlicht wilden uitblusschen en de geheele wereld doen inslapen onder het warme kleed, begonnen de vlokken al dichter en dichter te vallen en wegen en paden en het weinige, dat er op te zien was, geheel te bedekken.

Nu weerklonk in de houten poort, die, dicht bij de stad, de Sihl overbrugde, de doffe hoefslag van een paard en een eenzaam ruiter verscheen in de donkere, naar de stadszijde toegekeerde opening. Hij had zich zoo warm in een groven wollen mantel gewikkeld en de kap van dit kleedingstuk zoover over het hoofd getrokken, dat van zijn persoon weinig meer dan een groote, grijze baard te voorschijn kwam.

Een groote poedel draafde met besneeuwden rug

DE HEILIGE. 1

ocr page 24

2

cn droefgeestig neerhangenden staart dicht achter het sterke paard van inheemsch ras. De luide echo van den hoefslag onder het houten gewelf wekte de drie reisgezellen uit den droomerigen toestand, waarin de vorst en de sneeuw hen hadden gebracht en herinnerde hen, dat de poort en de herberg niet ver meer waren. De eerste werd in snellen draf bereikt. Onder de lage poort wierp de ruiter zijn kap terug, schudde de vlokken van zijnen mantel, schoof de pelsmuts eenigszins naar achteren, zoodat zijn schrander voorhoofd zichtbaar werd, en reed met ilinke, ja ondanks den last zijner jaren zelfs krijgshaftige houding-den rijweg op, die langs den voet van den keizerlijken burg voorbijliep.

Het was de 29ste December van het jaar onzes Ileeren li91 en de reiziger was gewoon jaarlijks tusschen Kerstmis en Nieuwjaar Zurich te bezoeken.

Zoowel rechts bij den bakker, als links, waar, onder den met roet bedekten luifel der smidse, het aanbeeld dreunde en de vonken spatten, werd dan ook de ruiter heden, als telkenjare bij zijn intocht in Zurich, met luiden groet als Hans, de voetboogmaker, Hans, de Engelschman verwelkomd.

Het Allemannisch dialect, waarin hij hen hun groet teruggaf, was evenwel zoo zuiver, dat zijn tweede bijnaam wel niet kon zinspelen op een verwijderd vaderland, maar op bevredigden reislust en stoutmoedige zwerftochten.

En toen de herbergier uit de Leeuw, nieuwsgierig

ocr page 25

3

voor de deur getreden bij hel vernemen van den naderenden hoefslag, den reiziger herkende en hem met ontbloot hoofd inlichtingen vroeg aangaande de hoedanigheid van den Schaffhauser wijnoogst van dit jaar, waren diens antwoorden zoo zaakkundig en verrieden zoozeer den belanghebbende, dat hel niet moeielijk was te begrijpen, op welke wijze Hans de Engelschman zijn bespaarde penningen had belegd.

Tot nu toe ging alles juist zoo als de boogmaker, die de stad der vorstin-abdis sinds tientallen van jaren kende, het gewoon was; langzamerhand echter begon hij zich te verwonderen over iets, dat hem vreemd voorkwam op dezen dag, die toch geen feestdag was. In dit. strenge jaargetijde en op dit vroege uur vertoonden zich anders slechts weinige vrouwen buiten hunne huizen, heden daarentegen kwamen zij haastigen fraai gekleed uit alle deuren te voorschijn, en toen meester Hans langs steil afdalende straatjes het midden der stad en de snel voortschietende wateren van de Limmat had bereikt, en over de benedenbrug en voorbij het raadhuis reed, zag hij ze als bijenzwermen aan weerszijden der rivier zich opwaarts spoeden. Het eene groepje volgde op het andere. Vrouwen uit alle standen, hoogmoedige edelvrouwen met kostbare misboeken in de hand, eerbare dochteren uit den handwerkstand, zedige nonnen en mooie meisjes van een lichtvaardig uiterlijk, gingen naast gerimpelde, hoestende oude vrouwen, die haar opperkleed ter bescherming tegen de sneeuw over de arme, vergrijsde

ocr page 26

4

hoofden gelrokken hadden. En alles stroomde naaide zijde van het meer, waar, bij den mond der Limmat, de beide hoofdkerken staan.

Maar — wat beteekende dat ? — Slechts de eene , de kerk van Onze Lieve Vrouwe liet met luid bengelende klokken zijne dringende uitnoodiging weerklinken, terwijl de tegenoverliggende hoofdkerk volhardde in een afkeurend zwijgen.

In gedachten verdiept volgde de voetboogmaker den stroom van voetgangers en reed onder de gewelfde bogen van de Limmat op de beroemde herberg »de Raaf van Sint Meinradquot; toe, waar hij ieder jaar gewoon was af te stijgen. Nu evenwel hield hij reeds de teugels in, toen hij aan den heuvel was gekomen, waar vroeger St. Felix en Regula een bloedigen dood gestorven waren. Hij had een blik geslagen in de steile Kerkstraat, die van de hoofdkerk rechtstreeks hierheen voert, en daarin de tengere, eerwaardige, in een pels gehulde gestalte van een koorheer ontdekt, die, zorgvuldig de beste plaatsen in de smeltende sneeuw uitzoekende, langzaam naderde. Zijn gelaat, dat bleek scheen onder de zwarte baret, wendde zich met eene smartelijke uitdrukking naar zijne doorweekte schoenen, en daardoor werd hij niet aanstonds den boogmaker gewaar, die vlug van het paard was gesprongen, om den ouden heer in onderdanige houding, en hoewel het nog altijd sneeuwde, met ontbloot hoofd af te wachten.

»God en Onze Lieve Vrouwe zegenen u, eerwaarde

ocr page 27

5

heer,quot; zeide Hans de Engelschman, toen de grijsaard naast hem stond.

Eenigszins verrast vestigde deze zijn schrander oog op den groetende en eene invallende gedachte weerspiegelde zich voor een oogenhlik op zijn bewegelijk gelaat, een gedachte van merkbaar aange-namen aard, die hij evenwel zeer slim voor zich hield.

Dus sprak hem de boogroaker het eerst en wel volgender wijze aan: »Sta mij toe u te vragen, of ik den edelen heer Kuno, uw Eerwaardes broeder, in het stift vinden zal. Hij is mij een kleinigheid schuldig voor eenige gerepareerde handbogen en den koopprijs van een naar Engelsch model vervaardigd stuk, dat voor drie jaren besteld en geleverd werd, hetgeen ik volgens mijne gewoonte voor Nieuwjaar tracht te innen. De beide vorige jaren trof ik den edelen heer met ledige geldkist, aangezien hij met een hardnekkig ongeluk in het dobbelspel te kampen had. Hoe zou het dit jaar wel met hem gesteld zijn1?quot;

»Vraag hem dat zelf, nadat gij bij mij ontbeten hebt,quot; antwoordde de geestelijke. »Hij komt te en den avond in het stift. Alle broeders, de proost en het geheele kapittel zijn op de jacht, mij oude, zooals gij ziet, uitgezonderd. Ik meende dezen tocht ter eere van den nieuwen heilige te doen, wiens martelaarschap en wonderen daargindsquot; — en hij wees naar het slank gebouwde koor der Onze Lieve Yrouwekerk — sop dit uur door een welbespraakten Lucerner priester aan het geloovige volk verkondigd worden, en wiens

ocr page 28

6

heerlijkheid mijne broeders, die daarover ten onrechte verstoord zijn, voor heden de stad uitjoeg. Aangezien nu evenwel meer nieuwsgierigheid dan godsdienstig verlangen mijne schreden bestuurde en de hemel zelf in hare sneeuwmassa's mij een hinderpaal zendt, kan ik zonder schade voor mijn ziel omkeeren.quot;

»Laat dus uw bruintje naar de Raaf brengen! De stalknecht van St. Meinrad staat daar aan den waterkant als vastgeplant en kijkt maar altijd naar de Onze Lieve Vrouwekerk. (Jw Tapp, die hier zoo droefgeestig in de sneeuw zit, mag zich bij mijn haardvuur warmen. Maar bij het bloedige hoofd van St. Felix, ik kan niet langer in het nat staan. In dit sneeuw-moeras zit een boosaardige heks met hare tangen, ik bedoel die ongelukkige jicht, die mij dezen winter zoo gepijnigd en eerst voor korten lijd verlaten heeft. Ga dus spoedig mee, Engelschman!quot;

Na deze snel gesproken woorden, hulde heer Burkhard zich huiverend in zijn pels en ging, even voorzichtig als hij haar was afgekomen, de steile en morsige straat weder op.

Hans van zijn kant riep den luierenden knecht en gaf hem met de teugels van zijn ros tal van opdrachten en aanwijzingen voor den waard en de vaste bezoekers van de Raaf, want de voetboogmaker had vele klanten en schuldenaars onder den adel, die gewoon was daar bijeen te komen.

Daarop gespte hij zijn valies van den rug van het dier los, nam het onder den arm, en slapte, gevolgd

ocr page 29

7

door Tapp, die zich nooit van het eigendom zijns meesters scheidde, de straat in, die naar het stift voerde.

De uitnoodiging van den kanunnik kwam hem zeer gelegen, want Hans de voetboogmaker was een zuinig man.

II.

De winterdag bleef zoo donker, dat de smalle woonkamer, waar de koorheer zijn gast onthaalde, meer licht ontving van het vroolijk opflikkerende haardvuur, dan door het eenige hooggeplaatste boogvenstertje.

Terwijl de voetboogmaker zijn maal ten einde bracht, had heer Burkhard, die van teeder lichaamsgestel en matige levenswijze was, zich reeds een poosje in zijnen molligen armstoel neergevleid en de in bont gehulde voeten in de richting van het vuur uitgestrekt. Een oppasser, die even grijs was als hij, ruimde het tafelgereedschap weg en plaatste een kan krachtigen landwijn en twee zilveren bekers op den steenen schoorsteenmantel.

De koorheer was blijkbaar in een goed humeur. Hij was blij op dezen treurigen winterdag een verstandig man bij zich te hebben gelokt, die de wereld en de menschen kende, die overal geweest was en die bovendien zijn lang onderdrukte nieuwsgierigheid bevredigen kon. Zijn fraai gevormd hoofd met de weinige sneeuwwitte haren leunde achterover tegen de roode kussens van zijn stoel, en hoewel hij de

ocr page 30

8

oogen had gesloten, lag er eene onmiskenbaar zegevierende uitdrukking over zijn gelaat verspreid.

Nu opende hij ze plotseling en zij schitterden vroolijk, terwijl hij zeide: »Wel bekome het u, Hans! Draai uw stoel om en schuif een weinig bij. Gij vroegt daar, wie de nieuwe heilige is, die door die van de Onze Lieve Vrouwenkerk zoo wordt verheerlijkt, terwijl wij, koorheeren, hem geheel versmaden. Ik geloof niet, dat het raadzaam is aan tafel over kerkelijke, laat staan over hemelsche zaken te spreken, maar nu ben ik hereid, uw vraag te beantwoorden. De nieuwe bemiddelaar, dien de Heilige Vader der christenheid in den hemel schenkt, heeft in hetzelfde jaar met mij het levenslicht aanschouwd. Reeds dat getuigt tegen hem. Het geldt van den heilige als van den wijn; hoe ouder, hoe beier en wonderdadiger. Gelijk deze hier,quot; — en hij nam een teug uit zijnen beker — «het bloed is van onzen grond, aan ons bloed verwant, dat hij sinds onheuchelijke jaren sterkt en verjongt, zoo gaat het ook met onze heiligen St. Felix en Regula, boven welker lichamen dit stift en deze stad zijn gebouwd. Voor geslacht op geslacht waren zij beproefde helpers in den nood. Wederkeerig zijn wij met elkander vertrouwd en aan elkander verplicht en evenals onze vaderen bekrachtigen ook wij onze verbintenissen met hun beeld en zegel. Ik wil er niet op pochen, dat zij, zooals de oorkonden verhalen, na den marteldood te hebben ondergaan, met hunne eigene handen hunne afgehouwen hoofden

ocr page 31

9

van de gerechtsplaats aan de Limmat hierheen hebben gedragen, veertig schreden bergopwaarts, ofschoon zekerlijk geen der nieuwe verzwakte heiligen hen dit na zal doen. Voor mij komt vooral in aanmerking, dat St. Felix en Regula met hunnen dood voor een heidenschen keizer getuigenis hebben afgelegd van hun geloof en niet zijn opgestaan tegen een christclijken koning en leenheer, zooals deze nieuwe heilige uit mijnen tijd.

«Tot zulke onpartijdige overleggingen zijn evenwel de hoofden van de vrouwen uit het vorstelijk stift niet in staat.

«Daar kwam onder andere kostbare schrifturen ook een perkament haar in handen, waarop het leven en martelaarschap van mijn tijdgenoot beschreven en verheerlijkt werd. De heilige oorkonden werden tot opbouwing gedurende den maaltijd voorgelezen en terstond waren de hoofden der edele vrouwen op hol. Zoowel openlijk als in het geheim deden zij al wat zij konden om te bewerken, dat de dag van dezen martelaar ook bij ons feeslelijk zou worden gevierd.

«Vrouwen zijn nu eenmaal verzot opal wat nieuw en uitheemsch is.

)gt;De raad van onze slad was op de genoemde gronden tegen de geheele zaak en had die ook zeker wel belet, als niet de goedheid des hemels de vrouwen te hulp was gekomen.

«Gepasseerde herfstmaand geraakte door de lang-

ocr page 32

10

durige droogte een hooischelf van de abdij op hare groote hoeve bij Wiedikon in brand. De zuidwestenwind joeg de vlammen juist naar de pachthoeve toe, die begon te rooken en verloren scheen. Nu liet zuster Bertha, de priores van groote vroomheid die juist ter plaatse was, door den pachter en zijne zonen een zware tafel voor het huis sleepen, haalde een stuk krijt uit den zak en schreef met reusachtige letters op het blad :

Sancte Thoma, adjuta nos!

«Wat gebeurde er? Blikte de heilige werkelijk van uit den hemel naar omlaag en las hij het geschrevene? — Hoe dit ook zijn moge, de wind sloeg dadelijk om, de hooischelf stortte in en de hoeve was gered. Nu eerst kwam er hulp uit de stad. Hier stond de tafel, daar smeulden de puinhoopen — het wonder en de heilige konden niet meer worden geloochend.

»Zoo is het gekomen, dal wij heden zijn feest vieren, den dag, laat mij niet vergeten het u te zeggen, van den heiligen Thomas van Canterbury.quot;

Na deze uitvoerige verklaring greep de koorheer zijn bokaal, dronk een paar kleine teugen en zag, de wijnkan opnemende, naar zijn toehoorder om, ten einde diens beker te vullen. Maar Hans, die op een houten bankje bij het vuur zat, gaf geen geluid. Er was iets vreemds met hem gebeurd. Met de ellebogen op de knieën rustende en het gebogen hoofd in de handen geleund, had hij in den aanvang met opmerkzaamheid het verhaal van den koor-

ocr page 33

11

heer gevolgd. Heer Burkhard had met opzet, den naam van den heilige lot het laatste oogenblik verzwegen, maar de voetboogmaker scheen dien wel reeds vroeger geraden te hebben. Hij zat daar nu onbewegelijk, als vernietigd en het was ofhemeene siddering door de leden voer. De koorheer schonk zijn beker vol en beschouwde hem met deelnemen-den blik, waarin evenwel ook eenig leedvermaak doorschemerde.

i)Eindelijk heb ik u dan toch, gij slimme vogel!quot; begon hij weder. »Bij de bloedige baren van de heilige Regula, voetboogmaker, van daag zult gij mijn drempel niet overschrijden, voor en aleer gij mij van St. Thomas van Canterbury alles verteld hebt, wat gij weet, en wel geheel andere dingen daa de Lucerner priester aan de eerwaarde moeder daar ginds wil wijs maken, of in de oorkonde staan, die de edele dame mij tot heil mijner ziele heeft geleend. Gij hebt den heilige gedurende zijn leven ontmoet, dal zult gij niet loochenen. Ik heb hel zelt gehoord, hoe gij, nu misschien een jaar geleden, mijne broeders, de koorheeren, in onze gezelschapskamer mei luider stem — want zij hadden den beker lustig laten rondgaan — en met krachtige gebaren wildet bewijzen, dal gij zoo onafscheidelijk van koning-Hendrik waart geweest als de knoop van hel wambuis, ja als de huid van het lijf. Gij wondt u vreeselijk op, want de heeren hadden in twijfel getrokken, dal koning Hendrik bij die onzalige kroning van

ocr page 34

12

zijnen oudsten zoon tranen van vreugde zou hebben vergoten. Gij riept: »Ik heb ze zien vloeien!quot; en bezwoert dit bij uwer ziele zaligheid. Ik, die juist wilde binnenkomen om een vroolijken beker te ledigen, want ik was toen nog zooveel jonger, en u uwe geschiedenis hoorde bezweren, ik geloofde u, want gij zijt geen grootspreker. Maar als het waar is, dat gij voortdurend in de nabijheid van koning Hendrik zijt geweest, hem kleeding en beker hebt gereikt, zijn lachen en weenen hebt gezien, zooals gij ver-zekerdet, dan moet gij ook den man gekend hebben, die hem naar lichaam en ziel heeft vernietigd, hetzij, toen hij hem als kanselier in de regeering ter zijde stond, hetzij later, toen hij als heilige bisschop, zijn vijand en zijn offer, hem tot vertwijfeling en ten verderve bracht. Ten laatste waart gij, ongelukkige, ook nog onder degenen, die hem den marteldood hebben doen ondergaan. Maar neen! In de oorkonde der abdis staat geschreven, hoe den moordenaars van den heilige, van wege hunne zonden zoozeer alle gevoel van menschelijkheid werd ontnomen, dat de geheeie schepping van hen gruwde en zelfs hunne lievelingshonden de beten uit hunne hand veral-schuwden. Maar Tappquot; — en hij wees op den poedel, die zijn kop opmerkzaam tusschen de knieën z-jns meesters omhoog stak — «neemt, zooals ik gezien heb, alies wat gij hem toesteekt.quot;

»De genadige God heeft mij daarvoor behoed,quot; mompelde Hans, »maar de heilige — ja, ik heb hem

ocr page 35

43

zoo goed gekend als ik u ken, eerwaarde heer. En ik ben er ook bij geweest, als gij bet dan weten wilt, toen William Tracy bem voor bet hoogaltaar de hersenpan verbrijzelde. En zijn lachen zie ik nog, dien — God zij mij genadig — dien heiligen glimlach, waarmede bij van bet leven scheidde, als bewezen zijne beulen hem bijna een liefdedienst. 0, beer, bet zijn vreemde, onverklaarbare gebeurtenissen!quot;

))Yertel ze mij. Hans!quot; riep de koorheer vol verlangen, en richtte zich, zijne oude banden op de armleuningen steunende, begeerig in zijnen stoel op.

De voetboogmaker pookte zwijgend bet vuur op en scheen zijne gedachten te verzamelen. Zijne strakke, hoekige trekken waren somber geworden en zijne fonkelende oogen staarden peinzend voor zich uit. Blijkbaar begreep hij den wenscb van zijn gastheer te moeten vervullen, maar hij deed het slechts noode. Want deze gebeurtenissen, verbazingwekkend en onbegrijpelijk, niet slechts voor hen, die van verre stonden, maar ook voor ben, die er een werkzaam aandeel in hadden, waren bet gewichtigste deel zijner eigene geschiedenis, die bet den in zichzelven ge-keerden man moeielijk viel te verhalen. Zij brachten diepten in zijn zieleleven in beroering, waar zijn gevoel soms met zichzell in tegenspraak was en zijne gedachten als voor een afgrond terugdeinsden.

Hij begon in zeer voorzichtige bewoordingen: «Het is best mogelijk, eerwaarde beer, dat gij beter bekend zijt met datgene, wat betrekking beeft op mijns

ocr page 36

u

konings handelingen als vorst; wat evenwel betreft zijn leefwijze en zijn karakter — en ook wat het menschelijke in Thomas Becket aangaatquot; — voegde hij er zacht en eerbiedig hij, «zoo heb ik waarlijk verleden jaar in mijn dronkenschap niet gepocht, toen ik mij beroemde hem te kennen, ofschoon het misschien beier voor mij geweest was, als ik gezwegen had. Zelfs nu nog, heer, behoef ik slechts de oogen te sluiten, om den koning zoowel als den priester in levenden lijve voor mij te zien. De aanblik is zoo liefelijk niet, als die van de lange, rustige gezichten, die de patroons uwer stad in de handen dragen,quot; en hij wees op de middelfiguren van een kleurig bewerkt tapijt, dat de wand der kamer bedekte. ))Vele jaren lang, nadat ik uit Engeland terug was gekomen, was ik nog, des daags in mijne gedachten en des nachts in mijne droomen, met die twee ongelukkige menschen bezig. Overdag moest ik altijd weder de zachte, spitsvondige woorden van den een, de lichtzinnige scherts, de krasse bedreigingen en de wanhopige, toornige woorden van den ander bij mijzelven herhalen, en kon niet ophouden er over na te denken, hoe onvermijdelijk beider verderf zich daaruit ontwikkelen moest, 's Nachts zag ik ze elkaar aangrijpen onder rook en vlammen, zooals de apostel Johannes in zijne openbaring schrijft, en geen mijner vrouwen — en ik heb er verscheidene getrouwd en begraven — kon dan nalaten mij met angst en afgrijzen uit den slaap te

ocr page 37

15

wekken. Want het is gansch iels anders, eerwaarde, als koningen en heiligen tegen elkander strijden, dan wanneer in onze Helvetische herbergen geschreeuwd en met messen gestoken wordt. Komaan, ik wil u van deze gebeurtenissen verhalen, ofschoon het mij lang niet gemakkelijk valt, maar ik mag den wensch van mijnen gastvriend niet onvervuld laten,quot; eindigde de voetboogmaker met een grimmigen lach.

»Doe, wat gij belooft,quot; sprak de geestelijke heer, en leunde met van verwachting gespannen gelaat achterover in zijnen zetel.

III.

»Ik spreek niet gaarne over mijne jeugd,quot; — zoo begon Hans de Engelschman zijn verhaal, »en mijne gedachten vluchten er als van terug, wanneer ik ze niet uit haren donkeren schuilhoek te voorschijn roep tegen het heilige feest om mij voor Christus en Zijne Heilige Moeder te verootmoedigen, of wanneer niet een benijder of tegenstander ze mij op mijn ouden dag kwaadwillig voor de voeten werpt.

Mijn waarde heer,quot; en de boogmaker zuchtte diep, »het is een oneerlijke en bevlekte jeugd, maar niettemin moet ik er u en mij zeiven mee lastig vallen, want mijn armzalige levensloop laat zich niet van dien des heiligen en des konings scheiden, ten minste niet in mijn ouden kop. Gij moet weten, ik

ocr page 38

16

ben gesproten uit een adellijk geslacht en wanneer gij van Hohenklingen of Hohenkrahen spreekt, noemt gij mijn vaderlijk slot wel niet, dat tol een puinhoop vervallen is, maar zijn naam klinkt even goed en hel lag, evenals genoemde versterkte kasleelen niet ver van den Bodan en van den Rijn.

Mijn vader zat reeds diep in de schulden en — waarom weet God — hij werd door zijne bloedverwanten geschuwd en gemeden, totdat hij ten laatste om zijne schuldeischers te ontkomen en zijne ziel te redden, zich het kruis op den schouder hechtte en naar het Beloofde Land trok, vanwaar hij niet terugkeerde. Mijne lieve moeder was sinds mijne geboorte ziekelijk en weende zich de oogen blind, loen mijn oudere broeder, niet in een ridderlijken strijd, maar op een rooftocht verslagen werd, want wij hielpen onszelven zoo goed wij konden, en lagen vaak op de loer aan de groote wegen, waar wat voorbij kwam. Bij mijne bloedverwanten zocht ik raad noch hulp; ik zou ze daar toch niet gevonden hebben. Mijne eenige vrienden waren mijn boog en mijne honden, waarmede ik hel bosch introk; maar ik werd zelf als een stuk wild opgejaagd door een boozen vijand, dien ik als den duivel haalte. Dal was de jood Manasse, de geldschieter, die in Schaft-hausen woonde. Aan hem had mijn vader de overblijfselen van zijn kasteel en zijne weinige akkers verpand.

Nu gebeurde het, dat mijne moeder mij naar

ocr page 39

17

den jood zond om uitstel te krijgen, maar de woekeraar kende geen barmhartigheid. Daar overviel mij plotseling eene groote bekommering, een nameloos medelijden met mijne zieke moeder en ook met het vreeselijk lijden van onzen Heiland, dien de joden zoo gruwelijk gemarteld hebben en ik gal Manasse een vuistslag, waardoor hij dood nederviel. Moge God mij dezen moord niet toerekenen, want toen ik hem beging was ik nog een kind, ofschoon ik een man was in grootte en in kracht, en van eene gevoelige en opvliegende natuur. Maar de jood had vele vrienden in de stad en onder den adel uit den omtrek en ik zou zeker verloren zijn geweest, zonder de geopende kloosterpoort te Allerheiligen. En aangezien ik blij moest zijn, dat zij zich stevig achter mij sloot, werd ik onverwachts geestelijke en na verloop van een jaar zelfs monnik.

In dit alles had ik oprecht en zonder een zweem van valschheid gehandeld, maar ik deugde slecht voor monnik en had de kracht mijner hartstochten en den grond, waarin zij wortelden, te voren niet gekend. Versla mij goed, eerwaarde heer! Ik bedoel daarmede niet alleen de erfelijke verkeerdheden onzer voorouders, maar meer bepaald de alles ontvlammende vonken, die uit des Scheppers hand in de klei waaruit ik gevormd ben, zijn overgesprongen: kracht, versland, ondernemingsgeest, bouwkunst en zwerflust. Maar aangaande menschelijke kunsten en wetenschappen viel er te Allerheiligen niets te leeren dan de dich-

DE HEILIGE. 2

ocr page 40

18

ter Virgilius, dien ik dan ook nu nog grootendeels van buiten ken.

Als het meest aantrekkelijke in dezen dichter noemde de prior ons altijd, dat hij zulk een vroom heiden was geweest, dat God hem, tot loon voor zijne deugden, profetische kracht geschonken had, zoodat in zijne verzen de hooggeprezen Moeder met het kind zich weerspiegelt en duidelijk te herkennen is. Vandaar dat de rol, waaruit ik leerde, vol messteken was. In den St. Jansnacht, toen ik Allerheiligen verliet, en voor ik den sprong over den muur deed, heb ook ik hem driemaal doorstoken, na eene vurige aanroeping der drie heilige namen, en ik trof de woorden: sagittas, calamo, arcui. En Virgilius heeft de waarheid gesproken: met pijl en boog ben ik door hel leven gekomen.

Zoo genoot ik dan weder de vreugde, die een stevige marsch den gezonden mensch verschaft en haastte mij door het woudgebergte voort in de richting van den Elzas, terwijl ik de groote bocht, die de Rijn aldaar maakt, door een rechte lijn afsneed. Tegen den middag kwam ik aan eene afgesloten ruimte op eene weide, waar een boogschuttersfeest werd gevierd, terwijl een groote menigte volks buiten de omheining zulk een rumoer maakte, dat daarbinnen wel niemand zich zelf moet hebben verstaan.

Ik was onderweg reeds bijna bedwelmd door de zoete geuren, die alom uit de aarde opstegen, en door het genot van weder mijne ledematen te kunnen

ocr page 41

19

gebruiken, en het is dus niet te verwonderen, dat, toen ik mij eenmaal onder die pretmakers bevond en het rumoer uit het schutterskamp mijn oor bereikte, ik mij door enkele uitgelatenen, die zich vroolijk maakten om den weggeloopen monnik, een boog in handen liet geven, en daarna, met vooruit-gestrekten voet mij in postuur zettend, het eene schot na het andere met juistheid deed. Mijn blik, moet gij weten, is scherp en juist, en heeft mij van mijn jonkheid af nog nooit bedrogen.

Ik geloof, dat zij mij, die het drinken verleerd had, beschonken maakten, dat ik in mijn roes mijn mouwen opstroopte en mijn monniksgewaad hoog opschortte, en ik herinner mij flauw, maar met voortdurende ergernis, dat ik ten laatste met naakte armen en beenen onder spot en gelach werd rondgedragen.

Toen ik in den vroegen morgen in de eenvoudige kleeding, die een goedhartig handwerksman mij geschonken had, verder ging, overdacht ik niet zonder schaamte den stand van zaken. Een bevlekt geslachtswapen lag rechts, een verscheurd monniksgewaad links achter mij op mijnen levensweg. Niets restte mij nu nbg dan een handwerk en ik zag om naar zulk een, dat mij niet geheel en al van de hoogere standen verwijderde, en mij zoowel in oorlogs- als vredestijd in staat zou stellen in eigen onderhoud te voorzien. Toen ging er een licht voor mij op uit de voorspellingen, mij door Virgilius gedaan, en

2*

ocr page 42

20

ik besloot voelboogmaker te worden. Alle begin is moeielijk, eerwaarde heer, en behalve de luiheid, die mij als straatroover en monnik tot eene gewoonte was geworden, had ik nog vele dwaasheden van een al te gevoelig hart te overwinnen. Het werd hoog tijd, dat ik geregelde bezigheden kreeg, want — hoewel ik reeds een jood gedood en een kloostergelofte gebroken had — zou toch juist mijn vroom gemoed mij bijna tot een derde misdaad hebben gebracht. Dit wil ik u nog vertellen, maar voor het overige zal ik kort zijn.

Ik was op weg naar Straatsburg onder een gezelschap reizende studenten geraakt en wij laafden onze dorstige kelen in een herberg in het gezicht van de wallen en torens der beroemde stad. Daar viel mij plotseling in, hoe mijne lieve moeder mij vroeger veel gesproken had van eene vrome bloedverwante, die in een klooster in Straatsburg een godzalig leven had geleid en wier voorspraak in den hemel, als de nood op het hoogst was, door haar steeds met goed gevolg was ingeroepen. Datzelfde besloot ik op mijne dwaalwegen ook te doen. Ik richtte mij daartoe tot een mijner medereizigers, die een eerlijk, open gelaat had en, naar hij zeide, de stad van vroeger zeer goed kende, en vroeg hem vriendelijk mij het klooster te wijzen, waar mijne tante Willibirg in den reuk barer heiligheid gestorven was.

«Mijn vriend,quot; antwoordde hij, »ziet gij daarginds den achthoekigen toren met het veelkleurige

ocr page 43

21

dak? En daarnaast dat lange gebouw bij den stadswal? Daar heeft uwe bloedverwante geleefd.quot;

Toen wierp ik mij op de knieën en terwijl ik de oogen onafgewend op het huis gevestigd hield, bad ik vurig tot de heilige vrouw, dat zij mij tot alle goede en gezegende werken in staat stellen mocht. Wat hoorde ik daar achter mij? Een onderdrukt gegichel, een uitbarsting van gelach, en terwijl ik snel mijn hoofd omwend, zie ik hoe mijn medereiziger de slippen van zijn jas tot twee lange ooren gevouwen heeft en die vlak naast de mijne op en neder laat gaan. En al de anderen lachten als uit-gelatenen: »De ezel roept het huis der mooie vrouwtjes aan!quot; Maar reeds had ik den schurk onder de knie, terwijl dikke tranen mij uit de oogen vielen over de boosheid en verdorvenheid der wereld, en ik zou hem zeker geworgd hebben, als de anderen hem niet uit mijne handen hadden bevrijd.

In Straatsburg kwam ik als eerstbeginnende in de leer bij een boogmaker, die mij eerlijk behandelde en mij alles van het vak leerde, wat hij er zelf van wist. Maar hij was een man, die zich hield aan den sleur, en eigenzinnig het hoofd schudde over de verfijningen en verbeteringen, waarvoor vooral de voetboog zoo vatbaar is, en die toenmaals uit Engeland en Vlaanderen, maar vooral ook uit het heidensche Granada tot bij ons in het Duitsche rijk doordrongen. Ik daarentegen was jong en weetgierig van aard en toen ik de eerste moeilijkheden had overwonnen.

ocr page 44

22

had ik rast noch duur, want, mijn waarde heer, iedere, ook de eenvoudigste kunst, heeft haar ideaal, dat ons roept en lokt, om het rusteloos met inspanning van alle krachten na te jagen.

Ik heb toen ter tijd in den droom menigmaal een boog en pijl vervaardigd, die verder droegen dan het Saraceensche schietgereedschap, maar bij het aanbreken van den morgen verdwenen mijne uitvindingen als tergende dwaallichten, want het was nog slechts een tasten in den blinde, daar ik wel eenige handgrepen, maar niet de grondregelen en voorschriften mijner kunst had geleerd.

Ik besloot dus op mijn ambacht te gaan reizen en bij de meesters in het vak ter schole te gaan. Ik trok Frankrijk en Aquitanië door en de Pyreneën over, en aanschouwde iederen avond, in de door het onlicht rood gekleurde wolken, de wonderstad Granada, waarheen al mijne wenschen zich uitstrekten, totdat zij eindelijk op een avond in volle werkelijkheid voor mij lag. En het was mij vergund haar wereldberoemde bouwwerken, het doorzichtig kantwerk barer paleizen, de palmen en cypressen harer toovertuinen en de opstijgende stralen harer waterwerken met eigen oog-te aanschouwen.quot;

»En zijt gij onbesneden ook naar het geloof weder huiswaarts gekeerd, mijn arme Hans?quot; viel de kapittelheer den verhaler in de rede.

„Zonder twijfel en met een heel wat knapperen kop op de schouders, dan waarmede ik daar ge-

ocr page 45

23

komen was. Mijn christelijk geloof heb ik zelfs eens tegen een philosoof verdedigd, dien ik geholpen heb om zijne kijkers, waardoor hij den loop der sterren waarnam, te verbeteren, lederen nacht toonde hij mij de langzaam voortgaande hemellichamen en verklaarde mij, hoe door alle tijden heen, der menschen lot aan deze lichtende teekenen en figuren, deze dieren en wagens als vastgeketend is, zoodat geen hand, hetzij menschelijke of goddelijke, in de draaiende spaken van dit vurig rad kan ingrijpen, en er zoomin ruimte overblijft voor menschelijke keuze als voor den toorn of de genade van God. Maar ik geloofde hem niet en beriep mij op het overstelpend berouw, dat steeds op mijne overtredingen gevolgd was.

Voor hel overige vond en leerde ik in Granada alles wat ik daar was komen zoeken. Het is de zuivere waarheid, mijn beste heer, de heidensche boogmakers vinden hun wedergade niet. Zij zijn het immers, die reeds voor jaren met hun scherp verstand , in plaats van de groote ronde handbogen het meer ineengedrongen, veel handiger model van den voetboog hebben uitgedacht — althans zoo verhaalt de legende en ik wil het gaarne gelooven, want mij dunkt, dat God den heiden vele kunsten en wetenschappen heeft gegeven: wiskunde, werktuigkunde, bouwkunde, alle wetenschappen, waarbij geteld en gewogen moet worden, ten einde hem, voor hij den eeuwigen dood moet ingaan, eene kortstondige grootheid te gunnen.quot;

ocr page 46

24

De koorheer knikte toestemmend op deze verstandige woorden en de boogmaker vervolgde:

»Drie jaren vertoefde ik in de heidensche stad; de dagen vlogen onder gestadigen arbeid om en, daar ik langzamerhand met het Arabisch vertrouwd werd, vermaakte ik mij des avonds zonder te drinken of te vechten in de luchtige opene galerijen, waar zij elkander sprookjes vertellen. Het liefst luisterden zij naar een bruinen knaap met fonkelende oogen, die de kunst verstond, de eigenaardigheden van beiderlei kunne, en van iederen ouderdom of stand met levendig gebarenspel na te bootsen. Uit zijnen mond vernam ik eens eene geschiedenis, die niet beter noch slechter was dan zijne overige en, naar het u voorkomt, weinig-ter zake doet, maar ik sla haar loch niet over, want ze behoort er wel degelijk bij.

Hel is het sprookje van prins Maneschijn.

Een jeugdige vreemdeling was van een noordelijk gelegen eiland naar Cordova gekomen en had zich daar des Kalils gunst verworven door zijne betoo-verende gestalte, zijne welbespraaktheid en zijn meesterschap in het schaakspel. Daarbij bezat hij, ondanks zijn bevallige jeugd, zulk een scherp verstand en zooveel politieke wijsheid, dat de Kalif, die zich door hem liet raden, zonder oorlog of bloedvergieten, maar alleen door de toepassing der staatkunde in korten tijd de machtigste der Moorsche koningen werd. Daarom had hij prins Maneschijn — zoo noemden de inwoners van Cordova den vreemdeling

ocr page 47

25

om zijn bleek en zachtmoedig gelaat — tot overdrijving toe lief gekregen en hem zonder te aarzelen de mooiste van zijne zusters tot vrouw gegeven, prinses Zon, die nadat zij eens den vreemdeling had gezien, hare schitterende oogen niet meer van hem had kunnen afwenden. Zon en Maan mochten evenwel niet veel meer dan een jaar te zamen blijven, want de geboorte van een meisje kostte der prinses het leven. Toen verhonden honderd jaloersche hovelingen zich in het geheim tegen den vreemdeling, wiens posilie nu, naar zij meenden, zeer was verzwakt. De schrandere man ontmaskerde hen, maar hij had een edel hart en heeft zelf voor hen om lijfsbehoud gebeden.

Op zekeren dag echter werden tien muildieren met even zoo veel zakken beladen, door koninklijke slaven binnen de poorten van zijn paleis gedreven en toen de bedienden de zakken openden, vielen de afgesneden hoofden zijner honderd vijanden op den marmeren vloer van den voorhof quot;neder. Hij, die deze gilt ontving, verbleekte op het zien van dit bloedig geschenk en trok zich in zijne vertrekken terug, en toen de nacht was ingevallen, heeft hij zijn kind uit de wieg genomen, een paard bestegen en het sluimerende Cordova verlaten. Met hem hebben geluk en macht den koning voor altijd den rug toegekeerd.

De sprookjesverteller zwoer in het vuur zijner voordracht, dat hij prins Maneschijn persoonlijk had gekend en hem vaak op de pleinen van Cordova niet over de borst gekruiste armen ootmoedig had

ocr page 48

26

gegroet. Zij verschilden niet veel in leeftijd en er waren sinds die gebeurtenis nog geen tien jaren voorbijgegaan.

Hij was overtuigd, dat hij de waarheid sprak, maar ik niet zoo geheel en al; want de Mooren, eerwaarde heer, verdichten met veel meer oprechtheid dan wij, omdat hunne vlugge verbeeldingskracht hen het niet geschiede zoo bedriegelijk als iets, wat zij gezien hebben, voorspiegelt.

Kort voor mijn vertrek hoorde ik den bruinen knaap andermaal de sproke van prins Maneschijn vertellen en — deze gerechtigheid moet ik hem doen wedervaren — zonder noemenswaardige versieringen of veranderingen. Dat vond ik opmerkelijk, maar ik had geen tijd om hem te ondervragen, want ik maakte destijds mijne toebereidselen om, evenals prins Maneschijn, in alle stilte dit land van vreemde zeden en gebruiken te verlaten en in de christenwereld terug te keeren.

Ik ging over zee naar Engeland, waar het mij spoedig gelukte bij den voornaamsten boogmaker in Londen werk te vinden. Hij had zijn werkplaats aan de Theems, niet ver van den Tower en werkte met verscheidene knechts. Daar zijn kunst door den koning en de ridderschap werd gezocht, had hij een aardig kapitaaltje verworven en men zou hem een aanzienlijk man hebben kunnen noemen, indien hij niet, als alle leden van het gild, van Saksische afkomst was geweest. Maar de Saksers werden sinds de verovering

ocr page 49

27

door hunne Normandische meesters schandelijk behandeld en op eene onchristelijke wijze onderdrukt.quot;

«Oho!quot; viel de kapittelheer in, »zijn dat nu woorden voor een man, die zich een half menschen-leven op zijne persoonlijke bekendheid met koning Hendrik heeft beroemd?quot;

Hans liet zich volstrekt niet van zijn stuk brengen, maar antwoordde zonder zich lang te bedenken:

))Het komt bij het oordeelen zoowel als bij het schieten eenvoudig op het standpunt aan. Toen ik midden onder de Saksers leefde, ging ik op zijde of nam mijn muts af, wanneer een troep Normandiërs op hunne geharnaste paarden voorbij draafde. Maar toen ik later tot dezen was opgeklommen, zou hel mijne eer te na gekomen zijn, door een Sakser anders dan blootshoofds aangesproken te worden. En nu, nu Saksers en Normandiërs mij beiden onverschillig zijn geworden, heb ik, ook door de wijsheid mijner grijze haren een meer onpartijdig standpunt ingenomen en zeg ik: Macht en overwinning worden door God beschikt en daar de Normandiërs prikkelbaarder en ontstuimiger van aard zijn, zijn zij de overheerschers. Maar diezelfde God heeft de gestalte eens dienstknechts aangenomen en ons allen gekocht met zijn dierbaar bloed; daarom verhittere de heer zijne dienstbaren niet en vergrijpe hij zich niet aan vrouw en kind van zijnen knecht.

Dit gebeurde evenwel mijnen meester, die tot zijn ongeluk eene schoone dochter had.

ocr page 50

28

Inderdaad, de blonde Hilda was het mooiste meisje in geheel Londen en ik kon mijne oogen niet van haar afwenden, wanneer zij ons na den avondmaaltijd, zonder zich al te lang te laten bidden, hare balladen voorzong,quot;

Door herinneringen overstelpt wiegde de gebaarde man zachtkens het groote hoofd en neuriede zeer onwelluidend;

»In London was Young Beichan born.

He longed strange countries for to sec —quot;

«Waar dwaalt gij toch heen, Hans?quot; riep de koorheer uit, die geen Engelsch verstond en mismoedig begon te worden.

De voetboogmaker ontwaakte uit zijnen droom en daar hij op het vermoeid gelaat van zijn bejaarden toehoorder las, dat dezen de inleiding begon te vervelen, sprak hij hartstochtelijk: «Weet gij, heer, waarover deze ballade handelt, die de jeugdige Hilda ons voorzong?

Over de geboorte van eenen heilige uit den schoot eener Saraceensche, over denzelfden heiligen Thomas, om wiens geschiedenis te verhalen, ik hier tegenover u zit.quot;

Dc snelle wending, waarmede Hans zijn scheepje uit het vaarwater van zijn eigen leven in de strooming van een veel voornamer stuurde, gaf den koorheer als 't ware een schok; hij richtte zich zoo recht en zoo snel in zijnen zetel op, als zijne jaren hem dit veroorloofden, en riep vol verbazing:

ocr page 51

29

»Saracenenbloed in de aderen van St. Thomas? Mijn waarde, weet gij wel wat gij zegt?quot;

«Wanneer gij het perkament, dat de priores van Onze Lieve Vrouwe u, naar gij zegt, geleend heeft, geduldig gelezen hadt, zoudt gij mij niet met zulke verbaasde oogen aanstaren. Want ik wil wedden, dat juist dit punt daarin duidelijk op den voorgrond is geplaatst. Immers de geheele priesterschap van Londen heeft zich de zaak sterk aangetrokken en de heidin, voor zij haar een christelijken echt liet sluiten, zorgvuldig bekeerd. Zij doopten haar met den naam Gratia of Grace, hetgeen zooveel wil zeggen als: genade, om der wille van de groote genade, die de heilige Moeder Gods aan de ongeloovige bewezen had.

In den bruidsnacht der Saraceensche had eene non met een voorzeggenden geest te Londen een visioen en zag uit het nieuwe echtverbond een witte lelie, dat is een heilige, voortkomen en ten hemel opgroeien.

En het geschiedde, gelijk de non gezien had.

Maar veel is er noodig geweest om het heidenkind tot een heilige te maken: bloed en eindelooze ellende, de val eens konings en, zoo niet de ondergang van een koninkrijk, dan toch een schok, die het op zijne grondvesten deed trillen!

Ik wil u nu geregeld, zooals gij het gaarne hebt, vertellen, wie de ouders van Thomas Becket zijn geweest.

Ik ken de geschiedenis door en door, want zij was het lievelingsverhaal der blonde Hilda, die toen nog

ocr page 52

30

jong en onschuldig was en het zeer natuurlijk vond, dat twee harten, die elkander liefhadden, ver over land én zee tot elkander kwamen.

Vele jaren geleden gebeurde het, dat een Londensch koopman, met name Gilbert Becket, naar het Oosten trok en daar, door een met zijn ruiters en kudden de woestijn doortrekkenden vorst, overvallen en gevangen genomen werd. De eigene dochter van den heiden had evenwel medelijden met hem en sneed zijne banden door. En voor een jaar was verstreken, trok zij den Sakser na, want zij had haar hart aan hem verloren en in Engeland zingen zij allerwege, dat, ofschoon het voorname heidensche meisje slechts twee woorden ten dienste stonden: Londen en Gilbert, zij daarmede den weg naar haren lieveling gezocht en gevonden heeft.quot;

«Hoor eens. Hans,quot; zoo gaf de koorheer uitdrukking aan een bij hem opkomenden twijfel, ïgij berijdt het gevleugelde paardje der verdichting-niet slechter dan uw bruine vriend, de sprookjesverteller van Cordova. Er ontbreekt alleen nog maar aan, dat ook gij er op zweert, dat gij er bij zijt geweest.quot;

De boogmaker haalde bedaard de schouders op.

sNiet ik, maar mijn Londensche meester, die een nauwgezet en ernstig man was, heeft mij dikwijls verteld, dat hij in zijn jonge jaren door de straten der stad de snel voortgaande Saraceensche heeft nageloopen. Alsdan moet zij iedereen, die haar

ocr page 53

31

voorbijging, hebben tegengehouden en gevraagd: ïGiibert?quot; Daardoor werd zij door de geheele stad bekend, zoodat ten laatste eene groote menigte volks met haar rondliep, om met haar »Gilbertquot; te roepen. Sommigen deden het uit medelijden met de schoone, uitgehongerde vrouw, die uit droefheid alle voedsel weigerde; anderen daarentegen spotten met de zottin, die éénen Gilbert wilde uitvinden uit duizenden te Londen, waar de naam zoo algemeen is. Maar eindelijk is toch de ware Gilbert aan zijn venster en voor zijn deur verschenen, heeft de heidin bij de hand gevat en haar aan zijnen haard geleid.

Wanneer evenwel de meester mij dit verhaalde, liet hij nooit na er bij te voegen:

»Rond trekkende heidinnen, Hans, brengen ons Christenen niets goeds. Het ware te wenschen, dat het kind der woestijn in haar tent was gebleven, in plaats van naar Engeland over te komen en ons hier den kanselier, den verrader van zijn volk, ter wereld te brengen.quot;

De naam van den kanselier, den wereldberoem-den kanselier van Engeland, de vreugde en de wijsheid des konings, de bewondering en de afgunst der Normandiërs, de haat en de geheime vrees der Saksers, was toenmaals op aller lippen.

Zijn snel toenemende grootheid, de gunstbewijzen en waardigheden, die als uit eenen onuitputtelijken hoorn des overvloeds over hem werden uitgestort, zijne torens, burchten en abdijen, zijne toovertuinen

ocr page 54

en uitgestrekte bosschen, zijn gevolg van honderd, spoedig van duizend ridders, de gouden tuigen zijner paarden en muildieren, de overdadige pracht zijner leesten en de onafzienbare rijen genoodigden, zijne kostbare kleederen en schitterende edelgesteenten — dat alles gaf den Londenaars van den morgen tot den avond stof tot praten en bewonderen.

In de werkplaats kon ik mij onder den arbeid de ooren niet dichtstoppen en dus tuitten zij mij onophoudelijk van den zoon des Saksers en der Sa-raceensche vrouw. Het verwonderde mij niet, dat zijne landslieden allerlei kwaad van hem vertelden: dat had zijn oorzaak in de staatkundige verhoudingen , daar de rijkskanselier de eenige Sakser was, die zich in de gunst des konings mocht verheugen. Maar gedenkwaardig blijft het altijd, dat de vaderen niets goeds vonden in den man, dien de zonen nu op hunne knieën aanroepen.

Hij moet een slecht zoon zijn geweest, die van den reuk der olievaten en koopmansgoederen een afschuw had. Men verhaalt van hem, dat hij als jongeling het eerst in dienst is getreden bij eenlos-bandigen Normandischen priester; daar heeft hij Fransch leeren lispelen, en na dien tijd is hem geen eerlijk Saksisch woord meer over de lippen gekomen En om elk spoor van zijne Saksische afkomst van vaders zijde uit te wisschen, heeft hij, als een lichtzinnige, uit de handen van dezen Normandiër de eerste wijding ontvangen. Later toen de dood zijns

ocr page 55

33

vaders hem rijk had gemaakt, is hij de zee overgestoken, heeft in Galais zijn trouwe Saksische bedienden weggezonden, en Fransche snaken in hunne plaats aangenomen, kostbare kleederen gekocht en zich voor een ridder uitgegeven. Door Aquitanië en Spanje heen heeft hij zich naar het Moorsche hof begeven, gedreven door het heidensche bloed, dat hem van moeders zijde door de aderen vloeide, en is bij den koning te Cordova in blakende gunst gekomen. Daar heeft hij met Oostersche geleerden de sterrenwichelarij en de zwarte kunst beoefend, waarin hij zijn leermeesters al spoedig overtroffen heeft, en zoo is het hem na zijn terugkeer gemakkelijk gevallen, koning Hendrik door helsche machten onverbrekelijk aan zich te verbinden.

Daar het tamelijk wel onmogelijk was in dit verhaal het goud der waarheid te ontdekken, werd mijn verlangen om dat raadselachtig wezen met eigen oogen te zien, steeds sterker, maar ik moest lang geduld hebben, want Thomas Becket vertoefde toen met den koning aan de overzijde van het Kanaal, in Aquitanië, dat de koningin hem, zooals gij weet, bij hun huwelijk heeft aangebracht.

Eindelijk kwam toch de dag. Ik was in de werkplaats bezig een pijl te snijden. Daar begon het op eens op straat onrustig le worden; weldra verdrong men elkander en het verward gegons van vele stemmen drong tot ons door. Mijne kameraden verlieten hun gereedschap, klommen op de werkbanken en drukten

3

DE HEILIGE.

ocr page 56

34

hun gelaat tegen hel glas. Pauken en cymbalen weerklonken. Achter de bereden muzikanten volgde een heraut met de drie panters op de borst en hield den weg vrij voor den zoon der heidin Gratia.

Een knap man was hij en vorstelijk als koning Salomo. Wel kon hij met de Normandische heeren niet wedijveren in frischheid van aangezicht en kracht van lichaamsbouw, maar hij bereed in onberispelijke houding zijnen met goud getuigden, vurigen Ara-bischen hengst en over zijn kleurloos gezicht lag eene ernstige liefelijkheid verspreid.

Zooals ik toen als lid der lagere volksklasse hem bewonderde, had ik waarlijk niet gedacht, dat ik zelf zoo binnen kort in dienst des konings zou komen en dan dien wonderbaren man dagelijks, ja bijna ieder uur, ontmoeten zou.

Toch gebeurde dat, en wel op de volgende wijze.

De Normandiërs liepen in de werkplaats van mijnen meester in en uil, want er waren altijd nieuw uilgevonden of verbeterde voetbogen te beproeven. Bij deze bezoeken was de schroomvallige Hilda niet altijd onzichtbaar. Zij was de vreugde en de begeerte mijner oogen, en zoo moest hel mij wel opvallen, dal de Normandische heeren meer naar haar keken dan wenschelijk was. Een hunner, dien zij Gui Malherbe, dat is Veil Onkruid, noemden, die tol hel gevolg van den kanselier behoorde en aan diens vorstelijke tafel zijn nietswaardig leven voedde, een gemeene, losbandige edelknaap, maar zeer hoffelijk jegens de

ocr page 57

35

vrouwen, ergerde mij dagelijlvs meer, en mijn hart werd door minnenijd verteerd, als ik hem, op het kantje van gemeenheid at, met het Saksische meisje moest hooren schertsen, zonder hem mijn mes tusschen de ribben te mogen steken. Om mijn eigen leven zou ik misschien weinig gegeven hebben, maar den meester en het meisje wilde ik niet in het verderf storten en dat zou toch het gevolg zijn geweest.

Maar wat zal ik vele woorden gebruiken, waar uw Eerwaarde zich nog wel uit uw jeugd herinnert, hoe behendig de booze in zulke gevallen zijne netten uitwerpt en toetrekt.

Eens werden mijn meester en ik ontboden naar een kasteel, enkele mijlen buiten Londen gelegen, om de wapenkamer van een Normandisch edelman in orde te brengen. Het moet algesproken werk zijn geweest. Wij werden onder allerlei voorwendsels opgehouden en toen wij naar Londen terugkeerden, was Hilda verdwenen — gewelddadig ontvoerd, naar het zeggen der buren, die in den nacht paardengetrappel en een jammerende stem hadden gehoord; gewillig volgend, zooals de laffe knechts en de sidderende meiden logen, toen de meester hen ondervroeg.

Ik wierp de verdenking op Gui Malherbe; wat zeg ik? ik was overtuigd, dat hij de schuldige was, en ried mijnen meester een voetval voor den kanselier te doen, wanneer hij onze werkplaats voorbijreed, op weg naar den Tower, tot welks slotvoogd de koning hem had verheven, en niet te wijken voor

ocr page 58

36

hij hem gehoor gegeven en zijnen Normandischen knecht ter verantwoording geroepen had.

En zoo gebeurde het. Mijn arme meester wierp zich voor den prachtig getuigden telganger des kanseliers in het stof en smeekte, terwijl hij zijnen grijzen baard uitrukte, met door tranen verstikte stem, om gerechtigheid tegen den roover van zijn kind, die met trotsche houding, maar onrustige blikken in de derde rij achter zijnen schitterenden meester reed.

Ik kan het nooit vergeten en ik zie het nog voor mij, hoe deze kalm en onbewegelijk, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, den wanhopigen vader nauwelijks met een donkeren blik uit zijne half gesloten oogen verwaardigde en zijn paard langzaam om hem henen stuurde.

Toen nu de tot vertwijfeling gebrachte Sakser opsprong, de gebalde vuisten tegen hem ophief en hem nariep: «Jammer, paap, dat gij geen kind hebt, om door een Normandiër ongelukkig te worden gemaakt!quot; bracht Thomas Becket, alsof een lastig insect hem om de ooren gonsde, zijn Arabisch ros door eene lichte aanraking in ietwat snelleren gang. Ik drong den ouden man zijn huis binnen en onttrok hem aan de honende blikken en verachtelijke spotternijen van de ridderschaar, die den kanselier begeleidde.

Nu volgden kommervolle dagen, waaraan ik nog heden niet zonder bitterheid denken kan, maar die ik toen nauwelijks dacht te overleven. En het werd

ocr page 59

37

er niel beter op, toen de arme Hilda onverwachts op een schemeravond in de verlaten werkplaats op haren vader zat te wachten, die, zooals zij wist, steeds bij het invallen van den nacht eigenhandig deuren en vensters kwam grendelen.

Ik heb nooit kunnen uitvinden, of de Normandiër zijne gevangene vrijwillig terug gegeven heeft, omdat hij haar moede was geworden, dan wel of de kanselier op de hem eigene geheimzinnige manier eenigen drang op hem heelt uitgeoefend.

Een ding zag ik evenwel duidelijk: de meester trachtte met de beste bedoelingen mij uit zijn huis te verwijderen. Hij dacht er over, zijn vernederd en schuw geworden kind ten huwelijk te geven aan een Angelsakser uit zijne familie, die in zijn werkplaats arbeidde en Trustan Grimm heette, een ruwen, rood-harigen kerel; maar hij wilde niet van mij vergen, dat ik daarvan getuige zou zijn. Daarom kwam hij er dagelijks op terug, dat ik eene betere betrekking moest zoeken, en aangezien ik in dien tijd, om mijn wrok te verkroppen, een voetboog uitvond, die verder droeg en gemakkelijker gespannen kon worden, dan alle toenmaals bekende — een flink stuk werk, hoewel ik het later wel overtroffen heb — zoo drong hij er op aan, dat ik mijne uitvinding persoonlijk aan koning Hendrik zou vertoonen en aanbevelen, die een begunstiger en aanmoediger van de edele werp- en schietkunst was. Ik zag, dat hij het goed met mij meende, en volgde zijnen raad.

ocr page 60

38

IV.

Toen ik voor de eerste maal op het kasteel Windsor in tegenwoordigheid van den koning van Engeland kwam, sidderde ik over al mijne leden, want hij had eene krachtige gestalte en koninklijke manieren en zijne blauwe, onbeschaduwde oogen schitterden als twee vuurvlammen. Eerst keek hij mij niet zeer welwillend aan, maar terstond daarop begreep hij, wat ik wilde, meer uit den aangeboden voetboog, dan uit mijne gestamelde woorden; hij nam hem aan, spande hem, legde den pijl er op, trad naar het geopende venster en schoot op een kraai, die was neergestreken op de door geen koeltje bewogen windwijzer van den slottoren. Een heldere glimlach vloog over zijn gelaat, toen de vaan draaide en het dier fladderend in de dakgoot viel.

Nadat hij nog eens met den vinger de spanning-beproefd had, wierp hij mij een goedkeurenden blik toe. «Dat is kunstig gemaakt, knaap,quot; zoo prees hij mijn werk. «Ga, breng hem in mijn wapenkamer, en meld u bij den wapenmeester als mijn bediende aan, want gij blijft bij mij, Duitscher, en zult op de jacht mijn boog voor mij dragen.quot;

Daar viel niets tegen te zeggen, ook al had ik zelf er niet naar verlangd, in dienst des konings te komen, als het hoogste lot in de wereldloterij.

Terwijl de koning nog met mij sprak, kwam zijn derde zoon, de halfvolwassen Richard binnen springen

ocr page 61

39

met den vroolijken uitroep: «Vader, de Norman-dische hengsten zijn gekomen! Een prachtig ras!quot; en koning Hendrik liet zich door zijn lieveling medevoeren.

Daar verhief zich uit een diepe nis, waar hij, zonder door mij te zijn opgemerkt, voor een met papieren belegde marmeren tafel had gezeten, een voornaam, bleek man, in eene prachtige kleeding, die hij met zekere gratie droeg. Het was de kanselier. Hij kwam naar mij toe, als verlangde ook hij zich aangaande mijne uilvinding te doen onderrichten, en ik herhaalde mijne aanduiding, maar — zoudt gij het gelooven? — met meer verwarring dan voor den koning, want ik werd verlegen, toen hij, opmerkzaam luisterende, mij geheel en al liet uitspreken, en het kwam mij voor, dat mijn taal veel te stoutmoedig en te luid klonk in de hooggewelfde zaal.

»Uwe Genade,quot; zoo eindigde ik, »is een geleerde en zal misschien weinig vermaak vinden in oorlogsmateriaal ?quot;

Hij sloeg zijne donkere oogen neder, en antwoordde minzaam: «Ik heb kunst en wetenschap lief, en zie gaarne, dat het verstand zegeviert over de kracht en de zwakkere den sterkere uit de verte treft en overwint.quot;

Door zoo fraai en scherpzinnig den voetboog te prijzen, eerwaarde heer, had de kanselier mij, zonder dat hij het wilde, gewonnen, en ik zou hem gaarne met dankbare woorden geloond hebben, hoeveel genoegen mij zijne wijze opmerkingen deden,

ocr page 62

40

als ik slechts mijn vrees voor zijn bleek en boven-aardsch verstandig gezicht had kunnen overwinnen.

Toen ik in de wapenkamer kwam, vond ik daar den wapenmeester, een vergrijsden Normandiër, die wel een hoofd langer was dan ik. De oude Rollo ontving mij met een trotsch en minachtend gebaar, maar nam toch zeer nauwlettend kennis van mijne uitvinding, want hij was de beste wapenkenner van geheel Engeland. Hij bromde zoo iets tusschen de tanden, dat zijn instemming moest te kennen geven, en ging eindelijk zoover van mijn idee goed te keuren. Nadat hij daarop gevraagd had, wat voor landsman ik was, en gehoord had, dat ik in den omtrek der Zwabische meren thuis behoorde, schonk hij mij van onder zijne gefronste wenkbrauwen een opmerk-zamen blik.

«Trouwe borsten, die Zwaben, en daaraan hebben wij behoefte hier aan het hof,quot; zeide hij. «Als gij u goed gedraagt, Duitscher, dan ontbreekt het hier nooit aan gunst en belooning. Gij treedt in den dienst van een machtig vorst.quot;

En hij begon de Normandische koningen hemelhoog te prijzen en mij de landen op te tellen, waarover zij den scepter zwaaiden. «Zoowel aan deze als aan gene zijde der zee zijn zij machtig,'' zoo roemde hij, «en wat zij eenmaal bezitten, laten zij nimmer meer los.quot;

Daarbij toonde hij mij de pantserhemden ea

ocr page 63

4i

kroonhelmen van den Veroveraar en van diens zoon, die vooraan hingen in eene eindelooze reeks van wapenrustingen en wapenen langs de wanden der diepe zaal.

«Een ding slechts,quot; zoo ging hij hoofdschuddend voort, en hield mij er van terug een verroesten pijl aan te raken, die onder de wapenrusting des tweeden konings op de vloertegels lag, gt;een ding slechts, het einde, is hun ongunstig. De groote vorsten vinden allen op droevige wijze den dood. Deze pijl, — God en de duivel alleen weten, wie hem afschoot, — heeft koning Willem den Roode op een vroolijke jachtpartij den levensdraad afgesneden. Maar wal doet het er toe? Heldere zonnen gaan bloedrood onder.quot;

Zoo reed ik dan van nu voortaan op de jacht en in den strijd achter mijnen heer en koning, en bevond hem juist zoo, als hij zich op den eersten dag aan mij had vertoond: even grillig als de Aprilmaand; barsch, ongeduldig, opvliegend, verschrikkelijk in zijnen toorn, maar ook soms zoo mededeelzaam van aard, zoo toegankelijk en minzaam, dat men zich op zulke tijden wel een scherts durfde veroorloven en het niets vreemds was, dat de edele vorst met zijne bedienden medelachte, lot de tranen hem over de wangen liepen.

Dal ik evenwel uit den stal en de wapenkamer in de voorkamer kwam, en ten laatste als een

ocr page 64

4-2

jachthond mij voor de deur der koninklijke slaapkamer mocht ter ruste vlijen, dat geschiedde niet zoo op eens, maar langzamerhand, van stap tot slap.

Koning Hendrik was een geweldige Nimrod, die er van hield, zijn jachtstoet verre achter zich latende, in vollen ren het spoor van een hert te volgen, en die, een man van weinig behoeften, bij het invallen van den nacht het eerste, het beste nachtverblijf voor lief nam. Dan was ik, die op mijn snuivend ros altijd vlak achter hem bleef, vaak de eenige om hem te bedienen, en menigmaal, als hij, na de vermoeienisssen van de jacht, den beker wat al te dikwijls had aangesproken, bracht ik hem beschonken te bed. Zoo gewende hij zich van zelf aan mijne hulp en aan mij, en hoewel ik niet trachtte mij door lage vleierijen in zijn gunst in te dringen, zoo was ik toch slim genoeg, mijn eigen spel niet te bederven.

Drieërlei dingen kwamen mij daarbij ten goede; dat ik Normandiër noch Sakser was; dat ik van niemand, buiten mijnen heer, giften of gaven aannam — alleen onder enkele omstandigheden den kanselier uitgezonderd, wien niemand iets durfde weigeren — en dat ik, zonder precies den onnoozele te spelen, mij toch wei wat eenvoudiger voordeed, dan ik van nature was en een beetje onnoozeler dan de ervaring-mij gelaten had. Dientengevolge had koning Hendrik een bijzonder welgevallen in mijne Zwabische trouwhartigheid.

Maar ook dit bracht mij verder in den gunst

ocr page 65

43

des konings, dat Thomas Becket zijne blikken met welgevallen op mij liet rusten — want de koning zag met de oogen van zijnen kanselier — en mij somtijds een schertsend, beteekenisvol woord toevoegde, dat zijn eerbied voor den koning hem verhinderde tot dezen te richten, ofschoon hij toch wenschte, dat deze het vernemen zou.

De bijzondere welwillendheid des kanseliers viel mij evenwel pas le beurt op den dag, dat hij en ik beiden den vinger op den mond legden.

Het gebeurde namelijk in het eerste jaar van mijnen dienst bij den koning, dat deze zich op een zoelen zomernamiddag in zijn vertrek te slapen had gelegd, toen de kanselier hem over dringende zaken kwam spreken. Ik ging dezen te gemoet en fluisterde, mijne vingers op de lippen drukkende: »Uwe Genade, de koning slaapt.quot; Nu moet gij weten, eerwaarde heer, dat de heidenen in Granada, rijken zoowel als armen, de vrome gewoonte hebben, telken male als er van sluimeren of slapen gesproken wordt, er bij te voegen: «Geprezen zij Hij, die slaapt, noch sluimert!quot; Dat doen zij van kindsbeen af, zonder daarbij iets meer te denken, dan wij, Zwaben, bij ons: «God zegene u!quot; Toen ik onder de heidenen leefde, had ik mij deze spreuk eveneens aangewend, om mij op eene onschuldige manier eenigszins alf bun landsman voor te doen. Hetzij ik nu slaapdronken was, of dat de kanselier, die mij achter de neergelaten gordijnen nog bleeker toescheen dan gc

ocr page 66

44

woonlijk, mij aan een Moor deed denken, of dat hel louter gewoonte was, kortom, ik zeide: «Uwe Genade, de koning slaapt, geprezen zij Hij, die slaapt noch sluimert.quot;

De kanselier moest zijns ondanks lachen, zoodat zijne geheele rij parelwitte tanden zichtbaar werd, en vroeg toen op ernsligen toon; «Hoe komt een Duitscher aan dezen groet?quot;

Ik verhaalde hem, in afwachting dat de koning ontwaken zou, dat ik drie jaren in Granada was geweest om het boogmaken te leeren, en vertelde hem ook de geschiedenis van prins Maneschijn. Ik moet zeggen, het was gewaagd en had wel eens verkeerd voor mij kunnen afloopen, maar de verzoeking om te ontdekken, of prins Maneschijn en de kanselier een en dezelfde persoon waren, en te beproeven of de onverstoorbaar kalme man zich ten minste ditmaal niet eens zou laten verrassen, was mij te sterk. Maar heer Thomas vertrok geen spier van zijn gelaat. Hij hield de oogen, zooals hij gewoon was te doen, een oogenblik peinzend neergeslagen, daarna vestigde hij ze op mij en legde langzaam zijn blanken vinger op zijnen mond. Toen boog ik de knie voor hem en ging hem daarop bij den koning aanmelden, die zooeven in zijn kamer eenig gerucht had gemaakt.

Daar nu beide heeren mij evenzeer lijden mochten en vertrouwen in mij stelden, moogt gij aan het wonder gelooven, dat ik de zeldzame gunst genoot,

ocr page 67

45

achter den stoel mijns konings te staan, wanneer hij mei den kanselier zich in de staatszaken verdiepte. De vorst liet zich dan door mij een parelenden witten wijn inschenken, die uit Frankrijk kwam, terwijl hij met een slim gezicht en innig genoegen de scherpzinnige uiteenzettingen en de ingewikkelde schaakzetten van zijnen kanselier volgde, en deze zich, als eene fraaie, witte slang in de stralen der vorstelijke gunst koesterde. Koning Hendrik beschouwde den door hem uit het niet verhevene met welgevallen als zijn schepsel; maar het schepsel, eerwaarde heer, was den schepper onontbeerlijk geworden, en heerschte over hem met zijn zachte eigenzinnigheid.

Dikwijls heb ik er bij gestaan, wanneer de kanselier den koning nog bij het overschrijden van den drempel tegenhield, terwijl diens voor de jacht gezadelde paarden reeds op de binnenplaats hinnikten en stampten, en bij, zijne papieren ontvouwende, den onhandelbare door den dwang zijner kalme woorden noodzaakte hem gehoor te verleenen. Ik heb mij vaak verwonderd, hoe hij, het potlood in de eene en bet papier in de andere hand, 's konings vluchtig antwoord herhaalde, het ontwikkelde en herschiep in eene fraaie, vloeiende rede, die daarheen stroomde als gesmolten goud.quot;

»Ook uwe rede stroomt zoo, dat ik er mij over verwonderen moet,quot; merkte de grijze koorheer eenigszins stekelig aan.

ocr page 68

46

»Laat mij begaan,quot; riep Hans, »laat mij u den merkwaardigslen man beschrijven, dien de aarde ooit heeft gedragen, het voorbeeld zijner eeuw, die zich naar hem trachtte te vormen. De voornaamste Engelsche adel deed zijne zonen als edelknapen bij hem in de leer en de jonker, die den ridderslag niet door de hand van den zoo hoog gestegen Sakser ontvangen had, gold niet voor vol onder deze hoogmoedige en alles verachtende jongelingschap.

Ik heb er mij dikwijls mede vermaakt, als die flinke knapen, die hunne roode lippen nooit door een Engelsch woord hadden verontreinigd, aan de kleurlooze van Thomas Becket hingen, in wiens mond de taal der Fransche heeren bepaald veel sierlijker klonk, dan in die van een hunner, als zij zorgvuldig luisterden naar iedere zijner spreekwijzen en wendingen, de fijnheid van zijn scherts bewonderden, de snede zijner kleederen namaakten, en zijne rustige manieren trachtten na te volgen, als het hoogste, waarnaar zij bij hunne hoofsche opvoeding konden streven.

Een ding evenwel meen ik, ontbrak den kanselier: de voortvarendheid en de scherpte van den manne-lijken geest.

Niet dat hij laf zou zijn geweest! Een lafaard zou zich geen dag aan hel hof van koning Hendrik hebben staande gehouden, want de Normandiërs zijn lichtgeraakt op het punt van eer, als geen andere adel. Het zwaard wordt gemakkelijk uit de schede

ocr page 69

47

getrokken, en hij, die een degensteek of zwaardhouw niet pareeren of teruggeven kan, is een verloren man.

Ofschoon hij een halve geestelijke was, was de kanselier toch in iedere ridderlijke wapenoefening-zeer ervaren, waarbij hem zijne buigzame gestalte buitengewoon te stade kwam; als de staatszaken het veroorloofden, trok hij ook wel met den koning mede in het veld. Ik heb eens onmiddellijk achter hem een stormladder beklommen, en hem daar boven op den ringmuur eener Fransche burg doodsbleek en met op elkaar geklemde tanden handgemeen zien worden met een woedenden Picardiör. Hij weerde het vijandelijk wapen flink af, en joeg den held zijn zwaard recht door het hart, maar om het met walging en afschuw te beschouwen en weg te werpen, toen zijn tegenpartij gevallen was. «Boogmaker, geef mij een rein zwaard,quot; gebood hij mij, en het zijne was nog wel een meesterstuk van buitenlandsche smeedkunst, dat de mazen van een pantser doorsneed, alsof het linnen was. Ik heb bet opgenomen en jaren lang tot mijne eigene veiligheid gebruikt.

Heer Thomas kon nu eenmaal geen bloed vergieten.

Binnen de grenzen zijner uitgestrekte bezittingen speelde en weidde het wild in de open plaatsen in het bosch als in het paradijs, en wanneer hij zijne wouden bezocht, kwamen de herten naar hem toe, om uil zijn hand te eten.

Ook het doodvonnis van een mensch kon bij niet onderteekenen zonder te verbleeken, en het bijwonen

ocr page 70

48

van eene terechtstelling, die toch in een goed ge-ordenden staat menigmaal voorkomt, ging zijne krachten te boven, terwijl mijn heer en koning zich gaarne verwaardigde, daarbij als de verpersoonlijkte gerechtigheid tegenwoordig te zijn. Dikwijls moest koning Hendrik er om lachen, wanneer hij met zijnen kanselier voorbij eene gerechtsplaats reed en deze met weerzin het hoofd afwendde, niet van wege de geesten, die daar rondwaren, (want de kanselier was een ongeloovig man) maar uit medelijden, zooals hij zich eenmaal liet ontvallen, met het gemartelde menschdom, welks verminkte ledematen daar op het rad lagen te stuiptrekken.

Ja, de kanselier weigerde zelfs het vonnis te onderteekenen van eene heks en toovenares, die door geheel het land bekend was en hare duivelsche streken beleden had. Daardoor plaatste de anders zoo voorzichtige man, alleen om aan eene heidensche gril toe te geven, zich lijnrecht tegenover geheel Engeland, tegenover den koning en 'den adel, zoo wel als tegenover het volk en het priesterdom.

Het betrof toen de zwarte Mary, die in een dorp nabij Londen haar rol speelde, onweders opriep, ziekelijke menschen deed sterven, vee en kindertjes worgde, totdat zij ten laatste door eene geestelijke rechtbank gefolterd werd, en nadat zij gewillig had bekend, met het aardsche vuur begenadigd werd, om hare berouwhebbende ziel voor de eeuwige vlammen te bewaren.

ocr page 71

49

Toen gebeurde liet, dat de verwende kanselier de tooverheks in haren afschuwelijken kerker opzocht en zich van hare verlatene jeugd en van haren lateren omgang met den duivel verhalen liet. Ja, gij zult het nauwelijks gelooven, dat heer Thomas de zwarte Mary, die onder heete tranen om den reinigenden vuurdood bad, alles omtrent den satan uit het hoofd trachtte le praten, en haar voorhield, dat zij anderen en zich zelve bedroog. En hoe levendiger zij hem alles schilderde, des te ongelooviger werd de heiden. Heer Thomas bracht het rechtsgeding voor den koning, doch deze wilde van geen genade hooren, maar zeide vol majesteit: «Kanselier, ik ben het christelijk geweten van Engeland, ik kan niet!quot; Toen sprak de kanselier gelaten: «Wat vermag ik tegen de hooge wijsheid dezer eeuw, welke de uwe is, mijn Vorst!quot; en onderteekende het doodvonnis.

Toen hij later de zaal verliet, wendde hij zich tot mij, die naast de deurpost stond, en zeide; »Mary is eene heks, precies zooals ik een heilige! Oude Hans, er zijn oogenblikken, waarin ik in dezelfde mate sidder voor wat de menschen zijn, als voor wat zij zich inbeelden te wezen.quot;

Deze woorden heb i k nooit begrepen, maar ik maak er uit op, dat heer Thomas in zijn hoogmoedige wijsbegeerte niet aan de kunsten van Satan geloofde.

Toen daarna de zwarte Mary ter gerechtsplaats zou worden heengeleid, vond men haren kerker ledig en toen koning Hendrik, met den vinger drei-

DE HEILIGE. 4

ocr page 72

50

o-ende, daarover den kanselier ter verantwoording

O 7

riep, meende deze, dat dit ook een streek des duivels zou zijn, evenals al de voorafgaande , en daarmede was de zaak afgehandeld.

Later liep het praatje, dat de zwarte Mary niet te midden harer zonden was weggenomen, maar op eene eenzaam gelegene hofstede van den kanselier een stil en ingetogen leven leidde. Nu, als zij oprecht tot zich zelve is ingekeerd, is het haar wel gegund. Ik wil u wel bekennen, dat ook ik medelijden kreeg met de zondares, zooals ik haar daar op dien vuilen hoop stroo zag zitten en haar de zwarte, verwilderde oogen, van onder de verwarde haren, tot den kanselier zag opheffen; als ik haar hoorde klagen over hare onbeschermde jeugd en over het onrecht, dat men haar had aangedaan, toen zij nog onschuldig was. Wist ook ik daarvan niet mee te praten?

Gij bemerkt reeds, heer, want ik heb het u in mijn oprechtheid duidelijk genoeg gezegd, dat de kanselier mij liet mederijden, toen hij de heks ging bezoeken, als een man, waarop hij zich verlaten kon.quot;

De koorheer zag den voetboogmaker onderzoekend aan.

»Gij zijt het. Hans,quot; riep hij, »die het booze wijf hebt doen ontvluchten!quot;

»Zoudt gij dat denken, eerwaarde?quot; antwoordde Hans, en het geleek wel, of hij onder zijn baard den mond vertrok. Toen vervolgde hij ontwijkend:

ocr page 73

51

))Een nog erger heks, die le dier tijde in Engeland leefde, kon ook niet verbrand worden, en dat wel om zeer gewichtige redenen.

Mijn heer en koning was met haar getrouwd.

Waarom koning Hendrik in den echt was getreden met vrouwe Eleonora, de gescheiden echtge-noote van den koning van Frankrijk, dat begrijpt een ieder, die de wereldkaart beschouwt en daarop de landen telt, die zij hem ten huwelijk bracht; Gascogne, Saintonge en Poitou, benevens ontelbare burgen en steden. Zij moet in hare jeugd aanminnig en bescheiden zijn geweest. Ik wil haar dit lentebloempje niet uit de kroon nemen. Ten tijde, dat ik de knie voor haar boog, had zij een overvloed van weelderig zwart haar, dwaalden hare oogen rusteloos en ongedurig rond en waren hare bewegingen steeds vlug en gejaagd. Ook was zij meestal elders dan koning Hendrik, nu eens in eene abdij, want zij was bij wijlen zeer vroom, en straks weder op een afgelegen kasteel met een klein gevolg, dat somtijds werd vergroot door een eergierigen jongsten zoon van goeden huize, of door een verwaanden dolenden ridder, die gaarne met eene voornaamheid eens een avontuurtje wilde hebben.

Waar hij haar niet kon ontwijken, behandelde de kanselier haar met diepen eerbied, maar ik geloof, dat hij haar niet mocht lijden, want hij zag gaarne iets teeders en beschroomds in eene vrouw. Daarom verlustigde hij zich dikwijls — ofschoon de

4*

ocr page 74

52

groote, valsche profeet het zijnen volgelingen verboden heeft — in de aanschouwing van de witte en rustige ledematen der kuische, marmeren vrouwenbeelden, die hij in zijne paleizen had bijeengebracht. Gij hebt misschien nog nooit zoo iets gezien. Zij werden van onder de puinhoopen van verwoeste Grieksche tempels te voorschijn gehaald en de vorst van Byzantium had er den kanselier eenige toegezonden als eene staatkundige beleefdheid.

Het zijn doode steenen zonder glans of kracht in de oogen, maar als men ze langer bekijkt, beginnen zij te leven, en niet zelden ben ook ik voor deze koude schepsels blijven slaan, om te onderzoeken of zij vroolijk of treurig te moede waren.

Yrouwe Eleonora, die niet van marmer was, kon den kanselier evenwel volstrekt niet bevallen en zij van haren kant haatte hem van ganscher harte. Misschien had bij, evenals de brave Jozef der Egyptische, haar eens zijnen mantel gelaten, want, ofschoon zij zeer rechtzinnig was — op dat stuk heb ik nooit iets kwaads van haar gehoord — had zij toch zekere voorliefde voor heidenen: immers, zij had het ook gehouden met een Saraceènschen vlasbaard, toen zij haren godvruchtigen eersten gemaal vergezelde op een kruistocht naar het heilige land.

Dat kan u niet onbekend zijn, want het is over den geheelen aardbodem uitgegalmd.

Misschien ook haatte zij hem slechts, omdat hij al hare gangen bespiedde, uit vrees voor gevaren

ocr page 75

en dreigende wanordelijkheden in hel koninkrijk. Gij moet bedenken, waarde heer, dat hare drie landen, als erfgoed van moeders zijde, toebehoorden aan 's konings vier zonen, de prinsen Hendrik, Godfried, Richard en Jan. Daarom deed de verstandige kanselier steeds zijn best om vrouwe Eleonora onder zijn bedwang te houden, niet al te los, opdat zij door de luimen van haren vurigen aard geen schande over den koning en over Engeland zou brengen, maar ook niet al te strak, opdat zij zich in haren overmoed niet er tegen verzetten, en zich met hare landen en zonen losrukken zou.

Deze zonen liet heer Thomas bijna niet van zijne zijde wijken en hij was hun een liefhebbend vader en voortdurend onderwijzer. Als de natuur niet bijna altijd sterker ware dan de leer, zouden de vier kinderen van Engeland huns gelijken niet hebben kunnen vinden, met zoo groote liefde en kostbare wijsheid had de kanselier zich aan hen gewijd. Maar jonker Hendrik gaf alleen acht op zijne wijze van zich te kleeden en de edele welsprekendheid zijner gebaren, want hij was een kwast en een komediant. En jonker Godfried vergat 's nachts wat hij 's daags had bemind of beloofd, en was te onbestendig van aard, om eenig denkbeeld, hetzij ernstig of vroolijk, ten einde toe vast te houden.

Des konings derde zoon Richard Leeuwenhart had heer Thomas bijzonder lief en ook mij lag hij na aan het hart. De grondtoon zijns harten was

ocr page 76

54

zuiver als een stoot op den jachthoorn en over-bruisend als het schuim op het gebit van een vurig paard. Hij was onwederstaanbaar, men moest hem wel vriendelijk gezind zijn, — maar overleg bezat hij in het minst niet, zooals hij dan ook nu op dezen stond, om een zijner onbekookte daden, daar ginds in Oostenrijk gevangen zit.

Jonker Jan, de vierde — God beware mij, dat ik kwaad van hem zou spreken, want hij staat nu het naast aan den troon — maar een nietswaardiger, slechter knaap heeft de aardbodem niet gedragen, en deze hand heeft mij dikwijls gejeukt, wanneer hij jegens mij of een van Gods andere schepselen zijn valsche streken uithaalde, wanneer hij mij een fraaie voetboog moedwillig beschadigde of stomme dieren martelde.

En dan zijn lachen! Ik heb hel zoo lang ik leef, zelfs in herbergen en op markten, niet gemeener gehoord.

Gij moet weten, dat de kanselier dikwijls kwam kijken, als ik het viertal leerde schieten, en terwijl zij dan een oogenblik verpoosden, verhaalde hij hun soms tot nut en vermaak enkele dierfabelen, die mij als jager van beroep bijzonder vermaakten.

Daarin spraken en handelden vogels en viervoetige dieren, ieder naar zijnen aard oi ten minste naar de natuur, die de menschen hun hadden toegedicht.

Ook deze verhalen zijn eene uitvinding der Arabieren, die aldus onder de maskers der dieren

ocr page 77

55

ongestraft de gebreken hunner overheerschers konden aan de kaak stellen en bespotten.

Kwam nu een dezer handelend opgevoerde schepsels tot schande of ongeluk, viel Bruin de beer in een kuil, geraakte Isegrim in den val of iets dergelijks, dan stootte de kleine Jan onvoorziens zulk een schellen, duivelschen lach uit, dat ik, hoewel met zijne gewoonten vertrouwd, er van schrikte, en de kanselier, die toch een vriend van scherpzinnigheid was, het kind met treurige oogen beschouwde.

Maar hij gaf den innerlijk misdeelden knaap nimmer zijnen afkeer le kennen, integendeel, hij was nog vriendelijker jegens hem, en lette nog meer op hem dan op de anderen. Ik heb hem ook wel hooren zuchten, wat anders zijne gewoonte niet was, wanneer ik hem een nieuw misdrijf van jonker Jan had mede te deelen.

Waarlijk, de rijkskanselier beminde de koningskinderen, alsof het zijne eigene waren, maar het werd hem slecht vergolden.

Nu moet ik u spreken van een geheim der ongerechtigheid, dat wel is waar in geen enkele kroniek zal worden opgeteekend, maar dat toch de spade is, die voor heer Thomas en koning Hendrik beiden, den een na den ander, een graf gegraven heeft.quot;

Hans de voetboogmaker vouwde werktuigelijk zijn sterke oude handen, alsof ook zij met deze spade gegraven hadden.

IB j |

i.. \m\\

iH ''Ir' '

1

Ü

li

Ir

-j|: m

Hl

; lil

Hill I

li

ocr page 78

56

«Nadat ik u nu een blik heb doen slaan in koning Hendrik's huishouding,quot; zoo ging Hans, do voetboogmaker, voort, «begrijpt gij wel reeds ten naastenbij, dat hij geen rust en geen geluk vond bij koningin Eleonora en op zijne vele tochten in oorlogs- en vredestijd maar al te dikwijls rondkeek onder de jonge dochters in zijne staten, zoowel aan deze als aan gene zijde der zee.

Ik wil het u niet verbergen, dat ik hem vergezeld heb op menigen rit, waarop ik, die oorspronkelijk onder geestelijke tucht was opgegroeid, liever niet was medegegaan en die mij somwijlen hel biechten moeielijk maakte. Maar gij moet bedenken, dat de koning weinige vertrouwde personen rondom zich had, en ik door mijne onwankelbare toewijding huiselijke oneenigheid, ja zelfs sluipmoord en vergiftiging voorkwam.

Want vrouwe Eleonora was eene ijverzuchtige duivelin, hoewel zij zelve haren heer gemaal volstrekt geen trouwe hield. Zij kocht des konings lijfknechten om, zooveel zij kon, zoodat iedere zijsprong, dien hij maakte, haar bekend werd, en zij hare mededingsters op bloedige wijze vervolgen kon. Meer dan eene vond de koning dood, of zij verwelkte plotseling in zijne armen.

Dus mocht men het hem waarlijk wel gunnen, dat hij aan mij eens een vertrouwden knecht gevonden had.

ocr page 79

57

Eens gebeurde het, dat de koning met een klein gevolg een jachtpartij hield in een afgelegen woud, waar hij, zoover ik wist, anders niet gewoon was te jagen, Tegen den avond overviel ons een vreeselijk onweder, dat de heeren uit elkander dreef. Maar ik bleef bij den koning en vond voor hem eene schuilplaats onder een uitgehold rotsblok, waar hij kon wachten, tot de stortregen ophield. Toen de donder zweeg en de regen nauwelijks meer door het loof der eiken druppelde, zocht ik den weg op, dien wij gekomen waren, maar vond hem versperd door een verwarde massa afgeslagen takken en blootgewoelde wortelen, waar de wateren van een builen zijne oevers getreden beek overheen spoelden. Ik blies zoo luid ik kon op mijn jachthoorn, maar er kwam van geen enkele zijde antwoord. Toen beval de koning mij voort te gaan in die richting, waar het bosch dunner werd. Ik deed het en baande een pad voor hem met mijn jachtzwaard. Weldra zag ik den gloed der ondergaande zon de stammen der boomen verlichten. Ik wendde mij naar den koning om, maar hij drong mij ongeduldig voorbij, den rossen gloed te gemoet en met zulk een haast, dat het mij moeite kostte hem bij te houden.

Daar zag ik hem plotseling verwonderd zijne schreden inhouden. Hij stond aan den zoom van het woud onder de druipende takken en terwijl hij zijne oogen met zijn opgeheven rechterhand beschutte, hield hij zijne blikken onafgewend gevestigd in de

ocr page 80

58

richting der ondergaande zon. Ik verhief mij op mijne leenen en rekte den hals uit, om over zijne schouders te kunnen zien, en wat ik aanschouwde scheen mij begoocheling en hekserij, die in het volgend oogen-hlik verdwijnen zouden.

Op eene goudgroene weide midden in het hosch stond een kasteeltje, zooals ik wel in het koninkrijk Granada had gezien. Het was omgeven door hooge, gladde muren uit gelen steen opgetrokken, waarboven een kleine, licht blauwe koepel zich verhief en de toppen uitstaken van dunne, donkergroene boomen, die ik cypressen genoemd zou hebben, als wij onder een meer zuidelijken hemel waren geweest.

Het bevallige, stevige gebouwtje was frisch en nieuw en schitterde in het scheidend avondlicht als een juweel.

De koning sprak geen woord, maar ging met rassche schreden op de kleine poort toe, en klopte aan met het gevest van zijn zwaard. Daarbinnen bewoog zich niets. Nu begon ook ik te hameren op de houten poort, die diep in het gemetselde gewelf verborgen was. Eindelijk geloofde ik door de smalle spleet van een zijvenstertje een oud gezicht te zien verschijnen en verdwijnen en terstond daarop werden de grendels onhoorbaar weggeschoven.

Een grijze Sakser deed de deur open en boog zwijgend en bevend de knie voor den vorst. ïGij, Aescher?'' zoo sprak koning Hendrik hem toe, en ging ongeduldig lachend voort; «Gij zult uwen koning

ocr page 81

59

toch niel buiten laten staan? Ik ben doornat en heb honger! Aan wien behoort dit sierlijk nestje? Aan den kanselier? Of zijt gij niet meer bij hem in dienst? Bij Sint Joris, ik moet welgelooven, dat de gestrenge heer betrekkingen met een boschnimf heeft aangeknoopt! Welke Melusine heeft om zijne zinnen te streelen dit hier neergetooverd? Spoedig, dien mij aan bij uwe lieftallige fee!quot;

Nu herkende ook ik den oude en herinnerde mij, dal ik hem eens in Londen in het gevolg van den kanselier onze boogmakerswerkplaats voorbij had zien draven. Toen had hij mijne opmerkzaamheid getrokken door zijn zwaarmoedig uiterlijk en zijne zwarte, samengegroeide wenkbrauwen, die zoo scherp bij hel wille hoofdhaar afstaken. Aan het hof had ik hem evenwel niet meer in de nabijheid van heer Thomas gezien.

De Sakser zag den koning metsmeekende oogen aan, en stamelde, dat dit hem het leven zou kunnen kosten.

»Bij mijn koningswoord, dat zal het niet. Mij kan het bevel niel gelden, dal gij ontvangen hebt!quot; zoo drong heer Hendrik aan en hij stapte met den eenen voel reeds over den drempel, terwijl hij mij een wenk gaf, dal ik buiten wachten zou.

Aescher wist in zijne overgroote verwarring niet, waarheen zich het eerst te wenden, totdat mijn vorst hem vol majesteit beval;

sSluil deze poorl en meld uwer meesteres het bezoek en de gunst van haren koning !quot;

ocr page 82

60

Ik zette mij tot wachten met den rug tegen den muur geleund. De avondkoelte verkwikte mij en de rust was mij niet onwelkom; ook scheen het avontuur mij bijzonder vermakelijk toe. Ik lachte in mijn baard over 's konings laatste hoogdravende toespraak, en prees het in stilte, dat hij, gedachtig aan zijn honger en rijperen leeftijd, niet als een zingende troubadour voor de poort was gebleven, maar de dame van het kasteeltje kortweg zijn koninklijken rang en heerlijkheid had doen bekend maken.

Ik ellendige dwaas!

Toen na geruimen tijd de poort weder geopend werd en koning Hendrik uit hel kasteeltje kwam, was het, hoewel midden in den zomer, reeds volkomen nacht. De Sakser ging ons met de fakkel in de hand voor op het smalle pad, waarlangs wij weldra eene eenzame hoeve bereikten, waar ons paarden en een gids werden verstrekt.

Toen wij bij het aanbreken van den morgen de burchtpoort binnenreden, waaruit de koning gisteren ter jacht getogen was, en ik den stijgbeugel voor hem vasthield, gaven zijne schitterende oogen mij een veelbeteekenenden wenk, en terwijl hij mij zijn linkerhand op den mond legde, wierp hij mij met de rechter een met edelgesteenten bezetten gesp toe, dien hij van zijn hoed getrokken had.

Het goud, dat hij in den zak had, had hij den ouden Aescher'in de hand geschud.

ocr page 83

61

Dat was het begin. Maar van het hartje van dien zomer af, totdat de bladeren van de boomen vielen, heb ik den koning dikwijls door dit vreedzame woud begeleid en nog menigvuldiger den tocht alleen gedaan, om een bezoek aan te kondigen, of om de teekenen zijner hartstochtelijke liefde: zeldzame parelen uit de zee, of wat de school der aarde voor kostbaars oplevert, aan zijn verborgen liefje over te brengen ; dit alles evenwel zonder dat ik haar ooit had gezien of de binnenplaats van het kasteel betreden had! Ik verkeerde slechts aan de poort met den ouden Aescher, die wel is waar, telkenmale wanneer hij mij zag, erbarmelijk zuchtte, maar nimmer gehoorzaamheid weigerde, noch afwees wat hem uit koninklijke hand werd toegedacht.

Het was mij streng verboden, mij bij daglicht op deze paden te doen zien; ook behoorden zij tot de eenzaamste, die ik ooit bereden heb. Geen levende ziel is mij daarop ontmoet, behalve eens bij hel krieken van den morgen een herkauwend wild en tweemaal, toen het iets later was dan gewoonlijk, een eenzaam zwerver.

Er zullen ongeveer vier weken verloopen zijn sinds het begin van dit avontuur, toen op zekeren dag mijn bruine Hans een achterpoot verstuikte. Ik hield van het dier als van een broeder en bleef bij hem op de hoeve, totdat ik niet meer bezorgd behoefde te zijn. Toen nam ik te voet den terugweg aan en ijlde voort, zoo snel ik kon. Het was helder

ocr page 84

62

dag, loen ik een groole grasvlakte bereikte, die door spottende echo's omgeven was en aan welks einde een rotsachtige weg begon, waarop thans de hoefslag van een paard weerklonk. Ik wierp mij snel op den buik in het kreupelhout, en hield de oogen onderzoekend op den langen weg over de weide gericht. En daar aanschouwde ik den Arabischen schimmel des kanseliers, langzaam en achteloos door zijn meester bestuurd. Het schoone dier ademde vol wellusten snoof met geopende neusgaten de morgenluchten deboschgeuren in.

Eerwaarde heer, het verraste mij niet, den kanselier in deze streken te ontmoeten. Ik was er op voorbereid hem vroeger ol later hier te zien, want het sierlijke kasteeltje werd door zijnen knecht bewaard, en de moorsche bouwstijl er van, de uitheemsche boomen in. den slottuin, het jachtvrije wild in het rond hadden sinds lang allen twijfel omtrent den bouwmeester en eigenaar bij mij opgeheven. Ook de koning had reeds den eersten dag uit dit alles begrepen, wie hier iels dierbaars verscholen had.

Ik wil mij zeiven niet beter voordoen dan ik ben. Het verheugde mij, dien vader der wijsheid, dien grooten geleerde op iets menschelijks te betrappen; en dat koning Hendrik, de eenige, die het ongestraft doen kon, onder zijne duiven had geschoten, deed mij zonder bezorgdheid lachen. Wij zien hel immers door alle tijden heen, dat in minnarijen en het dingen naar liefde geestelijken en geleerden steeds den voet wordt gelicht door vorsten en krijgslieden.

ocr page 85

63

Ik zorgde er evenwel voor, niets van mijne ontdekking aan koning Hendrik te doen bemerken, zelfs niet door het begin eener toespeling of een kluchtig gezicht; want er zijn grenzen in den omgang van eenen knecht met zijnen koning en zelfs den minzaamste moet men ontzien. In mijne gedachten vermaakte ik mij met een gedrag, dat ik voor vorstelijken moedwil hield, maar ik verwikkelde mij in een gruwel en een dwaasheid, die den koning de kroon, het leven en — helaas — de zaligheid zijner ziele heeft gekost.

Gij moet weten, eerwaarde heer, ik veronderstelde, dat de kanselier eene rijpe, zoete druif uit den eenen of anderen fijnen Aquitanischen wijnberg had medegebracht in den Engelschen nevel, die hij onverschillig, of hoogstens, fijngevoelig als hij was, met eenigen weerzin van zich weg zou schuiven, zoodra hij er schimmelplantjes op ontdekte. Reeds stelde ik hem mij voor, hoe hij, in zijnen koning, den man aan wien hij alles te danken had, zijn medeminnaar herkennende, met hoofsche, eenigszins verachtelijke gebaren buiten het strijdperk trad.

Ik zag dus in dit verraad weinig kwaad en volstrekt geen gevaar.

Met nieuwsgierige oogen, door leedvermaak gescherpt, bespiedde ik uit mijn schuilhoek den langzaam voortgaanden ruiter, die sinds eenige dagen uit Canterbury teruggekomen was, waar de hooge geestelijkheid hem handen vol werks had gegeven, en die nu in

ocr page 86

64

Windsor zijne nachten besteedde om de zaken in orde te brengen, die in zijne afwezigheid onafgedaan waren gebleven. Bij het gelijkmatige zachte licht eener Griek-sche lamp schreef hij onvermoeid voort, zoodat de koning, als hij uit zijn onrustigen slaap ontwaakte, aan de overzijde der binnenplaats den trouwen wachter kon aanschouwen, die waakte over hem en zijn rijk.

Maar is hij het wel? Is dat de in zich zei ven gekeerde kanselier met den kouden, onderzoekenden blik en den ernst der staatszorgen op het gelaat, of wel een vroom ridder en pelgrim naar den heiligen Graal? — Gij kent toch de legende van den schotel met het heilige bloed, die onder liefelijk geklank uit den hemel is nedergedaald en op Montsalvatsch wordt verheerlijkt?— Over de bleeke, peinzende trekken lag eene uitdrukking-van zalige verrukking en zijn aangezicht glansde als de maan en de sterren. Zijn lang gewaad van violette zijde viel in breede plooien als van een priesterkleed tot over de schoften van den zilvergrijzen telganger, die, anders gewoon op de opwekkende muziek van klaroenen en pauken te dansen, nu langzaam voortging over het zachte pad en de fraaie pooten ophief als op de tonen der fluiten, die de verborgen boschgoden bespelen.

Ik ontstelde over de vroomheid, waarmede de schijnheilige zich tot zondigen minnehandel opmaakte — geheel anders dan mijn vorstelijk overmoedige, naar liefde dorstende meester — en toch overviel mij zeker medelijden met deze bedrogene

ocr page 87

65

godsdienstige stemming en dan weder een plotselinge angst, dat die bleeke man, wiens verschijning mij van den beginne af aan, een mij ongewone vrees had ingeboezemd, de schending van zijn heiligdom aan ons, mijnen koning en mij, in het geheim, maar ongehoord en verschrikkelijk zou wreken.

Op dit, oogenblik vertoonde zich de loodrechte, diepe plooi weder lusschen de fijngeteekende wenkbrauwen des kanseliers, die hem, den scherpdenkenden staatsman, steeds eigen was. Heer Thomas zette zijn paard in galop, niet uit ongeduld, naar hel mij toescheen, maar overvallen door eene plotseling opkomende bezorgdheid.

Weder stond de sikkel van een nieuwe maan aan den hemel, toen ik andermaal op dezen weg door den dageraad werd overvallen. De koning had tegen middernacht afscheid genomen van zijne beminde, want hij was op hel punt een reis naar Normandië te ondernemen; aan den zoom van het woud gekomen, had hij mij echter bevolen terug te ijlen met de boodschap, dat hij haar nog eens aan zijn hart wilde drukken en morgen terug zou komen.

Nadat ik aan deze opdracht had voldaan, reed ik moede en slaperig terug door het bosch, waarin zich reeds een vochtige herfstlucht deed gevoelen. Terwijl mijn paard, afgemeten voortstappende, de gele bladeren van de boomen streek, had ik droefgeestige gedachten over de vergankelijkheid van al

DE HEILIGE. 5

ocr page 88

06

het aardsche, zooals die steeds bij mij opkomen, wanneer ik de bleeke tinten der tijlozen op de weide aanschouw.

Een luid gehinnik in mijne onmiddellijke nabijheid wekte mij uit mijn gepeins. Bij eene kromming van den weg bemerkte ik een gezadeld paard, dat voor de hoeve stond vastgebonden. Ik gleed van het paard, voerde het in het kreupelhout en keek, nadat ik zonder gerucht te maken naderbij gekomen was, over de heining. Daarbinnen was een mager, geharnast persoon in gesprek met den pachter, die hem wantrouwend aankeek; hij stond eerst met den rug naar mij toegekeerd, maar midden in het gesprek draaide hij snel het hoofd om, precies naar den kant van het kasteeltje en stelde mij alzoo in de gelegenheid zijn scherpen, gekromden neus en zijn roofvogelgezicht te zien. Ik herkende den ellendeling, zocht mijn paard op en bracht het in galop. De plaats, waar mijn koning zijn lusten botvierde, werd door niemand anders bespied, dan door den Normandiër, Malherbe, sinds Hilda's ontvoering door mij meer gehaat dan de krijgsknecht op het schilderij der kruisiging te Allerheiligen, die onzen Heer en Heiland in het aangezicht spuwt, en tegen wien ik reeds van kindsbeen af een bijzonderen wrok koesterde. De kanselier had den nietswaardige uit zijn gevolg verwijderd en men zeide, dat hij nu bij koningin Eleonora in blakende gunst stond. Ik voorzag, wat er volgen moest. Wanneer de koningin

ocr page 89

67

de schuilplaats der boschnimf le weten kwam, gat ik geen cent meer voor haar leven.

Toen ik den koning kennis gaf van deze noodlottige ontmoeting, werd hij vuurrood van hartstocht en toorn. »Wij moeten met de jonge dame de zee over,quot; zeide hij en fronste de wenkbrauwen. »En wel terstond, voor de havik het duifje verslindt!quot;

Hij beval mij tegen den avond drie gezadelde paarden en voor hem een onaanzienlijk stel kleederen gereed le houden.

Het was reeds donker, toen de koning, die eerst laat door den kanselier was vrijgelaten, mantel en kap greep en zich op het paard wierp.

Na een versnelden rit van een uur reeds bijna halfweg gekomen, wenkte hij mij naast zich en zeide mij, dat ik in de vroegte niet met hem zou terug-keeren, maar den dag op het kasteeltje moest blijven en de meesteres met een kamermeisje, zoodra de nacht was ingevallen, naar zijn meest nabij gelegen burcht geleiden, van waar hij haar over zee naar zijne Fransche bezittingen zou doen voeren.

Spoedig waren wij aan het doel. De koning vond een zacht kussen om zijn hoofd op neder te leggen en ik een hard aan den voet van den muur, den zadel van mijn paard, dat ik met de twee andere vergund had dien nacht vrij rond te weiden.

Toen de toppen der hoornen, nog vochtig van den dauw, zich begonnen te kleuren, en ik juist de

5*

ocr page 90

68

drie dieren weder had opgevangen, trad de koning de poort uit en aan zijn arm hing een lieftallig schepseltje, niet rneer dan vijftien jaren oud. Het schoonste meisjeshoofd, dat ik ooit heb gezien, leunde tegen den schouder des konings en twee smeekende, angstige oogen staarden in de zijne, die van geluk schitterden. Ravenzwarte haren, door een gouden diadeem bijeengehouden, hingen over de teedere schouders en heupen tot bijna op den grond neder. Zij schreide en de koning sprak haar moed in.

«Ik laat u dezen hier. Hij is mijn getrouwe knecht; hij zal u beschermen als zijn oogappel. Laat u van avond zonder vrees op het paard tillen. Het moet zoo wezen, ik wil het, Grace! Een korten tijd slechts en wij zijn onder een warmen hemel weder vereenigd.quot;

Hij kuste haar, wierp zich in den zadel en rende voort, terwijl het meisje hem met beide armen nog hare groeten nazond. Maar mij was al het bloed uit het hart geweken. Als een bliksemstraal schoot mij de waarheid door de ziel. Weet dan: de koning hadden kanselier niet den voet gelicht bij eene schitterende, eerzuchtige schoonheid, neen, — wee, wee hem! hij had zich vergrepen aan Thomas Beckets onschuldig kind.

quot;Want Gratia, zooals de koning haar genoemd had, was het treffend evenbeeld des kanseliers, in zooverre een jong en onervaren gezicht op een verstaald en ondervindingrijk gelaat gelijken kan. De zuivere boog der wenkbrauwen, de donkere, zwaarmoedige

ocr page 91

69

oogen, het ernstig lachje om den mond, de zachtmoedige uitdrukking van het gelaat — daar was geen twijfel aan: Gratia, te jong om de zuster des kanseliers te kunnen wezen, was zijn eigen vleesch en bloed. Mijn meester, een christelijk koning, had nog erger dan een heiden gezondigd jegens een naar ziel en lichaam nog nauwelijks volwassen kind.

Hoewel ik maar een arme knecht was, ontstak ik in hevigen toorn tegen mijnen heer, en balde ik de vuisten, alsof hij mijn eigen kind ongelukkig had gemaakt. Weldra voelde ik ook eene groote bekommering en ik had bloedige tranen willen weenen, omdat mijn koning, dien ik lief had, door het vermoorden der onschuld den goddelijken toorn op zich geladen had. Ik trachtte den vorst te verontschuldigen met zijn vurigen aard, zijn almacht, zijne uren van blinde onbedachtzaamheid, maar te vergeefs 1 Een doordringende stem kreet mij in de ooren: Uw heer heeft een doodzonde begaan! En voor het oog mijner verbeelding verrees Gratia's beschermengel, die uit droefheid en schaamte het gelaat met beide handen bedekte, terwijl de bazuin des gerichts dreunend weerklonk.

Doch ik herkreeg gaandeweg mijne zelfbeheer-sching. De twee dieren, tusschen welke ik stond, werden onrustig; ik greep ze vaster èn het visioen verdween.

De dochter des kanseliers was in den burcht

ocr page 92

70

verdwenen. Aescher stond alleen in de poort en wenkte mij voor de eerste maal in zijn klein wachtkamertje, dat aan de binnenzijde van den dikken ringmuur was gebouwd.

Hij zag er angstig en ongelukkig uit en was zoo verslagen, dat hij vergat mij spijs en drank voor te zetten, waaraan ik, na den doorgestanen schrik, waarlijk behoefte had. Terwijl ik mij zeiven aan brood hielp en de wijnkruik uit de kast haalde, bekende hij aarzelend, dat de ontvluchting der schoone Gratia, die door den koning was bevolen, niet zonder gevaar zou zijn. Hij had zijnen heer, den kanselier, trouw en eerlijk er van kennis gegeven, dat het kasteel sinds verscheidene dagen door den Nonnandiër Malherbe werd bespied, die in den omtrek ronddoolde. Hij verwachtte nog in dit uur den kanselier met eenige manschappen om eene bezetting achter deze muren te leggen.

»Ach, had ik toch maar den Booze weerstaan,quot; zoo jammerde bij in laf berouw, »en mijnen meester terstond het eerste bezoek van den uwen geopenbaard. Mijn lichaam zou dan verloren zijn geweest — maar nu heb ik ook mijn ziel verkocht! — Doch hoe kon ik den moed hebben, mij te verzetten tegen de opperste macht! De nadering van uwen koning veroorzaakt schrik en ontsteltenis! Vervloekt zij het uur mijner geboorte! Alles, zelfs de kennis des goeds en des kwaads hebben deze Normandièrs ons geroofd!____Maar ook mijn meester, de kanselier,

ocr page 93

71

is niet zonder schuld. Hij, die de wijsheid in persoon is, heeft Gratia slecht opgevoed. Kunt gij het gelooven, boogmaker? Geen kruis, geen misboek, geen heiligenbeeld hebben wij in huis!... Slechts een enkelen St. Jozef, daar in de nis in den muur, voor ons, dienstbaren. — Hij bracht zijn kind perkamenten met Arabische letters bedekt, heidensche sprookjes, die den loop der wereldsche dingen, vaak zoo wreed, valschelijk als een reeks van liefelijke avonturen voorstellen; — en het kind vermaakte zich dag en nacht met die fraaie leugens en be-driegelijke verhalen. Ook Monna Lisa, de Italiaansche luitspeelster, haar kamermeisje, heeft daarover den kanselier in hare gedachten dikwijls hard gevallen. De arme! Op hare knieën wilde zij den koning-terughouden. Maar hij vulde hare handen en schoof haar terzijde. Zoo wreed als uw meester tegenover ons als koning is, zoo onweerstaanbaar is hij voor de vrouwen — en alzoo werd de misdaad begaan.quot;

Terwijl de grijze Sakser dus angstig en nutteloos jammerde, had ik mij allengs met spijs en drank versterkt en opgebeurd.

„Hans,quot; zoo zeide ik tot mij zeiven, »wees toch geen oud wijf — houd u flink. Het onheil is geschied, maar nog is er kans, dat alles zich ten beste keert. Wie weet, of koningin Eleonora niet in den bloei barer jaren sterft, of, als zij in verval begint te raken, met den een of anderen ridderlijken vagebond er van door gaat. Dan zou de koning vrij

ocr page 94

72

zijn en Gralia tol zijne koningin kunnen verheffen. Zij is toch dubbel uit vorstelijk bloed. Volvoer gij dus, wat heden geschieden moet, en breng het kind over de zee!quot;

Ik zeide dit alles slechts om mij zeiven moed in le spreken, maar geloof mij, eerwaarde heer, dat ik al wat ik in dienstbaarheid met moeite had bespaard, mijn kunst en de helft van mijn leven, zou hebben willen geven om koning Hendrik van zijn daad en mij van mijne medeplichtigheid vrij te koopen. Deze zonde woog zoo zwaar in de goddelijke weegschaal, dat haar gewicht wel heer en knecht beide verpletteren konde.

Koning Hendrik had misbruik gemaakt van het vertrouwen van een kind. Gratia was eene dochter van heidensche ouders, en de onderworpen Arabische vrouwen buigen zich voor den scepter tot in het stof. De koning slaat bij hen even hoog als God en de wel, en hooger dan vader en moeder. Daarom voorzeker had Gratia het misdadige geheim voor haren vader bewaard.

Hoe vurig en onnadenkend moest de kanselier zijn dochtertje wel beminnen, dat hij, die anders naar alle kanten rondzag en alles in zijn kiem en ontwikkeling bespiedde, haar in zijne nabijheid en daarmede in die van het Normandische hof had gebracht — zoo redeneerde ik verder — en hoe zwaar zou hem dat berouwen.

Doch ik stond haastig op, om te bezorgen hetgeen noodig was.

ocr page 95

73

Ik nam drie ronde brooden onder den arm en voerde mijne twee paarden, die buiten stonden vastgebonden, naar een ravijn in het boscb, bij een helder beekje, niet ver van daar; ik gaf hun te eten, liet hen drinken en knoopte daarna hunne teugels aan twee denneboomen vast. Het deed mij goed te zorgen voor twee schrandere en trouwe schepsels, die niets wisten van verraad of zonde.

Toen ik weder uit het ravijn naar boven kwam, verschrikte mij een hoornsignaal, dat van eene andere zijde van het bosch weerklonk, en door het wuiven met een zakdoek van de tinnen, die den blauwen koepel omgaven, beantwoord werd.

Zoo snel ik kon, stak ik de ruimte over, die mij van den burchtmuur scheidde en sloop, dicht daartegen aan gedrukt, naar de poort, waardoor de doodsbleeke Aescher mij sidderend naar binnen trok. Zijn klein portierskamertje keek door drie smalle lichtgaten naar buiten, in het poortgewelf en in den slottuin uit.

Wel een dozijn ruiters kwamen uit het bosch te voorschijn. Vooraan de kanselier, dien ik herkende aan zijnen bijzonder slanken Arabischen schimmel en aan de statige wijze, waarop hij dien bestuurde. Hij was in volle wapenrusting met gesloten visier. Voor de poort, waar zij afstegen, liet bij door eenigen hunner de paarden weg leiden in de richting van de pachthoeve; de overigen volgden hem, niet lot mijne blijdschap, door de poort en

ocr page 96

Ik

kregen op de binnenplaats bevel, zich in de rondte op de muren te verdeelen.

Ik was van plaats veranderd, maar had den kanselier in het oog gehouden, die eindelijk, nadat Aescher hem rekenschap scheen gegeven te hebben, in huis verdween. De oude portier droeg den sleutel van mijn schuilplaats aan den gordel; ik was dus in den val en legde mij op de loer.

Juist tegenover mij, midden op het hurchtplein, stond het koepelvormig gebouw, aan deze zijde geheel omgeven door een terras, dat met altijd groene, weelderige gewassen was beplant. Na een poosje trad heer Thomas met Gratia aan de hand door de hooge gewelfde deur en nam met haar plaats op een wit marmeren bank, naast een rood geaderde kom, boven welke omhoog schietende waterstralen elkander in de lucht kruisten. En ik aanschouwde aldus van zoo nabij het bezorgde, maar geen kwaad vermoedende gelaat des kanseliers en Gratia's raadselachtig gezichtje, dat ik plotseling mijn hoofd ter zijde boog, ofschoon de muur, waardoor ik uitkeek, van buiten met klimop was begroeid.

Nu gaf de kanselier het kamermeisje, dat met. neergeslagen oogen in de deurpost stond, een wenk om zich te verwijderen; waarschijnlijk was bet de Italiaan-sche Monna Lisa, wier deugden ik zoo even uil Aescher's mond had leeren kennen. Een poosje zaten zij zv/ijgend neder en Grace tuurde, waarschijnlijk om de vaderlijke oogen te ontwijken, in het parelende water.

ocr page 97

75

Toen begon de kanselier in de Arabische laai : «Mijn kind, gij zult nog slecht weinige dagen hier blijven en het is niet onmogelijk, dat gij in dien korten tijd nog door een aanval wordt verontrust. Maar vrees niet. Ik laat u tien dappere mannen, die volkomen in staat zijn, deze muren tegen eene vijandelijke overrompeling te beschermen. Gij zult u langzamerhand aan wapengekletter moeten gewennen, mijn schuw vogeltje. Dat is het lot van iedere burchtvrouw bij het despotisme en de bandeloosheid dezer dagen.

»En de lijd is gekomen, dat ik mij van u, mijne lievelinge, scheiden en u uithuwelijken zal, wel niet onder dezen vochtigen hemel, maar aan de overzijde der zee, in een zonnig land met zachter zeden. Als het zijn kan, en uw gesternte u daar henen voert, dan niet ver van uwe pleegouders in Poitou. Gij denkt toch immers nog wel eens aan den eerlijken Galas, van wien zij zeggen, dat hij van Moorsche afkomst is, omdat hij Arabisch verstaat, maar die evenwel zijn Onze Vader niet anders bidt dan wij. Er is toch nauwelijks een jaar verstreken, sinds de oude man, die u hierheen had gebracht, onder tranen van u scheidde.

»Ik weet niet, of het goed was,quot; zeide hij hel voorhoofd fronsend.

))Doch,quot; zoo ging hij voort, als wilde hij zich zeiven verontschuldigen, daar Grace bleef zwijgen, »mocht ik mij dan niet een klein deel mijns levens onverdeeld verheugen in uwe reine en liefelijke jeugd?

ocr page 98

76

«Maar nu is het laatste oogenblik, dat ik mij gunnen kon, verstreken, en het oogenblik van scheiden is daar.

»Ik mag dit lieve hoofd niet aan gevaar blootstellen 1quot; en hij legde zijn smalle hand op haar kopje.

))De vorst reist morgen naar het vasteland en ik volg hem binnen weinige dagen. Dan zult gij mij dichtgesluierd met uwe vrouwen vergezellen en niet van mijne zijde wijken, voor ik u in de hoede van een dapper en edel man kan overgeven,

«Wanneer de koning genoeg heeft van zijne onreine genoegens, zal hij mij toch wel een enkelen dag gunnen voor mijne reine vreugde. Die koning!quot; zeide hij met verachtelijk gekrulde lippen, als zag hij hem in levenden lijve voor zich slaan. — Wsar-achtig, ik verbaasde mij, hem zoo te hooren spreken.

«Vrees niet,quot; zoo voer hij voort, want Grace's hand, die hij vast hield, beefde in de zijne, ïik weet te kiezen. Ik zal toezien, aan wien ik u vertrouw, en ook uit de verte mijne hand beschermend over u uitstrekken, want ik ben machtig in alle staten van het Normandische rijk.

sEn in een klooster wilt gij u toch niet opsluiten? Neen, zeggen mij uwe oogen; gij hebt geen zonde te boeten en behoefte aan licht en zonneschijn.quot;

Als de wijze heer Thomas niet zoo in zijne eigene gedachten verdiept was geweest, zou hij de zielsangst van zijn kind hebben moeten zien, maar hij was als met blindheid geslagen, en Gratia, die

ocr page 99

77

te vergeefs zich inspande om te kunnen spreken, bracht eindelijk zacht fluisterend uit:

»Wie is het, vader, die mij hier bedreigt?quot; »Wie?quot; herhaalde de kanselier met trillende stem, en, alsof hij besloot den loop en de slechtheid der wereld niet langer voor zijn kind te verbergen, zeide hij zonder omwegen: »Eene slechte koningin. Zij haal mij, hare verspieders hebben haar kennis gegeven van uw bestaan en ik wil niet dat Eleonora iets van u weet en zich met u bezighoudt — hare gedachten reeds verontreinigen.quot; Grace verbleekte, waaruit ik opmaakte, dat koning Hendrik tegenover haar wijselijk gezwegen had van zijne echtgenoote, aan wie toch niets te prijzen viel.

Zij herstelde zich evenwel en fluisterde weder: «Zoo spraakt gij niet altijd, mijn heer en vader. Hadt gij niet besloten mij eens aan den koning voor te stellen, en preest gij zijn gunst niet, als die van een goed en verheven vorst? Ook jonker Richard

hebt gij geprezen.....quot;

»Als ik dat deed,quot; zoo antwoordde heer Thomas ernstig, »dan sprak ik onbezonnen en verblind door mijn vaderlijk welbehagen in u. Ik ben tot inkeer gekomen. Laat die ijdele woorden verwaaien, als de lucht, waarin zij wegstierven. Gij moogt niet aan het hof komen, in dien pestwalm, waarin niets, wat rein is, tieren kan. Maar in één opzicht hebt gij gelijk: den koning komt eerbied en gehoorzaamheid toe! ))Doch genoeg hiervan! Mijn tijd is voorbij. Geef

ocr page 100

78

u kinderlijk en zonder vrees aan mijne zorg over. Gij weet immers, dat ik u lief heb, onuitsprekelijk lief! Mijn eenige, mijn alles!quot;

En hij drukte haar een teederen kus op het voorhoofd.

Heer Thomas was opgestaan. Hij liet zijn onderzoekenden blik over de muren gaan om te zien, of elk der ruiters den hem aangewezen post had ingenomen, en zoo doordringend was die blik, dat ik mij in mijn verborgen schuilhoek op den grond liet vallen en alleen maar de woorden vernam: «Binnen drie dagen dan! Houd u gereed. Tot wederziens!quot; en het tol den aanvoerder der tien gerichte bevel; «Gij laat niemand in-, noch uitgaan, bij uw eigen leven.quot;

Toen ik mij weder voorzichtig oprichtte, was de marmeren bank ledig. Thomas Becket en zijn ongelukkig kind waren verdwenen.

Een rilling was mij door de leden gevaren, toen ik den man, die mij tot nog toe alwetend was voorgekomen, voor de eerste maal misleid en bedrogen zag; ontzetting beving mij, dat het vaderlijk geloof aan de heilige onschuld van een kind den duivel had moeten dienen om den schranderste te verschalken en een vergiftigden pijl te drijven door een volmaakte wapenrusting.

Na een poosje werd daar builen het Arabische

ocr page 101

79

paard van den kanselier voorgebracht, heer Thomas reed heen, en de sleutel knarste in de deur van mijn verblijf. Aescher staarde mij met zijne doöe oogen hulpeloos aan; ik zag duidelijk, dat hij niet wist wat te doen, en nam dus zelf het gezag in handen.

»Ga naar de overzijde,quot; sprak ik, sbreng Monna Lisa, de luitspeelster, in naam des konings het bevel, dat zij zich op stralfe des doods met hare jonge meesteres reisvaardig heeft te maken en dezen nacht onder het poortgewelf moet verschijnen, zoodra uwe lamp wordt uitgedoofd. Ga!quot;

Hij kwam terug met het antwoord, dat de Itali-aansche gehoorzaamheid beloofde. Daar het begon te schemeren, beval ik hem zijn licht aan te steken en met het krijt in de hand voor zijn lei te gaan zitten, voor het geval, dat de wacht, die op den tegenoverliggenden muur op en neder ging, een wantrouwenden blik door het verlichte venstertje werpen mocht, terwijl ik mij in een hoek op zijn leger wierp, want na de spanning van dien dag had ik behoefte aan rust. Maar de zuchtende oude verdroot mij met zijn angstig gemompel en zijne eentonige zelfbeschuldigingen. Ik gebood hem stil te zijn en vond nochtans den slaap niet.

Hoe wreed het ook zijn moge, toch gebeurt het maar al te vaak, dat, terwijl het hart ons van angst als wordt toegeknepen, onze gedachten onvermoeid en onverschillig hunnen eigen weg gaan, en zoo waren ook nu de mijne bezig met de vraag, waar-

ocr page 102

80

om de kanselier zijn ongelukkig kind Gralia zou hebben genoemd. Ter eere van de genadige bekeering zijner eigene moeder, die aldus was gedoopt, of toegevende aan eene heidensche zwakheid, daar Gralia wel de hemelsche genade beteekent — die God ons allen moge schenken — maar evenzeer de fijnste bloesem van geestelijke en lichamelijke schoonheid.

Voorts dacht ik er over na, hoe heer Thomas Gratia van zijnen lieveling Richard had verleid en dus wel eenigen tijd de strafwaardige eerzucht gekoesterd had, zijn kind aan het hof van koning Hendrik en tot vorstelijke eer te brengen. Toen sluimerde ik in en de god der droomen looverde mij allerlei hersenschimmen voor den geest. Het is toch bekend, dal het droomen van verdriet vreugde beduidt en dat van blijdschap tranen. —

Het was mij, als kwam ik weder uit het bosch, achter koning Hendrik, wiens aangezicht plotseling verjongd werd en veranderde in dat van zijnen zoon Richard. De bandelooze koningszoon sloeg op de poort van het kasteel en verbrijzelde die met één slag van zijn gepantserde vuist. Maar de trouwe Aescher wierp zich moedig op zijnen weg en Monna Lisa gaf aan hare deugdzame verontwaardiging in heete tranen lucht. Doch, zie, daar trad de kanselier met Gralia aan de hand uit het inwendige van het slot te voorschijn, en terwijl hij Richards rechterhand vatte, voerde hij beiden onder het lommer der boomen. Toen veranderde het bladerdak in het

ocr page 103

81

gewelf van de groote zaal op Windsor. Het schoone bruidspaar knielde voor Hendrik en Eleonora, die hen hunnen ouderlijken zegen gaven; pauken en trompetten schetterden, ik wierp mijn hoed in de lucht en riep: «Lang leve prins Richard en prinses Gratia!quot;

Daarop ontwaakte ik, hoorde Aescher met zijn doodsbleek zondaarsgezicht zijne gebeden prevelen en toen ik aan het venster trad, zag ik licht in de kamer, waar Monna Lisa met de jeugdige bijzit van eenen ouden koning op het uitdooven mijner lamp wachtte.

Het was een booze nacht, de vreeselijkste mijns levens. Reusachtige, zwarte wolken pakten zich boven mijn hoofd te zamea en bedekten somtijds geruimen tijd de wassende maan. Juist stierven op den muur de voetstappen van de ronde weg. Ik blies de lamp uit. «Wij hebben twee paarden, Aescher,quot; zeide ik, jgij zet Monna Lisa op het uwe.quot; Op den tast daalden wij de wenteltrap af. Dicht bij de poort stonden twee vermomde vrouwen. Het lichaam der eene, de tengerste, dichtstgesluierde, schokte door het onderdrukte snikken. Ik schoof behoedzaam de grendels weg, sloop de poort uit en tuurde naar boven. Het was mij, als hoorde ik op den muur de pees van een boog spannen, maar er liet zich verder niets hooren; ik moest mij dus bedrogen hebben.

Ik wachtte nog en bad drie Onze Vaders — heel

DE HEILIGE. 6

ocr page 104

82

mijn leven heb ik ze niet vuriger gebeden. - Er huilde een hond, daarop werd alles stil.

Nu ging ik terug naar de bevende Gratia, zette haar op mijnen arm en liep wat ik loopen kon, met haar naar het bosch toe. Plotseling werd het al lichter en lichter rondom ons. De wind joeg de wolkenmassa's zoo snel voor zich uit, dat de sluier voor het aangezicht der maan werd weggetrokken.

Daar snorde iets door de lucht! Ach, dat de pijl mij had getroffen! Het teedere wezentje in mijne armen greep krampachtig mijnen hals. Ik voelde een stroom warm bloed en de vooruitstekende punt eener pijl, die de dochter des kanseliers de keel had doorboord, reet mijn wang open. Een onderdrukt gereutel, en het was met Gratia gedaan!

Ik liet het jeugdige lijk in de armen van Monna Lisa glijden, die mij op den voet was gevolgd, en terwijl de lichtzinnige vrouw een doordringenden kreet uitstiet, bereikte ik het woud onder het voortdurend snorren der pijlen en met den naar adem hijgenden Aescher dicht achter mij.

Ik had mij op het eene paard geworpen, Aescher op het andere. Wij joegen over den in nachtelijk duister gehulden boschweg voort, zoodat Aescher in den zadel wankelde, en wij drukten onze hoofden in de vliegende manen onzer paarden, om er niet te worden afgerukt door de kale takken, die, alsof zij treurden, somber en lager dan anders naar beneden schenen te hangen.

ocr page 105

83

Wij bereikten gelukkig de open plaats in het bosch, thans helder door het maanlicht beschenen, aan welker overzijde de weg begint te dalen. Onze schuw geworden dieren vlogen. Daar hoor ik achter mij een schrillen kreet. Ik wend mij om en zie Aescher's paard, anders een moedig dier, met de ooren in den nek recht overeind staan en plotseling in doodsangst achteroverslaan. Een voorbij vliegend wit schijnsel had hem verschrikt. Waarschijnlijk zal het eene der witte hinden geweest zijn, die de kanselier om hare zeldzaamheid in zijne particuliere bosschen hield. Naast een hoop steenen wentelde zich het paard en daarbij lag een doode met misvormd gelaat. De haren rezen mij te berge. Ik zette mijn paard in galop, zonder meer een blik te werpen op het stervende dier of den gevonnisten, ontrouwen knecht.

VI.

Ik reisde naar Dover om koning Hendrik naar Normandië te volgen, maar tegenwind had hem opgehouden. Ik vond hem er dus nog, en het oogen-blik om hem het ongeluk te berichten, kwam vroeger voor mij dan ik had gedacht, en nog op Engelschen bodem.

De koning brak in biltere jammerklachten los en sloot zich in zijn kamer op. Ik legde mij op zijnen drempel neder, zooals ik ook vroeger in moeielijke, gevaarvolle tijden gewoon was te doen. Daarbinnen

6*

ocr page 106

84

look geen slaap zijne oogen en ik hoorde hem den ganschen nacht met zware schreden op en neder gaan. Tusschenheide weeklaagde hij erbarmelijk en sprak hij luid en heftig tot zich zeiven, zoodat ik zijne telkens door zuchten afgehrokene woorden zeer

goed kon verstaan.

»Was zij niet mijne lievelinge!quot; zoo klaagde hij. sik zou mijn teeder lammetje wel op eene veilige weide hebhen gebracht!.... Maar wat vermag ik tegen het lage karakter mijner koningin en de domheid mijner ondergeschikten? Wat vermag ik legen de listen van het noodlot?.... Voor mij en den kanselier - voor ons beiden — is daar op die weide in het bosch een bitter harteleed ontkiemd.... Maar ik wil hem schrijven, wat er mijn gemoed omgaat... hij moet het weten, dat ik hem met gunsten en genade overladen wil, meer nog dan ooit te voren en dat hij voor altijd de naaste blijft aan mijn hart en aan mijnen troon.quot;

Tegen den morgen werd hij rustiger en toen de dag aanbrak, hoorde ik hem een stoel bij de tafel schuiven en scheen hij een brief te beginnen, zm voor zin bij zich zeiven herhalende, voor hij hem nederschreef. Ten laatste hoorde ik den zwaren druk

van zijn zegel.

Hij riep mij en gaf mij eenen brief.

J Dezen moet gij den kanselier persoonlijk overhandigen,quot; zeide hij, »zoek hem, tot gij hem gevonden hebt.quot;

ocr page 107

85

Daarop stak de koning in zee; ik daarentegen ging met mijnen brief naar Londen, en dat was geen lichte last, daarvan kunt gij verzekerd zijn. Want ofschoon ik op bevel van mijnen meester had gehandeld, was mijn geweten zeer bezwaard en voelde ik eene heilige vrees om den kanselier onder de oogen te komen, die nu wel de ware oorzaak van Gratia's sterven moest hebben ontdekt.

In Londen, waar ik hem eerst zocht, was hij niet. Op welke van zijne vele kasteelen hij zich bevond, konden of wilden zijne steedsche bedienden mij niet zeggen, maar dat behoefde ook niet, want ik wist het maar al te goed.

Op een versch paard jaagde ik op klaarlichten dag — wat had ik nu nog te verbergen — den zelfden weg langs, dien ik zoo dikwijls in de schemering en bij maneschijn had afgelegd. De helderste hemel welfde zich boven de geel geworden kruinen der boomen en tusschen de hier en daar reeds ontbladerde takken.

Mijn hart klopte als een hamer, toen ik het vriendelijke kasteeltje wederzag en, van het paard springende, de poort, die anders zoo goed gesloten was, open zag staan. Geen portier vroeg wat ik verlangde. In den slottuin was het stil; slechts de wind fluisterde in de altijd groene takken van het vreemde hout en de fontein wierp vroolijk zijn vergulde stralen omhoog.

Ik bleef staan en zocht naar eenig levend wezen. Daar werd ik eene vrouw gewaar, die bij den tuinmuur voor een daarin aangebracht reliquiëenkastje

ocr page 108

86

nederknielde. Zij hield beide handen voor het voorovergebogen gelaat en bemerkte niets van mijne komst. Ik klopte Monna Lisa onzacht op den schouder. Zij wendde zich verschrikt om en zag mij aan met oogen, die rood waren van het schreien. Toen beduidde zij mij met beide handen, dat ik haastig vluchten moest. Maar ik toonde haar den brief en verlangde als bode van den koning onmiddellijk bij den kanselier te worden toegelaten.

Bevend maar zonder tegenspraak ging zij mij voor, de uitgehouwen treden op, die naar de gele zuilen van den koepel voerden en opende de deur. »Zij ligt in de kapel — ik heb haar nog versierd als eene koningin,quot; zeide zij bevreesd en verdween.

Ik trad binnen in eene vroolijke, kleine, ronde zaal, die haar licht van boven ontving. Kostbare kussens waren langs den muur aangebracht en in het midden stond een groote, vergulde vogelkooi vol fladderende en kweelende vogels. Zij speelden daar onder kleine palmboompjes in hun bonte, uitheem-sche vederpracht, maar nergens was een menschelijk wezen, dat zich daarin zou hebben kunnen verlustigen.

Ik schreed over de kleurrijke figuren van den mozaïkvloer naar een smalle marmeren trap, die naar een boogvormige deur leidde, opende die en hief behoedzaam de damasten gordijn op, die aan de binnenzijde er voor was gehangen.

Daar zag ik een schouwspel, dat mij het woord op de lippen deed verstijven, en den adem terug

ocr page 109

87

drong in de borst. Ik blikte in het half duister der slotkapel. Maar daar was geen crucifix en geen eeuwig licht en in plaats van een heilig lijk op het altaar, lag in een kist daarvoor, allerprachtigst getooid, de doode Gratia. Een lichtstraal, die door het eenige, hooggeplaatste venster viel, bestraalde hare boven-aardsche schoonheid. Haar hoold rustte op een purperen kussen en droeg een kroontje van schitterende edelgesteenten. Het teedere lichaam verdween onder de plooien van haar met goudborduursel en parelen overladen gewaad, dat over de wanden der kist lag uitgespreid. De kleine, doorzichtige handen lagen gekruist op de borst en hielden zedig den zwarten haarsluier bijeen, die, van den schedel nederdalende, de teedere wangen omlijstte, en de beide wonden aan den hals bedekkende, zich weder vereenigde onder het kruis, dat door hare marmerbleeke armen gevormd werd.

Maar naast het liefelijk aangezicht der doode lag een ander neergezonken, door denzelfden zonnestraal verlicht, levenloozer en meer op een doode gelijkend dan dat van het lijk; een aangezicht, waarover de stervensnood der vertwijfeling was heengegaan en waarvan zij, na haar werk te hebben verricht, weder geweken was. Het was de kanselier, die met verwarde haren en gescheurde kleederen naast de doodkist lag, met de armen op den rand geleund.

Er heerschte eene doodsche stilte. Slechts een

ocr page 110

88

zacht suizen der bladeren werd door het geopende venster gehoord, en hunne fijne schaduwen dansten over hel purperen kussen en de beide aangezichten.

Ik weet niet, hoe het kwam, dat in die bange stonde het Moorscha leven in Granada mij'voor den geest kwam. Maar, hetzij het de inblazing van een goeden of van een boozen geest mag zijn geweest, ik werd als gedreven om in de Arabische taal een vers uit den Koran op te zeggen — de heilige God rekene mij deze zonde niet toe. — Waarschijnlijk heeft het aanschouwen der gestorven Gratia mij aan het paradijs der ongeloovigen en zijne engelen doen denken. De heidensche spreuk luidt aldus:

«Schoon zijn zij en liefelijk, ja, zij zijn schoon als leliën en hyacinthen. Zij slaan de oogleden neder en hun rein gelaat is even blank als het struisvogelei, dat goed verborgen is in het zand.quot;

Nauwelijks was de spreuk mijn mond ontgleden, of er kwam eene geheele verandering in het gezicht van den kanselier. Er gleed eene uitdrukking van vreugde en liefde over heen. Hij wendde zich langzaam om naar den persoon, die hem met dit vers uit den Koran had getroost.

Ik nam dit oogenblik waar, naderde hem, boog de knie en reikte hem vol bange vrees den koninklijken brief over.

Het duurde eenige oogenblikken voor de diep verslagene, aan de wereld als ontvoerd, zich daarin weder had thuisgevonden. Nu werd hij het koninklijk

ocr page 111

89

zegel met de drie luipaarden gewaar — de hand, waarin ik den brief had neergelegd, trok als door een schorpioen gestoken, krampachtig samen en slingerde dien toen in ontzettende smart verre van zich. Als iemand, die op de pijnbank ligt en onduldbare pijnen lijdt, zoo verwrong hij de fraai gevormde wenkbrauwen. Zijne oogen richtten zich op mij vol bitter verwijt en in hunne diepte ontgloeide een vuur, verschrikkelijk en kommervol als de hel. Deze blik trof mij met de kracht van een slingersteen; ik ontstelde tot in het diepst mijner ziele en vlood heen, zonder de vergunning daartoe te hebben afgewacht.

VII.

Nu verontrust gij u, eerwaarde heer, en vermoedt gij, dat er van dezen tijd af vijandschap is uitgebroken tusschen den koning en Thomas Becket. Gij vergist u. Wel meden zij elkander eenigen tijd, maar op welgegronde, ongedwongen wijze, daar koning Hendrik aan gene zijde der zee met den Capetinger in oorlog was, en de kanselier middelerwijl in Engeland zich met de staatszaken belastte.

Want het vertrouwen mijns konings in de wijsheid en trouw van den kanselier bleef ongeschokt, ja, wat meer zegt, het stond vast als een rots en was niet aan het wankelen te brengen. En zijnerzijds aanvaardde heer Thomas nooit gewilliger iederen

ocr page 112

90

last van arbeid of vijandschap, die voor hem uit zijnen ijver voor de grootheid zijns koning voortvloeide.

Hij had het toenmaals zwaar te verantwoorden, aangezien hij in het helang der koninklijke macht aan het twisten was met de Normandische geestelijkheid, die zich niet zoo gemakkelijk gewonnen gaf. Gij kent deze twistzaken, want zij woekeren nog steeds in toenemende mate voort.

In Engeland vonden zij hunnen oorsprong in de buitensporige voorrechten, die de Veroveraar aan de bisschoppelijke zetels verbonden had. Niet slechts werden, zooals overal elders, de twistzaken van geestelijken onderling aan de koninklijke rechtspraak onttrokken; maar ook de leek, die door een geestelijke benadeeld was, moest den beschadiger voor den geestelijken rechter zoeken. Daar nu in allen eenvoud gesproken — de eene kraai de andere de oogen niet zal uitpikken, bleven doodslag en vrou-wenroof, om van lichtere misdrijven niet eens te spreken, waar zij door eenen geestelijke waren bedreven, steeds ongewroken, of erger nog, zij werden zoo licht gestraft, dat het eene kwalijk geplaatste aardigheid geleek en de onbeteugelde zedeloosheid der geestelijkheid zich steeds verder uitbreidde.

Daarover ontstak mijn heer en koning in hevigen toorn, want hij was, waar het de algemeene belangen gold, een rechtvaardig man, en hij trachUe de rechten zijner geestelijkheid in te korten. Voorwaar, geen kleinigheid!

ocr page 113

91

Op den stoel van den oppersten kerkvoogd en aartsbisschop van Canterbury, aan welken de Veroveraar eertijds om staatkundige redenen alle andere Engelsche bisdommen volkomen ondergeschikt had gemaakt, zat toen ter tijd een trotsche Normandiër, die zich door de tonsuur gerechtigd achtte, de vaan des oproers tegen zijnen leenheer en koning omhoog-te steken. En ook de toenmalige Heilige Vader in Rome — men zegt, dat zij hem uit een klooster hebben gehaald, om hem op den troon te plaatsen, en dat hij zich zijn leven lang niet veel om de wereld en de wereldsche zaken bekommerd of veel daarvan begrepen heeft — koos partij voor den N orman-dischen bisschop, daar hij om niets ter wereld de rechterlijke macht der geestelijkheid wilde zien verloren gaan. Tot dezen wendde zich nu de kanselier van Engeland met talrijke staatsgeschriften en hij bestormde het doove oor van zijne Heiligheid, opdat deze aan die in baldadigheid ontaarde macht paal en perk mocht stellen.

En ik verzeker u, eerwaarde heer — want ik weel aan welke zijde de koorheeren van St. Felix en Regula zich scharen — dat er nooit iets tegen de wereldlijke macht der geestelijkheid geschreven is, noch in eeuwigheid geschreven zal worden, dat geslepener was en meer voldeed aan alle eischen der kunst, dan wat daar vloeide uit de welversneden pen des kanseliers. Hij bedierf zijne zaak niet door een be-leedigend woord of een vervelende bcgijnenpreek —

ocr page 114

92

dal is niet gebruikelijk in de staatkunde, maar hij belegerde het eenvoudige verstand van den Heiligen Yader met verpletterende daadzaken. Hij stiet, iiguurlijk ge sproken, het eene vensterluik na het andere open, zoodat het licht naar binnen stroomde en zelfs een kind moest begrijpen, dat gierigheid, hebzucht, roofzucht, trouweloosheid, ontucht en geweld, zooals die de eigenschappen waren van koning Hendriks geestelijkheid, geheel iets anders waren dan de reine en eenvoudige leefwijze van den Heiland en zijne twaalf apostelen.

Al was het dan ook om zijn smart te overwinnen, de kanselier trok moedig te velde. De bijbel, de kerkvaders, de rechtsgeleerden, hij liet ze allen voor zich strijden en zijn scherpste zwaard was het heerlijke woord uit de evangeliën; «Mijn koninkrijk is

niet van deze wereld.quot;

Ik zie de vraag op uwe lippen zweven; hoe ik toch dit alles ben te weten gekomen. Luister slechts. Wanneer een boodschap of een regeeringsbrief van den kanselier in het leger aankwam, die mijn koning-moest onderteekenen — want de kanselier streed in naam des konings met den paus dan liet koning Hendrik, indien er nu juist geen zijner geestelijken bij de hand was, zich het geschrift door zijnen on-waardigen knecht voorlezen. Het was hem bekend, dat ik in mijn jeugd in geestelijke kringen verkeerd en lezen geleerd had, en zijne eigeneoogen, hoewel zij nog scherp en juist op een afstand zagen, deugden niet meer voor het ontcijferen van geschreven schrift.

ocr page 115

93

Hij lachte hartelijk om het welgelijkend beeld, dat de kanselier van zijne geestelijkheid ontwierp.

sZiet gij wel, Hans,quot; zoo zeide hij somtijds tot mij, shoe hij er pleizier in heeft, mijne geestelijke heeren bij de haren te trekken, want hij is een on-geloovig wijsgeer en een vermomde Saraceen.quot;

Ook ik had daarbij dikwijls een glimlach voelen opkomen, maar geen vroolijken. Niet, dat ik het den Heiligen Vader niet gegund zou hebben, dat het toen ter tijd zoo met hem was gesteld, maar het kwam mij voor, dat onder dit spelend vernuft een afgrond was verborgen van verwijtenden ernst en diepen rouw, hetgeen mijn heer en koning in zijne trouwhartigheid in het geheel niet opmerkte.

Eerwaarde heer, ik kon het gezicht uit de slotkapel maar niet vergeten!

Dikwijls, als ik zoo een pijl stond te snijden en mijne gedachten daarbij den vrijen loop liet, vroeg ik mij zeiven af, of heer Thomas zich ooit weder aan 's konings tafel nederzetten en met hem schertsen zou; of hij ooit weder met hem dezelfde lucht zou kunnen inademen. De koning scheen daar niet aan te twijfelen, en met de hem aangeboren stoutmoedigheid zich over het gebeurde heen te zetten.

Maar in stilte wedde ik tegen hem, want naar mijn innigste overtuiging ging dit alle menschelijke kracht te boven.

Na het eindigen van den oorlog hield mijn heer en

ocr page 116

94

koning verblijf op een zijner kasteelen in Normandië; daar gebeurde het op zekeren dag, dat ik, wat mij zelden overkwam, niets om banden bad en op den toren een poosje met den torenwachter, een braven kerel, babbelde. Hij liet zijn post een oogenblik aan mij over, omdat zijn liefje bem van uit den moestuin wenkte.

Juist, terwijl ik rondzag, bemerkte ik op een naastbijzijnden beuvel een klein legertje, dat zicb slingerde langs de krommingen van den weg. Vooraan een ruiter, wiens wapenen schitteren in de avondzon en die op den jachthoorn blaast! Dat was Leeuwenhart. Achter hem reden zijne drie broeders en een gevolg te paard. Nu bespeur ik iets schitterend wits — den schimmel des kanseliers. Een gevoel van verachting en van geruststelling tevens bevangt mij — ik grijp den grooten wachtershoorn, beantwoordt jonker Richards kreet, en begroet den kanselier, (wel is waar slechts met het mij aangeboren en op zulk een afstand onhoorbare redenaarstalent) met de brutale woorden: »Heer Thomas, gij hebt geen mannenkracht in uwe beenderen en geen ridderbloed in uwe aderen! A la bonne heure! Mij zal het niet deren, wanneer bet mijnen meester in den zin komt u levend op den rooster te braden en eenen heiligen Laurentias van u te maken.quot; En het kwam mij voor, toen ik het witte paard zag, dat heer noch knecht iets meer van den kanselier hadden te vreezen en dat ook de hemel den lafaard wel niet wreken zou.

ocr page 117

95

Ik snelde naar beneden en was getuige van den intocht, waarbij ik mij zooveel mogelijk ter zijde hield.

Heer Thomas was niet veranderd, de uitdrukking van zijn gelaat even kalm en zijne kleeding even kostbaar als voorheen. De koning snelde op zijn hartstochtelijke manier zijne zonen te gemoet en ook zijnen kanselier, naar wien hij nog ruim zooveel als naar zijne kinderen had verlangd. Deze bespaarde hem alle schaamte en uiterlijk berouw, hij boog zich eerbiedig voor hem, sprak daarna zorgvuldig en welwillend over de knapen, maar voegde er op kalmen toon bij, dat zijn tijd, de steeds toenemende staatszorgen, zijne reizen en zendingen, ook eene hem vroeger onbekende moeheid hem niet langer veroorloofden, persoonlijk hunne opvoeding te besturen; hij zou hun dus beroemde mannen tot leermeesters geven, waardoor hij gemakkelijk kon worden gemist.

De koning stond verstomd over deze woorden en zijne kinderen omringden den kanselier en omarmden hem onder tranen, hem biddend en smeekend, dat hij zich aan hen niet zou onttrekken. Alleen de kleine Jan zette een vroolijk gezicht.

Toen smeekte ook koning Hendrik met de knapen, dat hij hen niet van zich zou stooten.

De welsprekende lippen des kanseliers herhaalden zijne weigering met nieuwe, bevallige wendingen, maar zijne donkere oogen richtten zich op den koningen schenen te zeggen: »Wreede man, gij hebt mij

ocr page 118

96

van mijn kind beroofd en verlangt nog, dat ik mij

om de uwe zal bekommeren!quot;

Ik weet niet, of mijn meester dezen blik begreep, maar bij drong niet verder bij den kanselier aan.

Van dezen stond kwam er oneenigbeid tusscben de vier koningskinderen en de liefde des kanseliers verzoende ben niet meer, want zij waren bem onver-scbillig geworden en bij liet ben aan bun lot over.

Ik beb u reeds verteld, dat ik in bet boogschieten de leermeester der vier jonkers was. Ik bad streng verbod om ooit van ben te wijken, of ben een voetboog in banden te laten, want daar zij van zeer onderscheiden en weinig broederlijke natuur waren, moest er voor gezorgd worden, dat zij met met de

wapens op elkander losgingen.

Eens nu, dat ik met de vier voetbogen naar de ionkers in den slottuin ging, boorde ik reeds van verre, tusscben bet geblaf der jacbtbonden door,

rumoer en krijgsgeschreeuw.

Ik vond de jonge vorsten zoo vast in elkandei verward, dat ik moeite bad ben te scbeiden. Leeuwenhart had jonker Godfried met de rechterhand bij de keel en met de linker jonker Hendrik in de gekroesde baren gegrepen en schudde ze beiden flink dooreen. En wederkeerig was de kleine Jan, die bet met de beide oudsten hield, bem op den rug gesprongen en beet hem in den hals. Ik greep het eerst naar den kleine, de wilde kat, en maakte

ocr page 119

97

toen de jonkers Hendrik en Godfried uit de sterke vuisten van Leeuwenhart los.

Toen keerde zich jonker Richard in ziedenden toorn tot mij en schreeuwde: ))ln naam des duivels, voethoogmaker, wilt gij ons de erfenis van ons geslacht ontrooven?quot; — »Welke erfenis, Beausire?quot; vroeg ik verbluft. — »0m elkander te haten!quot; riep hij. «Daarvan doet geen onzer afstand.quot; — Ik voelde mij door diep medelijden aangegrepen over deze woorden van een minderjarige. Ik nam hem ter zijde en sprak hem christelijk toe, hoe liefelijk het is, als broeders eendrachtig bij elkander wonen. Maar jonker Richard brak los in hartstochtelijk weenen en snikte: «Hij heeft mij vandaag nog niet eens aangekeken!quot; En ik begreep, dat hij over heer Thomas sprak.

«Wanneer de kanselier zich minder met u bemoeit,quot; zoo troostte ik, »dan komt dit door dringende staatszaken, ten nutte en ter liefde van uwen vader.quot; Doch de jeugdige Richard schudde trotsch het hoofd, zag mij met zijne groote, blauwe oogen scherp aan en riep: »Dat liegt gij, voetboogmaker! De kanselier houdt niet van mijn vader!quot;

Maar niet slechts elkander vervolgde het viertal, — helaas — zij begonnen ook de majesteit huns vaders den verschuldigden eerbied te weigeren. Ik weet nog, hoe mij door de ziel sneed, wat. ik moest zien en hooren, toen ik eens mijn heer en koning naar zijn slaapkamer bracht. Hij had zich het hoofd suf gewerkt in de staatsaangelegenheden en het lichaam

DE HEILIGE. 7

ocr page 120

98

op een hertenjacht vermoeid; hij had dus onder het drinken van zijn slaapdrank het hoofd gebogen en het snorkend in zijne op de tafel rustende armen laten zinken.

quot;Wij ontmoetten op den gang de slechtste van in zijne zonen, den oudsten en den jongsten. Verstoutte zich toen niet de kleine Jan, die, als de koning onbeneveld was geweest, voor hem zou zijn weggekropen, om zwaaiend, als bespotte hij een berchon-kene, des konings schreden te volgen, en de andere, de modegek, wendde zich met een hoogmoedig »foeiquot; van zijnen vader af. Nadat ik mijn heer goed verzorgd had, ontmoette ik jonker Hendrik nog op den gang. Toen vóer ik tegen hem uit, noemde hem een ontaarden zoon en dreigde, hem bij den kanselier te zullen aanklagen. »Heer Thomas veracht mijn vader,quot; gaf de knaap ten antwoord. »Wanneer was is ooit de vriendschap duurzaam tusschen den edelen Barbarijscben hengst en het borstelig everzwijn?quot; Ontsteld legde ik mijn hand op zijn mond, maar hij wierp de lange, zachte lokken naar achteren en sprong weg met een schellen lach.

Ik moest mij verwonderen over de fijngevoeligheid, waarmede vaak kinderlijke onervarenheid raadt, wat er omgaat in de meest verborgen diepten van het gemoed. Want waarlijk, het was heer Thomas niet, die iets liet merken van zijn afkeer van den koning, of die het ooit in eenig geval aan vrijwillige eerbiedsbetuiging ontbreken liet.

ocr page 121

99

lederen avond zat die onmisbare aan de koninklijke tafel en vroolijkte zijnen heer op met de fijne spelingen van zijn vernuft.

Nog zie ik, hoe hij lachend achterover leunde in zijnen stoel en de vroolijke koning luisterend aan zijne nauw merkbaar zich bewegende lippen hing. Ik stond achter den stoel van mijnen heer en beschouwde somwijlen met stille vrees dit onstoffelijk gelaat, dat even bleek zag bij lamplicht als op den helderen dag, en waarvan voor mij, zelfs in opgewekte feeststemming, nooit meer geheel de trek des doods wilde verdwijnen, die mij daaruit had aangestaard, toen het naast Grace's hoofd op het kussen lag.

Hebt gij het beeld gezien, dat uit Bijzantium is gekomen, en dat de monniken van Allerheiligen te Schaffhausen bewaren als hun grootsten schat? Het is een gestorven Zaligmaker met ingezonken oogen en gesloten oogleden, maar beschouwt men het langer, dan verandert het door een kunstgreep in de teeke-ning en de verdeeling der schaduwen, geheel van uitdrukking en ziet u met zijne geopende, smartvolle oogen treurig aan. Een oneerlijke kunst, eerwaarde heer, want de schilder moet niet dubbelzinnig, maar duidelijk in zijne ontwerpen zijn.

Met den kanselier evenwel ging het mij juist andersom. Wanneer ik zijn aangezicht langer beschouwde, en hij dan juist zweeg, zoo was het alsof zich zijne oogleden sloten en er een gestorvene met den koning aan tafel zat.

ocr page 122

100

Ik ben er niet zeker van, maar ik moet het ge-looven, dat mijn koning zich in die dagen tegen den kanselier zal hebben uitgelaten over den rouw, dien hij tegen zijn wil over hem had gebracht. Zij het ook slechts met weinige woorden of onder bedekte termen, zoo heeft hij hem toch wel zijn onrecht betuigd en gebiecht. Ik denk, dat hij den last van zich af zocht te schuiven en wel op mijne schouders, wat ik hem niet kwalijk neem, want dat is 's werelds loop en ik had niets daarbij te duchten. De kanselier was veel te verstandig om het werktuig te verwisselen met de hand, die het bestuurt, en veel te voornaam om een knecht met zijn wraak te verwaardigen.

Versta mij goed! Koning Hendrik moge het noodlot en mij hebben aangeklaagd en belasterd, wat het ongelukkig sterven van het kind betreft; hare ontvoering en de zinnelijke lust rekende hij zich niet hoog aan, want hij kende in die dingen recht noch wet. Ook droeg hij de herinnering aan die daad toen nog gemakkelijk, geloof ik, omdat ons aller Rechter ze hem nog niet in hare volle zwaarte toegewogen had.

In die dagen gebeurde het, dat de kanselier eens tegen den avond den koning, die op de jacht was, kwam nagereden, en de heeren onder een breed getakten eik kampeerden. Ik zat aan die zijde van den stam, waar de minste schaduw was en krabde een jachthond achter de ooren. De koning kende

ocr page 123

101

mijn trouw en was gewoon zich om mijnentwil geen dwang aan te doen, en heer Thomas zag over mij heen, of zoo hij mij een blik mocht schenken, was het geen onvriendelijken, want dat vers uit den Koran, dal ik bij Gratia's lijkkist had opgezegd, had hem bevallen en hem goed gedaan.

Zoo was ik getuige van een zonderling en, voor een menschenverstand, ongeloofelijk gesprek, dat evenwel zoo woordelijk waar en zeker is, als dat ik hier bij u zit.

De beide heeren spraken over een schrijven van d«n koning van Frankrijk, dat heer Thomas uit zijn kleed had te voorschijn gehaald. Hij onderhield namelijk eene geheime briefwisseling met den Cape-tinger te Parijs, wiens kanselier, de abt Sugerius, gestorven was, en die, om een plaatsvervanger te vinden, heer Thomas, den schrandersten man van de wereld, gaarne van zijnen heer afvallig gemaakt en in zijn dienst gelokt zou hebben. Deze hield zich als ware hij niet onwillig en vernam onder dit, hem ongezocht in de hand geraakte masker, langs korten en veiligen weg, al wat hij van de plannen des konings tegen den zijnen en de Normandische kroon volstrekt weten moest.

In den brief, dien de kanselier koning Hendrik had overgereikt, moest de koning van Frankrijk er zeker weer sterk op hebben aangedrongen, dat hij in zijn dienst zou overgaan, althans mijn heer verlustigde er zich in op waarlijk koninklijke wijze.

ocr page 124

m

«Kijk, kijk!quot; spotte hij, »tien duizend pond biedt hij u. Hij heeft er iets voor over ook. Maar daarvan komt niets, mijn Fransche neef. Dezen onbetaalbaren man laat ik nimmer gaan!quot; En hij legde zijn hand liefdevol op den schouder van zijnen gunsteling. Daarna schertste hij in overmoedige, vermetele stemming:

»Hebt gij iets tegen mij op het hart, mijn Thomas, en wilt gij het mij doen ontgelden, dappere man, zonder gevaar voor uw lijf en leven, welaan, daarvoor is nu raad te schaffen! Morgen zend ik u — om de zaken, die gij kent — naar Parijs, tot hem, die u begeert! Laat ons zien, of het hem zal gelukken u te verleiden en met zijn vleitaal ten val te brengen!quot;

quot;Verwonder u niet al te zeer over deze onverstandige scherts en het brutaal vertrouwen mijns konings. Als gij die twee bij elkander hadt zien zitten: het forsche lichaam en den leeuwenkop van den een; de tengere ledematen en het zachtmoedige gezicht van den ander; dan zou het u begrijpelijk zijn geweest.

Daarop volgde een stilzwijgen. Ik geloofde, dat de kanselier het diep gevoelde, hoe koning Hendrik, die zoo zeer bij hem in de schuld stond, er hem in wreede lichtzinnigheid een verwijt van maakte, dat hem een onderworpene en slaafsche natuur was aangeboren, hoewel deze toch slechts de majesteit ten goede kwam. Toch antwoordde heer Thomas na een poos zonder merkbaren wrevel op rustigen — wat zeg ik — op wijsgeerigen toon:

ocr page 125

103

«Wat ik ook tegen u op hel hart heb, het moge dan weinig zijn of veel, gij hebt recht, mijn gebieder, niet te twijfelen aan mijn trouw. Zoo slecht ben ik niet en ook niet zoo kortzichtig en avontuurlijk, dat ik tegenover u een verrader zal worden. Toch heeft uwe scherpzinnigheid al schertsend mijn zwakke zijde aangetast, want gij kent mijne gebrekkige natuur en mijn tot de vernedering der dienstbaarheid geschapen karakter. Zij het door de vroegtijdige gewoonte van den leendienst, of door de eigenschap van mijnen stam en mijn geslacht, ik kan aan de gezalfde hoofden en de hooge oogen der koningen geen weerstand bieden. — En daar gij zoo genadig zijt en een welgevallen hebt aan uwen knecht, zoo verstout bij zich, u in deze vertrouwelijke eenzaamheid een raad te geven: Geef mij nooit uit uwe hand in de hand eens heeren, die machtiger is dan gij! — In mijne smadelijke zachtmoedigheid zou ik hem in alles moeten gehoorzamen en zijne bevelen ten uitvoer

brengen, ook tegen u, o Koning van Engeland____

Maar ik spreek als een dwaas____waar is de koning,

die machtiger is dan gij ? Welke macht kan met de uwe strijden, zonder schade en verlies aan hare zijde? Zie, er leeft niemand, die u voor de vierschaar dagen

kan!____Daarom spreek ik als een dwaas, en van

iets dat niet bestaat, van een droom, een ademtocht, een niets.quot;

De koning scheen deze woorden niet hooger aan te slaan, dan de kanselier, want nadat hij een oogen-

ocr page 126

104

blik had nagedacht, geeuwde hij, alsof hij dergelijke beschouwingen slechts nutteloos en onaangenaam vond, en beval mij hem een beker wijn te geven. — Ook ik kon niets opmaken uit de woorden van den kanselier en eerst veel later heb ik begrepen, dat de in het verborgene zoo doodelijk gewonde op bedekten en aarzelenden toon had gesproken van de duistere en langzame wraak van God.

Koning Hendrik hief den beker omhoog, beschouwde het glinsterende goud van den rijnwijn, als verlustigde hij zich aan zijne helderheid, dronk het krachtige vocht in één enkelen teug uit en lachte, dat hem de tranen in de oogen kwamen.

»Weet gij, mijn Thomas,quot; zoo begon hij weder met onvaste tong, want hij had stevig gedronken en de wijn steeg hem naar het hoofd, «dat gij mij

altijd verhevener voorkomt!..,. Op mijn woord____

ik weet niet, wat ik zeg, maar ik zou wel lust hebben, u een misklokje om uwen slanken hals te hangen en u in 's duivels naam met éénen ruk op

den stoel van Canterbury te zetten!____Heersch daar,

en gebruik uwe welsprekendheid tegen den Heiligen Vader!____quot;

De kanselier stond haastiger op, dan hij geween was. sHet is niet goed, onder dezen eik te vertoeven,quot; zeide hij. «Mogelijk zijn er in den voortijd wreede tooverformulieren onder hem ten uitvoer gebracht! — Zijn schaduw verwart het brein.quot;

Hier verstomde het gesprek.

ocr page 127

105

Zoo geheel en al bezijden de waarheid was mijn heer en koning overigens in zijne beschonkenheid niet, toen hij meende, dat de kanselier zich somtijds aan diepzinnige en zonderlinge beschouwingen overgaf. Ik zelf weet daarvan te verhalen. In de voorzaal, waar ik dikwijls uren lang vertoefde, in afwachting dat mijn heer mij noodig kon hebben, en waar ook de kanselier somwijlen, zonder op mij te letten, in gedachten verdiept op en neder ging, hing in een donkeren hoek een groot houten crucifix, een grof, armzalig stuk werk, maar met een gelaatsuitdrukking, die u in de ziele greep. De koning hield het in hooge eer, omdat zijn voorzaat, Willem de Veroveraar, het voor den slag bij Hastings vurig aangeroepen en door zijn macht dan ook de zege behaald had. Voorheen had de kanselier wel gezorgd, zijne verwende oogen niet op dit beeld te vestigen, want hij had een afschuw van stroomend bloed en van al wat leelijk is. Maar nu hoorde ik somwijlen met verwondering, hoe hij met het gebruinde crucifix gesprekken hield. In de Arabische taal, ik hoorde het duidelijk, fluisterde hij er mede. Ik verheugde mij, dat hij zich tot den besten Trooster wendde, ofschoon ik er niet geheel en al gerust op was; want, eerwaarde heer, ik hoorde te weinig en te veel, en dingen, die ik niet gaarne wil herhalen, omdat zij, zoo al niet uwe ziel schaden, toch uwe vroomheid ergeren zouden. Ik was toch nog altijd niet zeker, in hoeverre heer Thomas al wal Moorsch

ocr page 128

106

was had afgelegd, en of hij wel, evenals wij, den Hooggeloofde, die aan het kruis hangt, als den heiligen God aanriep. Ik vernam slechts enkele uit-gestooten verzuchtingen en onsamenhangende woorden in de taal, die langzamerhand uit mijn geheugen verdween, maar zij verschrikten mij evenzeer, als zij mij stichtten. Want naar het mij toescheen, sprak hij wel innig tol den zwijgenden gekruisten, en uit den diepsten grond zijner gefolterde ziel, maar heleedigend en als tol zijns gelijke.

Zoo gebeurde het eens, dat de kanselier weder voor het beeld stond, zonder mij op te merken, die in een hoek van het groote vertr-rk op een bankje gezeten, mij stilhield en in elkander dook.

«Ook Gij hebt geleden,quot; fluisterde hij, diep adem halende, «en wel zoo ontzettend, als Gij hier gemarteld wordt voorgesteld. Waarom? Waarom?— Om de zonden der wereld te dragen, zoo staat er geschreven____ Welke zonden hebt Gij weggenomen,

Gij, hemelsch wezen?— Yrede zoudt Gij brengen en in menschen een welbehagen— maar, zie, deze aarde rookt nog en stinkt nog van bloed en

gruweldaden____ en schuldigen en onschuldigen

worden vermoord als voor Gij kwaamt!...

«Zij hebben U geslagen, in 't gelaat gespuwd,

gemarteld____ Maar Gij hebt volhard in de kracht

der liefde en aan het kruis gebeden voor Uwe moordenaars____Yerdrijf Gij den gier van het ongeneeslijke

leed, die mijn hart verteert!... O, laat mij in Uwe

ocr page 129

107

voetstappen treden.... Ik ben de armste en ellendigste van alle stervelingen____ Zie, ik behoor U

toe en kan U niet opgeven, Gij geduldige Koning der gehoonde en gekruisigde menschheid!...quot;

Nadat de kanselier nog een tijd met het beeld had gefluisterd, wendde hij zich langzaam om en ontdekte mij op mijn bankje. Ik hield mij goed en besloot dapper te liegen, als hij mij vroeg of ik hem beluisterd had.

Maar hij naderde mij met kalmen tred en een nauw merkbaar glimlachje. — sZoon van Japhet,quot; zoo sprak hij mij aan, »gij hebt onder de kinderen van Sem verkeerd, en weet, dat zij niet gelooven, dat de eeuwige Zijnen eenigen Zoon aan het kruis heeft doen nagelen — hoe tracht gij hen daarvan te overtuigen?quot;

Ik sloeg mijne oogen vrijmoedig tot den kanselier op en antwoordde onverschrokken: «Mijn Heiland heeft den verrader Judas gekust en Zijnen beulen vergeven, maar zoo iels vermag een gewoon menschenkind niet, want dat strijdt tegen de natuur.quot;

Heer Thomas boog zacht het hoofd. «Dat hebt gij naar waarheid gezegd,quot; meende hij: «het is moeielijk en onmogelijk.quot;

Maar mochten ook de woorden des kanseliers niet christelijk wezen, zijne daden werden het steeds meer en meer. Het scheen wel in die dagen, alsof heer Thomas, den luister moede, die hem omgaf, zich van zijne heerlijkheid wilde ontdoen en, zelf

ocr page 130

108

een gebrokene van harte, rampen lenigen en vrede wilde brengen, voor zoover dit in zijn vermogen was. Maar hij deed het met angstvallige voorzichtigheid, opdat de koning en da Normandiërs hem niet bespotten of argwaan tegen hem opvatten zouden.

Het viel hem niet moeilijk den koning te overtuigen, dat het voorzichtig was zijne Saksers niet bovenmatig te belasten en hen niet tot vertwijfeling-te brengen, en dat het voordeelig was, een liefderijk vorst voor hen te wezen, grootmoediger dan de Normandiërs, die hunne Saksische knechts en meiden naar welgevallen mishandelden. Zoo mocht hij door koninklijke verordeningen het Saksische volk begunstigen, niet opvallend en uitdagend, maar omzichtig en in stilte, om de Normandiërs niet te prikkelen. Gij begrijpt, dat hij den last op den rug van het lastdier slechts eenigszins verplaatste, zonder dien te verminderen, en er slechts voor zorgde, dat de riemen niet te diep in het vleesch sneden.

Maar ook den Normandiërs bewees hij diensten en hij verdubbelde zijne vrijgevigheid jegens hen. Hij overlaadde hen met gunsten en vorstelijke geschenken, en vereffende hunne persoonlijke twisten door een verstandig vonnis. Wanneer twee rijksgrooten in vijandschap met elkander waren, trad hij als vredestichter tusschen hen.

«Wie ben ik?quot; zeide hij dan wel, «om mij in de aangelegenheden der grooten te mengen? Een dienaar mijns heeren, die de steunpilaren van zijnen

ocr page 131

d09

troon voor hem behouden wil.quot; En de twee vijanden gingen verzoend en met bevredigenden hoogmoed van hem weg.

Het ware te wenschen geweest, dat ook heer Fauconbridge zich door hem had laten waarschuwen. Deze benijdde den kanselier om de gunst, waarin hij bij beide koningen, bij Hendrik en den Cape-tinger, stond, en vervolgde hem met uitgetrokken zwaard, maar ook met heimelijken laster en met brieven aan den koning van Frankrijk, waarin het bandschrift des kanseliers was vervalscht, waarmede hij ook te gelijker tijd heer Thomas van hoogverraad beschuldigde, terwijl hij zelf met het hof van Frankrijk heulde.

Maar heer Thomas doorzag hem volkomen. Hij ontbood hem bij zich, .zonder den koning over deze zaak te verontrusten — ik zelf bracht den brief over — en legde hem toen in kalme bewoordingen en met overtuigende bewijsstukken de waarheid voor. Omdat hij hem evenwel liet gaan zonder zich op hem te wreken, in plaats van hem, zooals hij had kunnen doen, met één slag te verpletteren, hield de Normandiër hem voor een voorzichtigen lafaard, die vreesde voor den beslissenden slag en gedroeg zich voortaan dubbel zorgeloos en brutaal, totdat hij met een daad van openlijke trouweloosheid de kroon aantastte, waarvoor men hem dan op het schavot moest brengen.

Op die manier verloor heer Fauconbridge, wiens

ocr page 132

110

voorouders met den Veroveraar in het land waren gekomen, door de lankmoedige barmhartigheid des kanseliers, zijn have en zijn hoofd.

Toen deze den koning later vertelde, dat hij de vermetele handelingen van den oproerigen baron van meet af aan had gekend en in het oog gehouden, en de koning hem vroeg, waarom hij den verrader niet vroeger ontmaskerd had, antwoordde de kanselier: »Ja, heer, waarom?____Een onzichtbare macht bestuurt ieders handelingen. Eens komt iedere zaak tot rijpheid en voor ieder sterveling zal ten laatste zijne ure slaan.quot;

VIII.

Nu gebeurde het eens, dat de koning en zijn kanselier zich met de staatszaken bezig hielden. Het was op een kasteel in Normandië. De koning liet zich door mij den beker vullen met dien lichten, schuimenden wijn, dien hij zoo gaarne dronk, en de kanselier legde hem de brieven voor, die een koerier zoo even uil Engeland had aangebracht. Eenen brief, waaraan het zegel van Canterbury hing, bewaarde hij voor het laatst en sprak toen, dezen voor den koning ontvouwende, op zijn gewonen kalmen toon:

»De primaat van Canterbury is in het begin der vorige week gestorven, edele heer.quot; — Koning Hendrik verwonderde zich daar niet zeer over. Zonder iets te antwoorden liet hij zijn blikken met welgevallen op den kanselier rusten.

ocr page 133

m

))Hij was reeds lang sukkelende,quot; ging heer Thomas voort, »maar toch geloofde ik zijn einde nog niet zoo nabij. Nu is voor u, o Koning, en voor de En-gelsche staatsmacht de gelegene tijd, het beslissende uur gekomen, waarop gij de wonde plek in uw rijk, de rechterlijke macht der geestelijkheid, uitsnijden en genezen kunt. Wanneer mijn heer een goede keus doet ter bekleeding van dit gevaarlijk ambt, is de vervulling van zijnen koninklijken wensch nabij.quot;

De koning knipte schalk met de oogen, hetzij omdat hij zich als naar gewoonte verlustigde in de wijsheid van zijnen kanselier, of mogelijk, omdat hij die ditmaal met de zijne nog hoopte te overtreffen en te verrassen.

Heer Thomas zag de sluwe uitdrukking op het gelaat des konings en nam haar met gelatenheid waar. »Een beteren Heiligen Vader, dan dien zij voor eenige maanden in Rome op den troon hebben verheven, kunnen wij ons niet wenschen. Hij heeft eenen hartstocht, waardoor wij hem hulpvaardig kunnen tegemoet komen. Met geleerden ijver verzamelt en bestudeert hij muntstukken, en zonderling, terwijl hij er zich mede vergenoegt, de oude Romeinsche keizers in een paar wel bewaarde exemplaren te bezitten, kan hij maar nooit genoeg krijgen van uwe goudstukken, o heer; hij smacht er naar bij honderden en duizenden, omdat zij uw verheven beeltenis dragen en hij daarin, als in die van een trouwen zoon der kerk, zijn welgevallen vindt.quot;

ocr page 134

m

Koning Hendrik schudde van het lachen, terwijl de kanselier ernstig en treurig, zooals hij altijd placht te schertsen, deze spottende woorden sprak. »Hoe zal mijn heer nu evenwel den zetel van den primaat bezetten?quot; ging hij voort. »Met dien bisschop of met dezen abt,quot; — de namen zijn mij ontschoten, en ik zou u om niets ter wereld, ook slechts in een kleinigheid, eene onwaarheid willen zeggen — «beiden zijn zij geschikt voor het doel mijns heeren, doch wellicht de abt nog beter, want hij is de meest zedelooze van de twee.quot;

«Dus kan men zich gemakkelijker van hem bedienen,quot; zoo vervolgde de koning de gedachten zijns kanseliers.

»De bisschop zou niet minder buigzaam zijn,quot; hernam heer Thomas; «er is eene andere reden, waarom de abt de voorkeur verdient, en ik geef slechts uitdrukking aan de wijsheid mijns konings, wanneer ik u op de volgende wijze de gevaren uwer politiek doe inzien. Gij weet, o heer, hoe en waarom de Veroveraar, uw verheven en roemruchtige voorzaat, de Engelsche bisdommen niet slechts met de rechterlijke macht over de geestelijkheid, maar, wat den staat verzwakt en vernietigt, ook over de twistzaken tusschen geestelijken en leeken begiftigd heeft. Dat was toen ter tijde heilzaam, omdat de eerste bisschoppen de gunstelingen van den Veroveraar waren, maar nu is het heilloos en onverdragelijk, want al de eigenzinnigheid uwer Normandiërs buigt

ocr page 135

113

zich onder den bisschopsstaf, en ieder, die in opstand komt tegen uwe Majesteit, laat zich de kruin scheren, om uwe straffende gerechtigheid ongedeerd te kunnen bespotten.quot; —

Mijn heer en koning balde zijn vuist, die op de leuning van zijnen stoel rustte, want hij was een vriend van orde en gerechtigheid.

»Het is aan uwe wijsheid niet verborgen,quot; merkte heer Thomas op, «waarom zelfs door list verkregen rechten der kerk zich zoo moeielijk laten verkleinen of opheffen: omdat de kerk een tweeslachtig wezen is, dat uit lichaam en ziel bestaat. Het lichaam is een heirleger van geschorenen en ongehuwden, een paar duizend kerken en kloosters, een pak gebruiken, geloften en op verdichting en vervalsching berustende aanspraken. — De ziel der kerk daarentegen is deugd, matigheid, barmhartigheid, kuischheid.quot; — de koning maakte onwillekeurig een spottend gebaar en knipte met de oogleden — skortom, al wat die Andere leerde, dien zij gekruisigd hebben.quot;

Gij moet weten, eerwaarde heer, dat de kanselier den Verlosser nooit bij een zijner hooggeprezen waardigheden noemde, maar altijd slechts den „Andere,quot; en ik denk, dat het streed tegen zijn hei-densche natuur om den heiligen naam uit te spreken.

;;

»Maar het volk, o heer, kan het vat niet van zijn inhoud scheiden; — hebt gij dus te doen met een primaat, die door zijn deugdzaam leven invloed uitoefent op de Engelsche gemoederen, zoo kunt gij

DE HEILIGE.

II

ocr page 136

\u

geen tittel op zijne voorrechten afdingen. Kies daarom een openlijken zondaar, een onbetwist zedelooze als onzen abt.quot;____

Alzoo ging de voetboogmaker, die nu volkomen op zijn dreef was, voort, den kanselier te doen spreken, maar de kapittelbeer bad zich tot hem over-gebogen en trok hem aan de mouw.

„Voetboogmaker,quot; zoo wierp hij hem tegen, »ik houd u voor een waarheidlievend man, maar het valt mij moeielijk te gelooven, dat een tegenwoordig lid der triomfeerende kerk bij zijn leven, zelfs voor zijne bekeering, zich zoo snood over de hier beneden strijdende kerk uitgelaten, en uwen koning zulk een goddeloozen raad gegeven zou hebben. Ik heb hetu gezegd, ik heb iets tegen dien nieuwen heilige, maar wat te veel is, is te veel. Dat hebt gij er bij verzonnen 1quot;

«Eerwaarde heer,quot; hernam Hans de Engelschman met een boosaardig lachje, »het is mogelijk dat de kanselier bij die gelegenheid niet nauwkeurig dezelfde woorden heeft gebruikt, maar in dien zin heeft hij zich ontwijfelbaar uitgelaten en niet eens, maar honderd malen — wel te verstaan, als staatsman. Hij heeft deze kwestie menigmaal voor mijnen koning uiteengezet. Dat er evenwel iels van mij zeiven onderliep, is niet onmogelijk, want wij bidden helaas allen dezelfde litanie, zoodra er sprake is van de zedelijkheid der geestelijken, — natuurlijk

ocr page 137

115

met loffelijke uitzondering- van uw kapittel en nog meer van uw eigen eerwaardigen persoon. —

Gesteld evenwel, dat mijn verhaal eenigzins onjuist was geworden, van nu af aan is het echt en onomstootelijk als het evangelie. Want wat nu werd gesproken, zit in mijn ouden kop als het Romeinsche schrift op een omgevallen mijlpaal, welks brokstukken nog de onuitwischbaar ingegrifte letters dragen. Bij de genade der heilige Moeder Gods, ik spreek de waarheid en lieg niet. Maar waar was ik ook weer, eerwaarde heer, toen gij mij in de rede vielt?quot;

»Bij uwen zedeloozen abt,quot; hernam de oude geestelijke nog eenigszins geraakt.

«Twijfel er niet aan, dat de kanselier hem heeft aanbevolen,quot; ging Hans levendig voort.

«Mijn koning,quot; zeide heer Thomas, »het zal dezen zinnelijken mensch niet gelukken, de rechten van zijnen stoel als goddelijk te verdedigen. Gij zult ze hem ontnemen — en dan: weg met hem!quot;

Hij stiet deze woorden vol verachting van zijne dunne lippen en voegde er bij: »De onreine zal bovendien zich zeiven ten val brengen. Immers hij vergenoegt er zich niet mede, o heer, om, als uwe andere bisschoppen, minnaressen te onderhouden, maar hij overvalt en bederft ook de onschuldige jeugd.quot;

Ik geloof, dat de kanseli er slechts dezen algemeen bekenden zondaar op het oog had, maar op eens moest ik aan Gratia denken en ook de koning be-

8'

ocr page 138

116

woog zich onrustig. Maar hij overwon spoedig zijne verlegenheid en wierp deze verdenking verre van zich, immers hij wist wel, dat heer Thomas het beneden zich achtte, door eene enkele zinspeling te verraden, wat er in hem omging.

In de vroolijke stemming van een vrijgevig man, die op het punt staat een groot geschenk te geven, en met van vreugde stralende oogen sprak de koning:

»Waar denkt gij aan, Thomas? Op dezen zetel, waarop twee heiligen en geleerden gezeten hebben, van wie de eene, de zalige Lanfrank, den ketter Berengarius overwon, die de transsubstantiatie loochende, en de andere, St. A.nselmus, een zegevierend bewijs heeft geleverd voor het Godsbestaan, op dezen zetel zou ik een zwijn plaatsen? Dat blijve verre van mijnen koninklijken wil!quot; En mijn heer en koning verheugde zich over zijn kennis.

Op het gelaat des kanseliers stond de verwijtende vraag te lezen, of koning Hendrik door een plotseling opkomenden gril zijn lang te voren beraamde plannen wilde tegenwerken.

De koning greep zijnen beker en ledigde dien vroolijk. »Ik wil over mijne geestelijkheid een kerkj voogd plaatsen, waarover zij zich zullen verwonderen, een man van zuivere en onbevlekte zeden, een spitsvondig wijsgeer en daarenboven een man, die aan mij verknocht is en een geboren tegenstander van den pauselijken Stoel.quot;

Heer Thomas echter antwoordde met een onge-

ocr page 139

117

loovig lachje; ))Ik laat mijne blikken, o heer, over uwen clerus dwalen, maar zij zoeken uwen uitverkorene te vergeefs.quot;

»Raadt gij het niet?quot; drong de koning aan, »dan zal ik u te hulp moeten komen. Ik zeg u, waarachtig, niemand anders zal op den zetel van den oppersten kerkvoogd zitten dan gij!quot;

De kanselier bleef kalm, maar een doodelijke bleekheid deed langzamerhand alle kleur van zijn gelaat wijken. Hij leunde achterover in zijnen zetel, en terwijl hij het vermeed, den koning aan te zien, wendde hij zijne donkere oogen zijwaarts naar mij. Met twee vingers van zijne achteloos nederhangende rechterhand hief hij langzaam een plooi op van zijn purperen gewaad, zoodat de omgebogen punten zijner kostbare schoenen zichtbaar werden.

»Voetboogmaker,quot; zoo schertste hij en streek met een minachtenden blik langs zijn van edelgesteenten flonkerende kleeding, «aanschouw toch den heiligen man!— Dezen Johannes den Dooper, die de zachte kleederen versmaadt, die men aan de hoven der koningen draagt, — aanschouw toch dezen goeden herder, die het verloren schaap op de schouders huiswaarts brengt en zijn leven laat voor de kudde.quot;

De koning stiet een doordringenden lach uit, maar mij was het hierbij onaangenaam te moede.

Intusschen had de kanselier zich met een onverschillig gezicht tot den koning gewend. «Hoogheid,quot; zeide hij, «deze keus is u geen ernst. Zij is onver-

ocr page 140

118

dedigbaar tegenover uwe bisschoppen, uwe Norman-diërs en uwe Saksers. — Hoe zal de Engelsche geestelijkheid eenen buigzamen hoveling als zijnen vader gehoorzamen, omdat deze in zijne jeugd, bij toeval ol om winstbejag, de eerste wijding ontvangen heeft, — hoe zal een Sakser de zielen uwer Normandiërs, ol een afvallige — zooals zij hem noemen — de zielen uwer Saksers hoeden? Heer, uw kanselier ontraadt u deze slechte keus.quot;

«Zij is allervoortreffelijkst,quot; hield heer Hendrik hardnekkig vol. «Gij op den zetel van Canterbury en de troon van St. Petrus kraakt in zijne voegen; gij onder den bisschopsmuts en den heiligen Vader waggelt de zijne op zijn hoofd! Schaak en schaakmat!quot;

»Ik weet niet, heer,quot; voer de kanselier op ern-stigen maar tegelijk spottenden toon voort, «of gij ooit gehoort hebt van die plotselinge veranderingen, die er kunnen plaats grijpen met hem, die van kleed verwisselt, en een geestelijk gewaad aantrekt. Het is geen kleinigheid den herdersstaf te aanvaarden, die voor mij door twee nu reeds heilig verklaarden gedragen werd: door den zaligenLanfrank, die de vruchten van de korenaren en van den wijnstok erkende voor het lichaam en bloed van Christus, en den heiligen Anselmus, die den Ondoorgrondelijke heeft doorgrond. Wanneer ik nu eens door een wonder in waarheid een bisschop werd ? Dat zou u onverwachts en ongelegen komen!quot;

«Neem u in acht, Thomas!quot; dreigde de koning

ocr page 141

119

met den vinger, »ik duld geen spot met heilige zaken. Ik heb u reeds lang doorgrond. Gij hebt Arabische wijsbegeerte ingezogen, — gij volgt de leer der mysteriën en zijt geen ootmoedig Christen, maar ik wil als zoodanig leven en sterven!quot;

«Gij kunt niet gelooven, o Koning,quot; antwoordde heer Thomas treurig en legde de hand op zijn borst, ))dat op dezen verdorden boom nog een dauw des hemels kan vallen, en gij hebt wel gelijk! Maar ook zonder vroomheid kan men de wereld moede worden. Onder de vleugelen uwer macht heb ik dit rijk lange jaren geregeerd; met welke middelen? Met geweld, omkooping, woordbreuk, en met ergere nog, die ik niet eens wil noemen. Zoo worden de wereldrijken bestuurd, maar ik ben het moede. Wat is mij dit Engeland ? Ik ben geen Normandiër, niet eens een Sakser! Vreemd bloed stroomt door mijne aderen. — En de schatten, waarmede gij, grootmoedige, mij overlaadt — voor wie verzamel ik die?—Voor den roest en de mot!quot;

Hier begreep ik terstond, dat heer Thomas aan den dood van Gratia dacht, en ook de koning was er door geroerd. Er viel een traan langs zijne wangen, want koning Hendrik had een gevoelig hart.

«Sunt lacrimae rerum,quot; mompelde de kanselier bij zich zeiven.

»Van wien is deze regel, voetboogmaker? Gij zijt immers een geestelijke geweest?quot; zoo wendde hij zich op nieuw lot mij, alsof hij het masker van opge-

ocr page 142

120

ruimdheid weder wilde voordoen, dat een oogenblik was afgevallen.

»Van den Romeinschen dichter Virgilius,quot; antwoordde ik zonder aarzelen, sen het wil zeggen, dat men de menschelijke omstandigheden niet al te zeer moet dwingen, omdat zij inwendig vol tranen zijn.quot; Op deze wijze wilde ik mijn heer en koning te hulp komen.

«Neem mij het oude juk af,quot; zoo bad de kanselier, »in plaats van mij een nieuw op te leggen, dat mij dubbelzinnig en tweeslachtig zou maken.quot;

Eenen anderen kanselier kiezen? Onmogelijk. Heer Thomas was onontbeerlijk en dat kon hem geen ernst zijn. Zoo overlegde koning Hendrik bij zich zeiven, naar het mij voorkwam, want hij brak plotseling los in de woorden:

«Gij zijt eerzuchtig, eerzuchtig, eerzuchtig! — Gij laat mij uwe hooge waarde gevoelen, gij hooghartige, omdat gij weet, dat niemand u vervangen kan. Zie, Thomas, dat bevalt mij niet. Een geschenk moet even gretig worden aangenomen, als het gegeven wordt.quot;

«Uwe kanselier moet ik blijven, want, naar ik geloof, staan het uur onzer geboorte en onze sterren met elkander in verband,quot; antwoordde heer Thomas, »maar dwing mij niet uw opperste kerkvoogd te worden!quot;

»Neem het aan, neem het aan!quot; riep mijn heer, door deze aanvankelijke toegevendheid aangemoedigd.

ocr page 143

121

»Houd op, o Koning!quot; riep de kanselier te gelijker tijd — met een blik, eerwaarde heer, dien ik nooit vergeet, den blik eens stervenden. Hij legde de -hand tegen het voorhoofd, alsof hem daar een wond brandde en zijn stem daalde tot een zaeht gefluister:

»Waarheen word ik gevoerd? In welk een twijfel? Wien moet ik dienen en gehoorzamen? Voor wien mij opofferen?quot;

Daarop vroeg hij met bijna dreigende verheffing van stem: ))Zijt gij zeker van mij, o Koning?quot;

«Zekerder dan van mij zeiven,quot; betuigde koning-Hendrik, die geen scherp gehoor bezat en derhalve de gefluisterde woorden niet had vernomen. »Houd op met uw raadsels! — Ik heb u noodig, Thomas! En zeg niet: wat raakt mij Engeland? Mijn gunst heeft u sinds lang boven de Saksers verheven en ik heb meer voor u gedaan dan voor een enkelen Normandiër.quot;

Hier vloog een verachtelijke trek over het gelaat des kanseliers, maar de koning lette daar niet op en riep ongeduldig: »Geen tegenspraak! Ik verhef uzoo hoog ik wil, en gij: gehoorzaam!quot;

Toen boog heer Thomas hel hoofd en sprak: »Het geschiede dan, gelijk gij beschikt.quot;

IX.

In gevolge den wil van zijnen heer, keerde de kanselier dus met onbeperkte koninklijke volmacht naar Engeland terug en vormde en kneedde daar met zijne bekwame vingers de bisschoppen, die

ocr page 144

m

den primaat moesten kiezen, als week was, totdat zij als zijn maaksel uit zijn meesterhand te voorschijn kwamen en hunne stemmen te zijnen gunste ver-eenigden. Alles ging opperbest. Heer Thomas werd benoemd en de Normandische bisschop van Wincester gaf hem met bitterzoet gelaat en groote plechtigheid zijnen broederlijken zegen.

Daar kwam op zekeren dag een ongeloofelijk bericht in Normandië aan. Men deelde aan mijnen heer en koning mede, dat zijn kanselier allen wereldschen luister op eens en ten eenenmale had afgelegd. Op de gebruikelijke gastmalen ter gelegenheid zijner bisschopswijding, had hij, tegen alle zeden en gebruiken in, niet zijne broederen, de bisschoppen en de verdere hooge geestelijkheid, benevens de bloem van den Normandischen adel genoodigd, maar hij had armen en gebrekkigen, bedelaars en kreupelen van de wegen en pleinen doen halen, om zijne groote zalen en zijne bisschoppelijke tafel op waardige wijze te vullen.

De koning meende, dat deze verwonderlijke gebeurtenis verdicht of minstens door de benijders en vijanden van zijnen uitverkorene zeer overdreven was. Hij maakte zich vroolijk over zijne Normandische hovelingen, die zich ergerden over zulk een nieuw en ongehoord geval. »Mijne heeren,quot; zoo schertste hij, «dat moet gij mijnen kanselier toch nageven, hij weet, hoe men zich in iederen stand te gedragen heeft. In alles toont hij smaak. Eerst heeft hij als

ocr page 145

m

volmaakt hoveling u allen ten voorbeeld gestrekt, en u allen in edel, ridderlijk gedrag overtroffen. Nu geeft hij zijnen nieuwen ambtgenooten, den bisschoppen, het hooge voorbeeld eener echt apostolische levenswijze. Hij is een zeldzaam, ja, een eenig man!quot;—

Toen nieuwe berichten de eerste bevestigden en er bijvoegden, dat de primaat zijn kostbaar bisschopsgewaad terstond na de plechtige handeling der wijding weder had afgelegd en met een mager, uitgevast gelaat, in een grove monnikspij door de straten van Canterbury ging, terwijl zijne gasten, de Saksische bedelaars, waar hij ging of stond, zich rondom hem verzamelden, begon koning Hendrik te aarzelen en de vroolijke buien hielden op; maar spoedig had hij alles op die manier verklaard, dat de onvergelijkelijk verstandige man dit masker van eenen heilige slechts zou hebben voorgedaan, om zich, in de te wachten staande onderhandelingen met den paus over de I-echtelijke macht der geestelijkheid in Engeland, eenig gezag te verzekeren.

In ieder geval besloot hij zelf de zaak te gaan onderzoeken en bespoedigde dus zijn overtocht naar Engeland.

Onderweg tusschen Dover en Londen werd hij herhaalde malen door Normandische edelen opgewacht, die recht kwamen vragen tegen den nieuwen kerkvoogd, zijnen kanselier, welke weigerde hun hunne weggeloopen Saksische knechten terug te geven, die — zoo klaagden de heeren — nu in heele troepen

ocr page 146

m

naar de kloosters togen, om zich het hoofd te laten scheren; een bericht waarover koning Hendrik mismoedig het zijne schudde.

Op den morgen na zijne aankomst in Windsor verzamelde zich de geheele adel in de groote zaal van het kasteel om den thuisgekomen vorst te begroeten. Hij sluimerde nog en ik bewaakte de deur, waardoor mijn koning gewoon was de zaal binnen te komen en vanwaar de schitterende vergadering zich gemakkelijk liet overzien.

Onder al de edelen werd van niets anders gesproken, dan van de onverklaarbaar plotselinge verandering van den vroegeren kanselier. Zij waren op zijne verschijning gespannen, want zij wisten, dat hij komen zou om zijne Majesteit te begroeten, en zij onderhielden zich levendig met elkander op ge-dempten toon, zooals dat in koninklijke vertrekken betaamt. Slechts de grijze Rollo, die wel een hoofd boven de andere uitstak, deed zich geen moeite aan en zijn woorden rolden als een dof rommelende donder.

Hij stond rechts in de zaal, in een kring oude ridders, de magerste en uitgedroogdste figuur van allen, en schold als naar gewoonte op de geheele geestelijkheid en op den nieuwen kerkvoogd in het bijzonder.

»Ik heb hem nooit vertrouwd,quot; schimpte de wapenmeester, sdienbleeken lafaard! De valsche en laffe slaaf verschuilt zijn tenger lichaam onder een monnikspij, omdat hij het daar veiliger gelooft dan

ocr page 147

125

onder het schild zijns konings. Had ik toch maar twist met den huichelaar gezocht, terwijl hij nog een zwaard droeg! Gij zult het nog beleven, dat hij ons met zijne kuiperijen groot onheil veroorzaakt!quot;

En de heeren stemden allen met hem in.

Aan de andere zijde spotten en lachten de jongere leden van de hofhouding, aan wie William Tracy zijn schetsboekje liet zien.

Deze was een bekwaam teekenaar, moet gij weten, die beter dan iemand de kunst verstond, anderen met zijn teekenstift te bespotten. Met eene kleine misvorming veranderde hij een menschenhoofd in den kop van een dier of in de afbeelding van een levenloos voorwerp, en stelde het alzoo aan de algemeene bespotting bloot. Ook ik moest er eenmaal aan ge-looven, en hij maakte van mij een jachthond met kromme pooten, die den koning in zijnen grooten bek een snip aanbracht. Hoewel de grap mij toenmaals niet aanstond, was ik de eerste om er om te lachen, want dat was het verstandigst. Anderen, van prikkelbaarder aard en beteren adel dan ik, ontstaken menigmaal in toorn, wanneer William Tracy hen in zulk een gedaanteverwisseling op de blaadjes van zijn schetsboek teekende, dat hij altijd aan een kettinkje aan den gordel droeg. Gelukkig dat zijn zwaard even goed was als zijn teekenstift, anders zou hare scherpte hem misschien het leven hebben gekost.

De spotvogel toonde nu der jeugdige ridderschap eene nieuwe teekening. Nieuwsgierig naderde ik

ocr page 148

126

Reginald, den Schoone, zooals zij hem noemden, die het spolboekje juist in de hand had. Hij schudde van het lachen en liet daarbij het boekje op den grond vallen. Ik raapte het voor hem op en zag er eene vreemde plant in geteekend. Uit eenen mageren halm, welks nederhangende bladeren de mouwen van een monnikspij vormden, groeide op het waggelende steeltje van eenen dunnen hals als aar, een mij welbekend martelaarsgezicht. Het was het beeld van een schijnheiligen kluizenaar en geleek trek voor trek op den oppersten kerkvoogd.

Zoo spoedig verandert aan het hof een gevreesde in een voorwerp van algemeenen spot.

Nog deed het boekje de ronde, toen uit de verte wonderlijke klanken tot ons doordrongen. Het was eene vrome, eenvoudige litanie, die langzaam het burchtplein naderde, half krijgshaftig, half klagend door duizenden en nog eens duizenden stemmen vol godsdienstige bezieling gezongen.

»De primaat en zijne bedelaars!quot; klonk het door de zaal en de aanwezigen snelden naar de vensters. Ook ik vond een plaatsje en zag, hoe de wapenmeester Rollo, op eene vooruitstekende tinne staande, zijne gepantserde rechterhand gebiedend uitstrekte.

«Haalt de valbrug op! Sluit de poort!quot; riep hij naar beneden op het slotplein, waar Normandische wapenknechten de wacht hadden. Maar de vreedzame volksmassa: monniken, bedelaars, kinderen, allerlei slag van volk uit den minderen stand, duwde en

ocr page 149

127

drong als eene kudde onophoudelijk naar bionen. De krijgslieden konden Rollo niel meer gehoorzamen; zij waren onwillekeurig teruggeweken, want heer Thomas had hen met uitgebreide armen gezegend. Hij schreed voort aan het hoofd van zijnen armoe-digen stoet, terwijl een hoog opgeheven kruis voor hem uitgedragen werd. Hij, dien ik nooit anders ten hove had zien komen dan in eene kostbare kleeding en met het edelste gevolg, droeg nu een grof, haren kleed, en de teenen zijner naakte, op sandalen rustende schoenen kwamen schitterend als een stuk elpenbeen van onder de donkere wol te voorschijn.

De koninklijke dienaren kwamen hem eerbiedig en schuchter te gemoet, om hem binnen het kasteel te geleiden. Op den drempel wendde hij zich nog eens naar de zijnen om en gebood hen geduldig zijne terugkomst af te wachten.

Zij gehoorzaamden en vlijden zich deemoedig op den grond neder, terwijl zij de steenen banken op het voorplein en de treden der marmeren trap onbezet lieten. Mijn blik viel op den Sakser, die het kruis voor den kerkvoogd uitgedragen had. Hij was midden in den troep blijven staan en hield het hem toevertrouwde teeken nog altijd omhoog. Een roode baard bedekte voor het grootste gedeelte zijn leemkleurig gezicht, maar toch scheen bet mij toe, dat ik die grove trekken moest kennen. Waarachtig, het was Trustan Grimm, de verloofde mijner Hilda, de dochter van den boogmaker in Londen. Het ver-

ocr page 150

128

heugde mij, hem als monnik terug te zien en ik leidde daaruit af, dat Hilda hem, ondanks hare vernedering en den wil haars vaders, moest hebben versmaad, zooals het ook werkelijk was gebeurd, hoewel ik dit eerst veel later met zekerheid vernam.

Inmiddels was heer Thomas naar boven gekomen en juist toen ik mij van het venster afkeerde, trad hij de zaal binnen. Terwijl aller oogen op hem gevestigd waren, schreed hij langzaam voort tot midden in de zaal. Hier gekomen zag hij op, liet langzaam zijn blik over de geheele vergadering dwalen en hief met zegenend gebaar de rechterhand omhoog. Een ontevreden gemompel liep door de rijen, waar bovenuit de beleedigende woorden van ridder Rollo duidelijk hoorbaar waren:

«Behoud uwen kalen zegen voor u zeiven, paap; wij begeeren dien niet!quot;

Heer Thomas wendde zich zwijgend naar het open venster, en breidde zijne zegenende rechterhand, die door de Normandiërs werd versmaad, over de Saksers uit.

Toen steeg van beneden, van het voorplein, één luide galm omhoog; een mengeling van weegeklag en vreugdebetoon, waarbij men den juichtoon niet van de jammerklacht onderscheiden kon; sinds de Saksers hunne eigene koningen verloren hadden, sinds honderd jaren, was het de eerste maal, dat groet en zegenbede uit een koninklijk venster op hen nederdaalden.

ocr page 151

m

De Normandiërs daarentegen balden de vuisten of sloegen die aan het gevest van hun zwaard.

Zonder op iemand te letten, richtte de primaat zich naar de welbekendei deuren, die naar de vertrekken des konings voerden, juist toen een kamerdienaar die van binnen opende en de koning in de beste stemming in de zaal trad. Eerbiedig stond heer Thomas voor hem en wachtte met gebogen hQofd en onderworpen houding, tot zijn vorst hem aanspreken zou.

Koning Hendrik beschouwde zijnen kanselier een poosje opmerkzaam en aarzelend, niet anders — houd het mij ten goede — dan men een geliefd paard of een hond, die ons vele jaren trouw geweest was, bekijken zou, wanneer die door het afsnijden van den staart een geheel ander uiterlijk verkregen had. Verrassing en spot stonden op zijn gezicht te lezen, maar hij gedacht zijner koninklijke waardigheid en wijsheid en ontsloeg eerst de leden zijner hofhouding met een minzaam handgebaar.

»Wij danken u, mijne heeren,quot; zeide hij, «voor uwe begroeting, uwe dienstvaardigheid en liefde. De vreugde en vroolijkheid des wederziens bewaren wij tot aan onzen koninklijken maaltijd, waaraan wij u allen uitnoodigen, zooals dit onze genade en uwe waardigheid betaamt. Maar de zaken met onzen kanselier gaan voor. Brengt gij intusschen een bezoek aan onzen nieuwen tuin. Vergeet niet de nieuwe fontein te bezichtigen op het plein achter het paleis,

DE HEILIGE. 9

ocr page 152

430

den grimmigen metalen leeuwenkop, dien de Fransche bouwmeester in onze afwezigheid heeft voltooid. Au revoir, seigneurs barons!quot;

Na deze woorden des konings verlieten alle aanwezigen de zaal; de laatste, die slechts noode heenging, was Rollo, de wapenmeester.

Nu kon mijn heer en koning zich niet langer bedwingen.

»Verduiveld, Thomas, wat ziet gij er uit!quot; zoo sprak hij zijn kanselier spottend toe; »zijt gij aan het ruien geweest? Al uwe veeren zijn uitgevallen en de omgebogen punten uwer ridderlijke schoenen hebt gij afgestooten — ja, naar ik zie, hebt gij zelfs uwe schoenen verloren!... Ei, ei! Wat men toch niet aan een wijsgeer, als gij zijt, beleven kan! — Gij zijt toch geen slang, die van huid verwisselt? Toegegeven, dat een weinig onthouding eenen bisschop goed staat, zoo overdrijft gij volgens uwe gewoonte veel te sterk!. .. Wilt gij u zeiven langzaam dooden als een asceet in de woestijn? Dan kan ik geen maaltijd meer met u houden, want water en wortelen deugen niet voor eene koninklijke maag!quot;

Heer Thomas had deze vroolijke woorden met gebogen hoofd aangehoord, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken, nu echter vestigde hij zijne oogen op 's konings gelaat. Nu zag mijn heer, hoe zeer vasten en wreede kastijding de wangen des bisschops vermagerd en den vorm van zijnen schedel hoekiger gemaakt hadden, terwijl zijne vroeger reeds

ocr page 153

131

zoo ernstige oogen op vreemde wijze waren ingevallen.

Toen voelde mijn koning zich door medelijden aangegrepen. »Thomas, mijn gunsteling,quot; begon hij weder, ))werp nu uw masker af! Wij zijn alleen en onbespied. Ik geloof wel, dat die vermomming tot mijn welzijn geschiedt, maar God verdoeme mij, als ik begrijp, waar gij henen wilt! Wat beteekentdeze gedaanteverwisseling? Doe uw mond toch open, gij raadselachtige, geheimzinnige man.quot;

))Uwe woorden, mijn heer en koning, treffen mij onverwachts,quot; antwoordde de kanselier, »ik ben niemand anders dan ik schijn en mij voordoe, uw dienaar, dien gij kent.quot;

»Dus zou ik betooverd zijn?quot; riep koning Hendrik. »Is dit mijn hand?'—Ben ik de koning? — Zijt gij mijn kanselier ? — Hebben wij dag aan dag met elkander gewerkt en het land geregeerd?... — Neen, laat ons een einde maken aan deze misplaatste scherts! Het is geen vastenavond, maar klaarlichte dag. Welke onzalige geest is er in u gevaren? Stort uw hart voor mij uit.... gij weet, dat het mijne voor u openstaat!quot;

sik dank u, o Koning, dat gij uwen dienaar aanmoedigt, om vrij uit tot u te spreken,quot; antwoordde de primaat. ))Nu durf ik het wagen u te bekennen, dat deze hand te zwak is, om te gelijk den bisschopsstaf en uw zegel te dragen. Onvermijdelijk zou het eene of het andere der mij toevertrouwde kleinoodiën daarbij schade lijden, en ik ben een te getrouw

9*

ocr page 154

432

dienaar om u eenen ongeschikten kanselier of der kerk eenen slechten bisschop te gunnen. Neem, ik bid het u, o heer, dit teeken van uwen machtigen wil, die mij tot zijn werktuig koos, dit onderpand uwer overgroote, onverdiende genade, die mij vele jaren gelukkig maakte, neem het heden van mij terug.quot;

En heer Thomas tastte in de plooien van zijn veel te wijd gewaad, trok het staatszegel met de drie luipaarden daaruit te voorschijn en stak het den koning toe, om het in zijne hand neder te leggen,

«Volstrekt niet!quot; riep heer Hendrik entradeene schrede achterwaarts, »dat is niet volgens afspraak, kanselier! Geen enkel uur kan ik uwen dienst ontberen. Slechts gij alleen kunt met uwe scherpzinnigheid datgene tot stand brengen, wat wij samen overlegd en voorbereid hebben. Ik zou met mijne ruwe handen het teedere weefsel uwer vingers vernietigen. Hier helpt geen tegenstreven! Mijn kanselier zijt gij en blijft gij!quot;

»Gij zult toch mijn ondergang niet wenschen,quot; zoo bezwoer hem heer Thomas, «daarvoor zijt gij te grootmoedig! Zie, ik vrees den Machtigeren te vertoornen, aan wien gij zelf mij overgegeven hebt. Hij is een naijverig meester, die geen tweeden naast zich duldt.quot;

Deze moeielijk te verklaren woorden brachten den koning zoozeer in verwarring, dat hij, zonder het te weten, het zegel terugnam. Hij fronsde wantrouwend het voorhoofd en zijn stem klonk heesch,

ocr page 155

133

toen hij vroeg: »Aan wien heb ik u afgestaan?Tech niet aan den paus in Rome?quot;

De primaat schudde ontkennend het hoofd.

Eene hovenaardsche glans omstraalde plotseling zijn gelaat. Hij hief den mageren arm op, zoodal de mouw van zijn monnikskleed ver terugviel, en wees naar boven.

Toen verbaasde zich mijn heer en koning en ontstelde tot in het diepst zijner ziel. Het staatszegel ontzonk aan zijne hand en viel rammelend op den marmeren vloer. Ik trad nader en bukte naar het kostbare voorwerp, welks handvatsel van zuiver goud was. Toen ik het nauwkeurig bezag, was het gesprongen en liep er een fijne barst midden dooiden kostbaren steen en het wapen van Engeland. Zwijgend legde ik het op de tafel met de vier dra-kenpooten, die naast den zetel mijns konings stond.

Toen ik mij weder naar hen omwendde, had mijn vorst zich hersteld en zeide op gedwongen schertsenden toon: ))St. Joris helpe mij! Gij hebt mij daar een vromen schrik aangejaagd, Thomas! Maar nu genoeg van die verrassingen en kunststukjes!.. Zet u bij mij als altijd, en laten wij ons met ernstiger zaken bezighouden.quot;

Hij wierp zich in zijnen stoel en ik schoof een anderen, iets lageren, maar even rijk versierden naderbij voor den kanselier, denzelfden, waarop hij altijd naast den koning gezeten had.

Maar heer Thomas bleef op eerbiedigen afstand voor den koning staan.

ocr page 156

134

„Edele heer, geef mij tijd en heb geduld,quot; zeide hij. «Een half menschenleven heb ik noodig gehad om de rechten van uw rijk en zijne verhouding tot andere machten te doorgronden — hoe zou ik dan die der heilige kerk, in welker dienst gij mij hebt geplaatst, en waaraan ik zoo lang vreemd ben gebleven, ja waar ik zelfs vijandig tegenover heb gestaan, in zoo korten tijd hebben leeren kennen? Heb daarom geduld met mij.quot;

»Ter zake, Thomas, ter zake!quot; drong de koning. »Gij weet zeer goed, waarom ik u tot mijnen oppersten kerkvoogd verheven heb! Laat ons nu samen de rechterlijke macht der geestelijkheid opheffen en vernietigen.quot;

«Gij zult mij daartoe genegen vinden,quot; antwoordde de bisschop peinzend, »want in mijne oogcn zijn deze aanspraken, waarover van weerszijden zoo wordt getwist, slechts veranderlijke toestanden, wisselende vormen, aarden vaten, bruikbaar of onbruikbaar, al naarmate zij den wijn der eeuwige rechtvaardigheid zuiver bewaren of vergiftigen. Ik zal mij lot den Meester zelf wenden met de vraag, hoe hij het bedoelt.quot;

„En bij wien wilt gij dan onderzoek gaan doen, Thomas?quot; lachte de vorst, »bij de heilige Drievuldigheid?quot;

»In de evangeliën,quot; fluisterde heer Thomas, »bij Hem, in wien geen ongerechtigheid gevonden werd.quot;

«Zoo spreekt geen bisschop!quot; riep de koning in

ocr page 157

135

eerlijke verontwaardiging, «zoo spreekt slechts een vervloekte ketter. De plaats van het hoogheilige evangelie is op een met paarlen gestikt altaarkleed en het heeft niets te maken met het doen en laten der wereld of de uitvoering van een rechtsgeding. Zie mij aan, Thomas! Of gij wilt mijn vijand worden, óf gij hebt uw heerlijk helder verstand door uw onzinnig vasten beneveld. In het kort, vernietig de rechterlijke macht der geestelijkheid, Thomas! Daarom en daarom alleen heb ik u op mijnen schoonen zetel van Canterbury geplaatst. — Ik wil Gods verpletterend oordeel niet op mij en mijn huis doen nederdalen, dewijl ik de misdrijven mijner geestelijkheid ongewroken laat. Onlangs nog heeft een oproerige Saksische geestelijke het werk en den roem van mijnen voorzaat, den Veroveraar, op den kansel beschimpt, en een Nor-mandische zich vergrepen aan de onschuld van een kind.quot;

»Heer,quot; antwoordde de primaat en zijne ingevallen wangen kleurden zich, »wees er zeker van, dat ik de zonden mijner geestelijken gestrenger straf,

dan eenig wereldlijk gerechtshof zou doen!.....

Afgrijselijke voorvallen!... en het afschuwelijkste____quot;

hier hield hij op en besloot toen met dalende, geheel veranderde stem: «Oproer en verzet tegen uwe voorzaten en tegen u — christelijke koningen. — Hier bespeur ik den wil van God. — Maar of hij mij ook gebiedt de Saksers, die in mijne kloosters aan hunne

ocr page 158

136

beulen, uwe baronnen, ontsnapt zijn, uit te leveren, dat vraag ik mij zeiven — en twijfel!quot;

Nu begreep de koning duidelijk, dat de primaat hem de rechterlijke macht der geestelijkheid niet teruggeven wilde, en onschendbaar als hij was, den spot met hem dreef.

»Ik ben bedrogen!quot; riep hij en sprong van zijnen zetel op.

Op dit oogenblik begonnen de op het voorplein wachtende Saksers, misschien om hunne bezorgdheid over den primaat tot zwijgen te brengen, eene nieuwe litanie. Zij zongen het lied der overwinning s Vexilla Dei prodeunt.quot;

Toen snelde de toch reeds geprikkelde vorst naar het venster en zag naar beneden.

»Thomas,quot; gebood hij, »doe dat gespuis zv/ijgen, dat u op de hielen volgt. Ik kan het gehuil van dien uitgehongerden troep niet aanhooren.quot;

Heer Thomas bewoog zich niet. »Kan een bisschop de armen en beladenen verbieden het kruis te volgen?quot; vroeg bij ootmoedig.

De koning werd bleek van woede. „Gij hitst de Saksers tegen mij op, gij oproerling! gij verrader!quot; schreeuwde hij en trad een schrede dichter naar den kerkvoogd. Zijne blauwe oogen sprongen uit hunne kassen en hij greep met zijne handen zenuwachtig in de lucht, alsof hij den rustig voor hem staande wilde verworgen.

Daar ging de deur open.

ocr page 159

137

Koningin Eleonora stortte naar binnen en wierp zich, wegsmeltende in tranen, aan de voeten van den primaat.

«Ik ben de grootste van alle zondaressensnikte zij, «en niet waard het stof van uwe sandalen weg te kussen, gij heilige man!quot;

Heer Thomas boog zich tot haar neder en bracht haar met zachte woorden tot bedaren.

Dit tooneel gaf mijnen heer de verlorene bedaardheid terug. Hij beschouwde een geruimen tijd zijne vrouw, die aan de voeten des bisschops lag; dan haalde hij de schouders op, lachte luide, keerde zich om en verliet de zaal.

X.

Op dien dag drong een vergiftige pijl koning Hendrik in het hart. Eerst was de wond slechts klein en het scheen wel, dat zij zou genezen, maar in de diepte woekerde het bederf steeds voort en drong altijd smartelijker door in het vleesch, totdat ten laatste van dit kleine plekje uit, het geheele wezen van den vorst ondermijnd en zijn koninklijk leven verwoest werd.

Wel nam het bederf niet spoedig toe, want hel sterke, blijmoedige gestel mijns konings bood krach-tigen wederstand. Onder drukke bezigheden, in den strijd en de gevaren des levens verkropte en vergat hij ook soms wel zijn wrok. Maar's nachts vloog hij, nauwe lijks ingesluimerd, reeds weder op uit zijne onrustige

ocr page 160

138

droomen, sprong van zijn legerstede, en riep, terwijl hij rusteloos in zijne kamer op en neder ging, nu eens beleedigd en dreigend, en dan weder liefderijk met teedere woorden, den ondankbaren gunsteling ter verantwoording, die hem als een nachtelijk spooksel had bezocht en verschrikt. Hij hield hem alle voorbeelden van ondankbaarheid voor, die hij zich uit de gewijde en ongewijde geschiedenis kon herinneren, en bewees hem, dat de zijne de allei-grootste was. Geen menschentong kan het uitspreken, wat mijn koning leed. Hetzij hij nabij was ot ver verwijderd, altijd en overal vervolgde hem heer Thomas.

Stond de primaat in levenden lijve stil en lijdzaam voor den koning, dan werd deze woedend over dit deerniswaardige gezicht; bleet' heer Thomas ia zijne vreedzame bisschoppelijke woning voor 's konings oog verborgen, dan toornde en klaagde mijn vorst nog hartverscheurender, dat zijn grootste \eitiouwe-ling, voorheen de ziel zijner beraadslagingen, die hem kende, zooals geen ander, hem verraden, zich van hem verwijderd en afgezonderd had, en zijn bovenmenschelijk scherp verstand nu tegen hem

had gekeerd.

En toch liet de opperste kerkvoogd hel niet ontbreken aan verzoenende woorden en onderdanige tegemoetkomingen. Dan snelde de koning toe en vatte haastig de slechts onder voorbehoud aangeboden hand, welke reeds weder onverschillig werd teruggetrokken, als ware heer Thomas door dit

ocr page 161

139

zegevierend aangrijpen verschrikt. Even goed zou mijn koning een wolk omarmd kunnen hebben, als dat hij zijn voormaligen kanselier, dien dunnen, gladden aal, zou hebben vastgehouden.

Maar ook als de primaat op een punt, waarover zij het niet eens waren, eens werkelijk iets toegeven wilde, mocht het er maar niet toe komen. Of hij stiet op zijn tocht naar Windsor op een der wereld afgestorven kluizenaar, die juist op dien dag uit zijn grot moest kruipen, om den al te getrouwen bisschop te bezweren, dat hij de rechten van God en de armen, zijne kinderen, toch niet aan den wereldlijken vorst mocht prijsgeven; óf wel, weinige schreden voor den koninklijken drempel versperde een opgewonden monnik met het kruis in de hand hem den weg, en dreef met zijne dweepzieke woorden den ootmoedige naar Canterbury terug.

Wilt gij weten, hoe dit kwam?

Het zou, naar ik meen, den schranderen kanselier niet onmogelijk zijn geweest, eene verzoenende bepaling uit te denken, waarhij de Engelsche kroon en de rechten der barmhartige kerk gelijkelijk ontzien en beveiligd werden; immers de koning was niet on-menschelijk en Thomas geen vurig ijveraar! Maar de harten der beide mannen waren van elkander vervreemd, en als zij de laatste schrede tot toenadering doen wilden, trad het spooksel hunner gestorven liefde in de gedaante van bleeke vijandschap tus-schen hen.

ocr page 162

140

Ook moei gij niet vergelen, dal koningin Eleo-nora nu als eene deugdzame echtgenoote mijnen heer niel meer verliet en sinds hare bekeering hem dagen nacht aan het hoofd maalde, dat hij Gods heilige toch niet zou beleedigen, waarmede zij den koning vertoornde en verstokte.

Voorts werd er volgens hofgebruik gestookt en gekuipt en niets onbeproefd gelaten, om hel vuur van den hartstocht levendig te houden en aan te wakkeren. De geheele Normandische adel haatte en verafschuwde den vromen rebel, die zijne kloosters, dat onschendbaar toevluchtsoord, openstelde voor de lijfeigenen, die van hunne veroverde bezittingen waren ontsnapt. lederen dag en ieder uur moest de koning het hooren, hoe de bisschop steeds meer macht verkreeg onder het Saksische volk en hoe hij, de schijnheilige, overal en altijd hulpvaardig en zegenend zijne handen uitbreidde. Hij ondermijnde het rijk door in het geheim een opstand voor te bereiden op geestelijk gebied, gevaarlijker dan een openlijk en meer stoffelijk oproer, omdat hel niet met de wapens in de hand te dempen was.

Wanneer den koning zulke verdachtmakende berichten in het oor waren geblazen, gaf de getergde man zijnen liefsten jachthond een schop en was ook wrevelig tegen mij, vooral wanneer ik hem een dier spitsvondige brieven had overhandigd, waarin de primaat angstvallig met de linkerhand terugnam, wat hij grootmoedig met de rechter gegeven had.

ocr page 163

141

Dan gebeurde het wel, dat de koning het be-driegelijke geschrift ineenfrommelde en tot de jacht liet blazen om te trachten in het vrije veld zijn ergernis te overwinnen. Maar het gelukte hem niet. Als het hert tot in zijne nabijheid was opgejaagd en ik hem den voetboog reikte, zag hij zijn vervolger, in plaats van het in de engte gedreven wild, steunde smartelijk: «Wees op uw hoede, Thomas Slankhals!quot; en doorboorde het dier het hart.

Ten laatste nam heer Hendrik een koen besluit, daagde den primaat voor een gerechtshof, uit zijne baronnen bestaande, deed hem als landverrader ver-oordeelen en verbande hem voor altijd uit zijne staten. En op denzelfden dag, dat heer Thomas als een misdadiger over zee moest ontvluchten, week koningin Eleonora van de zijde van haren echtgenoot en verliet het kasteel Windsor onder het uiten van een jammerklacht, die tot op verren afstand hoorbaar was.

Van nu af aan was de aandacht van mijnen heer en koning dag en nacht gevestigd op de overzijde der zee, om te welen wat heer Thomas daar ginds beginnen zou.

Gedurende eenigen tijd liep het gerucht, dal de Gapetinger hem bij het aan wal komen ontvangen en om zijnen zegen gebeden had, hem daarbij verzekerende, dat hij, als een christelijk vorst, waarlijk

ocr page 164

142

zoo lang hij leefde, nimmer een 'monnik, veel min -der een bisschop beleedigd had.

Dat was koning- Lodewijk, dien men den kuischen Jongeling noemde, wijl hij als een baardelooze knaap den troon bestegen had, en hij behield dien naam, omdat hij nooit een onverschrokken mannelijk karakter heeft gekregen, gelijk dan ook vrouwe Eleonora die hij als zijne koningin naast zich had verheven, in de opbruisendheid barer overmoedige jeugd zich bitter beklaagde, dat men haar aan eenen heiligen monnik uitgehuwelijkt had.

Deze vorst was een geboren vriend der geestelijkheid en bezwoer den Vader der Christenheid met bijvoeging van klinkende munt, om voor den primaat partij te kiezen tegen koning Hendrik, die de erfvi jand was van hem en zijn geslacht en dien hij met de wapenen der kerk krachtiger dan met de wereldlijke hoopte te bestrijden.

De heilige Vader van zijnen kant hield zorgvuldig de weegschaal in de hand, vast besloten om zijn gunst ten allen tijde in die schaal te leggen, die door het gewicht van het daarin opgestapelde goud naar beneden werd gedrukt.

Deze pauselijke wijsheid was in dien lijd in het nadeel van mijnen koning, daar de oorlog in Ierland hem ontzettend veel geld kostte en hem alzoo minder dan anders voor den Vader der Christenheid overbleef.

Niettemin aarzelde de heilige Vader om zonder eenige terughouding voor heer Thomas op te treden.

ocr page 165

U3

Hij kon het rechte vertrouwen maar niet in hem stellen, en in zijne gedachten nog altijd den vervolgden bisschop niet scheiden van den voormaligen kanselier. Hij had dezen herhaaldelijk als een geslepen staatsman leeren kennen en het kwam hem verdacht voor, dat hij nu geen gebruik had gemaakt van zijn talent, maar zich liet vervolgen als een groot apostel der eerste christengemeente of een dweepzieke ketter uit den jongsten tijd.

Geloofwaardige getuigen hebben mij verzekerd, en, in zooverre ik heer Thomas kende, hield ik het voor de waarheid, dat hij zijne zaak heilig gehouden heeft, en zijne handen rein zijn gebleven van alle verraad tegen zijnen heer en koning, dat hij om geene hulp van den paus heeft verzocht, en van den Capetinger niets anders verlangde dan een kloostercel, waar hij zijn hoofd kon nederleggen.

Zoo trok hij dan, door den heiligen Vader opgeofferd, de residentie van den Capetinger vermijdende, met den pelgrimsstaf in de hand van het eene klooster naar het andere en dikwijls was het onzeker, waar hij zich bevond. Maar terwijl dus zijne persoonlijkheid in Frankrijk steeds minder de aandacht trok, ja schier naar den achtergrond werd gedrongen, nam zijne macht en zijn geestelijke invloed in Engeland steeds toe en stond boven de hoofden der treurende Saksers als de volle maan in den nacht. Of als gij liever wilt, heer Thomas woonde als het Christuskind in den stal, onaanzienlijk maar verheven, in

ocr page 166

UA

alle Engelsche hutten en harten. Hij heerschte daar als koning en verdreef de vrees uit de zielen.

Ik heb met eigen oogen gezien, hoe de Saksers, maar meer nog hunne vrouwen, weigerden eerbiedig de knie voor den koning te buigen, omdat deze den primaat had veroordeeld, en hem den rug toekeerden, wanneer hij voorbij reed. Een voorbeeld herinner ik er mij nog van. Mijn koning wandelde eens voor zijn genoegen achter in zijnen tuin, daar waar deze nabij de rivier met het bosch als ineen vloeit, en ik volgde hem als naar gewoonte op eenigen afstand. Daar kroop een blond Saksisch kind uit de bloeiende struiken te voorschijn, juist voor de voeten des konings. De vorst, die bijzonder goed geluimd was, hief den knaap op, liefkoosde hem en drukte een stuk zilvergeld in het kleine handje. ))Houd goed vast, mijn jongen!quot; zeide hij. Maar nu sprong de moeder, die in de eerste opwelling van eerbied en vrees zich achter een boomstam had verscholen, met vlammende oogen te voorschijn, rukte het kind het geldstuk uit de hand en wierp het vol ontzetting in het kreupelhout, alsof het een van de dertig gevloekte zilverlingen ware. Ik snelde toe om het onbeschaamde wijf, dat het, met het kind op den arm, op een loepen had gezet, te grijpen, maar de koning sprak: «Laat haar gaan, Hans!quot; en ging ontstemd, al zuchtend en peinzend verder.

Dag en nacht, hetzij hij droomde of waakte, waren alle gedachten mijns konings slechts op dit

ocr page 167

U5

ééne punt gericht, hoe hij heer Thomas rechtsgeldig en voor altijd zijn primaatschap zou kunnen ontnemen, waarvan, zooals hij zich zeiven opdrong, de vereering der Saksers afhankelijk was. Dikwijls heb ik hem

I daarover zien denken en peinzen met de vuist tegen het voorhoofd gedrukt, totdat hij eens op een morgen met zegevierend gelaat uit zijn kamer kwam — hij meende het raadsel te hebben opgelost. daarover zien denken en peinzen met de vuist tegen het voorhoofd gedrukt, totdat hij eens op een morgen met zegevierend gelaat uit zijn kamer kwam — hij meende het raadsel te hebben opgelost.

Het was op den Hemelvaartsdag onzes Heeren, dat de koning in de vergadering zijner baronnen optrad met de verklaring, dat zijn uitgestrekt rijk een tweede hoofd noodig had en hij, door de kroon met zijn eerstgeborene te deelen, zijne drukkende zorgen wilde verlichten.

Hetzij dan met goede of slechte gedachten en oogmerken, de rijksgrooten stemden er in toe, dat prins Hendrik naast zijnen vader tot de kroon zou worden verheven, en de jongeling werd door den Norman-dischen bisschop van York gekroond en gezalfd. Daarop volgde een feestmaal, dat deze buitengewone gelegenheid waardig was, en toen gebeurde, wat ik verleden jaar uwen broederen, den heeren van bet stift, verhaald en naar waarheid bezworen heb, dat mijn vorst den jongen koning Hendrik aan tafel bediende en hem eigenhandig de spijzen reikte. «Heden is mij een zware last van de schouders genomen!quot; riep hij en stortte tranen van vreugde.

Is het u duidelijk, wat hier achter stak? Begrijpt

DE HEILIGE. 10

ocr page 168

146

gij, welken last mijn koning waande te hebben afgeworpen ?

Gij schudt het hoofd? Welnu, hier hebt gij de oplossing. Het groote privilege, het kostbaarste edelgesteente van de bisschopsmuts van Canterbury, was het kronen der Engelsche koningen. Wanneer dit door een anderen bisschop werd verricht, zou het primaatschap vernietigd en heer Thomas van zijn voetstuk gerukt zijn. Zoo berekende mijn koning, dus greep hij dit middel aan en plaatste den verwaanden Hendrik naast zich op den troon, want hij meende, dat zijn eerstgeborene zich zou vergenoegen met het glinsterende kroontje op zijn hoofd in den spiegel te bekijken en het te doen borduren op zijne kleederen en paardendekken.

Was het plan niet fijn en geslepen als de overleggingen van den voormaligen, nu de sluwheid der wereld afgestorven kanselier?

Het was een ongelukkig denkbeeld, het ongelukkigste misschien wel, dat in koning Hendriks hoofd had kunnen opkomen!

Weinige weken later bleek dit reeds. Twee jobstijdingen kwamen op denzelfden dag in Windsor aan.

De eene verhaalde, hoe de jonge koning Hendrik met den wispelturigen jonker Godfried naar Parijs was getrokken, onder voorwendsel aldaar een steekspel te gaan bijwonen; in waarheid echter om die

ocr page 169

U7

staten van het Normandische rijk, welke aan de overzijde van het kanaal waren gelegen, op on-noodige en smadelijke wijze van den Gapetinger in leen te nemen.

De andere luidde, dat heer Thomas, wiens verblijfplaats onbekend was geweest, op Pinksteren in eene Fransche stad te voorschijn was getreden en onder dreunend klokgelui de brandende kaarsen op het hoofdaltaar van den dom had uitgeblazen, daarbij den banvloek uitsprekende over den bisschop van York, die zich aan de voorrechten van den zetel van Canterbury vergrepen had.

Toen de oude koning, want deze weinig liefelijke naam moest mijn heer zich sinds de kroning van zijnen zoon laten welgevallen, deze beide tijdingen ontving, stelde bij zich aan als een waanzinnige. Hij raasde, rukte zich in tegenwoordigheid zijner knechten de kleederen van het lijf, wierp zich kreunend op zijn legerstede, verscheurde de zijden dekens, reet met zijne tanden de kussens open en sloeg zich in vertwijfeling met de vuisten op de borst.

«Neem mij dien vervloekten vampier van 't harte!quot; huilde hij met het schuim op den mond en hij had daarmede heer Thomas op het oog, »hij knaagt mij aan lichaam en ziel!quot;

De vrome Burkhard had dit verhaal met tegenzin aangehoord, want hij was als geboren Ghibellijn innig

10*

ocr page 170

148

aan zijne rijksregeering verknocht en daarom ook, waar het andere volken gold, een koningsgezind man. Het stuitte hem tegen de borst een groot en dapper vorst zich zeiven zoo te zien vergeten.

Hij gaf zijn misnoegen lucht in een hatelijken zet tegen den verharden voetboogmaker.

»De twee jobstijdingen op één zelfden dag ?... Gij droomt, Hans! Er ligt immers een vol jaar tusschen beide, wanneer de cijfers van de kant-teekeningen mijner kroniek niet liegen!...quot;

«Blijf mij van het lijf met uwe onbeduidende cijfers!quot; bromde de voetboogmaker. »Het is iets geheel anders,quot; voegde hij, zich terstond van zijn onvriendelijke woorden bewust,- er verzachtend aan toe, »of iemand nog staat te midden van het bedrijvige leven, dan wel of de dood zijn levensboek reeds gesloten heeft. Is eenmaal het laatste zandkorreltje gevallen, dan treedt de mensch buiten de rij der elkaar opvolgende uren en dagen en staal als een voltooid en doorzichtig wezen voor het goddelijk en menschelijk gericht. Beide, uw kroniek en mijn geheugen, hebben gelijk en ongelijk: gene met hare op perkament geschreven letters, ik met de teekens, die in mijn hart zijn gegrift.

Maar boud mij niet op! Ik verlang naar het einde, eerwaarde heer, want voor mijn oog verrijst het bloedige hoofd eens dooden en de gegeeselde rug van mijnen koning.

ocr page 171

m

XI.

Op den avond van den dag, dat mijn heer en koning zich door zijne blinde woede geschandvlekt en voor zijn knechten vernederd had, zat ik eenzaam en terneergeslagen, vol schaamte en droefheid om der wille van mijnen heer, op een muurtje bij de stallen. Daar kreeg ik onverziens een slag op den schouder en jonker Richard, die naar zijne hengsten had gekeken, slingerde zich, minzaam als hij jegens de minderen altijd was, schrijlings naast mij op den muur.

»Hans,quot; zeide hij zonder omwegen, »uweoogen hebben gezien, hoe zinneloos en onridderlijk mijn vader zich heden gedroeg. Verzonk toch deze dag

in eeuwige duisternis!____ Een verscheurend dier!..

Welk een schande!____quot; Twee tranen van kinderlijke

verontwaardiging rolden over zijne wangen. — «Gelukkig nog, dat die muiters, Hendrik en Godfried, zoo iets niet gezien hebben; zij zouden den ongeluk-kigen man aan het Fransche hol en bij alle andere regeeringen als een waanzinnige hebben uitgekraaid, even ongeschikt om zijn rijk als zijn eigen gemoed te besturen en in toom te houden. Als het zoo blijft of nog erger wordt, o hoe gemakkelijk zal het dan den broertjes vallen, hunnen vader de kroon van het hoofd te rukken, en mij mijn erfdeel te ontwringen. Maar, bij den levenden God,quot; zoo zwoer hij, »dat mag niet gebeuren!quot;...

»Heb geduld, jonker Richard,quot; viel ik hem in

ocr page 172

150

de rede, «en verlaat den kranke niet! Wanneer gij met zekerheid in uw erfrecht treden wilt, vertrouw dan op Gods belofte, die aan hen, die vader en moeder eeren, een lang leven en het bezit van het land gewaarborgd heeft.quot;

»Niet om mijnentwille alleen moet er aan dezen toestand een einde komen,quot; hernam jonker Richard, sik ben de derde zoon, en bij mijn eer, ik zou liever zelf met deze vuist een koninkrijk bemachtigen

dan dat van den Veroveraar erven! Maar____quot; hij

sprong op en hief zijn rechterhand ten hemel, »ten onder gaan laat ik het niet, het Normandische rijk, zoowaar zijn bloed door mijne aderen stroomt! Aan deze en aan gene zijde der zee zal het één geheel blijven en de wereld beheerschen!quot;

Ik kon mijne oogen niet van hem afwenden, zoo schoon scheen hij mij toe, terwijl hij daar zoo edel en heldhaftig voor mij stond. Maar hij keerde zich weder tot mij met de ongeduldige woorden; „Waar begon het, Hans? En wanneer werd het zoo erg? Ik zeg u, in het uur dat mijn vader zich van de wijsheid, dat is van heer Thomas, scheidde. — Spreek mij niet tegen! — Ik wil vermomd de zee over en naar het klooster gaan, waar de primaat nu vast en bidt. Hij heeft mij lief gehad en hij heeft mij nog lief op dezen stond, als in hem nog iets is overgebleven van hetgeen hij was, voor hij een monnik werd. — Maak geen tegenwerpingen! — Ik wil zijn knieën gaan omvatten! Ik zal bidden en smeeken, —

ocr page 173

151

niet als een koningskind, en niet als tot een mensch,... ik zal niet rusten, voor ik die twee bij elkander gebracht en verzoend heb!... Hij moet weder mijns vaders kanselier worden, want slechts zijne groote en geheel eenige scherpzinnigheid is in staat om een einde aan dezen verwarden toestand te maken 1quot;

Ik wist, hoe gaarne jonker Richard zich verkleedde en op avonturen uitreed. Maar ditmaal werd hij toch meer door braaf, kinderlijk smartgevoel gedreven, dan door zijne natuur.

Ik hield den eerlijken wildzang nog voor, hoe licht eene poging tot verzoening, die mislukt, een verscherpte vijandschap ten gevolge heeft; daarna ging ik onverwijld heen, om hem en mij zeiven eenvoudige kleederen te verschaffen, volvaardig om hem op zijnen tocht te vergezellen, want het blijde zelfvertrouwen, dat uit zijne oogen straalde, had mij, omzichtige, verblind.

Ik vroeg geen verlof aan mijnen koning, daar het hem, naar ik meende, welgevallig moest zijn, enkele dagen bevrijd te wezen van mijn aanblik, nu ik getuige zijner vernedering was geweest.

Wij trokken Frankrijk door, verkleed als twee armoedige Duitsche ruiters, die bereid zijn tegen goede soldij de wapens te voeren, onverschillig in dienst van welken vorst. Maar jonker Richard's jeugd en adeldom kwamen zoo duidelijk uit, zelfs onder den gelapten mantel, dat ik, om allen argwaan van

ocr page 174

452

ons af te wenden, geheel en al mijn hoofsche manieren liet varen en in mijn moedertaal, het Alle-mannisch, in de herbergen en langs de wegen zoo grof mogelijk vloekte en zwetste. Ook reisden wij veel des nachts en rustten over dag uit.

Daar ontmoette ik in een herberg, terwijl jonker Richard in een afgelegen kamer nog sliep, iemand die van uit het rijk der hel macht over de geesten ontvangen heeft, die met een scherp zwaard en nog scherper tong overal, waar hij zich ook ophouden moge, als een engel der tweedracht de banden der natuur verscheurt en den vrede verjaagt. Ook Leeuwenhart zou hem later ontmoeten, maar nu bleef hij daarvan nog verschoond.

Ik zat aan mijn ontbijt in de gelagkamer, toen ik paardengetrappel hoorde, en het getier van eenen naderenden troep ruiters. Vijf of zes kostbaar ge-kleede ridders, die., naar hun wapenrusting te oor-deelen, van een toernooi kwamen, traden binnen, en eischten ongeduldig een krachtigen dronk.

Het waren Zuid-Franschen met buigzame ledematen, vurige oogen en radde tong, die, zooals ik spoedig bemerkte, terugkwamen van een steekspel in de beroemde stad Parijs, dat zij ten gevolge van eenen plotseling ontvlamden, kwaadaardigen twist in aller ijl hadden moeten verlaten.

Zij deden eenige houtblokken op het vuur werpen en zetten zich schertsend en elkander op het

ocr page 175

153

woord vangende, rondom het vroolijk opflikkerende haardvuur. Woord en wederwoord volgden elkander zonder tusschenpoozen op. Sommigen hunner beweerden, dat de vrouwen van Parijs minder schoon waren dan die van Arles en Tarascon, de anderen maakten zich weder driftig over den twist, die hun het feest had bedorven en verkort.

Wie er de oorzaak van was geweest, bleef mij niet twijfelachtig. Daar sprong hij juist weder van zijn stoel op en in hun midden, hij, met de vlammende oogen en fladderende haren, en maakte zich meester van het gesprek.

«Het is waar, overal waar ik ga, stijgt de vlam uit de aarde op,quot; zoo riep hij hun toe, «hoog en krachtig slaat hij uit, geen onderdrukt vuur als het uwe! Want ook gij haat hen in stilte, gij Proven-palen en Aquitaniërs, gij kinderen der zon, ook gij haat deze lieden uit het noorden met hunne gepantserde ledematen en stijve manieren, met hunne aanmatigende laai en hunne van hegeerlijkheid fonkelende oogen!

))Ook gij gevoelt, hoe zij ze u benijden, gij door de natuur begunstigden, uwe van olie en wijn druipende heuvelen, de oude vrijheüd uwer Romeinsche sleden, uw prachtige havens, waar zoowel koopmansgoederen als wereldgedachten worden omgezet, uw zee en uw hemel, uwe beeldscboone vrouwen, uwe liefelijke taal! Ook gij gevoelt, dat zij u uit de zon zulle» dringen en vertrappen als ongedierte!

ocr page 176

154

„En zoover zal het komen! Want de volkeren der aarde vernietigen elkander en de haat is de almachtige koning der wereld! Maar gij wilt u niet laten verontrusten — zoo bouwt dan uwe nesten, vleit u neder en schertst in uwe zoete begoocheling, gij sonettendichters! Hebt lief, totdat gij in de liefde den haat vindt!

»Maar laat mij opstijgen boven den schijn tot de waarheid der dingen. Leve de haat, de gloeiende adem der aarde! Ziet dit hart, waaruit de kostbare vlam omhoog stijgt! Wie haten wil, hij doe een pelgrimstocht naar hel brandende hart van Bertram de Born! Voor dit altaar komt de ware gezindheid aan den dag en grijpen de handen naar het zwaard!quot;

En hij wees op een brandend hart in rijk borduursel van goud en purper, dat aan de linkerzijde zijn zwart, nauwsluitend wambuis versierde.

sik had mij het hartje op uw wambuis heel anders verklaard, heer Bertram,quot; spotte schuchter een baardelooze knaap, die het violet — waarschijnlijk de kleur zijner dame — in het oogvallend droeg. »Gij hebt uwe oogen toch ook wel in liefde op de vrouwen laten rusten, al waren het alleen slechts vorstelijke! Onlangs nog toogt gij over zee naar uw oude vlam, koningin Eleonora. Laat ons toch het krijgslied eens hooren, dat gij de deugdzame echtgenoot van koning Hendrik in het schemeruur hebt ingefluisterd!quot;

))Dat is niet weer te geven en nog minder voor

ocr page 177

155

te zingen,quot; antwoordde de woestaard met een bitteren lach. «Maar haar heb ik twee woorden toegefluisterd en twee andere aan haren zoon, den jongen koning Hendrik. Gestrooid is het zaad en een bloedige oogst zal er rijpen!

«Bij de vleugelen van Lucifer, ik verstrik koning Hendrik en zijne zonen in de kronkelingen van een draak, vergiftiger dan die, welke den priester Lao-koon en zijne kinderen smoorde!quot;

Ik kon den blik niet van den man afwenden, die zich nu tot mijne ontzetting in die richting keerde, waarin het klooster lag, waarheen wij logen, terwijl hij met beide armen in de verte groette.

Verwonder u niet! ik wist wien hij voor zich zag.

«Daar knielt er een, die nog bitterder haat dan ik!quot; riep hij uit,____ sik groet u, deelgenoot!quot;

En hij dronk den afwezige, dien zijne oogen aanschouwden, plechtig uit den vollen beker toe.

«Gij kalme, langzaam voortgravende man! Gij verdraagt als uw Meester en laat u dooden als Hij; gij meent de liefde te dienen, maar de haat is machtiger, en uw dood is, evenals die van uwen Christus, de verdoemenis der menschen!

«Bisschop! ik wed met u, wie van ons beiden koning Hendrik het diepst in de hel zal storten! Daar wil ik hem wedervinden en, met mijn knie op zijn borst, een zegelied aanheffen, zoodat de hellekring zich zal uilbreiden, de verdoemden reuzer

ocr page 178

156

worden en wat daarover heen zweeft, in het niet zal verdwijnen!quot; —

De ijzingwekkende godslastering, alsof niet de goede pelikaan ons allen tot liefde en heil zijn borst had opengereten, had mij de haren te berge doen rijzen, terwijl de Provenfaalsche heeren, aan zulke schandelijke scherts gewoon, zich weinig daaraan stoorden, maar meer trachtten te raden, wie ridder Bertram's medehater was.

Nu ging het gesprek over op een zonderling teeken, dat onlangs de lieden van Arles zou hebben verschrikt. Op de Romeinsche markt daar ter plaatse was een marmeren meisjeshoofd voor den dag gekomen met gebroken oogen en den doodstrek om den mond, en toen men de gevlochten haarlokken van naderbij bekeek, waren het kronkelende adders. Zij geloofden, dat dit noodlottige hoofd eene aanstaande groote sterfte in hunne zonnige landstreken voorspelde..

Al die toekomstige ellende, gevoegd bij den tegenwoordigen ongelukkigen toestand mijns konings, ontroerde mij zoo hevig, dat ik mij niet kon weerhouden een diepen zucht te slaken. De ridders, die mij tot nog toe niet hadden opgemerkt, zagen nu verwonderd naar mij om. Toen verliet ik mijnen beker en ging hen met zware ruiterstappen en een eerlijk Zwabisch «Grüez Gottquot; voorbij. Zij antwoordden als welopgevoede lieden zonder dralen met eene beleefde hoofdbuiging. Maar toen ik hen van uit de vensters eener hooger gelegen verdieping.

ocr page 179

157

waarheen ik gegaan was om jonker Richard te wekken, met de oogen volgde, terwijl zij vlug opzaten en even rumoerig vertrokken als zij gekomen waren, gaf hun bandelooze aanvoerder nog eene dubbelzinnige aardigheid ten beste over mijnen Zwabischen zucht en de heeren reden weg onder een scherpen Gallischen schaterlach.

De vrome kanunnik had onder het luisteren naaide godslasteringen van dezen vreemdeling menigmaal stil het teeken des kruises gemaakt. Nu merkte hij peinzend op: »Uit den zwaveldamp, die uit deze woorden opstijgt, Hans, begrijpt gij gemakkelijk, wien gij daar in die Fransche herberg hebt ontmoet. Voor mij bestaat er geen twijfel, wie in dien reiziger gevaren was en hem bezield had. Niemand anders dan de duivel, die een menschenmoorder was van den beginne.

)gt;Daarom wist hij ook vooruit, dat heer Thomas den marteldood zou sterven, en naar ik vrees, zal ook wel vervuld worden, wat die huiveringwekkende man voorspelde aangaande de dreigende verwoesting dier zuidelijke landstreek, waarop ook het opgegraven, huiveringwekkende vrouwenhoofd wel duiden kan.

»Langs die kusten wemelt het, naar men zegt, van allerlei soort van ketters, vooral van halsstarrige Manichaërs. Ik houd van den vrede, ben den menschen genegen en vergeef gaarne de zonden, waarvoor een aflaat kan worden toegestaan. Maar

ocr page 180

158

hier wordt de genade verworpen, en ik zou het waarlijk den geestelijken en wereldlijken heeren niet euvel duiden, wanneer zij de handen ineensloegen om deze verstokten uit het midden der christenheid te verdrijven, zoodat de plaats, waar zij gewoond hebben, hen niet meer zou kennen.

»Maar het is beter niet bij deze treurige zaken te verwijlen. Vertel mij liever. Hans, of er zegen rustte op jonker Richard's tocht. Hij is de eenige van al uwe Engelschen, in wien mijne ziele eenig welbehagen vinden kan.quot;

»Het was mij nauwelijks mogelijk, het voortren-nende paard van Leeuwenhart bij te houden,quot; ging de voetboogmaker bereidwillig voort, »want zijn verlangen naar heer Thomas nam van uur tot uur toe, en was nauwelijks meer te beteugelen, toen de torens van het klooster, waar deze zich verborgen hield, in steeds grootere afmetingen afstaken tegen de heldere, blauwe najaarslucht en zijne ringmuren ons tegenstraalden als de hemelsche stad.

Daar ik mijn Leeuwenhart en de heftigheid zijner gewaarwordingen kende, smeekte ik hem mij vooruit te laten rijden om het terrein te verkennen. Hoewel ongaarne en vloekende, stemde hij ten leatste hierin toe.

De broeder portier vernam mijn verzoek zonder achterdocht en toen ik heer Thomas noemde, nam hij zulk eene eerbiedige houding aan en trok zulk

ocr page 181

159

een vroom gezicht, dat ik wel bemerken kon, dat de kanselier hier in hoog aanzien, ja in den reuk van heiligheid stond. Hij zeide mij, dat de primaat zich in de kerk bevond en hij het niet waagde, ja, zelfs misdadig achtte, hem in zijn gebed te storen.

Intusschen toonde mij de monnik de naakte kloostercel, het verblijf van den man, die uit het bisschoppelijk paleis van Canterbury verdreven was, en den ruwen steen, waarop hij gewoon was in den slaap het hoofd te laten rusten. Dit harde hoofdkussen wekte vooral mijne verwondering op, want ik wist, welk een fijngevoelige natuur en teedere ledematen de kanselier bezat. Maar eindelijk, toen de tijd verstreek en het gebed van den heiligen man maar niet ten einde kwam, vergunde de portier mij de kerk binnen te gaan, onder belofte dat ik mij stil ter zijde zou houden, zoolang de biddende mij niet in het oog kreeg. Ik trad dus behoedzaam tusschen de pilaren uit, en ontdekte weldra heer Thomas, die meer peinzend dan biddend in een koorstoel met hooge leuning stond. Daar ik den wonderbaren man sinds vele jaren niet gezien had, verschrok ik van zijn onnatuurlijk smal gezicht en zijne diep liggende smartelijke oogen, wier blik meer in zijn binnenste dan op de buitenwereld gericht scheen te zijn.

Ik knielde in de schaduw van het hoogaltaar op de treden neder en vereerde het hoogwaardige, zonder daarbij heer Thomas uit het oog te verliezen.

ocr page 182

160

Ik kon evenwel niet ontdekken, of hij mijne tegenwoordigheid al dan niet opmerkte, want hij bewoog zich niet.

Maar toen ik na geruimen tijd langzaam uit mijne knielende houding opstond, richtte de kanselier zonder mij aan te zien, of een spier van zijn gelaat te vertrekken, de vraag tot mij: »Hoe maakt het mijn heer en koning?quot; geheel op den zelfden toon, waarop hij gewoon was dit te vragen, wanneer hij mij op Windsor voor de deur van 's konings kamer ontmoette. Toen schoten heete tranen mij in de oogen.

Hij daalde zachtjes de treden af, wenkte mij met de hand, dal ik hem volgen zou, en ging mij onhoorbaar voor naar den kloostertuin, een aangenaam vierkant plekje gronds, met bloeiende rozenstruiken beplant, en omgeven door een kunstig, naar den nieuwsten bouwtrant bewerkt kruisgewelf. Ofschoon daar buiten reeds de bladeren afvielen, had het verwelken en sterven der natuur nog geen toegang gevonden tot dit liefelijke plekje, dat door de zorgvuldige monniken getrouw werd verpleegd.

De primaat zette zich tusschen de weelderige struiken op een steenen bank neder en herhaalde zijne vraag: »Hoe gaat het met mijn heer en koning?quot;

sHeer Thomas,quot; zeide ik, »het gaat met hem volgens het algemeen menschelijke noodlot en nog ellendiger. Hij is niet meer te herkennen. Als gij hem zaagt, zoudt gij medelijden met hem hebben en u over hem ontfermen.quot; Daarop schilderde ik hem

ocr page 183

101

met roerende woorden het verval en de verwildering van den eens zoo majestueuzen vorst.

Hij hoorde mij langen tijd geduldig aan.

Eerwaarde heer, hij luisterde naar mij zonder leedvermaak, maar ook zonder zichtbaar medelijden, en toch ook niet onverschillig en alsof het hem niet aanging, maar als iemand, die hoort, dat het onheil is gekomen, dat hij lang heeft vooruitgezien en waarop hij zich in den geest heeft voorbereid.

Hij zweeg dus, maar ik meende toch op te merken, dat zijn hart zachter werd gestemd. Daarom vatte ik moed en riep: «Heer Thomas, gij zijt een heilig man en een door boete en kastijding gelouterd christen! Indien gij kondt vergeven wat koning-

Hendrik jegens u heeft misdreven..... dan zou

alles heden nog tot een goed einde komen!quot;

Hij bleef echter zwijgen.

«Vergeef het den koning,quot; zoo riep ik weder, »dat Gratia verloren ging!quot;

O O

Toen boog heer Thomas het hoofd en antwoordde raadselachtig : «Het zou ontzettend zijn, indien de lieve Gratia verloren ware gegaan____dat zij verre.quot;

Op dit oogenblik vernamen wij het jammerend geschreeuw der monniken, welke een jongen ruiter, die den portier overrompeld had en lol in het kruisgewelf was doorgedrongen, aan de armen terughielden. Het was jonker Richard. Het wachten en zijne vermomming hadden hem waarschijnlijk verdroten.

DE HEILIGE -11

ocr page 184

162

De monniken van zich afschuddend, slorüe hij aan de voeten van den primaat neder met de woorden: »Mijn vader, mijn vader! zij willen mij niet bij u toelaten.quot;

Deze beschouwde hem een wijle zwijgend. Daarop streek hij met zachte hand zijne verwarde blonde lokken, die nat waren van het zweet, van zijn voorhoofd weg en streelde die met moederlijke teederheid.

Toen ik dit teeken zijner innige liefde voor Leeuwenhart zag, beschouwde ik onze zaak als gewonnen en trok mij bescheiden onder het kruisgewelf terug, terwijl ik hen beiden aan hunne beschuts-engelen en beschermheiligen overliet.

Ik zette mij op de groote vierkante vloertegels onder een boog, welks gewelfde opening door fijne marmeren staven in verschillende vakken was afgedeeld, en wierp nu en dan, tusschen het groen door, op het tweetal eenen onderzoekenden blik. Het gewelf was rijk versierd met beeldhouwwerk, en, zooals ik zeide, volgens den nieuwsten stijl gebouwd. Zijne zuilen hadden prachtig gebeeldhouwde kapiteelen, waarop, om de andere, nu een wezen uit hooger en dan weder een uit lager gewesten was aangebracht, hier een psalmzingende engel, daar een potsierlijk of kwaadaardig grijnzend monster. Maar ik wijdde niet veel aandacht aan deze versierselen, want mijn blik werd altijd weder heengetrokken naar de steenen bank in den kloostertuin.

De koningszoon had de knieën des kanseliers

ocr page 185

40,1

omvat, die slechts zacht scheen te weerstreven, totdat jonker Richard met gloeiende wangen zijn laatste bede voordroeg en den primaat nog inniger omknelde. Toen wendde heer Thomas zich met treurig gelaat van hem af, maar de prins hield niet op voor hij ook deze toestond. Ik hoorde den jongeling, terwijl hij streed voor hel zieleheil zijns vaders, herhaalde malen het woord shaiser' gebruiken, en vermoedde, dat er sprake was van den vredekus der kerk, waarmede de primaat moest beloven, zijn eerstvolgend onderhoud met den koning te wijden en te beginnen.

Na geruimen tijd gingen zij, de bloeiende jongeling ter linkerzijde van den zwaar beproefden bisschop , mij hand in hand voorbij en scheidden nog voor zij het einde van het kruisgewelf hadden bereikt. Ik volgde hen. Jonker Richard boog zich over de blanke hand van den kanselier en besproeide die met tranen van kinderlijke dankbaarheid. En ook ik juichte in mijn hart, dat er nu een einde zou komen aan liet deerniswaardig lijden mijns konings. Maar, helaas, daar viel mijn oog, juist boven beider hoofden, op een klein steenen monster, dat, gezeten op een der kapiteelen, met zijn kleine, dikke beentjes naar hen schopte en daarbij de tong uitstak. Dit stond mij niet aan, hoewel het slechts een toeval was, en ik zou veel liever gezien hebben, dat zij eerst bij de volgende zuil afscheid hadden genomen, waar een engel, die op de harp speelde zijne zwanenvleugels uitspreidde.

11*

ocr page 186

164

Jonker Richard zond mij nu hals over kop naar den koning, zijnen vader, met een brief, waarin hij hem smeekte bij Christus' wonden en zijne eigene zaligheid, de samenkomst met den primaat, die op de smeekingen van den zoon was toegestaan, te bespoedigen.

Toen koning Hendrik uit den brief vernam, dat de bisschop hem den heiligen vredekus beloofde, kon hij het niet langer op zijn kasteel uithouden. Hij zette zijne ridders tot haast aan en schold op zijne onderhoorigen, totdat wij binnen enkele uren in vollen ren wegreden — zoo vurig smachtte hijquot; naar de aanraking der lippen, die, zooals hij vast geloofde, zijne langdurige folteringen moesten stillen eti aan zijn leven den vrede hergeven.

Het was op een somberen dag, dat beiden elkander op eene droefgeestige heide ontmoetten. Het kostte heer Thomas, die met een klein gevolg verscheen, moeite om van het paard te stijgen. Hij was mager geworden en waggelde als een riet, dat aan zon en wind was blootgesteld. De koning snelde toe om den stijgbeugel voor hem vast te houden, maar zijne monniken hadden den primaat reeds in hunne armen opgevangen. Hij stond eerbiedig maar geheel en al uitgeput voor mijnen vorst; zijne oogen lagen diep in hunne kassen en zijn stem beefde, toen hij de eerste woorden tot den koning sprak: «Genadige heer, laat de anderen zich verwijderen, opdat ons

ocr page 187

165

onderhoud geheim blijve.quot; Hij wenkte zijne monniken, dat zij achteruit zouden gaan, en de koning wees met bereidwillige haast zijne ridders terug, want hij verlangde naar den vredekus. Ik greep de teugels der beide paarden en bleef op korten afstand van beiden staan, terwijl de anderen, zoowel de monniken als de ridders, wel Ier lengte van een boogschot naar beide zijden waren teruggeweken.

Koning Hendrik kon zich nu niet langer bedwingen; met vooruitgestoken lippen bracht hij zijn vervallen, opgeblazen gezicht dicht bij het gekastijde, heilige gelaat des kanseliers. Het was leelijk en terugstootend, het gezicht van mijnen koning, maar er was zooveel ontroering en reikhalzend verlangen in uitgedrukt, als begeerde hij het lichaam des Heeren te smaken.

Wat er nu plaats had, eerwaarde heer, wat er omging in het binnenste van den kanselier, wie zal het zeggen?

Ik geloof, dat deze mengeling van leelijkheid en begeerlijkheid hem aan den gewelddadigen dood der jeugdige Gratia herinnerde. Hij trok zijne lippen vol afkeer terug en beschouwde huiverend 's konings gelaat, dat zoo nabij het zijne was, alsof daarop iedere mishandeling en iedere wandaad te lezen stond.

Maar door zijn vurig verlangen verblind, merkte de koning dit niet op; hij greep den arm des kanseliers en trachtte hem opnieuw te naderen, maar deze stiet hem met een kreet van ontzettinor terucr.

O O

ocr page 188

1(36

Zoodra nu de vorsl met smart en verontwaardiging ontdekte, dat de primaat, trots zijn gegeven woord, hem den vrede niet vermocht te schenken, verhardde zich plotseling zijn gemoed, en hij stiet in vertwijfeling de woorden uit: »Wat heb ik met u te doen, Thomas? Waarom vervolgt gij mijne ziel?quot;

Inmiddels had de kanselier zijne zelfbeheersching herkregen en wist hij, wal hem te doen stond. Hij antwoordde met kalme waardigheid: «Gij kent sinds lang mijne natuur, o heer, die behoefte heeft, de voetstappen te drukken van een, die meerder is dan ik. Ik ben er niet zeker van, of de Nazarener, wien ik toebehoor en tracht na te volgen, het van zich verkregen zou hebben uwe verfoeielijke lippen aan te raken. Wel heeft hij den verrader Judas gekust, die hem, de onschuld en de liefde zelve, verkocht en overgeleverd heeft lot den dood, maar toch betwijfel ik het, of hij hem gekust zou hebben, die de ziel van zijn kind vergiftigd en hare onschuld verwoest had. En daar hij tevens een God is, zooals de kerk leert, kan hij den moord, aan zijn lam gepleegd, niet vergeven zonder ernstige en volkomene boetedoening, omdat hij zich zeiven, dat wil zeggen de gerechtigheid, die zijn wezen is, niet verloochenen kan. Zou ik, die een mensch ben van heidensche afkomst en niet zoo onderworpen als ik schijn, datgene van mij zeiven kunnen verkrijgen, waartoe mijn Meester niet in slaat was! En toch zal het geschieden. Maar lol een hoogen prijs; ziel om ziel! Geel

ocr page 189

107

nauwlel-lend acht, o Koning, op wal ik u zeggen zal en overleg dan.

»Zie, ik heb nog andere kinderen, uwe Saksers, wier zielen gij zelf eens aan mijne hoede hebt toevertrouwd.

„Maar hoe kan de verbannen herder hen hoeden? En hoe kunnen deze zielen toenemen in wijsheid en deugd, wanneer hunne lichamen het eigendom zijn uwer wolven, uwer onverzadelijke baronnen? Sinds uw voorzaat, de Veroveraar, vele duizenden van deze overwonnen Saksers aan een handvol gevoelloozc Normandiërs onderworpen heeft, wonen de beroofden niet meer op hun eigen grond. Gij verminkt de mannen, wanneer zij een schadelijk stuk wild hebben gedood, krachtens uwe barbaarsche jachtwetten, en vrees voor u doet jongelingen en maagden in de schaduw der kloostermuren de zon ontvluchten en verjaagt hen van den grond hunner vaderen, die hun een bestaan verzekert, en dien zij in vrede bebouwen en bevolken moesten.

»Laat mij begaan! Hoor mij aan: ik wil u en uwen zoon, die u trouw blijft, een volk scheppen. Niet door verovering en geweld, maar met wijsheid en gerechtigheid, met den zachten staf des bisschops zal ik overwinnen. Daar ik de zielen beheersch, vrees ik de zwaarden uwer Normandiërs niet. Ik ben in deze dagen van blinden hartstocht en plompe list nog altijd de verstandigste van alle stervelingen.

»0 mijn Koning, hoe dwaas hebt gij gehandeld, toen gij, om mijne macht te vernietigen, uwen zoon

ocr page 190

168

Hendrik hebt gekroond! En hoe onrechtvaardig! Want gij zelf hebt mij tot uwen primaat verheven en uw primaat ben ik en blijf ik.

«Zie hier,quot; — en hij haalde een opgerold papier uit zijn borstzak, «den banbliksem van den paus te Rome, dien hij tegen u slingert, omdat gij de rechten van mijnen stoel hebt aangetast, — een onheilig vuur, dat ik niet over uw hoofd heb afgesmeekt! — Heden is de heilige Vader een huurling van uwen koninklijken neef van Frankrijk, zooals hij eens, toen ik u diende, de uwe was. Gij hebt den Italiaan niet doorgrond, en te ongelegener tijd uw goud gespaard.

»Geef u weder aan mij over, mijn heer en gebieder, en ik zal deze brandende fakkel, die voor geld te koop is, voor u uittrappen. Ook van de rechten van mijnen zetel zal ik afstand doen, zoodra ik ze gebruikt heb om in uw koninkrijk aan iede-ren burger vrijheid en recht en aan u een volk te verzekeren. Want ik ben geen knecht van den Italiaan, maar een dienaar en broeder des Nazareners.quot;

Onder het aanhooren dezer verbazingwekkende woorden was de koning beurtelings rood en bleek geworden. Somwijlen scheen hij overwonnen, maar dan weder verzette zijn koningstrots er zich tegen, zich voor den bisschop en diens scherpzinnigheid te buigen en zich aan hem over te geven. Vijandschap en afkeer verkregen dan weder de overmacht en hij' bleef met zich zeiven in strijd.

«Zie, mijn voet is moede,quot; ging heer Thomas

ocr page 191

169

met zachte stem voort. »Mijne zon neigt ten ondergang, maar het komt mij voor. dat het stichten van een rijk, waar God en de mensch niet in het aangezicht gespuwd en geslagen worden, in het midden dezer eêuw van haat en tweedracht de moeite van te leven waard zou zijn.

«Erfgenaam van den Veroveraar, wilt gij een rechtvaardig koning worden?

«Begeert gij eene zachtere stervensure dan die uwer voorvaderen? Boven uquot; — en Thomas staarde in de ledige ruimte boven het hoofd des konings, waar ik in den geest een hand met uitgetrokken zwaard aanschouwde, — «zweeft een andere wraak dan de mijne. Ik verzoen u met haar. Ik zal u beschermen. Ik dien u nu beter dan voorheen als uw eerzuchtige kanselier. Ik ben uw vriend, want zie, uw zoon Richard heeft voor u gebeden.quot; —

Deze schoone en vrome woorden zouden misschien mijn armen koning hebben overtuigd. had de verstandige primaat er Leeuwenhart slechts buiten gelaten. iMaar ofschoon koning Hendrik zijn derden zoon boven alles liefhad, was hij door het weinig kinderlijk verraad en de afvalligheid dei-prinsen Hendrik en Godfried achterdochtig geworden jegens zijn eigen vleesch en bloed. Het ergerde hem, dat zijn zoon Richard voor hem gebeden had en een duister wantrouwen rees op en kookte in zijn gemoed.

«Wat verlangt gij van mij, Thomas?quot; stotterde

ocr page 192

170

liij in innerlijken tweestrijd, ))ik zou mijne Norman-diërs verbitteren? Waar denkt gij aan?... Ik zou mijne Saksische lijfeigenen in vrijheid stellen!... Meent gij dat in ernst?... Wilt gij mij in het verderf storten?quot;____ Hij fronste het voorhoofd, als

trachtte hij zijn gedachten te verzamelen, maar plotseling maakte zich een toomelooze drift van hem meester; ))lk doorgrond u,quot; riep hij, «gij wilt mij en mijn rijk ten val brengen!... Sinds Gratia, die God verdoeme, dood is, peinst gij dag en nacht op mijnen ondergang, gij huichelaar, gij rustverstoorder, gij wraakzuchtige heiden!quot;

Maar heer Thomas' gelaat schitterde als dat eens engels en hij sprak met stralende oogen: »Ik vergeef u den dood van Gratia cn uwe smaadredenen, wanneer gij mijne broeders, de Saksers, in vrijheid stelt, en u voortaan naar goddelijke en mensche-lijke wetten gedraagt! Will gij dat, koning Hendrik?..quot;

Op dit oogenblik begonnen de Normandische ridders ongeduldig te worden; het verdroot hun den koning zoo lang te zien onderhandelen met den verbannen bisschop, wiens wijsheid zij vreesden, terwijl de eerbied voor hunnen vorst bij hen reeds merkelijk was gedaald. Zij kletterden met hunne speren en schilden, deden hunne paarden springen en riepen: »Finissez, Seigneur Roi, fmissez!quot;

Koning Hendrik ontstelde en beduidde den primaat, dat hij zich haastig moest verwijderen.

«Wijk terug,quot; riep hij, »in uw Fransche klooster!

ocr page 193

En dat uwe voeten nimmermeer den Engelschen bodem betreden, gij volksverleider! Noch hier, noch aan gene zijde der zee wil ik u ooit meer ontmoeten, ot iets met u te doen hebben, gij toovenaar en ongeluksproleet!____quot;

Alle leven was uit het aangezicht des kanseliers geweken. Hij antwoordde met zachte stem : «Ik weet niet of ik uwe bevelen zal kunnen opvolgen, want ik heb nu lang rondgezworven, en herder en kudde verlangen naar elkaar. Ook zie ik reikhalzend uit naar de plaats, waar ik zal rusten. Daarom, o heer, beloof ik niet, dat ik u gehoorzamen zal. — Maar vrees niets van mij, want mijne schreden zoeken den vrede.quot;

))Wacht u, wacht u op gevaar van uw leven, mijnen Engelschen bodem te betreden!quot; schreeuwde de koning buiten zich zeiven van drift en met zulke hartstochtelijke gebaren, dat Richard Leeuwenhart, die, om hen niet uit het oog te verliezen, in de nabijheid der Normandische ruiters was gebleven, met lossen teugel en ontsteld gelaat kwam aanrennen.

Maar Thomas Becket wendde zich met een weemoedig lachje tot den koning. «Ik geloof, dat de ure mijner bevrijding nadert,quot; zeide hij. »Waar zou ik, bloodaard, anders den moed gevonden hebben, het hoofd op te heffen en mijn heer en koning te vertoornen !quot; —

Zoo scheidden koning Hendrik en heer Thomas

ocr page 194

172

van elkander, zonder dat de verzoening was tot stand gekomen, die zij beiden toch zoo eerlijk hadden gezocht.

XII

Wij hadden eenen warmen en bijzonder langen herfst gehad, maar toen wij de sombere heide, de plaats waar te vergeefs naar verzoening getracht was, verlaten hadden, en zwijgend en in ons zeiven gekeerd , den weg naar de Normandische vesting Rou-aan aflegden, dreef een gure winterlucht ons de eerste sneeuwvlokken in het gezicht. Mij drukte de kommer als een te nauw sluitend borstharnas, want nu gaf ik de zaak mijns konings verloren, immers ik wist maar al te goed, wat ik ook voor prins Richard niet had verborgen gehouden, dat de ijskorst om het hart nog dubbel zoo sterk wordt, wanneer ?ij, na door een zonnestraal der liefde te zijn gekoesterd, aan vernieuwde koude wordt blootgesteld. En ik had het nu met eigen oogen gezien, hoe de primaat, uit liefde voor Leeuwenhart, getracht had zijn natuur te verloochenen en de lippen des konings te beroeren, en hoe hem dat onmogelijk was geweest.

Terwijl de kraaien hem over het hoofd vlogen, joeg koning Hendrik over het vlakke veld, dat langzamerhand met sneeuw werd overdekt.

Aan een kruisweg gekomen, zette jonker Richard, die tegen zijne gewoonte gedurende de geheele reis achteraf was gebleven, zijn licht geel paard aan, tot

ocr page 195

173

naast den Barbarijschen hengst des konings en nam afscheid van zijn vader met gebogen hoofd en, naar het mij' voorkwam, iets diepzinnigs en achterhoudends in zijne trekken, dat anders op zijn heldhaftig gelaat nooit te lezen was. Hij wendde, ik weet niet welke persoonlijke aangelegenheden en verwikkelingen in zijn graafschap Poitou voor en ik begreep, dat hij wel is waar niet met zijne broeders tegen den koning wilde opstaan, maar zich toch buiten den strijd zou houden.

De koning bleef den korten tijd tot aan Kerstmis onder vrome tucht en christelijke boetedoening te Rouaan, hoorde vlijtig de mis en kastijdde zich zeiven met vasten en allerlei onthouding, want het was zijn voornemen op den morgen van het heilige feest de hostie te gebruiken.

Hij deed dit dan ook met stichting en blijdschap, en daarna zette hij zich met zijn adellijk gevolg aan den rijk voorzienen disch om zijne hongerige maag-Ie goed te doen. De feestelijke maaltijd zal misschien ter helfte afgeloopen zijn geweest, toen de duivel zich roerde en ons eenen onverwachten en onge-wenschten bezoeker zond.

Gelaarsd en gespoord — want hij was juist van hel paard gesprongen — kwam de bisschop van York hijgende de zaal binnen en plaatste zich, zoo rood als een kalkoen, met toornige gebaren tegenover den aan tafel zittenden koning. Deze kleine, driftige

ocr page 196

174

Normandiër was met zijn rusteloosheid en zijne bewegelijke ledematen in staat een kalm en gezond mensch zijn bedaardheid te doen verliezen, hoeveel te meer dan mijnen koning. Nevens hem verscheen nog een zijner geestelijken, een man met een lang, schrander gezicht, die hem met bedachtzame woorden tot rust en kalmte trachtte te brengen.

«Help mij, rechtvaardige koning Hendrik,quot; schreeuwde de kleine zoo hard hij kon. «Alsof de primaat alleen nog niet genoeg was, heeft nu ook de heilige Vader te Rome mij zijn banbliksem naar het hoofd geslingerd. Thomas Becket, dien God ver-vloeke, heeft zelf de bul op zijn lijf verborgen in uw Engelsch koninkrijk gebracht en juist in dezen tijd van heilige blijdschap wordt zij in alle kerken, waar Saksers de mis lezen, openlijk afgekondigd tot schande van mij en mijnen koning. En hoe is deze zoon der verderfenis naar Canterbury gekomen ? Als een overwinnaar met paard en wagen en een ganschen zwerm Saksers achter zich.quot;

Hier gelukte het den schranderen geestelijke zich te doen verstaan.

Niet op die manier, zoo vergoelijkte hij, maar zooals het behoorde, op eene ezelin had de primaat zijn intocht gedaan, doch het was waar, dat het volk de kleederen voor hem had uitgespreid en al wat er in dezen wintertijd aan groen voorhanden was, op zijnen weg had gestrooid. De verbannene was uitgeput naar Canterbury terug gekomen en had

ocr page 197

475

zijn aartsbisschoppelijk paleis, ja zelfs zijn kamer niet meer verlaten. Het was boven allen twijfel verheven, dat de primaat twee pauselijke bullen, tus-schen zijne kleederen verborgen, naar Engeland had medegebracht, maar de eene had hij in het vuur geworpen, terwijl hij zich de andere slechts met moeite door zijne krijgslustige geestelijken had laten ontrukken. Heer Thomas' gezondheid was sterk aan het afnemen en de natuur zelve zou den koning weldra van zijnen kwelduivel en tegenstander verlossen.

Dit was de zuivere waarheid. Een der huisge-nooten van den primaat, die verplichting aan hem had, had hem dit alles getrouwelijk verhaald.

Maar de bisschop loochende deze verstandige opmerkingen in de meest krasse bewoordingen. dTIio-mas aan het afnemen?quot; schreeuwde hij. «Bij mijn bisschopsmuts, drie levens heeft hij, die taaie, om uwe Majesteit kwaad te doen! Thomas vrede brengen? Den oorlog brengt hij u in Engeland! Overal waar hij doortrekt, worden de Saksers oproerig en grijpen naar hunne strijdbijlen! Ik weet het van ooggetuigen 1quot;

In zooverre ik de ontzenuwde Saksers kende, kwam mij dit reeds toen onmogelijk voor, maar ik luisterde nauwelijks naar de dolle woorden des bis-schops, want al mijn aandacht was op mijn koning-gevestigd, wiens bloed begon te koken.

Buiten zich zeiven van drift, had hij de verzachtende woorden van den verstandigen geestelijke niet eens gehoord.

ocr page 198

176

Nu sloeg de vlam helder uit. Koning Hendrik, wien de opstand van den kanselier evenzeer tegenstond als diens ootmoed, sprong in zinnelooze woede van zijnen zetel op, en stiet zoo krachtig zijn beker weg, dat deze over de tafel rolde en den wijn in roode stroomen over hel tafellinnen uitgoot, als bloed in de sneeuw.

»lk heb hem verboden mijn grond te betreden!quot; schreeuwde de koning met bevende stem. »Ik weet, dat hij in zijne kleederen ook een pauselijke bul verbergt tegen mij, zijnen koning. Hij heeft haar mij zelf laten zien, de snoodaard!quot;

Daarop sloeg hij in vertwijfeling de vuisten tegen elkander en weeklaagde: „Ik heb hem gekleed en getooid als eene geliefde. Hij heeft als een schoothondje hel brood uit mijne hand gegeten en deze duivel van ondankbaarheid treedt mij mei voeten, brengt verdeeldheid in mijn huis en verwoest mijn koninkrijk.quot;

Hij liet zijne onzekere, dwalende blikken over den kring zijner gasten gaan, die als verstomd op hunne zetels zaten, en slingerde dan zijn ridders de beleedigende woorden naar het hoofd: »Ik mest slaven! Zij leven van den grond, die mijn eigendom is, en steken hunne voelen onder mijnen welvoor-zienen disch, maar geen van die vraten en wijnzuipers is mans genoeg om mij éénen verrader van den hals te schuiven!quot;

Terwijl de koning met rollende oogen op en neder

ocr page 199

177

ging en niemand het waagde hem te antwoorden, was het meerendeel der koninklijke gasten van tafel opgestaan en omringde den bisschop, hem met vragen en verwijtingen bestormende.

Ik was achter den stoel mijns konings gebleven en zag nu aan het benedeneind der op eens verlaten tafel vier der gasten bij elkander zitten, die elkaar blikken vol toornige verstandhouding toewierpen en fluisterend, alsof zij geheimen raad hielden, heftige woorden wisselden. Hunne namen, eerwaarde heer, zijn u bekend, want de faam heeft die naar alle windstreken uitgeroepen; zij zijn de onzaligste van alle die bestaan, en ieder christenkind in Engeland maakt het teeken des kruises, wanneer hij ze hoort.

Het is ten eerste ridder William Tracy, de spotvogel, dan Richard uit Bretagne, Reginald, de schoone, een lieveling der vrouwen, en ten laatste Hugh, de woordkarige.

Ik stond te ver van hen verwijderd om hunne woorden te verstaan, maar hunne houding was welsprekend genoeg.

Nog zie ik, hoe ridder Hugh op de lippen beet, hoe Reginald zijne zachte, lange haren om zijne vingers wond en stuk trok, terwijl een toornig rood Richard's gelaat bedekte en de geestige mond van William Tracy, anders steeds tot een gullen lach geplooid, nu tot bittere verachting was vertrokken. Eindelijk schenen zij het eens te zijn geworden en verdwenen zij gezamenlijk door een achterdeur.

DE HEILIGE. 12

ocr page 200

178

Ik keerde mij naar het venster en zag hen alle vier op het slotplein ongeduldig op hunne paarden wachten en die dan haastig bestijgen.

Toen ik op den avond van dezen noodlottigen Kerstdag in de kamer van mijnen koning verscheen om zijne bevelen aangaande de jacht van morgen te vernemen, vond ik hem, zooals het met driftige menschen gewoonlijk gaat, stil en neerslachtig, zoodat ik het durfde wagen mijn beklemd hart lucht te geven.

»IIeden middag, nadat gij aan tafel zoo heftig en scherp gesproken hadt,quot; zoo begon ik, ïzijn vier van uwe gasten,quot; en ik noemde hen, «spoorslags weggereden, ik meen in de richting van de kust.— Indien zij uwe toornige woorden eens als een wensch of een bevel hadden opgevat...o heer! Wat dan? Indien uwe woorden hen eens tot daden deden overgaan — het zou uw wil niet zijn.quot; —

Hij staarde mij aan, terwijl hij met moeite zijne gedachten verzamelde en antwoordde niet.

»Bij de kribbe van Bethlehem,quot; zoo waarschuwde ik met aandrang, ))het is geen kleinigheid! Alle heiligen en engelen mogen u behoeden, dat gij uw ziel met den dood van een martelaar bezwaren zoudt!quot;—

Nu begreep hij mij plotseling en vatte mij bij den schouder. «Wanneer zijn zij uitgereden?quot; vroeg hij, hoewel ik het hem zoo juist had gezegd. »Waarom waarschuwt gij niet te rechter tijd, gij krassende raaf?quot;

ocr page 201

179

»Nog is het niet te laat,quot; hernam ik onversaagd. »Zie hoe de sneeuwwolken opkomen uit het noorden ! Ongetwijfeld is de zee onstuimig en hebben zij tegenwind.quot;

»Zadel dan mijn paard,quot; beval hij; »het gaat sneller dan de storm. Achterhaal hen en breng hen tot mij terug. Gij zult ze inhalen — ik wil het!quot;

»Heer,quot; zeide ik, »zij zouden niet naar mij hooren, want de beleediging, hen door u naar het hoofd geslingerd, is slechts met bloed uit te wis-schen. Beter ware het, dat ik eenen anderen weg nam; ik kom dan aan de kust, ter plaatse, waar de zeearm het smalst is, dwing het snelstzeilende schip, aan wien het ook toebehoore, mij over te brengen, bereik Canterbury vroeger dan de vier door uwen toorn geprikkelde ridders en breng in uwen naam heer Thomas in veiligheid.quot;

«Dat is uwe zaak!quot; dreigde hij. «Maar weet dit ééne: ik wil niet, dat den primaat eenig leed geschiede! Indien één haar van dit eerwaardige hoofd wordt gekrenkt, dan boet gij daarvoor en zult gij aan de eerste, de beste galg worden opgehangen!quot;

Deze onzinnige bedreiging was overbodig. Nooit werd er sneller een paard gezadeld, noch ruste-loozer gereden. Onderweg vernam ik, dat het viertal zijnen weg had genomen in de richting der meest nabijzijnde zeehaven, die de haven der Genade genoemd wordt, en ijlde ik dwars door het Fransche grondgebied naar Galais, van waar een snelzeiler mij

12*

ocr page 202

180

in weinige uren naar Engeland overbracht. Terwijl de golven om mij ruischten, bad ik vurig tot de lieve Moeder Gods, dat zij mij ten minste twintig Ave Maria's op het vergramde viertal voorgeven zou, en zij verhoorde mijne bede.

Op Engelschen bodem werd ik herhaalde malen door rondzwervende, geharnaste Normandiërs aangeroepen, want het land was in beroering, daar alom de mare was verspreid, dat de primaat zich in Canterbury met Saksische wapenen omringde.

Voortgejaagd door een drukkend gevoel van vrees, dat overal als in de lucht hing, boog ik mij over den hals van mijnen Barbarijschen hengst en zette het dier aan tot een razenden galop, maar niettemin kwam het mij voor, dat de torens der kathedraal, die hoog boven de daken der huizen uitstaken en waarop ik mijn blik onafgewend gevestigd hield, maar niet grooter werden.

Toen ik eindelijk, in mijn zweet badende, de muren der stad naderde, vond ik de straat voor de poort bestrooid met versch afgesneden dennentakken en armzalig wintergroen, de kenteekenen van eenen vreedzameh intocht.

Ik sprong van mijn paard en geleidde het snuivende dier door een achterstraatje naar de brouwerij, waar ik gewoon was af te stijgen; want ik had mijnen koning niet zelden naar Canterbury vergezeld, welks pas voltooide domkerk voor een wonder der nieuwste bouwkunst gold. De huisheer, een Sakser, die tege-

ocr page 203

181

lijk alderman van Canterbury was, sloot juist voorzichtig de luiken voor de rij vensters, die op een der voornaamste straten uitkwamen. Toen ik hem vroeg, waarom hij het op klaarlichten dag zoo donker maakte, gaf hij mij met de linkerhand te kennen, dat ik zwijgen moest en schoof mij met de rechter voor een hreede reet in een vensterbal k. Ik keek er door en zag het viertal van 's konings tafel in volle wapenrusting de straat op en neder rijden, terwijl zij met uitgetrokken zwaard op de vensters en huisdeuren wezen.

«Iedereen blijve in zijn huis! Niemand zette een voet op de straat!quot; zoo gebood William Tracy, die op zijn edel ros voor de woning van den alderman heen en weer reed, terwijl het dier uit zijne snuivende neusgaten een wolk van damp uitblies in de koude winterlucht.

Nadat hij zijn paard had omgewend, herhaalde hij zijn bevel, niet op de minachtende wijze, waarop de Normandische hoogmoed gewoon was tegen de Saksers uit te varen, maar op den plechtigen toon van een heraut.

De verschrikte burgers gehoorzaamden. Hier werd een winkel gesloten, daar droeg een koopvrouw jammerend hare manden weg, iets verder nam een bezorgde moeder haar kind, dat op straat speelde, op den arm en vluchtte er mee in huis.

De geestige ridder William was niet te herkennen. Ernstig en dreigend keken zijne oogen onder de

ocr page 204

182

zwarte wenkbrauwen uit en zijn gelaat was doodsbleek. Het werd mij duidelijk, dat het viertal het onderweg eens was geworden, en dat zij de smadelijke woorden des konings, die hun op de ziel brandden, niet met een onbesuisden moord, maar met een gerechtelijk doodvonnis dachten uit te wisschen.

Ook ik beraadslaagde met den alderman, deed hem inzien, wat de echte en laatst uitgesproken wil mijns konings was, en gebood hem, zoodra het viertal vertrokken was, zijnen burgers moed in te spreken en hen te wapenen, en dan op een teeken van mij te wachten.

Daarna sloop ik door allerlei achterstraatjes, en bereikte zoo het stevige aartsbisschoppelijke paleis, waar men mij, als een dienstman des konings en een in Engeland welbekend persoon, zonder bezwaar, ja zelfs bereidwillig als een helper in den nood binnenliet.

Men bracht mij in eene prachtige, aangenaam verwarmde zaal, waar de primaat te midden van vele geestelijken en dienstdoende broeders aan tafel zat, en ik verborg mij tusschen hen, vol ongeduld wachtende, tot het oogenblik gunstig zou zijn om heer Thomas te naderen.

Hij zelf roerde geen bete aan en zijn gelaat geleek dat van een geest, zooals hij daar met gesloten oogen achterover leunde in zijnen bisschoppelijken stoel en een armen, trouwen kerel uit Canterbury

ocr page 205

183

aanhoorde, die met bevende slem de aankomst der vier ridders berichtte.

Nadat hij hem van de nabijheid van het gevaar had overtuigd, bezwoer de Sakser den primaat zijn leven door de vlucht te redden. Een angstig gemompel ging bij deze woorden door de rij der aanzittenden.

Maar heer Thomas bewoog zich niet. »Het is genoeg,quot; zeide hij rustig, zegende den weenende en liet hem gaan. Daarop sprak hij; ))Geef mij den beker!quot; en de jonge geestelijke, tot wien hij zich wendde, een blonde knaap in een wit geplooid gewaad, reikte hem eene met water gevulde drinkschaal over, die hij langzaam ledigde.

Nu trad ik naar voren en wierp mij aan do voeten van den primaat. «Eerwaarde vader, ik kom van mijnen koning ! — Hij vreest voor u!quot; riep ik. »Hij zendt mij met de grootst mogelijke snelheid, opdat ik u met mijn lichaam dekke en de koninklijke macht boven uw hoofd uitbreidef.... Op, vrome broeders!quot; en ik wendde mij tot zijne geestelijken, «op! staat mij bij! Geleidt uwen bisschop naar zijn meest verborgen en veiligste vertrek! En gij anderen, helpt mij de poorten sluiten en de deuren verschansen! Als de eerste ijver van de vier edelen is bekoeld en hun eerste aanval afgeslagen, dan breng ik met de hulp der mannen van Canterbury den primaat naar het naastbijzijnde koninklijke slot. — Heer Thomas, in naam der gebenedijde Moeder, bied geen tegenstand! Geef u over aan des

ocr page 206

184

konings bescherming en u zal geen haar van uw hoofd gekrenkt worden!quot;

Zonder van hunne plaatsen op te staan, vestigden al de aanwezig zijnde geestelijken hunne blikken op den primaat, maar deze vernietigde mijn plan met weinige kalme woorden. »Beter dan gij ken ik den wil uws meesters. Ik lees duidelijk in zijn hart Gods eeuwig raadsbesluit en het voornemen mijns konings worde aan mij vervuld!quot;

»Bij de vijf heilige wonden!quot; riep ik buiten mij zeiven, «de koning wil niet, dat gij hier wordt vermoord! Is het zijne schuld, wanneer gij het vermetel oogmerk hebt, uw eigen lichaam en des konings ziel voorbedachlelijk en snood in het verderf te storten?quot;

Toen keerde heer Thomas zich plotseling tot mij met de vei'pletterende woorden des bijbels: »Ga weg achter mij. Satan, want gij zijt mij een aanstoot!quot;

Verschrikt sprong ik op en week achter de geestelijken terug. Ik was bedroefd, maar meer nog vertoornd, omdat heer Thomas, die mij tot nu toe nog nooit hard gevallen was, mij op het oogenblik dat het duidelijk werd, wat er in hem omging, zulk een leelijken en beleedigenden naam gaf, alsof ik mijn leven lang een aartsschelm was geweest. — Was dat niet onrechtvaardig? Ik laat dit aan uw oordeel over, daar gij nu mijn gedrag van jongs af kent, en ik u mijne zwakheden niet heb verheeld.

Voor ik de smart over dezen onverdienden slag

ocr page 207

185

overwonnen had, werd de deur geopend en de vier Normandische edelen traden de zaal binnen zonder wapenrusting of wapenen, in gewone hofkleedij. Zij begroetten den primaat met onberispelijke hoffelijkheid, maar hunne houding was vijandig.

De bisschop had zich bij hun binnentreden in zijnen stoel opgericht en ik verwonderde mij over zijne verhevene gestalte, waaruit alle zwakte geweken scheen. Hij beantwoordde den groet zijner sombere gasten even hoffelijk en noodigde hen met eene nauw merkbare handbeweging aan zijne tafel. Zij namen plaats.

ïHoe maakt het mijn heer en koning?quot; vroeg hij hun na eene wijle, maar kreeg geen antwoord.

«Is er vrede?quot; vroeg hij weder.

Alle vier zagen zij den bisschop aan, de eenen met gefronst voorhoofd, van onder de dreigende wenkbrauwen, de anderen schuw en van ter zijde, maar er kwam slechts een onverstaanbaar gemompel over hunne lippen.

Het eerste vermande zich ridder Richard, die om de kracht van zijn vuist Frappedur genoemd werd, wat in onze taal ïsla hardquot; beteekent. ))Wij komen in naam des konings!quot; zeide hij.

»Ik geloot u,quot; antwoordde de primaat. »6ij,die steeds in zijne onmiddellijke nabijheid zijt, verstaat zijn wenk en vervult zijn wensch.quot;

»Hef den ban over den bisschop van York op, primaat, of verwijder u uit Engeland!quot; vervolgde

ocr page 208

186

Frappedur en de woordkarige stemde mede in: «Vernietig den ban of verwijder u.quot;

«Niet slechts ik, ook een ander, de heilige Vader in Rome, heeft den ban over hem uitgesproken,quot; antwoordde heer Thomas rustig. «Tot dezen wende zich mijn broeder van York. Ik kan mij daarmede niet bemoeien. Ik zoek slechts den vrede.quot;

«Zoo ontkomt gij ons niet, gij sluwe vos!quot; aldus viel ridder William Tracy, die de vlugste spreker van het viertal was, tegen den primaat uit. «Bevrijd den bisschop van den ban, dien gij over hem hebt uitgesproken! Deze weegt hem zwaarder op de ziel, dan die uit Rome. Houd op met uw haarklooverijen en spitsvondigheden! Gehoorzaam uwen koning en leenheer eerlijk en trouw, zooals wij allen doen! Hebt gij niet alles, wat gij zijt, aan zijne genade te danken? Wie heelt u uit het niets omhoog getrokken en van een Sakser tot een mensch gemaakt? Vanwaar hebt gij de verheven macht van dezen zetel? Gij ondankbare, vijandig gezinde, spreek en beken; uit wiens handen hebt gij haar ontvangen?quot;—

Nu antwoordde heer Thomas met eene doordringende stem, zoodat hel krachtig door de zaal weerklonk:

«Uit de handen mijns konings tot zijn eigen gericht!quot;

Tegen deze gestrenge woorden kwam het viertal in opstand. Reginald de Schoone draaide aan de vingers zijner handschoenen, die hij tot nu toe

ocr page 209

187

spelenderwijze in de linkerhand gehouden had. Richard Frappedur sliet met rug en voet zijn stoel terug, zoodat het eikenhout kraakte, en de woord-karige zeide; »Maak er een eind aan!quot;

Maar heer Thomas sprak met heilige waardigheid: »Ik geloof, dat gij dreigt, dappere heeren. Wat wil mijn koning van mij? Wat hel zijne is, wil ik hem geven. Mijn lichaam? Hier is het. Neemt het. Maar mijn geweten behoort noch aan hem, noch aan mij zeiven.quot;

«Laten wij de ridderlijke gebruiken niet uit hel oog verliezen,quot; sprak William Tracy. »Heeren, laat het aan mij over de vragen te stellen.quot;

Hij stond op en trad doodsbleek voor den primaat.

„Thomas Becket, wilt gij den ban over den bisschop van York opheffen? Spreek!quot;

Maar heer Thomas zweeg en veroordeelde daarmede zich zei ven ter dood.

«Thomas Becket, gij hebt Engelands bodem tegen den wil uws konings en de uitspraak van zijn parle • ment weder betreden. Verlaat Engeland! Vrijgeleide zij u toegestaan lol aan de zee. Wanneer gaal gij van hier ? Spreek!quot;

Wederom zweeg de primaal.

Ridder William wachtte nog een korte wijle op antwoord, dan eindigde hij somber; »Dit is felonie! Uw bloed kome over u.quot;

Daarna verlieten zij met afgemeten slap de zaal. Ik wist, dal zij zich gingen wapenen.

ocr page 210

188

Er onlslond nu zulk eene diepe slilte, dal ik mijn hart als een hamer in mijn borst hoorde slaan. Daar klonk op eens, sterk en krachtig te midden van dit zwijgen, eene stem, die ik aanvankelijk niet herkende. Zij behoorde aan heer Thomas, die vol geestdrift een crucifix toesprak, dat tegenover hem aan den wand hing:

»Koning der smarten, neem woning in dit lichaam!quot; Wederom hoorde ik langen tijd niets anders dan hel kloppen van mijn hart. Toen sprak heer Thomas andermaal en strekte zijne magere handen uil: «Doorsteek ze, en sta mij toe te lijden als Gij!quot; Een gevoel van eerbied doortrilde mij; ik waagde hel niet langer hel gelaal van den primaat aan te zien, omdat ik vreesde, dal de drieëenige God intrek had genomen in zijn lichaam en vol majesteit uil zijne oogen op ons nederzag.

Maar ik herstelde mij, toen ik in den gang wapengekletter vernam, stormde naar de deur en school er de grendels voor. Door mijn handelend optreden als uit een droom gewekt, omringde de geheele schaar van geestelijken den primaat; enkelen vielen hem te voet; anderen, die hem wilden voorttrekken, grepen hem bij de armen; weder anderen omvatten zijne heupen, om zich van hem meester te maken en hem met liefdevol geweld weg te dragen.

Inmiddels vielen van builen bijlslagen op de deur neder. Doch de primaat wilde den stoel, waarop hij veroordeeld was, niet verlaten. Daar trad een tengere

ocr page 211

189

en naar het uiterlijk zeer schrandere diaken voor zijnen zetel, legde den vinger op den mond en maakte hem opmerkzaam op het luiden van een klokje, dat te midden van het rumoer nauwelijks hoorbaar was. »Er wordt geluid voor de vesper, en men verwacht u in de kerk, vader,quot; vermaande hij.

Thomas Becket stond zonder eenige tegenwerping-op; er vormde zich een stoet en de primaat ging achter het kruis, dat voor hem uit werd gedragen, den langen gang door, die midden door het bisschoppelijk paleis naar het koor der hoofdkerk leidt. Ook ik ging mede in de rij der psalmzingende geestelijken.quot;

Hier hield de voetboogmaker op. Zijn blik vestigde zich op een zandlooper; die naast hem op den schoorsteenmantel stond en waarin juist de laatste korrels uit het bovenste in het onderste glas vielen. Hans draaide het uurglas om en zeide: »Heden verjaart het weder, en het was in dit zelfde namiddaguur, dat heer Thomas zijn laatsten tocht aanvaardde.

In het koor der kerk gekomen, wierp hij zich voor het hoogaltaar op de knieën, door zijne geestelijken omstuwd, waarvan er meer dan een, door den boogvormigen toegang voor den voorzanger glurende, zijne vreesachtige blikken liet dwalen door het schip der kerk, naar het hoofdportaal, waardoor de Nor-mandiërs ieder oogenblik konden binnendringen, want de diaken had dit toevluchtsoord gekozen, niet

ocr page 212

190

wegens de veiligheid, maar wegens de onaantastbare heiligheid der plaats.

Ook ik hield mijn blik onafgewend op het portaal gevestigd, vast besloten om in het laatste oogen-blik, niet tegen de vier heeren het zwaard te trekken — want dit was mij als knecht verboden — maar om heer Thomas met mijn lichaam te dekken, en aldus de schuld, martelaarsbloed vergoten te hebben, zoo mogelijk van mijnen heer en koning af te wenden.

Aan ieder tijdsverloop en aan alle uitstel komt een einde. De wapens kletterden en schitterden in het portaal; van het hoofd tot de voeten gewapend, traden de vier edelen de deur binnen en stormden met ontbloote zwaarden door het schip der kerk. »Volgt mij, getrouwen des konings!quot; riep William Tracy.

Snel wilde ik nog de openstaande, sterke, getraliede deuren sluiten, die het koor van de kerk scheidden, maar de primaat, die was opgestaan en zich naar zijne moordenaars had gekeerd, belette het mij met een onwederstaanbaar gebaar. Zijne geestelijken verdrongen zich allen om hem heen. De jongsten en moedigsten bezetten de treden; vooraan op de onderste vatte Trustan Grimm, die het kruis droeg, post. De anderen stonden en knielden rondom hunnen bisschop en drongen door elkander als eene verschrikte en in verwarring gebrachte kudde, wier herder verslagen wordt.

))Waar is de verrader?quot; riep William Tracy. Daar

ocr page 213

191

hield de dappere monnik Trustan mei beide handen hem het kruis voor, een teeken van bescherming en bedreiging tevens. Een zwaardhouw, een bloedstraal, en de arm, van het lichaam gescheiden, zonk met het kruis ter aarde. Nu viel het viertal met degenslagen op de geestelijken aan, die, in de engte gedreven, uit elkander vlogen en lafhartig op de vlucht gingen. Ik echter trad aan de zijde van heer Thomas, die, midden voor het hoogaltaar staande, de armen uitbreidde even als de Gekruiste boven hem, zoodat het scheen, alsof deze zich verdubbeld had.

«De koning wil, dat gij sterft!quot; sprak Tracy en hief het zwaard op. »Het geschiede!quot; antwoordde heer Thomas.

Ik sloeg mijne beide armen om hem heen, voelde den slag nederkomen, en werd op hetzelfde oogen-blik onder den uitroep: «Uit den weg, knecht!quot; door een ijzeren vuist, die slechts aan Frappedur kon toebehooren, aangevat en weggeslingerd, zoodat ik suizend met het hoofd tegen eene zuil terecht kwam.

Terwijl ik het bewustzijn verloor, zag ik een zee van bloed voor mijne oogen en daarin een stervend, glimlachend gelaat.

Ik weet niet, hoe lang ik daar op de vloersteenen heb gelegen, maar toen ik weder tot mij zeiven kwam, was ik alleen in de kerk. Ik beproefde mij op te richten, doch waagde het niet naar het lijk van den heilige

ocr page 214

192

te zien, dat twee schreden van mij verwijderd voor hel altaar lag. Maar voor ik opnieuw ineen zonk, zag ik nog, dat mijn lederen wambuis met het bloed van den vermoorde was bespat.

Nu verhieven zich hartverscheurende jammerklachten uit de donkere diepten van het schip der kerk; het weeklagen werd al sterker en sterker en de kerk vulde zich met de arme Saksische bevolking, die om haren vader riep en de wraak des hemels over de moordenaars afsmeekte. Met huiveringwekkende haast en liefde stortten de gedaanten zich naast mij over het heilige lijk heen, omvatten de doode handen en voeten, kusten de wonden en wieschen die met de stroomen hunner tranen. Hunne kleederen en lompen doopten zij begeerig in het bloed van den martelaar.

Eindelijk gelukte het mij, mij op de knieën op te richten, en, ofschoon nog half bewusteloos, een doekje voor den dag te halen, waarmede ik de verspreide bloeddroppels van mijn wambuis wisschte. Maar bitter leed doorvlijmde daarbij mijn ziel en klagend stamelde ik: »Mea culpa, mea maxima culpa.quot; —

En alsof het verleden weder heden was geworden, liet Hans de voetboogmaker, onder het uitspreken dezer laatste woorden, zich zuchtend van zijn bankje en op de knieën glijden. De kanunnik strekte medelijdend zijne oude armen naar hem uit en troostte hem met liefderijke woorden.

ocr page 215

193

XIII.

Inmiddels spoedde de sombere winterdag ten einde, en daar nu juist eene dichte massa sneeuwvlokken voorbij het venster dwarrelde, werd het plotseling zoo donker in het smalle vertrek, dal de twee oude mannen nauwelijks meer elkanders gelaatstrekken konden onderscheiden. Er dansten nog slechts een paar vlammetjes als dwaallichtjes tusschen de houtskool, want zoowel de verhaler als de toehoorder hadden vergeten het vuur op te stoken, en geen geluid werd er vernomen, dan het zachte gesnork van Tapp, die zich dicht voor den haard had uitge-strekt, en het knabbelen van een muisje, dat bij de broodkast bezig was.

Maar nu kwam de oude knecht van den kanunnik met een arm vol hout binnen, stookte het vuur weder op en trok met knarsend geluid de in kettingen hangende en van drie pitten voorziene olielamp naar beneden, die na een poosje met hare gelijkmatig brandende lichten de gewelfde ruimte voldoende verlichtte.

))Mijn verhaal is ten eindequot; zeide de voetboogmaker met een zucht. «Want wat zou er nog te zeggen zijn, nadat gij dat bebloede hoofd hebt aanschouwd, dat op de steenen treden verpletterd werd ? Wat zou er nog te zeggen zijn van den koning en van mij, zijnen armen knecht? Of gij mocht het nog wenschen te hooren, hoe mijn meester onder de

DE HEILIGE. 43

ocr page 216

194

wraak van den martelaar gaandeweg vernietigd werd — want heer Thomas kon hem ook in zijne heerlijkheid niet vergeven — en hoe de rustelooze zijnen knecht als eenen gehaten medeplichtige uit zijne nabijheid verjoeg. En toch heeft koning Elendrik zich op het graf van zijn slachtoffer gegeeseld en hem van ganscher harte aangebeden, zooals in de kroniek staal opgeteekend.quot;

«Volgens de geloofwaardige uitspraak mijner kroniek,quot; merkte de kanunnik bedenkelijk aan, «heeft uw koning zich wel op het graf van den heiligen Thomas van Canterbury gegeeseld, maar niet zonder schrandere en zeer wereldsche bedoelingen, want hij wilde zich sterk maken in den strijd tegen zijne zonen, en de harten zijner Saksers, die afkeerig van hem waren, weder voor zich winnen. Gij zelf. Hans, hebt mij medegedeeld, dat uw koning een groot zondaar is geweest.quot;

«Wilt gij daarmede zeggen, dat hij een schijnheilige en een huichelaar was?quot; riep de voetboogmaker ontsteld uit, en beleedigd door deze aanklacht vervolgde hij: «Bij het met doornen gekroonde hoofd van Christus, nooit heeft eenig mensch oprechter gebeden dan koning Hendrik in den stond, toen hij de steenen voeten van den heilige met zijne kussen en tranen bedekte! Een Saksisch steenhouwer had hem in liggende houding op zijne groeve afgebeeld, met de handen over de borst gekruist en een vreed-zamen glimlach om zijnen mond. De kunstwaarde

ocr page 217

195

van het beeld was niet groot, maar de gelijkenis treffend, want de vervaardiger had zich het voorkomen van den primaat bij diens leven goed ingeprent, en zijne beeltenis als in zich opgenomen.

Ik knielde achter mijnen heer, terwijl hij boetvaardig zijne zonden beleed, en toen hij zich den rug ter geeseling ontblootte, voer mij eene rilling door de leden. Ook ik bad tot den heilige en smeekte hem vurig, dat hij in de voetstappen zijns Heilands treden en zijne moordenaars vergeven mocht.

Middelerwijl kermde koning Hendrik: «Ontneem mij slechts niet mijnen lieveling, mijn Leeuwenhart, gij machtige strijder Gods! Hoe weinig heb ik u gekend, o heilig man, in wiens onmiddellijke nabijheid ik, verworpeling, waardig gekeurd werd te leven.quot;

Daar weerklinkt een trompetgeschal. Ik ken het signaal: een bode uit het leger van mijnen koning in Frankrijk. Snel werp ik mijnen vorst een mantel over zijne gewonde schouders, ga naar den ingang, neem het bericht in ontvangst en ijl met den brief naar mijnen koning terug.

Ik geloofde, dat heer Thomas hem reeds had verhoord en hem de zege had doen behalen over zijne zonen.

Hij verbreekt sidderend het zegel, maar de letters dansen hem voor de oogen. «Lees!quot; beveelt hij, bevende van verlangen naar overwinning en vrede,

13*

ocr page 218

496

maar hoe geheel anders luidde, hetgeen ik lezen moest!

»Ik, Richard, graaf van Poitou, treed als aanklager op, niet ter wille van mij zeiven, maar ten behoeve van mijn opvoeder en geestelijken vader in den hemel, wiens moordenaars vrij en ongehinderd hunnen weg gaan, zonder door een koninklijk vonnis te worden vervolgd. Ik vervloek deze achteloosheid en opdat niemand er aan kunne twijfelen, verkondig ik openlijk voor koningen en volken, dat ik mij losmaak van mijnen lichamelijken vader, zooals hij zich van Christus en zijn getuige heeft losgemaakt.quot;

Terwijl ik stamelend deze gruwzame woorden voorlas, was de koning op mij toegetreden en zag mij met zijne oogen, die uit hunne kassen dreigden te springen, onafgewend aan. Mijne stem weigerde mij den dienst, maar hij greep mij met beide handen naar de keel, schreeuwde: »Dat liegt gij, onverlaat!quot; en zonk bewusteloos ineen.

Heer Thomas op zijn grafsteen glimlachte.quot; —

»Houd op!quot; riep de kanunnik verbleekend, en strekte zijne handen afwerend naar den voetboogmaker uit.

De vrome Burkhard hield van iets vroolijks en opwekkends, zooals meestal het geval is met oude lieden, wien nog slechts een korte tijd van leven overblijft. Toen hij den voetboogmaker met zich troonde, was het geweest met het doel om een

ocr page 219

197

weinig den spot te drijven met een paar avonturen cn menschelijke zwakheden uit het leven van den heilige, en om het goud van den nieuwen nimbus — ten koste der bescheidenheid — een weinig van zijn nog jeugdigen glans te doen verliezen. Maar in plaats daarvan had Hans eenen pijnlijken kamp en twee door smart vertrokken aangezichten voor hem opgeroepen, en tegen zulk een indruk was hij niet bestand. Hij zocht dus naar een schertsend woord om dien te verzachten.

»IIel is mij eene troostrijke gedachte,quot; zeide hij na een poosje, ))dat gij daar als een vroom en deugdzaam man voor mij zit. Waarlijk, gij moogt van geluk spreken, dat uw koning u niet bij den gordel gepakt en mee in den afgrond gesleurd heeft.quot;

De voetboogmaker had zich met fonkelende oogen op zijn bankje opgericht. Het vertellen had zijn hart verlicht als een biecht, en hem nieuwe kracht gegeven, want hij bezal, trots zijne grijze haren, een moedig hart, dat de gestrenge vonnissen der rechtvaardigheid, die zich in alle lotsverwisselingen der menschen openbaart, verdragen kon.

»Toch ben ik er niet geheel en al ongedeerd afgekomen,quot; zeide hij, «maar ik trok mij intijds terug, en liet het aan niets ontbreken, wat genezing brengen kon. Ik wil u dit nog in het kort vertellen, en ook hoe ik degene ben geworden, die ik nu ben.

De paarden loopen sneller, wanneer zij den stal naderen.

ocr page 220

198

Toen ik, na die geeseling, waarvan ik u verhaalde, achter koning Hendrik naar het kasteel Windsor terug reed, kwam ik tot de overtuiging, dat ik onmogelijk langer in zijn dienst kon blijven. Sinds den dood van den primaat ergerde mijne tegenwoordigheid den koning en hij had mij mijne machteloosheid, om dezen uit de handen zijner moordenaars te bevrijden, met toornige, onbillijke woorden verweten. Als de koning mij zag, keerde hij zich van mij af. Een knap uitziende page uit een voornaam Aquitanisch geslacht had mij, gebaarden man, van mijn post als schenker verdrongen. Ook op de jacht vergezelde ik hem slechts zelden meer, en op zijn bedevaart naar Canterbury had hij mij alleen mede laten rijden, omdat hij zich voor mij niet behoefde te schamen.

Op het kasteel quot;Windsor nam de wapenmeester, ridder Rollo, mij terstond in verhoor, want de geeseling des konings was ruchtbaar geworden, en ging, den een tot stichting, den ander tot leedvermaak, onder de Saksers van mond tot mond. Toen hij de smadelijke waarheid vernam, zwollen de aderen op zijn voorhoofd tot berstens toe van verontwaardiging, en gaf hij aan zijne gevoelens, naar zijne gewoonte, in vermetele bewoordingen lucht:

»Naar zijn graf is hij gekropen en hij heeft den lafaard aangebeden! Hoe zal die bleeke in zijn kist gelachen hebben!... En dat hij hem nog van onder den grond een steek gaf, dat is den slang waardig!....

ocr page 221

199

Een gegeeseld Normandisch koning!... Maar hel is geen wonder! Hebt gij niet gezien, Hans, dat koning Hendrik sinds jaar en dag een papengezicht op de schouders draagt?quot;

»Hierin sprak ridder Rollo de waarheid. Het aangezicht mijns konings was niet meer te herkennen. Het was oud en vervallen, en in plaats van den vroolijken glans van voorheen, gaf het slechts een mat, wit schijnsel van zich, als vermolmd hout in den nacht.

»Ik kan niet langer ademen in die verpeste En-gelsche lucht!quot; gromde heer Rollo toornig. »lk trek naar het vuurspuwende eiland Sicilië, waar een neef van mij woont. Hans, neem een stuk houtskool van den haardquot; — wij bevonden ons in de wapenkamer — »en schrijf voor mij op den muur, dal ik heenga, omdat ik geen gegeeselden koning dien.quot;

«Ik wist, dat de Normandiër de schrijfkunst niet machtig was, en vatte zijne gedachten, zoo goed ik kon, samen in een Latijnschen volzin, waarmede hij zeer tevreden was, en die aldus luidde:

))Ego — Normannus Rollo — valedico — regi Henrico.quot;

Maar voor ik de houtskool op den muur zelte, zeide ik: »Ik onderneem de zelfde reis, ridder.quot;

»Hoe, gij vertrekt, boogmaker? De koning zal u missen!quot; riep hij uil en fronste het voorhoofd.

Ik toonde hem de blauwe vlekken aan mijnen bijna geworgden hals, en zeide; »Reeds driemaal

ocr page 222

200

heb ik koning Hendrik onheil aangekondigd; geen wonder dus, dat hij een wrok koestert jegens den ongeluksbode. Mijne diensten brengen den koning geen geluk meer aan. Waarom zal ik zijn toorn opwekken ! Ik wil weggaan, voor hij, als koning Saul, te kwader ure een spies naar mij werpt. Maar dat gij hem verlaat, ridder, gij, die hem liel en dierbaar zijt, als de oudste getuige en de verpersoonlijking van den Normandischen roem, dat zal hem als een kwaad voorteeken treffen en verontrusten.quot;

Toen trok hij mij het ongebruikt stuk houtskool uit de hand, wierp het op den haard en keerde mij grommend den rug toe.

Op dien zelfden dag ging ik tot mijnen heer en koning en vroeg mijn ontslag, met nog grooter beklemdheid dan op den eersten dag mijner indiensttreding, toen ik hem in dat zelfde vertrek mijnen verbeterden voetboog had getoond. Hij keek mij niet onvriendelijk, maar slechts eenigszins vreemd en treurig aan, en gaf mij mijn afscheid. Rijk werd ik er niet mede, maar mijn eerlijk verdiend loon liet koning Hendrik mij toch door zijn rentmeester uitbetalen.

Toen ik mijne kamer op Windsor opruimde, vond ik in het hoekje eener lade, waar ik het verstopt had, het doekje met het bloed van den heilige. Wat zou ik daarmede beginnen? Wel was het meer

ocr page 223

201

waard, dan al het geld, dat koning Hendrik mij had laten uitreiken, want reeds toen waren de onbeduidendste reliquieën van heer Thomas honderd, ja duizend maal hun gewicht aan goud waard, maar het stuitte mij tegen de borst, dit bloed te verkoopen, dat niet geheel buiten mijne schuld vergoten was. Er stonden dus slechts twee wegen open: het bebloede doekje te behouden of het te vernietigen en beide waren al even bedenkelijk.

Voor ik Engeland verliet, verzuimde ik niet, mijnen voormaligen meester, den boogmaker in Londen, op te zoeken. Hij had mij veel goeds bewezen, en terwijl ik aan het hof was, was ik hem afvallig geworden. Hij ontving mij met groote onderscheiding, want hij wist niet, dat ik in ongenade was gevallen, en lachte en weende als een kind. Verdriet en harleleed hadden hem naar ziel en lichaam verzwakt. Ik vroeg naar Hilda. Hij zeide mij, dat zij met eene uitterende koorts te bed lag en bracht mij in hare kamer.

Toen zij mij herkende, kwam er eenige glans in hare diepliggende blauwe oogen. Zij dankte mij, dat ik gekomen was, zij had er zoo naar verlangd mij nog eens te zien, voor zij stierf. Maar in mij kwam met het medelijden de oude liefde weder krachtig boven, zoodat ik, vernederd als ik was door de slagen van het noodlot, haar voorstelde, mij als mijne wettige echtgenoote naar mijn vaderland te vergezellen, zoodra zij weder hersteld zou

ocr page 224

202

zijn. Zij knikte toestemmend, maar weifelend en treurig.

Daar herinnerde ik mij mijne kostbare reliquie want er was in geheel Engeland slechts één roep over al de genezingen en wonderdaden, die de reli-quieën van den heiligen Thomas hadden verricht. Zelfs dooden, zoo predikte de Saksische geestelijkheid, waren door aanraking daarmede in het leven teruggekeerd. Zoo snel mijn paard slechts draven kon, reed ik naar Windsor en terug, ik vloog met mijn doekje naar hare kamer. Zij sluimerde en ik legde het voorzichtig op hare borst. Daar bewoog zij zich, glimlachte vriendelijk, haalde een paar malen moeielijk adem, sloeg hare oogen, die helder schitterden, even op, maar sloot die terstond weder met een lichten zucht. Eerwaarde, zij was dood.

Ik voelde mij door schrik en toorn gelijkelijk aangegrepen, wijl heer Thomas, die de dooden kon opwekken, mij zoo onverzoenlijk vervolgde en nu haar gedood had, die mij dierbaar was. Ik vlood heen, en het bebloede doekje is waarschijnlijk wel met haar in de kist gelegd.

Ik had eene stormachtige zeereis en werd tweemaal op de Engelsche kust teruggeslagen. Maar toen ik eindelijk weer op vasten bodem stond, nam ik mijn weg terstond in de richting van Zwabenland, want, wat ik van het leven had ondervonden, had mij den lust tol rondzwerven en de nieuwsgierigheid

ocr page 225

203

naar hetgeen er verder in de wereld te zien was, voor goed doen vergaan. Toen ik eindelijk mijn paard weder uit den Rijn had laten drinken, dreef het heimwee mij rusteloos stroomopwaarts tot binnen Schaffhausens poort.

Niemand dacht daar meer aan den jood Manasse en ik werd als man van naam, die de wereld had leeren kennen, met achting onder de hurgers der stad opgenomen. Nog eer het klatergoud van mijnen roem was verbleekt, huwde ik eene jonge weduwe, die mij, behalve twee knaapjes uit haar eerste huwelijk, een toren in Schaffhausen en eenen zonnigen wijnberg aan den Rijn als bruidsschat medebracht.

Gij begrijpt wel, eerwaarde heer, dat ik, hoewel ik een adellijk man en gewezen lijfknecht eens konings was, toch mijn handwerk niet opgaf, maar integendeel terstond eene vroolijke werkplaats opende, waaruit ik spoedig alle burgen en steden, ver in hel rond, van groote en kleine bogen voorzag.

Yan mijnen koning vernam ik niets, dan dat het hem maar niet gelukte met zich zeiven en zijne zonen in vrede te geraken.

Nu gebeurde het op zekeren dag, dal ik, met het oudste knaapje mijner vrouw aan de hand, naar den waterval ging, om met eenen nieuwen voetboog over den stroom te schieten, ten einde te onderzoeken, in hoeverre de wervelwind, die daar meestal nog al sterk is, de vaart van den pijl zou belemmeren.

ocr page 226

204

Terwijl ik aan den tegenovergeste] den oever een mikpunt tracht te ontdekken, zie ik de grijze gestalte van een ridder, gezeten op een rotsblok, met het zwaard dwars over de knieën gelegd, zooals uw Carol us Magnus, hier aan den -domtoren. Mijn zoontje begint bang te worden en ik breek mij het hoofd er over, wie toch dat zeldzaam natuurlijke beeldhouwwerk des nachts in die woeste streek aan den stroom mag hebben geplaatst.

Maar daar heft de ridder langzaam zijn gepantserde rechterhand op en ik zie, hoe hij mij wenkt. Op hetzelfde oogenblik herken ik hem, spring in de boot van den veerman, zet mij zei ven over, en lidder Rollo roept mij legen; »Ik groet u, Zwaab, en noodig mij zeiven voor heden avond bij u te gast.quot;

Onder het huiswaarts gaan vertelde hij mij, dat hij op reis was naar Palermo. Heden morgen in dit stadje aan den Rijn aangekomen, had hij zijn paard en gevolg onder dak gebracht, en was toen, aangelokt door een verwijderd donderend geraas, nieuwsgierig stroomafwaarts gegaan, tot aan dit heerlijk spel der wateren.

Toen wij samen door de straten van Schaffliausen gingen en het volk den krachtigen ouden man met verwondering aangaapte, was het mij te moede, alsof ik voorheen onder een vreemd geslacht van reuzen had gewoond. Ridder Rollo dronk menigen beker van mijnen wijn en prees dien zeer. Na lang aar-

ocr page 227

205

zelen, waagde ik het eindelijk naar mijnen heer en koning te vragen,. Toen blies ridder Rollo in de lucht en ik begreep, dat zijne ziel van de aarde was weggenomen.

»En zijn sterven?quot; vroeg ik angstig, »hoe was dat?quot;

»Onchristelijk!quot; gaf hij ten antwoord. »Eene opwelling van heftigen, vaderlijken toorn heeft hem als een bliksemstraal gedood. Uw afgod, Richard, had hem met behulp van den Capetinger aan zich onderworpen, en eischte als eerste vredesvoorwaarde eenen vaderlijken zegen, al bestond die ook slechts in een nietsbeteekenend gebaar.

»Toen richtte koning Hendrik, door mijne armen ondersteund, zich vol innerlijke woede in zijn ziekbed op en strekte gedwongen zijne rechterhand over zijnen zoon uit. Maar de vingers, die tot den leugen-achtigen zegen waren opgeheven, werden door de laatste stuiptrekkingen als saamgetrokken en verstijfden in de lucht.quot;

„Houd op!quot; riep ik huiverend, en na een poos vervolgde ik: „Als gij het toestaat, ga ik een eind weegs met u mede; ik wil eene bedevaart doen naar Onze Lieve Vrouwe van Einsiedeln, want ik verlang voor de ziel van mijnen heer te bidden.quot;

»Op den tweeden dag bereikten wij de onvruchtbare hoogvlakte, waarop Meinrads cel zich bevindt. Ridder Rollo bracht haar geen bezoek; nadat hij

ocr page 228

206

nel een lichlen hoofdknik afscheid van mij genomen en in de richting van het klooster had gespuwd, wendde hij zijn paard om en reed vlug heen.

Maar ik steeg af, en trok blootshoofds en barrevoets naar de gewijde plek. Nadat ik daar alle gebruikelijke en louterende ceremoniën had volbracht, dronk ik tot afscheid nog eens uit alle pijpen van de bron, die, zooals gij weet, aan het gezegende lichaam van St. Meinrad ontsprongen is.

Zoo, als ik mijn vromen mond van een pijp terugtrek, zie ik aan de volgende het dorstige hoofd van een pelgrim hangen, wiens rechtermouw ledig langs zijne zijde nederviel. Juist hief ook hij het gelaat naar mij op en zagen wij elkander in de oogen.

Eer wij het zelf goed wisten, waren wij beiden opgesprongen en hadden elkander bij de keel gegrepen — Trustan Grimm en ik.

Daar klonk nevens ons eene krachtige basstem: «Handen thuis!quot; en een blozende, jonge monnik vroeg ons naar herkomst en vaderland.

Toen bij vernam, dat een van ons de kruisdrager van den heiligen Thomas en de ander de lijfknecht van koning Hendrik was geweest, vond hij het vergefelijk, dat wij elkander waren te lijf gegaan, maar scheidde ons toch, aan ieder onzer tot gelijkmatige boete zijn aantal Onze Vaders opleggende, en met de trouwhartige vermaning, dat geringe lieden zich niet in den strijd der grooten moesten mengen, vooral, wanneer deze reeds de hun toekomende plaats hadden

ocr page 229

207

ingenomen in een der drie gewesten aan gene zijde des grafs.

Zoo ging ieder onzer zijns weegs: ik naar mijne werkplaats aan den Rijn, Trustan Grimm naar hel heilige Graf, terwijl hij in zijnen rooden baard nog iets hatelijks mompelde tegen die laffe Zwabische geestelijkheid.

Tien jaren later verhief de thans nog regeerende paus, gehoor gevende aan den wensch van Engeland en de gansche christenheid, heer Thomas in den stralenden kring der kerkelijke heiligen. In plaats van de vereischte drie wonderen werden er van hem meer dan honderd vermeld en als echt gewaarborgd, terwijl zijn verdienstelijk sterven op de treden van het altaar zijn. aanzien niet weinig verhoogde.

Toen dit in alle christelijke staten werd afgekondigd, schreef ik den naam van heer Thomas in mijnen eigengemaakten kalender, juist onder de eerste kleine martelaars, de onnoozele kindertjes van Bethlehem, met wie hij, den gewelddadigen dood door het zwaard uitgezonderd, slechts weinig gemeen had.quot;

Op dit oogenblik vloog Tapp luid blaffend op en weldra werd zijn gekef door hondengebas en paardengetrappel op straat beantwoord. Een rosse gloed van brandende fakkels verlichtte het vertrek, en toen beiden naar buiten traden in het uitgebouwde houten koepeltje, ontwaarde de voetboogmaker aan het hoofd

ocr page 230

208

van den jachtstoet, die de steile straat afreed, zijn begunstiger en schuldenaar, ridder Kuno, en werd ook door hem herkend. En terwijl de jonge kapittelheer met de linkerhand den teugel inhield, trok hij met de rechter- eene gevulde lederen beurs van onder zijn kleed te voorschijn, die hij in een grootmoedige bui den voetboogmaker toestak.

Hans wilde afscheid nemen, maar de eerwaarde Burkhard legde zijne bevende hand op diens schouder.

«Vriend,quot; zeide hij, «overnacht heden onder het dak van St. Felix en Regula! De heilige, die hier heden regeert, heeft u immers een dienaar van Satan genoemd, en zou u misschien, onverzoend als hij is, op uwen donkeren weg naar de herberg een valstrik spannen. Ga nu uw schuld bij den edelen Kuno innen, voor hij weder aan het dobbelen is. Middelerwijl wordt er in mijne kamer een leger voor u gespreid. Ik slaap weinig en zal heden nacht gaarne een levend wezen in mijne nabijheid hebben, want ik vrees, dat het bloedige hoofd van heer Thomas mij in de duisternis van den nacht voor de oogen zal zweven!

„Morgen evenwel, op den dag van den godzaligen koning David, moogt gij getroost uws weegs gaan.quot;

ocr page 231
ocr page 232
ocr page 233