ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

,_a_

,_a__

G.

.^XiW.—t-

17

WU

s /_g ^

Be hartstochten en hunne uitingen

besclireven gekarakteriseerd en door voorbeelden naar de beroemdste meesters toegelicht.

d

Een onmisbare gids voor allen die de Schoone Kunsten — de Schilderkunst — de Beeldhouwkunst ■— de Tooneelkunst de Letterkunde enz beoefenen

1)00 li

F. GO UPI L

IJoogUcraar en Schilder le Sèvres

1 i

d i

T lt;

lt;*

i )

xè'tu

Ahsterdaji

A. TAN KLAVEREN

ft' (ï

X)quot;

ocr page 4
ocr page 5

DE HARTSTOCHTEN EN HUNNE UITINGEN

ocr page 6
ocr page 7

)e hartstochten en hnnne nitingen

iDesclireYen gekarakteriseerd en door Yoorïeelden naar de beroemdste meesters toegelicnt

ïen onmisbare gids voor allen die de Schoone Kunsten — de Schilderkunst — de Beeldhouwkunst — de Tooneelkunst — de Letterkunde enz. beoefenen/

door

F. GOUPIL

Hoogleeraar en Schilder te Sèvres

jnq

Amsterdam — A. YAN KLAVEREN

r P^TEr?S

minderbroeders i

__MiniWh MlrnfiRP )j

ocr page 8

Gedrukt bij G. J. Thiemk te Arnhem.

ocr page 9

DE BEGEERTE.

De begeerte lokt als 't ware sommige hartstochten lit, is er het uitgangspunt van. Zij kan echter ook afzon-lerlijk en in haar eigen beteekenis bestudeerd worden.

De begeerte zoude men een aandrift der ziel kun-len noemen voor een ontbrekend goed, dat niet altijd sen bepaalden vorm heeft. Hare kracht hangt af van iet denkbeeld van genoegen, 't welk zich aan de ver-mlling er van paart. Zij verschilt in zóóver van de iefde, dat in deze laatste de waardeering van liet voorwerp voortdurend plaats heeft, terwijl de begeerte log niet tot deze waardeering is gekomen.

Zij spruit voort uit de onbeschrijfelijke gewaarwor-iing, die teweeggebracht wordt door de oorspronke-ijke aanprikkeling, dooi; een behoefte aan dat orgaan gegeven, 't welk het krachtdadigst mede moet werken )m haar te bevredigen.

Geen andere hartstocht speelt een grootere en beter volgehouden rol dan de begeerte. Achtereenvolgens ondervindt men alle anderen en onder de gewenschte voorwaarden. Deze zielsdrift daarentegen vertoont zich 3lk oogenblik van ons bestaan terug. Hier zullen wij neer in het bijzonder de geslachtstypen onafscheide-ijk van het organisch samenstel van den mensch

1

ocr page 10

2

behandelen, nadat wij de kenmerkende schakeeringen aangetoond zullen hebben, die haar onderscheiden van quot; de de andere prikkels, welke zij doen ontstaan, ten einde

iedere onderlinge verwarring te vermijden. ge

Volgen wij haar verband en trekken wij een paral- to

lel tusschen de liefde en de begeerte, die bij den o]

eersten oogopslag minder duidelijk van elkaar onder- er

scheiden zijn, ten gevolge van haar innigen samen- sr

hang. Deze zullen wij eerst de ziel zien waarschuwen p;

om het voorwerp tegemoet te gaan, en bijgevolg w

de liefde voorbij te streven, die er slechts het middel s1 van is.

In hun vernuftige fabelen, waarvan waarheid de w

grondslag is, hebben de ouden de Begeerten aan het o

hoofd geplaatst van den stoet, waarin de Spelen en d

de Lachjes voorkwamen; zij hebben haar voorgesteld c soms zonder gevolg, maar nooit zonder door hare

voorloopers vooraf te worden gegaan. z

Het valt niet te loochenen, dat zij een zekeren a familietrek hebben; vaak verwisselt men ze dan ook

met elkander. Ea inderdaad, daar beiden naar liet- \

zelfde doel streven, zich meester maken, bieden beiden c

een in den hoogsten graad ongewoon gemeenschap- lt;

pelijk karakter aan; doch indien men acht slaat op haar respectieven gang, dan bemerkt men licht het onderscheid tusschen die beiden; het verlangen handelt door rechtstreeks op het voorwerp af te gaan, en de liefde door omwegen te gebruiken; vandaar rechtheid der lichaamsbewegingen in het een, en scheefheid in het ander.

ocr page 11

Daarenboven kan er begeerte zonder liefde bestaan, de liefde is echter altijd het gevolg van de begeerte.

Niets gebiedenders, niets halsstarrigers dan de begeerte; zij prikkelt, zij kittelt, zij kwelt, zij sart ons, totdat zij eindelijk bevredigd is. Zij gaat rechtstreeks op het doel af, haar eigenaardigheid is om ons heftig en langs den kortsten weg voorwaarts te drijven; zij snelt in den blinde voort, zonder zich om de hinderpalen te bekommeren; zij valt aan, stoot terug, verwijdert of werpt omver alles, wat haar in den weg staat, en bereikt ten slotte het doel.

Deze onstuimige en vrijwillige opwelling der ziel werd op zekeren dag eens figuurlijk, op een zeer origineele, maar volkomen juiste wijze weergegeven door een van onze beroemdste zeelieden in de antichambre van Lodewijk XIV.

De groote, maar onhoffelijke Jean Bart, bevond zich onder de menigte van adellijke heeren, die evenals hij, maar wat minder ongeduldig op hun beurt wachtten om bij den Koning ten gehoore toegelaten te worden. Een der heeren ondervraagt den zeeheld omtrent de tactiek,' die hij gebezigd heeft, om een beslissend voordeel te behalen, waarop hij reeds lang loerde. Jean Bart antwoordt hem terstond, door zich van zijn vuisten en ellebogen te bedienen, ten einde zich een doortocht te banen onder de met goud beladen staatsiekleeren, die hem verhinderden het achtergedeelte der zaal te bereiken, waarheen zijne bezielde oogen van den beginne af gericht waren. aZie, zóó heb ik gedaan.))

ocr page 12

'4

'tis meestal in die gedeelten van het organisme, wier taak het is er in het bijzonder toe bij te dragen, dat de grootste en duidelijkste uiting der begeerte plaats vindt.

Bij een vervolging zijn armen en handen rechtstreeks uitgestrekt naar het voorwerp, waarvan men zich wil meester maken, de binnenvlakte der hand is er heen gewend; de geheele actie ligt in dit gebaar. Indien wij van een zachter gevoel, datgeen wilden verkrijgen, waarna wij met zooveel ijver streven, dan zoude de stijfheid van den arm afnemen; en indien de verzoeken, de beden, de smeekingen ons ter hulp kwamen, zoude de hand zich een weinig van de rechte, middelste lijn verwijderen, de duim zoude opwaarts gericht zijn en eenigszins naar buiten staan.

Indien er nog meer ootmoed ware, gelijk dit het geval is bij een arme, die met aandrang een aalmoes vraagt, dan zoude de binnenvlakte der hand geheel hemelwaarts gekeerd zijn.

Wanneer de toorn zich aan de begeerte paart, dan hebben arm en voorarm een gedwongen spanning; er is alleen buiging naar de saamgetrokken vingers toe, evenals voelden zij hun prooi reeds.

De blik blijft hardnekkig gevestigd op den persoon, dien men grijpen wil, en schijnt hem tegen te houden, uit vrees van hem te zien ontsnappen; op ditoogenblik is het oog buitengewoon verwijd door de samentrekking van de voorhoofdsspier, die de vezels van de kringvormige sluitspier, welke met de haren ineengevlochten zijn, met zich medetrekt; dit orgaan

ocr page 13

5

drukt het duidelijkst den hartstocht uit, om reden dat het zintuig, hetwelk het snelst gewaar wordt, van de grootste beteekenis in het levensproces is.

Zoo bij voorbeeld schitteren in de uitdrukking van den sater een sluimerende nimf ontdekkende, de in hem, door de schoonheid der vormen opgewekte begeerten, in zijn verslindende blikken; de andere lichamelijke bewegingen zijn voor het oogenblik opgeheven.

Dit is ook het geval, wanneer een enkel orgaan behoefte heeft om te handelen. Indien wij niets wilden verliezen van de verschillende klanken eener welluidende muziek, die vrijelijk tot ons komt, dan zouden wij de overige zinnen temperen, om de fijnheid van gehoor te verhoogen; daartoe trekken wij behoedzaam onze handen en voeten in; wij vreezen ze aan de minste aanraking bloot te stellen, die, er een vreemde prikkeling in te weeg brengende, ons redenen tot afleiding zoude verschaffen. Om ons geheel te kunnen overgeven, aan 'tgeen onze belangstelling opwekt, slaan wij de oogleden neer en brengen wij het hoofd in een onbeweeglijken toestand door het tot steunpunt de hand te geven, waar het voorhoofd op zal komen te rusten; in deze aandachtige houding wendt het oor zich naar den kant, vanwaar de welluidende klanken komen, en leent het een onafgebroken aandacht aan de vluchtige accoorden, die er wegsterven.

In dit geval, is de rechtheid van beweging minder goed te keuren, omdat naarmate de begeerte zich

ocr page 14

6

hernieuwt, zij ook onmiddellijk bevredigd wordt; daarentegen komt dit karakter sterk uit, wanneer een zwak en ver verwijderd geluid eensklaps onze nieuwsgierigheid komt prikkelen; op hetzelfde oogenblik gaan handen en voeten uiteen, om ons rechtstreeks naar dat geluid te drijven, de hals rekt zich uit om nog meer het hoofd naar voren te doen komen, het oor is gespitst, maar de meest volstrekte onbeweeglijkheid volgt op de eerste levendigheid, op het oogenblik, dat wij niet verder kunnen gaan.

De mond, aanvankelijk toegeknepen om den adem in te houden, opent zich half evenals die der dooven, die door de inwendige wegen trachten te hooren.

Om het hooren nog te vergemakkelijken, vergroot men de oorschelp door de hand dusdanig aan te brengen^, dat men het oorkraakbeen oplicht door middel van wijsvinger en duim, die door zijn omtrek te volgen het omlijsten en een lichte buiging der andere vingers bij wijze van trechter teweegbrengen.

Indien wij vreezen, dat de een of ander ons in onze oogmerken komt tegenwerken door een geluid te veroorzaken, 't welk dat overtreft, 't welk al onze vermogens moet bezighouden, dan maakt de vrije en, om als evenwicht voor het voorwaarts gebogen lichaam te dienen achterwaarts gebleven hand het gebaar van stilzwijgen en werkeloosheid; zij beweegt zich zacht even alsof zij iets samendrukte.

Indien wij daarentegen persoonlijk het gehoor van een ander wenschen te boeien en hem vragen om

ocr page 15

aandachtig den draad van ons verhaal te volgen, dan leggen wij het zoodanig aan, dat wij hem steeds opmerkzaam doen blijven, wij trekken aan zijn kleeren, wij schudden hem heen en weer, al naar gelang van den graad van belangrijkheid, die wij aan onze mede-deeling wenschen te geven.

Indien het een geheim betreft, dan trekken wij den vertrouwde zoo dicht mogelijk bij ons om onze woorden in zijn oor uit te storten zoodanig, dat er geen enkele lettergreep van verloren gaat.

Indien wij op een gemeenzamen voet staan met den persoon, met wien we spreken, dan kloppen wij hem op den schouder, naar gelang van de kracht onzer betoogen of de snelheid onzer voordracht; wij bepalen er ons toe om van lieverlede in onze handen te klappen, indien zijn maatschappelijke stand boven den onze is, opdat de aanraking of het geluid voortdurend zijn aandachtige welwillendheid hernieuwe of werkzaam boude. Kortom, evenzeer als wij stilte eischen bij het pogen om iets te hooren, evenzeer maken wij 'geraas, om ons te doen hooren.

Hoe zwakker de persoon is, hoe duidelijker de onrust der ziel zich in de begeerte doet kennen.

Wij hebben vaak gelegenheid gehad om in de gasthuizen de uitdrukking van een zieke te bestudeeren, die in de blikken en woorden van den geneesheer trachtte te ontdekken, wat hij van zijn toestand denken moest, en telkenmale hebben wij deze eigenaardigheid waargenomen: zoodra deze lijdende wezens den dokter naar hun bed zagen treden, deden zij een

ocr page 16

8

poging om rechtop te gaan zitten en zich naar dien kant te keeren, hun angstige en onvaste oogen verlieten geen oogenblik de geheimhoudende oogen van den eersten geneesheer, ten ware eene grootere ongerustheid, het gezicht van een chirurgisch instrument een voor hen hoogst vermoeiende inspanning des geestes deelen kwam; hun ongeoefend oor trachtte de minste woorden op te vangen, om er vervolgens een uitlegging aan te geven, maar aangezien het vaak gebeurt, dat er in de uiterste begeerte verwarring van denkbeelden is, haastten zij zich de weinige aanwijzingen aan te vullen, waarvan een te overhaast onderzoek hun niet voldoende vergund had de waarde te schatten; met angst raadpleegden zij het gelaat der omstanders en trachtten om in der haast in gebaren en onsamenhangende woorden de bevestiging-op te vangen, van 't geen zij goed of slecht begrepen meenden te hebben.

Alhoewel de opwelling het eigenaardig kenteeken van de begeerte is, zoo is deze gemoedsbeweging toch niet snel genoeg, opdat men hare ontwikkeling-niet zoude kunnen volgen, zelfs bij de dieren.

Zie bij voorbeeld dezen hond, die aangelokt door den reuk, als belanghebbende partij, den maaltijd zijns meesters komt bijwonen; het dier begint met zich neer te zetten en wel juist recht tegenover het begeerde stuk.

Met den neus in den wind, met open bek, houdt hij zijne blikken, waaraan de beurtelingsche tegenoverstelde beweging van het hoofd een schuine richting

ocr page 17

9

geeft, op ieder der happen gericht, die van het bord komen en achtereenvolgens verdwijnen in de maag van den zelfzuchtige, tot groote teleurstelling van zijn beklagenswaardigen dischgenoot.

Niettemin vereenzelvigt hij zich geheel met deze handeling, in ieder gebaar ziet hij een verplaatsing ten zijnen voordeele, evenvele malen opent hij zijn bek, om dien weder te sluiten, maar leeg.

Naarmate de prikkeling sterker wordt, doet de hond zijn best om zijn baas te doen begrijpen, dat hij er is, hij, de vriend des huizes, hij kwispelstaart, hij wacht, hij trippelt van ongeduld, schudt zijn kop en likt zich den snuit, en indien dit alles niet helpt, steekt hij de klauwen uit en laat ze krabbend over de broek van den onverschilligen meester glijden; nu komt hij nog dichter bij, richt zich op en springt tegen zijn baas aan; vervolgens begint hij zonder eenige verschooning te blaffen, hij hindert en kwelt zijn meester en stoort zich zelfs niet aan de slagen, die zijn gedrag hem op den hals haalt, hij eindigt met zich vast te klemmen aan den arm, die hem niets toewerpt, en laat dien eerst los, nadat het hem gelukt is om ten minste een paar brokken machtig te worden, waarmede hij zijn honger kan verdrijven.

De begeerte, tot het uiterste gedreven, houdt zich staande door hardnekkigheid, totdat zij bevredigd is of totdat een volstrekte onmogelijkheid, de uitputting of de dood haar doet ophouden.

Volg eens met de oogen den vluggen windhond, die door zijn vuur medegesleept, op de vlakte den

ocr page 18

10

haas vervolgt, die voor hem vlucht, zonder zich eenige verademing te geven, zelfs niet om te zien, welke afstand hem nog scheidt van zijn onvermoeibaren vijand.

Hoe meer het vreesachtige dier zijn loop versnelt om te ontsnappen aan den tand, dien hij reeds meent te voelen, hoe verbitterder de ander wordt, hoe meer vuur hij aan den dag legt om zijn prooi te bereiken en te grijpen, die hij met zijn knetterenden adem angst aanjaagt; men zoude zeggen, dat zij aan elkander verbonden waren, dat zij elkaar voorttrokken en voortdrongen door een gemeenschappelijke krachtsinspanning.

Een hardnekkige woede doet het oog van den hond vlammen en het schuim op zijn bek komen; zij doet hem alle hinderpalen overkomen, die zich bevinden mochten op de rechte lijn, welke hij doorloopt, zonder dat hij tracht ze door de minste afwijking te vermijden. Merk dan eens op, hoe treffend zoowel de rechtheid van beweging als van handeling zijn!

Al is de begeerte niet duidelijk aan de onzekere ziel, dan brengt zij toch een prikkel te weeg, die te lang zonder aanwending gelaten het leven verteert en doet verkwijnen, in plaats van het te onderhouden. Van waar die werkzame achteloosheid, die onrustige ingenomenheid van den geest met eenzelfde denkbeeld, in de zoo reine ziel van het jonge meisje? Nu eens weet zij niet, wat zij wil; zij zoude beter daar zijn, waar zij niet is; de grillige onttrekt hare genegenheid aan de voorwerpen, die haar dierbaar waren, zonder te weten, waar ze weer op over te brengen; toch ge-

ocr page 19

11

voelt zij behoefte om zich aan iets te hechten en noodig te zijn voor het geluk van een ander.

Nu eens zondert zij zich af en ontvlucht zij de wereld; op andere oogenblikken geeft zij zich geheel aan hare zielsaandoening over, zij overstelpt de bezielde wezens, die haar omgeven, met liefkoozingen, zij schijnt hen te ondervragen, hun rekenschap te vorderen van een geheim, dat zij zoude wenschen te kennen en dat men voor haar verborgen houdt; vervolgens raakt zij verlegen, zij bloost, stamelt, laat haar verliefd hoofd op haar borst zinken, die klopt gelijk die van den basterdnachtegaal bij de eerste stralen van het morgenrood.

Men heeft haar peinzend, achteloos een bloem, vroeger haar lievelingsbloem zien ontbladeren; zij bevindt zich midden in het leven zonder het te begrijpen. Zij zocht daarbuiten iets, dat haar ontbreekt én dat zij niet kent, maar dat zich op de wereld bevinden moet. Een onbestemd denkbeeld van geluk doet zich op met deze toekomst, door hare wenschen opgeroepen; alhoewel de vrees in haar hart het evenwicht houdt met de hoop, die haar in slaap wiegt en haar zachtkens doet zuchten. De nacht heeft voor haar zijn weldoende frischheid en zijn zoete rust verloren, zijn gedienstige schaduwen dienen alleen om hare maagdelijke schaamte gerust te stellen; zij houdt zich onledig met zich hare als een droom vervlogen dagen nog eens voor den geest te halen, en om weer de vluchtige trekken, ontsnapt aan hare allereerste zorgeloosheid, weder op te bouwen, daarbij trachtende ze voltallig te maken. Een lichte sluimering omzweeft

ocr page 20

12

de jonge dochter en misleidt haar niet met onverschillige leugens, er zijn er, die haar doen sidderen, zij zoude wenschen ze te kunnen verlengen. Hare omdolende verbeelding weifelt en verliest zich ineen eindeloozen doolhof, haar nieuwsgierige blik zoude dien willen peilen. Een idee fixe, en dat zij toch niet vatten noch zich verklaren kan, kwelt haar onophoudelijk gelijk een verterend vuur; ongeduldig beweegt zij zich, om zich vervolgens smachtend en moedeloos op hare eenzame legerstede uit te strekken, die zij met haar onstuimig kloppenden boezem drukt. Hare geliefkoosde houding is om achteloos haar wang op het mollige kussen te leggen, omstrengeld door hare lief-koozende armen, men zoude zeggen, dat zij er behagen in vindt om te luisteren naar de welluidende tonen, die onduidelijk tot hare sluimerende en een voorgevoel van het ontwaken hebbende ziel komen.

Het is de begeerte, die zich van een schuchtere maagd heeft meester gemaakt en die haar verontrust, het is een eerste liefdeswenk door de natuur gegeven, wanneer de tijd gekomen is om haar stem te hooren.

De onstuimigheid van de begeerte drukt zich in al haar naïveteit af bij het kind; geen overweging houdt het tegen; wil het liefkoozingen, dan strekt het zijn armpjes uit, beweegt zich op de punten der voetjes voorwaarts, biedt zijn trouwhartig mondje aan, en om spoediger een zoen te krijgen, werpt het zich op een buitensporige wijze aan den hals van zijn geluk-

ocr page 21

13

kige moeder en blijft er aan hangen als een schitterend juweel.

Indien het, nog jonger zijnde en in nog sluitende luren opgesloten, door den honger geprikkeld wordt, schreeuwt het, huilt het, windt het zich ineen, het laat zijn uitgespreide handjes her- en derwaarts gaan, totdat het de moederlijke borst in zijn bezit heeft; zoolang het deze niet heeft, worden zijn scherpe en doordringende kreetjes alleen afgebroken door een beweging van zuigen; het voert haar uit, bij tusschen-poozen, door een luchtledig met zijn tongetje te maken, dat als een zuiger op zijn vooruitgestoken lippen werkt. De kinderen zijn over het algemeen begaafd met een proefhoudende volharding; deze kleine schepseltjes leggen een buitengewone veel-eischendheid aan den dag, men zoude zeggen, dat zij er zeker van zijn alles te zien zwichten voor de voldoening der ware of geveinsde behoeften, waarvan hun stijfzinnigheid de noodzakelijkheid schijnt te staven.

Wanneer de begeerte zich tegenover het gezochte goed bevindt, dan verliest hare levendigheid noodwendig van hare kracht en wordt zij gewijzigd door de voldoening en de zekerheid van te bezitten, en daar het, in dit geval, een waar genoegen is, stelt men vaak de vervulling er van uit, om het beter te kunnen smaken.

Bemerkt men een roos op haar stengel, dan begeert men haar, men loopt er heen, men maakt er zich van meester, de verwijde neusgaten dompelen zich met wellust in haar kelk, om er den geur van

ocr page 22

14

in te ademen; hoe welriekender deze is, des te meer stelt het reukorgaan zich in aanraking met de bloem, vervolgens verlaat men haar, om haar weder te hernemen, evenals men een coquette vrouw laat ontsnappen, die vlucht, opdat men haar grijpen zoude. Het spel van het geprikkelde orgaan beheerscht zoodanig de gezamenlijke levensverrichtingen, dat het gemakkelijk valt er naar het uiterlijk aanzien het doel van te onderkennen.

De mensch in benauwdheid, de lucht inademende en wiens tong zich over de droge lippen beweegt, verraadt een brandenden dorst. Igt;eze kenteekenen zijn nog overtuigender bij den hond, bij welken de begeerte zich doet gevoelen om zijn dorst te lesschen. Zijn vurige tong hangt in haar geheele lengte uit zijn hijgenden bek, ten einde haar in een grootere aanraking met de frischheid der lucht te brengen en de afscheiding van het speeksel op te wekken om haar glibberig te maken.

De honger doet zich kennen door krampachtige gewaarwordingen in de maag, die waarneembaar worden door het nadrukkelijke gebaar om de maagstreek met de holte der hand te wrijven, als wilde men ze verzwakken door ze uit te breiden. Het knarsen der tanden en de samentrekking van de spieren van de kaak zijn bijzondere aanwijzingen, niet alleen bij den mensch, maar ook bij sommige vleeschetende dieren, wier tandengeknars een doodsteeken is, dat ten volle begrepen wordt door de levende wezens, die bestemd zijn om hun tot voedsel te dienen.

ocr page 23

15

De wijnproever onderzoekt een overheerlijk wijntje, terwijl hij half zijn fonkelende oogen sluit; zijn hoofd zakt weg in zijn schouders, een van zijn handen drukt zachtkens zijn gespannen borst, terwijl de andere het glas omhoog houdt en het onder de neusgaten balanceert, om er den bouquet van te genieten; zijn gebaren zijn zacht en liefelijk; zijn knieën zijn aaneengesloten en half gebogen; na vervolgens zijn reukzin verzadigd te hebben met het kostbare aroma, slorpt de wijnproever langzaam het vocht op en laat het heen en weer gaan in de nauwe holte, waar zijn bijeengebrachte lippen en tong het een oogenblik tegenhouden, om beter doortrokken te worden met zijne smakelijke moleculen alvorens het overschot er van aan de maag over te geven, die het opwacht ora er op haar beurt van te genieten.

Het zoude een geheel ander geval zijn indien hij een brandenden dorst te lesschen hadde. Zijn lichaam zoude zich dan sterk vooroverbuigen, zijn bevende handen zouden driftig het glas aan zijn brandende lippen brengen, en zijn tong, die in het eerste geval met wellust in het vocht hing, zoude zich op de kanten van het glas werpen om het in een enkele teug te ledigen, zelfs al ware het slechts met water gevuld.

Wanneer men zich een zaak weder in het geheugen wil terugroepen, dan brengt men onwillekeurig de hand aan het hoofd, alsdan heeft de prikkeling plaats in de hersenen, de zetel der verstandsvermogens, en hetgeen blijkbaar de hersenprikkeling aantoont, dat

ocr page 24

16

is de zorg om zich het voorhoofd te wrijven, evenals men doet op andere deelen, waar men een eenigszins sterke jeuking gevoelt; het gebaar om zich den slaap te krabben is natuurlijker: men ziet het dan ook bij de boeren, die niet weten dat de goede toon der samenleving een dergelijke handelwijze niet duldt; het onderscheid 't welk tusschen beide manieren bestaat, is dat van de natuurlijke gewaarwording met die, gewijzigd door den staat van beschaving.

Herkent men aan deze ronde houding, aan dit teruggeworpen hoofd, 'twelk aan het hemellicht een zuiver voorhoofd aanbiedt, aan deze half op den gezwollen boezem gekruiste handen, aan deze armen, van het lichaam gebracht als de vleugelen eens vogels, die heenvliegt naar de wolk, waar zijn blik hem voorafgaat, herkent men aan dat alles niet de ziel, haar dankbaarheid uitsprekende aan den boezem van een geheimzinnig wezen? De geheele werking richt zich blijkbaar in dit geval naar het hart; de oogen zijn de kanalen, waardoor de verbinding plaats heeft.

Het is wel een platte uitdrukking, maar die het toch niet kwaad is eens in de herinnering te brengen, omdat zij met juistheid deze prikkeling weergeeft van het orgaan; indien iemand, die ongeduldig wordt, zich gereed maakt, om met de vuist dengeen te slaan, die zijn ongeduld opwekt, dan zegt men: zijn handen jeuken hem.

De voet vertoont dezelfde verschijnselen indien de begeerte op eenig goed gevestigd is; men trappelt, men springt, men kan geen oogenblik op zijn plaats.

ocr page 25

17

blijven, men heeft, gelijk men dat plat uitdrukt, kwik in zijn beenen.

Op sommige tijdstippen van de zwangerschap komen er bij de vrouwen grillige lusten op, die zij niet onderdrukken kunnen en die bijgevolg gemakkelijk waar te nemen zijn in hunne kleinste bijzonderheden; zij b. v. die genegen zijn te knijpen, betoonen een buitengewone onrustigheid in de uiteinden der vingers; zij schijnen deze voor te bereiden, gelijk een musch haar bek slijpt, alvorens er zich van te bedienen.

De lust om te lachen werkt op het middelrif en op den mond, die er de hoofdzetels van zijn; wil men dan ook een lachbui onderdrukken, dan zorgt men de ribben sterk te drukken, om de samentrekking van het middelrif tegen te gaan en buitendien de lippen opeen te klemmen, ten einde den schaterlach in te houden.

De uitgelatenheid en de angst zijn twee elementen van de begeerte. Zij worden zóó juist uitgedrukt, dat als men iemand ontmoet in dezen toestand, men tegen wil en dank genegen is te vragen, wat deze persoon wil of wat hij verwacht.

Dit karakter van angst is het gevolg van de concentratie, welke alle bewegingen der hevig ontroerde ziel voorafgaat.

De inwendige strijd tusschen droefheid en blijdschap, tusschen vrees en hoop treft men aan op het gelaat van den mensch, die beheerscht wordt door den tirannieken hartstocht van het spel.

Zie de vluchtige, zoo snel afwisselende uitdrukking maar eens van den speler, die zijn lot afwacht van een

2

ocr page 26

18

kaart of een dobbelsteen; de verlenging of de samentrekking zijner beweeglijke trekken zal u met stelligheid zeggen of hij vreest dan wel of hij hoopt.

Zoodra de ongelukkige ter prooi is aan zijne uitzinnige begeerten, ziet zijn oog slechts de kaarten of het goud, zijn gelaat is bleek, het bloed heeft zich teruggetrokken naar zijn, in zijn borst bonzend hart, zijn saamgetrokken vingers verscheuren zijn boezem, hij verkeert in een afgrijselijke ongerustheid. Indien echter zijn droge, gloeiende oogen met nieuw leven bezield worden, indien de glimlach wederom zijne lippen vaneenbrengt en ze beweegt, dan doet een plotselinge kramptrekking zijn lichaam trillen, zijn voorhoofd begint te ontrimpelen, zijn ongeduldige blik omvangt den schat, dien zijn wijdgeopende hand reeds meent te omsluiten, hij denkt het doel zijner onverzadelijke begeerten te bereiken.

De dieren, door dezen lastigen prikkel gekweld, zijn insgelijks onrustig, hier en daar zwervend, hardnekkig vervolgd door de behoefte ; het is hoofdzakelijk in den paartijd dat deze bloedopbruising en deze werkzaamheid zich gebiedender doen gevoelen; in die oogenblikken kan niets hen weerhouden; vreemd aan alles, wat er om hen heen voorvalt, zijn zij uitsluitend bezig met de noodzakelijkheid om te beantwoorden aan de eischen der natuur, die alsdan onbeperkte heerscheres is en de middelen bezit om zich despotisch te doen gehoorzamen.

Wij willen niet eindigen zonder aan de Grieken te herinneren, die, fijne waarnemers als zij waren, de

ocr page 27

19

begeerte met den vlinder vergeleken, die zich nooit neerzet. Zij gaven de vleugelen van dit insect aan Psyché, dit bevallige zinnebeeld der onsterfelijke ziel; zij hebben vermoedelijk daardoor te kennen willen geven, dat het op de vleugelen der begeerte was, dat deze hartstochtelijke geliefde de min tegemoetvloog.

Deze onoverwinnelijke, onaangename gewaarwording, door de begeerte teweeggebracht, was hun evenmin ontsnapt; zij hebben er de straf van Tantalus van gemaakt.

Deze pijniging moest in hunne oogen wel groot zijn, daar zij haar op een goddelooze toepasten.

Thans willen wij nog eenige belangrijke beschouwingen laten volgen. Indien de begeerte uit een behoefte van het organisme voortspruit, kan de kunstenaar steeds, door de meeste veerkracht en de meeste werkzaamheid te laten aan het zintuig, in staat om haar te bevredigen, duidelijk het doel der begeerte aanwijzen, en aan zijn figuur de passende uitdrukking-geven, zonder zijn toevlucht te moeten nemen tot bijzaken.'Indien echter het onderwerp de uitdrukking eischte van sommige begeerten, die genoegens ten doel hadden, welke het vernuft alleen verwerven en smaken kan, zoude het zeer gemakkelijk zijn, om er de abstracte en alleen in het bemerkingsvermogen zetelende drijfveer van aan te toonen.

Men zoude alsdan getrouw teruggeven, wat er in die omstandigheden plaats heeft; daar het uiterlijke spel der zinnen niet alleen zonder nut voor den denker, maar hem zelfs schadelijk is, wordt hij onver-

ocr page 28

20

schillig voor alles, wat hem omringt, en om niet afgeleid te worden, breekt hij alle verkeer met de buitenwereld af; indien men op het doek het onderwerp zijner diepe overdenkingen nauwkeurig wilde voorstellen, dan zoude men bij den, in zijne overpeinzingen verdiepten mensch de kenmerkende attributen moeten plaatsen der wetenschap, waarmede hij zich uitsluitend bezighoudt.

Vaak ook zijn onze organen niet toereikend, om te beantwoorden aan de begeerten, die ons in beweging-brengen; in dit geval is ons oogmerk oogenblikkelijk gericht op datgeen, wat kan medewerken om de werking van het organisme aan te vullen.

Zoo b. v. brengen personen, wier gezicht te zwak is om duidelijk de inwendige oorzaken te onderkennen, onwillekeurig de hand aan hun bril, die voor hen volkomen onmisbaar is; het oog echter, op zich zelf ongeschikt tot waarneming, wordt er niet minder door geprikkeld, en het blijkt ten duidelijkste uit de samentrekking van de kringspier; zij vernauwt zich om de opening der oogen kleiner te maken, ten einde meer kracht te geven aan de gezichtsstralen, door ze te vereenigen; de bijziende weet zeer goed dat deze spierbeweging minstens nutteloos is zonder de hulp van vergrootglazen, en hij veegt deze laatsten dan ook met des te meer snelheid af naarmate zijn begeerte levendiger is.

De begeerte is over het algemeen de aandoening der ziel, die het moeielijkst in te houden is; wil men de meest aangewende neigingen van den een of ander

ocr page 29

21

kennen, dan moet men achtereenvolgens voor zijn oogen de voorwerpen voorbij laten gaan, die de verschillende smaken van een mensch vertegenwoordigen, of wel, alleen zich rechtstreeks wenden tot zijn verbeelding, om aan het vuur zijner blikken te herkennen, of men juist geraden heeft.

Deze proefneming dagteekent niet van den tegen-woordigen tijd; het was het middel, door Ulysses gebezigd, om Achilles te midden van de dochters van Lycomedes aan te wijzen, wier kleeding hij aangenomen had om zich onkenbaar te maken aan de oogen der Grieken, die zonder hem Troje niet konden verwoesten. Ulysses kwam, zooals men weet onder de vermomming van een koopman kleinoodiën aanbieden, waarbij hij ook een zwaard had gevoegd. A.chilles

1) Achilles, de zoon van de zeenimf Thetis en van Peleus, den vorst der Myrmidonen in Phtliia, was nog zeer jong zijnde door zyn moeder ia den Styx gedompeld om hem onkwetsbaar te maken, 't geen haar gelukte met uitzondering van de hiel, waarbij zij het kind vasthield. Het was bepaald dat Troje niet kon veroverd worden zonder hem, doch zijn moeder, wetende, dat hij in dien strijd zoude omkomen, verborg hem in vrouwen-kleeren bij de dochters van Lycomedes op het eiland Scykros. De sluwe Ulysses wist echter zijn schuilplaats te ontdekken. Als koopman vermomd bood hij aan de dochters van Lycomedes allerlei kostbare kleederen aan en voegde daarbij ook een schild en speer. Daarop deed hij plotseling den aanval blazen, zoodat de meisjes de vlucht namen, terwijl Achilles zich verried door naar die wapenen te grijpen. Nu beloofde en verleende deze zijn bijstand aan het Grieksche leger. Vert.

ocr page 30

22

maakte er zich het eerst van meester en verried aldus zijn geheim door deze geestdriftige uiting van zijn moed en zijn krijgshaftige gezindheid.

Wij moeten bij dit punt nog even blijven stilstaan: een geschilderde of gemodeleerde figuur moet aldus opgevat worden, dat de aanschouwer nimmer in het onzekere kan blijven omtrent de drijfveer van den hartstocht, die door den kunstenaar tot thema van zijn schepping is genomen; de aard en het doel der begeerte moeten duidelijk aangeduid zijn, ten einde niet den minsten twijfel te laten omtrent het voorgestelde resultaat; men moet aan de uitdrukking van de begeerte de meest karakteristieke schakeering geven van den hartstocht, die zij voorafgaat, en van dien, welken zij op het punt staat van aan te wijzen, als het meest geschikte middel om zich te bevredigen.

En eindelijk is het een in zijn gevolgen algemeen als waar aangenomen feit, dat de edelmoedige opwellingen der ziel de trekken van het gelaat ontwikkelen en verschoonen, de tegenovergestelde aandoeningen ze samentrekken en ontsieren. Men zal van een gelaat in deze laatste omstandigheid verkeerende, zeggen dat het een misdadigerstronie is; men zal zelfs onwillekeurig uit wantrouwen zoowel als uit voorgevoel genegen zijn, om er zich voorzichtigheidshalve zoo ver mogelijk van verwijderd te houden.

ocr page 31

DE ANGST.

De angst is een waakzame schildwacht hij den mensch zoowel als hij de dieren geplaatst om hen te waarschuwen voor de nadering van het gevaar en hen tegen elke overrompeling te behoeden.

Hare werking is, dat zij de ziel in zich zelve doet terugtrekken en dezelfde rugwaartsche beweging mededeelt aan geheel de gezamenlijke levensverrichtingen. Wanneer de alarmkreet zich heeft doen hooren, dan trekt de voorhoede op het legerkorps terug en tracht zij niet eerst het voorziene gevaar af te weeren.

Deze hartstocht spruit uit de ziel in den staat van zwakheid voort; zij is dus concentrisch en moet in den beginne als type van hare lichamelijke uitdrukking de toenadering der ledematen en der spieren naar de middellijn teweegbrengen; wij zeggen inden beginne,' want later kan de kracht der aanvankelijke concentratie, gelijk wij zulks reeds aangetoond hebben in de algemeene uiteenzetting van het kenmerkende karakter der hartstochten, excentratie teweegbrengen, die hen volgt, wanneer zij hun hoogsten graad van hevigheid bereikt hebben.

De angst is ontegenzeggelijk voor het dier, wat de voorzichtigheid voor den verstandelijken mensch is; zij spoort hem aan, om zich van het gevaar verwijderd te houden, wanneer dat gevaar den weerstand

ocr page 32

24

overtreft, dien hij er aan zoude kunnen bieden; daar zij echter haar oorsprong heeft in de zwakheid en het eigenaardige van dezen toestand een overdreven wantrouwen is in de middelen, waarover men beschikt, verschilt zij in zoover van de voorzichtigheid; verre van het gevaar juist in te doen zien, dat zij integendeel het denkbeeld van dat gevaar verhoogt.

Gaan wij de uitwerking van den angst bij den mensch na. Hij is plotseling geschokt, hij huivert, hij is in zich zelf gekeerd; zijn hart bonst en zijne hand beeft, terwijl hij tracht de kloppingen er van tegen te gaan; hij is bevreesd, hij ziet in de minste persoonlijkheid een vijand, zijn angstige blikken zwerven over de voorwerpen, die onder zijn oogen geplaatst zijn; zijn gezicht wordt beneveld, hij kan niet meer goed onderscheiden wat hij ziet; de hartstocht toont hem alles onder een reusachtigen vorm aan, een onbeduidend iets brengt hem in opwinding; hij meent dat hem elk oogen-blik een gevaar dreigt; hij gelooft ternauwernood den tijd te hebben om er zich aan te onttrekken; hij stamelt, hij tracht zich in veiligheid te stellen, en geen gezond oordeel meer hebbende, bezigt hij de meest tegenstrijdige middelen en vervalt soms in een verlegenheid, grooter dan die, waaruit hij tot eiken prijs geraken wil.

Een wezen, onderhevig aan angst, verkeert in een eeuwigdurende ongerustheid, hij beeft bij het minste geluid; het geritsel van het verdorde blad doet hem ontstellen. Hij vermijdt het om 's nachts voorbij kerkhoven te gaan, en indien hij ondanks zijne voorzorgen op zijn

ocr page 33

25

weg toch een graf ontmoet, houdt hij zich zoo stijf mogelijk zonder het hoofd om te wenden; zijn oogen verlaten het doel niet, waar hij meent in veiligheid te kunnen wezen, zijne blikken brengen er hem reeds vooraf heen. De schaduw van eenig voorwerp, door de maan op zijn voorhoofd geworpen, brengt op zijn verbeelding de uitwerking te weeg van handen, gereed om hem aan te grijpen. Zijn eigen schaduw zelfs is hem een hinderlijke gezellin.

Deze weifelende toestand der ziel is gemakkelijk te onderkennen bij de vrouwen. Niets zoo angstig als een jong meisje, een nietigheid jaagt haar schrik aan, een blik brengt haar in verlegenheid. Een aangeboren gevoel van terughoudendheid leidt haar, zij schijnt zich dan te verdedigen te hebben tegen een aanranding, waarvan zij zich zelve geen rekenschap geeft, maar die haar verrassen en overweldigen zoude kunnen, en vooral op den leeftijd, waarin de liefde in haar hart wortel schiet, dat reeds bewogen wordt door de onbestemde ongerustheid, welke de natuur er in brengt. Dit juist 'heeft de Grieksche beitel zoo bevallig en zoo fijn uitgedrukt in dit marmer, schitterend van jeugd en van leven, waarin de zuiverste en de bekoorlijkste vormen vereenigd zijn onder de goddelijke trekken van de geboren wordende en de wereld, die zij begeert en ducht, toelachende Venus.

De zachte buiging van dit scboone lichaam, de lichte beweging, die inwendig deze onzekere knieën afrondt, elkander zoekende om elkaar wederzijds een steun te verleenen; deze naakte armen als een sluier

ocr page 34

26

geworpen over bekoorlijkheden, door de onbescheiden blikken der liefdegoden aangetast, alles in deze bewonderenswaardige figuur is onder den invloed van den angst van het jonge meisje, van deze onwillekeurige schaamachtigheid, die haar doet gevoelen, dat zij zwak is en dat zij op tegenweer bedacht moet zijn. Het is een overheerlijk beeld van den angst, die nog de begeerte tegenhoudt, maar op het punt staat van te bezwijken voor de machtiger aantrekkelijkheid van den wellust: men is het beminnen nabij, wanneer men vreest.

Het is hoofdzakelijk op het hart en op de ademhalingswerktuigen, dat de angst in de eerste plaats werkt. Het jonge meisje ondervindt een pijnlijke benauwdheid in die streken; zij brengt de handen aan hare borst, die de aandoening snel op en neer doet gaan; hare bevende lippen, bezwijkende voor de behoefte om te begrijpen, openen zich half om te luisteren; hare oogleden verwijden zich, doch het oog houdt den blik terug; het hoofd is onbeweeglijk en wordt bewogen door de spieren van den hals, die het naar den licht opgetrokken schouder draaien; het oor schijnt het geluid tegemoet te gaan en het met moeite op te vangen. Indien het haar toeschijnt, dat het gevaar wijkt, dan worden hare bewegingen weder leniger; hare handen verlaten van lieverlede haar gedwongen houding en gaan zachtkens uiteen; hare oogleden ontspannen zich, en eindelijk maakt de bleekheid van haar voorhoofd plaats voor een levendige tint, die de hoop er op te voorschijn roept.

ocr page 35

27

De angst is vernuftiger in het kwellen, wanneer zij werkt op het zenuwgestel van eene vrouw, die de liefde moeder heeft doen worden; zij wacht zelfs niet eens de eerste verschijnselen van het gevaar af, hare rusteloos werkzame verbeelding stelt haar dit voor, als zich reeds meester makende van het kind, waarin zij geheel en al opgaat; de zonderlingste, grilligste denkbeelden bestormen haar. Zij vindt geen voorzorgen zeker genoeg tegen de overdreven onheilen, die hare eenzaamheid haar steeds toont als gereed om over haar los te breken. Het kenmerkende karakter van den angst is, om zooveel mogelijk in te krimpen, ten einde aan het gevaar een minder groot oppervlak aan te bieden; zijne werking is dezelfde op de organen, die hij verkort en op het verstand, dat het beperkt. Het is de hartstocht, dien de bedriegers van alle tijden zich het meest ten nutte gemaakt hebben ten koste van de menschelijke zwakheid.

Deze eigenschap van den angst is duidelijk merkbaar bij kinderen, die gewoon zijn om klappen te krijgen voor de minste feilen; indien men in hunne nabijheid een plotseling gebaar met de hand maakt, dan is hét eerste wat zij doen, om handen en voeten naar het lichaam toe te trekken, evenals de slak zich in haar huisje terugtrekt.

Beschouw de houding eens van het kind, dat men op deze wijze zal bestraffen: wanneer het voelt, dat het onweer op het punt staat van los te barsten, trekt het zich als 't ware samen, zijn kleine gestalte krimpt ineen, zijn handen schijnen zich om zoo te

ocr page 36

28

zeggen gereed te houden, om het lichaam te dekken, zooveel als hare onbeduidendheid dit veroorlooft; zijn ellebogen sluiten zich tegen de zijden aan en dringen ze krampachtig terug, zijn armpjes zijn tegen de borst aangesloten, zijn handjes zijn half smeekend opgeheven, want zijn vingertjes zijn niet dooreenge-strengeld. De romp is gebogen, de voeten eveneens en inwendig afgerond door de sterke drukking der knieën.

Indien in dit hachelijke oogenblik het nog een weinig hoop blijft, dan richten zijne beenen zich behoedzaam op, het verst verwijderde wijkt zachtkens af, strekt zich vervolgens uit, als trachtte het terrein te winnen; zijne blikken laten het werktuig der smart echter niet los, dat het dreigt en zijn minste opwellingen onderdrukt; voeg bij dit alles een voorkomen van de uiterste verlegenheid, dat onmogelijk te vermommen is en voortspruit uit de aandacht, verdeeld tusschen de inwendige berekening, die het maakt van de waarschijnlijke kansen om zich aan de bestraffing door een snelle vlucht te onttrekken, en de vrees om een zelf twijfelachtigen toestand te verwisselen tegen een andere, die nog minder gunstig is voor zijne plannen.

Wanneer het meent te kunnen ontvluchten, houdt het zijn adem in, om zijn bedoeling niet te laten doorstralen. Het begint met zich trapsgewijze uit de voeten te maken, het schuift den voet over den grond vooruit, daarbij een kromme lijn beschrijvende met een pas, die des te zekerder is naarmate de straal in lengte toeneemt, en wanneer het eindelijk oordeelt, dat de ruimte, die het er in geslaagd is tusschen de

ocr page 37

29

zweep en zijn schouders te brengen, groot genoeg is, om het waagstuk te ondernemen, dan stoot het een kreet uit en vlucht zoo snel als het slechts kan.

Alle lokaliteiten bieden hem echter dit hulpmiddel niet aan; vaak bevindt het zich in een besloten ruimte; in dat geval is het eerste wat het doet, om neer te gaan hurken in een hoek van den muur, waartegen het zich aanplaatst evenals wilde of kon het dezen verschuiven; in deze verschansing krijgen zijne gebaren een buitengewone levendigheid; zij veranderen dan even dikwijls van stand als de onverzoenlijke hand, die met list er naar tracht om een kwetstbaar punt te vinden. De arme kleine trappelt, hij gaat heftig te keer en zich niet meer behoevende te ontzien, schreeuwt hij lang voordat men hem aanraakt en lang nog nadat hij geslagen is geworden. In deze verschillende omstandigheden biedt het kind steeds de voorzijde van het lichaam aan; aan dien kant toch zal het het minste last van klappen hebben. Bij de uiting-van den angst bestaat een algemeene regel, dien wij hier niet onvermeld mogen laten: het gebaar plaatst zich steeds tusschen het voorwerp en de organen in, waardoor het inniger tot ons kan komen.

De handen plaatsen zich boven de oogen, indien het een handeling betreft, pijnlijk om aan te zien; zij sluiten neus en mond, indien zij vreezen een voor de gezondheid nadeeligen reuk te zullen inademen. Zij sluiten eveneens hermetisch de ooren, wanneer hartverscheurende kreten zich doen hooren; die voor zijn leven vreest, brengt de hand aan zijn hoofd en zoo

ocr page 38

30

is het ook het geval met de andere drijfveeren van dezen hartstocht. Indien echter de wijzigende oorzaak geen bijzonder deurtje heeft, en zij zich gelijkelijk aan het geheele lichaam mededeelt, dan geeft men een grootere uitbreiding aan het gebaar en wel door middel van bijkrachten, geschikt om zijn schadelijke uitwerking tegen te gaan of ten minste te neutraliseeren.

Wanneer de koude bij voorbeeld op het geheele organisme werkende, zich begint te doen duchten, dan neemt de bemiddelde mensch zijn toevlucht tot een mantel, groot genoeg opdat hij zich geheel in zijne plooien wikkelen kan; hij versnelt zelfs zijn gang, ten einde bet concentrische gevoel op te wegen tegen een heilzame beweging.

De arme van alles beroofd, klappertandt onder de armzalige lompen, wier tallooze gaten zijn lichaam blootgesteld laten aan al de guurheid van het seizoen; hij blijft in elkaar gedoken zitten, zonder zich te verroeren, zijn handen en armen zijn zorgvuldig verborgen tusschen de borst, die zich buigt, en de knieën, die opgetrokken worden. De ongelukkige tracht aan de koude, die hem martelt en die hem doet bevriezen, minder vat te geven.

De angst heeft de dikke muren gebouwd, die de steden tegen vijandelijke invallen beschermen, zij heeft de gedaante gegeven aan het schild, waarachter de strijder eertijds beschutting zocht. Bij gebrek aan physieke, bedient men zich van zedelijke middelen; een soldaat van den tegenwoordigen tijd staalt zich opnieuw in zijn eigen moed, ten einde zoodoende

ocr page 39

31

de verdedigingswapenen te vervangen, waarvan hij beroofd is.

De gematigde angst is een steeds waakzame gids, die terstond de aandacht vestigt op hetgeen dringend noodzakelijk is in het belang van ons behoud. Zijn zorg is evenredig aan het gevaar; aan den sterke raadt hij de reactie aan, aan den zwakke, de vlucht. Op zijn overreding maakt de een zich een bolwerk van zijn welsprekendheid en van zijn zedelijke macht, de ander vertrouwt alleen op zijne sterke en moedige armen.

't Geen wij gezegd hebben over de algemeene begrippen van den angst met betrekking tot den mensch is ook toepasselijk op de dieren. De hond, die door zijn meester beknord en verplicht wordt om een welverdiende bestraffing te komen ontvangen, levert een identiek karakter op met dat, 't welk wij zoo even bij het kind beschreven hebben. De ooren hangen omlaag, de staart drukt op het kruis, dat daardoor dichter bij het voorstel gebracht wordt; deze concentrische beweging brengt den romp achterwaarts, doét de wervelkolom krommen en de ribben buitenwaarts uitzetten. De hond maakt zich klein, trekt zich zooveel in als slechts mogelijk is, hij dobbert tusschen de vrees om zijn vergrijp nog slechts te verzwaren door niet te gehoorzamen en de behoefte om zich af te zonderen; zijn blik is smeekend, angstig volgt hij de schommelende bewegingen van het rot-tingje, dat op zijn ruggegraat is gericht.

De hoekigheid is de type van de lichamelijke kenmerken van den angst; dit komt hiervan wijl deze

ocr page 40

32

hartstocht hoofdzakelijk op de buigspieren werkt; hij trekt ze des te sterker samen, naarmate hij meer buiten de werkelijkheid gaat. De onzekerheid is insgelijks een der allereerste verschijnselen van dezen hartstocht. Er is niets standvastigs noch in de denkbeelden, noch in de gebaren van den angsligen mensch, hij zweeft steeds tusschen de noodzakelijkheid om te ontvluchten en het gemis aan moed, dat hem weerhoudt; doch indien de angst ingrijpend wordt, dan hecht hij zich instinctmatig aan alles, wat zijn levensgeesten kan versterken.

Indien hij bijvoorbeeld de ontploffing van een vuurwapen ducht, dan zal hij zich met kracht tegen een boom aandrukken, of wel tegen een muur, of ook zich vastklampen aan de kleeren van den eersten den besten, dien hij zelf niet eens kent en zal niet eerder loslaten, dan wanneer hij meenen zal, niets meer te duchten te hebben. Deze uitwerking is zeer merkbaar bij een persoon, die verdrinkt. Hij tracht zich van alles, wat hij aanraakt, met een gretige woede meester te maken; hij grijpt, overal waar hij slechts kan, den edelmoedigen mensch beet, die zich voor hem opoffert, zonder zich er in het minst om te bekommeren, of de wijze, waarop hij hem omknelt, beider leven niet ernstig in gevaar brengt.

Van alle toestanden van het menschelijk leven is echter die, welke het meest aan dit zedelijk gebrek onderhevig is, wanneer het tot het uiterste gedreven wordt, de ouderdom, die, uit zichzelven niets meer kunnende, met leedwezen de toekomst ziet naderen.

ocr page 41

33

Het is dan ook bij de grijsaards, dat men het meest deze afleiding van den angst, de gierigheid, aantreft, welke den mensch ontadelt en hem beneden het dier doet dalen, want voor dit laatste is bezitten genieten.

Alles is afzichtelijk en terugstootend bij den gierigaard; zijn oog is onrustig, zijn blik valsch en doordringend, zijn handen en zijn gelaat zijn vuil, zijn kleeren zijn hem te nauw, met overleg versleten en op de meest in 't oogloopende plaatsen verborgen onder het glimmende vuil, dat ze bedekt, zijn haren zijn lang, vet en haveloos; zijne trekken zijn afgenomen door de onthouding, zijn lippen zijn dunner geworden door de begeerlijkheid.

Zijn gebaren zijn concentrisch, zijn hand opent zich alleen om te ontvangen. Zijn meubelen en zijn huis-en keukengereedschappen zijn van een vorige eeuw, voorwerpen niet van zeldzaamheid, maar van vrekkigheid en belachelijkheid.

Wanneer gij tot zulk een mensch spreekt, dan doet ge hem beven, hij wantrouwt u en wantrouwt zich-zelven; hij' bespiedt al uwe bewegingen en waakt over de zijnen.

De gierigaard heeft nooit zijn hart uitgestort, hij sluit alles in zich op, ook zichzelven.

Zijn wijze van zijn is kruipend; hij spreekt kortaf, zijn gebaren zijn langzaam en onzeker.

Indien men hem echter zijn schatten wil ontrooven, dan wordt hij een leeuwin, die hare welpen verdedigt. Hij klampt zich aan zijn goederen vast, gelijk de lafaard aan het leven. Het is een monster, datdemaat-

3

ocr page 42

34

schappij uitgeworpen diende te worden; hij ontvangt van haar en geeft haar niets terug.

In de individueele uitdrukking van den angst is nog een moment, dat wij hier vermelden willen: het is dat, volgende op de eerste zielsaandoening en 't welk de reactie voorafgaat.

Wanneer men de oorzaak van den angst wil nagaan, buigt het lichaam zich naar voren; het oor wendt zich naar den kant van waar het geluid komt; de oogleden naderen elkaar om den blik doordringender te maken; de eene hand, eerst ter hoogte van het hoofd opgeheven, komt al tastend vooruit en naarmate men zich verstout, en om niets te veranderen aan het volkomen evenwicht, dat alleen in staat kan stellen om met snelheid te handelen, 't zij dat men het oogenblik geschikt acht om voorwaarts te gaan, 't zij dat men besloten heeft om te vluchten, gaat de andere hand weder naar achter. Hetzelfde is het geval met de beenen, die eenigszins van elkaar verwijderd zijn en gelijkelijk het gewicht dragen, ten einde een van deze tegenovergestelde bedoelingen te ondersteunen. Bij deze wisselkeus zijn zij half gebogen ten einde dit resultaat te vergemakkelijken.

Indien de angst slechts gering is, dan zal de houding meer naar voren gebogen zijn, het tegendeel zal plaats hebben, indien deze gewaarwording sterker en beslister is.

De juistheid dezer opmerking blijkt ten duidelijkste wanneer wij, op een hoog gebouw geplaatst, met de oogen den afstand meten, die ons van den grond

ocr page 43

35

scheidt; indien deze aanblik weinig indruk op ons maakt, dan durven wij ons voorover te buigen om beter te kunnen zien ; indien echter de angst ons beheerscht, dan ondervinden wij de uitwerking van een kracht, onzen wil te boven gaande; wij werpen ons achterover, ondanks ons heilige voornemen om weerstand te bieden, wij zijn alsdan verplicht onze standplaats te verlaten, de afgrond trekt ons aan, en wij trachten de duizeling te verdrijven, die ons in verwarring brengt, door terug te keeren.

Deze aarzeling der ziel in den angst is op een merkwaardige wijze weergegeven in de Clytemnestra, die wij te danken hebben aan het penseel van Guérin. 1)

Deze trotsche koningin is op het punt om op de huwelijkssponde Agamemnon, haar heer en haar gemaal, te doen omkomen; zij aarzelt een oogenblik bij de gedachte aan den moord, dien zij in den zin heeft; het is niet de aanblik van de majestueuze trekken van haar slachtoffer, die haar tegenhoudt; de schilder heeft wijselijk geoordeeld het tooneel zoodanig te moeten schikken, dat de koning zijn moordenaars niet zien kon, noch aan hunne blikken blootgesteld kon zijn op het oogenblik van de daad.

Deze schoone figuur vindt haar steunpunt in zich zelve; een been is vrij op de treden, waar het op staat, terwijl het andere alleen het gewicht draagt van het achterwaarts gebogen lichaam; deze houding

1) Pierre Narcisse baron Guérin, een der beste historieaohilders der nieuwe Fransche school, geb. te Parijs den 13 Maart 1774, overleden te Rome den 16 Juli 1833. Vert.

ocr page 44

36

van Clytemnestra geeft gewetenswroeging te kennen, haar voorovergebogen hoofd toont nadenken aan, haar onbeweeglijk oog de onwrikbaarheid van het denkbeeld, dat haren geest vervult; en eindelijk verraadt de rechterhand, die minder krachtig den dolk omklemt, waarmede zij gewapend is, dat zij in haar besluit wankelt, en dat dit wellicht plaats zoude maken voor berouw, indien de aanhitser tot de misdaad, Aegisthes, haar niet hardnekkig aanspoorde, om haar te bedrijven.

Wanneer de angst zich meester maakt van de massa's, biedt hij over het geheel hetzelfde karakter aan als bij het individu. Doet hij zich gevoelen, dan ontstaat er toenadering tusschen de menschen, zij raadplegen elkander; er is een betrekkelijke concentratie, de menigte geraakt in woeling, stoot op elkander, daar hare denkbeelden elkander bestrijden, het is een zee, wier golven tegen elkander klotsen.

In het tweede tijdperk, dat wil zeggen, wanneer de menigte het bewustzijn van hare zwakheid heeft, is ook de afzondering er het kenmerkende van; de acteurs verspreiden zich, vluchten zonder eenig doel, zonder eenige orde, en ieder denkt slechts aan zich zeiven, ieders streven is om zich tot eiken prijs van het gevaar te verwijderen, zelfs al moest hij er zijn aanhangers indompelen.

Wanneer de winter met zijn lange avonden de jonge dorpelingen om den huiselijken haard vereenigt, een aandachtig oor leenende aan de verhalen uit den ouden tijd, die een goede oude hun vertelt, dan ziet ge hen met half gesloten mond, een gretig oog en

ocr page 45

37

uitgestrekter! hals, zich allengs geheel overgeven aan het verhaal, dat hunne belangstelling opwekt en dat krachtig hunne werkzame verbeelding treft.

Naarmate de ontknooping nadert, vermeerdert de min of meer met hoop gepaarde angst; het gehuil van den wind, het geklepper van de deur, het gekraak van hare verroeste hengsels, dat alles dient om dien angst al meer en meer te ontwikkelen.

Van lieverlede worden de vingers minder vlug in het ronddraaien van den kantklos, die eindelijk geheel stilstaat, de kring wordt vernauwd, de ellebogen raken elkander aan, het hart bonst, men haalt ternauwernood adem.

Indien dan plotseling de deur opengaat, vliegt de zwerm uiteen en de angst volgt dien.

Indien wij een sprekender voorbeeld willen, verplaatsen wij ons dan naar die oogenblikken van politieke crisis, waarin het volk door het verwachten van groote gebeurtenissen in spanning gehouden wordt; door ongerustheid gedreven, verlaat het zijn woning, het verspréidt zich op de openbare pleinen en straten in de gemeenschap de gevoelens brengende, waarvan het de opbruising niet langer kan onderdrukken.

Daar loopt iedereen heen, men slaat er elkander gade, men tracht te lezen in de trekken van degenen, die men ontmoet, als men elkander kent, houdt men elkander staande, men vraagt met angst naar het nieuws van den dag; er vormen zich groepen, zij groeien aan, raken elkander aan, vermengen zich, het is een homogeen geheel, het beweegt zich, wordt

ocr page 46

38

door een en denzelfden aandrang geleid, het onderscheid der maatschappelijke standen verdwijnt geheel. De angst maakt allen gelijk. Aanschouw deze eerst zwijgendeT later woelige vergadering eens, het is een indrukwekkend schouwspel, men kan het niet beter vergelijken dan bij een vulkaan, gereed om uit te barsten en alles om zich heen te verwoesten.

Deze verhoudingen, deze analogie, die er bij den mensch tusschen het deel en het geheel bestaat, treft men insgelijks bij de dieren aan.

Wij zullen de schapen tot voorbeeld nemen. Zij bezitten minder middelen van reactie en zijn ook vreesachtiger.

Wanneer zij de dreigende stem van den herder hooren, die tegen hen, den uitvoerder zijner bevelen r den hond, ophitst, dan dringen zij zich zoodanig tegen elkander aan, dat het dier, afgezonden om hen te vervolgen, en dat zijn aanloop niet kan temperen, er overheen springt en een vrij lang traject aflegt op den rug der achterblijvers; zij dulden hem, volkomen gelijk als de ouden op hunne schilden, het schilddak vormende, de krijgers ontvingen, die tot den aanval overgingen.

Die verbindingen van lichamelijke of zedelijke vermogens, vindt men steeds daar terug, waar indivi-dueele terugwerkende zwakheid en onderdrukkende macht sterker dan het individu is; en 't zij dat de menschheid zich aaneensluit tot zedelijke vereenigin-gen voor de verdediging harer grondbeginselen, 't zij dat zij zich vereenigt tot een gewapenden troep, om

ocr page 47

39

het geweld barer aanranders met kracht te keer te gaan, toch biedt zij onder deze verschillende omstandigheden dezelfde wijze van uiting van het betrokken gevoel aan.

De dieren handelen op dezelfde wijze wanneer zij, individueel, niet in staat zijn, om aan de eischen hunner behoeften te voldoen.

De mier, zóó nietig, zóó beperkt in haar eigen middelen, leeft in gezelschap en maakt zich grooter in de coöperatie der geheele kolonie; de schrandere, naarstige bij voegt hare gedeeltelijke pogingen bij den arbeid barer gezellinnen, om den gemeenschap-pelijken korf te stichten, waar zij hare honing in neerleggen en bewaren moet; alleen zoude zij weinig nut kunnen uitrichten in den korten tijd van het bloemen-seizoen. Ook de bevers vereenigen hunne vermogens; de dieren leven door en voor zichzelven, en toch, wanneer zij te doen hebben met een wezen, sterker dan zij, vereenigt de angst hen.

Het paard, in vrijheid levende, vormt met zijn broeders 'een kring, waarvan al hunne hoofden het middenpunt en hunne kruizen den omtrek vormen. Het is door achteruitslaan, dat zij met voordeel den vijand bestrijden, door wien zij zich bedreigd zien.

De koeien daarentegen bieden den vijand de horens aan, terwijl zij elkaar met de achterdeelen, in één. zelfde steunpunt vereenigd, aanraken.

Tot dusver hebben wij slechts de physieke zijde der studie van den angst aangetoond ; wij zullen dit nu ook doen met die, waarvan het uitgangspunt gelegen is

ocr page 48

40

in de verstandelijke vermogens, welke op de gezamenlijke levensverrichtingen terugwerken, en wij zullen hier dezelfde wijze van graphische uitdrukking terugvinden.

Er is een innig gevoel, dat niet voortvloeit uit eene, slechts materieele behoefte, maar waarvan de bron hoogerop gezocht moet worden, want het ontstaat uit een moreel grondbeginsel, de onverbiddelijke rechter van de daden der menschen; het is de wroeging, die onverpoosd drukt op de ziel, welke zij bedroeft en beroert; deze concentrische beweging spruit voort uit een angstvallig geweten, dat zich wel zoude willen ontlasten van ieder onderzoek en zich toch nooit aan zich zelf kan onttrekken.

Het is een voortdurende straf, opgelegd door een hoogere macht aan het schepsel, begaafd met het vermogen om na te denken; het is voor het zedelijke, wat de smart voor het lichamelijke is: een middel van waardeering.

De angst, die waakt in het hart van den misdadiger, neemt een bijzonder karakter aan, dat wij een der dichterlijkste en schilderachtigste gemoedsaandoeningen moeten noemen.

De ongelukkige ter prooi aan deze kwelling is voortdurend op zijn hoede tegen iedere onvoorziene aandoening, die hem zoude kunnen verraden, en steeds past hij onwillekeurig op zijn onzekeren toestand het onbeduidendste voorval toe.

Hetgeen hij hoort of hetgeen hij ziet, schijnt hem toe alleen tegen zijn persoon gericht, een onver schil-

ocr page 49

41

lig woord doet hem ontstellen, de voetstappen, die achter hem weerklinken, zij zijn wellicht van degenen, die hem achtervolgen.

In deze ongerustheid gevoelt hij een onwederstaan-bare begeerte om te vluchten; hij vertraagt zijn schreden om de aandacht niet tot zich te trekken, een koud zweet druppelt van zijn bezorgd voorhoofd, zijn hart krimpt ineen, hij berekent met doodsangst het oogenblik, waarop hij ingehaald zal zijn door degenen, wier nadering hij zoozeer vreest. Het hamertje op de klok van het uurwerk vallende, schijnt hem insgelijks te treffen; hij ziet en meent, dat zijn laatste uur slaat.

Indien men zijn kleeren aanraakt, indien men een voorwerp, door hem gebruikt, onderzoekt, dan verbeeldt hij zich, dat men er een onuitwischbare vlek op ontwaart, die een vreeselijk getuigenis zal opleveren van zijne geheime daden, en terstond tracht hij zich te herinneren, of hij wel geheel en al de materieele bewijzen heeft doen verdwijnen, die zich tegen zijne leugenachtige ontkenningen kunnen verheffen.

Zijn bestaan is een lange en afgrijselijke nachtmerrie. De toekomst jaagt hem schrik aan, het heden behoort hem niet meer. Hij verwijdert zich van datgeen, wat op andere oogenblikken geschikt zoude zijn, om zijn bewogen zinnen te kalmeeren; hij beijvert zich om alle betrekkingen te doen ophouden, zelfs die met zijne vrienden, hij verkeert in den voort-durenden angst van toe te zullen geven aan een zich ontboezemende gemoedsbeweging, die hem in gevaar

ocr page 50

42

brengen en den weg zoude kunnen aanwijzen van datgeen, wat hij met zich in het graf wil nemen. En inderdaad, iedere minuut is zijn geheim gereed om hem te ontsnappen, en zich ontdekt wanende, staat hij op het punt om zich op de knieën te werpen en genade te vragen; hij verbeeldt zich namelijk dat men, evenals hij, een aanklagende stem hoort, die overal weerklinkt, maar waarvan zijn eigen hart de duidelijkste en geduchtste echo is.

Tevergeefs doet hij zijn best, om alle verkeer met de wereld te vermijden; hoe minder afleiding hij heeft, hoe meer zijn verbeelding hem terugvoert naar het noodlottige onderwerp, 't welk hem uitsluitend bezighoudt; het is alsof een ijzeren hand hem drukt; zij laat hem geen rust, zelfs dan nog niet wanneer het lichaam, uitgeput door zoovele schokken en vermoeiende indrukken, behoefte heeft om in den slaap een weldoende rust te vinden.

Zijn droomen vergiftigen zijn leven, een onverzoenlijke wroeging volgt hem op het hoofdkussen, waar zich zijn zwaar hoofd op verbergt; nauwelijks heeft hij de oogleden gesloten, na er zich van vergewist te hebben, dat hij alleen is, of een afgrijselijke droom komt de onrust voortzetten van een voorbijgekropen dag, zij doet hem verschrikt ontwaken, of te midden der duisternis vol ongeduld het opkomen van een nieuwen dageraad afwachten, een dageraad, die hem ook weder nieuwe folteringen zal brengen.

Het is op dezen toestand der ziel, door waarneming gestaafd, en onverklaard door de wetenschap, dat alle

ocr page 51

43

godsdiensten, die een voortzetting van dit leven aan gene zijde van het graf aannemen, dat stremmende denkbeeld van een hel gegrond hebben, waar de meest geheime booze daden streng gestraft moeten worden; een heilzame angst, beschouwd in het algemeen belang der maatschappij, indien de schuldige in staat is dien te gevoelen, maar waarvan de huichelarij en de leugen maar al te vaak misbruik gemaakt hebben uit egoïstische en winstbejagende bedoelingen.

De angst gaat gepaard met alle aandoeningen der ziel, die ten doel hebben het kwaad te vermijden, en in het bijzonder met de ijverzucht.

ocr page 52

DE TOORN.

De toorn spruit voort uit de liefde, die wij voor ons zeiven hebben en die er ons toe brengt, om snel en met kracht een dreigend kwaad af te wijzen; deze behoefte, deze noodzakelijkheid om ons te isoleeren van 't geen ons schadelijk zou kunnen wezen, doet zich aan ons gevoelen door de smart, die ons prikkelt, onze krachten versterkt en ons aanspoort om ons te verzetten.

Deze gewaarwording brengt wanorde in onze ziel door een oogenblikkelijke overprikkeling. Zij kan voortkomen uit een moreele of physieke oorzaak: moreel, wanneer zij veroorzaakt is door beleediging, physiek, wanneer zij het gevolg is van de rechtstreek-sche inwerking der uitwendige invloeden op ons organisme.

De toorn, zooals men ziet, biedt in zijn voortgang twee duidelijk onderscheiden karakters aan; bij zijn ontstaan dat van de smart, 't welk de concentratie is, en dat van de excentratie, wanneer hij uitbarst.

Deze hartstocht moet dus gerangschikt worden onder die, waaraan wij den naam gegeven hebben van concentrico-excentrische of heftige. Zijn opwellingen zijn sterk, onstuimig, en zijne uitwerkingen staan in verhouding tot den leeftijd, het temperament,

ocr page 53

45

den maatschappelijken stand van den persoon, die hem ondervindt.

Wij hebben gezegd, dat de toorn het karakter aannam der concentratie, omdat hij voortspruit uit de overprikkeling in ons door de smart teweeggebracht, en in onze rangschikking der hartstochten hebben wij aangetoond, dat de concentrische aandoeningen der ziel eigen zijn aan den staat van zwakheid; zoo op het oog schijnt het eene ongerijmdheid, om aan den toorn, een heftigen hartstocht, eene dergelijke schakeering te willen geven, doch men vergete vooral dit hoogst gewichtige punt niet; in alle soortgelijke hartstochten zijn wij in de eerste plaats door hen overmeesterd, en daar de uitbarsting, die er het einde van is, uit de kracht voortkomt, die ons eerst beheerscht, staan wij blijkbaar weerloos tegenover hunne eerste werking, totdat wij eindelijk ons gaan verzetten en wel door de overmaat van drukking, op onze organen uitgeoefend.

Hoe vreeselijker wij de uitwerkingen van den toorn willen maken, hoe meer wij weder dien oorspronke-lijken staat'van concentratie trachten te vergrooten; wij verkroppen de beleediging, wij dringen haar in ons terug, wij onderdrukken de aandrift, die er ons toe aanspoort om het kwaad af te wijzen, ten einde meer kracht aan de opwelling er van te geven. De knal van een vuurwapen kan men des te heviger maken door het buskruit vaster aan te stampen, dat dezen knal teweeg moet brengen.

En hoe openbaren zich deze zedelijke kenteekenen aan den kunstenaar?

ocr page 54

46

Zoodra wij den prikkel des toorns gevoelen, trekt ons bloed zich naar het hart terug, het gelaat wordt bleek, de lippen worden lijkkleurig en beven, de stem, als men het zoo eens mag uitdrukken, blijft in het strottenhoofd zitten; het spierstelsel trekt zich samen, de hand sluit zich, de voet drukt met kracht den grond; alle spieren van het gezicht richten zich naar de mediaanlijn, ten einde daar een steunpunt te zoeken, de kaken zijn met kracht aaneengesloten, de lippen vast opeengedrukt, de neusvleugels zijn aan het bovengedeelte samengeperst; de wenkbrauwspier daalt over het oog, dat alleen verwijd is en waarvan de hoekige vorm verdwijnt door de samentrekking van de kringvormige sluitspier. In deze houding schijnt de mensch vasten voet op zichzelven te krijgen en stelling te nemen om zich voor den strijd gereed te maken; zijne tegen de zwoegende borst aangesloten armen, schijnen zijn ziel tegen te houden; alles in hem drukt concentratie uit, de werking van zich in te houden, en merk wel op, hoe alles zich verbindt; het zijn de buigspieren, die op dat oogenblik werken, de strekspieren vervullen een zeer groote rol, in 't geen nu volgen zal, wanneer de hartstocht buiten zijne perken treedt, alles wordt dan excentrisch, alles richt zich naar buiten. De levenssappen, eerst naar het centrum teruggedrongen, worden naar den omtrek verjaagd, de hals zwelt op, het gelaat zet op door den toevoer van bloed, het is vuurrood, het is opgewonden; de aderen van den hals, van de slapen en het voorhoofd zijn duidelijk zichtbaar. Het oog

ocr page 55

47

schijnt zijn kas te willen verlaten, het schittert, het fonkelt, de vaten er van zijn met bloed overvuld. De spieren van het gelaat verwijderen zich van de mediaan-lijn, de wenkbrauwspieren gaan omhoog en rimpelen het voorhoofd, de neusgaten verwijden zich, de mond wordt door de lipspier vertrokken en laat de tanden zien; de bovenste en onderste ledematen nemen deel aan deze algemeene impulsie en verwijderen zich van het centrum der bewegingen.

Wanneer de toorn uit een zedelijke oorzaak voortspruit, wordt het denkbeeld, dat hij terugroept, een overheerschend; wij zien niet meer, wij hooren niet meer, onze zinnen zijn onderworpen aan die enkele gedachte, zij leidt ons blindelings ; meestal doet de minachting, die men ons schijnt te betoonen, hem ontstaan; onze eigenliefde is diep beleedigd door de meening, die van onze zwakheid een wezen kan hebben, dat wij haten. Dit is zóó waar, dat, in dit geval, onze eerste opwelling is om met nadruk op te komen tegen deze beleediging, en als om het tegendeel te bewijzen, verheffen wij de stem, wij gaan over tot bedreigingen, wij tarten de tegenpartij uit, wij willen in zijn bloed een dergelijke beleediging uitwisschen;1 wij nemen ons voor, om op een schitterende wijze onze superioriteit over hem aan te toonen; het aanbod van vreemde hulp schijnt ons misplaatst, zij is onnoodig, zij beleedigt ons, en onze woorden, onze daden strekken er toe om ons te doen vrijspreken van de onbeschaamde beschuldiging van een onteerende onmacht.

ocr page 56

48

De uitdrukking en het gebaar zijn volkomen in harmonie met die innerlijke ontroering; ziehier hoe zij haar met juistheid weergeven. De heleedigde mensch slaat met gemaaktheid op zijn borst, om haar te doen weerklinken; hij zoude aan geheel zijn wezen de meest mogelijke uitbreiding willen geven, ten einde zijn macht te doen blijken; hij verheft zich op de voeten, om aan zijn taille een meer indrukwekkende afmeting te geven, zijn gesloten vuist dreigt, of wel alleen, verraadt de wijsvinger een gebiedender gevoel; zijn arm is uitgestrekt, stijf als zijn wil, onverwrikbaar als het denkbeeld, dat hem bezighoudt. Het gebaar wijst het middel aan, om de beleediging af te wijzen, door dengeen, die haar ontvangen heeft: de vuist, wanneer het een man uit het volk is, de degen, wanneer het een militair is, de minachting, indien hij boven den aanvaller staat; deze beweging is vrij en ongekunsteld bij wakkere, edelmoedige menschen, teruggehouden bij de lafaards, die hunne plannen weten te vermommen. In het algemeen streeft een ieder er naar, om zich ont-zagwekkender te maken, ten einde meer schrik in te boezemen; dit natuurinstinct is eigen aan alle volken: alle menschen trachten te misleiden met betrekking tot hun werkelijke waarde, de vrees verwekt door deze vertoonmaking, gegrond of niet, verlamt de vijandelijke krachten door de hunnen naar dezelfde evenredigheid te vermeeerderen.

Indien de toorn met ongeduld gepaard gaat, dan trappelt een mensch met de voeten, even alsof hij reeds bij voorbaat het voorwerp van zijn toorn in

ocr page 57

49

het stof vertrad; hij werpt om, wat zich op zijn weg bevindt, hij breekt, hij doet in spaanders vliegen, hetgeen hij aangrijpt, en ieder van zijn handelingen gaat gepaard met een vergelijking ten nadeele van hem, die het doelwit van zijn afkeer is.

De toorn werkt op den mensch terug, wanneer hij de hoop heeft te overwinnen; in den twijfel roept hij de wraak ter zijner hulp; het is hern niet voldoende om voor het oogenblik het leed, dat hem drukt, af te wijzen, ook degeen, die het veroorzaakt, moet in de onmogelijkheid gesteld worden om hem nog langer te kwellen ; zijn oogmerk is een vermoeienden strijd te doen ophouden, die eindigen zoude met hem te verpletteren.

Deze neiging is vooral duidelijk te bemerken bij weifelende menschen, zonder wilskracht; door het leed, dat zij door de beleediging ondervinden, worden zij geprikkeld om uit den staat van drukking te geraken, waarin zij zich bevinden, zij bezitten de macht niet om alleen deze aandrift te kunnen bevredigen; hun toorn barst eerst los, wanneer het hun toeschijnt, dat hunne hulpmiddelen verre die des vijands overtreffen, in hun handen wordt alles een moordwapen, want zij zijn natuurlijk lafhartig en maken er volstrekt geen gewetensbezwaar van, om onverwachts een ontwapenden tegenstander te verwonden. Indien echter het zwakke wezen het diep gevoelde bewustzijn van zijn nietigheid heeft, dan verlaat hem de hoop om zich te kunnen wreken, dan keert hij dezen on vruchtbaren hartstocht tegen zijn eigen persoon; hij beschuldigt zich zeiven, hij slaat zich op de borst, om zich tot den strijd te bezielen; hij

4

ocr page 58

50

trekt zich de haren uit het hoofd, hij verscheurt zijne kleeren, evenals wilde hij zijn trage ziel den staat van dofheid doen verlaten, die haar in boeien gekluisterd houdt. Wanneer eindelijk de kunstmatige overprikkeling, die hij zich zeiven tracht te bezorgen, geen de minste uitwerking teweegbrengt, en wanneer deze laatste pogingen het restant zijner krachten uitgeput hebben, alsdan geeft hij zich aan de wanhoop over, hij kromt zich onder de vernedering, hij wentelt zich in het stof.

Indien de mensch daarentegen het bewustzijn in zich draagt van zijne indrukwekkende meerderheid, dan schijnt hij uit zijn toestand geen voordeel te willen trekken, hij veracht dengeen, die hem beleedigt, hij verwaardigt zich zelfs niet om hem te antwoorden, hij heeft niet noodig om in toorn te ontsteken, maar toch geeft zijn hand, licht gesloten en achterwaarts gebracht, afkeer te kennen; zijn houding is kalm, zijn hoofd helt achteloos over naar den schouder, die zich verheft om de hoogte te doen begrijpen, waarop hij geplaatst is, en waarvan het hem niet betaamt af te dalen; hij neemt den schijn aan van in 't minst niet opgewonden te zijn, hij wil elk soortgelijk vermoeden vermijden, hij trekt de spieren van het gelaat zoo weinig samen, dat het bovenste ooglid door zijn eigen gewicht op het oog glijdt en dit ten halve bedekt; alleen aan den mond is een flauwe samentrekking merkbaar, de hoeken er van zijn benedenwaarts getrokken, de bovenlip trekt zich terug en doet de onderlip nog meer naar voren komen. Deze kenteekenen beboeren bijna geheel aan de minachting; in dit geval

ocr page 59

51

paart zij zich aan den toorn. Deze samensmelting is zeer gemakkelijk te begrijpen, daar de minachting voor een tegenstander voortspruit uit het vertrouwen in onze eigen middelen.

De toorn wordt niet altijd door een rechtstreeksche oorzaak teweeggebracht, hij kan ook voortkomen uit een beweegreden, die ons slechts zijdelings betreft; bij het zien van het leed, anderen aangedaan, voelen wij onzen toorn tegen den bedrijver opwellen. Het ligt in onzen aard om een grijsaard, een vrouw, een kind te verdedigen; wij veronderstellen, dat zij geen voldoende krachten bezitten om de beleediging af te wijzen, zij nemen onzen steun aan, onze bescherming maakt hen stoutmoedig.

De ouderdom echter ontneemt aan de ziel niet altijd de kracht, waarvan zij het lichaam berooft; de toorn bij voorbeeld van hen, die tot dezen leeftijd gekomen zijn, geeft zich nog wel lucht, maar in ijdele woorden; aan het gebrek aan harmonie in hunne gebaren herkent men gemakkelijk de onmogelijkheid om met nadruk te handelen. De kinderen wenden zich het allereerst tot hunne moeders, in haar schoot gaan zij een beschermende schuilplaats zoeken. De vrouwen houden het midden tusschen deze beide naturen; zij hebben in den toorn afwisselingen van vrees en hoop, die aan haar gelaat een zekere beweeglijkheid geven, welke men niet vindt op dat der mannen. Zij ondervinden soms ergernis, een soort toorn, die vreest zich openlijk te vertoonen, zij drukken de lippen opeen, zij bijten er op, durven niet openhartig twist te zoeken

ocr page 60

52

met dengeen, die haar beleedigt; hare handen strengelen zich ineen en steunen op elkander, 't geen den arm strekt, den schouder omhoog doet gaan en verachting moet te kennen geven; maar, zooals men ziet, verleent de natuur aan alle zwakke wezens, te gelijk dat zij haar den toorn geeft, om het kwaad of de beleediging af te wijzen, ook om dezelfde reden een overvloed van kracht.

In dezen staat van drift zijn zij zichzelven niet meer meester, hare bescheiden gewoonten maken plaats voor razernij, voor wreedheid, zij dorsten naar wraak, zij bijten, zij rijten met de nagels het gelaat van haar vijand open. Alles in haar verraadt de wanorde barer ziel, zij veronachtzamen wat haar persoonlijk betreft, om zicb uitsluitend bezig te houden met het voorwerp van haar toorn. Zij vergeten er voor te zorgen dat hare kleeding niet af kan vallen, die minder hecht bevestigd dan die der mannen, los, in wanorde raakt, en laten het hoofd bloot, waaruit de haren ontsnappen, die haar woedend uiterlijk nog vreeselijker maken om aan te zien; haar borst ontbloot zich, en toont er de hevige klopping van. Bij de vrouwen spelen de spieren der ademhaling, in 't bijzonder de borstspieren, een buitengewone rol wegens hare achtereenvolgende werking, teweeggebracht door de snelle toetreding en uitstrooming van lucht in de longen.

De bloedsomloop is versneld, het bloed zelf met kracht naar het centrum teruggedrongen.

Het is om die reden, dat de vrouwen met de grootste gemakkelijkheid verbleeken of blozen.

ocr page 61

53

De toorn heeft aan deze sekse, die op het oog zoo zWak is, daden doen bedrijven, toerekenbaar aan een veel fijnere bewerktuiging.

De kinderen, nog zwakker, zijn veel prikkelbaarder ; de toorn grijpt hen zoodanig aan, dat hun zenuwstelsel er geheel door geschokt wordt; zij kunnen onderhevig zijn aan vreeselijke stuiptrekkingen, waarvan de gevolgen soms hoogst gevaarlijk zijn. Bij den eersten aanval werpt hun hoofd zich achterover; het gelaat is doodskleurig, de lippen zijn paarsch, de strot is opgezwollen door de, in het doorgaan tegengehouden stem; de lucht circuleert niet meer in de longen. De kinderen zijn voor een oogenblik schijndood, hunne, ledematen verstijven en trekken zich samen, de oogleden zijn gesloten en doen door hun drukking den vooruitspringenden oogbal sterk uitkomen. Eindelijk heeft de reactie plaats: er ontsnappen tranen, half verstaanbare geluiden doen zich hooren, de lippen beven, het speeksel treedt als schuim op den mond, de neusgaten verwijden zich, het bloed jaagt door de aderen, het gelaat wordt rood; het oog rolt in zijn kas, her- en derwaarts verwilderde blikken werpende.

De zetel van den zedelijken toorn ligt meer in het bijzonder in het oog en in de aangrenzende spieren.

In het schilderij van Héliodorus uit den tempel verjaagd 1), heeft Raphaël deze zielsaandoening geschil-

1) Héliodorus was de schatmeester van Seleuous III Philopator, koning van Syrië. Hij werd door dezen in 167 vóór Chr. naar Jeruzalem gezonden, om er de schatten des tempels weg te nemen.

ocr page 62

54

derd in de twee toestanden, welke wij beschreven hebben. Zij openbaart zich concentrisch in de werking van de kring- en wenkbrauwspieren van den engel, zijn paard tegen den ontheiliger aandrijvende. Zij neemt het karakter van excentratie aan in de schoone figuur van den engel, wiens hand met garden gewapend is. In deze houding verwijderen handen en voeten zich van de raediaanlijn en voeren het lichaam als 't ware het voorwerp van dezen heiligen toorn tegemoet; in de beide hoofden geven het voorhoofd en het benedengedeelte van het gelaat kalmte, de zekerheid van te zegevieren, die den afgezanten God's eigen is, te kennen, en dat moest ook zoo wezen. De gedwongen werking der spieren van den mond en van de kaken, is eerder het kenmerk van den phy-sieken toorn. Men kan dit zeer goed opmerken bij de dieren, welke ook dezen heftigen hartstocht ondervinden ; wij kunnen bij hen geen andere beweegreden, dan een materieele oorzaak veronderstellen; men zou hen zedelijk gevoelig voor de beleediging moeten achten. Zij zijn geprikkeld door de smart, dat zij een behoefte niet kunnen bevredigen, alsmede door de noodzakelijkheid om datgeen terug te wijzen, wat zich tegen deze uitkomst verzet.

Bij de dieren, en wij zullen hier bij voorkeur over de honden spreken, die door hun staat van huisdier ons meer onder de oogen komen, bij de dieren, her-

Toen hij nu in weerwil van de vermaningen des Hoogepriesters dat heiligdom betrad, werd hij door een buitengewone verschijning ter aarde geworpen, zoodat hij zijn voornemen liet varen. Vert..

ocr page 63

55

halen wij, bestaat dit karakter van excentratie en concentratie evengoed als bij den mensch; het komt bij hen des te meer uit, wijl zij niet door zedelijke overwegingen tegengehouden worden, die bij ons met een officieelen sluier de hartstochten bedekken, welke de vormen der samenleving verwerpen.

Hun uitdrukking heeft een groote overeenkomst met die van het menschelijk geslacht. Zijn zij over-prikkelcl, dan beginnen zij met eerst een hecht steunpunt te zoeken en gaan zij achteruit, ten einde meer kracht te kunnen bijzetten aan hun aanloop op den vijand. Wanneer het dier den indruk ontvangt, trekt het zich als 't ware in zich zelf terug; zijn staart verbergt zich tusschen de achterpooten, de ooren hangen omlaag, zijn blik is onrustig, zijn haren liggen glad en vast tegen de huid aangedrukt. Zoodra de toorn begint te werken, gaan zijn haren overeind staan, de hond laat zijn tanden zien, het zijn zijn wapens; het oog is rood van het bloed, dat het doet opzwellen, zijn ooren staan in de hoogte en zijn oogen volgen de trillingen van de stem en de bewegingen van dengeen, die hem tergt. Hij richt zijn staart op, de schommeling van zijn lichaam doet den graad van zijn hartstocht kennen en houdt niet eerder op, dan nadat hij zich meester gemaakt heeft van het voorwerp.

De honden versmaden het om tegen een te nietig individu te vechten; en 'tgeen de vergelijking des te treffender maakt: die van de kleinste en tengerste samenstelling, raken veel lichter in toorn; de sterkeren

ocr page 64

56

gevoelen zich maar zelden verplicht om hun mate-rieele kracht aan te vullen door dezen staat van overprikkeling.

Er is nog een ander punt van overeenkomst tusschen menschen en dieren; wanneer hun toorn zijn summum bereikt heeft en de woede tot razernij gestegen is, zijn zij door zulk een verbittering aangetast, dat, ongevoelig voor de krachtige middelen aangewend om hen te scheiden, zij alleen gevoel schijnen te hebben voor de beten van hun vijand. Hun spierwerking verkrijgt een verwonderlijke kracht, met heftigheid schudden, met woede verscheuren zij het levende wezen, dat de overwinning aan hunne beten overlevert. Deze kracht door de Natuur in de dieren ontwikkeld, naar gelang van hunne betrekkelijke zwakheid, is een bewijs voor hare voorzorg en hare wijsheid; ware dit het geval toch niet, dan zoude het wezen, beroofd van de noo-dige verdedigingsmiddelen, steeds een prooi zijn van het sterkere. Aan deze toevoeging van levenskracht moet men ook den toevoer van bloed naar de vaten, den overvloed van schuimend speeksel en het steeds toenemen van den weerstand naar gelang het gevaar grooter wordt, toeschrijven.

Er is een soort van verlegen toorn, eerder concentrisch dan terugwerkend, en die meer in het bijzonder eigen is aan de zwakheid der jeugd, welke licht beteugeld wordt door de physieke of moreele meerderheid van den persoon, die er de oorzaak en het voorwerp van is: dit is namelijk het pruilen, een toestand van de ziel, welke bedroefd en bedrukt is

ocr page 65

57

door de gevoelde onmacht, waarin zij zich bevindt, van zich niet behoorlijk te kunnen verdedigen.

Een kind ontvangt van zijn ouders of van een ieder, wie dan ook, die boven hem staat, een terechtwijzing, die diep zijn wenschen of zijn eigenliefde krenkt; hij staakt terstond zijn vreugdebetoon, evenals waren al zijn vermogens oogenblikkelijk en te gelijker tijd tot stilstand gebracht; zijn luidruchtige stem doet zich niet meer hooren, zijn gelaat betrekt, zijn blik bedekt zich als met een sluier en wendt zich met bitterheid af; zijn neusgaten sluiten zich, zijn lippen zijn verachtelijk opgetrokken en geven aan zijn gelaat een pruilende uitdrukking, handen en voeten trekt hij in, hij verliest zijn bevalligheid en zijn lenigheid.

Een der handen plaatst zich langzaam en onbeholpen onder de kin, die door de beweging van het overhellende hoofd, een neiging betoont om op het voorste en bovenste gedeelte der borst te steunen ; het schijnt, dat hij tracht er zich in te verbergen, doch de schudding medegedeeld aan het hoofd door het kwade humeur, zich heimelijk lucht gevende in bedreigingen, maakt er hem van los, door de verzettende rukken, die een nevengedachte laten doorschemeren.

Deze kwaadwilligheid van het knaapje laat zich nog beter bemerken in zijn berekende daad om zich onder het ophalen of schudden van de schouders te verwijderen, om uit boosheid tegen den verst verwijderden muur te gaan leunen: hij wil door deze houdingen, door deze van afkeer getuigende gebaren aantoonen, dat hij zich nog te dicht bij dengeen meent, tegen wien al deze

ocr page 66

58

vijandelijke handelingen gericht zijn. En toch, ondanks zijn streken om zijn eigenzinnigheid te toonen, kan men zonder veel moeite zijn verlegenheid bespeuren, hieruit voortvloeiende, dat hij niet weet, hoe hij zich eervol uithet belachelijke zal redden, dat hij zich zeiven geeft.

Bij de kinderen, wier aard niet licht de indrukken opneemt, die deze ontvangen kan, duurt die lichte toorn niet bijzonder lang, hij verdwijnt weldra voor het bewustzijn van hunne nietigheid of van hun feil, doch bij hen, wier temperament ontvankelijk is voor concentrische en hevige hartstochten, blijft hij soms met een onbegrijpelijke hardnekkigheid voortduren. Wanneer de kleine pruiler besloten heeft het niet op te geven, dan zal hij zichzelven liever voedsel en het genot om. te spelen ontzeggen, dan bij te draaien, ondanks de verzoenende stappen, die het ongeduld of de zwakheid zijn tegenpartij hebben laten doen.

De moeders vooral buigen voor deze volhardende hardnekkigheid, daar zij te gelukkig zijn het minste voorwendsel te kunnen aangrijpen, om een einde te maken aan den strijd, waarin alle verdriet gewoonlijk aan hare zijde is.

Op zichzelf bestudeerd, biedt de toorn schakeeringen aan, die wij hier opgeven zullen. Bij jongelieden gaat hij gepaard met de vermetelheid, den moed; bij de sanguinische temperamenten vereenigt hij zich met de levendigheid, de stoutmoedigheid, het ongeduld; bij de zwartgalligen met de bitterheid, bij de lym-pathische met de wraak; hij is verschrikkelijk bij de

ocr page 67

59

sanguinisch zwartgalligen, die met een veel grootere tegenwerkende kracht bedeeld zijn.

De toorn, op de massa's werkende, gelijk bij volks-oploopen, is altijd excentrisch; hij is des te onstuimiger, wijl de menigte zich op hare duizenden armen verlaat; een ieder laat zich door de algemeene beweging medeslepen, in de vaste overtuiging, van niet opgemerkt te zullen worden in de menigte, en geen gevaar te loopen om beticht te worden van daden, die hij wellicht zoude kunnen bedrijven, üe gisting neemt snel toe, èn door voorbeeld èn door voortdurende overprikkeling, heeft de toorn weldra zijn hoogsten graad bereikt; hij werpt alle hinderpalen omver en doet daden bedrijven, waarvan de gedachte alleen de onverschrokkensten zoude tegenhouden, indien zij op zichzelven stonden.

De plotselinge verbittering van een volk, dat als één eenig man opstaat, het is de verontwaardiging. Zij vereenigt de individu's tot een gemeenschappelijke impulsie-beweging, zij doet hen bewegen als de leden van eenzelfde lichaam, onderworpen aan dezelfde zedelijke macht, geeft aan de massa den steun, dien ieder er van ontvangt: één enkele gedachte bezielt hen, één enkel oogmerk leidt hen: de wensch om den toestand te beheerschen.

Onderzoeken wij thans hoe deze zedelijke spanning zich waarneembaar maakt in die oproerige tooneelen, en hoe zij in beeld weergegeven moet worden. Alle medewerkenden, alhoewel gewijzigd door persoonlijke, physieke en moreele hoedanigheden, hebben iets van het karakter

ocr page 68

60

van overspanning dat in het geheel heerscht. Zij sporen elkander wederkeerig tot den strijd aan; zij helpen, beschermen elkaar, steunen de een op den ander; zij voorzien in de kracht, die hun buren ontbreekt, door hun een oogenblikkelijke hulp te verleenen: zonder verzet te ondervinden hechten zij zich aan de kleeren, de armen en beenen van hen, die voor hen loopen. Zij duwen elkaar voort, ondersteunen elkaar, wapenen zich, zonder onderscheid, met alles, wat zij slechts vinden en stellen zich bloot aan gevaren om te overwinnen; er is eenheid van beweging, gelijk er eenheid van gedachte is; alles is gemeen, wijl een gemeenschappelijk belang hen bezielt.

Wij hebben aan de ontwikkeling van dezen hartstocht, het schoonste gedicht te danken, dat de oudheid ons vermaakt heeft: de Ilias, tafereelen bevattende uit den strijd tegen Rome, gegroepeerd om één enkel feit; den toorn van Achilles.

Wij meenen het belangrijk genoeg, om hier na te gaan hoe de goddelijke Homerus, deze in den zoon van Thetis zoo onstuimige, zoo heftige zielsbeweging begrepen en geschilderd heeft. Wij zullen in de uitvoering van dit onsterfelijk werk een treffende gelijkenis terugvinden met de kenteekenen, welke wij opgegeven hebben als zijnde de samenstellende oorzaken van den toorn. Deze verwantschap met de beschrijving van den dichter, die zoovele schoone motieven van compositie aan de schilderkunst heeft opgeleverd, zal onze meening aangaande het algemeene type der eerste hartstochten nog duidelijker maken; zij worden

ocr page 69

61

gewijzigd door tijden en plaatsen, maar heerschen daarom niet minder bij alle menschen.

Ten gevolge van een hevige woordenwisseling over de uitlevering van Chryseis, door haar vader, priester van Appollo en zijn beschermeling heeft Agamemnon de opperbevelhebber van den tocht der Grieken tegen de Trojanen, den oploopenden Achilles een bloedige beleediging aangedaan; hij heeft gedreigd hem, in ruil van de slavin, die een God hem dwingt terug te geven, de schoone Bryseis te ontrooven, die tot prijs voor zijne daden, Achilles bij de buitverdeeling op de Theba-nen is toegewezen.

Vervuld met smart en woede bij het ontvangen van deze beleediging van Agamemnon, gaat Achilles met zich zeiven te rade of hij den onbeschaamde zal dooden, die hem beleedigt, of dat hij zijn toorn bedwingen zal. Minerva haalt hem tot dit laatste over.

Wat doet nu Achilles, daar hij zich niet wreken kan op den koning der koningen? Hij zondert zich af in zijn tent en weigert deel te nemen aan den strijd, dien de Grieken gaan leveren en die hem zooveel roem moest brengen.

Die gewapende heirscharen, die schitterende wapenrustingen, het geraas der hinnekende paarden hebben geen de minste aantrekkingskracht meer voor zijn terneergedrukte ziel.

De uiterlijke voorwerpen maken geen indruk meer op hem, alles, wat hem kan bezighouden is in hem, hij concentreert alles in zijn ziel, zij is bedroefd, zij heeft al haar energie verloren.

ocr page 70

62

Heimelijk verheugt hij zich over de nederlaag van zijne metgezellen, voor welke hij zijn vader en zijn geboorteland verlaten heeft; hij koestert slechts één wensch: dien, om ze weldra vernietigd te zien. Tevergeefs zendt Agamemnon, om hem te buigen, afgevaardigden tot hem, die hem aanzienlijke geschenken aanbieden, maar noch de slimheid van Ulysses, noch de tranen van den ouden Phénix kunnen dit onbuigzaam karakter bewegen, al deze aanzoeken verzwaren slechts zijn smart.

Het sein tot den aanval is gegeven. Hector maakt een verschrikkelijke slachting onder de Grieken, Achilles blijft ongevoelig; zijn grootste vijand, dat is Agamemnon, op hem moet hij zich wreken, door de soldaten te laten vermoorden, onder de bevelen geplaatst van den opperbevelhebber van den krijgstocht tegen den schaker van Helena.

Het karakter der concentratie wordt op een heerlijke wijze weergegeven in deze grootsche gedachte; zij verdringen en vertreden elkaar in het hart van den verontwaardigden held, met verheven trekken schildert Homerus ze ons af.

Hoe zal de dichter Achilles dezen littargischen toestand doen verlaten? Hoe zal de toorn hier overgaan tot woede, tot razernij? Welke middelen zal hij aanwenden om hem te doen overloopen, en de grootsche daden te doen verrichten, vereischt om het Trojaansche rijk omver te storten? Dit doet hij door de natuur te volgen, door den krijgsman te overprikkelen; dit doet hij door eensklaps de banden te verbreken, die hem aan Patrocles hechten; dit doet

ocr page 71

63

hij door hem de levendigste aandoening te doen ondervinden, door dit alles zal hij zijn doel bereiken.

Patrocles heeft in den strijd het leven verloren. Achilles vergeet alsnu Agamemnon, om slechts aan den moordenaar zijns vriends te denken.

Achilles ontwaakt, maar vreeselijk is dat ontwaken, en zijn toorn, langen tijd ingehouden, zal zich straks over de Trojanen uitstorten.

Hij gordt zijn goddelijke wapenen aan, de woede drijft hem voort, de razernij staalt zijn arm, hij verwoest, alles werpt hij om, wat onder zijn hereik komt, zijn eenig doel is Hector, hem alleen zoekt hij in het gewoel van den slag. Hij verdwaalt, hij volgt een schim, Apollo, onder de trekken van zijn doodsvijand.

Eindelijk vindt hij den langgezochten Hector: zijn blik is woest, geen vergelijk, geen verdrag kan er plaats hebben om de gevolgen van hun zonderlingen strijd te regelen. Achilles dorst naar bloed, het bloed alleen zal zijn beleediging uitwisschen, hij is onverwinbaar. Hij zoekt naar de plek, waar hij zal kunnen treffen, zijn speer vindt weldra een doortocht. Hector is te voet, tevergeefs heft de Trojaansche vorst zijn stervende handen naar zijn overwinnaar op, tevergeefs roept hij zijn genade in, de onverbiddelijke Achilles vermeerdert de afgrijselijkheid van den dood van zijn slachtoffer door het verhaal der wreedheden, die hij op zijn lichaam zal plegen.

Doch het is nog niet voldoende voor den zoon van Thebis, dat hij Hector's lijk eindelijk met de voeten aan zijn strijdwagen gebonden, om de muren van

ocr page 72

64

Troje sleept. Deze trotsche stad, die zijn bakermat was, zal tot op den grond verwoest worden en andere leden van het geslacht van Priamus zullen op den brandstapel van Patrocles zijn wraak voltooien.

Dit vluchtige overzicht zal denkelijk wel voldoende zijn om aan te toonen, welke partij de artist-dichter en de wijsgeer-physioloog kan trekken van de kennis van het menschelijke hart, hetzij om te voldoen aan de behoeften van het verstand, hetzij in het welbegrepen belang van de algemeene zedelijkheid. Wat het eerste punt betreft, moet men tot den oorspronkelijken tekst terugkeeren, om den rijkdom van ornementatie, de vernuftige ontwikkeling en de pracht der mise-en-scène van Homerus in de geschiedenis van dezen dramatischen hartstocht, den toorn, naar waarde te schatten, waarvan de philosophie zich beijveren moet om de zoo noodlottige uitwerkingen te neutraliseeren, wanneer zij niet een natuurlijke oorzaak hebben: de noodzakelijkheid van een wettige zelfverdediging.

ocr page 73

DE HAAT.

De haat is een pijnlijke gewaarwording, voortvloeiende uit een voortdurenden staat van prikkelbaarheid, die ons een vijandige houding doet aannemen tegenover alles, wat ons mishaagt, wat er ook de aard van mocht wezen. Het is een soort van aanhoudenden zedelijken toorn, hij leidt er ons instinctmatig toe, om ons volkomen verwijderd te houden van alles, wat niet met ons sympathiseert.

De haat schijnt vele punten van overeenkomst met den toorn te hebben. Hij verschilt er echter op een zoo merkbare wijze van, dat men na een aandachtig onderzoek zich onmogelijk in beider eigenschappen kan vergissen.

De toorn is een meer vrij vvillige gemoedsbeweging. Hij heeft adtijd ten doel een aanwezig en gewaardeerd voorwerp, of ten minste een, dat aan de verbeelding aldus toeschijnt; deze ondoordachte beweging bedaart en bluscht uit, zoodra het voorwerp, dat haar teweeggebracht heeft, geen weerstand meer biedt, het is een oogenblikkelijke hulp. De haat, daarentegen is minder plotseling; hij ontwikkelt zich meestentijds trapsgewijze, wanneer hij plaats heeft met betrekking tot zedelijke oorzaken; vandaar meer beweeglijkheid in het graphische spierenspel 'van den toorn, terwijl er

5

ocr page 74

66

meer volharding en diepte in de lichamelijke uiting van den haat is.

Deze laatste is ons aangeboren en onwankelbaar in ons met betrekking tot de oorzaken, waarvan onze persoonlijke bewerktuiging slechts kwaad kan verwachten.

Hij verliest nooit datgene uit het oog, wat hij zich voorgesteld heeft te bereiken; hij sluimert vaak, maar steeds ontwaakt hij verbitterder en werkzamer dan bij de eerste aanprikkeling.

De toorn kan den grondslag uitmaken van het karakter van een persoon; hij stort zich in dit geva onverschillig over alles, wat hem tot voedsel kan dienen; de werking van den haat is bestendig gekeerd op zijn bijzonder doel, zelfs dan nog, wanneer hij voortspruit uit een zekere vatbaarheid van den geest, gelijk in de misanthropic of de haat tegen het menschelijk geslacht.

De toorn schrijdt vrijmoedig voorwaarts en treft op zichtbare wijze, de haat daarentegen beweegt zich langs slinksche wegen, terwijl hij die hartstochten ter zijner hulp roept, die het meest geschikt zijn hem te ondersteunen, zich onder hun dekmantel te verschuilen; hij verdiept en vergiftigt de wonden, die hij gemaakt heeft.

De haat schiet gemakkelijk wortel in het hart van een mensch, toegerust met een concentrisch temperament ; hij treft er de elementen aan, die het meest zijn ontwikkeling begunstigen : de volharding en de stijfzinnigheid; hij neemt dan ook bij voorkeur dit karakter aan.

ocr page 75

67

Wij zullen thans een overzicht geven van zijne kenmerkende teekenen.

De eerste werking van den haat is, dat hij de verschillende deelen van het organisme tot het centrum doet naderen; hij concentreert de levenssappen ten einde een afstand te verkrijgen tusschen het «ik», dat den haat gevoelt en het voorwerp, dat hem doet geboren worden; armen en heenen nemen terstond een afkeer verradende houding aan, de voet schijnt den grond te willen verlaten, de hand sluit zich of vermorzelt onwillekeurig, wat zij aangrijpt, daarbij een richting volgende tegenovergesteld aan die van het voorwerp, dat op haar werkt, zij trekt aldus den schouder neder en doet het lichaam een lichte wringende beweging maken; het voorhoofd plooit zich, de blik van het oog is wantrouwend en verachtelijk, de onderkaak wordt vooruit gebracht, door het middelste gedeelte drijft zij de lip naar voren, die ten gevolge van deze beweging van binnen naar buiten omkrult en de bovenlip noodzaakt om te stijgen en het achterste gedeelte van de neusvleugels bovenwaarts te dringen, wier samentrekking evenzeer een werking van verwijdering te kennen geeft.

Er bestaat een waarneming, die op alle organen in het algemeen toepasselijk is: elk hunner werkt in de volkomen uitdrukking van welken hartstocht ook, door de gewaarwording, die het geheele organisme ondervindt, met zijn bewerktuiging en de eigenaardigheid zijner verrichtingen in overeenstemming te brengen.

Zoo komt in den haat, wiens doel is de aanraking

ocr page 76

68

met het kwaad te doen vermijden, het spel der verschillende gedeelten van het organisme dezen regel bevestigen. De longen en de neusgaten drijven de lucht terug, als ware deze bezwangerd met een onrein gas; de mond, bijgestaan door de tong, werpt het speeksel op den grond, als wilde het zich van een ongezond voedsel ontlasten; de gehoorzin wordt pijnlijk aangedaan door het geluid van de stem des persoons, die onzen afkeer heeft opgewekt; de hand in het bijzonder en het lichaam over het algemeen, maken een gebaar als wilden zij iets van zich verwijderen of van zich losmaken, welks aanraking hen zoude kunnen besmetten; deze uitwerking is zóó karakteristiek, dat men vaak menschen, zonder dat zij zich hun daad bewust zijn, met alle kenteekenen van walging de kleeren ziet afschudden, die zij niet hebben kunnen onttrekken aan de aanraking met het voorwerp van hun afkeer.

De haat is het blijvende gewrocht van een hevigen indruk; hij behoort tot de categorie der hartstochten van de ziel in den staat van overprikkeling, en vertoont de beide perioden, die in dit geval worden aangetroffen.

De eerste concentrische uitwerking wordt waargenomen aan de bleekheid van het gelaat, aan de lijkkleur der lippen, aan de algemeene ontsteltenis, die aan den geheelen persoon een krampachtige beving met koortsachtige huivering gepaard, mededeelt; men ondervindt een inwendige onaangename gewaarwording; uitwendig doet die uitwerking zich kennen door een onthutst voorkomen, 't welk ten duidelijkste de belemmering in de

ocr page 77

69

bewegingen van het lichaam verraadt: het is een soort van onwillekeurige, koortsachtige emotie, men zoude tevergeefs trachten haar meester te worden. De maag wordt in hare verterende werking gestoord ; de longen werken niet meer met veerkracht, het hart is beklemd, de ingewanden geraken in beweging, de zedelijke vermogens staan onder den invloed van de koude, die de gewrichten van de onbeweeglijk geworden ledematen verstijft en doet buigen; daarom schijnt het alsof men een walging wekkende lucht inademt, die tot heengaan noopt, en indien bijzondere omstandigheden ons niet vergunnen aldus te handelen, dan verraadt ons gebaar toch reeds zulk een bedoeling.

Wanneer eindelijk de hartstocht het keerpunt van reactie heeft bereikt, begint het gelaat te werken; het oog heeft zijn kracht en zijn glans hernomen; de blik treft den tegenstander en stort de minachting over zijn persoon uit, door dezen met een beleedigende hoogheid te meten; de lucht, in de longen bevat, baant zich een doortocht naar het middengedeelte der lippen en opent 'deze, het gebaar neemt een balf-concen-trisch karakter aan; de beenen gaan uiteen, om het lichaam in staat te stellen zich te verwijderen, terwijl de armen een richting aannemen, tegenovergesteld aan den stand van het verafschuwde wezen; een van hen is uitgestrekt, met gesloten vuist en een weinig afwijkende van de dij, tegen welke hij evenwijdig aanligt, de ander ligt over de borst, hij beschermt deze door de binnenvlakte der hand tegen iedere vijandelijke onderneming gereed te houden; indien de

ocr page 78

70

toestand lang duurt komt het woord den haat ondersteunen en daaraan de middelen verleenen om zich met meer woede lucht te geven. De stem is zwaar, kort en scherp; de meest beleedigendeuitdrukkingen worden gebezigd, men zorgt steeds ze te gronden op feiten, die men niet in gebreke blijft onder het ongunstigste daglicht voor te stellen.

De haat, die openlijk optreedt en waarvan de oorzaak geheel physiek is, ontleent aan den toorn, hetgeen hem uit zich zeiven mocht kunnen ontbreken, om zich met voordeel te uiten, en deze combinatie is het, die de artist terug moet geven, wil hij waar zijn. Er is echter een kenmerk, reeds vroeger opgegeven, dat men niet over het hoofd mag zien, en dit is de voor-waartsche beweging van de onderkaak, den haat in het bijzonder eigen, terwijl de toorn alleen slechts de eenvoudige opeensluiting der kaken kent, zonder die zeer opmerkenswaardige bijzonderheid dat de ondertanden zich voor de boventanden komen plaatsen, die hun tot steunpunt dienen. Daarenboven schijnt de blik van den haat als vergiftigd, die van den toorn is edeler, hij schijnt eerder bliksemstralen te schieten.

Menschen zonder opvoeding leggen den haat op de meest uitdrukkelijke en meest energieke wijze aan den dag.

Op het zien van den verafschuwden persoon werpen zij zich terug, zoodat de zwaarte van het lichaam op het been overgebracht wordt, dat het verst verwijderd is van de plaats, waar hun tegenstander zich bevindt; hun elleboog verwijdert zich van de borst, deze laat de hand

ocr page 79

71

opgeheven ter hoogte van de kin, zoodanig dat de binnenvlakte gereed schijnt om af te stooten, daarbij tevens de aanraking schijnende te vreezen met dengeen, tegen wien zij op het punt is te handelen; hun gelaat trekt zich samen, de onderkaak komt naar voren met een geknars vergezeld door afgebroken geluiden; zij komen onverstaanbaar uit de holte der borst, even alsof deze menschen met gulzigheid iets tusschen de tanden vermaalden. Deze beweging begunstigt de afscheiding van het speeksel; zij ondersteunt gewoonlijk het kauwen, in dit geval verspreidt het zich over de zich boogvormig plooiende lip, loopt langs deze naar beneden en verlaat haar bij de mondhoeken.

De voet schijnt van verlangen te branden om den vijand te vertreden; dit lichaamsdeel wordt bij voorkeur door den haat gebruikt; de voet wordt beschouwd als het minst edele wapen, en in deze omstandigheid gedraagt men zich als wilde men uitwerpselen doen verdwijnen of verplaatsen, die ons een walg inboezemen en onze hand zouden kunnen besmetten.

In de /grootste excentratie van den haat richt het hoofd zich met schokken op. De blik zelf heeft in zijn beweging van onder naar boven iets gedwongens, even alsof hij, gelijk een hefboom, dengeen oplichtte, dien hij met een soort verachting en afkeer afwijst. De blik schijnt alsdan uit te drukken, wat het gebaar der hand nog beter weergeeft, die zich beweegt door den arm uit te strekken, evenals wilde zij iets lichts en gemakkelijk te hanteeren ver van zich afwerpen.

Hunne woorden zijn hortend, kort en dubbel

ocr page 80

72

snijdend door de vloeken, waarmede zij aan hun gesprek nadruk verschaffen. Zij doen ze daarenboven van gebaren vergezeld gaan, waaruit de kracht van hun gevoel doorstraalt. Zij hebben den schijn van op het been rond te draaien, dat het lichaam draagt, ais altijd gereed om hun gelaat af te wenden van dengeen, dien zij niet zien kunnen zonder een uitersten afkeer-

De voornaamste werking van den moreelen haat ligt in den blik, min of meer levendig, min of meer schuinsch of hoog, al naar gelang de gewaarwording heviger is; de lippen en de neusgaten dragen tot deze uitwerking bij. Van de andere gedeelten van het lichaam is het zonder tegenspraak de schouder, die de meeste uitdrukking heeft; de samendrukkende kracht van den hartstocht werkt ook op de maagstreek.

De haat is uiterst werkzaam; hij dringt zelfs door den sluier van het fatsoen, waarmede de maatschappij hem steeds zoekt te bedekken, omdat hij bijna altijd kwalijk opgenomen wordt en toch ziet men over het algemeen niet onverschillig de scherpe pijlen, die hij schiet.

Volg eens aandachtig het gesprek van een persoon, in wien de haat vleesch geworden is; het heeft den schijn alsof hij zonder eenig kwaad oogmerk van dezen of genen persoon spreekt; hij weet het echter zoo aan te leggen dat hij hem in het geheugen van zijn toehoorders terugroept door hem bij zijn meest gemeenzame gebreken aan te duiden; indien hij een lichamelijke beweging beschrijft zal hij haar overdrijven door haar van de belachelijkste zijde na te doen, van de zijde, die het

ocr page 81

73

meest geschikt is om den vernietigenden lach van het doodende sarcasme te doen ontstaan, het nietigste motief, de onbeduidendste kleinigheid zijn zijne geliefkoosde thema's, hij siert ze naar welgevallen op, vergroot alles, om alles verfoeielijk te doen schijnen.

De haat, dit moet erkend worden, heeft een bewon-derenswaardigen tact om de zwakke plek te vinden van dengeen, dien hij achtervolgt, en het zekerste wapen te kiezen om diep en met succes te wonden. Dit ziet men met de minste bijzonderheden, in de zwakste gewaarwording van den haat en voor de beuzelachtigste redenen. Ik ben steeds getroffen geweest door de scherpzinnigheid, waarmede sommige vrouwen de minste onvolmaaktheden van het toilet, in den lichaamsbouw of in de zedelijkheid weten te doen uitkomen van een persoon, tegen wie zij soms geen andere grief hebben, dan dat zij met haar in coquetterie wedijveren. Wanneer dan ook deze hartstocht der vrouw, zoo vernuftig in die kleine schermutselingen, waaraan de geest een grooter aandeel heeft da'n het hart, in haar den wensch komt bevredigen om hare gekrenkte genegenheden te wreken, dan wordt de haat valschaardig behendig in zijne uitwerkingen.

Wij willen hier een feit aanhalen, dat in zijne verschrikkelijke naaktheid aantoont, welk een verfijning-de beschaafde haat in zijne wreedheid kan leggen. Dit feit, dat, ik geloof het zeker, niet eenig is, is mij verschaft geworden door een jonge vrouw van een ongewone levendigheid van verbeelding, van een warm

ocr page 82

74

en zenuwachtig temperament, en die op haar gebruind gelaat den stempel droeg van hevige hartstochten. Een doordringende blik, een schitterende oogappel, wenkbrauwen en haren gelijk git, neusgaten beweeglijk als die van het hinnekende paard, lippen verlevendigd door de kleuring van het bloed, bruisend onder het dunne vlies, waarmede zij bekleed waren, maakten hare voornaamste trekken uit. Deze ver-eenigde aanwijzingen deden genoeg den aard raden der meest gewone aandoeningen van deze vurige ziel, die toegerust was met een wil, welken niets vermocht te doen buigen. Zij had vernomen, dat een jonge vrouw van zekere verdiensten, binnenkort in een kring voorgesteld zoude worden, waarmede zij zelve druk omging; zij zoude er een jongen man ontmoeten, voor wien zij sinds langen tijd een onwederstaanbare neiging had opgevat, een neiging, die een geheim was voor allen, zelfs voor hem, die er de onwillekeurige oorzaak van was. Het doel dezer voorstelling nu was, om betrekkingen te doen ontstaan tusschen de jonge vrouw en den uitverkoren man, men wilde in één woord een «mariage de convenance» bewerkstelligen.

Dit bericht bracht de jonge vrouw in een buitengewone agitatie, en de vrees een gevaarlijke mededinging te weerstaan te hebben, deed haar het besluit opvatten, om met alle denkbare middelen een resultaat te verhoeden, dat het gansche gebouw van geluk zoude kunnen omverwerpen, waarop hare zoetste en dierbaarste hoop rustte. Van dit oogenblik af maakte de gloeiendste haat tegen het jonge meisje, dat zij zelfs

ocr page 83

75

nog niet eens kende, zich van haar hart meester, en om te oordeelen over het gevaar, waarmede hare liefde bedreigd werd, om het te voorkomen, meende zij dit tegemoet te moeten treden, ondanks den afkeer dien zij gevoelde, om zich in tegenwoordigheid te bevinden van datgeen, wat zij het meest ter wereld verfoeide; zij trachtte het dus zoodanig aan te leggen, dat zij het voorwerp te zien kreeg, waarmede haar geest zich uitsluitend bezighield.

Deze gelegenheid, waarop zij zoo lang had geloerd, bood zich eindelijk aan; haar eerste oogopslag was voldoende en prentte onuitwischbaar in haar geheugen de goede en slechte eigenschappen, welke zij ontdekte.

Te sluw om den gewonen weg te bewandelen, wist zij haar gedrag zoodanig in te richten, dat zij in staat was, niet alleen om de uitwerking te verhinderen, die het gezicht van hare mededingster zoude kunnen teweegbrengen, maar ook om ten volle te genieten van den triomf, dien zij zich voor zich zelve beloofde. In plaats van haar voor hare vrienden een kwaden naam te geven en haar volgens het gebruik ongunstig bekend te maken, deed zij nog meer; met den meest uitbundigen lof, met de meest overdreven bewijzen van bewondering, sprak zij van haar, die zij in het verderf wilde storten en die dan ook een ieder, op deze gunstige gegevens afgaande, met het grootste ongeduld wachtte.

Eindelijk verscheen dit zoo vurig verbeide jonge meisje; de geestdrift viel voor de werkelijkheid, in plaats van de verwachte welwillendheid vond zij slechts

ocr page 84

76

koelheid; op een zonderlinge wijze teleurgesteld nam de nieuw aangekomene tot hare vertrouwde de eenige persoon, die haar een voorkomende en vriendschappelijke taal had doen hooren; deze hartstochtelijke en haatdragende vrouw genoot innig door de naïve bekentenissen van haar slachtoffer, zij genoot er dubbel door; volgens haar eigen uitdrukking, kon zij bedaard de diepte peilen van de wonde, die hare hand geslagen had, en haar zich weder laten sluiten, ten einde het wraakgierige genot te smaken, om wederom het nieuwe litteeken open te rijten, zonder het immer den tijd te laten om te heelen.

Ik heb juist dit voorbeeld van machiavellischen haat doen voorafgaan door een overzicht van den con-stitutioneelen toestand van haar, die hem zoo levendig gevoeld heeft, ten einde den invloed aan te toonen van het temperament in de uiting der zielsaandoeningen.

De vrouwen toch ontdoen zich slechts dan van haar schoonste karakter, de zwakheid, wanneer zij tegen de natuur in, gevormd zijn uit elementen, die meer geschikt zijn voor de organisatie van de mannelijke sekse; alsdan gaan zij ook steeds buiten hetgeen voegzaam is; onwillekeurig worden zij mede-gesleept door grondbeginselen, te zeer boven den weerstand, die haar constitutie bieden kan.

Er is nog een andere soort van beschaafden haat: de angstvallige haat; hij treft met kleine slagen, maar onophoudelijk, 't is een dwaze haat, die een vaststaand denkbeeld heeft: dat van te misprijzen en te

ocr page 85

77

vervolgen, geen zich niet meer in hem kan doen opmerken, een kregelige haat, die van de kwaadsprekendheid partij trekt om zich te doen kennen; hij vindt zijn oorsprong in een ondeugd van het harten van een bekrompen verstand, in wanorde gebracht door de gewoonten van een geheel concentrisch leven. Deze steeds bittere haat straalt door uit een kribbigen blik, in de norschheid van de stem, de stroefheid der lichamelijke bewegingen, en de nabootsing van een gedragslijn, geheel tegenovergesteld aan die, welke zij in de treurige noodzakelijkheid zijn om aan anderen te verwijten. Hier predomineert de invloed van den leeftijd en van het temperament; doch nog meer is het het leed over het verleden, dat hem onderhoudt.

De haat vertoont hier de wijziging en niet de uitdrukking van gebiedende organische behoefte. Hij onderscheidt zich niettemin door zijn geslachtskenmerk : de begeerte om alles te verwerpen, wat bena-deelen kan. De vrouw van vroeger deprecieert die van dit oogenblik, omdat deze laatste een punt van vergelijking is dat haar hindert en kwelt; het voornaamste type bestaat echter. Dat van het boos gemaakte kind komt duidelijker uit, het weet zich minder te beheerschen, de ondervonden gewaarwording is oogenblikkelijk en niet voortdurend, gelijk in het voorafgaande voorbeeld. Alles lost zich in het kind op in een physieke uitwerking, en het beijvert zich volstrekt niet die te vermommen; op het oogenblik van de overprikkeling, geeft het dan ook een plotselingen en snellen schok aan zijn gansche lichaam, evenals wilde het hete-

ocr page 86

78

rogeene stoffen, die zich op zijn kleeren bevinden, zoover mogelijk van zich werpen; Deze gemoedsbeweging, zich verradende door het trekken van een zuur gezicht, deelt zich aan alle gedeelten van het organisme mede; de stem wordt als uitgeschaterd door de krampachtig saamgetrokken lippen, zij trekken elkander zoodanig heen en weer, dat indien de een naar links gaat, de ander des te sterker naar de rechterzijde getrokken wordt. De kin gaat omhoog, als verried het kind een neiging om te braken; het oog staat droevig, de neusvleugels zijn op een duidelijk zichtbare wijze samengedrukt; de voet, zich ongeduldig van den grond losmakende, valt er met woede weer op terug; de gesloten handen bewegen en concentreeren zich achtereenvolgens bij den algemeanen schok, als wilden zij sommige voorwerpen terugduwen of verscheuren, en eindelijk geeft het gebaar van het hoofd, dat op de borst neervalt, te verstaan, dat het kind innerlijk een formeel «neen» heeft uitgesproken.

Indien het motief van deze gemoedsbeweging de duidelijke afkeer ware van een voorwerp, waaraan slechts een zintuig zich te onttrekken zou kunnen hebben, dan zoude het het bemiddelend orgaan zijn, waartegen de haat het sterkste gericht was; om een voorbeeld te geven, van welks waarheid men zich gemakkelijk kan overtuigen, zal ik slechts wijzen op het lichamelijk teeken van een kind, dat een bitteren en onaangenaam smaken den drank weigert te drinken; de hierboven beschreven gebaren zijn onderworpen aan de beweging van den mond, deze be-

ocr page 87

79

weegt zich alsof hij reeds krachtig het onaangename van den drank ondervond, en indien de vermoede reuk een der oorzaken van den afkeer is, sluiten de neusgaten zich met een fluitend geluid; de lucht treedt er uit als wilde zij alles verjagen en vernietigen, wat op den reukzin zoude kunnen werken; vervolgens strekt de arm van het kind zich uit. daarbij de binnenvlakte der hand tegenover den drinkbeker brengende, dien hij zoude willen verwijderen; zijn verbeelding doet hem deze reeds vlak bij zijn persoon gevoelen.

Indien men zich goed overtuigen wil van de waarheid van ,het eigenaardig karakter, in het bijzonder aan den haat toegekend, dan moet men maar eens zien hoe zich dit uit bij Je dieren; iedere hartstocht toch, uit den natuurstaat voortspruitende, bestaat insgelijks en onder dezelfde omstandigheden bij alle diersoorten.

Brengen wij den hond bij voorbeeld eens in de nabijheid van de kat, voor wie hij den grootsten afkeer gevoelt, en gaan wij dan eens aandachtig na wat er nu voorvalt tusschen' deze twee wezens, die voortdurend met elkander op voet van oorlog staan. Zoodra de hond zijn doodsvijand ziet, verplaatst zich zijn lichaam op de voorpooten; deze beweging wordt vergemakkelijkt door de spanning van een der achterpooten, terwijl de ander opgelicht is, als om zich voor te bereiden op een achterwaartsche beweging; het kruis buigt zich, de bek wendt zich af, de neusgaten blazen; de spieren van de kaak doen de tanden knarsen, die ter nauwernood vaneengaan om een dof en gonzend ge-

ocr page 88

80

knor door te laten. Ziehier het eerste oogenblik van den hartstocht.

Weldra gaan de haren overeindstaan, de voorpooten richten zich op, terwijl zij het lichaam de richting van den achterpoot doen volgen, waarvan de beweging leniger wordt. De andere poot zet zich op den grond neer, het geblaf begint, het oog verlevendigt zich, en ten laatste zoude het dier zijn prooi bespringen, indien hij de klauwen niet vreesde, die gevaarlijk voor hem zijn door hunne verraderlijke vlugheid.

Hoe heeft de kat zich al dien tijd gedragen ? Eerst is zij plotseling, bevreesd, met den buik tegen den grond blijven staan, den blik onbeweeglijk en strak op den hond gericht; bij de eerste beweging van haar tegenstander heeft zij zich opgericht en zoodanig het voorste en achterste gedeelte van den romp bij elkaar gebracht, dat zij deze bijna een parabolische lijn heeft doen beschrijven; zij heeft, zooals de geijkte uitdrukking is, een hoogen rug opgezet, haar lange staart, eerst laag bij den grond en saamgetrokken, heeft zich dreigend opgericht en brengt door zijn herhaalde draaiingen de lucht in beweging; de pooten staan stijf en onbeweeglijk tegen den grond aan, dien de nagels met kracht weggekrapt hebben; de bek wordt van tijd tot tijd geopend, om den adem te laten ontsnappen, het oog is schitterend geworden, kortom dezelfde reeks van overgangen, dezelfde overeenkomst in de lichaamsbewegingen van de twee tegenstanders.

In den hond ligt de levendigste werking in de kaakspieren; bij de kat heeft zij hoofdzakelijk plaats

ocr page 89

81

in den klauw, die tot preventief behoedmiddel dient. Er ligt een buitengewoon opmerkelijk feit in deze pantomime : de hond, zijn plaats verlatende, werpt de aarde zoo ver mogelijk achter zich, die hij met zijn nagels losgemaakt heeft, op een wijze, die men verachtelijk kan noemen.

De kat legt minder fierheid aan den dag, zij ontsnapt met sprongen, zoodra zij zich met voordeel kan terugtrekken ; de vlucht toch doet zwakheid vermoeden, en moedigt dengeen aan, die meester van het terrein blijft.

Zoolang de haat zich opsluit binnen de grenzen, door de natuur afgebakend, is hij een heilzame wenk, een raad aan het individu gegeven, om alles te vermijden, wat het nadeelig kan worden; dit voorgevoel bedriegt zelden, het spruit voort uit een behoefte van het organisme.

In het dierlijke leven gevoelen de antagonistische soorten steeds een instinctmatigen haat tegenover elkander; deze haat brengt er haar toe, om elkaar te ontvluchten als de zekere oorzaken van vernietiging; deze antipathie is echter sterker onder die rassen, bij die soorten, welke de minste kansen bezitten om zich in veiligheid te stellen voor de aanslagen van haar natuurlijken vijand.

Die beschermende beschikking waarschuwt het dier voor de nadering van rampen, die het kunnen bereiken, door het eerst in een concentrischen toe-te brengen, die het de gebiedende noodzakelijkheid doet gevoelen om zich te verwijderen, of om zich gereed te maken het leven duur te verkoopen.

Men wordt met bewondering vervuld, wanneer men den eenvoud beschouwt van de middelen, door de Natuur gebezigd, om in de kansen van behoud tusschen alle

6

ocr page 90

82

levende wezens een evenwicht te brengen, ten einde met voordeel de wet te neutraliseeren, die de eene soort veroordeelt om tot voedsel te strekken aan een andere, die op haar beurt ook weer aan dezen onver-mijdelijken eisch is onderworpen.

Ieder individu handelt volgens dezelfde wijze om zijn bijzondere hulpbronnen aan het licht te doen komen en om zich die ten nutte te maken, onverschillig welke zijn kracht of zijn zwakheid, zijn moed of zijn bloohar-tigheid mochten wezen.

En inderdaad, de eerste indruk vergemakkelijkt dan ook het spel der organen, belast met te waken over de veiligheid van het dier. De gehoor- en de reukzin ontwikkelen zich bijzonder sterk bij dat dier, 't welk zijn heil in de vlucht moet zoeken en noodig heeft om vooraf gewaarschuwd te worden door de stem en de lichamelijke uitvloeisels van zijn vijand. Alleen door het feit der concentratie, biedt de os zijn horens aan; de haas en het hert spannen de veeren sterker, wier elasticiteit, doordien zij zich ontspannen, hun loop moet begunstigen. Deze samentrekking der spieren doet de schildpad onder haar ruggeschild treden, de stekels van den egel uitspringen, die zich tot een bal vormt, en brengt bij sommige dieren een stinkende en walgelijke lucht te weeg.

De grondslagen der maatschappijen hebben noodzakelijk moeten bijdragen om den haat evenals de menschen, binnen zekere grenzen op te sluiten. De verschillende standen hebben onder elkaar de wereld verdeeld en zich niet aan een gemeenschappelijk.

ocr page 91

83

breed verdeeld stelsel hechtende, bestaan er evenveel verschillende belangen en plaatselijke behoeften; alles nu wat deze belangen heeft kunnen benadeelen is, van geslacht tot geslacht, een onderwerp geweest van eeuwigdurende twisten, de eerste oorzaak van den overerfelijken haat der volken onderling. Zij hebben slag-boomen gesteld daar, waar men slechts een gemakkelijk verkeer zoude moeten zien tusschen wezens, die de Natuur tot broederen gemaakt heeft en die het eigenbelang alleen vijanden heeft kunnen doen worden.

Indien wij van onze hoogere vraagstukken afdalen in het private leven, dan zien wij daar weder de haat leden van eenzelfde beroep bezielen; zij zien in de concurrentie een belemmering voor hun fortuin, dat hun eerzucht hun tot een behoefte heeft gemaakt. Het is nog betreurenswaardiger om in de verhevene posities, waarin de kunde den mensch geplaatst heeft, den haat zijn venijn te zien uitstorten onder hen zelfs, die onder elkaar geen ander gevoel moesten kennen dan dat van een edelen wedijver. Dit is zeker, dat men bij hen,' wier gedrag zoo laakbaar is, geen werkelijk genie ontdekt. Dit heilige vuur toont, evenals elk ander voortbrengsel der Natuur, aantrekking voor alles, wat van zijn eigen stof is.

Er is een soort van haat, die haar ontstaan te danken heeft aan den nijd. Hij drukt op de trekken van hem. dien hij verteert, een afstootend karakter, het kenmerk van deze lage ondeugd: sluw in zijn gang, laag en schijnheilig in zijne middelen, weet hij de meest passende houding aan te nemen om zijne snoode oogmerken te bereiken.

ocr page 92

84

Bestudeer die menschen eens met een valsch hart; zij vleien om zich onbemerkt in te dringen en met hunne, door laster geslagen wonden datgeen te bezwalken,, wat hun in den weg staat; ge zult hen herkennen aan die fleemende vormen, aan die zoetsappige taal, een vertrouwen ontlokkende ten einde er later misbruik van te maken, aan het oog, verborgen onder een holle oogkas, uit vrees van zich te compromit-teeren, door een verslindenden blik te laten raden; eindelijk aan die leugenachtige loftuitingen, die hoof-vaardig maken en die in het verderf storten door eiken weg tot de waarheid af te sluiten.

Beschouw eens aandachtiger de trekken van een dergelijk wezen; zij dragen den stempel van de gal door zijn ziel afgescheiden, zijn oog is dof, zijn gelaat is mager en geel; zijn voorhoofd is doorploegd met bochtige rimpels; zijn dikke wenkbrauw schijnt verpletterd onder de herinnering aan het succes zijner mededingers; zijn toegenepen neusgat heeft nooit een edelmoedigen ademtocht doorgelaten. Bezie de lip, paars geworden door de kneuzing van zijn venijnigen tand, zijn opgedroogde huid, vol hoekige lijnen, gelijk aan die van het papier, in zijn hand verfrommeld, en zijn half afgeknaagde nagels. Let op de korte en doordringende stem, die gluipende houding, dit geheel, samengesteld uit eigenliefde en spotternij, en uit werktuigelijk hoongelach, dat steeds betwijfelen laat of het een compliment dan wel een plagerij vergezelt ; ziedaar het terugstootende portret, 't welk hij aan onze blikken aanbiedt.

ocr page 93

85

De haat, ingeworteld in het hart van den mensch, voedt zich voortdurend met de hoop, dat hij zich nog eens op een goeden dag kan bevredigen; deze begeerte neemt met den tijd toe alsook met de moeie-lijkheden, zij wordt meer en meer overheerschend; het wezen, ter prooi aan dezen verschrikkelijken hartstocht heeft geen rust meer vóór en aleer hij zijn wraakzuchtige plannen ten uitvoer heeft gebracht. Alle wegen om daartoe te geraken, schijnen hem goed toe, de wraak toch belooft hem een barbaarsch genoegen, hij dorst er naar, hij brandt van ongeduld om het te smaken.

Ik heb de gelukkig zeer zeldzame gelegenheid gehad, om te zien, tot welk een graad de blinde verbittering van den mensch kan gaan, die door haat wordt vervoerd, en ziehier onder welke omstandigheden. Ik was op een der buitenboulevards gaan wandelen, dicht bij een van die befaamde plaatsen, waar het minst verlichte gedeelte des volks Zondags het geld gaat verteren, dat het in de week zoo zuur verdiend heeft.

Met aandacht beschouwde ik het vroolijke gelaat van een drinker, omringd door even vroolijke vrienden; in den wijn vergat hij alle zorgen van een armzaligen toestand. Eensklaps zag ik hoe zijne trekken ontstelden en verbleekten, zijne oogen waren strak gericht op een man, die van dezen kant naderde, zonder in de verste verte te vermoeden, dat hij de oorzaak kon wezen van deze buitengewone aandacht; toen hij bij den zittenden man gekomen was, riep deze terstond uit: Hij is het! en krampachtig het glas brekende, dat zijn hand omkneld hield, vliegt hij den man te gemoet, hem in weinige

ocr page 94

86

woorden aan een ouden WTok herinnerende; reeds lang loerde hij op de gelegenheid daartoe, eindelijk bood deze zich aan, hij zoude zich nu eens naar hartelust wreken kunnen, en zonder langer te dralen maakte hij zich gereed om aan zijn uitdaging gevolg te geven. Dergelijke tooneelen komen herhaaldelijk voor. Daar zij meestal zonder gevaarlijken afloop zijn, zoo rangschikken de toeschouwers zich ernstig in een kring; het is voor hen een wet, om de strijdenden niet te hinderen en zoo een der omstanders de vechters wilde scheiden, zoude hij daarin verhinderd worden door de galerij, de eenige bevoegde rechter om te oordeelen over de noodzakelijkheid eener officieele tusschenkomst. Ik was dus, ondanks den pijnlijken indruk, dien ik ondervond, in de mogelijkheid om al de bijzonderheden van dezen verwoeden strijd te volgen. Eindelijk deed de man, die in den hoogsten graad bezield werd door het vuur der wraak, het ongelukkig voorwerp van zijn krankzinnige verbittering, aan zijn voeten neervallen.

Ik zag toen het gelaat van den overwinnaar schitteren van een woeste vreugde, de uitdrukking ervan was een afgrijselijke mengeling van een beleedigend en bitter lachen en van een onverzadelijke twistzucht, zijne oogleden waren wijd geopend, zij fonkelden te midden van een blauwachtigen oogbol, onbeweeglijk geworden door de bedwelming der overwinning, de wenkbrauwspieren waren bij haar vereeniging door den toorn, die nog in dat gedeelte zetelde, gespannen, haar middelste gedeelte was bovenwaarts getrokken, derwijze, dat zij in het voorhoofd rimpels vormden, en

ocr page 95

87

zij de kringspier der oogleden naar zich toetrokken; de neusgaten waren aan het bovengedeelte sterk ingedrukt, onderaan stonden zij wijd open door de werking der wangspieren, die, door een zenuwachtige trekking, den schuimenden en door een wreeden lach misvormden mond deden opkrimpen; de tanden, ontbloot door deze beweging, schenen zich te scherpen door de knarsing; zij teekenden zich af tusschen de bovenlip, die zich op hen drukte, en de benedenlip, die er zich van losmaakte, trillend van woede; het geheele lichaam, over den neergeworpen man heengebogen, verkeerde in een koortsachtige beweging. De geheele zegevierende persoon vertoonde een levendige uitdrukking van hetgeen er in deze door den hartstocht verblinde ziel omging, het was een strijd tusschen de begeerte om zijn wraak te verzekeren, en de vrees, van er niet lang genoeg van te kunnen genieten; de vingers, saamgetrokken door de gedwongen spanning van de buigspieren, gaven volkomen deze afwisseling van verschillende gewaarwordingen terug. De omstanders, voldaan over het moedige gedrag van de twee kampvechters, wierpen zich eindelijk op den overwinnaar, om hem tegen te houden; zijn woede kende toen geen palen meer, niets anders kunnende doen, beet hij hen, die hem van een onmenschelijk genot beroofden, waarnaar hij zoo lang had gehunkerd.

Ik wist het zóó aan te leggen, dat ik dezen woesteling nog eens te zien kreeg, toen hij wat kalmer was geworden. Weder tot bezinning gekomen, verklaarde hij onbewinpeld, welk een geluk het voor hem

ocr page 96

88

was geweest, dat men hem aan zijn prooi had ontrukt; men had hem zoodoende bespaard voor een misdaad, waarvan zijn familie, die hij zielslief had, het eerste slachtoffer zoude geweest zijn, hij zeide lust gehad te hebben, om het lijk van zijn vijand aan stukken te scheuren, er bij voegende, dat zoo hij een oogenblik met de uitvoering had gedraald, dit eenig en alleen was om van den doodsangst van zijn machteloozen tegenstander te genieten en alhoewel hij zijn eigen gedrag laakte, schitterden zijn oogen toch van een zekere voldoening, toen hij zich den vernederenden toestand van zijn tegenpartij en zijn persoonlijken triomf weder voor den geest bracht.

Wanneer het doel van den haat, dien ik eenvoudige zal noemen, is om de ziel te waarschuwen voor de aanwezigheid van een schadelijke wijzigende oorzaak, dan is zij alleen afstootend, doch wanneer hij voortspruit uit een ernstige beweegreden, of die ten minste als zoodanig beschouwd wordt, gelijk in het zoo even vermelde geval, dan is het hem niet voldoende om het kwaad te vermijden, neen, het is zijn hardnekkig streven om het te verwoesten; en vandaar de wraak, zijn middel en zijn doel. De wraak is echter naar onze meening een gemoedsaandoening op zich zelf, de wraak is in onze oogen, de haat in werking, zij is voor den haat, wat het genoegen voor de liefde is; het gevolg van de primitieve bevredigde gemoedsbeweging; het genoegen en de wraak doen dan ook gewoonlijk de beide, in hen besloten hartstochten ophouden.

De haat heeft ten allen tijde een verbazende rol

ocr page 97

89

gespeeld in de geschiedenis der menschheid; het bewijs er van vindt men in die verwenschingsformulen, die de taai van ieder volk had voor de vreeselijkste vervloekingen voor het slachtoffer, overgeleverd aan den algemeenen haat, aan den algemeenen afschuw.

In sommige gedeelten van Italië heeft de haat den dolk in zwang gebracht; daar is hij, voortvarend en bedrijvig als alle hartstochten van dit gloeiende land. De Italianen hebben een algemeen aangenomen teeken om hun haat te doen kennen tegen den een of anderen persoon, en de gelofte, die zij afleggen, om er voldoening voor te halen; dit teeken is hun eigen: het bestaat om den wijsvinger tusschen de tanden te brengen, die den schijn aannemen hem te drukken. Wee het voorwerp van deze noodlottige uitdrukking van gevoelens. Indien hij niet op zijn hoede is, wordt hij onvermijdelijk het slachtoffer van zijn onvoorzichtige zorgeloosheid.

Corsika is het land, waar de haat het onbeperktste gezag uitoefent, hij is er overerfelijk in iedere familie, waarvan een der leden bezweken is onder de stooten van een vijand; dit gevoel, van geslacht tot geslacht overgebracht, is zoodanig bij hen in eere, dat zij er de hoofdzaak huns levens van maken. In sommige huizen bewaart men de kleeren van dengeen, wiens vroegtijdige dood wraak eischt, en door de plechtigste eeden doen de vaders aan hun zoons beloven, om een schitterend eerherstel te verkrijgen, zoodra de gelegenheid er zich toe zal aanbieden.

De haat vertoont verschillende wijzigingen, zij zijn

ocr page 98

90

hoogere of lagere graden van dezen hartstocht en bieden dezelfde hoofdverschijnselen aan, als welke wij achtereenvolgens beschreven hebben. Ten einde dienaangaande geen den minsten twijfel over te laten, zullen wij er ons toe bepalen, om twee voorbeelden te vermelden, geput het een uit het physieke leven, het ander uit de studie der zedelijke vermogens.

De afkeer is in zijn materieele beteekenis, een gewaarwording van tegenzin voor alles, wat onze zintuigen op een onaangename wijze aandoet, de hatelijke indruk, dien hij teweegbrengt, doet zich voornamelijk gevoelen op de aanhangsels van dat orgaan, 't welk er in de eerste plaats bij betrokken is. Het oog sluiert zich met zijn ooglid bij het zien van een voorwerp, terugstootende door het pijnlijke denkbeeld, dat het gezicht er van heeft doen ontstaan. Het oor van den musicus vermijdt zorgvuldig valsche geluiden, voor welke het een onoverwinnelijken afkeer gevoelt. Een walgelijke lucht doet het orgaan van den reuk zich afwenden en de neusgaten sluiten, die er de deuren van zijn. .Zij worden ingedrukt alleen door hunne samentrekking, of wel door middel van de vingers of door het terugdringen der lippen, die naar omhoog gaan. De maag komt in verzet alleen bij de gedachte aan een gerecht, dat haar tegenstaat. Alle oorzaken van afkeer hebben dezelfde werking op de verschillende deelen van het organisme, overal vindt men het karakter van afzondering terug, gezocht in den haat, waaruit zij voortvloeien.

De verveling is een soort van zedelijke walg,

ocr page 99

91

voortspruitende uit den afkeer van den geest voor een vermoeiende bezigheid, een bezigheid zonder eenig belang; zij doet haar werking gevoelen op de hersenen, den zetel van het verstand; indien de gewaarwording prikkelend genoeg is om een reactie teweeg te brengen, dan ontsnapt men er spoedig aan, door zich terug te trekken; het geeuwen, de zenuwachtige krampen, 't zijn allen graphische teekens van de pogingen, voortvloeiende uit den innerlijken strijd tusschen uitwerking en oorzaak.

Doch wanneer de gewaarwording met al haar gewicht op de hersenen drukt, zonder deze genoeg te prikkelen om haar te nopen tot tegenwerking, wordt zij alleen concentrisch, de overmaat zelfs van de congestie verschaft een middel om de ziel te onttrekken aan deze onoverkomelijke drukking. Weldra brengt de toevloed van bloed naar de hersenstreek een alge-meene verdooving te weeg; de slaap komt den toegang sluiten voor de denkbeelden, waarvan de geest niets weten wil, evenals de maag zich samentrekt, om niet de terugstootende voedsels te moeten opnemen.

Wij zullen onze betoogen niet verder voortzetten; deze verschillende overzichten mogen voldoende zijn om het eigenlijke karakter aan te toonen van den haat en van zijn wijze van uiting.

ocr page 100

DE LIEFDE.

üe liefde, in hare algemeene opvatting genomen, spruit voort uit het verlangen om datgene op te zoeken, hetwelk ons toeschijnt aangenaam te zijn en geschikt te wezen, om een hulpbron voor ons bestaan te worden.

Haar doel is te bezitten; zij kan physiek zijn of moreel. Physiek, wanneer zij strekt om een behoefte te voldoen, onafscheidelijk van onze organische samenstelling, zedelijk, wanneer zij beantwoordt aan een intellectueele behoefte.

Wij zullen den hartstocht in die twee toestanden bestudeeren; wat den eersten betreft, zoo zullen wij ons houden aan de meest algemeen aangenomen be-teekenis.

Op den leeftijd, dien men de lente des levens noemt, wanneer, alhoewel niet meer in de dagen der jeugd zijnde, de mensch toch nog niet de mannelijke toga heeft aangenomen, 1) heeft er een hoogst merkwaardige omkeer plaats in al zijn levensverrichtingen; een ongekende gloed doortintelt hem; zijn organen beven van verlangens, hij is onrustig, hij zoekt, hij heeft behoeften, hij bemint. Er is alsdan een oogen-

1) Bij de Romeinen namen de jongelingen na bet 11^ jaar de eenkleurige, mannelijke toga aan. Veet.

ocr page 101

93

blik van onuitsprekelijke gelukzaligheid, waarop de ziel verliefd is en zichzelve niet kent, onzeker zweeft zij rond in de onbepaalde ruimte van een geluksdroom, zij haakt naar een genot en heeft een voorgevoel van den wellust. In dezen onuitsprekelijken toestand streeft de ziel naar iets meer dan dat, waarvan zij genoten heeft, en waaraan zij zich naar hartelust zou willen bedwelmen; de verschillende phasen van haar vorig bestaan komen in het geheugen terug, leeg en onvolledig; het is een hartstochtelijke aantrekking tot een hooger en onbeschrijfelijk goed; men tracht deze liefdesgedachte te formuleeren, die in zich alle vermogens absorbeert, men schept zich een phantastisch wezen; men geeft er de eigenschappen aan, die men het liefst heeft, men hult het in de kleuren, die het meest in harmonie zijn met de verhitte verbeelding, en waarvan de arbeid besloten is in het denkbeeld dezer nieuwe behoefte; met zijn tweeën te zijn.

Tot dusver heeft de mensch dan ook inderdaad maar alleen een individueel leven geleefd; thans echter gevóelt hij de noodzakelijkheid van een relatief leven; hij ondervindt de behoefte om tot een sympathiek wezen te naderen en zoodoende de elementen voltallig te maken, die hem ontbreken.

In haar aanvang is deze gewaarwording onbestemd en onbepaald, vooral bij jonge meisjes, wier fijne com-plexie minder geschikt is om langen tijd een zelfden indruk vast te houden; zij verkeeren in dat tijdperk in een staat van verlegenheid, die haar noopt haar hart te ontlasten; die verschijnselen van excentratie

ocr page 102

94

vertoonen zich in de beweging der sappen, welke naar den omtrek gedreven worden, evenals het sap in de jonge plant bloemen aankondigende en nog geen vruchten gedragen hebbende; vandaar die snelheid, waarmede een levendig hoogrood haar voorhoofd komt kleuren bij het ondervinden van een plotselinge en vluchtige gemoedsaandoening. Het is een onwillekeurige bekentenis, ontlokt aan de bedeesde onschuld, en die bij gebreke van het belemmerde woord de Natuur zichtbaar heeft moeten maken, ten einde haar te doen begrijpen aan dengeen, die er het onderwerp van is. Het is een vluchtig teeken van zwakheid en liefde.

Die argelooze maagd, wier rein voorhoofd zich verlevendigt bij den nieuwen kus der liefde, maar wier lichaam en wier ledematen zich beschroomd samentrekken, als bij de eerste huivering van een op komst zijnde koorts, deze kuische en mijmerende Psyche, geschapen onder het penseel van een Gérard, geeft poëtisch en fijn die onzekerheid weer van de ziel, onbekwaam om een buitengewone zielsaandoening uit te drukken, en verwonderd stil blijvende staan, gereed om de onzekere ruimte te overschrijden, die zich voor haar opent en haar aantrekt.

Wanneer de man dit andere, door de Natuur aangewezen «ik» heeft ontmoet, eigent hij het zich toe, hij brengt er al zijne genegenheid op over; hij vormt zijn smaak naar den hare, hij vloeit geheel en al ineen met dat andere «ik», het behoud er van is onmisbaar voor het zijne, hij zoude eerder het leven willen missen, dan deze bezitting opgeven.

ocr page 103

95

Wanneer hij voor de eerste maal de behoefte om te beminnen leert kennen, dan bevindt zijn ziel, die geheel onderworpen is aan de heerschappij van dezen hartstocht, zich bijgevolg in een toestand, het midden houdende tusschen geprikkeldheid en zwakheid. Zijne aandoeningen hebben iets van de beide schakeeringen, tusschen welke hij zweeft: aan den eenen kant zoude hij willen gehoorzamen aan de neiging van zijn hart, aan den anderen kant doet zijn weinige energie tegenover het voorwerp, dat hem beheerscht, hem zijn opwellingen onderdrukken en zijn stem geeft zich lucht in zuchten. Deze weifeling doet zich naar buiten kennen door de linkschheid en de bedeesdheid der gebaren, door een algemeene neerslachtigheid, door de veelvuldigheid en de onbestemdheid de lichaamsverrichtingen .

Deze uitvoering wordt, op een zeer zichtbare wijze zelfs waargenomen bij de boerenjeugd, die minder verwijderd is van den natuurstaat; zij zijn er niet vroegtijdig op geleerd geworden, gelijk men in onze steden doet, om hunne gemoedsaandoeningen te verbergen. Zij zijn met zich zeiven verlegen, zij weten niet hoe zich te houden, noch wat zij met hun armen zullen uitvoeren ; zij beproeven twintig houdingen, zonder er een enkele te vinden, die hen op hun gemak stelt en hun bedoelingen tegemoetkomt: hun voornaamste hulpmiddel is om door lichte slagen, door trekken, door knijpen de welbeminde vrouw aan te vallen; die excentrische gebaren hebben dan noodzakelijk een zedelijke excentratie ten gevolge; deze veroorlooft hun, zoo goed als kwaad, hun

ocr page 104

96

gedachte te kennen te geven. Dit middel is het meeste bij hen in zwang; het is zeer gewoon om door een dorpelinge als een onwederleghaar bewijs van een werkelijke verlating te hooren aanvoeren, dat haar vrijer haar niet meer zooals vroeger slaat, zij voegt er bij, dat die en die persoon, welke steeds met een gevoel van afkeer wordt aangewezen, van hem thans die soort van liefkoozingen ontvangt, en op een vrij levendigere wijze, dan ooit door den ontrouwe op haar is toegepast geworden; overigens veracht zij hem en wil zij hem niet meer ontvangen.

Er is waarlijk een soort van eigenaardige stompzinnigheid in de aanvankelijke uiting der liefde in een verrast en argeloos hart; het weet niet, hoe het de nieuwe gewaarwording zal uitdrukken; het is bedrukt door de meerderheid, die de geest steeds aan het voorwerp van zijne ijverige zorgen verleent; dit karakter staat in verhouding tot de ontwikkeling van de vermogens van den persoon; het komt minder uit bij de jonge meisjes van het platte land; zij bezitten meer slimheid en meer tact dan hare minnaars, die van een minder levendige conceptie zijn; het tegenovergestelde heeft plaats in onze steden, waar de jonge lui reeds vroegtijdig gewend zijn aan de gebruiken van het maatschappelijke leven en aan de soort van gemeenzaamheid, die bevorderd wordt door den dage-lijkschen omgang der beide seksen.

Het eigenaardige van de liefde is, dat zij er ons toe brengt om ons te vereenzelvigen met het begeerde voorwerp. Zie bij voorbeeld den verliefden man eens

ocr page 105

97

voor haar, die hem aantrekt en boeit; zijn oogen, strak gevestigd op die van zijne metgezellin, verraden de bestendigheid van de gedachten, die hem bezighouden; zij schijnen dezen levenden spiegel eener ziel te ondervragen, waarmede hij de zijne zoude willen vereenigen. Dit verlangen komt het duidelijkst uit in de beweging van het hoofd; het helt een weinig over, steekt wat naar voren, gereed om bij het minste teeken van aanmoediging het zoo vurig verlangde goed te naderen. In deze houding is de hals uitgestrekt; het gelaat kleurt zich, het oog fonkelt en verraadt begeerte, de mond is half geopend, hij is opgedroogd, hij dorst naar den adem, uit den beminden boezem ontsnappende. De verliefde ziel is als aangetrokken door de ziel, met welke zij zich zoude willen ineensmelten, een enkel denkbeeld vervult haar, namelijk dit: van slechts één te zijn, een verlangen, dat zoo sterk uitkomt in het gebaar, 't welk iemand maakt bij de herinnering aan verwacht goed, door de handen op het hart te drukken, evenals deed hij er met kracht het voorwerp zijner genegenheid binnentreden, om het er liefderijk op te nemen en geheel te omvatten. En inderdaad, men zoude dan ook willen, dat men datgeen, wat men met zich wenscht te vereenzelvigen, tot het kleinste volume kon terugbrengen omdat, in deze omstandigheid, de aanraking het meest volkomen is. Men vindt deze bedoeling op een naïve en bevallige wijze uitgedrukt in de liefkoozende beweging van het jonge meisje, die de, door de jeugd zoo geliefde pop met hare armen omstrengelt en tegen haar wang

ocr page 106

98

en haar borst drukt, deze gevoellooze pop, waarop zij de zorgen van het moederschap, die zij eenmaal moet kennen, schijnt te willen leeren.

In de afwezigheid, en wij blijven hier nog altijd in de veronderstelling van een niet verklaarden hartstocht, schept de man, om zich geheel en al over te kunnen geven aan het gevoel, dat hem beheerscht, in niets behagen, dan in de eenzaamheid. De tegenwoordigheid zijner beste vrienden vermoeit hem, is hem tot last, hij vreest te zullen laten bemerken, wat hij gevoelt; hij behoort zich zeiven niet meer toe; hij doet al zijn best, om zijn geheim niet te laten verrassen, zijn geest is geheel beziggehouden; de naam alleen zijner geliefde doet hem verschrikken, deze geheimzinnige naam, die hij aan alle onbezielde wezens herhaalt, die naam, hij heeft hem nooit voor iemand uitgesproken. Volg hem, en hij zal u niet zien, zijn langzame of haastige gang zal u den graad zijner gemoedsbeweging verraden, het uiterlijk van zijn geheele persoon zal u zijn innigste gedachte openbaren: zie eens hoe concentrisch zijn gebaren zijn, 't is vooral voor de borst, waar de hartstocht aan het gisten is, dat zich zijn armen bewegen. Hij blijft stilstaan, zijn rechterhand drukt zijn opgezwollen boezem, zijn linker ondersteunt zijn loodzwaar hoofd, zijn oogen zijn op den grond gevestigd, hij denkt na over zijn tegenwoordigen toestand; zijn hoofd verandert van houding, zijn bekommerd voorhoofd aanschouwt den hemel, zijn oogen schijnen er iets te zoeken. Deze arme jonkman denkt zeker over de toekomst na,

ocr page 107

99

thans valt zijn hoofd hem weer op de borst, zijn handen vouwen zich; hij laat den moed zinken, hij denkt er over na, wat van hem zal worden, ondervraag hem, als ge ten minste niet bevreesd zijt, hem leed te doen, en hij zal deze uitlegging bevestigen.

Soms werkt de liefde op ons als de koorts op een 2ieke; nu eens voert deze hartstocht onze physieke en moreele vermogens tot den hoogsten graad van overprikkeling en maakt zij ons bekwaam tot het volvoeren der grootste daden; dan weer, doet hij ons tot den volledigsten staat van zwakheid en traagheid vervallen; in het eerste geval zijn de gebaren levendig, haastig, buitensporig, in het tweede zijn zij smachtend, het is een onafgebroken strijd tusschen hoop en vrees, tusschen onversaagdheid en bloo-hartigheid.

Indien de liefde echter gedeeld wordt, indien de beminde minnaar zich van zijn geluk bewust is, dan verandert het schouwspel; het vertrouwen keert in zijne ziel terug, het doet hem van lieverlede den toestand/ van concentratie verlaten, waarin de overmaat van zijn hartstocht hem had gedompeld, een buitengewone beschroomdheid maakt plaats voor meer openhartige gemoedsbewegingen, hij wordt ondernemender, er is minder stiptheid in zijne manieren en meer losheid, minder eerbied en meer wederkeerig-heid. Zijn gebaren doen op dat oogenblik naar buiten kennen, wat hij inwendig gevoelt; zij ademen geluk, de bevrediging der liefde; zijn oog is vochtig, zijn gelaat schittert, zijn borst zwelt van genoegen, en

ocr page 108

100

wanneer dit goed, waarnaar hij zoolang gesmacht heeft, aan hem is overgeleverd, iets, waaraan hij nog kon twijfelen, dan heeft hij behoefte om met al zijn zinnen er zich van te vergewissen, dat hij er wel degelijk de gelukkige bezitter van is.

Doch wij vinden niet altijd een ziel, die aan de onze beantwoordt; vaak is het wezen onzer keuze zelf in banden verwikkeld, even hecht als die, welke ons aan zijn bestaan verbinden, en alsdan herschept de liefde zich in een verwoestend vuur en verteert in plaats van te verlevendigen en voort te brengen. Zij wordt de meest heftige, de vreeselijkste hartstocht, waardoor de mensch bewogen kan worden. Zonder hoop op terugkeer, beroofd van die zoete hartswisselingen en alles in zich concentreerende, vervalt hij weldra en sterft, in zijn misvormde trekken het diepe spoor vertoonende dat zijn rampzalige hartstocht er in heeft gedrukt. Dit is wel de meest dramatische zijde, welke de kunst kan voorstellen.

De mensch, ter prooi aan deze tyrannieke gewaarwording, heeft geen enkel oogenblik meer rust. Het is hem onmogelijk het idee fixe, dat hem achtervolgt, te laten varen; tevergeefs zoekt hij, om er zich van los te maken, gebreken bij de vrouw, die hij bemint, dit beeld keert onophoudelijk voor zijn verhitte verbeelding terug onder trekken, die steeds verleidelijker zijn; de zorg, besteed om het uit zijn gedachte te verdrijven, grift het er integendeel steeds dieper in de genoegens der wereld zijn hem onverschillig, het licht hindert hem, en de vreugde zijner vrienden

ocr page 109

101

krenkt en verbittert hem. In dezen geestestoestand is zijn oog verwilderd en rood, zijn gelaat is kleurloos, zijn lippen zijn lijkkleurig, en indien nu en dan er zich al eens een vluchtig, flauw glimlachje op vertoont, dan is het de uitdrukking van een sardonischen lach, ontrukt door de onbillijkheid van het lot en de vergelijking van zijn ongeluk met het geluk van anderen, zijn borst berst bijna van zuchten, zijn spieren hebben de strakheid van zijn hardnekkig stilzwijgen; krampachtig sluiten zich zijne vuisten, zijn armen zijn vast tegen het lijf aangesloten: de stoornis in zijne verstandelijke vermogens is zelfs herkenbaar in de wanorde, die in zijne kleeding heerscht.

Indien hij loopt, wordt zijne gemoedsbeweging eens zoo groot; het vreeselijke vermoeden, dat een ander de oorzaak kan zijn van de weigering, die hij ondervindt, wekt in hem de onstuimigste gevoelens op, hij wil zich wreken op den bevoorrechten minnaar, de ondankbare zelve, die ongetwijfeld lacht over de smarten, welke hem verscheuren, zal niet lang van haar triomf genieten, zij zal sterven en wanneer zij den eenen voet in het graf heeft, zal zij weten wie haar moordenaar was. Van lieverlede begint hij medelijden te krijgen met haar en met zich zelve, vervolgens vervalt hij weder in dien toestand van gevoelloosheid, die deze periode der liefde kenschetst. En zoodoende brengt de afgematheid, volgende op deze vreeselijke crisis, een rust te weeg even vermoeiend als de strijd, die thans onhoudbaar is geworden.

Zijn woedende gebaren zijn bedaard, hij is terneer-

ocr page 110

102

geslagen, doch zijne ledematen behouden nog de teekenen van de buitengewone gemoedsaandoening, die-hem heeft aangegrepen; een doodelijk bleek heeft de bloedkleur vervangen, die zijn gezicht als 't ware in vlammen zette, zijn oog alleen is rood, hij is ontdaan, ongerust kijkt hij om zich heen, om er zich van te vergewissen, dat zijne waanzinnige vlagen geen anderen getuige hebben gehad, zijne lippen trillen nog van de vervloekingen, welke zij geuit hebben, zij zijn ontkleurd en droog, want het vuur, dat hem verteert, heeft de bron opgedroogd van het levenssap, dat ze glad maakte, zijn haren zijn verward, en zijn handen trekken zich samen als zocht hij een steunpunt. Indien op dit oogenblik, dat hij weder tot bezinning komt, een vriend zich aan zijn blik vertoont, snelt hij op hem toe, om zich in zijn armen te werpen en zijn hoofd aan zijn borst te verbergen, ten einde zijn schande te bedekken; hij vraagt hem vergiffenis, hij overstelpt hem met smeekende vriendschapsbetuigingen, hij snikt, hij zucht en vindt verlichting voor zijn snerpend leed, door het met een ander te deelen; dit denkbeeld van deeling wordt graphisch teruggegeven door de houding van den vriend^ die den terneergedrukten minnaar ondersteunt, en inderdaad op deze lichamelijke wijze een deel draagt van het gewicht van het verdriet, waaronder de ongelukkige bezwijkt.

Racine heeft dit karakter breed opgevat in zijn Phedra; niets dat beter uitgevoerd, dat meer waar is dan zijn grootsche schildering.

ocr page 111

103

De liefde, evenals alle heftige hartstochten, heeft tot uitgangspunt de concentratie of de smart, 't geen voor ons dezelfde beteekenis heelt; dit kan men meer in het bijzonder zien in de opklimming, waarmede deze hartstocht zich ontwikkelt bij het aanschouwen van een onbillijkheid of van een ongeluk, overkomen aan een zwak wezen. La Fontaine heeft gezegd: Une helle, des lors qu'elle est en larmes, en est plus belle de moitié. En hij had groot gelijk, want wij lijden allen, en deze toestand is het meest geschikt voor den aanwas der liefde, de meest machtige wapenen tegen ons zijn dan ook de tranen, stroomende uit de oogen van een belangwekkende vrouw. Wonderbaarlijke beschikking der Natuur, die aan den overmaat zelf der zwakheid de nadrukkelijke middelen van verzet verschaft tegen de kracht, die steeds bereid is te onderdrukken.

De liefde is inniger, bestendiger bij de vrouwen; deze hartstocht maakt het grootste gedeelte van haar bestaan uit; dit vermogen is verbonden aan hare organisatie, die vatbaarder en zenuwachtiger is dan de onze. De liefde verspreidt over haar gansche persoon een zekeren schijn van verlegenheid en beschroomdheid; deze vloeit voort uit den voortdurenden strijd, dien zij te doorstaan hebben, om weerstand te bieden aan haar hart; een neiging, des te sterker, naarmate haar zedelijke macht gewoonlijk minder groot is; hoe meer men zich nu van dezen toestand verwijdert, hoe meer men de noodzakelijkheid gevoelt, om zich een ander «ik» toe te voegen; inderdaad wordt bij de liefde dan

ocr page 112

104

ook alles gemeenschappelijk; geen hartstocht, die meer voorbeschikt is tot mildheid; niets zoo volijverig dan de zorgen, die wederkeerig verliefden aan elkander wijden.

Deze algemeene karakters hangen blijkbaar af van den toestand der ziel of van het «ik», wanneer de gewaarwording eenmaal ontvangen is; bij de vrouwen van het Noorden, de Engelschen bij voorbeeld, wier meer lympathisch temperament een eerder zwakkere dan overprikkelde ziel verraadt, draagt de liefde die tint van melancholie, die haar eigen is; de Italiaansche en de Spaansche, voortdurend overprikkeld door een zuiverder en warmer klimaat, hebben ook meer levendigheid in hare hartstochten; het gebaar van de dochter Albion's, is langzamer en concentrischer dan dat der tweede, wier overgroote levendigheid aan den aard van haar vurige ziel beantwoordt. Bij de Aziatische vrouwen geeft de temperatuur van het klimaat aan de ziel eene slapheid, die alle bewegingen buigzaam maakt; mededeelzamer dan de hierboven genoemde vrouwen, geven zij zich liever over aan de bekoring, die haar aantrekt.

Hoewel deze hartstocht behoort tot den jeugdigen leeftijd, zoo zijn er toch nog andere tijdstippen in het leven, waarop de mensch hem kan ondervinden.

Anakreon, het voorhoofd overschaduwd door witte haren, was nog een hartstochtelijk minnaar. Doch over het algemeen, is het door hulpmiddelen, door een kunstmatige overprikkeling, dat een grijsaard weer een vonkje van het vuur kan te voorschijn roepen.

ocr page 113

105

dat hem eertijds bezielde. Zoo zocht de zanger van Teos een steun bij Bacchus in de liefde, die hem onophoudelijk kwelde.

De geestrijke dranken, die de levenssappen naar den omtrek drijven, maken ons vatbaar voor de concentrische hartstochten en vooral voor de liefde, die bij uitnemendheid dit karakter draagt.

Bij de feesten, gewijd aan den God des wijns en waarvan de Atheners de eerste instellers waren, brachten de herhaalde plengoffers der priesteressen, die de orgieën verrichten, dat wil zeggen de mjsterieën van deze godheid, die priesteressen in de hoogste geestdrift. Als razenden liepen zij hier en daar in de bergen rond, de lucht doende weergalmen van haar gekerm en haar geschreeuw, als waanzinnigen schudden zij den thyrsus 1), in hare handen geplaatst, zij gaven aan den wind hare kleeren prijs, gedeeltelijk bestaande uit tijger- en pantervellen.

In de bas-reliefs der oudheid, welke deze woeste tooneelen voorstellen, is iets, dat zeer zeker de opmerking Verdient. De beeldhouwers hebben, om het karakter van zedelijke excentratie dezer figuren uit te drukken, daaraan zulke excentrische gebaren gegeven, dat de houdingen er bijna gedwongen door zijn. Verwarde haren, ternauwernood bijeengebonden door een kroon van klimop, waarmede zij hare voorhoofden omkransten, het oog fonkelend van be-

1) De met klimop en wijnloof omwonden staf, dien de baccha-nanten bij de Bacchusfeesten droegen. Vf.rt.

ocr page 114

106

geerte, de neusgaten in beweging gebracht door een snelle ademhaling; een hijgende borst, een onstuimig kloppende boezem, een hoogroode mond, wiens buitenen opwaarts getrokken hoeken de hagelwitte tanden lieten zien, die hem versierden, en als 't ware tot een kus schenen uit te noodigen; het gelaat schitterend van dronkenschap en liefde, en als gekleurd door den nectar, die uit hare handen in de drinkschaal vloeide, de kleeding in wanorde en half haar lichaam ontblootende. Aldus is het beeld, dat schilders en dichters ons van de bacchanten hebben gegeven, overgeleverd aan de uitspattingen der woede.

De kunstenaar moet zorgvuldig deze schakeeringen der liefde bestudeeren. Zij moeten leesbaar in zijne werken geschreven staan, men moet een groot onderscheid weten aan te brengen tusschen de echtgenoote van Potifar en de minnares van Aeneas.

Bij voorkeur moet men echter in een kunst, die uitsluitend op de oogen werkt, deze ingetogenheid nabijkomen, die den vrouwen zoo eigen is, zelfs dan wanneer zij zich met geestdrift aan de buitensporigheid van den hartstocht ovérgeven. Het is niet de opvoeding, maar het is de Natuur, die in het hart van de jonge en kuische gade dat instinct van eerbare schaamte heeft gelegd, ten einde den prijs der verovering te verhoogen, door de begeerte te prikkelen; het is de natuur, die altijd opmerkzaam, in de overmaat van weerstand aan hare wetten, de verplichting gelegd heeft, om voor de vermoeienis te bezwijken, door in het geheele organisme een kwijnende weekheid te

ocr page 115

107

brengen, gunstig voor den aanval, doordien het de nederlaag voorbereidt.

Weldra dan ook komt er stoornis in alle door de liefde bedwelmde zintuigen, de blik wordt smachtend onder de vochtige ruit, die er tusschen de buitenwereld en hem geplaatst is, het oog sluiert zich met zijn verslapt ooglid, het lichaam geeft zich over, en de in verrukking gebrachte ziel getuigt ter nau-wernood nog, dat zij zetelt in den bi'andenden adem, uitgeademd in de stem, welke wegsterft en murmelt.

De Grieken, zoo waar in hunne allegorieën, erkenden twee karakters in de liefde: het eene, samengesteld uit de vereeniging van ziel en lichaam, een symbool gehuldigd in verscheiden hunner meesterwerken, onder de gedaante van Psyche en den liefdegod Eros, een karakter, waaraan de ziel niettemin meer deel bad dan de zinnen; het andere, geheel aardsch, geheel zinnelijk en voorgesteld in den tuingod en waarvan de Faunen en Saters de bijgodheden waren.

De bevalligheid en fijnheid kenmerkten het eerste type, het tweede ging gepaard met kracht en ruwheid. De minnaar van Psyche bewoonde den Olympus en heerschte over Goden en stervelingen; zijn broeder had de bosschen tot verblijfplaats en verhief zich nooit tot den blauwen hemel.

Deze kenmerkende teekenen zijn op een bewonderenswaardige wijze voorgesteld in de standbeelden, door den tijd gespaard. De vormen van den liefdegod zijn allen goddelijk, die van de Faunen en Saters be-hooren tot de menschen, in het veld levende.

ocr page 116

108

Op het voorbeeld van de dichters, hun voorgangers, gaven de beeldhouwers en de schilders aan den liefdegod tot attributen een boog en pijlen; zij wilden daardoor ongetwijfeld doen begrijpen, hoe deze God zich in het hart van menschen en dieren, waarover hij zijn heerschappij uitstrekte, deed kennen; die symbolische figuur was sprekend; door een wTonde, door een overprikkeling kortom, baande de liefde zich een doortocht; en hoe dieper de wonde was, dat wil zeggen naarmate de overprikkeling sterker was, naar dezelfde mate was ook de hartstocht heviger. Wellicht ook heeft de liefdegod deze wapenen in handen, om aan te toonen, dat hij nooit sterker is, dan wanneer hij op weerstand stuit; deze wapenen moesten alleen aanvallend zijn, want, door zijn verheven stand had hij niet noodig zich te verdedigen. Wij zullen thans nog sommige teekenen bespreken, die aan de liefde eigen zijn.

Een der meest merkwaardige kenmerken in de uiting van dezen hartstocht, dat is de sluikheid; men zegt gemeenlijk neiging voor iemand hebben; deze zinnebeeldige uitdrukking is waarschijnlijk ontleend aan de constateering der feiten.

Sluike gebaren verraden de begeerte van zich onbemerkt in te dringen, gelijk men zulks zeer goed bemerkt bij de schijnheiligheid, die dit met de liefde gemeen heeft, dat zij beiden gelijkelijk willen overreden, en . de overreding is volgens Ovidius, wiens bevoegdheid men zeker wel niet in twijfel zal trekken, het voornaamste punt om te slagen bij de schoonen; hij stelt dan ook de welsprekendheid als het voornaamste punt

ocr page 117

109

voor om bij het schoone geslacht te slagen evenzeer plaatst hij de welsprekendheid in de eerste rij der eigenschappen, die een minnaar moet bezitten.

Onderzoek eens aandachtig, wat er plaats heeft bij een man, die de gunst eener vrouw wil winnen, die hij bemint en waarvan hij bemind wil worden. Om ieder denkbeeld te verwijderen van de kracht, waarmede hij begaafd is, en om aan te toonen hoeveel hooger hij het voorwerp zijner genegenheid boven zich-zelven stelt, peinst hij voortdurend op middelen om aan zijn gansche persoon een houding van onderwerping en eerbied te geven; hij vermijdt met alle zorg om eenige ruwheid in zijn manieren aan den dag te leggen, hij beijvert zich om er buigzaamheid aan te geven, hij breekt ze als 't ware door middel van deze sluikheid; aldus nadert de slang schuifelend de bloemen.

Op deze wijze kan men de geluiden verklaren, die hij stamelt, om de gunst te verwerven, waarnaar hij met zooveel aandrang dingt; indien hij dringender wordt in zijne aanzoeken, dan wordt zijn gebaar ook levendiger; hij vreest een beleediging gedaan te hebben, en deze vrees verraadt zich in den stilstand zijner bewegingen. Zijn handen komen even levendig tusschen-beiden als zijn woorden, wanneer de blik hem stoutmoedig maakt; zijn hoofd is steeds geplaatst onder dat, waarvan hij de lichtste schommelingen volgt. Op andere oogenblikken besterft de stem op zijne lippen, hij is onbeweeglijk en als besluiteloos; zijn oogen alleen drukken zijn hevige liefde uit, vaak slaat hij de armen om de knieën van zijne zielsvriendin, hij

ocr page 118

110

maakt zich klein en vraagt aan het medelijden, 't geen hij zich door de liefde geweigerd waant; in één woord hij neemt alle oratorische vormen en alle houdingen aan, die hij geschikt waant, om hem een gunstig gehoor te doen vinden.

Ge hebt ongetwijfeld in het innerlijke van een huishouden wel een jonge en lieve, kleine hand opgemerkt, die een kat liefkoosde en die de aandacht van dit dier trachtte te boeien, 't welk steeds op zijn hoede is tegen onverhoedsche aanvallen. Indien ge de gecadenceerde beweging van het lichaam van het kind volgt, en ook die van zijn hoofdje, dat zachtkens zich heen en weer beweegt, evenals wilde het van alle kanten den onverschillige bekijken, die het met zijn blikken omgeeft en vreest te laten ontsnappen, dan zult ge getroffen worden door het sluiksche karakter van zijn gebaren.

Hetzelfde is het geval met den gang van de tortelduif, kirrend bij zijne levensgezellin; een vogel van Venus nadert niet regelrecht, hij doet zulks langs omwegen, hij beschrijft halve cirkels, waarvan het wijfje het middenpunt is, en waarvan de straal trapsgewijze kleiner wordt naar verhouding van de onstuimigheid zijner begeerte.

Een harmonisch teeken wordt steeds aangetroffen onder een groep van wezens, die beiden liefde voor elkander hebben opgevat: het is de overeenstemming van al hunne bewegingen, die een volmaakt sympathisch geheel opleveren. Zonder veel moeite onderkent men twee personen in dezen gelukkigen toestand van

ocr page 119

Ill

wederzijdsche hartsuitstorting; of zij loopen, dan wel of zij zitten, steeds schijnen hunne armen één te zijn; hunne gebaren verbinden zich onderling en vloeien uit elkander voort, er is betrekkelijk geen individueel evenwicht, hunne harten begrijpen, hunne gebaren beantwoorden elkaar.

't Geen het groote belang bewijst door de Natuur aan de gevolgen van dezen hartstocht gehecht, dat is de zorg, die zij gedragen heeft, om hem te doen smaken en hem te bevestigen in het hart van een schepsel, welks bestaan zij verdubbeld heeft.

De zedelijke vermogens deelen in deze physieke overprikkeling, die het daarbij ondervindt, de verbeelding verkort de afstanden, zij verschoont en verfraait alles, wat in betrekking staat tot het voorwerp der liefde. Een magnetische vloeistof omgeeft de beminde persoon en doortrekt alles, wat met haar in aanraking-is geweest; men schept er een behagen in, om der-indruk te ontvangen dien zij er in achtergelaten heeft, het is een onuitwischbaar deel van haar zelve, nog geheel vervuld van en bezield met haar leven. Deze zoo diepgevoelde uitwerking grift zich innig in het geheugen in, en lang daarna nog, geeft de macht alleen van deze herinnering nieuw leven aan dit verstoord gevoel, en maakt het dit weer even frisch als op den eersten dag, zuiver en zonder bijmenging-van latere emoties. Voor dengeen, die naar de plaatsen terugkeert, waar voor het eerst zijn maagdelijk hart zich ontsloten heeft voor die liefelijke droomerijen van den ontkiemenden hartstocht, is alles daar nog aan we-

ocr page 120

112

zig, daar is hij peinzend en eenzaam gaan zitten, daar heeft hij aan een vrouw een taal doen hooren, die hem zeiven nieuw was en die begrepen werd; de boom, waarop hij eertijds een naam heeft geschreven, dien hij niet durfde uitspreken, heeft er voor vreemde blikken de letters van verborgen onder zijn houtachtige schubben; zijn begeerig oog leest ze zonder eenige moeite; zijn verjongde ziel ziet weer alles even jeugdig en schitterend, als in den gelukkigen tijd, waarheen zij teruggevoerd is, alles, wat sinds is voorgevallen, verdwijnt gelijk een droom, hij vergeet, dat de rimpels ook andere trekken verborgen hebben, vroeger zoo zacht en thans verwelkt.

De liefde, die twee echtgenooten voor elkaar ondervinden, is minder levendig en minder diep gevoeld, en dit wel, omdat zij de zekerheid hebben, elkander toe te behooren. Daar het doel der liefde is, te bezitten, zoo moet zij noodzakelijkerwijze verzwakken door een verzekerd bezit; en inderdaad, de liefde is dan ook onstuimiger, wanneer zij niets meer hopen mag, dan wanneer zij niets meer ducht.

Er is nog een andere oorzaak: deze vereeniging schenkt het levenslicht aan een kroost, dat ook liefde vraagt en de gedeelde liefde is, om het bij den waren naam te noemen, zich zelve niet meer, wanneer zij ophoudt volstrekt te zijn.

De genegenheid der moeders voor hare kinderen is een even sterk en minder voorbijgaand gevoel. Het was niet voldoende voort te brengen, men moest behouden, en zwakke schepseltjes hadden behoefte om

ocr page 121

113

het leven hunner moeder te leven, alvorens zij in staat waren om zelf aan de eischen van hun bestaan te voldoen, de natuur heeft er rijkelijk in voorzien, het moederlijk hart is een meesterwerk, niets teederders dan de zorgen, door de vrouw gewijd aan het wezen, in haar schoot gevormd, zoolang dit nog niet buiten haar kan.

Een bewonderenswaardige voorziening heeft gewild, dat de afscheiding van melk bij de moeder nog hare gevoeligheid zoude prikkelen, ten einde de vrucht harer liefde nog meer lief te hebben.

Welk een teedere, hartelijke zorg vervult haar op het oogenblik, waarop alles rust! Een onbeduidend iets verontrust haar, het zwakste kreetje dringt tot haar aandachtig oor door, over de wieg van haar kind heengebogen, ondervraagt zij het geluid van zijn lichte ademhaling, zij bewaakt zijn minste bewegingen, zij voorkomt, bestuurt of beschermt, zij doet afstand van zich zelve, alleen om zich met haar kind bezig te houden; zij bespiedt het oogenblik van zijn ontwaken, om het een boezem aan te bieden, zwellende van melk, en'zich geheel en al overgevende aan de zorgen van het moederschap, denkt , deze gelukkige voedster er zelfs niet meer aan om de bekoorlijkheden te bedekken, die hare kuischheid vroeger voor het daglicht verborg. Vermeerdert haar huishouden, dan groeit hare liefde met het aantal aan. al hare kinderen zijn in hare oogen een collectief wezen, waarvan zij alle leden gelijkelijk liefheeft, en wat is hare belooning voor zooveel zorgen, zooveel uren wakens? Een glimlach, een kinderlijke liefkoozing.

8

ocr page 122

114

Greuze heeft met een betooverende bevalligheid deze zoo treffende tafereelen der moederlijke liefde geschetst. Raphaël heeft, op een meer verheven toon, maar daarom niet minder waar en niet minder bevallig, onder verschillende vormen, doch die altijd zuiver waren, deze zorgen en genegenheid afgemaald onder de trekken van de Maagd en haar Goddelijk Kind, bekoorlijke composities, waaruit de verhevenheid van zijn liefelijk schoon genie schittert.

De wijfjes der dieren leggen hetzelfde instinct, dezelfde waakzaamheid voor hare jongen aan den dag, de kip is er een welbekend voorbeeld van.

Er bestaat bij haar echter een zeer groot onderscheid; de genegenheid, die zij voor haar kroost hebben, duurt slechts de tusschenruimte, die haar scheidt van het tijdstip, aangegeven om nieuw mingenot te zoeken; deze duur is echter ook die, van de volkomen ontwikkeling van het individu. De natuur gaat recht op haar doel af, zij heeft alles zóó beschikt, dat ook haar gebiedendste wensch vervuld wordt.

De hartstocht voor de studie is concentrisch, doordien zij intellectueele vermogens levendig prikkelen komt; exclusief evenals de physieke liefde, neemt hij alles in zich op en onderwerpt hare ingewijden aan zijne eischen, door hun geëvenredigde genoegens te beloven. Degeen, die zich met ijver aan een nieuwe studie overgeeft, bemint, evenals in den beginne de minnaar, de eenzaamheid en de afzondering; zijn absoluut denkbeeld houdt hem geheel bezig, hij troetelt het, hij bouwt het weder op, onder de schitte-

ocr page 123

115

rendste vormen, hij is gelukkig door den goeden uitslag, ongelukkig door zijn onmacht, en wat opmerkelijk is als analogie: hoe gemakkelijker de studie is, hoe minder zij beoefend wordt en hoe minder zij zich overgeeft, hoe hardnekkiger de arbeid van den vriend der wetenschap wordt om haar te bezitten.

Wanneer de liefde voor de wetenschap haar toppunt bereikt heeft, dan neemt zij een opvolgend karakter van reactie aan. Deze hartstocht moet zich verspreiden en overdragen om zich verder voort te planten. Even teruggetrokken als men in de eerste oogenblikken leefde, even gretig tracht men dan naar een wisseling van betrekkingen, om zich te richten naar de nieuwe behoefte om datgeen mede te deelen, waarvan het vernuft overvloeit.

De beminnaar van schilderijen, de muntkenner, in één woord, alle verzamelaars bieden dezelfde verschijnselen aan: de koorts om te bezitten, lichamelijke zelfverloochening, een buitensporige waardeering van de verworven voorwerpen. Deze onderzoekers spelen in de maatschappelijke huishouding de rol van de opslorpende vaten in het individueel organisch stelsel. Het voortbrengsel hunner werkzaamheid komt onafgebroken die groote vergaarplaatsen van het vernuft vermeerderen — bibliotheken of musea, ten einde het geheiligde vuur van het genie te onderhouden.

De liefde voor den roem is een bij zijn ontstaan niet minder gebiedend gevoel. Het heerscht als meester en doet de zinnen zwijgen voor het betooverend lokaas, al dengenen aangeboden, die het willen volgen; deze

ocr page 124

116

edelmoedige aandoening voedt zich uit zich zelve; een eenvoudige kroon, een lauwertak, brachten haar in de dagen der oudheid teweeg.

Er is nog een andere liefde, een vrij sterke band, zij verbindt ons aan de plaatsen, waar wij het levenslicht hebben aanschouwd, aan den bodem, die ons al datgeen geleverd heeft, waarmede wij onze lichamelijke en zedelijke behoeften konden bevredigen: het is de liefde voor het vaderland. Deze liefde is gegrond op de wetten, welke de betrekkingen tusschen menschen en dingen vaststellen; deze wetten zijn voor de massa's, wat de kinderlijke liefde voor de individu's is; deze verhoudingen zijn analoog met die, welke op een minderen trap, tusschen het gewas en den bodem, waarop het ontsproten is, bestaan; de mensch geniet, wel is waar, het voorrecht van plaatsbeweging, een vermogen dat aan de planten ontzegd is, en toch bevindt hij zich nergens beter dan op de plek zijner geboorte. De goederen, in den vreemde verworven, wegen in zijn oogen nooit op tegen de voortbrengselen van zijn vaderland, geheel overeenstemmende met zijn organische constitutie en zijn vermogens. Van alle straffen, door de maatschappij uitgedacht, is de verbanning dan ook wel de wreedste. Ik wil hier alleen herinneren aan het antwoord van dezen wilde, wien men het voorstel deed om zijn hut te verlaten voor een schitterende positie, en die in zijn energieke taal uitriep: Zal ik aan de gebeenten mijner vaderen kunnen zeggen: staat op en volgt mij in het ballingsoord? In deze woorden ligt, dunkt mij, alles besloten. Dit gevoel

ocr page 125

117

biedt aan alles weerstand, de tijd kan het niet doen verflauwen, noch het verwoesten, het is allen men-schen eigen, welke de min of meerdere trap van beschaving, welke het klimaat zij, dat zij bewonen, het is een der schoonste en meest vruchtbare aan groote daden, het staat geschreven op iedere bladzijde van de geschiedenis der daden van het menschelijk geslacht, zonder aanzien van tijdperken noch van plaatsen, kortom het is onafscheidelijk van de Natuur ■en evenals deze onvergankelijk.

ocr page 126

DE PHYSIEKE SMART.

In de physieke beteekenis, is de smart het resultaat van de onmiddellijke werking van een schadelijk werkende oorzaak op de gezamenlijke levensverrichtingen; uit een zedelijk oogpunt, is het een pijnlijke gewaarwording, in ons teweeggebracht door het denkbeeld aan eenig ondervonden leed, 't zij nu of in de toekomst.

In het eerste geval werkt het terug op de verstandelijke vermogens, in het tweede geeft het lichaam alleen den zedelijken schok terug.

De studie der verschillen, die beide karakters der smart in hunne ontwikkeling aanbieden, eischt een zeer groote opmerkzaamheid van de zijde van den artist, om ze met hunne eigenaardige kenteekenen weer te geven; die kenteekenen, in zijn oogen steeds lichamelijk, hebben niettemin een bijzonder karakter in de graphische wijze, waarop zij zich uitdrukken. Achtereenvolgens zullen wij aantoonen, waarin deze nuances bestaan, wij zullen beginnen met alleen de physieke zijde te behandelen.

De smart, evenals alle op zich zeiven beschouwde hartstochten, staat in verband met het instinct van ons zelfbehoud, het is een waarschuwing door de

ocr page 127

119

Natuur gegeven, om ons af te zonderen van datgeen, wat ons schadelijk kan zijn. De smart is voor het kwaad, wat het genoegen voor het goed is; een middel om in te zien, wat wij moeten ontvluchten, gelijk het andere er één is, dat ons begrijpen doet, waarnaar wij moeten streven.

Dit doel van de smart laat geen twijfel meer over; wanneer wij onverhoeds getroffen worden, is onze eerste zorg om ons in ons zeiven te verschansen, om niet ongedekt te blijven, de smartelijke gewaarwording doet ons terstond de hand brengen aan het aangetaste gedeelte, ten einde het kwaad tegen te houden, of wel te beletten dat zijn werking verscherpt worde. Wanneer men, op het oogenblik, dat men er het minst aan denkt, zich de vingers brandt, dan is de daardoor medegedeelde rugwaartsche beweging zooveel te sneller, naarmate de aanmaning onverwachter was, men haast zich om de hand te schudden even alsof men daardoor zich van de vurige oorzaak konde losmaken, die ons doet lijden. De zoo openhartige levendigheid, waarmede men deze vingers uit het vuur haalt, hangt nog van twee overwegingen af: de eene, dat wij niet vreezen, dat deze schadelijke oorzaak voordeel trekke uit die krachtige demonstratie, en de tweede, dat, ons in niemands tegenwoordigheid bevindende, onze eigenliefde, die men niet verwarren moet met de liefde voor ons zeiven, niet genoeg géintresseerd is, om ons tegen deze gewaarwording schrap te zetten. Zij is onwillekeurig, en wij durven het niet te bekennen, wegens het denkbeeld van

ocr page 128

420

lafhartigheid, dat er aan verbonden is: men weet, hoe zeer deze hoogvaardige aandoening der ziel haar invloed kan doen gelden op onze, in oproer gekomen zinnen. Ik wil hier alleen dat Spartaansche kind aanhalen, dat onder zijn tunica een jong vosje had verborgen, 't welk het gestolen had; hij wilde liever de wreede beten verdragen van het dier, dan de schande ondergaan, van als onhandig beschouwd te worden door zijne spottende medeburgers, door het te laten ontsnappen.

Daar een smart een concentrische beweging is der ziel, dringt zij bijgevolg de levenssappen naar het centrum terug van het oogenblik af, dat zij zich doet gevoelen. Maar evenals alle hartstochten, die vatbaar zijn voor overprikkeling, wordt zij terugwerkend naar evenredigheid van de energie, ontwikkeld door dezen oorspronkelijken toestand. Wij zullen haar in de verschillende gevallen nagaan.

In den beginne trekt de smart onze handen en voeten sterk samen en brengt zij ze dichter bij het lichaam om er zich van te bedienen tegen het kwaad, dat zich door haar aankondigt; deze beweging werkt op een depressieve wijze op den romp; zulks brengt de nu eens doffe, dan weer scherpe geluiden te weeg, de klachten, het gesteun, de kreten alsdan geuit, want doordien de spieren van de borst en van maag en buik zich krampachtig samentrekken, drukken zij even vele malen de longen als een fluit. Vandaar die tusschenruimte tusschen eiken uitroep, de kunstenaar kan er een denkbeeld van geven in zijn

ocr page 129

121

naakte deelen, door middel van dezen opvolgende nederdrukking, die wij zoo even hebben beschreven.

De algemeene spanning der spieren is het kenmerkend teeken der physieke smart, die ons er toe brengt, om weerstand te bieden aan het kwaad, dat ons treft en ons verbittert; zij wordt voortdurend teruggevonden in alle trekken van het gelaat, 'tgeen haar onderscheidt van dien trap van neerslachtigheid, waarin integendeel ontspanning is, en die, wij zullen het later aantoonen, in hoofdzaak tot de zedelijke smart behoort.

Deze samentrekking der spieren komt voort uit den strijd der overprikkelde ziel tegen het snijdende gevoel en van hare voortdurende pogingen om dit te neutraliseeren.

Telkens wanneer de Ouden de smart hebben moeten voorstellen van een held of van een historisch man, hebben zij haar altijd getemperd door deze machtige werking van het moreele op het physieke; dit vloeide voort uit het denkbeeld, 't welk zij zich vormden van het karakter, dat een groote en fiere ziel moest aan den dag leggen; zij hebben het aldus opgevat in de bewonderenswaardige groep van Laocoon en zijne zoons, die zich trachten te bevrijden van de afzichtelijke slangen, die hen omkronkelen. Het is niet alleen een grootsche, onverschrokken en moedige ziel, die met alle krachtinspanning worstelt tegen de smart, waaraan het lichaam ter prooi is, het is een vaderhart gewond zelf in het hart zijner zoons, waarin hij herleeft. Zijn gelaat, opgezet door spiertrillingen, door

ocr page 130

122

de foltering der hartstochten, is het grootsche beeld van den vreeselijken strijd, die er in hem plaats heeft en waarvan het einde de dood moet zijn met alles, wat zij het wanhopigst heeft voor een vader, de gevoelde onmogelijkheid om er beminde kinderen aan te onttrekken; weldra zal hij hen niet meer kunnen betwisten aan het gemeenschappelijk lot, dat hen wacht, en welks venijn, dat zijne ledematen doorloopt en ze verstijft, hem reeds de wreede slagen doet gevoelen. De angst teekent zich af op zijne lippen, waarvan de benedenwaarts getrokken hoeken doorgang verlee-nen aan de zuchten, uit zijne zijden opstijgende, ingedrukt door de samentrekking van de spieren van den romp: de verslapping van de wenkbrauwspier, waarvan de punt op den buitenooghoek drukt, is het teeken der verpletterende wanhoop, die hem zijn laatste blikken naar den hemel doet richten, welke hem wellicht nog zoude kunnen redden. Welk een poëzie in die haren, die van afgrijzen te berge rijzen, in deze keel, waarin het woord blijft steken en versmoort, in deze borst, die omhoog gaat, wijkende voor de drukking der spieren van den buik op de ingewanden! Welk een waarheid in de kramptrekking van dat been, 't welk de tand van den slang kwetst, in de uitdrukking van deze jeugdige ongelukkigen! Zij verzetten zich machteloos onder deze levende boeien, vastgekneld door de hand eens Gods. Hunne hartverscheurende stem roept tevergeefs de hulp in van hem, die hun het leven schonk, hij is bij hen en kan niet anders doen, dan het hoofd afwenden van een

ocr page 131

123

schouwspel, dat hij gevoelt, en waarvan hij de kracht niet bezit den aanblik te doorstaan.

Indien wij nu een parallel trekken tusschen deze figuur van den bezetene uit de Transfiguratie, waarin Raphaël met zooveel vuur de lichamelijke smart weergegeven heeft op haar hoogsten trap van verbittering, maar zonder zedelijke reactie, zonder moed en zich aan zich zelve overgevende, dan zullen wij de gewaarwording zuiver physiek zien, in haar volle schrikwekkende naaktheid. Die spanning der spieren, teweeggebracht door den zedelijken weerstand bij den priester van Apollo, bestaat niet in de ledematen van den bezetene; er is iets gewrongens bij dezen laatste, zijn beenderen komen, door de buitensporige uitwerking van de smart, buiten hunne gewrichtsholten, de hals is opgezet, de oogen treden buiten hunne kassen, de neusvleugels drijven de lucht met snelheid uit, de mond teekent geen angst, maar woede, hij schuimt, deze ongelukkige is geheel en al onder de heerschappij van den duivel, die hem terugstoot uit de nabijheid van den Christus.

Personen, die aan hevige zenuwtoevallen onderhevig zijn, vertoonen bij hunne aanvallen dezelfde verschijnselen van onstuimigheid, de Natuur verleent hun alsdan verwonderlijke krachten, om te kampen tegen het kwaad, dat hen foltert.

De vrouwen zijn in de smart geduldiger, zij zijn ook beter geschikt om ze met gelatenheid en lankmoedigheid te dragen. Deze hartstocht uit zich bij haar door de verandering der trekken, haar gelaatskleur verbleekt, hare oogen verliezen hun glans en

ocr page 132

124

hare lippen ontkleuren. De beweeglijkheid van haar gelaat verleent aan hare uitdrukking iets treffends, iets, dat belang inboezemt; een lichte samentrekking van de spieren van het gezicht is voldoende, om de hevigheid van hare folteringen aan te duiden, de afscheiding van tranen is overvloediger, er is meer matheid en natuurlijke ongedwongenheid in hare bewegingen. De man verliest steeds in bevalligheid, wat hij in kracht wint, en de smart, wanneer zij niet al te levendig is, heeft een bevalligheid, die haar eigen is: zij dient om de zwakke sekse met alle kleine zorgen te omringen, die haar toestand vereischt.

Rubens heeft met een zeldzaam geluk dezen toestand der ziel na een levendige smart weergegeven in zijn schilderij, de bevalling van Maria de Medicis; het hoofd dezer vorstin is een meesterstuk van ge-gedachte en uitdrukking, hare oogen zijn steeds vochtig van tranen, en reeds het geluk van moeder te zijn verspreidt een tint van tevredenheid over hare fijne en zachte trekken, waarop nog de sporen gegrift staan van een smartelijke gemoedsbeweging.

ocr page 133

DE ZEDELIJKE SMART.

De zedelijke smart verschilt in hare wijze van uitdrukking van de lichamelijke in zoover, dat de neerslachtigheid haar voornaamste karakter is. De spanning of de verdraaiing der spieren is het daarentegen, die de physieke gewaarwording onderscheidt, het ongeluk is de bron van het eerste, het kwaad is de oorzaak van het tweede. De zedelijke smart is minder terugwerkend, de lichamelijke smart is het meer; de een brengt de treurigheid mede, een alleen concentrische hartstocht, en de ander het lijden, een aanhoudende toestand van prikkeling, die ons steeds voldoende aanspoort, om het kwaad van ons te weren en ons tevens de middelen aan de hand geeft, om daartegen te kampen.

De kenmerkende bases van deze twee karakters van een hartstocht, die zonder aandachtig onderzoek er één kunnen schijnen, zijn zóó positief, dat, alhoewel er een innig verband bestaat tusschen het zedelijke en het physieke, het toch niet mogelijk is ze te verwarren; en toch moet op het laatst de gestadige duur van de smart noodzakelijk tot de droefheid leiden, en de zedelijke smart, invloed hebbende op onze organen, maakt ze ten hoogste vatbaar voor allerlei ziekten, waarvan het lijden de onafscheidelijke gezel is.

ocr page 134

126

Dit bijzonder karakter van de zedelijke aandoening is zóó waar, dat wanneer een slechte tijding onze gevoeligheid tot een hoogen graad van overprikkeling komt brengen, onze eerste behoefte is, om ons in de armen van onze vrienden te werpen; welnu deze physieke steun, dien wij hun vragen, is een getrouwe graphische vertolking van de zedelijke hulp, die onze neerslachtigheid ons doet zoeken, en wanneer de smart dan zóó zwaar op ons werkt, dan komt dit, wijl wij krachteloos zijn tegenover hare hevigheid; wij belasten hen, die ons omgeven, met het gewicht onzer droefenis, eenvoudig, wijl gedeelde smart lichter te dragen valt.

In een eenvoudige en toch heerlijke compositie schetst Le Poussin 1) op een treffende wijze de laatste oogenblikken van Eudamidas, bij testament aan zijn vrienden èn zijn moeder èn zijn dochter vermakende, om ze te verzorgen, te voeden, en aan de laatste een bruidschat te geven; deze jonge Griekin, door de smart terneergeslagen, legt haar hoofd op de knieën van hare grootmoeder, aan wier voeten zij gezeten is, haar rechterarm valt op smachtende wijze langs het been, dat hij omstrengelt. De andere hand schijnt ternauwernood de tranen te kunnen afwisschen, die dat hartverscheurend tooneel uit de oogen van Charixemes doet vloeien. De meer concentrische gebaren der oude vrouw, steunende op het voeteneinde van het bed van haar stervenden zoon, geven minder betrekkelijke span-

1) Een beroemd Fransch schilder geb. in 1594. geat. 19 Nov. 1665. Het hierbedoelde schilderij «Het testament van Eudamidasgt; bevindt zich te Kopenhagen. Vert.

ocr page 135

127

#

kracht te kennen, daarentegen een zeer diep gevoel: een uitdrukking, die, gelijk men ziet, zeer past bij het verschil van jaren.

Hetgeen in de lichamelijke smart ons terstond de hand doet brengen naar de gekwetste plaats, is ook de oorzaak van het gebaar in de zielesmart uitgevoerd, doordien de hand naar het voorhoofd wordt gebracht; het is namelijk naar de hersenen, den zetel der verstandelijke vermogens, dat de prikkeling zich in het bijzonder doet gevoelen; er is alsdan congestie, en bijgevolg zwaarte. Wij zijn verplicht het hoofd te ondersteunen, de spieren van den hals zijn hier niet meer voldoende toe. Indien wij een droevig denkbeeld uit onzen geest willen verjagen, dan strijken wij tot meermalen toe met de vingers over het voorhoofd. Een kind, gekweld door de gedachte aan een geheel physieke straf, krabt werkelijk het achtergedeelte van het hoofd, daarbij zorg dragende zijn hoofdbedeksel op te lichten, ten einde rechtstreek-scher te kunnen handelen; zijn bovenlip en zijn knieën büigen zich, als werd hij door een al te zwaren last gedrukt.

De zedelijke smart, die de overprikkeling van de ziel voorafgaat, vertoont in hare ontwikkeling de beide trappen, die steeds in dezen toestand aangetroffen worden. De concentratie vertoont zich in de onmacht, die op een te levendige gewaarwording volgt, het bloed dringt naar het hart terug, het gelaat verbleekt, de oogen sluiten zich, het hoofd valt op de borst, het lichaam, als verlamd door deze algemeene

ocr page 136

128

samendrukking, mist alle veerkracht en valt traag neer, het leven is voor het oogenblik geschorst. Eindelijk vormen er zich tranen, zij ontsnappen, de borst stoot de lucht uit, die haar spant en haar doet lijden, het leven keert terug, en met haar de smart, deze laatste bereikt weldra haar hoogste punt, men trekt zich de haren uit, men verscheurt zijn kleeren, men slaat zich, men kneust zich evenals konde men het kwaad bereiken en het noodzaken om te vluchten. Men stoot doordringende kreten uit, de snikken worden steeds onstuimiger, en al de excentrische woede van den hartstocht wordt weergegeven door de bewegingen van het lichaam. De afscheiding van tranen doet door de prikkeling der oogleden er het bloed heenvloeien, zij zijn rood, vochtig, en de vingers, die er tegen aangebracht worden, komen den toestand nog verergeren.

Bij het weenen drukt de kringspier der oogleden tegen de oogkas en vernauwt hare halfronden, ten gevolge van het terugdringen der omliggende spieren, die dan op haar werken om de werking van den traanzak te ondersteunen; de neusgaten, die bovenaan saamgetrokken zijn, verwijden zich aan hun onderste gedeelte; de mond, waarvan de kaken van elkander verwijderd en naar omlaag getrokken zijn, opent zich ruksgewijze evenals een luchtklep, om aan de vernauwing der neusvleugels tegemoet te komen, die nu geene voldoende ruimte voor de in- en uitademing opleveren. De bovenlip zwelt op door de aaneensluiting-van de vezelen der lipspier, die zich bovenwaarts be-

ocr page 137

129

weegt, en de onderlip, zich zeer duidelijk samentrekkende, kromt zich naar voren door de werking der kinspier, die haar opwaarts stuwt.

Wanneer de Ouden een weenend mensch hadden voor te stellen, hebben zij steeds vermijd om deze bewegingen te zeer te doen gevoelen; zij vreesden ongetwijfeld hunne figuren scheeve gezichten te doen trekken, door ze te forceeren. Het is vooral op het gelaat der vrouw, waarvan zij in niets de schoonheid wilden benadeelen, dat zij het best dezen regel in acht genomen hebben, gelijk men zulks zien kan in het schoone hoofd van Niche.

In zijn |schilderij; De Afneming van het Kruis, een der schoonste meesterstukken der schilderkunst, heeft Daniéle da Volterra 1) op een zeer natuurlijke en toch zeer edele wijze dat concentrisch oogenblik der smart, deze vernietiging der levensverrichtingen weergegeven. De moeder van den Christus is er voorgesteld, achterover vallende, door andere vrouwen ondersteund, haar oogleden zijn gesloten, hare ademhaling is niet meer merkbaar, de beweging van hare borst wordt tegengehouden door de spanning er van.

De verschillende graden der smart in haar voortgang zijn zeer merkwaardig, wanneer wij in de gelegenheid zijn om te zien dat er een noodlottig accident dreigt voor te vallen, zonder dat er een middel bestaat om het te kunnen beletten; de handen, van het eerste oogenblik af gericht naar den ongelukkige,

Vert. 9

1) Een leerling van Michel Angelo.

ocr page 138

430

die bezwijken zal, evenals wilden zij hem hulp bieden, worden in deze positie tegengehouden door den angst; naarmate het gevaar toeneemt, komen zij dichter bij elkaar, en eindelijk op het oogenblik van de catastrophe, grijpen zij elkaar, strengelen zij zich ineen, drukken zij elkaar met kracht, de armen medenemende die zij strak gespannen houden, waarbij zij hun tot steunpunt dienen, om de schouders omhoog te brengen; er is concentratie, en eindelijk, wanneer alles is afgeloopen, scheiden zij zich krampachtig door zich omhoog en buitenwaarts te bewegen, evenals wierpen zij het kwaad zoover mogelijk van zich, en het hoofd, eerst naar het voorwerp gericht, maakt een gebaar van afkeer: er heeft excentratie plaats.

De zedelijke smart uit zich gewoonlijk door stilzwijgen, door een vermindering van de physieke en intellectueele vermogens, en een soort van geestver-dooving, die iedere beweging verhindert; de lichamelijke smart doet met kracht schreeuwen en gesticu-leeren, zij schokt met heftigheid dengeen, die er de eerste aanvallen van te doorstaan heeft.

Deze eigenschap van de zedelijke smart treft ons vooral in de woning van een familie, die in droefheid gedompeld is door het verlies van een oprecht betreurd hoofd. Wanneer men de kamer binnentreedt, waar bloedverwanten en vrienden op het vertrek van den lijkstoet wachten, dan gevoelt men zich onwillekeurig onder den invloed van het doodsche stilzwijgen, dat er heerscht en slechts afgebroken wordt door het doffe en eentonige gedruisch van de voeten, die met omzich-

ocr page 139

131

tigheid over den vloer glijden; daar wordt geen woord gesproken, alles wordt er met eenvoudige gebaren uitgedrukt, men voert alleen diegenen uit, noodig voor de plaatsbeweging: opstaan en gaan zitten, ternauwernood durft men elkaar de hand te geven om aan te duiden, dat men elkaar ziet en wat men gevoelt, alles is concentrisch, evenals de gedachte des doods, over deze plaats van droefheid en rouw zwevende.

Onderzoek deze verschillende houdingen, die allen den stempel dragen van een sympathieke nuance: zij hebben allen het karakter van neerslachtigheid en concentratie. De een heeft de armen gekruist over zijn ingevallen borst, de neergeslagen oogleden duiden de richting van zijn blik naar den grond aan, zijn bovenlip rust door hare verslapping op de onderlip, die als een boog is opgetrokken, wiens punten benedenwaarts gekeerd zijn. Een tweede ondersteunt zijn peinzend hoofd door middel van een arm, dien de andere arm vasthoudt. Een derde staat rechtop, zijn oog is strak, zijn armen liggen vast tegen het voorste gedeelte van den romp aan, zij vereenigen zich, evenals de beenen van een scherpen hoek, bij den hoed, die vast in zijn vingers geklemd is, uit vrees, dat hij ontsnapt. zijn van elkander staande beenen dragen met een gelijke halve spanning het bovenlijf, op de onbeweeglijke heupen gebogen. Hij, die naast dezen persoon staat, wrijft met de hand over zijn gebogen voorhoofd, dat met schaduwen overdekt is ten gevolge van de rimpels, die er diepe voren in maken, even alsof hij, door zich te verzetten tegen hun bijeenkomen.

ocr page 140

132

de pijnlijke denkbeelden konde verjagen, waarvan zij het veelvoudig gevolg zijn. Verderop zit een grijsaard, de beenen loodrecht evenwijdig, de vuisten gesloten, de duim binnenwaarts en symmetrisch geplaatst op elke correspondeerende knie; hij gelijkt op die onvergankelijke figuren, die Egypte geplaatst heeft bij de grafpyramide van zijn Pharao's. Geen groepen in dit gezelschap, het gevoel, dat de ziel beheerscht van elk der acteurs in dit stomme drama, isoleert hen, gelijk het ongeluk afzondert van het gemeenschappelijke leven. Alles, wat niet in harmonie is met dezen toestand, schijnt een tegenstrijdigheid. Welk een gewaarwording doet het gezicht van dat kind ontstaan, dat in zijn blijde zorgeloosheid, en niets begrijpende van hetgeen er buitengewoons voorvalt, aan een ieder de reden van zijn verdriet vraagt, hem liefkoost en uitnoodigt deel te nemen aan zijn spelen! Het beweegt zich tusschen deze ernstige menschen, gelijk een glimlach over de trekken van een stervende glijdt, het boezemt een passief medelijden in, dat wee doet, want de droefheid, aller harten sluitende, laat er geen plaats in voor zachte en bevallige emoties; zij kunnen zich niet voegen naar den toestand der neerslachtige ziel.

De neerslachtigheid, die een eigenaardigheid is van de zedelijke smart, verzwakt noodzakelijk de ziel naarmate zij het lichaam uitput; en wij hebben aangetoond dat de ziel, in den toestand van zwakheid slechts droevige hartstochten ondervindt; daar nu echter de hartstochten allen de elementen zoeken, geschikt om

ocr page 141

133

ze te onderhouden en te vermeerderen, zoo geeft men de voorkeur aan de afzondering en aan de sombere plaatsen, aangezien het licht de vroolijke en excentrische gewaarwordingen opwekt; de donkerste kleuren worden in deze omstandigheden gebezigd om zich te kleeden, het zwart is algemeen gekozen voor rouw-kleeren, het wit was meer eigen aan de volken, die in den dood een overgang tot een gelukkiger leven zagen, het was voor den overledene en niet voor hen-zelven, dat zij kleeren aantrokken, waarvan de glans iets feestelijks had.

De treurigheid is voor de zedelijke smart, wat het lijden voor de physieke smart is. Deze staat van zwakheid der ziel maakt haar ongeschikt tot een onafgebroken werking en houdt haar voortdurend in een concentrischen en negatieven toestand, vandaar de moedeloosheid van personen, op wie langdurige rampen gedrukt hebben. De treurigheid, ten laatste een gewone toestand wordende, staat onder den kommer, en is sterker dan de melancholie. De droefheid verlustigt zich gaarne in alles, wat dienen kan om haar te vergrooten, want de natuur heeft het geneesmiddel zelf gelegen in de overmaat van de rampen, opgelegd aan het menschelijk geslacht. De treurigheid geeft de voorkeur aan de afzondering, aan de sombere plaatsen wier treurige bestemming meer geschikt is, om haar beweging te begunstigen, de werkeloosheid der ziel openbaart zich bij dezen hartstocht in de matheid van den verstompten blik, in de zwaarte van het ooglid, in de traagheid der lichaamsbewegingen, in

ocr page 142

134

de zwakte van de stem, die zeldzaam en kort wordt, wanneer zij er ten minste geen behagen in schept om de geleden rampen te vertellen, want alsdan ondervindt men een soort van verkwikkend genot, om zijn hart uit te storten aan een medelijdenden boezem, het sleept ons onweerstaanbaar mede, om met een ijverige gemaaktheid over onze ongelukken te spreken; deze uitstorting verlicht, en, gelijk wij reeds gezegd hebben, alles, wat de herinnering aan onze rampen kan herlevendigen, is een geliefkoosd thema, waarop men nimmer moede wordt terug te komen; ook verzuimen wij geen enkele gelegenheid om vergelijkingen te maken tusschen hetgeen wij zien of hooren en het herkauwde onderwerp van onze eeuwigdurende weeklachten.

Het verdriet is een meer terugwerkende toestand van de door smart bewogen ziel; het openbaart zich door tranen, door snikken, door de uitbarsting der stem en eene bijzondere bezieling van het gelaat, het is een poging van de reageerende ziel.

De melancholie spruit voort uit een zekere achtelooze neiging van de ziel, die het bespiegelende leven verkiest boven de werkelijkheid der beweging, noodig gemaakt door de eischen van onze physieke organen. Deze neiging-is vooral eigen aan den leeftijd der droomerijen, waarin de jeugd, zwak en bedeesd, zoo gaarne overdenkt. De melancholie is een onbestemd gevoel, zonder doel en zonder bepaalde middelen; zij heeft niet de machte-looze armen der treurigheid, zij zijn bij haar gewoonlijk over de borst gekruist; het oog is geopend, maar

ocr page 143

135

strak, zonder blik, en badende in de vochtige wolk, die het omsluiert; het hoofd verkeert in dien staat van loomheid, die doet twijfelen of men waakt of slaapt, de voeten zijn tot elkander gebracht en deelen in die zwijgende rust, welke den persoon omgeeft, die zich aan stille overpeinzing overgeeit; de melancholieke ziel schijnt haar stoffelijk omhulsel verlaten te hebben, om zich buiten de aardsche wereld te begeven en zich te vermeiden in de gedachte aan het oneindige.

De kommer is minder diep dan de treurigheid, het is meer voorbijgaand en werkzamer, de kommer openbaart zich veel meer in het humeur van den persoon dan in zijne gebaren, waarin men echter de geconcentreerde bitterheid van het karakter terugvindt, dat zich tot in zijn minste bijzonderheden laat zien. Het verdriet werkt hoofdzakelijk naar de wenkbrauwen, het rimpelt het voorhoofd en groeft het, gelijk de knagende worm heimelijk het hout ondermijnt, waar hij zich nestelt; het verdriet doet onder zijn gewicht de wenkbrauwspier buigen, die zich samentrekt.

De spijt is een soort van pijnlijke niet bedwongen opwekking, en die blijft voortduren, door onophoudelijk te herinneren aan een goed, waarvan men geen profijt heeft weten te trekken en 't welk ons ontgaan is, zonder waarschijnlijke hoop om het immer terug te krijgen.

Het is een terugkeer tot het verleden, vertolkt door een ontkennend schudden van het hoofd, door den blik, die op een ver verschiet gericht schijnt, door het krachtig gebaar, verricht door het opheffen' van de

ocr page 144

136

vuisten otn ze weer te laten zakken en andermaal omhoog te brengen, evenals wilde men een vermoeiend denkbeeld afweren. De spijt drukt zich ook nog uit door de beweging der saamgevoegde handen, die men schudt, evenals drukte men een voorwerp, om het tegen te houden, daardoor aantoonende hoezeer men er aan gehecht is; en dit schijnt bevestigd te worden door het omhoogbrengen der schouders en het achterover werpen van het hoofd, dat naar den hemel blikt, terwijl de lippen gebeten worden door de tanden, evenals wilde men zich zeiven daarvoor straffen, dat men een zich makkelijk toe te eigenen en langen tijd te behouden goed niet heeft weten te waardeeren.

Het heimwee, dit voortdurend kwijnend verlangen naar het afwezige vaderland, is een zedelijke smart, die alleen de terugkeer naar het geboorteland genezen kan. Er is in de verbanning geen Lethe, waaruit men de vergetelheid van het leed kan putten. 1) De heimweelijder glimlacht niet bij de herinnering aan een bijzonderheid uit zijn vroegeren toestand. Het gezicht van een boom, gegroeid bij zijn bakermat, het accent der stem van zijn landgenooten, een nationaal lied, dit alles doet tranen naar zijn oogleden vloeien en bitterheid in zijn hart.

1) De Lethe is in de Grieksche fabelleer de stroom der vergetelheid, in de onderwereld vloeiende. Daaruit dronken de schimmen der afgestorvenen, voordat zij zich naar de Elyzaesche velden begaven, om elke herinnering aan doorgestaan leed te vernietigen. Verï.

ocr page 145

137

Toen de wet op de recruteering eertijds een menigte jonge lieden in onze legers bracht, die aan de gewoonte van het gezin ontrukt waren, zag men de militaire hospitalen zich overvullen met lotelingen, aangetast door een voortdurende kwijning, zonder lichamelijke localisatie van de kwaal, met een trapsgewijze verzwakking en een diepen afkeer van alles, die zelfs tot een minachting van het leven ging. Dit was niet het engel-sche spleen, neen, het was een bepaalde pathologische toestand: de behoefte om de lucht van het geboorteland in te ademen.

Om deze epidemie te bestrijden, verbood men opzettelijk de verhalen en de lectuur, geschikt om een noodlottige herinnering te onderhouden of op te wekken. In de regimenten, waarbij de Zwitsers waren ingelijfd, werd niet meer toegestaan om de Renz des Vaches 1) te spelen, zoo dierbaar aan de kinderen van Helvetie, omdat deze accoorden hen tot zelfmoord aandreven.

De bij alle volken meest algemeene uiterlijke teekenen waren, om zich de baren uit te rukken, zich de borst open te rijten of zich zeiven eenige wonden toe te brengen. Men begrijpt licht de bijna algemeenheid van deze gewoonte, wijl er iets natuurlijks en tegelijkertijd iets rationeels is in deze wijze van handelen; deze handelingen waren even zoovele afleidende middelen, gebezigd het leed naar buiten te roepen, dat inwen-

1) Een bij de Zwitsers geliefd lied, dat de koeherders op den doedelzak spelen. Vert.

ocr page 146

138

dig het individu verstikte; het was een werkzame en lichamelijke aanprikkeling, teweeggebracht om de zedelijke prikkeling te heheerschen en haar af te wenden. Zijn kleeren te verscheuren was een algemeen gebruik. Vooral de Romeinen zamelden in kleine fleschjes of vaasjes de tranen op, geplengd als een onwraakbare getuigenis van leedwezen, die zij eerbiedig naast den doode plaatsten. De Israëlieten sloegen zich de borst, legden de handen op het hoofd en ontdekten het, om er asch of stof op te werpen, in plaats van de essences, waarmede zij zich anders bij hunne feesten parfumeerden. Zoolang de rouw duurde, waschten zij zich niet, zij droegen vuile en verscheurde kleeren, of soorten van zakken of bekleedingstukken zonder mouwen en plooien, zij gingen barrevoets, het gelaat lieten zij ongedekt; eenigen echter, om de smart in zich nog meer te concentreeren en zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, hulden zich in hunne mantels. Zij gingen alsdan niet uit, maar hielden zich in hunne woningen opgesloten, op den grond gezeten of op de assche uitgestrekt.

ocr page 147

DE VREUGDE.

De vreugde is de gemoedsbeweging, welke de ziel opent, die in het bezit van een goed is of die er reeds bij voorbaat van geniet, in de vaste overtuiging, dat niets bet haar zal kunnen ontnemen. Zij bedwelmt zich aan de genoegens, door de begeerte aangegeven en die de liefde veroverd heeft. Deze uitzetbaarheid van de vreugde openbaart zich op een verrassende wijze, wanneer een begeerd goed, eensklaps verkregen, haar in ons komt teweegbrengen; het is onmogelijk om haar lang in te houden; de overloopende ziel laat haar door al hare kanalen ontsnappen, wij moeten haar in den boezem onzer vrienden stelpen, en deze moeten haar opnemen om ons haar grooter terug te» zenden door er hunne vreugde bij te voegen. Indien zij onze vervoering niet levendig genoeg gevoelen, dan gebruiken wij de meest geschikte middelen om hen te bewegen of hen van ons geluk te overtuigen, wij drukken hen de hand, wij schudden die met kracht, wij klemmen hen in onze armen, wij drukken hen met vuur aan onzen gezwollen boezem, als wilden wij hen vervullen met deze heerlijke gewaarwording, die wij in al hare volheid ondervinden; wij overstelpen hen met vragen, die wij zeiven be-

ocr page 148

140

antwoorden, wij gesticuleeren met geestdrift, om hen uit hun koelheid en hun onverschilligheid te doen treden.

De vreugde is de meest excentrische hartstocht, de hartstocht, die zich het liefst laat mededeelen. Zij kondigt zich aan door een zacht vuur, dat geheel ons wezen doortintelt, de levenssappen uitzet en ons met zich medesleept; het vochtige oog schittert, de wangen worden met een blos overtogen, het voorhoofd heldert op, de spieren rekken zich uit, het gelaat straalt, de glimlach brengt de lippen in beweging, die een zwakke bloedstroom in een levendig hoogrood doet schitteren, de ademhaling heeft gemakkelijker plaats, de neusgaten verwijden zich, de stem wordt levendiger, het hart loopt over, naarmate het zich vult, de omringende voorwerpen schijnen, vroolijker en schooner, zich in harmonie te willen stellen met onze ziel.

De excentriciteit van de vreugde is buitengewoon; wanneer zij in haar kracht is, dan is geen enkele menschelijke overweging machtig genoeg om haar te temperen; men kan niet blijven, waar men is, men gaat, men komt, men draait, men wendt, zonder te weten, wat men doet, men wrijft zich de handen, het hoofd raakt verhit, men schatert het uit, men zingt, men springt, men maakt de meest buitensporige gebaren, het geheele organisme is in een onwillekeurige en onweerstaanbare beroering.

Ik was er op zekeren dag eens bij, dat men een jongen man een fortuinswisseling kwam aankondigen, waarop hij in de verste verte niet had gerekend en die hem uit een staat van gebrek eensklaps in een

ocr page 149

141

allervoordeeligste positie overbracht. In den aanvang bedremmeld door deze ongelooflijke tijding, liet hij zich haar tot in de minste bijzonderheden herhalen, even alsof hij niets hoegenaamd had begrepen van 't geen hem was gezegd geworden, doch toen hij niet langer aan de werkelijkheid kon twijfelen, vloog hij, dronken van vreugde, van het taboeretje op, waarop hij zat, en wierp het met een schop omver, om zich in de armen te werpen van den onbekende, die hem zoo gelukkig maakte; hij verstikte hem bijna onder zijne vurige liefkoozingen, ondervroeg hem nogmaals en antwoordde zelf op zijn eigen vraag; eindelijk beloofde hij een belooning, evenredig aan den bewezen dienst.

Na deze ontboezeming begon hij de dolste bokke-sprongen uit te voeren, even alsof hij alleen ware geweest, vervolgens, eensklaps stil blijvende staan om een verachtelijken blik te werpen op de waarde-looze voorwerpen, die hij tot dusver zorgvuldig bewaard had, begon hij ze ten onderste boven te gooien, rechts en links te smijten of wel tegen den grond te werpen, om ze in duizend stukken te doen vliegen, hij was zichzelven niet meer meester; ik dacht werkelijk dat hij zichzelven zoude gaan vernietigen, na alle materialen uitgeput te hebben, die onder zijn bereik waren.

Le Poussin, de zoo oordeelkundige waarnemer, heeft het excentrische karakter van de vreugde op een dichterlijke en vernuftige wijze weergegeven in zijn allegorie van het Beeld van het leven, een bekoorlijk

ocr page 150

142

doek, waarop hij de vluchtige uren heeft afgebeeld, dansende op de tonen der luit, die de tijd doet spreken. Deze lichte en slanke figuren houden elkander allen bij de hand, maar rug aan rug, en niet van aangezicht tot aangezicht, gelijk in de gewone rondedansen, om door de richting beter te doen uitkomen, dat zij in deze houding zich hebben te excentreeren, het zedelijk kenmerk dat haar onderscheidt.

De vreugde biedt twee zeer merkwaardige wijzigingen aan, de vergenoegdheid en de vroolijkheid.

De vergenoegdheid is een zuivere gewaarwording, zij openbaart zich door opgeruimdheid, zij spruit voort uit de geruste en zich verheugende ziel. De vroolijkheid, los en dartel, houdt het meer met het verstand, het is de beschaafde vreugde. De vergenoegdheid geniet meer, zij is persoonlijk, de vroolijkheid verblijdt en vervoert, zij deelt zich gemakkelijker mede, maar minder dan de vreugde, die bedwelmt en den mensch buiten zich zeiven brengt; de gebaren der vergenoegdheid zijn zacht en gemakkelijk, zij zijn levendig en vurig in de vroolijkheid, buitensporig in de uitgelatenheid. Er is meer aandoening in de vergenoegdheid, en drift in de vroolijkheid.

Alles wat de ziel aantrekt en den geest aangenaam bezighoudt, dient om de vroolijkheid te ontwikkelen en te onderhouden; een vroolijk gezang, de glinstering der decors, een heerlijke maaltijd, fijne en lichte wijnen zijn de middelen, die de beschaving gebruikt, om een gezelschap op te vroolijken, dat vaak behoefte heeft aan emoties, ten einde te gevoelen, dat het bestaat.

ocr page 151

143

De vergenoegdheid is gezeten aan de tafel van den wijze, zij zit ook voor bij den slaap van den gelukkigen mensch, die insluimert ver van de zorgen van den volgenden dag. Zij heldert de trekken op van een moeder bij het zien van het geliefde kind, dat hare zorgen beantwoordt, zij ligt verspreid op het kalme en heldere voorhoofd van den grijsaard, wiens ziel zich wiegt in de herinnering aan het goede, dat hij verricht heeft, het is een weerschijn van het geluk, dat hij om zich heen heeft weten te verspreiden.

Het meest karakteristieke kenteeken van de vreugde is de lach; de glimlach behoort meer tot de vergenoegdheid en de vroolijkheid; hij ontstaat uit de eenvoudige uitzetting van de spieren van het gelaat, de lach ontstaat uit hare extensie, hun wijze van werken is dezelfde, alleen met verschillende trappen.

De vreugde is van alle hartstochten de meest openhartige en de meest moeielijke om te verbergen of te veinzen, het is zeer gemakkelijk om te bemerken, of zij oprecht is, alleen door het beschouwen van de spieren (van het gelaat; zij moeten een harmonisch geheel aanbieden, dat men niet aantreft, wanneer men gedwongen lacht; alsdan komt de vreugde niet van het inwendige naar buiten.

De sardonische lach is een mengsel van minachting voor anderen en vertrouwen in zich zeiven; hij doet gelooven, dat men verre verheven is boven dengeen, die hem opwekt; het is gewoonlijk de gedachte aan een belachelijk mensch, die hem te voorschijn roept. Dit uiterlijk kenteeken is fijner en doordringender, maar

ocr page 152

144

deelt zich minder mede aan den lach der vreugde.

De dieren gevoelen en drukken de blijdschap op een zeer duidelijk merkbare wijze uit, zij zijn niet begaafd met het vermogen om te lachen, een opmerkelijk verschil, dat aan hun organisatie zijn oorsprong te danken heeft; zij hebben echter in dezen toestand een bijzonder voorkomen, het komt niet zoo sterk uit als in het geknor van den toorn, maar het oog is bij hen een spiegel, waarin zich getrouw hunne gewaarwordingen weerkaatsen; overigens zijn hunne uiterlijke kenteekenen geheel gelijk aan die van den mensch. De hond springt vroolijk op zijn lenige pooten op; zijn oog fonkelt, zijn tong hangt hem uit den bek, hij beweegt haar als proefde hij een heerlijk gerecht, zijn neusgaten openen zich als voor prikkelende uitvloeiingen, zijn ooren staan loodrecht op zijn beweeglijken kop, hij kwispelt met den staart, hij keft met kracht, hij rent, gaat, komt, keert terug, om hard weg te loopen en wederom terug te keeren, zijn lief-koozingen, alhoewel onstuimiger dan gewoonlijk, zijn niet voldoende voor de levendigheid van zijn vervoering; hij beknabbelt de voorwerpen, die zijn tand ontmoet. Het is nuttelooze moeite om te trachten zijn aanvallen te matigen, al spelende, hecht hij zich vast aan den arm, die zich beweegt, om hem tot kalmte te brengen, en ziet in deze vijandige demonstratie een nieuw voedsel voor het blijde gevoel, dat hem beheerscht.

Personen met een, tot beroerte overhellend temperament, zijn het meest geschikt voor vroolijke en expan-

ocr page 153

145

sieve hartstochten; er is maar weinig toe noodig om hen aan den gang te krijgen, het is daarentegen zeer moeielijk ze te ontwikkelen in concentrisch galachtige gestellen. De kunstenaar moet dan ook, wil hij de vreugde voorstellen, zorg dragen een model te kiezen van een natuur, waaraan deze hartstocht is aangeboren; doet hij dit niet, dan doet zich de moeielijkheid voor, zelfs al copieert hij met de grootste getrouwheid, om op een onvoldoende wijze de een of andere gemoedsbeweging weer te geven, indien de persoon, die men onder de oogen heeft, er niet toe geschikt is door zijn bijzondere constitutie. De Ouden hechtten een buitengewoon gewicht aan deze keuze, wanneer dan ook aaneen beeldhouwer door de een af andere stad de vervaardiging was opgedragen van een standbeeld voor hare verfraaiing, dan haastten de inwoners zich om hunne schoonste sujetten ter zijner beschikking te stellen.

Silenus, de oude metgezel van Bacchus, heeft een sanguinisch temperament; zijn gestalte is kort en gezet, zijne ledematen zijn vet en vleezig, zijn gelaat straalt van vreugde en gezondheid, zijn buik is een levende zak, die door het onmatige gebruik van drank aanzienlijk is uitgezet, hij steekt op een verwonderlijke wijze vooruit, vooral als men hem vergelijkt bij dien der athleten, bij wie de ontwikkeling van de borst veel sterker is dan die der ingewanden.

Niets is dan ook inderdaad meer geschikt om tot vreugde op te wekken dan de wijn, waarvan deze personages een bovenmatig gebruik maakten; de vreugde, door de dronkenschap teweeggebracht, is echter niet

10

ocr page 154

446

zóó zuiver en zóó meesleepend als die, ontstaande zonder behulp van kunstmiddelen; dit is duidelijk te zien in de wijze harer uitingen. Het meest eigenaardige kenteeken van dezen abnorraalen toestand is de tijdelijke verlamming der spieren in het algemeen, veroorzaakt door de volheid; zij brengt een halve buiging der beenen en van het bovenlijf te weeg, omdat aangezien de spierwerking bijna nul is, debuigspieren, in veel grooter aantal en veel sterker, die der strekspieren, welke haar kracht verloren hebben, neutraliseeren. Vandaar die achtelooze heen en weer slingering der armen en deze waggelende beweging van het hoofd, dat voorovergebogen, het zwaartepunt van het lichaam in deze richting drijft en beschonken menschen doet loopen, als werden zij achtervolgd.

Het voorhoofd rimpelt zich door de samentrekking van de voorhoofdspier, die een poging doet, om evenwicht te maken met het gewicht van de wenkbrauwspier en de bovenste vezels van de oogkringspier; door haar eigen zwaarte dalen zij op de oogleden neer en zouden ze onfeilbaar sluiten zonder dezen onafgebroken strijd, dien ze onderling voeren.

Wanneer de dronkenschap haar toppunt heeft bereikt, dan trekken de benedenste spieren van het gelaat geheel en al hare tegenwerkende spieren mede, de benedenwaarts getrokken mondhoeken doen de benedenlip voor de bovenlip uittreden; weldra sluiten de oogleden zich geheel en al, de onverzadigde dronkaard struikelt, valt, strekt zich languit op den grond uit en valt in slaap. Het antieke bas-relief van Silenus

ocr page 155

147

geeft op een volmaakte wijze dezen wankelenden gang-van den beschonken mensch weer; deze half-god wordt voorgesteld, ondersteund door twee volgelingen, hij laat de zware massa van zijn, met wijn doortrokken lichaam geheel aan zijn dienstvaardige geleiders over.

De wellust is niets anders, dan het genoegen door het verstand gesmaakt en vermeerderd met alles, wat de verbeelding er verleidelijks aan kan toevoegen: er is dan ook in de uitdrukking van deze door de ziel gesmaakte gemoedsbeweging minder levendigheid, dartelheid en werkzaamheid dan bij het genoegen; de gebaren bij den wellust zijn leniger, zachter, in den wellust straalt de ziel niet zoo uit als in het genoegen, waar zij vol ongeduld schijnt, om zich naar buiten te doen kennen, 'tzij door brandende en bezielde blikken, 't zij door duidelijke en snelle lichaamsbewegingen ; hij schijnt zich op zichzelven te verlustigen en zich met welbehagen te dompelen in een afgrond van genietingen, die hij alleen begrijpt en waardeert.

De vreugde is van al onze hartstochten die, welke het meest gedeeld wil wezen. Zij is altijd levendiger, wanneer een groot aantal personen haar te gelijker tijd ondervinden. In de dagen van volksvreugde, vertoont zij zich in al haar glans; daar is alles gemeen, zij stelt meester en slaaf gelijk, het is de meest ongeveinsde uitdrukking der vrijheid.

ocr page 156

DE VREES.

De vrees verschilt in zoover van den angst, dat het een meer bepaalde gewaarwording is. De angst waarschuwt ons, de vrees is de gemoedsbeweging der ziel, die het kwaad ontvlucht en er zich van verwijdert, tegen 't welk zij zich op het oogenblik zonder tegenwerkende kracht bevindt. De angst houdt ons in een voortdurend wantrouwen tegen het vermoedelijke kwaad, hij voorziet het, hij gaat het tegemoet, hij tracht het te begroeten, hij is bijgevolg besluiteloos. Wanneer de vrees een besluit genomen heeft, is er ook geen weifeling meer; de ware of valsche begrooting van het gevaar bepaalt de afzondering of de tegenwerking. De angst behoort meer tot de van nature zwakke en achterdochtige wezens, zooals de vrouwen, de kinderen en de grijsaards. De vrees is meer eigen aan den man, die langzamer is in het nemen van besluiten; zij spruit voort uit de meening, die wij hebben van de uitgestrektheid van het gevaar; hare hoegrootheid is altijd evenredig aan het denkbeeld, dat wij er ons van vormen. Het eigenaardige van de vrees is om neerslachtig te maken en te ontmoedigen, quot;quot;t geen haar ook nog van den angst onderscheidt, waarbij de prikkeling constanter is.

ocr page 157

149

Zoodra wij het kwaad boven onze weerstandsvermogens oordeelen, gevoelen wij de behoefte om er ons van af te zonderen; alles trekt zich naar het centrum terug, het bloed verlaat de huid, om zich naar het hart te wenden, welks bewegingen het belemmert ; het gelaat is bleek en verwrongen, de spieren van het benedengedeelte van het aangezicht ontspannen zich en doen de kaak naar omlaag gaan; de mond blijft geopend zonder samentrekking, de lippen zijn loodkleurig, de neusgaten zijn zonder werking, het oog is dof, verwilderd, vergroot door de opening der oogleden, die zich terugtrekken en het naar voren drijven; de wenkbrauwspieren worden niet meer bewogen gelijk bij den angst, een hartstocht, bij de uitdrukking waarvan zij ongerustheid te kennen geven.

In dit eerste oogenblik der gewaarwording beweegt de romp zich ongedwongen; de spieren verliezen haar kracht en elasticiteit, 't geen de extremiteiten doet beven en buigen, die het gewicht van het lichaam dragen; de armen naderen de mediaanlijn, de ademhaling is, niet meer vrij, de stem besterft op de lippen, men is terneergeslagen, er is een algemeene samentrekking.

De gevolgen van de vrees zijn altijd noodlottig bij degenen, die een groote vatbaarheid voor indrukken bezitten. Ik ken een jongmensch, wiens bestaan tot dusver een langdurige ziekte is geweest ten gevolge van een zeer sterken schok, in zijn jeugd ontvangen. Ziehier onder welke omstandigheden: Hij was zijn vacantie gaan doorbrengen op een oud kasteel, dat

ocr page 158

150

toebehoorde aan den vader van een zijner schoolkameraden; deze rijke landeigenaar bezat in een heelkundige verzameling verscheiden skeletten, die zeer uitmuntten door de fijnheid en de juistheid van het mechanisme, 't welk veroorloofde er alle deelen van te laten werken met evenveel gemak als op den levenden mensch zeiven. De kinderen des huizes besloten om eens een grap te hebben met de vrees van den nieuw-aangekomene, door hem plotseling die geraamten te laten zien. Te dien einde lokte men den kleinen vreemdeling in de zaal, waar deze afzichtelijke gestalten stonden, achter een gordijn verborgen; bij zijn binnenkomen werd het gordijn opgelicht; een der skeletten^ er van onder te voorschijn komende, naderde met uitgestrekte armen, op dezelfde wijze als men den Dood heeft voorgesteld, gereed om zijn prooi te grijpen. Bij deze onverwachte verschijning stond de knaap aïs versteend, hij waande zich verloren. Zijn knieën knikten, hij bezat zelfs de kracht niet om te roepen, en toen zijn boosaardige vrienden in massa de kamer binnenstormden om hem uit te lachen over zijne bloohartigheid, vonden zij hem buiten kennis met het aangezicht tegen den grond liggen. Men had heel wat moeite om hem weer bij te brengen. Den volgenden morgen waren zijne haren echter spierwit, en sedert dien tijd heeft hij nimmer het volle gebruik van zijne zedelijke en lichamelijke vermogens terugverkregen.

Deze concentrische staat van de vrees wordt vaak zóó hevig, dat hij onmiddellijk een doodelijke crisis te weeg kan brengen.

ocr page 159

151

De verbeelding speelt een groote rol bij de vrees; soms toont zij de werkelijkheid van een aanwezig kwaad aan, verkieselijk boven een mogelijkheid, slechts in zijn droomen bestaande, en overtuigt hem zóó zeer, dat vele menschen het oogenblik van een ramp verhaasten: de zedelijke smart, veroorzaakt door het denkbeeld van een komend verdriet, is levendiger dan de bestaande physieke gewaarwording; de een heeft geen andere grenzen, dan die, waar de gedachte ophoudt; de ander gaat niet buiten de grenzen van onze stoffelijke organisatie.

De schrik is sterker dan de vrees en onderscheidt zich van deze, dat men het voorwerp van zijn schrik steeds onder de oogen heeft. De vrees kan ons aangrijpen voor de nadering van het gevaar en ons achtervolgen, nog lang nadat het reeds voorbij is; de schrik duurt niet langer dan de aanwezigheid van het kwaad, dat hem heeft doen ontstaan. De schrik werkt meer op de organen, zijn werking is meer rechtstreeks physiek; het zien van een doodend werktuig op ;0nze borst gericht, van een monster, van een afzichtelijke figuur, van een ijzingwekkenden afgrond of van het onweer, veroorzaakt schrik. In deze beweging wendt het hoofd zich af, maar het oog volgt het onderwerp van den hartstocht, het lichaam werpt zich achterover of wordt onbeweeglijk, het bloed stremt, de adem kan zich geen doortocht banen, de handen worden meestal vooruitgestoken, als wilden zij datgeen, wat een indruk op ons maakt, beletten om tot ons te komen, men wil vluchten en de ledema-

ocr page 160

152

ten verzetten zich tegen deze begeerte van den wil.

De nachtmerrie, dat wil. zeggen, die soort van pijnlijken droom, waarin men zich door een groot gevaar bedreigd waant, 'dat men vermijden wil en dat men toch niet ontvluchten kan, roept dezen toestand in 't leven. Het schijnt ons soms toe alsof we het koude staal van den dolk al voelden, wiens punt reeds op ons lichaam rust, wij willen om hulp roepen, onze tong kan geen geluid meer uitbrengen, de mond blijft wijd geopend, de blik strak, wij zijn als 't ware in een toestand van moreelen en physieken dood gebracht, wij missen de vrijheid onzer bewegingen, niets kan ons redden van het rampzalig lot, dat ons wacht. Eindelijk doet onze uiterste agitatie ons uit dezen afgrijselijken slaap ontwaken, zij geeft ons terug aan het geluk van te leven en van er ons van te vergewissen, dat deze phantasmagoric slechts een spel is van onze verbeelding.

De ontsteltenis is ons meer persoonlijk eigen, zij spruit voort uit een plotseling, een onvoorzien gevaar, welks omvang wij niet kennen; zij brengt ons meer in beweging dan de vrees en de schrik, maar zij is ook meer voorbijgaand. Deze aandoening der ziel is steeds onverwachts, zij wordt veroorzaakt door verrassing; het lichamelijk gebaar, dat haar teweegbrengt, biedt in de hoogste mate dit kenmerkend karakter aan.

Zoodra de ontsteltenis zich doet gevoelen, heeft er onmiddellijk samentrekking van het middelrif en van de borstspieren plaats. Wij stooten een korten en

ocr page 161

453

schellen kreet uit, onze handen naderen den romp, waarbij echter de vlakte van de palm naar buiten gericht is, als wilde men met kracht datgeen afwijzen, wat indruk op ons maakte; in den angst zijn zij eerder gesloten dan geopend. Dit gebaar verschilt ook van de ten naasten bij gelijke beweging van den schrib waarbij als 't ware slechts een verdedigingsmiddel in gereedheid wordt gebracht.

In de ontsteltenis wordt de zwaarte van het lichaam schielijk overgebracht naar den kant, tegenovergesteld aan het voorwerp; indien zich dit op verren afstand van onze oogen bevindt, 't geen meestal het geval zal zijn, keert het hoofd zich behoedzaam om, en onze oogen wenden er zich met ongerustheid heen. De schrik dringt ons voornamelijk door het oog binnen, terwijl de ontsteltenis meestentijds door het oor op onze ziel werkt. In de eerste dezer bewegingen, beiden spontaan, wordt het voorwerp bijna altijd geschat, in de tweede hebben wij zelfs den tijd niet om het te herkennen; de knal van een vuurwapen, de val van/ een weerklinkend voorwerp, een slag, ontvangen voordat men bemerkt van waar hij komt, een onverwachte schok, verwekken bij ons ontsteltenis. Het gezicht van een verminkt lijk of van elk ander afzichtelijk lichaam zal schrik bij ons teweegbrengen. Wanneer kreten, het gehuil van wilde beesten ons schrik aanjagen, dan komt dit wijl onze verbeelding zich voorstelt ze te zien. De eerste gewaarwording, door het zintuig van het gehoor aangebracht, is aanvankelijk ontsteltenis geweest.

ocr page 162

154

De ontzetting verlamt nog meer dan de vorige wijzigingen van de vrees, zij doet meer dan verslagen maken, zij verstijft. Hare vreeselijke uitwerking op het hart van den mensch heeft die fabel doen bedenken van het hoofd van Medusa, dat degenen in steen veranderde, die het durfden aanzien. 1)

Het eigenaardig kenmerk van de ontzetting is de stijfheid der spieren, voortvloeiende uit de kracht van de algemeene samendrukking. De ontzetting komt meer van 't geen men zich verbeeldt, dan van 't geen

1) Medusa of Grorgo is bij Homerus een spookachtig, schrikaanjagend monster, dat de onderwereld bewoonde en zich onderscheidde door een allervreeselijkst aangezicht. Terwijl bij Homerus en ook bij Euripides van één Gorgo gesproken wordt, vermeldt Hesiodus 3 Gorgonen, namelijk Stheino, Euryale en Medusa, dochters van Phorcys en Ceto en om die reden ook wel de Phorciden genaamd, die ergens in den quot;Westelijken Oceaan woonden. Volgens latere schrijvers, waaronder ook Herodotus, hielden zij haar verblijf in Libye. Zij werden voorgesteld als omkranst met sissende slangen. Aeschylus beschrijft ze als gevleugelde maagden met koperen klauwen en ontzettend groote tanden, twee slangen in plaats van een gordel om het lijf dragende. Van deze drie was Medusa de vreeselijkste. Zij werd bij uitnemendheid Gorgo genaamd, en haar hoofd, slangen dragende in plaats van haar, en op het schild en den helm van Athene (Minerva) afgebeeld, was 'zóó ontzettend, dat de aanschouwers van ontzetting versteend werden. Volgens de latere sage was Medusa zeer schoon en de eenige sterfelijke onder hare zusters, zoodat Perseus haar het hoofd kon afslaan. Daarbij ontstonden uit het bloed Chrysoor en Pegasus. O var de beteekenis van deze mythe zijn de gevoelens verschillend.

Vekt.

ocr page 163

155

werkelijk is; zij is grooter, wanneer de duisternis een uitgestrekt veld aan de verbeelding laat. Bij de ontzetting richt de palm der hand zich naar het gevaar, maar de arm is stijf en gespannen, de vingers staan uiteen, de voeten zijn niet meer zooals bij de ontsteltenis zoodanig geplaatst, dat zij onze vlucht begunstigen, zij zijn alsdan als aan den grond genageld en dragen insgelijks het onbeweeglijke lichaam. De samentrekking van de huid heeft alsdan de rilling ten gevolge, die de haren ten berge doet rijzen, dit komt door hunne schuine inplanting, die vertikaler wordt bij deze contractiele beweging, het oog is dof, als ware het verstijfd, de blik is er uit verdwenen, de oogleden verwijden zich sterk, zonder echter den oogbol naar voren te dringen, gelijk bij de vrees, die tot vluchten uitnoodigt. De ontzetting misvormt de trekken, de mond wordt door angst vertrokken, gewoonlijk is de eene hoek meer naar boven getrokken dan de andere. liet oog aan dezen kant schijnt dan ook kleiner dan het andere, waarin de spierwerking in vergelijking bijna nul is. De Ouden hebben aldus Orestes voorgesteld, door de wraakgodinnen achtervolgd. De ontzetting was bij den razenden vorst, de vrucht zijner verbeelding, in de war gebracht door de herinnering aan zijn misdaad. Hij meende de uit-voersters van den God der Hel hem met verbittering te zien achtervolgen; onophoudelijk boden zij aan zijn verschrikte blikken het doode lichaam van Clytem-nestra, in wier borst nog de dolk stak, er door de hand eens moedermoorders ingestooten. De groote

ocr page 164

456

schilder Hennequin heeft dit oogenblik gekozen voor zijn beroemd doek «Orestes». 4)

Indien wij thans de uiteenzetting van deze verschillende gewaarwordingen resumeeren, kunnen wij zeggen: de vrees komt voort uit de schatting, die de angst ons heeft laten doen, de schrik uit 't geen wij zien, de ontsteltenis uit 't geen wij hooren, de ontzetting uit 't geen wij ons voorstellen. En eindelijk alleen hare wijze van werking beschouwende, kunnen wij er bijvoegen: Beangst doet de ziel opmerkzaam blijven, de vrees benauwt haar, de schrik houdt haar in onzekerheid, de ontsteltenis grijpt haar aan, de ontzetting brengt haar in verwarring.

1) Hennequin (Philippe Auguste) geb. te Lyon in 1762, overleden 12 Mei 1833, een uitstekend hiatoriescldlder.

Na de vervaardiging van zijn Orestes, vertrok hij naar Milaan en vervolgens naar Holland met het plan om naar Zweden te reizen. Bij zijn komst in den Haag haalde koning Lodewijk hem over om het paviljoen van Haarlem te versieren met fresco's, aan de geschiedenis van het Keizerrijk ontleend. Dit plan werd echter verijdeld door de inlijving van Nederland bij Frankrijk. Te Amsterdam schilderde hij nog het portret van maarschalk Dumonceau, de geboorte van den koning van Rome, enz. Vert.

ocr page 165

DE ONVERSAAGDHEID.

De onversaagdheid is de aandoening der ziel, die met zekerheid het aangename of nadeelige voorwerp tegemoetstreeft; deze impulsie is excentrisch, zij kan zich verbinden met al degenen van dezelfde soort, 't zij in het opsporen van het goede met de liefde om ons te vereenzelvigen met 't geen ons behaagt, 't zij met den toorn, die ons tegen het kwaad aandrijft, om ons te helpen het af te wijzen of te vernietigen. De onversaagdheid spruit voort uit ons vertrouwen in onze eigen middelen, zij versterkt en verheft de ziel; zij kan de uitdrukking zijn van een physieke of moreele behoefte; aldus ondersteunt zij de hartstochten, die ten doel hebben de bevrediging van een organische verrichting; zij schraagt den mensch in zijn betrekkelijk intellectueel leven, door hem geschikt te maken tot de grootste dingen om hem de achting van zijn medeburgers te doen verwerven, een goed, waarvan het bezit onmisbaar voor hem wordt, en waarvan de verovering een zedelijke noodzakelijkheid is in den maatschappelijken toestand, waarin hij leven moet. Wij zullen deze gemoedsbeweging in die verschillende be-teekenissen opvatten, door de duidelijke verschillen tusschen hare voornaamste vormen met hun eigen

ocr page 166

158

uiterlijk te karakteriseeren: de stoutmoedigheid, de moed, de onverschrokkenheid, de vermetelheid. Wij zullen de onversaagdheid niet beschouwen in de be-teekenis van driestheid, maar van haar edele zijde, dat wil zeggen, als een edelmoedigen steun ons door de Natuur toegezonden, om de hinderpalen te overwinnen bij het vervullen van hare wetten en onze wenschen.

De onversaagdheid groeit, evenals de toorn, in dezelfde mate aan als de weerstand, doch op eene zeer verschillende lichamelijke wijze; de toorn verandert, stoort of vernietigt het geheel der trekken, door de spierwerking te forceeren; de onversaagdheid ontwikkelt ze en vertoont ze ter nabootsing onder den gun-stigsten vorm, juist om de tegenovergestelde reden, namelijk doordien zij het spel der spieren gemakkelijker en breeder maakt; de toorn is meer eigen aan zwakken, hij overprikkelt hen, om bij de krachten, die hun ontbreken, iets te voegen, waardoor het evenwicht met de middelen van den tegenstander hersteld wordt; de onversaagdheid doet niets dan de krachten aan het licht brengen, de een is meer toepasselijk op het kwaad de ander op het goede.

De zekerheid maakt den grondslag uit van de onversaagdheid; zij openbaart zich in het woord, in het gebaar en in den gang van den mensch, dien zij veredelt: alles is mannelijk in dezen hartstocht, alles ademt in dengeen, die hem gevoelt, het bewustzijn van meerderheid, zijn houding is die van de macht, vertrouwende op zich zelve. Zijn lichaam rast gemakkelijk op zijne beenen; hij beweegt zich

ocr page 167

159

heen en weer met een majestueuze zekerheid, zijne borst zet zich uit, zijn schouders komen afwisselend naar voren, zij zijn voldoende om de lucht te verplaatsen zonder behulp van de armen, die naar het bovenlijf toegebracht en minder beweeglijk zijn dan inde gewone beweging; de schikking van zijne ledematen is het beeld van een standvastig karakter, dat zijne energie doet wassen door de vereeniging zijner vermogens; zij hebben minder ruwheid dan bij den toorn en laten de bovenste deelen domineeren. Zijn hand is niet gesloten maar op het punt van te handelen. Zijn voet laat zich luchtig van den grond los, waarop hij overigens een krachtig spoor drukt. Zijn hoofd fier door den hals gedragen, heft zich kalm en onbevreesd omhoog. Zijn blik is zeker, zonder eenige aarzeling ziet hij het gevaar onder de oogen. Hij brengt in verbazing, boeit, boezemt eerbied in en zweeft over de voorwerpen, die hem omringen als met den blik eens arends in de wolken; zijne wenkbrauwen gaan zonder eenige samentrekking omhoog op een voorhoofd zonder'rimpels, zijne neusgaten laten vrijelijk de lucht in en uit; zijne lippen zijn slechts licht gesloten door de verheffing van de onderlip, die de bovenlip een weinig terugduwt, ten gevolge van den steun, dien zij haar verleent. Het oog heeft niet de strakheid der verbazing, het is ternauwernood gewend, in zijn uitdrukking ligt een weinig minachting voor den tegenstander.

Alle bewegingen van een onversaagd man zijn rond evenals zijne woorden, hetzij dat hij spreekt tot iemand, wiens stand ver beneden zijn maatschappe-

ocr page 168

160

lijke positie staat, 't zij dat hij met een vijand te doen heeft. Indien hij ten strijde gaat, houdt hij het hoofd net gelijk dat van den ram, die zich ten stoot gereedmaakt, maar recht en opmerkzaam, zijn lichaam schijnt grooter te worden door de ontwikkeling, die hij er aan geeft; zijne schouders verdwijnen, terwijl zij zijn hooge borst ten toon spreiden, hij sluipt niet heimelijk voort gelijk de lafaard, hij schijnt veeleer het gevaar een breed oppervlak aan te bieden, helder schittert zijn oog, hij zoekt zonder overhaasting de plek, waar hij zal kunnen treffen; er komt leven, er komt een blos op zijn gelaat. Indien deze krijger een strijdros berijdt, zoekt hij een hecht steunpunt in zijn stijgbeugels, en buigt zich voorover, het gelaat stralend van hoop, even alsof deze beweging hem eerder met het gevaar, dat hij zoekt, en dat hij rond en openlijk bestrijden wil, handgemeen kon doen worden. Dit toch gaat hij steeds regelrecht te gemoet, en indien het betreft een einde te maken aan een gewaagde onderneming, dan is hij de eerste om naar de eer te dingen, er mede belast te worden.

De onversaagdheid staat steeds in verhouding tot de behoeften; zij vermeerdert met deze, en wel op een verrassende wijze, naarmate zij zich levendiger doen gevoelen. Alle excentrische hartstochten, die ondersteund moeten worden, willen zij krachtdadiger werken, leenen van haar datgeen, wat hun eigen middelen hun niet zouden kunnen verschaffen. De moederlijke toegenegenheid, zóó vreesachtig, zóó onderdanig, put er haar kracht en haar energie uit.

ocr page 169

161

Herinnert u maar eens die Florentijnsche moeder, die, zich verheffende boven hare vrouwelijke zwakheid, van eene woedende leeuwin het kind komt terugeischen, dat dit dier haar ontrooft heeft en het terugkrijgt alleen door hare ontzaginboezemde zekerheid. De liefde, in den beginne zoo bedeesd, is aan haar ook haar schoonste triomfen verschuldigd.

De stoutmoedigheid gaat verdei' dan de onversaagdheid ; zij is driftig en toont meer fierheid in hare ongeregelde bewegingen, zij stelt er zich niet mede tevreden om de krachten aan het licht te brengen, zij tart ze zelfs uit. De onversaagdheid beoordeelt het gevaar, de stoutmoedigheid braveert het. De lichamelijke gebaren van dezen laatsten hartstocht deelen met deze drift, zijn voornaamste kenmerk; zij zijn in de hoogste mate excentrisch; de mensch, vervoerd door deze impulsie, treedt zooveel mogelijk uit zich zeiven, om dengeen van dichterbij op te eischen, die hij door zijne provocaties wil boos maken; indien hij zich in tegenwoordigheid van zijn tegenstander bevindt, dan brengt zijn arm, verstijfd door de spanning, tot onder het gelaat van zijn vijand een gesloten vuist, die be-leedigt en dreigt; zijn oog schittert, zijn wenkbrauwspier is onbeweeglijk, een soort van sardonischen lach, waarin zich een onbegrensd vertrouwen openbaart, komt nu en dan zijne lippen in beweging brengen, zijn woorden bezitten een buitengewone vrijheid; zij zijn sterk geaccentueerd, zij ademen minachting, toorn en de zekerheid van te overwinnen.

Bij Homerus bepaalt Ajax er zich niet toe om de

11

ocr page 170

162

goden te weerstaan, hij roept hen zelfs ten strijde, hij beleedigt en braveert hen ondanks zijn macht, hij wacht ze om klaarlichten dag af om wanneer het licht hem veroorloven zal zijne slagen naar hen te richten. Dupaty heeft dezen stoutmoedige voorgesteld, kampende tegen de zee, die gereed is hem te verzwelgen, en uitroepende: «Ik zal ontsnappen, den goden ten spijt.» Met de eene hand klampt hij zich aan de rots vast, de ander toornig hemelwaarts gericht, geeft bedreiging en uittarting te kennen; zijn blik is vast als zijn wil en zijn voet schijnt met verachting de golf terug te schoppen, die hem reeds lekt.

De geheele houding van deze schoone marmeren figuur geeft volkomen den goddeloozen aanroep terug, die ons zulk een juist denkbeeld van den zoon van Oileus oplevert; zij werpt zich in hare geheelheid den goden tegemoet, die zich verbonden hebben om hem te verpletteren.

Men kan gerust zeggen, dat de overmoed voor de stoutmoedigheid is, wat de driestheid voor de onversaagdheid is; deze nuances, in een minder edele beteekenis, dienen weder om tusschen haar een grenslijn te trekken.

De moed is kalmer, gebruikt meer overleg, is grootscher in zijne middelen en zijne uitwerkingen, hij waardeert beter en overweegt alles met de grootste koelbloedigheid; open en loyaal gaat hij te werk, hij kan bezwijken, maar hij blijft altijd zich zeiven ; hij betoont zich even edel zoowel in voor- als in tegenspoed.

De moed behoort meer tot de kracht der ziel dan

ocr page 171

163

tot die van het lichaam, hetgeen hem juist onderscheidt van de onversaagdheid, die hoofdzakelijk werkt op de physieke vermogens, waarvan zij de bewegingen begunstigt; zij is minder voorbijgaand dan de onversaagdheid en de stoutmoedigheid, de moedige man is het altijd en onder alle omstandigheden, en het zij dat hij tegen den dood worstelt op het slagveld, hetzij dat hij dien afwacht op een smartbed, hij blijft zich zei ven voortdurend gelijk. De moed is niet alleen toepasselijk op militaire werken, het burgerlijk leven levert meer dan eene gelegenheid op, om er de schitterendste bewijzen van te geven.

De moed schijnt aan te groeien met de warmte, die hij in onze organen verspreidt, want het is een algemeene wet dat de hartstochten, zich naar buiten openbarende, allen als eigenaardig kenmerk, een overmaat van levenskracht teweegbrengen, die de levenssappen naar den omtrek doet terugvloeien. Men onderhoudt op een kunstmatige wijze den moed bij men-schen, die door hun beroep, het meest noodig hebben dien' te toon en; men maakt er hen vatbaar voor, door hen verhittende dranken te doen gebruiken; men vuurt hen nog meer aan door het gedruisch van welluidende instrumenten, ten einde aldus de excentrische beweging te begunstigen, noodig om hen te doen handelen.

Alle oorlogvoerende volken hadden de gewoonte om den veldslag voor te bereiden door geschreeuw, gezang of andere schelle geluiden; de klaroen en de trompet waren de meest gewone, wegens haar schet-

ocr page 172

164

terend geluid, zij dienden niet alleen om het signaal te geven, maar ook om de meest vreesachtigen gevoelloos te maken voor het gevaar, dat gereed stond zich op hen te werpen. De aangeboren moed doet steeds grootheid van ziel veronderstellen, zijn gebaren dragen bijgevolg het grootsche karakter van dien toestand; hij praalt niet met zijne krachten evenals de onversaagdheid, hij geraakt niet in drift gelijk de stoutmoedigheid, hij bedient zich evenzeer van den degen als van het schild, hij berekent vooruit zijne slagen en geeft zich minder bloot, wanneer het niet noodig is dit te doen.

De onverschrokkenheid is de hoogste trap van moed, het is een onwrikbare standvastigheid, niets beweegt den mensch, die onder den invloed van dezen hartstocht staat, niets verwondert hem, niets verrast hem, zijn ziel heeft alles voorzien; de grootste gevaren zelfs maken op haar geen ongunstigen indruk, zij is volkomen bekend met den omvang van het gevaar, maar zet er zich schrap tegen en bestrijdt het.

Men moet twee soorten van onverschrokkenheid beschouwen; zij verschillen zoowel door hare uitwerkingen als door hare oorzaken, de een heeft haar basis in hare hooge zedelijke overtuiging, de ander spruit voort uit een domme woestheid, zij verstijft de zinnen tegen de hevigheid der pijn, door het vleesch zijn natuurlijke gevoeligheid te ontnemen. In het eerste geval kent men de gansche uitgestrektheid van het genomen besluit, in het tweede onderwerpt men er zich aan zonder eenig onderzoek.

ocr page 173

165

De vermetelheid is een gebiedende en ondoordachte gemoedsbeweging, zij maakt dat wij ons blindelings te midden van de gevaren werpen; in dit moment van onstuimige drift schijnt de ziel geen behoefte te hebben om de grootheid der gevaren te kennen, waaraan zij zich blootstelt; zij acht het beneden zich om eerst te onderzoeken. Men zoude kunnen zeggen, dat de vermetelheid de wanhoop van den moed is, zich zonder voorbehoud aan zijn impulsie overgevende. Een vermetel soldaat stort zich in het dichtst van het krijgsgewoel, zonder op het aantal te letten; hij denkt er zelfs niet aan de middelen te besparen om terug te keeren, indien de noodzakelijkheid van een onvoorziene schikking hem eens tot den terugtocht kwam nopen; het tegenwoordige oogen-blik is alles voor zijne verblinde oogen, hij wordt geleid door het vermoeden van zijn meerderheid; zulk een man is meer gemaakt voor den aanval dan voor de verdediging, hij slaat er rechts en links maar op los, zijn gebaren zijn des te excentrischer, daar hij er zich niet om bekommert om te weten of hij door het vijandelijk staal getroffen kan worden; zijn bloed kookt, zijn gelaat glinstert, zijn oogappel schittert en werpt lange en stoute blikken, een brandend heete adem weerklinkt onder zijn wijdgeopende neusgaten, zijn agitatie is zóó groot, dat hij de vermoeienis van den strijd niet eens voelt, hij is als door den duivel des krijgs bezeten, hij waagt zich alleen, terwijl hij zijn leven zoude kunnen sparen, door met zijn troep te marcheeren, en door haar beschermd te strijden,

ocr page 174

166

hij laat zich medeslepen door zijn vuur en wordt doof voor het geluid van de klaroen, die hem terugroept, bij geeft zich geheel en al over aan de impulsie,. die hem voorwaarts drijft en aanprikkelt.

In het maatschappelijk verkeer legt de vermetelheid dat vernis van roem af, Waarmede men haar zoo gaarne bedekt, wanneer het werkelijk op lichamelijke gevaren aankomt; zij veronderstelt alsdan in den persoon, die haar gevoelt, een edelmoedige beweging, men ziet inconsequentie en onbezonnenheid in dengeen, die zich aan avontuurlijke speculaties overgeeft, door de onstuimigheid en de overhaasting zijner gebaren doet hij denken dat niets, van 't geen er in hem omgaat, in zijn lichtvaardig hoofd rijpelijk overwogen is. Alsdan is er niets minder dan een schitterend succes noodig dm hem van een dergelijk gedrag vrij te spreken.

Na deze voornaamste wijzigingen van de onversaagdheid met betrekking tot het individu nagegaan te hebben, is het intressant voor den artist, om den indruk weer te geven, door haar teweeggebracht op de onderscheiden toeschouwers, die getuigen zijn van hare uitwerkingen; het is in de een of andere compositie niet voldoende om den hoofdpersoon een juiste uitdrukking toe te kennen, maar om aan de waarheid der voorgestelde scène te doen gelooven, moet men de nevenpersonen tegenover dengeen, die de hoofdplaats op het doek inneemt, in een stand plaatsen, gelijk aan dien, waarin wij zeiven moeten zijn ten opzichte van dien persoon. Op het tooneel moet de pantomime

ocr page 175

167

tot accompagnement dienen van de uitdrukking van dengeen, die spreekt. Talma 1) en Mars 2) wisten te luisteren.

Wanneer wij ten slotte de eigenschappen recapitu-leeren van ieder dezer nuances eener zelfde beweging, dan komen wij tot de volgende slotsom. De onversaagdheid stelt zijne krachten ten toon; de moerf gebruikt ze, de stoutmoedigheid bedient er zich van om te pro-voceeren; de onverschrokkenheid om de ziel krachtiger te maken, en de vermetelheid volgt haar impulsie, verre van haar te leiden.

Over de woede. In zijn uitgestrektste beteekenis beschouwd, is de woede de hoogste trap der hartstochten, die de ziel buiten zich zelve doen treden: in haar bijzondere beteekenis, is het de heftigste gemoedsbeweging, die men ondervinden kan, wanneer men het kwaad tegemoet gaat, om het van zich te wijzen.

Deze vreeselijke hartstocht moet groote trekken van overeenkomst aanbieden met den toorn, waarvan zij als ^tware een voortzetting schijnt; er is evenwel een eige'naardige trek van afscheiding, die het eigenaardige punt aangeeft, waar de een eindigt en de ander begint.

De razernij. Vaak is deze heftige overspanning,

1) FraiKjois Joseph Talma, een beroemd Franscli tooneelspeler, geb. te Parijs 13 Jan. 1763, aldaar overleden 19 Oct. 1826.

2) Anne .Fran^oise Hyppolite Boutet Monvel, genaamd mademoiselle Mars, een beroemde Fransche tooneelkunstenares, geb. te Parijs 9 Febr. 1779, aldaar overleden 20 Maart 1847. Zij trad reeds op haar 12e jaar in den schouwburg te Versailles in kinder-rollen op. Verï.

ocr page 176

168

door de natuur met een behoudend doel in ons gelegd, nog beneden de behoefte en kan ze met nut aangewend worden tegen een te hoog boven ons staand voorwerp. Alsdan valt zij terug op dengeen, die er gebruik van moest maken, om zich tegen eiken aanslag te behoeden. De woede houdt op, bij gebrek aan voedsel, de woede onderhoudt zich zelve, wanneer zij zich niet aan ander voedsel kan verzadigen.

De mensch, door razernij bezeten, wordt gelijk aan de wilde dieren; evenals zij bedient hij zich van zijn tanden en nagels, om den dorst naar bloed te bevredigen, die hem verteert; met vreugde verscheurt hij levend het lichaam van zijn vijand; zelfs nog op zijn lijk valt hij met woede aan, zoozeer dorst hij naar wraak. Deze hartstocht krijgt zulk een heerschappij over zijne zinnen, dat wanneer onoverkombare hinderpalen zich verzetten tegen de bevrediging zijner wen-schen, hij zich zelf aan zijn krankzinnigheid ter prooi geeft, hij op zijn eigen lichaam de wreedheden uitoefent, die hij dengeen zou willen doen ondergaan, die hem ontsnapt, evenals wilde hij daardoor zich zeiven straffen voor de weinige middelen, die hij heeft om aan zijn wil te gehoorzamen. In de geconcentreerde razernij dringen de wenkbrauwen zich samen, het oog staat verwilderd; het schuim loopt uit den mond; de spieren zijn in de grootste agitatie, men kwetst zich zeiven en in de reeds gemaakte wonden tracht men een andere wonde te maken.

De wanhoop. De wanhoop spruit voort uit de overtuiging, die wij hebben, dat het leed, te zeer boven

ocr page 177

169

onze krachten is, om er ons tegen te verzetten: het is de toestand der ziel, die zich overgeeft.

Er zijn in de wanhoop twee perioden: de een is negatief, met vermindering der zedelijke en physieke vermogens, de ander, buitengewoon werkzaam, deelt een laatsten en heilzamen schok aan het geheele organisme mede; deze levensreactie is een laatste poging, gedaan door het bezwijkende individu.

De mensch zonder hulpmiddelen wordt somber, stilzwijgend, terneergeslagen, zijn lichaam buigt door, zijne ledematen zijn als gebroken, zijn hoofd hangt op de borst, zijne beenen missen de noodige kracht om hem te ondersteunen, hij is als vernietigd. Zijn blik is treurig, zijn mond zwijgt, en indien eenig geluid zich doet hooren, dan is het een lange, vaak afgebroken zucht; de mensch aan wanhoop overgegeven, schijnt tot zich zeiven in te keeren, zich zeiven te raadplegen over de middelen, die hem overblijven om te ontsnappen; wanneer hij eindelijk geen twijfel meer kan voeden over zijn toestand, dan komt zijne ziel op tégen het denkbeeld van een algeheele onderwerping, zij verhit zich van lieverlede en zijn ongerustheid begint zich naar buiten te openbaren. De mensch van nature zwak, weent bij de herinnering aan een onherstelbaar verlies. Hij krijgt medelijden met zich zeiven en beschouwt zich betrekkelijk als het ongelukkigste wezen, hij geraakt in drift tegen den eerste den beste, tegen den hemel zelfs, waarvan alle leed komt. Maar weldra maken deze woedende vervloekingen, hem een oogenblik van het bewustzijn van zijn

ocr page 178

170

nietigheid afbrengende, plaats voor de naakte waarheid en dompelen hem weder in een diepe moedeloosheid.

Het hoofdkarakter van de concentrische wanhoop is de verslapping der spieren, evenzeer als er zedelijke verslapping is. Wanneer men zich dan ook met geen enkele hoop meer kan vleien, doet men niets meer om de krachten van het lichaam en het verstand te herstellen.

De samengestelde hartstochten. Men verstaat door samengestelde hartstochten een gemoedsbeweging der ziel, gevormd en bepaald door onderscheiden gedeelten van primitieve, eenvoudige impulsies, die gelijktijdig of achtereenvolgens werken.

Wanneer deze gedeeltelijke schokken ter zelfder tijd werken, heeft er vermenging plaats en bijgevolg is de lichamelijke beweging ook gemengd; indien zij elkaar daarentegen opvolgen, wordt het gebaar meer bepaald; het heeft echter nog altijd iets van het oogenblik, dat het voorafgegaan is, en van dat, t welk het volgen moet; in het eerste geval moet het over-heerschende graphische kenmerk dat zijn van het gedeelte van den hartstocht, die op dat oogenblik de werkzaamste rol in het geheel speelt; in het tweede geval moet de uitdrukking van het gegrepen oogenblik de overhand hebben, behoudens de wijzigingen der overgangen.

De nijd is een amalgama van haat tegen den bezitter en van begeerte naar het bezeten goed: die twee elementen zijn onderling innig verbonden; zonder geheel het karakter van den nijd te veranderen, is het niet mogelijk ze afzonderlijk te beschouwen;

ocr page 179

171

alleen kunnen deze twee samenstellende grondbeginsels van den nijd beurtelings de overhand krijgen in de combinatie; de nijd behoort dus in werkelijkheid tot de eerste onzer categorieën.

Laat ons zien, wat er in beide omstandigheden plaats heeft. Veronderstellen wij in de eerste plaats dat de nijd meer betrekking heeft op de bezeten zaak, dan wel op den bezitter; de uitdrukking van den benijder, een gevoel van afkeer verradende voor dengeen, die het meest de verwezenlijking van zijn begeerten belet, zal niettemin meer hartstocht aan den dag leggen, om het gewenschte goed te veroveren, dan om den persoon af te stooten, die hem een hinderpaal stelt.

De jaloersche, die van een vreesachtigen en zwakken aard is, wordt door achterdocht beheerscht. Zijn ideaal is de meest angstvallige waakzaamheid over de minste gangen van de beminde vrouw; hij sluit haar op met zijne blikken; hij plaatst ze tus-schen het voorwerp van zijn hartstocht en alles, wat dit kan naderen; hij beijvert zich niet alleen om alles, wat zijn eigen belangen nadeelig kan wezen, af te wijzen, maar ook streeft hij er naar om alles tegemoet te gaan, wat voor hem een later onderwerp van bezorgdheid zou kunnen worden. Deze onvermoeibare argus maakt zich ongerust over een glimlach, die niet tot hem gericht is; hij maakt zich insgelijks bezorgd over een onverschillig woord, wanneer dit woord niet voor hem alleen is; het meest onbeduidende gebaar, de minst belangrijke gebeurtenis, een bloem,

ocr page 180

172

die valt, en die een ander opraapt, het bewegen van een zakdoek zijn voor hem onuitputtelijke onderwerpen van gissingen en uitleggingen. Al deze vermogens zijn onophoudelijk op hun hoede; het liefst zoude hij willen alleen op de wereld te kunnen zijn mét haar, die hij vreest zich te zien ontrooven, willen, dat geen enkel levend wezen haar kon zien, haar kon hooren; hij zoude gelukkig en gerust zijn, indien deze persoon een geheim ware, dat uitsluitend aan hem toebehoorde, hij zoude haar wel willen opsluiten, als hij het kon doen, zonder zich te gehaat te maken, en indien het hem gelukte om in zich alle wenschen van zijn ideaal samen te vatten, zoude hij nog zijn eigen middelen wantrouwen. De slaap sluit ternauwernood het waakzaam ooglid van den jaloersche; een onbeduidend iets houdt hem nog in onrust; een volkomen rust kan hij nooit genieten, want wanneer de vermoeienis een dichten sluier over zijnen oogen heeft geworpen, droomt hij nog van zijne liefde; de wanhopigste droomen komen zich aan zijn voortdurend wakende verbeelding aanbieden.

De vreesachtige jaloersche zal minder onderhevig zijn aan de vervoering van den toorn, dan de mensch, die twistziek van aard is en om een onbeduidend iets in drift geraakt; deze laatste vloeit over van bittere verwijten, hij heeft menigvuldiger de bedreiging op de lippen, dan den glimlach der gelukkige liefde; heftig gaat hij op zijn doel los; hij zal zelfs het voorwerp van zijn krankzinnigen hartstocht niet ongemoeid laten, en als een nieuwe Otello zal hij met zijne handen zijn Desdemona verbrijzelen, om zich

ocr page 181

173

zeiven te verlossen van de folteringen, die zijn nieuwe afdwaling hem doet dulden.

Over het gebaar. Het gebaar is de uiterlijke werking der hartstochten; het is een zekere gesteldheid van de verschillende deelen des lichaams als middel werkende op de oorzaken, welke indruk maken op het «ik». Men kan verscheiden soorten van gebaren onderscheiden.

Wij zullen beginnen ze in twee groote afdeelingen te splitsen, te weten: natuurlijke gebaren, kunstmatige gebaren, en deze zullen wij weer als volgt onderver-' deelen: de natuurlijke in nadrukkelijke en tegen elkander opwegende, de kunstmatige in convention-eele en bestudeerde. Door een nadrukkelijk gebaar verstaan wij dat, 't welk het natuurlijk en opvolgend gevolg is van de beslissende beweging der ziel. Het tegen elkander opwegende gebaar is het gedwongen gevolg van de wetten van het evenwicht, en dient dan ook om evenwicht te maken met een lichamelijke beweging. Wanneer wij bij voorbeeld den linkerarm uitstrekken, wanneer de rechter een zwaren last draagt, dan voert men een tegen elkander opwegend gebaar uit. De conventioneele gebaren zijn diegenen, welke niet aan een onmiddellijke behoefte van het «ik» beantwoorden, zij zijn de voorstellende teekenen van een denkbeeld: de palm der hand aanbieden, terwijl men dat lichaamsdeel met de rugzijde op het voorhoofd steunt, gelijk zulks geschiedt bij het militaire saluut, dit is een conventioneele handeling. De gebaren zijn bestudeerd, wanneer zij niet natuurlijk voortvloeien

ocr page 182

174

uit een waren hartstocht, of wel wanneer men tracht zijn hartstocht te vermommen.

De gebaren hehooren dus, door de uitwerking van deze wederzijdsche betrekking tusschen het moreele en het physieke, tot de groote afdeelingen van concentratie en excentratie, evenals de hartstochten, waarvan zij het beeld zijn. Laat ons nu zien, hoe het gebaar in die omstandigheden is.

Over het hoofd. Het achteroverwerpen van het hoofd is een der teekenen van de excentrische wanhoop; met opzetting der vleeschmassa's, die het ondersteunen, is de hartstocht tot woede gestegen. De voorwaart-sche buiging toont, volgens de verschillende afnemende trappen van buiging: eerbied, nederigheid, zelfverloochening aan; wanneer er daarenboven een lichte afwijking van de mediaanlijn van het gelaat is, en wel zoodanig, dat een der ooren den schouder van denzelfden kant nadert, terwijl het ander op een tegenovergestelde wijze werkt, dan is dat: liefde, zielsverdriet, behoefte naar rust; de gloed van het oog, zijn dof voorkomen, gepaard met roodheid der oogleden, het knipoogen, veroorzaakt door de zwaarte van de omliggende spieren, zullen deze verschillende hartstochten specificeeren.

Over den hals. Zijne spanning, het hoofd voorover-brengende, geeft verlangen te kennen. De losheid van den hals toont de verheffing der ziel aan. Een korte en dikke hals is een teeken van kracht; in een bevallige verhouding verlengd bezit hij gratie, maar geen kracht; lang en stijf biedt hij het onderscheid,

ocr page 183

175

aan, dat er bestaat tusschen den hals van de eend en die van den zwaan.

Over den schouder. De beweging van een enkelen schouder, die bij het omhoog gaan den romp verlengt, geeft minachting te kennen; indien de beide schouders te gelijker tijd werkten in den zelfden zin en met meerdere langzaamheid, dan zoude de uitdrukking geheel veranderen. Dit gebaar zoude aldan behooren tot de hartstochten, die den mensch verkleinen, in stede van hem in de hooge achting van zich zeiven te plaatsen, gelijk in het eenvoudige teeken van de minachting.

Over den romp- De doorzakking van den romp op zich zeiven volgt op de neerslachtigheid der smart; in het zedelijke geeft het zielesmart, in het physieke vermoeidheid te kennen. De gemakkelijke ontwikkeling der borst wordt slechts aangetroffen bij de expansieve bewegingen der geruste ziel, wanneer deze ontwikkeling gedwongen is, dan is zij steeds het concentrische gevolg van een sterke samendrukking, gelijk men zulks ziet in de folteringen, door Laocoon ondervonden. be samentrekking der ademhalingsspieren, concentreert, door het volumen van den romp te verminderen, de werking en gaat een hevigeren hartstocht vooraf.

Het gebaar van den romp is vol gratie en kuisch-heid in het beeld van de Venus van Medici. Het is daarentegen zonder ingetogenheid in de Silenus der oudheid.

Indien het denkbeeld geformuleerd moet worden van het karakter van een mensch, die standvastig in zijne grondbeginsels is, dan zal de schilder met kracht den duim op het middelste vingerlid laten drukken

ocr page 184

176

van den wijsvinger, daarbij de andere vingers buigende en ze tegen elkander aansluitende; hij zal ze van boven naar beneden richten, daarbij het handgewricht van buiten naar binnen verdraaiende alsof hij met een volmaakte zekerheid een fijne lijn trok.

De hand van den beeldhouwer zal dit kenmerkende onderscheid voorstellen: de duim neemt zijn steunpunt op het uiteinde van den wijsvinger, na er overheen gegleden te zijn; de duim schijnt de klei voor zich uit te duwen, haar zonder eenige aarzeling modelleerende op een hechten en weerstandbiedenden achtergrond.

De kopergraveur zal niets veranderen aan de respectieve houding der vingers, waarvan de uiteinden in een horizontaal vlak moeten liggen met den duim en den voorarm; de elleboog, oorspronkelijk van het lichaam verwijderd zal dit weder naderen door de langzame beweging van de hand, de werking veinzende van de graveerstift op het koper te besturen, daarbij in de plaat uitsnijdende zonder de minste afwijking.

De kunst van het gebaar werd zeer beoefend bij de Grieken en vooral bij de Romeinen, hartstochtelijke liefhebbers van schouwspelen. Het gebaar was de uitvoerbare wijze in die verbazend groote circussen, wier grenzen de stem van den acteur niet zoude hebben kunnen bereiken. De getuigenis van de hedendaag-sche acteurs laat geen den minsten twijfel over aangaande de volmaaktheid van het gebarenspel, uitgevoerd door de pantomiemen en de gebaren, zonder dat er een enkel woord bij gesproken werd. Het is waarschijnlijk, dat behalve de natuurlijke gebaren zij

ocr page 185

177

zich moesten bedienen van conventioneele teekens, aangenomen als de vertolking van een gegeven abstract denkbeeld.

De werkzaamste hartstocht, de hartstocht, die het meest herhaald wordt in het «ik», bepaalt het genre van het karakter, evenals de meest in het oog springende lichamelijke trek dient om aan het individu de persoonlijke physiognomische qualificatie te geven. Indien de onstuimigheid overheerschend is in de hartstochten, dan is het karakter ook heftig; het is daarentegen zwak, wanneer de excentrische bewegingen er meer algemeener zijn; het is gelijkmatig, wanneer de kalmte er gewoonlijk heerscht. Aan sterk uitkomende trekken, zwak of zacht, herkent men een opgewekte en vurige physiognomie, een physiognomie, treurig en zonder kracht, zonder eigenaardig kenmerk en zonder vastberadenheid.

Het aangezicht is van alle deelen van het mensche-lijke lichaam, dat, 't welk het duidelijkst den afdruk van/ het karakter draagt; en toch is het alleen niet voldoende om een volledig oordeel te vellen. De bovenste helft van het aangezicht, daaronder begrepen de inkassing der oogen, is meer in het bijzonder eigen aan de samenstellende trekken van het karakter, zedelijk genoemd, bij tegenstelling aan dat, 't welk samengesteld is uit de werkelijk kennelijke bewegingen, en wier sterkste uiting plaats heeft in het onderste gedeelte van het gelaat. De opgeruimdheid schittert op een opgevroolijkt voorhoofd.

Het grootsche van de kunst bij het portret-

12

ocr page 186

178

schilderen is, om op het doek het karakter van den persoon, met de bijzondere trekken zijn physi-ognomie te schrijven. Men maakt zich van dit, toch zeer gezochte genre, een zeer verkeerd denkbeeld ; men acht zich verplicht om voortdurend in dezen laffen glimlach te vervallen, die het verplichte cachet geworden is, het belangrijke type om na te volgen, om zijn onderwerp meer leven en bevalligheid te geven, en het op een aangename wijze voor te stellen ; ik ken niets dat de vorderingen der kunst meer belemmert dan dit valsche stelsel. Heb ik slechts een glimlach af te vragen aan het gelaat van een mensch? Het is een gedachte, een bestaan, dat ik op dezen beweeglijken spiegel moet zoeken, waar zich de ziel vertoont. Het is niet een lachende mond, die mij zegt, wat is, wat was of zelfs wat zijn zal degeen, van wien men mij een kopie aanbiedt. Is het voldoende om het stoffelijke van een gelaat weer te geven? Om het te bezielen, moet men er de gewone gevoelens van het origineel overheen verspreiden. Indien bij voorbeeld, het model een van die vindingrijke mannen is, die alhoewel de grenzen van het men-schelijke verstand uitbreidende, toch den wrangen nasmaak van een werkzaam leven gekend hebben, leg dan in zijn blik dat «feu sacré», dat doordringt en beheerscht; vergeet ook nimmer om op zijn verachtelijk omgekrulde lip een denkbeeld van minachting te brengen voor hen, die hem belasteren, voor zijne benijders!

ocr page 187

INHOUD.

Bladz.

Oe begeerte................................1

3e angst.................

De toorn.................44

De haat.................65

De liefde...................

De physieke smart..............118

De zedelijke smart..............125

De vreugde................139

De vrees....................

De onversaagdheid.............157

De samengestelde hartstochten..........170

ocr page 188

I

ocr page 189
ocr page 190

Nieuwe uitgaven

van A. VAN KLA.VEREN, te Amsterdam

Hel elemenlair teeken-omlerwijs voor Ifuis cji Scliool. Bewerkt

naar de nieuwe methode voor Zelfonderricht van Edw. Anoouet, door G. Heslinga Tiddeks. Met 21 Platen.

Breed folioformaat.........Prijs ƒ 2.50

Practiselie Handleiding liij hel raslelteekcnen door F. Goupil, Professor aan de Teekenschool voor Kunstnijverheid te

Sèvres...............Prijs f 0.75

Voor Nederl.-Indiö franco per mail . . . f 0.90

Practisclie Handleiding'bij het seliilderen met Waterverf, in des-

zelfs geheelen oir,vang, door F. Goüpil, Professor aan de Teekenschool voor Kunstnijverheid te Sèvres. Prijs f 0.75

Praclisclie Handleiding hij liet schilderen niet Olieverf, gevolgd door de kunst van het Eestaureeren, Verdoeken en Bewaren der Schi 1 derijen, door F. Goüpil. Tweede Druk.......Prijs / 1.—

Praelische Handleiding hij het schilderen oj) Porcelein, Helftsch Aardewerk en (;ias, door F. Goüpil, Professor aan de Teekenschool dor Porseleinfabriek te Sèvres. Prijs f 1.25.

Praelische Handleiding hij het Miniatiinrschilderen ojt ivoor, perkanient en papier volgens de beste methoden der beroemdste meesters......Prijs/quot;040

Praelische handleiding liij het Etsen op koper. Een onmisbare vraagbaak voor allen die zich op het Etsen willen toeleggen, door Prof. J. Rollek . . . . Prijs f 1.50

ocr page 191