ocr page 1

.....

i J .'f', -

■1IIHI!

P-

'IE

\

H08EA,

DE MAN DES GBESTES,

PROEVE VAN PSYCHOLOGISCHE SCHRIFTBESCHOUWING

Dr. J. Th. DE YISoEE,

Predikant te Almelo.

UTRECHT

C. H. E. BREÏJER

1886.

A

k

ocr page 2

gunning.

r»

50

cx-m

iüEf\lJE.SMëPEUn ■

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HOSEA,

DE MAN DES GEESTES.

ocr page 6
ocr page 7

GUNNING

HOSEA.

DE MAN DES GEESTES.

PROEVE VAN PSYCHOLOGISCHE SCHRIFTBESCHOUWING

Dr. J. Th. DE YISSEE,

Predikant te Almelo.

I

\ Dl BLlOTrviZK DER i RIJKSUNIvtlRSirElT UTRECHT.

UTRECHT

C. H. E. BREIJER

1886.

ocr page 8
ocr page 9

VOORREDE.

Overtuigd dat op christelijk gebied, vooral in onzen tijd, niets zoo noodzakelijk is als gezonde bijbelkennis, bied ik hiernevens eene studie over den profeet Hosea aan. Ik liet daarin den profeet voor zichzelven spreken, en plaatste mij daarna, bij de beoordeeling van zijn persoon en geschrift, op zijn standpunt, dat des geloofs in de openbaring Gods. Bij een en ander maakte ik dankbaar gebruik van het licht door de wetenschap ontstoken, verzekerd dat de christen hiervoor niet vreezen mag en niet te vreezen heeft, maar integendeel van hare zuivere resultaten de bevestiging van zijn geloof en de verheldering van zijn geloofsblik heeft te verwachten. Polemiseeren was mijn doel niet; een van Israel's grootste profeten, in zijn leven en zijn werken, te doen kennen, dat beoogde ik. Indien toch die kennis, uitgebreid tot al de profeten des O. V., ons deel wordt, en wij ophouden alleen enkele losse plaatsen uit hunne geschriften, die op den Heiland doelen, — terwijl dan voor al

ocr page 10

viii voorrede.

het overige de oogen worden gesloten, — in het hoofd en het hart op te nemen, dan zal eerst blijken welk eene groote gave Gods ons in de verschijning der profeten en in het verschijnsel der profetie geschonken is. Dan zal ook het heerlijk woord van Dr. van Oosterzee in zijn vollen rijkdom worden verstaan:

„Soms is het ons, als varen wij in het schip der kerk op een donkere, onstuimige zee, terwijl zich de stormen verheffen en Jezus slaapt in het vaartuig. Maar zie, daar ginds schemert een lichtbaak die ons heenleidt naar een veilige haven. Zij staat vast, al slaan de golven tegen de rots, die haar draagt; zij wordt niet uitgebluscht door den killen adem der stormen, al wordt zij enkele malen door een sluier van nevelen aan onze oogen onttrokken. Zij wenkt, zij wijst den vasten ankergrond aan.

Die lichtbaak is — het Profetisch woord

Nog één woord. Om het den lezer gemakkelijk te maken, plaatste ik de zuiver wetenschappelijke aanteekeningen aan het eind van hel geheel. De getallen in den tekst verwijzen gedurig, voor ieder hoofdstuk afzonderlijk, daarheen.

Almelo, 5 Augustus 1886.

d. V.

1) Christologie ie deel bldz. 73, 74.

ocr page 11

inhoud.

Biz.

Inleiding..................................i

i. de tijd zijner werkzaamheid........4

II. zijne persoonlijkheid en zijne roeping.....21

III. de samenstelling en de inhoud van zijn geschrift. 46

IV. zijne beteekenis in den gang der godsopenbaring. 65

Aanteekeningen...............73

ocr page 12
ocr page 13

INLEIDING.

Indien de geschiedenis der leerstellingen van het Christendom nauwlettend beschouwd wordt, moet het de aandacht trekken, dat beurtelings de eene of andere zijde der christelijke waarheid bij voorkeur critisch beschouwd, bestreden en verdedigd is geworden. Nauwelijks toch was door de kerk de triomf over eene dusgenaamde ketterij behaald, of er dreigde weder eene andere op den voorgrond te treden en de leer der kerk te belagen. Zoo kent de laatste helft van deze veelbewogen eeuw ook haar eigenaardig strijdpunt en zal over korter of langer tijd in de geschiedenis der dogmen, bij de bespreking onzer dagen, een hoofddeel aan den strijd over de Bibliologie, dat is, den kamp over de leer aangaande de Heilige Schrift worden ingeruimd. Wel is het een eigenaardig verschijnsel, dat in een tijd, in welken de bijbel het minst wordt gelezen en als bedolven wordt onder den stortvloed van couranten en brochures, juist het felst over de Schrift als zoodanig gestreden wordt; maar het is een feit, dat de vraag „wat dunkt u van het geheel der Schriften des Ouden en des Nieuwen Verbondsquot; overheerschende is. En indien ergens — dan zien wij hier twee beginselen scherp tegenover elkander staan, maar ook aan de andere zijde het oude spreekwoord bevestigd dat de uitersten elkander raken. Aan de eene zijde toch eene strooming, die de

ocr page 14

INLEIDING.

2

natuur, de raenschheid, het individu, de Schrift geheel en al bindt aan wetten, welker eenheid men misschien den naam van God geeft; een zucht om de schakels van den keten dei-geschiedenis , ook van die van Israël, zoo in elkander te doen sluiten, dat de plaats voor mannen, die „naar den drang van hun hart een eigen ideaal trachten te verwezentlijken én staan boven én werken op hun tijdquot; al enger en enger wordt; eene neiging om gelijk alles in de natuur tot een product der natuurorde, zoo alles in het midden der menschheid tot een voortbrengsel eener bewustelooze of bewuste wereldorde te maken. Daar tegenover eene fractie, die de menschheid, het individu, de Schrift laat beheerscht worden door God, dien men slechts kent als eene Wet; eene begeerte om het begrip „God en Zijn Raadquot; zoover door te trekken dat er van zedelijke vrijheid, van een eigenaardige geestesgave, van een bijzonder karakter, van vrije beweging der personen, ook der Godsmannen niet vOel overblijft en vergeten wordt dat Johannes immer een Johannes en Petrus een Petrus bleef. Scherp voorzeker is de tegenstelling tusschen deze beide; daar wordt alles beheerscht door eene wet, die God is; hier door een God, die eene wet is; daar moet alle godsdienst zich naar de natuurorde schikken; hier treedt de godsdienst als beheerscher zelfs der natuurorde op. Toch naderen deze twee zoo verschillende beginselen elkander hierin, dat er bij beide voor de zedelijke vrijheid, de erkenning der persoonlijkheid, het zelfstandig optreden, het waarlijk mensch zijn, geene plaats overblijft. Daarom kan het niet anders dan toegejuicht worden, dat eene derde beschouwing zich meer en meer baan breekt, eene, die met volledige erkentenis der openbaring en der besturing Gods, de vrijheid niet te kort doet en liever voor het probleem der vereeniging

ocr page 15

INLEIDING.

3

van beide blijft staan, dan een van beide gegevens te kort te doen, eene beschouwing die toegepast op de schriften des O. en N. V., het licht laat vallen op de personen, die optreden en het eigenaardig onderscheid hunner werken. Deze beschouwing, die de psychologische zou kunnen worden genoemd, wil in den geest der personen zoo diep mogelijk doordringen, zich hun beeld voor oogen stellen, de eenheid en verscheidenheid onder hen opsporen, de plaats leeren kennen, die zij in het geheel dei-Godsopenbaring innemen en zoo de waarheid staven, dat God niet tenkoste van menschen, maar door menschen, de wereld voor den waren Menschenzoon heeft bereid. Ik zeide, zij wil in den geest der personen zoo diep mogelijk doordringen, maar om dit te vermogen, is het noodzakelijk op denzelfden levensbodem met deze mannen te staan, het zielsoog zich te hebben zien ontsluiten voor datgene, voor hetwelk het hunne geopend was, een orgaan ter appreciatie dier dingen te bezitten, voor welke zij geleden, gestreden, in één woord geleefd hebben. Eene proeve van wat ik bedoelde, wensch ik te geven in de beschrijving van den persoon en het werk van een der Godsmannen der Oude Bedeeling, namelijk Hosea. En zal iemand het gevaarlijk achten, juist eene studie over den moeilijkst te begrijpen persoon uit den kring der kleine profeten te geven, nevens meer, dat ik tot rechtvaardiging zou kunnen aanvoeren, vermeld ik alleen dit: wij vinden ons somtijds tot dezen of gene aangetrokken, op grond dat wij in hem vinden, door hem hooren uiten wat in ons eigen hart als het hoogste leefde, zonder dat wij er eenen bepaalden vorm aan geven konden, en zie dat was voor mij, in meer dan één opzicht met Hosea het geval.

ocr page 16

De tijd zijner werkzaamheid.

i.

Zal op een geschrift van een profeet een helder licht vallen, zoo moet ons de tijd bekend zijn, gedurende welken hij leefde en werkte. Bovenal zal voor veel eigenaardigs in zulk eene profetie het oog ons opengaan, indien wij, eenmaal dien tijd kennende, daaromtrent uit andere geschriften nader kunnen ingelicht worden. Dit nu is hier het geval. In de boekert der Koningen bezitten wij, al is het vaak afgebroken en onduidelijk, dan toch zulk eene belangrijke schets der lotgevallen van de rijken van Juda en Israël, dat veel uit Hosea's boek, ja dat geheele boek zelf, ons bij het licht daarvan meer helder en aantrekkelijk wordt. Maar ook rijst bij de vergelijking van het eerste met het laatste geschrift, aanstonds een allergewichtigste vraag bij ons op. Laat zich het geheele opschrift van Hosea's boek, naar hetgeen wij uit de boeken der Koningen weten, met die boeken, ja met de profetie zelve rijmen? Dat opschrift luidt lt;?): „Het woord van Jehova, dat tot Hosea, den zoon van Befiri, kwam in de dagen Uzzia, Jotham, Achaz en Jehizkia , koningen van Juda en in de dagen

a) Cap. i: i.

ocr page 17

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

van Jerobeam, zoon van Jehoas, koning van Israel.quot; Als de tijd van Hosea's leven en werken wordt ons dus die van Uzzia tot Jehizkia en die van Jerobeam II genoemd. Maar reeds de uitsluitende vermelding van Jerobeam als koning van Israel is vreemd '), aangezien de profeet, zoo hij nog onder Jehizkia, Juda's vorst heeft gearbeid, alle koningen van Israel na Jerobeam II, Zacharia, Sallum , Menahem, Pekahia, Pekah en Hosea gekend heeft niet alleen, maar juist onder dezen het meest moet hebben geprofeteerd.

Niet minder bevreemdend moet het heeten, dat de burger van het tienstammenrijk nevens één koning uit zijn land er vier uit Juda, met hetwelk hij zich slechts zijdelings in betrekking stelde, zou hebben genoemd. Maar geheel onaannemelijk wordt de waarheid er van, als wij den inhoud der profetie zelve met dat opschrift, in verband met het boek der Koningen, vergelijken. De landstreken Gilead en Galilea, die door Tiglath-Pileser ten tijde van Pekah ontvolkt werden, kent hij nog als bewoond 2); met geen enkel woord wordt ook maar gezinspeeld op den Syrisch-Ephraemietischen oorlog in welken de broederrijken elkander bestreden, een feit dat door Hosea, onder wiens heerlijkste idealen de hereeniging van Juda en Israel behoorde a), had moeten vermeld zijn, zoo hij er kennis van gedragen had 3); nooit wordt ook maar eenig gewag gemaakt van de slachting onder de inwoners van Juda en de wegvoering der vrouwen, zonen en dochters naar Samaria, als het gevolg der zegepralen van Pekah en Rezin, Syrie's koning b), alles

.a) i; n; 3; s.

d) 2 Chron. 28: 6—15. Zie Ewald, Gesch. d. V. Isr. 3e Bd. 3e Ausg. blz. 651. over de betrouwbaarheid van dit bericht.

S

ocr page 18

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

onverklaarbaar zoo het opschrift de juiste tijdsbepaling van Hosea's arbeid bevatten zou. Opmerkelijk is het dan ook dat, wat ten voordeele daarvan is aangebracht óf allen grond mist, öf juist voor het tegenovergestelde pleit. De verklaring van Cap. io: 14 als zou met Salman Salmanasar bedoeld zijn en deze plaats derhalve bewijzen dat Hosea de wegvoering overleefd en dus nog ten tijde van Jehizkia geleefd had, is onaannemelijk 4). Het bondgenootschap met Egypte, waarvan Hosea spreekt en dat, naar de historische boeken alleen onder Israel's laatsten koning heeft plaats gehad a), zal ons naar dienzelfden tijd heen-wijzen 5). Maar de wijze waarop de profeet er van gewaagt, toont, dat dat bondgenootschap ja door velen wenschelijk geacht werd, maar nog niet verkregen was en verwijst ons derhalve juist naar vroegere dagen dan die van Israel's laatsten koning Hosea. Of zijn zijne woorden „zij roepen om Egypte, zij gaan naar Assur,quot; „zij maken een verbond met Assur, olie wordt afgevoerd naar Egypte iJ)quot; niet slechts voor deze enkele uitlegging vatbaar dat, waar een verbond met Assur door de eene partij in Israel was gesloten, de andere een verbintenis met het volk aan den Nijl wenschte? Wordt dit gevoelen ook niet gesteund door het enkele „Assur zal ons niet helpen c)zonder dat van Egypte iets dergelijks wordt gezegd? Maar meer dan genoeg reeds ter rechtvaardiging der oorzaak, dat ik bij het bepalen van den tijd, in welken de profeet heeft gesproken, niet op het opschrift af ga 0). Om tot dat doel te geraken zoeken wij, naar andere gegevens. Een vast uitgangspunt biedt Cap. 1 : 4 aan gt;

a) 2 Kon. 17: 4.

b) Cap. 7; 11: 12; 2.

c) Cap. 14: 4.

6

ocr page 19

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

waar de straf over het huis van Jehu en het eind zijner heerschappij aangekondigd wordt. Het feit dat Hosea zich den val van genoemd huis spoedig denkt en tot het eind van Menahem's regeering althans leefde, verbiedt ons met het tijdstip zijner geboorte tot Joahaz of Jehoas terug te gaan en eischt dat wij dit ten tijde van Jerobeam ') of Zacharja stellen. Waar nu daarbij Cap. i : 6 , 7, n ons den indruk schenken als was Juda nog niet bekomen van de ontzettende nederlaag ten tijde van Jehoas geleden a), waar de tegenstelling zoo uitdrukkelijk wordt uitgesproken tusschen Israël, dat hoogverheven, diep vernederd en van Juda, dat klein , groot worden zal, waar zulke uitgebreide schilderingen van Israel's rijkdom en weelde, die geheel onder de luisterrijke regeering van Jerobeam II thuis behooren, worden gegeven b), daar kan geen andere slotsom worden getrokken dan deze; Hosea trad ongeveer in het midden van Jerobeam's regeering en in de eerste regëenngsjaren van Uzzia op ^). Wat het einde van den tijd zijner werkzaamheid betreft, den broederoorlog beleefde Hosea niet meer; die smart bleef hem gespaard. Maar toch zijne zekerheid van Israel's ondergang c) zijne schildering van Israel's naderende ontbinding, het hooren uit de verte van het gekletter der Assyrische wapenen d), maken het meer dan waarschijnlijk dat niet in den tijd van Menahem 9), toen de gunst van den Assyrischen koning was verzekerd, maar in het begin van Pekah's regeering, toen donkere wolken van uit het noorden zich boven Israel's grond-

a) 2 Kon. 14: 12, 13, 14.

d) Cap. 2.

c) 8; 7; 9; 13; 10; 7, 8; 11; 6; 13: is^; i4: 1.

d) 9: 3; 10; 6, 14; 11; 5.

7

ocr page 20

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

gebied begonnen samen te pakken a), het laatste gedeelte zijner profetische werkzaamheid valt. In jaartallen plaats ik Hosea's arbeid als profeet van ongeveer 780—734, hierbij de verbeterde bijbelsche, met de assyrische gegevens in overeenstemming gebrachte chronologie, volgende in). Onder de regeering derhalve van Juda's koning Uzzia en die van den regent Jotham, onder de heerschappij van zes vorsten van Israel, Jerobeam II, Zacharja, Sallum, Menahem,. Pekahia en Pekah heeft Hosea zich als de pleitbezorger voor de ware belangen zijns volks doen hooren en als Godsgezant zijne stem verheven tegen alles wat den geest van Jehova niet vertoonde.

Om nu dien tijd tusschen Jerobeam II en Pekah goed te kennen en te begrijpen is het noodig een stap achterwaarts op het gebied van Israel's geschiedenis te doen. Jehu, de zoon van Nimsi, hoofdman van het Israêlietische leger, dat in last had Ramath in Gilead aan Syrie's koning te ontrukken, had door den moord op Jehoram, een einde aan de heerschappij van het huis van Omri gemaakt /gt;). Met hem had de derde krijgsheld met list de kroon van Israel verworven en de vierde dynastie den troon van Jerobeam beklommen. Onder gelukkige omstandigheden kreeg deze Jehu de teugels van het bewind in handen. De machtige Hazaël, Benhadad's zoon, van wien Jehu's voorganger zooveel had moeten lijden, had zijne legers noodig tegen Salma-nassar II, vorst van Assyrië, die zijne invallen op het gebied van Damascus herhaalde 1'). Van hem was dus op het oogen-blik niets te vreezen. Maar evenmin van Juda. Dit land toch

a) 2 Kon. 15; 29

b) 2 Kon. 9: 24.

8

ocr page 21

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

had gedurende de regeering der bloeddorstige Athalia en die van Joas, te veel met zichzelven te doen a) en miste in zijn beheerscher eene persoonlijkheid, die rechtmatige vrees inboezemen kon. Was derhalve zijne positie als vorst van het tienstammenrijk tamelijk sterk, hij maakte haar nog krachtiger door zich van de gunst van Assyrie's machtigen koning te verzekeren, wien hij daartoe in het jaar 842 12) eene schatting bood, in tal van voorwerpen van goud en zilver bestaande.

Hoe ras evenwel ondervond Jehu dat niets onbestendiger dan menschelijke grootheid is en menschelijke berekeningen kunnen falen! In stede toch dat Hazad's macht door de aanslagen der Assyriers gebroken werd, verzamelde hij, kort na den aftocht der laatsten zijn leger, viel daarmede, met wraakzucht bezield, in Jehu's grondgebied en veroverde het geheele westelijk gedeelte der Jordaan lgt;). Van dat oogenblik aan, werden de Israelieten steeds dieper door den ijzeren arm der Syriers nedergedrukt. Hazaël en zijn zoon Benhadad III zetten onder Joahaz', Jehu's zoon en opvolger, een zwak vorst, de reeks hunner zegepralen voort en namen verscheidene steden dezerzijds de Jordaan in bezit c). En als om de vernedering te voltooien deden verschillende stammen, die immer op het herwinnen van oude rechten loerden , met goeden uitslag woeste invallen op Israel's grondgebied; de met de Syriers verbonden Ammonieten breidden zich onder het plegen van gruweldaden in Gilead uit, en de Moabieten vielen telkens plunderend in het land 13). Zoo treurig was dan ook de toestand van Israël,

a) 2 Kon. 11 , 12.

2 Kon. 10: 32, 33. c) 2 Kon. 13: 3, vgl. vs. 25.

9

ocr page 22

IO DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

dat koning Joahaz nog slechts 10 strijdwagens, 50 ruiters, 10.000 voetknecliten had. Was dan nu reeds het tijdstip van Israel's ondergang gekomen? Joahaz wanhoopte, maar in dien wanhoop boog hij zich voor den God van Israel, biddend om hulp, neder. En — zoo lezen wij, -— de Heer gaf Israël een' verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen. Van welke zijde kwam die verlossing? Van de zijde van een volk, dat van dat oogenblik af aan zulk eene gewichtige rol in Israel's geschiedenis spelen zou, namelijk van Assyrië 14). Zijn koning Binnirar III toch had ongeveer het jaar 803 Damascus in Syrië bedreigd en de geheele aandacht der Syriers tot zich getrokken. Deze laatsten konden er nu derhalve niet aandenken hernieuwde invallen in Israël te doen of het dieper te vernederen dan zij reeds hadden gedaan. Maar dat niet alleen. De dappere opvolger van Joahaz, Jehoas, verzamelde het leger, hoe klein het dan ook was, sloeg daarmede de Syriërs tot Afek terug sn hernam in drie gevechten de steden, die Hazael aan deze zijde der Jordaan van Joahaz genomen had a).

Ja, hij deed meer. Amazia, Juda's koning had, prat op zijne overwinning op Edom, hetwelk in Joram's tijd van Juda was afgevallen en meenend, dat Jehoas in den strijd met de Syriers te veel geleden had om krachtigen tegenweer te kunnen bieden , hem den strijd aangedaan b). Roemrijk voor Israëls koning was het eind van dien kamp. Amazia werd volkomen geslagen, zelf gevangen genomen; de tempel en 's vorsten paleis te Jeruzalem werden geplunderd, de muren

a) 2 Kon. 13: 25, vgl. met vs. 17. 6} 2 Kon. 14 : 8 vv.

ocr page 23

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

der stad van de westelijke poort der voorstad tot aan den noordwesthoek afgebroken en vele inwoners in gijzeling naar Samaria gevoerd a) Al was het dus helaas! mede tenkoste van het broederrijk, hoog begon Israel's aanzien te klimmen. En toen nu de dappere Tehoas door een even krijgshaftigen zoon Jerobeam II werd opgevolgd, van wien de profeet Jona, de zoon van Amithai, van Gath-Efer b) in zijn jeugd reeds de stoutste verwachtingen had gekoesterd en geuit, toen geschiedde wat door duizenden zoo vurig begeerd was. Israel herkreeg zijn oude grenzen, die het ten tijde van Salomo had gehad c). Jerobeam ontnam den Syriërs de steden aan gene zijde der Jordaan , maakte de vorsten van Ammon en Moab schatplichtig, tuchtigde Hamath in het noorden en herstelde alzoo de oude palen van Israels rijksgebied. Welk een verschil! dat heden met den tijd, die voorafgegaan was! Welk een geweldige ommekeer in dat rijk!

Ook in het kleine tweestammenrijk begon van lieverlede een betere toestand te komen en vormde de hoogstgelukkige regeering van Uzzia eene ontzachlijke tegenstelling met de opeenstapeling van ellenden ten tijde van Amazia d). Edom, hetwelk eerst door Amazia overwonnen, maar later weer afgevallen was, werd door Uzzia bij vernieuwing onderworpen e). De havenstad Elath aan de Roode zee kwam in zijn bezit, waardoor de belangrijke weg van Sela naar Zuid-Arabië onder zijn

а) Vs. 13, vgl. Max Duncker t. a. p. blz. 203.

б) 2 Kon. 14: 25.

c) 2 Kon. 14: 28. Zie hierop Thenius, Commentar des Bücher der Könige t. p. vgl. Amos. 6; 14.

d) 2 Chron. 26; 1 vv.

e) Amos 1: 11.

II

ocr page 24

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

controle geraakte 1S). Met goeden uitslag streed hij tegen de Philistijnen, slechtte de muren van Gath, Jabne en Ashdod en bouwde daar nieuwe steden.

Jeruzalem's muren werden herbouwd, vestingen opgeworpen, de akkerbouw werd door hem aangemoedigd en persoonlijk gesteund. Ja zelfs Ammon en Moab kwamen wellicht, tegen Israël, zijn gunst vragen l0). Tegelijk dat Israel op het hoogtepunt stond van zijn bloei, begon ook Juda's aanzien te stijgen.

12

Hoezeer begon echter bij al die stoffelijke welvaart de geestelijke levenshemel te verduisteren, allereerst in dat tienstam-menrijk, hetwelk ook het eerst zijn bloeitijd bereikt had! Hoe licht werd èn door den toenemenden rijkdom en de weelde èn door de aanraking met verkeerde invloeden van buiten het gehalte des volks ! Hier werd het hof waar de vorst op zijn behaalde lauweren rustte het middelpunt der grofste uitspattingen. Het hoogste genot was daar op elpenbeenen sofa's uitgestrekt, zich met het beste vleesch te voeden, herhaaldelijk afgetapte wijn te drinken en zich met de fijnste oliën te zal ven a). Daardoor veranderde de geheele verhouding tusschen vorst en volk en moest een gansch andere geest ook te midden van het laatste van lieverlede doordringen. Was voorheen de koning één uit het midden van het volk geweest, om wien op grond van zijn eenvoud, kracht en geloof, allen zich in tijd van nood als hun opperhoofd schaarden, thans was de vorst het middelpunt van een autocratischen kring, die zich ver boven de menigte plaatste, in weelde en zwelgerij zich baadde en zich niet ontzag ter wille van de voldoening aan

a) Amos. 6:4,5 ^» naar conjectuur van Prof. Oort (Theol. Tijdschr. 1880, blz. 128). Max Duncker t. a. p. blz. 284.

ocr page 25

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

zijn genot het volk uit te zuigen 17). En waar nu dit volk toch reeds zoowel door de oorlogen met de Syriërs, als door de daarop gevolgde plagen veel geleden had, daar moest door den druk door een zekeren kring, die geld behoefde voor genot, uitgeoefend, van lieverlede een scheiding tusschen rijken en armen ontstaan, hoedanig eene het oude Israel nooit had gekend. Helaas! dat diegenen, die tegen dat streven een heilzaam tegenwicht hadden kunnen bieden, profeten en priesters als tolken en handhavers van den wil en de eer van Jehova voor het meerendeel zelf wuft en lichtzinnig, die wanverhouding in de hand werkten a). Door dit alles moest het peil van het maatschappelijk leven aanmerkelijk dalen. Het recht maakte plaats voor onrecht b), de oneerlijkheid in den handel nam toe, waar de efa verkleind, de sikkel vergroot, de bedriegelijke weegschaal gebruikt werd c); de ontucht in den dienst van het heiligdom vermeerderde en waar de kinderen het noodlottig voorbeeld der ouders volgden, daar werd de reinheid van zeden steeds zeldzamer d)-, de hoogmoed bereikte eene ontzettende hoogte e), trotsch als men op de zegepralen en de sterkte der helden was. Bij zulk een toestand moest de geest der ontevredenheid en der revolutie wel ontwaken en woest om zich heen grijpen. Echter was Jerobeam's arm sterk genoeg, alle dergelijke pogingen te verijdelen, ja zijne persoonlijkheid boezemde zelfs zooveel eerbied in, dat men zoo

a) Duidelijk blijkt ons dit uit de geschriften van Amos en Hosea. Zie b. v, de handelwijze van den priester Amazia Amos 7: 10.

b) Amos 5: 10, 11.

c) Amos 8: 4, 5.

d) Amos 2: 7.

e) Amos 2; 14, 15, 16.

13

ocr page 26

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

iets bij zijn leven niet durfde wagen. Maar dat de mijn in zijne dagen toch reeds met ontvlambare stofTen was gevuld, de verschillende veeten zich hadden opeengehoopt en slechts weinig noodig was om eene uitbarsting te veroorzaken, bewees de korte regeering van zijn zoon Zacharja die, na zes maanden op den troon te hebben gezeten, bij eene zamenzwering door Sallum, den zoon van Jabes, op touw gezet, viel a). Ook deze echter moest na ééne maand den troon weder inruimen voor een zekeren Menahem i), die wellicht als veldheer van Zacharja in de oude residentie Thirza c) gelegerd, onder den schijn van zijn koning te willen wreken, feitelijk om zelf koning te worden, naar Samaria getrokken was.

Wel had hij, wreedaardig als hij was, een schrikwekkend voorbeeld voor ieder, die hem durfde tegenstaan, gegeven door alle inwoners der stad Tifsah 18), die hare poorten niet voor hem had willen openen te vermoorden, ja zelfs de zwangere vrouwen op de ruwste wijze te dooden, maar toch vermocht hij niet zich, door zijne partij alleen, als koning te handhaven. Echter koning willende blijven, zag hij er niet tegen op tegen een deel van zijn eigen volk de hulp van Assyrië's koning in te roepend), die met zijn zegevierend leger reeds dicht aan de grenzen van het tienstammenrijk was genaderd. En of dit nu

а) 2 Kon. 15: 8, 10. Evvald's meening, als zou door de woorden dy-3p een vorst van dien naam worden aangeduid, stuit op de eenvoudige en passende vertaling der woorden „voor het volk,quot; d. i. in 't openbaar, af, eene tegenstelling met dat tal van moorden die in 't geheim plaats vonden en gevonden hadden.

б) 2 Kon. 15: 13.

c) 2 Kon. 15: 16. Thirza was de oude residentie der eerste koningen van Israël, 1 Kon. 14: 17; 15: 21 in het gebied van Manasse gelegen.

d) 2 Kon. 15: ig1», om zijn koninkrijk in zijne hand te sterken. Zie Kuenen, Hist. crit. Ond. 2e dl. blz. 314 onder 8.

14

ocr page 27

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID. 15

al eene belasting van ruim 4 millioen gulden noodzakelijk maakte, en daarmede de eerste stap op den weg der vernietiging van Israel's volksbestaan werd gedaan, daarom bekommerde een man als Menahem zich weinig. Na tien jaren bij de gunst van Assyrie's koning te hebben geregeerd 10), werd hij door zijn zoon Pekahia opgevolgd, die evenwel na twee jaren dooide hand van zijn hoofdman Pekah, den zoon van Remalia viel a). Onder dezen vorst barstte de onzalige krijg tusschen de twee broederrijken, Israël en Juda uit, die den val van het tienstammenrijk zou verhaasten b). Treurig tooneel, wat ons het Israel van die dagen te aanschouwen geeft! Hoe welig was het onkruid opgewassen, van hetwelk de zaden in Jerobeam's dagen waren uitgestrooid! Geweld en moord aan de orde, helsche list en verraad werkelijk geene uitzonderingen meer, de oude kracht verlamd, de zegen verdwenen, de krachtige held van weleer als een gekromde grijsaard, die het hoofd naar de aarde buigt.

Straks hebben wij gezien, dat de toestand van Israël verergerd was, doordien ook profeten en priesters in het algemeen bederf deelden. O! had de zuivere Jehovavereering onder hen in die dagen nog vele wakkere voorstanders gehad, hoeveel ware voorkomen geworden! Maar zij allen deden bijna met den volksgodsdienst dier dagen mede, ja steunden dien, hoezeer deze ook het echt Jehovistische kenmerk miste en het karakter van natuurdienst droeg. Daarbij toch was van demoedige onderworpenheid aan, een stil vertrouwen op, een geestelijk ijveren voor Israel's God geen sprake, maar van een' eeredienst, door

a) 2 Kon. 15: 22 , 25. 2 Kon. 15: 37; 16: 5.

ocr page 28

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

welken Israel gevaar liep, zich te dezen opzichte op ééne lijn met de Kanaanieten te plaatsen. Binnen en buiten de steden bevondt zich namelijk tal van hoogten of verhevenheden d), uit verschillende bestanddeelen als aarde, steen en hout b), opgebouwd en meer of minder versierd c). Op verschillende dier hoogten waren huizen of tempels opgericht^), in welke priesters dienst deden. Buiten die hoogten strekten de toppen der heuvelen en bergen en de grond onder verschillende hooge boomen tot plaatsen van vereering van verschillende goden e). Van verschillende goden zeggen wij met nadruk, want nevens Jehova, die immer wel als volksgod een eerste plaats innam, werden vooral Baal en Aschera, soms ook Kamos en Molech, Astoreth en Milchom vereerd. Welke van deze goden men op bepaalde tijden het meest vereerde hing veel af van de bijzondere verstandhouding , in welke men tot het volk, wiens godheid het was, stond /). Werden toch de goden van vijandelijke volken als vijanden geacht, aan die van bevriende stammen werd gemakkelijk eene plaats ingeruimd. Vooral echter trok de dienst van den Kanaanietischen Baal en van Aschera het volk altoos zeer aan 20). Baal was de naam van den hoogsten, den zonnegod of liever aanduiding der mannelijke godheid in het algemeen. Bij de Kanaanieten was hij, verbonden met Aschera, het bevruchtende en scheppende, Aschera het ontvangende en voortbren-

a) i Kon. 13: 32; 2 Kon. 17: 9; 2 Chron. 21: 11; Sam. 10; 25.

tgt;) 1 Kon. 14: 23; 2 Kon. 23: 15.

c) Ezech 16: 16.

d) 1 Kon. 12: 31; 2 Kon. 17: 29, 32.

e) Deut. 12: 2; 1 Kon. 14: 23; 2 Chron. 28: 4; Jer. 2: 20; 17: 2.

ƒ) Zoo in Salomo's dagen 1 Kon. 11: 7, 2 Kon. 23; 13; en in Achab's tijd 1 Kon. 16: 31 vv.

i6

ocr page 29

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

gende beginsel terwijl beide wederom als ééne man-vrouwelijke godheid werden zamengevat. Naar zijn wezen werd hij in verschillende gestalten onderscheiden 2I). Zoo had men den Palraen-Baal d), den vliegen werenden Baal b), den geluk aanbren-genden Baal c). Op verschillende plaatsen werden deze alle op verschillende wijze vereerd. Over 't algemeen droeg zijn dienst een wellustig karakter, vroolijke maaltijden en drinkgelagen werden in zijne tempels en in die van Aschera gevierd d); bij beider vereering werd door de zoogenaamde kedeschim en kede-schoth, hun toegewijde personen van het mannelijk en vrouwelijk geslacht, ontucht bedreven; dieren en reukwerk dienden tot offergaven , hunne beelden van hout en steen, misschien ook van goud vervaardigd, of althans daarmede versierd e), op natuurlijke of aangelegde hoogten geplaatst, werden tot teeken van warme vereering gekust. De Israëlieten door Mozes aangevuurd tot een dienst van Jehova, waarbij men zich Hem allereerst als grondslag der zedelijke wereldorde dacht en dien mensch het meest van zijn gunst verzekerd achtte, die zedelijk wilde leven, gelijk Hij zelf zedelijk was van aard, leerden in Kanaan dien godsdienst, die juist een tegenovergesteld karakter bezat, waarvan natuurdienst het grondkenmerk was en wiens opperste godheid, geheel het karakter van een natuurgod droeg. Die dienst was ontegenzeggelijk aantrekkelijk voor het vleesch en moest de groote

a) Baal-Thamar, Richt. 20: 33.

b) Baal-Zebub 2 Kon. 1: 2.

c) Baal-Gad Joz. 11: 17; 12: 7; 13: 5.

d) Richt. 9: 27, vgl. Amos 2: 8. Kuenen, Godsd. v. Isr. dl. blz. 300.

é) Hos. 2: 10 St. vs. 7 quot;rncy in den zin van; tot iets aanwenden, voor iets gebruiken Exod. 27: 3; 2 Chron. 24: 7. Dat beelden wel met goud en zilver werden overtrokken bewijst Jes. 30: 28.

17

ocr page 30

l8 DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

menigte meer toelachen dan de echte Jehovavereering, wier doel ingetogenheid, ontwikkeling van het waarachtig geestelijk leven was. De strijd in den boezem van Israel van dat oogenblik af aan tusschen Jehova en Baal gestreden, was dus een strijd tusschen een godsdienst, die den mensch boven het stoffelijke leven verheffen wilde en een, die hem in het stoffelijke leven wilde doen opgaan, in één woord een strijd tusschen geest en natuur. Het noodlottigste in dien kamp echter was, dat men niet alleen steeds meer ten gunste van Baal zich begon te neigen, maar Jehova zelf tot den lagen rang van een Baal deed afdalen, in schijn Jehovavereerder bleef, in waarheid den Kanaanietischen eeredienst volgde. Was toch Baal de benaming van den hoogsten god als grondslag der natuurorde gedacht, een natuurgod in den volstrekten zin van het woord, ook Jehova begon men zich allereerst, ja uitsluitend als zoodanig te denken. Kreeg zijn eeredienst daardoor geheel het karakter van dien van Baal, de eigenaardigheid in de betrekking van Jehova en Israël, het besef van Israel's roeping als van zedelijk-godsdien-stigen aard, moest daardoor te loor gaan. De meeste hoogten, van welke straks is gewaagd, verrezen dan ook voor Jehova. Hier stonden de jonge stieren, die Jehova afbeelden moesten a), daar waren de zuilen, die bij den Basisdienst behoorden 22), ginds de boomstammen, die het symbool van Ashera ^23) waren, te zien; ja alle drie werden zij vaak op ééne hoogte in één tempel gevonden en, als behoorden zij bijeen, te zamen vereerd Feitelijk was dus de meerderheid, al bekleedde Jehova den eersten rang en al werd op de hoogten en onder het geboomte

a) i Kon. 12: 29.

ocr page 31

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

vooral te zijner eere gerookt, polytheïst geworden — en bleef er ook een kern, die de aanbidding van den geestelijken Jehova in geest en waarheid niet vergat, bij de menigte was de Jehovavereering samengesmolten met, ja opgegaan in den dienst van andere goden en een noodlottig syncretisme ontstaan.

Ook in het tweestammenrijk was te dezen opzichte de toestand niet gunstig te noemen. Wel had de echte dienst van Jehova aldaar in Jeruzalem's tempel een grooten steun, omdat Jehova daarin niet afgebeeld was, maar als een geestelijk wezen werd vereerd, maar toch ook daar werden de Baal's en Aschera's, Matseba's en Chemarim in grooten getale gevonden a). Over Juda klaagt Jesaja later als het land, dat vol afgodsbeelden is^); van Salomo's dagen tot die van Josia toe bestonden daar de hoogten voor Astoreth, Kamos en Milchom c): Juda neemt aan den ontuchtigen eeredienst deel en knielt voor een kopergod, eerst door Hizkia verbrijzeld d). En al steunde dan ook een vorst als Uzzia, onder wien Juda zich herstellen ging van de nederlagen en verliezen ten tijde van Amazia geleden, persoonlijk de ware Godsvereering e), waarom betergezinden voornamelijk veel van hem verwachtten; uit de schilderij door Jesaja en Micha ons van het kleine twee-stammenrijk opgehangen, blijkt, dat de godsdienstige toestand in beide rijken over 't algemeen dezelfde was.

Is het wonder, dat een man, die, met een hart brandende

a) 2 Kon. 23: 5 vv.

b) Jes. 2: 8.

c) 2 Kon. 23: 13.

d) 2 Kon. 18: 4.

é) 2 Kon. 15: 3; 2 Chron. 26: 4 vv. x

19

ocr page 32

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

20

van liefde en eerbied voor Jehova, van heilige verontwaardiging trilt bij de gedachte hoe smadelijk zijn volk dien God bejegent, van Wien het zooveel zegening had ondervonden; dat een man, die gloeiende van liefde voor zijn volk, met diepe smart is vervuld over het lot, hetwelk een volk, dat aldus handelt, wacht, eindelijk zijne stem tot redding zijns volks verheft? In één woord is het wonder dat, in zulk een maatschappij iemand zich geroepen ziet tot profeet?

ocr page 33

Zijne persoonlijkheid en zijne roeping.

ii.

Het was een algemeen bekende naam, welken onze profeet droeg. In de Schriften des O. V. alleen wordt behalve hem nog een viertal Hosea's ') vermeld. De opvolger van Mozes heette aldus, voordat hij den naam van Jozua ontving a): in David's dagen draagt een vorst over den stam Ephralm dien naam b): de laatste van Israel's koningen is een Hosea c) en onder de hoofden van het volk ten tijde van Nehemia wordt er één alzoo genoemd d). Het woord beteekent „hulpquot; „verlossingquot; een naam dus eigenaardig toepasselijk voor den profeet, die tot redding zijns volks zijne stem verhief en dan ook niet nalaat een enkele maal hierop te zinspelen e). Hij was de zoon van Beêri, d. i. „van een bronquot; 2), dezelfde naam dien de vader van Ezau's vrouw Judith /) eens droeg. Van dien Beëri, Hosea's vader weten wij niets. Wel hebben de

a) Num. 13:8, 16. Deut. 32: 44.

b) 1 Chron. 27: 20.

c) 2 Kon. 15: 30; 17: 1, 3, 4, 6; 18: 1, 9, 10.

d) Neh. 10: 23.

e) Cap. 1: 7.

/) Gen. 26; 34.

ocr page 34

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

22

Rabbijnen hem vereenzelvigd met Beëra a), den vorst der Rubenieten, die door Tiglath-Pileser gevankelijk weggevoerd werd, maar zoowel het verschil in beider namen als de onwaarschijnlijkheid , ja de onmogelijkheid, dat deze Beeri de wegvoering zou hebben overleefd, ontnemen aan deze gissing eiken grond. Evenmin gerechtvaardigd is het gevoelen, dat deze Beêri profeet is geweest naar den Joodschen, doch door niets gewettigden, regel, dat, wanneer aan het begin eener profetie de naam van den vader des profeten wordt vermeld, deze ook moet geacht worden profeet te zijn geweest. Zij waren burgers van het tienstammenrijk; in het noorden van dit land heeft Hosea in den regel gewoond. AVordt zulks toch reeds waarschijnlijk door de herhaaldelijke vermelding van plaatsen in het noordelijk rijk gelegen :'), de beschrijving van het gebeurde te Gilead en Sichem als van een ooggetuige iï), de uitdrukking ,,onze koningquot; c) voor dien van Israël en ,,het landquot; d) voor Noord-Israel; het wordt zekerheid, door de diepe meewarigheid, die hij juist met Israël gevoelt, en het droevige isolement, dat hij juist in die bedorven maatschappij kent 4). Slechts zijdelings vestigt hij nu en dan naar Juda het oog e), dat hem eerst zooveel beter scheen dan zijn eigen land, maar aan welks bestaan van lieverlede ook een worm dieper bleek te knagen, aan hetwelk daarom vroeger een zegen, straks een zelfde oordeel als over het andere rijk verkondigd wordt. Of echter de profeet ook zelfs nog niet naar dit Juda heeft moeten vluchten en, van wege de vijandelijkheden zijner medeburgers, niet immer

a) i Chron. 5:6, vgl. 7: 37. d) 6: 8, 9. c) 7 '• 5gt; d) 1: 2. e) 1: 7, 11; 4: 15; 5: 5, 10, 12, 13, 14; 6: 11; 10: 11; 12: i, 3.

ocr page 35

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 23

in het land, aan hetwelk zijn hart zoozeer gehecht was, kon blijven, wie zal het zeggen 3)? Zijn veranderde meening omtrent Juda heeft eer haar grond in Juda's wezentlijken achteruitgang, dan in eene meer juiste kennisname van zijn innerlijken toestand : daarom dus alleen zou zulks niet aan te nemen zijn; maar aan de andere zijde betwist ik althans de mogelijkheid niet, dat hij in Benjamin's grondgebied te Rama en Gibea n), ja in Juda zelf zijne waarschuwende stem liet hooren; hij, de man, die spreken moest, waar zijn hart hem drong.

In zijn geschrift vind ik echter geen grond hem te houden voor een priester profeet ') of een profeet uit de profetenscholen voortgekomen. Dat Hosea meer dan eenig ander profeet de priesters in het oog vat, kan evenmin als bewijs dienen voor de stelling dat hij priester geweest is, als het feit dat het ophouden der offers voor hem als strenge straf geldt. De drie machten in Israël, die van koning, priester en profeet ze worden toch alle door hem gegeeseld, de eerste zelfs nog meer dan de tweede, terwijl het ophouden der offers niet daarom als zulk een zware straf door hem wordt beschouwd, omdat hij als priester daarop was gesteld, maar alleen omdat het volk, 't wrelk in den uit-wendigen eeredienst opgaat, alles meent te zullen hebben verloren , zoo het alles wat daarop betrekking heeft, mist. Bovendien acht ik het zeer onwaarschijnlijk, dat Hosea in zijn land, waar alleen priesters voor de zinnelijke Jehovavereering werden gevonden, onder de gedaante van den jongen stier, aan zulk een priesterschap eerst zou deelgenomen en naderhand zich daartegen gekeerd zou hebben. Niets spreekt voor die omkeering. En wanneer wij van Amos vernemen, dat deze er zich op beroept niet te zijn uit een profetenschool, wanneer wij Hosea de profeten in 't algemeen, in het oordeel zien omvatten, en

ocr page 36

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

wij hem zich in lijnrechte oppositie tegen al de leiders van zijn volk zien stellen, dan ligt de slotsom voor de hand dat wij in hem evenmin een leerling hebben te zien, in de scholen der profeten gevormd; maar een man, zelfstandig gevormd en opgetreden, omdat hij gevoelde dat de nood hem was opgelegd.

Van het bijzonder leven des profeten is ons niets bekend a). Wel laat zijn geschrift de vijandschap doorschemeren b), die hij van zijne tijdgenooten ondervond en staat hij daar voor ons, als de man, wiens hart breekt onder wat hij om zich henen ziet en wiens smart over den moedwilligen ondergang van het volk aan hetwelk hij zich zoo innig verbonden weet, onpeilbaar is, maar bijzonderheden ontbreken geheel. Wat de overlevering toch aangaande hem bericht is onzeker n). Bericht zij ons, dat Hosea de profeet uit Beëlmoth, uit den stam Isachar was, stierf en in zijn land in vrede werd begraven, het feit dat ook Belemoth of Belemon 9) als de plaats zijner geboorte voorkomt en de ligging van Beëlmoth in Ruben of Isachar geheel onzeker is, doet ons, althans wat het eerste deel dier overlevering betreft, in groote onzekerheid verkeeren. Niet minder echter is dit met het laatste deel het geval. Tegenover de traditie, dat hij rustig in zijn vaderland stierf, staat eene andere, die onder de bewoners van Thessalonica langen tijd voortleefde. Volgens deze zou hij in Babyion gestorven zijn, maar voor zijn dood het bevel hebben gegeven, hem in het land van Israël te begraven. Daar dit evenwel van wege den verren afstand niet doenlijk was, zou men zijn stoffelijk overschot in

a) Later leg ik de redenen bloot, waarom ik oordeel dat in Cap. i en 3 geen stuk van Hosea's geschiedenis is te vinden.

b) Cap. 9: 8.

24

ocr page 37

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

een kist op een kameel gebonden en dezen daarop losgelaten hebben, opdat, waar deze zich neerleggen, ook het lijk van den profeet rusten zou. Het dier zou zijn last zonder ophouden voortgaande, tot nabij het stadje Tsapheth in het noordelijk gedeelte van Galilea gedragen hebben, waar de bewoners, na uit het opschrift der kist aangaande haren inhoud te zijn in kennis gesteld, het met eere zouden hebben ter aarde besteld. Hiertegenover staat weder eene overlevering der Arabieren, dat in Almenia, nabij Tripolis, zijne begraafplaats zou zijn, waarom ook nog heden ten dage op de plaats van het oude Ramath-Gilead in het Oost-Jordaansche eene prachtige graftombe ter eere van den profeet wordt getoond. Gelijk van zoo menig profeet, zoo schuilt ook helaas! het leven van Hosea voor ons geheel in het duister.

Maar weten wij van het léven van den profeet weinig, des te beter worden wij door zijn geschrift omtrent zijne persoonlijkheid ingelicht. Indien toch één profetisch geschrift dan is het zijne geschikt deze ons te leeren kennen; zoowel in den inhoud als in den vorm drukte zich zijn beeld duidelijk af, treedt dit ons helder voor den geest. In wat hij schreef, heeft hij zichzelven gegeven en bij den eersten oogopslag blijkt het reeds, dat wij hier met een diepvoelend man, eene licht ontvlambare ziel, een teerhartig gemoed hebben te doen, met een man, voor wien het eene levensbehoefte is zich te geven en, die dan ook ganschelijk leeft, voor wien hij zich geeft. Vast staande in het geloof in den God der vaderen, die Israël zooveel genade heeft betoond en nu ook op eene wijze, met Zijn wezen in overeenstemmig, vereerd worden wil, is zijne eigenaardige natuur als de vleugelslag, door welken zijn gemoed steeds dichter nabij God wordt gevoerd; noopt hem zijn

25

ocr page 38

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

26

ontwikkeld gemoedsleven tot eene steeds nauwere aansluiting aan God. En hoe meer vreemdeling hij zich gaat gevoelen te midden van zijn volk, dat zulke gansch tegenovergestelde neigingen heeft en zoo gansch andere wegen bewandelt; hoe meer hij zich in zijne liefde tot dat volk teleurgesteld ziet, des te nauwer wordt de band met welken hij aan zijn Jehova verbonden is en des te vuriger wordt zijn strijd voor Jehova. Vandaar dan ook die voortdurende zekerheid, dat wat hij spreekt, Jehova's woorden zijn, vandaar eene vereenzelviging van zichzelven en Jehova in zijne profetie, als bij geen enkel profeet in zoo sterke mate wordt gevonden, vandaar het hoogst zeldzame „Jehova spreektquot; en het goddelijk Ik zonder meer gedurig sprekend ingevoerd! Vandaar dat de uitleggers van zijn geschrift somwijlen twisten of Jehova of hij zelf spreekt a). Hij is ziener in den engen zin des woords. Zijn geschrift bevat dan ook weinig vermaningen van zijne zijde, maar is eer één doorloopend getuigenis Gods. Het specifiek religieuse treedt er daarom op den voorgrond, het ethische op den achtergrond.

Is dat intieme leven van den profeet met Jehova het bewijs van zijne diep voelende natuur, zijn zich gevend en tegelijk ontvangbaar gemoed, niet minder blijken deze laatste uit de gestadige afwisselingen, de geweldige overgangen, de schrille tegenstellingen van toorn en liefde die zijne profetie een geheel eigenaardige kleur geven. Gelijk de Johannes des Nieuwen Verbonds met een Johannes gemoed een Boanerges natuur openbaarde, zoo is het ook met den Johannes des Ouden Verbonds, den profeet der liefde. Zoo sterk is het gemoedsleven bij deze profeet ontwikkeld, dat wij bij hem nooit een

a) 2: 4 vv.

ocr page 39

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 27

scherp betoog of geleidelijke ontwikkeling van gedachten aantreffen : ja hij eer de band van het logisch redeneerend verstand wegwerpt, als zijn gemoed vol is en hij in de oogenblikken van den hoogsten Pathos zich evenmin aan de eischen der taal, als aan die der logica gebonden gevoelt. Wie dan ook bij Hosea eene theologie in den engeren zin des woords of stof voor zijne dogmatiek gaat zoeken, zal een schralen oogst binnenhalen. Hij was ook de man niet, deze te geven. Hij was een man van den hartstocht, gesteld in den dienst van het Hoogste a). Bij het licht Gods, dat schijnt in zijn binnenste, ziet hij Israel's zonde: daarbij gevoelt hij levendig wat God voor dat volk was, dat aldus handelt. Zijn hart begint te koken van heilige verontwaardiging en in dien heiligen toorn ervaart hij iets van het ontzettend misnoegen van God, wien dit alles persoonlijk betrof, en in ontzettende taal verkondigt hij zijne tijdgenooten dan het oordeel, dat hen wacht. Maar hoe de profeet ook ijst van des volks zonden, het loslaten kan hij niet; hij moet het, zoo hij het eenigszins kan, redden van den afgrond; maar overwint zijne liefde zijn toorn, kan God dan laten varen, wat het werk Zijner handen is, en moet Zijne allesbeheerschende liefde niet Zijn toorn bedwingen, ja de kastijding zelfs besturen? En dan predikt hij op aandoenlijke wijze in echt evangelischen zin weder de liefde van God. Zijn hart zal op het eene oogen-blik u van zijn onstuimigheid doen terugdeinzen en in een anderen stond de teederste snaren in uw binnenste raken; dat hart zal nu eens van toorn branden, dan weder in liefde ontgloeien, dat hart is nu eens gelijk aan den waterstroom, die schuimend en bruisend uit de hoogte over alles, wat hem in zijn vaart trachtte

a) Zie daarvan een sterk sprekend voorbeeld in 9: 14.

ocr page 40

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

28

te keeren, in de diepte stort in), dan weder aan een rustige weide boven welke een rustige blauwe hemel zich welft. Die afwisselingen volgen elkander zoo snel op 1') dat wij gedurig den indruk bekomen: hier hebben wij met een man van diepe indrukken, van een levendigen aard, van een teeder gevoel te doen.

Datzelfde blijkt uit de algeheele toewijding aan de belangen van zijn volk, aan hetwelk hij zich met al de aanhankelijkheid zijns harten verbonden weet. Al gevoelt hij zich een vreemdeling te midden zijner natie, al moet hij de bitterheid zijner hem vijandige tijdgenooten verdragen a), hij denkt er echter niet aan, zijn land te verlaten '-) en elders als profeet op te treden, waar hij wellicht beter bejegening ondervinden zou. Hij blijft in het midden van zijn volk lijden om zijns volks wil. Hij blijft de trouwe Wachter van Israel, wiens lot en leven met dat van het tienstammenrijk op het nauwst verbonden is. En dat doet hij, omdat zijne ziel van teedere liefde voor dat volk blaakt. Zoo staat zijne persoonlijkheid ons voor oogen, als een vurig, licht opvlammend, in diepe geestdrift blakend gemoed; een natuur, die, bij uitnemendheid receptief, voor de hoogste indrukken bovenal vatbaar is; een aard, die behoefte gevoelt zich te geven en die uitsluitend leeft voor Hem, aan wien hij zich geeft; zoo is hij een individu, die zich de tegenstellingen des levens in zijn scherpste klaarheid voor oogen stelt. Neen! het beeld der bleeke sentimentaliteit is hij evenmin als dat der schelle heftigheid, de gelijkenis der teedere maagd vertoont hij evenmin als die van den ruwen krijgsknecht, een held is hij, in de ware beteekenis; een held, die als een kind kan weenen, maar die strijdt als een man als het moet,

a) g: S.

ocr page 41

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 29

en die zich met opoffering van alles slechts in dat ééne verliest, het belang van zijn Koning en zijn Vaderland.

Deze man des gemoeds was tevens een man met een rijken geest. Zijn scheppend genie openbaart zich zoowel in den inhoud als in den vorm van zijn geschrift. Hij was de eerste, die de verhouding van Jehova tot Israël als die van man en vrouw, bruidegom en bruid, in de bekende allegorie heeft uitgewerkt. Bovenal heerlijk is dit bij een profeet, die zoo diepen indruk van Gods heiligen toorn over de zonde en van de eischen Zijner gerechtigheid bekomen had. Hoe ontzettend toch de straffen waren, die over Israël zouden komen, de zekerheid dat God's hernieuwd liefdebetoon en Israel's eindelijke verlossing het slot van alles zouden zijn, geraakte geen oogenblik aan het wankelen. En om deze idee bloot te leggen, koos hij het schoone beeld der innige betrekking van man en vrouw, welke ons in den vorm van allegorien (Cap. 1 en 3) is bewaard. Die vorm is een vrije schepping zoo goed als de inhoud; beide zijn een waardige aanvang van het schoon geheel, dat ons vooral naar den vorm den rijk begaafden dichterprofeel doet kennen. Die geheele verdere voordracht gelijkt op een krans uit de menigvuldigste bloemen gevlochten: de eene bloem plukt hij en werpt hij weg om terstond weder eene andere te plukken; als eene bij vliegt hij van de eene naar de andere bloemknop om den honig uit de menigvuldigste sappen te zuigen, hij hecht in één woord voortdurend beelden aan beelden, vergelijkingen aan vergelijkingen 12). Israel is eene ontuchtige vrouw, eene halsstarrige koe a); een eenzame woudezel b), waar het hulp bij

a) 4; 16.

ö) 8; 9, d. i. een woudezel, die de plaats, waar de gansche troep rondzwerft, uit het oog verloren hebbende, huiverig rondzwerft.

ocr page 42

DE TIJD ZIJNER WERKZAAMHEID.

Assur zoekt; zijne liefde is als eene morgenwolk en een vroeg wegtrekkende dauw a). Daarom zal het wind gezaaid hebbende storm oogsten b), zijn als de kranke, die geene genezing vindt voor zijne kwaal c), als een koek, die niet is omgekeerd d), als een vat zonder schoonheid e), als een oud man wiens haar is vergrijsd /) en zal zijne heerlijkheid vervliegen als de schil van den dorschvloer en de rook uit den schoorsteen ^). Voor dat volk met zijne priesters die op eene straatbende gelijken /1), met zijnen koning, die als een afgehouwen tak zal zijn/'), met zijne vorsten, die gloeien als een oven/) is Jehova een leeuw, een panther, die het op zijnen weg beloert, eene beerin die van hare jongen beroofd is en verscheurt k). Zoo zal Efraïm de afgerichte koe, die er van hield te dorschen, omdat zij zich dan vrij kon bewegen, het juk over den hals krijgen en bereden worden, Juda ploegen en Jacob eggen/). Maar eindelijk als God's toorn is afgewend, zal Jehova als een bruidegom met Israël zich in ondertrouw begeven m), als een leeuw, vooruitgaande , het den weg banen«) en terwijl het Hem als een duif zal volgen o), zal Hij er een dauw voor zijn, en zal het bloeien als de lelie en zijn wortelen uitslaan als de Libanon p). Welk een schat van beelden! Het eene volgt het andere onmiddelijk op. Hosea is als de schilder, die bij het ontwerpen der schilderij slechts omtrekken schetst en zich geen

a) 6; 4. 6) 8:7. c) 5: 13.

7; 8, d. i. een koek, waaraan men derhalve niets heeft. Zoo is ook Efraim's beteekenis voor goed verdwenen. De uitdrukking correspondeert met vs. 9b gelijk vs. 8» met 9«.

«) 8 ; 8. /) 7: 9- g) I3: 3- h) 6: 9. i) 10; 7. 7) 7: 4 vv. k) I3: 7. 8- /) 16; 11. Wünsche t. p. m) 2: 21, 22. w) 11; 10. 0) 11: 11. /) 14; 6, 7, 8.

3°

ocr page 43

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

tijd gunt de kleuren er bij te doen. Voor hij het eene heeft uitgewerkt, volgt weder het andere l4). En al verhoogt dit niet altijd de schoonheid van zijn geschrift, het levert ons het bewijs van 's mans geestrijkheid. Hij is in één woord de rijk-begaafde dichterprofeet.

En die gemoedsman met zijn rijken geest is tegelijk iemand van uitgebreide kennis. De geschiedenis van Israel's verleden vindt in hem een degelijk beoefenaar en practisch verwerker; die van het heden staat hem in de kleinste bijzonderheden voor den geest.

Hij kent de zonden van Mizpa en Thabor a) even goed als die van Gilead en Gilgal, Rama en Gibea en is ingewijd in de plannen omtrent het vragen om hulp aan vreemde vorsten b). Hij weet wat er aan 's Konings hof geschiedt c) en verstaat de raadslagen der priesters, die niet het belang van Jehova maar dat van zichzelven zoeken d). Het bedrog in den handel is hem niet ontgaan e) en Israel's hoogmoed is voor hem geen geheim ƒ). Wat er voorvalt in de vier hoeken des rijks is hem even goed bekend als hij de overleggingen zijner tijdgenooten doorgrondt. Van het kleinste trekt hij partij voor

a) 5: i; 6: 8; 4; 15; s; 8. Mizpa in het oosten, Thalwr op de grenzen der stammen Isachar en Zebulon: dus het oostjordaansche en het westjordaansche. De naam Gilead komt misschien met uitzondering van Richt, 10; 17; 11: 1 nooit als stadsnaam voor. Het is steeds die van het gebergte op de noord- en zuidzijde van de Jabbok, in engeren zin het gebied van Ruben-Gad en het zuidelijk deel van Manasse. Hier is wellicht een ons onbekende stad van denzelfden naam in het gebergte bedoeld. Het „Gilgal,quot; waarvan hier gesproken wordt, is waarschijnlijk dat, hetwelk tusschen de Jordaan en Jericho ligt(1 Kon. 7: 16; 11; 14 enz.). Rama ligt noordelijk van Jeruzalem in de richting van Bethel; Gibea tusschen Rama en Jeruzalem.

i5) 7; 12. c) 7: 3 vv, rf) 4: 8, e) 12; 8. f) 5: 5.

31

ocr page 44

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

zijn doel. Helder is zijn oog, groot zijne kennis, frisch en rijk zijn geest, warm zijn hart en wat meer bij het lezen van zijn geschrift te bewonderen is, de beeldrijkheid van den vorm of de kernachtigheid van den inhoud, weten wij niet.

Zoo staat hijquot; dan voor wij als het beeld van den vromen Israëliet, den trouwen vereerder van Jehova, den teederen, diepgevoeligen mensch, den krachtigen Godsgezant. De Johannes liefde niet minder dan het Petrus vuur vervult zijne ziel; hij is de zoon des donders en de zoon des vredes. Op Jesaja gelijkt hij, waar hij als de adelaar stout naar omhoog zich verheft: veel heeft hij van Jeremia, als hij, den nachtegaal gelijk, zijne klaagzangen doet hooren. Een blik op zijn volk zou hem tot den sombersten pessimist hebben gemaakt: de blik op zijn God doet hem optimist blijven. Het liefst vergelijk ik hem bij de zee, die nu eens effen, dan onstuimig, immer den hemel weerkaatst.

Door de aandachtige beschouwing zijner persoonlijkheid is de beantwoording der vraag gemakkelijker gemaakt: wat is eigentlijk de oorzaak van Hosea's optreden als profeet geweest , van waar kwam de aandrang, door welken hij, die potentieel profeet was, als zoodanig zijne stem deed hooren? Gemakkelijker gemaakt, zeg ik met nadruk, omdat waar Amos ons bericht bij welke gelegenheid hij tot profeet werd geroepen en Jesaja ons het gezicht verhaalt aan hetwelk hij de bewustheid zijner profetische roeping ontleende, zoo Hosea ons wel nergens de eigentlijke oorzaak van zijn optreden mededeelt, maar juist zijne persoonlijkheid ons de juiste verklaring hiervan schenkt. Bij het licht der kennis Gods ziet hij Israel's zonden. Hij ziet den eeredienst, die den mensch moet opvoeren en ontvoeren aan de macht zijner lagere hartstochten

32

ocr page 45

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 33

in den dienst dier hartstochten gebruikt; priesters en profeten, die leidslieden des volks moeten wezen, dat volk verleiden; koning en vorsten, tot handhaving der theocratie geroepen , zwelgen en ten eenenmale hunne roeping verzaken; den geest der lichtzinnigheid steeds grooter omvang beschrijven en straks in de anarchiën de revolutie op den troon : en eindelijk op al die zonden het zegel gezet door het verkregen bondgenootschap met Assur en het gewenschte bondgenootschap met Egypte en daarmede de Jehovaverwerping ten -toppunt gestegen. Diepe verontwaardiging maakt zich bij den blik op dat alles van zijne ziel meester, want wat is Jehova niet geweest voor dat Israel, dat Hem aldus verguist? Maar toch ook diepe smart bij de gedachte wat er van zijn volk moet worden, dat nimmer straffeloos Gods's geboden kan overtreden. En waar beurtelings de toorn hem gloeien en de droefheid hem schreien doet, daar wordt hij tot spreken genoopt, verzekerd dat God's liefde zijn volk niet loslaat en eindelijke redding nog mogelijk is. Gevoelde het trouw en eerlijk gemoed van Thekoa's veehoeder Amos, in heilige verontwaardiging ontstoken over het onrecht, dat in Israël geschiedde, zich met kracht uit den Hooge aangegord, om Gods oordeelen daarover aan te zeggen; de onder de zonden zijns volks lijdende en van liefde tot hetzelve brandende ziel van Hosea moest zijn tijdgenooten den heiligen toorn en de onmetelijke liefde van Jehova prediken; zijn mond kon niet zwijgen waar zijn hart vol was, en door een heilige vocatie, trad hij als profeet op. Niet eerst behoefde eene goddelijke leiding in zijn huiselijk leven hem wakker te schudden uit .zijn slaap en de profeet in hem te doen geboren worden. Evenzeer als Amos achter zijne kudde zich eensklaps

wist aangegrepen door een Hoogeren drang tot profeteeren,

3

ocr page 46

34 ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

evenzeer gevoelde Hosea, te midden van zijn volk levend, de behoefte om te getuigen, ontwaken; zelden deed dan ook een profeet zich hooren, nadat hij door de geschiedenis of de ervaring van zijn leven tot de ontdekking van het een of ander was geleid. Neen, het geestelijk inzicht in wat Jehova gevoelen moest aangaande Israel's toestand, die door Hosea met geestelijke oogen was onderzocht en gekend werd; het levendig besef, door de gemeenschap met Jehova, van Gods misnoegen over de zonden des volks en van Gods liefde voor datzelfde volk; de heilige overtuiging „zoo moet Jehova zich openbarenquot; deed hem door liefde tot zijn volk gedreven, optreden als profeet. Met zijn God verbonden en Zijne Raadslagen kennende, moet hij deze openbaren aan zijn volk, opdat het de oude paden vaarwel zeggen mocht.

Wat zijn innige godsvrucht hem had geleerd, namelijk, dat Gods gerechtigheid een gericht over Israël noodzakelijk maakte, maar ook dat God's liefde in die kastijding Israel's redding bedoelde, dat moest dat volk hetwelk hij zoo vurig beminde, weten! Hij kan er niet langer van zwijgen en treedt op als profeet. Is het ook niet waarschijnlijker dat een man, zoo uitmuntend door oorspronkelijkheid, frischheid van geest, stoutheid van vlucht, uit eigen beweging in Gods kracht is opgestaan, dan dat hem van lieverlede door huiselijke omstandigheden de oogen voor den last des Heeren zouden zijn ontsloten geworden ? Is het niet begrijpelijk, dat hij, de dichterprofeet zijn beeldrijk geschrift met eene aangrijpende allegorie aanvangt, als om zijne lezers terstond van de dringende noodzakelijkheid van zijn optreden te verzekeren? Maar, zoo roepen ons de voorT standers van het bestreden gevoelen toe, de eerste hoofdstukken van Hosea's profetie laten zich niet anders verklaren dan als

ocr page 47

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

de afdruk eeuer historische werkelijkheid en aangezien de profeet ze uitdrukkelijk aanvangt met de woorden „Het begin van het woord des Heeren door Hoseaquot; is het duidelijk, dat in die geschiedenissen de oorzaak tot zijn profetisch optreden ligt. Voorzeker; is het eerste waar, dan ook het laatste: zijn die verhalen een stuk geschiedenis van Hosea's leven, dan ligt in hen de oorzaak van zijn optreden als profeet. Maar zijn die Cap. i en 3, afdruk eener historische werkelijkheid? ziedaar de vraag, waarop het hier uitsluitend aankomt.

De stukken die deze vraag betreffen, luiden:

In het begin, toen Jehova met Hosea sprak, zeide Jehova tot Hosea: „ga, neem u eene vrouw van hoererijen en kinderen van hoererijen, want het land hoereert geheel van achter Jehovaquot;. En hij ging en nam Gomer, de dochter van Diblaïm en zij werd zwanger en baarde hem een zoon. En Jehova sprak tot hem: „Noem zijn naam Jezreel want nog weinig tijds, zoo bezoek ik de bloedschuld van Jezreel aan het huis van Jehu en maak ik een einde aan het koninkrijk van het huis Israel's. En te dien dage geschiedt het dat ik den boog van Israel in het dal Jezreël verbreekquot;. En zij werd wederom zwanger en baarde eene dochter en Hij sprak tot hem: „Noem haren naam „«Niet-begenadigde»quot;, want Ik zal niet langer Mijne genade aan het huis Israel's betoonen, dat ik hen vergeef. Aan het huis van Juda echter zal Ik mijne genade bewijzen en hen helpen door Jehova hun God en Ik zal hen niet helpen door boog en door zwaard en door oorlog en door ruiterij.quot; En zij speende de „niet-begenadigdequot; en werd zwanger en baarde een zoon. En hij sprak: „Noem zijn naam „Niet-mijn-volkquot; want gij zijt mijn volk niet en ik zal de uwe niet zijnquot;.

En Cap. 3. En Jehova sprak tot mij: „ga nogmaals en

35

ocr page 48

36 ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

bemin eene vrouw, die bemind is door een minnaar en overspel bedrijft gelijk Jehova de kinderen Israel's bemint en zij wenden zich tot andere goden en beminnen druivenkoeken.quot; En ik kocht haar mij voor 15 zilverlingen en een chomer gerst en een letech gerst. En ik zeide tot haar: „vele dagen zult gij nu voor mij nederzitten, gij zult niet hoereeren en geen man toebehooren en zoo (zal) ik ook (zijn) tegenover u.quot;

Reeds terstond moet het onze aandacht treffen hoe groot verschil er tusschen de voorstanders van de historische werkelijkheid bestaat 10). Allereerst vermelden wij het gevoelen, volgens hetwelk het „Jehova zeidequot; in letterlijken zin moet genomen worden 17) en Hosea op last des Heeren eene ontuchtige vrouw, met kinderen in hoererij geboren, gehuwd heeft. Door die verbintenis moest de betrekking van Jehova tot het afgodische Israël worden afgebeeld. Onzedelijks bevatte die keuze niets, want het doel van het sluiten van dien band met die vrouw was hare bekeering, even als Jehova bij de keuze van het huis van Jehu , Israël als eene ontuchtige vrouw met kinderen in de hoop op zijne verbetering tot zich genomen had. Zelf verwekt de profeet bij die vrouw 3 kinderen, wier onheilspellende namen de voorboden der aanstaande gerichten over het volk van Israël en- die zelf de straffende getuigen tegen het ontuchtige drijven der moeder zijn. Want de vrouw, door hem gehuwd , valt in haar zondige leven van vroeger terug, verlaat haren gemaal, maar geraakt in zoodanigen nood en ellende, dat zij zelfs onder de meest vernederende voorwaarden bereid is weder te keeren. Haar echtgenoot neemt haar terug, verzorgt haar, maar houdt haar onder strenge tucht, opdat zij tot beterschap moge geraken; ook hierin het beeld van Israël, dat om zijn zonden een tijd lang van al de

ocr page 49

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

middelen om zijn godsdienst uit te oefenen zal beroofd en door Jehova verworpen zal zijn, alleen om het wel door gestrengheid, maar toch eigentlijk uit liefde getrouwheid te leeren d).

Nauw aan dit gevoelen grenst dat 18), krachtens hetwelk de profeet de verhouding des Heeren tot Israel van de wetgeving tot het einde in twee huwelijken voorstellen moet. Eerst moet hij eene ontuchtige vrouw met ontuchtige kinderen huwen, gelijk zich de Heer tot Israël, dat in Egypte afgoderij bedreef, door de wet in betrekking stelde. Bij anticipatie wordt door de namen der kinderen het lot van Israël voorgesteld. Want dat Israël zulk een lot verdient, wordt eerst in het tweede huwelijk Cap. 3 (want vrouw en kinderen zijn één in de symboliek) vermeld. In het eerste wordt Gomer noch haren kinderen iets ten laste gelegd. In het tweede wordt in hetgeen met de vrouw geschiedt, de bondsbreuk van Israël en de straf tot tuchtiging en betering uitdrukkelijk uitgesproken. De eerste vrouw is getrouw, het beeld der heilige rest, die den Heer getrouw blijft; de andere is het beeld van dat deel, 't welk de afgoden dient.

37

Daarnaast staat een ander gevolen, hetwelk met groot talent door verschillende bekende geleerden uiteengezet en verdedigd is l0). Hosea zal er door de goddelijke Voorzienigheid toegebracht zijn, Gomer te huwen, die eene trouwelooze bleek, de

a) In hoofdzaak komt met deze verklaring die overeen, welke door E. Böhl •;(Christ. des O. V. blz. 173 vv.) is voorgestaan. Het „Jehova zeidequot; neemt hij in denzelfden zin, maar de kinderen van hoererijen beschouwt hij als na het ■huwelijk geboren en in Cap. 3 den man als weduwnaar latende optreden, laat hij dezen met een ander huwen, die van haren man weggeloopen, en der armoede prijsgegeven, door hem opgenomen en tot haar beterschap getuch-iigd wordt.

ocr page 50

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

bemin eene vrouw, die bemind is door een minnaar en overspel bedrijft gelijk Jehova de kinderen Israel's bemint en zij wenden zich tot andere goden en beminnen druivenkoeken.quot; En ik kocht haar mij voor 15 zilverlingen en een chomer gerst en een letech gerst. En ik zeide tot haar: „vele dagen zult gij nu voor mij nederzitten, gij zult niet hoereeren en geen man toebehooren en zoo (zal) ik ook (zijn) tegenover u.quot;

Reeds terstond moet het onze aandacht treffen hoe groot verschil er tusschen de voorstanders van de historische werkelijkheid bestaat 10). Allereerst vermelden wij het gevoelen, volgens hetwelk het „Jehova zeidequot; in letterlijken zin moet genomen worden n) en Hosea op last des Heeren eene ontuchtige vrouw, met kinderen in hoererij geboren, gehuwd heeft. Door die verbintenis moest de betrekking van Jehova tot het afgodische Israël worden afgebeeld. Onzedelijks bevatte die keuze niets, want het doel van het sluiten van dien band met die vrouw was hare bekeering, even als Jehova bij de keuze van het huis van Jehu , Israël als eene ontuchtige vrouw met kinderen in de hoop op zijne verbetering tot zich genomen had. Zelf verwekt de profeet bij die vrouw 3 kinderen, wier onheilspellende namen de voorboden der aanstaande gerichten over het volk van Israël en die zelf de straffende getuigen tegen het ontuchtige drijven der moeder zijn. Want de vrouw, door hem gehuwd , valt in haar zondige leven van vroeger terug, verlaat haren gemaal, maar geraakt in zoodanigen nood en ellende, dat zij zelfs onder de meest vernederende voorwaarden bereid is weder te keeren. Haar echtgenoot neemt haar terug, verzorgt haar, maar houdt haar onder strenge tucht, opdat zij tot beterschap moge geraken; ook hierin het beeld van Israël, dat om zijn zonden een tijd lang van al de

36

ocr page 51

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 37

middelen om zijn godsdienst uit te oefenen zal beroofd en door Jehova verworpen zal zijn, alleen om het wel door gestrengheid, maar toch eigentlijk uit liefde getrouwheid te leeren a).

Nauw aan dit gevoelen grenst dat 18), krachtens hetwelk de profeet de verhouding des Heeren tot Israël van de wetgeving tot het einde in twee huwelijken voorstellen moet. Eerst moet hij eene ontuchtige vrouw met ontuchtige kinderen huwen, gelijk zich de Heer tot Israel, dat in Egypte afgoderij bedreef, door de wet in betrekking stelde. Bij anticipatie wordt door de namen der kinderen het lot van Israel voorgesteld. Want dat Israël zulk een lot verdient, wordt eerst in het tweede huwelijk Cap. 3 (want vrouw en kinderen zijn één in de symboliek) vermeld. In het eerste wordt Gomer noch haren kinderen iets ten laste gelegd. In het tweede wordt in hetgeen met de vrouw geschiedt, de bondsbreuk van Israël en de straf tot ■tuchtiging en betering uitdrukkelijk uitgesproken. De eerste vrouw is getrouw, het beeld der heilige rest, die den Heer getrouw blijft; de andere is het beeld van dat deel, 't welk de afgoden dient.

Daarnaast staat een ander gevolen, hetwelk met groot talent door verschillende bekende geleerden uiteengezet en verdedigd is ,0). Hosea zal er door de goddelijke Voorzienigheid toegebracht zijn, Gomer te huwen, die eene trouwelooze bleek, de

a] In hoofdzaak komt met deze verklaring die overeen, welke door E. Bohl {(Christ, des O. V. blz. 173 vv.) is voorgestaan. Het „Jehova zeidequot; neemt hij in denzelfden zin, maar de kinderen van hoererijen beschouwt hij als na het -huwelijk geboren en in Cap. 3 den man als weduwnaar latende optreden, laat hij dezen met een ander huwen, die van haren man weggeloopen, en der armoede prijsgegeven, door hem opgenomen en tot haar beterschap getuchtigd wordt.

ocr page 52

38 ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

moeder werd van kinderen, in ontrouw geboren, toen haren man verliet, in ellende verviel, voor een slavenprijs teruggekocht werd, en door haren man met groote trouw, die zijne liefde bewees, werd geleid, opdat zij tot beterschap zou worden gebracht. Het groote onderscheid tusschen dit en het eerst vermelde gevoelen is in hoofdzaak, dat hier voor Hosea zijne huiselijke ervaringen het beeld der verhouding van God tot Israël, ja een ordonnantie Gods worden, waardoor hij tot profeet werd geroepen, daar Gods verhouding tot Israël door zijn huiselijk leven moet worden afgebeeld en Hosea daarbij tegelijk zijne roeping ontvangt; met andere woorden hier besluit hij uit de geschiedenis in zijn huis tot zijne roeping als profeet; daar besluit hij uit de roeping als profeet tot zulk een huiselijk leven; hier is het huwelijk de grond, daar het gevolg van zijn optreden als profeet. Daarbij worden hier de kinderen der hoererijen geacht na, daar vóór het huwelijk met Hosea te zijn geboren.

Deze verklaring van beide plaatsen telt steeds meer aanhangers. Daarnaast vindt men weder eene andere verklaring, volgens welke Hosea I op historische werkelijkheid rust, maar Hosea III, vrije bewerking daarvan moet worden genoemd. Maar ook waar dit wordt aangenomen, zijn de voorstanders nagenoeg even sterk onder elkander verdeeld, als die van het eerstgenoemde gevoelen. Hier moest de keuze dier ontuchtige worden gedaan om door een huiselijk schandaal, dat de opmerkzaamheid trekken zou, het volk een spiegel voor te houden waarin het kon zien, hoe het tot Jehova en hoe Jehova tegenover het volk stond -quot;). Daar ontstond, toen Hosea's vrouw zich tot echtbreuk begaf, in den profeet de van God afgeleide voorstelling, dat deze echtbreuk eene hoogere beteekenis had, dat

ocr page 53

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 39

hij namelijk Jehova en de vrouw het volk te vertegenwoordigen had, Cap. 3 is dan eene bewerking van vrijen aard, gelijk haar het eens bekende beeld en de veranderde toestanden in het tienstammenrijk aan de hand deden 21). Eene opvatting aan deze twee genoemde grenzende is die, volgens welke het geheel vrije omwerking is van iets, dat door den profeet is doorleefd, maar in dien zin, dat alles wat op de vrouw betrekking heeft, historisch is, maar wat de kinderen aangaat, hunne namen en de orde, in welke zij worden opgenoemd (zoon, dochter, zoon) zuivere zinnebeelden zijn in passende volgorde en in een juist getal opgegeven 22). Weder anderen aannemende, dat het verhaal op werkelijke feiten uit het leven van Hosea berust, oordeelen, dat hij deze alle met wijsheid gebruikt heeft tot zijn doel en daardoor niet meer kan worden nagegaan wat eigentlijk historisch is of wat niet '^3)!

Nog moet ik een gevoelen vermelden, volgens hetwelk de verbintenis van den profeet met zijn volk een echtverbintenis is, gelijk het verbond van Jehova met zijn volk, en wel omdat de gezant van God een middelaar Gods is. Gevoelt hij de roeping met Israël in echtelijke gemeenschap te treden, zoo moet hij zich met eene hoer verbinden; want geheel Israël heeft de echtverbintenis met God verbroken en met vreemde goden geboeleerd En zie! zijn eigen vrouw is niet rein, in de algemeene schuld vervallen en dus in persoonlijken zin de vertegenwoordigster van het geheele volk. Drie kinderen heeft zij hem voortgebracht, twee zonen en ééne dochter; hij moet hen kinderen uit een ontuchtige echtverbintenis noemen en hun symbolische namen geven, die op de straf van trouwbreuk wijzen. Zoo is de werkelijke echtverbintenis van den profeet een zinnebeeld van de geestelijke betrekking tot zijn

ocr page 54

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

4°

volk: in zijne vrouw zien wij de zonde, in zijne kinderen haar vrucht 24).

De onderlinge verschillen tusschen de voorstanders der historische waarheid van Cap. i en 3 bewijzen de onzekerheid of liever de onvoldaaanheid, die de meening met zich brengt. Deze weet uit de gegevens een volkomen sluitend verhaal samen te stellen; een ander, hieraan wanhopende, spreekt van een vluchtige schets; een derde de werkelijkheid niet willende prijs geven, denkt toch eigentlijk aan een allegorie. Daaruit reeds volgt de noodzakelijkheid des onderzoeks of niet eene andere verklaring meer bevredigend is. Die welke ik bedoel is de allegorische of symbolische 25). Veel is er dat voor deze spreekt. Het gedurig herhaalde „wantquot; dat het feit en zijne verklaring onmiddelijk aan elkander verbindt d); het „ga wederom en bemin eene vrouwquot; waar een andere dan Gomer moet bedoeld zijn, omdat de zin naar eene nieuwe handeling heenwijst en ware Gomer gemeend er „ik kocht haar terugquot; had moeten staan 20); de vermelding der verloving van Gods volk als Gods bruid met Jehova op het eind van Cap. 2, welke onverklaarbaar is, als Hosea's vrouw nog ver van beterschap was verwijderd; en onmogelijk is, wanneer , zooals de voorstanders van het andere gevoelen wenschen, juist in dien tusschentijd de grootste schandaad der vrouw, het wegloopen van haren man, waarvan bovendien nergens iets vermeld is, plaats had; eindelijk het ineenvloeien van deze zoogenaamde geschiedenis in wat symbolisch is, het herhaalde gebruik dierzelfde idee in de profetie, de geest van Hosea, die beeldrijk is en blijkens zijn geschrift veel van zinnebeeldige uitdrukkingen houdt. Maar wat

«) 1; 2; 4, 6, 9; 3: 4.

ocr page 55

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 41

meer dan dit alles zegt, de gezonde verklaring der beide gedeelten bewijst het bestaan van twee allegorien a). In de zonde der vrouw ligt niet het zwaartepunt van het eerste stuk 27). De vrouw treedt daar zelfs geheel op den achtergrond. Neen, daar is het om eene schets van het gericht als gevolg van den afval vau God te doen: het gericht is de hoofdzaak, in de vermelding der kindernamen duidelijk uitgedrukt, maar vastgeknoopt aan zijn oorzaak, de zonde van het zich verwijderen van Jehova, duidelijk uitgedrukt door de woorden „neem eene vrouw van hoererijen en kinderen van hoererijen.quot; Dat gericht ■wordt in telkens krachtiger bewoordingen vermeld. Dat het huis

d) In Cap. 1: 2 is het bevel in een vorm gehuld, waarbij de ondervinding van het bevolene verondersteld wordt. De profeet moest eene vrouw nemen, maar dat zij eene vrouw van hoererijen was en de kinderen in hoererij opgroeiden, ja daardoor verwekt waren, kon eerst later blijken. (Dat dit dan ook de bedoeling is van den profeet, blijkt duidelijk uit vs. 3 in verband met vs. 2). Toch wordt in het bevel die hoererij op den voorgrond gesteld, omdat deze de oorzaak is van de ellende en Israël's lichtzinnige afgoderij het oordeel verwekt. Maar omdat in die schets de straf de hoofdzaak is, wordt nu verder met geen letter over de zonde der vrouw gesproken, noch van de kinderen iets anders dan hunne geboorte en hunne symbolische namen medegedeeld. Op dezelfde wijze moet Cap. 3 worden verklaard. Vs. 1 is het bevel in een vorm gehuld, ■waarbij de ondervinding van het bevolene verondersteld wordt. De profeet moest eene vrouw nemen, ^beminnenquot; wordt hier gezegd, natuurlijk, want de kastijding als gevolg der liefde is hier hoofdzaak. Dat zij eene overspelige was , zou later blijken. Dat woord „overspeligequot; wordt hier gebruikt en niet „hoererijquot; omdat ■de zonde hier niet als onreinheid, maar als trouwbreuk allereerst moet geschetst worden. In het bevel wordt dit nadrukkelijk op den voorgrond geplaatst, omdat «de liefde het beginsel is van de kastijding der trouwelooze; Jehova's liefde de straf over zijn volk leidt. En om nu die liefde nog sterker te doen uitkomen, zegt •de profeet in vs. 2 eenvoudig niet: „ik nam zequot; maar „ik kocht ze voor een slavenprijsquot;, ik nam mij dus eene slavin tot vrouw (gelijk Jehova Israël, de slaaf van Egypte, zich tot een volk had aangenomen). Maar omdat in die schets de kastijding de hoofdzaak blijft, wordt nu verder met geen letter van de zonde der vrouw gesproken, maar eenvoudig de tuchtiging , die de vrouw (dat is het volk) treft, medegedeeld.

ocr page 56

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

42

van Jehu gestraft en het koninkrijk wordt weggenomen, voorgesteld door den zoon, die den naam Jezrefil d. i. God verstrooit draagt, den naam ook van het dal waarin Jehu zijn zege op het huis van Omri behaalde, een naam wiens overeenkomst met dien van Israël in het oog valt. Maar dat is nog het ergste niet, Jehova bewijst zelfs geene genade meer aan zijn volk: dat duidt de naam der dochter „niet begenadigdequot; aan; ja erger nog, Hij verbreekt den band. die Hem er aan bond, gelijk de naam van den tweeden zoon „niet mijn volkquot; bewijst. In de tweede treedt ook de ellende de kastijding van Israël op den voorgrond, maar als vrucht eener liefde, die het daardoor zoekt te verbeteren. Het volk zal alles ontbeeren; in een volkomen staat van dienstbaarheid verkeeren , maar dit is een werk der liefde door hetwelk Israël's heil wordt beoogd a). Dit stelt Hosea ons helder voor in de beschrijving yan den staat, in welken hij eene vrouw, die hij zich verwierf, maar die zich ontrouw betoonde 2S, hield. Daarin miste zij de voorrechten van het huwelijksleven en de rechten der huisvrouw. Maar het was een daad der liefde, door welke hij haar op den goeden weg wilde leiden.

Israël wordt gestraft om zijner zonden wil; die straf wordt bestuurd door Gods liefde! ziedaar de twee grondgedachten in de beide allegoriën vervat. Wat vooral in Hfdst. 2 en verder in de gansche profetie van Hosea zoo gedurig en nadrukkelijk uitkomt, aan Israëls's ellende hebben zoowel Gods gerechtigheid als Gods liefde deel; door de eerste wordt al het leed verwekt, door de laatste bestuurd: God moet als de Heilige het kwaad straffen, maar beschouwt tevens de zedelijke verbetering als.

a) Eens zal Jezreël (ook = „God plantquot;) het dal der blijde hereeniging zijn. Lo-Ruchama, Ruchama = ontfermd, en Lo-Ammi, Ammi = mijn volk heeten-

ocr page 57

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 43

hun hoogste doel, dat heeft de profeet in deze twee hoofdstukken, als in eene heldere teekening, vooraan geplaatst. Vooral in Cap. 2 heeft hij deze beide bestanddeelen uitvoerig beschreven, waarom het ook mijne meening is, dat de beide allegoriën naar aanleiding der eerste prediking van den profeet , in genoemd hoofdstuk vervat, zijn ontstaan. Donkere wolken ziet Hosea boven zijn volk samenpakken: hij staart naar dat volk en hij wordt tot de uitroep gedrongen: dat is het loon uwer ongerechtigheid! hij ziet op naar den hemel en het is als hoort hij eene stem : het doel der kastijding, die komt, is liefde.

Door deze van zelf sprekende verklaring is de historische opvatting geoordeeld. Volgens haar toch ligt in de zonde van Hosea's vrouw het zwaartepunt van het eerste gedeelte en is het den profeet in beide gedeelten te doen geweest om de liefde Gods tegenover de zonde des volks te teekenen, gelijk zijne liefde machtiger was dan de ontrouw zijner vrouw. En dat nu kan niet waar zijn, aangezien Cap. I niet de zonde der vrouw, maar de namen der kinderen, niet Israël's kwaad, maar Israël's ellende de spil is, om welke alles draait.

Is de allegorische verklaring gevolg eener gezonder schriftuitlegging , zoo moeten de bedenkingen tegen haar ingebracht, kunnen worden wederlegd. Dit is dan ook het geval. Dat de allegorie onzuiver zou wezen, omdat God er nu eens als man, dan weder als vader in geteekend wordt, stem ik niet toe. Blijkens 4: 14; 5 : 17, in verband met 1 : 2 was voor den geest van Hosea het volk in het oude en jonge Israël gedeeld; het oude (de vrouw van hoererijen) dat het slechte voorbeeld gaf; het jonge, dat zulks volgde en opgroeide in de zonde, waarom hij ook 1 : 13 dit laatste vermaant het kwaad van het

ocr page 58

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING.

eerste te bestrijden, opdat het gericht over allen worde teruggehouden. Naar gelang dus de profeet een dezer beide op het oog heeft, wordt Jehova man of vader genoemd. De tegenwerping , dat, aangezien Hosea de eerste is, die zulk een beeld voor de betrekking van God tot Israël gebruikt, zijne levenservaringen, dit hem aan de hand moeten hebben gegeven is van niet veel gewicht, wanneer wij overwegen, dat, uitgezonderd Amos en misschien Joël, Hosea de eerste profeet is, van wien wij iets schriftelijk bezitten, het denkbeeld dat afgoderij hoererij is, vroeger was uitgesproken a), en dat de blik op de onzedelijkheid van zijn volk toch even goed als die op de onzedelijkheid zijner vrouw de gedachte, daarin uitgedrukt, kon doen geboren worden. Het noemen van twee zoons en ééne dochter kan even goed dienst voor de eene als voor de andere verklaring doen: ten voordeele van de allegorische kan men zeggen , dat de profeet zoo tot een niet ongepaste afwisseling of ook tot kenschetsing van het gansche Israël, zoowel van mannen als van vrouwen, handelde.

En wat de naam Gomer, dochter van Diblaïm betreft '29), waaraan wel het krachtigste bewijs tegen de geldigheid der allegorische verklaring ontleend is; geven dezè woorden natuurlijk vertaald „voleinding, dochter van vijgekoeken,quot; d. w. z. voleinding, vrucht der afgoderij (vijgekoeken behoorende bij den afgodendienst, als beeld daarvan gebruikt), ontbinding van Israël's volksbestaan, als vrucht van zijn afval van Jehova, juist in verband met de door ons noodzakelijk geachte verklaring van het eerste deel geen treffenden zin?

44

Waren alzoo Jehova's heilige toorn en Zijne onmetelijke

.a) b. v. Num. 14: 33.

ocr page 59

ZIJNE PERSOONLIJKHEID EN ZIJNE ROEPING. 45

liefde de hoofdgedachten van Hosea's prediking, de dichter-profeet heeft deze in de beide allegoriën Cap. i en 3 met aangrij'pende trekken in een kort bestek geteekend. Daarmede heeft hij ons bij vernieuwing doen zien, hoe zeer zijn eigen gemoed, met diepe verontwaardiging over en toch ook met eene aandoenlijke genegenheid voor Israël was vervuld; maar tevens hoe diep geworteld zijn geloofsleven was, waar zijne eigene verhouding tot zijn volk hem het uitgangspunt van zijne beschouwing omtrent Gods verhouding tot Israël werd. De man, die zoo diep gevoelde, zulk een levendige belangstelling koesterde in zijn volk, met zoo grooten eerbied jegens Jehova was vervuld, in één woord zoo in het leven met zijn God en de liefde tot zijn volksgenooten zijn lust vond, moest zich wel gedrongen gevoelen zijne stem te verheften, waar hij het ont-zettendst lot over Israël om zijn afval van Jehova vreesde en bij ervaring wist, hoe goed het was nabij God te zijn! In zijne persoonlijkheid, gevormd door den Geest van Jehova lag de mogelijkheid van, in den toestand zijns volks de naaste aanleiding tot zijn profetisch optreden.

ocr page 60

De samenstelling en de inhoud van zijn geschrift.

in.

Wanneer wij thans nauwlettend Hosea's geschrift bezien, wordt het ons duidelijk, dat al is het naar den vorm één geheel, de prediking daarin besloten, zich in twee scherp gescheiden deelen splitst, tusschen welke een betrekkelijk groote tijdruimte ligt. Cap. i—3 wijst ons naar eene prediking in het midden van Jerobeam's regeering en 1 ; 2 naar den aanvang zijner profetische werkzaamheid heen. Cap. 4—14 verplaatsen ons in den tijd van Menahem of Pekahia, althans in het laatste tijdperk van Israel's bestaan, toen zich de teekenen der naderende ontbinding overal openbaarden. Wellicht maakte de profeet telkens nadat hij gesproken had korte aanteekeningen van zijne rede, althans wij vinden in zijn tegenwoordig geschrift „de kern van zijn voor het volk uitgesprokene redevoeringenquot; tot één welsluitend geheel gevormd !). Het spreekt van zelf, dat dat geschreven woord, vooral wat stijl en zinbouw betreft, eenige afwijkingen van het onder invloed van Jehova's geest bij wijze van improvisatie gesproken woord bevatten moest 2). Ja wij treifen zelfs een paar stukken aan, die voor mondelinge voordracht minder geschikt, door hem om zijne lezers beter in de ziel te grijpen, in het geheel zijn opgenomen. Ik bedoel de

ocr page 61

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD VAN ZIJN GESCHRIFT. 47

hoofdstukken 1 en 3. Het komt mij toch voor, dat zijne prediking in Cap. 2 vervat, welke eenerzijds het strenge oordeel over de zonde, anderzijds de liefde van Jehova behelsde , die de straf ter genezing aanwendt, door de twee allegorien Cap. i en 3 meer helder en duidelijk is gemaakt, van welke de eerste juist zich met dat oordeel, de tweede zich niet die liefde bezighoudt ^). Mag wat het laatste gedeelte Cap. 4—-14 betreft iedere indeeling onzeker heeten 4), het komt mij toch waarschijnlijk voor dat met Cap. 4—8 voornamelijk de schets van Israel's zonden, Cap. 8—11 die van Jehova's straffen, Cap. 11 tot het einde die van Jehova's liefde en Israel's herstel is bedoeld.

Is er alzoo (gelijk naderhand bij de bespreking der eigenaardigheid van Hosea overtuigend zal blijken) op grond van den inhoud een onderscheid tusschen Cap. 1—3 en 4—14 te maken, hetzelfde blijkt op één punt uit den vorm van het boek. Het eerste gedeelte is één geheel, ingericht overeenkomstig de eischen der taal- en verraadt den kalmen, talentvollen geest der profeten, die vooral in het tweede hoofdstuk den lyrischen dichter gelijk schijnt; in het tweede stuk zijn, hoezeer zich ook daarin de genialiteit van Hosea openbaart, zoowel de regelen der taal als de eischen der verstaanbaarheid vaak veronachtzaamd 3). Hoe dieper wij echter in het zieleleven van den profeet trachten door te dringen, des te begrijpelijker zal ons dit worden en ons juist de innigheid zijner liefde tot zijn volk doen waardeeren, die hem kalm deed zijn toen er nog op redding viel te hopen, maar hem onstuimig maakte toen zich de zichtbare teekenen van den naderenden ondergang vertoonden. Maar is in dat tweede deel ook al het paralellismus, die gebruikelijke vorm van hebreeuwsche poëzie vaak verbroken, of moeilijk

ocr page 62

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

na te speuren ook waar de tekst correct is, de rijthmus, die de stijl van zoo menigen profeet aan die des dichters doet nabij komen 0), blijft hem bij naar het woord: l'energie oratoire, qui se ne dément jamais, s'élève de temps a autre au niveau de l'enthousiasme lyrique 7). Legt hij immer in korte saamgedrongen volzinnen zijne gedachten neder, vooral echter op het laatst draagt zijn schrijven een stootend en afgebroken karakter. In één woord indien bij iemand dan is bij Hosea de stijl hij zelf. De verschillende vorm der beide gedeelten van zijn geschrift is de zuivere openbaring en weergave van zijn zieletoe-stand in de beide tijdvakken zijner profetische werkzaamheid.

Wanneer wij thans het eigenaardig karakter van dezen profeet gaan beschouwen en het kenmerkende zijner prediking gaan blootleggen, is het noodig vooral twee dingen in het oog te houden. Allereerst dit, dat de profeten, wanneer zij, bezield door Gods geest, getuigden van wat hun geestelijk oog had aanschouwd, niet naar die scherpe en afgeronde formuleering hunner gedachten streefden, die den dogmaticus past noch de logische uiteenzetting der behandelde zaken bij hen op den voorgrond trad; ten tweede, dat uit hetgeen een profeet verzwijgt niet zonder meer de slotsom mag getrokken worden, dat hij zulks ook niet wist, indien er althans aanleiding is te gelooven dat hij, wat hij niet noemt wel kende. Wanneer b. v. Hosea uitsluitend van Jehova, als Israel's God gewaagt en omdat hij zoo vervuld is met wat Israël is tegenover zijn God en Jehova is voor Israël, hierbij alleen zich bepaalt, zou de slotsom hieruit getrokken en door niets anders gesteund, integendeel eer van elders weersproken, dat hij geene hoogere opvatting van Jehova als die van een geestelijken volksgod had, voorbarig zijn. Zoo wij de twee genoemde zaken op den voorgrond plaatsen, kunnen

48

ocr page 63

VAN ZIJN GESCHRIFT.

49

wij tot een zuivere beoordeeling, allereerst van Hosea's opvatting vaii God komen. Zooals gezegd is, handelt Hosea uitsluitend over God, als de God van Israel, plaatst zich dus op een bijzonder standpunt, terwijl Amos meer van uit het algemeene spreekt en betoogt Beêri's zoon Israel's ontrouw tegenover en de kastijding door God, Gods heilige toorn over en innige liefde voor Israel. Dat zijn dan ook de grondgedachten in zijne profetie. Maar hoezeer deze op den voorgrond treden. Jehova's macht ook buiten Israel wordt uitdrukkelijk vermeld. Positief in een woord als dit; „Ik zal voor hen een verbond maken met het gedierte des velds en het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde d)quot; negatiefin de vereenzelviging door hem van afgoderij en beeldendienst, terwijl deze daarbij als eene ongerijmdheid wordt voorgesteld, omdat de beelden geen levende wezens zijn. „Afschuwelijk is uw kalf, Samariaquot; — zoo roept Jehova bij hem uit. — „Mijn toorn is tegen dit ontvlamd! Tot hoe lang zijn zij tot geen reinheid in staat? Want van Israel is hij gekomen, die kunstenaar heeft hem gemaakt; maar hij is geen God, want tot stukken wordt Samaria's kalfiJ).quot; Buiten Jehova bestaat er geen God, buiten Hem is er geen Redder c). En als dan ook het volk biddend voor de beelden neervallende zegt „dat zijn onze goden,quot; richt Hosea den vinger naar Boven en spreekt: „daar woont de Heer d').quot; Zoo is Jehova niet slechts een éénig maar ook een geestelijk God en, waar aan bijna al zijne volksge-nooten eene zinnelijke opvatting van Jehova eigen is, staat daar de man des geestes e) met zijn zuiver geestelijke opvatting van God als de handhaver van den waren godsdienst. Het

a) 2: 17. i) 8: 5, 6. c) 13: 4. ei) 11: 7. c) 9; 7.

4

ocr page 64

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

5°

duidelijkst en treffendst komt dit uit in de wijze, waarop bij hem God tot Israël in betrekking trad en staat en die, waarop Israel tot God in betrekking moet staan. De profeet heeft deze wederzijdsche verhouding in het woord „kennenquot; uitgedrukt, God heeft Israël in de woestijn niet alleen gezien, gevonden a), maar ook gekend, dat wil zeggen: zich geheel aan Israël gewijd, zich geheel aan dat volk gegeven; daarom is nu hunne roeping ook Jehova te kennen s) geheel voor Hem te leven, innerlijk Zijn wil te verstaan en te doen. Dat wederkeerig zich geven, in dat elkander „kennenquot; uitgedrukt heeft Hosea nader toegelicht en onder het algemeen bereik gebracht in de allegorie van het huwelijk, in de betrekking van man en vrouw als het beeld van die van Jehova en Israël. En beteekent van de zijde des volks de „kennis Godsquot;, het doorgronden van Zijn Wezen en de overgave aan Zijn Persoon, het „God kent Israëlquot; omsluit evenzeer alles wat God van Israël weet en voor Israël is, en in die gemeenschap Israël schenkt.

Op geen enkel punt komt de teederheid van Hosea's geestelijk leven, de diepe gevoeligheid zijner natuur, die hem één deed zijn met datgene wat hij beminde, zoozeer uit als bij wat hij zegt van God. Zoo geheel ging hij op in de gemeenschap met God, dat wat hij gevoelt en doorleeft en hem bovenal eigen is, ook als hoofdeigenschap Gods op den voorgrond treedt. Waar in zijn binnenste toorn en liefde elkander gedurig afwisselen, daar moet dit ook bij Jehova het geval zijn. Gelijk bij den profeet alles wat hij voor zijn volk is, spreekt en doet, uit liefde voorkomt, zoo is het ook bij Jehova; Zijn liefde was het, dat Israël werd wat het is, Zijne ontferming deed het

a) 9: 10. Zgt;) 11: 1.

ocr page 65

VAN ZIJN GESCHRIFT.

staande blijven a). Is het volk ook gedurig ontrouw, Hij blijft de Getrouwe b) en wanneer de ellenden, als straffen voor des volks afval zich opeenstapelen, ontgloeit Jehova's medelijden c). En wel verre er van daan, dat die liefde een oppervlakkig medelijden zou met zich brengen, hetwelk weer door tegenzin zou kunnen vervangen worden, is zij daarom zoo onveranderlijk en vast, dewijl zij haar grond in God's heiligheid vindt. Die heiligheid houdt alle hartstocht uit God's wezen gebannen en maakt de liefde tot het blijvende kenmerk van Zijn Wezen. Zijn toorn moge soms, als de zonde tot zekere hoogte klimt, losbarsten d), Zijn goddelijke haat zich tegen de zondaars, alleen als zoodanig keeren e), Zijn ontzettend ,,wee uquot; hen treffen f], God keert zich immer als tot Zijn middelpunt tot Zijne liefde voor Israël terug g). Hoe sterk de overgangen in Hosea's innerlijk leven en in zijne profetie ook zijn, die Hij voor een deel ook op Jehova's Wezen overbrengt, één ding staat onwrikbaar vast: Jehova is voor Israël de Reine liefde, die geen hartstocht kent! In dit licht plaatst hij gedurig de kastijdingen , die het volk treffen. Deze zijn ja een eisch van God's heilige verontwaardiging over Israel's trouweloosheid, maar het doel, met hetwelk zij worden opgelegd, is te redden en tot inkeer te brengen, in één woord, zij worden bestuurd door God's liefde. In het eerste deel zijner profetie (1—3) heeft Hosea zich dan ook de bereiking van dat doel als zeker voorgesteld. Toen was toch Israel's toestand van dien aard, dat hij nog kon hopen dat het volk zich bekeeren en J ehova weder zoeken zou h); en dat, als zijn hart op God gericht zou wezen t), het oude

a) i: 6; 2: 3. £) 12: 1. c) 11; 8*. d) 13: 15. «) 9: 15

/) 7: 13. ?•) 11; 8. /2) 2; 6; 3; 5. i) 2 : 13.

51

ocr page 66

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

52

verbond tusschen Jehova en zijn volk bevestigd zou worden. Maar als dit heerlijke doel niet schijnt te worden bereikt en Israels toestand al treuriger wordt a) treedt ons eerst helder voor den geest hoe diep het bewustzijn van Jehova's liefde bij den profeet wortel schoot. In plaats toch, dat het volk, onbekeerd onder de ontzettendste straffen blijvend, voor goed zal ontbonden word en en verloren gaan , zullen eens alle tegenstand en nederlaag een einde nemen, als Jehova door eene luisterrijke verschijning blijk geven zal van Zijne Majesteit en zijn volk onder den geweldigen indruk daarvan gekomen, Hem volgen en naar het land der heerlijkheid gebracht worden zal b). Indien dus tegenover de onvolkomenheid, van zijn Godsbegrip , die vooral in de sterke en plotselinge afwisseling die hij zich in God's wezen denkt, uitkomt, één heerlijke, ware, ik zou haast zeggen, evangelisch beschreven eigenschap God's bij hem gevonden wordt, dan is het liefde, die, door niets gebonden,, alles overwint.

De groote zonde waaraan het volk zich heeft schuldig gemaakt is, dat het Jehova niet gekend, maar vergeten heeft c). Plichtmatig was het' geweest, dat, nadat Jehova Israël gekend had, dit ook Hem had gekend. Maar helaas! zij hebben nagelaten Hem te eeren d) en nu hoereert het land geheel van achter Jehova è). Voor een groot gedeelte is dit te verklaren uit hoogmoed. „Zij zijn verzadigd geworden en hun hart verhief zich, daarom vergaten zij Mijquot;/) zoo luidt het, en op eene

0) 6: 4, 6; 7: i. b) 11 \ 8—11. c) 2: i2b; 8: 14; 13j 6. Vgl, 4: 6V rf) 4: 10 n|:vnK intf God bewaren, d. i. God als God in eere houden. e) 1: 2b; 4: 12; 5: 4; 1, vgl. 2: 11. /quot;) 13: 4, vgl. Deut. 8: 11 vv.

ocr page 67

VAN ZIJN GESCHRIFT.

S3

andere plaats 0): „Daarom zal de hoovaardij van Israël tegen zijn aangezicht getuigen «)quot;. Voor een ander deel uit zinnelijkheid. Is toch de geestelijke Godsvereering, gelijk die ook Hosea wenscht, in strijd met de zinnelijke natuur des menschen, de godsdienst der Kanaanieten en de Jehovadienst, naar eerst-genoemden godsdienst misvormd, komen juist aan deze te gemoet en prikkelen haar. Naar godsdienst gaat nog wel voor een groot deel het gemoed uit, maar men wil er dan liever een die de zinnen streelt, dan een, waarbij het hart zich moet voegen naar de zedelijk-godsdienstige eischen Gods. Op de hoogten der bergen offeren en op de heuvelen rooken zij dan ook onder eik, populier en terebinth, omdat hunne schaduw goed is in), en daar de gelegenheid voor ontucht en brasserij is gegeven. Die dienst heeft zelfs zulk een omvang, dat steenen en altaren het land overdekken b) het volk aanhoudend voor beelden buigt en op heidensche wijze orakelen raadpleegt11), al wat men geniet aan de afgoden wordt dankgeweten en als Israel's grootste ramp bij het gemis van koning en heerscher dat van offer, steenen, ephod en terafim wordt genoemd !:2). Duidelijk doet Hosea ons evenwel zien, dat dat alles niet in dien zin moet worden opgevat, dat het volk voor den Kanaanietischen godsdienst de vereering van Jehova had afgezworen. Neen Jehova bleven zij wel dienen, maar hun zonde bij uitnemendheid was juist deze, dat, in plaats dat de godsdienst der Kanaanieten plaats maakte voor de geestelijke Godsvereering, deze laatste hoe langer zoo meer gewijzigd werd naar de eerste; Jehova niet meer als de eenige, maar de eerste uit velen werd geacht, ja, tot den rang van Israel's Baal d. i. heer afgedaald, een

a) 5 : 5- 10: I; 12 : 12.

ocr page 68

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

54

dienst verkreeg, waarbij geen wezentlijk onderscheid met dien der omringende volken gemaakt werd. Jehova en Baal, zij waren in plaats van de scherpste tegenstelling, namelijk geestelijke of zinnelijke Godsvereering, broedergoden geworden, wier dienst door den profeet in éénen adem genoemd en de dienst der Baiil's, der heeren, geheeten wordt. En dat nu is voor Hosea afval van het verbond door Jehova a) met zijn volk gemaakt, dat is hoereeren van achter Hem, Hem vertoornen, treden in het spoor van Adam l3), den Stamvader. Jehova wenschte dat zij Hem met hun hart dienen zouden b), en Jehova roept het hun toe: Ik houd van liefde en niet van offerande, van kennis Gods meer dan van brandoffer l4), waar zij als offergaven vleesch offeren en eten, d. i. zichzelven goed doen c). Een priesterlijk volk moesten zij zijn, hetwelk Gods Thora eerde en Zijn kennis bezat c/), maar feitelijk waren zij veel-godendienaars geworden, syncretisten, menschen, die hunnen godsdienst vermengden met dien der Kanaanieten. Is het wonder, dat Hosea de man, die leefde bij het geloof in den eenigen, geestelijken God, den God van Israël, buiten Wien geen redding mogelijk was e), met kracht en klem te velde trok tegen een zoo verderfelijk streven van het meerendeel zijner tijdgenooten en daarom het zwaartepunt van zijn profetie in den godsdienst, in den engen zin van het woord legde ?

Verschillende treurige gevolgen sleepte, naar Hosea's meening, dien afval van den waren godsdienst mede. Waar het waarachtig Gods betrouwen was verdwenen , aangezien dit onmogelijk op de beelden kon worden gevestigd, daar moest, als de nood

«) 12: 15. 6) 7: 14; 13: 6. c) 8: 13. rf) 4: 6. e) 13: 4; 5: 14.

ocr page 69

VAN ZIJN GESCHRIFT.

aan den man kwam , wel naar hulp van menschen , inzonderheid van vreemden, worden uitgezien. Zoo kwam men er toe, om de gunst van Egypte a) te gaan bedelen en een bondgenootschap met Assur te zoeken b), al kostte het nog zoo veel c), niet gevoelende dat zoowel God's toorn daardoor moest worden verzwaard als het land aan de hebzucht der naburen werd overgegeven.

Maar treuriger nog was de maatschappelijke achteruitgang en verwarring die van het gemis der kennis van Jehova het gevolg waren. Schrikkelijk toch is de schilderij, die Hosea er ons van ophangt. De ontucht nam toe d), waar zij in den dienst der godsvereering trad en kinderen volgden hierbij het voorbeeld hunner ouders e). De zucht tot drankgebruik vermeerderde en het gezond verstand van velen werd door wijn en most beneveld /). De weelde steeg en met deze de hoogmoed^); goud en zilver bedekten zoowel eigen als der goden gedaante /1). De openbare veiligheid verdween, waar de maatschappelijke orde verkeerde en dieverijen kwamen aan de orde van den dag z). In één woord, vloeken en bedriegen en moorden en stelen en boeleeren, dat werd overal gevondenJ). En laat ons niet meenen, dat dit alles alleen op de groote menigte, het vulgus, betrekking had; neen door alle rangen en standen was het diep bederf doorgedrongen. Vele profeten, wellicht inzonderheid de in profetenscholen gevormden, namen zoozeer aan dat alles deel, dat ook zij in het oordeel vallen zouden k). De priesters miskenden ook hunne roeping ten

7 : ii; 12 : 2. £) 5 : 13; 7: n ; 8 : 9; 12 : 2. c) 8 : 10.

li) 4: 2; 5: 4. e) 4: 13. /) 4; 11, 18; 7: 14. g) 12; 9; 13; 6. A) 2: 12. i) 7:1. /) 4: 2- ^)4: 5-

55

ocr page 70

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

56

eenenmale, waar zij het volk tot dien lichtzinnigen cultus prikkelden, alleen om het zeiven beter te hebben, ja zelfs op den weg naar Sichem, een der vrijsteden, stalen en moordden priesters als roovers l5). En koningen en vorsten aan hoe groote zonden hadden zij zich schuldig gemaakt! Aangrijpend is de wijze, op welke de profeet hunne trouweloosheid schetst l0).

Het hartstochtelijk gemoed der vorsten is als een oven, die door den bakker, den koning, die zijne hand met de spotters uitstrekt, wordt verwarmd, dat is, nog meer ten kwade geneigd wordt. Maar de koning zelf plukt daarvan de wrange vruchten. Want gelijk de bakker van het kneden tot het zuur zijn toe, derhalve gedurende den tijd, dat het zuurdeeg het meel geheel kan doortrekken, rust, zoo komen de listen in het hart der vorsten, die mede zoo geworden zijn door des konings toedoen, geheel tot rijpheid, als de koning, van geen kwaad bewust, sluimert. Maar gelijk de oven 's morgens gaat branden en alles verteert wat er in komt, zoo worden de slechte voornemens in den morgenstond ten uitvoer gebracht en volgen de bloedbaden elkander dan op. Ja, zoo diep drong het bederf overal door, dat men de zonde geene zonde meer noemde a). Hoe begrijpelijk, dat onze profeet, met zoo innige liefde tot het volk bezield, dat zichzelven een afgrond graaft, tot spreken, tot getuigen zich gedrongen voelt! En hoe juist en schoon werd door hem beseft en uitgesproken, dat alle zonde haar oorsprong heeft in afval van God en derhalve godsdienst de wortel is van den boom der zedelijkheid!

a) 12: 9b.

ocr page 71

VAN ZIJN GESCHRIFT.

Het omtrent de koningen door Hosea gezegde, brengt ons van zelf tot zijne beschouwing van het koningschap in 't algemeen, een belangrijk deel in zijn geschrift. Ook wat dit punt betreft moet een scherp onderscheid worden gemaakt tusschen het eerste (i—3) en tweede (4—14) deel zijner profetie. Het is toch duidelijk, dat hij niet alleen in dat eerste deel omtrent Juda nog gunstige verwachtingen koestert, maar daarin ook, juist op grond van den goeden indruk door hem van sommige vorsten van Juda bekomen, de hoop blijft koesteren, dat bij de eindelijke verbroedering der beide rijken Juda en Israël, het laatste zich weder onder den scepter van David's nakomelingen zal buigen n). Dan zal men gemeenschappelijk Jehova dienen en een echte David, de vorst weder der vereenigde twaalf stammen zijn. Zijne voorspellingen , dat het koninkrijk van Israël een einde nemen zal«), de gezainentlijke stammen één hoofd over zich zullen aanstellen 18) en Israel zal komen tot Jehova en David zijn koning 3), wijzen dit uit. Geen wonder! waar hij zag hoe Juda's toestand in veel boven dien van Israël kon worden geroemd.

Maar ook dat Juda ging achteruit, ook daar begon steeds weliger het onkruid te bloeien, dat Israel's bodem bedekte. Ook daar begon de hofkring een verderfelijk karakter aan te nemen. De vorsten daar waren ook onrechtdoeners, gelijk aan hen, die de heiligheid der grenzen niet achtend, hun gebied trachtten uit te breiden 19), over welken Jehova zijn toorn uitgieten zou.

57

Welnu onder den levendigen indruk van het algemeen bederf in beide rijken bij het hof ingeslopen, wijzigde zich van liever-

t) 3- S-

«) 1; 4.

ocr page 72

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

58

lede de beschouwing des profeten aldus, dat hij de geheele instelling van het koningschap, een ramp, een gevolg van de zonde der 12 stammen begon te achten en terwijl hij vroeger met het oog op Juda nog de herstelling van het echte Davi-dische koningschap mogelijk en gezegend had gevonden, nu de algeheele opheffing van het koningschap als zijne verwachting nadrukkelijk vermeldt. In het tweede deel wordt toch niet alleen het koningschap van het tienstammenrijk in zijne ongerechtigheid 20) en zijn val a) geteekend, maar ook van dat ééne hoofd, van David (cap. 14 of 11) volkomen gezwegen: in de schilderij van Israel's heerlijke toekomst met niet één woord van een koning gerept, en daar uitsluitend van het „Jehova zullen zij volgen ^)quot; en „keert weder tot Jehova (r)quot; zonder meer gewaagd en eindelijk de instelling zelve van het koningschap als een daad uit Israel's zonde geboren, beschouwd, waar Jehova spreekt: ,-,Iu Mijn toorn gaf Ik u een koning en in Mijn toorn zal Ik hem wegnemen 21)!quot; Daar dus is een Godsrijk zonder aardsch koning het voorwerp zijner verwachting. Toen was hem de hope van vroegere dagen, de gemeenschappelijke gehoorzaamheid der broederrijken aan een der Davids telgen, die het waardig beeld van den grooten voorvader zou zijn, niets meer dan een lieflijk droombeeld waarvan hij voorheen had genoten, maar dat nu voor immer voorbij gegaan was ri). Zoo verdwenen bij den Godsgezant, waar hij alles om zich heen dieper zag zinken en de laatste sterren aan den donkeren levenshemel werden uitgebluscht, alle verwachtingen, eertijds nog met het oog op enkele getrouwen aan God van dezen gekoesterd en kwam hij er steeds meer toe vast te ge-

5: 1 i 7: 7; 10: 7. 15- £) 11; 10. c) 14; 2«.

ocr page 73

VAN ZIJN GESCHRIFT.

59

looven, dat zoo ooit nog redding kon worden verwacht, deze uitsluitend kon komen van Boven, van God. Straks zullen wij daarvan nog een ander voorbeeld zien.

Beheerscht het denkbeeld van het verbond tusschen Jehova en Israël, Hosea's geheele profetie, gaarne maakt hij van Israel's geschiedenis gebruik om eenerzijds Jehova's liefde, anderzijds Israel's ontrouw sterk te doen uitkomen, ook om door het voorbeeld van vrome voorouders zijn volk te toonen, hoever dit van het goede spoor week. Als bondverbrekers worden zij met Adam, hun stamvader op ééne lijn gesteld en om nog beter Israel's zonde te doen uitkomen, wordt Jacob's zaad in schrille tegenstelling tegen zijn aartsvader Jacob gesteld a). Drie feiten uit Jacob's leven worden vermeld: zijne eigenaardige geboorte, waarbij hij Ezau, zijn broeder in de schoot hunner moeder bij de verzenen hield '^3) en waardoor hij toonde, hoewel de jongste zijnde, toch de meerdere te wezen 5); dan zijn strijd aan de Jabbok met den man Gods, tegenover wien hij zich vorstelijk gedroeg en wien hij weenend om een zegen smeekte c)-, eindelijk zijne ontmoeting met God te Bethel, waar hem de grootste aller zegeningen werd toegezegd d'). Zoo had deze Jacob gestreden en gebeden de zegeningen Gods te verkrijgen en te behouden, en zij waren hem dan ook door Jehova zeiven verzekerd. En die God is nog dezelfde, Jehova is Zijn naam; daarom richt de profeet tot zijn volk de vermaning, „bekeer u dus, Israël, bewaar weldadigheid en recht, wacht

d) i2: 4, 5. b) Gen. 25: 26. c) Gen. 32: 24 vv. d) Gen. 35; 6 vv.

ocr page 74

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

gedurig op uwen God a)en — een zelfde loon is uw deel. Maar vooral als hij Jehova's liefde schetst, weet hij frissche tinten aan het verledene te ontnemen. Wie was die Jacob, die dien zegen verkreeg? „Een vluchteling, die de schapen hoedde voor het bezit eener vrouw lgt;).quot; En toch heeft Jehova niet slechts aan hem, maar ook aanzijn zaad groote dingen gedaan. „Uit Egypte heeft Hij zijn zaad geleid en wel door een profeet c).quot; Dat was het oogenblik van waar het verbond van Jehova met zijn volk als volk dagteekende. Daarom heet God, Jehova van uit Egypteland d). Jacob's geslacht daar van eene familie tot een volk gerijpt, is door Jehova in dien primitieven toestand als kind, bemind, tot zoon aangenomen en geroepen uit het land der slavernij e). En nooit heeft het van toen af aan God's liefdebewijzen ontbroken. In de woestijn, het onbewoonde land ^4) kende Hij het, hoedde Hij het door de hand van een Godsman als Mozes, verleende Hij het voorrechten zoo ver -kwikkend als een druif in de woestenij, een vroege vrucht aan den vijgeboom is 2r!), leerde Hij het gaan, nam Hij het in Zijne armen, trok Hij het met liefdekoorden/), zag Hij er naar om, gaf Hij het spijze en schonk Hij het, als zijn koning, Zijne wet met haar tienduizende geboden 20). En wachtte den Israëlieten in Kanaan ook eenige teleurstelling, het dal Achor werd hun tot een deur der hope en beloofde hun het land der wijngaarden ^). Maar zie daartegenover nu Israël! Het erkende niet, dat Jehova het gedurig genas en hoe rijker het werd, des te hooghartiger werd het ook §)! Ja reeds in de woestijn deden zij met den schandelijken dienst van Baal-Peor mede /1) en later ach! hoevele

a) 12: 6, 7. ó) 12: 13. c) 12: 14. d) 12: 14; 13: 4.

e) 11: 1. /) 11: 3, 4. g 13'' 6' /l) 91 ïo-

6o

ocr page 75

VAN ZIJN GESCHRIFT.

61

profetenstemmen het ook opriepen tot de geestelijke Jehova-vereering, zij gingen de BaiÜ's gedurig na en offerden den gesneden beelden a). En al is het ons niet bekend wat Hosea eigentlijk bedoelt, wanneer hij van Gibea in verband met de afgoderij des volks spreekt, toch is het duidelijk dat ook daar tooneelen plaats grepen, die het volk tot een oordeel moesten zijn '•iS). Efraïm inzonderheid had Jehoya verzaakt en daarom sedert lang zijn hoogen rang onder de andere stammen verspeeld b). Ook door den wensch een koning te bezitten, had Israel, zooals wij straks zagen, God's toorn verwekt.

Zoo heeft de profeet uit ons bekende en ons niet bekende gegevens puttende, de geschiedenis van zijn volk tot leering aan zijne tijdgenooten voorgehouden en alzoo tot een practisch doel aangewend. Voor zoover ons bekend is, was hij de eerste die het deed. Maar dat hij het deed, de man der oorspronkelijkheid en des geestes, geeft zijn geschrift hooger waarde en doet hem nog hooger in onze schatting stijgen. Hoe zeldzaam toch zijn reine oorspronkelijkheid en waardeering der geschiedenis , zelfstandigheid en afhankelijkheid, originaliteit en appreciatie van wat geweest en gedaan is in één persoon vereenigd!

Wat Israéfs toekomst betreft — de profeet ziet deze donker in en het is of naar mate de ongerechtigheden toenemen, de nevel die voor zijn oog over het volk hing, zwaarder en zwaarder wordt. Spreekt zich toch in het eerste gedeelte gedurig de hoop uit, dat de rampen en de schokken , boete en bekeering met zich zullen brengen en daardoor het verschrikkelijkste zal

a) ii'- 2. lt;5) 13: i, vgl. Richt. 8: 1 vv. 12: 1 vv.

ocr page 76

DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD

02

afgewend worden d), in het tweede deel openbaart zich duidelijk de zekerheid dat het volk in ballingschap gevoerd en alles verwoest worden zal en tenzij Jehova het ook dan nog verhoedde, de natie aan volkomen vernietiging ten prooi zal worden ^). Wordt in dat eerste deel de terugkeer van het volk tot God de oorzaak en de grond van een gezegende toekomst en het vernieuwde liefdebetoon Gods genoemd, in het tweede wordt, hoe stijf het volk ook bij zijne zonde blijft, toch van Gods heilige liefde verwacht dat Hij in Zijn toorn het volk niet te niet doen, maar de zijnen tot nieuwe vreugde en glorie brengen zal:iquot;). Naarmate evenwel het volk dieper zonk en de profeet meer en meer wanhopen moest aan zijne bekeering ^), sprak hij, die niet aan den geheelen ondergang van dat volk gelooven kon, met hetwelk Jehova eens zijn verbond had gemaakt, het duidelijker uit, dat door Jehova de eerste ster aan dien donkeren hemel te voorschijn zou komen, eene glansrijke openbaring zijnerzijds de heraut eene betere tóekomst zou zijn, en Israël, door Zijne majesteit getrokken, Hem volgen en zoowel uit Egypte als uit Assur het oude vaderland weder in bezit nemen zou lt;r). Van daar ook dat in dat eerste deel, waar al |de nadruk op de bekeering valt, in de schildering van het zalig verschiet het geestelijk karakter der giften Gods op den voorgrond treedt en rechtschapenheid en gericht, liefde, medelijden! en trouw als de teekenen der blijvende vereeniging van God en Israel worden vermeld; maar van daar ook dat in het tweede deel toen men het land der vaderen miste en in den vreemde rondzwierf op het hernieuwd bezit en genot van Kanaan al den nadruk viel. Vandaar ook dat in dat eerste deel de kastijding zoo nadruk-

a) 2: gl», 17; 3:5. £) 6: 4; 7: i». c) 11: 11.

ocr page 77

VAN ZIJN GESCHRIFT.

63

kelijk met de genezende liefde Gods in verband wordt gebracht en in |het tweede deel, waar alle hoop op het door schande wijzer worden was verdwenen, dit geheel op den achtergrond raakte en Jehova's ontzettend Machtsbetoon als het eenig redmiddel werd beschouwd.

Op treffende wijze worden de oordeelen beschreven, die over Israël komen. Zijn macht wordt verbroken a) , alles wat zijne vreugde was hem ontnomen b), en een vloek op allen gelegd, waar zij etende niet verzadigd worden, hoereerende niet vermeerderen c). De staatkundige en godsdienstige vrijheid wordt hen ontrukt d), dor het land, naakt als een woestenij é); vogelen en visschen, ja het gedierte des velds weggevaagd f). Maar nog droeviger wordt der Israölieten lot, wanneer zij zwerven zullen onder de volken en onder de heidenen worden verzameld. Want naar Egypte keeren zij weder31), te Memphis worden zij begraven 32) en te Assur zullen zij wat onrein is, eten 33). Dan zullen doornen en distelen groeien op de plaats hunner afgodische heerlijkheden 34) en zal de onmacht dier heerlijkheden , die zelve naar Assur worden afgevoerd g), beter dan ooit haren aanbidders blijken. En in den vreeselijken strijd die aan dat alles zal voorafgaan, zullen zelfs de zwangere vrouwen niet worden ontzien, maar op vreeselijke wijze worden vermoord /1), zullen moeders en kinderen worden gedood, en terwijl de natuurlijke wasdom verdwenen zal zijn en geen geboorte, geen zwangerschap, geene ontvangenis meer zal komen/), zullen die groot zijn geworden in den mannehjken leeftijd worden weggemaaid /). Dan zal, terwijl vorsten en

a) i; 4, vgl. 13: 11. 6) 2' 11—16. c) 4: 10. rf) 3 : 4. e) 2 : 2 vv. f) 4■ 3- i) io: S. 6. li) 14: 1. i) 9: 11. j) 9: 12.

ocr page 78

64 DE SAMENSTELLING EN DE INHOUD VAN ZIJN GESCHRIFT.

onderdanen bezwijken a) en God Israël uit zijn land verjaagt de bange kreet worden geslaakt en men daarin de verhaasting van zijn sterven smeeken „bergen bedekt ons, heuvelen valt op ons è).quot; Maar zoo eindigen — kon voor Hosea Israel's geschiedenis niet. Waar de doodsklok over Samaria luidt worden tegelijk de tonen van hoop en redding vernomen. Jehova doet een nieuwen tijd van zaligheid aanbreken. Hij staat op tot Israel's behoud en gaat hen brullend als een leeuw vooruit om hun een weg des heils te banen c). Vrijwillig bemint Hij hen weder, erbarmt Hij zich over den wees 35), wendt Hij Zijn toorn af. Efraïm zal zijn als een pas geboren kind, als een levende uit den dood herrezen d). En terwijl Jehova een dauw voor Israel is, zal het bloeien als de lelie, zijne wortelen uitslaan als de Libanon en zullen zijne scheuten zich uitspreiden dat zijne pracht aan den olijf gelijk wordt en het een geur bezit als de Libanon. En als Gods volk, dan weder in zijne schaduwen woont, als God koren groeien doet en het volk bloeit als de wijnstok, wiens roem als de Libanon is, zal het niets meer met de afgoden wenschen te doen en de bloeiende cypres zijn, die alle vrucht aan Jehova dankt. O! welk een diepen blik had deze profeet in het hart van Jehova, als den God der liefde geslagen, waar hij bij de ongerechtigheid die hij aanschouwt en het oordeel, dat hij verwacht f zulk een toekomst, zulk eene heerlijkheid verbeidt.

a] 7: 16. 6) 10: 8b. c) 11: 8—11. d] 13: 13. Zie Nowack t. p.

ocr page 79

Zijne beteekenis in den gang der Godsopenbaring.

IV.

Loopt ieder mensch bij ongelijke ontwikkeling der factoren van zijn geestelijk leven gevaar de dingen buiten zich niet te beschouwen en te waardeeren naar hunnen eigentlijken aard en vooral bij eenzijdige ontwikkeling van het gemoedsleven deze meer subjectief dan objectief te beoordeelen, Hosea is ook aan dit gevaar niet volkomen ontsnapt. Staat het ook voor alle dingen vast, dat zijne grondbeschouwing van God ten eeuwigen dage het deel van iederen mensch zal zijn, die zichzelven kent, zijne prikkelbare en aan afwisselingen zoo rijke natuur heeft in Zijne opvatting van God soms te veel ongestadigheid gebracht. Gelijk wij allen gevaar loopen de geestelijke dingen ons meer in overeenstemming met ons eigen karakter voor te stellen in stede van deze in hunne zuivere objectiviteit te waardeeren, ook Hosea vervalt somwijlen in deze fout bij zijné beschouwing van God. Zoo als hij is en denkt en spreekt, zoo is en denkt en spreekt ook God op het gebied der geestelijke dingen. Het bewustzijn van Gods onveranderlijkheid en der eenheid van Gods toorn en liefde wordt bij hem gemist; eer vinden wij gedurig de sterkste overgangen in Jehova van de betooning der gerechtigheid en der liefde, en is het gedurig

ocr page 80

ZIJNE BETEEKENIS IN DEN GANG

als wordt de eene teruggedrongen en teruggehouden door de andere. Wel wordt door hem verzekerd, dat in de straffen door Jehova opgelegd, nooit een zweem van hartstocht te vinden was en juist, omdat Hij de Heilige is, de vernieuwde betooningen zijner liefde werden ervaren, maar toch wordt die plotselinge overgang van Gods toorn in Gods liefde niet verklaard en blijven wij onder den indruk alsof deze eigenschappen naast elkander bestaan zonder eene eenheid in God te vormen. Ik beweer echter niet dat dit een fout, eene zwakheid bij Hosea was, hoezeer ook zijn persoonlijkheid het begrijpelijk maakt, dat die sterke afwisseling telkens op den voorgrond trad, maar verklaar zulks als een gevolg van zijn Oudtestamentisch standpunt van den tijd waarin hij leefde en gedurende welken God zichzelven nog nooit volkomen had geopenbaard , zelfs niet aan den profeet. En heeft Hosea met het oog op zijne beschouwing omtrent God twee zeer groote verdiensten, ten eerste , het Wezen Gods, als zuiver geestelijk van aard tegenover het syncretisme zijner tijdgenooten te hebben gehandhaafd, ten tweede, de betrekking van Jehova tot Israël op eene zoo heerlijke wijze te hebben gevoeld en uitgedrukt, dat hij ons vaak aan Jezus' taal herinnert; de vraag naar het verband tusschen Gods gerechtigheid en Gods liefde moest voor hem een vraag blijven, als hij oprees voor zijn geest. Die vraag is toch eerst op Golgotha's heuvel beantwoord geworden, waaide mensch in dien éénen Christus Gods heiligheid voldaan en Gods liefde betoond ziet. Maar dat God een geest is en liefde is, het is wel door niemand onder de Oude Bedeeling dieper gevoeld dan door Hosea den profeet!

Is de godsdienstige wereld ten allen tijde verdeeld geweest

66

ocr page 81

DER GODSOPENBARING.

67

in menschen, die de vraagstukken van het geloof bezien van het standpunt eener algemeene zedeleer en in menschen, door wien het zedelijk leven als het noodzakelijk gevolg van de ervaring van God's genade beschouwd werd, een man als Hosea moest wel tot de laatsten behooren. Hij, de man, die innig verbonden aan zijn God, diens wil eene wet achtte en alles zag in Zijn licht, moest wel van uit dat hoogtepunt zijn blik over alles laten gaan en uit een specifiek religieus oogpunt alles beoordeelen. Dit had in zijne prediking tweeerlei gevolg. Ten eerste bracht hij alle zonden, zoowel die op het gebied van den godsdienst als die op dat der zedelijkheid werden bedreven tot ééne hoofdzonde, afgoderij terug. Omdat Jehova niet meer als Jehova gekend wordt, maar Zijn dienst vervangen werd door eene beeldenvereering, die naar zijne heiligste overtuiging, de hartstochten prikkelde in plaats van bedwong, daarom droeg het maatschappelijke leven zoo menige smet en was het ten doode gedoemd. Werd Jehova weder Israel's God alles zou weder in het goede spoor worden geleid. Ten tweede wordt er meer gedrukt op wat God tot herstelling van den goeden toestand in Israël zal doen, dan op wat het volk ter bereiking daarvan doen moet. Vooral in het tweede gedeelte van zijn geschrift, komt dit sterk uit. Hosea is dan ook minder boetprediker, die de menschen oproept tot berouw en bekeering, dan wel profeet, die getuigt, voorstelt, wat hij zelf van God's liefde, die Israël tot nieuw geluk zal voeren, gezien heeft. Hij verkondigt meer den objectieven Raad Gods, dan hij poogt subjectief Israël te bewerken '). Daartoe werkten voorzeker ook de tijdsomstandigheden mede, die steeds minder van Israël zelf deden verwachten, maar het lag toch zoo ook het meest in Hosea's innig aan God verbonden gemoed. God blijft

ocr page 82

ZIJNE BETEEKENIS IN DEN GANG

Zijn Verbond gedenken, als een lieflijke zonnestraal zal Gods liefde eenmaal weder Israël beschijnen en het volk zal door Gods toedoen tot nieuwe vreugd geraken, maar hoe dit alles geschieden zal, daarover spreekt de proféet ten slotte niet meer. Genoeg — het „datquot; staat vast. Ook hier bewonderen wij den diepen blik des profeten, waar hij, hoe beter hij zijn volk leerde kennen, des te minder de mogelijkheid der redding van zijne zijde inzag, en des te vaster tot de overtuiging kwam, dat uitsluitend van God's kant het heil komen kon. Maar ook hier wordt het duidelijk dat wij met een profeet uit de eerste periode des O. V. hebben te doen, die het wel weet dat God eene toekomst voor zijn volk heeft weggelegd, maar nog niet weet langs welken weg zij zal komen; in één woord den Middelaar van dat heil nog niet kent 2).

In de schets der toekomst moeten wij den invloed en de beteekenis der tijdsomstandigheden niet miskennen. Toen de gedachte aan de wegvoering uit het land nog niet bij hem was opgekomen en hij als het oordeel het gemis in Kanaan zelf van al wat aangenaam en goed was, beschreef, behelsde zijne tee-kening der toekomst: het vernieuwde verbond van Jehova met zijn volk en op grond daarvan het herkrijgen van 's levens behoefte en 's levens genot. Maar toen het oordeel inzonderheid in latere dagen als eene wegvoering naar den vreemde, en als een sterven van het volk werd geteekend, toen traden in de schilderij der toekomst èn de herrijzenis uit den dood èn de terugkeer naar het land der vaderen op den voorgrond 3). Vandaar dat in het laatste gedeelte de oplossing van het nationale leven als de aanvang van een nieuwen tijd wordt beschouwd en de physische beelden daarin een hoofdrol spelen.

68

ocr page 83

DER GODSOPENBARING.

Niet omdat hij niet beter wist, treden daar de geestelijke zegeningen op den achtergrond, maar alleen omdat het herkrijgen van het land der beloften en daarmede het herwinnen van Jehova's gunst dan als het hoogste voorrecht zal moeten worden beschouwd 4), En treedt hier wederom de beperktheid van blik diergenen voor oogen, die onder de Oude Bedeeling leefden, in welke leven en onverderfelijkheid nog niet aan het licht gebracht waren en dus eene overschatting van het vaderland aan deze zijde van het graf plaats vond, toch danken wij den profeet ook die heerlijk geestelijke trekken met welke hij den zegen der toekomst geschetst heeft en die de ware trekken zijn.

In de beschouwing van zijn volk als één persoon, hetzij als kind of vrouw van Jehova, lag een diepen en heerlijken zin, maar schuilde ook een groot gevaar. Daardoor toch is de individueele zijde van het volk niet genoeg op den voorgrond getreden en heeft de profeet zich steeds de geheele natie omgekomen of behouden gedacht. Mede een gevolg van den volstrekt religieusen grondslag op welken hij stond en het uitsluitend goddelijk oogpunt waaruit hij alles bezag.

Een onderscheid, dat Jesaja kent, tusschen een deel dat vergaat en een rest, die naar Kanaiin wederkeert is hem vreemd. Had hij meer op het individu dan op het volk, even goed op wat er van den mensch vereischt wordt om gelukkig te worden, als op wat God tot dat doel doen wil en zal, het oog gevestigd, zijne verwachting zou in dit opzicht meer met de uitkomst in overeenstemming geweest zijn. Israel meer als eene verpersoonlijkte maatschappij, dan als eene verzameling van rechtvaardigen en goddeloozen beschouwend, verloor

69

ocr page 84

ZIJNE BETEEKENIS IN DEN GANG

hij te zeer uit het oog, dat persoonlijke ervaring van Gods liefde, eerst verlossing en behoudenis van het individu, dus ook van de verzameling der individu's medebrengt. Maar ook hier treedt weder het Oudtestamentisch standpunt der profeten duidelijk in het licht, op hetwelk nooit de individueele zijde van den godsdienst de eerste plaats inneemt en blinkt ons de heerlijkheid van het evangelie van Christus Jezus te glansrijker toe, dat ons tegenover het „zij hebben allen gezondigdquot; de blijmare doet hooren: „een ieder, die in Hem gelooft, verderft niet, maar heeft het eeuwige leven.quot;

Na al het gezegde behoeft het ons geen oogenblik verwondering te baren, dat van Hosea's geschrift een veelvuldig gebruik is gemaakt. Profeten als Jeremia en Ezechiel hebben veel van de denkbeelden door Hosea in korten vorm neder-gelegd, zich toegeeigend en uitgewerkt, profeten als Jesaja en Zacharja, woorden van hem overgenomen 5). En al is de eerste plaats die hij in den Kanon en de vertaling der Zeventigen in de rij der twaalf kleine profeten inneemt0), niet te danken aan zijne voortreffelijkheid boven die allen, maar eer aan den ruimen omvang van zijn geschrift en het opschrift a) er boven, toch zou hij den toets met die allen kunnen doorstaan. Ook in het Nieuwe Testament is hij niet vergeten. Jezus vermaant den farizeiir met Zijn woord: „Ik wil barmhartigheid en geene offerande U)quot; en heeft op zijn tocht naar Golgotha de menigte toegeroepen : „dan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen :

d) Met het oog op het opschrift: „Het begin van het woord van Jehova, door Hosea.quot;

b) Matth. 9: 13 en 12: 7, vgl. Hos. 6: 6 naar LXX aangehaald.

70

ocr page 85

DER GODSOPENBARING.

,, „valt op onsquot;quot; en tot de heuvelen, „ „bedekt ons,quot; quot; taal aan Hosea ontleend a]. Als Paulus der gemeente ook de overtuiging der roeping van de heidenen tot het evangelie wil schenken, zegt hij: „Gelijk Ik ook in Hosea zegt: „ „Ik zal hetgeen mijn •volk niet was, als mijn volk roepen en die niet bemind was, als mijne beminde.quot;quot; En het zal geschieden, dat op de plaats waar tot hen gezegd was: „„gij zijt mijn volk nietquot;quot; daar zullen zij kinderen des levenden Gods worden genoemd è)quot; en als dezelfde apostel de zekerheid der opstanding heeft betoogd, besluit hij met den jubelzang aan Hosea ontnomen: „dood waar is uw prikkel? Sjeool waar is uwe overwinning f)?quot;

Van algemeene bekendheid is het evenzeer dat Mattheus in het trekken van Jozef en Maria met Jezus naar Egypte en het aldaar blijven tot Herode's dood de vervulling ziet van Hosea's woord d); „Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.quot;

Beoefenaars en onderzoekers der O. T. geschriften hebben dan ook immer bij voorkeur zijne profetie tot voorwerp van onderzoek gemaakt en om strijd van zijne groote beteekenis getuigd T). En die lof moet immer zijn deel niet het minst van de zijde der gemeente van Christus zijn. Hij toch heeft de grondlijnen aangegeven , waarop het gebouw des Christendoms moet staan en door geen profeet zijn zoo juist en treffend de beginselen der Gods openbaring uitgesproken als door hem. Want door Jehova met

a) Luc. 23: 30, vgl. Hos. 10: 8 en Openb. 6: 16.

ó) Rom. 9: 25 , 26, vgl. Hos. 2: 1, 2, ook 1 Petr. 2: 10 wordt vs. 1 en 25 van datzelfde hoofdstuk aangehaald. De plaats vs. 25 is niet naar LXX genomen en door Paulus gewijzigd om haar voor zijn doei geschikt te doen zijn.

c) 1 Cor. 15: 55, vgl. Hos. 13 e 14, naar de LXX genomen.

d) Matth. 2 : i5b, vgl. Hos. 1: 1. Niet naar LXX (rsx.va) genomen.

71

ocr page 86

72 ZIJNE BETEEKENIS IN DEN GANG DER GODSOPENBARING.

zooveel nadruk als geestelijk Wezen te teekenen, heeft hij ons den eisch gepredikt ons te onttrekken aan wat laag, stoffelijk en zinnelijk is en door Jehova als een God van alles overwinnende liefde te schetsen, heeft hij den mensch eene kracht verleend, door welke hij in alles meer dan overwinnaar kan zijn Door die prediking werd hij de wegwijzer tot Jezus Christus, die ons God's wezen als zoodanig volmaakt zou openbaren en den strijd in God's wezen tusschen Zijne heiligheid en liefde oplossen zou, die nog voor het geestesoog van Hosea bestond. Ja hij zelf, de lijder voor zijn volk, de profeet der liefde, de man desGeestes, de met God verbonden vrome wordt ons de type van Hem, die dit alles in eenigen zin wezen zou. En verbleekt ook al het sterrelicht van deze Hosea, waar het zonlicht van den Jozua des N. Verbonds ons beschijnt, het is goed op het eerste te hebben gestaard, om met te vuriger verlangen het tweede te verbeiden en met het oog op beide luide den Roem van dien God te vermelden, die ze ons beide voor onzen zielevrede schonk

ocr page 87

AANTEEKENINGEN.

i.

1) Tegenover Keil's bewering (Cora. ü. d. 12 kl. Proph. blz. 8), dat zulks geschiedde omdat Hosea de troonsoverwel-digers in Israel niet als wettige vorsten erkende, kan Kuenen's opmerking (Hist. Crit. Ond. dl. 2. blz. 314) volstaan, dat dan toch Zacharja had moeten vermeld zijn, omdat deze als zoon de wettige opvolger van Jerobeam en uit het geslacht van Jehu was.

2) Wel zegt Keil (t. a. p. blz. 10): Cap. 12: 12 setzt den Besitz Gilead gar nichts mehr mit Sicherheit voraus sondern könnte auch nach der Eroberung des Ostjordanlandes durch die Assyrer, gesprochen sein, maar ieder gevoelt dat van eene stad, die ontvolkt is, onmogelijk kan gezegd worden: zij is zonde, 12: 12, eene stad van boosdoeners, met bloed betreden, 6; 8.

3) De tegenwerping van Scholz (t. a. p. Einl. XXIV) dat de profeten niet van alles wat zij wisten moesten schrijven, beantwoorden wij aldus: neen, niet van alles, maar wel van datgene, wat hun het belangrijkste en het hoogste was. Heeft Knobel (der Proph. der Hebraer 2 Th. blz. 158) de vermelding van dien krijg in Cap. 5: 13 willen vinden, de taal verbiedt

ocr page 88

AANTEEKENINGEN.

uitdrukkelijk Juda mede tot onderwerp van nWi te maken. Zie Hitzig t. p.

4) Keil e. a. hebben bij de woorden Sjalman-Beth-Arbel aan eene vroegere verwoesting van Arbela door Salmanassar gedacht. Maar noch is ons van eene dergelijke verwoesting iets van elders bekend, noch wettigt iets de aangenomen verkorting van Salmanassar tot Sjalraan. Nergens vertoont ook de profetie van Hosea eenig spoor van bekendheid met dien vorst, ja alles in het geschrift pleit zelfs tegen dien langen duur van Hosea's werkzaamheid. Scholz denkt bij Sjalman aan Tsalmuna Richt. 6 {quot;p'lW volksnaam van en Sjot veranderd in Sxjnx) maar die veranderingen zijn twijfelachtig: de moord op Gideon's broeder is geene verwoesting en ware Beth-Arbel object van Ti' de constructie moest anders zijn. Ewald denkt aan een onbekend Assyrisch koning, eene meening te verwerpen na de onthulling der Assyrische koningstafels. Nowack acht in navolging van Schrader, dat hier een onbekend Moabietisch koning Salman, door Tiglath-Pileser onder zijne schatplichtige vorsten vermeld, is bedoeld. Deze zou een inval in het gebied van Israel gedaan en Arbel verstoord hebben. Met het oog op de constructie van den zin komt mij evenwel Hitzig's meening het waarschijnlijkst voor, dat hier eene stad Sjalman-Beth-Arbel bedoeld is, een naam gelijk gevormd als die der stad Abel-Beth-Maacha 2 Sam. 20: 16, 18. Dit gedeelte van den zin sluit zich dan zeer goed aan het begin aan: uwe versterkingen worden verwoest als de verwoesting van Sjalman-Beth-Arbel. Ook komt itt' elders bij Hosea als nomen voor.

5) Zoo Keil t. a. p. blz. 10 en Tötterman (die Weissagungen Hosea's bis zur ersten assyrischen Deportation (I—VI. 3) Einl. blz. III).

74

ocr page 89

AANTEEKENINGEN.

6) Van de commentatoren houden Simson, Wünsche, Reuss (les Prophètes) Cheyne het opschrift geheel; Ewald, Hitzig en Nowack het eerste deel voor onecht. Scholz bepleit de echtheid, maar acht het niet van Hosea zelf afkomstig. Na het gezegde blijkt het duidelijk, dat Hosea zijn geschrift met vers 2 : „Het begin van het woord van Jehova door Hoseaquot; moet begonnen zijn. Het laatste deel kan evenmin van Hosea zijn. Onder Jerobeam's regeering toch viel slechts een gering deel zijner werkzaamheid. Wellicht zijn Jes. i : i en Amos i : i, later de oorzaken tot de samenstelling van dit opschrift geweest.

7) Reuss (t. a. p. blz. 132) plaatst zijn optreden in Jerobeam's sterfjaar 784 en is geneigd na zijn dood een interregnum aan te nemen.

8) De meesten stellen zijn optreden tegen het einde van Jerobeam's regeering. Maar omdat Cap. 1 ons uitdrukkelijk naar het begin van Uzzia's regeering heenwijst, die wat goeds beloofde, de tijd van Jerobeam's heerschappij op 41 jaren moet worden gesteld en Cap. 2 ons aan den bloeitijd van zijn koningschap herinnert, komt mij dit zeer onwaarschijnlijk voor.

Het getal der regeeringsjaren der koningen van Israël en Juda wordt in den bijbel op twee wijzen aangeduid. Èn in ronde getallen wordt de duur hunner regeering genoemd èn in het zooveelste jaar der regeering van den vorst uit het ééne rijk wordt die van het andere gezegd den troon beklommen te hebben. Nu stuiten wij hierbij echter op eene tweevoudige moeilijkheid. Ten eerste komen de getallen der beide rijken, met elkander vergeleken, gedurig niet uit; b. v. 2 Kon. 1: 17 (ie jaar van Joram = 2® jaar van Jehoram) en 2 Kon. 3: 11, (ie jaar van Joram = 18e jaar van Josafat); 1 Kon. 16: 23,

75

ocr page 90

AANTEEKENINGEN.

(ie jaar van Omri = 3ie jaar van Asa) en i Kon. 16: 29, (ie jaar van Achab = 38e jaar van Asa en Omri regeerde 12 jaren); 2 Kon. 8: 25, (ie jaar van Ahazia = i2e jaar van Joram) en 2 Kon. 9: 29, (ie jaar van Ahazia = iie jaar van Joram); 2 Kon. 14: 23, (ie jaar van Jerobeam = i5e jaar van Amazia) en 2 Kon. 15: 1, (276 jaar van Jerobeam = ie jaar van Azarja en Amazia regeerde 29 jaren); 2 Kon. 15: 30, (ie jaar van Hosea = 20e jaar van Jotham en Jotham regeerde slechts 16 jaren vs. 33); 2 Kon. 15: 27 (ie jaar van Pekah = 52« jaar van Azarja) en 2 Kon. 17; 1 (ie jaar van Hosea = 12e jaar van Achaz en van het ie jaar van Pekah tot het ie jaar van Hosea zijn 20 jaren en van het 52e jaar van Azarja tot het 12e jaar van Achaz 29 jaren). Ook is de som der jaren van Jerobeam's optreden tot Jehu 68, die van Rehabeam's optreden tot Jehu 95 jaren, dus is er 3 jaren verschil; de som der jaren van Jehu tot de verwoesting van Samaria is volgens de eene lijst 143, die van Athalia tot de verwoesting van Samaria volgens de andere lijst 165 jaren. Dat is de eene moeilijkheid.

De andere is gelegen in het verschil tusschen de chronologie der Assyrische monumenten en die des bijbels. Van Jehu wordt in de eerste gezegd dat hij in 842 aan Salmaneser schatting betaalde; in de laatste wordt deze vorst gezegd, van 884—856 te hebben geregeerd, van Azarja wordt daar gezegd, dat hij omtrent 740 leefde, hier wordt zijne regeering gesteld van 809—758, (Winer; Thenius 811—759; Ewald 808—757); daar wordt Menahem in 738 aan Tiglath-Pileser schatplichtig genoemd; hier wordt zijn regeeringsduur van 771—760 (Winer; 773—762 Thenius; 769 — 759 Ewald) bepaald; daar wordt Pekah in 734 door Tiglath-Pileser overwonnen en de val van

76

ocr page 91

AANTEEKENINGEN.

Samaria in 722 geplaatst en verloopen dus tusschen beide feiten 12 jaren; hier is die tijd 8 jaren (2 Kon. 18: 10, 13).

Op verschillende wijzen trachtte men reeds eerstgenoemde moeilijkheid uit den weg te ruimen toen de laatstgenoemde nog niet bekend was. Thenius deed het door tekstverandering, eene methode ook nu en dan door Ewald gevolgd. Maar niet alleen is de grens tusschen recht en willekeur hier bijkans nooit te trekken, maar blijft het dan voortbestaand verschil met de assyrische gegevens eene onoverkomelijke moeilijkheid. (Zie bovendien nog Kuenen's bedenking Hist. Crit. Ond. dl. I, blz. 254). Winer trachtte vooral door het aannemen van interregna de verschillen uit den weg te ruimen, eene poging die afstuit op de wijze, op welke de opvolging der koningen vermeld wordt, die geen recht tot zulk eene veronderstelling aanbiedt (2 Kon. 14; 29: 15: 30) en die juist daar strijd zou doen ontstaan tusschen de assyrische gegevens en de bijbelsche chronologie, waar nu eenstemmigheid heerscht (zie Robertson Smith, The proph. of Isr. blz. 150). Wellhausen heeft aangetoond (Jahrbb. f. Deutsche Theol. 1865 bldz. 607—640) dat de synchronistische opgaven niet meer zijn dan pogingen der joden na de ballingschap om de verschillen in de gewone getalsopgaven te doen verdwijnen en later in navolging van Krey (Zeitschr. f. Wiss. Theol. 1877 bldz. 404) met Robertson Smith, (Journal of Philology X. bldz. 209—213 en the Proph. of Isr. bldz. 144 vv. en de noten bldz. 401 vv. en 413 vv.), geoordeeld dat wij in de totaalcijfers van de tijdvakken der koningen en in de getallen van de regeering der enkele vorsten een bepaald kunstig gevormd getallensysteem bezitten (Geschichte Isr. 2e Ausg. 1 Bd. bldz. 286 vv. en in Bleck's Einl. 4e Aufl. bldz. 264). Krey gaat hiervan uit dat naar 1 Kon. 6: 1 van het tijdstip van den

77

ocr page 92

AANTEEKENINGEN.

uittocht uit Egypte tot den tempelbouw 480 jaar verloopen; van den tempelbouw tot het einde der ballingschap wederom 480 (?) jaren: en van de grondvesting der nieuwe theocratie tot die van het tweede koningschap door Aristobulus wederom 480 (?) jaren. Wellhausen grondt zijn betoog op het merkwaardige feit, dat, zoo men van Baësa's regeering 2 jaren afneemt, men niet alleen voor den tijd der heerschappij van de vorsten van Israel 240 jaren, dat is de helft van de periode van den tempelbouw tot de grondvesting der nieuwe theocratie, maar ook het volgende getallenspel verkrijgt;

Jerobeam 22. Baesa 22. Omri 12. Achab 22. Joram 12.

Nadab 2. Ela 2. Ahazia 2.

Robertson Smith zoekt de oplossing van het geheim van het getallensysteem in het getal 3. De geheele periode van den tempelbouw tot na de ballingschap duurt 480 = 3 x 160jaren: de halve, dat is de duur van het tienstammenrijk is 240 = 3 x 80 jaren; 160 en 80 zijn veelvouden van 40. Nu loopen van Athalia tot Hizkia met wegneming der 6 jaren van Athalia ongeveer 160 jaren. Ook in het rijk van Juda zijn 3 perioden, ieder van 160 jaren op te merken 1. van den tempelbouw tot het 23e jaar van Joas 160 jaar, 2. van het 23e jaar van Joas tot het 29e jaar van Hizkia 160 jaar, 3. van het 29^ jaar van Hizkia tot na de ballingschap. En in het rijk van Israel 3 perioden ieder van 80 jaar, 1. van Jerobeam tot het 4e jaar van Achab, het jaar in hetwelk de syrische periode begint 80 jaren, 2. van de 4 laatste jaren van Achab tot het einde van Joas of liever het begin van Jerobeam's regeering, de syrische periode, 80 jaren , 3. tot het einde weder 80 jaren. Ik geloof niet te sterk te spreken als ik zeg, dat al deze proeven onbevredigend en onjuist zijn gebleken na de treffende kritiek van Prof. A. Kamphausen

78

ocr page 93

AANTEEKENINGEN.

(die chronologie der Hebr. Könige. Bonn 1883 (vgl. Theol. tijdschr. van van Bell enz. 1883 bldz. 653), die er ten eerste op wijst hoe vaak in de geschiedenis een zeker toevallig getallen-spel valt waar te nemen en ten tweede duidelijk doet uitkomen hoeveel in de gegevens zelve moet gewijzigd worden om de a priori gewilde slotsom te krijgen. Vraagt men echter of Kamp-hausen's eigen gewaagde oplossing bevredigend is? Ik antwoord: neen. Om de som der eerste helft der jaren van de rijken Israël en Juda beide op 95 te brengen wordt door hem zonder opgaaf van reden aangenomen, dat Ela geen geheel jaar, Nadab 1 jaar heeft geregeerd; de duur van de regeering van Menahem op 3, die van Pekah, die van Amazia op 19, die van Uzzia op 42 die van Achaz op 40, die van Manasse op 45 jaren gebracht, en wat het onverklaarbaarst van alles is de verwoesting van Samaria niet onder Hizkia maar onder Achaz, gesteld t. a. p. blz. 32.

Dan zou, geloof ik, het volgend lijstje door mij opgemaakt, waarin de getallen bijkans geheel èn met de synchronismen èn met de assyrische gegevens in overeenstemming gebracht zijn: om de weinige veranderingen de voorkeur verdienen.

V9

Zie nog Max Duncker's lijst bij Cheyne t. a. p. blz. 40,

Jehii

859-

Athalia

859-

Joahaz

831.

Joas

853-

Joas

814.

Amazia

813.

Jerobeam

798.

Uzzia

784.

Zacharja

747

Sallum

747.

Menahem

746.

Pekahia

736.

Pekah

734-

Jotham

732-

Hosea

731-

Achaz

731.

Hizkia

728.

Verwoesting

van

Verwoesting

van

Samaria

722.

Samaria

722.

ocr page 94

AANTEEKENINGEN.

9) Aldus oordeelde Ewald (Gesch. blz. 646 en Proph. d. A. B. blz. 176, 177).

10) Zie hierboven onder 8.

11) Schrader, Die Keilinschriften und das A. T. 2e Ausg. blz. 210.

12) Schrader t. a. p.

13) Ewald, Gesch. blz. 599.

14) Ewald meende (t. a. p. blz. 602), dat Jerobeam II die verlosser was. Even goed, ja waarschijnlijker nog zou Jehoas het dan zijn, Jerobeam's vader, onder wien de verlossing begon. Duidelijk echter wijst het verband op een redder, die Joahaz zeiven reeds hoop op betere tijden koesteren deed. En deze kan niemand anders geweest zijn dan de Assyrische koning Binnirar III, die het land der Syriers bedreigde. Zoo oordeelen ook Max Duncker, Geschichte des Altherthums, 2 Bd. blz. 201 en Robertson Smith, The Prophets of Israel, blz. 90, 91. Bij Schrader wordt Binnirar, Rammannirar genoemd.

15) Robertson Smith t. a. p. blz. 203.

16) Over de glansrijke regeering van Uzzia. Ewald, Gesch. blz. 631. Die aanvraag van Ammon en Moab is misschien af te leiden uit Jes. 15 en 16.

17) Robertson Smith, t. a. p. blz. 95.

18) De ligging van Tifsah is onzeker. Sommigen denken aan Thapsakus aan den Eufraat en in 1 Kon. 4: 24 vermeld; anderen lezen voor Tifsah, Tappuah, bij de grenzen van Manasse Joz. 17; 8; weer anderen achten het waarschijnlijk, dat er in het midden van Palestina eene stad Tifsah lag, ons overigens geheel onbekend.

19) Met opzet noem ik den naam van dien koning niet, omdat de acten van het onderzoek of Phul en Tiglath-Pileser dezelfde personen zijn, nog niet zijn gesloten. Schrader heeft

8o

ocr page 95

AANTEEKENINGEN.

in de 2e editie van zijn werk. Die Keilinschriften und das A. T. zijne meening tegenover de bestrijding van von Gütschmidt (Neue Beitrage) gehandhaafd en nader toegelicht. Zie over deze kwestie, Oppert, Expedition en Mesopotamie I. Liter. Centralbl. 1873, n0. 35 en Jahrbb. f. Prot. Theol. I. 1875, blz. 320 vv.

20) Het blijkt uit verschillende plaatsen dat de Israëlieten tallooze malen den Kanaftnietischen Baal met Ashera hebben vereerd. De naam „Baalquot; d. i. heer, was een appellativum, met hetwelk de verschillende stammen der Semieten hun hoog-sten god aanduiden. Inzonderheid de Baal der Kanaanieten, de hoogste natuurmacht, die met Ashera verbonden, één man-vrouwelijke godheid vormde, terwijl dan hij meer het werkende , bevruchtende, scheppende, zij het receptieve, ontvangende beginsel voorstelde, vond bij Israel een gunstig onthaal. Toch zijn er ook sporen in de H. S. waaruit blijkt, dat de vereerders van Jehova, onder de gedaante van een beeld, ook hem wel den naam van Baal schonken. Duidelijk wordt dit reeds uit namen als Esbaal 1 Chron. 8; 33; 9: 39; Meribbaal

1 Chron. 8: 34; 9; 40; Bealjada 1 Chron. 14; 7; Bealja „Jahve is Baalquot; 1 Chron.12: 5; Asbel Gen. 46: 21; 1 Chron. 8: 1. Nog duidelijker uit de gelijkstelling van Bealjada 1 Chron. 14: 7 met Eljada 2 Sam. 5: 16, 1 Chron. 3: 8 en de verandering van Esbaal 1 Chron. 8: 33; 9: 39 in Isboseth 2 Sam. 2:8, 10 enz. en van Jerubbaal Richt. 6; 32 enz. in Jerubbeseth

2 Sam. 11: 21. Toch kan ik dit feit niet zoo algemeen noemen als b. v. Robertson Smith doet, die als Hosea van Baals spreekt uitsluitend aan populaire Jehovavereering denkt, matseba's en Ashera's alleen als daarbij behoorend en alle andere dienst als zeer bijkomstig beschouwt. (Het O. T. in de Joodsche Kerk blz. 191, 197 vv.) De Baalim in de bekende verzen

6

8l

ocr page 96

AANTEEKENINGEN.

Hosea 2: 18, 19 zijn hem dan ook alleen Jehova-beelden en inzonderheid vs. 18 wordt deze verklaring toegepast. Daartegen nu rijzen de volgende bezwaren: 1 Cap. 4: 12, 13 wordt uitdrukkelijk de Ashera dienst vermeld, omdat nergens een spoor te ontdekken is, dat ook met de populaire Jehovavereering ontucht gepaard ging, gelijk die hier wordt vermeld; 2 Cap. 13; 1, 2 worden Baalsdienst en Jehovadienst naast elkander geplaatst en aan beide een plaats ingeruimd: 3 de Matseba's behooren dan toch, gelijk van elders bekend is, voornamelijk tot den Baalsdienst: 4 2 Kon. 13: 6 en 17, 16 spreken van zulk een dienst in dien tijd. Uitsluitend bij het woord „Baalimquot; dus aan de Jehova-beelden te denken, komt mij niet gewettigd voor. Maar ook tegen de uitsluitende opvatting van de verschillende gestalten, in welke de Kanaanietische Baal vereerd werd, is bezwaar. Dan zou Hosea toch in het eerste deel met geen woord van den kalverendienst hebben gerept, tegen welke hij in het tweede deel zoo vurig te velde trekt, en dit is ondenkbaar. Het komt mij dus het natuurlijkste voor, dat de profeet, sterk in het uitdenken van bepaalde namen voor deze of gene zaak, de goden, zonder onderscheid, die zijn volk vereerde, met den naam „Baal'squot; heeft genoemd en dus dat woord bij hem evenals het woord „matsebaquot; een nomen commune is. Eerstgenoemde naam sloeg dan op het karakter; de tweede op de gedaante dier goden. (Zie omtrent deze zaak en Hosea 2: 18 de meening van Kuenen Godsd. v. Isr. dl. I 301 vv. en de aant. IV achter dat hoofdst.)

21) Zie Riehm's WRb. holl. vert. art. Baal en Herzog's Real-Encycl. hetzelfde artikel.

22) 2 Kon. 17: 16, vgl. 1 Kon. 15: 32 en de profetie van Hosea. iUVD is iets dat opgezet is; inzonderheid wordt het

82

ocr page 97

AANTEEKENINGEN.

als zoodanig gebruikt van steenen , als gedenkzuilen geplaatst Gen. 35: 14; 28; 18 enz. en van zuilen ter aanbidding aangewezen.

Als wij 2 Kon. 10: 26, 27 naast 1 Kon. 16: 32 en 2 Kon. 18: 4 naast 2 Kon. 21; 3 beschouwen en zien, dat in de eerstgenoemde plaatsen niet van de altaren van Baal maar slechts van de matseba's gesproken wordt, terwijl in de laatstgenoemde juist het tegenovergestelde geschiedt, zouden wij kunnen meenen, dat matseba's steenen altaren waren. In Genes. 35; 14 wordt eveneens gezegd, dat Jacob een Matseba tot altaar wijdde. Maar aangezien zij Deut. 7: 5; Hos. 10; 2; Jes. 19; 19 naast elkander worden vermeld, zoo komt het mij voor, dat de matseba als opgezette steen of zuil op of onmiddelijk naast het altaar geplaatst werd. Dat hij in 't bijzonder als het beeld van Baal zoo genoemd werd, wordt bewezen door 2 Kon. 3:2; 10: 26; 18: 4; 23: 4. 2 Kon. 10: 25 bewijst dat de matseba's niet altoos van steen waren. Hosea gebruikt het woord als nomen commune voor de voorwerpen der godsvereering. Zie H. Oort, Theol, tijdschr. 1867, blz. 300 en Kuenen , Godsd. v. Isr. 1 dl. blz. 393 vv. en blz. 83.

23) 1 Kon. 16: 33, 2 Kon. 13: 6; 17; 10; vgl. Hos. 4: 12. Aschera is óf de naam der godin zelve, óf de naam van haar symbool, de heilige boomtronk of paal. Zie voor het eerste

1 Kon. 18: 19; 2 Kon. 23: 7; voor het laatste 1 Kon. 14: 23;

2 Kon. 17: 10.

83

ocr page 98

AANTEEKENINGEN.

II.

1) Het woord VWin is inf. abs. Hiph. v. W „ruim zijnquot; in Hiph. „bevrijden.quot; Imperat. Hiph. kan het niet zijn met de beteekenis „helpquot;, omdat de verkorte vormen van den Imperat. en het Imperf. Hiph. — in den uitgang hebben en de inf. abs. alleen —.. heeft. Ook kan het geen 3 pers. praet. Hiph. (Scholz, Comment, z. B. d. Proph. Hos. blz. 3) zijn, naar analogie aan ]nj in plaats van rrjru in iruirv ten eerste omdat de uitgang — . . dan toch onverklaard blijft, ten tweede omdat daarbij wordt aangenomen wat eerst van elders moest bewezen zijn, nl. dat in het woord Win de afgekorte vorm van nirv schuilt. Het is derhalve inf. abs. Hiph. met de beteekenis van het verbum als abstractum „reddenquot; „hulp.quot; Ook zoo Jer. 11: 12; 1 Sam. 25: 26, 33, vgl. Exod. 32: 6 en Ges. Hebr. Gram. § 131 noot. Zie Simson der Proph. Hos. 1851 , blz. 7 en Wünsche, der Proph. Hosea 1868, blz. 11 over het citaat van Hieronymus dat schijnt te pleiten voor de meening als was in win nirv besloten.

De LXX en de Vulgata hebben 'n^é en Osee. Een vorm AxjfTYi of AOo-üs komt in sommige HSS. voor. In Rom. 9; 25 het citaat door Paulus aan Hosea ontnomen, staat 'ncr.g met spir. asper.

2) De beteekenis van '1X3 is niet „erlaütererquot; (Simson) noch „puteus meusquot; (Scholz). De ' is alleen aan het subst. gehecht om er een adject, van te maken, gelijk meermalen, vooral bij persoons- en plaatsnamen hel geval is. De zin is „van een bron.quot; Eigenaardig is de vertaling en verklaring van Hieronymus. Iste ergo salvator Hosea filius est Beëri i. e. putei mei, quos puteos fodit Abraham, Isaac et Jacob et allophyli.

84

ocr page 99

AANTEEKENINGEN.

eos semper conabantur obruere. De puteus meus is dan de wet en de Heer zelf naar Jer. 2: 13.

3) Zie Ewald (Die Propl. d. A. B. ie Bd. 1867, biz. 172).

4) Verouderd is dan ook het gevoelen van Jahn en Maurer te achten, die hem voor een Judeör hielden.

5) Uit gevoelen heeft Ewald (t. a. p. blz. 174) verdedigd, met deze bijvoeging dat hij in Juda ook zijn boek geschreven heeft. Umbreit (Comment, ub. die Proph. blz. 5) is ongeveer van dezelfde meening en acht het zeer waarschijnlijk dat Hosea in Juda gestorven is.

6) Bewoorden «pnx j'D'U kunnen Simson's meening (Comment, t. p.) niet steunen dat Rama en Gibea in dezen tijd tot het tienstammenrijk behoorden. Zie beneden. Beide plaatsen behoorden tot het tweestammenrijk 1 Kon. 15: 21, 22, vgl. Jes. 10: 29. Van een tijdelijken overgang van Gibea is ons niets bekend.

7) Zoo oordeelde Duhm (die Theol. der Proph. Bonn. 1875, blz. 130, 131). Zie daartegen Nowack t. a. p. Einl. VIII en Scholz t. a. p. Einl. XXII.

8) Sommigen denken bij Belemon aan Belamon (Judith 8; 3) hetzelfde als Baal-Hamon (LXX jSssXa^uv) Hoogl. 8; 11 in de nabijheid van Dothan, noord, van Samaria, in de vlakte van Jizreël, hetwelk dus in Isachar liggen kon. Om de onzekerheid der plaats Judith 7 : 3 kan deze daar tegen geen voldoend bezwaar opleveren (zie Riehm's Wrb. art. Baal-Hamon). Anderen denken aan Baal-Meon (|3sï),r.t-:wv en niet zooals Scholz t. a. p. blz. XXIII meent (SsXspav) een stad in het stamgebied van Ruben (Jos. 13: 17) 9 rom. mijlen van Hesbon verwijderd. Hieronymus schrijft; Osee de tribu Isaschar fuit, ortus in Bethsemes Joz. 19; 22.

ocr page 100

AANTEEKENINGEN.

9) Schol. v. Ephr. Syr. Explor. in Hos. Pseudo-epiph. v. Cypera de vitis prophet, cap. 11. Pseudo-Doroth. de prophet, cap. i. Isidorus Hispalensis de vita et obitu sanct. cap. 41.

10) Umbreit, Pract. Comment, ü. d. kl. Proph. 1 Th. blz. 11.

11) Vandaar ook zijn eigenaardige stijl met zijn ellipsen (9: 4; 13: 9) en anacoluthen (9: 6; 8: 13; 12: 8); inversies (7: 8; 9: 11, 13; 13:8; 14: 9) en paranomasiën (8: 7; 11 : 5; 12: 12); woordspelingen (1 ; 4, 5; 2: 2 , 25) en tegenstellingen (4: 10, 16; 7: 15; 11: 1, 2). Zie Scholz, Einleitung.

12) Robertson Smith, The Prophets of Isr. blz. 157.

13) Wanneer Dr. Pierson in zijn Studie over Israels Profeten ,, bl. 110 enkele van dergelijke beelden naast die van geheel tegenovergestelden aard plaatst, om zoo te besluiten tot de tegenstrijdige meeningen, die de profeten omtrent Jehova hebben gekoesterd, dan miskent hij geheel de bedoeling der profeten , wien het bij dat gebruik vaak te doen was om een bepaalde trek te doen uitkomen , zonder te willen geacht worden het gansche beeld voor hun rekening te nemen. Te recht zegt dan ook Niemeijer in zijn Bijbelsche Karakterkunde, V dl. blz. 440, „dat men bij dergelijke beschrijvingen, zullen zij niet onwaardig worden, eeniglijk en alleen op die eigenschappen letten moet, waarvan deze beelden erkende zinnebeelden zijn.quot; Zie ook Wünsche t. p.

14) Pierson t. a. p. bl. 88, geeft ons eenige in het hollandsch uitnemend wedergegeven voorbeelden van woordspelingen en alliteratien bij dezen profeet. Cap. 10: 5. Voor de kalveren van Beth-Aven is Samaria's bevolking bang, en .... hare papen beven wegens het kalf, zooals iemand, die in verrukking is beeft omdat zijne heerlijkheid zal oprukken (tegen Israels stier-dienst). Cap. 10: 13 gij wat later berouwt; Cap. 12; 12.

86

ocr page 101

A ANTEEKEN IX GEN.

Is te Gilead alles nietigheid, zoo zal het vernietigd worden, te Gilgal gillen zij ter eere van hun stier, maar gal van Gods toorn zal over hen uitgestort worden. Cap. 13: 15. Efraïni zvXfraai zijn. Alleen lijkt mij dat alles niet zouteloos zooals aan Dr. P. maar een vernieuwd bewijs van Hosea's oorspronkelijkheid.

15) Vandaar dat het eigenaardige religieuse meer dan het ethische bij Hosea op den voorgrond treedt: hij bijkans alleen zegt wat God met Israel doet en zijne persoonlijke opwekkingen tot zijn volk zeldzaam zijn; zijn geschrift meer getuigenissen dan vermaningen bevat.

16) Het gevoelen van Hengstenberg (Christ, d. A. T. dl. I, blz. 183 vv.) ook door Reinke, voorheen door Hieronymus en Rufinus voorgestaan als zou Hosea in ekstatischen toestand, het bevel om Gomer te huwen ^ vernomen en volvoerd hebben, is door Kurtz volkomen wederlegd en telt, zoover mij bekend is, geen aanhangers onder de geleerden meer. Vandaar liet ik het hier onvermeld.

17) J. H. Kurtz, Die Ehe des Proph. Hosea nach Hos. 1—3. Luther vatte de beide hoofdstukken in gelijken zin op.

18) Scholz, Comment, z. B. d. Proph. Hoseas, blz. 1 vv.

19) Valeton, Studiën, 4e dl. 1878, blz. 143—164. Wellhausen in Bleek's Einl. in das A. T. 4e Aufl. 1878, blz. 406 vv. Robertson Smith, The Prophets of Israel, blz. 178—183. Nowack t. a. p. Einl. § 1 en op vs. 3. Cheyne, Hosea Introd. blz. 15 vv.

20) C. von Orelli, Die alttest. Weissagung v. d. Vollend, des Gottesreiches in ihr. gesch. Entw. dargestellt. Wien 1882 , blz. 287.

21) B. Duhm, Die Theologie der Propheten als Grundlage fiir die innere Entwicklungsgeschichte der Isr. Relig. Bonn. 1875, Wz- 81 noot.

87

ocr page 102

88

22) H. Ewald, Die Proph. d. A. B. ie Bd. 2e Aufl. 1867. Göttingen, blz. 182 vv.

23) Dr. Küper, Das Prophetenthum des A. B. blz. 183—192.

24) Dit gevoelen was dat van Umbreit (Pract. Comment, u. d. Proph. 1 Th. blz. 16 vv.). Het is kort geformuleeerd en zaakrijk bestreden door Valeton t. a. p. gelijk vroeger door Simson en Wünsche.

25) Deze is voorgestaan door Calvijn (sciebat totus populus, nihil esse tale, sed propheta perinde locutus est ac si pictam tabulam ante oculos eorum exponeret). Rosenmüller, Maurer, Hitzig, Simson, Wünsche, Reuss, Keil, Tötterman, Schultz (Alttest. Theol. dl. 2, blz. 48). Oehler (Theol. van h. O. T. blz. 749). Schmoller in Lange's Bibelwerk. Schrader in Schenkel's Bibellexicon, Kleinert in Riehm's Woordenboek, Kuenen in zijn Hist. Crit. Ond. Een beroep op Jes. 8: 4, waar dat „wantquot; feit en verklaring aan elkander hecht, kan hier tot wederlegging niet baten, aangezien juist daar het onmiddelijke in de verbinding niet te vinden is, van wege de woorden: want eer dat knechtje zal kunnen roepen enz. welke ook uitdrukkelijk het feitelijke doen uitkomen.

26) jn is om dezelfde reden als nax wegens het gemis van artikel of suffix van een nieuw ingevoerden persoon gebruikt. Daarom kan het niet de gemaal der vrouw aanduiden. Een beriep daarvoor op Jer. 3: 20, HGld. 5; 16, Klgl. 1: 2 baat niet, aangezien daar evenmin door dat woord de gemaal aangeduid wordt. Ook mag het niet eenvoudig door „een anderquot; worden overgezet, welke beteekenis het alleen van een ander in de gemeenschap heeft, hetzij dit door het voorafgaande

of op andere wijze is aangeduid (Gen. .11: 3, „de een tot den anderquot; Richt. 6: 29; 1 Sam. 10: 11). Het beteekent dus

ocr page 103

A ANTEEKENINGEN.

89

ons „minnaarquot; en wel in den lichtzinnigen beteekenis van het woord. De uitdrukkingen „beminquot; in plaats van „neem eene vrouwquot; en „overspeligequot; in plaats van „vrouw van hoererijen,quot; zijn hier gebruikt, omdat hier zijn doel was de liefde van Jehova tegenover dat volk, dat door Hem aangenomen was, maar met ontrouw die liefde vergold, te schetsen. Waar hij in de eerste allegorie de ellende van Israel als gevolg der zonde wil teekenen, vangt hij aan, „neem een vrouw van hoererijen en kinderen van hoererijenquot;, waar hij in de tweede zijne vernedering als vrucht van Jehova's liefde beschrijft, begint hij; „heb eene vrouw lief, die door een minnaar bemind wordt en overspel bedrijftquot;. Op het standpunt van iedere uitlegging baart de zaak^^en koopprijs moeilijkheid. De prijs klinkt vreemd, 15 zilverlingen, 1 chomejüi gerst, '/.jdiomeifligerst (LXX nebel wijn). Waarom is zij niet geheel in zilverlingen , maar daarbij voor een deel in gerst vermeld, ja als de algemeen aangenomen berekening juist is (1 epha gerst = 1 sék^el, 1 chomer = 10 epha's dus = 10 sekels; 1 letech — Y, chomer = 5 sekels, derhalve 1 '/2 chomer, 15 zilverlingen) juist voor even veel in geld als in goed? Voor velen schijnt ook het koopen zelf raadselachtig. Aan wien toch is de som betaald? Aan de ouders, van wien de profeet haar als bruidegom koopt? maar dan zou zij IHD moeten zijn genoemd, bovendien werd zij reeds als gehuwd (raxjn) gedacht en blijft ook dan de lage prijs onverklaard (dit tegen Scholz). Aan den minnaar, die haar in zijn bezit had? maar zij was, ook door weg te loopen , het rechtmatig eigendom des mans gebleven, die haar kon terugnemen als hij wenschte (dit tegen Ewald en Nowack). Aan de vrouw als bruidsgeschenk? maar het „ik kocht haarquot; is daarmede bepaald in strijd. Ook zou één aanstaand echtgenoot

ocr page 104

AANTEEKENINGEN.

door een slavenprijs te betalen zich niet aan zulk eene minachting zijner vrouw hebben schuldig gemaakt (dit tegen Keil). Aan de vrouw, om haar, die der armoede prijsgegeven was, uit den lagen toestand te redden en haar voor zich te verkrijgen of ter betaling van het levensonderhoud, dat haar in den proeftijd zou worden geschonken? Maar er is geen letter in dit verband te vinden, die ook maar een schijn van recht aan deze hypothese biedt. Vooral de uitdrukking „ik kocht haarquot; strijdt tegen het laatste (dit tegen Kurtz, Wünsche, Böhl e. a.). Wordt evenwel het raadselachtige niet weggenomen , als wij Cap. 3 ook als een allegorie beschouwende, het op dezelfde wijze uitleggen als Cap. I, zooals wij deden? En is de moeilijkheid van dat „koopenquot; niet onoverkomelijk op het standpunt der voorstanders der historische werkelijkheid , die hier niet anders dan het koopen der getrouwde vrouw kunnen zien?

27) Het suff. in rro.xi behoeft in het minst niet op eene van vroeger bekende vrouw terug te slaan, het slaat op die, van welke in vs. 1 is gesproken. Zie de zooeven aangehaalde commentaren op dit punt.

28) D'jijt nB'N een boerachtige vrouw sterker dan ruil of ruil na'N; D'JUï nV geteelden, telgen van hoererijen, krachtiger dan ruii rrix p (Richt. 11: n, 1).

De 3: i waren gekneede koeken, samengesteld

uit meel, olie en druivenhonig. Deze zoete koeken komen voor in verband met een offerfeest in 2 Sam. 25; 19, maar het schijnt, dat het als een van de Dionysische trekken van den Baalsdienst werd beschouwd, dat zij op het altaar gebracht werden. Zoo althans Robertson Smith, Het O. T. in de Jood-sche kerk, blz. 284. Ter wille van het parallelismus meen ik

90

ocr page 105

AANTEEKENINGEN.

dat, niet zooals Smith wil. 'anxi op de D'inx ü'n^x kan slaan, maar evenals D'J3 op 'ww* 'ja ziet.

29) De verklaring van Tótterman t. a. p. blz. 16—28 komt mij te gezocht voor, ofschoon het waarschijnlijk is dat de dualis Diblalm om de overeenkomst met den vorm Efraim is gebruikt.

III.

1) Op die eenheid, wijst ons 4; 5, 10j 5: 3, 7; 9: 1 die ons geheel en al in den gedachtekring van Cap. 1 en 3 verplaatsen, vgl. verder 3 : 4 en 13; 10; 6: 1—4 en 10: 1, 2; 3: 5 en 11: 10, 11; 1: 15 en 9: 12; 2: 4 vv. en 9: 1, 2.

2) Zie over het verband tusschen het door den profeet gesprokene en geschrevene Kuenen, de Prof. en de profet. onder Isr. dl. I blz. 75 vv. Keil, Handb. d. Hist. Crit. Inl. blz. 169, 170 en vooral Ewald. Die Proph. blz. 48—69 en 180—188.

3) Ewald ziet zich om zijne hist, opvatting van Cap. 1 en 3 genoopt achter Cap. 2 een lacune aan te nemen.

4) Zie Ewald t. a. p. blz. 187; Simson t. a. p. Einl. blz. 29 vv. Hitzig t. a. p. Vorbemerk. Nowack t. a. p. blz. 26; Scholz t. a. p. Einl. blz. 37.

5) De moeilijkheid om Hosea te verstaan, bracht de Masorethen vaak op een dwaalspoor en is de hoofdoorzaak gevonden van den nu vaak zoo onzekeren tekst.

6) Ik stem volkomen met Wilnsche (t. a. p. blz. 27 Einl.) in als hij zegt, dat eene verdeeling in strophen hier niet is te vinden. Kuenen zegt terecht, (Hist. crit. Ond. 2« dl. blz. 38)

91

ocr page 106

AANTEEKENINGEN.

dat Ewald, die eene verdeeling in strophen meende te hebben gevonden, soms het begin eener strophe vindt, waar de rede slechts eene wending neemt.

7) Reuss. t. a. p. blz. 134.

8) 13: 5 in' leeren kennen, vervolgens kennen, verstaan, zich geheel aan iets geven, gemeenschap hebben met. Van God wordt het zoo gebruikt Ps. 37: 8; 144: 3; Nah. 1:7; van menschen Job r8: 21; Ps. 9; 11; 36: 11. Duhm miskent (t. a. p. blz. 137 vv.) geheel deze beteekenis van m' bij Hosea, waar hij het alleen van een verstandelijk kennen opvat, in het gebruik van dit woord de beginselen van een objectieve leer ziet en daarop de hypothese bouwt dat Hosea priester-profeet is geweest. Indien ergens dan geldt wel met het oog hierop Kuenen's opmerking van geheel het geschrift van Duhm, dat de profeten bij hem meer theologen dan profeten zijn (Theol. Tijdschr. 1882 blz. 649).

Ook komt het mij voor, dat al erkent Robertson Smith (The Proph. of Isr. blz. 160, 161) te recht dat „kennenquot; bij Hosea geen bloote verstandzaak is, hij toch te veel in de „chezedquot; met voorbijgang van het „kennenquot; de grondgedachte des profeten vindt. De liefde, die God Israel gedurig betoont, is een gevolg hiervan, dat Hij het gekend heeft en die liefde die Israël Jehova bewijst, is het uitvloeisel hiervan, dat het Jehova kent. Niet alleen toch komt het begrip „kennenquot; veel talrijker malen bij Hosea voor dan het begrip „chezedquot; maar het is zelfs twijfelachtig of „chezedquot; wel ooit in de beteekenis van eene bepaalde verhouding van den mensch tot God wordt gebruikt. Op de eenige plaatsen, die zulk eene verklaring schijnen te steunen (Jes. 57: 1; Ps. 144: 2; Jer. 2: 9) moet het in den zin van (zonder dat daarbij aan een verhouding tot God wordt gedacht)

92

ocr page 107

A ANTEEKEN INGEN.

rechtschapen of in dien van genade van Gods wege worden opgevat. In de eerste beteekenis wordt het nu met „trouwquot; (Gen. 47: 29; Jos. 2; 14; 2 Sam. 15: 20) dan met rechtvaardigheid (Spr. 21: 21; Micha 6: 8) dan met waarheid (Gen. 22: 27; Spr. 20: 28) verbonden. Een mensch die „chezedquot; heeft, toont de nirv m' (vooral Jer. 9: 24) te bezitten. Zie nog over de beteekenis van „kennenquot; Valeton Stemmen v. Waarh. en Vrede April 1886 blz. 471.

9) ruv met 3 = getuigen tegen: de vertaling der LXX „vernederd wordenquot; geeft met het oog op VJi)3 geen zin; ]iilt;j is hier hoogmoed, die het vergeten van Jehova ten gevolge heeft 13: 6; 7: 10. In Amos 8: 7 is die beteekenis, tegenover het vergeten van Jehova zeer gepast, Hitzig, Simson, Keil nemen het hier in de beteekenis van „heerlijkheidquot;.

10) 4: 13. Eik en terebinth werden om hun breede takken en groote bladeren bij voorkeur gebruikt. Zie Winer Realw, artt. Storax en Terebinthe. Daarom bedrijven de jongeren ontucht, omdat de godsdienst in welken zij worden opgeleid, zulk een karakter draagt vgl. 5 : 7. Zie Keil t. a. p.

u) 4: 12 l^pD wijst op de Rhabdomantie of Belomantie, die soort van waarzeggerij, waarbij men 2 staven onder het uitspreken van zekere tooverformulieren vallen liet en uit de wijze van vallen, voor- of achterwaarts, rechts of links het orakel verleende. Ook pijlen werden daartoe gebezigd Ezech. 21 : 21 vgl. Num. 17 : 7 vv. Scholz t. p. Winer Realw , art. Wahrsager).

ook op de Rhabdomantie toepasselijk te maken geeft eene matte tautologie (zie Scholz). Kennelijk doelt de profeet daarmede op de boomstam , het symbool van Ashera, wier dienst met dien van Baal vereenigd, een ontuchtig karakter droeg. Kuenen Godsd. v. Isr. dl. I blz. 94—97 vgl. 2 Kon. 13; 6.

93

ocr page 108

AANTEEKENINGEN.

12) 3: 4. De staatkundige en godsdienstige wijsheid zal verdwenen zijn, rusn hier als namen commune, beeld, voorwerp van Godsvereering, D'ïnni quot;iiax ephod en terafim, beide beelden maar als middelen om het orakel te leeren kennen. Duidelijk toch is de ephod ook een Beeld Richt. 8; 27. vgl. vs. 26, al beteekent het woord ook elders een deel der hoogepriesterlijke kleeding (zoo niet Richt. 18). Nowack's opmerking dat J'i'n nooit „vom Aufstellen einer Statue eines Gottesbildes gebraucht wirdquot; en dat „die Grundbedeutung „niederlegenquot; is, is nietig, omdat de eigentlijke beteekenis van den wortel is „plaatsenquot; zoowel in staande als liggende houding (Gen. 43: 9; Deut. 28: 56; Jes. 5: 32). Als Kuenen de waarschijnlijkheid betoogt dat de urim en thummim in de Jehova tempels door beelden werden ingenomen, zou het dan, (ter verklaring van het tweeerlei gebruik van het woord efod) niet mogelijk kunnen zijn dat ook de efod des hoogepriesters daar evenzeer door een beeld vervangen was ? Zie de veranderde meening van Kuenen omtrent den efod Godsd. v. Isr. dl. I 84 en Volksg. en Wereldg. blz. 70. Ook Simson t. p. en Wellhausen (Prol. z. Gesch. Isr. Bd. I 134 noot en 249) houden in het boek der Richt, de efod voor een beeld.

13) 6:7. Er is geen bezwaar „als Adamquot; te vertalen. Het denkbeeld van verbondsverbreking door het voorgeslacht komt in de profetie meer voor. En zou de vertaling „zij verbreken het verbond naar menschenaardquot; wel waarschijnlijk zijn? Is het dan zoo menschelijk verbonden te breken? En maakt men de tegenwerping dat wij nergens Adam's zonde als bonds-breuk zien vermeld, dan antwoord ik, Hosea heeft haar van zijn standpunt als zoodanig beschouwd.

14) Ik kan op grond van deze plaatsen niet inzien dat Hosea

94

ocr page 109

AANTEEKENINGEN.

„met onverschilligheid, die aan afkeering grenst over den eeredienst spreektquot;, (zoo Kuenen Godsd. v. Isr. dl. I 620). Uit 8: 13 toch blijkt duidelijk, dat hij hem slechts afkeurt omdat hij met zelfzuchtige, zinnelijke bedoeling geschiedt. Te recht zegt dan ook Robertson Smith (Het O. T. in de Joodsche kerk blz. 193): De aanklacht die de profeten telkens tegen het volk inbrengen is, dat het geheel opgaat in de dingen, die betrekking hebben op den eeredienst en zich van Jehova's gunst verzekerd meent te hebben door den ijver voor het uitwendige, zonder dat het rechtvaardigheid, barmhartigheid en zedelijke gehoorzaamheid geoefend heeft.

15) Ewald vermoedt dat vele priesters hen, die naar Sichem, behoorende tot de Levieten- en asylsteden en liggende op het gebergte Efraïm tusschen Ebal en Gerizim vluchtten, onderweg vermoordden, om hun have te bemachtigen.

Op de woorden |rb 'mM ■■pin in Cap. 4: 4 zijn verschillende conjecturen beproefd. Wellhausen (t. a. p. blz. 143 noot) leest miMa 'OVl (en mijn volk maakt het als zijne priesters): Robertson Smith (Proph. of Isr. blz. 406) leest ]rb '3 nn fpin (en uw volk heeft tegen Mij gerebelleerd o priester); Mosapp (Zeitschr. f. Altt. Wissensch. Heft. I 1885 blz. 184, 185 bestreden in datzelfde tijdschrift Heft II 1885 blz. 300, 301 door J. Taylor) leest quot;jro' mn;o dvi (en het volk verricht het priesterlijk werk als zijn priesters d. w. z. dient als zijne priesters de afgoden). Tegen den eerste gelden als bezwaren: I Het is ondenkbaar, dat de profeet de zonden des volks ten hunnen aanhoore ook zelfs eenigermate zou hebben vergoelijkt door die der priesters: 2 de hoofdreden van dezen conjectuur is het maken van een ge-pasten overgang van de rede tot het volk tot die tot de priesters, maar het daaropvolgend -'pN in vs. 5 duidt aan, dat de profeet

95

ocr page 110

AANTEEKENINGEN.

hier nog met het volk bezig is. Men moge zeggen dat zulk een woord even goed van de priesters (2 Sara. 20: 19: Ezech. 19: 2) als van het volk gebruikt wordt, Hosea gebruikt het uitsluitend van het laatste: 3 Het verschil tusschen ]rD en idd wordt hier geheel uit het oog verloren. Tegen den tweede gelden allereerst de bezwaren onder 1 en 2 genoemd, maar eveneens dat-het „uw volkquot; niet de priesterkaste kan zijn, omdat de aangesprokenen de kinderen Israel's (vs. 1), het volk, zijn: en het onderscheid tusschen den priester en zijn kaste den profeet vreemd is. Tegen den derde geldt voor een deel het genoemde en ook dit, dat quot;po nooit in de ongunstige beteekenis van „verkeerde, afgodische priesterdienstquot; voorkomt.

Allen verloren te veel het o voor 'ann uit het oog, dat op een voorbeeld wijst, hetwelk de profeet het volk (want dat werd aangesproken) voorhoudt. De verklaring van Ewald en Nowack t. p. alsof het volk hier sprekend wordt ingevoerd, zeggende: laat uwe straf- en strijdredenen varen, terwijl de profeet dan daarop zou laten volgen, dat zeggen zij, die er geen bezwaar in zien, tegen den priester strijdend op te treden, is te gekunsteld en verdient AVellhausen's opmerking: „Der Prophet Hosea würde es kaum als Capitalsünde betrachtet haben wenn auch das Volk den Priestern die Achtung versagte, die sie nach seinen Ausserungen so ganz und gar nicht verdien ten.quot;

Op den voorgrond stel ik, dat de profeet met het „gijquot; en „uwequot; het volk individueel toespreekt, gelijk uit vs. 1 blijkt; met den 3en persoon in vs. 7 en 8 de priesters worden bedoeld en in vs. 9 en 10 volk en priesters te zamen. Vs. 4 is tus-schenzin. Verschillende ellenden overkomen Israel. In vs. 3 en vs. 5 worden deze met een „daaromquot; op vs. 2 terugslaande aangeduid. In dezen tusschenzin nu zegt de profeet met het

96

ocr page 111

AANTEEKENINGEN.

oog op die rampen, „niemand toch twiste, en niemand wijze terecht, want uw volk is als zij, die met den priester twisten,quot; d. w. z. men doe elkander toch geene ver wij tingen, en richte tegen elkander geene beschuldigingen, gelijk men vaak den priester doet, als hij, als de drager van het heilige lot, een voor iemand ongunstige uitspraak doet. In vs. 7 lees ik dan voor: 'V-iNBn p DITO — 'ViNan D'jron D3quot;\0' Wordt derhalve is vs. 4 niets ten nadeele der priesters gezegd, wel is dit het geval in vs. 7 en 8.

16) Zie Cap. 7: 3—7 is niet ten onrechte door Scholz de moeilijkste plaats uit de profetie genoemd. Uit vers 3 vergeleken met vers 1 (valschheid, leugens) blijkt voldoende, dat het „allen samen doen zij overspelquot; doelt op de trouweloosheid, de slechtheid, die koning en vorsten eigen zijn. Dat dient op den voorgrond te worden gesteld, omdat velen in de volgende verzen het zwaartepunt hebben gelegd in den koningsmoord. Deze laatste is gevolg ja van de laagheid van koning en vorsten, maar deze laatste is alleen hoofdzaak. De profeet stelt nu deze met haar gevolg onder een beeld voor. Hun hart is aan een gloeienden bakoven gelijk, die verwarmd is door den bakker, den koning, die in plaats van hen tegen te gaan, de slechtheid aanvuurt en in de hand werkt. De uitdrukking „zij zijn gelijk een bakovenquot; (vs. 4) wordt verklaard door „zij beginnen met de verhitting van den wijnquot; (vs. 5); het „die aangestookt wordt door den bakker (vs. 4) verklaard door „hij strekt zijne hand uit met de spotters (vs. 5); het „die ophoudt te wakenquot; (vs. 4) door „hunlieder bakker slaapt den ganschen nachtquot;, (vs. 6). Gedurende den tijd, dat hij rust, wordt het door hem gekneede deeg geheel doorzuurd, dat wil zeggen,

gedurende den slaap des konings rijpen de lage plannen, die

7

97

ocr page 112

AANTEEKENINGEN.

hij zelf door zijne slechtheid als het ware gekweekt heeft. Zij brengen hun hart als een bakoven nader bij hunne lagen d. i. bij het doorzuurde deeg (dit ziet op de gewoonte der Israëlieten om het deeg op den buitenkant te brengen van den aarden pot, die tot oven diende). En als nu 'smorgens hun hart als de oven, weer door 'sbakkers toedoen, verhit wordt, dat is, het gemoed des konings het hunne weêr prikkelt tot boosheid , komen de listen tot uitvoering en verteert de hartstocht alles wat haar nadert.

Met deze verklaring voor oogen acht ik de conjecturen van Houtsma op deze plaats (Theol. tijdschr. v. v. Bell 1878, blz. 62 vv.) voor het grootste deel onnoodig en onjuist. Vragen toch als deze, dienende om den conjectuur te rechtvaardigen: „is het het doel van den oven niet om het deeg tot voedzaam brood te bakken, hoe kan dan de profeet de goddelooze aanslagen der vorsten met het heilzaam doel van den oven vergelijken?quot; beteekenen niets, waar het doel van den oven d. i. van der vorsten slechtheid, de moordaanslag niet de hoofdzaak, niet de portée van het beeld is, maar de slechtheid, hun lichtzinnig gemoed zelf. Niet wat er uit den oven komt, maar wat de oven zelf is, is de hoofdzaak. Daarbij is de lezing dit SN in plaats van dhsn af te wijzen: 1 omdat niet de toorn, maar de trouwbreuk (vs. 3) de zaak is, waarop het aankomt, 2 omdat in vs. 4 hetzelfde woord (ook door Houtsma) door „bakkerquot; vertaald wordt. De vertaling van Uip door „naderbij brengenquot; neem ik evenwel even gaarne over als de verandering van .iSnn in ibnn = ziek maken.

De verschillende commentatoren huldigen bijkans allen eene verschillende verklaring. Zie de vreemde verklaring van Simson t. p. en over de conjecturen van Houtsma, Valeton Studiën dl. I blz. 173.

98

ocr page 113

A ANÏEEKENINGEN.

17) vs. 5 is tegenstelling van vs. 4. Zonder koning is Israel langen tijd geweest, nu schaart men zich weer onder den scepter van den vorst uit David's geslacht. Tegelijk met het vaarwel zeggen der afgoden, en het zoeken van Jehova, buigt men zich weder onder den van God gewilden koningstam van David, onder een telg uit dat huis, die het ware beeld van den vroegeren David is.

18) 2: 1—3 holl. vert. 1: 10—12. Behoort wellicht achter Hoofdst. 2. Hier toch maken zij al het voorgaande krachteloos. Het „nochthansquot; der Statenv. staat niet in het hebreeuwsch.

19) 5: 10 min' nc Juda's overheid; Suj 'J'DSi is spreekwoordelijke uitdrukking aan de heiligheid der grenzen ontleend. Spr. 22: 28; Deut. 19: 24 enz.

20) 8: 4 ziet niet op de vorsten van het tienstammenrijk als zoodanig en op het noordisraelitische koningschap als „wider-göttliches,quot; maar slaat op de hoedanigheid der koningen, die allen afgodendienaars waren, vgl. 7: 7 „geen roept tot Mij.quot;

21) 13: 11. Onmogelijk kan hier gelijk Keil, Nowack e. a. willen aan den afval der tienstammen onder Jerobeam gedacht worden, ten eerste omdat de troonsbeklimming van Jerobeam nooit als een daad Gods, al was het dan als gevolg van Zijn toorn wordt beschouwd en ten tweede omdat de afval der tienstammen voor een groot deel gerechtvaardigd was wegens de afpersingen van Rehabeam. Volkomen past Hosea's woord echter bij 1 Sam. 8; 5 vv. waar het yolk van Samuel een koning begeert.

22) Duhm ziet dat alles over het hoofd, als hij (t. a. p. blz. 127) zegt: Die erste grosse Sünde, die alle anderen nach sich gezogen hat ist der Abfall der Israeliten von der Davidischen Dynastie.

99

ocr page 114

A ANTEEKENINGEN.

23) Te recht schrijft Simson t. p. tegen eene verklaring als die van Hitzig t. p. als zou hier Jacob tot een voorbeeld van waarschuwing tegen bedrog en strijd tegen God zijn genoemd: das durchaus glanzende Licht, in welchem die hebr. Volksage den Patriarchen erscheinen lasst, den sie als den unmittelbaren Stammvater des Volkes eine besonders auszeichnende Aufmerk-samkeit zuwendet, erwecht schon gerechte Bedenken gegen eine Auffassung, wie die von uns zurückgewiesene ist und auch der Betrachtung der einzelnen Ausdrücke diesem Verse in denen jene ein Recht alleinigen Geltung meinte finden zu können muss sie als unbegründet erwiesen. Op de mededeeling van den zegen slaat dan ook het oogenblikkelijk volgende: Jehova God der heirscharen, Jehova is zijn gedenknaam. Houtma's gissing dat wij hier een oud volkslied of een fragment daarvan hebben, komt mij zeer waarschijnlijk voor, vooral ook om de herhaling van mü' in quot;Wi, de verandering van □,n17N in

, de weglating van het artikel voor het laatstgenoemde woord enz. Voor uny lees ik IDV (zoo ook LXX aijToug)

24) 13: 5, nmión 'i'ixd de LXX h yf, Kotxinw: Het woord ruixbn is oina% Igyipzvov: daarom lees ik vooral ook met het oog op de lezing der LXX in een land zonder huis = onbewoond.

25) 9; 10. De zin is niet dat Israël voor God eene aangename verschijning was (Simson, Nowack), dat was Israël nooit; ook niet dat Jehova zich over Israël, dat als een wilde druif of eenling van een vijg was, ontfermd heeft (Hitzig); deze ver klaring toch rust op de verkeerde meening alsof God Israël in de woestijn eerst vond, waartegen 11: 1; 12: 14 strijden en waarvan 13: 5 niet spreekt.

26) 8: 12 m met weggeworpen n = ni2l myriade, hyper-

IOO

ocr page 115

AANTEEKENINGEN.

bolisch voor een menigte Ps. 3: 7; Deut. 33: 17. Zie Wünsche t. p. en Kuenen, Hist. Crit. Ond. 2e uitgave, ie deel, ie stuk, blz. 174.

27) Achor = beroering: zoo heette het dal in hetwelk Achan was gesteenigd (Jos. 7: 25, 26) en waar dus na het uitbannen van den gruwel uit zijn midden, Israël de hoop op nieuwe .zegepralen bekomen had. Van daar Achor, de deur der hope. De uitdrukking ziet niet op Israël, dat in de woestijn zijnde, hoopte Kanaftii binnen te gaan, maar op Israël, dat in Kanaitn zijnde, na teleurstelling (te Ai) op nieuwen zegen wachtte. Dit laatste tegen Nowack t. p.

28) De commentatoren schijnen mij toe te dwalen, wanneer zij meenen dat in 9: 9 en 10: 9 gedoeld wordt op het verhaal Richt. 17: 3 vv. of Richt. 19 20, of de koningskeuze van Saul. Ten eerste toch komen beide plaatsen voor in een verband, 't welk over den dienst der afgoden (9: 10; 10: 8) handelt en ten tweede wijst de uitdrukking „de dagen van Gibedquot; niet op eene oogenblikkelijke handeling, die daar plaats heeft gehad, maar op eene zonde, die constant aldaar bedreven werd. Het komt mij daarom voor, dat hier op een zondigen eeredienst wordt gedoeld, die zoowel te Gibea als te Rama (5: 8) zijn middelpunt, ja misschien zijn uitgangspunt vond. Misschien wijst daarop 1 Sam. 14: 2 „onder den (bekenden) granatenboomquot; (te Gibea) en 1 Sam. 22; 6 „op den heuvel onder ^«(bekenden) tamariskquot; (te Rama). Naar een ons onbekend feit wijst ook 10: 14, misschien ook 5; 11 henen.

29) In Cap. 1—3 is niet éénmaal van eene wegvoering sprake. Het land zal naakt en kaal worden aan eene woestenij gelijk; alles waarin het volk zijn wellust vond wordt het ontnomen. Ziedaar alles. Ook in vs. 16 „Ik zal hen lokken en voeren in

101

ocr page 116

AANTEEKENINGEN.

de woestijnquot;, is het woord woestijn zinnebeeldig gebruikt. En de geheele zin heeft dezelfde beteekenis als vs. 8, 9a. Lijden in hun land, dat vinden wij in het ie, lijden buiten hun land in het 2e deel. Zie ook onze verklaring van Achor.

30) 11: 8—11. Het brullen als een leeuw is het beeld van God's geweldigheid, Jer. 25: 30; Joel 3: 16; Amos 1: 2; Openb. 10: 3.

31) tja (of Jes. 19; 13; Jer. 2 : 16; 44: 1; Ezech. 30: 13, 16) contractie uit Manoph of Manuph. koptisch van Min-nefr = plaats van het goede (koptisch nofi — goed) is de gewone naam van de stad. Ha ka phta huis der vereering van Phtha. De stad Memphis hier bedoeld wordt synoniem voor Egypte door den profeet gebruikt.

32) 9: 6. Zie Cap. II: 5. Om verschillende, zoo te noemen, redenen, komt het mij noodzakelijk voor X1? in l1? te veranderen, dit bij het voorgaande te trekken en met Houtsma (t. a. p. blz. 71) axi in vs. 4 te veranderen in D'DXi of met Valeton (t. a. p. blz. 181) in met de beteekenis „Ik zag omquot;. Ook de LXX lazen dit in evenals als iS in a-jrw. De vertaling van vs. 4b en 5 wordt dan: „En Ik zag gaarne naar hem om en gaf hem te eten; naar Egypte zal hij wederkeeren en Assur deze zal zijn koning zijn, want zij weigeren zich te bekeerenquot;. De redenen voor de verandering van ió in zijn de volgende, 1 de woordspeling JIB'S met 3 W' krijgt dan eerst een goeden zin („hij zal wederkeeren naar Egyple, want zij weigeren zich te bekeerenquot;); 2 vs. 11 spreekt vaneen terugkeer uit Egypte en Assur, welke dus een voorafgaand daarheen trekken veronderstelt: 3 de veronderstelling, dat Hosea, zoo kort na elkander zich zou hebben tegengesproken (want 8: 13; 9: 3 wordt uitdrukkelijk van een terugkeer naar Egypte ge-

102

ocr page 117

AANTEEKENINGEN.

sproken), is ongerijmd. Ook voor een tweeërlei gebruik van het woord „Egyptequot;, eens in typischen, eens in werkelijken zin (Keil) is geen grond. Het woord Kin kan bij de door ons voorgestane vertaling geen bezwaar opleveren want dat dit eene tegenstelling zou noodzakelijk maken is onaannemelijk, omdat het hier ten doel heeft twee nomina van elkander te scheiden (zoo ook i Sam. 17: 14 enz. zie Nowack t. p.) Vreemd is de vertaling en verklaring van Kuenen (De prof. en de prof. onder Israel dl. I 183 vv.) en de conclusie uit de laatste getrokken. Welk recht bestaat er op grond van Hosea's geschrift tot de onderscheiding van de wegvoering van een deel des volks en die van het geheel?

33) Cap. 9: 3b in Assur eten zij wat onrein is, omdat waar tempel of altaar worden gemist en het voedsel, door de overgave van het eerste en het beste aan Jehova niet meer kan worden geheiligd, dit als brood der smarte is, dat is brood, dat onrein maakt, (Num. 19: 14 vv. Deut. 26: 14. Ezech. 24: 17, 22, Jer. 16: 5, 7). Vs. 3b „in Assur zullen zij het onreine etenquot; wordt verklaard door vs. 4 en bevat dus geene bevestiging van Amos, 7: 17, dat is van het gevoelen, dat het buitenland onrein is. Niet omdat zij het in een vreemd land doen, maar omdat hun de gelegenheid is ontnomen het voedsel eerst te wijden door de eerstelinggave aan Jehova, is, wat zij eten, onrein. Kuenen heeft in zijn Volksgodsd. en Wereldgodsd. blz. 263, 264 terecht de vertaling „hun offers zijn hem niet aangenaamquot; (vs. 4) in strijd verklaard met den aanhef van hetzelfde vers, waar het ontbreken der offers uitdrukkelijk wordt op den voorgrond geplaatst. Dat wij dan ook in strijd zouden komen met Cap. 3: 4 is onwaar: daar toch wordt niet gelijk hier van de ballingschap gesproken. Voor Kuenen zelf was

ocr page 118

AANTEEKENINGEN.

dit althans in zijn de Prof. en Profet. onder Israël bldz. 181 ook nog twijfelachtig, omdat hij aldaar met het oog op deze plaats van „in of buiten Kanaanquot; spreekt. Stelt Knenen de conjectuur je 'ereku voor je 'erebu voor, ik zou willen vragen of dit laatste hier niet in den zin van „iets borgen, belovenquot; (Jer. 30: 21) overdrachtelijk kan gebruikt zijn.quot; (Zie over deze plaats nog Robertson Smith. Het O. T. in de Joodsche kerk bldz. 203).

Met het oog op het slot „het komt in het huis van Jehova nietquot; waar het woord „huisquot; stellig „tempelquot; beteekent, acht ik het onjuist in 8: 1 en 9: 5, „huisquot; door „landquot; te verklaren. Niet alleen toch zou dan zonder eenige aanwijzing hetzelfde woord kort na elkander in tweeërlei zin zijn gebruikt, maar ook is het gebruik van het woord „huisquot; in die betee-kenis zonder voorbeeld. De zin van 8: 1 en 9: 5 is deze: Jehova zal hen uit zijne tempelen waar zooveel ongerechtigheid geschiedt verdrijven; de Assyriers zullen er tegen oprukken. Dat Jehova toch in die tempelen vereerd wordt, daartegen rijst bij den profeet nooit bezwaar, alleen de wijze waarop die vereering geschiedt, verfoeit hij. (Wellhausen t. a. p. bldz. 23 noot). Voor de stelling, dat daarbij ook menschenoffers gebracht werden, levert Hosea's geschrift geen enkel bewijs. Cap. 13 : 2b spreekt daarvan toch niet.

Cap. 13: 2b; tót hen (de beelden) spreken deze: „offerende menschen kussen kalveren.quot; Uiteenloopend zijn de verklaringen van deze plaats. Hitzig en Wünsche t. p. Kuenen (Godsd. v. Isr. dl. bldz. 81) Baudissin (Herzog's Real-Encycl. art. Kalb) vertalen het laatste gedeelte: „menschen offerende, kussen zij kalverenquot; en vinden hier het gebruikelijk offeren van menschen door den profeet veroordeeld. Daartegen spreekt echter, 1. dat

io4

ocr page 119

AANTEEKENINGEN.

voor zoover wij van elders weten het menschenoffer wel met den Molochdienst, maar niet met den Jehovadienst, als kalveren-dienst verbonden was , 2. dat het ondenkbaar is, zoo waar ware, wat b. v. Kuenen opmerkt: „zoo zijn wij dan geneigd in die menschenoffers een van de hoofdredenen te zien, waarom de profeten de Jehovavereering hunner tijdgenooten zoo scherp afkeuren,quot; dat Hosea slechts éénmaal en dan nog in zulke woorden dezen gruwel zou hebben bestreden. Ewald, Simson, Nowack en Scholz vertalen dan ook „offerenden uit de menschen d. i. offerende menschen,quot; terwijl dan de een dit aan het voorafgaande, de ander het aan het volgende verbindt. Scholz alleen neemt het als tusschenzin. Keil vertaalt „van hen zeggen zij (nl. menschen, die offeren) zij vereeren kalverenquot; maar niet slechts is de zin dan gewrongen, maar ook Dn overbodig. Het beste is de uitdrukking DIN 'nat met Gesenius (Hebr. Gram. § 112 aanm.) op te vatten naar analogie der uitdrukking D'JaN 'pSn gladde onder de steenen = gladde steenen, (1 Sam. 17 : 40) DIN 'JON de armen onder de menschen = armen (Jes. 29: 19).

quot;*dx staat absoluut als 2 Chron. 32: 24. Nu krijgen wij een goeden zin, ja een treffende tegenstelling: offerende menschen kussen (huldigen) kalveren\

34) 10: 8 ]1X niD3. Zonder nu is er geen enkele reden |1N alleen van Bethel te verstaan. Het is hier appellativum. Zoo ook Ewald en Nowack t. p.

35) 14: 4b, 5. Men verstaat deze verzen in verband met vs 2 en 3 verkeerd, als men oordeelt dat de profeet hier alleen op de bekeering de vernieuwde genade van Jehova verwacht. Wel wekt Hosea tot die bekeering op, maar zonder zich er over uit te spreken of deze komt, spreekt hij wel zijne

105

ocr page 120

io6

stellige verwachting uit aangaande de vernieuwde gunst van Jehova en Zijne vrijwillige liefde.

•nw' vs. 8 beteekent hier verbonden met VIT adverbialiter „weder.quot; Het kan niet beteekenen „zij keeren wederquot; omdat de terugkeer bij de schildering der voorafgaande verzen (vs. 6 en 7) reeds verondersteld was.

vs. 9. Zie Robertson Smith t. a. p. bldz. 411 over deze plaats.

IV.

1) Hieruit ziet men hoeveel er aan is van Duhm's bewering (t. a. p. bldz. 138, 139), dat de profeet van meening was, dat de enkelen des volks de idee van Gods liefde slechts door leer en kennis in zich kon opnemen. Daarbij wordt bij Hosea op geen enkele plaats de kennis in uitsluitend intellectueelen zin gebruikt.

2) Uit de gewijzigde beschouwing des profeten omtrent het koningschap, blijkt reeds hoe weinig, de in Cap. 3 : 5 genoemde David een wezentlijk bestanddeel zijnen profetie uitmaakt en vervalt een der hoofdredenen voor de verklaring dezer plaats als Messiaansch. Verder doen de woorden door den profeet gebruikt noch aan een bepaalden persoon noch aan een bepaalden tijd denken en wordt het vs. voldoende door Cap. 1 verklaard, namelijk als de begeerde vereeniging van de rijken Israel en Juda, onder den scepter van een echten Davidstelg. Zie vóór de Messiaansche opvatting Keil en Böhl t. p.

3) Het komt mij voor dat Robertson Smith in het slot van zijn hoofdstuk over Hosea in zijn meermalen aangehaald werk te veel het onderscheid tusschen het eerste en tweede deel van

ocr page 121

AANTEEKENINGEN.

Hosea's geschrift uit het oog heeft verloren en daarom, in plaats van de verklaring der uitsluitend physische schilderij in Cap. 14 in de veranderde tijdsomstandigheden te zoeken, ten onrechte zegt: So lang as the individual side of religion fails to recieve that central place wich its holds in the Gospel it is impossible to represent the highest spiritual truth, without some use of physical analogies and this shows itself in the most characteristic way when the book of Hosea closes with an image derived from mere vegetative life. En Cap. 2: 21, 22 dan

4) Omdat Duhm ten onrechte de eschatologie assimileert met teleologie, wier doel innerlijke verandering van het geheele volk is (t. a. p. bldz. 136, 138) concludeert hij tegen de bewijzen in, dat Hosea „keine Eschatologie hat.quot;

5) Zie vooral de opgave bij Scholz, t. a. p. Einl.

6) In den Talmud komt hij na Obadja en Jona voor.

7) Zie de opgave bij Wünsche Einl.

107

ocr page 122
ocr page 123
ocr page 124
ocr page 125