van den 28sten April 1876 (Stbl. N0.102),
TOT REGELING VAN HET
HOOG ER ONDERWIJS,
zoonli zij luidt, na de daarin yebragte wijzujingen bij de wetten van 7 Mei 1878 {Stbl. Nquot;. .quot;i.'i ,
28 Jmiij 1881 (Stbl. No. 107), 15 .Tuni't 188^ {Stbl. No. 73) en 23 July 1883 (Stbl. No. 141),
MET DE DAARBIJ BEHOOBENDE
\T(;
s
a S
'li a
wmn
â s
ALPHABETISCH REGISTER g
Mr. C. If. PRINS,
Outl-Su Is li tnn t-Officier van Justitie, lij den liuad van Justitie te Soerabaya.
Negende Druk. Bijgewerkt tot December 1885.
'^?lt;;P. -r WET
l
van den 28sten April 1876 (Stbl. N0. 102),
TOT REGELING VAN HET
HOOGER ONDERWIJS,
^ zooals zij luidt, na de daarin gehragle wijzigingen bij de wetten van 7 Mei 1878 (Stbl. Nü. 33),
'28 Junij -1881 (Stbl. Nquot;. 107), 15 Junij 1883 (Stbl. Nquot;. 75) en 23 Julij 1885 (Stbl. N° 141).
1
MET DE DAARBIJ BEHOORENDE
BESLUITEN TER ÃITYOERM DIER WET
) EN
(ALPHABETISCH REGISTER
( DOOR
Mr. G. H. PRINS,
Oïid-Snbstitmit-Officier van Justitie, hij den Raad van Justitie te Soerabaya.
i .................................
Negende Druk. Bijgewerkt tot December 1885.
I .................................
i -C.
H.
SCHIEDAM,
A. M. ROELANTS. 188G.
I TV H O XJ Igt;.
Bladz.
WET van den 28sten April 187() (Stbl. No. 102), tot
regeling van het Hooger Onderwijs........1
ALPHABETISCH REGISTER op de wet.....23
BESLUIT van den 27,sten April 1877 (Stbl. No. 87), houdende vaststelling van de in artt. 84, 88 en 92 der wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, bedoelde examens en promotiën, /oo-als dat besluit is gewijzigd bij besluit van 4 Junij 1878
(Stbl. No. 86)...............34
BESLUIT van den 6den Mei 1877 (Stbl. No. 101), bepalende dat de wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, op 1 Obtober 1877 in werking zal treden............43
BESLUIT van den 17den Julij 1877 (Stbl. No. 159), ter uitvoering van art. 118 der wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, zooals dat besluit is gewijzigd bij besluiten van 4 Junij 1878 (Stbl. No. 86) en van 23 September 1878 (Stbl.
No. 130).................43
BESLUIT van den 17den Julij 1877 (Stbl. No. 160), ter uitvoering van art. 119 der wet van den 28sten April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs 45 BESLUIT van den 29sten Junij 1878 (Stbl. No. 98), tot
vaststelling van het leerplan der gymnasia en progymnasia 47 BESLUIT van den 3den December 1878 (Stbl. No. 174;, rot regeling van het beheer, door curatoren der Rijksuniversiteiten te voeren, en van hunnen overigen werkkring ..................51
BESLUIT van den 2den Februarij 1879 (Stbl. No. 29), houdende regeling van de jaarwedden der hoogleeraren
aan de Rijksuniversiteiten ...........53
BESLUIT van den 2den April 1884 (Stbl. No. 49), waarbij met intrekking van het Koninklijk besluit van 24 Junij 1881, (Stbl. No. 69), wordt vastgesteld een nieuw programma voor het eindexamen der gymnasia met zesjarigen cursus en het daarmede gelijkgesteld examen, vermeld in art. 12 der wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102) 54
W E T
van den '28sten April 1 876 (Still. N0. lO'i),
tot kegeling van het
HOOGEE ONDERWIJS,
zooals zij luidt, na de daarin gebragte wijzigingen bij de wetten van 7 Mei 4878 (Stbl. N0. 33), 28 Junij 1881 (Stbl. N0. 107), 15 Junij 1883 (Stbl. N0. 75) en 23 Julij 1885 (Stbl. Nquot;. 141).
Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz..
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens art. 194 der Grondwet het hooger onderwijs moet worden geregeld door de wet;
Zoo is het, dat Wij , den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
TITEL I.
Alg-eitieene bepalingen.
Art. 1. Hooger onderwijs omvat de vorming en voorbereiding tot zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het bekleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor eene wetenschappelijke opleiding vereischt wordt.
2. De scholen van hooger onderwijs worden onderscheiden in openbare en bijzondere.
Openbare scholen zijn die, opgerigt en onderhouden door gemeenten en het Rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zijn bijzondere scholen.
3. Tot het geven van hooger onderwijs aan gemeentelijke of bijzondere scholen behoeven vreemdelingen Onze vergunning.
Op hen, die in strijd hiermede handelen, zijn de straften, vermeld in art. (gt;, 1ste en 3de lid, der wet van 2 Mei 1863 {Staatsblad No. 50) toepasselijk.
WET OP HET HOOGER ONDERW. Art, 4â8
TITEL II.
Van liet openbaar lioog-er onderwijs.
4. Openbaar hooger onderwijs wordt gegeven aan: gymnasia;
het Athenaeum Illustre te Amsterdam;
universiteiten.
EERSTE HOOFDSTUK.
Van de gymnasia.
§ 1. Van de scholen.
5. Gymnasia zijn instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs.
Aan de gymnasia wordt onderwijs gegeven in: a. de grieksche taal en letterkunde;
h. de latijnsche taal en letterkunde;
c. de nederlandsche taal en letterkunde;
d. de fransche taal;
e. de hoogduitsche taal;
Æ. de engelsche taal;
g. de geschiedenis;
h. de aardrijkskunde;
i. de wiskunde;
Jc. de natuurkunde;
l. de scheikunde;
m. de natuurlijke historie.
Aan de gymnasia kan ook onderwijs gegeven worden in: n. de hebreenwsche taal;
o. de gymnastiek.
6. In elke gemeente, waar de bevolking twintig duizend zielen te boven gaat, wordt door het gemeentebestuur een gymnasium opgerigt of naar de voorschriften dezer wet inge-rigt en in stand gehouden.
In andere gemeenten kan een gymnasium opgerigt worden. Mogt in eene gemeente van boven twintig duizend zielen op bezoek van een gymnasium weinig te rekenen zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden.
â¢7. Het onderwijs aan de gymnasia wordt gegeven in eenen zesjarigen cursus, in overeenstemming met een algemeen leerplan, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld, regelende den omvang van het onderwijs en de grondtrekken van den cursus.
Het staat aan de besturen van gemeenten, waar de bevolking minder dan twintig duizend zielen bedraagt en, met Onze toestemming, aan die der in het eerste lid van art. (5 bedoelde gemeenten vrij , gymnasia met vierjarigen cursus op te rigten, die den naam van progymnasia dragen en waarvan het algemeen leerplan op gelijke wijze als dat der gymnasia door Ons wordt vastgesteld.
8. Aan de gemeenten kan ten behoeve van hare gymnasia uit 's Rijks kas subsidie worden verleend.
De gemeenten, dusverre in het genot van Rijkssubsidie ten
392
â 2 â
WET OP HET HOOGER ONDERW.
Art. 8â13
393
behoeve barer latijnscbe scbolen of gymnasia, blijven in dat genot voor zooveel die instellingen aan de vereischten dezer wet voldoen.
9. Om als leerling aan een gymnasium te worden toegelaten, wordt het afleggen van een examen gevorderd.
Dit examen, afgenomen door een of meer leeraren onder toezigt van curatoren, betreft voor de toelating tot het eerste studiejaar: het lezen, schrijven, rekenen, de beginselen der Nederlandsche taal, der aardrijkskunde en der geschiedenis.
Waar de plaatselijke omstandigheden het raadzaam maken, kan de gemeenteraad bepalen, dat het examen zich zal uitstrekken tot de beginselen der wiskunde en die der Fransche taal of tot een van deze vakken.
Voor de toelating tot een hooger studiejaar betreft het examen hetgeen in het voorgaande studiejaar is onderwezen aan het gymnasium, tot hetwelk de toelating wordt verlangd.
Geen leerling van een gymnasium wordt tot een hooger studiejaar bevorderd, dan ten gevolge van een bij het einde van het studiejaar door leeraren onder toezigt van curatoren te houden overgangsexamen, waaruit blijkt, dat hij voldoende kundigheden bezit om het onderwijs in dat hooger studiejaar te kunnen bijwonen.
Bij verschil van gevoelen tusschen leeraren en curatoren omtrent den uitslag van een examen beslist het collegie van curatoren.
10. Al hetgeen de toelating tot de gymnasia, de verpligtin-gen van den rector en de leeraren, de regeling van het onderwijs en de vacantien betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is beslist, door den gemeenteraad geregeld.
11. Aan de leerlingen der gymnasia met zesjarigen cursus, die het onderwijs tot aan het einde hebben bijgewoond, wordt eenmaal 's jaars gelegenheid gegeven, om, ten gevolge van een mondeling en schriftelijk examen, een getuigschrift te verkrijgen, dat zij bekwaam zijn tot de studie aan eene universiteit over te gaan in de faculteit in het getuigschrift vermeld.
Dit examen, voor zooverre het mondeling is in het openbaar te houden, wordt afgenomen door de leeraren van het gymnasium, ten overstaan van een of meer gecommitteerden, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen. Bij verschil van gevoelen tusschen de leeraren en den gecommitteerde of de gecommitteerden omtrent het verleenen van het getuigschrift, beslissen laatstgenoemde.
Het programma van dit examen wordt door Ons bij alge-meenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.
13. Aan alle anderen dan de bij art. 11 vermelde, wordt eenmaal 'sjaars gelegenheid gegeven, om, hetzij'door deelneming aan het daar bedoelde eindexamen bij een gymnasium te hunner keuze, hetzij ten gevolge van gelijk examen als in dat artikel, bij eene door Ons te benoemen commissie, gelijk getuigschrift te verkrijgen.
De tijd en de plaats der vergaderingen dezer commissie, worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken bepaald. Hare leden genieten uit 's Rijks kas vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.
13. Zij, die het eindexamen van de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus of het examen A, bedoeld bij art. 59 der wet van 2 Mei 1863 (Stbl. No. 50), met goed gevolg heb-
â 3 â
WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. 13â16
ben afjrelegd, worden bij de in de artt. 11 en 12 omschrevene examens alleen geëxamineerd in de vakken, waarin zij bij het door hen afgelegd examen niet zijn geëxamineerd.
Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt door Ons bepaald, van welke vakken zij, die andere van Staatswege ingestelde en gedeeltelijk dezelfde vakken omvattende examens met goed gevolg hebben afgelegd, bij de in artt. 11 en 12 omschrevene examens zullen zijn vrijgesteld.
§ 2. Van de onderwijzers.
14. De onderwijzers aan de gymnasia dragen den titel van leeraar.
Aan het hoofd van elk gymnasium is een der leeraren geplaatst, die den titel draagt van rector.
Een der leeraren wordt aangewezen om den rector bij ver-hindering te vervangen; hij draagt den titel van conrector.
15. Het getal der leeraren voor de gymnasia, alsmede het bedrag hunner jaarwedden, wordt door den gemeenteraad vastgesteld.
De besluiten van den gemeenteraad, daartoe betrekkelijk, worden voor de scholen, tot wier oprigting de gemeenten krachtens deze wet verpligt zijn, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, voor die, welke door het Rijk worden gesubsidieerd, aan de goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken onderworpen.
lO. Om tot leeraar aan een gymnasium benoemd te kunnen worden, wordt gevorderd, behalve een getuigschrift van goed zede ijk gedrag, afgegeven door het hoofd van het bestuur der gemeente of gemeenten, waar men gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond ;
a. voor de grieksche en latijnsche talen en letterkunde de graad van doctor in de klassieke letterkunde;
h. voor de nederlandsche taal en letterkunde de graad van doctor in de nederlandsche letterkunde;
c. voor de fransche hoogduitsche en engelsche talen het bezit eener acte van bekwaamheid tot het geven van middtlbaar onderwijs in die vakken;
d. voor de geschiedenis de graad van doctor in de klassieke letterkunde of die van doctor in de nederlandsche letterkunde;
e. voor de aardrijkskunde de graad van doctor in de nederlandsche letterkunde of die van doctor in de wis- en natuurkunde ;
Æ. voor de wiskunde en de natuurkunde de graad van doctor iu de wis- en sterrekunde of die van doctor in de wis- en natuurkunde;
(j. voor de scheikunde de graad van doctor in de scheikunde;
h. voor de natuurlijke historie de graad van doctor in de aard- en delfstofkunde of die van doctor in de plant- en dierkunde;
i. voor de hebreeuwsche taal- en letterkunde de graad van doctor in de godgeleerdheid of die van doctor in de semitische letterkunde.
Tot het geven van dit onderwijs zijn ook benoembaar de Nederlandsch-Israëlitische en de Portugeesch-Israëlitische godgeleerden van den eersten en tweeden rang en godsdienstonderwijzers van den hoogsten en middelsten rang;
394
â 4 â
Art. 16â30 WET OP HET HOOGER ONDER W. 395
1c. voor de gymnastiek het bezit eener acte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in dat vak.
Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder ö, h, e, Æ, g, h en i, zijn ook benoembaar zij, die het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van den doctoralen graad, met goed gevolg hebben afgelegd.
Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder bj dj e, Æ, g en A, zijn ook benoembaar zij, die in het bezit zijn van acten van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in die vakken aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus.
Voor de rectoren en conrectoren wordt de graad van doctor in de klassieke letterkunde gevorderd. Conrectoren van progymnasia kunnen tijdelijk door Ons van het bezit van den doctoralen graad worden vrijgesteld.
V7. De leeraren der gymnasia worden benoemd door den gemeenteraad, die vooraf eene aanbevelingslijst van benoembaren ontvangt, door curatoren, na verhoor van den inspecteur, wiens advies aan den gemeenteraad wordt overgelegd, opgemaakt.
De benoemingen bij scholen, welke door het Rijk worden gesubsidieerd, behoeven de goedkeuring van Onzen Minister van 15innenlandsche Zaken.
Zij kunnen door burgemeester en wethouders worden geschorst. Deze geven, zoo spoedig mogelijk, rekenschap van hun besluit aan den gemeenteraad.
Zij worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord.
Is schorsing naar inzien van den inspecteur noodig, en zijn burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan de schorsing door Gedeputeerde Staten geschieden.
Is ontslag naar inzien van burgemeester en wethouders of van den inspecteur noodig, en is de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door Gedeputeerde Staten geschieden.
18. De schorsing van een leeraar geschiedt hoogstens voor drie maanden.
Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, dan wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging.
Schorsing of ontslag wordt niet uitgesproken dan nadat de belanghebbende is gehoord of opgeroepen.
19. Van de besluiten, krachtens art. 15, 2de lid, en artt. 17 en 18 door Gedeputeerde Staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen door den belanghebbende en, voor zoo ver iéder in het ongelijk is gesteld, door burgemeester en wethouders, den gemeenteraad en den inspecteur.
20. Aan leeraren der gymnasia, tot wier oprigting de gemeenten verpligt zijn, wordt ten laste van den Staat pensioen verleend in de gevallen, naar de regelen en onder de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen, een en ander overeenkomstig de bijzondere bepalingen, in dit en de drie volgende artikelen vervat.
Voor de toepassing dier regelen worden de genoemde leeraren als burgerlijke ambtenaren beschouwd. Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren bij de eerste afdeeling der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatste-
396 WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. 20â38
lijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 {Stbl. No. 64), ingesteld pensioenfonds.
31. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de leeraren verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan het Rijk verantwoord.
22» Van de pensioenen, die ingevolge art. 20 dezer wet aan leeraren worden toegekend, wordt alleen dat gedeelte ten laste van het pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren gebragt, waarvoor het fonds bijdragen heeft genoten. Het overige gedeelte komt ten laste van het hoofdstuk der Staatsbegrooting, waaruit de kosten voor het openbaar onderwijs worden gekweten.
Deze splitsing valt niet onder het verbod, vervat in art. 29 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen.
33. Door de gemeente, uit welke krachtens deze wet leeraren van gymnasia worden gepensioneerd, wordt aan den Staat vergoed de helft van het pensioensbedrag, hetwelk ingevolge het voorgaande artikel ten laste der Staatsbegrooting wordt gebragt.
§ 3. Van de kosten.
34. Ter tegemoetkoming in de ko'ien der gymnasia kan van iederen leerling eene bijdrage gevorderd worden, die echter het bedrag van Æ100 'sjaars voor alle lessen niet te boven gaat.
Het invoeren, wijzigen en afschaffen van deze bijdrage geschiedt met inachtneming van de artt. z32â236 der wet van 29 Junij 1851 {Sthl. No. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258â262 dier wet.
§ 4. Van het bestuur en het toezujt.
35. Bij elk gymnasium is een collegie van curatoren, door den gemeenteraad benoemd.
Aan dit collegie wordt jaarlijks uit de gemeentekas eene som voor bureaukosten toegelegd.
3tt. Het collegie van curatoren zorgt voor de getrouwe nakoming dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen.
Het deelt den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die in het gymnasium hebben plaats gehad, en doet aan het gemeentebestuur de voorstellen, die het in het belang der instelling noodzakelijk acht.
Het doet jaarlijks vóór 1 Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het gymnasium in het vorig jaar, en vóór 1 September aan den inspecteur gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar.
3,7. Het toezigt op de gymnasia is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan een of meer inspecteurs.
De inspecteurs worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten uit 's Rijks kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Zij bekleden geen ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.
38. De inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en trouw zullen waarnemen.
â 6 â
Art. 29â35 wet op het hooger onderw.
30. De inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zoo veel de gymnasia betreft, proces-verbaal op te maken.
SO. De inspecteurs hebben den vrijen toegang tot alle gymnasia onder hun toezigt geplaatst. De curatoren en rectoren zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. Weigering van toegang of inlichting wordt gestraft met eene boete van Æ25, en bij herhaling van /.r)0; in het laatste geval met of zonder gevangenisstraf van een tot drie dagen.
Curatoren zijn hoofdelijk voor het geheel der gezamenlijk, opgelegde boeten aansprakelijk.
Tegen den curator, die bewijst het zijne te hebben gedaan om aan het voorschrift gevolg te geven, wordt geen veroordeeling uitgesproken.
31. De inspecteurs zorgen door bezoek bekend te blijven niet de gymnasia onder hun toezigt geplaatst; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen, de curatoren en de rectoren den bloei der gymnasia te bevorderen; zij lichten de llegering voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen aan Onzen Minister van Binnenland-sche Zaken de noodige voorstellen.
Zij doen jaarlijks voor 1 November aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag omtrent' den toestand van het onderwijs aan de gymnasia, onder hun toezigt geplaatst.
tweede hoofdstuk.
Van het athenaeum il lust re te Amsterdam.
32. Het Athenaeum Illustre te Amsterdam is eene gemeentelijke instelling van universitair onderwijs. De bepaling der vakken daar te onderwijzen, de regeling en omvang van het onderwijs, de wijze van aanstelling der docenten, benevens al hetgeen eene behoorlijke inrigting verder vereischt, worden aan het geemeentebestuur overgelaten.
De daartoe betrekkelijke besluiten worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd, vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst der besluiten door Ons niet is beslist.
33. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het Athenaeum Illustre in het afffeloopen studiejaar.
34. Op de bijdragen in de kosten van het Athenaeum Illustre zijn toepasselijk de artt. 232â23() der wet van 2}) Junij 1851 [Sthl. No. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258â262 dier wet.
derde hoofdstuk.
Van de universiteiten.
§ 1. Alyemeene bepalingen.
35. Er zijn drie Rijksuniversiteiten, gevestigd te Leiden, te Utrecht en te Groningen.
WET OP HET HOOGEK OKDERW. Art. SOâ38
lijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 {Stbl. No. 64), ingesteld pensioenfonds.
SI. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de leeraren verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan het Rijk verantwoord.
33. Van de pensioenen, die ingevolge art. 20 dezer wet aan leeraren worden toegekend, wordt alleen dat gedeelte ten laste van het pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren gebragt, waarvoor het fonds bijdragen heeft genoten. Het overige gedeelte komt ten laste van het hoofdstuk der Staatsbegrooting, waaruit de kosten voor het openbaar onderwijs worden gekweten.
Deze splitsing valt niet onder het verbod, vervat in art. 29 der wet betreifende de burgerlijke pensioenen.
33. Door de gemeente, uit welke krachtens deze wet leeraren van gymnasia worden gepensioneerd, wordt aan den Staat vergoed de helft van het pensioensbedrag, hetwelk ingevolge het voorgaande artikel ten laste der Staatsbegrooting wordt gebragt.
§ 3. Van de kosten.
34. Ter tegemoetkoming in de kosten der gymnasia kan van iederen leerling eene bijdrage gevorderd worden, die echter het bedrag van Æ100 'sjaars voor alle lessen niet te boven gaat.
Het invoeren, wijzigen en afschaffen van deze bijdrage geschiedt met inachtneming van de artt. 232â236 der wet van 29 Junij 1851 {StM. No. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258â262 dier wet.
§ 4. Van het lestuur en het toezicjt.
35. Bij elk gymnasium is een collegie van curatoren, door den gemeenteraad benoemd.
Aan dit collegie wordt jaarlijks uit de gemeentekas eene som voor bureaukosten toegelegd.
36. Het collegie van curatoren zorgt voor de getrouwe nakoming dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen.
Het deelt den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die in het gymnasium hebben plaats gehad, en doet aan het gemeentebestuur de voorstellen, die het in het belang der instelling noodzakelijk acht.
Het doet jaarlijks vóór 1 Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het gymnasium in het vorig jaar, en vóór 1 September aan den inspecteur rrelijk verslag over het afgeloopen studiejaar.
37. Het toezigt op de gymnasia is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan een of meer inspecteurs.
De inspecteurs worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten uit 's Rijks kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Zij bekleeden geen ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.
38. De inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en trouw zullen waarnemen.
396
Art. 29â35 WET OP HET HOOGER ONDERW. 397
39. De inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zoo veel de gymnasia betreft, proces-verbaal op te maken.
30. De inspecteurs hebben den vrijen toegang tot alle gymnasia onder hun toezigt geplaatst. De curatoren en rectoren zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. Weigering van toegang of inlichting wordt gestraft met eene boete van Æ25, en bij herhaling van Æ 50; in het laatste geval met of zonder gevangenisstraf van een tot drie dagen.
Curatoren zijn hoofdelijk voor het geheel der gezamenlijk opgelegde boeten aansprakelijk.
Tegen den curator, die bewijst het zijne te hebben gedaan om aan het voorschrift gevolg te geven, wordt geen veroordeeling uitgesproken.
31. De inspecteurs zorgen door bezoek bekend te blijven met de gymnasia onder hun toezigt geplaatst; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen, de curatoren en de rectoren den bloei der gymnasia te bevorderen; zij lichten de Regering voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen aan Onzen Minister van Binnenland-sche Zaken de noodige voorstellen.
Zij doen jaarlijks voor 1 November aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag omtrent' den toestand van het onderwijs aan de gymnasia, onder hun toezigt geplaatst.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Van het athenaeum ill us t re te Amsterdam.
3S. Het Athenaeum Illustre te Amsterdam is eene gemeentelijke instelling van universitair onderwijs. De bepaling der vakken daar te ondenvijzen, de regeling en omvang van het onderwijs, de wijze van aanstelling der docenten, benevens al hetgeen eene behoorlijke inrigting verder vereischt, worden aan het geemeentebestuur overgelaten.
De daartoe betrekkelijke besluiten worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd, vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst der besluiten door Ons niet is beslist.
33. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het Athenaeum Illustre in het afgeloopen studiejaar.
34. Op de bijdragen in de kosten van het Athenaeum Illustre zijn toepasselijk de artt. 232â236 der wet' van 29 Junij 1851 [Sthl. No. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258â262 dier wet.
DERDE HOOFDSTUK.
Van de universiteiten.
§ 1. Algemeene hepalingen.
35. Er zijn drie Rijksuniversiteiten, gevestigd te Leiden, te Utrecht en te Groningen.
WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. 36â42
36. Aan de gemeente Amsterdam wordt toegestaan het Athenaeum lllnstre tot universiteit in te rigten, mits deze voldoe aan al de eischen, krachtens de wet tea opzigte van den omvang van het onderwijs, de promotien, de examens en lt;le toelating daartoe voor de Rijksuniversiteiten gesteld, en bovendien de aanstelling der hoogleeraren aan Onze bekrachtiging worde onderworpen.
Bij voldoening hieraan heeft deze universiteit ten aanzien van de door haar te verleenen doctorale graden en af te nemen examens gelijke rechten als de Rijksuniversiteiten.
37. De besluiten van den gemeenteraad, waarbij het Athenaeum Illuste wordt ingerigt op den voet in het voorgaande artikel bedoeld, worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd, vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst van het besluit door Ons niet is beslist.
38. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand der ge-uneentelijke universiteit in het afgeloopen studiejaar.
39. Met het toezigt op de gemeentelijke universiteit te Amsterdam is( belast een collegie van vijf curatoren, waarvan -ile burgemeester lid en voorzitter is, twee leden door Ons en twee door den gemeenteraad worden benoemd en ontslagen.
De werkzaamheden van dat Collegie en de aftreding der leden worden geregeld bij besluit van den gemeenteraad, op liet we Ik art. 37 toepasselijk is.
40. Op de bijdragen in de kosten van de gemeentelijke universiteit te Amsterdam zijn toepasselijk de artt. 232â23(5 der wet van den 29sten Junij 1851 [Sthl. No. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258â262 dier wet.
41. Elke der universiteiten bevat de navolgende faculteiten: a. de faculteit der godgeleerdheid;
h. â â T regtsgeleerdheid;
â â geneeskunde;
d. â wis- en natuurkunde;
e. â â â letteren en wijsbegeerte.
§ 2. Van het onderwijs aan de Rijksuniversiteiten.
43. Aan elke universiteit wordt onderwijs gegeven; 1quot;. In de faculteit der godgeleerdheid:
u. in de encyclopaedic der godgeleerdheid;
h. in de geschiedenis der leer aangaande God;
c. in de geschiedenis der godsdiensten in het algemeen;
d. in de geschiedenis van de Israëlitische godsdienst; £. in de geschiedenis van het Christendom:
Æ. in de Israëltische en oud-Christelijke letterkunde; (/. in de uitlegging van het Oud en Nieuw Testament;
h. in de geschiedenis der leerstellingen van de Christelijke .godsdienst;
i. in de wijsbegeerte van de ⢠godsdienst;
k. in de zedekunde.
2o. In de faculteit der regtsgeleerdheid:
a. in de encyclopaedic der regtswetenschap;
b. in de wijsbegeerte van het regt;
398
â 8 â
Art. 43â43 wet op het hooger onderw. 399
in het Romeinsche regt en zijne geschiedenis;
in het Oud-vaderlandsch regt en zijne geschiedenis;
in het burgerlijk- en handelsregt;
in de burgerlijke regtsvordering;
in het strafregt;
in de strafvordering;
in het staatsregt;
in het volkenregt;
in het administratief regt;
in de staatshuishoudkunde;
in de statistiek;
in de staatkundige geschiedenis.
In de faculteit der geneeskunde;
in de ontleedkunde;
in de physiologic;
in de ziektekunde en de ziektekundige ontleedkunde; in de geneeskunde;
in de heelkunde;
in de verloskunde;
in de kennis der geneesmiddelen en de geneesmiddelleer; in de gezondheidsleer en de geneeskundige politie;
in de geregtelijke geneeskunde.
In de faculteit der wis- en natuurkunde:
in de wiskunde;
in de mechanica;
in de natuurkunde;
in de sterrekunde;
in de physische aardrijkskunde;
in de geologie;
in de mineralogie;
in de botanie;
in de zoölogie, de vergelijkende anatomie en de physiologic; in de scheikunde;
in de artsenijbereidkunde;
in de toxicologie.
. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte:
in de grieksche taal- en letterkunde;
in de latijnsche taal- en letterkunde;
in de hebreeuwsche taal- en letterkunde;
in de nederlandsche taal- en letterkunde;
in de Israëlitische, grieksche en romeinsche oudheden; in de algemeene geschiedenis;
in de vaderlandsche geschiedenis;
in de politische aardrijkskunde;
i. in de geschiedenis der wijsbegeerte;
k. in de logica;
l. in de methaphysica;
m. in de zielkunde.
43. Aan minstens ééne universiteit wordt bovendien onderwijs gegeven;
lo. In de faculteit der godgeleerdheid:
a. in de Christelijke archaeologie.
2o. In de faculteit der regtsgeleerdheid:
a. in het Mohammedaansche regt en de overige volksinstellingen en gebruiken in Nederlandsch Indie;
b. in het staatsregt en de inrigting van 's Rijks koloniën en overzeesche bezittingen;
â 9 â
WET OP HET HOOGFR ONDERW. Art. 43 â50
c. in liet internationale privaatregt.
:*o. In de faculteit der geneeskunde:
o. in de psychiatrie;
h. in de oogheelkunde;
c. in de oorheelkunde;
d. in de tandheelkunde.
4o. In de faculteit der wis- en natuurkunde:
a. in de meteorologie.
óo. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte:
a. in de archaeologie;
h. in de taal- en letterkunde der semitische volken; c. in de taal-, letter-, land- en volkenkunde van den Oost-Indischen archipel;
(l. in de fransche, de engelsche en de hoogduitsche taal- en 'etterkunde;
e. in de aesthetiek en kunstgeschiedenis;
Æ. in het sanskriet en zijne letterkunde;
g.- in de oude talen en letterkunde der germaansche volken.
44. Aan eene of meer der universiteiten kunnen, wanneer Wij het noodig oordeelen, leerstoelen worden gevestigd voor vakken, in art. 42 en art. 43 niet vermeld.
45. De lessen worden gegeven in het latijn of inhetneder-landsch; met vergunning van curatoren ook in andere talen.
46. Het studiejaar vangt aan den derden Dingsdag der maand September.
Kr zijn drie vacantien: eene van den tweeden Zaturdag der maand Julij tot den aanvang van den volgenden cursus; eene van den laatsten Zaturdag vóór Kersmis tot den derden Dingsdag daaraanvolgende, en eene van tien dagen, beginnende den laatsten Woensdag vóór Paschen.
47. Het programma der lessen, in het latijn te stellen, wordt voor elk studiejaar door den senaat der universiteit, na goedkeuring door curatoren, in de maand Junij vastgesteld. Het vermeldt welke lessen in een halfjarigen, welke in een langeren cursus worden gegeven, en hoeveel uren in de week voor elke les zijn bestemd.
§ 3. Van de hulpmiddelen voor het onderwijs, de prijsvragen en de beurzen aan de Rijksuniversiteiten.
48. Tot aanbouw, onderhoud en verbetering der gebouwen, voor het meubilair en tot aanvulling en uitbreiding der verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs worden jaarlijks de vereischte gelden van Rijkswege beschikbaar gesteld.
Het beheer en gebruik dier verzamelingen en hulpmiddelen wordt dooquot; Ons geregeld, curatoren gehoord.
49. Elk jaar worden, beurtelings aan iedere universiteit, tien prijsvragen uitgeschreven, twee in elke faculteit. Voor het meest voldoende antwoord van een der studerenden aan eene Nederlandsche instelling van universitair onderwijs, dat de faculteit, die de vraag stelde, der bekrooning waardig keurt, wordt een gouden eerepenning toegekend.
50. Er kunnen aan elke universiteit zes beurzen van Rijkswege wrorden verleend, ieder van Æ 800, ter ondersteuning van onvermogende studenten van buitengewonen aanleg.
Deze beurzen worden door Ons toegekend, curatoren gehoord.
400
Art. 51â63 WET OP HET HOOGER ONDERW.
§ 4. Van de docenten en heambien aan de Rijksuniversiteiten.
51. De hoogleeraren worden door Ons benoemd en ontslagen.
Voor elke te vervullen plaats wordt door curatoren, de faculteit gehoord, eene met redenen omkleede aanbevelingslijst aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangeboden.
Ontslag wordt niet verleend dan op eigen verzoek, of nadat curatoren zijn gehoord; deze geven deswege, den belanghebbende gehoord of opgeroepen, hun advies.
53. De jaarwedde der hoogleeraren bedraagt minstens f 4000.
53. Elk hoogleeraar wordt benoemd tot het onderwijs van bepaalde vakken, in zijne aanstelling uitgedrukt. Deze kunnen door Ons worden verminderd of gewijzigd.
Tegen zijnen wil kan een hoogleeraar niet met het onderwijs in andere vakken worden belast.
5-4. Het staat iederen hoogleeraar vrij om, met goedkeuring van curatoren, behalve de hem opgedragene, nog andere lessen te geven. Deze worden dan op de gewone wijze aangekondigd.
De besluiten van curatoren tot het verleenen of weigeren dier goedkeuring worden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken medegedeeld en kunnen door Ons vernietigd worden.
55. Aan hoogleeraren kan met Onze goedkeuring worden toegestaan de hun opgedragen vakken van onderwijs met elkander te verwisselen.
50. De hoogleeraren bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.
Hoogleeraren het lidmaatschap van eene der beide Kamers van de Staten-Generaal aanvaardende, blijven, zoolang hun lidmaatschap duurt, in het genot der helft van hunne jaarwedde als verlof-tractement.
57. Behoudens kostelooze behandeling van lijders in zieken-inrigtingen aan hunne zorg toevertrouwd en in hunne woningen, het uitoefenen van consultative medische praktijk en het geven van regtsgeleerde adviesen, oefenen de hoogleeraren noch medische noch regtspraktijk uit.
58. Met het einde van het studiejaar, waarin een hoogleeraar den ouderdom van zeventig jaren bereikt, wordt hem ontslag verleend.
50. Lectoren worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten eene jaarwedde uit 's Rijks kas.
60. Tot het geven van hooger onderwijs aan de universiteiten kunnen doctoren als privaatdocenten door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, curatoren gehoord, tot wederop-zeggens toe worden toegelaten.
De senaat kan de aankondiging hunner lessen op het programma, vermeld in art. 47, toestaan. Bij weigering beslist, curatoren gehoord. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken.
Van de inrigtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs kunnen curatoren, onder door hen te stellen voorwaarden, aan privaatdocenten het gebruik vergunnen.
61. Bij verhindering of ontstentenis van een hoogleeraar of lector, en in het geval, bedoeld in het 2de lid van art. 56, worden door Ons tijdelijke maatregelen tot voorziening bevolen, indien het belang van het onderwijs dit vordert.
6!8. De beambten bij de universiteiten worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, die
401
â 11 â
WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. 6J2â67
bevoegd is deze taak, wat de lagere beambten betreft, op te dragen aan curatoren. Eene lijst der beambten wordt door Ons vastgesteld.
De werkkring en de verpligtingen der beambten worden door Onzen voornoemden Minister, curatoren gehoord, bepaald.
§ 5. Van het hijwonen der lessen aan de Rijks- Universiteiten.
63. Ter zake van het onderwijs der hoogleeraren en lectoren is voor elk studiejaar door hem, die dit onderwijs een of meermalen bijwoont, eene som verschuldigd van f 200, die in 's Rijks schatkist gestort wordt.
Terugbetaling dier gelden geschiedt uitsluitend indien door overlijden vóór den aanvang der lessen van deze geen gebruik is gemaakt en alsdan op aanvrage der erfgenamen.
Behalve voormelde Æ200 wordt ter zake van het onderwijs door hoogleeraren en lectoren geenerlei betaling gevorderd.
64. Het regt tot het bijwonen van het onderwijs wordt verkregen door inschrijving bij den rector-magnificus, behoudens het bepaalde bij art. 66.
De inschrijving geschiedt kosteloos; de rector-magnificus geeft daarvan een door hem onderteekend bewijs af in den vorm door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen; zij geldt voor het studiejaar waarin zij is geschied en geeft voor dat jaar regt op toegang tot alle lessen aan elke Rijks-Universiteit zonder onderscheid, alsmede tot alle inrig-tingen en verzamelingen der Universiteiten, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van de artt. 48 en 82.
De rector-magnificus gaat niet over tot de inschrijving tenzij hem het bewijs is vertoond dat de belanghebbenden de gelden bedoeld bij artikel 6;i of 106, tweede lid, heeft betaald, of tot de promotie is toegelaten, 6f eene Rijksbeurs geniet, of ter zake van het onderwijs der hoogleeraren en lectoren eene som van Æ800 heeft betaald.
Voor de studenten en kweekelingen, bedoeld in artikel 106, bedraagt deze som Æ400.
65. Hij die zonder daartoe geregtigd te zijn eens of meermalen het onderwijs aan eene Rijks-Universiteit bijwoont, wordt gestraft met eene geldboete van /200 tot Æ 250 voor de eerste maal; bij herhaling met eene geldboete van Æ250 tot Æ300, en vervolgens telkens met eene geldboete van Æ 500.
66. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken; de daartoe door hem aan te wijzen personen; curatoren, hoogleeraren, lectoren, beambten der Universiteiten en de in art. 60 bedoelde privaatdocenten zijn ten alle tijde bevoegd alle lessen aan elke Universiteit bij te wonen.
Hoogleeraren en lectoren zijn, ieder voor zooveel hunne lessen betreft, bevoegd gedurende enkele uren aan personen, die volgens art. 64 niet zijn ingeschreven, toegang tot hunne lessen te verleenen.
67. Hij die tot de in art. 84 bedoelde promotie is toegelaten; of eene Rijksbeurs geniet; (tf de Æ800 of Æ400, bedoeld aan het slot van art. 64, heeft betaald, is van de betaling bij art. 63 of 106 voorgeschreven, vrijgesteld. Niettemin is hij na de bij art. 64 bedoelde inschrijving geregtigd tot toegang tot de inrigtingen en verzamelingen, bedoeld in het tweede lid van art. 64, onder het daarbij vermelde voorbehoud.
Aan hem die ten hoogste twee lessen van hoogleeraren of
402
â 12 â
Art. eyâts WET OP HET HOOGER ONDERW.
lectoren wenscht te volgen, kan daartoe door curatoren der Universiteit telkens voor één studiejaar verlof worden verleend. In dat geval is ter zake van dit onderwijs eene som verschuldigd van / 30 voor iedere les, en zoo de les in een halfjarigen cursus gegeven wordt Æ15, welke gelden in 's Rijks schatkist gestort worden. Het tweede en derde lid van art. 63 zijn op deze gelden van toepassing.
Het regt tot het bijwonen van dit onderwijs wordt verkregen door inschrijving bij den rector-magnificus, die daartoe niet overgaat tenzij hem het bewijs is vertoond dat het bedoelde verlof van curatoren verkregen is en voormelde gelden betaald zijn.
De rector-magnificus geeft van die inschrijving een door hem onderteekend bewijs af in den vorm door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen.
Curatoren verstrekken hem op vertoon van dat bewijs eene verklaring tot welke der inrigtingen en verzamelingen in het eerste lid van dit artikel vermeld hij mag worden toegelaten, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van de artt. 48 en 82.
§ 6. Van het beheer en het toezigt aan de Rijksuniversiteiten.
OS. Aan iedere universiteit is een collegie van curatoren, bestaande uit minstens drie en hoogstens vijf leden. Zij worden door Ons benoemd en ontslagen.
Om de twee jaren treedt een hunner af; de aftredende is weder benoembaar.
Het beheer, door curatoren te voeren, en hun overige werkkring worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld, met inachtneming van het in deze wet bepaalde.
Elk collegie van curatoren stelt een huishoudelijk reglement voor zijne werkzaamheden vast en onderwerpt het aan de goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
09. Curatoren worden bijgestaan door een bezoldigden secretaris, die zijne vaste woonplaats heeft in de gemeente, waar de universiteit is gevestigd; hij wordt door Ons benoemd, en ontslagen. Van de bepaling omtrent de woonplaats kan door Ons, curatoren gehoord, ontheffing worden verleend.
Curatoren zenden ter zijner benoeming eene aanbevelingslijst van twee personen aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
De secretaris treedt om de vijf jaren af en is weder benoembaar-
Voor bureaukosten wordt hem een jaarlijks abonnement toegestaan. Hij ontvangt vergoeding voor reis- en verblijfkosten.
Curatoren genieten geen jaarwedde. Zij ontvangen vergoeding voor reis- en verblijfkosten.
â¢71. Curatoren waken voor de getrouwe naleving dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zoo veel het de Universiteit betreft.
â yjj. Maken hoogleeraren, lectoren of beambten bij de universiteit zich aan pligtverzuim of wangedrag schuldig, dan nemen curatoren de vereischte maatregelen van spoedeischenden aard, waaronder schorsing hoogstens voor zes weken, en doen aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de noodige voorstellen, zelfs tot ontslag.
â¢ys. Curatoren doen jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een uitvoerig verslag van
403
â 13 â
WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. yaâ83
den staat der universiteit gedurende den afgeloopen cursus en zenden hem vóór 15 Junij eene begrooting der uitgaven vóór het volgend burgerlijk jaar.
Y-i:. De gezamenlijke hoogleeraren vormen den senaat der universiteit.
De hoogleeraar, die het voorzitterschap bekleedt, draagt den titel van rector-magnificus.
Hij wordt voor den duur van elk studiejaar door Ons benoemd nit eene door den senaat opgemaakte voordragt van drie hoogleeraren, waarbij de aftredende rector-magnificus buiten aanmerking blijft.
75. Bij den senaat is een secretaris.
Elk hoogleeraar is op zijne beurt, volgens een rooster door den senaat vast te stellen, gedurende een jaar met deze betrekking belast.
Hij treedt af op hetzelfde tijdstip als de rector-magnificus.
â¢76. De rector-magnificus en de secretaris ontvangen ieder voor de waarneming hunner betrekking eene toelage door Ons te bepalen. Uit die van den secretaris worden tevens de bureaukosten bestreden.
De rector-magnificus wordt in zijn werkzaamheden, waar het noodig is, bijgestaan door vier assessoren. Zij worden door den senaat benoemd voor den tijd van een jaar en treden af op het in art. 75 vermelde tijdstip; de aftredenden zijn weder benoembaar.
Bij verhindering of ontstentenis van den rector-magnificus worden zijne werkzaamheden door den oudste in jaren der assessoren waargenomen. Bij verhindering of ontstentenis van den secretaris treedt zijn laatste aanwezige voorganger op.
78. De senaat stelt een reglement vast voor zijne vergaderingen, de werkzaamheden van den secretaris en die van rector-magnificus en assessoren.
De hoogleeraren van iedere faculteit kiezen bij volstrekte meerderheid van stemmen uit hun midden een voorzitter en een secretaris, die na vier jaren aftreden. Zij zijn niet dadelijk weder benoembaar.
â¢7». De senaat, de rector-magnificus en elk hoogleeraar in het bijzonder geven aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en aan curatoren alle noodige inlichtingen en berigtfn.
80. Bij den aanvang van het studiejaar draagt de rector-magnificus zijne waardigheid in het openbaar aan zijn opvolger over en geeft dan een verslag van de lotgevallen in het afgeloopen jaar.
81« De handhaving der tucht onder de studenten is opgedragen aan den rector-magnificus.
83. Bij overtreding der tucht of bij wangedrag waarschuwt of berispt de rector-magnificus.
In buitengewone gevallen, ter beoordeeling van den senaat, alsmede indien een student, bij den rector-magnificus of bij den rector-magnificus en assessoren ontboden, moedwillig niet verschijnt, is de senaat bevoegd den ovetreder den toegang tot de universiteit voor een tijdvak van minstens een jaar en hoogstens vijf jaren te ontzeggen.
Van de uitspraak des senaats kan door belanghebbenden bij Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken in hooger beroep worden gekomen.
404
â 14 â
Art. SaâSSbis WET OP HET HOOQER ONDERW.
VIERDE HOOFDSTUK.
Van de wetenschappelijke graden.
83. Aan de universiteiten zijn de volgende doctoraten verkrijgbaar .
lo. in de faculteit der godgeleerdheid: in de godgeleerdheid;
2o. in de faculteit der regtsgeleerdheid: a. in de regtsweten-schap; b. in de staatswetenschap;
3o. in de faculteit der geneeskunde: a. in de geneeskunde; b. in de heelkunde; c. in de verloskunde;
4o. in de faculteit der wis- en natuurkunde: a. in de wis-en sterrekunde; b. in de wis- en natuurkunde; c. in de scheikunde; d. in de aard- en delfstof kunde; e. in de plant- en dierkunde; J. in de artsenijbereidkunde.
öo. in de faculteit der letteren en wijsbegeerte: a. in de klassieke letterkunde; b. in de semitische letterkunde; c. in de nederlandsche letterkunde; d. in de taal- en letterkunde van den Oost-Indischen Archipel; e. in de wijsbegeerte.
84. De in het voorgaande artikel genoemde doctoraten worden verkregen door het afleggen van de examens en het voldoen aan de voorwaarden, door Ons vast te stellen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, na ingewonnen gezamenlijk advies van de senaten der Rijksuniversiteiten.
Bij Ons bedoeld besluit worden de inrigting, omvang en duur der examens en promotien, de tijdstippen waarop zij worden gehouden en al wat verder daarop betrekking heeft, geregeld.
Voor het geven van hun advies wordt aan de senaten door Ons een termijn van ten minste drie maanden gesteld, aanvangende met den dag, waarop zij, op uitnoodiging van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, zijn vergaderd.
Alvorens Ons besluit te wijzigen, worden de Senaten der Rijksuniversiteiten, doch ieder afzonderlijk, gehoord.
85. Tot het afleggen der examens wordt ieder, onverschillig waar hij de daarvoor vereischte kundigheden heeft opgedaan, toegelaten, mits hij in het bezit zij van een der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12.
Met het getuigschrift in art. 11 vermeld, wordt gelijk gesteld dat, hetwelk door bestuurders van instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs, in de koloniën en overzee-sche bezittingen van het Rijk, aan hen die het onderwijs aan zoodanige instellingen tot het einde toe hebben genoten, wegens met goed gevolg afgelegd examen is uitgereikt, voor zooverre dit voorregt door Ons aan die instellingen is toegekend.
85bis. Vreemdelingen; meerderjarige Nederlanders, geen ingezetenen van het Rijk zijnde; en minderjarige Nederlanders, wier ouders of voogd geen ingezetenen van het Rijk zijn of ter zake van 's lands dienst in een vreemd land wonen, kunnen tot het afleggen der in art. 84 bedoelde examens worden toegelaten op vertoon van getuigschriften van bekwaamheid, afgegeven door buitenlandsche instellingen van onderwijs of onderzoek, mits de eischen, voor het verkrijgen van die getuigschriften gesteld, ongeveer overeenstemmen met die van het programma, bedoeld in het derde lid van art. 11.
Door Ons worden bij besluit, den Raad van State gehoord, na ingewonnen advies van ieder der Senaten van de Rijksuniversiteiten, de bedoelde buitenlandsche instellingen aangewezen, alsmede de getuigschriften omschreven, welke vereischt worden voor die toelating.
405
â 15 â
WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. â93
Deze aanwijzing kan ten allen tijde op gelijke wijze worden ingetrokken.
86. Zij, die gedurende den loop hunner universitaire studiën van studievak veranderen en examens wenschen af te leggen in eene andere faculteit dan die, waarvoor zij ingevolge artt. 11 of 12 het getuigschrift verwierven, zijn verpligt, naargelang hunner studiën aan de faculteit der letteren en wijsbegeerte of aan die der wis- en natuurkunde, de bewijzen te geven, dat zij voldoende kennis bezitten van hetgeen, waarin zij bij het verkrijgen van het getuigschrift niet zijn geëxamineerd.
SY, Alle examens aan de universiteiten worden afgenomen door de faculteiten.
88. De toekenning van den doctoralen graad geschiedt door den senaat en ten overstaan van dat lichaam of van eene commissie uit zijn midden, volgens regelen, in den bij art. 84 bedoelden algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.
89. Voor het afleggen van de examens, vermeld in art. 12, voor zooveel deze door de aldaar vermelde commissie worden afgenomen, en in art. 86, wordt eene som van /10 betaald.
Voor het afleggen van elk ander examen aan eene Rijksuniversiteit wordt eene som van f 50 betaald.
In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.
Deze gelden worden in 's Rijks schatkist gestort.
De toekenning van den doctoralen graad geschiedt kosteloos.
90. De senaten hebben het regt om, op voordragt der faculteiten, wegens zeer uitstekende verdiensten, aan Nederlanders of vreemdelingen het doctoraat honoris causa te verleenen.
91. De graad van doctor geeft in het algemeen de aan dien graad bij deze en andere wetten verbonden bevoegdheid tot het geven van onderwijs en tot het uitoefenen van ambten en bedieningen.
93. De graad van doctor in de regtswetenschap geeft de bevoegdheid, zich met inachtneming van de overigens daaromtrent bestaande bepalingen, als advokaat te doen inschrijven en om benoemd te worden tot de regterlijke betrekkingen, waarvoor volgens de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie de graad van meester in de regten gevorderd wordt, zoomede tot de betrekkingen van ambtenaar bij de regterlijke magt of bij de burgerlijke dienst in's Rijks koloniën en overzeesche bezittingen, behoudens nadere vereischten in bijzondere wetten of verordeningen voor ieder van die betrekkingen gevorderd.
Voor zooveel Nederlandsch Indie betreft, geeft de voormelde graad onder hetzelfde voorbehoud de bevoegdheid, om bij de regterlijke magt of de burgerlijke dienst te worden benoemd, aan hem, die bij de betrokken faculteiten een door Ons, ingevolge art. 84 te regelen examen in de vakken, vermeld in art. 43, sub no. 2, litt. a en è, en sub no. 5, lit. c, heeft afgelegd.
Hij geeft voorts de bevoegdheid middelbaar onderwijs te geven in de gronden van de gemeente-, provinciale en staats-inrigting van Nederland.
93. De graad van doctor in de staatswetenschap geeft de bevoegdheid middelbaar onderwijs te geven in de staatshuishoudkunde, de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, en in de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland.
406
â 16 â
Art. 94â101 WET OP HET HOOGER ONDERW.
94. De doctoren in de geneeskunde en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zijn bevoegd de geneeskunst in haren geheelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het praktisch examen, bedoeld in art. 5 der wet van 1 Junij 1865 {Stbl. No. 59), gewijzigd door die van 8 Julij 1874 {Stbl. No. 97).
95. De graad van doctor in de wis- en sterrekunde en die van doctor in de wis- en natuurkunde geven gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in de artt. 70 en 71 der wet van den 2 Mei 1863 {Stbl. No. 50).
De graad van doctor in de scheikunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in art. 72 van genoemde wet.
De graad van doctor in de aard- en delfstofkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet.
De graad van doctor in de plant- en dierkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet.
96. De doctoren in de artsenijbereidkunde en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zijn bevoegd de artsenij-bereidkunst in haren geheelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het praktisch examen, bedoeld in B van art. 9 der in art. 94 vermelde wet.
97. De graad van doctor in de Nederlandsche letterkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 der wet van 2 Mei 1863 {Stbl. No. 50).
Het getuigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van genoemden doctoralen graad, geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 van genoemde wet.
98. Zij, die, na voldaan te hebben aan een of meer examens ter verkrijging van het doctoraat in de wis- en sterrekunde, de wis- en natuurkunde, de scheikunde of de aard- en delfstofkunde, tot de Polytechnische school wenschen over te gaan, zijn vrijgesteld van het examen A volgens art. 59 der wet van 2 Mei 1863 {Stbl. No. 50).
TITEL III.
Van liet bijzonder liooger onderwijs.
99. Het staat aan ieder Nederlander, ieder vreemdeling, die de bij art. 3 bedoelde vergunnimr bezit, elke erkende vereeni-ging en ieder kerkgenootschap vrij eene bijzondere school van hooger onderwijs te openen, onder voorwaarde dat de oprigter vooraf daarvan kennis geve aan het gemeentebestuur en aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, met overlegging van de reglementen of statuten.
Worden die reglementen of statuten gewijzigd of ingetrokken dan doet het hoofd, of het bestuur der school, gelijke mededeeling van de wijziging of intrekking.
100. Tot het openen een er bijzondere school van hooger onderwijs, gesticht bij uiterste wilsbeschikking, wordt Onze goedkeuring vereischt. Bij het daartoe strekkend verzoek wordt door de erfgenamen, executeurs of administrateurs het testament overgelegd.
101. Het bestuur van elke bijzondere school van hooger
407
â 17 â
408 WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. lOlâ107
onderwijs zendt jaarlijks vóór 1 Maart aan het gemeentebestuur een beredeneerd verslag omtrent den toestand der school in het vorig jaar, en vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar.
102. Het verzuim der kennisgevingen en van het doen van het verzoek en der verslagen, gevorderd bij artt. 99, 100 en 101, wordt gestraft met eene boete van f 25 en bij herhaling van f 100. Bij de derde overtreding wordt bovendien bij reg-terlijk vonnis de sluiting der school bevolen.
Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van 29 Julij 1854 {Stbl. No. 102) zijn ten deze toepasselijk.
103. De bij het in werking treden dezer wet bestaande kerkelijke kweekscholen eu seminaria tot opleiding van leeraren voor eenig kerkgenootschap of kweekelingen voor den geestelijken stand, blijven, zoolang zij bestaan, in het genot der subsidien, beurzen, toelagen en verdere ondersteuningen uit 's Rijks kas, door hen op dat tijdstip genoten.
104. Indien na het in werking treden dezer wet van wege het Hervormd kerkgenootschap tot het opleiden van leeraren voor dat kerkgenootschap een of meer leerstoelen of scholen van hooger onderwijs worden gevestigd, kan ten behoeve dier opleiding jaarlijks van Rijkswege zoodanig bedrag beschikbaar worden gesteld als blijken zal voor dat doel noodig te zijn.
De bepalingen of reglementen betreffende die opleiding worden vooraf ter Onzer kennis gebragt. De wijze van benoeming der docenten wordt daarin vermeld.
Art. 99, 2de lid, en art. 102 zijn ten deze toepasselijk.
105. Hoogleeraren aan de instellingen, bedoeld in artt. 103 en 401, gevestigd in gemeenten waar eene Rijksuniversiteit is, hebben bij plegtigheden der universiteit rang en zitting nevens die der universiteit.
IOC. De studenten of kweekelingen der instellingen, bedoeld in de artt. 103 en 104, gevestigd in gemeenten waar eene Rijksuniversiteit is, hebben toegang tot al de lessen harer hoogleeraren en tot de wetenschappelijke instellingen en verzamelingen.
Zij, die daarvan wenschen gebruik te maken, betalen de helft der sommen in de artt. 63 en 67 vermeld.
Zij worden door den rector-magnificus ingeschreven op de wijze in art. 64 bepaald. Hij gaat hiertoe niet over dan nadat zij, of zijn zij minderjarig, hun vader of voogd, zich schriftelijk hebben verbonden tot betaling van Æ 200 ingeval de ingeschrevene tot eenig examen bij eene faculteit, die der godgeleerdheid uitgezonderd, zal zijn toegelaten, en wel vóór het afleggen van dat examen. Bij gebreke dier inschrijving zijn zij niet geregtigd tot den toegang hierboven vermeld.
lO^. Van bestaande makingen ten behoeve eener theologische faculteit of van theologische studiën, alsmede van bestaande stichtingen van beurzen of leenen ten voordeele van studerenden in de theologie aan eene van 's Rijksuniversiteiten, wordt, indien eene regeling zooals in art. 104 is bedoeld tot stand is gekomen, door Ons, den Raad van State gehoord, de voortdurende bestemming aangewezen op de wijze, die het meest met het doel der erflaters en stichters overeenkomt.
â 18 â
Art. 108â111 WET OP HEÃ IIOOGER ONDERW.
TITEL IV. Overgaugrsbepulingen.
I OS. Ieder, die op het tijdstip van liet in werking treden dezer wet aan eene inrigting van hooger onderwijs, zonder in strijd met bestaande verordeningen te zijn, onderwijs geeft, heeft de bevoegdheid met onderwijzen voort te gaan.
109. Op het in art. 108 vermelde tijdstip worden aan de dan bij de hoogescholen te Leideriy Utrecht en Groningen in dienst zijnde hoogleeraren, die den leeftijd van zeventig jaren nog niet bereikt hebben, door Ons de vakken aangewezen, waarin zij onderwijs zullen geven.
Zij, die tegen de aanvaarding der hun toegewezen vakken bedenkingen hebben, welke door Ons gegrond worden geacht, behouden de door hen op gemeld tijdstip genoten jaarwedde als wachtgeld tot hun zeventigste jaar.
Dit wachtgeld vervalt, zoodra zij eene landsbediening aanvaarden, tot eene betrekking van Staatswege worden benoemd, waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dat overtreft, of zoodanige betrekking, hun niet van Staatswege opgedragen, aanvaarden.
Bij aanvaarding eener betrekking niet van Staatswege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag van die bezoldiging.
De tijd, gedurende welken wachtgeld wordt genoten, rekent mede voor aanspraak op pensioen.
Geen wachtgeld gaat de som van Æ3000 'sjaars te boven.
HO. Aan de hoogleeraren, vermeld in het 1ste lid van art. 109, die aantoonen, dat hunne inkomsten aan jaarwedde, col-legiegelden en verdere emolumenten, in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of, voor voor zooveel zij korter in dienst zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlijks, meer hebben bedragen dan de jaarwedde, hun krachtens deze wet toe te leggen, kan eene personele todage, ten bedrage van hetgeen zij in hunne nieuwe betrekking minder ontvangen, worden verleend. Deze toelage wordt, voor zooveel de aanspraak op pensioen betreft, niet als wedde of belooning beschouwd.
Aan de hoogleeraren, die, op het in art. 108 vermelde tijd-stip gepensioneerd, krachtens art. 4 van het Koninklijk besluit van 7 Mei 1837 [Stbl. No. 20) in het genot zijn der emolumenten, vermeld in art. 134, No. 1 en 2, van het organiek besluit van 2 Augustus 1815, kan, ter vergoeding van het gemis dier emolumenten, eene personele toelage worden verleend, ten bijdrage van hetgeen zij in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of voor zooveel zij korter in dat genot zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlijks, aan emolumenten hebben genoten.
Gelijke personele toelage kan ook worden verleend aan de op het in art. 108 vermelde tijdstip in dienst zijnde hoogleeraren, wanneer zij op zeventigjarigen ouderdom worden gepensioneerd.
Op deze personele toelagen is art. 30 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 [Sthl. No. 64), niet van toepassing.
111. De hoogleeraren, vermeld in het eerste lid van art.
409
â 19 â
WET OP HET HOOGER ONDERW. Art. 111â118
109, worden op hun verzoek vrijgesteld van de bijdrage voor pensioen ingevolge art. 15 6 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 'Stbl. No. 64), wegens de verhooging hunner wedde verschuldigd. Indien echter die verhooging meer bedraagt dan het gemiddeld bedrag hunner collegiegelden en verdere emolumenten, berekend op den voet in het vorig artikel bepaald, blijft van dat meerdere de bijdrage voor pensioen verschuldigd.
Het gedeelte der wedde, waarover aldus de bijdrage voor pensioen niet wordt betaald, blijft bij de bepaling van den grondslag voor de latere regeling van het pensioen buiten aanmerking.
112. Zij, aan wie, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, de titel van hoogleeraar is toegekend, blijven dien behouden.
113. De bestemming der gelden en archiven, behoorende tot het bij elk der hoogescholen te Leiden, Utrecht en Gronin-gen bestaande akademisch fonds, ingesteld bij Koninklijk besluit van 13 October 1836, wordt door Ons geregeld.
114. De gemeenten, die krachtens art. 6 dezer wet tot het oprigten of volgens hare voorschriften inrigten en onderhouden van gymnasia gehouden zijn, voldoen, voor zoo verre haar niet de bij het derde lid van dat artikel vermelde vrijstelling is verleend, aan die verpligting binnen een termijn van uiterlijk drie jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip.
Zoolang binnen dezen termijn eene bestaande latijnsche school of een bestaand gymnasium in wezen blijft, gelden, wat betreft het onderwijzend personeel, de vakken waarin onderwijs wordt gegeven en de inrigting, de bepalingen van het organiek besluit van 2 Augustus 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld.
Gelijke termijn wordt toegestaan aan gemeenten, wier bevolking, blijkens de alsdan laatste tienjarige volkstelling, boven het cijfer van twintig duizend is geklommen en aan welke bovengemelde vrijstelling niet wordt verleend.
115. Aan de leeraren bij de gymnasia, in het 1ste lid van het voorgaand artikel bedoeld, die op het in art. 108 vermelde tijdstip bij eene latijnsche school of een gymnasium geplaatst waren, wordt vrijheid gelaten van de aanspraak op pensioen, bij art. 20 toegekend, afstand te doen. In dit geval zijn de artt. 20â23 niet op hen toepasselijk.
lltt. Gedurende vier jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip, gelden, met betrekking tot de toelating tot de examens aan de universiteiten, de bepalingen van het Koninklijk besluit van 4 Augustus 1853 [Stbl. No. 31).
117. Van het bezit der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12, zijn vrijgesteld zij, die tot op het in art. 108 vermelde tijdstip als studenten aan eene Nederlandsche hoogeschool zijn ingeschreven, voor zoo verre de inschrijving is geschied na overlegging van het bewijs, vermeld in het 1ste lid van art. 1 van Ons besluit van 4 Augustus 1853 [Stbl. No. 31), of na aflegging van het examen, vermeld in het 2de lid van dat artikel.
118. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, welke bewijzen van bekwaamheid zij, die vermeld zijn in de beide voorgaande artikelen, behooren te geven, alvorens tot de examens, bedoeld bij art. 84, te kunnen worden toegelaten.
410
â 20 â
Art. 119â138 WET ÃP HET HOOGER ONDERW. 41V
119. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, van welke der examens, bedoeld bij art. 8^, zijn vrijgesteld zij, die, op het in art. 108 vermelde tijdstip, aan eene Nederlandsche hoogescliool den graad van can-didaat verkregen hebben.
ISO. Wij behouden Ons voor, geheele of gedeeltelijke vrijstelling van de bijdrage, in art. 64 vermeld, voor het eerste studiejaar na het in art. 108 vermelde tijdstip toe te kennen-aan hen, die voor dat jaar reeds de collegiegelden betaald hebben.
121. Zij, die, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, het laatste examen in eenige faculteit hebben afgelegd, worden nog gedurende den tijd van twee jaren na dat tijdstip, overeenkomstig de bepalingen van het organiek besluit van 2 Augustus 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld, tot de promotie toegelaten.
133. Zij, die, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, aan eene Nederlandsche hoogescliool een akademischen graad verkregen hebben, behouden de bevoegdheid tot het geven varv onderwijs in de vakken, waarin zij, krachtens het hun verleend diploma, de bevoegdheid hadden onderwijs te geven.
De graad van doctor in de godgeleerdheid geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de godgeleerdheid en? in de semitische letterkunde, vermeld in art. 83.
De graad van doctor juris Romani et hodierni geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de regtswetenschap en in de staatswetenschap, vermeld in art. 83.
De graden van doctor in de genees-, heel- en verloskunde geven dezelfde bevoegdheid als de graden van doctor in dezelfde vakken, vermeld in art. 83.
De graad van doctor in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de wis- en sterrekunde, in de wis- en natuurkunde, in de scheikunde, in de aard- en delfstof kunde en in de plant- en dierkunde, vermeld in art. 83, of, naar gelang van den inhoud van het verkregen diploma, gelijke bevoegdheid als één of meer dier graden.
De graad van candidaat in de wis- en natuurkunde, voorbereidend voor het doctoraat in die wetenschappen, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van een der doctorale graden in de faculteit der wis- en natuurkunde, vermeld in art. 83.
De graad van doctor artis pharmaceuticae geeft dezelfde bevoegdheid als de graad van doctor in de artsenijbereidkunde., vermeld in art. 83.
De graad van doctor in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de klassieke letterkunde en in de nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83.
De graad van candidaat, voorbereidend voor het doctoraat-in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan de examens, laatstelijk voorafgaande aan die ter verkrijging van den doctoralen graad in de klassieke en in de Nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83.
Voor elk der in dit artikel genoemde doctoraten wordt de daarbij vermelde bevoegdheid ook toegekend aan hen, die krachtens art. 121 het doctoraat hebben verworven.
â 21 â
412 WET OP HET HOOGER ONDERW, Art. IS3â1S6
133. De gemeenten, dus verre in het genot van Rijkssubquot; sidie ten behoeve barer latijnsche scholen of gymnasia, en die» niet aan de vereischten dezer wet voldoende, overeenkomstig art. 8 dat subsidie zouden verliezen, blijven niettemin in het genot daarvan gedurende één jaar, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip.
134. Binnen zes maanden na het in art. 108 vermelde tijdstip leggen de bestuurders van de op dat tijdstip bestaande bijzondere scholen van hooger onderwijs de reglementen of statuten dier scholen over aan het gemeentebestuur en aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, aan welke insgelijks mededeeling wordt gedaan van latere wijziging of intrekking dier reglementen of statuten.
Het verzuim dezer kennisgevingen wordt gestraft op de wijze, vermeld in art. 102.
135. De Rijksinstelling van onderwijs in Indische taal-, land- en volkenkunde, opgerigt ten gevolge der wet van 10 Junij 1864 {Stbl. No. 71), wordt op het in art. 108 vermelde tijdstip opgeheven.
Op de hoogleeraren is art. 109 toepasselijk.
136. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Alsdan vervallen, behoudens de tijdelijke uitzonderingen in dezen Titel bepaald, het organiek besluit'van 2 Augustus 1815 en alle verdere algemeene verordeningen betreffende het hooger onderwijs.
Hetgeen ter voorbereiding van het in werking treden dezer wet en tot hare behoorlijke uitvoering noodig is, wordt door Ons geregeld.
Voor het vervullen der bij haar gevorderde leerstoelen aan de Rijksuniversiteiten wordt eene tijdsruimte van tien jaren na haar in werking treden toegestaan.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegiën en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauw-keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Amsterdam, den 28sten April 1876.
WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.
Uitgegeven den zesden Mei 1876.
De Minister van Justitie,
VAN LYNDEN VAN SANDENBURG.
Ass AU
Atl Atl
â 22 â
Alphabetisoh Register
OP DE
WET OP HET HOOGER ONDERWIJS.
[Door de cijfers worden de artikelen aangeduid.)
Aanbevelingfslijst van benoembaren tot leeraar van een gymnasium. 17. â van curatoren ter vervulling van eene
opengevallen plaats van hoogleeraar aan een Rijks-universiteit. 51. â voor de benoeming van een secretaris
bij het collegie van curatoren aan de Rijks-universiteiten. 69. Aanbouw enz. der gebouwen voor het onderwijs. 48. Aansprakelijkheid van curatoren der gymnasia voor opgelegde boeten. 30.
Aanstelling van docenten aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam. 32.
â van hoogleeraren aan het Athenaeum Illustre te
Amsterdam. 36.
â van hoogleeraren aan de Rijks-universiteiten. 53.
Aanvang van het studiejaar aan de universiteiten. 46. Aanvulling en uitbreiding der verzamelingen en hulpmiddelen
voor het onderwijs. 48.
Abonnement toe te staan aan den secretaris van het collegie
van curatoren voor bureaukosten. 69.
Advies van curatoren der Rijks-universiteiten in zake te ver-leenen ontslag aan hoogleeraren. 51.
â van de senaten der Rijks-universiteiten. 84.
Adviezen van hoogleeraren. Regtsgeleerde â 57.
Aftreding van den secretaris van het collegie van curatoren. 69. â van den secretaris van den senaat. 75. â van assessoren. 77.
â van den voorzitter en den secretaris van iedere faculteit. 78.
Akademisch fonds. 113.
Ambten of bedieningen niet te bekleeden door de inspecteurs. 27. â of bedieningen niet te bekleeden door de hoogleeraren der Rijks-universiteiten. 56.
Assessoren van den rector-magnificus. 77.
Athenaeum Illustre te Amsterdam. Openbaar hooger onderwijs
te geven aan het â 4.
Athenaeum Illustre te Amsterdam. Van het â 32â34. Athenaeum Illustre te Amsterdam. Gelijkstelling van het â met de Rijks-universiteiten. 36.
â 23 â
-414 WET OP HET HOOGER ONDEEW. Alpll. Reg'.
^Beambten bij de nniv^ersiteiten. 62. 66. 72.
Bedenkingen der hoogleeraren tegen de aanvaarding der hun
toegewezen vakken. 109.
Begrooting der uitgaven van het onderwijs. 73.
Beheer en het toeziet aan de Rijks-universiteiten. Van het â 68â82.
Belofte of eed van de inspecteurs. 28.
Benoeming van leeraren der gymnasia. 17.
â van het collegie van curatoren bij elk gymnasium. 25. v der inspecteurs. 27
â van het collegie van curatoren aan de gemeenteuniversiteit te Amsterdam. 39. â der hoogleeraren aan de Rijks-universiteiten. 51. â van lectoren. 59.
â van curatoren aan de universiteiten. 68 â van den secretaris van curatoren aan de Rijksuniversiteiten. 69.
â der assessoren. 77.
quot;Bepaling wat het hooger onderwijs omvat. 1.
â wat gymnasia zijn. 5.
Beroep van besluiten door Gedeputeerde Staten genomen. 19. â van de uitspraak des senaats in zake ontzegging van den toegang tot de universiteit aan een student. 82. Beslissing van het collegie van curatoren bij een gymnasium bij verschil van gevoelen. 9. â van gecommitteerden bij verschil van gevoelen. 11. Besluiten van den gemeenteraad 15. 32. 37.
Bestuur en toezigt der gymnasia. Van het â 25â32.
â van eene bijzondere school voor hooger onderwijs. 99. 101. 102.
Beurzen. 50. 64. 67. 103. 107.
Bevoegdheid tot het geven van onderwijs. De graad van doctor. 91. 98.
Bevoegdheid tot het geven van onderwijs, bij wijze van overgang. 122.
Bezoldiging der leeraren der gymnasia. Gedeeltelijk of geheel verlies der â bij schorsing. 18.
v van den secretaris van het collegie van curatoren. 69. Bijdragen door de leeraren verschuldigd voor het pensioenfonds. 21.
â van iederen leerling te vorderen ter tegemoetkoming
in de kosten van Jiet gymnasium. 24.
â in de kosten van het Athenaeum Illustre te Amsterdam. 34.
â in de kosten van de gemeentelijke universiteit te
Amsterdam. 40.
â van hoogleeraren voor het pensioen. 111.
Bijwonen der lessen aan de Rijks-universiteiten. Van het â 63â67.
Bijzonder hooger onderwijs. Van het â 99â107.
Bijzondere scholen van hooger onderwijs. 2.
Boeten. 30. 102. 124.
Bureaukosten aan het collegie van curatoren van een gymnasium toe te leggen. 25.
â van den secretaris van het collegie van curatoren
der universiteiten. 69.
â van den senaat. 76.
â 24 â
Alpll. Reg1. WET OP HET HOOGER ONDERW.
Burgemeester en wethouders schorsen de leeraren der gymnasia. 17.
Collegiegeltlen. 110. 111.
Conrector. Vervanger van den rector. 14.
â Gevorderde graad voor den â 16.
Consultative medische praktijk. Uitoefenen van â door hoogleeraren. 57.
Curatoren. Toezigt van â aan het gymnasium bij het afnemen der examens. 9.
w Beslissing van het col'egie van â aan het gymnasium bij verschil van gevoelen. 9.
â maken de aanbevelingslijst van benoembaren tot
leeraren van het gymnasium op. 17. â Collegie van â te benoemen door den gemeenteraad. 25.
â Jaarlijksch verslag van â te doen aan den gemeenteraad en den inspecteur. 20. â Inlichtingen door â van het gymnasium te geven
aan de inspecteurs. 30.
â Collegie van â belast met het toezigt op de gemeentelijke universiteit te Amsterdam. 39. â Goedkeuring van het programma der lessen door
de â van universiteiten. 47. â van universiteiten worden gehoord in zake beheer en gebruik der verzamelingen en hulpmiddelen. 48. v van universiteiten worden gehoord in zake de toekenning van beurzen. 49.
â Aanbevelingslijst van elk te vervullen plaats van hoogleeraar aan te bieden door â der Rijksuniversiteiten. 51.
â worden gehoord in zake het geven van hooger onderwijs aan de universiteiten door doctoren als privaat-docenten, 60.
â ontslaan en benoemen lagere beambten der universiteiten. 62.
â Verlof van â tot het volgen van ten hoogste twee
lessen van hoogleeraren en lectoren. 67. â Benoeming enz. van â aan de Rijks-universiteiten. 68. â Huishoudelijk reglement voor het collegie van â 68. â Secretaris van het collegie van â 69. â genieten geene jaarwedde. 70.
â doen jaarlijks verslag aan den Minister van Binnen-landsche Zaken. 73.
Cursus aan de gymnasia. 7.
Docenten aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam. 32. â aan de Rijks-universiteiten. Van de â 51â61.
Doctoralen graad. Toekenning van den â 88.
â â De â geeft bevoegdheid tot het geven van
onderwijs. 91â98.
Doctoraat honoris causa. 90.
Doctoraten aan de universiteiten. 83. 84.
Eed. of belofte van de inspecteurs. 28.
Eerepenning. Gouden â toe te kennen op prijsvragen. 49.
Emolumenten van hoogleeraren. 110. 111.
415
â 25 â
416 WET OP HET HOOGER ONDERW. Alpli. Regf»
Erfgenamen. Aanvrage der â tot terugbetaling van gestorte
collegiegelden. 63.
Examens voor leerling aan een gymnasium. 9.
â ter verkrijging van het getuigschrift voor eene universiteit. 11.
â ter verkrijging van doctoraten. 8i. 85. â bij verandering van faculteit. 86.
â Afneming der â door de faculteiten. 87. â Som te betalen voor het afleggen van â 88. â Toelating tot de â bij wijze van overgang. 116.117.
Facultative vakken van onderwijs aan de gymnasia. 5.
â â van examinering aan de gymnasia. 9.
Faculteiten aan de universiteiten. 41.
â Examens aan de universiteiten af te nemen door de â 87.
v worden gehoord ter vervulling eener opengevalle
plaats als hoogleeraar. 51.
â Voordragt der â tot toekenning van den doctoralen graad honoris causa. 90.
Fonds. Akademisch â 113.
Gebouwen. Aanbouw enz. der â 48.
Gecommitteerden. 11. 12.
Gedeputeerde Staten. 13. 17.
Gemeentebestuur. Oprigting door het â van een gymnasium in elke gemeente van meer dan twintig duizend zielen. 6.
â Vrijheid van het â tot oprigting van
progymnasia. 7.
â Inning door het â van de bijdragen der
leeraren in het pensioenfonds* 21.
â Het â ontvangt voorstellen van curatoren
in het belang der instelling. 26.
â Aan het â te Amsterdam over te laten de
bepaling der vakken te onderwijzen aan het Athenaeum Illustre. 32.
r Verslag van het â te Amsterdam over den
toestand der gemeentelijke universiteit. 38.
^ Verslag door het bestuur van elke bijzondere
school van hooger onderwijs te zenden aan het â 101.
Gemeentelijke universiteit te Amsterdam. 32â34. 36â40.
Gemeenteraad. Regeling door den â van al hetgeen de toelating tot de gymnasia enz. betreft. 10.
n Vaststelling door den â van het getal leeraren
voor de gymnasia en hunne jaarwedde. 15.
â Benoeming en ontslag der leeraren der gym
nasia door den â 17.
â Benoeming van het collegie van curatoren door
den â 25.
â De â te Amsterdam regelt de werkzaamheden
en de aftreding van het collegie van curatoren aan de gemeentelijke universiteit te Amsterdam. 39.
Geneeskunde. Faculteit der â 41.
â Onderwijs in de faculteit der â 42.
â 26 â
Alpll. Reg. WET OP HET HOOGER ONDERW. 417
Getal der leeraren voor de gymnasia, lo.
Getuigschriften van bekwaamheid tot de studie aan eene universiteit. 11. 12. 85. 117.
â van goed zedelijk gedrag. 16.
Gymnasia. Van de â 5â32.
â Vakken van onderwijs aan de â 5. â In welke gemeenten â moeten worden opgerigt. 6. â Vereischten om als leerling aan de â te kunnen
worden toegelaten. 9.
^ Regeling van het onderwijs aan de â 10. â Van de onderwijzers aan de â 14â23. â Getal leeraren voor de â 15.
â Vereischten om tot leeraren aan de â benoemd te
kunnen worden. 16.
â Van de kosten der â 24.
â Van het bestuur en het toezigt der â 25â32. â Belangrijke veranderingen aan de â mede te deelen
aan den inspecteur. 26.
â Termijn tot oprigting of inrigting der â 114. Godgeleerden. Nederlandsch-Israëlitische en Portugeesch Israëlitische â 16.
Graad. Toekenning van den doctoralen graad. 88.
â Regten verbonden aan den doctoralen â 91â98. Graden. Van de wetenschappelijke â 83â98.
Handlmvingf der tucht onder de studenten. 81. 82. Hooger onderwijs. Wat het â omvat. 1.
â â Onderscheiding der scholen van â 2.
â â Vreemdelingen behoeven vergunning tot het
geven van â 3 99. â â Van het openbaar â 4â98.
â â Doctoren als privaat docenten tot het geven
van â 60.
v â Van het bijzonder â 99â107.
â â Bijzondere scholen van â gesticht bij uiterste
wilsbeschikking. 100.
Hoogleeraren van het Athenaeum Illustre te Amsterdam. Aanstelling der â 36.
â aan instellingen tot opleiding van kerkelijke leeraren. 405.
â aan de Rijks-universiteiten. Benoeming en ontslag
van â b). 38.
â aan de Rijks-universiteiten. Jaarwedde van â 52. 109.
â aan de Rijks-universiteiten. Aanstelling van â 53. â aan de Rijks-universiteiten mogen geene ambten
of bedieningen bekleeden. 5. 6.
â aan de Rijks-universiteiten als leden van eene der
beide Kamers der Staten-Generaal. 56. 61. , aan de Rijks-universiteiten oefenen noch medische
noch regtspraktijk uit. 57.
, aan de Rijks-universiteiten. Ontstentenis of verhindering van â 61.
, aan de Rijks-universiteiten. Som verschuldigd voor het bijwonen van het onderwijs der â en lectoren. 63.
â aan de Rijks-universiteiten. Wangedrag van â 72. â 27 â
1
418 WET OP HET HOOGER ONDERW. Alpll. Reg.
Hoogleeraren aan de Rijks-universiteit. De gezamenlijke â vormen den senaat der universiteit. 74. â aan de Rijks-universiteit. Bedenkingen van de â tegen de aanvaarding der hun toegewezen vakken. 109.
Huishoudelijk reglement voor de werkzaamheden van het col-
legie van curatoren aan de universiteiten. 68. Hulpmiddelen voor het onderwijs. 48. 60.
Inliclitingeii door den senaat te geven aan den Minister
van Binnenlandsche Zaken en curatoren. 79.
Inning der bijdragen tot het pensioenfonds der leeraren aan
de gymnasia. 21.
Inschrijving bij den rector-magnificus. 64. 67. 106.
Inspecteurs. 17. 19. 26â31.
Inwerking treden der wet. 126.
Jaarwedde voor de leeraren van de gymnasia. 15. â van de inspecteurs â 27.
,, van de hoogleeraren aan de Rijks-universiteit.
02. 56.
â van de lectoren. 59.
Kosten der gymnasia. Van de â 24.
â van het Athenaeum Illustre. Bijdrage in de â 34 â der examens aan de universiteiten. 89.
Kostelooze behandeling van lijders in zieken inrigtingen. 57
v toekenning van den doctoralen graad. 89. Kweekelingen voor den geestelijken stand. 64. 103. 106. Kweekscholen. Kerkelijke â 103.
liatijnsclie scholen. 8. 115. 123.
Lectoren. Benoeming en ontslag van â 59.
â Ontstentenis of verhindering van â 61. â Som verschuldigd voor het bijwonen van het onderwijs der hoogleeraren en â 63.
â Wangedrag van â 72.
Leenen ter voordeele van studerenden in de theologie. 107. Leeraren aan de gymnasia. 9. 10. 11. 14â17. 20â-23. 115.
â voor het hervormd kerkgenootschap. 104.
Leerling aan een gymnasium. Vereischte om als â te worden
toegelaten. 9.
Leerplan van de gymnasia en progymnasia. 7.
Leerstoelen te vestigen aan een of meer der universiteiten voor niet vermelde vakken. 44.
â tot het opleiden van leeraren bij het hervormd kerkgenootschap. 104.
Lessen aan de universiteiten te geven in het latijn of in het nederlandsch. 45.
v Van het bijwonen der â aan de Rijks-universiteiten. 63â67.
â Onbevoegd bijwonen van â 65.
Letteren en wijsbegeerte. Faculteit der â 41. 42.
Lijders aan zieken inrigting. 57.
Lijst van beambten bij de universiteiten. 62.
Maatreg^elen van inwendig bestuur. Algemeene â 7. 11. 13. 68. 84. 118. 119.
â 28 â
Alpll. Beg. WET OP HET IIOOGER ONDERW.
Maatregelen tot voorziening, bij verhindering of ontstentenis
van een hoogleeraar of lector. 61.
Makingen ten behoeve eener theologi che faculteit. 107. Medische praktijken niet uit te oefenen door hoogleeraren,
behoudens consultative. 57.
Meubilair. 48.
Minister van Binnenlandsche Zaken. 17. 27. 28. 31. 31. 54. 60. 62. 6i. 66. 67. 69. 72. 73. 79. 82. 84. 99.
Xala-tiglieicl van Burgemeester en wethouders of van den gemeenteraad in het schorsen van leeraren aan de gymnasia. 17.
Nederlandsch-Israëlitische en Portugeesch-Israëlitische Godgeleerden. 16.
Onderwijs. Hooger â Zie onder hoog er onderwijs.
n Instellingen voorbereidend tot universitair â o.
â Omvang van het â aan de gymnasia. 7.
â Regeling van het â aan het gymnasia. 10.
â Regeling van het â aan het Athenaeum II-
lustre.
â Van het â aan de Rijks-universiteiten. 42â47.
â Van het bijzonder hooger â Zie onder hoogei*
onderwijs.
Onderwijzers. Van de â aan de gymnasia: 14â23. Ondersteuning van onvermogende studenten van buitengewonen aanleg. 50.
Ontslag van de leeraren aan gymnasia. 17. 18.
r, van de inspecteurs. 27.
â der hoogleeraren aan de Rijks-universiteiten. 51.58.72. â van lectoren. 59. 72.
â van beambten bij universiteiten. 62. 72. â van curatoren aan de universiteiten. 68.
â van den secretaris van het collegie van curatoren aau de universiteiten. 69.
Ontstentenis van een hoogleeraar of lector. 61.
â van den rector-magnificus. 77.
â van den secretaris van den senaat. 77.
Openbaar hooger onderwijs. Van het â 4â99.
Openbare scholen voor hooger onderwijs. 2.
Organiek besluit van 2 Augustus 1815. Vervalling van het â126. Overgangsbepalingen. 108â126.
Overgangsexamen aan de gymnasia. 9.
Pensioen aan leeraren der gymnasia te verleenen. 20â23.115. Plaatsvervanger van den rector. 14.
Pligtverzuim van hoogleeraren enz. 72. Portugeesch-Israëlitische Godgeleerden. 16.
Privaatdocenten aan de universiteiten. 60. 66..
Prijsvragen. 49.
Procesverbaal der inspecteurs aan de gymnasia. 29.
Progymnasia. 7. 16.
Programma voor het eindexamen der gymnasia. 11. â der lessen aan de universiteiten. 47. 60.
Rector, Verpligtingen van den â 10.
â De â hoofd van het gymnasium. 14.
419
â 29 â
420 WET OP HET HOOGER ONDERW. Alpll. Reg*»
Rector. Gevorderde graad voor den â 16.
â Inlichtingen door den â te geven aan de inspecteurs. 30.
Rector-magnificus. Inschrijvingen bij den â 6i. 67. 106.
â De â voorzitter van den senaat der univer
siteit. 74.
â Benoeming van den â 74.
â Toelage van den â 76.
â De â wordt bijgestaan door vier asses
soren. 77.
â Verhindering of ontstentenis van den â 77.
â Overdraging van de waardigheid van â 80.
â Handhaving der tucht onder de studenten
door den â 81.
Regeling van het onderwijs aan de gymnasia. 10.
Reglement van de werkzaamheden van het collegie van curatoren aan de universiteiten. 68.
â van den senaat. 78.
Reglementen van bijzondere scholen van hooger onderwijs. 99. â of statuten der bestaande bijzondere scholen van
hooger onderwijs. 124.
Regt tot het bijwonen van het onderwijs aan de universiteiten. 64.
Regtsgeleerdheid. Faculteit der â 41.
Regtspraktijk niet uit te oefenen door hoogleeraren, behoudens
het geven van regtsgeleerde adviezen. 57.
Reis- en verblijfkosten. Vergoeding van â 12. 27. 69. 70. Rijks-universiteiten. Zie onder Universiteiten.
Rijksinstellingen van onderwijs in Indische taal- land- en volkenkunde. 125.
School van hooger onderwijs. Reglementen of statuten eener
bijzondere â 99. â â â â Opening eener bijzondere â ge
sticht bij uiterste wilsbeschikking. 100.
v v v v Verslag van het bestuur van
elke bijzondere â 101. v v v â Sluiting eener bijzondere â102.
Scholen van hooger onderwijs. Onderscheiding der â 102.
â Latijnsche â 8. 115. 123.
Schorsing van de leeraren der gymnasia. 17. 18.
â van hoogleeraren enz. 72.
Secretaris van het collegie van curatoren aan de Rijks-universiteiten. 69.
v van den senaat. 75â78.
Seminaria. 103.
Senaat der universiteit. De â kan de aankondiging der lessen van privaatdocenten op het programma toestaan. 60. â â â De gezamenlijke hoogleeraren vormen
den â 74.
â n y, n Secretaris van den â 75â78.
â â â Reglement van den â 78. â â â Inlichtingen door den â te geven aan
den Minister van Binnenlandsche Zaken en curatoren. 79.
â 30 â
Alph. Regr. WET OP HET HOOGER ONDERW.
Senaat der universiteit. Toekenning van den doctoralen graad
door den â 88.
Statuten van bijzondere scholen van hooger onderwijs. 99.124. Stichtingen van beurzen. 107.
Straffen. 3. 65. 102. 124.
Studenten. Onvermogende â 50.
Studiejaar aan de universiteiten. Aanvang van het â 46. Subsidien. 8. 103. 123.
Taal waarin de lessen aan de universiteit gegeven wordt.'43. Terugbetaling van gestorte gelden. 63.
Testament. Overlegging van het â tot het openen eener bijzondere school voor hooger onderwijs, gesticht bij uiterste wilsbeschikking. 100.
Theologische faculteit of studiën. Makingen ten behoeve eener â 107.
Titel van de onderwijzers aan de gymnasia. 14.
Toegang tot de gymnasia. De inspecteurs hebben vrijen â 36. â tot de universiteit. Ontzegging aan studenten van den â 82.
Toelage aan den rector magnificus en den secretaris van den senaat te verleenen. 76.
â aan hoogleeraren te verleenen. 110.
Toelating tot een hooger studiejaar aan de gymnasia. 9.
â tot de gymnasia. 10.
Toezigt van curatoren bij het afnemen der examens aan de gymnasia. 9.
â der gymnasia. Van het bestuur en het â 25â31. â op de gemeentelijke universiteit te Amsterdam. 39. â aan de Rijks-universiteiten. Van het beheer en het â 68â82.
Tucht onder de studenten. Handhaving der â 81.
n v n v Overtreding der â 82.
Tijd en plaats der vergaderingen van gecommitteerden. 12.
Vitbreidiiig* en aanvulling der verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs. 48.
Uiterste wilsbeschikking. Opening eener bijzondere school voor
hooger onderwijs, gesticht bij â 100.
Uitgaven. Begrooting der â 73.
Universitair onderwijs. Instellingen voorbereidend tot â 5. 85. â â Het Athenaeum Illustre te Amsterdam is
eene gemeentelijke instelling van â32. Universiteiten. Hooger onderwijs wordt gegeven aan â 4. â Van de â 35â82.
â Getal der Rijks â 35.
â Gelijkstelling van het Athenaeum Illustre met
de Rijks â 36.
â Faculteiten aan de â 41.
â Van het onderwijs aan de Rijks â 42â47.
v Lessen aan de Rijks â te geven in het latijn
â of in het nederlandsch. 45.
â Aanvang van het studiejaar aan de â 46.
â Programma der lessen aan de â 47.
â Van de docenten en beambten aan de Rijks â
51â62.
â Benoeming en ontslag der hoogleeraren aan de
Rijks â 51.
421
â 31 â
WET OP HET HOOGER ONDERW.
Alpli. Beg*.
422
Universiteiten. Doctoren, als privaat-docenten aan de â 60. â Van het bijwonen der lessen aan de Rijks â
63â67.
â Van het beheer en het toezigt aan de Rijks
â 68â82.
â Senaat der â 74. 75. 78. 79. 82. â Ontzegging van den toegang tot de â 82.
â Doctoraten aan de â 83.
â Advies van de senaten der Rijks â 84.
â Examens aan de â af te nemen door de facul
teiten. 87.
Tacantien. Regeling der â aan de gymnasia. 10.
â aan de universiteiten. 46.
Vacatiegelden. 12.
Vakken van onderwijs aan de gymnasia. 5. 13.
â â â aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam. 32.
v v v aan de universiteiten. 42.43. 44.53â55. v v v Verwisseling van opgedragen â door
hoogleeraren onderling. 55. â v v Bedenkingen van hoogleeraren tegen de aanvaarding der hun toegewezen
â 109.
Verbetering der gebouwen. 48.
Vereischten om tot leeraar aan een gymnasium benoemd te worden. 16.
Vergoeding van reis en verblijfkosten. Zie onder reis en ver-blyfkosten.
Verhindering van een hoogleeraar of lector. 61.
â Aan den rector-magnificus en van den secretaris
van den senaat. 77.
Verlies van bezoldiging van leeraren der gymnasia bij schorsing. 18.
Verloftractement der hoogleeraren. 56.
Verslag door het collegie van curatoren van de gymnasia te doen aan den gemeenteraad en aan den inspecteur. 26. â door de inspecteurs te doen aan den Minister van Binnenlandsche Zaken omtrent den toestand van het onderwijs aan de gymnasia. 31.
â door het gemeente bestuur van Amsterdam te doen aan den Minister van Binnenlandsche Zaken omtrent den toestand van het Athenaeum Illustre. 33. 38. â door de curatoren der universiteiten te doen aan den
Minister van Binnenlandsche Zaken. 73. â van den rector magnificus over de lotgevallen van het
afgeloopen jaar. »0.
â door het bestuur van elke bijzondere school van hooger-onderwijs te zenden aan het gemeentebestuur en aan den Minister van Binnenlandsche Zaken. 101, 102. Verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs. 48.60.64.67. Voordragt voor den rector magnificus. 74.
â der faculteiten tot toekenning van het doctoraat honoris causa. 90.
Vreemdelingen behoeven vergunning tot het geven van hooger
onderwijs. 3. 99.
Vrijstelling van vakken van examinering. 13.
â 32 â
Alpll. Reg. WET OP HET HOOGER OSDERW.
Waclitgeld van hoogleeren. 109.
Wangedrag van hoogleeraren enz. 72.
â van studenten. 82.
Weigering van Burgemeester en Wethouders of van den gemeenteraad tot schorsing van leeraren der gymnasia. 17. Wetenschappelijke graden. Van de â 83â98.
Wis- en naiuurkunde. Faculteit der â 41. 42.
Woonplaats van den secretaris van het collegie van curatoren aan universiteiten. 69.
Zeclelijk gedrag. Getuigschrift van goed â 16. Ziekeninrigtingen. Kostelooze behandeling van lijders in â 57
423
BESLUITEN, ter uitvoering van de wet op het hooger onderwijs.
BESLUIT van den 27sten April 1877 (Stbl. No. 87), houdende vaststelling van de in artt. 84, 88 en 92 der wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling vanhet hooger onderwijs, bedoelde examens en promotien, zooals dat besluit is gewijzigd bij besluit van 4 Junij 1878, (Stbl. No. 86.)
Wij WILLEM III, enz.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken van 7 Maart 1877 No. 12, ode afdeeling;
Overwegende, dat de uitvoering van de artikelen 84, 88 en 92 der wet van 28 April 1876 {Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur moet worden vastgesteld, welke maatregel, overeenkomstig art. 126, gelijktijdig met gemelde wet behoort in werking te treden;
Gezien het gezamenlijk advies van de senaten der drie Rijks-universiteiten, van 6 Jan. 1877;
Den Raad van State gehoord (advies van 10 April 1877, No. 18);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 23 April 1877, No. 60, 5de afdeeling;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Art. 1. Ter verkrijging van een der in art. 83 der wet van 28 April 1876 {Stbl. No. 102) genoemde doctoraten, wordt vereischt:
A. het achtereenvolgens afleggen van twee examens, te weten:
lo. het candidaats- 2o. het doctoraal examen;
B. de promotie.
2, Omtrent de vereischten voor de af te leggen examens gelden de bepalingen in de hierna volgende paragrafen vervat:
§ 1. Examens ter verkrijging van het doctoraat in de godgeleerdheid.
Om tot het candidaats-examen in de godgeleerdheid te worden toegelaten, wordt vereischt het bewijs van een met gunstig gevolg afgelegd examen in de Hebreeuwsche taal en in de Israëlitische oudheden. Voor dit examen wordt aan de faculteit der godgeleerdheid een hoogleeraar uit de faculteit der letteren en wijsbegeerte, die met het onderwijs in die vakken belast is, toegevoegd.
Het candidaats-examen is gesplitst in twee gedeelten.
Het eerste gedeelte omvat:
a. de geschiedenis der godsdiensten in het algemeen;
b, de geschiedenis der leer aangaande God;
o Hp uitlegging van het Oude Testament (historische ge-
d. de Israëlitische letterkunde in hare hoofdtrekken.
Het tweede gedeelte omvat;
a, de wijsbegeerte van de godsdienst;
â 34 â
BESL. TER UITV. VAN DE WET OP HET HOOGER ONDERW. 425
^ h. de geschiedenis van het Christendom;
c. de uitlegging van het Nieuwe Testament (historische geschriften) ;
d. de oud-Christelijke letterkunde in hare hoofdtrekken. De tijdsruimte tusschen het eerste en het tweede gedeelte van
dit examen gaat een jaar niet te boven, behoudens de bevoegdheid der faculteit om dien termijn te verlengen, ingeval ziekte of andere redenen het afleggen van examen onmogelijk maken.
De twee gedeelten moeten aan dezelfde universiteit worden afgelegd.
Het doctoraal examen omvat:
a. de uitlegging van vooraf opgegeven hoofdstukken uit het Oude en uit het Nieuwe Testament;
h. de geschiedenis van de Israëlitische godsdienst;
c. de geschiedenis der leerstellingen van de Christelijke godsdienst :
d. de zedekunde.
§ 2. Examens ter verkrijging van het doctoraat: a. in de regtswetenschap ; b. in de staatswetenschap.
a. Regtswetenschap.
Het candidaats-examen omvat:
a. de encyclopaedic der regtswetenschap;
h. de geschiedenis en grondbeginselen van het Romeinsche regt;
c. de grondbeginselen der staatshuishoudkunde.
Het doctoraal examen omvat;
a. het Nederlandsch burgerlijk regt en de hoofdbeginselen van de Nederlandsche burgerlijke regtsvordering;
h. het handelsregt;
c. het strafregt en de hoofdbeginselen van de Nederlandsche strafvordering;
d. het Nederlandsche staatsregt.
b. Staatswetenschap.
Het candidaats-examen is hetzelfde als dat voor de Regtswetenschap.
Het doctoraal examen omvat:
a. het staatsregt;
l). het volkenregt;
c. de staatsinstellingen van Nederland en zijne koloniën en overzeesche bezittingen;
d. de hoofdbeginselen van het Nederlandsch burgerlijk-, handels- en strafregt;
e. de staatshuishoudkunde;
j. de theorie der statistiek.
§ 3. Examens ter verkrijging van het doctoraat: a. in de geneeskunde; b. in de heelkunde ;
c. in de verloskunde.
Om tot het candidaats-examen in de geneeskunde te worden toegelaten wordt vereischt het bewijs van een voor de faculteit der wis- en natuurkunde, aan een der Nederlandsche universiteiten, met een gunstig gevolg afgelegd examen in: a. de natuurkunde;
de scheikunde;
c. de plantkunde;
d. de dierkunde.
Het candidaats-examen, voor de drie doctoraten hetzelfde omvat:
â 35 â
BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
a. de ontleedkunde;
h. de physiologie en weefselleer;
c. de algemeene ziektekunde;
d. de pharmakognosie.
Het doctoraal examen in de yeneeslcunde omvat; a. de ziektekundige ontleedkunde; 1). de pharmakodynamie;
c. de bijzondere pathologie en therapie;
d. gezondheidsleer;
e. de geneeskundige praktijk aan het ziekbed; /. de theoretische heelkunde;
g. de theoretische verloskunde.
Het doctoraal examen in de heelkunde omvat: a. de heelkunde, theoretisch en praktisch;
h. de operatieve heelkunde.
Om tot dit examen te worden toegelaten, wordt het bewijs gevorderd, dat het doctoraal examen in de geneeskunde met gunstig gevolg is afgelegd.
Het doctoraal examen in de verloskunde omvat: a. de verloskunde en de leer der vrouwenziekten, theoretisch en praktisch;
h. de operatieve verloskunde.
Om tot dit examen te worden toegelaten wordt het bewijs gevorderd, dat het doctoraal examen in de geneeskunde met gunstig gevolg is afgelegd.
§ 4. Examens ter verkrijging van het doctoraat: a in de wis- en sterrekunde; b, in de wis- en natuurkunde; c. in de scheikunde; d. in de aard- en deljstoj-kunde; e. in de plant- en dierkunde; f. in de artsen 'ijhereidkunde.
a. Wis- en sterrekunde.
Het candidaats-examen omvat:
a. de wiskunde (hoogere stelkunde, analytische meetkunde, beschrijvende meetkunde, differentiaal-rekening); h. de sterrekunde;
c. de natuurkunde;
d. de scheikunde;
e. de delfstofkunde.
Het doctoraal-examen omvat:
a. de hoogere wiskunde (integraalrekening, de waarschijnlijkheidsrekening in hare toepassing op de natuurkundige wetenschappen);
b. de theoretische mechanica;
c. de sterrekunde;
d. de natuurkunde.
b. Wis- eti natuurkunde.
Het candidaats-examen is hetzelfde als dat voor Wis- en sterrekunde.
Het doctoraal examen a omvat:
a. de hoogere wiskunde (integraalrekening en theorie der functien, waarschijnlijkheidsrekening in hare toepassing op de natuurkundige wetenschappen);
l). de theoretische mechanica;
c. de natuurkunde.
Het doctoraal examen ft omvat:
426
a. de hoogere wiskunde (integraalrekening, de waarschijn-
â 3fi â
WET OP HET HOOGER ONDERWIJS.
lijkheidsrekening in hare toepassing op de natuurkundige wetenschappen;
h. de theoretische mechanica;
c. de natuurkunde;
d. de praktische scheikunde;
e. de meteorologie.
Het examen a of |S wordt afgelegd naar keuze van den can-didaat, al naar mate deze zich meer op het wiskundige of op het experimentele gedeelte zal hebben toegelegd.
De, na het afleggen dezer tweeërlei doctorale examens en na de promotie, uit te reiken doctorale diploma's zijn eensluidend.
c. Scheikunde.
Het candidaats-examen is hetzelfde als dat voor Wis- en Sterrekunde.
â Het doctoraal examen omvat:
a. de scheikunde;
h. de natuurkunde;
c. de kristallographie.
d. Aard- en delf stof kunde.
Het candidaats-examen is hetzelfde als dat voor Wis- en Sterrekunde en omvat bovendien:
Æ. de plantkunde;
g. de dierkunde.
Het examen in de twee laatstgenoemde vakken kan, indien het door den axaminandus wordt verlangd, later worden afgelegd.
Dit candidaats-examen geeft toegang tot alle in deze paragraaf genoemde doctorale examens.
Het doctoraal examen omvat:
a. de aardkunde;
h. de delfstof kunde;
c. de palaeontologie.
e. Plant- en dierkunde
Het candidaats-examen omvat:
a. de wiskunde (beginselen van de hoogere stelkunde en van de analytische meetkunde;
h. de natuurkunde);
c. de scheikunde;
d. de plantkunde;
e. de dierkunde;
Æ. de aard- en delfstofkunde.
Het doctoraal examen omvat:
a. de plantkunde;
h. de dierkunde;
c. de palaeontologie.
f. Artsenxjbereidkunde.
Het candidaats examen omvat:
a. de natuurkunde;
l). de scheikunde;
c. de plantkunde;
d. de dierkunde;
e. de delfstofkunde.
Het doctoraal examen omvat:
a. de pharmaceutische scheikunde;
h. de pharmaceutische plant en dierkunde;
c. de vergift leer;
d. de analytische scheikunde.
427
â 37 â
BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
§ 5. Examens ter verkrijging van het doctoraat: a. in de
klassieke letterkunde,- b. in de Semitische letterkunde; c. in de Nederlandsche letterkunde; d. in de taaien letterkunde van den Oost-Indischen Archipel ; e. in de wijsbegeerte.
a. Klassieke letterkunde.
Het candidaats-examen omvat:
a. de grammaticale behandeling van Latijnsche schrijvers;
h. de grammaticale behandeling van Grieksche schrijvers;
c. de geschiedenis der Grieken en die der Romeinen, met die der ontwikkeling van hunne staatsinstellingen, letteren, wijsbegeerte en kunst.
Het doctoraal examen omvat:
a. de philologisch-kritische behandeling van Latijnsche schrijvers ;
h. de philologisch-kritische behandeling van Grieksche schrijvers ;
c. de algemeene geschiedenis der oudheid en in verband daarmede de aardrijkskunde.
b. Semitische letterkunde.
Het candidaats-examen omwat:
a. dö grammaticale behandeling van een of meer Arabische schrijvers;
1). de grammaticale behandeling van een of meer Hebreeuw-sche schrijvers;
c. de grammatische behandeling van een of meer Aramee-sche schrijvers;
d. de geschiedenis en oudheden der Israëlieten;
e. den oorsprong en de instellingen van den Islam.
Het doctoraal examen omvat:
a. de geschiedenis der Semitische volken en hunner letterkunde;
1). de philologisch-kritische behandeling of van Arabische of van Hebreeuwsche en Arameesche schrijvers, ter keuze van den candidaat.
c. Nederlandsche letterkunde.
Het candidaats-examen omvat:
a. de Nederlandsche taal (geschiedenis, spraakkunst, stijl);
h. het middel-Nederlandsch;
c. het gothisch;
d. de vaderlandsche geschiedenis;
e. de algemeene geschiedenis van de middeleeuwen en den nieuwen tijd en in verband daarmede de politische aardrijkskunde.
Het doctoraal examen omvat :
a. de beginselen van het Sanskriet;
h. de beginselen der vergelijkende Indo-Germaansche taalwetenschap in het algemeen en der Germaansche in het bijzonder;
c. het Angelsaksisch of middel-Hoogduitsch, ter keuze van lt;len candidaat;
d. de Nederlandsche letterkunde (geschiedenis, aesthetische kritiek).
d. Taal- en letterkunde van den Oost-Indischen Archipel.
Het candidaats-examen omvat:
a. het Arabisch;
1). de instellingen van den Islam;
c. het Sanskriet;
428
WET OP HET HOOGER ONDERWIJS.
d. de Indische oudheidkunde;
e. de physische aardrijkskunde van den Indischen Archipel. Het doctoraal examen omvat:
a. de Maleische taal- en letterkunde;
h. de Javaansche taal- en letterkunde;
c. de algemeene taalkunde van den Indischen Archipel;
d. de geschiedenis, letterkunde, oudheden, instellingen, zeden en gewoonten der volken van het Maleische ras.
e. Wijsbegeerte.
Het candidaats-examen omvat;
a. de redeneerkunde;
h. de zielkunde;
c. de geschiedenis van de wijsbegeerte der Grieken en der Romeinen.
Het doctoraal examen omvat:
a. de geschiedenis der middeleeuwsche en der nieuwere wijsbegeerte ;
b. de metaphysica in haren vollen omvang en toepassing.
3. Zij, die, na een of meer der in het voorgaand artikel bedoelde examens met gunstig gevolg te hebben afgelegd, zich aan een der andere examens in dezelfde faculiteit wenschen te onderwerpen, zijn vrijgesteld van die vakken, waarin zij reeds op een der voorafgegane examens, in gelijke of hoogere mate dan voor het nieuwe examen wordt gevorderd, bewijzen van bekwaamheid hebben gegeven.
4. Alle doctorale examens worden in twee gedeelten gesplitst, die met tusschenruimte van minstens 24 uren en hoogstens 14 dagen, telkens door de faculteit te bepalen, worden afgelegd.
Door de faculteiten wordt tevens bepaald waarover elk gedeelte van het examen zal loopen.
Na gunstigen afloop van het eerste gedeelte van het examen worden den candidaat door de faculteit een of meer onderwerpen, betreffende de wetenschap waarin het doctoraat wordt verlangd, opgegeven, door hem schriftelijk te behandelen en bij het tweede gedeelte van het examen voor de faculteit te verdedigen.
5. De examens worden mondeling afgenomen, behoudens hetgeen omtrent het tweede gedeelte van het doctoraal examen bij het voorgaand artikel is bepaald.
6. de duur der examens wordt bepaald:
lo. in de faculteit der godgeleerdheid :
voor alle examens op één uur;
2o. in de faculteit der regtsgeleerdheid:
voor het candidaats-examen op l'/i uur;
voor het doctoraal examen op 2 uren;
3o. in de faculteit der geneeskunde:
voor het candidaats-examen op 3 uren, waarvan:
één uur voor de anatomische en mikroskopisch-anatomische demonstratie;
één uur voor de ontleedkunde, physiologic en weefselleer; één uur voor de algemeene ziektekunde en pharmakognosie; voor het doctoraal examen:
a. in de geneeskunde op 4l/2 uur, waarvan:
één uur voor de ziektekundige ontleedkunde met demonstratie ;
één uur voor de bijzondere pathologie, therapie en pharma-kodynamie;
één uur voor geneeskundige praktijk aan het ziekbed ;
42^
â 39 â
430 BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
één uur voor de theoretische heel- en verloskunde; één half uur voor de gezondheidsleer;
b. in de heelkunde op 3 uren, waarvan:
twee uren voor de heelkunde (theoretisch en practisch); één uur voor de operatieve heelkunde;
c. in de verloskunde op 3 uren, waarvan:
twee uren voor de verloskunde en de leer der vrouwenziekten (theoretisch en practisch);
één uur voor de operatieve verloskunde;
4o. in de faculteit der wis- en natuurkunde:
voor de mondelinge examens op minstens één uur; 5o. in de faculteit der letteren en wijsbegeerte:
voor alle examens op hoogstens tw ee uren.
â¢y. Alle mondelinge examens worden in het openbaar gehouden, behalve die in de faculteit der geneeskunde, wanneer de faculteit om redenen van welvoeglijkheid anders beslist.
Zij worden afgenomen in de Nederlandsche taal of, bij gebleken noodzakelijkheid, ter beoordeeling van de faculteit, in cene andere taal.
8. Tot het afleggen van examens wordt gelegenheid gegeven: lo. in de faculteiteit der godgeleerdheid:
voor alle examens ten alle tijde;
2o. in de overige faculteiten ;
voor de candidaats-examens; zes weken vóór en vier weken na de zomervacantie, behoudens de bevoegdheid der facultei-teiten om, in bijzondere omstandigheden, ook op andere tijden te examineren;
voor de doctorale examens ten alle tijden.
Gedurende de vacantien worden geene examens afgelegd.
9. Dag en uur van het examen worden door den voorzitter der faculteit bepaald. Zij worden bekend gemaakt door aanplakking op de daarvoor door den senaat aan te wijzen plaats.
Mondeling kan niet meer dan één persoon te gelijk worden geëxamineerd.
10. Om tot het examen te worden toegelaten wordt overlegging aan de faculteit of aan haar voorzittend lid gevorderd van het bewijs dat de daavoor gevorderde som is betaald.
11. De faculteit vergadert tot het houden van examens met minstens drie leden.
Omtrent den uitslag van een afgelegd examen wordt bij meerderheid van stemmen der aanwezigen beslist. Staken de stemmen, dan wordt de geëxamineerde beschouwd te zijn afgewezen.
De afwijzing geschiedt voor hoogstens één jaar. Van die afwijzing en den tijd, waarvoor zij is geschied, wordt binnen 24 uren door het voorzittend lid kennis gegeven aan de senaten der andere universiteiten.
IS, Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt eene in de Latijnsche taal gestelde verklaring, zakelijk overeenkomende met de notulen of het album dei-faculteit, verstrekt.
Heeft de geëxamineerde zich door meer dan gewone bekwaamheid onderscheiden, dan wordt dit in bovengemeld stuk aangeduid met de woorden ; cum laude. Staken de stemmen over deze bijvoeging, dan blijft zij achterwege.
13. Het doctoraal examen behoeft niet aan dezelfde universiteit te worden afgelegd, als aan welke het candidaats-«xamen gedaan is.
â 40 â
WET OP HET HOOGER ONDERWIJS. 431
14. Om tot de promotie te worden toegelaten wordt vereischt;
a. het bewijs dat het doctoiaal examen in die der in art. 83 der wet van 28 April 1876 {Staatsblad No. 102) vermelde wetenschappen, waarin de graad van doctor wordt verlangd, met gunstig gevolg is afgelegd ;
b. het schrijven van een proefschrift met minstens twaalf stellingen.
15. Het onder b. van het voorgaand artikel bedoelde proefschrift bestaat in eene uitgewerkte verhandeling over een onderwerp, behoorende tot de wetenschap, waarin het doctoraat wordt verlangd, of uitgewerkte opmerkingen over enkele waagstukken uit het gebied dier wetenschap. De taal, waarin het proefschrift en de stellingen worden geschreven, is de Neder-landsche, of wanneer de wenschelijkheid daarvan, ter beoordeeling van de faculteit, mogt blijken, eene andere taal; voor het doctoraat in de klassieke letterkunde wordt het gebruik der Latijnsche taal gevorderd.
lO. Het schrijven van een proefschrift wordt niet vereischt:
a. in de faculteit der regtswetenschap :
lo. voor de doctoren in de regtswetenschap ter verkrijging van het doctoraat in de staatswetenschap:
2o. voor de doctoren in de staatswetenschap ter verkrijging van het doctoraat in de regtswetenschap;
b. in de faculteit der yeneeskunde :
lo. voor de doctoren in de geneeskunde ter verkrijging van het doctoraat in de heelkunde;
2o. voor de doctoren in de geneeskunde ter verkrijging van het doctoraat in de verloskunde ;
c. in de faculteit der wis- en natuurkunde:
voor de doctoren in een of meer der onderdeden van deze faculteit, ter verkrijging van het doctoraat in een of meerder andere onderdeden;
d. in de faculteit der letteren en wijsbegeerte:
voor de doctoren in een of meer der onderdeelen van deze faculteiten, ter verkrijging van het doctoraat in een of meer der andere onderdeelen.
De doctoren in dit artikel bedoeld, zijn, wanneer zij geen proefschrift begeeren te vervaardigen, verpligt tot het schrijven van minstens vier en twintig stellingen, betrekking hebbende tot de wetenschap, waarin het nieuwe doctoraat wordt verlangd. Omtrent de taal, waarin deze stellingen moeten geschreven zijn, geldt de 2de zinsnede van art. 15.
lY. Hem, die tot de promotie verlangt te worden toegelaten, wordt door de faculteit een harer leden als promotor aangewezen, aan wiens goedkeuring het proefschrift en de stellingen worden onderworpen, en die toeziet, dat daarin niets voorkomt, strijdig met de openbare orde of de goede zeden.
18. Zijn het proefschrift en de stellingen door den promotor goedgekeurd, dan worden zij gedrukt en rondgedeeld en op den dag en het uur, door den rector-magnificus te bepalen, verdedigd op de wijze bij art. 20 vermeld. Dag en uur der promotie worden bekend gemaakt op de wijze, bij art. 9, 1ste lid, voorgeschreven.
19. De promotie wordt in het openbaar gehouden. Zij behoeft niet plaats te hebben aan dezelfde universiteit, aan welke de exameris zijn afgelegd.
SO. De promotie is, ter keuze van den doctorandus, publiek of privaat.
_ 41 â
BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
De publieke promotie geschiedt door en ten overstaan van den senaat, na verdediging van het proefschrift en de stellingen tegen de bedenkingen van allen, die tot het inbrengen daarvan vergunning van den rector-magnificus hebben verkregen.
De private promotie geschiedt door den senaat, vertegenwoordigd door den rector-magnificus en den secretaris als stemhebbende leden en de faculteit als commissie uit den senaat, na verdediging van het proefschrift en de stellingen voor de faculteit.
De promotie, zoowel de publieke als de private, duurt één uur.
Staken de stemmen over de toekenning van den doctoralen graad, dan wordt die niet toegekend.
Afwijzing bij de promotie geschiedt voor hoogstens één jaar. Van die afwijzing en den tijd, waarvoor zij is geschied, wordt binnen 24 uren door den secretaris van den senaat kennis gegeven aan de senaten der andere universiteiten.
SI. Omtrent de taal, waarin de verdediging van het proefschrift en de stellingen, alsmede de toekenning van den doctoralen graad geschieden, geldt de 2de zinsnede van art. 15.
22. Hij, aan wien de doctorale graad is toegekend, ontvangt ten bewijze daarvan een door den rector en den secretaris van den senaat geteekend, in de Latijnsche taal gesteld, diploma, waarvan het model door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken wordt vastgesteld.
Indien bij de promotie bewijzen van meer dan gewone bekwaamheid zijn gegeven, wordt in het diploma vermeld, dat de doctorale graad cum laude is toegekend.
Staken de stemmen over deze bijvoeging, dan blijft zij achterwege.
23. De promotie kan, behalve in de vacantiën, ten allen tijde plaats hebben.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is bevoegd, in bijzondere omstandigheden, op advies van de faculteit, te vergunnen, dat de promotie ook gedurende de vacantie geschiede.
24:, Doctoren in de regtswetenschap, die de bevoegdheid wenschen te verkrijgen om, behoudens nadere vereischten in bijzondere wetten of verordeningen gevorderd, in Nederlandsch Indie bij de regterlijke magt of de burgerlijke dienst te worden benoemd, leggen voor de vereenigde faculteiten der regtsge-leerdheid en der letteren en wijsbegeerte een aanvullingsexamen af in:
a. het Mohammedaansch regt en de overige volksinstellingen en gebruiken in Nederlandsch Indië;
/gt;. het staatsregt en de inrigtingen van 's Rijks koloniën en Overzeesche bezittingen;
c. de land- en volkenkunde van den Oost-Indischen archipel;
d. lo. de Maleische taal of 2o. de Javaansche taal, ter keuze van den belanghebbende.
De duur van het examen is twee uren, waarvan:
één uur voor de vakken onder a en b, en
één uur voor de vakken onder c en d genoemd.
Het examen is mondeling en wordt in het openbaar gehouden.
De artikelen 7, 2de lid, 9, 10, 11 en het in art. 23 omtrent de promotie bepaalde zijn daarop van toepassing.
Is het examen met gunstig gevolg afgelegd, dan wordt aan den geëxamineerde eene door den voorzitter en secretaris der vereenigde faculteiten geteekende, in de Nederlandsche taal gestelde, verklaring uitgereikt, waaruit dit blijkt.
432
â 42 â
wet op het hooger onderwijs.
Heeft de geëxamineerde zich door meer dan gewone bekwaamheid onderscheiden, dan wordt in de verklaring vermeld, dat de toelating met lof geschiedt. Zoo omtrent deze bijvoeging de stemmen staken, heeft zij niet plaats.
35. Het ambtscostuum der hoogleeraren bij de publieke promotie, even als bij andere plegtige gelegenheden, is de toga van zwarte zijde, de muts van zwart fluweel, met zwarte onder-kleeding en witte das en bef.
26. Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, voor het in werking treden der wet van 28 April 1876 {Stbl. No. 102), door Ons te bepalen.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
Het Loo, den 27sten April 1877. WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
heemskerk.
Uitgegeven den tienden Mei 1877.
De Minister van Justitie,
van lynden van sandenburg.
BESLUIT van den ()den Mei 1877 (Stbl. Nn. 101), bepalende dat de wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling van het hoog er onderwijs, op 1 October 1877 in werking zal treden.
Wij WILLEM III, enz.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 3 Mei 1887, No. 50, 5de afdeeling;
Gezien art. 126 der wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen, dat die wet in werking treedt op 1 October 1877.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer.
Het Loo, den 6den Mei 1877. WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, heemskerk.
De Minister van Justitie,
van lynden van sandenburg.
BESLUIT van den \7den Julij 1877 (Stbl. No. 159), ter uitvoering van art. 118 der wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, zooals dat besluit is gewijzigd bij besluiten van 4 Junij 1878 (Stbl. No. 86) en van 23 September 1878 (Stbl. No. 139).
Wij WILLEM III, enz.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 27 Junij 1877, litt. R, 5de afdeeling;
433
28
â 43 â
434 BESLUri ' X TER ÃITVOERI v â V A - 'E
Overwegende, dat volgt.ns art, 118 aer wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur moet worden bepaald, welke bewijzen van bekwaamheid zij, die vermeld zijn in artt. 116 en 117 dier wet, behooren te geven, alvorens tot de examens, bedoeld bij art. 84, te kunnen worden toegelaten; Den Raad van State gehoord (advies van 10 Julij 1877, No. 8); Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 11 Julij 1877, litt. F. F., 5de afdeeling;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen;
Art. !⢠Zij, die vóór 1 October 1877, of in het tijdperk, vermeld in art. 116 der wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102), het bewijs hebben verkregen, bedoeld in art. 1, 1ste lid, van Ons besluit van 4 Augustus 1853 {Stbl. No. 31), of het examen, in het tweede lid van dat artikel omschreven, met gunstig gevolg hebben afgelegd, moeten, alvorens te worden toegelaten tot de examens, omschreven in art. 2 van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. No. 87), de navolgende bewijzen van bekwaamheid geven.
2. Om te worden toegelaten tot het candidaats-examen, vermeld in art. 2, § l, van Ons jjesluit van 27 April 1877 [Stbl. No. 87), wordt het bewijs vereischt van een met gunstig gevolg afgelegd examen voor de faculteit der letteren en wijsbegeerte in:
lo. de Grieksche taalkunde,
2°. de Latijnsche taalkunde,
3°. de Hebreenwsche taalkunde,
4o. de Nederlandsche taal en stijl,
5o. de Israëlietische oudheden.
Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die vóór 1 October 1877 met gunstig gevolg het examen hebben afgelegd, vermeld in art. 98 van het Koninklijk besluit van 2 Augustus 1815, No. 14.
3. Zij, die vóór 1 October 1877 met gunstig gevolg het examen hebben afgelegd, bedoeld in art. 97 van het Koninklijk besluit van 2 Augustus 1815, No. 14, behoeven, om tot het candidaats-examen, vermeld in art. 2, § 1, van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. No. 87), te worden toegelaten, alleen het bewijs over te leggen, in de eerste alinea van dat artikel, § 1, bedoeld.
4« Om te worden toegelaten tot het eerste der examens, vermeld in art. 2, § 2, van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. No. 87), wordt het bewijs vereischt van een met gunstig gevolg afgelegd examen voor de faculteit der letteren en wijsbegeerte, in: lo. de Grieksche taalkunde,
2o. de Latijnsche taalkunde,
3o. de Romeinsche oudheden,
4o. de algemeene geschiedenis.
Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die vóór 1 October 1877 met gunstig gevolg een der examens hebben afgelegd, vermeld in de artt. 97 en 99 van het Koninklijk besluit van 2 Augustus 1815, No. 14.
5. Om te worden toegelaten tot het eerste der examens, vermeld in art. 2, § 3, en tot een der candidaats-examens, vermeld in art. 2, § 4, van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. No. 87), wordt vereischt het bewijs van een met gunstig gevolg afgelegd examen voor de faculteit der wis- en natuur kunde in:
lo. de stelkunde tot en met de tweede magtsvergelijkingen, de reken- en meetkundige reeksen en de leer der logarithmen; 2o. de meetkunde tot en met de sphaerische trigonometrie.
â 44 â
wet op het hooger onderwijs. 435
Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die vóór 1 October 1877 met gunstig gevolg het examen hebben afgelegd, vermeld in art. 4 van het Koninklijk besluit van 9 September 1826, No. 145.
6. Om te worden toegelaten tot een der candidaats-examens, vermeld onder è, c, d, en e van art. 2, § 5, van Ons besluit van 27 April 1877 [Sthl. No. 87), wordt het bewijs vereischt van een met gunstig gevolg afgelegd examen voor de faculteit der letteren en wijsbegeerte, in;
lo. de Grieksche taalkunde,
2°. de Latijnsche taalkunde,
3o. de algemeene geschiedenis.
Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die vóór 1 October 1877 met gunstig gevolg een der examens hebben afgelegd, vermeld in de artt. 97, 98 en 99 van het Koninklijk besluit van 2 Augustus 1815, No. 14.
T1, Vervallen.
8. De examens, in de voorgaande artikelen omschreven, zijn mondeling en worden in het openbaar gehouden. Zij worden afgenomen in de Nederlandsche taal, of, bij gebleken noodzakelijkheid, ter beoordeeling van de faculteit, in eene andere taal. De artt. 9 en 10, het eerste en tweede lid van art. 11 en het eerste lid van art. 12 van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. No. 87) zijn op die examens van toepassing.
9. De duur dezer examens wordt door de faculteiten bepaald, maar is niet korter dan één uur voor ieder. Afwijzing geschiedt voor hoogstens zes maanden. Van die afwijzing en den tijd, waarvoor zij is geschiedt, wordt binnen 24 uren door het voorzittend lid kennis gegeven aan de senaten der andere universiteiten.
10. Tot het afleggen dezer examens wordt, buiten devacan-tie, ten allen tijde gelegenheid gegeven.
11. De examens, vermeld in de artt. 2 A., 4 A., 5 en 6 van Ons tegenwoordig besluit, zijn kosteloos.
12» Dit besluit treedt in werking op 1 October 1877.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
Zürich, den zeventienden Julij 1877. WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, heemsker k.
Uitgegeven den 25sten Julij 1877.
De Minister van Justitie,
van lynden van sandenbürg.
BESLUIT van den Vden July 1877, (Stbl. No. 160), ter uitvoering van art. 119 der wet van den 2'èsten April 1876 (Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs.
Wij WILLEM III, enz.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 27 Junij 1877, litt. R., 5de afdeeling;
Overwegende, dat volgens art. 119 der wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102), tot regeliing van het hooger onderwijs, bij alge-meenen maatregel van inwendig bestuur moet worden bepaald,
â 45 â
BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
van welke der examens, bedoeld bij art. 84 dier wet, zijn vrijgesteld zij, die, op het tijdstip van haar in werking treden, aan eene Neder-landsche hoogeschool den graad van candidaat verkregen hebben;
Den Raad van State gehoord (advies van 10 Julij 11., No. 8);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 11 Julij 1877, litt. F. F., 5de afdeeling;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Art. 1. Zij, die vóór 1 October 1877 aan eene Neder-landsche hoogeschool den graad van candidaat in de godgeleerdheid verkregen hebben, zijn vrijgesteld van het examen, vermeld in art. 2, § 1, 1ste lid van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. Nc. 87) en van het in dezelfde paragraaf omschreven candidaats-examen in de godgeleerdheid.
S. Zij, die vóór 1 October 1877 aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat in de regtsgeleerdheid verkregen hebben, zijn vrijgesteld van het candidaats-examen, vermeld in art. 2, § 2, van Ons besluit van 27 April 1877 [Stbl. No. 87), zoowel voor de regtswetenschap als voor de Staatswetenschap.
3. Zij, die vóór 1 October 1877 aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat in de geneeskunde verkregen hebben, zijn vrijgesteld van liet examen, vermeld in art. 2, § 3, 1ste lid, van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. No. 87), en van het in dezelfde paragraaf omschreven candidaats-examen in de geneeskunde.
4. Zij, die vóór 1 October 1877 aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat in de wis- en natuurkunde, voorbereidende voor- de studie der geneeskunde, verkregen hebben, zijn vrijgesteld van het examen, vermeld in art. 2, § 3, 1ste lid, van Ons besluit van 27 April 1877 {Stbl. No. 87).
5. Zij, die vóór 1 October 1877 aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat in de wis- en natuurkunde, voorbereidende voor het doctoraat in die wetenschap, verkregen hebben, zijn vrijgesteld van de candidaats-examens vermeld in art. 2, § 4, van Ons besluit van 27 April 1877 (Stbl. No. 87).
6. Zij, die vóór 1 October 1877 aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat in de letteren, voorbereidende tot de studie der godgeleerdheid, verkregen hebben, zijn vrijgesteld van het examen, vermeld in art. 2 § 1, 1ste lid, van Ons besluit van 27 April 1877 (Stbl. No. 87).
â¢7. Zij, die vóór 1 October 1877 aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat in de letteren, voorbereidende tot het doctoraat in die wetenschap, verkregen hebben, zijn vrijgesteld van het candidaats-examen in de klassieke letterkunde.
8« Dit besluit treedt in werking op 1 October 1877.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
Zurich, den zeventienden Julij 1877. WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
HEEMSKERK.
Uitgegeven den 25sten Julij 1877.
De Minister van Justitie,
VAN LYNDEN VAN SANDENBURG.
436
wet op tiet hooger onderwijs.
BESLUIT van dev. 2$sten Juny 1878, (Stbl. No. 98), tot vaststelling van het leerplan der gymnasia en progymnasia.
Wij WILLEM III, enz.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 11 Junij 1878, litt. C, afdeeling O;
Overwegende, dat het noodzakelijk is een nieuw leerplan voor lt;le gymnasia en progymnasia vast te stellen, in verband met de wijzigingen, welke de wet van 28 April 1876 {Sthl. No. 102) door de wet van 7 Mei 1878 [Stbl. No. 33) heeft ondergaan;
Den Raad van State gehoord (advies van 25 Junij 1878, No, 10);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 26 Junij 1878, litt. I, Onderwijs;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Art. 1. Het onderwijs aan de gymnasia wordt gegeven in een zesjarigen cursus, ingerigt volgens de voorschriften van dit besluit.
Het schooljaar vangt aan met den eersten dag der maand September.
Behalve op de zon- en feestdagen en in de vacantien, bedoeld in art. 10 der wet van 28 April 1876 {Sthl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, worden de lessen gedurende het gansche schooljaar gehouden op de uren van iederen schooldag, door den gemeenteraad daarvoor aangewezen.
3. Zamenvoeging van klassen bij de lessen is verboden.
Uitzondering op dezen regel is alleen dan geoorloofd, wanneer ontstentenis van leeraren of soortgelijke buitengewone omstandigheden tijdelijk bijeenzijn van verschillende klassen noodzakelijk maken.
Bedraagt het getal leerlingen derzelfde klassen meer dan vier en twintig, zoo moet zij in twee, bedraagt het meer dan vijftig, zoo moet zij in drie parallelklassen gesplitst worden.
3. De tabel, bij dit besluit gevoegd, wijst aan hoevele lesuren aan het onderwijs in elk der vakken, vermeld onder a tot en met m in art. 5 der wet van 28 April 187G [Stbl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, wekelijks in elke klasse minstens besteed moeten worden.
Vermeerdering dier lesuren is geoorloofd, mits het getal, tot bijwoning waarvan de leerlingen van elke klasse verpligt zijn, dat van twee en dertig niet te boven ga.
Wordt daarenboven onderwijs gegeven in één der vakken, vermeld in genoemd art. 5 onder n of o, of in beide, dan rekenen de daaraan te besteden lesuren bij de toepassing der twee vorige zinsneden niet mede.
4. Het onderwijs omvat:
a. voor de GrieJcsche taal en letterkunde:
in de tweede tot en met de vierde klassen, de gronden der spraakleer, de lezing en verklaring van een eenvoudig Attisch proza en in de vie rde klasse ook van Epische poëzij;
in de vijfde klasse, de herhaling en voortzetting der spraakleer, de lezing en vertaling van proza en van Epische poëzij;
in de zesde klasse, de lezing en verklaring van moeijelijker Attisch proza en van lyrische en dramatisch poëzij.
In de vijfde klasse worden bovendien twee lesuren aan de cursorische lezing van gemakkelijke schrijvers en in de zesde
437
â 47 â
438 BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
klasse drie lesuren aan de cursorische lezing van proza en van Epische poëzij besteed. Deze lesuren zijn meer bijzonderlijk bestemd voor de leerlingen, bedoeld in art. 5 onder a. h. voor de Latynsche faal en letterkunde:
in de eerste tot en met de vierde klassen, de gronden der spraakleer, de lezing en verklarins; van proza en van Epische poëzij ;
in de vijfde klasse, de herhaling en voortzetting der spraakleer, de lezing en verklaring van moeijelijker proza en van Epische, lyrische en dramatische poëzij;
in de zesde klasse, de voorzetting van de lezing en verklaring van moeijelijker proza en poëzij.
In de vijfde klasse worden bovendien twee lesuren aan de cursorische lezing van schrijvers, en in de zesde klasse drie lesuren aan de cursorische lezing van schrijvers en aan de Romeinsche antiquiteiten besteed. Deze lesuren zijn meer bijzonderlijk bestemd voor de leerlingen, bedoeld in art. 5. onder a.
c. voor de Nederlandsche taal en letterkunde:
in de eerste tot en met de derde klassen, de spraakleer, taaien stijloefeningen en de lezing en verklaring van nieuwere schrijvers;
in de vierde klasse, stijloefeningen, lezing en verklaring van klassieke schrijvers uit het laatste gedeelte der achttiende en uit de negentiende eeuw;
in de vijfde en de zesde klassen, stijloefeningen en een beknopt overzigt der vaderlandsche letterkunde door lezing van stukken uit vroegeren en lateren tijd;
d. voor de Fransche taal :
in de eerste tot en met de derde klassen, de uitspraak, de gronden der spraakleer, vertaling uit het Fransch in het Neder-landsch en omgekeerd, lezing van stukken uit den nieuweren tijd;
in de vierde tot en met de zesde klassen, lezing en verklaring van meesterstukken van de letterkunde;
e. voor de Hoogduitsche taal:
in de tweede tot en met de vierde klassen, de uitspraak, de gronden der spraakleer, vertaling uit het Hoogduitsch in het Nederlandsch en omgekeerd, lezing van stukken uit den nieuweren tijd;
in de vijfde en de zesde klassen, lezing en verklaring van meesterstukken van de letterkunde;
/. voor de Engelsche taal:
in de derde en vierde klassen, de uitspraak, de gronden der spraakleer, vertaling uit het Engelsch in het Nederlandsch en omgekeerd;
in de vijfde en de zesde klassen, lezing en verklaring van meesterstukken van de letterkunde;
g. voor de geschiedenis :
a. voor de vaderlandsche geschiedenis: in de eerste tot en met de derde klassen, een algemeen overzigt der vaderlandsche geschiedenis ;
in de zesde klasse, een overzigt van de Staatsregeling van ons vaderland sinds 1747 tot op den jongsten tijd;
Z». voor de alge meene geschiedenis:
in de eerste tot en met de derde klassen, een overzigt der al-gemeene geschiedenis;
in de vierde en de vijfde klassen, eene meer uitvoerige behandeling der oude geschiedenis, en wel in het bijzonder van
â 48 â
WET OP HET HOOGER ONDERWIJS.
die der Grieken in de vierde en van die der Romeinen in de vijfde klasse;
in de zesde klasse, een algemeene herhaling en behandeling meer in bijzonderheden van de nieuwe geschiedenis sinds den vrede van Utrecht;
h. voor de aardrijkskunde :
in de eerste tot en met de derde klassen, een algemeen overzigt der hedendaagsche aardrijkskunde;
in de vierde klasse, de grondtrekken der oude aardrijkskunde; in de zesde klasse, behandeling van hoofdpunten uit de wiskundige en de natuurkundige aardrijkskunde;
i. voor de wiskunde :
cc. voor de reken- en stelkunde:
in de eerste tot en met de vierde klassen, de hoofdbewer-kingen met geheele en gebroken getallen en stelkunstige vormen, de deelbaarheid der getallen, het metrieke stelsel, de evenredigheden, de vergelijkingen van den eersten graad met één of meer onbekenden, de wortelgrootheden, de gebroken en negatieve exponenten, de vierkants vergelijkingen, de logarithmen, de reeksen;
in de vijfde en de zesde klasse, herhaling van het geleerde;
P# voor de meetkunde:
in de eerste tot en met de vierde klassen, de planimetrie en van de stereometrie de ligging en snijding van vlakken, den drievlakkenhoek, de oppervlakken en inhouden van ligchamen door platte vlakken begrensd;
in de vijfde klasse, de voortzetting der stereometrie;
in de zesde klasse, herhaling van het geleerde.
Bovendien worden in de vijfde klasse twee en in de zesde klasse drie lesuren, meer bijzonderlijk bestemd voor de leerlingen, bedoeld in art. 5 onder h, besteed aan de goniometrie, de vlakke en de bolvormige trigonometrie, de beginselen der vlakke coördinatenleer en herhaling en toepassing op vraagstukken van het geleerde in reken-, stel- en meetkunde; k en l. voor de natuurkunde en de scheikunde:
in de vijfde en de zesde klassen, proefondervindelijke behandeling van de voornaamste, binnen het bereik der leerlingen liggende, verschijnselen op het gebied der natuurkunde en van enkele der voornaamste van dergelijke verschijnselen op dat der anorganische scheikunde;
m. voor de natuurlijke historie:
in de eerste en de tweede klassen, oefening van het waarnemingsvermogen door behandeling en vergelijking van, inzonderheid inlandsche, plant- en diervormen;
in de vijfde en de zesde klassen, inleiding tot de kennis van het planten- en het dierenrijk.
5« Vrijstelling wordt in de vijfde en de zesde klassen verleend aan leerlingen:
a. die zich uitsluitend willen onderwerpen aan het eindexamen ter verkrijging van het getuigschrift voor de faculteit der godgeleerdheid, der regtsgeleerdheid of der letteren en wijsbegeerte, van de lessen in de meetkunde, meer bijzonderlijk bestemd voor hen, hieronder onder b genoemd, en van die in de natuurlijke historie;
b. die zich uitsluitend willen onderwerpen aan het eindexa-
439
â 49 â
BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
men ter verkrijging van het getuigschrift voor de faculteit der geneeskunde of der wis- en natuurkunde, van de lessen in het Grieksch en in het Latijn, meer bijzonderlijk bestemd voor hen, hierboven onder a genoemd.
6. Het onderwijs aan de progymnasia wordt gegeven in een vierjarigen cursus.
Voor het overige zijn de bepalingen van dit besluit, met uitsluiting van die van art. 4, voor zoover deze het onderwijs in de vijfde en in de zesde klasse betreffen, en die van art. 5, op deze instellingen mede toepasselijk.
7. Met het in werking treden van dit besluit vervalt Ons besluit van 27 April 1877 [Sthl. No. 85), houdende vaststelling van het in art. 7 der wet van 28 April 187() {Sthl. No. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, bedoelde leerplan dei-gymnasia.
8. DU besluit treedt in werking op 1 September 1878.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de
uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal gezonden worden aan den Raad van State.
Het Loo, den 29sten Junij 1878.
WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, KAPPEYNE.
Uitgegeven den zevenden Julij 1878.
Tgt;e Minister van Justitie, H. I. SMID T.
Tabel, bedoeld in art. 3 van het Koninklijk besluit van 29 Junij 1878, No. 19 (Stbl. No. 98).
440
|
lt;u co w |
lt;13 te CQ |
OJ â Æ. â J, |
tn n |
â J. |
Geheel | ||
|
VAKKEN. |
s |
3 |
3 |
3 |
3 |
3 |
getal |
|
CU |
tu |
V -a |
03 -O |
'O |
lt;U 'O |
lesuren. | |
|
!N |
in | ||||||
|
Grieksch....... |
fi |
6 |
7 |
7 |
8 |
34 | |
|
Latijn........ |
8 |
6 |
6 |
6 |
7 |
7 |
40 |
|
Nederlandsch...... |
3 |
2 |
2 |
2 |
2 |
1 |
12 |
|
Fransch........ |
4 |
2 |
2 |
2 |
1 |
1 |
12 |
|
Hoogduitsch...... |
â |
3 |
2 |
2 |
2 |
1 |
10 |
|
Engelsch....... |
â |
â |
3 |
3 |
2 |
1 |
9 |
|
Geschiedenis...... |
4 |
3 |
3 |
2 |
2 |
3 |
17 |
|
Aardrijkskunde..... |
3 |
2 |
2 |
1 |
â |
1 |
9 |
|
Wiskunde....... |
4 |
3 |
3 |
3 |
D |
0 |
23 |
|
Natuur- en scheikunde . . |
â |
â â |
â |
â |
2 |
2 |
4 |
|
Natuurlijke historie. . . . |
2 |
2 |
â |
â |
2 |
2 |
8 |
|
Getal uren....... |
28 |
29 |
29 |
28 |
32 |
32 |
178 |
â 00 â
wet op het hooger onderwijs.
BESLUIT van den 3den Decemher 1878, (Stbl. No. 174), tot regeling van het beheer, door curatoren der Rijksuniversiteiten te voeren, en van hunnen overigen werkkring.
Wij WILLEM, enz.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 20 October 1877, No. 25, 5de afdeeling;
Overwegende dat, volgens art. 68 der wet van 28 April 1876 [Sthl. N'J 102), tot regeling van het hooger onderwijs, het beheer, door curatoren der Rijksuniversiteiten te voeren, en hun overige werkkring bij algemeen maatregel van inwendig bestuur moeten worden geregeld, met inachtneming van het in die wet bepaalde;
Den Raad van State gehoord (advies van 15 November 1877, No. 24) ;
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 28 November 1878, lit. Z., afdeeling Onderwijs;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen;
Art. 1. Aan curatoren is opgedragen de behartiging van alles, wat kan strekken ten nutte der Rijksuniversiteit.
3. De vergaderingen van curatoren hebben minstens eenmaal in de maand plaats. Zij worden gehouden in de gemeente, alwaar de universiteit gevestigd is, tenzij er noodzakelijkheid bestaat die bij uitzondering elders te houden.
3. Tot het houden van vergaderingen wordt de tegenwoordigheid van de meerderheid der in functie zijnde curatoren gevorderd.
Bij het huishoudelijk reglement, bedoeld bij het laatste lid van art. 68 der wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102), kan de afdoening van zeer eenvoudige en spoedvereischende zaken aan den president worden opgedragen.
4. Over alle zaken der Rijksuniversiteit dienen zij Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van berigt en raad, en geven, des gevraagd, alle verlangde opgaven en inlichtingen.
Des geraden, roepen zij daartoe de voorlichting en den raad in van den senaat, de onderscheidene faculteiten, hoogleeraren, lectoren en alle andere aan die universiteit verbonden ambtenaren; deze allen zijn verpligt aan zoodanige aanvrage te voldoen.
5. Bij plegtigheden of vergaderingen, tot de Rijksuniversiteit betrekkelijk, heeft het collegie van curatoren rang boven de hoogleeraren. In het collegie hebben de leden zitting volgens de orde hunner aanstelling.
6. Curatoren zijn bevoegd eene vereenigde vergadering van hun collegie en van den senaat bijeen te roepen, zoo dikwijls zij dit in het belang der Rijksuniversiteit noodig achten.
'y. Zij zien toe, dat de lessen der hoogleeraren en lectoren voor elk studiejaar, op het programma, bedoeld in art. 47 der wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102), aangekondigd, geregeld en gedurende den bij de wet bepaalden tijd gegeven worden.
8. Zij houden, in overleg met een of meer door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen deskundigen toezigt op de gebouwen en het meubilair bij de Rijksuniversiteit in gebruik.
9. Zij beperken hunne uitgaven tot de sommen, welke tot aanbouw, onderhoud en verbetering der gebouwen, voor het
441
â 51 â
BESLUITEN TER UITVOERING VAN DE
meubilair en voor de aanvulling en uitbreiding der verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken ter beschikking zijn gesteld.
10. Zij verdeelen de in het voorgaand artikel bedoelde, tot aanvulling en uitbreiding der verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs jaarlijks van Rijkswege te bestemmen, gelden, zooals zij dit in het belang der verschillende, tot de Rijksuniversiteit behoorende, inrigtingen wenschelijk achten, een en ander onder goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
11. Zij waken voor de behoorlijke naleving van de in art. 48 der wet van 28 April 1876 {Sibl. No. 102) bedoelde reglementen, betreffende het beheer en het gebruik der verzamelin-iren en hulpmiddelen voor het onderwijs.
13. Zij beheeren de legaten en giften, ten behoeve der Rijksuniversiteit gemaakt, voor zoover door den erflater of schenker daaromtrent geene andere bepalingen gesteld zijn.
13, Jaarlijks, vóór 1 Mei, doen zij aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken rekening en verantwoording, over het afgeloopen burgerlijk jaar, van het beheer in art. 12 bedoeld.
l-Ã. Het verslag en de begrooting, in art. 7.'^ der wet van 28 April 1876 {Sthl. Nfgt;. 102) bedoeld, worden ingerigt overeenkomstig de te dien aanzien door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te geven voorschriften.
15« Alvorens hunne betrekking te aanvaarden, leggen curatoren den navolgenden schriftelijken eed (belofte) af:
âIk zweer (beloof) trouw aan den Koning.
Ik zweer (beloof) de wettelijke verordeningen omtrent het hoo-
ger onderwijs, voor zooveel betreft de Rijksuniversiteit te......
te zullen in acht nemen, en verder, voor zooveel in mijn vermogen is, tot haren bloei en luister te zullen medewerken.
Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig. (Dat beloof ik).quot;
16. Voor den secretaris van curatoren wordt door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken eene instructie vastgesteld.
Hij staat aan het collegie van curatoren, aan den presidentcurator en, des gevorderd, aan ieder curator, die met eenige commissie wordt belast, ten dienste.
Hij onderteekent nevens den president alle stukken, die van of namens het collegie uitgaan.
Hij is belast met de bewaring van en de zorg voor het archief, volgens de regelen daartoe door curatoren te stellen.
Bij verhindering of ontstentenis wordt hij door een der curatoren vervangen.
l1?. Dit besluit treedt in werking 1 Januarij 1879.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
Het Loo, den 3den December 1878. WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
KAPPEYNE.
Uitgegeven den 13den December 1878.
De Minister mn Justitie,
H. I. SMIDT.
442
WET OP HET HOOGER ONDERWIJS.
BESLUIT van den 2den February 1879, (Stbl. No. 29) houdende regeling van de jaarwedden der hoogleeraren aan de Rijksuniversiteiten.
WIJ WILLEM III, ENZ.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 24 December 1878, lit. Q, afdeeling Onderwijs;
Gelet op art. 52 der wet van 28 April 1876 [Sthl. No. 102);
Den Raad van State gehoord (advies van 28 Januarij 1879 [Sthl No. 15);
Gelet op bet nader rapport van Onzen Minister voornoemd,, van 31 Januarij 1879, lit. L, afdeeling Onderwijs;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Art. 1. Indien niet bij zijne aanstelling anders bepaald is,, geniet elk hoogleeraar aan eene Rijksuniversiteit eene jaarwedde aanvankelijk van f 4000, vervolgens ingaande met den eersten dag van het vierendeeljaars, volgende op dat, waarin hij, te rekenen van den dag, waarop hij zijne lessen als hoogleeraar heeft aangevangen, zijn vijfjarigen diensttijd volbragt heeft, van f 5000, en daarna, na nogmaals volbragten vijfjarigen diensttijd, van f 6000.
3. Deze regeling geldt mede voor de in dienst zijnde hoogleeraren, voor zooveel hunne jaarwedde minder bedragen mogt, dan bij toepassing daaraan het geval zijn zou, en met dien verstande, dat vroeger vólbragte diensttijd, ook vóór 1 October 1877, als hoogleeraar aan eene der Rijks hoogescholen mede in rekening wordt gebragt.
3. De in artikel 1 omschreven verhooging van jaarwedde gaat voor den betrokken hoogleeraar gepaard met eene vermindering der personele toelage, hem, krachtens art. 110 der aangehaalde wet, bij Ons besluit van 13 November 1877, No. 3, verleend, tot het bedrag van de hier bedoelde verhooging, of doet die toelage, voor het geval dat deze minder dan de verhooging bedraagt, vervallen.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en aan de Algemeene Rekenkamer.
's Gravenhage, den 2den Februarij 1879.
WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, KAPPEYNE.
Uitgegeven den zevenden Februarij 1879.
De Minister van Justitiey
H. I. SMIDT.
443«
besluiten ter uitvoering van de
BESLUIT van den 2den April 1884, (Stbl. No. 44), waarbij, met intrekking van het Koninklijk besluit van 21 Juni 1881, (Stbl. No. 69), wordt vastgesteld een nieuw programma voor het eindexamen der gymnasia met zesjarigen cursus en het daarmede gelijkgestelde examen, vermeld in art. 12 der wet van 28 April 1876 (Stbl. No. 102).
Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 18 Februari 1884, No. 463, afdeeling Onderwijs;
Overwegende, dat het Ons wenschelijk is voorgekomen, met herziening der bepalingen van Ons besluit van 21 Juni 1881 [Sthl. No. 69), een nieuw programma vast te stellen voor het eindexamen der gymnasia met zesjarigen cursus en het daarmede gelijkgestelde examen, vermeld in art. 12 der wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102);
Den Raad van State gehoord (advies van 18 Maart 1884, No. lb);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 31 Maart 1884, No. 978, afdeeling Onderwijs;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Art. 1. Het eindexamen der gymnasia met zesjarigen cursus en het daarmede gelijkgestelde examen, vermeld in art. 12 der wet van 28 April 1876 [Stbl. No. 102), worden gehouden op achtereenvolgende door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken jaarlijks voor eik gymnasium en voor de in bovengenoemd artikel bedoelde commissie aan te wijzen dagen.
2« Het examen omvat;
Afdeeling I. Voor de Grieksche taal en letterkunde:
a. het vertalen en verklaren van eenvoudig proza (bijv. van Xenophon, Lysias of Isocrates) en Epische poëzie;
b. het vertalen en verklaren van moeilijker proza (bijv. van Plato, Demosthenes of Plutarchus);
c. het vertalen en verklaren van dramatische poëzie;
Afdeeling II. Voor de Latijnsche taal en letterkunde:
a. het vertalen en verklaren van proza (bijv. van Cicero, Sallustius of Livius) en eenvoudige poëzie (bijv. van Ovidius of Virgilius);
b. het vertalen en verklaren van moeijelijker poëzie (bijv. van Horatius);
c. de Romeinsche antiquiteiten;
d. eene vertaling uit het Nederlandsch in het Latijn. Afdeeling III. Voor de Nederlandsche taal en de geschiedenis:
a. een opstel in het Nederlandsch over een door elk examinandus uit een zestal opgegevene te kiezen onderwerp;
b. de geschiedenis, bepaaldelijk de in het zesde studiejaar behandelde gedeelten der vaderlandsche en algemeene nieuwe geschiedenis.
444
â 54 â
WET OP HET HOOGER ONDERWIJS.
Afdeeling IV. Voor de Fransche, Hgoydaitsche en Engelsche taal:
Vertaling van proza of gemakkelijke poëzie.
Afdeeling V. Voor de Wiskunde.
a. De stelkunde tot en met de tweedemachtsvergelijkin-gen (de onbepaalde vergelijkingen van den Isten graad, de reken- en meetkundige reeksen en de logarithmen daaronder begrepen);
b. de meetkunde tot en met de stereometrie;
c. De vlakke en bolvormige trigonometrie.
Het mondeling examen omvat, behalve de bespreking van aanmerkingen die op het schriftelijk werk van den examinandus kunnen worden gemaakt, de onderdeelen I a; II « en c en III h\ het schriftelijk examen de overige onderdeelen dier afdeelingen, benevens afd. IV, terwijl het examen in afdeeling V zoowel mondeling als schriftelijk wordt afgenomen.
3. De examinandi, die uitsluitend het getuigschrift voor de faculteit der godgeleerdheid, der rechtsgeleerdheid of der letteren en wijsbegeerte verlangen, zijn vrijgesteld van het examen in het onderdeel V c.
Zij die uitsluitend het getuigschrift voor de faculteit der geneeskunde of der wis- en natuurkunde verlangen, zijn vrijgesteld van het examen in de onderdeelen I i en c en II c en d. Voor hen kan bovendien, met goedvinden van gecommitteerden, worden afgeweken van den regel, gesteld bij het eerste lid van art. 4.
4. Bij het schriftelijk examen in afdeeling I en II zijn stnkken, door den examinandus vroeger behandeld, uitgesloten.
Het gebruik van eigen boeken en van hulpboeken, loga-rithmentafels uitgezonderd, is niet geoorloofd; doch bij het opgeven der te vertalen stukken wordt aan de candidaten de beteekenis medegedeeld van die woorden en uitdrukkingen, wier verklaring onoverkomelijke moeilijkheden zou kunnen opleveren.
Bij het mondeling examen wordt elk examinandus afzonderlijk ondervraagd; de tijd, die daarbij voor elk onderdeel wordt besteed, mag voor ieder examinandus niet meer dan 30 minuten bedragen.
5. De regeling der examens geschiedt door den rector of den voorzitter der commissie, bedoeld in art. 12 alinea 1 der wet van 28 April 1876 {Sthl. Nlt;gt;. 102), met dien verstande, dat geen examinandus op één dag langer dan zes uren wordt geëxamineerd en dat het geheele examen voor elk examinandus binnen ten hoogste drie dagen afloope.
Acht de gecommitteerde of de meerderheid der examinatoren of die der gecommitteerden het noodzakelijk, dat de duur van het examen voor één of meer examinandi met een dag verlengd wordt, dan wordt de belanghebbende daarmede in kennis gesteld en hem medegedeeld welke dag daartoe door examinatoren of gecommitteerden is bestemd.
Indien meer dan één gecommitteerde is aangewezen, kan, ter bekorting van den duur van het geheele examen, in de verschillende afdeelingen gelijktijdig worden geëxamineerd.
6. Bij de beoordeeling van ieder onderdeel van het examen
445
446 BESL. TER ÃITV. VAN DE WET OP HET HOOGER ONDERW.
wordt door den examinator een der volgende cijfers of prae-â¢dicaten toegekend:
1 r= slecht;
2 = onvoldoende;
3 = voldoende;
4 = goed;
, 5 = zeer goed.
Ter bepaling van het eindcijfer in elke afdeeling wordt de som der toegekende cijfers gedeeld door het getal harer onderdeden.
De examinandi, die het getuigschrift voor de faculteit dei-godgeleerdheid, der rechtsgeleerdheid, of der letteren en wijsbegeerte verlangen, moeten in elke der afdeelingen I en II ten minste het eindcijfer 3 hebben behaald.
Zij die het getuigschrift voor de faculteit der geneeskunde of der wis- en natuurkunde verlangen, moeten in afdeeling V en althans in nog eene afdeeling ten minste het eindcijfer .i hebben behaald.
T1. Gedurende het examen is het geen examinandus geoorloofd zich zonder vergunning van gecommitteerden uit het lokaal te verwijderen..
Zij die zich aan eenig bedrog bij het examen schuldig maken, worden terstond afgewezen.
8. Van de bij dit besluit bedoelde examens in eenig vak, in art. 2 genoemd, zijn vrijgesteld zij, die volgens de wet op het middelbaar onderwijs bevoegd zijn tot het geven van onderwijs in dat vak. .
Zij, die bevoegd zijn tot het geven van lager onderwijs m «éne of meer der in art. 2, afdeeling IV, genoemde talen, zijn van het examen in die taal vrijgesteld.
9. Van het examen in afdeeling V van art. 2 zijn vrijgesteld:
a. zij die met goed gevolg hebben afgelegd het examen,
omschreven in art. 2 van Ons besluit van 12 Februari 1879 [Sibl. No. 35), voorbereidende tot het artsexamen;
h. zij, die met goed gevolg hebben afgelegd het examen van adjunct-ijker, omschreven in Ons besluit van 11 Juli 1871 {Sm. No. 76.)
lOi Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien der afkondiging. . tooi
Met dat tijdstip wordt Ons besluit van 21 Juni 1881 {isthl. No. 69) ingetrokken.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad en tegelijkertijd in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
's Gravenhage, den 2den April 1884.
WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken
HEEMSKERK.
Uitgegeven den vijfden April 1884.
' De Minister van Justitie,
DU TOUR VAN BELLINCHAYE.