ocr page 1

ZESTAL LEERREDENEN

J. M. LOOIS,

EMERITUS PREDIKANT.

Waaronder: GEDACHTENISVIERINtr \'A]Nr lOjARIGK VERVULDE EVANGELIEDIENST en AFSCHEIDSREDE AAN DE GEMEENTE TE WOERDEN.

UITGEGEVEN TEN VOORDEEI.E TAN DE CHEISTKI.IJKE SCHOOI, TE WOERDEN.

U T R E C H T.

C. H. E. BREIJER. 1885.

ocr page 2

\ ■•: •/ • , ' - ■ ^ - /•/ •'■ gt;• v. lt; . -

1 . /• ■

f. v4./. 1 ^ .

: ,: 1 . V; i-'^:V:'•; 'ÉÉSlÉl

ocr page 3

estal Leerredenen.

ocr page 4

2721 033 9

ocr page 5

ZESTAL LEERREDENEN

VAN

J. M. L O O I S,

EMERITUS PREDIKANT.

UITGEGEVEN TEN VOORDEELE VAN DE CHRISTELIJKE SCHOOL TE WOERDEN.

U ï R E CII ï,

0. If. E. B RE IJ ER. 1885.

ocr page 6

WAGEMNGSCHE BOEK- EN MUZIEKDRUKKEUIJ.

ocr page 7

BIBLIOTHEEK NED. HER/. KERC

VOOR WO ORD.

II- heb hij de uitgave dezer leerredenen niets te melden dan dat zij geschiedt op het dringend en vriendelyl verzoek van vele mijner vrienden; terwijl ïk er de lede mijns harten bijvoeg dat de Koning der Kerk dezelve nog aan vele zielen moge heiligen door den II. Geest tot ec«' eemvigblijvenden zegen!

Utrecht, j. m. loois.

Deccmbcr 1884. Em. Predt.

S

/oé £ JZ

ocr page 8
ocr page 9

quot;■

1 N II O U 1gt;.

Leekbedk ter gcdacbtcuisvicring van 40jarige vervulde

Evangeliedienst op den lü December 1883 ...... 1

Afsciieidsbbdk aan de gemeente van Woerden bij bet nederleggen van mijn predikambt op den 30 December 1883 .......................... 1!)

Leerrede over 2 Cor. 4 : 17, 18............. 40

Leerrede over Jez. 42 ; 16................ 57

Leerrede over Kom. 5 : 21................ 77

Leerrede over Jac. 2 ; 23b ................ !)(,

I

L.___________________

ocr page 10
ocr page 11

LEERREDE

ter gedachtenisviering van

40-jarige vervulde Evangeliedienst

op den 16 December 1883.

Voorzang Gez. 2 : 1, 5.

Gelezen Ps. 111.

Gezongen Ps. 118 : 1, 7a, 10b.

Het zal wel niemand uwer verwonderen M. H. dat ik ulieden en mij zeiven dezen lofzang in den mond en op de lippen gaf: ,laat ieder 's Heeren goedheid loven, want goed is d' Oppermajesteit, Zijn goedheid gaat het al te boven. Zijn goedheid duurt in Eeuwigheid,quot; gij weet het toch allen, deze dag is voor mij een hoogst gewigtige dag, een dag van blijde herinnering, een dag waarop juist zulk een toon van lof en warme dankerkentenis aan mijnen God past; hij is toch de laatste dag mijner 40 jarige vervulde Evangeliebediening, die mij zeer vele onderscheidene zaken voor den geest roept, maar niet het niinst; ja bovenal, de groote weldadigheid en goedertierenheid van mijnen

1

ocr page 12

2

genadigen en getrouwen God, mij in al dien tijd onafgebroken bewezen. Op den dag van morgen den 17 December is het 40 jaren geleden dat ik in de H. bediening als Herder en Leeraar van Christus Kerk bevestigd ben, en mij dienzelfden dag aan mijne eerste gemeente Babyloniënbroek als zoodanig verbond. En waar ik dat een en ander op de a dag van morgen in mijne woning mij hoop voor den geest te roepen, daar wilde ik zulks thans met de gemeente in het openbaar herdenken, opdat zij met mij 's Heeren groote weldadigheid, jegens mij betoond, in Zijnen tempel zou danken en zich, naar de Apostolische vermaning, zou verblijden met den blijden. En als ik dan thans minder over mij zeiven zal spreken, daar zal mijne tong meer vermelden de goedheid en liefde mijns Gods, ter zijner verheerlijking, om Hem een dankoffer te brengen door Wiens genade ik deed en was, wat ik deed en beu. En waar ik dan thans hier voor U sta, met regt overladen met 's Heeren gunstbewijzen, daar is mij bovenal behoefte des harten mijn vol gemoed uit te storten in den gebede voor Zijn aangezicht en met dankzegging tot Zijnen troon te naderen. Komt doet het met mij op de volgende wijze.

GEBED.

Ps. 118 : 14.

Ondervondene hulpe Gods moet drangreden zijn tot Zijnen lof, zietdaar het onderwerp dat ik, naar aanleiding van deze woorden, met U ga behandelen.

ocr page 13

3

I. Dat wij eerst deze waarheid in opzigt tot den dichter en in het algemeen beschouwen, om

11. daarna aan te toonen hoe ook ik dezelve steeds ondervonden heb in de iO jaren mijner Evangeliebediening ,

III. terwijl een woord tot de Gemeente mijne rede .sluiten zal.

Gezongen, Gez. 12:1.

I. De naam van den maker van dezen psalm staat niet, gelijk bij zoovele andere, aangeteekend, maar de vrij algemeene veronderstelling van de uitleggers der H. S. houdt den koning David voor den vervaardiger, terwijl dan ook de daarin voorkomende zaken en uitdrukkingen in de beste overeenstemming met diens geschiedenis en lotgevallen kunnen gebracht worden. Waarschijnlijk is dit lied gemaakt nadat de oorlog tusschen het huis van David en dat van Saul was geëindigd, en David in de heerschappij over gansch Israël was bevestigd, en hij vele heidensche. volken overwonnen had; en als wij ons nu vlugtig voor den geest roepen wat hij van een Saul heeft te lijden gehad, hoe wonderbaar hij door God is uitgered, dan zullen wij bewaarheid zien dat hij in groote benaauwdheid verkeerde en dat de Heere zijne gebeden hoorde; en toen hij later zooveel leed en zielesmarte ondervond van zijnen snooden en ontaarden zoon Absalom wist hij te spreken van grooten nood en benaauwdheid, maar ook zijn leven lang van uitkomst en redding door zijnen

ocr page 14

4

God; lii] kon ook schrijven vs. 5: „De Heere lieeft mij verhoord mij stellende in de ruimtequot;', gevende mij rust, verkwikking, verademing; hij had het kennelijk en menige malen ondervonden dat de Heere onder diegenen was die hem hielpen, en dat hy niet te ver-geefsch zijne hoop en vertrouwen op zijnen God gesteld had; en deze ervaring was zoo treffend dat hij . uitriep: „De Heere is mijne sterktequot;, in Hem is mijne kracht, Hij was mij ter hulpe. Hij schonk verlossing, „de Heere is mijn psalmquot;, Hij is het onderwerp van mijn lofgezang, „Hij is mij tot heil geweestquot; Ziet zoo was bij David ondervondene hnlpe Gods drangreden om Hem te loven en te danken. Maar niet alleen by David was zulks het geval, M. H.! dit moest het zijn over het algemeen

1. hij alle rnenschen, omdat die hulpe Gods ondervon-a. den wordt in alle omstandigheden door ieder mensch. Van zijne komst in de wereld af, bij zijn opgroeijen tot mannelijken leeftijd, tot in den ouderdom toe, zijn zijne behoeften vele en velerlei; niet op te noemen zijn de verschillende omstandigheden die zich in zijn leven voordoen; ten allen dage is hij van gevaren en verzoekingen van allerlei aard omringd; wat zou de zwakke en nietige sterveling zijn, wat zou er van hem worden indien hij onder en bij alles alleen op zich zei ven staan, en zich zei ven helpen moest? hoe zou hij alle bezwaren te boven komen, hoe alle gevaren ontgaan, hoe alle verleidingen ontvlieden, zoo hij de hulp des Almagtigen en Algoeden Gods moest missen ? Wat zou er van hem worden in opzigt tot het beant-

ocr page 15

5

woorden aan de verscliillende verpligtingen die in zoovele opzigten op hem rusten? Hij, de zoo in alles diep afhankelijke en in zich zeiven zoo onwijze en onvermogende mensch, is immers niet bij magte om zich zeiven te helpen, om zich zeiven te verschaffen wat hij zoo dagelijks behoeft om in alle zijne nooden te voorzien? O gewis elk die slechts eenigzins nadenkt zal het moeten erkennen dat hij duizende malen in zijn leven, van zijne wieg af tot op dezen zelfden stond de hulpe Gods ondervonden heeft, waardoor zoo menige duisternis tot licht werd, zoo menige donkere wolk die hem boven het hoofd hing ver-di-even werd, zoo menige redding uit gevaar werd ondervonden, zoo menige treffende verlossing hem de taal uit liet hart dreef „de Heere was mijne sterkte,quot; het was God die mij ondersteunde, die mij kracht gaf, die mij wijsheid schonk, die mijne krachten schraagde, door wiens liefde en magt ik ben, die ik ben.

b. En als wij ons dan begeven op den levensweg van hen die des Heeren zijn, en door Zijne genade Hem leerden kennen als de God van hun hart en leven, Wien te vreezen en te dienen de besliste keus van hun gemoed werd, o M. H. ook hun weg is overvloedig bezaaid met de kennelijkste bewijzen van ondervondene hulp hunnes Gods en naar het uitwendige en met betrekking tot hun geestelijk leven; zij hebben gelijk allen naar het tijdelijke de blijde ervaring dat God hun steeds ten goede nabij was, van al het noodige voorzag en de sterkte vermenigvuldigde van hem die geene kracht heeft; zij kunnen de waarheid bevestigen van

ocr page 16

6

dat geschreven woord, „Vele zijn de tegenspoeden des regtvaardigen, maar uit alle die redt hem de Heere,quot; „de Heere is mijn levenskracht,quot; „Hij versteekt mij in zijne hutte ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene zijner tent. Hij verhoogt mij op eenen rotssteen,quot; „als ik het goede des Heeren niet gezien had in het land der levenden, ik ware vergaanhoe menigmaal kunnen zij niet gewagen van krachtige ge-bedsverhooring en uitredding als zij uit de benauwdheid tot Hem riepen; maar zulks is niet minder waar wat betreft hun geestelijk leven in den strijd tegen den duivel, tegen de wereld en hun eigen vleesch. Ja zij hebben dikwerf de ervaring dat waar de satan hen vaak zoekt te ziften als de tarwe, de Heere hun nabij is en zorg draagt dat hun geloof niet ophoudt; en wanneer de begeerlijkheid der oogen en de begeerlijkheid des vleesches en de grootheid dezes levens hun de verborgenste strikken spant, de Heere hun God hunne oogen afwendt dat zij de ijdelheid niet zien, noch er door afgetrokken worden, en dat, al is ook de striid heet, zij dikwerf mogen zeggen dat zij het gevoelen aan hunne harten dat 's Heeren genade hun tot alle dingen genoeg is en zijne kracht in hunne zwakheid volbragt wordt, zoodat zij het uitroepen, door Uwe genade o Heere! ben ik die ik ben, en halpe van God ontvangen hebbende, sta ik tot op dezen dag.

2. Maar die ondervondene hulpe Gods moet ook drangreden zijn tot lof en dank, de dichter zegt in ons tekstwoord niet alleen „de Heere is mijne sterkte,quot; maar ook „Hij is mijn Psalm/' Hij is het onderwerp

*

ocr page 17

van mijn loflied, ik zal den Heere zingen in mijn leven omdat Hij aan mij welgedaan heeft. En zulks is alle-zints betaamlijk en pligtmatig, want alle die hnlpe Gods is van Zyne zijde geheel onverpligt, bet is enkel vrije gunst; Hij de Heilige en Regtvaardige had immers den door de zonde van Hem afgevallen mensch, die daardoor tegen Hem was opgestaan en alle gehoorzaamheid had ontzegd, geheel aan zichzelven kunnen overlaten, en hem Zijne zegenende hand geheel kunnen onttrekken; de hooge God, de volzalige in zichzelven, had den nietigen sterveling niet noodig om zijne heerlijkheid te vermeerderen; die zichzelven door eigene schuld had rampzalig gemaakt, had de Heere God in zijne diepe ellende, waarin hij zich zeiven had gestort, kunnen laten liggen en hem de wrange vruchten van zijne daad levenslang kunnen doen inoogsten. Dit heeft de Algoede God, die reeds van eeuwigheid gedachten des vredes over ons geslacht had, niet gedaan. Hij heeft zich over het maaksel zijner handen willen ontfermen en is den mensch op allerlei wijze blijven weldoen en zegenen, is hem een Leidsman op den weg, een redder uit gevaren, een helper in allen nood, een dagelijkscbe weldoener gebleven; en zou juist daarom het hart van den alzoo begenadigden mensch niet destemeer moeten roemen in den Heer, zou juist daarom zijn mond niet vervuld moeten zijn met Zijnen lof, en die Eeuwig Barmhartigen God niet steeds het onderwerp moeten zijn van zijn psalmgezang ? en dit te meer als wij daarbij bedenken, hoe wij de minste van Zijne veelvuldige weldaden hebben verbeurd? wat hebben

ocr page 18

8

wij verdiend ? het geringste gunstbetoon hebben wij ons immers onwaardig gemaakt? waar zonden wij aanspraak op durven maken? de geduchtste straffen zijner regt-vaardigheid waren wij immers waardig geweest, en nu wij, met een oog hierop, met een David naar waarheid moeten uitroepen „Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongeregtig-heden,quot; nu wij het uit éénen mond moeten getuigen, „Zoo hoog de hemel is boven de aarde is zijne goedertierenheid geweldig over degenen die Hem vreezen, zoover het Oosten is van het Westen, zöover doet Hij onze overtredingen van ons,quot; zouden wij het den man naar Gods hart dan ook niet moeten nazeggen, „Loofden Heere, mijne ziel en vergeet geen van zijne weldaden — die uw leven verlost van het verderf en u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden?quot; Och dat wij het dan allen diep mogten gevoelen wat wij aan onzen God verpligt zijn, dat wij het allen mogten beseften M. H. hoe ondervondene hulp en zegeningen onzes Gods ook ons drangreden moeten zijn tot Zijnen lof en onze harten vervullen met de warmste dankbaarheid voor wat Hij aan een ieder onzer deed ons leven lang tot op dezen zelfden stond!

II. Wij zijn genaderd tot het Tweede deel onzer rede waarin wij u zouden aantoonen, hoe ook ik die hulpe Gods steeds ondervonden heb in de 40 jaren mijner Evangeliebediening.

1. Ja Gel.! ook ik zeg het den dichter met een geroerd en getroffen gemoed na, „De Heere is mijne sterkte, en psalm, want Hij is mij tot heil geweest,quot; want Hij heeft getoond de getrouwe God te zijn in

ocr page 19

9

het waarmaken van. Zijn woord, in het vervullen Ziiner belofte. Ik begon mijn heilig dienstwerk vóór 40 jaren met de woorden die gij in Exod. 4 : 12 lezen kunt en waar Jehova tot Mozes sprak, „En nu ga heen, en Ik zal met uwen mond zijn, en Ik zal u leeren, wat gij spreken zult.quot; Nooit zal ik het vergeten wat er in mijne ziel omging toen ik voor liet eerst dat: „ja ik, met Gods hulp, van ganscher hartequot; uitsprak, toen ik zoo het volle gewigt gevoelde van liet heerlijk werk dat ik op mij nam; mijn oog was toen alleen op God. mijne verwachting alleen van Hem, ik gevoelde mij geheel onbekwaam in mij zeiven, de Heere alleen kon mij helpen en moest mij bekrachtigen zou ik den arbeid, tot welken ik mij verbonden had, verrigten naar Zijnen wil, tot Zijne eer, tot heil en zaligheid der kudde die mij werd toevertrouwd; het was Gods bevel „ga heeri'' en. ik (ling vertrouwende op zijn woord, .Ik zal met uwen mond zijn. Ik zal u leeren wat gij spreken zult,quot; en dat woord, die heerlijke belofte, die alles ter mijner bemoediging in zich bevatte, heeft mijn onveranderlijke en getrouwe God van den beginne van mijn dienstwerk tot nu 40 jaren later onafgebroken vervuld, ontelbare malen heb ik aan .dat woord teruggedacht, en er menigwerf zijne Genade voor gedankt dat ik het gevoelig mogt ondervinden dat „de Heere mijne sterkte was.quot; Want ja, het werk der Evangeliebediening is wel een heerlijk en voortreffelijk werk omdat men daarin verwaardigd wordt medearbeider Gods te zijn aan de uitbreiding en volmaking van zijn koningrijk op aarde ; heerlijk is het als dienstknecht van den Heere Jezus

ocr page 20

10

Christus in zijnen wijngaard te arbeiden, het eeuwig Evangelie, die blijde boodschap, te mogen verkondigen ; heerlijk onder den invloed en de Almagtige werking des H. Geestes een middel iu Zijne hand te zijn om zielen voor Hem te winnen, en verlorenen en doem-schuldigen den eenigen weg der behoudenis te wijzen; maar toch, M.H. wat zou hier de prediker vermogen zonder Gods hulp en bekwaammakende genade? getuigde de Apostel Panlus zelf niet: ,Wij zijn uit ons-zelven niet bekwaam iets te denken als uit ons zelven maar onze bekwaamheid is uit God,quot; hoe zou hij immer een woord spreken kunnen naar de verschillende geestelijke behoeften dergenen die hem zijn toevertrouwd; hoe zou hij altijd getrouw blijven in het prediken dei-waarheid zooals die in Christus is, trots allen magtigen tegenstand van de vijanden der waarheid; hoe zou hij altijd aan kranken en lijdenden een woord naar hunnen geestelijken toestand spreken kunnen, zoo niet de H. Geest hem mond en wijsheid gaf; hoe zou hij standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig kunnen zijn in het werk des Heeren, zoo niet de Heere zijne sterkte was, die hem onder en bij alles bekrachtigde ? Ach! hoe menigwerf zou hij dan^ verlegen staan, hoe menig-werf zouden hem woorden ontbreken, hoe dikwerf zou hij de noodige wijsheid in het besturen, raden, vermanen en opwekken missen, zoo hij niet naar waarheid betuigen mogt: „De Heere is mij tot hulp en sterkte. Hij was het die mijn heil bewerkte,quot; zoo hij niet tot Gods eer en verheerlijking zeggen kon, „Gij, o Heere! Gij zijt mijn geest door uw ontelbre gunstbewrijzen tot

ocr page 21

11

hnlp en heil en vreugd geweest.quot; En van die krachtige hulp en bijstand des Heeren mag ook ik, gelijk ik reeds zeide, gewagen, ja, tot verheerlijking van zijnen nooitvolprezen naam, kan ik het naar waarheid betuigen, nooit, geene enkele reis in al den tijd mijner bediening, heeft Hij mij beschaamd gemaakt. Hij heeft mij ondersteund naar ligchaam en geest, gedragen en gespaard heeft Hij mij tot op dezen zelfden oogenblik, en ook ik heb thans in geen enkel ander woord te roemen dan in dit: „hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag.quot; Nooit heb ik mijn werk al zuchtende moeten verrigten, in de laatste tijden ja viel het mij door borstaandoeningen wel eens zwaar en moeie-lijk, maar ovei'igens heb ik immer de ervaring, gehad, mijne genade is U genoeg en mijne kracht wordt in zwakheid volbragt.quot; — Veertig jaren liggen daar nu achter mij die ik in de heilige bediening werkzaam mogt doorleven; Wat zijn er niet zeer velen die binnen dien tijd van hunnen post worden afgeroepen, wat heb ik er niet reeds eene groote menigte vóór mij zien heengaan, en ik leef nog om zijne deugden te verkondigen in de gemeente. — Zeer vele malen mogt ik zaligheid voor mijn hart smaken en de kracht en troost aan eigen gemoed ondervinden van het woord dat ik anderen predikte; zeer dikwerf heb ik op de treffendste wijze ondervonden dat mijn hooge zender een verhoorder is der gebeden die van uit het hart tot Hem opgaan; en door Zijne genade mag ik het tot verheerlijking van zijnen Naam getuigen: ik heb niet te vergeefsch gearbeid, want ik mogt meermalen een middel in Zijne

ocr page 22

12

hand zijn tot ontdekking en bekeering van zondaren van uit de duisternis tot het licht, en van uit de magt des satans tot God, meermalen was ik anderen ten zegen tot versterking van hun geloof, tot aanvuring der liefde, tot vermeerdering hunner blijdschap in den God huns heils, tot v.ei'levendiging hunner hoop op de zaligheid die zij daarboven verwachten, en het is Hem bekend hoeveel goed zaad nog onder den invloed des H. Geestes in anderer harten is gevallen dat later zal blijken goede vruchten voor de hemelschuur te dragen. Zoo heb ik dan altijd 's Heeren ondersteunende en tot alles bekwaammakende hulp ondervonden; zoo mag ik roemen in de ervaring dat zij niet beschaamd worden die op Hem vertrouwen, en wier verwachting is van den Heer hunnen God.

2. En als ik mij dan dat alles in eene ure als de tegenwoordige voor den geest roep, dan moet ook ih betuigen, ook jegens mij was het steeds eene onverdiende genadige hulp, als ik zie op mijne veelvuldige tekortkomingen, laauwheid en traagheid. En al behoort het nu tot het verborgen werk in de eenzaamheid die groote schuld voor Gods aangezigt te belijden en te betreuren, nogthans wil ik liet thans ook voor de gemeente in het openbaar wel erkennen, ik ben voor haar en mijnen hemelschen zender niet geweest die ik voor hen had moeten zijn, ik heb niet altijd gedaan wat ik had behooren te doen; mijn ijver was vaak veel te flauw, mijne liefde, in de behartiging van de eeuwige belangen der kudde mij aanbevolen, veel te koel; maar voor al die schuld hoop ik vergeving te vragen en te

ocr page 23

13

verkrijgen in het dierbaar bloed eens op Golgotha gestort en hetwelk reinigt van alle zonden. Eu als ik nu denk, niettegenstaande zooveel verkeerdheid, tekortkoming en ontrouw in het mij aanbevolen werk, heb ik die genadige hulp van mijnen getrouwen God genoten en dat wel gedurende 40 ^aren lang, mag ik hier nog roemende staan ziende op de vervulling zijner belofte, en naar waarheid kunnende betuigen: „De Heere is mijne sterkte en Hij is mij tot heil geweest,quot; dan kan het u immers niet verwonderen dat ik er in hooge opgetogenheid en uit een gemoed vol van dankerkentenis bijvoeg: „De Heere is mijn psalm,quot; Hij is het onderwerp van mijn lofgezang, tot Hem klimt mijn danklied omhoog; ja dan maak ik de taal des dichters in deze oogenblikken de mijne: „0 mijne ziel! prijs den Heere! ik zal den Heere prijzen in mijn leven, ik zal mijnen God psalmzingen terwijl ik nog beu, want Hij is die God die aan elk die Hem verbeidt, trouwe houdt in Eeuwigheid.quot; En als mij zulks nu dringende behoefte is, geliefde Gemeente van Woerden! daar wilt gij dan zeker wel uwe stem met de mijne pareu, ter verheerlijking van mijnen en uwen God? Welaan heffen wij dan te zamen aan

Ps. 146 ; 1, 4.

III. Met nog een woord tot de gemeente ga ik mijne rede sluiten.

Van die 40 jaren mijner Evangeliebediening hebt gij gemeente van Woerden ! 35 jaren de prediking van het woord der verzoening gehoord, en zijt getuige geweest

ocr page 24

14

niet alleen van hetgeen ik n heb verkondigd, maar ook van de hnlpe Gods die ik altijd daarbij heb ondervonden. Ofschoon vier malen naar andere gemeenten beroepen, bleek het des Heeren wil te zijn dat ik in uw midden bleef arbeiden. Hoeveel arbeid der liefde heeft de goedertierende God ook door mij aan U besteed, hoe-vele malen liet Hij U ook niet door mijnen mond waarschuwen, vermanen en opwekken om toch in dezen tijd van genade te bedenken wat tot uwen eeuwigen vrede dient; hoe dikwerf liet Hij u ook door mij wijzen op den eenigen, algenoegzamen, almagtigen en getrouwen zaligmaker, opdat gij u als verlorene en doemschuldige zondaren tot Hem zoudt wenden om bij Hem rust dei-ziel te vinden en in zijn dierbaar bloed de vergeving en reiniging uwer zonden deelachtig te worden. En waar de Algoede God nu zoovele jaren het zaad des woords door mij liet uitstrooijen in uwe harten, en mij altijd daartoe lust en kracht heeft geschonken, zoudt ook gij daar in deze ure geen ruime dankstof hebben aan Hem, geen reden om u in Hem te verblijden en zijnen Naam lofzingende te verheerlijken? Of is het geen groot en onschatbaar voorregt met de prediking van het dierbaar Evangelie verwaardigd te worden, en Gods heilstem te hooren? geen groot voorregt de waarheid overeenkomstig Gods woord te mogen hooren verkondigen zooals zij in Christus is, vooral in onze dagen, waarin, helaas! door zoovele dwaalleeraars de leer dei-verzoening met God door het dierbaar bloed des kruizes niet meer wordt verkondigd, die den leugen prediken in plaats van de waarheid, die geen leiders zijn der

ocr page 25

15

schare, over wie zij gesteld zijn, maar verleiders, die hunnen hoorders steenen voor brood geven, en twijfeling, verloochening, verwerping omtrent de waarheid, wekken ia de harten der onkundige en dwalende menigte; nog eens, is het geen groot voorregt, vooral in onzen tijd, als men nog Leeraars bezitten raag, die geen ander fundament willen leggen dan hetgeen gelegd is namelijk Jezus Christus en dien gekruist; die u nog op de hooge noodzakelijkheid der wedergeboorte of bekeering tot God blijven wijzen als onmisbaar voor eiken zondaar tot zaligheid? O met hoeveel aanbidding en dank aan God behoordet gij, gemeente van Woerden! dali niet te gedenken aan de voorregten die gij ten dezen aanzien nog boven zoovele andere gemeenten genieten moogt. O als gij van de prediking van het dierbaar Evangelie der vrije genade Gods geen diepen indruk hebt, als gij bij en onder die prediking koud en koel blijft, dan is zulks wel een allertreurigst bewijs van een diep verdorven gemoed, hetwelk de beste van alle zegeningen kan bezitten, zonder derzei ver waarde te schatten; dan kunt en zult gij ook wel God niet danken in deze ure voor een voorregt dat gij niet waardeert, maar ziet dan voor U zei ven toe, want gij zult eenmaal tot verantwoording geroepen worden voor den Al-wetenden op welk eene wijze de prediking van Zijn woord door U is ontvangen, gehoord, en al dan niet ter harte is genomen. Maar is het dat onder 's Heeren zegen mijne prediking in die 35 jaren niet onvruchtbaar voor U is geweest, was het U daaronder menigmaal goed en zalig voor het hart, werdt gij er door versterkt in het ge-

ocr page 26

16

loof, vuriger in de liefde tot God en den Heere Jezus Christus, levendiger in de liuop op alle de beloften des onwankelbaar Getrouwen in zijn woord vervat? Werdt gy er door aangevuurd om moediger te strijden, om standvastiger te waken, om hartelijker te bidden, om overvloediger te worden in het werk des Heeren? Gode alleen de e^r, Gel.! want die vrucht der Evangelieprediking was niet door mij, was niet uit uzelven, was uit Hem alleen; vrucht was het alleen van de eeuwig-geldende verdiensten van onzen nooitvolprezenen Verlosser, o als (jij dit alles in deze oogeublikken bedenkt dan kunt en zult (jij wel gestemd zijn ora thans blijde te zijn met den blijden, om Gode een offer dei-dankzegging te brengen voor de hulp en kracht waardoor Hij mij zoovele jaren heeft bekrachtigd tot mijn gewigtig werk, en mij onwaardigen nog zoo menig-werf tot een zegen voor uw geestelijk leven gesteld heeft. Looft en dankt dan met mij dien God onzer weldadigheid voor zooveel rijkdom zijner liefde ons te zamen bewezen, en tracht door uwen handel en wandel uwen Vader die in de hemelen is meer te verheerlijken. Maar, Gel.! die Sojarige werkzaamheid in uw midden zal U toch ook wel tot beschaming en verootmoediging voor uwen God stemmen bij de gedachte aan veelvuldige tekortkomingen van uwe zijde omtrent de betrachting van hetgeen Hij U door mijnen mond liet verkondigen en aanzeggen; gij zult uzelven misschien wel hebben te beschuldigen dat gij niet altijd in die stemming des gemoeds ten huize Gods opgingt als U wel betaamde, en dat gij maar al te veel nalatig

ocr page 27

17

waart in liet gebed voor uwe Leeraars, in het gebed ook voor mij; daC^-j daardoor maar al te veel oorzaak waart dat gy dien zegen moest missen, dien gij anders hier had kunnen genieten; gij hebt welligt het gemis van dien zegen meer dan eens aan den Prediker geweten, meer dan aan uwe lusteloof ? èid en traagheid in het hooren; verstrooijing van gedachten maakte zich misschien maar al te zeer meester van u zoodat gij niet hoordet wat er gesproken werd; zoo zou ik welligt nog meer kunnen noemen dat by u beschaamdheid voor Gods aangezigt moet verwekken, maar ik meen dat deze enkele aanstipping van zaken genoeg zal zijn tot uwe verootmoediging voor 's Heeren aangezigt, dat dan uwe stille binnenkamer getuige moge zijn, dat dit in deze ure u niet te vergeefsch is herinnerd. En sta ik gereed om weldra mijn herderstaf onder u nederteleggen, mijn dienstwerk te eindigen, en u, door vertrek uit uw midden, te verlaten, blijft daar steeds gedachtig aan het Evangelie dat ik u verkondigd heb, aan het zaad des woords dat ik heb uitgestrooid, aan de gebeden zoo meuigwerf voor en met van deze heilige plaats opgezonden naar boven, eu uitgestort voor den troon der genade, moge dat Evangelie u en uwen kinderen nog een reuk zijn ten eeuwigen leven; moge het zaad des woords nog in vele harten wortelen en opwaarts vruchten der bekeering en heiligmaking voortbrengen, moge de gebeden om Jezus wil voor velen nog genadige verhooring vinden! Zoo moge. Gemeente van Woerden! de schare steeds vergroot worden van hen die, uit de duisternis

2

ocr page 28

18

geroepen tot Gods wonderbaar liclit, zijne deugden moge verkondigen en roemen in de lioope der heerlijkheid; de schare vergroot die, verlost uit de magt des satans en bekeerd tot den levenden God, behouden wordt ten eeuwigen leven; de schare vergroot die, vrij gekocht door Jezus bloed, in den dag van Christus, uit genade moge ingaan in zijne heerlijkheid en hemelvreugde. Daartoe blijve de H. Geest onder U wonen en werken, daartoe worde de verdere Evangelieprediking in uw midden door zijnen invloed gezegend aan veler harten, daartoe ondervinden uwe Leeraars, gelijk Ik tot heden, zijne goddelijke ondersteuning en hulpe, daartoe geve Hij ten allen tijde opene ooren en ont-vangbare harten, opdat gij nog veelvuldige malen ruime stof moogt hebben om uit het volle gemoed met elkander, Hem ter eere, te zingen: „laat ons te zaam Gods goedheid loven, want goed is d' Oppermajesteit Zijn goedheid gaat het al te boven, Zijn goedheid duurt in eeuwigheid,quot; en eenmaal moge dan dit uw psalmgezang verwisseld worden met het aanheffen van het lied des Lams daar boven, Amen!

Nazang Ps. 118 : 14.

ocr page 29

•AFSCHEIDSKEDE

AAN DE

GEMEENTE VAN WOESDEN bij het nederleggen van mijn predikambt

op den 30 December 1883.

V o o r z a n g Gebed des Hebrbn : 1, 3, 4.

Gelezen Ro.M. 12.

Gezongen Ps. 119:4, 7.

Aandoenlijk in de hoogste mate is de tegenwoordige ure voor mijn hart, Geliefde gemeente van Woerden, waar ik thans voor het laatst als uw Herder en Leeraar voor U ben opgetreden, waar ik duizende malen van dezen leerstoel het dierbaar Evangelie des Zaligen Gods U mogt verkondigen, waar ik 35 jaren onder U heb gearbeid, en thans om gezondheidsredenen den herderstaf onder U moet nederleggen; maar ook aandoenlijke ure voor velen uwer waar thans de afscheidsure daar is, welke aan de naauwste banden van gehechtheid en liefde herinnert, die tusschen ons, als Gemeente en Leeraar, bestonden. In deze ure zult gij nog een kort

ocr page 30

20

woord hooren van ernstige en liefderiik-waarschuwende herinnering, van hartelijke vermaning in opzigt tot wat ik zoo menigmaal van deze plaats tot U mogt spreken, om daaraan ten slotte een zegenend vaartwel toe te voegen. Ik zal trachten, zooveel het onderwerp gedoogt, alles te vermijden wat onze aandoeningen te zeer zon kunnen opwekken. Moge het den Ontfermer behagen mijn laatste woord, als uw Herder en Leeraar, nog eens rijkelijk te zegenen, en ons daarbij den on-misbaren invloed en almagtige werking van den H. Geest te doen ondervinden! Vereenigt U daartoe met mij in het navolgend

GEBED.

Deutr. 30 : 19, 20a.

De woorden U daar tot tekst voorgelezen, M. H., zijn uitgesproken door Mozes, het hoofd en de leidsman van Israels volk, en behelzen in zich, zijne herinnering aan het volk, wat hij hun steeds c/eleerd en voorgehouden had, en zijne vermaning om daarnaar ten allen tijde te handelen.

I. Dat wij in een eerste deel onzer rede, bij de tekstwoorden zelve stilstaan;

II. daarna dezelve naar het oogmerk van dit uur aanwendeUj om

III. eindelijk met heilwenschende toespraken een laatst vaartwel IJ toe te roepen.

I. Vestigen wij eerst onze aandacht op Mozes betuiging, vervolgens op zijne vermaning.

ocr page 31

21

1. Wat zijne betuiging betreft, beantwoorden wij deze drie vragen, wat betuigt Mozes bier ? was die betuiging naar waarheid ? waartoe diende deze betuiging ?

A. Wat betuigt Mozes hier? Gij leest zulks M.H.! in deze woorden, „het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek.quot; Ik heb ulieden, wil hij zeggen, ten allen tijde zóó geleerd en onder-rigt, dat ik u aan den eenen kant opwekte tot het goede, tot de betrachting van de geboden uwes Gods, tot eenen wandel hier beneden die Hem welbehagelijk is, terwijl ik het u daarbij aantoonde, hoe zulk een gedrag door Hem steeds gezegend zou worden ; hoe alsdan zijn genadige goedkeuring op u zou rusten ; hoe gij in het beloofde land, van alle vijanden verlost, ge-rast en voorspoedig leven zoudt; maar evenmin heb ik het u van de andere zyde verzwegen, evenzeer heb ik het u op het ernstigst voorgesteld welk uw lot zijn zou, bijaldien gij uwen God en zijne dienst verliet, zoo gij u van Hem afkeerdet, zoo gij, de zonde en de begeerlijkheid najagende, deedt wat kwaad was in zijne heilige oogen; zoo gij, zijne waarschuwingen in den wind slaande, zijne lankmoedigheid verachtende, uw hart bleeft verharden, en wandelen naar uw eigenen zin en wil; ik heb het u dikwerf aangezegd dat dan zijn vloek op u zou nederdalen, dat zijn ongenoegen u zekerlijk zou treffen, dat gij niet voorspoedig zijn zoudt, dat gij in de hand en magt uwer vijanden zoudt geraken, dat gij met tegenheên en rampen zoudt hebben te worstelen, dat gij in uwe ongeregtigheid zoudt om-

ocr page 32

22

komen. Getrouw en onbewimpeld heb ik u dat alles, als uw leidsman en vriend, steeds voor oogen gesteld en op het hart gedrukt; dood en leven, zegen en vloek heb ik u verkondigd.

B. Maar kon nu een Mozes zulks naar waarheid betuigen ? O gewis M. H.! dit zal ons duidelijk blijken als wij ons slechts herinneren het vereerend getuigenis hetwelk de Waarachtige zelf omtrent hem heeft afgelegd: „Mijn knecht Mozes is in mijn gansche huis getrouw,quot; alles heeft hij naar mijnen wil volbracht, als mijn dienstknecht heelt hij alles gedaan wat hem was aanbevolen, en zulks met den meesten ijver tot mijne dienst, zulks met de grootste nauwkeurigheid en getrouwheid ; en dat verzekert Hij dan, die geen man is dat Hij liegen zou, dat verzekert dan zijn hemelschen Zender die hem zijn volk Israël ter leiding had aanbevolen. -- Daarom kon Mozes dan ook met volle vrijmoedigheid dien God, die alle dingen wist, tot getuige over zijne handelwijs en gedrag aanroepen, daarom is het in den tekst: „Ik neem heden, nn ik weldra mijn ambt en mijne bediening onder u zal neerleggen, tegen ulieden den hemel en de aarde tot ge-tulgen.quot; — Den hemel en de aarde tot getuigen te roepen, is eene spreekwijs, M. H.! die meermalen dooide Godsmannen en propheten gebruikt werd; zoo vindt gij dezelve nog elders door Mozes gebezigd in het Hoofdstuk van dit boek vs. 26; zoo vindt gij dezelve in den 50 Psalm : 4 en bij den propheet Jezaïa Hoofdst. 1:2, en zij geeft zooveel te kennen als: God en men-schen tot getuigen aan te roepen. En zulks deed dan

ocr page 33

23

ook thans een Mozes, die zich evenwel ook zijner zwakheden en tekortkomingen levendig zal bewust geweest zijn, maar desniettegenstaande wist zijn God het dan toch ook dat hij zyn volk steeds met gemoedelijken ernst had gewaarschuwd, met trouwhartige liefde had vermaand, met onbezweken moed en diepe wijsheid had geleid; dat hij hen altijd het gevolg van hun gedrag had voorspeld, en dat hij, gelijk later een Panlus sprak, rein was van hun bloed. — Maar van dit zijn gedrag, van deze zijne handelwijs met en onder hen, waren zij dan ook zeiven de sprekendste getuigen, 40 jaren lang hadden zij hem tot hun hoofd en hunnen leidsman gehad, 40 jaren lang zijnen omgang met en onder hen gezien, 40 jaren lang hem als Gods propheet in hun midden gehoord ; — Als zij het zichzelven afvraagden dan moest hun eigen geweten het hun zeggen, ja gelijk hij spreekt zoo is het, leven en dood, zegen en vloek heeft hij ons voorgesteld.

C. Maar waartoe diende die betuiging van Mozes? om welke reden deed hij dezelve? Zoo wij ons niet vergissen om tweeërlei oorzaak, M. H. Hij deed ze om zijn zelfs wil, en om des volks wil. Om zijn zelfs wil, om zijn gedrag tegen hen te verdedigen, om aan te toonen dat indien zij ongelukkig werden, in tegenspoed wandelen moesten, of hun de vloeken door Jehova uitgesproken te eeniger tijd troffen, niemand zulks aan hem zou kunnen wijten; om aantetoonen dat hij tot hun tijdelijk en eeuwig welzijn gedaan had wat hij kon, dat hij rein was van hun bloed; maar ook om des volks wil legde hij deze betuiging af, om hen

ocr page 34

24

nog eenmaal te doen gedenken aan alles wat hij onder hen verrigt, wat hij tot hen gesproken had, om hen te doen gevoelen hoe verkeerd zij zich den meesten tijd jegens hem hadden gedragen, hoe zij alle zijne lessen, waarschuwingen en vermaningen hadden in den wind geslagen; hoe zij alle tegenheden, die hun in het vervolg mogten overkomen, alleen als loon voor hunne ongeregtigheid hadden aan te merken, hoe zij door eigen schuld hun verderf en hunnen ondergang zouden bevorderen; hij wil hen daardoor nog opmerkzaam maken op hunne onbuigzaamheid des gemoeds en verharding des harten, opdat zij nog door deze zijne taal tot zichzelven mogten inkeeren, tot in de ziel worden getroffen, schuldbelijdende vergeving bij God zoeken en voorts zich aan zijne vereering en dienst volstandig verbinden. Mozes had door 40 jarigen omgang dit volk als een dwaas, verkeerd en verhard volk leeren kennen, en nogthans was hij in dien tijd innig en hartelijk aan dat volk verbonden geworden, nogthans zocht hij altijd het goede voor hetzelve, nogthans had hij zijn volk hartelijk lief, daarvan getuigd immers ook zijne Vermaning in den tekst?

2. Ziet weldra zou zijne betrekking tot dit volk ophouden, weldra zou een Josua in zijne plaats optreden, maar nog eer hij zijne bediening nederlegt, nog eer hij zijnen opvolger ouder hen aanstelt en bevestigt, wil hij A. hen vaderlijk toespreken en vermanen, „Kiest dan het levenquot;, daartoe wekt hij hen op, hij wil dat zij toch, met verlating van de zonde en ongeregtigheid, die dingen zouden zoeken en behartigen, waaraan het leven en den

ocr page 35

25

zegen Gods waren verbonden; hij wil dat zij het nog in tijds zonden beseffen dat de weg waarop zij tot hiertoe wandelden op hun ongeluk zou uitloopen, dat het wederkeeren tot den God hunner vaderen en tot zijne dienst alleen hun waar geluk kon aanbrengen, dat zulks alleen strekken kon om in het beloofde land in stillen vrede en voorspoed te leven; hij wil dat zij in gehoorzaamheid van nu voortaan alle hunne levensdagen aan God zouden toewijden, dat zij toch zouden opmerken welk een verschillend lot in de toekomst hun gedrag zou ten gevolge hebben en dat dit hun drangreden zijn zouden om nog het leven te kiezen boven den dood.

B. Mozes wekt hen daartoe nog liefderijk en ernstig op, omdat hij hun welzijn zoo vurig wenschte. ,Kiest liet leven, zegt hij, opdat gij levet, gij en uw zaad.quot; VVanneer gij die dingen betracht waarop God bet leven en den zegen heeft beloofd, dan zal zulks niet alleen u, maar ook uwen kinderen voordeelig zijn, dan zal Jehovah u zegenen in uw ingaan en in uw uitgaan, dan zal Hij, die barmhartigheid bewijst aan duizenden dergenen die Hem liefhebben en zijne geboden onderhouden, ook uwe nakomelingen in zijne gunst en liefde doen deelen, en hen met weldaden overladen; dan zult gij het ondervinden in uwe eigene lotgevallen en die der uwen dat God een belooner is dergenen die Hem vreezen; dat het dien man welgaat, die den Heere dient.

C. En nu verklaart hij hun nog duidelijker op welk eene wijze zij dat leven moesten zoeken, waarin het zelve bestond, en hoe zij dus best aan zijne vermaning, tot hun eigen heil, zouden beantwoorden. Vs. 20

ocr page 36

26

„Lieihebbende den Heere uwen God, Zijner stem gehoorzaam zijnde en Hem aanhangende.quot; Dat was de hoofdinhoud der wet hun door Jehova op Sinaï gegeven, »Gij zult liefhebbeu den Heere uwen God met geheel uw hart, en met geheel uw verstand, en met geheel uwe ziel, en met alle uwe krachten,quot; het moest dus eene opregte, eene onverdeelde liefde tot God zijn die hen moest bezielen, daartoe moesten hen alle zijne zegeningen en gunstbewijzen dringen, welke zij zoo onverdiend en voortdurend, zoo mild eu ruimschoots van Hem ontvingen, en zoodanig eene liefde moesten zij Hem betoonen door zijne stem gehoorzaam te zijn, door steeds te doen wat Hij hun voorschreef en beval, wat Hem welbehagelijk was. Liefde moest hun zijn de edelste en krachtigste bron van gehoorzaamheid, Liefde moest hun de sterkste prikkel daartoe wezen, en zoodanig eene gehoorzaamheid en liefde moesten zij Hem dan nu ook niet bij afwisseling betoonen, maar standvastig en op den duur; zij moesten Hem aanhangen, Hem steeds getrouw blijven, van Hem zich niet weder afkeeren en afvallen. Zietdaar Mozes' vermaning tot Israels volk; o hadden zij dezelve altijd opgevolgd en nageleefd, gewis, zegen en voorspoed waren dan hun deel geweest, het geluk zou hen en hunne kinderen gevolgd hebben alle de dagen hunnes levens, maar zij hebben, gelijk wij weten, op de treurigste wijze ondervonden de waarheid van hetgeen elders geschreven staat, ,Die zich tegen God verhardt, heeft geenen vrede !quot;

II. En nu zijn wij genaderd tot het tweede deel mijner rede, waarin wij de tekstwoorden naar het oogmerk van dit uur zouden aanwenden.

ocr page 37

27

Ik sta dan thans, Gemeente van Woerden! voor het laatst als uw herder en leeraar voor U; om redenen van gezondheid heb ik mij gedrongen gevoeld mijn Emeritaat te vragen, ik kan U reeds sedert lang niet meer zoo aan uwe woningen bezoeken als ik wel zou wenschen, weldra ga ik met de mijnen deze plaats verlaten, en God weet of wij elkander aan deze zijde des grafs wel ooit zullen wederzien. Het belang uwer onsterfelijke zielen heeft mij, gedurende den tijd dat ik onder U arbeidde, steeds zwaar op het hart gewogen; en datzelfde belang is het hetwelk mij dringt U nog eenmaal te herinneren wat ik zoo menigwerf gezegd heb, u nog eenmaal als Gods gezant tot u, op het ernstigst te waarschuwen, u nog eenmaal, als een scheidende vriend, die u steeds innig liefhad, te vermanen, opdat wij niet verliezen mogen wat wij gearbeid hebben, en daarom maak ik in dezen gewigtigen en voor mijn hart zoo aandoenlijken oogenblik Mo zes woorden de mijne, 1. en ook ik neem heden tec/en u dtn hemd en de aarde tot getuigen, en ook ik verklaar het, dat ik U steeds liet leven en den dood, den Zegen en den Vloek heb voorgesteld. Ik weet het M, H.! Zulks is met veel gebrek en duizendvoudige tekortkomingen van mijne zijde gepaard gegaan, en ook ik moet het thans openlijk betuigen, „indien de Heere mijn God deswege met mij in het gerigt gaan wilde, ik zou voor Zyn aangezigt niet kunnen bestaan, want ik ben mij zeiven van veel ontrouw en onvolkomenheid in mijn dienstwerk bewust, waarvoor ik den Ontfermer vergeving smeek, en welke ik ootmoedig vertrouw dat Hij mij, om Christus wil schenken zal.

ocr page 38

28

Maar niettegenstaande dat veelziidig gebrek en die onvolmaaktheid kan en mag ik den Alwetenden God tot getuige roepen dat ik mij steeds uwe hoogere en eeuwige belangen uit innige liefde en belangstelling in het heil uwer zielen heb aangetrokken, dat ik menigmaal van dezen leerstoel met tranen U heb vermaand en gebeden dat gij nog in dezen uwen dag zoudt bedenken wat tot uwen eeuwigen vrede dient, dat ik U ernstig heb gewaarschuwd tegen de zonde, ja M. H.! ik heb ü zoowel den donder der wet, als de liefelijke lokstem van het Evangelie doen hooren; ik heb U nu eens door den schrik des Heeren, dan weder door de liefde Gods zoeken te bewegen tot het geloof; ik heb het den regtvaardigen gezegd: het zal U welgaan, maar ook den goddeloozen en onbekeerden niet verzwegen: het zal U kwalijk gaan; ik heb allen, ouden en jongen rijken en armen, vrijen en dienstbaren, steeds toegesproken als mijne medezondaren, als medereizigers naar de Eeuwigheid, allen heb ik op die eeuwigheid gewezen als de vergelding met zich brengende van al ons doen en laten op aarde; ik heb der jeugd toegeroepen: „Verblijdt U in uwe jeugd en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandelt in de wegen uwes harten en in de aanschouwing uwer oogen, maar weet dat God U om alle deze dingen eens zal doen komen voor het gerigt, daarom gedenkt aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschapquot;; ik heb het den ouden van dagen herinnert: „niemand weet den dag zijns doods, het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel,quot; daarom

ocr page 39

29

haast U om uwes levens wil; ik heb den rijken toegeroepen: „vergadert U toch geene schatten op de aarde, maar vergadert U schatten in den hemel, stelt toch uw hart niet op de ongestadigheid des rijkdoms, want wat baat het een mensch al won hij de geheele wereld en hij leed schade aan zijne zielquot;; ik heb den armen gepredikt: „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koningrijk der hemelenquot;; ik heb U allen verkondigd: „die niet wedergeboren wordt, hij kan in het koningrijk Gods niet ingaan, strijdt om in te gaan door de enge poort; die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, de toorn Gods blijft op hemquot;; ik heb U verkondigd, dat zoo waarachtig de Heere leeft, Hy geenen lust had in uwen dood, maar daarin dat gij U bekeerdet en leefdet; ik heb u daarom opgewekt en gedrongen tot het geloof in den Zoon van Gods eeuwige liefde, als het eenige middel tot zaligheid; ik heb U gebeden, gemeente van Woerden! alsof God door mij bad, laat U toch met hem verzoenen, want het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zouden, en die tot Hem komt wordt niet uitgeworpen; ik heb U dien Christus Gods steeds in zijne bereidwilligheid, algenoegzaamheid en noodzakelijkheid als Zaligmaker voor uwe zielen voorgesteld; ik heb U op het eeuwig gedenkwaardig kruis van Golgotha gewezen, opdat het n mocht afschrikken van de zonde, opdat het u inogt vertroosten en bemoedigen bij besef en gevoel van schuld, opdat het u drangreden zijn mogt tot eenen godzaligen wandel opdat het voor u worden mogt de boom

ocr page 40

30

des levens; ik heb u op den Heiligen Geest gewezen, als die ons hart moet veranderen en vernieuwen, als die ons door het geloof met Christus moet vereenigen, als zonder wiens werking en invloed wij niets vermogen, als welken God de Vader, naar Jezus eigen woord, schenken wil en zal aan elk die Hem bidt; ik heb aan den éénen kant voorgehouden hoe leven en zegen verkrijgbaar waren en het gevolg zijn zouden van eenen wandel in des Heeren vrees en in zijne dienst, maar evenzeer van de andere zijde, hoe dood en vloek het onvermijdelijk deel zijn zouden van allen die het evangelie van Christus ongehoorzaam zijn, die het bloed des N. T. tot eigen verderf onrein achten, die Hem versmaden en verwerpen die van de hemelen, ook door mijnen mond, tot hen sprak. Zoo heb ik u den vollen raad Gods verkondigd; en waar ik nu in dezen ge-wigtvollen stond u tot getuigen roep voor de waarheid [van hetgeen ik zeide, Gemeente van Woerden: daar betuig ik heden plegtig, als in de tegenwoordigheid Gods, dat ik rein ben van het bloed van u allen ; en niemand uwer zal bij de toekomst van den Heere Christus kunnen zeggen, het is mij niet aangezegd, ik ben niet gewaarschuwd, maar elks geweten zal het hem dan aanzeggen, dat ook ik, hem leven en dood, zegen en vloek heb voorgesteld.

2. Ik sta thans voor het laatst als uw herder en leeraar voor u, maar scheiden van u kan en wil ik niet, zonder u nog eenmaal, om u zelfs wil, te hebben gebeden: „Kiest toch het leven. Gel. ! opdat gij leven moogt, gij en uw zaad, hebt den Heere uwen

ocr page 41

31

God lief, gehoorzaamt zijne stem, hangt Hem aanquot; ; tot zoodanige vermaning dringt mij de betrekking waarin ik tot u stond, dringt mij het belang uwer onsterfelijke zielen, dringt mij het tijdstip waarin ik tot u spreek.

A. Ik was in den weg van Gods Voorzienig bestuur gedurende 35 jaren Zijn gezant tot u, ik bracht in Zijnen Naam en van Zijnent wegen Zijn woord tot u, ik was uw Leidsman, uw Raadsman, uw Bestuurder op den weg dien gij naar eene hoogere bestemming bewandelt, ik was de vriend van u en de uwen, de onderwijzer uwer kinderen in de leer die tot de Godzaligheid leidt; niettegenstaande ik viermalen eene beroeping naar elders ontving, zelfs naar mijne vaderstad, bleef ik in uw midden, duizende malen sprak ik u van deze plaats toe, en deze betrekking lag dan ook teedere en naauwe banden tusschen ons, ik voelde my daardoor ook zeer aan a gehecht, zij was het die my dan ook steeds uw aller geluk deed wenschen, uw aller belang deed beöogen, zij is het die mij dan ook nu dringt tot de vermaning dat gij veel u herinnert wat ik in die betrekking tot u sprak, dat gij toch met achterstelling van al het zien-en zinnelijke bedenkt de dingen die boven zijn, dat gij afstand doende van alle ongeregtigheid, u in waarheid aan de dienst van God verbindt, dat gij vrede met God zoekt en afsmeekt in het bloed des kruises, dat gij de geboden van dien God naleeft en betracht, dat gij Hem getrouw blijft tot in den dood.

B. Maar ook tot zoodanige vermaning dringt mij het belang uwer onsterfelijke zielen. Zoo gaarne, God

ocr page 42

32

weet het ! zag ik u allen behouden voor de eeuwigheid, zoo gaarne wenschte ik dat gij allen dien weg bewandeldet die ten eeuwige leven leidt, zoo vurig bid ik den Ontfermer dat niemand uwer mogt verloren gaan. En waar dat na niet kan verkregen worden door een leven in de zonde, door een leveu in onverschilligheid en zorgeloosheid, door een leven naar eigen zin en lust, overtredende Gods geboden ; waar zulks alleen kan verkregen worden door een wandel in des Heeren vrees, door een wandel op den smallen weg die ten hemel leidt, door een wandel des opregten geloofs in Christus, door een wandel waardiglijk het Evangelie met hetwelk gij geroepen zijt, wat is daar natuurlijker dan dat ik u Mo zes woord nog eenmaal op het hart bind, dan dat ik nog eenmaal met al den ernst der Christelijke liefde u toeroep en bid: „Kiest toch het leveu,quot; zoekt toch den Heere terwijl Hij nog te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nog nabij is; elke goddelooze onder u verlate dan zijnen weg, en de ongerechtige man zijne gedachte, en hij bekeere zich tot onzen God die mildelijk vergeeft.

C. Tot zoodanige vermaning dringt mij eindelijk het tijdstip waarin ik tot u spreek. Geliefde gemeente van Woerden! het is voor het laatst dat ik u in mijue betrekking als uw Leeraar, vau deze plaats toespreek, het is een afscheidswoord van mij, uwen vertrekkenden vriend, het is een laatst vaarwel dat ik u toeroep. O die gedachte, ja waarom zou ik het ontveinzen, zij maakt mijn hart week, en ik houd mij overtuigd dat zij ook de meesten uwer treft, maar och ! of gij dan nog allen naar

ocr page 43

33

mijnen laatsten raad hoordet, of gij dan nog allen mijne laatale waarschuwing ter liarte naamt, of ge dan nog allen mijne laatste vermaning opvolgdet, en het leven koost boven den dood, den zegen des Heeren boven den vloek, opdat het u en uwen kinderen mogt welgaan tot in Eeuwigheid! Ouden van dagen en jongeren van jaren, rijken en armen, vrijen en dienstbaren, wie gij ook wezen moogt, voor het laatst zeg ik het u, alles wat ik ooit van dezen leerstoel tot u sprak ligt voor uwe rekening; voor het laatst bid ik n, hebt toch den Heere uwen God lief, dient en gehoorzaamt Hem; voor het laatst verkondig ik het u, het zal eens den god-deloozen en onbekeerden kwalijk gaan, maar den regt-vaardigen zal het wel gaan; ei hoort dan naar dit woord, doet naar dit woord en uwe ziel zal leven; , Wie onder u ooren heeft om te hooren, hij hoore wat dan nog voor het laatst door mijnen mond, de Geest tot de gemeente zegt.quot;

Zingen wij nu Gez. 95.

III. Ons is dan nu nog ovei'ig dat ik nlieden met heilvvenschende toespraken een laatst vaartwel toeroepe.

1. Eu dan rigt ik mij in de eerste plaats tot U, EdelAchtb. Heeren leden van het plaatselijk bestuur dezer gemeente. Ontvangt mijnen dank voor alle de bewijzen van achting en toegenegenheid mij en de mijnen steeds bewezen; worden mijne wenschen vervuld dan ga het IJ in uwe gewigtige betrekking steeds wel, ondervindt by alles wat gij in het welzijn dezer

3

ocr page 44

34

gemeente verrigt Gods besten zegen, dien zegen schenke Hi] U ook in de ruimste mate met betrekking tot uwe personen en buisgezinnen, met betrekking tot uw tijdelijk, bovenal tot uw eeuwig welzijn. Hij leere ook ulieden het leven te kiezen boven den dood, opdat het U in leven en sterven moge wel zijn!

2. En nu een scheidingswoord tot U, VeelGeachte Ambtgenoot, met v.ien ik 26 jaren aan het heil dezer Gemeente mogt werkzaam zijn. Heb dank voor de broederlijke hulp en dienstvaardigheid mij immer betoond, waar ik dezelve behoefde; wij hebben steeds in éénen geest, met dezelfde bedoeling, in broederlijke liefde en vrede met elkander verkeerd, moge onze gemeenschappelijke arbeid dienstbaar zijn geweest tot uitbreiding en opbouwing van bet koningrijk onzes Heeren in de harten van velen in deze gemeente; moge uw verder werk, in vereeniging met dat van mijnen opvolger, gezegend worden aan veler gemoed; ondervindt voortdurend Zijne krachtige hulp onder uwen arbeid bij het klimmen uwer jaren; de Heer der gemeente blijve uw steun en staf ook in uwe grijsheid; het ga U en uwen kinderen voor den tijd en de eeuwigheid wel, en eenmaal zij, door Zijne genade, uw heengaan van hier een heengaan in vrede!

3. WelEerw. Heeren, Geachte Medebroeders in de H. Bediening, waren niet de meeste Ringbroeders verhinderd hier tegenwoordig te zijn, zag ik hen allen in ons midden, ik zou hun dankzeggen voor alle blijken van broederlijke genegenheid, liefde en vriendschap mij immer bewezen, vooral ook voor het schoone aan-

ocr page 45

35

denken mij bij mijne laatste feestviering geschonken, de tegenwoordig zijnde Ringbroeders zullen wel bij de overigen de tolken willen zijn mijner erkentelijkheid; doch waar gij dan nn, hetzij als Ringbroeders of naburen hier tegenwoordig zijt, ook ulieden roep ik bij deze gelegenheid een broederlyk vaartwel toe; ontvangt steeds van den Heer der gemeente de noodige wijsheid, lust, kracht, moed en standvastigheid onder uw ge-wigtvol en heerlijk werk; worde dat werk rijkelijk gezegend aan de harten van velen onder de kudde waarover U de H. Geest tot Herders en Leeraars gesteld heeft; dat het zaad hetwelk gij, met een oog op uwen hoogen Zender, uitstrooit in de harten vele vruchten des geloofs en der bekeering voortbrenge; vaart voorts met de uwen wel, geniet onder en bij alles Gods besten zegen, en eens zij, door Zijne genade, een ruime ingang in Zijn hemelsch koningrijk uw eeuwig deel!

4. En terwijl ik nu aan het Collegie van H.H. Kerkvoogden en Notabelen mijnen hartelijken dank betuig voor alles waardoor zij, in hunne betrekking mijn verblijf alhier hebben getracht aangenaam te maken, en voor alle de toegenegenheid en vriendschapsblijken mij bewezen; terwijl ik ook hun, voor zich en de hunnen, voor tijd en eeuwigheid, het goede van onzen God toebid, wil ik vooral ulieden mijn laatsten wensch en bede doen hooren, Eerw. Broeders! Ouderlingen en Diakenen die, met mijnen Geachten Ambtgenoot aan het hoofd, den Kerkeraad dezer Gemeente uitmaakt, daarbij tevens insluitende dien broeder uit de gemeente die binnen weinige dagen, zoo de Heere wil, als Diaken

ocr page 46

36

zal worden bevestigd, eu dus met TJ reeds terstond tot een hoogst gewigtig werk zal worden geroepen; ja, Gel. Broeders! U is het aanbevolen en toevertrouwd, eenen anderen Herder en Leeraar in mijne plaats voor de gemeente te kiezen; zulks noemde ik daar een hoogst gewigtig en vooral in deze dagen een hoogst moeijelijk werk, waarin Ulieden de goedkeuring van den Heer der gemeente bovenal moet ter harte gaan, en U oneindig meer waard moet zijn dan de bedilling of afkeuring der menschen, waarin gij bovenal het heil van onsterfelijke zielen uwer medezondaren moet beöogen; mijne Broeders! de Heere zelf geve U in deze zaak de zoo noodige wijsheid, voorzigtigheid, vastberadenheid; tracht in eenen geest werkzaam te zijn, wilt met deze zaak veel biddende voor U zeiven werkzaam zijn, en Hij doe U, voorgelicht door den H. Geest, eenen man kiezen geschikt naar de bijzondere behoeften uwer gemeente, eenen man die er Zijne blijdschap en zaligheid in stelt zielen te winnen voor Christus koningrijk. Hij leide U daartoe naar Zijnen i-aad, opdat ook in dit opzigt Zijn wil door U geschiede, opdat gij ten dezen aanzien eens met vrijmoedigheid voor Hem staan moogt; opdat de gemeente in het vervolg de ruimste stof moge hebben om Zijne zorg over haar met dankzegging te roemen. Voorts Gel. Broeders! ontvangt mijnen opregten dank voor de welmeenende vriendschapsblijken, die ik met de mijnen steeds van ü mogt ondervinden, voor alles waardoor gij ons verblijf alhier steeds hebt veraangenaamd, dank voor alle achting en liefde mij betoond; deelt voortdurend met de uwen in

ocr page 47

37

de beste zegeningen Gods naar het tiidelijke en geniet eenmaal, om de verdiensten onzes dierbaren Verlossers, het zalig voorregt dat gij leden zyn moogt van die gemeente zonder vlek of rimpel, welke Hij den Vader eens zal voorstellen en eeuwig zal doen deelen in Zijne heerlijkheid en hemelvreugde!

5. Ook tot U een enkel woord Eenv. Heer en Vriend! die gij als Catechiseermeester en krankbezoe-ker mede werkzaam zyt aan het geestelijk belang der gemeente. God spare en sterke U nog lang in deze uwe betrekking. Hij zegene uwe toespraken en onderwijs aan veler harten, ook op de Zondagschool aan het jeugdig gemoed, Hij doe U, ouder alle levensomstandigheden, de kracht, den troost, de zaligheid onder-vindeu van dat dierbaar Godswoord, hetwelk gij ook in uwe betrekking aan oud en jong aanprijst en verkondigt, Hij schenke ook LI in alle opzigten wat gij daartoe behoeft. Hij lichtte U voor door den H. Geest, Hij blijve tot aan het einde uwes levens, uw Leidsman, uw helper, uw Vader in Jezus Christus, door en om wiens verdiensten uw genadeloon eens groot moge zyn in de hemelen!

6. En als ik nu denk aan hetgeen in de laatste jaren van mijn verblijt alhier plaats vond, hoe daar in ons midden eene Christelijke school is verrezen in welke allen belang stellen die het waarachtig heil van het opkomend geslacht beöogen, eene Christelijke school waarin alle onderwijs is gegrond op en gegeven wordt naar het Woord van God, waar de jeugd ook gewezen wordt op den eenigen waren kindervriend, en de naam

ocr page 48

38

van den Heere Jezus genoemd wordt ook als de Zaligmaker van kinderen, waar zij in waarheid in alle maatschappelijke en christelijke deugden wordt opgeleid, daar dank ik in de eerste plaats mijnen God voor dien grooten zegen, maar daar is het mij ook behoefte des harten den leden van het Bestuur, den Hoofdonderwijzer en het verder onderwijzend personeel van harte dien zegen, hulp en wijsheid van God toe te bidden, die zij in hunne verschillende betrekkingen tot of werkzaamheden in die school behoeven; dat zij vele goede vruchten op hunne handelingen mogen inoog-sten, en nog in menig jeugdig gemoed een zaad moge vallen dat rijpt voor den hemelschuur!

7. Eindelijk nog een laatst Vaartwel tot U, Geliefde Gemeente van Woerden! 35 jaren mogt ik in uw midden doorbrengen, veel genoegen heb ik onder TJ gesmaakt, vele waren de blijken van achting, toegenegenheid, liefde en vriendschap die mij en de mijnen mogten ten deel vallen; ontvangt gij allen die ons zulke blijken gaaft daarvoor thans openlijk mijne hartelijke dankbetuiging, ook voor het aandenken mij door eenigen uit de gemeente onlangs nog geschonken bij gelegenheid van mijne 40jarige vervulde Evangeliebediening; en waar wij U thans gaan verlaten, o vergeet daar uwen vertrekkenden Leeraar en Vriend met de Zijnen niet, maar blijft ons in liefde gedenken; toont zulks door handel en wandel in te rigten naar het Woord Gods dat ik U zoo lang en zoovele malen heb verkondigd; moge ook mijn laatste woord in deze ure gesproken U levenslang in de ziel gegriffeld blijven.

ocr page 49

39

en God geve! dat mijn arbeid onder U, in den dag der toekomst van Christus moge blijken rijke en gezegende vruchten gedragen te hebben, mogen velen uwer dan mijne kroon en blijdschap zijn in den Heere! En nu, vaartwel. God zegene TJ en uwe kinderen in de ruimste mate met de keur Zijner zegeningen; Hy heilige de Evangelieprediking van eenen nieuwen Leeraar, die mij zal opvolgen, door Zijnen Geest aan veler gemoed, moge hij een arbeider zijn in 's Heeren wijngaard die het Woord der Waarheid regt snijdt, en niets anders onder U wenscht te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd; de Heere blijve uw aller leidsman op den levensweg. Hij leide U allen naar Zijnen raad, en als het welligt in dien raad geschreven staat dat wij elkanders aangezigt aan deze zijde des grafs niet meer zien zullen. Gel.! daar gunne Hy het mij, die uw Herder, en Leeraar en Vriend was, daar gunne Hij het Ulieden dat wij elkander voor Zijnen troon daar boven mogen ontmoeten, waar geene scheiding meer zal plaats hebben; och of de Barmhartige dat om Christus wil gave Vaartwel! Vaart eeuwig wel! Amen!

Nazang Avondzang : 4—7.

ocr page 50

LEERREDE

OVER

2 COR. 4 : 17, 18.

Voorzang Mokgenz. : 4, 6, 7.

Lezen 2 Con. 4.

Zingen Ps. 97 : 6, 7.

Aardsche verdrukkinc/ en hemelsche heerlijkheid, ziet-daar M. H.! liet onderwerp waarover wij te dezer ure tot U wilden spreken; een onderwerp, juist uit kracht van tegenstelling, hier door den Apostel gebezigd, al onze aandacht overwaardig, en vanwege deszelfs hoog gewigt onze belangstelling en behartiging verdienende in geene geringe mate. Dat wij dan;

I. Bij het verband der tekstwoorden stilstaan en dezelve, zooveel noodig, toelichten.

II. Vervolgens, naar aanleiding van dezelve, opgenoemd onderwerp behandelen; en

III. laatstelijk aanwijzen wat in deze woorden tot onze leering, waarschuwing, bemoediging en vertroosting ligt opgesloten.

ocr page 51

41

I. Nadat de Apostel Paulus de heerlijke voortreffelijkheid der evangeliebediening geschetst had, betuigt hij vers 1 van ons teksthoofdstuk: „daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zoo vertragen wij niet,quot; en terwijl hij zijne eigene zwakheden erkent, roemt hij op de kracht door God hem geschonken, als een onwankelbare steun onder de zwaarste beproeving, beschrijvende de luisterrijke hoop, welke hij had na den dood, als een grond van zegepraal bij alle gevaar, en een krachtigen prikkel tot voortdurende trouw en standvastigheid. De Apostel spreekt van de verdrukkingen die hij te lijden had, vs. 8 en verv. „in alles verdrukt doch niet be-uaauwd, twijfelmoedig doch niet mismoedig, vervolgd docli niet daarin verlaten, nedergeworpen doch niet verdorven, altijd de dooding des Heeren Jezus in het ligchaam omdragende opdat ook het leven van Jezus in ons ligchaam zou geopenbaard worden, want wij die leven worden altijd in den dood overgegeven om Jezus wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zou geopenbaard worden, zoo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden;quot; zoo geeft hij te gelijk het doeleinde van zijn lijden en verdrukking op, daarom schrijft hij uitdrukkelijk vs. 15; „Want alle deze dingen ziju om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods,quot; de Apostel wil zeggen: ik ben te gewilliger om te lijden naarmate de Heere mij meer als een middel in Zijne hand gebruikt tot de bekeering van velen, die daar-

ocr page 52

42

door deelgenooten worden Zijner barmhartigheid en genade; daarom, vs. 16, vertragen wij niet, maar zullen volhouden, wij laten ons door niets ontmoedigen, wij achten lijden noch dood om de verkondiging van het Evangelie; en zij het dan ook al ,dat onze uitwendige mensch verdorven wordt,quot; dat wij naar het ligchaam worden verdrukt, en dagelijks in doodsgevaar verkeeren, „zoo wordt nogthans de inwendige vernieuwd van dag tot dag,quot; wij worden door het geloof dagelijks sterker en moediger tot den geestelijken strijd, om onzen loop met blijdschap te volbrengen; want, zegt Paulus in onzen tekst: „onze ligte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewigt van heerlijkheid.quot; De verdrukkingen, die do Apostel ondervond, en waarin alle opregt geloovigen op deze wereld in hunne mate deelen, zijn niet ligt op zichzelven beschouwd, maar in vergelijking van het gewigt der heerlijkheid die zij verwachten en tegemoet gaan; of ook zijn zij ligt te noemen wegens derzelver kortstondigheid in tegenstelling van de eeuwigdurenheid der heerlijkheid. Deze aardsche en tijdelijke verdrukking nu, werkt, dat is, brengt ons tot, verschaft ons, bezorgt ons, een gewigt van heerlijkheid, dat is, de roem, eer, waardigheid van de gelukzaligheid der geloovigen na den dood, en wel een gansch zeer uitnemend eeuwig gewigt, de Apostel weet hier geene woorden te vinden krachtig genoeg om uittedrukken de allerhoogste voortreffelijkheid der hemelsche gelukzaligheid, die zonder einde zal zijn, en drukt dezelve uit door een woord, hetwelk beteekent, boven alles wat gezegd kan worden.

ocr page 53

43

lii] wil zeggen, zij is niet uittespreken. Zulk een ge-wigt van heerlijkheid werkt ons onze ligte verdrukking ; niet in dien zin dat de laatste de oorzaak of het werktuig der eerste zou zijn, maar veeleer omdat die verdrukking Paulus, en den geloovigen, overkwam omdat zij door het geloof aan den Heere Jezus verbonden waren, die deze heerlijkheid voor de zijnen verworven en bereid heeft, en juist de weg van lijden en verdrukking om Zijns Naams wil het pad is dat tot de zekere genieting dier heerlijkheid voert. En dit was ook juist wat de Heiland den Zijnen voorspeld had: „in de wereld zult gij verdrukking hebben, want zij zal u haten zoowel als zij mij gehaat heeft, en gelijk zij mij vervolgd hebben zullen zij ook u vervolgen, gij hebt nu wel droefheid, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden.quot; Dewijl, daarom, zegt de Apostel vs. 18, „merken wij niet aan de dingen die men ziet, de dingen dezer wereld, rijkdommen, eer. vermaak, en al wat de uitwendige zinnen streelt achten en begeeren wij niet; zij trekken onze harten niet in het minst aan, wij bekommeren ons niets om dezelve, zij hebben voor ons niet de minste waarde of genot; zelfs die tijdelijke verdrukkingen tellen wij niet; wij worden niet ontmoedigd of terneder geslagen door de vervolging, door het lijden, door de droefheid of smart die wij hier te verduren hebben; „maar wij merken slechts aan de dingen die men niet ziet,quot; deze vervullen alleen geheel ons hart, daarmede zijn wij op het hoogst ingenomen, die zijn voor ons van het hoogste belang, die zijn onze grootste schat, daarop is bestendig het oog onzes ge-

ocr page 54

44

loofs geslagen, die zijn van oneindig meerder waarde dan de eerste, „want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig de eerste geven slechts een oogenblikkelijkschyngenot, dat slechts een zeer korten tijd duurt en schielijk vervliegt, zonder eenig wezentlijk nut of voordeel aan te brengen ; maar de dingen die men niet ziet, die hemelsche schatten, de toekomstige heerlijkheid en zaligheid, die hier beneden voor het ligchamelijk oog onzigtbaar zijn, deze zijn onvergankelijk, zijn eeuwigdurend, geven een wezentlijk genot, eene bestendige vreugde en blijdschap, die in menschelijke taal niet is uittedrukken; daarom ziju deze verre te verkiezen boven geene; want voor hem, die ze door 't geloof bezit, zijn zij onverliesbaar.

Waar wij nu M. H.! des Apostels woorden in den zamenhang hebben nagegaan en derzelver zin genoegzaam verduidelijkt, daar gaan wij over

II. tot het Tweede deel onzer rede, in hetwelk wij het onderwerp nader zouden behandelen hetwelk Paulus ons hier aan de hand geeft, sprekende over aardsche verdrukking en hemelsche heerlijkheid. De eerste is het deel van elk geloovig christen hier beneden, de laatste zijne zekere verwachting voor de eeuwigheid; de verdrukking om Christus wil is waarborg voor het bezit der eeuwige heerlijkheid.

1. Verdrukking, lijden, droefenis, tegenspoed van allerlei aard, wie zou er niet in deelen onder de kinderen der menschen? Dat alles is toch de wrange en bittere vrucht der zoude, die elk zondaar van dezelve inoogst en smaakt; ja gewis de één veel meer dan de

ocr page 55

45

#

ander, maar elk toch op zijnen tijd iu meerdere ot mindere mate; wat al nadeel en lijden wordt niet de ééne mensch door den anderen aangedaan, wat al verdriet en moeite is er verbonden aan liet leven op eene wereld die in het booze ligt, en waar de Boozo werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid: maar bovenal weet van verdrukking, lijden en verdriet te spreken, hij die God vreest en een opregt geloovige in Christus is. Vandaar ook dat er geschreven staat: ,Vele zijn de tegenspoeden der Regtvaardigen.quot; en geen wonder, want behalve dat hij, zoowel als anderen, de daar opgenoemde vrucht der zonde smaakt, zoo heeft hij nog zooveel verdrukking en lijden daarenboven te verduren dat anderen niet kennen, juist daarom omdat hij een kind van God, een discipel van den Heere Jezus is. Ziet, dit alleen doet hem gehaat zijn bij hen, die van deze wereld zijn; dit alleen is genoeg om hem, voor het minst, met minachting te bejegenen, en soms in zijne tegenwoordigheid zejfs, zeker in zijn afwezen te bespotten en te beschimpen; dit alleen is genoeg om hem het leven te verbitteren, den voet dwars te zetten, waar men maar kan, hem soms op alle mogelijke wijzen nadeel toe te brengen en veel verdriet te veroorzaken; dit alleen is genoeg om anderen tegen hem optezetten en hem te onderdrukken. Ja, heeft de geschiedenis dei-eeuwen die achter ons liggen niet duizende proeven opgeleverd van der Apostelen dagen af, van vervolging, marteling, lijden, ja den dood zelfs alleen om des Heeren wil; alleen omdat men vasthield aan de belijdenis van Hem en vrijmoedig beleed, „ik ben des Heerenquot;? En

ocr page 56

46

%

zou de geschiedenis onzer dagen zelfs geene bewijzen meer daarvan dragen, al is het dan ook in mindere mate of minder getal dan wel vroeger? Maar al is het nu niet zoo bepaald deze laatstgenoemde verdrukking en vervolging om des geloofs wil, waaraan de ware christen zich thans ziet blootgesteld, al beleven wij, door Gods genade, betere tijden in dit opzigt dan vroeger; die eerste verdrukking, waarvan wij gewaagden, dien haat en vijandschap, die minachting en liefdeloosheid heeft hij eiken dag te verduren, omdat de duisternis geene gemeenschap kan hebben met het licht, omdat de eerste het laatste niet kan verdragen. Maar hoe moeielijk het hem ook gemaakt wordt op de wereld, hoeveel verdriet men hem ook aandoet, hoeveel schimp en bespotting en miskenning ook zijn deel zij, hoe groot de haat wezen moge die men hem doet gevoelen, hij noemt dit alles toch met Paulus eene lig te verdrukking, deels als hij overdenkt wat zijnen Heer niet is aangedaan, deels als hij aan derzelver kortstondigheid denkt, deels als hij ze tegenstelt tegen dat gewigt der hemelsche heerlijkheid. O als de opregte christen het zich voor den geest roept wat zijn groote Heer en Meester hier op de wereld te verduren had; aan hoeveel bespotting, schimp, miskenning, hoon, beleediging en verwerping .Hy bloot stond, welk een naamloos lijden is aangedaan, en hoe Zijne eigene volksgenooten niet rusteden voordat zij Hem, den vlekkeloos heiligen, Hem den regtvaardigen. Hem den vorst des levens, door de handen der onregt-vaardigen aan het kruis hadden gehecht en gedood: als hij zich voorstelt zooveel leed de Heere Jezus enkel

ocr page 57

47

om der zonrle wil, zooveel leed Hij in mijne plaats, zoo werd Hij een vloek om mij van den vloek der wet te verlossen; als hij bedenkt die miskenning en verwerping van Hem door zijn volk heeft myne aanneming bij God uitgewerkt, zijn dood is mijn leven geworden; als hij zich herinnert het woord van Jezus: „een discipel is niet meer dan zijn meester,quot; o dan worden hem de verdrukking en den smaad welke liij heeft te verduren gering in zijn oog, dan wordt het kruis, dat hij zijnen Heer heeft natedragen, ligt, dan drukt het hem niet zwaar meer, maar dan erkent hij integendeel nog veel meer te hebben verdiend, dan leert hij verdragen en zwijgen, dan zegt zijn geloof: ook dit zal mij ten goede moeten medewerken, ook dit zal zijn ter verheerlijking Gods. Maar ook als de ware christen denkt, hoe kort dit aardsche leven is, hoe schielijk de jaren voortsnellen, en met dezelve ook het lijden en het verdriet dezes tegenwoordigen tijds, dan voelt hij zich gestemd om met den Apostel te gewagen van zijne ligte verdrukking die zeer haast voorbijgaat en weldra geheel vergeten zal zijn.

2. En zou hij ze vooral niet ligt noemen als hij ze stelt tegenover dat gansch zeer uitnemend eeuwig ge-wigt van heerlijkheid dat hem daarboven wacht? O gewis waar het oog des geloofs blikt in dat hemelsch vaderland, waar geen rouw of verdriet of moeite meer zijn zullen, waar God alle tranen zal van de oogen afvvisschen, waar liefde de grondtoon by alle hemel-lingen zijn zal, waar de zonde banneling is, en de boozen niet zijn zullen, daar verheugt de christen zich

ocr page 58

48

hier reeds a;iuvaukelijk in zijne aanstaande verlossing, en zulks geeft hem kracht om zelfs te midden der verdrukkingen te roemen, en somtijds reden tot danken dat juist die verdrukking, juist die miskenning dooi menschen, juist dat veelsoortig zieleleed dat hij hier te dragen heeft, zijn hart nader bij God hield en naauwer aan zijnen dierbaren \ erlosser verbond, in wien al zijn lust en leven is. En met het oog daarop en de ondervinding daarvan verstaat hij den Apostel zeer goed, en stemt met hem van harte in, als hij spreekt van onze Hf]te verdrukking. O wat beteekenen hem ook enkele jaren van moeite, kwelling en verdriet bij eene eeuwigheid vol stooreloos genot en vreugde ? O als hij daarbij alle zijne verdrukkingen op de wereld in de schaal legt tegenover dat groot gewigt der hemelsche heerlijkheid, dan is het niet twijfelachtig meer wat het ligtst en wat het zwaarst weegt, dan behoeft hij zich niet lang te beraden welke benaming hij aan beiden geven zal. Dan valt de grootste verdrukking, het hooggaandst verdriet geheel bij hem weg, dan rijst het zwaarste kruis geheel naar de hoogte, dan voelt hij zich bemoedigd en gesterkt, ja clan is hij reeds in het vooruitzigt over alle die dingen meer als overwinnaar, door Christus die hem. heeft liefgehad. Immers het is eene uitnemende, alle voorstelling verre te bovengaande heerlijkheid die hem wacht, eene heei-lijkheid die nimmer eindigt en die hem rijke vergoeding schenken zal voor alles wat hij in dit ondermaansclie dal, in deze woonplaats der zonde, in dit land zijner vreemdelingschap te verduren had. Ja eene heeili]k-

ocr page 59

49

heid wacht den opregt geloovigen ia Christus Jezus, die hem door den Heer der heerlijkheid zelveu is bereid en toegezegd, in het huis des hemelschen Vaders, waar zijn getrouwe Zaligmaker, wiens eigendom hij is, hem is vooruitgegaan, waar hem de rijkste erfenis, de ouverwelkelijke, onverderielijke kroon der overwinning wacht, waar de gansche schaar van heilige Engelen en de milioenen verlosten hem welkom heeten zullen, om in vereeniging met hen Gode en den Lamme in volmaaktheid te lieven, te loven, te verheerlijken, en zich in den Volzaligen, voor altijd op nooit gekende, maar hoogst zalige wijze te verlustigen, om eene ongestoorde hemelvreugde te smaken, van welke hij zich hier geen denkbeeld vormen kon, al werd het hem ook somtijds door Gods genade vergund kleine voorsmaken er van te genieten. Al wat Gods woord van die uit-nemendste heerlijkheid zegt, hoe veel en schoon het ook zij, zal nog maar een stuksken der zaak blijken te zijn bij de werkelijkheid die hij daar zal ondervinden. En zou dan de gedachte: eens, misschien weldra zal ik bezitter zijn van die heerlijkheid, zal ik deelgenoot wezen van mijns Heilands hemelvreugde, zal ik zijn erfgenaam Gods en medeerfgenaam van Christus, zal ik dat aardsche leed en verdriet voor immer te boven zijn, zou die gedachte hem zijne verdrukking hier beneden niet ligt doen noemen ?

Gez. 188 : 1, 4.

3. „Want zoo vervolgt Paulus vs. 18, wij merken niet aan de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet,quot; en voeg daarvan de reden bij in deze woorden,

4

ocr page 60

50

„want de dingen die men ziet zijn tiidelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eenwig; en wij lezen in deze zijne taal de uitdrukkelijke aanwijzing waarom de geloovigen, trots alle verdrukking, verdriet en lijden, in hunnen ijver, geloof en hoop volharden. Niet dat zij zich daarom volstrekt niet met de wereldsche en zigthare dingen bemoeien, niet dat zij die alle zonder onderscheid nietswaardig en gering achten, verre van daar, zij zijn verpligt in den stand waarin zij geplaatst zijn alles te doen wat hunne hand vindt om te doen; er is nog veel op de wereld hetwelk naar het uitwendige voor hen van groot belang is, maar zij hebben, door Gods genade geleerd de wereld te gebruiken als niet misbruikende; de dingen die men ziet, maken hunne hoofdzorg niet uit, zij stellen er hun hart niet op, zij laten er zich niet meer mede in dan volstrekt noodig is; en al wat de hoofdbemoeiing uitmaakt van de zoodanigen die nog geheel uit de aarde aardsch zijn begeeren zij niet; zij jagen niet onmatig naar schatten en rijkdommen, naar eer en aanzien, zij hebben een afkeer van alle de zoogenaamde vermaken en schijn-trenoeirens die de wereld aanbiedt en die het hart af-

O o

trekken van God en zijne dienst, al die ij delheid heeft voor hen niets aantrekkelijks, omdat zij beter goed bezitten, hooger genot kennen, dan dat alles wat slechts voor een korten tijd is, wat enkel schijngenot is, wat spoedig voorbij vliegt, wat onvoldaan laat en de behoeften der onsterfelijke ziel niet vervullen kan. Het zijn geheel andere dingen die de ware geloovigen in Christus begeeren; het zijn de onzienlijke dingen die zij aanmerken, en naar welke zij trachten; het zijn geeste-

ocr page 61

51

lijke zaken met welke zij liet liefst en het meest zich inlaten; het zijn de heilgoederen welke de Heere Jezus voor arme en verlorene zondaren lieeft aangehragt, waarin zij hun hoogste genoegen vinden; het is de ondervinding van Gods nabijheid, liefde en gemeenschap; het bewustzijn der vergeving hunner zonden, der wederaanneming tot kinderen der eeuwige zaligheid,

lt;J O O quot;

die hun eene vreugde in God schenkt, eene ruste des gemoeds aanbrengt, waarvan de dienaar der wereld geen denkbeeld heeft, en die hun grootste schat op aarde uitmaken. En geen wonder M. H,! deze zijn geene tijdelijke dingen maar eeuwige; alles wat op de wereld is en tot de wereld behoort, ontzinkt eens den armen en dwazen sterveling die zijn deel in dit leven zoekt, maar al ontvalt den christen alles wat zienlijk en stoffelijk is, al kan hij daarvan, zoo min als iemand, iets met zich van hier medenemen bij zijn sterven; die onzienlijke dingen, die geestelijke schatten kan hij niet verliezen, die zijn voor hem van eeuwigdurende waarde, die ziet hij zich aan de overzijde des grafs tot in het oneindige vermeerderd, dan bereikt zijn rijkdom, zijn geluk, het hoogst mogelijke toppunt, dan is hij zalig in God. Eu die verzekering, op grond van de heil beloften des Onveranderlijken, doet hem ook, door de kracht des H. Geestes, volharden in zijne keus om zijnen God hier beneden met ligchaara en geest te verheerlijken, in zijnen ijver voor Jezus en zijne zaak, in zijn geloof, in zijne liefde, in zijne hoop: die verzekering sterkt zijn -vertrouwen en vuurt zijnen moed aan, en maakt hem standvastig in het werk des Heeren, wetende dat zijn arbeid niet ijdel is in den Heere, die verzekering

ocr page 62

5*2

doet hem geduldig, lijdzaam, onderworpen, blijmoedig zelfs dragen al de verdrukking, liet verdriet en liiden, welke hem in dit leven, onder Gods wijze en liefderijke toelating, tot zijn eigen best, treffen, en door welke hij geoefend en toebereid wordt voor de genieting van dat ganscli zeer uitnemend eeuwig gewigt van heerlijkheid, hetwelk hem de ligte aardsche verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, ongetwijfeld zal uitwerken.

III. Dat wij nu laatstelijk nog kortelijk aanwijzen wat in deze Apostolische woorden tot onze leering, waarschuwing, bemoediging en vertroosting ligt opgesloten.

1. AÂ¥ij leeren hier M. H. wat voor den mensch, den sterveling, den zondaar het grootste, zaligste, gewigtigste is. Wat het zwaarste is moet immers het zwaarste wegen? Wij hoorden den Apostel spreken van een uitnemend gewigt van heerlijkheid, van dingen die men niet ziet, in tegenstelling van dingen die gezien worden. En waar een ieder nu de begeerte naar geluk is ingeschapen, daar moest de genegenheid zich het eerst en bovenal uitstrekken naar het deelgenootschap aan die uitnemende heerlijkheid, by welke niets ter wereld kan geschat worden, en die ons het hoogst mogelijk geluk deelachtig maakt. Zij is de grootste van alle schatten die men bezitten kan, een schat tegen geen goud of zilver te waardeeren, maar ook voor geen goud of zilver te koopen; zij is voor een veel duurder prijs verworven, ten koste van het dierbaar bloed des eenigen Middelaars Gods en der menschen, en is alleen verkrijgbaar gesteld voor allen die opregt in Hem geloaven; maar zij die dan ook door het geloof geestelijk met

ocr page 63

53

Jezus zijn vereenigd, bezitten dan ook het zaligste goed dat beaeden de sterren kan verkregen worden, en hetwelk men zal moeten kennen en bezitten bi] ervaring zal men niet voor eeuwig rampzalig zijn en verloren gaan, en daarom is zij ook het gewigtigste voor eiken zondaar. Deelgenoot te zijn van die geestelijke heilgoederen in Christus, welke tot de onzichtbare dingen behooren, dit maakt alleen in waarheid gelukkig, en van dat deelgenootschap moet de H. Geest den zondaar verzekeren, door hem het eigendom van den Heere Christus te maken, en hem door het geloof onlosmakelijk met dien Zaligmaker te verbinden. Och of ons aller hart naar dat grootste, zaligste, gewigtigste mogt nitgaan, en wij het, een ieder

2. voor ons zeiven, mogten begeeren ! Maar ach ! M. H. verreweg de meesten zoeken het geluk niet waar het te vinden is, en laten zich, helaas ! door de verblinding der zonde, door den schijn bedriegen; verreweg de meesten kennen niet die onzigtbaare geestelijke dingen en begeeren ze ook niet, zij spotten er mede en zijn er geheel en al ongevoelig voor, want de meeste menschen, gij moet het ons toestemmen, hebben veel meer op met de dingen die men ziet; zij zijn hoogelijk ingenomen met hunne aardsche grootheid, met hunne rijkdommen en schatten, met hunne magt en invloed die zij bezitten, met de eer en achting die men hun toedraagt; zij zijn rusteloos bezig in het najagen en genieten van de ijdele en zondige vermaken die een armzalige wereld hun aanbiedt; zij laten zich misleiden en wegslepen door het zoogenaamd genot des levens ;

ocr page 64

54

zij zoeken, bedenken, betrachten alleen de dingen die beneden zijn, zij leven in de wereld, maar ook geheel voor de wereld, terwijl de vorst der duisternis hun de oogen verblindt opdat hen niet bestrale de verlichting der heerlijkheid Gods; en alles wat zij zoo hittig najagen en begeeren, en waarin zij hun hoogste goed vinden, is slechts tijdelijk en daarbij vergankelijk; na een zeer korte wijle tijds zich in het bezit te hebben verblijd, verliezen zij alles bij den dood, en gaan doodarm de eeuwigheid in; en wat zij gaarne zouden achterlaten dat nemen zij mede: een van wegen hunne ontelbaare zonden hen veroordeelend en beschuldigend geweten. Beklaagt gij zulke ongelukkigen en verdwaasden niet, die alleen hun deel in dit leven zoeken M.H. ? Ei beklaagt dan uzelven waar gij in hen uwe beeltenis ziet, en neemt de stem nog ter harte zoo gij welligt in dezen oogenblik dat woord daar van binnen hoort: „gij zijt die man!quot; Dat is dan nog een stemme Gods tot u ter uwer waarschuwing opdat gij nog het ééne noodige zoudt zoeken en begeeren eer het te laat is en gij het niet meer kunt verkrijgen. Och mogt gij den barmhartigen God nog smeeken dat Hij, om Christus wil, U genadig zij, en door zijnen Geest uw hart zóó bewerke dat ook uwe opregte begeerte zich mogt uitstrekken tot de dingen die men juW ziet, tot die geestelijke heilgoederen die het bezit dier uitnemende hemelsche heerlijkheid waarborgen; dan zoudt gij gelukkig zijn in de ure van sterven als al het aardsche u ontzinkt, dan zoudt gij gelukkig zijn voor eeuwig; maar zoo gij de dienst van God blijft verzaken, zoo gij de wereld en

ocr page 65

55

zonde blijft liefhebben en nawandelen dan is ook uwe rampzaligheid gewis. Och! neemt om uw zelfs wil dit woord ter harte, het mogt de laatste waarschuwing eens zijn die gij van Gods wegen ontvingt. In de andere wereld komt berouw te laat!

3. Des Apostels woorden, door ons overdacht, openen ook een rijke bron van bemoediging en vertroosting voor ulieden onder M.H. die, door de genade Gods, even dierbaar geloof als hij ontvangen hebt, en die gij dezelfde hoop deelachtig zijt. Immers zij die in den Heere Jezus Christus gelooven en de Zijnen zijn, kunnen gemoedigd zijn ouder al het leed dezer aarde, omdat zij bezitters zijn van dingen die niet gezien worden, en erfgenamen van eeue uitnemende eeuwige heerlijkheid. ■— ,In de wereld zult gij verdrukking hebbenquot;, dat was het woord door den goddelijken Meester tot zijne discipelen gesproken, en de vervulling daarvan wordt in meerdere of mindere mate bevestigd door de ervaring van een ieder die in Hem gelooft, die zich Zijns niet schaamt, die vrijmoedig voor Hem en Zijne zaak uitkomt ; wij hebben gezien die verdrukking bestaat niet altijd in martelaarschap en dood, maar ook in ondervinding van minachting, liefdeloosheid, haat en vijandige bejegening, in alle leed dat, hoe gering ook op zich zeiven, wordt aangedaan omdat men zich afscheidt van de wereld, omdat men uiet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid ; ziet daarom, zegt de Apostel Petrus, wordt men gelasterd ; aan wat al beschimping en bespotting, hoon en smaad staat men niet bloot in eene wereld die in het booze ligt, als

ocr page 66

56

men den Heere vreest en Jezus discipel is. — Maar, vrienden des Heeren! Als de wereld u liaat, bedenkt dan dat zij uwen Heer noof veel eerder dan u gehaat heeft; als zij u verdrukt of verdriet aandoet, bemoedigt u dan met de gedachte dat deze ligte verdrukking zeer haast voorbijgaat, laat de wereld lagchen en u bespotten, eens komt de tijd dat hare vreugde in smart, maar uwe droefheid in blijdschap veranderen zal. Wat u ook dreigt of treft tracht onder alle omstandigheden kinderlijk en lijdzaam uwen Heer te volgen en het kruis Hem natedragen, op het kruis volgt weldra de kroon, en uwe aardsche verdrukking, van welken aard die dan ook zijn moge, werkt vi een gansch zeer uitnemend eeuwig gewigt van heerlijkheid. Onuitsprekelijk groot is de zaligheid die IJ daar boven, na afloop uwer vreemdelingsreis hier beneden, wacht; het oog des ge-loofs dan daarop steeds gerigt, en onder afbidding van den invloed des H. Geestes, hoe langer hoe meer maar begeerd, gezocht betracht de dingen die men niet ziet, de geestelijke, eeuwige dingen, zoo zult gij onder genot en bij gemis, onder vreugd en smart, door lief en leed des te meer geoefend worden in de plig-ten der godzaligheid, en voorbereid voor de inwoning in dat vaderlijke huis daar boven waar gij, als erfgenaam Gods en medeerfgenaam met Christus, in die uitnemende heerlijkheid eindeloos U zult verblijden, welke Hij heeft verworven en bereid voor allen die Hem liefhebben in onverderfelijkheid, Amen!

Nazang Ps. 16 : 6.

ocr page 67

LEERREDE

OVER

JEZ. 42 : 16.

Voorzang Gez. 92 : 1—3.

gelezen jez. 42.

Gezongen Ps. 72 : 6, 7.

De propheet Jezaïa M. H.! uit wiens boekrol ik u daar mijnen tekst voorlas, lieeft geleefd en geprophe-teerd onder de koningen van Jnda, Ussia, Jotham, Ach as en Hishia. Men vindt bij hem eene reeks van prophetieën tegen onderscheidene vreemde volken uitgesproken, maar ook de zoodanige die op Israël en Juda betrekking hebben. Het nakroost van Jacob wordt, wegens deszelfs veelvuldige zonden en verregaande ongeregtigheden, door hem in Jehova's naam ernstig gewaarschuwd en bedreigd; hij voorzegt de belegering van Jeruzalem en hunne ballingschap in den vreemde ; doch het ontbreekt bij hem evenmin aan een rijkdom van vertroostende toezeggingen van verlossing en uitredding uit tijdelijke nooden en ongelegenheden,

ocr page 68

58

alsmede van bemoedigeucle beloften van alle geestelijk heil, in den door God beloofden Messias te verwachten. Ook in dit hoofdstuk wijst hij op Hem die de lloope Israëls is.

I. üat wij eerst bij het verband en den zin dei-tekstwoorden stilstaan,

II. vervolgens naar aanleiding daarvan tot u spreken over Gods onbegrijpelijke genadelelding met ellendige zondaren, om

III. eindelijk met een toepasselijk woord te besluiten.

I. Wij zeiden zoo aanstonds M. H.! dat de propheet in ons teksthoofddeel sprak over den door God beloofden Messias en de zegeningen welke deze zou aanbrengen. Het ontbreekt evenwel niet aan schriftuitleggers die van oordeel zijn dat men hier alleen te denken heeft aan den Persischen koning Cyrus die Israëls volk uit de Babylonische ballingschap zou verlossen, door het rijk van Babel te overmeesteren, en aan de gevankelijk weggevoerde Joden vrijheid te geven om naar hun land weder te keeren en stad en tempel te herbouwen, doch wanneer men alle de uitdrukkingen, in dit hoofdstuk voorkomende, met allen ernst overweegt en de beteekenis daarvan nagaat, zal men moeten erkennen dat zeer velen derzelve onmogelijk zonder verdraaijing, op Cyrus kunnen worden toegepast. Evenwel verreweg de meeste en beste uitleggers denken hier (en onzes inziens te regt) aan een Messias wien de godvreezenden onder Israël verwachteden. In deze meening worden wij bevestigd wanneer

ocr page 69

59

wij den Heere Jezus zelf Matth. 12 : 18—20 liooren betuigen dat wat de propheet vs 1 en verv. gesproken had, in en door Hein was vervuld. Nu, dien Messias had, naar vs. 5, 6, God de Heere, die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid, die de aarde uitgespannen heeft — gesteld niet alleen tot een verbond des volks van Israël, maar ook tot een licht der Heidenen, deze zou dus ten zegen zijn voor alle volken der aarde, onder de bedeeling des Evangelies zouden alle geslachten de rijkste geestelijke zegeningen ontvangen, naardien God zich in den rijkdom Zijner ontferming jegens verlorene kinderen van Adam zou openbaren. De verlossing uit de Babylonische ballingschap zou groot en heerlijk zijn, maar de verlossing welke door den Messias zou worden uitgewerkt en daargesteld nog veel grooter en heerlijker; de eerste zou slechts eene tijdelijke, de laatste eene eeuwige verlossing wezen; nieuwe dingen deed Jehova verkondigen eer zij nog daar waren; zulke dingen voor welke men Hem nooit genoeg zou kunnen loven en danken; daarom worden zij dan ook, vs. 10 en verv., opgewekt om den Heere een nieuw lied te zingen, zijnen lof van bet einde der aarde; en om Hem eere te geven; deels wegens het straffen zijner vijanden, deels wegens het verlossen van zyn volk; Jehova zou het gansche land der Chaldeen verwoesten, en alles uit den weg ruimen wat den terugkeer van zijn volk naar Kanaan zou kunnen beletten; „Ik, zegt God, zal de blinden leiden door den weg dien zij niet geweten hebben, Ik zal hen doen treden door de paden die zij niet geweten hebbenquot;; de blinden zijn hier

ocr page 70

60

de Israëlieten die in den staat hunner ballingschap geheel blind waren voor eenen weg van uitredding en verlossing, van zoodanig een weg waren zy geheel onkundig, zij zagen niet de geringste straal van hoop om eenmaal uit hunnen treurigen toestand ontslagen te worden, en nogthans God zou hen weder naar hun land brengen op eene geheel ongedachte wijze. God zou eenen weg banen welken zi] zich niet hadden kunnen voorstellen; God zou hen door paden leiden die zij van te voren niet berekenen konden, noch vroeger gekend hadden; ,Ik, vervolgt de Heere, zal de duisternis voor hunne aangezigten ten licht maken, en het kromme tot regtquot;, het zal hun duidelijk en helder worden wat zij zich nu nog niet kunnen voorstellen, hun toestand zal werkelijk ten goede veranderd worden, hunne treurigheid zal in blijdschap, hun tegenspoed in voorspoed veranderen, het kromme zal Ik regt maken, alle hinderpalen zal Ik uit den weg ruimen, hun verduisterd verstand zal Ik verlichten, hunnen verkeerden wil en hartstochten veranderen en verbeteren, zoodat zij niet meer zich van Mij afkeeren, maar aan mijne dienst en vereering verbonden worden. .Deze dingen zal Ik hun doen en Ik zal hen niet verlatenquot; ; Ik zal hen veilig tot het einde hunner reis geleiden, Ik zal hun voortdurend ten goede nabij blijven, Ik zal hen nooit begeven of verlaten. Ziet zoo zou de getrouwe verbonds God zijn volk naar het tijdelijke beweldadigen, maar wat Hij hier sprak doelde niet minder, zoo niet voornamelijk, op de geestelijke zegeningen welke Hij hun als blinde en ellendige zondaren, in den Messias

ocr page 71

61

belooft te zullen toedeelen, en dan lezen wij in deze woorden, de onbegrijpelijke genadeleiding Gods met ellendige zondaren, over welke wij, in het

II. Tweede deel onzer rede tot n wenschten te spreken,

Wij vestigen daartoe het oog: 1. op die onbegrijpelijke genadeleiding Gods in de teregtbrenging des zondaars; 2. op den schat van zegeningen die daaruit voor hem voortvloeit; 3. op de bestendigheid van zijn geluk.

1. Blinden zijn in eenen geestelijken zin alle zondaren van nature zooals zij door de zonde diep bedorven en met haar geheel doortrokken zijn geworden; blind en verduisterd in het verstand is de zondaar met betrekking tot de kennis der goddelijke en geestelijke waarheden, de Apostel Paulus schrijft dan ook, en de ervaring bevestigt het: „de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, zij zijn hem eene dwaasheid, hij kan ze niet verstaan omdat zij geestelijk onderscheiden worden,quot; en dat ,omdat al het gedichtsel der gedachten zijns harten ten allen dage alleenlijk boos is;quot; blind is hij omtrent alle hemelsche openbaring, omtrent God, zijn Wezen, zijne werken, zijne wetten, omtrent den Middelaar en het werk dei-verlossing door Hem, omtrent de ware godsvereering, omtrent zijnen eigenen toestand en verwachting. Blinden nu kunnen den weg niet zien, noch ook alleen bewandelen, dien zij gaan moeten, zij hebben eenen leidsman uoodig; maar welk eene onbegrijpelijke genade nu, welk een onuitsprekelijk voorregt voor den zondaar, de Hooge God wil zelf zijn leidsman zijn op

ocr page 72

62

dien weg die tot eeuwige zaligheid leidt; door ivegen en paden wordt dan hier uitgedrukt de wijze en het middel om verdoolde en verblinde zondaren teregt te brengen en te voeren tot leven en gelukzaligheid. Door het Evangelie en deszelfs prediking, door den Heere Jezus Christus en het geloof in Hem, door de werking en invloed van den H. Geest, door zijne opzoekende liefde en voorkomende genade zou de Almagtige die heugelijke daadzaak bewerkstelligen. Die wegen en paden kent de zondaar van nature niet, al hoort hij er over spreken, hij verstaat of begrijpt het niet. en waar hij nu den eenigen veiligen weg tot zaligheid niet weet, daar bewandelt hij denzei ven ook niet, hij leeft als zonder God, zonder Christus, zonder hoop in de wereld, hij is geheel vervreemd van het leven Gods; maar die wegen en paden leert God zelf hem kennen waar Hij hem van zijne geestelijke blindheid geneest, en door Zijnen Geest hem het oog der ziel opent, dan valt hem de blinddoek van het gezigt; God leidt hem door ontdekking aan zichzelven, door overtuiging van zonde en schuld, door behoeftegevoel aan eenen Zaligmaker en dergelijke, op het pad hetwelk naar boven leidt, en hetwelk nooit één enkele zondaar uit zichzelven, zonder die genadeleiding, zou vinden of betreden ; God ontdekt alzoo aan den zondaar den weg. Hij brengt hem op denzelven, Hij bestuurt hem daarop. Hij blijft bij hem ten einde toe, zoodat hij nimmermeer kan verdwalen; die onbegrijpelijke genadeleiding Gods openbaart zich dan het eerst in den blinden zondaar op dien weg te brengen, door Zijn Woord en

ocr page 73

63

Zijnen Geest, immers het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het woord Gods; zoo staat er ook (Hoofdst. 30) geschreven; „Uwe oogen zullen uwe Leeraars zien, en uwe ooren zullen hooren het woord desgenen die achter (J is, zeggende, dit is de weg, wandel in denzelven,quot; door den Geest verlicht Hij het verstand zoodat hij nu de waarheid leert verstaan, en neigt zijn hart om dezelve aan te nemen met toepassing op zichzelven; de H. Geest is hem een Geest dei-wijsheid en der openbaring in de kennis van God: door denzelven wordt zijn wil overgehogen zoodat hij nu geen grootere begeerte heeft dan den weg der godzaligheid te bewandelen: Davids taal kan hij nu de Zijne maken: ,ik heb verkoren den weg der waarheid, uwe regten heb ik mij voorgesteldhij wordt door God meer en meer in die keus versterkt, en ontvangt ook kracht om dat alles te bestrijden wat hem bij het wandelen op des Heeren pad hinderlijk is, en hetwelk hij vroeger zoozeer najoeg en liefhad, doch waarvan hij thans den sterksten afkeer heeft; hij krijgt een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen menscli, de Heere doet hem wandelen in Zijne inzettingen, welke hij vroeger niet kende; en waar God nu alzoo door hartveranderende genade den zondaar op den weg des heils, op de paden der eeuwige behoudenis gebracht heeft, daar laat Hij hem nu verder niet aan zichzelven over, neen, daar blijft Hij hem, naar Zijne beloften, geleiden, den geheelen reisweg over doet Hij hem Zijne nabijheid, hulp en zegen ervaren; Hij heeft den alzoo vernieuwden en

ocr page 74

64

teregt gebragten zondaar een hart gegeveu om Hem te vreezen alle de dagen; de zonde leerde Hij hem kennen in haren Godbeleedigenden en zielverdervenden aard; • in opregtheid haar beweenen en belijden, haar als zijne ergste vijandin bestrijden; Hij leide hem door het dal van tranen tot de blijdschap des geloots die er in Christus is, Hij gaf hem inzien in den weg der Verlossing door Hem, zoodat vrede des gemoeds; ruste der ziel, vergeving van alle zonden, zijn zalig deel werden om de verdiensten des Verlossers. En is er nu op den weg der godzaligheid voortdurend veel te leeren, veel te doen, veel te ontberen en te verloochenen, wat nood? hij bezit den besten^ wijssten en zacht-moedigsten Leidsman die de blinden doet gaan op de paden die zij vroeger niet geweten hebben; met God den Almagtigen aan zijne zyde komt de zondaar over en door alles heen, dan is geen weg te moeijelijk, geen pad te diep, geen kruis te zwaar, geen vijand te sterk, geen gevaar te groot; God maakt dat zijn werk in waarheid is, en waar hij valt, wordt hij niet weggeworpen want de Heere ondersteunt zijne hand, volbrengt Diens kracht in zijne zwakheid. Hij vermenigvuldigt de sterkte dien die geene krachten heeft; Hij leidt hem naar Zijnen raad, schenkt hem alles wat hem nuttig is, zendt hem Zijn licht en waarheid dat die hem leiden, en doet het hem naar het geestelijke aan niets ontbreken. Maar wanneer nu ook een blind, zondig, en daardoor ellendig Adamskind zoo door Gods genadeleiding ontdekt en op het regte pad is geleid van hetwelk hij te voren onkundig was en verre

ocr page 75

65

was afgedwaald, zou dan daaruit niet een schat van zegeningen voor hem voortvloeien ? Dat is het waarop 2. wij verder het oog zouden vestigen. Immers ja M. H.! vele en velerlei zegeningen die hij te voren evenmin kende als den weg waarop zij genoten worden. Of ligt die rijkdom van geestelijk genot niet opgesloten in de verdere belofte Gods: „Ik zal de duisternis voor hun aangezigt tot licht maken en het kromme tot regt?quot; Is duisternis een beeld van ellende en jamnier, licht is een beeld van geluk en genot; is er aan duisternis verdriet verbonden, met het licht gaat blijdschap en vreugde gepaard; is iets wat krom is, dikwerf lastig en onaangenaam, veel verkieselijker is iets wat effen en regt is; duisternis drukt den geest neer en maakt somber, licht verheldert en wekt op; de zondaar, ach! zooals hij daar onbekeerd van nature henenleeft, wandelt in den nacht van de dikste duisternis naar den geest en weet niet waar hij benen gaat, maar ziet daar wordt de genadeleiding Gods aan hem verheerlijkt en daar wordt hij overgebragt uit de duisternis tot het licht, dat is tot een' staat van heiligheid, van ware kennis en blijdschap. Ja des zondaars geheele verblinding en onkunde in geestelijke zaken heeft opgehouden te bestaan sinds hij door des Heeren Geest is onderwezen; maar niet op eens is het voor hem vollen middag geworden, niet op eens zijn alle nevelen weggevaagd, niet op eens is bij hem het licht des geloofs helder en vast, maar onder Gods genadeleiding wordt het hem bij den voortgang op dien weg steeds helderder, en neemt hij toe in meerdere zelfkennis, in meerdere

ocr page 76

66

kennis van den Volzaligen zeiven, en van den Heere Jezus Christus, die hem nu zoo onuitsprekelijk dierbaar is geworden; vele moeiielijkheden en bezwaren doen zich aan hem telkens voor, vele vijanden heeft hij te bekampen, diepe wegen te doorworstelen, doch onder en bij dat alles leert hij verstaan wat David zeide: „in Uw licht, o Heere! zien wij het licht,quot; en de kromme wegen worden soms op het ongedachtst effene paden voor zijne voeten door de goedertierendheid van Zijnen hemel-schen Leidsman, die menigwerf de nevelen als rook doet verdwijnen, alle bezwaren uit den weg ruimt, al het kromme regt maakt op zijnen tijd; de waarheden in Gods heilig woord vervat, leert hij hoe langer hoe beter verstaan en beoefenen, zoodat zij in toenemende mate van gezegenden invloed zijn op zijn openbaar en verborgen leven voor God en menschen; dat woord wordt hem alzoo hoe langer hoe meer zijn dierbare gids op den weg der godzaligheid, eene lamp voor zijnen voet, een licht op het pad; hij ondervindt bij voortduring de vertroostende, zalige en heiligende kracht van dat woord; hij deelt onafgebroken in de leidingen en vertroostingen des H. Geestes; daardoor geniet hij dan ook eene blijdschap in God, vroeger hem geheel onbekend, en bezit hij dien vrede met God die alle verstand te boven gaat en die harten en zinnen bewaart in Christus Jezus; hij wordt hoe langer hoe meer gereinigd van alles wat nog krom en verkeerd is in hem, van zondige driften en verkeerde hartstochten, zoodat hij regte paden leert maken voor zijne voeten, en zich zeiven reinigen van alle besmetting des vleesches en

ocr page 77

67

des geestes voleindigende zijne heiligmaking in de vreeze Gods; Ik zal dat alles doen, zoo belooft de Al-raagtige voor wien geen ding onmogelijk is ; de zondaar toch, hoezeer door Gods genadeleiding te regt gebragt, kan zulks uit en door zichzelven niet: „diezelfde God, schrijft Paulus, die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis schijnen zou, is degenen die in onze harten geschenen heeft om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezigt van Jezus Christus,'' en de ervaring van alle geloovigen drukt daar ontegenzeggelijk het zegel op; „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn immers alle dingenquot;; gewis het is de barmhartige God alleen die den zondaar, door de duisternis wegtenemen, door geestelijk licht mede te deelen, maakt tot een nieuw schepsel in Christus Jezus, geschapen tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat zij in dezelve zouden wandelen. De blinde zou wel blind blijven zoo de Heere hem niet ziende maakte, de duisternis zou wel voortduren zoo de Heere niet gebood „Er zij licht,quot; het kromme zou nooit regt worden zoo de Heere het niet deed; alle de geestelijke zegeningen, waarin de verloste zondaar zich hier mag verblijden, zijn alleen uit Hem de eenige en onuitputtelijke bron alles goeds; zijne zielsrust, zijnen vrede, zijne blijdschap, zijn geloof, zijn vertrouwen, zijne hoop, zijne zalige verwachtingen voor de eeuwigheid, alles heeft hij alleen te danken aau Hem die, om het eeuwig vrij welbehagen in Christus, groote barmhartigheid aan hem gedaan heeft; die ook hem getrokken heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht, opdat hij 's Heeren

ocr page 78

68

deugdeu verkondigen zou, en de geua.de leeren roemen en verheerlijken die aan hem is bewezen.

3. Vestigen wij nu in de derde plaats het oog op de bestendigheid van zrjn geluk. Is de blinde zondaar eenmaal ziende gemaakt, en geleid op den weg des heils, welken hij vroeger niet kende, hij kan nooit meer van dien weg afdwalen; is voor hem de duisternis eenmaal vervangen door het licht, dat licht kan nooit meer voor hem ondergaan; is al het kromme eenmaal regt gemaakt, het is voor geene verbuiging meer vatbaar; zijn geluk dat hij bezit is onverliesbaar; vraagt gij naar bewijs voor hetgeen wij zeggen M. H.! o gij leest de bestendigheid van het geluk des geloovigen in de verdere toezegging Gods in den tekst „deze dingen zal Ik hun doen en Ik zal ze niet verlaten,quot; de grond ligt dus geheel vast in de onveranderlijkheid des Waarachtigen, wiens woorden niet feilen, maar alle wiens beloften Ja en Amen zijn in Christus Jezus. Deze besluiten en voornemens, deze beloften van zulke groote zegeningen, die Ik hier nu doe, dit genadewerk hier toegezegd, dit alles zal Ik hun doen; het is eene zeer sterke belofte Gods die hun de zekerheid daarvan moest vergewissen, alsmede de mogelijkheid van de zaak, hoe groot die ook in hunne oogen zijn mogt, hoe wonderlijk en onbegrijpelijk die hun ook mogt toeschijnen, hoe ongeloofelijk zij bijkans zijn mogt; zij moest hun verzekeren dat dit alles zou hunnen geschieden naardien de Almagtige zelf zulks doen zou; wie zou er aan kunnen twijfelen, daar Hij, die boven alle goden is, en die in den hemel doet alles wat Hem behaagt, het

ocr page 79

69

toezegt? Daarenboven Zijn werk dat Hij eenmaal begon en daarstelde zon Hij niet laten varen; wie Hij zich aan ellendige en verblinde zondaren had betoond te zijn in hunne genezing en teregtbrenging, die zou Hij ook immer voor hen blyven, „Ik, zegt God, zal hen niet verlaten;quot; Ik zal hun leidsman blijven op al den weg dien zij te gaan hebben; zoo drukken deze woorden dan uit de onveranderlijkheid der goddelijke genade in eiken door Hem teregtgebrachten zondaar en ge-loovigen in den Heere Jezus Christus; in dien genadestaat worden zij voortdurend bewaard in de kracht Gods, het geestelijk licht dat in hunne zielen is opgegaan blijft hen beschijnen, goddelijke hulp en bescherming, onder rampen, tegenheden en gevaren, onder strijd en lijden, zullen hun nooit ontbreken, God zal steeds hij hen en hun God zijn en blijven. En deze Zijne belofte heeft de Barmhartige en Getrouwe reeds aan duizenden en millioenen der kinderen van Adam vervuld en bevestigd, aan die allen die nu reeds daar boven in Zijne zalige gemeenschap en nabijheid zich storeloos verblijden, en die ook eens, toen zij hier beneden leefden, zulke blinde en ellendige zondaars waren; deze belofte vervult en bevestigt Hij nog tot op den dag van heden aan allen die Hem kennen in het aan-gezigt van Jezus Christus als de God hunner hoope en volkomene zaligheid; deze Zijne belofte zal Hij blijven vervullen en bevestigen aan allen aan wie Hij nog verder tot den afloop der eeuwen Zijne genadeleiding verheerlijken zal, die Hij nog verder op den heilweg zal brengen, en voor wie Hij de duisternis zal maken

ocr page 80

70

tot een heerlijk scliijnend liclit voortgaande en lichtende tot den vollen middag. Och! waren er nog vele ellendige zondaren die dat hooge geluk van den God des heils biddende begeerden!

Gez. 76 : 1, 2.

III. Dat wij nu nog met een woord van toepassing-besluiten.

1. Allen hebben wij de grootste behoefte aan die genadeleiding Gods M. H.! want ook wij zijn van nature blind en onkundig van den weg des heils. Het licht van Gods genade moge door de prediking van het dierbaar evangelie der verzoening onder ons schijnen, verreweg de meesten zijn nog blind voor dat licht en wandelen in de duisternis der zonde en ongeregtigheid, niet wetende waar zij henengaan; de weg des heils moge ons worden verkondigd en voorgesteld, bij verreweg de meesten heerscht er nog eene heidensche onwetendheid omtrent denzelven, verreweg de meesten keeren zich nog van denzelven af, en van de wijze om op dien weg te geraken en op denzelven te wandelen zijn zij zoo onkundig of zij zulks nog nooit gehoord hadden; ja onnoemelijk groot is het getal van hen die nog geheel buiten den eenigen, ons geopenbaarden, heilsweg leven, en die dan ook nog geheel die genadeleiding missen waarvan in den tekst sprake is; zij wandelen nog op een geheel verkeerden weg die van God afwijkt, zij wandelen naar de eeuw dezer wereld, en worden op en weg geleid door den vorst der duisternis die hun

ocr page 81

71

de oogen en zinnen verblindt; zij volbrengen de begeerlijkheden des vleesches en der gedachten en leven naar eigen zin en lust, naar de inspraken van hun boos en arglistig hart; zij jagen de wereldsche ijdelheden na en zoeken hun deel in dit leven. En al zijn anderen meer ingetogen en zedig, al hebben zij veel godsdienstig gevoel; vertoonende eene gedaante van godzaligheid, ach! zoo zij bij dit alles niet vernieuwd zijn in den geest hunnes gemoeds dan zijn ook zij nog geestelyk blind, geheel onkundig van het geestelijk leven dat uit God is door den H. Geest, zij vergenoegen zich dan met den schijn zonder wezen, zij zeggen dat zij God kennen maar verloochenen Hem met hunne werken, zij zijn geheel vreemd aan zijne genadeleiding aan welke zij als arme en verlorene, als ellendige en doemschuldige zondaren de grootste behoefte hebben, want zonder haar kunnen wij niet behouden worden ten leven, maar zullen eeuwig omkomen. Gewis M. H.! als de zondaar blijft die hij door de zonde geworden is, dan blijft hij verwijderd van God, dan blijft hij een hater en vijand van God, dan blijft hij een onderdaan van het rijk der duisternis, dan is er voor hem geene behoudenis of zaligheid mogelijk, dan zal hij sterven in zijne zonden, en moet dan ook, geen schuhlverzoener bij God hebbende, noodwendig voor eeuwig verloren gaan, want alleen door die genadeleiding Gods wordt men de hoogste gelukzaligheid deelachtig, leert men den toekomenden toorn ontvlieden en wordt men hersteld in de gunst en liefde Gods ; alleen als men dien weg des ootmoedigen geloofs in Christus leert kennen

ocr page 82

72

en bewandelen, dien men van nature niet weet, verkrijgt men vergeving van alle zonden, verkrijgt men genade op grond van het bloed der verzoening dooiden Middelaar Gods en der menschen gestort; alleen dan ontvangt men deel aan alle die geestelijke zegeningen door God beloofd en toegezegd aan allen die Hem liefhebben, vreezen en dienen. Zoo is dan ons aller toestand diep ellendig, hoogst ongelukkig zoolang wij nog tot de geestelijk blinden behooren M. H.

2. Zegt u de stem daar van binnen dat gij u nog onder de zoodanigen moet rangschikken, o wij hebben dan een woord van opwekking en bemoediging voor u. Is het zoo dat gij nog geestelijk blind zijt en nog onbekend met den weg des heils; kan niemand u op dien weg brengen of bewaren dan God alleen ; kan de duisternis waarin gij leeft alleen verdreven worden door het licht dat van Hem uitgaat; is Hij, de Almagtige, alleen in staat om ook bij u al het kromme regt, al het verkeerde goed te maken; buigt u dan voor Hem neder die in den zondaar het willen en het werken beiden volbrengen wil: bidt Hem in Jezus naam pleitende op zijne verdiensten, dat Hij Zijne genade ook aan u verheerlijke, dat Hij door Zijnen H. Geest ook xi het oog der ziel opene, ook u dien eenigen heilsweg leere kennen, en uwe voeten op denzelven rigte; bidt Hem dat hij in u de kracht der zonde en der zinnelijkheid verbreke, en u lust, moed en kracht toedeele om van heden af tegen haar, als uwe ergste vijandin te strijden; dat Hij u alzoo vernieuwe in den geest uwes gemoeds en u het pad leere bewandelen hetwelk

ocr page 83

73

chn verstanrligen naar boven leidt; Hij de Barmhartige en Lankmoedige wil niet uw verderf maar uwe behoudenis, dat zweert Hij bij zichzelven , Hij belooft in den tekst dat Hij de blinden zal leiden op den weg dien zij niet geweten hebben, hen zal doen gaan op vroeger bij hen onbekende paden, dat Hij de duisternis tot licht zal maken en het kromme tot regt; pleit op die belofte, en houdt bij Hem aan op hare vervulling ten uwen opzigte; laat u daarvan door geene grootheid van schuld, door geene veelheid van zonden, door geene langdurigheid van hartverharding terug houden, want Hij, met wien gij te doen hebt, is in Jezus Christus zijnen Zoon, groot van goedertierenheid, oneindig rijk in genade. Hij heeft blijdschap in verlossen en vergeven ; verlangt gij die zegeningen te verkrijgen waarin zich zijne gunstgenoten verblijden, ziet gij heilbegeerig uit naar het goed door God beloofd, laat dan niet los voor dat Hij u zegent, Hij wil er om gebeden zijn dat Hij het u doe, maar Hij is ook een hoorder der gebeden, een waarmaker zijner beloften, een belooner dergenen die Hem zoeken. Anne zondaars! tot Hem dan heen door wien gij rijk kunt worden in God ; tot Hem heen gij verdwaalden ! die u alleen den waren weg ten leven leert kennen ; tot Hem heen gij blinden! zoo gij ziende wilt worden; tot Hem heen gij verlorenen! zoo gij wilt behouden en zalig worden; tot Hem heen gij heilhegeerigen ! zoo gij rust, vrede, blijdschap en leven der ziel wilt vinden ; door Hein, den God aller genade, zullen dan alle uwe geestelijke behoeften vervuld worden, gij zult zijne genadeleiding

ocr page 84

74

ervaren, den weg des heils leeren kennen en bewandelen, in zijn licht het heerlijkst licht aanschouwen, en met al zijn volk kunnen betuigen : „uit genade ben ik zalig geworden door het geloof, niet uit mij het is alleen Gods gave, uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in der eeuwigheid!quot; Niets is aangenamer en zaliger dan zulk een voorregt te bezitten, onder het beste geleide van den besten Leidsman, op den besten weg te wandelen die ten hemel voert; niets is veiliger dan dien God tot ons deel te bezitten die nimmer ons verlaat maar trouwe houdt in eeuwigheid, die door zijnen Geest voert in een effen land, die geleidt tot over graf en dood, wiens stok en staf onder alle omstandigheden de krachtigste vertroostingen aanbrengen.

3. Dat hebt gij bij eigene ervaring leeren kennen M. H. ! die, tot roem van Gods genade, betuigen kunt en moet: „één ding weet ik dat ik te voren blind was en nu zie, eertijds was ook ik duisternis, maar nu beu ik licht in den Heere, met vele geestelijke zegeningen in den hemel in Christus Jezus heeft mij de Barmhartige beweldadigdquot;. En nu hebt gij immers, bij de herinnering daaraan te dezer ure, niet noodig dat wij u vermanen van die gunstige verandering in u Hem alleen de eer te geven, en er Hem levenslang voor te danken? Gij wilt immers wel de eerste zijn om te erkennen, dat gij nog geestelijk blind zoudt zijn zoo de Heere zich niet over u had ontfermd, dat gij nog onkundig van den weg ten leven zoudt wezen, zoo de Heere u niet op denzelven gebragt had ; dat gij nog in de duister-

ocr page 85

75

nis zoudt wandelen zoo de Heere zijn vriendelijk aan-gezigt niet over u had doen lichten ? Erkent, aanbidt en verheerlijkt dan steeds zijne vrije genade in Christus aan u bewezen, gevoelt dan nu ook levendig en diep uwe dure verpligting om op dat pad der godzaligheid Hem welbehagelijk te zijn, loopt met blijdschap dat pad opdat gij naar waarheid den dichter moogt kunnen nazeggen : „ik ben vrolijker in den weg uwer getuigenissen, o Heere! dan over alle rijkdomquot;; tracht u veel nabij den Heere uwen God te honden, laat u steeds door Hem leiden, dan kunt of zult gij niet dwalen, dan zal Hij u altijd zoo leiden als voor u noodig en nuttig is; steunt nooit op eigene wijsheid en kracht dan zoudt ge welligt struikelen of vallen ; aan zijne hand alleen gaat gij veilig, met Hem komt gij de hoogste bergen van zwarigheden te boven, met Hem geraakt gy behouden door de diepste wegen van beproeving door; met Hem kunt gij het zwaarste krnis gemakkelijk torschen; met Hem biedt gij moedig het hoofd aan alle uwe vijanden; met Hem blijft gij aan het einde overwinnaar in den strijd. Waart gij eertijds duisternis, maar nu licht in den Heere, wandelt dan nu ook als kinderen des lichts, beproevende wat den Heere welbehagelijk zij, en hebt geene gemeenschap met de onvruchtbaare werken der duisternis, maar laat uw licht schijnen voor de menschen opdat zij, uwe goede werken ziende, den Vader in de hemelen mogen verheerlijken; ziet dan toe hoe gij voorzigtelijk wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen den tijd uitkoopende dewijl de dagen boos zijn; gedraagt en betoont u dan

ocr page 86

76

als dezulken die door de kennis van den heilsweg en van den Heere Jezus als uwen Redder en Zaligmaker verlichte menschen naar den geest zijt geworden. Och of het n gegeven mogt worden meer als lichten te schijnen te midden van een krom en verdraaid geslacht, te midden van eene wereld die in het booze ligt, en in toenemende mate de deugden te verkondigen van Hem, die, naar zijn vrijmagtig welbehagen, u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht. Bedenkt daartoe veel wie gij in uw treurig eertijds waart, en wie gij nu onder Gods genadeleiding zijt geworden ; vergeet nooit de grootheid uwer verlossing en den prijs door uwen Verlosser daarvoor besteed; en zoudt gij dan, der zonde afgestorven zijnde, nog in dezelve leven? dat zij verre! zegt gij, welnu dan begenadigden in den Geliefden! strijdt dan voortdurend den goeden strijd des geloofs, waakt en bidt; uwe hoop en vertrouwen blijven in alle omstandigheden, naarligchaam of geest, op uwen getrouwen Verbonds God gevestigd, Wiens belofte daar voor u ligt, dat Hij u nimmer zal verlaten; reist dan gemoedigd uwen verderen pelgrimstogt hier beneden, naar uw vaderland dat boven is, „daar zal (Jez. 60 : 19b, 20) uwe zon niet meer ondergaan, en uwe maan zal haar licht niet intrekken, want de Heere zal u tot een eeuwig licht wezen, en uw God tot uwe sierlijkheid, daar zullen de dagen uwer treuring voor eeuwig een einde hebben, en gij zult eindeloos in het licht van Zijn aanschijn leven en u verblijden,quot; Amen!

Nazang: Ps. 48 ; 6.

ocr page 87

LEERREDE

over

ROM. 5 : 21.

Voorzang Ps. 103 : 2, 6.

Gelezen Rom. 5.

Gezongen Ps. 32 : 1, 3.

De Apostel Paulus wijst in dit hoofdstuk aan, M. H.! dat de regtvaardigheid des geloofs, door hem geleerd en gepredikt, genoegzaam is om den zondaar eeue eeuwige vertroosting te doen genieten; zulks doet liij ter wederlegging van de vijanden des Evangelies, en ter bevestiging der geloovigen te Rome in de waarheid door hen beleden en aangenomen; vervolgens toont hij aan dat die leer der regtvaardigheid des geloofs ten hoogste Godewaardig is, dewijl dezelve, benevens het leven daaraan verbonden, tot ons door Christus komt op dezelfde wijze, als de zonde en dood tot alle meu-schen gekomen waren door Adam; terwijl hij duidelijk doet zien dat de genade van Christus groot overwigt had boven de zonde van Adam, dewijl dezelve alle

ocr page 88

78

zonden wegneemt en een duurzaam genot des levens aanbrengt. In het vers dat onzen tekst voorafgaat schrijf hij: „Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde,quot; door de diepe verdorvenheid des zondaars is nogthans de zonde, niettegenstaande God zijne wet gegeven had om van haar aftesehrikken, meerder geworden door de voortdurende moedwillige overtreding der wet, „en waar de zonde aldus meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest,quot; daar zij de genegenheid Gods openbaarde om in Christus alle die zonden te vergeven. En nu spreekt hij in ons tekstvers over de heerschappij der zonde en die der yenade.

I. Dat wij eerst den gewigtigen inhoud der tekstwoorden overwegen.

II. Daarna met het verhandelde inkeeren tot ons-zelven.

I. Wij zien hier, M. H.! eene heerschappij of ko-ninglijke magt toegekend

1. eerst aan de zonde, daarna aan de genade, en wat beider heerschappij bedoelt en uitwerkt.

Paulus doet dit in dezen brief zoo sterk uitkomen omdat hij met zijne Evangelieverkondiging ten doel had alle roem aan des menschen zijde nittesluiten en de zaligheid alleen aan de verdiensten van den Heere Christus toetekennen; omdat hij wenschte dat de zondaar met zijne behoefte aan Jezus, als Zaligmaker, op de regte wijze zou bekend worden, dat hij mogt opgewekt worden tot het geloof in den Verlosser, en alzoo mogt worden bevrijd van het eeuwig verderf; omdat hij het

ocr page 89

79

Evangelie alleen ter verheerlijking van zijnen Zender en tot beliondenis van arme en in ziclizelven verlorene zondaren zoclit te verbreiden. Daarom liet hij ook geene gelegenheid voorbijgaan om de vrije genade, boven alle andere dingen, aan te prijzen; en kon hij znlks niet mondeling doen, dan deed hij zulks door brieven. Hij spreekt thans van het heerschen der zonde in den verledenen tijd omdat hij nog altijd, het oog op Adam hebbende, de paradijsgeschiedenis voor den geest heeft, en van den oorsprong der zoude af hare voortdurende heerschappij wil staven. Van de zonde zegt hij dat zij tot of liever door den dood heerscht tot verderfenis, maar van de genade dat zij heerscht door de volmaakte en eeuwiggeldende zoenverdiensten van Jezus Christus tot het eeuwige leven, en dus tot behoudenis. Aan de ééne zijde mogen wij, als zondaars, dan wel ontroerd worden by het vernemen dat de zonde door den dood heerscht tot onze eeuwige verderfenis; moge het ons wel doen sidderen allen van nature aan die heerschappij der zonde onderworpen te zijn; van den anderen kant evenwel behoeven wij, als de zonde ons van harte leed is en wij vurig wenschen van haar verlost te worden, niet als zonder hoop te zuchten, want voor de zoodanigen is uitkomst en redding, is het eene bemoedigende en troostvolle waarheid dat de genadeheerschappij met onoverwinlijke kracht tegen die der zoude overstaat, om den zondaar, hoe verloren in ziclizelven, te behouden. Om de kracht te gevoelen van hetgeen de Apostel betuigt, behoren wij van de zonde een regt denkbeeld te hebben. Zonde wordt, in

ocr page 90

80

het algemeen genomen, ongeregtigheid genoemd, en te regt want van de beoefening van reine deugd wil zij nimmer hooren. Zonde is elke daad, die de mensch, in strijd met Gods geboden, bedrijft; en hierin hebben wij het bewijs dat de zonde niet uit God is, maar haar oorsprong elders is te zoeken. En is het nu niet uit het gansche Woord vau God openbaar dat de zonde haren oorsprong uit den Duivel heeft? Herinneren wij ons slechts dat verrukkelijk Eden, waar eenmaal de naar Gods beeld geschapen mensch zich zoo hoogst gelukkig gevoelde, toen hij daar nog in blanke on • schuld en zuivere opregtheid voor het aangezigt Zijns Scheppers stond. O wij zien daar in dien hof een verleider insluipen, die alle helsche list gebruikt om den mensch tegen Zijnen God te doen opstaan, opdat hij hem in het verderf mogt doen storten. En die list, hij gelukt den menschenmoorder van den beginne maar al te zeer; „gijlieden zult den dood niet sterven,quot; die verleidende taal vindt gehoor bij den mensch, en Adam en Eva, overtredende het gebod Gods, werden zondaars, en stortten zichzelven en alle hunne nakomelingen dooide zonde in de uiterste ellende en rampzaligheid, want (vs. 12) „waar door eenen mensch de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, daar is de dood doorgegaan tot alle menschen, in welken allen gezondigd hebben.quot; Zoo kwam door den val des menschen de zonde in de wereld om als koning te heer-schen, door den dood tot verderfenis. En de duivel, de zonde in de wereld gebragt hebbende, gaat om, zegt de Apostel Petrus, als een brullende leeuw, zoekende

ocr page 91

81

wien hij zou mogen verslinden ; Zijne heerschappij strekt zich over de geheele aarde uit waar ook kinderen van Adam wonen. De zonde nu, zij is van eenen verwoestenden aard. Hoeveel en velerlei is er toch niet hetwelk ons daaraan onwillekeurig herinneren moet, immers waren er gene zonden, men zou van gene plagen, droefheid en ellende weten te spreken; doch waar is er nu eene plaats te vinden waar deze rampen niet bestaan, en waar zij niet tevens het bewijs opleveren dat de zonde heerscht om alles te verwoesten? Doornen en distelen, zijn zij niet nog heden ten dage de teekenen van den goddelijken vloek die om der zonde wil op het aardrijk rust? Eu zou de mensch dan niet zelf de grootste smart van haren verwoestenden aard moeten verduren? Van zijne intrede in de wereld af, is hij een geheel onrein en zondig schepsel, hetwelk geheel aan dei-zonde heerschappij is onderworpen, hij is een slaaf dei-zonde ; verschrikkelijk denkbeeld! M. H.! en toch niet te sterk uitgedrukt; neen, van zijne geboorte af is hij aan de ketenen der zonde vastgekluisterd, om haar te dienen en God en zijnen naasten te haten. Vandaar dat hij reeds, nog geen onderscheid kennende tusschen goed en kwaad; door zijn doen en laten openbaar maakt dat het gedichtsel zijns harten boos is van zijne jeugd aan, dat hij is een kind des toorns. Maar de mensch is niet alleen een onrein schepsel, hetwelk ontelbare zonden bedrijft, maar hij ziet zich van vele dingen omringd, die hem een pijnlijk gevoel veroorzaken. Met hoevele tegenspoeden des aardschen levens heeft hij niet te worstelen; soms moet bij zijne schamele bete broods

6

ocr page 92

82

nog met tranen der bedruktheid mengen, en is het dit al niet, dan binden hem soms onderscheidene ziekten aan zijne legerstede en heeft hij veel lijden en smarten te verduren; hoeveel verdriet en moeiten benemen hem het genot des levens en ontrooven hem de blijdschap des gemoeds. Met welk eenen indruk overziet hij zijn afgelegd levenspad als door ouderdom de grijze haren zijnen schedel bedekken, en hij den loop nagaat van dat leven dat als een damp voorbij vliegt? Als dan alle jeugdige krachten hem verlaten hebben, gevoelt hij het dan niet dat spoedig zijn lichaam in het stille graf tot een prooi der wormen zal verstrekken? Ja, hij is zich bewust dat, hoe gaarne hij ook steeds den dag zijns doods verre stelde, hij om der zoude wil aan den dood, als het zwaard der zonde, onderworpen is, en dat hij onmogelijk den slag van dat zwaard kan ontwijken. De bezoldiging der zonde is de dood; ,Als gij van dien boom eet,quot; zoo luidde het Godswoord in het paradys, als gy mijn gebod overtreedt en tegen Mij zondigt, „zult gij den dood sterven.'' En wat man leeft er die zijne ziel zal bevrijden van het geweld des grafs?Wie die den dood niet zien zal? Daarom heet het ook in den tekst, „de zonde heerscht als koning door den dood;quot; maar voor geen geschapen schepsel is de dood zulk een koning der verschrikking als voor den redelijken mensch, die het zelfbewustzijn in zich omdraagt een zondaar te zijn, wiens overtredingen tegen een vlekkeloos heilig en regtvaardig God de haren zijns hoofds te boven gaan, en wiens geweten hem aanklaagt voor zijnen hemelschen Regter; die in zichzelven voor God niet

ocr page 93

83

kan bestaan en niets dan het ergste, het eeuwig verderf, heeft te wachten, het verwijzen naar de verblijfplaats der duivelen in het helsche vuur om daar eindeloos den regtvaardigen loon zijner euveldaden te ontvangen: zou dan de natuurlijke mensch, zoo hij nog eenig gevoel heeft en nog niet geheel verhard is, niet voor den dood schrikken met welke de zonde hare dienaars loont? O kon hij slechts ontvloden of afgekocht worden! maaier is geene plaats ter wereld waar de sterveling dei-zonde straf kan ontvluchten, en al gaf de rijkste alles wat hij bezat, hij zou er zich met al zijne schatten niet van kunnen vrijwaren; hier is geen onderscheid des persoons, elk zondaar staat onder de heerschappij der zonde, en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood. Zoo mogen wij dan met regt besluiten M. H.! dat de heerschappij der zonde het rampzaligste is dat wij op aarde kennen. Ongelukkig, diep ongelukkig zi]n wij, zoo wij haar nog geheel toebehooren, zoo wij nog hare vrijwillige dienstknechten zijn; maar onbeschrijfelijk gelukkig zijn wij daarentegen zoo wij voor ons zeiven kennis hebben van de heerschappij der genade, want in welk schrikbeeld zich ook dan de zonde voordoet

1

en hoe zij ons ook bedreigt, zij kan niets tot ons eeuwig verderf ten uitvoer brengen, wij zijn dan aan hare heerschappij voor altijd ontheven door den Heere Jezus Christus, die zonde, dood en hel heeft overwonnen.

2. En zoo komen wij als van zelf tot de beschou-wing van het andere gedeelte van ons tekstvers, in hetwelk de Apostel spreekt van de heerschappij dei-genade. Deze zaak is niet alleen de gewigtigste, maar

ocr page 94

84

ook de dierbaarste en aangenaamste die ons Zondaren ooit kon worden medegedeeld. Zij is waardig overal te worden verbreid en gepredikt, opdat de oneindige Zondaarsliefde van God door alle menschentongen geprezen worde. Onze taal is zelfs te arm om de hooge voortreffelykheid van de genadelieerschappi] genoegzaam onder woorden uittedrukken. Genade geeft te kennen, de vergevensgezindheid Gods in Christus Jezus, zijne genegenheid om alle zonden, hoe vele of zwaar dan ook, geheel kwijt te schelden, en den doemschul-digen zondaar van alle straf vrij te spreken. Wie kan den rijkdom dier barmhartigheid des Eeuwigen bevatten? Och, of zij onze harten en monden vervullen mogt met Zijnen lof; of wij het allen mogten gevoelen wat wij aan die genade Gods in Christus te danken hebben. Dat gevoelt gij voorzeker onder M. H.! aan wier zielen die genade verheerlijkt is, en daarin de grootste stof bezit om u in den God van al uw heil te verblijden. En gelijk wij u straks op den Vorst der duisternis hebben gewezen als uit wien de zonde haren oorsprong had, zoo verkondigen wij u thans den Vol-zaligen en Algenoegzamen God als de eenige oorzaak der genade. Deze is de hoofdleer van het gansche Evangelie der verzoening, en met de krachtigste taal verzekert het ons, dat wij, zoo wij geloovig ons op haar verlaten, met geene mogelijkheid bedrogen kunnen uitkomen. Of lezen wij niet in Zijn eigen woord dat Gods liefde veel verder is uitgestrekt dan het Oosten van het Westen is verwijderd ? dat juist hierin Zijne liefde is geopenbaard dat Hij Zijnen Eeniggebo-

ocr page 95

85

ren Zoon gegeven heeft. De Heere Jezus zelf predikte ons dit, en zoo wij op Zijne leer zien dan levert die het duidelijk bewijs op dat het krachtvolle waarheid is wat ons de genade aangaande God leert; de Heiland betuigde toch eens: „mijne leer is de mijne niet, maar ,Desgenen die Mij gezonden heeftquot;. En die leer bevat zij niet de genade zelve, ja is haar inhoud niet dat God menigvuldig is in schuldvergeven en dat Hij met een oog van barmhartigheid op den grootsten der zondaren nederziet? En waar die Heer nu naar waarheid getuigen kan: „die mij gezien heeft die heeft den Vader gezien, Ik en de Vader zijn éénquot;, daar kunnen wij veilig, ja wat meer zegt daar moeten wij deze leer als onfeilbare waarheid aannemen, daar mogen wij niet in het minst aan eenigen twijfel toegeven, want de mond der waarheid kon niet dan de waarheid spreken; Hij was toch het afschijnsel van 's Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, ja naar Zijne hoogere natuur de Waarachtige God zelf boven alles te prijzen in der eeuwigheid. Maar terwijl de genadeleer ons wijst op hetgeen de Heere Jezus Christus gesproken heeft, vestigt zij te gelijk onze aandacht nog op iets anders ten einde ons destemeer van Gods liefde jegens ons te verzekeren. Zij wijst ons op de Zoenverdiensten van den Heere Christus. Immers ook Panlus spreekt in den tekst van eene vechtvaardigheid door Jezus Christus onzen Heer; „Chistus heeft eens voor de zoude geleden, Hij regt-vaardig voor de onregtvaardigen; Hem die geen zonde gekend of gedaan heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt

ocr page 96

86

opdat wij zouden worden regtvaardigheid Gods in Hem; Hij is om onze overti-edingen gewond, om onze ongeregtig-heden is Hij verbrijzeld, de straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem en door zijne striemen is ons genezing geworden, zoo is Christus te zijner tijd voor de goddeloozen gestorvenquot; ; en vs. 9 van ons teksthoofddeel schrijft Paulus, ,Zijnde nu geregtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn, want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood zijns zoons, veelmeer zullen wij, verzoend zynde, behouden worden door zijn leven.quot; Zietdaar M. H. ! de troostleer van het dierbaar Evangelie der genade voor de verslagene ziel des boetvaardigenen heilbegeerenden zondaars; de voldoening van Christus is de eenige rots waarop wij bij het geven van onzen jongsten snik steunen kunnen. En waar nu in het zenden van Gods Zoon, de Barmhartige zijne liefde ten duidelijkste heeft geopenbaard, daar is die liefde door zijnen zoon, en wel door zijn lijden en sterven, ten uitvoer gelegd. God heeft Hem toch gegeven opdat Hij in de plaats des zondaars aan zijne regtvaardigheid zou voldoen, teneinde Hij zijne liefde en genade aan doemschuldigen mogt kunnen bewijzen en verheerlijken. Zoo heerscht de genade door regtvaardigheid. Heeft dus de zonde hare kracht in den dood, de genade heeft die in den Heere Jezus Christus, en de kracht dezer laatste is ten eenenmale onoverwinnelijk, zij is de zegepraal over dood en graf dewijl Jezus beiden heeft overwonnen voor allen die in Hem gelooven. En deze genadeheerschappij van God in

ocr page 97

87

Christus zij wordt nog in hare oneindige grootheid en waarde verkondigd, geopenbaard en ondervonden; aan duizende harten wordt zij nog verheerlijkt, en in den dag van Christus toekomst zal het vooral blijken in alle de uitverkorenen ten eeuwigen leven, dat de genade door Jezus Christus, van het paradijs af tot het einde der wereld, als een onoverwinnelijke koning, ge-heerscht heeft |op aarde tot behoudenis van zondaren. Deze heerschappij der genade M. H.! zij is niet hard of wreed, zij legt den mensch niet aan hardknellende boeien gelijk de heerschappij der zonde, neen zij doet niet zuchten maar deelt veeleer den zaligsten troost en de hoogste blijdschap mede; eene mededeeling is zij van Gods oneindige liefde, eene zachte balsem voor het door schuldgevoel gewonde hart; als er van wege de zonde droefheid naar God daarvan binnen geboren wordt; dan is er in haar een rijke bron van bemoediging, welke die droefheid in vreugde verandert, en de inwendige onrust doet verwisselen met de kalmste rust, naardien God dan tot de verslagene ziel van vrede, spreekt; zij scheukt de gewisse verzekering dat hem door God, om Jezus wil alle zijne misdaden zijn vergeven, alle zijne schuld is uitgewischt, en dat God zelf verklaart dat Hij hem voor eeuwig in zijne vaderlijke liefde en gemeenschap zal doen deelen, zoodat hij met vrijmoedig vertrouwen zijne blikken kan omhoog slaan en hopen op de eindvervulling van alle Gods heilbeloften die in Christus Jezus ja en Amen zijn, en welke Hij als de onveranderlijke en getrouwe, zekerlijk bevestigen zal aan allen die Hem vreezen. Zoo verbindt de genad

ocr page 98

88

door hare heerschappij den in zichzelven verloren zondaar met den Drieëenigen en Volzaligen God, en wel zoodanig dat niets in hemel noch op aarde in staat is dien band van vereeniging te verbreken; zij geeft me-nigwerf den door Jezus verlosten en geregtvaardigden zondaar, te midden van alle verdriet en moeiten dezer aarde, te midden van allen strijd voorsmaken te genieten van dat zalig hemelleven dat hem eens aan gene zijde des grafs wacht, en in het bange uur des doods geeft Gods genade in Christus nog hare kracht te ervaren, dewijl het ook dan ondervonden wordt dat de Almagtige zijn woord houdt: „Ik zal U niet begeven of verlaten.quot; En daar heeft zij voor den zoodanigen dan ook den prikkel des doods verbroken, en het doodsdal gemaakt tot een doorgang ten leven; daar is hem de dood geen koning der verschrikking meer, integendeel liÜ is hem een bode die hem de blijdste tijding verkondigt dat zijne ziel nu zal worden overgebragt tot Christus haar Hoofd in de gewesten der zaligheid, om zich voor eeuwig in de nabijheid en gemeenschap des volzaligen te verblijden. Immers die genade heerscht door regtvaardigheid tot het eeuwig leven. Zij heeft dus ten doel van den zondaar een hemeling te maken om hem daar eindeloos een geluk te doen smaken hetwelk geen oog heeft gezien, geen oor gehoord en nimmer in eens menschen gedachten is opgeklommen; een geluk van welks grootheid en zaligheid elk zal moeten erkennen, „de helft was er mij niet van aangezegd;quot; het is onmogelijk de hemelsche gelukzaligheid naar waarde in woorden te schetsen, maar dit is zeker, dat

ocr page 99

89

hij, die hier beneden door den Heere Jezus Christus van de banden der zonde is vrijgemaakt, en eenmaal door Gods genade zijnen Koning en Verlosser in zijne heerlijkheid zal aanschouwen, mede een deelgenoot van die heerlijkheid zijn zal, en, voor zijne voeten de kroon der regtvaardigheid en de palmtak der overwinning nederleggende, in dankbare aanbidding en verwondering zal uitroepen: „o Heere! hoe groot is het goed hetwelk Gij als mijn Verlosser voor mij verworven hebt,quot; U de eere, U de dank, ü de lof tot iu eeuwigheid ! Och of wij allen wenschten van de heerschappij der [zonde door Jezus verlost te worden en te worden gebragt onder die der genade, opdat wij in leven en sterven en voor eeuwig zijn eigendom zijn mogten!

Gez. 37 ; 5, 12,

II. Dat wij nu nog met het verhandelde inkeeren tot ons zei ven.

1. De heerschappij der zonde leidt door den dood tot verderfenis. Deze is eene hoogst ernstige waarheid M. H! die wel ter harte mogt worden genomen door elk die den naam van zondaar draagt, en nog voortdurend als een slaaf haar dient en haar zijne krachten en vermogens toewijdt. En hoe groot is niet het getal der zoodanigen, verre de meeste der kinderen van Adam wandelen in zorgelooze gerustheid op den breeden weg der zonde. Hoevelen zijn er niet die de ongeregtigheid indrinken als water, en het voor spel houden goddeloosheid te bedrijven, hoevelen die zich aan de snood-

ocr page 100

90

ste gruwelen en misdaden geheel overgeven en zich de slaaf hunner lusten betoonen te zijn; hoevelen die, hoewel meer verfijnd en bedekt, nogthans groot genoegen smaken in de ijdelheden en vermaken die eene zondige wereld haren liefhebbers aanbiedt, en die van alle gelegenheden, die zoo ruimschoots worden aangeboden, gebruik maken om, zoo als men zegt, met zijne vrienden eens vrolijk te zijn ; hoevelen die menigmaal plaatsen bezoeken van welke hun eigen geweten de getuigenis moet afleggen: „hier wordt niet God maaide zonde gediendquot;; hoevelen die nog, als op twee gedachten hinkende. God en de zonde gelijk dienen, en bij alle hunne uitwendige godsdienstigheid nog verre zijn van onder de godvruchtigen zich te kunnen rekenen; hoevelen hebben de duisternis nog liever dan het licht, en haten het laatste omdat hunne werken boos zijn; hoevelen eindelijk die nog geene vernieuwing des harten door den H- Geest kennen, en nog onbekeerd den weg naar de eeuwigheid bewandelen. En de zoodanigen vindt men ze niet in alle rangen en standen der maat-gchappij, bij jongen en ouden ? Is dit nu niet te weerspreken, waar gij in de ondervinding en uw eigen geweten het bewijs voor de waarheid hebt, o ziet dan toe voor U zeiven wie gij ook zijn moogt, zoolang wij nog onbekeerd zijn en wij geen kennis hebben aan het nieuwe geestelijk leven dat uit God is, zoolang zijn wij onder de heerschappij der zonde, zoolang bevinden wü ons. Helaas! zonder het te gevoelen en te geloo-ven, in de hardknellendste boeijen, zoolang zijn wij hare dienstknechten en slaven; — maar vergeet dan

ocr page 101

91

ooh niet, zoolang helt onze levensweg door den dood naar het eindeloos verderf. En zoo gü nu blijft die gij van nature zijt, dood in zonden en misdaden, zult gij nooit den toekomenden toorn ontvlieden, zult gij na uwen dood u verwezen zien tot de plaats der rampzaligheid, waar weening der oogen en knarsing dei-tanden zijn zal in het vuur den duivel en zijne engelen bereid. En of gij nu met die waarheid lagchende den spot drijft, of haar door ongeloof verwerpt, of ons bij de voorstelling daarvan van overdrijving beschuldigt, — het verandert aan de zaak zelf niet het minst, en God moge u bewaren dat gij in het uur van uw sterven of in de eeuwigheid niet door smartelijke ondervinding-gedrongen wordt toe te stemmen wat gij nu weigert aan te nemen. Wij weten het, velen sluiten het ooien verharden het hart, och! mogt het bij ulieden zoo niet zijn, mogt het bij ulieden zoo niet blijven. Maar neemt nu nog het woord der waarschuwing aan dat van Gods wege tot u komt, en onderzoekt toch eens in alle opregtheid uw hart en leven, en mogt het zijn met de bede: .Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart, beproef mij en ken mijne gedachten, en zie of er bij een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwigen weg.quot; Smeekt God om Zijnen H. Geest opdat die u aan uzelven ontdekke en gij uzelveii moogt leeren kennen en inzien erlangen in uwen ellendigen betreurenswaardigen toestand door de zonde, van welken gij nu nog geen besef hebt; dan zou, onder Zijnen zegen, die kermis van uzelven u de noodzakelijkheid doen beseffen van eenen Verlosser te bezitten, die u van de

ocr page 102

92

zonde en hare overheersching tot uw verderf zou verlossen en vrij maken; dan zoudt gij de zonde, die gij nu nog zoo lief hebt en aanhangt, leeren beschouwen als uwe ergste viiandin; dan zoudt gij gelooven dat de dienst der ongerechtigheid ook het loon der ongereg-tigheid zal ontvangen. Och wat wij u, om uw zelfs wil, bidden, verlaat de slechtigheden en leeft, treedt op den weg des verstands, zoekt verzoening voor alle uwe schuld, zij die nog zoo groot, in het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, het welk reinigt van alle zonden; en houdt sterk aan in het gebed dat God zijne genade ook aan uwe ziel verheerlijke tot uwe eeuwige behoudenis ; alleen dan als uw leven Christus is zal uw sterven u gewin zijn.

2. Wat de heerschappij der genade Gods in Jezus Christus vermag, dat weet gij bij ervaring onder M.H.! die gij door dezelve van der zonde heerschappij zijt vrij gemaakt ten eeuwigen leven. Gij hebt u zeiven door haar leeren kennen als diep ellendige en verlorene zondaren, maar ook door haar werd in u geboren dat gevoel van behoefte aan eenen Zaligmaker door hetwelk gij tot den Heere Jezus de toevlugt naamt en bij Hem de redding uwer ziele van het eeuwig verderf zocht; door den H. Geest werd het ootmoedig geloof in u gewrocht hetwelk u met den Heere Christus, als uwen Borg en Redder, op het naauwst vereenigde, terwijl gij Hem in opregtheid leerdet lielhebben die u eerst zoo uitnemend heeft lief gehad; Hem die zijn eigen leven ook tot een rantsoen voor u heeft gegeven, en u vrijkocht door zijn eigen bloed. Door de wer-

ocr page 103

93

king dier genade voelt gij nu eene nauwe en zalige betrekking op God, en wenscht gij gewis niets vuriger dan dat die genade hoe langer hoe meer hare heerschappij en kracht op uwe harten uitoefene, om alle zonde, die nog dagelijks in u opwelt, ten onder te brengen; om toe te nemen in de zoo noodige verloochening van u zeiven, om te volharden in den goeden strijd des geloofs, om overvloedig te worden in het werk des Heeren, om op te wassen in Kern die uw hoofd is, om gevormd en opgevoed te worden voor den heiligen en zaligen hemel. Door die genade Gods kunt gij nu ook met blijdschap uwen weg door dit land uwer vreemdelingschap bewandelen, kunt gij rustig van gemoed in de toekomst blikken en aan uw aanstaand lot in de eeuwigheid met vreugde denken, naardien uwe verwachtingen op goeden grond allerheerlijkst zijn, want: „Zij die geregtvaardigd zijn uit het geloof hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus, door wien zij ook de toeleidiug hebben door het geloof tot deze genade, in welke zij staan en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods, voor hen die in Christus zijn, is er geene verdoemenis.quot; O geloo-vigen! aan die genade Gods, in den Zoon van Zijn eeuwig en vrij welbehagen, hebt gij alles te danken wat gij naar den geest geniet en te verwachten hebt; zonder dezelve waart gij nooit geworden die gij nu, bij al uw gebrek en veelvuldig te kort komen, zijn moogt; dan waart ook gij nog onder de heerschappij der zonde, dan bewandeldet ook gij nog den weg tot verderfenis, dan zou ook u nog de dood zijn een ko-

ocr page 104

94

ning der verschrikking; och of gij dan die genade meer van alles de eer mogt geven, of gij haar meer op prijs mogt stellen; want gij hebt immers dagelijks voortdurende behoefte aan dezelve; en hoe krachtiger zij in u werkt, hoe zaliger gij u gevoelen zult. — Welk een rijke bron van troost is voor u de gedachte dat zij heerscht dooi regtvaardigheid tot het eeuwige leven; dit verzachte u het veelsoortig leed dezer aarde, dit drooge de tranen uwer droefheid, dit verheldere u den nacht van beproeving, dit vervroolijke uwen weg naar het Vaderhuis daar boven, waar Jezus uw Heer, uw Zaligmaker, uw Vriend u wacht, dit stemme uw hart en mond gedurig tot des Heeren lof en verheerlijking ; dankt steeds vurig Hem die al uw heil bewerkte; waakt, bidt en strijdt in Zijne kracht tegen de zonde, en tracht. Hem ter eere, vruchten der waarachtige bekeering, vruchten des geloofs en der liefde en der dankbaarheid voorttebrengen. En waar gij voor u zeiven deelt in de vele en groote zegeningen van Gods genade, o bidt ze daar ook van den Barmharti-gen af voor zoovelen uwer natuurgenooten die nog ouder de heerschappij der zonde leven, voor uwe bekenden, voor uwe vrienden, voer uwe bloedverwanten, voor uwe kinderen, opdat zij zich nog verheerlijke in de toebrenging van velen tot het getal dergenen die zullen zalig worden. Verblijdt u intusschen voor u zeiven dat met eiken dag het oogenblik naderbijkomt, waarin gij voor altijd volkomen van de zonde zult verlost zijn. Nog slechts een weinig tijds zal er verloo-pen en gij zult ten hemel ingaan, ingaan om Grod

ocr page 105

95

eeuwig te verheerlijken, om hem te loven en te prijzen voor de behoudenis uwer zielen ten leven; weest er van verzekerd, „als gij hier den raad Gods zult hebben uitgediend, dan zal Hij u opnemen in heerlijkheid,quot; Amen.

N a z a n g Ps. 73 : 12

ocr page 106

LEEKRKDE

OVER

JAC. 2 : 23b.

Voorzang, Ps. 84 : 1.

Gelezen, Gen. 17 : 1—22.

Gezongen, Ps. 89 ; 7, 8.

Ik las U daar M. H.! in die weinige woorden voor de hoogste eer en het zaligst voorregt, welke hier op aarde kunnen genoten worden, en waarin een Abraham en alle Grodvreezenden door alle tijden heen gedeeld hebben en nog deelen; het is toch van Abraham dat de Apostel in den tekst getuigt; „en hij is een vriend van God genaamd geweest.quot; De spreekwijs genoemd worden wordt op vele plaatsen, gelijk ook hier, gebezigd in de beteekenis van zijn, ziet b.v. Jez. 56:7, Matth. 5:9, 10. 21:13. Luc. 1:32, 35, 76, zoodat men even goed lezen kan: „en hij was een vriend van God,quot; hij stond als zoodanig taamp;enrf. Voorwaar hoogere eeretitel bestaat er niet op aarde. Komt M.H.! dat wij I. eerst de waarheid van den tekst aantoonen,

ocr page 107

97

II. vervolgens de daadzaak vriend van God te zijn beschouwen als voor den niensch, voor den zondaar de hoogste eer en het zaligst voorregt,

III. ten derden onze aandacht bepalen bij de onmisbaarheid en noodzakeliikheid deze daadzaak deelachtig te zijn tot onze behoudenis voor de eeuwigheid, en

IV. eindelijk den weg aanwijzen langs welken men die eer en dat voorregt deelachtig wordt, met aanprijzing dien weg inteslaan of daarop, verheugd in God, voort te treden.

I. Abraham was een vriend van God.

1. Ziet daar was de eerste wereld om de gruwelijke ongeregtigheden, waaraan de menschen zich schuldig maakten, door eenen watervloed geheel verdelgd van den aardbodem, met uitzondering van den god-vreezenden Noach en diens huisgezin. Daar was uit dezen als een tweede geslacht voortgekomen, en het bleek al zeer spoedig dat ook dit geslacht over het algemeen hoe langer hoe meer van de dienst van God vervreemde, zoodat de Heere Abraham verkoos om uit hem een volk te verwekken onder hetwelk Hij zijne kennis en dienst op aarde bewaren wilde; daar was het Gods woord tot hem: „ga gij uit uw land en uit uwe maagschap en uit uws vadershuis naar het land dat Ik u wijzen zal en Ik zal u tot een groot volk maken, en

zegenen, en uwen naam grootmaken, en wees een zegen, en Ik zal zegenen die U zegenen en vervloeken die U vloekt, en in U zullen alle geslachten des aard-

7

ocr page 108

98

rijks gezegend worden.quot; Welk eene bijzondere onderscheiding genoot hier Abraham naar het vrijmagtig welbehagen Gods; zoo was Jehova de eerste die het verbond der vriendschap met hem sloot, en hem in zijne gunst deed deelen; en nu getuigt de Apostel (Hebr. 11.) van hem: „door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest om uit te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou, en hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zou.quot; Abraham deed dus volvaardig wat de Heere hem bevolen had, hij was Grode gehoorzaam. Ja hij was een vriend van God, — bleek zulks

2. niet duidelijk uit de beloften van tijdelijken zegen die hem gedaan eu aan hem vervuld werden? Ziet nauwelijks heeft hij met de zijnen zijnen voet in het land Kanailn gezet, nauwelijks is hij te Sichew, aan het eikenbosch More gekomen of daar verscheen hem de Heere wederom en zeide: „Aan uw zaad zal Ik dit land geven,quot; en uit dankbaarheid en liefde bouwde hij terstond eenen altaar den Heere die hem verschenen was, en riep den naam des Heeren aan. Eu terwijl hij, om eenen hongersnood te ontgaan, voor eenigen tijd aftrok naar Egypte, ondervond hij dat hij ook daar in de hoede der Almagtigen verkeerde en Diens zegenrijke nabijheid ondervond; — waar hij en zijn neef Lot zich later, wegens den drang der omstandigheden, van elkander met have en goed verwijderden, daar is, terstond na het vertrek van Lot, 's Heeren woord tot hem : „hef nu uwe oogen op, en ziet van de plaats waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en west-

ocr page 109

99

waarts, want al dit land dat gij ziet zal Ik u geven en nw zaad tot in eeuwigheid, en Ik zal uw zaad stellen als liet stof der aarde, zoodat indien iemand liet stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook nw zaad geteld worden.quot; Later verscheen hem de Heere nog meermalen om hem te bemoedigen en van zijne gunst te verzekeren, „Vrees niet Abraham Ik ben u een schild, uw loon zeer groot, uwe nakomelingschap zal zijn als de sterren des hemels;quot; en toen hij reeds ond en wel bedaagd geworden was, lezen wij (Gen. 24:1) „De Heere had Abraham in alles gezegend.quot;

3. Abraham was een vriend van God — bleek dat niet uit het verbond der genade dat de Allerhoogste met hem oprigtte? en hetwelk wij Gen. 17 vinden opge-teekend; daarin belooft God hem en zijn zaad tot eenen God te zullen zijn, en dat verbond te zullen doen overgaan op eenen zoon uit Sara zijne huisvrouw, op Isacik en zijn zaad; de Heere gaf hem daarbij „de besnijdenis tot een teeken van dat verbond, tot een zegel der regt-vaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend, opdat hij zou zijn een vader van allen die geloven, teneinde ook hun de regtvaardigheid toegerekend zou worden, en alzoo die zegening ook tot de Heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des H. Geestes ontvangen zouden door het geloof,quot; want waar God sprak: „in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,quot; daar bedoelde God, naar des Apostelstaal, den Verlosser, Christus den Heer in Wien een schat van geestelijke zegeningen zou geschonken worden aan allen die, Abrahams werke

ocr page 110

100

doende, toonden in waarheid Abrahams kinderen te zijn.

4. Ja ook uit de werken Abrahams, uit zijn gedrag jegens God, bleek het dat hij een vriend van God was. Hij geloofde God en het werd hem tot geregtigheid gerekend, hij gehoorzaamde en diende Hem, en zelfs daar waar dat geloof op de sterkste proef gesteld werd, toonde hij dat de liefde jegens God bij hem sterker was dan de band der natuur, zijnen eenigen geliefden Izailk, den zoon der belofte, zou hij Gode hebben opgeofferd, zoo de Heere niet tusschenbeide gekomen was en het hem belet had. Op het punt dat hij gereed staat zijnen zoon te slagten, roept de Heere uit den hemel: ,Abraham! strek uwe hand niet uit aan den jongen en doet hem niets, want nu weet Ik, nu hebt gij het ten volle getoond, dat gij godvreezend zijt, en omdat gij deze zaak gedaan hebt zal Ik u grootelijks zegenen,quot; en de belofte van geestelijken zegen wordt daarbij nog weder herhaald. De beloften van tijdelijken zegen zien wij in Izaiik en zijne nakomelingen vervuld, en de vervulling der belofte van geestelijk heil is niet achtergebleven^ want, „Abraham, verzekert de Heere Jezus, heeft met verheuging verlangd mijnen dag te zien, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.quot;

5. Nog eens, Abraham was een vriend van God, — bleek dit niet uit de verkrijging van het einde zijns, geloofs, de zaligheid zijner ziel, uit zijne opneming in heerlijkheid. Abraham stierf in goeden ouderdom, en werd verzameld tot zijne volken, en ingegaan was hij in dat koningrijk der hemelen waar eens allen, die zijn geloof deelachtig zijn en zijne werken deden, met hem

ocr page 111

101

zullen aanzitten aan de bruiloft des Lams; ingegaan was hij in die stad, welke hij verwachte die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is; ingegaan was hij in dat hemelsch vaderland naar hetwelk hij hier reeds begeerig uitzag, om dat heerlijk goed te beërven hetwelk God daarboven heeft bereid en wecjscelegd voor allen die Hem vreezen en door het

O O O

geloof wandelden in opregtheid voor Zijn aangezigt. — Zoo is dan de waarheid gestaafd M. H.! van welke Jacobus melding maakt in den tekst, Abraham was een vriend van God. Wij gaan nu over om in het

II. Tweede deel onzer rede, de daadzaak Vriend van God te zijn te beschouwen als voor den mensch, voor den zondaar de hoogste eer en het zaligst voorregt.

1. Voorwaar dit is zij wannner wij letten op den onmetelijken afstand tusschen God en den mensch; wie toch kan zich een regt denkbeeld vormen van de grootheid van dien God, die alles wat buiten Hem bestaat uit niet in het aanzijn riep; die met éénen wenk het gansch heelal regeert; die daar zit boven den kloot der aarde en welker inwoners, bij Hem te vergelijken, minder zijn dan een druppel aan eenen emmer en een stofje aan de weegschaal; die de wateren met zijnen vuist heeft gemeten en van de hemelen met de span de maat genomen, die de bergen gewogen heeft in eene waag, en de eilanden daarheen werpt als dun stof; die zich met het licht als met een kleed bedekt en op de vleugelen des winds wandelt? En die groote God biedt zijne vriendschap aan den mensch, wiens grondslag in het stof is, wien Hij zelf uit het stof der

ocr page 112

102

aarde heeft geschapen, die zich niet verroeren of bewegen kan zonder Hem, geen enkele ademtocht kan slaken, geen enkele voetstap kan verzetten zonder dat de Allerhoogste hem daartoe in staat stelt; die alzoo tot in het geringste toe van Hem diep afhankelijk is. En die afstand, is dezelve nog niet veel grooter geworden sinds de zonde den mensch van den vlekkeloos Heiligen God verwijderde? Hy is toch een God die te rein is van oogen om het kwaad te aanschouwen, die geene gemeenschap hebben kan met de werkers der ongeregtigheid, die alleen lust heeft aan waarheid in het binnenste; en nu het toe te staan en te vergunnen dat er viendschap zij tusschen Hem en den mensch die een Zondaar is, een dienstknecht der ongeregtigheid van nature, die niet anders doet, doen wil en doen kan dan wat kwaad is in de oogen Gods; die voortgaat door zijne daden de hoogste Majesteit te beleedigen, en met gedachten, woorden en werken te overtreden, — is dat niet de hoogst mogelijke eer die er genoten kan worden, dat het nietig en zondig Adamskind in vriendschappelijke betrekking staan mag tot den Grooten en Heiligen God van hemel en van aarde?

2. En dit te meer als wij bedenken hoe de mensch zich jegens dien God gedragen heeft en nog gedraagt? Hij, het pronkstuk in de geheele schepping van zijns Makers handen, was geschapen naar het beeld en de gelijkenis Zijns Gods, deelde in Zijne gunst en gemeenschap, ondervond Zijne teerhartigste liefde en helpende nabijheid en was door Hem met zegeningen van allerlei aard overladen; en ziet daar viel die mensch door

ocr page 113

103

moedwillige overtreding van Gods gebod van Hem af; daar ontrok hij zicli aan Zijne dienst en vereering. weigerde Hem gehoorzaamheid en werd alzoo een vijand van God, verbrak op snoode wijze de nauwe betrekking die er tnsschen zijnen Schepper en hem bestond, maakte zich daardoor zijner liefde en gunst ten eenen-male onwaardig, en betoonde zich nu voorts eeigt; gewillige slaaf en dienstknecht van den Vorst dei-duisternis door wien hij zich had laten verleiden en ten val brengen ; hij openbaart voortdurend zijnen sterken afkeer van alles wat op God en zijne dienst betrekking heeft; hij weigert naar dien God te hooren, wandelt naar eigen zin en lust voort en loopt alzoo moedwillig zijn eeuwig verderf in den mond; hij heeft van wege zijn godloos gedrag niets anders verdiend en te wachten dan de vreeselijkste straffen van den Regt-vaardigen Regter der gansclie aarde; hij heeft zich dus zelf voor tijd en eeuwigheid diep ongelukkig gemaakt, want kind des toorns geworden zijnde is hij met de geheele wereld voor God verdoemelijk. En niettegenstaande nu een aardworm zich vermeten durft tegen dien God op te staan en Hem gehoorzaamheid te weigeren, kan nogthans die mensch vriend van God worden, en wil de Allerhoogste hem de hoogste eer en het zaligst voorregt schenken, weder in zijne liefde en toegenegenheid te deelen. — 0 wie staat hier niet verstomd over de nederbuigende en onbegrijpelijke liefde die de beleedigde God nog aan Zijn diepgevallen schepsel betoonen wil?

3. Maar hoe is dan die eer en dat voorregt voor

ocr page 114

104

den Zondaar te verkrijgen? hoe is het mogelijk dat er, behoudens zulk een onmeetbaren afstand, nog vriendschap tusschen God en hem kan geboren worden? o Gel.! die mogeliikheid heeft de genadige en barmhartige God zelf daargesteld; Hij heeft zelf een middel geschonken om den zondaar weder in Zijne vriendschap te herstellen. Reeds terstond toen de mensch van Hem afviel en zondaar was geworden opende Hij hem het uitzigt op verlossing en herstelling in Zijne gunst, beloofde Hij dat vrouwezaad dat den kop der slang zou vermorselen, en sprak later, gelijk wij daar straks hoorden, tot Abraham: ,,Iu uw zaad zullen gezegend worden alle volken der wereldquot;; dat zaad, het was niemand anders dan Gods eigen veelgeliefden Zoon, wien Hij overgaf aan het vreeselijkst lijden en den dood des kruizes opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet zou verderven maar het eeuwig leven hebben; Dezen gaf Hij tot eenen Middelaar Gods en der menschen, opdat Hij door Zijne volmaakte geregtigheid, door Zijn verzoenend sterven, de schuld des zondaars bij God zou voldoen, en hem weder de verlorene gunst en lietde Gods zou hergeven; nu wil de Allerhoogste welgevallen nemen in het offer Zijns Zoons, en de heilvolle en euwiggeldende verdiensten fan den Heere Jezus Christus hebben het mogelijk gemaakt dat een schuldig en doemwaardig Adamskind, verloren in zichzelven, dood in zonden en misdaden, tot die hoogste eer kon opklimmen en dat zaligst voorregt kon deelachtig worden, een vriend van God te zijn. Gewis dit mag wel met het hoogste regt vrije gunst, genade heeten. Ziet

ocr page 115

105

daarin het vrijmagtig welbehagen van den Albarm-hartigen God.

4. Hooge eer en zalig voorrecht vriend van God te zijn! dit wordt ons laatstelijk allerduidelijkst als wij het oog vestigen op de groote en heerlijke weldaden die uit deze betrekking noodwendig voortvloeijen. — Is men vriend van God, dan is men ook weder kind van God, dan staat men weder in de nauwste betrekking tot Hem als den liefderijksten Vader, die zijne kinderen bemint met eene eeuwige liefde, die hen met de trouwhartigste zorg gadeslaat en geleidt, die hunnen voet voor wankelen beveiligt; ja de vriend van God ondervindt in alles 's Heeren vertroostende en zalige nabijheid; hij heeft onder de vele en afwisselende omstandigheden dezes levens in zijnen God een veilige toevlugt, een steunpunt voor zijn hart; zijn God is hem onder alle droefenissen en verdriet een onuitputtelijke bron van bemoediging en sterkte; alle Gods heilbeloften worden aan hem vervuld, zijn God begeeft of verlaat hem nooit, maar schenkt hem steeds uit Zijne volle algenoegzaamheid alles wat hem nut is; en bij al het bewustzijn zijner veelvuldige en dagelijk-sche overtredingen mag hij nogthans zijnen weg met gerustheid en blijdschap bewandelen, want hij weet het dat God, die zijn Vriend is, alle zijne zonden achter zijnen rug heeft geworpen, en dezelve nimmermeer gedenkt; hij weet het dat niets in hemel of op aarde hem ooit meer van Gods liefde scheiden kan ; hij weet het wat hij op zijne vreemdelingsreis, ook in den strijd tegen de zonde, aan zijnen God heeft, wat

ocr page 116

106

liij naar den inwendigen mensch, met betrekking tot het geestelijk leven, van zijnen God geniet, wat ziele-blijdschap liij in Zijnen dienst smaakt, en hij kan het uit eigene ervaring den dichter nazeggen: ,indien uwe „wet niet ware geweest alle mijne vermaking, ik ware „in mijnen druk al lang vergaan ; ik zal Uwe bevelen „in eeuwigheid niet vergeten want door dezelve hebt „Gij mij levendig gemaaktquot; Hij kan met een Azof betuigen. „Wien heb ik nevens u in den hemel? 'nevens U lust mij ook niets op aarde, bezwijkt mijn „vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen van „mijn hart en mijn deel in eeuwigheid, — mij „aangaande het is mij goed nabij God te zijn.quot; — De vriend van God bij kan met een Paulus juichen: „ Geregtvaardigd uit het geloof heb ik vrede met „God door onzen Heere Jezus Christus,quot; en waar Gods Geest met zijnen geest getuigt dat hij een kind van God is, daar is hij hier reeds in hope zalig, naardien hij het weet dat hij dan ook een erfgenaam Gods en een medeerfgenaam van Christus is, dat alle Gods beloften in Hem Ja en Amen zijn, en waar hij hier den raad Gods zal hebben uitgediend, hij daar zekerlijk zal worden opgenomen in heerlijkheid, om zich daarboven voor eeuwig in de hoogste zaligheid, in de nabijheid en gemeenschap van God en Christus, in de volmaakte verheerlijking van den Drieëenigen en Volzaligen, stooreloos te verlustigen. O waarin zou de vriend van God dan liever en meerder roemen dan in de vrije genade des Eeuwigen aan hem verheerlijkt, dan in de opzoekende liefde van zijnen ge-

ocr page 117

107

trouwen Verbonds God in Christus? Waarin zou hij eerder en hartelijker instemmen dan in de taal van Johannes: ,God is liefde — wij hebben Hem ,,lief omdat Hij ons eerst heeft lief gehad.quot; Voorwaar als hij met blijdschap en dankbaarheid staren mag op de hooge eer en liet zalig voorregt dat hij genieten mag, Vriend van God te zijn, dan is er in hem als geen geest meer. en hij heeft geene woorden genoeg om genade alleen daarvoor de eer toe te brengen.

Gez. 38 : 1, 2.

HL Wij zouden iu de Derde plaats onze aandacht bepalen M. H.! bij de onmisbaarheid en noodzakelijkheid deze daadzaak deelachtig te zijn tot onze behoudenis voor de eeuwigheid.

Vele woorden zullen er wel niet noodig zijn om zulks te betoogen; als wij slechts, met Gods Woord in de hand, een weinig midenken, zullen wij zulks moeten toestemmen. Immers zoolang men iemands vijand is; kan men in zijne gunst niet deelen, draagt hij ons geen toegenegen hart toe; zoolang men in verwijdering van God leeft kan men zijne nabijheid niet genieten; zoolang men iu de zonde leeft, de ongerechtigheid aan de hand houdt, en in geheel zijn gedrag toont een vriend der wereld te zijn, wordt men in Gods Woord een vijand van God genoemd; lice zou nu bij mogelijkheid een zondaar, vijand Gods zijnde en blijvende, behouden kunnen worden voor de eeuwigheid? Hoe zou hij bij mogelijkheid kunnen deelen in dat goed dat

ocr page 118

108

God weggelegd heeft alleen voor die Hem vreezen? Hoe zou hem, zonder geloof in den Heere Jezus Christus, al zijn schuld door den Heiligen en Regtvaardigen kunnen vergeven worden? Hoe zou hij den toekomenden toorn kunnen ontvlieden? Of zal God dan niet een ieder vergelden naar zijne werken, zal Hij niet met vlammend vuur wrake doen over allen die het Evangelie zijns Zoons zijn ongehoorzaam geweest? Zal hij die niet in den Zoon gelooft het leven zien of luj die niet wedergeboren is het koningrijk der hemelen binnengaan? Kan God dan gemeenschap hebben met de Zondaars, is Hij voor hen niet een verteerend vuur? Alleen dan kunnen wij dus behouden worden, wanneer de natuurlijke vijandschap jegens God in ons verbroken, afgelegd, uitgeroeid is, en vervangen door liefde en gehoorzamheid, door eenen wandel ter zijner verheerlijking ingericht naar Zijn Woord; zoolang dit niet bij ons plaats heeft kan God ons niet als zijne vrienden, als zijne kinderen behandelen, moet Hij ons als Zijne vijanden aanmerken en hebben wij als zoodanig ook zekerlijk de vreeselijkste rechtvaardig verdiende straffen te wachten; de poort des hemels blijft dan voor ons gesloten, en waar wij in dit leven reeds zijne liefde en gunst misten, waar Hij ons hier reeds meermalen deed ondervinden dat het kwaad en bitter is te zondigen tegen Hem, daar zullen wij Hem, den God in wiens hand onze adem is, maar wien wij niet verheerlijkt hadden, aan de overzijde des grafs als onzen on-verbiddelijken en gestrengen Rechter ontmoeten, en wij zullen ons ligchaam en ziel door Hem zien verderven

ocr page 119

109

in de hel. Willen wij dat verschrikkelijk lot nog ontgaan, wenschen wij nog behouden en zalig te worden, er is slechts één middel voor ons, en dat is, dat wij vrienden van God worden. En zoo komen wij M. H.! als van zelfs tot het

IV. laatste deel onzer rede, waarin wij den weg zouden aanwijzen langs welken men die eer en dat voor-regt deelachtig wordt, met aanprijzing dien weg in te slaan of daarop, verheugd in Grod, voort te treden. Hoe wordt dan nu een zondig Adamskind een vriend van God ? Hoe wordt een zondaar weder de verlorene gunst en liefde Gods deelachtig?

1. Op deze vragen geeft de bijbel slechts één, maar dan ook voldoend antwoord. — Dezelve geeft overal als middel daartoe op, het geloof in Jezus Christus deu Zoon van God, den eenigen middelaar tussclien God en menschen, die alleen door zijne zelfopoffering in den dood de verzoening met God heeft te weeg gebragt, de vijandschap aan het kruis gedood hebbende; en door dat kruis is alzoo de vrede met God daargesteld. Door het ootmoedig hartelijk geloof nu, hetwelk de H. Geest in het hart van den zondaar werkt, wordt hij op het naauwst met den Verlosser vereenigd; door dat geloof neemt hij Hem als zijnen Zaligmaker aan en erkent hij in Hem zijnen Borg en Schuld verzoener bij God; en nu ziet God hem in Christus met ontferming aan, nu wordt Hij hem een liefhebbend Vader die alle Zijne schuld, hoe veel of groot ook, om niet vergeeft, die hem in den Zoon Zijns Welbehagens aanmerkt als had hij nooit zonde gedaan, naardien Hij hem de volkomene

ocr page 120

110

genoegdoening, geregtigheid en heiligheid van Christus toerekent als zijne eigene. Dat geloof leert hem dan nu ook uit dankbaarheid, met lust en liefde Gods geboden betrachten, beproeven wat de Godewelbehage-lijke wil zij, en trachten door handel en wandel God te verheerlijken; hij vindt nu in de vreeze des Heeren zijnen lust, heeft een' afkeer van de zonde en wenscht in nieuwigheid des levens te wandelen. Door den H. Geest alzoo wedergeboren en den Heere Christus ingelijfd, behoort hij tot degenen die uit God zijn en God als hun hoogste goed liefhebben; en van dien stond af is dan nu ook zijne betrekking tot dien God eene geheel andere dan voorheen, van vijand is hij vriend geworden; en op dien weg des geloofs, die alleen tot God voert, krijgt hij dan ook deel aan alle die geestelijke zegeningen die^ om Christus verdiensten, uit de vriendschap en vrede met God voortvloeijen, voor hem is er geene verdoemenis meer, want hij heeft den Zoon, en met Dezen ook het leven ; alle de heilbeloften Gods gelden nu ook hem, en hij deelt in de Zalige ervaringen van de gunstrijke nabijheid Gods, ja in God is nu het leven zijner Ziel, en gelijk hij eertijds in de duisternis en vervreemding van dien God voortleefdei zoo wandelt hij nu in het licht van Diens aanschijn vrolijk voort en verblijdt zich al den dag; die God is de heerlijkheid zijner sterkte, en van Diens welbehagen mag hij de eerkroon verwachten welke hij daarboven dragen zal, terwijl men hier beneden na zijn verscheiden van hem getuigen kan: hij was . een vriend van God.

ocr page 121

Ill

2. Ziet M. H.! alleen op dien weg des geloofs in den Heere Jezus Christus wordt die vriendschap met God gevonden. Zalig, driewerf zalig dan allen die dien weg hebben mogen vinden en daarop hunne schreden leerden richten; maar te beklagen, diep te beklagen allen die nog van denzelven verwijderd^ in hunne vervreemding van God voortdoolen op het pad dat ten verderve leidt. Och! Gel.! dat elk zich, om het gewigt der zaak, eens ernstig mogt onderzoeken in welke betrekking hij tot God staat, als vriend of vijand; op welken weg hij wandelt op dien des waren geloofs oi des ongeloofs; keert daartoe met deze beschouwing eens tot uzelven in, gaat eens nauwkeurig na waarhenen de uitgangen van uw hart zijn, waarin gij uw hoogste goed zoekt, welke gezindheden u omtrent God en Zijne dienst bezielen, en hoedanig uwe gedragingen jegens Hem zijn. Maar ziet toe en oordeelt in dezen van van uzelven een regtvaardig oordeel, want. Ach! het arglistig hart is zoozeer genegen zich zeiven te misleiden, en den schijn voor het wezen te houden, zoo-velen bedriegen zich zeiven jammerlijk en hebben zoo spoedig een goeden dunk van zich zeiven terwijl zij het ééne noodige, waar het alleen op aankomt, nog missen; daarom zijt opregt met [J zeiven en bidt God dat Hij u door Zijnen Geest schenke verlichte oogen des verstands opdat gij aangaande uwen toestand eene regte kennis moogt verkrijgen. En is het nu dat uw geweten u veroordeelt, dat uwe daden tegen u getuigen, dat gij nog onbekeerd en dus nog zijt, die gij van nature zijt, vijanden van God, mogt gij dan uw ongeluk regt

ocr page 122

112

gevoelen en inzien, mogt gij liet dan in opzigt tot u zeiven gelooven wat de schrift zegt: „Vreeseliik is het te vallen in de handen des levenden Gods, die een verteerend vuur is, dat de tegenstanders zal verslinden;'' en dat dit u dan dringen mogt om u te haasten om uws levens wil, om dien eenigen veiligen weg in te slaan op welken ook gi} nog in Gods liefde en gemeenschap kunt hersteld worden; Och! buigt uwe knieën overwijld voor den nog geopenden genadetroon, neemt de toevlugt tot den Middelaar des Nieuwen Verhonds en smeekt Hem ootmoedig dat Hij door Zijnen verworvenen Geest uwe schreden op dien weg rigtte, dat Hij uwe harten neige tot de vreeze des Heeren, dat Hij in U werke het werk des geloofs met kracht, opdat gij, waar gij tot heden toe als vijand Gods (je-leefd hebt, als vriend van God sterven moogt. Daartoe verheerlijke de ontfermer zijne genade aan uwe zielen!

3. Moogt gij M. H.! door Gods genade, getuigen dat gij op dien weg wandelt die door het geloof in den Heere Christus tot de gemeenschap Gods en den vrede met Hem leidt; gij zult dan wel de eersten zijn, zijn vrijmagtig welbehagen daarvan alleen de eere te geven; uit Hem toch is het alleen dat gij het zaligst voorregt zijt deelachtig geworden; dat gij Hem leerdet beminnen die U reeds, met eeuwige liefde, in Christus van eeuwigheid had uitverkoren, eer gij Hem nog kendet. Alleen aan de werking van Zijnen H. Geest in U hebt gij het te danken dat uwe natuurlijke vijandschap jegens God in U plaats maakte voor begeerte

ocr page 123

113

en lust tot Zijne dienst en verheerlijking; alleen aan de verdiensten uwes Nooitvolprezenen Verlossers zijt gij het verschuldigd dat gij hersteld zijt in de gunst en vriendschap des Volzaligen Gods. Gij kunt voorzeker, even als Abraham, uit eigen ondervinding getuigen, wie die God tot heden voor U geweest is, en wat tal van zegeningen gij van Hem hebt ontvangen hoe Hij U in alle omstandigheden ten goede nabi] was, en hoeveel vertroosting en zaligheid gij in die nabijheid Gods smaken mogt. Dat dan uwe harten en monden overvloeien van lof en dank. De zegening Abrahams is alzoo ook tot U gekomen in Christus Jezus. Maar legt er U nu, in de kracht der genade, op toe om ook Abrahams werken te doen, werken des geloofs door welke God verheerlijkt wordt Dat het voortdurend uit uwe daden moge blijken dat gij Vrienden van God en Christus zijt, wandelt waardiglijk dei-roeping met welke gij geroepen zijt, bidt van Hem de vrijmoedigheid en de kracht om opentlijk der wereld te toonen dat het uwe hoogste blijdschap uitmaakt in 's Heeren wegen te wandelen. Hem te dienen en Zijne geboden te volbrengen. Houdt dagelijks gemeenschap met uwen God in het gebed, opdat gij voor afzwerven van Hem moogt bewaard worden, en bestand moogt zijn tegen elke verzoeking of verleiding ten kwade; zijt ten allen tijde waakzaam, want uw zielevijand slaapt nooit; strijdt met heldenmoed den goeden strijd des geloofs, gij staat daarin niet op U zeiven want uw beste Vriend is aan uwe zijde, en in Christus Jezus zult gij eens meer dan overwinnaars bevonden worden.

ocr page 124

gt; '53

114

Reist voorts uwen weg met blijdschap iquot; verlus

tigt U in Hem als uw hoogste goed, niemand of niets is in staat om den baud te verbreken die U aan Hem verbindt, of U ooit van Zijne liefde te scbeiden. Neen deze zult gij blijven ondervinden ten einde toe, want Hij is de Getrouwe, alle Zijne beloften zal Hij aan U vervullen, nimmer zal Hij U begeven of verlaten; Hij zal U hier blijven leiden naar Zijnen raad, en wanneer gij dezen zult hebben uitgediend zal Hij U opnemen in Zijne heerlijkheid, om met Abraham en alle verlosten, daarboven sLooreloos U in den God van al uw heil te verblijden. Amen!

N a z a n g Ps. 73 : 12.

ocr page 125
ocr page 126

Way. Soek- en Mnziekdr.