WET
van den 28 Junü 1854, S. 100,
tot regeling vau het
AEMBE STÃÃÃÃE,
ZOOALS DIE IS GEWIJZIGD bij de wet van 1 Junij 1870, S. 85,
MET
AANTEEKENINGEN,
de wijzigingswet en een besluit ter uitvoering als bijlagen,
BKNEVENS
ALPHABETISCH REGISTER,
DOOK
L. N. SCHUURMAN
EN
P. H. JORDENS,
Commies ter Progriffie van Overijssel.
ZESDE DRUK,
bijgewerkt tot December 1887.
ZWOLLE,
w. E. J. TJEENK WILLINK.
Prijs f 0.25.
WET
van den 28 Juny 1854:, S. 100, tot regeling vau het
AEMBE STUTJE,
ZOOALS DIB IS GEWIJZIGD bij de wet van 1 Junij 1870, S. 85,
AIET
AANTEEKENINGEN,
de wijzigingswet en een besluit ter uitvoering als bijlagen,
BENEVENS
ALPHABETISCH REGISTER,
ÃOÃR
L. N. SCHUURIV1AN
EN
P. H. JORDENS,
Commies ter Prov. griflie van Overijssel.
ZESDE DRUK,
bijgewerkt tot December 1887.
ZWOLLE,
W. E J. TJEENK WILLINK. âS . ru..
ia éW
INHOUD.
Bladz,
Hoofdstuk I. Van het armbestuur.
Afdeeling I. Van instellingen van weldadigheid, hare oprigting en reglementen.
Art. 1â9. 7 Afdeeling II. Van opgaven door de besturen van alle instellingen van iveldadigheid te doen, en van collecten. Art. 10â13. 15 Afdeeling III. Bepalingen betreffende het bestuur van burgerlijke en gemengde
instellingen.......Art. 14â19. 18
Hoofdstuk II. Van de ondersteuning der
armen.........Art. 20â26. 28
Hoofdstuk III. Van het verhaal op de onder-steunden, hunne bloed- of aanverwanten of nalatenschappen . . Art. 49â58. 26 Hoofdstuk IV. Van subsidi'èn uit fondsen van burgerlijke gemeenten aan instellingen van weldadigheid. . Art. 59â61. 28 Hoofdstuk V. Van bedelaars en landJoopers.
Art 63â68. 29 Hoofdstuk VI. Van de uitspraak over geschillen.........Art. 69â72. 30
Hoofdstuk VII. Algemeene overgangs- en
slotbepalingen.....Art. 73â78. 32
BIJ LAGEN.
Wet van 1 Junij 1870, S. 85....... 35
Besluit van 2 Aug. 1870 , ter uitvoering van art. 26 der wet............ 39
VERKORTINGEN:
Handel. Handelingen oan de Tweede Kamer der Si at en-Gen er aal.
Bijl. Bijlagen der Handelingen van de Tweede Hamer der Staten-Generaal.
M. v. T. Memorie van Toelichting, behoorende bij het wetsontwerp.
M. v. B. Memorie van Beantwoording van het voor-loopig verslag.
B, Bijvoegsel tot het Staatsblad.
C. V. Lnttenberg's Chronologische Verzameling.
G. Gemeentestem.
S. Staatsblad.
W.v.'rll. Weekblad van het liegt.
Wet van 28 Junij 1854, S, 100.
Hef wetsontwerp met memorie van toelichting is der Tweede Kamer van de Staten-Generaal toegezonden bij Koninklijke boodschap) van 3 December 1853. (Bijl. Handel. 2e Kamer 1853/54 bladz. 191â203.)
Het voor loop ig verslag der commissie van rapporteurs van 23 Maart 1854 Icomt voor in Bijl. Handel. 1853/54 bladz. 545â555.
Be memorie van beantwoording van 22 April 1854 in Bijl. Handel. 1853/54 bladz. â621. Nota van wijzigingen bladz. 621. V oor gestelde wijzigingen hl adz. 681.
De beraadslaging werd geopend op 10 Mei 1854. (Handel '2e Kamer 1853/54 bladz. en volgg^) Het wetsontwerp is aangenomen in de zitting van
23 Mei 1854, bladz. 938, met 37 tegen 28 stemmen.
Het aangenomen wetsontwerp kwam in bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal in de zitting van 15 1854. (Handel. 1853/54 147.) Het verslag der commissie van rapporteurs van
24 Junij 1854 met memorie van beantwoording, komt voor op bladz. 169 en volgg.
De beraadslaging had' plaats op 26 Junij 1854, bladz. 179, terwijl het ontwerp in die zitting werd aangenomen met 26 tegen 5 stemmen.
Wijzigingswet van 1 Junij 1870, S. 85.
Het ontwerp met memorie van toelichting is ingekomen bij de Tweede Kamer der Stat en-Generaal bij Koninklijke boodschap van 23 September 1869. (Bijl. Handel. 2e Kamer 1869/70 bladz. 40â45.)
Het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs van 2 Maart 1870 komt voor op bladz.
VI
1412â1416 en de memorie ean beantwoording van 11 Maart 1870 met nota van wijzigingen op hladz. 1453â1457. Het eindverslag op hladz. 1527 en voorgestelde amendementen op hladz. 1592.
De beraadslaging had plaats op 4â8 April 1870 (Handel. 1869/70 1291â1304, 1307â1321, 1323â1357, 1359â1367.) Het wetsontwerp is in de zitting van 8 April 1870 aangenomen met 54 tegen 14 stemmen.
Het aangenomen wetsontwerp kwam in bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal in de zitting van 18 Mei 1870. (Hand. 1869/70 390.)
Het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs met memorie van beantwoording is te vinden op bladz. 412 en volgg.
De beraadslaging vond plaats op 27 Mei 1870 (Handel, bladz. 424â453) in welke zitting het ontwerp is aangenomen met 32 tegen 4 stemmen.
W E ï
tot regeling van het
A \\ M P» E S T U U R.
EERSTE HOOFDSTUK.
Van het armbestuur.
eerste af deeling.
Van instellingen van weldadigheid, hare oprigüng en reglementen.
Art. 1. Instellingen van weldadigheid, in den zin dezer wet, zijn die, welke armenverzorging, in of buiten gestichten, voortdurend ten doel hebben.
Op instellingen, uitsluitend- bestemd tot het voorkomen van armoede, is deze wet niet van toepassing.
(1) Niet op instellingen, bij welke hetgeen aan de daarin betrokken personen wordt uitgekeerd, de vrucht is van door henzelven bijeengebragte middelen, of slechts als teruggegeven voorschot wTordt beschouwd, met of zonder onderpand, zoo als spaarbanken, spaarkassen, bussen, banken van leening, hulpbanken enz. (M. v. T.)
â Eene instelling kan, nevens de bestemming van armenverzorging, ook nog de bestemming hebben tot voorkoming van armoede, en alzoo te gelijk gedeeltelijk eene instelling van weldadigheid en gedeeltelijk eene instelling tot voorkoming van armoede zijn. (Arrest van den Hoogen
i Raad van 8 February 1861, W. v. 'tR. 2350.)
â üe armenwet begrijpt onder hare werking al de instellingen van weldadigheid, omschreven bij art. 1, alinea 1, zonder, hetzij den eigendom of de herkomst der goederen, aan of tot die
2. De wet onderscheidt:
a. Staats-, provinciale- of gemeente-instellingen, door de burgerlijke overheid geregeld en van harentwege bestuurd;
l. Instelliugen eener kerkelijke gemeente, bestemd voor de armen eener bepaalde godsdienstige gezindte, en van wege die kerkelijke gemeente geregeld en bestuurd;
instellingen behooreude, hetzij de wijze van regeling en bestuur als kenmerken van eenige uitzondering te hebben aangeduid of bedoeld.
Bij gedeeltelijke verzorging houdt de wet niet op van toepassing te zijn, zoodat aan een gesticht, waar slechts gedeeltelijke verzorging plaats vindt, het karakter niet kan worden ontnomen eener instelling van weldadigheid, als bij art. 1, al. 1 der wet wordt bedoeld. (Arrest van den Hoogen Raad van 11 November 1862, W. v. 't 11. 2432.)
(2) Voor de diaconie-administratie bij de Neder-landsche Hervormde kerk is een reglement ingevoerd krachtens besluit van de Synode derNeder-landsche Hervormde kerk van 23 Julij 1852.
Bij liet algemeen reglement voor het bestuur der Herstelde Evangelisch-Luthersche kerk van 7 Aug. 1835 is in art. 54 voorzien in de zorg voor de armen, B. 313.
Bij het reglement voor de Evangelisch-Luthersche gemeenten van 14 Mei 1823 in de artt. 87â91, B. 48.
In de verzorging der Israëlitische behoeftigen bij dispositie van 20 December 1838, B. 614.
In die der Roomsch-Cath. bij het algemeen reglement voor de besturen der parochiale en andere instellingen van liefdadigheid van den 22 Januarij 1855, C. V. le druk.
De vereeniging van den H. Vincentius van Paulo met al hare afdeelingen behoort gerangschikt te worden onder de instellingen bedoeld bij lett. h van dit artikel. (Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 8 September 1855, n0. 158, 7C afd. C. V.)
De genoemde vereeniging is toegelaten bij Kon. besluit van 20 Augustus 1847, n0. 55, B. 317.
â a. De classificatie eener instelling van weldadigheid als gemeente-instelling, door het daartoe volgens dit artikel bevoegd gezag, geeft daaraan het karakter eener door de burgerlijke overheid geregelde en van harentwege bestuurde en dus van eene openbare publiekregtelijke instelling, immers zoolang die classificatie niet door den volgens art. 72 bevoegden burgerlijken regter is betwist
c. Instellingen door bijzondere personen of door bijzondere, niet kerkelijke, vereenigingen geregeld en bestuurd;
d. Instellingen van gemengden aard , in welker regeling of bestuur door de burgerlijke overheid en van wege eene kerkelijke gemeente of door bijzondere personen of bijzondere, niet kerkelijke, vereenigingen gezamenlijk wordt voorzien.
3. Van alle in de gemeente aanwezige instellingen van weldadigheid wordt, naar de onderscheidingen bij art 2 vermeld, door de zorg van het gemeentebestuur, eene lijst opgemaakt en bijgehouden.
en door dezen gewijzigd. (Arrest van den Hoogen Raad van 5 Mei 1884, VV. v. 't R. 5050.)
â d. Door besturen van gemengden aard worden niet verslaan de uit burgerlijke fondsen ge-subsidiëcrde kerkelijke of bijzondere instellingen, doch wier bestuur overigens uitsluitend door kerkelijke of bijzondere personen wordt uitgeoefend. (M. v. T.)
â Instellingen van gemengden aard , ofschoon door kerkbesturen en de burgerlijke overheid opge-rigt en door deze gezamenlijk in hare regeling en besturen voorzien, zijn regtspersonen, welke een eigen bestuur hebben en wier vermogen uitsluitend aan haar toebehoort, met dit gevolg dat de besturen dier instellingen en niet de kerkbesturen evenmin als de burgerlijke overheid, de nakoming der jegens haar aangegane verbindte-nissen kunnen vorderen. (Arrest van het geregts-hof te 's Hertogenbosch van 18 Februarij 1877, W. v. 'tR. 4092.)
(3) Omtrent het opmaken en bijhouden van de lijst der instellingen door de gemeentebesturen, zie men de missives van den Minister van Binnen-landsche Zaken van 13 Augustus 1854, n0. 3, 7e afd.; 12 Junij 1864 en 21 Dec. 1866, C. V.
â Het feit, dat een gesticht door burgemeester en wethouders geplaatst is op de lijst der instellingen van weldadigheid, die door bijzondere personen of door bijzondere niet kerkelijke vereenigingen geregeld of bestuurd worden, levert geen volledig bewijs op dat het gesticht een gesticht van weldadigheid is, omdat de bevoegdheid om daarover te beslissen, bij art. 72 der armenwet aan de administrative magt is onttrokken en aan de regterlijke magt opgedragen. (Vonnis der arrond. regtbank te Amsterdam van 30 Maart 1870, w. v. 'tR. 3237 )
- 10 -
4. De reglementen der gemeente-instellingen, vermeld onder litt. a van art. 2, worden, binnen eenen door Ons voor te schrijven termijn, door den gemeenteraad, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, herzien, of, zoo ernoggeene bestaan, vastgesteld.
De oprigting van nieuwe instellingen van dien aard, geschiedt krachtens een besluit van dien raad, houdende tevens vaststelling van het reglement.
5. De reglementen der instellingen, vermeld onder litt. d van art. 2, worden, binnen eenen
(4) De wet legt aan de gemeenteraden wel de verpligting op om de reglementen der instellingen, in art. 2 litt. a omschreven, vast te stellen of te herzien en heeft hun de taak opgedragen om, wanneer haar doel is vervallen, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten het gebruik van hare bezittingen en inkomsten tot eene andere dan de laatst bekende, zoo nabij mogelijk komende bestemming te regelen , maar heeft hun niet de bevoegdheid gegeven om die instellingen op te heffen. Integendeel, zoowel de woorden der wet als hare geschiedenis leeren dat het de bedoeling des wetgevers is geweest voor het behoud der in de wet genoemde instellingen van weldadigheid te waken en te zorgen dat hare bezittingen en inkomsten niet van hare bestemming worden onttrokken. (Besluit van 5 Junij 1888, S. 49.)
â Bij dit artikel, waarbij aan den gemeenteraad de bevoegdheid is gegeven om nieuwe instellingen van weldadigheid op te rigten, is niet uitdrukkelijk verboden dat in den vorm eener stichting te doen, terwijl juist art. 8 vermeldt godshuizen, behoorende tot de in.-tellingen van weldadigheid , bedoeld bij art. 2 a der wet en in verband daarmede aanhaalt stichtingsbrieven of andere verordeningen. (Missive van den Minister van Binnenl. Zaken van 25 Junij 1884, G. 1711.)
â Zie de aanteekening op art. 69.
(4, 5) De termijnen zijn bepaald bij besluiten van 26 Sept. 1854, C. V. le druk en 26 October 1855, C. V. le druk.
(5) De bedoeling is, dat het ontwerpen of herzien van het reglement plaats hebbe in eene vereeuigde vergadering van den gemeenteraad en van het betrokken kerkelijk of hijzonder bestuur,
of wel van gemagtigden van beiden, dat de vast- e stelling steeds geschiede in eene vereeuigde vergadering, en dat daarvan moet blijken door een besluit van den gemeenteraad. (M. v. T.)
â Geene straf kan worden bedreigd bij een
floor Ons voor te schrijven termijn, door den gemeenteraad en het betrokken kerk- of bijzonder bestnur gezamenlijk, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, herzien, of, zoo er nog geene bestaan, vastgesteld.
Daarvan moet blijken door een besluit van den gemeenteraad.
De oprigting van nieuwe instellingen van dien aard en het vaststellen van hare reglementen, geschieden op gelijke wijze.
reglement door een' gemeente- en kerkeraad gezamenlijk vastgesteld; ook kan de straf, waarmede de overtreding bedreigd wordt, niet als geldig worden beschouwd, tengevolge van het besluit door den gemeenteraad genomen ter voldoening aan de 2e alinea van dit artikel. (Arrest van den Hoogen Raad van den 1 October 1850, W. v. 'tR. 1790.)
â De armenwet houdt geene voorschriften in, volgens welke de bepalingen betreffende de inrig-ting en het beheer der instellingen, bedoeld bij de lett. b gw c van art. 2, aan de beoordeeling, veelmin aan de goedkeuring van den gemeenteraad zouden zijn onderworpen. De bij de artt. 4 en 5 aan den gemeenteraad, of aan dezen en het betrokken kerk- of bijzonder bestuur gezamenlijk, opgedragen vaststelling of herziening der reglementen, betreft uitsluitend de instellingen bedoeld bij lett. a en d.
Art. 147 der gemeentewet draagt wel de benoeming, voor zoo ver die niet aan anderen behoort, van de leden en beambten van het bestuur der godshuizen en andere instellingen van weldadigheid aan den gemeenteraad op, maar daaruit, en evenmin uit de bepalingen der armenwet, kan de bevoegdheid van den gemeenteraad tot het voeren van beheer over de instellingen, bedoeld bij lett. è en c van art. 2 der laatstgenoemde wet, worden ontleend. (Besluit van den 14 Junij 1870, S. 92.)
â Bij besluit van den gemeenteraad van Vlis-singen waren» de regenten van het arm-, gast- en weeshuis ontslagen van de voogdij over de R. C. weezen in de gemeente Vlissingen. Bij besluit van 17 April 1873, S. 42, werd dat besluit vernietigd, uit overweging dat bij art. 421, le lid, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald, dat in een gesticht van weldadigheid opgenomen verpleegden, zoolang zij zich daarin bevinden, of daartoe behooren*, onder de voogdij van de regenten van het gesticht verblijven; en dat de
â 12 -
6. De besluiten der gemeentraden en de reglementen bij de artt. 4 en 5 vermeld, worden, binnen acht dagen nadat zij zijn vastgesteld, in afschrift, door den burgemeester en den secretaris te waarmerken, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten. Deze geven aan den raad berigt van de ontvangst binnen acht dagen nadat het afschrift hun is geworden.
Gedeputeerde Staten zien toe, dat die reglementen de noodige voorschriften inhouden tot verzekering van eeu regelmatig beheer, en dat zij niets bevatten , strijdig met de wetten of het algemeen belang.
7 De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur der instellingen, onder litt. b c
genoemde gemeenteraad, door regenten van het arm-, gast- en weeshuis van de voogdij over de 11. C. weezen in die gemeente te ontslaan, heeft beschikt over hetgeen algemeen Rijksbelang is, en alzoo heeft gehandeld in strijd met art. 150 van de gemeentewet.
(6, alin. 2.) Zie het besluit van 12 Aug. 1868, S. 120, vermeld bij art. 09.
â Door den burgemeester kan op een besluit in dit artikel bedoeld, art. 70 der gemeentewet worden toegepast. (Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 23 Maart 1873, G. 1196.)
â Van beschikkingen van Gedeputeerde Staten, betrekking hebbende op het hun bij dit artikel opgedragen toezigt is geen beroep op den Koning opengesteld. (Besluit van 2 Maart 1886, G 1804.)
(7) De mededeeling der reglementen wordt bij art. 7 niet voorgeschreven. Daarbij wordt alleen de mededeeling bevolen der bepalingen, welke de armenverzorging betreffen, en dit is noodig wegens den invloed, welken zij uitoefenen op de regeling van het burgerlijk armbestuur en op de ondersteuning door dat bestuur te verleenen. (Redev. Minister van Binnenlandsche Zaken.)
â Bij missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 12 Maart 1855, n0. 207, 7e afd., C. V. zijn voorschriften gegeven nopens de uitvoering van dit artikel.
â De regtspersoonlijkheid van stichtingen, met een liefdadig doeleinde, door een bijzonder persoon in het leven geroepen onder de enkele voorwaarde van mededeeling harei* statuten aan het gemeen /ebestuur, zonder eenige verpligte goedkeu-
van art. 2 vermeld, worden door hare bestuurders aan het bestuur der gemeente, waar zij zijn gevestigd, medegedeeld.
Die mededeeling geschiedt, voor de reeds bestaande instellingen, binnen zes maanden na het in werking treden dezer wet, en voor die in het vervolg op te rigten, binnen ééne maand nadat zij tot stand komen.
Wijzigingen der medegedeelde bepalingen worden, binnen eene maand na hare vaststelling, op gelijke wijze aan het gemeentebestuur bekend gemaakt.
Indien de instelling niet uitsluitend armenverzorging ten doel heeft, wordt de mededeeling beperkt tot hetgeen die zorg betreft.
De instellingen voor welke de gevorderde mededeeling niet binnen de gestelde termijnen geschiedt, missen van het oogenblik van het verstrijken dier termijnen af tot dat zij plaats heeft, de bevoegdheid bij art. 1691 van het Burgerlijk Wetboek aan zedelijke ligchamen toegekend, tot liet aangaan van burgerlijke handelingen.
8. Alle niet door het Staats- of provinciaal gezag opgerigte gods- en werkhuizen, die behooren tot de instellingen vermeld onder litt. a en d van
ring of erkenning van overheidswege, vloeit voort uit dit artikel in verband met art. 2 c. Uit de straf, bij het laatste lid van art. 7 gesteld op het niet doen der gevorderde mededeeling binnen de daarvoor gestelde termijnen, volgt, dat de wet aanneemt, dat de bedoelde instellingen de in dit artikel bepaalde bevoegdheid en dus de regtsper-soonlijkheid in het algemeen hebben. (Arrest van den Hoogen Raad van 30 Junij 1s82, W.v.'tR. 4,800.)
(8) In vele artikelen wordt het (jemeente-bestmiv vernield. Daarmede worden overal, in verband met art. 120 der gemeentewet, burgemeester en wethouders bedoeld. Waar de medewerking van den gemeenteraad wordt vereischt, is deze uitdrukkelijk genoemd. (M. v. B.)
â Art. 179 der gemeentewet bepaalt o a :
quot;Tot het dagelijksch bestuur der gemeente, aan burgemeester en wethouders opgedragen, behoort :
t. het toezien op het beheer der banken van leening en der godshuizen en andere instellingen
art. '2, zijn, onverminderd het toezigt dat daarop, in verband met hunnen oorsprong, stichtingbrief of andere verordeningen door anderen moet worden uitgeoefend, onderworpen aan het toezigt van het gemeentebestuur.
Van Onzentwege kan, zoo dikwerf Wij dit noo-dig oordeelen, door een plaatselijk onderzoek in die en in provinciale gods- en werkhuizen worden nagegaan, of zij aan hunne bestemming blijven beantwoorden.
9. Zoo het doel eener instelling van weldadigheid is vervallen. wordt het gebruik harer bezittingen en inkomsten tot eene andere, aan de laatst bekende zoo nabij mogelijk komende, bestemming geregeld, ten aanzien van;
a. gemeente-instellingen (art. 2 a), door den gemeenteraad, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten; »
van liefdadigheid, waarover door de wet op het armbestuur, den stichtingsbrief of andere verordening, aan het gemeente-bestuur toezigt is opgedragen ;
ït. het geregeld, op onderscheidene tijdstippen in het jaar, bezoeken van alle die inrigtingen, en het doen van verslag daaromtrent aan den raad.quot;
(9) Overdragt van het beheer van goederen en inkomsten, bestemd tot ondersteuning van burgerlijke armen zonder onderscheid van godsdienstige gezindte, gedaan door een burgerlijk armbestuur aan kerkelijke armbesturen, die uitsluitend zulke armen eener godsdienstige gezindte ondersteunen, tot wier verzorging zij zich geroepen achten, is verandering van bestemming, welke verandering alleen kan geschieden als het doel der instelling is vervallen. (Besluit van 19 Oct. ]S64, S. 102.)
â Bij besluit van 2 September 1873, S. 125, is vernietigd een besluit van den raad van Voorburg en het goedkeurend besluit van Gedeputeerde Staten van Zuidholland, houdende bepaling dat op het grootboek ingeschreven kapitalen van eeue vervallen instelling van weldadigheid, ten name der gemeente zouden worden ingeschreven.
â Noch bij dit, noch bij eenig ander artikel dezer wet is beroep op den Koning toegelaten aan de weigering van Gedeputeerde Staten om een raadsbesluit tot opheffing eener instelling van weldadigheid goed te keuren. (Besluit van 17 Maart 1880, G. 1687.)
b. instellingen eener kerkelijke gemeente (art. 2 h) door de bevoegde kerkelijke besturen;
c. instellingen van bijzondere personen of ver-eenigingen (art. 2 c)i door de oprigters of hunne erfgenamen, en bij ontstentenis of onbekendheid van deze, door de bestuurders der instelling, in het laatste geval onder Onze goedkeuring; en
d. instellingen van gemengden aard (art. 2 d)i door den gemeenteraad en het bevoegd kerkelijk of bijzonder bestuur in gemeenschappelijk overleg, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten.
Blijft de regeling binnen eenen voor elk bijzonder geval, des noodig, door Ons, voor te schrijven termijn achterwege, dan geschiedt zij door Ons bij een met redenen omkleed, openbaar gemaakt besluit. Deze bepaling geldt voor de instellingen, onder litt. c vermeld, slechts zoo de oprigters zei ven of hunne erfgenamen niet meer in leven of niet bekeud zijn.
TWEEDE A F D E E L I N G.
Van opgaven door de besturen van alle in-stellingen van weldadigheid te doen, en van collecten.
10. De besturen van alle instellingen van weldadigheid doen jaarlijks, binnen den daarvoor door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen termijn, en in den door dezen voor te schrijven vorm, ten behoeve van het verslag bij art. 195 der Grondwet bedoeld, aan het gemeentebestuur opgave van het getal der door hen onder-
(10) Bij missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 8 Januarij 1855, n0. 242, 7e afd., B. 22, zijn inlichtingen en voorschriften gegeven nopens de jaarlijksche opgaven omtrent de instellingen van weldadigheid bedoeld in artikel 2 der wet, en bij missive van 8 Jan. 1855, n0. 243, 7® afd., B. 60, voorschriften nopens de jaarlijksche opgaven omtrent de instellingen van weldadigheid, uitsluitend bestemd tot het voorkomen van armoede. Zie de nadere missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 24 October 1855, n0. 108, 7e afd., B. 552. Opgaven voor de hulpbanken. (Missive van den Minister van Binnenl. Zaken 21 Dec. 1866, C. V.)
â 16 â
steunden of verpleegden; van het beloop hunner uitgaven voor beheer en voor onderstand van allerlei aard, en van dat hunner inkomsten door collecten, inschrijvingen of andere vrijwillige bij-dragen en subsidiën.
De besturen der burgerlijke en gemengde instellingen doen daarenboven alle verdere opgaven, door de Regering noodig geacht.
11. De bestuurders, die niet voldoen aan het voorschrift van art. 10, worden elk met geldboete van vijf en twintig tot vijf en zeventig gulden gestraft.
Zij zijn hoofdelijk voor het geheel der gezamenlijk opgelegde boeten aansprakelijk.
Tegen den bestuurder, die bewijst het zijne te hebben gedaan om aan het voorschrift, gevolg te geven , wordt geene veroordeeling uitgesproken.
12. De besturen der kerkelijke, gemengde en bijzondere instellingen van weldadigheid moeten, des gevraagd, aan de burgerlijke besturen opgeven,
(11) alinea 1. Deze strafbepaling is bij art. 10, n0. 12, der wet van 15 April 1886, S. 64, van blijvende kracht verklaard. Volgens art. 11 dier wet, wordt het in de eerste alinea bedoeld feit beschouwd als overtreding, en het minimum der gestelde geldboete verminderd tot vijftig cent.
(12) Jn dit artikel wordt onder burgerlijke besturen ook verstaan het gemeentebestuur. In de gevallen, wanneer er geen burgerlijk armbestuur in de plaats aanwezig is, zal het gemeentebestuur beslissen of er ondersteuning zal worden verleend. Daarom moet ook het gemeentebestuur de bevoegdheid hebben, om aan eene bijzondere of kerkelijke instelling te vragen, of deze of gene arme, die zich heeft aangemeld, reeds ondersteuning geniet. (Redev. Minister van Binnenl. Zaken.)
â De verpligting tot antwoorden door bestuurders van kerkelijke instellingen van weldadigheid op de aanvrage van een burgerlijk bestuur omtrent het al of niet verkenen van onderstand aan een arme, die zich daartoe had aangemeld, volgt uitdrukkelijk en ontwijfelbaar uit art. 12. der armenwet, onverschillig of de arme zich had aangemeld bij eene andere burgerlijke gemeente dan die, welker bestuur de vraag aan het bestuur der kerkelijke instelling van liefdadigheid had gedaan. (Arrest van den Hoogen Raad van 17 September 1867, W. v. quot;tR 2953.)
â alinea 1 en 2. Deze beide alinea's zijn bij
â 17 â
of een arme, die zich bij een burgerlijk bestuur heeft aangemeld, van ben al dan niet onderstand kan erlangen.
üe bestuurders, die deze opgaven niet doen binnen veertien dagen na de aanvraag, worden elk met geldboete van tien tot vijf en twintig gulden gestraft.
Het 2e en 3e lid van art. 11 is ook in dit geval van toepassing.
13. Openbare inzameling van gelden ten behoeve van instellingen van weldadigheid, bij wege van collecte, inschrijvingen of op eenige andere wijze, heeft niet plaats dan nadat daarvan minstens driemaal vier en twintig uren te voren, schriftelijk kennis zij gegeven aati het gemeentebestuur.
Geene zoodanige inzameling mag plaats hebben ten behoeve van instellingen, die vallen in de toepassing van het laatste lid van art. 7.
Het gemeente-bestuur kan de inzameling stuiten.
Zoo het bestuur der betrokkene instelling zich met die stuiting bezwaard acht, kan het Onze beslissing inroepen.
Van de toepassing van dit artikel zijn uitgezonderd collecten in kerkgebouwen bij de uitoefening der openbare eeredienst, en die, voor instellingen eener kerkelijke gemeente, enkel aan de huizen van de ledematen dier gemeente.
art. 10, n0. 12, der wet van 15 April 1886, S. 64, van blijvende kracht verklaard. Zie verder wat de tweede alinea betreft de aanteekening op art. 11 alinea 1.
(13) Gemeentebestuur. Het is raadzaam de beslissing omtrent de noodzakelijkheid van het stuiten niet aan den burgemeester alleen, maar aan het collegie van burgemeester en wethouders op te dragen. Die beslissing is van genoegzaam gewigt om door meer dan één persoon te worden genomen. (M. v. B)
â Het gemeentebestuur is bevoegd het doen van collecten op begraafplaatsen, veilingen enz. toe te staan of te weigeren, behoudens de einduitspraak des Konings, zoo deze krachtens dit artikel werd ingeroepen. (Missive van den Min. van Binnenl. Zaken December 1864 G. 773.)
2
Armenwet, 6e dr.
â 18 â
DEKDE A F D E E L I N G.
Bepalingen he treffende het hestnur van burgerlijke en gemengde instellingen.
14. Alle daarvoor vatbare goederen der gemeente-instellingen , onder lilt. a en der instellingen onder litt. d- van art. 2 vermeld, moeten voor den koopprijs of de door deskundigen te schatten waarde, tegen brandschade worden verzekerd.
De verzekering geschiedt, voor de goederen reeds bezeten bij het iu werking treden dezer wet, binnen drie maanden daarna, en voor die later te verkrijgen, binnen eene maand na den eigendoms-overgang.
De bestuurders, die dit hebben verzuimd, zijn hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor de schade door dat verzuim te weeg gebragt.
Het Openbaar Ministerie kan, in het belang der instelling, ambtshalve de toepassing dezer bepalingen vorderen.
De bepaling van het laatste lid van art. 11 is hier mede van toepassing.
15. De beschikbare gelden dier instellingen worden belegd door aankoop van inschrijvingen in een der grootboeken der Nederlandsche schuld.
Zij kunnen, na verkregene goedkeuring van
(14-) Voor zooveel zij niet bij art. 78 zijn afgeschaft , blijven, ten aanzien van het niet in deze afdeeling der wet behandelde, de bepalingen van het gemeene regt gelden voor alle instellingen van weldadigheid. De artt. 947 en 1717 van het Burgerlijk Wetboek, de bepalingen der wet van 14 Jannarij 1815, S. 4, en art. 25 derwet van 31 Mei 1824, S. 36, waarbij art. 10 der wet van 21 Augustus 1816, S. 33, in stand wordt gehouden â verbod tot het beleggen van gelden in certificaten der Nat. schuld en tot het aankoopen van vreemde schuldbrieven â blijven alzoo van kracht. (Missive van den Minister van Binnenl. Zaken van 13 Augustus 1854, n0. 4, 7e afd. B.)
(15) De belegging van gelden in prolongatie of beleening acht de Regering voor de hier bedoelde instellingen minder raadzaam. Daarbij worden meer gedurige bemoeijenissen en meer gestadige zorg en werkzaamheid vereischt, dan
â 19 -
Gedebuteerde Staten, ook worden belegd door aankoop van onroerende goederen of in rente-gevende schuldbrieven :
a. van geldleeningen van den Staat, provinciën of gemeenten, onder voorwaarde dat de stukken op naam zijn gesteld, en de verklaring inhouden, dat zij niet dan krachtens de bij de wet gevorderde magliging kunnen worden vervreemd ;
h. gehypothekeerd op vaste goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt
Indien Gedeputeerde Staten de gevraagde gord-keuring weigeren, kan het bestuur der betrokken instelling Onze beslissing vragen.
Bestuurders , die zich schuldig maken aan grove nalatigheid in het beleggen van geldsommen, niet noodig voor het dagelijksch beheer, zijn, hoofdelijk voor het geheel, de wettelijke interesten daarvan verschuldigd. Het Openbaar Ministerie kan, in het belang der instelling, ambtshalve de toepassing dezer bepaling vorderen.
De bepaling van het laatste lid van art. 11 is hier mede van toepassing.
16. De besturen dier instellingen behoeven de magtiging van Gedeputeerde Staten tot het op-
van vele besturen van instellingen van weldadigheid verwacht of gevorderd kan worden. (M. v. T.)
â De instellingen, onder lett. ^ en c van art. 2 aangewezen , behoeven die goedkeuring of magtiging niet, ook niet wanneer zij subsidie ontvangen. (Missive van den Minister van Binnen]. Zaken van 18 Augustus 1854, B. 425.)
â De gelden, die bij een algemeen armbestuur over eenig dienstjaar overschieten en alzoo beschikbaar zijn, mogen niet aan andere besturen tot doeleinden, vreemd aan de armenzorg, worden geschonken. (Besluit van 27 Junij 1867, S. 59.)
â Dit artikel beperkt in geenen deele den raad in zijne bevoegdheid om bij de oprigting eener nieuwe instelling het doel aan te wijzen waarvoor de gelden der instelling zullen worden besteed. ^Missive van den Minister van Binnenl. Zaken van 25 Junij 1884, G. 1711.)
(16) Daden die huiten hei geivoon beheer vallen. Ouder gewoon beheer schijnt verstaan te moeten worden elke handeling, die tot den dagelijkschen werkkring behoort, en het bestuur
2*
â 20 â
nemen van gelden; vervreemden, uitgeven op erfpacht, verruilen of verpanden van onroerende goederen; verkoopen of overdragen van inschrijvingen in een der grootboeken der Nederlandsche schuld, of van andere effecten, actiën en schuld
en beheer der gewone ontvangsten en uitgaven betreft. Geldt het daarentegen handelingen, welke wegens haar gewigt en den invloed, dien zij op de bezittingen der instelling uitoefenen, van meer belang zijn te achten en niet tot de dagelijksche administratie behooren, dan zal de toestemming van Gedeputeerde Staten worden vereischt. Ik geloof niet dat het mogelijk is in de wet op te noemen al de gevallen, welke zich kunnen voordoen , en daarom is eene algemeene uitdrukking noodig, die de bedoeling van den wetgever te kennen geeft, zonder bijzonderheden te vermelden. (Redev. Minister van Binuenl. Zaken.)
â Onder vervreemden is ook begrepen het scheiden en deel en van onverdeeld goed. (M.v. B. op art. 194 der gemeentewet.)
â De besturen der instellingen, onder iett. a en d van art. 2 der wet aangewezen, behoeven tot het toestemmen in de doorhaling van hypothecaire inschrijvingen de magtiging van Gedep. Staten; de besturen der instellingen, onder lett. d en c van dat artikel aangewezen, behoeven geeue magtiging van het Burgerlijk gezag; het decreet van 11 Thermidor an XI1 is te hunnen aanzien afgeschaft, hetwelk, voor de instellingen onder V a vm d van art. 2 genoemd, door art. 16 is vervangen. (Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 27 Februarij 1855, n0. 168, 7® afd. C. V.)
â Bij besluit van 3 Nov. 1872, S. 112, zijn ingetrokken het besluit van den 21 October 1818, Lquot; rj. en de nadere Koninklijke beslissing van 22 April 1839, n0. 79, beide be treffende het verleenen van magtiging door Gedeputeerde Staten der provinciën tot het aanvaarden van donatiën of legaten, de waarde van 300 franken niet te boven gaande, aan publieke gestichten gemaakt.
â De regenten eener instelling van weldadigheid zijn ontvankelijk in eene acte ingesteld tegen het gemeentebestuur dat hen benoemde. Eene tegenovergestelde opvatting zou het gevolg hebben dat dit artikel in strijd met des wetgevers be-bedoeling in de meeste gevallen zijne toepassing zou missen. (Vonnis der arr. regtbank te Amsterdam van 23 December 1873, W. v.'t 11. 3685.)
â 21 â
vorderingen; verleenen van kwijtschelding of afslag van pachtgelden, huurpenningen en interesten, voeren van regtsgedingen , anders dan in het geval bij art. 72 vermeld; het aangaan van dadingen en opdragen van de beslissing eener zaak aan scheidsmannen, en alle andere daden, die buiten het gewoon beheer vallen. Zij mogen onroerende goederen niet anders dan in het openbaar verhuren of verpachten, ten ware Gedeputeerde Staten in bijzondere gevallen, in het belang der instelling, bewilligen, dat het onderhands geschiedt.
De besturen, die zich met de beschikking van Gedeputeerde Staten bezwaard achten, kunnen Onze beslissing vragen.
17. Gelijke magtiging van Gedep. Staten wordt voor de besturen dier instellingen vereischt tot het oprigten van nieuwe of het vernieuwen van bestaande gebouwen en het doen van buitengewone , met vernieuwing gelijkstaande herstellingen , waarvan de kosten worden berekend te boven te gaan eene som door Gedeputeerde Staten te bepalen.
(17) alinea 1. Het maximum is in de verschillende provinciën bepaald als volgt:
Noordbrabant..........Æ 250.
Gelderland.......... . « 300.
Zuidholland, bij een gemiddeld inkomen der instellingen gedurende de lantste 5 jaren van minder dan f 1000 de som van / 200.
van '/ 1000â 2000 « « quot; quot; 400. // v 2000â 5000 quot; - '/ quot; 600. â â 5000â10000 - * â v 1000. // 10000 en meer « â¢gt; » » 2000. Noordhollaud, naar de bevolking der gemeenten als:
van 0â 5000 zielen de som van f 500.
5000â10000 - - quot; 1000.
,, 10000-20000 ...... 1500.
boven de 20000 * - quot; quot; * 2000.
Zeeland............f 200.
Utrecht............quot; 500.
Friesland . . ........* 100.
Overijssel...........â¢gt; 500.
Groningen, naar het zielental als in gemeenten beneden 4000 ....../ 500.
van 4000â10000 . quot; 1000.
boven 10000......quot; 2000.
Drenthe............quot; 200.
Limburg............quot; 500.
B. 1854.
â 22 â
J
Alle werken, die eene uitgaaf vorderen van meer dan vijf honderd gulden, worden in het openbaar aanbesteed, ten ware Gedeputeerde Staten, in bijzondere gevallen, in het belang der betrokken instelling, toestaan dat daarvan worde afgeweken.
De bepaling van het laatste lid van art. 16 is hier mede van toepassing.
18. Alle handelingen in strijd met de voorschriften der artt. 15 en 16 worden, zoo zijniet, om redenen in het belang der instellingen, na hare volbrenging, door Gedeputeerde Staten zijn bekrachtigd, door den regter, op de vordering van belanghebbenden of van het openbaar ministerie, nietig verklaard.
Uitgaven gedaan in strijd met art. 17 worden in de rekening der betrokkene instelling niet goedgekeurd.
19. Onverminderd de bepaling van art. 148 der wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad n0. 85), zijn de begrooting en rekeningen van ontvangsten en uitgaven der gemeente-instellingen onder litt.« en der instellingen onder litt. d van art. 2 vermeld, onderworpen aan de goedkeuring van den gemeenteraad.
Indien de gemeenteraad de gevraagde goedkeuring weigert, kan het bestuur der betrokken instelling de beslissing van Gedeputeerde Staten vragen.
(19) Art. 148 der gemeentewet luidt:
Zijne (des raads) goedkeuring wordt vereischt op de begrooting en rekening der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, die uit de gemeentekas onderstand genieten.
â Bij missive van den Minister van Binnenl. Zaken van 13 Augustus 1854, n0. 5, 7e afd., C. V., zijn voorschriften gegeven nopens het onderzoek der begrootingen en rekeningen van instellingen van weldadigheid. In Zuid-Holland is een model vastgesteld voor het verslag betreffende het onderzoek enz. (B. 312, 1855), en bepalingen gemaakt nopens de begrooting en rekening voor de algemeene en andere gesubsidiëerde armbesturen of instellingen van weldadigheid, (B. 322, 1856.)
â 23 â
TWEEDE HOOFDSTUK
Van de ondersteuning der armen.
20. De ondersteuning der armen wordt, behoudens de verdere bepalino; dezer afdeeling, overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid.
21. Geen burgerlijk bestuur mag onderstand verleenen aan armen dan na zich, voor zooveel mogelijk, te hebben verzekerd, dat zij dien niet van kerkelijke of bijzondere instellingen van wel-
(20) De Regering ontveinst zich in geenen deele, dat die vrijheid verderfelijke gevolgen zou kunnen na zich slepen, indien de kerk haar misbruikte, door zich, om gezochte redenen en met min edele bedoelingen, te onttrekken aan de verzorging van armen , die werkelijk behooren tot het getal van hen, tot wier ondersteuning de kerkelijke instellingen bestemd zijn. Zij meent evenwel gunstiger te mogen denken over de in Nederland bestaande besturen der kerk en der kerkelijke instellingen van weldadigheid , en zij heeft gemeend dat de vrees voor dat misbruik ongegrond is, (M. v. T.)
â Bij missives van den Minister van Binnenl. Zaken, van 13 Augustus 1854, C. V. en 20 Junij 1870, C. V. zijn inlichtingen en voorschriften gegeven nopens de uitvoering en toepassing der wet.
(21) Door de nieuwe redactie, enz., schijnt nu wel alle aanleiding te zijn weggenomen om uit de hier voorkomende bepaling af te leiden, dat, ingeval de kerkelijke en bijzondere instellingen niet ondersteunen, het verleenen van onderstand eene verpligfing voor het burgerlijk bestuur zou zijn.
De woorden zooveel mogelijk wijzen, naar het oordeel der Regering, duidelijk aan, dat het betrokken burgerlijk bestuur alle wettige, in zijn bereik zijnde middelen behoort te bezigen, om zich de vereischte verzekering te verschaffen.
Daar, waar de diakoniën geldelijken en het burgerlijk bestuur geneeskundigen onderstand verstrekt , zal de laatste, zoo de diakonie er zich niet mede belast, van zelf behooren tot hetgeen het burgerlijk bestuur kan verleenen; want het geven van geneeskundige hulp aan zieken is, voorzeker in redelijken zin, volstrekt onvermijdelijk. (M. v. B.)
Het artikel is algemeen en zegt, dat de burgerlijke armbesturen zich zooveel mogelijk zullen
â -24 â
daditjheid kunnen erlangen, en dan slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid.
22. Het burgerlijk of algemeen, het gemengd armbestuur, of bij gebreke daarvan het bestuur der gemeente, waar de arme zich bevindt, beslist zonder beroep, op de aanvraag om onderstand dergenen, die verkeeren in het geval bij het vorig artikel bedoeld.
verzekeren, dat de arme van geeue andere instellingen van weldadigheid onderstand kan erlangen. Maar wanneer het van algerneene bekendheid is, dat de arme ondersleuning erlangen kan van eenig kerkelijk genootschap, dan zal men zich niet vervoegen tot eene instelling, ten einde daaromtrent onderzoek te doen, want men weet het, en verdere bemoeijing zou dus slechts noodeloo-zen omslag veroorzaken. Ik geloof, dat na de duidelijke verklaring, die thans is gegeven, het boven twijfel verheven is, daar de vraag, in dit geval aan de kerkelijke instelling te rigteu, alleen kan zijn, of de arme van haar al dan niet ondersteuning kan erlangen, zonder dat men zich, ingeval van ontkenning, heeft in te laten met de redenen, die daartoe hebben geleid. Het antwoord van het kerkelijk bestuur behoeft alleen te zijn ja of neen. (Redev. Minister van Binnenl. Zaken.)
(22) De Regering acht het niet wel mogelijk het in zich zelf duidelijk denkbeeld van volstrekte onvermijdelijkheid, thans in art. 21 overgebragt, op eene bestemde wijze te omschrijven, zonder of gevallen onvermeld te laten, die werkelijk er toe behooren, of door eene andere algerneene uitdrukking, zoo als is die van andere dergelijke luitengewone omstandigheden, de aanleiding tot verkeerde opvatting niet weg te nemen maar slechts te verplaatsen. (M. v. B.)
â De Regering bedoelt eenvoudig de plaats waar de arme zich bevindt, terwijl hij onderstand noo-dig heeft en dien aanvraagt.
De woorden »waar de arme zich bevindtquot; zijn in het ontwerp opgenomen, om duidelijk te doen uitkomen, dat de wetgever geen domicilie van onderstand meer wil, en hier dus niet aan het bestuur der woonplaats in wettelijken zin of aan eenig bepaald domicilie, maar, alleen aan de plaats van het momentaneel verblijf te denken valt.
Men neme wel in aanmerking dat er geene verpligting tot restitutie bestaat en elk bestuur geheel zelfstandig op de aanvrage beslissen zal. Er is dus geen aanleiding voor onderzoek naar
- 25 â
23. Vervallen.
24. Aan het verleenen van onderstand mogen voorwaarden worden verbonden, niet strijdig met de wet, de openbare orde of de goede zeden.
25 Vervallen.
26. üe kosten, voortvloeijende uit het overbrengen van arme krankzinnigen, naar, en hunne
de plaats waar behoefte of voor geschillen
over de verblijfplaats. (M. v. B. 1870.)
â Tusschen het vrijwillig verblijf in eene gemeente en het verblijf tengevolge van uitbesteding maakt de wet geen onderscheid. In geen geval mag eene andere gemeente dan die van het verblijf bedeelen. (Besluit van 25 Mei 1875, S. 79
(24) In strijd met de bij de Grondwet erkende volkomen vrijheid van belijdenis van godsdienstige meeningen is de bepaling in eene verordening voor het burgerlijk armbestuur dat geen onderstand mag worden verleend aan ouders, of voogden wier inwonende kinderen of pupillen, boven de twaalf jaren oud, niet zijn lidmaten van eenig kerkgenootschap of geen godsdienstonderwijs ontvangen. (Besluit van 21 Oct. 1873, S. 140.)
(26) In beginsel zal volgens de wet de verpleging bekostigd worden door de gemeentebesturen, maar daardoor wordt niet verhinderd, dat in het vervolg subsidiën, hetzij van wege het Rijk, hetzij van wege de provincie, voortdurend worden verleend. (Redev. Minister van Binnenl. Zaken.)
â De verzoekschriften van gemeente-besturen, om Rijks- of provinciale bijdragen in de kosten van verpleging van arme krankzinnigen, zijn vrij van zegelregt. (Missive van den Min. van Binnenl. Zaken van 24 Febr. 1859, n0. 162, 7e afd.)
â Van zegelregt zijn vrijgesteld de declaratien, de betalingstukken en quitantiën voor terugbetaling van uitgeschoten kosten, voor onderhoud van be-hoeftigen ten laste van 's Rijks kas. (Besluit van 9 Maart 1845, n0. 66, C. V.)
â Met het woord -iwoonplaats''' wordt, blijkens de bewoordingen en de geschiedenis van dit artikel, bedoeld het burgerlijk domicilie. (Besluit van 6 Augustus 1872.) Zie ook omtrent het woord woonplaats de besluiten van 21 Maart 1874 j li February 1877, G. 1339; 11 Dec. 1877;
20 Julij 1879; 5 September 1879; 16Juliji881;
21 Julij 1884; 27 Maart 1884, G. 1705; 5 Mei 1885, G. 1782.
â alinea 2. Geregeld bij besluit van 2 Augustus 1870, onder de bijlagen opgenomen.
verpleging in gestichten voor krankzinnigen, voor zooverre die niet uit de fondsen dier gestichten zelve moeten worden bestreden of daarin niet door de kerkelijke en bijzondere weldadigheid wordt voorzien, worden voldaan nit de fondsen der burgerlijke gemeenten, waar de verpleegden woonplaats hebben, en, indien die woonplaats binnen het Rijk niet te vinden is, uit's Rijks kas.
De wijze, waarop van het verstrekken der in het eerste lid bedoelde kosten wordt kennis gegeven, wordt door Ons geregeld.
De kosten van verpleging in gevangenissen van arme kinderen van gevangenen , die niet van de ouders kunnen worden gescheiden, worden voldaan uit de fondsen, waaruit de verpleging der ouders in de gevangenis wordt bekostigd.
27â48. Vervallen.
DERDE HOOFDSTUK.
Van het verhaal op de ondersteunden, hunne
bloed- of aanverwanten of nalatenschappen.
49. De inkomsten van bezittingen van weezen, vondelingen, verlatene kinderen en andere armen, in burgerlijke, kerkelijke of bijzondere godshuizen verpleegd, kunnen, gedurende den tijd der verpleging, worden genoten door het bestuur dat haar bekostigt, doch niet verder dan tot het beloop der gemaakte kosten.
50. Op de nalatenschappen van hen, die gedurende hunne verpleging in die godshuizen overlijden, kunnen de kosten dier verpleging en der begrafenis worden verhaald, voor zoo verre die niet reeds door de toepassing van art. 49 zijn vergoed.
51. De artt. 49 en 50 zijn niet van toepassing ten aanzien van meerderjarigen, die op andere voorwaarden in een godshuis ter verpleging zijn opgenomen.
(49) Wel de inkomsten van bezittingen van weeskinderen worden genoten door diegenen, welke hen verplegen, niet de bezittingen zelve mogen tot bekostiging der bedeeling gebruikt worden. (Vonnis der arrondissem. regtbank te Amsterdam van 31 Maart 1858, W. v. 't R. 1955.)
52. Alle verdere onderstand aan armen , waaronder belooning van arbeid niet wordt verstaan, kan door het burgerlijk, kerkelijk of bijzonder bestuur, voor welks rekening de verstrekking plaats had, renteloos worden verhaald:
a. indien de ondersteunde tot de teruggaaf daarvan in staat geraakt, op hem zeiven;
h. op zijne bloed- of aanverwanten die, krachtens de artt. 376 en volgg. van het Burgerlijk Wetboek, tot zijne alimentatie zijn verpligt
53. De vorderingen bij de artt. 49, 50 en 51 vermeld, zijn bevoorregte schulden, en nemen rang onmiddellijk na die in art. 1195 van het Burgerlijk Wetboek omschreven, voor zooverre zij daarin niet reeds zijn begrepen.
54. De octrooijen vroeger verleend omtrent het verhaal van kosten van verpleging of ondersteuning, of het erfregt van burgerlijke, kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid op de nalatenschappen der verpleegden of ondersteunden, zijn vervallen.
55. 56 en 57. Vervallen.
58. De regtsvorderingen tot verhaal van onderstand , krachtens de artt. 49, 50, 51 en 52, verjaren door verloop van vijf jaren na 31 December van het jaar, waarin de onderstand is verstrekt.
(52) Zoo er instellingen zijn, welker inrigting of bestemming de uitoefening van het verhaal niet medebrengt, kunnen hare besturen zich bij de facultative strekking der artt. 49, 50 en 52 daarvan onthouden. (M. v. T.)
â a. Het verhaal kan plaats vinden, onverschillig welke de herkomst moge zijn van de goederen of gelden die de arme bezit en al mogen die hem ook door anderen uit liefdadigheid zijn geschonken. Tot de teruggaaf van genoten onderstand moet geacht worden in staat te zijn hij die zooveel bezit, dat hij den onderstand kan teruggeven, zonder op nieuw armlastig te worden. (Vonnis der arrond. regtbank te Rotterdam van 3 Jan. 1866, W, v. 't R. 2761.)
(58) De hier bedoelde vorderingen kunnen, naar het oordeel der Regering, wrorden gelijk gesteld met die bedoeld bij art. 2012 van het Burgerl. Wetboek. Daarom is de bij dat artikel gestelde termijn van vijf jaren ook hier gevolgd. (M. v. T.)
â 28 â
VIERDE HOOFDSTUK.
Van subsidi'èn uit fondsen vanhurgerlijlcegemeenten aan instellingen van weldadigheid.
59. Na het in werking komen dezer wet, mogen geene snbsidiën, uit de fondsen van burgerlijke gemeenten nan besturen van instellingen van weldadigheid worden toegestaan, dan bij een met redenen omkleed besluit van den gemeenteraad.
60. Bij dat besluit moet blijken:
a. dat de volstrekte noodzakelijkheid van het subsidie is bewezen door de rekening en verantwoording der inkomsten en uitgaven van het betrokken bestuur over het laatst afgeloopen, en de begrooting voor het loopend of eerstvolgend dienstjaar;
h. dat ten behoeve van het betrokken bestuur, naar het oordeel van den gemeenteraad, op eene billijke wijze is bijgedragen door hen, van wie, overeenkomstig den aard der instelling, in den regel bijdragen kunnen worden verwacht;
c. dat het bestuur der instelling, overeenkomstig haren aard en hare bestemming, aan zijne verpligtingen naar vermogen voldoet.
61. De besluiten der gemeenteraden, krachtens dit hoofdstuk genomen, worden, binnen acht dagen na hunne dagteekenirg, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten.
Deze zien loe, dat niet dan bij volstrekte onvermijdelijkheid snbsidiën verleend worden Zij nemen alle maatregelen, waartoe zij bevoegd zijn, om de vermindering er van te bevorderen.
(60) Rekening en verantwoording en openlegging van zaken tot in bijzonderheden, ook van die welke kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid gewoonlijk niet openbaar maken, worden vereischt, zoo dikwijls de subsidie wordt aangevraagd voor een volgend jaar. (M. v. B.)
(61) alinea 2. Tegen de door Gedeputeerde Staten krachtens het tweede lid van dit artikel genomen besluiten, is geen beroep op den Koning toegelaten. (Besluit van 17 Juli 1875, G. 1261.)
â 29 â
VIJFDE HOOFDSTUK.
Kan bedelaars en landloopers.
62. Vervallen.
63. De tuchtiging, welke in bedelaarsgestichten kan worden opgelegd, bestaat in gedeeltelijke onthouding der gewone voeding; in vermindering der toeberekende belooning van arbeid, en in eenzame opsluiting van ten hoogste zeven dagen.
Die tuchtigingen kunnen afzonderlijk of ver-eenigd worden opgelegd.
64. Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden geregeld de gevallen, de mate waarin en de tijd waarvoor de tuchtiging, bij art. 63 vermeld, kan worden toegepast, gelijk mede, in verband met de bepalingen van het Wetboek van Strafregt, de voorwaarden, de tijd en wijze waarop de bedelaars en landloopers uit de bedelaarsgestichten worden ontslagen.
65. Van de opgelegde tuchtigingen worden registers gehouden. Afschriften daarvan worden telke drie maanden gezonden aan den officier van justitie in het arrondissement, waarin het bedelaarsgesticht is gelegen.
66. De kosten van :
1°. plaatsing en verzorging in bedelaarsgestichten van bedelaars en landloopers, krachtens de bepalingen van het Wetboek van Strafregt, of dei-wet van 29 Junij 1854 {Staatsblad n0. 102), en van hunne kinderen, die niet van de ouders kunnen worden gescheiden;
2°. overbrenging en terugbrenging der onder
(63) Zie de wet van 19 Augustus 1859, S. 83, en het besluit van 22 September 1870, S. IGé, gewijzigd en aangevuld bij besluiten van 7 Maart 1871, S. 11; 16 Julij 1873, S 109; 20 September 1875, S. 172 en 20 Mei 1876, S. 107.
(66) De onderstand van kinderen van bedelaars, die tot overbrenging naar de Ilijksgestichten zijn veroordeeld, die wel van de ouders kunnen worden gescheiden, kan in hunne verblijfplaats worden gevraagd. (M. v. B. 1870.)
â N0. 1. De in dit nummer genoemde wet van 29 Junij 1854, S. 102, is afgeschaft bij art. 3 der wet van 15 April 1886, S. 64.
n0. 1 vau dit artikel genoemden naar de bedelaarsgestichten en van hunne verpleging gedurende die overbrenging en terugbrenging;
zijn ten laste van het Rijk.
67. Indien de verpleegde, in art. 66 bedoeld, pensioen of gagement geniet, worden art. 69 der wet van 28 Augustus 1851 {Staatsblad n0. 127) en art. 68 der wet van denzelfden dag {Staatsblad n0. 129), ten behoeve van het Rijk, op de kosten, bij art. 66 omschreven, toegepast.
68. Vervallen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Van de uitspraak over geschillen.
69. Geschillen over de inrigting en bestemming van instellingen onder litt. a zn d van art. 2 vermeld, en over iiet regt tot benoemen, schorsen
(67) Art. 69 der wet van 28 Aug. 1851, S. 127 en Art. 68 « « 28 « 1851,8.129
luiden:
//Wanneer de gepensioneerde of onderstand genietende, in eenig door het openbaar gezag erkend gesticht of instelling van weldadigheid opgenomen of, op welke wijze ook, door zoodanige instelling, of wel door de gemeente, waar zijn onderstands-domicilie is gevestigd, wordt verpleegd, wordt, zoo lang dit geschiedt, het pensioen of de onderstand uitbetaald aan het bestuur van dat gesticht, die instelling of gemeente, voor rekening waarvan de verpleging plaats heeft, welk bestuur zich te dien einde in het bezit zal stellen óf van het bewijs van inschrijving, of van de beschikking
van het departement van _^arme vermeld in 1 Oorlog,
59
art. 58.
Indien echter het bedrag van het pensioen of den onderstand de verplegingskosten mogt overtreffen, wordt dat meerdere door het betrokken bestuur aan den gepensioneerde of ten behoeve van den onderstand genietende uitgekeerd.quot;
(69) Ãe vragen wie in een tot de instellingen van art. 2 litt. a behoorend gesticht kunnen of behooren te worden opgenomen, en wie bij de keuze zijner bestuurders in aanmerking komen, zijn geene vragen van burgerregtelijken aard over eigendom en bezit, maar betreffen alleen de bestemming en de inrigting van het bestuur der instelling, in welk een en ander behoort te worden
â 31 â
en ontslaan harer besturen, worden door Ons beslist na verhoor dergenen, die, bij het ontstaan van het geschil, met bet bestuur der betrokkene instelling zijn belast.
70. Geschillen, ontstaan over de woonplaats in art. 26 bedoeld, worden, zoo ze niet door Gedeputeerde Staten in der minne worden bijgelegd , door O us beslist.
De kantonregters zijn ver|.ligt, op aanvraag van Gedeputeerde Staten, personen onder eede of belofte te hooren over feiten betreffende geschillen in dit artikel bedoeld, en daarvan proces-verbaal op te maken.
71. Vervallen.
72. Geschillen:
a. over de vraag, of eene instelling, al dan niet is eene instelling van weldadigheid, en tot welke der in artikel 2 omschreven soorten zij behoort;
h. over de toepassing der artikelen 49â54;
c. omtrent aanspraken, die mogten worden ont-
voorzien in haar reglement, waarvan de vaststelling en mitsdien ook de beoordeeling of dit al dan niet behoort gewijzigd te worden, uitsluitend toekomt aan den gemeenteraad, behoudens de bepalingen van art. 6 al. 2 en art. 69. (Besluit van 12 Aug. 1868, S. 120.)
(70) Zie de circulaire vau den Minister van Justitie van 15 April ] 857 , n0. 99, C. V. le druk, houdende voorschrift betrekkelijk de kosten van oproeping, schadeloosstelling enz. aan getuigen, gehoord krachtens art. 70 der wet, alsmede nopens de inzending der declaratie der kantonregters, wanneer deze zich moeten verplaatsen.
(72) Voorschriften nopens de tnsschenkomst van Gedep Staten in geschillen, ter voorkoming van regtsgedingen, zijn gegeven bij missive van den Minister van Binneulandsche Zaken van 13 Augustus 1854, n0. 9, 7e afd., C. V.
â De vroeger gesloten alimentatie-contracten tusschen de burgerlijke overheid en een kerkelijk armbestuur zijn na de invoering der armenwet niet vervallen, en kunnen thans door opzegging van eene der partijen niet worden ontbonden of vernietigd. (Vonnis der arrond. regtbank te Amsterdam van 31 Maart 1858, W. v.'tR. 1955.)
â Uit art. 72 volgt niet, dat eene actie in reg-ten, ter beslissing van de vraag of eene instelling al of niet instelling van weldadigheid is, niet kan
T
â 32 â
leend uit akten van indemniteit, borgto^t, ontslag, readmissie en dergelijke afgegeven, of uit overeenkomsten tot het wederkeerig ondersteunen van elkanders armen aangegaan voor het in werking treden der wet van 28 November 1818 {Staatsblad n0. 40), door gemeentebesturen en burgerlijke of algemeene en gemengde armbesturen;
behooren, indien zij niet door de administratieve magt in der minne worden afgedaan, tot de kennis van de regterlijke magt.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Algemeene overgangs- en slotbepalingen.
73. Onder godshuizen worden, voor de toepassing dezer wet, verstaan alle inrigtingen in welke
worden aangevangen zoolang de bemoeijenissen van de administratieve magt tot minnelijke afdoening van het geschil niet zijn geëindigd. (Arrest van den Hoogen Raad van 8 February 1861, W. v. 't R. 2250.)
â Zie de laatste aanteekening op art. 16.
(73) Onder godshuizen, begrijpt de wet alle
wees-, oude mannen- en vrouwen-, besteding-, proveniers- en armenhuizenhofjes, gestichten tot verzorging van arme gebrekkigen, zieken, krankzinnigen, en in het algemeen alle inrigtingen, waarin armen uit weldadigheid worden gehuisvest, om het even of zij daarin verder geheele of gedeeltelijk of geene verzorging om niet erlangen.
De bewoordingen van het artikel omvatten die alle.
Zoo er onder de hofjes en proveniershuizen zijn, die het zoo even omschreven kenmerk missen en, volgens het bij art. 1 opgemerkte, niet kunnen gezegd worden tot de instellingen van weldadigheid te behooren, dan zal daarop, zoo deswege twijfel ontstaat, worden gelet bij de beslissing krachtens art 72. Voor werkhuizen is voedsel, als loon voor arbeid verstrekt, zoo als van zelf spreekt, onder loon begrepen. (M. v. T.)
â De benoeming van de leden der besturen over de godshuizen is aan de daartoe geregtigden overgelaten, behoudens de beslissing van den Koningin geval van verschil met opzigt tot de burgerlijke en gemengde instelling (art. 69.) Mogten die geregtigden niet in die regeling voorzien, dan werkt art. 147 der gemeentewet. (Missive van
- 33 â
armen met een weldadig doel worden gehuisvest, met of zonder verdere verzorging.
Ten aanzien van gestichten voor krankzinnigen blijven de bepalingen der wet van den 29 Mei 1841 {Staatsblad n0. 20) in kracht.
Onder werkhuizen worden verstaan alle inrig-tingen van weldadigheid, waarin aan armen, in plaats van onderstand, arbeid tegen loon wordt verstrekt.
74. Indien een gemeenteraad weigert de uitgaven, die krachtens deze wet, niet of zonder regt van verhaal, uit de fondsen der gemeente moeten worden gedaan, op de begrooting te brengen, wordt art. 212 der wet van den 29 Junij 1851 {Staatsblad n0. 85) toegepast.
75. Vervallen.
76. Voor de werking dezer wet is art. 874 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering toepasselijk op de besturen der burgerlijke gemeenten.
77. Alle stukken, uit deze wet voortvloeijende, zijn vrij van zegel- en grillieregten en worden, voor zooveel zij aan registratie onderhevig zijn, gratis geregistreerd.
den Minister van Binnenl. Zaken van 21 November 1854, no. 142, 7e afd., C. V. 1* druk.)
â alinea 2. üe hier bedoelde wet is vervangen door die van 27 April 1884, S. 96.
(76) Art. 874 luidt:
quot;Armen-inrigtingen, besturen van gods-en gasthuizen , benevens de kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden binnen het llijk, kunnen op gelijke wijze met gelijk gevolg als in dezen titel, ten aanzien van onvermogenden is bepaald, kostelooze toelating vragen en erlangen , zonder verpligt te zijn tot overlegging van een bewijs van onvermogen.quot;
(77) De woorden alle stukken, uit deze toet voortvloeijende, zijn vrij van zegelregten, moeten naar den aard der zaak worden opgevat in dien zin dat daarmee worden bedoeld alle stukken welke of bij name in die wet zijn genoemd, of regtstreeks en onmiddellijk uit de bepalingen van die wet voortvloeijen, doch geenszins die stukken wier opmaking als een verwijderd gevolg van de bij de wet opgelegde verpligtingen is aan te merken.
Bijgevolg zijn de declaratien en mandaten be-
Armenwel, 6e dr. 3
78. De wet van 28 November 1818 {Staatsblad n0. 40) en alle andere wetten, reglementen en verordeningen betrekkelijk de onderwerpen bij deze wet geregeld, worden afgeschaft.
Art. 15 der wet van 1 Junij 1870.
De behoeftige krankzinnigen, welke zich op den dag van het in werking treden dezer wet in krankzinnigen-gestichten bevinden, blijven tot hun overlijden aldaar of hun ontslag uit het gesticht voor rekening van de fondsen, waaruit zij volgens de wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad n0. 100) worden verpleegd.
Art. 16 der wet van 1 Junij 1870.
Artikel 3 der wet van 16 December 1858 {Staatsblad n0. 84) blijft van kracht. (1)
Art. 17 der wet van 1 Junij 1870.
Deze wet treedt in werking op het door Ons te .bepalen tijdstip, (f)
1
Art. 3 luidt: quot;Zij, die naar de regelen der wet van 28 Junij 1854, S. 100, in de gemeente Schokland domicilie van onderstand hebben of, indien die gemeente ware blijven bestaan, zouden gehad hebben, kunnen naar den regel van art. 33 dier wet onderstand van 's Rijkswege vragen.quot;
(f) Bij besluit van 16 Junij 1870, S. 93, is die in werking treding bepaald op 15 Julij 1870.
W E T
van den 1 Junij 1870, S. 85, houdende
wijziging* der wet van 28 Junij 1854, S. 100, TOT RKGELIK VAN HET AKMBESTUUR.
Wu WILLEM III, bij de gratie GODS, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groothertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! deen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is wijziging te brengen in de wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad n0. 100) tot regeling van het armbestuur;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, iiebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. 1. In het opschrift van het tweede hoofdstuk der wet van 28 Junij 1854 [Staatsblad n0. 100) vervallen de woorden «en het domicilie van onderstand.quot; De woorden «eerste afdeeling. Van de ondersteuning der armenquot; vervallen.
2. Artikel 22 van de genoemde wet wordt gelezen als volgt:
quot;Het burgerlijk of het algemeen, gemengd armbestuur of, bij gebreke daarvan, het bestuur dei-gemeente, waar de arme zich bevindt, beslist zonder beroep op de aanvraag om onderstand dergenen, die verkeeren in het geval bij het vorig artikel bedoeld.quot;
3. De artt. 23 en 25 vervallen.
4. Artikel 26 wordt gelezen als volgt:
quot;De kosten, voortvloeijende uit het overbrengen van arme krankzinnigen naar en hunne verpleging
3*
â 3« -
in gestichten voor krankzinnigen, voor zoo verre die niet uit de fondsen dier gestichten zelve moeten worden bestreden, of daarin niet door de kerkelijke en bijzondere weldadigheid wordt voorzien, worden voldaan nit de fondsen der burgerlijke gemeenten, waar de verpleegden woonplaats hebben en, indien die woonplaats binnen het Rijk niet te vinden is, uit 's Rijks kas.
De wijze, waarop van het verstrekken der in het eerste lid bedoelde kosten wordt keunis gegeven, wordt door Ons geregeld.
üe kosten van verpleging in gevangenissen van arme kinderen van gevangenen, die niet van de ouders kunnen worden gescheiden, worden voldaan uit de fondsen, waaruit de verpleging der ouders in de gevangenis wordt bekostigd.quot;
5. De artt. 2? tot en met 48, uitmakende de tweede, derde en vierde afdeelingen van het tweede hoofdstuk en de eerste afdeeling van het derde hoofdstuk, en de artt. 55, 5G, 57 en 62 vervallen.
6. Het hoofd: quot;Tweede afdeelingquot; (van het derde hoofdstuk) wordt gelezen;
quot;DERDE HOOFDSTUK.quot;
Het opschrift: «derde afdeeling. Van verjaringquot; vervalt.
7. Artikel 6G wordt gelezen als volgt:
quot;De kosten van:
1°. plaatsing en verzorging in bedelaarsgestiohten van bedelaars en landloopers, krachtens de bepalingen van het Wetboek van Strafregt of der wet van 29 .Tunij 1854 {Staatsblad n0. 102) en van hunne kinderen, die niet van de ouders kunnen worden gescheiden;
2°. overbrenging en terugbrenging der onder n0. 1 van dit artikel genoemden naar de bedelaarsgestiohten en van hunne verpleging gedurende die overbrenging en terugbrenging;
zijn ten laste van het Rijk.quot;
8. Het eerste lid van art. 67 vervalt.
Het tweede lid van art. 67 wordt, als éénig lid , gelezen als volgt:
quot;Indien de verpleegde, in art. 66 bedoeld, pensioen of gagement geniet, worden art. 69 der wet
â 37 â
van den 28sten Augustus 185J {Staatsblad n0. 127) en art. 68 der wet van denzelfden dag {Staatsblad n0. 129), ten behoeve van het Rijk, op de kosten, bij art. G6 omschreven, toegepast.quot;
9. Artikel 68 vervalt.
10. Het 1ste, 2de, 3de en 4de lid van art. 70 worden vervangen door:
'/Geschillen, ontstaan over de woonplaats in art. 26 bedoeld, worden, zoo ze niet door Gedeputeerde Staten in der minne worden bijgelegd, door Ons beslist.quot;
11. Art 71 vervalt.
12. Art. 72 wordt gelezen als volgt:
- Geschillen:
a. over de vraag, of eene instelling al dan niet is eene instelling van weldadigheid en tot welkje der in art. 2 omschreven soorten zij behoort;
b. over de toepassing der artt. 49â54;
c. omtrent aanspraken, die mogten worden ontleend uit akten van indemniteit, borgtogt, ontslag, reiidmissie en dergelijke afgegeven, of uit overeenkomsten tot het wederkeerig ondersteunen van elkanders armen aangegaan voor het in werking treden der wet van den 28sten November 1818 {Staatsblad n0. 40) door gemeentebesturen en burgerlijke of algemeene en gemengde armbesturen;
behooren, indien zij niet door de administratieve magt in der minne worden afgedaan, tot de kennis van de regterlijke magt.quot;
13. liet hoofd van het zevende hoofdstuk wordt gelezen als volgt:
'/ZEVENDE HOOFDSTUK.
Algemeene- overgangs- en slotbepalingenquot;
14. Artikel 75 vervalt.
15. De behoeftige krankzinnigen, welke zich op den dag van het in werking treden dezer wet in krankzinnigen-gestichten bevinden, blijven tot hun overlijden aldaar of hun ontslag uit het gesticht voor rekening van de fondsen, waaruit zij volgens de wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad n0. 100) worden verpleegd.
16. Artikel 3 der wet van 16 December 1858 {Staatsblad n0. 84) blijft van kracht.
â 38 â
17. Deze wet treedt in werking op het door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in liet Staatsblad zal werden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren , wien zulks aangaat, aan de naanwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den Isten Junij 1870. {get.) WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get.) Fock.
{TJitgeg. 10 Junij 1870.)
âââ-
Besluit van den 2den Augmfns 1870 , betreffende de uitvoering van art. 26 der wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad n0. 100).
Zie art. 40 der wet van 27 April 1884, S. 96.
Wij WILLEM III, enz.
Op de voordragt van Onze Ministers van Bin-nenlandsche Zaken en van Justitie van den 21 .Tulij 1870, n0. 233, 7de afdeeling en van den 30sten daaraanvolgende, 4de afdeeling, n0. 180;
Gelei op het 2de lid van art. 26 der wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad, n0. 100) zoo als het is gewijzigd bij art. 4 der wet van 1 Junij 1870 {Staatsblad n0. 85), houdende dat de wijze waarop wordt kennis gegeven van het verstrekken dei-kosten, voortvloeiende uit het overbrengen van arme krankzinnigen naar en hunne verpleging in gestichten voor krankzinnigen, voor zoo ver die niet uit de fondsen dier gestichten zelve moeten worden bestreden, of daarin niet door de kerkelijke en bijzondere weldadigheid wordt voorzien, door Ons wordt geregeld.
Hebben goedgevonden en verstaan : met intrekking van Ons besluit van 22 December 1855, n0. 83, te bepalen:
Art. 1. Indien er noodzakelijkheid bestaat een arme krankzinnige in een gesticht voor krankzinnigen te doen verplegen, alvorens deswege, door het bestuur, dat tot betaling van de kosten ver-pligt is, zij overeengekomen met een bestuur over zoodanig gesticht, hetzij hangende het onderzoek naar de woonplaats van den lijder, hetzij door dat het bestuur der gemeente, waar die woonplaats is gevestigd, in gebreke blijft de zaak te regelen, zal daarvan onverwijld aan Onzen Commissaris in de provincie, waarin de krankzinnige
â 40 â
verblijft, worden kennis gegeven door het bestuur der gemeente in welke de krankzinnige, wiens woonplaats elders is of geacht wordt te zijn, zich bevindt, en, indien de officier van justitie in de zaak betrokken is, ook door dezen, met vermelding tevens of, en zoo ja, wanneer de plaatsing in een gesticht al dan niet reeds is geschied, of in afwachting van den verderen loop der zaak, zal geschieden.
2. Indien een arme krankzinnige in een gesticht voor krankzinnigen is opgenomen , alvorens uitgemaakt zij, door wie de kosten van overbrenging en verpleging zullen worden betaald, zal het bestuur van het gesticht, onverwijld na de opneming daarvan kennis geven aan Onzen Commissaris in de provincie in welke het gesticht gelegen is.
3. De voormelde kennisgevingen zullen , behalve de omstandigheden, die de plaatsing van den arme krankzinnige in het gesticht noodzakelijk maken of maakten, al de opgaven bevatten, noodig om te geraken tot de aanwijzing van zijne woonplaats.
4. De vorm, in welke de voormelde kennisgevingen zullen geschieden, zal door Onze Commissarissen in de provinciën worden voorgeschreven.
5. Onze voornoemde Commissarissen zullen, onverwijld na het ontvangen der voormelde kennisgevingen, des noodig in overleg met Gedeputeerde Staten hunner provincie of met hunne ambtgenooten in andere bij de zaak betrokken gewesten, door de ter hunner beschikking zijnde middelen bevorderen, dat zoodra mogelijk de woonplaats van den arme krankzinnige opgespoord of, des noodig de vereischte beslissing deswege gevraagd worde; dat het bestuur der gemeente, die als woonplaats is aangewezen, met het voorgevallene volledig bekend worde gemaakt, en dat de voldoening der kosten van overbrenging en verpleging, ook van die, welke hangende het onderzoek reeds zijn gemaakt, van de zijde van dat bestuur ten spoedigste worde geregeld.
6. Indien het aan Onze Commissarissen in de provinciën uit de ontvangen kennisgevingen of uit het ingesteld onderzoek blijkt, dat de gemeente waar de voormelde arme krankzinnigen woonplaats hebben, vermoedelijk niet zal zijn te vinden.
â 41 â
brengen zij de zaak onmiddellijk ter kennis van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
7. Indien de plaatsing van een arme krankzinnige in een gesticht voor krankzinnigen, zoo dringend noodig is, dat daarmede niet kan worden gewacht, tot na de aanwijzing van zijne woonplaats, en de plaatsing niet kan worden verkregen, zonder dat eenig bestuur zich jegens dat van het gesticht aansprakelijk stelle voor de kosten van overbrenging en verpleging, zal Onze Commissaris in de provincie, waar de krankzinnige verblijft, het bestuur der gemeente in welke de lijder zich bevindt, uitnoodigen, zich tijdelijk, tot dat de woonplaats bekend zij, tot het voorschieten dier kosten te verbinden behoudens verhaal op die woonplaats. Onze Ministers voornoemd zijn belast met de uitvoering van dit besluit, ieder voor zoo veel hem aangaat.
's Gravenhage, den 2den Augustus 1870.
iget.) WILLEM
De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get) Fock.
De Minister van Justitie, {get) van Lila ar.
ALPHABETISCH REGISTER.
(De cijfers duiden de artikelen der wet aan.) Aanbesteding van werken. 17.
Acten van indemniteit. 54. 72.
Afschaffing van vroegere wetten en verordeningen. 78.
Arbeid. Belooning voor â 52.
Armbestuur. Van het â 1â19.
Assurantie tegen brandschade. 14.
Autorisatie tot handelingen. 15. 16. 17. Bedelaars en landloopers. Ontslag uit de gestichten. 64.
quot; Kosten van verpleging. 66.
Begrootingen. Goedkeuring. 19.
Belegging der beschikbare gelden. 15.
Benoeming van leden der besturen over godshuizen. 73.
Beslissing over al of niet bedeeiing. 22.
Bestuur over de instellingen. Onderscheidingen. 2.
quot; Magtiging tot eenige handelingen. 15.16.17. Bestuurders. Boeten en straffen. 11. 12. 14. 15. Bezittingen en inkomsten van instellingen van weldadigheid , welker doel is vervallen. 9. « van weeskinderen enz. 49.
Bijzondere instellingen. 2.
Boeten en straffen. 7. 11. 12. 14. 15.
Borgtogt. Zie Acten van indemniteit.
Burgerlijke instellingen. 2. 21. 22.
Collecten. 18.
T
-i
44 â
Dadingen. Magtigiug. 16.
Diakoniën. 2.
Donatiën. 16.
Effecten. Verkoop of overdragt van â 16. Erfpacht. Magtiging tot het uitgeven in â 16. Gagement van personen in bedelaarsgestichten verpleegd wordende. 67.
Gast- en ziekenhuizen. 73.
Gehouwen. Oprigtiug van nieuwe â 17. Gedeputeerde Staten. 6. 9. 15. 16. 17 IS. 19.
61. 66. 70. 72.
Geldleeningen. (Rijks-, provinciale of gemeentelijke)
Belegging der fondsen in â 15. Gemeente-besturen. Lijst der instellingen. 3. Reglementen. 8. 5.
quot; Oprigting van nieuwe instellingen. 4. 5. 6 quot; Toezigt op de instellingen 8. quot; Inzamelingen van gelden ten behoeve van
instellingen. 13.
// Ondersteuning van armen. 22. // Subsidicn. 59. 60. 61.
quot; Weigering van den gemeenteraad om fondsen op de begrooting te brengen. 74. Gemeente-instellingen. 2.
Gemengde besturen. 2.
Geschillen. Zie Uitspraak.
Godsdienstige gezindten. Instellingen van â 2. 20. Godshuizen. 73.
Herstellingen van gebouwen. Buitengewone â 17. Hofjes. 73.
Hypotheek. Belegging der fondsen op â 15. Inkomsten der bezittingen van verpleegden. 49. 51.
quot; Zie Bezittingen.
Inschrijvingen op het grootboek der Ned. schuld. Belegging der gelden in â 15. quot; Verkoopen of overdragen van â 16. Instellingen van weldadigheid in den zin dezer wet. 1.
tot voorkoming van armoede. 1. quot; tot armverzorging. Onderscheiding. 2.
â 45 -
Inzameling van gelden. 13.
Kennisgeving van de verpleging van krankzinnigen. 2G.
Kerkelijke instellingen. 2. 20.
Kinderen van bedelaars en landloopers, die niet van hnnne ouders kunnen worden gescheiden. Verplegingskosten. 66.
Koloniale inrigtingen ter opneming van bedelaars en landloopers. 63. 64.
Korting op pacht. 16.
Kosten der verpleging in de bedelaars-gestichten. 66. v van getuigen enz. in zake van onderstandsdomicilie 70.
Krankzinnigen-gestichten. 73.
Krankzinnigen. Arme â Kosten van overbrenging en verpleging. 26. quot; overgangsbepalingen. Art. 15. Wet van 1 Junij 1870.
Kwijtscheiding van pacht, huur of interest. 16.
Legaten. 16.
Lijst der instellingen. 3.
Magtiging tot handelingen. 15. 16. 17.
Nalatenschappen van verpleegden. 50. 51.
Octrooijen op de nalatenschappen der verpleegden. 54. 72.
Ondersteuning der armen. 20â26.
Onderhandsche verhuringen of verpachtingen. 16.
Onderzoek of de instellingen aan haar doel beantwoorden 8.
Onroerende goederen. Aankoop. 15.
// Vervreemden, verruilen of verpanden. 16.
Openbaar ministerie. Vervolging tegen bestuurders. 14. 15. 18.
Opgaven aan de gemeentebesturen. 7. 10. 12. // aan de burgerlijke besturen. 12.
Opneming van gelden. Magtiging. 16.
Oprigting van nieuwe instellingen. 4. 5. 6.
Overdragt van het beheer van goederen en inkomsten. 9.
Overeenkomsten tot het ondersteunen van armen. 72.
â 46 â
Overgangsbepalingen. Art. 15. 16. Wet van
1 Junij 1870.
Pensioen van in gestichten opgenomen bedelaars. 67.
Plaats waar onderstand kan verleend worden. 22.
Procederen. 76.
Proveniershuizen. 73.
Provinciale instellingen. 2.
Readmissie. Zie Acten van indemniteit.
Registratieregten. 77.
Reglementen voor instellingen ter verzorging van
armen, enz. 4. 5. 6 Regtsgedingen. 16. 72.
Rekening der besturen. Niet geautoriseerde uitgaven. 18.
'/ Goedkeuring. 19.
Rijk. Verpleging van krankzinnigen, wier woonplaats niet is te vinden. 26.
Scheiding van onverdeeld goed. 16. Schuldbrieven. Belegging in rentegevende â15. Schuldvorderingen. Verkoop of overdragt van â 16. Staats-instellingen. 2.
Straffen bij reglementen op te leggen. 5.
Subsidiën uit fondsen van burgerlijke gemeenten. 59â61.
Termijn van opgaven of inzendingen. 5. 6. 7.
'/ tot verzekering tegen brandschade. 14. Toezigt der gemeentebesturen. 8.
Transportkosten naar bedelaarsgestichten. 66. Tuchtiging van in bedelaarsgestichten opgenomen
personen 63. 64. 65.
Uitgaven zonder vereischte magtiging. 17. Uitspraak over geschillen. 69â72.
Verdeeling van onroerend goed. 16.
Verblijfplaats van den arme als plaats vin onderstand. 22.
Verhaal op de ondersteunden, hunne bloed- of aanverwanten of nalatenschappen. 49 â 54. '/ Geschillen over â 72.
â 47 -
Verhuringen of verpachtingen in het openbaar te houden. 16.
Verpligting tot onderstand. 21.
Vervreemden, verruilen of verpanden van onroerende goederen. Magtiging. 16.
Verzekering tegen brandschade, 14.
Volstrekte onvermijdelijkheid. 21.
Voorwaarden bij het verleenen van ondersteuning.
Bevoegdheid tot het stellen van â 24.
Werkhuizen. 73.
Wijziging in de bepalingen omtrent inrigtiug en bestuur. 7.
Woonplaats. Krankzinnigen. 26.
Zamenwerking van de burgerlijke eu kerkelijke besturen. 20.
Zegelregten. 77.
â .!£gt;' I i i
KtRK
Door de HH. Sciiuurmak en JoTiDINS zijn bewerkt: quot;1. Grondwet, 7e tot Nor. 1887 bijgew. dr. / 0.B0
2. Wet op het Kiesregt. 6e druk, 1887. » 0,26
3. Provinciale wet. 4e dr,, 1883, . . .»0.25
4. Gemeentewet. 9e dr., 1887.....» 0,60
5. Reglementen Suriname, Ouragao
en Wed, Oost-Indië, 2e druk . , » 0,75 3. Wet Armbestuur. 6e druk, 1888 . .quot;0,35
7. Wet Lager Onderwijs. Bedruk, met
aauTulling tot 1887........quot; 0.60
8. Wet Middelb. Onderw., 5e dr, . . » 0.50
9. Wet Hooger Onderwas, 2e dr,, met
aanvulling tot 1886........» 0,50
ü. Wet Mationale Militie, 5e druk, met
aanvulling tot 1884........quot; 0,75
12. Wet op de Schutterijen. 6e druk,
met aanvulling tot 1887 . ..... »0,26
13. Wet Inkwartieringen, Transpor
ten en Leverantiën. 4e druk, 1884. » 0,26
14. Wet Maten, Gewigten, enz,,4edr.,1886, â â 0.50
15. Wet Jagt en Visscherij. 5e dr.,1886. » 0,25
16. Wet Afkoopb. d. Tienden. 3e druk. » 0,25
17. Wet betreffende de Burgerl. Pen
sioenen, 4e dr.,bijgew, tot Sept. 1880, » 0,26
18. Wet op het Zegel, Bedruk. 1886 . , » 0.25
19. Wet Grondbelasting, 2e, druk, 1882. » 0,25
20. Wet Collegiën v. Zetters. 3edr,,1886, » 0,26
21. VROOM, Wet Successie. 6e dr., 1886, » 0,50
22. Wet Briefport, 4e dr.. Mei 1879. . . » 0.60
23. Wet omtrent den Waarborg. 4e ver
meerderde druk, bijgew. tot .Tullj 1883. » 0.25 24 Wet Onteigening. 4e druk, 1880 . . » 0.26 25. Geneeskundige Wetten. 4e dr., 1882. » 0.50 28. Wet Besmettelijke Ziekten. Se druk. » 0.26 2 7. Wet op het Veeartsoniik. Staatstoezicht, Bedruk, met aanv.tot 1886. » 0.25
28. Wet op de Hondsdolheid,2edr.l883. » 0.16
29. Wet Begraafplaatsen. 3c druk, 1879. » 0.16
30. Wet Oprigten v. Inrigtingen, 2edr., » 0.25
31. Wet Stoomtoestellen. 3e druk, 1885. » 0.25
32. Wet Spoorwegen. 2e dr., nu aanv, 1886 » 0,75
33. Wet regt van Patent, 2e druk, 1884, » 0,50
34. Wet belasting Personeel 1886 . .quot;0.25
35. Reglementen op de Rijkskanalen,
Aanvaringen en Loodsdiensten. » 0.50
36. Wet Ongebouwde Sigendommen. » 0.25
37. Wet Notarisambt, met aanv. 1883. . » 0.25
38. Wet op de Waterschapsbesturen. quot; 0.26
39. Wet middelen van vervoer ...quot; 0.16
40. Wet bescherm, diersoorten. 2e dr. » 0.15
41. Wet kleinh. Sterken drank, 5e dr. » 0.26
43. Wet Post-pakketten. 3e druk ...quot; 0.26quot;
44. Reis- en Verblijfkosten.....quot; 0.25
45. Zeevisscherjjen, met aanv. 1886 ...quot; 0.26
46. Wet Krankzinnigen, met aanv. 1886. » 0.25
47. Handels- en fabrieksmerken . . . quot; 0.25
48. Wet Bevolkingsregisters.....quot; 0.26
Bovenstaande wetten, allen te zamen in portefeuille met linten en vergulden ruïtitel, of gebonden in 2 linnen banden met vergulden titely 15.25.
Door do HH. Schuurman en Jordehs zijn bewerkt;
1. Grondwet, 7e tol Nor. 1887 bljgew. dr. / 0.60
2. Wet op het Kiesregt. Bedruk. 1887. » 0.26
3. Provinciale wet. 4e dr., 1883. ...» 0.25
4. Gemeentewet. 9e dr., 1887.....» 0.60
5. Reglementen Suriname, Curasao
en KTed. Oost-Indië , 2e drnk . . » 0.76 3. Wet Armbestuur. 6e druk, 1888 . . quot;0.26 7. Wet Lager Onderwijs. Ge druk, met
aanvulling tot 1887........» 0.50
S. Wet Middelb, Onderw., 6e dr. . . » 0.50 9 Wet Hooger Onderwijs, 2e dr., met
aanvulling tot 188G........« 0.60
11. Wet KTationale Militie, 6c druk, met
aanvulling tot 1884........» 0.76
12. Wet op de Schutterijen. 5e druk,
mei, aanvulling tot 1887 ......» 0.26
13. Wet Inkwartieringen, Transpor
ten en Leverantien. 4e druk, 1884. quot; 0.26
14. WetMaten, Gewigten, enz.,4edr.,1885. » 0.50
15. Wet Jagt en Visscherij. 6e dr., 1886, » 0.26
16. Wet Afkoopb. d. Tienden. 3e druk. » 0,26
17. Wet betreffende de Burgerl. Pen
sioenen, 4b dr., bi)gew. tot Sept. 1880. » 0.26
18. Wet op het Zegel, 8e druk, 1886 . . » 0.26
19. Wet Grondbelasting, 2e druk, 188S. » 0.26
20. Wet Collegiën v. Zetters. 3edr.,1880. - 0.26
21. VROOM, Wet Successie. 6e dr,, 188C. » 0,60
22. Wet Briefport, 4e dr., Mei 1879. . . quot; 0.50
23. Wet omtrent den Waarborg. 4e ver
meerderde druk, bljgew, tot .Tulij 1883. quot; 0.26 24 Wet Onteigening. 4e druk, 1880 . . - 0.S6
25. Geneeskundige Wetten, 4e dr,, 1882, quot; 0.60
26. Wet Besmettelijke Ziekten. 3e druk. » 0.26 2 7. Wet op het Veeartsenijk, Staatstoezicht, 3cdruk, met aanv.tot 1886. /. 0.26
28. Wet op de Hondsdolheid,2edr.l883. quot; 0.15
29. Wet Begraafplaatsen. 3e druk, 1879. » 0.15
30. Wet Oprigten v. Inrigtingen, 2edr., « 0.26
31. Wet Stoomtoestellen. 3e druk, 1886. » 0.25
32. Wet Spoorwegen. 2e dr., m.aanv. 1886 » 0.76
33. Wet regt van Patent, 2e druk, 1884. » 0.50
34. Wet belasting Personeel 1886 . . quot;0.25
35. Heglementen op de Rijkskanalen,
Aanvaringen en Loodsdiensten. quot; 0.50
36. Wet Ongebouwde Eigendommen. » 0.26
37. Wet UTotarisambt, met annv, 1883. . » 0.25
38. Wet op de Waterschapsbesturen. « 0,25
39. Wet middelen van vervoer , . . quot; 0,15
40. Wet bescherm, diersoorten. 2e dr, quot; 0,15
41. Wet kleinh. Sterken drank, 6e dr. quot; 0,25
43. Wet Post-pakketten. 3c druk ...» 0.2? '
44. Reis- en Verblijfkosten.....â o.25
45. Zeevisscherijen, met aanv. 1880 . . . -/ 0.26
46, Wet Krankzinnigen, met aanv. 1886. quot; 0.26
47, Handels- en fabrieksmerken , . . « 0,25
48, Wet Bevolkingsregisters.....â o.25
Bovenstaande wetten, allen te zamen in portefeuille met lieten en vergulden ruïtitel, of gehouden iu 2 linnen banden met vergulden titel / 16.25,