r-£0r-
/.'IumM
Gumrrór
m-
^y* i ;
à Johann Hinrich Wicherii. ï
I'
t
-t HB
I
Dr. A. J. Th. JONKEB.
^
% ^
I- w ëSe-'
â 5 â AVÃ^- iSÃ
Ygt;v A*
vëc^
M; WYT amp; ZONEN. ROTTERDAM. 'g.
Q ' ' . 1880. quot;
/0. 21fi. % . ; .. ST
J 1
GUNNING
36
wmm
iVEf\lTEEKÃiF£l}n |
GUNNING
(j
l
JOHANN HINRICH WICHERN.
Zekev iemand moet gezegd hebben; gt; Als ik in de heerlijkste aanschouwing van God verzonken was, en het viel mij plotseling in, dat ergens een kranke verlangde naar een lepel warme soep, dan zou ik aanstonds de aanschouwing van den Eeuwige laten varen om de soep te bereiden en aan den kranke te brengen.quot; Van wiens lippen deze uitspraak het eerst gekomen is, zou ik niet kunnen mededeelen, maar dit weet ik, dat met deze woorden een beginsel is uitgesproken, waarvan zonder eenige bedenking de geldigheid moet erkend worden door ieder, die het Evangelie van Christus heeft leeren verstaan. Speculatie, meditatie en devotie, zij mogen ieder een onbetwistbare plaats innemen in het mysterie van het leven, dat nu nog met Christus verborgen is in God, zij hebben geen recht van bestaan, zij dalen af tot den rang der ijdele dingen, zij verliezen voor God en menschen al hare betee-kenis, zoodra ze â weigeren zichzelf ten offer te brengen aan de Liefde, die het koninklijk recht
1
2
heeft overal de eerste te zijn. En waar zij het uiet is - ach! waarom moet deze herinnering nog telkens herhaald worden ? - daar is geen Christendom. Eere den diepzinnigen geleerde, die zich aan de bestudeering van gewichtige theologische vraagstukken wijdt; eere den vrome, die in zijn binnenkamer op gebogen knieën de bede stamelt: »uw koninkrijk kome!quot; nochtans., Ikabod! weg is de eere! zoodra aan het uituemendst wetenschappelijk onderzoek of aan de heiligste aandoening der ziel een hoogere waarde wordt toegekend dan aan den arbeid der liefde, die uitgaat om in Jezus' Naam het verscheurde te heelen en het verlorene terecht te brengen. Een lepel soep, uit waarachtig medelijden aan den armen kranke gebracht, heeft in Gods oogen meer beteekenis dan de prachtigste oratie van den anti-revolutionnaireu afgevaardigde in het parlement en de lijvigste foliant van den beroemden godgeleerde, indien namelijk de oratie niet uit barmhartigheid gesproken en de foliant niet uit barmhartigheid geschreven is. Eu wat de zoekende liefde is in de oogen Gods, dat moet zij ook zijn in de oogen Zijner kinderen. In onze godsdienstige en kerkelijke kringen moet met meer klem dan tot biertoe geschiedde, de stelling worden gehandhaafd: gt;wie liefdeloos is, is goddeloosquot; en geen enkele schoone vorm van vroomheid, al wordt zij door duizenden geaccrediteerd, mag ons verleiden
3
dezen regel van majestueuzen eenvoud één oogen-blik ter zijde te stellen. Gaat er geen kracht der reddende liefde van het christendom uit - welnu! dan is het waard zoo spoedig mogelijk te gronde te gaan, met zoovele andere dingen, die de licht-geloovige menschheid voor korter of langer tijd in exstaae gebracht hebben, doch op den duur bleken haar niet te kunnen bevredigen. Geen oogenblik mogen we aarzelen de ontzaglijk ernstige uitdaging onzer tegenpartijders met blijdschap te aanvaarden: »blijft ons met groote woorden van het lijf, en verslaat ons door het leven.quot; Wij moeten toonen, dat ons geloof in den levenden God meer is dan een ijdele klank, toonen dat Christus uit de dooden is opgestaan, toonen dat de Heilige Geest aan de Gemeente geschonken is.
Gelukkig! de gemeente heeft alle eeuwen door in allerlei vorm aan de vervulling van deze hare levensroeping gearbeid. Er is van haar een hervormende invloed uitgegaan in de wereld. Zij heeft de alarmklok geluid tegen slavernij en verdrukking. Zij heeft geluisterd naar de noodkreten der lijdende meuschheid en haren balsem doen druppelen in de wonden, deze toegebracht door zonde en dood. Zij heeft de tente der barmhartigheid opgeslagen in den rook der kanonnen. Zij heeft alom hare tempels van liefdadigheid opgericht om afgedwaalden en ongelukkigen te redden en aan den boezem der eeuwige Liefde terug te brengen. 1*
Inzonderheid iu de laatste jaren heeft men getoond op de Kaïns-vraag; »ben ik mijns broeders hoeder?quot; een bevestigend antwoord te willen geven. Wij kunnen zeggen, dat de praktijk der godzaligheid in menig opzicht schoone dagen beleeft, en een heerlijke toekomst tegengaat. Er is een keurbende, die zich, te midden van de heerschende verwarring op kerkelijk gebied, aangordt om nog uit het verderf der tijden te redden, wat gered worden kan. In plaats van zich met allerlei strijdvragen over het Kruis te vermoeien, vat zij liever dat Kruis zelf aan in de kracht des geloofs, om dit wonderhout te dompelen in alle wateren, waarvan de kinderen der eeuw klagen: »Mara! Mara! zy zijn ons zeer bitter.quot; Er is bij velen een heilige ijver voor de zending onder de heidenen ontwaakt, die uitnemende vruchten levert en belooft. En vooral op het gebied der inwendige zending schijnt de gemeente de heilzame krachten haars levens te willen ontplooien. Koevele gestichten zijn in den laatsten tijd verrezen! koevele vereenigingen opgericht, die zich alle ten doel stellen armen en hulpbehoevenden, afgedwaal-den en gevallenen, verwaarloosden en verdrukten te hulp te komen! Men krijgt gedurig meer een open oog voor de paria's der Maatschappij. Men gaat uit om dronkenschap, prostitutie en andere maatschappelijke zonden te bestrijden. Men zint op allerlei pogingen om lichamelijke eu geestelijke
5
nooden te lenigen. In één woord de inwendige zending wordt meer en meer een macht, waarmede het ongeloof, ik zei bijna, waarmede de Satan te rekenen heeft.
Men kan niet van inwendige zending spreken, zonder aan Johann Hinrich Wich«rn te denken, zoo schreef onlangs en naar ieder toestemt terecht, Dr. Krummacher, in de voorrede van een boek, waarin hij het leven van dezen philanthroop met licht te verklaren ingenomenheid heeft geteekend. Ik heb deze biografie (1) met stichting gelezen, en niet zonder den wensch, dat zij in veler handen komen mocht. Laat mij mijne lezers er mede in kennis brengen en hun aan de hand van genoemden biograaf het een en ander van Wichern's leven en arbeid mogen mededeelen (2). De stichter van het Rauhe Haus verdient ten volle dat wij zijne nagedachtenis in eere houden.
(1) J. H. Wichern, Ein Lebensbild aus der Gegenwart. Gotha. Perthes '82.
(2) Tot verklaring en Terschooning van den vorm dezer bijdrage zij hier aangestipt dat zij is voorgedragen op een vergadering van de Christ. Jongelingsvereeniging »Obadjaquot; te Rotterdam. Den inhoud van K. geschrift heb ik eenvoudig in hoofdtrekken terug gegeven, zonder in eenige beoordeeling te treden. De Redactie van de Bouwsteenen, die in haar prospectus ook van boekbeoordeelingen gewaagde, heeft zich echter hierdoor niet laten weerhouden, bovenstaand opstel onder deze rubriek op te nemen.
6
Wichern is den 21sten April van het jaar 1808 te Hamburg geboren, 't Was in de dagen, toen de Franschen deze stad bezet hielden, de belastingen zwaar en de levensmiddelen duur waren, en de inwoners het onder den druk der vreemde heerschappij hard hadden te verantwoorden.
Wichern's vader, die op een notariskantoor arbeidde, moest zelfs met vrouw en zeven kinderen de stad verlaten en ergens in de buurt een onderkomen zoeken. Eerst in 1814 trokken de Fransche troepen af. De witte vlag, die van den toren woei, kondigde den ballingen aan, dat de onder--drukkers waren verdwenen en met groene takken in de hand, schreiende van blijdschap, keerden ze naar hun haardsteden terug. De zesjarige Johann kon toen geregeld de school bezoeken. Zijn vader hield zich veel bezig met den knaap, die hem gewoonlijk na schooltijd van 't kantoor haalde; 's avonds gaf hij zijn zoon les in pianospel en zang. Toen de oude Wichern in 't jaar 1823 onverwacht stierf, kwam de niet bemiddelde familie daardoor in zeer moeielijke omstandigheden. Johann leerde zoo bij ervaring de ellende van de armoede kennen, een ervaring, die hem op de knieën bracht, en hem diepe, ernstige indrukken gaf, voor zijn volgend leven van veel beteekenis. Hij deed zijn best om door les geven, tusschen de schooluren, zooveel mogelijk voor het onderhoud van de zijnen
7
te zorgen, zonder echter zijn eigen vorming te verwaarloozen. In de theologie te gaan studeeren was zijn ernstige en hartelijke begeerte. Hij solliciteerde om een beurs - te vergeefs; de rationalistische collatoren vonden, dat de blonde achttienjarige jongeling met zijn blauwe oogen een gevaarlijke mystieke richting volgde, en dat het dus hun plicht was hem zoo mogelijk van de studie der godgeleerdheid af te houden. Doch sommige van zijn invloedrijke vrienden dachten er gelukkig anders over, en zorgden, dat hij in de gelegenheid gesteld werd de academie te Gröttingen te bezoeken. xNiet lichtquot; zoo schrijft hij zelf, »kon een student met grooter verlangen naar de christelijke wetenschap zich naar een universiteit begeven dan ik het toen deed, en ik ging met het bepaalde voornemen mij tot den dienst van het Godsrijk in de Vaderlandsche kerk te bekwamen.quot; De lessen der professoren werden trouw gevolgd. Stil en teruggetrokken leefde hij in een kleinen kring van vrienden, met warmen ijver voor de wetenschap bezield, Later, te Berlijn, waar hij zijn studiën zou voortzetten, was het vooral Schleiermacher, die hem bijzonder aantrok. Hij is dezen ïgroote in Israelquot; altijd met dankbare pieteit blijven beschouwen, en heeft aan de miskenning van de heerlijke beteekenis, die Schleiermacher voor het christendom dezer eeuw heeft gehad, nooit willen mede doen. Door den
8
beroemden hoogleeraar Neander werd hij in kennis gebracht met zekeren baron von Kottwitz, door Tholuck in zijn gt;Lehre von der Sünde und vom Versöhnerquot; onder den naam van j vader Abrahamquot; geteekend. Wichern ging meestal voor in de bidstonden, die gehouden werden in het armenhuis, door dezen patriarchalen vrome opgericht, en ook in diens huiselijken kring, waar telkens geloovige mannen en vrouwen bijeenkwamen om de belangen van het Godsrijk te bespreken, werd de veelbelovende student met blijdschap ontvangen.
In het jaar 1831 keerde Wichern naar Hamburg terug, en de gemoedelijke wijze, waarop hij als candidaat hier en daar het Evangelie verkondigde, maakte op velen een uitnenaenden indruk. Een preek over 't begin van Joh. 10, in de gevangenis van zijn geboortestad gehouden, beviel zóó goed, dat hem de leiding van een bloeiende zondagsschool werd opgedragen. Hier was de jeugdige candidaat met zijn liefdevol hart recht in zijn element. Hij richtte een cursus op om de onderwijzers en onderwijzeressen op het onderricht, dat zij des Zondags zouden geven, voor te bereiden. Hij spoorde hen aan de leerlingen te gaan bezoeken in hun woningen en hun familie naar vermogen met raad en daad bij te staan. Hij zorgde, dat de Hamburgsche zondagsscholen voor 't eerst openlijk hun jaarfeest vierden, opdat ook anderen met de noodzakelijkheid
9
en den zegen van dezen arbeid der liefde zouden bekend gemaakt en tot medewerking opgewekt worden. Wichern zelf sloeg eerst als ijverig voorganger en leider van deze inrichting een diepen blik in de moreele en sociale ellende, aan wier bestrijding hij verder zijn leven heeft gewijd.
Naast de vereeniging voor zondagsschoolonderwijs vormde zich op zijn initiatief weldra een «Besuchs-vereinquot; waarvan de leden, die tot allerlei stand en leeftijd behoorden, zich verbonden armoedige huisgezinnen persoonlijk te bezoeken en in hun lichamelijke en geestelijke ellende te hulp te komen. De ervaringen, in dezen kring opgedaan, hebben geleid tot de grondvesting van het gt;Rauhe Hausquot; de later zoo beroemd geworden inrichting, wier geschiedenis ons thans eenige oogenblikken moet bezig houden. Wichern zelf heeft in een door hem uitgegeven feestboekje het ontstaan der inrichting in hoofdtrekken beschreven, en gewild, dat de hierop betrekking hebbende paragrafen bij elke gedachtenisviering zouden worden voorgelezen, opdat het duidelijk zou zijn, dat de genade Gods het dierbare gt;Rauhe Hausquot; had gesticht en iedere steen in de muren, iedere boom in den tuin, iedere voetbreed gronds een gedenkteeken van Zijne liefde geworden was. igt;De stichter van het »Rauhe Haus,quot; zoo klinkt het in de uitgave van 1851, »is Jezus Christus.quot; De latere uitgaven hebben deze uit-
2
10
drukking niet meer, maar vermelden toch uitdrukkelijk, dat de zaak in 't geloof is begonnen. Er was inderdaad voor het geloof een nieuwe tijd aangebroken, en daardoor was ook de ontfermende, reddende liefde weder ontwaakt. Want waar geloof is, daar wordt ook de liefde geboren, even als de lichtstraal uit de zon, en de warmte uit het vuur.
De leden van den ïBesuchs-verein,quot; waarvan ik daareven melding maakte, hadden aangaande den toestand der kinderen, die zij bezochten, de allerdroevigste ervaringen opgedaan. En hierdoor vestigde zich bij hen de overtuiging, dat ten behoeve van deze verwaarloosde jeugd krachtig de hand aan het werk moest geslagen worden. Men besloot een gt;reddingshuisquot; opterichten. De broeders hadden geen middelen, maar zij bezaten een kinderlijk geloof in God en wachtten biddend op Zijne hulp. En de hulp bleef niet uit. De eene bemoedigende ervaring volgde op de andere. Aan één der vrienden werd, zonder dat hij er om gevraagd had, een gift van 100 daalders ter hand gesteld om tot bereiking van het voorgestelde doel te worden gebruikt. De senator Hudtwalker, ten zeerste met bet plan ingenomen, wist te bewerken, dat aan de ontworpen »Anstaltquot; een legaat van 17,500 Mark werd toegezegd. In een ten voordeele van het reddingshuis uitgegeven weekblad werd van andere dergelijke inrichtingen in Duitschland verslag gegeven
11
en met uitnemend gevolg de medewerking der ge-loovigen ingeroepen. Van alle zijden, zelfs van dienstmaagden en arbeiders, stroomden de gaven toe. En toen de syndicus Karl Sieveking, een man, die naar hij zelf getuigt, uit een familie was gesproten, waarin sedert lange tijden het âOnze Vaderquot; niet meer was gebeden, een aan den straatweg naar Wandsbeck gelegen stuk land voor het reddingshuis had afgestaan, meende men het voorgestelde doel bijna te hebben bereikt. Doch allerlei onverwachte bezwaren deden zich op. Tegen de wettigheid van het toegezegde legaat van 17,500 Mark werden gewichtige bedenkingen geopperd. Het gratis aangeboden stuk land kon men niet gebruiken, omdat er geen huis in de buurt te huur was, en aan het bouwen van een eigen woning nog niet kon gedacht worden. Weldra zorgde God echter, dat ook deze wolken verdwenen. De zooeveu genoemde Sieveking bezat in de buurt te Hom een vervallen huisje, dat bewoond werd door een familie, die - toevallig zouden we zeggen - destijds den wensch te kennen gaf naar elders te vertrekken, ofschoon de in het huurcontract bepaalde tijd nog niet was verstreken. Dit Rauhe Haus of Rüges Haus, zooals men het misschien naar een vroegeren bewoner of eigenaar noemde, werd door den bezitter aan de broeders van het Besuchs-Verein afgestaan om het tot een
2*
toevluchtsoord voor verwaarloosde kinderen in te richten. Het was weinig meer dan een bouwvallige, met stroo gedekte hut met een tuin, weide, vijver en eene frissche bron, die door den schoonsten kastanjeboom uit den ganschen omtrek werd beschaduwd. Dit plekje was bestemd om een belangrijke zenuwknoop te worden in het organisme der inwendige zending. Spoedig was ook het bezit van het zoneven genoemde legaat verzekerd. Den 12en September van het jaar 1835 kwam men bijeen om de noodige zaken te regelen en den len November werd het huis door Wichern met zijne moeder in alle stilte betrokken. Twee schoone platen, waarvan de eéne»den intocht van den Heer te Jeruzalemquot; en de andere »de zegening van twaalf kinderen door Jezusquot; voorstelde, waren door Sieveking in de woonkamer opgehangen, en maakten het eenige sieraad uit. Doch Wichern's hart vierde feest en er was ongetwijfeld op dien len Novemberdag ook blijdschap in den hemel bij God. Weldra werden de eerste drie knapen opgenomen, en aan 't einde van 't jaar was dit drietal reeds tot twaalf geklommen.
Sedert dien tijd was het leven van Wichern ten nauwste aan het Rauhe Haus verbonden. Hij heeft aan het Eauhe Haus en het Rauhe Haus heeft hem beteekenis gegeven. En aan zegen op den arbeid zijner liefde bleef het hem waarlijk
13
niet ontbreken. Reeds in het jaar 1834 moest tot het bouwen van een tweede woning worden overgegaan, het i Sohweizerhausquot; waar men tevens ruimte had om aan de vele opgenomen knapen de noodige werkplaatsen te verschaffen. Niet lang daarna werden ook de grondslagen van het gt;Mut-terhausquot; gelegd, dat door Wichern en zijne vrouw Amanda Böhme betrokken werd en waaraan een zaal voor godsdienstige bijeenkomsten was verbonden. Zoo breidde de inrichting zich van lieverlede uit. En reeds in 't jaar 1850 was voor de bouwvallige hut een kleine kolonie van 13 huizen in de plaats gekomen, welk getal later nog met versoheiden andere vermeerderd werd. Met deze uitwendige uitbreiding ging tevens de ontwikkeling der inwendige organisatie hand aan hand. Behalve knapen werden ook verwaarloosde meisjes opgenomen. Aan de broeders zelf, die aanvankelijk slechts voor de opvoeding der kinderen hadden te zorgen, begon men een geregelde opleiding te geven, ten einde hen tot den arbeid der liefde elders te bekwamen. En op deze wijze is de «Brüderanstaltquot; ontstaan, waarop wij straks nog moeten terugkomen. De talrijke aanvragen om plaatsing van jongelieden uit hoogere standen gaven in 1853 tot stichting van een pensionnaat aanleiding. Reeds vroeger had de behoefte aan openbaarmaking van hetgeen verricht werd, maar meer nog de wensch om eenige
14
kweekelingen ook gedurende den leertijd in huiR te kunnen houden, geleid tot het oprichten van een boekdrukkerij en binderij, die voor de inrichting uitnemende vruchten heeft afgeworpen. Ook aan degelijke en waardige medehelpers (1) heeft het den oprichter nooit ontbroken en velen hunner is het verblijf iu het Rauhe Haus tot een rijken zegen geworden. Kortom in alle opzichten ondervond dit werk der reddende liefde kennelijk de goedkeuring des Allerhoogsten, en met het volste recht kon Wichern, toen Theodor Riehm tot inspector was aangesteld, eu zijn plaats in het »Mutterhausquot; zou innemen, den eersten steen van een eigen woning leggen met de woorden van Jakob; »ik ben geringer dan al de barmhartigheid en trouw, die Gij aan uwen knecht gedaan hebt, want toen ik voor 20 jaren hier kwam, had ik niets dan een staf en nu ben ik tot 2 heiren geworden.quot;
De vraag dringt zich hier op: vanwaar zijn de middelen gekomen die tot onderhoud en uitbreiding dezer inrichting noodig waren ? En het is waarlijk een genot op deze vraag het antwoord te vernemen. Men heeft voor het «Rauhe Hausquot; nooit
(1) Onder de Candida ten in de theologie, die Wichern bijstonden, wordt ook genoemd de onlangs overleden Brandt, die later als directeur van de diakonessen-inrichting naar Duisburg aan den Rijn en vandaar als predikant naar Amsterdam is vertrokken.
r............â ' â
15
gekollekteerd. Men heeft evenmin door ondernemingen van industrieelen of oekonomischen aard de noodige uitgaven trachten te bestrijden; wat de landerijen opleverden en de knapen in hun werkplaatsen vervaardigden, werd in de inrichting zelve verbruikt, en alwat de daaraan verbonden boekhandel opbracht, bleek deze tot eigen instandhouding noodig te hebben. Het is enkel de christelijke liefde geweest, die vrijwillig door geregelde bijdragen en buitengewone geschenken of giften dit werk heeft verricht. //Wat wij behoeven,quot; zegt Wichern, gt; verwachten wij getroost uit de rijke hand van onzen God, in het geloof, dat Zijn Woord, waarin Hij ons wijst op de vogelen des hemels en de lelien des velds, vast en waarachtig is, en in het vertrouwen dat Hij een volk in de wereld heeft, dat onzen nood tot den zijnen maakt. Wij verbeelden ons niet, dat ons huis in dit opzicht een bijzonder huis is, alsof andere dergelijke inrichtingen zulk een voorrecht niet zouden bezitten, maar dit geloo-ven wij, dat ieder, die op God en den Heiland, al is het dan ook gebrekkig, vertrouwt, ontvangen zal wat hij noodig heeft. Zijn wonderbare liefde heeft zich aan de Zijnen en ook aan ons en aan het Rauhe Haus betoond. Hy leeft nog, die de 5000 met weinige broeden heeft gespijsd; met verborgen hand regeert Hij in de gemeente, in de gemeenschap van hen, die zich rondom Hem hebben
16
Terzameld en maar één leven hebben, en die als onbekenden en nochtans bekend zóó nauw met elkander verbonden zijn, dat zij gaarne hun lijden als een gemeenschappelijk lijden erkennen. God heeft in dagen van nood en zorg ons Rauhe Ha\is met de liefelijkste ervaringen van deze gemeenschap verkwikt.quot;
Ik moet thans op de Brüderanstalt, waarvan ik straks melding maakte, terug komen. De medehelpers van Wichern waren oorspronkelijk slechts bestemd, om onder zijn leiding verwaarloosde kinderen op te kweeken, en elkander een voorbeeld van broederlijke liefde te geven. Aan het hoofd van ieder gezin stonden er minstens twee, de Familienbruder en zijn assistent. Doch al deze mannen konden onmogelijk op den duur aan het »Rauhe Hausquot; verbonden blijven, aangezien zij er het voorrecht van een eigen tehuis bleven missen. Nu begreep Wichern terecht, dat de personen, die een tijd lang in deze omgeving hadden verkeerd, en hier zoowel practisch als theoretisch gevormd waren, juist de geschikte personen zouden zijn om elders de leiding van den arbeid der reddende liefde op zich te nemen. De gedurige afwisseling van zijn personeel, die hiermede noodzakelijk samen hing, beschouwde hij veeleer als een aanwinst dan als een schade voor zijn inrichting: deze zou door den gestadigen toevoer van nieuwe en frissche krachten
17
in bloei toenemen, meer tegen den invloed van verkeerde persoonlijke eigenaardigheden zijn gewaarborgd en bij blijvende eenheid des geestes in rijke variëteit van levensvormen haar eigenlijk leven te heerlijker kunnen ontwikkelen. Het kostte hem echter ongeloofelijke moeite dit uitnemende denkbeeld, dat aanvankelijk bij zijn vrienden weinig bijval vond, te verwezenlijken. Eerst in 't jaar 43 verlieten eenige broeders het Rauhe Hans om met hun rijke ervaring gewapend, in verschillende oorden aan 't hoofd van allerlei inrichtingen van liefdadigheid geplaatst te worden, waar zij een gezegenden invloed hebben uitgeoefend. Zonder plechtige inzegening werden zij uitgezonden. Zij kregen elk een bijbel mede en werden door den huisvader in een gemeenschappelijk gebed aanbevolen aan de zorg van Hem, in Wiens Naam zij hun werk wilden en moesten volbrengen. Na dien tijd heeft de Brüderanstalt een vaste organisatie en een gezegende uitbreiding verkregen. Ruim twee jaar geleden kon men berekenen, dat 278 broeders over gansch Duitschland verspreid waren en in weeshuizen, krankzinnigengestichten, inrichtingen voor idioten en gevallenen enz. arbeidden. In het »Rauhe Hausquot; zijn tusschen de 40 en 50 medehelpers geplaatst, die zich met veel zorg tot het aanvaarden van een dergelijke roeping voorbereiden. Niet door allerlei bureaucratische verordeningen, slechts door eenheid
3
18
van geloof en liefde zijn ze aan elkander verbonden. Wichern was van het onaantastbaar recht der menschelijke persoonlijkheid, de praktische betee-kenis van het a;lgemeene priesterschap der geloovigen diep overtuigd. Zijn Brüderanstalt wilde hij in geenen deele als een katholieke kloosterorde beschouwd hebben. Ieder moest vrij blijven en door niets belemmerd worden om de eigenaardigheid van zijn persoon, mits geheiligd door het geloof, ten volle te ontvouwen. Het »Rauhe Hausquot; zou geen Christentumsschnlequot; zijn; de vroomheid mocht niet als een soort van exercitie of dressuur worden opgevat. Het Christendom, meent Wichern, treedt niet op als een zaak naast het leven, maar als het leven zelf. Want het is werkelijk leven, en wel eeuwig leven, nieuw leven, liefde, waarheid, geest en kracht en daarom protesteert het van zelf tegen alle dressuur en allen schijn. Het is de gave, die ieder ontvangt, die Christus heeft aangenomen. Want in Hem is de volheid van dit leven, dat in de gezindheid der liefde, die de liefde van haren Verlosser heeft leeren kennen, zijn reinste openbaring vindt.quot; Ieder, die het «Rauhe Hausquot; binnentrad - zoo klonk de eisch - moest deze gezindheid mede brengen om den schat van familieleven, die hier gevonden werd, ieder in zijn mate te vermeerderen. Slechts eenmaal is er, verhaalt Wichern, een klein conflict tusschen hem en zijn
19
medearbeiders ontstaan, en - voegt hij er koninklijk bij - 't was mijne schuld. Geen wonder voorwaar dat men, waar deze beginselen werden gehandhaafd, in een sfeer van reine liefde volle blijdschap ademde, en toegerust werd met heiligen ijver om anderen voor het koninkrijk der hemelen te winnen.
Wij keeren thans tot de Kinderanstalt van het z/Rauhe Hausquot; terug en trachten in enkele trekken van de wijze, waarop ze is ingericht, een voorstelling te geven. Het meest eigenaardige hiervan is wel dat de gedachte van het familieleven aan alles ten grondslag ligt, en deze gedachte naar alle zijden zoo consequent mogelijk is ontwikkeld. Reeds toen quot;Wichern met zijn moeder en enkele verwaarloosde knapen onder het stroodak bij den prachtigen kastanjeboom woonde, stond het bij hem vaat, dat ook indien zijn arbeidskring zich verder uitbreidde deze het karakter van persoonlijke liefde en huiselijke verpleging in zijn oorspronkelijke, frissche kracht zou moeten behouden. De gansche bevolking van het gt;Rauhe Hausquot; is eeu groote familie, en deze groote familie wordt in kleinere familien organisch verdeeld. De kinderfamilien vormen den grondslag van het geheel. Twaalf jongens of meisjes eten, drinken en slapen te zamen onder voldoend toezicht in dezelfde woning. Ze vormen te zamen geen klasse van onderwijs, geen afdeeling voor denzelfden arbeid bestemd,
3*
20
geen vaste compagnie, maar een huiselyken kring, waartoe kinderen van allerlei leeftijd, aanleg en karakter behooren. Zoo moeten verschillende karakters elkander leeren verdragen en aan elkanders vorming arbeiden, alles onder de zorgvuldige leiding van eenige broeders, die met hen in een afzonderlijke ruimte 't zelfde huis bewonen. De broeders zelf, gesplitst in kringen, die ter onderscheiding van de kinderfamilien «konviktequot; genoemd worden, moeten aan de knapen en meisjes in hun eigen huiselijk leven laten zien, hoe liefelijk en zoet het is, dat zonen van hetzelfde huis als broeders samenwonen. Zij spelen met de kinderen op de speelplaats, die zich voor iedere woning bevindt; zij helpen hen voort in hun werk, zij bezoeken hunne ouders en trachten tusschen deze en hunne kinderen de betrekking levendig te houden; zij hebben inzonderheid bij hen, die aan hun zorg zijn toevertrouwd, op de ontwikkeling van het gemoedsleven zeer nauwkeurig acht te geven. Slechts zeer zelden gebeurt het, dat een kind van de eene familie in de andere verplaatst wordt. De leden van 't zelfde gezin blijven bijeenbehooren, onverschillig op welke schoolklasse zij zitten en tot welke arbeidsgroep zij behooren. Zij krijgen zoodoende een zeker recht op elkander en voelen zich aan elkander verwant. Met de anderen komen zij telkens in aanraking bij het werk .in 'de school en in de
21
bidzaal - maar hun kring wordt hun eigenlijk tehuis. Ieder kinderfamilie heeft haar eigen traditie, haar eigen eer, haar eigen geheimen, zorgen, verrassingen, feesten op geboortedagen, enz.
De arbeid der verzorgden is natuurlijk van allerlei aard. Bij beurten moeten zij de straat vegen, het huisraad reinigen enz. In de werkplaatsen en op het veld arbeiden zij in groepen en onder toezicht der medehelpers. En alles wordt gedaan om den kleinen het werk te veraangenamen en hen van den ernst hunner bezigheden te overtuigen. Schoone spreuken en verzen prijken op de wanden der werkplaatsen: de schoenmakerswinkel is met de beelden van Hans Sachs en Jakob Böhme versierd. In het reeds genoemde feestboekje komen allerlei humoristische liederen voor, waarin ieder vak, door de kinderen van het »Rauhe Hausquot; uitgeoefend, bezongen en verheerlijkt wordt. Men looft prijzen uit; men zingt onder den arbeid; er ligt een vroolijke glans over het eenvoudige werk der kleine kolonisten. Wichern wilde, dat de schijnbaar geringste bezigheid zou verricht worden als een heilige dienst in het koninkrijk Gods, en was er op uit dit beginsel zijnen kweekelingen in te prenten. »Het komt er op aan,quot; zegt hij, »den kinderen de waarheid des Evangelies in vleesch en bloed over te brengen. Wij willen hun niet enkel leeren, dat het Woord Gods geest en kracht en
22
het alles doordringende zuurdeeg is, maar wij willen het hun toontn ook eiken dag. Zij moeten ervaren, dat dit juist de heerlijkheid is des nieuwen levens, dat het niets van het waarachtig menschelijke buitensluit, maar zonder uitzondering elke menschelijke ordening en verhouding in zich sluit, dat de ware godsdienst het aardschc leven verheerlijkt en met een heiligen zin van waarheid en liefde doortrekt.
Het onderwijs bekleedt, gelijk zich laat verwachten, in het gt; Rauhe Hausquot; een voorname plaats. De broeders zijn in 2 helften verdeeld, waarvan de ééne voormiddags en de andere des namiddags vrij is van den arbeid, om in dien tijd onderricht te ontvangen en zich daarop te kunnen voorbereiden. Het onderwijs der kinderen is naar den verschillenden leeftijd en de afwisseling van het saizoen geregeld. Het leerplan van het pensionnaat sluit zich aan dat van de Pruisische gymnasia aan; het onderwijs, aan de kinderen gegeven, komt met dat van de volksschool overeen. Wichern heeft de beteekenis van het onderwijs nooit gering geacht, doch overschat evenmin. En dat het in het gt; Rauhe Hausquot; van een gezonden godsdienstigen zin is doortrokken, behoeft nauwelijks gezegd te worden. Telkens worden er door de broeders conferenties gehouden, om allerlei belangrijke paedagogische eu godsdienstige vraagstukken te bespreken en elkander voor te lichten. Wichern zelf ging Jaren lang
23
hierbij voor, en gaf zoowel aan de helpers als aan de kinderen godsdienstig onderwijs. Later moest hij hiervan afzien. Doch de uitlegging der Heilige Schrift in de samenkomsten zijner huisgemeente en de leiding van het gezang, waaraan allen, wier stemmen eenigszins geoefend waren, deelnamen, heeft hij zoo lang mogelijk aan zich gehouden, 't Kwam geheel met zijn idealisme en de blijdschap van zijn geestesleven overeen, dit te blijven waarnemen. Want het was zijn streven, het leven in het fRauhe Hansquot; tegen het verzinken in mechanisme en dorre eentoonigheid te bewaren en het met den glans der poësie en der kunst te vergulden.
Hiervan getuigt ook de wijze, waarop het godsdienstig leven in zijne inrichting wordt geleid, üe bidzaal is een groote vierkante ruimte, waarvan de witgepleisterde muren zomer en winter met altijd frissche guirlanden van hulstbladen zijn versierd. Aan den eenen kant staat op een hoogte een stoel, voor den voorganger bestemd, een kleine tafel, waarop de groote huisbijbel ligt; aan den wand daarachter hangt een krucifix, aan de linkerzijde ontdekt met een beeld van Johannes den Dooper en aan de rechterzijde »de zegenende Christusquot; van Thorwaldsen. Vlak daartegenover bevindt zich een galerij met een klein orgel, en aan de buitenzijde der borstwering op consoles i de beide weesjongens van Rauchquot; met de onderschriften:
24
»zalig zijn de barmhartigenquot; en: sbidt en u zal gegeven wordenquot;. Hier komt de huisgemeente 's morgens en 's avonds bijeen. Er wordt gezongen, uit den bijbel gelezen en gebeden; de kinderen zeggen hun dagtekst op; de kranken en zij, die hun verjaardag vieren of de inrichting reeds verlaten hebben, worden in de gemeenschappelijke voorbede afzonderlijk herdacht. Op Zon- en feestdagen gaan allen in een naburige gemeente de openbare godsdienstoefening bijwonen. Als het Kerstfeest nadert, wachten de kleine harten op de verrassingen, die hun door de broeders onder den helder stralenden Kerstboom zullen overhandigd worden. In den vroegen Paaschmorgen trekt de gansche huisgemeente naar het kerkhof en doet hare opstandingsliederen ruischen over de graven van hen, die eenmaal tot het »Rauhe Hausquot; hebben behoord.
De inrichting viert behalve de kerkelijke ook hare eigene feesten. Iedere familie heeft haar gedenkdagen. Een prachtige zomerdag wordt uitgekozen om te zamen een groote wandeling te ondernemen. Men heeft in verschillende jaargetijden eeu kersen-, een appelfeest enz. Als het zangersfeest wordt gevierd brengt eerst het koor in de groote zaal eenige klassieke stukken ten gehoore. Daarna worden de honderde gasten, van heinde en ver saamgekomen, door trompetgeschal
25
opgeroepen om zich rondom den grooten kastanjeboom te vereenigen. De meeste broeders en knapen hebben den boom beklommen en zich in 't groene loover verscholen. Uit den weelderigen bladeren-dosch laten de vroolijke zangers dan het eene lied na 't andere over de bloeiende aarde ruischen. Straks trekt de gansche schare met bonte vanen naar 't open veld en allerlei vaderlandsche zangen worden aangeheven. En tegen den avond als het feest een einde neemt, ontbloot ieder der aanwezigen het hoofd en stemt in met het gt;Nun danket Alle Gottquot;.
Door samenkomsten als deze wordt onder de verschillende groepen van het «Rauhe Hansquot; het gevoel van eenheid gewekt en levendig gehouden. Ook die feestvieringen moeten naar Wichern's bedoeling dienen om de arme kinderen, die in allerlei onreinheid en gemeenheid waren opgegroeid, tot de heerlijkheid van des Zaligmakers liefde te trekken. En dit doel verliest hij nimmer uit 't oog. Alle vertakkingen van zijn paedagogischen arbeid loopen er op uit, gelijk de stralen van den cirkel is één middelpunt. Bij de intrede in het huis neemt Wichern ieder kind onder vier oogen, wijst het op de zonde en de ellende van het verleden en toont bet met kalmen ernst aan, dat het hier is gekomen om geholpen te worden en een
nieuw leven te beginnen. Al het vroegere zal
*
26
vergeven zijn en vergeten; niemand van de geheele inrichting behalve de huisvader en de helpers weet of zal ooit weten', welke zonden het vroeger heeft bedreven. Het ontvangt tot teeken van dezen nieuwen levensaanvang een nieuwen voornaam, waarbij het door broeders en kameraden genoemd wordt en kan op de hartelijkste deelneming en de warmste liefde van allen rekenen. Het »Rauhe Hausquot; heeft niets van een gevangenis en er wordt gezorgd, dat de kinderen, die er worden opgenomen, van meet af hiervan de verzekering hebben. Geen hooge muren, geen gesloten poort, geen uniform, geen strafregister. Het noodige opzicht, dat aan de broeders is opgedragen, wordt niet door geweld maar met den ernst en de teederheid der zoekende liefde uitgeoefend. In het mysterie der liefde ligt de gansche macht van Wichern's paeda-gogiek. De broeders trachten zich in de gemoedstoestanden der aan hun zorg toevertrouwde kinderen zooveel mogelijk in te leven. Zij slaan Iran verborgen zieleleven gade, helpen hen strijden en overwinnen, voeren hen met de vaste hand van den kundigen stuurman door de gevaarlijke klippen der innerlijke verzoekingen heen naar een veilige haven. Zij zijn op het veld of in de werkplaats bezig hun kwee-kelingen te leeren arbeiden voor het dagelijksch brood; zij spelen met hen sans gêne op het groene grasperk, zij geven hun onderricht in schrijven en
27
rekenen, dit is de buitenzijde van hun arbeid, doch onder dit alles schuilt een machtig streven om de zielen der kleinen te behoeden, van het kwade te reinigen, in stilte te zegenen en zoo op te leiden tot het eeuwige leven. Er moet geen God in de hemel zijn, indien dat werk der needrige barmhartigheid onvruchtbaar kan blijven!
Wichern's arbeid begon spoedig veler opmerkzaamheid tot zich te trekken. Van alle zijden stroomden de bezoekers toe om zijn stichting in oogenschouw te nemen. Zelfs een koningin, Karolina Amalia van Denemarken, betrad tweemaal het ⢠Rauhe Hausquot; en niet lang na haar tweede bezoek kwam nog een koningin - zegt het feestboekje -wel niet een heerscheres over aardsche landen, maar ala er ooit koninginnen hier beneden in het koninkrijk Gods geweest zijn, dan was zij er ééne van - Elisabeth Fry. En naarmate de belangstelling in Wichern's pogen toenam, werd hem steeds ruimer gelegenheid geschonken om ook naar buiten de kracht der reddende liefde, die iu het «Eauhe Hausquot; haar middelpunt vond, te openbaren. De ouders der kweekelingen uit Hamburg en omstreken werden geregeld door de broeders bezocht, die hen van den toestand hunner kinderen op de hoogte hielden en zoo menigmaal aanleiding vonden hen onder de beademing van het Evangelie te brengen. Hen, die de inrichting hadden verlaten.
28
bleef men zoolang mogelijk met raad en daad bijstaan, ten einde te voorkomen dat zij wederom door de verleidingen der wereld werden mede-gesleept. Wichern zelf hield bijbeloefeningen en voordrachten in zijne vaderstand en deed al wat hij vermocht om ijver en liefde te wekken voor het koninkrijk der hemelen. De flinke organisatie van den arbeid der inwendige zending, zooals die thans te Hamburg bestaat, moet als een vrucht van zijn krachtig optreden worden beschouwd. Door zijn talrijke geschriften, waarover wij hier niet kunnen uitweiden, bracht hij de resultaten van zijn arbeid onder de oogen van het christelijk publiek, dat onwillekeurig met eerbied voor zijn onbaatzuchtig streven werd vervuld. De »Fliegende Blatterquot; vlogen Duitschland door en predikten den geloovi-gen met aangrijpenden ernst, dat de tijd gekomen was om eendrachtig de handen aan 't werk te slaan. Op predikanten vergaderingen en overal, waar zich hiertoe de gelegenheid aanbood, trad hij op om voor gevallenen en verwaarloosden een beroep te doen op het medelijden van de kinderen Gods en hen tot het oprichten van vereenigingen voor de inwendige zending aan te sporen. En als hij daar stond, de slanke gestalte eenigszins voorovergebogen, de diepe blauwe oogen onder het krullend blonde haar op zijn toehoorders gericht, als hij zoo sprak in korte volzinnen, zonder
29
rhetorische figuren eu na elke uitspraak eenige oogenblikken zwijgend, alsof hij wilde zeggen; gt;ik ga niet verder, voor dat uw geweten mij gelijk geeft,quot; dan kon men gevoelen, dat het ook van hem gold in den vollen zin des woords: »de liefde van Christus dringt mjj!quot;
De politieke gebeurtenissen van het jaar 1848 en de veranderingen, die zij in 't leven riepen, waren voor den arbeid van Wichern van hooge beteekenis. De geweldige omkeering der staatkundige verhoudingen, het groote gevaar, dat de kerk bedreigde, de verschrikkelijke onthulling van de sociale ellende in den schoot der christenheid, dit alles moest veler oogen voor het belang eu de noodzakelijkheid der inwendige zending openen. Elke openbaring van heidensche ruwheid en misdaad was een nieuwe opwekking om met ijver aan de redding van gevallenen en verdoolden te arbeiden. Men begreep, dat de tijd van ledige theorieën voorbij was en de tijd van handelen aangebroken. »Ieder woord,quot; schrijft Wichern in een artikel: gt;revolutie en inwendige zendingquot; in het Maartnummer '48 van de Fliegende Blatter, «moet een daad worden, elke daad een machtig en aangrijpend woord. In de wereld des vleesches is het reeds zoover gekomen; in de wereld des geestes en des geloofs moet hetzelfde geschieden. Het éénige, dat wij noodig hebben, is moed, te
30
midden van vrienden en vijanden. En die moed ontbreekt ons niet. Onze moed is de zekere en blijvende overwinning, Christus is onze kracht, otize vaste grond, waarop wij staan; Zijn troon blijft onbewegelijk, Zijn zwaard onoverwinnelijk. In Zijne kerk is Zijne gemeente nog niet verdwenen. Het vaandel des Heeren opgestoken! en een schare van strijdgenooten zal zich er omheen verzamelen.quot;
Het doel van Wichern was de afzonderlijke ver-eenigingen voor de inwendige zending, die over geheel Duitschland verspreid waren, met elkander in organisch verband te brengen. De zelfzucht provincialiseerde ook de reddende liefde; en daaraan moest een einde komen. Op de kerkvergadering der Evangelischen te Wittenberg, September '48 gehouden, had hij een uitmuntende gelegenheid om deze zaak ter sprake te brengen. Men was saam-gekomen om zich gezamentlijk voor God te verootmoedigen, de belangen van kerk en staat te bespreken en zoo mogelijk een alliantie van de kerken der hervorming tot stand te brengen. Wichern gelukte het nauwelijks voor de inwendige zending op het program een plaats te krijgen. Maar reeds den eersten dag der vergadering wist hg te bewerken, dat den volgenden middag deze zaak ter tafel zou worden gebracht. Toen hield hij in de slotkerk te Wittenberg zijne beroemde
31
redevoering, die de boven de graven van Luther en Melanohton verzamelde menigte aangreep en door het gansche land weerklonk als het geklank der bazuin. »Het is noodig,quot; zoo riep hij uit, »dat de Evangelische kerk erkent: »de arbeid der inwendige zending is mijn,quot; dat zij een groot zegel op dezen arbeid drukke: »de liefde behoort aan mij, evenals het geloof!quot; De reddende liefde moet in de kerk branden als de heldere fakkel Gods, die aantoont, dat Christus in het volk een gestalte verkregen heeft. Evenals zich de geheele Christus in het levend Woord Gods openbaart, zoo moet Hij zichzelf ook in de daden Gods prediken, en de hoogste, de reinste, de meest kerkelijke van deze daden is de liefde. De Evangelische kerk moet hare roeping erkennen en vervullen, een bond der reddende liefde te zijn. Niet enkel in het levend Woord Gods, ook in de wereldover-winnende daad Gods moet Christus tot het volk teruggebracht worden.quot; Toen hij voorstelde den arbeid onder den naam; gt; inwendige zendingquot; begrepen, te verklaren voor een zoodanigen, die de konferentie zich behoorde aan te trekken, stond de gansche vergadering als een éénig man op en sprak met ten hemel geheven handen haar Ja en Amen uit. Den volgenden dag werd reeds tot de vorming van een zelfstandige commissie voor de inwendige zending der Evangelische kerk besloten.
32
Van alle zijden vernam men van mannen, vrouwen en jongelingen, die zich met geestdrift bereid verklaarden aan het werk der barmhartigheid deel te nemen. En in December kon Wichern verklaren: »Het jaar'48 is voor de inwendige zending een heraut des levens geworden. Zij heeft bijna overal in het vaderland groote en machtige helden des geeates voor zich gewonnen. Dat heeft God gedaan, die de volken richt, dat heeft de Heer gedaan, die Zijn volk liefheeft.quot;
Wichern, die tot lid van de zoo even genoemde commissie voor inwendige zending was benoemd, heeft van 't jaar '48â51 een groot deel van zijn tijd met reizen doorgebracht. Van allerlei plaatsen in Noord- en Zuid-Duitschland ontving hij uit-noodigingen om over onderwerpen, de inwendige zending betreifende, het woord te voeren. En zooveel mogelijk voldeed hij hieraan met groote bereidwilligheid; gedurende het jaar 50 heeft hij in 30 steden een voordracht gehouden. Hij was destijds een veertiger. Zijn haar was reeds vergrijsd, naar men meent, tengevolge van de zenuwhoofdpijn, waaraan hij veel leed. In zijn groote blauwe oogen lag een stille gloed, zij konden schitteren in den zachten glans van hartelijke vriendelijkheid of vroolijken humor; zij konden bliksemstralen schieten, die de verstorvene schaamte in 't leven terugriepen en de schaamteloosheid op de vlucht dreven;
zij konden vlammen in heilige geestdrift, ja nu en dan in hartstochtelijke heftigheid. Hij was groot van gestalte, zijn houding eenigszins gebogen en zijn gang slepend. Zijn verschijning had iets aristokratisch, iets gebiedends zelfs als hij op de tribune stond en met kracht het woord voerde. Onder zijn portret heeft hg zelf de spreuk geschreven: »Dit is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof.quot; Daarmede wilde hij aan het kloek vertrouwen, waarmede hij arbeidde, een uitdrukking geven, maar het herinnert tevens onwillekeurig dat hij den aanleg om te heerschen en te gebieden in de wereld had mede gebracht. Wel stond zijn gansche persoon onder de tucht des Heiligen Geestes maai de neiging tot het despotische openbaarde zich soms in een olympischen toorn, vooral als hij lijdend was, of men het waagde zijn lievelingsdenkbeelden te bestrijden.
In het jaar '51 werd aan Wichern door de theologische fakulteit te Halle het doctoraat in de godgeleerdheid verleend (1). Toen hij onverwacht het diploma ontving, liep hij in diepe ontroering, met een kreet van verrassing de kamer uit. Na zijn terugkeer sprak hij met groote bescheidenheid
(I) Wichern heeft den wetenschappelijken titel; uDoctor der Theologiequot; nooit aanvaard, maar zich slechts dien van ⢠Doctor der Heilige Schriftquot; laten toekennen.
34
over de eer, die hem was te beurt gevallen, en verklaarde hij zich hierdoor tot meer trouw in den dienst der Evangelische kerk verplicht te gevoelen. Aan de bewoners van het gt;Rauhe Hausquot; werd de verrassing bekend gemaakt met de opmerking, dat allen den huisvader even als te voren; »Mijnheer Wichernquot; zouden blijven noemen. En daarbij is het ook altijd gebleven.
Als lid en later als voorzitter van de centraal-commissie voor de inwendige zending heeft Wichern veel goeds tot stand gebracht, 's Winters reist hij geregeld om de veertien dagen van Hamburg naar Berlijn om hare vergaderingen bij te wonen. Van hetgeen door circulaires, uitzending van evangelisten, ondersteuning van christelijke instellingen enz. verricht wordt, heeft hij bijna altyd de leiding in handen. Zijn ijver laat zich door niets verdooven. Nu spreekt hij te Elberfeld op den Kirchentag over de christelijke philanthropie in Engeland en hangt een huiveringwekkend tafereel op van de ellende, die met eigen oogen des nachts onder geleide van een paar politieagenten in de achterbuurten van Londen heeft aanschouwd. Dan doet hij op uitnoodiging van de regeering een inspectiereis door Pruisen, om de gevangenissen en verbeterhuizen te bezoeken en voor een nieuwe organisatie van het gevangenisstelsel gegevens te verzamelen. Pan weder is hij te Lübeck om een redevoering
35
te houden over den dienst der vrouwen in de gemeente. Zoo werkt hij onvermoeid voort, en overal, waar hij komt, worden de zaden van den arbeid der liefde gestrooid, die straks ontkiemen en opwassen en heerlijke vrucht beloven.
Door wat in het jaar 1857 gebeurde heeft de levensrichting van Wichern een niet onbeduidende wijziging ondergaan. Reeds vroeger had zijn arbeid de opmerkzaamheid getrokken van koning Friedrich Wilhelm IV, die zelfs den wensch had te kennen gegeven den stichter van het »Rauhe Hausquot; te zien en te spreken. Door allerlei omstandigheden was hiervan echter niets gekomen. Broeders van het «Rauhe Hausquot; waren voor de evangelisatie in de Pruisische gevangenissen aangeworven, Wichern had de opdracht ontvangen de gestichten tot verbetering van misdadigers rond te reizen, hij was door den koning benoemd tot lid van een comité, waardoor allerlei gewichtige kerkelijke vraagstukken aan een grondig onderzoek werden onderworpen -doch hierbij was het tot nu gebleven. Toen kwam in 't jaar '57 de eervolle benoeming tot Oberkon-sistorialrath, medelid van den Oberkirchenrath en adviseerend lid in het ministerie voor de zaken van het gevangenis- en het armenwezen. Tevens werd echter door de regeering uitdrukkelijk verklaard, dat het haar doel niet was Wichern te scheiden van het werk der liefde, waaraan hij zich
36
tot nu toe had gewijd. Na ernstig beraad werd deze roeping aanvaard. Des zomers zou Wichern te Horn zijn verblijf houden en des winters te Berlijn.
Over de vraag of deze beslissing voor de rechte mag gehouden worden, is veel gestreden. Dit is zeker, dat Wichern zich door het aannemen van zijn hooge betrekking te Berlijn veel moeite en verdriet heeft op den hals gehaald. Het »Rauhe Hausquot; leed hierdoor geen directe schade. Reeds te voren had Wichern toch een goed deel van zijn taak aan zijn medebestuurders in handen moeten geven. De gelegenheid bleef altijd open om over gewichtige zaken zijn oordeel in te winnen. En als hij des zomers te Horn was, ging er van zijn persoon gedurig nieuwe eu bezielende kracht in zijn stichting uit. Doch hij gevoelde tevens, dat door zijn telkens wederkeerende afwezigheid en het behartigen van andere belangen, het onmiddellijke contact met het leven van het »Rauhe Hausquot; en zijn persoonlijke verhouding tot de nieuw opgenomen broeders en kinderen van lieverlede de innigheid van vroeger verloor. Daarbij kwam, dat hij van zijn veel omvattenden arbeid als Oberkirchen-rath niet veel genoegen beleefde. Beschouwde hij het als zijn voorname taak aan de inwendige zending een eervolle plaats in de kerkelijke organisatie te verzekeren, hij kon naar de bereiking
37
van dit doel niet streven zonder allerlei teleurstellingen te ondervinden. Niet alleen werd hij door sommigen bepaald tegenwerkt en door enkele publicisten met spot en laster overladen; vooral de verlammende invloed, dien het bureaucratisch stelsel, â waaraan hij te Berlijn was onderworpen, op zijn pogen uitoefende, bracht den man, die aan autocratie gewoon was, dikwijls in een moedelooze en sombere stemming. Stelde hij b.v. de eene of andere heilzame regeling voor, dan werd er door het heirleger van koninklijke ambtenaren zoolang gerapporteerd en geadviseerd en geamendeerd, dat zij onkenbaar werd en hare oorspronkelijke frisch-heid en bedoeling nagenoeg geheel had verloren. Die ellendige bureaucratie was, gelijk hij zelf zegt, de groote machine, die met hare scherpe tanden hem dagelijks het vleesch van 't lichaam scheurde. Nochtans is hij ook hier niet zonder vrucht werkzaam geweest, en heeft hij inzonderheid ten opzichte van het gevangenisstelstel zegenrijke hervormingen tot stand gebracht.
Als een gedenkteeken van zijn kloeken ijver moet nog het »Johannesstiftquot; in de nabijheid van Berlijn vermeld worden. Het plan om ook in de buurt van de hofstad een inrichting als het »Rauhe Hausquot; te doen verrijzen, was bijna 10 jaren lang besproken, voordat er een begin van uitvoering aan gegeven werd. In het voorjaar van '58 trad Wichern
38
voor een talrijke vergadering van belangstellenden op om in details een beschrijving te geven van het gesticht, dat men voorloopig in een gehuurd lokaal nabij de cellulaire gevangenis met 12, hiertoe uit het gt;Rauhe Hausquot; overgekomen, broeders wilde openen. Naar Johannes zou 't worden genoemd, omdat deze Apostel boven alle anderen door den Heer was waardig gekeurd de diepten der liefde Gods te ervaren, te kennen en te verkondigen. Wichern wist de aanwezigen, waaronder de kroonprins, de tegenwoordige keizerin en de groothertogin van Baden zich bevonden, met warme geestdrift voor zijn plan te bezielen. Ruime bijdragen kwamen van alle zijden toestroomen. De koning zelf, die wegens ziekte de vergadering niet had kunnen bijwonen, zond een gift van 10000 thaler, waarvoor Wichern hem in persoon zijn eerbiedigen dank ging betuigen. Zoo kwam de zaak spoedig tot stand. De Johannesbroeders hielden zich met het verplegen van armen en verwaarloosden. Evangelisatie en krankenbezoek bezig; vier van hen gingen zelfs in 't jaar '61 naar Sidon om zich aan 't hoofd te stellen van een hospitaal, voor de Syrische christenen opgericht. Drie jaar later werd een stuk land van circa 80 morgen aangekocht, waarop men 't eene huis van liefdadigheid naast 't andere zag verrijzen. De eerste vier woningen waren bestemd voor kinderen, die door de gevolgen van
39
den Sleeswijk-Holateinschen oorlog hulpbehoevend waren geworden, voor de nagelatenen, zooals het luidde, van »onze verminkte en gesneuveldequot; helden. In 't jaar 66 was het gansche gesticht voltooid. Geheel in denzelfden trant als het «Rauhe Hausquot; ingericht, heeft zich later het »Johannesstiftquot; zeer voorspoedig ontwikkeld en voor de inwendige zending rijke vruchten afgeworpen. Beroemde mannen, op staatkundig of godgeleerd gebied van groote beteekenis, achtten het een eervolle onderscheiding in het bestuur zitting te mogen nemen.
Toen in het jaar '64 de oorlog uitbrak toonde de broederschap van het gt;Rauhe Hausquot; en het »Johannesstiftquot; zich nanw met het nationale leven en lijden verbonden te gevoelen. Met 12 broeders, waarbij zich later nog 16 anderen voegden, nam Wichern zelf aan den veldtocht deel. Om alles met goede en ditmaal met militaire orde te doen geschieden, had hij zich eerst tot den minister van oorlog gewend, en diens autorisatie voor den arbeid der helpende liefde weten te verkrijgen. Den commandeerenden generaal, prins Friedrich Karl, legde hij zijn plan voor en vond bij dezen de meest welwillende ondersteuning. Er werd een dagorder uitgevaardigd, waardoor de aanvoerders der verschillende corpsen de noodige aanwijzingen ontvingen, en zij met het onderscheidingsteeken der broeders, een witte band met het roode kruis
40
om den linkerarm, werden bekend gemaakt. Op allerlei wijze is4 deze missie der barmhartigheid der oorlogvoerende armee van dienst geweest. De troepen, die in de kantonnementen lagen, werden van lektuur voorzien. Van het Nieuwe Testament en Thomas a Kempis' bekende werk 'â de navolging van Christusquot; werden onder manschappen en officieren verscheiden duizend exemplaren verspreid. Papier en enveloppes en, waar 't noodig was, warme onderkleeren werden aan de soldaten verschaft. De broeders trachtten met hun proviandwagen zoo dicht mogelijk de linie der voorposten te naderen, begaven zich in de loopgraven vlak bij de vuurspuwende batterijen en aarzelden niet, in den dichsten kogelregen de vermoeide strijders met spijs en drank te verkwikken. «Gij zijt rechte broeders, want gij hebt ons uit het vuur gehaaldquot;, zoo luidde de lofspraak der gewonde soldaten, die door hen bij de Düppeler schansen met groot levensgevaar uit het strijdgewoel naar de tenten werden gedragen.
Hetzelfde herhaalde zich in 't jaar '6fi. Aangezien destijds slechts weinig broeders disponibel waren, riep Wichern vrijwilligers op om zich tot een velddiakonie te vereenigen; 300 mannen, voor 't meerendeel uit den beschaafden stand, verklaarden zich bereid. Van deze hebben ruim 100 als helpers in de lazaretten onder gewonden en
41
choleralijders of als geestelijken en evangelisten dienst gedaan. En als getuigenis van hun trouw moge hier herhaald worden, wat de berichtgever van de gt;Nationalzeitungquot; uit het hoofdkwartier mededeelt. Na geklaagd te hebben over de toeristen, die slechts uit lust tot avonturen op het tooneel van den oorlog rondzwerven, zonder de hand tot hulp uit te steken, gaat hij aldus voort: »Des te weldadiger doet het aan de stille en eenvoudige wyze op te merken, waarop zoo vele goede menschen den nood trachten te lenigen. Onder hen munten vooral een aantal jonge mannen uit, die zich als velddiakenen aan de krankenver-pleging gewijd en in elk opzicht bijzonder gezegend gewerkt hebben. Als zij hier den arbeid hebben verricht, zullen zij naar het vaderland terugkeeren om hun studiën te voltooien of hun taak in school, kerk of huisgezin weder op te vatten; er zal van hen niet verder gesproken worden en het zou hun bevreemden, zoo het anders ware; maar het is te hopen, dat hun volgend leven verwarmd en verlicht worde door het besef, met eigen gevaar ter wille der liefde Gods te hebben wèl gedaanquot;.
Toen de Fransch-Duitsche oorlog uitbrak, toog Wichern met vernieuwden ijver aan het werk. Honderden gaven aan zijne oproeping gehoor om vrijwillig de strijdende, gewonde en kranke zonen des vaderlands te gaan dienen. Veertien kolonnes,
42
ieder van 20 man, met een ziekenwagen en al wat verder tot verpleging van kranken en gekwetsten noodig was, trokken naar het oorlogsterrein. Wicbern gaf in de »Fliegende Blatterquot; geregeld verslag van wat door zijne velddiakenen tot leniging van den nood werd verricht. De oorlog kwam van hem zelf en de zijnen een kostbaar offer eischen. Zijn jongste zoon Louis, die van den beginne af dapper had meêgevochten en ongedeerd was gebleven, kreeg den 3 December bij Orleans een schot in de dij; hij zonk neder, gelijk hij zelf aan zijn ouders liet schrijven. God dankende voor al de genade en weldadigheid, hem zijn gansche leven bewezen. Hem dankende ook hiervoor, dat hij thans voor zijn vaderland mocht lijden. De wonde werd aanvankelijk niet voor doodelijk] gehouden. Spoedig echter verergerde de toestand van den gekwetste en was alle hoop op 't behoud van zijn leven verdwenen. Op 't Kerstfeest vierde hij nog met zijn broeders het Heilig Avondmaal, dat hem gereikt werd door een zijner vrienden, die aanstonds op 't bericht van zijn verwonding uit het vaderland te hulp was gesneld. Een paar dagen daarna ontsliep hij en ging heen in het rijk van eeuwig leven en eeuwigen vrede. En hij liet zijn ouders de bede achter: gt;niet te klagen zonder altijd eerst te danken voor de rijke en onverdiende genade, door God aan hem betoond.quot;
43
Door het verlies vau zijn dierbaar kind werd Wichern ten diepste geschokt. Maar hij beschouwde het als zijn aandeel in de smartelijke offerande, die het volk in zijne op het slagveld gevallen jongelingsschap had moeten brengen, opdat het innerlijk zou leeren sterven en tot een nieuwe toekomst zou kunnen herleven. Hij vergat ook midden in het lijden de vreugde over de behaalde zege niet, en vergat evenmin in de blijdschap over het nieuwe Duitsche rijk den blik hooger en verder te richten op het koninkrijk der hemelen. Van dat koninkrijk moest, naar hij meende, het nieuwe keizerrijk, niet zijn vromen keizer aan het hoofd, de herberg worden, Europa en de gansche wereld ten zegen. En tot het einde toe bleef hij het als zijn eere beschouwen aan de bereiking van dat grootsche doel te mogen medewerken.
Intusschen - de braven sterven ook. De stichter van het »Rauhe Hausquot; heeft gewerkt zoolang het dag was, en van wat door hem op quot;t gebied der inwendige zending is verricht, van wat door hem over de bestrijding van allerlei zonden in het maatschappelijk leven is gesproken, zou nog menige belangrijke bijzonderheid kunnen meegedeeld worden. Doch ook voor dezen held der liefde kwam de nacht, wanneer niemand werken kan. Gode zy dank! het is een heerlijke troost te weten, dat voor niemand, die in de liefde leeft, deze doodsnacht
44
daalt vóór dat hij zijne taak in deze wereld heeft volbracht. Toen Wichern in October '71 in de garnizoenskerk te Berlijn een referaat hield over de sociale kwestie, was het voor zijne vrienden en vereerders smartelijk te zien hoe hij met gedempte frischheid en gebroken kracht het spreekgestoelte betrad, tegen zijn gewoonte in een schriftelijk geconcipieerde rede voorlas, en de vergadering, in plaats van gelijk voorheen, aan zijn lippen te hangen zoo onrustig en ongeduldig werd, dat de voorzitter zijn gezag moest laten -gelden om de orde te handhaven. De rustelooze, schier onafgebroken inspanning van den man, die zich zelf nimmer spaarde, had hem reeds sedert vele jaren telkens wederkeerende hevige hoofdpijn bezorgd. Smartelijke levenservaringen hadden bovendien in ^
den laatsten tijd op zijn reeds verzwakt gestel een nadeeligen invloed uitgeoefend. Van het verlies van zijn jongsten zoon, die in Orleans aan zjjn wonden bezweek, heb ik reeds melding gemaakt.
Zijn jongste dochter, die met haar man naar Noord-Amerika was vertrokken, leed aan een ongeneese-lijke zielsziekte. De echtgenoot van zijn tweede dochter. Prof. Friedrichs, die van een reis naar Cyprus, Palestina en Griekenland was teruggekeerd,
ging tijdens de October-vergadering, zoo even vermeld, met rassche schreden zijn einde te gemoet. Nog eenmaal te Halle voerde Wichern met kennelijk
i
45
vernieuwde kracht als rapporteur van de centraal-commiasie voor de inwendige zending het woord. Doch deze opleving was van korten duur. In het jaar '72 onttrok hij zich aan de bezigheden, waarvoor hij jaren achtereen den winter te Berlijn had doorgebracht. En van toen af bleef hij in het »Rauhe Haus,quot; de stichting, die hij lief had met al de kracht zijner ziel.
Met het overschot zijner krachten hoopte hij nog de broeders en de kinderen te dienen, zooals hij het eenmaal in de volle veerkracht zijner jeugd had mogen doen. Doch het duurde niet lang of er ontwikkelde zich bij hem een ziekte, die hem lichamelijk en geestelijk voor eiken arbeid ongeschikt maakte. Zeven zware lijdensjaten hebben dit leven van moeielijkeu arbeid besloten. Het was een bange tijd van verdrukking voor den vermoeiden pelgrim, een tijd van groote, maar tegelijk heerlijke offers voor de liefde van zijn vrouw en kinderen. Terwijl hy in den beginne nog de dage-lijksche godsdienstoefening der zijnen leidde, verloor hij later dikwijls het spraakvermogen, en zag men hem nog slechts de lippen bij het gebed bewegen. Den bijbel had hij dagelijks in handen en ook nog over ongelezen boeken was zijn aangezicht gebogen. Waarlijk! het behoort tot de raadselen der goddelijke voorzienigheid, dat dit zware lijden den man, die zich in den dienst van God en menschen had afgewerkt, aan handen en voeten, naar ziel en lichaam
46
gebonden hield. Hem zelf ontbrak echter te midden van zijn duisternis de verkwikking van het aangezicht des Heeren niet, zijn innerlijk en verborgen leven ontving licht en troost uit de diepten der eeuwigheid. Dit blijkt uit een kostbaar document, dat eerst aan 't licht is gekomen, nadat hij de oogen had gesloten, en dat onder meer de volgende woorden bevat; igt;Als God besloten heeft mij tot zich te nemen, zoo zult gij, mijne geliefden, weten, dat 't mijn éénige bede is, dat ik zalig worde, tot Hem kome en in Hem vrede vinden. Ik heb Hem altijd beleden maar in groote zwakheid. Hij zal mü echter mijne zonden vergeven: daarop rust al mijn hope, ter wille van Zijn liefde en van de daad Zijner liefde, ter wille van het bloed, dat ook voor mij vergoten is. Hij zal mij daar met allen, die ik heb liefgehad, vereenigen gelijk Hij Joh. 17 ge-
Den 7 April '81 's middags om half 'i, ontsliep de lijder bijna 73 jaar oud. De ooggetuigen van zijn lijden hebben zijn levensavond een zevenjarig sterven genoemd. In de laatste weken had zijn lijden een hoogte bereikt, die met alle menschelijke beschrijving spot. Daarom klonk ook bij de omstanders, bij de diepbedroefde gade en treurende kinderen door allen weemoed de dankzegging tot God heen, dat Hij aan den nood een einde had gemaakt, en Zijn trouwen dienstknecht van het lijden dezes tijds had verlost.
47
In de bidzaal van het »Rauhe Haus,quot; waar zijn mond tallooze malen van het allerhoogste had gesproken, stond den lln April zijn lijkkist, met palmen en kransen bedekt. Een groote schare was van heinde en ver toegesneld om de begrafenisplechtigheid bij te wonen. Vele eu voorname sprekers, waaronder de. hofprediker Dr. Baur (1) ala vertegenwoordiger der Duitsche Keizerin, voerden in de bidzaal en op het kerkhof het woord. Onder gezang en bazuingeklank werd het lijk door de broeders naar den akker der dooden gedragen en in het familiegraf bijgezet, waarin reeds Karl en Amalia Sieveking waren begraven. In hen, die bij het graf hun droefheid en dankbaarheid te kennen gaven, zag men, zegt Krummacher, als het ware een lichamelijke recapitulatie van den arbeid zijns levens. Met hen werden duizenden in en buiten Duitschland door het afsterven van dezen ijverigen arbeider in 's Heeren wijngaard ten diepste getroffen. De keizer en de keizerin, de groothertog van Mecklenburg en de hertog van Saksen-Altenburg gaven schriftelijk hun deelneming te kennen. De keizer o. a. schreef: »een werkzaam leven is besloten, maar dank en zegen blijven den afgestorvene volgen over het graf. Door de werken van christelijke liefde, waaraan hij in ware vroom-
(1) In het »Kirchliche Monatschriftquot; verscheen onlangs een redevoering door Baur over ïWichern en de inwendige zendingquot; te Darmstadt gehouder..
48
heid al zijn kracht wijdde, heeft Wichern zich zelf een onvergankelijk gedenkteeken opgericht. De trouw echter, die hij aan mijn zaligen broeder, koning Priedrich Wilhelm IV en mij betoond heett, verzekeren hem ook in mijn hart eene eervolle herinneringquot;.
Slaan wij nu nog even een blik terug op de menigvuldige werkzaamheden van den man, dien wij hier zagen sterven, dan doet zich de vraag voor; welke was de band, die al deze rustelooze bemoeiingen vereenigde, de bron, waaruit zij voortkwamen? En het antwoord op deze vraag is niet moeielijk te vinden. Het komt ons overal, waar wy zijn arbeid gadeslaan, van zelf te gemoet. Het waa de sterke drang der liefde, die uit het geloof in den Heiland der wereld en de persoonlijke ervaring van de reddende en dienende liefde Gods was geboren, het was de heldere overtuiging, dat de tegenwoordige christenheid het noodig heeft, tot deze werkzame liefde krachtig opgewekt en aangevuurd te worden, het was het vaste besef, een persoonlijk charisma en de historische roeping te hebben ontvangen om met woord en daad de noodzakelijkheid, den zegen en de zaligheid van den arbeid der liefde te prijzen. Wichern's leven had geen ander doel dan dit; den geest der inwendige zending in de harten der geloovigen op te wekken, de handen der geloovigen in beweging te brengen en zoo in de kerk een nieuw leven der liefde te
49
doen ontwaken, dat in staat zou zijn de krankheden des geloofs te genezen en den dood van het ongeloof te overwinnen. Zijn getuigenis is niet vruchteloos geweest. Op het kerkelijk leven, op de theologische wetenschap, op de sociale en politieke beweging van zijn tijd heeft hij ontegenzeggelijk een vrjj- en vruchtbaarmakenden invloed uitgeoefend.
Daareven zeide ik - de braven sterven ook. Dat woord trek ik terug. Neen de braven sterven niet. Zij leven voort bij hun God, zij blijven leven ook in deze wereld. De werken, die de kinderen der liefde hier in den geest der liefde hebben verricht, doen eerst nog een heerlijke, verlossende kracht der liefde van zich uitgaan, voordat zij hen naar het rijk der liefde volgen. Wichern spreekt nog nadat hij gestorven is. Hij heeft tot u en tot mij gesproken in deze oogenblikken. Zijn levensgeschiedenis roept ons toe, zij het niet te vergeefs: gt; Mijne Broeders, de tijd van krachtelooze theorieën en ledige klanken is voorbij, de eeuw van de daad is aangebroken: laat het werk der inwendige zending u heilig zijn; toont, dat God liefde is en Zijne liefde in uwe harten heeft uitgestort!quot;
Op de kust van Northumberland verheft zich - gelijk S. Smiles ergens mededeelt - op een hooge driehoekige rots het oude kasteel van Bamborough, In vroeger dagen was het een sterkte tegen de invallen van de Schotten. Sedei't eenige tijd echter wordt het gebruikt als een toevluchtsoord voor
50
schipbreukeliugen. Schipbreuken nu komen daar op de kust vele malen voor, en uit het oude kasteel wordt de meest mogelijke hulp verleend. Er worden vertrekken gereed gehouden voor een dertigtal zeelieden. Er wordt een voortdurende patrouille langs het strand gehouden, zoodra het stormachtig weer is, en komt er een schip in 't gezicht, dan maakt men de reddingsboot gereed. Bij mistig weder worden de klokken geluid om de schepen van de kust af te houden. In 't kort, het ruwe, oude kasteel is een barmhartige Samaritaan geworden, en staat daar aan de kust als een machtig beschermer. Het heft het hoofd uit de branding, en gelijkt een wachter rondziende over de wilde zee. In den nacht rijzen zijn donkere torens met majesteit op naar den hemel. De zee woelt om zijn donkere muren, de eeuwen knagen aau zijn steen, doch er binnen blijft het licht der liefde schijnen.
Zoo is het Christendom aan 't strand dezer wereld. Mijne Broeders, laat ons tot de patrouille der wakende liefde behooren. Laat ons mede de noodklokken luiden en de reddingsbooten gereed houden. De zee is onstuimig! De drenkelingen zijn. vele! Ieder zij op zijn post! Ieder zij getrouw!
Kotteruam, Augustus 1882.
Bij de Drukkers en üoekverkoopers M. Wijt amp; zonen zijn verkrijgbaar de voJgende Kleine Stukjes.
|
Cents. ö. De jonge Hutbewoonster... 22^ 7. Opwekking te Elberfeld____05 8. De lersche boer........... 10 9. Elisabeth Cunningham..... 15 10. John Robins, de matroos... 10 12. Kolonel Jacob Gardiner.... 15J 14. De Bode met goede tijding. 15 15. Jansje Allan.............. 15 16. Zonderlinge tusschenkomst der Voorzienigheid........07 17. Levensber. van Amelia Gale. 07 J 19. De geschied, v, Mary Smith. 12$ 20. De Dorps-predikant....... 10 21. De waarheid van het Evang. 10 22. Kracht des geloofs........ 10 24. Laatste uren v.John Cowper. 10 25. Het einde van den tijd..... 10 27. Wie zijt gij ? Wat hebt gij te doen ?................ 10 29. Eben-Haëzer inLatakko... 10 30. Indiaansche bekeerlingen .. 10 31. De Christen-feesten........ 05 82. Verhaal van 2 predikers... 07^ 33. De tijd en de eeuwigheid.. 10 34. Kort en heilzaam berigt... 10 35. Johan Coenraad Ter Linden 07^ 36. Een beroep op het hart.... 12$ 37. De landman in den Elzas... 10 38. Sterfgevallen van zeven bekeerde heidenen.......... 10 39. Levensloop van C.L.Töpfer 07^ 40. Eenige bijzonderheden uit het leven van Morrison..... 15 41. LydiaS..................07^ 42. Hugo Bourne............. 07^ 43. De christelijke viering van den Zondag............... 05 44. Henri Obookiah........... 10 46. Het bezoek bij een kranke.. 15 47. Brieven van een'leeraar ... 15 48. Polycarpus............... 10 49. Als God werkt, wie zal dan keeren ?............... 15 50 De Soldaten-dochter....... 51. Het gelukkige sterf bed.... lö 53. De ?ast zonder bruiloftski. 07$ 54. Treffend voorbeeld........07| 55. Levensschets v. Blumhardt, .15 56. Hadara................... 04 57. De oude geneesheer....... 10 |
Cents. 58. De roepstem des Heeren ... 15 59. Anna Walsh..............07^ 60. Eerste zend. te St. Thomas. 15 61. Thirza....................20 64. Kenmerk, v. een kind Gods. 07^ 65. Overtuiging verwaarloosd.. 12J 67. De onbekende zendeling .. 04 68. Mevrouw Rump ff. ................10 69. Opmerkelijke leiding Gods 07 72. Ged. over de eeuwigheid .. 07J 73. Maria ......................................10 74. William ...................07^ 75. De Christen in het gasthuis 03 76. Lord Teignmouth................10 77. Leven van Schwartz.....08 78. Wie zoekt die vindt..............05 79. Levensb. van een'soldaat .. 05 80. Pacalsdorp ...............07^ 82. Zachéüs....................................08 84. Bekeering v. A. H. Franke. 04 85. Blandina ................................07^ 86. Rede van een grijsaard ... 07$ 87. Het huisgez. te Haeterdale. 15 89. Aarons dood ..........................15 91. Leven van Chrysostomus .. 07A 92. Het géheimzinnige in den Christen ..................................05 93. Jacob Wilson ........................15 94. De eerste kerkgang ............10 96. Overeenk. Christel. Godsd. 05 97. Zendingsgave ........................15 98. De zwarte knecht........10 99. Waarschuwing tegen valsche overleggingen........................10 100. De bedelaar..............05 101. Samuel Mills..........................05 102. Triomfboog van Titus .... 06 103. Zijt gij gelukkig?..................07i 104. Uit-en inwendige zending 05 106. De waarde van het gebed. 07$ 107. Samuel Crowther.........07$ 108. Catharina Philips........07$ 109. Goodluck Day............07$ 110. De toestand der heid.vrouw 07$ 111. Middel om rijk te Avorden. 04 112. Eene oude beproefde raad . 12$ 114. Ra-Poor-Negro..........05 115. De zendel. onder de heid. . 05$ 117. De Christen-vrouwen der Apostolische eeuw........06 |
|
118. Christina en Esther....... 06 167. 120. De verhoogde Heer....... 05 168. 121. De zegenrijke vrucht van 169. een rijksdaalder.......... 02 170. 122. Opw. tot h. werk der zend, 05 171. 123. De Baron Dhijhern....... 07^ 172. 124. Een woord tot aanbeveling 173. der zendingszaak......... 07^ 125. De toekomende wereld.... 05 174. 127. Eene uit duizend........ 06 175. 128. Eene Martelaarsgeschied. 05 1176. 129. Een Rabbi die rust zoekt |177. by Christus............. 05 1178. 130. De Christin geroepen tot 179. deeln. aan de zendingzaak. 05 180 132. De onfeilbare gids....... 10 jl81. 133. Wien te hoorenV........ 07^182. 134. Eene zwaar beproefde ge- 183. loofsheldin............... 074} 184. 135. Marianne, de Bijbelver- 185. spreidster van St. Giles.. 10 186. 136. De dochter v. d. Landman 12*187. 137. De hoop des christens .. 07| 188. 139. Kunt gij altijd van Jezus 189. zwijgen V................ 06 190. 140. Het werk v. kleine Jessie. 07J 191. 141. Liefde voor liefde....... 05 192. 142. Heilig leven, zalig sterv. 07^ 193. X43. Een sterfb.in den vreemde 07^ 194. 144. Iets uit het leven eener zendelingsvrouw. 3e brief 05 195. 145. dito. 4e brief. 05 196. 146. Levensg.v.e.Ierschc knaap 07^197. 147. De Thermometer......... 05 198. 148. Toespraak............... 05 199. 149. Eeneuitn.helpsterd.zend. 07^ 200. 150. Niet verre.............. 06 201. 151. Wateen reisverh, kanuitw. 05 202. 152. Een blik in deJav. huish. 05 203. 153. Het '/Onze Vaderquot;....... 05 204. 154. Clement Carow.......... 12J 205. 155. Een Israel, tot Chr. gebragt 05 156. Schoone plaatsen uit de |206 schriften van 3 Kerkvaders 07i 207. 157. Gidion.................07è 208. 158. Uit onze Brieventasch ... 07^ 159. Dankt God in alles...... 05 209. 160. Een andere Oom Tom ... 05 210. 161. Zeventig jaren.......... 06 162. DeSoldaat en de Landverh. 05 211. 163. Getuig, omtrent degodsv. 212. en het leven der christenen 04 213. 164. 2 tafereelen uit het leven en werken van een zendel. 07è 214. 165. Eenzaam maar niet verlaten 07$ 166. Uit onze BrieventaschII. 07^ |
Cents. Mededeel, van Ulfers I. 07$ idem idem 11. 07| Over zendingmethode 1.. 10 idem idem 11.. 10 Het kruis der bespotting. 07è Over zendingmethode 111. 10 De Zending onder de volken der aarde. 1. Europa.... 07i Dito. II. Azië. 1. West-Azië 07$ Tollenaarsbede.........05 De zend.il.2. Japan enChina 07$ Dito. 3. Achter-Indië 07$ Bij een Ziekbed......... 05 De zend. II. 4. Eng.Indië 07$ Hung-Sui-Tschuen, enz... 07$ Dezend.11.5. Ind.Arcbipel 07$ Toespr. door Ds.H. L.Vinke 07$ Mededeeling.van v.d.Liefde 07$ dito dito 07$ De Kerstavond..........07$ De Zending. III. 1. O-Afr. 07$ Een vertrouwelijk gesprek. 06 De Zending. 111. 2. Z-Afr. 07$ Verderft het niet, enz---- 10 Barmhartigheid..........07 De Zending.Ill 3 W-Afrika 07^ J.F.Riedel. Eenlevensb.1 10 De Zend. IV. 1 N-Amerika.. 07$ Levensber.van J.E.Jellesma 17$ ook in 3 afzonderl. stukjes a 06 Een blik o/d gescb.v.d. Zend. 5 J, F. Riedel.Eenlevensb.11 12$ idem idem 111 7$ idem idem IV 7$ idem idem V 10 De Zend. IV. 2. Z.-Amer. 7$ De Hut bij de Hoofdkerk.. 5 J.F.Riedel. Eenlevensb. VI 10 idem idem VII 7$ De Zending. V. Australië.. 7$ Toespraken door Ds. D. P. M. Graswinckel......... 7$ Hubert Duifhuis ........ 7$ Sarah Martin............ 5 Eene dierbare overledene herdacht................ 7$ Een Christelijk Klaverblad De steen van het graf. Paaschvertelling.......... 7$ Schetschen u. d. Minahassa 5 Donkere uren,.......... ⢠05 Strijd tusschen belijdenis en leven................. 05 Vader Johannes en* zijne kinderen................06 |